Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Sprookjes - Tweede verzameling
Author: Grimm, Jacob, 1785-1863, Grimm, Wilhelm, 1786-1859
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Sprookjes - Tweede verzameling" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



					   Wereld Bibliotheek

				   Onder leiding van L Simons


						   Sprookjes


					   Verzameld door de

						Gebroeders Grimm

		 Opnieuw uit het Duitsch vertaald door mevrouw

					M. Van Eeden-Van Vloten,

   met 10 illustraties van Mevr. J. B. Midderigh-Bokhorst en
						J. J. Midderigh

					   Tweede Verzameling


	Uitgegeven door De Maatschappij voor Goede en Goedkoope
					   Lectuur--Amsterdam



XXXV.

DE KLEERMAKER IN DEN HEMEL.


Het gebeurde eens op een mooien dag, dat de lieve God zich in
den Hemeltuin een beetje wilde vertreden; hij nam alle apostels en
heiligen meê, en niemand bleef meer in den Hemel, dan de heilige Petrus
alléén. De Heer had hem bevolen, in zijn afwezigheid niemand binnen
te laten, en Petrus stond dus aan de deur en hield de wacht. Na een
poosje werd er geklopt. Petrus vroeg: »wie is daar? en wat wil je?«
En een schrille stem antwoordde: »ik ben een arme, eerlijke kleermaker,
die vraagt om binnen gelaten te worden.«

»Jawel, eerlijk!« zei Petrus, »zooals de dief aan den galg! Je hebt
lange vingers gemaakt en de menschen hun goed verdonkeremaand; je komt
niet in den Hemel; de Heer heeft mij verboden iemand binnen te laten
terwijl Hij weg is.« »Wees toch barmhartig!« riep de kleermaker; »ik
hink en ik heb blaaren aan mijn voeten van den langen weg hierheen,
ik kon onmogelijk weer omkeeren! laat mij toch binnen; ik zal al
het nare werk doen: ik zal de kinderen dragen, de luiers spoelen,
de banken waar ze op gespeeld hebben weêr schoonmaken, en hun
gescheurde kleêren verstellen.« De heilige Petrus kreeg meêlijden
en deed voor den manken kleermaker de deur open, juist zóóver dat
hij er met zijn scharminkelige lijf net door kon kruipen. Hij moest
in een hoekje achter de deur gaan zitten en zich heel koest houden,
dat onze lieve Heer hem, als Hij terugkwam, niet zou merken, en boos
worden. De kleermaker deed wat hem gezegd werd; maar toen de heilige
Petrus even naar buiten ging, stond hij op en ging nieuwsgierig in
alle hoeken en gaten van den Hemel rondkijken om het terrein op te
nemen. Zoo kwam hij op een plein; daar stonden een heeleboel mooie en
kostbare stoelen, en in het midden een geheel gouden zetel, die met
schitterende edelsteenen was bezet. Hij was ook veel hooger dan de
andere stoelen, en er stond een gouden voetebankje voor. Dat was de
stoel waarop onze Heer zat als Hij thuis was, en van waar Hij alles
zien kon wat er op aarde voorviel. De kleermaker bleef een heelen
tijd naar den stoel staan kijken, want die beviel hem nog veel beter
dan al het andere. Eindelijk kon hij zijn neuswijsheid niet meer
betoomen en klom op den stoel en ging er op zitten. Toen zag hij
alles wat op aarde gebeurde, en hij bemerkte een oude, leelijke vrouw,
die bij een beek stond te wasschen en stilletjes twee doeken op zij
legde. De kleermaker maakte zich daarover zóó woedend dat hij het
gouden voetebankje oppakte, en het naar de aarde smeet, naar de oude
diefegge. Maar hij kon het bankje niet meer terug halen, en daarom
sloop hij stilletjes van den stoel weg en ging weer op zijn plaatsje
achter de deur zitten, met een onnoozel bakkes.

Toen onze Heer en Meester nu met zijn hemelsch gevolg weer terugkwam,
merkte Hij wel niets van den kleermaker achter de deur, maar toen
Hij zich op Zijn troon zette, miste hij het voetebankje. Hij vroeg
aan den heiligen Petrus, waar toch het voetebankje was, maar die wist
het niet. Toen vroeg hij of Petrus iemand had binnengelaten.

»Ik weet niemand,« zei Petrus, »die hier geweest is, behalve een
manke kleermaker, die nog achter de deur zit.« Toen liet de Heer
den kleermaker voor zich komen, en vroeg hem of hij het bankje had
weggenomen, en wat hij er mee gedaan had.

»O, Heer!« riep de kleermaker verheugd, »ik heb het in boosheid naar
de aarde naar een oud wijf gesmeten, die ik bij het wasschen twee
doeken zag stelen.«

»O, jou oolekert!« zei de Heer, »als ik wou recht doen, zooals jij
recht deed, wat denk je dan, dat er gebeurd zou zijn? Dan had ik al
lang geen stoelen en banken en voetebankjes, niet eens een oude pook of
tang meer, want alles zou naar de zondaars zijn gegooid. Nu kun je niet
meer in den Hemel blijven, maar moet de poort weer uit en zien waar
je terecht komt. Hier zal niemand straffen, dan ik de Heer, alléén!«

Petrus moest den kleermaker weer uit den Hemel brengen, en omdat zijn
schoenen waren stuk geloopen, en zijn voeten vol blaâren, nam hij een
stok in de hand, en ging naar wachteenbeetje waar de brave soldaten
zitten en pleizier maken.



XXXVI.

TAFELTJE DEK JE, GOUDEZEL, EN KNUPPEL UIT DE ZAK.


Lange jaren geleden, was er een kleermaker, die drie zoons had, en
maar één enkele geit. Maar die geit die hen allemaal met haar melk
moest onderhouden, had goed voeder noodig en werd alle dag naar buiten
gebracht om te grazen; dat deden de zoons om de beurt. Eens bracht
de oudste haar op het kerkhof, waar gras en kruid zoo welig groeide,
en liet haar daar grazen en rondspringen. 's Avonds toen het tijd
was om naar huis te gaan vroeg hij:

»Geitje ben je zat?« De geit antwoordde:


    »Ik ben zoo zat,
    Ik lust geen blad,--mè, mè!«


»Kom dan maar meê naar huis,« zei de jongen, nam haar aan het touw,
en bracht haar naar den stal, daar bond hij haar vast. »Wel,« zei
de oude kleermaker, »heeft de geit genoeg voêr gehad?« »O,« zei de
zoon, »die is zoo zat, ze lust geen blad!« Maar de vader wôu zichzelf
overtuigen, en ging naar den stal; hij aaide het lieve dier, en vroeg:
»Geitje, ben je zat?« De geit antwoordde:


    »Ik ben niet zat,
    'k Heb niets gehad,
    Ik sprong maar op de graven rond,
    Waar ik geen enkel blaadje vond--mè, mè!«


»Wat moet ik hooren!« riep de kleermaker, en hij liep naar den jongen:
»jou leugenaar, je hebt haar honger laten lijden!« en in zijn boosheid
nam hij de el van den spijker, en joeg den jongen het huis uit.

Den volgenden dag was het de beurt van den tweeden zoon; hij zocht
een plaats op, waar veel gras en kruiden groeiden, en de geit vrat
de heele plek glad af. 's Avonds toen hij naar huis woû, zei hij:
»Geitje ben je zat?« De geit antwoordde:


    »Ik ben zoo zat,
    Ik lust geen blad--mè, mè!«


»Kom dan maar meê,« zei de jongen, en hij leidde haar naar huis en
bond haar in den stal vast. »Wel,« zei de oude kleermaker, »heeft de
geit genoeg te eten gehad?« »O,« zei de zoon, »die is zoo zat, zij lust
geen blad.« Maar de kleermaker wilde het daar niet op aan laten komen,
ging naar den stal en vroeg: »Geitje ben je zat?« De geit antwoordde:


    »Ik ben niet zat,
    'k Heb niets gehad,
    Ik sprong maar op de graven rond,
    Waar ik geen enkel blaadje vond--mè, mè!«


»Die goddelooze booswicht!« schreeuwde de kleermaker, »zoo'n braaf
dier te laten verhongeren!« Hij liep naar boven en ranselde den jongen
met de el het huis uit.

Nu kwam de beurt aan den derden zoon; die woû eens erg zijn best
doen, en zocht struiken op, met malsch frisch groen, en daar liet
hij de geit van eten. 's Avonds toen hij naar huis wilde, vroeg hij:
»Geitje ben je zat?« De geit antwoordde:


    »Ik ben zoo zat,
    Ik lust geen blad--mè, mè!«


»Kom dan maar meê naar huis,« zei de jongen, bracht haar naar den
stal en bond haar vast. »Wel,« zei de oude kleermaker, »heeft de geit
genoeg gehad?« »O,« zei de zoon, »die is zoo zat, ze lust geen blad.«

De kleermaker vertrouwde de zaak niet, hij ging naar de geit en vroeg:
»Geitje ben je wel zat?« Het boosaardige dier antwoordde:


    »Ik ben niet zat,
    'k Heb niets gehad
    Ik sprong maar op de graven rond,
    Waar ik geen enkel blaadje vond--mè, mè!«


»O, zulk boos gebroed!« riep de kleermaker, »de een nog gewetenloozer
dan de andere. Jelui zult mij niet langer voor den gek houden!«
en hij vloog woedend de trap op en striemde den armen jongen zoo
geweldig met de el over den rug, dat hij het huis uitliep.

Nu was de oude kleermaker met de geit alléén. Den volgenden morgen ging
hij in den stal, liefkoosde de geit en sprak: »Kom mijn lieve beestje,
nu zal ik je zelf laten grazen.« Hij nam haar aan het touw, en bracht
haar bij groene hagen en bij alles wat geiten graâg hebben. »Zoo,
nu kun je eens recht je genoegen eten,« zei hij, en liet haar weiden
tot den avond. Toen vroeg hij: »Geitje ben je zat?« De geit antwoordde:


    »Ik ben zoo zat,
    Ik lust geen blad--mè, mè!«


»Kom dan maar meê naar huis,« zei de kleermaker, en hij bracht haar
naar den stal en bond haar vast. Bij het heengaan keerde hij zich
nog eens om en zei: »Nu heb je je toch eindelijk eens zat gegeten.«
Maar de geit maakte het niet beter dan te voren en riep:


    »Ik ben niet zat,
    'k Heb niets gehad,
    Ik sprong maar op de graven rond,
    Waar ik geen enkel blaadje vond--mè, mè!«


Toen de kleermaker dat hoorde, schrikte hij en begreep, dat hij
zijn drie zoons onschuldig verstooten had. »Wacht maar, ondankbaar
schepsel!« riep hij, »wegjagen alléén is geen straf genoeg, ik zal je
zóó teekenen, dat je je bij geen eerlijken kleermaker meer kunt laten
zien,« en in een vaart liep hij de trap op, haalde zijn scheermes,
zeepte de geit haar kop in en schoor dien zoo glad als zijn vlakke
hand. En omdat de el nog te veel eer zou geweest zijn, haalde hij
de zweep, en sloeg er zoo geducht op los, dat zij zich met groote
sprongen wegmaakte.

Toen de kleermaker nu zoo eenzaam en verlaten thuis zat, verviel
hij in groote treurigheid en had graâg zijn zonen weêr terug gehad,
maar niemand wist, wat er van hen was geworden. De oudste was bij
een meubelmaker in de leer gegaan; hij werkte daar vlijtig, en toen
zijn tijd om was, schonk zijn patroon hem een tafeltje, dat er heel
gewoon uitzag en ook van geen bijzondere houtsoort gemaakt was; maar
het had een goede eigenschap. Als men het neêrzette, en dan sprak
»tafeltje dek je,« dan was het brave tafeltje op eens met een zuiver
wit lakentje gedekt; er stond een bord op met mes en vork er naast,
en zooveel schalen met gezoden en gebraden als er maar op konden. Ook
fonkelde er een groot glas met rooden wijn, dat het je hart goed deed.

De jonge gezel dacht: »Daaraan heb ik voor mijn leven genoeg!« en hij
trok vroolijk er mee de wereld rond; of een logement goed of slecht
was, kwam er voor hem niet op aan, en als hij lust had bleef hij ook
wel buiten op het veld of in een bosch; daar zette hij zijn tafeltje
voor zich en zei: »tafeltje dek je« en dan had hij alles wat zijn
hart begeerde. Ten laatste dacht hij dat hij naar zijn vader terug
wilde gaan; de boosheid zou wel voorbij zijn en met zijn tafeltje
zou hij zeker vriendelijk ontvangen worden. Nu gebeurde het, dat
hij op weg naar huis 's avonds in een logement kwam, dat overvol was
van gasten; zij heetten hem welkom en noodigden hem zich bij hen te
zetten en meê te eten, want anders zou hij moeite hebben nog iets te
krijgen. »Neen,« zei de meubelmaker, »om dat beetje eten moeten wij
elkaar niet aankijken, wees jelui liever mijn gasten.« Zij lachten en
hielden hem voor een grappenmaker. Maar hij zette zijn houten tafeltje
midden in de kamer en sprak: »tafeltje dek je.« Oogenblikkelijk was
het met spijzen bezet, zoo lekker, dat de waard ze hem nooit zoo had
kunnen voorzetten, en de heerlijke geur drong de gasten aangenaam
in den neus. »Toegetast, lieve vrienden!« sprak de meubelmaker,
en toen zij zagen, dat het goed gemeend was, lieten zij zich geen
tweede maal nooden, schoven bij, namen hunne messen en spraken alles
dapper aan. Maar het meest verbaasde het hun, dat een leeggegeten
schotel dadelijk weer met een volle verwisselde. De kastelein stond
in een hoek toe te kijken; hij wist niet wat hij er van zeggen zou,
maar hij dacht: »Zoo'n kok zou in mijn zaak goed te pas komen!«

De meubelmaker en zijn gezelschap waren vroolijk tot diep in den
nacht, maar eindelijk legden zij zich toch te slapen; de jonge
gezel ging ook naar bed, en zijn toovertafeltje zette hij tegen den
muur. Doch de waard kon niet tot rust komen, hij dacht, dat hij op
den rommelzolder een oud tafeltje staan had, dat er juist zoo uitzag;
hij haalde het voor den dag en ruilde het voor het toovertafeltje. Den
volgenden morgen betaalde de meubelmaker zijn nachtverblijf, nam
zijn tafeltje en merkte niet, dat het een ander was; zoo ging hij
op weg. 's Middags kwam hij bij zijn vader aan, die hem met groote
vreugde ontving! »Wel, lieve zoon, en wat heb je geleerd?« »Vader,
ik ben meubelmaker geworden.« »Een goed handwerk,« zei de vader,
»en wat heb je van je reis meêgebracht.« »Vader, het beste wat ik heb
meêgebracht, is dit tafeltje.« De kleermaker bekeek het eerst en zei:
»Dat is anders geen meesterstuk, het is een oud, slecht tafeltje.«
»Maar het is een Tafeltje dek je,« zei de zoon, »als ik het neerzet
en zeg dat het zich dekken moet, dan staan er in eens de heerlijkste
gerechten op, en wijn er bij, dat het je hart verkwikt. Noodig alle
familie en vrienden maar eens uit, dan kunnen zij zich heerlijk te goed
doen, want het tafeltje verzadigt hen allemaal.« Toen nu het gezelschap
bijeen was, zette hij het midden in de kamer, en zei »tafeltje dek je.«
Maar er kwam geen beweging in het tafeltje, het bleef zoo leeg als
iedere andere tafel, die geen menschentaal verstaat. Toen begreep de
arme gezel dat het tafeltje verruild was, en hij schaamde zich, dat hij
daar voor leugenaar stond; de gasten lachten hem uit en ongegeten en
ongedronken moest men weêr naar huis. De vader haalde zijn lappen weêr
voor den dag en snijderde verder, en de zoon moest een patroon zoeken.

De tweede zoon was bij een molenaar aangeland, en ging bij hem in de
leer. Toen zijn jaren om waren, zei de baas: »Omdat je zoo goed je best
gedaan hebt, krijg je een ezel van mij; maar een bijzondere ezel, hij
trekt niet voor den wagen en draagt geen zakken.« »Maar waar is hij dan
goed voor?« zei de jongen. »Hij spuwt goud,« antwoordde de molenaar;
»als je een doek onder hem uitspreidt en je zegt: »Brikklebrit,« dan
spuwt het brave dier goudstukken uit, van voren en van achteren. »Dat
is een goed ding!« zei de jongen; hij bedankte zijn baas en trok de
wereld in. Als hij geld noodig had, dan zei hij »brikklebrit,« tegen
zijn ezel en het regende goudstukken; alles wat hij dan nog te doen had
was ze op te rapen. Waar hij kwam was het beste hem pas goed genoeg,
en hoe duurder hoe liever zelfs, want hij had altijd een vollen buidel.

Toen hij een tijdje in de wereld had rondgekeken, dacht hij: »ik moet
nu mijn vader gaan opzoeken, boos zal hij wel niet meer zijn en met
mijn ezeltje zal hij mij zeker goed ontvangen.«

Op zijn weg naar huis, gebeurde het, dat hij zijn intrek nam in
hetzelfde logement, waar het tafeltje van zijn broer verruild was. Hij
leidde zijn ezel aan de hand en de kastelein wilde het dier van hem
afnemen en naar den stal brengen; maar de jonge gezel sprak: »Doe geen
moeite, ik zal mijn ijzer-schimmel wel zelf wegbrengen en vastbinden,
want ik moet weten, wat er met hem gebeurt.« Dat vond de waard vreemd,
en hij dacht, iemand, die zelf voor zijn ezel wou zorgen, zou wel niet
veel te verteren hebben; maar toen de vreemde een paar goudstukken uit
zijn zak haalde, en verzocht daar wat goeds voor zijn avondmaal voor
in te slaan, zette hij groote oogen op, en ging zelf om het beste te
halen, wat er te krijgen was. Na den maaltijd vroeg de gast wat hij
schuldig was; de kastelein schreef met dubbel krijt, en zei, dat er
nog een paar goudstukken bij moesten. De jongen greep in zijn zak,
maar zijn goudstukken waren op. »Wacht een oogenblikje, kastelein,«
zei hij, »ik zal even geld gaan halen,« en hij ging, maar nam het
tafellaken meê. Daar begreep de waard niets van, en hij sloop hem
nieuwsgierig achterna. De gast had de staldeur gegrendeld, en daarom
keek hij door een reet. De vreemde spreidde het tafellaken onder den
ezel en riep: »Brikklebrit!« en oogenblikkelijk begon den ezel goud
te spuwen, van voren en van achteren, dat het wel een regen van goud
leek. »Te deksel!« dacht de waard, »dat goud wordt vlug gemunt! Zoo'n
geldbuidel was nog eens de moeite waard.«

De gast betaalde de rekening en legde zich te slapen, maar de kastelein
ging 's nachts stilletjes in den stal, bracht den muntmeester weg en
bond een anderen ezel in zijn plaats vast. Den volgenden ochtend in
de vroegte, trok de gezel met zijn ezel af en dacht, dat hij zijn
goudezel had. 's Middags kwam hij bij zijn vader aan; die was blij
hem terug te zien en nam hem gaarne op. »Wat ben je wel geworden,
lieve zoon?« vroeg de oude. »Een molenaar, vader.« »En wat heb je van
je reis meegebracht?« »Niets anders dan een ezel.« »Ezels zijn hier
genoeg,« zei de vader, »dan had ik toch nog liever een flinke geit
gehad.« »Ja,« zei de zoon, »maar het is geen gewone ezel, het is een
goudezel; als ik zeg: »brikklebrit,« dan spuwt het goede dier een heel
laken vol met goudstukken; laat al de familie maar bij elkaar roepen,
dan maak ik ze allemaal rijk.«

»Daar ben ik voor te vinden,« zei de kleermaker, »dan heb ik mij met
de naald niet meer af te tobben,« en hij sprong op, en ging zelf de
familie bij elkaar roepen. Toen ze allen bijeen waren, zei de molenaar
hun ruimte te maken; hij spreidde zijn laken uit en bracht den ezel
in de kamer.

»Let nu op,« zei hij; »brikklebrit!« maar wat er viel leek niets op
goudstukken, en het bleek, dat het dier niet in die kunst thuis was;
zoo ver kon iedere ezel het ook niet brengen. Toen zette de arme
molenaar een lang gezicht en begreep dat hij bedrogen was; en hij
vroeg excuus aan zijn familieleden, die even arm weêr weg gingen
als zij gekomen waren. En er zat niets anders op, dan dat de oude de
naald weêr ter hand nam en de jongen zich bij een molenaar verhuurde.

De derde broer was bij een draaier in de leer gegaan, en omdat dat
een kunstig handwerk is, moest hij het langste leeren. Zijn broers
berichtten hem in een brief hoe slecht het hun gegaan was, en hoe nog
den laatsten avond de kastelein hen hun mooie tooverdingen afhandig
had gemaakt. Toen de draaier nu uitgeleerd was en zou gaan reizen,
gaf hem zijn patroon omdat hij zich zoo goed gehouden had, een zak
en zei: »er zit een knuppel in.« »De zak kan ik omhangen, en daar
kon ik vrij wel dienst van hebben, maar die knuppel, wat moet die,
die verzwaart hem maar?«

»Dat zal ik je zeggen,« zei de baas, »als iemand je kwaad gedaan heeft,
dan zeg je maar: »Knuppel uit de zak!« dan springt de knuppel er uit
en danst de luitjes zoo lekker over hun rug, dat zij zich in geen acht
dagen bewegen kunnen, en eerder houdt hij niet op, voordat je zegt:
»Knuppel in de zak.« De gezel bedankte, hing de zak om, en als iemand
hem te na kwam of te lijf wilde, dan sprak hij: »Knuppel uit de zak!«
en dadelijk sprong de knuppel er uit en klopte den een na den ander
zijn jas of buis op den rug uit, zonder af te wachten, dat hij hem
eerst uittrok, en dat ging zoo vlug, dat men al aan de beurt was
als men dacht, dat het rijtje pas begon. De jonge draaiersgezel kwam
ook tegen den avond in hetzelfde logement waar zijn broêrs bedrogen
waren geworden. Hij legde zijn ransel voor zich op tafel en begon te
vertellen wat hij al voor merkwaardigs in de wereld gezien had.

»Ja,« zei hij, »men ziet wel eens een »tafeltje dek je,« en een
»goudezel« en zoo, en dat zijn dingen, die ik in het geheel niet
veracht, maar de schat, dien ik verkregen heb en in die zak meedraag,
daar halen ze toch niet bij!« De kastelein spitste zijn ooren,
»jongens, wat zou dàt wel zijn; die zak zit zeker vol edelgesteenten;
die moet ik dan ook nog hebben, want alle goede dingen zijn drie.«
Toen het bedtijd was, legde de gast zich op de bank, met de zak onder
zijn hoofd voor kussen. De waard wachtte tot hij hem in diepen slaap
dacht, en toen begon hij heel voorzichtig aan de zak te trekken, om
hem zoo weg te halen en er dan een andere voor in de plaats te leggen.

Maar dáár had de draaier juist op liggen wachten, en toen de waard
een flinken ruk aan de zak wou doen, riep hij: »Knuppel uit de zak!«
Fluks kwam het knuppeltje er uit en den waard op het lijf, en veegde
hem den mantel uit, dat het zoo'n aard had.

De waard riep om genade, maar hoe harder hij schreeuwde hoe harder de
knuppel de maat op zijn rug sloeg, totdat hij eindelijk van uitputting
neêrviel. Toen zei de draaier: »als je niet dadelijk het »tafeltje
dek je« en de »goudezel« terug geeft, zal de dans weêr van nieuws
beginnen.« »Ach, neen,« riep de kastelein heel benauwd, »ik geef alles
graag weêr terug, als dat duivelsding maar weêr in zijn zak kruipt!«
Toen sprak de gezel: »ik zal genade voor recht geven, maar neem je
in acht!« toen riep hij: »Knuppel in de zak!« en liet hem met rust.

Den volgenden morgen toog de draaier met tafeltje dek je en de goudezel
naar zijn vader. De kleermaker verheugde zich, dat hij hem terug zag,
en vroeg wat hij in den vreemde geleerd had. »Lieve vader,« zei hij,
»ik ben een draaier geworden.« »Dat is een kunstig vak!« zei de vader,
»en wat heb je van je reis meegebracht?« »Een kostbaar stuk lieve
vader, een knuppel uit de zak!«

»Wat!« riep de vader, »een knuppel! dat is wel de moeite waard! Die
kun je van den eersten den besten boom hakken.« »Maar zoo een niet,
vader! Als ik zeg: »knuppel uit de zak!« dan springt hij er uit
en met wien het niet goed met mij meent wordt een leelijk dansje
uitgevoerd, en dat houdt niet op, voor hij op den grond ligt en mooi
weêr speelt. Kijk vader, met dien knuppel heb ik het tafeltje-dek-je en
den goudezel terug gekregen, die die schurk van een waard mijn broers
ontfutseld had. Laat hen nu allebei roepen, en ook al de familie,
ik zal ze allemaal te eten geven en hun zakken met goud vullen.«
De oude kleermaker wou er nog niet recht aan gelooven, maar hij riep
toch de familie bij elkaâr. Toen spreidde de draaier een laken uit in
de kamer en leidde den goudezel binnen, en hij zei tegen zijn broeder:
»kom, lieve broer spreek tegen hem!« De molenaar zei: »brikklebrit,« en
oogenblikkelijk sprongen de goudstukken als een hagelbui op het laken,
en de ezel hield niet op, voor zij allemaal zooveel hadden als zij
maar dragen konden (ik zie aan je gezicht dat je er wel bij had willen
zijn). Toen haalde de draaier het tafeltje en zei: »lieve broêr, spreek
er nu eens tegen!« En nauwelijks had de meubelmaker »tafeltje dek je«
gezegd of het was gedekt en met de heerlijkste schotels bezet. En
toen werd er een maaltijd gehouden zooals de kleermaker er nooit
een in zijn huis beleefd had, en het heele gezelschap bleef bijeen
tot laat in den nacht, en ze waren allemaal lustig en vergenoegd. De
kleermaker sloot garen en naalden, el en strijkijzer in de kast en
leefde met zijn drie zonen in weelde en vreugde.

Maar waar is de geit gebleven, die de schuld was, dat de kleermaker
zijn drie zonen uit zijn huis joeg? Dat zal ik je zeggen. Zij
schaamde zich, dat zij een kalen kop had, en verstopte zich in een
vossenhol. Toen de vos thuis kwam gloeiden hem een paar groote oogen
uit het donker aan, zoodat hij schrikte en weêr wegliep. De beer kwam
hem tegen, en vond, dat de vos er erg onthutst uit zag. Daarom vroeg
hij: »Wat is er broeder vos, wat zet je voor een gezicht?« »Ach,«
zei de vos, »er zit een grimmig dier in mijn hol, een gloeiend met
vurige oogen!« »Die zullen wij er wel uit krijgen,« zei de beer; hij
ging meê naar het hol, en keek naar binnen; maar toen hij de vurige
oogen zag, werd het hem ook te warm; hij moest van het grimmige dier
niets hebben, en pakte gauw zijn biezen. Hij ontmoette de bij en toen
die merkte, dat hij zich in zijn huid niet erg thuis voelde, zei ze:
»Beer, wat zet je een lang gezicht, waar is je joligheid gebleven?«

»Je hebt goed praten,« zei de beer; »er zit een grimmig dier met vurige
oogen in den roode zijn hol, en wij kunnen hem er niet uit jagen!«

»Je bent een stumper, beer!« zei de bij, »ik ben maar een arm zwak
ding, waar je overheên kijkt, maar ik geloof toch dat ik je helpen
kan.« Ze vloog in het vossenhol, zette zich op den kalen knikker van
de geit, en stak haar zoo ongemakkelijk dat ze opsprong en »mè! mè!«
riep, en toen holde zij als dol in de wereld rond, en er is niemand
die zeggen kan waar ze heêngeloopen is.



XXXVII.

DUIMPJE.


Er was eens een arme boer; hij zat 's avonds bij den haard en pookte
in het vuur en de vrouw zat te spinnen. Toen zei de man: »wat is
het toch droevig, dat wij geen kinderen hebben; het is zoo stil bij
ons in huis, en bij anderen is het altijd zoo druk en vroolijk.«
»Ja,« zeide de vrouw, en ze zuchtte, »al hadden wij er maar één,
en al was het nóg zoo klein, al was het niet grooter dan een duim,
dan zou ik al tevreden zijn, en wij zouden het hartelijk liefhebben.«
Nu gebeurde het, dat de vrouw ziekelijk werd, en na zeven maanden
kreeg zij een kindje; het was gaaf en gezond, maar niet langer dan
een duim. Toen zeiden zij: »het is als wij gewenscht hebben, en het
zal ons lieve kind zijn!« en om zijn klein postuur noemden zij het:
»Duimpje.« Het werd goed verzorgd, maar het kind groeide niet en
bleef altijd zoo klein als toen het geboren werd, het keek echter
heel verstandig uit zijn oogen en toonde zich een vlug en handig ding,
dat geluk had in alles wat het begon.

De vader maakte zich eens klaar om naar het bosch te gaan en hout te
hakken, toen zei hij zoo in zich zelf: »nu wou ik, dat ik iemand had
om mij met een wagen achterna te komen.« »O, vader!« riep Duimpje,
»den wagen zal ik wel brengen, hij zal op den bepaalden tijd in het
bosch zijn, reken daar maar vast op.« De man begon te lachen; »hoe zou
dat moeten gaan, je bent veel te klein om het paard aan den toom te
houden.« »Dat hindert niet vader, als moeder maar aan wil spannen,
dan kruip ik in het paard zijn oor en zeg hem hoe hij gaan moet.«
»Nu,« zei de vader, »wij zullen het eens probeeren.«

Toen het tijd was, spande de moeder het paard aan en zette Duimpje
in zijn oor, en het kleine ding riep tegen het paard hoe hij gaan
moest, hot! hu! Het ging heel ordelijk, als bij een echten baas en
de wagen reed recht den weg naar het bosch. Nu gebeurde het, dat
Duimpje »hu!« riep, bij een draai van den weg, toen er juist twee
mannen aankwamen. »Wat is dàt?« zei de een, »daar gaat een wagen,
en de voerman roept wat tegen het paard, en hij is nergens te zien.«
»Dat is niet pluis!« zei de andere, »wij zullen de kar volgen en zien
waar hij staan blijft.«

De wagen reed het bosch in tot op de plaats waar het hout gehakt
werd. Toen Duimpje zijn vader zag, riep hij: »Kijk vader, daar ben ik
al met den wagen, haal mij nu maar naar beneden.« De vader hield het
paard met de linkerhand en haalde met de rechter zijn zoontje uit het
oor. Duimpje ging vroolijk op een grashalm zitten schommelen. Toen de
twee vreemde mannen het kereltje zagen, konden zij geen woord zeggen
van verbazing; maar de eene trok den anderen op zij en sprak: »Met
dat kleine baasje zou geld te verdienen zijn in de stad als wij hem
lieten kijken; wij moeten hem zien te koopen.« Hij ging naar den boer
en zeide: »verkoop ons dat ventje, hij zal het goed bij ons hebben.«
»Neen,« zei de vader, »dat is mijn hartelap, die is voor al het goud in
de wereld niet te koop.« Maar Duimpje, die den handel had afgeluisterd,
klom over de plooien van zijn vader's jas naar boven, ging op zijn
schouder zitten, en fluisterde in zijn oor: »Vader, doe het maar,
ik kom wel weêr bij je terug.« Toen verkocht de vader hem voor een
ronde som aan de twee mannen. »Waar wil je zitten?« vroegen zij. »O,
zet mij maar op den rand van je hoed, daar kan ik op en neer wandelen
en uitkijken, en ik val er toch niet af.« Zij gaven hem zijn zin,
en toen Duimpje afscheid van zijn vader had genomen, gingen zij met
hem weg. Zoo liepen zij met hem door, en toen het avond en schemer
werd, zei de kleine: »zet mij eens even op den grond, het is noodig.«
»Blijf maar boven,« zei die van wien de hoed was, »ik geef er niets om,
de vogels laten er ook wel eens wat op vallen.« »Neen,« zei Duimpje,
»ik weet heel goed wat mij past, zet mij maar gauw op den grond.«

De man nam zijn hoed af en zette het jongetje op een akker die aan
den weg lag, hij sprong en kroop een beetje tusschen de kluiten
en toen kroop hij op den weg in een mierengaatje, dat hij had
uitgezocht. »Gegroet heeren! ga maar zonder mij naar huis!« riep hij
en lachte hen uit. Zij kwamen aanloopen en prikten met stokken in het
mierengat, maar dat was verloren moeite, Duimpje kroop al maar verder
terug en toen het eindelijk heelemaal donker was, moesten zij nijdig
en met een leege beurs naar huis. Toen Duimpje begreep, dat zij weg
waren, kroop hij weêr uit zijn onderaardsche gang te voorschijn. »Het
is hier op den akker gevaarlijk loopen in het duister,« dacht hij,
»ik zou makkelijk mijn beenen of mijn hals kunnen breken.« Gelukkig
liep hij juist tegen een leeg slakkenhuis aan. »Goddank, nu ben ik van
nacht ten minste veilig,« zei hij en kroop er in. Toen hij juist zou
inslapen, hoorde hij twee mannen voorbijgaan. »Hoe leggen wij 't nu
aan om dien rijken dominé van zijn geld en zijn zilver af te helpen,«
zei de een. »Dat kan ik je wel zeggen!« riep Duimpje. »Wat was dat?«
zei de dief verschrikt, »ik hoorde iemand spreken.« Zij bleven staan
luisteren, en Duimpje riep: »neem mij mee, dan zal ik je helpen.«
»Waar ben je dan?« »Zoek maar hier op den grond, en let goed op waar
de stem vandaan komt.«

De dieven vonden hem eindelijk en namen hem van den grond op. »Jij
klein wicht, wat wou jij ons helpen!« »Kijk,« zei hij, »ik kruip
tusschen de ijzeren staven door tot in dominé's kamer, en geef
jelui aan, wat je hebben wilt.« »Nu, goed dan, wij zullen eens
zien wat je kunt.« Toen zij bij de pastorie waren, kroop Duimpje
tusschen de staven door in huis; maar daar begon hij zoo hard als
hij kon te schreeuwen. »Wou jelui alles hebben wat hier in is?« De
dieven schrikten en zeiden: »Spreek toch zachtjes, dat ze niet wakker
worden.« Maar Duimpje deed of hij 't niet hoorde en schreeuwde weêr:
»Wat wil jelui? Wil je alles hebben wat hier in is?« Daarvan werd de
keukenmeid wakker, die in de kamer daar naast sliep, zij ging opzitten
en luisterde. Maar de dieven waren van schrik een eind weggeloopen;
na een poosje vatten zij weer moed en kwamen terug, zij meenden,
dat het baasje hen een beetje plagen wou, en ze fluisterden naar
binnen: »Kom maak nu geen gekheid, en geef gauw wat aan.« En Duimpje
schreeuwde zoo hard als hij kon: »Ik zal je alles geven, steek je
handen maar naar binnen.«

Dat hoorde de luisterende keukenmeid heel duidelijk, ze sprong uit
bed en strompelde de kamer binnen. De dieven liepen weg en renden of
de dood hen op de hielen zat, en de meid, die niets merkte stak een
kaars aan.

Toen zij met het licht terug kwam, maakte Duimpje gauw, dat hij wegkwam
in de schuur. De meid doorzocht alle hoeken en gaten en toen zij niets
vinden kon, dacht ze, dat ze met open oogen en ooren toch gedroomd had.

Duimpje was over de stroohalmen rond geklommen en had een goed plekje
gevonden om te slapen. Hij woû daar blijven uitrusten tot het dag was
en dan weêr naar zijn ouders gaan. Maar dat zou anders uitkomen; ja,
de wereld is vol wisselvalligheden! De meid stond als gewoonlijk op
omdat het vroeg dag was, en wilde het vee voederen. Haar eerste zorg
was naar de schuur; daar pakte zij een arm vol hooi, en juist dat waar
Duimpje in lag. Maar hij sliep zoo vast, dat hij niets merkte, en werd
pas wakker, toen hij in den bek van de koe zat, die hem met het hooi
had gegrepen. »Ach God hoe kom ik hier nu in!« Maar hij merkte gauw
waar hij was. Nu was het oppassen, dat hij niet tusschen de tanden
kwam en vermorseld werd, en toen moest hij nog meê naar beneden,
naar de maag. »In dit kamertje zijn de raampjes vergeten,« zei hij,
»en er schijnt geen vonk maan; een licht zal hier ook wel niet te
krijgen zijn.« Het kwartier beviel hem in alle opzichten slecht, en
het ergste was, dat er altijd maar meer hooi door het deurtje naar
binnen kwam, en het plaatsje werd hoe langer hoe benauwder. Toen riep
hij eindelijk in zijn angst zoo hard als hij maar kon: »Breng niet
meer voêr, niet meer voêr!«

De meid was juist bezig de koe te melken en toen ze spreken hoorde
en niemand zag, en de stem van 's nachts herkende, tuimelde zij van
schrik van haar stoeltje, en morste al de melk. Zij liep haastig naar
haar meester en riep:

»O, mijnheer de dominé, de koe kan spreken!« »Je bent niet wijs,« zei
de dominé en ging zelf naar den stal om de zaak te onderzoeken. Maar
hij had nog geen voet binnen of Duimpje riep: »Breng mij geen nieuw
voêr!« Toen geloofde de dominé zelf ook, dat het een booze geest was,
en liet de koe dood maken. Ze werd geslacht, maar de maag waarin
Duimpje zat, werd op de mesthoop gegooid. Duimpje trachtte zich er
uit te werken, en wurmde en wurmde tot hij eindelijk wat ruimte kreeg;
maar toen hij juist zijn hoofd naar buiten wou steken, gebeurde er weêr
een nieuw ongeluk. Er kwam een hongerige wolf voorbij en die slokte
de heele maag in ééns in. Maar Duimpje gaf het niet op, »misschien
valt er met dien wolf wel te praten,« dacht hij, en hij riep hem
toe uit zijn eigen buik: »lieve wolf, ik weet een lekker hapje voor
je!« »Waar is dat te krijgen?« vroeg de wolf. »Daar en daar, je moet
door het riool naar binnen zien te komen, en dan zal je zooveel spek
en worst en koek vinden als je maar bergen kunt;« en hij beschreef
hem heel nauwkeurig zijn vader's huis. De wolf had daar ooren naar,
drong in den nacht door het riool en at in de provisiekamer, wat hij
maar eten kon. Toen hij klaar was, wilde hij weêr terug, maar hij was
nu te dik om er door te kunnen. Daar had Duimpje juist op gerekend,
en begon nu in het lijf van de wolf geweldig te keer te gaan, roepen
en schreeuwen zoo hard hij kon.

»Hou je mond toch,« zei de wolf; »je maakt de menschen wakker!« »Neen
man,« zei 't kleine ding, »jij hebt lekker gegeten, nu wil ik eens
lekker pleizier maken,« en hij begon het misbaar weêr opnieuw. Daarvan
werden zijn vader en moeder wakker, liepen naar de provisiekamer en
keken door een reet. Toen zij zagen, dat er een wolf in was, haalde
de man de bijl en de vrouw de zeis. »Blijf jij achter,« zei de man,
»en als ik hem een slag gegeven heb en hij is nog niet dood, dan kom
jij en geeft hem een sneê in zijn lijf.« Duimpje hoorde de stem van
zijn vader en riep: »lieve vader, ik ben hier, ik zit in den wolf
zijn buik.« »Goddank,« riep de man heel verheugd, »ons lieve kind
is weêr terecht,« en hij vroeg de vrouw, de zeis weg te zetten, dat
Duimpje geen letsel zou krijgen. Daarop haalde hij uit en sloeg den
wolf met één slag op zijn kop dood, en toen haalden zij een schaar en
mes en sneden hem zijn buik open, en haalden het ventje er uit. »O,«
zei de vader, »wat een zorg en angst hebben wij om je uitgestaan!«
»Ja vader, ik heb heel wat in de wereld beleefd; goddank, dat ik
weer wat frissche lucht krijg!« »Waar ben je dan toch geweest?«
»Och vader, ik was in een muizengat, in een koeienmaag en in een
wolfsbuik en nu blijf ik bij u.« »En voor geen schatten in de wereld
verkoopen wij je weêr.« En ze pakten en kusten hun dierbare Duimpje,
gaven hem te eten en te drinken, en lieten hem nieuwe kleêren maken,
want de zijne waren van een slechte reis thuis gekomen.



XXXVIII.

DE BRUILOFT VAN VROUW VOS.


Eerste Sprookje.


Er was eens een oude vos met negen staarten, die meende, dat zijn
vrouw hem niet trouw was, en daarom wilde hij haar eens op de proef
stellen. Hij ging lang uit onder de bank liggen, en hield zich zoo
dood als een pier. Vrouw vos ging naar haar slaapkamer, deed de deur
op slot, en de meid juffer poes, zat bij het vuur en kookte. Toen het
nu bekend werd, dat de oude vos gestorven was, begonnen de vrijers op
te dagen. De meid hoorde eens, dat er aan de huisdeur geklopt werd;
zij deed open, en er stond een jonge vos; hij sprak:


    »Juffer poes wat doe je toch,
    Ben je wakker of slaap je nog?«


zij antwoordde:


    »Slapen niet, ik ben niet moe,
    Wil je weten wat ik doe?
    Boter doe 'k in 't warme bier,
    Komt mijnheer te gast hier?«


»Dank u wel, juffer,« zei de vos, »wat doet vrouw Vos?« De meid
antwoordde:


    »Op haar kamer zit ze maar,
    Met de handen in het haar,
    En zij schreit haar oogen rood,
    Want mijnheer de vos is dood.«


»Ga haar dan zeggen, juffer, dat er een jonge vos is, die graâg met
haar trouwen woû.« »Goed jongeheer.»


    Toen ging poesje trip, trap,
    Sloeg de deuren klip, klap,
    »Vrouw vos is u daar wel?«
    »»Och ja, mijn poesjenel!««
    »Een vrijer is gekomen,»
    »»Heb j'm goed opgenomen?««


»Heeft hij ook wel negen zulke mooie pluimstaarten als mijn zalige
heer Vos?« »O, neen,« zei het poesje, »hij heeft er maar één.« »Dan
wil ik hem niet hebben.»

Juffer poes ging naar buiten en stuurde den vrijer de laan uit. Heel
spoedig daarop werd er weêr geklopt; er was weêr een andere vos
voor de deur, die om vrouw Vos kwam vrijen. Hij had twee staarten,
maar het ging hem niet beter dan den eersten. Toen kwamen er weer
anderen, ieder met een staart meer; zij werden allemaal afgewezen;
maar eindelijk kwam er een, die had negen staarten precies zooals de
zalige heer Vos. Toen de weduwe dat hoorde, zeide zij heel verheugd
tegen het poesje:


    »Nu poorten en deuren opensluiten,
    En smijt wij den ouden heer Vos naar buiten,«


Maar toen de bruiloft zou beginnen begon ook de oude heer Vos te
bewegen, en strafte het heele zootje duchtig af; maar vrouw Vos joeg
hij de deur uit.



Tweede Sprookje.

Toen de oude heer Vos dood was, kwam de wolf als vrijer en klopte aan
de deur, en de kat die dienstmeisje was bij vrouw Vos, deed open. De
wolf groette en zei:


    »Dag vrouw poes van schuiermaar,
    Zit je nu alléén daar?
    Wat voor lekkers maak je klaar?«


De kat antwoordde:


    »'k Drink mijn melk en bak mijn brood,
    Is mijnheer te gast genood?«


»Dat niet juffer poes, is vrouw Vos niet thuis?«


    »Zij zit op haar kamer in zorg en nood,
    Want mijnheer de Vos is dood!«


De wolf antwoordde:


    »Wil zij soms een anderen man,
    Laat ze gauw maar komen dan.«
    De kat liep op de trap,
    Haar staartje ging: wip wip,
    En haar oogjes gingen rond,
Tot zij juffrouw Vos vond,
    Zij klopte met haar vijf gouden ringen:
    »Juffrouw vos is u daarbinnen?
    Wil je soms een anderen man?
    Gauw maar naar beneden dan!«


Vrouw Vos vroeg: »heeft hij een rood broekje aan, en een spits
snoetje?« »Neen,« zei de kat. »Dan kan ik hem niet gebruiken.« Toen de
wolf weggestuurd was, kwam er een hert, een haas, een beer, een leeuw
en vele dieren de een voor den ander. Maar er ontbrak altijd een van
de goede eigenschappen van den ouden heer Vos, en de kat moest iedere
keer de vrijers weêr wegsturen. Eindelijk kwam er een jonge vos. Toen
zei vrouw Vos: »heeft hij een rood broekje aan en een spits snoetje?«

»Ja, dat heeft hij!« zei de kat. »Dan moet hij boven komen,« zei
vrouw Vos, en de meid moest het bruiloftsmaal bereiden.


    »Katje veeg de kamer aan.
    En smijt den ouden Vos maar uit het raam,
    Een dikke vette muis,
    Bracht hij zoo dikwijls thuis,
    Maar at ze op alléén,
    Gaf er mij nooit één.«


Toen werd er bruiloft gehouden met den jongen heer Vos, er werd
gezongen en gedanst, en als ze niet opgehouden hebben dansen ze nog.



XXXIX.

DE KABOUTERTJES.


Eerste Sprookje.


Een schoenmaker was eens, buiten zijn schuld, zoo arm geworden dat hij
niets anders meer bezat, dan leêr voor een enkel paar schoenen. Hij
sneed het leêr 's avonds en wilde den volgenden morgen met het maken
van de schoenen beginnen. En omdat hij een goed geweten had, legde
hij zich rustig te bed, beval zich aan de hoede van den lieven God
en sliep in. 's Morgens nadat hij gebeden had, wilde hij aan het werk
gaan; maar daar stonden de schoenen al kant en klaar op zijn werktafel:
Hij was zoo verbaasd, dat hij niets zeggen kon, en hij nam de schoenen
in zijn hand om ze eens goed te bekijken. Ze waren zoo keurig bewerkt,
dat er geen verkeerde steek aan was, precies of het een meesterwerk
had moeten worden. Er kwam ook al heel gauw een klant voor, en omdat
hem de schoenen zoo bijzonder goed bevielen, betaalde hij meer dan
gewoonlijk; zoo kon de schoenmaker voor het geld leêr voor twee paar
schoenen inkoopen. Hij sneed ze 's avonds, en den volgenden ochtend
wilde hij vroolijk aan 't werk gaan, maar het hoefde niet, want toen
hij opstond waren ze al klaar, en de klanten bleven ook niet uit:
zij gaven hem zóó veel geld, dat hij nu het leêr voor vier paar
schoenen kon inkoopen. Den volgende morgen in de vroegte vindt hij
die vier paar ook weêr klaar staan. Zoo ging het maar altijd door:
wat hij 's avonds gesneden had, was den volgenden ochtend klaar,
zoodat hij langzamerhand weêr een fatsoenlijk inkomen had en eindelijk
een welgesteld man werd. Nu gebeurde eens op een avond tegen Kerstmis,
dat de man, toen hij zijn schoenen gesneden had vóór het naar bed gaan,
tegen zijn vrouw zei: »Hoe zou je het vinden, als wij deze nacht eens
opbleven om te zien, wie toch onze helpers zijn?« De vrouw vond het
goed en stak het licht op, en toen verborgen zij zich in de hoeken
van de kamer achter de kleeren, die daar hingen en zij letten goed
op. Te middernacht kwamen twee alleraardigste kleine naakte mannetjes,
gingen voor de werktafel zitten, en begonnen met hun kleine vingertjes
zoo handig te steken, te naaien en te kloppen, dat de schoenmaker van
verbazing zijn oogen niet van hen af kon houden. Zij hielden niet op,
voor alles was afgemaakt, en kant en klaar op tafel stond en toen
sprongen zij in een wip weg.

Den volgenden dag zeide de vrouw: »Die kleine mannetjes hebben ons
rijk gemaakt, daarvoor moeten wij toch dankbaar zijn. Ze loopen zoo
maar naakt rond; wat zullen zij het koud hebben! Weet je wat? Ik zal
hemdjes, jasjes, buisjes en broekjes voor hen maken, en voor ieder een
paar kousjes breien.« Dat vond de man heel goed, en toen alles klaar
was, legden zij de geschenken op de tafel in plaats van de gesneden
schoenen; en toen verstopten zij zich om te zien, wat de mannetjes
zouden doen. Te middernacht kwamen zij aangesprongen, en wilden
onmiddellijk aan 't werk gaan. Toen zij nu geen leêr vonden maar in
plaats daarvan die nette kleertjes, waren zij eerst heel verbaasd,
maar daarna hadden zij uitbundige pret. Met groote vlugheid trokken
zij de kleeren aan en streken ze netjes glad en toen zongen zij:


    »O, wat zijn wij warm en fijn,
    Waarom nu nog schoenmaker zijn!«


Toen gingen zij springen en dansen, en sprongen over stoelen en banken
en eindelijk dansten zij de deur uit. Van nu af aan kwamen zij niet
terug; maar den schoenmaker is het goed gegaan zoolang hij leefde,
en alles wat hij begon bracht hij gelukkig ten eind.



Tweede Sprookje.


Er was eens een arm dienstmeisje. Zij was netjes en ijverig, stofte
alle dag de vloeren, en het stof schudde zij op een hoop voor de
deur. Op een morgen toen zij weêr aan het werk wilde gaan, vond zij er
een brief liggen. Zij kon niet lezen, en daarom zette zij zoolang den
bezem in een hoek, en bracht den brief aan haar juffrouw. Het was een
uitnoodiging van de kaboutertjes om een kind ten doop te houden. Het
meisje wist niet wat zij zou doen; maar de buren moedigden haar aan,
en men zeide, dat zoo iets niet afgeslagen mocht worden; toen is zij
gegaan. Er kwamen drie kaboutertjes, die brachten haar in een grot waar
zij woonden. Alles was er heel klein, maar zoo sierlijk en prachtig,
dat het niet te beschrijven is. De kraamvrouw lag in een bed van zwart
ebbenhout met knoppen van paarlen; de dekens waren met goud gestikt;
de wieg was van ivoor en de waschkom van goud. Het meisje stond peet,
en wilde toen weêr naar huis gaan, maar de kaboutertjes vroegen haar
dringend toch nog drie dagen bij hen te willen blijven. Dat deed ze
toen, en leefde vroolijk en genoegelijk, en de mannetjes deden alles
om het haar prettig te maken. Toen zij weêr weg zou gaan, vulden
zij eerst haar zakken met goud, en brachten haar toen weêr uit den
berg. Toen zij thuis kwam, wilde zij met haar werk beginnen; zij nam
den bezem weêr, die nog in den hoek stond, en begon te vegen. Toen
kwamen er vreemde menschen uit het huis, die vroegen wie zij was,
en wat zij daar kwam doen. En het waren geen drie dagen geweest,
zooals zij meende, maar zij had zeven jaar bij de kleine mannetjes in
den berg gediend, en haar vorige meesters waren in dien tijd gestorven.



Derde Sprookje.


Een moeder hadden de kaboutertjes haar kind uit de wieg genomen, en
er een wisselkind voor in de plaats gelegd; het had een dikken kop,
starre oogen en woû niets dan eten en drinken. In haar angst ging
zij bij een buurvrouw om raad te vragen. De buurvrouw zei, ze zou
het wisselkind meê naar de keuken nemen en het bij den haard zetten;
dan zou zij het vuur aanmaken en in twee eierschalen water koken;
daar zou het wisselkind om moeten lachen, en als 't gelachen had,
dan was het er mee gedaan ook. De vrouw deed alles precies zooals de
buurvrouw het gezegd had; toen zij de eierschalen met water op het
vuur zette, zei de dikkop:


    »Ik ben wel zoo oud
    Als het Westerwoud,
    Maar nooit heb ik iemand water zien putten in eierschalen.«


en hij begon te lachen. Terwijl hij lachte kwam er een heele troep
kaboutertjes, die brachten het echte kind, zetten het bij den haard
en namen het wisselkind weêr meê.



XL.

DE ROOVERBRUIGOM.


Er was eens een molenaar, die had een mooi dochtertje en toen zij was
opgegroeid, had hij haar graâg verzorgd en goed getrouwd, en hij dacht:
»als er een fatsoenlijke vrijer komt en haar ten huwelijk vraagt,
zal ik haar geven.« Niet lang daarna kwam er een vrijer; hij scheen
heel rijk te zijn en de molenaar had niets op hem aan te merken,
daarom gaf hij hem zijn dochter. Maar het meisje had hem niet recht
lief, zooals een bruid haar bruigom moet liefhebben; zij had geen
vertrouwen in hem, en zoo dikwijls zij hem aanzag of aan hem dacht,
griezelde zij. Eens zei hij tot haar: »Je bent mijn bruid en je komt
mij nooit eens bezoeken.« Toen antwoordde het meisje: »Ik weet niet
waar je woont.« Zij zocht uitvluchten en meende, dat zij den weg niet
zou vinden. Maar de bruigom zei: »den volgenden Zondag moet je bij
mij komen; de gasten zijn al genood, en ik zal asch strooien, dat je
den weg door het bosch kunt vinden.« Toen het Zondag was en het meisje
op weg zou gaan, werd zij zoo angstig, waarom wist zij zelf niet, en
zij stopte haar beide zakken vol met erwten en boonen. In het bosch
vond zij de asch, die haar den weg zou aanwijzen; die volgde zij;
maar bij iederen stap gooide zij rechts en links een paar erwten of
boonen. Zij moest den heelen dag loopen en eindelijk kwam zij aan
een huis, dat midden in het allerdonkerste bosch stond. Het huis
beviel haar niet, het zag zoo somber en ongezellig. Zij ging binnen,
maar er was niemand en alles was stil. Plotseling riep een stem:


    »Keer om, keer om, gij jonge bruid,
    Gij zijt hier in een roovershuis!«


Het meisje keek om; de stem kwam van een vogel, in een kooi aan den
muur; en hij riep weer:


    »Keer om, keer om, gij jonge bruid,
    Gij zijt hier in een roovershuis!«


Maar de schoone bruid ging verder, van de eene kamer in de andere,
door het heele huis; alles was leeg, geen menschenziel was er
te vinden. Eindelijk kwam zij ook in den kelder; daar zat een
stokoude vrouw, die schuddebolde. »Kunt ge mij niet zeggen, of mijn
bruidegom hier woont?« vroeg het meisje. »Ach, arm kind, waar ben je
ingekomen! het is hier een roovershol! Je gelooft, dat je een bruid
zijt en spoedig bruiloft zult houden, maar je bruiloft zul je houden
met den dood. Je bruidegom wil je dood maken. Ik heb hier een groote
ketel met water moeten opzetten en als ze je in hun macht hebben,
hakken ze je zonder medelijden in stukken, en koken en eten je, want
het zijn menscheneters. Als ik mij niet over je erbarm en je red,
dan ben je verloren.«

Toen moest het meisje achter een groot vat wegkruipen. »Wees nu zoo
stil als een muisje,« zei de oude, »beweeg je niet, want dan is het met
je gedaan. Van nacht als de roovers slapen, zullen wij ontvluchten,
want ik heb al lang op een gelegenheid gewacht.« Zij verstopte het
meisje achter het vat, en nauwelijks was dat gebeurd, of de goddelooze
troep kwam naar huis. Zij sleepten een andere jonkvrouw meê en waren
dronken, en op haar schreien en jammeren sloegen zij geen acht. Zij
gaven haar wijn te drinken, drie volle glazen, een glas witte, een glas
roode en een glas gele, daarvan barstte haar hart. Zij trokken haar
toen haar kleeren af, legden haar op een tafel, hakten haar schoon
lichaam in stukken en strooiden er zout over. De arme bruid achter
het vat sidderde en beefde, want zij zag wel, dat haar hetzelfde
lot was toegedacht. Een van de roovers bemerkte aan de pink van de
vermoorde, een gouden ring, en toen die er niet gemakkelijk afging,
nam hij een bijl en hakte den vinger af; maar de vinger sprong in de
hoogte en viel de bruid in den schoot.

De man nam een licht en zocht, maar kon hem niet vinden. Toen zei een
ander. »Heb je al achter het groote vat gezocht?« »Kom,« zei de oude
vrouw, »ga nu eten en wacht maar met zoeken tot morgen, die vinger
loopt niet weg.« »De oude heeft gelijk!« riepen de roovers, ze zochten
niet langer maar gingen zitten om te eten, en de oude druppelde een
slaapdrank in hun wijn, zoodat ze al heel gauw lagen te slapen.

Toen de bruid hen hoorde snorken, kwam zij van achter het vat te
voorschijn en moest over de slapende roovers heenstappen; ze lagen op
een rij, en ze had grooten angst, dat zij op hen trappen zou, en hen
wakker maken. Maar God hielp haar, dat zij er gelukkig over heen kwam,
en de oude vrouw ging met haar naar boven en opende de deuren, en zij
vluchtten zoo gauw zij konden uit het roovershol weg. De asch had de
wind weggewaaid, maar de erwten en boonen waren ontkiemd en opgegroeid,
en wezen in den maneschijn den weg. Zij liepen den ganschen nacht en
's morgens kwamen zij in den molen aan. Toen vertelde het meisje haar
vader alles wat er gebeurd was.

Op den dag, die voor de bruiloft bepaald was, verscheen de bruigom;
de molenaar had alle familie en vrienden uitgenoodigd. Toen zij aan
tafel zaten, werd ieder opgegeven iets te vertellen. De bruid zat
stil; zij sprak niet. Toen zei de bruigom: »wel, liefste, weet je
niets? Vertel toch ook eens wat.« Zij antwoordde: »Dan zal ik een
droom vertellen. Ik ging alléén door een bosch en kwam eindelijk aan
een huis; er was niemand in, maar aan den muur hing een kooi met een
vogel. De vogel riep:


    »Keer om, keer om, gij jonge bruid!
    Gij zijt hier in een roovershuis!«


en hij riep het nog eens. Mijn lief, het was maar een droom. Toen ging
ik door alle kamers; zij waren alle leeg, en het was er zoo akelig;
eindelijk ging ik ook in den kelder. Daar zat een stokoude vrouw,
die schuddebolde. Ik vroeg: »woont mijn bruidegom in dit huis?« Zij
antwoordde: »och arm kind je bent in een roovershol, je bruidegom
woont hier, maar hij wil je dooden en in stukken hakken, en dan
koken en opeten.« Mijn lief, het was maar een droom. Maar de oude
vrouw verstopte mij achter een groot vat, en nauwelijks was ik daar
weggekropen of de roovers kwamen thuis, zij sleepten een jonkvrouw
meê en gaven haar drieërlei wijn te drinken, witte, roode en gele,
daarvan barstte haar hart. Mijn lief, het was maar een droom. Toen
trokken zij haar kleeren af, en hakten op een tafel haar schoon
lichaam in stukken, en zij bestrooiden haar met zout. Mijn lief,
het was maar een droom. En een van de roovers zag, dat er aan de pink
nog een ring zat; hij ging er moeielijk af en toen nam hij een bijl,
en hakte den vinger af; maar de vinger sprong in de hoogte, en viel
achter het groote vat en viel mij in den schoot. En hier is de vinger
met den ring.« En toen zij dat zeide haalde zij den vinger met den
ring voor den dag en liet hem de aanwezigen zien.

De roover was krijtwit geworden bij het vertellen en nu sprong hij
op en wilde ontvluchten; maar de gasten hielden hem vast, en leverden
hem over aan het gerecht. Toen moest hij met zijn geheele bende voor
zijn schanddaden terecht staan.



XLI.

MIJNHEER KORBES.


Er waren eens een hennetje en een haantje, die wilden samen een
reis maken. Toen maakte het haantje een mooien wagen met vier roode
wieltjes, en vier muisjes spande hij er voor. Het hennetje ging met
het haantje op den wagen en zij reden samen weg. Het duurde niet lang
of zij ontmoetten een kat. »Waar gaat dat heên?« vroeg de kat. Het
haantje antwoordde:


    »Al vooruit,
    Naar mijnheer Korbes zijn huis.«


»Neem mij meê,« zei de kat. Het haantje antwoordde: »Heel graâg! Ga
maar achterop zitten, dat je er voor niet afvalt.


    En pas op het nat,
    Dat het vuil niet op mijn roode wieltjes spat
    Zweepje, zwiep,
	Muisjes, piep,
    Al vooruit
    Naar mijnheer Korbes zijn huis!«


Daarna kwam een molensteen, toen een ei, toen een eend, een speld
en eindelijk een naald; zij zetten zich allemaal op den wagen en
reden mee. Maar toen zij bij het huis van mijnheer Korbes kwamen, was
mijnheer Korbes niet thuis. De muisjes brachten den wagen in de schuur,
het hennetje vloog met het haantje op een balk; de kat ging onder den
schoorsteen, de eend op den slinger van de pomp, het ei wikkelde zich
in een handdoek, de speld ging in het kussen van den leuningstoel,
de naald sprong op het bed midden op het hoofdkussen, en de molensteen
legde zich voor de deur. Toen kwam de slechte mijnheer Korbes thuis,
ging naar den haard en wilde vuur aanmaken, toen gooide de kat hem het
gezicht vol asch. Hij liep dadelijk naar de keuken om zich te wasschen,
toen spoot de eend hem water in het gezicht. Hij wilde zich met de
handdoek afdrogen, maar het ei rolde naar hem toe, brak, en kleefde
hem de oogen dicht. Hij wilde uitrusten en ging op den stoel zitten,
toen stak hem de speld. Toen werd hij kwaad en gooide zich op zijn bed,
maar toen zijn hoofd op het kussen kwam, stak de naald, dat hij het
uitschreeuwde, en woedend de wijde wereld in woû loopen. Maar bij de
huisdeur liet de molensteen zich naar beneden vallen en sloeg hem dood.



XLII.

DE PEET.


Een arme man had zooveel kinderen, dat hij de heele wereld al gevraagd
had peet te staan, en toen er nog een kind bijkwam, was er niemand
meer over, dien hij vragen kon. Hij wist niet wat te beginnen, legde
zich vol zorg te bed en sliep in. Toen droomde hij, dat hij de stad
uit moest loopen tot voor de poort, en den eersten dien hij daar
buiten tegen kwam moest hij als peet vragen. Toen hij wakker werd
besloot hij zijn droom te volgen, en liep de stad uit, en den eersten
dien hij buiten de poort zag, vroeg hij peet te staan. De vreemde
schonk hem een glaasje water en zei: »dit is een wonderbaar water,
daarmee kunt ge zieken gezond maken; maar ge moet opletten waar de
dood staat. Staat hij bij het hoofd, dan moet je de zieke van het
water geven, en hij zal genezen, maar staat hij bij de voeten, dan
is alles vruchteloos en hij moet sterven.« Van nu af aan kon de man
altijd zeggen, of een zieke weêr beter kon worden, hij werd beroemd
en verdiende veel geld. Eens werd hij bij het kind van den koning
geroepen, en toen hij binnenkwam stond de dood bij het hoofdeneind; hij
genas het toen met het water; zoo ging het ook den tweeden keer, maar
de derdemaal stond de dood bij de voeten en het kind moest sterven.

De man wou toch den peet eens bezoeken en hem vertellen hoe het
met het water gegaan was. Maar toen hij in het huis kwam ging het
daar zonderling toe. Op de eerste verdieping waren de bezem en de
luiwagen aan 't vechten, en gingen elkaâr duchtig te lijf. Hij vroeg:
»waar woont mijnheer de Peet?« De bezem antwoordde: »een trap hooger.«
Op de tweede verdieping lag een heele hoop doode vingers. Hij vroeg:
»Waar woont mijnheer de Peet?« Een van de vingers antwoordde: »een
trap hooger.« Op de derde verdieping lag een stapel doodshoofden,
die wezen hem ook een trap hooger. Op de vierde zag hij visschen
boven een vuur staan prutsen die bakten zich zelf. Zij zeiden ook:
»een trap hooger.« En toen hij eindelijk op de vijfde verdieping was
gekomen, kwam hij voor een kamer en keek door het sleutelgat, daar
zag hij den peet met een paar lange horens. Toen hij de deur opendeed
en binnen ging, kroop de peet gauw in bed en dekte zich toe. En de
man zei: »Mijnheer Peet, wat gebeuren er toch voor rare dingen in
uw huis? Op de eerste verdieping vochten de luiwagen en de bezem,
en sloegen geweldig op elkaâr los.« »Wat ben je onnoozel!« zei de
peet, »dat waren de knecht en de meid, die een praatje hielden.«
»Op de tweede verdieping, lagen doode vingers.« «Wat ben jij een
stommerik! Het waren schorseneeren.« »Op de derde verdieping lag
een stapel doodskoppen.« «Domkop! dat waren witte koolen.« »Op de
vierde verdieping lagen visschen in een pan te prutsen, die bakten
zichzelf.« Toen hij dat gezegd had, kwamen de visschen en dienden
zichzelf op. »En toen ik de vierde trap was opgeklommen, keek ik door
het sleutelgat, en toen zag ik u Peet, en ge hadt lange, lange horens.«
»Och, dat is niet waar!« De man werd bang en liep weg, gelukkig maar,
want wie weet wat de Peet hem anders nog gedaan had!



XLIII.

VROUW TRUDE.


Er was eens een klein meisje: zij was eigenzinnig en wijsneuzig,
en als haar ouders haar iets zeiden, gehoorzaamde zij niet: hoe
kon dat nu goed gaan? Eens op een dag zeide zij tegen haar ouders:
»ik heb al zoo dikwijls van vrouw Trude gehoord, nu wil ik er toch
eens heengaan: de menschen zeggen, dat het er zoo wonderlijk bij
haar uitziet, en er moeten zulke vreemde dingen in haar huis zijn,
dat ik echt nieuwsgierig ben geworden.« De ouders verboden het haar
streng. »Vrouw Trude is een slechte vrouw,« zeiden ze, »en ze doet
goddelooze dingen, en als je naar haar toe gaat, ben je ons kind
niet meer.« Maar het meisje stoorde zich niet aan het verbod van haar
ouders, en ging toch naar vrouw Trude.

Toen zij bij haar kwam, vroeg vrouw Trude: »Waarom zie je zoo bleek?«

Het meisje stond te beven. »O,« zei ze, »ik ben zoo geschrikt van
wat ik gezien heb!«

»Wat heb je dan gezien?«

»Ik zag een zwarten man hier op de trap.«

»Dat was een kolendrager.«

»Toen zag ik een groenen man.«

«Dat was een jager.«

»Toen een bloedrooden.«

»Dat was een slager.«

»O, vrouw Trude, het was gruwelijk! ik keek door het raam en toen
zag ik in plaats van u, den duivel met een vurigen kop!«

»O, zoo!« zei ze, »dan heb je de heks in haar echte pakje gezien; ik
heb al lang op je gewacht en naar je verlangd, je moet mij verlichten.»

Toen veranderde zij het meisje in een blok hout en gooide dat op
het vuur, en zij ging er naast zitten en warmde zich. »Hé!« zei ze,
»wat flikkert dat mooi!«



XLIV.

PEET DE DOOD.


Een arme man had twaalf kinderen, en moest dag en nacht werken om ze
den kost te kunnen geven. Toen nu het dertiende geboren werd, wist
hij geen raad, en liep naar buiten den straatweg op, en den eersten
dien hij tegenkwam wilde hij vragen peet te zijn. De eerste die hij
ontmoette, dat was de lieve God, die wist al wat hij op het hart had,
en zei: »Arme man, ik heb medelijden met je, ik zal je kind ten doop
houden, en er voor zorgen, en maken, dat het op aarde gelukkig wordt.«
De man vroeg: »Wie zijt ge?« »Ik ben de lieve God.« »Dan begeer ik
u niet tot peet,« zei de man, »ge geeft de rijken en de armen laat
ge hongeren.«

Dat zei de man, omdat hij niet wist hoe wijs God den rijkdom
verdeelt. Hij wendde zich dus van den Heer af en ging verder. Toen
trad de duivel op hem toe en sprak: »Wat zoekt ge? Wilt ge mij tot peet
voor het kind hebben, dan zal ik hem goud in overvloed geven, en alle
genot dat op de wereld is.« De man vroeg: »Wie zijt ge?« »Ik ben de
duivel.« »Dan wil ik je niet tot peet, want je verlokt en bedriegt de
menschen.« Hij ging en ontmoette den knokigen dood; die sprak: »Wilt
ge mij tot peet?« De man vroeg: »wie zijt ge?« »Ik ben de dood, die
allen gelijk maakt.« Toen sprak de man: »U wil ik hebben, ge zijt de
rechte: ge haalt rijken en armen zonder onderscheid, ge zult peet bij
mij zijn.« De dood antwoordde: »ik zal uw kind rijk en beroemd maken,
want wie mij tot vriend heeft kan het niet slecht gaan.« De man sprak:
»Den volgenden Zondag is de doop; zorg dat ge te rechter tijd komt.«

De dood verscheen zooals hij beloofd had en stond peet zooals het
behoort.

Toen de knaap volwassen was, kwam op eens zijn peet, en hij moest
meêgaan. Hij nam hem naar het bosch en wees hem een plant, die
daar groeide: »nu zul je je peetgeschenk krijgen,« zei hij. »Ik
maak je tot een beroemd dokter. Als je een zieke moet genezen,
zal ik je verschijnen; sta ik aan het hoofdeneinde van den zieke,
dan kun je veilig zeggen, dat je hem genezen zult, en je geeft hem
van dit kruid, dan wordt hij beter; maar sta ik aan het voeteneind,
dan behoort hij mij, en dan moet je zeggen, dat er geen hulp voor hem
is, en dat alle dokters van de wereld hem niet redden kunnen. Maar
pas op, dat je het kruid niet tegen mijn wil gebruikt, want dan zou
het slecht met je afloopen.«

Het duurde niet lang of de jongen was de beroemdste arts van de
wereld. »Als hij een zieke alléén maar aanziet, dan weet hij al hoe het
staat, of hij genezen kan, of sterven moet,« zoo sprak men over hem,
en van heinde en ver kwamen de menschen hem af halen om hunne zieken
te bezoeken, en zóóveel goud kreeg hij, dat hij spoedig een rijk man
was. Nu gebeurde het, dat de koning zwaar ziek werd; de dokter werd
geroepen en moest zeggen of genezing mogelijk was. Toen hij bij het
bed kwam, stond de dood aan het voeteneind, en er was voor den koning
geen kruid meer gewassen. Toen kreeg de dokter den inval of hij den
dood niet eens te slim af kon zijn, hij was toch zijn peet, en zou het
voor één enkelen keer wel door de vingers zien, als hij een loopje
met hem nam. Hij nam dus den zieke op en legde hem andersom, zoodat
de dood nu bij zijn hoofd kwam te staan. Daarna gaf hij hem van het
kruid, en de koning werd langzamerhand beter. Maar de dood kwam bij
den dokter, en keek duister en toornig en dreigde hem met den vinger:
»Déze keer zal ik het nog laten gaan, omdat je mijn peetekind zijt,
maar waag je het nog eens mij te bedriegen, dan neem ik jezelf meê.«

Kort daarop bezocht een zware ziekte 's konings dochter. De oude
koning schreide dag en nacht, dat zijn oogen door een nevel zagen,
en hij liet bekend maken, dat hij, die haar van den dood redden zou
haar gemaal zou worden en de kroon erven.

Toen kwam de dokter aan het ziekbed, en zag den dood aan haar
voeteneind. Hij had zich de waarschuwing van zijn peet moeten
herinneren, maar de schoonheid van de prinses overweldigde hem zóózeer,
dat hij alle denken liet varen. En hoe toornig de dood hem aanzag en
dreigde met de vuist, hij veranderde toch de ligging van de zieke
en gaf haar van het kruid, en het leven begon zich weêr in haar te
roeren. Maar de dood, die zich ten tweeden male in zijn recht bedrogen
vond, trad op den dokter toe: »nu is het jouw beurt,« en hij pakte
hem met ijskoude hand en bracht hem in een onderaardsche grot. Daar
brandden duizende en duizende lichten, groote en minder groote, en
kleine, in onafzienbare rijen. Ieder oogenblik doofden er eenige uit en
andere vlamden weêr op, dat het scheen of de lichtjes in aanhoudende
wisseling dansten. »Zie,« zei de dood, »dat zijn voor de menschen de
levensvlammen. De groote behooren aan kinderen, de mindergroote aan
gehuwden in hun besten tijd, de kleine behooren aan grijsaards. Maar,
soms hebben ook kinderen en jonge lieden een klein lichtje.« De dokter
vroeg naar zijn eigen levenslicht. De dood wees op een klein, even nog
opflikkerend vlammetje, dat bezig was uit te dooven, en zeide: »Zie dat
is het.« »Ach mijn goede peet!« sprak de jongeling, »wees toch lief,
en ontsteek een nieuw licht voor mij, dat ik het leven nog genieten
kan, en Koning worden en de gemaal van de schoone prinses!« »Dat kan
ik niet,« antwoordde de dood, »eerst moet het uwe zijn uitgedoofd,
voor er een nieuw kan branden.« »Zet dan een nieuw op het oude, dat
het blijft doorbranden als het zou uitdooven.« De dood hield zich
of hij zijn wensch zou vervullen, en haalde een nieuw groot licht;
maar bij het inzetten, deed hij opzettelijk of hij zich vergiste,
om zich te wreken, en het stukje viel en doofde uit. Toen zakte de
dokter in één en was nu zelf in handen van den dood.



XLV.

HOE DUIMPJE OP REIS GING.


Een kleermaker had een zoon, die was wat klein uitgevallen, niet
grooter dan een duim, daarom heette hij ook »Duimpje.« Maar er zat
pit in hem, en hij zei tegen zijn vader: »Vader, ik zal, en ik moet
de wereld in!« »Flink zoo, mijn zoon!« zei de vader, en hij nam een
stopnaald, en maakte bij het licht een knop van rood lak er aan, »daar
heb je nog een degen ook meê op weg!« Nu zou het kleine snijdertje nog
voor het laatst mee eten, en hij huppelde naar de keuken, om te zien
wat moeder voor zijn galgenmaal bereid had. Het was juist klaar en de
pan stond op de kachel. »Moeder, wat is er van daag te eten?« »Kijk
zelf maar eens,« zei de moeder. Duimpje sprong op den haard, en keek
in de pan; maar hij rekte zijn hals te ver uit en werd door den wasem
meegenomen, den schoorsteen in en naar boven. Nog een poosje bleef
hij op den damp in de lucht rondrijden, tot hij eindelijk weêr op den
grond neerkwam. Nu was het snijdertje in de wijde wereld en begon zijn
zwerftochten. Hij ging bij een meester in de leer, maar daar smaakte
het eten hem niet. »Hoor eens bazin, als ik geen beter eten krijg,
dan ga ik er van door,« zei Duimpje, »en dan schrijf ik op je huisdeur:
aardappelen te veel en vleesch te weinig, atjuus baas aardappelkoning!»

»Wat heb je in te brengen, sprinkhaan,» zei de vrouw, en ze greep
een lap om hem te slaan, maar het snijdertje kroop handig onder
den vingerhoed en keek met een uitgestoken tong er onderuit naar de
vrouw. Zij nam den vingerhoed weg en wilde hem pakken, maar Duimpje
sprong tusschen de lappen, en toen ze de lappen uit elkaâr gooide
verstopte hij zich in een reet van de tafel. »Hier, bazin!« riep hij en
stak zijn hoofd er uit, en toen zij wilde slaan, kroop hij in de laâ;
maar eindelijk kreeg zij hem toch te pakken en joeg hem het huis uit.

Het snijdertje ging aan den wandel en kwam door een groot bosch;
daar ontmoette hij een bende roovers, die des konings schatkamer
gingen bestelen. Toen zij het snijdertje zagen, dachten zij: »zoo'n
instrumentje kan te pas komen!« »Hei, reus Goliath!» riep er een:
»Wil je meê naar de schatkamer? dan kun je er inkruipen en ons het
geld toegooien.« Duimpje dacht er eens over, en zei ja, en nu ging het
naar de schatkamer. Daar bekeek hij de deur van boven en van onderen,
of er een spleet in was. Gelukkig vond hij er een, en was juist op
het punt er door te kruipen, toen de schildwacht hem bemerkte: »Wat
kruipt daar voor een akelige spin!« zei hij tegen zijn kameraad,
»die zal ik dood trappen.« »Och, laat dat arme dier maar loopen,«
zei de andere, »het heeft je niets gedaan.« En zoo kwam Duimpje door
de spleet heelhuids in de schatkamer.

Hij maakte het venster waarbij de roovers stonden, open, en gooide
de rijksdaalders één voor een naar buiten. Midden in zijn werk,
hoorde hij op eens den koning komen, die zijn schatkamer kwam bezien,
en toen moest hij zich verstoppen. De koning bemerkte wel, dat er
heel wat ronde stukken mankeerden, maar hij kon niet begrijpen, wie
ze had kunnen stelen, want de sloten waren in goede orde en het werd
alles wel bewaakt. Hij ging weêr weg, maar zei tegen de schildwacht:
»Zie goed toe, er is iemand bij het geld.«

Toen Duimpje nu op nieuw met zijn werk begonnen was hoorden zij het
geld alsof 't zich begon te roeren en te klinken: »Kling, klang! klik,
klak!« en ze sprongen gauw naar binnen en wilden den dief grijpen. Maar
snijdertje, die hen hoorde komen, was hen nog te vlug af, hij kroop
gauw in een hoek, en legde een rijksdaalder over zich heen. Nu was
er niets van hem te zien en hij hield de schildwachten voor den
gek en riep: »hé! hier ben ik!« De wachten liepen er heên, maar
als ze er bij waren, zat hij al weêr in een anderen hoek onder een
andere rijksdaalder, en riep: »Hé! hier ben ik!« Zoo nam hij hen in
't ooitje en liet hen zóólang in de schatkamer rondloopen tot het
hun verveelde en zij moe werden en wegliepen. Toen gooide hij de
rijksdaalders achter elkaâr allemaal naar buiten, maar den laatsten
slingerde hij met alle kracht en sprong er zelf op, en zoo vloog hij
het raam uit. De roovers prezen hem om het hardst: »Jij bent nog eerst
een held! Wil je onze hoofdman zijn?« Duimpje bedankte beleefd en zei,
dat hij eerst de wereld moest zien. Toen verdeelden zij den buit;
maar het snijdertje vroeg maar een dubbeltje, omdat hij niet meer
dragen kon. Nu gespte hij zijn degen weêr aan, zei de roovers goeden
dag, en nam den weg tusschen de beenen. Hij ging bij verscheiden
meesters in de leer, maar met het handwerk lukte het niet best,
en eindelijk verhuurde hij zich als knecht in een logement. Maar
de dienstmeisjes konden hem niet uitstaan, want zonder gezien te
worden, zag hij alles, wat zij stilletjes deden en bracht alles aan
bij zijn meesters, wat zij van de borden hadden weg genomen en in den
kelder hadden buitgemaakt. »Wacht! wij zullen het je wel inpeperen«
zeiden zij eindelijk, en spraken samen af een streek met hem uit te
halen. Toen de eene meid in den hof aan het maaien was, en Duimpje
daar tusschen het gras rondsprong en tegen de grashalmen opklom,
maaide zij hem met een bundeltje gras tegelijk, vlug af, bond het
samen en gooide het voor de koeien. Er was een groote zwarte bij,
die slokte hem in eens op, zonder hem pijn te doen. Dat beviel hem in
't geheel niet, het was zoo donker, want daar binnen brandde geen
licht. Toen de koe gemolken werd riep hij:


    »Strip, strop, strol,
    Is de emmer haast vol?«


Maar door het ruischen van de stroomende melk, hoorde men hem
niet. Daarna kwam de huisheer in den stal, en sprak. »Morgen moet die
koe daar, geslacht!« Duimpje werd zóó bang, dat hij met een schelle
stem riep: »laat mij er eerst uit, ik zit er in!« De baas hoorde hem
wel, maar begreep niet waar de stem van daan kwam: »Waar zit je toch?«
riep hij. »In de zwarte!« maar de baas wist niet wat hij daar mee
meende en ging weêr weg.

Den volgenden dag werd de koe geslacht, gelukkig kreeg Duimpje er geen
steek of houw bij, maar hij kwam tusschen het worstvleesch. Toen nu de
slager wou gaan hakken, riep hij zoo hard hij kon: »hak niet te diep,
hak niet te diep! ik zit er tusschen!« Maar door het geklikklak van
de messen hoorde niemand hem. Nu zat ons snijdertje geweldig in de
piepzak. Maar angst geeft beenen, en hij sprong zoo behendig tusschen
de hakmessen door, dat hij heelemaal vrij bleef. Toch was er geen
ontkomen aan, hij moest zich met de stukjes spek in een bloedworst
laten stoppen. Dat was een benauwd kwartier, en bovendien werd hij
nog in den schoorsteen opgehangen om gerookt te worden, waar hij zich
geducht verveelde. Midden in den winter werd de worst naar beneden
gehaald, om een gast voorgezet te worden. Toen de waardin de worst
in schijven sneed, paste hij goed op, dat hij zijn hoofd niet te ver
naar voren stak, dat zijn hals niet zou worden afgesneden: eindelijk
kwam er een gunstig oogenblik, hij maakte zich lucht en sprong er uit.

In het huis waar het hem zoo slecht gegaan was, wilde hij niet langer
blijven, en daarom ging ons snijdertje maar weêr aan het loopen. Doch
zijn vrijheid duurde niet lang. Er kwam een vos over het veld, die
hapte hem in gedachten op. »O! mijnheer de vos, ik zit in je keel,
laat mij weêr los!«

»Ja,« zei de vos, »aan jou heb ik toch niets, als je mij de kippen
van je vader belooft, zal ik je loslaten.« »Heel graâg,« zei Duimpje,
»de kippen zul je allemaal hebben, dat beloof ik je.« Toen liet de
vos hem weêr vrij en droeg hem naar huis. Toen de vader zijn lief
zoontje weêr terug had, gaf hij den vos graâg al zijn kippen.

«Daarvoor breng ik dan ook een aardig stuk geld mee,« zei Duimpje,
en gaf hem het dubbeltje, dat hij op zijn zwerftocht had buit gemaakt.

»Maar waarom moest de vos al die arme kakel-kipjes hebben?« »Dommert,
jouw vader heeft toch ook liever zijn kind dan zijn kippen?«



XLVI.

FITSCHER'S VOGEL.


Er was eens een heksenmeester; hij nam de gedaante aan van een
bedelaar, ging bedelen aan de huizen en ving de mooie meisjes. Niemand
wist waar hij haar heên bracht, maar zij kwamen nooit weêr terug. Zoo
kwam hij ook eens aan de deur bij een man, die drie mooie dochters had;
hij zag er uit als een arme zwakke bedelaar en hij droeg een zak op
den rug, als wilde hij de goede gaven daarin verzamelen. Hij vroeg
om wat eten; maar toen de oudste naar buiten kwam en hem een stukje
brood reikte, heeft hij haar even aangeroerd, en toen moest zij in
zijn zak springen. Toen liep hij met vlugge stappen weg, door een
duister woud naar zijn huis; daar was het prachtig. Hij gaf haar wat
zij maar wenschte en sprak: »Het zal je bij mij wel bevallen; want je
kunt alles krijgen wat je hart begeert.« Dat duurde zoo een paar dagen,
toen zei hij: »ik moet op reis en je zult een korten tijd alleen zijn;
hier zijn de huissleutels; je kunt overal rondloopen en alles bekijken,
maar alléén de deur waar deze kleine sleutel op past, mag je niet
openen, dat verbied ik je op je leven.« Hij gaf haar ook een ei en
zeide: »Pas hier goed op, en draag het liever altijd bij je, want
als het verloren raakte zou er een groot ongeluk van kunnen komen.«
Zij nam den sleutel en het ei, en beloofde aan alles goed te zullen
denken. Maar toen hij weg was, kwam de nieuwsgierigheid haar plagen,
en toen zij het heele huis van onder tot boven had doorgesnuffeld,
ging zij naar de verboden deur en opende die. Maar zij schrikte toen
zij binnentrad: in het midden stond een groot bloedig bekken, en
daarin lagen doode menschen in stukken gehakt. Zij schrikte zoo hevig,
dat het ei uit haar hand, in het bekken neerplompte. Zij haalde het
er wel dadelijk weer uit en veegde het bloed er af, maar dat hielp
niet, want het kwam altijd weêr te voorschijn; zij werkte en wreef
en krabde, maar het ging er niet af. Kort daarop kwam de man van
de reis terug, en het allereerst vroeg hij naar den sleutel en het
ei. Zij reikte ze hem bevend over en hij bekeek ze beide nauwkeurig,
en merkte toen wel, dat zij in de bloedkamer geweest was. Hij sprak:
»Ge zijt tegen mijn wil in de kamer geweest, en nu zul je tegen je
eigen wil er weêr in. Het is met je leven gedaan.« Hij greep haar,
nam haar mee naar binnen, en hakte haar in stukken, dat haar rood
bloed over den grond liep, en toen wierp hij haar bij de anderen in
het bekken. »Nu ga ik de tweede halen,« zei de heksenmeester, en hij
ging weêr als een arm man naar het huis, en bedelde.

Toen bracht de tweede hem een stuk brood, en hij ving haar weêr zooals
de eerste, door haar even aan te raken; hij droeg haar toen in den
zak weg en vermoordde haar later even als de eerste in de bloedkamer,
omdat zij er binnen was gegaan.

Toen ging hij om de derde zuster nog te vangen en bracht haar ook
naar buiten; maar de derde was verstandig en slim. Toen hij haar de
sleutel en het ei gegeven had en was weggegaan, nam zij eerst het ei
en sloot het weg, en toen ging zij in de verboden kamer. Ach, wat
zag zij daar! Haar beide lieve zusters zag zij, gruwelijk vermoord
in het bekken! Maar zij pakte flink aan, en begon de stukken bij
een te zoeken, en legde ze weêr aan elkaar: hoofd, lijf, armen en
beenen. En toen er geen stukje meer ontbrak, kwam er beweging in
de leden en ze sloten zich aan elkaâr; en de beide meisjes openden
de oogen en waren weêr levend. Zij verheugden zich en omhelsden en
kusten elkaâr; maar de jongste nam de beide andere meê uit de kamer
en verstopte ze. De man kwam terug en vroeg het ei en de sleutel op,
en toen hij geen spoor van bloed er aan ontdekken kon, sprak hij:
»je hebt de proef doorstaan, jij zult nu mijn bruid zijn.«

»Goed,« antwoordde zij; »maar je moet mij eerst beloven, dat je
mijne ouders zelf een mand vol goud zult brengen, terwijl ik het
bruiloftsfeest bezorg.« Toen ging zij in haar kamertje, waar zij de
zusters verstopt had, en zei: »nu is het oogenblik gekomen, dat ik
je redden kan, de booswicht zal je zelf meêdragen: maar als je thuis
zijt, laat dan dadelijk hulp voor mij komen.« Zij zette haar toen
beide in een mand en overdekte ze met goud, dat er niets van haar te
zien was en toen riep zij den heksenmeester en sprak: »draag nu de
mand naar huis, maar pas op, dat je niet blijft staan om te rusten;
ik zie door het venstertje.«

De heksenmeester nam nu de mand op zijn rug en liep er meê voort, maar
hij werd hem zoo zwaar, dat het zweet hem over het gezicht liep en hij
dacht doodgedrukt te worden. Hij wilde wat rusten, maar dadelijk riep
het uit de mand: »ik kijk door mijn venstertje en zie, dat je rust,
ga dadelijk verder.« En zoo dikwijls hij stilstond werd er geroepen,
en hij moest voort, en zoo bracht hij buiten adem de mand, met het
goud en de beide meisjes, bij haar ouders in huis.

In huis bezorgde de bruid het bruiloftsfeest. Zij nam een grijnzend
doodshoofd en zette het een hoofdtooisel op, en bracht het voor het
zolderraam, daar liet zij het uitkijken. Toen noodigde zij de vrienden
van den heksenmeester uit voor het feest, en daarna kroop zij in een
vat met honing; zij sneed toen het veêren bed open en rolde zich er
in, zoodat zij er uitzag als een allerwonderlijkste vogel en geen
mensch haar kon herkennen. Zij ging toen het huis uit en ontmoette
eenige van de bruiloftsgasten, die vroegen:


    »Fitscher's vogel, waar vandaan?«
    »Van Fitse Fitscher's huis van daan.«
    »Wat doet dan wel zijn jonge bruid?«
    »Zij is aan 't vegen en poetsen gegaan
    En kijkt nu uit het zolderraam.«


Daarna kwam zij den bruidegom tegen, die terugkeerde: hij vroeg ook.


    »Fitscher's vogel, waar vandaan?«
    »Van Fitse Fitscher's huis vandaan.«
    »Wat doet daar wel mijn jonge bruid?«
    »Zij is aan 't vegen en poetsen gegaan
    En kijkt nu uit het zolderraam.«


De bruigom keek naar boven; hij zag het versierde doodshoofd, en meende
dat het zijn bruid was; hij knikte haar toen vriendelijk toe. Maar
toen hij met zijn vrienden het huis was binnen gegaan, kwam de hulp
die de zusters gevraagd hadden: zij sloten alle deuren van het huis
af, dat niemand ontsnappen kon en staken het toen in brand, zoodat
de heksenmeester met zijn heele bende verbranden moest.



XLVII.

VAN DEN AMANDELBOOM.


Dat is nu al lang geleden, wel tweeduizend jaar; toen was er eens een
rijk man, die had een mooie, brave vrouw, en zij hadden elkaâr zeer
lief. Maar zij hadden geen kinderen en zij wenschten zoozéér kinderen
te hebben; en de vrouw bad er om, dag en nacht, maar zij kreeg er geen,
kreeg er maar geen. Voor hun huis was een hof, daarin groeide een
amandelboom. Onder dien amandelboom stond de vrouw eens in den winter
en schilde een appel. Toen zij dien appel zoo schilde sneed zij zich in
den vinger, en het bloed drupte op de sneeuw. »Ach,« zei de vrouw, en
ze zuchtte zoo diep, en ze zag naar het bloed en ze was zoo weemoedig,
»had ik toch een kind, zoo rood als bloed, zoo wit als sneeuw.« En
toen zij dat gezegd had, werd zij zoo vroolijk: het was haar of er
iets van komen zou. Toen ging zij in huis, en er verliep een maand:
de sneeuw smolt weg; twee maanden: toen kwam het groen; drie maanden:
de bloemen ontloken en vier maanden, toen stonden de boomen dicht
in het loof en al de groene takken drongen te zamen. Daar zongen de
vogelkens, dat het schalde in het bosch. Toen vielen de bloesems:
de vijfde maand was voorbij en zij stond onder den amandelboom. Hij
geurde zoo heerlijk, haar hart sprong op van vreugde; zij viel op
haar knieën en kon zich niet houden. Toen de zesde maand voorbij was,
werden de vruchten dik en stevig; zij werd heel stil. De zevende maand
greep zij naar de amandelkernen en at ze gulzig; toen werd zij droevig
en ziek. Toen ging de achtste maand voorbij, en zij riep haar man en
schreide en zei: »Als ik sterf, begraaf mij dan onder den amandelboom.«
Daarna was zij weêr getroost en verheugde zich, tot de negende maand
voorbij was; toen kreeg zij een kind zoo wit als sneeuw, zoo rood als
bloed, en toen zij het zag was haar vreugde zóó groot, dat zij stierf.

De man begroef haar onder den amandelboom en hij weende zoo zeer;
een poos, toen werd het wat minder; en toen hij nog wat geschreid
had hield het op, en nog een tijd, toen nam hij weêr een vrouw.

De tweede vrouw kreeg een dochter; maar het kind van de eerste
vrouw was een zoontje, en hij was zoo rood als bloed, zoo wit als
sneeuw. Als de vrouw haar dochtertje aanzag, had zij het zoo lief;
maar keek zij naar den kleinen jongen, dan ging het haar recht door
het hart, en hij was haar overal in den weg; en zij dacht en dacht,
hoe zij al het geld en goed voor haar dochter krijgen kon; en de Booze
gaf het haar in, dat zij den kleinen jongen kwaad wilde, stootte hem
van den eenen hoek in den anderen, en kneep hem hier en duwde hem daar,
dat het arme kind altijd in angst was. Als hij dan uit de school kwam
had hij geen rustig plekje meer.

Eens ging de vrouw naar boven, toen kwam het dochtertje ook en zei:
»moeder geef mij een appel.« »Ja, mijn kind,« zei de vrouw, en gaf
haar een mooien appel uit de kist. Maar de kist had een zwaren deksel,
met een groot, scherp, ijzeren slot.

»Moeder,« zei het kleine meisje, »moet broertje ook niet een appel
hebben?« Dat verdroot de vrouw, maar zij antwoordde: »ja, als hij
uit school komt.« En toen zij hem door het venster gewaar werd,
toen was het of de Booze zoo over haar kwam, en zij greep van haar
dochtertje den appel weêr weg, en zei: »je zult er niet eerder een
hebben dan je broer!« en zij smeet den appel in de kist en maakte de
kist toe. Toen kwam de kleine jongen binnen, en de Booze gaf haar in,
dat zij vriendelijk vroeg: »wil je een appel hebben, mijn jongen?«
en zij keek hem schichtig aan. »Moeder,« zei de kleine jongen, »wat
kijk je gruwelijk, ja, geef mij een appel.« Toen voelde zij of zij hem
moest dooden. «Kom hier,« zei ze, en opende het deksel, »krijg er een
appel uit.« En toen de kleine jongen zich er in bukte, gaf haar de
Booze, een raad: flap sloeg zij het deksel dicht, dat zijn hoofd af
vloog en tusschen de roode appels bleef liggen. Toen rilde zij, en zij
dacht: »kon ik het van mij afzetten!« Zij ging naar boven naar haar
kamer in haar latafel, en nam uit de bovenste laâ een witten doek;
zij zette het hoofd weer op den hals, en bond er den halsdoek zóó
om, dat men niets zien kon, en zette hem voor de deur op een stoel,
en gaf hem den appel in de hand.

Toen kwam daarna Marleentje bij haar moeder in de keuken; zij stond bij
het vuur, en had een pan met heet water voor zich en roerde en roerde.

«Moeder,« zei Marleentje, «broertje zit voor de deur; hij ziet heel wit
en hij heeft een appel in de hand. Ik heb hem om den appel gevraagd
maar hij antwoordt niet, toen werd ik er zoo akelig van.« »Ga er nog
weer eens heen,« zei de moeder, »en als hij weer niet antwoordt,
geef hem dan een klap om zijn ooren.« Toen ging Marleentje weer,
en zij vroeg: »Broertje mag ik den appel?« Maar hij zweeg stil;
toen gaf zij hem een klap om zijn ooren en het hoofd rolde op den
grond. Daarvan verschrikte zij, en begon te schreien en te jammeren,
en liep naar haar moeder, en zei: »Ach, moeder, ik heb mijn broertje
zijn hoofd afgeslagen!« en zij schreide en schreide en wilde niet
bedaren. »Marleentje!« zei de moeder, »wat heb je gedaan? Maar wees
nu toch stil, dat niemand het merkt; er is nu niets meer aan te
veranderen; wij zullen er zult van koken.« Toen nam de moeder den
kleinen jongen en hakte hem in stukken, deed hem in de pan en kookte
er zult van. Marleentje stond er bij, en schreide en schreide, en haar
tranen vielen in de pan; er was toen geen zout noodig. Toen kwam de
vader thuis; en ging aan tafel zitten en vroeg: »waar is toch mijn
zoon?« De moeder droeg een grooten schotel met zult op en Marleentje
schreide en kon zich niet goed houden. Toen vroeg de vader weer:
»Waar is toch mijn zoon?«

»Och,« zei de moeder, »hij is naar buiten naar zijn moeder's oom,
daar wou hij een poosje blijven.« »Wat moet hij daar doen, hij heeft
mij niet eens goeden dag gezegd!« »Hij wou er zoo graag naar toe,
en heeft gevraagd of hij wel zes weken blijven mocht; zij zullen hem
er wel houden.«

»Ach,« zei de man, »ik ben zoo droevig; het is toch niet goed, hij had
mij toch goeden dag moeten zeggen.« Tegelijk begon hij te eten, en zei:
»Marleentje, wat huil je toch? Je broertje zal wel terug komen. Hé,
vrouw,« zei hij, »wat smaakt mij dat eten goed, geef mij nog meer!«
En hoe meer hij at, hoe meer hij wilde hebben. Hij riep: »geef mij
meer, je zult er niets van hebben, het is of het allemaal van mij
is!« En hij at, en at, en de beentjes gooide hij onder de tafel, tot
hij alles op had. Maar Marleentje ging naar haar kast, en nam van de
onderste plank haar beste zijden doekje, en haalde al de beentjes van
onder de tafel uit, en bond ze in den zijden doek, en ging er meê naar
buiten en schreide haar bloedige tranen. Toen legde zij ze onder den
amandelboom in het groene gras, en toen zij ze daar neêrgelegd had,
werd haar het hart zoo licht en zij schreide niet meer. Daar begon
de amandelboom te bewegen, de takken gingen van elkaâr en dan weer
naar elkaâr toe, zoo net of iemand erg blij is en zoo met zijn handen
doet. Meteen ging er nu een nevel uit den boom op, en recht midden in
dien nevel, brandde het als vuur, en uit dat vuur vloog een prachtige
vogel op; hij zong zoo heerlijk en vloog hoog op in de lucht; en toen
hij weg was, stond de amandelboom weer zooals hij vroeger gestaan had,
en de doek met de beentjes was weg. Maar Marleentje was zoo luchtig
en blij, alsof haar broertje nog leefde. En zij ging weer vroolijk
het huis in en aan de tafel zitten en begon te eten.

De vogel was weggevlogen en had zich op het dak bij een goudsmid gezet,
en begon te zingen:


    »Mijn moeder, die mij slacht,
    Mijn vader, die mij at,
    Mijn zusje Marleentje,
    Zij zocht mijn beentjes
    Legt ze in een zijden doek,
    Onder den amandelboom
    Kiewit, kiewit, wat een mooie vogel ben ik.«


De goudsmid zat in zijn werkplaats en maakte een gouden ketting; hij
hoorde den vogel die op zijn dak zat te zingen, en het leek hem zoo
mooi. Toen stond hij op, maar toen hij over den drempel ging verloor
hij een pantoffel. Zoo ging hij midden op de straat op één pantoffel
en één sok; zijn schootsvel had hij voor, en in de eene hand de gouden
ketting, in de andere de tang, en de zon scheen fel in de straat. Daar
ging hij staan midden in, en keek naar den vogel. »Vogel,« zei hij,
wat kun je mooi zingen, zing dat stuk nog eens.« »Neen,« zei de
vogel, »tweemaal zing ik niet voor niets. Geef mij de gouden ketting,
dan zal ik het nog eens zingen.« »Daar heb je de gouden ketting,«
zei de goudsmid, »zing het nu nog eens.« Toen kwam de vogel en nam
de gouden ketting in de rechterpoot, en hij ging voor den goudsmid
staan en toen zong hij:


    »Mijn moeder, die mij slacht,
    Mijn vader, die mij at,
    Mijn zusje Marleentje
    Zij zocht al mijn beentjes
    Legt ze in een zijden doek
    Onder den amandelboom,
    Kiewit, kiewit, wat een mooie vogel ben ik.«


Toen vloog de vogel naar een schoenmaker, ging op het dak zitten
en zong:


    »Mijn moeder, die mij slacht,
    Mijn vader, die mij at,
    Mijn zusje Marleentje
    Zij zocht al mijn beentjes,
    Legt ze in een zijden doek
    Onder den amandelboom,
    Kiewit, kiewit, wat een mooie vogel ben ik.«


De schoenmaker hoorde het en liep in zijn hemdsmouwen naar de deur,
en keek naar zijn dak, en zijn hand moest hij boven zijn oogen houden,
voor 't helle licht van de zon. En hij riep toen naar binnen door
de deur. »Vrouw, kom toch eens, daar is een vogel! kijk toch eens
die vogel, hij kan zoo mooi zingen!« En hij riep zijn dochter en de
kinderen en de knechts, en de meid, en ze kwamen allemaal op straat
en keken naar den vogel, hoe mooi hij was; hij had roode en groene
veeren, en om zijn hals was het als zuiver goud, en zijn oogen blonken
in zijn kop als sterren. »Vogel,« zei de schoenmaker, »zing nu dat
stuk nog eens.« »Neen,« zei de vogel, «tweemaal zing ik niet voor
niets, je moet er mij wat voor geven.« »Vrouw,« zei de man, »ga naar
de zolder: op de bovenste plank staan een paar roode schoenen, breng
die beneden.« Toen ging de vrouw heen, en haalde de schoenen. »Daar
vogel,« zei de man, »zing nu dat stuk nog eens.« Toen kwam de vogel
en nam de schoenen in den linkerpoot en vloog weer op het dak, en zong:


    »Mijn moeder, die mij slacht,
    Mijn vader, die mij at,
    Mijn zusje Marleentje,
    Zij zocht al mijn beentjes,
    Legt ze in een zijden doek,
    Onder den amandelboom,
    Kiewit, kiewit, wat een mooie vogel ben ik.«


En toen hij uitgezongen had vloog hij weg; de ketting had hij in
de rechterpoot, de schoenen in de linker; hij vloog ver weg naar een
molen, en de molen ging: »klippe-klappe, klippe-klappe, klippe-klappe,«
en in den molen waren twintig muldersgezellen; zij houwden een steen en
hakten: »hik-hak, hik-hak, hik-hak,« en de molen ging: »klippe-klappe,
klippe-klappe, klippe-klappe.« Toen ging de vogel op een lindeboom
zitten, die voor den molen stond en zong:


    »Mijn moeder, die mij slacht,«


toen keek er één op,


    »Mijn vader, die mij at,«


Toen keken er nog twee op en luisterden,


    »Mijn zusje Marleentje,«


Toen hoorden er weêr vier op,


    »Zij zocht al mijn beentjes,
    »Legt ze in een zijden doek,«


Nu hakten er nog maar acht,


    »Onder«


Nu nog maar zeven


    »den amandelboom,«


en nu nog maar één.


    «Kiewit, kiewit, wat een mooie vogel ben ik.«


Toen hield de laatste ook op, en had het eind nog net gehoord. »Vogel,«
zei hij, »wat zing je mooi; laat het mij ook eens hooren, zing het
nog eens.« »Neen,« zei de vogel, »tweemaal zing ik niet voor niets;
geef mij den molensteen, dan zal ik het nog eens zingen.»

»Ja,« zei hij, »als hij alléén van mij was, zou ik hem je geven.«
»Ja,« zeiden de anderen, »als hij het nog eens zingt, zal hij hem
hebben.« Toen vloog de vogel naar beneden, en al de twintig mulders,
legden den steen op planken en beurden hem op »ho-op, ho-op, ho-op!«
De vogel stak toen den kop door het gat, en nam hem als een kraag om
den hals; toen vloog hij weêr op den boom en zong:


    »Mijn moeder, die mij slacht,
    Mijn vader, die mij at,
    Mijn zusje Marleentje,
    Zij zocht al mijn beentjes
    Legt ze in een zijden doek,
    Onder den amandelboom,
    Kiewit, kiewit, wat een mooie vogel ben ik.«


En toen hij uitgezongen had, sloeg hij de vleugels uit elkaâr, en hij
had in de eene poot den ketting en in de andere de schoenen en om zijn
hals den molensteen, en zoo vloog hij ver weg, naar zijn vader's huis.

In de kamer zaten de moeder, de vader en Marleentje aan tafel en de
vader zei: »Ach, wat voel ik mij op eens blij en verlicht van hart!«
»Neen,« zei de moeder, »ik ben angstig, 't is of er een zwaar onweer
zal komen.«

Maar Marleentje zat en schreide en schreide; toen kwam de vogel
aangevlogen en toen hij op het dak zat, zei de vader: »ik ben zoo blij,
en de zon schijnt buiten zoo heerlijk, het is mij of ik van daag een
ouden vriend zal terug zien.« »Neen,« zei de vrouw, »ik ben benauwd,
mijn tanden klapperen, en mijn bloed brandt als vuur,« en zij maakte
haar lijfje los en haar ondergoed; maar Marleentje zat in een hoek
te schreien; zij hield haar bord voor de oogen en schreide het bord
druipnat.

Toen zette de vogel zich op den amandelboom en zong:


    »Mijn moeder, die mij slacht,«


Toen hield de moeder haar ooren dicht en haar oogen toe, en wilde
niet zien en niet hooren, maar het bruiste in haar ooren als een
vreeselijke storm, en haar oogen brandden en het trok er door heên
als bliksemflitsen.


    »Mijn vader, die mij at,«


»Ach, moeder,« zei de man, »daar zit zoo'n mooie vogel, en hij zingt
zoo heerlijk, en de zon schijnt zoo lekker en buiten ruikt het als
zuiver kaneel!»


    »Mijn zusje Marleentje,«


Toen legde Marleentje haar hoofdje op haar knie en schreide, schreide;
maar de man zei: »ik ga naar buiten, ik moet dien vogel van dichtbij
zien.« »O, ga toch niet!« zei de vrouw, »het is of het gansche huis
schudt en in vlam staat!« Maar de man ging naar buiten en keek naar
den vogel:


    »Zij zocht al mijn beentjes,
    Legt ze in een zijden doek,
    Onder den amandelboom,
    Kiewit, kiewit, wat een mooie vogel ben ik.«


En tegelijk liet de vogel de gouden ketting vallen, en hij viel den man
om zijn hals, en het sloot zoo mooi rondom, hij paste hem precies. En
hij ging naar binnen en zei: »Kijk toch eens, wat is dat voor een mooie
vogel! Hij heeft mij zoo'n prachtigen ketting gegeven en hij ziet er
zoo mooi uit!« Maar de vrouw werd het zoo eng, zij viel languit op
den grond en de muts van haar hoofd; toen begon de vogel weêr:


    »Mijn moeder, die mij slacht,»


»O, was ik duizend voeten onder den grond, dat ik dat niet hooren
moest!»


    »Mijn vader, die mij at,»


Toen viel de vrouw als dood neêr.


    »Mijn zusje Marleentje,»


»Ik wil ook naar buiten gaan,« zei Marleentje, »en zien of de vogel
mij ook wat geeft.« Toen ging zij naar buiten.


    »Zij zocht al mijn beentjes,
    Legt ze in een zijden doek.«


Toen gooide hij de schoenen naar beneden.


    »Onder den amandelboom,
    Kiewit, kiewit, wat een mooie vogel ben ik.«


Toen werd het haar licht en blij; zij trok het eene roode schoentje
aan en danste en sprong er in rond. »Toen ik naar buiten ging, was
ik zoo treurig,« zei ze, »en nu ben ik zoo licht en blij! wat is dat
een mooie vogel; hij heeft mij een paar roode schoentjes gegeven!»

»O!« zei de vrouw, en ze sprong op, en de haren rezen haar te berge
als vuurvlammen; »het is of de wereld vergaan moet, ik wil naar
buiten, dan wordt het mij misschien lichter!« Toen zij buiten de
deur kwam: plang! smeet de vogel haar den molensteen op het hoofd,
dat ze tot moes geplet werd. De vader en Marleentje hoorden het en
gingen naar buiten; er ging rook en vuur en vlammen op van die plek,
en toen dat voorbij was, stond daar het broertje; hij nam zijn vader
en Marleentje bij de hand en alle drie waren echt vergenoegd, en zij
zijn in huis gegaan en zijn aan tafel gaan zitten eten.



XLVIII.

DE OUDE SULTAN.


Een boer had een trouwen hond, die Sultan heette; hij was oud en had
al zijn tanden verloren, zoodat hij niets meer kon aanpakken. Eens
stond de boer met zijn vrouw buiten voor de deur, en de boer zei:
»Den ouden Sultan schiet ik morgen dood, wij hebben geen nut meer van
hem.« De vrouw had medelijden met het trouwe dier en daarom sprak zij:
»Hij heeft ons zoo veel jaren trouw gediend en zoo goed geholpen,
wij konden hem nu het genadebrood wel geven.» »Wat,« zei de man,
»ben je niet wijs? Hij heeft geen enkelen tand meer in zijn bek;
geen dief, die meer bang voor hem is, 't is nu zijn tijd. En heeft
hij ons gediend, dan heeft hij er ook goed eten voor gehad.»

De arme hond, die niet ver daar vandaan in de zon lag uitgestrekt,
had alles gehoord, en hij was treurig, dat het morgen zijn laatsten dag
zou zijn. Hij had een goeden vriend, dat was de wolf, daar sloop hij 's
avonds in het donker door het bosch naar toe, en hij klaagde hem over
het lot, dat hem treffen zou. »Wees maar goedmoeds, buur,« zei de wolf,
»ik zal je wel helpen uit den brand. Ik heb wat bedacht. Morgen ochtend
vroeg moeten je baas en je vrouw naar het hooiland, en zij nemen het
kleine kind mee, omdat er niemand in huis achterblijft. Terwijl zij
aan 't werk zijn leggen zij het kind gewoonlijk achter de heg, in de
schaduw; ga jij daar nu naast liggen, of je het wilde bewaken. Ik
zal dan uit het bosch komen draven en het kind rooven, en dan moet
jij dadelijk opspringen en mij achterna rennen, om het mij weêr af
te pakken. Ik laat het vallen, je brengt het aan de ouders terug;
die gelooven dan, dat je het gered hebt, en zijn veel te dankbaar
om je iets aan te doen; je zult in volle genade worden aangenomen en
zij zullen het je aan niets laten ontbreken.«

Dat plan beviel den hond best, en zooals het bedacht was, werd
het uitgevoerd. De vader schreeuwde het uit toen hij den wolf met
zijn kind zag wegloopen, maar toen de oude Sultan het terugbracht
was hij blij en streelde den hond, en sprak: »jou zal geen haartje
gekromd worden, je zult het genadebrood eten zoolang als je leeft.«
En tegen zijn vrouw zei hij: »ga gauw naar huis en kook voor den ouden
Sultan wat wittebroodspap, dat hoeft hij niet te bijten, en breng het
hoofdkussen uit mijn bed, daar mag hij op slapen.« Van nu af aan, had
de oude Sultan het zoo goed als hij maar wenschen kon. Kort daarop
bezocht hem de wolf, en had er schik in, dat alles zoo goed gegaan
was. »Maar buur,« zei hij, »nu zul je toch wel eens een oog dicht doen,
als ik bij gelegenheid bij je baas eens een vet schaap weghaal. Het
is tegenwoordig zuinig met de kost.« »Daar moet je niet op rekenen,«
zei de hond, »mijn baas blijf ik trouw, daar gaat niets van af.« De
wolf dacht, dat het niet ernstig gemeend was, en in den nacht kwam
hij aangeloopen om het schaap te stelen. Maar de trouwe Sultan had
den boer gewaarschuwd, en die paste hem op, en kamde hem zijn haar
met den dorschvlegel, dat het bar was. De wolf moest vluchten, maar
hij riep tegen den hond: »wacht schoelje, dáár zul je voor boeten!»

Den volgenden dag stuurde de wolf het wilde zwijn, die moest den hond
opvorderen naar het bosch, daar zouden zij de zaak uitvechten. De
oude Sultan kon geen andere hulp vinden dan een kat, die maar drie
pooten had; en toen zij samen naar buiten gingen, strompelde de arme
kat langzaam voort, en van pijn, hield zij den staart in de lucht. De
wolf en zijn partij waren al op de bepaalde plaats, maar toen zij
hun tegenpartij zagen aankomen, meenden zij dat hij een sabel droeg,
want daarvoor hielden zij de recht opgerichte staart van de kat. En
toen het arme dier zoo op drie pooten sprong, dachten zij, dat het
iedere keer met de vierde een steen opnam om hen meê te gooien. Toen
kregen zij het te kwaad: het wilde zwijn kroop weg in een akker en
de wolf sprong in een boom. De hond en de kat verwonderden zich toen
zij aankwamen, dat er niemand te zien was. Maar het wilde zwijn had
zich niet heelemaal kunnen wegstoppen, en de ooren staken er nog
uit. Terwijl de kat bedaard rondkeek, bewoog het zwijn zijn ooren;
de kat dacht, dat het een muis was, en sprong er op af, en beet er
flink in. Het zwijn sprong schreeuwend op, liep hard weg, en riep:
»daar op den boom zit de schuldige!« De hond en de kat keken naar
boven en zagen den wolf; die schaamde zich, dat hij zich zoo laf had
aangesteld, en sloot vrede met den hond.



XLIX.

DE ZES ZWANEN.


Eens jaagde een koning in een groot woud, en hij jaagde zoo ijverig,
dat zijn jachtstoet hem niet volgen kon. En toen het avond was
geworden, en hij stil stond en rondkeek, bemerkte hij, dat hij
verdwaald was. Hij zocht een uitweg uit het woud maar hij vond er
geen. Nu zag hij op eens een oude vrouw met waggelend hoofd, die naar
hem toekwam; maar het was een heks. De koning sprak haar aan, en zeide:
»goede vrouw, kunt ge mij niet den weg wijzen uit het bosch?« »O ja,
heer koning, dat kan ik wel, maar er is een voorwaarde bij, en als
gij die niet vervult, komt gij nooit meer uit het bosch en moet den
hongerdood sterven.« »Welke is die voorwaarde?« »Ik heb een dochter,
die zoo schoon is, als ééne op de wereld, en zij verdient wel uwe
koningin te worden; wilt gij haar tot vrouw nemen, dan wijs ik u den
weg uit het bosch.«

De koning zeide, ja, in zijn angst, en de oude bracht hem naar haar
huisje, daar zat haar dochter bij het vuur. Zij ontving den koning
alsof zij hem verwacht had; hij zag wel, dat zij heel mooi was,
maar toch beviel zij hem niet; als hij haar aanzag overviel hem
een huivering.

Toen hij het meisje bij zich op het paard genomen had, wees de oude
hem den weg en zoo kwam de koning weer in zijn slot. Daar werd toen
de bruiloft gevierd.

De koning was al eens getrouwd geweest en van zijne eerste koningin
had hij zeven kinderen, zes prinsen en één prinsesje, die hij alle
uitermate lief had. Hij vreesde, dat de stiefmoeder hen niet goed
zou behandelen en misschien wel kwaad zou doen, daarom bracht hij ze
naar een eenzaam slot, midden in een bosch. Het lag zóó verborgen, en
de weg was zóó moeielijk te vinden, dat hij zelf verdwaald zou zijn,
als niet een fee hem een kluw katoen had gegeven, met de bijzondere
eigenschap van zelf los te wikkelen als men hem vooruit wierp, en
zoo den weg aan te wijzen. Maar de koning ging zoo dikwijls naar zijn
lieve kinderen in het bosch, dat het de koningin begon op te vallen;
zij werd nieuwsgierig en wilde weten, wat hij toch iedere keer zoo
heel alléén in het bosch te doen had. Zij gaf toen veel geld aan zijn
dienaren, en die hebben haar het geheim verraden, en hebben haar ook
gezegd van de kluw en hoe die den weg aanwees. Nu had zij geen rust
voor zij had uitgevonden, waar de koning die kluw bewaarde; daarna
naaide zij kleine wit zijden hemdjes; en daar zij van hare moeder
tooverkunsten geleerd had, naaide zij er een betoovering in. Toen nu
de koning eens ter jacht was uitgereden, nam zij de hemdjes en ging
het bosch in, en de kluw wees haar den weg. De kinderen, die in de
verte iemand zagen komen, meenden, dat het hun lieve vader was, en
huppelden hem blij te gemoet. Toen gooide zij over ieders hoofd een
hemdje, en toen dat hun huid had aangeraakt, veranderden zij in zwanen,
en zij vlogen weg over het bosch. De koningin ging heel vergenoegd
naar huis, want zij dacht nu van haar stiefkinderen bevrijd te zijn;
maar het meisje was niet meêgekomen en van haar bestaan wist zij niets
af. Den volgenden dag kwam de koning om zijn kinderen te bezoeken,
maar hij vond alleen het meisje. »Waar zijn de broêrtjes?« vroeg de
koning. »Ach lieve vader,« zeide ze, »die zijn weg en zij hebben mij
alléén achtergelaten,« en zij vertelde hoe zij het gezien had van uit
haar venstertje, dat haar broers als zwanen over het bosch wegvlogen;
en zij toonde hem de veêren, die zij in het tuintje hadden laten
vallen, en die zij had bijeengezocht. De koning treurde, maar hij
verdacht toch de koningin niet van die booze daad. Hij vreesde dat
het meisje ook geroofd zou worden daarom wilde hij haar meenemen. Maar
zij was bang voor de stiefmoeder en smeekte, dat zij nog alléén maar
dien nacht in het bosch zou mogen blijven.

Het meisje had gedacht: »nu kan ik niet langer blijven, ik moet gaan
om mijn broeders te zoeken!« En toen de nacht was gekomen ontvluchtte
zij en ging dieper het bosch in. Zoo liep zij den ganschen nacht en
ook den volgenden dag, aan één stuk door, tot zij van vermoeidheid
niet meer kon gaan. Toen kwam zij bij een wildschuur; zij ging er
in en vond er een kamertje met zes kleine bedjes, maar zij dorst
er zich niet in te leggen, en kroop onder een van de bedjes; op den
harden grond wilde zij zoo den nacht doorbrengen. Maar toen de zon
zou ondergaan hoorde zij ruischen van vleugels in de lucht, en zes
zwanen kwamen het venster ingevlogen. Zij zetten zich op den grond
en bliezen tegen elkaâr, en bliezen elkaâr al de vederen af, en hun
zwanenhuid konden zij afstroopen als een hemd. Het meisje zag toen,
dat het haar broeders waren en zij verheugde zich en kroop van onder
het bedje te voorschijn. De broeders waren even verheugd dat zij hun
zusje terug hadden, maar het duurde niet lang.

»Je kunt hier niet blijven,« zeiden zij, »dit is een herberg voor
roovers, en als zij thuis komen en je vinden zullen zij je zeker
kwaad doen.« »Kun je mij dan niet beschermen?« vroeg het zusje.

»Neen,« antwoordden zij, »want wij kunnen niet langer dan een kwartier
iederen avond onze zwanenhuid afleggen en menschen zijn; daarna worden
wij weer in zwanen veranderd.« Het zusje begon te schreien en vroeg:
»Kun je dan niet verlost worden?«

»Ach neen, dat is te moeilijk. Zes jaar lang mag je niet spreken of
lachen, en in dien tijd moet je zes hemdjes voor ons maken alleen
van sterremuur bloemetjes. Maar spreekt je mond één enkel woord, dan
is alle arbeid voor niets.« Toen de broeders zoo gesproken hadden,
was het kwartier om, en als zwanen vlogen zij weer het venster uit.

Maar het meisje dacht in zich zelve; »ik wil mijn broeders verlossen
al kost het mij mijn leven,« en den volgenden ochtend ging zij uit,
en verzamelde sterremuur en begon te naaien; spreken kon zij met
niemand en voor lachen was zij niet vroolijk genoeg: zij zat maar
en keek op haar werk. Toen zij al langen tijd zoo gezeten had,
gebeurde het, dat de koning van dat land die in dat bosch op jacht
was, in de buurt jaagde, en de jagers kwamen bij den boom waar het
meisje op zat te naaien. Zij riepen haar toe: »Wie ben je?« Maar
zij antwoordde niet. »Kom van den boom af, bij ons, wij zullen je
geen kwaad doen.« Zij schudde alléén het hoofdje. Toen zij maar al
door vroegen, wierp zij hun haar gouden halsketting toe, zij dacht,
dan zouden zij wel tevreden zijn. Maar zij hielden niet op; toen
wierp zij nog haar gordel naar beneden en daarna haar kousebanden, en
alles wat zij aanhad zoodat zij eindelijk niets meer dan haar hemdje
overhield. Maar de jagers lieten zich nog niet afwijzen en klommen
in den boom, beurden het meisje eruit, en brachten haar bij den koning.

»Wie ben je?« vroeg de koning, »wat doe je op dien boom?« Maar zij
antwoordde niet. Hij vroeg in alle talen doch zij bleef stom. Maar zóó
mooi was zij, dat 't konings hart getroffen werd, en hij voelde een
groote liefde voor haar. Hij hing haar zijn mantel om, nam haar vóór
zich op het paard en bracht haar in zijn slot. Daar liet hij haar rijke
kleeren maken, en zij straalde in haar schoonheid als de lichte zon;
maar geen woord kwam er van haar lippen. De koning zette haar naast
zich aan tafel en haar bescheidenheid en zedig wezen bevielen hem
zóózeer, dat hij zeide: »Deze wensch ik tot mijn vrouw te maken, en
geen andere op de geheele wereld,« en na eenige dagen trouwde hij haar.

De koning echter had een booze moeder, die ontevreden was over dit
huwelijk en zij sprak kwaad van de jonge koningin. »Wie weet, wat
voor een meid dat is,« zeide zij, »die niet spreken kan; zij is een
koning onwaardig.« Na een jaar, toen de koningin haar eerste kindje
geboren was, nam de oude het weg terwijl zij sliep, en besmeerde haar
den mond met bloed. Toen ging zij naar den koning, en klaagde haar
aan, dat zij een menscheneetster was. De koning geloofde het niet en
wilde niet dulden, dat men haar eenig leed aandeed. En zij zat maar en
naaide aan de hemden, en merkte niets. Den tweeden maal toen er een
mooi jongetje geboren werd, pleegde de stiefmoeder hetzelfde bedrog;
maar de koning weigerde weêr haar te gelooven en hij sprak: »zij is
zoo vroom en goed; dat zou zij nooit kunnen doen; was zij niet stom,
dan zou zij zich kunnen verdedigen, en haar onschuld zou blijken.«
Maar toen den derden maal de oude weêr het jonge kind roofde en de
koningin aanklaagde, en zij geen woord tot haar verdediging sprak,
was de koning genoodzaakt haar aan het gerecht over te leveren;
en toen werd zij veroordeeld tot den vuurdood.

De dag waarop het vonnis zou voltrokken worden, was tegelijk de
laatste dag van de zes jaren, waarin zij niet spreken of lachen
mocht, en nu had zij haar broeders uit de macht van de betoovering
bevrijd. De zes hemden waren klaar, alléén de linker mouw ontbrak
nog aan het laatste. Toen zij nu naar den brandstapel geleid werd,
hing zij de hemden over haar arm, en toen zij boven stond en het vuur
ontstoken zou worden, keek zij om, en er kwamen zes zwanen door de
lucht gevlogen. Toen begreep zij, dat haar verlossing nabij was en
er was vreugde in haar hart. De zwanen ruischten om haar heen en
bogen zich tot haar, dat zij om hun halzen de hemden kon gooien;
en toen die hen aanraakten viel de zwanenhuid af, en haar broeders
stonden levend voor haar, frisch en schoon; alleen de jongste miste
den linkerarm, en daar voor was aan zijn schouder een zwanenvleugel
gehecht. Zij omhelsden en kusten elkaâr en de koningin ging tot den
koning, die daar verslagen stond, en sprak: »Mijn liefste gemaal, nu
mag ik spreken en u openbaren, dat ik onschuldig ben en valschelijk
aangeklaagd,« en zij verhaalde hem van het bedrog van de oude koningin
en hoe zij haar kinderen had geroofd en verborgen. Die werden toen
tot 's konings innige vreugde te voorschijn gebracht, maar de booze
schoonmoeder werd tot haar straf op den brandstapel gebonden en
tot asch verbrand. De koning en de koningin en hare zes broeders,
leefden nog lange jaren in vrede en geluk.



L.

DOORNENROOSJE.


Voor lange, lange jaren, waren er eens een koning en koningin, die
zeiden elken dag: »Ach als wij toch maar een kind hadden!« maar zij
kregen geen kind. Toen gebeurde het eens, terwijl de koningin in
het bad was, dat er een kikvorsch uit het water naar den kant zwom
en tot haar zeide: »Uw wensch wordt vervuld, gij zult een dochter
ter wereld brengen.« Wat de kikvorsch voorspeld had, gebeurde, de
koningin werd een dochtertje geboren, en zóó schoon was het, dat
de koning zich niet houden kon van vreugde en een groot feest liet
aanrichten. En niet alleen vrienden en verwanten liet hij uitnoodigen,
maar ook de wijze vrouwen, opdat zij het kind goed en gunstig gezind
zouden zijn. Dertien waren er in zijn rijk; hij had echter maar twaalf
gouden borden, waarvan zij zouden eten, daarom kon hij er ééne niet
nooden. Die gevraagd waren, zijn gekomen; en toen de feestmaaltijd
gehouden was, hebben zij aan het kind hare wondergaven geschonken:
de eene gaf Deugd, de andere Schoonheid, de derde Rijkdom en zoo
kreeg zij alles wat er heerlijks is in de wereld. Toen elf haar
gave gegeven hadden, kwam plotseling de dertiende binnen. Zij kwam
om zich te wreken, dat zij niet genoodigd was, en zonder iemand te
groeten of aan te zien, riep zij met harde stem: »De koningsdochter
zal zich op haar vijftiende jaar aan een spinnewiel verwonden, en
dood neêrvallen!« Na deze woorden keerde zij zich om en verliet de
zaal, en allen stonden verwezen. Daar trad de twaalfde naar voren,
die nog een gave te geven had. Zij kon de booze voorzegging niet
opheffen, wel verzachten, en sprak: »Het zal niet de dood zijn,
maar een honderdjarige slaap, die 's konings dochter zal overvallen.«

De koning wilde zijn lieve dochter voor dat ongeluk bewaren en hij
liet in zijn rijk afkondigen, dat alle spinnewielen moesten worden
afgeschaft. Aan het meisje werden alle voorzeggingen van de wijze
vrouwen vervuld: zij werd schoon, zedig, liefelijk en verstandig,
en ieder, die haar kende kreeg haar hartelijk lief. Nu gebeurde het
juist op den dag, dat haar vijftiende jaar moest aanvangen, dat de
koning en de koningin waren uitgegaan, en het meisje alléén bleef in
het slot. Zij dwaalde het geheele slot rond, bekeek zalen en kamers,
hoeken en gaten, zooals het haar in den zin kwam, en zoo kwam zij ook
bij een ouden toren. Zij steeg een nauwe trap op en kwam toen voor een
kleine deur. In het slot stak een roestige sleutel en toen zij die
omdraaide sprong het slot open. In het kamertje zat een oude vrouw,
die ijverig haar vlas spon. »Ei, moedertje!« zei het prinsesje, »wat
doet ge daar?« »Ik spin,« zei het oudje en knikte met het hoofd. »Wat
springt dat dingetje aardig rond!« zei het meisje en greep naar het
spinnewiel en wilde zelf ook spinnen. Maar nauwelijks had zij het
aangeraakt of de tooverspreuk vervulde zich en zij stak zich er aan.

En op het oogenblik, dat zij den steek voelde, viel zij in diepen
slaap en de slaap verbreidde zich over het geheele slot: de koning
en de koningin, die juist waren thuis gekomen, sliepen in, en met
hen de geheele hofstoet. En ook de paarden in de stallen sliepen,
de honden in den hof, de duiven op het dak, de vliegen aan den wand;
ja, ook het vuur, dat flikkerde in den haard werd stil en sliep,
het gebraad hield op te prutsen, en de kok moest den keukenjongen
loslaten, die hij juist een flink pak wilde geven voor een verzuim,
en hij sliep ook. Toen legde zich ook de wind, en aan den boom voor
het slot bewoog geen blaadje meer.

Maar rondom het slot groeide een doornhaag, die ieder jaar hooger werd,
en het gansche slot omgaf en er overheen groeide zoodat er niets meer
van te zien was, zelfs niet de vlag op het dak. In het land ging toen
de sage van het »Doornenroosje«, de schoone, slapende koningsdochter;
en dikwijls kwamen er koningszonen, die door de haag in het slot wilden
dringen. Maar het was hun niet mogelijk, want de takken hielden zich,
als met handen, gegrepen, en de jongelingen bleven aan de doornen
hangen en moesten jammerlijk sterven. Na lange, lange jaren trok
weêr een koningszoon door het land. Hem vertelde een oud man van
de doornhaag; daarachter zou een slot zijn, waar een wonderschoone
koningsdochter, het »Doornenroosje,« zou slapen; en met haar het
geheele hof. Hij wist ook van zijn grootvader, dat veel koningszonen
al in de haag gedrongen waren, maar zij waren er ingebleven en een
jammerlijken dood gestorven. Toen sprak de jongeling. »Dat schrikt
mij niet af: ik wil door de doornen dringen en schoon Doornenroosje
zien.« En wat de oude zeggen mocht, het hielp hem niet, hij kreeg
zelfs geen gehoor. Nu waren echter juist toen de prins kwam, de
honderd jaren voorbij gegaan. En toen hij de doornhaag naderde waren
het enkel mooie groote bloemen, die uit elkaâr bogen toen hij kwam,
zoodat hij er doorging, onverlet; en achter hem sloten zij zich
weêr als een haag. Hij kwam in het slot; daar waren de paarden en
de gevlekte jachthonden in slaap, op het dak de duiven, het kopje
tusschen de vleugels. En binnen sliepen de vliegen op den wand,
de kok hield nog de hand uitgestrekt om den keukenjongen te slaan,
en de meid zat met de zwarte hen, die zij plukken zou. Verder ging
hij, en in de zaal zag hij den ganschen hofstoet in slaap, en onder
aan den troon lagen de koning en koningin. Toen ging hij nog verder
en het was zóó stil dat hij zijn ademhaling hoorde. Zoo kwam hij
eindelijk aan den toren, en opende de deur van het kleine kamertje
waar Doornenroosje sliep. Daar lag zij, en zij was zóó schoon, dat
hij zijn oogen niet van haar kon afwenden; toen bukte hij zich en
kuste haar. Maar bij die aanraking sloeg Doornenroosje de oogen op,
en ontwaakte, en zij zag hem vriendelijk aan. Te zamen daalden zij
toen van den toren af, en de koning ontwaakte, en de koningin, en de
geheele hofstoet en met groote oogen zagen zij elkander aan. En de
paarden op het slotplein stonden op en schudden zich, de jachthonden
sprongen en kwispelstaartten, de duiven op het dak haalden het kopje
uit, keken rond en vlogen weg. De vliegen kropen verder op de muren;
het vuur in den haard verhief zich, flikkerde op en kookte het eten;
het gebraad prutste; de kok gaf den jongen een oorvijg, dat hij 't
uitschreeuwde en de meid plukte het hoen. Toen werd de bruiloft van
Doornenroosje met den prins in alle pracht gevierd en zij leefden
gelukkig tot aan het einde.



LI.

VOGELBUIT.


Een houtvester ging eens in het bosch op de jacht, en midden in het
bosch hoorde hij het schreien van een klein kind; hij ging op het
geluid af en kwam voor een hoogen boom en boven in dien boom zat een
kindje. Het was zóó gekomen, dat de moeder met het kindje op den
schoot, onder den boom was ingeslapen; een roofvogel had het kind
bespeurd en was toegeschoten en had het in zijn snavel weggedragen,
en in den hoogen boom gezet.

De houtvester klom in den boom en haalde het kind er uit en hij dacht:
»ik zal het meênemen, en met Leentje samen zullen wij het opvoeden;«
en hij bracht het kind naar huis en het groeide met zijn dochtertje
op. Omdat het op een boom gevonden was en door een vogel was meègenomen
werd het »Vogelbuit« genoemd.

Vogelbuit en Leentje hielden zóóveel, zóóveel van elkaâr, dat zij
treurden als zij niet te zamen waren.

De houtvester had echter een oude huishoudster, die nam op een avond
twee emmers, en ging aan het water dragen; en zij ging niet ééns
om water, maar zij ging vele malen naar de bron. Leentje zag het
en zei: »Hoor eens, oude Sanne! waar is al dat water voor?« »Als je
het niemand oververtelt, wil ik het je wel zeggen.« Leentje beloofde,
dat zij er niemand over spreken zou; toen zei de huishoudster: »Morgen
vroeg als de baas op jacht is, zet ik het water op, en als het kookt
gooi ik Vogelbuit er in en zal hem koken.«

En den volgenden ochtend, heel vroeg, stond de houtvester op en ging
op de jacht; toen hij weg ging lagen de kinderen nog in bed en Leentje
sprak tot Vogelbuit.

»Verlaat je mij niet, dan verlaat ik jou ook niet,« toen antwoordde
Vogelbuit: »nu niet, en nooit!«

Toen sprak Leentje: »Ik zal het je zeggen: oude Sanne sleepte gisteren
zooveel emmers water in huis; toen vroeg ik haar, waarvoor; zij zoude
het mij zeggen als ik er niemand over sprak. Ik zei: »ik zal het zeker
aan niemand zeggen;« toen sprak zij weêr, als vader op de jacht was,
zou zij het water koken in een ketel en jou er in gooien en koken. Maar
wij zullen gauw opstaan en ons vlug aankleeden en samen wegloopen.«

Dus stonden de kinderen op, kleedden zich vlug aan, en liepen weg. Toen
nu het water in den ketel kookte, kwam de oude vrouw in de slaapkamer
om Vogelbuit te halen en hem dan in het kokende water te gooien. Maar
toen zij in de bedjes keek, waren de kinderen allebei weg; toen werd
zij gruwelijk angstig en zij dacht: »wat zal ik nu zeggen, als de
houtvester thuis komt, en hij merkt, dat de kinderen weg zijn? Gauw
ze achter op, dat ik ze terug krijg!«

Toen stuurde de heks hun drie knechten na, die moesten hard loopen
en de kinderen achterhalen. De kinderen zaten voor het bosch,
en toen zij in de verte de drie knechten zagen komen, zei Leentje,
tegen Vogelbuit: »Verlaat je mij niet, dan verlaat ik jou ook niet.«
En Vogelbuit antwoordde: »Nu niet, en nooit.« Toen zei Leentje: »Word
jij dan een rozenstruik, dan ben ik het roosje, dat er aan groeit.«
Toen nu de drie knechten bij het bosch kwamen, was er niets dan een
rozenstruik met een roosje, maar de kinderen waren er niet. Toen zeiden
zij: »hier is niets,« en zij gingen naar huis terug en zeiden tegen
de huishoudster, dat zij niets gezien hadden dan een rozenstruik met
een roosje er aan. Toen werd de oude huishoudster kwaad: »Onnoozele
suffers, dat jelui zijt; je hadt de rozenstruik midden door moeten
snijden, en het roosje aftrekken en meè naar huis brengen; ga gauw
terug en doe het!« En ze moesten nog eens gaan zoeken. De kinderen
zagen hen in de verte komen, en Leentje zei: «verlaat je mij niet,
dan verlaat ik jou ook niet.« En Vogelbuit antwoordde: »nu niet,
en nooit.« Toen zei Leentje: »word jij dan een kerk, dan zal ik de
lichtkroon er in zijn.«

Toen nu de drie knechten aankwamen was er niet anders te zien dan
een kerk waarin een lichtkroon hing. Toen zeiden zij tegen elkaâr:
»Er is hier niets voor ons, laat ons maar naar huis gaan.« Toen zij
aankwamen vroeg de huishoudster of zij niets gevonden hadden: »neen,«
zeiden zij, »wij hebben niets gevonden dan een kerk, en daarin hing een
lichtkroon.« »Ezels! waarom heb jelui de kerk niet omvergehaald en de
kroon mee thuis gebracht!« en toen ging de oude huishoudster zelf op
het pad met de drie knechten, de kinderen achterna. De kinderen zagen
de drie knechten in de verte komen en de oude huishoudster strompelde
achteraan. Toen sprak Leentje: »Vogelbuit, verlaat je mij niet, dan
verlaat ik jou ook niet.« »Nu niet, en nooit!« zei Vogelbuit. »Word
dan een vijver,« zei Leentje, »dan ben ik het eendje dat er rondzwemt.«
De huishoudster was nu aangekomen, en bij den vijver ging zij voorover
liggen en wilde hem leeg drinken. Maar de eend kwam vlug gezwommen,
pakte haar hoofd met den snavel en trok haar in het water: toen moest
de oude heks verdrinken. De kinderen gingen nu te samen naar huis,
en waren overgelukkig, en als zij niet dood zijn, leven zij nog.



LII.

KONING LIJSTERBAARD.


Een koning had een dochter. Wondermooi was zij, maar trotsch en
overmoedig, zoodat geen man haar goed genoeg was. Den een na den ander
wees zij af, en lachte hen daarna nog uit ook. Eens liet de koning
een groot feest aanrichten en noodde daarop alle trouwlustige mannen
van heinde en ver. Zij werden naar rang en stand in een rij geplaatst,
eerst kwamen de koningen, dan de hertogen, daarna de vorsten, graven,
baronnen en jonkheeren. De prinses werd langs de rijen geleid, maar
op ieder had zij wat aan te merken. De een was te dik; en zij noemde
hem »het wijnvat.« Een andere was te lang: »Lang en smal, is te mal.«
De derde te klein: »dik en klein, moet niet zijn.« Een vierde was te
bleek: hij was, »de bleeke dood.« De vijfde te rood: »de roode haan.«
De zesde was niet recht genoeg: »jong hout, dat achter de kachel
gedroogd is!« Bij ieder kwam er wat, maar 't ergst maakte zij het bij
een goeden koning die heel bovenaan stond, en een beetje een scheeve
kin had. »Hé!« riep ze, »die heeft een kin zooals de lijster een
snavel heeft,« en sedert dien tijd heette hij »Koning Lijsterbaard.«

Maar den ouden koning ergerde het, dat zijn dochter niet anders deed
dan spotten, en dat zij allen versmaadde, die haar wilden huwen;
en hij werd zoo toornig, dat hij een eed zwoer haar den eersten den
besten bedelaar, die aan de poort kwam te doen trouwen.

Een paar dagen daarna kwam er een speelman, die onder het venster
begon te zingen, om daar een aalmoes mee te verdienen. Toen de koning
dat vernam sprak hij: »Laat hem bij mij brengen.« Toen kwam de vuile
bedelaar binnen, en zong voor den koning en zijn dochter, en toen hij
klaar was vroeg hij om een milde gift. De koning sprak: »je gezang is
mij zoo goed bevallen, dat ik je mijn dochter tot vrouw wil geven.« De
prinses schrikte, maar de koning zei: »ik heb een gelofte gedaan, dat
de eerste de beste bedelaar je man zou zijn en die gelofte houd ik.«

Er hielp geen bidden; de priester werd gehaald, en zij moest zich
dadelijk met den speelman laten trouwen. Toen dat gebeurd was, zei
de koning: »nu past het niet meer voor je in mijn paleis te wonen,
je kunt nu met je man mee trekken.«

De bedelaar nam haar mee naar buiten, en zij kwamen in een groot bosch:
Daar vroeg zij:


    »O, van wie dit mooie woud?«
    »Dat hoort van koning Lijsterbaard
    Had gij hem getrouwd
    Behoorde u dit woud,«
    »Ach, ik arme jonkvrouw fijn,
    Kon 'k koning Lijsterbaard's vrouw maar zijn!«


Toen kwamen zij over een weiland, en zij vroeg weêr:


    »Van wie dit mooie weiland wel?«
    »Dat is van koning Lijsterbaard
    Had ge hem genomen het hoorde aan u.«
    »Ach, ik arme jonkvrouw fijn,
    Kon 'k koning Lijsterbaard's vrouw maar zijn!«


Toen kwamen zij door een groote stad, daar vroeg zij weêr:


    »Van wie toch deze fraaie stad,«
    »Die is van koning Lijsterbaard,
    Hadt ge hem genomen, zij was voor u,«
    »Ach, ik arme jonkvrouw fijn,
    Kon 'k koning Lijsterbaard's vrouw maar zijn!«


»Het bevalt mij in 't geheel niet,« zei de speelman, »dat je iedere
keer een anderen man wenscht; ben ik je niet goed genoeg?« Eindelijk
kwamen zij aan een heel klein huisje, toen zeide ze:


    »Ach, wat is dat een klein huisje,
    Van wie zou dat miezerige kleine huisje zijn?«


De speelman antwoordde: »dat is mijn en jouw huis, waar wij samen
wonen.« »Waar zijn de bedienden?« vroeg de prinses. »Wat bedienden!«
zei de bedelman, »wat je gedaan wilt hebben moet je zelf doen. Maak
het vuur maar aan, en zet het water op, dat je mijn eten kunt koken;
ik ben moê.« Maar de prinses had geen verstand van vuur aanmaken en
koken, en de bedelaar moest zelf een handje meè helpen, dat er nog
wat van terecht kwam. Toen zij hun schraal middagmaal binnen hadden,
gingen zij naar bed; maar hij joeg haar er al weêr vroeg uit, omdat
zij het huis aan kant moest maken. Een paar dagen ging het zoo als
het ging, en toen hadden zij hun voorraad opgeteerd. Toen zei de man:
»Vrouw, zoo gaat het niet langer, je moet mandjes vlechten.« Hij
ging naar buiten en sneed wilgetakken en bracht die naar huis. Toen
begon zij te vlechten, maar de harde takken beschadigden hare fijne
handen. »Ik zie, dat het niet gaat,» zei de man, »ga liever spinnen,
dat kun je misschien beter.« Zij zette zich om te gaan spinnen,
maar de stroeve draad sneed haar in de teere vingers, dat het bloed
op den grond drupte.

»'t Is wat moois,» zei de man, »ik ben goed af met jou, je deugt voor
geen enkel werk. Ik zal wat anders probeeren en een handel beginnen met
potten en pannen; jij zult naar de markt gaan en de waar verkoopen.«
»Ach,« dacht ze, »als er menschen komen uit mijn vader's rijk en zij
zien mij op de markt zitten verkoopen, hoe zullen zij mij uitlachen
en bespotten!« Maar er was niet aan te doen, zij had zich te schikken
of van honger te sterven. Den eersten keer ging het goed, want de
menschen kochten de mooie vrouw graag haar goed af, en betaalden
wat zij vroeg en soms gaven zij haar het geld en lieten haar de
pannen houden ook. Van wat zij thuis bracht leefden zij zoo lang
mogelijk. Toen kocht de man weer een groote hoeveelheid aardewerk in,
en zij zette zich op een hoek van de markt om het te verkoopen. Daar
kwam op eens een dronken huzaar te paard aanrennen, midden door haar
potten en pannen dat zij in duizend scherven vlogen. Zij begon te
schreien en wist niet wat zij beginnen zou. »O, hoe zal het mij nu
gaan!« riep zij, »wat zal mijn man nu zeggen!« Zij liep naar huis en
vertelde hem haar ongeluk. »Wie gaat nu ook op den hoek van de markt
zitten met aardewerk!« sprak de man, »schei maar uit met huilen, ik
zie wel dat je voor geen fatsoenlijk werk te gebruiken zijt. Ik ben in
's konings paleis geweest, en heb gevraagd of zij niet een keukenmeisje
wilden hebben, en zij hebben mij beloofd, dat ze je zouden aannemen;
dan heb je vrij eten.«

Nu werd de prinses een keukenmeisje; zij moest den kok helpen en
het ruwste werk doen. Zij maakte in hare rokken aan twee kanten
een pannetje vast, daarin nam ze haar deel van het overgeschoten
eten mee naar huis en zij leefden samen daarvan. Nu gebeurde het,
dat de bruiloft van den oudsten prins zou gevierd worden, en de arme
vrouw ging naar boven en bleef aan de zaaldeur staan om er wat van te
zien. Toen nu de lichten waren aangestoken, en de eene na de andere
prachtig getooid binnen ging, en alles één glans en heerlijkheid was,
dacht zij met droefheid over haar lot, en verwenschte haar trots
en overmoed, die haar in armoede en ellende gebracht hadden. Van
de kostelijke spijzen, die werden uitgedragen kreeg zij nu een deel
van de bedienden voor haar pannetjes, en zij wilde er meè naar huis
gaan. Op eens kwam de koningszoon met gouden ketenen versierd dien
kant uit, en toen hij de schoone vrouw in de deur zag staan, nam
hij haar bij de hand en wilde met haar dansen: maar zij wilde niet,
en zij schrikte; want zij zag, dat het koning Lijsterbaard was, die
haar had willen trouwen en dien zij met spot had afgewezen. Toen zij
tegenstribbelde trok hij haar naar binnen, en daarbij ging de band los,
die haar rokken hield, en de pannetjes vielen er uit, zoodat de soep
stroomde en de brokken over den vloer rolden. Toen dat gezien werd,
gaf het een algemeen gelach en spotterij, en zij schaamde zich zóó,
dat zij liever honderd voet diep onder den grond had gezeten. Zij
sprong naar de deur om te ontvluchten, maar op de trap haalde haar
een man in en bracht haar terug; en toen zij hem aanzag was het
koning Lijsterbaard zelf: hij sprak haar vriendelijk toe: »Wees niet
bevreesd, ik ben de speelman, die met je in het arme huisje heeft
gewoond: uit liefde voor je heb ik mij zoo vermomd, en de huzaar,
die je pannetjes stuk reed, was ik ook. Het is alles gebeurd om je
trotschen zin te buigen, en je voor den hoogmoed te straffen waarmee je
mij hebt bespot. Maar nu is het voorbij en wij zullen bruiloft houden.«
Toen kwamen de kamervrouwen, en trokken haar prachtige kleederen aan
en haar vader kwam, en het geheele hof, en wenschten haar geluk met
haar huwelijk met koning Lijsterbaard, en nu begon de rechte pret
eerst. Ik wenschte, dat jij en ik er ook bij waren geweest.



LIII.

SNEEUWWITJE.


Het was eens midden in den winter, en de sneeuwvlokken daalden als
donzen veêrtjes uit de lucht. Een koningin zat aan haar venster; zij
naaide, en het venster was gevat in een raam van ebbenhout. En toen
zij zoo naaide en ook naar het sneeuwen keek, stak de naald in haar
vinger, en drie bloeddruppels drupten in de sneeuw. En toen nu dat
rood zoo mooi kleurde in de witte sneeuw, dacht zij bij zichzelve:
»Had ik toch een kindje, zoo wit als sneeuw, zoo rood als bloed
en zoo zwart als het ebbenhouten raam!« Kort daarop werd haar een
dochtertje geboren; het was zoo wit als sneeuw, zoo rood als bloed
en haar haartjes waren zoo zwart als ebbenhout, daarom werd zij
»Sneeuwwitje« genoemd; en toen het kind geboren was, stierf de moeder.

Na een jaar nam de koning zich een andere koningin. Zij was een
schoone vrouw, maar trotsch en ingebeeld en zij kon het niet lijden,
dat een andere haar in schoonheid overtrof. Zij had een wonderspiegel;
als zij daarvoor stond en sprak:


    »Spiegel, spiegel aan den wand,
    Wie is de schoonste in 't gansche land?«


Dan antwoordde de spiegel:


    »Vrouw koningin, gij zijt de schoonste in 't land.«


En zij was tevreden; want zij wist, dat de spiegel waarheid sprak. Maar
Sneeuwwitje groeide op en werd steeds mooier, en toen zij zeven jaar
oud was, was zij zoo mooi als de klare dag, en mooier dan de koningin
zelve. Toen deze eens haar spiegel vroeg:


    «Spiegel, spiegel aan den wand,
    Wie is de schoonste in 't gansche land?«


toen antwoordde de spiegel:


    »Vrouw koningin, de schoonste hier zijt gij,
    Maar Sneeuwwitje is duizendmaal schooner dan gij.«


Toen verschrikte de koningin en werd geel en groen van nijd. Van het
oogenblik af, dat zij Sneeuwwitje gezien had, was het of haar hart
zich in haar lijf omdraaide, zoo haatte zij het meisje. En nijd en
trots groeiden, en vervulden haar eindelijk zoozeer, dat zij dag noch
nacht meer rust had. Toen riep zij een jager, en sprak: »Breng het kind
buiten in het bosch, ik wil haar niet meer voor mijn oogen hebben. Je
moet haar dooden, en breng mij haar long en lever als bewijs.« De jager
gehoorzaamde en nam Sneeuwwitje meê, en toen hij zijn hartsvanger
getrokken had en daarmeè haar onschuldig hartje doorboren wilde,
begon zij te schreien en sprak: »Ach, lieve jager, laat mij leven,
ik zal in het wilde woud blijven en nooit meer terug komen!« En zij
was zóó mooi, dat de jager medelijden kreeg, en hij zeide: »loop dan
maar weg, arm kind.« Hij dacht: »de wilde dieren zullen je wel gauw
gevonden hebben;« maar toch was het hem of er een steen van zijn hart
was gewenteld, nu hij haar niet dooden zou. Er kwam juist een jong
hertje voorbij gesprongen, dat stak hij dood en nam er long en lever
van meè. De kok moest ze met zout koken en het boosaardige wijf at
het op, en dacht, dat zij Sneeuwwitje's long en lever gegeten had.

Nu was het arme kind in het groote bosch moederziel alléén, en zij
werd zóó bang, dat zij alle boomblaadjes aankeek, in haar angst en
radeloosheid. En zij ging hard loopen; zij liep over spitse steenen
en door dichte doornen; de wilde dieren gingen haar voorbij, maar zij
deden haar niets. Zij liep zoo lang haar voetjes nog gaan konden, tot
het bijna avond was; toen zag zij een klein huisje, en ging er binnen
om te rusten. In het huisje was alles klein, maar zoo allerliefst
en zindelijk, dat het niet te gelooven is. Er stond een wit gedekt
tafeltje, met zeven kleine bordjes, ieder bordje met zijn lepeltje; ook
zeven mesjes, zeven vorkjes en zeven kleine bekertjes. Langs den wand
stonden zeven bedjes, met sneeuwwitte lakentjes opgemaakt. Sneeuwwitje
was zoo hongerig en dorstig; zij at van ieder bordje een beetje brood
en moes, en dronk uit ieder bekertje een dropje wijn; want zij wilde
niet van één alles wegnemen. Daarna legde zij zich in een bedje omdat
zij zoo moè was, maar de bedjes pasten niet. Het eene was te lang,
het andere te kort, maar het zevende was juist goed en daarin bleef
zij liggen, zeide haar gebedje en sliep in.

Toen het nu bijna heelemaal donker was, kwamen de eigenaars van het
huisje: dat waren de zeven dwergen, die in de bergen groeven en erts
hakten. Zij staken hun zeven lichtjes aan, en toen het nu licht was
in het huisje, merkten zij, dat er iemand geweest was; want het stond
niet alles heelemaal in dezelfde orde als toen zij weg gingen. De
eerste zei: »Wie heeft er op mijn stoeltje gezeten?« De tweede: »Wie
heeft er van mijn bordje gegeten?« De derde: »Wie heeft er van mijn
broodje gebeten?« De vierde: »Wie heeft er van mijn moesje gehapt?»
De vijfde: »Wie heeft er met mijn vorkje geprikt?« De zesde: »Wie
heeft er met mijn mesje gesneden?» De zevende: »Wie heeft uit mijn
bekertje gedronken?»

Toen keek de eerste om en zag dat er in zijn bedje een klein
verdiepinkje was en hij sprak: »Wie is er in mijn bedje gestapt?«
De anderen kwamen kijken en ze riepen tegelijk: »In het mijne heeft
ook iemand gelegen?« Maar de zevende zag in zijn bedje Sneeuwwitje
liggen slapen. En hij riep de anderen er bij; zij kwamen en waren zéér
verwonderd en zij haalden hun zeven lichtjes en verlichtten haar. »Ach,
lieve Heer! ach, lieve Heer, hoe mooi is dat kind!» riepen zij; en
zij hadden er zooveel pleizier in, dat zij haar niet wakker maakten,
maar stil lieten doorslapen in het bedje. En de zevende dwerg sliep
bij zijn makkers, bij ieder een uurtje; toen was juist de nacht om.

Toen het ochtend werd ontwaakte Sneeuwwitje, en toen zij de zeven
dwergen zag schrikte zij. Maar zij waren vriendelijk, en vroegen:
»Hoe heet je?« »Ik heet Sneeuwwitje.« »Hoe ben je in ons huisje
gekomen?» vroegen verder de dwergen. Toen vertelde zij, dat haar
stiefmoeder haar wilde laten dooden, maar de jager had haar het leven
gelaten; toen had zij den heelen dag geloopen tot zij hun huisje had
gevonden. Nu zeiden de dwergen: »Wil je ons huishouden doen, koken,
bedden opmaken, wasschen, naaien en breien, dan kun je bij ons blijven
en je zult aan niets gebrek hebben.« Dat beloofde Sneeuwwitje, en zij
bleef. Zij deed goed het huishouden; 's morgens gingen de dwergjes
in de bergen om erts en goud te vinden en 's avonds kwamen zij weêr
terug, dan moest het eten klaar zijn. Den geheelen dag was het meisje
alléén, en de goede dwergen waarschuwden haar en spraken: »Pas goed op,
je stiefmoeder zal gauw weten, dat je hier zijt; laat niemand binnen.«

Maar de koningin meende Sneeuwwitje's longen en lever gegeten te
hebben, en dacht, dat zij nu weêr de eerste, en van allen de mooiste
was, en zij ging voor haar spiegel en zeide:


    »Spiegel, spiegel aan den wand,
    Wie is de schoonste in 't gansche land?«


Toen antwoordde de spiegel:


    »Vrouw Koningin, de schoonste hier zijt gij,
    Maar Sneeuwwitje over de bergen,
    Bij de zeven dwergen,
    Is duizendmaal schooner dan gij.«


Toen schrikte zij, want zij wist, dat de spiegel waarheid sprak, en
nu begreep zij, dat de jager haar had bedrogen, en dat Sneeuwwitje
nog leefde. En zij dacht en dacht op nieuw, hoe zij haar leven zou
nemen. Want zoolang zij niet in het geheele land de schoonste was,
liet de nijd haar geen rust. Eindelijk had zij iets verzonnen; zij
verfde zich het gezicht, en kleedde zich als een oude koopvrouw,
toen was zij geheel onkenbaar. Zoo ging zij over de bergen naar de
zeven dwergen, en klopte aan, en ze riep:

»Mooie waar te koop, mooie waar!« Sneeuwwitje keek door haar venstertje
en riep: »Goeden dag, vrouwtje! wat heb je te koop?«

»Goede waar, mooie waar! Rijgsnoeren van alle kleuren!« en zij liet
er haar een zien, die van bontkleurige zijde gevlochten was. »Die
eerlijke koopvrouw, kan ik wel binnen laten,« dacht Sneeuwwitje, en
zij schoof den grendel van de deur en kocht het mooie snoer. »Kind!«
zei de oude vrouw, »wat zie je er uit! kom, laat ik je eens rijgen
zooals het hoort.« Sneeuwwitje had geen vermoeden en ging voor haar
staan, en de vrouw begon te rijgen, maar ze reeg zoo gauw en trok zoo
sterk aan, dat Sneeuwwitje benauwd werd en voor dood neêrviel. »Nu
ben je de mooiste geweest!» zei het wijf en liep hard weg.

Niet lang daarna toen 't avond was, kwamen de zeven dwergen naar huis;
maar o, hoe schrikten zij, toen zij hun lief Sneeuwwitje op den grond
zagen liggen, en zij roerde en bewoog niet, als was zij dood. Zij
hieven haar op; maar toen zij zagen, dat zij te nauw geregen was,
sneden zij het rijgsnoer door. Toen begon zij weêr zacht te ademen,
en langzamerhand herleefde zij. Toen de dwergen hoorden wat er gebeurd
was, spraken zij: »Die oude koopvrouw was de valsche koningin; pas
nu toch op, en laat niemand binnen, als wij uit zijn.«

Maar het booze wijf ging, thuisgekomen, naar den spiegel, en vroeg:


    «Spiegel, spiegel aan den wand,
    Wie is de schoonste in 't gansche land?«


En de spiegel antwoordde als de vorige maal:


    »Vrouw Koningin, de schoonste hier zijt gij,
    Maar Sneeuwwitje over de bergen,
    Bij de zeven dwergen,
    Is duizendmaal schooner dan gij.«


Toen zij dat hoorde, liep het bloed haar naar het hart, zóó schrikte
zij; want zij begreep nu, dat Sneeuwwitje weêr levend geworden was.

»Nu zal ik toch iets verzinnen, dat je te gronde zal richten,« zei
ze toen, en met de heksenkunsten waarin zij bedreven was, maakte zij
een vergiftige kam. Toen verkleedde zij zich en nam de gedaante aan
van een andere oude vrouw. Zoo ging zij over de zeven bergen naar
de zeven dwergen, klopte aan de deur en riep: »Mooie waar, mooie
waar te koop!« Sneeuwwitje keek door 't raampje en riep: »ga maar
voorbij; ik mag niemand binnen laten!« »Je zult toch wel eens mogen
kijken?« zei de oude, en nam de vergiftige kam en hield die in de
hoogte. Het meisje vond hem zoo mooi, dat zij zich liet bepraten,
en de deur opende. Toen zij de kam gekocht had, zei de oude vrouw:
»Ik wil je er toch eens netjes mee kammen.« Het arme Sneeuwwitje dacht
er niet bij en liet de oude begaan, maar nauwelijks had die de kam
in het haar gestoken, of het gif begon te werken, en het meisje viel
bewusteloos neêr. »O, wonder van schoonheid, nu is 't met je gedaan!«
zei de kwaadaardige heks, en ging heen. Maar gelukkig was het bijna
avond en de zeven dwergjes kwamen naar huis. Toen zij Sneeuwwitje
dood zagen liggen, dachten zij dadelijk aan de stiefmoeder, en gingen
zoeken. Zij vonden toen de kam, en nauwelijks hadden zij hem er uit
getrokken of Sneeuwwitje kwam weêr bij, en vertelde wat er gebeurd
was. Toen waarschuwden zij haar nóg eens, toch voorzichtig te zijn,
en voor niemand de deur te openen. De koningin ging thuis voor haar
spiegel staan en sprak:


    «Spiegel, spiegel, aan den wand,
    Wie is de schoonste in 't gansche land?«


En weer antwoordde de spiegel:


    »Vrouw Koningin, de schoonste hier zijt gij,
Maar Sneeuwwitje over de bergen,
    Bij de zeven dwergen,
    Is duizendmaal schooner dan gij.«


Toen zij den spiegel zoo hoorde spreken, trilde en beefde zij van
toorn; «Sneeuwwitje _zal_ sterven!« riep zij, »al kost het mijn eigen
leven.« Zij ging toen in een geheim vertrek waar nooit iemand kwam en
maakte daar een doodelijk vergiftige appel. Die was heel mooi om te
zien met roode wangetjes, dat ieder er in zou bijten; maar wie er ook
maar het kleinste stukje van at zou moeten sterven. Toen de appel klaar
was, beschilderde zij haar gezicht, en verkleedde zich als een boerin
en zoo ging zij over de zeven bergen naar de zeven dwergen. Zij klopte
aan. Sneeuwwitje stak haar hoofdje uit het venster en riep: »ik mag
niemand binnen laten, de zeven dwergen hebben het mij verboden!« »Ook
goed,« zei de boerin, »van mijn appels zal ik toch wel af komen; dáár,
die eene moog je van mij present hebben.« »Neen,« zei Sneeuwwitje,
»ik mag niets aannemen.« »Ben je soms bang voor vergif?« zei de oude
vrouw, »kijk, dan snijd ik hem in tweeën; dan eet ik de bleeke helft en
jij moogt het roode wangetje.« Maar de appel was zoo kunstig gemaakt,
dat alléén het roode wangetje vergiftig was. Sneeuwwitje had grooten
zin in den mooien appel, en toen zij zag, dat de boerin er van at,
kon zij zich niet langer bedwingen en strekte haar handje uit om de
vergiftige helft. Maar toen zij het eerste stukje er van in den mond
had, viel zij dood neêr. De koningin bezag haar met een gruwelijken
blik, en lachte hardop: »wit als sneeuw, rood als bloed, zwart als
ebbenhout!« deze keer kunnen de dwergen je niet weêr opwekken.

En toen zij thuis haar spiegel vroeg:


    »Spiegel, spiegel aan den wand,
    Wie is de schoonste in 't gansche land,«


toen antwoordde hij eindelijk:


    »Vrouw koningin, gij zijt de schoonste in 't land.«


Toen had haar nijdig hart rust,--als er rust is voor een nijdig
hart. De dwergjes vonden, toen zij 's avonds thuis kwamen Sneeuwwitje
op den grond liggen, geen ademhaling bewoog meer, zij was dood. Zij
namen haar op, zochten naar iets, dat vergiftigd was, regen haar
keursje los, kamden het haar, wieschen haar met water en wijn, maar het
hielp niet, het lieve kind was dood en bleef dood. Zij legden haar op
een baar, en alle zeven zetten zij zich er om heên, en zij schreiden
over haar, schreiden drie dagen lang. Toen wilden zij haar begraven;
maar zij zag nog zoo frisch, als eene die leeft, en zij had nog mooie
roode wangen. Toen zeiden zij: »Dat kunnen wij niet in de zwarte
aarde laten neerzakken!« en zij lieten een doorzichtige kist maken
van glas, zoodat men haar van alle kanten zien kon, en legden haar
daarin, en schreven met gouden letters haar naam er op, en dat zij een
koningsdochter was. Toen droegen zij de kist naar buiten op den berg,
en een van hen bleef en waakte. En de dieren kwamen ook om te treuren
over Sneeuwwitje: eerst een uil, toen een raaf en eindelijk een duifje.

Sneeuwwitje lag langen, langen tijd in de glazen kist, en zij
veranderde niet, maar leek te slapen, en zij bleef zoo wit als sneeuw,
zoo rood als bloed, zoo zwart als ebbenhout. Toen gebeurde het eens,
dat een koningszoon in het bosch verdwaalde, en bij het dwergenhuis
kwam en daar den nacht zou blijven. Hij zag de kist op den berg en
het mooie Sneeuwwitje daarin, en las wat er met gouden letters op
geschreven stond. Toen sprak hij tot de dwergen: »laat mij die kist,
ik zal er voor geven, wat ge vraagt.« Maar de dwergen antwoordden:
»Wij geven haar niet; niet voor al het goud dat in de wereld is.«
Toen sprak hij: »schenk haar mij dan, want ik kan niet leven zonder
Sneeuwwitje te zien; ik zal haar eeren en hoogachten als wat mij het
allerliefste is.« Toen hij zoo sprak, werden de goede dwergen bewogen
en gaven hem de kist, en de koningszoon liet haar door zijn dienaren
op de schouders wegdragen. Toen gebeurde het, dat zij struikelden over
een tak, en door den schok schoot het stukje van den appel, dat nog
in haar keel zat, uit haar mond. Kort daarop opende zij de oogen en
richtte zich op en leefde weêr: »Ach, waar ben ik toch?« riep zij toen.

»Ge zijt bij mij!« sprak de koningszoon in groote vreugde, en
verhaalde haar, hoe alles gebeurd was, en hij zeide ook: »ge zijt
mij liever dan alles op de wereld, kom meè naar mijn vader's slot,
en word mijne vrouw!« Dat wilde Sneeuwwitje en ging met hem, en met
groote pracht en heerlijkheid werd het trouwfeest aangericht.

Op de bruiloft was ook de stiefmoeder genood. Toen zij zich nu getooid
had in haar prachtig kleed, trad zij voor den spiegel en vroeg:


    «Spiegel, spiegel aan den wand,
    Wie is de schoonste in 't gansche land?«


De spiegel antwoordde:


    »Vrouw koningin, de schoonste hier zijt gij,
    Maar de jonge koningin is duizendmaal schooner dan gij.«


Toen vloekte het booze wijf en zij werd zoo angstig, zoo angstig dat
zij zich niet meer houden kon. Zij wilde eerst niet naar de bruiloft
gaan, maar het liet haar toch geen rust, zij moest gaan en de jonge
koningin zien. En toen zij binnentrad herkende zij Sneeuwwitje; toen
stond zij roerloos van angst en schrik. Maar boven het vuur stonden
ijzeren dansschoenen die werden gloeiend binnen gebracht. Nu moest
zij de roodgloeiende schoenen aantrekken en dansen tot haar voeten
jammerlijk verbrand waren. En zij mocht niet met dansen ophouden tot
zij zich had doodgedanst.



LIV.

DE RANSEL, HET HOEDJE EN HET HOORNTJE.


Er waren eens drie broêrs, die langzamerhand tot armoede waren
vervallen; eindelijk was de nood zoo hoog gestegen, dat zij niets
meer te eten hadden, en honger moesten lijden. Toen zeiden zij: »Zoo
kan het niet blijven: wij zullen de wereld in moeten en ons geluk
zoeken.« En zij trokken weg. Op verre wegen waren zij al gegaan,
en veel grassprietjes hadden zij al plat getreden, maar het geluk
hadden zij nog niet ontmoet. Op een dag gebeurde het, dat zij in
een groot bosch kwamen, en midden daarin was een berg; en dichterbij
gekomen, zagen zij, dat de berg heelemaal van zilver was. Toen zei de
oudste: »nu heb ik het verlangde geluk gevonden, en heb niets verder
noodig.« Hij nam zooveel zilver van den berg als hij maar dragen kon,
keerde toen om, en ging weêr naar huis. Maar de beide anderen zeiden:
»wij verlangen van het geluk nog iets meer dan enkel zilver!« en zij
raakten het niet aan en gingen verder. Toen zij weêr een paar dagen
geloopen hadden, kwamen zij aan een berg, die heelemaal van goud
was. De tweede broeder bleef staan en weifelde. »Wat zal ik doen?«
dacht hij, »zou ik van het goud zooveel nemen dat ik voor mijn leven
genoeg heb, of zou ik verder gaan?« Eindelijk nam hij een besluit,
vulde zijn zakken met wat er in kon, nam afscheid van zijn broêr en
ging naar huis. Maar de derde sprak: »Goud en zilver trekt mij niet;
ik zie niet van het geluk af, misschien is er voor mij nog iets beters
weggelegd.« Hij trok verder, en toen hij drie dagen geloopen had,
kwam hij bij een bosch, nog veel grooter dan de vorigen, er kwam geen
eind aan. Hij had niets te eten of te drinken en was op het punt te
versmachten. Toen klom hij in een hoogen boom om te zien waar het
bosch ophield; maar zoover zijn blik ging zag hij niet anders dan
boomtoppen. Hij kwam weêr naar beneden, maar de honger plaagde hem
geweldig en hij dacht: »als ik mij maar eens flink verzadigen kon!«
En daar zag hij op eens onder den boom tot zijn groote verbazing een
tafel, die rijkelijk bezet was met spijzen. »Nu is mijn wensch toch
eens vervuld geworden!« dacht hij; en zonder te vragen wie het eten
gebracht, en wie het gekookt had, ging hij naar het tafeltje en at
tot hij verzadigd was. Toen hij klaar was dacht hij: »Het zou toch
jammer zijn, als dat mooie tafellakentje hier in het bosch bleef liggen
bederven,« en hij vouwde het netjes op en stak het in zijn zak. Daarna
ging hij verder, en 's avonds toen hij weêr hongerig werd, wilde
hij zijn tafellakentje eens op de proef stellen; hij legde het uit,
en zeide: »nu wensch ik, dat je weêr met lekker eten gedekt wordt,«
en hij had niet uitgesproken of er stonden vele schotels op met het
heerlijkste eten, zoodat het heelemaal vol was. »Nu merk ik in welke
keuken er voor mij gekookt wordt; jij zult mij liever zijn, dan een
berg zilver of goud!« Want hij zag wel, dat het een »tafeltje dek je«
was. Maar het tafeltje was hem toch nog niet genoeg om er rustig mee
thuis te gaan zitten; hij woù liever nog wat in de wereld rondtrekken
en nog meer geluk zoeken. Op een avond ontmoette hij in een eenzaam
bosch een kolenbrander; hij brandde kolen en had aardappelen op het
vuur staan, daarmeè zou hij zijn maaltijd houden.

»Zoo, goeden avond zwarte lijster,« zei de reiziger, »hoe stel je het
al in je eenzaamheid?« »Den eenen dag als den anderen!« antwoordde
de kolenbrander, »en iederen avond aardappelen; heb je zin, dan kun
je mijn gast zijn.« »Wel bedankt,« zei de andere, »ik zal je je maal
niet afnemen; je hebt niet op een gast gerekend; maar neem je voor
lief wat ik heb, dan nood ik jou.« »Waar moet dat van daan komen?«
zei de kolenbrander, »ik zie, dat je niets bij je hebt en een paar
uur in den omtrek is er niemand, die het je bezorgen kan.« »En toch
zal het een maaltijd zijn, zoo fijn als je er nog nooit een gegeten
hebt.» Hij haalde het servetje uit zijn ransel, legde het uit en zei:
«tafeltje dek je,« en op eens stond er gezoden en gebraden en zoo
lekker warm als kwam het pas uit de keuken. De kolenbrander zette
groote oogen op; hij liet zich niet lang nooden, maar tastte toe en
gedurig gingen er grootere brokken zijn zwarten snoet binnen. Toen
zij klaar waren monkelde de kolenbrander en zei: »voor dat kleedje
ben ik te vinden, dat was iets voor mij hier in 't bosch, waar nooit
eens iemand iets lekkers voor mij kookt. Ik zal je een voorslag
doen: wij ruilen. Ik heb een soldatenransel; hij is oud en leelijk,
maar hij heeft een wonderbare kracht; ik gebruik hem toch niet, en
ik zal hem je geven voor dat kleedje.« »Eerst moet ik weten wat het
voor wonderbare krachten zijn,« antwoordde de andere. »Dat zal ik je
zeggen: als je met de hand er op klopt, komt er telkens een korporaal
en zes man, met sabel en geweer, en wat je beveelt dat doen ze.« »Nu,
't is goed; als 't zoo zijn moet, dan zullen wij ruilen;» en hij gaf
den kolenbrander het kleedje voor den ransel, en nam afscheid. Toen
hij een eindje geloopen had, wou hij de wonderkracht van den ransel wel
eens probeeren en klopte er op. Dadelijk stonden de zeven krijgshelden
voor hem, en de korporaal vroeg: »wat verlangt mijn heer en gebieder?«
«Marcheer naar den kolenbrander en vraag mijn tooverkleedje terug!«
Zij maakten rechts om keert en in een oogenblik brachten zij het
verlangde, zij hadden het den kolenbrander zonder complimenten
afgenomen. Hij dankte ze af, en ging verder; hij hoopte, dat zijn
gelukszon nog klaarder zou gaan schijnen. Tegen zonsondergang kwam hij
bij een anderen kolenbrander, die bij het vuur zijn avondmaal klaar
maakte. »Wil je met mij eten?« zei de zwarte gezel, «aardappelen
met zout, maar zonder vet, ga dan maar zitten.« »Neen,« zei hij,
»van daag moet je mijn gast zijn,« en hij spreidde zijn kleedje uit,
en 't was dadelijk met de heerlijkste gerechten bezet. Zij aten en
dronken samen en hadden schik. Na het eten zei de kolenbrander: »ik
heb een oud versleten hoedje, dat heeft zeldzame eigenschappen: als
iemand het opzet en op zijn hoofd ronddraait, dan schieten de kanonnen,
of er twaalf naast elkander waren opgesteld, en ze schieten alles neêr,
dat niemand er iets aan verhelpen kan. Aan het hoedje heb ik niets, en
ik wil het graag geven voor je kleedje.» »Dat geloof ik wel,« zei hij,
nam het hoedje en liet zijn kleedje achter. Maar toen hij een eindje
ver was, klopte hij op het ranseltje en zijn soldaten moesten toen het
doekje terughalen. »Het komt alles bij elkaâr,« dacht hij, »en 't is of
mijn geluk nog niet ten einde is.« En zijn gedachten hadden hem niet
bedrogen. Toen hij weêr een dag geloopen had, kwam hij bij een derden
kolenbrander, die hem als de vorigen op droge aardappelen noodde. Hij
liet hem weêr van zijn tooverkleedje meêeten, en dat smaakte den
kolenbrander zóó goed, dat hij hem ten laatste een hoorntje er voor
aanbood, dat nog heel andere eigenschappen had als het hoedje. Als
men er op blies, dan vielen vele muren en vestingwerken en eindelijk
alle steden en dorpen, in puin. Hij gaf er den kolenbrander wel het
kleedje voor, maar liet het door zijn manschappen weer opeischen,
zoodat hij eindelijk den ransel, het hoedje en het hoorntje bijeen
had. »Nu ben ik het heertje,» zei hij, »en nu is het tijd dat ik naar
huis ga en eens kijk hoe mijn broêrs het maken.«

Toen hij aankwam, hadden zijn broêrs van hun zilver en goud een mooi
huis gebouwd en leefden een leventje van vroolijken Frans. Hij ging
bij hen binnen maar omdat hij in een versleten jas was, het schunnige
hoedje op zijn hoofd had en den ouden ransel om, wilden zij hem niet
voor hun broeder herkennen. Zij spotten en zeiden: »Geef jij je uit
voor onzen broeder, die zilver en goud verwierp en een grooter geluk
zocht? Neen, die komt zeker in volle pracht als een machtig koning
aangereden, en niet als een bedelaar,« en zij joegen hem de deur
uit. Toen werd hij kwaad en hij klopte zóó lang op zijn ransel tot er
honderdvijftig man in 't gelid voor hem stonden. Hij gebood hun het
huis van zijn broeders te omsingelen, en twee zouden er hazelroeden
meênemen en de overmoedige rakkers de huid van hun rug zoolang warm
striemen tot zij wisten wie hij was. Er kwam een hevig opstootje,
de menschen liepen te hoop, om de twee mannen in hun nood te hulp te
komen, maar zij konden tegen de soldaten niets uitrichten. Er werd
melding van het geval gemaakt aan den koning; hij ergerde zich en
liet een kapitein met zijn manschappen uitrukken. Maar de man met den
ransel had dadelijk meer manschappen bijeen en sloeg den kapitein met
de zijnen terug dat ze met bloedneuzen moesten aftrekken. De koning
zei: »wij zullen dien landlooper toch wel klein krijgen, en hij beval
een nog grootere schare tegen hem op te rukken, maar die kon nog
minder uitrichten; want hij zette er nog veel meer volk tegenover,
en daarna draaide hij nog driemaal zijn hoedje op zijn hoofd rond;
toen begon het zware geschut te spelen, en al 's konings soldaten
werden verslagen en op de vlucht gejaagd. »Nu maak ik geen vrede,«
zei hij, «voordat de koning mij zijn dochter tot vrouw geeft, en
ik in zijn naam het geheele rijk mag regeeren.« »Moeten is dwang!«
zei de koning tegen zijn dochter, »wat kan ik anders doen dan hem
zijn zin geven; wil ik vrede hebben en de kroon op mijn hoofd houden,
dan zit er niets anders op dan dat hij je krijgt.«

De bruiloft werd gevierd; maar de prinses was verdrietig omdat
haar gemaal maar een gewoon man was, met een schunnig hoedje op
en een ouden ransel om. Zij was graag weêr van hem af geweest en
dag en nacht gingen haar gedachten over een middel. Toen dacht zij:
«zouden zijn wonderkrachten misschien in zijn ransel steken?« en zij
stelde zich erg vriendelijk aan, en liefkoosde hem en zei: »Als je
toch dien leelijken ransel maar afleggen wilde, hij ontsiert je zoo,
dat ik mij soms voor je schamen moet.« »Lieve kind,« antwoordde hij,
»die ransel is mijn grootste schat, zoolang ik hem heb, behoef ik
voor geen macht ter wereld bang te zijn,« en hij vertelde haar welke
de wonderkracht was. Toen viel zij hem om den hals of zij hem wilde
kussen, maar nam hem tegelijk handig den ransel van den schouder en
liep er meê weg. Toen zij nu alleen was klopte zij er op en beval
de soldaten, dat zij hun vorigen meester moesten gevangen nemen en
uit het paleis wegbrengen. Zij gehoorzaamden, en de valsche vrouw
liet nog meer manschappen volgen, die hem over de grenzen moesten
jagen. Nu zou hij verloren zijn geweest zonder zijn hoedje. Toen
zijn handen even vrij kwamen, draaide hij het een paar maal rond,
en daar begon het geschut te donderen, en sloeg alles neêr, en de
prinses moest zelve komen en om genade vragen. En toen zij zoo roerend
smeekte en beloofde zich te beteren, liet hij zich overhalen en maakte
vrede. Zij gedroeg zich heel vriendelijk en stelde zich aan of zij
hem heel lief had, en na een poosje had zij hem zóó behekst dat hij
haar vertelde hoe iemand die hem den ransel afhandig maakte toch nog
niets kon uitrichten zoolang hij het oude hoedje nog had. Toen zij
dat geheim kende, wachtte zij tot hij was ingeslapen en nam toen zijn
hoedje weg en liet het op de straat gooien. Maar nu was het hoorntje
er nog, en in zijn woede blies hij er op met al zijn kracht. Toen viel
alles ineen: muren, vestingwerken, steden en dorpen, en verpletterden
den koning en de prinses. En als hij het hoorntje niet had afgezet,
maar nog langer had geblazen, zou alles ondersteboven zijn gegaan,
en geen steen was er op den anderen gebleven. Toen kon niemand hem
meer weerstaan en hij stelde zich als koning over het geheele rijk.



LV.

ROMPELSTEELTJE.


Er was eens een molenaar; hij was arm maar had een mooie dochter. Nu
kwam het zoo, dat hij eens met den koning sprak en tegen hem zei:
»Ik heb een dochter dié kan spinnen! stroo tot goud!« De koning,
die veel om goud gaf, vond dat een prachtige kunst en beval, dat de
schoone molenaarsdochter bij hem zou gebracht worden. Hij nam haar
meê naar een vertrek dat vol stroo was en gaf haar een spinnewiel en
haspel en sprak: »Als van dezen avond tot morgen vroeg, niet al het
stroo tot goud is gesponnen, moet ge sterven.« Toen werd de kamer
afgesloten en zij bleef alleen.

Daar zat nu het arme mulderskind en wist geen hemelschen raad; want
stroo tot goud spinnen, hoe dat moest, dat wist zij niet. Haar angst
werd grooter en grooter, en eindelijk begon zij te schreien. Daar ging
op eens de deur open en een klein manneke kwam naar binnen. »Goeden
avond, juffer muldersche,« zei hij, »wat schreit ge zoozeer?« »Ach,«
antwoordde het meisje, »ik moet goud spinnen van stroo en dat kan ik
niet!« Toen sprak het manneke weêr: »Wat geef je mij als ik het voor je
doe?« «Mijn halsketting,» zei het meisje.« Het mannetje nam de ketting
en ging aan het spinnewiel zitten: »snorrr, snorrr, snorrr!« driemaal
getrokken en de spoel was vol. Toen zette hij een andere op: »snorrr,
snorrr, snorrr,« driemaal getrokken, en de tweede was ook vol. Zoo ging
het tot aan den morgen en al het stroo was gesponnen, en al de spoelen
waren vol goud. Toen nu de koning er naar kwam zien, was hij verbaasd;
maar de goudzucht in zijn hart werd er te sterker door. Hij liet de
molenaarsdochter in een andere kamer, ook vol stroo, brengen, die
nog veel grooter was, en hij zeide haar, dat alles ook in dien éénen
nacht te spinnen als haar leven haar lief was. Het meisje zat radeloos
schreiend neêr; maar weêr ging de deur open en het kleine mannetje
kwam en zeide: »Wat geef je mij als ik goud spin van dat stroo?« »Den
ring van mijn vinger,» zei het meisje. Het mannetje nam den ring en
liet weêr het wieltje snorren en 's morgens was al het stroo glanzend
goud. De koning was op dat gezicht bovenmate verheugd; maar nog had
hij geen goud genoeg, en hij bracht het meisje voor een nóg grooter
vertrek vol stroo: »nu moet je dit nog in ééne nacht spinnen,» zei hij,
»en dan zul je mijn vrouw worden,» want, dacht hij, een rijkere vrouw
is er op de heele wereld niet te vinden. Toen het meisje alleen was,
kwam voor de derde maal het mannetje weêr en zei: »wat geef je mij als
ik ook dát stroo tot goud spin?» »Ik heb niets meer te geven,» zei het
meisje. »Beloof mij dan je eerste kind als je koningin zult zijn.«
»Wie weet hoe het loopen zal!« dacht het meisje, en zij wist er ook
niets anders op te bedenken; daarom beloofde zij het mannetje maar wat
hij verlangde, en toen spon hij nog eens het stroo tot goud. En toen
's morgens de koning kwam en alles vond zooals hij het gewenscht had,
hield hij bruiloft en de schoone molenaarsdochter werd een koningin.

Na een jaar werd haar een mooi kind geboren en om het mannetje dacht
zij niet meer. Daar kwam hij op eens haar kamer binnen en zeide: «geef
mij nu, wat je mij beloofd heb.« De koningin schrikte en bood hem
alle rijkdommen van het koninkrijk aan, als zij maar haar kind mocht
houden; »neen,« zeide het mannetje, «iets dat leeft is mij liever
dan alle schatten ter wereld.» Toen begon de koningin zoo bitter te
schreien en te jammeren, dat het mannetje medelijden kreeg en zeide:
«drie dagen tijd zal ik je laten, als je dan mijn naam weet, mag je
je kind houden.»

Nu overdacht de koningin 's nachts alle namen, die zij ooit
gehoord had, en zij zond een bode uit, het heele land door om nieuwe
namen. Toen nu den volgenden dag het mannetje kwam, begon zij: Albert,
Gerard, Christiaan, en achtereenvolgens alle namen, die zij wist,
maar bij ieder zei het mannetje: »zoo heet ik niet.« Den tweeden
dag liet zij bij alle menschen rondvragen, en toen het mannetje kwam
noemde zij de allervreemdste en wonderlijkste: «Rattevel, Beerekuit,
Sparrebeen,» maar het bleef er bij: «zoo heet ik niet.» Den derden
dag kwam de bode terug en vertelde: «Nieuwe namen heb ik niet meer
kunnen vinden; maar toen ik van een hoogen berg kwam aan den hoek
van het bosch, waar haas en vos elkaâr goeden nacht zeggen, zag ik
een klein huisje en voor het huisje brandde een vuur, en om dat vuur
sprong een raar mannetje rond op één been, en hij riep:


    Heden bakker, morgen brouwer,
    Overmorgen 't koningskind;
    O wat vreugd, dat niemand weet,
    Dat ik »Rompelsteeltje« heet.


Wat was de koningin toen blij, dat zij den naam wist! En toen kort
daarop het mannetje kwam en vroeg: »Wel, vrouw koningin, hoe heet ik
nu?« toen vroeg zij eerst: »Heet je Gijs?« »Neen.« »Heet je Gert?«
»Neen.« »Heet je misschien ook »Rompelsteeltje?« «Dat heeft je de
duivel verteld! dat heeft je de duivel verteld!« schreeuwde het
mannetje, en hij stampte met zijn rechtervoet zoo hard op den grond,
dat hij er tot aan zijn middel inzakte, en toen pakte hij in woede
zijn linkervoet met twee handen, en trok zichzelf midden door.



LVI.

DE LIEFSTE ROLAND.


Er was eens een vrouw, dat was een echte heks. Zij had twee dochters:
de eene leelijk en kwaadaardig, die had zij lief, omdat het haar
eigen dochter was; de andere, mooi en goed, die haatte zij, want dat
was haar stiefdochter. Eens had de stiefdochter een mooi boezelaar,
dat de andere bijzonder beviel, zoodat zij afgunstig was en tegen
haar moeder zei, dat zij dat boezelaar wilde hebben. »Wees maar stil,
kind,« zei de oude, »je zult het ook hebben. Je stiefzuster heeft al
lang den dood verdiend; van nacht als zij slaapt, dan kom ik en hak
haar hoofd af. Zorg jij nu, dat je achter in het bed komt te liggen,
en schuif haar maar ver naar voren.«

Het zou nu met het arme meisje gedaan zijn geweest als zij niet in
een hoek had gestaan, en er alles gehoord had. Zij mocht den heelen
dag de deur niet uit, en 's avonds moest zij het eerst naar bed,
opdat de andere achterin zou kunnen gaan liggen. Maar toen die was
ingeslapen schoof de stiefdochter haar zachtjes naar voren en ging
zelf tegen den wand liggen, 's Nachts kwam de oude aansluipen; in de
rechterhand had zij een bijl, met de linker voelde zij of er iemand
vooraan lag, en toen nam zij de bijl met twee handen en sloeg. En
zij sloeg haar eigen kind het hoofd af.

Toen zij weer weg was, stond het meisje op en ging naar haar liefste,
die Roland heette, en zij klopte aan de deur. Toen hij naar buiten kwam
zeide zij tegen hem: »Hoor eens liefste Roland, wij moeten vluchten,
dadelijk, mijn stiefmoeder heeft mij willen doodslaan, maar zij heeft
haar eigen kind getroffen. Als de dag komt en zij ziet wat zij gedaan
heeft, dan zijn wij verloren.« »Maar ik raad je,« zei Roland, »dat je
eerst den tooverstaf wegneemt, anders kunnen wij ons niet redden als
zij ons nazet en achterhalen wil.« Het meisje haalde den tooverstaf,
en toen nam zij het afgeslagen hoofd en druppelde drie bloeddruppels op
den grond, een voor het bed, een in de keuken en een op de trap. Toen
ging zij met haar liefste op de vlucht.

Toen nu 's morgens de oude heks was opgestaan, heeft zij haar dochter
geroepen om haar het boezelaar te geven, maar zij kwam niet. Toen
heeft zij geroepen: »Waar ben je?« »Wel, hier op de trap om te vegen!«
riep de eene bloeddruppel. De oude ging kijken, maar er was niemand
op de trap, toen heeft zij weêr geroepen: »Waar ben je?« »Wel, hier
in de keuken om mij te warmen!« riep de tweede bloeddruppel. Ze is
toen naar de keuken gegaan, maar er was niemand. Toen riep zij nog
eens: »Waar ben je?« »Ach, hier in het bed, ik slaap!« riep de derde
bloeddruppel. Zij ging naar de slaapkamer en naar het bed. Wat zag
zij daar? In een bad van bloed haar eigen kind, dat zij zelve het
hoofd had afgehouwen.

De heks brieschte van woede en vloog naar het raam. Zij vermocht ver
in de wereld te zien, en zij zag haar stiefdochter, die vluchtte met
haar liefste, Roland. »Dat zal je niet baten,« riep zij. »Al ben je
ver weg, aan mij kun je niet ontkomen!« Zij trok haar mijlslaarzen
aan, waarmee zij in één stap een uur verder was, en zoo had zij hen
spoedig ingehaald. Maar toen het meisje de heks zag komen, veranderde
zij met den tooverstaf haar liefste in een meer en zichzelve in een
eend, die midden op het meer zwom. De heks trad aan den oever, en
strooide brood en gaf zich alle moeite om de eend te lokken; maar de
eend liet zich niet lokken en de oude moest 's avonds onverrichter
zake weêr terug. Toen nam het meisje met haar lief Roland weêr de
menschengedaante aan en zij liepen den ganschen nacht door, tot het
licht werd. Toen veranderde zich het meisje in een fraaie bloem, die
bloeide midden op een doornhaag en haar liefste, Roland, veranderde
zij in een vedelaar. Niet lang daarna kwam de heks aangeloopen en zij
zeide tegen den speelman: »lieve speelman, mag ik die mooie bloem wel
afplukken?« »O, jawel,« zei hij, »en dan zal ik er wat bij spelen.«
Toen zij nu haastig in de heg kroop en de bloem wilde afbreken,--want
zij; wist wel wie die bloem was--begon hij te spelen en zij moest
dansen of ze wou of niet, want het was een tooverdans. Hoe vlugger
hij speelde des te hooger sprongen moest zij maken en de doornen
reten haar de kleêren van het lijf en staken haar bloedende wonden,
en toen hij niet ophield met spelen moest zij blijven dansen tot zij
zich had doodgedanst.

Toen zij nu verlost waren sprak Roland: »Nu zal ik naar mijn vader
gaan om de bruiloft te bestellen.« »Dan zal ik hier blijven,« zei
het meisje, »en op je wachten, en omdat niemand mij zal herkennen,
zal ik de gedaante aannemen van een rooden steen.« Roland ging, en
het meisje lag als een roode steen op het veld en wachtte op haar
liefste. Maar toen Roland thuis kwam raakte hij in het net van eene
andere, die maakte, dat hij het meisje vergat. Het arme meisje lag daar
langen tijd; maar toen hij eindelijk in het geheel niet terug kwam,
werd zij treurig en zij veranderde zich in een bloem en zij dacht:
»er zal wel iemand komen die mij vertrapt.«

Maar het gebeurde, dat daar een herder zijn schapen hoedde, en hij zag
de bloem. En omdat zij zoo mooi was, plukte hij haar af en nam haar meê
en legde ze thuis in een kast. Van dien tijd ging het bij den herder
aan huis wonderlijk toe. Als hij 's morgens opstond was al het werk al
gedaan: de vloer was geveegd, de tafel en de banken afgezeept; er was
vuur in den haard en water gedragen; en als hij 's middags thuis kwam,
was de tafel gedekt en een stevig maal opgedragen. Hij kon maar niet
begrepen hoe dat toeging, want hij zag nooit een mensch in zijn huis
en niemand zou zich ook in die kleine hut kunnen verbergen. Die goede
zorg beviel hem best; maar het begon hem toch angstig te worden en
hij ging naar een wijze vrouw, en vroeg haar om raad. De wijze vrouw
zei: »er zit tooverij achter; let 's morgens vroeg eens heel goed
op, of er niet iets beweegt in de kamer, en wanneer je iets ziet,
wat het ook is, gooi er dan vlug een witte doek over, dan wordt de
betoovering verbroken.« De schaapherder deed wat zij gezegd had, en
den volgenden ochtend, juist toen de dag aanbrak, zag hij hoe de kast
openging en de bloem er uit kwam. Vlug sprong hij er op af en wierp er
een witte doek over heen. Toen was de gedaanteverwisseling voorbij en
een mooi meisje stond voor hem en zij bekende, dat zij de bloem was
geweest en zijn huis verzorgd had. Zij vertelde haar geschiedenis;
zij beviel hem zeer en daarom vroeg hij haar of zij hem trouwen wilde;
maar zij antwoordde, neen, want zij wilde haar liefste Roland trouw
bleven, hoewel hij haar verlaten had, maar zij beloofde hem toch,
niet weg te zullen gaan en verder voor zijn huishouden te zorgen.

Nu kwam de tijd, dat Roland bruiloft zou houden, en naar oud gebruik
werd er in het land bekend gemaakt, dat alle meisjes moesten komen
om ter eere van het bruidspaar te zingen. Het trouwe meisje werd
zoo bedroefd toen zij dat hoorde, dat het was of haar hart uiteen
zou springen; zij wilde niet gaan, maar de anderen kwamen om haar te
halen. Toen het nu haar beurt zou zijn om te zingen trad zij op zij;
maar toen zij nog maar alleen over was moest zij wel. Toen zij begon te
zingen en het gezang Roland's ooren trof, riep hij: »die stem ken ik,
dat is mijn eerste bruid en een andere wil ik niet!« Alles wat hij
vergeten was en uit zijn gemoed was verdwenen, dat werd plotseling
weer levend in zijn hart. Toen hield het meisje bruiloft met haar
liefste Roland, en haar leed was teneinde en de vreugde ving aan.



LVII.

DE GOUDEN VOGEL.


Voor lange tijden was er een koning; hij had een prachtigen tuin
achter zijn paleis en daarin stond een boom, die gouden appelen
droeg. Toen de appelen rijpten werden zij geteld, maar den volgenden
morgen ontbrak er al een. Het werd den koning gemeld, en hij beval,
dat er alle nachten onder den boom zou gewaakt worden. De koning
had drie zonen: den oudsten zond hij uit om bij den boom te waken,
toen den nacht aanbrak; maar toen het middernacht was kon hij zich
niet meer verweeren tegen den slaap en 's morgens miste men weêr een
appel. Den nacht daarop moest de tweede zoon waken, maar hem ging het
niet beter, om twaalf uur te middernacht sliep hij in en 's morgens
ontbrak er een appel. Nu kwam de beurt aan den derden zoon en hij was
ook bereid, maar de koning had niet veel verwachting van hem en meende
dat hij nog minder zou uitrichten dan zijn broêrs, maar hij gaf hem
toch verlof te gaan. De jongeling legde zich onder den boom en bleef
waken; hij liet den slaap niet over zich baas worden. Toen het twaalf
uur sloeg, ruischte het in de lucht en hij zag in den maneschijn een
vogel vliegen met glanzend goud gevederte. De vogel liet zich op den
boom neêr en hij had juist even een appel aangepikt toen de jongeling
een pijl op hem afschoot. De vogel vloog weg, maar de pijl had zijn
veêren getroffen en een van zijn gouden veêren viel naar beneden.

De jongeling raapte haar op en bracht ze 's morgens bij den koning,
en vertelde wat er 's nachts gebeurd was. De koning liet zijn raad
bijeenroepen, en allen verklaarden, dat één zulk een gouden veer hun
meer waard was dan het halve koninkrijk. »Is die veer zoo kostbaar,«
zei de koning, »dan is mij die ééne niets waard, dan wil ik den
heelen vogel.«

De oudste zoon ging op weg, vertrouwde op zijn slimheid en meende,
hij zou den gouden vogel wel vinden. Toen hij een eind gegaan was,
zag hij aan den rand van een bosch een vos zitten, legde zijn geweer
aan en mikte op hem. De vos riep: »schiet mij niet, dan geef ik je
daarvoor een goeden raad. Je bent op weg naar den gouden vogel, en
je zult dezen avond in een dorp komen, waar twee logementen tegenover
elkaar zijn; het eene is hel verlicht en daar gaat het vroolijk toe;
maar ga daar niet binnen, ga in het andere, hoe veel minder je dat
ook aanstaat.« »Hoe kan nu zoo'n onnoozel beest een verstandigen
raad geven!« dacht de prins en hij schoot zijn geweer af; maar hij
miste den vos die met gestrekten staart het bosch in vluchtte. Toen
zette de prins zijn weg voort, en kwam 's avonds in het dorp waar de
twee logementen waren; in het eene werd gezongen en gesprongen en het
andere zag er armzalig en saai uit. »Ik zou wel gek zijn,« dacht hij,
»als ik in dat schunnige logement ging en het mooie voorbij liep.«
Hij ging dus het vroolijke binnen en leefde er lekker op los, en hij
vergat den vogel en zijn vader.

Toen de tijd verliep en de oudste zoon maar niet naar huis kwam,
ging de tweede op weg en zou den gouden vogel zoeken. Even als de
oudste zag hij ook den vos, die hem den goeden raad gaf, dien hij
niet opvolgde. Hij kwam ook bij de twee logementen; in het vroolijke
waar luid gejuicht werd, stond zijn broeder aan het raam en riep hem
toe. Hij kon niet weêrstaan en ging naar binnen; toen leefde hij ook
het vroolijke leven meê.

Weer verging de tijd en nu wilde de jongste prins uittrekken en zijn
geluk beproeven; maar de vader weigerde. Hij hield hem voor minder
verstandig dan zijn broeders en vreesde een ongeluk, zoodat hij ook
niet zou terugkeeren. Maar hij liet hem geen rust en eindelijk mocht
hij gaan. Voor het bosch zat weêr de vos, smeekte om zijn leven en gaf
hem den goeden raad. De jongeling was goedhartig en zei: »Wees maar
niet bang vosje, ik zal je niets doen.« »Dat zal je niet berouwen,«
zei de vos, »en om vlugger vooruit te komen moet je op mijn staart
gaan zitten.« Nauwelijks was hij gezeten, of de vos liep over stok
en steen, dat de haren floten in den wind.

Toen zij bij het dorp waren, steeg de jongeling af en volgde den
goeden raad; zonder om te zien ging hij in het mindere logement, waar
hij rustig overnachtte. Toen hij den volgenden dag buiten kwam zat de
vos al te wachten en zei: »ik zal je verder vertellen wat je te doen
hebt. Ga maar recht uit, dan zul je bij een kasteel komen waarvoor
een heel regiment soldaten ligt; maar daar moet je niet om geven, ze
liggen allemaal te slapen en te snorken; ga er maar midden tusschen
door en dan het slot in, door alle kamers, tot je eindelijk in een
vertrek komt, waar een gouden vogel in een houten kooi hangt. Daar
naast staat een gouden kooi voor pronk, maar pas op, dat je den vogel
niet uit zijn slechte kooi neemt en in de pronkkooi zet, of het kon
slecht met je afloopen.« Toen strekte de vos weêr zijn staart uit en
de prins ging er op zitten, en het ging over stok en steen, dat de
haren floten in den wind.

Toen hij aan het kasteel kwam, ging het alles zooals de vos gezegd
had. Hij vond het vertrek waar de gouden vogel in een houten kooi zat
en de gouden kooi stond er naast; de drie gouden appels lagen verspreid
in de kamer. Maar hij dacht, het was toch te mal om dien mooien vogel
in de leelijke kooi te laten en hij deed het deurtje open, pakte den
vogel en zette hem in de gouden kooi. Maar op dat oogenblik gaf de
vogel een doordringenden kreet. De soldaten ontwaakten, stormden naar
binnen en brachten hem in de gevangenis. Den volgenden morgen werd er
gerecht over hem gehouden, en toen hij alles bekende werd hij ter dood
veroordeeld. Maar de koning wilde hem op één voorwaarde het leven laten
behouden, als hij namelijk het gouden paard bracht, dat sneller loopt
dan de wind; en dan zou hij nog als belooning den gouden vogel krijgen.

De prins ging op weg, maar hij zuchtte en was droefgeestig, want
waar zou hij het gouden paard vinden! Daar zag hij op eens zijn ouden
vriend de vos aan den weg zitten. »Zie je,« zei die, »dat komt er van,
dat je niet naar mij geluisterd hebt; maar ik zal je wel helpen,
hou maar moed, ik zal je zeggen, hoe je bij het gouden paard moet
komen. Je moet maar rechtuit gaan, dan kom je eindelijk aan een slot;
daar staat het paard in een stal. Voor den stal liggen de stalknechts,
maar die slapen en snorken; je kunt rustig het gouden paard naar
buiten brengen. Voor één ding heb je te zorgen, zadel hem met den
leelijken zadel van hout en leêr en niet met den gouden die er bij
hangt, of het gaat je slecht.«

Toen strekte de vos zijn staart uit, de prins ging er op zitten
en voort, over stok en steen, dat de haren floten in den wind. Het
ging alles juist zoo; hij kwam in den stal, waar het gouden paard
stond, maar toen hij hem den houten zadel zou opleggen, dacht hij:
»het misstaat toch zoo'n mooi dier, als ik hem niet zadel zooals het
behoort!« Maar toen de gouden zadel het paard aanraakte, begon het
op eens luide te hinneken. De stalknechts werden wakker, grepen den
jongeling en brachten hem in den kerker. Den volgenden morgen werd
hij door het gerecht ter dood veroordeeld; maar de koning schonk hem
het leven en ook het gouden paard, als hij de schoone koningsdochter
van het gouden slot bij hem kon brengen.

Droevig begon de jongeling zijn reis, maar gelukkig vond hij gauw
zijn getrouwen vos. »Ik moest je eigenlijk maar in je eigen sop laten
gaarkoken,« zei de vos, »maar ik heb meelijden met je en zal je nog
ééns uit den nood helpen. Je weg brengt je recht naar het gouden slot;
's avonds zul je er aankomen en 's nachts als alles stil is gaat de
schoone koningsdochter naar het badvertrek om daar te baden. Als zij
daar binnen zal gaan, spring dan op haar toe en geef haar een kus, dan
zal zij je volgen en je kunt haar meênemen, maar duld niet, dat zij
eerst van haar ouders afscheid neemt, want dat zou je ongeluk zijn.«
Toen strekte de vos zijn staart, de prins ging er op zitten, vooruit,
over stok en steen, dat de haren floten in den wind. In het gouden
slot gebeurde wat de vos voorspeld had. Hij wachtte tot middernacht,
en toen alles sliep en de schoone jonkvrouw het badvertrek wilde
binnengaan, trad hij naar voren en gaf haar een kus. Zij zeide dat
zij hem gaarne volgen zou, maar met tranen smeekte zij hem haar
toch verlof te geven om eerst haar ouders vaarwel te zeggen. Eerst
weerstond hij haar bidden, maar toen zij steeds droeviger schreide
en hem te voet viel, gaf hij eindelijk toe. Maar toen de jonkvrouw
voor haar vader's bed getreden was, ontwaakte ieder in het slot,
en de jongeling werd vastgebonden en gevangen. Den volgenden ochtend
sprak de koning: »Uw leven hebt ge verbeurd, en er is slechts genade,
als ge den berg, die voor mijn venster mij het uitzicht verspert,
kunt weggraven; het moet binnen acht dagen gebeurd zijn. Gelukt het,
dan moogt ge mijn dochter huwen.« De prins begon te scheppen en te
graven aan één stuk door, maar toen hij na zeven dagen merkte, dat
er nog bijna niets gebeurd was en er van al zijn werk haast niets
was te zien, verviel hij in diepe droefgeestigheid en gaf de hoop
op. Maar 's avonds van den zevenden dag, verscheen de vos en zeide:
»je verdient niet, dat ik nog iets voor je doe, doch ga maar slapen,
ik zal je werk doen.« Den volgenden dag bij zijn ontwaken, zag hij door
zijn venster, dat de berg verdwenen was. Verheugd ging de jongeling
naar den koning en meldde hem dat de voorwaarde vervuld was, en de
koning, graag of niet, moest woord houden en gaf hem zijn dochter.

De twee trokken nu samen weg en het duurde niet lang of de trouwe
vos kwam bij hen.

»Het beste heb je nu,« zei hij, »maar bij de jonkvrouw van het gouden
slot, hoort ook het gouden paard.« »Hoe moet ik dat krijgen?« vroeg
de jongeling. »Dat zal ik je zeggen,« antwoordde de vos, »breng
eerst aan den koning, die je naar het gouden slot zond, de schoone
jonkvrouw. Daar zal uitermate groote vreugde zijn en zij zullen je
gaarne het gouden paard geven, en het voor laten brengen. Stijg er
dadelijk op en geef aan allen tot afscheid de hand, het laatst aan
de jonkvrouw, en als je haar vasthebt, trek haar dan in één zwaai bij
je op het paard en jaag er meê weg; niemand kan je inhalen, want het
paard is sneller dan de wind.«

Het werd alles volbracht, en de koningszoon voerde de schoone jonkvrouw
op het gouden paard met zich mede. De vos bleef bij hen en zeide: »nu
zal ik je ook aan den gouden vogel helpen. Als je dicht bij het slot
van den vogel zult zijn, laat dan de jonkvrouw afstijgen, ik zal haar
bewaken. Rij dan met het gouden paard het slotplein op; dat gezicht
zal bovenmatige vreugde geven, en zij zullen den gouden vogel buiten
brengen. Als je de kooi vast hebt, jaag dan oogenblikkelijk naar ons
terug en haal de jonkvrouw af.« Toen dat waagstuk volbracht was en de
koningszoon met zijn schatten zou wegrijden, zei de vos: »nu moet je
mij nog de belooning geven voor mijn hulp.« »Wat wensch je er voor?«
zei de jongeling. »Als wij in het bosch komen moet je mij doodschieten
en kop en pooten af houwen!« »Dat zou een mooie dankbaarheid zijn,
dat kan ik onmogelijk doen,« antwoordde de prins. Toen zei de vos:
»als je het niet doen wilt moet ik heengaan, maar vóór ik je verlaat
wil ik je eerst nog een goeden raad geven. Pas op voor twee dingen:
Koop geen galgenvleesch en ga niet zitten op den rand van een bron.«
Toen liep hij het bosch is.

»Wat een raar dier!« dacht de jongeling, »wat heeft hij zeldzame
grillen! Wie zal nu galgenvleesch koopen, en ik heb nog nooit
bijzondere lust gehad om op den rand van een bron te gaan zitten!«
Hij reed met de schoone jonkvrouw verder en kwam weer door het dorp
waar zijn beide broers gebleven waren. Daar was groot geschreeuw
en rumoer, en toen hij vroeg, wat er aan de hand was, zeide men,
dat er twee menschen zouden gehangen worden. Naderbij gekomen zag
hij, dat het zijn broeders waren; zij hadden alles er doorgelapt en
allerlei slechte streken hadden zij uitgehaald. Hij vroeg of zij niet
vrij konden komen. »Als je voor hen wilt betalen,« was het antwoord,
»maar waarom wilt ge uw geld weggooien en slechte menschen loskoopen!«
Doch hij bedacht zich niet, hij betaalde het losgeld en toen zij vrij
waren, gingen zij gezamenlijk verder.

Zij kwamen in het bosch waar zij het eerst den vos hadden gezien,
het was daar koel en aangenaam, want de zon brandde fel. Toen zeiden
de broeders »laat ons hier bij de bron wat uitrusten en ook eten en
drinken.« Hij vond het goed en al pratende ging hij zonder er bij te
denken op den rand zitten. Maar de broeders duwden hem ruggelings in
het water, namen de jonkvrouw, het paard en den vogel en keerden terug
naar hun vader's slot. »Daar brengen wij niet alléén den gouden vogel,«
zeiden zij, »maar wij hebben ook het gouden paard en de jonkvrouw van
het gouden slot buit gemaakt.« Er was groote vreugde; maar het paard
dat wilde niet eten, de vogel zong niet en de jonkvrouw zat al door
te schreien. De jongste broer was echter niet verdronken. Er was niet
veel water in de bron geweest en hij viel op zacht mos, zonder letsel;
maar hij kon er niet weêr uitkomen. Ook in den grooten nood verliet
de trouwe vos hem niet, hij sprong naar beneden en beknorde hem,
dat hij zijn raad had vergeten.

»Maar ik kan het toch niet laten,« zei hij, »en ik zal je weêr aan
het daglicht brengen.« De prins moest zijn staart vatten en goed
vasthouden. Toen kroop hij er uit en sleepte hem zoo naar boven. »Toch
ben je nog niet buiten gevaar,« zei de vos, »je broeders hebben het
bosch met wachten omzet, die je moeten dooden als je er uitkomt.« Er
zat een arme man aan den weg; met hem ruilde de jongeling van kleeren,
en kwam zoo aan 's koning's hof. Niemand herkende hem, maar de vogel
begon te zingen, het paard te eten, en de schoone jonkvrouw hield
op met schreien. De koning vroeg verwonderd: »wat zou dat beduiden?«
Toen sprak de jonkvrouw: »ik weet het niet, maar ik was zoo treurig
en nu ben ik vroolijk. Het is of mijn ware bruidegom gekomen is.«
Zij verhaalde alles wat er gebeurd was, hoewel de beide broeders
haar met den dood bedreigd hadden, als zij iets zoude verraden. De
koning liet alle menschen, die in het slot waren, bij zich brengen;
er was ook een bedelaar bij in lompen, maar de jonkvrouw herkende hem
dadelijk en viel hem om den hals. De schandelijke broeders werden
gevangen genomen en terecht gesteld; maar hij trouwde de schoone
jonkvrouw en zou zijn vader's erfgenaam zijn.

En hoe ging het den armen vos? Lang daarna was de koningszoon weer
eens in het bosch, en hij ontmoette den vos, die zeide: »je hebt nu
alles wat je maar wenschen kunt; maar aan mijn ongeluk is geen einde;
toch is het in uw macht mij te verlossen,« en weer smeekte hij hem,
hij zou hem doodschieten en kop en pooten afhouwen. Toen heeft hij
het gedaan, en nauwelijks was het gebeurd, of de vos veranderde in
een mensch, en hij was niemand anders dan de broeder van de schoone
koningsdochter, die nu van een booze betoovering was verlost. Er
ontbrak nu niets meer aan hun geluk, zoolang zij leefden.



LVIII.

DE HOND EN DE MUSCH.


Een herdershond had geen goeden baas, maar een, die hem liet
hongerlijden. Toen hij het niet meer kon uithouden, liep hij treurig
heen. Onderweg zag hij een musch. »Broeder hond, waarom ben je
zoo treurig?« »Ik heb zoo'n honger,« zei de hond, »en ik heb niets
te eten.«

Toen zei de musch: »Broertje-lief, ga maar mee naar de stad, dan zal ik
wel zorgen, dat je genoeg krijgt.« Zij gingen toen samen naar de stad,
en bij een slagerswinkel, zei de musch tegen den hond: »Blijf nu even
staan, dan zal ik een stuk vleesch voor je afpikken.« Zij vloog den
winkel binnen, en keek eerst rond of het niemand zag, toen pikte en
rukte en trok zij zoo lang, tot er een stuk vleesch naar beneden viel,
dat op een kantje lag. De hond pakte het, liep er mee in een hoek en
at het op. Toen zei de musch: »Ga nu mee naar een anderen winkel, dan
zal ik nog een stuk naar beneden halen, dat je je genoegen kunt eten.«
Toen de hond het tweede stuk ook op had zei de musch: »Broeder hond,
heb je nu genoeg?« »Ja, vleesch heb ik genoeg,« zei hij, »maar ik heb
nog geen brood gehad.« »Dat zul je ook hebben,« zei de musch, »kom maar
mee.« Zij bracht hem bij een bakkerswinkel en pikte zoo lang aan een
paar broodjes dat zij naar beneden rolden, en toen de hond nog meer
wilde bracht zij hem bij een tweeden bakker en haalde weer wat brood
af. Toen dat op was zei de musch: «Broeder hond, heb je nu genoeg?«
»Ja,« zei de hond, »laten wij nu een beetje naar buiten gaan.«

Zij gingen samen naar den straatweg; het was warm en na een poosje
zei de hond: »ik ben moe, ik zou wel wat willen slapen.» »Ja, ga maar
slapen,« zei de musch, »ik zal zoolang op een tak gaan zitten.« De hond
ging op den weg liggen en sliep vast in. Terwijl hij sliep, kwam er een
voerman aanrijden; hij had drie paarden voor zijn wagen en vervoerde
twee vaten wijn. De musch zag, dat hij niet zou uitwijken, maar op het
spoor bleef rijden waar de hond lag te slapen, toen riep zij: »Voerman
doe het niet, of ik maak je arm!« Maar de voerman bromde in zijn baard:
»jij zult mij niet arm maken!« hij klopte met de zweep en dreef den
wagen over den hond, dat de wielen hem dood reden. Toen riep de musch:
»je hebt mijn broeder hond overreden, dat kost je paarden en wagen!«

»Wel zeker, paarden en wagen!« zei de voerman, »wat zou jij mij kunnen
aandoen!« en hij reed door. Toen kroop de musch onder het wagenkleed,
en pikte zoo lang aan het eene spongat, dat de stop er uitviel, en de
wijn liep weg zonder dat de voerman het merkte. Toen hij even omkeek,
zag hij, dat er iets van den wagen druppelde; hij onderzocht en merkte,
dat er een vat leeg was. »Ach, ik arme man!« riep hij. »Nog niet arm
genoeg,« zei de musch en zij vloog op den kop van het eene paard,
en pikte het de oogen uit. Toen de voerman dat zag, nam hij een bijl
en wilde er de musch mee raken, maar de musch vloog op, en de voerman
trof den kop van het paard dat het dood neêrviel. »Ach, ik arme man!«
»Nog niet arm genoeg!« zei de musch, en toen de voerman met de twee
paarden verder reed, kroop de musch weer onder het kleed en pikte de
stop uit het tweede gat, dat al de wijn wegliep. Toen de voerman dat
merkte, riep hij weer: »Och, ik arme man!« Maar de musch antwoordde:
»Nog niet arm genoeg,« en zij ging op het tweede paard zitten en
pikte dat ook de oogen uit. De voerman liep er heen, en haalde uit
met zijn bijl, maar de musch vloog op; toen trof de bijl het tweede
paard, dat het neerviel. »Ach, ik arme man.« »Nog niet arm genoeg!»
zei de musch, en zette zich op den kop van het derde paard en pikte
naar de oogen. De voerman sloeg in zijn woede zonder om te zien op de
musch los; hij trof hem niet, maar sloeg het derde paard dood. »Ach,
ik arme man!« »Nog niet arm genoeg, nu wil ik je thuis nog arm maken,«
zei de musch en vloog weg. De voerman moest den wagen laten staan,
en ging vol zorg en ergernis naar huis. »Ach,« zei hij tegen zijn
vrouw, »wat heb ik een ongeluk gehad: de vaten zijn leeggeloopen en
de paarden zijn alle drie dood.«

»Ach man,« zeide zij, »wat voor een leelijke vogel is er bij ons in
huis gekomen! hij heeft alle vogels uit de lucht bij elkaar gebracht
en nu zitten ze op onze tarwe en pikken ze allemaal op!« Hij ging naar
boven, en duizenden en duizenden vogels zaten op zolder en pikten het
koren op, en de musch zat er midden tusschen. Toen riep de voerman:
»ach, ik arme man!« »Nog niet arm genoeg,« zei de musch, »voerman
het kost je nog je leven!« en zij vloog naar buiten.

Nu had de voerman al zijn goed verloren, ging in de kamer achter
de kachel zitten, en was door en door nijdig en giftig. De musch
zat buiten voor het raam en riep: »voerman, het kost je je leven!«
De voerman greep zijn bijl en gooide die naar de musch, maar hij
brak de vensterruiten en den vogel trof hij niet. De musch wipte nu
naar binnen en zette zich op de kachel, en ze riep weêr: »voerman,
het kost je je leven!« Dol en bleek van woede sloeg de voerman de
kachel in tweeën en toen het een na het ander al zijn huisraad;
want de vogel vloog van de eene plaats naar de andere: spiegel,
banken, tafel en eindelijk de muren van zijn huis, alles werd kapot
geslagen maar de musch kon hij niet treffen. Eindelijk greep hij hem
toch. Toen zei de vrouw: »Zal ik hem doodslaan?» »Neen!« riep hij,
»dat is te gemakkelijk voor hem, hij moet veel moorddadiger sterven;
ik zal hem inslikken.« En hij stopt hem in zijn mond en slokt hem
ineens in. Maar de musch gaat in zijn lichaam aan het fladderen,
en fladderde weer in zijn mond terug en steekt er zijn kop uit,
en hij roept: «voerman het kost je je leven!» De voerman geeft zijn
vrouw de bijl en zegt: »Vrouw, sla mij den vogel in mijn mond dood!»
De vrouw slaat, maar ze slaat den vogel mis, en den voerman juist op
zijn mond, zoodat hij dood neêrvalt.

De musch vliegt weg.



LIX.

FRIEDER EN KATERLIESJE.


Er was een man, die heette Frieder, en een vrouw, die heette
Katerliesje; zij waren samen getrouwd en leefden als jonge
echtelieden. Op een dag zei Frieder: »Katerliesje, ik ga naar het
land; als ik weerkom, moet er gebraad op tafel zijn voor den honger,
en een frisschen dronk voor den dorst.« »Ga maar gerust Friedertje,«
zei Katerliesje, »ik zal voor alles zorgen.« Toen het nu tegen
etenstijd liep, haalde zij een worst uit den schoorsteen, nam een
braadpan, deed er een kluitje boter in en de worst, en zette het
op het vuur. De worst begon te braden en te prutsen, Katerliesje
stond er bij, hield den steel van de pan vast en soesde zoo'n beetje
heên. Toen viel haar in: »Terwijl de worst braadt, kan ik wel even
in de kelder het bier aftappen.« Ze zette toen de pan van het vuur,
nam een kan, ging in de kelder en tapte bier. Het bier liep in de
kan, en Katerliesje stond er bij te kijken, toen viel haar wat in:
«Jée! de hond boven ligt niet vast; die zou de worst uit de pan kunnen
halen, dat zou wat moois zijn!« in een wip was ze de keldertrap weer
op. Maar Spits had de worst al te pakken en sleepte hem meê over
den grond. Katerliesje, flink bij de hand, hem achterna, een heel
eind het veld over. Maar de hond was de vlugste, en hij liet ook de
worst niet los, die wipte op en neer over den akker. »Weg is weg,«
zei Katerliesje, en keerde weer om; en omdat ze moê was van 't harde
loopen, ging ze lekker langzaam om wat op te koelen. Al dien tijd
liep het bier uit het vat, want Katerliesje had vergeten de kraan
om te draaien; en toen de kan vol was, en het nergens anders meer in
kon loopen, liep het in de kelder, en 't hield niet op, voordat het
heele vat leeg was. Van de trap af zag Katerliesje het ongeval al:
»Groote grutten! wat begin ik nu, dat Frieder het niet merkt.« Ze
dacht een oogenblikje, en toen schoot het haar te binnen, dat er van
de laatste kermis, nog een zak met fijn tarwemeel op zolder stond,
dat zou ze afhalen en op het bier strooien. »Ja, ja, wie bij tijds
wat spaart, die heeft wat in den nood!« en ze ging naar den zolder,
droeg de zak naar beneden en gooide hem boven op de kan met bier,
dat die omviel; en toen zwom Frieder's drinken in de kelder. »Wel ja,
waar het ééne is, daar hoort ook het andere,« zei Katerliesje, en ze
strooide het meel over de heele kelder uit. Toen had ze de grootste
schik van haar werk, en zei: »wat ziet het hier zindelijk en netjes!«

Tegen twaalf uur kwam Frieder naar huis. »Wel vrouw, wat heb je klaar
gemaakt?« »Ach Friedertje, ik zou een worst braden, maar terwijl ik
het bier aftapte, heeft de hond de worst weggehaald; en terwijl ik
den hond achterna zat, is het vat leeggeloopen; en toen ik het bier
met het tarwemeel opdroogde, heb ik de kan ook nog omgestooten. Maar
de kelder is weer heelemaal droog.« Toen zei Frieder: »Katerliesje,
Katerliesje, dat hadt je niet moeten doen! Je laat de worst opeten, het
bier uit het vat loopen, en nu vermors je ook nog ons fijne meel!« »Ja,
Friedertje, dat heb ik niet geweten; dat hadt je me ook moeten zeggen.«

De man dacht: »staat het zóó met de vrouw, dan moet ik mijn voorzorgen
nemen.« Nu had hij een mooi stapeltje rijksdaalders bij elkaâr, die
wisselde hij in voor goud, en hij zei tegen Katerliesje: »Zie je, dat
zijn gele gokkels, die zal ik in een potje doen en in den stal achter
de koeien begraven; maar kom er niet bij, want dan zou het misloopen.«
»Neen Friedertje, dat zal ik zeker niet doen,« zei Katerliesje. Nu,
toen dan Frieder weg was kwamen er marskramers met aardewerk in het
dorp, en zij vroegen aan de jonge vrouw of zij niets te verhandelen
had. »Och, lieve menschen,« zei Katerliesje, »ik heb geen geld en
ik kan niets koopen; maar kun je soms gele gokkels gebruiken, dan
koop ik wat.« »Gele gokkels, waarom niet, laat eens kijken.« »Ga
dan naar den stal en graaf achter de koeien, daar kun je de gele
gokkels vinden, maar ik mag er niet bijkomen.« De kerels gingen,
en toen zij aan 't graven waren, vonden zij zuiver goud. Zij pakten
het bij elkaar en liepen er gauw mee weg, de potten en pannen lieten
zij staan. Katerliesje vond dat zij het nieuwe gerij ook gebruiken
moest; maar zij had er in de keuken geen gebrek aan. Toen sloeg zij
uit iedere pan den bodem, en stak ze allemaal als sieraad op de palen
van het hek om het huis heen. Toen nu Frieder thuis kwam en de mooie
pronk zag, zei hij: »Katerliesje wat heb je uitgevoerd?« »Dat heb ik
gekocht Friedertje voor de gele gokkels van achter de koeien: maar ik
ben er niet bij geweest hoor! de marskramers moesten ze netjes zelf
opgraven.« »Och, vrouw, wat heb je nu weêr uitgehaald! Het waren geen
gokkels, het waren goudstukken, ons heele vermogen; dat hadt je niet
mogen doen!« »Ja, Friedertje, dat heb ik niet geweten, dat hadt je mij
moeten zeggen.« Katerliesje stond een poosje te denken, toen zeide ze:
»hoor eens Friedertje, dat goud zullen wij wel weer terug krijgen,
wij zullen de dieven achterna loopen.« »Kom dan maar,« zei Frieder,
»dan zullen wij 't probeeren; maar, neem boter en kaas meê, dat wij
onderweg iets te eten hebben.« »Ja, Friedertje, ik zal het meênemen.«
Zij gingen op weg, maar Frieder was vlugger ter been en daarom kwam
Katerliesje achteraan. »Dat komt voor mij goed uit,« dacht ze, »want
als wij omkeeren ben ik een heel eind vóór.« Nu ging het een berg op,
en aan beide kanten van den weg waren diepe wagensporen. »Kijk nu toch
eens aan,« zei Katerliesje, »hoe ze mij dat arme aardrijk, verscheurd
en beschadigd en ingedrukt hebben! Dat wordt van zijn leven niet weêr
goed,« en de meêlijdende ziel nam haar boter en bestreek er rechts
en links de wagensporen meê, dan zouden ze niet zoo 'n last van het
drukken van de wagens hebben. En toen zij in haar barmhartigheid zoo
neêrbukte, viel er een kaas uit haar zak en rolde den berg af. Toen
zei Katerliesje: »ik ben al ééns naar boven geklommen, een tweede keer
bedank ik er voor; dan mag hem een ander achterna gaan en terughalen.«
Zij nam dus een tweede kaas en rolde hem naar beneden. De twee kazen
kwamen niet terug, en toen liet ze nog een derde den berg afrollen,
want ze dacht: »mogelijk wachten ze op gezelschap, ze gaan zeker liever
niet alléén.« Toen ze nu alle drie wegbleven zei ze: »wat moet dàt nu
weêr beteekenen! Maar 't kon wel dat de derde verdwaald is, dan zal
ik de vierde maar achterna sturen, die kan ze dan bij elkaâr zoeken.«
Maar met de vierde ging het niet beter dan met de derde. Toen werd
Katerliesje kwaad, en gooide de vijfde en de zesde ook nog achterna en
dat waren de laatsten. Zij bleef eerst een poosje wachten, om te zien
of zij nog komen zouden en toen zei ze: »Jelui bent pas goed om op
mageren Hein uit te sturen zoo netjes lang als je uitblijft! dacht je
soms dat ik nog langer zou wachten? Ik ga mijn weg; jelui hebt jonger
beenen dan ik, loop mij dan maar na.« Katerliesje ging, en zij vond
Frieder, die was blijven staan om op haar te wachten, want hij wou
graag wat eten. »Geef nu maar eens hier wat je hebt meêgenomen.« Zij
reikte hem het droge brood. »Waar zijn de boter en de kaas?« vroeg de
man. »Och, Friedertje, met de boter heb ik de wagensporen ingesmeerd,
en de kazen zullen wel gauw komen; de eene liep weg, en toen heb ik
de anderen achterna gestuurd, om hem te roepen.« Toen zei Frieder:
»Dat hadt je niet moeten doen Katerliesje, de boter aan den weg smeren,
en de kaas den berg afrollen.«

»Ja, Friedertje, dat hadt je mij dan maar moeten zeggen.«

Zoo aten ze samen het droge brood, en Frieder zei: »Katerliesje, heb
je ons huis wel verzekerd toen je bent weggegaan?« »Neen, Friedertje,
dat had je me eerst moeten zeggen.« »Ga dan weer terug, en verzeker
het huis, voor wij verder gaan; en breng dan ook wat ander eten meê;
ik zal hier op je wachten.« Katerliesje ging terug, en zij dacht:
»Friedertje wil ander eten hebben, boter en kaas smaakt hem zeker
niet; dan zal ik een doek vol hussen en een kruik azijn meênemen.«
Toen grendelde zij de bovendeur, maar de onderdeur lichtte zij er uit,
en droeg hem op haar schouders, want ze dacht, als ze de onderdeur in
veiligheid bracht, dan zou het huis wel goed bewaard zijn. Katerliesje
haastte zich niet onder weg, en toen ze weer bij Frieder was, zei ze:
»Daar Friedertje heb jij de deur, nu kun je zelf op het huis passen.«
»O, lieve Heer nog toe,« zei hij, wat heb _ik_ een slimme vrouw! die
neemt de onderdeur er uit, dat ieder naar binnen kan loopen, en van
boven grendelt zij hem dicht! Het is nu te laat om nog weêr naar
huis te gaan, maar heb je de deur meêgebracht dan mag je hem ook
zelf dragen.« »De deur zal ik dragen, Friedertje, maar de hussen en
de azijnkruik worden mij te zwaar, die hang ik aan de deur, dan kan
die ze dragen.«

Ze gingen nu het bosch in, en zochten naar de dieven, maar zij
vonden hen niet. Toen het eindelijk te donker was, klommen zij in
een boom, en wilden daar overnachten. Nauwelijks waren ze boven, of
daar kwamen de kerels, die dragen wat niet loopen wil, en de dingen
vinden vóór ze verloren zijn. Zij bleven onder denzelfden boom,
maakten een vuur aan en wilden den buit verdeelen. Frieder klom aan
den anderen kant van den boom af om steenen te rapen, en de dieven er
mee dood te gooien. Maar de steenen troffen niet en de kerels riepen:
»Het wordt al morgen, de wind schudt de pijnappels van de boomen.«
Katerliesje had nog altijd de deur op haar schouder, en omdat die
zoo zwaar drukte, dacht zij dat het van de hussen kwam en zij zei:
»Ik wou de hussen weggooien.« »Neen, Katerliesje, dat moet je niet
doen, zij zouden ons verraden.« »Ach, Friedertje ik moet wel, zij zijn
zoo zwaar.« »Nu, doe het dan maar in God's naam!« De hussen rolden
tusschen de takken door en de dieven riepen: »de vogels mesten!«
Een poosje daarna toen de deur nog altijd drukte zei Katerliesje:
»och, Friedertje, ik moet de azijn uitgieten.« »Neen, Katerliesje,
dat moet je niet doen, het zou ons kunnen verraden.« »Ach Friedertje
het moet wel, hij drukt mij zoo zwaar.« »Doe het dan maar in God's
naam!« Ze goot de azijn uit, dat de kerels er mee bespat werden,
en zij zeiden: »de dauw sijpelt al van de boomen.«

Eindelijk dacht Katerliesje: »zou het misschien de deur zijn die
zoo zwaar is?« en ze zei: »Friedertje, ik moet de deur naar beneden
gooien.« »Neen Katerliesje, nu niet, dat zou ons kunnen verraden.«
»Ach, Friedertje, het moet, ze is zoo zwaar!« »Neen, Katerliesje,
hou ze maar goed vast.« »O, Friedertje, ik laat ze toch vallen!« »Laat
ze dan vallen, voor den duivel!« zei Frieder boos! Toen viel de deur
met een geweldig lawaai, en de kerels riepen: »de duivel komt uit den
boom!« ze renden weg en lieten alles in de steek. 's Morgens toen de
twee naar beneden kwamen, vonden ze al hun goud terug en namen het
meê naar huis.

Toen ze thuis waren zei Frieder: »Katerliesje, nu moet je vlijtig
zijn en werken.« »Ja, Friedertje, dat zal ik doen, ik zal naar het
land gaan en 't koren snijden.« Toen Katerliesje op het land was zei
ze in zich zelf: »Wat doe ik nu eerst, eet ik voor ik ga snijden,
of snij ik voor ik ga eten? Kom, ik zal eerst eten.« Ze ging eten en
werd gaandeweg slaperig en toen begon ze te snijden, en half slapend
sneed ze al haar kleêren kapot, haar schort en haar rok en hemd. Toen
ze na lang slapen weêr wakker werd, was ze half naakt, en ze dacht:
»Ben ik het, of ben ik het niet? och, ik ben het niet!« Intusschen
was het nacht geworden en zij liep het dorp in en klopte bij haar man
aan het raam en ze riep: »Friedertje!« »Wat is er?« »Is Katerliesje
soms binnen?« »Ja, ja,« zei Frieder, »die is zeker binnen en ligt te
slapen!« Toen zei ze: »dan ben ik het zeker niet,« en ze liep weg.

Buiten vond ze dieven die gingen stelen, zij ging bij hen en zei:
»ik zal jelui helpen stelen.« De dieven dachten, zij zou de plaats
wel goed kennen en vonden het best. Katerliesje ging naar de huizen
en riep: »Menschen heb jelui wat, wij willen stelen!« »Dat zal goed
gaan,« dachten de dieven en ze wilden Katerliesje wel graâg weêr kwijt
zijn. Daarom zeiden ze: »de dominee heeft rapen op het land, buiten
het dorp, haal ons wat rapen!« Katerliesje ging en begon de rapen uit
te trekken, maar ze was te lui om ze naar boven te halen. Toen kwam
er een man voorbij, die zag het en bleef stil staan en hij dacht,
dat het de duivel was, die zoo in de rapen wroette. Hij liep naar den
dominee en zeî: »Dominee, de duivel is in je rapenland en hij trekt de
rapen uit.« »Och, Heer,« zei de dominee, »ik heb een pijnlijke voet,
en nu kan ik niet naar buiten om den duivel weg te bannen.« Toen
zei de man: »dan zal ik je voortduwen,« en hij duwde hem voort. Toen
ze bij het land kwamen, kwam Katerliesje in de hoogte en rekte zich
uit. »O, de duivel!« riep de dominee, en ze holden allebeî weg, en
de dominee kon met zijn zeeren voet nog harder loopen dan de man,
die hem had voortgeduwd met zijn heele beenen.



LX.

DE TWEE BROEDERS.


Er waren eens twee broeders: een rijke en een arme. De rijke was
een goudsmid en had een boos hart, de arme leefde van bezembinden,
en die was goed en verstandig. De arme had twee kinderen, het waren
tweelingbroeders, en zij leken op elkaar, als de eene waterdruppel op
de andere. De twee jongens kwamen en gingen in het huis van den rijke
en kregen dikwijls goed eten van den afval. Nu gebeurde het eens,
dat de arme man toen hij het bosch inging om rijsjes, een vogel zag,
heelemaal van zuiver goud en zóó mooi als hem nog nooit iets onder de
oogen was gekomen. Hij raapte een steentje op en gooide het naar den
vogel en hij trof hem ook; maar er viel alléén een gouden veêrtje,
en de vogel vloog weg. De man nam het veertje en bracht het aan zijn
broeder; die bekeek het en zei; »het is zuiver goud;« en hij gaf hem
veel geld er voor. Den volgenden dag klom de man in een berkenboom
en wilde een paar takken afhakken; toen vloog dezelfde vogel uit
dien boom; de man zocht, en vond een nest en er lag een gouden
ei in. Hij nam het ei en bracht het zijn broeder en weêr zei die:
»het is zuiver goud,« en hij gaf hem de waarde in geld. Eindelijk
zei de goudsmid: »Ik zou den vogel zelf wel willen hebben.« De arme
man ging weêr het bosch in, en ten derden male zag hij den gouden
vogel op een boom zitten. Toen nam hij een steen en trof hem, dat
hij naar beneden viel. Hij bracht hem zijn broeder, en die gaf hem
een groote hoop geld in de plaats. »Nu kan ik mij redden!« dacht hij,
en ging tevreden naar huis.

De goudsmid was listig en slim, en hij wist wel wat het voor een vogel
was. Hij riep zijn vrouw en zei: »braad mij dien vogel en zorg, dat er
niets van verloren gaat; ik heb zin hem heelemaal alléén op te eten.«
Het was namelijk geen gewone vogel, maar een van wonderbare geaardheid:
wie zijn hart en lever had gegeten kon iederen morgen een goudstuk
onder zijn hoofdkussen vinden. De vrouw maakte den vogel schoon,
stak hem aan het spit, en liet hem braden. Maar nu gebeurde het,
dat terwijl hij voor het vuur stond, en de vrouw voor een andere
bezigheid even uit de keuken weg was, de twee kinderen van den
armen bezembinder naar binnen liepen; zij gingen bij het spit staan
en draaiden het een paar maal rond. En toen er nu juist een paar
stukjes van den vogel in de pan vielen zei de eene: »laten wij die
paar stukjes eten, ik heb zoo'n honger en niemand zal het merken.«
Toen aten zij samen de stukjes op; maar de vrouw kwam juist binnen
en zag dat zij wat aten en ze zeide: »wat eet jelui daar?« »Een paar
stukjes, die van den vogel zijn afgevallen.« »Dat moet het hart en de
lever geweest zijn,« zei de vrouw, erg verschrikt, en omdat haar man
ze niet missen zou en boos worden, slachtte zij gauw een haantje,
nam er hart en lever uit en legde die bij den goudvogel. Toen hij
gaar was, droeg zij hem op voor den goudsmid, die hem heelemaal
opat, en niets overliet. Maar toen hij den volgenden morgen onder
zijn kussen keek en een goudstuk voor den dag dacht te halen, was er
evenmin een te vinden als in vroeger dagen. Maar de kinderen wisten
niet wat voor een groot geluk hun gebeurd was: toen zij den volgenden
ochtend opstonden, viel er iets klinkends op den grond, en toen zij
het opraapten waren het twee goudstukken. Zij brachten ze hun vader;
hij was erg verwonderd en zei: »wat zou dat wel voor een wonder zijn!«

Maar toen zij er den volgenden morgen en verder iederen dag, weer
twee vonden, ging hij naar zijn broeder en vertelde hem de vreemde
gebeurtenis. De goudsmid begreep in ééns hoe het gegaan was, en in
zijn hardvochtigheid en nijd sprak hij tot den vader: »Je kinderen
staan met den Booze in verband; neem het goud niet, maar stuur ze
weg; want hij heeft macht over hen, en zou ook jou kunnen verderven.«
De vader vreesde den Booze, en hoe hard het hem ook viel, hij bracht
de tweelingen buiten in het bosch en liet hen daar alléén; maar zijn
hart was bedroefd.

Nu dwaalden de twee kinderen in het bosch rond; zij zochten den
weg naar huis, maar zij vonden dien niet en verwarden zich meer
en meer. Eindelijk ontmoetten zij een jager. Hij vroeg: »bij wie
hoor jelui thuis, kinderen?« »Wij zijn de kinderen van den armen
bezembinder,« antwoordden zij, en zij vertelden, dat hun vader hen
verlaten had, omdat er iederen ochtend een goudstuk onder hun kussen
lag. Nu was de jager een goed man, en de kinderen bevielen hem; hij nam
hen daarom meê naar huis en zeî: »ik zal jelui vader zijn en je groot
brengen.« Zij leerden toen bij hem het jagersvak; en het goudstuk dat
zij 's morgens vonden, bewaarde hij voor hen als zij het later noodig
mochten hebben. Toen zij nu opgegroeid waren, nam de jager hen op een
dag meê in het bosch en sprak: »Heden zul jelui je proefschot doen,
dat ik je vrij kan laten en tot jagers maken.« Zij wachtten op die
plaats, en zij wachtten lang, maar er kwam geen wild. De jager keek
toen naar boven in de lucht, en hij zag een vlucht wilde ganzen,
die een driehoek maakten. »Schiet er nu uit iederen hoek één weg,«
zei hij tegen den eenen jongen. Die deed het, en zijn proefschot was
gelukt. Kort daarop kwam er weêr een vlucht; die vormden het cijfer
twee; daarvan moest de andere er uit iederen hoek een wegschieten,
en zijn proefschot gelukte ook. Nu zei de pleegvader: »Ik spreek
jelui vrij: je zijt volleerde jagers.« Daarop gingen de twee jongens
in het bosch, beraadslaagden samen en spraken iets af.

En toen zij zich 's avonds aan tafel gezet hadden om te eten, zeiden
zij tot hun pleegvader: »wij roeren het eten niet aan, voor gij
ons eerst een belofte gegeven heb.« »Wat is dan die belofte?» Zij
antwoordden: »wij zijn nu volleerd, en nu moeten wij de wereld in;
laat ons gaan en rondtrekken.« Toen zei de oude verheugd: »Je spreekt
als dappere jongens; ik heb het zelf ook gewenscht. Trek heen, het zal
jelui goed gaan!« Daarop aten en dronken zij vroolijk te zamen. Toen de
bepaalde dag kwam, kregen zij van hun pleegvader ieder een goed geweer
en een hond, en zij mochten van hun gespaarde goudstukken zooveel
meenemen als zij wilden. Hij ging toen nog een stuk weg met hen mee,
en bij het afscheid gaf hij hun nog een blinkend mes: »als je eens
ieder je weg gaat,« zei hij, »stoot dan dit mes aan den kruisweg in
een boom, dan kan degeen die terugkomt, zien hoe het zijn afwezigen
broeder gegaan is; want de kant naar welken hij heen getrokken is
roest als hij sterft; maar zoolang hij leeft, blijft zij blank.«
De twee broeders gingen en zij kwamen in een groot bosch, zóó groot,
dat zij er onmogelijk in één dag weer uit konden. Zij bleven er dus
's nachts en aten wat zij in hun knapzak bij zich hadden. Zij liepen
ook nog den tweeden dag, maar kwamen er niet uit, en hadden niets te
eten. Toen zei de ééne: »wij moeten wat schieten, anders lijden wij
honger;« hij laadde zijn geweer en keek om zich heen. Er kwam een
oude haas geloopen, daarop legde hij aan; maar de haas riep:


    «Lieve jager laat mij leven,
    'k Zal u ook twee jongen geven,«


en zij sprong het bosch in en bracht twee jongen; maar de beestjes
waren zoo aardig en speelden zoo vroolijk, dat de jongens het hart
niet hadden ze te dooden. Ze hielden ze bij zich, en de kleine haasjes
volgden hen op den voet. Kort daarop kwam een vos; dien wilden zij
toen schieten; maar de vos riep:


    «Lieve jager laat mij leven,
    'k Zal u ook twee jongen geven,«


en hij bracht twee kleine vosjes; de jagers konden die ook niet
dooden en gaven ze de haasjes als gezelschap, en de vosjes volgden
hen ook. Het duurde niet lang of er kwam een wolf; hij zou geschoten
worden, maar hij vroeg om zijn leven en riep:


    »Lieve jager laat mij leven,
    'k Zal u ook twee jongen geven.«


De twee jonge wolven werden bij de andere dieren gedaan en volgden
ook. Daarop kwam een beer, die wou nog wat langer blijven ronddraven
en hij riep:


    »Lieve jager laat mij leven,
    'k Zal u ook twee jongen geven.«


De twee beertjes kwamen ook bij de anderen. Wat kwam er toen?--Er kwam
een leeuw. De eene jager legde op hem aan, maar ook de leeuw sprak:


    «Lieve jager laat mij leven,
    'k Zal u ook twee jongen geven.«


Nu hadden de jongens: twee leeuwen, twee beren, twee wolven, twee
vossen en twee hazen, en ze liepen alle met hen meê en dienden
hen. Maar hun honger was nog niet gestild, en zij zeiden tegen de
vossen: »Hoor eens, jelui sluipers, zoek ons eens wat te eten, jelui
zijt slim en uitgeslapen.« Zij antwoordden: »niet ver van hier is een
dorp, daar hebben wij al menig hoentje vandaan gesleept; wij zullen u
den weg wijzen er heen.« Zoo gingen zij naar het dorp en kochten eten,
hunne dieren lieten zij ook voederen, en toen trokken ze verder.

De vossen waren goed op de hoogte van de plaatsen waar kippen gehouden
werden, en konden de jongens overal terecht wijzen.

Zij trokken nu een tijdje rond, maar zij konden geen betrekking vinden,
waar zij te zamen konden blijven; toen zeiden zij: Het gaat niet
anders, wij zullen moeten scheiden. Zij verdeelden toen de dieren,
zoodat ieder een leeuw, een beer, een wolf, een vos en een haas kreeg
en toen namen zij afscheid. Broederliefde tot in den dood beloofden
zij elkander, en het mes, dat hun hun pleegvader gaf, staken zij in
een boom; toen trok de een naar het oosten, de andere naar het westen.

De jongste kwam met zijn dieren in een stad, die met zwart floers
geheel behangen was. Hij ging in een logement en vroeg den waard
of hij ook zijn dieren kon herbergen. De waard gaf hun een stal,
waar een gat in den muur was. De haas kroop er door en haalde een
kool, de vos haalde een hoen, en toen hij dat op had, ook nog den
haan. Maar de wolf, de beer en de leeuw waren te groot en konden
er niet uit. Toen liet de waard hen in de wei brengen, waar een koe
stond te grazen, dat zij hun genoegen konden eten. Toen de jager eerst
zijn dieren verzorgd had, vroeg hij pas aan den waard, waarom de stad
zoo met floers behangen was. »Omdat morgen 's koning's éénige dochter
sterven moet,« zei toen de waard. »Is zij dan zóó zwaar ziek?« »Neen,«
sprak de waard, »zij is heel gezond, maar zij moet toch sterven.«
»Hoe dat zoo?« vroeg de jager. »Buiten voor de stad is een hooge berg,
daar woont een draak, die moet alle jaar een reine jonkvrouw hebben,
of hij verwoest het gansche land. Nu zijn alle jonkvrouwen geofferd;
er is er geene meer dan de koningsdochter, maar zonder genade moet
zij ook worden gegeven, en dat zal morgen gebeuren.«

»Maar waarom wordt de draak niet gedood?« sprak toen de jager. »Ach,«
zei de waard, »zooveel ridders beproefden het, maar het kostte allen
het leven. De koning belooft hem, die den draak doodt, zijn dochter
tot vrouw, en na zijn dood het rijk als erfgoed.»

De jager zeide toen niets meer, maar den volgenden dag nam hij zijne
dieren mee en besteeg den drakenberg. Op den top stond een klein
kerkje en voor het altaar stonden drie gevulde bekers; daarbij stond
geschreven: »wie de bekers uitdrinkt, wordt de sterkste man op aarde,
en zal het zwaard dragen, dat voor den drempel begraven ligt.« De
jager dronk niet, maar ging naar buiten en zocht in den grond naar
het zwaard, maar hij kon het niet van de plaats bewegen. Toen ging hij
binnen en dronk de bekers leeg, nu was hij sterk genoeg om het zwaard
op te lichten, en zijn hand kon het gemakkelijk zwaaien. Toen het uur
kwam, dat de jonkvrouw den draak moest geofferd worden, geleidde haar
de koning, de maarschalk en het geheele hof naar buiten. Zij zag van
verre den jager op den drakenberg, en meende, dat daar de draak stond
en haar wachtte, en zij wilde niet naar boven; maar toch moest zij
eindelijk den zwaren gang doen, opdat niet de geheele stad verloren
zou gaan.

De koning en het hof keerden in groote rouw en droefenis terug, maar
's konings maarschalk zoude blijven staan en uit de verte toezien.

Toen de koningsdochter op den berg kwam, stond daar boven niet de
draak, maar de jonge jager, en hij sprak haar troostwoorden toe en
zeide dat hij haar wilde redden, en hij geleide haar toen tot in het
kerkje en sloot achter haar de deur af. Heel kort daarop kwam met
loeien en brieschen de zeven-koppige draak. Toen hij den jager zag
was hij verwonderd en vroeg: »wat zoekt ge hier boven op den berg?«
»De jager antwoordde: »ik kom je bestrijden!« Toen sprak de draak: »zoo
menig dapper ridder heeft hier het leven moeten laten, met jou zal ik
ook gauw hebben afgerekend,« en hij ademde vuur uit zeven muilen. Het
vuur moest het dorre gras doen ontbranden, en dan zou de jager in
gloed en rook moeten omkomen, maar de dieren kwamen aangeloopen, en
trapten het vuur uit. Toen keerde de draak zich tegen den jager, maar
hij zwaaide zijn zwaard, dat het suisde en zong door de lucht, en sloeg
hem drie koppen af. Toen in ziedende woede verhief de draak zich in de
lucht, spuwde vuurvlammen over den jager uit, en wilde zich over hem
heênstorten, maar de jager hief het zwaard, en sloeg weer drie koppen
af. Nu verloor het ondier zijn weerstand en zonk inéén; maar het wilde
toch weêr den jager te lijf; die sloeg hem echter met zijn laatste
kracht de staart af en daar hij niet langer vechten kon, riep hij de
dieren en zij verscheurden het monster. Toen het gevecht geëindigd
was, ontsloot de jager de kerkdeur, en vond de koningsdochter zonder
bewustzijn neêrliggen van den schrik en angst bij het gevecht. Hij
droeg haar naar buiten, en toen zij weêr tot haarzelve kwam, en de
oogen opsloeg, toonde hij haar den verscheurden draak, en zeide haar,
dat zij nu verlost was; en zij verheugde zich en sprak: »Nu wordt gij
mijn lieve gemaal; want mijn vader heeft mij aan hém beloofd, die den
draak zou dooden.« Toen deed zij haar bloedkoralen halsketting af en
verdeelde die onder de dieren: de leeuw kreeg er het gouden slootje
van. Maar haar zakdoek, waarin haar naam stond, schonk zij den jager;
hij ging heên en sneed uit de zeven drakenmuilen de tongen weg,
en wikkelde ze in dien zakdoek; hij heeft ze toen goed bewaard.

Toen dat gebeurd was, en hij zich zoo moê en mat voelde van het
gevecht, heeft hij tot de jonkvrouw gezegd: »wij zijn beiden zoo mat
en moe, wij willen wat gaan slapen.« Zij zeide ja, en zij hebben zich
neêrgezet op den grond, en hij sprak tot den leeuw: »gij zult waken,
dat niemand ons in den slaap overvalt,« en beiden sliepen in.

De leeuw heeft zich naast hen gelegd om te waken, maar hij was ook
moê van het gevecht, en daarom heeft hij den beer geroepen en gezegd;
»Ga naast mij liggen, ik moet wat slapen; maar als er wat komt,
maak mij dan wakker.« De beer heeft zich naast hem gelegd, maar hij
was ook moê, en hij riep den wolf en zeide: »ga naast mij liggen,
ik moet wat slapen, maar als er wat komt moet je mij wakker maken.«
De wolf heeft zich toen naast hem gelegd, maar hij was ook moê en
heeft den vos geroepen en gezegd: »ga naast mij liggen, ik moet
wat slapen, maar als er wat komt, maak mij dan wakker.« Toen heeft
de vos zich naast hem gelegd, maar hij was ook moê en hij riep den
haas en zeide: »ga naast mij liggen, ik moet wat slapen, en als er
wat komt moet je mij wekken.« Toen ging de haas naast hem zitten,
maar de arme haas was ook moê en hij had niemand dien hij voor zich
de wacht kon laten houden, toen is hij ingeslapen. En zoo sliepen nu
de koningsdochter, de jager, de leeuw, de beer, de wolf, de vos en
de haas, en zij sliepen alle een vasten slaap.

De maarschalk, die van verre had moeten toezien, zag den draak niet
met de jonkvrouw wegvliegen, en alles was rustig op den berg; toen
vatte hij moed en steeg naar boven. Daar lag de draak in stukken en
verscheurd en niet ver van daar de koningsdochter, en een jager met
zijn dieren; alle verzonken in diepen slaap. En omdat hij slecht en
goddeloos was, nam hij zijn zwaard en sloeg den jager het hoofd af;
de jonkvrouw nam hij in zijn armen en droeg haar naar beneden. Zij
ontwaakte toen en verschrikte, maar de maarschalk zeide: »Ge zijt in
mijn macht, en ge zult zeggen dat ik den draak gedood heb.« »Dat kan
ik niet,« antwoordde zij, »want een jager deed het met zijn dieren.«
Toen trok hij zijn zwaard, en dreigde haar te dooden, als zij niet
gehoorzaamde, en zoo drong hij haar tot de belofte.

Hij bracht haar naar den koning; die was buiten zichzelf van vreugde,
toen hij zijn lieve dochter levend voor zich zag, want hij meende
zeker dat het ondier haar gedood had. De maarschalk sprak: »Ik heb
den draak gedood en de jonkvrouw en het rijk bevrijd, nu eisch ik
haar tot mijne vrouw, zooals het is toegezegd.« De koning sprak tot
de jonkvrouw: »Is het waar wat hij zegt?« »Ach ja,« antwoordde zij,
»maar ik houd het aan mij, eerst over een jaar en een dag bruiloft
te vieren, want,« dacht zij, »in dien tijd zal ik misschien iets van
mijn lieven jager hooren.«

Maar op den drakenberg lagen nog de dieren naast hun dooden meester,
en sliepen; toen kwam een groote hommel, en heeft zich den haas op de
neus gezet, maar de haas veegde hem met zijn poot weg, en sliep door.

De hommel kwam weer terug maar de haas veegde hem weer weg en
sliep door. Voor den derden maal kwam hij, en stak den haas, dat
hij ontwaakte. Toen de haas wakker was, heeft hij den vos gewekt,
en die den wolf, en die den beer en die den leeuw. Maar toen de leeuw
ontwaakte en zag dat de jonkvrouw weg was, en zijn meester dood, heeft
hij ontzettend gebruld en geroepen: »Wie heeft dat gedaan! Beer,
waarom heb je mij niet gewekt?« De beer vroeg den wolf: »waarom
heb je mij niet gewekt?« en de wolf den vos: «waarom heb je mij
niet gewekt?« en de vos den haas: »waarom heb je mij niet gewekt?«
De arme haas wist niet te antwoorden en zoo bleef de schuld op hem
hangen. Toen wilden zij hem te lijf, maar hij smeekte: »doodt mij
niet, ik zal onzen meester het leven teruggeven! Ik weet een berg,
daarop groeit een wortel; wie dien wortel in den mond heeft wordt
van alle ziekte en wonden genezen. Maar de berg ligt tweehonderd uur
van hier.« Toen sprak de leeuw: »In vierentwintig uur moet je heen en
terug zijn, en den wortel meebrengen.« Toen sprong de haas weg, en in
vierentwintig uur was hij terug en bracht den wortel meê. De leeuw
legde den jager het hoofd weer aan, en de haas stak hem den wortel
in den mond; toen voegde zich alles weer te zamen, het hart klopte,
en het leven keerde terug. De jager ontwaakte toen, en hij schrikte
toen hij de jonkvrouw niet meer zag, en hij dacht: »Zij zal zijn
weggegaan terwijl ik sliep, om van mij af te komen.« De leeuw had in
de groote haast het hoofd verkeerd aangezet, maar de jager merkte dat
niet in zijn droevig denken aan de koningsdochter. Eerst 's middags,
toen hij wat eten wilde, zag hij, dat zijn hoofd naar den rug stond,
en hij begreep het niet, en vroeg aan de dieren, wat er in zijn slaap
gebeurd was. Toen vertelde de leeuw, dat zij van vermoeidheid allemaal
ingeslapen waren, en bij het ontwaken hadden zij hem dood gevonden
met afgeslagen hoofd; de haas had den levenswortel gehaald; hijzelf
had in de haast het hoofd verkeerd gehouden; maar hij zou zijn fout
weer herstellen. Hij trok toen den jager het hoofd weer af, en draaide
het om en de haas heeft het door den wortel weer vast laten groeien.

Maar de jager was treurig; hij trok in de wereld rond en liet zijn
dieren dansen voor de menschen. Toen gebeurde het, dat hij na een
jaar weer in dezelfde stad kwam, waar hij de koningsdochter van
den draak verlost had; maar nu was de stad met scharlaken rood
behangen. »Wat beduidt dat?« vroeg hij den waard, »voor een jaar
was de stad met zwart floers behangen, en waarom nu met scharlaken?«
De waard antwoordde: »Voor een jaar moest 's konings dochter aan den
draak worden uitgeleverd, maar de maarschalk heeft hem bevochten en
gedood, en nu wordt morgen hun huwelijk gevierd; daarom was verleden
jaar de stad met zwart floers behangen, en heden met rood scharlaken,
omdat het feest is.«

Den volgenden dag, toen de bruiloft zou gevierd worden, zei de jager
in den middag tegen den waard: »zoudt ge wel gelooven heer waard,
dat ik hier dezen middag brood van 's konings tafel zal eten?« »Nu,«
zei de waard, «daar verwed ik nog wel honderd goudstukken om, dat
dat niet waar is.« De jager nam de weddingschap aan, en zette er een
beurs met honderd goudstukken tegen. Toen riep hij de haas, en zei:
»Ga eens vlug, lieve springer, en haal mij van het brood dat de koning
eet.« Nu was het haasje de minste en kon het geen ander opdragen,
maar moest zelf beenen maken. En hij dacht bij zichzelf: »Als ik
zoo alleen door de straat ga, zal ik gauw de slagershonden achter
mij hebben.« En dat gebeurde ook, de honden kwamen hem achterna, en
hadden plan hem zijn kostelijke huid uit te stukken. Maar hij rende
van wat ben je me, en hij vluchtte in een schilderhuis zonder dat
de schildwacht het merkte. Toen kwamen de honden om hem er uit te
halen; maar de soldaat verstond geen gekscheeren, en hij sloeg er
met zijn geweer oplos, dat zij jankend en huilend wegliepen. Toen
de haas merkte, dat de kust vrij was, sprong hij het slot binnen,
recht op de koningsdochter af, zette zich onder haar stoel en krabde
over haar voet. »Wil je weg gaan!« zei ze, en ze dacht, dat het haar
hond was. De haas krabde weer aan haar voet. »Wil je weg gaan,« zeide
zij weer, en zij dacht nog, dat het haar hond was. Maar de haas hield
vol, en krabde weer. Toen keek ze, en zij herkende den haas aan zijn
halsband. Nu nam zij hem op haar schoot en droeg hem naar haar kamer,
en daar zeide zij: »lieve haas wat wil je?« En hij antwoordde. »Mijn
meester, die den draak gedood heeft is hier, en hij stuurt mij om
een brood te vragen, zooals de koning het eet.« En zij verheugde zich
en zond om den bakker en gebood hem een brood te brengen, zooals de
koning het at. Maar het haasje zei: »de bakker moet het ook voor mij
wegbrengen, dat de slagershonden mij geen kwaad doen.« De bakker droeg
het brood tot aan de deur van de gelagkamer, en daar ging de haas op
zijn achterpooten staan, nam het brood in de voorpooten en bracht
het zijn meester. Toen sprak de jager: »ziet ge wel, heer waard,
de goudstukken zijn voor mij.« De waard was ten hoogste verbaasd,
maar de jager sprak: »ja meester waard, nu heb ik het brood, maar nu
wil ik ook het vleesch er bij hebben, dat de koning eet.«

»Dat wou ik wel eens zien,« zei de waard; maar wedden deed hij niet
meer. Toen riep de jager den vos, en zei: »vosje, ga eens gauw en haal
mij van het vleesch, dat de koning eet.« De vos maakte zijn zaakjes
beter en sloop door hoeken en gaten, zonder dat een hond hem zag; en
hij kroop onder den stoel van de prinses en krabde haar voet. Toen
keek ze, en herkende den vos aan zijn halsband, en zij nam hem meê
naar haar kamer en zei: »Vosjelief, wat wil je?« En hij antwoordde:
»mijn meester, die den draak gedood heeft, is hier, en hij zendt mij
om van het gebraad te halen, dat de koning eet.« Zij zond toen om den
kok, die moest een stuk gebraad bereiden zooals de koning het at,
en het voor den vos dragen tot aan de deur, daar nam de vos hem de
schotel af en bracht die aan zijn meester.

»Zie je heer waard,« zei de jager, »brood en vleesch heb ik nu;
nu wil ik ook groenten hebben zooals de koning ze eet.« En hij riep
den wolf, en sprak: »lieve wolf, ga eens heen en haal mij groente
zooals de koning ze eet.« De wolf ging recht naar het slot, omdat
hij voor niemand bang was en toen hij bij de prinses kwam trok hij
haar achter aan haar kleed, dat zij moest omkijken. Zij herkende
hem aan zijn halsband en nam hem mee naar haar kamer en daar sprak
zij: »lieve wolf, wat wil je?« En hij antwoordde: »mijn meester,
die den draak gedood heeft, is hier, en zendt mij om groente te
vragen zooals de koning ze eet.« Toen liet zij den kok komen, die
moest een schaal groenten bereiden, zooals de koning ze at en dien
voor den wolf wegbrengen tot aan de deur. Daar nam hem de wolf de
schaal af en bracht dien aan zijn meester. »Ziet ge, meester waard,
nu heb ik brood, vleesch en groente, maar ik wil ook gebak hebben,
zooals de koning het eet.« En hij riep den beer: »Beertje, je snoept
wel eens graâg wat zoets, haal mij eens wat gebak zooals de koning het
eet.« De beer draafde naar het slot, en iedereen ging hem uit den weg;
maar toen hij bij de wacht kwam, legden zij zware geweren op hem aan,
en wilden hem niet binnen laten gaan. Toen richtte hij zich op en
gaf links en rechts met zijn klauwen een paar patsen, dat de heele
wacht door elkaâr viel; en daarop liep hij recht naar de prinses,
ging achter haar staan en bromde een beetje. Zij keek achter zich
en herkende den beer, en zeide hem meê naar haar kamer te gaan en
daar vroeg zij: »lieve beer, wat wil je?« En hij antwoordde: »mijn
meester die den draak gedood heeft is hier, en ik moet vragen om het
gebak, dat de koning eet.« Zij liet den suikerbakker komen, die moest
gebak en suikerwerk maken, zooals de koning het at, en het tot aan
de deur dragen; daar richtte de beer zich rechtop, nam hem de schaal
af en bracht die aan zijn meester. »Zie je heer waard,« sprak hij,
»nu heb ik brood, vleesch, groente en gebak, nu wil ik ook nog wijn
drinken zooals de koning ze drinkt.« En hij riep den leeuw en sprak:
»lieve leeuw, je drinkt je ook graag een roes, haal mij eens van den
wijn, dien de koning drinkt.« Toen de leeuw nu over de straat schreed
vluchtte het volk voor hem, en toen hij bij de wacht kwam, wilde die
hem den weg versperren; maar hij brulde even en toen gingen zij ook
op de vlucht. Nu ging de leeuw naar het koninklijk verblijf en klopte
tegen de deur met zijn staart. De koningsdochter kwam er toen uit,
en bijna verschrikte zij van den leeuw, maar zij herkende hem aan het
gouden slot van haar halsketting, en nam hem meê naar haar kamer en zij
sprak: »lieve leeuw, wat wilt ge?« En hij antwoordde: »mijn meester,
die den draak gedood heeft, is hier; ik moet vragen om den wijn, dien
de koning drinkt.« Zij liet den schenker komen, die moest den leeuw den
wijn geven, die de koning gewoon was te drinken. Maar de leeuw zeide:
»Ik zal meegaan, en toezien, dat ik de rechte krijg.« Hij ging met den
schenker naar de kelder, en beneden gekomen, wilde die hem van den
gewonen wijn aftappen, die door 's konings dienaren gedronken werd;
maar de leeuw zeide: »wacht een oogenblik, ik wil den wijn eerst
proeven,« en hij tapte zich een halve maat af en slokte hem in ééns
naar binnen. »Neen,« zeide hij, »dat is niet de rechte.« De schenker
keek hem schuin aan, en wilde hem toen uit een ander vat geven, dat
voor 's konings maarschalk bestemd was. »Wacht een oogenblik, ik wil
eerst den wijn proeven,« sprak de leeuw, en hij tapte zich een halve
maat af, en dronk het uit; »hij is beter, maar nog niet de rechte.«

Toen werd de schenker boos, en zei: »Wat kan nu zoo'n beest van
wijn afweten!« Maar de leeuw gaf hem toen een slag achter de ooren,
dat hij niet heel zacht op den grond kwam, en toen hij weer op zijn
beenen stond, bracht hij den leeuw zonder spreken, in een kleine
afgeschoten kelder, waar 's konings wijn lag, dien niemand anders
ooit te drinken kreeg. De leeuw tapte eerst een halve maat voor zich
af, en dronk: »dat kan de rechte zijn,« en hij liet den schenker
zes flesschen vullen. Zij gingen nu naar boven; maar toen de leeuw
buiten kwam, zwaaide hij heen en weer en was een beetje dronken,
en den schenker zeide hij, den wijn tot voor de deur te dragen;
dáár nam hij hem de mand af, en bracht die zijn meester. Toen zei
de jager: »zie je, heer waard, nu heb ik brood, vleesch, groente,
gebak en wijn, zooals de koning het gebruikt, en nu zal ik met mijn
dieren het middagmaal houden,« en hij ging zitten, en at en dronk,
en gaf den haas, den vos, den wolf, den beer, en den leeuw ook te
eten en te drinken; en hij was vroolijk, want hij begreep, dat de
prinses hem nog lief had. Toen de maaltijd gehouden was, sprak hij:
»heer waard, nu heb ik gegeten en gedronken, zooals de koning eet
en drinkt, nu zal ik ook aan het hof gaan en de prinses trouwen.« En
de waard zei: »hoe moet dat gaan, als zij al een bruidegom heeft en
het van daag haar trouwdag is?« Toen haalde de jager den zakdoek te
voorschijn, die de koningsdochter hem op den drakenberg gegeven had,
en waarin hij de zeven tongen van het monster bewaarde, en hij zeide:
»daarbij zal mij helpen wat ik hier in de hand heb.« De waard keek
naar den zakdoek: »al geloofde ik ook alles, dan geloof ik dàt toch
niet, ik verwed er huis en hof onder.« Maar de jager nam een buidel
met goudstukken, legde die op tafel en zei: »en dit houd ik er tegen.«

Aan de koninklijke tafel sprak de koning tot zijn dochter: »Wat
was dat, dat al die wilde dieren bij je kwamen, en in en uit gingen
in mijn slot?« Zij antwoordde toen: »ik mag het niet zeggen; maar
laat den meester van die dieren ontbieden, dan zult ge wèl doen.«
De koning zond een dienaar naar de herberg en liet den vreemdeling
uitnoodigen, en de dienaar kwam juist, toen de jager met den waard
gewed had. Toen sprak hij: »zie je, heer waard, nu zendt de koning
zijn dienaar om mij uit te noodigen, maar zóó ga ik nog niet.«
En tot den dienaar zeide hij: »ik laat den Heer koning verzoeken,
mij koninklijke kleederen te zenden, een koets met zes paarden en
dienaren om mij te bedienen.« Toen de koning dat antwoord hoorde,
sprak hij tot zijn dochter: »wat zal ik doen?« En zij antwoordde:
»laat hem halen zooals hij het verlangt, ge zult er wèl aan doen.«
Toen zond de koning vorstelijke kleeren, een koets met zes paarden,
en dienaars om hem te bedienen. Toen de jager hen zag komen zeide hij:
»zie je, heer waard, nu word ik afgehaald zooals ik het verlangd heb.«
Hij trok de koninklijke kleeren aan, nam den doek met de drakentongen,
en reed naar den koning. Toen de koning hem zag komen, zeide hij tot
zijn dochter: »hoe zal ik hem ontvangen?« En zij antwoordde: »ga hem
tegemoet, ge zult er wèl aan doen.« Toen ging de koning hem tegemoet,
en leidde hem naar boven, en zijne dieren volgden. De koning wees hem
een plaats aan tusschen zichzelf en zijn dochter. De maarschalk zat
aan den anderen kant als bruidegom, maar hij kende hem niet meer. Nu
werden juist de zeven drakenkoppen ten toon gesteld, en de koning
sprak: deze zeven koppen heeft de maarschalk den draak afgeslagen,
daarom geef ik hem heden mijn dochter ten huwelijk. Nu stond de jager
op, opende de zeven muilen, en vroeg: »waar zijn de zeven tongen van
den draak?« De maarschalk verschrikte; hij werd bleek en wist geen
antwoord; maar eindelijk zei hij in zijn angst: »draken hebben geen
tongen.» »Leugenaars moesten geen tongen hebben!« sprak de jager,
»maar de drakentongen zijn het waarteeken van den overwinnaar,» en toen
opende hij den doek, en alle zeven tongen lagen er in. Toen stak hij
in iederen muil de tong die er in hoorde, en zij pasten precies. En
daarna nam hij den doek, waarin de naamletters van de prinses gestikt
waren en toonde het de jonkvrouw; en hij vroeg haar, aan wien zij den
zakdoek gegeven had. »Aan hem, die den draak had gedood.« Toen riep hij
zijn dieren, nam ieder zijn halsband af, en den leeuw het gouden slot,
en toonde ze de jonkvrouw, en vroeg wie dat alles toebehoorde. En zij
antwoordde: »de halsketting en het gouden slot behoorden mij toe,
ik heb ze onder de dieren verdeeld, die den draak hielpen dooden.«
Toen sprak de jager: »Na den strijd, toen ik moe en afgemat was, en
rustte en sliep, kwam de maarschalk en heeft mij het hoofd afgehouwen,
en de koningsdochter heeft hij weggedragen en hij heeft voorgegeven,
dat hijzelf den draak gedood had. Dat hij gelogen heeft, bewijs ik met
de tongen, den doek en den halsketting.« En hij vertelde, hoe de dieren
hem met een wonderbaren wortel genezen hadden, en dat hij een jaar
lang met hen had rondgetrokken en eindelijk weer hier was aangekomen,
en dat het bedrog van den maarschalk hem door den waard was verteld
geworden. Toen vroeg de koning zijn dochter: »is het waar, dat deze
den draak gedood heeft?« En zij antwoordde: »ja, het is waar; nu kan ik
ook het schandelijk gedrag van den maarschalk openbaar maken, omdat het
zonder mijn toedoen aan het licht kwam; want hij heeft mij met dreigen,
tot zwijgen gedwongen. Daarom heb ik volgehouden dat eerst over een
jaar en een dag de bruiloft zou gehouden worden.« De koning liet nu
twaalf raadsheeren ontbieden, die moesten over den maarschalk richten,
en het vonnis werd gesproken, dat hij door vier paarden vanééngereten
zou worden. Zoo werd den maarschalk recht gedaan; maar de jager kreeg
's konings dochter tot vrouw, en hij werd tot stadhouder des konings
in het geheele rijk uitgeroepen. De bruiloft werd met groote vreugde
gevierd; en de jonge koning liet zijn vader en pleegvader halen en
overlaadde hen met schatten. Den waard vergat hij ook niet; hij liet
hem bij zich ontbieden en zeide: »ziet ge, heer waard, de prinses heb
ik getrouwd, en uw huis en hof zijn mijn.« Toen sprak de waard: »Ja,
dat zijn zij, naar recht en billijkheid.« Maar de jonge koning zeide:
»Maar het moet hier niet naar recht, maar naar genade gaan: uw huis
en hof kunt ge behouden, en de duizend goudstukken schenk ik u er bij.«

De jonge koning en de jonge koningin waren gelukkig en hadden het
goed. Hij trok dikwijls ter jacht, want dat was zijn groote vreugde,
en zijne dieren moesten hem begeleiden. Nu was er in de nabijheid een
bosch, daarvan heette het, dat het er niet recht pluis was, en wie er
in kwam, kwam er niet gemakkelijk weêr uit. De jonge koning had echter
groote lust in dat bosch te jagen, en hij liet den ouden koning niet
met rust, voor die het hem vergunde. Hij reed er toen met groot geleide
heen, en toen hij in het bosch kwam, zag hij een sneeuwwitte hertekoe,
en sprak toen tot zijn gevolg: »houdt hier halt tot ik terugkom,
want dat fraaie wild wil ik jagen.« En hij reed haar na, het bosch
in; zijne dieren volgden hem. Zijn geleide wachtte tot den avond maar
hij kwam niet terug. Toen reden zij naar huis en verhaalden de jonge
koningin hoe de koning in het betooverde bosch een witte hertekoe had
gevolgd en niet terug was gekomen. Toen was zij in groote zorg. Hij
was het schoone wild steeds nagegaan, en kon het niet inhalen; meende
hij, dat hij het onder schot had, dan was het op eens heel ver,
en eindelijk verdween het heel en al. Nu merkte hij, dat hij diep
midden in het bosch geraakt was, en nam zijn hoorn en blies; maar er
volgde geen antwoord, want zijn gevolg kon het niet hooren. En toen
nu ook de nacht kwam, begreep hij dat hij dezen dag niet meer thuis
zou komen. Hij steeg af, en maakte een vuur aan bij een boom: daar
wilde hij overnachten. Toen hij bij het vuur zat, en zijn dieren zich
naast hem gelegerd hadden, meende hij een menschelijke stem te hooren;
hij keek om, maar er was niets. Kort daarop hoorde hij weer steunen,
alsof het van boven kwam; hij keek toen in de hoogte, en daar zag hij
een oud wijf op den boom zitten, en zij jammerde aan één stuk door:
»hu-u-u! wat heb ik het koud!« Toen zeide hij: »wel, kom er dan af,
en warm je als je 't koud hebt.« »Neen,« zei ze, »je dieren bijten
mij.« En hij antwoordde: »Neen, zij doen je niets moedertje, kom
er maar af.« Maar zij was een heks en zeide: »ik zal een takje van
den boom af gooien; als je hen daarmeê op hun rug slaat doen zij mij
niets.« Zij gooide toen een tak naar beneden, en hij sloeg hen er meê:
dadelijk lagen zij stil en zij waren in steen veranderd. En toen de
heks nu veilig was voor de dieren, kwam zij naar beneden, en roerde
hem ook met een tak aan, toen werd hij ook steen. Toen lachte zij en
sleepte hem en de dieren in een kuil, waar meer zulke steenen lagen.

Toen de jonge koning maar niet terug kwam, namen de angst en onrust
van de koningin steeds toe. Nu gebeurde het, dat juist in dezen tijd,
de andere broeder, die bij de scheiding naar het oosten getrokken was,
in het koninkrijk kwam. Hij had een dienst gezocht, maar niet gevonden,
had heen en weer getrokken en zijn dieren laten dansen. Toen was het
hem ingevallen, eens naar het mes te kijken, dat zij bij de scheiding
in een boomstam hadden gestooten, om te weten hoe het met zijn broeder
stond. Toen hij daar kwam was de kant van zijn broêr half verroest en
half nog blank. Toen schrikte hij en dacht: »er moet mijn broeder een
groot ongeluk overkomen zijn; maar misschien kan ik hem nog redden,
want de helft van het mes is nog blank,« en hij trok met zijn dieren
naar het westen. Toen hij de stadspoort binnenging, presenteerde de
wacht het geweer, en vroeg of zij hem bij de koningin zouden aanmelden;
want de jonge koningin was al sedert een paar dagen in grooten angst
over zijn uitblijven, en zij meende, dat hij in het betooverde bosch
was omgekomen. De wacht dacht niet anders of het was de jonge koning
zelf, zoo geleek hij hem, en hij had ook de wilde dieren achter zich
aan loopen. Hij bemerkte toen, dat er van zijn broêr gesproken werd en
dacht: »het zal het beste zijn, dat ik mij maar houd of het zoo is,
dan kan ik hem misschien nog gemakkelijker redden.« Hij liet zich nu
door de wacht naar het slot geleiden en werd er met groote vreugde
ontvangen. De jonge koningin meende niet anders dan dat hij haar
echtgenoot was. Hij vertelde haar, dat hij in het bosch verdwaald was
geweest en er niet eerder weer uit had kunnen komen. Des avonds werd
hij naar het koninklijke bed geleid, maar hij legde een tweesnijdend
zwaard tusschen zich en de jonge koningin. Zij begreep niet wat dat
beduiden moest, maar heeft het niet durven vragen. Hij bleef een paar
dagen, en in dien tijd kwam hij alles te weten, wat betrekking had op
het betooverde bosch, en eindelijk zei hij: »ik moet daar toch nog
eens jagen.« De koning en de jonge koningin wilden het hem uit zijn
hoofd praten, maar hij stond er op, en trok met een groot gevolg er
op uit. Toen hij in het bosch kwam, zag hij even als zijn broeder een
witte hertekoe en hij sprak tot zijn gevolg: »houdt hier halt tot ik
terug kom, dat fraaie wild wil ik jagen,« en hij reed verder het bosch
in; zijne dieren volgden hem. Nu ging het hem even als zijn broeder:
het hert kan hij niet inhalen, en hij raakte zóó diep in het bosch,
dat hij er overnachten moest. En toen hij een vuur had aangemaakt,
hoorde hij boven zich steunen: »hu-u-u! wat heb ik het koud!«

Toen keek hij naar boven en zag dezelfde heks boven in den boom en hij
riep: »als je 't koud hebt moedertje, kom dan naar beneden en warm je.«
»Neen,« riep zij, »je dieren bijten mij.« Maar hij antwoordde: »zij
doen je niets.« Toen riep zij: »ik zal een tak naar beneden gooien,
als je ze daarmee slaat, bijten zij niet.« Toen de jager dat hoorde
vertrouwde hij de oude niet, en zei: »mijne dieren sla ik niet, kom
naar beneden, of ik haal je.« Toen riep zij: »wat denk je wel, je doet
mij toch niets!« En hij antwoordde: »als je niet komt, schiet ik je er
uit.« En zij: »schiet maar toe, ik maal niet om je kogels.« Hij legde
toen aan en schoot, maar de heks was voor looden kogels onkwetsbaar,
en gilde van 't lachen en ze riep: »je kunt mij toch niet treffen!«
Maar de jager wist raad: hij trok drie zilveren knoopen van zijn jas en
laadde daarmee het geweer, want daartegen vermocht haar kunst niets,
en toen hij losdrukte viel zij akelig schreeuwend uit den boom. Toen
zette hij zijn voet boven op haar en zei: »oude heks, als je niet
dadelijk zegt waar mijn broêr is, dan pak ik je op, en gooi je in het
vuur.« Zij was in groote angst en smeekte om genade en zeide: »hij
ligt met zijn dieren versteend in een kuil.« Toen dwong hij haar meê
te gaan, »oude meerkat, nu maak je mijn broer en alle schepsels die
hier liggen, weêr levend, of je komt in 't vuur.« Zij nam een stok,
en roerde de steenen aan; toen werden zijn broeder en de dieren weer
levend en ook vele anderen, kooplieden, handwerkers, herders, stonden
op, bedankten hem voor hun verlossing en trokken huiswaarts. Maar
de tweelingbroeders kusten elkander, toen zij elkaâr terug zagen,
en verheugden zich van ganscher harte. Toen grepen zij de heks,
bonden haar, en legden haar in 't vuur, en toen zij verbrand was,
opende zich het bosch van zelf, het werd er licht en zonnig en het
koninklijk slot kon men op drie uur afstand zien.

Nu gingen de twee broeders te zamen naar huis en vertelden elkander
onderweg hun lotgevallen. En toen de jongste zei dat hij 's konings
plaats vervulde in het heele land, zei de andere: »dat heb ik wel
gedacht, want toen ik in de stad kwam, en voor jou werd aangezien,
geschiedde mij alle koninklijke eer; de jonge koningin hield mij voor
haar gemaal, en ik moest aan hare zijde eten en in je bed slapen.«
Toen de andere dat hoorde werd hij zoo jaloersch en toornig dat hij
zijn zwaard trok, en zijn broer het hoofd afsloeg. Maar toen hij
nu dood lag en het roode bloed vloede, werd zijn berouw geweldig en
hij sprak: »Mijn broeder heeft mij verlost, en daarvoor heb ik hem
gedood!« en hij jammerde luid. Toen kwam zijn haas en zeide, dat hij
den levenswortel zou halen, en sprong weg en kwam nog te rechter tijd,
en de doode werd weer levend, en bemerkte niet eens de wond.

Toen trokken zij verder, en de jongste sprak: »ge ziet er uit als
ik: ge draagt als ik koninklijke kleeren, en de dieren volgen u als
mij. Wij zullen de tegen-overgestelde poorten binnengaan, en van
verschillende kanten bij den ouden koning aankomen.« Toen gingen
zij van elkaar; en bij den ouden koning kwam tegelijk de wacht
van de eene en van de andere poort, en meldde dat de jonge koning
met zijn dieren van de jacht teruggekeerd was. Toen zei de koning:
»dat is niet mogelijk: de poorten liggen een uur van elkaar.« Juist
kwamen de twee broeders van twee kanten het slotplein oprijden en
stegen beiden de trappen op. Toen sprak de koning tot zijn dochter;
»Zeg nu, welke is je echtgenoot? De eene ziet er uit als de andere;
ik kan het niet zeggen.« Toen was zij in grooten angst, want zij wist
het niet, maar daar dacht zij opeens aan den halsketting, dien zij
de dieren gegeven had, en aan den leeuw van haar echtgenoot zag zij
het gouden slootje; toen sprak zij vergenoegd: »deze is mijn echte
man!« Toen lachte de jonge koning en zei: »ja, het is de rechte,«
en ze zetten zich allen te zamen aan tafel, en aten en dronken en
waren vroolijk. 's Avonds toen de jonge koning naar bed ging, zeide
zijn vrouw: »waarom heb je de vorige nachten altijd een tweesnijdend
zwaard in het bed gelegd? Ik heb gedacht, dat je mij wilde doodsteken.«
Nu begreep hij, hoe trouw zijn broeder hem geweest was.



LXI.

HET BOERKE.


Er was een dorp, daar woonden enkel rijke boeren, en maar één arme:
dien noemden zij het »boerke«. Hij bezat niet eens een koe, en nog
minder geld om er een te koopen; en hij en zijn vrouw hadden er toch
zoo graag een gehad. Maar eens zei hij tegen zijn vrouw: hoor eens, ik
heb daar een goeden inval; wij hebben toch onzen neef de schrijnwerker,
die moet ons eens een kalf van hout maken, en het bruin schilderen,
dat het er als een gewoon kalf uitziet; het zal mettertijd wel groot
worden, dan is het een koe. Dat beviel de vrouw ook wel, en neef
de schrijnwerker timmerde en schaafde het kalf, en schilderde het
naar den aard, en hij maakte het zoo, dat de kop naar beneden hing,
alsof het vrat.

Toen den volgenden morgen de koeien naar buiten gingen, riep het boerke
den herder binnen, en zei: »kijk, hier heb ik een kalfje, maar het
is nog klein en moet gedragen worden.« »Goed,« zei de herder, en hij
nam het op zijn arm en droeg het naar de wei; daar zette hij het neer
op het gras. Het kalfje bleef daar al maar staan, of het graasde, en
de herder zei: »dat zal gauw kunnen loopen, kijk het al eens vreten.«
's Avonds toen hij de kudde weer naar huis zou drijven, sprak hij tot
het kalf: »kun je daar staan en je genoegen eten, dan kun je ook op je
vier pooten loopen, ik sleep je niet weer op mijn arm mee!« Maar het
boerke stond voor de huisdeur en wachtte op zijn kalfje; en toen nu de
herder door het dorp kwam, en het kalfje er niet bij was, vroeg hij er
naar. De herder antwoordde: »dat staat nog altijd buiten te vreten, het
wou niet ophouden en ook niet meegaan.« Maar boerke zei: »neen hoor,
ik moet mijn beest terug hebben!« Zij gingen toen samen naar de wei
terug; maar iemand had het kalf gestolen, het was weg. »Het zal wel
ergens heen geloopen zijn,« zei de herder. »Oele!« zei het boerke,
en bracht den herder voor den schout, en die veroordeelde den herder
om voor zijn onachtzaamheid het boerke een koe te vergoeden voor het
verloren kalf.

Nu hadden boerke en zijn vrouw de lang gewenschte koe; zij waren
machtig verheugd er mee; maar zij hadden geen voêr; zij konden haar
niets te eten geven, en zoo moest ze al dadelijk weer geslacht
worden. Ze pekelden het vleesch, en boerke ging naar de stad om
daar de huid te verkoopen, en voor het geld een nieuw kalfje te
bestellen. Onderweg moest hij langs een molen; daar zat een raaf met
lamme vleugels; boerke nam hem uit medelijden op en wikkelde hem in
de huid. Maar het was zulk boos weer, storm en regen, dat hij niet
verder kon, en hij ging den molen binnen en vroeg of hij er schuilen
mocht. De molenaarsvrouw was alléén thuis en zei tot het boerke:
»ga daar maar op het stroo liggen,« en ze gaf hem een boterham met
kaas. Het boerke at en ging toen liggen en de vrouw dacht: »die is
moe en slaapt.« Nu kwam de pastoor binnen en de vrouw ontving hem
vriendelijk en zei: »mijn man is uit, nu gaan wij smullen!« Boerke
had het gehoord, en bij »smullen« dacht hij aan de boterham met kaas,
die voor hem goed genoeg was geweest, en dat ergerde hem. De vrouw
droeg nu op, vierderlei gebraad, sla, gebak en wijn.

Toen zij gezeten waren, en 't eten zou beginnen, klopte men buiten
aan de deur.

»O, jeè, dat is mijn man!« zei de vrouw. En vlug ging het gebraad in
de kachel, de wijn onder het hoofdkussen, de sla op het bed, het gebak
onder het bed en de pastoor in de kast op den deel. Daarna maakte
zij den man de deur open en sprak: »gelukkig, dat je weer thuis bent!«

De molenaar zag boerke op het stroo liggen, en vroeg: »wat moet
die kerel daar?« »Och,« zei de vrouw, »de arme stakker kwam in dat
hondenweer en vroeg om nachtverblijf, toen heb ik hem een boterham
met kaas gegeven, en het stroo om op te liggen.« Toen zei de man:
»ik heb er niets tegen, maar geef mij maar gauw wat te eten!«

De vrouw antwoordde: »ik heb alleen maar kaas en brood.« »Wat mij
betreft, dan maar kaas en brood,« zei de man, »als 't maar eten is,«
en hij riep naar het boerke: »kom, eet nog maar eens mee!« Dat liet
boerke zich geen tweemaal zeggen, en hij stond op en at mee. »Wat
heb je daar bij je in de huid?« vroeg de molenaar. »O,« zei boerke,
»daar heb ik een waarzegger in.« »Kan hij mij ook waarzeggen?«
vroeg de molenaar. »Waarom niet,« zei het boerke, »maar hij zegt
maar vier dingen, en het vijfde houdt hij voor zich.« De molenaar
was nieuwsgierig, en zei: »laat hem eens waarzeggen.»

Toen drukte het boerke den raaf op zijn kop, dat hij kwakte en
»kerr, kerr,« zei. »Wat heeft hij gezegd?« vroeg de molenaar. »Ten
eerste heeft hij gezegd dat er wijn onder het hoofdkussen ligt.«
»Wat, koekoek!« zei de molenaar, en hij ging en vond den wijn. »Nu
verder,« zei de molenaar. Het boerke liet den raaf weer krassen en
zei: »ten tweede, zegt hij, dat er gebraad in de kachel staat.« »Wat
koekoek!« zei de molenaar, en hij ging en vond het gebraad. Boerke
liet de raaf nog meer waarzeggen, en zei: »ten derde, zegt hij, dat
er sla in het bed is.« »Wat koekoek!« zei de molenaar en hij vond de
sla. Eindelijk drukte boerke den raaf nog éénmaal dat hij kraste, en
zei toen: »en ten vierde, is er gebak onder het bed.« »Wat koekoek!«
riep de molenaar, en hij ging en vond het gebak.

Nu zetten de twee zich samen aan tafel, maar de molenaarsvrouw bekroop
de doodsangst, zij ging in bed liggen en nam alle sleutels bij zich. De
molenaar woû wel graâg het vijfde ook weten maar boerke zei: »eerst
moeten wij deze vier dingen rustig opeten, want het vijfde is iets
heel ergs.« Zij aten dus, en terwijl werd er gehandeld, hoe veel
de molenaar voor de vijfde waarzegging zou geven; voor driehonderd
rijksdaalders werden zij het eens. Toen drukte het boerke den raaf
nog eens op zijn kop, dat het hard kwakte. »Wat heeft hij gezegd?«
vroeg de molenaar. Het boerke antwoordde: »hij heeft gezegd: »»op
den deel in de kast, daar zit de duivel!«« Toen zei de molenaar:
»de duivel moet er uit!« en hij sloot de huisdeur open. De vrouw
moest de sleutels geven, en boerke maakte de kast open. Toen liep
de pastoor zoo gauw hij kon er uit, en de molenaar zei: »ik heb den
zwarten kerel gezien.« Maar den volgenden morgen in de schemering
pakte boerke zich met zijn driehonderd rijksdaalders gauw weg.

Boerke ging het nu goed, hij werd een rijk man en de boeren zeiden:
»boerke is zeker geweest, waar de gouden sneeuw valt, en men het geld
in schepels thuis brengt.« Toen werd boerke voor den schout geroepen;
nu moest hij zeggen waar al die rijkdom van daan kwam. Hij antwoordde:
»ik heb mijn koeienhuid voor driehonderd rijksdaalders in de stad
verkocht.« Toen de boeren dat hoorden, wilden zij dat voordeeltje ook
hebben; zij sloegen allemaal hun koeien dood, en trokken hen de huid
af, om ze in de stad met groote winst te verkoopen. »Mijn meid moet
het eerst gaan,« zei de schout. Toen zij bij den koopman in de stad
kwam, gaf die haar niet meer dan twee rijksdaalders voor een huid,
en de anderen gaf hij niet eens zooveel, »wat moest hij met al die
huiden doen,« zei hij. Nu waren de boeren kwaad, dat het boerke hen
er zoo tusschen had genomen, en zij wilden wraak nemen, en klaagden
hem bij den schout aan wegens bedrog. Het onschuldig boerke werd nu
ter dood veroordeeld; hij zou in een doorboord vat, in het water
gerold worden. Boerke werd weggebracht en er kwam een geestelijke
om een mis voor zijn ziel te lezen. Al de anderen moesten zich nu
verwijderen. Toen boerke nu den geestelijke aankeek, zag hij, dat het
de pastoor van de molenaarsvrouw was. »Ik heb je uit de kast bevrijd,«
zei hij toen, »bevrijd mij nu uit het vat.« Er kwam juist een herder
met een kudde schapen voorbij; boerke wist van hem, dat hij erg graâg
schout zou zijn, en hij riep luid: »Neen, ik doe het niet, en al zou
de heele wereld het willen, ik doe het niet!« De schaapherder hoorde
het en kwam er bij en vroeg: »Wat meen je? wat wil je niet?«

»Ze willen mij schout maken, als ik in dat vat kruip,« zei boerke,
»maar ik doe het niet.« De schaapherder zei: »anders niet? om schout
te worden, wil ik wel in dat vat gaan zitten.« »Als je er in gaat
zitten,« zei boerke, »wordt je ook schout.« De herder vond het goed,
en kroop er in en boerke sloeg het deksel goed dicht en dreef toen
de kudde schapen zelf verder. Nu ging de pastoor tot de gemeente en
zei, dat de mis gelezen was. Zij kwamen, en rolden het vat naar het
water. Toen het vat begon te rollen, riep de herder: »ik wil graâg
schout worden!« en zij dachten, dat het 't boerke was en riepen terug:
»Best hoor, maar eerst moet je daar beneden eens rondkijken!« en zij
rolden het vat in het water.

De boeren gingen toen naar huis, en in het dorp zagen zij boerke,
die heel bedaard een kudde schapen voor zich uitdreef en een erg
tevreden gezicht zette. Toen stonden de boeren te kijken: »boerke,«
zeiden ze, »waar kom je van daan, kom je uit het water?« »Zeker,«
zei boerke, »ik ben gezonken, diep, diep, tot ik eindelijk op den
grond kwam; ik trapte den bodem uit het vat, en kroop er uit: ik
zag mooie weilanden waar veel schapen weidden; deze kudde heb ik er
van meêgebracht.« »Zijn er nog meer?« vroegen de boeren. »O, ja,« zei
boerke, »meer dan je gebruiken kunt.« Toen bespraken de boeren, dat zij
ook schapen zouden gaan halen, ieder een kudde; maar de schout zei:
»ik ga eerst!« Zij gingen nu allemaal samen naar het water, en juist
stonden er aan de blauwe lucht van die kleine vlokjeswolken, die men
schaapjes noemt. Zij spiegelden zich in het water, en toen riepen de
boeren: »wij zien de schapen al onder in het water!« De schout drong
naar voren en zei: »ik moet er eerst in, en eens rondkijken; als het
waar is zal ik jelui roepen.« Hij sprong er in: »plomp!« zei het in
het water. »Kom!« dachten ze, dat hij riep, en de heele bende sprong
met een vaart achter hem aan. Toen was het heele dorp uitgestorven,
en boerke was de eenige erfgenaam, en een rijk man.



LXII.

DE BIJENKONINGIN.


Twee prinsen gingen op avontuur uit; maar zij geraakten in een woest
en losbandig leven, zoodat zij in 't geheel niet meer thuis kwamen. De
jongste, die Dommertje genoemd werd, trok uit om zijn broêrs te zoeken;
maar toen hij hen vond, bespotten zij hem, dat hij zoo onnoozel als hij
was, zijn weg door de wereld wilde vinden; zij waren zóóveel slimmer en
zij konden het niet eens. Te zamen trokken zij toen verder en kwamen
aan een mierenhoop. De twee oudsten wilden die door elkaar woelen,
om te zien hoe de mieren in hun angst zouden rondscharrelen en hunne
eieren wegdragen; maar Dommertje zei: »laat de diertjes met rust en
stoor ze niet; ik verdraag het niet, als je ze kwaad doet!« Toen gingen
ze verder en ze kwamen aan een meer; daarop zwommen vele eenden. De
twee broeders wilden er een paar vangen en braden; maar Dommertje zei
weêr: »laat de dieren met rust: ik verdraag het niet, als je ze doodt.«
Eindelijk vonden zij een bijennest; er was zooveel honing in, dat het
langs den stam naar beneden liep. De twee oudsten wilden vuur onder
den boom aanleggen, en de bijen doen stikken, zoodat zij de honing
konden wegnemen. Maar Dommertje hield hen er weêr van af en sprak:
»laat die dieren met rust, ik verdraag het niet als je ze verbrandt.«

Toen kwamen de drie broêrs aan een slot: daar stonden in de stallen
enkel steenen paarden; maar er was geen mensch te zien, en zij gingen
door alle zalen. Aan het eind kwamen zij voor een deur, waaraan
drie sloten hingen; midden in de deur was een luikje, daardoor kon
men in de kamer zien. Zij zagen een oud mannetje aan de tafel zitten
en riepen hem aan, éénmaal, tweemaal, maar hij hoorde hen niet. Toen
riepen zij voor de derde maal, hij stond op, en kwam er uit. Hij sprak
geen woord, maar hij vatte hen aan en leidde hen naar een rijkbezette
tafel. Toen zij gegeten en gedronken hadden bracht hij hen ieder in
een afzonderlijk slaapvertrek. Den volgenden morgen kwam hij bij den
oudste, wenkte hem en bracht hem naar een steenen zerk; daarop stonden
de drie opgaven geschreven, waardoor het slot verlost kon worden.

De eerste was deze: in het woud onder het mos, lagen de paarlen van
de koningin, duizend in getal; die moesten opgezocht worden; maar
als er met zonsondergang ook maar een enkele ontbrak, werd hij, die
gezocht had, tot steen. De oudste ging, en zocht den geheelen dag;
maar toen de dag ten einde was, had hij er pas honderd gevonden, en
er gebeurde wat op de zerk stond: hij werd in steen veranderd. Den
volgenden dag ondernam de tweede broeder het avontuur; het ging hem
niet veel beter dan den oudste: hij vond maar tweehonderd paarlen en
werd eveneens tot steen. Eindelijk kwam ook aan Dommertje de beurt;
hij zocht in het mos; maar het was zoo moeilijk de paarlen te vinden en
het ging zoo langzaam. Toen zette hij zich op een steen, en schreide.

Terwijl hij nu zoo zat, kwam de mierenkoning, dien hij eens het leven
gered had, met vijfduizend mieren, en heel gauw hadden de diertjes
de paarlen gevonden en op een hoop gebracht. De tweede opgaaf was:
de sleutel van de slaapkamer der prinses uit het meer te halen. Toen
Dommertje bij het meer was, kwamen de eenden aangezwommen, die hij eens
gered had; zij doken onder, en haalden den sleutel uit de diepte. De
derde opgaaf was de moeilijkste: uit drie slapende prinsesjes moest de
jongste en liefste gekozen worden. Zij geleken elkander sprekend, en
waren alleen te onderscheiden omdat zij vóór het inslapen verschillende
zoetigheden gegeten hadden: de oudste een stukje suiker, de tweede
een beetje stroop, en de jongste een lepel honing. Daar kwam de
bijenkoningin, die de jongste van de broeders gered had van het vuur,
en zette zich op den mond van alle drie de jonkvrouwen; maar zij bleef
zitten op degene, die de honing gegeten had, en zoo herkende de prins
de rechte. Nu was alle betoovering verbroken, en allen uit de slaap
verlost; en wie steen was, kreeg weder zijn menschelijke gedaante. En
Dommertje nam de jongste en liefste tot vrouw en werd koning na haar
vader's dood. Zijne twee broeders trouwden met de oudste zusters.



LXIII.

DE DRIE VEEREN.


Er was eens een koning, die drie zonen had. De twee oudsten waren knap
en slim; maar de jongste zei niet veel en was een beetje onnoozel:
hij werd Dommerik genoemd. Toen de koning nu oud werd en aan zijn
einde ging denken, wist hij niet, wien van zijn zonen hij het rijk
zou laten erven. Toen sprak hij tot hen: »Gaat alle drie er op uit,
en die mij het mooiste tapijt mee terugbrengt, zal na mijn dood
koning zijn.« En opdat er geen oneenigheid tusschen hen mocht komen,
nam hij ze mede tot voor het slot; daar blies hij drie veertjes in
de lucht, en hij sprak: »zoo als die vliegen moet gij heentrekken.«
Het eene veertje vloog naar het oosten, het andere naar het westen,
en het derde recht vooruit; maar het vloog niet zoo ver als de anderen
en het viel op den grond. Nu ging de eene broeder rechts, de andere
ging links; en zij hebben Dommerik uitgelachen, die bij zijn derde
veer op den grond moest blijven zitten.

Dommerik zette zich neêr en was treurig. Daar bemerkte hij op eens,
naast het veêrtje, een deur in den grond. Die heeft hij geopend, en
vond een trap, die hij afging. Toen kwam hij voor een andere deur;
daar klopte hij aan; en van binnen werd toen geroepen:


    »Jonkvrouw, teêr en kleen,
    Hutselbeen,
    Hutselbeen's hondje,
    Hutsel hier en hutsel daar
    Ga eens zien, wie klopt daar.«


De deur ging open, en hij zag een groote dikke pad zitten en daar
omheen een heelen kring van kleine padjes. De dikke pad vroeg hem wat
hij wenschte. Hij antwoordde: »Ik zou graag het mooiste en fijnste
tapijt hebben.« Toen riep de oude pad een jonkie en zeî:


    »Jonkvrouw teêr en kleen,
    Hutselbeen,
    Hutselbeen's hondje,
    Hutsel hier en Hutsel daar,
    Geef de groote doos maar.«


De jonge pad haalde de doos, en de dikke maakte de doos open, en ze
gaf er Dommerik een tapijt uit, zoo fraai en fijn als er boven op de
aarde geen kon geweven worden. Hij dankte en ging weêr weg.

De twee anderen hadden den jongsten voor zóó onnoozel gehouden, dat
zij meenden, dat hij nooit tegen hen op zou kunnen. »Wat zullen wij
de moeite doen lang te zoeken!« zeiden zij; en de eerste de beste
herdersvrouw, die zij tegen kwamen namen zij haar grove doek af, en
namen die meê naar den koning. Dommerik kwam ook met zijn prachtig
tapijt, en toen de koning dat zag stond hij verbaasd en zeide: »het
rijk is voor den jongsten.« Maar de twee anderen lieten den koning
niet met rust; zij zeiden, het was niet mogelijk, dat Dommerik koning
zou worden, en zij vroegen hem nog een voorwaarde te stellen. Toen
zeide de vader: »hij zal het rijk erven, die mij den fraaisten ring
brengt.« Toen nam hij zijne drie zonen meê naar buiten, en blies drie
veêren in de lucht, die zij achterna zouden gaan. De twee oudsten
trokken weêr naar het oosten en westen, en Dommerik's veêr vloog
rechtuit, en viel weer naast de deur neêr, die in de aarde was. Hij
ging toen weêr de trap af naar de dikke pad en vertelde haar, dat
hij den mooisten ring moest hebben. Zij liet haar groote doos halen,
en gaf hem daaruit een ring, zóó mooi als geen goudsmid op aarde er
een maken kon. Maar de twee oudsten hadden Dommerik uitgelachen, dat
hij een ring woû zoeken, en zij gaven zich niet de minste moeite;
maar zij sloegen de spijkers uit den eersten den besten wielband,
en brachten dien aan den koning. Toen die Dommerik's mooien ring zag,
zei hij: »Hem behoort het rijk.« Nu kwelden weêr de twee oudsten den
koning zóó lang tot hij nog eén derde voorwaarde stelde, dat het rijk
nu gegeven worde aan hem, die de schoonste vrouw thuis bracht. Hij
blies weêr drie veêren in de lucht, en zij vlogen gelijk de vorigen.

Toen ging Dommerik ten derden male naar de dikke pad en zei: »ik
moet de schoonste vrouw thuis brengen.« »Zoo,« zei de dikke pad, »de
schoonste vrouw? je zult haar hebben.« En zij gaf hem een gele raap
met zes muisjes bespannen. Maar Dommerik zei treurig: »wat moet ik daar
nu meê doen?« »Zet er maar een van de kleine padjes in,« zei de dikke
toen. Hij greep er op goed geluk een uit den kring, en zette die op
de gele raap; maar nauwelijks had zij de raap aangeraakt of zij werd
een wonderschoone jonkvrouw, de raap werd een koets, en de zes muisjes
werden paarden. Toen stapten zij in de koets en hij kuste haar, en zij
reden naar den koning. Zijn broeders kwamen ook; zij hadden Dommerik
zóó zeer veracht, dat zij de eerste de beste boerin maar meê naar huis
hadden genomen. En de koning sprak: »voor den jongsten is het rijk na
mijn dood.« Maar de twee oudsten maakten oproer, zij konden het niet
goedkeuren, zeiden zij. En zij verlangden, dat de geen wiens vrouw
door een ring, die midden in de zaal hing, zou kunnen springen, de
voorkeur zou hebben. »Want,« dachten zij, »die boerinnen kunnen dat
wel, die zijn sterk; maar dat fijne juffertje springt zich dood.«
Eindelijk liet de koning zich overhalen. Eerst sprongen de twee
boerenmeiden; zij kwamen er door; maar zij waren zóó plomp, dat zij
vielen en armen en beenen braken. Toen sprong de schoone jonkvrouw,
die Dommerik had meêgebracht, en zij sprong heel luchtig door den
ring en won het rijk voor hem. En toen de koning stierf heeft hij de
kroon mogen dragen, en heeft lang met wijsheid het rijk bestuurd.



LXIV.

DE GOUDEN GANS.


Er was eens een man, die had drie zonen, de jongste heette Domoor,
en hij werd veracht en bespot, en altijd achtergezet bij anderen. Eens
zou de oudste het bosch ingaan om hout te halen; vóór hij ging gaf zijn
moeder hem een kostelijke eierkoek mee, en een flesch wijn, dat hij
geen honger en dorst zou lijden. In het bosch ontmoette hij een oud,
grijs mannetje: »goeden dag,« zei het, »geef mij toch een stuk van
je koek en laat mij een slok van je wijn drinken, ik heb zoo'n dorst
en honger.» Maar de slimme jongen zei: »als ik jou van mijn eierkoek
en van mijn wijn geef, dan heb ik zelfs niets; maak maar gauw, dat
je wegkomt!« en hij liet het mannetje staan, en liep door. Toen hij
nu begon een boom om te hakken, heeft hij al heel gauw mis geslagen,
en de bijl drong in zijn arm. Toen moest hij naar huis om zich te
laten verbinden. Maar dat kwam van het grijze mannetje.

Nu ging de tweede zoon het bosch in, en de moeder gaf hem, even
als den oudsten, een eierkoek en een flesch wijn. Hem kwam ook het
oude, grijze mannetje tegen, en vroeg om een stuk koek en een slokje
wijn. Maar de tweede zoon zei ook heel verstandig: »wat ik jou geef,
dat heb ik zelf niet, maak dat je weg komt!« en hij liet het mannetje
staan, en ging verder. De straf bleef niet uit: toen hij een paar
slagen met de bijl gedaan had, hakte hij zich in zijn been en moest
naar huis gedragen worden. Toen zei Domoor: »vader, laat mij ook
eens hout gaan hakken.» Maar de vader antwoordde: »Dat hoef jij
niet te beginnen, je broêrs hebben het er niet eens goed afgebracht,
blijf jij nu maar stil thuis.« Maar Domoor hield niet op te bedelen,
dat hij hem zou laten gaan, en eindelijk zei de vader: »Ga dan maar;
door schade en schande moet je wijs worden.« De moeder gaf hem een
koek meê, die met water en in de asch gebakken was, en daarbij een
flesch zuur bier. In het bosch was weêr het oude mannetje; het groette
hem en zei: »geef mij een stuk van je koek en een slok uit je flesch,
ik heb zoo'n dorst en honger.« Toen antwoordde Domoor: »ik heb maar
een aschkoek en zuur bier, als je dat hebben wilt, kom dan maar bij
mij zitten, dan gaan wij eten en drinken.« En zij zijn gaan zitten
en hebben gegeten en gedronken, en daarna zei het mannetje: »omdat
je zoo'n goed hart hebt, en graag van het jouwe wat meedeelt, zal ik
je geluk geven. Daar staat een oude boom, hak dien om, dan zul je in
de wortels iets vinden.« Toen nam het mannetje afscheid. Domoor hakte
den boom om, en toen hij gevallen was, zat er tusschen de wortels een
gans, en die gans had veêren van het zuiverste goud. Hij pakte de gans
op, en ging een herberg binnen waar hij overnachten wilde. Nu had de
waard drie dochters; zij waren nieuwsgierig toen zij de gans zagen;
zij wilden weten wat het voor een wonderlijke vogel was, en zij wilden
ook graag een van zijn veêren hebben. En de oudste dacht: »ik zal en
moet een gouden veer hebben,« zij wachtte tot Domoor uitgegaan was,
en toen pakte zij de gans bij een vleugel; maar haar hand en vingers
bleven er aan vastkleven. Kort daarop kwam de tweede dochter, en die
had ook geen rust of zij moest een gouden veêr hebben; maar nauwelijks
had zij haar zuster aangeraakt of haar hand bleef vastzitten. Eindelijk
kwam ook de derde om een veêr; toen riepen de twee anderen: »blijf
weg, blijf toch in godsnaam weg!« maar zij begreep niet, waarom zij
weg zou blijven en zij dacht: »als zij er bij zijn kan ik er ook bij,«
en toen sprong zij er heên. Maar toen zij haar zuster had aangeraakt,
zat zij ook vast. En zoo moesten zij dien nacht bij de gans blijven.

Den volgenden morgen pakte Domoor zijn gans op, en ging er meê
weg, en om de meisjes, die er aanhingen bekreunde hij zich in het
minst niet. Zij moesten maar meêloopen, links en rechts, zooals het
uitkwam. Midden op den landweg kwam hen de dominee tegen, en toen
hij het spektakel zag, riep hij: »schaamt je toch, jelui onkuische
meisjes, met een jongen knaap zoo door het veld te loopen, past je
dat?« En hij nam de jongste bij de hand, en wilde haar wegtrekken,
maar toen hij haar aanraakte bleef hij ook kleven, en moest zelf
meêloopen. Niet lang daarna kwam de koster, en zag hoe de dominee
drie jonge meisjes vlak achteraan liep. Dat verwonderde hem en hij
riep: »wel, dominee, waar gaat dàt naar toe? denk er aan, dat er van
daag nog een kind gedoopt moet!« en hij liep op hem toe en trok hem
bij zijn mouw, maar toen zat hij ook vast. Toen die vijf zoo achter
elkaâr aan draafden, kwamen twee boeren met hun hakken van het land. De
dominee riep hen toe, of zij hem en den koster los wilden maken. Maar
nauwelijks hadden zij den koster aangeraakt, of zij bleven vastzitten
en nu waren er zeven, die Domoor en zijn gans achterna liepen.

Hij kwam al gauw in een stad; daar regeerde een koning die had zóó'n
ernstige dochter, dat niemand haar kon laten lachen. Daarom had hij
een wet afgekondigd, dat hij, die haar aan het lachen kon brengen,
met haar zou mogen trouwen. Toen Domoor dat hoorde, ging hij met
de gans en toebehooren, naar de prinses, en toen die nu die zeven
menschen zoo al maar achter elkaâr aan zag loopen, begon zij hard
te lachen en kon niet meer bedaren. Toen verlangde Domoor haar
als zijn bruid; maar de koning had allerlei uitvluchten, en zei,
hij moest eerst een man brengen, die een heele kelder met wijn kon
uitdrinken. Domoor dacht aan het grijze mannetje, dat zou hem wel
kunnen helpen, en hij ging het bosch weêr in, en naar de plaats waar
hij den boom had geveld; dáár zag hij een man zitten, die trok een
allerdroevigst gezicht. Domoor vraagde wat hem toch zoo vreeselijk
aan zijn hart ging. »Ik heb zoo'n dorst,« antwoordde hij, »en ik kan
maar niet genoeg te drinken krijgen; een vat wijn heb ik leeg, maar
wat is een druppel op een gloeienden steen?« »Dan kan ik je helpen,«
zei Domoor, »ga maar meê, dan kun je je genoegen drinken.« Hij bracht
hem toen in 's koning's kelder, en de man viel op de groote vaten aan,
en dronk en dronk, tot hij geen adem meer had, en vóór den dag om was,
had hij de heele kelder leeggedronken. Nu verlangde Domoor zijn bruid
weêr; maar de koning ergerde zich, dat zoo'n gewone jongen, die door
iedereen Domoor genoemd werd, zijn dochter zou krijgen. Hij maakte weêr
nieuwe voorwaarden: Eerst zou hij een man zoeken, die een heelen berg
brood eten kon. Domoor ging weêr naar het bosch waar hij den boom had
omgehakt; op die plaats zat een man, die zich met een riem het lijf
samen snoerde en een verdrietig gezicht zette. »Ik heb een oven vol
brood gegeten, maar wat helpt dat, zoo'n honger als ik heb! Ik voel
altijd nog een leege maag, en ik moet mij insnoeren om niet van honger
te sterven.« Toen Domoor dat hoorde, had hij schik: »sta maar op en
ga mee, dan kun je je genoegen eten!« Hij bracht hem bij den koning;
die had al het meel uit het heele rijk laten aanvoeren, en er een
kolossalen berg van laten bakken. De man uit het bosch ging er vóór
staan, en begon te eten: in één dag was de heele berg verdwenen. Nu
eischte Domoor zijn bruid op; maar de koning zocht nog een uitvlucht:
hij verlangde een schip, dat te land en te water kon varen. Wist hij
dat te krijgen dan zou hij de koningsdochter mogen trouwen. Domoor
ging maar weêr naar het bosch; daar zat het oude mannetje, dat
hij zijn koek had gegeven en het zeide: »Ik heb voor je gedronken
en gegeten, ik zal je ook het schip geven; en dat doe ik allemaal,
omdat je zoo goed voor mij zijt geweest.« En hij gaf hem het schip,
dat te land en te water kon varen, en toen de koning dat zag, kon
hij hem zijn dochter niet langer onthouden. De bruiloft werd gevierd,
en Domoor leefde nog langen tijd heel vergenoegd met zijn vrouw.



LXV.

ALBONTJE.


Een koning had een vrouw met haren van louter goud, en zoo mooi was
zij, dat zij haar gelijke op aarde niet had. Maar zij werd ziek; en
toen zij voelde dat zij ging sterven, riep zij den koning en sprak:
»Als ge na mijn dood een vrouw wilt nemen moet het geen andere zijn
dan eene, die zoo mooi is als ik, en ook zulke gouden haren heeft.«
Toen de koning het beloofd had, sloot zij haar oogen en stierf.

Lang was de koning troosteloos, en hij dacht niet aan een andere
vrouw. Maar eindelijk sprak 's koning's raad: »het gaat niet anders,
de koning moet weêr trouwen, dat wij een koningin hebben.« En nu
werden boden uitgezonden heinde en ver, om een bruid te zoeken, die
zoo mooi was als de gestorven koningin. Maar in de geheele wereld
was er geen zoo mooi, en al was er een zoo mooi geweest, zulke gouden
haren waren toch niet meer te vinden. En de boden kwamen onverrichter
zake weêr thuis.

Maar de koning had een dochter, die was juist zoo mooi als hare moeder
geweest was, en zij had ook zulk gouden haar. Toen zij was opgegroeid
heeft de koning haar eens aangezien, en hij zag, dat zij geheel gelijk
was aan de gestorven koningin. Toen voelde hij opeens liefde voor haar,
en hij sprak tot zijn raad: »ik wil mijn dochter trouwen, want zij is
het evenbeeld van mijn gestorven vrouw en anders kan ik toch geen bruid
op aarde vinden.« Toen de raad dat hoorde, was er groote ontsteltenis
en zij spraken: »God heeft verboden, dat een vader zijn dochter trouwt,
en uit zonde kan geen goed voortkomen.« De dochter schrikte ook, en
zij hoopte haar vader's hart te doen keeren. Daarom zeide zij: »voor
ik uw wensch vervul, moet ik eerst drie kleedjes hebben: één gulden
als de zon, één zilver als de maan, en één glanzend als de sterren. Ook
verlang ik een mantel, van alle soorten van pelswerk en bont in elkaâr
gezet; ieder dier in uw rijk moet een stuk van zijn huid er voor
geven.« En zij dacht bij zichzelve: »dát is zeker niet te krijgen,
en mijn vader zal zijn plan moeten opgeven.« Maar de koning hield vol,
en de handigste vrouwen uit zijn rijk moesten de drie gewaden weven:
het ééne, gulden als de zon, het tweede, zilver als de maan, en het
derde glanzend als de sterren. En de jagers moesten alle dieren uit
het rijk opvangen, en een stuk van hun huid af nemen, en daaruit werd
een bonten mantel gemaakt. Toen alles klaar was, heeft de koning het
haar laten brengen en heeft gezegd: »morgen zal de bruiloft zijn.«

Toen nu de koningsdochter begreep, dat haar vader's gedachten niet te
keeren waren, is zij in den nacht opgestaan, terwijl alles sliep; en
van hare kostbaarheden nam zij drieërlei: een gouden ring, een gouden
spinnewieltje, en een gouden haspeltje. De drie kleedjes als zon,
maan en sterren, borg zij in een notenschaal, trok den bonten mantel
aan, en maakte haar gezicht en handen zwart, met roet. En zij heeft
God aangeroepen en is toen heêngegaan, zij liep den ganschen nacht,
tot zij in een groot bosch kwam. Zij was zoo moê, en toen zette zij
zich in een hollen boom en sliep in.

Zij sliep nog altijd, toen het al ver in den dag was. Nu gebeurde
het, dat de koning wien dit bosch behoorde, er in op jacht was, en
zijn honden kwamen bij den boom, en snuffelden, liepen er rondom en
blaften. Toen sprak de koning tot de jagers: »ga toch eens zien, wat
voor wild zich daar schuil houdt.« De jagers gingen en kwamen weêr
terug en zij spraken: »in den hollen boom ligt een wonderlijk dier;
wij kennen het niet, en hebben er nooit zoo een gezien. Zijn huid
heeft duizenderlei pels, het ligt te slapen.« Toen sprak de koning
weêr: »Probeer het levend te vangen, en bindt het vast op den wagen
en neemt het meê.« Toen de jagers het meisje aanpakten, ontwaakte zij
en zij was verschrikt, en riep: »ik ben een arm kind door vader en
moeder verlaten, heb medelijden en neem mij meê!« Toen zeiden zij:
»Albontje, je bent goed voor de keuken, ga maar meê dan kun je de
asch bijvegen.« En zij zetten haar op de wagen en brachten haar naar
het koninklijk slot. Daar wezen zij haar een hokje onder de trap,
waar geen daglicht binnen kwam, en zij zeiden: »pelsdiertje, daar
kun je wonen en slapen!« Toen zonden zij haar naar de keuken en zij
moest hout en water dragen, het vuur oppoken, de hoenders plukken,
de groenten schoonmaken, de asch vegen, en al het mindere werk doen.

Daar leefde Albontje een tijd heel ellendig. Ach, schoone
koningsdochter, wat moet er nog van u worden!--Eens gebeurde het, dat
er feest gevierd werd in het slot; toen zeide zij tot den kok: »mag
ik eens naar boven gaan en kijken? ik zal achter de deur gaan staan.«

»Ja, ga dan maar!« zei de kok, »maar binnen een half uur moet je terug
zijn, om de asch op te vegen.« Zij nam haar olielampje en ging naar
haar hokje, en zij trok den pelsmantel uit, en zij wiesch zich het roet
van haar gezicht en handen, dat haar schoonheid te voorschijn kwam,
niet anders dan de helle zon uit de zwarte wolken verschijnt. Toen
maakte zij de noot open, en haalde het kleed er uit dat gulden was als
de zon. En toen dat gebeurd was, ging zij op naar het feest, en allen
gingen haar uit den weg, want niemand kende haar, en zij meenden,
dat zij een koningsdochter was. Maar de koning kwam haar te gemoet,
en reikte haar de hand en hij danste met haar en daarbij dacht hij:
»Zulk een schoone vrouw hebben mijn oogen nog niet gezien.« En toen
de dans gedaan was, neigde zij, en was op eens verdwenen, niemand
wist waarheên. De wachten werden geroepen, die voor het slot stonden,
maar zij hadden niets gezien. Zij was echter naar haar hokje gegaan,
en had gauw haar kleed uitgetrokken, gezicht en handen zwart gemaakt,
en den pelsmantel omgedaan, en nu was zij weêr »Albontje.« Toen zij
nu in de keuken kwam en aan haar werk wilde gaan, en de asch opvegen,
zeî de kok »wacht daar maar meê tot morgen, en kook eerst de soep voor
den koning; ik wil ook eens boven gaan kijken. Maar laat geen haar in
de soep vallen, of ik geef je niet meer te eten.« De kok ging weg,
en Albontje kookte soep voor den koning, zij kookte een broodsoep
zoo goed zij kon, en toen zij die klaar had haalde zij uit haar
hokje den gouden ring en legde dien in den schotel, waarin de soep
was aangerecht. Toen de dans gedaan was, liet de koning zich de soep
brengen en at ze, en zij smaakte hem zóó goed, dat hij geloofde nooit
smakelijker soep gegeten te hebben. Maar toen hij op den bodem van het
bord kwam, zag hij daarop een gouden ring liggen, en kon niet begrijpen
hoe die in de soep gekomen was. Hij gaf bevel, dat de kok vóór hem zou
komen. De kok schrikte, en zei tegen Albontje: »je hebt zeker een haar
in de soep laten vallen; als dát waar is, krijg je slaag!« Toen hij
bij den koning kwam, vroeg die, wie de soep gekookt had. »Ik heb ze
gekookt,« antwoordde de kok. Maar de koning sprak: »dat is niet waar,
want ze was anders en beter gekookt dan gewoonlijk.« Toen zei de kok:
»ik moet bekennen dat ik ze niet gekookt heb, maar het pelsdiertje.«
»Ga,« zei de koning toen, »en laat haar hier komen!« Toen Albontje
kwam, zei de koning: »wie zijt ge?« »Ik ben een arm kind, van vader en
moeder verlaten,« antwoordde zij. En de koning vroeg verder: »waarom
zijt ge in mijn slot?« en zij antwoordde weêr: »om met de laarzen naar
het hoofd gegooid te worden, daar ben ik alleen maar goed voor!« En
weêr vroeg de koning: »vanwaar was de ring, dien ik in de soep vond?«
En zij antwoordde: »van den ring weet ik niets.« Dus kon de koning
niet achter de waarheid komen, en moest haar weêr wegzenden.

Na een poosje was er weêr een feest, en Albontje vroeg den kok of
zij wel weêr zou mogen kijken. »Ja,« zei hij, »maar kom over een
half uur terug, en kook dan voor den koning de broodsoep, die hij
zoo graag eet.« Zij liep toen naar haar hokje, en wiesch zich vlug,
en nam uit de noot het kleedje, dat zilver was als de maan en trok
het aan. En zij ging als een koningsdochter naar boven en de koning
trad haar te gemoet, en verheugde zich, dat hij haar weêrzag, en daar
juist de dans begon, dansten zij samen.

Maar toen de dans gedaan was, verdween zij weer even vlug, zoodat de
koning niet kon bemerken, wat er van haar geworden was. Zij liep gauw
naar haar hokje, en maakte zich weer tot een pelsdiertje, en toen ging
zij naar de keuken om de broodsoep te koken. Terwijl de kok boven was,
haalde zij het gouden spinnewieltje, en legde het in de schaal en de
soep goot zij er over heen. De koning kreeg de soep en at ze, en zij
smaakte hem zoo goed als de vorige keer, en hij liet den kok komen,
en die moest weer bekennen, dat Albontje ze gekookt had. Albontje
kwam toen weer voor den koning, maar zij antwoordde, dat zij alléén
maar goed was om met de laarzen naar het hoofd gegooid te worden,
en dat zij van het gouden spinnewieltje niets afwist.

Toen de koning ten derden male een feest gaf, ging het niet anders
dan de vorige keeren.

Wèl zei de kok nu: »je bent een heks, pelsdiertje, want je doet
iedere keer wat in de soep waar ze zoo lekker van wordt, en de koning
beter smaakt, dan wanneer ik ze gekookt heb;« maar zij vroeg het
zoo dringend, dat hij haar ook deze keer weer liet gaan. Nu trok zij
het kleed aan, dat als de sterren glansde, en trad daarmee de zaal
binnen. De koning danste weer met de schoone jonkvrouw, en geloofde,
dat zij nog nooit zoo mooi was geweest. En terwijl hij met haar
danste, stak hij haar zonder dat zij het merkte een gouden ring aan
den vinger, en hij had bevolen, dat de dans heel lang zoude duren. En
toen die geëindigd was, wilde hij haar aan haar handen vasthouden,
maar zij trok zich los, en sprong zoo vlug tusschen de menschen door,
dat zij uit zijn oogen verdwenen was. Zij liep zoo gauw zij kon naar
haar hokje onder de trap; maar zij was over het half uur weggebleven,
en kon haar mooie kleed niet meer uittrekken, daarom sloeg zij er den
pelsmantel maar overheen; en in de haast heeft zij ook het roet niet
overal goed kunnen aanbrengen, en één vinger bleef blank. Albontje ging
nu naar de keuken, en kookte voor den koning de broodsoep, en toen de
kok weg was, legde zij het gouden haspeltje er in. Toen de koning het
haspeltje op den bodem vond, liet hij Albontje weer roepen; en hij
zag den blanken vinger, en den ring, die hij onder den dans er aan
had gestoken. Toen greep hij haar bij de hand, en hield die vast, en
toen zij zich wilde lostrekken, en wegloopen, viel de pelsmantel open
en het sterrenkleed schitterde er tusschen door. Toen trok de koning
den mantel af, en de gouden haren, en het prachtige gewaad kwamen te
voorschijn. Nu kon zij zich niet meer verbergen en zij veegde de asch
en het roet van haar gezicht; toen was zij de schoonste koningsdochter,
die ooit op de aarde te zien is geweest. Maar de koning sprak: »Gij
zijt mijn lieve bruid, en wij scheiden nimmermeer!« Er werd bruiloft
gevierd, en zij leefden vergenoegd tot aan hun dood.



LXVI.

HAZEBRUIDJE.


Er woonde eens een vrouw met haar dochter in een mooien tuin met
kool. De vrouw zegt tegen de dochter: »ga naar buiten en jaag 't haasje
weg.« »Ksj-ksj!« zegt het meisje tegen 't haasje, »je eet nog al de
kool op!« »Kom meisje,« zegt 't haasje: »ga op mijn hazestaartje
zitten en kom mee naar mijn hazehutje!« 't Meisje wil niet. Den
volgenden dag komt het haasje weer en eet van de kool. Toen zegt
de vrouw tegen de dochter: »ga naar buiten en jaag 't haasje weg!«
»Ksj-ksj,« zegt het meisje tegen 't haasje, »je eet nog al de kool op!«

»Kom meisje,« zegt 't haasje, »zit op mijn hazestaartje en ga mee
naar mijn hazehutje!« 't Meisje wil niet. Den derden dag komt 't
haasje weer en eet van de kool. Toen zegt de vrouw tegen de dochter:
»ga naar buiten en jaag 't haasje weg!« »Ksj-ksj.« zegt het meisje
tegen 't haasje, »je eet nog al de kool op.« »Kom meisje,« zegt 't
haasje: »zit op mijn hazestaartje, en ga mee naar mijn hazehutje.«
't Meisje ging toen zitten op 't hazestaartje, en het haasje bracht
haar heel ver weg, naar zijn hutje. »Kook nu kool en gerstebrij,«
zegt 't haasje, »dan zal ik de bruiloftsgasten nooden.« Toen kwamen
al de bruiloftsgasten tegelijk. (Wie waren de bruiloftsgasten? dat
kan ik je vertellen, zooals een ander het mij verteld heeft. Het waren
allemaal hazen; en de kraai was er bij als priester om het bruidspaar
te trouwen, en de vos was er bij als koster, en het altaar was onder
den regenboog.)

Maar het meisje was treurig toen ze nu alleen was. Het haasje komt, en
zegt: »doe open, doe open, de bruiloftsgasten zijn lastig!« De bruid
zegt niets, en ze huilt. Haasje gaat weg, haasje komt terug en zegt:
»doe open, doe open! de gasten hebben honger!« De bruid zegt weêr
niets, en ze huilt. Haasje gaat weg, haasje komt terug: »doe open,
doe open! de gasten wachten!« De bruid zegt niets en haasje gaat
weg; maar ze maakt een pop van stroo, trekt die haar kleêren aan,
en ze geeft ze een potlepel in de hand. Toen zet ze haar bij de pan
met breî en ze loopt weg naar haar moeder. Haasje komt nog eens, en
zegt: »doe open, doe open!« en hij doet open, en smijt de pop naar
haar hoofd, dat haar muts afvalt.

Nu ziet haasje, dat zijn bruid weg is, en hij gaat ook weg en is
treurig.



LXVII.

DE TWAALF JAGERS.


Er was eens een koningszoon; hij had eene bruid en had haar zéér
lief. Toen hij nu bij haar zat, en heel vergenoegd was, kwam het
bericht, dat zijn vader doodziek lag en hem vóór het einde nog wenschte
te zien. Toen sprak de prins tot zijn liefste: »ik moet nu heêngaan, ik
moet je verlaten; nu geef ik je een ring tot aandenken. Als ik koning
ben, kom ik terug en haal je thuis als mijn bruid.« Hij reed nu weg,
en toen hij bij zijn vader kwam vond hij hem den dood nabij. «Liefste
zoon,« zei de oude koning, »ik heb je voor mijn dood nog eens willen
zien, beloof mij, dat je een vrouw zult nemen naar mijn wensch.» En
hij noemde eene prinses, die de prins zou trouwen. De zoon was zóó
bedroefd, dat hij er in 't geheel niet met zijn gedachten bij was, en
hij zeide: »ja, lieve vader, zooals het uw wil is, zal het gebeuren.»
Toen sloot de koning de oogen en stierf.

Toen nu de prins tot koning was uitgeroepen, en de rouwtijd voorbij
was, moest hij de belofte houden, die hij zijn vader had gedaan; hij
liet om de konings- dochter vragen en zij werd hem ook toegezegd. Dat
hoorde zijn eerste bruid, en zij leed zóózeer onder zijn ontrouw,
dat zij bijna verging. Toen sprak haar vader tot haar: »Mijn lief
kind waarom ben je zoo treurig? wat je wenscht zal toch immers
gebeuren?« Zij bedacht zich een oogenblik, toen zeide zij: »lieve
vader, ik zou een meisje wenschen, volkomen aan mij gelijk in gelaat,
en gestalte en gang.« »Als het mogelijk is wordt die wensch vervuld,«
zei de koning, en hij liet zijn geheele rijk zóó lang doorzoeken,
tot er elf jonkvrouwen gevonden waren, zijn dochter volkomen gelijk
in gelaat, gestalte en gang. Toen die nu bij de prinses kwamen,
bestelde zij kleeding voor twaalf jagers; alles volkomen gelijk;
en de elf jonkvrouwen moesten die elf jagerspakken aantrekken; zij
zelve trok het twaalfde aan. Toen nam zij afscheid van haar vader,
en reed met hen weg; en zij reden naar het hof van haar vroegeren
bruidegom, dien zij zéér lief had. Daar liet zij aanvragen of hij
jagers noodig had en of hij haar dan niet alle te zamen in zijn
dienst wilde nemen. De koning zag haar aan en herkende haar niet,
maar omdat het knappe menschen waren zeide hij, dat hij ze gaarne
nemen wilde. En nu waren zij de twaalf jagers des konings.

De koning had een leeuw, dat was een wonderlijk dier, hij wist alles
wat geheim en verborgen was. En op een avond sprak hij tot den koning
»Ge gelooft, dat ge twaalf jagers hebt?« »Ja,« zei de koning, »het zijn
twaalf jagers.« »Ge dwaalt,« zei de leeuw, »het zijn twaalf meisjes!«
»Dat is niet waar!« zei de koning, »hoe kun je dat bewijzen.« »O,
laat maar eens erwten strooien in de voorzaal,« zei de leeuw, »dan
zult ge het dadelijk zien. Mannen hebben een vasten tred; als ze over
erwten loopen beweegt er geen een van; maar meisjes, die trippelen
en trappelen en schuifelen, en de erwten rollen.« Dien raad beviel
den koning wel, en hij liet de erwten strooien.

Maar de koning had een dienaar, die goed stond met de jagers, en toen
die hoorde, dat er een proef met hen zou worden gedaan is hij tot
haar gegaan, en heeft haar alles verteld, en hij zeide: »de leeuw
wil den koning wijs maken, dat ge meisjes zijt.« Toen dankte hem de
koningsdochter, en zij zeide tot haar jonkvrouwen: »Bedwing je, en trap
met vasten stap op de erwten.« Toen nu de koning den volgenden morgen
de twaalf jagers bij zich liet roepen, en zij door de voorzaal moesten,
waar de erwten lagen, hebben zij er over geloopen met vasten tred, en
zóó krachtig en zeker was hun stap, dat er niet een enkele wegrolde
of bewoog. Toen zij weer weg waren gegaan sprak de koning tot den
leeuw: »Je hebt mij bedrogen, zij loopen als mannen.« Maar de leeuw
antwoordde: »zij hebben 't geweten, dat zij beproefd zouden worden,
en zij hebben zich bedwongen. Laat nu eens twaalf spinnewieltjes in
het voorvertrek brengen; zij zullen er naar toe loopen, en er pleizier
in hebben, dat doet geen man.« De raad beviel de koning en hij liet
de spinnewielen in het voorvertrek neerzetten.

Maar de dienaar, die het goed met de jagers meende, ging heen,
en ontdekte toen den aanslag. En de koningsdochter zei tot de elf
meisjes toen zij alleen waren: »Bedwing je en zie niet om naar de
spinnewielen!« Toen men den volgenden morgen de koning zijn twaalf
jagers liet roepen, kwamen zij door het voorvertrek en keken niet
naar de spinnewielen. Weer zei toen de koning tot den leeuw: »Ge hebt
gelogen: het zijn mannen, want zij hebben niet naar de spinnewielen
gekeken.« De leeuw zeide: »zij hebben 't geweten, dat zij beproefd
zouden worden en zij hebben zich bedwongen.« Maar de koning wilde
den leeuw niet meer gelooven.

De twaalf jagers volgden steeds den koning ter jacht, want zij werden
hem hoe langer hoe liever. Nu gebeurde het, toen zij eens op de
jacht waren, dat het bericht kwam, dat 's koning's bruid in aantocht
was. Toen de echte bruid dat hoorde leed zij zoo groote smart, dat
het hart haar stilstond, en zij viel in onmacht ter aarde. De koning
meende, dat zijn lieve jager iets overkomen was, hij liep naar hem
toe en wilde hem helpen, en hij trok hem zijn handschoen uit. Daar
zag hij den ring, dien hij zijn eerste bruid gegeven had, en toen hij
haar goed aankeek herkende hij haar. Toen werd zijn hart zoo geroerd,
dat hij haar kuste, en toen zij de oogen opsloeg, sprak hij: »gij zijt
mijn, en ik ben dijn, en niemand ter wereld kan dat veranderen.« Maar
naar de andere bruid zond hij een bode, en hij liet haar verzoeken
naar haar rijk terug te keeren, want hij had al een vrouw, »en wie
een oude sleutel heeft teruggevonden, kan de nieuwe missen.« Toen
werd de bruiloft gevierd en de leeuw kwam weer in gunst, omdat hij
toch de waarheid gezegd had.



LXVIII.

DE GAUWDIEF EN ZIJN MEESTER.


Jan wou zijn zoon een handwerk laten leeren; toen ging Jan naar de
kerk en bad onzen Lieve Heer, wat Hem wel het beste leek voor zijn
zoon. De koster stond achter het altaar en zei: »het gauwdieven,
het gauwdieven!« Toen ging Jan met zijn zoon op de zoek van een man,
die verstand had van gauwdieven. Zij liepen een heelen tijd tot zij
in zoo'n groot bosch kwamen; daar stond een klein huisje met een oude
vrouw er in. »Weet je een man die verstand heeft van gauwdieven?«
zei Jan.

»Dat kun je hier wel leeren,« zei de vrouw, »mijn zoon is er
meester in.« Toen sprak Jan met den zoon, of hij wel heel knap was
in 't gauwdieven. De gauwdiefmeester zei: »ik wil het je zoon wel
leeren. Kom over een jaar maar terug; als je dan je zoon nog kent,
wil ik in 't geheel geen leergeld hebben, en ken je hem niet, dan
kun je mij tweehonderd rijksdaalders geven.«

De vader gaat weer naar huis, en de zoon leert goed heksen en
gauwdieven. Als het jaar om is, loopt de vader te grienen, hoe hij
het klaar moet spelen om zijn zoon te kennen. Toen hij nu zoo loopt te
grienen komt hem zoo'n klein manneke tegen, dat zei: »man wat grien je,
ben je zoo bedroeft?» »O,« zei Jan, »ik heb mijn zoon voor een jaar
bij een gauwdiefmeester in de leer gedaan, en die heeft mij gezegd,
dat ik over een jaar terug moet komen, en als ik dan mijn zoon niet
ken, zou ik hem tweehonderd rijksdaalders geven, en als ik hem ken,
hoef ik niks te geven. Nu ben ik zoo bang, dat ik hem niet ken, en
dan weet ik niet waar ik het geld vandaan moet halen.« Toen zei het
manneke, hij zou een korstje brood meenemen, en onder den schoorsteen
gaan staan: »daar staat een mandje, daar kijkt een vogeltje uit,
en dat is je zoon.«

Toen gaat Jan heen, en gooit een korstje rogge-brood voor het
mandje. Het vogeltje komt er uit en kijkt naar het brood. »Héla! mijn
zoon, ben jij; daar?« zegt de vader. Maar de leermeester zei: »dat
heeft je de duivel ingegeven, hoe kun je anders je zoon kennen?«
»Vader laat ons gaan,« zegt de jongen.

De vader gaat met zijn zoon weer naar huis. Onderweg komt er een koets
aangereden. De zoon zegt tegen zijn vader: »Nu zal ik een groote
hazewind worden, dan kun je veel geld met mij verdienen.« De heer
uit de koets roept: »man, wil je dien hond verkoopen?« »Ja,« zegt de
vader. »Hoeveel geld moet je er voor hebben?« »Dertig rijksdaalders.«
»Nou, dat is veel! maar omdat het zoo'n deksels mooi dier is zal ik
hem nemen.« De heer neemt den hond in de koets. Als zij een eindje
zijn doorgereden, springt de hond uit de koets door het glas, en toen
was hij geen hazewind meer, en hij kwam weer bij zijn vader.

Zij gingen toen samen naar huis. Den volgenden dag is er in het naaste
dorp markt. Toen zegt de jongen tegen zijn vader: »ik zal mij in een
mooi paard veranderen, dan moet je mij verkoopen; maar als je mij
verkoopt dan moet je mij eerst den toom af doen, anders kan ik geen
mensch meer worden.« De vader gaat met het paard naar de markt. Daar
komt de gauwdiefmeester en koopt het paard voor honderd rijksdaalders;
en de vader is 't vergeten en doet hem den toom niet af. De man gaat
met het paard naar huis, en brengt het in den stal. Als de meid over
den deel komt, zegt het paard: »doe den toom af, doe den toom af!«
De meid blijft staan luisteren: »wat! kan jij praten?» en ze gaat
heen en doet hem den toom af, toen werd het paard een musch, en
die vliegt boven over de deur weg, en de gauwdiefmeester wordt ook
een musch en vliegt hem achterna. Ze komen bij elkaar, en vechten,
maar de meester verspeelt het, en hij gaat in 't water en wordt een
visch. Toen werd de jongen ook een visch, en gaat ook in 't water, en
ze vechten weer, tot de meester het verspeelt. Toen werd de meester
een kip, en de jongen een vos, en hij bijt den meester den kop af;
toen is hij gestorven, en hij ligt dood tot op den huidigen dag.



LXIX.

JORINDE EN JORINGEL.


Er was eens een oud kasteel, midden in een groot dicht woud,
daar woonde een oude vrouw heel alleen, en die vrouw was een
aartstooverkol. Over dag was ze een uil en 's avonds kreeg zij weer
haar gewone menschelijke gedaante. Zij kon het wild en de vogels
lokken, en dan slachtte en kookte zij hen, en at ze op. Als iemand
tot op honderd pas van het slot gekomen was, moest hij stil staan,
en kon niet van die plaats komen, tot zij hem vrijsprak. Maar als
een reine jonkvrouw binnen dien kring kwam, veranderde zij die in
een vogel en sloot haar dan in een mand en droeg die mand naar een
kamer van het slot. Zij had wel zeven duizend van zulke mandjes met
die zeldzame vogels, in het slot.

Nu was er eens een jonkvrouw, die heette Jorinde; zij was schooner
dan alle andere meisjes, en zij en een schoon jongeling, Joringel,
hadden zich verloofd. Zij waren in de bruidsdagen, en zij hadden
groote vreugde in elkaar. Om nu eens vertrouwelijk te kunnen spreken,
gingen zij te zamen in het woud. »Pas op,« zeide Joringel, »dat je
niet te dicht bij het slot komt.« Het was een mooie avond: de zon
scheen licht tusschen de stammen op het donkere groen van het loof,
en de tortelduif koerde klagelijk op de oude meibeuken.

Jorinde schreide, en zette zich in den zonneschijn en weeklaagde. En
Joringel weeklaagde ook; zij voelden zich zoo verward alsof zij
sterven moesten. Zij keken om zich, waren verdwaald, en wisten niet
naar huis te komen. Half stond de zon nog boven den berg, half was
zij onder. Joringel blikte door de struiken, en zag den oude slotmuur
dicht bij zich; hij schrikte en werd doodsbang.

Jorinde zong:


    »Mijn vogeltje met ringetje rood,
    »Zingt droef, droef, droef!
    »Het zingt voor 't duifje, zingt zijn dood,
    »Zingt droef, droef, ti-uut, ti-uut.«


Joringel keek naar Jorinde. Jorinde was veranderd in een nachtegaal
die zong »ti-uut, ti-uut.« Een uil met gloeiende oogen, vloog driemaal
om haar heen, en krijschte driemaal »hoe-oe-oe!«

Joringel kon zich niet bewegen; hij stond daar als een steen, hij
kon niet schreien, niet spreken, hand noch voet verroeren. Nu was
de zon onder. De uil vloog in een struik, en dadelijk daarna kwam
een oude kromme vrouw uit die struik te voorschijn: geel en mager,
groote roode oogen, en een kromme neus, die met de punt de kin
aanraakte. Zij mompelde en ving den nachtegaal en droeg dien op de
hand weg. Joringel kon niets zeggen, niet van de plaats komen; de
nachtegaal was weg. Eindelijk kwam de vrouw terug en ze sprak met
een doffe stem: »gegroet Zachiël, als de deern in de korf steekt,
bind los, Zachiël, te rechtertijd!« Toen was Joringel los; hij viel
voor de vrouw op de knieën en smeekte, dat zij hem zijn Jorinde
zou terug geven; maar zij zeide, dat hij haar nooit terug kreeg,
en toen ging zij weg. Hij riep en schreide, en jammerde, maar alles
vergeefs. »Ach, wat moet mij gebeuren!« Joringel ging heen, en liep,
en kwam eindelijk in een vreemd dorp. Daar heeft hij langen tijd
de schapen gehoed. Dikwijls liep hij rond het slot, maar niet te
dicht er bij. Toen heeft hij eens 's nachts gedroomd, dat hij een
bloedroode bloem vond, in het midden was een mooie groote parel. De
bloem heeft hij afgeplukt en is er mee naar het slot gegaan. Alles wat
hij aanraakte met die bloem, was verlost van tooverij. Ook droomde hij,
dat hij door die bloem zijn Jorinde terug kreeg. 's Morgens toen hij
wakker werd, is hij gaan zoeken, en doorzocht berg en dal of hij zulk
een bloem kon vinden. Hij zocht tot aan den negenden dag, toen vond
hij des morgens een bloedroode bloem. In het midden was een heldere
dauwdrop, zoo groot als de mooiste parel. Die bloem droeg hij dag en
nacht tot naar het slot. Toen hij op honderd pas van het slot was,
bleef hij niet vast staan, maar kon doorloopen tot aan de poort. O,
hoe vol vreugde was Joringel! hij raakte de poort aan met de bloem, en
de poort sprong open. Hij ging binnen over het slotplein en luisterde
of hij vogels hoorde; en hij hoorde ze. Hij vond de zaal; daar was de
heks en voederde de vogels in zevenduizend mandjes. Toen zij Joringel
zag werd zij boos, heel boos, en ze schold en spuwde gif en gal, maar
ze kon niet bij hem, en moest op twee pas afstand blijven staan. Hij
bekreunde zich niet om haar, maar bekeek de mandjes met de vogels. Er
waren vele honderd nachtegalen; hoe zou hij nu zijne Jorinde terug
vinden? Nu zag hij dat de oude stilletjes een mandje met een vogel nam,
en er mee naar de deur ging. Hij springt er heen, en raakt het korfje
met de bloem en ook de oude heks. Nu kon zij niet meer tooveren, en
daar stond Jorinde! zij hield hem om zijn hals en zij was zoo mooi
als ooit vroeger. Toen maakte hij al de andere vogels jonkvrouwen;
en hij ging met Jorinde naar huis; en zij leefden nog lang te zamen
heel vergenoegd.



LXX.

DE DRIE GELUKSKINDEREN.


Een vader riep zijne drie zonen bij zich; den eenen gaf hij een haan,
den tweeden een zeis, den derden een kat. »Ik ben al oud,« zeide hij,
»mijn dood nadert; en eerst wilde ik jelui verzorgd hebben. Geld heb
ik niet, en wat ik je nu geef, schijnt waardeloos; maar het komt er
enkel op aan, dat je het met verstand gebruikt. Ga een land zoeken,
waar deze dingen nog onbekend zijn, dan is je fortuin gemaakt.« Toen
de vader gestorven was, ging de oudste zoon met zijn haan op weg. Maar
waar hij kwam was een haan al bekend. In de steden zag hij ze al van
verre op den toren zitten en zich draaien met den wind; in de dorpen
hoorde hij er verscheidene kraaien, en niemand kon zich over het dier
verwonderen; het leek er dus niet veel naar, dat hij er zijn geluk mee
zou maken. Maar eindelijk heeft hij het toch getroffen, dat hij op
een eiland kwam, waar de menschen nooit van een haan gehoord hadden
en ook hun tijd niet wisten in te deelen. Zij wisten wel wanneer het
morgen en avond was, maar 's nachts wisten zij geen tijd uit te vinden.

»Zie eens,« zei hij, »wat een fiere vogel, hij draagt een
robijnkleurige kroon, en sporen heeft hij als een ridder. 's Nachts
roept hij driemaal op een bepaalden tijd, en als hij voor de derde
maal roept gaat haast de zon op. Maar roept hij bij klaarlichten
dag, houdt u dan bereid, want dan komt er zeker verandering in het
weer.« Dat beviel de menschen; zij sliepen den heelen nacht niet,
en luisterden met welgevallen, hoe de haan om twee, vier en zes uur,
luid en duidelijk den tijd afriep. Zij vroegen of het dier niet te koop
was, en hoeveel hij er voor verlangde. »Ongeveer zooveel als een ezel
goud draagt,« antwoordde hij. »Spotgoedkoop voor zulk een kostelijk
dier,« riepen ze allen tegelijk, en zij voldeden gaarne aan zijn eisch.

Toen hij met dien rijkdom naar huis kwam, verwonderden zich zijn
broeders, en de tweede sprak: »nu wil ik toch eens zien of ik van mijn
zeis ook zoo goed kan afkomen.« Daar had het ook niet veel van, want
hij kwam aldoor boeren tegen, die een zeis op hun schouder droegen
zoo goed als hij.

Maar op het laatst is het toch gelukt, op een eiland waar de menschen
niets van een zeis afwisten. Als het koren rijp was, brachten zij
kanonnen voor de akkers en schoten het er af. Dat was een heel onzeker
werk, want soms schoten zij er over heen en soms schoten zij ook de
aren in plaats van de halmen, die raakten dan weg en er ging veel
verloren, en bovendien gaf het ook een heidensch lawaai. Toen kwam
die man, en maaide zoo stil en vlug de halmen neer, dat de menschen
er bij stonden met mond en neus opengesperd van verbazing. Zij waren
bereid hem te geven wat hij verlangde: en hij kreeg een paard zoo
zwaar beladen met goud als het maar dragen kon. Nu wilde de derde
broeder zijn kat ook aan den rechten man brengen. Het ging hem als de
anderen; zoo lang hij op het vaste land bleef, was er voor hem niets
te verdienen; overal waren katten, en zelfs zóóveel dat de pasgeboren
jongen gewoonlijk verdronken werden. Ten laatste liet hij zich naar
een eiland overvaren, en het trof, dat er daar nog nooit een kat
gezien was, en de muizen waren zoo de baas geworden dat ze dansten
op tafels en stoelen, of de huisheer thuis was of niet. De menschen
jammerden vreeselijk over die plaag, en de koning zelfs wist geen
raad in zijn paleis; in alle hoeken piepten de muizen en knabbelden
alles stuk, waar zij hun tanden maar in konden zetten. Nu begon de
kat haar jacht! in een oogenblik had zij eenige zalen van muizen
gezuiverd, en het volk smeekte den koning het wonderdier voor het
rijk aan te koopen. De koning gaf gaarne wat er voor geëischt werd,
en dat was een met goud beladen muilezel; de derde broeder kwam met
den grootsten rijkdom naar huis.

De kat maakte het zich met de muizen eens echt naar haar zin in het
koninklijk paleis, en beet er zooveel dood, dat zij niet meer te tellen
waren. Zij werd warm van dat harde werken en kreeg dorst; toen bleef
zij staan en riep: »miauw, miauw,« met de kop in de hoogte. De koning
en het geheele volk verschrikten toen zij dat rare geschreeuw hoorden,
en liepen in hun angst allemaal weg.

De koning hield raad wat er gedaan moest worden en er werd besloten
een heraut tot de kat te zenden, die haar zou gelasten, het slot te
verlaten, of anders zou men geweld gebruiken. De raadsleden zeiden:
»liever willen wij ons door de muizen laten plagen, aan dat kwaad zijn
wij gewend, dan ons leven prijs geven aan zulk een ondier!« Een page
moest naar boven gaan en de kat vragen of zij het slot »goedwillig«
zou ruimen. Maar de kat, die steeds heviger dorst kreeg, antwoordde
niets dan: »miauw, miauw.« De page verstond »ga gauw, ga gauw!« en
bracht het antwoord den koning over. »Nu,« sprak de raad, »moet zij
wijken voor geweld!« Er werden kanonnen naar boven gebracht en het
paleis werd in brand geschoten. Toen het vuur in de zaal kwam waar
de kat was, sprong zij gelukkig door het venster; maar de belegeraars
hielden niet op, voor het geheele paleis in elkaar geschoten was.



LXXI.

HOE ER ZES DOOR DE WERELD KWAMEN.


Er was eens een man, die kon van alles; hij diende toen er oorlog
was en heeft zich braaf en dapper gehouden; maar toen de oorlog uit
was kreeg hij zijn afscheid en nog drie dubbeltjes teergeld mee op
weg. »Wacht eens eventjes,« zei hij: »met mij wordt zoo niet omgegaan;
als ik maar de rechte menschen vind, dan zal de koning mij nog al de
schatten van het heele rijk moeten uitleveren.« En hij liep kwaad
het bosch in. Daar zag hij er een staan die had zes boomen uit den
grond getrokken, of 't korenhalmen waren. »Wil je meetrekken en
mijn dienaar zijn?« vroeg de man. »Ja,« zei de andere, maar eerst
moet ik mijn moeder dat bosje hout brengen,« en hij nam een van
de boomen en wikkelde dien om de vijf anderen, nam het vrachtje op
zijn schouder en droeg het weg. Toen kwam hij terug en ging met zijn
meester mee. »Wij met zijn beiden zullen wel door de wereld komen!«
zei die. Toen zij een tijdje geloopen hadden, zagen zij een jager;
die lag op de knieën, had zijn geweer aangelegd en mikte. »Jager, wat
ga je schieten?« vroeg de baas. »Twee uur van hier, zit een vlieg op
den tak van een eikeboom, die wil ik het linker oog uitschieten. »O,
ga maar mee!« zei de soldaat, »als wij drieën bij elkaar zijn, komen
wij de heele wereld door!«

De jager was bereid en ging mee; zij kwamen bij zeven windmolens: hun
wieken draaiden hard; en toch was er nergens wind, en geen blaadje
bewoog. »Ik begrip niet wat die windmolens drijft,« zei de man, »er
in geen zuchtje aan de lucht,« en hij ging met zijn dienaren verder.

Toen zij nog twee uur geloopen haden zagen zij er een op een boom
zitten, die zijn linker neusgat dicht hield, en hij blies met het
andere. »Zeg wat voer jij daar boven uit?« vroeg de man. En hij
antwoordde: »twee uur van hier staan zeven windmolens, en die blaas
ik een beetje aan, dat ze draaien.« »O, ga met ons mee,« zei de man,
»wij met zijn vieren komen de heele wereld door.« De blazer kwam van
den boom af en liep mee, en na een poosje zagen zij er een die op één
been stond, het andere had hij afgegespt en naast zich gelegd. »Je
hebt het je makkelijk gemaakt om uit te rusten!« zei de baas.

»Ik ben een hardlooper,« zei de ander, en om niet te gauw vooruit te
komen, heb ik een been afgelegd; want als ik met twee beenen loop,
gaat het vlugger dan de vogel vliegt.« »O, ga mee, als wij vijven
bij elkaar bleven, komen wij de heele wereld door!« Hij ging mee,
en heel gauw kwamen zij er een tegen, die had een hoedje op, dat
heelemaal scheef boven zijn ééne oor zat. »Een beetje fatsoenlijk!«
zei de baas, »zet je hoed toch wat recht, je ziet er uit als een
hansworst!« »Dat durf ik niet te doen,« zei die van het hoedje, »want
als ik mijn hoed recht zet, dan komt er een vreeselijke, geweldige
vorst en de vogels vallen bevroren en dood uit de lucht.« »O, ga mee,«
zei de baas, »met zijn zessen komen wij zeker de heele wereld door!«

Nu ging het zestal door de stad, waar de koning bekend had laten maken,
dat wie een wedloop met zijn dochter hield en overwinnaar was, haar
gemaal zou worden; maar verloor hij, dan moest zijn hoofd er aan.

De man meldde zich aan, en sprak: »ik wil mijn dienaar voor mij laten
loopen.« De koning antwoordde: »dan moet ge voor zijn hoofd ook borg
staan, en als hij verliest gaat uw hoofd en het zijne er aan.« Dat
werd nu afgesproken en vastgesteld, en de man gespte den hardlooper
zijn tweeden been aan en zei: »rep je nu flink en zorg, dat wij
overwinnen!« De bepaling was, dat wie het eerst water terugbracht
uit een ver gelegen bron, de overwinnaar zoude zijn.

De looper en de prinses kregen nu ieder een kruik en ze begonnen te
gelijkertijd te loopen; maar in een oogenblik, toen de prinses nog pas
een heel klein eindje weg was, kon de looper al niet meer zien waar de
toeschouwers stonden, het was of de wind voorbij suisde. Hij was in
heel korten tijd bij de bron, schepte de kruik vol water, en keerde
weer om. Maar midden op den terugweg overviel hem de vermoeidheid;
hij zette toen de kruik neer, ging liggen en sliep in. Hij had zich
met het hoofd op een paardenschedel gelegd, zoodat hij gauw wakker
kon worden. Intusschen was de prinses, die ook goed loopen kon,
zoo goed als een gewoon mensch het kan, bij de bron aangekomen en
liep met haar kruik vol water terug; toen zag zij den looper liggen
slapen, en ze had schik en dacht: »de vijand is in mijn hand; zij
liet zijn kruik leeg loopen en sprong weg. Nu zou alles verloren
zijn geweest, als niet gelukkig, de jager met zijn scherpe oogen,
boven op het slot gestaan had, en alles had gezien, »die prinses zal
toch ons niet de baas zijn!« zeide hij, en hij laadde zijn geweer,
en schoot zóó handig, dat hij den looper den paardenschedel onder
het hoofd wegschoot, zonder hem pijn te doen. Toen werd de looper
wakker en sprong op; en toen zag hij dat zijn kruik leeg was, en
de prinses al een heel eind weg. Doch hij verloor den moed niet,
pakte de kruik op, liep weer naar de bron, en schepte opnieuw water,
en toen was hij nog tien minuten vóór de prinses weer terug, en hij
won haar dus voor zijn meester. »Zie jelui,« zei hij, »nu heb ik pas
mijn beenen gebruikt, het vorige kon je geen loopen noemen.«

Maar den koning ergerde het, en zijn dochter nog meer, dat zij met
zoo'n gewonen afgedankten soldaat mee zou moeten, en zij beraadslaagden
samen, hoe zij van hem en van zijn gezellen zouden afkomen. »Ik
weet een middel!« zei de koning eindelijk, »wees maar niet bang,
zij zullen niet meer hier terug komen.«

En hij sprak tot hen: »Nu moet jelui samen eerst eens vroolijk zijn
en eten en drinken,« en hij bracht hen naar een vertrek, dat had
een ijzeren vloer, en de deuren waren van ijzer en de venster met
ijzeren staven verzekerd. In dat vertrek stond een tafel, vol met
de kostelijkste gerechten. »Ga maar naar binnen,« zei de koning,
»en laat het je smaken.« Toen zij nu binnen waren liet hij de deuren
afsluiten en grendelen. Hij liet daarna den kok komen, en gaf hem
bevel, zóó lang onder den vloer te stoken tot het ijzer gloeiend zou
zijn. Dat deed de kok en de zes begonnen het aan tafel flink warm te
krijgen. Zij dachten, dat het door het eten kwam; maar toen de hitte
al grooter werd, dat zij er uit wilden, en toen deuren en vensters
gesloten vonden, begrepen zij, dat de koning kwaad in den zin had,
en hen wilde laten stikken.

»Maar dat zal hem niet lukken,« zei die met het hoedje; »ik zal het
laten vriezen dat het vuur zich er voor schamen zal, en wegkrimpen.«
Hij zette zijn hoedje recht, en plotseling was het met alle hitte
gedaan, en de spijzen bevroren in de schotels. Toen er nu een paar
uur verloopen waren, dacht de koning, dat ze wel gestikt zouden zijn
in de hitte, en hij liet de deur openen en wilde zelf gaan zien. Maar
toen de deur open ging, stonden ze daar alle zes paraat, en zeiden,
dat zij blij waren, dat zij er uit konden om zich eens te warmen;
want door de hevige kou in de kamer, was het eten bevroren in de
schotels. Toen ging de koning woedend naar den kok en vroeg waarom
hij zijn bevelen niet had gehoorzaamd. Maar de kok antwoordde: »er
is gloed genoeg, kijk zelf maar.«

En de koning zag, dat er een geweldig vuur onder de ijzeren kamer
brandde, en toen begreep hij, dat hij op deze manier het met de zes
niet klaar zou spelen.

Nu begon hij opnieuw te verzinnen, hoe hij de lastige gasten kwijt
zou kunnen worden, en hij liet den meester komen en sprak: »wil je
goud hebben en dan je aanspraak op mijn dochter opgeven? dan kun je
zooveel krijgen als je wilt.« En hij antwoordde: »ja, heer koning,
geef mij zooveel als mijn dienaar dragen kan, dan verlang ik uw
dochter niet meer.« Dat vond de koning goed, en de andere zei toen
verder: »Over veertien dagen zal ik het komen halen.« Nu liet hij alle
kleermakers uit het heele rijk bij elkaar komen, die moesten veertien
dagen samen zitten naaien aan een zak. En toen die zak klaar was,
moest de sterke, die boomen uit kon trekken, de zak op zijn schouders
nemen, en er mee naar den koning gaan.

De koning zei: »wat is dat voor een geweldige kerel, die daar die
baal linnen op zijn rug draagt zoo hoog als een huis?« en hij kreeg
een schrik, want hij dacht: »wat zal die een goud meesleepen!« Hij
liet een ton gouds komen; zestien van de sterkste mannen moesten die
dragen, maar de sterke pakte hem met één hand, en duwde hem in den
zak: »waarom breng jelui niet wat meer tegelijk?« vroeg hij toen,
»het bedekt den bodem nauwelijks!« En de koning zag gaandeweg zijn
heele schatkist in de zak verdwijnen, en die was toen nog niet half
vol. »Breng meer tegelijk!« riep de sterke, »met die beetjes krijg
ik hem niet vol!« Toen moesten er nog zeven duizend wagens met goud,
uit het geheele rijk bijeen gereden worden, en de sterke schoof ze
met de ossen, die er voorgespannen waren er bij, in de zak. »Ik zal
maar niet te precies zijn,« zei hij, »en nemen wat komt, dat ik de zak
ten minste vol krijg.« Toen dat alles er in was, kon er nog veel meer
bij en toen zei hij: »ik zal er maar een eind aan maken; er wordt
wel meer een zak toegebonden, al is hij nog niet heelemaal vol.«
Hij gooide hem toen over den schouder en ging met zijn gezellen weg.

Toen de koning nu zag, hoe die ééne man al de schatten van het
rijk wegdroeg, werd hij toornig, en liet zijn ruiterij opzitten,
die moesten de zes nazetten, en den sterke de zak weer afnemen. Twee
regimenten hadden hen spoedig ingehaald en riepen hun toe:

»Gij zijt onze gevangenen, leg de zak met goud neer of ge
wordt neergesabeld!« »Wat zeg jelui?« riep de blazer: »zijn wij
gevangenen? eerder zul jelui allemaal samen in de lucht rond dansen!«
en hij hield een neusgat dicht, en blies met het andere naar de twee
regimenten; zij stoven uit elkaar, en de lucht in, over alle bergen,
ieder een kant uit. Een sergeant riep om genade: »hij had negen wonden,
hij was een brave kerel, hij verdiende die schande niet.« Toen hield
de blazer eventjes op, zoodat hij zoetjes en zonder verlet neerzakte,
en hij sprak tot den sergeant: »nu ga jij naar den koning en je zegt
maar dat hij nog meer ruiterij kan sturen, dan zal ik ze allemaal
in de lucht blazen.« Toen de koning die boodschap kreeg, zeide hij:
»Laat hen gaan, 't is met hen niet pluis.«

En de zes kwamen met hunne rijkdommen thuis, verdeelden ze, en leefden
genoegelijk tot aan hun dood.



LXXII

DE WOLF EN DE MENSCH.


De vos vertelde eens aan den wolf hoe sterk wel de mensch was: geen
dier kon tegen hem op, en er moest list gebruikt worden om zich tegen
hem staande te houden. Toen antwoordde de wolf: »als ik maar eens een
mensch te zien kreeg, zou ik wel op hem los gaan.« »Daar kan ik je mee
dienen,« zei de vos, »kom morgen vroeg maar bij mij, dan zal ik je er
een laten zien.« De wolf was al vroeg op zijn post, en de vos bracht
hem op den weg, waar alle dag de jager voorbij ging. Eerst kwam een
afgedankte soldaat. »Is dat een mensch?« vroeg de wolf. »Neen, dat
is er een geweest.« Toen kwam een kleine jongen. »Is dat een mensch?«
»Neen, die moet er nog een worden.« Eindelijk kwam de jager, de buks
met dubbelen loop op den schouder, het jachtmes op zij. Nu zei de vos
tegen den wolf: »Kijk daar komt een mensch, ga daar nu maar op los,
maar ik maak, dat ik in mijn hol kom.« De wolf ging nu op den mensch
los. Toen de jager hem zag, dacht hij: »jammer, dat ik geen kogel
op mijn buks heb,« hij legde aan en schoot den wolf den hagel in
het gezicht. De wolf grijnsde leelijk; maar hij liet zich niet van
de wijs brengen, en ging recht vooruit; toen kreeg hij een tweede
lading. De wolf verbeet de pijn, en wou den jager te lijf; die trok
toen het blanke jachtmes, en gaf hem een paar houwen links en rechts,
dat hij bloedend en huilend naar den vos afzakte. »Wel broeder wolf,«
zei die, »heb je het met den mensch klaargespeeld?« »Och neen,« zei
de wolf, »zoo heb ik mij de sterkte van den mensch niet voorgesteld;
eerst nam hij een stok van zijn schouder, en daar blies hij in, en er
vloog mij iets in mijn gezicht, dat verschrikkelijk kietelde; toen
heeft hij nog eens in den stok geblazen, en 't ratelde om mijn neus
als bliksem en hagel; maar toen ik heel dicht bij hem was, trok hij
een blanke rib uit zijn lijf, en daar heeft hij mij zóó mee geslagen,
dat ik haast dood ben blijven liggen.«

»Nu zie je,« zei de vos, »wat een pocher je bent, je gooit je bijl
zóó ver weg, dat je hem niet meer terug kunt halen.«



LXXIII.

DE WOLF EN DE VOS.


De wolf had den vos bij zich; en wat de wolf wilde, dat moest de vos
doen; want de vos was de zwakste, en hij was graag zijn meester kwijt
geweest. Het gebeurde eens, dat zij samen in het bosch liepen; de wolf
zei: »Rooievos, schaf eten, óf ik eet jou!« En de vos antwoordde:
»ik weet een boerensteê, waar jonge lammeren zijn, als je zin hebt
zullen wij er een gaan halen.« De wolf vond het goed en zij gingen op
weg. De vos stal het lammetje, bracht het voor den wolf en ging aan
den haal. De wolf at het op, maar hij was nog niet voldaan en ging
een tweede halen. Maar hij deed het zoo onbekookt, dat de moeder van
het lammetje het bemerkte, en verschrikkelijk begon te schreeuwen
en te blaten, zoodat de boeren kwamen aangeloopen. Zij pakten den
wolf en sloegen hem zoo erbarmelijk, dat hij hinkend en huilend
bij den vos aankwam. »Je hebt mij eens mooi er in laten loopen; ik
wilde een tweede lam halen, en toen hebben de boeren mij betrapt en
zij hebben mij murw geslagen.« De vos antwoordde: »waarom ben je ook
zoo'n veelvraat!« Den volgenden dag gingen zij weer naar buiten, en de
onverzadelijke wolf zei weer: »Rooievos schaf eten, of ik eet jou.«
En de vos antwoordde: »ik weet een boerderij, daar bakt de vrouw van
avond pannekoeken, daar zullen wij er van gaan halen.« Zij gingen er
heen, en de vos sloop rond het huis, en snoof en snuffelde zoolang,
tot hij uitvond waar de schotel stond; hij haalde er zes pannekoeken
af, en bracht ze aan den wolf. »Daar heb je te eten,« zei hij, en
maakte rechts omkeert. De wolf had in een oogenblik de pannekoeken
opgeslokt, »zij smaken naar meer,« zei hij, en hij trok zoo maar den
heelen schotel naar beneden, dat hij in scherven viel. Dat maakte
zoo'n helsch lawaai, dat de vrouw kwam aangeloopen, en toen zij den
wolf zag, riep zij het manvolk, die gaven hem er zoo van langs, dat
hij met lamme pooten en luid jammerend bij de vos in het bosch kwam.

»Wat heb je mij nu weer voor een poets gebakken! de boeren hebben
mij gesnapt en mij de huid vol geslagen!« Maar de vos antwoordde:
»waarom ben je ook zoo'n veelvraat.«

Den derden dag waren zij weer samen er op uit, en de wolf hinkte
met moeite, maar toch zei hij weer: »Rooievos, schaf eten, of ik
eet jou!« De vos antwoordde: »ik weet een man, die geslacht heeft;
en het gepekelde vleesch ligt in een vat in de kelder, dat zullen
wij gaan halen.« »Maar ik zal dadelijk meegaan,« zei de wolf,
»dan kun je mij helpen, als ik niet meer voort kan.« »Mij goed,«
zei de vos, en hij wees hem allerlei sluipwegen om in de kelder te
komen. Daar was vleesch in overvloed, en de wolf viel dadelijk aan
en dacht: vooreerst schei ik nog niet uit.« De vos at ook smakelijk,
maar gluurde aanhoudend rond, en liep dikwijls naar het gat, waar
zij doorgekomen waren, en hij probeerde of zijn lijf nog dun genoeg
was om er door te kruipen. »Lieve vos,« zei de wolf, »waarom zie je
toch zoo rond en kruipt in en uit?«

»Ik moet toch kijken of er niemand komt,« zei de rakker, »eet maar
niet te veel.« »Ik ga niet weg, voordat het vat leeg is,« zei de
wolf. Op eens kwam de boer in de kelder; hij had het leven gehoord,
van het uit en inspringen van den vos. De vos zag hem, en was in één
sprong buiten. De wolf wilde hem achterna, maar hij had zich zóó dik
gegeten, dat hij er niet meer door kon, en bleef steken. Toen nam de
boer zijn knuppel en sloeg hem dood. Maar de vos liep het bosch in,
en was blij, dat hij van den ouden veelvraat verlost was.



                             Einde



INHOUD.


	De kleermaker in den hemel
	Tafeltje dek je, Goudezel, en Knuppel uit de zak
	Duimpje
	De bruiloft van vrouw Vos
	De Kaboutertjes
	De Rooverbruigom
	Mijnheer Korbes
	De Peet
	Vrouw Trude
	Peet de Dood
	Hoe Duimpje op reis ging
	Fitscher's Vogel
	Van den Amandelboom
	De oude Sultan
	De zes Zwanen
	Doornenroosje
	Vogelbuit
	Koning Lijsterbaard
	Sneeuwwitje
	De Ransel, het Hoedje en het Hoorntje
	Rompelsteeltje
	De liefste Roland
	De gouden Vogel
	De Hond en de Musch
	Frieder en Katerliesje
	De twee Broeders
	Het Boerke
	De Bijenkoningin
	De drie Veeren
	De gouden Gans
	Albontje
	Hazebruidje
	De twaalf Jagers
	De Gauwdief en zijn Meester
	Jorinde en Joringel
	De drie Gelukskinderen
	Hoe er zes door de wereld kwamen
	De Wolf en de Mensch
	De Wolf en de Vos





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Sprookjes - Tweede verzameling" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home