Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: De Groote Pyramide
Author: Ginkel, H.J. van
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "De Groote Pyramide" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



                       De Groote Pyramide

                              Door

                       H. J. van Ginkel.



    Uitgave van de N. V. Theosofische Uitgevers Maatschappij
                 Amsteldijk 79 :: Amsterdam 1908



      Typ. Duwaer & Van Ginkel, Bloemgracht 8, Amsterdam.



INHOUD.



    Hoofdstuk I.    Inleiding  1
    Hoofdstuk II.   Ligging, Bouwer  14
    Hoofdstuk III.  De Bouw  24
    Hoofdstuk IV.   Beschrijving van het Inwendige  33
    Hoofdstuk V.    Over de bestemming der Pyramide  41
    Hoofdstuk VI.   Over de bestemming der Pyramide II  50
    Hoofdstuk VII.  Nog enkele theoriën over de bestemming en
                    symboliek der groote pyramide  63
    Hoofdstuk VIII. Mystieke theoriën  71
    Hoofdstuk IX.   Mystieke theoriën II  81
    Hoofdstuk X.    Mystieke theoriën (slot)  92


APPENDIX.

    Maten der Pyramide 105
    De vijfpuntige ster het geometrisch symbool der groote Pyramide 110
    Waarom de Bouwers den pi hoek in de Pyramide vastlegden 118
    Lijst van geraadpleegde boeken 119
    Maten 121



VOORWOORD.


De inhoud van dit boekje verscheen grootendeels reeds in het maandblad
_Theosophia_ en ik kan dus volstaan met een zeer kort voorwoord
ter inleiding.

Gaarne had ik meer tijd besteed aan het omwerken van de grondstoffen,
doch de gelegenheid daartoe ontbreekt mij; aangezien echter velen mij
verzochten de artikelen toch in boekvorm te doen verschijnen om de
er in verkondigde denkbeelden in ruimer kring hier te lande bekend
te maken, ben ik er toe overgegaan dit boekje uit te geven.

Met mijn oprechten dank aan mijne vrienden die mij op verschillende
wijzen bij mijn arbeid steunden en de uitgave mogelijk maakten en
in de hoop dat de reeds opgewekte belangstelling in het behandelde
onderwerp moge toenemen zend ik dit boekje de wereld in.


H. J. van Ginkel.

Laren, April, 1908.



DE GROOTE PYRAMIDE.

HOOFDSTUK I.


Het is een vastgesteld feit dat elk belangrijk onderwerp van studie
beschouwd kan worden van twee zeer uiteenloopende--dat wil zeggen
_schijnbaar_ uiteenloopende--standpunten, namelijk van het standpunt
van hen die oordeelen volgens _voor hen_ vaststaande feiten en van het
standpunt van hen die oordeelen volgens hunne gevoelszienswijze. De
eerste beschouwing wordt genoemd de wetenschappelijke, met de tweede
bedoel ik die van hen, die door innerlijke kennis--door kennis van
de ziel, niet door kennis van het tegenwoordig hersenverstand--weten
van de werkelijke waarheid der dingen. En nu is het een treurige
gewoonte geworden dat zij, die oordeelen volgens vaak zeer
betrekkelijk vastgestelde feiten, hoegenaamd geen waarde hechten aan
de beschouwingen, die omtrent zekere dingen bestaan, van hen die een
innerlijk besef van de gnosis dezer dingen hebben. Bovendien is de
eerstgenoemde school van denkers heden ten dage in de meerderheid
doordien de groote massa nietdenkende menschen met hen meegaat,
niet uit overtuiging, maar uit gemakzucht of onwetendheid.

In de eerste plaats dan zou ik mijnen lezers de vraag willen
voorleggen: Berust de eerste beschouwing eigenlijk _ook_ niet op een
vooraf opgevat _gevoelen_ omtrent zekere dingen? En dan zou ik hier
zeker op antwoorden: ja. Want de geleerde die eene massa feiten,
stoffelijke feiten verzameld heeft, en deze louter bijeengezameld
heeft met het denkbeeld ze te analyseeren, aaneen te voegen enz., met
de bedoeling een geschiedenis dier dingen op te bouwen, heeft behalve
zijn denken als geleerde ook zijn gevoel als mensch, welk laatste niet
alleen is opgebouwd gedurende zijn omgang in dit leven met verwante
denkers, vrienden en bekenden, maar ook door zijn denken en omgang
in voorafgaande levens. En het kan niet uitblijven of zelfs geheel
tegen zijn willen in, zal ook een geleerde een onderwerp beschouwen
door de glazen van zijn gevoelsbril, welke glazen niet in dit éene
leven doch reeds ten deele in levens daaraan voorafgaande gevormd zijn.

Nu iets met betrekking tot de feiten zelf volgens welke zij hunne
wetenschappelijke beschouwing vormen, bijvoorbeeld omtrent de
geschiedenis der oudheid. De tegenwoordige onderzoekers hebben op dit
punt zeker niet veel om mede te werken en allerminst op het punt van
geschreven verslagen. Tot op een betrekkelijk kort geleden tijdstip
was de beschouwing van hetgeen geschreven stond geheel onderworpen
aan en beperkt door kerkelijke leerstukken, en was een vrije eigen
gedachte over een onderwerp als het onderhavige louter onmogelijk. Wat
dus in verschillende richtingen er over gedacht of geschreven is,
kon eerst vrij ontwikkelen in de laatste eeuw en in die eeuw zijn
juist belangrijke feiten eerst begonnen aan het licht te komen, en een
ieder die weet hoe weinig feitenkennis er tot nog toe is, en ook de
theorieën kent die door verschillende wetenschappelijke onderzoekers
op deze feiten gegrond zijn, zal inzien dat deze theorieën niet door de
feiten onaantastbaar worden gelaten. Wanneer, zooals bekende verslagen
ons doen zien, de geschiedenis van het menschdom is na te gaan tot op
een tijdperk van ettelijke duizenden jaren vóór Chr., en de feiten van
het begin dier geschiedenis aantoonen dat er toen hooge beschavingen
waren, is het misschien wetenschappelijk, maar zeker niet logisch,
te zeggen dat dit de aanvang der menschelijke beschavingsgeschiedenis
was, vooral met het oog op een ander wetenschappelijk vaststaand feit,
dat de aarde millioenen jaren vóór dat tijdstip bestond. Want wij
hebben _te kiezen_ tusschen twee zienswijzen omtrent de dingen vóór
dat tijdstip waarvan onze gegevens dagteekenen, namelijk de menschheid
verkeerde gedurende duizenden, ja wellicht millioenen jaren in wilden
staat, en dan was de ontwikkeling der volgende enkele duizenden
jaren daarmede geheel in strijd, òf er bestonden beschavingen lang
vóór dat tijdstip. Nu berust eene zienswijze omtrent dit tijdstip,
tenminste als men er zich eene zienswijze van vormen wil, bij gebrek
aan voldoende feitenkennis, geheel op gevoel en heeft voor dat tijdperk
de Theosofische theorie evenveel waarde als de wetenschappelijke. Is
dat dan voor een later tijdperk niet even waar, zal men vragen en
niet ten onrechte. Ik voor mij vind dat dit zeker het geval is, maar
alvorens dit te kunnen staven moet men in staat zijn de bekende feiten
overeen te brengen met de theorie, en dit vereischt dus meer dan men
van een leek verwachten mag. Hiertoe is noodig een wetenschappelijk
man met theosofische theorieën, en deze ontbreekt op verscheidene
gebieden van wetenschap nog. Doch wanneer wij, die niet in staat zijn
voldoende feitenkennis te verzamelen om onze theorieën wetenschappelijk
te staven, slechts volhouden op grond van ons innerlijk weten, zal
de drang zoo groot worden dat ook dit overeenbrengen van de feiten en
de theorieën welhaast niet meer tot de schoonste droomen zal behooren.

En omdat ik dit voel en weet waar te zijn, durf ik mijn onderwerp
hier te behandelen van een standpunt dat berust op gegevens die
grootendeels geput zijn uit "onwetenschappelijke" boeken, geschreven
door meerendeels "onwetenschappelijke" menschen, maar die voor mijn
gevoel meer werkelijke kennis, en daardoor recht van spreken hadden
over deze dingen, dan een feitenverzamelaar. Wanneer iemand iets voelt
voor een zaak, is dit een bewijs dat er in zijne aura skandha's zijn
van uit een tijd toen hij zeer na betrokken was met die zaak en die
zaak kende, en wanneer hij dezen skandha's den vrijen loop laat,
zal hij mijns inziens meer weten van die zaak dan eenig iemand die
slechts van buiten af beoordeelt.

Doch reeds te ver dwaalde ik hier af van hetgeen ik wenschte te zeggen,
namelijk welke twee groote theorieën wij met betrekking tot de oudheid
en de geschiedenis van de menschheid hebben. De wetenschappelijke
theorie dan beweert dat alle vooruitgang der menschelijke beschaving
op een geleidelijke evolutie van den stoffelijken mensch en zijn
stoffelijk hersenstelsel berust, en dat de mensch van het standpunt van
den wilde zonder hulp van buiten af gekomen is tot het huidig standpunt
van beschaving, dat men thans met den aan onzen tijd eigen zijnden
eigenwaan als een zeer hoog, zoo niet het hoogste te bereiken punt van
beschaving beschouwt. En wij willen nu hier niet er over uitweiden of
er werkelijk eenige grond bestaat om onze hedendaagsche beschaving
te beschouwen als een zeer hoogstaande, doch liever opsommen wat de
hiertegenoverstaande of Theosofische theorie zegt. Deze dan leert dat
de menschheid tot op een betrekkelijk kort geleden tijdperk geheel van
buiten af geleid werd, evenals een jeugdig kind leert loopen aan de
hand zijner ouders, en dat zij eerst nu begint te trachten alleen te
staan. In deze jeugd der menschheid hebben groote beschavingen bestaan,
die geheel geleid en opgebouwd werden door de Oudere Broederen der
Menschheid, die van andere plaatsen in ons zonnestelsel kwamen om onze
evolutie te leiden. Zij waren de Koningen, Ingewijden en Priesters in
deze oude beschavingen en hadden alle kennis die binnen ons stelsel
bestaat, te Hunner beschikking. Vandaar dat Zij de menschheid eene
beschaving konden voorhouden als voorbeeld ter latere navolging. Nu
beweer ik niet dat de jonge rassen welke Zij leidden geheel voldeden
aan de plannen die deze hoogstaande Wezens met hen vóór hadden. Neen,
want wij kunnen maar al te goed weten uit hetgeen ons geleerd wordt,
dat Zij de menschen nimmer konden noch mochten _dwingen_ Hunne plannen
geheel ten uitvoer te brengen, en al was Hunne enkele tegenwoordigheid
voldoende om een ras tot hooge beschaving en hoogen bloei te brengen,
zoo verviel het evenzeer nadat Zij zich wederom terugtrokken. Het nut
van Hunne tegenwoordigheid kon dan ook niet anders zijn dan de stoot
die de machine der menschheid aan het werk bracht, doch thans zijn
wij zoover als menschheid ontwikkeld, dat wij uit eigen aandrang tot
dezelfde resultaten moeten trachten te komen.

Een duidelijk beeld van zulk een leiding en op de kleinere schaal
van een onderdeel der evolutie, vinden wij bijvoorbeeld in de kunst.

In Griekenland hebben in onze bekende oudheid enkele groote ingewijden
beeldwerken gewrocht, die niemand van hunne latere navolgers heeft
kunnen benaderen, en die ook zelfs nu niet benaderd worden. Toch
zijn zij daar als een beeld van hetgeen mogelijk is in die richting,
en moet het betrekkelijk einddoel van onze kunstenaars zijn, hen te
evenaren om op een toekomstig tijdstip tot hetzelfde standpunt te
komen. Ook hier is dus schijnbaar eerst een ongewone en abnormale
ontwikkeling en beschaving, vervolgens achteruitgang en een te komen
beschaving die tot het eerste punt terugkeert, plus de innerlijke
ontwikkeling door die navolging verkregen.

In ieder geval, hetzij wij dit nu kunnen aantoonen en staven door
feiten of niet, de Theosofische theorie zegt ons dat de eerste
beschavingen van onze menschheid, dus die van vóór het bekende
geschiedkundige tijdperk en waarvan de eerst bekende Egyptische
beschaving slechts een vervallen overblijfsel was, geleid werden en
opgebouwd waren door Adepten of in enkele gevallen zelfs door zeer
verheven Wezens van andere bollen in ons zonnestelsel.

Wanneer wij ons aan deze beschouwing houden, kan bij ons geen twijfel
bestaan of alle zaken die wij omtrent deze beschavingen en bijvoorbeeld
omtrent de ons bekende Egyptische beschaving eveneens gissen of kennen,
moeten wij in een geheel ander licht zien dan zulks gedaan kan worden
door een wetenschappelijk onderzoeker.

Wanneer wij nu in het licht van deze theorie het onderwerp
beschouwen, dat ik mij voorstel in dit boek te behandelen, namelijk de
verschillende theorieën die omtrent de Groote Pyramide, hare Bouwers,
en het waarom van haar bouwen, enzoovoorts, bestaan, dan kunnen wij
zeker _niet_ de woorden beamen van een der grootste hedendaagsche
Egyptologen, E. A. Wallis Budge, waar hij met betrekking tot dit
onderwerp in zijn laatst verschenen werk [1] schrijft:

"In de volgende bladzijden wordt geen melding gemaakt van de
verscheidene vernuftige theorieën die zich steeds om 'de Groote
Pyramide' verzameld hebben en die aan dat uitgebreide grafgedenkteeken
verborgen doeleinden en beteekenissen zouden willen toeschrijven,
want door alle bevoegde gezaghebbenden wordt nu erkend dat zij gebouwd
werd voor een graftombe en niet om eenigerlei esoterische leeringen
die in verband staan met de Hebreeuwsche Patriarchen en anderen te
verduidelijken" [2].

Deze uitspraak moge groot gezag hebben en heeft dit zeer zeker ook voor
iedereen die de gewone wetenschappelijke beschouwingswijze toegedaan
is, maar even zeker is het dat er velen zijn die, al mogen zij niet
behooren tot de "bevoegde gezaghebbenden" over dit onderwerp, het toch
stellig niet eens zullen zijn met deze uitspraak, en het nimmer zullen
worden, omdat zij andere theorieën huldigen, en ook omdat zij in vele
gevallen het gezag van de aangehaalde feiten niet zullen erkennen.

Doch om ons een juist denkbeeld te vormen van enkele der theorieën
omtrent de Groote Pyramide, is het in de eerste plaats noodzakelijk
te zien welke de theorieën en de gegevens zijn omtrent de bewoners
van Egypte gedurende het tijdperk van den bouw der Groote Pyramide.

In de eerste plaats dan de wetenschappelijke. In zijn voorwoord van
het reeds aangehaald werk zegt Budge: "dat de archeologen langen tijd
beweerden dat het tijdperk van drie of vierduizend jaren, dat velen
voldoende achtten voor de opkomst, den groei, de rijpheid en het verval
van de oude Egyptische beschaving, onvoldoende was, en dat de schoone
reliefwerken en schilderingen, en de reusachtige Pyramiden, die het
werk waren der Egyptenaren van de IVe Dynastie, nooit voortgebracht
konden zijn door een volk dat enkele honderden jaren tevoren volkomen
of nagenoeg wild was. De juistheid van deze zienswijze is nu bewezen,
en het is bekend dat Menâ of Menes niet de eerste Koning van Egypte
was [3], en dat het beschavingstijdperk dat ons onthuld wordt door
de werken der dynastische Egyptenaren, niet als het ware pasklaar te
voorschijn sprong gedurende de regeering van dien koning. Het is ook
zeker dat een aantal onafhankelijke koningen zoowel in de Delta als
in Boven-Egypte moeten geregeerd hebben lang vóór Menâ, hoewel het
zeer wel mogelijk is dat hij de eerste geschiedkundige koning was,
die er in slaagde zich tot koning van zoowel het Zuiden als het
Noorden te maken [4]".

Nu stemt dit zeer zeker in één opzicht goed overeen met onze
Theosofische theorie van voorhistorische beschaving, want behalve het
hier aangehaalde is het ook een bekend feit dat Menes, hoewel hij
enkele groote publieke werken deed uitvoeren (zooals het verleggen
van den loop van den Nijl door het opwerpen van een grooten dijk)
en in verderen algemeenen zin een groot heerscher was, die veel
deed voor de stoffelijke welvaart en den bloei van zijn volk, ook
in dezen te ver ging en groote weelde en overdaad invoerde bij zijne
hofhouding, waardoor blijkt dat hij reeds materialistisch en in geen
geval een Koning-Ingewijde was, tenminste niet van dien graad als wij
gewoonlijk bedoelen met die benaming. Zeker is het, dat het invoeren
van een weelderig leven bij een groot volk steeds het kenmerk geweest
is van een begin van verval, getuige het ons bekende geschiedkundige
Romeinsche Rijk, zoodat wij mogen aannemen dat het hoogste punt
van bloei van het rijk niet was ten tijde van Menes, doch lang
vóór dien tijd, en dat dus de aanvang van die beschaving nog veel
verder in de grijze oudheid terugligt. Wij zien tot dusver nog geen
verschil tusschen beide theorieën omtrent de oudheid der Egyptische
beschaving. Echter komt een groot verschil aan het licht, wanneer
wij nagaan wat de wetenschap leert omtrent de bestanddeelen van de
bevolking en de wijze waarop het land bevolkt werd. Op één punt zijn de
Egyptologen het vrijwel eens, namelijk dat het bekende geschiedkundige
Egyptische ras een mengeling was van Afrikaansche negerstammen en
Aziatische kolonisten, doch dat gedurende het bekende geschiedkundige
tijdperk de Egyptenaren niet meer bekend waren met hunne eigenlijke
voorvaderen, dat de typen zeer vermengd waren, en dat in hun type
dat van alle rassen, die beurtelings Egypte overheerschten, gevonden
werd. Prof. Maspéro brengt de Egyptenaren terug tot de proto-semitische
rassen [5], die uit Azië kwamen over de landengte van Suez en aan de
oevers van den Nijl een ander ras, dat waarschijnlijk een negerras was,
vonden,--hetwelk zij in de binnenlanden terugdrongen. Wanneer dit nu
plaats vond is moeilijker te zeggen, en wij bevinden dat de Egyptologen
zooals Flinders, Petrie, Budge, Maspéro, Wiedemann e.a. geen datums
geven en eerst een bepaalde tijdrekenkunde volgens dynastieën invoeren
sedert Menes. Dat het zeer lang vóór Menes plaats vond, blijkt uit
het voorgaande. Deze kolonisten schijnen zich het eerst gevestigd te
hebben in Boven-Egypte, ten zuiden van het geschiedkundige Thebe,
zelfs vóór het vormen van de Nijldelta, en zich langzamerhand meer
en meer naar het Noorden hebben uitgebreid. Dat dit zoo was, kan
ons nog blijken uit de legenden die onder de bekende mededeelingen
der latere priesters voorkomen omtrent de bewoners van het Zuiden,
die zij als een soort voorouderlijke Goden beschouwden, genaamd de
Zonen van Horus of Schesoo-Hor. Deze waren de bewoners van de landen
gelegen in de nabijheid der bronnen van den Nijl, genaamd Poent, en
waarvan gesproken werd als het heilig land van Khent. Altijd bleef
voor de noordwaarts getrokken volkeren het zuiden het groote Heilige
verblijf en al hunne legenden zijn vol verwijzingen er naar. Blijkbaar
niet zonder reden, al moeten wij deze zoeken in Theosofische en niet
in wetenschappelijke geschriften. H. P. Blavatsky zegt in de _Geheime
Leer_ [6] dat deze oorspronkelijke bewoners van Poent een Arische
stam waren die van uit Azië naar de bronnen van den Nijl trok.

Zij beschrijft dezen kolonisatietocht zeer uitvoerig. Een nadere
beschrijving, wie de Koningen van de voorouders der Egyptenaren waren,
geeft zij in de _Geheime Leer_, deel II, blz. 402, 403.

"In dit tijdperk nu moeten wij zoeken naar het eerste optreden van
de voorvaderen dergenen, die wij de oudste volkeren der wereld
noemen--thans onderscheidenlijk genaamd de Ârische Hindoes, de
Egyptenaren en de eerste Perzen aan de eene en de Chaldeeën en
Phoeniciërs aan de andere zijde. Deze werden door de Goddelijke
dynastieën bestuurd, _d.w.z._ Koningen en Heerschers die van den
sterfelijken mensch slechts zijn stoffelijk uiterlijk, _zooals dat
toen was_, bezaten, doch wezens waren van Bollen, hooger en hemelscher
dan onze Bol nog over vele Manwantara's zijn zal. Het is natuurlijk
nutteloos te trachten het bestaan van dergelijke wezens aan sceptici
op te dringen."

Hoe de Aziatische stammen, namelijk de Oostersche Ethiopiërs--de
machtige bouwers--van uit Azië trokken naar hun nieuwe vaderland,
Egypte, verhaalt H. P. B. ons eveneens duidelijk in de _Geheime Leer_,
waar zij eene verklaring geeft van de fabel van Io, weergegeven
door Prometheus.

"Io is de Maan-godin van de voortbrenging--want zij is Isis, en
ook Eva, de Groote Moeder", zegt zij, en geeft dan de navolgende
verklaring van deze legende. "Io is de moeder en het zinnebeeld van de
fysieke menschheid. [7] In de legende nu worden de zwerftochten (der
rassen) zoo duidelijk weergegeven als woorden het maar kunnen. Zij
(Io) moet Europa verlaten en naar het vasteland van Azië gaan,
tot zij den hoogsten berg van den Kaukasus bereikt,.... vervolgens
moet zij, na den 'Kimmerischen Bosporus' overgetrokken te zijn naar
het Oosten reizen, en trekken over hetgeen klaarblijkelijk de Wolga
en het tegenwoordige Astrakan aan de Kaspische zee is.... en van
die plaats naar het land der 'Arimaspische schare' (ten oosten van
Herodotus' Scythië)". H. P. Blavatsky zegt verder dat Prof. Newman
terecht vermoedt dat hiermede de Oeral bedoeld is. De legende zegt
verder iets dat een raadsel is voor alle Europeesche vertolkers,
nl. Io moet nu een kolonie stichten, en daarom "oostwaarts reizen
tot zij aan de rivier Ethiops komt, die zij volgen moet tot deze in
den _Nijl_ valt." De oudste Grieken meenden dat "de Nijl, ergens in
Indië ontspringend en door vele woeste streken stroomend, waarbij hij
zijn naam Indus verliest,.... vervolgens door bewoond land vloeide en
thans door de Ethiopiërs van die streken en later door de Egyptenaren
Nijl genoemd werd. [8]".

Dit denkbeeld is klaarblijkelijk ontstaan omdat men geen andere
Ethiopiërs kende dan die welke Noord-Afrika bewoonden, doch
H. P. Blavatsky zegt dat de bedoelde rivier zeer zeker de Indus is,
die door de Oostersche Ethiopiërs de Ethiops, of ook wel Nîl en Nîlâ
genoemd werd. [9]

En verder: "Indië en Egypte waren twee verwante volkeren, en de
Oostersche Ethiopiërs--de machtige bouwers--zijn uit Indië gekomen,
zooals naar wij hopen, in _Isis Unveiled_ tamelijk wel bewezen
is." [10]

"Het ras van Io, de 'de koehoornige jonkvrouw', is derhalve eenvoudig
het eerste ras van pioniers der Ethiopiërs, dat zij van den Indus
naar den Nijl bracht, die zijn naam ontving ter herinnering van de
Moederrivier der kolonisten uit Indië. Daarom zegt Prometheus tot
Io, dat de heilige Neilos--de God, niet de rivier--haar naar het
_drie-hoornige_ land zal voeren, namelijk naar de Delta, waar het
voor hare zonen voorbeschikt is die verafgelegen volkplanting' te
stichten. Aldaar zal een nieuw ras (de Egyptenaren) een aanvang nemen
[11]".

Wij hebben thans zeker genoeg stof in deze gegevens van H. P. Blavatsky
met betrekking tot de vorming van het nieuwe ras om over te denken
en in verband te brengen met andere gegevens omtrent de Egyptenaren,
doch om zoo volledig en duidelijk mogelijk op dit punt te zijn, geef
ik hier nog iets dat met betrekking tot deze immigratie van Atlantiërs
gezegd wordt in het merkwaardige boekje _The Story of Atlantis_:

"Wij moeten nu verwijzen naar Egypte, en de beschouwing van dit
onderwerp moet een zee van licht op zijn vroegste geschiedenis
doen vallen. Alhoewel de eerste nederzetting in dat land niet
in den volstrekten zin van het woord een kolonie was, werd uit
het Toltek-ras daaraanvolgend de eerste groote massa immigranten
getrokken, die bedoeld waren zich te vermengen met het wilden-ras en
het te overheerschen.

In de eerste plaats was het de overplaatsing van een groote Loge
van Ingewijden. Dit vond plaats omstreeks 400.000 jaar geleden. Het
gouden tijdperk der Tolteken was lang geleden. De eerste groote
aardramp had plaats gehad. De zedelijke verlaging van het volk en de
daaropvolgende beoefening van de 'zwarte kunsten' werden sterker en
meer verspreid. Egypte was afgelegen en dun bevolkt, en daarom werd
Egypte uitverkoren. De aldus gestichte nederzetting beantwoordde aan
haar doel en onverstoord door tegenwerkende invloeden deed de Loge
van Ingewijden gedurende 200.000 jaren haar werk.

Ongeveer 210.000 jaar geleden, toen de tijd rijp was, stichtte de
Okkulte Loge een rijk--de eerste 'Goddelijke Dynastie' van Egypte--en
begon het volk te onderrichten. Toen werd de eerste groote massa
kolonisten uit Atlantis overgebracht en te eeniger tijd gedurende
de tienduizend jaren die leidden tot de tweede aardramp, _werden
de twee groote Pyramiden van Gizeh gebouwd_ [ik cursiveer, v. G.],
gedeeltelijk om als blijvende Zalen van Inwijding te dienen, maar ook
om als bewaarplaats te dienen van een of anderen talisman van groote
kracht gedurende de overstrooming, waarvan de Ingewijden wisten dat
zij ophanden was." [12]

Nu valt er met betrekking tot hetgeen in het aangehaalde boek vermeld
wordt weinig meer te zeggen dat ons belangrijk kan voorkomen in verband
met ons onderwerp. Een ieder die er belang in stelt raad ik aan het
geheele werkje te lezen. Maar wel belangrijk is het, te vermelden dat
mijns inziens met de twee groote Pyramiden van Gizeh niet _de_ Groote
Pyramide bedoeld werd, maar de beide andere die bekend zijn als die
van Kephren en Menkaura. De eerste werd, voorzoover ik dat begrijp,
gebouwd meer dan 400.000 jaar geleden, hetgeen men zal kunnen nagaan
uit hetgeen gezegd wordt in de _Geheime Leer_, Deel I, blz. 558,
en waarop ik zoo dadelijk zal terugkomen.

A. P. Sinnett heeft in zijne Verhandeling over _De Pyramide en
Stonehenge_ uitvoerig dit punt betreffende de bevolking van Egypte
gedurende dit tijdperk behandeld [13] en ik kan niet beter doen dan
hier in het kort weergeven wat hij uit okkulte bronnen omtrent dit
deel van het onderwerp bijeenverzameld heeft.

In de eerste plaats dan brengt een onderzoek naar den oorsprong van
de Egyptische beschavingsgeschiedenis ons tot het Atlantisch ras
terug. Ongeveer een millioen jaren geleden was dit Atlantische ras
het overheerschende ras in nagenoeg alle bewoonbare landen, hoewel de
hoofdmassa natuurlijk op het vasteland van Atlantis woonde. Egypte
zelf werd bewoond door een volk dat verre beneden deze beschaving
stond. Gedurende het verval van Atlantis nu trokken de Adepten, en in
het algemeen de meer geestelijk verlichten van het Atlantische ras,
weg van het groote vasteland en vestigden zich in afgelegen streken,
vaak te midden van half wilde stammen, welker nabijheid echter minder
schadelijk was voor het bederf der atmosfeer door booze daden en
gedachten, dan die van hunne verbasterde en ontaarde rasgenooten,
op wie zij hunnen invloed niet langer konden doen gelden. Van veel
meer nut zouden zij kunnen zijn voor de nog onontwikkelde rassen, die
echter onbedorven waren. Overal, in verschillende landen, vinden wij
teekenen van dat verblijf dezer Adepten in den vorm van nagelaten en
thans vervallen bouwwerken, voornamelijk tempels; zoo bijvoorbeeld de
Pyramiden in Amerika, Stonehenge in Engeland, de Pyramiden in Indië,
en voornamelijk de meest bekende, de oudste Pyramiden van Egypte.

De Adepten die zich in Egypte vestigden vonden daar, niet meer het
half wilde ras, maar een zich ontwikkelend ras dat een mengeling
was van de oude rassen en Aziatische emigranten, de zoogenaamde
Roeta-Atlantiërs. H. P. Blavatsky zegt van deze rassen: "Niettemin
schijnt zelfs in de dagen van Plato niemand behalve de priesters en de
ingewijden eenigerlei bepaalde herinnering aan de voorafgaande rassen
bewaard te hebben. De allereerste Egyptenaren waren gedurende eeuwen
en eeuwen van de Atlantiërs gescheiden geweest; zij zelve stamden af
van een uitheemsch ras, de Roeta-Atlantiërs, en hadden zich 400.000
jaren vroeger in Egypte gevestigd" [14].

Toen gedurende het verblijf van de later inkomende Adepten het
geestelijk zaad wortel schoot bij het opkomende ras, schijnen deze
Adepten het bestuur wereldlijk en geestelijk ter hand genomen te
hebben. Zij waren de goddelijke Koning-Ingewijden die voorafgingen
aan de menschelijke dynastie na Menes, en Egypte brachten tot een
stoffelijken en geestelijken bloei, waarvan de ons bekende Egyptische
beschaving slechts een flauwe weerspiegeling was.

Gedurende hun bestuur--en het is onmogelijk hier van jaren te spreken
met betrekking tot tijd, dus kunnen wij volstaan met te zeggen dat
het halverwege het tijdperk was tusschen de eerste emigratie der
Atlantische Adepten en het huidig tijdperk--werden de eerste pyramiden
gebouwd, niet als een oorspronkelijk iets, maar als _een algemeen
aangenomen bouw van tempels van inwijding en woonplaatsen van Adepten
in dien tijd;_ want H. P. Blavatsky zegt dat Egypte geenszins eenig
was in het hebben van pyramiden, doch dat deze in alle vier hoeken
der wereld bestonden, hoewel te dien tijde de hoofdzetel der Adepten
in Egypte gevestigd was. Dit nu was volgens Sinnett ongeveer 200.000
jaar geleden [15].

En thans ben ik tot een punt gekomen in deze verhandeling, waarop
ik met verwijzing naar al het voorvermelde en een beroep doende op
het okkulte gezag van deze mededeelingen, gevoeglijk kan komen tot
eene bespreking van de reden waarom ik het nuttig en wenschelijk acht
een onderwerp als het onderhavige te behandelen. Wanneer wij uit het
voorgaande zien dat de Adeptkoningen de leiders waren van de volken
door wie deze pyramiden gebouwd werden, kunnen wij Theosofen, met
hetgeen wij bij benadering ons kunnen denken van zulke hooge wezens,
niet aannemen dat deze pyramiden gebouwd werden als "graftomben". Er
bestaat voor ons geen twijfel of deze pyramiden hadden een verheven
doel, en wij kunnen dan ten volle aannemen hetgeen A. P. Sinnett
zegt in de meer aangehaalde verhandeling [16] dat deze pyramiden,
en inzonderheid de groote Pyramide, bedoeld waren als tempels van
inwijding, en dat de Groote Pyramide zelfs nog een doel had dat
nuttig was boven dit, namelijk het beschermen van tastbare magische
voorwerpen die in den rotsgrond verborgen werden, en die noodig waren
bij de okkulte mysteriën. Men zegt dat deze in den rotsgrond begraven
waren, dat de Pyramide er boven opgetrokken werd, om door haar vorm
en reusachtige grootte ze te beveiligen tegen aardbevingen en tegen de
gevolgen van de groote overstroomingen, die Egypte en andere gedeelten
der aarde bedolven onder groote watermassa's.

Maar nu deze okkulte theorie geheel en al tegenover de gezaghebbende
en conventioneele graftheorie der pyramiden staat, moeten wij niet
uit het oog verliezen dat gedurende het verval van de Egyptische
beschaving, dat is gedurende het aan ons bekende geschiedkundige
tijdperk, de esoterische kennis natuurlijk verdween met de Adepten,
die gedurende een meer en meer materialistisch wordend geslacht zich
terugtrokken naar weer andere streken, en dat ten opzichte van de
toen volgende _mode_ van pyramidenbouwen voor graftomben de theorie
stellig meer waarde heeft en gestaafd wordt door bewijzen. Want zeker
bouwden de latere koningen ze niet als plaatsen van inwijding, en er
zijn overvloedige bewijzen dat zij ze voor graftomben bedoelden;--het
feit dat zij de pyramidale bouworde volgden, vindt zijn reden in het
navolgen van de bestaande oudere pyramiden.

Wij moeten dus de waarde der pyramiden uit een okkult oogpunt zoeken in
gegevens die niet berusten op feiten die ontdekt zijn in verband met
latere pyramiden, doch geheel in die, welke ons verstrekt worden door
helderziend okkult onderzoek, zooals A. P. Sinnett ons die verschaft
in zijne verhandeling, en waaromtrent wij eveneens voldoende wenken
vinden in de _Geheime Leer_.

Doch afgescheiden van de okkulte waarde der oudste pyramiden in
het algemeen, kan die van de groote Pyramide voor ons bijzonder
belangrijk zijn, wanneer wij een gepasten eerbied hebben voor hetgeen
H. P. Blavatsky ons hieromtrent zegt in de _Geheime Leer_ [17], nl.:

"De Groote Moeder lag met den gelijkbenige driehoek, en de |, en het
vierkant, de tweede en de pentagram. [18] in haar schoot, gereed hen
voort te brengen, die de dappere Zonen van het vierkant gelijkbenige
driehoek | | [of 4.320.000, de Cyclus] wier Ouders de [Cirkel]
en het . [Punt] zijn.

Bij het begin van elken cyclus van 4.320.000 dalen de zeven, of zooals
enkele volkeren meenden, acht groote Goden neder om de nieuwe orde van
zaken te vestigen en den stoot te geven aan den nieuwen cyclus. Die
_achtste_ God was de vereenigende Cirkel, of Logos, in het exoterische
dogma van zijne schare gescheiden en onderscheiden, evenals de drie
goddelijke _hypostases_ der oude Grieken thans in de kerken voor drie
onderscheiden _personen_ gehouden worden. Een toelichting zegt:

_De Machtigen verrichten hunne groote werken en laten telkenmale
wanneer zij binnen onzen mâyâwischen sluier (dampkring) doordringen,
eeuwigdurende gedenkteekenen achter tot gedachtenis aan hun bezoek._

Zoo wordt ons geleerd dat de groote pyramiden onder hun onmiddellijk
toezicht gebouwd werden, 'toen Dhruwa (de toenmalige Poolster) in
zijn laagste culminatie was, en de Krittikâ's (Pleiaden) over zijn
hoofd heen zagen (op denzelfden meridiaan, maar hooger, stonden)
om het werk der reuzen te bewaken."

Zeker moet het ons de moeite waard zijn om te trachten aan te toonen,
dat er gronden zijn om te bewijzen dat de Pyramiden hooger waarde
en nut hadden dan die van "praalgraven voor ijdele koningen", en dit
stel ik mij voor te doen. Achtereenvolgens wensch ik te behandelen:
de ligging der Pyramide, hare Bouwers en hare astronomische waarde;
dan eene beschrijving te geven van het wonderbaarlijk ingewikkeld
en belangwekkend gangen- en zuilenstelsel; een overzicht van enkele
der vele (ongeveer 40), meer of minder waarde hebbende theorieën;
en ten slotte een uitvoerige beschouwing omtrent hetgeen voor de
Theosofische theorie pleit; terwijl wij eindelijk zullen trachten,
de symboliek van dit wereldwonder te begrijpen.

Moge het mij gelukken mijnen lezers een indruk te geven van de
ontzaglijk groote mystieke waarde van dit geschenk der Goden!



HOOFDSTUK II.

LIGGING.


In het vorig hoofdstuk heb ik in algemeene trekken iets medegedeeld
wat ons door verschillende gezaghebbenden geleerd wordt omtrent den
ouderdom van Egypte, zijne bewoners, en de Pyramiden. Thans zullen wij
in de eerste plaats overgaan tot eene meer bijzondere beschouwing van
de _Groote_ Pyramide, als een op zichzelf staand monument. Een ieder
die met de literatuur over de Pyramide eenigermate bekend is, zal weten
dat het juist de Groote Pyramide was, die steeds de belangstelling
trok, niet de Pyramiden in het algemeen; en daar de Groote Pyramide
zooveel eigenaardigheden vertoonde, die geheel afweken van die der
overige Pyramiden, kenmerkende eigenaardigheden welke niet overeen
te brengen zijn met geschiedkundig bekende Egyptische gegevens, is
een der bekendste schrijvers over dit onderwerp, Prof. Piazzi Smyth,
er in zijn werk _Our Inheritance in the Great Pyramid_ zelfs toe
gekomen, de Groote Pyramide te beschouwen als een _anti_-Egyptisch
bouwwerk. Wij komen op dit belangrijke punt later echter uitvoeriger
terug bij het behandelen van den Bouwer.

De Pyramide is gelegen op het plateau van Gizeh, een woeste reusachtige
bergvlakte, 100 voet boven het Nijldal, in de nabijheid van Kaïro,
eene plaats die niet ver verwijderd ligt van het oude Memphis. Men
moet niet denken dat hier thans 3 pyramiden gevonden worden, want
over het geheele plateau liggen ongeveer 70 pyramiden verspreid,
waarvan echter vele tot niet meer dan louter reusachtige puinhoopen
vervallen zijn. In het zoogenaamde vóór-geschiedkundig tijdperk, dat
echter van Theosofisch standpunt nog als geschiedkundig beschouwd kan
worden, zou dan eerst de Groote Pyramide daar gevonden zijn en later
de beide andere, die in de onmiddellijke nabijheid liggen; de drie
pyramiden zijn onderscheidenlijk bekend als die van Khoefoe, Kephren
en Menkaura. Wij kunnen ons voorstellen dat de overige nabootsingen
waren van de oorspronkelijke godenmonumenten, en behooren tot het
geschiedkundige tijdperk der Egyptologen. Met betrekking tot de
aardrijkskundige ligging der Groote Pyramide op genoemd tijdstip kunnen
wij natuurlijk geen gebruik maken van wetenschappelijke gegevens;
en wij kunnen ons van deze ligging alleen een begrip maken wanneer
wij de vervorming der aardoppervlakte nagaan, zooals deze beschreven
wordt in _The Story of Atlantis_.

Hieruit blijkt ons dat de Groote Pyramide geenszins afgelegen
lag. Egypte was als het ware het middelpunt van het bewoonde land,
en voor zoover wij dit kunnen nagaan, het kruispunt van de groote
wegen, langs welke de Adepten trokken van uit Centraal-Azië naar
Zuid-Atlantis, en van Lemurië naar Noord-Atlantis. Deze wegen zijn
nog naspeurbaar in overblijfselen van Pyramiden in Mexico en Indië
en de daartusschen verspreid liggende. Met betrekking hiertoe is de
volgende aanhaling van belang:

"_De Groote Draak ontziet alleen de Slangen van Wijsheid, de Slangen
wier holen zich thans onder de driehoekige steenen bevinden._"

Of met andere woorden, 'de pyramiden aan de vier hoeken der wereld'.

Dit zegt duidelijk, wat meer dan eens op andere plaatsen van de
Toelichtingen vermeld wordt, namelijk dat de 'Adepten of Wijzen, van
het Derde, Vierde en Vijfde Ras' in onderaardsche woonplaatsen leefden,
gewoonlijk onder een of ander bouwwerk van pyramide-vorm zoo niet
werkelijk onder een pyramide. Want dergelijke 'pyramiden' bestonden
aan de 'vier hoeken der wereld' en zijn nooit het monopolie van het
land der Pharao's geweest, al hield men ze inderdaad algemeen voor
het uitsluitend eigendom van Egypte, voordat zij overal over de beide
Amerika's verspreid, onder en boven den grond, aangetroffen werden. Al
treft men in Europeesche landen ook geen ware, wiskundig zuivere
pyramiden meer aan, toch zijn vele vermeende oude neolithische holen,
van de reusachtige driezijdig pyramidale en kegelvormige 'menhirs' in
Morbihan en Bretagne in het algemeen, vele der Deensche 'grafheuvels'
en zelfs veel 'reuzengraven' van Sardinië met hun onafscheidelijke
gezellen, de 'nuraphi's' evenveel min of meer ruwe nabootsingen van
de pyramiden. De meeste hunner zijn het werk van degenen die zich het
eerst op het pasgeboren vasteland en de eilanden van Europa hebben
neergezet, de 'enkele gele, enkele bruine en zwarte en enkele roode'
rassen, die 850.000 jaar geleden, na het verzinken van de laatste
Atlantische landen en eilanden--met uitzondering van Plato's eiland--en
vóór de komst der groote Ârische rassen overgebleven waren, terwijl
andere door de eerste landverhuizers uit het oosten gebouwd zijn" [19].

Uit deze aanhaling en uit hetgeen reeds vroeger vermeld werd omtrent
de Groote Pyramide, zien wij in, dat deze laatste als het ware de
kern was waar de groote Adeptverkeerswegen op uitliepen, en dit
gegeven omtrent hare ligging is mijns inziens belangwekkender dan de
vermelding dat zij op zooveel graden breedte en zooveel graden lengte
lag, waartoe natuurlijk de meeste schrijvers over het onderwerp zich
bepalen. Een uitzondering hierop maakt Piazzi Smyth in zijn werk _Our
Inheritance in the Great Pyramid_, waarin hij zeer uitvoerig nagaat
waarom de Groote Pyramide juist daar en niet ergens anders gebouwd
werd. Hoewel wij later uitvoeriger op zijne theorie terugkomen, is
het voor een goede opvatting zijner gegevens noodig zijn standpunt
in het kort na te gaan. Hij dan beweert dat de Groote Pyramide een
bouwwerk is, dat door een Joodsch koning, geïnspireerd door God,
gebouwd werd als een grondslag der maten en dat in het algemeen de
Groote Pyramide ons drie sleutels tot kennis verschaft:


_a._ Den sleutel der wiskunde in haar belichaming van het getal pi,

_b._ Den sleutel der toegepaste wiskunde of sterrekundige metingen,

_c._ Den sleutel tot de geschiedenis van het menschdom, zooals deze
ons door goddelijke Openbaring in het Oude en Nieuwe Testament wordt
gegeven.


Hij vindt dan in Jesajah XIX : 20 een tekst, namelijk: "tot een
teeken en een getuigenis voor den Heer der Heirscharen in het land van
Egypte" en verder eene "in het midden van het land van Egypte en op de
grenzen daarvan", die de ligging van dit bouwwerk zouden aanduiden,
en is dus genoodzaakt te bewijzen, dat de Groote Pyramide aan deze
vereischten voldoet; en dit doet hij dan ook op eene wijze die geheel
aan zijn doel beantwoordt, maar die voor ons van geen belang kan zijn
in verband met onze beschouwingen. Wij moeten echter niet vergeten
dat Piazzi Smyth spreekt van een tijdperk van eenige duizenden jaren
vóór Christus, terwijl wij ons volgens de Theosofische opvatting
eenige honderdduizenden jaren terug moeten denken. In ieder geval
kunnen wij van een Theosofisch standpunt weinig meer zeggen omtrent de
ligging dan het bovenstaande, omdat ons daartoe de gegevens ontbreken;
alleen kunnen wij uit hetgeen ons omtrent de aardkorst in die tijden
medegedeeld wordt opmaken, dat de zee spoelde tegen den voet van het
plateau waarop de Groote Pyramide stond.

Voorloopig zij dit genoeg met betrekking tot hare ligging; daar waar
verschillende theorieën, vooral omtrent de symboliek van het monument,
het noodzakelijk maken er op terug te komen, zullen wij die punten
welke in verband staan met oriëntatie en astronomische symboliek,
uitvoerig behandelen in verband met die theorieën zelve. Thans zullen
wij trachten iets naders omtrent den bouwer aan te geven.



DE BOUWER.


In breede trekken hebben wij reeds nagegaan wie de bouwers waren, toen
wij met betrekking tot den ouderdom eene aanhaling uit de _Geheime
Leer_ gaven die daarmede verband hield. Geen "wetenschappelijk"
mensch, geen vrijdenker en geen geloovige zal dit eenigermate met
ons eens zijn, doch de meesten geven den uit de geschiedenis der
menschelijke dynastieën bekenden Khoefoe als den bouwer aan. Hij zou
een zeer hardvochtig heerscher geweest zijn, die de tempels sloot en
den Egyptenaren verbood aan de Goden te offeren; in plaats daarvan
moesten zij steeds hard werken aan zijn groote werk, dat zijn roem
moest verbreiden en waarin hij na zijn dood wenschte begraven te worden
[20]. H. P. Blavatsky zegt echter in de _Geheime Leer_ dat "hetgeen
Herodotus ons mededeelt, in twijfel kan getrokken worden, aangezien
hij wel beter en meer wist, maar gebonden was door godsdienst, geloof
en belofte", en dus blijkbaar wel wist wat de Groote Pyramide was en
waarvoor zij diende, doch dit niet aan de profanen wenschte bekend
te maken.

De bewijzen welke aangevoerd kunnen worden om aan te toonen dat
Khoefoe de bouwer was, zijn inderdaad zeer gering en berusten
hoofdzakelijk op het vinden van een tablet in de Pyramide waarop
zijn naam voorkomt, zoodat wij het in geen geval een wetenschappelijk
feit kunnen noemen dat Khoefoe de bouwer was. Uit okkulte bron wordt
ons medegedeeld dat Khoefoe enkele gedeelten der Pyramide, welke
beschadigd waren, herstelde en ook, om voor ons onbekende redenen,
enkele der kamers, die vroeger toegankelijk waren, afsloot [21]. Dat
het zijn begraafplaats niet was, is zoo goed als zeker. Tenminste
nooit is zijne mummie er gevonden; en Prof. Greaves deelt ons mede
dat Diodorus in zijne verhandeling over Egypte eene merkwaardige
bijzonderheid omtrent Khoefoe vermeldt. Hij zegt dat deze, hoewel hij
de Pyramide als zijn begraafplaats bedoelde, er nimmer begraven werd,
omdat hij vreesde dat zijn mummie door de bevolking, die hem haatte,
verscheurd en vernietigd zou worden. Bij zijn sterven beval hij daarom
zijn vrienden, hem op een verborgen plaats te begraven. Piazzi Smyth
nu meent dat deze 1000 voet ten Zuid-oosten van de Pyramide ligt,
omdat de daar gevonden begraafplaats overeenkomt met de beschrijving
van de bedoelde verborgen plaats.

Hoewel er dus niets met zekerheid bekend is omtrent het bouwen der
Groote Pyramide door Khoefoe of Cheops, wordt hij vrij algemeen
beschouwd de bouwer te zijn en wordt zij dan ook meestal naar hem
genoemd. Behalve deze bouwer worden er natuurlijk tal van anderen
genoemd, meestal in verband met de meest fantastische verhalen omtrent
de reden van den bouw en omtrent den bouw zelf. Wanneer wij deze
verhalen in het licht der Theosofie beschouwen, ligt er gewoonlijk
in elk een zekere waarheid verborgen. Over het algemeen kunnen wij
bij de Grieken niet veel vinden dat ons eenige zekerheid omtrent den
bouwer geeft. Enkele belangwekkende verhalen omtrent hem vinden wij
echter bij Arabische schrijvers. John Greaves, een van de bekendste
bezoekers van en schrijvers over de Pyramide, geeft ons een van deze
verhalen, door hem uit het Arabisch vertaald.

"De schrijver van het boek, genaamd _Morat Alieman_ schrijft: 'Zij
verschillen met betrekking tot dengene, die de Pyramide bouwde. Enkelen
zeggen Joseph, enkelen zeggen Nimrod, enkelen Dalukah de Koningin,
en enkelen dat de Egyptenaren ze voor den Vloed bouwden, want zij
voorzagen dat deze komen zou, en zij brachten hunne schatten derwaarts,
maar het gaf hun niets.' Op een andere plaats vertelt hij ons dat
volgens de Kopten (of Egyptenaren) deze twee groote pyramiden en de
kleinere, welke gekleurd is, graven zijn. In de oostelijke pyramide
is Koning Saurid begraven, in de westelijke pyramide zijn broeder
Hougib en in de gekleurde pyramide Farfarinoun, de zoon van Hougib. De
Sabæën verhalen dat een er van het graf van Shub (dat is Seth) is,
en de tweede het graf van Sab, den zoon van Hermes, waarom zij Sabæën
genoemd worden. Zij maken er bedevaarten naar toe en offeren hem een
haan en een zwart kalf en offeren hem wierook." [22]

Een andere Arabische geschiedschrijver, Ibn Aba Alkokm, geeft
denzelfden naam van den bouwer namelijk Saurid, en zegt eveneens dat
zij voor den vloed gebouwd werden.

In deze verhalen vinden wij dus niets dat de Theosofische
mededeeling omtrent den bouwer bevestigt, alleen--dit zij terloops
gezegd--bevestigen zij dat zij gebouwd werden vóór den zondvloed,
dus vóór de overstrooming die Atlantis onder de golven bedolf.

Josephus, de Joodsche geschiedschrijver, zegt dat de
Israëlieten gedurende hunne gevangenschap aan pyramiden moesten
werken. Waarschijnlijk is dit echter geweest dat zij aan enkele
der latere pyramiden werkten, ofschoon Yeates [23] zegt dat zij
nooit te Gizeh waren, doch elders hunne steenen pyramiden kunnen
gemaakt hebben. T. Gabb in _The Origin of Measures_ zegt dat zij
"het voortbrengsel waren van de onmiddellijke afstammelingen van
Seth" en dat "de onmiddellijke afstammelingen van Seth van grooter
gestalte dan wij waren". Dit laatste nu is de eenige aanduiding in
niet-theosofische beschrijvingen van de werklieden die bij den bouw
gebezigd werden, welke aan hen een grootere gestalte dan de onze
toekent. Met betrekking tot den bouwer vinden wij ook hier echter
niets om onze theosofische gegevens te staven.

Thans komen wij echter tot eene reeks theorieën omtrent den bouwer,
die dit wel doen. John Taylor, de beroemde schrijver van _The Great
Pyramid, Who built it and Why was it built?_ zegt: "Aan Noach moeten
wij het oorspronkelijke denkbeeld, het overheerschend denkvermogen
en het edele doel toeschrijven. Hij die de ark bouwde was van alle
menschen de meest bekwame om het bouwen van de Groote Pyramide te
besturen". [24] Nu ligt het mijns inziens voor de hand dat de Ark
en de Groote Pyramide een en hetzelfde gebouw waren, indien wij de
mythologische verhalen omtrent het doel van het bouwen van beide
nagaan. Doch alvorens verder in te gaan op John Taylors uiting,
wensch ik eerst een anderen naam te noemen, die gegeven wordt door
andere schrijvers, welke dezelfde theorie--namelijk die der Pyramide
als eene goddelijke openbaring--toegedaan zijn.

Eene uitweiding is hier echter noodzakelijk om te laten zien hoe
zij aan dien naam komen. Wij moeten dan in de eerste plaats nogmaals
terugkeeren tot het verslag van Herodotus. H. P. Blavatsky is blijkbaar
niet de eenige die zegt dat Herodotus meer wist dan hij schreef of
zeide, want ook Bonwick zegt: "Herodotus, de vader der geschiedenis,
schijnt soms meer te weten dan hij wijs acht in eenvoudige taal te
vertellen, en hij heeft een esoterische beteekenis achter de woorden"
[25]. Herodotus nu zegt: "Geen Egyptenaar wil hunne namen vermelden
[die der Bouwers; v. G.]; maar zij schrijven hunne pyramiden altijd
toe aan een zekeren Philition (Philitis), een schaapherder die zijn
vee op deze plaatsen weidde." [26] Verder wordt verhaald dat deze man
Egypte verliet met een gevolg van 24.000 menschen, naar Judaea ging en
aldaar vervolgens Jeruzalem stichtte. Volgens verschillende schrijvers
nu zou deze Philitis niemand anders zijn dan de bijbelsche Melchizedek.

Volgens mijne persoonlijke opvatting is de mededeeling van deze
uitwijking uit Egypte met tallooze families naar een vreemd land
niet anders dan de geschiedenis van een der pogingen van den Manoe
tot het vormen van het nieuwe Vijfde Ras, doch ik geef deze opinie
geheel voorwaardelijk. Het zal echter belangwekkend zijn, alvorens
na te gaan of deze vermelde bouwer identisch is met Noach en met
dien welken de Theosofische gegevens ons als den bouwer aanduiden,
iets meer te vermelden omtrent dezen schaapherderkoning Philitis. In
ieder geval is er van het Theosofisch standpunt gezien, hier een zeer
groote verwarring van tijdstippen, want Melchizedek kan nimmer ten
tijde van Khoefoe geleefd hebben, en wij zullen, wanneer wij de door de
laatstgenoemde schrijvers gebezigde bijbelsche tijdrekenkunde willen
toepassen, nimmer tot overeenbrenging van feiten of personen kunnen
geraken. Zoo ook nu zullen wij het tijdstip van Melchizedek's verblijf
in Egypte buiten rekening laten en ons bepalen tot het constateeren
van het feit dat door deze schrijvers Noach en ook Melchizedek als
de vermoedelijke bouwers der Pyramide aangegeven werden, daartoe door
den Allerhoogste uitverkoren.

Van Melchizedek wordt gezegd dat hij was "zonder vader, zonder
moeder, zonder afstamming, hebbende geen begin noch ook eind van
leven, maar gemaakt als een evenbeeld van den Zoon van God". Van
een okkult standpunt beschouwd, kunnen wij hierin lezen dat hij
dan in ieder geval een zéér hoog Ingewijde moet geweest zijn, doch
waarschijnlijk was hij eene verpersoonlijking van den Tweeden Logos,
zooals wij zoo dadelijk zullen zien. Dit wordt ons duidelijker nog
wanneer wij hooren dat daar waar bijv. Piazzi Smyth Melchizedek
als den bouwer aanneemt, Tracey Christus als den bouwer noemt. Dit
nu klinkt uiterst wonderlijk en onmogelijk wanneer wij dit zouden
opvatten zooals velen dit doen, en de schrijver niet het minst, in den
zin, dat met al deze namen altijd de personen van dien naam bedoeld
worden en niet het beginsel of het Hooger Wezen of de Wezens welke
zij steeds vertegenwoordigen. Dan kan het ons ook geen verwondering
baren, wanneer volgens Kabbalistische getal-waarden bewezen wordt
dat Melchizedek = Melchizadek = Vader Sadik = Christus is [27], en in
nauw verband staat met diepzinnig okkulte feiten van groote waarde,
waarop wij meer dan eens gelegenheid zullen hebben terug te komen bij
het behandelen van de Symboliek der Pyramide, welke feiten in verband
staan met de groote rol, die getalwaarden van namen spelen in verband
met den siderischen cyclus van inwijding in de Groote Pyramide.

Nu wil ik geenszins beweren dat het de bedoeling is van de genoemde
schrijvers, welke Melchizedek aannemen als den vermoedelijken bouwer,
om tot de conclusie te komen welke ik thans zal trekken; zij zouden
dit nimmer kunnen, daar zij aan de personen blijven hangen evenzeer
als aan de geschiedkundige feiten, terwijl Theosofen kunnen weten dat
alle geschiedkundige en bijbelsche personen ook kosmische grootheden
voorstellen, wanneer wij de verhalen en gebeurtenissen aan een _tweede_
lezing onderwerpen. Zoo ook hier.

Waar wij reeds zagen dat Melchizedek = Christus als de bouwer
wordt genoemd, en John Taylor Noach vermeldt als volgens hem
den vermoedelijken bouwer, leert H. P. Blavatsky ons dat Noach =
Melchizedek, Vader Zadik. En wanneer wij dus niet aan geschiedkundige
persoonlijkheden blijven hangen, hebben wij reeds eenigermate den
weg gebaand tot overeenstemming omtrent den bouwer, want thans
rest ons alleen aan te toonen dat Noach (= Melchizedek = Christus)
dezelfde is als de Acht groote Goden [28] en mijn doel zal voor ditmaal
bereikt zijn, namelijk te doen zien dat ook hier, waar blijkbaar zeer
onmogelijke dingen werden verkondigd met betrekking tot den bouwer,
welke zeer moeilijk op eenigerlei wijze waren overeen te brengen
of te verklaren, deze gegevens door het licht der kennis, ons door
H. P. Blavatsky gegeven, in harmonie gebracht en duidelijk gemaakt
worden. Zij dan zegt:

"Doch wij kunnen nog enkele woorden in het midden brengen over Noach,
die bij de Joden de plaats van nagenoeg elken heidenschen God in
een of andere gedaante inneemt. De zangen van Homerus bevatten in
dichterlijken vorm al de latere fabels over de aartsvaders, die
allen siderische, cosmische en getallen-zinnebeelden en teekens
zijn. De poging om de twee stamboomen van Seth en Kaïn van elkander
te scheiden en de daaropvolgende even onbeduidende poging om te
bewijzen dat zij _werkelijke, historische_ menschen geweest zijn,
heeft slechts tot ernstiger onderzoek naar de geschiedenis van het
verleden geleid en tot ontdekkingen die de vermeende _openbaring_
voorgoed aan het wankelen gebracht hebben. Nu bijvoorbeeld vastgesteld
is dat Noach en Melchizedek dezelfden zijn, is verder de identiteit van
Melchizedek, of Vader Sadik, met Kronos-Saturnus eveneens bewezen. Dat
dit zoo is, kan gemakkelijk aangetoond worden. Geen enkel Christelijk
schrijver ontkent het. Bryant [29] is het eens met al degenen die
van meening zijn, dat Sydic, of Sadic de aartsvader Noach was en ook
Melchizedek was en dat zijn naam Sadic, met het hem in _Genesis_ vi:
9 toegeschreven karakter overeenkomt." [30]

En verder:

"Nu is het Sanchuniathon, die aan de wereld mededeelt dat de Kabiri
de Zonen van Sydic of Zedek (Melchi-Zedek) waren. Aangezien deze
mededeeling langs de _Preparatio Evangelica_ van Eusebius tot
ons gekomen is, kunnen wij haar weliswaar met zekere achterdocht
beschouwen, daar het meer dan waarschijnlijk is dat hij met de
werken van Sanchuniathon op gelijke wijze gehandeld heeft als met de
synchronistische tafelen van Manetho. Doch laten wij veronderstellen
dat de vereenzelviging van Sydic, Kronos of Saturnus met Noach en
Melchizedek op een der vrome hypothesen van Eusebius gegrond is. Laten
wij haar als zoodanig aanvaarden en met haar de omschrijving dat
Noach een _rechtvaardig man_ was, alsook zijn vermeende dubbelganger,
de geheimzinnige Melchizedek, 'koning van Salem en een priester des
allerhoogsten Gods naar zijn eigen ordening', en ten slotte, na te
hebben nagegaan wat zij uit een geestelijk, sterrekundig, psychisch
en cosmisch oogpunt waren, zien wat zij volgens de Rabbijnen en de
Kabbala geworden zijn.

Sprekend van Adam, Kaïn, Mars enz., als _verpersoonlijkingen_, zien
wij den schrijver van _The Source of Measures_ in zijn kabbalistische
onderzoekingen onze eigene esoterische leerstellingen verkondigen. Zoo
zegt hij:


    Mars nu was de Heer van _geboorte_ en _dood_, van _voortbrenging_
    en _vernietiging_, van _ploegen, bouwen, beeldhouwen_ of
    steenhouwen, van de _bouwkunst_,.... kortom van alles wat onder
    het woord kunsten verstaan wordt. Hij was het _oerbeginsel_, dat
    zich in de wijziging van _twee tegengesteldheden ter wille van
    de voortbrenging_ oploste. Ook bekleedde hij in de sterrekunde de
    plaats van de geboorte van den dag en het jaar, de plaats van zijn
    _krachtsvermeerdering_, den Ram, en evenzeer die van zijn dood,
    den Schorpioen. Als _geboorte_ was hij het _goede_, als _dood_ het
    _kwade_. Als _goed_ was hij _licht_, als _kwaad_ de _nacht_. Als
    _goed_ was hij de _man_, als _slecht_ de _vrouw_. Hij nam de
    Kardinale punten in, en als _Kain_, of _Vulkanus_ of _Vader Sadic_
    of _Melchizedek_, was hij de heer der _ecliptica_ of _weegschaal_
    of _lijn van evening_ en daarom was hij de _Rechtvaardige_. De
    ouden waren van meening dat er zeven planeten of groote goden
    waren, gegroeid uit acht, en Vader Sadic, de _Rechtvaardige_
    of _Gerechte_ was Heer van de achtste, die de _Moeder Aarde_
    was." [31]


Voor den lezer is het thans mogelijk te zien dat de bouwers, wanneer
zij kosmisch beschouwd worden, volgens verschillende verhalen als
dezelfde bedoeld worden. Skinner geeft ons nog in het meer vermelde
werk aan, dat zijn symbool was de omgrensde vorm van de pyramide met
haar top en basishoekpunten, zoodat wij het beeld van den bouwer zien
in zijn werk.

In een volgend hoofdstuk zullen wij trachten te zien, hoe dit beeld
uitgedrukt werd in dit majestueuse bouwwerk, wanneer wij de symboliek
er van begrijpen.



HOOFDSTUK III.

DE BOUW.


Het is thans mijne bedoeling, na te gaan wat door verschillende
schrijvers der oudheid en der latere tijden geschreven is met
betrekking tot de wijze van bouwen der Pyramide. Gaarne had ik
gezien dat een bouwkundig theosoof dit in mijne plaats gedaan had,
en er zijne beschouwingen aan had vastgeknoopt, maar aangezien mijn
wensch in dezen niet vervuld is, hoop ik dat het hier geschrevene
den een of anderen bouwkundige zal aanmoedigen zulks nog te doen, en
zal zelf volstaan met zoo volledig mogelijk de verschillende verhalen
der schrijvers over dit deel van mijn onderwerp op te sommen.

Allereerst dan Herodotus. Hij schrijft:


    "Cheops liet eerst de tempels sluiten en verbood iedere soort
    van offering. Vervolgens veroordeelde hij de Egyptenaren zonder
    onderscheid tot het uitvoeren van openbare werken. Een gedeelte
    werd gedwongen steenen te houwen in de steengroeven en ze tot aan
    den Nijl te voeren; een ander gedeelte om deze steenen in ontvangst
    te nemen, den stroom over te steken op booten en ze in de bergen te
    brengen aan de Lybische zijde. Honderdduizend mannen, die elke drie
    maanden afgelost werden, waren voortdurend bezig met deze werken;
    en tien jaren, gedurende welke het volk onophoudelijk met nieuwe
    moeilijkheden werd belast, werden in beslag genomen enkel om een
    weg te maken om de steenen te vervoeren, een werk dat zelf niet
    minderwaardig is aan het oprichten van een pyramide." [32]


Vervolgens beschrijft hij de grootschheid van dezen weg, en merkt
tevens op hoe gelijktijdig daarmede in den rotsgrond _waarop_ de
Pyramiden staan onderaardsche kamers werden uitgehouwen, die bestemd
waren voor het begraven van de mummies der Koningen. Daarna komen
wij in zijne reisbeschrijving van Egypte aan dat gedeelte, hetwelk de
wijze van bouwen der Pyramide beschrijft. Merkwaardig is het, alvorens
dit gedeelte aan te halen, nog even te vermelden hoe hij zegt dat
"zij [de Pyramide] geheel overdekt is met gepolijste steenen, met de
grootste zorg aanéén gevoegd, van welke steenen geen enkele minder
dan dertig voet is."


    "Volgens de wijze van werken die aangewend werd bij het opbouwen
    van de pyramide vertoonden hare zijden eerst een soort van trap
    in den vorm van een graadsgewijs opklimmend amphitheater. Toen
    zij volgens dit plan afgewerkt was, en het noodig werd haar te
    overdekken, bezigde men, om achtereenvolgens de steenen op te
    heffen die tot deze bekleeding moesten dienen, werktuigen die van
    hout gemaakt waren en eene kleine afmeting hadden. Een van deze
    werktuigen lichtte den steen van den grond zelf op en bracht hem
    over naar den eersten trap; wanneer hij daar aangekomen was bracht
    een ander dien over naar den volgenden trap, en zoo vervolgens;
    of er evenveel werktuigen waren als trappen, of dat hetzelfde
    werktuig, dat gemakkelijk te verplaatsen was, tot het vervoeren
    der steenen diende, ik moet het verhalen zooals het een en ander
    mij gezegd is. Op deze wijze begon men met de bekleeding van het
    bovenste gedeelte en men ging voort met werken, al afdalende,
    eindigende met het onderste gedeelte dat tot aan den grond
    kwam." [33]


Verder zegt hij dan nog hoe op een der zijden van de Pyramide in
hieroglyfen vermeld werd het loon der arbeiders, en maakt daaruit
op den duur van den bouw, waarvan hij dan zegt dat hij "nog al lang
heeft moeten duren."

In ieder geval kunnen mijne lezers hieruit wel zien dat men uit
Herodotus niet heel veel wijzer wordt en niemand is dat dan ook ooit
geworden. Alleen heeft men mijns inziens te veel geloof gehecht aan
hetgeen hij _wel_ zeide, en men heeft vaak in latere boeken zijn
beschrijving van den bouw als de ware aangenomen en zich in allerlei
gissingen verdiept over de vraag wat die "werktuigen, die van hout
gemaakt waren" dan toch wel waren, en bijna elk schrijver vindt dan een
ander werktuig uit, of beweert dat de beschrijving die door een ander
schrijver gegeven wordt niet deugt. Allen komen echter hierin overeen,
dat het een soort van hefboom moet geweest zijn en de verschillen komen
dan in een bespiegeling van de wijze waarop zulk een hefboom werkte,
want een dergelijk ding moet toch een steunpunt hebben. En wanneer
wij dus maar losweg zeggen dat met hefboomen gewerkt werd, volgen
wij in dezen een weinig Archimedes na, die zeide dat hij de wereld
wel opheffen kon, als hij maar een steunpunt voor zijn hefboom had.

Wij zullen het er dus over eens moeten zijn, dat indien de
hefboomlegende als de ware beschrijving van het oplichten der buitenste
steenen beschouwd moet worden, er aan Herodotus' beschrijving toch
nog wel iets ontbreekt dat tot beter begrip aanleiding kon geven. Met
opzet? Als Herodotus er bij gezegd had dat hij ook wel eens had
gehoord van een opheffen van de zwaartekracht, vrees ik dat hij zulk
eene uitlating niet goed met zijn geweten overeen had kunnen brengen
en haar daarom maar wegliet, ofschoon zijne beschrijving voor het
nageslacht er niet duidelijker op geworden is. Tenminste, om steenen
van 15 ton met een hefboom op te tillen in een beperkt bestek....!

Ik vrees dat onze volgende schrijvers het er niet beter afbrengen
met hunne beschrijving; meestal halen zij Herodotus aan of spreken
in het algemeen over hetgeen zij bij overlevering vernamen. Zien wij
thans wat Diodorus zegt, hoewel zijne beschrijving nog vager is dan
die van Herodotus:


    "De basis van de grootste is een vierkant, waarvan elke zijde zeven
    honderd voet is. De hoogte is meer dan zeshonderd voet. De zijden
    nemen af naarmate zij opwaarts gaan, zoodat zij nog slechts zes
    el zijn bij den top. Zij is geheel opgebouwd uit steenen die zeer
    moeilijk te bewerken, maar ook van eeuwigen duur zijn; want hoewel
    het meer dan duizend jaar geleden is, volgens hetgeen men zegt,
    dat de pyramide gemaakt werd, en hoewel anderen zelfs verzekeren
    dat het meer dan vier en dertig honderd jaar geleden is, is zij
    tot op onze dagen bewaard gebleven zonder op eenigerlei plaats
    beschadigd te zijn. Men had de steenen laten komen van uit het
    hart van Arabië, en daar men nog niet de kunst verstond, steigers
    op te richten, zegt men dat men zich van terrassen bediende om ze
    op te heffen. Maar wat het meest onbegrijpelijke in dit werk is,
    is dat men geen enkel spoor bemerkt noch van vervoer, noch van
    het afhakken van de steenen, noch van de terrassen waarvan wij
    gesproken hebben; zoodat het schijnt alsof de goden, zonder de
    hand der menschen te leenen, die altijd erg langzaam is, plotseling
    dit monument te midden van het zand geplaatst hadden. [34]

    Eenige Egyptenaren voeren te dien einde eene verklaring aan,
    die even fabelachtig en ruwer is dan deze. Want zij zeggen dat
    deze terrassen gemaakt waren van een grondsoort die vol zout en
    salpeter was en dat de stroom ze door buiten hare oevers te treden,
    vormde en weder deed verdwijnen zonder hulp van arbeiders. Dat
    zal wel niet waar zijn; en het is veel verstandiger te zeggen dat
    dezelfde handen die gebezigd werden om dien grond aan te dragen,
    gebruikt werden om dien weg te voeren en om den grond in denzelfden
    toestand als tevoren te brengen; temeer omdat men zegt dat drie
    honderd zestig duizend werklieden of slaven bijna twintig jaren
    met dit werk bezig waren." [35]


Diodorus is de eerste die van de pyramiden spreekt als
_wereldwonderen_, maar hoe bitter weinig zegt hij ons. Niets dan
"men zegt"s en dan zeer uiteenloopende "men zegt"s en in niets
overeenstemming met Herodotus dan in den duur van den bouw, de gedane
uitgaven en de regeering van den koning. Over het tijdstip van den bouw
is hij al bijster in het onzekere, "1000 jaar of 3400 jaar geleden",
en over den bouwer van de derde pyramide brengt hij ons alweer in het
onzekere door de fabel van Rhodopis aan te halen, hetgeen Herodotus
eveneens doet, alsook Strabo.

Strabo is bijzonder kort in zijne beschrijving en met betrekking tot
den bouw zelf helpt hij ons ook niet veel verder. Hij zegt daarover
hoegenaamd niets. Alleen maakt hij eene vermeldenswaardige opmerking
met betrekking tot de eerste of Groote Pyramide nl.: "Zij heeft op
een der zijden op eene middelmatige hoogte, een steen die weggenomen
kan worden." [36]

Van Plinius kunnen wij nagenoeg hetzelfde zeggen als van Strabo. Hij
zegt: "De grootste van de Pyramiden is geheel voortgekomen uit
steengroeven in Arabië; men beweert dat 360000 mannen 20 jaren gewerkt
hebben om haar saam te stellen." Uit eene verdere opmerking in zijn
verslag kan men echter opmaken dat de gepolijste bekleeding op de
buitenzijde der Pyramide nog bestond. Verder haalt hij met betrekking
tot de wijze van bouw Diodorus aan. Plinius is echter de eenige
schrijver die spreekt van een "put" welke onder de Groote Pyramide
zoude zijn: "deze put vangt het water van den stroom op, flumen illo
admissum arbitrantur", op eene diepte van 86 ellen (39,8 M). Deze
put is echter, voorzoover uit de door Plinius aangegeven maten is
na te gaan, niet de bekende put. Plinius is de eerste schrijver die
eenigermate juiste afmetingen aangeeft en het schijnt dat hij deze
uit aan hem bekende documenten ontleende, aldus meent M. Jomard in
zijn _Remarques et Recherches sur les Pyramides d'Egypte_.

De overige Latijnsche schrijvers werpen ook geen licht op dit
deel van ons onderwerp en ik bepaal mij tot het even aanstippen
van enkele merkwaardige uitingen in hun korte en onzaakkundige
verslagen. Solinus zegt: "daar zij de maat der schaduwen te boven
gaan werpen zij geen schaduw" en Cassiodorus herhaalt deze uitlating
in prozaïschen vorm. Aristides zegt dat hij van de priesters gehoord
heeft dat de Pyramiden even diep in den grond doordringen als zij er
zich boven verheffen.

Bij de Arabische schrijvers vinden wij uitvoerige verhalen en
legenden die echter alle eveneens op overlevering berusten, en wel
van belang zijn met betrekking tot een geschiedkundig overzicht, maar
ons geen belangrijke mededeelingen verschaffen wat aangaat de wijze
van bouw. De meest bekende verhalen zijn die van Ebn Abd el Hokm, El
Koday, Ibrahim ben Ouessif, Abd-el-latif. Hunne beschrijvingen bepalen
zich tot het vermelden van den naam van den bouwer, Saurid geheeten,
de reden waarom de Pyramiden gebouwd werden (nl. het opbergen van
alle schatten aan kennis en aardsche goederen ter beveiliging tegen
komende overstroomingen), hoe zij er uitzagen enz. Wij zien dus dat
de andere schrijvers ons niets mededeelen dat ons helpen kan tot
een begrijpen van de wijze waarop met "kleine houten werktuigen"
de groote steenmassa's op hunne plaats gebracht werden.

Het was eerst in de latere tijden dat men zich in beschouwingen
hieromtrent ging verdiepen. Reeds de Fransche _Savants_ waren in
groote bewondering over de wijze waarop met geringe mechanische
hulpmiddelen een bouw verkregen was, die zelfs tot op deze tijden
niet geëvenaard werd. Door hun nauwgezet wetenschappelijk onderzoek
zagen zij de moeilijkheden die de bouwers te overwinnen hadden
gehad, beter in dan de oude bezoekers dit ooit gedaan hadden en
zij waren dan ook verbaasd over de wijze waarop alles tot stand was
gebracht. Om deze verwondering te begrijpen zal ik eerst trachten
mijnen lezers een beeld te geven van de enorme hoogte, den omvang en
de massa der Pyramide, en van die der samenstellende steenblokken. De
lengte van elke zijde van het grondvlak was oorspronkelijk 764 voet
(1 voet = 12 duim, 1 duim--25.4 mM.), de loodrechte hoogte was iets
meer dan 480 voet. Hare massa zou 6.840.000 ton bedragen (1 ton =
1000 K.G.). Dit zegt alleen iets voor hen die met maten omgaan of
er goed mede bekend zijn; voor mijne overige lezers haal ik eenige
vergelijkingen aan die ik ontleen aan Sir Rawlinson's _Egypt_. Hare
hoogte is dus zes voet meer dan die der Kathedraal van Straatsburg,
dertig voet meer dan die van de St. Pieter te Rome, honderdtwintig
voet meer dan die van de St. Paul te Londen. Haar grondoppervlak is
ruim viermaal zoo groot als een vrij groot stadsplein. Om ons een
denkbeeld te vormen van den inhoud diene het volgende. Men denke zich
een huis met muren van een voet dikte, twintig voet breed en dertig
voet diep. Verder een aantal tusschenmuren tot een volume van een
derde der buitenmuren. Dit huis bevat dan vierduizend kubieke voet
metselwerk. De kubieke inhoud nu van de Groote Pyramide is voldoende
om twee en twintig duizend zulke huizen te bouwen. Legt men het
metselwerk in een lijn van een voet hoog en een voet breed dan kan
men gaan tot een lengte van zeventienduizend mijlen of twee-derde
van de lengte van den equator. En men moet tevens bedenken, dat de
samenstellende deelen niet alle kleine steenen waren, hoewel een groot
deel daar wel uit bestond. Er zijn echter--en vooral is dat bij de
buitenlagen het geval--steenen bij, die dertig voet lang, vijf voet
hoog en vier of vijf voet breed zijn. Zulke steenen wegen 40.000 à
60.000 K.G. Ook de steenen die inwendig geplaatst zijn, bijvoorbeeld
boven de Koningskamer, zijn van reusachtige afmetingen. Rawlinson zegt
dan ook: "Over het algemeen zijn de buitenblokken van eene grootte,
welke hedendaagsche bouwers nauwelijks ooit durven gebruiken." [37]

En wanneer men bedenkt dat deze steenmassa's niet ruw op elkaar
gestapeld, maar op wonderbare wijze zoodanig aaneengevoegd waren, dat
men eer de steenen zelf kan verbreken dan ze van elkander scheiden,
dan kan men begrijpen dat vele der onderzoekers in stomme verwondering
betuigden, dat deze bouwkunst tot op heden nog niet geëvenaard
is. Trouwens, dat lijkt mij toe met vele kunsten en nijverheden van
deze oude beschaving het geval te zijn; doch het zou mij buiten mijn
bestek voeren, hier in een lofzang te vervallen op de verschillende
kunsten en nijverheden in Egypte die ons treffen als op een hooger
peil dan de moderne staande. In verband hiermede is het echter voor
een bewonderaar van het oude Egypte een genot, in _Isis Unveiled_
H. P. Blavatsky hierover na te slaan. Met betrekking tot dit onderwerp
haalt zij o.a. Kenrich aan:


    "De voegen zijn nauwelijks waarneembaar, niet wijder dan de dikte
    van zilverpapier, en het cement is zóó houdend, dat brokstukken
    van de deksteenen nog op hunne oorspronkelijke plaats blijven,
    niettegenstaande het verloop van vele eeuwen en het geweld waarmede
    zij weggerukt werden." Wie onzer hedendaagsche bouwkundigen en
    scheikundigen zal wederom het onvernietigbare cement van de oudste
    Egyptische gebouwen ontdekken? [38]


Enkele Egyptologen zijn op het denkbeeld gekomen dat de steenen op
de plaats zelve vervaardigd werden. Door een ingewikkeld werktuig
zou water tot op de vereischte hoogte zijn gebracht, daar vermengd
zijn geworden met zand enz., om te worden gevormd tot blokken van
den juisten vorm en de juiste grootte.

Om terug te keeren tot den bouw zelf. De Fransche _savants_ geven
hunne meening niet te kennen doch halen eenvoudig de reeds door mij
genoemde oude schrijvers aan. Van de latere schrijvers vermelden
wij alleen de gezaghebbenden. Sir Gardner Wilkinson, de welbekende
schrijver van _Manners and Customs of the Ancient Egyptians_, zoowel
als Colonel Howard Vyse, (1831 en 1837), waren van meening dat het door
Herodotus bedoelde werktuig een "polyspaston" was, of een werktuig
dat veel in gebruik was bij de Romeinen, en dat beschreven wordt
door Vitruvius. Het is een werktuig van vele takels voorzien. Als
bewijs voor het gebruik van deze werktuigen haalt Vyse aan dat "in
de blokken van elken omgang gaten zijn van 8 duim middellijn en 4
duim diep, waarschijnlijk om de werktuigen te ondersteunen welke
Herodotus beschrijft."

Perring in zijn werk _The Pyramids at Ghizéh_ zegt dat hij vermeent
dat houten steigers gebezigd werden. Met betrekking tot de buitenlagen
merkt Wilkinson op dat de uitstekende hoeken van de opgestapelde
rechthoekige steenblokken van boven af naar beneden weggekapt werden
en aldus het zijvlak glad maakten. Hij grondt deze meening op eene
uitlating van Herodotus.

Dr. Lepsius heeft met betrekking tot den bouw eene theorie opgeworpen
die vrij algemeen vermeld wordt en bekend is. Deze is als volgt:


    "Bij den aanvang van de regeering werd de rotskamer, die voor het
    graf van den vorst bestemd was, uitgehouwen en één laag metselwerk
    er op aangebracht. Stierf de koning in het eerste jaar zijner
    regeering, dan werd een buitenlaag er op aangebracht en eene
    pyramide gevormd; maar indien de koning niet stierf, werd een
    andere laag metselwerk er aan toegevoegd en twee van dezelfde
    hoogte en dikte aan iederen kant; aldus nam in verloop van tijd
    het gebouw den vorm aan van een reeks regelmatige trappen. Deze
    werden overdekt met steenen, al de hoeken opgevuld, en steenen als
    trappen geplaatst. Dan, zooals Herodotus ons reeds lang geleden
    mededeelde, werd de Pyramide van boven af naar beneden gereed
    gemaakt doordien al de uitstekende hoeken weggehouwen werden en
    een volkomen driehoek overbleef."


Tegen deze theorie heeft Rawlinson bezwaren, want hij merkt terecht
op dat dit glad maken van de buitenzijde een werk van jaren moest
zijn en dat als een koning stierf, het zeer te betwijfelen viel of
zijn opvolger dit werk op zich zou nemen; in ieder geval zou hij aan
zijn eigen pyramide hebben moeten beginnen.

Wij hebben nu enkele der voornaamste schrijvers over dit onderwerp
aangehaald, en het zal ons niet baten meerdere aan te halen aangezien
zij geen nieuw licht werpen op de wijze van werken. Eene aardige
samenvatting van de verschillende opvattingen van "de kleine
houten werktuigen" en een beschrijving er van met vele platen
vinden wij in een belangwekkend werkje van T. M. Barker, geheeten
_The Mechanical Triumphs of the Ancient Egyptians_. Ook vinden wij
hierin eene uitvoerige beschouwing van de werkwijze zooals die door
Diodorus vermeld werd, namelijk met behulp van hellende vlakken,
eene methode die ook in Indië werd gebezigd. Dit hellende vlak zou
dan 3000 voet lang en 120 voet hoog zijn geweest en de helling zou 1
voet op de 25 bedragen hebben. Deze steenen helling, met vet besmeerd,
zou hebben gediend om met verminderde kracht de zware steenen aan te
slepen. Enkele archaeologen beweren dat gedeelten van deze hellingen
nog te vinden waren in het begin der achttiende eeuw. De zwaarste
steen in de pyramide van ± 60.000 K.G. zou dan getrokken moeten zijn
door een bende van 900 man. De weg was 60 voet breed, dus konden er
drie tegelijk naar boven.

Wie dit alles gelooven wil, hij kan bewijzen vinden blijkbaar, maar
er ontbreekt veel aan om overtuiging te schenken.

Wanneer wij de bekende feiten goed onder het oog zien en overdacht
hebben, kunnen wij thans zien, wat ons uit okkulte bron wordt
medegedeeld omtrent den bouw. Wij vinden dan in de reeds meer door mij
aangehaalde verhandeling _The Pyramids and Stonehenge_, het volgende:


    "De hanteering van de reusachtige steenen, die bij dit bouwwerk
    gebruikt zijn en ook inderdaad de samenstelling van de groote
    Pyramide zelf, kan alleen verklaard worden door het toepassen
    op deze werken van eene kennis aangaande de Natuurkrachten,
    welke voor de menschheid verloren ging gedurende het verval van
    de Egyptische beschaving en het barbarisme van de middeleeuwen,
    en die door de hedendaagsche wetenschap nog niet teruggevonden is."


En verder:


    "Maar hoe kwamen zij de moeilijkheden te boven, deze reusachtige
    steenmassa's te hanteeren, waarvan alleen de bovenelkanderplaatsing
    werktuigkundige hulp vereischt schijnt te hebben, welke wij in
    verbeelding nauwelijks met eenig ander tijdperk dan het onze kunnen
    samendenken? Wat dat aangaat, kan in Atlantis zelf gevonden worden,
    wanneer eindelijk een voller licht op zijn geschiedenis geworpen
    wordt, dat werktuigkundige hulpmiddelen van zeer vergevorderden
    aard beschikbaar waren voor elk werk, waarvoor zij noodig waren;
    maar de bouwers van dien tijd waren niet uitsluitend afhankelijk
    van middelen van dien aard, als waarvan wij nu gebruik maken,
    om groote massa's te hanteeren. In de rijpheid van Atlantische
    beschaving waren enkele Natuurkrachten, welke nu slechts onder
    het bestuur van adepten in okkulte wetenschap zijn, in algemeen
    gebruik. De adepten van dien tijd waren onder geen verplichting het
    geheim van haar bestaan angstvallig bewaard te houden; en onder
    hen bestond het vermogen, thans zoo zelden uitgeoefend dat het
    bestaan zelf er van minachtend ontkend wordt door de alledaagsche
    massa--het vermogen om die kracht welke wij zwaartekracht noemen,
    te wijzigen."


Hierna gaat A. P. Sinnett er toe over, het bestaan van dit vermogen
te verdedigen en zegt dat, hoewel de groote massa's der menschheid
natuurlijk lachen om zulk een vermogen, waarvan zij nog nooit iets
gehoord of gezien hebben, op dit geval het gezegde van Galilei, _e pur
si muove_, zeer van toepassing is. En zeker is de geheele oplossing
van het raadsel van den bouw van die oude bouwwerken in dit vermogen
te zoeken. Helderziende waarnemers hebben in de ákashaïsche beelden
den bouw gezien en onderzocht, en zij zeggen ons dat deze reusachtige
blokken steen op hun plaats gebracht werden met behulp van steigers,
zooals wij die zien gebruiken bij den bouw van een klein huis.

En hier vinden wij dus, om tot de Pyramiden terug te keeren, hoe men te
werk ging bij den bouw er van. De adepten, die den bouw er van leidden,
vergemakkelijkten het werk door de gedeeltelijke opheffing van de te
gebruiken steenblokken, en de bouwers die onder hunne leiding werkten,
bevonden dat de te gebruiken steenen gemakkelijk gehanteerd konden
worden. Misschien viel het hun zelf niet eens op, dat dit vermogen
door de adepten werd uitgeoefend. En dit nu is eene eenvoudige,
hoewel ongetwijfeld zeer geheimzinnige, verklaring van het feit dat
de reusachtige moeilijkheden, die zich voordeden bij den bouw van
zulke kolossale bouwwerken, overwonnen konden worden. Hoe vreemd deze
verklaring moge schijnen voor een leek, en hoe ongelooflijk zelfs,
is niet de door de oudheidkundigen tot dusver aangenomen verklaring
even ongelooflijk, wanneer men er over nadenkt? Zij toch zijn tevreden
met aan te nemen dat de bouwers van dergelijke reuzenwerken en dus
ook van de Groote Pyramide een onbegrensd aantal arbeiders jarenlang
lieten arbeiden om de reusachtige steenen langs sleephellingen en door
middel van balken, rollen en katrollen op de een of andere wijze op
elkaar te stapelen. En wanneer wij nu weten dat bij deze bouwwerken
de meeste steenen 2 of 3 honderd ton wegen en dat bijvoorbeeld bij
den tempel van Baalber in Syrië steenen gebruikt zijn van 1500 ton,
dan vergt deze hypothese der oudheidkundigen meer van ons geloof dan
zelfs de okkulte verklaring. Zij willen ons iets laten aannemen wat
wij weten dat physisch onmogelijk is, maar omdat zij het zeggen in ons
bekende termen, en omdat zij spreken over dingen die wij zien kunnen
met betrekking tot _kleine_ gewichten, nemen wij het onnadenkenderwijs
al te licht aan. Maar deze reusachtige werken van de oudheid staan
voor ons als een blijvend bewijs, dat ten tijde van hun bouw de wereld
getuige was van een bouwkunde, welke hare overwinningen niet behaalde
door ruwe kracht, maar door de toepassing van een subtieler kennis
dan heden ten dage bezeten wordt.

Na den bouw thans zoo ver mogelijk behandeld te hebben, rest mij
het inwendige gangen- en zalenstelsel te beschrijven, om dan tevens
over te gaan tot het eigenlijke doel dezer verhandeling, namelijk
het nagaan van de verschillende theorieën die met betrekking tot de
beteekenis van dit bouwwerk ontstaan zijn.



HOOFDSTUK IV.

BESCHRIJVING VAN HET INWENDIGE.


Wij zijn gekomen tot een gedeelte van ons onderwerp dat wij kunnen
beschouwen als eene inleiding tot de bespreking der verschillende
theorieën die langzamerhand ontstaan zijn omtrent het doel der Groote
Pyramide. Immers, indien zich onder de Pyramide, dus in het rotsvlak
waarop zij staat, eene grafkamer had bevonden, en de Pyramide zelf
een massief geheel met een daarheen leidende gang ware geweest,
zooals dit bij andere pyramiden het geval is, zou er weinig reden
bestaan hebben om zich in gissingen omtrent het doel der Pyramide te
verdiepen. Maar juist door de bijzondere en eigenaardige afwijking,
die de Groote Pyramide in dit opzicht vertoont, is zij geworden tot
een onderwerp van de meest uiteenloopende beoordeelingen en gissingen,
en was zij aanleiding tot heel wat geschrijf.

Met betrekking tot haar inwendige vertoont de Groote Pyramide een
eigenaardigen aanblik. Het feit dat zich zulk een uitgebreid gangen- en
kamerstelsel daarin bevindt is slechts sedert betrekkelijk korten tijd
bekend en de schrijvers der oudheid vermelden er niet veel van. Niet
eerder dan sedert de groote Fransche expeditie onder Napoleon werd dit
een feit van meer algemeene bekendheid en wij vinden in _Pancoucke's_
werk over deze expeditie een vrij nauwkeurige beschrijving van deze
gangen en kamers. Eerst in latere werken werden zeer uitvoerige
beschrijvingen er van gegeven, naarmate dit noodzakelijk bleek tot
staving van de theorieën der schrijvers aangaande de symboliek of
het doel der Pyramide.

Volgens de oudste verhalen was de Pyramide geheel gesloten tot het jaar
830 n. Chr.. Kalief Al-Mamoen zou de eerste geweest zijn die zich met
geweld een toegang deed banen, daar hij de eigenlijke opening en den
ingang niet wist en ook niet vond. Deze laatste is thans wel bekend
en bevindt zich op ongeveer 47,5 voet boven de basis, tusschen den
vijftienden en zestienden trap; zij schijnt eveneens bekend geweest
te zijn bij enkele Grieken. Ook Strabo maakt er melding van. Hij zegt:
"In de hoogte als het ware, in het midden tusschen de twee zijden, is
een steen die weggenomen kan worden, en wanneer deze er uitgenomen is,
is er een hellende ingang tot het graf." Op een andere plaats zegt hij:
"Deze ingang werd geheim gehouden."

In hoeverre het verhaal van den Arabischen schrijver Ibn Abd Al
Hokm over het forceeren van den ingang waarheid bevat, is moeilijk
na te gaan. De meeste schrijvers hechten er weinig waarde aan, daar
er te veel feiten tegen spreken, en het verhaal blijkbaar zeer veel
fantasie bevat. Wel is het waarschijnlijk dat gedurende deze poging
om de Pyramide inwendig te onderzoeken wegens de schatten die, naar
men veronderstelde, daar verborgen waren, de andere gangen en kamers
ontdekt werden. Dit is ook de meening van Piazzi Smith en hij geeft
een vrij uitvoerig verslag van het Arabisch verhaal omtrent deze
gebeurtenis, waaraan ik het volgende ontleen.


    Al-Mamoen liet zijne werklieden dertig voet boven den grond in het
    midden der noordelijke zijde aanvangen met breken. Het was evenwel
    een oneindig veel zwaarder werk dan de Kalief gedacht had en zijne
    lieden werden oproerig en wilden dit blijkbaar onmogelijke werk
    opgeven. Doch de Kalief dwong hen tot weder opvatten van de taak
    die hij zich gesteld had en maanden en maanden werd er gewerkt;
    schijnbaar zonder dat men veel verder kwam. Daarna wilden zijne
    werklieden het in ieder geval opgeven, toen zij als bij een toeval
    een zwaren steen niet ver van hen vandaan hoorden neerploffen;
    dit deed hen met vernieuwden moed in die richting werken, waarop
    zij kort daarna doordrongen tot de benedenwaarts leidende gang,
    die waarschijnlijk vaak betreden was door Grieksche en Romeinsche
    bezoekers vóór hen. Doch thans lag daar de steen die het geluid
    veroorzaakt had, een steen waarvan de onderkant tevoren een deel
    uitmaakte van het dak van de benedenwaarts leidende gang. Blijkbaar
    was deze steen de afsluitsteen geweest van een opwaarts leidende
    gang. Dit was ook zoo. Echter was deze gang nog steeds verstopt
    door reusachtige wigvormige steenen die achter den gevallen steen
    een plaats gevonden hadden. De Arabieren zagen geen kans deze op
    te ruimen, dus hakten zij zich een weg door den veel zachteren
    kalksteen daar omheen; op deze wijze zich een weg banende tot
    de opwaarts leidende gang, een doorgang die ook heden nog benut
    wordt door bezoekers. Thans stond hun de weg open tot de verdere
    gangen en kamers der Pyramide, doch van schatten geen spoor.

    De Kalief wist nu slechts één middel om zijn verwoede volgelingen
    tot bedaren te brengen; in den nacht liet hij aan het einde van
    het geboorde gat een schat begraven in het steenwerk der Pyramide
    en liet hen den volgenden dag daar verder houwen. Natuurlijk
    vonden zij het goud en toen het geteld werd bleek het juist het
    bedrag te zijn dat verbruikt was voor de onderneming. Daar nu de
    werklieden hun werk betaald kregen, hield hun opstand spoedig op
    en de Kalief keerde terug naar El Fostat.

    Eén ding was echter bereikt. Sinds dien tijd was het inwendige
    der Pyramide opengelegd voor latere bezoekers, en enkele van
    deze drongen daar dan ook in door; en een der geschiedschrijvers
    verhaalt dat "enkele van deze er veilig weer uitkwamen en andere
    stierven." [39]


Het verhaal omtrent deze doordringing tot het inwendige der Pyramide
heeft in handen van latere Arabische schrijvers wonderlijke
veranderingen ondergaan en een van deze weergevingen vermeldt
o.a. dat de Arabieren, toen zij tot de Koningskamer doordrongen,
in de sarcofaag een steenen beeld vonden, dat hol was en waarin zich
een lichaam bevond van een man met een gouden borstplaat, bezaaid met
juweelen. Een zwaard van onberekenbare waarde lag op het lichaam. Nabij
het hoofd bevond zich een karbonkel van de grootte van een ei.

Latere schrijvers hechten weinig waarde aan deze verhalen, en sommigen
twijfelen er zelfs aan of het Al-Mamoen was, die de openbreking leidde
en zeggen dat hij voor de uitvoering van zulk een werk te kort in
Egypte verbleef. Hoe dit ook zij, de Pyramide is thans reeds geruimen
tijd open voor een inwendig onderzoek en het bekende gedeelte is dan
ook herhaalde malen onderzocht, opgemeten enz., en de teekening, die
hierbij gevoegd is geeft een juiste weergave van de ontdekte gangen
en kamers.

In de eerste plaats zien wij dan de benedenwaarts leidende gang,
die tamelijk steil afloopt. De helling is 26° 28' [40], de geheele
lengte bedraagt 320 voet en 10 duim en moet oorspronkelijk toen de
ingang nog gaaf was ongeveer 343 voet geweest zijn. De hoogte is 47
duim, de breedte ± 41 duim. Na 63 voet gedaald te zijn komt men aan
den ingang tot de opwaarts leidende gang. De helling hiervan wordt
nogal verschillend opgegeven, het gemiddelde van deze opgaven is
± 26°. De lengte van deze gang is 124 voet, de breedte en hoogte
nagenoeg gelijk aan die van de benedenwaarts leidende gang; aan
het einde er van bevindt zich een sousplatform, rechts daarvan is
de put, in zuidelijke richting strekt zich de gang uit die naar de
Koninginnekamer leidt, terwijl de Galerij een vervolg van deze gang
is. De horizontale Galerij is ± 109 voet lang, de breedte 3 voet en
5 duim, de hoogte 3 voet en 10 duim in het eerste gedeelte en 5 voet
8 duim in het laatste gedeelte. De put is 191.5 voet diep; hiervan
is 148.5 voet in de vaste rots uitgehouwen. Aan de wanden bevinden
zich aan drie kanten uithouwingen om met behulp van handen en voeten
naar boven te klimmen. De Koninginnekamer is 17 voet 10 duim lang, 16
voet 1 duim breed en 19 voet 5 duim hoog. Aan de oostelijke zijde in de
Koninginnekamer bevindt zich eene uitholling. Sommige schrijvers denken
dat de Arabieren dit gedaan hebben, andere denken dat hierachter een
verborgen gang leidde naar de Sphinx of een andere verborgen plaats.

Van het platform af leidt verder opwaarts de galerij die de
merkwaardigste is van de geheele Pyramide, en algemeen bekend staat als
de Groote Galerij. Zij is ± 150 voet lang (± 50 M.) en 27 voet 6 duim
(± 9 M.) hoog. Het inwendige is zeer fraai afgewerkt. John Greaves,
de tevoren aangehaalde schrijver over de Pyramide, was er reeds over
in bewondering. Hij zeide: "Zij doet in merkwaardigheid in kunst en
rijkheid van grondstoffen niet onder voor de prachtigste gebouwen"
en kenschetst haar verder als "den arbeid van een uitstekend bekwame
hand." Opmerkenswaardig is vooral het dak, dat bestaat uit zeven lagen,
waarvan elke volgende voorbij de vorige uitspringt, terwijl verder
aan weerszijden op den vloer eene verhooging of bank is, die over de
geheele lengte van de Galerij loopt. In deze verhooging bevinden zich
aan de eene zijde 26 gaten of uithakkingen, aan de andere zijde 28.

In den vloer zijn als het ware ruwe treden gehakt, natuurlijk in
latere tijden, voor het gemakkelijker omhoog komen der bezoekers,
iets wat anders zeer bezwaarlijk zou gaan. Aan het einde van de
Galerij bevindt zich een zeer hooge steen van 7.5 voet. Eenmaal
hierop geklommen, komt men eerst aan een kleinen nauwen doorgang,
vervolgens in een soort voorkamer en daarna in een korte gang. Hierin
is een lage doorgang van graniet en men moet onder den steen die
daar als het ware tusschen de wanden in de lucht hangt, en een soort
opgehaalde valdeur vertegenwoordigt, doorkruipen; hierna weder een
nauwen doorgang door, en men bevindt zich in de Koningskamer. De
hangende steen wordt beschouwd als een die ter afsluiting zou hebben
moeten dienen. De geheele lengte van dezen toegang is 22 voet. In
de voorkamer ziet men aan de zijwanden meerdere groeven uitgehouwen,
waarin waarschijnlijk ook valsteenen behoorden.

De Koningskamer zelf is in weerwil van de vele beschadigingen een
schoon geheel van graniet. Groote platen van 20 voet hoog, onmerkbaar
aaneengevoegd, vormen de zijden. Er bevindt zich niets in behalve de
veel besproken sarcofaag. Greaves geeft ook eene opgetogen beschrijving
van deze kamer: "Deze rijke en ruime kamer, waar de kunst schijnt te
hebben gewedijverd met de natuur, daar het werk niet ondergeschikt is
aan de rijke grondstoffen, is als het ware in het hart van de pyramide
op gelijken afstand van de zijden en ongeveer op het midden tusschen
den top en de basis. De vloer, de zijden en het dak zijn alle gemaakt
van groote stukken graniet." Hij eindigt met haar "een prachtige kamer"
te noemen. In de kamer bevinden zich nog twee luchtkanalen, die eerst
later ontdekt zijn, een er van loopt naar de noordzijde der Pyramide,
de andere naar de zuidzijde. De helling is ± 83° bij het noordelijke
kanaal en de lengte van het noordelijke kanaal is volgens meting 233
voet. Zij vangen aan op een hoogte van 3 voet van den vloer.

De sarcofaag die zich in de Koningskamer bevond is geheel van porphyr
marmer. De lengte is 6.5 voet, de breedte 26.6 duim. Merkwaardig is
het op te merken dat zij te groot is om later door de gangen in de
kamer gebracht te zijn; men veronderstelt dat zij dus van boven af
neergelaten is, vóór het dak gesloten en de Pyramide voltooid werd.

Er is geen deksel op de sarcofaag en ook geen teeken dat er ooit een
op geweest is; hierdoor is nogal verschil van meening ontstaan onder de
geleerden of zij wel ooit gebruikt kan zijn om eene mummie te bevatten,
en er zijn minstens evenveel gezaghebbende stemmen tegen dit denkbeeld
als er vóór zijn. Zij is thans aanmerkelijk beschadigd hoewel de
reizigers van vorige eeuwen haar steeds als gaaf vermelden. De steenen
wand is ongeveer vijf duim dik en is buitengewoon hard. Wanneer men
met metaal er tegen aanslaat klinkt hij als een bel. De aanblik van
de gepolijste steensoort is die als van gekleurd glas met zwarte,
witte en roode stippen.

Thans echter is de sarcofaag aanmerkelijk beschadigd; velen ergeren
zich hierover ten zeerste. Bonwick in _Pyramid Facts and Fancies_ laat
zich daarover uit als volgt: "Niet aleer de Europeanen, voornamelijk
Engelsche en Amerikaansche dames en heeren hierheen begonnen te
stroomen, begon dit Vandalisme. Het was niet voldoende massa's van
het uitwendige af te houwen, maar dit kostbare gedenkstuk, dat zelfs
geen Turk had willen ontwijden of beschadigen, begon het gewone lot
van relikwieën te ondergaan door de hand van relikwieën-vereerders
en relikwieën-dieven." En verder: "Met uitzondering van een klein
brokje was de sarcofaag zestig jaar geleden gaaf. Zij die haar
nu beschouwen, afgehakt en afgeschilferd, als zij is, mogen wel
blozen voor de Westersche beschaving. Den schrijver zelf werd kalm
door een van zijn Arabische volgelingen gevraagd of hij er gaarne
een stuk afgebroken wou hebben. Met niemand die verantwoordelijk
is voor het behoud en met de verwachting der inboorlingen voor een
frank per afgebroken stuk, wie kan zich dan nog verwonderen over de
trapsgewijze vermindering en eindelijke algeheele vernietiging van
deze wonderbaarlijke en geheimzinnige kist."

Boven het dak van de Koningskamer bevinden zich vijf kleinere kamers,
waarin men komen kan door een gat in het dak. Deze kamers zijn
genoemd naar Davison, Hertog Wellington, Lord Nelson, Lady Arbuthnot
en Col. Campbell. De eerste werd in 1763 door Davison ontdekt. De
overige werden door Col. Howard Vyse in 1837 ontdekt. De kamers zijn
van elkaar gescheiden door graniet, glad aan den bovenkant en ruw
aan den onderkant. De bovenste of vijfde kamer heeft een dak van twee
schuins opstaande steenblokken. De hoogte van de gezamenlijke kamers
bedraagt ± 69 voet.

Gezaghebbenden zijn het er vrijwel over eens dat de reden van
het bouwen van deze kamers moet gezocht worden in het plan van de
bouwers om het gewicht op het dak te verlichten; zoodat het dak van
de Koningskamer niet zou bezwijken onder den zwaren last.

De bovenvermelde kamers en gangen zijn de tot dusver ontdekte in het
bovengrondsche gedeelte der Pyramide. In het rotsgedeelte bevindt zich
nog een kamer, die gelegen is aan het einde van den benedenwaarts
leidenden ingang. Daartegenover bevindt zich in deze kamer een
doodloopende gang.

Ik heb hier een korte en ruwe schets gegeven van het onverklaarbare
en ingewikkelde stelsel van gangen en kamers in de Groote Pyramide,
namelijk van die welke tot dusver ontdekt zijn. Want ik geloof
ten stelligste dat er veel meer gangen en kamers zijn, en dit is
verklaarbaar omdat in de verhandeling over _Pyramids and Stonehenge_
gezegd wordt, dat Koefoe een deel der kamers afsloot. Echter zullen
deze wel nooit ontdekt worden, daar de belangstelling tot verder
onderzoek in dezen thans ernstig verflauwd is, en misschien gelukkig
maar? Want die afsluiting zal niet zonder reden geweest zijn en
evenals de bekende gangen en kamers eerst ontdekt zijn en onderzocht
toen dit zonder bezwaar van andere zijde geschieden kon, evenzoo zal
dit misschien later het geval zijn met nog onontdekte gedeelten.

Thans zullen wij, nu wij ons eenigermate een oordeel kunnen vormen over
de vraagstukken: wanneer werd de Pyramide gebouwd? en door wie? nagaan
wat door verschillende schrijvers gezegd is met betrekking tot het
waarom? Want zeker bestaan er geen meer uiteenloopende meeningen over
het doel van een bouwwerk dan het geval is bij deze Pyramide. In het
volgende hoofdstuk zullen wij dus zien welke doeleinden men alzoo
aan de Pyramide toekende.



HOOFDSTUK V.

OVER DE BESTEMMING DER PYRAMIDE.


In de voorgaande hoofdstukken heb ik, zij het ook onvolledig, in
hoofdtrekken aangegeven wat ons uit gezaghebbende bronnen bekend is
geworden omtrent het tijdstip van den bouw, omtrent de(n) bouwer(s)
en de wijze van bouwen; en ik heb slechts hier en daar aangestipt wat
deze schrijvers dachten met betrekking tot het doel, voor hetwelk
de Pyramide gebouwd zoude zijn. Mijne lezers moeten het voorgaande
geheel beschouwen als eene lange inleiding tot de eigenlijke bedoeling
van deze verhandeling, namelijk het beschouwen van de bestemming van
dit merkwaardige bouwwerk. En hetgeen thans volgt als een algemeen
overzicht van de verschillende theorieën over die bestemming, moet
eveneens weer beschouwd worden als een overgang tot het nagaan van
die theorie, welke voor Theosofen--hetzij krachtens geloof, gezag of
overtuiging--de meeste waarde heeft, namelijk die theorie, welke ik
aanduidde als de Theosofische en welke men eveneens kan beschouwen
als een maçonnieke theorie.

Het zou onmogelijk zijn, alle theorieën die omtrent de vermoedelijke
bestemming der Pyramide bestaan, hier ter plaatse volkomen te
behandelen; ik moet volstaan met ze kortelijks weer te geven, en zelfs
kan ik enkele alleen vermelden, daar ze volstrekt van geen waarde of
belang zijn voor ons eigenlijk doel. Een ieder die belang stelt in de
eene of andere speciale theorie, kan deze voor zichzelf nagaan in de
daarover geschreven werken, en de meeste dezer theorieën zijn zelfs
te technisch om in een populaire verhandeling als deze een plaats te
vinden. Ik moet dus slechts de minst technische behandelen.

De meest bekende, thans ook meest gezaghebbende theorie is die welke
de Groote Pyramide evenals alle pyramiden maakt tot een praalgraf
van Egyptische Pharaoh's.

De andere schrijvers laten zich, zooals ik reeds vermeldde, weinig
uit over het doel en men kan dus weinig steun bij hen vinden, zoowel
voor deze als voor eene andere theorie.

Jomard zegt in zijn verhandeling _Sur les Pyramides d'Egypte_ [41]:


    Indien wij in eene bijna volkomen duisternis verkeeren met
    betrekking tot het tijdstip van den bouw der Pyramide en de namen
    van hare Bouwers, hangt er een bijna even dichte sluier over de
    bestemming dezer bouwwerken, en het zou ook niet anders kunnen
    zijn; want de geschiedschrijvers der oudheid en de Arabische
    schrijvers hebben niet de middelen gehad om die te kennen,
    de een zoo min als de ander. Het was natuurlijk dat men deze
    bouwwerken beschouwde als te behooren tot graven, praalgraven. Dit
    denkbeeld is in den grond geheel in overeenstemming met _de
    waarschijnlijkheid en bovenal met die welke een gevolg is van
    analogie_ [ik cursiveer; v. G.]; omdat het Lybisch gebergte te
    Memphis niet zooals te Thebe hoogopstaande zijwanden aanbood, die
    geopend werden voor de graven der koningen, zou men daarom niet
    getracht hebben daarin te voorzien door bouwwerken? En zou men dan
    misschien door de reusachtige afmetingen, door de ontzagwekkende
    moeilijkheden van de onderneming, hebben willen wedijveren met
    den rijkdom van de koninklijke onderaardsche begraafplaatsen?

    Maar met dit gegeven, hoe waarschijnlijk het zij, zou men nooit het
    werk der Pyramiden verklaren en alles wat een nauwgezet onderzoek
    er ontdekken moet; en in de eerste plaats het denkbeeld van de
    keus van den pyramidalen vorm."


En verder:


    "Hoe dit zij, indien wij toestemmen, dat het denkbeeld van een
    pyramide dat van een graf medebrengt, zou men dan gedwongen zijn
    te besluiten, dat geen enkele andere bedoeling voorgezeten heeft
    bij de oprichting van deze grootsche bouwwerken? Wij gelooven het
    niet. Hoe kunnen wij bijvoorbeeld als waar erkennen, dat bij een
    volk dat zoo godsdienstig was als de Egyptenaren, de godsdienst
    en zijne mysteriën vreemd waren aan het doel dat men zich stelde
    bij het oprichten van de Pyramiden? Zou dit aan den anderen
    kant niet zijn een geheel terzijde stellen van de verklaring,
    die de diepzinnigste waarnemer der oudheid, Aristoteles, van
    deze bouwwerken geeft, die ze toeschrijft aan de politiek der
    vorsten? Ten slotte, wanneer men denkt over de keuze van den
    vorm die aan de bouwwerken gegeven is, over de afmetingen en het
    onderling verband der deelen, over de nauwkeurige oriëntatie der
    zijden, en tal van andere niet minder treffende omstandigheden,
    kan men dan verzekeren, dat de wetenschappen en wetenschappelijke
    doeleinden bij hare samenstelling niet hebben voorgezeten? Deze
    veronderstellingen zouden alle gelijkelijk onaannemelijk zijn. Ik
    stem toe dat de volmaaktheid van den arbeid en de samenstelling
    verklaard kunnen worden door den graad van volmaking waartoe
    de bouwkunde toen gevorderd was, en dat iedere soort openbaar
    bouwwerk met de grootste aandacht uitgevoerd moest worden;
    maar hier is een over-overvloed van zorgen, voorzorgen tot in de
    kleinste bijzonderheden voor de hechtheid, voor het afwerken van
    het geheel; de architect is geleid door den sterrekundige, en de
    samensteller door den wiskundige. _Anderen vóór mij hebben er aan
    getwijfeld, dat de pyramide gebouwd was om als graf te dienen_
    [42], maar men heeft ongelijk te ontkennen dat een enkel deel van
    het gebouw of der nabuurschap deze bestemming ontvangen zou hebben;
    dit is een onderscheid dat mij belangrijk schijnt vast te stellen."


Uit het hier aangehaalde ziet men dat deze _savant_ niet boudweg
beweerde, dat de Pyramide niets dan een graftombe was, en hij gaat
zelfs verder, zooals wij later zullen zien. Ik haal dezen schrijver
uitvoerig aan, omdat onder de _gezaghebbende_ schrijvers niemand zoo
in den breede dit onderwerp bespreekt en op zulk eene wijsgeerige en
waarlijk wetenschappelijke wijze. Niet louter beweringen, maar een
onder de oogen zien van feiten en een ruimte laten voor de meeningen
van andere schrijvers en denkers.

Hij gaat er vervolgens toe over, de schrijvers der oudheid na
te gaan met betrekking tot dit deel van het onderwerp: Diodorus,
Strabo en Herodotus zinspelen op de Pyramide als een graf (Herodotus
echter minder rechtstreeks; hij zegt dat Cheops in de rots waarop de
Pyramiden gebouwd zijn verscheidene onderaardsche kamers gedolven had,
die bestemd waren als zijn graf te dienen; dit graf was geplaatst
op een eiland dat gevormd werd door een kanaal, dat met de rivier
in gemeenschap stond); Plinius spreekt niet over de bestemming der
Pyramide, en met betrekking tot hetgeen de Arabische geschiedschrijvers
mededeelen, zegt hij:


    "Het is waar dat verscheidene Arabische schrijvers de groote
    pyramiden als graven beschouwd hebben; maar zij zijn ongetwijfeld
    tot die meening gekomen om reden van de kleinere pyramidale
    bouwwerken in den omtrek, die sarcofagen en gebalsemde lijken
    bevatten, en die inderdaad niets anders konden zijn dan graven. De
    vraag was, en is nog, te weten of de bouwers van de Groote Pyramide
    een ander doel gehad hebben dan er een mummie van een koning
    te plaatsen: wij zullen weldra elders zien dat de Oostersche
    schrijvers niet allen van dat gevoelen zijn".


En, verder, na uitgeweid te hebben over het inwendige der Pyramide:


    "Er is ongetwijfeld niets onwaarschijnlijks in, te denken dat men
    in een dergelijk gebouw mysteriën vierde, of dat men misschien
    inwijdingen volbracht in de onderste zalen, en in het algemeen
    kultus, ceremoniën en godsdienstige riten....."


Vervolgens gaat hij er toe over verschillende andere theorieën
te beschouwen op eene zeer vrijzinnige wijze, theorieën die wij
zoo dadelijk eveneens zullen vermelden; en ik kan niet beter doen,
om mijn lezers de juiste houding van zijn denken aan te wijzen ten
opzichte van de verschillende theorieën, dan zijn slotwoorden met
betrekking tot dit deel van het onderwerp aan te halen:


    "Wij laten het aan onzen lezer over, na deze laatste verklaringen
    die te verkiezen, welke hem het waarschijnlijkst lijkt.

    Dat moeten wij eveneens doen ten opzichte van de andere
    vraagstukken die opgeworpen worden over het doel en de bestemming
    der Pyramiden, voornamelijk over het doeleinde voor hetwelk de
    Groote Pyramide opgericht werd. Indien het nagenoeg onmogelijk
    is, dit doel op zekere wijze aan te duiden, zou het volstrekt
    niet minder moeilijk zijn aan te toonen dat de bestemming van
    het gebouw louter was om als graf dienst te doen. Het staat aan
    den lezer, te oordeelen over de waarde der bewijsredenen en der
    beschouwingen die voor zijn oogen liggen, en ze te vergelijken
    met feiten en waarnemingen. Hij zal allereerst uit al deze feiten
    twee gevolgtrekkingen maken; de eerste, dat dit grootsche bouwwerk
    niet bestemd werd voor een éénig doeleinde; de tweede, dat de
    afmetingen van de Pyramide evenredige deelen zijn van de grootte
    van een lengte-graad in Egypte. Uit deze twee gevolgtrekkingen,
    die onbetwistbaar schijnen, zal de lezer misschien vervolgens deze
    gevolgtrekking afleiden, dat de Pyramide de afmetingen, die zij
    heeft, niet toevallig ontvangen heeft, maar ingevolge een plan,
    om de waarde van den graad en de gebruikelijke lengte der maten
    in Egypte vast te stellen."


Wij zouden de bestaande theorieën in enkele hoofdgroepen kunnen
verdeelen, en wij zouden dan naast de graftheorie en enkele andere
onbeduidende theorieën een sterrekundige, een godsdienstige, een
wetenschappelijke, een symbolische en een mystieke groep hebben, en
daar wij reeds voldoende over de graftheorie gesproken hebben in dit
en voorgaande gedeelten, zullen wij thans overgaan tot het aanstippen
van enkele onbelangrijke--ja, vaak belachelijke--theorieën en het
meer uitvoerig vermelden der belangrijke.

Van de voor ons doel minder belangrijke theorieën is die van Fialin
de Persigny er eene, die de meeste belangstelling verdient, daar zijne
uitvoerige beschouwing, vervat in een tamelijk uitgebreid werk waarvan
de titel luidt: "_De la destination et de l'utilité permanente des
Pyramides_", duidt op eene ernstige overtuiging en studie.

Zijne theorie is, dat de Pyramiden gebouwd werden teneinde dienst
te doen als bescherming tegen de zandstormen voor dat gedeelte
van het Nijldal dat niet door de Lybische bergen beschut werd. Het
gebrek van deze theorie valt ons reeds bij den aanvang in het oog,
namelijk dat een toevallig nut van een gebouw niet de reden was tot
het doen oprichten er van. Om dit te verduidelijken: eene kerk wordt
gebouwd om daarin godsdienstige bijeenkomsten te houden, en al doet
de spits van den toren, die bij dit gebouw behoort, nu dienst als een
peilingspunt bij graadmetingen dan is de reden van het bouwen van
dien kerktoren nog niet te zoeken in het nut van het bouwwerk bij
laatstgenoemde metingen. De theorie van Ballard gaat zelfs in meer
letterlijken zin aan dit euvel mank dan de theorie van De Persigny,
want eerstgenoemde denkt werkelijk dat de drie pyramiden dienst
deden als uitgangs-peilingspunten voor een uitgebreid stelsel van
opmetingen teneinde het land van Egypte op de juiste wijze onder de
bewoners te verdeelen. Zijn theorie is vervat in een boek genaamd "_The
solution of the Pyramid Problem_". Het eerste boek is lezenswaard voor
belangstellenden in dit onderwerp als een bewijs van de wonderlijke
aberraties van het menschelijk vernuft.

Van de minderwaardige theorieën, die eigenlijk in 't geheel den naam
theorie niet verdienen, maar louter als een buitensporige of bekrompen
opvatting van haar opsteller kunnen worden beschouwd, noemen wij de
volgende. Sir Thomas Browner schreef ten tijde van Elisabeth, dat de
donkere holen en bergplaatsen voor mummies de "schuilplaats van Satan"
waren, zijne redeneering grondende op eenige opmerkingen in Egyptische
papyrussen over "de onderwereld" en eveneens op eenige gezegden in
het Oude Testament. Welke deze laatste waren, weet ik niet, doch ik
denk dat hij die bedoelde welke H. P. Blavatsky eveneens aanhaalt in
de _Geheime Leer_:

"De groote breuk, die tusschen de zonen van het Vierde Ras ontstaan
is zoodra de _eerste Tempels_ en _Zalen van Inwijding onder de leiding
der 'zonen van God' gebouwd waren_ [43], wordt allegorisch voorgesteld
door de Zonen van Jacob.

De stervende Jacob beschrijft zijne zonen als volgt: 'Dan', zegt hij,
'zal een _slang_ zijn aan den weg, een _adderslang_ in het pad,
bijtende de verzenen des paards, dat zijn rijder achterover valle'
(_d. w. z._ hij zal den candidaten _Zwarte Magie_ leeren).

Omtrent Simeon en Levi merkt de aartsvader op dat werktuigen van
_wreedheid_ in hunne _woningen_ zijn: 'O mijn ziel, kom niet in hun
_geheim_ (lees Sod), tot hunne _vergadering_'.

Nu is Sod de naam van de Groote Mysteriën" [44].

Wij kunnen hieruit lezen, dat er eveneens pyramidale (?) tempels van
inwijding in zwarte magie waren en daar behoeven wij natuurlijk niet
aan te twijfelen; bovenstaande aanhaling zegt genoeg, maar ik vrees,
dat Browner te ver ging met zijn verklaring, indien ik hem al een
dergelijk diepzinnig denken over het vraagstuk mag toeschrijven.

Bonwick in zijn _Pyramid Facts and Fancies_ geeft deze theorie slechts
even aan, en vermeldt ook enkele zeer belachelijke theorieën, die den
naam theorie in het geheel niet waard zijn, o.a. een van een Zweedsch
wijsgeer (?!), die als zijn meening te kennen geeft, dat de Pyramiden
eenvoudig gebouwd waren als middel om het water van den troebelen Nijl
te zuiveren, dat door de gangen er van gevoerd zou worden. Ik heb het
boek, waarin deze meening toegelicht wordt, niet kunnen bemachtigen,
en dat spijt mij, aangezien het mij zeker eenige aangename oogenblikken
zou bezorgd hebben, en ik in geen geval overgehaald zou kunnen worden
om aan te nemen, dat de Pyramiden een soort "watertorens" der oudheid
waren. Verder vinden wij in dit werkje _Facts and Fancies_ vermeld
de meening van Gable, die zijne lezers vergast op het volgende
belangwekkende item: "het blijkt niet, dat de stichters eenigerlei
lofwaardig plan hadden, aan de nakomelingschap wetenschappelijke
afbeeldingen na te laten", zooals enkelen veronderstellen; "daarom
schijnen zij niet met een geometrisch doel opgericht te zijn"; doch
daar volgens Gable vastgesteld is (op welke wijze zegt hij niet) "dat
zij opgericht werden door hen 'die na hun huwelijk met de dochters der
menschen niet alleen ontaarde verachters van nuttige kennis werden,
maar zich geheel aan weelde overgaven'", is het niet te verwonderen,
dat zijn eindconclusie is, _dat zij gebouwd werden om de vrouwen
te behagen_!

Wathen schreef in 1842: "de geschenken van de koningin van Scheba aan
de Egyptenaren worden nu aanschouwd in de onvernietigbare massa's
der Pyramiden", terwijl Benjamin van Toledo en Vossius beweerden,
dat zij de graanpakhuizen van Jozef waren. Reeds in 1330 beweerde
Maundeville hetzelfde, zegt Bonwick. Bewijzen en zelfs bewijsredenen
ontbreken echter ten eenenmale.

Een theorie van meer waarde, en die ook zeer grondig is uitgewerkt en
beredeneerd, is die van Thomas Yeates, die in 1833 over dit onderwerp
eene dissertatie uitgaf [45]. In deze dissertatie maakt hij eene
vergelijking tusschen de Pyramiden en de ark van Noach, voornamelijk
wat betreft de afmetingen. Hij zegt: "de afmetingen van de Groote
Pyramide benaderen in de oude ellematen de ark van Noach op zulk
een wijze, dat ik niet kan aarzelen, hoe nieuw het denkbeeld ook is,
eene vergelijking te trekken".

Aangezien wij later op de maten-theorie zullen terugkomen, zullen
wij deze theorie alsdan nogmaals in verband met deze beschouwen.

Reeds maakten wij, toen wij Jomard aanhaalden, melding van de denkwijze
van Aristoteles over het doel van het bouwen der Pyramide. Deze
denkwijze is er eene, die door velen aangehangen werd. Hij dan zegt,
dat zij louter een vertoon van koninklijk despotisme vereeuwigde,
doch dat dit vertoon een dieperliggende politieke reden had. In dit
vruchtbare land (sprekende van de Nijldelta, die volgens Theosofische
opvatting nog niet aangeslibd was tijdens den bouw) zou het volk weinig
te werken gehad hebben en was er dus veel tijd tot muiterij en opstand
tegen koninklijk en priesterlijk gezag. De priesters zouden dan den
koning overtuigd hebben, dat er slechts één uitweg bestond om rust
onder het volk te brengen, namelijk het te dwingen tot het bouwen
van reusachtige bouwwerken, en aan deze reden zouden de Pyramiden
haar ontstaan hebben te danken.

Plinius is vrijwel van dezelfde opvatting, alleen meent hij, dat de
werklieden de krijgsgevangenen waren, die niet nutteloos gevoed en
gekleed konden worden en dus aan het werk moesten worden gehouden.

Greaves bespreekt de meeningen van deze beide schrijvers der
oudheid. Hij zegt: "Maar waarom de Egyptische koningen zich zulke
reusachtige onkosten getroost zouden hebben om deze Pyramiden te
bouwen, is een vraag van hoogeren aard."

Aristoteles zegt dat zij het werk van tyrannie zijn; en Plinius
beweert dat de heerschers ze deels uit praalzucht en deels uit politiek
bouwden, om het volk bezig te houden en het te bewaren voor muiterij
en opstand.

Sandijs dacht "dat het was uit vrees dat hunne groote schatten (die
van de Pharaoh's) hunne opvolgers zouden doen ontaarden".

Hoe men dezen Koningen tegelijkertijd toe kan schrijven dat zij
tyrannen, hoogmoedige despoten enz. waren, en tevens zulke een
vrees koesterden voor de ontaarding hunner opvolgers, is mij weer
een raadsel!

Mariette Bey is verontwaardigd over deze theorie en verwerpt haar; en
Hekekyan Bey merkt terecht op: "Het is welbekend dat een tyran bijna
nooit een werk voltooit dat door zijn voorganger onafgewerkt gelaten
is. Het is duidelijk dat deze Pyramiden eene nationale onderneming
waren; dat tot het plan er voor en de uitvoering er van werd besloten
na rijp beraad; wetten werden gemaakt en in inkomsten werd voorzien
om wat het publiek beslist had door de uitvoerende gezaghebbers tot
stand te doen brengen."

Dufeu beweert het tegengestelde van Aristoteles. Hij zegt: "Verre van
het werk te zijn van den trots en het despotisme van de Pharaoh's,
zijn zij integendeel bewijzen van hun verheven wijsheid en de diepe
kennis hunner priestercolleges."

Eindigen wij dit hoofdstuk met een paar der bekendste Arabische
schrijvers over dit punt te hooren:

Mustadi (te Gihe in Arabië) zegt in 992:


    Er was een koning, genaamd Saurid, zoon van Salahx, 300 jaren voor
    den zondvloed, die op een nacht droomde dat hij de aarde met hare
    bewoners omvergeworpen zag, de menschen op hun gelaat neergeworpen,
    terwijl de sterren van den hemel vielen en tegen elkaar aanstieten
    en afschuwelijke en vreeselijke kreten slaakten terwijl zij vielen.

    Hij ontwaakte daarop zeer verontrust en verhaalde zijn droom
    aan niemand en was in zichzelf overtuigd dat een of ander groot
    ongeluk aan de wereld zou overkomen. Een jaar daarna droomde hij
    weder dat hij de vaste sterren op de aarde zag neerkomen in den
    vorm van witte vogels, die de menschen wegsleepten en hen tusschen
    twee groote bergen wierpen, welke zich zoo goed als samenvoegden
    en hen bedekten en toen werden de heldere, schijnende sterren
    donker en werden verduisterd. Daarop ontwaakte hij, buitengewoon
    verbaasd en trad in den Zonnetempel en begon te weenen. Den
    volgenden morgen beval hij dat alle vorsten der priesters en de
    toovenaars van alle provinciën van Egypte tezamen zouden komen;
    hetgeen zij deden tot een aantal van 130 priesters en waarzeggers,
    naar welke hij toeging en hun zijn droom verhaalde, dien zij van
    groot belang vonden; en de verklaring die zij er aan gaven was,
    dat een zeer groot ongeluk aan de wereld overkomen zou.

    Onder anderen zeide de priester Aclimon, die de grootste van allen
    was, en voornamelijk zijn verblijf hield in het hof van den koning,
    tot dezen:

    'Heer, uw droom is bewonderenswaardig en ikzelf zag een anderen,
    ongeveer een jaar geleden, die mij verschrikte en dien ik aan
    niemand geopenbaard heb'.

    'Zeg mij welke hij was', zei de koning. 'Ik droomde', sprak de
    priester, 'dat ik met Uwe Majesteit op den top van den vuurberg
    was, welke in het midden van Emsas is, en dat ik den hemel
    beneden zijn gewone ligging zag zakken, zoodat hij bij de kruin
    onzer hoofden was, terwijl hij ons bedekte en omringde als een
    groot omgekeerd bassin; dat de sterren met de menschen vermengd
    waren in verscheidene figuren; dat de menschen Uwe Majesteit
    hulp afsmeekten en in menigten tot u snelden als hun toevlucht;
    dat gij uwe handen boven uw hoofd ophieft en trachttet den hemel
    terug te werpen en hem tegenhield, en dat ik, toen ik zag wat
    Uwe Majesteit deed, hetzelfde verrichtte.

    Terwijl wij in die houding waren, buitengemeen verschrikt,
    dunkt mij, dat wij een gedeelte van den hemel zich zagen openen
    en een helder licht daaruit zagen komen; dat daarna de zon op die
    plaats opkwam en dat wij haar om bijstand smeekten, waarop zij tot
    ons zeide: "De Hemel zal tot zijn gewone standplaats wederkeeren
    wanneer ik driehonderd rondloopen volbracht heb". Daarop ontwaakte
    ik buitengewoon verschrikt.'

    Toen de priesters aldus gesproken hadden, beval de koning hun
    de hoogte der sterren te nemen en te overwegen welk ongeluk zij
    voorspelden. Waarop zij verklaarden dat zij eerst den Zondvloed
    en daarna het vuur voorspelden. Toen beval hij dat de Pyramiden
    gebouwd zouden worden en dat zij alles wat zij als waarde schatten,
    daarin zouden brengen met de lichamen van de koningen en hunne
    weelde, en de aromatische geuren, en dat zij hunne wijsheid er op
    zouden schrijven, opdat de wateren deze niet zouden vernietigen".


Dit is een gewijzigde vorm van het Bijbelsche verhaal waar Sem de
kennis van de wereld der oudheid op twee pilaren laat graveeren:
Jachin en Boaz.

De geschiedschrijver Ibn Abd Alhokm is de volgende van wien ik een
gedeelte wil aanhalen. De aanvang van het verhaal van dezen komt
ongeveer op hetzelfde neer als het verhaal van Mustadi.

Daarna gaat hij verder:


    "Toen de priesters gezegd hadden, dat de zondvloed ook in zijn land
    zou komen binnen enkele jaren, beval de koning dat de Pyramiden
    gebouwd zouden worden en dat een kelder (grot) zou worden gemaakt,
    waarin de Nijl moest loopen, vanwaar hij in de westelijke landen
    stroomen zou en in het land van Al Saïd.

    En hij vulde de Pyramiden met talismans, en met vreemde dingen,
    rijkdommen en schatten en dergelijke. Hij graveerde alle dingen
    er in, die hem door wijze menschen verteld waren en evenzoo alle
    diepgaande wetenschappen. De namen van alakakirs, de gebruiken en
    gevaren er van, de wetenschappen van astrologie en wiskunde, van
    geometrie en natuurkunde, alle deze kunnen weergegeven worden door
    hen, die de karakters en taal kennen.--Nadat hij bevelen gegeven
    had voor dit gebouw, sneden zij groote kolommen en wonderlijke
    steenen uit. Zij haalden machtige steenen van de Ethiopiërs en
    maakten daarvan de grondslagen van de drie Pyramiden, terwijl
    zij ze samenvoegden met lood en ijzer. Zij bouwden de poorten er
    van 40 ellen onder den grond en maakten de hoogte der Pyramiden
    100 koningsellen = 500 van onze ellen. Bij den aanvang van dezen
    bouw was een gelukkige horoskoop. Nadat hij ze geëindigd had
    bedekte hij ze van boven tot beneden met gekleurd satijn (marmer)
    en deed een plechtig feest plaats vinden, waar alle inwoners van
    het rijk bij tegenwoordig waren. Toen bouwde hij in de westelijke
    Pyramide 30 schatkamers, gevuld met rijkdommen en werktuigen,
    en met handteekeningen gemaakt uit edelsteenen en met ijzeren
    werktuigen en aarden vaten en met een _mes_ dat niet verteert en
    met glas dat gebogen en niet gebroken kan worden, en met vreemde
    betooveringen en met verscheidene soorten alakakirs, enkele en
    dubbele, en met doodelijke vergiften en vele andere dingen. Hij
    maakte ook in de oostelijke Pyramide hemelsche Sferen en sterren,
    en hunne verscheidene aspekten en werkingen en geuren die daarbij
    gebruikt worden en de boeken die over deze zaken handelen.

    Hij plaatste ook in de gekleurde pyramide (de derde) de
    verklaringen van de priesters in marmeren blokken en bij elken
    priester een boek, waarin de wonderen van zijn ambt en van zijne
    daden en zijne geaardheid en wat in zijn tijd gedaan werd en wat is
    en wat zijn zal van het begin tot het einde van tijd. Hij plaatste
    in elke Pyramide een schatbewaarder. De schatbewaarder van de
    westelijke Pyramide was een standbeeld van marnier, dat rechtop
    stond met een lans en op zijn hoofd kronkelde een slang. Hij die
    er nabij kwam en stil stond, dien beet de slang in de zijde,
    en kronkelde zich om zijn keel en doodde hem en keerde daarna
    naar hare plaats terug.

    Tot schatbewaarder van de oostelijke Pyramide maakte hij een
    afgod van zwart agaat met open en schijnende oogen, die met een
    lans op een troon zat. Wanneer iemand naar dezen opzag, hoorde
    hij een stem aan zijne zijde, die zijne zinnen wegnam, zoodat
    hij bewusteloos op zijn gelaat viel en niet ophield totdat hij
    stierf. Tot schatbewaarder van de gekleurde Pyramide maakte hij
    een standbeeld genaamd Albut, zittende. Hij die naar dit beeld
    zag, werd er naar toegetrokken tot hij er tegen aankleefde en
    kon er niet van afgehaald worden voor en aleer hij stierf."


Saurid schreef op de Groote Pyramide:


    "Ik liet deze Pyramide opbouwen in zes jaren. Afbreken is
    gemakkelijker dan opbouwen. Wie deze Pyramiden in zeshonderd
    jaren afbreekt is knapper en waardiger dan ik en gereed mijne
    plaats in te nemen".



HOOFDSTUK VI.

OVER DE BESTEMMING DER PYRAMIDE II.


Wij zullen er thans toe overgaan enkele van de meer belangrijke en
tevens meer bekende theorieën met betrekking tot de bestemming der
Groote Pyramide te beschouwen, en zullen dan bij het kiezen van
die theorieën zoodanige nemen, welke rechtstreeks tot onze eigene
leiden zullen.

In de eerste plaats dan komt de theorie van Piazzi Smyth, die
zijne denkbeelden en opvattingen uiteengezet heeft in zijne bekende
werken _Three years labour at the Great Pyramid, Our Inheritance
in the Great Pyramid_ en _New Measures of the Great Pyramid_. Zeker
heeft niemand meer dan Piazzi Smyth er toe bijgedragen om de Groote
Pyramide populair te maken en stellig is er nooit zooveel over dit
onderwerp geschreven en gesproken als sinds hij zijne beschouwingen
uiteenzette. Deze laatste waren eigenlijk geen oorspronkelijke,
want reeds in 1859 had John Taylor in zijn werk _The Great Pyramid,
Why was it built? Who built it?_ dezelfde meeningen en opvattingen
te berde gebracht en verdedigd. John Taylor had de Pyramiden nooit
bezocht en had tot vorming en staving zijner theorie de gegevens
ontleend aan de geschriften van vroegere bezoekers als John Greaves,
De Monconys, Thévenat, Davison, Howard Vyse, Caviglia enz. Zijn
30-jarige studie vond geene belooning in groote populariteit van
het resultaat dat wij opgeteekend vinden in vermeld werk, en eerst
in latere jaren trok het meer de aandacht. Piazzi Smyth, die het
gelezen had en er zoodanig door getroffen werd dat hij overtuigd
was van de waarheid der daarin vervatte meeningen, oordeelde het van
groot nut zich persoonlijk ter plaatse er van te overtuigen en John
Taylor's meeningen te verdedigen en te bevestigen, en gaf hierdoor eene
algemeene bekendheid aan het werk, doch dit was eerst in 1864. In de
jaren 1864-1880 verschenen 5 uitgaven van Piazzi Smyth's werk _Our
Inheritance in the Great Pyramid_, zeker wel een bewijs voor de
populariteit van het onderwerp. In latere jaren zijn de theorieën
van Taylor en Piazzi Smyth uitvoerig uitgewerkt door Professor
Ch. Lagrange, wis- en sterrekundige, directeur van de sterrenwacht
te Brussel. Zie o.a. _Mathématique de l'Histoire_, par Ch. Lagrange.

Wat dan is eigenlijk de meening van deze schrijvers over de bestemming
der Groote Pyramide? Dit zullen wij thans trachten weer te geven zonder
ons te veel in de bijzonderheden hunner theorieën te verdiepen, daar
alleen een breede opvatting van hunne hoofddenkbeelden waarde voor
ons kan hebben.

Het zal verder geheel voldoende zijn na te gaan wat Piazzi Smyth
schrijft, daar hij in zijn werken alles vermeldt wat John Taylor
in zijn werk opteekende en dit bovendien zeer uitvoerig uitwerkt
en geheel op wetenschappelijke leest schoeit, zoodat de lezer van
zijn werken volkomen op de hoogte kan zijn van hetgeen Taylor wilde
aantoonen. Taylor had over zijne theorie eene briefwisseling met Piazzi
Smyth en om aan te toonen wat hun gemeenschappelijke theorie was,
kan ik niet beter doen dan het volgende aan te halen uit Smyth's werk:


    "Dit nieuwe denkbeeld, hetwelk met een tot nu toe onbekende
    zekerheid het grootste bestaande mysterie voor de beschaafde
    wereld door alle tijden heen oplost, heeft genoemde wereld te
    danken aan John Taylor in een boek, dat uitgegeven is in 1859 en
    getiteld "_The Great Pyramid; why was it built? and who built
    it?_" Hij had de Pyramide zelf niet bezocht, maar had dertig
    jaren daaraan voorafgaande al de uitgegeven verslagen verzameld
    en vergeleken en voornamelijk al de best vastgestelde metingen
    (want er waren enkele inderdaad zeer slecht) die gedaan waren;
    en terwijl hij aldus bezig was, opende de nieuwe theorie zich op
    het onverwachtst (zooals hij mij in een brief schreef) voor hem.

    Hoewel hoofdzakelijk een strenge afleiding van tastbare feiten van
    wetenschappelijken aard, werd Taylor's gevolgtrekking ongetwijfeld
    gesteund door het verstandelijk en geestelijk gezichtspunt, van
    waaruit hij zijne onderzoekingen begon, en hetwelk in hoofdzaak
    eenvoudig dit is:

    Dat, terwijl andere schrijvers algemeen gedacht hebben dat
    een zeker grootsch doch onbekend wezen, waarvan zij allen in
    hun geschiedkundig onderzoek het bestaan erkennen, het bouwen
    van de Groote Pyramide leidde (en wien de Egyptenaren in hunne
    vroegste overleveringen en eeuwen later een onzedelijke en zelfs
    afschuwelijke geaardheid toedichten), daarom inderdaad zeer
    slecht moet geweest zijn,--zoodat de wereld van dien tijd af tot
    op heden er steeds belust op is geweest dien dooden leeuw waarvan
    zij werkelijk niets afweten, te beleedigen en te vertrappen--hij,
    John Taylor, daar hij in iedere kenmerkende vermelding die van
    hen in den _Bijbel_ gedaan werd, zag hoe godsdienstig slecht de
    afgoden-uitvindende Egyptenaren zelf waren, er toe geleid werd
    te besluiten dat de onbekende leider en Bouwmeester dien zij
    haatten, misschien buitengemeen _goed_ was geweest; of in ieder
    geval van een _zuiverder godsdienstig geloof was_ dan dat van de
    Misraïtische zonen van Ham. [46]


Hierop verder ingaande komen beide schrijvers tot de gevolgtrekking dat
de leiders van de bouwlieden vreemdelingen waren uit een _uitverkoren_
volk, menschen die door goddelijke genade in staat waren gesteld
het denkbeeld weer te geven, dat de Groote Pyramide bestemd was uit
te drukken, want dit is juist de kern van hunne theorie n.l. dat de
Pyramide bestemd was zekere goddelijke denkbeelden uit te drukken in
haar bouw en afmetingen welk kerndenkbeeld saamgevat wordt in hunne
zienswijze: de Groote Pyramide te beschouwen als _een grondslag
der maten_.

Met betrekking tot dit punt schreef Piazzi Smyth:


    "Op dit algemeene standpunt plaatste Taylor zich; en na met de
    langgevormde publieke meening van te lijdelijke gehoorzaamheid
    aan de profane Egyptische overlevering gebroken te hebben en
    daarbij tevens enkele van de door den tijd geëerde vooroordeelen
    van hedendaagsche Egyptische geleerden niet in aanmerking nemende,
    zoodat hij een volledig en onpartijdig onderzoek van den beginne
    af aan gaf, kondigde hij aan dat hij in enkele der rangschikkingen
    en afmetingen van de Groote Pyramide--wanneer zij naar behooren
    verbeterd waren wegens verminderingen en afbrekingen door den
    verloopen tijd--zekere wetenschappelijke gevolgtrekkingen vond,
    welke van Egyptische noch Babylonische, en minder nog van Grieksche
    of Romeinsche kennis spraken, maar van iets dat hooger was dan
    deze, zoowel als geheel verschillend van de menschelijke methoden
    van de wetenschappelijke stelsels zijner tijdgenooten". [47]


Want


    ".....de werkelijke feiten van de Groote Pyramide,--in den vorm
    van gebouwde bewijzen van een nauwkeurige numerieke kennis van
    het grootschere kosmische verschijnsel van zoowel aarde als
    hemel--gaan de uiterst beperkte en nagenoeg kinderlijke kennis,
    die menschelijkerwijs bereikt werd door de beschaafde rassen van
    4000, 3000, 2000 of zelfs 300 jaren geleden niet alleen te boven,
    en ver te boven, maar zij gaan in zooverre zij van toepassing
    zijn op de groote physische natuurgeheimen, de beste kennis der
    wijsgeeren van onzen eigen tijd even zoo goed te boven".


Dit alles kunnen wij zeer zeker geheel eens zijn met Piazzi Smyth,
en al rust onze beschouwing op andere gronden, zoo is het resultaat
er van hetzelfde. Waar hij als bouwers aanneemt door God bezielde
hoogstaande wezens van een ras dat in niets overeenstemming had met
de toenmalige Egyptenaren, nemen wij aan, overeenkomstig hetgeen
wij reeds vermeldden in den aanvang dezer verhandeling, dat Adepten
uit Atlantis onder leiding van eene manifestatie van den Logos de
bouwlieden leidden. En dan zien wij alleen verschil in terminologie
en opvatting van begrippen, geen verschil in kern.

En waar beide theorieën in dezen (namelijk de goddelijkheid van
de bouwers) overeenstemmen, kan het ons ook niet verwonderen dat
beide de graftheorie verre verwerpen en in de eerste plaats niet
alleen bevinden en erkennen dat groote natuurgeheimen en groote
waarheden symbolisch belichaamd zijn in dit bouwwerk, maar tevens
dat een dergelijk bouwwerk om een dieper reden tot stand kwam dan
louter om als graf van een Pharaoh te dienen. Ook is er geen verschil
met betrekking tot het punt dat de Groote Pyramide zich in dezen
onderscheidt van de latere Egyptische Pyramiden.

Maar wel is er een groot verschil tusschen de theorie van P. Smyth en
de Theosofische, waar het er op aankomt het doel en de bestemming er
van te bepalen. Want waar de Theosofische theorie, zooals ik reeds
aanduidde, de Groote Pyramide als een tempel voor hooge inwijdingen
beschouwt, maakt P. Smyth haar tot een grondslag der maten en
een sleutel tot de geschiedenis der menschheid--verleden, heden en
toekomstig--in verband met het Oude en Nieuwe Testament. Bijdoeleinden
worden ook hier dus weer tot hoofddoeleinden verheven. In de
laatste kwaliteit noemt hij de Groote Pyramide een datum-lijst van
de menschelijke (Christelijke) geschiedenis, van welke datum-lijst
Flinders Petrie opmerkt, dat geen enkele datum deugt.

Doch hoe dit laatste ook zij, het kan ons van geen belang zijn, daar
het eene dogmatische en onkritische uitwerking is van de gegevens
die hij in het overige deel van zijn werken geeft. Wij kunnen echter
in ieder geval niet dan dankbaar zijn voor de massa's materiaal die
ons daar geboden worden om iets van de symboliek van het gebouw te
begrijpen, en om die reden raad ik elk ernstig bestudeerder van dit
onderwerp aan het werk te bestudeeren, daar niets er meer toe kan
bijdragen de Groote Pyramide te leeren beschouwen als een grootsch
bouwwerk.

Het gaat natuurlijk niet aan, hier ter plaatse Piazzi Smyth's
beschouwingen in haar geheel te overwegen, doch ik wil mij er toe
bepalen enkele der meest belangwekkende feiten aan te halen die hij
met betrekking tot de symboliek aan het licht heeft gebracht. Echter
verzoek ik mijn lezers te bedenken dat al deze feiten ten zeerste
bestreden werden door Egyptologen en wel voornamelijk op grond hiervan:
dat nl. Piazzi Smyth eerst zijn theorie opvatte, overnam van Taylor,
en later opmetingen en beschouwingen hieraan aanpaste. Op deze
beschuldiging antwoordde hij weder, in een kleiner, later verschenen
werkje, waarin hij betoogde dat zeer nauwgezette en wetenschappelijke
opmetingen van anderen de zijne staafden.

Dat het mogelijk is over _afmetingen_ zulk een onderlinge oneenigheid
te vinden, is natuurlijk alleen te begrijpen wanneer wij weten dat
feitelijk geen enkele afmeting ongeschonden bewaard is gebleven,
en dat verder alle opmetingen met de grootste moeite gepaard gaan
wegens de belemmerende puinhoopen, zandmassa's en dergelijke. Echter
heeft noch het lezen van de werken van Smyth, noch ook van die welke
er tegen geschreven waren, mij kunnen bevredigen, wat aangaat hunne
werkelijke gronden van waarheid.

Hoewel er onder de werken van de Pyramide geen enkel werk is dat
zoozeer de symboliek van het bouwwerk tracht aan te toonen als dat
van Piazzi Smyth, en ik in den eersten tijd van de bestudeering
van dit onderwerp geheel medegesleept werd door de overtuigende
bewijsvoering dat deze verklaring der symbolische woorden de ware was,
kan men op de exoterische bewijsgronden die hij aanvoert niet tot de
conclusiën komen, die hij trekt. Doch ik twijfel niet of vele zijner
conclusiën bevatten waarheid; men kan echter tot deze alleen komen
door esoterische redeneering, niet door exoterisch wetenschappelijke
bewijsvoering, en hoewel aan Piazzi Smyth's theorieën groote afbreuk
gedaan is door latere, zeer nauwkeurige opmetingen o.a. van Flinders
Petrie, heeft deze laatste in een later werk veel van Smyth's theorie
aanvaard o.a. de pi-hoek-theorie.

Een der stellingen echter van Taylor, door P. Smyth herhaald, is op
esoterische gronden evenzeer verdedigbaar als hij ze tracht aan te
toonen door exoterisch wetenschappelijke bewijsvoering; ik bedoel
de stelling dat de Groote Pyramide in haar bouw de waarde pi
symbolisch zou voorstellen. En deze stelling is met betrekking tot
de symboliek van de Groote Pyramide van zulk een typische waarde
dat ik mij even bepalen zal bij dit punt, teneinde het uitvoeriger
te kunnen behandelen dan het geval zou kunnen zijn indien ik in
de bijzonderheden der symboliek van het bouwwerk, zooals Smyth die
uitwerkt, verviel. Ook kan alleen deze stelling waarde hebben voor
ons doel, en dan nog als wij haar gaan beschouwen van een esoterisch
standpunt. Want hoe bekrompen vat Smyth ook deze stelling op!

Hij dan ziet in deze symboliseering van de pi waarde niets dan
een praktische oplossing van de beruchte quadratuur van den cirkel,
die nachtmerrie van alle degelijk denkende wiskundigen, en beroept
zich in zijne argumentatie meestal op de stellingen van John Parker,
een Amerikaan, die beweerde een oplossing daarvan gevonden te
hebben. Hetgeen Piazzi Smyth zegt is het volgende:


    De vertikale hoogte van de Groote Pyramide is de straal van een
    theoretischen cirkel, van welks omtrek de lengte gelijk is aan de
    som van de lengten der vier rechte zijden van de feitelijke basis
    van het geheele bouwwerk, en dit nu is niets meer of minder dan een
    praktische oplossing van het beroemde vraagstuk der middeleeuwen en
    der daaraan volgende tijden nl. de quadratuur van den cirkel. Want
    de bouwer(s) der Pyramide bepaalden dat de hoogte zich zoodanig
    moest verhouden tot de breedte der basis, dat deze verhouding de
    nauwkeurigste praktische waarde van het meergemelde getal pi
    zou doen uitkomen. Genoemd getal pi is zelfs bij benadering
    niet te vinden in de dertig andere voornaamste pyramiden in Egypte.

    Indien daarom kan bevonden worden dat deze pi met de daardoor
    teweeggebrachte grootte van hoek werkelijk in de Groote Pyramide
    is ingebouwd, en daardoor het geheel van het reusachtig beslagen
    oppervlak kenmerkt, dan onderscheidt het bouwwerk zich niet alleen
    van alle andere dergelijke bouwwerken, maar toont tevens aan de
    groote wiskundige kennis van de Bouwer(s). Want het getal pi
    werd eerst veel later, duizenden jaren later, ontdekt door de
    wiskundigen der latere tijden en tevens is dat getal een der
    onmisbaarste getallen in de wiskunde.


Dit getal pi is berekend tot in 707 decimalen, en er worden
allerlei benaderingswaarden voor aangegeven, variëerend van 3.23 tot
3.125. Echter kunnen wij voor praktisch gebruik volstaan met de breuk
22/7, met de waarde 3.14159 enz.

John Taylor toonde het bestaan van het ware getal pi in de Groote
Pyramide aan, en deed dit voornamelijk door het wijzen op en het
gebruiken van de verhouding van de hoogte en basis-breedte, welke
echter slechts met moeite te verkrijgen zijn wegens den geschonden
staat van het bouwwerk. Het zou duizenden werklieden vereischen, om de
massa vuil en puin op te ruimen, die de juiste opmetingen belemmeren,
en dus zien wij wel in, dat een of meer geleerden of een paar daar
weinig toe kunnen doen.

Het is dus beter, willen wij veel moeite en onnauwkeurigheid voorkomen,
om dit vraagstuk, dat louter den vorm betreft, meer dan de absolute
grootte, op te lossen door het meten van den rijzingshoek, welke
dus geheel en al onafhankelijk is van lengte-metingen. De hoek van
een pi-vormige, vierhoekige pyramide moet, om de zijden aan het
toppunt ineen te doen loopen, zijn 51° 51' 14''.3.

Dit nu bleek de juiste waarde te zijn van den gemetselden hoek,
tenminste wat praktische waarde aangaat, aangezien een gemetselde hoek
niet den graad van juistheid zou kunnen geven van een geteekenden of
theoretischen hoek.

Kolonel Howard Vyse had in 1837 aan de noordzijde twee van de buitenste
laagsteenen (deksteenen) opgegraven, na honderden werklieden het puin
te hebben laten opruimen. Hij vroeg toen verlof, ze naar het British
Museum te mogen laten vervoeren, en bedekte ze tijdelijk met puin,
doch in de daaraanvolgende nachten vernietigden Arabieren deze eenige
overblijfselen van de deksteenen met hunne hamers, of wel hij kon ze
niet terugvinden. In elk geval heeft hij ze niet meer gezien.

Maar hoewel de latere onderzoekers tot op 1884 dus dezen hoek niet meer
konden zien in de steenlagen, zoo bedacht Piazzi Smyth toch, dat onder
de verspreid liggende vergruisde deksteenen nog stukken moesten zijn,
waarin de pi-hoek bewaard gebleven was, en werkelijk bleek dit het
geval te zijn; aan een van de helpers van den professor uit dien tijd
werd door dezen het geval van den merkwaardigen hoek uitgelegd en deze
man (Gabri genaamd), die later als gids dienst deed bij de Pyramide,
deed zeer goede zaken met het verkoopen van "steenen met den hoek"
die hij uit het puin bijeenzamelde en aan de bezoekers verkocht.

Toen de keizerin van Frankrijk in 1869 de Pyramide bezocht, werd
een weg voor haar aangelegd naar het bouwwerk toe en de grondstoffen
voor dezen weg werden uit de Pyramide gebroken. Onder deze uitgebroken
blokken bevond zich ook een geschonden deksteen en Waynman Dixon schonk
dezen aan prof. Piazzi Smyth, die hem onder een glazen stolp in het
officieel verblijf van den Koninklijken Sterrekundige voor Schotland
bewaarde. Dit is de eenige bekende overgebleven deksteen. Hij is
natuurlijk geschonden, maar de hoek is bevonden te zijn tusschen
51° 53' 15'' en 51° 49' 55'', en komt dus zeer nabij den typischen
pi-hoek van 51° 51' 14''.

Geen enkele der deksteenen van de andere pyramiden komt dezen hoek
nabij.

Maar nu komt het merkwaardigste. Prof. Flinders Petrie, die de beste
der tot dusver bekende opmetingen deed en een groot tegenstander
was van Ralston Skinner's en Piazzi Smyth's theorieën, vond op
de historisch bekende plaats de deksteenen waarvan gesproken was
door Kol. Vyse, en die, naar deze dacht, verwoest waren door de
Arabieren. Fl. Petrie nam toen den hoek van rijzing op en bevond dat
deze 51° 52' ± 2'' was en kon dus niet meer twijfelen aan de beroemde
pi hoekopstelling.

Toen wierpen hij en Proctor de theorie op, dat dit alles te danken
is aan _louter toeval_.

Maar hiertegen kan onmiddellijk het volgende worden aangevoerd:

Waren de pyramidebouwers wezens, die zich lieten leiden door
_toeval_, wanneer wij de nauwkeurige en fijne afwerking van het geheel
beschouwen? Zie wat Fl. Petrie zelf zegt aangaande deze fijnheid en
nauwgezetheid van bouw en hoe hij zichzelf tegenspreekt, door alles
van dien aard te wijten aan louter toeval.

"Verscheidene opmetingen heb ik gedaan van de voegen der steenen. Deze
varieeren van 0.012 tot 0.045 inch in dikte; op sommige plaatsen is
de dikte slechts 0.011 inch. De _gemiddelde dikte_ is dus _0.020
inch_. De rand van den steen wijkt van een rechte lijn slechts
0.01 inch af op een lengte van 75 inches. Deze nauwkeurigheid staat
gelijk met de gemiddelde nauwkeurigheid van de rechte snijkanten van
een glasslijper van dezen tijd. De voegen strekken zich uit over
een oppervlakte van 35 vierkante voet, en waren over deze geheele
oppervlakte met cement bedekt. De gemiddelde opening der voeg was
1/50 inch en soms zelfs zoo klein als 1/500 inch. En wanneer wij in
aanmerking nemen dat de steenen 16 ton wegen, kunnen wij begrijpen, met
welk een nauwkeurigheid gewerkt moest worden, om tot zulke resultaten
te komen, dat de buitenste laag een glad geheel was." [48] En toch zou
dit alles louter toeval zijn! Bedenken wij dan nog dat deze steenen uit
prachtig graniet bestonden en alle verdere bouwwerken uit dien tijd en
ook de latere pyramiden slechts uit in de zon gebakken kleisteenen, dan
zien wij wel in dat deze wijze van bouwen meer dan louter toeval was.

Wij hebben gezien wat Piazzi Smyth zegt over de pi waarde in de
Pyramide en tevens welke groote waarde hij daaraan hecht voor zijne
verdere redeneering. Ik meen ook te mogen aannemen, dat hij, wat
deze stelling betreft, op vrij vaste gronden staat. Maar het gebruik
dat hij er van maakt om hierdoor aan te toonen, dat de Pyramide zou
moeten dienen als een standaard van maten voor het nageslacht is mij
te bekrompen, en dit verwerp ik.

Wat mij in de literatuur over dit punt verbaasde, was dat Ralston
Skinner in zijn _Source of Measures_, waar hij toch groote blijken gaf
van intuïtief esoterisch weten, een gedeelte van dit werk aan hetzelfde
denkbeeld wijdt. En toch was het voor mij zeker, dat de symboliseering
van de pi waarde in de pyramide een diepere beteekenis moest
hebben. Deze diepere beteekenis nu geeft H. P. Blavatsky ons in
de _Geheime Leer_, wanneer wij vasthouden aan de daartoe noodige
erkenning van hetgeen zij ons reeds mededeelde omtrent de bouwers en
omtrent het doel van het bouwwerk.

Natuurlijkerwijs heeft H. P. Blavatsky kennis genomen van hetgeen
Piazzi Smyth en Ralston Skinner beweerden en betoogden met betrekking
tot dit punt en wij vinden, zooals ik reeds bemerkte, in de _Geheime
Leer_ deze zaak vrij uitvoerig behandeld.

Wij lezen dan:


    "Niettemin is bewezen dat het stelsel van eerstgenoemden (de
    Joden) in deze bijzondere afdeeling der symboliek--namelijk de
    sleutel tot de geheimenissen der sterrekunde in haar verband
    met die der voortbrenging en ontvangenis--identiek is met
    die denkbeelden der oude godsdiensten, welke het phallische
    element in de theologie hebben ontwikkeld. Het Joodsche stelsel
    van heilige maten, toegepast op godsdienstige symbolen, is
    voor zoover het meetkundige en numerieke combinaties betreft,
    hetzelfde als dat van Griekenland, van Chaldea en van Egypte,
    want de Joden namen het aan gedurende de eeuwen hunner slavernij
    en gevangenschap onder beide laatstgenoemde volkeren. Waaruit
    bestond dit stelsel? De schrijver van _The Source of Measures_
    is er innig van overtuigd dat: 'de boeken van Mozes ten doel
    hadden door eene soort van kunstmatige taal een meetkundig en
    numeriek stelsel van exacte wetenschap te verkondigen, dat als
    oorsprong van maten zoude moeten dienen.' Piazzi Smyth is van
    dezelfde meening. Eenige geleerden vinden dat bedoeld stelsel en
    die maten identiek zijn met die, welke bij den bouw der Groote
    Pyramide gebruikt zijn, maar dit is slechts voor een deel het
    geval. 'De grondslag dezer maten was de verhouding van Parker',
    zegt Ralston Skinner in _The Source of Measures_.

    De schrijver van dit zeer buitengewone werk heeft, zooals hij zegt,
    dien grondslag ontdekt in het gebruik van de verhouding van de
    middellijn van den cirkel tot den omtrek, in geheele getallen
    uitgedrukt, ontdekt door John A. Parker. Deze verhouding is
    6561 voor de middellijn en 20612 voor den omtrek. Verder heeft
    hij gevonden dat deze meetkundige verhouding de zeer oude
    en waarschijnlijk goddelijke oorsprong was van wat nu door
    exoterische behandeling en praktische toepassing, de Britsche
    lengtematen geworden zijn, 'welker grondeenheid, nl. de _duim_,
    evenzeer de grondslag geweest is van een der koninklijke Egyptische
    _ellematen_ als van den Romeinschen _voet_." [49]


Hoewel H. P. Blavatsky het niet eens is met de theorieën van Parker
en Piazzi Smyth, en zelfs vrij uitvoerig de beweringen van Parker
met betrekking tot de quadratuur van den cirkel bestrijdt, en bemerkt
dat de opmetingen van Smyth ook niet ten volle vertrouwen verdienen,
zegt zij dat Ralston Skinner onmiskenbaar _een_ of zelfs _twee_
der sleutels tot dit stelsel ontdekt heeft, maar meer ondanks de
theorieën der beide genoemde schrijvers en dank zij zijn eigen genie.


    "Evenmin wordt Ralston Skinner's esoterische opvatting van den
    _Bijbel_ alleen daardoor onjuist, dat de afmetingen van de Pyramide
    wellicht niet overeenstemmen met die van den tempel van Salomo,
    van de arke Noachs, enz., of doordien de wiskundigen Parker's
    kwadratuur van den cirkel verwerpen. Immers Skinner's meening
    berust oorspronkelijk op de Kabbalistische methoden en op de
    rabbijnsche getalswaarde der Hebreewsche letters. Daarentegen is
    het van het uiterste belang na te gaan of de maten, gebruikt bij de
    ontwikkeling van den symbolischen godsdienst der Ariërs, bij den
    bouw hunner tempels, bij de in de _Purâna's_ vermelde getallen,
    en in het bijzonder bij hunne tijdrekening, hunne sterrekundige
    symbolen, den duur hunner cyclussen en bij andere berekeningen,
    al dan niet dezelfde waren." [50]


Wij zouden dus, na hetgeen H. P. B. ons zegt omtrent Skinner, met reden
kunnen nagaan welke sleutels hij gevonden heeft om tot een oplossing te
komen van de pi symbologie in de Pyramide. Ik zal dit echter hier
ter plaatse moeten nalaten wegens mijne eigene tekortkomingen op het
gebied der Kabbalistiek en tevens omdat dit wederom tot te uitvoerige
beschouwingen zou leiden die hier niet ter plaatse zijn. Doch zeker
raad ik ieder, die de waarde van getallen en letters op de juiste
waarde schat, ten zeerste aan Skinner's werk te bestudeeren.

In ieder geval zien wij dat de pi symbologie niet _toevallig_ is,
zooals reeds beweerd werd door enkele geleerden; daar zijn te veel
feiten tegen. H. P. Blavatsky geeft dan ook eene verklaring er van,
en al schijnt die bij den eersten aanblik niet de volledige oplossing
dezer symbologie te bieden, zoo doet zij dit toch wel degelijk. Zij
schrijft:


    "Zij hebben die kennis stellig bezeten; en het is op deze kennis
    [51] dat het programma van de Mysteriën en van de reeks Inwijdingen
    gegrond was; daaruit vloeide de bouw van de Pyramide voort,
    de blijvende oorkonde en het onvernietigbare symbool van deze
    Mysteriën en Inwijdingen op aarde, gelijk de banen der Sterren
    zulks aan het Uitspansel zijn.

    De cyclus van Inwijding was eene nabootsing op kleine schaal van
    die groote reeks cosmische veranderingen, waaraan de sterrekundigen
    den naam van Tropisch of Siderisch Jaar gegeven hebben. Evenals
    de hemellichamen bij het einde van den cyclus van het Siderisch
    Jaar (25.868 jaren) onderling dezelfde positiën innemen als bij
    het begin daarvan, zoo heeft de Innerlijke Mensch bij het einde
    van den cyclus van Inwijding den oorspronkelijken toestand van
    goddelijke reinheid en kennis weder bereikt, dien hij verliet
    toen hij den cyclus van aardsche belichaming aanving.

    Mozes, een Ingewijde in de Egyptische Mystagogie, grondde de
    godsdienstige mysteriën van het nieuwe volk dat hij schiep, op
    dezelfde, van dezen Siderischen cyclus afgeleide, _abstracte
    formules_, verzinnebeeld door _den vorm en de afmetingen_
    van den Tabernakel, dien hij, naar men veronderstelt, in de
    Woestijn bouwde. Op deze gegevens grondden de latere Joodsche
    Hoogepriesters de allegorie van den Tempel van Salomo--een gebouw
    dat in werkelijkheid nooit bestaan heeft evenmin als Koning
    Salomo zelf, die evenzeer een zonnemythe is als de nog latere
    Hiram Abif der Vrijmetselaars, hetgeen Ragon zoo duidelijk
    aangetoond heeft. Indien derhalve de afmetingen van dezen
    allegorischen Tempel, het symbool van den cyclus van Inwijding,
    overeenstemmen met die der groote Pyramide, is dat een gevolg
    daarvan dat eerstbedoelde door middel van den Tabernakel van
    Mozes aan laatsbedoelde ontleend zijn". [52]


Tot een nader begrip van hetgeen hier gezegd werd en ter verklaring
van het hier gegevene in verband met de pi symbologie vestig ik in
de eerste plaats de aandacht op het laatste gedeelte van het boven
aangehaalde. De woorden zonnemythe en het feit, dat het verhaal van
het bouwen van Salomo's Tempel eene allegorie is, zou ik zóó willen
verklaren, dat hier door tempel bedoeld wordt het lichaam van den
Zonnelogos in zijn uitgebreidsten zin, dus in en met zijn aura, den
Zodiak, diagrammatisch voorgesteld in zijn openbaring als de cirkel
met de middellijn [cirkel met horizontale balk].

Deze openbaring in haar getalwaarde op dit stoffelijk gebied voor te
stellen kan niet anders geschieden dan door een formule en deze formule
of verhouding zou dan mijns inziens pi zijn. Want indien wij een
bouwwerk hebben waarin wij deze waarde belichamen bij de samenstelling,
hebben wij den zich openbarenden Logos symbolisch weergegeven. En
evenzeer als wij weten, dat pi eene oneindig voortloopende breuk is,
die zich nimmer volkomen doch alleen bij benadering uit kan drukken,
zoo weten wij ook dat de Logos zich nimmer geheel kan uitdrukken
in de stof, aangezien er steeds in die openbaring eene verhouding
van stof tot geest moet blijven bestaan, hoe klein of hoe groot die
verhouding ook zij. Ook hier gaat de symbologie dus op. [53]

In hoeverre deze pi verhouding nu te maken heeft met den cyclus
van Inwijding is ook eenigermate na te gaan. De ontwikkeling van den
Logos in zijn stelsel wordt symbolisch voorgesteld door Zijn doorloopen
van den Dierenriem, zijnde de groote stroom van ontwikkeling gaande
door de 12 teekens van Zijn geheel. Dit is exoterisch. Esoterisch
bestaat er eene ontwikkeling die sneller tot hetzelfde resultaat
leidt, nl. het terugkeeren naar het uitgangspunt na het doorloopen
van 6 teekens. De Evolutie loopt dan langs de middellijn als het
ware. De verhouding van de ontwikkelingsphasen van iemand die dezen
weg betreedt tot die van hen die de gewone evolutie volgen is die,
welke symbolisch zich verhoudt als de middellijn tot den omtrek of
als één tot pi. Evenals de Logos in zich bevat deze pi waarde,
zoo bevat ook de mensch op het Pad van Inwijding deze waarde in zich.

Skinner geeft als formule deze 113 : 355 = 6561 : 20612, zijnde eene
symbolische getallenvoorstelling van de verhouding van den mensch op
het kruis (113 : 355) tot de geopenbaarde Godheid Jehovah, Elohim.

Verder wensch ik hier echter op dit punt niet in te gaan daar deze
waarheden alleen _gevoeld_ en nimmer _verstandelijk uitgedacht_
kunnen worden en dus nimmer kunnen worden gegeven van intellect tot
intellect, maar alleen begrepen door verdere uitwerking in onszelf.

Voldoende zal men echter inzien, dat de zoogenaamde "pi symbologie"
en "de oorsprong der maten" een diepere beteekenis hebben dan Piazzi
Smyth er aan wenscht toe te kennen. Hoe belachelijk ver hij ging met
zijne theorie, blijkt ons wanneer wij lezen, dat "de porfiersarcofaag
in de Koningskamer" _de eenheid van maat_ was voor de twee meest
verlichte volkeren op aarde, Engeland en Amerika, en niets meer dan
een "korenmaat".

H. P. Blavatsky merkt met betrekking tot deze uiting van Smyth op:


    "In _Isis Unveiled_, dat juist in dien tijd verscheen, hebben
    wij dat krachtig ontkend. Toen liep de New-Yorksche pers (in
    het bijzonder de nieuwsbladen _The Sun_ en _The World_) te wapen
    tegen onze aanmatiging om zulk een ster van geleerdheid te willen
    verbeteren of fouten bij hem te ontdekken. In dat werk hadden wij
    gezegd dat Herodotus bij het bespreken van de Pyramide:.... er
    wel had kunnen bijvoegen dat zij uiterlijk _het scheppende
    beginsel der natuur_ verzinnebeeldde, en ook eene afbeelding
    was van de _beginselen der meetkunde, wiskunde, astrologie en
    sterrekunde_. Van binnen was zij een majestueus heiligdom, in welks
    duistere schuilplaatsen de mysteriën volbracht werden, en welks
    muren dikwijls getuigen geweest waren van tooneelen van inwijding
    van leden der koninklijke familie. De porfieren sarcophaag,
    welke Professor Piazzi Smyth, Astronomer Royal of Scotland,
    tot een graanbak verlaagt, was de _doopvont_; na daaruit te zijn
    gestegen was de neofiet 'wedergeboren en werd hij een adept [54].'

    Om onze mededeeling werd in die dagen gelachen. Men beschuldigde
    ons onze denkbeelden ontleend te hebben aan de 'zotte denkbeelden'
    van Shaw, een Engelsch schrijver, die volgehouden had dat de
    sarcophaag gebruikt was bij het vieren der mysteriën van Osiris,
    hoewel wij nooit van dien schrijver gehoord hadden. En thans, zes
    of zeven jaren later (1882), schrijft Staniland Wake het volgende:

    'De zoogenaamde koningskamer.... was waarschijnlijk _de plaats waar
    de in te wijden persoon toegelaten werd nadat hij door de enge
    opwaartsche gang en de groote galerij met haar laag eindgedeelte
    was gegaan, hetgeen hem gaandeweg voorbereidde voor het slotbedrijf
    der Heilige Mysteriën_' [55].

    Ware Staniland Wake een Theosoof geweest, dan had hij er
    wellicht aan toegevoegd, dat de enge opwaartsche gang, die naar de
    Koningskamer leidt, inderdaad een 'enge poort' had; dezelfde 'enge
    poort' die 'tot het leven leidt', of tot de nieuwe geestelijke
    wedergeboorte, waarop Jezus in Mattheus VII : 13 zinspeelt, en
    dat het aan deze poort van den Tempel van Inwijding was, dat de
    schrijver dacht, die de woorden opgeteekend heeft, welke naar
    beweerd wordt door een Ingewijde gesproken zijn". [56]


Wij zijn eenigermate afgedwaald van ons eigenlijk punt, nl. de
symbologie der Pyramide, doch deze hangt zoo nauw met dit alles
samen dat ik niet in staat ben ze te scheiden, en ik zal thans van
dit gedeelte van het onderwerp afstappen om enkele andere theorieën
te behandelen.



HOOFDSTUK VII.

NOG ENKELE THEORIEËN OVER DE BESTEMMING EN SYMBOLIEK DER GROOTE
PYRAMIDE.


Meer nog dan met eenigerlei andere wetenschappen, is de Groote
Pyramide in verband gebracht met de sterrekunde. Niet alleen dat
velen beweerden dat zij een sterrekundig observatorium was, maar
bovenal dat vele der bekende waarheden uit deze wetenschap symbolisch
in haar bouw belichaamd waren, waaruit dan tevens blijken zou dat
de Egyptenaren van dien tijd reeds bekend waren met verscheidene
astronomische gegevens, die op betrekkelijk jongen datum heeten
ontdekt te zijn. Reeds sedert lang werd door enkele schrijvers over
dit onderwerp beweerd dat de Groote Pyramide zou gebouwd zijn met
het doel de sterren te observeeren, en enkele schrijvers zeggen dat
het juist om deze reden was, dat de Pyramide een platform op den top
had, waar de sterren-waarnemende priesters hunne instrumenten konden
plaatsen; verder wordt beweerd dat de benedenwaarts leidende gang
der Groote Pyramide dienst deed als meridiaan-teleskoop. Vandaar de
nauwgezette oriëntatie der Pyramide. Afgescheiden van alle mogelijke
andere bezwaren, welke wij zullen nagaan wanneer wij den voornaamsten
hedendaagschen voorstander van deze theorie, Rich. Proctor, over dit
onderwerp zullen aanhalen, zien wij al dadelijk enkele bezwaren die ons
aan de waarheid van deze theorie doen twijfelen. In de eerste plaats
dan is het onmogelijk geweest om ooit op dit platform te komen wanneer
wij aannemen wat ons gezegd wordt, dat het uitwendige der Pyramide
geheel met gepolijst marmer bedekt was; en in de tweede plaats is
het zeker dat de ingang van de benedenwaartsche gang afgesloten
was. Alleen wanneer wij vooropstellen dat dit niet zoo was (en er is
meer reden om het tegendeel aan te nemen) kunnen wij de mogelijkheid
der theorie erkennen. Maar dan nog rest de vraag waarom er juist een
Pyramide en niet een gewone toren werd gebouwd.

Zien wij thans wat Rich. Proctor zegt met betrekking tot deze
theorie. In de eerste plaats erkent hij, dat Piazzi Smyth en
anderen met recht beweren dat zekere sterrekundige waarheden in
het bouwwerk belichaamd zijn; "maar dat zijn _louter_ toevallige
overeenkomstigheden". Wij zeiden echter reeds vroeger bij dit bouwwerk
niet te kunnen gelooven aan toevalligheden.

Hoe verklaart Proctor dan zelf de sterrekundige kenmerkende
eigenaardigheden van bouw en samenstelling der Groote Pyramide? Hij
zegt [57] dat aan alle Egyptische Pyramiden het een of ander
sterrekundig plan ten grondslag ligt en dat zulk een plan bij de
Groote Pyramide met bijzondere nauwgezetheid uitgevoerd werd, welke
er op duidt dat het een vereischte was het bouwwerk zelf en eveneens
de onderdeelen in een bepaalden astronomischen stand te plaatsen,
en wel voornamelijk om deze reden, dat de Pyramide "bedoeld was
dienst te doen als een sterrekundig observatorium". Deze bedoeling
vooropstellende is het duidelijk dat de bouwers de gangen van het
bouwwerk benutten om den juisten stand en de plaats van elk deel van
het geheel te bepalen. De benedenwaarts leidende gang werd gericht naar
de Poolster. Nadat deze benedenwaarts leidende gang het noordelijk
zijvlak bereikt had werd het bij het bouwen van de opwaarts leidende
gang (zie de teekening van het inwendige) noodzakelijk op eene andere
wijze de Poolster te observeeren. Dit werd tot stand gebracht door
de nieuwe gang te bouwen in zoodanige richting, dat de lichtstralen
van de Poolster hierin opwaarts vielen, na weerkaatst te zijn op een
horizontale oppervlakte. Om deze weerkaatsende horizontale oppervlakte
te verkrijgen werd de benedenwaarts leidende gang afgesloten aan
het ondereinde, en daarna gedeeltelijk gevuld met water, op welks
stilstaande oppervlakte de stralen van de Poolster weerkaatst
werden. De bouwers werkten dus met betrekking tot het meridiaanvlak.

De Groote Galerij is volgens Proctor echter het stelligste bewijs van
den astronomischen aard van de bedoeling der bouwers. Deze Groote
Galerij toont door hare dubbele geaardheid aan dat zij bedoeld was
voor sterrenkundige waarnemingen. Hare muren als geheel zijn hellend,
maar elk deel er van is volstrekt vertikaal, zooals ook het geval moet
zijn voor nauwkeurige waarnemingen. Om deze waarnemingen mogelijk
te maken, zijn in de galerij aan weerszijden steenen, hellende,
verhoogde banken aangebracht, waarin op gelijke afstanden gaten
zijn om verplaatsbare zetels te plaatsen. Aan het boveneinde der
galerij zou de zoogenaamde Voorkamer de plaats geweest zijn waar de
tijdopnemer zat. Proctor is verder ten zeerste overtuigd van het nut
dat getrokken kan worden uit deze wijze van waarnemen. Hij zegt o.a.:


    "Indien een teleskopist van onzen tijd een plan zou willen
    vormen voor eene methode om de declinatie en rechte klimming van
    sterren te bepalen (bijvoorbeeld met het doel om een betrouwbaren
    sterrencatalogus op te stellen) zonder een teleskoop te gebruiken,
    zou hij door zulk een waarnemingsplaats te gebruiken als de
    Groote Galerij, spoedig zien hoeveel daar gedaan kan worden voor
    zooverre het equatoriale en zodiakale sterren betreft; en deze
    zijn de meest belangrijke, zelfs nu, en waren dit te meer in de
    dagen toen men veronderstelde dat de sterren in hun loop het lot
    van menschen en volkeren regelden." [58]


Deze redeneering van Proctor nu is zeer zeker op zichzelf beschouwd
heel fraai, maar weinigen zijn er door overtuigd geworden dat de
Groote Pyramide niets dan een sterrenkundig observatorium was. Enkelen
erkennen de waarde der aangevoerde bewijsgronden voor het doel,
doch slechts als bijkomstig. Proctor zelf doet dit echter ook, want
een graf blijft de Koningskamer toch. Blijkbaar is hij bang zijn
wetenschappelijken naam afbreuk te doen door een wetenschappelijk
gehandhaafde theorie niet als van zelf sprekend aan te nemen; wenscht
echter toch een eigen theorie en lapt er de observatoriumtheorie aan
vast. Hij ziet echter daarna zelf in dat deze niet geheel en al opgaat,
en zegt dan dat de bouwer niet alleen wetenschappelijke bedoelingen
had, maar zelfs eene die boven het gebruik als graf staat! Dit doel
kan men begrijpen wanneer men het feit erkent dat "de sterrenkunde uit
den tijd van Khufu uiteraard astrologie was, en dat de astrologie een
belangrijk deel van den godsdienst vormde". Zijn eindconclusie is dan
dat de Groote Pyramide als astrologisch bouwwerk een reuzenhoroskoop in
steen van Cheops is. "Aangenomen een volstrekt geloof in astrologie
(en wij weten dat er zulk een geloof bestond), was het de moeite
waard zelfs een zoodanig gebouw als de Groote Pyramide op te trekken".

Ik meen dat er, zooals ik reeds zeide, weinigen zijn die Proctor's
theorie ernstig opvatten en wij zullen dan ook niet in bijzonderheden
er van afdalen, doch liever nagaan welke astronomische gegevens in
het bouwwerk symbolisch vervat zijn. Sommige er van zal ik hier alleen
_vermelden_, slechts enkele _verklaren_, daar de meeste te technisch
zijn om hier aan den algemeenen lezer uiteengezet te worden.

Voor hen die belangstellen in dit gedeelte van het onderwerp is het
raadzaam daarover Dufeu, Piazzi Smyth en J. Wilson na te lezen. Vooral
de laatste heeft dit punt, het verband tusschen de maten aan de
Pyramide en het zonnestelsel, uitvoerig uitgewerkt in zijn boek _The
Solar System of the Ancients_. De groote moeilijkheid echter blijft
in de quaestie welke maat men gebruikt heeft, daar de meeningen over
de gebruikte elle- en duimmaat nogal uiteenloopen.

Na veel geschrijf over de maten-quaestie, hetgeen een geheele
bibliotheek vormt, is er echter op dit punt overeenstemming gekomen
en zien wij thans enkele der eigenaardige kenmerken vastgesteld.

De Pyramide dan symboliseert haar _breedtegraad_ (Wild, P. Smyth),
haar _ouderdom_ (P. Smyth, Casey, Dufeu), den _omtrek der aarde_
(J. Wilson, P. Smyth, J. Taylor), den _vorm der aarde_ (P. Smyth,
Dufeu), de _dichtheid der aarde_ (P. Smyth, Petrie), den _afstand
van aarde en zon_ (P. Smyth, Petrie), de _dagen van het jaar_ (Smyth,
Tracey, Petrie, Yeates, Adams), de _Wet der zwaartekracht_ (J. Wilson),
_afstand tot zon en maan_ (J. Wilson), de _planetenafstanden_
(J. Wilson), de _praecessie der equinoxen_ (Casey, Wilson,
P. Smyth.) Tal van andere astronomische en natuurkundige gegevens
blijken volgens enkele dezer schrijvers in het bouwwerk belichaamd,
doch deze zijn wel de voornaamste.

Om den lezer thans een denkbeeld te geven hoe deze astronomische
waarden en verhoudingen in de pyramide-afmetingen belichaamd zijn,
zullen wij enkele dezer symbologieën nagaan en trachten duidelijk
te maken.

In de eerste plaats dienen wij dan na te gaan de redenen welke er
bestaan kunnen hebben voor het feit dat de bouwers deze astronomische
waarden in het bouwwerk belichaamden. Zooals wij reeds zagen is de
meest voor de hand liggende exoterische reden die, welke van de Groote
Pyramide een sterrekundig observatorium en astrologisch gedenkteeken
maakt; vervolgens komt die reden in aanmerking, welke o.a. Taylor
en Smith aanvoeren, namelijk dat de door God bezielde bouwers
het menschengeslacht een grondslag van maten wilden geven en dezen
grondslag natuurlijk in verband brachten met heelalsche maten wegens
den goddelijken oorsprong van het denkbeeld van den bouw. Deze redenen
kunnen natuurlijk dienen als logisch voor hen die het eens zijn met de
theorieën der genoemde schrijvers, maar wanneer men een voorstander
is van de theorie, dat de Groote Pyramide een tempel, een plaats van
godsdienstige ceremoniën, een "berg van Inwijding" is geweest, welke
reden kunnen wij dan aanvoeren voor het feit dat wij deze astronomische
waarden in het bouwwerk belichaamd vinden? In de eerste plaats kan voor
den spoedig bevredigden onderzoeker het antwoord dienen dat Proctor ons
pasklaar geeft n.l. "dat de godsdienst der Egyptenaren grootendeels
gegrond was op astronomische stellingen" en dat dit dus evenzeer het
geval moet geweest zijn met hunne godsdienstige mysteriën. Doch voor
hen, die met deze oppervlakkige reden niet geheel voldaan zijn met
betrekking tot hun voorstaan van de inwijdingstempeltheorie, als ik
het zoo noemen mag, zou ik gaarne de volgende redenen willen aanvoeren.

De groote Pyramide beschouwende als een tempel van inwijding, zie
ik in haar beslist den _eersten maçonnieken tempel_, waarvan wij
kennis dragen sinds het bestaan der maçonnieke orde, en schaar ik
mij dus in dezen aan de zijde der broeders, welke erkennen dat de
vrijmetselarij haar oorsprong vindt in de Egyptische mysteriën en niet
in de bouwgilden der middeleeuwen. Voor ieder maçon nu is de Tempel
(of moet hij dit zijn) ons zonnestelsel, het lichaam van den Logos
van dit stelsel. Dit in verband met hetgeen wij reeds zeiden omtrent
de Groote Pyramide leidt ons tot de volgende gevolgtrekking. De
stoffelijke _Tempel_ op deze aarde moest in haar bouw alle waarden
en vormen, welke in den waren _Tempel_ (het lichaam van den Logos,
ons zonnestelsel) gevonden werden, weergeven om symbolisch--en wij
weten dat de maçonnerie niets is dan een wijsbegeerte, gehuld in een
gewaad van _symbolen_, om degenen wier ontwikkeling langs de ritueele
lijn ligt, te leiden in hunne evolutie--deze waarheden en begrippen
uit te drukken.

Hetgeen wij reeds zeiden omtrent de pi-symbologie, en dat steunt
op wat H. P. Blavatsky zegt in de noot op blz. 468 van de _Geheime
Leer_, Deel I, met betrekking tot deze pi-waarde, komt geheel
(mijns inziens) met deze denkwijze overeen.

Verder zullen velen het met mij eens zijn--vooral zij die verstaan--dat
hetgeen wij door de Inwijdingen zoeken is: _Licht_; het Licht,
dat wil zeggen, de kennis van den aard der dingen in ons stelsel,
of in het algemeen gezegd: hoogere kennis. In ons stelsel is het
stoffelijk lichaam der zon het laagste aanzicht van dit _Licht_. En
dit Licht kunnen wij ook verzinnebeeld vinden in de Pyramide. Merken
wij nog op dat _geluid_ of _klank_ evenzoo noodzakelijk is voor het
_leven_. Adams zegt terecht: "het licht is het eerste beginsel van
het geschapen leven. Zonder licht bestaat geen groei; er is geen groei
zonder licht. Kleur, reuk, smaak, ieder voorwerp der zinnen verdwijnt
wanneer het licht afwezig is. Iedere straal is een afzonderlijke
hemelsche gift, rechtstreeks van de hand van den Schepper; zooals is
aangegeven in het basrelief op het graf te Thebe, ontdekt door Stuart,
waar de uiteenloopende stralen een pyramide van licht vormen, en aan
iederen straal is een hand van zegening verbonden." [59]

In de Pyramide vinden wij dus verzinnebeeld den vorm en het
leven in openbaring, den Logos als [symbool voor Zon]. En hoe is
dit licht maçonniek in het bouwwerk uitgedrukt? Door dezelfde
pi-symbologie. Ik kan het niet beter weergeven dan Adams dit
doet. Hij schrijft:


    Het Licht zelf geeft ons een antwoord. Want indien wij, zooals
    op het basrelief te Thebe, den uiteensplitsenden stralenbundel
    voorgesteld vinden, zooals die zich uitstort op den middag van
    de zomersolstitie, den aanvangsdag van het Egyptisch jaar, zullen
    wij één zijvlak van de Pyramide van Licht hebben. Veronderstel nu
    dat een rechthoekige pyramide wordt opgetrokken met vier zoodanige
    zijden die elk respectievelijk tegenover de kardinale punten des
    hemels staat. Dan volgt hieruit dat, daar elke zonne-omwenteling
    der aarde een vierde aswenteling later voltooid wordt dan
    de voorafgaande, elk vierde- of groot-jaar hetzelfde zijvlak
    naar de zon gekeerd zal zijn wanneer de zonne-omwenteling van
    de aarde voleindigd is; en aldus is de Egyptische Groot-cyclus
    (van vier jaar) maçonniek uitgedrukt. Juist zulk een vorm vinden
    wij in de Groote Pyramide, daar de zijden zóó georiënteerd zijn
    dat zij oorspronkelijk tegenover de kardinale punten stonden,
    en haar top zoodanig was afgeplat dat de zon één dag in het jaar
    'met al haar stralen' er op rust, zoodat het bouwwerk 'zijn eigen
    schaduw verslindt'.

    Welke verhouding moeten de afmetingen hebben, nu de algemeene vorm
    bepaald is, of met andere woorden, welken hoek moeten de zijden
    naar den onzichtbaren top hebben? De aarde in haar loopbaan geeft
    het antwoord. Want daar die planeet in een (benaderd) cirkelvormig
    pad om de zon heen beweegt, terwijl elke straal naar haar toe in
    een rechte lijn valt, kan de verhouding tusschen de lichtgevende
    kracht en het verlichte lichaam uitgedrukt worden door de
    verhouding tusschen den straal en den omtrek van een cirkel. [60]


Laten wij thans nog nagaan op welke wijze wij een eenheid van
maat kunnen verkrijgen, die ons de juistheid aantoont van de
verzinnebeelding der astronomische verhoudingsgetallen in het
bouwwerk. Ook deze maat kunnen wij aan de aarde ontleenen en wel aan
de as.

De engelsche duim is 250,250,000 maal in de aardas begrepen; wanneer
wij deze duim met een duizendste deel van hare lengte vergrooten,
verkrijgen wij eene duimmaat die als Pyramideduim gebezigd wordt en
bekend staat. Deze duim is dan in de aardas 250 millioen maal begrepen.

De deksteenen der Pyramide, waarvan er een opgemeten werd door Dixon,
zijn 25.025 Eng. duim lang; of 25 van de gemelde duimen. De lengte
van den steen is dus 10 millioen maal in de aardas begrepen, en nu
wordt door Smyth en Adams deze maat als eenheid aangenomen. Deze maat
of liever verhouding staat op zichzelf. Doch wat bleek verder?

De lengte van de onderste deklaag der Pyramide bedraagt juist 1/20
van een geografische mijl. Wanneer wij nu de pyramide-eenheidsmaat
hierop afmeten, bevinden wij dat deze 365.25 maal in deze lengte
begrepen is en 1461 of 4 maal 365-1/4 maal in den geheelen omtrek van
het grondvlak. Blijkbaar is dus hier eene symbolische voorstelling
van het aantal dagen van het zonnejaar en van den grooten cyclus van
vier jaren.

Adams zegt met betrekking tot deze symbolische voorstelling:


    "Het schijnt daarom niet onredelijk te denken dat, alvorens de
    deksteenen ten slotte het geheim afsloten, de betrekkingen van zon
    en maan tot den stand van Sothis en de Poolster in overeenstemming
    zouden gebracht zijn met de trappenreeksen van de Pyramide op de
    juist beschreven wijze; en aldus is een uitgangspunt voor alle
    bewegingen der aarde, hetzij in hare betrekking tot de maan, de
    zon, de equinoxen, of de sterren, onveranderlijk in het maçonnieke
    licht vastgelegd".


Ik zou nog tal van voorbeelden kunnen geven van de wijze waarop
astronomische waarheden in verband met het bouwwerk der Pyramide
symbolisch zijn voorgesteld, doch dan zouden voor een populaire
verhandeling als deze te veel technische punten aangevoerd moeten
worden. Ik vrees zelfs dat het voorafgaande vele lezers zal doen
terugschrikken voor een verder ingaan op deze punten. Aan hen die
echter daarin belang stellen, raad ik aan daarover na te slaan _Our
Inheritance in the Great Pyramid_ en bovenal Marsham Adams' _House
of the Hidden Places_; dit laatste werk vooral aan Theosofisch
studeerenden. Over de symbologie der Pyramide in verband met de
maçonnerie kan men lezen in de navolgende lezenswaardige brochures
_The Great Pyramid and Freemasonry_ door John Chapman. P. P. G. D. en
_A Lecture on the Great Pyramid in Egypt, suggesting an intimate
relationship with the Probable Foundation of Freemasonry_, door
W. Charles Langley.

Hoewel dus over dit punt vrij wat meer te zeggen valt dan ik hier deed,
laat ik dit na om de gemelde reden en zal er toe overgaan de mystieke
theorieën te behandelen, welke volgens mij van het meeste belang zijn.



HOOFDSTUK VIII.

MYSTIEKE THEORIEËN.


Onder de schrijvers van jongeren datum over ons onderwerp bekleedt
Marsham Adams eene plaats, welke geheel afgescheiden is van die der
ouderen. De meeste theorieën, welke wij tot dusver nagingen, vertoonden
een punt van overeenstemming met elkander en berustten vaak op een
gemeenschappelijk uitgangspunt. Marsham Adams echter heeft ons in
zijn beide werken _The Book of the Master_ en _The House of the Hidden
Places_ een geheel nieuwe richting van denken aangeduid, welke ik thans
beschrijven zal. De godsdienstige denkbeelden der Egyptenaren zijn
in hoofdzaak weergegeven in _Het Boek der Dooden_ en de Egyptenaren,
wel wetende dat de papyrus, waarop de denkbeelden neergeschreven zijn,
vergankelijk is, wenschten deze denkbeelden aan de latere geslachten
bekend te maken en na te laten. Vandaar hun onvermoeide ijver om in
schoonen kunstvorm op de muren van de tempels en van hunne andere
bouwwerken hunne godsdienstige denkbeelden en geschiedenis weer te
geven. Doch ook hiermede was de vergankelijkheid dezer mededeelingen
aan het nageslacht niet overwonnen.

Eén middel was nog mogelijk, en wel een dat bij dit volk van groote
bouwwerken zeer voor de hand lag, namelijk het in een bouwwerk in
symbolischen vorm weergeven van deze leeringen. Een tweede doel werd
hiermede gediend, want een belangrijk kenmerk van den godsdienst van
dit volk was, dat de profanen, zoowel als de trapsgewijze opklimmende
graden van priesters, de zedeleer en wijsheid van hun godsdienst
leerden door symbolen en ritueel. Het bouwwerk kon dan tevens dienst
doen als een tempel van inwijding in de mysteriën van den godsdienst.

Met betrekking tot deze zeer uiteenloopende wijzen om hun godsdienstige
begrippen voor het nageslacht te bewaren, merkt Adams op:


    Het is moeilijk een grooter tegenstelling te bedenken dan die
    welke geboden wordt door de beide vormen, waarin het verslag der
    Egyptische leer bewaard werd. De papyri zijn vergankelijk, talrijk,
    afwisselend in lengte en volgorde. Het monument in steen is eenig
    tot het onvergankelijke toe, niet onderhevig aan afwijking, en
    het staat daar onveranderd en onveranderend, onverschillig voor
    de aanvallen van tijd of mensch. [61]


In beide genoemde werken handelt Adams eveneens over andere aanzichten
van het vraagstuk der Pyramide, doch deze aanzichten zijn meerendeels
verkorte overzichten van de sterrengodsdiensttheorie, terwijl zijn
opvattingen van enkele verzinnebeeldingen van natuurfeiten in het
bouwwerk zeer oppervlakkig en geenszins te bewijzen zijn. Dit is
jammer, daar het natuurlijk afbreuk moet doen aan de waarde van
het geheel zijner theorieën. Nochtans is het hoofddenkbeeld van
zijne uiteenzetting van groote waarde voor Theosofen, omdat zij
in verband met andere gegevens uit hunne literatuur hier steun
vinden voor hunne bewering dat de Groote Pyramide een tempel van
inwijding was. Waarschijnlijk is het dan ook om deze reden, dat zijne
werken den Theosofischen studeerende van bevoegde zijde steeds ter
bestudeering aanbevolen werden. Stellig kunnen wij veel schoons vinden
in zijne theorie, en om deze reden wil ik ze hier dan ook uitvoerig
vermelden. Tot een beter begrip van hetgeen wij zullen aanhalen,
dienen wij ons in de eerste plaats echter een denkbeeld te vormen
van wat het _Boek der Dooden_ is.

De algemeene wetenschappelijke verklaring is deze. Het _Boek der
Dooden_ bestaat uit een groot aantal bijeenverzamelde hoofdstukken,
waarvan de tekst zoowel op tempelmuren ingegrift, als op papyri
gevonden werd. Deze papyri werden ontdekt, verborgen in de gewaden
van mummie's. Naar het tijdperk, waarin de verschillende afschriften
werden opgeschreven, hetzij op tempelmuren of op papyri of op een
andere wijze, worden zij verdeeld in vier verzamelingen, namelijk
de Heliopolische in hieroglyphen, de Thebaansche eveneens in
hieroglyphen [62], dan die van de twintigste Dynastie, geschreven
in hieratisch schrift, en ten slotte de Saïtische of die van de zes
en twintigste Dynastie [63]. Op deze papyri zou dan vermeld staan
de levensgeschiedenis van de mummie, zijne zonden, deugden en daden,
zijne verwachtingen voor een toekomst na dit leven, wat hem overkwam of
overkomen moest aan gene zijde des doods, en voornamelijk de smeekbeden
van de nagelaten betrekkingen aan "den God van de stad" en andere
goden om den doode voort te helpen op zijn vredespad aan gene zijde,
hem te steunen en te beschermen, welke smeekbeden uitgesproken werden
door "de priesters van de _ka_" (het dubbel). Deze smeekbeden werden
op papyri opgeteekend en met de mummie begraven. Toen dit gebruik
in verval raakte, werden papyri geschreven waarop alleen de plaats
voor den naam opengelaten werd. Deze werden verkocht en wanneer
iemand stierf werd de naam ingevuld en de papyrus bij de mummie
ingewikkeld. Waarschijnlijk was dit om tijd en geld te sparen. Met
betrekking tot de geschiedenis en den oorsprong van het _Boek der
Dooden_ zegt Budge in zijn vertaling van de Thebaansche verzameling
van dit werk:


    Noch onderzoekingen, noch ontdekkingen hebben ons tot nog toe
    eenigerlei inlichting verschaft aangaande het tehuis, den oorsprong
    en de vroegste geschiedenis van het _Boek der Dooden_. Het schijnt
    vrij duidelijk dat, zooals boven gezegd werd, de allereerste vorm
    van het _Boek der Dooden_ bestond uit de woorden of smeekbeden,
    door verwanten en vrienden gericht tot den "god der stad" en tot
    een verzameling bovennatuurlijke machten, ten behoeve van den
    afgestorvene.... [64]


en verder


    Waar en door wien de teksten van het Boek der Dooden werden samen
    gesteld, is eveneens onbekend. [65]


terwijl wij lezen:


    Sinds onheuglijke tijden werd de God Thoth, die zoowel het
    goddelijke verstandswezen, dat bij de schepping de woorden uitte
    welke ten uitvoer gebracht werden door Ptah en Khnemu, als de
    schrijver der goden was, in verband gebracht met de voortbrenging
    van het _Boek der Dooden_, en hoewel hij oorspronkelijk de god van
    den tijd en de tijdaanteekenaar van hemel en aarde was, verschijnt
    hij vaak als de raadgever en helper van den afgestorvene. [66]


In het _Boek der Ademhalingen_ (een deel van het _Boek der Dooden_)
lezen wij:


    Thôth, de machtigste god, de heer van Khemenna, komt tot u en hij
    schrijft voor u het _Boek der Ademhalingen_ met zijn eigen vingers.


Van een Theosofisch standpunt zouden wij gaarne een andere opvatting
willen aanvoeren over dit _Boek der Dooden_. Adams denkt eveneens
anders over het werk. Gaarne zou hij zien dat men vooral den
Turijnschen papyrus niet het _Boek der Dooden_ zou noemen, of beter
(zooals Champollion deed) _Begrafenis Ritueel_, maar dat men er den
titel aan gaf, dien het zich zelf geeft. "_Het Boek van den Meester
van het geheime huis is zijn naam_" [67]. Mijn gevoelen nu is dit. Ik
zou in plaats van louter _Dooden_ willen lezen: _Dooden voor het
vleesch, Ingewijden_; of kortweg _Boek der Ingewijden_ of _Boek over
de Ingewijden_.

Thôth toch is mijns gevoelens de groote leeraar Hermes, [68] die
als onderrichter in de mysteriën van het oude Egypte optrad, en uit
bovengenoemde aanhalingen blijkt vrijwel dat er hier sprake van kan
zijn, dat aan den leerling een geschrift gegeven werd, waarin de
ritueele wijsheid opgeteekend stond tot zijn verdere voorlichting,
en dat als bewijs diende dat hij tot een zekeren graad bevorderd was.

Adams dacht reeds in deze zelfde richting, hoewel niet zoo ver gaande,
doch hij merkt op dat de titel van het werk zeer ongelukkig gekozen is,


    want hij geeft het denkbeeld, de heilige afgestorvenen te
    beschouwen als dood, terwijl de geheele opvatting van de leer de
    onderrichting in het Leven en het Licht was. [69]


Wij kunnen thans, nu wij weten wat bedoeld wordt met het _Boek
der Dooden_, en geholpen door de kennis die wij bijeenverzameld
hebben omtrent de Groote Pyramide, overgaan tot het opbouwen van
eene theorie waarin deze beide gegevens de hoofdfactoren zijn tot
het in overeenstemming brengen van hetgeen Adams ons mededeelt in
zijn werken, hetgeen maçonnieke schrijvers (voorstanders van het
beginsel dat de Vrijmetselarij haar oorsprong vindt in de Mysteriën)
ons verkondigen als hunne meening, en hetgeen door Theosofische
schrijvers is beweerd. Het komt mij voor, dat ik deze theorieën niet
afzonderlijk kan behandelen, daar zij te veel gemeen hebben en de
een de andere steunt. Ik zal mij dus in dezen er toe bepalen aan de
hand van hetgeen Adams mededeelt als zijn opvatting, de maçonnieke
en Theosofische lezingen op dit punt te beschrijven.

In zijn _Boek of the Master_ zegt Adams:


    Alleen wanneer wij het Geheime Huis vergelijken met het
    Geheime Boek van zijn Meester, begrijpen wij de beteekenis
    van zijn geheime plaatsen--duisternis die duisternis verlicht
    en mysterie dat mysterie onthult. En alleen dan kunnen wij
    opmerken hoe wij in deze plaatsen den sleutel bezitten tot de
    'Ordewoorden' van het Geheime Boek. Zoo wordt dan de bepaling
    van de Egyptische Theosofie gebracht uit het gebied van de
    archaeologische bespiegeling en teruggebracht tot de vergelijking
    van twee bestaande en duidelijk omschreven verslagen. Hier is een
    papyrus die beweert de geheime schriftrol te zijn welke behoort
    aan den Meester van het Geheime Huis; daar is een geheim huis,
    waarin, volgens de Egyptische overlevering, de geheime wijsheid,
    waarop die schriftrol betrekking heeft, aan den kandidaat werd
    medegedeeld. Die schriftrol vangt aan met den Ingang tot het
    Licht; en het Licht was de naam waaronder dat huis bekend was. De
    schriftrol is vol verwijzingen naar geheime gangen en kamers;
    en geheime kamers en gangen maken het geheele inwendige van dat
    huis uit. De voornaamste van de in de schriftrol genoemde kamers
    is de Dubbele Zaal van Waarheid; en de voornaamste van de kamers
    van het huis is de Dubbele Zaal van gebeeldhouwde Pracht. In de
    schriftrol verhaalt het laatste hoofdstuk van de wederopstanding
    van het Lichaam, en in het huis is de laatste kamer de kamer van
    het Open Graf. En terwijl het eene verslag in overeenstemming
    is met het andere in het uitdrukken van de Waarheid in Licht,
    zijn de beelden die de vastgelegde waarheid der leering in het
    Ritueel uitdrukken, in overeenstemming met de verhoudingen van
    wetenschappelijke waarheid die in het gebouw hare uitdrukking
    vinden." [70]


Het is wellicht noodzakelijk, op te merken dat Adams hier in beeldrijke
spraak en volgens eigen opvatting andere dan de gebruikelijke
benamingen bezigt. Zijn boek van den Meester van het verborgen Huis
is het Boek der Dooden, zijn verborgen Huis is de Groote Pyramide,
de zaal van gebeeldhouwde Pracht is de Groote Galerij.

Wij zien uit het zooeven aangehaalde wel in, dat Adams denkt dat de
godsdienstige leeringen der Egyptenaren vervat waren in het _Boek
der Dooden_, en dat de Pyramide de Tempel is waarin de leeringen in
steen verzinnebeeld zijn, maar dat deze tevens de plaats was waarin
deze leeringen werden medegedeeld. De wijze van mededeeling is dan in
hoofdzaak de volgende. De kandidaat ziet zekere begrippen verzinnebeeld
of doorloopt in zinnebeeldigen vorm enkele dezer. Daarna wordt hem
de beteekenis medegedeeld van hetgeen hij zag en van hetgeen hij
doormaakte. Dit is in hoofdzaak waar, en komt geheel overeen met de
nog bestaande maçonnieke inwijdingsgebruiken, waarbij de leerling
de reizen in de Loge aflegt, en de Achtbare Meester hem daarna
de beteekenis van dezen symbolischen omgang uitlegt. Het verschil
tusschen de opvatting van Adams en die der vrijmetselaren omtrent
het doormaken van deze reizen moet noodzakelijkerwijze bij eenig
nadenken een ieder duidelijk zijn. Bij de reizen van den kandidaat
voor inwijding in de Pyramide doorliep hij symbolisch de gebieden aan
gene zijde des doods en hem werden bij de uitlegging dezer reizen vele
belangrijke dingen onthuld omtrent die gebieden. Dit was natuurlijk
bij de lagere inwijdingen het geval. Bij verdere inwijdingen werd
hij onderricht omtrent de verschillende lichamen van den mensch,
hun ontstaan en werking en ten slotte hun verband tot den Logos van
dit stelsel. Voor den ernstigen bestudeerder is dit alles na te gaan
in het _Boek der Dooden_, zooals wij zouden kunnen aantoonen.

En nu is het mijn gevoelen, dat de reizen bij de inwijding van den
kandidaat voor Vrijmetselarij oorspronkelijk hetzelfde beteekenden,
doch dat met het verdwijnen van de kennis omtrent de waarde en
beteekenis der symbolen bij de leden dier orde, ook het juiste begrip
hieromtrent verdwenen is. Het is mijne ernstige overtuiging, dat indien
een vrijmetselaar, die grondig bekend is met de verschillende symbolen
en oude gebruiken der Orde, het _Boek der Dooden_ ernstig bestudeerde
in verband met deze, hij de analogie zou vinden en een hoeksteen zou
hebben bijgebracht tot het bewijs van een verband dier orde met de
oude Priesterkasten in Egypte. Want hoewel het mijn en veler anderen
persoonlijk gevoelen is, dat de vrijmetselarij in verband staat met de
oude Egyptische mysteriën, is mijns inziens het _bewijs_ nog nimmer
volkomen geleverd en is er dus nog steeds een ruim veld van arbeid
voor de voorstanders dezer bewering. G. Oliver zegt in zijn werk
_Geschiedenis der Inwijdingen_: "Zonder twijfel zijn de pyramiden
kort na de verstrooiing daargesteld als afbeeldingen van den grooten
toren in de vlakte van Shinar, en evenals de laatste diende om de
inwijdingen te verrichten zoo dienden daartoe ook de eersten." Nu
is Broeder Oliver een man van gezag onder de Broederen; de lezing
van zijn werk echter is wel bevredigend voor wie zijn gevoelen deelt,
doch levert geen bewijs voor een tegenstander der theorie. Evenmin kan
men als bewijs aanhalen hetgeen Clavel zegt omtrent inwijdingen in de
Pyramide in zijn werk _Geschiedenis der Vrijmetselarij_. Het denkbeeld
is aan velen gemeen, doch het bewijs moet nog geleverd worden.

Van een Theosofisch standpunt zou ik zoowel tegen de theorie van Adams
als tegen die der vrijmetselaars willen opmerken dat ik het niet
eens kan zijn met hunne opvatting dat deze inwijding _doorgemaakt_
werd in het _stoffelijk_ lichaam. Ik meen te mogen opmaken dat
alle ons gedane mededeelingen van Theosofische gezaghebbenden er
op duiden dat deze inwijdingen doorgemaakt werden in het astrale
of in hoogere lichamen. Het fysieke lichaam werd wel uit den tempel
langs ondergrondschen weg naar de Pyramide geleid en daar in trance
bewaard tot na afloop der ceremonie, doch de inwijding werd van A tot
Z doorgemaakt in het astraallichaam. Is dit zoo, dan begrijpen wij
eveneens waarom er geen bezwaar aan verbonden was dat de ingang der
Pyramide afgesloten was door de marmeren deklaag. De eerste proef
was of de entiteit zoodanig bewust was in zijn astraallichaam dat
hij wist dat hierin geen hinderpaal van zijn voortgang bestond. Dit
feit is in overeenstemming met hetgeen ons ook medegedeeld wordt door
andere schrijvers over dit onderwerp.

Hierin vinden wij ook de oplossing voor de tegenwerping dat er geen
licht zoude zijn. Astraal licht was er toch, en zouden de aura's der
hierofanten niet voldoende licht geven voor den kandidaat? Bij eene
stoffelijke inwijding zou dit bezwaar zeker bestaan, tenzij kunstlicht
in voldoende mate bekend was, hetgeen naar enkele schrijvers beweren,
wel het geval was.

Hebben wij eenigszins uitvoerig hierbij stilgestaan, het was noodig
tot een juist begrip van veel dat volgen zal. Gaan wij thans verder
met het eigenlijke punt van behandeling, namelijk het doorloopen van
het inwijdingsceremoniëel in de groote Pyramide volgens het _Boek
der Dooden_.

In de Juni- en Juli-aflevering van _The South African Theosophist_
heeft Br. G. D. Stonestreet in een verhandeling over _The Origin of
Freemasonry_ gezegd dat hij het onnoodig vond, voor vrijmetselaars
de overeenkomsten aan te toonen die er bestaan tusschen hetgeen Adams
schrijft en hetgeen de Vrijmetselarij leert. Dit is zeer zeker waar;
en voor hen die niet met de symbolen en gebruiken der Vrijmetselarij
bekend zijn, is het verband niet aan te toonen. Het is derhalve
voldoende uitvoerig te vermelden hetgeen Adams schrijft.

Adams verdeelt de inwijdingsceremonie in die van drie graden, namelijk:

Eerste graad: _De Inwijding van den Kandidaat_, welke graad
verzinnebeeld werd door een scarabee--het symbool van den "Eeuwige",
het zelfgeschapen wezen dat geen Begin, en geen Einde kent.

Tweede graad: _De verlichting in Waarheid_, welke graad voorgesteld
werd door een figuur, staande voor "Amen", de verborgen godheid.

Derde graad: _De Meester van het geheim_, welke graad voorgesteld
werd door een grafsteen.

Voordat wij thans overgaan tot de beschrijving van het ceremoniëel
van _De Inwijding van den Kandidaat_ volgens het _Boek der Dooden_,
willen wij eerst iets mededeelen over enkele Egyptische begrippen in
verband met deze dingen.

Volgens de leer der Egyptenaren werd de vereeniging van den innerlijken
mensch met de Godheid op zeer langzame wijze voorbereid om ten slotte
door een daad van groot ceremoniëel plotseling tot stand te komen in
haar uiterste instantie. De Mensch-God Osiris werd met den God Osiris
vereend in bewustzijn, doordien die innerlijke mensch tot de gestalte
van Osiris wies. Vandaar dat wij in het ritueel steeds goed moeten
letten op het onderscheid tusschen den ingewijden Osiris of den waren
mensch en de Godheid Osiris. Zoodra de Mensch-God Osiris deze gestalte
verkregen had, deelde hij in het bewustzijn van de Godheid. Met deze
vereeniging ging gepaard een verkrijgen van hoogere kennis omtrent
den mikrokosmos en den makrokosmos.

Adams geeft in wonderschoone bewoordingen weer hoe dit verkrijgen
van kennis geschiedt, en voor degenen die geen Engelsch lezen, is
het zeker de moeite waard dit stuk hier in zijn geheel aan te halen:


    De ziel, voor een oogenblik verlicht door de volheid van de
    Godheid, werd van dien tijd af bekwaam tot overeenstemmen met
    de goddelijke Kracht. De zinnen, wederom onbedorven, werden
    langzamerhand gevormd tot werktuigen, in staat om het opgaan der
    ziel in die oneindige kracht weer te geven, voor welke de grenzen
    van ruimte en tijd niet bestaan, maar voor welke verleden en
    toekomst gelijkelijk openstaan in een eindeloos heden; die alles
    te boven gaande vrijheid, waarin Handeling één is met Willen en
    Willen eenzelvig met Denken. Opdat de zinnen zoodanig belevendigd
    en verlicht mogen worden dat zij de werking van het Scheppend
    Denkvermogen in het uiterlijk heelal waar kunnen nemen, moet die
    vordering door den 'overledene' _in persoon_ doorgemaakt worden,
    welke de bestudeerder der wetenschap, terwijl hij nog niet bevrijd
    is van onderworpenheid aan de zinnen, vagelijk maakt door het
    verstand. Want wie het samengestelde bouwwerk van de hemelen zou
    willen begrijpen, het samenstel van de heilige verblijfplaats
    van den mensch, moet uitgaan van de poolster, en den horizon
    trekkende vanuit het punt der Equinoxen, hetwelk een gelijke
    verdeeling geeft tusschen het licht en de duisternis, moet hij
    begrijpen hoe de as der aarde voor den mensch de oorspronkelijke
    ruimtemaat is en de standaardmaat der Diepten. Indien hij het
    geheim van den levenden vorm zou willen kennen, zal de oceaan
    zijn leeraar zijn als hij van het strand tot de diepste diepten
    gaat en de geheime plaatsen van de kokende wateren peilt. De
    maat van de omloopen aan den hemel zal hem onthuld worden door
    de maan, daar hij door middel van dien wachter de draaiing en
    wenteling van onze planeet waarneemt. Om niet louter de beweging
    maar de ontwikkeling van onzen bol te begrijpen, moet hij de
    plaats van het centrale vuur der aarde trotseeren, onbevreesd
    voor de duisternis der grotten van de vlammende afgronden. En
    daar, terugziende over ontelbare eeuwen, zal hij temidden van
    aardbevingen en ondenkbare aardrampen den 'Heer der Wet' en de
    'Ordewoorden' vinden; terwijl de reusachtige bergketenen hooger
    en hooger uit den chaos omhoogrijzen om de oppervlakte der aarde
    voor te bereiden tot woonplaats van den mensch. Vervolgens strekt
    zich voor hem de schaduw der aarde uit in dat vaag verlichte en
    uitgestrekte uitspansel, waar de majesteit der open hemelen in
    nacht omhuld is; en hij neemt waar hoe de samenstanden der eclipsen
    te danken zijn aan dezelfde macht als de omloopen van verlichting,
    en hoe het uur der duisternis afgemeten wordt door den Gever van
    het Licht. Wanneer hij die schaduw doorgegaan is, treft hem een
    nog meer ontzag inboezemend gezicht, de vreeselijke pracht van de
    zonnebron in al hare volheid; en als hij langs den zevenvoudigen
    opgang van de planetensfeer omhoogstijgt, blikt hij onverblind
    op de reusachtige lichtbundels en vlammenstralen, die plotseling
    duizenden en myriaden mijlen hoog te voorschijn schieten. Dan,
    verre in de oneindige diepten en ruimten, zoeken zijne oogen, thans
    schitterend 'als de oogen van Hator', den veelgeliefden Sothis
    [Sirius], den brenger van de nieuwe dageraad, het portaal van de
    onbegrensbare hemelen, 'dat land van millioenen sterkten'. [71]


Uit het hier aangehaalde blijkt wel, dat Adams meent dat de kennis
van het zonnestelsel en het heelal een deel vormde van de wijsheid,
die den kandidaat voor kennis medegedeeld werd in de Groote Pyramide,
en wel voornamelijk door _aanschouwing_.

Alvorens nu echter verder te gaan, kan het goed zijn dat wij ons eerst
een denkbeeld trachten te vormen van hetgeen onder die Mysteriën
begrepen _kan_ worden. Van de hoogere mysteriën, al weten wij niet
wat zij geven, kunnen wij toch zeggen, dat zij eene inwijding zijn
in de hoogste kennis aangaande den mikrokosmos en den makrokosmos en
het verband tusschen beide. Hoe hoog die kennis gaan kan, kunnen wij
met ons lagere verstand niet bevatten. Maar alleen zou ik denken dat
veel, wat nu als geopenbaarde kennis aan de wereld gegeven is, in die
tijden der oudheid behoorde tot de mysteriën. Wij zijn rijp geworden
voor kennis, waarvoor de menschen van dien tijd niet rijp waren. Ik
grond deze meening op een feit, dat ook vermeld wordt in de _Geheime
Leer_. Enkele ingewijden of dichters, die aan deze kennis kwamen
door hunne intuïtie, wisten van de werkelijke bewegingen der aarde,
zon en in het algemeen van de ware inrichting van het zonnestelsel,
toen de massa nog niet beter wist, dan dat de aarde het middelpunt
der schepping was en alles om haar wentelde. Zoodra zij (de ingewijden
of de dichters) dit feit onbedacht aan de wereld mededeelden, volgde
daarop de straf: dood of verbanning. Thans zijn deze dingen niet
meer geheim of verborgen. In het algemeen kunnen wij ons voorstellen
dat de leer van den bouw des heelals en de wetten van de regeling
er van een deel der mysteriën uitmaakten, en wel een zeer voornaam
deel. Waarschijnlijk werden de eenvoudigste wetten en waarheden in
symbolischen vorm den volke verkondigd in de tempels, en dan zien
wij dus dat de sterrenleer der ouden, n.l. de sterrenwichelarij, de
sterrenvergoding enzoovoorts, de exoterische vormen waren, waarin
de machtige wetten van den makrokosmos verzinnebeeld werden. De
sterrenleer was schoon en waar maar de kern was nog schooner en
machtiger.

Zoo kan ik mij dus denken, dat in de mysteriën verklaringen gegeven
werden van deze uiterlijke symbolen en sterrenleer en meer dan dat,
dat ook de leer der cyclussen, als de groote wet van de regeling van
den makrokosmos, daar werd geleerd en verklaard.

Als dit zoo is, zien wij in waarom de siderische cyclus zulk een groote
rol speelt in de theorieën over de Pyramide, en tevens waarom zulk een
nauw verband gezocht wordt tusschen de Pyramide en de sterrenkunde,
sterrenwichelarij en sterrengodsdienst in het algemeen.

H. P. Blavatsky zegt: "De slangen van wijsheid hebben hunne verslagen
goed bewaard, en de geschiedenis van de menschelijke evolutie staat
opgeteekend _aan de Hemelen_ zoowel als op _ondergrondsche muren_. De
menschheid en de sterren zijn onverbreekbaar verbonden, vanwege de
Verstandswezens, die de laatste besturen."

Zouden deze _ondergrondsche muren_ niet op muren van de Pyramidekamers
doelen? Ik denk van wel, want verder zegt H. P. Blavatsky dat Staniland
Wake gelijk heeft met te zeggen: "Het is onbetwistbaar dat de Zondvloed
in de legenden van Oostersche volkeren verbonden geweest is, niet
alleen met de _Pyramiden_, maar ook met de _sterreteekens_." Dit
schijnt rechtstreeks op het voorgaande te doelen.

Het is ook niet onnoodig op te merken, dat het volgens de Egyptische
denkwijze niet voldoende was de grondkrachten van het heelal te
kennen, benevens al de verschijnselen des hemels en de samenstelling
van de meest verwijderde zonnen. Ook was het niet mogelijk de
wetenschappelijke kennis zoodanig uit te breiden dat men door den wil
een bewerktuigde wereld scheppen kan uit de atomen van de peillooze
diepte, enkel en alleen door uitbreiding van het aanzicht van kennis
van het bewustzijn. Neen, niet alleen deze uitbreiding van het verstand
was voldoende tot inwijdingen in de mysteriën, en de afmetingen en
verhoudingen van het verborgen Huis werden niet verklaard zonder dat
hij die ingewijd wenschte te worden, _wijsheid_ had, de leeringen
van Thoth (den God der wijsheid) in zich had opgenomen.

Geen mensch kan de Godheid aanschouwen wanneer hij niet in de waarheid
onderricht is, ook kan niemand de inwijding ontvangen tenzij hij _dood_
voor het vleesch is.



HOOFDSTUK IX.

MYSTIEKE THEORIEËN II.


Aleer ik mij waag aan een verdere uiteenzetting van deze theorieën,
wil ik hier nogmaals uitdrukkelijk vermelden dat ik deze hier geheel
geef als _persoonlijke_ opvatting, en geenszins beweren wil, of
trachten het te bewijzen, dat deze de juiste is. Ik kan dan ook
hier slechts een beroep doen op het intuïtief gevoel van mijne
lezers bij het maken van gevolgtrekkingen uit de _feiten_, die ons
in ruime mate door verschillende schrijvers verschaft worden. Deze
opmerking is te meer noodig aangezien ik, hoewel de theorie van Adams
geheel volgende (en hoewel ik het in dezen volkomen met hem eens
ben) enkele onderdeelen meer in bijzonderheden kan uitwerken nu de
Theosofie ruimere en diepere begrippen over dergelijke zaken heeft
verspreid, doch hiermede tevens een zeer gevaarlijk terrein betreed,
waar het moeilijk is bewijzen aan te voeren die _wetenschappelijke_
waarde zouden hebben, omdat ik grootendeels persoonlijke opvattingen
moet geven en deze moet laten steunen op enkele aanwijzingen, in
de _Geheime Leer_ en andere Theosofische werken gegeven; en hoewel
deze natuurlijk voor mij en vele anderen grooter waarde hebben dan
menig geleerd wetenschappelijk betoog, kan ik hier nochtans niet van
een betrouwenswaardige theorie spreken: het is en blijft louter een
persoonlijke uitlegging van gegevens.

Thans het _Boek der Dooden_ ter hand nemend wil ik alvorens, over
te gaan tot het bespreken van de inwijding in de Groote Pyramide, er
nog aan toevoegen dat ik thans dit werk alleen in zooverre wensch te
volgen, als noodig is voor het verband met het onderwerp, _De Groote
Pyramide_, en dus niet op een bijzondere beschouwing van den tekst van
het werk zelf kan ingaan. Dit zou op zichzelf een te zware taak zijn.

In het _Boek der Dooden_ dan vinden wij allereerst enkele inleidende
hymnen, lofzangen op Ra, ontleend aan den papyrus van Ani. Volgens
de gewone opvatting werden deze hymnen over de mummie uitgesproken
door de priesters, om den doode in staat te stellen zijn "geestelijk
lichaam" naar den hemel te doen opstijgen. Mijn gevoelen hieromtrent
echter is dat de candidaat door het opzeggen van deze hymnen in een
soort trance-toestand kwam, en dat zijn hoogere lichamen hierdoor van
het grofstoffelijk lichaam of _khat_ bevrijd werden, daar de hoogere
inwijdingen niet plaats vonden in het stoffelijk lichaam, maar in
het astraal (_ba_ en _ka_) en in het oorzakelijk lichaam (_Sahu_.)

Gedurende deze ceremonie verliet dus Osiris (de ware mensch), in
zijn _Sahu_, de _khat_, waarna het fysiek lichaam in een mummiekist
geplaatst werd in een sarcofaag, in de crypt onder de pyramide. In deze
crypt werd het Nijlwater langs ondergrondsche kanalen gevoerd, zoodat
de sarcofaag geheel omringd werd door dit water dat tevens diende
als beveiliger tegen het indringen van invloeden van buiten in het
in trance verkeerende lichaam. De crypt waarin het lichaam geplaatst
werd, is waarschijnlijk nog lager gelegen dan de ondergrondsche kamer
in de pyramide.

De _Sahu_ wordt gezegd gedurende zijn verblijf buiten het lichaam
gehuld te zijn in een lichtgevend doorzichtig lichaam of _Khu_. Dit
_Khu_ schijnt mij toe de zoogenaamde _Augoeïdes_ te zijn, en aangezien
dit punt niet van belang ontbloot is, wil ik voor deze meening
eenige gronden aanvoeren. In Annie Besant's _Esoterisch Christendom_
lezen wij:


    Het glanspunt van de Mysteriën was wanneer de Ingewijde een God
    werd, hetzij door vereeniging met een goddelijk wezen buiten
    hemzelf, _of door de verwezenlijking van het goddelijk zelf_
    in hem. Dit werd genoemd vervoering en was een toestand van wat
    de Indische Yogi hooge Samâdhi zou noemen, waarbij _het grove
    lichaam in trance is_ en _de bevrijde ziel haar eigen vereeniging
    met het Groote Eene_ tot stand brengt. [72]


en Mead zegt:


    "Vervoering is niet een eigenlijk zoogenaamde eigenschap, zij is
    een _toestand_ van de ziel, die haar op zulk eene wijze vervormt,
    dat zij dan _waarneemt wat tevoren voor haar verborgen was_." [73]


In deze aanhalingen vinden wij mijns inziens hetzelfde weergegeven
als hetgeens Adams met betrekking tot de inwijding in de pyramide
uitdrukt in Egyptischen symbolischen zeggingsvorm.

Alvorens de kandidaat echter gekomen is tot het punt in zijn evolutie,
waarop wij hem thans denken om hem te kunnen volgen bij zijne inwijding
in de Pyramide, moet hij vele eigenschappen verkregen hebben, die hem
geschikt maken kandidaat voor deze mysteriën te worden, welke laatste
hem in hun derden graad willen maken tot een Christos, en het kan
nuttig zijn, alvorens het ritueel van het _Boek der Dooden_ bij de
Pyramide-inwijding te volgen, eerst na te gaan wat de weg is, dien de
kandidaat tot op dat oogenblik van zijn evolutie moet hebben afgelegd.

En hier nu zou ieder Br.·. Vr.·. mij geheel kunnen volgen indien hij
het slechts eens met mij was dat de mysteriën der Vrijmetselarij eene
weerspiegeling zijn op dit gebied van de inwijdings-ceremoniën, en dat
de kandidaat in het ritueel der symbolische graden op zinnebeeldige
wijze de verschillende stadiën der inwijding doorloopt. Want zegt
Annie Besant niet:


    "Voornamelijk werden zij (de kleine mysteriën) als nuttig beschouwd
    ten opzichte van het bestaan _na den dood_, daar de Ingewijde
    dat leerde wat zijn toekomstig geluk verzekerde." [74]


En is het niet duidelijk dat dit nut voor den kandidaat bewerkt werd
in het doorloopen van de symbolische reizen, die wel degelijk, volgens
mijne theorie, het doorloopen van het bestaan na den dood door de ziel
verzinnebeelden, al weet ik zeer goed dat bijna geen Br.·. dit met mij
eens zal zijn, en men mij zal zeggen dat het een gaan door dit leven
verzinnebeeldt. Zeer wel, maar dan beweer ik dat zijn reizen zeer wel
reden van bestaan vinden in een dusdanige zedelijke verzinnebeelding
van het leven, maar dat mijne opvatting van een hooger orde is. En dan
hebben wij beiden gelijk. H. P. Blavatsky maakt ook deze onderscheiding
en zegt dat er in die tijden was: een vrijmetselarij _in den tempel_
en een vrijmetselarij _in de Crypt_. [75]

Hoe dit zij, het is mijn vaste overtuiging dat de vrijmetselarij in
dien tijd als bedoeling had door hare symbolische en andere leeringen
verdedigers en kenners van den godsdienst te vormen en dat een meester
vrijmetselaar _in de crypt_ degene was, die de hoogste inwijding had
doorgemaakt en een Christos was geworden.

Echter is het hier niet de plaats op deze dingen in te gaan, doch
tot zoover had ik eene vermelding er van noodig, om er op te wijzen
dat de vrijmetselarij een verklaring van haar ritueel geheel moet
zoeken langs de hier aangegeven lijnen, om ten slotte in het ritueel
van het _Boek der Dooden_ haar hoogste uiting te vinden; en hoewel
ik, zooals ik reeds schreef, hier niet verder op wensch in te gaan,
ben ik gaarne bereid ieder Br.·. die belang stelt in deze theorie,
mijn gevoelen nader uiteen te zetten.

Geheel zonder steun van Theosofische zijde is de bewering, dat er eene
opeenvolging van mysteriën was in verschillende graden en scholen,
aleer eene inwijding in de Pyramide plaats vond, niet. Een goed
verstaander moet echter in dezen aan een half woord genoeg hebben,
daar eene uitlegging van de woorden licht te veel kan onthullen. Na
verschillende deugden en hare wijze van verkrijging beschreven te
hebben, schrijft Annie Besant in _Esoterisch Christendom_, blz. 30.


    Deze deugden waren noodig voor de Groote Mysteriën, daar zij
    betrekking hadden op het louteren van het ijle lichaam, waarin
    de ziel werkte, wanneer zij buiten het grove lichaam was. De
    gedrags- of praktische deugden behoorden tot het gewone leven van
    den mensch en werden tot op zekere hoogte vereischt alvorens hij
    een kandidaat kon zijn zelfs voor een zoodanige school als hierna
    beschreven wordt.


In deze aanhaling zien wij de vereischten die noodig waren om
als leerling aangenomen te worden. Ook in andere boeken wordt er
op gezinspeeld dat in die tijden een der vereischten voor _alle_
inwijdingen was dat men in het astraal lichaam werkzaam kon zijn.

Nu komt iets verder:


    ...Dan kwamen de zuiverende deugden, waardoor het ijle lichaam,
    dat van de aandoeningen en het lager denkvermogen, gelouterd werd.


Dit vond plaats gedurende de evolutie van den kandidaat als leerling.


    Ten derde de verstandelijke, die behoorden tot den augoeïdes of
    den lichtvorm van het verstand.


De ontwikkeling van deze eigenschappen kenmerkten den tweeden graad,
en ten slotte hebben wij:


    Ten vierde de bespiegelende of vóórbeeldige, waardoor vereeniging
    met God verwezenlijkt werd,--


kenmerkende het doorloopen van de laatste kenbare inwijding, waarbij
de volmaakte mensch als Christos wedergeboren wordt. Dat het mogelijk
is bij deze laatste inwijdings-ceremonie wederom een verdeeling in drie
graden te maken zooals Adams dit doet is mijns inziens volkomen logisch
wanneer wij aannemen, dat in een hoogere school eene herhaling plaats
vond van wat in de voorgaande scholen was geschied, en dat het nu op
een hoogeren trap plaats vond, terwijl dan de hoogste graad verder
opwaarts voerde.

Men kan uit deze gegevens tot de gevolgtrekking komen dat het lichaam
_Khu_, waarin Osiris verblijft vóór zijn vereeniging met God-Osiris,
hetzelfde lichaam moet zijn als dat hetwelk door de Theosofen Augoëides
genoemd wordt.

Thans kunnen wij ons een denkbeeld vormen van den kandidaat en zijn
evolutie tot op het oogenblik van zijn inwijding in de Pyramide, en
dat deze inwijding daar plaats vond kan (behalve de vele bewijzen die
wij vroeger reeds vermeldden) ook in het aangehaalde werk van Annie
Besant gevonden worden:


    Alleen zij konden erkend worden als kandidaten voor Inwijding,
    die reeds goed waren zooals menschen goedheid rekenen, volgens
    de gestrenge maat van de wet. Rein, heilig, zonder bezoedeling,
    zuiver van zonde, levende zonder overtreding--zoodanig waren
    enkele van de beschrijvende gezegden die omtrent hen gebruikt
    werden. Verstandig ook moeten zij zijn, met welontwikkeld en
    welgeoefend denkvermogen. De ontwikkeling die in de wereld leven
    na leven voortgezet wordt, het ontwikkelen en meester worden
    van de vermogens van het denkvermogen, de aandoeningen en den
    redelijken zin, het leeren door exoterische godsdiensten, het
    uitoefenen van plichtsvervulling, het streven anderen te helpen
    en op te heffen--dit alles behoort tot het gewone leven van een
    ontwikkeld mensch. Wanneer dit alles gedaan is, is de mensch "een
    goed mensch" geworden, de Chrêstos van de Grieken, en dit moet
    hij ook zijn vóór hij de Christus, de Gezalfde kan worden. Het
    exoterisch leven goed vervuld hebbende, wordt hij een kandidaat
    voor het esoterisch leven en vangt de voorbereiding tot Inwijding
    aan, hetgeen bestaat in het vervullen van zekere voorwaarden. De
    voorwaarden bepalen de eigenschappen die hij verkrijgen moet en
    terwijl hij hard werkt om deze te scheppen, zegt men soms van hem
    dat hij het Proefpad betreedt, het Pad dat tot de _Enge Poort_
    leidt, aan gene zijde waarvan de _Smalle Weg_ is, of het _Pad
    van Heiligheid_, de _Kruisweg_." [76]


En wanneer wij in verband hiermede lezen hetgeen H. P. Blavatsky in de
_Geheime Leer_ vermeldt, (reeds vroeger door ons aangehaald) namelijk:


    "En thans, in 1882, schrijft Staniland Wake het volgende:
    'De koningskamer... was waarschijnlijk de plaats waar de in te
    wijden persoon toegelaten werd nadat hij door de enge opwaartsche
    gang en de groote galerij met haar laag eindgedeelte was gegaan,
    hetgeen hem gaandeweg voorbereidde voor het slotbedrijf der
    Heilige Mysteriën.'

    Ware Staniland Wake een Theosoof geweest, dan had hij er
    wellicht aan toegevoegd, dat de enge opwaartsche gang, die naar
    de Koningskamer leidt, inderdaad een 'enge poort' had; dezelfde
    'enge poort' die 'tot het leven leidt', en dat het aan deze
    poort van den Tempel van Inwijding was dat de schrijver dacht,
    die de woorden opgeteekend heeft, welke naar beweerd wordt door
    een Ingewijde gesproken zijn." [77]


dan zal het duidelijk zijn dat de Christus-Inwijding inderdaad in de
Pyramide plaats vond; temeer waar er ook gezegd wordt:


    "Want Egypte is een van de wereldmiddelpunten der ware Mysteriën
    gebleven...." [78]


Wij kunnen thans overgaan tot eene beschouwing van het Ritueel van het
_Boek der Dooden_. De in trance verkeerende kandidaat werd geplaatst,
zooals wij reeds zeiden, in de kamer onder de Pyramide. Hij werd op
een kruis geplaatst, soms van den gewonen kruisvorm, soms van den vorm
van de Tau. Zijn handen werden met een touw bevestigd aan het kruis,
doch het eind van dit touw werd losgelaten, om aan te duiden dat de
kandidaat vrijwillig dezen figuurlijken kruisdood doormaakte. De doode
verliet thans in zijn "_ba_" of astraal lichaam zijn "_Khat_", en
ging buiten zijn lichaam de verschillende voorbereidende beproevingen
doormaken.

Wij moeten om deze na te gaan, opslaan hfdst. XVII van het _Boek der
Dooden_, waarvan de tekst luidt:


    (I) Hier begint de lof en verheerlijking van het uittreden en
    het ingaan tot de heerlijke onderwereld welke is in het schoone
    amentet, van het uittreden (II) bij dag in alle vormen van bestaan
    welke hem ["den doode"] behagen, van damspelen en in de zaal
    zitten en te voorschijn komen (III) als een levende ziel.


Zooals ik reeds zeide is het onmogelijk diep in te gaan op eene
volledige uitlegging dezer teksten; slechts de breede beteekenis er
van kan hier gegeven worden in verband met het geheel. Hier slaat de
tekst op een bekend feit. De kandidaat moest bij zijne inwijding eerst
afdalen in de onderwereld: hij "daalde neder ter helle". Belangrijk is
tot een juist begrip, hetgeen C. W. Leadbeater zegt in de _Christelijke
Geloofsbelijdenis_.


    "De formule door de beoefenaren van Atlantische Magie in overoude
    tijden aan de Egyptenaren overgeleverd, luidde aldus:

        'Dan zal de kandidaat op het houten kruis gebonden
        worden, hij zal sterven, begraven worden en
        nederdalen in de onderwereld; na den derden dag zal
        hij teruggebracht worden van de dooden en ten hemel
        worden opgenomen om de rechterhand te zijn van Hem
        uit Wien hij kwam, daar hij geleerd heeft de levenden
        en de dooden te besturen.'

    De hal der Inwijding was dikwijls onder den grond in een
    Egyptischen tempel--vermoedelijk vooral om hare ligging geheim te
    houden, ofschoon het ook bedoeld kan zijn als deel der symboliek
    van de nederdaling in de stof, die zulk een groote rol speelde in
    al die oude mysteriën. Het is mogelijk dat er een dergelijke hal
    _in of onder de Groote Pyramide_ was, want nog slechts een zeer
    klein deel dier ontzaglijke massa is onderzocht of zal denkelijk
    ooit onderzocht worden." [79]


C. W. Leadbeater vermeldt daarna hetgeen wij reeds zeiden omtrent
het binden op het kruis, en vermeldt tevens dat het lichaam dan in
"een nog lager gelegen gewelf" gebracht werd. Een ieder leze dit
gedeelte van het bedoelde werkje dus aandachtig na in verband met
deze verhandeling. Vooral ook hetgeen volgt op blz. 81-85. Een kort
overzicht van hetgeen daar gezegd wordt moge hier voldoende zijn voor
een juist begrijpen van hetgeen wij verder zullen vermelden.

De zoogenaamde "doode" bevond zich dus op het astrale gebied vol
leven en bewustzijn. Gedurende zijn verblijf aldaar moest hij vele
ondervindingen opdoen om hem tot een nuttig wezen in die wereld te
maken. Deze nederdaling in de onderwereld (Amentet) bij een inwijding
geschiedt opdat de kandidaat zal trachten aan de vele ongelukkigen op
dit lage astrale gebied (Kama Loka) hulp te brengen door hen te wijzen
op hunne kansen tot verbetering. Tevens moest volgens Egyptisch gebruik
de kandidaat gedurende deze "nederdaling ter helle" de zoogenaamde
aard-, water-, lucht- en vuurproeven ondergaan--_tenzij hij die reeds
in een vroeger stadium zijner ontwikkeling doorstaan had_. Hij leerde
dus dat geen dezer elementen hem deren kan in zijn astraal bestaan. Ook
moest hij om deze reden (en ook thans moet dit nog) de vreeselijkste
verschijningen in de afschuwelijkste omgeving ontmoeten om vertrouwd
te worden met alle omstandigheden dezer gebieden. Ziedaar het nut
van dit oude Egyptische ritueel.

De tekst van hfdst. XVII van het _Boek der Dooden_ zal nu duidelijk
zijn in algemeene trekken. Vele der voorafgaande hoofdstukken geven
hetzelfde weer, bijv. hfdst. Ib:


    (I) Het Hoofdstuk van het doen gaan van de Sahu [het Geestelijk
    Lichaam] in den Tuat [de Onderwereld] op den dag van de begrafenis,
    wanneer de volgende woorden moeten opgezegd worden (hier volgt
    een uitgebreide tekst, dien de lezer wel doet na te slaan in
    dit verband).


en hfdst. VIII:


    (I) Het Hoofdstuk van het gaan door Amentet [en het
    Tevoorschijntreden] bij dag.


en hfdst. IX:


    (I) Het Hoofdstuk van het tevoorschijntreden bij dag na den gang
    door het graf gedaan te hebben.


terwijl in hfdst. X ook gezinspeeld wordt op den strijd en de
moeilijkheden aldaar.

Een moeilijkheid doet zich echter voor, en geen oplossing is
daarvoor te vinden. C. W. Leadbeater spreekt van deze inwijding als
de Sotapatti-inwijding, terwijl alle andere gegevens er tot dusver
op duidden dat de Christus-inwijding zou hebben plaats gevonden in
de Pyramide. De Christus-inwijding is dan ook de _hoogste_ kenbare
inwijding, niet de Sotapatti-inwijding, welke laatste tot de kleine
Mysteriën behoort. Verwondering baart het dus dat C. W. Leadbeater
hier de Sotapatti-inwijding noemt de "hoogste" inwijding die in Egypte
plaats vond.

Dit laatste kan slechts het geval zijn wanneer wij spreken van Egypte
in zijn vervaltijd, doch niet toen het zijn grootsten bloei beleefde
en de Groote Mysteriën hun zetel hadden in de Groote Pyramide.

Zeer zeker zou licht gewenscht zijn op dit punt, doch geenszins zie
ik kans het dilemma op te lossen.


    (I) Nog een Hoofdstuk [dat opgezegd moet worden] door iemand
    die bij dag te voorschijn treedt tegen zijne vijanden in de
    Onderwereld.


Hetzelfde wordt weergegeven in de hoofdstukken XI (i), XII (ii), XIII,
en ik vermeen dat hfdst. XV een zegezang is na de overwinning en den
gelukkigen doorgang door de onderwereld.

Adams meent dat deze hoofdstukken den kandidaat medegedeeld worden
aleer hij in het "graf" daalt om hem voor te bereiden op hetgeen
hem wacht. Ook deze uitlegging is nu wel te aanvaarden indien men
veronderstelt dat al deze hoofdstukken op één persoon in denzelfden
tijd betrekking hebben. Doet men dit niet, dan is het eer aan te
nemen dat zij hetzelfde feit, namelijk het gaan naar de Onderwereld,
op verschillende wijzen beschrijven.

De verdere hoofdstukken van het _Boek der Dooden_ zijn aan geen
verschil van opvatting onderhevig. Hfdst. XVII beschrijft het gaan in
de Onderwereld zelf met een korte opsomming van de toetsen, vijanden
en gevaren, welke den doode wachten, en van hfdst. XVIII af kunnen
wij het doormaken der beproevingen volgen. Adams zegt dan ook:


    "De vrienden zijn verdwenen. De zon, die van zijn vroegste
    jaren af het ontwaken van den gestorvene begroet heeft, is voor
    altijd uit zijn gezicht verdwenen. De "Poort der Aarde" is hij
    doorgegaan; en de Kandidaat voor Wijsheid is de Strever naar
    Onsterfelijkheid geworden. Ondenkbare stilte heerscht rondom hem,
    een niet te begrijpen duisternis ligt voor hem. Maar onder de
    leiding van Anup, den gids der zielen, gaat hij door die Poort
    der Opstijging, waar het goddelijk licht den steen van het graf
    heft. 'Het is het gebied van zijn vader Shu (het Licht)', vervolgt
    het Ritueel: 'hij wascht zijne zonden weg, hij doet zijne wonde
    plekken verdwijnen'. Dan, wanneer de gestorvene in de duisternis
    voorwaarts treedt en onbevreesd het benedenwaartsche pad afgaat,
    onthult het innerlijk Licht, ongezien door het sterfelijk oog,
    zich in een visioen. Hij ziet de Onderwereld (hfdst. XVII) het
    gebied der Inwijding, den ingang tot de verborgen plaatsen, met
    betrekking tot welke de goddelijke Wijsheid hem geleerd heeft,
    dat het de plaats is 'waar hij moet binnentreden en van waar uit
    hij moet tevoorschijntreden', de veranderingen die hij begeeren
    moet door te maken opdat hij tot de gelijkenis van God vervormd
    moge worden, de goede werken die hij moet verrichten, de troon
    van de herschapen ziel, en het gezegende gezelschap van Osiris
    nadat het lichaam ter ruste gelegd is. In datzelfde visioen ziet
    hij ook den ingang van de Onderwereld, of Rusta, en verneemt dat
    het de noordelijke deur van het graf van Osiris is, terwijl de
    eenige ingang van de Pyramide de noordelijke ingang is. [80]


Symbolisch wordt dus het gaan in en het betreden van de
benedenwaartsche gang in de Pyramide beschouwd als het betreden van
de onderwereld. Wanneer het lichaam dan op de Tau geplaatst is in een
trance-toestand, vangt de beproeving op het astraal gebied aan, welke
gevolgd moet worden door de beproeving op het verstandsgebied, om te
worden bekroond door een geboorte op het Buddhisch gebied, terwijl de
lichamen door verschillende transformaties geschikt worden gemaakt om
dit schitterend Buddhisch beginsel ten slotte op te nemen. Dit alles
zullen wij vinden in het ritueel van het _Boek der Dooden_ en met
dezen voortgang der Inwijding gaat eene verplaatsing van het stoffelijk
lichaam gepaard langs den symbolischen weg in de Pyramide. Den tekst
van hoofdstuk XVII vermeldden wij reeds, als te kennen gevende wat den
kandidaat te wachten staat in die onderwereld. Het zal echter niet
wel mogelijk zijn het ritueel te volgen door hoofdstuk na hoofdstuk
in verband daarmede aan te halen, want evenals dit in onzen _Bijbel_
het geval is, werd door de samenstellers van het _Boek der Dooden_
natuurlijk geenszins deze opvatting van den tekst gehuldigd, en is
deze op eene schromelijke manier dooreengeward. In dezen tekst zijn
n.l. door elkaar heen te vinden:


(a) het doorloopen van de inwijding volgens het Egyptische ritueel.

(b) de verklaring van den hierofant aan de leerlingen van het
ritueel zelf.

(c) de verklaring van de inwijding van den kandidaat als
verzinnebeeldende de nederdaling van den Logos in de stof.

(d) de verklaring van verschillende leeringen van den exoterischen
godsdienst, als daar zijn reïncarnatie, de drievoudige, zevenvoudige en
meervoudige samenstelling van den mensch, zijn verband als mikrokosmos
tot den makrokosmos, enz.


Wij zien dus dat het op zichzelf heel wat studie en zeer veel kennis
zou vorderen om het _Boek der Dooden_ aldus te ontleden, en het kan dus
thans ook niet mogelijk zijn dit te dezer plaatse in een kort bestek
te doen in verband met ons onderhavig onderwerp. Ik wenschte er echter
alleen op te wijzen, daar anders mijn aanhalingen uit de verschillende
hoofdstukken van het _Boek der Dooden_ zonder een bepaalde volgorde
eenigszins willekeurig zouden gelijken. Bij een juist denkbeeld van
de samenstelling van het werk valt deze willekeurigheid weg.

Tot beter begrip van enkele gebeurtenissen in het ritueel is het niet
onnoodig het volgende op te merken. Er wordt in enkele gedeelten
van het ritueel veel gesproken over de "krokodil" en veel over het
"hart". Het is natuurlijk steeds in symbolische beteekenis dat deze
woorden gebruikt worden. De "krokodil" beteekent in de meeste gevallen
Manas, het Denkvermogen en wordt dan gewoonlijk beschouwd als vijand
van den _werkelijken_ mensch Osiris, als trachtende hem te bewegen
tot afscheiding, de gevaarlijkste eigenschap van den "vijfpuntigen"
mensch. De vijfpuntige ster, het symbool van den mensch gereed voor
inwijding, gaf aanleiding tot het ontstaan van het krokodil-symbool,
namelijk door de vijf uiteinden van voorpooten, achterpooten en
staart. Soms is deze krokodil voorgesteld als draak en in enkele
gevallen als visch.

Het "hart" is het reïnkarneerende beginsel of het ware Ego, het
zoogenaamde "voorouderlijke hart".

In verband met deze diepgaande symbologie is het voor den studeerende
zeer belangrijk, na te gaan hetgeen H. P. Blavatsky in dit verband
zegt in de _Geheime Leer_ I, 288, 289. Zooals ik reeds opmerkte vindt
men in het _Boek der Dooden_ vele dooreenstrengelen van verschillende
leeringen, doch ook de ritueelen van verschillende inwijdingen zijn aan
elkander vastgeknoopt of onderling verward. Zoo is bijvoorbeeld het
begraven in een mummiekist en het gaan in de onderwereld een eerste
inwijding en dit komt overeen met hetgeen thans in symbolischen vorm
in den leerlingsgraad der Vr.·. M.·. doorloopen wordt, volgens mijn
vroeger reeds vermelde opvatting, namelijk het gaan door den dood
en het bekend worden met de werelden aan gene zijde des grafs, het
bekend worden met astrale en devachanische toestanden, het bevriend
raken met de elementalen dier gebieden, enz. Vandaar bijv. de offers,
en het graan dat medegegeven werd in de mummiekist. De astrale
tegenhangers daarvan kon hij hun als offers aanbieden. Later werd dit
gebruik voortgezet bij de werkelijke dooden, hoewel waarschijnlijk
de redenen, die er aanleiding toe gaven, reeds vergeten waren; doch
wie weet hoeveel nut de afgestorvenen er aan gene zijde van hadden!

Dit gaan in de onderwereld en deze inwijding is natuurlijk volstrekt
niet die waarover wij reeds spraken als de Christus-inwijding,
waarbij de kandidaat op de Tau geplaatst werd. Bovendien had deze
lagere inwijding veelvuldig en ook in vele andere tempels en pyramiden
plaats. De inwijding waarover wij in een volgend hoofdstuk zullen
handelen in verband met de groote Pyramide, aan de hand van het
_Boek der Dooden_, is die inwijding welke als eindzege de geboorte
van het Buddhisch lichaam had en symbolisch de uitstorting van den
Logos verzinnebeeldde in het bouwwerk dat symbolisch zijn veld van
werking voorstelde, namelijk ons zonnestelsel.



HOOFDSTUK X.

MYSTIEKE THEORIEËN. (SLOT.)


Wij zullen nu trachten den kandidaat bij zijn inwijding in de Groote
Pyramide te volgen, en daar wij enkele gedeelten van het ritueel
van het _Boek der Dooden_ in verband met deze inwijding in een vorig
hoofdstuk reeds toelichtten, is het thans mogelijk om zonder verdere
uitweiding over onderdeelen het geheel dezer inwijding te volgen.

Adams beweert dat het mogelijk is den kandidaat bij deze inwijding door
de geheele Pyramide heen stap voor stap te volgen. Dit schijnt mij een
eenigszins gewaagde opmerking om algemeen te worden aangenomen. Indien
men de theorie op gevoelsgronden aanneemt is het wel duidelijk
dat men tot deze conclusie komt, doch door iemand die de theorie
kritisch beschouwt, zou deze opmerking zeer zeker niet onderschreven
worden. Zooals wij reeds zagen is in de hoofdstukken I-XVII een soort
inleiding belichaamd tot het eigenlijk ritueel; van hoofdstuk XVIII
af wordt de kandidaat onderworpen aan beproevingen en maakt hij de
inwijding door; het "Doorbrengen der Dagen" neemt een aanvang. Nadat de
"doode" geplaatst is in de onderaardsche crypt, worden zekere mantrams
over hem uitgesproken en ik meen dat dit gedurende den eersten tijd
van de inwijding enkele malen geschiedde over het beweginglooze en
schijnbaar levenlooze lichaam. Zulke mantrams vinden wij weergegeven
in de hoofdstukken XVIII, XIX en XX. In hoofdstuk XVIII lezen wij o.a.:


    Wanneer dit hoofdstuk opgezegd wordt, zal de doode te voorschijn
    treden bij dag, gelouterd na den dood en [hij zal] al de
    vervormingen [doormaken] die zijn hart zal voorschrijven. Indien
    dit hoofdstuk over hem opgezegd wordt, zal hij op aarde te
    voorschijn treden, hij zal aan alle vuur ontkomen; en geen
    enkele van de slechte dingen die hem [toebehooren] zullen hem in
    eeuwigheid en altijd en altijd belemmeren.


In hoofdstuk XIX wordt gesproken over het plaatsen van talismans op
het gelaat van den doode, over het branden van wierook en het plaatsen
van offeranden; terwijl dan merkwaardig is het volgende:


    [Dit hoofdstuk] moet door u tweemaal opgezegd worden bij
    het aanbreken van den dag--nu is het een nimmer falende
    bezwering--regelmatig en voortdurend.


Hoofdstuk XX moet blijkbaar eveneens als mantram opgevat worden.

In de eerstvolgende hoofdstukken wordt daarna beschreven wat
intusschen met het astraallichaam plaats vindt, en wel in de eerste
plaats hoe het astraal _bewustzijn_ begint te werken en hoe het ego
in het astraallichaam handelen kan. Zoo spreekt hoofdstuk XXII van
het "openen van den mond", terwijl in XXIV en XXV vermeld wordt hoe
het denkvermogen weder begint te werken in dit nieuwe astrale leven;
wij lezen n.l.:


    Het Hoofdstuk over: een mensch geheugen te doen bezitten in
    de onderwereld.


Eindelijk komt in hoofdstuk XXVI het "hart" wederom terug tot
Osiris en wij lezen er in hoe de kandidaat daarna kan werken in zijn
astraallichaam. Een gedeelte van dit hoofdstuk haal ik daarom aan:


    ....."Moge mijn mond mij [gegeven worden], opdat ik daarmede kan
    spreken; en mijn beide beenen om daarmede te wandelen, en mijn
    twee handen en armen om mijn vijand neer te werpen. Moge de deur
    van den hemel mij geopend worden; moge Seb, de Vorst der Goden,
    zijn beide kaken wijd voor mij openen; moge hij mijn beide oogen,
    welke geblinddoekt zijn, openen; moge hij zorgen dat ik mijne
    beide beenen van elkander uitstrek welke tezaam gebonden zijn; moge
    Anubis mijne dijen zoo stevig maken dat ik er op staan kan. Moge
    de godin Sekhet mij doen opstaan zoodat ik ten hemel kan stijgen,
    en moge datgene gedaan worden wat ik beveel in het Huis van de _Ka_
    van Ptah (Memphis). Ik begrijp mijn hart. Ik heb heerschappij
    over mijn hart verkregen, ik heb macht over mijn beide handen,
    ik heb macht over mijne beenen, ik heb wederom macht om te doen
    wat mijn _Ka_ gelieft. Mijn ziel zal niet gebonden zijn aan mijn
    lichaam bij de poorten der onderwereld; maar ik zal in vrede
    binnentreden en in vrede te voorschijn komen."


Thans komen de beproevingen en gevaren. De kandidaat ziet in zijn
astraal bewustzijn de vijanden die hem tegenhouden, n.l. zijn
hartstochten, die zich in allerlei vormen aan hem opdringen, en
trachten hem te vernietigen, van zijn doel af te leiden of op den
verkeerden weg te brengen. Eenige hoofdstukken spreken zelfs van "het
wegnemen van het hart van Osiris". Blijkbaar doelt dit op het gevaar
van een kandidaat, die bewust op het astraal gebied werken kan, om
af te dwalen in de paden der zwarte magie, waarbij ten slotte zijn
"ego" losgescheurd zou worden uit de lagere lichamen. Een groote
vijand van hem is hier ook de "krokodil", d.w.z. het denkvermogen.

In de hoofdstukken XXVII-XXXII vinden wij dan voornamelijk beschreven
hoe de kandidaat zijne hartstochten onder de oogen moet zien en
toonen moet dat hij ze overwonnen heeft; blijkbaar blijven ze,
doch onderworpen aan den wil van den Osiris-mensch, en niet als zijn
heerschers. Van een moeilijker strijd wordt verhaald in de hoofdstukken
XXXIII-XLI, en wel van den strijd tegen het denkvermogen, dat een
kandidaat op allerlei wijzen van zijn doel tracht af te leiden. Ook
is hier sprake van magische of ordewoorden, die den kandidaat kunnen
helpen. De strijd schijnt bemoeilijkt te worden door "slangen". Ik
vermoed dat deze eene voorstelling zijn van de leidende hierofanten,
die de standvastigheid van den kandidaat beproefden; wij moeten
dus geen werkelijke vijanden in deze slangen zien, maar slechts
schijnbare. Dit zou ook verklaren waarom bij het einde van dit deel
der inwijding in hoofdstuk XLII een vignet staat, waarin de "doode"
een koord heeft om het bovenste deel van een _tet_, wat volgens
Naville het zinnebeeld van standvastigheid is.

Thans schijnt een tweede gedeelte van de astrale beproevingen aan
te vangen om zijn zelfbeheersching te toetsen; er wordt n.l. veel
gesproken over het wegnemen van zijn hoofd, het vergeten der magische
woorden enz., terwijl ook nieuwe vijanden zich in allerlei gedaanten
aan hem opdringen. Van zijn astraallichaam wordt echter gezegd dat het
gelouterd is in het "water" der onderwereld, en schoon en schitterend
geworden is. Niettemin wacht hem bij gebrek aan zelfbeheersching en
standvastigheid de dood door de schepselen der duisternis (XLIII-LI).

Wanneer wij thans weder verband zoeken met de groote Pyramide in dit
ritueel van inwijding, is het waarschijnlijk dat het lichaam van den
kandidaat opwaarts gebracht werd naar de zoogenaamde "Put", terwijl
daarna (in het derde gedeelte van de astrale inwijding) het ego van
den kandidaat _wetend bewust_ werd van zijn goddelijke afkomst. Adams
spreekt van dit bewustworden van den kandidaat van zijn goddelijken
oorsprong als "de tweede geboorte". Dit schijnt mij wel eenigszins
voorbarig, aangezien de tweede geboorte zelf het slot van de geheele
inwijding vormt.

Enkele hoofdstukken duiden blijkbaar op de water- en vuurproef van
het astraal gebied; zoo lezen wij o.a. in hoofdstuk LXIIIa:


    Het hoofdstuk van het water drinken en het niet door vuur verbrand
    worden in de onderwereld.


Hoofdstuk LXIV zinspeelt op het welslagen van den kandidaat na de
verschillende astrale beproevingen en geeft hem onderricht. Zoo
lezen wij:


    "Ik ben Gisteren, Heden en Morgen en [ik heb de macht] een tweede
    maal geboren te worden..." "Ik ben de Heer van de menschen die
    opgeheven worden, [de Heer] die uit de duisternis komt, en wiens
    vormen van bestaan die zijn van het huis waarin de dooden zijn".


Vooral de laatste uitdrukking past zeer wel in onze theorie. Indien
de hierofant hier de spreker is, vertegenwoordigt hij als zoodanig de
Logos; het huis dat den vorm van diens bestaan bevat is de Pyramide;
de dooden zijn de in-te-wijden kandidaten.

Terwijl nu het astrale lichaam rust verkrijgt, vangt de beproeving in
het verstandslichaam aan. Deze regeneratie van het verstandslichaam
vindt plaats nadat het in trance verkeerende lichaam in de zoogenaamde
Koninginnekamer geplaatst is. Dit tweede gedeelte van de inwijding
is moeilijk te volgen, zelfs in het _Boek der Dooden_, niet omdat het
er niet beschreven staat, maar omdat wij er zoo weinig van begrijpen
kunnen.

In hoofdzaak schijnt dit tweede gedeelte der inwijding te bestaan
uit het doormaken van zekere beproevingen, die de rijpheid van het
oorzakelijk lichaam zullen bevorderen, opdat de geboorte in het
Buddhisch lichaam vergemakkelijkt worde.

Uitvoerig wordt daarna beschreven hoe, na de tweede periode der
inwijding, Osiris tot het lichaam terugkeert. Hij is namelijk
zoo schitterend geworden dat "het lichaam verteren zou door den
glans", en vandaar dat er verschillende transformaties moeten
plaats vinden, voordat het lichaam weder bezield kan worden. In de
hoofdstukken LXV-LXXV worden de wedergeboorte en de terugkeer tot
het lichaam beschreven, terwijl in de hoofdstukken LXXVII-LXXXVII de
verschillende transformaties beschreven worden, alles in symbolischen
vorm natuurlijk. Het goddelijk Ego hult zich dus in een Khaibit
of licht-dampkring (aura), bestaande uit een reeks etherische
omhullingen, die het schitterend licht van de Ikheid temperen en
vatbaar maken, om opgevangen te worden door het aardsche lichaam. De
vorm die het eerst aangenomen wordt is die van de gouden wolk, het
symbool van den Eeuwige; daarna heeft eene vervorming plaats, welke
symbolisch voorgesteld wordt door het hoofd van Osiris in een lotus,
de Godheid geopenbaard in de onbevlekte stof; vervolgens wordt de
slangvorm aangenomen, duidende op de verkregen wijsheid, terwijl ten
laatste het Ego wedergekeerd is in het lagere verstand en als symbool
daarvan den krokodil-vorm aanneemt. Adams merkt met betrekking tot
het krokodil-symbool in den vorm van vijand zoowel als in den vorm
van goddelijke belichaming het volgende op:


    "Want daar de menschelijke hartstochten deel uitmaken van de
    natuur waarin de mensch oorspronkelijk geschapen werd, zijn
    zij niet uitteraard slecht, maar worden slecht wanneer zij niet
    onderworpen zijn aan de ziel. En aldus wordt de krokodil, die den
    "doode" aanviel vóór de wedergeboorte, goddelijk in den nieuwen
    vorm. Daarom werd de krokodil in hoog aanzien gehouden bij de
    Egyptenaren, want deze sprak hun van den tijd waarop de mensch
    heerschappij over zijne hartstochten zou hebben verkregen en
    waarop de laatste hinderpaal tusschen hem en zijn verheerlijkte
    ziel weggenomen zou zijn."


De vereeniging van ziel en lichaam na het tweede gedeelte der inwijding
vindt plaats in de hoofdstukken LXXXIX-XCIII.

Het is echter niet goed mogelijk den kandidaat in werkelijkheid
in de Pyramide te volgen, zooals Adams dit doet en wel hoofdstuk
na hoofdstuk. Zoo zou in dit laatste gedeelte der inwijding de
"ziel" wedergeboren worden in de Koninginnekamer, en het lichaam zou
wachten op den bodem der "put". Daarna zou de ziel nederdalen tot het
lichaam. Der fantasie is hier te veel spel gelaten. Meer waarschijnlijk
is wel, dat het in trance verkeerende lichaam eerst onder den grond,
en daarna in de Koninginnekamer werd gedragen. Het laatste gedeelte der
inwijding (3 dagen en 3 nachten) werd doorgebracht in de Koningskamer.

Wanneer wij dus uit het rijk der fantasie van Adams treden en zien
wat werkelijk plaats vond met den kandidaat, zooals H. P. Blavatsky
ons dit mededeelt, dan moeten wij den bouw van het inwendige der
Pyramide louter als den symbolischen weg opvatten en niet letterlijk
den kandidaat gedeelte na gedeelte laten doorloopen in gelijken tred
met den voortgang zijner inwijding op hoogere gebieden. De symboliek
van het bouwwerk moet geheel gezocht worden in de getalwaarden
van de verhoudingen der afmetingen, en deze getalwaarden vormen de
symboliek, waarin de voortgang van den kandidaat in zijn evolutie
wordt voorgesteld. Zooals wij reeds vroeger betoogden, is de Groote
Pyramide een stoffelijk symbool van den Zonne-Logos. De mensch
nu volbrengt zijn evolutie binnen het veld van den Logos, legt een
zekeren weg af in het lichaam van dien Logos (vandaar het symbool van
den dierenriem als de baan der evolutie). Gedurende de inwijding nu
legde de kandidaat dezen weg wederom af in het bouwwerk, dat dit
"lichaam" verzinnebeeldt en dus op symbolische wijze: naarmate
zijn inwijding vorderde, moest hij zich in een ander gedeelte van
de Pyramide bevinden, om ten slotte het einddoel te bereiken in de
Koningskamer, "het hart". Op zijn pad leidden hem de Hierofanten, die
hem telkens, na doorstane beproevingen op andere gebieden, leering
gaven door hem de symbolische beteekenis van den afgelegden weg te
verklaren. Aldus werd een kennen van het inwendige van "het Huis",
een kennen van fundamenteele kosmische waarheden.

In het derde gedeelte van zijne inwijding onderging de kandidaat
blijkbaar zeer zware beproevingen en werd hij door het college van
Adepten ten nauwste getoetst. Naar ik meen is dit weergegeven in
het tooneel, bekend als "het wegen van het hart" van Ani. Dit zou
dan gelezen moeten worden als een onderzoek naar den staat van het
oorzakelijk lichaam; of alle kiemen van kwaad daar uitgeroeid zijn.

Het zou ons echter blijkbaar te ver voeren en ons zeker de grenzen van
deze verhandeling verre doen overschrijden, indien wij de symboliek van
het ritueel van het _Boek der Dooden_ in zijn geheel zouden trachten
na te gaan. Zulks vormt een onderwerp op zichzelf, waarop ik in een
later werk hoop terug te komen.

Het eindstadium van de inwijding had plaats in de Koningskamer
en wordt in vele werken aangehaald als "het mysterie van het
open graf". Het lichaam van den kandidaat zou namelijk geplaatst
worden in de sarcofaag, om de laatste dagen der inwijding daar te
verblijven. H. P. Blavatsky zegt dat dit werkelijk het geval was en
dat op dit stadium der inwijding de kandidaat Osiris het mannelijk
of scheppende beginsel in den Kosmos voorstelde en de sarcofaag het
vrouwelijk beginsel, aldus de nederdaling van den Logos in de stof
verzinnebeeldende. Veel kan men in verband met dit gedeelte van ons
onderwerp vinden in Gerald Massey's _The Natural Genesis_.

Nadat de kandidaat op hoogere gebieden wederom zijn "Pad" beëindigd
had, werd hij op den morgen van den laatsten dag zijner inwijding
op het kruis uit de koningskamer gedragen en aldaar zoo geplaatst,
dat de zonnestralen door een luchtkanaal op zijn voorhoofd vielen en
hem deden ontwaken als een der Ingewijden.

Een schoon symbool van dit ontwaken wordt ons gegeven in _Records
of the Past_ deel XII blz. 77, waarin wij zien dat op een zalfvaas
van Osor-Ur, de godin Nout het water des eeuwigen levens op den doode
stort. De beste bron om iets te weten te komen omtrent hetgeen plaats
vond, is echter de _Geheime Leer_, en ik wil mijne verhandeling over
dit onderwerp dan ook eindigen met mede te deelen wat H. P. Blavatsky
ons in dit werk mededeelt met betrekking tot de Inwijdingen die in
verband stonden met de Pyramide.

In de _Geheime Leer_, Deel II, blz. 689, lezen wij:


    "De ingewijde Adept, die met goed gevolg alle beproevingen
    doorstaan had, werd _gehecht_, niet _genageld_, maar eenvoudig
    gebonden aan een bank, die in Egypte den vorm van een Tau, T in
    Indië die van een swastika zonder de vier verlengstukken (+,
    niet [swastika]) had, en _in een diepen slaap gedompeld_, 'den
    slaap van Silvam', zooals die tot heden nog onder de Ingewijden
    in Klein-Azië, Syrië en zelfs Boven-Egypte genoemd wordt.

    Hij werd _drie dagen en drie nachten_ in dien toestand gelaten,
    gedurende welken tijd zijn Geestelijk Ego, naar het heet, _zich
    'gemeenzaam' met de 'Goden' onderhield_, nederdaalde naar den
    Hades, Amenti of Pâtâla--naar gelang van het land--en liefdewerken
    voor de onzichtbare Wezens verrichtte, hetzij dat Zielen van
    menschen of Elementale Geesten waren; terwijl zijn lichaam al
    dien tijd in een _tempelcrypt of in een onderaardsche grot_ bleef
    liggen. In Egypte werd het in de _Sarcophaag in de Koningskamer
    van de Pyramide van Cheops_ en in _den nacht van den naderenden
    derden dag naar den ingang van een galerij gedragen, waar op
    zeker uur de stralen van de opgaande Zon ten volle op het gelaat
    van den in trance verkeerenden Candidaat vielen, die ontwaakte om
    door Osiris en Thoth, den God van Wijsheid, ingewijd te worden_."


In deze aanhaling cursiveerde ik de gedeelten die de bevestiging geven
van onze voorafgaande theorie omtrent inwijding in de Pyramide. In
de eerste plaats wordt hier duidelijk gezegd dat de inwijding er
werkelijk plaats vond, in de tweede plaats dat de ziel gedurende den
trance-toestand van het lichaam zich in Amenti bevond, terwijl ten
slotte ook de ontwaking op het kruis hier nagenoeg onveranderd gegeven
wordt. Nog kunnen wij hier een bevestiging vinden van onze stelling
dat Thoth-Hermes de hoogste Hierofant was bij die inwijdingen en
als gezant der Godheid het wijsheidsaanzicht vertegenwoordigde. Wij
haalden reeds aan eene beschrijving van de voorstelling van het
ontwaken van den kandidaat, zooals die gegeven wordt op de zalfvaas
van Osor-Ur. H. P. Blavatsky haalt in dit verband een voorbeeld aan
van eene voorstelling in _bas-relief_ op den tempel te Philae. Zij
zegt dat deze voorstelling inderdaad een tooneel uit die inwijding is.


    "Twee Goden-Hiërophanten, een met den kop van een valk (de
    Zon), de ander met den kop van een ibis (Mercurius, Thoth,
    de God van Wijsheid en Geheime Kennis, de machtsbekleeder van
    Osiris-Zon) staan gebogen over het lichaam van een zoo juist
    ingewijd Candidaat. Zij zijn bezig een dubbelen stroom 'water'
    (het Water des Levens en der Nieuwe Geboorte) over zijn hoofd
    uit te gieten; de stroomen ontmoeten elkaar in den vorm van een
    kruis en zijn vol kleine _ansatakruisen_. Dit is een allegorie
    van het ontwaken van den Candidaat, die thans een Ingewijde is,
    als de stralen der morgenzon, Osiris, de kruin van zijn hoofd
    treffen, terwijl zijn in trance verkeerend lichaam op de houten Tau
    gelegd was om die stralen te kunnen opvangen. Daarna verschenen
    de Hiërophanten-Inwijders en werden de sacramenteele woorden
    uitgesproken, schijnbaar tot den Zon-Osiris, doch in werkelijkheid
    tot de innerlijke Geest-Zon gericht, die den nieuw-geboren mensch
    verlicht. [81]


Dit ontwaken is, naar ik vermeen, in het _Boek der Dooden_ weergegeven
in hoofdstuk CLXVIII, genaamd het hoofdstuk der offeranden. Vele
goden storten hun vaas uit over den "doode", d.w.z. deelen hem hunne
kennis mede.

Nog een belangrijk punt kunnen wij in de _Geheime Leer_ bevestigd
vinden, nl. dat de kandidaat als Osiris in het gebouw, dat het
stoffelijk symbool van Osiris-Zon (Logos) was, dezen laatste
verzinnebeeldde in zijn uitstorting. Wij kunnen dit begrijpen wanneer
wij de volgende aanhalingen aandachtig bestudeeren.


    "....en het is op deze 'kennis' dat het programma van de Mysteriën
    en van de reeks Inwijdingen gegrond was; daaruit vloeide _de
    bouw van de Pyramide_ voort, _de blijvende oorkonde en het
    onvernietigbare symbool_ van deze Mysteriën en Inwijdingen op
    aarde, gelijk de banen der sterren zulks aan het Uitspansel
    zijn. De cyclus van Inwijding was eene nabootsing op kleine
    schaal van die groote reeks cosmische veranderingen, waaraan
    sterrenkundigen den naam van Tropisch of Siderisch Jaar gegeven
    hebben. Evenals de hemellichamen bij het einde van den cyclus
    van het Siderisch Jaar (25.868 jaren) onderling dezelfde positiën
    innemen als bij het begin daarvan, zoo heeft de Innerlijke Mensch
    bij het einde van den cyclus van Inwijding den oorspronkelijken
    toestand van goddelijke reinheid en kennis weder bereikt, dien hij
    verliet toen hij den cyclus van aardsche belichaming aanving." [82]


Deze verzinnebeelding van den cyclus der Inwijding in het bouwwerk der
Pyramide is alleen duidelijk voor hen, die de symboliek van getallen en
verhoudingen begrijpen. Wij gaan daarop hier dus niet in, doch duiden
alleen den weg aan om deze symboliek te doorgronden. Dat de kandidaat
bij zijn inwijding op zijn "reis" door het bouwwerk een weg doorliep,
die symbolisch dezen cyclus voorstelde, wordt ons nog duidelijker
door de volgende aanhaling, waaruit wij tevens wederom zien dat de
hemelsche tempel (de tempel van Salomo) verzinnebeeld was in de Groote
Pyramide en ook in alle latere Vrijmetselaarstempels. Wij lezen dan:


    "Mozes, een Ingewijde in de Egyptische Mystagogie, grondde de
    godsdienstige mysteriën van het nieuwe volk dat hij schiep, op
    dezelfde, van dezen Siderischen Cyclus afgeleide, abstracte
    formules, verzinnebeeld door den vorm en de afmetingen
    van den Tabernakel, dien hij, naar men veronderstelt, in de
    woestijn bouwde. Op deze gegevens grondden de latere Joodsche
    Hoogepriesters de allegorie van den Tempel van Salomo--een gebouw
    dat in werkelijkheid nooit bestaan heeft, evenmin als Koning
    Salomo zelf, die evenzeer een zonnemythe is als de nog latere
    Hiram Abif der Vrijmetselaars, hetgeen Ragon zoo duidelijk
    aangetoond heeft. Indien derhalve de afmetingen van dezen
    allegorischen Tempel, het symbool van den cyclus van Inwijding,
    overeenstemmen met die der groote Pyramide, is dat een gevolg
    daarvan dat eerstbedoelde door middel van den Tabernakel van
    Mozes aan laatstbedoelde ontleend zijn." [83]


Diep in te gaan op deze aanhalingen is onmogelijk zonder een grondig
begrip van de symboliek van getallen, zeide ik reeds, doch voor hem
die er meer van zou willen weten, vermeld ik dat hij de oplossing
zal vinden in _The Source of Measures_ van Ralston Skinner, want
H. P. Blavatsky herhaalt dat de schrijver _een_ en zelfs _twee_ der
sleutels tot deze symboliek in verband met de Inwijding, de Pyramide
en den Tabernakel gevonden heeft.

Uit het voorgaande kunnen wij dus lezen, dat de _cyclus van Inwijding_
eene symbolische voorstelling was van de nederdaling van den Logos
in de stof, en dan werd bij eene Inwijding in de Groote Pyramide
die verzinnebeelding volmaakter, daar het bouwwerk deze stof
verzinnebeeldde in haar openbaring als geopenbaard zonnestelsel.

In verband met de verzinnebeelding van de nederdaling van den Logos
is wederom een aanhaling uit de _Geheime Leer_ ons zeer behulpzaam om
ons te doen zien dat het _Boek der Dooden_ ook van deze nederdaling
verhaalt:


    "Er zijn _vijf_ Krokodillen in den Hemelschen Nijl, en de God Toem,
    de Oergod, die de hemellichamen en levende wezens schept, doet
    deze Krokodillen in zijn _vijfde_ 'schepping' ontstaan. Wanneer
    Osiris, de 'Doode Zon' begraven is en Amenti binnentreedt,
    duiken de heilige krokodillen in den afgrond der oer-Wateren,
    de 'Groote Groene'. Wanneer de Zon des Levens opgaat, duiken zij
    weder uit de heilige rivier op. Dit alles is diep zinnebeeldig en
    laat zien hoe oorspronkelijke esoterische waarheden in dezelfde
    symbolen hun uitdrukking vonden." [84]


Verder toont H. P. Blavatsky aan dat het getal _vijf_ hier ook in
verband met de inwijding zeer symbolisch is, en duidde op de "vijf
woorden" (Zama Zama Ôzza Rachama Ôzai, vertaald als het kleed, het
schitterend kleed van mijne kracht). Deze woorden waren wederom
het symbool van vijf krachten, welke vijf krachten voorgesteld
waren op het kleed van den "wederopgestanen" kandidaat na de
laatste beproeving van zijn driedaagsche trance; terwijl de _vijf_
eerst _zeven_ werden na zijn "dood", als wanneer de Adept de volle
Christos werd. Hierin wordt dus duidelijk gezegd dat het eind van
deze inwijding leidde tot het Christus-zijn, en overeenkomt met de
derde inwijding der Vrijmetselaren. Hiram Abif is in dit verband het
mystieke Christuswoord, en "de dood van den Meester" is de trance
waaruit eene wederopstanding als "Meester-Metselaar" of Christos,
"Meester-Bouwer van den godsdienst" plaats had.

Nog is het eigenaardig, te lezen dat de God met den krokodillenkop
in het _Boek der Dooden_ dezelfde is als de Indische Makara of Mâra,
en dat deze de god is van de duisternis of den dood, doch slechts
in den zin van dood voor alles wat physiek is, en eigenlijk is Mâra
of de god met den krokodillenkop, de onbewuste versneller van de
geestelijke geboorte. Vandaar dat na den dood in _vijf_ lichamen de
herrijzenis plaats vindt in _zeven_ lichamen. [85]

Doch hoe verleidelijk het onderwerp is, ik moet eindigen; veel meer zou
te zeggen zijn over de inwijding zelf en in verband met het _Boek der
Dooden_. Dit vormt evenwel een op zichzelf staand onderwerp. Echter
hoop ik dat deze onvolledige en in vele opzichten tekort schietende
behandeling van een grootsch onderwerp enkelen moge opgewekt hebben
dieper in te gaan op de vele punten die hierin ter bestudeering
zijn aangegeven.



APPENDIX.



OVERZICHT VAN DE VOORNAAMSTE AFMETINGEN EN MATEN IN VERBAND MET DE
GEOGRAFISCHE LIGGING EN HET UITWENDIGE DER GROOTE PYRAMIDE, VOLGENS
DE BESTE TOT DUSVER GEPUBLICEERDE OPGAVEN.

                                                        [Pyr. duimen.]

Tegenwoordige breedtegraad 29° 58' 51''; bouwtijd = 30° 0' 0'' (?),
Lengte = 0° 0' 0'' van Pyramide.
Oriëntatie, vroeger zuiver Noord-Zuid, thans N. 5' 35'' W.
Elevatie van de gemiddelde basisholte boven de omliggende alluviale,
thans met zand bedekte vlakte = 1500. ±
Boven het gemiddelde peil van de waterbronnen daarin = 1750. ±
Boven het peil der Middellandsche Zee = 2580. ±
De laagste ondergrondsche kamer in de Groote Pyramide boven het
gemiddelde waterpeil van het omliggende land =  250. ±


HOOGTE DER GROOTE PYRAMIDE.

Tegenwoordige onzekere hoogte, vertikaal = 5450. ±
Oudste vertikale hoogte der apex boven de gemiddelde vloerholte =
5813.01
Oudste hellingshoogte op het midden der hellende zijvlakken; van het
verhoogde noordelijke grondvlak = 7352.13
Van het gemiddelde basisholtepeil = 7391.55
Oudste hoeklijn-hoogte van het gemiddelde basisholtepeil = 8687.87
Oudste geheele vertikale hoogte der apex boven het laagste
ondergrondsche vlak = 7015. ±


BREEDTE DER GROOTE PYRAMIDE.

Tegenwoordige verbrokkelde basis-zijdebreedte van het middelste
metselwerk = 8950. ±
Oudste en tegenwoordige basis-zijdebreedte volgens lijnen uit de
hoekholten = 9131.05
Oudste en tegenwoordige basis-diagonalen volgens holtematen = 12913.26
Som der twee basis-holtediagonalen = 25827. ±
Breedte van het tegenwoordig platform op den top der Pyramide =  400. ±
Dezelfde vermeerderd met de breedte der thans verdwenen bekleedingslaag
= 580. ±
Gedeeltelijke bevloering rondom basis der Pyramide; breedte hier en
daar = 500. ±


VORM EN GRONDSTOF.

                                                            [° ' '']

Oudste standhoek der deksteenen en zijden der Pyramide = 51 51 14.3
Oudste standhoek van de Pyramide, gemeten bij de hoeklijnen = 41
59 18.7
Oudste zijdelingsche hoek van de Groote Pyramide en den top = 76
17 31.4
Oudste hoek van de Groote Pyramide en den top, diagonaalsgewijs =
96  1 22.6
De metsellagen zijn alle horizontaal.
De samenstellende steenen zijn alle, behalve in zooverre dit voor
inwendige struktuur onmogelijk is, rechthoekig.
De deksteenen hebben hun laagsten hoek = 51 51 ±
En als bovenhoek = 128 9 ±
Aantal zijden van het bouwwerk 1 vierkant en 4 driehoeken = 5
Aantal hoeken, vier op den grond en 1 bovenaan = 5



    1 Pyramide duim     = 1.001 Engelsche duim.
    1 Pyramide el       = 25.025 Engelsche duim.
                          25. Pyramide duimen.
    1 Pyramide morgen   = 0.992 Engelsche morgen.
    1 Pyramide ton      = 1.1499 Engelsche avoir dupois ton.



OVERZICHT VAN DE VOORNAAMSTE AFMETINGEN EN MATEN IN VERBAND MET HET
INWENDIGE DER GROOTE PYRAMIDE VOLGENS DE BESTE TOT DUSVER GEPUBLICEERDE
OPGAVEN.



INGANG TOT DE GROOTE PYRAMIDE.

                                                        [Pyr. duimen.]

Deze is thans eenvoudig het afgebrokkelde boveneinde van een prachtig
uitgevoerde gang, die beneden- en binnenwaarts leidt. Zij is gelegen
aan de Noordzijde der Pyramide, in een zeer verbrokkeld gedeelte van
het metselwerk, op een hoogte boven den grond van ruwweg = 588.
Oorspronkelijke hoogte er van boven het omliggend plaveisel = 668.
Oorspronkelijke hoogte er van boven de gemiddelde vloerholte = 699.
Hoogte van den ingang = 47.24
Breedte van den ingang = 41.56


BENEDENWAARTSLEIDENDE GANG.

Zuidwaartsche hellingshoek der gang 26° 28'
Lengte der Zuidwaartsche helling van de buitenzijde tot aan den
eigenlijken gangvloer = 124.
Tot aan de eerste bovenwaartsleidende gang = 986.
Tot aan het verbrokkelde gat van Calief Al Mamoen = 214.
Tot aan de onderste monding der Wel = 2582.
Tot aan het einde van het hellende gedeelte = 296.
Tot aan den noordmuur der ondergrondsche kamer, horizontaal = 324.
Geheele lengte van genoemde gang = 4402.
Hoogte = 36.
Breedte = 33.


ONDERGRONDSCHE, ONAFGEWERKTE KAMER.

Gladgepolijste zoldering, lengte, Oost-West = 552.
                          breedte, Noord-Zuid = 325.
Diepte der muren, verschillend van 40-160. Vloer niet geheel uit
de rots gehakt, en muren niet afgewerkt tot volle diepte. Kleine
doodloopende horizontale gang of begin van eene gang, Zuidwaarts,
                          lengte = 633.
                          hoogte = 31.
                          breede = 29.


OPWAARTSLEIDENDE GANG.

Vangt aan in een bovenwaartsche en Zuidelijke richting van een punt
in de benedenwaartsleidende gang, 998 duimen _in_ het oude bouwwerk;
en de eerste 180 duimen lengte zijn nog opgevuld met vast op elkaar
gedrongen granietbrokken. De geheele lengte van de gang tot de
aansluiting bij de Groote Galerij = 1542.4
Hellingshoek van den vloer  26° 8'
Hoogte thans 47-59, vroeger = 47.24
Breedte thans 42-60, vroeger = 41.56


GROOTE GALERIJ.

Lengte van den hellenden vloer, van Noord tot Zuid = 1882.
Hellingshoek, Zuidwaarts  26° 17'
Vertikale hoogte, op elk gemiddeld punt = 339.5
Overlappingen in het plafond = 36.
Overlappingen in de zijmuren = 7.
Uithollingen, hoogte 21, breedte 20. Pyr. duimen.
Breedte van den vloer tusschen de uithollingen = 42.
Breedte der galerij boven de uithollingen = 82.
Breedte der galerij tusschen 1e overlapping = 76.2
Breedte der galerij tusschen 2e overlapping = 70.4
Breedte der galerij tusschen 3e overlapping = 64.6
Breedte der galerij tusschen 4e overlapping = 58.8
Breedte der galerij tusschen 5e overlapping = 53.
Breedte der galerij tusschen 6e overlapping = 47.2
Breedte der galerij tusschen 7e overlapping = 41.4
Groote stoepsteen op 1813.7, vertikale hoogte der Noordgrens = 36.
Lengte langs den vlakken top, Noord-Zuid = 61.
Lagere en verderen gelegen doorgang, hoogte = 43.7
                                     breedte = 41.4
Horizontale lengte van G. G. tot vóórkamer = 51.5


VOORKAMER.

Grootste lengte, Noord-Zuid = 116.26
Grootste breedte bovenaan, Oost-West = 65.2
Grootste hoogte = 149.3
Oostelijke granietbekleeding, hoogte = 103.03
Westelijke granietbekleeding, hoogte = 111.80
Uitgang, horizontaal van voorkamer tot Koningskamer, lengte = 100.2
Hoogte aan het Noordeinde = 43.7
Hoogte aan het  Zuideinde = 42.0
Breedte = 41.4
Aantal vertikale groeven op den Zuidmuur = 4.
Lengte van elk = 107.4


KONINGSKAMER.

Lengte = 412.132
Breedte = 206.066
Hoogte van vloer tot zoldering = 230.389
Hoogte van onderkant der muren tot zoldering = 235.350
Noordelijk luchtkanaal, lengte tot uitwendige der Pyr. = 2796.
Zuidelijk = 2091.
Veronderstelde hoogte van hun uitgangen = 3972.


HORIZONTALE GANG TOT DE KONINGINNE-KAMER.

Lengte aan Noordeinde der G. G. tot het begin van het lager gelegen
deel der gang onder den G. G. vloer = 217.8
Vandaar tot het lagere gedeelte = 1085.5
Gemiddelde hoogte van het langste deel = 46.34
Gemiddelde hoogte van het Zuidelijk diepe deel = 67.5
Breedte = 41.15
Geheele afstand van Noordmuur der G. G. tot Zuidmuur der K. K. = 1725.


KONINGINNE-KAMER.


Lengte van Oost naar West                   = 2267
Breedte van Noord naar Zuid                 = 205.8
Hoogte bij de Noord- en Zuidmuren           = 182.4
Groote Nis in de Oostelijke muur, hoogte    = 183.
                    groote breedte onderaan = 61.30
                  groote bij 1e overlapping = 52.25
                  groote bij 2e overlapping = 41.50
                  groote bij 3e overlapping = 30.00
                  groote bij 4e overlapping = 19.60


DE WEL OF PUT.

Lengte langs de zijde = 28.
Afstand van het middelpunt van den ingang van het Noordelijk einde
der Groote Galerij = 34.
Vertikale diepte tot grot in de rots, onder het metselwerk der Pyramide
= 702.
Verdere vertikale diepte, met eenigen horizontalen afstand, tot aan het
samenkomen met het laagste deel van den ingang bij de ondergrondsche
kamer = 1596.



R. Ballard in _The Solution of the Pyramid Problem_:

DE VIJFPUNTIGE STER HET GEOMETRISCH SYMBOOL DER GROOTE PYRAMIDE.


Sedert onheuglijke tijden is dit symbool een schitterende aanduider
van grootsche en edele waarheden geweest en een plechtig zinnebeeld
van belangrijke plichten.

De geometrische beteekenis er van is echter sinds lang uit het oog
verloren. Men zegt dat zij het zegel van Koning Salomo vormde en in
oude tijden, was zij onder de Joden als een symbool van veiligheid
bekend.

Zij was het Pentalpha van Pythagoras, en het Pythagoreesche zinnebeeld
van de gezondheid.

Antiochus, Koning van Syrië, had haar in zijn banier geweven bij
zijn oorlogen tegen de Galliërs. Door de Kabalisten werd de ster,
met den Heiligen naam aan elk der punten en in het midden geschreven,
als een talisman beschouwd; en in oude tijden werd zij door geheel
Azië heen als een middel tegen hekserijen beschouwd. Zelfs nu nog
vinden Europeesche soldaten bij hun strijd tegen Arabische stammen,
onder de kleeren op de borst van hun verslagen vijanden, dit oude
symbool, in den vorm van een metalen talisman of amulet.

Ik zal thans de geometrische beteekenis van deze ster verklaren,
voor zoover mijn onderwerp dit toelaat, en aantoonen dat zij
is het _geometrisch symbool van de grootste gemeene maat en
middel-evenredigheid van lijnen_ en het _symbool van de Pyramide
van Cheops_.

Een vlakke geometrische ster of een geometrische pyramide kunnen
vergeleken worden bij de kroon van een bloem, waarbij iedere zijde een
bloemblad voorstelt. Wanneer de bloembladeren geopend zijn, vertoont
de bloem zich in al hare schoonheid, maar wanneer zij gesloten is zijn
vele van hare schoonheden verborgen. De botanist tracht er naar haar
te bezien hetzij plat, of symmetrisch geopend, zoo ook gesloten als
een knop, of in rust; doch beoordeelt en waardeert den eenen toestand
naar den anderen. Op dezelfde wijze moeten wij de vijfpuntige ster
behandelen, en evenzoo de Pyramide van Cheops.

Men zal mij moeten vergeven dat ik in het voorbijgaan de inwendige
galerijen en kamers van deze Pyramide vergelijk met het hart, den
stamper en de meeldraden van een bloem; geheimzinnig en onbegrijpelijk.

Fig. 3 stelt de vijfpuntige ster voor, gevormd door het vlak uitslaan
der vijf opstaande zijvlakken van een pyramide met een regelmatig
vijfhoekig grondvlak.

Fig. 6 stelt de ster voor die gevormd wordt door het vlak uitslaan
van de vier opstaande zijvlakken van de pyramide van Cheops.

De vijfhoek G F R H Q, (fig. 3) is het grondvlak van de pyramide
_Pentalpha_, en de driehoeken E G F, B F R, R O H, H N Q, en Q A G,
stellen de zijvlakken voor, zoodat, wanneer wij ons de lijnen G F,
F R, R H, H Q en Q G, als scharnieren denken waarmede deze zijvlakken
aan het grondvlak verbonden zijn, wij door de zijvlakken op te heffen
en ze aaneen te sluiten de punten A, E, B, O en N boven het middelpunt
C zouden doen samenvallen.

Op deze wijze sluiten wij de geometrische bloem Pentalpha en en
vervormen haar tot een pyramide.

Op dezelfde wijze moeten wij de vier zijvlakken van de pyramide van
Cheops opheffen uit haar stervorm (fig. 6), ze aaneensluiten, zoodat
de vier punten samenvallen boven het middelpunt van het grondvlak.

Zulke vervormingen duiden op het onverbreekbaar verband tusschen de
geometrie van vlakken en die van vaste lichamen.

Als het geometrisch symbool van de _gulden snede_ zien wij de
vijfpuntige ster als een verzameling lijnen die elkander onderling
verdeelen in de verhouding aan de gulden snede verbonden.

Voor lezers die niet voldoende geometrie kennen, geef ik hier fig. 1,
om aan te duiden wat gulden snede beteekent.

Veronderstel dat A B de lijn is, die volgens de gulden snede moet
verdeeld worden, d.w.z. dat de geheele lijn zich verhoudt tot het
grootste deel als het grootste deel zich verhoudt tot het kleinste.

Construeer B C loodrecht op A B en gelijk aan de helft van A B. Verbind
A en C, en beschrijf den boog D B met C als middelpunt en B C als
straal; beschrijf daarna den boog D E met A als middelpunt en A D
als straal, dan zal A B in E verdeeld zijn volgens de gulden snede
of wel zoo dat A B: A E = A E: E B.

Deze verklaring uitbreidende moet ik wederom verwijzen naar
fig. 2. waar wij bij het construeeren van een regelmatige vijfhoek
wederom gebruik maken van de 2, 1 driehoek A B C.

De lijn A B is een zijde van een pentagon. De lijn B C staat er
loodrecht op en is de helft van hare lengte. De lijn A C wordt
verlengd tot in F, terwijl men C F = C B maakt; beschrijf dan met B als
middelpunt en B F als straal een boog in E; en daarna met denzelfden
straal met A als middelpunt een boog die den eersten in E snijdt. Dit
snijpunt is dan het middelpunt van den omgeschreven cirkel van den
vijfhoek, op welken cirkelomtrek de overige zijden afgepast worden.

Wij zullen nu fig. 3 beschouwen, waarin wij de vijfpuntige ster zien
als het symbool van de verdeeling van lijnen volgens de gulden snede.


            Aldus:  M C : M H = M H : H C.
                    A F : A G = A G : G F.
                    A B : A F = A F : F B.


terwijl M N, M H of X C : C D = 2 : 1, hetgeen de geometrische
grondslag is.

Merk tevens op dat:


                        G H = G A.
                        A E = A F.
                        D H = D E.


De volgende tafel geeft aan de verschillende maten in fig. 3 waarmee
de straal van den cirkel als een millioen eenheden wordt genomen:


    M E = 2.000.000 = middellijn.
    A B = 1.902.113 = A D + D B.
    M B = 1.618.034 = M C + M H = M P + P B.
    A S = 1.538.841.5.
    E P = 1.453.086 = A G + F B.
    A F = 1.175.570 = A E = G B.
    M C = 1.000.000 = straal = C D + D N = C H + C X.
    A D =  951.056.5 = D B = D S.
    P B =  854.102.
    Q S =  812.298.5.

    M P =  763.932 = C H × 2 = basis van Cheops.
    A G =  726.543 = G H = X H = H N = P F = F B =
                        = schuintelijn van Cheops
                        = schuintelijn van Pent. Pyr.
    D E =  690.983 = D H = X D = apothema van Pentagonale Pyramide.
    M H =  618.034 = M N = X C = apothema van Cheops.
                                 hoogte van Pentagonale Pyr.
                                 zijde van ingeschr. decagon.
    MS =  500.000.
             485.868 = middelevenredige tusschen M H en H C.
                     = hoogte van Cheops.
    OP =  449.027 = GF = GD + DF.
    HC =  381.966 = halve basis van Cheops.
    SO =  363.271.5 = H S.
    CD =  3.090.17 = half M H.
    PR =  277.516.
    GD =  224513.5; SP = 263932


De driehoek DXH stelt een vertikale doorsnede van de pentagonale
pyramide voor; de hoeklijn HX = HN, en het apothema DX =
DE. Veronderstel dat DH een scharnier is die het vlak DXH aan het
grondvlak hecht, hef dan het vlak DXH op tot het punt X vertikaal
boven het middelpunt C is. Dan zullen de punten A, E, B, O, N van de
vijf schuine zijvlakken, wanneer zij saamgesloten worden, samenvallen
in het punt X boven het middelpunt C.

Wij hebben nu een pyramide uit een vijfhoek opgebouwd waarvan de
helling 2:1 is, daar de hoogte CX : CD = 2 : 1.


            Apothema        DX      = DE.
            Hoogte          CX      = HM of MN.
            Hoogte          CX + CH = CM straal.
            Apothema        DX + CD = CM straal.
            Hoeklijn        HX      = HN of PF.


Merk ook op dat MP/2 = CH en OP = HR.

Beschouwen wij thans _de vijfpuntige ster als het symbool van de
pyramide van Cheops_.


            Lijn MP = basis van Cheops.
            Lijn CH = halve basis van Cheops.
            Lijn HM = apothema van Cheops.
            Lijn HN = schuine hoeklijn van Cheops.


Dus Apothema van Cheops = zijde van decagon.
Dus Apothema van Cheops = hoogte der pentagonale pyramide.


Schuine hoeklijn van Cheops = schuine hoeklijn van pentagonale
pyramide.

Daar nu het apothema van Cheops = MH en halve basis van Cheops = HC
is de hoogte de middelevenredige tusschen apothema en halve basislijn;
daar volgens de cijfers in de tabel MC : MH = MH : HC en


    apothema : hoogte = hoogte : halve basislijn.


Op deze wijze is de vierpuntige ster _Cheops_ ontwikkeld uit de
vijfpuntige ster _Pentalpha_. Dit wordt duidelijk aangetoond door
fig. 4.


Beschrijf in een cirkel een vijfpuntige ster; construeer den
omgeschreven cirkel van den binnensten regelmatigen vijfhoek, en
beschrijf een vierkant om dezen cirkel; dan zal dat vierkant de basis
van Cheops voorstellen. Trek twee middellijnen van den buitensten
cirkel, loodrecht op elkaar, en elke middellijn evenwijdig aan de
zijden van het vierkant; dan zullen de deelen van deze middellijnen
tusschen het vierkant en den buitensten cirkel de vier apothema's
van de vier schuine zijden van de pyramide voorstellen. Verbind de
hoekpunten van het vierkant met de vier punten op den cirkelomtrek
aangeduid door de einden der middellijnen en de ster van de pyramide
is gevormd, die, wanneer zij tot een vast lichaam gesloten wordt,
een correct model aan Cheops vormt.


    Stel apothema van Cheops, MH      = 34
                  halve basis HC      = 21
                       dan is MH + HC = 55


en 55 : 34 = 34 : 21.018, hetgeen slechts enkele duimen verschilt in
de pyramide zelf, indien de werkelijke maten genomen worden.

De verhouding daarom van apothema tot halve basis, 34 : 21, is zoo
getrouw mogelijk, voor zoover dit met steenen en kalk uit te voeren
is, om bovenstaande verhoudingen weer te geven.


     Stel MH = 2.
     Dan is HC = [wortel] 5 - 1
     MC = [wortel] 5 + 1
     en hoogte van Cheops = [wortel] (MH + MC).


Vergelijken wij thans de constructie der beide sterren.



Constructie van de ster Pentalpha.  Constructie van de ster Cheops.
Beschrijf een cirkel.               Beschrijf een cirkel.
Trek de middellijn MCE.             Trek de middellijn MCE.
Verdeel MC volgens de gulden snede  Verdeel MC volgens de gulden
in H.                               snede in H.
Pas half MH van C tot D af.         Beschrijf den ingeschreven cirkel
                                    met straal CH en daarom heen het
                                    vierkant a, b, c, d.
Trek de koorde ADB, rechthoekig     Trek de middellijn ACB, rechthoekig
op de middellijn ECM.               op de middellijn ECM.
Trek de koorde BHN door H.
Trek de koorde AHO door H.          Trek Aa, aE, Eb, bB, Bd, dM, Mc en cA.
Verbind N en E.
Verbind E en O.


Nu rijst bij ons de vraag, vertoont deze Cheopspyramide de verhouding
van hoogte tot basisomtrek als middellijn tot cirkelomtrek of vertoont
zij de gulden snede door de verhouding van apothema, hoogte- en halve
basis? Het antwoord luidt dat wegens de praktische onmogelijkheid van
zulk een buitengewone nauwkeurigheid in zulk een massa metselwerk,
zij op beide duidt en zoowel het een als het ander verzinnebeeldt.

Piazzi Smyth neemt als basiszijdelengte 761.65 voet en de hoogte 484.91
voet, hetgeen zeer nabij komt aan wat hij een pi pyramide noemt,
en volgens mijn berekening is de hoogte van een dergelijke pyramide
484.87 voet met een gelijke basiszijdelengte; terwijl voor een pyramide
waarin de gulden snede belichaamd was de hoogte 484.34 voet zou zijn.

Het geheele verschil is daarom slechts zes duim op een hoogte van
bijna 500 voet. Dit verschil, hetwelk nu de pyramide gedeeltelijk in
puin ligt, klaarblijkelijk moeilijk te ontdekken is, zou zelfs bij
een gaven toestand van het bouwwerk niet naspeurbaar geweest zijn.

Het schijnt zeer waarschijnlijk dat de ster _Pentalpha_ leidde tot de
ster Cheops en dat de ster Cheops (fig. 6), het grondplan vormde voor
den bouwheer en dat de verhouding van 34 tot 21, hypotenusa tot basis,
de grondslag der bouwers was.

Veronderstel dat een koning tot zijn bouwheer zegt: Maak mij een plan
van een pyramide waarvan de basis 420 el in het vierkant zal zijn en
de hoogte zich tot den omtrek van de basis zal verhouden als de straal
van een cirkel tot den omtrek. Dan zou de bouwheer een uitvoerig plan
kunnen maken, waarin de betrekkelijke afmetingen ongeveer als volgt
zouden zijn:


                                            ellen
Basishoek 51° 51' 14.3''        Basis       420
                                Hoogte      267.380.304 enz.
                                Apothema    339.988.573 enz.


De koning beveelt daarna het bouwen van een andere pyramide met
hetzelfde grondvlak, en waarbij de hoogte middelevenredig tusschen
apothema en halve basiszijdelengte moet zijn--en waarbij apothema en
halve basiszijdelengte als een lijn beschouwd zich verhouden volgens
de guldensnede.

Het plan van den bouwheer zou dan gelijken op fig. 6 en de afmetingen
zouden ongeveer zijn:


                                            ellen
Basishoek 51° 49' 37-42/471''   Basis       420
                                Hoogte      267.1239.849 enz.
                                Apothema    339.7875.153 enz.


Maar de bouwheer voert praktisch _beide_ plannen uit als hij bouwt
met den grondslag 34 tot 21.


                                            ellen
Basishoek 51° 51' 20''          Basis       420
                                Hoogte      267.394.839 enz.
                                Apothema    340


en koning noch bouwheer zouden een fout in het bouwwerk kunnen
ontdekken.

Zie verder R. Ballard. _The Solution of the Pyramid problem._



WAAROM DE BOUWERS DEN PI-HOEK IN DE PYRAMIDE VASTLEGDEN.


Welke reden, zoo vraagt men zich af, kunnen de bouwers van de Groote
Pyramide gehad hebben om dezen hoek aan de Pyramide te geven, en
waarom zij niet van elk der zijvlakken een gelijkzijdigen driehoek
maakten? Het eenige wat wij kunnen veronderstellen is, dat zij
wisten dat de aarde een bol was; dat zij een gedeelte van een harer
grootcirkels opgemeten hadden; en dat zij door het waarnemen van de
beweging der hemellichamen over de oppervlakte der aarde, haar omtrek
hadden bepaald, en dat zij nu begeerig waren een mededeeling omtrent
dien omtrek na te laten, welke zoo nauwkeurig en onvergankelijk was
als het voor hen mogelijk was te construeeren. Zij namen aan dat
de aarde een volkomen bol was; en daar zij wisten dat de straal van
een cirkel zich op bepaalde wijze moet verhouden tot den omtrek, zoo
bouwden zij een Pyramide van een hoogte die in zoodanige verhouding tot
haar grondvlak stond, dat de loodrechte hoogte gelijk zou zijn aan den
straal van een cirkel waarvan de omtrek gelijk was aan den Perimeter
van het basisvlak. Om dit te volvoeren maakten zij de zijvlakken van de
Pyramide zoodanig dat deze een hoek met het grondvlak vormden van 51°
51' 14'' (indien wij dezen hoek lieten bepalen volgens de hedendaagsche
wetenschap). Wij kunnen ons nauwelijks denken dat de bouwers van de
Pyramide zulk een nauwkeurige gissing konden maken; maar indien zij
bij het bouwen der Pyramide zulk een doel op het oog hadden als wij
veronderstelden, zou de hoek die het opgaande vlak met het grondvlak
maakt vrijwel die van 51° 51' 14'' nabij komen. Nu heeft men bevonden
dat de hoek van de deksteenen werkelijk 51° 50' was. Kan er een meer
overtuigend bewijs zijn dat de reden, welke wij opgaven van het bouwen
van de Groote Pyramide de ware reden was die hare Bouwers bezielde?....

John Taylor. _The Great Pyramid_, blz. 19. Sect. 18.



BOEKEN, GERAADPLEEGD OF BESTUDEERD BIJ HET SAMENSTELLEN DEZER
VERHANDELING.



Blavatsky, H. P. _De Geheime Leer._ (3 dln. en index).

---- _Theosofisch Woordenboek._

---- _Isis Unveiled._ (2 vol.)

Taylor, John. _The Great Pyramid. Why was it built, Who built it?_

Skinner, Ralston _The Source of Measures._

Smith, Piazzi. _Life and Work at the Great Pyramid,_ 3 vol.

---- _Our Inheritance in the Great Pyramid._

---- _New Measures of the Great Pyramid._

Wake, C. Staniland _The Origin and Significance of the Great Pyramid._

Barber, F. M. _The Mechanical Triumphs of the Ancient Egyptians._

Persigny, M. Fialin de _De la Destination et de l'Utilité permanente
des Pyramides._

Maspéro, Prof. G. _The Dawn of Civilization._

La Grange, Prof. Ch. _Sur la Concordance qui existe entre la Loi
Historique de Brück, la Chronologie de la Bible et celle de la grande
Pyramide de Cheops._

---- _Mathématique de l'Histoire._

Grobert, J. _Description des Pyramides de Ghize._

Wilson, John. _The Lost solar System of the ancients discovered_ 2 dln.

Choisy, Auguste. _L'Art de bâtir chez les Egyptiens._

Yeates, W. _A dissertation on the antiquity, origin and design of
the principal pyramids of Egypt, particularly of the Great Pyramid
of Ghizeh, with its measures, as reported by various authors, and
the probable determinations of the ancient Hebrew and Egyptian cubit._

Greaves, John. _The origin and the antiquity of our English weights
and measures discovered._

_Records of the Past._ Vol II, IV, XII.

Maspéro, Prof. _Histoire ancienne des peuples de l'Oriënt._

Wilkinson, Sir J. Gardner _The Egyptians in the time of the Pharaohs._

---- _Manners and Customs of the ancient Egyptians_.

Maspéro, Prof. G. _Ancient Egypt and Assyria._

Champollion, Figeac M. _Egypte ancienne._

Adams, W. Marsham. _The House of the Hidden Places._

---- _The Book of the Master._

Rawlinson, Prof. G. _Ancient Egypt._



Congrès provincial des Orientalistes français. Compte rendu de la
première session 1875. Tome II.


Giesenburg, R. C. d'Ablaing van _Evolution des idées religieuses dans
la Mésopotamie et dans l'Egypte._

Bosc, Ernest _Isis dévoilée._

Pentecost, G. F. _Out of Egypt._

Gabb, Thomas _Finis Pyramidis._

Herkberg, D. G. F. _Geschichte des Altertums._

Bonwick, J. _Egyptian Belief and modern Thought._

---- _Pyramid Facts and Fancies._

Leeman, C. _Monuments Egyptiens._

Margadant, Dr. P. C. _Herodotus._



The Pyramid platform of Giseh.


Karsten, S. _Blik op de monumenten van Egypte._

Langley, W. Ch. _A Lecture on the Great Pyramid in Egypt, suggesting
an intimate relationship with the probable foundation of freemasonry._

Tiele, G. P. _Egyptische en Mesopotamische Godsdiensten._

---- _Godsdienst in de Oudheid._

Schneider, H. _Kultur und denken der Alten Ägypter._

Budge, E. A. _The Book of the Dead._ (3 vols).

---- _A History of Egypt._

---- _Egyptian Religion._

Pancoucke, _L'Egypte_.



Diverse Encyclopaedieën.


Fellows, A. M. _The mysteries of freemasonry and the ancient
Egyptians._

Petrie, Prof. Flinders, _The Pyramids and Temples of Giseh._



MATEN.


Zeer waarschijnlijk ontleenen de Egyptenaren, de Hebreeuwen, de
Romeinen en waarschijnlijk de Hindoes, hunne lengtematen aan een
bijzondere maat, die door alle eeuwen heen bestaan heeft, n.l. de
lengtemaat thans bekend als


    DE ENGELSCHE DUIM.


Deze maat kwam voort uit de numerieke integrale betrekking van


    MIDDELLIJN TOT OMTREK VAN EEN CIRKEL.


Daar het oppervlak van een vierkant met een zijde van 81,6561 is,
is het oppervlak van een ingeschreven cirkel in dat vierkant 5153; en
wanneer volgens een eenvoudige geometrische waarheid de _middellijn_
van een cirkel als 6561 wordt genomen, zal haar omtrek 5153 × 4 =
20612 zijn. Al deze maten worden ontleend aan de formule 6561 : 20612;
aan welke verhouding de geometrische betrekking van _middellijn_
tot _omtrek_ onderworpen is.

Bij de praktische toepassing van deze getallen op een maatstok,
werden zij verbonden aan die feitelijke maat welke thans nog de
_Engelsche duim_ wordt genoemd; getoetst volgens de standaard "Yard"
maat, in 1824 door Captain Kater geconstrueerd volgens de Engelsche
standaardmaat, en door het Engelsche Gouvernement aan de magistraten
van Edinburgh aangeboden (zie hierover o.a. Piazzi Smith, _Life and
Work at the Great Pyramid_).

De reden waarom de waarde der Engelsche duim is "zooals zij is" ligt
hierin dat het juist die waarde was, welke bij toepassing er van,
materieele kosmische grootheden doet overeenstemmen met de tijden en
afstanden van de planeten van het zonnestelsel, volgens een wet van
constructie die volgens de ouden beschouwd werd als goddelijk en die
dit ook ongetwijfeld was.

(Zie hierover o.a. Ralston Skinner, _Source of measures_; Taylor,
_The Great Pyramid_; J. Wilson, _The Solar System of the ancietits
discovered_).

De beste herstelde vormen van de Oude Egyptische _Ellemaat-waarde_
waren die van Sir Isaac Newton, volgens vele opmetingen door Professor
Greaves van Oxford van de groote Pyramide genomen, en die vormen van
de _Savants_ der Fransche expeditie in Egypte (zie o.a. Pancoucke
"_Egypte_") gemaakt volgens een groot aantal opmetingen van de
kamers en gangen, wat aangaat hunne hoogte, lengte en breedte van
de catacomben van Osimandya. Sir Isaac Newton vond dat de herstelde
waarde, uitgedrukt in Engelsche voetmaat was 1.717 voet.

De Franschen bevonden dat zij, uitgedrukt in Fransche metermaat, was.


    523,524 _meter_.


Daar de meter = 39,37079 + Engelsche duimen is, is 523,524 × 39,37079
+ = 20.611,553 + duimen, hetgeen gedeeld door 12, haar waarde in
Engelsche voeten geeft als


    1717,629 + _voet_.


Neem de bovenvermelde cirkelomtrek--waarde als 20.612 _duimen_. Deel
dit door 12.000 en het resultaat is, uitgedrukt in Engelsche voeten


    1,717666 _voet_,


en dit geeft den oorsprong aan voor de _oude ellemaat_ waarde zooals
zij afgeleid is (in dezen vorm van 20612) van Engelsche duimen.

Indien wij echter den vorm nemen


    20612               36.643.55 +
            ×   16/3 =
     6561                   11664.


en deze gevonden middellijnwaarde deelen door 1000, dan vinden wij


    11.664.


De _Romeinsche voet_ blijkt volgens de beste gegevens (zie o.a. _Great
Pyramid_, door John Taylor, blz. 25) in Engelsche duimen uitgedrukt


    11.664. _duimen_


te zijn, en toont aldus van denzelfden oorsprong te wezen.

De Engelsche voet van 12 duimen werd blijkbaar beschouwd als de
rectificatie van een _omtrek_waarde in termen van de bovenstaande
formule van 12 tot een _middellijn_ van 3.819.716 + voet. Wij hebben
alsdan


    _middellijn_ 6561; _omtrek_ 20612.


20612/1000 Engelsche duimen of 20.612. Engelsche duimen = 1 _el._
(6561 × 16)/9000 duimen 11.664. duimen = 1 _Romeinsche voet_.
12 duimen _omtrek_ tot 3.819716 + duimen _middellijn_ = 1
_Engelsche voet_.



Supplement to The Source of Measures, blz. 3, 4, 5.



AANTEEKENINGEN


[1] _Books on Egypt and Chaldea. A History of Egypt from the End
of the Neolithic Period to the Death of Cleopatra VII, B.C. 30_,
by E. A. Wallis Budge, London, 1902, 8 Vol.

[2] In het aangehaalde werk, deel II, Voorwoord, blz. viii en ix.

[3] Volgens Manetho's lijsten zou dit wel het geval zijn, en eenvoudig
om die reden zijn er velen toe gekomen hem als een soort oerkoning
te beschouwen. Nu zijn deze lijsten absoluut niet gezaghebbend,
omdat slechts de _brokstukken_ van deze lijsten door enkele klassieke
schrijvers aangehaald worden. De oorspronkelijke lijsten van Manetho
zijn naar alle waarschijnlijkheid verbrand bij den grooten brand van
de bibliotheek te Alexandrië. [v. G.].

[4] _t.a.p._, Voorwoord, blz. xii.

[5] _Histoire Ancienne des Peuples de l'Oriënt, l'Egypte Primitive_,
blz. 17.

[6] _Geheime Leer_, Deel II, blz. 510, 511.

[7] _Geheime Leer_, Deel II, blz. 510, noot.

[8] _Geheime Leer_, Deel II, blz. 511, vgl. _Prometheus Bound_,
blz. 385, noot.

[9] _t.a.p._

[10] Deel I, 569, 570.

[11] _Geheime Leer_, Deel II, blz. 512.

[12] _The Story of Atlantis_, blz. 37, 38.

[13] _The Pyramid and Stonehenge_, blz. 10 en 15.

[14] _Geheime Leer_, Deel II, blz. 923, 924. Zie ook _Geheime Leer_,
Deel II, blz. 510, 511.

[15] _The Pyramid and Stonehenge_, blz. 13.

[16] _t.a.p._, blz. 13.

[17] _Geheime Leer_, Deel I, blz. 558.

[18] 3,1415 of pi, de samenvatting of de schare, één geworden in
den Logos.... volgens H. P. Blavatsky, _t.a.p._ Het zal den lezer dus
geen verwondering kunnen baren, wanneer wij bij de verdere behandeling
der Groote Pyramide veel op dit getal pi terugkomen. [v. G.]

[19] _Geheime Leer_, Deel II, blz. 432.

[20] _Herodotus._ Hfdst. CXXIV, 124.

[21] _The Pyramid and Stonehenge_, blz. 16, 17.

[22] Bonwick, _Pyramid Facts and Fancies_, blz. 71.

[23] _A Dissertation on the Antiquity, Origin and Design of the
Principal Pyramids of Egypt_, blz. 16.

[24] In het aangehaalde werk blz. 228.

[25] _Pyramid Facts and Fancies._ blz. 75.

[26] Rawlinson, _Herodotus_, Deel II, blz. 207.

[27] J. Ralston Skinner, _The Source of Measures_. Appendix II §
89 blz. 208, 209, 210, 211.

[28] Zie Hoofdstuk I.

[29] _Analysis of Ancient Mythology_, ii 760.

[30] _Geheime Leer_, Deel II, blz. 480, 481.

[31] _Geheime Leer_, Deel II, pag. 481, 482 en _The Source of Measures_
§ 85 blz. 186.

[32] _Herodotus_. Boek II, hfdst. CXXIV.

[33] _Herodotus_. Hfdst. CXXV.

[34] Was hij hier maar verder op ingegaan! (v. G.)

[35] Diodorus van Sicilië I, i § 63.

[36] _Strabo_ I, xvii, blz. 808.

[37] Rawlinson, _Egypt_, blz. 76.

[38] _Isis Unveiled_, Deel I, 518.

[39] _Our Inheritance in the Great Pyramid_ blz. 85-93.

[40] De hier door mij gegeven hoeken en afmetingen zijn gemiddelde,
en bij benadering gegeven, daar nagenoeg iedere schrijver andere
maten geeft. Deze maten ontleen ik aan _Pyramid Facts and Fancies_.

[41] Pancoucke's _Description de l'Egypte_. Tome IX, blz. 485 en verv.

[42] _Voyage du docteur Shaw en Barbarie etc._ D. III, blz. 314
en volg.

[43] Duidelijk genoeg wordt hier gedoeld op de Pyramiden; zie Hoofdstuk
I. (v. G.)

[44] _Geheime Leer_, Deel II, blz. 260.

[45] _A Dissertation on the antiquity, origin and design of the
principal Pyramids of Egypt._

[46] _Our Inheritance in the Great Pyramid._ Chap. I, blz. 5, 6.

[47] t.a.p. blz. 7.

[48] _The Pyramids and Temples of Gizeh_, door Prof. Flinders Petrie.

[49] _Geheime Leer_, Deel I, blz. 397, 398.

[50] _Geheime Leer_, Deel I, blz. 402.

[51] astronomische kennis.

[52] _Geheime Leer_, Deel I, blz. 399, 400.

[53] _Geheime Leer_, Deel I, blz. 558, noot.

[54] _Isis Unveiled_, Deel I, blz. 519.

[55] Staniland Wake _The Origin and Significance of the Great Pyramid_,
blz. 93.

[56] _Geheime Leer_, blz. 403, 404.

[57] Hetgeen ik hier mededeel met betrekking tot Proctor's verklaring
is gedeeltelijk ontleend aan _Knowledge_, Vol. I, en aan _Origin and
Significance of the Great Pyramid_ door Staniland Wake, blz. 6-19.

[58] _Origin and Significance of the Great Pyramid_, blz. 12.

[59] Marsham Adams. _The House of the Hidden Places_, blz. 147.

[60] t.a.p. 149, 150, 151.

[61] M. Adams, _The Book of the Master_, blz. 105.

[62] Uitgegeven door M. Naville.

[63] De Heliopolische verzameling van het _Boek der Dooden_ (vijfde en
zesde dynastie) zijnde de oudste aan ons bekende vorm van dit werk,
is met eene Fransche vertaling uitgegeven door Maspéro in _Recueil
de Travaux_, en afzonderlijk als _Les Inscriptions des Pyramides de
Saqqarah_, Paris 1894.

De verzameling van de elfde en twaalfde dynastie is uitgegeven
door Lepsius en Maspéro (zie Birch's _Vertaling van den text op de
mummiekist van Amamu_). Deze vertaling is uitgegeven met een facsimile
door het British Museum onder den titel van _Egyptian Texts of the
earliest periods from the coffin of Amamu_, London, 1886.

De Thebaansche verzameling (achttiende tot zes en twintigste dynastie)
is uitgegeven door Birch, Mariette, Leeman en Devéria; Naville gaf
eene volledige uitgave met Inleiding in 1880.

De belangrijkste uitgave van de Saïtische verzameling is die van het
Turijnsche Manuscript door Lepsius in 1842, genaamd _Das Todtenbuch
der Egypter_. In 1861 gaf E. de Rougé hetzelfde manuscript uit als
_Rituel Funéraire_. Latere uitgaven van geheele of gedeeltelijke
verzamelingen komen voor in: _Proceedings of the Society of Biblical
Archaeology, vol. VII_; Lieblein, _Le Livre Egyptien Que mon nom
fleurisse_, Leipzig 1895; Birch, vertaling van Bunsen's _Egypts Place
in Universal History_, vol. V, blz. 123-333; Pierret, _Le Livre des
Morts des anciens Egyptiens_.

Voor verdere bijzonderheden over het _Boek der Dooden_ raad ik mijn
lezers aan te raadplegen _The Book of the Dead, The Chapters of
Coming forth by day_, by E. A. Wallis Budge. London, Kegan Paul,
Trench, Trubner & Co. 1898.

[64] E. Budge, _The Book of the Dead_, blz. XLV.

[65] t.a.p. blz. XLVI.

[66] t.a.p. blz. LXXV.

[67] _The Book of the Master_, blz. 96.

[68] Men leze hierover _Hermes, the Thrice-Greatest_, door Mead.

[69] _Book of the Master_, blz. 97.

[70] t.a.p. blz. 123, 124.

[71] _House of the Hidden Places_, blz. 192-195.

[72] _Esoterisch Christendom_, blz. 28, 29. De cursiveering is van mij
(v. G.); evenzoo in de volgende aanhalingen.

[73] _Plotinus_, blz. 42.

[74] _Esoterisch Christendom_, blz. 24.

[75] _Lucifer_, deel IV, blz. 228.

[76] _Esoterisch Christendom_, blz. 188, 189.

[77] _Geheime Leer_, Deel I, blz. 404.

[78] t.a.p. blz. 141.

[79] _De Christelijke Geloofsbelijdenis_, blz. 80.

[80] _The Book of the Master_, blz. 155, 156.

[81] _Geheime Leer_, Deel II, blz. 690.

[82] _Geheime Leer_, Deel I, blz. 399.

[83] _Geheime Leer_, Deel I, blz. 399, 400.

[84] _Geheime Leer_, Deel II, blz. 718.

[85] Zie hierover mijn artikel "De Dierenriem". Theosophia XVIe
jaargang, afl. 3 en verv.





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "De Groote Pyramide" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home