Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Het Vrije Rusland - De Aarde en haar Volken, 1873
Author: Dixon, William Hepworth, 1821-1879
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Het Vrije Rusland - De Aarde en haar Volken, 1873" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



                       HET VRIJE RUSLAND.



De schetsen, die wij onzen lezers onder dezen titel aanbieden, zijn
ontleend aan het voor een paar jaren verschenen boek van den met lof
bekenden engelschen schrijver, William Hepworth Dixon, _Free Russia_,
het vrije Rusland, genaamd: welk werk door het beschaafde publiek
in Engeland en ook elders met grooten en welverdienden bijval is
ontvangen. De titel mag eenigszins zonderling schijnen: hooren wij
wat de schrijver zelf aanvoert om deze zijne keuze te rechtvaardigen.

"_Swobodnaya Rossia_ (het vrije Rusland)--zoo zegt hij--is eene
uitdrukking, die in geheel dat groote land leeft in aller mond;
deze twee woorden geven het karakter aan en drukken tevens de hoop
uit van het nieuwe rijk, dat tijdens den Krimoorlog in het leven
is getreden. In vroeger tijd was ook Rusland vrij, niet minder dan
Duitschland en Frankrijk. Later werd het overstroomd door aziatische
horden; en sedert dien tijd handhaafde zich het tartaarsche element,
indien al niet in het wezen, dan toch wel in den vorm, tot aan den
oorlog van 1853; maar sedert den uitgang dier worsteling onderging het
oude Rusland eene herschepping. Deze nieuwe natie, die het behoud van
den vrede wenscht, en die vrij wil zijn:--deze is het, die ik vooral
gepoogd heb te schilderen."

Het behoeft nauwelijks herinnering, dat de engelsche schrijver met
het feit, hetwelk zoo noodlottige gevolgen heeft na zich gesleept,
en aan de vrijheid van Rusland een einde gemaakt, den inval der
Mongolen bedoelt, die omstreeks de helft der dertiende eeuw het
grootste gedeelte van het toenmalige russische rijk veroverden, en
aan zich onderwierpen. Deze tartaarsche heerschappij duurde ruim twee
eeuwen, en heeft zeer zeker in het russische volkskarakter, en vooral
in de maatschappelijke en staatkundige instellingen, zeer diepe sporen
achtergelaten. Uit dien tijd dagteekent, bijvoorbeeld, de invoering
der lijfeigenschap; evenzoo is het aan geen twijfel onderhevig, of
deze mongoolsche overheersching heeft aan geheel het leven van den
russisch-slavischen volksstam dat eigenaardig oostersch, aziatisch
karakter gegeven, dat Peter de Groote met forsch geweld heeft gepoogd
uit te roeien, maar dat toch ook nu nog eene zoo scherpe lijn trekt
tusschen Rusland en de volkeren van westelijk Europa. Volgens onzen
schrijver zou nu de Krimoorlog, in zijne gevolgen, den machtigen stoot
hebben gegeven, die het in aziatische barbaarschheid half verzonken
russische rijk weder tot nieuw en hooger leven heeft opgewekt. Wat
hiervan moge zijn, volgaarne luisteren wij naar de altijd belangrijke
mededeelingen van den heer Hepworth Dixon: bovenal waar het een land
geldt, dat, zoo ons niet alles bedriegt, geroepen is, binnen een niet
te lang tijdsverloop, eene groote, wellicht voor eeuwen beslissende
rol in de wereldgeschiedenis te spelen.



I.

HET HOOGE NOORDEN.


"De Witte-zee!" riep, met een luiden lach, onze deensche gezagvoerder,
terwijl hij zijn dunnen rossigen knevel opstreek;--"de Witte-zee! een
mooie naam, inderdaad, voor eene zee, die er uitziet als engelsch
bier! De bedding moge wit zijn, want die is bezaaid met de beenderen
der schipbreukelingen;--maar het water is het nooit, tenzij dan dat
het bevroren en met sneeuw bedekt is. Neen, dan hebben de matrozen
en de zeehondenvisschers een beteren naam bedacht: zij noemen haar
de IJszee."

Na de Noordkaap--eene lichtgrijze, fantastisch gevormde, sombere
rotsmassa, die ver in de schuimende golven der Poolzee uitsteekt,--te
zijn omgevaren, stevenen wij zuidoostwaarts, onophoudelijk gedurende
twee verschrikkelijke dagen geteisterd door wind, hagel en regen. In
al dien tijd zagen wij niets van de zon: wel bespeurden wij omstreeks
middernacht een flauw schijnsel, dat aan den morgenstond deed denken:
maar op den middag was het weder dezelfde onbestemde schemering,
juist even voldoende om de omringende duisternis zichtbaar te maken.

De schilderachtige, overal door baaien en inhammen afgebroken en met
hooge bergen geteekende kust, die wij tot dusver volgden, ligt achter
ons: wij zeilen nu langs een vlak, eentonig, somber, ongebroken strand,
bijna altijd in een dichten nevelsluier gehuld, die ons slechts nu en
dan een blik op de akelige, levenlooze streek gunt. Na eene vervelende
vaart van ongeveer vijftig uren, komen wij eindelijk aan een laag
land, dat, half in den nevel verloren, zich verre weg naar het zuiden
uitstrekt, niet ongelijk aan eene grauwe wolkenlaag. Wij varen tusschen
kaap Kanin en de zoogenaamde Heilige-kaap, _Swioetoi-Noss_, door, en
stevenen vervolgens het ongeveer dertig mijlen breede kanaal binnen,
dat van de Poolzee naar de ruime en grillig gevormde binnenzee voert,
onder den naam van de Witte- of IJszee bekend.

De kust aan onze rechterhand is die van Lapland: een treurig, akelig
land, waar men niets ziet dan sombere, doodsche meren en poelen,
en naakte, grijze duinen, door een grauwen hemel overwelfd. Hier
en daar zetten enkele jagers, te midden dezer eenzame wildernissen,
het schrale wild na; ettelijke visschers werpen hunne netten in de
naargeestige wateren. Deze lieden zijn onderdanen van den Tsaar en
leden der orthodoxe kerk: maar zij spreken eene taal, die in het
Winterpaleis bezwaarlijk verstaan zou worden; en zij hebben zekere
godsdienstige ceremoniën en gebruiken bewaard, waaraan de heilige
Synode hare goedkeuring nog niet gehecht heeft.

Lapland is ééne groote wildernis van reusachtige rotsen, en diepe en
donkere poelen en moerassen; hier en daar kronkelt zich daartusschen
eene smalle vallei, langs wier hellingen die schrale mosplanten
groeien, waarmede zich de rendieren voeden. Groepen van pijn- en
berkeboomen brengen nu en dan in dit sombere landschap een weinig
afwisseling; maar in deze koude luchtstreek tiert geen graan,
en de bewoners moeten van de opbrengst hunner jacht en visscherij
leven. Hunne eenige weelde, het roggebrood, moet te water uit Onega
en Archangel worden aangevoerd: deze steden zelf ontvangen dit
brood uit de zuidelijker provinciën. De Laplanders zijn nomaden;
zij brengen den eindeloozen winter door in hutten, die zij zoo
goed mogelijk inrichten; gedurende den vluchtigen zomer vertoeven
zij in tenten. De piramidaalvormige hutten worden uit ruw behouwen
boomstammen opgetrokken; eene dikke laag van mos belet het doordringen
van het ijskoude water. Hunne tenten deden mij denken aan die der
Comanches-Indianen: zij bestaan uit aaneengenaaide rendiervellen,
die over een paal gespannen worden; eene opening van boven dient om
den rook door te laten.

Naar gelang van het jaargetijde, verplaatst de Laplander zijne woning
van de eene plek naar de andere; nu eens laat hij zijne rendieren langs
de hellingen der heuvelen grazen; dan weder tracht hij de visschen
in de rivieren en langs de kusten te verschalken; des zomers zwerft
hij door het binnenland, om mossen op te zoeken; in den winter trekt
hij naar het strand, om zeehonden en kabeljauw te vangen. De mannen
weten evengoed om te gaan met de lans, het oude nationale wapen, als
met het geweer, dat zij in later tijd van vreemde kolonisten hebben
overgenomen. De vrouwen, die er met hare broeken van zeehondenvel en
hare jassen van rendierenvel alles behalve bevallig uitzien, zijn
meest allen in allerlei tooverkunsten ervaren. In alle noordsche
landen gewaagt men niet dan met schrik van die afschuwelijke heksen,
die, naar de boeren meenen, altijd een of anderen boozen geest tot
hare beschikking hebben. Eene Laplandsche leest in de toekomst,
en voorspelt wat de komende dag brengen zal. Zij heeft de macht om
iemand te betooveren of met kwalen en ziekten te bezoeken; zij kan
zich naar goedvinden in de lucht verheffen, en de schepen doen zinken,
die op den verren oceaan met de golven worstelen.

Aan onze linkerhand hebben wij het schiereiland Kanin, dat mede
deel uitmaakt van de woeste, dorre landstreek, waar de Samojeden hun
zwervend leger opslaan: eene akelige ijswoestijn, nog verschrikkelijker
dan de wildernissen, waarin de Laplander het wild vervolgt. Deze
provincie van het groote rijk heeft noch dorpen, noch wegen, noch
akkers; zij heeft zelfs geen eigen naam, want de Russen noemen haar
nooit anders dan bet land der Samojeden. Zij strekt zich noord- en
oostwaarts uit, van de muren van Archangel en de kust van kaap Kanin,
tot aan de toppen van het Oural-gebergte en de IJzeren poorten van den
zeeboezem van Kara. In hare dalen en kloven smelt de sneeuw nooit; en
hare kusten, die eene lengte van ongeveer zevenhonderd mijlen beslaan,
zijn gedurende acht maanden van het jaar ongenaakbaar door onafzienbare
ijsmassa's. In Juni, wanneer de winter voor korte oogenblikken wijkt,
bekleeden zich de hellingen van enkele gunstig gelegen valleien
met mossen, waarvan het doffe, sombere groen, hier en daar, scherp
afsteekt tegen het eentonige bruin der naakte rotsen en het grauwe
lijkkleed van vuile sneeuw. Met deze kostbare mossen voedt zich het
rendier, het kameel der poollanden, dat in deze onherbergzame oorden
het leven voor de menschen voor 't minst mogelijk maakt.

Het woord Samojeed beteekent kannibaal, menscheneter: althans zoo zegt
de taalwetenschap. De Samojeden zouden dus antropophagen zijn. Maar ook
deze wetenschap is niet onfeilbaar: en om eene dergelijke uitspraak
te staven, zijn er duchtige bewijzen noodig, meer afdoende dan
tot dusver zijn aangevoerd: er blijft dus nog ruimte voor verdere
onderzoekingen. De Samojeden koken hunne spijzen niet; het is mij
onbekend, of zij menschenvleesch eten; wel weet ik dat zij het
vleesch der rendieren rauw verslinden. Hunne jacht- en zwerftochten
steeds verder uitstrekkende, zijn de Samojeden, aanvankelijk in het
hooge noorden van Azië gevestigd, het Oural-gebergte overgetrokken,
en hebben zich in de landstreken tot nabij kaap Kanin verspreid:
een land, zoo koud, zoo ruw en zoo dor, dat waarschijnlijk geen
ander menschenras het daar zou kunnen uithouden. Daar vonden hen
de Zarayny, die hen hebben overwonnen en in een toestand gebracht,
zeer nabij aan de slavernij grenzende.

Deze Zarayny, een dapper en verstandig volk, schijnen, wat afstamming
en taal betreft, het naast aan de Finnen verwant; waarschijnlijk
zijn zij de overblijfselen eener aloude volkplanting van _trappers_
of jagers. Zoowel door gestalte en voorkomen als door aanleg en
ontwikkeling, munten zij boven de Samojeden uit; evenals de Russen,
bouwen zij zich houten hutten, en bezitten talrijke kudden rendieren,
waarvan de bewaking aan het overwonnen volk wordt opgedragen. Deze
onderwerping aan een meer begaafd en ontwikkeld ras is voor den
Samojeed de natuurlijke voorbereiding tot een hooger trap van
beschaving; hij leert het menschelijk leven ontzien en eerbiedigen,
de rechten van den eigendom erkennen en waardeeren. Een amerikaansche
Roodhuid leeft van de buffeljacht; hij doodt veel meer dieren
dan hij voor zijne behoefte noodig heeft, louter uit zucht om
te dooden en de vernielen. De Samojeden zouden evenzoo handelen:
maar de Zarayny hebben hun geleerd, het zoo onontbeerlijke dier,
zonder hetwelk de mensch hier niet leven kan, te vangen, te temmen
en als huisdier te gebruiken. Als een echte wilde, maar weinig hooger
staande dan de Pawnie van Noord-Amerika, bouwt de Samojeed zich geene
vaste woning; hij weet niets van landbouw, en heeft ook geen begrip
van grondeigendom. Even als de Laplander, woont hij in eene hoogst
eenvoudige tent, die, vooral van binnen, dadelijk aan een indiaanschen
wigwam denken doet: want zij bevat niets dan eenige huiden, waarop
de bewoners plaats nemen. In deze tenten zoudt ge vruchteloos naar
eenig spoor van kunstvaardigheid zoeken; zelfs de ruwe teekeningen,
waarmede enkele indiaansche stammen hunne armelijke woningen opsieren,
ontbreken hier. Toch heeft de Samojeed eenige, het is waar zeer
onbestemde, denkbeelden en voorstellingen van maatschappelijk leven,
zelfs van eene regeering. Eene groep van een zeker aantal woningen
draagt den naam van _choum_; aan het hoofd van iederen choum staat
een _chaman_, een soort van geestelijk opperhoofd.

De tegenwoordige keizer heeft eenige priesters naar deze stammen
afgezonden, zooals weleer Marfa Boretski zijne popen en monniken naar
Lapland en Karelië zond, in de hoop de onbeschaafde heidensche inwoners
tot het Christendom te bekeeren. Men zou zoo gaarne willen gelooven,
dat deze zendelingen inderdaad nut stichten en eenige vrucht op hun
arbeid zien: maar de Russen, die van nabij met het land en zijne
bewoners bekend zijn, halen glimlachend de schouders op, als men hen
spreekt over de orthodoxe propaganda langs de kusten van de golf van
Obi en de zee van Kara. Uit eigen ervaring kan ik hieromtrent geen
oordeel vellen; het toeval heeft mij echter in aanraking gebracht met
een dier grieksche priesters, die, waarschijnlijk wanhopende aan de
mogelijkheid om het volk tot zich op te heffen, mooi op weg was om
zelf tot het peil zijner onwillige hoorders af te dalen. Hoewel hij
nog altijd den titel van pope bleef voeren, leefde hij als een chaman;
hij had de kleeding van zulk een samojeedsch opperhoofd aangenomen,
en met elken dag naderde hij in zijn gang, manieren en voorkomen,
meer en meer tot de mongoolsche type. Men beweerde zelfs, dat hij
zijne tent met eene inlandsche tooverkol deelde.

Deze volksstammen bewaken de grenzen van het rijk der Tsaren;
hunne naakte rotsen en wilde bergen zijn als het ware de voorhof van
Groot-Rusland, dat aloude vaderland der Russen van echten ouden stam,
welks velden en vlakten en bosschen nooit hebben weergalmd van den
hoefslag der tartaarsche ruiters.

Waarom, vraagt iemand wellicht, dus door het uiterste noorden
Rusland binnen getreden? Mijn waarde lezer, ik had daarvoor mijne
goede redenen. Stel eens dat de Groot-mogol in de zeventiende eeuw
Engeland veroverd had; dat de aziatische denkbeelden en gewoonten,
gedurende meer dan twee eeuwen, te Londen den toon hadden gegeven;
dat ons Brittanje, eindelijk het juk afwerpende, zijne burgerlijke
zelfstandigheid, zijne overoude vrijheden, instellingen en rechten
had herwonnen:--welk land denkt gij dan, dat een vreemdeling, die het
echte engelsche karakter zou willen bestudeeren, in de eerste plaats
zou bezoeken? Zou hij niet zijne schreden naar Amerika richten,
om daar, in Massachusetts, een zuivere type te vinden, door geen
vreemde oostersche invloeden verbasterd? Eerst later zou hij de daar
aangevangen studiën willen voltooien door een bezoek aan de boorden
van den Theems en de Mersey.

Evenzoo moet de reiziger, die zich eene juiste voorstelling wil
vormen van het vrije Rusland der toekomst, waaraan de Krimoorlog het
leven gegeven heeft, zijne waarnemingen beginnen in de noordelijke
provinciën: want alleen in dit land van wouden en meren en moerassen
vindt hij een tak van den grooten slavischen stam, die nimmer voor
een vreemden heerscher gebogen heeft, en nooit, door de aanraking met
andere nationaliteiten, van zijne voorvaderlijke zeden en levenswijze
is afgetrokken.

De landstreek tusschen Perm en Onega, die eene oppervlakte beslaat
van zevenmaal de uitgestrektheid van Frankrijk, werd door kolonisten
uit Nishny-Nowgorod bevolkt en ontgonnen, ten tijde toen deze
groote stad nog in het genot harer volle zelfstandigheid was,
rijk door haar handel, beroemd door haar kunstliefde en haar
godsdienstzin, de mededingster van Frankfort en Florence, evenals
Londen en Brugge, lid van het machtige verbond der Hansa. De aldus
gestichte koloniën handhaafden en verdedigden eeuwen lang hare aloude
rechten en vrijheden; zij weerden zoowel den duitschen invloed als de
overheersching der Tartaren af, en bewaarden het nationale karakter
in al zijne zuiverheid, vrij van alle vreemde bijmengselen. "Nooit,"
zeide mij, met blijkbare fierheid, een pachter van Archangel, "nooit
hebben wij onder ons edelen of slaven gekend." In alle opzichten,
zoowel ten goede als ten kwade, zijn zij aan hunne oude levenswijze
en zeden getrouw gebleven; en toen de Tsaar Godonoff, ten jare 1601,
de aartsvaderlijke inrichting van het dorps- en gemeentewezen naar het
tartaarsche model wilde vervormen, boden zij een even hardnekkigen
weerstand, als toen, zes-en-zestig jaren later, de patriarch Nikon
in de eeredienst veranderingen wilde invoeren, die meer met den
byzantijnschen geest dan met de oud-russische traditie strookten.

Deze vrije kolonisten, niet wijkende voor den aandrang van wereldlijke
en geestelijke machthebbers, weigerden standvastig hun ouden ritus
te verruilen voor de officiëele liturgie, die men hun opdringen
wilde. Zij behielden hunne taal, hoewel de hoofdstad die verworpen
had; en eindelijk, toen de bestemde tijd vervuld was, schonken zij
aan de wereld een groot dichter, Michael Lomonosoff, die, in eene
boerenhut geboren, der vernederde en vergeten taal een nieuwen
luister schonk, en haar de heerschappij verzekerde in de school,
in de regeeringscollegiën en zelfs aan het hof.



II.

DE WITTE-ZEE.


Wij varen om kaap Intzy, en laten achter ons de nauwe zeeëngten,
die Lapland van het land der Samojeden scheiden: de Witte-zee opent
zich voor ons.

Deze zee, ruim tweemaal zoo groot als het uitgestrektste meer der
Vereenigde Staten, het Lake Superior, herinnert door hare gedaante
eenigermate aan het meer van Como: ten noordwesten dringt zij met
eene smalle baai, de golf van Kandalask, diep in Lapland door; ten
zuiden splitst zij zich wederom in twee baaien, door eene breede
zandvlakte gescheiden, waarvan de armzalige bewoners van visscherij
en zeehondenvangst leven. Naar de rivieren, die zich in deze baaien
uitstorten, voert de eene den naam van golf van Onega, de andere
dien van golf van Dwina of van Archangel: welke laatste naam meer
algemeen is. Aan de monden dezer rivieren liggen de beide koopsteden
Onega en Archangel.

De Witte-zee is over het algemeen zeer diep: aan den ingang schat
men de diepte op tachtig vademen; nabij de golf van Kandalask wijst
het peillood niet minder dan honderd-zestig vademen aan; toch is
het strand doorgaans noch hoog, noch steil. De golf van Onega is met
rotsen en eilanden bezaaid, waarvan de meesten echter niet veel meer
zijn dan zandbanken, die haar ontstaan danken aan het slib, dat de
golven van de vlakten van Kargopol medevoeren. Aan den ingang der
golf, tusschen kaap Orlow en de stad Kem, ligt eene groep van meer
belangrijke eilanden, zooals Solowetsk Anzersk, Moksalma en anderen,
aan wier namen zich veelvuldige legenden en herinneringen uit de
vroegere en latere geschiedenis van Rusland hechten.

Solowetsk, het aanzienlijkste eiland van dezen kleinen archipel, boogt
op zijn beroemd klooster, nog geheel vervuld met de herinnering aan
Sint-Servatius en Sint-Zosimus; zijne muren herbergden ook eenmaal
den heiligen Filippus. Dit klooster bezit hoogvereerde relieken,
waaraan monarchen en bedelaars om strijd hulde komen bewijzen; in zijne
ruime gangen en hoven dwaalt het ontzaggelijke spooksel om, waarvan
de gedachte alleen den kozak in zijne tent, en den kabeljauwvisscher
in zijne schuit, eene siddering door de leden jaagt. Dit klooster was
het tooneel van een aantal merkwaardige gebeurtenissen, en zelfs van
wonderen, door de poëzie en de schilderkunst verheerlijkt.

Nabij den mond van de Dwina verheft zich de voor korten tijd gebouwde
vuurtoren, die tachtig voet boven de zee oprijst; maar de nevel
is meestal zoo dicht, dat het bijkans onmogelijk is den toren te
zien. Wij krijgen hier een loods aan boord; zijn gelaat, door zware
lokken omgolfd, drukt zachtheid en geduldige lijdzaamheid uit. Op
een nederigen, half vreesachtigen toon, als duchtte hij dat zijn
raad kwalijk zou worden opgenomen en hij zelf mishandeld, deelde hij
ons mede, dat het aan den mond der rivier laag water was, en dat wij
verplicht zouden zijn den vloed af te wachten.

"Wachten!" roept onze kapitein; "neen, dat nooit! Help ons liever
een handje, dan zullen wij er wel doorkomen."

Juist breekt de zon door de nevelen heen; maar de zwarte wolken hangen
laag en dreigend; ieder gevoelt dat een stormvlaag op handen is. Dicht
bij den mond liggen twee booten, de _Thera_ en de _Olga_, die als
beschonkenen heen en weder slingeren; toch geeft de russische loods
glimlachend toe; de machine werkt met halve kracht, en wij stevenen
naar de rij van zwarte en witte bakens, die voor ons op de golven
dobberen. Weldra laten wij de _Thera_ en de _Olga_ achter ons, die,
terwijl wij voorbij stoomen, nog heviger slingeren en schudden, en
waarvan de zeilen rusteloos beven, als een door de koorts gefolterde
kranke. Een half uur later varen wij tusschen de tonnen door: wij
zijn in de buitenhaven.

Evenals de meeste groote rivieren, heeft ook de Dwina aan haar mond een
delta van eilandjes en banken gevormd, waartusschen hare wateren naar
zee vloeien. Geen enkel dezer kanalen kan aanspraak maken op den naam
van eigenlijken hoofdtak der rivier; want de Dwina, nog grilliger dan
de zee, is aan voortdurende veranderingen onderhevig. Een stoomboot,
die in Augustus door een breeden arm naar zee is gestevend, zal,
in Juni van het volgende jaar terugkomende, dien weg soms bijkans
gesloten vinden en een anderen doortocht moeten zoeken. Volgens oude
kaarten bevond zich de voornaamste monding niet ver van het klooster
Sint-Nikolaas; later had zij zich nabij het eiland Rosa verplaatst;
eindelijk liep zij voorbij de batterijen van het fort Dwina. Maar
twee zomers achtereen woedden er geweldige stormen in de poolzeeën,
die den loop der stroomen en de ligging der banken veranderden:
de bestaande riviermond werd verstopt. De haven-politie zag de ramp
aan--en bleef werkeloos. Wat kon zij ook doen? dit geval was in hare
instructie niet voorzien. Misschien zou Archangel voor immer van
zijne gemeenschap met de zee, waaraan het zijn welvaart dankt, zijn
verstoken geworden, indien niet een deensch koopman aan de vreemde
handelshuizen had voorgesteld, een stoomboot te huren, en te beproeven
of er voor hunne schepen geen andere weg naar zee te vinden was. "Het
water in de rivier zakt, zeide hij: dus moet het zich een doortocht
naar zee hebben gebaand. Laat ons dien opzoeken." De noodige gelden
werden bijeengebracht; de boot voer de rivier af, en bracht de blijde
tijding, dat in een der armen, dien van Maimaks, voldoende diepte
werd aangetroffen om de grootste schepen te kunnen doorlaten. Zoo
scheen dan het bezwaar opgeheven, de gemeenschap tusschen de stad
en de zee was weder hersteld, en de inwoners verheugden zich reeds
over de gewichtige dienst, aan hun handel bewezen. Maar zij hadden
buiten den waard, dat is buiten de havendirectie gerekend. Nog nooit
was een schip van Archangel door dien rivierarm naar zee gegaan;
voor dien waterweg was geen reglement vastgesteld; en de politie kon
toch niet toelaten, dat een schip, zonder reglement, langs dien weg
uitliep! Vergeefs waren alle verzoeken en protesten der kooplieden:
de politie was onverbiddelijk; de scheepvaart stond stil; de rijk
geladen schepen konden in de haven blijven liggen, omdat in de
reglementen geen melding werd gemaakt van dien nieuwen mond.

Men richtte een adres aan den gouverneur van Archangel, prins Gragarin:
maar hoewel hij hartelijk lachte om de bespottelijke bekrompenheid
der havendirectie, liet hij toch de zaak zooals zij was: ook hij had
omtrent dit punt geene instructie, en zijn persoonlijk belang was
er niet bij betrokken. De directeur der douane, Gospadin Sredine,
wilde er, zoo mogelijk, een eind aan maken, en bood aan, op eigen
gezag, voor den nieuwen waterweg ontvangers te benoemen en kantoren
te vestigen; maar de politie was..... de politie. Eindelijk, nadat
eenige weken met dit gehaspel vermorst waren, zonden de kooplieden en
reeders een smeekschrift naar Petersburg, en zoo kwam de zaak Keizer
Alexander ter oore. Deze maakte er dadelijk een einde aan, zeggende:
"Het spreekt van zelf, dat de schepen een nieuwen weg naar zee moeten
volgen, als de oude onbruikbaar is geworden."

De Witte-zee zou bijna den naam van de moorddadige verdienen: zij
is een groot graf. Zelfs de lieden, voor wie stormen en schipbreuken
zich oplossen in eene reeks cijfers en vergelijkende tabellen--zooveel
schepen door de ijsschotsen verbrijzeld, zooveel gezonken, zooveel
menschen verongelukt of vermist, dat is zooveel percent van het geheel;
zelfs de statistici, voor wie de menschen geene andere bestemming
schijnen te hebben dan om in kabbalistische tabellen en vervelende
rapporten te figureeren; zelfs zij zouden wellicht nog een ander
gevoel niet geheel kunnen onderdrukken, wanneer de sombere geschiedenis
dezer akelige zee voor hen werd ontrold. Wat vreeselijke worstelingen,
wat zielverscheurende angsten en smarten heeft zij niet aanschouwd;
welke onuitsprekelijke klachten en jammerkreten hebben daar niet
weerklonken over die doodsche, grauwe wateren, door dien duisteren
nevelsluier, als eene lijkwade over de golven verspreid: klachten
en jammerkreten, door geen menschelijk oor vernomen, wegstervende
in het loeien van den storm, het brullen der golven, het donderend
kraken der ijsbergen! Eenige jaren geleden, waren meer dan honderd
schepen op eenmaal in het ijs geklemd: schepen van allerlei afmeting
en soort, en van verschillende landen afkomstig: zweedsche, deensche,
hollandsche, engelsche. De engelsche consul te Archangel, van den
toestand onderricht, telegrafeerde om hulp naar Engeland. Weinige
dagen later, den 12den Juli, vertrokken twee stoombooten van Londen,
om de ingesloten schepen en hunne bemanning te redden. Veertien
dagen na haar vertrek, verschenen de beide booten in de Witte-zee,
en begonnen zij haar zwaren en moeilijken arbeid.

De talrijke vloot was de havens van de Dwina uitgezeild, zoodra de
tijding was gekomen dat het ijs in de golf begon te smelten; maar toen
de schepen den zoogenaamden Gorgel--het kanaal dat de Witte-zee met
de Poolzee verbindt--waren binnengeloopen, keerde de wind plotseling
van het noorden naar het zuiden; in een oogenblik zagen de schepen
zich nu van alle zijden omringd en ingesloten door ijsschotsen, die
met geweld tegen elkander botsten. Met groote moeite en de uiterste
voorzichtigheid bereikte de vloot, zonder hinder, kaap Kanin; maar
nu strekte zich voor haar eene hooge en zware ijsmassa uit; het was
volstrekt onmogelijk, verder door te dringen: de schepen kraakten en
zuchtten en trilden bij den herhaalden schok der drijvende schotsen
en ijsbergen. Tot overmaat van ramp, draaide de wind weder naar
het noorden, en dreef nu drie dagen achtereen de ijsschotsen naar de
zee-engten; de schepen werden achteruit geworpen, en de doortocht naar
de open zee hun geheel versperd. Vruchteloos worstelden zij tegen
den geweldigen stroom, die hen naar de rotsige kusten van Lapland
heenvoerde, waar zij weldra door een onverbreekbaren muur van ijs
waren ingesloten.

Nu werd de akelige stilte dezer doodsche wateren telkens afgebroken
door het luide gekraak der schepen, wier kiel tusschen de opdringende
schotsen verbrijzeld werd, als een glas tusschen de vuist van een
reus. Ging een schip te gronde, dan sprongen de matrozen op het ijs, en
redden zich aan boord van het naastbij gelegen vaartuig: misschien om
eenige uren later nogmaals te verhuizen. Soms leden dezelfde matrozen,
op eenen dag, vijf of zesmaal schipbreuk, wanneer de bodems, waarop
zij eene toevlucht hadden gezocht, plotseling onder hunne voeten
wegzonken.--Toen de twee stoombooten hare taak hadden volbracht,
werd de volgende opgave aan het ministerie van koophandel gezonden:

"Het getal schepen, die door de bemanning moesten verlaten worden,
bedroeg vier-en-zestig; veertien schepen waren gered; de vijftig
anderen waren gezonken. Onder deze laatsten waren er achttien, in
Engeland gebouwd en door Engelschen bemand."



III.

DE DWINA.


De lage en vlakke oevers, met een weelderigen plantengroei bedekt,
de vele groene eilanden in den mond der Dwina verspreid, herinneren
aan den Missouri: maar het slib van de Dwina is minder vruchtbaar dan
dat, hetwelk de amerikaansche rivier met hare wateren aanvoert. Hier
prijken de eilanden alleen met gras en laag geboomte. Ginds, op
het vaste land, strekt zich, zoover men zien kan, een bosch van
eeuwenheugende pijnboomen uit.

Het lage vlakke eiland, dat men, bij het invaren der monding,
ter rechterhand laat liggen, heet Sint-Nikolaas, ter eere van
den priester, die, in heiligen geloofsijver ontvlamd, maar men
verhaalt, op het concilie te Nicea, den ketter Arius een slag in het
aangezicht gaf. Niemand weet waar deze Nikolaas eigenlijk geleefd
heeft en gestorven is; ook maakt de geschiedenis geene melding van
zijne tegenwoordigheid op het eerste concilie van Nicea. Volgens de
overlevering zou hij te Liki geboren zijn, en te Mira hebben gewoond:
van daar de bijnaam van den heilige van Mirliki; maar geen enkele regel
schrifts van hem is tot ons gekomen, en hetgeen men van hem verhaalt
is dikwijls in onderlinge tegenspraak. Dit alles belet evenwel niet,
dat Nikolaas een zeer populaire heilige is, die bij het volk hoog
staat aangeschreven. Hij is de patroon der edelen, der kinderen,
der matrozen, der bedevaartgangers; de troost en hulp der armen,
der verdrukten en zwervelingen. In deze noordsche wildernissen wordt
zijn naam door allen aangeroepen, vindt men zijn beeld in elke hut;
maar nergens misschien wordt hij ijveriger en vuriger vereerd dan
langs de kusten der Witte-zee. Met welk eene vrome blijdschap en
innige zelfvoldoening leest de arme visscher dezer stranden in zijn
_Levens der Heiligen_ (voor hem Bijbel, heldendicht, geschied- en
wetboek tevens), dat Nikolaas de machtigste is van alle heiligen,
die in den hemel wonen; dat hij aan de rechterhand Gods is gezeten,
en het bevel voert over een leger van driehonderd engelen, die,
met het zwaard in de vuist, gereed staan op zijn wenken te vliegen!

Een moujik (boer) vroeg eens aan een mijner vrienden, wie God zou
worden, wanneer God kwam te sterven.

"Mijn goede vriend", antwoordde de Engelschman met een glimlach,
"God zal nooit sterven."

De boer stond een oogenblik versuft, en herhaalde hoofdschuddend:
"Hij zal nooit sterven!"--Toen, zich eensklaps herstellende, als ware
hem plotseling een licht opgegaan, hernam hij ernstig: "Ja, nu zie ik
het: gij zijt een ongeloovige, iemand zonder godsdienst. Ik weet het
beter dan gij. God zal zeker eens sterven, want Hij is reeds zeer oud;
en dan zal Sint-Nikolaas in zijne plaats treden."

Terwijl wij door den Maimaks-arm stoomen, mogen wij onze oogen
verkwikken aan het frissche groen der weilanden en dichte struiken:
eene weldadige verrassing, nadat wij zoolang niets anders hadden
gezien dan naakte, sombere rotsen, loodkleurige wolken en vuil-grauwe
wateren. Maar achter de biezen, achter de struiken en boomen,
zoeken wij vergeefs, wat toch bovenal leven en bekoorlijkheid aan
het landschap schenkt: menschelijke woningen. Eene enkele armelijke
planken hut is alles, wat wij kunnen ontdekken; in een klein weiland
staan eenige mannen bij een soort van dijkje; een jeugdige knaap ligt
achteloos uitgestrekt in een broze schuit, die met de deining der
stoomboot op en neder wiegelt; maar niemand schijnt hier te wonen;
de mannen en de knaap zijn van een naburig dorp gekomen. Zij zijn de
rivier afgezakt, om voor hunne koeien wat gras te maaien, en eenig
brandhout te verzamelen; straks zullen zij weder scheep gaan en naar
huis keeren.

Langs de oevers der oude kanalen vindt men dorpen in menigte;
die dorpen bestaan uit een groep van eenige hoogst eenvoudige
woningen, rondom eene kerk en een klooster geschaard, en hier en daar
geflankeerd door eenige windmolens, die hunne armen, als bezetenen,
rondwentelen. Elk dorp en elk gehucht is op de vooraf aangewezen plaats
gebouwd; zij gelijken allen volkomen op elkander: vergeefs zoudt
ge, in bouwtrant of inrichting, eenig spoor van oorspronkelijkheid
zoeken. Alles geschiedt hier naar vastgestelde regels; de pope en
de _starost_, keizerlijk ambtenaar, moeten in alle omstandigheden
geraadpleegd worden, en wat zij voorschrijven of aanraden, geldt
als wet.

Overal in deze streken wordt de aandacht van den vreemdeling
onwillekeurig getrokken door de groote menigte kruisen, die zich langs
de kusten en langs de oevers der groote rivieren verheffen. Zoodra de
hemel zich dreigend laat aanzien, gaat de zeeman aan land, richt een
kruis op, en knielt neder om te bidden. Als zich dan een gunstige wind
verheft, rijst hij op en keert naar boord terug, het heilige teeken op
de woeste kust achterlatende, als een offer zijner dankbaarheid. Is
er inderdaad ernstig gevaar, dan gaat vaak de gansche bemanning
aan land; een paar boomen worden geveld en daarmede een groot kruis
opgericht, waarop de namen der matrozen en de dagteekening worden
gesneden. Langs de kusten der Witte-zee ontmoet men elk oogenblik
deze vrome gedenkteekenen maar nergens zijn zij zoo menigvuldig als op
de rotsen der Heilige-eilanden. Stomme en toch welsprekende getuigen
van doorgestanen angst en onverwachte uitredding: elk kruis herinnert
aan een storm.

Enkelen zijn inderdaad historische monumenten. In de hoofdkerk van
Archangel bewaart men zulk een _ex-voto_, door Peter den Groote
opgericht, toen hij in deze streken ternauwernood aan een schipbreuk
ontkwam; het werd later weggenomen en naar de kathedraal gebracht. "Dit
kruis is door kapitein Peter gesneden", zoo luidt het opschrift,
door de hand van den Tsaar zelf vervaardigd; en dat de keizer in
de beeldhouwkunst niet onervaren was, toont dit werk, dat met recht
op sierlijkheid en smaak aanspraak mag maken.--Is zij niet schoon en
aandoenlijk, deze gewoonte, om op de onherbergzame kusten, door stormen
geteisterd, en waar zoo menig, menigeen zijn graf in de golven vond,
overal de zichtbare teekenen te plaatsen van hulp en redding, als het
ware de tastbare gebeden en dankzeggingen voor de goddelijke genade,
die hielp waar alle menschelijke hulp te kort schoot? De engelsche
matroos, door tegenwind opgehouden, verlaat, met gramschap in de
ziel en luide verwenschingen op de lippen, de kust, waar hij tegen
zijn zin gevangen werd gehouden. Voorzeker, Jack Tar (de bijnaam der
engelsche matrozen, ons Janmaat) bezit voortreffelijke eigenschappen,
die niemand hem betwisten zal: maar deze kinderlijk vrome gewoonte
van den russischen zeeman, getuigt zij niet van hoedanigheden, die,
uit een zedelijk oogpunt, althans niet lager staan?

Op de Dwina ontmoeten wij gansche vloten van houtvlotten en zoogenaamde
_praams_, die ons een eigenaardig beeld van het leven in deze streken
vertoonen. De vlotten bestaan uit lange reeksen van pijnboomstammen,
door middel van rijshout aan elkander verbonden; op het vlot staat
eene planken hut, waarin de eigenaar rustig zit te dommelen, terwijl
zijne mannen op den oever hout hakken, of den gang van het vlot
besturen. Deze vlotten komen dikwijls, drie- à vierhonderd mijlen ver
uit het binnenland, de Dwina en hare nevenstroomen afzakken. De slanke
pijnen, in de groote wouden van Wologda en Nishny-Konetz geveld, worden
naar de oevers der rivieren gesleept, en daar door krachtige handen
saamgebonden en tot vlotten vereenigd. In de steden, waar men langs
vaart, bestaat altijd overvloedige gelegenheid om kosteloos de noodige
manschappen te vinden, ter besturing van het vlot: want een aantal
boeren, die het heilige klooster van Solowetsk wenschen te bezoeken,
zijn steeds bereid om aldus de rivier af te zakken. Men schenkt hun
vrijen overtocht, onder voorwaarde dat zij het vlot helpen besturen,
en, waar het noodig is, boomen of roeien, of ook wel trekken.

Wat de gemakken der reis aangaat, staan de praams hooger dan de
vlotten. Ik weet deze vaartuigen niet beter te vergelijken, dan
met de zoogenaamde arken Noachs, waarmede de kinderen spelen: het
zijn reusachtige schepen van ruw behouwen pijnboomen, door middel
van ijzeren haken aan elkander bevestigd; de voegen zijn met mos
en teer gestopt. Een schuin oploopend planken dak dient menschen
en koopwaren tot beschutting. Van binnen is verreweg het grootste
gedeelte der ruimte door een wand van dichte rietmatten afgeschoten:
daar worden de waren geborgen. Achter aan het schip is gewoonlijk
een pijnboom bevestigd, waarvan de kleinste helft in het water hangt,
en die als roer dient; aan de voorzijde is een soortgelijk roer, van
kleiner afmeting, aangebracht; het eerste wordt door zes of zeven,
het laatste door vier of vijf mannen bestuurd. Naarmate van de grootte
van het schip en de lading, worden dertig of veertig riemen, over de
beide zijden gelijkelijk verdeeld, gebruikt; deze riemen zijn jonge,
aan de uiteinden afgeplatte dennestammen. Zulk eene groote bark
kost zes- of zevenhonderd roebels, en kan tot achthonderd ton graan
vervoeren. Het eene uiteinde der praam is met planken afgeschoten,
en dient tot kajuit; het ameublement van dit vertrek bestaat uit
eenige banken, een tafel en ettelijke planken langs den wand, alles
van dennenhout. Aan den balk der zoldering hangt een ijzeren pot,
waarin het scheepsvolk, zoolang men op het water is, het eten kookt;
maar zoodra de praam in een haven binnenloopt, mag er geen vuur aan
boord zijn; zelfs mogen de matrozen dan geen pijp rooken. Het eten
moet dan aan wal worden klaar gemaakt. Bij de praam behoort een platte
schuit, uit vier of vijf saamgevoegde stammen bestaande, waarmede de
matrozen ten allen tijde gemakkelijk den oever kunnen bereiken.

De leiding van het schip is toevertrouwd aan een nosnik, een loods, die
midden op het vaartuig staat en den roeiers de noodige aanwijzingen
geeft; hij is nauwkeurig met het vaarwater en alle ondiepten en
stroomingen bekend. Voor het overige is het gezag opgedragen aan
den gospodarz, die tevens hofmeester is.--Met het krieken van den
dag roept de nosnik het scheepsvolk toe: "Zet u neder en bidt tot
God!" Allen maken het teeken des kruises en buigen zich. Op den morgen
vóór de afvaart werpt ieder een koperen geldstuk in de Dwina, om de
rivier gunstig voor zich te stemmen: dan worden de touwen losgegooid,
en het vaartuig drijft langzaam met den stroom mede. Doorgaans heeft
men in Mei, wanneer de tocht begint, nu eens sneeuwbuien, dan vorst,
afgewisseld met dooiweder; straks weêr ijzel en hagel; herhaaldelijk
moet het schip tegen den wal gaan liggen, en zoo vaak de praam weder
afsteekt, wordt de ceremonie met het geldstuk herhaald. Bij fraai,
helder weder, wanneer het schip door den stroom wordt gedragen,
zetten de roeiers, wier dienst dan niet gevorderd wordt, zich in
een kring op het dek, en heffen uit volle borst een lied aan. Deze
roeiers zijn mannen van ijzeren kracht, die van geen vermoeienis weten.

Zoowel de pramen als de houtvlotten en de andere binnenlandsche
vaartuigen hebben in den regel een aantal pelgrims aan boord, aan
wie, behalve vrije overtocht, ook nog een ration zwart brood en thee
wordt verstrekt, ter belooning der diensten, die zij als roeiers
of stuurlui bewijzen. Doorgaans is deze dienst niet zwaar, want de
rivier zelve verricht genoegzaam al het werk; de vlotten en pramen
gaan nooit stroomopwaarts. Te Solombola gekomen, wordt de lading, in
den regel uit graan, vlas, hennip en dergelijke artikelen bestaande,
in de vreemde schepen overgebracht, die daarop wachten, en waarvan
de meesten naar de engelsche of schotsche havens zijn bestemd. De
praam wordt vervolgens aan den wal gehaald, uit elkander genomen en
verkocht. Het hout wordt gedeeltelijk als timmer-, gedeeltelijk als
brandhout gebruikt.

Solombola, de nieuwe haven van Archangel, is niet veel meer dan een
handvol verstrooide hutten, die aan een groep zwitsersche châlets
zouden doen denken, indien niet de menigte van groene koepels en spitse
torens u veeleer het beeld van eene bulgaarsche stad voor den geest
riep. Langs de rivier loopt een soort van dam of zanddijk, vijf tot
zes voet hoog; daar achter ligt het land zoo laag, dat alleen deze
dijk den omtrek tegen overstrooming beveiligt. Solombola is bijkans
een amphibie: in de lente, wanneer de rivier, door het smelten der
sneeuw, buiten hare bedding treedt, loopt de gansche stad onder, en
heeft men, even als in Venetië, een schuit noodig, om van het eene
huis naar het andere te komen.



IV.

ARCHANGEL.


De eerste indruk, dien de vreemdeling, uit de Witte-zee komende en de
Dwina opvarende, ondervindt, is dat hij in eene geheel andere wereld
is verplaatst: menschen en dingen herinneren hem onwillekeurig aan
het Oosten.

Bij het binnenloopen der rivier, trekt het uwe aandacht dat de loods
weigert het dieplood uit te werpen. "Maak u niet ongerust," zegt
hij: "het is hier diep genoeg; er zal ons geen ongeluk overkomen,
tenzij dan dat God het wil."--Trouwens een russische loods peilt
zelden. Waartoe ook: is niet de diepte van het vaarwater, voor de
verschillende plaatsen en tijden, bij het reglement, bepaald, zoodat
daaraan niets valt te veranderen? Het in zee uitgeworpen lood zou
haar immers toch niet dieper maken?

Gij vaart tusschen de eilanden door; de landlieden die gij op het
veld of langs de oevers ziet, dragen allen, mannen zoowel als vrouwen,
mantels van schapenvel: een kleedingstuk, dat men bijna het eigenaardig
kenmerk der nomadenvolken zou kunnen noemen, en dat u dadelijk aan
de steppen van Midden-Azië doet denken.

Bij den eersten blik, op de stad Archangel geworpen, treft
u de overgroote menigte der torens en koepels, de eersten
zonder uitzondering verguld, de anderen met allerlei kleuren
prijkende. Daarentegen vindt de gezagvoerder, die deze kusten bezoekt,
noch kaaien, noch dokken, noch aanlegsteigers, noch trappen. Hij
ankert waar hij kan; tracht zijn schip, door middel van boomen,
eene goede plaats te bezorgen, en vindt evenveel hulp, voorlichting
of medewerking, als wanneer hij in eene of andere turksche haven,
te Widdin of te Roetsjoek, ware binnengeloopen. Gij wandelt over den
dam naar de stad, wier schitterende torens en tinnen u tegenstralen:
en gij hoort tot uwe verbazing, dat Archangel, even als Aleppo, geen
logementen of herbergen heeft, zelfs geen khan, waar de reizigers
een onderkomen kunnen vinden.

Toch zijt gij hier nog niet in het echte Oosten. Bij het binnenloopen
in de haven, zal de loods misschien naar u toekomen, en u de hand
drukken; en zoo ge dien vriendschappelijken wenk niet begrijpt, zal hij
u wellicht in het oor fluisteren,--als gold het een staatsgeheim,--dat
indien er weinig vreemdelingen zijn, die de Dwina opvaren, daaronder
toch geen enkele gevonden wordt, die verzuimen zou, aan den man,
door wiens hulp hij aan de gevaarlijke zee der stormen is ontkomen,
een _na-chai_ (kop thee) aan te bieden. Maar, ik haast mij er
dit bij te voegen, de afschuwelijke, echt oostersche gewoonte,
den ambtenaren bij de haven fooien in de hand te stoppen, is heden
ten dage in onbruik. De tegenwoordige regeering, die reeds zoovele
hervormingen heeft tot stand gebracht, heeft ook dit kwaad uitgeroeid,
en wel door een alleszins voortreffelijken maatregel. Zij heeft het
veel te groote aantal douane-beambten aanzienlijk ingekrompen, en de
traktementen der overigen belangrijk verhoogd. Geen enkel ambtenaar
trekt nu nog een bespottelijk traktement, dat enkel voor de leus was,
en door allerlei andere middelen moest worden aangevuld; maar niemand
zal het ook wagen, een geschenk aan te nemen. Prins Obolenski, die
aan het hoofd staat van dezen uitgebreiden tak van dienst, is een man
van karakter en energie, en daarbij van onkrenkbare eerlijkheid; zijn
ijver en waakzaamheid hebben een einde gemaakt aan de schandelijke
misbruiken, waarover door zoovele reizigers is geklaagd. Als een
bewijs van de onverbiddelijke strengheid der administratie op dit
punt, wijs ik op een feit, voor de waarheid waarvan ik persoonlijk kan
instaan. Een scheepskapitein had aan een der ambtenaren bij de haven
twaalf sinaasappelen ten geschenke gegeven; de gift was op zich zelf
van niet veel waarde, maar daar deze vruchten hier zeer zeldzaam zijn,
worden zij als eene uitgezochte lekkernij beschouwd. Zoodra de chef
hiervan kennis kreeg, werd de ambtenaar een rang verlaagd. "Van daag
neemt hij een sinaasappel aan, zeide de vertoornde chef; morgen zal
hij wellicht een roebel aannemen". Eerst na verloop van een vol jaar
werd de onvoorzichtige beambte weder in zijn vorigen rang hersteld.

Archangel is noch eene haven, noch eene stad, in den zin, dien wij
gewoonlijk aan die woorden hechten. Men ziet hier niet, zoo als te Hull
of te Hamburg, een groot aantal dokken, magazijnen, winkels, wagens
en rijtuigen; noch de bezige drukte van een levendig verkeer, gewoel
langs de rivier en in de straten. Archangel is een groot kamp van
pakhuizen, rondom eene menigte torens en koepels, kerken en kloosters
gegroept. Verbeeld u een breede sombere rivier, omzoomd door een
uitgestrekt moeras, waaruit zich kleine eilanden van leem verheffen;
op die hoogten, groepen van gebouwen, met fresko's versierd, deels
met kruisen en groene of blauwe koepels gekroond; denk u de ruimte
tusschen de kerken en kloosters, met planken, balken en palen bedekt,
maar zoo, dat er genoegzame plaats overblijft voor de tuinen, straten
en pleinen; omring de huizen met geheel openliggende tuintjes; zet
voor elk venster een geranium, eene fuchsia en een rozenstruik; laat
overal in de straten en op de pleinen het gras welig opschieten:--en
gij hebt een trouw beeld van Archangel. Uit de verte gezien, gelijkt
Archangel meer op eene of andere heilige stad van het Oosten, dan op
eene noordsche koopstad.

Toch is deze zeehaven de eenige, die inderdaad russisch mag worden
genoemd. Astrakhan is eene tartaarsche stad; Odessa, eene italiaansche;
Riga, eene lijflandsche; Helsingfors, eene finlandsche. De taal,
die daar gesproken wordt, is niet de russische. Met het zwaard
gewonnen, kunnen zij ook weder door het zwaard verloren gaan: als alle
veroveringen, zijn zij aan de kansen des oorlogs onderworpen. Het
echte Rusland, het oude Groot-Rusland, zou ze kunnen missen, zonder
daardoor onherstelbare schade te lijden. Het is groot en sterk genoeg,
om zijne onafhankelijkheid te kunnen handhaven, rijk genoeg om te
blijven bloeien, ook al moest het dien gordel van kleinere Ruslanden
verliezen, waarmede het zich allengs omgord heeft. Maar met Archangel
is het anders: dat is de eenige groote haven, die het oude Rusland
met de zee verbindt, de eenige weg, waardoor het gemeenschap met de
wereld daar buiten oefenen kan: een weg, door God zelf aangewezen en
geopend, en dien geen menschen sluiten kunnen.

Naar de schatting van ons, Westerlingen, moge Archangel te rijkelijk
met kerken en torens en koepels gezegend zijn, zooals de Dwina-delta te
overladen is met kruisen; voor ons moge de stad vooral van beteekenis
zijn als de stapelplaats van granen en vlas, van teer en huiden, van
hout en pek;--in het oog van den inboorling is zij iets geheel anders
en hoogers: de woning van den aartsengel, de haven der bedevaartgangers
van Solowetsk, de poorte Gods.



V.

HET GODSDIENSTIG LEVEN IN RUSLAND.


Op zekeren dag wandelde ik met een vriend door Archangel, om bezoeken
af te leggen. Wij hadden reeds in enkele huizen vertoefd, toen mijne
aandacht getrokken werd door een man in uniform, met een krijgshaftig
voorkomen en welgevormde gestalte, die telkens als wij ergens
binnentraden of uitkwamen, zich in onze nabijheid bevond. Hierover
verwonderd, voegde ik mijn vriend toe:

"Die man schijnt ons op den voet te volgen."

"O neen," klonk het lachende antwoord: "dat is een russisch
politie-agent."

"Maar waarom loopt hij ons dan altijd na?"

"Hij slaat geen acht op ons; hij doet zijne ronde, en gaat den
rijken eigenaars van huizen aanzeggen, dat zij heden avond, voor alle
vensters hunner woningen, die op de straat uitzien, vier brandende
kaarsen moeten zetten."

"Vier kaarsen! en waarom dat?"

"Ter eere van den Tsaar. Het is van daag de feestdag van zijn patroon;
tegen acht uur zult ge zien hoe alle huizen eensklaps geïllumineerd
worden... op aansporing van de politie."

"Maar, mij dunkt, de politie heeft niet noodig zich daarmede te
bemoeien. De keizer is populair en geliefd. Wie zou het feest van
Sint-Alexander kunnen vergeten?"

"Zeker, de keizer is zeer bemind, en toch vergist gij u: het volk zou
er waarschijnlijk niet aan denken, den Tsaar het hof te maken. Zie
maar eens: de winkels zijn open, en alle waren uitgestald; ieder is
aan zijn werk, als op een gewonen dag. De moujik bekommert zich niet
veel om keizers of koningen; hij kent slechts zijn beschermengel, zijn
eigen heilige. Vraag hem niet, u een kleedingstuk af te leveren, uw
rijtuig te herstellen, of hout voor u te gaan halen, op den feestdag
van zijn patroon: hij zou zich liever levend laten begraven, dan
dien dag door eenigen verboden arbeid ontheiligen. De moujik is geen
hoveling, maar hij is godsdienstig."

Weldra leerde ik door eigen ervaring de waarheid dezer getuigenis
erkennen. Het diepe bewustzijn van zijne plichten jegens den
Schepper beheerscht bij den Rus alle andere gevoelens. Dit bewustzijn
openbaart zich niet alleen door een gevoel van eerbied en kinderlijke
piëteit des harten, maar uit zich ook in menigvuldige godsdienstige
handelingen, plechtigheden en gebruiken; het openbaart zich in alle
kringen der maatschappij, in alle toestanden des levens. Gij vindt
het in de kazernen en legerkampen, zoowel als bij de feestvierende
schare op een dorpskermis en in de gehoorzalen der hoogescholen;
gij vindt het bij den prins, die zich in oostersche weelde baadt,
bij den handelaar op zijn kantoor, bij den boer, die zijn ploeg door
den zwaren kleigrond drijft; bij den dief zelfs, die zijn makker het
deel van den buit betwist.

Het is deze innige vroomheid, die het land met heiligdommen en
kerken overdekt en tot velerlei zonderlinge praktijken aanleiding
geeft; maar zij is het ook, die, zelfs waar zij niet van het kwaad
terughoudt, toch den zondaar niet met vrede laat en zijn gemoed
opent voor boete en berouw. Elk dorp heeft zijne relieken; elk kind
bidt tot zijn bijzonderen beschermengel, en draagt immer het kruis,
hem bij den doop geschonken. De russische steden zijn overrijk
aan kerken en kloosters. Te Kargopol, een stadje van tweeduizend
zielen, telde ik niet minder dan twintig kerktorens. Moskou bezit,
naar men zegt, meer dan vierhonderd kerken en kapellen; Kiew is, in
verhouding tot de bevolking, niet minder rijk bedeeld. De herinnering
aan alle merkwaardige gebeurtenissen wordt door de stichting eener
kerk in het aandenken des volks bewaard. Te Kiew herinnert de kerk
van Sint-Andreas aan het bezoek van een apostel; die van Sinte-Maria
aan de invoering van het Christendom. Sint-Wassili te Moskou werd
gebouwd ter gedachtenis aan de verovering van Kazan; het klooster
van Donskoï dankt zijn ontstaan aan de overwinning, door Feodor op
de Tartaren van de Krim behaald; de Sint-Salvator verrees als een
dankoffer voor de nederlaag van Napoleon. Na de eerste overwinning,
door de Russen op de Zweden behaald, werd de Sint-Alexanderskerk te
Petersburg gesticht; die van Sint-Isaäk verrees ter gedachtenis van
Peter den Groote. Waar wij een zuil of beeld zouden oprichten, bouwen
de Russen een bedehuis; de gewijde basilieken zijn als het ware de
levende monumenten, de sprekende getuigen van de geschiedenis des
rijks en de lotgevallen des volks.

Van de wieg tot het graf, leeft de Rus, om zoo te zeggen, in
voortdurenden omgang met God; de godsdienst neemt in zijn leven
eene zoo ruime plaats in, dat men zich bezwaarlijk daarvan een
denkbeeld maken kan. Even als de Arabier, is ook de Slaaf van nature
godsdienstig; voor deze volken is de godsdienst inderdaad eene macht,
die hun gansche leven en denken beheerscht. Zoo gij eene russische
hut binnentreedt, zult gij er immer eene kleine kapel of bidplaats
vinden. Alle vertrekken zijn in zekeren zin gewijd: want in elk vindt
gij een heiligen beeld; bijna zou ik zeggen: een huisgod. Het hoofd
des gezins betreedt zijne woning niet dan met zekeren eerbied: hij
staat even op den drempel stil, neemt zijne muts af, maakt het teeken
des kruises, en herhaalt bij zich zelf een vers der gewijde liturgie.

Het kruis, bij het toedienen van den heiligen doop ontvangen, en dat
de Rus tot aan zijn dood blijft dragen, is het teeken en zinnebeeld
van zijne volharding in het geloof. De godsdienst volgt en begeleidt
hem, als kind en knaap, bij het spel en bij de studie; als man, op het
kantoor en in de werkplaats.--Op alle hoogere en lagere scholen vindt
ge eene verzameling van gebeden, op de verschillende omstandigheden
van het schoolleven toepasselijk: gebeden bij den aanvang van
het studiejaar, bij het begin der vacantie, bij de opening van een
nieuwen cursus. De fabrieken en boerderijen staan hierin met de scholen
gelijk. De gebeden verschillen natuurlijk naar gelang van den aard der
bezigheden; maar niemand, oud of jong, zal ooit verzuimen, dagelijks
zijne gebeden ten hemel te zenden; niemand zal zich, zonder ernstige
redenen, aan zijne godsdienstplichten, bij voorbeeld, aan de bepalingen
omtrent de vasten, onttrekken. Vooral deze laatste wordt streng in acht
genomen: bijkans de helft van het russische jaar is aan boetedoening
gewijd. Gedurende de zeven weken, die het Paaschfeest voorafgaan, is
het gebruik niet alleen van vleesch, maar ook van visch, melk, eieren
en boter verboden. Gedurende zes weken vóór Kerstmis, en een maand
vóór Sint-Pieter, gelijke onthouding, alleen met deze uitzondering,
dat men dan visch mag eten. In de maand Augustus, wederom een strenge
veertiendaagsche vasten, ter eere van de Heilige Maagd, wier hemelvaart
in die maand wordt herdacht. De woensdag en de vrijdag van iedere week
zijn vastendagen. Deze algemeene regelen gelden altijd en voor allen;
maar de geloovige, die, na voorafgaande biecht, communie wenscht te
doen, behoort zich daartoe nog door bijzondere strenge boete voor te
bereiden. Hij moet zich onthouden van alle met vet bereide spijzen,
van lekkernijen, van suiker, van het rooken van sigaren; zelfs mag
hij niets eten, dat door middel van vuur moet worden klaar gemaakt.

Op den Stillen-Zaterdag, waarop ook in de russische kerk het water
gewijd wordt, mag niemand iets eten of drinken vóór den afloop der
plechtigheid, dat is omstreeks vier uur in den namiddag; dan wordt
eerst van het gewijde water gedronken, en daarna zet men zich neder,
om, in blijdschap des harten, maaltijd te houden. Om den noodigen
voorraad van wijwater op te doen, spoeden mannen en vrouwen zich om
het zeerst naar de kerken, beladen met kruiken, kannen en allerlei
vaatwerk; bovendien brengt ieder een kaars mede, die in de kerk
wordt aangestoken, en te huis voor het beeld van den heiligen patroon
geplaatst, om daar verder te verbranden.

Geen nieuw huis wordt betrokken, geen magazijn of winkel geopend,
zonder voorafgaande godsdienstige wijding. Bijna iedere maand bezoekt
de pope, gevolgd door den acolyth en den diaken, alle huizen in zijn
kerspel, besproeit de vertrekken met wijwater, reinigt ze door gebeden
en wijdt ze door het teeken des kruises.

Bij alle groote gebeurtenissen des levens, bij de geboorte, bij het
huwelijk, bij den dood, is de kerk, als eene zorgende en liefdevolle
moeder, met raad en troost en hulp en voorlichting nabij, zelf
deelnemende aan alle vreugden en smarten harer kinderen, en daaraan
hooger wijding gevende. Het sakrament des huwelijks vooral, dat den man
de kroon van het gezag schenkt en hem wijdt tot het hoofd van een nieuw
gezin, wordt met buitengewone plechtigheid gevierd. De vele ceremoniën,
die met de voltrekking van dit sakrament gepaard gaan, hebben allen een
diepen en verheven zin, eene schoone symboliek, en munten bovendien
door ernst, waardigheid en bevalligheid uit. De gebeden en lofzangen
klimmen op tot den troon des Almachtigen; de ringen worden gewisseld;
de zegen des hemels op het jonge paar afgesmeekt; eindelijk wordt op
de hoofden der jonggehuwden een gouden kroon gezet.

"Iwan, dienstknecht des Heeren," zegt de pope, "ontvang als uwe kroon,
Nadia, die dienstmaagd des Heeren!"

Sommige bruidsparen dragen deze huwelijkskroon eene geheele week lang,
en bezorgen haar daarna terug aan de sakristie, waar zij op nieuw
den zegen ontvangen. Ook aan het nederigste en meest alledaagsche
leven bereidt de godsdienst aldus een feestdag, een dag van poëzie,
van hoogeren glans en heerlijkheid. Op den bruiloftsdag is de bruid
steeds koningin, de bruidegom koning, al ware hij ook niets meer dan
een arme vergeten knecht.

De grieksche kerk leert dat iederen mensch een bijzondere beschermengel
is gegeven, die hem van de wieg tot het graf volgt, die getuige is van
al zijne daden, en dien hij nimmer misleiden of bedriegen kan. In zijn
slaapvertrek plaatst de Rus eene beeltenis van dien engelbewaarder,
en onderhoudt dag en nacht eene brandende lamp tot zijne eer. De
feestdag van dien beschermengel is geheel aan stille rust, aan vrome
overpeinzingen en werken der liefdadigheid gewijd. Men richt een
maaltijd aan, waarop de vrienden en bloedverwanten genoodigd worden;
tevens worden aan de armen aalmoezen uitgedeeld. Men gaat ter kerke, en
koopt daar gewijde brooden, voor de bedienden, de gasten, de bezoekers
bestemd. De pope komt, met het evangelie en het kruis, en zingt de
plechtige litanie ter eere des engelbewaarders, waarvoor hij van den
heer des huizes eene gave ontvangt, verschillende naar gelang van
diens fortuin.--De beschermheilige of patroon, wiens naam men draagt,
wordt met niet minder eerbied en ijver vereerd. Ook zijn beeld wordt
nooit in de woning gemist, en zijn naamdag godsdienstig gevierd. Door
niets ter wereld zou een Rus zich laten bewegen, den naam, dien hij bij
den doop ontvangen heeft, te laten varen. Zekere boer stond terecht,
als beschuldigd, een valsch paspoort te hebben vervaardigd, ten einde
zich voor een ander te doen doorgaan. "Hoe kan men meenen", riep hij
verbaasd uit, "dat ik een naam zou hebben aangenomen, die mij niet
toekomt? Ik zou daardoor immers mijn patroon hebben verloren. Zeker
heb ik dat niet gedaan; ik heb alleen mijne geboorteplaats veranderd."

De godsdienst bezielt en beheerscht zoozeer geheel het maatschappelijk
leven, dat, tot op zekere hoogte althans, het volle genot der
burgerrechten afhankelijk is van de getrouwe vervulling der
godsdienstplichten. Ieder Rus weet, dat hij gehouden is, eenmaal per
week de mis te hooren, zijne zonden te biechten, en minstens eenmaal in
het jaar de heilige communie te houden. En de overgroote meerderheid
denkt er niet aan, deze plichten te verzuimen, of ze in eenig opzicht
als een last te beschouwen. Die zich daaraan onttrekt, wordt ook
in burgerrechterlijken, maatschappelijken zin als dood beschouwd:
tenzij hij van den pope, zooals dat soms geschiedt, een bewijs weet te
verkrijgen, waaruit zijne getrouwe waarneming der kerkelijke plichten
blijkt. Maar nog eens: zij, die tot dergelijke middelen hunne toevlucht
nemen, vormen zeer stellig eene betrekkelijk onbeteekenende minderheid;
de overgroote massa des volks is oprecht en innig aan zijne godsdienst
gehecht, en toont dat op de meest ondubbelzinnige wijze. De zoogenoemd
voorname onverschilligheid, het praktisch atheïsme onzer moderne
westersche maatschappij vindt in Rusland nog zeer weinig aanhangers;
het zou daar door verreweg de meesten niet eenmaal worden verstaan.



VI.

DE PELGRIMS.


Na het godsdienstig gevoel is er misschien geen hartstocht, die
meer macht uitoefent op het gemoed van den Rus, dan de ingeboren,
onweerstaanbare neiging voor een zwervend nomadenleven.

Bij alle Slavische stammen vindt men dien trek naar verandering, naar
het avontuurlijke, onbekende; de zucht, om nu her- dan derwaarts te
trekken, heden hier, morgen elders zijn verblijf te vestigen, de wereld
te doorwandelen, en in zekeren zin, naar oud aartsvaderlijke wijze, in
tenten te leven. Maar bij den Rus is deze zucht veel sterker ontwikkeld
dan bij den Czech van Bohemen, bij den Serviër of den Croaat.

Deze lust voor een zwervend leven, samenvallende met het godsdienstig
gevoel, is de machtige drijfveer, die nog jaarlijks, in geheel Rusland,
zoo vele duizenden huis en hof doet verlaten, om ter bedevaart
te trekken.

De pelgrims gaan steeds te voet, in gezelschappen van vijftig of
zestig personen, mannen, vrouwen, kinderen, allen met den staf in de
hand, een lederen flesch aan den gordel, nederknielende voor iedere
kapel, die zij op hunnen weg ontmoeten, dag en nacht hunne lofzangen
aanheffende, en alom het landvolk stichtende door het voorbeeld hunner
vroomheid. De kinderen zingen, op half klagenden toon, een lied,
waarvan elk kouplet eindigt met dit refrein:


    Goede vaders, teedre moeders,
    Schenkt ons, armen, brood.


En deze bede blijft nimmer onverhoord: de arme pelgrim, die,
biddende om brood, aan de deur der woning aanklopt of voor het venster
stilstaat, zou immers wel een engel, een Godsgezant kunnen zijn? Mag
men hem dan eene gave weigeren; zal niet veelmeer deze gave rijkelijk
worden beloond?

Er zijn echter ook lieden, die van deze vrome gezindheid des volks
misbruik maken. Landloopers en gauwdieven vermommen zich dikwerf als
pelgrims, veinzen eene buitengewone vroomheid, verkoopen twijfelachtige
relieken tegen klinkende munt aan dienstmeiden en lichtgeloovige oude
vrouwen, en verzekeren zich alzoo, zonder veel moeite, een tamelijk
gemakkelijk levensonderhoud.

Een boer, die tot dusver zijne schapen en varkens trouw naar de weide
heeft gedreven en ze van dag tot dag, van den morgen tot den avond,
bewaakt, krijgt het eensklaps in het hoofd om pelgrim te worden,
en als zoodanig eene vrijheid te genieten, die in het gewone leven
voor hem onbereikbaar is. Het denkbeeld, dat hij nu geene belasting
meer te betalen en geen heerendiensten meer te verrichten heeft,
niet meer voor vrouw en kinderen behoeft te zorgen, maar vrij mag
wandelen van stad tot stad, van gewest tot gewest, bekoort hem; hij
wordt een bedelaar, een landlooper, misschien een bedrieger. Maar als
hij langs de huizen gaat, brengen ouden en jongen hem den vromen groet,
die zoo aangenaam in zijne ooren klinkt: "Waarheen, o vriend, geleidt
de Heer uwe schreden?" Vroeger of later ontmoet hij een gezelschap van
pelgrims, bij wie hij zich kan aansluiten, en die hem als een broeder
in hunne midden opnemen. Hij hangt een lederen flesch aan zijn gordel;
zijne vrouw, op een stok leunende, strompelt langs den weg door het
donkere woud. Men ontmoet deze lieden overal, op de binnenplaatsen
van alle groote huizen. Zij sluipen door zij- en achterdeuren binnen,
en bieden voorwerpen te koop aan, die voor de vrouw des huizes van
niet minder waarde zijn dan voor de nederige dienstmaagd: een stuk
van de rots van Nazareth, eenige droppels water uit den Jordaan, een
draad van den rok zonder naad, een stukje van het ware kruis. Zij
die op zoo groote schaal hun beroep drijven, zijn de vindingrijke,
ondernemende geesten onder hen, die de kunst verstaan om de heilige
zaken te exploiteeren; maar behalve dezen, zijn er nog duizenden
zulke leegloopers, die het halve rijk doorkruisen, en overal aan de
aandachtig luisterende schare verhalen wat zij gezien hebben op hunne
bedevaarten naar deze of gene heilige plaats, waar de beenderen der
heiligen dagelijks wonderen werken. Sommigen vertoonen een kruis van
Troïtza; anderen verkoopen aan de liefhebbers een stuk van het gewijde
brood van Sint-George. De meesten hunner hebben ook Solowetsk bezocht,
of weten daar althans allerlei merkwaardige dingen van te vertellen.

De veroordeelden, die uit de mijnen van Siberië weten te ontsnappen,
hullen zich in het pelgrimskleed en nemen den staf ter hand. Onder
deze vermomming zal een vluchteling, zonder veel gevaar, de reis
van Perm naar Archangel kunnen doen, zelfs al waren zijne papieren
valsch en al droeg hij het brandmerk op zijn schouder. Een poolsche
balling, Pietrowski genaamd, wist voor eenige jaren op deze wijze
te ontsnappen en de haven van Archangel te bereiken, waar hij zich
inscheepte. Het dramatisch verhaal zijner lotgevallen wekte destijds
de algemeene belangstelling. Maar langs de oevers der Dwina zijn een
aantal soortgelijke verhalen in omloop.

Toen ik tot de reis om de Noordkaap besloot, was het ook in de stellige
verwachting, dat ik die vrome reisgezelschappen zou ontmoeten; dat
ik met hen naar Solowetsk zou gaan, hen dus van nabij bestudeeren,
en tegelijk, zoo mogelijk, nadere berichten inwinnen omtrent dat
wonderlijke "spook van het klooster", dat sinds zoovele jaren, op zoo
geheimzinnige wijze, met het keizerlijk geslacht van Romanoff wordt
in verband gebracht. Groot was dan ook mijne teleurstelling, toen ik
bij mijne komst te Archangel vernam dat het laatste gezelschap van
pelgrims juist vertrokken was, en dat de stoombooten hare vaart op
de Witte-zee hadden gestaakt, totdat het ijs, in de maand Mei van
het volgende jaar, zou beginnen los te raken.

Zeer ontevreden, dat ik aldus eene uitnemende gelegenheid had gemist om
de godsdienstige gewoonten en gebruiken des volks te bestudeeren, liep
ik met ongeduldige schreden heen en weder in het ruime Pelgrimshof, in
de zoogenaamde bovenstad;--toen ik eensklaps een aantal schapenvellen
ontdekte, niet op den grond uitgespreid, maar om de schouders geplooid
van een groep lieden, met vermagerde en gebruinde aangezichten,
karakteristieke figuren, zoo als ge die, het gansche jaar door, op de
kusten van Syrië ontmoet. Eene innige, vurige vroomheid bezielt deze
mannen, en heeft op hun gelaat, in hunne manieren en wijze van spreken,
haar onmiskenbaren stempel gedrukt. Hun geest is steeds van hooge en
ernstige gedachten vervuld: ook onder hunne armelijke lompen behouden
zij, in geheel hun voorkomen, eene waardigheid en bevalligheid, die
niet kan nalaten indruk te maken. Gindsche grijsaard, die met een
stuk gedroogden visch in de hand, naar de woning treedt, zou voor
een arabischen sheik kunnen doorgaan. Evenals ik, zijn deze pelgrims
door het ruwe weder opgehouden: hen ziende, voel ik mijne hoop weder
ontwaken. De monniken zullen toch deze dorstige, heilbegeerige zielen
niet zonder troost en lafenis willen wegzenden, en waarschijnlijk
evenmin genegen zijn om hen gedurende eenige maanden van huisvesting
en kleeding te voorzien. Er zal dus wel een middel gevonden worden,
om eene boot te doen varen.

Aan den ingang van het zoogenaamde Pelgrimshof staat een kleine monnik,
nog geen vijf voet hoog, met lange krullende lokken, evenals een
meisje, en een fraaien golvenden baard. Het zal eenige moeite kosten,
met mijn gebrekkig russisch, om met hem een gesprek aan te knoopen:
toch waag ik het er op, en vraag hem, of hij mij zeggen kan, waar de
boot van Solowetsk ligt.

"Zijt gij een Engelschman?" herneemt de monnik.

Deze woorden, in mijne eigene moedertaal uitgesproken, verrassen
mij uit dien mond: nog nooit had ik in dit land een geestelijke
aangetroffen, die eene andere taal dan het russisch verstond. Op mijn
bevestigend antwoord, vervolgt mijn nieuwe vriend: "De boot vaart
niet meer: zij ligt nu in het dok te Solowetsk."

In het dok! Die man houdt mij voor den gek: want hoe zou men een dok
kunnen verwachten bij een klooster, waar een havenstad als Solombola
zich met zulk een erbarmelijk hoofd moet tevreden stellen?

"In het dok?"

"Ja zeker, in het dok."

"Hebt ge dan een dok op het Heilig-eiland?"

"Waarom niet? De kooplieden van Archangel hebben er geen, zult gij
zeggen. Dat is zoo; maar de kooplieden zijn geen monniken. Zij drijven
handel; en wij, wij werken. Slava Bogu! (God lof!) een goede monnik
volbrengt zijne taak ordelijk en zonder tijdverspillen. Te Londen
hebt gij immers ook dokken?"

"Ja zeker, in menigte; maar die zijn niet door monniken gebouwd."

"Dat weet ik. In Engeland zijn er geen godsdienstige orden meer; maar
vroeger waren zij er, en toen stichtten zij gebouwen van allerlei aard,
niet waar?"

Terwijl ik hem met verbazing aanstaar, deelt de monnik, in zijn
ruw en onbeholpen matrozen-engelsch, mij eene tijding mede, die
mij van harte verheugt. Hoewel de boot, die de pelgrims overbrengt,
reeds hare winterkwartieren in het dok te Solowetsk heeft betrokken,
en de machinerie reeds is geborgen, zal toch binnen acht dagen een
schip met levensmiddelen naar het eiland afvaren.

"Kunt gij mij ook zeggen, waar ik den kapitein van dat vaartuig zou
kunnen vinden?"

"Hum!" antwoordt op langzamen toon de ander, terwijl hij een kruis
slaat en in stilte een schietgebed prevelt; "ik zelf ben de schipper."

Nu begrijp ik er niets meer van! Hoe, die man, die in Rusland een
dwerg mag heeten; die monnik in pij en kap, met zijne krullende lokken
als die eener vrouw, is de gezagvoerder van een schip, dat de zee
bevaart? Bij een nauwlettender blik op dit fijne, bijkans vrouwelijke
gelaat, treft mij echter de gloed der oogen, de donkere gebronsde tint,
de scherp geteekende mond met de fraaie tanden: eene uitdrukking van
kracht en vastberadenheid, die wel aan een zeeman voegt.

"En zoudt gij mij aan boord kunnen nemen?"

"U! Hoe, gij zijt een Engelschman, en gij wenscht de grafsteden der
heiligen te bezoeken? Dat is wel vreemd! Green uwer landgenooten gaat
ooit naar Solowetsk. Zij komen hier niet om te bidden, maar om handel
te drijven, somwijlen om tegen ons te vechten."

Hij sprak deze laatste woorden met doffe stem, en met blijkbaar kwalijk
bedwongen toorn. Onwillekeurig herinnerde ik mij, hoe eene dame te
Onega mij verhaald had dat zij, met hare russische vrienden eene week
te Solowetsk willende doorbrengen, zorgvuldig hare engelsche afkomst
verborgen had gehouden, uit vrees dat de monniken haar vermoorden
zouden. Dit nu was ongetwijfeld eene ijdele verbeelding: maar toch
joeg deze herinnering mij een huivering door de aderen, toen ik zag,
hoe de kleine man zijn voorhoofd fronste, en den somber dreigenden
toon zijner stem vernam, als hij van de engelsche vloot sprak.

Ik liet echter niets merken, en vroeg hem: "Waar is uw schip, en hoe
heet het?"

"Het ligt te Solombola, nabij de kaai der Pelgrims. De naam is _la
Verra_ (het Geloof)."

Deze zeer bijzondere scheepskapitein boezemt mij belangstelling in. Een
anderen monnik, blijkbaar ook een zeeman, ontmoetende, vraag ik hem
naar den naam van mijn zonderlingen vriend.

"Hij heet Iwan," antwoordt mij deze man, een soort van noordschen
Hercules, met levendige oogen en stout gewelfd voorhoofd; "Iwan,
of liever Wanouchka, want hij is klein van gestalte, en wij houden
allen veel van hem."

Wanouchka beteekent letterlijk de kleine Iwan (Johannes). Voor ons,
vreemdelingen, heet de gezagvoerder steeds Vader Johannes.

Daar ik u nu toch eenmaal in kennis met hem gebracht heb, is het
misschien maar beter aanstonds te vertellen, wat ik later te weten
ben gekomen omtrent den levensloop van dezen wonderlijken kleinen
scheepskapitein met zijn monnikspij en golvende lokken.

Vader Johannes zag het levenslicht in een laplandsch dorp, en
had, bij zijne geboorte, geen ander vooruitzicht dan houthakker of
kabeljauwvisscher te worden, het harde en treurige leven te leiden,
waartoe de bewoners dezer rampzalige streken veroordeeld zijn. In
den zomer zou hij boomen moeten vellen en het schrale gras maaien;
in den winter, op zeehonden- en kabeljauwvangst uitgaan. Maar het
kind was levendig van aard, leergierig en vlug van begrip; hij brandde
van nieuwsgierigheid om vreemde landen te zien, en droomde zich eene
heerlijke toekomst, als hij eens gezagvoerder of eigenaar zou zijn van
een schip, zooals hij er nu en dan langs de kusten zag stevenen. Maar
om dien droom tot werkelijkheid te maken, moest hij kennis opdoen, de
behandeling van een schip leeren; weten hoe hij die groote gevaarten
op zee besturen en naar zijn wil leiden kon. Het gehucht, waar Iwan
geboren was, lag op ongeveer tien kilometer afstands van Kem, eene oude
stad, door kolonisten uit Nishny-Nowgorod op de kusten van Lapland
gesticht. Kem bezit eene kweekschool voor de zeevaart, wel eene zeer
eenvoudige en weinig ontwikkelde school, maar die toch altijd beter
was dan niets. Iwan werd daarop geplaatst: en nu was zijn lot beslist.

Zoo ge van Kem oostwaarts uwe blikken over de zee laat dwalen, ziet
ge uit de donkergrijze wateren een groep hooge en boschrijke eilanden
verrijzen, die, vooral in de vroege morgenuren, als met een waas
van tooverachtige schoonheid omgeven zijn, en met onwederstaanbare
macht u tot zich schijnen te trekken. In dit noordsche paradijs zijn
alle dalen en valleien met frisch en weelderig gras bekleed, prijken
alle hoogten met eene kerk met gekleurden koepel en verguld kruis:
dat is de eilandengroep van Solowetsk; en onze jonge kweekeling trok
er menigmalen ter bedevaart heen. De flikkerende lichten, de statig
zwellende muziek, het ernstig koorgezang, de rijke versieringen van
den tempel: dit alles maakte een diepen indruk op zijne levendige,
prikkelbare verbeelding; de herinnering aan het kalme, vreedzame
kloosterleven, met zijn rustigen arbeid en voegzamen overvloed,
week niet meer uit zijne ziel.

Hij kwam met glans door zijne examens, en ging naar Archangel, waar hij
een weinig stichtelijk leven leidde; toen knoopte hij kennis aan met
eenige duitsche matrozen van de Oostzee, wier gezelschap hem zoogoed
beviel, dat de vurige begeerte bij hem opkwam, met hen mede te gaan en
vreemde landen te zien. Maar daartegen bestond een groot bezwaar. Er
was gebrek aan matrozen in de russische havens; keizer Nikolaas had
al zijne zeelieden naar de kusten der Zwarte-zee gezonden; en een
russisch onderdaan mocht niet, zonder uitdrukkelijke vergunning van
de politie, zijn land verlaten. Iwan wist nu zeer goed, dat hem die
vergunning zou geweigerd worden. Toen dus het duitsche schip op het
punt stond van te vertrekken, sloop hij 's nachts heimelijk aan boord,
en kwam gelukkig de haven uit, zonder ontdekt te zijn.

Hij deed nu met dit schip, waar hij onder een anderen naam op de rol
was ingeschreven, verschillende reizen naar de duitsche en deensche
kusten, en somwijlen ook naar Engeland en Schotland, en vereenzelvigde
zich geheel met zijne makkers, in wier vroolijk en onbekommerd leven
hij deelde. Maar noch de verstrooiingen der havensteden, noch de
gesprekken van zijne luchthartige gezellen vermochten bij hem de
herinneringen uit te wisschen aan de vermaningen van zijn vader of
de lessen van zijn pope. Gelijk de Zwitser met heimwee aan zijne
bergen denkt, gelijk het hart van den fellah smacht naar den Nijl,
zoo verzuchtte Iwan in stilte naar zijne kerk, naar de vertroostingen
zijner godsdienst. Maar wat kon hij doen? De gedachte alleen aan een
terugkeer naar Kem joeg hem de schrik op het lijf: hij wist dat de
knoet, de kerker, de dwangarbeid in de mijnen hem in zijn vaderland
wachtten.

In den nood en de benauwdheid zijns harten sprak hij enkele malen
met zijne makkers over hunne godsdienst: sommigen lachten hem uit;
anderen wierpen hem scheldwoorden of verwenschingen naar het hoofd. Op
zekeren dag echter, dat hij zich aan wal bevond, bracht een oude
zeeman hem naar een katholiek priester. Iwan ontving nu iederen
morgen, gedurende vijf of tien minuten, onderricht in den roomschen
catechismus: maar weldra kwamen allerlei twijfelingen bij hem op,
en toen hij weder moest uitvaren, had hij nog niet gevonden wat hij
zoo vurig zocht. In den levant, waar heen hij nu ging, ontmoette
hij allerlei belijdenissen en kerkgenootschappen: maar hoewel hij
met de aanhangers van die allen in aanraking kwam, kon geen enkele
zijn hart geheel bevredigen. Toch wenschte hij zoo vurig een ander
en beter mensch te worden; toch dorstte zijne ziel naar hooger leven.

Zoo gingen jaren voorbij: een paar malen ontkwam hij te nauwernood
aan den dood in de golven, die zijn schip hadden verbrijzeld. De
ernstige ervaringen van zijn onrustig leven, de doorgestane gevaren
verlevendigden nog maar te meer zijne behoefte aan geloof en
gemeenschap met God: vermoeid van twijfelingen en vragen, zag hij
met stillen weemoed en smachtend verlangen terug naar het dierbare
geloof zijner gelukkige kinderjaren. Maar aan die kerk was hij vreemd
geworden: hoe zou hij tot haar wederkeeren?

Terwijl hij door deze gedachten en begeerten geslingerd werd, bood
zich onverwacht eene gelegenheid voor hem aan, om naar zijn vaderland
terug te keeren. Het duitsche schip, waarop hij diende, werd naar
Archangel bevracht; en daar Iwan de eenige Rus aan boord was, kon hij
den kapitein van groote dienst zijn. Deze tijding bracht hem in groote
spanning. Hij brandde van begeerte om naar zijn vaderland terug te
keeren, op de graven zijner vereerde heiligen te knielen, aan zijne
moeder eene kleine geldsom ter hand te stellen, die hij voor haar had
opgespaard; maar er waren reeds twaalf jaren verloopen, sedert hij
eigenmachtig, zonder vergunning, Rusland verlaten had: en hij wist,
dat op dit misdrijf verbanning naar Siberië stond. De vrees overwon:
hij zeide tegen den kapitein dat hij den tocht niet mede zou maken,
maar zijn ontslag nam.

Doch de kapitein was een man, die zijne zaken verstond, en zich niet
aldus liet afschepen. Hij was den jonkman ongeveer zevenhonderd gulden
schuldig; hij zeide nu, dat hij geen geld had en dus niet met hem kon
afrekenen; wilde Iwan medegaan naar Archangel, waar de kapitein bij
de aflevering zijner lading, eene aanzienlijke som moest ontvangen,
dan zou hij hem daar betalen. Een russisch spreekwoord zegt, dat
het geld gaarne geteld wil wezen: en als Iwan zijne leege zakken
nazag, kwam hij tot de overtuiging, dat het toch maar beter was,
naar Archangel te gaan en zijne gage te ontvangen, in de hoop dat
hij wel een of ander middel zou vinden, om zich uit zijne valsche en
gevaarlijke positie te redden.

Daar hij zijn baard had afgeschoren en een valschen naam droeg, zou
hij Archangel ook zeker weder hebben kunnen verlaten, zonder ontdekt
te worden, indien hij zich, den avond vóór zijn vertrek, niet door
eenige duitsche matrozen had laten verlokken om naar eene herberg te
gaan. Twaalf jaren onthouding hadden hem de kracht van den _vodka_
doen vergeten: hij dronk te veel; en toen hij den volgenden morgen
uit zijn roes ontwaakte, waren zijne kameraden vertrokken en had het
schip de haven verlaten. Wat nu te doen? Vervoegde hij zich bij den
duitschen consul, dan zou hij als deserteur beschouwd en gestraft
worden; wendde hij zich tot de russische overheid, stond hem dan niet
de knoet te wachten? In zijne verslagenheid dwaalde hij door Archangel,
berouw gevoelende over zijne terugkomst, toen hij een zijner vroegere
makkers van de kweekschool ontmoette, Jakob Kollownoff, die goede
zaken gemaakt had, en nu eigenaar was van een klein schip, waarmede
hij verre en gevaarlijke tochten ondernam. De volgende week zou hij
naar Spitsbergen onder zeil gaan om kabeljauw te vangen, die hij aan
boord inzoutte en naar de markt te Kronstadt bracht. Kollownoff kende
Iwan als een man van karakter en moed, en een uitmuntend zeeman: hij
maakte volstrekt geen bezwaar om hem bij zich aan boord te nemen. De
vangst slaagde boven verwachting, en het vaartuig bereikte gelukkig de
haven van Kronstadt; maar de volgende reis was minder voorspoedig: het
schip stootte op een klip, en de bemanning redde niet dan met moeite
het leven. Nu van alles ontbloot, stond bij Iwan het besluit vast,
om het zeeleven vaarwel te zeggen en naar Rusland terug te keeren,
wat hem daar dan ook wachten mocht.

Hij ging met Jakob Kollownoff naar Kem, en werd, daar zijne papieren
niet in orde waren door de politie gearresteerd en in de gevangenis
geworpen, waar hij twaalf maanden doorbracht, zonder verhoord te
worden. Eindelijk werd hij naar Archangel gevoerd, om daar, zooals
men hem zeide, met tweejarigen dwangarbeid in het fort te worden
gestraft. Maar dit bleek een ijdel dreigement: want te Archangel werd
hij op nieuw ondervraagd en in vrijheid gesteld.

Zoo was hij dan in zijn vaderland en vrij. Nu verrees weder voor zijn
geest het heerlijk visioen der Heilige-eilanden, stralende van goud,
van lichtglans en groen, een paradijs van vrede en geluk. Hij had het
woelige leven der wereld geproefd: zijn hart smachtte naar rust. Hij
wilde monnik worden te Solowetsk.

De gelegenheid was hem gunstig: een goed matroos was voor het klooster
zeer gewenscht. Men had juist te Glasgow eene stoomboot gekocht, om
de pelgrims over te voeren; dadelijk na de aankomst der boot in de
haven te Archangel, had de archimandriet van Solowetsk de engelsche
bemanning weggezonden en zelf met zijne monniken handen aan het werk
geslagen. Maar de brave mannen konden met dit werk niet best overweg;
ook voelden zij zich op dit vreemde vaartuig volstrekt niet op hun
gemak: weldra werd de schotsche ingenieur terug geroepen. Echter legden
de monniken zich ijverig op de behandeling van schip en machine en
op de stuurmanskunst toe; zij wonnen raad en voorlichting bij hunne
landgenooten in; namen enkele gelukkige proeven, en brachten het
eindelijk zoover, dat zij vreemde hulp konden ontberen. De rollen
werden verdeeld: een priester werd tot gezagvoerder benoemd; monniken
deden dienst als matrozen, fungeerden als hofmeester en zorgden voor
de machine. Toch, hoewel de zaak nu tamelijk goed ging, was iemand
als Iwan, op dat oogenblik, voor het klooster een waar godsgeschenk:
want de reis naar Solowetsk is juist niet een pleiziertochtje; en
de vroomste pelgrim, ja, de archimandriet zelf, vindt het wel zoo
geruststellend, als hij op de Witte-zee dobbert, dat de bescherming
der heiligen hem zichtbaar verleend wordt door tusschenkomst van een
kloek en ervaren zeeman. Zoo werd de zwerveling met open armen in het
klooster ontvangen; maar vader Johannes heeft nog de oude liefde van
Iwan voor de zee niet verloochend.



Eene dame, die met de landstreek bekend is, heeft de vriendelijkheid
gehad mij te voorzien van al datgene, waaraan een kloostercel,
vooral te Solowetsk, in den regel behoefte heeft: heerlijke thee,
een ossentong, versche boter, kaas, biefstuk, tarwebrood, kussens en
dekens. Met dezen schat bij mij, toog ik naar de kaai der pelgrims en
naar het hoogst eenvoudige havenhoofd, het eenige dat Archangel bezit,
waar de reizigers over een plank van en naar boord moeten gaan.

Het sierlijke vaartuig ligt op ons te wachten; de bazaanmast prijkt
met een gouden kruis; aan den grooten mast wappert een kerkelijke
banier. Op den voorsteven prijkt zijn naam, _Verra_, in zeer groote
gouden letters. Vader Johannes staat op het dek, en geeft met
zachte stem zijne bevelen aan de officieren en matrozen, die voor
het meerendeel monniken zijn; de luitenant, de hofmeester, de kok,
de machinist, allen dragen de monnikspij.

Op de kaai der pelgrims, die door poorten van de straat gescheiden
en zeer onregelmatig met houtspaanders geplaveid is, verheft zich
een geheel nieuwe groep van kloostergebouwen: kapellen, cellen,
magazijnen, kantoren, winkels, slaapzalen: in één woord, een nieuw
tweede pelgrimshof. Sedert de stoombooten niet meer tot het oude
pelgrimshof, in de bovenstad, kunnen doorvaren, hebben de vrome vaders,
zich schikkende naar de eischen van den tijd, nabij den oever der
rivier nieuwe gebouwen ten dienste der bedevaartgangers opgericht.

Eene dichte schaar van mannen en vrouwen, pelgrims, landloopers,
soldaten, houdt de toegangen naar den aanlegsteiger bezet; de grond is
rondom bedekt met manden en korven, samovars, kooktoestellen, bedden
en dekens, gedroogde visschen, laarzen, oude mantels en pelsjassen,
doozen met zout, roggebrood, enz. Te midden der groepen bewegen zich,
met rustigen tred en een weemoedige uitdrukking op hun zachtzinnig
gelaat, vijf of zes monniken; zij helpen hier een kind aan boord
stijgen, bezorgen ginds een armen schooier vrijen overtocht, koopen
een brood voor een armen kreupele: in één woord, zij zijn overal
bezig, om waar zij kunnen de ongelukkigen en behoeftigen onder de
schare te helpen. Hoewel het jaargetijde reeds vrij ver gevorderd is,
staan toch nog ongeveer tweehonderd pelgrims op de kaai gereed, in de
hoop van naar de heilige eilanden te kunnen oversteken. De meesten
hebben geld genoeg om hun overtocht te kunnen betalen; sommigen
zelfs zijn rijk. Van deze laatsten zijn er eenigen die te Archangel
wonen, maar die, in Juni te zeer door hunne zaken bezig gehouden,
het stille seizoen afwachten om den pelgrimstocht te volbrengen. Ieder
passagier is voorzien van eene mand met brood en visch, een theedoos,
een warmen deken, en een paar groote vilten slopkousen, die men 's
nachts over zijne laarzen aantrekt. Deze bedevaartgangers houden den
traditioneelen staf in de hand; maar in de plaats van een lederen
gordel en drinkflesch, hebben zij een samovar (bouilloir) en een beker.

De prijs der plaatsen is zeer laag: in de eerste klasse zes roebels
(ongeveer negen gulden); in de tweede vier roebels; in de derde drie
roebels. Hieronder is niet alleen de heen- en terugreis begrepen,
maar ook het logies in de herberg van het klooster en het eten aan de
algemeene tafel, gedurende ongeveer een week. Een vijftiental pelgrims
hebben geen cent op zak: zullen zij op de kaai achterblijven? Neen:
Vader Johannes heeft tot vasten stelregel, aan niemand den overtocht
te weigeren.

De bel wordt geluid, de plank ingehaald; wij zijn op weg. Op het
oogenblik dat wij afvaren, neigen zich honderd hoofden, maken honderd
handen het teeken des kruises: iedere pelgrim beveelt zich biddend
aan Gods bescherming. Zoo dikwerf wij langs eene kerk varen, maken
allen weder het teeken des kruises, ontblooten het hoofd, en prevelen
een gebed. Sommigen knielen op het dek; anderen kussen het tuig. De
mannen vooral leggen een grooten ijver, eene vurige vroomheid aan
den dag; de vrouwen zijn over het algemeen kalmer. De bemanning der
visschersbooten groet ons eerbiedig in het voorbijvaren; somwijlen
knielen zij, altijd maken zij het teeken des kruises en nemen de muts
af. Meer dan één visscher vraagt om voor hem te bidden.

De verdeeling der passagiers aan boord is zeer eenvoudig. Een
enkele heeft eene plaats genomen voor de eerste klasse: hij heeft
dus de geheele kajuit tot zijne beschikking. Een scheepskapitein
en zijne vrouw maken te samen het personeel uit der tweede klasse:
dit waardig echtpaar heeft lange jaren op zee gezworven en goede
zaken gemaakt; zij gaan nu te Kem van hunne renten leven. Al de
andere bedevaartgangers, rijken en armen, kreupelen en blinden,
kooplieden en bedelaars, kwakzalvers en heiligen, zijn op het dek en
in de voorkajuit vergaderd. Eene zonderlinge karakteristieke groep,
waaronder een schilder kostelijke typen zou kunnen vinden voor een
Sint-Dominicus of een Johannes den Dooper. Hun kostuum en hunne taal
bewijzen dat zij uit alle deelen van het groote rijk afkomstig zijn:
uit Ukraine en Georgië, van het Oural-gebergte en de Krim, van de
golf van Finland en de kusten der Gele-zee. Er zijn er onder hen,
die om Archangel te bereiken, meer dan een jaar lang hebben gereisd,
dwars door de kille sneeuwvelden van den winter, door de brandende
zandvlakten van den zomer.

Sommigen van deze pelgrims, zelfs onder de meest haveloozen, brengen
voor het klooster eene gave mede, die niet verwerpelijk is. Allen
storten hunne offerande in de bus, ieder naar de mate van zijn
vermogen. Zeervelen brengen bovendien geschenken mede van vrienden of
buren, die zelf verhinderd waren om de dikwijls lange en gevaarlijke
reize te ondernemen.

Wij zijn tot den mond der rivier genaderd; de scherpe noord-westenwind
dringt verstijvend door merg en been. In een dikken en zwaren mantel
gewikkeld, staat Vader Johannes op het dek, met kalme zekerheid
den gang van zijn schip besturende. Zijne monniken tarten den al
feller en feller woedenden wind, door een aanheffen van een psalm,
waarmede pelgrims en soldaten aanstonds instemmen. De passagier van
de eerste klasse waagt zich een oogenblik op het dek, trots ijzel
en killen regen: want dit gezang, te midden van het gehuil van den
wind en het loeien der golven, is voor hem iets vreemds, dat hij
nog nooit op zee heeft gehoord. Velen van deze zangers zijn in het
vooronder, ingesloten tusschen zakken met rogge en vaten met vet;
enkelen lijden vreeselijk aan de zeeziekte: toch mengen verreweg de
meesten, met ten hemel geheven blikken en van aandoening trillende
stem, zich in het statige koraal, dat met volle, indrukwekkende tonen
voortrolt over de duistere, kokende zee. Zij zingen het avondlied:
nu de zon ter kimme daalt, verheffen zij, naar vrome gewoonte, hunne
harten tot hunnen Schepper en brengen hem hunne eerbiedige hulde.

De volgende morgen brak aan in duisternis. Iemand verkondigt op het
dek, dat de zon is opgegaan: maar niemand kan haar zien, want een
dikke nevel omgeeft aan alle zijden de boot; wij vernemen niets dan
het klagend huilen van den wind en het kletteren van den regen. De
_Verra_ moet tegen den middag in de baai van Solowetsk zijn; maar
reeds vroeg in den morgen deelt Vader Johannes mij in vertrouwen mede,
dat hij blijde zal zijn, als wij voor vijf uur in de haven komen.

En ook dit uur is reeds lang voorbij, en nog zijn wij niet aan de
Heilige-eilanden.

Met het zoeken naar eene geschikte ankerplaats langs de kust, verloopen
nog twee uren; en ik zie met genoegen dat Vader Johannes hoegenaamd
geen bedenking heeft tegen het gebruik van het dieplood. Eindelijk
is de geschikte plek gevonden: het anker wordt uitgeworpen; en nu,
door de heftige branding op en neder gewiegeld, maar veilig voor
de stormvlagen, liggen wij, in acht vademen diepte, op een kwart
kilometer van de kust.

Het was een ruwe akelige nacht. De stormwind gierde en bulderde met
toomeloos geweld; het schip slingerde en danste op de golven. Gelukkig
dat de bedachtzame pelgrims, nog voor wij in volle zee staken, hun
maal hadden gebruikt.

Op korten afstand van ons wordt een hollandsche klipper op het strand
geworpen: de lading is verloren, maar de bemanning wordt gelukkig
gered. Twee russische sloepen worden voor onze oogen verbrijzeld;
een daarvan gaat met allen die er in zijn te gronde.

Tegen den morgen gaat de wind eindelijk liggen; in het noordoosten
kleurt zich de hemel, en in den zachten glans van den rozekleurigen
dageraad doemen in de verte de groene koepels en de vergulde kruisen
van het eiland Solowetsk voor onze blikken op. Dit gezicht vervult
aller hart met blijdschap; de pelgrims, die een tocht van drie-
of vierhonderd kilometer hebben afgelegd om deze heilige tinnen te
aanschouwen, kunnen ze nauw met inniger verrukking groeten dan de
vreemdeling, wien louter nieuwsgierigheid hier henendreef.

Terwijl allen, met vurigen ijver, hunne gebeden opzeggen, varen wij
langs eene schilderachtige kust, beurtelings met rotspartijen en groene
dalen geschakeerd, tot wij een kanaal inloopen, waar zeehonden dartelen
en duiven vliegen. Eindelijk, op een schoonen, kalmen Augustusmorgen,
te acht uur, werpt de _Verra_ het anker uit in eene stille baai,
onder de muren van het klooster.



VII.

DE HEILIGE-EILANDEN.


Solowetsk, het voornaamste van eene groep eilanden, op eenigen afstand
van de kust van Karelië gelegen, is slechts eene kleine bloeiende
plek gronds, tusschen de drie en vier mijlen lang, en twee tot drie
mijlen breed. De hevige golfslag in deze bijna altijd door stormen
bewogen zee heeft de uit veen en steenachtige lagen gevormde kust
sterk aangetast, en eene menigte kreeken en inhammen gevormd; in het
midden van het eiland is het water van weêrszijde zoover landwaarts
ingedrongen, dat niet meer dan eene smalle strook overblijft, waarop
het klooster is gebouwd.

Het Heilige-eiland ligt juist onder den zes-en-zestigsten graad
noorderbreedte, iets noordelijker dan Watna Jökull. De vele,
in het rond verspreidde, kleinere eilanden der groep leveren een
schilderachtigen aanblik op; de schuimende golven der wilde zee,
met bulderend gerucht op de rotsen brekende; de met donkergroene
mossen begroeide stranden, waarboven zich de ernstig sombere pijn- en
berkenbosschen verheffen; de grillig gevormde, ver in zee uitstekende
kapen; de bochtige inhammen, waar het onstuimige water tot rust komt;
de gele duinen en tamelijk hooge, met bosschen bedekte heuvelen:--dit
alles te zamen vormt een landschap van onbetwistbare romantische
schoonheid. Op elken heuvel troont eene witte kerk, die haar groenen,
met een verguld kruis versierden koepel boven het geboomte verheft. Het
land, de lucht en de zee, alles is in harmonie, boeit en bekoort u;
het geheele tafereel laat een onuitwischbaren indruk achter, dubbel
aangrijpend voor ons, na den doorworstelden bangen stormnacht.

Terwijl wij, na aan land gestapt te zijn, langs de kaai voortwandelen,
merken wij met genoegen overal de teekenen van leven en welvaart
en beweging op. Lappen, Russen, Samojeden, lieden van allerlei
nationaliteit en afkomst, loopen op de kaaien heen en weder: Solowetsk
is niet alleen een gewijd oord, een soort van toovereiland, maar
ook een brandpunt van beschaving. De aanlegplaats is ruim, de haven
gemakkelijk en doelmatig ingericht. Aan onze rechterhand zien wij het
dok, waarvan Vader Johannes met zoo billijken trots heeft gesproken. De
_Hoop_, die eigenlijk voor het vervoer der pelgrims is bestemd, en
daar ook veel beter voor geschikt is dan de _Verra_, waarmede wij
den overtocht gedaan hebben, ligt daar onttakeld.--Ter linkerhand
verrijst het logement voor de vreemde gasten: een smaakvol, bevallig,
sierlijk gebouw, dat gerust de vergelijking zou kunnen doorstaan met
de fraaiste hotels aan de italiaansche meren. Verderop zien wij nog
een paar kranen, en een paardenspoor, dat van de haven naar een groot
magazijn van koopwaren loopt.

Langs de kaai strekt zich een lange muur uit, met poorten en torens
voorzien. Achter dien muur verrijzen de gebouwen van het klooster, met
het paleis, en de vele koepels en vergulde kruisen. Een breede trap,
waarvan de onderste treden door de golven overspoeld worden, voert
naar de Heilige-poort; vlak daarbij staan twee votief-kapelletjes,
die de plaatsen aanwijzen, waar Peter de Groote en Alexander II,
bij hun bezoek te Solowetsk, aan wal stapten.

Al de gebouwen dragen een onbedriegelijken stempel van hechtheid
en sterkte; sommigen zijn betrekkelijk vrij oud. De geduchte muren
en de zware torens zijn, in de laatste helft der zestiende eeuw,
van reusachtige, uit zee opgevischte steenblokken gebouwd. Het
paleis, de kerk en de klokketoren, binnen deze omwalling gelegen,
zijn de oudste gewrochten van menschelijke kunst op dit afgelegen
eiland. De kerk der Transfiguratie is veel ouder dan de buitenmuur;
die der Hemelvaart dagteekent uit den tijd toen Sint-Filippus prior
van Solowetsk was. Maar behalve door deze aantrekkelijkheid van den
ouderdom, boeit het Heilige-eiland u ook door den zin voor kunst,
het gevoel voor kleur en harmonie, dat overal uit de monumenten
spreekt. De votief-kapellen, hier en daar in het donkere lommer der
bosschen verscholen, doen eene wonderschoone uitwerking; de roode
kruisen, in menigte langs den oever geplant, geven aan het geheele
landschap een eigenaardig ernstig karakter. Eenige ruwe, maar toch niet
geheel onverdienstelijke fresko's versieren den voorgevel der oude
kathedraal. Het gewelf der Heilige-poort is evenzoo met schilderwerk
getooid; de torenspitsen en koepels der kerken zijn een lust voor het
oog, en schitteren u reeds van verre tegen met haar levendig groene
verwen en rijke verguldsels.

Hoog boven alle andere gebouwen welft zich een hemelsblauwe, met
gouden sterren bezaaide koepel, die in de eerste plaats de blikken der
pelgrims tot zich trekt. Met dankbare verrukking staren zij hem aan:
want die koepel kroont eene nieuwe kerk, gesticht ter herinnering
aan het gedenkwaardige jaar 1854, toen de engelsche vloot door de
genadige tusschenkomst der moeder Gods werd overwonnen.

Van binnen ziet het klooster er veel indrukwekkender en veel prachtiger
uit dan van buiten. De muren, de torens, de kerken, het logement
voor de vreemdelingen, de gevangenis: alle gebouwen in één woord,
zijn van gehouwen en gebakken steenen opgetrokken. Geen portaal, geen
galerij, geen gang, die niet met schilderwerk is versierd. Het is
waar: deze schilderijen staan, als kunstwerken, op geen hoogen trap;
maar ondanks de onbeholpenheid en ruwheid der uitvoering, maken toch
deze tafreelen, aan de schrift ontleend, een stichtelijker indruk dan
eenvoudige witkalk. Het schilderwerk in de kerk, op de zuilen en de
beschotten, die het koor van het schip afscheiden, draagt blijken van
hooger ontwikkelde kunstvaardigheid: hoewel ook dit zeker geen genade
zou vinden in de oogen van hen, die alleen voor de meesterstukken
der italiaansche school hunne bewondering over hebben. De teekening
is zeer dikwijls zwak, de kleuren zijn schel en zonder harmonie, de
gouden versiersels zijn in veel te kwistigen overvloed aangebracht;
toch laat dit mozaïek van goud en kleuren u niet koel, vooral niet
wanneer de lampen zijn aangestoken, het statig psalmgezang door de
gewelven weergalmt, de blauwe wierookwolken opwaarts kronkelen, en de
monniken met hunne lange tabbaarden en zwarte kappen, in eerbiedige
houding, voor de koninklijke poort geschaard staan.

Tegen den muur van het klooster, dicht bij de Heilige-poort,
staat een net wit gebouwtje, dat den naam draagt der kerk van het
wonder. Een pelgrim, zoo luidt de overlevering, die op deze plek een
stuk tarwebrood at, hem door een weldadigen pope geschonken, liet
eenige kruimels daarvan op den grond vallen. Aanstonds schoot een
hond, van zonderlinge gestalte, toe, om deze kruimels op te happen;
maar het brood begon zich in den muil van het dier te bewegen, zoodat
hij het niet door kon slikken. Die hond nu was niemand anders dan de
duivel in eigen persoon. Verschillende menschen waren getuigen van
deze overwinning, door het gewijde brood op den vorst der duisternis
behaald; en de monniken van Solowetsk stichtten, tot een aandenken,
een kapel op de plek waar dit wonder was geschied.

De dagen van ons verblijf waren grootendeels gewijd aan verschillende
uitstapjes, te voet, te paard of met eene boot, naar de omliggende
eilanden. Overal dezelfde schoone, indrukwekkende landschappen, rijk
aan afwisseling en toch zoo geheel hetzelfde karakter dragende. Met
stille verrukking dwalen wij door de dennen- en berkenbosschen,
waar de fiere stammen als zuilen ten hemel rijzen, en in het dichte
kreupelhout kleurige bessen en bleeke noordsche bloemen den wandelaar
aanstaren. Van tijd tot tijd opent zich het ernstige woud, en volgt
uw blik de sierlijke golving van eene vredige, groene vallei, in wier
diepte een helder meertje sluimert. Verkwikkende geuren vervullen de
lucht; een diepe, weldadige, heilige stilte ligt over het geheele
landschap uitgebreid. Bij iedere kromming van den weg verrijst een
smaakvol gebeeldhouwd, rood geschilderd kruis; aan het einde van ieder
woudpad schuilt in het lommer eene met levendige kleuren beschilderde
kapel, de stille woning van een of anderen kluizenaar. De grootste
bekoorlijkheid dankt dit verrukkelijk schoonen landschap echter
aan zijne schilderachtige meren, in de diepe schaduwen der pijn- en
berkenbosschen verscholen, wier aantal op de verschillende eilanden
meer dan honderd bedraagt. Tooverachtig schoon is de aanblik dier
kalme, heldere waterkommen, van alle kanten door hoog, donker, ernstig
geboomte omgeven, somwijlen met eilandjes bezaaid, vredig kabbelende
in de ongestoorde eenzaamheid des wouds. Het beroemdste van al deze
meren is het zoogenaamde Heilige-meer achter den muur van het klooster,
waarin de pelgrims zich dadelijk na hunne aankomst gaan baden.



Geen vrouwelijk wezen mag in den gewijden archipel verblijf
houden. Op Solowetsk zelf worden de vrouwen niet dan voor zeer
korten tijd, om haar gebed te doen, toegelaten, en mogen zij, zonder
bepaalde vergunning, niet overnachten. Dit verbod is afkomstig van
Sint-Savatius, den eersten kluizenaar, die zich op deze eilanden
vestigde.

Op zekeren dag, toen hij nabij een meer zijn gebed deed, hoorde hij
plotseling een kreet, als van eene vrouw die in nood verkeert. In zijne
cel teruggekeerd, verhaalde hij dit vreemde geval aan den monnik, die
hem in deze eenzaamheid gevolgd was. Zijn metgezel beduidde hem, dat
hij zich vergist moest hebben: in deze wildernis was toch geene enkele
vrouw te vinden, en de kust van Karelië was verre weg. De heilige man
ging op nieuw naar buiten om te bidden; maar wederom werd hij gestoord
door luid roepen, jammeren en snikken. Den oever van het meer volgende,
ten einde te ontdekken vanwaar dat geluid kwam, vond hij eene jonge
vrouw op den grond liggen, wier lichaam de sporen droeg van slagen en
mishandeling. Het was de vrouw van een visscher. Op de vragen van den
kluizenaar, verhaalde zij dat haar, kort na het vertrek van haar man,
twee jongelingen waren verschenen, met stralend gelaat en in witte
kleeding; deze jongelingen hadden haar gelast, het eiland te verlaten,
er bijvoegende dat geene vrouw hier mocht overnachten, aangezien deze
grond aan God was gewijd. Op hare weigering, hadden de jongelingen haar
ter aarde geworpen en met roeden geslagen. Toen zij weder loopen kon,
vertrok de arme vrouw in hare boot, en Sint-Savatius zag haar niet
terug. Wel kwam haar man, als naar gewoonte, naar, Solowetsk om te
visschen; maar hij verscheen steeds alleen. Aldus werd de vrouw door
de engelen van het heilige eiland verdreven.

Sint-Savatius was monnik in het klooster van Belozersk te
Nowgorod. Onvoldaan met den leefregel in zijn klooster, naar
strenger tucht en meer volledige afzondering verlangende, wist
hij een zijner medebroeders, Valaam geheeten, te overreden, hem
te volgen naar de onherbergzame wildernissen langs de oevers der
IJszee. De krijgshaftige bojaren ondernamen juist in dien tijd
telkens nieuwe veroveringstochten naar het noorden: wat zij deden
om glorie en voordeel, wat de kooplieden deden uit winzucht, zouden
godvreezende mannen dat niet kunnen doen ter liefde van Christus? Na
den nacht, voor het altaar geknield, in gebeden te hebben doorwaakt,
togen dezen edelen en kooplieden naar hun aartsbisschop, en spraken
tot hem: "Vergun ons, o vladika! heen te gaan, ruiter en ros, om
nieuwe landstreken voor Sinte-Sophia te veroveren; en geef ons uwen
zegen!"--En de aartsbisschop gaf zijn zegen: en zij trokken heen vol
nobele geestdrift, om te Kem, te Soumo, te Sorozka en op vele andere
punten, nieuwe koloniën te stichten, die de macht en de welvaart
van het heerlijke Nowgorod hielpen vermeerderen. De groote daden der
bojaren wekten bij Savatius de vurige begeerte op, hun voorbeeld te
volgen, en op zijne beurt het zaad des levens te gaan strooien in de
huilende wildernis, waarheen zij den weg hadden gebaand.

Savatius en Valaam namen den staf op en trokken door onbetreden
wouden en naakte zandwoestijnen, altijd naar het noorden, tot zij,
ten jare 1429, aan de oevers van de Wyg kwamen, waar zij een monnik
vonden, Germanus genaamd, die mede uit het zuiden was gekomen. Alle
drie richtten zich nu naar het oosten, en bereikten den oever der
Witte-zee, vanwaar zij een eenzame eilandengroep uit de onstuimige
wateren zagen opdoemen; zij bouwden nu eene lichte boot, om den zeearm
over te steken, die hen van deze groep scheidde. Savatius en Germanus
landden aan het grootste eiland, en hielden stil aan den zoom van
een klein meer, aan den voet van een met dennen en berken beplanten
heuvel. Van den top diens heuvels konden zij de gansche eilandengroep,
en den breeden zeeboezem, van kaap Orloff tot de hooge kusten van
Kem, overzien.

Savatius had eene beeltenis van de heilige-maagd medegebracht, die hij
in eene eenvoudige, van planken getimmerde kapel ophing. Daarnevens
bouwde hij voor zich en zijn metgezel een rieten hut, waarin zij
te zamen een heilig en vreedzaam leven leidden, aan gebed en vrome
overdenking gewijd. Na verloop van zes jaren, keerde Germanus naar de
oevers van de Wyg terug. Savatius, alleen op zijn eiland te midden van
den oceaan achtergebleven, kon de gedachte niet verdragen dat geen
priester aan zijn sterfbed zou staan om hem de biecht af te nemen
en na zijn dood in gewijde aarde te begraven. Hij zette zich dus
in zijne boot, en kwam naar Sorozka, waar vader Nathanaël de prior,
die zich bij toeval juist aldaar bevond, hem ontving en de laatste
sakramenten toediende. De vrome kluizenaar had zijne taak hier op
aarde voleind: hij legde zich neder om te sterven.

Het lijk werd in de zandige velden van Sorozka ter aarde besteld,
en op zijn graf verrees eene eenvoudige kapel van dennenstammen, aan
de heilige-drie-eenheid toegewijd. Sint-Savatius zou waarschijnlijk
voor altijd daar eene vergeten rustplaats hebben gevonden, indien
niet een ander man, van doorzettend en ondernemend karakter, zijne
schreden naar deze plek had gericht.

Een moedig burger van Nowgorod, Gabriël genaamd, had zich met Barbara
zijne vrouw, in het pas gestichte dorp Tolvoi, nabij het meer Onega,
gevestigd. Deze lieden hadden een zoon, Zosimus geheeten, die, van
zijne kindsheid Gode gewijd, reeds als knaap de klooster-gelofte had
afgelegd. Toen Zosimus den jongelingsleeftijd bereikt had, verdeelde
hij zijne goederen onder zijne nabestaanden, nam den pelgrimsstaf ter
hand, en richtte zijne schreden naar het noorden. Te Suma ontmoette hij
Germanus, die hem verhaalde, hoe hij zes jaren lang, met Savatius, op
zijne rots midden in de zee, als kluizenaar had geleefd. Zosimus, door
dit verhaal levendig getroffen, bad Germanus hem de plek te wijzen,
waar hij en Savatius zoo vele jaren in stille afzondering hadden
doorgebracht. Germanus gaf toe: een gunstigen wind voerde de beide
reizigers, in hunne ranke boot, naar het eiland, waar zij in eene
kleine baai aan wal stapten. De oever was met hoog geboomte bezet,
en weldra ontdekten de beide pelgrims, in de nabijheid der kust,
een helder meer van zoet water, rijk aan visschen van allerlei soort.

Terwijl Zosimus op het strand geknield lag, had hij een verrukking
van zinnen. Aan den oever van dat bevallige, schilderachtige meer
zag hij, als in geestvervoering, eene indrukwekkende reeks statige
kloostergebouwen met torens en koepels gekroond. Toen het gezicht
verdwenen was, sprak hij met zijn vriend Germanus over dit verrukkelijk
visioen: hij beschreef hem, tot in de kleinste bijzonderheden,
het voorkomen en de verdeeling der gebouwen, met hunne muren en
poorten, hunne torens en tinnen en koepels: in één woord, het gansche
klooster, in al zijne heerlijkheid. De vrome reizigers twijfelden geen
oogenblik aan de beteekenis van dit gezicht: zij velden aanstonds
een boom, en hieuwen daarvan een groot kruis, dat zij in den grond
plantten. Aldus werd het groene eiland--eene oasis te midden van de
IJszee--plechtiglijk gode gewijd. Dit geschiedde in 1436, een jaar
na den dood van Savatius.

De twee kluizenaars bouwden zich nu hutten, in de nabijheid van het
door hen geplante kruis. De plaats, waar deze hutten gestaan hebben,
wordt thans nog door twee kapellen aangewezen.

Weldra ging het gerucht van deze vrome jongelingen uit door het
omliggende land, en verspreidde zich van klooster tot klooster;
al spoedig kwamen eene menigte monniken zich bij hen voegen,
vol ijver om de kluizenaars te helpen in de heilige taak, die zij
hadden aanvaard. Het duurde niet lang, of nevens het nederige kruis
van dennenhout verhief zich eene eenvoudige kerk, en daar geen der
pelgrims de priesterwijding ontvangen had, zonden zij een hunner
naar den aartsbisschop van Nowgorod, om zijn zegen op hun werk
te vragen, en hem tevens te verzoeken hun een priester te zenden,
die de kerk kon wijden en de mis bedienen. De aartsbisschop gaf aan
hun wenschen gehoor, en zond Pavel, zijn dienaar, naar Solowetsk;
deze wijdde de kerk en bediende de heilige mysteriën der godsdienst;
maar het ruwe klimaat dwong hem weldra, het opkomend klooster weder
te verlaten. Hij werd opgevolgd door Theodosius, die weinige jaren te
Solowetsk vertoefde, maar toen door ziekte genoopt werd den herdersstaf
neder te leggen. Ditzelfde was ook het geval met Yon, den derden prior.

Na het vertrek van dezen laatste, hielden de monniken te zamen raad. Er
waren nu ongeveer twaalf jaren verloopen, sedert Pavel de kerk had
gewijd: en reeds hadden drie priors elkander in het bestuur over
het klooster opgevolgd. De ondervinding had nu geleerd, dat mannen,
die het grootste gedeelte huns levens in zuidelijker streken hadden
doorgebracht, op den duur niet bestand waren tegen het ruwe klimaat van
de Witte-zee. Zij besloten mitsdien den aartsbisschop te verzoeken,
een uit hun midden tot prior te benoemen; en met algemeene stemmen
kozen zij Zosimus, die altijd de ziel, en leider en het wezenlijke
hoofd der kolonie was geweest, tot hun tijdelijk opperhoofd. Zosimus
liet zich, op aandringen der broederen, de keuze welgevallen;
hij nam den pelgrimsstaf ter hand en deed, te voet, de lange reis
naar Nowgorod: een tocht van minstens driehonderd-vijftig mijlen,
door eene landstreek, die toen, voor verreweg het grootste gedeelte,
eene ongebaande wildernis was. Hij bereikte zonder ongeval de groote
stad, en werd door den vladika tot priester gewijd; bovendien wist hij
van de bojaren eene schenking van den archipel van Solowetsk aan het
klooster te bekomen. Toen hij in het klooster terugkeerde, was hij met
de dubbele waardigheid van pope en prior bekleed. Vergunning bekomen
hebbende om de stoffelijke overblijfselen van Savatius, van Sorozka
naar Solowetsk over te brengen, liet hij het lijk van den kluizenaar
opgraven; het lichaam, dat nog geheel ongeschonden was, werd nu met
groote staatsie naar het eiland vervoerd, en in de krypt der jonge kerk
bijgezet. Zosimus regeerde als prior gedurende zes-en-twintig jaren,
en stierf, door de broederen betreurd, in den reuk van heiligheid.

Dit meldt de overlevering aangaande de stichting van het klooster
te Solowetsk.



Reeds voor mijn vertrek naar Archangel had ik van den bisschop een
aanbevelingsbrief aan Feofan, den archimandriet (abt) van Solowetsk
verzocht en verkregen, en dien vooruitgezonden. Nauwelijks was ik aan
wal gestapt; of vader Hilarion, een monnik, die in het klooster zoo
ongeveer de functiën van minister voor de wereldlijke aangelegenheden
vervult, kwam mij, uit naam van den archimandriet, tot een bezoek
uitnoodigen. Ik trok haastig andere kleederen aan, en begaf mij daarop,
met hem en vader Johannes, naar de Heilige-poort. In het voorbijgaan
werpen wij een blik op de modellen van het jacht en het fregat van
Peter den Groote, die hier bewaard worden: wij beschouwen vluchtig
eenige oude fresko's, bestijgen een trap, en staan weldra voor de
deur der woning van den archimandriet Feofan.

De archimandriet van Solowetsk is een aanzienlijk personage, die
geen gezag in de kerk boven zich erkent, dan alleen dat der Heilige
synode. Hij bewoont een paleis; hij geniet een jaarlijksch inkomen
van vierduizend roebels; bovendien voorziet het klooster in de kosten
zijner huishouding, zijner tafel, zijner kleeding, en zorgt voor
het onderhoud zijner booten. Behalve zijn geestelijken titel voert
hij nog dien van prins: hij bekleedt dus eene zeer hooge positie,
en regeert, met bijna onbeperkt gezag, niet alleen over de lichamen,
maar ook over de zielen zijner onderhoorigen.

Een klein mager man, met een ernstig sprekend gelaat, lange gekrulde
haren en een zwaren baard, treedt ons tot aan de deur te gemoet. Zijn
hoofd is gedekt met de gewone zwarte muts; op zijn eenvoudigen
monnikstabbaard schittert een prachtig saffieren kruis. Dat is de
archimandriet. Na vader Johannes zijn zegen geschonken en mij de
hand gedrukt te hebben, geleidt hij ons naar eene kamer, met fraaie
platen langs de wanden en zachte tapijten op den vloer; hij verzoekt
mij plaats te nemen op een sofa nevens hem, terwijl de beide monniken
zich op eenigen afstand houden.

De ontvangst is zoo vriendelijk mogelijk; de woning, het rijtuig, het
jacht van den archimandriet worden, met de grootste wellevendheid,
te mijner beschikking gesteld; geene moeite wordt gespaard om mij
het verblijf in het klooster zoo aangenaam mogelijk te maken. Mijn
vriendelijke, uiterst voorkomende gastheer zorgt zooveel mogelijk
voor afwisseling, en laat zich zelfs iederen avond een getrouw verslag
geven van de wijze waarop ik den dag heb doorgebracht.

Driehonderd monniken houden hun verblijf op het heilige-eiland. Aan
hun hoofd staat natuurlijk de archimandriet; op hem volgen veertig
monniken, die de priesterwijding hebben ontvangen en popen zijn;
vervolgens zeventig of tachtig monniken, die de kloostergelofte hebben
afgelegd; eindelijk de acolythen, de zangers, de dienende broeders,
de novisen. De scholieren, de gasten de gehuurde bedienden, geen
geestelijken, vormen eene klasse op zich zelf.

Deze broeders behooren tot elken leeftijd en tot alle standen der
maatschappij: van den aanvalligen knaap, die aan tafel dient, tot
den afgeleefden grijsaard, die zijne cel niet meer verlaten kan;
van den monnik van adelijke geboorte en groot fortuin, tot den armen
landlooper, die als een schooier op het eiland kwam. Zij dragen allen
hetzelfde gewaad, eten aan dezelfde tafel, zeggen dezelfde gebeden op,
leiden hetzelfde leven. Iedere broeder heeft zijne eigene cel, waarin
hij arbeidt en slaapt; maar allen moeten op de uren des gebeds in de
kapel, en op het etensuur in den reefter verschijnen, tenzij ziekte
of groote lichaamszwakte hen daarin verhindert. Zij laten allen hun
hoofdhaar en baard groeien, en besteden groote zorg aan deze mannelijke
sieraden, waarop men in Rusland den hoogsten prijs stelt.

Onder deze eerwaarde vaders zijn er niet weinigen, die boven het
alledaagsche peil verheven zijn. Voorzeker bevinden zich ook onder
hen enkele bekrompen dweepers; maar den meesten is het ernst met
hunne roeping, die zij uit wezenlijken aandrang des harten gekozen
hebben. Een vrij aanzienlijk getal monniken zijn hier als gevangenen
of boetelingen, uit kloosters in het zuiden en westen herwaarts
gezonden. Deze laatsten vormen wel de belangwekkendste klasse
van kloosterlingen. Hun misdrijf bestaat gewoonlijk in overdreven
ijver; een kritischen, onderzoekenden geest, die met de bestaande
toestanden geen vrede heeft; eene vurige begeerte naar hervorming,
naar een terugkeer tot de zuiverheid der eerste tijden. Voor dergelijke
gebreken heeft een gewone monnik geen medelijden, omdat hij van zulk
streven en worstelen niets begrijpt; voor de ongelukkigen die daaraan
lijden, wordt een verblijf van korter of langer tijd in de wildernis
van Solowetsk een uitnemend geneesmiddel geacht.

Een archimandriet, door de heilige synode tot die hooge waardigheid
geroepen, moet een man zijn van kennis en wetenschap, bekwaam om de
broederen te onderwijzen en het hem toevertrouwde huis te regeeren. Hij
moet een exempel zijn voor allen, dikwijls vasten, veel bidden, des
morgens vroeg opstaan, en leven, zooals het den heiligen betaamt. De
broeders slaan hun geestelijken vader nauwkeurig gade. Is hij streng
jegens zich zelf, dan zullen zij gewillig zijne strengheid over hen
dragen; maar wee hem, als hij zich zwak toont, als hij fijn linnen
draagt, als geurige schotels op zijne tafel verschijnen, als de
riumka--het fijne glaasje, waaruit de brandewijn gedronken wordt--te
dikwijls zijne lippen beroert. De archimandriet weet dat aller oogen
op hem zijn gevestigd, en al zijne handelingen nauwkeurig worden
bespied. En het is niet gemakkelijk allen te voldoen. Deze broeder
zou wenschen dat een strenger leefregel werd gevolgd; een ander
oordeelt de tucht reeds nu te hard. Weet de archimandriet zich niet
de genegenheid zijner onderhoorigen te verwerven, dan komen telkens
en telkens klachten over hem in bij de heilige synode, tot eindelijk
een onderzoek wordt ingesteld, en--ter wille van den lieven vrede--de
aangeklaagde kloostervoogd naar elders wordt verplaatst.



VIII.

EENS PELGRIMSDAG TE SOLOWETSK.


De dag van den pelgrim begint in den vroegen morgen en duurt tot den
laten avond. Wij zijn nu ook pelgrims: volbrengen wij dus onzen plicht.

Twee uur na middernacht, als het nauwelijks donker geworden is in
onze cellen, worden wij gewekt door een monnik, die den langen gang
afwandelt, met zijne schel luidende en roepende: "Staat op, en komt ten
gebede!" Wij schieten haastig onze kleederen aan, en spoeden ons, uit
onze warme kamers, naar buiten; mannen en vrouwen, knapen en meisjes,
zeelui en houthakkers, komen haastig aangeloopen naar de heilige-poort.

Te half drie beginnen de eerste metten in de nieuwe kerk, aan
de moeder gods gewijd, waarin het gebeente van Sint-Savatius en
Sint-Zosimus wordt bewaard. Alle lampen branden; en de met levensgroote
heiligenbeelden beschilderde, rijk vergulde wanden en beschotten
stralen in dien rosachtigen gloed. Mannen en vrouwen, soldaten en
boeren richten zich naar den hoek der kerk, waar de lichamen der
heiligen rusten; allen maken tot zeven malen het teeken des kruises,
neigen hun hoofd ter aarde, en kussen den steenen vloer voor het
gewijde graf.

Wij scharen ons in rijen voor het altaar, met genoeg tusschenruimte dat
ieder knielen en den grond kussen kan zonder zijn buurman te hinderen;
daar staan wij, blootshoofds, terwijl de pope de liturgie voorleest,
die de monniken met hun gezang begeleiden. Deze metten zijn eerst te
vier uur afgeloopen.

Eene tweede dienst begint te half vijf in de oude kathedraal, en duurt
een uur; de ijverigste pelgrims haasten zich, zoodra de eerste pope
den zegen gesproken heeft, om de kathedraal te bereiken, waar zij op
nieuw hunne gebeden uitstorten en den vloer kussen, tot ook de tweede
pope hun zijn zegen geeft.

Als deze dienst is afgeloopen, blijft den pelgrims een uur over,
dat zij doorbrengen, hetzij biddende bij de graven der heiligen, of
wel wandelende in eene lange overdekte galerij, die verschillende
kerken en andere gebouwen met elkander verbindt. Langs de wanden
dezer galerij hebben russische schilders van den ouden tijd, in ruwe,
ongekunstelde tafreelen, die zaligheden des hemels, de smarten van
het vagevuur en de folteringen der hel voorgesteld. Deze schilderijen
maken blijkbaar een diepen indruk op onze medepelgrims, hoewel zij
in oorspronkelijkheid en dramatisch effect niet kunnen wedijveren
met soortgelijke voorstellingen in de oude gothische kloosters langs
den Rijn.

Te zeven uur luiden de klokken voor de vroegmis; wij spoeden ons
naar de Lieve-Vrouwekerk, waar wij, na andermaal voor het graf te
hebben geknield, op nieuw onze plaats innemen voor het altaar, en
gedurende anderhalf uur aandachtig luisteren naar de heilige dienst,
met groote geestdrift gezongen.

Het is nu ongeveer negen uur geworden; de zwakkere broeders mogen thans
een kop thee gebruiken; maar de sterke pelgrim ontzegt zich dit genot,
als eene verzoeking des satans: en zelfs de zwakke broeder heeft niet
veel tijd om zijn geurigen drank te genieten. De groote klok in den
kloosterhof, een geschenk van den regeerenden keizer, waarschuwt ons
dat de voornaamste plechtigheid van den dag weldra zal aanvangen.

Met klokslag van negenen verzamelen zich de monniken in de kathedraal,
om de hoogmis te vieren. De vergadering is voltallig; de lampen
en kaarsen zijn aangestoken; de diaken begint zijne voorlezing; de
geestelijke zingen hunne responsoriën; en de dienstdoende priester,
in zijn schitterend koorkleed gedost, reciteert de overoude Slavische
liturgie met hare mystieke gebeden en lofverheffingen, begeleid met
koorgezang en statige muziek. Twee uur achtereen staan wij daar,
tegenover het van goud en kleuren stralende altaarscherm, op den
granieten vloer, blootshoofds, velen ook barrevoets, in stille
verrukking luisterende naar deze edele, indrukwekkende tonen, mede
getuigen van eene heilige, plechtige ceremonie.

De hoogmis is afgeloopen; en langzaam stroomt de schare uit de
kerk naar de lange galerij, waar wij nog even ons hart kunnen
ophalen aan de schilderijen van hel en vagevuur, tot een monnik het
etensuur aankondigt: eene aankondiging, ook den vroomsten pelgrim
welkom. De eetzaal is een overwelfd vertrek of liever ruimte beneden de
kathedraal, en zou in ieder ander land eene krypt worden genoemd. Maar
bij het bouwen behoort men op het klimaat te letten. In Rusland kan,
bij de groote afwisseling van hitte en koude, dezelfde kerk niet
voor winter en zomer dienen: daarom zijn, althans in het noorden,
de meeste heiligdommen in eene boven- en eene benedenkerk verdeeld;
de bovenkerk wordt des zomers de benedenkerk des winters gebruikt. Onze
eetzaal te Solowetsk is de winterkerk.

Langs de wanden en rondom de zware zuil, die het gewelf schraagt,
zijn lange tafels geplaatst; op die tafels staat voor iederen gast
een tinnen bord, waarin een houten lepel; een mes en een vork; nevens
het bord ligt een roggebrood van een pond gewicht. De pelgrims eten
in groepen van vier, evenals de monniken. In het midden van elke
groep staat een kleine tinnen schotel, bevattende een in vier stukken
gesneden gezouten sprot, en vier schijfjes rauwe uien; voorts krijgt
iedere groep een koperen terrine met zure kwas, en een schotel gekookte
stokvisch, in kleine mooten gesneden.--Een bel wordt geluid: wij rijzen
allen op, maken zevenmaal het teeken des kruises, neigen ons ter aarde,
en zetten ons weder neder. De voorzitter van elke groep strooit zout
en peper in den schotel, en roert de soep om met den lepel, waarmede
hij zijn kwas gebruikt. Weer luidt de bel: wij bedienen ons van de
stokvisch. Een lezer plaatst zich voor den lessenaar, en leest de
geschiedenis van een of anderen heilige, terwijl een knaap rondgaat
met een korf met wit brood, door den priester gezegend en in stukken
gebroken. Iedere pelgrim neemt daarvan een stuk, en eet dat, telkens
het teeken des kruises makende, tot hij zijn brood genuttigd heeft.

Ten derdenmale klinkt de bel. Algemeene stilte; een zacht gemurmel
van gebeden. Bedienden treden binnen; onze borden worden weggenomen,
en een tweede gerecht aangedragen, bestaande uit groentensoep. Dit
gerecht is spoedig gebruikt. Een nieuwe lezer gaat voor den lessenaar
staan, en vervolgt de levensgeschiedenis van den heilige. Weer wordt
er gebeld; op nieuw kruisen allen zich bij herhaling; de bedienden
verschijnen, en ten tweeden male worden de tafels afgenomen.--Een
nieuw gerecht wordt opgedragen: haringsoep; de visch, in de baai
nabij het klooster gevangen, smaakt uitmuntend. Weer een lezer;
weer een stuk levensgeschiedenis; en dan een vijfde gelui.

Het vierde en laatste gerecht verschijnt: eene soort van podding van
gerstemeel, die met melk wordt gegeten. Weer een lezer; nogmaals een
brok van eene heiligen-biographie; en dan een zesde bel. De pelgrims
staan op; de lezer zwijgt en breekt midden in zijn verhaal af; onze
maaltijd is gedaan. Toch nog niet geheel. Op nieuw scharen wij ons
in het gelid; de vrouwen, die in eene andere kamer gegeten hebben,
komen in de zaal terug, en te zamen heffen wij een psalm aan. Dan
staan wij voor eenige oogenblikken, in stille overdenking, met gebogen
hoofd, terwijl een pope aan iederen pelgrim een stuk gewijd brood
uitreikt. Nogmaals klinkt het schelletje; de monniken heffen een
danklied aan; een pope spreekt den zegen; en de aanzittenden gaan
huns weegs, versterkt door het genot van brood en visch.

Het is nu ongeveer twaalf uur. De eerstvolgende kerkdienst begint
eerst kwart voor vieren. Wij hebben dus al den tijd, en kunnen dien
best besteden. Wij kunnen het klooster bezoeken; naar het heilige-meer
wandelen; het graf van Sint-Filippus bezien; de graven der vroomste en
beste monniken bezoeken; wij kunnen in de sakristie de priesterlijke
gewaden en kostbaarheden gaan bewonderen. Of wel, wij kunnen in
booten naar een der naburige eilanden varen: naar Zaet, waar twee oude
monniken wonen, en eene talrijke kudde schapen in de weide graast; naar
Muksalmi, waar ons het geloei van runderen en het gekakel en gekraai
van gevogelte in de ooren klinkt. Deze eilanden voorzien het klooster
van melk, en eieren: want op het heilige-eiland zelf mag, volgens
den regel van Sint-Savatius, geen vrouwelijk schepsel verschijnen.

Precies te kwart voor vieren roept een klok ons weder naar de kerk:
in de kathedraal van onze-lieve-vrouwe begint de vesper. Wederom
knielen wij bij het graf en kussen den kouden steen, de draperiën, de
ijzeren tralies; dan scharen wij ons weder voor het altaar en luisteren
naar het gezang, dat door monniken en knapen wordt aangeheven. De
dienst duurt tot half vijf. Na den afloop begeven wij ons naar de
lange galerij, en beschouwen nog eens de zaligheden des hemels en de
smarten der loutering. Vijf minuten voor zessen spoeden wij ons naar
de kathedraal, waar de tweede vesper begint, en blijven daar staan,
blootshoofds en sommigen ook barrevoets, tot half acht.

Te acht uur luidt de bel voor het avondmaal. Allen haasten zich aan
die welkome uitnoodiging te voldoen; de monniken scharen zich in
processie; de pelgrims volgen, en in plechtigen optocht begeven wij
ons naar de krypt, waar wij, evenals bij het middagmaal, de lange
tafels zien aangericht, met het pond roggebrood, de gezouten sprot,
de in vier stukjes gesneden uien, en de koperen terrine met kwas. Onze
avondmaaltijd is eenvoudig eene herhaling van het middagmaal: dezelfde
gebeden, dezelfde buigingen en zegeningen met het teeken des kruises;
ook het luiden der bel en het voorlezen van brokstukken uit de
geschiedenis der heiligen ontbreekt niet. Het eenige onderscheid is,
dat wij des avond geen gerstepodding met melk krijgen.

Als ieder naar genoegen gegeten heeft en de overgeschoten brokken
zijn weggenomen, staan wij op, spreken een dankgebed uit, en heffen
met de monniken den avondzang aan. Een pope spreekt den zegen, en
wij zijn vrij om naar onze cellen te gaan. Een pelgrim, die lezen
kan en goede boeken bij zich heeft, behoort echter, eer hij zich ter
ruste begeeft, een psalm van David of een hoofdstuk uit de levens der
heiligen te lezen. Te negen uur worden de kloosterpoorten gesloten;
in den regel moet de pelgrim dan te bed zijn, om eenige uren te slapen.

Twee uren na middernacht gaat de monnik rond met de bel, en roept de
slapende wakker, om de plichten van den nieuwen dag te vervullen.



IX.

BIDDEN EN WERKEN.


Op de heilige-eilanden wordt niet alleen gebeden, er wordt ook ijverig
gewerkt. In dit klooster is geen enkele monnik, die een werkeloos leven
leidt. Niet alleen de broeders, die geen popen zijn, maar ook zij,
die den herdersstaf voeren en den pelgrims hun zegen geven, houden
zich, althans voor het meerendeel, onledig met het vervaardigen van
allerlei nuttige voorwerpen, van sieraden voor de kerk, van huisraad
en meubelen voor den reefter en de cellen. Anderen vervaardigen
voorwerpen, die buiten het klooster verkocht worden: kleederen,
rozenkransen, lepels, schotels en dergelijke zaken.

Langs den binnenmuur loopt eene aaneengeschakelde reeks van
werkplaatsen, waar de arbeid niet poost van den vroegen morgen tot
den laten avond: smederijen, timmerwerven, weverijen, touwslagerijen,
leerlooierijen, brouwerijen, melkerij, mandenmakerij; werkplaatsen
voor het zouten van vleesch en visch, voor het inleggen van groenten en
vruchten, enz.;--in één woord, alle bedrijven, die voor de menschelijke
samenleving noodig en nuttig zijn, vindt ge hier bijeen; de goede
monniken maken daarbij veelvuldig gebruik van de uitvindingen en
hulpmiddelen der moderne industrie. Bij uitnemendheid bedreven in alle
takken van handenarbeid, paren zij aan deze technische bekwaamheid
zooveel smaak en zoo vindingrijk vernuft, dat ge bijna niets bedenken
kunt wat niet door deze monniken wordt vervaardigd, van een eenvoudig
snoer van glaskoralen tot een volledig opgetuigd fregat. Nergens wordt
zoo fijn en voedzaam brood gebakken, nergens zulke voortreffelijke kwas
gebrouwen. Terwijl vader Hilarion mij door deze werkplaatsen rondleidt,
wachten mij telkens nieuwe verrassingen. Nooit had ik kunnen gelooven
dat zulke fraaie, degelijke en tevens zoo hemelsbreed verschillende
zaken inderdaad vervaardigd waren door monniken, in een eenzaam eiland
als gevangen, en gedurende acht maanden van het jaar door sneeuwstormen
en ijsschotsen van iedere gemeenschap met de buitenwereld afgesneden.

Deze geestelijke heeren vervaardigen kappen en gordels van
zeehondenvel; zij schilderen met olieverf en snijden kunstig beeldwerk
in hout; zij bereiden het leder, breien wollen kousen, en gieten
en smeden ijzer; zij spinnen vlas en linnen; zij polijsten steenen;
zij maken vilten schoenen en slobkousen, rijtuigen en sleden, touwen
en kabels, tinnen en houten borden en schotels, en bloemen van papier;
zij verstaan de kunst om vruchten in te leggen en om korfjes en mandjes
te vlechten van de schors van den zilverden; zij zagen en houwen
steenen; zij vellen en kappen boomen; zij smeden ankers en zoeken
honing uit; zij teekenen plannen voor altaren, kerken, kloosters, en
weten uitnemend met de borduurnaald om te gaan;--en al wat zij in deze
zoozeer verschillende vakken leveren, is een model van zorgvuldige,
smaakvolle, degelijke bewerking. Zijn er onder de broeders, die aanleg
hebben voor het landbouwbedrijf, ook die kunnen gelegenheid vinden,
hun talent te gebruiken: zij verzorgen het vee, scheren de schapen,
mesten het gevogelte; zij maken boter en kaas: doch alleen op de
eilanden, waar dergelijke bedrijven worden toegelaten. Anderen kweeken
bloemen en poten aardappelen, verzorgen de bijenkorven, maaien het
gras, zamelen de vruchten in, en verrichten alle bezigheden, die in
veld en akker en gaarde noodig zijn.

Wij beginnen onze wandeling met de bakkerij, die wel de eer verdient
van het eerste bezoek. Van alle omliggende dorpen langs de kust komt
men herwaarts om brood; sommigen koppen, anderen bedelen het; iedere
pelgrim, die Solowetsk bezoekt, neemt bij zijn vertrek een groot
brood, als reisgave, mede. Er wordt hier tweeërlei brood gebakken:
tarwe- en roggebrood. Het laatste, dat zeer goedkoop is, wordt bij
iederen maaltijd gebruikt; het eerste, dat gewijd en zonder gist
gebakken wordt, is duur: het is heilig brood, dat alleen bij zekere
gelegenheden wordt gegeten. Beide soorten zijn overigens zeer goed. De
gewijde brooden wegen slechts zeven of acht ons: zij zijn versierd met
een kruis, in een opschrift met Slavische letters gevat. Deze brooden
worden door de geloovigen met grooten eerbied behandeld; en de vrome
pelgrim, die een klooster zoo als Solowetsk, Sint-George of Troïtza
bezoekt, kan zijn vrienden of bloedverwanten met geen welkomer geschenk
verrassen, als herinnering van zijne bedevaart, dan met zulk een brood.

De brouwerij is in hare soort niet minder voortreffelijk dan de
bakkerij. De kwas vervangt voor den Rus de plaats van bier en wijn:
het is de nationale drank, geliefd bij alle standen, en die bij de
bereiding van bijna alle spijzen, bij genoegzaam alle maaltijden,
gebruikt wordt. De kwas van Solowetsk behoort tot de beroemdste en
meest gezochte soorten.

In de nabijheid bevinden zich de werkplaatsen, waar borden en lepels
uit hout gesneden en beschilderd worden. De levenswijze in deze
noordsche wildernissen is nog aartsvaderlijk eenvoudig; vorken zijn
zeldzaam, en messen een artikel van weelde. Bij den maaltijd bedient
men zich hoofdzakelijk van lepels. Bijna alle spijzen worden zacht
gekookt of in vloeibaren staat op tafel gebracht: in het midden staat
een diepe schotel, en de eenvoudige gasten scharen zich in het rond,
ieder met zijn grooten lepel gewapend. Het bord en de lepel zijn
van hout gesneden, en somwijlen sierlijk en met smaak bewerkt en
beschilderd; de fraaisten worden door de pelgrims als een aandenken
gekocht en zorgvuldig bewaard.

Ziehier eene andere industrie: de mandenmakerij. In de noordsche
wouden is aardewerk schaarsch en duur, en daarbij lomp en ruw. De
lieden dezer streek moeten dikwijls lange voetreizen maken: het zou
bezwaarlijk vallen, zich op die tochten met eenige potten en pannen
te belasten. In plaats daarvan heeft men manden en korfjes, die van
boomschors worden gevlochten, lichter zijn dan kurk en gemakkelijker
te vervoeren dan tinnen kannen of schotels. Zij worden met een deksel
gesloten, en zijn van een hengsel voorzien. Die korfjes zijn volkomen
droog en zoo dicht, dat men er zelfs melk in vervoeren kan; toch
hebben zij den aangenamen, harsachtigen geur behouden van van het
hout, waarvan zij vervaardigd zijn. Gij kunt ze van alle afmetingen
krijgen, van de grootte van een peperbus tot die van een waterkruik;
zij kosten slechts eenige kopeks het dozijn.

De eigenlijke manden zijn grooter en minder fijn bewerkt; zij
zijn bestemd voor tochten over hobbelige rotsachtige wegen of
door moerassen. Deze manden zijn in vakken verdeeld, waarin ge
wijnflesschen, lepels en vorken bergen kunt. Moet ge eene lange reis
maken, dan is het raadzaam, in het open middenvak van uw mand eenige
korfjes van boomschors mede te nemen, waarin ge kleine benoodigdheden,
zooals mosterd, zout, room en dergelijke bergen kunt.

Onder de veelsoortige werkplaatsen, die wij bezoeken, behoort ook de
weverij, in een der torens van den buitenmuur: een toren, die niet
alleen de bijzondere aandacht verdient om de uitnemendheid van het
werk, dat hier vervaardigd wordt, maar ook om de belangrijke rol,
die hij gespeeld heeft bij de verdediging van Solowetsk tegen de
engelsche vloot. Het kanonschot, dat, naar men zegt, de _Brisk_
tot wijken dwong, werd uit den Weverstoren afgevuurd.

In een zonnig hoekje boven op den wal staat een sierlijk photographisch
atelier; in de onmiddellijke nabijheid ziet ge eene reeks nieuwe
gebouwen, waarin de werkplaatsen der schilders en graveurs, die echter
geene andere dan uitsluitend kerkelijke kunst beoefenen. Sommigen
doen niets meer dan werken van andere meesters kopiëeren; maar ook de
meest begaafden onder hen overschrijden toch nooit de conventioneele
grenzen, door de kerkelijke traditie gesteld. De kunst verkeert hier
nog in het stadium harer ontwikkeling: zij staat nog geheel en al
onder de heerschappij dier starre, levenlooze byzantijnsche school,
waarvan de patriarch Nikon een zoo groot voorstander was, en die hij,
voor de versiering van kloosters en kerken, tot wet en regel stelde.

Maar de vrome vaders troosten zich over deze tekortkomingen: hunne
grootste kracht openbaart zich op een ander gebied: dat van den
scheepsbouw en wat daarmede samenhangt. Zij zijn, en met recht,
trotsch op hetgeen zij daarin tot stand hebben gebracht. Velen van
hen brengen het grootste gedeelte van hun leven aan boord door,
en zijn met hartstochtelijke liefde aan de zoute zee gehecht. Zij
bezitten een aantal booten en scheepstuig in overvloed, dat zij zelf
vervaardigen. Zij richten vuurtorens op, en bakenen het vaarwater af;
zij timmeren booten en sloepen, en hebben het bewijs geleverd, dat op
de werven van Solowetsk een stoomschip in al zijne deelen volledig
kan worden gebouwd, alleen de machine uitgezonderd. Dit stoomschip
heet _de Hoop_. Zijne bemanning bestaat hoofdzakelijk uit monniken;
en de gezagvoerder is niet alleen monnik--zooals vader Johannes--maar
zelfs pope. Toen ik dezen priesterlijken schipper voor het eerst zag,
bediende hij de mis voor het altaar. Na afloop van de dienst nam de
eerwaarde vader mij mede, om mij zijn schip en het dok, waarin het
vaartuig lag, te laten zien. Met levendige belangstelling bezocht ik
_de Hoop_, merkwaardiger in mijn oog, dan bijkans eenig ander schip. Is
toch niet eene stoomboot, door monniken aan de kusten der IJszee
gebouwd, in hare soort eene even groote zeldzaamheid als de toren
der Lieve-Vrouwekerk in Antwerpen of de Dom te Keulen? De gedachte om
dat stoomschip te bouwen was in het brein van een monnik opgerezen;
het plan was door de hand van een monnik geteekend; monniken velden de
boomen, en smeedden de bouten, en vlochten de touwen; monniken voegden
al deze deelen samen; monniken tuigden het vaartuig op, beschilderden
de kajuit en bekleedden de kussens der banken. Monniken lieten haar
te water, en hebben sedert met hunne eigene boot de wilde wateren
der Witte-zee doorkruist en de stormen getart.

Het dok, waarop vader Johannes zoo fier was, is niet maar een gewoon
dok, maar zelfs een droog dok. Dergelijke werken zijn in Rusland
eene groote zeldzaamheid, in het geheele rijk zijn er maar enkele
havens, die een dok bezitten. Noch te Archangel, noch te Astrakhan
zult ge er een vinden. Alleen in steden zooals Riga en Odessa, door
vreemdelingen gebouwd en bewoond, treft ge dergelijke werken van
openbaar nut aan. Het drooge dok te Solowetsk is het eenige in geheel
het eigenlijke Rusland. Kronstadt--het is waar--bezit een droog dok:
maar Kronstadt is minder een russische, dan wel een duitsche haven, met
een duitschen naam. Het eenige werk van dien aard op echt-russischen
grond is--karakteristiek genoeg--eene schepping van monniken.

Niet enkel gewone kloosterlingen, ook priesters nemen aan al dezen
arbeid deel. Wanneer een monnik de wijding ontvangen heeft, staat het
hem volkomen vrij, zich uitsluitend tot de dienst der kerk te bepalen:
maar in het klooster van Solowetsk is het eene zeldzaamheid, dat
een pope alleen de plichten van zijn ambt waarneemt. Arbeidzaamheid
is hier het merk van een waarlijk godsdienstig leven. Toont een der
broederen bijzonderen aanleg voor een of ander bedrijf of kunst te
bezitten, dan vindt hij zoowel bij zijne geestelijke overheid als bij
zijne medebroeders alle aanmoediging om zijne roeping te volgen, en de
vruchten van zijn arbeid Gode te wijden. De eene pope is landbouwer;
een ander schilder; een derde visscher; deze zoekt geneeskundige
kruiden; die kopiëert oude handschriften een derde bindt boeken
in, enz.

Van al deze beroepen is dat van onderwijzer niet het minst
begeerlijke. De kinderen, die te Solowetsk ter school worden gezonden,
blijven er minstens een jaar, en somwijlen langer. De inrichting der
school is hoogst eenvoudig, en het onderwijs bepaalt zich tot het
volstrekt noodige: trouwens de school is ook hier een getrouw beeld
van den toestand des lands; voedsel en ligging verschillen niet veel
van hetgeen ge in iedere _isba_ (boerenwoning) vinden kunt. Wanneer
een knaap, na verloop van zijn leertijd, in het klooster wenscht te
blijven, kan hij zich als werkman verhuren, hetzij op de landhoeven
of bij de visscherij. In den zomer ontvangt hij het voedsel der
monniken: brood, visch en kaas; des winters krijgt hij gerookt
schapenvleesch--eene lekkernij, waarvan zijne meesters niet proeven
mogen. Velen van deze knapen blijven hun leven lang op het eiland; zij
mogen niet huwen, maar zijn daarentegen van kost en inwoning verzekerd,
vrij van de militaire dienst en van alle huiselijke zorgen. Enkelen
treden in den geestelijken stand. Keeren zij later in de wereld terug,
dan strekt hun verleden hun tot aanbeveling voor het verkrijgen van
eene of andere betrekking; in ieder geval weten zij hun eigen weg
te vinden, want een jonkman, die eenige jaren te Solowetsk heeft
doorgebracht, heeft niet alleen geleerd zich zelven te helpen, zijn
eigen eten te bereiden en zijne kleederen te maken, maar verstaat
ook altijd een of meer ambachten, waarmede hij den kost verdienen kan.



X.

DE ZWARTE GEESTELIJKHEID.


Bijna alle Russen van aanzienlijken of beschaafden stand zien met
verachting neder op hunne ordens-geestelijken, op de zoogenaamde
Zwarte geestelijkheid, aldus genoemd naar de kleur van hun gewaad. Zij
beschouwen de kloosterlingen in het algemeen als een hoop onbeschaafde
lieden, als onwetende, zedelooze leegloopers, die tot niets dienstig
zijn, en die, hoe eer hoe beter, behooren opgeruimd te worden. "Weg
met de monniken en kloosters!" is het wachtwoord van verreweg de
meeste jonge vrijzinnige Russen.

En zij die aldus spreken, zijn niet altijd spotters en ongeloovigen,
verklaarde vijanden van iedere godsdienstige overtuiging, van elke
geestelijke of kerkelijke instelling. Neen, zeer dikwijls zijn het
ernstige mannen, die hunne kerk liefhebben, den priester hunner
parochie gaarne ondersteunen, en die niets liever wenschen dan hun
vaderland den eersten rang onder de christelijke mogendheden te
zien innemen. In Rusland, zeggen zij, leven tienduizend monniken:
eene overtollige, om niet te zeggen schadelijke bevolking; het beste
wat men zou kunnen doen; is, er soldaten van te maken, opdat zij ten
minste het land van eenig nut zijn.

Deze niet altijd billijke vijandschap der beschaafde klassen tegen de
kloosterlingen vindt eenigermate hare verklaring in den hardnekkigen
tegenstand, dien schier te allen tijde iedere maatregel tot hervorming,
hetzij op staatkundig, hetzij op kerkelijk gebied, bij de monniken
heeft ontmoet. Om zich van deze stemming der gemoederen en den aard der
bestaande spanning volledig rekenschap te kunnen geven, is het noodig
den omvang en den oorsprong van de macht der monniken van naderbij
te bestudeeren. De afdwaling van ons eigenlijk onderwerp zal slechts
schijnbaar zijn: onze studie zelf zal ons naar Solowetsk terugvoeren.

Een woestijn met kloosters bezaaid;--de naam zou niet slecht passen
voor de gansche onmetelijke landstreek, die van de Poolzee tot de
tartaarsche steppen reikt. Voor Nieuw-Rusland, voor de gouvernementen
van Kazan en de Krim, voor de streken langs de Beneden-Wolga en
voor Siberië, ware deze beschrijving onjuist: maar het eigenlijke
Groot-Rusland is voor de monniken een waar paradijs. Van Kem aan den
oever der Witte-zee tot Bjelgorod aan de grenzen der Ukraine,--een
afstand van omstreeks duizend (engelsche) mijlen;--en van Pskow, nabij
het meer Peïpus, tot Wassil aan de Wolga--een afstand van ongeveer
zevenhonderd mijlen--is het gansche land als overdekt met kloosters,
klinkt u overal het welluidend klokgelui tegen.

Ge kunt u moeilijk iets treurigers en naargeestigers denken dan
een russisch woud, tenzij dan eene russische vlakte. Het woud is
eene opeenvolging van dwergachtige berken en pijnen; de boomen zijn
allen genoegzaam even hoog en even dik; de eentonige donkere lijn
wordt slechts nu en dan afgebroken door een stinkend moeras of een
vaalkleurig, levenloos meer. De vlakte is eene onafzienbare hei,
zonder eene enkele verheffing van den grond, zonder een enkelen boom,
zonder eene enkele stad, op eene uitgestrektheid van misschien honderd
mijlen; eene naakte hei, met schraal, armelijk, bruin gras begroeid;
en hier en daar met eene verzameling van ellendige leemen hutten, in
modder en slijk verzonken, waaraan de naam van dorp kwalijk voegt. De
schrikkelijke eenvormigheid van zoodanig landschap ware niet uit te
houden, indien niet telkens het oog van den reiziger geboeid, zijn
hart verkwikt werd, door het gezicht van een klooster, dat op een
open plek in het woud, aan den zoom der eenzame vlakte, zijn stralend
kruis en schitterend bemaalde torens ten hemel heft; een klooster met
zijn krans van groen, zijn wit-gepleisterden voorgevel, zijn groep
van vergulde of beschilderde koepels. De wouden rondom Kargopol, de
moerassen langs het meer Ilmen, de vlakke velden rondom Moskou, danken
aan de kloosters kleur en leven; terwijl zoo menig kleiner convent,
wegduikende in de schemerende diepte des wouds, of den eenzamen
rivieroever verlevendigende, met vroolijken ernst den reiziger groet.

De oude steden van Groot-Rusland--Nowgorod, Moskou, Pskow,
Wladimir,--zijn veel rijker aan kloosters dan hare mededingers
van later tijd. De oevers van de rivier de Wolchow, die de oudste
metropolis van Rusland besproeit, zijn over eene uitgestrektheid van
vele mijlen boven en beneden de stad, met oude godsdienstige gestichten
bezaaid. De voorsteden van Nowgorod prijken met de prachtige kloosters
van Sint-George, Sint-Cyrillus en Sint-Antonius van Rome. Moskou is
omgeven van een breeden krans van kloosters en abdijen--Simonoff,
Donskoï, Troïtza, Danieloff, Alexiewski, Iwanowski, en nog vele
anderen; Pskow heeft haar prachtig convent der katakomben, in
heerlijkheid ternauwernood onderdoende voor het klooster van gelijken
naam te Kiew.

Evenwel is het er verre van, dat al deze vrome stichtingen juist uit
vroeger tijd zouden dagteekenen. Rusland verkeert nog in het tijdperk,
waarin godsdienstige geestdrift een der machtigste drijfveeren in
het leven des volks en der individuen is:--een tijdperk, dat aan den
middeleeuwschen heldentijd der germaansche wereld denken doet. Wat
echter voor ons, behoudens enkele uitzonderingen, tot het verleden
behoort, is hier nog eene zeer levende werkelijkheid, wier kracht en
invloed zich telkens openbaart. Ik wil daarvan een voorbeeld aanvoeren.

In het jaar 1803 werd in eene der ellendige hutten van het kleine dorp
Pretchistoi, nabij de stad Wladimir, een lijfeigene geboren, van zoo
lagen stand dat zijn geslachtsnaam in vergetelheid is geraakt. Jaren
lang leefde hij, als andere eigenhoorigen, op het landgoed van
zijn heer; hij huwde twee malen een meisje van zijn eigen stand,
en won drie zonen, die voorspoedig opgroeiden. Tot dusverre was
zijn leven gelijk geweest aan dat zijner lotgenooten; maar toen hij,
op zeven-en-dertig jarigen leeftijd, voor de tweede maal weduwnaar
geworden, door zijn heer werd vrijgelaten, verliet hij zijn dorp en
begaf zich naar Troïtza, nabij Moskou. Daar nam hij den naam van
Filippus aan, kleedde zich in een pij en kap, en groef voor zich
zelven een hol onder den grond. In deze onderaardsche woning sleet
hij vijf jaren; toen zocht hij een ander verblijf op, nog beter aan
zijn wenschen beantwoordende, en wel op het kerkhof, te midden der
graven van het klooster; daar bracht hij twintig jaren door. Hij had
zijne vrijheid te lief, om zich door het afleggen der kloostergelofte
daarvan te berooven: maar door de ondervinding geleerd, dat ook in
Rusland, als elders, in spijt van het spreekwoord, de pij den monnik
maakt, kleedde hij zich in grof sergie en omgordde zijne lendenen
met een zware ketting. Aldus uitgedost toog hij naar Moskou, naar
den metropolitaan Philarethes, vroeg dien prelaat om zijn zegen, en
tevens om de vergunning zijn naam te mogen aannemen. De aartsbisschop
schiep behagen in dien zonderlingen bedelmonnik, en willigde zijn
verzoek in: en van dat oogenblik werd de voormalige lijfeigene van
Pretchistoi door den ganschen omtrek bekend als Philarethes-Ouchka
(Philarethes de Kleine).

Het kerkhof van Troïtza ligt op eene stille eenzame plek, aan den
oever van een schilderachtig meer, omgeven door donkere bosschen. Te
midden dezer groenende grafheuvelen sloeg de monnik zijne kluis
op. In het klooster van Troïtza kocht hij, voor twee kopeks per stuk,
eenige kruisen en heiligenbeelden; hij ging daarmede door de straten
en langs de huizen van Moskou, en deelde ze, met zijn zegen, aan
de lieden uit, zonder iets te vragen, maar aannemende wat men goed
vond hem te geven. De een schonk hem een roebel, een ander tien, een
derde honderd: iedere gave was hem welkom. Weldra had hij een niet
onaardig kapitaaltje in de bank. De prenten brachten hem meer op dan
de kruisen; want, naar de algemeene overtuiging des volks, brengen de
eersten zegen aan, terwijl de anderen boden zijn van ongeluk. Schonk
Philarethes aan eene of andere vrome vrouw een kruis, dan keerde zij
huiswaarts, bezwaard van harte. Het symbool des christelijken geloofs
is in Rusland nog niet afgedaald tot den rang van een gewoon sieraad
of toilet-artikel. Geene russische boerin zou het in de gedachte
komen, zich met een kruis op te tooien; ook zoekt ge het vergeefs
als ornament in de woningen der aanzienlijken. De priester draagt een
kruis; het kruis straalt op de kerktorens en koepels: maar zeldzaam
zult ge het gewijde teeken, hetzij in schilder- of beeldhouwwerk,
in een gewoon huis vinden. Toch draagt iedere rechtgeloovige Rus een
kruis, dat hij nooit aflegt--het is dat, hetwelk hem bij zijn doop
om den hals wordt gehangen; maar dit is geen sieraad.

Zonderling in kleeding, manieren en spreekwijze, droeg
Philarethes-Ouchka noch schoenen noch kousen; in plaats van de gewone
russische begroeting: "Het ga u wel!" sprak hij de lieden aan met
de woorden: "Uw engelbewaarder geve u een blijden dag!" In zijne cel
en op al zijne tochten was hij steeds vergezeld door een ander, niet
minder zonderling personage, Iwanouchka, Johannes de Kleine (familiaar
Jantje) genoemd, die nooit sprak, maar altijd zong. Iwanouchka zong
in zijne cel, zong op den weg, zong langs de huizen, zong in de
kerk. Aan den toon waarop hij zong, herkende men de gemoedsstemming
van zijn meester; en uit het zingen van Iwanouchka kon menige arme,
eenvoudige vrouw reeds vooraf berekenen of zij van Philarethes dien
dag een kruis of een heiligenbeeldje te wachten had.

Vooral bij den kleinen, neringdoenden burgerstand stond de kluizenaar
in groot aanzien. De meer aanzienlijke dames hielden zich op een
afstand: niet omdat hij geld van haar vroeg, maar omdat hij hare mooie
kamers vuil maakte. De uiterlijke verschijning van deu vromen man was
toch niets minder dan bevallig: maar zijne verregaande onreinheid,
zijne verroeste ketting, zijne met stof en vuiligheid bedekte huid,
zijne ongekamde haren, waren, in de oogen zijner trouwe volgelingen,
zoo vele teekenen zijner uitnemende heiligheid. De vrouwen der
kooplieden en winkeliers van Moskou dweepten met hem. Eene dame
verhaalde mij eens, dat toen zij op zekeren dag een bezoek ging
afleggen bij eene harer vriendinnen, de echtgenoote eens koopmans van
het eerste gilde van Moskou, zij deze voor den kluizenaar geknield
vond, bezig zijne voeten te wasschen. En dit was niet maar een ijdele
beleefdheidsvorm: want Philarethes liep barrevoets, en de straten
van Moskou zijn met harde keien geplaveid en bij uitnemendheid
morsig. Zekere bejaarde juffer Seribrikoff placht er zich op te
beroemen, dat het haar eenmaal vergund was geweest, de wonden van den
heiligen man te reinigen. Jonge bruiden baden hem op hare bruiloft
te verschijnen: want bij zulke gelegenheden was hij vaak gewoon
te profeteeren; en met godsdienstigen eerbied werden de duistere
woorden opgevangen, waarin de aanduiding van het toekomstig lot der
jonggehuwden lag opgesloten. Op zekeren dag was hij op de bruiloft
van Gospodin Sorokin, een der rijkste inwoners van Moskou; plotseling
wendde hij zich tot de bruid en sprak: "Als de feesten voorbij zijn,
zult ge uw man met honing moeten zalven." Niemand begreep wat hij
zeggen wilde; maar drie dagen later was Sorokin een lijk: nu was de zin
der voorspelling openbaar, want bij eene russische begrafenis mag geen
honing ontbreken. Natuurlijk won het geloof aan de profetische gave van
Philarethes, door zulk een opzienbarend feit, niet weinig in kracht.

Eene zijner ijverigste en vermogendste volgelingen, Mevrouw Loguinoff,
schonk hem eene aanzienlijke som gelds, om daarvoor een klooster
en een kerk te bouwen; en toen deze heiligdommen te midden der graf
heuvelen van Troïtza waren verrezen, scheen de taak van den bedelmonnik
voltooid. Toch waren de laatste levensjaren van Philarethes-Ouchka
niet de gelukkigste. Zijn machtige beschermheer was gestorven; en
Innocentius, de nieuwe metropolitaan, een ernstig man, vol ijver
voor zijn geloof, had weinig op met de zonderlinge praktijken van
den kluizenaar, en verklaarde zich tegen hem. Philarethes verliet nu
zijn klooster en trok naar het dorp Tcheglowe, in het gouvernement
Toela, waar hij een nieuw klooster bouwde. Daar stierf hij in 1868,
ruim vijf-en-zestig jaren oud. De beide door hem gestichte kloosters
worden nu door gewone monniken bewoond.

Dergelijke verschijnselen mogen zeker wel als ongezonde openbaringen
van het godsdienstig leven worden beschouwd. Toch zoekt de zwarte
geestelijkheid daarin een wapen tegen de spotternijen en aanvallen
eener vijandig gezinde wereld, die aan dezen staat van zaken een
einde maken wil. In dien strijd is het voordeel tot dusverre aan de
zijde der monniken. De liberale opinie en de moderne wetenschap zijn
hun vijandig; maar deze beide machten zijn in Rusland, immers bij de
overgroote meerderheid des volks, nog in geenen deele inheemsch, zij
staan, in zekeren zin, buiten het nationale leven. Daarentegen hebben
de monniken op hunne zijde de traditie, de ingewortelde gewoonte, de
overgeleverde piëteit. Ook beschikken zij over alle hooge kerkelijke
betrekkingen, en over zeer groote levende krachten op allerlei
gebied. De vrouwen zijn voor hen; voor hen is ook de meerderheid der
landelijke bevolking. Te allen tijde hebben de vrouwen zich bijzonder
aangetrokken gevoeld door de monniken, wier gelofte hen bindt allen
omgang met haar te vermijden; en er zijn weinig steden in Rusland,
waar men u niet weet te verhalen van een of anderen eerwaarden vader,
die, even als Philarethes de Kleine, door eene gansche schare van
lieve discipelinnen gevolgd en gevierd werd.

De monniken hebben niet alleen alle geestelijke macht in handen,
maar de elementen zelf, waaruit deze macht is samengesteld, zijn
in hun bezit. Hunner zijn de kloosters, de katakomben, de heilige
plaatsen. Zij bewaren de beenderen der heiligen; uit hun midden
komen nieuwe heiligen voort. In het gouden boek der russische kerk
komt geen enkele naam voor van een gekanoniseerden wereldlijken
priester. De monniken bezitten de gave der zelfverloochening en de
gave der wonderen--twee zoo machtige en invloedrijke factoren in een
land als Rusland.



Zelfverloochening is voor den Rus het onbedriegelijkst merk van het
ware geloof, de hoogste kroon van een Gode gewijd leven. Ook deze
eerste en edelste aller deugden neemt echter dikwerf zonderlinge vormen
aan. In het vorige jaar (1868) stierf in het krankzinnigengesticht
te Moskou een man, Iwan Jacowlewitch genaamd, eene zonderlinge
vermaardheid verworven had. Velen hielden hem voor krankzinnig; anderen
vereerden hem als een heilige. Daar de eersten de meerderheid hadden,
sloten zij hem op, en hielden hem tot aan zijn dood onder geneeskundige
behandeling en toezicht.

Deze Iwan, burger der kleine stad Cherkosowo, achtte zich geroepen,
zijne gezondheid, en alle gemakken en genietingen des levens den
Heer ten offer te brengen. Op jeugdigen leeftijd reeds legde hij
de plechtige gelofte af, nimmer zijn aangezicht te zullen wasschen,
noch zijne haren te kammen; nimmer zijne lompen te zullen afleggen;
nimmer op een stoel of bank te gaan zitten; nimmer aan een tafel
te eten, noch een mes of vork te gebruiken. Krachtens deze gelofte
leefde hij als een hond, op den grond liggende en zijne spijzen
opslurpeude. Toen men hem in het krankzinnigengesticht bracht, werd
hij behoorlijk gewasschen en van nieuwe kleederen voorzien: maar
aanstonds verontreinigde hij die, en zijne oppassers kwamen spoedig
tot de overtuiging, dat het onmogelijk was hem zindelijk te houden.

Inmiddels ging de roep van hem uit door de gansche stad, en het
duurde niet lang, of de cel van Iwan Jacowlewitch was eene gevierde
bedevaartsplek geworden. Niet alleen dienstmeiden en boerinnen,
maar deftige burgervrouwen, kwamen hem dagelijks opzoeken,
brachten hem allerlei lekkernijen, gaven hem geld ten geschenke,
en vertelden hem hare dierbaarste geheimen. Op den grond gezeten,
staarde hij met half wezenloozen blik zijne bezoekers aan, en mompelde
eenige onsamenhangende woorden, die zijne hoorders, met de uiterste
inspanning, trachtten te verstaan en te ontcijferen. Somwijlen maakte
hij balletjes van de kruimels zijner koekjes; en wanneer kranken bij
hem genezing kwamen zoeken, stopte hij hun deze vuile pillen in den
mond. Deze man nu heette "uitzinnig om des Heeren wil."

De directeur van het gesticht liet hem naar eene ruime kamer
overbrengen, waar hij zijne bezoekers kon ontvangen. Men wist dat hij
stapelgek was; dat dit drukke bezoek en die gedurige aandoeningen
allernadeeligst voor hem waren: maar de toeloop was zoo groot en
de begeerte van het publiek om hem te zien zoo levendig, dat de
uitspraken der wetenschap en de regelen van het gesticht daarvoor
zwichten moesten. Toen de arme krankzinnige eindelijk stierf, was de
ontsteltenis onder de lagere volksklasse in Moskou algemeen; en eenigen
tijd na zijn dood las men in het Dagblad van Moskou eene oproeping, om
voor dien man in zijne geboorteplaats een gedenkteeken op te richten.

In den regel neemt echter deze zucht voor zelfverloochening een
anderen, minder aanstootelijken vorm aan: dien van afzondering van de
wereld. Het kluizenaarsleven geldt als het Gode gevallige leven bij
uitnemendheid. Alle afdeelingen der oostersche kerk--de armenische,
de koptische, de grieksche--werken deze richting in de hand: maar
geene andere kerk kan op zulk eene menigte kluizenaars wijzen als
de russische. Haar kalender wemelt van de namen van kluizenaars en
asceten; en hetgeen men van de ontberingen en zelfkastijdingen dezer
lieden verhaalt, is somwijlen bijna ongeloofelijk. Zoo vertelt men
van zekere zuster Maria, die zich in een rotsspleet liet opsluiten;
zij kreeg haar voedsel door een gat in de rots, en bracht twaalf
jaren in dit levend graf door.

Ongeveer veertig mijlen van Moskou, niet verre van de abdij van
Troïtza, bevindt zich eene soort van monniken-kolonie, Grethsemané
genaamd en bestaande uit een klooster en katakomben, door een meer van
elkander gescheiden. Het klooster, een type van armoede en ellende,
is van ruwe boomstammen opgetrokken, die ternauwernood geverfd
zijn. Nergens is een spoor van goud of zilver te bespeuren; alle
sieraden zijn van cypressenhout. De monniken dragen tabbaarden van
de gemeenste sergie, en voeden zich met de schraalste spijs. Geene
vrouw mag deze heilige plek betreden, dan eenmaal in het jaar, op
den dag van Maria-Hemelvaart.--Aan gene zijde van het meer bevinden
zich de katakomben, diep in den grond uitgegraven. Wij staan voor
de nauwe opening, die naar deze onderaardsche verblijven voert, en
steken ieder onze kaarsen aan; een monnik maakt het teeken des kruises,
prevelt eenige onverstaanbare woorden, en daalt de smalle trap af. Wij
volgen langzaam, een voor een, zwijgend, zoo dicht mogelijk langs den
muur voortgaande. Eene benauwde lucht komt ons tegen; een zonderling
dof geluid treft onze ooren; wij ademen met moeite in dezen zwaren,
bedorven dampkring. De kaarsen flikkeren en branden al flauwer in
de dikke duisternis. In een smallen gang zien wij enkele getraliede
vensters, nauwe openingen en met ijzer beslagen deuren: dit zijn
toegangen naar cellen. Het gewelf is doortrokken van vocht; op den
grond kruipen allerlei ongedierten.

"Hush!" fluistert de monnik, als wij langs enkele getraliede vensters
en met ijzer beslagen deuren heen gaan, als vreesde hij dat wij
de rust der dooden zouden storen.--"Wat is dit voor eene opening
in den muur?"--De monnik staat stil en beweegt zijn spookachtigen
fakkel. "Een cel, zegt hij; hier ligt een goede man. Hush! zijne ziel
is nu bij God!"--"Dood?"--"Dood voor de wereld--ja."--"Hoe lang is
hij hier?"--"Hoe lang?--Elf jaar en langer."

Wij gaan met eene huivering voorbij dit levend graf, en treden
weldra uit den nauwen gang in eene kleine kerk. De lamp brandt voor
het altaar; twee monniken liggen geknield, met het aangezicht ter
aarde; een priester zingt, op doffen toon, de liturgie. Achter dit
kerkje bevindt zich de heilige put, waarvan het water, naar men zegt,
heilzaam is voor lichaam en ziel.--Toen wij weer boven waren gekomen,
vroegen wij nadere inlichtingen omtrent den kluizenaar, die langer
dan elf jaar in dit onderaardsche hol zou hebben doorgebracht;
wij vernamen nu dat hij van tijd tot tijd uit zijn graf verrijst,
om de kloosterklok te luiden, hout te halen, en zich op de hoogte te
houden van hetgeen er al zoo omgaat.

Maar deze begeerte naar zelfverloochening openbaart zich ook nog op
andere, minder sombere wijze. In de kloosterhoven van Solowetsk kunt ge
een zonderling wezen zien, in lompen gehuld, zich voedende met afval
en op den grond slapende, die, zonder de gelofte te hebben afgelegd,
toch als behoorende tot de monnikenorde wordt beschouwd. Hij rekent
zijn leven eene verbeurde weldaad, en wijdt zich zelven dagelijks
ten offer. Hij streeft naar de afzichtelijkste verworpenheid, en
wil in zijn eigen persoon de nietigheid en de ellende van al het
aardsche zichtbaar vertoonen. Deze wonderlijke man wordt vooral
door de pelgrims uit de lagere volksklasse in hooge eere gehouden
en bijna als een heilige beschouwd, vader Nikita--zoo heet hij--is
nog geen vier-en-een-halven voet hoog: in Rusland vooral mag hij
dus met recht een dwerg worden genoemd. Een dunne grijze baard,
verwarde haren, een donkerkleurig gelaat, en kleine scherpe
oogen--ziedaar zijn portret. Nooit besmet hij zijn lichaam door
de aanraking met water of zeep; nooit kamt hij zijn haren of zijn
baard: wat toch is de mensch, dat hij zich zou verhoovaardigen op
zijn vleesch? Zijne kleeding bestaat uit vodden en lompen; want hij
versmaadt het betamelijke en warme gewaad van den monnik. Heeft hij
dringende behoefte aan eenig kleedingstuk, dan gaat hij niet naar
het magazijn, maar naar de bergplaats waar de afgedragen kleederen
worden bewaard, en vraagt van den monnik, met het opzicht daarover
belast, de versleten en weggeworpen plunje van een of anderen armen
broeder. In het klooster staat eene cel tot zijne beschikking: maar
ook een houten bank en een strooien peluw zijn nog veel te goed voor
een wezen van stof en slijk; en ten teeken zijner diepe onwaardigheid,
brengt hij den dag door op de kaai, den nacht op de binnenplaats van
het klooster. Nooit heeft hij zich laten overhalen in den reefter
nevens de andere monniken plaats te nemen: kaas, roggebrood, stokvisch
zijn voor hem ongeoorloofde lekkernijen; maar wanneer de maaltijd is
afgeloopen en de tafels afgeveegd, sluipt hij naar de spijskamer,
zamelt de weggeworpen brokken en afgekloven beenderen op, en stilt
zijn honger met hetgeen de boeren en bedelaars hebben laten liggen.

In de kerk wil hij nooit zijne plaats onder de andere geloovigen
innemen; nimmer wil hij door de heilige-poort gaan. Als de dienst is
begonnen, sluipt hij naar een donkeren hoek der kerk, en luistert,
met het aangezicht op de steenen, naar de gebeden en lofzangen. Het
is hem een genot door de menigte geschopt of vertreden te worden. Hij
maakt zich tot aller dienaar, en is immer gereed elk bevel, door wien
ook gegeven, te volvoeren; ontdekt hij onder de schare een of anderen
schooier, zoo vuil en ellendig dat iedereen hem schuwt, dan zoekt
hij dien verlatene op en groet hem als zijn meester. In den winter,
als de sneeuw in dichte lagen den grond bedekt, slaapt hij op de
binnenplaats in de open lucht; des zomers, als de hitte op het hoogst
is geklommen, gaat hij blootshoofds in de zon liggen. Wie hem bespot,
mishandelt, besteelt, is zijn vriend. Als alle lieden van zijn stand,
is hij verzot op geld: maar juist dezen hartstocht maakt hij dienstbaar
aan de loutering zijner ziel: hij vlecht korfjes van berkenschors,
en verkoopt die, voor twee kopeks het stuk, aan matrozen en pelgrims;
hij wikkelt het kopergeld in een vuillapje of stuk papier, en verbergt
het hier of daar onder een steen, in de hoop dat iemand het zal zien
en het geld zal wegnemen.



Uitnemender nog dan de gave der zelfopoffering, is de gave
der wonderen, en ook deze beweert de zwarte geestelijkheid te
bezitten. Hare wonderen behooren niet tot een ver verleden, maar tot de
geschiedenis van den dag; zij geschieden niet in het verborgen, in een
of anderen vergeten hoek, maar op klaarlichten dag, in groote steden,
ten aanschouwe der gansche wereld. Ook hiervan een paar voorbeelden.

Seraphim, een koopman van Kursk, verliet zijne vrouw, zijne kinderen en
zijn handel, en werd monnik. Hij trok naar het klooster, de Woestijn
van Sarow genaamd, in het gouvernement van Tambow; daar groef hij
een gat in den grond, waarin hij verblijf hield en overnachtte. Het
gebeurde op zekeren tijd dat dieven hem overvielen; zij sloegen en
mishandelden hem, maar bevindende dat hij niets bezat, begrepen zij
dat zij met een heilige te doen hadden. Weldra ging nu het gerucht
van hem heinde en verre uit; van alle kanten kwamen de geloovigen
hem bezoeken, geschenken medebrengende van brood, kleederen en
geld, die hij allen aannam, om ze vervolgens aan de armen uit te
deelen. Zijne woestijn werd welhaast eene volkrijke plaats, en het
klooster van Sarow werd door het gansche land beroemd.--Op tien
mijlen afstands van zijne eigene kluis, stichtte Seraphim een tweede
klooster voor vrouwen. Van een edelman ontving hij een stuk gronds ten
geschenke; kooplieden gaven hem het noodige geld: want zijne gunst
werd begeerlijker geacht dat het bezit van geld of goed. Schoone en
aanzienlijke vrouwen kwamen hem bezoeken; zij namen haar intrek in
het huis, dat hij voor haar had gesticht, en waar zij van de wereld
afgezonderd konden leven, zonder zich door de kloostergelofte voor
altijd te verbinden. Eindelijk gebeurde er een wonder. Eene lamp,
die voor eene beeltenis der Heilige-Maagd hing, ging plotseling uit,
terwijl Seraphim op den grond lag geknield; het werd duister in de
kapel; de pelgrims voelden zich onthutst; toen eensklaps, tot verbazing
van allen die het zagen, een lichtstraal van de schilderij uitgaande
de lamp weder deed ontbranden!--Een tweede wonder volgde spoedig. Op
zekeren dag stond eene schare armen voor Seraphim's cel; wachtende
op brood. Hij zag zijn voorraad na, en bespeurde dat hij maar twee
brooden had: wat zou hij met twee brooden aanvangen tegenover deze
hongerige schare? Hij riep tot God--en zie, twintig brooden lagen op
zijne tafel! Sedert ging er geen jaar voorbij, zonder dat er een of
ander wonder te Sarow gebeurde; de voorbeelden van genezing waren
talrijk; en voor zijne cel verdrongen zich kreupelen en blinden,
dooven en stommen, om door hem verlost te worden van hunne kwalen.

Seraphim stierf in 1833; toch geschieden er nog voortdurend wonderen op
zijn graf, tot op dezen dag. Reeds door het volk heilig geacht, wacht
hij zijne plechtige canonisatie nog slechts van de kerk. Iedere nieuwe
keizer maakt een heilige, zooals in Turkije iedere nieuwe sultan een
moskee bouwt; en de publieke opinie wijst Seraphim aan als den man,
die zijne heiligverklaring van Alexander III wacht.

Nog beroemder is Tikhon, weleer bisschop van Woronesj, thans een
erkende heilige van de orthodoxe kerk: Tikhon is de officiëele heilige
van de tegenwoordige regeering; hij dankt zijne canonisatie aan den
regeerenden keizer.

Timotheus Sokoloff, de zoon van een armen voorlezer in eene dorpskerk,
werd in het jaar 1724 in de provincie Nowgorod geboren, die aan
Rusland zoo vele heiligen geschonken heeft. De voorlezer had een
groot gezin en een gering inkomen. Timotheus werd al vroeg bij een
boer op eene naburige hoeve in dienst gedaan. Des daags op het veld
arbeidende, des nachts in de schuren toevende, weinig slapende en
nog minder etende, wist hij toch gelegenheid te vinden om lezen en
schrijven te leeren. Hij werd nu naar eene pas geopende school te
Nowgorod gezonden, waar hij zoo ijverig leerde en arbeidde, en zoo
groote vorderingen maakte, dat hij, na afloop van zijn leertijd, tot
onderwijzer bij die school werd benoemd. Maar zijn hart was niet bij
het onderwijs. Reeds als kind was het zijn lust, gewijde liederen te
zingen, de mis bij te wonen, alleen te zijn met zijne boeken; mitsdien
vermeed hij zooveel mogelijk den omgang met menschen en schuwde hij de
vermaken der jeugd. Een gezicht bepaalde zijne keus voor zijn volgend
leven. "Toen ik nog onderwijzer in de school was,--zoo verhaalde
hij later aan een vriend--placht ik geheele nachten op te zitten,
lezende en peinzende. Op zekeren nacht in Mei, begaf ik mij naar
buiten. Het was prachtig weder, en een heldere, onbewolkte lucht. Ik
zag naar de fonkelende sterren, en heilige gedachten van eeuwig leven
en hemelsche heerlijkheid rezen in mijne ziel op. Plotseling opende
zich de hemel voor mijn blik: een gezicht, in geen menschelijke taal
weder te geven. Mijn gansche hart werd als van zaligheid overstroomd;
en van dat oogenblik kende ik geen vuriger begeerte dan de wereld
te verlaten."

Weinige jaren nadat hij de monnikspij aangetogen en zijn wereldlijken
naam Timotheus voor dien van Tikhon verwisseld had, werd hij uit zijne
nederige cel geroepen om den bisschoppelijken zetel te bestijgen, eerst
te Nowgorod, later te Woronesj. Het bisdom van Woronesj, aan de grenzen
der tartaarsche steppen gelegen, had eene zeer eigenaardige, half wilde
bevolking: Kozakken, Kalmukken, Malo-Russen: een wonderlijk mengelmoes
van allerlei stammen, die een zwervend leven leidden, lui, roofzuchtig,
aan dronkenschap en onmatigheid ten prooi. De geestelijkheid was
misschien nog dieper gezonken dan de leeken. Woronesj bezat geene
scholen; de popen konden ter nauwernood lezen; de heilige dienst
werd slecht en oneerbiedig afgeraffeld. De geheele bevolking was
in allerlei zonde en ongerechtigheid verzonken. Tikhon aanvaardde,
met zeldzamen moed, den strijd tegen deze overmacht des kwaads, en
tastte het in den wortel aan, beginnende met de geestelijkheid. Ten
einde den priesterlijken stand te verheffen, en hen die zich daarvoor
voorbereidden, achting voor zich zelf in te boezemen, verbood hij het
gebruikelijke geeselen op de seminariën. Deze hervorming was slechts
een voorteeken van hetgeen volgen zou. Langzamerhand wist hij door
leer en voorbeeld zijne geestelijkheid te bekeeren; hij noopte hen als
priesters te leven, alle onmatigheid en ongerechtigheid te schuwen,
en zich als ware dienstknechten Gods te gedragen. Binnen twee jaren
hervormde hij de scholen en zuiverde hij de kerk. Met niet minder zorg
waakte hij over de hem toevertrouwde kudde; ook daar ging hij het kwaad
te keer. Meermalen moest hij harde woorden spreken: maar zoo groot was
de eerbied, dien allen voor den goeden, ernstigen bisschop gevoelden;
dat niemand zijn gebod dorst te overtreden. "Gij moet doen wat Tikhon
u zegt," spraken de burgers en landlieden menigmaal tot elkander;
"anders zal hij u bij God verklagen." De bisschop zelf ging allen
voor. Hij kleedde zich zoo eenvoudig mogelijk; hij gebruikte de meest
alledaagsche spijzen; de wijn werd onaangeroerd van zijne tafel naar
de zieken gezonden. Hij was de vriend der armen, en ging alleen dan de
rijken bezoeken, wanneer geen ellendigen of ongelukkigen zijne hulp
behoefden. Het geheim van Tikhon's macht lag in zijn onberispelijken
wandel, in zijne medelijdende teederheid, in zijn edel liefhebbend
hart:--trouwens, waar elders schuilt de macht van alle waarlijk edelen
en goeden, van alle echte volgelingen des Heeren? "Gebrek aan liefde,
placht de waardige herder te zeggen, is de oorzaak van al onze ellende;
hadden wij onze broeders hartelijker lief, het zou ons lichter vallen
smart en moeite te dragen; de liefde weet alle leed en alle pijn te
verzachten en te genezen."

Zoo leefde hij twee jaren in Nowgorod, vijf jaren in Woronesj, tot een
zegen voor allen, die hem leerden kennen: toen werd de begeerte naar
afzondering hem te sterk. Hij legde den herdersstaf neder, verliet
zijn bisschoppelijk paleis, en trok zich terug in het klooster van
Zadonsk, eene kleine stad aan de Don, waar hij zich onledig hield
met schrijven en het bezoeken van armen. Maar ook nu was zijn arbeid
gezegend en rijk aan gevolgen: Tikhon was een der eersten, zoo niet de
eerste, die openlijk optrad als voorspraak en pleitbezorger voor de
lijfeigenen. Vijftien deelen van zijne hand hebben het licht gezien;
naar men zegt, zijn er nog vijftien deelen in handschrift aanwezig;
en sommigen van deze werken hebben vijftig herdrukken beleefd. Zijne
grootste verdienste als schrijver bestaat wel hierin, dat hij de
vrijlating der lijfeigenen voorzag, voorbereidde en onvermoeid
verdedigde en aanprees.

Vijftien jaren lang leidde hij het leven van een heilige. Als
vriend en voorspraak der verdrukte lijfeigenen, ging hij op zekeren
dag naar het kasteel van een prins in den omtrek van Woronesj, om
dezen te onderhouden over het ongelijk dat zijn onderhoorigen werd
aangedaan, en hem om Jezus wil te bidden, medelijden te hebben met de
armen. Tikhon zeide ronduit wat hij te zeggen had; de prins maakte
zich boos; het kwam tot vrij hooge woorden, en in een oogenblik van
drift gaf de prins hem een slag in het aangezicht. Tikhon stond op
en verliet het huis; maar toen hij een eind weegs was voortgegaan,
begon hij te begrijpen dat hij zelf verkeerd had gehandeld, niet
minder dan zijn beleediger. Deze man, zoo sprak hij bij zich zelf,
heeft iets gedaan, waarover hij, als zijn drift voorbij is, zich zal
schamen; en wie heeft aanleiding gegeven tot deze booze daad? "Het was
mijne schuld, antwoordde de boetprediker, keerde zich om en ging terug
naar het kasteel. Daar wierp Tikhon zich aan de voeten van den prins,
hem vergeving vragende omdat hij hem tot toorn had geprikkeld en tot
zonde verleid. De prins was, door deze onverwachte verschijning, zoo
getroffen, dat hij zich nevens den monnik op de knieën wierp, diens
handen kussend, en zijne vergiffenis en zegen afsmeekende. Van dien
dag was de prins een ander mensch, door geheel de provincie bekend
en geliefd als een vriend en vader zijner onderhoorigen.

Tikhon bereikte den ouderdom van tachtig jaren. Voor zijn dood
voorspelde hij aan de broederen van zijn klooster nauwkeurig den dag
van zijn sterven: en deze voorspelling werd letterlijk vervuld. Hij
werd in de kloosterkerk begraven, en weldra stroomden van alle
kanten scharen van bedevaartgangers naar zijne grafstede. Want van
het gebeente des heiligen mans ging kracht uit tot genezing der
kranken: de kreupelen werden gezond, de blinden ziende, de gebogenen
opgericht. De stemme des volks vorderde de heiligverklaring van
dezen vriend der lijfeigenen; en de tegenwoordige keizer, aan die
roepstem gehoor gevende, noodigde de heilige synode uit, het voor
de canonisatie gevorderde onderzoek in te stellen. Eene commissie
werd benoemd; de zaak werd onderzocht; de wonderen worden bewezen;
vervolgens werd het graf geopend. Een geur van bloemen steeg uit de
lijkkist op; het lichaam was ongeschonden, bloeiend en frisch: het
besluit der canonisatie werd geteekend in het jaar 1861, het jaar
der groote emancipatie. Tikhons naam is onafscheidelijk aan dien
maatregel verbonden.

Maar het grootste wonder uit dien nieuweren tijd, het schitterendst
bewijs der bijzondere bescherming Gods over het heilige Rusland,
is de verdediging van Solowetsk door de moedermaagd, toen de
engelsch-fransche vloot in 1854 de heilige-eilanden bedreigde.

Zoodra te Petersburg de tijding was ontvangen, dat eene engelsche
vloot naar de Poolzee koers had gezet, werden door het ministerie
van oorlog de gewone maatregelen van tegenweer genomen, voor zoover
dat, in de bestaande omstandigheden, mogelijk was. Zes oude stukken
vestinggeschut, die eene plaats in een museum hadden verdiend,
werden van Archangel naar het klooster gezonden, tegelijk met vijf
artilleristen en vijftig liniesoldaten, uit het invaliden-corps
gekozen. Aan het hoofd dezer krijgsmacht stond een officier, die
echter spoedig overleed, juist toen de engelsche schepen in de
Witte-zee waren gekomen.

In hun eersten schrik hadden de monniken de kostbare gewaden
en kerksieraden, de charters en edelgesteenten naar de steden
in het binnenland gezonden, vader Alexander, de archimandriet,
had gebeden en bijzondere diensten in de verschillende kerken en
kapellen uitgeschreven; hij zelf bediende de mis voor de graven
van Savatius en Zosimus, in de krypt der kathedraal, en ook voor de
wonderdoende afbeelding der heilige maagd, door Savatius naar het
eiland gebracht. Naarmate de tijdingen onrustbarender werden en het
gevaar naderde, sterkte de archimandriet de broederen door toespraak
en vermaning, hen opwekkende al hun vertrouwen op God te stellen en
van hem alleen de hulpe te verwachten.

In den morgen van dinsdag, 18 Juli 1854, berichtten de wachters dat
twee fregatten kaap Beluga waren omzeild;--de archimandriet schreef
een driedaagsche vasten uit. De beide fregatten wierpen het anker uit,
op zeven mijlen afstands van de kust:--de archimandriet beval dat
de kloosterklok zou worden geluid voor eene bijzondere dienst ter
eere der Allerheiligste Moeder Gods. Als een der oude hebreeuwsche
koningen, ontdeed hij zich van zijn plechtgewaad, vernederde zich voor
het oog der eerwaarde vaders, en bad voor de graven van Savatius en
Zosimus geknield. Toen nam hij het wonderdoende beeld der Panagia
(de Alheilige, bijnaam der Maagd Maria in de oostersche kerk) van
den wand, en droeg dit in statigen ommegang langs de wallen, gevolgd
door al de monniken. En zie--de beide fregatten lichtten het anker,
en verwijderden zich.

Echter, daar de schepen in het richting van Kem waren weggestoomd,
bestond er alle reden om te vreezen, dat zij terug zouden komen. De
vaandrig Niconowitsj, die het bevel over de kompagnie invaliden
op zich had genomen, ging op verkenning van het strand uit, twee
drieponders door het zand met zich medevoerende; terwijl een aantal
pelgrims en werklieden zich vrijwillig aanboden om de wacht te
betrekken. Niconowitsj wierp, van zand en graszoden, eene soort
van batterij op, waarachter hij zijn geschut plaatste; ook werden
acht kleine veldstukjes op de torens en wallen geplaatst, waarna de
monniken hunne gebeden hervatten.

Den volgenden dag werd een donkere rookkolom in de heldere zomerlucht
zichtbaar. De twee schepen, die weldra bleken de _Brisk_ en de
_Miranda_ te zijn, stoomden de baai binnen. De _Brisk_ begon den
aanval: zij vuurde met schroot op het klooster. Het scheelde weinig, of
de archimandriet, die op de kaai stond, ware door een kogel getroffen;
de monniken, verschrikt door het ratelend geschut, vloden naar het
binnenplein, en sloten de heilige-poort achter zich toe.

Een zekere Drushlewski, een onderofficier, die met tien man en een
kanon in den Weverstoren stond, beantwoordde het vuur der Engelschen;
waarop het fregat, zich naar den toren keerende, dezen de volle laag
gaf. Drushlewski raapte den hem toegeworpen handschoen op; maar
daar hij slechts weinig buskruit had, spaarde hij zijne krachten
en berekende zijne slagen. De _Brisk_ vuurde dertig malen; slechts
driemalen werd het kanon in den Weverstoren afgeschoten. Het laatste
schot deed het engelsche fregat afdeinzen: de kogel was in de zijde
van het schip gedrongen en had een man gedood.

De nacht werd in gebeden doorwaakt. De archimandriet kuste Drushlewski,
en gaf aan allen, die in de Weverstoren waren geweest, zijn zegen. Toen
de zon aan de kimme verdwenen was, waren de fregatten uit het gezicht;
maar toch was niemand gerust; het gevaar was nog niet geweken.

De volgende dag, donderdag 20 Juli, was een der grootste heiligedagen
in den russischen kalender: het was de feestdag van Onze-Lieve-Vrouwe
van Kazan: een dag waarop in geheel Rusland geen ploeg door het land
gedreven, geen fabriek geopend, geen school gehouden wordt. Evenals
naar gewoonte, werden, ten half drie in den morgen, de metten in de
kathedraal gezongen; juist was het _Te Deum_ geëindigd, toen een sloep,
de witte vlag voerende, van de _Brish_ afstak en naar de kaai voer. Zij
bracht een brief voor den archimandriet, waarbij de overgave van
het klooster werd geëischt, met bepaling tevens dat de bevelhebber
in persoon zijn zwaard moest overgeven, en dat het garnizoen
krijgsgevangen zou worden. De engelsche admiraal Ommaney waarschuwde
den archimandriet, dat wanneer een schot van de wallen werd gelost,
het bombardement onmiddellijk zou beginnen. De archimandriet zeide,
dat hij zijn antwoord aan den admiraal zou zenden. Dit antwoord was
eene uitdrukkelijke weigering om de sleutels van het klooster over te
geven; een pelgrim, Soltikoff genaamd, werd met de overbrenging belast.

De admiraal las den brief, en verklaarde dat alle verdere
onderhandeling overbodig was, en het bombardement aanstonds zou
beginnen. Met moeite stond hij eenig uitstel toe; nauwelijks had
Soltikoff de heilige-poort bereikt, of de eerste bom vloog over de
wallen van het klooster. Het was nu kwartier over zevenen. Juist
toen de engelsche schepen hun vuur openden, riep de kloosterklok de
monniken ten gebede. Bommen, kogels en granaten daalden in suizende
vaart en met ratelend gerucht, als een hagelbui, op de muren en koepels
neder; rusteloos woedde de verdelgende oorlogsorkaan daar buiten: toch
werd de heilige dienst den ganschen dag door onverpoosd voortgezet,
en zweeg in den tempel de stem des gebeds geen oogenblik! Terwijl de
schare geknield lag, sloeg een bom in den koepel van de kathedraal,
vernielde de houten kap, en deed de zoldering naar beneden tuimelen. De
balken vatten vuur; de gansche kerk werd met rook gevuld; de vensters
rammelden, de deuren vlogen open; het gansche gebouw dreunde en
sidderde op zijne grondslagen;--de ontzette schare wierp zich met het
gelaat op de steenen. Een man alleen behield zijne tegenwoordigheid
van geest. Voor de koninklijke poort staande, riep de archimandriet
zijn kinderen toe: "Blijft! blijft! Weest niet verschrikt; de Heer
zal de zijnen bewaren!"--Opziende, zagen de monniken en pelgrims den
eerwaardigen grijsaard, staande voor het altaar, kalm en onversaagd,
terwijl groote tranen langs zijne wangen biggelden. Dit gezicht
bezielde hen met nieuwen moed. Zij sprongen op, haalden water, doofden
de vlammen uit, ruimden de neergestorte planken en balken weg; en nadat
de kerk gereinigd was, bogen zij zich op nieuw ter aarde en baden.

Voor de graven van Savatius en Zosimus werd de dienst den ganschen
dag voortgezet. Eenmaal trof een kogel het altaar; de dienstdoende
pope sprong terug; de gemeente boog in ontzetting het aangezicht
ter aarde. Ieder dacht dat zijn laatste uur gekomen was; en in hunne
bekommering vroegen velen om het laatste sakrament. Vader Varnau zette
zich in den biechtstoel, nam de geloovigen de biecht af, en diende
het sakrament toe. De archimandriet was de eerste, die belijdenis
zijner zonden deed, en het lichaam des Heeren genoot. De popen en
andere broeders volgden; toen de pelgrims, de soldaten, de vrouwen,
en nadat allen de absolutie ontvangen hadden, knielden zij neder voor
de altaren en bij de graven van Filippus, Savatius en Zosimus, en in
de kapel der moeder Gods. Inmiddels zweeg de donder van het geschut
niet, en raasde de wilde storm van ijzer en vuur onophoudelijk over
het sidderende klooster.

Het was middag geworden. Daar luidden nogmaals de kloosterklokken:
de monniken en pelgrims verzamelden zich op den wal en schaarden
zich daar in rijen voor de groote processie. De monniken openden den
langen trein; op hen volgden de pelgrims, daarachter kwamen de vrouwen
en kinderen. Toen zij allen gereed waren, nam de archimandriet de
wonderdoende beeltenis der heilige maagd, die nevens het altaar hing,
en het groote, hoog vereerde crucifix. Het kruis in de rechter, de
madonna met de linkerhand gevat houdende, plaatste hij zich aan het
hoofd der schare en leidde haar langs de wallen, onder het vuur des
vijands. De groote klok luidde, de monniken en pelgrims hieven hun
psalmen aan. Kogels en granaten vlogen snorrend over hen heen; de
muren sidderden; de pannen stoven in splinters van de daken. Nabij
den hoektoren aan het Heilige-meer gekomen, moest de processie
stilhouden: een granaat had den windmolen getroffen en de wieken in
brand gestoken. Psalmen zingende en luide biddende, wachtten allen tot
het vuur was uitgebrand, en vervolgden daarna hun tocht. Een weinig
verder, vloog een bom midden door den muur, steenen, balken en planken
verpletterende en voortslingerende tot midden onder de processie: die
daardoor in tweeën werd gebroken. "Gaat voort!" riep de archimandriet,
met zijn kruis zwaaiende,--en de schare ging voort, altijd voort.--Bij
den Weverstoren gekomen, riep de archimandriet den monnik Gennadius,
en gaf hem het kruis, met last om daarmede in den toren te gaan,
en het beeld des Heilands door de soldaten te doen kussen.

Thans zou er een wonder geschieden. De processie had den Weverstoren
verlaten, en een open plek bereikt, die zij over moest steken onder
het geweldige vuur des vijands en den vernielenden kogelregen. Geen
menschelijk wezen kon ongestraft dat vuur trotseeren, tenzij dat
eene bovenaardsche macht hem beschermde. Nu zou het geloof dezer
onverschrokken mannen inderdaad op de proef worden gesteld. Een
oogenblik stond de processie stil; maar de aarzeling duurde ook
slechts een oogenblik. De archimandriet, de beeltenis der moedermaagd
opheffende, trad onbeschroomd in die dwarrelwolk van stof en rook;
de monniken en pelgrims, de vrouwen en kinderen volgden, luide hunne
lofzangen zingende.--En zie--de bommen en granaten der engelsche
schepen weken van haar baan, dwarrelden boven de koepels en torens,
en stortten neder in het Heilige-meer achter het klooster. Aller
oogen aanschouwden het wonder; en uit aller harten steeg, met
heilige ontroering, de dank tot onze- lieve- vrouwe, de machtige en
zegepralende Panagia!

De fregatten hielden af en verwijderden zich, om niet weder terug
te keeren; overwonnen en te schande gemaakt, hoewel niet door
menschelijke macht. Niemand in het klooster had eenig letsel bekomen,
niettegenstaande het woedende bombardement langer dan een halven dag
geduurd had.

De tijding van dezen onwaardigen en heiligschennenden aanval vloog, als
een elektrieke schok, door het gansche groote rijk, overal de heftigste
gemoedsbewegingen in het leven roepende. De gewaarwording, die de
geloovige Rus bij dit bericht moest ondervinden, laat zich het best
vergelijken met hetgeen in ons gemoed zou omgaan op het vernemen der
tijding dat een of andere turksche pâsha de kerk van het Heilige-graf
te Jeruzalem had laten bombardeeren. Verbazing, verontwaardiging,
woede kookten in aller hart; tot straks de blijde mare kwam dat deze
hemeltergende aanslag was mislukt en geheel te schande gemaakt. Sinds
dat wonderjaar is de glorie van Solowetsk hooger dan ooit geklommen:
eene bedevaart naar het klooster op het Heilige-eiland geldt voor bijna
even verdienstelijk als een pelgrimage naar Bethlehem en het graf des
Heeren. Boeren en landlieden gaven het voorbeeld; monarchen en vorsten
volgden. Alexander III is in bedevaart naar Solowetsk getogen; zijn
broeder Constantijn is hem gevolgd; twee van 's keizers zonen zullen
eerlang denzelfden tocht aanvaarden. Men zegt zelfs dat de keizerin
de gelofte heeft afgelegd, het graf van Savatius te zullen bezoeken,
indien de hemel haar hare gezondheid wedergeeft.



XI.

DE RUSSISCHE SEKTEN.


De vreemdeling, die niet aan den uiterlijken schijn der dingen
blijft hangen, en niet enkel de officiëele waarheid als de alleen
geldende aanneemt, zal weldra tot de ontdekking komen, dat in de
diepte der russische maatschappij vijandige elementen aan het woelen
en gisten zijn: een conflict van vrij wat meer beteekenis, dan de
meer of minder openlijk gevoerde strijd tusschen de wereldlijke
geestelijkheid en de kloosterlingen. Ook in Rusland bestaan er
partijen, die, overeenkomstig den geheelen maatschappelijken toestand
en het standpunt van ontwikkeling, waarop het russische volk staat,
tegelijk een kerkelijk en een staatkundig karakter hebben: sekten
in de eerste plaats, maar tevens ook politieke factiën. Trouwens,
de orthodoxe kerk is eene staatsinstelling, waarvan de keizer het
erkende hoofd is; wie zich dus van haar afscheidt, keert zich tegelijk,
in meerdere of mindere mate, tegen de regeering zelve.

Keizer Nikolaas wilde er niet gaarne van hooren, dat een zijner
onderdanen van zijne kerk afvallig was geworden; hij trachtte zich
het onaangename feit, dat er toch werkelijk dissidenten waren, zooveel
mogelijk te ontveinzen; vooral het naar buiten geheim te houden. Nu,
wat de meester niet wilde vernemen, trachtten de ministers ook niet te
zien. De tsaar beroemde er zich gaarne op, dat millioenen Muzelmannen,
Joden en Boeddhisten in vrede onder zijn schepter leefden; maar dat
een zijner eigene landgenooten zich veroorloofde in godsdienstige
overtuiging met den keizer te verschillen, stond in zijne oogen bijna
met oproer en hoogverraad gelijk. De kerk had nu eenmaal vastgesteld
wat ieder te gelooven had, den eenigen weg afgebakend om aan het eeuwig
verderf te ontkomen: daaraan moesten nu ook allen zich houden. Had
de keizer zelf niet gezworen, dat hij dit geloof zou eerbiedigen en
handhaven? Zoolang Nikolaas leefde, behoorde het in het Winterpaleis
tot den goeden toon, niet meer aan het bestaan der vroegere sekten te
gelooven: men deed het voorkomen, alsof zij allen verdwenen waren, en
er in het gansche rijk inderdaad niet meer dan ééne christelijke kerk
bestond. Misschien is keizer Nikolaas de eeuwigheid ingegaan, zonder
ooit de waarheid te hebben vernomen omtrent die vele duizende menschen,
die, naar het heette, voor zijne ongenade als versmolten waren.

Intusschen won, buiten het Winterpaleis en de officiëele kerkelijke
kringen, de afscheiding in kracht en tal, gedurende de geheele
regeering van den tsaar. Ongetwijfeld keerden enkelen in den schoot
der orthodoxe kerk terug--maar door geweld gedwongen. Doch dergelijke
maatregelen mogen sommigen ontrouw doen worden aan hun geloof:
zij, voor wie dat geloof waarlijk ernst, eene zaak des harten was,
waren op deze wijze niet te winnen, al moesten zij bittere tijden
doorleven. Eene godsdienstige overtuiging wordt niet waarlijk
overwonnen door het bestormen van de bedehuizen harer belijders;
en de dertigjarige vervolging heeft niet anders uitgewerkt, dan
dat de dissidenten heden ten dage talrijker, welvarender, vaster
aaneengesloten zijn, dan toen keizer Nikolaas den troon beklom.

Niemand in geheel Rusland zal durven beweren, dat hij de namen,
het aantal aanhangers en de bijzondere geloofsartikelen van al deze
sekten kent; veel minder, dat hij iets weet van haar ontstaan en
verborgen ontwikkeling. Niet alleen wordt alles wat de _raskol_, de
afscheiding, betreft, zooveel mogelijk geheim gehouden: maar ook de
sekten zelf hullen zich zooveel zij kunnen in het duister. Volgens den
minister van politie splitsen zij zich in vier hoofdgroepen, te weten:
I de _Doukhobortzis_ of _Pneumatomaken_, worstelaars van den geest;
II de _Malakhanys_, melkëters; III de _Khlystis_, geeselaars en IV
de _Skoptzis_, eunuken of gesnedenen. [1]

Het is misschien niet gemakkelijk, het in opzettelijke zelfmisleiding
verder te brengen, dan in deze officiëele lijst geschiedt. Vier
groepen alzoo, en niet meer? Maar de waarheid is, dat de russische
_raskolniken_ (dissenters, afgescheidenen) zich wel in honderd
sekten verdeelen. Ook de rangschikking is zonderling, en berust op
geen enkelen redelijken grond. De _Worstelaars van den geest_, die
het eerst worden genoemd, zijn noch eene oude, noch eene machtige
sekte. De _Melkëters_ zijn van lateren oorsprong dan de _Geeselaars_
en de _Gesnedenen_; ook dragen deze beide laatste sekten een geheel
ander karakter dan de beide eerstgenoemden, die, in sommige opzichten,
met de Methodisten en Puriteinen zijn te vergelijken. De Khlystis zijn
niet zoo talrijk als de Skoptzis, hoewel zij hoogstwaarschijnlijk de
Doukhobortzis in aantal overtreffen.

De oorsprong der Khlystis moet wellicht in de dertiende of veertiende
eeuw worden gezocht; niemand schijnt daarvan met juistheid iets te
weten; volgens sommigen zou de sekte in de eerste jaren van tsaar
Alexis Michaelowitsch, dat is dus omstreeks de helft der zeventiende
eeuw, zijn ontstaan. Zij zelf noemen Christus als de stichter hunner
sekte. De Skoptzis zijn nog ouder; zij zijn zeer talrijk en over het
algemeen zeer vermogend, maar houden zorgvuldig alles wat hun geloof en
hunne gebruiken betreft, geheim. Zij noemen zich zelf _Beliegolubis_,
witte duiven, en gelooven, naar het schijnt, aan eene voortdurende
incarnatie van Christus: een dezer laatste verschijningen van den
Heiland was, volgens hen, tsaar Peter III, dien zij allen bijzondere
eer bewijzen.

Doch deze vier groepen zijn, heden ten dage, niet meer de
belangrijkste; wel bestaan zij nog altijd, komen voor in officiëele
lijsten en verslagen, worden besproken in boeken en verhandelingen;
maar zij zijn, in zekeren zin, historische sekten, die tot een
vroegeren tijd behooren, en voor wie, zooals het gaat, de tijd van
aanvallende propaganda grootendeels voorbij is. De altijd werkzame
schismatieke geest gaat nog voortdurend voort, zich in andere,
nieuwere vormen te openbaren. Naarmate het onderwijs algemeener wordt,
vermenigvuldigen zich de sekten. Een pope zeide eens tot mij: "Hetgeen
in onzen tijd gebeurt, verbaast en bedroeft mij. Ik wil gaarne van
deze eeuw het beste denken: maar het is mijne doorgaande ervaring,
dat zoodra een boer kan lezen en voor zich zelf begint te denken,
hij onvermijdelijk een ketter wordt."--Er heerscht in de russische
maatschappij, in de russische kerk, eene sterke beweging, eene
machtige gisting: een voorgevoel van de naderende crisis vervult de
gemoederen der menschen met vrees en hoop, met twijfel en dorst naar
zekerheid; het is of allen, in angstige spanning, uitzien naar eene
openbaring van boven, die aan de bestaande onzekerheid en verwarring
een einde zal maken. Vandaar, dat ieder stoutmoedige dweeper of listige
bedrieger, die zich zelf voor een profeet durft uitgeven, aanstonds
eene schare van volgelingen vindt. Deze verschijnselen zijn teekenen
der tijden, die met de diepste bewegingen in de wereld der geesten,
met den historischen ontwikkelingsgang des volks, samenhangen,
en getuigen van bestaande behoeften, die op deze wijze bevrediging
zoeken. De meesten dezer sekten hebben zoowel een politiek als een
godsdienstig karakter. Inlichtingen, die ik in verschillende, ver
verwijderde provinciën van het groote rijk heb ingewonnen, stellen
mij in staat het een en ander mede te deelen omtrent godsdienstige
genootschappen van zoo jongen datum, dat zelfs in Rusland hunne namen
nog ternauwernood bekend zijn.

In het jaar 1868 vormde zich plotseling in de stad Atkarsk, in het
gouvernement Saratow en in het bisdom van Tsaritzin, eene nieuwe
sekte. Zestien personen scheidden zich van de orthodoxe kerk af,
zonder daarvan kennis te geven aan hun pope; zij stichtten eene
nieuwe godsdienst, en begonnen, op hunne wijze, het Evangelie te
prediken. Heiligenbeelden en altaarstukken beschouwen zij als afgoden;
het brood en de wijn des avondmaals hebben, volgens hen, hun tijd
gehad. Zij zeiden van Christus zelf den last ontvangen te hebben om
te onderwijzen, te prediken, te lijden en eene kerk te stichten. Om
aan die goddelijke lastgeving te voldoen, begaven zij zich naar de
rivier de Wolga, dompelden elkander in hare wateren, namen een anderen
naam aan, en hielden te zamen een plechtig feest. Dit gebeurde midden
in den winter, op asch-woensdag, 26 Februari, toen de wateren van de
Wolga met ijs waren bedekt, waarin gaten gehouwen moesten worden.--Deze
nieuwe apostelen der waarheid geven zich zelf den bescheiden naam van
_kleine-christenen_. Zij hebben geen priesters, geen formulieren, geen
beelden; gebruiken geen hostiën en geen gewijde olie. In plaats van
het gewijde brood, eten zij een soort van koeken, in vorm en omvang
aan een half-stuivers broodje gelijk, die zij als een bijzondere gave
van God vereeren, en waaraan zij allerlei geheimzinnige krachten en
bovennatuurlijke vermogens toeschrijven.

Zoodra de bisschop van Tsaritzin van deze beweging onder zijne kudde
hoorde, richtte hij een schrijven aan graaf Tolstoï, den minister
van onderwijs, die aanstonds zijne bevelen zond naar de plaatselijke
politie. De nieuwe sektarissen moesten nauwkeurig worden gadegeslagen;
geen indompelingen in het ijs mochten meer worden toegelaten; met
het bakken der gewijde koeken mocht niet worden voortgegaan. Elke
prediking van deze nieuwe leer moest onmiddellijk worden verboden;
de bisschop moest geraadpleegd worden omtrent hetgeen verder tegen de
sektarissen te doen viel. Al deze bevelen werden stiptelijk uitgevoerd;
de politie bereikte ook hier het gewone resultaat van hare ijverige
pogingen: de ketterij der kleine-christenen wint met den dag veld.



Datzelfde jaar 1868 was getuige van de opkomst van nog eene andere
sekte. De gouverneur van Kherson vernam, tot zijne verbazing, dat
eenige boeren in zijne provincie door de politie in hechtenis waren
genomen om de zeker niet alledaagsche reden, dat zij zich veel te goed
en te ordentelijk gedroegen voor lieden van hun stand. Naar men zeide,
dronken die boeren geen sterken drank, vloekten niet, logen niet,
waren niemand iets schuldig, en gingen ook niet ter biecht om den
pope hunne zonden te belijden. Niemand begreep daar iets van; en de
politie, geërgerd dat zij niets ten nadeele van die lieden vinden
kon, nam ze allen met een slag gevangen, zette ze in den kerker,
en berichtte den gouverneur welke vermoedens bij haar waren gerezen.

Deze al te deugdzame boeren waren broeders, Ratushni genaamd,
woonachtig in het dorp Osnowa, waar zij eenig land in eigendom
bezaten. Osnowa ligt in de nabijheid van een kleine stad, Ananiew
genaamd, waar een eenvoudig burger, Vonsarski, woonde, die ook bij de
politie met een zwarte kool stond aangeschreven, omdat ook hij een veel
te braaf man was voor zijn stand. Vonsarski betaalde zijn schulden,
en brak nooit zijn woord; hij leefde in vrede met zijne vrouw,--en
verscheen nooit ter kerk. Hij werd dus ook gevangen genomen, tot de
gouverneur uitspraak zou hebben gedaan.

Naar men zegt, had de politie gehandeld op aansporing van de
monniken. Al was er op het oogenblik met grond niets tegen de
gevangenen in te brengen, toch hoopte men dat op het gerucht hunner
gevangenneming, de tongen los zouden worden, en dan wellicht het een
of ander uit zou lekken, waaruit met fatsoen eene niet al te dwaze
beschuldiging tegen deze lieden ware samen te stellen.

De Ratushni's en Vonsarski stonden bekend als verlichte mannen;
men wist ook dat zij meermalen in aanraking waren geweest met de
hernhuttersche kolonisten in het zuiden van Rusland. Het gaf reeds
ergernis genoeg, dat zij blijkbaar de voorkeur gaven aan de wijze
waarop deze vreemdelingen hunne paarden optuigden en hunne ossen voor
den wagen spanden. Bovendien was er alleszins grond voor het vermoeden,
dat zij geen onbepaalde bewonderaars waren van de organisatie der
landelijke gemeenten, maar een ander stelsel wenschten, dat meer ruimte
liet voor de betooning van rechtvaardige en waarlijk godsdienstige
onderlinge liefde en behulpzaamheid. Men gaf hun om die reden den
naam van _Helpers_. Maar hun voornaamste misdaad was toch altijd
hunne minachting voor de kerkelijke ceremoniën, en hun zucht voor
huiselijke godsdienstoefening, zonder inmenging van den pope.

De gouverneur van Kherson aarzelde geen oogenblik wat te doen:
hij liet de gevangenen aanstonds in vrijheid stellen. De monniken
beschuldigden hem nu van medeplichtigheid aan ketterij, en noemden
hem een scheurmaker; maar hij wees hen op paragraaf elf van de
keizerlijke ukase betreffende de dissenters, waarin met zoovele
woorden te lezen staat dat ieder mag gelooven wat zijn geweten hem
gebiedt, en deswege geen overlast zal lijden, zoolang hij door zijne
pogingen om anderen te bekeeren geen onrust en ergernis verwekt. De
prins voegde er de vermaning bij, dat de geestelijkheid, indien zij
hare roeping waardiglijk wilde vervullen, zich beijveren moest om de
afgedwaalde schapen weder tot de kudde terug te voeren.

In de omstreken van Kazan hoorde ik voor het eerst spreken van een
nieuwe sekte, die in het gouvernement Wjatka was ontstaan, en der
regeering vele moeilijkheden dreigde te veroorzaken. De aanhangers
dezer sekte waren arme boeren, die zich verbeeldden dat zij een
aangeboren recht op den grond hadden, en het dus eene ongehoorde
tyrannie was, van hen de betaling van pacht te vorderen. Het kanton
Mostowinsk, in het district Sarapul, was het tooneel dezer beweging. De
provincie Wjatka, aan de aziatische grenzen gelegen, heeft eene zeer
gemengde bevolking, uit Russen, Finnen, Basjkiren, Tartaren bestaande;
in hare diepe, moeilijk toegankelijke dalen vindt men belijders van
bijna iedere godsdienst: christenen, mohammedanen, boeddhisten,
heidenen; onder allerlei namen en vormen. In deze eene provincie
tieren zeker twintig verschillende christelijke sekten; en daar
alle vreemdelingen en afgodendienaars in dat gouvernement het recht
hebben om door hunne eigene hoofden te worden geregeerd, is het geen
gemakkelijke taak de ketterij in al hare verwarde vertakkingen na te
gaan. Maar eene sekte als deze kon kwalijk verborgen blijven. Willen
zij hun plicht betrachten en hun leeraar gehoorzamen, dan moesten
deze sektarissen voor de wereld optreden, hunne leer bekend maken en
verdedigen: dit was het noodzakelijk gevolg hunner bekeering; en toen
dan ook de tijd voor het betalen der pacht gekomen was, weigerden
zij de betaling. Evenals alle kroonboeren (en deze hervormers waren
allen voormalige kroonboeren) hadden zij hunne woningen en een zeker
stuk land in eigendom ontvangen, onder voorwaarde dat zij, gedurende
zekeren tijd, eene zeer matige rente zouden betalen. Nu weigerden
zij dit en wel om godsdienstige redenen.

De gouverneur van Wjatka, hierover ongerust, schreef naar Petersburg
om nadere instructies. Hem werd gelast, een onderzoek in te stellen,
de leiders gevangen te nemen; en zorgvuldig te waken tegen elk
begin van verzet of oproerigheid. Ongeveer tweehonderd wanbetalers
werden door de politie gevangen genomen, in afdeelingen gesplist en
ondervraagd. Eenigen werden, op voorspraak van den gouverneur, weder
ontslagen; maar toen ik Kazan verliet, waren drie-en-twintig dezer
wanbetalers nog altijd in de gevangenis. Men kon hun maar niet aan
het verstand brengen dat zij dwaalden; zij wilden zich niet verbinden,
hunne leer niet verder te verspreiden; en, wat nog het ergste van alles
was, zij bleven hardnekkig de voldoening der op hun land klevende rente
weigeren. Wat moet een praktisch staatsman aanvangen met lieden, die,
uit gemoedsbezwaren, de betaling van belasting en pacht weigeren?



Bij mijne komst in de provincie Simbirsk had ieder den mond vol
van een zonderlinge soort van lieden, wier bestaan eerst onlangs
was ontdekt. Een zekere Peter Mironoff, een gewoon soldaat, had zich
opgeworpen als stichter eener nieuwe godsdienst, waarvan de belijdenis
en gebruiken zeer geheim moesten worden gehouden, en die zelfs geen
naam droeg. Deze Peter stond als een braaf, oppassend man bekend;
hij was vroom, ernstig, ordelijk en betamelijk in zijn gedrag;
als soldaat ontbrak hij nooit bij de exercitiën; als biechteling
gaf hij zijn pope nimmer reden tot klachten. Niemand verwachtte van
hem iets bijzonders. Naar men zegt, begon hij met veertien zijner
makkers te bekeeren, die zich allen bij eede verbonden, dat zij
de hun geopenbaarde waarheid geheim zouden houden; dat zij zooveel
mogelijk alle aanleiding tot achterdocht zonden vermijden; dat zij,
des noods, ballingschap, pijniging en zelfs den dood zouden ondergaan,
maar nooit de geheime leer openbaren.

Peter, die zelf niets geleerd heeft en dus hoegenaamd geen eerbied
heeft voor boeken, is een verklaarde vijand van alle formulieren, van
alle liturgiën, van alle levensbeschrijvingen der heiligen. Volgens
hem, zijn lezen en schrijven gevaarlijke verleidingen en dwalingen: de
overlevering, door eene levende persoonlijkheid bewaard en verkondigd,
is voor hem de echte bron en toetssteen der waarheid. Hoewel hij
ijvert tegen alle kruisen en beelden, hangt toch een zilveren
heiligenbeeld, op eene zeer zichtbare plaats, in zijne kamer, en
draagt hij voortdurend een koperen kruis om zijn hals. Hij leert
zijn discipelen, dat de ware godsdienst bestaat in een voortdurenden
strijd tegen het vleesch, en schrijft daarom zeer strenge vasten en
onthouding voor. Als zij vasten, moeten zij zich volstrekt van alle
spijze onthouden, om den Heer niet te bespotten; en zelfs wanneer zij
aan de physieke behoeften des lichaams moeten voldoen, behooren zij
toch alle overtollige weelde, als den uitverkorenen niet voegende, te
vermijden, zooals het gebruik van vleesch en wijn, van melk en eieren,
van olie en visch. Hij waarschuwt de jongelieden tegen de zonde van
het huwelijk, en vermaant de gehuwden, met elkander als broeders
en zusters te leven, in reinheid en vrede, zooals de engelen in den
hemel. Volgens Peter is het menschelijk hart vol van goede en kwade
beginselen en neigingen; hij houdt zich overtuigd dat het mogelijk
is, het kwaad door het goed te overwinnen; vasten en bidden zijn de
eenige en ook afdoende middelen om de booze geesten te verdrijven,
die over het vleesch heerschappij voeren.

De volgelingen van dezen nieuwen apostel verwerpen alle mysteriën
en sacramenten, alle uiterlijke teekenen en symbolen van
Godsvereering. Zij leven in vrede met de wereld, helpen elkander
zooveel in hun vermogen is, en gehoorzamen onvoorwaardelijk aan de
bevelen van eene door hen gekozen heilige maagd: de door de zonde
gevallen mensch kan, naar hunne meening, alleen eene vrouw en maagd
als voorganger en leeraar erkennen. Het ware hoofd der sekte is dan
ook eene boerenvrouw, Anicia genaamd, woonachtig in het dorp Perewoz,
in het gouvernement van Tambow; zij staat niet alleen boven Peter
Mironoff zelf, maar ook boven den Zaligmaker en Sint-Nicolaas.

De godsdienstoefeningen dezer sekte, die in het geheim, met gesloten
deuren gehouden worden, beginnen en eindigen met gezang, begeleid
door eene eigenaardige soort van kort afgebroken muziek, en vergezeld
van dansen en springen. De vormen der eeredienst zijn gedeeltelijk
aan de moskee ontleent. Zij bidden staande, buigen zich nu en dan
met het aangezicht ter aarde, en onthouden zich van het teeken des
kruises. Evenals alle dissidenten zonder onderscheid, zijn ook deze
sektarissen vijandig gekant tegen den officiëelen staat, niet minder
dan tegen de officiëele kerk.

Het duurde een geruimen tijd, eer Peter en zijne volgelingen bij de
politie werden aangeklaagd; en nu zij er zich eenmaal mede heeft
gemoeid, en de profeet en de maagd in de gevangenis zitten, weet
de regeering niet best wat te doen. Bijna alle mannen en vrouwen
toch, die beschuldigd werden leden te zijn van deze onwettige en
godslasterlijke sekte, staan in de provincie Simbirsk bekend als
lieden van een onberispelijken wandel. De hoofden der sekte staan
bijzonder hoog aangeschreven, niet alleen als trouwe kerkgangers,
maar zelfs als ijverige medearbeiders der geestelijkheid. Zij die
door de politie op vermoeden werden gevat, waren in den regel in het
bezit van een door den pope afgegeven certificaat, ten bewijze dat
zij regelmatig ter biecht kwamen en hoogtijd hielden. Moeder Anicia,
in haar dorp gevangen genomen, werd ten scherpste ondervraagd; maar
toch men heeft niets tot haar nadeel kunnen vinden. Zij is veertig
jaar oud, en, hoewel sedert negentien jaar gehuwd, nog altijd maagd:
en al hare buren verklaren eenstemmig dat zij een onberispelijk
voorbeeldig leven heeft geleid. Toch geeft de politie de zaak nog niet
op: Peter en Anicia vertoeven nog altijd in den kerker: het proces is
nog steeds aanhangig, en zal hoogstwaarschijnlijk daarmede eindigen,
dat de model-soldaat en de onberispelijke boerin hun verder leven in
een der Siberische mijnen zullen slijten.



Te Moskou verhaalde men mij van een sekte, die zeker wel
de zonderlingste van allen mag worden genoemd: de zoogenaamde
_Napoleonisten_. Hun haat tegen het rijk en de officiëele kerk heeft
hen er toe gebracht, den geduchtsten vijand, dien Rusland in de
laatste tijden gehad heeft, Napoleon I, als een soort van messias,
als een beschermgod van het Slavonische ras, te vereeren. Natuurlijk
dienen zij dit weinig vaderlandslievend geloof geheim te houden; ook
laten zij niemand bij hunne godsdienstoefeningen toe. Toch beweert
men dat zij een vast aaneengeschakeld genootschap vormen, en dat hun
aantal gedurig toeneemt. Zij vergaderen met gesloten deuren, onder
het oog der politie; maar zoovele sekten te Moskou doen hetzelfde,
dat deze omstandigheid op zich zelf niet zoo bijzonder vreemd is. Naar
men zegt, hebben zij in hunne woning een soort van altaar, waarop het
borstbeeld van Napoleon staat, en waarvoor zij nederknielen. Zij houden
zich overtuigd, dat hun messias nog in leven is; volgens hen, zou hij
aan de handen zijner vijanden zijn ontkomen, en van St.-Helena naar
Midden-Azië zijn gevlucht, waar hij nu zijn verblijf houdt te Irkutsk,
nabij het meer Baïkal, op de grenzen van chineesch Tartarije. Vandaar
zal hij te zijner tijd wederkomen, aan de onderlinge twisten der vele
sekten een einde maken, zich aan de spitse van een machtig leger
stellen, en de aanhangers van Satan, dat wil zeggen de regeerende
dynastie en hare dienaren, slaan met de scherpte des zwaards.



XII.

DE OUD-GELOOVIGEN.


Al deze zonderlinge secten en geheime genootschappen zouden weinig
gewicht in de schaal leggen, en hoogstens als merkwaardige uitingen van
deels politiek, deels godsdienstig fanatisme de aandacht verdienen,
indien zij enkel op zich zelf stonden, en niet veelmeer teekenen
waren van een algemeen verspreide kwaal in het groote rijk. Hun aller
gemeenschappelijke levensbodem, waarin zij wortelen, is de felle,
diep verborgen afkeer van de officiëele orthodoxe kerk.

Buiten Rusland zijn er maar weinig menschen, die kennis dragen van
het bestaan eener andere, populaire kerk nevens de officiëele; en nog
minder is het bekend dat deze beide kerken in rustelooze vijandschap
en bitteren strijd met elkander zijn gewikkeld. Toch mag dit feit
geen oogenblik worden voorbijgezien door ieder, die zich rekenschap
wil geven van de wezenlijke gesteldheid en de ontwikkeling van het
russische rijk.

De aanhangers dezer populaire kerk zijn de zoogenaamde oud-geloovigen,
dat wil zeggen: zij, die de voorgewende hervormingen van den patriarch
Nikon verwerpen, en de oude, van de vaderen overgeleverde liturgie
hebben behouden. "Gij zult in ons land, zeide een priester van
het oude geloof tot mij, een kerk van Byzantium en eene kerk van
Bethlehem vinden; eene oude leer en eene nieuwe leer; een stelsel
van menschelijke inzetting en een van God gegeven Evangelie."

Niemand heeft tot dusverre het juiste getal opgegeven van hen, die
als oud-geloovigen zich van de staatskerk hebben afgescheiden. De
regeering heeft somwijlen den schijn aangenomen, als wilde zij hen
als dissenters behandelen; maar nooit heeft men den moed gehad, hen
officieel onder de ketters en sektarissen te begrijpen. Men heeft hen
beurtelings gehaat, gevreesd, gevleid, mishandeld; spionnen hebben hen
bespied; de politie heeft hen in de gevangenis geworpen; ministers
hebben hen door schitterende aanbiedingen pogen te verlokken; maar
nooit heeft men het gewaagd hen te tellen, want de regeering zelve
deinsde terug voor de waarheid, die dan onverbiddelijk aan het licht
zou komen. Een andere en betere geest heerscht tegenwoordig in het
Winterpaleis: men sluit de oogen niet langer voor de werkelijkheid: en
deze groote kwestie--verreweg de belangrijkste van alle binnenlandsche
kwestiën--wordt, met ernst en ijver, naar alle zijden onderzocht
en toegelicht. De regeering is tot de overtuiging gekomen, dat in
Rusland niets van wezenlijk belang tot stand kan worden gebracht,
zonder de medewerking der oud-geloovigen; en bij elken grooten
maatregel treedt, in regeeringskringen, de vraag op den voorgrond:
"Wat zullen de oud-geloovigen daarvan zeggen?"

Een russische bisschop, die veel in zijn vaderland gereisd had,
verzekerde mij, dat het getal der oud-geloovigen tien à elf millioen
beloopt; een minister van staat schatte hun aantal zelfs op zestien of
zeventien millioen. Een priester van Kèm ging nog verder. "De helft
der bevolking, zeide hij, behoort tot het oude geloof; en zoodra
ons eenmaal vrijheid geschonken wordt, zal drie vierde gedeelte
van het volk tot ons behooren." Voor zoover mijne eigen ervaring
reikt, ben ik geneigd, dien priester gelijk te geven. Een Duitscher,
die dertig jaren in Rusland heeft gewoond en het volk goed kende,
maar, als Lutheraan, vreemd is aan de onderlinge twisten der sekten,
schrijft mij dienaangaande: "Mijne ondervinding heeft mij geleerd, dat,
de bevolking in haar geheel genomen, _vier_ van de _vijf_ menschen òf
nu reeds oud-geloovigen zijn, òf zich de volgende week daarbij zouden
aansluiten, indien zij slechts de zekerheid hadden dat de regeering
hen met vrede zou laten." Dit houd ik voor overdrijving; maar ik word
telkens meer bevestigd in mijne overtuiging, dat de oud-geloovigen het
eigenlijke russische volk zijn; terwijl de orthodoxen weinig anders
zijn dan eene sekte, waartoe het hof, de adel en de geestelijkheid
behooren, en die daarom, voor het oogenblik nog, de macht in handen
heeft.

Bijna al de boeren in het noorden zijn oud-geloovigen; bijna al de
Kozakken van den Don, de helft der inwoners van Nishny-Nowgorod en
van Kazan, de meeste kooplieden van Moskou, zijn aanhangers van het
oude geloof. In één woord, de voornaamste handelaars en industriëelen,
de aanzienlijkste bankiers, de mannen, die in menig opzicht aan het
hoofd der maatschappelijke beweging staan en aan wie ongetwijfeld de
naaste toekomst behoort, zijn oud-geloovigen.

Gij wandelt door de straten van Moskou, waar telkens uwe aandacht wordt
getrokken door de edele pracht der bijkans vorstelijke woningen. Gij
vraagt uwen gids: "Aan wien behoort dit huis?"--"Aan Moronzoff.--"Wie
is dat?"--"O, mijnheer, Moronzoff is de rijkste man in Moskou; de
grootste industriëel van Rusland. Vijftigduizend man vinden werk in
zijne fabrieken. Hij is een oud-geloovige."

"En wie woont hier?"--"Soldatenkoff".--"Wie is dat?"--"Een schatrijk
koopman en een groot industriëel: een van de invloedrijkste mannen
in Rusland. Hij is een oud-geloovige."

"En van wien is dat paleis daar?"--"Dat behoort aan jonkvrouw
Rokhmanoff. Zij is onze miss Burdett Coutts; misschien niet zoo
rijk, maar vooral niet minder ijverig om goed te doen. Zoo als ge
ziet, bewoont zij een prachtig huis; men vindt er niet minder dan
dertig receptiekamers, voor de ontvangst van gasten. Ook zij is een
oud-geloovige."

En zoo gaat het voort, van den morgen tot den avond. Gij gaat naar de
bazars:--de meeste en fraaiste winkels zijn van oud-geloovigen; naar de
universiteit:--de meeste beurzen zijn door oud-geloovigen gesticht;
naar de hospitalen:--zij worden grootendeels door oud-geloovigen
onderhouden. De oud-russische deugden--en ook de oud-russische
ondeugden--gij zult ze vinden bij deze oud-geloovigen: niet bij de
maar al te zeer overbeschaafde en ontzenuwde aanhangers der officiëele
eeredienst.--"In Rusland, zeide mij eens een scherpzinnig opmerker,
zijn er verschillende vormen van eeredienst: een ritus voor het paleis,
voor het klooster, voor het kamp; een prachtige en schitterende ritus,
misschien geschikt voor keizers en vorsten, maar zeker niet voor de
arme visschers langs de kusten der IJszee."

De oud-geloovige is zoowel in zijne godsdienstoefening als in het
dagelijksch leven, hoogst eenvoudig en een voorstander van het oude:
echt conservatief, zoowel in den goeden als in den kwaden zin. Hij
heeft een afkeer van alles wat nieuw is, en omdat het nieuw is: zoowel
van eene synode van monniken, als van eene op vreemden grond gestichte
hoofdstad. Zijne vaderen gebruikten geen suiker in hunne thee: hij
dus ook niet; zij kenden geen gas: de nieuwerwetsche verlichting is
ook hem een gruwel. Het is voor hem voldoende, dat het een of ander
in vroeger tijd aan zijne voorvaderen onbekend was, om het nu ook
onvoorwaardelijk te verwerpen. Deze oud-geloovigen zijn niet minder
vijandig gezind jegens het tegenwoordig regeeringsstelsel dan jegens
de officiëele kerk. De getrouwe Rus behoort voor den regeerenden
monarch te bidden als voor een goed keizer en een goed christen; maar
velen van deze oud-geloovigen willen voor den regeerenden monarch
in het geheel niet bidden. Sommigen willen wel voor hem bidden als
tsaar, maar niet als keizer; doch niemand zal voor hem bidden als
voor een christen. Zij houden zijn recht op de kroon voor minstens
twijfelachtig. Het woord keizer, zeggen zij, beteekent vorst der
duisternis; de dubbele arend is een symbool van den boozen geest;
de autocratische regeering is het rijk van den antichrist.

De oorsprong dezer groote, diepgaande scheuring in het maatschappelijk
en zedelijk leven des russischen volks valt omstreeks de helft der
zeventiende eeuw, in de dagen van den patriarch Nikon: een man, die
misschien een niet minder beslissenden invloed op het toekomstig
lot van Rusland heeft uitgeoefend, dan de groote tsaar zelf, die,
naar het zeggen der oud-geloovigen, zijn natuurlijke zoon was.

In de eerste helft der zeventiende eeuw alzoo, landde een man van
middelbaren leeftijd en van een streng somber uiterlijk, aan het
klooster te Solowetsk, om op het graf van den heiligen Filippus
te bidden en een schuilplaats bij de monniken te vragen. Naar zijn
zeggen, was hij de zoon van een boerenarbeider uit een dorp nabij
Nisjny-Nowgorod, zelf ook landbouwer en gehuwd. In zijne jeugd had
hij eenigen tijd in een klooster doorgebracht; en na tien jaren in den
echtelijken staat te hebben geleefd, had hij zijne vrouw overgehaald,
den sluier te nemen en de bruid des Heeren te worden. Hij had haar in
het klooster van Sint-Alexis te Moskou achtergelaten, en zelf zijne
schreden gericht naar het onherbergzame, ijzige noorden.

Op het eiland Anzersk, waar tegenwoordig de hoeve staat, leefden
destijds eenige kluizenaars, die den vreemden pelgrim in hun midden
opnamen. Daar trok hij het monnikskleed aan, en veranderde zijn
wereldlijken naam in dien van Nikon; maar hij was zoo onhandelbaar
van aard, dat hij weldra met zijn superieur overhoop lag, als vroeger
met zijne vrouw. Eleazar, de stichter van deze kluis, wenschte zijne
eenvoudige kerk van dennenstammen door eene steenen kerk te vervangen,
en toog met Nikon naar Moskou om daarvoor de noodige gelden bijeen
te brengen. Zij twistten met elkander onder weg; zij twistten na
hunne terugkomst. Eindelijk joegen de monniken den lastigen gast
weg; zij zetten hem in eene schuit, gaven hem brood en water mede,
en lieten hem vrij om te gaan werwaarts hij wilde, mits hij slechts
nooit terugkwam. De stroom wierp hem op een rots, in de baai van Onega;
Nikon richtte daar een kruis op, en legde de gelofte af dat hij daar
eene kerk zou bouwen, indien de heilige-maagd hem wilde helpen om
zijne fortuin te maken.

Op het vasteland aangekomen, werd hij weldra het hoofd van een
gezelschap kluizenaars, die zich aan de oevers van het meer
Kodjeozersk, in de provincie Olonetz, hadden gevestigd. Daar
opende zich voor hem de weg naar macht en aanzien: eene toevallige
omstandigheid bracht hem in aanraking met Tsaar Alexis: en hij maakte
een zoo overweldigenden indruk op dien niet zeer scherpzinnigen vorst,
dat hij binnen weinige jaren alle rangen der kerkelijke hiërarchie
doorliep, en achtervolgens tot archimandriet, bisschop, metropolitaan
en eindelijk tot patriarch werd verheven.

Nikon, in wien een ondragelijke hoogmoed met sluwe geslepenheid gepaard
ging, nam zich voor, het bestuur der kerk met vaster hand te voeren,
dan zijne zwakke en onbeteekenende voorgangers hadden gedaan. Met
zijne plompe gestalte, zijn grof opgezet gelaat, zijn rooden neus,
zijn doffen blik, had Nikon meer weg van een frieschen boer, dan van
een russischen monnik; maar toch was hij een hartstochtelijk minnaar
van praal en vertooning, en zwol zijn hart van grenzenloozen trots
als hij, in de kathedraal, nevens den tsaar op zijn troon zat. De
half-barbaarsche glans en pracht, die de byzantijnsche geestelijkheid,
zelfs onder de turksche heerschappij, bleef tentoonspreiden, bekoorde
zijn oog en hart; en het werd zijn ijverigst streven, den statigen
en omslachtigen byzantijnschen ritus ook in zijne kerk in te voeren,
zonder te bedenken dat hij, aldus tot de dagen van het oostersche rijk
teruggaande, zich de Grieken in hun smadelijkst verval ten voorbeeld
nam. Zijne eerste maatregelen waren niet ondoordacht. Hij zond eenige
schrijvers naar den berg Athos, die vandaar afschriften medebrachten
van de echte exemplaren der oudste gewijde boeken; deze liet hij in
het slavonisch vertalen, en met de liturgische boeken, die toen in
gebruik waren, vergelijken. Het bleek daarbij, dat in den aangenomen
tekst fouten waren ingeslopen: waarom hij zijn schrijvers opdroeg,
voor hem eene nieuwe uitgave van de Schrift en van de formulieren
te bewerken, waarin de betere lezingen zouden worden opgenomen. Maar
verder reikt zijne verdienste ook niet. Nikon verstond geen grieksch;
dit belette hem evenwel niet, toen de nieuwe bewerking, over welker
verdiensten hij natuurlijk niet oordeelen kon, voltooid was, dit boek
met gezag aan de kerk op te leggen. De kerk opperde bedenkingen: Nikon
riep de hulp van den tsaar in. De priesters verzetten zich tegen deze
inmenging van het wereldlijk gezag: Nikon leverde de weerspannige
geestelijkheid over in handen van de politie. Alexis stond hem met
al zijne macht bij, om zijn plan te helpen verwezenlijken. Toch
stuitte men op een fellen tegenstand, niet alleen in de steden en op
het platte land, maar ook in den regeeringsraad, in de kloosters,
in de kerk. De boeren en de popen waren al even weinig ingenomen
met de veranderingen, die hij wilde maken. De formulieren waren oud
en eerwaardig; hunne taal klonk als muziek in aller oor; de woorden
zelf schenen bijna goddelijk; sinds onheugelijke tijden waren deze
boeken bij de heilige dienst gebruikt; twintig geslachten waren
volgens deze liturgie gedoopt, gehuwd en teraardebesteld... Waarom
moesten deze heilige boeken nu eensklaps worden weggeworpen, en door
anderen, van vreemd maaksel bovendien, vervangen? Nikon beweerde wel
dat de nieuwe beter waren: maar hoe kon hij dat weten? De patriarch
was nu juist geen kritikus; velen betwistten hem zelfs den naam van
een geleerd man. In plaats van nu langzamerhand, door overreding en
zachte middelen, de lieden voor zijne hervormingsplannen te winnen,
voerde hij al deze nieuwigheden plotseling en met geweld in. Zelfs
bleef het nog niet bij zulke tekstveranderingen: hij veranderde
ook den ouden vorm van het kruis; hij raakte aan de sacramenten;
hij voerde eene nieuwe wijze van zegening in en wijzigde de teekenen
op het gewijde brood. Op bevel van den tsaar, die de ver strekkende
gevolgen van deze maatregelen niet kon overzien, werden nu deze nieuwe
formulieren, deze nieuwe liturgie en geheel deze nieuwe ritus in alle
kerken en kloosters van het gansche land ingevoerd. De kerk van Nikon
was van nu voortaan de officiëele Staatskerk.

De meerderheid des volks en der geestelijkheid bleef evenwel aan de
overgeleverde liturgie getrouw, en verzette zich standvastig tegen alle
nieuwigheden. Dit was vooral het geval op het platte land, en met name
in de noordelijke provinciën, waar de invloed van het hof zich maar
weinig deed gelden. Ook de kloosters boden aanvankelijk tegenstand, en
vooral het groote klooster in de Witte-zee. Toen de nieuwe formulieren
van Nikon te Solowetsk bekend werden, waren de broederen eenstemmig
in hun besluit om ze te verwerpen. De archimandriet alleen, die
zich door zijn officiëel karakter gebonden achtte, koos partij voor
den patriarch en den tsaar; maar de broeders zetten hun onwilligen
archimandriet in eene boot, en voerden hem naar Kèm. Daarop riepen
zij het kapittel te zamen, en kozen twee uit hun midden, Azaria en
Gerontius, wien zij de leiding van de huishoudelijke aangelegenheden
des kloosters opdroegen. Al de Kozakken in het fort voegden zich
bij hen; en bijgestaan door de bewoners der nabijgelegen kust, die
met hen eenstemmig dachten, volhardden de monniken van Solowetsk,
gedurende meer dan tien jaren, in hun gewapend verzet tegen de
officiëele kerk. Alleen het verraad bracht hen eindelijk ten onder. De
orthodoxe schrijvers, die deze gebeurtenissen verhalen, verzekeren dat
de belegeraars, toen zij zich eindelijk van Solowetsk meester maakten,
stiptelijk de wetten van den oorlog in acht nemen. Alleen diegenen, die
met de wapens in de hand gegrepen werden, werden terdoodgebracht; de
anderen werden in vergelegen kloosters overgeplaatst, waar zij bleven,
tot zij zich aan het wettig gezag onderworpen hadden. Maar de visschers
en landlieden langs de kusten der IJszee bezitten nog oude boeken,
waarin de zaak eenigszins anders wordt voorgesteld. Een oude landman
haalde eens zulk een boek uit een verborgen put onder den vloer zijner
keuken te voorschijn, en wees mij een passage in rooden en zwarten
inkt, waar te lezen stond dat al de monniken in het weerspannige
klooster tot den laatsten man om het leven werden gebracht.

De zegepraal der belegeraars was voor de natie een groot verlies. Deze
overwinning verdeelde de russische kerk in twee vijandige partijen,
en de treurige triomf van Nikon heeft waarschijnlijk nog niet
al zijne vruchten gedragen. Sinds dien noodlottigen dag staat
de eene helft van het volk in vijandschap tegenover de andere;
de staatsgodsdienst is in de oogen van millioenen eene gruwelijke
ketterij, en de gemeenschappelijke souverein het opperhoofd eener
vervolgzieke synode van monniken. Ook in andere opzichten droeg Nikons
werk zeer wrange vruchten. De russische kerk werd van hare vrijheid,
en daarmede van hare levenskracht, beroofd; al zeer spoedig loste zij
zich op in den staat, en verving het wereldlijk gezag de plaats der
kerkelijke overheid. Nauwelijks was Nikon ten grave gedaald, of het
patriarchaat werd afgeschaft; de keizer trad op als het wettig hoofd
der kerk, die welhaast niets meer was dan eene staatsinstelling, een
deel der regeeringsmachinerie. Het ideaal, waarnaar het absolutisme
altijd heeft gestreefd, en waarnaar het in onze dagen met vernieuwden
ijver streeft: de vereeniging van geestelijk en wereldlijk gezag
in ééne hand, de volstrekte onderwerping der kerk aan den staat,
onder welke schoonschijnende, huichelachtige leuzen ook aanvankelijk
vermomd;--dit ideaal werd in Rusland bijna bereikt. Met welk gevolg,
weet ieder, die de russische maatschappij van nabij heeft gadegeslagen;
en wij zouden wel wenschen, dat zij die zich in oprechtheid vrienden
der vrijheid wanen, en, de beteekenis van den strijd onzer dagen niet
doorziende, partij kiezen voor den staat tegen de kerk, een weinig
meer acht gaven op de les, die hier zoo duidelijk voor ieder spreekt.

De orthodoxe kerk is sedert eene staatskerk, in den slechtsten zin
des woords, geworden: zij heerscht over de gewetens, breidt hare
grenzen uit en verdrukt de dissidenten, bij dit alles geholpen en
gesteund door den wereldlijken arm. Heerschzuchtig en onverdraagzaam,
verbiedt zij de lezing van den bijbel, het zelfstandig onderzoek,
de vrijheid der gedachte, zonder zelf eenig teeken van leven of
ontwikkeling te geven. De oud-geloovigen op hun beurt ondervinden
evenzeer de nadeelige gevolgen der afscheiding: niet enkel door de
vervolgingen, waaraan hunne "onbekeerlijkheid" hen steeds blootstelt,
maar nog meer door de afzondering, waarin zij noodwendig geplaatst
zijn. Door dit isolement toch werden zij er van zelf toe gebracht,
hunne goede eigenschappen te overdrijven, en een buitensporig gewicht
te hechten aan oude gebruiken en oude formulieren. Zij leven in eene
eigenaardige verouderde wereld, vreemd aan de begrippen, de denkbeelden
en behoeften van den nieuweren tijd, dien zij niet begrijpen, en
daarom ook niet waardeeren of liefhebben. Volgens hunne strenge
eenzijdige begrippen, begon de heerschappij van den antichrist met
Nikon: sedert dien tijd draagt alles wat in het land geschiedt den
stempel van onwaarheid en ontrouw.

Evenals de jood en de muzelman, zoo is ook de oud-geloovige, althans
een van de strenge richting, dadelijk op het eerste gezicht kenbaar. Ik
stond eens met een mijner russische bekenden op de binnenplaats van een
posthuis, waar eenige pelgrims bezig waren met eten en drinken. "Zie
dien man daar" zeide mijn vriend, "dat is een oud-geloovige."

"Waaraan ziet ge dat?"

"Zie maar, hoe hij met verachtelijk schouderophalen de aardappelen
uit zijn schotel wegwerpt. Dat is een teeken. Ook gebruikt hij geen
suiker bij zijn thee; een tweede teeken. Hoogstwaarschijnlijk zal
hij ook niet rooken."

"Zijn dat dan alle kenmerken van een oud-geloovige?"

"Ja; althans in deze noordelijke streken. Te Moskou, Nisjny en Kazan
is men minder nauwgezet--vooral wat het drinken en rooken betreft;
de kozakken van den Don zijn op die punten nog ruimer van geweten."

"Zijn die kozakken ook oud-geloovigen?"

"Bijna allen; maar onder de regeering van Nicolaas werden geen
pogingen gespaard om hen te bekeeren; en aangezien deze kozakken
aan de krijgswet onderworpen zijn, stonden hun officieren allerlei
middelen ten dienste om hen te dwingen zich aan den wil des keizers te
onderwerpen. De hetmans schikten zich naar het geloof van den tsaar;
van de minderen lieten er velen zich overhalen om eene officiëele
mis bij te wonen. Maar de meerderheid bleef onverzettelijk, en
menige fiksche jonkman uit het land aan den Don is naar den Kaukasus
uitgeweken, liever dan zijn voorvaderlijk geloof te verloochenen. Ook
bij de kozakken moet ge u niet, door den schijn laten bedriegen:
want ondanks de ijverige pogingen van popen en politiedienaren, is de
grootste helft der kozakken aan hunne oude liturgie getrouw gebleven;
en de vrees van hen, door te sterke pressie, tot verzet te prikkelen,
heeft in den laatsten tijd de regeering bewogen, meer verdraagzaamheid
in acht te nemen."



XIV.

DE WEGEN.--IN HET WOUD.--RUSSISCHE DORPEN.


Hij, die gewoon is op reis niet meer dan het volstrekt noodige mede
te nemen, zal op zijne tochten door Rusland dikwijls in verlegenheid
geraken, vooral als zijn weg hem door de wouden of de steppen voert. De
toebereidselen voor een reis zijn hier een zaak van groot gewicht en
van veel overleg. De reiziger heeft te zorgen voor allerlei dingen,
waaraan hij in andere landen niet behoeft te denken: kaarsen en
kussens, messen en vorken en honderd andere zaken. Twee artikelen
bovenal kan hij niet ontberen--een bed en een samovar (trekpot).

Mijn weg van de IJszee tot de zuidelijke hellingen van den Oeral,
en van de straat van Jenikale tot de golf van Riga, loopt over land
en meer, over heuvel en heide, door het woud en de steppen. Ik moet
mij daarbij afwisselend bedienen van alle middelen van vervoer, die
in het land in gebruik zijn: droshkis, wagens, schuiten, tarantassen,
stoombooten, sleden en spoorwegen. Van Solowetsk voer ik naar Archangel
met de boot, die de benoodigdheden voor het klooster haalt. Vader
Johannes was zelf aan boord; het was fraai weder; de overtocht werd
in den bepaalden tijd volbracht. Van Archangel naar Wietegra, een
afstand van achthonderd wersten, heb ik vijf á zes dagen en nachten
met postpaarden te rijden door een onmetelijk woud van beuken en
dennen. Hier beginnen mijne tribulatiën. Eerst, gehaspel met de politie
over mijn _podorodjna_, een soort van pas, door de politie afgegeven,
en waarbij den reiziger het recht wordt toegekend om, tegen een
bepaalden prijs, aan de posthuizen paarden te vorderen. Men begrijpt
niet, waarom ik niet, als iedereen, met een boot de Dwina opvaar, in
plaats van door een land te trekken, waar haast geen wegen zijn. Mijn
antwoord, dat ik het dorp Kholmogory, de geboorteplaats van den dichter
Lomonosoff, wil bezoeken, bevredigt de politie maar half. Wat is
daaraan te zien? Eindelijk echter geeft zij toe: de pordorodjna wordt
geteekend. Nu komt de tweede vraag--die van het voertuig: een wagen,
een kar of een slede? Er zijn geen diligences: niets dan een karretje,
juist groot genoeg om een brievenzak en een knaap te bergen, en dat
tweemaal in de week naar de hoofdstad vertrekt. Niemand anders dan
de postillon kan daarvan gebruik maken; de vreemdeling moet dus zelf
voor een vervoermiddel zorgen: en zijne keus is beperkt tot een kar,
eene tarantasse of een slede, welke laatste natuurlijk alleen in den
winter bruikbaar is. Ik kies de tarantasse.

Een tarantasse is een beter soort kar, voorzien van een slijkbord, een
kap en een trede. Zij heeft geen veeren; want veeren zijn onderhevig
aan breken: en wanneer dit ongeval u overkwam in een streek, waar
ge mijlen en mijlen in den omtrek geen enkele menschelijke woning
vindt, zou de ramp onherstelbaar wezen. De eenvoudige bak rust
op balken, ruwe pijnstammen, van de takken en bladeren beroofd,
met de bijl gehouwen, en bevestigd aan de assen van twee paar
wielen, die negen of tien voet van elkander verwijderd zijn. Een
lederen huif en kap beschermen eenigszins tegen den regen: niet veel
echter, want de snijdende windvlagen en geweldige stortbuien dringen
overal door. Het aartsvaderlijke voertuig is licht en luchtig; noch
voor de vervaardiging, noch voor de herstelling wordt bijzondere
kunstvaardigheid vereischt. Het kan wel gebeuren, dat, bij het
voortdurend hossen en stooten, een der balken breekt; geen nood: gij
houdt even aan den boschrand stil; de voerman hakt een denneboom om,
stroopt er de takken en bladeren af--en ziedaar, de zaak is weêr in
orde! Binnen een half uur is de schade hersteld.

Ik wenschte de tarantasse tot Petersburg, of althans tot Wietegra,
te huren: maar de eigenaar was daartoe niet te bewegen. Ik moest dan
het rijtuig koopen: maar dit ging niet, want wat zou ik, eenmaal ter
plaatse mijner bestemming gekomen, met de tarantasse uitvoeren? De
engelsche consul redde mij uit de verlegenheid: hij gaf mij zijn
bediende Dimitri mede, die het rijtuig weder terug zou brengen. De
eigenaar nam daarmede genoegen.

De tarantasse staat voor de deur: een ledige bak, waarin onze bagage
geborgen wordt; eerst de grootere stukken, hoedendoos, geweerkist,
koffer; dan bossen hooi, om de ledig gebleven ruimten en openingen
op te vullen, gevlochten koorden van stroo, om den boel bijeen te
houden, over dit alles ons bed, onze mantels en pelzen. In de hoeken
en openingen vinden vervolgens een houthakkersbijl, een kabeltouw,
een kluwen garen, een zak met spijkers, een pot met vet, een korf
met brood en wijn, een stuk gebraden vleesch, een trekpot en een
sigarenkoker, eene meer of minder geschikte plaats.

Wij vertrekken met de eerste schemering, ten einde bij het aanbreken
van den dag aan het veer over de Dwina te zijn; onder de hoeven
onzer paarden spat het slijk naar alle kanten, en kraakt het houten
plaveisel der straten van Archangel.--"Vaarwel! Pas op de wolven
en op de roovers! Vaarwel! goede reis!" klinkt het uit een dozijn
monden:--en de vriendelijke, half bevrozen stad ligt achter ons.

Den ganschen nacht rijden wij, onder een donkeren hemel, nu en
dan flauwelijk door een enkele ster verlicht, langs een doodschen
akelig-eentonigen weg: dennen ter rechterzijde, dennen ter linkerzijde,
dennen voor ons, dennen overal. Wij hotsen door een dorp, en wekken
eenige rondzwervende honden uit hun slaap; wij komen aan het veer,
en steken de rivier over op een vlot; wij rijden over steenen en door
zand; wij waden door poelen en moerassen; nachten, dagen achtereen;
altijd door onze weg vervolgende te midden der sombere bosschen, waar
nu de verdorde bladeren bij hopen den grond bedekken, en ronddwarrelen
bij iederen windvlaag, die huilende door het woud vaart. De eene dag
van dezen tocht is volkomen gelijk aan den anderen. Zoo ver wij zien
kunnen, strekt zich een open baan, ongeveer dertig ellen breed, voor
ons uit. De dennen en beuken gelijken allen op elkander; de dorpen
zijn nog meer aan elkaar gelijk dan de boomen. De eenige verandering
is in de gesteldheid van den weg: afwisselend zand of moeras, gras of
boomstammen. Op een afstand van duizend wersten, zijn er honderd met
boomstammen geplaveid; tweehonderd wersten zijn zand; driehonderd gras;
vierhonderd slijk en moeras. Wij spotten met de Russen, die spoorwegen
aanleggen in streken, waar geen straatweg en zelfs geen gewoon pad te
vinden is. Ten onrechte: een ijzeren baan is juist de meest natuurlijke
weg in deze wouden, waar steenen uiterst zeldzaam zijn.

Is het rijden door het zand al erg genoeg, dit is niets bij hetgeen
u te wachten staat, als ge aan de boomstammen komt. Op zekeren nacht
kon ik het niet langer uithouden; ik troostte mij met de gedachte,
dat onze bagage slecht was ingepakt, en dat eene andere schikking
ons meer gemak zou bezorgen. Mijn koffer vooral eischt dringend eene
andere plaats. Daar hij mij bij dag voor bank, en de nachts voor bed
dient, speelt hij een voorname rol in onze kleine komedie; maar geene
verschikking van de andere voorwerpen, geen opvullen met hooi of stroo,
geen overdekken met mantels en pelzen, kan dien oproerigen koffer tot
rust brengen. Hij glijdt en schudt en woelt onder mij, en springt op
bij elken schok. Wij beproeven hem vast te binden met koorden en touwen
en riemen: niets helpt--hij blijft even onrustig. Wat mijn rug en mijn
lenden daarbij te lijden hadden, zal ik maar niet pogen te schetsen!

Goddank!--wij zijn eindelijk te Kholmogory! Op een hoogte langs de
rivier gebouwd, vroolijk en vriendelijk met zijn gouden kruis, zijn
grasrijke paden, zijn witte en rooskleurige huizen, zijn booten aan
den oever, zijn zandige vlakten in het verschiet, ligt daar het fraaie
dorp, ruim en luchtig. Hier ziet ge een kerk, ginds een klooster,
schitterend van kleuren en verguldsels; de huizen zien er netter en
welvarender uit, dan doorgaans in zulke vlekken het geval is. Zooals,
het daar voor u oprijst, met dien donkeren gordel van dennen- en
beukenwouden, is Kholmogory inderdaad waardig de geboorteplaats te
zijn van een volksdichter als Lomonosoff.

Tusschen Kholmogory en Kargopol, tusschen Kargopol en Wietegra,
vindt men niets dan dorpen: op dezen ganschen langen weg van minstens
vierhonderd mijlen lengte, ontmoet ge geene enkele verzameling van
huizen, waaraan ge met eenigen schijn van waarheid den naam van stad
zoudt kunnen geven. De heirbaan loopt maar altijd voort: nu eens langs
de oevers der rivier, dan weder zich verliezende in de diepten van
het woud; doch steeds onafgebroken, als een smal lint, voortgaande
van het noorden naar het zuiden. Niets stuit dien eentonigen weg:
hij steekt de rivieren over, hij vervolgt zijn loop over steenen,
moerassen en veengronden; hij kruipt voort over gebroken rotsen; hij
bestijgt de lage heuvelen, en daalt af in de vochtige valleien. De
voerman, trotsch op zijn vier paarden, met touwen en kettingen naast
elkander voor de tarantasse gespannen, jaagt rusteloos voort, als gold
het een helschen wedloop met den booze, in de hoop, dat hij daarvoor
een extra kop thee verdienen zal. Dit harde rijden is trouwens eene
vaste gewoonte bij de russische koetsiers, die er zich op beroemen, dat
zij het iemand, voor tien kopekken, groen en geel voor de oogen kunnen
doen worden. Dag aan dag, van den vroegen morgen tot den laten avond,
rennen wij voort door moerassen en dennenwouden. Nergens is een sloot,
een dijk, een haag, een omheining te bespeuren: geen enkel teeken dat
de grond aan iemand toebehoort. In vliegende vaart hollen wij voorbij
een groot houtvuur, waar omheen een groep armelijk gekleede lieden
zitten, die ons op onvriendelijken toon groeten, terwijl sommigen
opstaan om ons na te oogen.

"Wat zijn dat voor lieden, Dimitri?"

"Landloopers. Waarschijnlijk zijn het vluchtelingen."

"Vluchtelingen? Waarvoor vluchten zij dan?"

"Ja, dat zijn zonderlinge lui, die niet werken willen, zich aan wet
noch gebod storen, en zich nergens willen vestigen. Gij kunt ze hier
overal in de bosschen vinden: het zijn ware wilden. Te Kargopol zult
gij er wel meer van hooren."

In deze stad, aan de rivier de Onega, in het gouvernement Olonetz
gelegen, vernam ik meer bijzonderheden omtrent deze landloopers, die
inderdaad een lastig en gevaarlijk slag van menschen zijn. Ook in
Nowgorod en in Kazan hoor ik van deze zwervende bevolking spreken,
die in een groot deel des rijks verspreid is: een verschijnsel, op
zich zelf reeds een kwaad, maar als teeken van den maatschappelijken
toestand nog veel bedenkelijker. In de gouvernementen, Jaroslaw,
Archangel, Wologda, Nowgorod, Kostroma en Perm, zwerven gansche benden
dezer onrustige, weerspannige vagebonden rond. Zij zijn nomaden, in
den waren zin des woords. Zij verlaten hunne huizen en landerijen,
doen afstand van hunne rechten als boeren of burgers, kleeden zich
in lompen, nemen den pelgrimsstaf ter hand, verbreken alle banden
der familie, trekken zich in het diepst van het woud terug, en
wonen in moerassen en zandwoestijnen, in openbare vijandschap met
de maatschappij, de kerk en den staat. Sommigen doen inderdaad geen
kwaad: zij brengen hunne dagen door in sluimering en hunne nachten
in gebed, terwijl de boeren hen van spijs en drank voorzien; maar ook
al bepaalt zich hun verzet tegen de gevestigde orde van zaken alleen
tot zulk een lijdelijken wederstand, dan nog is dit een bedenkelijk
verschijnsel. Deze lieden willen niet arbeiden voor de spijze, die
vergaat; zij weigeren zich te onderwerpen aan de bevelen der overheid;
zij erkennen de wet niet, waaronder zij leven. Zij beweren dat het
tegenwoordige regeeringsstelsel een werk des duivels is; de tsaar
is voor hen de vorst der duisternis; zijn raadslieden en de heeren
van zijn hof zijn valsche getuigen en gevallen heiligen. Zij zelf
willen niets gemeens hebben met de booze wereld, waarvan zij vlieden,
zooals Abraham vlood van de ten ondergang gedoemde steden der vlakte.

Naar het schijnt hebben deze nomaden, althans in sommige provinciën,
eene eigene organisatie, met opperhoofden aan wie zij gehoorzamen,
als ook bepaalde plaatsen van bijeenkomst en gemeenschappelijke
Godsvereering. Doorgaans vinden zij steun en hulp bij de boeren, hetzij
dan uit werkelijke sympathie, hetzij uit vrees voor wraakoefening. Zeer
zelden vinden zij de deur der hoeve voor zich gesloten; en bijna
nooit wordt een aanklacht tegen hen bij de politie ingediend. Zelfs
in die streken, waar zij, naar men zegt, nu en dan plunderen en
gewelddadigheden plegen, valt het uiterst moeilijk iets omtrent hen
te vernemen, en vindt vooral de politie niet de minste medewerking.

Niemand zal ontkennen dat, vooral in de ernstige crisis waarin de
russische maatschappij thans verkeert, zulk een staat van zaken een
wezenlijk gevaar oplevert. De geest, die deze benden avonturiers
bezielt, en hen drijft zich aldus vijandig tegenover de maatschappij
en hare inzettingen te plaatsen, en feitelijk tot den chaos der
barbaarschheid terug te keeren, is zekerlijk een der moeilijkste
hinderpalen, die eene waarlijk vrijzinnige en hervormingsgezinde
regeering op haar weg ontmoeten kan. Tegenover dit onrustbarend
verschijnsel rijzen ernstige vragen op. Is de russische boer inderdaad
rijp voor vrijheid en zelfbestuur, alleen door de gehoorzaamheid aan de
wet beperkt? Indien de ondervinding mocht bewijzen, dat een aanzienlijk
deel der landelijke bevolking in Rusland zich over dezen hartstocht
voor een zwervend nomadenleven laat vervoeren,--zooals sommigen
hopen en velen vreezen--dan is de proeve van emancipatie, door den
tegenwoordigen tsaar genomen, mislukt, en is de burgerlijke vrijheid
misschien voor meer dan honderd jaren verloren. De keizer heeft eene
bijzondere commissie benoemd, om de door de regeering ingewonnen
berichten en rapporten betreffende deze zaak te onderzoeken. Dat
onderzoek is nog niet afgeloopen; naar het schijnt heeft de commissie
nog tot geen besluit kunnen komen, en geen middel aan de hand weten
te doen om het voortwoekerend kwaad te stuiten.

Inmiddels gaat ons het eene dorp na het andere voorbij!

Deze russische dorpen gelijken zoozeer op elkander, dat wie er een
gezien heeft, er honderden heeft gezien; hebt ge er twee verschillende
gezien, dan kent gij ze allen. Het doet er weinig toe, of het model
groot of klein is, van hout of van leem gebouwd, in het woud verscholen
of te midden der naakte steppen geplaatst: gij zult overal dezelfde
vormen en dezelfde groepeering van woningen vinden, duizende malen
herhaald. Er zijn slechts twee verschillende typen van dorpen: die
van Groot- en die van Klein-Rusland; van de eerste vindt ge de beste
voorbeelden in de omstreken van Moskou; van de laatste in den omtrek
van Kiew.

Een groot-russisch dorp bestaat uit twee rijen hutten, door eene
breede en vuile straat gescheiden. Elk huis staat op zich zelf;
het getal dezer woningen wisselt af van tien tot honderd. Van geheel
gelijkvormige dennestammen opgetrokken, die op dezelfde wijze gehouwen
en saamgevoegd zijn, zijn de huizen onderling volkomen gelijk, alleen
behoudens het verschil in grootte. De woning van het dorpshoofd
is grooter dan de anderen; daarop volgt die van den slijter, de
brandewijnkroeg. Vier ruwe wanden, waarvan de gaten en spleten met
mos zijn toegestopt, en waarin een paar deuren en eenige vensters
zijn uitgehouwen; een schuin oploopend, vooruitstekend dak--ziedaar
het uiterlijke. Van binnen geen andere vloer dan de naakte bodem; de
zoldering bestaat uit dennen balken en planken. Verf is eene onbekende
weelde; het duurt dan ook niet lang, of de wanden en de gevel zien
bijna geheel zwart door den regen en den rook. De ruimte tusschen
de huizen ligt geheel open: een vuile modderpoel, waarin de varkens
zich welbehagelijk rondwentelen, en de nijdige wolfshonden grommen
en vechten. De zoogenaamde straat is met planken bevloerd. Hier en
daar prijkt eene enkele woning met een soort van balkon, een koestal,
en zelfs met eene bovenverdieping. Nabij het dorp verrijst een kapel,
eveneens van boomstammen gebouwd en met planken gedekt; maar hier
vindt ge, zoo al niet verguldsel, dan ten minste eene mengeling van
kleuren. De wanden der kapel zijn wit geschilderd, het dak is groen;
en misschien heeft een of andere rijke boer, voor zijne rekening,
het kruis laten vergulden.

Rondom deze akelige woningen strekken zich de weinig minder
akelige velden en akkers uit, die de dorpelingen met hun zweet
besproeien. Vlak, laag, zonder hagen of eenige afsluiting, missen die
akkers, in hunne naakte eentonigheid, schier alle poëzie; nergens
een welriekende rozenheg, nergens een boomgaard, niets dat aan een
thuis, eene eigene woning, herinnert. De moestuinen hebben niets van
tuinen: zij zijn niets meer dan regelmatig afgedeelde stukken grond,
waarop groenten geteeld worden. Geen enkel bloempje verkwikt in deze
wildernis uw oog.

In Klein-Rusland, in de oude poolsche provinciën van het westen en
het zuiden, vindt ge een andere type van dorpen. In plaats van de
vuile, berookte boomstammen, eene schilderachtige mengeling van groen
en wit; in plaats van de regelmatig op eene rij gezette blokhuizen,
eene groep woningen, te midden van het geboomte verspreid. De huizen
zijn meest van aarde en biezen gebouwd; het dak is met stroo gedekt;
de wanden zijn met kalk bestreken; een haag van biezen en doornen
omgeeft die gansche groep. Is elk huis op zich zelf ook klein, het
heeft toch zijn voorplaats en zijn tuin. Er zijn geen straten in het
dorp; de haag heeft slechts twee openingen, eene ten noorden, en eene
ten zuiden; en zoo ge van de eene opening naar de andere wilt gaan,
moet ge een aantal paden of stegen doorkruisen, met doornen hagen
en biezen omzoomd, en bevolkt door nijdige, gevaarlijke honden. Het
schijnt wel, dat ieder hier volle vrijheid had om zijn huis te
bouwen, waar hij wilde, alleen zorg dragende dat zijn erf binnen de
algemeene omwalling bleef. Zulke dorpen, zonder eenig plan gebouwd,
en waarin ieder huis door een tuin is omringd, beslaan natuurlijk
eene aanzienlijke uitgestrektheid gronds; sommige dorpen der Kozakken
doen in omvang voor geen matige stad onder. Natuurlijk heeft ieder
dorp zijn kerk, wier rijke kleurenpracht en eigenaardige bouworde de
bekoorlijkheid van het landschap verhoogen.

In de wijde landstreek tusschen Kiew aan de Dnjeper en Kalatsh aan
den Don, behooren al de dorpen tot deze tweede type. Het verschil met
de groot-russische dorpen ligt zoowel in het huis als in den tuin;
en dit verschil wijst op eene andere opvoeding, misschien wel op een
ander ras. De Groot-Russen zijn schroomvallig, zachtaardig en meegaand
van karakter; zij sluiten zich gaarne aaneen, en trachten zooveel
mogelijk bij elkander te blijven en in eene soort van gemeenschap
van goederen te leven. De Klein-Russen daarentegen zijn levendig,
prikkelbaar, ondernemend van aard; zij zijn gaarne hun eigen meester
en heer, en staan liefst op zich zelf, ten einde gelegenheid te hebben
om al hunne krachten en talenten te kunnen ontplooien. Een inwoner
van Groot-Rusland voert zijne bruid naar de ouderlijke woning; een
inwoner van Klein-Rusland geleidt haar liefst zijn eigen huis binnen.

Het woud duikt achter ons weg in eindeloos verschiet, en wordt dunner
en dunner. Wij ontmoeten eene vrouw, alleen in haar eenvoudige kar
gezeten; straks komt ons een wagen tegemoet, door soldaten te voet
begeleid, en waarmede gevangenen, die deels geboeid zijn, onder
opzicht van eene oude vrouw worden vervoerd. De zorg voor de dienst
langs de wegen is, bij wijze van heeredienst, aan de dorpen opgelegd;
wanneer een reisgezelschap in een dorp aankomt, moet de oudste of
hoofdman zorgen voor het noodige--wagens, paarden, voerlieden--zooals
in de podorodjna staat geschreven. Maar zeer dikwijls gebeurt het,
dat er in het dorp geen andere mannen te vinden zijn dan knapen of
grijsaards. De volwassen mannen zijn verre, verre weg: zij zwerven
als visschers door de Poolzee; zij hakken hout in de wouden rondom
Kargopol; zij zijn op de bever- en vossenjacht in het Oeralgebergte,
en laten hunne vrouwen maanden lang alleen achter.

Dorpen, dorpen en nog eens dorpen! Wij ontmoeten nogmaals een
boerewagen, door soldaten begeleid en waarin een gevangene geboeid
ligt; uit het kreupelhout gluurt ons een wolf aan; een pelgrim gaat
ons voorbij, op weg naar Solowetsk; wij rennen langs een troep spelende
jongens, wier kleederen op dit oogenblik in de wasch schijnen te zijn;
daar staat, half omvergevallen, een gebroken wagen; straks doet het
woeste geblaf van eenige honden ons opschrikken; en dan gaat het weer,
uren achtereen, door het stille zwijgende woud. Toch komt een straal
van liefelijkheid en poëzie ook deze eenzame streken verhelderen
en bezielen. Een geurige, frissche koelte doet de bladeren zachtkens
ritselen; de lucht is helder; en zijn de lijnen ook bijna allen vlak en
effen, de hemel is blauw, en de zon giet haar gouden stralen over het
landschap uit. Dikwerf prijken de oude boomstammen met de fraaiste
kleurschakeeringen, en de zwevende koeltjes ruischen als muziek
door de hooge dennen. Hier en daar groet u van verre, in het lommer
verscholen, een schilderachtig klooster. Daar ginds is een boschbrand
uitgebarsten; de bleekroode vlammen verheffen zich hoog in de lucht,
half gehuld in dikke wolken van purperkleurigen rook. Een open plek,
getuige van een vroegeren brand, straalt in al de kleurenpracht der
liefelijkste herfstbloemen. Een aanvallig kind, met blonde krullen
en zachte blauwe oogen, staat langs den weg, en groet ons met bijna
oostersche bevalligheid. Daar ritselt en klatert een beek dwars door de
afgevallen bladeren. Nieuwe groepen: eene vrouw, met eene kom melk in
de hand; meisjes, die in het heldere riviertje haar linnengoed spoelen,
onder het oog van het Onze-Lieve-Vrouwenbeeld. Overal zijn de lieden
wel is waar eenigszins plomp en ruw, maar inderdaad godsdienstig en
wellevend; in hunne donkere wouden richten zij kruisen en kapellen
op, en maken alzoo de sombere vervelende wegen tot lichtende sporen,
die de gedachten ten hemel heffen.

Wij houden stil in een dorp, aan den oever van een klein donker meer.



XV.

PATRIARCHALE ZEDEN.--EEN STAAT IN DEN STAAT.


"Hoe nu, kan ik hier vóór den avond geen paarden krijgen?"

"Zoo als gij ziet," antwoordde de oudste glimlachend, "het is hier
feest vandaag; er wordt eene bruiloft gevierd, en de patriarch geeft,
eene groote partij ter eere van het huwelijk van Vanka met Nadia."

"Nadia! Dat 's een mooie naam! Dus kunnen we toch van avond paarden
krijgen, niet waar?--Wie zijn dat daar? Aha, de kerk! Komt, laat
ons daarheen gaan en de kroning zien. Is die Vanka een flinke,
knappe jongen?"

"Ja; of liever hij zal het eenmaal zijn. Vanka is een knaap van
zeventien jaar, die voor achttien doorgaat--de bij de wet vereischte
leeftijd. Maar och, hij telt bij dit alles weinig mede."

"Maar waarom trouwt hij dan?"

"Omdat de patriarch het verlangt. Daniël heeft hulp noodig in zijn
huishouding. De oude Daan, moet ge weten, is Vanka's vader; en het
oude moedertje is zoo afgesloofd, dat zij niet veelmeer is dan vel
over been. Zij is tien jaar ouder dan hij, en de patriarch heeft eene
jonge vrouw noodig, die hij naar hartelust bevelen kan, eene die vlug
en bij de hand is, die zijne koe kan melken, zijn kachel aanmaken en
zijn thee zetten."

"Het is hem dus eigenlijk te doen om eene goede dienstmeid?"

"Ja, juist, eene goede dienstmeid: en die zal hij in Nadia gevonden
hebben."

"Het is dus geen huwelijk uit liefde?"

"Och, zooals doorgaans. De knaap, hoe jong ook, is naar men zegt toch
verliefd geweest; want de jongens zijn mal en de meisjes zijn slim;
maar hij was niet verliefd op de vrouw, die zijn vader voor hem
gekozen heeft."

"Woonde zijne beminde hier in het dorp?"

"Ja; zij heet Lousha: eene aardige flinke meid, met ronde blauwe oogen
en lippen om te kussen, maar zonder een roebel in de wereld. Nadia
daarentegen brengt vijf koperen samovars en vijftien zilveren lepels
ten huwelijk. Die zilveren lepels veroverden het hart van den ouden
Daan."

"En wat zegt Vanka wel van dit huwelijk?"

"Niets; wat kan hij zeggen? De patriarch heeft alles beredderd, de
lepels gekeurd, de bruid aangenomen, het feest aangelegd en den dag
voor het huwelijk bepaald."

"Rusland is wel het beloofde land voor vaders!"

"Ieder op zijn beurt; eerst de vader, later de zoon. Te zijner tijd
zal Vanka ook een patriarch zijn. De zoon is niets, zoolang zijn
vader nog leeft."

"Zelfs niet, als het er op aankomt zich eene vrouw te kiezen?"

"Neen; juist het minst als hij eene vrouw moet kiezen. Zooals gij
ziet, zijn onze zeden nog ouderwetsch en eenvoudig, zooals die in
den bijbel beschreven zijn. De huisvader is koning in zijne eigene
woning, als de patriarchen van ouds; en hebt gij ooit gelezen dat,
in de dagen der aartsvaders, de jonge lieden het land afliepen, om
zich naar eigen begeerte eene vrouw te zoeken? Onze patriarch regelt
dat; hij en de koppelaarster."

"De koppelaarster! Wie is dat?"

"Eene oude vrouw, die in gindsche hut nabij de brug woont; een
arm oud wijf, die waarzegt en uit kaarten de toekomst voorspelt;
die als tusschenpersoon optreedt in de liefdesgeschiedenissen der
jonge meisjes, huwelijken bekonkelt, en door allen als een tooverheks
gevreesd wordt."

"Is er in ieder dorp zulk eene koppelaarster?"

"Neen; sommige dorpen zijn daarvoor te arm; want deze oude wijven laten
zich goed betalen. Die het wat verder in de kunst gebracht hebben,
vestigen zich in de steden, waar zij nog voordeeliger zaken kunnen
doen. Die tooverheksen in de steden hebben macht over de planeten;
de onzen moeten zich met kaarten behelpen."

"Gelooft ge waarlijk dat zij macht hebben over de planeten?"

"Wie zal dat uitmaken? Wij zien dat zij macht hebben over mannen en
vrouwen: en toch heeft ieder mensch zijn eigen planeet en zijn eigen
beschermengel. De meisjes, die de hulp der koppelaarster inroepen,
geven haar een lijst van al wat zij bezitten--zooveel samovars,
zooveel linnen, zooveel huisraad. Het gebeurt niet dikwijls dat zij
ook zilveren lepels bezitten. De patriarchen gaan naar de tooverheks,
om die lijsten in te zien. Een slimme kwant, zooals die oude Daan, gaat
liefst 's avonds tegen de schemering, als niemand hem ziet, naar hare
woning, zet zijn flesch brandewijn op de tafel, en noodigt de oude tot
drinken. "Kom, moedertje," meesmuilt hij, "haal uw lijst eens voor den
dag, en laat ons wat praten."--"Wat zoekt ge, vader Daniël?" grijnst
het wijf.--"Een vrouw voor Vanka, moedertje, een vrouw. Kom, drink
eens, dat zal je goed doen; en nu--met het boek voor den dag. Ik
wil eene flinke meid met een aardig duitje."--"Aha," zegt de heks,
met haar hand aan het glas; "ge wilt mijn boek zien! Wel, vadertje,
ik heb hier twee knappe deerns--aardige meisjes, en niet onbemiddeld
ook; zij zijn beiden juist voor Vanka geschikt. Hier is Lousha: een
aardig ding, maar geen huisraad; blauwe oogen, maar nog geen twintig;
tandjes als parelen, maar..... Blieft ge er niet van gediend? Waarom
niet?--Nu, zooals ge wilt; ik prijs mijn waren aan; het staat u vrij,
die al of niet te nemen. Lousha is een aardige meid--gij behoeft niet
zoo laag op haar neer te zien!--Zie hier, hier is Dounia; welgemaakt,
een fiksche, stevige meid; zij gaf nooit stof tot praten, en had maar
één vrijer in haar leven, eens buurmans zoon. Wat ze meebrengt? Dounia
is zelf een lot uit de loterij--zij eet heel weinig, en werkt als
een paard. Zij heeft vier samovars.--Niet gediend? Wel nu, gij treft
het bijzonder van avond, vadertje. Hier is Nadia;"--en nu volgt de
geschiedenis van haar samovars en haar zilveren lepels."

"En zoo wordt de zaak beklonken?"

"Men betaalt den pope het verschuldigde; de dag voor de
huwelijksplechtigheid wordt bepaald, en alles is gedaan--uitgenomen
het feest, het drinken en de hoofdpijn als napret."

"Vertel mij nu eens iets van Nadia."

"Vindt ge Nadia zulk een mooie naam? Ik geef de voorkeur aan
Marfousha. Mijne vrouw heet Marfa; als kind werd zij Marfousha
genoemd."

"Is Nadia jong en mooi?"

"Jong? Ze is negen-en-twintig jaar. Mooi? Ze is zoo bruin als leer."

"Negen-en-twintig, en Vanka zeventien!"

"Maar zij is groot en fiksch gespierd; sterk als een muilezel, en
kan den heelen dag, met weinig eten, blijven doorwerken."

"Dat zou goed zijn, als er een slaaf werd verlangd, om het land om
te spitten of een wagen te besturen."

"Maar dat wil de patriarch ook: eene dienstmeid voor zich zelven,
en eene echtgenoote voor zijn zoon."

"Hoe kwam Vanka er toe, haar aan te nemen?"

"Daniël toonde hem haar zilveren lepels; haar blinkende trekpotten,
en haar kist vol huisraad. De jongen ziet al die fraaiigheden met
begeerige oogen aan. Lousha is afwezig, en de oude man geeft een
wenk. De bruid omhelst Vanka--en de zaak is in orde."

"Arme Lousha! waar is zij vandaag?"

"Zij blijft op het veld om nog wat te groeien. Zij is nog niet sterk
genoeg om te trouwen. Zij zou voor haar man en voor haar schoonvader
niet kunnen werken, zooals eene vrouw behoort te doen. Het is veel
beter voor haar, nog wat te wachten. Op haar negen-en-twintigste jaar
zal zij evengroot en sterk zijn als Nadia; dan zal zij geschikt zijn
voor het huwelijk, want dan zullen de wilde haren er wat uit zijn."

Wij wandelen over de met planken bevloerde straat, van het posthuis
naar de kerk, die geheel opgevuld is met mannen en vrouwen in hun
zondagskleed: de vrouwen en meisjes in roode jurken met bont omzoomd,
en soms wel met zilvergalon versierd; de mannen in nette overjassen
en ronde bonte mutsen, met gouden kwasten en een roode punt. De
plechtigheid is bijna voleindigd; de priester heeft het huwelijk, in
den naam van God, gesloten; de jonggehuwden treden uit het heiligdom
met hunne kronen van klatergoud op het hoofd. De koning geleidt
zijne koningin, die er zeker oud genoeg uitziet om zijne moeder te
zijn. Men hoort hier in Rusland zooveel spreken van de rechten van
den echtgenoot, en van de zonderlinge eigenaardigheid der vrouwen,
die het als een bewijs van liefde beschouwen, wanneer hare mannen
haar slaan,--dat onwillekeurig de vraag oprijst, hoelang het nog
wel duren moet eer ook Vanka zijne vrouw zal kunnen slaan. Vooreerst
gaat dat nog niet, dat is duidelijk; men zou daarom kunnen twijfelen
aan hun echtelijk geluk, wisten wij niet dat, bij gebreke van Vanka,
de patriarch niet verzuimen zal van zijn zweep gebruik te maken.

De forsch gespierde bruid, met haar vergulde kroon op het hoofd, in
stijf brokaat gehuld en zich blijkbaar van de waarde harer vijftien
zilveren lepels bewust, wandelt statig langs de slijkerige straat,
naar hare nieuwe woning.

De kroegen--er zijn er twee in het dorp, ten behoeve van tachtig of
negentig zielen--zijn vol luidruchtig gezelschap. De brandewijnflesch
gaat rusteloos rond. Groote, baardige mannen omhelzen elkander, en
drukken hunne glazen tegen de borst; terwijl de knapen en meisjes,
schroomvallig en zwijgend, naar een open plaats gaan, waar het feest
met een dans zal worden besloten. Dit landelijk bal is wel een kijkje
waard. Een kring van dorpelingen, ouden en jongen, schaart zich in het
rond, om van de pret getuige te zijn. De dansers staan van elkander
afgezonderd: hier een groepje jongelieden, daar een groepje meisjes:
allen ernstig en doodstil. Eindelijk laat zich een fluit hooren;
een der jonkers neemt zijn muts af, en noodigt met eene buiging
zijne danseres uit. Geeft het meisje aan die uitnoodiging gehoor,
dan wuift zij met haar zakdoek; de jonkman treedt op haar toe, vat de
punt van den zakdoek, en draait met zijn meisje in de rondte. Niemand
spreekt een woord, niemand lacht. Stijf geregen en in haar opgeschikte
kleeding ingeperst, kan het meisje zich niet dan met moeite bewegen;
zij draait om en om zonder dat haar danser ooit hare hand aanraakt. De
melankolieke fluit speelt maar altijd voort, uren achtereen, op
dezelfde eentonige wijs; en de schoone, die gedurende het gansche bal
haar decorum het best bewaart, geen woord spreekt en geen lach haar
lippen laat plooien, heeft, naar het oordeel der omstanders, boven
allen de prijs verdiend!--De mannen praten en lachen onder elkander:
maar zoodra zij de vrouwen naderen, zijn zij met stomheid geslagen,
en maken enkel gebaren met hunne mutsen; deze zwijgende uitnoodiging
wordt door het wuiven met den zakdoek beantwoord, doch ook zonder dat
het meisje den mond open doet. Dit ronddraaien duurt voort, tot de tijd
is gekomen om naar bed te gaan, wanneer de mannen, opgewonden door de
drank, indien al niet door de liefde, wat los op hun beenen beginnen
te staan en allerlei onwelluidende kreten en liederen aanheffen.

De patriarch zit in zijn huis, en brengt den avond genoegelijk door,
in gezelschap van Nadia en haar zilveren lepels.

Ook al is haar echtgenoot een volwassen man, moet de vrouw toch
haar intrek nemen onder het ouderlijk dak, en zich aan den regel
van het ouderlijk huis onderwerpen. Verlangt zij mede haar deel van
de groentesoep en van de podding van gerstemeel, om niet te spreken
van een nieuw jakje nu en dan, dan moet zij haar best doen om het
haar schoonvader naar den zin te maken: en dit kan zij niet doen,
indien zij niet onverwaardelijk aan zijne bevelen gehoorzaamt. De
grieksche kerk laat geen echtscheiding toe: eenmaal getrouwd, zijn
de echtgenooten voor hun leven verbonden;--gelukkig zijn de eischen
niet hoog, en heeft geen der beide partijen veel overlast van een
te sterke verbeelding, zoodat zij zich in den regel tamelijk wel in
hun lot schikken, en zich alleen ongelukkig gevoelen als de boonen
mislukken of de patriarch wat al te druk gebruik maakt van zijn zweep.

"Verdedigt een man zijne vrouw dan niet?"

"Neen," antwoord de oudste, "niet tegenover zijn vader."

Een patriarch, huisvader, is onbeperkt gebieder in zijn huis en
gezin; niemand heeft het recht daar tusschenbeiden te komen: noch
het dorpshoofd, noch zelfs de keizerlijke rechter. Hij staat boven
de wet. Zijn hut is niet alleen een kasteel, maar een kerk: al wat
hij binnen die gewijde wanden verricht, is onaantastbaar en heilig.

"Maar als nu de vrouw bij haar man bescherming zoekt tegen
mishandeling?"

"De man moet zich onderwerpen, Wat zoudt ge dan verlangen? Twee heeren
onder één dak? Dan zou het huis spoedig in duigen vallen."

"Dus geven de jonge mannen altijd toe?"

"Wat zouden zij dan moeten doen? Moet men den ouderdom niet
eeren? Geeft de ondervinding geen aanspraak op den voorrang? Kan een
man een lang leven achter zich hebben, zonder met de jaren ook wijsheid
te vergaderen? Naar men zegt, zal dit alles eerlang veranderen; dan
zullen de jongelieden het huis regeeren, en de patriarchen hun baard
verbergen. Maar niet in mijn tijd! niet in mijn tijd!"

"Onderwerpen de vrouwen zich gewillig aan de bevelen van den
patriarch?"

"Zij moeten wel. Veronderstel dat Nadia door den ouden Daan geslagen
wordt. Zij komt tot mij, en toont mij haar schouders, die bont en blauw
zijn. Ik beleg eene vergadering van patriarchen om hare aanklacht te
hooren. Wat zal de uitkomst daarvan zijn? Zij vertelt hun, dat haar
vader haar slaat, en toont de litteekenen. De patriarchen vragen haar,
waarom zij geslagen werd? Zij bekent, dat zij ongehoorzaam is geweest,
toen haar schoonvader haar het een of ander gelastte: misschien wel
iets, dat hij niet behoorde te vorderen, en dat zij niet gehouden was
te doen. Maar het beginsel des gezags, dit voelt men, staat daarbij
op het spel: want is de patriarch niet langer gebieder in zijn huis,
hoe zal dan de oudste zijn dorp, de gouverneur zijne provincie, de
tsaar het rijk regeeren? Alle soorten en vormen van gezag hangen te
zamen, en staan of vallen met elkander. De patriarchen zijn dus van
meening dat de vrouw eene zottin is, en dat een tweede dracht slagen
haar goed zal doen."

"Kunnen zij niet bevelen, dat zij gegeeseld worde?"

"Tegenwoordig niet; de wet verbiedt het; dat wil zeggen, in het
openbaar. In zijn eigen huis mag Daniël, zoo vaak het hem goeddunkt,
Nadia geeselen."

De wet waarbij dit geeselen der vrouwen in het openbaar verboden
wordt, is door den tegenwoordigen keizer uitgevaardigd, en behoort
mede tot het groot geheel van maatschappelijke hervormingen, die
hij tot stand poogt te brengen. Zij is niet populair in het dorp,
waar zij beschouwd wordt als een inbreuk op de rechten der mannen,
omdat zij de patriarchen belet, naar goedvinden met de vrouwen te
handelen. Sedert deze wet het geeselen der vrouwen in het openbaar
heeft afgeschaft, hebben de mannen nieuwe middelen van bestraffing
uitgedacht: zij houden zich overtuigd, dat een geeseling met gesloten
deuren niet veel helpt, omdat daarbij de eer der schuldige ongerept
blijft. Wat zij alzoo uitgevonden hebben, blijkt uit hetgeen een
nieuwsblad verhaalt.--Euphrosine M--, de vrouw van een boer in
het gouvernement Kherson, werd door haar echtgenoot van ontrouw
beschuldigd. De man roept eene vergadering van patriarchen bijeen,
die zijne aanklacht aanhooren, en, zonder verdere getuigenis,
zonder de vrouw toe te laten zich te verdedigen, haar veroordeelen
om, op klaarlichten dag, in tegenwoordigheid van al hare vrienden,
moedernaakt door het dorp te worden geleid! Dit vonnis werd op een
kouden dag, bij vorst, ten uitvoer gelegd. Toch kon de ongelukkige,
wier schuld niet bewezen was, van de uitspraak van deze dorpsrechtbank
niet in hooger beroep komen. Want een dorp is een zelfstandige macht;
in den vollen zin des woords, een staat in den staat, eene republiek,
die door eigen wetten en zelf gekozen opperhoofden bestuurd wordt.

In westelijk Europa is een dorp niet anders dan eene stad in het klein,
waar een zeker aantal lieden van verschillenden stand gevestigd zijn,
die volkomen vrijheid hebben om, zoo zij dit verkiezen, naar elders te
gaan. Een russisch dorp daarentegen is een verzameling van hutten, die
allen bewoond worden door menschen van denzelfden stand en hetzelfde
beroep; menschen, wien het niet vrij staat zich te verwijderen van
den akker, dien zij bebouwen; die met elkander hetzelfde lot deelen,
en hunne landen onder dezelfde verplichtingen bezitten; die als
belasting eene gemeenschappelijke som betalen, en te zamen een zeker
aantal recruten voor de militaire dienst moeten leveren.

Deze dorpsrepublieken zijn in bijzonderen zin aan Groot-Rusland eigen,
waar het eigenlijke echt russische volk woont. Men vindt ze noch
in Finland en de Oostzee-provinciën, noch in Astrakhan, Siberië en
Kazan, noch in Kiew, Podolië, de Ukraine, en evenmin in de kaukasische
provinciën. Waar ge deze landelijke republieken aantreft, kunt ge met
zekerheid weten, dat ge u op echt-russischen bodem, en te midden van
het oud-russische volk bevindt. De provinciën, die ze bezitten, zijn
velen in aantal, groot in omvang, en rijk aan vaderlandsche deugden,
en met trouwe liefde aan den voorvaderlijken grond en de voorvaderlijke
inzettingen gehecht. Zij reiken van de muren van Smolensk tot nabij
Wiatka; van de golf van Onega tot de Kozakken-koloniën aan den Don:
eene landstreek, vijf of zesmalen zoo groot als Frankrijk, het oude
rijk van Iwan den Verschrikkelijke, dat aloude echte Rusland rondom
zijne vier hoofdsteden--Nowgorod, Wladimir, Moskou en Pskow--gegroept.

Een dorpsrepubliek is eene vereeniging van boeren, die als het
ware een groot gezin vormen, maar op hun eigen land en onder hun
eigen oversten leven, die naar oude overgeleverde wetten het bestuur
voeren. Een zeker aantal mannen, een van stand en van beroep, hebben
zich met gemeenschappelijk goedvinden op dezelfde plaats gevestigd,
een dorp gebouwd, een oudste gekozen, die met zeer uitgestrekte
macht is bekleed; het land, bij het dorp behoorende, is aller
gemeenschappelijke bezitting, niet ieders bijzondere persoonlijke
eigendom; zij wonen nabij elkander, in hutten van dezelfde grootte en
gedaante, naast en tegenover elkaar op twee rijen geplaatst. Behoefte
aan verdediging tegen de gemeenschappelijke vijanden, hetzij dan
menschen, wilde dieren, of vernielende natuurverschijnselen, was
ongetwijfeld de eerste aanleiding tot deze soort van vereenigingen,
waarvan het groote doel, ook nu nog, onderling hulpbetoon is.

De grondslag en onmisbare voorwaarde dezer eigenaardige inrichting
is het communaal grondbezit. Geen dezer boeren bezit den grond
in zijn eigen naam en krachtens eigen recht, maar allen bezitten
dien gezamenlijk, in naam van allen, en wel voor altijd en in
gelijke deelen. Het huisgezin, bestaande uit man en vrouw, is de
maatschappelijke éénheid: en ieder huisgezin heeft recht op een
billijk aandeel in de algemeene bezitting: op zooveel akker-, op
zooveel bosch-, op zooveel tuingrond, naar evenredigheid der grootte
van de bezitting en de talrijkheid der deelgerechtigden. Om de drie
jaren vervallen alle bestaande titels en indeelingen, en grijpt eene
nieuwe verdeeling plaats. Daar de gemeente eene zuivere republiek
is, waar alle hoofden van huisgezinnen gelijk zijn en geheel gelijke
rechten hebben, moet ieder zijne stem uitbrengen in den raad, en moet,
bij de verdeeling van het land, ook zorgvuldig op alle aanspraken
worden gelet. Het geheel wordt in zoovele deelen gesplitst, als
er huisgezinnen in het dorp zijn, waarbij tevens gelet wordt op de
hoedanigheid van den grond en den meerderen of minderen afstand van
de woning.

Maar evenals de behoeften, waarin voorzien moest worden, verder
reiken dan het dorp, zoo heeft ook het beginsel van associatie
zijne werking verder uitgestrekt. Acht of tien gemeenten vereenigen
zich, en vormen te zamen een soort van kanton of kerspel; tien of
twaalf kantons vormen op hunne beurt een _wolost_ of distrikt. Deze
afdeelingen hebben wederom haar eigen bestuur en organisatie, en zijn
ook metterdaad zelfstandige republieken.

Sinds overoude tijden zijn de leden dezer landelijke democratiën in het
bezit van zekere rechten, waarvan de oorsprong misschien betwistbaar
is, maar waaraan een wijs en voorzichtig staatsman toch niet dan
bij volstrekte noodzakelijkheid raken zal. Zij kiezen hunne eigene
overheden, hebben hunne eigene rechtbanken, en leggen eigenmachtig
boeten en straffen op. Zij beleggen openbare vergaderingen, waar de
gemeenschappelijke belangen en aangelegenheden besproken en besluiten
genomen worden. Zij hebben macht over alle leden der vereeniging,
onverschillig of die rijk dan wel arm zijn. Zij mogen hunne oudsten
afzetten, en anderen in hunne plaats benoemen. Zulk een boersche
republiek is eigenlijk niet anders dan eene uitbreiding van het
patriarchale huisgezin, en daarom in het bezit van rechten en
bevoegdheden, die de keizer niet gegeven heeft, en die hij ook niet
durft ontnemen.

Het dorpsopperhoofd voert den titel van oudste, _starosta_. Hij
wordt door de boeren uit hun midden gekozen, en wel voor den tijd
van drie jaren; echter brengt de gewoonte mede, dat hij na verloop
van dien tijd weder herkozen wordt; en het is niet zeldzaam dat
iemand deze waardigheid van zijn veertigste jaar tot aan zijn dood
bekleedt. Ieder is als starost verkiesbaar: maar de regel is dat de
rijkste boer daartoe gekozen wordt, en de vreemdeling, die in een of
ander dorp den oudste wil spreken, zal zich maar zelden vergissen als
hij zijne tarantasse voor het grootse huis doet stilstaan.--Moet er
een starost gekozen worden, dan komen de boeren samen in eene kapel,
in een schuur of in de herberg; zij fluisteren elkander den naam van
den uitverkorene in het oor; dan volgt een luid gejuich en handgeklap;
en wanneer de man hunner keuze het hoofd heeft gebogen, ten teeken
dat hij zijne benoeming aanneemt dan drukt men elkander de hand,
en wordt de plechtigheid besloten met een drinkgelag. Hoewel zijne
betrekking als een eerambt beschouwd, en dus niet bezoldigd wordt,
is de starost niettemin de verantwoordelijke persoon, die voor
alles heeft te zorgen, en wien elk onheil en elke ongeregeldheid
verweten wordt. Somwijlen, maar niet dikwijls, tracht een rijke boer
zich aan de keuze te onttrekken; doch de gemeente heeft recht op de
dienstvaardigheid en toewijding harer leden, en wie weigert aan haar
roepstem te beantwoorden, moet boete betalen.

Deze door het dorpsparlement verkozen magistraatspersoon is bekleed
met een hoogst eigenaardig, moeilijk te omschrijven gezag: hij is
half burgemeester, in den europeeschen zin, en half sheikh, in de
arabische beteekenis van dat woord. Hij is een door de wet erkende
overheidspersoon, en tevens een soort van familiehoofd, een patriarch,
die vaderlijke rechten uitoefent. Sommige van zijne functiën liggen
geheel buiten de wet, ja zijn daarmede zelfs in strijd. Zoo heeft
een starost, in zijn vierschaar gezeten, het recht behouden, iemand
tot den knoet te veroordeelen. Niemand anders in geheel Rusland;
noch de landheer op zijne goederen, noch de generaal in zijn kamp,
noch de koopman in zijn winkel, noch de reiziger in zijn slede,
heeft het recht zijn onderhoorige te slaan. Dit verbod, door den
tegenwoordigen keizer uitgevaardigd, wordt streng gehandhaafd: maar
een starost kan, gesteund door den dorpsraad, het keizerlijk gebod
straffeloos overtreden en de wet trotseeren.

Hoewel de rechten dezer gemeenten in de laatste jaren eenigermate zijn
ingekort, zijn zij toch nog, in menig opzicht, buitengewoon groot. Is
de vergadering der familiehoofden van oordeel, dat iemand niet langer
waardig is, lid der gemeente te zijn, dan kan zij den veroordeelde in
handen der politie overleveren, en naar de naastbijgelegen stad laten
brengen. Hij is van nu voortaan een balling en zwerver. Uitgeworpen
door zijne gemeente, heeft hij geen plaats meer in de maatschappij;
hij kan zich niet in eene stad vestigen, noch in een ander dorp gaan
wonen, hij is een vagebond, een verworpeling die buiten de menschelijke
samenleving staat. De gouverneur der provincie, gesteld dat hij
zich de zaak aantrekt, kan weinig voor hem doen. Hij kan de gemeente
niet dwingen, den uitgeworpene weder op te nemen; zijn al de vormen
behoorlijk in acht genomen, dan is de uitspraak van de dorpsvierschaar
onherroepelijk; en den getroffene blijft bijna geen andere keus over,
dan soldaat te worden, of zijn geluk te gaan beproeven in de mijnen
van Siberië.--In ernstige gevallen, waarbij de rechtbanken betrokken
zijn, heeft de gemeente het recht, het uitsproken vonnis te herzien
en zelfs te vernietigen. Gesteld, iemand wordt beschuldigd een schuur
in brand te hebben gestoken. Op last van den starost gegrepen en aan
de politie overgeleverd, wordt bij naar de stad gebracht, waar de
rechtbank is gevestigd, die zijne zaak onderzoeken moet. Na verhoor
van getuigen en nauwkeurig onderzoek, wordt hij vrijgesproken. Meen
nu echter niet, dat hij, krachtens deze vrijspraak, veilig naar zijne
hut en zijn akker kan terugkeeren. De gemeente is bevoegd, hem niet
meer in haar midden te ontvangen. De dorpsraad kan het vonnis des
rechters vernietigen, de zaak nog eenmaal onderzoeken, en den man,
in zijn afwezigheid, veroordeelen, niet alleen tot het verlies van
zijn huis en land, maar ook van zijn stand en goeden naam.

De gemeente heeft nog andere rechten. Geen harer leden mag zijn dorp
verlaten, zonder de toestemming van de vergadering en zonder een
paspoort van den starost, die hem ieder oogenblik kan terugroepen,
ook zonder opgave van redenen. Weigert hij te komen, dan wordt hij uit
de gemeente gebannen. Bij de vergunning is tevens een termijn gesteld,
gedurende welken zij geldig zal zijn: een maand, soms drie maanden,
echter nooit langer dan een jaar. Is die termijn verstreken, dan moet
de afwezige naar zijne gemeente terugkeeren, op straffe van door de
politie te worden aangehouden als een landlooper zonder paspoort.

Eenmaal in het jaar wordt eene algemeene vergadering gehouden,
waarop ieder bezitter van een huis en erve het recht heeft gehoord te
worden. De stemming is geheim. Ieder lid heeft het recht een voorstel
te doen, dat de oudste, die tevens de voorzitter der vergadering is,
aan hare beslissing moet onderwerpen. Somwijlen wordt een onpopulaire
starost afgezet, en een ander in zijne plaats gekozen. Natuurlijk
ontbreekt het ook in deze dorpsparlementen niet aan punten van
verschil; vooral als het op de verdeeling der landerijen, op den
omslag der belastingen, de levering van recruten, het onderhoud
der wegen en dergelijke zaken aankomt, kan het er soms heftig
toegaan. Wat men de buitenlandsche aangelegenheden der republiek zou
kunnen noemen--de groote wegen, de visscherijen, de exploitatie der
wouden--wordt geregeld, niet met de keizerlijke ambtenaren, maar met
de afgevaardigden van den kanton en het district (wolost), die zich op
hunne beurt rechtstreeks in betrekking stellen met den gouverneur,
den generaal en de hoofden der politie. De minister richt zich
niet tot de afzonderlijke gemeenten, noch minder tot de individuen:
wanneer het bedrag der belasting en het cijfer van het contingent
zijn vastgesteld, wordt daarvan door de regeering kennis gegeven aan
het district en het kanton, die voor de verdere verdeeling en levering
hebben te zorgen. De kroon zendt hare bevelen: het geld wordt betaald,
de manschappen worden geleverd. Dit stelsel is zoo eenvoudig en zoo
afdoende, dat tot dusver niemand de hand heeft durven of willen slaan
aan de rechten en de inwendige huishouding dezer republieken.

Deze gemeentelijke organisatie is iets geheel oorspronkelijks en
heeft ook niets met de naburige steden te maken. De menschen, die in
deze hutten leven, deze velden bebouwen, in deze wateren visschen,
vormen eene maatschappij op zich zelf. Hunne wetten zijn niet anders
dan overlevering en gewoonte; hunne vrijheden en rechten zijn ouder
dan iemand heugt. Zij stellen zelf hunne belastingen vast, en maken
hunne eigene wetten; alleen zeer ernstige gevallen uitgezonderd,
spreken zij zelf recht, leggen boeten en straffen op, zenden de
schuldigen naar Siberië, en roepen zoo noodig de hulp is van de
overheid om hunne besluiten ten uitvoer te leggen.

Ten aanzien van het nut dezer inrichting en de wenschelijkheid om haar
in stand te houden, zijn de gevoelens in Rusland verdeeld. Mannen, wier
meeningen op alle andere punten uit elkander loopen, zijn eenstemmig
in den lof dezer zelfstandige gemeenten. Anderen, die het in alles met
elkander eens zijn, verschillen geheel ten aanzien van de deugden en
gebreken dezer instelling. Velen van de bekwaamste en uitnemendste
hervormers wenschen niets liever dan den bloei en de ontwikkeling
dezer gemeenten: vurige aanhangers der monarchie, zoo als Samarin en
Cherkaski, ijverige republikeinen, zoo als Herzen en Ogareff, zien
in deze landelijke gemeenebesten de vruchtbare kiemen eener nieuwe
beschaving, die zoowel voor het Oosten als voor het Westen gezegende
vruchten zal dragen. Daarentegen kunnen wetenschappelijke mannen,
zoo als Valouef, Bungay en Besobrasoff, in deze gemeenten niet dan
kwaad zien; in hunne oogen is deze geheele inrichting niet anders
dan een overblijfsel van vroegere barbaarsche tijden, dat met den
voortgang der beschaving en verlichting verdwijnen moet.

Ontegenzeggelijk zijn aan dit stelsel der zelfstandige gemeenten
voordeelen verbonden, die niet gering zijn te achten. De ministers van
oorlog en van financiën zullen wel de eersten zijn om deze voordeelen
te waardeeren: want, waar het er op aankomt, op de spoedigste en
goedkoopste manier belastingen te innen en contingenten voltallig
te maken, is het natuurlijk veel verkieslijker met vijftig duizend
starosten dan met vijftig millioen boeren te doen te hebben. Ook de
minister van justitie kan niet anders dan met welgevallen denken aan
dat heirleger onbezoldigde bewakers van de openbare rust en veiligheid,
wier eigenbelang het medebrengt een wakend oog te houden op allen,
die gevaar loopen van het rechte pad te dwalen.--Maar deze voordeelen
zijn toch slechts van ondergeschikten aard, en tot verdediging der
gemeenten valt nog wat anders en wat gewichtigers te zeggen. Een
stelsel van landbezit, dat aan iederen gehuwden man een aandeel in den
gemeenschappelijken grond verzekert, is bij uitnemendheid geschikt tot
aankweeking van dien orde- en vredelievenden, waarlijk conservatieven
geest, die een onmisbaar element is in iedere maatschappij. Er
is misschien geen volk op aarde, dat meer dan het russische aan
oude inzettingen en gebruiken is gehecht, en vuriger den vrede
wenscht. Waar ieder landbezitter is, daar is uit den aard derzaak
de kanker van het pauperisme onbekend; en Rusland heeft dan ook tot
dusver weinig of geen behoefte gevoeld aan armenwetten en werkhuizen,
want de noodlottige kwaal, die men met deze toch altijd onvoldoende
middelen poogt te bestrijden, bleef hier nog onbekend. Hier vindt
ge, althans op het land, geene steeds aangroeiende klasse van niets
bezittende proletariërs, die uitsluitend van den arbeid hunner handen
moeten leven: ieder hoofd van een huisgezin heeft zijn eigen hut,
zijn koe, zeer dikwijls zelfs zijn paard en wagen. De leden der
gemeenten zijn allen onderling gelijk, en hebben volkomen dezelfde
rechten en verplichtingen; zij moeten elkander bijstaan en te zamen
de gemeenschappelijke lasten dragen. De luiaard of doorbrenger kan wel
zich zelf ongelukkig maken, maar hij sleept althans zijn gezin en zijne
kinderen niet in zijn ondergang mede. Dezen behouden hunne plaats in de
gemeente, en wanneer zij volwassen zijn, ontvangen ook zij hun aandeel,
en kunnen voor eigen rekening en onder eigen verantwoordelijkheid
een nieuw leven beginnen. De dronkaard en leeglooper sterft, zonder
eene bijna onontkoombare erfenis van armoede, schande en misdaad na
te laten. De gemeenten kweeken de groote deugden van ouderliefde en
eerbied voor de grijsheid aan; zij houden het gevoel van broederschap
en gelijkheid levendig, het heilzaam bewustzijn der onderlinge
afhankelijkheid en der noodzakelijkheid van wederkeerig hulpbetoon,
den geest van onverbreekbare solidariteit, die alle leden van een groot
geheel behoort saam te binden. Zij werpen een zeer hechten dam op tegen
het veldwinnend individualisme, dat onze westersche maatschappijen met
volslagen ontbinding dreigt, en zijn tevens eene uitmuntende school
voor zelfregeering en ter oefening in alle eigenschappen, die voor
de verkrijging en handhaving der ware vrijheid onontbeerlijk zijn.

Daar is echter eene keerzijde. Vooreerst zijn de afzonderlijke leden
der gemeente te zeer aan de willekeur hunner medegenooten overgeleverd,
die van hunne macht bijwijlen erg misbruik kunnen maken. Ook voeden
en onderhouden deze gemeenten een geest van bekrompen particularisme:
zij maken scheiding tusschen dorpen en steden, tusschen standen en
beroepen, en geven voet aan de gevaarlijke dwaling, dat er een staat
in den staat kan zijn. Geheel in zijne eigene republiek levende en
zich daarin als verliezende, is de boer maar al te zeer geneigd, den
stedeling als een wezen van lager rang te beschouwen, die onder eene
andere bedeeling leeft, en aan een ander gezag gehoorzaamt. Want in
waarheid bestaat er tusschen zijne inzettingen en wetten en die der
burgers van de naburige stad, een zeer groot verschil.



XVI.

DE STEDEN--KIEW.


De steden hebben met de verdeeling van het land in kantons en
distrikten niets te maken; zij staan geheel op zich zelf, en worden
naar gansch andere beginselen en door andere wetten bestuurd. De burger
eener stad heeft het recht, dat een boer niet heeft, om vrijelijk
handel te drijven en een of ander bedrijf uit te oefenen; hij mag
lid worden eener broederschap of zich in een gilde doen opnemen;
maar hij is al evenzeer aan zijn bedrijf gebonden als de landbouwer
aan den hem toegewezen grond. Zijne woning is dikwijls uit planken
getimmerd, zijne straten zijn met hout geplaveid; maar die woning
is groen of rooskleurig geschilderd, en die straten zijn ruim en
netjes onderhouden. De stad is niet vrij, en heeft niet het recht,
zich zelf naar eigen inzettingen te besturen: zij staat rechtstreeks
onder het gezag der regeering; het dorp is eene kleine republiek, de
stad is een onderdeel van bet rijk en als zoodanig aan de algemeene
rijkswet ondergeschikt.

Met uitzondering van vijf of zes groote hoofdsteden, vertoonen
alle russische steden volkomen hetzelfde karakter; en wanneer ge,
in verschillende deelen des rijks, er twee of drie gezien hebt,
dan kent gij ze alle. Neem welke stad van den tweeden rang gij wilt,
in de gansche uitgestrektheid van Groot-Rusland, en overal zult gij
hetzelfde vinden. Tien tegen een, dat de stad aan eene rivier ligt:
dan zijn altijd de eerste voorwerpen, die uwe aandacht trekken,
een klokketoren, een gevangenis, een vischmarkt, een bazar en eene
kathedraal. Langs den oever, boven en beneden de stad, verrijzen
kloosters. Eene schipbrug verbindt de beide oevers; en voor de
eigenlijke stad ligt eene armoedige voorstad. De haven is opgevuld
met schuiten en vlotten; de eerste brengen visch, de andere hout
aan. Welk een drukte en beweging op de kaai! Hoe ernstig, hoe smerig,
hoe armoedig zien al deze lieden er uit. Hun droefgeestige ernst
is een gevolg van het klimaat; hunne smerigheid herinnert u dat gij
het Oosten nadert. Zij hebben het niet ruim: de mindere man eet niet
veel vleesch: zelfs op gewone dagen, als hij niet behoeft te vasten,
bestaat zijn maaltijd uit een stuk roggebrood en stokvisch. Zie, wat
hij al niet doen wil om een kopek machtig te worden. Een russische
werkman is iemand met wien ge gaarne te doen hebt: altijd gewillig
en vol goeden moed; steeds gereed om u genoegen te doen; beleefd
en voorkomend: maar ge kunt er nooit op rekenen dat hij zijn woord
zal houden. Van de waarde van den tijd heeft hij geen flauw begrip;
en als hij beloofd heeft, u tegen tien uur in den morgen uw jas te
zullen zenden, moet ge u volstrekt niet verwonderen, zoo ge dien eerst
tegen elf uur des avonds krijgt. Ge kunt hem met geen mogelijkheid
aan het verstand brengen, dat dit verkeerd is.

Een sterke, onaangename lucht van olie en zout, van fruit en azijn,
van afval en visch komt u tegen, zoodra ge de markt betreedt. De
voornaamste handelsartikelen zijn brood, zout, visch, aardewerk, tinnen
schotels, spijkers en heiligenbeelden. De straat is bijna één groote
modderpoel, waarboven hier en daar enkele groote steenen uitsteken. Het
kost moeite, vooruit te komen; natuurlijk valt er niet aan te denken,
uwe laarzen schoon te honden.--De vischvrouwen zijn forsche, kloeke
gestalten, die er, in haar overjas van schapevellen en haar wijden
broek van hertsleder, geheel als mannen uitzien, en bezwaarlijk van
hare echtgenooten zouden zijn te onderscheiden, indien deze laatsten
geen baarden hadden, waaraan iedere man in Rusland te herkennen is.

Van de winkels in den bazar ziet ge niet veel meer dan donkere
openingen in den muur, die eene sterke gelijkenis vertoonen met de oude
moorsche winkels te Sevilla en te Grenada; de koopman staat voor zijn
toonbank, en maakt u opmerkzaam op zijn armoedigen voorraad van platen
en snuisterijen, zijn potten en pannen, zijn heiligenbeelden, zijne
kandelaars en zijn pakken speelkaarten. Na tarwebrood en zoute visch,
zijn heiligenbeelden en speelkaarten de meest gezochte artikelen;
want in Rusland is ieder even ijverig bij het kaartspel als bij het
gebed: allen spelen, de edelman in zijn club, de koopman in zijn
winkel, de bootsman in zijn vaartuig, de pelgrim onder het kruis
langs den weg. De hartstocht voor het gebed en die voor het spel zijn
misschien voor een deel uit dezelfde oorzaak te verklaren, namelijk
uit een zeker bijgeloovig vertrouwen op de macht van het onzienlijke,
van het bovennatuurlijke en toevallige, van hetgeen aan de gewone
menschelijke berekening ontsnapt. Bijna iedereen in Rusland speelt
boven zijn vermogen; en het is volstrekt geen zeldzaamheid dat een
gezeten burger de speeltafel niet verlaat, dan na eerst zijn geld,
dan zijn laarzen, zijn muts, zijn kaftan, in één woord zijn gansche
kleeding tot zijn hemd toe, te hebben verspeeld. Spel en sterke drank
zijn voor een Rus twee onwederstaanbare verzoekingen.

Maar hoezeer deze spelers ook in hun spel verdiept mogen zijn,
dadelijk werpen zij toch hunne kaarten neder, nemen hunne mutsen af en
vallen op hunne knieën, wanneer de priester, met zijn heiligenbeeld en
zijn kruis, nadert. Het is marktdag in de stad, en de pope is op weg
naar den een of anderen nieuw geopenden winkel in den bazar; dien hij
zegenen moet. Zulk een wijding is eene zeer eigenaardige plechtigheid,
vol aantrekkelijke, roerende poëzie. De pope, vooraf gewaarschuwd,
bepaalt den dag en het uur, zoodat de vrienden en buren gelegenheid
hebben, de plechtigheid bij te wonen. Is het oogenblik nu gekomen, dan
neemt de priester zijn kruis van het altaar; een koorknaap ontsteekt
den wierook; en voorafgegaan door een voorlezer en diaken, gaat de
priester naar de woning, tusschen twee rijen van knielende mannen en
vrouwen, waarvan de meesten hem, opstaande, volgen, ten einde bij de
inzegening tegenwoordig te zijn.

In het huis of den winkel gekomen, reinigt de priester eerst het
vertrek door het uitspreken van een formuliergebed; dan zegent hij
den eigenaar of bewoner, en wijdt eindelijk het gebouw door op de
eereplaats het beeld op te hangen van den patroon des bewoners, zoodat
voortaan niets in deze woning geschieden kan, dan onder het oog en als
in tegenwoordigheid van dien beschermheilige. Hoe weinig beteekenend
ook als kunstwerken, oefenen toch deze beelden een machtigen invloed
uit. Niet ver van Tambow woonde eene oude dame, die hare eigenhoorigen
met zeldzame hardvochtigheid behandelde, tot eindelijk de ongelukkigen,
door voortdurende mishandelingen tot wanhoop gedreven, op zekeren nacht
in hare kamer drongen, en haar aankondigden dat zij sterven moest. Van
haar bed springende, greep zij haastig het heilige beeld, dat aan
den wand hing, en hield dit haar aanvallers voor, hen uittartende
om de Moeder Gods te slaan. Van ontzag bevangen, lieten zij hunne
knuppels zakken en vloden uit het huis. De onvoorzichtige vrouw, door
deze zegepraal verblind, hangt nu het beeld weder aan den muur, slaat
haar overkleed om, en gaat naar buiten, haar lijfeigenen achterna;--en
deze, ziende dat zij haren talisman niet meer bij zich heeft, vallen
met luid geschreeuw op haar aan en dooden haar.

Bij eene wandeling door de stad, kunt ge niet nalaten getroffen te
worden door het groote aantal drankwinkels en de menigte beschonkenen,
die gij ontmoet. De tegenwoordige keizer heeft den brandewijn--waarvan
de verkoop een staatsmonopolie is--met water doen aanlengen, en den
prijs van een glas op vijf kopeks in plaats van vijftien bepaald. Die
verandering valt niet in den smaak der echte drinkebroers, die hun
aangelengden brandewijn minachtend _dechofka_--een koopje--noemen; maar
eenvoudiger zielen zijn den tsaar dankbaar voor zijne gave. "Is hij
niet goed, onze tsaar, zeggen zij, dat hij ons drie glazen geeft voor
hezelfde geld als vroeger een glas kostte?"--Toch, hoe slap hij wezen
moge, is eene betrekkelijk kleine hoeveelheid brandewijn voldoende om
den Rus van de been te helpen; want zijn maag is leeg, zijne zenuwen
zijn verslapt, en zijn bloed is arm. Ware hij beter gevoed, dan zou
hij minder behoefte aan prikkelende dranken hebben. Gelukkig zijn de
Russen, als zij dronken zijn, over het algemeen niet twistziek; zij
lachen en zingen, en hebben eene onweêrstaanbare behoefte elkander
te omhelzen, wat meermalen tot dwaze tooneelen aanleiding geeft.

De oudste en voornaamste steden van Rusland, hare heilige plaatsen
en metropolen, lang voordat het Kremlin aan de oevers der Moskowa, of
het Winterpaleis aan de boorden der Newa verrees; hare gewijde en door
de dichterlijke legende verheerlijkte steden, zijn nog altijd Kiew en
Nowgorod: de eerste de grondzuil van haar geloof, de andere van haar
wereldlijke macht. Te Kiew verheft zich de vergulde koepel, die nog
altijd getuigt van de bekeering van Rusland tot de Kerk van Christus;
in het Kremlin van Nowgorod prijkt de bronzen groep, opgericht bij
de gedachtenisviering van het duizendjarig bestaan des rijks.

Kiew, de oudste russische bisschopszetel, ligt niet in eigenlijk
Rusland, en verschillende geschiedschrijvers hebben haar, niet
geheel ten onrechte, als eene poolsche stad beschouwd. De inwoners
zijn Ruthenen, en de stad zelf was eeuwen lang eene schitterende
parel in de kroon der Jagellonen. De vlakte, die zich, onafzienbaar
ver, voor de poorten van Kiew uitstrekt, is de steppe van Ukraine,
het vaderland der Kozakken: het land der hetmannen en van Mazeppa,
rijk aan dramatische legenden, aan hartstochtelijke liederen, ter
eere der vrijheid en van het wilde nomadenleven. Het volk behoort
tot den poolschen stam, en de zeden zijn poolsch. Toch staat hier de
bakermat dier kerk, die geheel het maatschappelijk en huiselijk leven
in Rusland naar haar beeld gevormd, van haar geest doordrongen heeft.

De stad bestaat uit drie wijken of liever drie afzonderlijke steden:
Podol, Vitch-Gorod en Petchersk. Alle drie zijn opgevuld met kantoren,
magazijnen, bureaux, winkels, kloosters; maar toch is Podol meer
bepaaldelijk de zetel van den handel en de nijverheid; Vitch-Gorod
is de officiëele wijk, waar de regeeringscollegiën zijn gevestigd;
Petchersk is de heilige stad, het doelwit der pelgrims. Deze
drie steden verheffen zich op eene steile hoogte, aan den oever
van den Dnjeper; zij tellen eene bevolking van ongeveer zeventig
duizend zielen, en bevatten, in twee verschillende heiligdommen,
de stoffelijke overblijfselen van dien heidenschen Grootvorst, die
sedert haar voornaamste heilige is geworden.

Kiew is eene stad van legenden en wondervolle gebeurtenissen. Wat al
herinneringen dringen zich hier aan uwe geest op: de prediking van
Sint-Andreas, de teedere vroomheid van Sinte-Olga, de bekeering van
Sint-Wladimir, de inval der Mongolen, de poolsche overheersching,
de herovering en bevrijding door Peter den Groote. De omliggende
provinciën zijn niet minder rijk in geschiedkundige herinneringen. De
Ukraine, het vaderland van Mazeppa en Gonta, weet te verhalen van
stroop- en plundertochten, van vijandelijke overvallen en verrassingen,
van geplunderde steden en geblakerde woningen, van blijde zegetochten
en van overhaaste vlucht. Elk dorp heeft hier zijne eigene legende;
iedere stad haar eigen heldenzang van liefde en krijg. Het geheele
land is vol herinneringen, leeft als 't ware een eigen romantisch
leven. Hier, waar die kapel verrijst, werd een grootvorst vermoord;
deze heuvel is de grafstede van eene tartaarsche horde; op gindsche
vlakte werd een veldslag tegen de Polen geleverd. De mannen zijn
krachtiger en opgewekter; de huizen zijn beter gebouwd, en de velden
beter bearbeid, dan in het oosten en noorden. De muziek is levendiger,
de brandewijn sterker, de liefde vuriger, de haat onverzoenlijker,
dan elders in het groote rijk.

Evenals alle steden van zuidelijke Rusland, viel ook Kiew in de
macht van Batoe-Khan, den mongoolschen veroveraar, en zuchtte eeuwen
lang onder de ijzeren roede der aziatische begs. Deze begs waren
afgodendienaars; en onder hunne heerschappij moesten de kinderen
van Sint-Wladimir bittere beproevingen ondergaan: maar Kiew mag er
zich op beroemen dat zij, ook in de donkerste dagen der vervolging,
in haar nederige kerken en onderaardsche katakomben, het heilige
vuur des geloofs voor volslagen vernietiging heeft bewaard.--Aan den
voet van twee hooge heuvels, op drie mijlen afstands van Vitch-Gorod,
waar Wladimir zijn harem bouwde en een standbeeld oprichtte ter eere
van zijn heidenschen afgod, hadden eenige christelijke kluizenaars,
Antonius, Feodosius en hunne volgelingen, zich in de rots cellen
en woningen uitgehouwen, waar zij jaren lang een godzalig leven
leidden en als heiligen stierven. De plaats waar deze onderaardsche
woningen werden aangelegd, ontving den naam van Petchersk naar
het woord _petchera_, dat kelder beteekent. Mettertijd verrezen
twee kloosters boven die cellen, waar de vrome kluizenaars hadden
geleefd; die kloosters werden aan Antonius en Feodosius gewijd, nu
de beschermheiligen van Kiew geworden, en weldra alom vereerd als de
vaders van allen, die in Rusland het kloosterleven omhelzen.

Met graszoden belegde en met boomen beplante glooiingen scheiden
het eerste klooster, dat van Antonius, aan de eene zijde van de oude
stad, en aan de andere zijde van het klooster van Feodosius. De beide
groote kloosters, in een edelen stijl gebouwd, behooren wel tot de
schoonste en statigste bouwgewrochten in oostelijk Europa. Vergulde
koepels en torens verheffen zich boven ieder heiligdom; de muren zijn
beschilderd met tafereelen uit de levens der heiligen. De grond zelf is
hier heilig. Meer dan honderd kluizenaars sluimeren in de katakomben;
en onder den grond, in al de vele nissen in den donkeren muur, rusten
heiligen, wier lichamen, naar het zeggen der monniken, onverderfelijk
zijn. In het klooster van Sint-Antonius toont men u den schedel van
Sint-Wladimir: dat wil zeggen, een stuk fluweel, waarin zijn hoofd
gewikkeld is. Men verzekert u, dat de huid nog ongerimpeld, de spieren
nog veerkrachtig, het geheele hoofd nog ongeschonden en welriekend
is. Het is natuurlijk voor een vreemdeling niet wel mogelijk, zich
van de waarheid dezer bewering te overtuigen: hetzij ten aanzien van
het hoofd van Sint-Wladimir, hetzij ten aanzien der honderde lijken,
die in de onderaardsche gangen en gewelven worden bewaard. Ge bekomt
toch niets anders te zien, dan een lijkkist, een fluweelen kleed en
een opschrift in het Slavonisch; alles hangt dus af van de mate van
geloof, die gij medebrengt. Vijftig duizend pelgrims, voornamelijk
Ruthenen uit de volkrijke provinciën Podolië, Kiew en Wolhynië,
trekken iederen zomer in bedevaart naar deze heilige plaatsen.

Toen Kiew het juk der Tartaren had afgeschud, maakten de wisselvallige
kansen van den oorlog haar tot eene poolsche stad, in plaats van eene
moskovische, zooals zij eigenlijk was. Losgerukt van den oostelijken
tak van den grooten slavischen volksstam, werd zij bij den westelijken
ingelijfd. Nooit was Kiew russisch geweest, zooals Moskou russisch
was; eene ruwe, barbaarsche stad, met eene bevolking van handelaars
en boeren, en de zetel van een half tartaarsch hof; en nu zij dus
in rechtstreeksche verbinding met het Westen werd gebracht, werd zij
gaandeweg een tweede Praag. Eeuwen lang kweekte zij in haar schoot de
kunsten en wetenschappen der westersche beschaving; en toen zij door
Peter den Groote weder met Rusland werd vereenigd, was zij niet alleen
de schoonste parel in zijne kroon, maar ook een vereenigingspunt voor
alle takken en afdeelingen der groote slavische nationaliteit.

Geen andere binnenlandsche stad van Rusland is zoo schilderachtig en
zoo gunstig gelegen. Van haar hooge heuvelen overziet zij de wijd
uitgestrekte steppe, en beheerscht zij den statigen, koninklijken
stroom. Zij is de hoofd- en havenstad van de Ukraine; zij raakt
Polen met haar rechter-, Rusland met haar linkerhand; zij steunt
tegen Gallicië en Moldavië, en keert haar aangezicht naar Servië en
Bulgarije. Zij is, als het ware, een kort begrip der geheele Slavische
wereld. Haar bevolking bestaat voor een derde uit Moskovieten,
voor een derde uit Russen, voor een derde uit Polen; zij herbergt in
haar schoot de belijders der orthodoxe kerk, benevens katholieken en
Vereenigde-Grieken. Meer dan eenige andere stad in Europa, zou Kiew
aanspraak hebben op den rang van hoofdstad van het groote Slavische
rijk, wanneer de droom van het Panslavisme immer voor verwezenlijking
vatbaar was.

Op dit oogenblik schijnt die verwezenlijking verder verwijderd dan
ooit. Tot voor korten tijd vormden de panslavistische droomers eene
afzonderlijke partij in den staat; en nog op dit oogenblik hebben
zij aan het hof vermogende vrienden. Hun leus is, Panslavonië voor
de Slavoniërs; of liever, de verschillende stammen van den grooten
slavischen stam,--één staat, onder één hoofd: de slavische eenheid
alzoo. Twee jaren geleden, riepen de leiders van deze partij te Moskou
een congres bijeen, waarop zij in de eerste plaats hunne landgenooten
uitnoodigden, van de Witte- tot de Zwarte-zee, van den Weichsel tot
den Amoer; en voorts vertegenwoordigers van alle slavische stammen,
die onder vreemden schepter leven:--de Czechen van Praag, de Polen
van Krakau, de Bulgaren van Sjoemla, de Montenegrijnen van Cettinje,
de Serviërs van Belgrado; maar juist deze algemeene vergadering
te Moskou deed de oogen van verstandige en gematigde mannen
opengaan voor de onpraktische en zelfs gevaarlijke zijde van dit
panslavistisch streven. Op den bodem ligt een diep gewortelde afkeer
van het eigenlijke russische leven, zooals het in den loop des tijds
geworden is. Deze droomers zien verlangend uit naar andere vormen,
die, zooals zij zeggen, door een hooger en edeler nationaal leven
zullen worden bezield.

Evenals de oud-geloovigen, willen ook de Panslavisten niets weten
van den keizer, en kennen zij alleen den tsaar. Ook voor hen is
Peter de Groote de Antichrist, en het welslagen zijner doortastende
hervormingen beschouwen zij als een tijdelijke zegepraal van den
booze. Daarom kanten de Panslavisten zich tegen alles wat Peter heeft
gedaan, en tegen bijna alles wat zijne opvolgers op den troon hebben
verricht. Zij wenschen alle vreemde elementen uit hun midden weg te
doen: zij verlangen hunne oude nationale hoofdstad terug; zij vragen
vrijheid om hunne baarden te laten groeien, om bonte mutsen en hooge
laarzen te dragen, zonder deswege bespot of gekweld te worden. Zoowel
de oud-russische als de jong-russische partij verzet zich echter tegen
het streven dezer panslavistische dweepers, die, terwijl zij breken met
het verleden van Rusland sedert de laatste anderhalve eeuw, tegelijk
alle denkbeelden en vorderingen der westersche beschaving hardnekkig
verwerpen, en een onmogelijke hersenschim najagen, waaraan zij alle
wezenlijke en praktische verbeteringen en hervormingen opofferen.



XXI.

ALEXANDER.


De Krimoorlog heeft aan het russische volk zijn eigen nationaal leven
teruggegeven. "Sebastopol!" zeide mij een hoofdofficier, "Sebastopol
is gevallen, opdat ons land vrij zou zijn." Het tartaarsche rijk,
door Iwan den Verschrikkelijke gegrondvest, door Peter den Groote
hervormd, bleef in het wezen der zaak bestaan, ondanks europeesche
namen en vormen, tot op het oogenblik dat de verbonden legers in de
Krim landden. Geslagen aan de Alma en te Balaklava, streed dat rijk
zijn laatsten kamp op de hoogten van Inkermann; naar tartaarsche wijze,
zond daar het oude Rusland zijne laatste "groote horde" in die vallei
van Baidar, waar in de holen en rotskloven nog enkele overblijfselen
der stamgenooten van Batoe-Khan en Timoer huisvestten. Die laatste,
wanhopige worsteling was beslissend; wat na Inkermann volgde, was
betrekkelijk bijzaak. Het aziatische Rusland ging op dien bloedigen
winterdag te gronde; het europeesche Rusland trad in het leven.

Hoewel nu en dan, door vreemde invloeden, verzacht en gekleurd, nu
eens door fraai klinkende woorden, dan weder door een zeker mystiek
patriotismus, bleef het oude tartaarsche stelsel van kracht tot op
de tegenwoordige regeering. In dit stelsel was de monarch alles,
het volk niets; het leger was een horde, de adel eene verzameling
van ambtenaren en officiëele personen, de kerk een afdeeling van het
departement van politie, de massa des volks een troep slaven.

Nikolaas was aan dat stelsel gehecht, en met zijn vast karakter
en doortastende energie paste hij het toe, in eene mate en met
eene volharding als sinds de dagen van Peter den Groote niet was
gezien. Maar hierin verschilde hij van zijn voorganger, dat hij geen
voorliefde gevoelde voor de kunsten en wetenschappen der westersche
beschaving; hij had een hekel aan spoorwegen, en gevoelde een diepe
minachting voor de dagbladpers. Zijn hof geleek op een kamp; hij wilde
dat de studenten een uniform zouden dragen; de opvoeding was in zijne
oogen niet anders dan eene militaire africhtingsmethode. Hij zelf,
hij alleen, was de staat, de kerk, het leger, alles te zamen. Daar
hij zijn rijk wilde afsluiten, zooals de Khans van Khiwa en Bokhara
hunne staten afsluiten, had hij langs zijne grenzen een cordon van
troepen en wachters getrokken, die het den vreemdeling bijna even
moeielijk maakten in Rusland te komen, als den inboorling om daaruit te
ontsnappen; en zoolang hij regeerde, was zijn rijk voor het overige
der beschaafde wereld bijna een onbekend land, in geheimzinnige
nevelen gehuld. Die onbekendheid kweekte wantrouwen: want men is
steeds geneigd te vreezen hetgeen men niet kent; en Europa stond tot
dezen monarch bijna in dezelfde verhouding, als weleer Moskou stond
tegenover Timoer-Beg. Het russische regeeringsstelsel was mongoolsch,
niet slavisch; en de machtige autokraat, die dit stelsel handhaafde
en er mede te gronde ging, zal later in de geschiedenis bekend staan
als de laatste aziatische keizer en de laatste europeesche Khan.

In welken toestand verkeerde het rijk, toen Alexander II den troon
beklom? Zijne macht was gebroken; de geallieerde legers stonden in zijn
land; zijne havens waren gesloten; zijne vloten waren in de diepte
der zee verzonken; zijne legers keer op keer geslagen. Van de Newa
tot den Theems zag hij geen enkelen vriend of bondgenoot, van wien
hij hulp en krachtige ondersteuning kon verwachten. Rusland had toch
een millioen soldaten onder de wapenen. Waarom kon deze ontzaglijke
krijgsmacht den vaderlandschen bodem niet beschermen? Zij waren in
hun eigen land, dat zij kenden, aan welks klimaat en eigenaardige
luchtsgesteldheid zij gewend waren. Zij vochten bovendien voor hetgeen
den mensch boven alles dierbaar pleegt te zijn. Vanwaar dan, dat zij
onvermogend waren zich te handhaven tegenover den minder talrijken
vijand, die op vreemden bodem streed, en wiens soldaten door geen
andere motieven dan de soldij en roemzucht gedreven werden?

Keizer Nikolaas bekende, eer hij stierf, de waarheid: zij verscheen
hem in onmiskenbare trekken, bij het schijnsel zijner brandende steden,
bij zijne vluchtende legers, zijn machteloos kanonvuur. Hij begreep dat
hij niet enkel met vijandelijke soldaten te doen had; dat de publieke
opinie in geheel Europa tegen hem was, en dat het volk van lijfeigenen,
hetwelk hij met zoo strenge hand regeerde, niet vóór hem was. Rusland
was niet met hem. Hier lag de geheime oorzaak zijner ongeneeslijke
zwakheid. De lijfeigenen, de Oud-geloovigen, al de sectarissen van
wat naam ook, waren al te gader tegen hem; in hunne oogen was zijn
regeeringsstelsel iets anti-nationaals, ja bijna iets demonisch; en
nacht en dag rees hun gebed dat het uur der verlossing van deze booze
macht weldra mocht slaan. De ontdekking dat het volk hem, in zijn
strijd tegen de westersche mogendheden, met zijn leger alleen liet
staan, brak zijn hart. Toen zijn trots gebroken was, heeft Nikolaas,
naar men zegt, aan Alexander de oorzaken van zijn nederlaag, zooals
die zich voor hem ontsluierden, aangewezen, en heeft de stervende
keizer zijn opvolger vermaand een anderen en meer vrijzinnigen weg
in te slaan. Wie zal zeggen of dit verhaal waarheid behelst? Wie zal
de geheimen van dat sombere, tragische sterfbed openbaren?

Wat hiervan zij, het is zeker dat de nieuwe souverein handelt alsof
hij zulk eene waarschuwing ontvangen heeft. Hij begon zijne regeering
met eene daad van barmhartigheid: de poorten van honderden kerkers
werden geopend; duizenden ballingen werd de terugkeer vergund. Met
de westersche mogendheden werd een eervolle vrede gesloten, en het
droombeeld van de inneming van Konstantinopel terzijdegesteld. Een
rijk van zeventig millioen inwoners mocht ook zonder dat sterk genoeg
geacht worden, om zijne positie te handhaven.

Na aldus zich met het buitenland te hebben verzoend, keerde Alexander
zich naar het volk, aan zijne hoede toevertrouwd. De groote meerderheid
zijner onderdanen bestond uit lijfeigenen; nauwelijks een van de tien
kon lezen; nauwelijks een van de vijftig zijn naam teekenen. Een zeer
groot aantal hield zich buiten alle gemeenschap met de officiëele
kerk. De lijfeigenen werden verdrukt door de edelen; de Oud-geloovigen
werden geplaagd en vervolgd door de monniken: en toch vormden deze
twee klassen de eigenlijke kern en kracht des lands, toch waren zij
de natie zelve. Indien hij buiten het leger en buiten de officiëele
wereld, die den ondergang van het oude stelsel niet hadden kunnen
keeren, een steunpunt zocht, waar elders kon de keizer het vinden
dan bij de lijfeigenen ten platten lande, bij de Oud-geloovigen in
de steden? Maar hoe zou hij deze millioenen, verbitterd door lijden
en verdrukking, bezield door godsdiensthaat, met het rijk verzoenen,
en hunne sympathie voor zich winnen?

De keizer wilde zelf en van nabij het volk leeren kennen, over hetwelk
hij geroepen was te regeeren; hij bezocht hunne steden en hunne dorpen;
hij mengde zich onder hen, en trok van de IJszee naar de Kaspische-zee,
van de Weichsel naar den Oeral; hij knielde nevens hen te Solowetsk en
te Troïtza; hij onderhield zich met hen op de openbare wegen en aan de
oevers der meren; hij sloeg hen gade in de wouden en mijnen: tot hij
zich overtuigd had dat hij beter bekend was met het russische land en
het russische volk dan een enkele zijner staatsdienaars. Met de aldus
verkregen kennis toegerust, ondernam hij de oplossing van het groote
vraagstuk der lijfeigenschap, en bracht die groote hervorming tot
stand, in spijt van de tegenwerking zijner ministers en raadslieden.

Terzelfder tijd ondernam Alexander de hervorming van het leger. Hij
schafte den knoet af, en verbood het toedienen van stokslagen; hij
richtte scholen in de kazernen op, stelde ook voor niet-adellijken
ruimere gelegenheid tot bevordering open, en deed wat hij kon,
om, zoowel in een physiek als in een moreel opzicht, den soldaat
te verheffen.

Ook de universiteiten ondergingen eene herschepping: de studenten
legden hunne zwaarden en uniformen af, en de bijzondere privilegiën,
aan hun korps toegekend, werden afgeschaft. Het universitair onderwijs
verloor den stempel der militaire dressuur; de leerstoelen werden
ingenomen door burgerlijke hoogleeraren; en de jonge lieden die de
colleges volgden, werden geheel gelijkgesteld met hunne medeburgers,
onderworpen aan dezelfde overheid en aan dezelfde wet. De hoogescholen
werden vrij, en de studenten werden niet langer gevreesd als "dienaars
van den tsaar."

Deze hervorming werd gevolgd door eene andere, van nog veel grooter
gewicht voor het algemeen en dieper ingrijpende in het nationale
leven: die van het rechtswezen. De rechtspraak werd aan de politie
ontnomen, en uitsluitend aan de rechtbanken toegekend, die voortaan
alleen bevoegd zouden zijn, van alle overtredingen en misdaden
kennis te nemen en de schuldigen te vonnissen. In plaats van de
willekeur van een dikwijls omkoopbaren beambte, vond de aangeklaagde
nu de onpartijdigheid van een jury, bijgestaan door een met de wet
vertrouwden, wel onderwezen rechter.

Ter zelfder tijd werden die plaatselijke parlementen ingesteld,
districts-vergaderingen en provinciale vergaderingen: die uitmuntende
leerscholen, waar de burgers leeren denken en spreken; de gronden voor
en tegen eene zaak overwegen en dienovereenkomstig beslissen; waar
vooral ook de groote kunst onderwezen wordt om afwijkende meeningen te
eerbiedigen en te waardeeren, en zich te oefenen in die eigenaardige
deugden van matiging en zelfbeheersching en praktischen zin, die voor
een gezond openbaar leven onmisbaar zijn.

Eene groote, alles beheerschende vraag, meer dan eenige andere het
harte des volks rakende, bleef nog over. De bij uitnemendheid teedere
kerkelijke kwestie moest nog worden opgelost: de verhouding tusschen
de zwarte of reguliere en de witte of wereldlijke geestelijkheid;
de betrekking van de orthodoxe kerk met de Oud-geloovigen; van de
Heilige-Synode met de dissenters, en tevens de invloed, dien de kerk
rechtmatig over het onderwijs en de opvoeding behoort uit te oefenen,
en de verhouding van de kanonieke wet tot de burgerlijke.

Men zou meenen dat in een land als Rusland elk dezer hervormingen op
zichzelf meer dan voldoende zou zijn om geheel een menschenleven te
vorderen; toch werden zij door dezen kloekmoedigen en edeldenkenden
monarch allen te zamen ter hand genomen. Ondanks den tegenstand van
de drie machtigste partijen in het rijk--de zwarte geestelijkheid,
die het gezag aan hare handen voelt ontglippen; de oude legerhoofden,
die vasthouden aan het denkbeeld dat de soldaten met den stok moeten
worden geregeerd; de spilzieke edelen, die aan het verblijf te Homburg
of te Parijs de voorkeur geven boven het eentonige leven op hunne
goederen;--ondanks dien tegenstand, zet de keizer, met onbezweken
volharding, zijne groote taak voort. Wat wonder dat hij aangebeden
wordt door de boeren, de burgers, de lagere geestelijkheid, door allen,
in één woord, die in vrede wenschen te leven, hun akker te bebouwen,
hunne zaken te behartigen en hunne gebeden op te zeggen.

Inmiddels gaat de keizerlijke hervormer ongestoord zijn weg, alleen,
door zorgen gedrukt, door huiselijke rampen gebogen, in zijn openbaar
leven met allerlei tegenwerking kampende.



Op een somberen Decemberdag, omstreeks den avond, stappen twee
vreemdelingen in eene boot aan de kaai der Newa, en varen snel,
tusschen de drijvende ijsschotsen door, naar de dreigende citadel van
Sint-Petrus-en-Sint-Paulus, waar behoudens eene enkele uitzondering,
al de keizers en keizerinnen, die na Peter den Groote over
Rusland geregeerd hebben onder de marmeren zerken en gouden kruisen
rusten. Eensklaps laten de roeiers hunne riemen rusten en nemen hunne
mutsen af; opziende, ontwaren de vreemdelingen den keizerlijken gondel,
door twintig roeiers gevoerd, dicht in hunne nabijheid. De keizer
zit in die boot: slechts een enkel officier staat nevens hem. Bij
het voorbijvaren beantwoordt hij den groet der reizigers, springt
aan land, wikkelt zich in zijn wijden grijzen mantel, en richt zich
met haastige schreden naar de kerk. Niemand vergezelt hem. De zes of
acht voorbijgangers, die hij ontmoet, ontblooten hun hoofd, en treden
eerbiedig ter zijde om hem voorbij te laten gaan. De hoofdingang der
sombere kerk is gesloten; met zekere overhaasting richt de tsaar zich
naar eene zijdeur, waar hij een kerkbewaarder in burgerkleeding ziet,
dien hij wenkt naderbij te komen. De deur wordt haastig ontsloten,
en de onbeperkte gebieder over meer dan zeventig millioenen menschen
treedt in de kerk, waar ook hij eenmaal rusten zal. De vreemde
bezoekers zijn inmiddels naderbij gekomen. "Wacht een oogenblik,"
zegt de bewaarder; "de keizer is daar binnen." Dan voegt hij er bij:
"Gij kunt wel in het portaal gaan; zijne majesteit zal u niet lang
ophouden."--Dat portaal is slechts door glazen deuren van de kerk
gescheiden, zoodat de reizigers het inwendige van het gebouw kunnen
overzien. Zij zien statige zuilenrijen, die de breede schepen van
elkander scheiden. Langs de wanden hangen vaandels en banieren: de
zegeteekenen, op honderd slagvelden, aan Zweden en Franschen, Polen,
Perzen en Turken ontnomen: hier en daar brandt een zilveren lamp voor
het portret van een heilige. Tusschen de zuilen verheffen zich de
witte keizerlijke tomben: eene lange rij, fantastisch verlicht door
het rosse licht dier wemelende lampen.

Alleen, de muts diep over het voorhoofd getrokken, in zijn grijzen
mantel gewikkeld, gaat de keizer van de eene tombe naar de andere;
nu een oogenblik stilstaande, als om het opschrift op den steen te
lezen; dan, in gebogen, peinzende houding, het schip doorgaande;
hier voor een poos in de diepe schemering verloren, elders als
eene schaduw voortglijdende langs de sombere zijbeuken. Hij is
te midden der dooden: Peter, Catharina, Paul, ruwe krijgslieden,
teedere vrouwen, onschuldige kinderen, en daar boven zijn hoofd
hangen de verkleurde zegeteekenen van honderd oorlogen.--Wat voert,
in dezen kouden winteravond, den tsaar hierheen? Drukt hem de
last des levens? Verlangt hij naar den dood? Zie, hij staat stil,
ontbloot het hoofd, knielt voor een graf:--dat zijner moeder! Een
weinig verder, staat hij nogmaals stil en buigt wederom de knieën;
langen tijd blijft hij geknield, in gebed verzonken; dan, opstaande,
drukt hij een kus op het gouden kruis. Daar rust zijn oudste zoon!

Een oogenblik later is hij vertrokken.



AANTEEKENING


[1] Wij verwijzen de lezers voor de nadere kennismaking met deze
vier russische secten naar de zeer belangrijke bijzonderheden, op
bladz. 308 en volg. van den jaargang 1870 der _Aarde_ medegedeeld. Het
daar gezegde ontslaat ons van de verplichting, ditzelfde onderwerp
thans nog eenmaal te behandelen.



                     DE KATHEDRAAL TE PUY.


Schilderachtig ligt de oude stad Puy-en-Velay, de tegenwoordige
hoofdstad van het departement der Haute-Loire, in haar krans van
bergen, met hare amphiteatersgewijze oprijzende huizen, gekroond
en beheerscht door hare indrukwekkende kathedraal. Deze laatste,
waarvan de ommestaande plaat u eene afbeelding te aanschouwen geeft,
behoort zeker tot de merkwaardigste kerkgebouwen van Frankrijk. Reeds
door hare ligging op eene hooge rots, aan den rand van een afgrond,
maakt zij een machtigen indruk: maar vooral ook door haar strengen,
ernstigen gevel van witten en gekleurde steen, die onwillekeurig aan
noordsche monumenten denken doet. Ook die groote, in schemerdonker
gehulde zuilenhal, met haar zonderling, half koepelvormig gewelf,
maakt, als ge binnentreedt, een diepen indruk, die nog verhoogd wordt
door de soberheid en betrekkelijke armoede van den bouwtrant en het
gemis van ornamentatie.

Doch behalve deze eigenaardigheden, die iederen beschouwer
treffen, is deze kerk merkwaardig in het oog van alle bouwkundigen
en beoefenaars van de geschiedenis der architectuur, door de
karakteristieke bijzonderheden en afwijkingen, die zij in haar
bouwstijl vertoont. Hoewel door geheel haar aanleg tot den romaanschen
stijl behoorende, draagt zij den stempel dier eigenaardige richting
in de oud-middeleeuwsche architectuur van zuidelijk Frankrijk, die
de school van Perigueux wordt genoemd, en zich onder den invloed van
byzantijnsche denkbeelden en kunstregelen heeft ontwikkeld:--een
hoogst merkwaardig verschijnsel, wellicht in aard en oorsprong,
nog niet voldoende opgehelderd. De kathedraal van Puy vertoont in
haar min of meer onbeholpen constructie duidelijk de sporen van een
overgangstijdperk, waarin de nieuwe kunst, die straks in de gothiek
hare heerlijkste uitdrukking zou vinden, aanving de stroeve vormen
der oude romaansche en byzantijnsche architectuur te doordringen
en te herscheppen. Ook als historisch monument is zij dus van zeer
groot gewicht.



                     TWEE RUSTIGE PLEKJES.



I. SCHAFFHAUSEN.


Wat schilderachtig stadsgezichtje, dat oude Schaffhausen met zijne
zonderlinge huizen, zoo grillig en fantastisch van bouworde; zoo
bont geschakeerd langs de rivier, aan den voet van den heuvel,
waarop het kasteel troont. Onwillekeurig roept dit tafreeltjen u
de middeleeuwen voor den geest: op den berg de adellijke burcht;
daar beneden, de kerk, die haar slanke spits hoog ten hemel heft;
en om die beiden gegroept de huizen der eerzame poorters, door zoo
menigen band aan burcht en kerk verbonden, in hun leven en streven,
hun werken en denken zoo vaak, deels gewillig, deels gedwongen, de
leiding volgende, die van beiden uitgaat. En, mits die leiding goed
zij, wat steekt daar vernederends of onteerends in? Behoeft de schare
geen leidslieden; en is het niet goed dat er zijn, die, door geboorte
en levensbestemming en traditie meer dan anderen tot die taak bekwaam,
zich daar ook geheel aan wijden kunnen? Heeft, zouden wij bijna vragen,
het verbreken van dien natuurlijken, organischen band wel altijd heil
aangebracht? Maar wij mogen ons hier niet in zulke vragen verdiepen,
en willen dat ook niet doen. Genieten wij alleen het schilderachtig
tafreeltjen, zonder al te zeer de bijzonderheden te ontleden, die ons
wellicht menige onttoovering zouden berokkenen. En--wie weet?--wellicht
dat de tijd, waarvan deze muurwerken getuigen, van te nabij gezien,
ook iets zou verliezen van dien onbeschrijfelijk bekoorlijken glans,
die hem nu voor ons, van verre staande, omstraalt!



II. GEROLDSAU.


Drie malen heb ik mij nedergezet onder de koele lommer dier groote
boomen, aan den oever dier heldere, murmelende wateren, bij den
waterval van Geroldsau.

De eerste maal was ik diep ongelukkig: een zware slag had mij getroffen
en mij den lust en het licht mijns levens geroofd.... De eenzaamheid
zoekende, vond ik, in eene kleine vallei, tusschen groene heuvelen,
die beek, die, rustig voortkabbelende, eensklaps in haar loop gestuit,
met groot gerucht in de diepte stort. Ach, was zij geen beeld van
mijn leven, ook zoo plotseling verstoord, verbroken, vernield? Was
dat klagend geluid, die doordringend weemoedige toon der vallende
wateren, niet als een echo mijner eigene ziel? Ik stond stil, en zette
mij neder aan den oever, luisterend naar de stemme, die al dieper
en dieper in mijn gemoed doordrong. En het was of die stem steeds
minder van smart en vertwijfeling, steeds meer van rust en kalmte en
ernstig streven sprak, steeds duidelijker getuigde van het blijvende
te midden van al wat verandert. En ik zag, hoe de beek, op korten
afstand, haar rustigen loop hernam, als hadde niets haar gestoord:
en de hoop herleefde, flauwelijk nog, in mijne geschokte ziel.

Toen ik haar wederzag, de schoone cascade, was ik niet ongelukkig, maar
langdurige, inspannende, vermoeiende arbeid had mijn geest uitgeput:
eene dofheid was over mij gekomen, die mij afleiding in reizen zoeken
deed. Weer voerde mijn weg mij naar den waterval bij Baden. En toen
ik daar nederzat, en naar die muziek der ruischende wateren hoorde,
was het alsof eene stemme mij toeriep; frischheid en leven, ook
voor den geest, ze zijn te vinden in de vrije, heerlijke natuur,
aan de borst van Gods schoone schepping, vanwaar kracht en bezieling
uitgaan. Is het gloeiend hoofd moe gepeinsd, naar buiten dan in het
vrije veld, in de lommer der bosschen, aan den oever der wateren, op
den top der bergen--daar slaat de geest op nieuw de matte wieken uit,
en verheft zich tot hooger sfeer.

En toen ik haar ten derden male weder zag, de cascade van Geroldsau,
toen was ik blijde en gelukkig en vol frisschen levenslust: want een
ster was opgegaan over mijn pad, en lieve handen strooiden bloemen
op mijn weg. En de stem der natuur klonk mij in de ooren als een
jubellied, als een triomfzang van het eeuwig bloeiende leven, vol
frischheid en jeugd.... Is zij iets anders, de natuur, dan de spiegel
onzer eigene indrukken? Of heeft hare stem voor ons zoo wondere kracht,
omdat de geest, die uit haar spreekt, ook fluistert in ons eigen hart?





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Het Vrije Rusland - De Aarde en haar Volken, 1873" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home