Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Het moderne Egypte: Wat er te zien en te hooren valt tusschen Kaïro en Faschoda - De Aarde en haar Volken, 1908
Author: Guerville, A. B. de
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Het moderne Egypte: Wat er te zien en te hooren valt tusschen Kaïro en Faschoda - De Aarde en haar Volken, 1908" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



HET MODERNE EGYPTE

WAT ER TE ZIEN EN TE HOOREN VALT TUSSCHEN KAÏRO EN FASCHODA.

Naar het Fransch van A. B. de Guerville.


Toen ik den vorigen herfst in Caux vertoefde, dat ideale
Alpenstationnetje boven Territet aan het meer van Genève, ontmoette
ik daar een mijner vrienden uit de jeugd, een diplomaat, die tien
jaren van zijn leven in Egypte had doorgebracht.

"Ik heb uw 'In Japan' gelezen," zei hij, "en nu ben ik besloten,
naar het land der chrysanthemums te gaan; ga met mij mee, om je oude
liefde terug te zien!"

"Neen, mijn waarde," antwoordde ik, "ik ga integendeel naar het
land, waar jij zoo vol van bent, niet naar de moesme's, maar naar
de mummies."

"Naar Egypte? Wat benijd ik je! Dat is een heerlijk
winterverblijf. Maar weet wel, dat je er niet enkel mummies ontmoet;
wat de vrouwen aangaat,... maar dat zul je zelf wel zien! Ga je
er weer een boek over schrijven? Ja? Dan benijd ik je niet langer;
dan beklaag ik je uit den grond van mijn hart, want die egyptische
quaestie, daar is eenvoudig niet uit te komen; er bestaat geen
ingewikkelder vraagstuk."

"Ik lach wat met de egyptische quaestie! Ik ga om het land; de
bewoners, hun zeden..."

"Goed zoo! Maar ik tart je, om daarover te spreken, zonder te roeren
aan de duizend en één lastige vraagstukken van financiëelen en
politieken aard, waar je in Egypte dadelijk tot over de ooren in zit."

Mijn vriend had gelijk. Ik had eigenlijk geen voorstelling van de
zware taak, die ik op mij had genomen. In enkele maanden Egypte te
willen begrijpen en in een enkel boekdeel zijn roemrijk verleden,
zijn krachtig en werkzaam heden, zijn hoopvolle toekomst te willen
beschrijven, is een onbegonnen werk. Ik wil daar dan ook niet mee
beginnen. Ik ga maar indrukken geven, beelden van mijn reis van Kaïro
naar Faschoda, en als ik er nu en dan eens een beschouwing aan toevoeg
over staatkunde en financiën en godsdienst, dan heb ik uit de beste
bronnen geput, namelijk uit wat ik hoorde van de hoogste egyptische
ambtenaren; van Engelschen, Franschen en anderen, allen mannen van
talent en gevoel, die in de paleizen, de ministeries, de legaties,
de weinige groote industriëele ondernemingen, onafgebroken werken
aan den opbouw van Egypte.

En kon ik nu maar twintig deelen schrijven in plaats van twintig
hoofdstukken!



"Wat hoor ik, je gaat naar Egypte onder duitsche vlag!" zei een mijner
vrienden te Marseille, en voegde er somber aan toe: "Waar moet het
heen? Eerst laten wij, Franschen, Egypte aan de Engelschen over, en
nu laten we de Duitschers den baas spelen in de Middellandsche Zee,
en die duivelsche Teutonen zijn overmoedig genoeg, om een expressen
dienst van paketbooten te openen tusschen Alexandrië en Marseille!"

Het ging mijn braven Marseillaan werkelijk aan het hart, en hij
had er reden voor. Inderdaad, terwijl de telkens terugkeerende
werkstakingen de groote fransche havens met ondergang bedreigen en
allen ondernemingslust fnuiken, werken de Engelschen, de Duitschers,
de Italianen onafgebroken, om zich daar te doen gelden, waar de
Franschen nog heeren en meesters waren.

Door het in het leven roepen van den nieuwen dienst tusschen Marseille
en Alexandrië, met een oponthoud van achttien uren in Napels, en
door daar twee van zijn mooiste stoombooten, de "Schleswig" en de
"Hohenzollern" voor te bestemmen, heeft de Norddeutsche Lloyd van
Bremen weer een van zijn meesterstukken volbracht.

Omdat ik het comfort van die nieuwe lijn had hooren roemen, wenschte ik
er kennis mee te maken, en ik heb bevonden, dat de lof niet overdreven
is geweest.

Na een vijfdaagsche reis met weinig goed weêr wierp de "Schleswig"
in de haven van Alexandrië het anker uit. Dadelijk waren wij omringd
door een massa booten met Egyptenaren, die vervaarlijk schreeuwden,
waarbij ze met niet minder kracht door Turken en Arabieren in hun
eigen booten werden ondersteund. Binnen enkele seconden was het schip
bezet door een bonte menigte van gidsen, tolken, hotelportiers,
schippers, agenten van reisbureau's en dergelijke personen. Een
babylonische spraakverwarring heerschte er aan boord, en de arme
verschrikte toerist ziet met ontzetting, hoe vijftig bruine of zwarte
duivels zich storten op zijn bagage. Maar dan verschijnt op het rechte
oogenblik iemand van de firma Cook, die met een stentorstem u toeroept,
dat ge u niet ongerust behoeft te maken, want dat hij zich met alles
belast. Daar daagt op het dek een kolossale Arabier op met een staf
van sterke dragers, wier bovenlijf in een rood buis is gestoken,
waarop in witte letters: "Thos. Cook and Son".

En als door een tooverslag is de orde hersteld, als een generaal op het
slagveld geeft de agent van de heeren Cook zijn bevelen aan de dragers,
staat beleefd de reizigers te woord met uitleggingen en verklaringen
en als men zich ongerust maakt over de douaneformaliteiten, glimlacht
hij en zegt geruststellend: "Er is geen douane voor u. Wij hebben
de speciale vergunning verkregen, alle bagage der reizigers te mogen
laten passeeren, zonder dat zij geopend wordt. U heeft ons slechts uw
recu's ter hand te stellen en u vindt uw bagage òf in het hotel, dat
u ons zult opgeven òf aan het station, gereed om met u naar Kaïro te
reizen." De directeuren van dit reisagentschap zijn niet ten onrechte
de niet gekroonde koningen van Egypte en het Oosten genoemd.

Moest niet keizer Wilhelm op zijn reis in Palestina zich met al
de zijnen in handen stellen van de heeren Cook, als ieder gewoon
toerist? De witte barken van het agentschap omringen nu de "Schleswig"
en met al onze bagage waren we er weldra in geïnstalleerd.

Om twaalf uur bestormden wij de express naar Kaïro, en de luxetrein,
van alle gemakken voorzien, bracht ons in drie uren naar de hoofdstad
door groote, goed bebouwde vlakten en wijde maïsvelden. Men zou zich
kunnen verbeelden, in het Westen van Amerika te zijn, als zich niet
nu en dan de kolossale gepluimde palmen aan het oog vertoonden. Dan
waren er dorpjes van gele leemen hutten met platte daken, waar stroo op
gedekt was en die meteen dienden voor kippenloop en geiten-, schapen-
en varkensstallen.

Op de slechte wegen gingen kameelen met zware lasten langzaam
voort in gelijkmatigen pas met den kleinen kop omhoog op den langen
hals. Hun logge gang doet nog te opvallender den gang van de egyptische
ezels uitkomen, dien sierlijken, vluggen gang, die hen zoozeer doet
verschillen van de broeders in Europa.

En toen Kaïro! Welk een veranderingen in weinige jaren! Men praat van
amerikaansche steden, die snel als paddestoelen verrijzen, maar wie
heeft ooit een oude oostersche stad zich zoo snel zien verjongen en
zoo volkomen zien ontwaken tot een nieuw leven als Kaïro na 1882, toen
Engeland de stad als met het stokje van een tooverfee aanraakte? De
vorderingen zijn zoodanig, dat men na ieder vijftal jaren weer veel
veranderingen en verbeteringen aantreft.

Alleen de hoofdstraat, Shariah-Kamel en het Operaplein zijn weinig
veranderd. Dat is nog altijd het drukste hoekje van de stad; daar
verdringt zich van den morgen tot den avond een dichte, bonte menigte.

Het zou niet mogelijk wezen, iets schilderachtigers te bedenken,
dan dit levend en bewegend panorama, waar het Oosten en het Westen
samenkomen en zonder eenigen schok op de natuurlijkste manier van de
wereld ineensmelten.

Het oog wordt allereerst getroffen door tallooze roode puntjes,
waar balletjes van zwarte zijde langs dansen. Dat is de fez, die op
zooveel verschillende hoofden rust, hoofden verschillend van type en
ras. Men ziet de heeren ver in de meerderheid, en zij hebben geen
andere oostersche kenmerken dan die fez, want ze kleeden zich naar
europeeschen trant, en velen naar den allerlaatsten smaak.

In de menigte ziet men negers, Arabieren in wijde gewaden, joden
met onrustige oogen, eunuchen, knappe egyptische soldaten, en onder
al die oosterlingen toeristen uit aller heeren landen, die alle
mogelijke talen spreken, vrouwen uit de groote en de halve wereld,
en hier en daar een gesluierde oostersche, die stil en geheimzinnig
zich voortspoedt.

De terrassen voor de koffiehuizen zijn alle bezet, en men drinkt er de
eeuwige turksche koffie en rookt de eeuwige egyptische sigaretten. Maar
praten kan men moeilijk op straat, want de straatverkoopers maken een
heidensch leven. Ze verkoopen van alles, loterijbriefjes, briefkaarten,
waslucifers, dadels, couranten, honig en zelfs vleesch en visch. Er
zijn vertooners van geleerde aapjes, arme Italianen, die afschuwelijke
violen mishandelen, een leger schoenpoetsers, en eindelijk, juist als
voor het Grand Hotel te Parijs, gidsen, die op klanten uit zijn en
die u voor een paar piasters alle merkwaardigheden van Kaïro willen
laten zien.

Op de buitenwegen is het al even druk. De victoria's, met vlugge
paarden bespannen, de karretjes, die als omnibussen voor de
inboorlingen dienst doen en vol mannen of vrouwen en kinderen zitten,
de wielrijders, de auto's, een oneindig aantal ezels met allerlei
personen en goederen beladen, fabelachtig bepakte kameelen, dat alles
warrelt er dooreen.

Met luidklinkend gebel vertellen u de electrische trams, dat Kaïro
een moderne stad is. Die trams zijn van een belgische maatschappij,
die veel geld verdient, maar niet veel zorg besteedt aan het gemak
der reizigers. De wagens zijn vuil en de conducteurs oneerlijk. Er is
een afgesloten gedeelte voor de haremdames, maar vreemde dames mogen
er geen gebruik van maken. Te gaan zitten naast een stoffigen neger
is niet aangenaam.

In de Shariah-Kamel, op het Operaplein en in aangrenzende streken
heeft men mooie winkels. De juweliers hebben prachtige uitstallingen;
er zijn veel parfumeriewinkels en nog meer banketbakkers. Noga en
turksche lekkernijen verkoopt men er wel; maar ge moet die zoeken
achter in den winkel; de voorgevel is voor zwitsersche chocolade; de
Gala Peter en de andere melkchocoladen hebben Egypte en zijn liefde
voor zoetigheid voor zich veroverd.

Maar zoo dan al dat schilderachtige hoekje van Kaïro niet veranderd
is, het overige deel van de stad doet het wel. De bevolking schijnt
aangegrepen door een dolle haast, om te bouwen. Reuzengroote, in
appartementen verhuurde huizen, groote paleizen en prachtige hôtels
vormen nieuwe wijken, waar tien jaren geleden slechts tuinen werden
gezien.

Egypte beleeft tegenwoordig een tijdperk van ongewonen bloei. Iedereen
verdient geld als water en daar de waarde van huizen en grond dagelijks
toeneemt, gaat ieder, die over kapitaal beschikt, aan het bouwen.

Tot voor weinige jaren gaven Egyptenaren van de middelklasse nog in het
geheel niet om comfort; gezinnen van twintig en meer personen woonden
in een paar vertrekken in vuile wijken. Nu is dat alles veranderd;
de familiën splitsen zich; de getrouwde kinderen willen op zichzelf
wonen en geven de voorkeur aan de nieuwe, gezonder en frisscher wijken.

Duizenden, die op den grond sliepen in hun vertrekken naar turkschen
trant, willen thans europeesche ledikanten hebben, en vorken en messen
vervangen met voordeel vinger en duim.

De snelle vlucht, die de stad heeft genomen, gaat nog onophoudelijk
voort en dringt zelfs tot de omringende woestijn door, op welker
verovering energieke kapitalisten het voorzien hebben. Boghos Nubar
pacha, zoon van den beroemden staatsman, staat aan het hoofd van een
maatschappij, die groote terreinen in de woestijn heeft aangekocht
voor de poorten van Kaïro, om daar een geheel nieuwe wijk te bouwen,
een stadje, zou men het kunnen noemen.

In den loop van hetgeen volgen zal, moet ik zoo dikwijls uitweiden
over de bekoring van Kaïro als winterverblijf, en ik zal het verblijf
daar zoo van harte aanbevelen aan allen, die het slechte jaargetijde
willen doorbrengen in een heerlijk klimaat en in omstandigheden,
waarin het hun aan niets ontbreekt, wat comfort aangaat, in een land,
rijk aan historische herinneringen en vol kunstschatten, dat ik hoop
wel gerechtigd te wezen, om, zonder dat men mij kan verwijten, Egypte
onrecht te doen, den wensch uit te spreken naar een verbetering,
waardoor Kaïro bevrijd moge worden van de plaag, die een geesel is
voor het land der Farao's, het stof.

Als er tegenwoordig niet genoeg water in de stad beschikbaar is,
om die kwelling voldoend te bestrijden, laat men het dan van elders
laten komen, of laat men andere middelen aanwenden, dat er een eind
kome aan die opwolking van stof en vuil, die zoo hoogst onaangenaam
zijn en bovendien gevaar meebrengen.

Als er geen stofplaag meer in Kaïro zal wezen en als er riolen zullen
zijn en de trams zindelijk zullen wezen, de apothekers geen afzetters
en de koetsiers niet brutaal zullen zijn en niet wreed voor hunne
arme paarden en het leven over het algemeen iets minder duur, dan
zal het in den winter een aardsch paradijs mogen heeten.

Gedurende de maanden, dat het seizoen duurt, zijn de hotels
het middelpunt van het mondaine verkeer, want in dat opzicht is
Kaïro veel meer een badplaats dan een hoofdstad. Het moet gezegd,
dat die hotels ook inderdaad aantrekkelijk zijn. Ze zijn grootsch
en vereenigen westersch comfort en oostersche weelde. Nog slechts
enkele jaren geleden telde Kaïro maar een enkel hotel, waar men weelde
aantrof, namelijk het Shepheard's hotel in het midden der stad in de
heerlijke tuinen, die oorspronkelijk hadden behoord bij het paleis van
Kiamil, dochter van Mohammed Ali. Daar kwamen historische personen,
beroemdheden en diplomaten samen, en de naam is in de heele wereld
bekend. Het lot van het hotel berust tegenwoordig in de handen van een
energieken man, den heer Charles Baelher, die het vak grondig kent
en ook bestuurder is van het Ghezireh Palace. Die beide prachtige
hotels zouden voor den roem der hotels in de stad kunnen volstaan,
maar de heer Georges Nungovich was ondernemend genoeg, een even groot
en mooi te bouwen, en het Savoy hotel verrees. Die drie verdeelen nu
de deftige en groote wereld onder elkaar, en de souvereinen en prinsen,
die Egypte bezoeken, stappen er af.

De heer Nungovich heeft nog twee andere groote hotels in Kaïro,
het Continental op het Operaplein en het Hotel d'Angleterre, dat
meer ter zijde ligt en kalmer is, maar even modern. Nungovich is een
zeer bekende figuur in Kaïro. Evenals de amerikaansche milliardairs
heeft hij zijn loopbaan onder aan de ladder begonnen in de hall van
een hotel. Hij verbergt dat niet, maar is er integendeel trotsch
op. Enkele jaren later vertrouwden engelsche officieren, die zijn
intelligentie en zijn eerlijkheid hadden opgemerkt, hem de leiding op
in hun cantine. Nog iets later vinden we hem terug als bestuurder van
het hotel d'Angleterre, en op dien tijd, meen ik, bewees hij aan het
engelsche leger een dienst, dien de officieren nooit hebben vergeten
en die hem, als het ware, stempelde voor den officiëelen hotelier
der officieren van Zijne britsche Majesteit. Ten gevolge van het
een of andere voorval verscheen onverwacht een engelsch regiment in
Kaïro. Er was geen enkele schikking getroffen om het te ontvangen
en geen kwartier gemaakt voor de officieren, die niet wisten, waar
te gaan logeeren. Aan het station vonden ze den heer Nungovich, die
den kolonel verklaarde, dat hij in het Hotel d'Angleterre kamers in
gereedheid had laten brengen voor alle officieren van het regiment.

Gedurende de weinige dagen, dat ze er vertoefden, werden de officieren
koninklijk onthaald en toen ze bij hun vertrek hun nota's vroegen,
werd hun geantwoord: "Die zijn er niet. De heer Nungovich is al te
gelukkig, de officieren van Zijne Majesteit te hebben ontvangen."

Talrijk zijn de gekroonde hoofden, die in de laatste jaren naar Kaïro
zijn gekomen en die den heer Nungovich met hun vertrouwen hebben
vereerd. Natuurlijk is er naijver tusschen de hotels Baelher en
Nungovich, maar die naijver doet hun geen kwaad en hij is uitmuntend
voor de vreemdelingen, want in alle doet men daardoor het onmogelijke
om den lof der bezoekers te verdienen. Trouwens de wedijver is meer
denkbeeldig dan werkelijk, en heeft ook eigenlijk thans geen reden van
bestaan meer, nu alle hotels een verzekerde toekomst hebben en een
goeden naam, terwijl er aan de vier hoeken van Kaïro andere groote
hotels worden gebouwd, om aan de nu reeds "ouden" concurrentie aan
te doen.

Inderdaad kunnen alle hotels niet meer den enormen toevloed van
vreemdelingen bergen, Europeanen en Amerikanen, die den winter in
Kaïro komen doorbrengen. Verleden jaar wist men niet meer, waar ze te
bergen, en men heeft mij gezegd, dat op één oogenblik oude wagons-lits
als geïmproviseerde hotels dienst moesten doen.

Die vreemdelingenstroom, die Egypte overstroomt, behoort tot wat
de hoteliers een "clientèle de grand luxe" noemen. Er is inderdaad
geld, veel geld noodig, om er den winter te slijten, en diegenen, die
uit alle oorden van de wereld komen, om van het heerlijk klimaat te
genieten, hebben er hun zakken vol van en geven met gulheid uit. Er
is onbeschrijfelijk veel weelde, een onafgebroken opeenvolging van
bals en feesten van allerlei aard.

Bovendien is er in de lucht van Egypte iets opwekkends, dat als tot
weelde-uitgaven en levensgenot prikkelt.

Buiten de groepen van de zeer rijke en deftige hotels kent men in
Kaïro nog de officiëele, de engelsche en de inlandsche wereld. Die
laatste is moeilijk te omschrijven en bestaat uit zeer rijke en zeer
gastvrije menschen, Grieken en Levantijnen vooral, die sinds tal van
jaren in Egypte wonen en de groote handels- en industrieondernemingen
in handen hebben evenals den geldhandel. Ze bezitten prachtige
huizen, ware paleizen, en leven in de grootste weelde. De oorsprong
van verscheiden dier fortuinen kan niet al te veel navraag lijden;
maar hij is dan ook dikwijls achter een dikken sluier verborgen, die
alleen een enkele maal eens wordt opgeheven door den een of anderen
ouden ingewijde.

De engelsche wereld, nu eens zonder de officiëele personen beschouwd,
is talrijk en trekt den neus op voor de familiën uit het land
zelf. Voor de Engelschen zijn Egyptenaren, Grieken, Turken, Armeniërs
allen negers. Ik maak geen grapjes, en hoe vreemd het moge schijnen,
ontwikkelde, verstandige en alleraardigste Engelschen zullen van een
Griek praten als van "that black man" of "that nigger".

Zelf weer door de officiëele wereld niet voor vol aangezien, leeft
het engelsche uitgaande publiek als op een eilandje, waar ze het best
maken met al hun sport. De Engelschman rijdt er paard, vaart met zijn
jacht, doet aan voetbal, tennis, polo en is tevreden en welvarend.

Er is in de wereld geen verrukkelijker weg dan de breede en mooie
avenue, die Kaïro met de pyramiden van Ghizeh verbindt aan den ingang
der woestijn. De weg is een tiental kilometers lang en aan beide
kanten staan prachtige en reusachtig groote boomen. Het is er op
alle uren van den dag druk. Des morgens vertoonen er zich de heeren
en de dames te paard; dan ook de ezels en muildieren en de lange
rijen kameelen, die naar de markt gaan of ervan terugkeeren. In den
namiddag rijdt er het elegante Kaïro in rijtuigen of automobielen,
en aan den linker kant van den weg brengt de electrische tram het
moderne, luidruchtige, vervelende element. Die breede weg werd in
enkele weken door den khedive Ismaël aangelegd in den tijd van de
opening van het Suezkanaal, opdat keizerin Eugenie, voor wie ook het
rijke Ghezireh Palace was gebouwd, in haar rijtuig tot aan de beroemde
pyramiden zou kunnen rijden.

O, die pyramiden, wat een dingen hebben zij al niet gezien in
de veertig en meer eeuwen vóór de heldendaden van Bonaparte en
daarna! Egyptenaren, Grieken, Turken, Franschen, Engelschen hebben in
de buurt om beurten hun tenten en hun vlaggen geplant, en tegenwoordig
komen de toeristen zich er verbroederen in een pelgrimstocht van
nieuwsgierigheid en pret.

Men gaat erheen om verschillende redenen. Vooreerst omdat het de
Pyramiden zijn, die men moet hebben gezien, om over de steenkolossen
te kunnen meepraten. In de tweede plaats omdat ze een aangenaam doel
zijn voor een uitstapje en dat de woestijn met haar opwekkende, zuivere
lucht een groote bekoring uitoefent. Enkelen komen er, om zich te laten
photografeeren met de Pyramiden, om aan de ongeloovigen overtuigend
te bewijzen thuis, dat ze er wezenlijk geweest zijn; maar helaas,
hoevelen van hen zijn gefopt geworden door den photograaf, die maar een
pseudo-photograaf was en wiens toestel een ledig sigarenkistje was met
een zwarten doek erover! Na dan een poos geposeerd te hebben, gaf men
zijn naam en adres op, offerde zijn tien gulden, om eenige dagen later
te vernemen, dat men alles bedorven had door een zenuwachtige beweging!

De nabijheid der Pyramiden wordt onveilig gemaakt door de troepen
Bedoeïenen, die wilden uit de woestijn, die van roof en afzetterij
leven. In hun lange jurken, met een tulband op het hoofd en goed
gewapend, komen ze op de toeristen af en doen allerlei aanbiedingen
voor een bezoek aan den Sfinx en de Pyramiden of voor de beklimming
van deze laatste.

De beklimming van de Groote Pyramide is moeilijk en vermoeiend. De
snelheid, waarmee de Bedoeïenen er tegen opklauteren, is werkelijk
phenomenaal. Een menigte toeristen laten er zich toe verleiden. Twee
Bedoeïenen zijn gewoonlijk voldoende, om er een man tegen op te
hijschen; maar ze ondernemen het werk met hun drieën, als er een dame
in het spel is.

Aan den voet der Pyramiden bij den ingang der woestijn vindt men een
der beste egyptische hotels, het Mena House. Op het theeuur zijn
de terrassen bezet door een vroolijke en luidruchtige menigte. De
onmetelijke en prettige salons, de heerlijke eetzaal, een overvloedige
en uitstekende keuken, een reusachtig zwembassin in de open lucht,
velden voor tennis en croquet maken van dat hotel een der aardigste
verblijven van Egypte. De stallen zijn uitmuntend voorzien, en men
kan er tegen matige prijzen rijtuigen krijgen, rijpaarden, kameelen
en zandwagens, dat zijn karretjes, waarvan de wielen zoo breed zijn,
dat ze over het zand glijden zonder erin te zakken, waardoor men,
zonder zich te vermoeien, mooie tochtjes in de woestijn kan doen.

Er worden dikwijls bij Mena House groote sportfeesten gegeven, die druk
bezocht werden. De wedrennen van kameelen zijn allerdolst. Die dieren
begrijpen precies, waar het om gaat en stellen het grootste belang
in den strijd, dien ze willen winnen. Den vorigen winter greep een
kameel, die boos was, dat een ander hem voorbij streefde, den ruiter
van den mededinger bij het been en gaf er een leelijken knauw in.

Op een half uur sporens afstands van Kaïro ligt een andere, ook zeer
bekoorlijke en veelbezochte plek, eveneens in de woestijn, maar
in een andere richting. Dat is Heloean, een dorp, beroemd om zijn
zwavelhoudend water. De badinrichting, het Grand Hotel en het Badhotel
behooren aan de maatschappij der Nungovich-hotels en zijn, zooals
men verwachten kan, in alle opzichten uitstekend. Hier is geen stof,
geen vuil, geen rumoer. Een droge lucht, die opwekkend en heerlijk is
en een ideale kalmte. Er is daar nog een zeer goed hotel, het Tewfik
Palace, en dan heeft men er veel pensions. Heloean ligt tegen bergen
aan en op een van deze vindt men een hotel-sanatorium, El Ayat, dat een
paar jaren geleden geopend is. In dat heerlijk gelegen huis vinden de
zieken en herstellenden alle mogelijke comfort en zorgvolle verpleging.

Er is te Heloean een uitstekende golfclub en een renbaan, die alle
gasten van Kaïro samenbrengen.



In 1892 volgde de tegenwoordige khedive zijn vader Tewfik Pacha op. Die
laatste was vrij plotseling gestorven; maar het schijnt haast, alsof
hij een voorgevoel van zijn vroegen dood heeft gehad, want toen de
kroonprins uit Weenen, waar hij studeerde, eenige maanden vóór het
overlijden van zijn vader de vacantie in Egypte doorbracht, liet Tewfik
den kroonprins Abbas meerderjarig verklaren, ofschoon de prins er nog
niet den vereischten leeftijd voor had bereikt. Door het besluit werd
een regentschap vermeden en daardoor kon de tegenwoordige khedive
den troon bestijgen, ofschoon hij wettig nog niet meerderjarig was.

De jonge Abbas Hilmi had terstond een zeer besliste meening over zijn
rechten en plichten als souverein. Daar hij nog niet persoonlijk had
ervaren, welke rol Engeland in Egypte speelde, moest hem natuurlijk
de tegenwoordigheid van een vreemd leger in zijn vaderland hinderen,
en zoo kwam hij er dan ook terug met een hart vol vrees.

Lieden uit zijn omgeving en meer of minder officiëele vreemdelingen
maakten van deze stemming gebruik, om den jongen en toen nog onervaren
vorst te drijven tot een openlijke breuk met Engeland, door hem te
verzekeren, dat op den dag van den strijd de fransche bajonnetten en
de russische Kozakken achter hem zouden staan.

Dapper en vol zelfbeheersching, wees hij den Engelschen op een goeden
dag de deur; toen omziend, om te zien, wie hem volgden, vond hij
een ledig... Diegenen zelfs, die hem geraden hadden, hielden zich
lafhartig schuil op het oogenblik van den strijd.

In 1878 had Engeland vóór de poorten van Konstantinopel aan Rusland
een "Halt!" toegeroepen, en het groote keizerrijk had geen schrede
verder gedaan.

Twintig jaren later te Faschoda riep Engeland Frankrijk een
"Achterwaarts!" toe, en de rijke en machtige Republiek moest wijken
voor de keizerin der zeeën...

Zoo ook antwoordden de Engelschen op de afwerende beweging van den
khedive: "Wij zijn de sterksten en wij zullen blijven!" En Egypte,
dat nog zwak was op dat oogenblik, moest zich schikken.

Het is waar, dat Engeland den goeden smaak had, erbij te voegen:
"Wij wenschen slechts uw belang; wij erkennen uw souvereiniteit en
wij willen niets anders dan u helpen met al onze krachten, om uw land
een herleving te doen ondergaan." Het was een harde slag, maar hij had
voor Zijne Hoogheid meer waarde dan tien jaren van levenservaring. De
jonge vorst kende van dien tijd af de waarde van de vriendschap,
de zwakheid van zijn eigen land en wat hijzelf vermocht.

Hij nam in het administratieve den raad van Engeland aan, maar bewaarde
al zijn vorstelijke prerogatieven en wist ze te doen eerbiedigen. In
den aanvang weigerde hij de hem toegestoken hand aan te nemen, want hij
wilde, eer hij den Engelschen zijn vertrouwen schonk, hen aan het werk
zien, zoodat de betrekkingen koel, officiëel en uit de hoogte waren.

Met buitengewone wilskracht begon hij studie te maken van de behoeften
van zijn land, en langzamerhand begon hij te bemerken, dat Engeland
woord hield en dat er eerlijk en trouw voor het wezenlijk belang van
Egypte werd gewerkt.

Toen, maar ook toen eerst, aanvaardde hij het verdrag en in het
jaar van de toenadering tusschen Frankrijk en Engeland bracht Zijne
Hoogheid een vriendschapsbezoek aan koning Eduard en werd in Londen
gevierd en geëerd.

In den loop der vele gesprekken, die ik met den khedive heb
mogen voeren, heeft hij mij zelf verzekerd, dat zijn betrekkingen
met Engeland en de staatssecretarissen en andere raadgevers en
ambtenaren van engelschen landaard uitstekend zijn, dat er van zijn
kant, noch van dien der egyptische ministers eenige wensch bestaat,
om het beschavingswerk op eenige wijze te hinderen en dat zij allen
van ganscher harte aan de opleving van Egypte meewerken.

In het kort, ik kan verklaren, dat Zijne Hoogheid tevreden is over
den tegenwoordigen staat van zaken, en zoolang Egypte niet een graad
van beschaving heeft bereikt en niet machtig genoeg is geworden, om
in alles op eigen wieken te drijven, geeft hij er verre de voorkeur
aan, op Engeland te steunen en gebruik te maken van de lessen en
raadgevingen der bekwaamste kolonisators ter wereld dan een steun te
zoeken bij andere mogendheden.

Maar dit belet Abbas Hilmi niet, voor sommige van die mogendheden een
oprechte vriendschap te gevoelen en een groote bewondering. Zijne
Hoogheid heeft voor Frankrijk een voorkeur, die hij zeer beslist
aan den dag legt, en elk jaar komt hij zijn vacantie te Divonne
doorbrengen, waar hij dan rustig leeft als een gewoon, eenvoudig,
deftig reiziger.

De volksfantazie, die ervan houdt, zich den khedive voor te
stellen als wonend in een weelderig paleis, zijn dagen slijtend
op gemakkelijke sofa's en divans tusschen zachte kussens, omringd
door de vrouwen van zijn harem, terwijl hij lekkernijen eet en een
narghileh rookt, die volksverbeelding zou zeer verrast wezen, als
ze bespeurde, wat inderdaad een feit is, dat de khedive de man is,
die het van alle Egyptenaren het drukst heeft. Men zou bijna geen
gevulder en beziger leven kunnen leiden. Zijn officiëele plichten,
het bestudeeren van wetten, het onderteekenen van besluiten, het
presideeren van ministersvergaderingen, het verleenen van audiënties,
het houden van recepties, het bijwonen van parades, al die bezigheden
van een souverein zouden voor velen reeds een zware taak zijn. En
toch vindt Z.H. buiten dat alles den tijd nog in het groot aan
landbouw en veeteelt te doen, zijn grondbezit steeds uit te breiden,
heele wijken te laten bouwen bij steden en dorpen in het open land,
reuzenuitgestrektheden vruchtbaar te laten maken ter ontginning, en
zijn groote goederen te doorreizen per spoor, met zijn jacht, in een
dahabieh, per rijtuig, per automobiel, te paard of op een kameel en
dan nog, om van zijn eigen penningen een spoorlijn te laten bouwen,
die Egypte met Tripolis zal verbinden. En denk nu niet, dat de khedive
zich slechts met de groote lijnen van al zijn plannen bezighoudt,
aan anderen het meeste werk overlatend. Dat zou een groote dwaling
zijn. Zeker, hij heeft raadgevers en dienaren van groote beteekenis,
zooals het hoofd van de Daïra Kassa, het civiele huis, Z. Excellentie
de Martino pacha, die hem allen groote diensten bewijzen, maar het
blijft niettemin waar, dat de khedive alle quaesties grondig bestudeert
tot in de kleinste bijzonderheden.

De voornaamste verblijven van den khedive zijn het paleis van Abdine in
Kaïro, waar alle officiëele recepties plaats hebben; het Koebbehpaleis
buiten op tien kilometer afstands van de stad, waar Zijn Hoogheid
het grootste deel van het jaar met zijn echtgenoote, de Khedivah,
en hun kinderen woont; het paleis van Alexandrië en eindelijk het
paleis van Montazah aan zee op eenige kilometers van Alexandrië.

In het Abdinepaleis ontving Zijn Hoogheid mij voor de eerste maal in
gezelschap van den heer W. Riddle, gezant van de Vereenigde Staten.

De tijden zijn voorbij, waarin onverschillig welke onbeteekenende
consul zich in het paleis mocht vertoonen met een colbertje en slappen
hoed, en vragen, om te worden ontvangen, of de khedive dat aangenaam
vond of niet. Wat de zwakheid van Tewfik verdragen had, was met hem ten
einde, en Abbas Hilmi wist van den eersten dag af, zich voor te doen
als de souverein en zich als zoodanig te doen eerbiedigen. Onnoodig
dus, hierbij te voegen, dat, als aan alle buitenlandsche hoven,
de vreemde vertegenwoordigers hun verzoek om een audiëntie moeten
richten tot den groot-ceremoniemeester, die het overbrengt aan Zijn
Hoogheid, en dat men niet kan worden ontvangen dan in groot uniform
of in rok en hoogen hoed.

Beneden in de vestibule staan de soldaten van de garde en haie
geschaard en boven aan de groote, marmeren trap treffen we de
ceremoniemeesters en kamerheeren, die ons geleiden in een eerste en
ruime wachtzaal, en na eenige minuten zijn wij binnengetreden in de
ontvangzaal, waar Zijn Hoogheid ons wacht. De vorst kwam glimlachend op
ons toe met uitgestoken hand en na een krachtigen handdruk gingen we
zitten, waarna de sigaretten werden opgestoken en het gesprek begon,
eerst in het Engelsch, later in het Fransch. De khedive spreekt
beide talen uitstekend, evenals het Duitsch en natuurlijk Turksch
en Arabisch.

Zelfs zijn verbitterdste politieke vijanden erkennen gaarne de
bekoring, die uitgaat van de persoonlijkheid van dezen vorst, en
een van hen had mij gezegd: "O, zeker, ge zult hem innemend vinden,
dat is het ware woord; hij is een charmeur en hij zal u bekoren,
maar... wees op uw hoede!"

Ik ben in het geheel niet op mijn hoede geweest, en ik heb mij daar
best bij bevonden.

Het gesprek was gekomen op de reis, die ik ging doen naar Soedan
en op de afrikaansche spoorwegen; ik nam de vrijheid, Zijn Hoogheid
te vragen naar den spoorweg, dien zij op haar kosten laat aanleggen
tusschen Alexandrië en Tripolitanië, en ziehier het antwoord, dat ik
ontving: "Het land, dat zich ten westen van Alexandrië uitstrekt,
is aan de reizigers totaal onbekend. Men nam gewoonlijk aan, dat
het een onmetelijke woestijn was, met enkele oasen op afstanden van
twintig of dertig dagreizen voor kameelen.

"Toch kwamen een groot aantal karavanen door die woestijn, tenzij uit
de bedoelde oasen of uit Tripolitanië en brachten allerlei soorten
van producten naar Alexandrië.

"Ik besloot eens een lange reis te paard te doen door dit onbekende
land. Tot mijn groote verbazing vond ik geen zandwoestijn, zooals ik
verwachtte, maar een rijken grond, geschikt voor allerlei cultures. De
aarde is niet zoo donker van kleur als die dichtbij den Nijl, maar het
is duidelijk, dat ze ten tijde van de Romeinen een talrijke bevolking
heeft gevoed.

"Wij hebben er ruïnen van steden en dorpen aangetroffen en
boerenhoeven, die door Romeinen waren bewoond, en nu nog zijn er
in die zoogenaamde woestijn genoeg steenen van al die ruïnen, om
honderden dorpen te bouwen."

"Op een avond," zoo ging de Khedive voort, "sloeg ik mijn tent op
aan den grooten weg. Ik kon eerst niet slapen en bleef ook verder den
geheelen nacht wakker, doordat onafgebroken karavanen voorbijtrokken
van beladen kameelen.

"En terwijl ik in de lange uren de langzame, zware passen van den
kameelenoptocht hoorde en het gefluit van de geleiders, dacht ik aan
de uren, dagen, weken, maanden, die door die Bedoeïenen op de wegen
worden zoekgebracht, en ik zeide tot mijzelven: 'Maar als er dan
zooveel zijn, zou men best een spoorweg voor hen kunnen aanleggen;
dat zal een uitmuntende zaak wezen voor hen en waarschijnlijk ook
voor de aanleggers.'

"En later toen ik naar den kant van Tripolitanië de rijke oasen zag,
waarvan de voortbrengselen niet konden worden vervoerd; de dieren,
die niet konden worden verkocht en die gevoed werden met vijgen en
dadels, waarmee men niet wist, wat aan te vangen, was spoedig mijn
besluit genomen; ik zette mij terstond aan het werk en begon met den
aanleg van dien spoorweg."

"En is Uwe Hoogheid tevreden over den uitslag?"

"Tevreden? Maar ik ben er verrukt van. Ik heb nog slechts een
honderdtal kilometer aangelegd; welnu, wat de koopmansgoederen aangaat,
hebben wij in het eerste jaar een millioen kilogrammen vervoerd; dit
jaar (1905) zullen we boven de zes millioen komen. Ik was begonnen, een
lijn met smal spoor te bouwen, maar dat was een vergissing, en ik stel
er thans een lijn met gewone spoorbreedte voor in de plaats. Naarmate
we vorderen en de oasen naderen, zal de handel steeds levendiger
worden. Onlangs heb ik een drukke markt bijgewoond in het dorp, dat
eindpunt was van den spoorweg. Nu, daar waren karavanen gekomen uit
Tripolis, en om u een denkbeeld te geven van de belangrijkheid van
de markt, wil ik u enkel zeggen, dat er 22 000 schapen waren!

"De samenkomst was bij uitstek schilderachtig, want men zag er
Bedoeïenen in den allerprimitiefsten staat. Veel van de overeenkomsten,
die werden gesloten waren gewone ruilhandel, daar deze menschen
zeer weinig geld hadden. Men kon er nog een paard koopen voor 50
francs. Mijn bedoeling is, de bevolking aan te moedigen, om in de
dorpen, waar de trein passeert, op vaste dagen week- en jaarmarkten
te openen."

"En tot hoever denkt Uwe Hoogheid den spoorweg voort te zetten?"

Toen antwoordde mij de khedive met een opgewonden, van hoop en energie
stralend gezicht:

"Tot waar toe? Maar mettertijd natuurlijk tot aan de grens van
Tripolitanië, en ik hoop wel, dat er dan in Tripolis menschen zullen
zijn, die zich verstandig genoeg toonen en genoeg ondernemingsgeest
hebben, om een spoorlijn aan te leggen, die zich aansluit bij de
mijne. Denk eens aan, dat men dan in Egypte zal kunnen komen na een
overtocht van twaalf uren van Messina naar Tripolis in plaats van de
drie dagen, die men nu noodig heeft om van Brindisi naar Alexandrië te
komen, of van de vijf dagen van Marseille naar diezelfde haven. Een
luxetrein zou hen van Tripolis naar Kaïro vervoeren. Die dienst zou
twee of drie keeren per week kunnen loopen en ook wel dagelijks in
het drukke seizoen."

Over spoorwegen sprekend, werd de khedive ertoe gebracht, ons een
anecdote te vertellen in zake de reis van zijn zuster, de prinses
Hadidja Hanoem, die met haar man prins Abbas de tentoonstelling te
Saint Louis had bezocht het vorig jaar.

"Ik heb altijd zelf," zei de vorst, "den grootsten lust gehad,
naar de Vereenigde Staten te gaan en ik zou nooit vermoed hebben,
dat de prinses, mijn zuster, er nog eerder zou komen dan ikzelf. Zij
heeft mij een prachtige collectie photografieën meegebracht, waarvan
verscheiden in buitengewone omstandigheden zijn genomen. De prinses
had het ongeluk, een spoorwegramp mee te maken, en in plaats van het
hoofd te verliezen, zooals bijna allen, die met haar te zamen waren,
photografeerde ze het tooneel! En even koelbloedig was zij, toen ze
aan boord was van een petroleumboot, die in brand vloog!"

Dat is heusch interessant. De kalmte en de tegenwoordigheid van de
egyptische prinses zijn kenschetsend voor het land, waar zooveel
vrije en sterke vrouwen wonen.

Niet alleen naar de grens van Tripolitanië richt zich de jonge en
sterke energie van den khedive. In het hartje van Kaïro wil hij aan
zijn onderdanen voordoen, hoe ze moeten bouwen.

Ik heb er al op gewezen, dat hier overal een bouwwoede de wereld
schijnt te hebben aangegrepen. Aan alle kanten verrijzen nieuwe
gebouwen, maar daar de eigenaars zooveel mogelijk geld willen
verdienen, wordt er slecht gebouwd en goedkoop, wat, daar er
hooge huren worden betaald, groote winsten oplevert van 12 tot 15
procent. Maar hoe lang zullen die slechte huizen duren?

Nu heeft Zijne Hoogheid besloten, een zoo goed als geheel nieuwe wijk
te doen verrijzen, maar niet van kartonnen huizen. De woningen, of
eigenlijk de groote woningpaleizen, die thans op haar gronden worden
opgetrokken, zullen de eerste echt moderne huizen in Kaïro zijn,
soliede en voorzien van alle moderne gemakken, lift, bad, telefoon
enz. Maar zij zullen slechts 6 of 8 procent opbrengen, echter met de
kans, dat ze dien interest langen tijd achtereen zullen opleveren, lang
nog nadat de slechte krotten zullen zijn ingestort met hun 15 procent.

Korten tijd na mijn terugkeer uit Soedan had ik een audiëntie bij
den khedive in Abdine, het paleis in Kaïro, en zijn Hoogheid had de
vriendelijkheid, mij uit te noodigen, een namiddag met haar in het
Koebbehpaleis door te brengen.

Per rijtuig begaf ik mij erheen na een heerlijk ritje van ongeveer een
uur, en nauwelijks had ik de treden van de marmeren stoep achter mij,
of ik zag Zijn Hoogheid mij te gemoet komen zonder eenige plechtigheid,
met uitgestoken hand, terwijl hij de andere in het zakje van zijn
blauw flanellen vest hield.

"Blij, u weer te zien in mijn echt home!"

En mij medenemend naar den salon, waar we op een groote sofa plaats
namen, voegde Z.H. erbij: "Want zooals u weet, woon ik hier, niet
in Kaïro. Het Abdinepaleis dient alleen voor officiëele recepties;
daar heb ik nooit gelogeerd. Zelfs na mijn groot jaarlijksch bal kom
ik midden in den nacht altijd hier terug. Ik houd veel van buiten,
en hier vind op een paar pas afstands van de stad en de ministeries
rust en kalmte, zonder étiquette en officiëele pose. Hier leid ik
het leven van een landedelman."

Op een tafel onder zijn bereik lag een groot plan van de bezitting,
en daarop werd mij de toer aangewezen, die wij gingen maken. In
een zeer wijden kring behooren alle gronden aan den khedive, die
op eenigen afstand, aan de oevers van het Ismaïliakanaal een andere
prachtige bezitting heeft. Het was zijn droom geweest, die met het
domein van Koebbeh samen te voegen; maar de waarde der terreinen is
zoo toegenomen, en dat wel zoo ongeloofelijk snel, dat het onmogelijk
is geworden.

"Die gronden," legde Z. H. uit, "zijn de beste van Egypte. Ik heb
de mijne gekocht eenige jaren geleden voor 759 francs de feddan;
tegenwoordig kan ik geen feddan krijgen van de aangrenzende onder
5000 francs. Een feddan is ongeveer 4000 vierkante meters.

"U heeft zeker wel opgemerkt," vervolgde de khedive, "dat er in Egypte
noch oude paleizen, noch burchten en kasteelen zijn, met uitzondering
altijd van het officiëele Abdinepaleis in Kaïro, en ik zou u niet
kunnen spreken over de woningen van mijn voorvaderen. Inderdaad wilde
het gebruik, dat de paleizen, gedurende hun leven door mijn voorvaderen
bewoond, altijd buiten gelegen, na hun dood werden verwoest. Deze
bezitting is de eenige, die bewoond is geweest sinds den tijd van
Ibrahim pacha, maar het was maar een klein huis. Ik heb het groote
paleis laten oprichten, dat ge hier thans ziet en alle bijgebouwen,
die ik u ga toonen."

Van boven van de stoep af zag ik den tuin onderstboven gehaald,
met groote gaten, hoopen steenen en een honderdtal mannen bezig met
houweelen en spaden.

"Ik laat mijn geheelen tuin omwerken," legde de khedive uit, "en
ik heb daartoe een groot meester in de tuinkunst laten overkomen,
den heer André uit Parijs, die reeds als zoodanig groote bekendheid
heeft verkregen."

Beneden aan de trap wachtte ons een bekoorlijk mandenwagentje,
overdekt door een grooten parasol, en bespannen met twee verrukkelijke
pony's. Zijne Hoogheid greep de teugels en ik nam naast haar plaats,
en, vergezeld door een enkelen groom, die achterop zat, reden we weg
in vluggen draf.

Wij volgden een lange, schaduwrijke laan van oude boomen, aan welker
eind een kleine moskee lag, welker witte minaret sierlijk tegen den
blauwen hemel afstak. Wij traden een mooien tuin binnen, en zagen
daar middenin een allerliefst huis met een vroolijk en vriendelijk
voorkomen.

"Ik breng u," zei de vorst, "naar de bijzondere school, die ik
heb gesticht en waar ik gratis een tweehonderdtal kinderen laat
opvoeden. De leertijd duurt vijf jaren, en als ze de school verlaten,
verzeker ik hun dadelijk een positie bij het een of andere van mijn
eigendommen. In een paar woorden ik vorm hier de beambten en dienaren,
die ik noodig heb."

Nooit heb ik een school gezien, die zoo frisch en luchtig
was ingericht, en zoo vroolijk en zonnig was gelegen. Het was
eenvoudig verrukkelijk. De licht geschilderde wanden waren bedekt
met schilderijen en teekeningen, en lucht en licht drongen binnen
door verbazend groote open vensters. In de eerste en de tweede klasse
dragen de kinderen, allen met de fez op het hoofd, witte, egyptische
kleederen, terwijl in de drie andere klassen de reeds veel grooter
scholieren uniformen hadden van wit linnen met vergulde knoopen.

Alles zag er zoo smakelijk en netjes uit, dat men die jongens zou gaan
benijden. Ze zien er trouwens ook recht tevreden en intelligent uit.

Het leerplan is er speciaal op ingericht, goede landbouwers te vormen
en opzichters. Er wordt natuurlijk lezen, schrijven en rekenen geleerd,
dan gezondheidsleer van mensch en dier, landmeten en dergelijke vakken.

Het interessante ondernemen strekt Zijn Hoogheid tot eer en is ook
een glorie voor de leeraars, die er blijkbaar op gesteld zijn, het
khediviale werk te doen slagen.

Toen we weer in het rijtuigje zaten, bezochten we achtereenvolgens de
groote dépots voor den katoenoogst en de havenschuren, de archieven
der bezitting, den brandweerpost en eindelijk in ponygalop de groote
paardenstoeterijen, waar een tallooze menigte paarden worden opgevoed,
waaronder ik prachtige, jonge dieren van zuiver arabisch bloed zag.

Verderop liepen in de groene velden veel mooie, zwitsersche koeien
en beesten van Jersey evenals ghamoesahs, inlandsche runderen, die
men hier haast niet zou herkennen, als men zich de magere, stumperige
ghamoesahs herinnert van arme boeren.

Toen wij de Koebbehbezitting verlieten, ging een gendarme te paard
voor ons uit, en zoo reden we vlug door het land, dat ons scheidde
van het tweede domein.

In de dorpen, die we doorgingen, liepen de bewoners uit, om hun
souverein te groeten met dien sierlijken groet, die bestaat uit een
buiging, met de hand op het hart.

Wij kwamen ten laatste bij een groot, hoog gelegen terrein, waar een
reusachtige steenfabriek lag, en Zijn Hoogheid verklaarde mij: "Dit
terrein is zoo hoog, dat het onmogelijk was, er eenig irrigatiewerk
tot stand te brengen, en het was altijd beschouwd als tot niets
nut. Toen ik echter had ontdekt, dat de grond uitstekend geschikt
is voor het maken van steenen, heb ik de terreinen gekocht en ik
laat ze nu afgraven tot op het niveau der omliggende gronden, door
van de overtollige aarde gebruik te laten maken voor het bakken van
steenen, die wij veel meer opbrengen dan de kosten van terrein en
arbeid te zamen."

Wij reden langs keurig onderhouden velden, katoenaanplantingen,
waarbij de khedive mij uitvoerig de cultuur uitlegde, en kwamen zoo bij
het kanaal van Ismaïlia, waar Z. H. een groote stoompomp heeft laten
zetten, die overdag naar de domeingronden water voert en electriciteit
bij nacht.

En eindelijk na een bezoek te hebben gebracht aan de dorpjes, gebouwd
voor zijn boeren, stonden we op den terugweg stil bij den tuin,
waar een reuzenboom, uitgeput van ouderdom, zijn takken uitspreidt,
waarvan vele dood waren. Dat was de Boom der Heilige Maagd, een boom,
waaronder, naar de overlevering wil, de Heilige familie moet hebben
uitgerust.

In het paleis teruggekeerd, werd ons ijs voorgezet, dat Z.H. verkiest
boven thee, en nog een uur bleef ik onder de bekoring van het gesprek
van den vorst. Hij deed mij verhalen, waarin historische herinneringen
werden opgehaald, en ik moest zijn fijnen geest bewonderen en de ruime,
liberale opvattingen van dezen oosterschen vorst.

Eenigen tijd later noodigde Z. H. mij uit, met haar een zeer
belangwekkend uitstapje te doen. Om negen uur in den morgen vertrokken
we van het paleis te Koebbeh en reden naar het kanaal van Ismaïlia,
waar een der stoomjachten van Z. H. ons afwachtte. Wij begaven ons
op dek, en de khedive nam het commando op zich.

"Dit kanaal," merkte de vorst op, "gaat van Kaïro naar Ismaïlia,
waarheen het het zoete water van den Nijl brengt. Als zooveel andere
groote en belangrijke werken, heeft het zijn ontstaan te danken aan het
initiatief van fransche ingenieurs. Die hadden zelfs gedacht, dat men,
door het dieper en breeder te maken, Kaïro kon verheffen tot den rang
van zeehaven, O, wat zijn er in dit land veel dingen, die wij aan den
ondernemingsgeest en de werkkracht van Franschen te danken hebben! Ik
berekende onlangs, dat de materiëele belangen van Frankrijk in Egypte
meer dan drie milliarden vertegenwoordigen... En het land heeft dat
alles in den steek gelaten voor Marokko, waar het geen belangen heeft!"

Terwijl hij sprak, keek ik den zoo eenvoudigen en zoo weinig
oosterschen vorst aan, die, gekleed in een engelsch costuum, met
gele schoenen, zonder eenige kostbaarheid, zonder decoraties er
geheel uitzag als een volmaakte gentleman, tevens op dit oogenblik
een volleerd jachtbestuurder.

Wij voeren voorbij de gevangenissen van Aboe Zabad, het grootste bagno
van Egypte, waar vele honderden dwangarbeiders, nauwlettend bewaakt
door soldaten, beziggehouden worden met steenen kloppen. Inderdaad
zijn er onder het woestijnzand steengroeven, waarvan de opbrengst in
Kaïro en elders wordt verkocht.

De dwangarbeiders waren bij de nadering van het khediviale
jacht in een rij langs het kanaal opgesteld, met afgewend gelaat,
want die ongelukkigen hebben het recht niet, den souverein te zien
voorbijgaan. Alleen de bewakers maken front en brengen den militairen
groet.

Toen we het bagno voorbij waren, gaf de khedive het bevel weer over
aan den kapitein en deed mij naast zich neerzitten.

"Ik ga," zei hij, "u de geschiedenis verhalen van het domein, dat we
zullen bezoeken. Eenige jaren geleden, toen ik over dit kanaal reisde,
merkte ik, zooals u ook kunt doen, op, dat links de gronden, die door
het water van den Nijl goed besproeid worden en er sinds jaren door
gedrenkt zijn, goed bebouwd en rijk zijn. Zie maar, hebt u ooit een
prachtiger en vruchtbaarder grond gezien? Er zijn veel dorpen met
een welvarende bevolking. Rechts daarentegen waren er niet anders
dan stinkende moerassen, kuilen en hoogten en modderpoelen over een
breedte, afwisselend tusschen 2 en 3 kilometer, en daarna volgde tot
in het oneindige de woestijn met haar bergen en dalen. Plotseling
kwam er een gedachte bij mij op. U weet, dat het voldoende is, het
Nijlwater bij het zand der woestijn te brengen, om er vruchtbaren
grond van te maken?

"Ik dacht dus, dat als men die moerassen opvulde en nivelleerde, door
ze met zand gelijk te maken, en daarbij de noodige irrigatiewerken
aan te leggen, men ten slotte uitstekende gronden moest verkrijgen.

"Alleen de étiquette weerhield al degenen, die ik erover sprak, ervan,
mij in mijn gezicht uit te lachen en voor dwaas te verklaren; maar
men verheelde mij niet, dat mijn plan onuitvoerbaar was. Ondanks al
die beweringen zette ik mij aan het werk; ik kocht groote terreinen
en deed een beroep op de bevolking aan de andere zijde van het
kanaal. Honderden ossen en ezels werden gebruikt, om zand aan te
dragen, en ten slotte, waarde vriend, is de onderneming een reusachtig
succes geweest, dat mijn verwachtingen tot hier toe overtreft. Ik
heb er nu een domein van 2500 feddans. Alle werkzaamheden inbegrepen,
heeft de feddan mij 425 francs gekost. Welnu, pas is een stuk grond
klaar, of de bewoners aan de overzij van het kanaal vechten erom,
wie het huren zal, en ik verhuur de gronden voor 140 francs de feddan,
waardoor ik 30 percent van mijn geld maak.

"Of ik tevreden ben? Zeker, ben ik dat; maar u kunt mij gelooven,
dat mijn voldoening minder voortspruit uit het financiëele succes
dan uit de vreugde, die ik ondervind, als ik zie, dat doode gronden
tot leven worden gewekt en dat schoone oogsten hun groen vertoonen
of hun gouden halmen op plaatsen, waar gisteren slechts dor zand
en ellendige moerassen te vinden waren. Zie toch eens, en bedenk,
dat er hier vroeger niets waren dan modderpoelen en moerassen!"

En inderdaad zoo ver het oog kon reiken, tot aan het begin van
de groote woestijn, was het kanaal rechts van ons omzoomd door
bewonderenswaardig bebouwde velden, die alle bewijzen geven van
uitstekend vruchtbaar te wezen.

"En denk eens aan, dat we al het eerste jaar oogsten van den grond,
die pas nog zand was en dat wel zonder van mest gebruik te maken. Het
Nijlwater en de zon van Egypte bewerken dat wonder."

Tegen den middag kwamen we op die plek van de domeinen, waar de khedive
bezig is, ruime stallen te laten bouwen en een groote woning voor zijn
rentmeester en de beambten, een huis, waar hij ook voor zichzelf een
geschikt pied à terre heeft.

Daar het huis nog niet gereed was, had Z. H., die hier elke week komt,
er een dahabieh, een der mooiste Nijlbooten, die ik ooit heb gezien met
groote slaapkamer, badkamer, salon, eetzaal en alle geriefelijkheden.

Op die dahabieh ontbeten wij te zamen, en Z. H., die een fameus eter
is, deed aan het eenvoudige, maar uitstekende maal alle eer aan,
waarbij ik hem trouw gezelschap hield, want de lange tocht had mij
eetlust gegeven.

De vorst drinkt geen spiritualia, rookt niet en speelt niet.

"Maar u moet niet denken," zei hij, terwijl ik alleen wijn en likeur
gebruikte en zijn uitstekende sigaren rookte, "dat ik als deugdzame
poseer. Wijn bekomt mij niet goed en tabak ook niet, en de bekoring
van het hazardspel heb ik nooit kunnen begrijpen. Ik heb uren te
Ostende naar spelers staan kijken, heb hen duizenden en duizenden
zien winnen en verliezen, en niets ter wereld zou mij hebben kunnen
doen besluiten, met hen mee te doen... Bij mij is dat een instinctieve
afkeer van het spel... Er steekt in het geheel geen verdienste in."

Na ons maal aan boord van de dahabieh bereikten we te paard en in
een gietenden regen het station Enchas, waar de speciale trein van
Z. H. ons wachtte en ons naar Kaïro terugbracht.

Ik heb al verteld van de spoorlijn, die Abbas Hilmi laat aanleggen
op eigen kosten tusschen Alexandrië en Tripolis.

Wetend, hoezeer die quaestie mij interesseerde, wilde de vorst mij
vóór mijn vertrek uit Egypte het genoegen doen, mij mee te nemen op
een inspectiereisje naar die werken.

Bij die gelegenheid ontving de khedive mij in het paleis te Montazah,
nog vóór negen uur 's morgens.

Van alle khediviale paleizen is dat van Montazah het minst bekend. Ik
mag wel zeggen, dat met uitzondering van de intieme kennissen,
enkele raadslieden en enkele weinige personen, niemand dat huis
kent, dat als zeer particuliere woning van den khedive staat
aangeschreven. Officiëele ontvangsten hebben er niet plaats en het
publiek wordt er niet toegelaten.

Flauwtjes weet men, dat een paar jaren geleden de plek van deze
bezitting nog met zandduinen was bedekt, en dat Abbas Hilmi haar met
zijn gewone energie herschapen heeft in een nestje van groen.

Mijn trein stond stil bij het eigen stationnetje van Montazah en ik
vond er een mij door Z. H. gezonden rijtuig.

De toegang tot het domein is afgesloten door reuzenpoorten,
die een vesting verbeelden; maar daarachter zijn mooie lanen en
prachtige bloem- en grasperken, aan welker einde men in de verte
boven boombouquetten uit twee witte paleisjes aan zee ontwaart,
waartusschen op het blauw der heerlijke zee onder den azuren hemel
bootjes drijven met lichte, witte zeilen.

Op het ruime terras van het paleis wachtte mij de khedive en voerde
mij in zijn werkkabinet, een vroolijk zonnig vertrek, waar alles op
de liefhebberijen van den vorst wees.

De muren hingen vol platte gronden en kaarten van de domeinen, en de
tafels waren bedekt met rapporten en adviezen. Achter het bureau hing
een groote photografie van een locomotief, "een van de Compagnie du
Nord", zei Z. H., "die mij tusschen Parijs en Calais 180 kilometer
in het uur heeft laten afleggen!"

Enkele minuten later stapten we in een rijtuigje met twee pony's,
oude dieren.

"Dit zijn mijn eerste paarden," zei de khedive, "die, welke mij gegeven
werden, toen ik nog een kleine jongen was en waarop ik de kunst van
mennen moest leeren. Zou u gelooven, dat die dieren al 25 jaar oud
zijn? Zij leven hier gelukkig en rustig; ze hebben hun pensioen. Ik
gebruik ze alleen voor kleine ritjes; maar u zult eens zien, hoe
flink ze nog zijn en hoe ze hun best doen, als de weg stijgt."

Wij reden langs mooie, breede wegen, met boomen beplant, en daarna
langs een steenen kade, die om de baai van Montazah liep en een
uitstekende natuurlijke haven omzoomde, en Z. H. vervolgde:

"Ik heb eene home willen hebben voor het voorjaar en den herfst,
en ik ben op kleine schaal begonnen met den aankoop van eenige
zandduinen. Ik voerde er het Nijlwater heen, en dadelijk werd het zand
tot vruchtbare aarde, en boomen en bloemen ontsproten. Toen vergrootte
ik de bezitting, en langzamerhand ontstond dit landbouwbedrijf,
waartoe nu bijna 4000 feddans behooren.

"Ik had eerst slechts een klein paleisje gebouwd voor mijn persoonlijk
gebruik. Later heb ik voor mijn gezin dit tweede paleisje laten
zetten in een waar nestje van groen. De kinderen zijn heel gelukkig
hier en genieten zóó van de groote vrijheid, dat het een genoegen is,
ze erheen te brengen."

Rondom het paleis staan allerlei paviljoens; men vindt er grotten,
allerlei wilde en gekweekte bloemen en in een kleine, beschutte baai
hebben de vorstelijke kinderen hun zeebad.

Iets verder van huis ziet men groote hoenderhoven en moderne
konijnenhokken op rotsachtigen bodem, waar de konijnen niet
kunnen graven, om zich in onderaardsche holen te verbergen; dan
een reuzenduiventil met duizenden vogels, terwijl men bovenop dat
vogelhuis een prachtig uitzicht heeft over het geheele domein en de
kust der Middellandsche Zee tot Alexandrië.

Door velden, waar groote papavers in het koren bloeiden, bracht de
weg ons naar dennenaanplantingen, dan naar een parkje, waar vijftien
duizend moerbeiboomen waren geplant, waarvan de bladeren tot voedsel
moesten dienen voor de massa's zijdewormen, en daarna naar de hoeven,
de stallen en het fabrieksgebouw, waar twee enorme dynamo's electrische
verlichting leverden.

"Ik zal u ook eens laten zien," zei Abbas Hilmi, "waar die beweegkracht
buitendien voor gebruikt wordt. Laat ons hier binnengaan, waar ik een
groote houtzagerij en meubelmakerij heb laten inrichten, die erdoor
van beweegkracht wordt voorzien. Wij vervaardigen hier de deuren en
vensters en het houtwerk voor de woningen van al mijn domeinen en
dorpen, alsook het fijnere arabische snijwerk voor mijn paleizen."

Daar zag ik een volkomen moderne zagerij, waar een menigte arbeiders
in opgewekte stemming aan het werk waren en even ophielden, om ons
te groeten.

Z. H. maakte met ieder een praatje, keek naar hun werk, sprak zijn
oordeel uit en gaf aanmoedigende wenken. Velen van die arbeiders
waren meer dan tien jaren in zijn dienst, als ze hun plicht doen,
houdt de khedive hen lang, en doet veel voor hen; maar ze moeten dan
ook inderdaad hun beste werk leveren. Ze waren allen goed gekleed en
toen ik een opmerking daarover maakte, zei de khedive, dat er veel
Alexandrijnen bij waren, en dat die altijd zeer op nette kleeding
gesteld waren.

In een klein paviljoen waren de telegraaf- en telefoondiensten
gevestigd, particuliere ondernemingen van den khedive, die daardoor
onafhankelijk is van de Engelschen. Hij kan nu telegrafeeren naar
geheel Europa zonder van de engelsche kabels gebruik te maken. Dat
resultaat is op zeer eenvoudige manier verkregen, namelijk door
Montazah met een bijzonderen draad te verbinden met de ottomaansche
telegraaf, die door Klein Azië naar Konstantinopel gaat. Daar
Montazah telefonisch verbonden is met alle khediviale paleizen,
is Z. H. volkomen onafhankelijk in het zenden van berichten.

Door een laan van bloeiende oranjeboomen en langs reeksen van perziken
en abrikozen kwamen wij in het paleis terug, om te dejeuneeren. In
de groote eetzaal was de reuzentafel ledig, en aan een klein tafeltje
in een vensternis was voor ons beiden gedekt.

Het was een allersmakelijkst déjeûner en ik had daarbij gelegenheid,
met Z. H. over godsdienst te spreken. De khedive is zeer godsdienstig;
en al eerbiedigt hij de vreemde godsdiensten, die zich in Egypte
hebben gevestigd; hij duldt nooit inmenging in de zaken van het
geloof, waar hij in Egypte het geestelijk hoofd van is. Dat weten de
Engelschen wel, en zij spreken het bij iedere gelegenheid luide uit,
dat ze niet voornemens zijn zich ermee te bemoeien.

"In die aangelegenheid ga ik alleen met mijn geweten te rade," sprak
de khedive; "men zou mij eerder het hoofd moeten afslaan dan mij te
bewegen afstand te doen van de rechten en plichten, die ik heilig
acht. En daarin staat het geheele volk aan mijn zijde; het zou niet
den geringsten aanslag op zijn geloof dulden."

"Er is gezegd, dat Uw Eerwaarde ervan droomde, met behulp van Engeland
den sultan te vervangen als hoofd der muzelmansche wereld, u van
Mekka meester te maken en u tot sultan te doen uitroepen."

"Dat is een dwaasheid, een zotheid en een kwaadaardigheid," antwoordde
Z. H. en haalde de schouders op; "ze is in de wereld gebracht door
menschen, die mij willen benadeelen bij den sultan."

"Maar laat ons dan de quaestie omkeeren. Gelooft u niet, dat Engeland
zou hebben kunnen hopen, zich van Uwe Hoogheid te bedienen en van
de Mohammedanen in Egypte en Indië, om den duitschen invloed in
Konstantinopel tegen te gaan?"

"Gedachten zijn tolvrij. De Engelschen kunnen zoo iets hebben gedacht,
maar ik twijfel eraan. Zij moeten weten, dat ik er mij nooit toe zou
leenen, de hand te steken in een zaak, waardoor een christelijke natie
invloed kreeg op het lot van den Islam. En dan zie ik ook niet in,
wat Engeland erbij zou winnen."

Onmiddellijk na het ontbijt gingen we naar het station, waar we
den trein gereed vonden staan, die altijd wordt gebruikt voor de
uitstapjes op de lijn van Marioet. Hij bestaat uit een sierlijk
blinkende locomotief, verbonden met een klein glazen salonnetje, van
waaruit de khedive zelf den trein bestuurt. Aan den trein bevinden
zich nog een salonwagen en een gewone waggon voor de bedienden,
die onze five o'clock tea of liever ons ijs bij zich hadden.

Vlug reden wij door de velden, die Montazah scheiden van Alexandrië
en de voorsteden van die stad, om zoo te komen bij het eindpunt
van de staatsspoorwegen, welker station en andere gebouwen ook door
Z. H. worden gebruikt. Hier begon nu de particuliere lijn, die al
een honderdtal kilometer lang is, niet door een zandwoestijn gaande,
maar door bebouwd land, waarvan weer een groot gedeelte aan den
khedive toebehoort.

Dit is het land der Bedoeïenen en die vrije en moedige mannen zijn
den spoorweg volstrekt niet vijandig gezind, maar werken aan den
spoorweg en aan het plaatsen van de telefoon, waarvan reeds tweehonderd
kilometer toen gereed waren.

Het was een drukte van belang, en de treinen die ons tegenkwamen en
die reizigers, vee en goederen vervoerden, waren boordevol. Aardige
dorpjes, gebouwd door Z. H., vervangen hier en daar de armoedige
tenten der Bedoeïenen, en het is onbetwistbaar, dat de bewoners
van die verloren en vergeten streken er dankbaar voor zijn, dat de
khedive hen is komen oproepen tot een nieuw leven. Indien ze al in
het begin even verschrikt zijn geweest, thans hebben ze vertrouwen
gekregen en wachten met ongeduld op de inwijding der geheele lijn,
die hun het zal mogelijk maken, een winstgevenden handel te drijven
tusschen het rijke Tripolitanië en de markten van Alexandrië en Kaïro.

Wij toefden aan het tegenwoordige eindpunt onder de veranda van
een klein huis, eenvoudig als een soldatentent, dat de khedive soms
bezoekt, om toezicht op het werk te houden en zagen de woestijnbewoners
aan den arbeid onder leiding van de officieren van Z. H. Toen we weer
in den salonwagen zaten, verklaarde de khedive mij, hoe deze lijn
uitsluitend met economische bedoeling was aangelegd en niets met de
politiek had uit te staan. Maar de menschen, die nu de beteekenis
uit handelsoogpunt inzien, en er jaloersch op zijn, zouden er wel
moeilijkheden voor in den weg willen leggen, door in sommige kringen
de meening te verspreiden, dat de khedive politieke bedoelingen
heeft. De beide mogendheden echter, die het meest geïnteresseerd zijn
bij Tripolitanië, Turkije en Italië, weten uitstekend, dat de lijn
van Marioet geen bedreiging is en dat niet zou kunnen zijn... Zij is
en zal blijven een débouché voor de producten, die het schoone land
in zulk een overvloed voortbrengt.

Uit al, wat ik van den egyptischen vorst heb gezien, blijkt, dat
hij een hoogstaand mensch is, die op een leeftijd, waarop veel
vorsten slechts aan hun genoegen denken, zonder ophouden bezig is,
om de hulpbronnen van zijn land te vermeerderen en daarbij tevens
zijn eigen fortuin te vergrooten. Hij geeft aan zijn volk het mooie
voorbeeld van werkzaamheid en wijst aan zijn onderdanen den weg tot
welvaart en rijkdom, dien zij zullen hebben te volgen, om vooruit
te gaan. En zoo maakt de khedive door zijn karakter en zijn gedrag,
als het ware, de dwaasheden goed, waaraan zijn grootvader Ismaël zich
schuldig maakte en ook de zwakheden van zijn vader Tewfik. Egypte
bezit thans een souverein, waar het trotsch op kan wezen.



Den Nijl opvaren! Die drie woorden hebben in alle talen en sedert
het begin der wereld de ideale reis aangeduid, de mooiste, die men
kan ondernemen. De Grieken en Romeinen droomden er al van honderden
jaren geleden, en de Croesussen van dien tijd ondernamen wat toen
een lange en dure reis was, om de ruïnen van Thebe en het eiland
Elephantine te zien.

De tijden zijn hierin niet veranderd, en men kan op geen prettiger
manier den winter doorbrengen dan door langzaam den beroemden stroom
op te varen aan boord van een dahabieh. Die booten, die men in Kaïro
gemakkelijk kan huren, hebben alle mogelijke comfort. Nog pas weinige
jaren geleden waren alle dahabiehs zeilbooten en men voer zachtjes
naar believen van den wind en hield ongeveer overal op. Tegenwoordig
nu ieder min of meer haast heeft, maakt men stoomdahabiehs, even
geriefelijk als de andere, en met het gemak, dat men altijd reizen
kan en, hoe het weer ook moge zijn, weg kan komen van plaatsen,
waar het iemand niet bevalt.

Maar dahabiehs liggen niet binnen het bereik van alle beurzen; naar
het aantal der personen, die te zamen reizen, kosten ze van tien tot
vijftien duizend francs per maand, met alle kosten inbegrepen. Als
men met z'n achten of tienen is, is het niet te veel; is men maar met
twee, dan wordt het te duur en als men alleen is, hetgeen ook voorkomt,
zelfs in Egypte, is het te duur en ook te eenzaam.

Gelukkig, dat de beroemde Cookdienst bestaat met zijn toeristenbooten
tusschen Kaïro, Luxor en Assoean. Er zijn expressbooten, die
minder duur zijn en een kortere reis maken. De toeristenbooten
zijn zeer populair en verdienen het te zijn, want het is werkelijk
onmogelijk, zich grooter comfort voor te stellen. De Ramses, de
Ramses III en de Ramses de Groote, die dezen dienst verzorgen,
zijn prachtige stoombooten, in niets gelijkend op de paketbooten
van de oceanen. Hun diepgang is zeer gering, nauwelijks een meter,
geloof ik, en de geheele bouw ligt ver boven het water als een
groot huis met drie verdiepingen. Buiten de slaapkamers, de eetzaal,
de bibliotheek, de rookkamer, is er op het dek juist in het midden
van het schip en over de geheele breedte een heerlijke ruimte, die
een groote hall vormt. Tafels, leunstoelen, sofa's, groene planten,
mooie oostersche tapijten maken die hall tot het meest geliefde plekje
voor de reizigers.

Daar komt men samen na de maaltijden om er de koffie te gebruiken;
de afternoon tea wordt er gepresenteerd; men babbelt er, speelt er
kaart of doet er aan muziek, terwijl de oogen, als ze willen, de
mooie oevers van den Nijl kunnen volgen. Als de avonden koel zijn,
worden groote tentzeilen neergelaten rondom het geheele dek, en zoo
verkrijgt men een reuzensalon, vroolijk verlicht door een menigte
electrische lampen en waar gedanst kan worden. De tafel aan boord is
overvloedig en uitstekend.

Overal waar iets belangwekkends te zien is, houdt de boot stil,
en ezels en gidsen, zoo noodig draagstoelen, wachten de reizigers,
en dat alles is in de kosten van het plaatsbiljet inbegrepen. Sedert
enkele jaren hebben de heeren Cook niet meer het monopolie van
de Nijlbooten. De Anglo-American Nile Co. heeft een op den hunnen
gelijkenden dienst en die ook niets te wenschen overlaat uit het
oogpunt van comfort en inrichting. De prijzen zijn dezelfde en wisselen
al naar gelang van de hut van 1000 tot 1500 francs voor een reis van
drie weken.

Het belangrijkste personnage aan boord is de drogman, die de
tochten regelt en in verschillende talen alle gewenschte inlichtingen
geeft. Laat mij u enkele aanteekeningen uit mijn notitieboekje geven,
die een uittreksel zijn van wat hij te zeggen heeft en mijn eigen
ervaring vertellen.



										Aan boord van de Ramses,
											20 December 1904.


Wat een weêr! Is het mogelijk, dat wij in Egypte zijn? De lucht is
zwart en het regent in stroomen. Trots de kapotjas ben ik doornat
geworden tusschen het hotel en de aanlegplaats.

Waarom zijn er geen gesloten rijtuigen in Kaïro? Het is waar, dat de
dagen van zeer slecht weer hier zeldzaam zijn; maar ze komen voor en
van tijd tot tijd doet de winter zich eens gevoelen. (Men moet niet
vergeten, dat de winter van 1904 op 1905 zeer streng was en dat er
sneeuw viel, zoowel in Algiers als in Tunis). Na prachtige dagen van
zonneschijn gevoelt men het verschil dubbel, en men moet daarom niet
naar Egypte gaan zonder warme winterkleêren. Het is een verfoeilijk
klimaat voor borstlijders, ten minste Kaïro is dat, omdat er teveel
stof en vuil is. Iemand, die er lang gewoond heeft, zei mij, dat hij
het een misdaad oordeelde, een borstlijder erheen te zenden. Dit jaar
is er veel mist in Kaïro. Men beweert, dat het klimaat verandert, dat
de bevloeiingswerken en de in grooten getale aangeplante boomen den
regen aantrekken en de vochtigheid, die eertijds onbekend waren. De
Turken zeggen, dat het van de engelsche bezetting komt, die nevels
en influenza heeft meegebracht.

Bij de aanlegplaats word ik bestormd door een menigte Arabieren, die
allen beweren, dat zij mijn bagage naar de boot hebben gebracht. Ik heb
twaalf stuks, en ze zijn met hun veertigen! Ze zijn onverdragelijk. Ik
zou trek hebben, hun stokslagen toe te dienen.

Met al de vlaggen doorweekt en slap, heeft de Ramses zich droevig op
weg begeven en we laten Kaïro achter, gehuld in een grijzen sluier. Het
hagelt! Op dek gezeten, gewikkeld in groote overjassen, kijken we
naar de vlakke en trieste oevers. Hier en daar schijnen geestdriftige
hengelaars niet te bespeuren dat het regent dat het giet. In de velden
zitten de fellahs bij het gesneden riet, en huiverend gillen zij bij
het voorbijgaan van de boot.

Eén uur. Een uitstekend ontbijt heeft ons getroost en verwarmd,
en daar zijn we bij het station Bedrachein. Van hier gaat men per
ezel naar Sakkarah en de ruïnen van Memphis. Dapper en gewapend met
overschoenen, verlaten wij de Ramses, heeren en dames, en zetten ons
op de ezeltjes. De situatie is zoo belachelijk, en er zijn onder ons
zulke bijzondere typen, dat we allen beginnen te lachen. Naar Egypte
komen, om zich te laten doorweeken en een roode punt aan den neus
te krijgen, dat is toch al te gek. Enfin, nu hebben we dan eens niet
van het stof te lijden.

Twee uren ezelrijdens door overstroomde velden en palmbosschen--het
zou heerlijk wezen, als de mooie zon van Egypte ons bestraalde, maar
helaas! Laat ons intusschen niet onrechtvaardig zijn; zulk weêr als
vandaag is in dit land zoo goed als onbekend. Wij komen op de plek
waar vóór duizenden jaren Memphis moet gelegen hebben, de beroemde
stad, door Menes gesticht, die zoo groot was, de stad namelijk, dat
men een half uur moest loopen, om erdoor te wandelen. Bergjes aarde,
beschaduwd door palmen, zijn alles, wat wij er nu op een afstand van
zien! Eer we er zijn, gaan we voorbij de reuzenbeelden van Ramses II,
onder palmen op den grond uitgestrekt en meer dan acht meter hoog.

Daar zijn we eindelijk vóór een huisje met een groot modern
terras. Hier woonde Mariette, de beroemde fransche Egyptoloog, die in
1851 het graf van den Apisstier ontdekte en later de groote necropolis
Sakkarah. Mariette, die gedurende dertig jaren de opgravingen in Egypte
leidde, die de geheele oude beschaving deed herleven en meer deed
dan iemand anders, om licht te verspreiden over de historie van Egypte.

Apis was de heilige stier, dien de bewoners van Memphis aanbaden,
juist als men in andere steden van Egypte honden, katten en zelfs
krokodillen aanbad. Over smaken en gewoonten moet men maar niet gaan
twisten. Nu zijn in Memphis de graven der heilige stieren beroemde
monumenten geworden, die men moet gaan zien; ieder graf heeft zijn
eigen kapel. De geschiedenis leert ons, dat Apis uit een koe werd
geboren, die toen ze een kalf zou baren door een bliksemstraal werd
getroffen en Apis ter wereld bracht, geheel zwart, met een wit teeken
op het voorhoofd, de teekening van een arend op den rug en dubbele
staartharen. In onze dagen zou men Apis naar Barnum sturen ... vroeger
maakte men er een god van.

Maar daar zijn we gekomen aan de doodenstad. De necropolis van
Sakkarah is acht kilometer lang en anderhalven kilometer breed, en die
onmetelijke uitgestrektheid is overdekt met de vreemdste monumenten. Er
zijn in die opeenhooping van ruïnen echte meesterwerken. De
gebeeldhouwde reliëfs en ook de geschilderde zijn interessant; zij
stellen het geheele leven voor van dit groote volk en laten ons zien,
hoe dertig eeuwen geleden gezaaid werd en geoogst, hoe men booten
maakte en meubels, hoe de maaltijden werden bereid en hoe de ganzen
werden vetgemest. Ik zeg niets meer dan de waarheid, maar ik heb een
aardig reliëf gezien, waarop een naakte heer met volle handen de dieren
voederde, die de smakelijke ganzenlever fourneeren. O Straatsburg,
gij, die geen basreliëfs hebt, om uwe industrie te illustreeren,
waardoor ge heden beroemd zijt, wie zal er aan u en uw _paté de foie
gras_ denken over zes duizend jaren? Volg mijn raad, oude stad in
den Elzas, en laat basreliëfs maken. Laat Memphis u tot voorbeeld
strekken! Stormenderhand door Cambyses ingenomen in 525 vóór Christus,
bezet door de Perzen, verwoest door de Christenen onder Theodosius,
met den grond gelijk gemaakt door de Muzelmannen en God weet welke
ervaringen nog meer doorgemaakt, en toch ondanks dat alles zijn de
basreliëfs gebleven en toonen ons in het jaar onzes Heeren 1905,
hoe men in Memphis ganzen vetmestte.



											21 December.


Van morgen heb ik een schrik gehad, een hevigen schrik, en het
Nijlwater is er schuld aan. Er zijn op de Ramses uitstekende
badkamertjes en ik had mij een morgenafspoeling beloofd op prettige
en gemakkelijke manier. Vroeg wakker geworden, bestelde ik mijn bad
om zes uur. Enkele minuten later trad ik de badkamer binnen, en toen
kreeg ik den schrik. De prachtige badkuip was gevuld met eene bruine
of liever donkergele modder, dik en afstootend. Toen ik navroeg,
hoorde ik den Arabier, die, voordat hij de deur sloot, nog tot mij
zeggen: "Nijlwater heel zindelijk!" Très propre! Ik draai de kraan
om en er komt hetzelfde vloeibare slijk uit. En toen kreeg ik dit
moeilijke probleem op te lossen: "Zou ik niet schooner, maar minder
vuil zijn, als ik mij niet baadde dan als ik mij elken morgen in
dit slik dompelde?" Ik berekende, dat het twaalf dagen moest duren,
eer we te Assoean zouden wezen; in het eerste geval zou ik op mijn
huid een opeenhooping van 288 uren vet hebben en in het tweede twaalf
over elkaar gestapelde lagen vruchtbaar makend slib... Ik aarzel niet
langer en duik onder. Het gevoel is niet onaangenaam, maar ongelukkig
komt het mij in de gedachte, dat de Arabier, die natuurlijk lui is, wel
eens kon vergeten hebben, het water te vernieuwen voor de verschillende
passagiers, want het is toch altijd slijk, wat men ziet. Die gedachte
was niet prettig, en ik sprong gauw uit de badkuip. Daar er nog
niemand op was, waagde ik mij in mijn pyama op het dek. De regen had
opgehouden; maar wij voeren nog in den nevel. Eensklaps zag ik als door
een sluier hooge fabrieksschoorsteenen, toen veel daken van woningen
en eindelijk een woud van masten. Wij naderen een belangrijke stad;
het leek wel of we op de Theems waren in plaats van op den Nijl!

Nauwelijks heb ik bij mijzelven die meening uitgesproken, of een
zonnestraal, die brutaal den mist doorbreekt, valt op een hooge,
geheel witte en schitterende minaret. Haleluja, haleluja; God zij
geprezen; alleen met zijn hulp kan men een zoo groote verandering van
tooneel bereiken! Als door een wonder is de mist opgelost en zoo ver
het oog reikt, baadt zich de grond van Egypte, van leven tintelend,
in de gouden stralen van den mooien zonneschijn. Omlijst door een oase
van groen, lijkt de stad een wit juweel, met hier en daar een rose
of blauw vlekje, dat afkomstig is van een of ander lichtgeverfd huis.

De egyptische steden zien er veel beter uit van verre dan van
dichtbij. Wat op een afstand een prachtig paleis leek, is vaak maar
een armzalig krot, met instortende muren en vensters, waaruit het u
niet moet verbazen, een geit er den kop door te zien steken! Honderden
booten liggen vastgemeerd aan de oevers, en van alle kanten brengen
ezels, kameelen en zwaar beladen mannen er koren heen en uien, salade,
suikerriet, en koopwaren van allerlei aard, eronder begrepen balen
lompen, die den Nijl zullen afzakken naar Kaïro, Alexandrië, Europa en
Amerika. Wel ja, de agenten der groote amerikaansche papierfabrieken
komen hier stoffige lompen koopen en die ellendige vodden zullen u
en mij weer onder de oogen komen in den vorm van een geïllustreerd
tijdschrift of een geurig billet doux. Neen, er gaat niets verloren
in deze wereld. Kijk eens naar die wonderlijke bouwsels; het zijn
reuzenduiventillen, en ge ziet ze in massa langs den Nijl. Verbaast
het u, te vernemen, dat men hier duizenden duiven fokt, alleen om
hun excrementen als mest te gebruiken?

De stad ligt nu ver achter ons. Links verheffen in de verte
eigenaardige dorre, strenge bergen hun toppen met rechte en eentonige
lijnen naar de lucht. Er is geen enkele punt te onderscheiden; het
zijn bergtoppen, vlak als tafels. Van den Nijl tot aan de hoogte is
de woestijn aan het woord, want de terreinen liggen te hoog, dan
dat het vruchtbaarmakend water er kan worden heengevoerd. Rechts
daarentegen ziet men het schoone land van het vlakke en vruchtbare
Egypte met heerlijke bebouwde velden tot in de verte, den rijkdom van
het land. Mannen en vrouwen werken ijverig, terwijl myriaden kinderen
bijna naakt zich aan de oevers van den Nijl amuseeren. Overal is druk
bewegen; is intensiteit van leven.

Nu en dan gaan we voorbij dorpjes van leemen hutten, omringd door
palmboschjes, hutten, die er armoedig en ellendig uitzien te midden
van de rijke en vruchtbare natuur. Door de velden en langs de rivier
loopen lange rijen ezels, buffels, kameelen en vrouwen, die op het
hoofd groote kruiken dragen, alles duidelijk te onderscheiden tusschen
de vlakke aarde en den blauwen hemel.

Links de woestijn en de doode natuur, rechts de bebouwde velden,
vruchtbaarheid en rijkdom. Meer dan ergens is het hier het land der
tegenstellingen.

Hooge fabrieksschoorsteenen stooten hun rook uit naast sierlijke
minarets; hier verspreidt een moderne stoompomp het water van
den Nijl over de naburige velden, en ginder werken naakte mannen
onophoudelijk aan het omhoog voeren van het water door middel van een
antieke sakieh; in de verte zien we goederentreinen snel in een wolk
van stof verdwijnen, terwijl daarnaast zich langzaam heele reeksen
kameelen langzaam bewegen. Op een paar meters afstands van de meest
moderne suikerfabriek ziet men een fellah met liefde zijn lapje grond
bewerken met een ouden ploeg, bespannen met een ezel en een kameel,
vreemd span, dat er al sedert eeuwen voor gebruikt wordt. Hier staat
een moskee en ertegenover een oud christelijk klooster van de Kopten,
met een kruis boven den koepel. Op den Nijl zijn de tegenstellingen
even treffend; de Ramses met zijn stoommachines, electrische dynamo's,
weelde en comfort, passeert of kruist in vliegende vaart inlandsche
booten, beladen op phenomenale manier, dezelfde booten, die den Nijl
bevoeren twintig of dertig eeuwen geleden.



												22 December.


Gisteren een ideale avond. Op het dek hebben wij tot zes uur 's avonds
een heerlijk zonnebad genomen. Men zou meenen, in Juni te zijn. Ik
kan niet meegaan met diegenen, die zeggen, dat de Nijl eentonig is;
voor mij, ik vind er elke minuut weer wat anders te zien, en ik zou
er weken willen varen, zonder vrees mij te zullen vervelen.

Onze drogman is naast mij komen zitten. Hij is een knap man, prachtig
type van een Arabier en zeer intelligent. Hij spreekt vier of vijf
talen vloeiend en heeft verleden jaar veel maanden doorgebracht op de
tentoonstelling van Saint-Louis. De Yankees hebben hem willen verbazen,
maar het is hun niet gelukt. Toen zij hem slaapwaggons en liften en
allerlei vernuftige machines hebben willen toonen als blijken van
het amerikaansch genie, zei hij slechts: "O, ja; gijlieden maakt die
dingen en wij koopen ze; gij zijt de werklieden, die arbeiden en wij
zijn de heeren, die uw werk betalen."

Tegen den middag werd de zon verduisterd; er woei een verschrikkelijke
wind, en reuzenstofwolken stoven brullend uit de woestijn in de
hoogte. Wij kwamen juist bij het station Beni Hassan en op den
oever wachtten ons de ezels en de jongens, met veel bewoners
van de plaats en kinderen, die de boot bestormen met den kreet:
"Bakschisch! Bakschisch!" O, die bakschisch, dat is een der wonden
van het Oosten en meer in het bijzonder van Egypte. Het is het kleine
geschenk, het drinkgeld, waar met opgehouden hand ieder op wacht. Het
woord vergezelt van het eene einde van Egypte tot het andere de naar
den toerist uitgestoken handen, en deze geeft zonder nadenken, in zijn
gelukkige stemming links en rechts de kleine witte geldstukjes. Het is
intusschen een betreurenswaardige gewoonte, want duizenden individuen,
die zoo in den winter het kleine sommetje bijeenbedelen, dat ze noodig
hebben om te leven--want men leeft van zoo weinig in Egypte--zeggen
allen arbeid vaarwel en geven zich geheel over aan luiheid en bedelen.

Lord Cromer, aan wien niets ontsnapt, heeft onlangs laten drukken in
een circulaire, die aan alle toeristen is ter hand gesteld en overal is
aangeplakt, hoeveel kwaad de bakschisch doet en hij verzocht daarin,
om ten behoeve van de inboorlingen zelven de edelmoedigheid niet zoo
ver te drijven en alleen te betalen voor bewezen diensten.

Dadelijk na het ontbijt bestijgen wij onze ezels, en ondanks den wind,
die als een storm blaast, gaan we naar de graven, die daarboven in
de rots zijn uitgehold. Er zijn er 29, uitkomend op een terras op
den top van den berg en dagteekenend van een 4500 jaren geleden. Ze
zijn uiterst belangwekkend, niet alleen om hun aanleg, maar vooral
om alle tooneelen uit het egyptische leven van dien tijd, die op de
wanden zijn gebeeldhouwd en nog duidelijk zijn als veertig eeuwen
her. Enkele dier tooneelen doen ons deelnemen aan jachten in de
woestijn, aan dansen, aan den aanval op een vesting, aan militaire
schouwspelen en toernooien. Wij zien vrouwen aan het weven, herders hun
kudden naar de slachtbank geleidend, barbiers, ververs, worstelaars,
danseressen en eindelijk tooneelen uit het eigen leven van den man,
die het graf liet maken.

Het interessantste van de 29 graven is van een vorst, die 2400 jaren
vóór Christus leefde. Op de zuilen en muren vertoonen ons het schilder-
en beeldhouwwerk alle daden van zijn leven, waar hij trotsch op kon
zijn. De opschriften zijn talrijk en op een ervan vraagt de vorst
allen, die zijn graf zullen bezoeken, te bidden, opdat vele geschenken
aan zijn schim zullen worden gebracht: "O gij, die het leven bemint
en den dood verfoeit, bidt, dat duizenden brooden en kannen bier en
duizenden ossen en veel gevogelte geofferd worden aan de nagedachtenis
van dezen zegevierenden vorst!"

Iets verder zingt hij zijn eigen lof en vertelt ons, dat hij goed
en edelmoedig was, dat hij zijn stad en zijn vaderland liefhad, dat
alle groote werken werden ondernomen door zijn zorgen en dat hij zoo
gezegend regeerde, dat de lof van zijn volk ten hemel stijgt.

Zeker, lieve vriend, ik geloof u op uw woord; mijn middelen veroorloven
mij niet, duizenden stieren te offeren aan uw nagedachtenis; maar
als ge uit den hoogen hemel, waar ge zeker troont, als ge geen
afschuwelijke fratsenmaker zijt geweest, den wind tot zwijgen kondt
brengen, die ons in tweeën snijdt en het stof, dat ons verblindt,
beloof ik te uwer eer een fijne flesch te drinken, zoodra we terug
zijn aan boord van de Ramses.

Helaas, de oude Egyptenaar waardeert blijkbaar mijn edelmoedigheid
niet, want de storm wordt nog al erger, en wij hebben de grootste
moeite, om weer ons schip te bereiken.

Terwijl wij op het goed beschutte dek de thee gebruiken, verspreidt
zich het gerucht, dat de passagiers dien avond de inlandsche dansen
zullen opvoeren. Groote ontroering! Er wordt naar den drogman gezocht,
en die verklaart ons onder hoofdschudden, dat de dansen niet meer
gegeven worden. Enkele jaren geleden werden twee of drie avonden van
de reis met de inlandsche dansen gevuld; maar de directie heeft ervan
afgezien, omdat de vertooningen dikwijls onkiesch waren.

Tegen zes uur ging de wind liggen; de palmen hielden op met het woedend
schudden van hun pluimhoofden, en wij woonden een van die prachtige
zonsondergangen bij, die een der glories zijn van het Nijldal. Welke
pen van een dichter, welk schilderpenseel zal ooit kunnen weergeven,
wat de natuur den verbaasden blikken biedt en opvoert voor den
opgetogen geest? Geleidelijk neemt het licht af; de nacht valt,
en aan den horizon verdwijnt de zon in purperen en gouden tinten,
eerst van ongekende helderheid, maar spoedig versmeltend tot groote
zachtheid. Een diepe stilte schijnt zich over de gansche natuur uit te
spreiden; in het Oosten wordt het totaal duister, terwijl het Westen
rood wordt en daarna verbleekt tot een lichte goudkleur, die al bleeker
wordt en ten slotte plotseling voor volkomen duisternis plaats maakt.



												24 December.


Wij zijn vandaag te Assioet aangekomen, een groote stad van 45000
inwoners, bewonderenswaardig gelegen op een der breedste plaatsen
van het Nijldal en omringd door een buitengewone streek, wat rijkdom
en vruchtbaarheid betreft. Hier is er dwars over de rivier een
belangrijke dam gemaakt, gebouwd tegelijk met den dam te Assoean,
waardoor men de wateren van den Nijl in zijn macht heeft.

De aanlegplaats staat vol met een schaar arabische kooplui, die
de voortbrengselen van het land te koop bieden. Daaronder is zeer
interessant rood aardewerk, dan shawls van ongewone fijnheid en
zilveren degengevesten, wandelstokken van ebbenhout met ivoren knoppen
en een fabelachtige hoeveelheid "antiquiteiten", waarvan het grootste
deel uit Birmingham of Duitschland afkomstig zijn.

De mooiste ezels van Egypte vindt men te Assioet, naar onze drogman
ons vertelde, en inderdaad hadden we er voortreffelijke ezels met zeer
goede zadels. De egyptische ezels zijn alle trouwens goed en mooi,
en ik heb een groote bewondering voor ze. En wat kunnen ze werken! Zij
zijn tegen alles bestand en zijn allerbescheidenst in hun behoeften,
uit noodzaak, wel is waar, helaas! Arme dieren, mijn hart heeft vaak
medelijden met u gehad, als ik merkte, hoe slecht ge gevoed werdt en
hoe hard de stokslagen aankwamen. Wat beulen zijn die ezeljongens,
en wat zou ik graag aan sommigen hunner de slagen teruggegeven hebben,
waarop zij de ezels onthaalden!

Er staan hier rijtuigen, victoria's liefst, bespannen met zenuwachtige
paardjes, en in een van die liet ik mij de stad door rijden, een
mengeling van groote paleizen, vervallen huizen en wankele leemen
hutten, waarin halfnaakte mannen, vrouwen en kinderen met hun varkens,
honden en kippen huizen. Bijna alle winkels hebben uithangborden in
vreemde talen, waar een afschuwelijk Engelsch naast een onmogelijk
Fransch op voorkomt. De stad hangt vol groote aanplakbiljetten,
die met reuzenletters verkondigen, dat "de grootste magnetiseur der
wereld" juist van Parijs is aangekomen.

De bazars zijn belangwekkend en vol oostersche producten. De kalmte
van de kooplui, die op zijn Turksch zitten te rooken en hun koffie
met kleine teugjes slurpen, vormt een vreemde tegenstelling met de
houding van de verkoopers aan de landingplaats, die ons achtervolgden
en ons lastig vielen.

Een Arabier kan geestig wezen; daar twijfel ik niet meer aan. Ik
onderhandelde met een hunner over een mooien doek, waarvoor hij mij het
vierdubbele van de waarde had gevraagd, en wij waren bijna afgezakt
tot den prijs, dien ik ervoor wilde geven, toen hij een halsketting
grijpend en dien haastig in den doek wikkelend, mij beide toereikt
met de woorden: "Hier, neem het maar... bakschisch!" En toen met een
zinspeling op de beroemde ministeriëele circulaire: "Maar zeg het
vooral niet aan Cromer pacha!"

Natuurlijk zijn er te Assioet graven... welke plaats in Egypte heeft
die niet? Hier bevinden ze zich boven op een dorren berg, op welks
helling men de gaten ziet van verschillende grootte als gapende
wonden; die grootte staat in verband met de bestemming van het graf
voor menschen of voor honden, katten of wolven, welke dieren alle
vroeger te Assioet werden aangebeden.

Onder de brandende zonnestralen bestegen wij dien berg, bedekt met
oude, verbleekte beenderen en wij kwamen aan den ingang van het
eerste groote graf. Tegen het hek stond een afschuwelijke mummie
overeind. Een der bewakers drukte de mummie met zijn rechterarm tegen
zich aan en de linkerhand uitstrekkend, zei hij tot ons: "Photografeer
nu de beide generaties... vijf piasters, als het u belieft."

De graven te Assioet zijn werkelijk het bezoek niet waard, dat men
er aan brengt. Het zijn vulgaire grotten, waarin enkele gapende gaten
de kuilen aanwijzen, waaruit men de mummies heeft weggehaald. In een
der hoeken lag een hoop stof van losgewikkelde mummies, en de drogman
bood er ons stukjes van aan als herinnering: "Zonderling," zei hij,
"dat die stof eeuwen is bewaard gebleven!" Buiten zag een Engelschman
een hoop oude lappen, en ze wijzend aan onzen gids, vroeg hij hem:
"En dat, is dat ook mummiestof?" Maar de ander, niet om een antwoord
verlegen: "O neen, dat is maar prullerij... dat komt uit Birmingham."

Wij daalden langs een ander pad en kwamen aan de doodenstad, het
groote, arabische kerkhof, geheel wit, met zijn duizenden graven
met sierlijke koepels erboven. Uit de verte is het een mooi gezicht;
van nabij is het minder aardig. Enkele graven zijn open, zoodat de
beenderen te zien zijn, en de gieren vliegen erboven rond in de lucht.

Ik heb van mijn kort verblijf in Assioet gebruik gemaakt, om den
amerikaanschen zendingspost te bezoeken, die hier een kerk heeft, een
hospitaal en twee mooie onderwijsinrichtingen voor jongens en meisjes.

Zeer vriendelijk ontvangen door den directeur, den Reverend
Dr. Alexander, heb ik met hem de gebouwen bekeken, die zeer goed waren
ingericht. Daar ze reeds sedert vijftig jaren in Egypte gevestigd
zijn, hebben deze presbyteriaansche zendingsstations groote diensten
aan de beschaving bewezen. Ik blijf gelooven, dat de resultaten op
godsdienstig gebied niet veel beteekenen, maar dat ze op humanitair
terrein bijzonder groot zijn. De scholen van Kaïro en Assioet hebben
ieder ongeveer 700 leerlingen; de meisjesschool te Kaïro telt 400. In
het kort, de verschillende scholen van de amerikaansche zending in
Egypte geven een practische opvoeding van groote waarde aan 12387
jongens en 3521 meisjes. Op de school te Assioet duurt de cursus
zes jaren. Na het verlaten der inrichting wordt een klein deel
der leerlingen zendeling, de anderen worden leeraars, en de groote
meerderheid gaan naar hun dorpen terug, waar ze betrekkingen kunnen
krijgen bij post, telegraaf, telefoon enz.

Natuurlijk, dat die duizenden oosterlingen, die zes jaren van hun
leven hebben gesleten in deze scholen, ruim van inzicht worden en
dat er een betere verstandhouding ontstaat tusschen Mohammedanen en
Christenen. Nauwelijks twintig jaren geleden was het onmogelijk met
een Muzelman over den Bijbel te praten... tegenwoordig lezen velen
het Boek, sommigen uit nieuwsgierigheid, anderen om eruit te leeren,
en graag spreken ze over godsdienstige vraagstukken met Christenen.

De pogingen van de amerikaansche, fransche, oostenrijksche en andere
zendelingen hebben stellig tot gevolg gehad, dat de betrekkingen
vriendschappelijker werden tusschen inboorlingen en vreemdelingen,
en indirect hebben ze ertoe meegewerkt, onze denkbeelden en onze zeden
ingang te doen vinden, die tot een beter en gezonder leven leiden. De
in de scholen opgevoede mannen zien ervan af, vele vrouwen te hebben en
begrijpen het familieleven beter en de liefhebbende vertrouwelijkheid
tusschen ouders en kinderen. De vrouwen, die er hebben schoolgegaan,
hebben meer gevoel van eigenwaarde en houden haar huis gezelliger.



												26 December.


Gisteren, op het Kerstfeest, was de Ramses in feestdos. De beide
dekken waren versierd met bloemen, groene planten, slingers, en
de Maatschappij bood den gasten een heerlijk en overvloedig maal
aan. Wij hebben toasten en speeches gehad. Van morgen al vroeg zijn
wij ontscheept te Keneh op 700 kilometers van Kaïro. De ezels wachtten
ons en in galop ging het door de velden, om den beroemden tempel van
Denderah te gaan zien, die door de oude Egyptenaren opgedragen was
aan de godin Hathor.

Het was een verrukkelijke rit door het frissche land, dat pas door de
eerste stralen van de zon verguld werd. Honderden mannen en vrouwen
werkten al in de velden en sneden de egyptische maïs, waarvan de
hooge, drie tot vier meter lange halmen bogen onder het gewicht
van den dikken kolf, die meer op een peer geleek dan op de gewone
maïs. Tal van ezels, die zwaar beladen waren, draafden heen en weer
tusschen het veld en de booten aan het strand van den Nijl.

Het fellahvolkje leek gelukkig en tevreden. Welk een verschil
ook tusschen gisteren en vandaag! Niet enkel wordt het niet langer
onderdrukt en uitgemergeld, maar het kan gemakkelijk geld leenen tegen
lagen interest, om uit de handen van woekeraars te blijven. In den
tijd der vroegere ellende was er nauwelijks een boer, die niet in de
handen viel van armenische en grieksche woekeraars, een der wonden
van het Egypte van vroeger.

Toen de regeering de groep Cassel-Suares machtigde, om de Nationale
Bank te stichten, stelde ze als voorwaarde, dat een zekere som
jaarlijks zou worden voorgeschoten aan de fellahs, die het verlangden
en die slechts negen percent zouden betalen, wat weinig was, vergeleken
bij wat de woekeraars eischten. Ondanks het aanvankelijk wantrouwen der
fellahs had de maatregel veel succes, en de Nationale Bank besloot,
een speciale bank te stichten, de Landbouwbank, waarvan het doel is,
de fellahs, te hulp te komen, die geld noodig hebben, hetzij om uit
den greep der geldschieters te raken, hetzij om het oogenblik van den
verkoop van hun oogst af te wachten. Uitstekend geleid door den heer
G. Scott-Daglish, heeft die bank veel steun gegeven.

Een ander liefdewerk van Sir E. Cassel betreft geneeskundige
hulp. Zooals bekend is, lijden zeer veel Egyptenaren aan
oogziekten. Die zijn er een ware plaag, waardoor duizenden verhinderd
worden, hun brood te verdienen.

Sir E. Cassel stelde ter beschikking van Lord Cromer een jaar of
drie geleden de som van een millioen francs, waarvan de interest
gebruikt moest worden, om het lot te verlichten van de ongelukkige
ooglijders. Sir Horace Pinching, de directeur van den Gezondheidsraad,
ried de vestiging van klinieken aan op het land, die dan van stad tot
stad en van dorp tot dorp zouden gaan, om allen te helpen, die hulp
behoefden. Twee klinieken, die rondgingen, werden georganiseerd,
en de dokters Mac Callan en Miller werden aan het hoofd ervan
gesteld. Duizenden ongelukkigen zijn reeds geopereerd en gratis
verpleegd, en de goede gevolgen zijn zoo groot, dat de autoriteiten
niet zouden aarzelen, het aantal klinieken te vermeerderen, als het
geld er voor te vinden was.

De tempel van Denderah is een der belangwekkendste uit Boven-Egypte. De
prachtig bewaarde ruïnen zijn grootsch en men staat verbaasd over
den arbeid, die eraan is besteed. Ik waag mij maar niet aan een
beschrijving. Heeft Mariette niet geschreven in zijn "Algemeene
Beschrijving van Denderah": "Er zouden vele jaren noodig wezen,
om het geheel te copiëeren en twintig groote boekdeelen om het te
beschrijven." Daartoe reikt mijn kader zeker niet!



"Ziet u daarginds die gemetselde muren? Dat zijn de oude muren van
Thebe! Toen ik een kind was," zoo vertelde mij de heer Legrain, die
vriendelijke, geleerde Egyptoloog, "en als ik dan las, dat wagens,
met talrijke paarden bespannen, over de muren galoppeerden als over
een boulevard, waar ze elkaar tegenkwamen en voorbijreden, keek ik
naar de maren om den tuin van onze villa in de omstreken van Parijs,
die wel 40 centimeter dik waren, en ik zei tot mijzelven: 'Dat kan
niet anders dan bluf zijn!'"

Thans werkt de heer Legrain sinds tien jaren met ongehoorden ijver
en groote wilskracht aan de reconstructie van de beroemde tempels
van Karnak, en in het bewuste gesprek, dat ik met hem voerde, ging
hij voort: "Welnu, thans geloof ik aan die fameuse muren, omdat ik
na al die voorbijgegane eeuwen nog met mijn rijtuig over hun ruïnen
kan rijden!"

En ik vraag mij af, wat men meer moet bewonderen, de ouden, die zulke
wonderen hebben gewrocht, of de modernen, die als de heer Legrain
het beste deel van hun leven geven, om de tempels voor ons te doen
herleven. Men moet naar Luxor, het oude Thebe, zijn gegaan en men
moet de tempels van Karnak hebben bezocht, om zich een denkbeeld te
vormen van de scheppende macht der oude Egyptenaren, als ook van de
geestkracht en het geduld van den man, die stukje voor stukje herstelt,
wat misschien de grootste tempel der wereld was. Als Mariette dacht,
dat twintig deelen noodig zouden wezen, om den tempel van Denderah te
beschrijven, hoeveel zouden er dan wel vereischt worden, om een juist
denkbeeld te geven van wat Karnak is geweest? Dat zijn tegenwoordig
nog de wonderbaarlijkste ruïnen van Egypte, zooals in den tijd van
hun pracht die tempels een der wonderen der wereld zijn geweest.

Stel u voor een ruimte, die ongeveer 900 000 vierkante meters groot
is, en die gedurende meer dan twee duizend jaren het heiligdom was,
waar Egypte, zijn vorsten en zijn volk, de schatten kwamen brengen,
die ze aan de goden wilden offeren. Tempels, gevuld met beelden en
gouden voorwerpen, ingelegd met ivoor en kostbare steenen, obelisken
van graniet, uit één stuk gehouwen in de steengroeven van Assoean;
honderden kilometers muur, bedekt met basreliëfs en schilderwerk,
tallooze reuzenzuilen, van boven tot beneden gebeeldhouwd, lanen van
geheimzinnige sfinxen... Verbeeld u dat alles en nog duizendmaal meer,
en ge zult u nog nauwelijks kunnen voorstellen, wat Karnak was veertig
eeuwen geleden.

In het midden van dien tempel vindt ge een zaal zoo ruim, dat onze
Parijsche Notre Dame er met gemak in gaat. Het is de zuilenzaal,
waar een heel woud van pilaren, gebeeldhouwde zuilen, hun trotsche
kapiteelen ten hemel heffen. Middenin zijn er twaalf, die 20 meter
hoog zijn, en aan de kanten zijn er 122, van 13 meter hoogte en 10
meter in omtrek. Het is prachtig en indrukwekkend. Maar sedert den
ver achter ons liggenden tijd, waarin Cambyses Thebe verwoestte,
hadden de bouwvallen van Karnak zich langzamerhand met zand bedekt,
en ook met puin en aarde, en alles was verdwenen, begraven tot op
den dag toen de Egyptologen hun opgravingen begonnen.

En toen men eenmaal de laan van sfinxen had ontgraven, en de
zuilenzaal, begonnen de enorme gebeeldhouwde zuilen te wankelen,
en later, in 1899, stortten er elf van in onder een oorverdoovend
geweld. De fundamenten, die ondermijnd waren door de veranderingen van
den waterstand van den Nijl, waren niet stevig genoeg meer. De ramp
scheen onherstelbaar; maar de heer Legrain was daar, en hij zwoer,
dat, wat het hem ook kosten moest, de omgevallen zuilen weer hun
plaats zouden innemen... en ze zijn er teruggekomen!

"Hoe kan u dat met mogelijkheid gelukt zijn?" vroeg ik.

"O," antwoordde hij met zijn innemenden glimlach, "dat was de
eenvoudigste zaak ter wereld... alleen nam het veel tijd, en veel
werk was ermee gemoeid. Eerst raapte men alle brokken van zuilen op;
ze werden genommerd. Toen dat gedaan was, zagen wij de fundamenten na,
en toen die gereed waren, werden de stukken van de zuilen één voor één
voor den dag gehaald en ter plaatse gebracht. Daarna moest er worden
begonnen met het afbreken van de andere zuilen, die ook dreigden te
vallen en hun grondslagen moesten eveneens worden versterkt. Anders
is het niets!"

Vol bewondering keek ik den man aan, die sinds tien jaren de bedrijven
van metselaar, ingenieur, bouwmeester en geleerde in zich vereenigt;
dan wendden zich mijn oogen omhoog naar de enorme steenmassa's,
en ik vroeg welke kracht ze zoo ver omhoog heeft kunnen voeren.

"Ja, ook dat is zeer gemakkelijk, en toch bedienen wij ons van
geen ander hulpmiddel van mechanischen aard, van geen enkele
beweegkracht. Wij doen, wat zeer waarschijnlijk de oude Egyptenaren
zelf ook deden... wij gebruiken aarde.

"Aarde?"

"Zeker, aarde. Naarmate de zuil of de muur hooger wordt, laten we
ook den omringenden grond rijzen. Er wordt grond aangevoerd, nog eens
grond en altoos weer grond, en zoo komt men tot heel bovenaan langs
een hellend vlak, waar men enkel stevige touwen en veel armen behoeft,
om de grootste steenen omhoog te voeren. Wij verplaatsen blokken van 50
000 kilogram, zonder dat er ooit eenig ongeval is gebeurd. Wat de aarde
aangaat..... wel! deze reuzentempel is sedert verleden jaar driemaal
gevuld en weer geledigd! Het werk, om den grond aan te brengen, en
weer weg te voeren, wordt verricht door honderden kinderen, die zeven
stuiver per dag verdienen; de mannen krijgen tien stuivers. Als er in
een gezin drie kinderen zijn, die voor zeven stuiver per dag werken,
doet de vader niets meer en leeft van zijn renten!"

"Maar waar krijgt ge den grond vandaan?"

"O, daar raakt ge een interessant punt aan. Wij halen dien van die
plaatsen in Karnak, waar nog geen opgravingen zijn gedaan, en zoo
doen wij dubbel werk. Zonder nog te denken aan de kostbaarheden,
die we vinden, steunen de vondsten, die wij verkoopen ook weer de
nieuwe werkzaamheden, die erdoor bekostigd kunnen worden. Kom mee,
dan zal ik u eens de bergplaats wijzen, die ons 698 standbeelden van
graniet, kalksteen, albast, versteend hout enz. heeft opgeleverd en
nog 12000 andere beeldjes van brons."

Ik volg den heer Legrain, die mij naar de opening van een reuzendiepte
brengt, waar naakte mannen waden en graven in slijk en water.

Dat is de beroemde bergplaats, maar op de diepte, die men nu heeft
bereikt, vult ze zich met water, en het werk wordt er zeer door
bemoeilijkt.

Verderop woon ik andere opgravingen bij. De mannen zijn met houweelen
bezig en vullen manden met aarde, die door massa's kinderen al
dravend worden meegenomen naar een plaats, waar er zullen moeten
worden opgezet.

De historieschrijvers hebben altijd aangenomen, dat Thebe en Karnak
uit denzelfden tijd afkomstig waren, maar dat schijnt niet zoo te zijn.

"Inderdaad," zei de heer Legrain, "hebben wij thans onder de
fundamenten van Karnak bouwvallen ontdekt van een veel ouderen tempel,
die tot 5 of 6000 jaren vóór Christus opklimt. Dat was blijkbaar
een belangrijke tempel, en men treft op de steenen ervan zeer fijn
beeldhouwwerk aan. Zie hier maar eens naar dit basrelief."

En de directeur van Karnak liet mij een der heerlijkste in den steen
gehouwen kunstwerken zien, die ik nog ooit heb aanschouwd. Het stelde
een zeer schoon hoofd voor, en er waren bloemen op te zien en een
klein kuikentje.

"Wij geven aan al die dingen etiketten," zei de heer Legrain, "en dan
zal er getracht worden, dien onderaardschen tempel te reconstrueeren,
zooals Karnak weer opgebouwd wordt. Verleden jaar hebben we in een
hoekje ginds een tempeltje ontdekt, gewijd aan een oude, leelijke
godin, die, naar het schijnt, kinderen at. Ik heb alles weer ter
plaatse gebracht, komt u maar eens binnen; het is frappant."

Inderdaad stond er in het midden van het tempeltje een afschuwelijk
beeld, verlicht op fantastische wijze.

"De Arabieren zijn er gruwelijk bang voor," vervolgde de heer Legrain,
"en geen van mijn werklieden zou erin toestemmen, hier zonder mij
binnen te treden. Het zijn groote kinderen, die aan legenden en
spoken gelooven. Een van hen beweert, dat telkens als hij voorbij
het kerkhof gaat, hij geslagen wordt door wezens zonder hoofd, wier
lichamen vuur braken, en allen gelooven hem! Ook gaat het verhaal
van een boot, die vergaan moet zijn op een gewijd meer, en dat ik
die zal terugvinden. Het is zoo vreemd niet, dat de arme Arabieren
hun directeur, den eenigen Europeaan onder hen, voor een wonderdadig
wezen houden. Hij behoeft maar een plek met den vinger aan te wijzen,
en zie, men ontdekt er dingen, waarvan het bestaan zelfs niet werd
vermoed. Verleden jaar, toen ik thuis kwam van vacantie, zei ik tot
een van de opzichters: 'Zoek hier eens; daar moet een trap zijn.' En
werkelijk werd de trap gevonden. Ik had erover gelezen en de juiste
plek kunnen afleiden uit oude documenten, die in het Louvre worden
bewaard."

Wij zijn gekomen bij een prachtigen obelisk, en de in goud gegraveerde
letters vertellen ons, dat hij werd opgericht door koningin Makeré,
en dat het reuzenwerk, om hem uit een enkel blok te houwen in de
steengroeven van Assoean, hem naar Thebe te voeren met zijn gewicht
van 1 836 500 kilogrammen, de letters erin te graveeren en hem overeind
te zetten, verricht werd in zeven maanden!

Waarlijk, men zou het niet gedaan krijgen in zoo korten tijd met
alle middelen, waar wetenschap en en techniek tegenwoordig over
beschikken. Trouwens de beroemde koningin vermoedde wel, dat die
tour de force aan toekomstige geslachten bewondering zou inboezemen,
want ze verklaart, in gouden letters, op den obelisk gegrift, dat
ze het alles liet uitvoeren, opdat in latere eeuwen men zou zeggen:
"Is het mogelijk? Wat een prachtig werk!"

"Kom eens in mijn tuin kijken," zei de heer Legrain, en ik volgde hem
op een door muren omsloten plaats, waar ik zelfs niet de schaduw van
een bloem vond.

"Nee, je behoeft niet naar den grond te zien maar naar de muren;
kijk daar!"

En inderdaad, gebeeldhouwd op den wand met uitstekende fijnheid,
zag ik er alle mogelijke planten, een complete verzameling, een
echte tuinbouwtentoonstelling. Het is te begrijpen, dat alle dieven
uit Egypte, alle wederverkoopers van valsche of gestolen oudheden
erop uit zijn, de in Karnak ontdekte voorwerpen machtig te worden,
en het is geen gemakkelijke zaak, alle arbeiders te bewaken, die er
bezig zijn. Het vorige jaar hadden dieven samengespannen met enkele
der bewakers en hadden des nachts een gat gemaakt in den muur van het
kantoor van den heer Legrain, waarna ze twee beelden van groote waarde
stalen, die echter na duizenderlei moeilijkheden teruggevonden werden.

Ik raad de toeristen aan, alle verkoopers van antiquiteiten te
wantrouwen. Een van hen houdt er een eigenaardige manier op na. Hij
is een consul van een of ander land te Luxor en noodigt rijke
vreemdelingen op een arabischen maaltijd. Bij het dessert klinkt
de schel aan de poort, en de bedienden doen de mededeeling, dat er
inboorlingen zijn, die merkwaardige oudheden aanbrengen, pas dien dag
gevonden. Ze worden binnengelaten, en op raad van den consul koopen
de rijke vreemdelingen, die de verzoeking niet kunnen weerstaan,
de dingen, die het eigendom waren van hun gastheer.

Karnak was in den tijd van zijn bloei verbonden met den grooten tempel
van Luxor door een laan van sfinxen, ter lengte van twee kilometer en
drie meter breed. Uit dien laatsten tempel is de obelisk afkomstig
van de Place de la Concorde, en een tweede, precies aan den eersten
gelijk, staat nog te midden van de ruïnen.

Luxor, een stad, die op zichzelf niet zeer interessant is, wordt door
de nabijheid der koningsgraven en andere monumenten uit de oudheid een
der meest aantrekkelijke punten van Egypte. Het klimaat is er in den
winter alleraangenaamst, en men vindt er verscheiden hotels. Het Grand
Hotel Luxor, dat aan den vriendelijken en voorkomenden Franschman,
den heer Pagnon behoort, is het beste en meest populaire. Hoewel het
niet zeer nieuw is, biedt het alle gemakken, en tafel en bediening
schenen mij uitstekend. Het ligt in een mooien en schaduwrijken tuin,
iets zeldzaams in Boven-Egypte.

Luxors ligging is inderdaad zeer mooi, en de ouden zouden geen
beter plek hebben kunnen kiezen voor de stad, die gedurende vele
eeuwen de hoofdstad was der egyptische koningen. De Nijl stroomt
er majestueus door een wijd en vruchtbaar dal, omringd door hooge
en dorre bergen. Volgens Diodorus was Thebe de oudste stad van het
Nijldal, en hij neemt aan, dat de stad evenals Memphis gesticht
werd door Menes 4400 jaren vóór J. C. Ook Homerus bezingt de stad
en beschrijft haar als oneindig groot en prachtig met haar honderd
poorten en twintig duizend oorlogswagens.

De beroemde stad breidde zich niet alleen uit aan den rechteroever
van den Nijl, waar tegenwoordig Luxor ligt en waar men de ruïnen
van Karnak vindt, maar ook op den linkeroever, waar te midden van het
vruchtbare land we prachtige resten van bouwwerken vinden. Het Ramseum,
een reuzentempel, gebouwd onder Ramses II, de kolossen van Memnon,
twee groote beelden, die den hemel schijnen te bedreigen, de beroemde
tempel van Medinet Aboe, dat alles staat nog overeind en is hoogst
belangwekkend. Eertijds, toen Thebe bloeide, lag de necropool aan dezen
kant van den Nijl evenals de huizen der priesters, der balsemers, der
bouwmeesters en werklieden, die aan de graven arbeidden, de stallen
der heilige dieren, de scholen en de bibliotheken. Achter in het dal
verrijzen de bergen van Libye, waarvan de met graven bezette hellingen
op puimsteen gelijken. Links in een klein dal zijn de graven der
Koningen, en rechts in een ander dor en smal dal die der Koninginnen.

Die laatste zijn naar mijn bescheiden meening het interessantste en
wonderlijkste van heel Egypte, en ik zal nooit den indruk vergeten,
dien ik kreeg bij mijn bezoek.

Vergezeld door den heer Quibell, een alleraardigsten Schot,
inspecteur-generaal der antiquiteiten, verliet ik de Ramses vroeg in
den morgen bij zonnig, heerlijk weer. Wij zeilden over den Nijl, en
toen bestegen we de ezeltjes, die er op ons wachtten en galoppeerden
wel drie kwartier door bebouwde en vruchtbare velden, vóór we aan den
ingang van de vallei der koningsgraven kwamen, een smal dal tusschen
hooge, gele, dorre rotsen. De tegenstelling tusschen het veld vol
leven, waar wij vandaan kwamen en dezen weg van den dood, waar geen
vogel, geen insect, ook niet de schaduw van een levend wezen zichtbaar
was, en dat zonder eenigen overgang, was wel treffend. Ja, dit is wel
de weg des doods, het dal van het Nietzijn, waar men de open graven
vindt van de machtige monarchen, die om rustig hun laatsten slaap te
slapen, daar op de hoogte en in de laagte aan den rotswand de holten
hadden laten uitboren, en ze hadden laten versieren met beeldhouw-
en schilderwerk, om hun stoffelijke overblijfsel er te laten rusten.

O, koninklijke ijdelheid, die terwijl ge u liet begraven met uw
juweelen en edelgesteenten, uw ivoorwerken, uw vergulde meubels, niet
begreept, dat de dag zou komen, waarop uw priesters, die den toegang
tot uw graven moesten bewaken, zouden verdwijnen, waarop uw volk zou
uitsterven en waarop de roovers, belust op den rijken buit de deuren
zouden verbreken, de muren zouden beschadigen, de doodkisten zouden
openbreken, om er alles uit te halen tot de koninklijke mummie toe.

Toch was dat juist, wat er gebeurde. Volgens den heer Maspéro waren
de dieven ongeveer in het jaar 966 vóór Christus zoo sterk geworden,
konden zoo gemakkelijk de regeering trotseeren en hadden reeds zooveel
koningsgraven geplunderd, dat Auputh, zoon van Shasbank, besloot, ze
allen te laten openen en de koninklijke doodkisten te doen overbrengen
naar een enkele reuzenholte, een grafkelder, waar ze eerst op zeer
onverwachte wijze werden ontdekt ongeveer dertig eeuwen later.

Het schijnt, dat in 1871 een Arabier, namens Abd er Rasul Ahmed, bij
toeval den ingang tot den kelder vond en, begrijpend hoeveel schatten
er moesten zijn, besloot, ze ten eigen bate te exploiteeren. Hij
deelde zijn ontdekking mee aan zijn twee broeders en aan zijn zoon, en
gedurende enkele jaren verkochten onze man en zijn medeplichtigen aan
de toeristen voorwerpen van groote waarde, maar van kleine afmeting,
die ze gemakkelijk uit de schuilplaats naar hun huizen konden
meenemen. De belangstelling der Egyptologen werd echter eindelijk
wakker, en in 1881 begaf de heer Maspéro, die toen directeur was
van het Museum te Kaïro, zich naar Luxor, om daar een onderzoek in
te stellen. Na tallooze moeilijkheden, te veel om hier op te noemen,
werd de bergplaats eindelijk ontdekt, en de koninklijke mummies werden
naar Kaïro gevoerd, waar ze al gauw werden tentoongesteld in de glazen
vitrines van het Museum.

Twee jaar later begon de mummie van een der koninginnen een weinig
aangenamen geur te verspreiden en ze moest worden uitgepakt; er volgde
weldra een andere koningin, die geheel bedorven was en begraven moest
worden. Toen werd het besluit genomen, alle mummies uit te pakken, en
te luchten, en men begon met Ramses II. Hij was de eerste souverein
van Egypte, wiens lijfelijk omhulsel aan de wereld werd geopenbaard
3200 jaren na de mummifiëering.

Zelfs zooals ze nu zijn, ontdaan van de dooden en van de meubels
en andere artikelen, die er werden bewaard, zijn de koningsgraven
nog hoogst belangwekkend. De beeldhouwwerken en de basreliëfs zijn
prachtig bewaard, en veel van het schilderwerk is na zooveel eeuwen
nog ongeloofelijk frisch en levendig van kleur.

Van de vijftig koningsgraven, waar de historieschrijvers van gewagen,
zijn, geloof ik, een veertigtal teruggevonden en thans voor het
publiek geopend. Ze zijn alle in de rots uitgehouwen en bestaan uit
lange gangen, die naar ruime kamers voeren, waarvan de laatste,
het eigenlijke graf bevattend, 100 tot 160 meter van den ingang
is verwijderd.

Voor de oude Egyptenaren was hun graf niet enkel een doodkist in een
gat gestopt, maar een ruim vertrek, bewonderenswaardig versierd en
gedecoreerd door de grootste schilders en beeldhouwers van hun tijd,
en waarin de doode gemakkelijk zich kon bewegen en genieten van het
comfort, waaraan hij gewend was. Dus treffen we op de muren en zuilen
prachtig weergegeven tooneelen aan uit hun werkelijke leven en uit
het toekomstig bestaan, dat ze zich hadden voorgesteld.

De heer Quibell geleidde mij eerst naar het graf van Meremptah, nog
pas enkele maanden geleden ontdekt en dat nog niet voor het publiek
was opengesteld.

De gangen en kamers waren electrisch verlicht, zoodat men alle
bijzonderheden kon bewonderen; maar de grafkamer, het heiligdom, was
in volslagen duisternis gelaten toen we er binnentraden. Plotseling
vulde zich de sombere holte met helderheid, en onder de schitterende
electrische lampen zag ik een reuzengroote fijne figuur van grijs
graniet, op den rug liggend, de handen gekruist op de borst. Het
effect, dat dit bewonderenswaardige beeld maakte, gebeeldhouwd op
het deksel van de kist, was onvergetelijk. Het graf echter, dat
van alle den diepsten indruk op mij maakte, was dat van Amenhotep,
waarschijnlijk omdat het het eenige was, waarbij zich de mummie in
de doodkist bevond.

Midden in het heiligdom staat een prachtige, groote marmeren doodkist,
rood van kleur, waar het deksel van is afgenomen, en waarin de doode
rust. Een gedeelte van de windselen, die om hem heen waren geslagen,
zijn losgemaakt, en zijn hoofd, zijn hals en schouders ziet men
zwart en verdroogd. Het is onmogelijk, den indruk te beschrijven,
dien het gezicht van dezen machtigen monarch maakt, die daar 3500
jaar na zijn dood rust zoo klein en verschrompeld, in het licht der
Edisonlampen. Welk een wreede spot der menschelijke dingen! Diep in
den berg een grot te hebben gegraven, waarin men, ontoegankelijk voor
de heele wereld, meent eeuwig te zullen kunnen slapen, en dan zulk
een plaats dagelijks bezocht door de toeristen van de heeren Thomas
Cook en Zoon!

Korten tijd na mijn vertrek uit Luxor werd nog een koningsgraf
ontdekt door den heer Theodoor Davis, een Amerikaan die een bekend
Egyptoloog is en die zijn winters doorbrengt met archeologische
onderzoekingen. Men kan zich gemakkelijk de vreugde van den heer
Davis voorstellen, toen hij na zijn lange, moeilijke en kostbare
nasporingen eindelijk zijn pogingen bekroond zag met succes en het
graf, het bewuste graf, zich voor hem opende.

Zoo ik dan al het ongeluk had, Luxor te verlaten eer die nieuwe
ontdekking gedaan was, ik had ten minste het geluk, korten tijd
daarna de toespraak te hooren, die over het onderwerp gehouden werd
door den heer Maspéro. Ik heb onder het luisteren een der prettigste
uren van mijn leven doorgebracht. Met den grootsten eenvoud, in een
duidelijken en gemakkelijken stijl, op zachten en boeienden toon
legde de directeur der oudheidkundige onderzoekingen ons uit, dat het
ontdekte graf dat was van de koningin Tia, vrouw van Amenhotep III,
die vijftien eeuwen vóór de christelijke jaartelling leefde.

De heer Maspéro bracht verdiende hulde aan de rijke vreemdelingen,
die zooals de heer Davis, met hun fortuin en met eigen inspanning
aan zijn departement steun verleenen, en daarna vervolgt hij: "De
opgravingen gedaan door den heer Davis, hadden plaats in een hoek,
van het Koningendal, waar de meeste Egyptologen dachten, dat niet
veel zou worden gevonden. Het toeval heeft gewild, dat de heer Davis
daar juist een der belangwekkendste ontdekkingen heeft gedaan uit
onzen tijd. Het graf van koningin Tia was inderdaad onaangeroerd,
ofschoon er in den romeinschen tijd dieven aan het werk moeten zijn
geweest. Maar die bepaalden zich ertoe, de juweelen weg te nemen en
ze raakten al het andere niet aan.

"Wij hechtten er zooveel aan, dit graf te zien, juist zooals het was,
dat we er binnendrongen door een kleine opening, juist groot genoeg
voor kinderen, dieven of... archeologen. Dichtbij den ingang vonden
we op den grond een prachtigen kever, Scarabeus, en albasten vazen,
blijkbaar door de dieven onderweg verloren, een duidelijk bewijs,
dat het graf geopend was geworden.

"Groot was onze vreugde, dat het heiligdom ongeschonden was en vol
was met vele voorwerpen, die het leven van het verleden ons voor den
geest riepen. Op den steenen muur, die het tot nu toe van de wereld
had afgezonderd, waren sporen te zien van vuile handen, slijkerige
handen, al zooveel eeuwen dood, die het hadden gesloten, naar men
meende, voor eeuwig. Daar verrees de oudheid als levend vóór ons.

"Midden in de ruime doodkist lag een rood kussen, en daarnaast stond
een stoel van vrij modern voorkomen, Empire-stijl, maar met iets echt
egyptisch erbij. Wat verder was een vergulde armstoel, met rechte
pooten, die aan den stijl van Lodewijk XVI deed denken en daartegenover
weer een armstoel van ontwijfelbaar egyptische afkomst. Er was nog
een heele voorraad meubels, groote zwarthouten kisten en 72 kruiken,
die offeranden en levensmiddelen inhielden, eenden, gazellebouten,
gedroogd vleesch, brood en koren, en in enkele kruiken aanzetsel van
wijn en van reukwateren, die erin bewaard waren geworden. Een groote
vaas, die omgevallen was, liet een dikke, gele vloeistof uitstroomen,
honig en, wonderlijk gezicht, op dat oogenblik zagen we er zich een
bij op neerzetten, die van buiten was gekomen! Daarnaast lagen gouden
voorwerpen, en dingen van ivoor en zilver; ook vonden we een zeer
groote kist uien!"

Dan gaf de heer Maspéro ons interessante inlichtingen over het
leven der oude Egyptenaren in het algemeen, en in het bijzonder over
koningin Tia, die, naar het schijnt, een zeer merkwaardige vrouw moet
zijn geweest.

Nadat de Ramses ons drie dagen had gegund voor het bezoek aan het oude
Thebe, begaven we ons weer op weg den Nijl op van Luxor naar Assoean
in heerlijk weder, het weer, dat aan Boven-Egypte een verrukkelijke
lente geeft midden in den winter. Terwijl wij hier profiteerden
van warme en zonnige dagen, vertelden ons de telegrammen, dat heel
Europa rilde van kou en dat Zuid-Frankrijk onder de sneeuw lag, ja,
dat het ook in Algerië had gesneeuwd!

Het was druk op den Nijl. Een menigte groote booten voeren naar
beneden en andere gingen stroomop, en aan de oevers waren op maar
eenige meters afstands van elkander de fellahs onophoudelijk bezig,
water te putten uit de oude sjadoefs; ze scheppen tot 30 000 liter
water per dag, maar werken dan ook van zonsopgang tot zonsondergang
voor.. vijftig centimes!

Tusschen Luxor en Assoean, houden de groote toeristenbooten van Cook,
die er twee dagen over doen, stil te Esneh, Edfoe en Kom Ombo. Het
eerste plaatsje is een vrij belangrijk stadje met groote huizen en
drukke bazaars. De tempel is nog maar ten deele ontgraven, en een
enkele zaal is slechts voor het publiek te zien. Te Edfoe daarentegen
vindt men een reusachtigen tempel, die begonnen was onder de regeering
van Ptolemaeus III, 237 jaar vóór Christus en waaraan niet minder dan
180 jaren werd gewerkt. Hij was geheel verborgen onder puin en zand
en aarde, waar hutten en stallen op waren gebouwd, en werd ontdekt
en aan het licht gebracht door Mariette.

De tempel van Kom Ombo, waar de booten niet meer dan een uur
ophouden, heeft belangwekkend beeldhouwwerk, en op eenige meters daar
vandaan verheft zich een kolossale steenen schoorsteen, omringd door
afschuwelijke moderne gebouwen, die behooren bij de onderneming van de
heeren Cassel en Suares. Niemand had er nog aan gedacht, de gronden
aan te koopen, die lagen in de buurt van Kom Ombo, eenvoudig omdat,
met het oog op hun hooge ligging boven den Nijl, men het onmogelijk
achtte, ze te besproeien. En thans werken er stoompompen, die zoo
krachtig zijn, dat het kinderspel is, er het water tot 15 meter
hoogte mee op te voeren. De bedoelde groep kocht dus dertig duizend
feddans grond, die haar op niet meer dan honderd francs de feddan
te staan kwamen, toen alle werkzaamheden afgeloopen waren, en die
gemakkelijk het viervoud van den prijs zullen opbrengen bij verkoop,
tenzij de heeren den grond verhuren en er niets tegen hebben tot in
verre tijden twintig percent voor hun kapitaal te maken.

Eindelijk kwam de Ramses twaalf dagen na het vertrek uit Kaïro te
Assoean aan den eersten waterval van den Nijl. Ten allen tijde
zijn die stad en het beroemde eilandje Elephantine er tegenover
beschouwd als een der belangrijkste punten van Egypte. Het was lang de
grensstad, waar de Egyptenaren, de Perzen, de Romeinen en eindelijk
de Anglo-Egyptenaren hun garnizoenen hielden. Aan den overkant van
den waterval ligt Nubië, dan volgt Soedan, zoo wijd en uitgestrekt
en tot voor kort nog zoo geheimzinnig.

Tegenwoordig is Assoean een belangrijke en volkomen moderne plaats,
die in den winter niet enkel druk is door vreemdelingenbezoek van de
toeristen, door booten en treinen dagelijks aangevoerd, maar ook door
een steeds aangroeiend aantal vreemdelingen, die er den heelen winter
blijven. Het klimaat is mogelijk wel wat veel opgehemeld. Het is zeer
warm, droog en zonnig en mist en regen zijn er, om zoo te zeggen,
onbekend; maar het moet erkend, dat die groote droogte van de lucht
het klimaat ontzenuwend maakt, en dat men nu en dan er kennis maakt met
een kouden, doordringenden wind. Daarom is het er voor zwakke personen
niet zonder gevaar. In den zonneschijn en beschut voor den wind,
braadt men heerlijk in de maand Januari; maar als de wind opsteekt,
dringt die dadelijk door de kleederen heen en men voelt zich kil en
onaangenaam. Men ontmoet dan ook niet zelden menschen in wit flanel
gekleed en met een kurkhoed op het hoofd, maar met een overjas of
deken over den arm.

Met wat voorzichtigheid en overleg kan men een verkoudheid voorkomen,
maar ik zou niet genoeg kunnen herhalen, dat zelfs overigens sterke
menschen voorzichtig moeten wezen. Dit aanvaard zijnde, ben ik echter
bereid, te erkennen, dat Assoean in den winter een ideale plek is voor
diegenen, die in de open lucht willen leven. Als men zijn dagen op den
Nijl doorbrengt in een bootje, de hoeken en hoekjes van de elanden
Elephantine en Philae bezoekt, tennis speelt of golf, de woestijn
ingaat per ezel of kameel, nooit zal men zich behoeven te vervelen en
elke minuut zal men kunnen genieten van den goddelijken zonneschijn,
die versterkend en prettig is.

Er zijn drie prachtige hotels te Assoean, waarvan twee reusachtige
moderne paleizen zijn. Het Cataracthotel, dat aan de heeren Cook
behoort, wordt uitstekend bestuurd door een Franschman, den heer
Pagnon, eigenaar ook van de hotels te Luxor, en is zeer mooi gelegen op
een hoogte en op het Zuiden. De salons, halls, terrassen, bibliotheek,
biljardzaal, enz. zijn prachtig ingericht en de groote, moorsche
eetzaal is heerlijk. De keuken is uitmuntend en overvloedig en de
service laat niets te wenschen over. Het laat zich gemakkelijk denken,
hoe groot de moeilijkheden moeten wezen, die overwonnen moeten worden,
om een dergelijke onderneming te leiden en elken dag op 1000 kilometers
afstands van Kaïro een afwisselend menu, dat een groote restauratie in
Parijs geen oneer aan zou doen, voor te zetten aan honderden personen,
hongerig geworden door het verblijf in de buitenlucht. Het is werkelijk
wonderbaarlijk, dat men op de grens van Nubië tegen redelijke prijzen
al het comfort vindt, hetwelk wij gewoon zijn duur te betalen in de
hotelpaleizen van Ostende, Baden Baden, Nice en Monte Carlo.

Op het eiland Elephantine verrijst te midden van prachtige tuinen een
ander paleis, het Savoy-hotel, behoorend aan de Anglo-American Co. en
even populair als het Cataracthotel. En dan is er nog in de stad en
dichtbij de landingplaats het Grand Hotel van Assoean, behoorend
aan den heer Pagnon, niet zoo luisterrijk als de andere, maar ook
zeer goed. Evenals te Kaïro zijn de hotels de groote middelpunten
voor het mondaine verkeer. Men doet er aan allerlei sport en des
avonds kan men er concerten, bals, bridgepartijen en dergelijke
feestelijkheden genieten. Nu en dan hebben er gymkhana-wedstrijden
plaats, harddraverijen van ezels en kameelen; en mannen, vrouwen en
kinderen, ouden en jongen stellen er levendig belang in.

Assoean is ontwijfelbaar het schilderachtigste plekje van
Boven-Egypte. Aan beide kanten van den Nijl verheffen zich hooge
bergen, bijna geheel met goudgeel zand bedekt, en hier en daar gekroond
door eeuwenoude ruïnen. Tusschen de stad en het eilandje Elephantine,
dat geheel in het groen ligt, heeft de Nijl een snellen stroom, waar
zich honderden dahabiehs en booten door bewegen, terwijl de roeiers
hun eentonig liedje onophoudelijk doen hooren.

Hoogerop ligt dan de eerste waterval en de versnellingen doen het
water zich al brullend tusschen de rotsen voortbewegen. Ik heb nooit
schooners gezien dan een zonsondergang te Assoean, en er zou een
andere pen dan de mijne noodig zijn, om de bewonderenswaardige en
fantastische tinten te beschrijven, die de lucht en de stroom en de
bergen dan aannemen. Het is verrukkelijk, en wie dat eenmaal heeft
aanschouwd, vergeet het nimmer.

Kameelen zijn er zeer in trek; vooral de dames houden van het
groote rijdier, maar het is een krachtige lichaamsbeweging, die niet
ieder kan verdragen. De uitstapjes per ezel of kameel in de buurt
van Assoean zijn zeer belangwekkend. Het kamp der Besharins, op een
half uur afstands dichtbij de ruïnen van een oud arabisch kerkhof, is
een gezocht doel voor een tochtje. Die Arabieren (van het kamp, niet
van het kerkhof) met lange haren en een zonderling type vertoonend,
wonen in ellendige tenten van vlechtwerk en zoo primitief, dat het
hun niet aan schilderachtigheid ontbreekt.

Onnoodig te zeggen, dat er in Assoean beroemde graven zijn, als
overal in Egypte. Men heeft er de bekende granietgroeven, waaruit de
oude Egyptenaren hun obelisken en beelden en grafmonumenten hebben
gehaald. Men kan er nu nog een onvoltooiden obelisk vinden, die
dertig meter lang is. Op eenigen afstand van Assoean, niet ver van
het begin van den waterval, ligt de tempel van Philae, de sierlijkste
en elegantste der egyptische tempels. Gelegen op het eiland van
denzelfden naam, behoort die "Parel van Egypte" eigenlijk al tot
Nubië. De inboorlingen noemen hem "Gesiret Anas en Wogud" met den
naam van den held uit een der verhalen van de Duizend en één Nacht,
die daar naar de egyptische overlevering zijn geliefde terugvond.

Het eiland Philae ligt juist midden in de ruimte, die gevuld kan zijn
door het enorme réservoir van Assoean, zoodat op den tijd, als het
bekken gevuld is, het geheele eiland en bijna de geheele heerlijke
tempel onder het slijkerige Nijlwater verdwenen zijn. De geleerden,
de archeologen van de geheele wereld stelden zich in beweging, toen
tot aanleg van het réservoir besloten werd en smeekten, dat toch
een andere plaats mocht worden gekozen. Het zou onmogelijk geweest
zijn, over den geheelen loop van den Nijl een plek te vinden, die zoo
geschikt was voor het bekken, en tusschen den sierlijken tempel en de
werken, die den landbouwrijkdom van Egypte bijna zouden verdubbelen,
aarzelden de ingenieurs niet en offerden Philae op. Toch moet erkend,
dat zeer belangrijke werken werden uitgevoerd, om het merkwaardige
monument te bevestigen, en de regeering heeft niet minder dan 350
000 francs met dit doel uitgegeven.

Daarbij schijnt het, dat het water, hetwelk naar aller berekening den
beroemden tempel zou hebben moeten verwoesten, dien waarschijnlijk
heeft gered. In zijn rapport over 1904 maakt lord Cromer de opmerking,
dat bij zijn bezoek aan de werken, toen men ermee bezig was, hij
getroffen werd door den deplorabelen toestand van de fondamenten,
die binnen kort de instortingen van sommige deelen van den tempel
ten gevolge zou hebben gehad.

Ook de heer Edouard Naville schreef in het Journal de Genève:
"Ik behoor tot hen, die herhaaldelijk door middel van de pers en op
wetenschappelijke congressen geprotesteerd hebben tegen den aanleg van
den dam te Assoean.... Maar thans kan ik zeggen, dat de archeologen
niet te klagen hebben. Het monument is behoed voor allen verderen
achteruitgang voor lange jaren, en het water schijnt geen nadeeligen
invloed op het gesteente uit te oefenen, behalve dan in een paar
vertrekken, die geen andere opening hebben dan een lage deur en dus het
vocht niet verliezen, zoodat er zich salpeter tegen de wanden afzet.

"Zelfs zou men kunnen vragen, of in sommige opzichten de tempel van
Philae niet in beter conditie is gekomen dan de meeste egyptische
gebouwen. Sinds verscheiden jaren maken de groote tempels door,
wat ik zou willen noemen een crisis van seniele aftakeling. Zijn de
opgravingen daar schuld aan? Ik zou het niet durven tegenspreken. Het
is zeker, dat men al te dikwijls in de haast, om de prachtige
overblijfselen aan het licht te brengen, zich niet in voldoende mate
rekenschap heeft gegeven van de vraag, of ze nog sterk genoeg waren,
om te blijven staan, en of ze geen behoefte hadden aan den steun,
die hun verstrekt werd door de bergen van puin of door de dorpen, die
ter halver hoogte van de pilaren en tusschen de zuilen waren gebouwd.

"Te Philae zou hetzelfde gebeurd zijn als elders. De tempel zou
langzamerhand verzakt zijn; men zou nu eens een zuil hebben zien
omvallen, dan weer een architraaf, en er zou voor het herstel gewacht
moeten zijn op voldoende geldelijke hulp. Thans is de bevestiging tot
stand gebracht en wel voor langen tijd, en onder dankbetuiging aan de
egyptische regeering voor den spoed, waarmee ze zich die opoffering
heeft getroost, kan men rustig de toekomst afwachten".

Helaas, dat er zich toch alweer donkere wolken aan den horizon hebben
samengetrokken. De ingenieurs begonnen ervan te spreken, den dam te
Assoean te verhoogen met zes meters. Dat zou de dood voor Philae
wezen! De verhooging van den dam is een zaak van het allerhoogste
gewicht voor Egypte, en de kundigste ingenieurs hebben ervoor gepleit,
omdat de watervoorraad van het reuzenréservoir erdoor zou toenemen, en
omdat een veel grooter gebied zou kunnen worden besproeid en dus op de
woestijn zou kunnen worden veroverd. Maar de egyptische ministers en
hun raadsman Sir William Garstin zijn voorzichtige lieden en wilden
de quaestie niet overhaast beslissen. Daarom werden twee bekende
geleerden, de heeren W. Atcherley en Karl Pearson, erover gehoord,
en hun meening, dat men zich van het weerstandsvermogen van den dam
ook een te hoog denkeeld kan vormen, heeft ertoe geleid, dat andere
plannen zijn opgekomen omtrent een nieuwen dam boven Assoean. Dus
zal Egypte altijd nog wel eenige jaren moeten wachten, eer het een
groote hoeveelheid water krijgt voor zijn landbouw. Ik geloof niet,
dat dit een ramp is. De tegenwoordige voorspoed is zoo groot, dat
een periode van betrekkelijke kalmte niet anders dan goed kan zijn,
ook om het land op zijn verhaal te doen komen van de speculatiewoede
van den laatsten tijd.

Men reist tegenwoordig naar het hart van Soedan, naar Khartoem en
Omdoerman, dat eenige jaren geleden de hoofdstad der Derwischen was,
even gemakkelijk als naar Petersburg of Chicago. Ik kan er zelfs
bijvoegen, dat in den winter de reis van Assoean naar Khartoem een
der interessantste, prettigste en gemakkelijkste is, die men kan
ondernemen. De temperatuur is heerlijk, noch warm, noch koud; regen
en vochtigheid zijn onbekende zaken, en van den morgen tot den avond
geniet men een schitterenden zonneschijn, door geen wolkje verduisterd.

Tot Wadi Halfa reisde ik per boot en toen we na vier dagen die
plaats bereikten, werd de tocht per Soedanspoorweg voortgezet over
Berber, waar de verbindingslijn met Soeakim naar het Oosten gaat,
naar Khartoem. Een inconveniënt op die gemakkelijke reis in den _train
de luxe_ is het stof, dat door de gesloten vensters binnenkomt; maar
dat zal mettertijd zeker verdwijnen, als de maatschappij waggons
zal hebben aangeschaft, als in gebruik zijn op den amerikaanschen
spoorweg van Omaha naar San Francisco, waar men door een even stoffig
zandlandschap reist zonder iets van het stof te merken.

Tegen zeven uur in den morgen bereikt de reiziger Khartoem. Hij is
er eigenlijk al den vorigen avond aangekomen, maar te laat om aan
wal te gaan. De aankomst heeft plaats tegenover Khartoem op den
tegenoverliggenden oever van den Blauwen Nijl. Khartoem ligt aan
die rivier een weinig boven haar samenvloeiing met den Witten Nijl,
waarna ze samen den Nijl vormen.

Per kleine stoomboot wordt men naar Khartoem overgezet. Uit de vuile
slaapwaggons komend, ademt de reiziger met volle teugen de zuivere,
droge, opwekkende lucht in en verbaast zich, dat op zulk een vroeg
morgenuur midden in den winter de zon met haar stralen het tooneel
reeds in gouden licht zet. Op den breeden stroom varen booten met
groote, witte zeilen, dan kleine booten met negerroeiers, die een
eentonig lied zingen, en stoombooten met hooge dekken en helder wit
in de verf, vervullen de lucht met hun gefluit. Khartoem ziet men
liggen in een ware oase van groen. Het prachtige witte paleis van den
gouverneur trekt dadelijk de aandacht, met de engelsche en egyptische
vlaggen beide erboven wapperend, en ernaast de lange steenen gebouwen
van de ministeries, een groote school en veel aardige villa's te
midden van tuinen.

De boot houdt stil aan de aanlegplaats van het hotel, het groote hotel
van Khartoem, nog maar sedert een jaar geopend, geloof ik. Het is een
lang gebouw van twee verdiepingen, omgeven door enorme galerijen,
waar alle kamers op uitkomen, een niet juist aangename inrichting
voor diegenen, die van rust en ongestoordheid houden.

De reizigers hebben den vorigen winter geklaagd over het hotel te
Khartoem. De prijzen zijn hoog, de service laat te wenschen over,
en de maaltijden zijn ver van goed. Het is waar, dat men niet moet
vergeten, in Soedan te zijn, maar daar de stad wel goede dingen
aanbiedt, waar de officieren en de inwoners der plaats het rechte
gebruik van weten te maken, is het onvergefelijk, dat het hotel er de
reizigers niet van laat profiteeren. De leiders van de maatschappij,
die het hotel bestuurt, denken enkel aan groote voordeelen, en ik
heb allen grond voor het vermoeden, dat de regeering, die haar den
grooten en prachtigen tuin verhuurt, waarin het huis is gebouwd voor
de belachelijk kleine som van 1250 francs per jaar, haar tot rede
zal brengen, zoodat verbeteringen onderweg zijn.

De hoofdweg in Khartoem loopt langs den Blauwen Nijl, een breede, met
jonge boomen beplante weg, die des avonds electrisch verlicht wordt en
waaraan groote, deftige huizen met mooie tuinen zijn gelegen. Dat gaat
zoo verscheiden kilometers door. Ge treft daar ook den Botanischen en
Zoölogischen Tuin, waar leeuwen en andere wilde dieren in kooien zijn
opgesloten in een heerlijk park, vol van de uitgezochtste specimina der
afrikaansche flora. Dan volgen het hotel, vele particuliere huizen,
bewoond door engelsche officieren, het post- en telegraafkantoor,
het groote gebouw waar de kantoren zijn van de regeeringsambtenaren,
het paleis van den gouverneur, de italiaansche katholieke zendingspost,
de Club, nog weer villa's, Gordon College enz.

Langs die mooie laan komt ge telkens engelsche Tommies tegen, soldaten,
in khakipakken gekleed, en soedaneesche soldaten, zwart als ebbenhout,
lang van stuk en met beenen zonder kuiten van ongeloofelijke lengte
en magerheid. Ook ontmoet men er Arabieren en negers van zoowat alle
bedrijven, negerinnen met groote manden of kruiken op het hoofd en
met verrassende gratie gedrapeerd in lange zwarte shawls, want er
bestaat een verordening, die de inboorlingen te Khartoem dwingt,
"zich te kleeden". Zeker geeft die gewoonte, om zware lasten op
het hoofd te dragen, aan de negerinnen die rechte houding en dien
bevalligen en krachtigen gang.

Khartoem breidt zich niet enkel langs de rivier uit, maar ook naar
den woestijnkant; daar vindt men ook breede en mooie straten, maar
enkel meer bescheiden huizen, kantoren en banken.

Rijtuigen ziet men bijna niet in de hoofdstad van Soedan. Het hotel
heeft een pony en een tonneau, en alleen de gouverneur-generaal heeft
verscheiden équipages en een automobiel, terwijl enkele officieren
er een eigen wagentje op na houden. Rijpaarden en vooral ezels zijn
de gewone vervoermiddelen.

In afwachting van den dag, waarop Khartoem huurrijtuigen zal hebben,
ziet men voor het hotel een dozijn jinriksja's, maar helaas, de lange
Soedaneezen kunnen niet als de dappere, kleine Japannertjes urenlang
draven. Hijgend, zweetend en blazend trekken ze het rijtuigje met
moeite voort, terwijl men zich verbijt van ergenis, als men ten
minste haast heeft. Met twee man ervoor gaat het een beetje gauwer,
maar het best is, een ezel voor een jinriksja te laten loopen; dat
werkt verjongend en herinnert aan de lang vervlogen tijd, toen men
met een bokkenwagen door de Champs Elysées reed! Een ezel voor het
kleine trekwagentje, dat heb ik heerlijk gevonden, en ik had haast
stilgehouden in de woestijn, om er poffertjes van zand te bakken!

En als de reiziger dat alles goed heeft gezien, de paleizen, de
villa's, de tuinen, waar de vogels in de boomen zingen en de bloemen op
de perken geuren, de breede lanen, waar de Soedaneezen heel beschaafd
flaneeren; als hij zijn volle aandacht heeft geschonken aan deze
aardige stad, die daar zoo modern in het hartje van Afrika ligt en
waar rust en orde en arbeidzaamheid heerschen, zal hij zich met de
grootste verbazing afvragen en tegelijk met onbegrensde bewondering:
"Is het mogelijk, dat ik mij op dezelfde plek bevind, waar Gordon
en de zijnen nog zoo kort geleden door dweepzieke en bloeddorstige
horden van den Mahdi werden vermoord, en waar ik nauwelijks zeven jaar
geleden niets dan ruïnen zou hebben gevonden? Is het mogelijk, dat
deze bloeiende stad pas gisteren is geboren op de plaats van de oude
soedaneesche hoofdstad, die getuige is geweest van de heldenfeiten
en het bloedig drama, in de geschiedenis bekend als 'de verovering
en het verlies van Soedan'?"

Ja, hoe onwaarschijnlijk het moge klinken, het was inderdaad hier,
dat de egyptische veroveraars onder Ibrahim hun vlag plantten ten
tijde van de regeering van Mohammed Ali. En hier ook speelden zich de
tragische tooneelen af, waarvan Gordon pacha de hoofdpersoon was. Er
woont te Khartoem nog een persoon, wiens gevoelens men wel graag eens
zou willen ontleden, als hij in zijn uniform vol decoraties en op een
prachtig paard, door de mooie lanen galoppeert. Dat is Slatin pacha,
de vroegere gevangene van den Mahdi, thans inspecteur-generaal van de
regeering van den Soedan. Welk een roman is zijn leven! Lees zijn boek
"Vuur en zwaard in Soedan", en ge zult u verbazen over alles, wat een
menschelijk wezen niet al kan uitstaan aan moreel en physiek lijden.

Hij was Oostenrijker en trad in dienst bij de troepen in Soedan, toen
Gordon er voor de eerste maal gouverneur-generaal was. Toen het land
in opstand kwam, om den Mahdi te volgen, was Slatin gouverneur van
de provincie Darfoer, die hij zoo goed mogelijk verdedigde. Hij deed
zijn plicht tot op het oogenblik, waarop de tegenstand onmogelijk
was geworden. In het begin van de crisis, toen hij hoorde, dat
zijn soldaten aarzelden of ze hem wel zouden volgen, omdat hij
christen was, ging hij tot den mohammedaanschen godsdienst over in
de tegenwoordigheid van al de vereenigde troepen.

Gordon was indertijd verontwaardigd, toen hij het bericht hoorde
en sprak met bitterheid over die buitenlandsche officieren, die hun
geloof verloochenen en bereid zijn, het Christendom vaarwel te zeggen,
om hun huid te sparen. Ik geloof, dat Slatin minder aan zijn eigen
leven dacht dan aan zijn provincie en aan de egyptische troepen, die
onder zijn bevel stonden en die hij wilde redden tot op het oogenblik,
dat hij, naar hij meende, versterking krijgen zou. Die bleef echter
uit en eindelijk gaf Slatin, wien de Mahdi beloofde, hem het leven te
sparen, zich over. Hij werd eerst vrij goed behandeld, want daar hij
de taal kende, kon hij, naar de Mahdi bedoelde, als het noodig was,
met de ongeloovigen onderhandelen te Khartoem.

Maar Slatin moest de nederlaag van het leger aanschouwen en hij was
diep getroffen, toen hij van den dood van Gordon hoorde, den generaal
en den superieur, dien hij had bewonderd en liefgehad. Hij, Slatin,
werd in boeien geslagen, werd een tijdlang aan alle mogelijke
martelingen onderworpen, tot eindelijk de Khalief hem in zijn
dienst nam en hem als slaaf aan zich verbond. Dat duurde wel twaalf
jaren, tot Slatin in Maart 1895 wist te ontsnappen en Assoean te
bereiken. Nauwelijks weer in het land der beschaving, bood hij zijn
diensten weer aan Engeland en Egypte aan en was een groote steun
voor de slotexpeditie onder bevel van lord Kitchener. Daar hij Soedan
uitmuntend kende en vertrouwd was met de bewoners en de taal, zoowel
als met de sterke en de zwakke punten van de Derwischen, kon hij
natuurlijk belangrijken raad geven.

Toen Khartoem heroverd was, wilde hij behooren tot de pioniers,
die daar bleven om de stad uit het puin te doen herrijzen en mee te
helpen aan het beschavingswerk, dat werkelijk te bewonderen valt en
dat in zes jaren van den uitgestrekten Soedan een land heeft gemaakt,
waar na zooveel onrust kalmte en orde zijn teruggekeerd.

Het is onbetwistbaar, dat hij zeer groote diensten heeft bewezen
en hooggelijk gewaardeerd wordt door den gouverneur-generaal, Sir
Reginald Wingate. Deze is een zeer beminnelijk man, eenvoudig en
vriendelijk van aard, maar tevens een man met een vasten wil en veel
energie. Hij spreekt vloeiend Fransch en onderhoudt zich gaarne in
die taal. Ik heb zeer interessante gesprekken met hem gevoerd over
de toekomst van Soedan, die hem natuurlijk zeer ter harte gaat,
en hij voorziet zoo geen snelle dan toch een zekere ontwikkeling.

De vorderingen van den vooruitgang, meent hij, dat van drie dingen
zullen afhangen, waar wij niet dadelijk al te groote verwachtingen
van moeten koesteren, namelijk van meer arbeidskrachten, meer en beter
middelen van gemeenschap en meer water. Er komen arbeiders te kort in
Soedan; denk eens, dat er nauwelijks twee millioen inwoners zijn met
een in evenredigheid veel te groot aantal vrouwen en kinderen, terwijl
er tien millioen waren een twintigtal jaren geleden. Maar de Arabieren
en Soedaneezen zijn vruchtbare rassen, en met de rust zal de bevolking
wel vlug toenemen; maar dat zal men niet zoo dadelijk bemerken.

De nieuwe spoorweg van Berber naar Soeakim aan de Roode Zee was ook
een onderwerp van gesprek tusschen ons. "Wij staan daardoor," zei
de generaal, "rechtstreeks in verbinding met de zee en hebben een
haven in Soedan. Daarheen zullen de goederen worden vervoerd, waar
de Soedan behoefte aan heeft en van daar zullen de waren vertrekken,
die het kan uitvoeren."

"Wordt er in sommige kringen niet beweerd," vroeg ik, "dat die lijn,
die aangelegd is met geld, dat de egyptische regeering heeft geleend,
aan dat laatste land nadeel zal toebrengen, omdat ze den handel tot
zich zal trekken, die thans over Alexandrië gaat en tot Assoean van
de egyptische spoorwegen gebruik maakt?"

"Inderdaad," antwoordde de gouverneur glimlachend, "die theorie is te
berde gebracht, maar ze houdt geen stand. Zoolang Soedan afhankelijk
blijft van dien eenigen, langen en kostbaren weg over Egypte en den
Nijl, kunnen de ondernemingen van den handel er geen hooge vlucht
nemen. Alles zou blijven wat het nu is, en Egypte zou de kleine sommen
innen waar u van spreekt, zonder eenige kans dat die vermeerderden. Wel
zal de nieuwe lijn afbreuk doen aan de inkomsten van Egypte, maar daar
het budget van Soedan ervan zal profiteeren en onze inkomsten erdoor
zullen toenemen, omdat de handel snel zal groeien, dank zij de nieuwe
afzetmarkt, zullen wij allereerst aan Egypte interest kunnen betalen
van het geld, dat het ons heeft voorgeschoten en eindelijk... dat is
het belangrijkste, hoe meer de provincie Soedan zich zal ontwikkelen,
des te spoediger zal ze geldelijk onafhankelijk wezen."

"En het water, generaal?"

"O, wat het water betreft, zal Soedan voordeel trekken uit de groote
plannen van Sir William Garstin. Maar dat zijn nog maar plannen, die
eerst binnen enkele jaren verwezenlijkt kunnen worden. De egyptische
regeering laat in samenwerking met mijn officieren de zaak onderzoeken
door een commissie, en wij zullen waarschijnlijk tot een resultaat
komen, dat in het klein helpt, in afwachting van de grootere plannen
met het vergroote reservoir. Er zijn al enkele bevloeiingskanalen
gegraven, en Soedan kan water erlangen uit den Nijl in den zomer op
een tijdstip, waarop dat aan den egyptischen landbouw in het minst
geen nadeel kan berokkenen. Want Egypte wil ons natuurlijk niet
toestaan, dat wij het berooven van het kostbare water, waar zijn
bestaan aan hangt."

Omdoerman aan de overzijde van Khartoem is in veel opzichten een
belangwekkende plaats. Er zijn tegenwoordig nog 60 000 inwoners,
terwijl er in den tijd van den Mahdi een bevolking woonde van
meer dan 400000 zielen. De markten van Omdoerman zijn beroemd,
en lange karavanen van kameelen, komend van het Zuiden, brengen
er, evenals talrijke booten, elken dag de producten uit Centraal
Afrika. Caoutchouc, suikerriet, doerrah, een soort van koren, dat tot
voedsel dient voor menschen en dieren, ivoor, struisveeren en vele
andere voortbrengselen worden er op reuzenpleinen uitgestald. Het is
merkwaardig, de lange rijen kameelen te zien aankomen, als ze weken en
weken geloopen hebben, om uit het binnenland van het zwarte werelddeel
hun zware vrachten aan te voeren. Het is een sympathiek dier, ijverig,
volhardend en met weinig tevreden.

De tijd zal wel niet ver meer zijn, dat een spoorweg Omdoerman met
de provincies Darfoer en Kordofan zal verbinden, waarvan de rijkdom
groot is, en die genoeg negerkoren voortbrengen, om geheel Soedan
te voeden en er nog van uit te voeren in groote hoeveelheid. De
maat, die te Kordofan vijf francs kost, wordt te Omdoerman met 28
francs betaald, waaruit duidelijk blijkt, hoe duur het vervoer per
karavaan van kameelen komt, het eenige middel van transport dat nu
ter beschikking is.

Men heeft te Omdoerman paardenmarkten, markten voor ezels en kameelen
en zeer belangwekkende bazars. Daar vindt men soedaneesche wapens,
struisvogeleieren, wonderlijke leêren portemonnaies, door de vrouwen
aan een draad om den hals gedragen, ceintuurs met leeren franje,
helder gekleurde rieten manden, voorwerpen van ivoor, karwatsen en
zweepen van hippopotamusleder, en een heele straat, waar zilversmeden
wonen. Armbanden, ringen, zegels, doosjes, servetringen zelfs, alle
vreemd en mooi bewerkt, maar waar zulke enorme prijzen voor worden
gevraagd, dat het wel blijkt, hoe ook hier als elders de komst van
toeristen het sein is geworden voor een exploitatie in het groot.

Men kan heele morgens zoek brengen aan de markten en bazars. Men voelt
er zich als overgebracht in een andere wereld, bijna als op een andere
planeet, en men moet langs den winkel van een inlandschen kleermaker
gaan, waar een twintigtal Singernaaimachines een heidensch lawaai
maken, om zich te overtuigen, dat men toch niet zoo ver verwijderd
is van de beschaving, dan men eerst dacht.

Er zijn te Omdoerman historische gebouwen, als de ruïnen van het
graf van den Mahdi, het huis van Slatin pacha en een groot gebouw,
waar de relieken uit het verleden worden bewaard, pistolen, geweren
en sabels, die aan de Mahdisten hebben toebehoord, en de zonderlinge
hoofddekkels, die ze droegen; daar zijn duizenden van, die men voor
een spotprijsje kan koopen. Iets verder kan men de kanonnen van den
Khalief zien, kanonnen ook, die bij het leger van Hicks of te Khartoem
hebben dienst gedaan, en eindelijk de rijtuigen en de piano van Gordon
in zeer vervallen staat.

Ik moet bekennen, dat ik erdoor geschokt was, daar onder een afdak
de herinneringen te vinden aan den held, die te Khartoem viel. Zou
men er geen plaatsje voor hebben kunnen inruimen in de onbewoonde
benedenverdieping van het paleis van den gouverneur-generaal?

Naast het leeggeplunderde graf van den Mahdi staat het huis van
den Khalief, waar hij heeft gewoond met zijn vier vrouwen en 400
bijwijven. Men kan alleen in zijn particuliere vertrekken komen
door eindelooze gangen, die bij elken hoek werden bewaakt, zoozeer
vreesde hij te worden vermoord. Het huis is ongelukkig ledig; het
zou belangwekkend geweest zijn, er de voorwerpen te vinden, waarvan
de Khalief zich bediende en er een soort van mahdistisch museum van
in te richten.

Rustig en kalm is de bevolking van Omdoerman aan haar dagelijksch
werk, doet zaken met Egyptenaren en Europeanen en zendt haar kinderen
naar de uitstekende scholen, die de regeering heeft geopend. Wie
kan begrijpen, dat het nog nauwelijks zeven jaar geleden is, dat de
plaats een middelpunt was voor het grofste fanatisme op godsdienstig
gebied? Fanatisme en despotisme, daar had de bevolking te veel van
geleden en ze had genoeg van den Khalief, den Mahdi, van de emirs
die hun alles ontnamen, zelf in overvloed en weelde leefden en de
menschelijke kudde lieten omkomen van honger! De dweepzucht van den
derwisch is thans verdwenen, want hij begrijpt zelf, dat hij het nu
beter heeft dan vroeger, nu rust en vrede en gerechtigheid hem in
staat stellen, de vruchten van zijn arbeid te oogsten.

Mijn bediende Makhmoed heeft mij dat op zijn manier uitgelegd. "De
derwisch is ook een mensch, de Soedanees ook en de Arabier eveneens,
allen tevreden nu en houden van den Engelschman, omdat de engelsche
meester rechtvaardig is. De arme man kan nu naar den moedir gaan;
hij wordt ontvangen en aangehoord; hem wordt recht verschaft, zelfs
tegen rijke menschen, zelfs tegen een Engelschman."

Ik geloof, dat Makhmoed gelijk heeft; de tijden zijn veranderd,
en de bevolking is er niet rouwig om. Maar laat ons naar Khartoem
terugkeeren. Er is een veerboot, een stoomferryboot, die op vaste uren
den geheelen dag door over de samenvloeiing der beide Nijls vaart, en
als ge geen paard, noch een ezel hebt, vindt ge aan de landingplaats
een alleraardigst tramtreintje, dat u naar het midden van de stad zal
brengen. Een vondst, die tram, die, als alle verbeteringen in Khartoem,
te danken is aan kolonel Stanton. Die energieke man zou zelfs graag
het stof willen doen verdwijnen, waar Khartoem veel te veel van heeft,
en dat geen eer is voor de stad, en ik geloof inderdaad, dat het
hem gelukken zal, als hij maar over genoeg geld kan beschikken op
zijn budget. Hij heeft een uitmuntend middel gevonden, om het stof
te binden, namelijk een residu van caoutchouc, dat heel goedkoop is;
de zoo behandelde weg wordt hard, glad en stofvrij. De gomming van
een lange laan heeft niet meer dan 1000 francs gekost.

Geld en water, misschien ook geld als water, wenscht kolonel Stanton
voor zijn hervormingen; water vooral, want als men dat maar over
de woestijn uitgiet, die Khartoem omgeeft, groeien alle boomen,
planten en bloemen er met ongeloofelijke snelheid. In de tuinen en
langs den Nijl wint men den geheelen winter aardbeien, doperwten,
slaboonen en alle andere denkbare groenten; maar het hotel zet ze
niet aan de gasten voor!

Er zijn te Khartoem een engelsche en een egyptische sociëteit. De
officieren der beide landen, die in dienst zijn van de soedansche
regeering, verbroederen zich nooit met elkander. Een Engelschman
vertelde mij dienaangaande: "Wij zijn gescheiden door een golf,
die niet kan gedempt worden, zelfs niet door een onnoemelijk aantal
whisky-soda'a in den loop der officiëele aangelegenheden."

Hier ontmoeten ze elkaar evenals te Kaïro officieel; op de kantoren
zijn de verhoudingen gewoon en prettig; ze gebruiken onder het
behandelen der zaken een whisky-soda of een kop koffie en zullen samen
een sigaret rooken, maar dan gaan ze ieder naar hun eigen club of hun
"home" en daar kennen ze elkander niet meer, of het moest nu en dan
zijn op een diner of een officiëele receptie; maar zelfs daar wordt
met het verschil rekening gehouden, want de gouverneur-generaal houdt
aparte ontvangdagen voor de Egyptenaren en andere voor de Engelschen.

Ik herinner mij mijn verbazing, toen op een bal, gegeven in ons hotel
door de "Egyptian cavalry" ik er alleen de engelsche officieren van
het corps zag verschijnen en hun genoodigden, onder wie er geen enkele
Egyptenaar was. Die laatsten worden zeker wel gehinderd door de manier,
waarop ze door de Engelschen worden behandeld, die wel gevreesd en
geëerbiedigd, maar niet geliefd zijn bij de Egyptenaren.

Welke reden kunnen ze hebben, om zoo de Egyptenaren, in het leger
met hen samen thuis behoorend, op een afstand te houden? Dat hebben
ze mij eens op de volgende wijze uitgelegd:

"Wij kunnen te zamen werken... wij kunnen samen oorlog voeren... maar
we kunnen niet en famille met hen converseeren.

"De Egyptenaar zal ons nooit bij zich te huis aan zijn vrouw
voorstellen of aan zijn vrouwen, of het moesten jonge menschen met
moderne ideeën wezen, die een Levantijnsche of Europeesche hebben
getrouwd. Meestal laat de reputatie van die dames te wenschen over, en
waarom zouden we haar in ons huis ontvangen en de Egyptenaren aan onze
vrouwen en dochters voorstellen, waar we weten, dat onze opvattingen
en hun houding, waar het vrouwen geldt, zooveel verschillen van de
onze? Dat is de voornaamste reden, die ons van de Egyptenaren scheidt
in het particuliere leven, maar het is niet de eenige. Hun gewoonten,
hun zeden, hun begrippen over hygiëne, hun denkbeelden over moraliteit
zijn anders dan de onze, en eindelijk, mijn waarde, wij wenschen ham
te eten aan het ontbijt en zij willen dien niet!"

De engelsche officieren stellen veel belang in hun egyptische
soldaten en werken krachtig ten einde er goede troepen van te maken,
omdat het hun plicht is en ze betaald worden om dat te doen, maar
ze voelen geen genegenheid voor die manschappen. Integendeel, ze
hebben de soedaneesche soldaten veel liever, ofschoon die moeilijker
te leiden zijn. Het zijn geen garnizoentroepen, maar veldtroepen,
die men altijd op de een of andere wijze moet bezighouden. De zwarten
hebben een hekel aan Egyptenaren, terwijl ze vol toewijding zijn voor
hun engelsche officieren. Dat is wel een interessant verschijnsel.

Indien ooit Egypte of de suzereine staat Turkije de neiging mocht
voelen, van Engeland de souvereiniteit over Egypte op te eischen,
die nu verdeeld is, zouden de soedaneesche troepen zich als één man
om de Union Jack scharen en blij zijn, dat er iets te vernielen was,
vooral zoo dat iets egyptisch was.

In het paleis van den gouverneur zijn Sir Reginald en lady Wingate de
vriendelijkste gastheer en gastvrouw, die men zich denken kan. Alle
reizigers, die aanbevelingsbrieven voor hen hebben, bewaren de
liefelijkste herinnering aan hun gastvrijheid en aan de déjeuners,
diners en tuinpartijen, gegeven in het paleis, vooral aantrekkelijk
door den eenvoud en de hartelijkheid, die er heerschen. Die
tuinpartijen, die bijna iedere week in den winter plaats hebben
in het heerlijke park bij het paleis, missen alle stijfheid en het
ceremoniëel van gewone officiëele plechtigheden. De gouverneur ontvangt
in flanellen costuum en met den Panamahoed, en zijn officieren zoowel
als de andere genoodigden volgen zijn voorbeeld.

Thee en ververschingen worden gepresenteerd onder een groote tent, waar
de gouverneur-generaal en lady Wingate zelf hun vrienden bedienen. Een
militaire muziek, op eenigen afstand opgesteld, laat bekende melodieën
hooren, en terwijl sommigen praten, wandelen en rooken, spelen anderen
tennis of croquet. Men meent in een park bij een kasteel in Europa
te zijn in den zomer, als men niet hier en daar de wuivende kroon
van een palmboom zag en de zwarte soldaten-muzikanten, en ook ginder
te midden van het groen het standbeeld van Gordon, dat herinnert aan
het geweldige verleden. Op zijn bronzen kameel zit Gordon natuurlijk
en levendig afgebeeld en kijkt naar het Zuiden, van waar de vijand
kwam, terwijl hij den rug naar het Noorden wendt, van waar hij hulp
kon verwachten, die nooit opdaagde!

Ik ben tegenwoordig geweest bij een feest in het paleispark, dat mij
levendig heeft geïnteresseerd, namelijk dat, hetwelk gegeven werd ter
eere van den hertog en de hertogin van Connaught, die de gasten waren
van den gouverneur en lady Wingate. Ook de prinsessen Margaretha en
Patricia waren erbij; ze brachten met hun ouders dien winter eenige
dagen te Khartoem door. Op denzelfden dag van hun aankomst werd er
een receptie in het park gegeven, waarbij alle leden der regeering,
de engelsche en egyptische officieren, de mohammedaansche sjeiks,
de soedaneesche hoofden en de doortrekkende vreemdelingen, die de
gouverneur kende, waren uitgenoodigd.

Bij mijn aankomst zag ik, dat op een der heerlijkste plekjes in het
park een tent was opgeslagen voor de prinsessen en lady Wingate. Het
was juist tegenover de treden van de paleisstoep, een open tent. Links
vóór een tweede groote tent, die als buffet was ingericht, waren
de Engelschen en de vreemdelingen gegroepeerd. Rechts stond het
"arabische" buffet, waarvoor de egyptische officieren zich ophielden
en naast hen, in hun schilderachtige kleederdrachten, hun mantels
en tulbanden, de muzelmansche hoofden. Hier en daar staken de pieken
omhoog van de soedaneesche soldaten, lange, slanke mannen, zwart als
ebbenhout. Plotseling heft de militaire muziek het "God save the king"
aan, en de hertog en de hertogin van Connaught, de gouverneur-generaal
en lady Wingate en de jonge prinsesjes, elegant en bekoorlijk, maken
hun verschijning, gevolgd door een stoet van schitterende officieren.

De omgeving maakte dit alles zeer belangwekkend. Wij zijn hier onder
den blauwen hemel van Soedan, op de plaats zelve, waar Gordon viel,
en in een ideaal park, vol groen en bloemen en frischheid, waar de
vogels hun melodieuse stemmetjes mengen onder de tonen der militaire
muziek. Kijk eens naar die soedaneesche hoofden, die vertegenwoordigers
van het volk, dat gisteren nog alleen aan moord en doodslag dacht,
zie hen buigen, glimlachend en tevreden, voor den broeder van den
koning van Engeland en voor den vertegenwoordiger van den Khedive,
generaal Wingate. Aanschouw dit vredige en sierlijke tooneel, waar de
lichte toiletjes zich mengen onder de met decoraties bedekte uniformen
en onder de gewaden van de muzelmansche sjeiks, in de schaduw van het
standbeeld van den gewroken Gordon. Zie dat alles, en in een opwelling
van bewondering zult ge herhalen, wat de hertog van Connaught zelf
mij zeide: "Is het niet bewonderingswaardig? Khartoem is in zes jaar
een groote en mooie stad geworden; geheel Soedan is tot rust gebracht,
en dat is alles tot stand gekomen door een handjevol mannen met zeer
gebrekkige hulpmiddelen, het is verwonderlijk!"

Het programma der feesten, gegeven ter eere van hunne koninklijke
hoogheden, omvatte onder andere aantrekkelijkheden bootwedstrijden,
een tentoonstelling van landbouw en tuinbouw, een militaire taptoe des
avonds bij het licht van duizenden toortsen, waarbij de vereenigde
muziek van de engelsche, egyptische en soedaneesche regimenten een
monsterconcert zouden geven onder den met sterren bezaaiden hemel,
die in den Nijl werd weerkaatst, en eindelijk een groote parade.

Die laatste had plaats buiten de stad, bij het begin der woestijn, en
nooit zal ik dat prachtige schouwspel vergeten. Infanterie, cavalerie,
artillerie, Egyptenaren en Soedaneezen, passeerden in de voorbeeldigste
orde, dan kwamen de troepen te paard en de artillerie deed een charge
in galop, die het woestijnzand in wolken deed opvliegen, hetzelfde
zand, dat vroeger is opgejaagd door de regimenten van Ibrahim en
Gordon en de gewapende horden van den Mahdi.

"Wat zegt u ervan?" vroeg mij een engelsch officier, die naast
mij stond.

"Eerlijk gezegd, ik vind het bewonderenswaardige paradesoldaten;
ze zijn prachtig, en indien hun krijgsmanshoedanigheden aan het
uiterlijk beantwoorden, hebt u het recht, er trotsch op te zijn."

"Welnu, op mijn beurt in oprechtheid gesproken, ik wil u dit
zeggen. Het zijn nu uitmuntende troepen, en zeker, wij hebben ons
best gedaan, om ze zoo ver te brengen. Maar u moet niet gelooven,
dat de egyptische officieren ons niet geholpen hebben. De meesten
hunner werken met onvermoeiden ijver en een groot volhardingsvermogen,
en ze zijn inderdaad best in staat, hun manschappen aan te voeren en
te leiden. Maar kijk eens... zie daar eens..."

Tusschen den blauwen hemel en het gele zand komt een bijna onzichtbare
lijn, gelijk van kleur met den grond, als een lange slang nader met
ongeloofelijke snelheid, lenigheid en energie. Dat zijn de 700 man
van het engelsche regiment, dat te Khartoem ligt. Er is in hun houding
zoo iets mannelijks, sterks en krijgshaftigs, dat ik er ontroerd van
word, en ik zou willen toejuichen en "bravo" roepen, zooals aan het
slot van een parade te Longchamp, als de cavalerie in snelle charge
aankomt en alles in stofwolken hult.

Wat doet het er toe, dat deze soldaten zoo jong zijn, dat hun
khaki-uniform onelegant is, als de borst, die erdoor bedekt wordt, maar
bezield is met een vasten wil en een onwankelbaren moed, waartegen
alle aanvallen van de dweepzieke Derwischen werden afgeslagen als
tegen glas.

Het was zeer schoon... Maar als standbeelden kalm, scheen geen der
aanwezige Engelschen er iets van te bespeuren.

Ja, het is al heel mooi, dat men naar Khartoem kan komen in het jaar
1905, en de geheele reis door van alle mogelijke weelde en gemakken kan
profiteeren; maar is het aan velen bekend, dat men de reis met alle
moderne comfort kan voortzetten tot in het hartje van Afrika? Zonder
nog te spreken van den Blauwen Nijl, dien men kan opvaren tot de hooge
plateau's van Abessynië, men kan ook tegenwoordig zich naar Faschoda
begeven, naar Lado en naar het Congogebied en Gondokoro in Oeganda,
even gemakkelijk, alsof die plaatsen aan de Seine lagen of aan den
Rijn; het eenige verschil is, dat ze verder af zijn gelegen en dat men
dus meer tijd noodig heeft. Gondokoro ligt 4490 kilometer van Kaïro
af. In twee maanden gaat men thans den Nijl op tot aan de plaatsen,
waar het land nog bevolkt wordt door krokodillen, door nijlpaarden,
door leeuwen, olifanten, giraffen, buffels en rhinocerossen, terwijl
men dan reist door de landen, bewoond door de woeste stammen der
Sjilloeks en der Dinka's, daar, waar nog zoo kort geleden Stanley en
Marchand enkel konden doordringen met ongeloofelijke moeilijkheden
te midden van verschrikkelijke gevaren en van onuitsprekelijke
ontberingen.

En ik herhaal het, die reis wordt volbracht met dezelfde veiligheid
en hetzelfde comfort, als de tocht van Kaïro naar Assoean. Onnoodig
te zeggen, dat ze honderdmaal interessanter is, en wat het klimaat
aangaat, dat is in den winter eenvoudig ideaal. Voor ik de manier
beschrijf waarop ikzelf de reis deed, en die de aangenaamste is,
maar ook de duurste, wil ik in het kort vertellen, hoe men haar op
andere manier kan doen.

Ter zijde laat ik vooreerst den dienst, ingesteld door de Maatschappij
die den naam draagt van de Sudan Developing Co. tusschen Khartoem
en Goz Aboe Goma, dat maar op 300 kilometer afstands is gelegen. De
reis duurt zes dagen op het minst belangwekkende deel van den Witten
Nijl. De nieuwe en goed ingerichte stoomboot heeft te veel diepgang
en loopt bij iedere reis gevaar, vast te raken, zooals verleden jaar
gebeurde op een zandbank halfweg, en er verscheiden dagen te blijven
zitten, wat ver van aangenaam is.

De regeering van Soedan heeft een maandelijkschen dienst, die veel
belangrijker is. Haar booten varen den Nijl op tot Gondokoro in
Oeganda, een afstand van 1825 kilometer van Khartoem, en doen een
maand over de reis heen en terug. De prijs van een biljet is 1700
francs en men vindt aan boord electrisch licht, warme en koude baden,
en bediening en tafel, die niets te wenschen overlaten. Er wordt
vaak stilgehouden, verschillend van dertig minuten tot twee uren,
en voor de personen, die eenvoudig Centraal Afrika eens willen zien
en den Soedan in al zijn uitgestrektheid alsook een hoek van Belgisch
Congo en Oeganda, is die dienst het meest practische middel, om hun
doel te bereiken.

Maar ik kan hem niet aanbevelen aan diegenen, die willen jagen,
want het oponthoud is niet lang genoeg op de verschillende plaatsen,
en natuurlijk vindt men het groote wild en zelfs het kleine niet vlak
bij de aanlegplaatsen der booten. Voor de jagers is het eenige, wat
hun voldoening kan schenken, dat ze een boot huren, waarmee ze zich
overal kunnen ophouden waar ze verkiezen. De stoombooten zijn uit
den aard der zaak het comfortabelst; maar ze zijn ook het duurst. De
inlandsche zeilschepen kan men voor een dragelijken prijs krijgen en
zij varen den Nijl bijna even vlug op als de stoombooten, daar de wind
krachtig en geregeld uit het Noorden blaast in den winter. De rivier
afvaren met den wind van voren duurt langer; maar als men haast heeft,
om terug te zijn, kan men zich met niet te lange tusschenpoozen laten
opnemen door een gouvernementsboot.

Terwijl ik in Khartoem was, vertrokken een Engelschman, een groot
liefhebber van jagen, en zijn vrouw naar Centraal Afrika op een
expeditie van twee maanden. Ze hadden twee naggars, dat zijn inlandsche
vaartuigen. Op het grootste was een tent opgeslagen van matwerk,
midden op het dek. Die bevatte twee veldbedden, een waschtafel,
tafels, stoelen, enz. De kok, de bedienden en de bemanning waren op
het achterschip. De tweede naggar bevatte vier kameelen, zes ezels en
verscheiden inlandsche bedienden, een jager van beroep, een Sjikari,
die alle gewoonten van de wilde dieren kende en de plaatsen, waar ze
het meest voorkomen. Zij hadden ook tenten bij zich en een geheel kamp,
waardoor ze met hun kameelen en hun ezels hun schepen konden verlaten
en tochten van verscheiden dagen konden ondernemen in het binnenland,
waar de olifanten en de andere groote dieren te vinden waren.

Terzelfdertijd vertrokken twee Franschen, twee heeren uit Rouaan,
voor een kleine expeditie van veertien dagen. Ik zag hen, toen ze
terugkwamen, en ze waren verrukt, omdat ze twaalf tot vijftien honderd
gevederde dieren hadden geschoten, waarvan enkele van buitengewone
grootte. Daar ze geen tijd hadden gehad voor tochten te land, hadden
ze maar een enkele boot gehuurd en hadden noch ezels, noch tenten
meegenomen. Dat jachtpartijtje had hun 670 francs per week gekost,
per persoon 335 francs; in dien prijs waren begrepen het schip,
het tafel- en beddegoed, de bedienden, alles.

Een belangrijker expeditie met twee schepen, kameelen, ezels en
een kampuitrusting zou voor twee personen komen op 1000 francs per
week. Natuurlijk vermindert de prijs voor ieder, als men met meer
personen gaat en voor langer tijd. Voor al zulke ondernemingen moet
de reiziger zich wenden tot den heer Angelo Capato, wiens groote
winkels te Khartoem alles bevatten wat men maar kan noodig hebben,
en die zich met de organisatie van reizen en jachtpartijen belast
tegen vaste prijzen, die niet te hoog zijn. Het is een zaak, die
alle vertrouwen verdient, en waarbij men voor geen moeilijkheden of
onaangenaamheden te vreezen heeft.

De jagers moeten een verlofsbewijs hebben. De regeering stelt er
twee te hunner beschikking; het kleine vergunt, leeuwen te dooden,
krokodillen, wilde geiten, gazellen, kleine antilopen, eenden,
pelikanen, zwanen, reigers, ibissen en nog allerlei ander gevederd
wild. Alleen het groote verlof bewijs vergunt, op olifanten te
schieten, op nijlpaarden, buffels, elanden, groote antilopen enz.

De zeilschepen bieden natuurlijk slechts een betrekkelijk comfort, en
wie daar niet mee tevreden is, moet een stoomboot huren, in welk geval
het eenvoudigst is, zich rechtstreeks te wenden tot het gouvernement,
of liever tot commandant Bond Bey, den vriendelijken en welwillenden
directeur van het departement van schepen en stoombooten.

Dat deed ik, en met zes vrienden, onder wie drie dames, huurden wij de
Abbas Pacha, een groote en mooie boot met drie dekken. De huurprijs
was 500 francs per dag alleen voor schip en bemanning. Wij moesten
ons voor al het andere wenden tot den heer Capato, die ons een
uitstekenden kok bezorgde, een europeeschen, en een soedaneeschen
hulpkok, verder bedienden en al het noodige proviand. Een echte
kruidenierswinkel en comestibleszaak werd aan boord geïnstalleerd,
met ingemaakte waren van allerlei aard, roode en witte wijnen,
champagne, Münchener bier, mineraalwater in overvloed, cognac, whisky
en verschillende likeuren. Al, wat we niet gebruikten, werd door den
heer Capato teruggenomen; maar de phenomenale Soedandorst leegde een
onnoemelijk aantal flesschen!

Wij namen in ons ruim 250 kilo ijs mee, dat een week goed bleef,
en daar Capato ons nazond met iedere boot, die den Nijl opvoer,
hebben we er slechts één dag gebrek aan gehad. Vóór op het benedendek
hadden we een echten stal, een koe, om versche melk te hebben, schapen,
lammeren, kippen, kalkoenen en duiven, die geslacht werden naar gelang
er voor de keuken behoefte aan was. Er waren telegrammen langs den
Nijl vooruitgezonden naar verschillende stations, waarheen men voor
ons versche visch, eieren en groenten bracht.

Aan deze bijzonderheden kan men zien, dat onze tafel goed en
overvloedig voorzien was. De bedienden, het eten en drinken kwamen
ons op 250 francs per dag, wat met de huur voor de boot 750 francs
was of ongeveer 107 francs per dag en per persoon, want wij waren
met ons zevenen.

Het was een kleine som voor al de geriefelijkheden, die wij genoten,
vooral als men bedenkt, dat het een reis was in Centraal Afrika.

De Abbas Pacha is een groote stoomboot, juist nieuw geverfd en
opgeknapt bij gelegenheid van het bezoek van den hertog van Connaught,
die er bij verschillende uitstapjes gebruik van had gemaakt. Op het
benedendek was achter de groote eetzaal; in het midden de machines
en de ruimen voor de bemanning; van voren onze "winkel", de stal en
de hoenderhof.

Er was op het bovendek een salon, tien groote hutten met twee
slaapplaatsen, die op het dek uitkwamen, twee badkamers met douches,
en, net als op de Cookbooten een groote ruimte midden op het dek, die
de geheele breedte innam en een hall vormde, waar wij tafels hadden
staan, leunstoelen, en luierstoelen, en waar we dikwijls gebruik van
maakten, ook om er onze maaltijden te houden. Heel boven was er nog een
dek, dat, daar het de volle breedte en de volle lengte van het schip
innam, een groot promenadedek was en bij zonsondergang een ideaal
waarnemingsplekje vormde. De salon, de hutten, de dekken, alles was
electrisch verlicht, en nooit zouden wij hebben kunnen vermoeden,
dat men zooveel comfort kon genieten op den Witten Nijl. De reis
van veertien dagen, die wij deden aan boord van de Abbas Pacha was
interessant en prettig, en de volgende opmerkingen zullen daar maar
een flauw denkbeeld van kunnen geven.


											9 Februari 1905.


Wij hebben Khartoem gisteren morgen verlaten, en we zijn allen
verrukt over het begin onzer reis. Hutten, bediening, voedsel, alles
is volmaakt, en wij glijden vroolijk en te midden van weelde naar
het centrum, gisteren nog één en al geheimzinnigheid, van Centraal
Afrika. Het weer is warm en mooi, en wij dragen onze kurkhoeden en
onze witte kleeren.

Het landschap heeft niets woests. Den geheelen dag zijn we gisteren
reusachtige weiden voorbijgevaren, eindeloos lang achtereen,
waar duizenden ossen, koeien, kalveren, ezels, schapen en paarden
vreedzaam graasden. Op de rivier amuseerden zich troepen wilde eenden,
en we vonden aan beide oevers van den breeden, majestueusen stroom
duizenden en duizenden ganzen, pelikanen en ibissen. Van morgen in
de vroegte, toen ieder zich op zijn gemak aankleedde, riep Makhmoed,
die op dek was, plotseling: "Een krokodil, heer, een krokodil!" Het
is ongeloofelijk, welke uitwerking dat woord "krokodil" had. In een
seconde waren wij alle zeven, heeren en dames, buiten onze hutten
in zeer lichte kleeding en volgden met de oogen nieuwsgierig de
richting, ons door den zwarten vinger van Makhmoed gewezen. Eerst
zagen we niets, dan eensklaps schreeuwden we allen tegelijk, en al
gesticuleerend, riepen we: "Daar, daar! zie, op het zand, juist van
dezelfde kleur... O, het beest slaapt in de zon!"

En inderdaad, op het gele zand van den oever zien we een
reusachtigen krokodil precies een hagedis in het groot. Op dat
gezicht ontwaakte het moordend instinct, eerst bij mevrouw Z.,
die ons toeriep: "De geweren! Gauw, uw geweren!" Toen vlogen de
drie van ons, die ons op jagen hadden voorbereid, weg en gilden:
"De geweren! Makhmoed! Mahomed! Wallad! O, lieve hemel, de geweren,
de patronen! Gauw!" Maar de geweren zitten in hun étui's, de patronen
in hun doozen, en daar de Abbas Pacha ondertusschen verder gaat,
is de krokodil al uit het gezicht verdwenen, eer wij gedaan hebben
met het roepen om de geweren.

Die luie krokodil heeft in ons bloedige instincten wakker gemaakt,
en we brengen den geheelen morgen door met het in orde brengen van
wapens en munitie. Eén oog op de geweren, het andere op den oever,
bespieden wij het zand met breeden en belangstellenden blik, maar
er zijn evenmin krokodillen als op de kade van het Louvre, en we
beginnen ernstigen twijfel te gevoelen omtrent het bestaan van dien,
die ons van morgen werd aangewezen.

Om twaalf uur hielden we stil in een dorp, om er geen kolen, maar
hout in te nemen; daar kolen drie of vierhonderd francs de ton kosten,
branden de stoombooten op den Witten Nijl enkel hout. Dit verklaart,
waardoor het land, waar wij doorheen varen en dat enkele jaren geleden
met bosschen was bedekt, thans bijna geheel ontwoud is. Terwijl een
heel bataljon negers hout aan boord brengt onder gezang en geschreeuw,
gaan wij het dorp eens rond, op zoek naar de "eerste indrukken"
over het binnenland van het zwarte werelddeel.

In kleine strooien hutjes wonen heele families opeengehoopt en
omringd door hun geiten, hun schapen, kippen en magere, uitgeteerde
honden. Wij zien slechts oude, leelijke en verdroogde vrouwen,
en geheel naakte kinderen, zeer vuil, en bijna alle aangetast door
leelijke oogziekten. Die afschuwelijke oude negerinnen gevoelen zich
toch nog dochteren Eva's en zijn niet van coquetterie vrij te pleiten,
want ze versieren zich met colliers en ringen, en haar gekroesde haren
zijn verdeeld in honderden kleine, vette vlechtjes. Tegenover een
der hutten woonden we het kappen bij van een vrouw, wier gerimpelde
en verdorde bekoorlijkheden al langen tijd geen uitwerking moeten
hebben gehad. Een andere vrouw vlecht haar de kleine vlechtjes
opnieuw en trekt aan de gekroesde haren, wat wel pijn schijnt te
doen. De operatie duurt bijna den geheelen dag. Makhmoed praat met
haar en vertelt ons dan kalm: "Die vrouw wordt voor de bruiloft mooi
gemaakt, ze gaat trouwen!" Och, Heer, dan is er nog hoop voor alle
oude jonge juffrouwen, die ik ken; als ze maar hier wilden komen,
zouden ze spoedig getrouwd zijn!

Langzamerhand werden alle vrouwen uit het dorp met onze aanwezigheid
bekend, en ze kwamen aanloopen en gingen om ons heen staan. Wij,
mannen, interesseerden haar in het geheel niet. Blanken, die hebben
ze dikwijls gezien, en ze vinden hen denkelijk zeer leelijk... Maar
de dames in ons gezelschap! Dat is wat anders! Dat moet in de oogen
der negervrouwen wel iets heel bijzonders wezen! Die mooie, witte
japonnen, die geborduurde lijfjes, die hoeden met linten en bloemen,
die sierlijke parasols, die fijne laarsjes van wit leder... Arme
negerinnen, haar vrouwelijk instinct zegt haar, dat het alles mooi is,
chic... en ze komen nog nader, vol bewondering en eerbied.

Dan trekken de blonde, als goud glanzende haren, die gegolfd en
geparfumeerd zijn, de aandacht en ze komen in verrukking. De kanten
en strooken van de rokken wekken niet minder de bewondering, en de
dames kunnen haast niet weg komen van de plaats. "Als die vrouwen
niet zoo leelijk waren," zei een van ons, "zou ik lust hebben den
volgenden winter met een heele scheepslading rokken hier te komen;
wat zou ik een succes hebben!"

En een van onze dames: "Niet de leelijkheid vind ik het ergst,
maar de odeur, dien die vrouwen verspreiden! Dat is afschuwelijk,
laat ons weggaan!"

Het is zeker, dat de "natuurlijke geur" van de soedaneesche vrouwen
sterk is en afstootend, maar zij zijn eenstemmig in de bewering, dat
ze den geur der blanken verschrikkelijk vinden! Om drie uur waren we
te El Duem gekomen, een der grootste plaatsen in Soedan, en het punt,
waar het leger van Hicks Pacha den Nijl verliet, om zich landwaarts
in te begeven en er den dood te vinden.

De gouverneur der stad, majoor Butler en een andere engelsche officier,
die van onze aankomst verwittigd waren, kwamen ons begroeten en
namen ons mee, om de bazars te gaan zien. Een dichte menigte volgde
ons, blijkbaar ten hoogste geïnteresseerd. Van alle kanten riepen de
kooplieden ons aan, struisvogelveeren zwaaiend, of degens en sabels,
Derwischlansen, struisvogeleieren en eigenaardige waterkruiken van
gebakken aarde of van leder met ivoren stoppen.

Al die menschen zagen er vroolijk en goedig uit. Hoe kan men het
gelooven dat El Duem zeven jaren geleden een middelpunt was van
het bloedigst fanatisme, evenals Khartoem? Nu is alles er kalm,
en de engelsche officier, die hier woont, heeft, om de wetten te
doen gehoorzamen door de bevolking van tien duizend zielen, precies
zeventien inlandsche gendarmen! Is dat niet treffend?

Een eindeloos aantal kameelkaravanen brengt hier enorme hoeveelheden
caoutchouc aan, die per schip verder naar Omdoerman worden vervoerd.

Wij hebben juist de aankomst van een karavaan bijgewoond, en de
reuzenviervoeters, stoffig en vermoeid van de lange reis, geven
geen onduidelijke teekenen van blijdschap over de aankomst. Uit
zichzelven gaan ze liggen en wachten geduldig, dat men hen van hun
lasten ontheffe, twee groote zakken caoutchouc, waaruit de geleider van
de karavaan ons dikke stukken laat zien, zeer trotsch op de qualiteit.

Na met ons thee te hebben gedronken aan boord van de Abbas, heeft de
gouverneur ons verlaten, en wij wachten alleen op Makhmoed, om het
anker te kunnen lichten. Ik heb hem uitgezonden om struiseieren te
koopen. Eindelijk is hij terug; hij had ruzie gehad met den verkooper
over de vraag, wie schuld had aan het breken van een der verkochte
eieren.

Wij hebben in de laatste dagen zooveel nijlpaarden en krokodillen
gezien, dat we ze niet meer tellen; we zijn er blasé van en doen geen
stapje, om ze te zien. Hippopotamussen zijn er een aantal in de rivier,
badende, plonsende of zich langzaam latende drijven aan de oppervlakte
van het water. Soms zijn ze alleen, of een groep van zes, zeven of
acht vertoont zich, terwijl elders weer een familie bijeen is, vader
hippo, moeder hippo en de kleine hippo's. Er zijn zulke groote bij,
dat wij ze op een afstand voor eilandjes houden.

Wat de krokodillen betreft, die tellen we al lang niet meer. Sinds
zijn we honderden voorbijgevaren en hoewel we een vijftigtal hebben
geschoten, hebben we maar een enkelen teruggevonden, een kleinen, die,
hoewel zijn kop verbrijzeld was door twee ontplofbare kogels, zich nog
woedend verdedigde tegen onze mannen. Eindelijk hangt zijn huid in de
zon te drogen en ruikt bijna even sterk als een soedaneesche negerin!

De manier, waarop de onzen zich in het water wierpen, om den krokodil
weer op te visschen, was prachtig. Welk een minachting van het
gevaar! Ze vreezen den dood blijkbaar in het geheel niet, en lachend
zeggen ze van een mensch even koelbloedig als van een krokodil:
"He is finished!" hij is er geweest. Die uitdrukking gebruiken ze vaak.

Het land, dat eerst weidenrijk was, wordt nu beboscht; apen schommelen
in de boomen, en nu en dan varen we voorbij dorpen van kleine
hutten. Als wij stilhouden om hout in te nemen, komen de negerinnen
uitloopen en zingen en dansen aan den oever. De zonsondergangen zijn
onbeschrijfelijk schoon; men heeft er in Europa geen flauw denkbeeld
van, welke prachtige lichteffecten de zon, die aan den horizon
verdwijnt, hier teweeg kan brengen. In een zee van vlammen daalt
een roode bol, en dan worden de tinten zachter en alleen het Westen
blijft nagloeien, terwijl het Oosten donker wordt. De Nijl lijkt
een stroom van vuur, waarop als zwarte reuzenstippen de nijlpaarden
statig drijven.

Wij bleven op het bovenste dek, onder den indruk van het schoone
schouwspel, tot de duisternis volkomen was geworden, en na het
diner keerden we er terug, om te genieten van den aanblik van
den sterrenhemel. De lichtjes aan het firmament schijnen hier veel
talrijker, grooter en schitterender dan in het Noorden, en spiegelen
zich als gouden puntjes in het zilveren water van den Nijl. Avond op
avond is het Zuiderkruis te zien. In dezen tijd van het jaar steken de
inboorlingen de struiken in brand, die aan den oever een groote hoogte
bereiken, opdat er weer jong groen op de plaats kunne opschieten. Op
sommige plaatsen strekken die enorme vuren zich langs den Nijl uit
over een lengte van verscheiden kilometers, en we varen tusschen twee
vlammende oevers, die naar den hemel hun bloedig schijnsel werpen en
dien in vuur schijnen te zetten. Men zou denken, in een reuzenhel te
wezen! Het is grootsch, en de tegenstelling is niet onder woorden
te brengen, als, nadat de vuren voorbij zijn gegleden, we weer in
de duisternis achterblijven, waarin enkel de sterren glinsteren,
met aan elken kant van ons de sombere, donkere wouden, waaruit af en
toe het gebrul van een leeuw opgaat.



											14 Februari.


Eergisteravond hebben wij het anker uitgeworpen voor den nacht
naast de schepen van den heer F., den Engelschman, die met zijn
vrouw uit Khartoem was vertrokken, zooals ik reeds heb verteld,
om een groote jachtexpeditie te ondernemen. Een derde schip, aan
kolonel J. behoorend, die een vriend van hen was, is ook hier;
maar tot onze verbazing troffen we mevrouw F. geheel alleen met de
soedaneesche bedienden.

"Mijn man," zei ze, "is met den kolonel twee dagen geleden per kameel
vertrokken, om olifanten te jagen; ze zullen wel niet eer dan over
twee of drie dagen terug wezen." Klinkt het niet als een wonder? Wij
zijn in Centraal Afrika, slechts enkele uren van Faschoda verwijderd,
en deze blanke vrouw, alleen te midden van de negers, wacht geduldig
en zonder eenige vrees. Waarlijk, de primitieve landen zijn minder
gevaarlijk voor de zwakke sekse dan de beschaafde!

"Heeren," zei mevrouw F. tot ons, "het doet mij genoegen, dat u gekomen
zijt. U hebt geweren, niet waar? Welnu, u zoudt mij een groot genoegen
kunnen doen, door een leeuw te dooden, die sedert een paar dagen hier
rondzwerft, en wiens aanwezigheid mijn bedienden schrik aanjaagt."

Een leeuw! Maar dat is juist wat wij zochten! O, die zal ons niet
ontkomen. Er werd krijgsraad gehouden. Wij riepen den Sjikari,
die ons uitlegde, dat de leeuw zich in den vroegen morgen naar het
binnenland terugtrekt, soms tot op grooten afstand. Wij zullen dus
moeten vertrekken eer de zon is opgegaan, en de ezels moeten nemen,
die mevrouw F. te onzer beschikking stelt, evenals enkele van haar
bedienden.

O, Tartarin, glorieuzer gedachtenis, als gij ons hadt zien
vertrekken!... Dwars door het struikgewas, door boschjes van
roodachtige boomen, welker takken lange dorens hadden, die onze
kleederen scheuren en ons bloedig verwonden, over uitgedroogde
terreinen met diepe spleten gaan wij met verrassende snelheid voort,
bewogen door den vurigen wensch, dien leeuw eens van aangezicht tot
aangezicht te zien. Een leeuw!... Dat was nog eens een historie, om aan
de vrienden te vertellen. Misschien konden wij op ons visitekaartje
laten graveeren: "Die en die, leeuwenjager". Wat zou dat het publiek
imponeeren! Wij kwamen aan een open plek in het bosch, met hoog gras
begroeid, en plotseling weerklonk uit die zee van gras een geweldig
gebrul... Dat is hij! Onze ezels trillen... en wij ook..... zij van
vrees, wij van opwinding.

"Hm," doet de Sjikari, "hij heeft ergen honger!"

Iemand trekt mij aan de mouw; het is Makhmoed. Hebt ge ooit een neger
zien verbleeken? Ik zweer, dat Makhmoed bleek was... hij zag er heel
leelijk uit, en de oogen puilden hem uit het hoofd. "Heer," zei hij,
"gevaarlijk, zeer gevaarlijk... verleden jaar heeft mijn broer..."

"Makhmoed, dat kun je mij later vertellen..."

Maar hij gaat achter mij voort: "Een leeuw doodde een engelschen
kapitein... zeer gevaarlijk... schiet goed, o heer!"

In de verte zagen we het hooge gras buigen onder de voetstappen van
den koning der dieren, en een tweede gebrul scheen de geheele natuur
te doen trillen.

"Hij heeft honger," herhaalt de Sjikari, "en hij gaat vlug naar het
boschje rechts van ons. Wij moeten er zien te komen, eer hij er is."

Wij gaan verder, en bij den ingang van het boschje stappen we af. Met
den vinger aan den trekker en wijd geopende oogen stappen we verder
in dat bosch, dat niet groen is, maar roodachtig, juist van de kleur
der wilde dieren. Men kan maar op een paar meter afstands zien, en
er bestaat kans, dat we ons plotseling neus aan neus met den leeuw
zullen bevinden. Op dat oogenblik wijst een van onze drijvers ons de
versche sporen van een buffel. Het moet een zeer groote zijn, maar,
waarschuwt de drijver, onze verlofbewijzen geven ons niet het recht,
buffels te schieten.

"Vooruit, vooruit!" roept mijn vriend, "dood aan den buffel. Al moet
ik alle mogelijke boeten betalen, al moet ik ervoor in de gevangenis,
de buffel, de buffel!"

Er is met jagers evenmin rede te plegen als met verliefden, en wij
gaan weer voort, transpireerend uit alle poriën. Een andere drijver
roept ons naar de grens van het bosch. Wij snellen toe, en op 700
tot 800 meter afstands van ons zien we een open ruimte, waarover
zich een groote kudde antilopen beweegt! Nu doet zich de vraag voor,
of ze van de soort zijn, die wij mogen schieten. Eerlijk gezegd,
wij weten er niets van; we zouden het niet kunnen zeggen, als de
dieren tien pas van ons verwijderd waren, en dus is het ons totaal
onmogelijk op 800 meter afstands.

"Naar den drommel met het verlof," zegt mijn vriend, "ik zal dan toch
een gebraden antilopenboutje hebben, wat het mij ook moet kosten." Wij
sluipen voorzichtig verder, maar bij de wijde, open ruimte, waar
de antilopen grazen, durven we niet verder uit vrees, dat de schuwe
dieren ons zouden bemerken. Nu niet langer geaarzeld; er moet weer
geschoten van de plek waar we staan, een goeden halven kilometer ver.

"Pang, Pang!" knallen de geweren, en op hetzelfde oogenblik vliegt
de heele kudde weg! Ze hebben nog geen tweehonderd meter afgelegd,
of ze keeren om. Hebben ze den leeuw geroken? Weer vliegen ze in onze
richting, maar altijd op 500 meter afstands... Vuur! En gelukkig,
twee antilopen bijten in het zand; maar één ervan staat op en hinkt
weg. Wij hebben er dan toch één ... het is wel geen leeuw, maar enfin,
het is beter dan niets ...

Ik wachtte op Makhmoed, die in het bosch bij de ezels is gebleven,
en toen we weer bij ons gezelschap waren bij de gevallen antilope,
lijkt het, of mijn beide vrienden elkaar boos aankijken. De één kwam
mij tegemoet en zei zacht: "Daar kan men zich nu geen idee van vormen;
nu heeft die vent de brutaliteit, te beweren, dat hij de antilope
heeft gedood, en ik weet zeker, dat mijn kogel het heeft gedaan!"

Nee maar, dat is aardig! Ze hebben er geen van beiden aan gedacht,
dat het wel mijn kogel van geweest zijn! Ik heb niets gezegd, want ik
ben er niet zeker van, dat de antilope behoort tot de soort, die wij
het recht hebben te jagen... en als er nu een boete is te betalen,
moeten zij het maar uitmaken, als ze dan beiden zoo zeker zijn,
het doodelijke schot te hebben toegebracht.

Wij brachten na een korte visite aan Faschoda, een bar stuk woestijn,
nog een bezoek aan een amerikaanschen zendingspost aan de Sobat,
waar de landbouwende paters onder het volk der Sjilloeks veel goed
doen. Een der Sjilloekhoofden, Okokwon, bracht een bezoek aan boord,
dat wij ook beantwoordden, waarna de heele bevolking van zijn dorp
ons naar boord terug geleidde.

De zon stond reeds laag aan den horizon, toen de _Abbas Pacha_ weer
den weg naar Khartoem insloeg, den weg tevens naar de beschaving. Het
spijt ons, niet dieper in Centraal Afrika te kunnen doordringen,
maar de tijd is om, we moeten terug... maar, zoo we hopen, komen we
een anderen keer weer!



INDRUKKEN VAN ZWEDEN

Naar het Fransch van Gustave Babin.


Toen President Fallières in Juli zijn bezoek aan Zweden bracht, zond
een der medewerkers van de _Illustration_ zijn reisindrukken aan het
blad. Hij had namelijk kort te voren het land gezien en achtte het
oogenblik geschikt, om zijn landgenooten iets te vertellen over de
mooie natuur daar en over het karakter en de ontwikkeling der bewoners.

Over Gotheborg, zegt hij, kwam ik op een helderen Zondagmorgen in
Zweden. Wat een lieve stad en hoezeer neemt ze den vreemdeling in
voor het land, waarvan ze een der voornaamste ingangspoorten vormt! Ik
geloof niet, dat er ergens ter wereld een haven bestaat, die u zulk een
ontvangst bereidt en ik vergeet niet, hoe zonnig Marseille er uitziet,
noch hoe rijzig en schoon zich de klokketorens van Rouaan verheffen,
of hoe heerlijk rustig zich de wijde wateren van Bordeaux voordoen.

Gotheborg lijkt mij het type van een zweedsche stad, bedrijvig
en mooi, doorsneden door heldere grachten, in het bezit van veel
schaduwrijke plekjes, bekoorlijk en zindelijk, zindelijk vooral,
tot in het verfijnde toe. Want de zindelijkheid, die door den
H. Augustinus een hoofddeugd werd genoemd, is misschien de voornaamste
eigenschap van het zweedsche volk, eigenschap, die dadelijk in het
oog valt en later telkens zich opdringt aan den bezoeker met bijna
te sterken drang. Het is na Stockholm de voornaamste stad van Zweden
met minstens 150000 inwoners. De aankomst in de haven, waaromheen
hooge, naakte rotsen zich verheffen; dan de invaart in de rivier,
die door de stoomboot een half uur ver wordt opgevaren tusschen de
voor anker liggende zeilschepen en zware, rookende vrachtvaartuigen,
langs kaden, waar het blonde hout ligt opgestapeld, dat alles is
reeds schilderachtig. En de stad zelve is verrukkelijk.

Wij kwamen er in de volle lente, een late, noorsche lente, waarin
alles tegelijkertijd bloeit binnen enkele dagen, seringen en gele
klaprozen en allerlei andere zomer- en lentebloemen.

Zooals men Stockholm heeft genoemd het noorsche Venetië, zoo heeft
men Gotheborg met hollandsche steden willen vergelijken. Inderdaad
vestigden er zich in de zeventiende eeuw kooplieden, die uit
Holland kwamen, legden er grachten en kanalen aan en steenen kaden
en ontwierpen er rechtlijnige straten. Maar nauwelijks heeft men dat
ingenieurswerk bewonderd, of er doen zich vergezichten voor in heerlijk
groen, een lange, breede laan van groote boomen, voortloopend tot in
blauwe, wazige verten, de Nya-allee. Zij verdeelt de stad in tweeën
en heeft aan haar linkerkant een reeks van villa's, met meestal een
voortuin vol bloemen en rechts een reusachtig park met de heerlijkste
wandelwegen. Als men let op de uitgestrektheid van die terreinen,
schijnt het park buiten verhouding groot in vergelijking met de
provinciestad, waar het bij behoort. De groene plek, die daar ligt
tusschen de huizenzee, beslaat inderdaad een goed vierde deel van de
oppervlakte der stad.

Toch zijn er nog andere beplante gedeelten, het Wasapark, het
Brunspark en de Gamla-allee, die zoowat in alle wijken plekjes groen
brengen. Alle regeerders, die in steden zoo zuinig zijn met de open
terreinen, kunnen hier een lesje nemen. En dat is nog niet alles. Pas
heeft men het oude fort Skansen en de arbeiderswijk Annedal achter
zich gelaten, en dat is niet verder dan een kwartiertje rijdens,
of er ligt een prachtig bosch vóór ons, het Slottskog. Het is
groot, heuvelachtig, van kloven doorsneden en grillig door de kale
rotspartijen. Knoestige eiken staan er naast blanke berken, trotsche
dennen en aardige, bloeiende haagdoorns. Het windje, dat het water
van de mooie vijvers rimpelen doet, speelt met de veêren van trotsche
zwanen. Het bosch heeft allen zwier van ons Bois, met de zindelijkheid
bovendien, die netheid en keurigheid, waar ik zeker nog telkens op
zal terugkomen, en waar de bezoekers hier van kindsbeen af aan zijn
gewend geraakt. Overal, aan de boomen en op de grasperken hangen
en staan van die groote manden van vlechtwerk, waarin men papieren
en overblijfselen van op het gras genoten maaltijden deponeert. De
gazons zijn er dan ook keurig en smetteloos als het mooiste tapijt.

Een eenvoudig vigelantepaard, dat coquet stapte als een volbloed,
bracht ons buiten de stad langs de Danska vagan, den weg, dien de
Denen volgden toen ze Gotheborg kwamen innemen. Het landschap is
er allerliefst met de kleurige, houten villa'tjes onder het dichte
gebladerte en Oregrut, het geliefde doel van de uitstapjes der
Gotheborgers.

Nog meer dan in Frankrijk schijnt de burger in Zweden behoefte
te gevoelen, nu en dan de stad te verlaten en zich buiten te gaan
vermeien. Stockholm bij voorbeeld is des zomers als uitgestorven; in
alle huizen ziet men neergelaten stores, en de stroom van toeristen,
die dan in de stad neerstrijkt, kan er lang niet die levendigheid
aan geven, die Stockholm in den winter kenmerkt. De hotels zijn
intusschen vol in de warme zomerdagen; heele karavanen van toeristen
verdringen er elkander, en elegante victoria's, heftig tuffende
auto's en alle mogelijke andere voertuigen brengen de bezoekers,
die alles in haast willen zien, naar de verschillende musea, naar het
koninklijk paleis en het belvédère van Katarinahissen, van waar men
het klassieke panorama kan bewonderen van de stad met haar eilanden,
haar schitterende watervlakten en haar parken.

Wat het aantal boomen betreft, lijkt Stockholm, de oppervlakte in
aanmerking genomen, veel minder goed bedeeld dan Gotheborg; maar
de open plekken worden in de hoofdstad gevormd door de wateren van
het Mälarmeer en door de zee-armen, die in de stad binnendringen,
er eilandjes en schiereilandjes bespoelen en waaraan fleurige, witte
booten u aan elke kade tot varen uitnoodigen naar een der zeven duizend
eilandjes van den Skargard, of naar een der twaalfhonderd van den
Mälar, of wel naar een der modeplaatsjes in de buurt, Saltsjöbaden,
Vaxholm en Dalarö.

Toch wuiven tusschen de steenen, op pleinen en in tuinen, prachtige
boomen hun bladerpluimen. Daar zijn de Bungstraed-garden, de
Humle-garden, de Skansen, die laatste een merkwaardig museum in de
open lucht, waar oude, eerbiedwaardige huizen, die uit de provincie
zijn overgebracht, verstrooid liggen in een der mooiste wandelparken,
die men zich kan voorstellen. Die heele wijk trouwens, waar de Skansen
en de Djurgarden liggen, is een enkele uitgestrekte tuin.

Daar heb ik in de nachten, waarin schemering en dageraad elkaar
ontmoeten, onvergetelijke uren gesleten. Geen zuchtje in de lucht,
geen trilling op het water, waarin de weerschijn van de purperen en
koperen tinten der ondergaande zon zich mengt met de rose en groene
schijnsels van den ontwakenden morgen. En wie niet genoeg had aan
die pracht midden in de stad, kan in de onmiddellijke nabijheid
het Hagapark vinden, waar ten overvloede een tram heen leidt, en
waar in diepe schaduw van zeer hoog geboomte, aan een stille baai
de koninklijke lustverblijven liggen, of wel hij kan iets verder
de prachtige laan van eeuwenoude beuken volgen naar Ulriksdal, het
eenvoudige verblijf van koningin Sophie.

In alle steden, ook de bescheidenste, vindt men die vereeniging
van straten met heerlijke parken en tuinen, besproeid door vijvers
en rivieren, waar men wandelt langs groenende oevers. Het land is
waterrijk bij uitnemendheid. Sla een kaart van Zweden open; overal,
in het noorden, het midden en het zuiden ziet ge de blauwe plekken
van reuzenrivieren of van meren, die als ware zeeën zijn. Er is een
gebied, dat zoo overvloedig gezegend is in dat opzicht, dat zelfs
de Zweden er verbaasd van zijn, zoodat een van hun spreekwoorden
zegt: "Toen God de wateren scheidde van het vaste land, vergat hij
Sudermanland". Inderdaad is dat deel van de kaart, dat de buurt van
Stockholm voorstelt, niet veel anders dan een enkele azuren vlakte. Men
zou nog eerder de sterren aan den hemel kunnen tellen dan die plassen,
die meren en lagunen, die de landen omsluiten als de openingen van
een fijnmazig net.

Van die meren, die ik zag uit de portieren van den waggon, die daar
lagen te spiegelen in het licht der volle zon, of bleek en koel
schenen in het lichte schijnsel der late avondzon, heb ik alleen
het Siljanmeer gezien van dichtbij. Ik heb het bezocht, ben het
overgestoken van Raetvik naar Leksand en van Leksand naar Raetvik en
Mora, en dan ook het Orsameer, zijn buurman, aan welks oevers wij op
een namiddag een aardig uitstapje maakten.

Men heeft het Siljanmeer wel "het oog van Dalecarlië" genoemd; een
stralend gouden oog, want de wateren van het meer, hetzij ze komen
uit de veengronden van de naburige bosschen of dat de ijzerhoudende
bodem er doorheen schijnt, zijn donker, warmgeel, hoogblond, als de
vlechten van de meisjes aan zijn oevers.

Dalecarlië! Alleen al om den schoonen klank, om de euphonie zou men
een provincie liefhebben, die dezen bekoorlijken naam draagt. Dalarne
klinkt hij in het Zweedsch. En het is inderdaad een heerlijk land met
forsche, lenige, flink gebouwde knapen, recht als de berken zijner
bosschen, en met allerliefste meisjes. Van Wahlberg en Osterlind
tot Zorn en Carl Larsson hebben de zweedsche schilders zich erop
toegelegd, die landschappen van Dalecarlië weer te geven op het doek,
en het leven van de boeren en hun kinderen te schetsen. Het is iets
als het Bretagne van Zweden, een der weinige terreinen, waar de mooie
kleederdrachten uit ouden tijd zijn bewaard gebleven, de kleurige,
schilderachtige costumes, die in de verschillende districten der
provincie nog zeer van elkaar onderscheiden zijn.

Het doet zonderling aan, die menschen, die zóó van een schilderij
van Frans Hals of Jan Steen schijnen te zijn weggeloopen, dan
des zondags uit de kerk komend, hun fietsen te zien bestijgen. De
Dalecarliërs zijn een trotsch volkje; het zijn vurige vaderlanders,
naijverig op de beteekenis van hun eigen provincie. Mij klinkt nog in
de ooren de toon van warme overtuiging, waarvan de stemmen trilden
der drie jonge meisjes met groote bundels veldbloemen in den arm,
toen ze op de stoomboot, waarmee wij van Raetvik kwamen, op ons
verzoek het volksliedje van Mora zongen, waarin de woorden voorkomen:
"De vreemdeling ziet uit de hoogte op ons neer; maar ik heb u lief,
mijn dierbaar land!"

Bosschen en mijnen zijn de voornaamste rijkdom van Zweden. Zweden
is het houtrijkste land van de geheele wereld; het brengt een vijfde
deel voort van al, wat er gebruikt wordt. Op de 41 millioen hectaren
die Zweden groot is, komen, als men de meren eraf trekt, bijna 20
hectaren voor, die met wouden zijn bedekt; dat is dus 48 procent of
bijna de helft van het land. Mijlen en mijlen ver loopen de treinen,
in welke richting men ook reist, door zuilengangen van heerlijke
bosschen. Hoe verder men naar het noorden komt, des te meer berken
verschijnen tusschen de dennen. Maar de berken zijn er weinig in tel;
men bewondert wel hun fijn gebladerte, maar ze hebben niet veel waarde,
en eerst in Lapland worden ze weer meer op prijs gesteld, omdat daar
de pijnen niet tegen het klimaat kunnen.

Nu en dan wordt het bosch dunner, en men ontmoet een frisch groene
weide, afloopend naar een stil meer, dat als in een groene schelp
rust. Maar dan buigt de hijgende locomotief alweer in de sombere
gangen onder de hooge pijnboomen naar een blauwachtigen uitgang heel
in de verte, en de waggons zijn met harsgeuren gevuld. Werklieden zijn
bezig in de blauwe schaduwen van het bosch, en de schitterlichten van
hun glimmende bijlen doorflitsen de schemering. Zij hakken en vellen
en schillen en doen de kale boomen meevoeren met den stroom van de
rivier in de buurt. En kolenbranders bouwen groote stapels en branden
de houtskool, dat nuttige boschproduct, terwijl weer anderen in de
lage, moerassige deelen der dalen turf graven, de brandstof der armen.

Door de rivieren hebben de bosschen van Zweden zoo groote waarde,
want zij maken de exploitatie van het woud mogelijk. Ook voor de
toekomst is Zweden op zijn rivieren aangewezen, want die zullen met
hun watervallen en stroomversnellingen het land tegen lage prijzen
de electriciteit verschaffen. Wij zijn de Angermanna-elf afgevaren,
na ons te Sollefteote hebben ingescheept. Boomstammen gleden met onze
boot mee, tot wij te Hernösand waren. Toen nam een andere boot ons op,
om ons naar Sundsvall te brengen. Het was een heerlijke tocht. Alles
aan de oevers der rivier was aantrekkelijk: de dorpjes met de roode
en groene houten huisjes, de visschershutten met de er voor liggende
bootjes en de altijd weer terugkeerende houtstapels van nieuwe,
goudgele planken.

"Ga vooral de scholen zien, als ge in Zweden zijt," had men mij
gezegd. En de aansporing was haast overbodig, want overal, in de
kleinste plaatsjes, als ge een huis ziet, dat er beter en vroolijker
uitziet dan alle andere, waar bloemen vóór de wijd open vensters staan,
en aardige veranda's er uitlokkend uitzien, daar hebt ge honderd tegen
één een volksschool, een folkskolan, voor u. En ik heb in Stockholm
een groote handels- en industrieschool bezocht, waar beide geslachten
te zamen worden opgevoed. Ik wou, dat ik alle zalen kon beschrijven,
die laboratoria, de keukens voor het kookonderwijs der meisjes,
de muziek- en de teekenzaal. Het was alles grootsch, weelderig,
licht en vroolijk en doelmatig. O, paedagogen van Frankrijk, gaat
daar eens kijken, om beschaamd te worden en het voorbeeld te volgen.

"Je moet in den winter terugkomen," zeiden de vrienden, die ik ginder
heb gemaakt. En ze prezen de prettigheid en gezelligheid der korte
dagen, waarin de schemering niet week, en hun sport, de glorie van
hun meesleepende sport, het schaatsenrijden, de skiwedloopen, het
zeilen op het ijs, de wedrennen te paard over de besneeuwde vlakten,
het vliegen met een zeiljacht over de ijsvlakte, en de vroolijke
avonden bij kunstlicht! Misschien....

Maar ik heb dit jaar alvast drie lentes beleefd. Vooreerst die in
Frankrijk, zoo heerlijk en bekoorlijk, en dan twee in Zweden, die
in het zuiden bij aankomst en die van Lapland aan het slot van mijn
reis. Driemaal heb ik de seringen zien bloeien; nog den laatsten dag
hing hun geur langs den weg.

Twee dagen sporens van Stockholm brengen den reiziger naar het
treffende tooneel van de middernachtzon. Men zou het moeten aanschouwen
aan den oever van den wijden oceaan, maar dan zou ik een denkbeeldige
lijn moeten passeeren, een douane, een grens. De Zweden hebben er
in hun patriotisme een eer in gesteld, niet langer daar in het hooge
noorden bij den buurman datgene te gaan zoeken, wat ze bij zich tehuis
kunnen hebben.

Daarom is er te Abisko, aan den spoorweg van Stockholm naar Narvik
in Noorwegen, die een groot deel van Lapland doorsnijdt, een van
die eenvoudige, maar geriefelijke hotels gebouwd, die er zooveel
in het land worden gevonden. Abisko ligt in het uiterste noorden
van Zweden. Daar gaan de menschen in Juni en Juli in menigte heen,
en ook tal van vreemdelingen komen er de middernachtzon zien.

Den eersten Juli om kwartier over twaalf passeerden wij onder
vreugdekreten den poolcirkel, welke denkbeeldige lijn langs den
spoorweg aangeduid wordt door een bord op een paal met het eenvoudige
woord "Polcirkeln". Bij het volgend station, 500 meter verder, vloog
ieder naar de brievenbus, om postkaarten te verzenden, gestempeld
van den "Poolcirkel".

Na het diner werd een oogenblik besteed aan het panorama, dat er
te zien was van de esplanade van het hotel en daarna begaven wij
ons om tien uur op weg. Dadelijk traden we een bosch binnen van
kleine berken; nietige bloempjes bloeiden in het gras, en de weg was
steil den berg op, waar het schouwspel het mooist moest zijn. Over
rotsblokken bereikten we den top, een klein plateau, waar enkel wat
korstmossen groeiden en gras, dat dood leek, verdroogd en geel. Maar
wij vonden onze moeite ruim beloond. In het westen was de lucht nog
in goudglans gehuld en reeds glom in de spleet tusschen twee rotsen
in het oosten het licht van den morgen, terwijl de gletschers achter
ons zich rood begonnen te kleuren. De kille adem van den morgen deed
zich gevoelen. Het was een vreemd, zonderling licht, dat ons omvloeide,
een licht om nooit te vergeten.

Nu moesten wij nog het kamp der Lappen bezoeken; want in dit seizoen
kan dat op deze breedte reeds gebeuren, daar het zachte weer dat
volk elk jaar naar het zuiden voert. In de buurt van ons klein
hotel in Abisko was een kamp; rendieren graasden er dichtbij, en
de tenten waren er opgeslagen. Deze Lappen zijn vereuropeescht. Ze
zaten den avond te voren nog geen kwartier met ons in den waggon,
of ze begonnen goederen uit te pakken, die ze ons wilden verkoopen,
specimina van laplandsche industrie. Bij het bezoek aan de tenten
was het niet anders; door de reten hadden ze ons zien aankomen met
mijn photografietoestel, en er was vrij wat parlementeeren noodig,
eer ze wilden poseeren. Ze kennen den toerist en weten, hoe ze het
meeste van hem loskrijgen! Wie weet, hoe spoedig de Lappen zelf het
toestel gebruiken! Gelukkig diegene, die Lapland gezien heeft, eer
de nieuwere tijd er zijn intocht heeft gehouden!





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Het moderne Egypte: Wat er te zien en te hooren valt tusschen Kaïro en Faschoda - De Aarde en haar Volken, 1908" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home