Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: De mannen van '80 aan het woord - Een onderzoek vaar eenige beginselen van de "Nieuwe-Gids"-school.
Author: d'Oliveira Jr., E., 1886-1944
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "De mannen van '80 aan het woord - Een onderzoek vaar eenige beginselen van de "Nieuwe-Gids"-school." ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



[Transcriber's Note:

There were a LOT of inconsistencies in spelling, accents, hyphenation
and use of quotation-marks. I decided to make it as consistent as
possible, while trying to stay as close as possible to the scans.

Where hyphenated and non-hyphenated versions of a word co-existed in the
text (within lines) I converted to the hyphenated version, as those
versions were by far the most common.

The use of the grave and acute accents (almost exclusively for emphasis
in spoken fragments) was so inconsistent that there was no real bias to
be found. I changed these to modern Dutch use, i.e. acute on long (use
of) vowels and grave on short.

I tried to mess with the spelling as little as possible. 'bizonder' and
'bijzonder' and their variants were changed to 'byzonder' as this was
about 50 times more common. 'Lodewijk van Deyssel' was spelled as
'Deijssel' in the index only. That was corrected.

There were more mismatched (double) quotes than I cared to count. Some
spoken paragraphs were not quoted at all. I have done the best I could,
and made the following changes where mismatches occurred: Spoken
paragraphs all start with double quotes ("). They only end on double
quotes if 1) The speaker changes, or the next paragraph is non-spoken
text. 2) They are at the end of a chapter. This is how modern written
Dutch (and I believe English) handles it.

Eric Casteleijn]



"DE MANNEN VAN '80 AAN HET WOORD"


EEN ONDERZOEK NAAR EENIGE BEGINSELEN VAN DE "NIEUWE-GIDS"-SCHOOL


DOOR E. D'OLIVEIRA



HISTORIE VAN DIT BOEKJE.


De samensteller ging uit van de meening, dat een auteur,--al dient hij
instinctief het schoone,--met name in onzen tijd zich bewust behoort te
zijn van zijn positie als geestelijk leider, van de roeping zijnen
artistiek voelenden medemenschen een beter leven, een waardige taak voor
te houden met zijn Kunst.

Achter iedere uiting van taalkunst is derhalve een persoonlijkheid te
zoeken, die vereerd wordt, wijl de tegenstelling tusschen Idee en
Natuur, die den gemiddelden fijngevoeligen mensch kwelt, in hem--en
onmiddellijk daarna in zijn kunst--tot verzoening is geraakt. Deze
tegenstelling wordt in elke beschavingsperiode voelbaar in een vorm die
voor deze periode typisch is:--de verzoening, die het echte kunstwerk
vervult, is te beschouwen als vóórbewuste levenswijsheid van een
bepaalde Cultuur.

Treedt nu de criticus op in de eerste plaats als middellaar tusschen
publiek en 's schrijvers persoonlijkheid, dan kan een deel van de
samenleving zich aan diens leefkunst spiegelen:--vóórdat de wijsgeer ze
tot voorbijgaand moment heeft gemaakt van een gedachtensysteem, dat--als
zoodanig--het practische leven vliedt.

De schrijver zag in zijn omgeving elementen genoeg voor een
samen-werking als hier geschetst. En de zuivere totstandkoming er van
achtte hij een zoo groot beschavingsbelang, dat hij niet opzag tegen een
langdurig en bewerkelijk onderzoek naar de mogelijkheid. In de eerste
plaats ging hij tot "De mannen van '80", een stel auteurs, door het
volksgeweten en door eigen keuze tot één groep gerekend, maar, zooals
uit het vervolg wel blijken zal, met sterk uiteenloopende gezindheden
... een "school" niettemin aan wier invloed thans geen pen-voerder van
naam in ons land ontkomen is.

Hij stelde hun zijn vragen niet zoo beslist als hij--blijkens het boven
weergegeven inzicht--wel kon: immers hij wilde weten, wie hunner "uit
eigen beweging", krachtens persoonlijkheid en verleden, zijn taak als
letterkundige opvatte gelijk hij zich die had voorgesteld.

Men bedenke ook, dat hij tegenover vreemden stond en niet rechtstreeks
zijn vragen kon richten op 't allerintiemste van hun zieleleven en
-overtuiging. Men wete verder, dat hij niet altijd verlof kreeg àlles te
vragen wat hem voor den mond kwam.

In de schetsen, die hij later van zijn gesprekken met deze geestelijke
voorgangers vervaardigde, ontmoet men het vraagpunt waarvan hij uitging
dan ook min of meer verbrokkeld. Maar in den eigenaardigen loop dien het
onderhoud telkens nam--deze betoonde dit punt, gene een ander--kwam de
geestesaanleg van den behandelden auteur getrouwelijk tot uiting. Het
aandeel dat de ondervrager aan 't gesprek had werd slechts weergegeven,
voor zooverre hij daadwerkelijk de leiding behield--wat hij
liefst vermeed.

Het ware den samensteller gemakkelijker en wellicht aantrekkelijker
geweest: zijn indrukken om te zetten in romantisch-getinte schetsjes van
wat hij op zijn kunst-reis ondervond. Van begin af echter was er iets in
hem dat zich daartegen verzette. En nu hij het geheel overziet, kan hij
slechts dankbaar zijn, zich gebukt te hebben voor de overweging die hem
drong op de zaak te letten en op niets als de zaak. Beter dan in andere
omstandigheden kan nu de lezer zijn gedachten laten gaan over de
boven-historische lijn, welke verbindt een Van Deyssel, die de
eenzaamheid lief heeft; met een Emants, die in 't gemeenschaps-leven een
"baantje" zoekt òm zijn waarneming frisch te houden; en een Vermeylen,
die gemeenschapstaak en artistieke wenschelijkheid niet gescheiden
houdt; de lijn welke van een Van Deyssel, die de kunst wil òm de kunst;
gaat naar Emants, die 't taalschoon als "middel" tot allerscherpste
verstandsuiting schijnt te voelen, en Vermeylen, die kunst een
afspiegeling wil doen zijn van een "schoon en gezond leven". Door zijn
rubriceering heeft de samensteller getracht: vergelijking uit andere
gezichtspunten dan de hier aangeroerde van dienst te zijn. Maar de
vraag, hoe elk schrijver dacht over de verhouding van zijn
persoonlijkheid tot zijn werk en zijn invloed op de maatschappij:
beheerschte de rangschikking van deze opstellen, welke stuk voor stuk
het motto "Kunstenaar en Samenleving" tot ondertitel kunnen voeren.

Breedere uiteenzetting van verschillende beginselen ware geenszins
onmogelijk geweest, misschien zelfs wenschelijk; de samenleving echter
stelde, via den uitgever, zijn eischen aan den omvang van dit boekje.
Ook is een poging om op één punt grondiger in te gaan mislukt, doordien
de heer Alberdingk Thijm in de gelegenheid was, mij gedurende de
voorbereiding van dezen herdruk te ontvangen. Maar de oplettende lezer
vindt van ieder der hier behandelde schrijvers een schoone, gevoelvolle
waarheid: weergegeven in diens eigen woorden. Deze waarheid was de
grondslag van al zijn streven. Wie ze begrijpt is nader gebracht tot 's
schrijvers werk en bedoelingen.

Deze opstellen maken aanspraak op den roep van groote nauwkeurigheid en
onpartijdigheid. Intusschen acht ik mij bij dezen tweeden druk
verplicht, ernstig te waarschuwen tegen de dwaling, dat hier eigenlijk
een verslaggever doende is, die met vaardig stift meeningen en
opmerkingen, àl interviewend, genoteerd heeft en deze nu kalmweg met wat
draperie er om heen zijn ietwat gehaaste lezers voorzet. Ik ken de
oorzaken van deze schromelijke vergissing en zal haar verder niet
aanvechten. Liever gedenk ik hier een vriendelijk lezer, die mij een
exemplaar van dit boekje voorlegde, doorspekt met cijfertjes en
verwijzingen, en mij toonde hoe hij iederen uitspraak van den eenen
schrijver (zelfs uitspraken die aanvankelijk van weinig beteekenis
schenen) had getoetst aan overeenkomstige gedachten van alle anderen.
Wie zijn inzicht wil verrijken in de mate welke dit bescheiden boekje
geven kan, hij volge dit voorbeeld! Hij zal zien dat hij hier te doen
heeft met een geheel, dat door talrijke vezeltjes wordt
saamgehouden,--ook al heb ik mij beijverd, ieder onderdeel
zelfstandig te laten.

Bijna zonder uitzondering hebben de hier sprekend voorgestelde
schrijvers mij, ongevraagd, hun instemming met mijn schetsjes (die zij
uit handschrift of drukproef kenden) doen blijken. Behalve Netscher (die
alles aan mij overliet) hebben àllen mij raad en voorlichting gegeven,
waar ik in woordkeus of in nuanceering van een bepaald standpunt soms
twijfelde. De ter zake kundige lezer weet hoe een klein woordje te onpas
aangebracht of weggelaten een heelen zin dood kan maken of ... laten;
hij zal dan ook de waarde van deze hulp ten volle kunnen waardeeren en
ook de mate van mijn erkentelijkheid.

Ik ben gelukkig met de sympathie, die de in dit boekje begonnen taak
bij onze geestelijke leiders heeft gevonden; aan deze sympathie heb ik
het zeker voor een deel te danken, dat deze grooten mij--leerling--zoo
uitvoerig te woord hebben willen staan.

Heb ik--ten slotte--gevonden wat ik eigenlijk zocht? De vraag
beantwoordt zichzelf. Indien alles precies zóó ware ingericht als ík
persoonlijk het wenschte, (daar schrijvers deze eigenaardigheid hebben,
dat ze hun meening ... niet voor zich houden, ware dit mij zeker niet
verborgen gebleven)--dan hadd' ik met mijn onderzoekingstocht nooit een
begin gemaakt. In hoeverre het geestelijk leven van onze natie aan mijn
schema beantwoord, de lezer beoordeele dit voorloopig zelf. Aan het slot
van een eerlang te verschijnen vervolg, dat een latere schrijvers-
"generatie" zal behandelen en dat ook een synthese van het
geheel zal bevatten, hoop ik mijn meening hierover duidelijk te zeggen.
Doch reeds nu vinde hier de verzekering plaats, dat ik de weken, aan
deze kunst-reis besteed, tot de zeer gelukkige in mijn leven tel.

D'OLIVEIRA.



LODEWIJK VAN DEYSSEL


[Illustratie: K. J. L. ALBERDINGK THIJM (Lodewijk van Deyssel)]



K.J.L. ALBERDINGK THIJM


(LODEWIJK VAN DEYSSEL)

_Baarn_.

"Hoe vaart u, meneer? Aangenaam u te zien. Heeft u den weg alleen kunnen
vinden? Een kruier genomen, zegt u? Wel, dàt is aardig. Ja, u hebt
gelijk, ik woon hier wel wat afgelegen. Maar ik zal u straks een weg
aanwijzen ... die is misschien wel een beetje langer, maar die heeft 't
voordeel, dat u niet missen kùnt.... Zoo, wilt u nu misschien even
mee komen?"



EERSTE INDRUK.


Ik had mij gedroomd den Van Deyssel van de portretten, den tot zich zelf
gekeerden, met donkeren blik en borsteligen baard.... Ik had gedacht,
dat hij onbeweeglijk zou tronen in het halfduister van een wijd vertrek
met lood-gevatte ruitjes en langs de wanden hooge boekenstapels. Stil
zou hij daar zitten aan zijn breede tafel, de nerveuse hand slechts even
heffend uit zijn baard, om mij met een korten, forschen wenk een plaats
te wijzen ... dan weer zonder spraak, norsch wachtend tot ik wat zou
zeggen.... De eenzame, die zoo hatelijk kan zijn als een koude
stormnacht, die kan grijnzen als een satan en die een poosje later,
neen! tegelijkertijd, kan glimlachen zoo innig als een eerste
lentemorgen en de zon kan aanroepen als een kweelend vogeltje, dat
licht omhoog zich werpt in de wazige lucht....

En was dàt nu Van Deyssel? die vriendelijke, voorkomende, gezellig
babbelende heer, met zijn stijven knevel en zijn netjes
gladgeschoren kaken?

--"Zoo, wilt u nu misschien even mee naar boven komen? Ik zal u maar
voorgaan, niet waar? Past u op, het is hier wat donker, en voordat u in
de gang komt, moet u nog een treedje op. Bent u er? Prachtig. Nu hier
maar binnen."

Als men in Van Deyssel's werkkamer komt is men niet heelemaal op zijn
gemak. Men voelt zich beklemd bij de gedachte aan den taaien strijd, die
hier zoo vaak werd gestreden, en men verbeeldt zich ... luister!...
"Toen ben ik gaan wezen alleen met mij zelf, en heb mij in wanhoop
bekend, dat ik de gedachte nooit zou zien, haar nooit zou weten en
kennen, nooit, nooit voor mij de gedachte.... Ik houd van schrijvers,
die lang-uit erge mooie, errege groote zaken schrijven, van schrijvers
met volumineuze, dikke, breede, zware zinnen.... Ik houd van woorden,
die op mij aanstormen ... als ... kom eens hier, Janneman ... je bent
heelemaal niet geleerd...."--men verbeeldt zich, dat er van onder het
gele lampe-schijnsel fragmenten van zinnen en rythme van zwaar-gehouwen
proza, verward, vaag, onwezenlijk komen aangemurmeld.

En al heb je nu ook jaren verlangd eens één enkel keertje bij hem, bij
hèm, te mogen zijn, heelemaal op je gemak voel je je niet. Maar....

"Gaat u toch zitten. Wou u wat meer in het licht komen? Om
aanteekeningen te maken? Zoo, dat is heel aardig. U dòe maar! Een
sigaar? Nee, ik vind uw vragen niet onbescheiden.... Welnee, heelemaal
niet. Vraag u maar gerust."

En je bent plotseling verlost van je beklemming, en zoo blij, zoo blij!

Dan Van Deyssel, doodkalm, met een vriendelijk gezicht aan het
vertellen. Van tijd tot tijd komt hij bijna in opwinding. Niet heelemaal
... want dat doet-ie niet in gezelschap. Maar een klein beetje. Als het
zoover met hem is, buigt hij voorover uit zijn leunstoel en slaat zijn
zware witte hand driftig op en neer:



VAN DEYSSEL'S DEBUUT.


"Ik ben van een familie van auteurs. Ik zag mijn vader altijd schrijven,
en toen ben ik het ook maar gaan probeeren. En toen was er ... wacht
eens, in welk jaar was dat? ... in '79 of '80 zoowat, toen verscheen
er.... U moet weten, mijn vader had een tijdschrift: "De Dietsche
Warande" ... en ik had veel Fransche auteurs gelezen.... En toen kwam er
in 'n ander tijdschrift een artikel van dr. Schaepman; tegen Victor Hugo
was dat gesteld. Ik was toen zestien jaar ... ik voelde mij juist een
groot bewonderaar van Hugo.... Toen voelde ik mij geroepen, om daar een
lang artikel tegen in te gaan schrijven: "De eer der Fransche meesters".
Bij die gelegenheid bracht ik ook den naam Van Deyssel in de wereld.
Mijn artikel lokte heel wat polemiek uit; niemand wist van wien het was
en de grappigste veronderstellingen liepen daarover. Ik was toen nog
heel jong feitelijk, en aan mij dacht niemand. Op mijn verdediging kwam
natuurlijk weer een antwoord; de zaak trok de aandacht van de pers,
tijdschriftartikelen en brochures werden geschreven en de geschiedenis
heeft wel een jaar geduurd.

"Dat was een aardig debuut ... ja ... omdat sommige menschen dachten, dat
mijn vader het was ... en daardoor werd er meer werk van gemaakt dan
anders misschien wel het geval zou geweest zijn. Die "Dietsche Warande"
had maar heel weinig abonné's en verscheen niet eens op gezette tijden.
Nu, als er dan eens wat byzonders in stond, dan had mijn vader het
gedaan, dachten de menschen. Die dr. Schaepman heeft in sommige van zijn
artikelen alleraardigste beelden gebruikt. Zoo wist hij b.v. te
vertellen, dat ik "den pauwstaart van mijn ijdele belezenheid had
uitgezet" en toen ik mij over Bossuet, u weet: de zeventiend' eeuwsche
Fransche prediker, toen ik mij daar in minder prijzende woorden over had
uitgelaten, schreef hij, dat ik "het hondje speelde tegen monumenten."

"Nu, dat is toen altijd zoo door blijven gaan. De menschen vonden mijn
schrijverij blijkbaar heel aardig--en ik werd verschrikkelijk
hoogmoedig, "'t Zal dan wel je roeping zijn en zoo moet het maar
blijven," dacht ik.

"Toen leerde ik kennen, degenen die redacteur van de "Nieuwe Gids" zijn
geweest. Dat was in 1882. Het eerst Van der Goes, u weet wel, die later
socialist is geworden. Dat was hij toen nog niet ... dat begon pas een
jaar of tien daarna."



"EEN LIEFDE."


Mijn eerste roman "Een Liefde", ben ik begonnen op zeventienjarigen
leeftijd. Ik heb daar heel lang over geschreven en hij is bij
tusschenpoozen ontstaan. Daar heb ik, op verschillende tijdperken, aan
gewerkt van mijn zeventiende tot mijn een-en-twintigste jaar zoowat. Van
1881 tot 1885.

Ja, dat is heelemaal verzonnen. Het spreekt van zelf, dat je bij het
scheppen van je personages wel eens denkt aan menschen, die je hebt
ontmoet of aan dingen, die je hebt gezien. Dat gaat nu eenmaal niet
anders. En bovendien, ik wilde de dingen vertellen, wel niet zooals ze
wáren gebeurd, maar dan toch zooals ze zouden kunnen gebeuren.



IMPRESSIONISME.


Mijn bedoeling was: te geven "Impressionisme in de literatuur", zooals
ik het genoemd heb. Vooral voor het plastische gedeelte dan. Dat idee is
vooral bereikt in het dertiende hoofdstuk. Wat de lengte betreft, is dat
zonder eenige verhouding tot de andere hoofdstukken. Die manier van
schrijven brak toen als 't ware lòs.

Frans Netscher was toen dien kant al opgegaan. Die schreef toentertijd
heel mooie novellen in dien trant. Hij was stenograaf in de Tweede
Kamer, en ik herinner me dat juist, omdat hij in een van zijn opstellen
de Tweede Kamer beschreef. Dat trof mij sterk, dat boekje van dien
Netscher, want ik voelde verwantschap met wat ik zelf wou. In de
"Amsterdammer" van 1881 heb ik toen nog een stukje geschreven om er de
aandacht op te vestigen. Het bundeltje heette: "Studies naar het naakt
model". Het was wel niet precies mijn bedoeling, maar het ging toch in
dezelfde richting.

Ik dweepte in die dagen met Zola. En toch wilde ik heel wat anders doen
dan hij gedaan had. Ik wilde mijn werk locaal-Hollandsch maken en mijn
verwantschap toonen met de groote negentiend' eeuwsche schilderkunst.

Mijn psychologie komt langs den weg van observatie en gedachte. Ik heb
er nooit wetenschappelijk-psychologische werken voor bestudeerd. De
schrijvers van wetenschappelijke boeken op dit gebied, de
geneeskundigen, ontleenen hun stof tòch voor een groot gedeelte aan
romanschrijvers....



DE "ONVOEGZAAMHEDEN" IN "EEN LIEFDE."


Mijn eerste boek dan, werd uitstekend ontvangen. Het was maar een kleine
oplaag, 500 exemplaren geloof ik, maar zij was dan ook in eenige maanden
uitverkocht. Ja, wat nu de critiek betreft, er stonden in mijn roman
enkele ... onvoegzaamheden. Om mijn theorie te doen zegevieren, had ik
allerlei zaken zonder de minste schuchterheid behandeld. Maar ik denk,
dat mijn uitgever het handschrift aanvaard had, zonder het eerst eens
door te lezen. Ik had al eenige bekendheid als weekblad-schrijver: "Een
Liefde" verscheen in het najaar van 1887, en van 1882 af had ik al aan
journalistiek gedaan. Nu zagen de menschen er een manifestatie in van
den bekenden weekblad-schrijver en iets geheel nieuws in de literatuur.
Ook had ik in 't voorjaar van 1886 een brochure doen verschijnen, het
bekende geschriftje "Over Literatuur", en dat kan beschouwd worden als
een soort van inleiding, een introductie tot mijn grooter werk, dat
daarin dan ook al aangekondigd werd. De uitgever was er door mijn
bekendheid min of meer ingeloopen en dat merkte hij al heel gauw. Want
zijn confraters lieten hem geen rust ... ze toonden zich byzonder boos
over de nog nooit vertoonde vrijheid in de schildering van zekere
toestanden, die ik me had veroorloofd en die hij de wereld had
ingestuurd. Toen ik nu bij hem aanklopte om een tweeden druk, wou hij
daar zoo gemakkelijk niet toe overgaan en liet niets van zich hooren.
Eenige jaren later kocht de firma Scheltema & Holkema 'n paar
fondsartikelen van mijn uitgever ... daar was mijn werk ook bij, en bij
die gelegenheid heb ik eenige plaatsen niet òmgewerkt, maar geschrapt
... en dat niet zoozeer onder aandrang van het publiek, zooals men wel
eens beweert, maar omdat ik het zelf veel beter zoo vond. Die plaatsen
detoneerden uit 'n letterkundig oogpunt beschouwd, ze leken mij niet in
overeenstemming met 'n goeden literairen smaak. En dat komt precies uit!
Ik heb u immers al verteld, waarom ik zoo erg vrij was geweest in mijn
manier van schrijven, in de keuze van de onderwerpen, die ik
gedetailleerd beschreef? Niet? Louter en alleen om de theorie te
demonstreeren. Ik was nog in mijn prille jeugd, toen ik daarmee begon.
En precies om die reden viel het mij wel gemakkelijk, afstand te doen
van sommige passages, die ik, letterkundig gesproken, fout vond.

Mijn liefde voor Zola bleef natuurlijk, hoewel de vurige bewondering
zich langzamerhand had omgezet in hoogachting.

Mijn roman "De Kleine Republiek" is van niet veel later. Hij werd
geschreven in 1888 en mijn bedoeling was toen nog altijd dezelfde
gebleven: het impressionisme te brengen in de literatuur. Het groote
verschil met "Een Liefde" zit hem wel hierin, geloof ik, dat er in mijn
tweede boek minder hoogten en laagten voorkomen. Het is meer egaal
gebleven. Voor wie houdt van hooge, vurige opwellingen, voor die is "Een
Liefde" weer aardiger. Maar in "De Kleine Republiek" is het evenwicht
meer bereikt, zou ik zeggen.



L'ART POUR L'ART.


Ik heb altijd willen geven: de kunst om de kunst zelf. Dat is naar mijn
meening óók wat een componist, een schilder, een beeldhouwer bedoelt met
zijn werk. Ik heb mij altijd beschouwd als geboren proza-schrijver, en
voor het maken van verzen, zelfs van vrije verzen, heb ik nooit veel
gevoeld. Toch geloof ik zeker, dat sommige kunstenaars zich beter
uitdrukken in vormen, die al bestaan ... Ik kan dat het best vergelijken
met dansen. Op enkele uitzonderingen na, bestaan de gebruikelijke dansen
al. En iemand, waarvan men in het algemeen zegt, dat hij mooi danst, is
iemand, die bestáánde dansen uitmuntend uitvoert.



VAN DEYSSEL GEZELLIG.


"Mag ik u nog een kopje thee inschenken? Dit is zeker ùw kopje? Wat?
hebt u nog geen thee gehad? Heb ik vergeten u te geven? Och, wat
spijt me dat."

--"Ik zou van deze gelegenheid om u te onderbreken wel graag gebruik
maken om u een paar vragen te stellen. Hebt u wel eens moeite gehad met
uitgevers? Moeite in den ruimsten zin des woords?"

"Jawel. Met mijn eerste boek niet. Dat was, zooals ik u al zei, direct
geplaatst. Dat kwam door mijn bekendheid. Niet doordat de uitgever het
erg eens was met mijn richting in de literatuur. De man dacht: "Hij is
bekend, en hij zal dus wel goed van de hand gaan."

"Maar met mijn tweede boek heb ik een verschrikkelijke
lijdensgeschiedenis beleefd. Ik weet niet meer, wie mij dien raad
gegeven heeft, maar ik ben er mee gegaan naar een klein uitgevertje,
zijn naam schiet me nu niet juist te binnen, en ik heb mijn werk doen
uitgeven voor eigen rekening. De man was eigenlijk meer drukker dan
uitgever. Ik woonde toen in België en alles werd per correspondentie
gedaan. Dat ging uitstekend: de proeven kreeg ik tijdig en het boek
verscheen ook op zijn tijd: Maar op een gegeven oogenblik, meneer, kreeg
ik drie brieven van menschen, die het boek wilden koopen, en het nergens
krijgen konden. En de uitgever beweerde, dat het was uitverkocht. Ik
vond dat heel aardig, en vroeg hem een afrekening. Hij gaf mij een
overzicht, goed en wel, maar dat ding kwam in de verste verte niet uit.
De helft van de exemplaren was maar vermeld. Toen ben ik naar hem
toegegaan, en ik vond stapels bestellingen liggen, die hij niet had
uitgevoerd. Het was 's mans vak ook niet. En ik moest er een advokaat
bij halen, die er per slot van rekening nog niets van terecht bracht.
Later is het boek ook bij Scheltema & Holkema gekomen."

Van Deyssel's spreektaal heeft iets eentonigs, iets byzonder gewoons.
Als men in gesprek met hem is, merkt men niets van zijn geweldig
vermogen: de woorden precies op hun plaats te zetten, niets van de rake
woordkeus, die zijn geschriften kenmerkt, niets ook van zijn kwistigen
woorden-rijkdom. Mij dunkt, hij kan geen goed redenaar zijn, en niet de
gesproken geluiden heeft hij in zijn macht, maar de innerlijke klanken,
die niet worden uitgegalmd. Hij heeft, als veel schrijvers, het zich tot
gewoonte gemaakt: conventioneele uitdrukkingen te vermijden, nieuwe
woordgroepen te zoeken, altijd maar nieuwe woordverbindingen, die in
kleur overeenkomen met de dingen en de gedachten, die hij wil beelden.
Dit geeft zijn manier van zeggen een karakter van onbestemdheid: men
voelt aanhoudend en zeer diep: dat hij aan het tasten is, dat het ieder
oogenblik kan hokken ... men wordt ongerust. En toen ik daar voor hem
zat, en dit nog niet had overdacht ... wilt ge wel gelooven, lezer, dat
ik soms meende: den echten Van Deyssel niet te zien?

--"Ik had mij u eigenlijk heel anders voorgesteld," begon ik. "En ik
denk wel, dat heel veel menschen zich een ander idee van u maken, dan ik
hun nu zal kunnen geven."



DE "OUDE" VAN DEYSSEL.


"De menschen kennen mij uit mijn hartstochtelijke periode. Uit den tijd,
dat je iedereen, die niet werkt naar je zin, beschouwt als aanrander van
het ideaal. Ieder, die den hartstocht voor het schoone in zich heeft,
zal mijn woestheid van vroeger verontschuldigen niet alleen, maar ook
begrijpen, dat het goed is: de menschen zoo eens te lijf te gaan.... Is
dat nu werkelijk waar, wat u zegt? Zijn er menschen, die denken, dat ik
niet kan lachen? U leert mij nu toch wel van een andere zijde kennen,
nietwaar? En bovendien, er zijn, meen ik, in mijn "Verzamelde Opstellen"
toch wel artikelen, waar vroolijke zetten in voorkomen. Maar die zal men
dan zeker beschouwen als een kwaadaardig grijnzen, en het heeft er dan
ook soms wel iets van.... O, in mijn jeugd heb ik wel tijden gekend, dat
ik heel weinig lachte. Toen was ik vervuld van een heiligen ernst, en
dat is ook mooi...."

--"Bent u overigens van oordeel, dat men uw optreden juist geappreciëerd
heeft?"

"Ik weet het niet. Ik spreek zoo weinig menschen. Het is mij niet zoo
dikwijls gebeurd, een lezer te ontmoeten, die buiten de literatuur en
buiten de pers staat. Maar als je wel eens zoo'n gewonen doorsnee-lezer
spreekt, dan krijg je de wonderlijkste dingen te hooren. Dan merk je
wel, dat je boeken met een heel ander idee gelezen worden, dan je er
zelf in wilde leggen. Iedereen denkt, dat ik iets wil propageeren,
buiten de kunst als zoodanig om. Toen ik de "Kleine Republiek" deed
verschijnen, vroegen de menschen mij: "O, u is zeker tegen kostscholen?"
Omdat ik in mijn werk een kostschool op een realistische manier had
beschreven. Dat is absoluut onjuist. Dan zou ik tegen àlles zijn, ten
slotte. Ik zeg ook niet, dat ik voorstander ben van kostscholen, maar ik
beweer, dat het een heel andere quaestie is."



SCHRIJVER EN PUBLIEK.


Het blijkt mij, dat men mij leest om de vreemdste redenen. Als ze een
roman niet lezen om de tendenz, dat komt het meeste voor, dan doen ze
het om eens te verifieeren of sommige plekken in ons land, waar ze ook
geweest zijn, overeenstemmen met mijn beschrijvingen. Of het uitkomt,
begrijpt u? Net als de menschen, die een museum bezoeken om te kijken of
de beenen van een figuur op een schilderij te lang zijn, en of de
kostuums wel overeenkomen met een opgave, die ze in een geschiedenisboek
hebben gevonden. Zoo heeft een criticus van mijn werk "Een Liefde"
opgemerkt, dat ik daarin vermeld een kind, dat ik liet spreken toen het
pas een maand of zes was. U moet goed begrijpen, wat ik nu zeggen ga:

Ik acht het niet wenschelijk, dat zoo iets voorkomt in een roman. Maar
ik vind, dat het er uit een oogpunt van kunst heelemaal niet toe doet.
Zoo iets kan ik een zeer oppervlakkige fout noemen, een kleine
onjuistheid. Maar het is er heelemaal niet om te doen, een zoo correct
mogelijk samenstel van dergelijke feiten te geven. Het is mij er om te
doen, den lezer een reeks tafereelen te vertellen, die hem als
voorstelling in zijn verbeelding aangenaam moeten aandoen. Het is
natuurlijk ook wel heel aardig als er geen drukfouten voorkomen in een
roman, maar ik vraag u, doet een drukfout, of doen hònderd drukfouten in
een boek iets af of toe aan de kunstwaarde er van? Ik schrijf om de
menschen hoog genoegen te verschaffen. En wanneer ik nu wel eens heel
moeilijke dingen schrijf, met vreemde, wellicht verwròngen
woordverbindingen dan moet men daar niet uit afleiden, dat het publiek
mij niet kan schelen en dat ik dat alles maar voor mij zelf en alleen
voor mij zelf doe, of uitsluitend voor de literatoren.



EERST MOET ZIJN WERK HEM GENOT SCHENKEN.


"Maar, indien ik van mijn werk wil verwachten, dat het anderen genot
verschaft, dan moet ik eerst zèlf van dat werk een groot genot
ondervinden. En is het eenmaal zóó ver, dan zend ik het de wereld in, in
de hoop, dat er zooveel mogelijk anderen zijn, die er evenveel genoegen
aan zullen beleven."

--"Maar voelt u er dan niets voor, den kring van de menschen, die u
begrijpen, wijder te maken, door uw stijl wat eenvoudig te houden, of,
vergeef mij die uitdrukking, een beetje te menageeren?"

"Zeker voel ik daarvoor en ik heb met dat idee zelfs een heel boek
geschreven. Ik bedoel de "Biografie" van mijn vader. Ik meen, dat ieder,
die het leest, ieder woordje zal kunnen begrijpen. Ik wil dat ook wel
altijd doen, voor zoover het overeen zou komen met mijn kunstinzicht.
Maar ik ben overtuigd, dat ik daar niets voor mag opofferen, en mijn
kunstwerk moet overeenkomen met wat ik zou schrijven: indien ik alleen
op de wereld stond.

"In den laatsten tijd heb ik geschreven een menigte schetsen, die men
"Adriaantjes" is gaan noemen. Daar komen geen gewrongen woordvormen in
voor, en toch vinden veel menschen ze verschrikkelijk vervelend. Daarin
geef ik bij voorbeeld bladzijden lang de beschrijving van zoo een tafel.
Dat is de meest volstrekte toepassing van het "De kunst om de kunst", om
zoo te zeggen. Men kan dit werk alleen goedvinden, wanneer men ze uit
een oogpunt van kunst beschouwt.

"Op 'n tentoonstelling van "Arti" heb ik eens gezien een schilderij, dat
voorstelde een stuk hei, met niets er op: Geen tafereelen, geen kind,
dat afscheid neemt van zijn moeder, geen figuren, geen lammetje, geen
koetje, geen herder, geen hondje ... niets. En toch vond ik dat doek het
mooiste van de heele tentoonstelling. Dergelijke ideeën nu heb ik ook,
wanneer ik bladzijden lang zoo een tafel beschrijf."



DE "GRENZEN" VAN LETTER- EN SCHILDERKUNST.


"Nu is het nog een heel aardige quaestie, hoeverre mijn theoretisch
begrip in de literatuur gewenscht is:--De kunstenaar beweegt zich
volgens mij niet binnen zekere grenzen. Het is mijn idée, dat men b.v.
in de letterkunde evengoed schilderen mag als het er op aankomt. De
beeldhouwer Rodin heeft eens gemaakt een beeld van Balzac, en daarvan
werd gezegd: "Het is geen beeldhouwkunst, want een beeld moet aan alle
kanten afgerond zijn". Dit nu boezemt mij geen belang in. Het werkstuk
van Rodin geeft mij een heerlijken indruk en of het nu beeldhouwwerk is
of niet, dat kan mij niet verder schelen. Het is iets moois en laat het
nu uit 'n oogpunt van theorie een fout zijn, dan beweer ik, dat het is
een allergelukkigste fout".

--"Wat denkt u van onze literatuur op het oogenblik?"

"Dat is zoo gauw niet te zeggen. Ik zie om te beginnen geen afscheiding
tusschen wat men is gaan noemen de generatie van 1880 en die van 1890 of
1900. Het is mij niet duidelijk, dat daar markant verschil tusschen zou
zijn in bedoeling en prestatie".

--"Als ik u dan eens een groep mag opnoemen; wat denkt u van de "Nieuwe
Tijd"-groep."



DE SOCIALISTISCHE DICHTERS.


"Ik geloof, dat daar uitstekende talenten bij zijn. Neem b.v. Gorter. Of
neem een nieuwen bundel van mevrouw Roland Holst, die ik juist bezig ben
te bestudeeren: "Opwaartsche wegen". Dat is werkelijk heel mooi. En ik
voel verschrikkelijk veel voor de dichters van de "Nieuwe Tijd". Niet,
dat ik socialist zou zijn. Ik ben niets van dien aard, en allerminst een
socialist. U herinnert u, dat ik daar indertijd een groote polemiek
over had met Van der Goes. Nu, ik denk er nòg zoo over. Ik bewonder in
hooge mate de dichtkunst van Gorter en zijn vrienden.[1] Maar ik ben van
meening, dat zij even mooie poëzie zouden geven als ze hun leven aan
iets anders hadden geschonken. Ik geloof, dat ze ons altijd poëzie, en
even goede poëzie, zouden voortbrengen, in welke beweging ze zich ook
zouden bevinden. De keuze van hun onderwerp zou anders zijn, de aard van
de uitbeelding dezelfde."

--"Wat denkt u van die schrijvers, die in de gewone woorden van het
dagelijksche leven, de menschen en toestanden beschrijven, die zij
hebben waargenomen? zonder de bedoeling iets moois te maken, en dikwijls
met het uitdrukkelijk voornemen niet "literair" of "artistiek" te zijn."

[1] Zie blz. 89.



ZEKERE "SCHETSEN"-SCHRIJVERS.


"Ik geloof, dat men heel goed, zonder nieuwe woordvormen te maken, goeie
kunst kan produceeren. Men kan ook kunst voortbrengen zonder er zich
bepaald op toe te leggen. Een zin van zoo'n schrijver kan toch dikwijls
een bepaald rythme hebben, hetzij dat dit er met bewustzijn in wordt
gelegd, hetzij dat het vanzelf uit den auteur opwelt."



TENDENZ-KUNST.


"Deze schrijvers zullen blijvenden invloed hebben op onze literatuur,
zoolang ze, in weerwil van het niet begeeren, toch, huns ondanks, kunst
geven. Neem b.v. Heyermans. Die is, volgens mijn meening, een van onze
beste kunstenaars. Die schrijft ook met een strekking. En het kan zelfs
zijn: dat die strekking invloed oefent op zijn manier van uitbeelden,
invloed ten goede wil ik zeggen.... Maar dat kan ik niet nagaan. Dat
speelt zich in zijn binnenste af. Ik wil alleen maar zeggen, dat
tendentieuse kunst ook goede kunst kan zijn."

--"Een laatste vraag! Zullen wij binnenkort nog een uitvoerig werk van u
krijgen?"



HOE HIJ WERKT.


"Ik werk heel vreemd. Aan de meeste dingen ben ik mijn heele leven
bezig. En ik publiceer ze bij gedeelten. Dat gaat zoo maar altijd door;
b.v. ik zal een drama beginnen. Daar werk ik eenigen tijd aan, maar het
bevalt mij heelemaal niet. Dan leg ik het opzij. Maar een poosje later
neem ik het weer op, en werk het over. Dat gaat heel onregelmatig. En
als ik na een poosje zoo'n stuk in handen krijg, dan kan het mij
gebeuren, dat ik denk: Het was toch zoo kwaad niet. Zoo zijn mijn meeste
werken door mijn geheele leven geborduurd. Bijna niets heb ik aan een
stuk geschreven.

"Soms heb ik wel eens lust: mij geheel in eenzaamheid terug te trekken,
geen enkel persoon te spreken en heel in de stilte verder te werken. Ik
heb dat vroeger wel eens gedaan. Toen woonde ik in België, in Luxemburg,
acht maanden lang boven op een hoogen berg, midden in de sneeuw. Toen
stond ik voor dag en dauw op: 's morgens om een uur of zes had ik al een
heel stuk geschreven doorgaans. Maar ik bewoog mij toen ook veel in de
open lucht. Dat moet je doen, anders wordt de eenzaamheid gevaarlijk. In
dien tijd heb ik mijn "Kleine Republiek" geschreven. Ik zeg u dit om u
te doen begrijpen, hoeveel werkkracht de eenzaamheid mij geeft, en welk
een gelijkmatigheid zij in mijn arbeid doet komen.

"Op dit oogenblik ben ik bezig aan een drama. Maar wanneer het
verschijnt, weet ik niet. Ik moet het eerst opgevoerd krijgen, en ik
weet niet of het mij lukken zal. Want dat is niet zoo gemakkelijk. Er
komen allerlei vreemde decoraties aan te pas".

Toen zette ik een streep in mijn aan teekenboekje, want ik moest
oppassen mijn trein niet te missen. Jammer, want de tong van den Meester
werd losser, en ik voelde, dat ik diep genoeg in zijn persoon was
doorgedrongen om hem door enkele korte vraagjes te brengen: tot het
aanroeren van details, wier bespreking een zekere zenuwspanning
vereischt. En die spanning, die gedachte-helderheid, leek mij aanwezig.

Maar ik moest weg. Nog enkele minuten waren mij gelaten. En ik vroeg hem
of ik even om mij heen mocht kijken.

--Zeker! een aardig idee.

Het was maar een eenvoudige kamer. In het midden een zeer groote tafel
met groen laken bekleed. Daarop: dubbele boekenrij. Veel boeken langs de
wanden en in de hooge vensternissen. Ook een ruw-houten behangerstafel:
plank op schragen, met bundels papieren. Een simpele olielamp verlichtte
het geheel. De wanden stonden in schemer en vaag onderscheidde ik een
witte vrouwe-buste in een hoek. Achter mij op den oud-Hollandschen
schouw een terra-cotta relief, dat beeldde een mannekop met hoekigen
schedelbouw en stuggen baard: Den èchten Van Deyssel, zou ik gezegd
hebben....

... Indien de meneer in den trijpen voltaire, de vriendelijke meneer,
met zijn netjes geschoren kaken en zijn stijve snorren, niet reeds lang
de "echte" Van Deyssel voor mij was geworden.

Toen stapte ik het treedje, waarvoor ik begin van den avond had moeten
oppassen, weer af, liet mij door den Meester brengen op den weg, die
"het voordeel heeft, dat men hem niet missen kàn". We gingen langs een
smal zandpad, en hij gaf mij duwtjes, en trekjes aan mijn mouw, om mij
niet te doen afdwalen. "U moet maar naar boven kijken," zei hij nog.
"Geen beter middel om op het pad te blijven".

Het was zeer donker om ons heen. Tusschen de boomtoppen, denne-toppen,
werd ik vaagjes 't diepe hemelblauw gewaar. Van den weg viel niets te
onderscheiden.

Ook van den Meester niet. En dat vond ik maar heel goed ook, want dat
Van Deyssel ... zie je: Van Deyssel; zijn tijd gebruikte, om mij iets te
wijzen, dat ik waarschijnlijk met wat moeite zelf wel hadd' gevonden ...
dat kon ik toch niet goed zetten. En hoewel ik zeer had genoten in zijn
bijzijn, voelde ik mij verlicht, toen hij mij zijn hand tot afscheid
bood. Zijn zwàre schrijvershand.

En ik sloeg den weg in, "dien men niet missen kàn"....



WILLEM KLOOS


[Illustratie: WILLEM KLOOS naar een ets van W. Witsen.]

[Illustratie: WILLEM KLOOS]



WILLEM KLOOS


... Dan zal ik maar van wal steken:

Ik werd geboren in 1859, de datum zal er wel niet toe doen. Eerst ben ik
op een instituut geweest, zooals je die toen had, en met mijn tiende
jaar ging ik naar de lagere burgerschool, om mij voor te bereiden voor
de H.B.S. In 1877 deed ik eindexamen van de H.B.S., nam toen twee jaar
privaatles en ging daarna in de klassieke letteren studeeren.

Als jongen dacht ik nog niet zooveel aan verzen. Ik had 't lànd, als ik
een vers las, want ... dan las ik natuurlijk Hollandsche verzen, en die
vond ik vreeselijk vervelend. Totdat ik uit mij zelven er toe kwam, ik
was zeventien jaar,--een vers te gaan maken. Veel verzen kwamen er
echter niet voor den dag. Ik had mij toen verdiept in Grote's "History
of Greece", en was zoo vol van Griekenland, dat ik in '78 mijn "Rhodopis"
maakte. Daarop volgden Duitsche verzen, alweer met heel lange
tusschenpoozen. Ik las in dien tijd erg veel Duitsch: Platen, Goethe,
Schiller ... en ik leefde ook met mijn gedachten eenigszins in het
Duitsch. Ook mijn studie van de klassieke literatuur moet hierop van
invloed zijn geweest, omdat mijn grammatica's en tekstuitgaven in die
taal waren geschreven.

Dit studeeren beviel mij niets: ik zat daar op 't college, dat duurde
alles zoo verschrikkelijk lang; alles moest ik afluisteren en
opschrijven ... ik had mijn collegegeld voor een vollen cursus al
voldaan, maar 'k heb mij op de les niet meer vertoond. Ik vond 't veel
practischer voor mij zelf te gaan werken, totdat ik den candidaatsrang
zou hebben behaald. Dat ging natuurlijk ook niet zoo byzonder snel, want
ik had intusschen mijn liefhebberij voor de literatuur, maar in '84 deed
ik toch examen, en ik ben geslaagd.

Ziet u, toen ik nog op de H.B.S. was, trokken die oude talen mij aan, er
was iets geheimzinnigs in, en ik dacht: daar wil ik meer van weten.

Als candidaat ben ik naar Brussel verhuisd; daar heb ik kamers gehuurd
en bleef er 3/4 jaar wonen. Intusschen waren "Sappho" en "Okeanos"
ontstaan. Deze gedichten behandelden alweer Grieksche onderwerpen, en
dat kon ook bijna niet anders, want ik leefde voortdurend in de
oude wereld.



"DANK U MENEER, VERDER NIET."


Begin '85 verhuisde ik weer naar Amsterdam. Nu had zich 't geval
voorgedaan, dat ik heel moeilijk plaatsing kon vinden voor hetgeen ik
produceerde. Gewoonlijk nam men een kleinigheidje van mij aan, en zei
dan: "Dank u, meneer, verder niet." Ik had ook al critieken geschreven
in de "Spectator" en een paar maal in de "Amsterdammer", en ook De Koo
zei al heel gauw: "Nu niet meer!" Men had niet graag, dat ik namen van
levende letterkundigen noemde. Als ik nu over de zaak nadenk, sta ik
verbaasd. Want mijn artikelen waren volstrekt niet revolutionnair,
integendeel: heel kalm en rustig gesteld. Ik week maar weinig af van wat
je gewoonlijk hoorde. En toch: men wilde er niet aan.

Langzamerhand was ik buitenlandsche literatuur mooi gaan vinden, terwijl
de literatuur van den dag in Holland mij zoo onverschillig liet als de
versjes van den aschkarreman. Ik keurde er in af, dat het werk uit dien
tijd mij zoo koud liet als een steen. Ik dacht telkens: ik ben toch
niet verstoken van literair gevoel, ik kan sommige dingen toch erg mooi
vinden.... En ik las Beets en Ten Kate, en zei in me zelf: "Wat heb ik
daar nou toch aan!" Het sloeg niet bij me in.

Nu, er waren in Amsterdam nog een paar jongelui, die ongeveer dezelfde
gedachten hadden op dit punt als ik. Met hun werk deden zij dezelfde
ervaringen op: de redacties wilden er niets van plaatsen.



HERINNERING AAN JACQUES PERK.


Op een goeden dag wandelde ik eens in de Kalverstraat bij de
Halvemaansteeg, en een lang, blond jongmensch kwam lachend op mij toe.
"Dag Kloos", zei hij, en hij stak zijn hand uit. "Ga jij met me
mee!"--Ik dacht: die vergist zich, ik ken 'm niet....

"Ken je me niet?" vroeg 't jongmensch. Ik zeg "Neen". "Wel", antwoordde
hij, "ik ben Jacques Perk. We zijn samen op de H.B.S. geweest; ik zat in
3b en jij in 3a". Toen begon 't wat in me te dagen, ik herkende hem
zoo'n beetje. Hij wou graag kennis met mij maken, want hij had 't een en
ander van mij gelezen, en schreef zelf ook verzen, naar hij vertelde. Ik
praatte dan met hem, ging met 'm mee, en hij las mij voor zijn
"Mathilde". Daar werd ik geweldig door getroffen. Wat blikkie! dacht ik,
dáár heb je nou een Hollandsch dichter, dàt zijn mooie verzen. Heel wat
anders dan wat je gewoonlijk las in boeken, tijdschriften, couranten.
Dàt was 't nieuwe. En ik zei 'm dat ook.



HET NIEUWE.


"God", zeg ik, "dat is mooi". En Perk: "Nou, dat doet me verschrikkelijk
veel pleizier, want jij bent de eerste, die dat zegt". Ik weer: "Hè,
daar hoor ik van op". En hij: "Ja, overal lachen ze mij er om uit. Ik
had vroeger wel eens versjes geschreven, maar die beteekenden niet veel,
maar nu ik met dit voor den dag kom, zeggen ze allemaal: dat is onzin".

Ik vroeg 'm toen, wat Vosmaer er van zei. Ik hield dien voor een modern
mensch (wat hij ook voor zijn tijd was). Maar 't bleek, dat hij van Perk
niet veel drukte maakte.

Ik heb toen nog lang met Perk omgegaan; hij studeerde in de rechten, ik
in de letteren, en we kwamen veel bij elkaar. Maar hij is gestorven,
1-1/2 jaar later, zonder dat de officieele grootheden hem hadden erkend.
Hij had intusschen al heel wat verzen van zijn "Mathilde"
teruggekregen....



DE UITGAVE VAN "MATHILDE."


Uit gewoonte bleef ik nog van tijd tot tijd bezoeken afleggen, bij zijn
familie, en eens zei ik tegen z'n vader, een heel goeden, vriendelijken
man: "Dominee", zei ik, "weet u wel, dat Jacques verzen heeft
nagelaten?"--"Jawel", zei de vader,... "maar wàs dat wel
veel?"--"Zeker", meende ik, "'t was prachtig, en 't moet worden
uitgegeven".--"Zou je denken?"--"Ja zéker!"--"Nu, mij is't goed, maar
hoe zullen we dat gedaan krijgen?"

De oude heer Perk meende, dat wij een man van naam moesten opduiken, die
zich er voor wilde spannen. En wij wendden ons tot Vosmaer. Die had er
eigenlijk gezegd niet veel zin in, zag er een beetje tegen op ... hij
meldde ons, dat hij 't te druk had. Dominee Perk meende toen, dat 't
misschien goed zou zijn, den ouden heer Alberdingk Thijm in den arm te
nemen, maar ik vond, dat er dan heelemaal niets van terecht zou komen.
En nogmaals ging ik naar Vosmaer en verzocht hem, 't toch in Godsnaam
maar te doen omdat ik anders vreesde, dat Alberdingk Thijm 't in handen
zou krijgen. Ik wist 't: Vosmaer was niet gesteld op de Katholieken. En:
't lukte. Vosmaer wilde 't dan wel doen, mits hij geheel mocht
vertrouwen op mij, m.a.w. mits hij er eigenlijk geen verderen last mede
had. Ik deed dan ook al 't werk. Ik kreeg een grooten koffer vol met
handschriften van Jacques Perk, en die heb ik allemaal doorgekeken, om
te weten, of er iets bruikbaars bij was, met het resultaat, dat ik uit
zijn vroegere leven niets kon doen verschijnen. U zult wel de
bloemlezing kennen, die Betsy Perk later heeft uitgegeven. Welnu, dat is
allemaal rijmelarij zonder kunstwaarde. Daar kwam nog bij, dat de
uitgever had gezegd: "'t Mag niet te groot worden, en 't mag' niet te
veel kosten," en de man was blij, dat er niets voor den dag kwam buiten
"Mathilde", "Iris" en enkele losse verzen.

Van "Mathilde" bestonden verschillende lezingen, en die heb ik
nauwkeurig vergeleken. Dat was het eigenlijke practische werk. Vosmaer
maakte de inleiding en zoo kwam de bundel tot stand. Het boekje vond
algemeene afkeuring. Alleen de "Spectator" vond 't mooi. 't Publiek
wilde er heelemaal niet aan. De eerste editie verscheen in '82, maar in
'97 kwam pas de tweede druk. Daarna ging 't in stormpas en wij houden nu
aan den zevenden druk. Zes edities in tien jaar! Men meent wel eens, dat
Perk aanstonds in triomf werd binnengehaald, maar u ziet: daar is
heelemaal niets van aan....



WAAR EEN MENSCH NIET BIJ KAN.


Of er verband bestaat tusschen het optreden van Perk en het optreden van
de overige dichters uit dien tijd? Ja, nu gaat u spreken over dingen,
waar een mensen niet bij kan. De oude vrome menschen zullen zeggen, dat
God 't zoo gewild heeft, maar "God" is een woord, gelijk ieder ander,
't Zegt mij heelemaal niets. Maar als u mijn opinie vraagt, dan zou ik
zeggen, dat er bestond een gemeenschappelijke onder-strooming, een
gemeenschappelijke, geestelijke ondergrond bedoel ik dan het onbewuste,
dat allen menschen gemeen is. Wij zijn niets dan kijkgaten, waardoor de
onbewustheid naar 't zijnde ziet, dat wil zeggen: naar zich zelf. Er zit
een geestelijke essentie achter alles, achter de sterren ook, en achter
de wolken, en die kijkt door de individuen naar zich zelf. Het individu
is het onbewuste, dat bewust geworden is, langzamerhand: van zuigeling
af tot volwassen mensch steeg de bewustheid. Zoo, in den geheimzinnigen
ondergrond der dingen, moet er tusschen alle verschijnselen wel verband
bestaan. Er gebeuren zoo in een menschenleven heel gekke dingen, maar de
wereld is een redelijk geheel en geen chaos. De heele boel was suf in
dien tijd, waarover wij 't hebben; de letterkundigen, 't publiek, waren
letterlijk in slaap gevallen. Nu schijnt 't mij heel redelijk, dat daar
uit de onbewustheid reactie tegen kwam, dat er drang ontstond, om nieuw
leven te brengen, en dat degenen, die het daarover eens waren, tot
elkander kwamen. Waren die menschen apart gebleven, dan hadden zij niet
met elkander gewerkt, niet elkander begrepen, en de zaken waren gebleven
als vroeger.



DE OPRICHTING VAN "DE NIEUWE GIDS."


Wij trachtten nu samen een tijdschrift te stichten en zochten een
uitgever, maar wij hebben heel dikwijls bot gevangen. Eindelijk kwam ik
op de gedachte, eens aan te loopen bij een uitgever, vlak bij mij in de
buurt, die toen pas begon. Dat was Versluys. Die wilde ons tijdschrift
wel aanpakken, mits er een beetje geld kon worden gestort. Maar wij
waren met ons vijven onbemiddelde studenten: Van Eeden, toen nog geen
dokter, Kloos, Willem Paap, Van der Goes, Albert Verwey.

Eindelijk slaagde Van Eeden er in, wat geld los te krijgen van zijn
familie, en ik heb ook wat geldelijken steun ontvangen van een dame, die
ik kende. Die was ook in de literatuur, had wat novellen geschreven,--
haar naam doet er niet toe--en die zei: "Fidutie heb ik er niet in, maar
ik kan 't missen, hier heb je duizend gulden." Zoo werd dan de "Nieuwe
Gids" opgericht, direct erg afgekeurd door de pers. Maar succes hadden
wij tamelijk spoedig.



MEDEWERKERS.


Het was een algemeen tijdschrift. Niet alleen letterkundigen werkten er
aan mee. Zoo had je jonge schilders, die het noodig vonden, nieuwe
ideeën, afwijkend van de algemeen geldende opinie, over hun kunst te
boekstaven. Jan Veth behoorde tot onze eerste medewerkers. Ook Bolland,
toen nog geen professor, maar leeraar aan het gymnasium te Batavia, kwam
tot ons, want niemand wilde iets van hem opnemen. Wij waren de eersten,
die wijsgeerige opstellen van hem publiceerden. Eén ervaring hadden wij
allen gemeen: de officieele grootheden zeiden tot ons: "Neen, dank je,
we willen je niet."



HET WOORD EEN LEVEND WEZEN.


Verband tusschen nieuwere schilderkunst en nieuwere woordkunst? Ja, de
woorden waren voor ons niet langer abstracte, leege dingen, maar levende
wezens, die wij voelden, en, de essentie van ieder woord sterk voelend,
gingen wij beter schrijven. De prozastijl van tegenwoordig, ook de stijl
van gewone menschen, is veel beter dan de stijl van die dagen. Men maakt
thans veel minder gebruik van valsche beeldspraak, let meer op de
waarde van ieder woord. En ook in de schilderkunst gebeurde iets
dergelijks: men ging kleuren en lijnen voelen als levende dingen, niet
meer als iets abstracts. Met de wijsbegeerte is het weer iets anders. Ik
sprak u reeds van den invloed van 't onbewuste. Schopenhauer en v.
Hartmann zeggen ook, dat alles voortkomt uit het onbewuste, dat het
eerste, en misschien ook het laatste is. En nu zult u wel weten, dat
Bolland in den beginne een aanhanger was van de "Philosophie des
Unbewussten". Zoodoende moest ik wel verwantschap voelen tusschen zijn
overtuiging en de mijne....



DE GROEP VALT UITEEN.


In '88 trad Verwey uit de redactie, om persoonlijke redenen. Naar mate
Verwey meer volwassen man werd, pasten onze karakters minder bij elkaar:
hij was een beetje moeilijk. Paap ging er dadelijk uit, nl. in '86. In
1890 kwam P.L. Tak tot ons, een braaf man, toen nog geen socialist. Maar
in '94 trad hij met Van der Goes en Van Eeden weer uit onze groep. Ik
bleef toen alleen achter en vereenigde mij met Tideman en Boeken. De
"Nieuwe Gids" ging van Versluys over op Van Looy en werd toen alleen
literair, en dat kwam doordat Van Looy's opinie in politiek niet
overeenstemde met de onze.



HUWELIJK.


In 1900 ben ik getrouwd met Jeanne Reyneke van Stuwe, die toen, bij
Veenstra, aan het hoofd stond van het tijdschriftje "Arcadia". Onze
tijdschriften smolten toen samen, en zoo werd mijn vrouw redactrice van
"De Nieuwe Gids", die sedert 1 Januari 1908 weer een algemeen
tijdschrift is geworden.



ER IS MAAR EEN GOEDE RICHTING.


Wat mijn richting betreft: ik vind, dat er altijd maar één goede
richting is geweest in de literatuur, nl. de richting, die goede kunst
maakt. Maar je hebt ook altijd gehad allerlei partijtjes, die nog wat
anders van de literatuur verlangen. Die willen er een of ander doel mee
bevorderen, hun partijbelang b.v. Naar mijn meening is kunst, die iets
anders doet dan denken aan zich zelf, nl. te trachten naar zuivere
weergave van het leven, hetzij in den mensch, hetzij daarbuiten, een
beetje van den rechten weg af. Zoodra je de bijgedachte hebt: ik wil 't
leven zóó laten zien, dat de menschen onder den invloed van mijn werk op
ideeën komen, die ze anders niet zouden hebben, moet je het leven een
beetje verwringen, datgene er uitkiezen, waardoor die ideeën worden
opgewekt, en zoodoende een eenigszins valsch beeld geven van het leven.
Een slecht boek is niet objectief: het maakt een anderen indruk op je
dan de werkelijkheid. Objectief kan werk alleen zijn, als 't verduiveld
goeie kunst is.



KUNSTENAAR EN REFERENT.


Een boek kan natuurlijk wel goede historie zijn, zonder tot de kunst te
worden gerekend. Een kunstwerk heeft een bepaald persoonlijk karakter,
er spreekt een ziel uit, en iemand, die niets doet dan nuchtere feiten
weergeven, terwijl die feiten buiten hem omgaan, is een referent, maar
geen kunstenaar. Ja, van sommige schrijvers beweert men wel, dat zij de
nuchtere werkelijkheid geven, maar heel dikwijls is dit niet zoo,--ook
al beweren ze 't van zich zelf.



ONZE HEDENDAAGSCHE LITERATUUR.


Ja, ik vind, dat onze literatuur op 't oogenblik zeer gezond is, wel een
beetje zwaarmoedig hier en daar, maar dat verandert de literaire waarde
nog niet. Ik geloof niet, dat schrijvers er op uit moeten gaan, om hun
medemenschen te vertroosten. Zegt een schrijver bij voorbaat dat hij een
vertroostenden indruk wil maken, dan geeft hij zijn artistieke
onafhankelijkheid prijs. Ik vind Frans Coenen, den zwaarmoedige, een van
onze beste schrijvers, maar ik ben ook een groot bewonderaar van Cyriel
Buysse, die dikwijls heel opgewekt kan schrijven. Ik lach gráág!



NEERDRUKKENDE KUNST.


Men mag kunst niet veroordeelen om haar neerdrukkenden invloed. Als
zekere menschen daar niet tegen kunnen, dan moeten zij maar niet lezen.
Literatuur wordt geschreven voor gezonde, sterke menschen. Zoo ook zijn
gewone spijzen bestemd voor gezonde menschen, terwijl er voor menschen
met een zwakke maag nog een diëtische kookkunst bestaat. Evenals een
gewoon mensch eet, wat de tafel schaft, moet een gezond mensch ook alles
kunnen lezen, wat de literatuur opbrengt.



KUNSTENAAR EN MAATSCHAPPIJ.


De kunstenaar schrijft in de eerste plaats om zich zelf uit te drukken.
Een echt kunstenaar, ja! die zou ook schrijven als hij geen publiek had.
Ik persoonlijk zou zeker doorschrijven, al trok niemand zich wat van
mij aan.



VERGETEN KUNSTENAARS.


U moet weten, dat ik een soort liefhebberij heb voor oude, vergeten
boeken. Het is mij een weemoedig genot, onder allerlei duffen rommel
soms werken aan te treffen van groote literaire zuiverheid ... waarover
niemand meer spreekt, die nagenoeg niemand kent, die in geen enkel
handboek worden vermeld.--Hoe zal de Tijd huishouden onder de grooten
van ònze dagen?...

Rekening houden met het bevattingsvermogen van het publiek? Wie schrijft
zóó, dat hij volgens zijn eigen opinie begrepen kan worden door menschen
die daar hoog genoeg voor staan, die mag aan zijn werk niets veranderen.
Iets anders geldt natuurlijk voor dengene, die geschreven heeft zonder
zich zuiver uit te drukken. Die moet wel naar klaarder vorm streven. Je
naar het publiek richten is onzin. Neem een man van de straat, die een
flinke opvoeding heeft genoten, maar zich nooit heeft ingelaten met
literatuur, leg dien man een stuk van Shakespeare voor. Hij schrijft
Engelsche brieven voor zijn zaak, die man, hij kent uitstekend Engelsch;
maar u zult zien: van Shakespeare begrijpt hij niets. Dit neemt niet
weg, dat die meneer een heel helder hoofd kan hebben.



OM LITERATUUR TE BEGRIJPEN....


Om literatuur te kunnen begrijpen, moet men er een beetje in thuis zijn.
't Gaat er mee als met schilderijen: men moet bepaald studie er van
hebben gemaakt, om er een kunstoordeel over te kunnen vellen. Als een
schrijver zich maar bewust is, dat hij precies heeft uitgedrukt wat hij
wilde, dan is hij er. Vindt het publiek 't op dat oogenblik niet mooi,
dan zal dat wel komen. Of misschien nooit komen. Ik herinner mij, dat
Jacques Perk indertijd ook duister werd gevonden. Hij is zoo gewrongen,
werd er gezegd. Men maakte er parodieën op. Een ontwikkeld mensch kan
zich dat haast niet meer voorstellen nu, maar 25 jaar geleden was
't toch zoo.



HET PUBLIEK EN DE BOEKEN.


De moderne literatuur heeft zich, wat betreft de belangstelling van het
lezende publiek, niet te beklagen. De goede auteurs worden wel gelezen.
Maar 't groote ongeluk in ons land is: dat de menschen geen boeken
kóópen. Ik heb nooit bij eenige familie, waar ik kwam, eens een paar
flinke boeken gezien. Wie hier literair werk koopt: ik weet het niet.
Misschien zijn 't de studenten. Gewone beschaafde menschen zeker niet.
Ja, een vijf-en-twintig jaar geleden was dit anders. Beets b.v. werd
veel gekocht, door vrome menschen, niet zoozeer omdat ze hem veel lazen,
maar omdat zij hem zoo goed als een geschenk konden gebruiken.



"MEN" OORDEELT NIET ARTISTIEK.


Overigens ligt het in den aard van de menschen, zich niet al te veel met
werkelijke kunst te bemoeien. De menschen oordeelen niet artistiek. Ze
oordeelen op hun manier verstandelijk. Men leest waar men "bij kan".
Justus van Maurik werd op groote schaal verkocht, omdat de menschen hem
konden begrijpen. Maar Shakespeare niet, Goethe niet, Dante niet ... al
zijn er velen, die deze namen voortdurend in den mond hebben.



ALBERT VERWEY


[Illustratie: ALBERT VERWEY Jeugdportret]

[Illustratie: ALBERT VERWEY]



ALBERT VERWEY


Noordwijk-aan-Zee.

Dit is nu eens een man, die niet zoo heel gemakkelijk vertelt. Toen
ik--het schemerde, en ik had een langen, vermoeienden tocht achter den
rug--tegenover hem zat, dacht ik al aanstonds: "Die laat zich niet gauw
vangen". Ik had een echten, degelijken Hollander voor me, die zich
instinctmatig een beetje op een afstand houdt, en er niet toe te brengen
is, met een vreemde te spreken over de ideeën, die hij nu al zooveel
jaren in zich omdraagt en steeds rijper voelt worden. Bovendien: "Ik ben
overtuigd, meneer, dat er maar één vorm is, waarin men zich kan uiten,
en dat is de vorm, die "het doet". Ik spreek niet graag over personen of
boeken, over dingen, die nog niet als afgedaan worden beschouwd. Alles
wat ik te zeggen heb, vindt u in mijn tijdschrift, in den besten vorm,
dien ik er voor kon vinden. Mijn woorden zijn op een goudschaaltje
gewogen, en zooals het daar staat, precies zoo bedoel ik het. Maar ga ik
nu spreken, dan kan ik licht iets vergeten, iets anders te veel betonen
... en werkelijk, daar zou ik later veel spijt van hebben...."

Ik werd al bang, dat het mij niet gelukken zou, iets interessants mede
te deelen omtrent dezen dichter. Ik voelde een soort gêne, kon er niet
zoo gemakkelijk toe overgaan, hem te vragen naar byzonderheden uit zijn
leven, naar datgene, dat men zoo graag leest. Zijn langdurige, eenzame
overpeinzingen wennen er dezen man aan, zich in zijn spreken al heel
spoedig boven den beganen grond te verheffen, te gaan uitweiden over
principes, over wijsbegeerte, over de grenzen van zijn kunst, over het
algemeene, waarvoor men zoo heel moeilijk woorden, zeer trage woorden
vindt. Als men zoover is gekomen, worden de gedachten zoo licht en zoo
ijl, dat men ze bijna ontheiligt door ze te zeggen.

Wat hij mij uit zijn vroeger leven mededeelde, was in zeer eenvoudige
bewoordingen vervat. En gij vindt niet veel spannende avonturen in
zijn verhaal:



SCHRIJVEN UIT LIEFHEBBERIJ.


"Hoe ga je schrijven? Omdat 't je invalt. Er is eigenlijk geen andere
reden. Ik kan niet zeggen, dat er bij mij een bepaalde aanleiding
aanwezig was. Liefhebberij, dat is de eenige oorzaak. Er waren te
Amsterdam een paar jongelui, die een eigen tijdschrift noodig hadden,
omdat ze, ja, voor het meerendeel wel medewerkten in de "Amsterdammer",
maar daar sommige personen niet mochten aanvallen. In het algemeen moet
u dit in aanmerking nemen: dat aan die wording van "De Nieuwe Gids"
tegenwoordig wel veel waarde wordt gehecht,--het is nu eenmaal
geschiedenis geworden, en ook is de invloed van ons eerste werk bij vele
schrijvers en bij het groote publiek duidelijk te onderkennen,--maar ik
verhoud mij daar wel wat anders tegen."



"EEN JAAR OF WAT UIT MIJN JEUGD."


Voor mij vertegenwoordigt die "Nieuwe Gids"-beweging maar een jaar of
wat uit mijn jeugd, en niet meer. Zij vormt maar een heel klein stukje
van mijn ontwikkeling, en daarna komt een groot aantal jaren, die voor
mij veel belangrijker zijn. Natuurlijk! aan den invloed, dien wij zouden
oefenen, werd door ons niet getwijfeld. Alle schrijvers van beteekenis
in die dagen waren oud, en wij wisten vrij zeker, dat binnen enkele
jaren hun onmiddellijke invloed een eind zou nemen. En was het een klein
verschil, dat ons van de andere letterkundigen scheidde, dan hadden wij
gedacht: het publiek zal ons een zelfstandige plaats toekennen en
daarmee uit. Maar ons optreden wekte van begin af een groote
animositeit. Alle letterkundigen van naam waren ons van begin af
vijandig. Behalve Vosmaer! Beets, b.v., die toen al een oud man was, gaf
in zijn latere bundels telkens kleine gedichtjes, die duidelijk steken
op de opkomende jonge dichters bevatten.



DR. DOORENBOS.


Maar een ander oud man, een die trachtte ons verder te ontwikkelen, was
dr. Doorenbos. Een hoogst eigenaardig man, geen eigenlijk docent. De
meeste jongelui hadden geen oog voor hem. Maar des te meer voelden wij,
die een anderen kant uit wilden, ons tot hem aangetrokken. Hij kwam voor
al zijn meeningen uit, ook tegenover jongelui, en juist zijn
onafhankelijkheidsgevoel maakte, dat hij op ons een invloed had, die te
vergelijken is met den lateren invloed van Multatuli. Van der Goes,
Kloos en ik, we waren zijn leerlingen op de H.B.S. met 5-jarigen cursus
te Amsterdam, en als ik mij niet vergis, dan had Perk privaatlessen bij
hem. Ook na de school bleven Kloos en Van der Goes in relatie met hem,
en op deze wijze werd het langzamerhand gewoonte, op Zondagavond bij hem
te komen, en daar onze afwijkende meeningen te bespreken. Bovendien was
hij een tijdlang redacteur van het letterkundig gedeelte van de
"Amsterdammer", en zoodoende kregen wij er veel in geplaatst. Maar toen
onze "Nieuwe Gids" werd opgericht, toen werd de band toch losser, want
hij, op zijn leeftijd, kon zich met onze uitsprekelijkheid niet geheel
vereenigen. Toch heeft hij van uit Brussel nog een bijdrage gezonden.

Mijn medewerking aan dat tijdschrift heeft ook maar een jaar of drie
geduurd, tot ongeveer '89. En in die periode waren de critische
denkbeelden van de opkomende partij in hoofdzaak gezegd. Daarna kwamen
tot breeder ontplooiing eenerzijds de boekbesprekingen van Van Deyssel
en anderzijds het werk van Frederik van Eeden. Omstreeks 1890 werd, met
een artikel van Alfons Diepenbrock, een andere strooming duidelijk.



DE STROOMING VAN 1890.


De "Nieuwe Gids" nl. bracht in hoofdzaak een kunst van gevoelsopwelling
en indruk, evenwijdig loopend met het impressionisme in de
schilderkunst. Er begon echter verlangen te komen naar een zekere
bezonkenheid, naar meer innerlijk leven. Dat heeft Diepenbrock van
Katholiek standpunt uit belicht.



DOEL VAN HET "TWEEMAANDEL. TIJDSCHRIFT."


Samen met Van Deyssel kwam ik toen tot de oprichting van het
"Tweemaandelijksch Tijdschrift". Het doel was: te zoeken naar een kunst
van meerdere bezonkenheid, maar waaraan poëzie en naturalistische
waarneming gelijkelijk deel hadden.

Ons tijdschrift werkte dan ook een poos in die richting, en daardoor
werd het bij uitstek geschikt, om de meest verschillende elementen bij
elkaar te krijgen. Aan de eene zijde de dichters, en aan den anderen
kant de naturalistische auteurs, die evenwel, bij voortduring, sterk in
aantal toenamen. Na dien tijd heeft de richting in onze
literatuur-ontwikkeling, die naar de bezonkenheid voerde, en naar het
innerlijk leven, zich voortgezet. Maar dat het naturalisme zich onder de
romanschrijvers nog steeds meer aanhang verwierf, dat had ten gevolge,
dat door den aandrang van hun vaak minderwaardige bijdragen, de poëzie,
die voornamelijk innerlijk leven zou uitdrukken, als het ware in een
hoek werd gedrongen. Daardoor werd het voor mij wenschelijk, een
tijdschrift te hebben, waarin het streven naar innerlijke poëzie op den
duur de bovenhand zou kunnen krijgen.



OPRICHTING VAN "DE BEWEGING."


Dat werd "De Beweging". Mijn tijdschrift richt zich volstrekt niet tegen
het naturalisme op zich zelf,--dat houd ik voor iets, dat altijd terug
moet komen, en er ook altijd is, voor zoover geen enkele kunst kan leven
zonder natuurbeschouwing. Maar op het sensitivistische in de romankunst
wilde ik laten volgen een poging, om het innerlijke sterker tot uiting
te brengen.



HET INNERLIJKE: GELIJK STREVEN OP ALLERLEI GEBIED.


Ook in het naar voren dringen van het constructieve element in de
architectuur, en hier heb ik het werk van Berlage op het oog, zie ik een
dergelijk verschijnsel. Ook in de latere schilderijen van Verster. Daar
wordt niet meer weergegeven de aandoening, die de schilder kreeg van de
werkelijkheid, ook niet meer de gevoelsontroering, die hij ervan kreeg,
maar hij maakt van het voorwerp, dat hij buiten zich zag: een innerlijk
bezit, in een licht van zich zelf gezet, en waar hij zijn geest in
uitdrukt. Dat tot uiting komen van het georganiseerde innerlijk lijkt
mij het kenmerkende van de laatste jaren en daarmede houdt, volgens mijn
opvatting, ook het meer geaccentueerde optreden van professor
Bolland verband.

--Die ontwikkeling kan dan natuurlijk ook in de geschiedenis van uw
werk worden nagewezen?



DE GESCHIEDENIS VAN ZIJN WERK.


--Dat spreekt. Wat wij om ons heen zien gebeuren, is een projectie van
wat in ons zelf gebeurt. In mijn eerste werk zit datgene, wat ons in den
"Nieuwe Gids"-tijd bezig hield, ik wil zeggen: bewondering voor de
natuur, hartstocht en gevoelsopwelling. In '90 trouwde ik, en op mijn
huwelijk volgt een tijd van afgezonderd leven; en dàt bracht mee: een
soort van inkeer, een gedachteleven, dat natuurlijk wel in den tijd lag,
maar toch ook niet minder in mij zelf. De uiting van de bezonkenheid,
die er toen over mij kwam, kunt u vinden in vijf bundels gedichten:
"Aarde", "De nieuwe tuin", "Het brandende braam-bosch", "Dagen en
daden", "De kristaltwijg". Die vijf vullen voor mij het tijdperk van
teruggetrokkenheid. Na die periode voelde ik, dat er zoowel buiten als
in mij zelf een andere wind waaide. Ik kwam uit mijn afzondering te
voorschijn, ik voelde behoefte, om de wereld om mij heen op zekere wijze
samen te vatten, te uiten wat ik over de wereld dacht. Het kenmerkende
van onzen tijd, in allerlei kringen, in allerlei groepen, is een poging
tot organisatie, dat wil zeggen: het aanwenden van geesteskracht op de
massa. De "Beweging" is ook niet alleen een letterkundig tijdschrift.
Juist het geestelijk zich organiseeren van alles wat op maatschappelijk
gebied gebeurt, dat noem ik het mooie doel, waarvoor ik gaarne
verschillende krachten zou bijeenbrengen. Vooral nu ik twee
mede-redacteuren heb gekregen, De Boer voor wijsbegeerte en geschiedenis
en De Vooys voor sociale zaken, hoop ik daarin te slagen. De pogingen
tot organisatie zijn overal te vinden, maar de centra zijn door
onderlinge geschillen voortdurend zwak. Die moeten aangesterkt worden.
Zie, ik zal u vertellen wat ik onder organisatie versta:



GEESTELIJKE KUNST.


De natuur geeft een zekere stof, en de geest heeft er behoefte aan, op
die stof kristalliseerend te werken, begeeft zich in die stof, en doet
daardoor ontstaan een vorm, die niet een gril van den geest is, maar wel
de wijze, waarop de natuur zich met dien geest verstaat. Nu begrijpt u
meteen wat ik versta onder geestelijke kunst: zoolang de literatuur zich
beweegt in indrukken, of in het gevoel, is het niet noodzakelijk, dat de
schrijver vormen voortbrengt, die het voorkomen hebben van den
noodzakelijken vorm, dien de stof moet aannemen.

Je hebt hier dat duinlandschap, je krijgt daar een indruk van, en het is
mogelijk met dien indruk een gedicht samen te stellen.

Nu kijk je opnieuw, je voelt een aandoening, en die kun je uitdrukken,
zonder veel van het landschap in je werk op te nemen.

Maar nu kijk je voor de derde maal, en nu is je blik zoo doordringend
geworden, je geheele wezen neemt in zulk een mate deel aan de
waarneming, dat de uitdrukking ervan geeft het wezen van je geest, èn
het wezen van het landschap tevens. Dan ontstaat wat ik geestelijke
kunst noem. Daaraan neemt de natuur wel degelijk deel, want je ziet de
duinen; alléén: niet op de wijze van gewone waarneming zie je de natuur,
maar als een een-wording met den geest. Dit nu brengt Berlage in de
bouwkunst en Verster in de schilderkunst, en hoewel ik met deze mannen
niet zoo zou praten over natuur en geest, zou ik gerust durven beweren:
wij verstaan elkaar tòch wel!



DE ONZEGBAARHEID.


Er is in iedere uiting een onzegbaarheid, en die geven wij weer in den
toon der verzen. Daarin zeggen wij eigenlijk, wat wij in de zinnen niet
kunnen zeggen. Als de dichter dus een gedicht schrijft, dan staat zijn
innerlijk in mogelijkheid voor je. Want natuurlijk: als het niet weer in
je wordt opgewekt, dan is het dood.

Ieder gedicht geeft natuurlijk het innerlijk van den auteur weer.
Daarzonder zou het geen waarde hebben. Nu zijn er menschen, die een
voorbijgaanden indruk, een snelle opwelling geven, en dat mag dan hun
innerlijk leven van het oogenblik zijn, het is toch maar heel weinig van
wat het innerlijk wezen van een mensch zijn kan. Vindt u dienzelfden
dichter op rijperen leeftijd terug, dan zult gij zien, dat hij dezelfde
gevoelens weer in zich ontmoet heeft, maar nu zoo, dat ze niet meer
vastzitten aan voorbijgaande indrukken. Gaat hij diezelfde hartstochten
nu weergeven, diezelfde ontroeringen, overtuigingen, dan wordt dat een
innerlijk leven van veel grooter beteekenis, iets, dat eigenlijk veel
meer recht heeft op dien naam. In die richting nu heb ik gezocht, en in
die richting zie ik ook het streven van onzen tijd gaan.

--"Wat is dan voor u het _eigenlijke_ in het streven van onzen tijd?"



WIJ GAAN NAAR HET RELIGIEUSE.


"Wij gaan meer en meer naar het religieuse, niet 't kerkelijk
religieuse, maar naar een diep besef van wat blijvend is in de
levensverhoudingen. En dat vind ik een essentiëel ding. Daar komt men
langs den weg van de waarneming nooit toe. De gevoelens zijn in een
mensch, of ze zijn er niet; maar ze komen er nooit door
nauwlettend kijken."



DICHTER EN MAATSCHAPPIJ.


--"Stelt U u voor, dat een dichter invloed moet oefenen op zijn
medemenschen?"

--"Zeker. In iederen dichter steekt niets anders dan een nieuwe mensch.
Ik geloof niet, dat een dichter zich op den duur zou uiten, indien hij
niet voelde, dat hij een menschentype vertegenwoordigde, dat desnoods
voor hem zelf geen belichaming behoeft, maar dat hem toch bestemd lijkt,
om ook door anderen te worden gezien. De geheele wereld wil een nieuwen
mensch, en als iemand dat moet laten voelen, dan is het toch wel de
dichter! Het is ook zoo'n verd ... valsche opvatting, dat kunst er enkel
is, om den mensch aangenaam aan te doen. Het tegendeel is waar: kunst
moet den mensch het uiterlijk-aangename ook wel eens ontnemen, en hem in
zich zelf opmerkzaam maken op iets, dat beter is dan aangenaam!"

--"Er zijn toch wel dichters, die meenen, dat zij ook zouden werken als
er geen menschen waren, en die aan het publiek maling hebben."

--"U weet: bij dergelijke gevoelens heb ik heel dicht gestaan, maar ik
geloof, dat ik toen mij zelf nog niet kende. Want ga ik mijn latere
ervaring na, dan wil ik u dit verklaren: als er één ding in staat is
geweest, mij tot voortwerken te prikkelen, dan is het wel de sympathie
van anderen, dan is het wel het idée, dat ik iets wàs voor mijn lezers.
Een dichter, zooals ik mij er een droom, kan alleen in den omgang met
anderen kracht vinden zijn taak te vervullen. Natuurlijk moet u dit niet
verkeerd uitleggen: Als je schrijft, dan geef je je innerlijke wereld,
zooals zij in je leeft, en dat zonder eenige bijgedachte. Maar hetgeen
je te vertellen hebt zou niet bestaan zonder de menschen om je heen,
zonder sympathie met andere menschen. Ik zou mij datgene, wat het leven
beteekent, heel moeilijk kunnen voorstellen, zonder de menschheid er
mede in verband te brengen. En dat zeg je voortdurend in je verzen: De
beteekenis van het leven, en wat het leven voor je is...."

Verwey ging bij zijn venster staan en keek afgetrokken naar buiten. Wind
gierde om zijn eenzaam huis, een regenvlaag striemde de glazen. Beneden
door de vochtige duinen kroop langzaam een groepje mannen,
blauwig-zwart.

De dichter zweeg. Zijn gezond, snugger gelaat was strak, werd stil-aan
vroolijker. Hij lachte genoeglijk voor zich uit. Ik zag zijn heldere
oogen leven. Hij kwam, handen in zijn zakken, voor mij staan, trok eens
aan zijn sigaar, en vroeg:



PROZA EN VERZEN.


--Denkt u, dat het publiek het verschil begrijpt tusschen proza en
verzen? Want dat zijn twee heel verschillende dingen, net zoo goed als
hout iets anders is dan steen. U weet: er is altijd streven, om het te
doen voorkomen, alsof het verschil tusschen die twee eigenlijk iets
bijkomstigs is. Daar ben ik het heelemaal niet mee eens. Zie, als je
loopt, dan maak je passen in een door de nuttigheid voorgeschreven
richting en orde, maar als je danst, dan wordt de richting je
voorgeschreven door de schoonheid, dan ga je werken met maten. En
daarvan maakt in de taal de dichter zijn werk. Ik merk zoo goed, hoezeer
mijn gedichten zich onderscheiden van mijn proza. Er is natuurlijk ook
wel proza, dat de enkele bedoeling van duidelijkheid zoozeer verlaat,
dat het op verzen gaat lijken, maar dat is een tusschensoort en het is
eigenlijk niet wat proza behoort te zijn, nl., een klare, lucide
verstandsuiting in de eerste plaats. Hetzelfde verschil bestaat er
tusschen zingen en zeggen: Als ik u iets vertel, dan houd ik rekening
met mijn gedachten, dan overdenk ik telkens de dingen, die ik heb voor
te dragen. Maar als ik zing, dan is het voldoende, dat ik kreten slaak,
ook al hebben die geen gedachte-samenhang. Jacques Perk heeft zich in
dit opzicht eens zoo teekenend uitgelaten: "Het kost mij geen moeite,
voor mijn rijmen gedachten te vinden," heeft hij ergens gezegd. En dat
is de heele zaak. Mijn woorden volgen een door de schoonheid
voorgeschreven richting; ik laat mijn heele leven lang mijn woorden
dansen in de maat, en dat is eigenlijk het mooiste wat ik weet.

--"Maar u moet toch ook wat te vertellen hebben."



HIJ BEHOEFT NIET ALTIJD IETS TE "VERTELLEN."


"Neen, dat hoeft niet. Ik heb mij meer dan eens tot schrijven gezet,
zonder dat ik wist wat er komen zou. Ik zou u er voorbeelden van kunnen
geven, dat ik enkel een zekere behoef te voelde aan klanken, aan een
woorden-dans...."

--Wilt gij mij misschien dan eens zoo'n voorbeeld geven?

--Ik spreek niet graag over mijn eigen werk in byzonderheden.

--En ik zou u toch zoo dankbaar zijn, als u mij nu eens één gedicht
wilde aanwijzen, dat u bent gaan schrijven om de klanken enkel en
alleen....

--Nu, als u het dan genoegen doet, dan zal ik er even een voor u
opzoeken. Hier:

  NACHT IN HET ALHAMBRA.

  De dichter.

  Waar is de flonk'ring, waar 't geklater,
    Waarmee mijn straal de zon beklom?
  Het diepst en reinst is 't donk're water,
    Dat slaapt in ondergrondsche kom.

Deze klanken brachten mij op het Alhambra, waar ik geweest ben, en mijn
herinnering daarvan. U hebt daar een leeuwenfontein, en de oppasser had
mij verteld, dat die alleen spuit als er vorstelijke bezoekers komen. En
ik ging verder:

  De hooge gasten zijn verdwenen,
  De schaduw is aan 't overlenen,
  En in de hooge en blanke zaal
  Gaat door de smalle en marm'ren goten
  Het laatste water weggevloten,
  In stroompjes, kronkelend en schraal....

Zoo ga ik dan nog een heel stuk door. Het eigenaardige van dit gedicht
is, dat het niet is gepremediteerd, dat ik het phantaseerde onder 't
schrijven. Maar het publiek begrijpt in het algemeen niet, dat het in de
eerste plaats om zang te doen is, en dat daarom de maten zoo belangrijk
zijn. Evenals het spelen op een viool, brengen die onze fantasie in
beweging, en daarom is de maat ook het wezenlijke voor den dichter,
waaruit hem blijkt, hoe eigenlijk zijn innerlijk leven is.

--U sprak zooeven over den invloed, dien de dichter oefent op de
maatschappij. Denkt u, omgekeerd, niet, dat maatschappelijke
omstandigheden ook weer den dichter beïnvloeden?



MAATSCHAPPIJ EN DICHTER.


--Ik geloof, dat maatschappelijke omstandigheden tegenover het feit van
het ontstaan van een talent niet zooveel beteekenen als de menschen wel
eens denken. In groote gezinnen, waar de kinderen onder dezelfde
condities leven, ziet men soms, dat één er van zich byzonder
onderscheidt, en daar hebben de maatschappelijke omstandigheden dus al
byzonder weinig te zeggen gehad. Natuurlijk, ze spelen hun rol en er
gaat niets verloren; en ik geloof zeker, dat, is het talent er eenmaal,
de maatschappelijke omstandigheden op zijn uitingen invloed hebben. Is
hij sterk, de geniale man, dan zal hij van zijn uitingen niet afzien; is
hij zwak, dan gaat hij ten onder of wordt gewijzigd. Als ik gedichten
lees, dan merk ik ook altijd, dat de dichter heeft een bepaalden stijl,
waarvan hij kan zeggen: dit is van mij; maar hij toont dien stijl nooit,
zonder iets van buiten, en wat dat "iets" zal zijn, dat is toch maar
toeval. Met de bundels, waarvan ik zooeven sprak, de verzen, die ik heb
geschreven toen ik tot bezonkenheid kwam, was dit ook zoo; daar zat een
heele reeks denkbeelden in, een plan, een soort van levensbeschouwing,
en door alle ondervindingen, die ik opdeed, kon ik toch dat schema van
mijn gedachten bijeen houden. In al die jaren veranderde dat bijna niet.
En toch zijn al die gedichten mij zoozeer door het toeval ingegeven, dat
ik ze bijna gelegenheidsgedichten zou kunnen noemen.



STIJL.


Maar de stijl, die is natuurlijk van mij zelf, en over dien stijl zou ik
graag nog wat willen zeggen. Dat is eigenlijk een ander woord voor wat
ik straks "ons binnenste" noemde, het geestelijke in de kunst. Het zit
ook al in het woord: het stellige beteekent 't. Het Nederlandsche
geestesleven wordt langzamerhand gestuwd naar een allerstelligsten vorm
van uiting. Dat is ook zoo met de poëzie, met de schilderkunst, met de
architectuur, en ook met de politieke organisatie. Het is bv. heelemaal
niet toevallig, dat wij tegenwoordig een scherp afgescheiden
arbeiderspartij hebben, terwijl er vroeger allerlei anarchistische
stroomingen waren.



DE TIJD VAN DE STIJLGEVING.


Het is nu de tijd van de stijlgeving, zou ik kunnen zeggen, en in de
laatste jaren zoek ik naar een stijl voor de poëzie. De
Nieuwe-Gids-kunst had wel een aantal mooie uitingen, maar geen eigen
stijl. U weet wel, onze poëzie was toentertijd grootendeels ontleend aan
Engelsche voorbeelden, en daar was in andere landen ook iets dergelijks.
Maar wij zien bv. in Frankrijk, dat de Régnier in zijn laatste werk is
geworden de meest Fransche van zijn landgenooten, stijl heeft gekregen:
een nationaal-Franschen stijl. In Duitschland zien wij ook zoo iets
gebeuren. Daar werkte Stefan George onder den invloed van Baudelaire en
Malarmé, en in zijn laatste werk is hij typisch-Duitsch geworden.



DE KUNSTENAAR "ALS ZOODANIG" EN ZIJN PERIODE.


En nu wordt tegenwoordig niet voldoende begrepen, dat de kunstenaar als
zoodanig zijn beteekenis heeft voor de maatschappij. Als een periode
achter den rug is, en zij heeft geen eigen stijl gehad, dan wordt daar
een verwijt van gemaakt. Dan zegt men: dat was wel een gevoelige tijd,
maar een eigen stijl hadden de menschen toen niet. En nu kom ik weer tot
Berlage en Verster, die zoeken in hun kunst kracht in een eigen stijl.
Zoo zoek ik in de poëzie. Hier is geen sprake van wat men persoonlijken
stijl zou kunnen noemen. Die bezit ieder, die goed schrijft. Het komt er
hier op aan iets eigenaardigs in zijn werk vast te leggen, dat in staat
is een tijd te kenmerken in tegenstelling tot vroegere en latere
tijdperken. Dit heeft met maatschappelijke invloeden in zooverre te
maken, dat allerlei gevoelens slechts gezegd kunnen worden, als de
maatschappij ze deelt, en dat is in een verbrokkelden tijd als de onze
dikwijls erg moeilijk. Vooral voor de architectuur is dat waar. Wil die
kunst tot uiting komen, dan is een samen-werking van allerlei
uiteenloopende maatschappelijke machten noodzakelijk.



WAT NIET GEZEGD KAN WORDEN.


Zoo wordt de vorm van ons werk dikwijls door niet-kunstenaars bepaald:
Wij kunnen niet werken zooals wij willen, als de maatschappij ons niet
verstaat. Daarom verschijnen er ook zoo weinig drama's. Er is geen
eenheid in ons maatschappelijk leven. Nu kan ik er wel aan toevoegen,
dat dit mij eerder heeft geprikkeld dan teruggehouden. Maar wat er van
zou zijn geworden, van mijn werk, als ik minder ruimte tot rustige
overpeinzing en een zwakkere gezondheid had gehad, ik zou het niet
durven zeggen.... En nu bedien ik mij nog wel hoofdzakelijk van een
vorm, die zich wendt tot den enkeling. Een vers wordt door één lezer
alleen óók genoten. Maar tot drama-schrijven zijn wij geen van allen
ruim gekomen. Doe ik het een enkelen keer, dan weet ik toch wel, dat het
niet voor de menigte is. En als u nu nog overweegt, dat een gedicht in
een bundel eigenlijk pas zijn waarde krijgt door de plaats, die het
inneemt in het geheele werk, dan zult u wel begrijpen, dat, al laat de
maatschappij mij toe te spreken, ik toch nog verre moet staan van een
groot deel van mijn lezers.

       *       *       *       *       *

Vrienden, laat den dichter nu rustig achter in zijn eenzame kamer.
Zooals hij mij zijn gedachten vertelde, heeft hij ze nog nooit
neergeschreven ... zoo in vogelvlucht.

En laat mij nu, zonder mij meer te vragen, door regen en wind langs de
duinen naar huis keeren: Ik heb zooveel te denken....



FREDERIK VAN EEDEN


[Illustratie: FREDERIK VAN EEDEN Jeugdportret]

[Illustratie: FREDERIK VAN EEDEN Portret uit den Walden-tijd]



FREDERIK VAN EEDEN


--"Ik heb daarnet een zoon gekregen, en overmorgen vertrek ik naar
Amerika".

Met deze woorden trad hij in het zonnige logeer-vertrek, waar ik een
kwartiertje had gezeten, in hoop en vreeze. Hij leek heel slank, heel
vlug, en--ondanks zijn baardigen profete-kop met de zware denkvoren over
't voorhoofd en naast de oogen--heel jeugdig. Met zijn eigenaardigen,
half-sarcastischen lach ging hij bij 't laai-lichte venster zitten; en
waarschuwde mij, dat hij maar heel weinig tijd had, ieder oogenblik kon
worden weggeroepen; bovendien niet de minste neiging tot vertellen
voelde, maar zijn best wilde doen, mijn vragen duidelijk te
beantwoorden. Ook moest ik hem beloven: goed te doen uitkomen, dat ik
ons gesprek leidde, dat de onderwerpen die hij zou aanroeren, waren
onderwerpen van mijn keuze.

Ik meende goed te doen, hem niet te vragen naar biographische
byzonderheden; en, om aan te sturen op dieper liggende dingen, verzocht
ik hem, uiteen te zetten, wat hem wezenlijk scheidde van de
Nieuwe-Gids-dichters bij wie hij zich toch oorspronkelijk had
aangesloten.



HOE VAN EEDEN DE NIEUWE GIDSRICHTING BEGRIJPT.


--"'t Was heel merkwaardig," dus begon hij, "dat de mannen van '80 zich
zoo nauw verwant voelden aan Shelley. Maar zij vergaten, toen zij enkele
goede dingen van hem overnamen, wat bij Shelley hoofdzaak is geweest,
nl. zijn ethische beteekenis. Hij is de leidsman geworden van Kloos en
Verwey, doordat hij was een groot dichter. Maar Shelley was voornamelijk
een groot en goed mensch, een die direct opkwam voor het verdrukte volk
van Ierland, en in het begin van de negentiende eeuw de anarchistische
ideeën in den goeden zin het sterkst vertegenwoordigde. Hij was
door-en-door een maatschappijmensch in zijn streven."

--"U oordeelde dus dat het streven van de Nieuwe-Gids-dichters
anti-maatschappelijk was?"



LITERAIR DICHTERSCHAP EN MAATSCHAPPELIJK DICHTERSCHAP.


--"Ja: zij waren in hun smaak zeer precieus, en de consequentie daar van
werd, dat zij zich trotsch stelden tegenover de maatschappij. Kloos was
eigenlijk de persoon dien ik bestreed, omdat hij, naast zijn goed begrip
van het literaire dichterschap, verdedigde een slecht begrip van het
maatschappelijke dichterschap. Hij was vijandig aan de maatschappij, en
al laat dit zich heel goed verklaren door zijn positie in het algemeen,
het bleef mij antipathiek. De band die ons bond was zuiver literair. Hij
was de man, die mooie dingen schreef, die goede verzen kon onderscheiden
van slechte. Maar een gemeenschappelijken band van maatschappelijk
idealisme, een band, zooals de groote Duitschers in hun bloeitijd
hadden, dien hadden wij niet."

--"Maar brengt de aard van de nieuwere poëzie niet mee, dat de dichter
individualistisch moet zijn?"



DE INVLOED VAN KLOOS MAAKTE DE NIEUWE RICHTING INDIVIDUALISTISCH.


--"Ik geef toe: een individu met de eigenschappen van Kloos moet zoo
staan tegenover de buitenwereld. Maar de invloed van dat individu heeft
de groep gemaakt. Als Perk had blijven leven, die meer was een
idealistisch man in Schiller's zin, dan waren de gebeurtenissen
misschien heel anders geloopen. Dat karakter van te zijn zeer
kieskeurig, eclectisch, van zich zelf te beschouwen als uitverkoren, van
zich zelve te stellen als een kleine groep begenadigden tegenover de
groote domme bende, van te gelooven, dat men de schoonheid in pacht had,
dàt ging uit van Kloos."



NIETZSCHE EN MULTATULI.


Het ligt in onzen tijd, zich zoo te gedragen als Nietzsche heeft gedaan,
maar een man als Multatuli dee' 't toch volstrekt niet. Al heeft die
later het publiek veracht, zijn streven richtte zich op de maatschappij,
en van het literaire dichterschap wou hij niets weten. Ik geef toe ook,
dat Multatuli daarin fout ging, in zijn afkeer van het literaire
dichterschap, maar van zijn maatschappelijk idealisme had Kloos wel een
beetje kunnen gebruiken.



TENDENZ-KUNST DAN?


Ik voor mij wilde dus vereenigen: het menschelijk idealisme met het
streven naar literaire volmaaktheid, en dat juist heeft Shelley vóór mij
gewild.... O, het is zoo dwaas te spreken van tendenz-kunst. Dat moet U
eens goed navertellen, dat is nuttig voor de menschen van onzen tijd, en
ik zal probeeren het ten duidelijkste te zeggen: Men hoort bijvoorbeeld
door menschen, die op het oogenblik behooren tot het kliekje van
Kloos,--ik zal geen namen noemen,--hoort men praten van
tendenz-literatuur, die heelemaal verkeerd zou zijn, en daarmede
bedoelen zij, alle literatuur die een zeker menschelijk idealisme
vertegenwoordigt.



ZIJ VERGETEN HUN MEESTER SHELLEY.


Welnu, het zou goed zijn als die eens overdachten, wat hun groote
meester Shelley daarover heeft geschreven. Want die maakte tendenz-kunst
in hun zin. Hij verheerlijkt zonder ophouden "the noble", "the
beautiful", "the honest", alle goeie menschelijke eigenschappen. Zij
zeggen: moraal in de kunst is nonsens. Maar Shelley, die de grootste
lyricus geweest is, is voortdurend vervuld van ethisch idealisme. En ik,
ik ging volkomen mee met de voorkeur, die zij geven aan het mooie vers
boven het leelijke. Maar nooit kon ik meegaan met de negatie van al wat
men moraal noemt, door hun beweging voorgestaan.

--"Noemt U het toevallig, dat menschen met sterk idealisme ook
beschikten over veel taalvermogen?"



ALGEMEEN MENSCHELIJK STREVEN EN TAAL VERMOGEN.


"Dat berust op diepe gronden. Ik heb daar een duidelijk uitgesproken
meening over, waarom een heel diep en algemeen-menschelijk streven
meestal samengaat met een groot taalvermogen. Ik zal die meening
schriftelijk uiteen zetten. Laat ik U hier alleen zeggen: neen, ik
geloof niet, dat we hier staan voor een toevalligheid. Maar hierbij
moeten wij ook in het oog houden, dat die twee niet altijd in dezelfde
mate samengaan. Schiller bv. was een man van voornamelijk ethische
kracht, een, die niet bezat het groote lyrische vermogen van Shelley.
Maar hij bezat volkomen wat ook Shelley bezat, de groote, nobele
menschelijkheid, en daardoor alleen werd er een dichter uit hem. Dat
hadden zij, de mannen van '80, in Schiller volkomen genegeerd. En zoodra
ik vol ging houden, dat dit algemeen-menschelijke niet mocht worden
losgelaten, vond ik Kloos tegenover me. Mijn eerste verzet tegen Kloos
begon: toen hij de expressie "een goed mensch" uit de taal wou
schrappen."

--"Nu komt er een onnoozele vraag: Wilt u dan alle tendenz-literatuur
als kunst laten gelden?"



HET KENMERK VAN VERKEERDE TENDENZ-LITERATUUR.


--"Neen, er is verkeerde tendenz-literatuur, die, waarbij een zekere
moraal wordt gepredikt. Dat is de tendenz, die bv. Schiller niet wilde.
Ik zou u citaten kunnen geven, waaruit blijkt, dat hij valsch noemt:
werk, dat den lezer of den aanschouwer wil meesleepen in deze of gene
richting. Wat is dan het verschil, zult u vragen. Dit:--dat de
kunstenaar, die een zuiver kunstwerk maakt, daarbij wordt bewogen door
de schoonheid van zijn idealen, ook al zijn dit ethische idealen. De
mensch, die onzuiver werk maakt, denkt om den invloed, dien hij op
anderen zal hebben, tracht zijn lezers over te halen tot zijn
overtuiging. Dit nu kan een echt kunstenaar als zoodanig niets schelen.
Die let alleen op de schoonheid van hetgeen hij voor zich ziet. Let u op
een van de hoofdwerken van Shelley, dan voelt u, dat hij in grenzelooze
bewondering is voor hoog-menschelijke eigenschappen. Maar u merkt niet
in hem de kleinste poging om iemand te bekeeren tot zijn opvattingen.
Als die bekeering komt, dan moet ze komen door de schoonheid van wat hij
te aanschouwen geeft. Maar wat hij u laat zien, dat zijn ethische
dingen, menschelijke, moreele schoonheid. Daartegenover stel nu eens de
boeken van Mevrouw Goedkoop-Van Beek en Donk, of Barthold Meryan van
Cornélie Huygens. Daar komen goede gedeelten in, maar als geheel staan
zij onder den invloed van wat de auteur wilde verrichten onder de
menschen."

--"In hoeverre houdt deze opvatting van u verband met uw bekend artikel,
waarin men zoo vreemd heeft gevonden de vergelijking tusschen de
gedichten van Hélène Swarth en ... "snert?""



TOEN DE OOGEN HEM OPENGINGEN.


--"U moet niet vergelijken artikelen en kunstwerk. Artikelen willen wel
degelijk overtuigen. Artikelen zijn werkingen van minder rang,--zooals
ik altijd heb gezegd,--die voor mij de beteekenis hebben van vrijmaking.
Ik geef toe, dat ik wat ruw ben geweest in 't veroordeelen van 't zwakke
werk van Hélène Swarth. Maar het is voor mij heilzaam geweest, dat ik
die artikelen, waarop u doelt, heb geschreven. Ze maakten me los, ze
maakten me vrij. Ik heb mij vrijgevochten van mijn verbond met menschen,
die ik niet als kameraad kon beschouwen....

"Ja, mijn oogen zijn eerst langzamerhand opengegaan voor de verschillen
tusschen hen en mij. Ik wil graag toegeven, dat ik blind ben geweest
voor veel slechts in hen. Ik heb ze altijd edelmoediger behandeld dan
zij mij. Maar het is van begin af mijn fout geweest, dat ik eerst het
goede zag in de menschen, en eerst veel later het kwade. Nu ik mijn
leven overdenk, begrijp ik niet, hoe ik het zoo lang heb kunnen stellen
met ze. Intusschen, als kunstenaar ben ik altijd van hen onafhankelijk
gebleven. Wij ondergingen gelijke invloeden, maar ik ging mijn eigen
weg. Kloos zelf is veel sterker onder invloed van Perk en de Engelsche
lyrici geweest dan ik onder dien van Kloos of anderen. Het eerste deel
van de "De Kleine Johannes" bracht mij tot ze. Ik herinner mij nog goed,
dat ze bij mij kwamen, om dat werk in "De Nieuwe Gids" opgenomen te
krijgen. En de stukken, die ik er later bij heb gemaakt, die sluiten er
nauwkeurig bij aan, die heb ik zonder moeite in dezelfde richting
gehouden. In mijn kunstrichting is dan ook geenerlei verandering
gekomen. Wat zich wel heeft gewijzigd, dat is de verhouding in mijn werk
tusschen het episch-lyrische element en het dramatische."



DRAMATISCH WERK.


"Waarschijnlijk zou ik meer dramatisch werk hebben geleverd, als de
theater-directeuren mij beter tegemoet waren gekomen. Maar toen die te
geringe waardeering toonden voor mijn werk, ben ik mij meer gaan bewegen
in epische en lyrische richting. Pas in den laatsten tijd heb ik
getracht dat in te halen. En ik wil daarmee voortgaan."

--"Acht u het dan verdedigbaar, u door uiterlijke omstandigheden zoo te
laten leiden?"

--"Ik heb mij niet laten leiden. Integendeel. Nadat "Don Torribio"
geweigerd was,--een goed stuk, dat toen gespeeld had moeten
worden,--nadat het net zoo was gegaan met "Het Poortje"; ging ik werk
maken als "De Broeders" en "Lioba". Dat voldeed meer aan mijn verlangen.
Een schrander directeur had mij moeten zeggen: Kijk, daarvan is iets te
maken voor het tooneel. In Duitschland is men mij beter tegemoet
gekomen. "De Broeders" heb ik nu omgewerkt voor tooneel, en "Lioba" gá
ik omwerken. Dat mag u gebrek aan doorzettingsvermogen tegenover de
theater-directeuren noemen, ik heb op deze wijze toegegeven aan mijn
hoogsten smaak. Wat ik toen gemaakt heb, vond ik beter, dan wat ik
anders gemaakt zou hebben. Ik erken nu, dat het goed is, iets te maken,
dat tevens speelbaar is. Iets dat zoo mooi is als het beste dat wij in
ons hoofd hebben, maar dat toch door de massa wordt gewaardeerd, dat is
mijn grootste zoeken.--"

--"Denkt u dus, dat de massa zoo hooge uitingen kan waardeeren?"



KUNSTENAAR EN "DE MASSA."


--"Ik acht het mogelijk, dat een groot dichter iets maakt, dat zoo
speelbaar is als het werk van Ibsen, en lyrisch en dramatisch zoo hoog
staat als 't werk van Shelley. Shakespeare is daarvan het beste
voorbeeld. Literair mooi, en toch altijd pakkend. Ik vind Ibsen als
literair dichter niet hoog staan, absoluut niet, maar zijn groote
verdienste is, dat hij een manier heeft gevonden, om het publiek iets te
zeggen van af het tooneel. Menschen als Verwey en Van Deyssel mogen op
Ibsen neerzien ... maar ondertusschen! ze mochten willen, dat ze zijn
bekwaamheid hadden om het publiek te treffen. Een dichter die niet kan
spreken tot het groote volk, die ... die is niets!"

--"Ik moet nog eens terug komen op mijn vraag: Denkt u, dat het mooie,
diepe in Ibsen kàn begrepen worden door de groote massa? Als een heele
zaal, zooals ik ergens beschreven heb, "klok-klok" roept, op het
oogenblik, dat Oswald in "Spoken" zijn moeder om champagne smeekt,... en
dat is nog niet eens het grootste moment van het drama ... dan kan men
toch moeilijk zeggen...."

--"Ja, de engelebak."

... Als ik de engelebak bedoelde, dan zou ik aan die vraag niet zooveel
beteekenis hechten. Neen, ik bedoel in dit geval, en in honderd andere
gevallen: het grootste deel van het gewone publiek.

--"Dat doet er niets toe. Het zal dikwijls gebeuren, dat de aanschouwers
van het stuk niets terecht brengen. Wij kunnen aannemen, dat van de
menschen, die Ibsen zien, niet een derde de diepere waarde van de
stukken snapt."



DE WAARDE VAN PRESTIGE


Maar zijn prestige is gevestigd. Er is geen mensch, die op hem durft
neerzien. Als hij werkelijk iets beters te zeggen hadd' gehad, dan was
hij een kracht geworden in de samenleving. Hij is een naam. En als hij
iets te verkondigen hadd' gehad, dat het groote publiek gelukkig hadd'
gemaakt, dan was die naam enorm geworden, en had enorm ook kunnen
wèrken. Dat is niet gebeurd, omdat hij een zwakke levensbeschouwing
verkondigde: het pessimisme. Maar zijn dramatisch vermogen had van
buitengewoon groote beteekenis kunnen worden.... Wat geeft 't of
driekwart van de menschen, die er bij zitten hem niet begrijpt! Zij
weten, dat is die-of-die, een groot man, en we mogen er niet om
lachen.... Denkt u, dat iemand bij een Wagner-voorstelling durft lachen?
Ik heb het nooit gezien, hoewel er honderden zijn, die het wel
zouden willen.

--"Ik moet u wel slecht begrepen hebben. Zooals ik u nu begrijp wordt
het prestige van den dichter een soort waarschuwing, die de menschen in
bedwang houdt."



DE MENSCHEN MOETEN GELEID WORDEN.


--"Nee, dat werkt dieper door. Ik kan de meerderheid van de menschen
niet anders beschouwen dan als kinderen, die geleid moeten worden. Ze
kunnen alleen geleid worden door de opinie van anderen, en dat is heel
noodig. De invloed van Schiller in Duitschland bv. is zeer groot, en
werkt zegenrijk. Dat heb ik kunnen merken. En dat komt alleen, doordat
de menschen, die hem toch niet kunnen waardeeren, zijn meening niet
durven aantasten. Zijn geweldige naam houdt ze in bedwang."

--"M.a.w.: zijn meening wordt gesuggereerd aan...."

--"Aan die menschen, die geen eigen meening kunnen hebben, maar die
zoodoende langzamerhand een eigen meening krijgen. Dit is de groote
winst van mijn laatste levensjaren: dat ik langzamerhand ben gaan
begrijpen, dat de menschen nog niet mondig zijn. Dit is geen reden om op
ze neer te zien. Maar men moet er toch rekening mee houden, en er zijn
handelingen, zijn tactiek naar inrichten, als men het goed met ze meent.
Men moet hun eigenaardigheden trachten te begrijpen, en naar die
eigenaardigheden moet men ze beoordeelen. De bitterheid van Multatuli
vindt zijn oorzaak daarin, dat hij de menschen niet kende en niet
begreep. Als hij ze beter begrepen had, dan was hij ze nooit zoo bitter
te lijf gegaan.... Als ze niet naar mij luisteren, dan is het mijn
schuld. Dan begrijp ik ze niet. Dan stel ik ze te hoog. Mijn meening
daaromtrent heb ik o.a. neergelegd in een "Gids"-artikel, dat het
laatste hoofdstuk is geworden van de Duitsche uitgave van "De Blijde
Wereld". Daarin geef ik de inzichten waartoe ik gekomen ben door mijn
sociologische ervaringen, die hoogst noodig zijn geweest, en waarvan ik
alle ellende en al de verliezen niet betreur. Want zij hebben alle
bitterheid van mijn leven weggenomen."



ZONDER VERBITTERING!


Verbittering is altijd een bewijs van slecht begrip. Nietzsche en
Multatuli beiden waren verbitterd doordat zij de massa niet goed
begrepen.... Mijn stuk in "De Gids" is zoo bespottelijk slecht uitgelegd
als ooit een stuk van mij is uitgelegd. Niemand heeft er een verstandig
woord over gesproken. In een paar woorden gezegd, komt de inhoud hierop
neer: Het juiste begrip van de massaal-psychologie en van de waarde van
het kudde-instinct. Dat klinkt helaas niet mooi in onze taal, en
"Herdeninstinkt" en "the voice of the herd" klinkt fraaier. Zeg dan
liever "Groeps-instinct".

--"Wilt u nu weer aanknoopen bij wat u vertelde over uw afscheiding van
"De Nieuwe-Gids"-groep?"



VAN EEDEN EN "DE NIEUWE TIJD."


--"Goed. Ik ben van die menschen weggegaan, zoodra ik voelde, dat de
ethische schoonheid meer moest worden gehandhaafd, en ik mijn leven met
deze overtuiging meer wilde doen harmoniëeren. U zult zeggen: Van der
Goes heeft hetzelfde gedaan. Maar die is onder de hand in de dogmatiek
verzeild geraakt. En daar is hij voor goed opgeborgen. Als geest is hij
nu verloren. Ik daarentegen ben een verklaard vijand van alle dogmatiek,
omdat hij den geest versteent, en daardoor het leven onmogelijk maakt.
In iemand als Van der Goes is zoo'n overgang te begrijpen. Hij is altijd
een droog intellect geweest, zonder krachtige eigen persoonlijkheid.
Maar van Gorter is het meer te bejammeren. Bij hem ligt de fout in een
gebrek aan intelligentie. Hij heeft fijn-gevoelige dingen, hij was een
goed dichter, al is hij spoedig decadent geworden. Maar hij wist zich
nooit recht te houden, hij heeft nooit een helderen kop gehad.... Dus,
bij de mannen, die zich aan de sociaal-democratie verslingerd hebben kon
ik mij al evenmin aansluiten. Mijn vrijheid is mij te lief. Ik ben
dankbaar, dat ik dat toen direct begrepen heb. Want hoe meer ervaring ik
opdeed, hoe stelliger ik overtuigd werd, dat ik de goede richting zoek
en wat ik heb leeren inzien, wordt nu ook in andere landen begrepen,
langzaam aan."

--"Ziet u een bepaald verband tusschen de leer van Marx en de ideeën van
de Nieuwe-Gids-groep, zooals Van der Goes en Gorter ze vroeger beleden?"

--"Neen. Zij hadden iets noodig om zich aan vast te klampen. Zij hadden
een leer noodig, en die hebben ze nu. Dat ze Marxist zijn geworden is
toevallig. In vroeger eeuwen waren ze Calvinist geworden. Want ze zijn
geen oorspronkelijke menschen, ze kunnen niet op zich zelf staan, ze
hebben een dogma noodig. Ze moesten zich vasthouden aan een groote
persoonlijkheid, en honderd jaar vroeger waren ze aanhangers geworden
van Rousseau."

--"Voelt u niets voor hun meening, dat het schoon is, je persoonlijke
idealen prijs te geven, om te werken voor de gemeenschap?"



PERSOONLIJKHEID.


--"Persoonlijkheid ... persoonlijkheid is een dubbelzinnig woord. Je
persoonlijkheid handhaven, dat is goed, wanneer het beteekent: het
oorspronkelijke in je. Maar stel je voorbijgaande eigenschappen op den
voorgrond, dan is het verkeerd. Die twee dingen worden verward. Ik vind
het soms heel loffelijk je individualiteit weg te redeneeren, je op te
offeren voor grootere belangen. Maar ik moet tevens erkennen, dat in je
individueel Zijn wordt gevonden de eenige bron voor wijsheid, voor de
regeneratie van de menschheid. Alle mannen, die voor de wereld iets
beteekenden, konden dat slechts door hun individualiteit. Uit hun
innerlijke zielswezen putten zij de kracht en de wijsheid om de wereld
te regenereeren. Alle dogmatisme is afdwalen van de innerlijke wijsheid.
Dat is een vertrouwen op woorden, termen en uitspraken, zonder na te
gaan hoe de zaken er in werkelijkheid uitzien. Alleen het individu dat
de werkelijkheid nabij blijft en voelt kan verbetering brengen. Goethe
heeft 't gezegd: "... da bleibt nur die Persönlichkeit", als alle gaven
niets meer beteekenen, dan blijft de oorspronkelijke, niet napratende
persoonlijkheid nog van waarde."



ZIJ ZOEKEN DE GROOTE PERSOONLIJKHEID.


"De persoonlijkheid is het tegendeel van conventie. Wat beteekent het,
dat men steeds zoekt naar de portretten van groote mannen? dat ze in
Amerika bv. altijd willen hebben: de persoon, de persoon! Het bewijst,
dat men zoekt naar iemand, die bij de bron zit van het Weten. Men voelt
dat vandaar de vernieuwing moet komen. Aan den eenen kant is het dus
waar, dat men zijn persoonlijkheid moet opofferen, maar aan den anderen
kant is het even waar, dat uit de persoonlijkheid alleen het nieuwe
leven komen kan."

Gedurende het laatste deel van ons onderhoud werd de persoonlijkheid,
die ík trachtte te begrijpen inderdaad àl te zeer "gezocht". In vijf
minuten riep men hem minstens driemaal aan de spreekbuis, en de zinnen
kwamen bij stukjes en brokjes uit hem. Nu zat er al wéér iemand beneden
op hem te wachten, Hij had waarlijk geen tijd meer voor me.

Nog één vraag mocht ik hem stellen.--Als ik hem nu breng op de
geruchten, die ze in den laatsten tijd verspreiden over de
"bevrijdingsplannen", die hij in Amerika denkt uit te voeren, zoo dacht
ik, dan weet ik meteen in hoeverre zijn inzichten zich in de pas
verloopen jaren hebben gewijzigd. Wie kunstuiting en maatschappelijk
ideaal wil doen harmoniëeren, kan mij over het eene niet inlichten,
zonder het andere méde te bedoelen.

--"Wel," zei van Eeden, "over mijn plannen behoeven wij niet lang te
praten. Verleden jaar ben ik vijf weken in Amerika geweest. Ik ben
begonnen met een redevoering, die algemeen bekend is, en ook in het
Hollandsch werd vertaald. En, nadat ik vijf weken lang had geconfereerd
met Amerikanen, heb ik deze redevoering-hier uitgesproken in de
"Economic Club" te New York, den dag voor mijn vertrek. In die rede
vindt U uitgewerkt de plannen, die ik nu wil trachten te verwezenlijken.
Ik ga nu heen, met het uitgesproken doel, te onderzoeken in hoeverre dat
mogelijk is. Het niet-politieke socialisme, daarvoor werk ik, en
langzamerhand zie ik, dat in alle landen, tot zelfs in Duitschland en in
Amerika, meer en meer begrepen wordt, wat ik hier zooveel jaren heb
gepredikt. De verbetering moet komen door economische middelen, niet
door politieke. Die komen pas in de tweede plaats. Eerst moeten de
economische grondslagen gelegd. Natuurlijk heb ik door mijn ervaringen
hier in Holland geleerd: Als het eerste luchtschip verbrandt maakt men
het tweede beter."

--"Wat is dan het groote verschil tusschen uw eerste "luchtschip" en uw
tweede?"



HET NIEUWE LUCHTSCHIP.


--"Dat ik nu heb ingezien, dat de machines geen macht hebben, maar dat
de machinist de macht uitmaakt. De coöperaties moeten worden geleid door
schrandere, ervaren mannen-van-zaken, door commerciëele of industriëele
genieën of talenten, kortom: van boven af. Of dat nu kapitalisten zijn
of socialisten, het doet er niets toe. Mijn ondervinding met de
vereeniging "Gemeenschappelijk Grondbezit" heeft mij geleerd, dat de
arbeiders niet in staat zijn, zelfs maar een kleine onderneming
voldoende te beheeren. En als men nu de schuld van de mislukking op mij
gooit, die tracht af te wentelen van de arbeiders, dan bewijst men
daarmede, wat ik al gezegd heb: dat het aankomt op de leiding. En
spreekt u mij van gemeenschapsgevoel, dan zeg ik u, dat dit volstrekt
niet gewaarborgd wordt door het etiket "socialisme". Ik heb
langzamerhand geleerd, wat dat beteekent: socialistisch
gemeenschapsgevoel. Niets! Bij kapitalisten is het dikwijls nog grooter
dan bij zich-noemende socialisten. Maar ik verwacht van niemand groote
opofferingen. Ik verwacht alleen, dat er wel eenige menschen zullen
gevonden worden, die hun geld tegen redelijke condities zullen willen
beleggen. En om deze zaak tot stand te brengen zijn een paar
"vijf-percentsphilanthropen" voldoende, wat het geld betreft. En reeds
nu heb ik gezien, dat ik mag hopen."

Daarmede was ons gesprek teneinde. Hij werd weer weggeroepen.

"Een mooi vak heb jullie," zei hij, voordat hij mij verliet, "een
prachtig vak. Ik erken dat het goed is, menschen, die iets te zeggen
hebben aan het spreken te brengen. Maar toch ... toen ik uw stukken over
andere schrijvers las, toen dacht ik: Tot zoo iets leen ik me nooit.
Omdat het altijd er uitziet alsof de geïnterviewde met zooveel
zelfbehagen over zich zelf zit uit te pakken. Dat is meestal een schijn,
die de goede reporter moet vermijden, door zijn eigen rol in 't
interview duidelijk te laten uitkomen. Ik hoop, dat U dat doen zult en
daarom leende ik mij er toch toe. Als het goed geschiedt, is het heel
nuttig het publiek over een persoon in te lichten, en er schuilt meer
trots en ijdelheid in het afwijzen dan in het aannemen van
interviews."--

Hij leidde mij de trappen af. Hij leek heel slank, heel ondernemend,
heel jeugdig.

27 Jan. '09.



FRANS NETSCHER


[Illustratie: FRANS NETSCHER]



FRANS NETSCHER


"Misschien weet u, dat ik in mijn jonge jaren nogal wat te danken heb
gehad aan Jan ten Brink, die toen mijn leeraar was aan de H.B.S. in
den Haag. Eerst ging ik school te Gorkum, en toen ik daar in de derde
klas van de H.B.S. zat begon ik te schrijven. Van dat echte
Hollandsche polderland, dat ik daar in den omtrek te zien kreeg, heb ik
zoo een dingetje gemaakt en ik was heel blij, toen dat als feuilleton
werd opgenomen in een plaatselijk blaadje, "De Gorkumsche Courant",
hiette dat, geloof ik.

"Maar op de H.B.S. in den Haag dan, daar werden Ten Brink en A.W.
Stellwagen de mannen, van wie ik leerde. Couperus was daar gelijk met
mij; wij woonden dicht bij elkander, onze famieljes gingen met elkaar om
en wij liepen 's middags na schooltijd met z'n twee in de Boschjes. Daar
kwamen we Vosmaer nog al eens tegen,--die had toen juist zijn "Amazone"
geschreven. En ook Emants, die we van aanzien kenden. We wisten zoo, dat
't Emants was, hè? Die "wandelde" altijd alsof hij heel haastig ergens
naar toe moest.--"



LETTERKUNDIG LEVEN IN DEN HAAG.


"Goed! De man nu, die ons 't eerst er toe bracht, wat meer na te denken
over kunst en zoo, dat was mijn neef Kolff, die niet erg bekend is, maar
enorm veel heeft gedaan. Hij was de eerste, die--in "Het Vaderland"--De
Bock, Maris en Mauve dorst verdedigen, die op de tentoonstellingen
werden uitgelachen. Ook nam hij 't op voor Wagner, en was een van de
eerste pelgrims naar Bayreuth. Hij las Zola al, voordat iemand bij ons
er aan dacht, en ik bewaar nog altijd een pak brieven die Zola hem heeft
gestuurd. Nu, die man dan dineerde eens in de week bij ons en dan kwam
't gesprek vanzelf op allerlei nieuwe dingen in literatuur en kunst. We
zaten toen ook in een club "_'t Vlondertje_" hiette die; daar zaten
dezelfde lui in als in de "Nederlandsche Spectator-Club", die bij
Nijhoff vergaderde; je had daar ook Willem Maris, Boele van Hensbroek
... enfin een massa lui uit dien tijd. Die club kwam bijeen in een
bierhuisje in de Kettingstraat, daar schonken ze heel lekker Duitsch
bier. En naderhand verhuisden we naar Linken, een koffiehuis in de
Spuistraat. In de pauze zag je daar dan ook de kamerleden komen om hun
bittertje te drinken. Ik herinner mij nog levendig, dat Schaepman er
dikwijls verscheen: een man als een boom; en een ander bekend Kamerlid,
nogal klein van stuk en schraal, hoor ik met een dun stemmetje vragen:
"Wat zult u gebruiken? meneer Schaepman"; en die reus bromde dan met
zijn zware stem: "Geef me nog maar een grokkie!--""



HOE NETSCHER TOT ZOLA KWAM.


Mijn moeder vertelde dat Zola zoo gemeen was en mijn neef Kolff sprak
dat tegen. Dat wekte mij op, hem ook eens te gaan lezen.... Toevallig
vond ik zoo den schrijver, die uitte wat ik onbewust ín me had.... Ja,
die collectie brieven, daar heb ik nog eens een gedeelte van willen
publiceeren, met aanteekeningen, in "De Gids"--die waar de geschiedenis
van zijn romans inkomt. Maar Van Hall zei: "Doe 't niet, want Van Hamel
gaat er een studie over schrijven".

Op die wijze, en ook door Ten Brink, ben ik aan 't lezen van Zola gegaan
en van zelf kwam ik toen op Flaubert, Balzac, de Goncourt's, Huysman en
de heele cénâcle van Médan.



EERSTE WERK.


Ik ging toen op de cursus van Steger, bij de stenographische inrichting
van de Staten-Generaal, want ik zocht een bijbaantje.... Keller en Johan
Gram waren ook stenograaf geweest en ik dacht: schrijven en
stenograaf-zijn gaat heel goed samen. Toen de cursus was afgeloopen,
kreeg ik verlof om mij verder te oefenen op de tribune, en terwijl ik
daar zat bedacht ik de schets: "_Een woelige dag in de Kamer_": het
eerste stuk van mij dat de aandacht trok.

Ten Brink werd door minister Heemskerk tot professor benoemd en ook te
Leiden ben ik hem blijven volgen. Samen met Schimmel was hij redacteur
van "Nederland" en toen hij mijn stukje had gelezen, zei hij: "Geef mij
dat voor "Nederland", maar zet er je naam niet bij, anders krijg je last
met de menschen in de Kamer". En het verscheen onder 't pseudoniem _H.
van den Berg_.

In dien tijd, bij Linken, had ik ook Ary Prins leeren kennen en die zei
op een goeie dag: "Hei-je dat gelezen in 't "Amsterdammer Weekblad?""
(dat hiette toen nog niet "De Groene".) Daar stond een stuk in van Van
Deyssel, die met mijn schets in "Nederland" heel ingenomen was.



KARAKTER VAN HET EERSTE WERK.


Mijn eerste bundel schetsen kwam nu spoedig bijeen. Ik schreef er nog
meer "_Studies naar het naakt model_," naturalistisch, eenvoudig,
waarin ik trachtte in voor 't oog onbeduidende menschen het
interessante te zien. Die waren bij Mouton in den Haag verschenen, en
Josselin de Jong had er teekeningen bij gemaakt.... Curieus is, dat ik
een exemplaar met inscriptie, aan Jan ten Brink ten geschenke gegeven,
twee jaar geleden weer in handen kreeg. Henri Dekking snuffelde in
Rotterdam in 't stalletje van een boekenjood en vond daar 't boekje, met
aanteekeningen van Ten Brink voorzien.--Daarin vindt u ook een
jodenschetsje: "_Wat zal er van worden_?..." Bij de Nieuwe Kerk in den
Haag zat in mijn jongen tijd een oud vrouwtje, met vijgen _en zoo_; ik
kwam daar dikwijls voorbij en moest dan denken aan een klein meisje, dat
mèt haar zat. Zoo kwam dat schetsje in de wereld. Ik weet dat Israëls
daar verschrikkelijk mee was ingenomen. Jaren nadien zei hij me. "Ik heb
nog eens zoo'n mooi ding van je gelezen."



SUCCES VAN HET NATURALISME.


Die bundel, de eerste van dat genre in ons land, was in twee, drie weken
heelemaal uitverkocht, en onmiddellijk daarop kwam de tweede druk. En
daar werd me Van Deyssel ineens wakker. Hij schreef een geweldigen
aanval tegen me--een van de mooiste dingen, die hij ooit gemaakt heeft.

In de Kamer zat ik nog steeds op de tribune en maakte onder de hand mijn
"Parlementaire portretten". Ik had tot buurman den toenmaligen
hoofd-redacteur van "Het Vaderland", nu een van de directeuren van de
Rijksverzekeringsbank. "Wil u dat misschien voor uw blad hebben?" vroeg
ik 'm. Nu, hij vond 't stuk wel aardig, maar een beetje persoonlijk, en
hij wou er liever niet aan. Toen ging ik er mee naar Jan C. de Vos,
indertijd Hoofd-redacteur van de "Haagsche Courant" en, met Van
Nouhuys, redacteur van "De Lantaren". "Jan C.", zeg 'k tegen 'm, "daar
heb ik een dingetje gemaakt en dat willen ze aan 't Vaderland niet
hebben". En Jan C., zooals die geschapen was, stoof op en riep:
"Godv.... wat een flauwe kul is dat nu!" En hij drukt op een belletje.
"Hé-je 't bij je?"--"Ja".--"Hier" zeid'-ie tegen den zetter,
"onmiddellijk zetten."--"Moet je 't niet eerst lezen?"--"Nee, 't zal wel
goed zijn."--Het is toen verschenen in "De Lantaren" en vanaf de tribune
zag ik de geachte afgevaardigden zitten met een nummer waar 't in stond.
"Het Vaderland" drukte 't toen toch af, met "Overgenomen uit "De
Lantaren."" er bij. Nu was-ie gedekt!

Daarna zijn er nog andere parlementaire portretten gekomen en in 1889
gaf Warendorff den eersten bundel "In en om de Tweede Kamer" uit,
waarvan hetzelfde jaar een tweede druk verscheen.

Intusschen werd de "Nieuwe Gids" opgericht. Paap was een vriend van me
en in Amsterdam, op de Stadhouderskade geloof ik, heb ik bij hem
gelogeerd. Daar maakte ik kennis met Van Eeden en Van Deyssel ... o ...
o! dat was een vreemde tijd ... we waren nog jong ... jong en woelig,
zal ik maar zeggen.



HOE DE "WOORDKUNST" ONTVANGEN WERD.


In een van de eerste afleveringen van "De Nieuwe Gids" schreef ik de
schets "Herfst in 't woud". Dat was toen iets! Er stond in ... de
boomen, daar loopt van dat sap langs, hè? Nu, dat had ik "snotterig"
genoemd. Verbeel' je! Smit Kleine schreef daar een parodie op: "Voorjaar
in 't woud".

Daarna kwam "Miss Nelly", de beschrijving van een Engelsche meid, zooals
die stond te zingen in een tingel-tangel ... met al dat licht en die
sigarenrook ... "Wip-billend" en "wieg-heupend" had ik daarin gezet ...
dat waren toen nieuwe woorden. Ik heb toen voor 't eerst die malle
woorden gebruikt, en daar is een storm van lol over opgegaan. Ik geloof
dat 't toen Prof. Kalff is geweest, die daar met een ernstig gezicht een
betoog over heeft gehouden. Moet dat niet zijn: "bil-wippend" en
"heup-wiegend?" "Neen," zei ik, "dan ken je je taal niet, want je gebruikt
toch zonder blikken of blozen woorden als "knipoogend."" Dat heb ik hem
onder zijn neus gedauwd. Natuurlijk kwamen er weer allerlei parodieën
... maar tegenwoordig vindt men niets byzonders meer in die manier van
schrijven.



JUSTUS VAN MAURIK


In die dagen was het Justus van Maurik voor en Justus van Maurik na. En
toen heb ik een critiek geschreven op het valsche sentiment van dien
man, die het volk heelemaal niet kende, en het evenmin teekende als
Cremer boertjes teekende. Hij speculeerde op de goedkoope tranen van de
burgerlui. En nu is een aardige byzonderheid wel deze: In den Haag daar
had je en 't bestaat nog, het genootschap "Oefening kweekt kennis", waar
allerlei professoren in gezeten hebben. Daar hielden ze in eere de
gewoonte van "Het servetje": als er een spreker geweest was, werd er een
soupee'tje gehouden, en meneeren die al 25 jaar in de club zaten, kwamen
daar om 12 uur 's nachts borden erwtesoep en zware biefstukken met zware
potten bier gebruiken. Nu zeiden wij: "Nee, hoor is, je artisten moet je
goed betalen en eten dat moet je thuis doen." Maar er kwam geen
verandering en de heeren kozen telkens dezelfde lui in 't bestuur. Toen
besloten wij revolutie te maken. Op een mooien avond kwamen wij met z'n
tachtigen ter vergadering. Dat overrompelde als 't ware het bestuur. En
al de lui die 25 jaar lang zware biefstukken hadden genuttigd, die
gingen d'r pardoes uit en ik kwam er o.a. in. Ik was een-en-twintig. Ik
herinner mij nog dat de heele zaal opstond om mij achter den spreker te
zien binnenkomen. Nu dan, Justus zou komen spreken en net was die
critiek van mij verschenen. En hij schreef aan Campbell, directeur van
de Koninkl. Bibliotheek, of die niet kon maken, dat ik wegbleef, want
anders wou hij niet komen. Kinderachtig, hè? Zoo waren de menschen toen.
Ik kwam er achter en toen heb ik hem een brieffie gestuurd, dat als ie
alleen kwam voor die vijf-en-twintig pop, ik me wel niet zou vertoonen,
die avond.



VAN EEDEN EN "HET SERVETJE."


Daar valt me nog een avontuur in: Van Eeden zou komen spreken en hij
dineerde in Den Haag bij mijn moeder en mij.

--"Kan ik zoo naar "Oefening" gaan?" vroeg ie. Hij was als student
gekleed in een gewoon colbertje. "Ben je mal, kerel? Ze lachen je uit!"
Van Eeden natuurlijk ten einde raad, en het slot was dat hij mijn
gekleede-jas zoolang aan kreeg. Nu ageerden wij in dien tijd nog tegen
"het servetje" en als ik een spreker te pakken kon krijgen, dan stookte
ik hem altijd op om niet mee te soupeeren. Maar 't gekke was, dat Van
Eeden erg hield van lekker eten en na afloop had-ie zoo'n trek, dat-ie
tòch wou gaan. "Ho jonge", zei ik, "da's niet afgesproken. Wil jij zware
biefstukke nuttigen, ga dan je gang. Maar dan ook op staande voet mijn
gekleede-jas terug!"



AUTEURSVERDRIET.


Met mijn tweeden bundel, "Menschen om ons" heb ik een naar avontuur
beleefd. Kort na de verschijning ging de uitgever failliet. Voor de
"Witte" in den Haag stonden ze met zoo'n open handwagentje te venten.
Een kwartje een heel boek. Het is dan ook nooit herdrukt. Jammer,
sommige van mijn beste dingen stonden er in.

Dan heb ik nog geschreven een brochure tegen Van der Goes. Die had Ten
Brink aangevallen en ik betoogde dat er in Ten Brink, bij al zijn
fouten, veel was dat ik kon waardeeren, dat hij in veel zaken onze
voorganger was.



NETSCHER TE PARYS.


U moet weten dat ik stam uit een oude ambtenaars-famieje en dat mijn
vader resident is geweest in Indië. Nu, mijn moeder werd hier ongesteld
en moest voor haar gezondheid terug, naar Indië, hè? Ik heb haar
weggebracht over Parijs en toen ik daar eenmaal was, heb ik geprofiteerd
van de gelegenheid om kennis te maken met de naturalistische beweging,
en o.a. met Zola, daar ik jarenlang mee had gecorrespondeerd (ik heb nog
al zijn boeken met inschriften van zijn hand), met Huysmans en Paul
Marguérite. Net in dien tijd was van Zola's "Germinal" een tooneelstuk
gemaakt,--U weet--die verschillende bewerkingen gebeurden onder zijn
toezicht. Maar met "Germinal" was hij niets ingenomen. "Och," zei hij,
"ga er niet heen, je hebt er niets aan."

Huysmans,--ja dat is een goeie mop,--die was ambtenaar aan een
ministerie, en daar had-ie de afdeeling: "Slachtoffers van de coup
d'état van 1852". Ik kwam hem eens van zijn bureau halen: we zouden saam
dineeren. En toen ik binnenkwam, zag ik dat ie haastig iets wegmoffelde
onder een buvard. "O, ben jij 't", zeid'-ie, "neem me niet kwalijk, ik
zat juist voor me zelf te werken".--

"Heb je dan zoo weinig te doen?"

--"Weinig? M'n chef hier naastaan zit kalm te werken aan de
"Dictionnaire Larousse.""



THEORETISCHE STUDIE; HAAR NUT.


Ik heb van Huysmans in dien tijd veel geleerd. Ik ging toen ook aan de
studie van psychologie, en ik las vooral Claude Bernard. Dàt was onze
man. Of die wetenschap mij later te pas is gekomen, en mij geholpen
heeft de menschen beter te begrijpen, dat zou ik niet kunnen zeggen.
Misschien is mijn inzicht ook wel altijd intuïtief geweest.

Op een goeie dag ontdekte ik in een boekwinkel een werk van George
Moore, den Engelschen Zola. Ik trad met hem in correspondentie en
schreef in de ouwe "Gids" een artikel over hem, dat nogal opgang maakte.
Curieus is wel,--de boekhandelaar vertelde me dat,--dat naar aanleiding
van mijn Gids-artikel iemand uit 't Koninklijk Paleis,--U weet, zoo'n
mosterdman met een enorme beremuts,--die was komen vragen naar de
werken van Moore. Het naturalisme werd dus ook wel in hoogere
kringen gelezen.

Laat ik u nog even wijzen op mijn tooneelkritiek in "De Amsterdammer" en
mijn raadsverslagen in de "Haagsche Crt." toen Jan C. daar in zat. U in
uw werkkring kent misschien ook wel de zoogenaamde "bedstêe" die in de
raadszaal van onze residentie voor perstribune dient. Daar heb ik ook
... gebruik van gemaakt. En dan noem ik U nog een bundel schetsen: "Uit
ons Parlement".



DE ROMAN "EGOÏSME."


Toen ben ik begonnen aan mijn eersten roman: "Egoïsme", een Haagsch
verhaal in twee deelen, dat in 1893 verscheen. Wat die roman in had, kan
ik u in een paar woorden zeggen: Als je wat ouwer wordt, hè? en je hebt
bovendien wat studie van 't onderwerp gemaakt, dan ga je 't leven wat
ernstiger beschouwen, je gaat je vragen stellen, en dan voel je vooral
die eene vraag telkens in je opkomen: "Hoe moet je eigenlijk het geluk
in 't leven vinden?" Misschien zou ik daar nu een ander antwoord op
hebben dan toen,... ik weet niet ... later dùrf je die vraag zoo niet
meer stellen ... maar al komt er veel deceptie in je leven ... een kern
moet er toch blijven waar je onder alle omstandigheden je geluk in
zoekt. Dat thema heb ik in mijn roman behandeld: Een jong, mooi
vrouwtje--trouwt met een succesman--heeft allerlei teleurstellingen--en
komt tot deze conclusie: dat je 't geluk niet van buiten af kunt
verwachten: dat je 't in je zelf moet zoeken.

  "Nu, ik hoop, dat je in je huwelijk even gelukkig zult zijn als ik,...
  dat is mijn beste, allerbeste wensch."

  "En terwijl zij zich afwendt, om op haar beurt plaats te maken voor een
  anderen bezoeker met een anderen wensch, glimmen in haar ooghoeken twee
  smartelijke tranen, zooals jagers zeggen wel eens in de lieve oogen van
  een aangeschoten hert te hebben gezien."

Deze roman is uitverkocht. Niet meer te krijgen.

En verder is het met mij gegaan zooals met ieder ander schrijver: Je
blijft doorwerken, doorwerken, doorwerken. Ik moest er natuurlijk wat
anders bij doen--mijn journalistieke arbeid. Daarmee zijn we nu zoowat
gekomen tot de oprichting van de "Hollandsche Revue."



DE HOLLANDSCHE REVUE.


Dat ging heel eigenaardig: Ik reisde naar Engeland toe en op de boot
ontmoette ik Vincent Loosjes, den Haarlemschen uitgever, die een kennis
van mij was. Daar zat ik 's avonds mee in de rookkamer,--en hoe het nu
precies geloopen is weet ik niet, maar uit het gesprek dat we toen
voerden is ontstaan het plan voor de "Revue". Hij kende mijn werk in de
richting van figuurteekening en karakteranalyse, mijn parlementaire
portretten. Iets dergelijks zijn de _Karakterschetsen_, die ik iedere
maand geef. Ik ben met dat woord "karakterschets" niet erg ingenomen: de
menschen hechten er een veel te geleerde beteekenis aan; een diepgaande
psychologische ontleding was mijn bedoeling niet.... We hadden goed
gedaan daar een anderen titel voor te bedenken, maar dat merk je later
pas. Mijn bedoeling is, te laten zien dat er overal om ons heen menschen
leven die op een of ander gebied uitmunten, en hoe zwaar hun strijd is
om hun mooie denkbeelden te verwezenlijken. Leg dus meer nadruk op
"schets" dan op "karakter", dan komt u er misschien. Ik geloof dat 't
Kerdijk was, die de Revue een "maandelijksche encyclopaedie" heeft
genoemd. Dat mag ik hooren! Ik durf gerust zeggen, dat ik met dat
tijdschrift iets nieuws gaf, al lijkt 't tegenwoordig gewoontjes. Het
idée om de menschen te kieken in hun intérieur was nieuw in mijn tijd.
Mijn eerste karakterschets was die van Dr. A. Kuyper. Ik heb ernstig
getracht _objectief_ en volkomen getrouw weer te geven wat ik van hem te
weten kwam. En vergeet niet: Kuyper is van een heel andere richting dan
ik--bovendien verkeerde ik zelf nog in een twijfel-periode. Kuyper heeft
die zaak nog al aardig opgevat: hij had er schik in en bij wijze van
souvenir, heeft hij me een cadeau gestuurd: Zijn "Encyclopaedie van de
heilige Godgeleerdheid" in drie deelen. Hier staan ze.

Ja, op een heel kleine uitzondering na heb ik dit heelemaal alleen
gemaakt ... al die dertien jaargangen, die u daar ziet. En ik mag wel
zeggen: het is een geluk dat ik al die dertien jaar nooit ziek ben
geweest, zoodat ik nooit één ding heb moeten verzuimen,--wat een
wònder is.

Ik heb dikwijls het voorrecht gehad op menschen te mogen wijzen, waar
men eigenlijk niets van wist. Zoo bv. op Mevrouw Kempers, de
soldaten-moeder; dat beste brave mensch dat zoo ongelukkig was. Jonker
Graafland, de held van Atjeh ... Nelly van Kol ... Ja, dat was wel
aardig. In 1898, toen de Koningin aan de regeering kwam. Ik gaf een mooi
portret van Koningin Wilhelmina, en sprak de hoop uit, dat ik later een
Koningin in haar zou mogen huldigen. Dàt ze 't was moest ze nog toonen;
maar kon ik nog geen hulde brengen aan het "_Kind-Koningin_," ik
verheugde mij er in, te mogen wijzen op onze "_koningin der kinderen_,"
op Nelly.... Later, toen zij afscheid nam van haar tijdschrift "De
Vrouw", heeft zij gememoreerd, dat de groote opgang van dat blad
dagteekende van mijn artikel.

Die "Revue" is een enorm stuk werk, een stuk léven bijna. En daar hij
mij in aanraking heeft gebracht met menschen van allerlei richting, hoop
ik dat hij mijn blik heeft verruimd.

In 1904 heb ik nog uitgegeven "Uit de snijkamer", waarin de meest
verschillende zijden van mijn kunnen zijn vertegenwoordigd. Hoe ik aan
dien naam kom? Heel eenvoudig: De snijkamer is de plaats waar je de
menschen open maakt en kijkt wat er van binnen in zit. Ik tracht ze
psychisch van binnen te bekijken, ik opereer ze, om te zien wat er in ze
is omgegaan. En sedert 1 Januari ben ik in de redactie van de "Nieuwe
Gids" gekomen.



NETSCHER OVER ONZE LITERATUUR.


Wat mijn meening over de schrijvers van den laatsten tijd betreft: Van
Deyssel en Kloos zijn voor mij wel twee van de meest byzondere figuren
die we hebben. Alleen betreur ik het, dat van Deyssel terecht is gekomen
in de "Kleinmalerei", dat hij niet 't groote werk heeft gemaakt, _het_
boek van de eeuw, _de_ moderne roman, die ik jarenlang van hem
verwachtte. Ook vind ik 't groot jammer, dat Kloos zich heeft opgesloten
in één byzondere levensuiting....

Dat hangt samen daarmee: dat ik behoefte heb gevoeld, mij te bewegen in
allerlei richtingen.



DE ARTIST EN "HET OPENBARE LEVEN."


Een artist moet als 't ware wortelen in 't maatschappelijke leven ... ik
geloof,--als ik die plantkundige taal nog even mag gebruiken,--dat de
improductiviteit van veel artisten hieruit te verklaren is, dat zij al
't voedsel uit de lucht willen halen en niets uit de aarde. De enorme
productiviteit van Zola, die ons verbaast, van Balzac, die honderd
deelen heeft nagelaten, danken wij aan de omstandigheid dat die mannen
altijd voeling hebben gehouden met wat buiten de kunst gebeurt. En dat
hebben zij als artist verwerkt. Ja, een dichter die "versjes" wil maken,
die mag op zijn kamer blijven zitten. Maar wil je een groot man worden,
dan moet je leven midden in den strijd van je geslacht. Al weet je voor
't oogenblik niet altijd wat je er uit haalt, later zie je, dat je
ervaringen zich van zelf door je werk hebben gevlochten. Als Van Deyssel
dat gedaan had, dan zou hij de heerlijke, weelderige productiviteit van
een Balzac bezitten ... dàt is je ware! Ik ben een aanbidder van veel
werken, van 'n massa werken. Ik heb alle eerbied voor Flaubert die
dertig jaar aan één boek werkte ... maar wat heeft hij nagelaten? zes,
zeven boeken. En kijk nu die andere menschen eens ... wat een geweldige
produktie ... dat zijn de reuzeboomen in 't bosch geworden.



NETSCHER IN DE POLITIEK.


Ik heb mij daarom ook in de politiek willen bewegen, dat is
menschenplicht ... als je in de gemeenschap leeft, dan moet je geen
kloosterleven leiden, al ben je artist. In de laatste 15 jaren treed ik
regelmatig op als spreker, ik was meermalen candidaat voor de Tweede
Kamer en ik ben hier in Santpoort tot lid van den Raad gekozen,--op de
eerste vergadering die ik bijwoonde werd ik tot Wethouder benoemd. In
een interessante gemeente, een gemeente waar iets te werken valt.--Ik
heb hier o.a. de afdeeling Onderwijs, die nog al in mijn richting ligt.
Ik heb getracht de positie van onze onderwijzers zooveel mogelijk te
verbeteren, en, naar men zegt, voldoet de regeling die ik heb ontworpen
aan billijke eischen.--Ik behoor tot de vrijz. democratische partij; in
1901 was ik bij degenen die een oproep in de kranten plaatsten om ons af
te scheiden van de liberalen,--u weet 't ging toen om de urgentie van 't
kiesrecht.

In 1903 heb ik hier 't mijne gedaan om de eerste staking van 't spoor-
en tramwegpersoneel te doen slagen. En toen de tweede staking uitbrak,
heb ik de menschen met raad en daad bijgestaan, al kon ik hun optreden
niet meer goedkeuren. Later ben ik bemiddelaar geweest tusschen
personeel en directie.

Ik werk ook veel voor den Bond voor Staatspensioneering. Ik ben nu
uitgenoodigd om met Ds. Van Krevelen naar Denemarken te gaan, teneinde
't Deensche stelsel te bestudeeren. Met nog een paar heeren ben ik
uitgenoodigd, een wetsontwerp op het Staatspensioen te maken ... voor de
Bond natuurlijk.

En eindelijk ben ik in het hoofdbestuur van de vereeniging tot
Bevordering van de Bijenteelt ... ik hou' zelf ook bijen ... kijk,...
hier hebt u een pot van mijn mooiste lindehoning,... straks zal ik u de
boomen wijzen waar mijn bijen te gast gaan. Ik interesseer me byzonder
voor de bestrijding van 't geknoei met de honig.... O Ja: Voorzitter van
de kiesvereeniging hier ... van "Vreemdelingenverkeer",
tooneelverslaggever aan het Haarlemsch dagblad.... Tot over mijn ooren
in 't werk.... Kijk, mijn agenda is goed gevuld ... en daarbij, Goddank,
altijd gezond.



TOEKOMSTPLANNEN.


Het groote ideaal van mijn leven op literair gebied is nog eens een
roman te kunnen schrijven over de visschers. We zijn altijd een
visschersvolk geweest, en je hebt schilders genoeg die hun onderwerpen
in onze zeedorpen zoeken,--maar literair heeft nog niemand daar iets
van gemaakt.

Met de visschers in "Op hoop van Zegen" van Heijermans staat 't net als
met Cremer's boertjes. Heijermans laat ze bij elkaar komen:
visschersvrouwen en de dochter van den reeder en ieder doet op haar
beurt een verhaaltje. En dan die nonsens dat die man, als 't schip is
vergaan, telephoneert naar de assurantie en ten antwoord krijgt: "Kom
morgen 't geld maar halen." Nonsens, zoo is 't leven niet.--Nu heb ik
een uitnoodiging gekregen van de trawler-maatschappij in IJmuiden, om
een reis naar IJsland mee te maken. Dat heb ik verleden jaar al willen
doen, hè? maar door allerlei drukte heb ik me toen terug laten houden.

Dan heb ik plan voor een grooten roman die hier in den polder zal
spelen, in Sparendam. Een prachtige plaats! 't Echte Hollandsche
waterlandschap krijg je daar. In zoo'n mooi, stil Hollandsch dorp wil ik
een drama laten gebeuren. Daar heb ik een massa gegevens voor. En dan,
maar daar heb ik al iets van klaar liggen: Een roman die zal hietten:
"'t Drama op de molen". Een molen die heelemaal alleen in den
reusachtigen verlaten winterpolder staat te malen, 'n Paar menschen
wonen op die molen: en dan laat ik onder die paar menschen een
moordgeschiedenis gebeuren. De molenaar wordt verzopen in de tocht door
zijn vrouw en een van z'n knechts, omdat die knecht 't houdt met de
vrouw. Dat moet ook echt-Hollandsch worden. Ik ben er nog steeds in mijn
hoofd mee bezig.

Nu schrijf ik aan een werk dat ik met graagte op mij heb genomen: Het
tweede deel van een boek over ons eigen land, uitgegeven door den
A.N.W.B. Die streek hier: Kennemerland, West-Friesland, 't
Bloembollenland, de doode steden aan de Zuiderzee; dat typisch-
Hollandsche mooi in onze duinstreek en onze waterstreek ... dat
wil ik in woorden verheerlijken. Als we een mooie dag weer hebben ga ik
er nog al eens op uit om rond te kijken ... dat moesten meer menschen
doen ... jonge 't is zoo mooi.

En ... (Netscher's sterke hand streek driftig een lucifertje af) en
binnenkort moet ik weer de boer op voor de verkiezingen.... Altijd te
doen ... altijd bezigheden. Dat moet. Dat heb ik noodig. Voor de
zuiverheid van je visie is 't noodzakelijk dat je je op ander gebied
beweegt; voor de frischheid van je impressie. Mijn werkkring in de
gemeente brengt mij met een massa menschen in aanraking, in allerlei
omstandigheden waarin je ze niet ontmoet als je gewoon burger bent.
Denk eens: je belastingzaken en je onderwijszaken, die ik onderzoeken
moet. Dat verrijkt mijn geest nog dagelijks. Vooral dat IJmuiden is
prachtig hè? Dat stadje, dat in tien jaren iets gewòrden is, met zijn
energieke visschers, die frissche kerels, die nauwelijks hun hand kunnen
teekenen, maar toch in staat zijn een groote zaak te leiden.--

En nu meneer ben ik uitgepraat. Wat zou u zeggen van een groote
wandeling? Alles staat in de rijp ... 't is weer om van te watertanden,
hier aan de voet van 't duin. Aangenomen? Vooruit dan maar ... Denk er
om, ik heb lange beenen. Toen Querido hier was heb ik 'm doodgeloopen,
z'n tong hing 'm uit z'n mond. Durft u 't er op wagen?



MARCELLUS EMANTS


[Illustratie: MARCELLUS EMANTS Jeugdportret]

[Illustratie: MARCELLUS EMANTS]



MARCELLUS EMANTS


Breed, hol patriciërshuis, koud van gevel. Degelijke stille dienstbode,
die een gewoon-houten deur mij opende. Uit het portaal stond ik
bedremmeld in 't schel-gele licht, in de dwelmende atmospheer van een
Oostersch cabinet met rijkelijk-getinte tapijten, bizarre uitstallingen
van kostbare steenen, naast den kleinen divan een tafeltje met turksche
water-pijp, aan de zoldering een lamp van gedreven koper, matgeel. Voor
mij aan den wand, achter een sluier ten halve: een vrouwe-kop in enkele
trekjes afgebeeld. "Fatma" stond daar onder in erg Europeesche letters,
die spotten met de Arabische krul-karakters, welke ik verwachtte. Toen:
een tapijt schoof weg, een gewoon-houten deur kwam naakt; de
degelijk-ernstige dienstbode riep met gedempte stem mij weer in de gang,
waar ik--van jas en hoed ontdaan en aan 't tapijt nog gewend,
--gemakkelijk mij bewoog en misbaarlijk-zware stappen patste op
de marmerplaten. Een paar breede schouwburg-trappen. De koud-lichte
werkkamer, stoelen, tafel, boekenkasten, schrijfbureel en vensternissen,
alles van dof-en-donker hout en minutieus besneden. Emants met zijn rug
naar 't licht, zoodat ik zijn nuchter gelaat met de gouden bril en de
zwarte grijzende sik maar vaagjes onderscheidde ... in de witte glansen
van 't West-licht.

Wij spraken aanstonds over de temperatuur. Ik was verkleumd. De kamer
was "centraal" verwarmd, maar Emants ontstak in de hooge smalle schouw
een gashaard voor me, die hij aanstonds moest temperen, zoo gloeide dat
kostelijke ding. Centrale verwarming gecombineerd met gashaard, dit werd
me dra duidelijk, vormt een byzonder zuinig stook-systeem. Bij Emants
moet met genie gestookt en verwarmd worden. Hij lijdt zoo
verschrikkelijk aan kouwe-voeten! Alles al geprobeerd. Niets helpt.
Netscher heeft goed beschreven, toen hij hem voorstelde: wandelend heel
haastig als moest hij ergens heen. Die kouwe voeten plagen hem geweldig.
Vergallen hem veel genot: Comedie, vergadering, rijtuig. Hij heeft een
neiging, allerlei details uit zijn levensbeschouwing te verklaren met
een beroep op zijn kwaal. Maar dat liet ik me niet wel-gevallen,--en
aanstonds liep ons gesprek de gewenschte richting in:



EMANTS' VEELZIJDIGHEID.


"We hebben hier nog niet een leerstoel voor kunstgeschiedenis en dien
had ik toen eigenlijk noodig. Natuurlijk begreep ik dat zelf toen niet,
maar mijn ouders hadden het voor mij moeten begrijpen. En dat begrepen
ze niet: in mijn familie is nooit aan kunst gedaan. De zaak was, dat ik
me voor alles interesseerde en nog interesseer. Maar wat me in een of
andere loopbaan lokte dat was niet de hoofdzaak maar een van de
bijzaken. Eerst wilde ik militair worden. Waarom? Om het mooie pakkie.
Later zag ik mijn oom die ingenieur was bruggen bouwen en ik vond dat
een mooi en grootsch werk. Ik ging ook naar de polytechnische school,
maar dat cijferen beviel me niet. Toen zei mijn papa: Je mag wel van
studie veranderen, maar eerst moet je examen doen, anders is het net
alsof je daarvoor bent blijven haperen. En toen ging ik in de Rechten
studeeren. Maar dat rechtsgefrimel stond me ook niet aan. Al dat
gepeuter om uit te maken of een bepaling toepasselijk is op een zeker
geval, dat vond ik wel een oogenblik interessant, als alles, maar ik had
er gauw genoeg van."



EMANTS ALS STUDENT.


Bovendien, het studentenleven: nóóit heb ik kunnen begrijpen het
gezellige daarin, in dat bij elkaar zitten om te drinken, in leelijke
tabaksrook ... ik kan niet tegen rook en rook ook zelf niet. In Leiden
hield ik op een gezellig mensch te zijn. Ja, ik weet 't wel: bij de
meeste menschen is het net anders om. Maar mij heeft het student-zijn
uit 't leven gejaagd. Die duffe localen van de professoren, dat van den
een naar den ander loopen door de vuiligheid en de kou', die aklige
kille banken in het academiegebouw, nee! daar kon ik niet tegen. Ik heb
dan ook niet afgestudeerd. Ik heb wel mijn candidaats gedaan. Maar toen
stierf mijn ouwe heer, mijn moeder vond het niet bepaald noodig dat ik
een titel haalde en toen ben ik direct op reis gegaan, de bergen in.



DE BERGEN.


De bergen! dat is altijd mijn hoofdgenot geweest. Ik voel me nergens zoo
goed en zoo gezond als in de bergen. Sommige menschen vinden 't op zee
zoo prettig. Ik niet. Op zee ben ik altijd beroerd. Maar in de bergen
voel ik mij altijd "gehobener Stimmung". Ergens stilletjes te gaan
zitten, geen mensch te zien en dan te werken, dat is het grootste genot
dat ik kan hebben. Ieder jaar moet ik naar de bergen. Ik kan er om zoo
te zeggen geen jaar buiten.



KUNSTENAAR EN MAATSCHAPPELIJK LEVEN.


Een maatschappelijke betrekking heb ik nooit gehad, omdat ik die
doodeenvoudig nooit noodig had. Ik zou ook nooit geweten hebben, wat ik
in zoo'n betrekking doen moest. Maar--ik moet toegeven--ik vind dat
verkeerd. Ik vind 't veel beter dat iemand een baantje heeft dat hem
gedwongen in aanraking brengt met menschen. Dat hadden mijn ouders voor
mij in moeten zien. Later begin je er niet meer aan. Je kunt er wel een
soort van plaatsvervanger voor vinden in het vereenigingsleven en ik
beweeg me dan ook wel in het Alg. Nederlandsch Verbond, in het
Tooneelverbond ... maar 't had véél beter geweest als ik een
maatschappelijke betrekking--welke dan ook--had aangenomen.

--"Men krijgt wel eens den indruk, dat U bij al wat U schreef bent
uitgegaan van ideeën. Is dat zoo?"

--"Ik heb altijd behoefte gehad, om iets dat mij treft--hetzij dat van
buitenaf tot mij komt, hetzij dat 't in mijn binnenste ineens
opleeft--neer te schrijven, weer te geven, in vorm te brengen."



HOE DE DINGEN HEM TREFFEN.


De dingen die mij treffen presenteeren zich onmiddellijk aan mij als
roman of als tooneelstuk. Schrijven wordt dan een soort behoefte voor
me. En het eigenaardige is, dat ik daarbij nooit denk aan de uitwerking
die het op 't publiek zal hebben, aan de moraliseerende strekking of wat
de menschen er bij denken. Het is een zuiver egoïstisch weergeven van
wat mij treft. Daarom kan ik ook zoo goed begrijpen wat Goethe heeft
gezegd ... ik weet de woorden niet precies meer ... dat iets zoo sterk
in je kan zijn, dat het een goddelijke verlichting wordt het te uiten.

--"Maar dan moet ik U toch vragen: waarom stuurt U uw werk toch de
wereld in?"



WAAROM HIJ ZIJN WERK PUBLICEERT.


--"Die vraag heb ik mij zelf ook dikwijls gesteld. En een bevredigend
antwoord er op geven, dat kan ik eigenlijk niet. Ik weet 't niet. Ik heb
eigenlijk niet de behoefte mijn werk de wereld in te sturen. Maar ik heb
een zeker gevoel in mij, dat ik er minder aan zou doen, dat ik 't
misschien heelemaal niet zou schrijven als 't niet de wereld in ging. Ik
zou misschien nog wel beginnen, maar of ik 't af zou maken weet ik niet.
Maar toch, ik schrijf ook heel wat dat niet de wereld ingaat. In die
kast liggen een heele hoop tooneelstukken die ik nooit aan iemand
gegeven heb. En ik ben ook een massa dingen begonnen, die ik nooit heb
afgemaakt."

--"Werk van een andere soort misschien?"

--"Nee, dat kan ik niet zeggen. Soms beviel me het niet. Dat kwam b.v.
ook wel zoo: dat ik, laat me zeggen een romàn, had gemaakt ter wille van
een idée, van een enkel hoofdstuk. Later vond ik dat ik het veel beter
ergens anders kon gebruiken en dan werkte ik hetzelfde op een andere
manier uit."

"Wilt u nog eens op de grond-idée van uw werk terugkomen?"



HIJ KAN 'T NIET ANDERS.


--"Die ontstaat van zelf. Die is er voordat ik 't weet. Bijvoorbeeld:
Mijn vrouw interesseert zich erg voor mijn werk. En juist met haar heb
ik 't dikwijls over iets waarvan zij dan zegt: waarom doe je dat toch
zoo? dat bevalt 't publiek niet. Dan zeg ik: dat kan ik niet veranderen.
Dan moet 't maar geen mensch bevallen. Ik kan dat niet veranderen; dat
is onmogelijk. Als ik eenmaal zie dat iets zus of zoo moet zijn, dan heb
ik een gevoel van valschheid als ik er nog iets aan verander ter wille
van het publiek. Dat kan ik niet. Kort geleden had ik om mijn vrouw een
pleizier te doen een optimistisch slot aan een tooneelstuk geschreven.
Zij had het schema voor dat slot gemaakt. En een paar dagen later zei
ik: hier heb je de stukken er van. Ik heb 't onmiddellijk verscheurd. Ik
kòn 't niet aanzien!..."



ZIJN ONAFHANKELIJKHEID.


Nou zal daar wel invloed op hebben, dat geloof ik wel, dat ik niet voor
geld behoef te schrijven. Ik verbeeld me dat iemand die voor geld moet
schrijven vanzelf door de omstandigheden gedwongen wordt veel meer
rekening te houden met het publiek dan ik ... je behoeft je daarom nog
niet te verkoopen! Ik kan begrijpen dat het van zelf in je binnenste zoo
gaat. Maar wanneer je van geldzorgen onafhankelijk bent, dan kun je je
eigenlijk beter laten gaan dan een ander: dat vind ik zoo duidelijk als
twee maal twee vier.



HET PESSIMISME. IS EMANTS SCHOPENHAUERIAAN?


Om nu op mijn richting terug te komen: de richting in mijn werk waarvan
ik mij zelf ook bewust ben, dat is mijn pessimisme. Wat ik daarmee
bedoel wordt dikwijls verkeerd begrepen. Zij hebben mij dikwijls een
Schopenhaueriaan genoemd en dat is in zooverre onjuist, dat ik hem
natuurlijk wel een groot man vind ... maar waarom heb ik zooveel met hem
op?--niet omdat hij mij ideeën heeft gegeven--maar omdat ik in goeien
systematischen vorm bij hem terug vond wat ik zèlf al had, wat ik als
jongen al onduidelijk in mij voelde leven: dat idée dat het verdriet of
de slechte afloop of wat men kan noemen het pessimistische in de zaken:
sterk overheerscht het optimistische, en dat het goeie een moment is dat
toch weer slecht eindigt. Ik had laatst nog een briefwisseling met een
dame, die groote bezwaren had tegen wat ik schreef in mijn artikel "_Hoe
Loki ontstond_." Die schreef mij een langen brief waarin ze aankwam met
het mooie in het leven.... Dat kon ik hiermee beantwoorden: Stel dat we
de balans van het leven opmaken en we vinden een batig saldo aan wat de
Duitscher noemt _Lust_, dan vind ik voor dat geval het idee van den ons
steeds bedreigenden dood, van het onvermijdelijk moeten scheiden van de
"Lust", zoo verschrikkelijk dat dit optimisme me nog pessimistischer
lijkt dan mijn pessimisme. Waarom ik verder leef? Ik heb een dwazen
instinctieven drang in mij om te leven en daarom ga ik er niet uit. Bij
wie wil leven, bij die overheerscht eenvoudig de instinctieve drang en
bij wie het verstand overheerscht, die moet inzien dat de kans om
ongelukkig te zijn veel grooter is, dan de kans om gelukkig te zijn, dat
de zoogenaamde optimistische beschouwing volkomen opweegt tegen wat we
pessimisme noemen.



PESSIMISME EN GEMOEDSTOESTAND.


Maar u begrijpt wel, daarmee is niet gezegd dat ik een mopperaar ben.
Welnee. Ik ben altijd van zeer opgeruimd humeur geweest. Dat is
eenvoudig een je-schikken naar omstandigheden. Maar ik had veel liever
niet geleefd. Ik ben er mijn ouders nooit dankbaar voor geweest dat ze
mij het leven hebben gegeven.

--"Maar hebt u dan in uw leven niet een groot doel?"



HET FUTIELE VAN EEN LEVENSDOEL.


--"Een doel? Als het leven voor ons een doel heeft, dan is 't een
onbekend doel en wat baat dit doel aan het individu? De gemeenschap
lijdt niet, de gemeenschap geniet niet. Wat lijdt dat is het individu.
En wat is het doel van zelfs de groote individuen petieterig en
onbeduidend. Korten tijd na hun dood is al hun werk weer tot niet
vergaan. Die dame vond er juist zoo'n voldoening in, te leven voor het
geheel, en te kunnen zeggen: ik heb mijn deel gehad. Ik zie daar niets
anders in dan dat men zich paait met een inbeelding. Ik zie dat niet
anders in. Maar wat de menschen zoo dikwijls denken, dat pessimisme
gelijk staat met nurkschheid, melancholie, mopperen ... dat is volstrekt
onjuist. Integendeel. In mijn schatting kijkt juist een pessimist
nuchter en onbevooroordeeld het leven in. Als ik er voor stond en ik
moest er nog in, dan zou ik zeggen: ik doe het niet. Maar nu ik er
eenmaal in ben zeg ik: laat ik nu zorgen dat ik zoo min mogelijk nadeel
doe en mij zoo goed mogelijk schik."



MOET MEN VOOR HET PESSIMISME PROPAGANDA MAKEN?


--"Acht u het in dit verband dan niet een voordeel dat men in de
gemeenschap zoo min mogelijk slapende honden wakker maakt, en de
menschen nooit aan het denken brengt over zulke onderwerpen?"

--"Dat zou ik een voordeel kunnen achten, zeker. Maar als wij dat een
voordeel achten, dan komen wij volmaakt in strijd met alle ontwikkeling,
en eigenlijk moet je dan wenschen dat de menschen op een laag peil van
ontwikkeling blijven. En dan zou je de kerk gelijk kunnen geven. Die
houdt de menschen dom en de priesters zeggen: wij weten liet alléén.
Maar àls de wereld nu eenmaal vooruit moet gaan, dan werk je dat op die
manier toch weer tegen. En ik voor mij geloof dat de wereld,--al is het
geen vooruitgang,--zich toch geleidelijk ontwikkelt. Werk je die
ontwikkeling tegen, dan breekt de wereld zich baan met een revolutie,
want op den duur hou' je de ontwikkeling toch niet tegen. Een poosje kan
dat lukken en dan komt de groote botsing."

--"Hoe denkt u dan over de groote maatschappelijke stroomingen van onzen
tijd?"



EMANTS EN HET SOCIALISTISCH IDEAAL.


--"U bedoelt het socialisme? Ik zie daar een zeer optimistisch getint
verschijnsel in--en waarom? omdat de socialisten kunnen vechten tegen
bepaalde misbruiken en een ideaal kunnen maken van wat ze willen
invoeren. Dat zal nog lang kunnen duren, omdat ze het vooreerst nog niet
kunnen invoeren. Maar als ze het eenmaal verwezenlijkt hebben--laten we
de eerste periode van strijd nu eens over springen--dan zal de ellende
van hun systeem weer even duidelijk worden als de ellende van ons
systeem. Wàt de fouten van elk systeem zijn, dat weet ik niet. Maar ik
neem aan dat het te voorschijn komen van de schaduwzijde onvermijdelijk
is ... Als mij gevraagd wordt: hoe denk je den ontwikkelingsgang van de
menschheid? dan zeg ik: Altijd weer strijden voor nieuwe idealen, totdat
ten slotte alle idealen zoo'n beetje uitgeput blijken en dan inzien dat
men toch niets bereikt. In het gemeenschaps-leven zie ik wel iets moois.
Welk ideaal daarna zal komen, dat weet ik niet en dat hoef ik niet te
weten. Maar van elk ideaal zie ik onmiddellijk zich ontwikkelen de
schaduwzijde.... Neem bijv. eens het ideaal van de openbaarheid in
regeeringszaken, de critiek door de publieke opinie. Na de uitvinding
van de boekdrukkunst en van de kranten had je niet meer dat geheime
wroeten. De vreedzame strijd kwam in plaats van den bloedigen strijd....
Maar wat een verbazend geknoei krijg je niet met die publieke opinie!
Hoe wordt er niet mee gesold! Wat worden de menschen niet voor den gek
gehouden! Wat knoeien niet alle gouvernementen om een openbare meening
te fabrieken! Daar zet het ideaal zich toch om in zijn tegendeel. En zoo
zal het mij niet verwonderen als het socialisme, het ideaal van de
gemeenschap, zich ook in zijn tegendeel omzet. Misschien in een
gevaarlijke tyrannie, die nu al wordt voorspeld. Ik weet natuurlijk niet
of het zoo zal gaan. Maar ten slotte zie ik alle idealen misloopen....
En het eind van alle leven moet dus zijn: het inzicht dat onmogelijk te
bereiken is eenig batig saldo in geluk. Daargelaten natuurlijk de
quaestie of we niet voor dien tijd in de ijsperiode zijn overgegaan en
allemaal bevroren zijn. Want dat kan ook."

--Dan is het misschien wel een beetje voorbarig u de vraag te stellen
wat wij menschen tegen dien tijd zullen doen.



"DE MOREELE IJSPERIODE."


--"Als er niets meer te strijden valt--dan worden wij overvallen door de
moreele ijsperiode--dat is grenzelóóze verveling. Wat blijft er dan
anders over dan verveling? En dat is toch wel het ergste wat je zoowat
hebben kan."

Tot mijn geluk, waarde lezer, houdt de heer Emants er een byzonder ...
economisch stook-systeem op na, gelijk ge weet. Dat ik genoegzaam bij
mijn positieven bleef om hem mijn volgende vraag te stellen, o lezer,
ge hebt het te danken aan de tamelijk volmaakte natuur, die in kwistige
harmonie hèm met kouwe voeten, mij met een gashaard begiftigde. Ge ziet:
niet alleen idealen slaan om in hun tegendeel.

-"En hoe is deze opvatting in uw werk tot uiting gekomen?"



LILITH EN LOKI DE EENIGE WERKEN DIE EEN WERELDBESCHOUWING BELICHAMEN.


--"Dat is eigenlijk maar tweemaal gebeurd. Eens in _Lilith_ en een
andermaal in _Godenschemering_, dat ik later heb veranderd in _Loki_. In
deze twee gedichten ligt een levensbeschouwing. In mijn andere werk niet
rechtstreeks. Ze zijn er tenminste niet uit ontstaan. Ik wil graag
aannemen dat de levensbeschouwing, die achter in je hoofd zit, invloed
heeft op de dingen die je weergeeft als je in de wereld rondkijkt. Maar
voor zoover ik weet is al mijn latere werk observatie. Nooit heb ik er
meer aan gedacht een persoon te maken tot belichaming van een
levensbeschouwing. De menschen beweren wel eens anders. Maar dan vraag
ik: waarom zegt die persoon mijn gedachten en die andere niet?"



EMANTS STREVEN NAAR OBJECTIVITEIT.


"Natuurlijk, alles is door mij heen gegaan maar tegen een opzettelijk op
den voorgrond springen van mijn persoonlijke gedachten heb ik mij altijd
verzet. Er wordt zoo dikwijls gezegd: wanneer iemand een roman schrijft,
dan moet hij daarin leggen zijn gevoelens. Ik zeg: die zullen er wel van
zelf in komen. Hij moet trachten te geven het gevoel van zijn personage
en dat is het zijne niet. Ja, heelemaal objectief kun je niet zijn. Je
kan nu eenmaal niet in de huid van een ander kruipen. Maar je moet
altijd trachten je personen objectief te zien. Ik zeg _meenen_, omdat je
je subjectiviteit niet weg kan cijferen. Maar je moet er naar streven,
als een god boven den boel te zweven. Wil je dat niet, dan moet je komen
tot die verschrikkelijke subjectieve werken die alleen als lyrische
poëzie heel mooi kunnen zijn."



LILITH.


Maar nu de idée van _Lilith_; ten eerste: de wellust houdt de wereld
eigenlijk in stand. Dat is Lilith. En die wellust, de kern van den
mensch, betreurt dat hij uit zijn slaap is gewekt en eigenlijk een
scheppend god is geworden.



LOKI, HET INTELLECT.


"_Godenschemering_" is de strijd--dien je in de wereld ook
ziet--tusschen gevoel en verstand. Ik vind dat in dit opzicht het
intellect zeer verkeerd wordt beschouwd en te veel wordt achteraf gezet,
vooral in de kunst en niet alleen daar, maar in het heele leven.[1] Ik
vind: de heele ontwikkeling van de menschheid is de ontwikkeling van
het intellect. We zijn iets zachter van zeden geworden--ook door het
verstand. Maar overigens zie ik niet in, dat de menschen van duizend
jaar geleden verschillen van de menschen van nu,--àls het niet was door
het verstand. Je hoort redeneeren over "het koude verstand" en vrouwen
spreken over "die vervloekte logica". Welnu, Loki is voor mij
_het_ verstand.

[1] "Wat trof me in de Edda, terwijl de ergernis, waarvan ik sprak, in
mij woelde?--Dat het verstand, in de Noorsche godenwereld belichaamd in
Loki, door de goden al net zoo behandeld werd, als 't in onze
hedendaagsche samenleving behandeld wordt door de menschen.--Verkeren de
goden in nood, Aanstonds roepen ze Loki's hulp aan, begroeten ze hem als
hun redder, smeken en vleien ze hem; maar is het gevaar afgewend en
willen ze weer onbezorgd van het leven gaan genieten, dan doen ze
dadelijk hun best Loki op een afstand te houden. En woedend worden ze
als Loki toont hen te doorzien, als hij tal van misslagen,
ongerechtigdheden, overtredingen van eigen wetten hun meedogenloos voor
de voeten werpt. Dan noemen ze hem lasteraar en zouden ze in hun domheid
hem maar liefst op staande voet vermorzelen en vernietigen. Alsof
daardoor 't kwaad hersteld zou worden en Loki ongelijk zou krijgen!
Levert hij eindelik het bewijs, dat hun onsterfelikheid maar een waan is
en dat zelfs het moederhart, zoo hoog door Odien aangeslagen, niets
vermag tegen het noodlottig verband van oorzaak en gevolg, dan binden ze
hem tot straf met de darmen van zijn zoon aan een rotsblok vast en
bevestigen zij boven zijn hoofd een slang, wier brandend vergift
voortdurend neerdruipt op zijn hoofd." (Uit "_Hoe Loki ontstond_" door
Marc. Emants, Groot Nederland, October 1908.)



"LOKI" GEEN EIGENLIJK SYMBOLISCH GEDICHT.


Hadd' ik een symbolisch gedicht willen maken, dan zou ik alle dingen die
ik over Loki in de Edda's vond er niet bij hebben gehaald. Maar
aangezien ik in Loki vrijwel vond wat ik zocht, heb ik die figuur ook
tamelijk wel onveranderd gelaten. Het heeft mij nooit aangelokt: een
gedicht te maken van geheel nieuwe personen. Ik geloof niet dat ik het
goed zou hebben gedaan. Het is heel wat anders: als je vindt de stof,
daarin de atmosfeer te zoeken of te lèggen, dan van begin af een heel
nieuw verhaal te gaan dichten. Het is te dòen natuurlijk, ik zeg niet
dat anderen het niet moeten doen, maar het werk heeft mij nooit byzonder
aangelokt. En daar heb je nu dezelfde quaestie waar we het straks al
over hadden: ik bedenk nooit iets van dien aard. Het komt zoo van zelf
bij mij op dat ik die of die stof moet gaan bewerken. Ik heb me nog
nooit voorgenomen: nu ga ik dit of dat eens doen. Nee: ineens zie ik de
dingen voor me en dan denk ik: hè dat kon wel eens zoo. Dat doe ik dan.
Ik maak het af, of ik maak het niet af, maar als ik 't doe, dan doe ik
het zóó. En dat ik zou zeggen: nu ga ik eens een gedicht maken van de
wereldschepping of zoo'n abstract onderwerp, dat is mij nooit gebeurd.
Altijd heeft de stof die ik haast klaar voor mij zag zich aan mij
opgedrongen.



EMANTS EN DE "NIEUWE RICHTING."


--"Tegenover de literatuur van uw tijd rekent men uw werk als van een
nieuwe richting, niet waar? Hoe zou' u de verhouding tusschen die twee
richtingen omschrijven?"

--"_Niets heeft mij meer verwonderd dan dat_. 't Ging zoo. Ik zette mij
aan 't schrijven vooral op aandringen van Smit Kleine. Die wou een nieuw
tijdschrift stichten. Ik voelde niet de minste behoefte aan wat nieuws.
Ik genoot van dit en van dat, van sommige dingen die ik las, maar ik had
heelemaal geen behoefte om zelf iets nieuws te maken. Maar er kwamen
dingen die zich aan mij opdrongen. Het eerste wat ik schreef was
_Bergkristal_ van Oberammergau. Ik was daar geweest, had rondgekeken,
maar ik was er niet heengegaan met het idée dat ik er later iets van zou
maken. En toen zeiden de menschen tot mijn verbazing: _dit is iets
nieuws_. Het trok de aandacht. Ik vond het zoo byzonder niet. Een nieuwe
gedachtegang of iets dat zou frappeeren, dat vond ik er niet in Ik zei
tegen Smit Kleine: "Ja, god, als zich wat aan me voordoet dan wil ik met
alle plezier schrijven, maar om nu zoo'n tijdschrift te gaan vullen ...
ik heb heelemaal geen lust om geregeld te gaan zitten schrijven." "Da's
niets", zei hij, "dat zal ik wel doen. Als jij maar nu en dan een stukje
geeft."--Toen ben ik naar Monte-Carlo gegaan en daar heb ik drie
novellen van gemaakt--en toen was het weer uit voor een heele poos."



HIJ WILDE ZICH ZELF BLIJVEN.


Op een goeie dag heb ik iets gemerkt van de beweging van '80. Die
interesseerde me in het begin niet heel erg. Wat ik er van las ... nu,
het meeste lokte me al heel weinig. Maar naarmate ik er in kwam, trof ik
er enkele dingen aan die ik heel mooi vond. Het afbrekende vond ik
mooier dan het opbouwende. En daar las ik me opeens dat ik was de
_Johannes de Dooper_ van de nieuwere literatuur. Toen heb ik verbaasder
gestaan dan ooit. Ik was mij niet bewust, iets nieuws te hebben
geprofeteerd of ingeleid. Ik heb doodeenvoudig geschreven wat zich aan
mij opdrong. Nooit aan nieuwe richting, zelfs niet aan richting gedacht.
Het kan wel zijn dat ze gelijk hadden. Maar bij mij was het dan toch
heelemaal onbewust. Naderhand heb ik een gevoel gehad,--en dat heb ik
bij alle mogelijke dingen in mijn leven,--dat ik me niet van mij zelf
wil laten afbrengen. Ik wil wel uit mij zelf tot een ander gevoelen
komen, maar ik wil mij niet laten leiden door den geest van een ander.
Ik heb altijd sterk de neiging gehad om mijn eigen zin te volgen, in wat
dan ook. Jawel, mijn ideeën zweven ook maar niet vrij op me af, ze
ontstaan ook door aanraking met de wereld, maar ze moeten dan ongemerkt
die invloeden ondergaan. Ik wil daarom nooit meedoen met een of andere
kliek. Wanneer twee, drie, vier, vijf heeren in die kliek een beetje
anders denken dan ik, dan moet ik toch weer uit die kliek gaan òf mij
laten lijmen tot iets dat me niet lokt. Ik heb mij zelf willen blijven
ook op het gebied van de literatuur en dat was geen verstandelijke
overweging, maar iets dat uit mijn persoonlijkheid opkwam.... Maar één
keer van mijn leven heb ik mij werkelijk laten overtuigen, en dat was
met de nieuwe spelling. Kollewijn kwam eens bij me, en vroeg me of ik
daaraan mee wou doen. Ik bedankte natuurlijk, maar toen heeft hij net
zoolang gepraat dat ik volkomen was omgeslagen. Als iemand me ompraat,
ziet u, dat is mij wel, maar dan moet ik ten slotte sterk het gevoel
hebben dat ik het zelf heelemaal meen, en dat ik die gedachte
niet overneem.

--"Maar dan ziet u nu, achteraf, toch wel beter dan toen, wat uw
beteekenis is geweest?"



HIJ ZIET OOK THANS NIET IN, WELKE NIEUWE RICHTING HIJ HEEFT INGELEID.


--"Nee, dat zie ik niet in. Met dien verstande: ik wil niet zeggen, dat
de mannen van de Nieuwe Gids mij per sé hadden moeten afbreken, dat
niet. Maar ik kan niet zeggen, waarom men mij als het ware eenigszins
tot de hunnen heeft gerekend. Ik vind het wel heel aardig! Ik heb er
niets tegen. Ik vond 't toen ook heel aardig. Je hebt natuurlijk liever
dat iemand je bijvalt, dan dat hij vijandig tegenover je staat. Maar
tusschen dat gevoel van aangenaam vinden en ... begrijpen is nogal eenig
verschil. Ja, uit één oogpunt zou ik het kunnen begrijpen: ik heb nl.
een grooten hekel gehad en dien heb ik nog, aan conventioneele taal en
conventioneele woorden. Zoodra ik in een boek vind menschen die met
conventioneele phrasen werken, dan haat ik dat boek zoo hard ik maar
haten kan. Ik heb altijd gestreefd naar het juiste woord. Daar hecht ik
nog aan. Het is mij natuurlijk wel gebeurd dat ik conventioneele woorden
gebruikte en dat ik er niet op lette, maar het streven blijft er toch.
Van elk woord moet ik weten dat ik dat bepaald bedoel. Zij, die in het
begin althans, óók zoo sterk tegen de conventie gekant waren, moeten in
mij een medestander hebben gevoeld, daar kan ik wel in komen."



DE OVERDREVEN VEREERING VAN DE WOORDKUNST.


Maar er is toch één opzicht waarin ik heelemaal niet met ze mee kan gaan
en dat is de overdreven vereering van de woordkunst, waardoor alles is
gereduceerd op klank, rythme en taalschoon. Het middel wordt dan doel.
De hoofdzaak is toch maar wàt je schrijft en het hòe verdwijnt daarbij
dikwijls. Als ik wel eens een schrijver lees, die een grauw armebuurtje
op een triestigen dag weer beschrijft, dan kan ik dat heel mooi vinden,
maar als ik een auteur ontmoet die niets anders doet dan dat, dan zeg
ik: wat vind ik dat toch allemachtig pover!

--"Aan welke schrijvers geeft u dan de voorkeur?"

--"De man die het meeste invloed heeft gehad op mijn denken is Heine,
Heinrich Heine. Die had ik altijd open op mijn schrijftafel liggen. En
daarvan heb ik een ding altijd over gehouden: dat ik een haat heb aan al
wat ze noemen "onschuldige scherts". "Der Witz muss schlagen!" dat is er
bij mij altijd in gebleven. En dat heeft mij de heerlijkste voldoening
gegeven. Mijn moeder kon kort voor haar sterven zeggen: "Als Marcellus
eens een geestigheid wil vertellen dan is niets hem te heilig.""



GEEN ONSCHULDIGE GRAPPEN!


Als ik denk aan die eigenschap van mij--die ik weet!--dan denk ik
daarbij altijd aan Heine. Daarom heb ik ook nooit kunnen verdragen wat
ze noemen luim of boert. Dat zijn van die onschuldige grappen die de
menschen heel aardig vinden--maar ik zit er met een ijskoud gezicht bij.
Als ik zoo'n grap van af het tooneel hoor, dan geniet ik absoluut niet
meer van het heele stuk. Verleden Maandag nog: toen werd er in
"Oefening" een monoloog van mij voorgedragen, ter gelegenheid van het
75-jarig bestaan. Ik dacht dat ik 't nog al schikkelijk had gemaakt,
maar "God wat ben je weer hatelijk geweest!" zei een dame naast me. Ja,
zelfs bij een feestelijke gelegenheid heb ik me niet in kunnen houden.
Maar den volgenden dag stond er in het "Vaderland" dat de monoloog was
geestig geweest, maar "uiterst goedmoedig". En dat klapte me nog meer om
m'n ooren dan die dame met haar "hatelijk".

Wat Hollandsche boeken betreft heb ik erg veel van de Camera Obscura
gehouden. Indertijd, ziet u? Nu is 't weer anders geworden. Indertijd
was 't een zeer beteekenend werk. Dat is 't trouwens nog. Maar eigenlijk
is het toch ook wel een beetje goedmoedig en daardoor ben ik misschien
wat terug gekomen op mijn eerste oordeel. Dat oordeel dateert trouwens
uit den tijd dat ik de boeken nog niet critisch genoeg beschouwde. Mijn
haat tegen dat goedmoedige is ook de reden dat ik nooit van Dickens heb
kunnen houden. Ik heb veel van 'm gelezen en 't amuseerde mij wel, maar
tegelijkertijd hinderde 't mij. Dikwijls had ik lust om te zeggen:
Jasses, schei toch uit met je flauwiteiten: we weten 't nu wel! Ik vind
Dickens flauw, met hier en daar een mooi trekje, en dat appreciëer
ik ook wel.

--En houdt U u ook op de hoogte van onze moderne schrijvers? Mij dunkt,
U moet over sommigen er van een eigenaardig oordeel hebben.



ER IS GEEN BIJHOUDEN AAN!


--"Voor zoover dat bij te houden is! Ik wil uit de andere landen ook wel
eens wat lezen.

"Ik lees graag over Philosophie, over Spiritisme. Maar er zijn onder onze
moderne auteurs een paar waar ik erg veel van hou'. Zoo bv. van Mevrouw
Boudier-Bakker; van Heijermans heb ik ook veel gelezen; van Querido ook
het een en ander; er is trouwens bijna geen een of ik ken er wel een
werk of wat van. Maar een boek dat mij erg lief is, is "Een zwakke"
van Coenen."

--"Vindt u het uit maatschappij-oogpunt wel te verdedigen dat zulke
zwaarmoedige boeken openbaar worden gemaakt?"



ZWAARMOEDIGE KUNST UIT MAATSCHAPPELIJK OOGPUNT.


"Ik heb me dikwijls afgevraagd of het uit maatschappij-oogpunt misschien
niet beter was dat er heelemaal geen literatuur bestond. Ik weet niet of
't lezen van romans de menschen wel goed doet. Ik heb ook nooit iets
gezien van den veredelenden invloed van de kunst, waar de menschen het
soms over hebben. Is een kunstenaar dan zoo'n nobel mensch? daar heb ik
nooit iets van kunnen zien. Ik stel den kunstenaar volstrekt niet
hoog--mij zelf er bij. Maar de goeie werking die je van boeken kunt
waarnemen dat is tweeërlei. De eerste werking zou kunnen zijn dat de
menschen in hun leegen tijd misschien allerlei kwaad uitvoerden en nu op
een niet-kwade manier hun leegen tijd doorbrengen.

"En de tweede werking heeft meer betrekking op flinke, ware boeken, en
die is: dat de menschen er het leven uit leeren kennen. Ik bedoel
volstrekt niet alleen realistische boeken: sprookjes kunnen ook waar
zijn. Alleen: het werk mag niet gefabriekt zijn voor den smaak van het
publiek. Het moeten zijn boeken waarin de schrijver onbewimpeld geeft
zijn eigen opvatting van het leven: zóó zie ik 't! Waarbij niets wordt
weggelaten uit angst om de menschen te kwetsen, waarbij niets wordt
ingevoegd om de menschen te leeren of te prikkelen. Alleen zeggen: zóó
zie ik de menschen, moet de kunstenaar. Maar dan moet hij ook lezers
treffen die de stof weten te verteren, niet oppervlakkig lezen, geen
verkeerde gevolgtrekkingen maken, wat toch zooveel gebeurt. Maar in dat
geval kun je spreken van nuttige werking van kunst."

--"Om nu op mijn vraag terug te komen: denkt u dat het goed is, speciaal
in onzen tijd, boeken uit te geven die niet alleen pessimistisch maar
bovendien nog melancholisch zijn?"

--"Ja, ik kan aannemen dat dat niet goed werkt op de menschen. Maar
daarom zou ik om den drommel niet willen dat Coenen zijn mond hield. Dat
is misschien heel egoïstisch van me. Best mogelijk. Ik heb weinig gevoel
voor de gemeenschap in het algemeen."



EMANTS' ERVARINGEN MET EEN LUGUBER BOEK.


Laat ik u nu eens vertellen van mijn boek "Een nagelaten bekentenis".
Dat is de geschiedenis van; een dégénéré, die eindigt met zijn vrouw te
vermoorden. Het boek begint met de woorden: "ik heb mijn vrouw
vermoord", en dan ontwikkelt hij zijn levensgeschiedenis: hoe hij tot
die daad is gekomen. Het boek is goed gerecenseerd, maar het publiek
vindt het verschrikkelijk, afschuwelijk, dat weet ik wel. Van Nouhuys
haalde het onlangs weer aan, toen hij sprak over het Dagboek van een
Hypochonder, van Everts. Dat is volgens hem minder doorvoeld. Dit boek
is als je wil pessimistisch, hoewel op een andere manier dan het werk
van Frans Coenen: Het is minder een stemmingsboek. Het is meer: die man
doorkeken tot in zijn binnenste: gekeken hoe hij tot zoo'n ellendige
daad komt. En nu kunt u niet wéten: hòeveel brieven ik heb gekregen van
menschen die zeggen: ik ben net zoo. Nog geen drie maanden geleden kreeg
ik een brief uit Amsterdam: u weet niet hoe dankbaar of ik ben, dat ik
dat boek heb gelezen. Ook kreeg ik een brief van een dame, die had een
neef, en die neef was ook zoo. Of ik een vereeniging wou stichten die
dergelijke dégénéré's onder haar hoede nam en door het leven leidde. Dat
was natuurlijk niets voor mij ... Maar aan den anderen kant hoorde ik
van een dame, die had daar haar eigen man in herkend, en die man had
zich zelf herkend en nu kwamen al die zenuwverschijnselen weer bij 'm
terug. Tusschen twee haakjes: die man was heelemaal niet mijn model
geweest. Maar dat ziet u nu wel in: van een eigenlijke bepaalde werking
van een boek kun je moeilijk spreken: dat hangt zooveel af van je
individuen. Ik bijvoorbeeld heb die neiging tot melancholie in me gehad
en een boek van Coenen zal me beroerder maken dan ik ben, doordat ik
meen iets te herkennen dat ik ook in mijn binnenste voel. Ik leef
verschrikkelijk onder den invloed van atmospheer. Komt er een
zonnestraaltje binnen dan ben ik een ander mensch. Maar nu komt er zoo'n
akelige regendag, somber, luguber, kil ... dan ben ik te ellendig om te
denken. Maar dat is geen pessimisme. Dat is melancholische stemming. Ik
kan slecht tegen donker weer in ons klimaat. Daarom heb ik zoo'n
heerlijk gevoel in de bergen. Daar mag 't zoo hard regenen als 't wil,
die beroerde stemmingen die ik hier soms heb krijg ik dáár niet. Zoo
kan ik ook niet tegen een groote stad. Als ik in Parijs of in Berlijn
ben, dan loop ik er zoo gauw mogelijk weer uit. Ik zou nooit in een stad
willen wonen die meer dan 500.000 inwoners heeft. Dat is voor mij het
maximum. Ik geef je alle mooie dingen die er zijn cadeau: ik kan er
haast niet van genieten, zoo drukt mij een groote stad. Ik geniet er het
meest van als ik er weer uit ben.



VOOR EN TEGEN VAN MENSCH-ONTLEDENDE LITERATUUR.


Kijk: er zijn natuurlijk ook menschen wier levensopvatting eenvoudig is:
literatuur. Die alles kennen uit de boeken. En dat is de schaduwzijde
die het voordeel na zich sleept. Maar vele menschen, als die zich
eenvoudig moesten vergenoegen met hun eigen ondervinding--gesteld dat we
eens kunnen aannemen: er is geen bellettrie, er zijn geen boeken die den
omgang en de botsingen van de menschen met elkaar weergeven,--dan geloof
ik dat die menschen een heeleboel aan levensopvatting zouden missen wat
ze nu wel hebben, en dat ze een heeleboel armer en bekrompener zouden
worden. Door eigen ondervinding weten de menschen eigenlijk maar van
heel kleine kringetjes iets af.... En dat zie je ook aan de critieken
die de menschen op boeken uitoefenen. Ik heb dikwijls gezien dat sommige
voorvallen in boeken,--hetzij dat ik ze zelf zoo heb ondervonden, hetzij
dat ze mij met mijn ondervinding aannemelijk voorkomen,--door sommige
menschen met weinig ondervinding aanstonds worden veroordeeld: Dat is
onmogelijk, dat kan zoo niet gebeurd zijn. Daar komen ze altijd mee
aanzetten. Een voorbeeld. U kent wel "Ida Westerman", dat vind ik een
heel lief boek: daar steekt veel goeds in. Daar vind ik zoo juist in
beschreven dat gevoel: dat dat meisje niet kàn gelooven, dat haar
aanstaande maar voort leeft in zijn ongeloof. Zij kan dat beschouwen als
een afdwaling van een oogenblik, maar dat 't blijft, neen, dat gaat
boven haar bevatting.

--"Bepaalt deze opvatting uw voorkeur voor een of andere richting"?



ZIJN LIEFSTE BOEKEN.


--"Ik ben er erg voor, alle richtingen zooveel mogelijk te waardeeren.
Maar er zijn natuurlijk boeken die me meer, andere die me minder
aanlokken. Ik hou' erg veel van het psychologische in de literatuur. En
waar me dat ontbreekt, waar ik me moet vergenoegen met de beschrijving
van het uiterlijke der dingen of van stemmingen, daar voel ik altijd
iets onvoldaans. Nu kan ik echter wel toegeven van bijv. de ouwe
Bourget, de Bourget van zijn eerste romans, de psycholoog bij
uitnemendheid, die zoover ging in zijn ontleding dat hij de plastiek wel
wat verwaarloosde,... ik kan toegeven dat dat een gebrek in hem was,
omdat je bij hem niet meer ziet de dingen. Maar daar staat tegenover,
dat zijn mensch-analyse verbazend mooi is, erg mooi. Nu kom je ook weer
tot dit: wanneer in een boek de psychologische analyse vereischt veel
woorden, en je wil daarbij nu ook geven een uitvoerige beschrijving van
het milieu, dan zou je roman ontzettend dik worden. En dat is een
moeilijk vraagstuk: wat je dan eigenlijk moet weglaten. Maar: ik hou'
dus van de mensch-ontleding. Je moet natuurlijk ook weer samenstellen
uit die analyse; je moet synthese geven, je moet ze in actie geven: hoe
klein die actie ook moge zijn. Je moet uit je boek als het ware je
menschen pròeven en zeggen: nu begrijp ik hun daden.

"Heyermans is in sommige werken wel een man naar mijn hart. Ik hou' erg
veel van "Op hoop van zegen",--iets minder maar toch nog veel van
"Ghetto"--maar met zijn overige tooneelstukken kan ik absoluut geen
vriendschap sluiten.... Maar zegt u er toch vooral goed bij, dat ik dit
zeg: zonder daarbij de bedoeling te hebben de schrijvers die ik noem te
critiseeren! "Biecht eener schuldige" vind ik weer een erg goed boek.--

"En zoo staat 't ook met mijn oordeel over onze dichters: In het algemeen
met iemand meegaan kan ik niet. Maar bij Kloos en bij Van Eeden vind ik
enkele dingen mooi. Er zijn ook opstellen van Aletrino die ik erg mooi
vind; een van die twee pleegzusters, hoe heet ze ook weer?... heb ik met
plezier gelezen. Maar ik zou toch niet willen schrijven zooals hij
schrijft. Er is iets in zijn werk dat me niet bevalt ... hij is zoo vaag
van omtrek....

"Querido vind ik een man die werkelijk heel veel kan: een zeer begaafd
auteur ... maar zijn boeken kan ik niet genieten. Die rijste-brijberg
van woorden, daar kan ik niet doorheen. Je hebt in "Levensgang" een
beschrijving die erg wordt geprezen, en telkens wordt aangehaald als
iets heel moois.... Toen ik die las, en ik was halfweg gekomen, toen
dacht ik: waar ben ik nou? ben ik boven op de Alpen, ben ik in een
cathedraal? Ik heb altijd willen hebben, dat, als ik een boek las, ik
zoo min mogelijk van de woorden merkte. Ik wil dat een boek mij de
gebeurtenissen voor oogen stelt, dat ik de menschen zie leven, hoor
praten. Dat ik--zooals men 't wel eens heeft uitgedrukt--als het ware
den stank van een kaas ruik of van wat dan ook. Maar ik moet totaal
vergeten in welke woorden dat tot mij is gekomen. Ik moet niet genieten
van elk woord apart."



WAAROM HIJ DE "WOORDKUNST" VEROORDEELT.


--"Daarmede veroordeelt u dus de woordkunst als zoodanig?"

--"Ja: de misbruiken die de schrijvers maken van beschrijvingen en
schilderingen in woorden, zijn geheel in strijd met Lessing's
voorschrift. Een voortschrijdende handeling kun je beschrijven, maar wat
eenmaal een schilderij is als het ware, als je dat beschrijft: dan heb
je in je woorden iets dat voortgaat, maar de zaak zelf die staat stil.
Nu kun je daaraan wel tegemoet komen. Als bijv. een persoon een
landschap ziet, die persoon zijn oogen te laten richten van het eene
punt naar het andere. Dan komt je persoon in handeling, terwijl toch je
natuur stil staat. Ik heb altijd gepoogd, waar ik voelde eenigzins te
moeten beschrijven: dat zoo te doen. Ik láát de dingen zien door iemand
in actie.--De juistheid van Lessing's aanmerkingen heb ik nooit zoo
sterk gevoeld als bij 't lezen van die woordkunst. Je raakt er uit, je
krijgt geen indruk. Dat heb ik juist tegen Querido: dat ik uit zijn
beschrijvingen geen indruk krijg. Daarmee wil ik niet zeggen dat ik
sommige personen-in-actie van Querido niet uitmuntend vind. De dochter
van den juwelier in "Levensgang", Kees de strooper. Uitstekend. Sommige
tooneeltjes uit de Kermisbeschrijving in "Menschenwee".... Maar ik zou
dat boek tot op de helft willen reduceeren. Hij is tè uitbundig en
daardoor verlies ik er mijn aandacht bij. Kunstenaarsleven, zijn laatste
boek, vind ik heel wat minder dan de andere. "Zegepraal" daarentegen
vind ik goed, om het juist weergegeven gemoedsleven. Maar met zijn wijze
van werken kan ik ook al weer niet mee: Nee, dat werkwoorden maken van
zelfstandige naamwoorden, o god nee, dat kan ik niet hebben!... Een heel
enkele keer kun je zoo'n buitenissigheid wel gebruiken. Maar als het
regel wordt, dan doet het zeer onaangenaam aan."

--"Hoe is eigenlijk uw wijze van werken?"



ZIJN MODELLEN.


"De personen komen in mij op mèt hun handelingen tegelijk. Dat is iets
dat zich aan mij opdringt. Gegevens verzamelen? ja, dat doe ik ook: ik
heb schriften vol. Als ik een of andere uitdrukking hoor die ik typisch
vind, dan schrijf ik die op. Maar, eenmaal opgeschreven, blijft-ie wel
in mijn hoofd. Dan hoef ik hem ook niet meer na te slaan. In mijn
dialoog vindt u altijd uitdrukkingen die ik heb gehoord. En bij het
schrijven heb ik altijd bepaalde personen die ik voor me zie. Natuurlijk
gebruik ik een zelfde persoon wel eens twee-driemaal, telkens van een
andere kant bekeken. Maar ik gebruik altijd mij bekende personen als
model. En daarmee heb ik dan wel eens gekke resultaten. De menschen
weten dat natuurlijk wel een beetje van me ... ze vertellen me niet
alles meer. Maar als ze aan het raden gaan: wie bedoelt-ie nu eigenlijk?
dan hebben ze de plank glad mis meestal. Komt 't doordat ze zoo'n
persoon toevallig niet kennen, komt 't doordat ik slecht heb geschetst,
ik weet't niet. Altijd gebruik ik personen die ik ontmoet heb, en als ik
een stuk ontwerp, dan kunt u in mijn concepten de menschen vinden onder
hun _werkelijken_ naam. Eerst later verander ik die namen. Dat is
gemakkelijker voor me. Dan denk ik een poosje na: welken naam zal ik jou
nu geven, en hoe zal ik jou eigenlijk noemen? Trouwens, Ibsen dee dat
ook, dat heeft hij me zelf gezegd. Ik vroeg hem er eens naar en hij
antwoordde: Neen, mijn figuren zijn personen en geen symbolen. Maar, zei
Ibsen, levens worden soms van zelf symboliek als je ze scherp bekijkt.
Al mijn personen heb ik uit de werkelijkheid en daar ga ik zoo ver in,
dat ik zelfs hun taalfouten in mijn werk opneem."

--"En doet u dat instinctief of berust dat op een bepaalde overtuiging."

--"Dat gaat bij mij stelselmatig zoo. Querido heeft eens geschreven: je
hoeft alles niet gezien te hebben, je hoeft alles niet te weten. Als je
zoo'n klein beetje gezien hebt, dan maak je er zóó een boek van. Neen,
zeg ik, je moet zóóóó veel gezien hebben, en dan maak je er een heel
klein boekje van. Ik breng nooit personen in levensomstandigheden die ik
niet ken. Ik wou dolgraag een socialistisch boek schrijven, maar ik doe
't niet omdat ik het leven van die fabrieksarbeiders niet ken. Toen ik
een boek schreef over het boerenleven ben ik bij dien boer gaan
logeeren. De menschen die ik in mijn Monte-Carlo-novellen beschrijf heb
ik allemaal gezien, allemaal gezien.... Nu zeggen de menschen: "Schep
met je fantazie." Ja, maar die is altijd ontoereikend; je weet niet of
die zuiver is of onzuiver. Ik weet bijv. dat verschillende menschen zoo
heel verschillend hun zinnen maken. Die kun je natuurlijk wel uitvinden,
maar beter is, dat je ze van ieder individu persoonlijk weet. De meeste
menschen letten daar niet op: die hooren iemand spreken en daarmee uit.
Maar de zinsbouw van de menschen loopt erg uiteen. En als ik die
menschen behandel, dan moet ik ze persoonlijk hooren praten."

--"Maar geeft u dat geen gevoel van schennis, als u zoo personen uit uw
naaste omgeving in het openbaar ontleedt?"



DOODE NATUUR EN GEKRENKTE MODELLEN.


--"Dat heb ik wel eens gehad, maar ik zeg maar: Als ik dat niet doe, dan
kan ik niet werken. Een schilder gaat naar buiten: een slootje
schilderen; en die man is heel gelukkig: want de dingen kunnen 't hem
niet verwijten. Maar ik moet net zoo iets met de menschen doen, en dat
kan ik niet helpen. Ze zeggen wel eens van me: Hij heeft zijn heele
familie beschreven. In hemelsnaam. Ik kan 't niet helpen!

"Maar dat brengt me natuurlijk wel eens in rare omstandigheden. Je hebt
menschen met heele beroerde familieverhoudingen en die willen zich
wreken over het een of ander, en dan komen ze bij me en ze zeggen: "We
willen u alles vertellen, haarfijn, als u er een roman van maakt". Maar
dat is niets voor mij: Ik wil 't heel graag allemaal aanhooren, geef ik
ze dan ten antwoord, maar of ik er een roman van kan maken, dat beloof
ik niet ... en dan willen ze me doorgaans niets vertellen.--"

Ons praatje was ten einde: twaalf uur. We babbelden nog wat over
graphologie, waarvan Emants een ernstig beoefenaar is. En namen haastig
afscheid.... Een belletje rinkelde en ik trad uit de werkkamer van
donker dof hout, de breede, breede trappen af; werd door de
degelijk-ernstige dienstbode geleid naar 't geel-belichte perzische
kamertje waar de gesluierde Fatma uithangt; kleedde mij sneller dan ik
verwacht had; stapte schutterig de straat in, met achter mij de
degelijke poort van dat ruime, holle heerenhuis.--



AUG. VERMEYLEN


[Illustratie: AUG. VERMEYLEN Jeugdportret]

[Illustratie: AUG. VERMEYLEN]



AUG. VERMEYLEN


Als je met 'm door Brussel wandelt, heuvel-op-heuvel-af, dan is hij
joviaal en praat honderd uit, maakt geestige opmerkingen, lacht en
gebaart ... en zit je met 'm in 'n "staminée" voor een flesch
"Gueuze-Lambic" dan gaat-ie ophalen over z'n jeugd, tapt moppen en kan
zich heel lang vroolijk maken over 'n groepje "zwanzers" die in 'n
schemerhoekje half weggedoken pret hebben over niets, en schateren omdat
hun Brusselsch gemoed 't nu eenmaal zoo wil. Maar als je nu in je
journaliste-snuggerheid meent 'm op zijn gemak te hebben gebracht, en
van de gelegenheid gaat gebruik maken om 'm te spreken over z'n werk,
dan schijnt hij zich eensklaps te herinneren, dat hij ook nog ...
Professor is,--gaat heel erg op zijn woorden passen: "Nee-nee, spreek me
daar niet van als ik u bidden mag ... wacht totdat wij thuis zijn.... En
als ge wat over mijn persoon wilt weten, vraag 't dan aan mijne
vrienden. Die zullen u veel beter kunnen inlichten, mijn kunstbroeders."

Toch, naarmate ik hem beter leerde kennen, begreep ik wel dat niet in
zijn professorschap de reden van zijn terughoudendheid moet worden
gezocht. Hij lacht er wat mee, met zijn "professorschap". Geen student
die hem als "professor" zou durven aanspreken!

Ik zat in z'n werkkamer en door 't wijd-geopende venster zag ik golvende
bosschen die stonden in blauwen zomerbrand.

Vermeylen was op z'n hoede. Geen onverkoren woord kwam er uit! Toen ik
hem 'n vraag stelde, haalde hij leukweg zijn twee bundels "Verzamelde
Opstellen" voor den dag, benevens zijn brochure "Les Lettres
néerlandaises en Belgique depuis 1830", alsmede 'n paar jaargangen van
't Tijdschrift "Vlaanderen".

"Zoo!... zeggen mijn vrienden, dat ik zoo sterk aandring op grammaticale
nauwkeurigheid? Zoo! Wij zullen zien...." En hij aan 't bladeren,
terwijl-ie de titels van sommige hoofdstukken halfluid bromde.
Eindelijk, na 'n half uurtje:

--"Nee, ik kan tot mijn spijt niets vinden.... Ik kan maar niet
begrijpen wat mijn vrienden bedoeld hebben.... Ik herinner mij niet,
ooit zoo iets te hebben gezegd.... Integendeel, ik heb, meen ik, altijd
verkondigd, dat 'n schrijver of 'n dichter alle theorie moet vertrappen
als zijn kunst 't gebiedt...."



KUNST EN LEVEN.


"Voor mij is de grondslag van gezonde Kunst: een schoon gezond geestelijk
leven. 'n Schrijver moet leven als 'n gewoon mensch en zich vooral niet
opsluiten.... Valsch noem ik 't sonnetten te schrijven over zaken, die
men niet heeft ondervonden, of over landen, die men niet heeft gezien.
Altijd vensters open ... ja, ja wij hebben 'ier een prachtig uitzicht
... maar ik bedoel dat niet alleen materieel maar ook geestelijk...."

Toen was alle "zwânzerij" in 'm gezakt. Ingehouden-ernstig, z'n woorden
lang overdenkend, opkomende geestdrift terug-dringend met geweld of
spot, begon-ie me te vertellen over zijn arbeid: 'n Professorale
redevoering, die ik niet te onderbreken waagde....

--"'t Eenige literaire werk dat ik heb voortgebracht, en dat ik wensch
te erkennen als mijn werk is "De Wandelende Jood.""

Alles wat daar buiten staat, dat zijn zaken van zeer betrekkelijk
belang--àlles, zonder uitzondering. Later zullen we zien of mijn
besprekingen en mijn kritieken invloed hebben uitgeoefend of niet. Maar
nogmaals: dat zijn dingen waarover ik mij niet bekreun en als literatuur
beschouw ik ze niet.

Over 't algemeen heb ik die opstellen niet geschreven uit innerlijken
aandrang, maar alleen omdat er nu eenmaal 'n bewegingk bestond, en 'n
Tijdschrift dat dikwijls op mij rekende, 'n Een enkel maal omdat ik
ineens lust kreeg, om sommige gedachten, die tegenwoordig gangbaar zijn,
tegen te spreken.

Ik schrijf niet gaarne. Ik moet mij zelf altijd opwinden om wat te
schrijven.... Afgezien natuurlijk van mijn literair werk dat ik niet op
termijn behoef in te leveren....



ZIJN STREVEN NAAR "PERFECTIE."


Ik schrijf de dingen pas op, als ze heelemaal rijp zijn, en gewoonlijk
duurt dat lang bij mij. Ik ben erg gesteld op 't perfect-zijn van mijn
werk. Ik kan niets uit mijn handen laten gaan of 't moet volkomen
doorwerkt zijn.... En vluchtig werken is mij onmogelijk.

Over dien "Wandelende Jood" heb 'k heel lang gearbeid. Niet omdat de
zaak niet klaar genoeg in mijn hoofd zat, maar enkel en alleen omdat ik
er zoo op gesteld ben, literair werk zoo lang mogelijk te laten rijpen.

Ik tracht zoo zuiver mogelijk te schrijven ... ieder woord juist àlles
te doen zeggen wat 't zeggen kan.... 't Wordt dan werk dat moeizaam is
voortgebracht ... 'n beetje zooals Flaubert schreef.

Ik moet lang over een volzin werken om 'm juist te krijgen. Daardoor ben
ik geneigd, te gaan houden van literair werk, dat niet te breedsprakig
is--woordkunst in dien zin, dat ieder woord zijn eigen waarde heeft...,
terwijl sommige Vlaamsche schrijvers op dit punt 'n beetje
slordig zijn....



"DE WANDELENDE JOOD."


Om nu tot mijn boek terug te keeren: 't is 'n werk dat ik sedert den
leeftijd, waarin ik tot literair bewustzijn ben gekomen, sedert mijn
17de of 18de jaar in mij heb gedragen.... 't Is waar: toen had het 'n
anderen vorm: 't Was toen "de Verzoeking van den H. Antonius". Van mijn
prilste jeugd dacht ik daar al aan, en in den loop der jaren heb 'k
sommige passages daarvan ook al geschreven.... Maar ik kost niet klaar
geraken ... 't was voor mij ondoenlijk alles saâm te dringen in 't kader
van mijn verhaal.... Maar ik wachtte rustig, en eens in '97--'k was pas
getrouwd, daarom herinner ik 't mij zoo goed--zat ik in mijn hof en 'k
las Goethe[1] ... en 't werd mij opeens duidelijk dat de Legende van "De
Wandelende Jood" geschikt zou zijn om alles te bevatten wat ik wilde
zeggen.... Dat schoot mij te binnen, en die zelfden dag heb ik 't heele
plan met alle symbolen en allegories uitgewerkt. Dat heb ik toen nog
negen jaar in mij omgedragen ... en al dien tijd heb ik voortgewerkt....
Want zoolang als ik nog met den H. Antonius zat te tobben bleef 't
materiáál en werd 't geen kunst.

[1] Der Ewige Jude.



HET SCHRIJVEN ZELF.


Aan 't schrijven zelf, daar heb ik eigenlijk maar 'n paar jaar aan
gewerkt. [1] Ik ben 'n geest die van zeer schoone constructies houdt en
ik let er voortdurend op, dat ieder woord zijn eigen kracht toont, en
dat de subtielste schakeeringen er van tot hun recht komen. Nu merkt men
dat in den "Wandelende Jood" niet zoozeer op. Want ik heb tevens gezocht
naar 'n niet al te literaire uitdrukkingswijze, en 't klinkt u misschien
vreemd,--als ik lang op 'n volzin gewerkt heb is hij dikwijls veel
eenvoudiger geworden dan hij in 't begin was.

Elk woord hangt voor mij samen met 't gevoel dat 't uitdrukt, door z'n
structuur, door z'n klank, door alles. Ik bedoel niet den
conventioneelen zin van 't woord, maar 't gevoel er van, net zooals van
Looy 't opvat. Alleen tracht ik misschien eenvoudiger te blijven en
minder middelen te gebruiken om 'n zeker effect te bereiken. Ik wil heel
sober zijn. Er staat in mijn boek geen enkele zin waarvan ik mij niet
zeer nauwlettend rekenschap heb gegeven, waarin ik niet angstvallig heb
nagegaan wat ieder woordje in dat bepaalde verband te beduiden heeft....

En toch,... zoo'n zin is niet 't werk van 't kalme bewustzijn, 't
Gebeurt mij wel dat ik niet juist gestemd ben en dan kan ik niets
vinden.... En er zijn wel andere zaken, die men onmiddellijk vindt. Dan
voel ik wel dat 't goed is, maar of dat nu ontleed kan worden, dat
weet ik niet.

Voorlezen? U doet mij daar een vreemd verzoek. Ik houd er niet van, uit
mijn werk aan anderen voor te lezen.... Maar enfin, u vraagt 't, en ik
zal de hardste niet zijn.

Daar zijn in mijn werk van die vondsten die ik zeer gelukkig heet en
waarmee ik blij was. Zoo, ik sla 't boek op ... op goed geluk ... en God
zegene den greep.... Hier,... page 75.

"Toen de haan hem wakker kraaide, was het woud door de open deur gezien,
al blauwig van den vroegen uchtend; een rozige straal gleed van het
vensterken in de kluis, en buiten was er getjilp en gefluit van meezen
en merels in de koelte."

Ik was al heel gelukkig toen ik dat geschreven had omdat ik daarin een
synthetisch beeld geef ... dat vochtige ... dien blauwigen nevel
tusschen de boomen van 'n woud voel ik daar zoo uit.... Dat klinkt mij
zoo goed: al blauwig van den vroegen uchtend ... ik zeg hier uchtend en
niet: morgend ... ook al weer om de zelfde reden ... dat komt zoo
van zelf.

Ja, ik schrijf uiterst langzaam ... herwerk sommige volzinnen wel drie
of vier maal. Maar er zijn natuurlijk ook plaatsen waar men om zoo te
zeggen zelf niet meer schrijft ... plaatsen waar men meegesleept wordt
door z'n ... door z'n ... hà-ha-ha-ha-hà.... Enfin, ik wil zeggen: waar
't gemakkelijk gaat, allez!

Heel 't begin is nog al moeizaam geschreven, dat wil zeggen de eerste
bladzijden, en Verwey heeft er van gezegd, dat de taal eenigzins
geforceerd is. Maar ik voor mij geloof ... wel, ik geloof dat-ie gelijk
heeft, voilà.

Overigens ... 't boek is nu al van drie jaar geleden in dezen vorm ...
ik kon 't niet loslaten, ik kon 't niet uit m'n handen laten gaan
voordat 't me geheel bevredigde ... dat is nu eenmaal 'n ziekte van
me.... Maar met uitzondering van 't begin moet ik u zeggen, dat ik er
niets aan zou weten te veranderen.

De menschen bespreken mijn boek als 'n werk van de gedachte en ik
wenschte 't te zien besproken als 'n werk van literatuur. Een gedachte
op zich zelf heeft toch geen kunstwaarde, wel? Nee, natuurlijk niet,
evenmin als 'n feit op zich zelf. Kunstwaarde krijgt 'n gedachte eerst,
als ze niet meer zuiver verstandelijk blijft maar ... ja, hoe zal ik 't
zeggen?... ineenvloeit tot 'n geheimzinnig complex....

Neen ik zeg 't u nogmaals: ik bèn niet uitgegaan van gedachten, ik ben
uitgegaan van gevoelens. Juist door de uitwerking ... door 't
schrijven,... zijn de gedachten mij duídelijk geworden ... maar ik ben
in geen geval ... in géén gevàl van gedachten.... Oi-oi-oi-!... dan had
ik er eenvoudiglijk een tractaatje van gemaakt, en geen literair werk!

Wat de stijl betreft sta ik op 't zelfde standpunt als Flaubert.... Van
hem heb ik veel geleerd ... maar wat ik vooral aan 'm te danken heb, dat
is wel, dat ik mijn kracht zoek in soberheid, in de economie van de
effectmiddelen. Ik geloof dat één enkel middel meestal voldoende is....
Ik wil wel trachten u te zeggen wat ik bedoel.... Laten we dien eenen
zin nog eens hernemen.... Als ik schrijf: al blauwig van den vroegen
uchtend, dan zou een ander geneigd zijn, een heele beschrijving van 't
woud te geven met allerlei effectmiddelen, niet waar? maar ik wil zoo
beknopt mogelijk blijven. Ik voor mij geloof, dat men in de moderne
literatuur wat al te zeer de strekking heeft om veel middelen aan
te wenden.

Ik acht mij niet gebonden door sommige zaken. Ik zal er niet tegenop
zien een nieuw woord te gebruiken of 'n nieuwe wending, als dat mij
noodig schijnt. Een schrijver moet uitgaan van zijn gevoel en ons
precies vertellen wat er in 'm is. Ik houd niet van overdreven veel
stijlmiddelen.... Zelfs bij van Looy zijn zinnen, waar 't gebruik van
sommige dingen mij geheel overbodig voorkomt. Hij heeft 't misschien
noodzakelijk gevonden, maar mij lijken ze bijna nutteloos. Levende
werkelijkheid wil ik geven, zonder al te veel de sensatie te
ontleden....

"Maar de lezer? Als die nu niet...."

--"Als de lezer niet zooveel effect krijgt als ik wilde geven: Zijn
schuld. Dan moeten de menschen maar aandachtig leeren kijken wat er
staat. Maar wacht wat, ik heb daarover ergens iets geschreven. Hier: ik
heb 't over een vertaling van Flaubert.... Als ik daar in lees: "De
grachten vol water stonden" dan vind ik dat 'n nutteloos verdraaien van
den zin. De essentiëele fout, ik bedoel als vertaling van Flaubert, ligt
hierin, dat hier meer getracht wordt naar 't weergeven van elk détail,
zoo nauwkeurig mogelijk, dan naar de klassieke zuiverheid, die bij hem
't geheel zoo streng beheerscht. En dat mag men toch wel eischen van 'n
vertáling."

[1] 128 blz. zeer ruim gedrukt.



VERMEYLEN OVER DE NOORD-NEDERLANDSCHE LITERATUUR.


De Noord-Nederlanders? Ja, die schijnen mij toe minder te letten op de
pure schoonheid van bouw. Een gebrek aan soberheid, een overdreven
gebruik van stijlmiddelen, aan-zie ik als 'n zwakte van
Noord-Nederlanders. Ja, ik vind 't gebrek aan goeden smaak het publiek
de schoonheid van 'n détail onder den neus te willen duwen.



SCHRIJVER EN PUBLIEK.


Als de menschen razend vlug lezen en alleen om te weten wat 'r
gebeurt--zooals ze 'n prul-romannetje zouden lezen--dan voelen ze de
intenties van den schrijver toch niet. Dan gaan ze, er op attent
gemaakt, sommige kleinigheden misschien afzonderlijk voelen en ze
zeggen: "Kijk wat is dat artistiek!" Nu, vergeef mij de snoodheid, ik
vind dat misselijk.... Zonder dat ze misschien ieder détail voelen,
moeten de menschen toch onder den indruk komen van wat ik ze te zeggen
heb. Ieder wóórd is natuurlijk wel uitgekozen, maar de indruk mag toch
niet 'n ontleden van elk détail zijn. Ik ben er veel meer op gesteld,
dat men de zaken voele met d' atmosfeer die er om is. Kunt g' er mee
om? Ehwel daar tracht ik naar.

Mijn soberheid heeft dan ook ten gevolge dat de ritmus van den zin, en
vooral de ritmus die door verscheiden zinnen gaat, veel zuiverder
blijft, want ze wordt niet ieder oogenblik afgekapt door allerlei
indrukken waar men afzonderlijk van geniet. Dat moet men noodzakelijk
voelen, wanneer men 't eind van ieder hoofdstuk leest. Daar is 't ritme
gestegen tot een climax; dat zijn gewoonlijk van die brokken, die er zoo
achter elkaar, in éénen vlucht, uitgekomen zijn, zuiver lyrisch. Dat is
'n golf van begin tot eind, die altijd voortgaat. Vermeldt men ieder
détail afzonderlijk, dan krijgt men meer 'n mozaïk. Maar begrijp nu wel,
wat ik nu allemaal zeg, dat was gevoel, en pas later heb ik 't
beredeneerd....



DE VLAAMSCHE BEWEGING VOOR '80.


Ik bracht het gesprek op de Vlaamsche beweging, vroeg hem naar de
bedoelingen die de leiders hadden gedreven.

--"Ja, vertelde hij me, die bedoelingen waren zeer vaag, daar wij
allen--zeer jonk waren. Voor zoover ik mij herinner is hier een soort
opstand gekomen, negatief, tegen hetgeen ons in de Vlaamsche beweging
minder aanstond. Het schijnt dat men in Holland nog al dikwijls denkt
aan een nieuwere richting in Vlaanderen, die dan omstreeks '90 begonnen
heet te zijn. Dat is toch niet heelemaal juist. Er was hier een
geleidelijke ontwikkeling, die ongeveer 1890 tot krachtige uiting was
gekomen. Heelemaal geen nieuwe beweging, die zoo maar uit den grond
gesprongen zou zijn.

"Wat den literairen smaak betreft, waren er, voor ons, al dichters
opgestaan, die de techniek van het vers louterden. Voorloopers dus.
Laat ik allereerst noemen den ouden Gezelle ... we kenden hier de verzen
van vóór zijn dertigste jaar ... en dan: Rodenbach. Er was ook nog een
beweging die uitging van Dautzenberg, een dichter uit het oudere
geslacht, waarvan de lijn zich over Pol de Mont voortzet. En de Romans
van Stijns waren een soort voorbereiding van wat Buysse later schreef.
Nietwaar? u ziet de overgangen, en ik wijs u er op, om u te doen zien,
dat onze beweging niet iets is van de laatste vijftien jaar."



BEWUST OPTREDEN VAN DE NIEUWERE RICHTING.


Waar ving nu aan het eigenlijke bewuste optreden? In het begin lieten
wij ons drijven op een stroom die al vóór ons had bestaan. Zooals elke
beweging een doortrekken is van hetgeen er aan is voorafgegaan en
tegelijkertijd een strijd daartegen, zoo ook de onze.

Bij enkele jonge schrijvers die in die dagen zuiverder werk leverden, en
kritiek uitoefenden, zult u de grondgedachten van dien tijd moeten
zoeken,--en die zijn niet zeer talrijk.

Ook had de Vlaamsche beweging geen eigenlijk centrum. Brussel heeft wel
een groote rol gespeeld, maar West-Vlaanderen moet ook niet worden
vergeten, en dat is nu juist een bewijs voor het bestaan van wat ik zal
noemen de werking van een onderaardsche kracht, dat de beweging voor een
deel buiten ons om ging, en onafhankelijk van onze personen ontstond.
Denk verder ook aan Antwerpen.

Den dichter dien wij erkenden als onzen voorman was Rodenbach, en later,
na zijn herleving, voelden wij ook de leiderschap van Guido Gezelle,
onder wiens invloed vooral Streuvels staat.



"JONG VLAANDEREN."


Van die twee ging de eerste stoot uit. En de eerste kleine manifestatie
van den nieuwen geest was een tijdschriftje, getiteld "Jong Vlaanderen".
Een titel die wij hadden overgenomen van het vroegere tijdschrift van
Rodenbach. Het scheen ons toe, dat wij het werk van dien man moesten
hernemen in ons bladje ... op boterpapier gedrukt ... met ... met
nagelkoppen. Een ellendig dingetje ... slap ... onaanzienlijk. Na ik
geloof vijftien nummers is het ineens verdwenen. Een ware catastrophe
voor ons. Met ons drie hadden we dat bladje opgericht: Lodewijk de Raet
(die nu nog over de economische zij van het vlaamsche vraagstuk
schrijft), ik,... en dan nog een derde, een paar jaar ouder dan wij ...
en oneindig veel slimmer dan wij ... eigenlijk een beetje tè slim....
Jammer voor ons en ook voor hem, want verstand had hij genoeg en ook
veel sprekersgave.... Enfin!



KLOOS EN DE VLAAMSCHE BEWEGING.


Toen wij dat blaadje oprichtten waren wij nog leerlingen aan het
Athenée. Een studententijdschriftje. Een eerste kreet. En toch trok het
de aandacht van Willem Kloos, die mij een langen brief schreef om mijn
medewerking te vragen voor de Nieuwe Gids. Ik schreef hem terug, kreeg
weer een langen brief, en wat er precies in stond weet ik niet meer,
maar ik herinner mij dat hij heel sympathiek was. Daarvoor ben ik Kloos
altijd dankbaar gebleven. Die heeft beseft dat daar iets nieuws aan het
worden was, dat er uit dat onaanzienlijke krantje nog wel eens iets
goeds kon voortkomen.

Nu vraagt u mij, onze denkbeelden te omschrijven,--maar dat kan ik niet.
Ze stonden niet zoo heel vast. We wilden eenvoudig "nieuw leven"
brengen, anders kan ik mij niet uitdrukken. We dweepten met Rodenbach
en Pol de Mont en met Hélène Swarth die toen nog te Mechelen woonde. Van
Holland wisten we weinig. Zooals van zelf spreekt, Multatuli met zijn
opruiende geschriften trok ons aan. Hij leek ons een van de helden in de
nieuwere literatuur. Ook voor een man als Kloos hadden wij enorm veel
ontzag. Maar--we waren te jong om klaar te zien in hun werk. 't Ging te
hoog voor onze geesten. En hun invloed op ons zal dan ook wel niet zoo
heel groot geweest zijn. En ook de Kleine Johannes ... die werd gelezen!



LETTERKUNDIG LEVEN TE BRUSSEL.


Zoo gingen een paar jaar voorbij. We broeiden en we zochten naar
gelegenheid om een nieuw tijdschrift uit te geven--ditmaal op breederen
grondslag. En op onzen leeftijd beteekende een paar jaar al heel wat.
Terwijl we dan zonder blad zaten, streden we de strijd voort in "De
Distel", een rederijkerskamer, waar een aantal dichters elken Zaterdag
bijeen kwamen om er hun verzen voor te lezen bij pot en pint. Heel
argelooze gedichtjes waren 't meestal. Maar die "Distel" vormde in
Brussel het eenige milieu waar men elkander vond en kon praten over
literatuur. En daar ontbrandde een hevige strijd over Kloos, over Gorter
en van Eeden, ook over Couperus. Die waren aangevallen door de critici
van "De Distel",--en wij voelden ons geroepen om ze te verdedigen, 's
Zaterdags trokken we dan vol moed naar de zitting om die ouwerwetsche
kerels bij hun lurven te pakken en den lof te zingen van de
Nieuwegidsers.



LOTGEVALLEN VAN "VAN NU EN STRAKS."


"Eindelijk kwamen wij er toe, een grooter tijdschrift op te richten: "Van
nu en straks", waarvan de eerste reeks verscheen in groot formaat en op
Oud-Hollandsch papier gedrukt, 't Zag er prachtig uit! Ik had natuurlijk
allang rondgeloopen met plannen, maar ik wist niet recht hoe de zaak aan
te vatten. Toen kwam ik in aanraking met Henry Van der Velde, toen nog
schilder. Nu zit hij in Weimar en doet daar aan gebruikskunst. Dat huis
dat u hier door mijn venster kunt zien, daar heeft hij gewoond, en hij
heeft het zelf gebouwd. Hij had te Antwerpen een tentoonstelling
ingericht, in den aard van "Les XX" te Brussel. Daar had hij ook een
tafel vol kunsttijdschriften, o. a. "The Hobby Horse", een Engelsch
tijdschrift dat veel werk maakte van boekkunst, een prachtige uitgave
met verzen van jongere dichters, schoone houtsneden, kunstige letters en
op goed papier gedrukt. "Nu, zei Van der Velde, als ge toch droomt van
een eigen blad, waarom zou je het dan niet op die manier uitgeven?" Met
dit voorstel bleef hij eigenlijk in zijn vak. Hij wilde een tijdschrift
dat zou uitmunten door boekkunst. Ik zocht alleen een vláámsch
tijdschrift. Maar hij legde mij uit, dat men, als men er op die manier
platen bij gaf, zou kunnen rekenen op allerlei menschen buiten de wereld
die belang stelde in Vlaamsche literatuur. Daardoor zou het tijdschrift
zich kunnen dekken, wat met een louter-literair tijdschrift nooit het
geval zou kunnen zijn. We zagen, na studie, dat de uitgave financieel
mogelijk was, en de redactie werd samengesteld uit: Cyriel Buysse, (de
oudste van ons allen) Prosper Van Langendonck, Emmanuel de Bom en mij.
Van Langendonck was ouder dan ik, wel een jaar of tien, en hij had
verzen geschreven die voor ons hooger stonden dan al wat de Vlaamsche
poëzie in dien tijd voortbracht, verzen die, als ik mij in de toestanden
van toen terug denk, mij nu nog den indruk geven van iets geheel nieuws.
Maar hij zag er niet tegen op, met ons mee te doen, al waren wij in
dien tijd eigenlijk maar ... ha-ha--ha!... kwâjongens ... kleine
bengels; en al was hij ambtenaar van het catholieke ministerie. Ja, daar
heeft hij veel moed bij getoond.

"Ons eerste nummer sloeg er nog al goed in. Prosper van Langendonck was
zoowat de eenige onder ons die vaste ideeën over literatuur had, de
eenige die goede kritieken kon schrijven."



GEWIJZIGDE IDEEËN.


"Onze gedachten waren in die paar jaar trouwens al gewijzigd. Wij hielden
nu bepaald veel minder van Pol de Mont. Wij voelden nu hoe oppervlakkige
lichtschittering daar in zijn poëzie stak, en dat gebrek aan diepte deed
ons onaangenaam aan. Daarbij kwam ook nog wel iets anders: Pol de Mont
voelde zich altijd zoo'n beetje het hoofd van de renaissance in de
Vlaamsche literatuur ... enne ... hoe zal ik zeggen? altijd gereed om
een speech af te steken of een toost te slaan. En wij hielden daar niet
van. We waren heel jonk, maar ook ernst hadden we genoeg.... Maar
Rodenbach bleef onze man. En Van Langendonck, de rijpste geest onder
ons, wist wel duidelijk te zeggen waarom wij Rodenbach stelden boven De
Mont. Wij voor ons voelden bij Rodenbach meer een menschelijk gevoel dat
zich in verzen uitdrukt ... bij de Mont was 't ons te veel rijm en
rythme ... wij voelden niet veel vertrouwen in de sentimenten die hij
wilde uitdrukken. En--er kwam zoo iets van een breuk tusschen De Mont en
ons, omdat wij hem niet hadden gevraagd, deel uit te maken van de
redactie van "Nu en straks". Dat was de eerste keer dat hij niet meer
beschouwd werd als het hoofd van de jongere school in Vlaanderen en ik
begrijp nu dat hij dat moeilijk heeft kunnen opkroppen."



VERHOUDING TOT DE OUDEREN.


"Overigens hebben wij De Mont of welken dichter van de oude school dan
ook nooit aangevallen. Alleen de oudere critici gingen we te lijf, als
die werkelijk kwaad deden. Zoo bijvoorbeeld de leden van de Vlaamsche
academie,--toen die Guido Gezelle op het eind van zijn leven wilden
aanranden--toen hebben wij ze tamelijk onzacht tegen den vloer
gekwakt--en ze zijn blijven liggen. Verder hebben wij van de ouderen
nooit iets gezegd dat krenken kon.

"En verder: indien wij hadden beschikt over wat meer ervaring, dan hadd'
ons tijdschrift blijven bestaan. Het stond ook tamelijk vast. Maar we
zijn onhandig te werk gegaan. Niettemin: goede resultaten hebben we
bereikt: men voelde dat er een nieuwe koers was, ook in de literatuur.
Men bleef niet langer vastzitten in den ouden rimram ... wij hebben
ineens wat lawijd gemaakt, en dat werkte. Ook het decoratief gedeelte
van het tijdschrift waarvoor Henry Van der Velde geheel verantwoordelijk
was, heeft er toe bijgedragen dat de zaak ruchtbaar werd. De menschen
vielen omver van de houtsneden en versieringen die wij gaven. Waarom?...
waarom? (In twee sprongen was Vermeylen bij zijn boekenkast) ... dáárom:
Kijk me zoo'n teekening van Toorop eens aan ... en zoo'n slingerlijn ...
maak de menschen nu maar eens dietsch dat dat beteekent de kunst die
zegeviert over de onwetendheid ... of iets dergelijks...."

In deemoed erkende ik, dat ik 't op het eerste gezicht ook niet zou
hebben begrepen.

"Nietwaar?" ging Vermeylen voort, "'t was een interessante poging. In
dit opzicht was ons doel ongetwijfeld bereikt. Maar--na tien nummers is
ons tijdschrift stillekens kapot gegaan.

"Toen was er een oogenblik sprake dat er een internationaal tijdschrift
in dien aard zou komen. In ieder land zou een man aan het hoofd staan
voor het literaire deel: Van Deyssel, d' Annunzio, Christina Rossetti,
Verhaeren, ik zelf. Ik heb toen in Holland nog eens een bespreking
daarover gehad met Roland Holst en Toorop ... maar dat plan viel in
duigen. "Van nu en straks" sloot met een klein deficit. Aan honorarium
dachten wij natuurlijk niet, maar het eind was dat ieder van ons een
klein sommetje had bij te passen."



TWEEDE "VAN NU EN STRAKS." NIET UITSLUITEND LITERAIR.


"Ik ging toen in Berlijn studeeren, maar wij bleven op den uitkijk naar
een nieuw orgaan. Een jaar nadien kwam er een volgreeks van "Nu en
straks" maar die kreeg een beetje ander voorkomen dan de eerste. Het
decoratief was om zoo te zeggen weggevallen ... alleen een enkele
beginletter lieten wij nog wel maken. Wij trachtten er van te maken: een
_algemeen_ tijdschrift en dit is zeer gewichtig. Van begin af was onze
beweging niet alleen een streven naar zuivere literatuur, maar ook een
algemeene beweging die ook een ethischen kant had. De literatuur was een
deel van het leven voor ons, dat, tezamen met het leven, hooger
opgevoerd moest worden. Nieuwere literatuur moest als het ware komen uit
een hernieuwing van het leven zelf. Wij trachtten onze denkbeelden te
verbreeden, wij trachtten ruimte om ons heen te maken, onze blikken vrij
te maken naar alle zijden."

--"Dus was het punt van uitgang een maatschappelijk ideaal"?

--"Dat is niet precies te zeggen: Ons literair streven ging samen met
een sociaal streven; wij onderscheidden die twee wel, maar zijn er
nooit goed toe kunnen komen, ze radicaal van elkander te scheiden. Dat
is ook hierdoor verklaard, dat het leven van onze literatuur om zoo te
zeggen afhing van het Nederlandsch, van de rechten van onze taal. Dat
kan men bij u in Holland niet zoo makkelijk vatten. Hier moet men alles
wat men denkt veroveren op zijn omgeving, en ook op zich zelve,--want
het onderwijs verfranscht de Vlamingen.... Van dien strijd kon men zich
toen vooral niet losmaken. Het streven naar een literatuur die
individueeler zou zijn, oprechter, een oprechter uiting van het gemoed,
buiten alle rederijkerij, ging samen met een streven op sociaal en op
wijsgeerig gebied. En dat heeft zijn uiting gekregen in de eerste en
vooral in de tweede reeks van "Van nu en straks" door allerlei
opstellen, waarin de anarchistische opstandingsgedachten waren vertolkt,
't Begon al met een opstel van mij in de eerste reeks over "De kunst in
de vrije gemeenschap", en later heb ik dat duidelijker uitgesproken in
mijn "Kritiek der Vlaamsche beweging". Onszelven vrijmaken, dat wilden
we in de eerste plaats, en door vrijheidsgeest anderen wakker schudden
en zoo tot zelfdenken brengen. Sommige onzer _gevoelens_ hadden in de
anarchistische literatuur reeds een vorm gekregen, en we grepen dus
tijdelijk naar die denkbeelden."



WAARAAN "VAN NU EN STRAKS" ZIJN GROOTEN INVLOED DANKTE.


Juist doordat we niet zuiver literair waren, hebben we zoo'n diepen
invloed gehad, bereikten wij allerlei geesten die ons anders waren
ontsnapt. De invloed van "Van nu en straks" is dan ook veel grooter
geweest dan die van ons latere tijdschrift "Vlaanderen". En als nu de
menschen wel eens spreken van een nieuw tijdschrift, dan is het altijd
nog: Het moet iets worden in den aard van "Van nu en straks".



"VLAANDEREN."


In 1901 stierf het weg; eind 1902 stichtten wij "Vlaanderen". Ons
standpunt had zich weer gewijzigd. Wij behoefden niet meer te vechten
voor het goed recht van zuivere literatuur, die strijd was uitgevochten.
Wij konden streven naar de vereeniging van alle goede krachten in het
land. Ge moet niet vergeten: Bij het begin van ons optreden konden onze
medestanders wel plaats vinden op een tafelblad, maar nu zouden we toch
allicht een flinke zaal noodig hebben om ze te herbergen.



PERSONEN.


Dit is de geschiedenis van de tijdschriften. Maar daarbuiten staat die
eene groote gebeurtenis: de herleving van Guido Gezelle, die stil-aan
weer aan het zingen ging en juist omstreeks '90 zijn prachtigste verzen
schreef, zijn _Tijdkrans_ en zijn _Rijmsnoer_. Bij de oorspronkelijke
leiders van de beweging voegde zich al spoedig Victor de Meyere, terwijl
daar later nog andere krachten bijkwamen, onder anderen Hegenscheidt,
dien ik beschouw als den grootsten geest dien wij in ons geslacht hebben
gehad. Hij heeft ongelukkiglijk een tijdlang met zijn gezondheid
gesukkeld, maar zal weer eens aan 't werk gaan.--Nog later, in de tweede
reeks, kwam Streuvels er bij. Het viel samen met de herleving van
Gezelle. Dat was een heele vreugd. Verder Karel van de Woestijne, en
omtrent het einde van die reeks, ook Teirlinck--met verzen.

Nu, met Vlaanderen, beleven wij een heelen bloei, heel het land is aan
het zingen, dichten en proza-schrijven gegaan, ja, overal worden
dorpsnovellen geschreven. Als ik nu bijeen neem wat er in die
allerlaatste jaren verschenen is, dan vraag ik mij af, of de beweging in
haar geheel beschouwd, niet meer toegenomen is in de breedte dan in de
diepte. Maar een Streuvels, een Van de Woestijne, die worden
aldoor beter.

--"U sprak daareven van een gedachtelijken achtergrond."

--"Wat de richting dáárvan aangaf, dat waren de wijsgeerig gestemde
critieken van mij en van Langendonck. De mijne hebben misschien meer
invloed gehad, omdat de houding van mijn geest meer revolutionnair was.
Zelfs in den beginne, wanneer de opstellen van Van Langendonck gezonder
en kernachtiger waren dan de mijne, geloof ik toch dat de mijne meer
trokken. Dat is heel natuurlijk ook. De menschen hadden behoefte ... aan
... een kleine aardbeving. En de man die de zwaarste schokken kon geven,
was die waar ze het meest naar luisterden."



HOLLANDSCHE INVLOED.


Dan hebben we getracht opstellen te geven over sociale beweging en
wijsbegeerte, maar over het algemeen waren dat opstellen die wij moesten
vertalen uit het Fransch of zelfs uit het Duitsch. We hadden hier niet
de noodige krachten. Een enkel maal kregen we op dit gebied wel steun
uit Holland. In de eerste "Van nu en straks" was er altijd samen-werking
tusschen Holland en Vlaanderen.

Jolles kwam voor den dag en Verwey gaf veel verzen, toen hij nog geen
eigen tijdschrift had. De invloed van de Hollanders kon zoo groot zijn,
doordat hun cultuur hooger stond. In den tijd dat "Vlaanderen" werd
opgericht, bezaten de Hollanders tijdschriften genoeg en dat vond de
uitgever ook: er bestond meer behoefte aan een tijdschrift waarin
uitsluitend Vlamingen zouden schrijven.



DE GEDACHTE ALS ZOODANIG.


In het begin bestond er maar één bedoeling: zooals ik u reeds zei: wij
wilden onzen gezichtskring verbreeden, de korst die over het literair
leven lag wilden wij breken. Maar er waren natuurlijk ook velen, die
dichtten en schreven en daarbij geen andere bedoeling hadden dan
voortbrengen. Waardoor kreeg Streuvels zoo'n invloed? Alleen door de
frischheid van zijn werk.--De wèl bewuste denkbeelden die wij hadden,
hebben voor onze beweging nooit veel waarde gehad. Veel bestond alleen
in ons instinct, menigeen gaf de richting aan uitsluitend door zijn
werk. En als wij Rodenbach zoo vaak als voorlooper hebben erkend, als
een soort Jacques Perk,--al geleek hij daar in vele opzichten niet
op,--dan komt dat doordien wij denzelfden drang voelden als hij, de
revolutionnaire kracht, die zich bij hem niet heelemaal heeft kunnen
uitleven, want hij is te vroeg gestorven. Wij voelden ons één met heel
de houding van zijn geest, ook in wijsgeerige vraagstukken.



GEMEENSCHAPSGEVOEL.


Verder is hier altijd een grooter gemeenschapsgevoel geweest dan in
Holland. De Hollandsche dichters waren individualisten, die op het
standpunt stonden van de "zuivere kunst",--wij hebben de kunst altijd
beschouwd in verband met het leven waarin ze was ontstaan. In Holland is
dat besef eerst later gekomen en de manifestatie er van was o.m. de
beweging van de sociaal-democraten op het gebied van de poëzie. Ik denk
niet dat bij de mannen van "De Nieuwe Gids" dat besef ooit zoo sterk is
doorgedrongen. Dat 't bij ons zoo was, wordt wellicht verklaard door 't
feit, dat het gezond leven der literatuur onafscheidelijk verbonden is
met de Vlaamsche Beweging, een vòlksbeweging. Wij mòesten meevoelen met
het Vlaamsch-gebleven volk. Zoo gingen bij ons literair en sociaal
streven van begin af denzelfden weg.

--"Hoe zit deze Vlaamsche Beweging vast aan de meer romantische
strooming, waar men zoo graag woorden hoort als "Clauwaert",
"Goedendag" en zoo?"



CONSCIENCE.


--"Ik heb al meer gemerkt, dat men het goed recht van ons Vlamingen niet
beseft, doordat men niet weet, dat wij hier sedert 1830 worden behandeld
als een _overwonnen volk_. Er is veel strijd toe noodig geweest om de
eenvoudigste taalrechten te veroveren, 't Spreekt toch van zelf, dat een
mensch het recht heeft om veroordeeld te worden in zijn eigen taal. Dat
ons onderwijs de Vlamingen niet ontvlaamschen zou, hebben wij nog steeds
niet kunnen verkrijgen. In dien hardnekkigen strijd heeft vooral
Conscience door zijn literairen arbeid veel goeds gedaan. Maar met zijn
optreden gingen allerlei romantische gedachten gepaard; nu, ook in de
dagen van Rodenbach was men 't romantisme nog niet geheel ontgroeid, en
dat is maar natuurlijk ook. Bedenk eens: de leerlingen van het seminarie
te Roesselaere, waar hij zijn opleiding ontving, mochten onder elkander,
en zelfs in de speeluren, geen Vlaamsch spreken. Wie op Vlaamsch-spreken
werd betrapt moest een stuk hout dragen, een "signum", totdat een andere
makker werd betrapt,--alles berustte op verklikkerij--en dan mocht hij
hem het "signum" overgeven. Op zulk een terrein moest men zich voelen
als de jonge Schiller, dwepen met den vrijheidsgeest der voorouders,
zich zelf opwinden met beelden uit het verleden. In zulke omstandigheden
zijn de namen van Breydel en De Coninck geen holle klank meer. Maar na
de romantisch-gekleurde beweging onder de leuze: _De taal is gansch het
volk_ zijn andere krachten opgestaan:"



DE ECONOMISCHE ZIJDE VAN DE TAAL-QUAESTIE.


Vuylsteke is een van de eersten geweest die inzag dat nog heel andere
factoren meespreken in het leven van een natie. Het ontbrak niet aan
mannen die attent maakten op de economische zijde van het vraagstuk. Zoo
werd reeds in 1869 in de Kamer een merkwaardige rede uitgesproken door
De Maere, waarin hij een algemeen tafereel ophing van de ellende in
Vlaanderen, in verband met de geheele achterlijkheid van 't land. Op die
wijze werd de beweging een streven naar een schooner menschelijkheid in
Vlaanderen. Ik wil niet beweren, dat dit ook aan de vroegere leiders
niet voorschemerde; ik zeg alleen dat zij er op politiek gebied niet
genoeg rekening mee hielden. Rodenbach sprak o.a. in zijn opstellen
duidelijk uit, dat de beweging moest trachten naar grootmaking en
vermooiïng van Vlaanderen in elk opzicht: niet alleen een strijd voor de
taal zelf, maar voor alles dat 't land menschelijk-beter zou kunnen
maken. Zoo moesten wij, al waren wij ons van dit in 't begin nog niet
heelemaal bewust, de gangbare meeningen omtrent den Vlaamschen strijd
tegenspreken en heel ons streven kan worden saâmgevat in deze woorden:
"De Vlaamsche beweging is niet alleen een taalbeweging, maar een sociale
beweging in den ruimsten zin des woords. Zij moet niet alleen aan de
menschen hun taalrechten verzekeren, maar ook het middel zijn, om alle
krachten die in het Vlaamsche land nog sluimerend zijn wakker te
maken".--De mensch heeft nog wat anders noodig dan zijn taal om mensch
te zijn. Zooals er in de poëzie een strijd was voor de oprechtheid van
het gevoel, zoo bonden wij ook den strijd aan voor de oprechtheid in
politieke gedachten. Wij zagen in meetings menschen die brulden over
den leeuw van Vlaanderen, over Breydel en De Coninck, maar wij wisten
dat ze niet veel uitrichtten. Er kwam een oogenblik dat wij begrepen:
dit is rhetorica, en toen vielen wij ze aan. Wij wilden naar een
positieven strijd op het gebied van de werkelijkheid. En zoo brachten
wij de Vlaamsche beweging in verband met een algemeen-Europeesche
beweging voor de vrijmaking van den geest, voor meerdere individualiteit
en betere menschelijkheid. In dit opzicht werd veel gedaan door Prof.
Mc. Leod, van Gent, en later door Lodewijk de Raet, die, ook in
"Vlaanderen", het economische vraagstuk in betrekking tot onze zaak
afzonderlijk behandelde.

--"En nu zou ik graag nog even tot u terugkeeren. Mag ik weten welke
plannen u voor de toekomst uitbroedt?"



TOEKOMSTPLANNEN.


--"Jawel, plannen heb ik, maar ik zal daaraan eerst werken als ze
heelemaal rijp zijn. Zoo heb ik 'n uitgewerkt plan voor 'n roman,
vollédig, hoofdstuk voor hoofdstuk--heel uitgebreid--en dat ligt er nu
al van '97 af. En dan nog 'n ontwerp dat ik geschreven heb in 1901 of
1902. Maar--ik doe er nog niets aan ... ik wacht nog wat, en misschien
komt 't pas binnen 'n jaar of tien aan de beurt. Juist omdat ik nog
ander werk moet verrichten, spijt 't me zoo, dat 'n menschenleven
eigenlijk veel te kort is,... want ge begrijpt, als ik lessen moet geven
aan d' hoogeschool kan ik geen omvangrijk literair werk ondernemen."

Ik ben er van overtuigd, dat op 't punt van literatuur, de magen van de
menschen tegenwoordig bedorven zijn. De lezers zijn te veel gewend aan
gepeperde lekkernijen die op de sensatie werken; zoodat ook van mijn
bedoelingen veel verloren zal gaan ... maar--dat is mijn schuld niet.
Die menschen kunnen ook in Flaubert niet voelen wat er eigenlijk in
gelegd is, en dat is een troost.... Misschien is 't mijn schuld, maar ik
vind dat mijn standpunt goed is, en dat de menschen ongelijk hebben. Van
mijn "Wandelende Jood" kan ik dat heel rustig zeggen, want met de eenige
reserve dat de stijl in 't begin mij niet volkomen bevalt, heb ik 't
werk niet uit mijn handen laten gaan voordat 't ongeveer alles gaf wat
ik op dezen oogenblik te geven heb, en geven kàn. 'n Ander zou 't
misschien schooner en grootscher kunnen doen, ik op mijn leeftijd, met
mijn krachten kan 't niet beter ... ik ben er heel tevreden mee, want ik
heb niets verzuimd om mijn werk zoo goed te maken als ik kan. En dat is
'n groot geluk, want 't boek is, om zoo te zeggen: de som van heel
mijn jeugd....

Neen, nu kent ge hem nog niet. Maar blijf een oogenblik onder den indruk
van zijn rustigen spreektrant, en zie 'm dan zitten in zijn stijlvol
studeervertrek, waar 't heldere zonnelicht en de zoete woudgeur zich
nestelen in de kleinste hoekjes. Alles heeft er zijn vaste plaats en hij
zou er boeken en papieren met gesloten oogen kunnen vinden. En bekijk
dan eens zijn bijna steenroode gelaat, zijn borstelige haren, zijn
machtigen neus, zijn afgebeten knevel, zijn schitterende oogen waarin
Oostersche tinten gloeien.

Als-ie 'n oogenblik vergeet dat er iemand bij 'm is, zijn z'n gebaren
driftig als vlammen.

Voorwaar! deze man die klaagt dat het leven zoo kort is, maar die tien
jaar met 'n plan rondloopt liever dan een onrijp boek te geven ... deze
stille Vlaming heeft zich zelf verwonnen en diep beseft wat is 't
nuttelooze van een wankelend gebaar.

Zijn kunst zal ons geslacht overleven!



ILLUSTRATIES.



ILLUSTRATIES.


Lodewijk van Deyssel
Willem Kloos (Ets van W. Witsen)
idem
Albert Verwey (jeugdportret)
idem
Frederik van Eeden (jeugdportret)
idem (portret uit Walden-tijd)
Frans Netscher
Marcellus Emants (jeugdportret)
idem
Aug. Vermeylen (jeugdportret)
idem



INHOUD.

HISTORIE VAN DIT BOEKJE.

I. LODEWIJK VAN DEYSSEL:
  Eerste indruk.
  Van Deyssel's debuut.
  "Een liefde."
  Impressionisme.
  De "onvoegzaamheden" in "Een liefde."
  L'art pour l'art.
  Van Deyssel gezellig.
  De "oude" van Deyssel.
  Schrijver en publiek.
  Eerst moet zijn werk hem genot schenken.
  De "grenzen" van letter- en schilderkunst.
  De socialistische dichters.
  Zekere "schetsen"-schrijvers.
  Tendenz-kunst.
  Hoe hij werkt.

II. WILLEM KLOOS:
  "Dank u meneer, verder niet."
  Herinnering aan Jacques Perk.
  Het Nieuwe.
  De uitgave van "Mathilde."
  Waar een mensch niet bij kan.
  De oprichting van "De Nieuwe Gids."
  Medewerkers.
  Het woord een levend wezen.
  De groep valt uiteen.
  Huwelijk.
  Er is maar één goede richting.
  Kunstenaar en referent.
  Onze hedendaagsche literatuur.
  Neerdrukkende kunst.
  Kunstenaar en Maatschappij.
  Vergeten kunstenaars.
  Om literatuur te begrijpen.
  Het publiek en de boeken.
  "Men" oordeelt niet artistiek.

III. ALBERT VERWEY:
  Schrijven uit liefhebberij.
  "Een jaar of wat uit mijn jeugd."
  Dr. Doorenbos.
  De strooming van 1890.
  Doel van het "Tweemaandelijksch Tijdschrift."
  Oprichting van "De Beweging."
  Het innerlijke: Gelijk streven op allerlei gebied.
  De geschiedenis van zijn werk.
  Geestelijke kunst.
  De onzegbaarheid.
  Wij gaan naar het religieuse.
  Dichter en Maatschappij.
  Proza en Verzen.
  Hij behoeft niet altijd iets te "vertellen."
  "Nacht in het Alhambra."
  Maatschappij en Dichter.
  Stijl.
  De tijd van de stijlgeving.
  De Kunstenaar "als zoodanig" en zijn periode.
  Wat niet gezegd kan worden.

IV. FREDERIK VAN EEDEN:
  Hoe van Eeden de Nieuwe-Gidsrichting begrijpt.
  Literair dichterschap en maatschappelijk dichterschap.
  De invloed van Kloos maakte de nieuwe richting individualistisch.
  Nietzsche en Multatuli.
  Tendenz-kunst dan?
  Zij vergeten hun meester Shelley.
  Algemeen menschelijk streven en taalvermogen.
  Het kenmerk van verkeerde tendenz-literatuur.
  Toen de oogen hem opengingen.
  Dramatisch werk.
  Kunstenaar en "de Massa."
  De waarde van prestige.
  De menschen moeten geleid worden.
  Zonder verbittering!.
  Van Eeden en "De Nieuwe Tijd."
  Persoonliikheid.
  Zij zoeken de groote persoonlijkheid.
  Het nieuwe luchtschip.

V. FRANS NETSCHER:
  Letterkundig leven in den Haag.
  Hoe Netscher tot Zola kwam.
  Eerste werk.
  Karakter van het eerste werk.
  Succes van het naturalisme.
  Hoe de "woordkunst" ontvangen werd.
  Justus van Maurik.
  Van Eeden en "Het servetje."
  Auteursverdriet.
  Netscher te Parijs.
  Theorethische studie; haar nut.
  De roman "Egoïsme."
  De Hollandsche Revue.
  Netscher over onze literatuur.
  De artist en "het openbare leven."
  Netscher in de politiek.
  Toekomstplannen.

VI. MARCELLUS EMANTS:
  Emants' veelzijdigheid.
  Emants als student.
  De bergen.
  Kunstenaar en Maatschappelijk leven.
  Hoe de dingen hem treffen.
  Waarom hij zijn werk publiceert.
  Hij kan 't niet anders.
  Zijn onafhankelijkheid.
  Het pessimisme. Is Emants Schopenhaueriaan.
  Pessimisme en gemoedstoestand.
  Het futiele van een levensdoel.
  Moet men voor het pessimisme propaganda maken?
  Emants en het socialistisch ideaal.
  De moreele ijsperiode.
  Lilith en Loki de eenige werken die een wereldbeschouwing belichamen.
  Emants streven naar objectiviteit.
  Lilith.
  Loki, het intellect.
  "Loki" geen eigenlijk symbolisch gedicht.
  Emants en de "Nieuwe Richting."
  Hij wilde zichzelf blijven.
  Hij ziet ook thans niet in welke nieuwe richting hij heeft ingeleid.
  De overdreven vereering van de woordkunst.
  Geen onschuldige grappen!
  Er is geen bijhouden aan!
  Zwaarmoedige kunst uit maatschappelijk oogpunt.
  Emants' ervaringen met een luguber boek.
  Voor en tegen van mensch-ontledende literatuur.
  Zijn liefste boeken.
  Waarom hij de "woordkunst" veroordeelt.
  Zijn modellen.
  Doode natuur en gekrenkte modellen.

VII. AUG. VERMEYLEN
  Kunst en Leven.
  Zijn streven naar "perfectie."
  "De wandelende jood."
  Het schrijven zelf.
  Vermeylen over de Noord-Nederlandsche literatuur.
  Schrijver en publiek.
  De Vlaamsche beweging voor '80.
  Bewust optreden van de Nieuwere Richting.
  "Jong Vlaanderen."
  Kloos en de Vlaamsche Beweging.
  Letterkundig leven te Brussel.
  Lotgevallen van "Van nu en straks."
  Gewijzigde ideeën.
  Verhouding tot de ouderen.
  Tweede "Van nu en straks." Niet uitsluitend literair.
  Waaraan "Van nu en straks" zijn grooten invloed dankte.
  "Vlaanderen."
  Personen.
  Hollandsche invloed.
  De Gedachte als zoodanig.
  Gemeenschapsgevoel.
  Conscience.
  De economische zijde van de taal-quaestie.
  Toekomstplannen.

LIJST VAN ILLUSTRATIES.





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "De mannen van '80 aan het woord - Een onderzoek vaar eenige beginselen van de "Nieuwe-Gids"-school." ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home