Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Goethe's Faust
Author: Haan, Johannes Diderik Bierens de
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Goethe's Faust" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



               Handboekjes Elck 't Beste

              Onder leiding van L. Simons


                   Uitgegeven door de
      Maatschappij voor Goede en Goedkoope Lectuur
                       Amsterdam



                     Goethe's Faust

                      Studie door

               Dr. J. D. Bierens de Haan



          Gedrukt ter drukkerij "De Degel", Amsterdam.



WOORD VOORAF


Goethe heeft in de twee gedeelten van den Faust aan zijn lezers het
beeld voor oogen gesteld van den mensch en zijn hoogste streven. Niet
een historisch bepaalden persoon, gelijk in menig drama, noch een
zielkundig merkwaardig wezen, als genie of "Uebermensch" heeft
hij geschilderd; maar den mensch, die wij allen zijn. Al het
fantastisch eigenaardige van het Faust-gedicht is dichterlijke
verbeeldingswijze. Het zal ons, die over de Faust-figuur gaan
filosofeeren te doen zijn, om het menschelijke in dezen mensch,
en om niets anders.


B. de H.

_Aerdenhout_, Oktober 1914.



I DE KLACHT VAN FAUST



1. De famulus Wagner, de begrensde mensch.


Nauwelijks verschijnt ons de figuur van Faust of wij vernemen zijn
klacht, een klacht zoo zeer uit de geheele persoonlijkheid opgeweld,
dat wij Faust niet kennen, zoolang wij de klacht niet verstaan. En
door in haar te verwijlen, zoodat de snaren onzer ziel meetrillen,
verstaan wij haar. Niet slechts muziek of roman willen genoten worden
door medeleving, maar ook de wijsheid, en ook datgene wat aan de
wijsheid voorafgaat.

Terwijl wij nu de klacht van Faust zullen uitspreken, en bepeinzen wat
zij inhoudt--zie daar ontmoeten wij een mensch in Faust's omgeving en
met wien hij elken dag verkeert: zijn eigen famulus, den helper bij
zijn natuurkundige proeven, Wagner. Hij is een mensch (of zeggen wij:
hij is "de" mensch) die de klacht van Faust niet kent en haar niet
begrijpt en die te dezen opzichte het niet verder brengt dan tot een
schamele verzuchting. Het is langs den famulus Wagner, dat wij tot
Faust naderen; het is door tegenstelling dat wij de beteekenis van
Faust's klacht duidelijk maken.



"Reeds weet ik veel doch gaarne wist ik alles" (Zwar weiss ich viel,
doch möcht ich alles wissen). Met deze woorden treedt de famulus
Wagner uit Faust's studeercel af; zij zijn kort en wel de prachtigste
karakteristiek van een benepen mensch. De man wien deze woorden in
den mond gelegd zijn, is voorgoed belachelijk en met hem het heele
ras der zijnen; de kordate weetvastheid van zoo'n schepsel, zijn
beslist voornemen om de weterij van dag tot dag te vermeerderen, en de
volkomen argeloosheid van zulk gemoed zijn zoo heerlijk bijeengebracht
in dat ééne volzinnetje, dat wij Goethe den oprechten dank onzer
harten schuldig zijn, die zoo treffend de heele bent van weetwijzen
heeft gekarakteriseerd.

Deze menschen hebben éen eerbied, en die is groot, voor degenen die
nog meer weten dan zij; zij hebben één verlangen en dat is groot: hun
medewetenden voorbij te streven of althans in te halen; hoe gaarne
zouden ze twee honderd jaren oud worden, wanneer dat hun hielp om
alles te weten. Zij zijn het die de opstapeling der leervakken hebben
uitgevonden en de vergelijkende examens.

Wagner is de _begrensde_ mensch. Maar waarin bestaat dan wel zijn
begrensdheid, terwijl toch zijn verlangen zóo ver reikt? Tevreden met
halve maatregelen vinden wij hem niet en de hoeveelheid weten, door hem
verzameld, is hem nooit genoeg, daar hij immers tot de al-wetendheid
toe zou willen voortwerken. Respektabel is de kennis der Wagners, en
zij gelijken in hoeveelheid van opgezamelde wetenschap op musea. Hun
vatbaarheid schijnt onbegrensd. Zijn zij niettegenstaande dit een
begrensd type van menschen, waarin ligt deze begrensdheid dan?

Zij ligt in een eigenschap huns geestes waardoor zij den zin en
beteekenis van hun eigen weten misverstaan. In een misverstand ligt
hun begrensdheid; en het misverstand is van dien aard, dat hij die het
opeens inziet, tot de klacht van Faust vervalt. Maar ook van dien aard
is het misverstand dat men slechts krachtens geestelijke beperktheid
daarbij blijven kan en dat de ware, ruime en diepe geest niet anders
kan dan het misverstand ontsluieren en dus komen moet tot de klacht
van Faust. En deze klacht verwoest de vorige vreugde en spreekt het
vonnis uit over de schoone illusie van voorheen.

Wat de famulus Wagner niet verstaat is: dat al deze kennis een nadering
is tot het Onbegrepene. Ja: de diepere _waarheid_ der kennis ligt
hierin--een waarheid die vooralsnog verbijstert en verblindt, zooals ze
aan Faust doet, maar die later wordt verstaan, wanneer het Onbegrepene
niet zonder meer on-begrepen blijft. De Wagners echter verstaan niets
van dezen geestelijken zin en wonderbare waarde der menschelijke
kennis: hun is het te doen om de verzameling der weetzaken. Zij
kloppen begeerig aan de deur van Faust's denkvertrek "om met hem te
treden in geleerde overweging," maar niet om wijsheid. De vrees, die
hen een enkelen maal bij hun wetenschap overvalt, is niet de vrees
of ook al het weten de toenadering is tot een ontzaglijk geheim,
te groot voor menschenhart. Maar hun vrees is dat het korte leven
niet genoeg zij om de hoeveelheid der weetbaarheden te verzamelen:
"de kunst is lang en kort het leven" "eer de halve weg is afgelegd moet
een arme drommel misschien sterven." De _kwantiteit_ van het weetbare
verontrust hen soms; en zoo ze ooit over de begrensdheid onzer kennis
hebben nagedacht, dan is het om deze grenzen verkeerd te stellen:
de begrensdheid onzer zintuigen en van ons geheugen en der werktuigen
die wij aanwenden, de kwantitatieve onvolmaaktheid van het menschelijk
verstand is de eenige grens, die zij zich indenken: maar dat mogelijk
het verstand zelf (ook het ver-reikendste) niet levert wat wij ons
inbeelden, dat het verstand zelf _voert tot het onbegrepene_; dat aldus
het verstand eindigt niet bij het doel, waarvoor wij 't inspanden,
maar bij de ontkenning des doels--dàt te verstaan is verre buiten het
vermogen der famuli Wagner. Zoo verstaan zij ook niet wat wèl de zin
der verstandswerking mag zijn. In hun mond past de volgende lofspraak:

Wij hebben met nauwlettendheid de bewegingen van gemoed en verstand
gadegeslagen, geklassificeerd en ingedeeld onder psychische wet. Wij
hebben de bronnen der historie van volken en geslachten geopend
en bestudeerd. Wij hebben de aarde opgegraven en daar de archieven
aangetroffen voor de prae-historische geschiedenis der menschheid; wij
hebben door geologische onderzoekingen den ouderdom van onze aardsche
woonplaats berekend en een algemeene voorstelling harer wordingsfazen
verkregen; de afstanden vastgesteld in het stelsel der planeten; onze
blik reikt tot eindlooze verten heen; de richting is aangewezen waarin
het menschelijk verstand nog jaren en jaren zijn onderzoekingswerk
kan voortzetten: zwar weiss ich viel, doch möcht ich alles wissen!

Oefent de verrukking der Wagners niet zekere verlokking uit en zou
men haar uitspraak niet liever aanhooren dan de klacht van Faust,
de bittere en doodelijke klacht: "Ik zie dat wij niets kunnen weten"
(ich sehe dass wir nichts wissen können)?

"Nu heb ik, ach, filosofie, rechtswetenschap en medicijnen, en
ook helaas theologie met vurigen ijver bestudeerd. Daar sta ik nu,
een arme dwaas en ben zoo wijs als bij 't begin. Ik heet Magister,
Doctor zelfs en trek nu al een tiental jaren, omhoog omlaag en scheef
en krom scholieren bij hun neuzen rond en zie dat wij niets weten
kunnen: dat brandt mijn hart met felle pijnen."

Aldus luidt de klacht, waarmeê Fausts nachtelijke alleenspraak in de
studeercel aanvangt en waarvan geen famulus Wagner iets verstaat.

Voor dezen is wetenschap nog niets anders dan lofwaardige geleerdheid,
streelend voor het menschelijk gevoel van eigenwaarde. Dat wereld
en leven _raadsel_ zijn vermoedt hij niet. Tegenover de klacht van
Faust klinkt zijn tevredenheid als onbewuste bespotting van zichzelf:
"het is een groot genot zich in den geest der tijden te verplaatsen,
toeziende hoe voorheen een wijs man heeft gedacht, hoe heerlijk ver
ten laatste wij gekomen zijn."



2. Wetenschap is herleiding tot het Onbegrepene.


De klacht van Faust betreft niet de kwantiteit van het weten: het
te weinig aan kennis. Deze kwaal ware wellicht door den arbeid van
duizend jaren te verhelpen, waarna de klacht kon worden te boek
gesteld als bewijs van het te kort in een voorafgaand stadium der
menschelijke ontwikkeling.

De klacht van Faust houdt in dat de kennis een nadering is tot het
Onbegrepene. Dit is het wat hem kwelt: hoemeer deze schipper zijn
vaart bespoedigt, zoo dichter nabij den kolk wordt hij gedreven,
waarin elk vaartuig vergaat. Juist het tegenovergestelde van wat
hij wenscht bereikt hij; het licht waarnaar hij versmacht blijkt
duisternis. Tevoren, toen hij als onwetende door het leven liep, was
hij niet ongelukkig; zijn behoefte aan kennis hield nog de belofte
in eener toekomstige vervulling. Thans echter is hij de kennis
deelachtig en ziet: het kennen drijft hem ijlings in de ellende:
het Onbegrepene is voor zijn oog verrezen. Het is alsof nevels den
horizont onzichtbaar maken zoodat wie kunnen leven zonder horizont,
tevreden zijn met het beperkte bestaan hun gegund. Maar zij, wie
de beperktheid het leven benauwt, doorwaden de nevelen en wat zien
zij? Monsters die het bestaan bedreigen.

Wij willen uit het begrip der wetenschap, de wetenschap van natuur
en zielsleven, nagaan waardoor Faust tot zijn klacht gedreven is.

Faust heeft op alle gebied van het menschelijk weten zijn kennis
uitgebreid: wat wil het zeggen: de uitbreiding der kennis? Het wil
zeggen dat de waargenomen stof, die eerst een voorwerp was voor
de tuchtlooze fantasie, al meer onder algemeene gezichtspunten des
verstands gebracht wordt: de zonnekar met de vurige rossen en den
kloeken menner, die eertijds de fantastische behoefte der jeugdige
volken bevredigde, heeft de plaats geruimd voor een mechanische wet van
beweging naar de eischen van het tucht-lievend verstand. Nu zijn wij
verstandiger en wij zijn vooruit gegaan; wij hebben voldaan aan den
eisch onzer eigen bewustheid. Maar _begrijpen_ wij nu? Het voorbarig
"ja" als antwoord op deze vraag past in den mond der famuli Wagner.

Ons verstand leert ons de bizondere gevallen begrijpen uit het
algemeene; den val van een steen begrijpen we uit de algemeene wet der
aantrekking; het ontkiemen van een zaad begrijpen wij uit de algemeene
wet der organische ontwikkeling. In zoover kan men zeggen dat wij door
het verstand iets begrijpen. Maar zal dit begrijpen volledig zijn en
niet een verwijzing naar het onbegrijpbare, dan moeten wij ook het
Algemeene begrijpen--en dat kunnen wij niet. Zoo is er dan deze reden,
om welke ons verstand niet in staat is tot wezenlijk begrijpen: dat het
verstand de waargenomen wereld der bizondere gevallen (verschijnselen,
gebeurtenissen) herleidt tot het Algemeene (algemeene wetten) en het
Algemeene is voor hem onbegrijpelijk.



Voorbeeldig in ijver werkt het verstand voort aan zijn matelooze
taak, om de veelvormige en veelvervige stof der waarneming te brengen
onder de tucht van het Algemeene. Maar bij nadere bepeinzing wordt
ons duidelijk dat wij niet vermogen raadsels op te lossen, doch
te klassificeeren. Wij herleiden de raadseltjes tot raadsels;
de bizondere raadseltjes tot algemeene raadsels; het bizondere
raadseltje van het vallen eener steen tot het algemeene raadsel der
aantrekkingskracht. Ons verstand is de ondernemer van een dierentuin,
die zijn kooien in regelmatige orde bouwt naast elkaar en geleidelijk
den toeschouwer door de opklimmende rang-orde der dierenwereld
voortleidt; elke kooi draagt een welgeschilderd opschrift, waar
geslacht en soort van het vertoonde schepsel te lezen staat. Maar
het wezen zelf dat als representant der soort zich hier voordoet, is
een onoplosbaar raadsel. Hier is de tijger, felis tigris, gevaarlijk
roofdier, exemplaar der katten-familie; orde: roofdieren (carnivora);
onderklasse: eigenlijke zoogdieren (monodelphia); klasse der zoogdieren
(mammalia) en behoorend tot de eerste type van het dierenrijk: de
gewervelde (animalia vertebrata.) Maar ik vraag u: wat loert in dat
oog? Zoo gij mij dat dier wilt vertoonen, bij de goden leg mij uit
wat de natuur is, dat zij zulke wezens schiep en wat de _zin_ der
schepping is, waarin dit dier zijn plaats heeft en: wat beteekent de
tijger in de rangorde der wezens die gij mij zoo keurig benaamdet? Of
zie dien dommen papegaai, bij welken de uil waard is vogel van Athene
te zijn: wat wil de natuur dat zij dezen papegaai in haar bosschen
laat. Zonder raadsels kwam ik in uw dierentuin, waarin ge mij de wereld
zoudt vertoonen gekatalogiseerd: ik zou uitgaan als een begrijpende;
maar gij hebt mij alleen vertoond geklassificeerde raadselen.

Ons verstand is de ondernemer van dien dierentuin. Het heeft een
tweeledigen arbeid: _vooreerst_ de klassifikatie (schematisatie)
der waargenomen voorwerpen naar hun eigenschappen. Wanneer wij een
slak, een olifant en een nijlpaard beschouwen, blijkt al dadelijk,
dat de eigenschappen der laatste twee meer onderling overeenstemmend
zijn dan der eerste twee. Zoo ontstaat een indeeling der waargenomen
wereld in verscheidene rangen: de anorganische wereld; de organische
(plantenrijk), de bewuste wereld (dierenrijk) en de wereld der
redelijke wezens. De _tweede_ taak van het verstand is: het leven
der voorwerpen van elke klasse na te sporen; herleidend het verschil
der eigenschappen tot verschil van levensfunktie: in de anorganische
wereld is dit leven tweeërlei: chemische verbinding en ontbinding
der stoffen èn mechanische beweging; in de organische wereld is dit
leven: groei (voeding, procreatie, sterven); in de bewuste wereld:
bewust-zijn; in de redelijke wereld: denken en wil.

En wanneer wij nu de gekompliceerde verschijnselen, die zich overal
voordoen, herleid hebben tot de _enkelvoudige algemeene gevallen_
(wetten) van het leven eener toebehoorende klasse, dan mag ons verstand
even voldaan zijn als de famulus Wagner.

Maar nu begint de klacht van Faust: want, het algemeene geval der
aantrekkingskracht of van den groei of van het bewust-zijn of van
den wil: dat is juist het onbegrepene.

In het eerste zijn wij voldaan. Zoolang wij de waarnemingswereld voor
oogen hebben zijn wij voldaan met de wetenschap, dat de veelvuldige
werkingen, elk met hun eigen aanschijn, berusten op een zelfde
algemeenheid; de groei van deze lelie gaat evenzoo als de groei van
honderd andere planten, die gij reeds kent; bevruchting en voeding
hier geschieden gelijk als daar. Herkennen wij in het aanschouwde
natuurverschijnsel een algemeene wet, dan bevinden wij ons in
een aangename situatie daar tegenover; wij zijn niet verbijsterd
als tegenover het ongewone; wij weten heel wel het verschijnsel te
plaatsen. Te zijnen opzichte zijn wij voldaan als Wagner.... Totdat we
gaan peinzen over dat Algemeene! Over den groei zelf; over ontstaan en
bevruchting en voeding en sterven. En nu niet meer over een bepaald
geval ervan, maar over deze dingen zelf; hier helpt geen analogie
noch verwijzing naar iets anders, tenzij naar een hooger Algemeene,
dat alsdan aan uw verbijsterd oog zich vertoont. Staat ge nu niet
met uw aangezicht voor het Onbegrepene? Een steen valt.... ziedaar
de bizondere verschijning van het algemeen geval: de (wet der)
aantrekking. Ge noemt het algemeene: de aantrekkings_kracht_. Kracht
beteekent mysterie.

Wilt ge u verwonderen? Aanschouw gindsche pompoenstruik; voor drie
maanden ging een nietig zaad in de aarde. Thans staat daar een
plant van vollen en schoonen vorm; de groene hoekige stengels dragen
fraaie en breede bladeren, sierlijk generfd en zacht-behaard; oranje
bloemkelken pronken tusschen het groen en reeds begint zich een geel
en groen gevlekte vrucht te ronden. Bedenk nu niet de analogie met
andere gevallen van gelijken aard: bedenk het Algemeene,--den groei;
de verbandstelling tusschen het nietig ovaalvormig zaadje, dat gij
nederwierpt èn deze schoone volle plant; er is niet één overeenkomst;
het is even wonderlijk als dat een krokodil een eikeboom werd of
een paddestoel veranderde in een mensch. Wij zijn er aan _gewoon_;
maar het gewone is even groot wonder als het ongewone; het Algemeene
is puur mysterie en ondoordringbaar voor ons wetenschappelijk verstand.

In het Algemeene (de algemeene wet) is niets geschied dan de
vereenvoudiging van het bizondere; het verwarde beeld, dat door de
aanschouwing voor onze oogen komt, is er tot zijn enkelvoudigen vorm,
d. i. tot denkbeeld, gereinigd. Het verstand, tot zijn grens genaderd,
heeft principieel en duidelijk het onkenbare voor den dag gebracht, dat
zich bij de onoverwogen aanschouwing der dingen alsnog verborgen hield.

Wetenschap is een herleiding tot het Onbegrepene. Vandaar de klacht van
Faust: Zij die van haar de openbaring der waarheid verwacht hadden en
teleurgesteld uitkwamen, hebben gesproken van haar bankroet. Volkomen
ten onrechte; wat zij ondervonden hebben is het bankroet hunner
verwachting. Het positivisme heeft zijn belofte niet gehouden waar het
de wetenschap tot een religie maakte. Maar de menschheid, van welke
Faust lid is, behoeft de verheldering van het innerlijk en deze is
het die zij op den moeilijken weg der wetenschap heeft gezocht.

Konden nu maar de Fausten inzien dat het Algemeene een poort is, wel
gesloten, maar aan den ingang van het rijk der Waarheid gebouwd, dan
zouden zij, op den weg van hun nadenken voortgeschreden hun klacht
uiten met berusting, maar nu ten einde raad, klagen zij "dat wij
niets kunnen weten."

De scepticus houdt bij dit inzicht halt, en acht het _wijsheid_. Zijn
karakter brengt den eisch van intellektueele zekerheid niet voort; het
negatieve besluit is hem te meer welkom, omdat hij nu met handhaving
zijner verstandelijke reputatie het deel des gemaks kan kiezen in het
leven. En zeker: de klacht van Faust klinkt als wijsheid tegenover de
wetenswaan der Wagners; maar toch is zij op die wijze niet bedoeld. In
den mond der kleinere geesten is Faust's klacht de uitspraak van het
zelftevreden intellekt, dat nu met zijne wetenschap van het niet-weten
een eindpunt heeft bereikt. "Que sais-je" vraagt Montaigne en wordt
door zijn onwetendheid niet verontrust. Hij was een verstandig mensch
en een elegante geest, niet zonder bekoring; maar hij was geen Faust.

Ook de groote zoekers van ons geslacht, Socrates zoowel als Paulus,
hebben beleden dat de kennis waarop een menigte van halfwetenden zich
verhoovaardigt, voor den dóórschouwer een oorzaak der vertwijfeling
zou zijn, zoo hij niet tot nog hooger gezichtspunt klom. Van Paulus
is de uitspraak: zoo iemand meent iets te weten, die heeft nog
niets gekend gelijk men behoort te kennen. En Socrates zegt: ik,
daar ik niets weet, zoo meen ik ook niet te weten. Doch de God is
wel in waarheid wijs en meent dat de menschelijke wetenschap weinig
waard is, als zeide hij: Deze o menschen is de wijste van u, die,
gelijk Socrates heeft ingezien, dat hij niets waard is in wetenschap.

Faust is geen scepticus, geen twijfelaar tevreden met zijn
twijfelkunst. Het hoogere gezichtspunt, waarin de waarheid opengaat,
is hem alsnog gesluierd. Zijn klacht klinkt tegen het gewelf van zijn
studeercel in deze nacht van onderzoek en versmachting. Hoe zal deze
man aan zijn klacht ontkomen?



Een weg der ontkoming is er en die niet maar de vlucht is van een
moedelooze. De tot twijfel en vertwijfeling vervallene kan vluchten
in den schoot der moederkerk; maar een echte ontkoming ware dat niet:
veeleer een insluimering, het moede hoofd op zijden kussen neergelegd,
terwijl de groote klokken der beschermende kathedraal de gedachten
bedwelmen en het gelijkmatig rythme den slaap begeleidt. Maar de
vlucht is voor Faust de weg der ontkoming niet. Hij zal niet ontkomen,
maar te boven komen.

De weg, dien men niet aanstonds vindt is deze: het leven zelf
samenvatten en verheffen tot zedelijke daad en op die wijze van
binnen uit met nieuwe energie het denken sterken. Het denken, door
de zedelijke daad des levens tot redelijkheid verdiept, heeft het
richtsnoer der waarheid in zich. Is de beschouwing over de wereld,
natuur, en historie uitgeloopen in de klacht der onwetendheid, dan
zal nu de aandacht, van deze "buiten"-wereld afgeleid, zich tot den
denkenden mensch zelf bepalen en binnen-in-zich zal men werkelijkheid
vinden en een geestelijke levensbeschouwing wordt gewonnen. De wereld
blijft dan het kleurig gordijn, waarvoor zich het leven afspeelt. In
eigen boezem wordt werkelijkheid wat daarbuiten tot tastlooze
onzekerheid versplinterd is: "gij hebt haar verwoest de schoone wereld,
in eigen boezem bouw haar op". Zoo komt de geest zijn twijfel te boven
en vestigt zijne zekerheid; hij komend tot de innerlijkheid des levens,
komt tot de redelijkheid van het denken en de klacht wordt omgezet
in gejuich. Er is noodig een omzetting des levens, die niet in éen
moment, maar in een innerlijke geschiedenis zich voltrekt. Niet een
"bekeering" maar een verdieping en bevinding onzer innerlijke waarde.



3. Faust zoekt ontkoming bij de magische fantasie.


Maar zoover is Faust nog niet, en juist de pogingen om tot waarheid
te geraken éer hij zich in het leven werpt, zoekend naar zijne
daad--juist zijn voorafgaande pogingen hebben een enorme bekoring. Want
daarin komen groote en zinvolle vermoedens van het menschenhart tot
uitspraak. De waarheid, door het verstand niet bereikt, wordt misschien
bereikt door.... de fantasie? En ziehier de gedachte vleugelen
aandoen om fantastisch in de geestelijke waarheid der wereld op te
stijgen. Mogelijk wordt het mysterie der natuur aldus geopend? Mogelijk
heeft de fantasie den gouden sleutel der poort, waarvan 't verstand
niet anders vermag dan de konstruktie te bestudeeren.

De vooruitgang der kennis is geweest een gaan van de fantasie
tot het verstand. De oude mythologische verbeelding verklaart de
natuurverschijnselen door goden en nimfen, terwijl het latere verstand
de natuurverschijnselen verklaart door het algemeene (de algemeene
natuurwetten). Het in de aarde geworpen zaad ontkiemt volgens een
algemeene wet van organischen groei, zoo leert het verstand; maar de
mythologische fantasie houdt het daarvoor, dat een fee des nachts
met haar tooverstaf de zaden aanroert en het leven eruit opwekt,
zoodat ze ontkiemen. Wanneer dan de mensch, ten einde des verstands en
uitgekomen bij de klacht der onwetendheid, eens vàn het verstand tót
de fantasie terugkeerde? Of neen niet terugkeerde, maar vóórtging:
een nieuwe mythologie, een natuurfilosofische mythologie uitvond,
waarin de resultaten der wetenschap omgewerkt werden in mythologischen
zin? Het algemeene des verstands omgezet in het persoons-beeld der
fantasie? De algemeene werkingen der natuur toegeschreven aan de
energie van geesten?....

Ziehier een weg, die schijnt een weg der ontkoming aan de klacht.

Het onpersoonlijk-Algemeene was de troostelooze uitkomst van het
overdenken der natuur; tegenover het Algemeene staat de mensch als
tegenover het steenen aangezicht der Sfinx. Maar deze uitkomst wordt
blij-eindig omgezet, indien het Algemeene niet meer het troostelooze
einde onzer gedachten is, doch daarin een verwantschap aan onzen
eigen geest wordt vermoed.

Heeft ook Schiller niet in zijn gedicht "Die Götter Griechenlands"
met weemoed deze orde der fantasie verheerlijkt en uitgeroepen:
"Schoone wereld, waar zijt Gij? Keer terug o bloeiende jeugd der
natuur! Ach slechts in het feeënland der dichtkunst is uw fabelachtig
spoor thans te herkennen. Uitgestorven treurt het zaadveld en aan
mijn blik vertoont zich geen godheid meer" ....wanneer zich nu wèl
in het zaadveld een god vertoonde en de wereldkrachten geestelijke
machten waren, die mijn voetspoor omringden....

Gij weet wat het is.... magie? Zij is niet hetzelfde als de
mythologische fantasie en wanneer misschien aan den Faustischen mensch
de dichterlijke en mythologische fantasie een oogenblik het brein
doorkruist, dan wijst hij haar toch af voor die andere: de _magische_,
zooveel zinvoller dan haar zuster. De mythologische fantasie zingt,
maar de magische fluistert; de dichterlijke fantasie speelt, maar de
magische werkt. Zij verheft zich, belooft, bezweert en dreigt. Zij
is vol angst en vol belofte, geheimzinnig als de slaap en majestueus
als de dood.

Verzeker dat de aantrekkingskracht liefde is, en noem de electriciteit
ijver; blijf niet bij deze verklaringen in het algemeen, maar vat
alle natuurwerking op als streven van geestelijke oer-wezens. Zeg
dat de liefde een liefde is van elementen-geesten en dat een
geheimzinnig huwelijk de tegengestelde krachten verbindt.... Zeg
deze inzichten tot uzelf in het half-duister van den maannacht, in uw
studeercel. Zeg ze tot uzelf, o Faust, te midden der oude perkamenten,
retorten en instrumenten, terwijl ge onrustig in vergeten geschriften
bladert.... en bevind dan de uitwerking uwer gedachten, terwijl de
smeulende lamp knettert en de nachtwind door het geopende hooge venster
steunt. Om u heen bewegen de ritselingen van opgeroepen geesten.

Het is de Neo-Platonische en -Pythagoreische mystiek, die aldus het
geheim der natuur wilde lezen. In de eerste eeuwen onzer jaartelling,
toen de menschelijke gedachte een bewegelijkheid had als nooit
tevoren en op alle wegen uitging om waarheid te zoeken, vond ook
de magie grooten aanhang. Jamblichus (± 300) had een beroemden naam
als filosoof, maar ook als wonderdoener en bezweerder der geesten en
van hem vertelde men, dat hij Eros en Anteros, geesten van liefde en
wederliefde, in levende gestalten uit twee bronnen van zijn syrisch
vaderland te voorschijn riep. In den tijd der Renaissance, toen het
kerkelijk systeem was losgemaakt en het denken ongehinderd op vrije
wegen ging, was ook aanstonds de geesten-theorie gevonden als middel
tot doorgronding van het bestaande. Heel de natuur is een werk van
geestelijke machten welke men kan leeren kennen en op welke men kan
invloed oefenen door de magie. De naam Paracelsus zegt genoeg: maar
er is een andere naam, die in verband met Faust meer zegt: Agrippa
von Nettesheim († 1535), want deze man is niet slechts een belijder
der natuurmystiek, maar is ertoe gekomen langs den weg van Faust. En
terwijl zijn eene geschrift den titel draagt: "over de onzekerheid
en ijdelheid der wetenschappen" heet het andere "okkulte filosofie";
de weg dóór het verstand tot de klacht "ik zie dat ik niets weet"
en vàn de klacht tot de fantasie.

Nu is voor Faust de wereld veranderd en de kennis geen herleiding meer
tot het Onbegrepene. Ons eigen streven begrijpen wij: tenminste is het
feit onzer eigen strevende natuur ons zóó vertrouwd, dat wij hier geen
geheimenis achter zoeken, dan welke wij rechtstreeks verstaan. Hetgeen
aan ons streven verwant is en tot vorm van streven kan herleid worden,
achten wij ook begrijpelijk. Welke nieuwe zienswijs, wanneer op eens
de geheele natuur met haar werkingen wordt voorgesteld als aan ons
streven verwant!

"Wanneer de natuur u onderwijst, dan gaat de zielenkracht voor
u open en verstaat ge hoe de eene geest tot den andere spreekt";
"de geestenwereld is niet toegesloten; uw verstand is toe en dood
uw hart. Rijs op leerling! En baad onbezwaard uw aardsche borst in
het geestes-morgenrood." Bij de aanschouwing der magische teekens,
waardoor de beschouwer in rechtstreeksche aanraking komt met de
aangeduide geestelijke kracht, vloeit zaligheid door alle zintuigen,
een jong en vernieuwd levensgeluk stroomt nieuwgloeiend door Faust's
zenuwen. Is het een God die in het magisch teeken die macht heeft
neergelegd? Is hij, Faust, zelf een godheid? Hem wordt het tot licht
van binnen en de werkende natuur ligt voor zijn ziel geopend!



4. Faust's klacht herhaald (verschijning van den Aardegeest).


Deze toenadering tot het wezen der natuur, en waarbij de magiër
niet slechts de natuur bedoelt, maar het hart der wereld en der
werkelijkheid zelve, heeft het kenmerk der voorbarigheid. Wat Faust van
het daglicht der wetenschap verzekert, kan ook van het nachtlicht der
magie gelden: "De geheimenvolle natuur laat in het licht des daags
zich van haar sluier niet ontdoen en wat zij niet verkiest aan uw
geest te openbaren, dat ontwringt gij haar niet met hevels en met
schroeven". Ook voor de magische fantasie opent zij haar geheim niet.

De geestesverrukking van Faust, als hij uitroept "o welke weelde welt
in dezen aanblik" is begrijpelijk. "Welke weelde vloeit door al mijn
zinnen! Ik gevoel jong en heilig levensgeluk gloeiend door zenuwen en
aderen stroomen. Was het een God, die deze teekens schreef, die mijn
innerlijke bruising bedaren, mijn arme hart vervullen met vreugde, en
met geheimzinnigen drang de krachten der natuur rondom ontsluieren? Ben
ik een God? ik gevoel mij zoo licht!" De geestesverrukking van
Faust is begrijpelijk, omdat zij de opstijging der ziel is uit de
neerslachtigheid tot de hoop. Terwijl plotseling de klacht staakt
en een nieuw vergezicht geopend wordt, trilt de aandoening door alle
zenuwen en wordt de gang der gedachten rythmisch; de ziel is alreeds
door het nieuwe licht omstraald--zoolang de opwekking duurt. Weldra
zal de weg der fantasie een pad van vergissing blijken, wanneer het
spiedend oog ook daar de richting kwijt raakt. De denker Faust zal
ontwaren, dat deze wereld niet de gelijke is van den menschegeest en
dat het Onbegrepene ook hier mensch en wereld uit elkaar scheidt. De
droomen der magie voeren eerst recht het Onbegrepene tot vlak nabij
en ontstellen den geest, die waarheid zoekt.

Het was de vraag om wereld en natuur te begrijpen uit verwantschap met
den menschengeest: dan zou hun zin ontsluierd zijn en het geheim der
dingen openbaar. Maar het spreekt vanzelf, dat deze verwantschap,
al bestaat ze ook, dieper ligt dan ons _bewustzijn_. Maar zou
er sprake zijn om wereld en natuur te begrijpen uit verwantschap
met den menschengeest, dan zou deze verwantschap bestaan moeten
juist met ons _bewuste_ zieleleven. Wat hielp het, zoo de natuur
verwantschap aanwees met de _onbewuste_ gronden van ons menschelijk
wezen? Maar zie: het kleine gebied van ons innerlijk leven, dat met
onze eigen lantaren wordt toegelicht, is niet meer dan een oppervlakte:
afgronden liggen in ons en berghoogten verrijzen, waarvan nu en dan
een vermoeden en zelfs een innerlijke ervaring in ons ontwaakt. Wij
die onszelf niet kennen, ontberen die zelfkennis, waarbij het heelal
wordt toegelicht, en waardoor God, wereld en natuur voor ons kenbaar
zijn. Uit verwantschap met onzen onbewusten en diepen geest zou
de groote wereld door ons begrepen worden.... zoo wij niet beperkt
waren tot het kleine land van ons eigen bewustzijn. Hier blijkt de
magie met haar verbeelding van mensch-gelijke krachten in de natuur,
een fantasie van kinderlijke dwazen en gevaarlijk misbruik onzer
krachten. De volledige zelfkenner zou de ware Magiër zijn, die alsdan
de magie zou verachten en in de spiegel zijns eigenen geestes de
eeuwige wereld kennen zou zonder toovermiddel. Maar _deze_ zelfkenner
is onder de menschen niet te vinden, en met de groote teleurstelling
staat Faust voor het Onbegrepene.

"Hoe voel ik mij u nabij" durft Faust den Aardegeest toeroepen, die het
leven en den zin der historie van aarde en menschheid in zijn werking
samenvat. "Uw gelijke ben ik!"--maar deze moed is overmoed, of het
is de moed der wanhoop die op dit ééne oogenblik alles te winnen of
alles te verliezen heeft. Het antwoord is verpletterend "gij gelijkt
den geest _dien gij begrijpt_, niet mij".... en de geest verdwijnt.

Zoo eindigt de eerste weg van Faust, waar hij begon, hij eindigt
bij de klacht; en het einde is smartelijker dan het begin; de tweede
klacht overtreft de eerste; zij is roerender en dieper; zij heeft geen
melancholie en geen droefheidshumor; zij heeft alleen verschrikking:
"Ik gelijk niet u? Wien dan? Ik, evenbeeld der Godheid.... ik gelijk
niet eens op u!"



In diepe neerslachtigheid blijft Faust achter, wanneer de
geest der aarde, door zijne magische fantasie opgeroepen, hem
verlaat.... "o gelukkig wie nog hopen kan aan deze zee van dwaling
te ontkomen. Wat men niet weet, dat juist kan men ontberen, en wat
men weet is overbodig."--Zoo spreekt hij tot zijn famulus Wagner,
die tot geen hooger gezichtspunt stijgt dan van het interessante. De
onbewust-komische kracht van deze Wagners is een troost, waaraan de
Fausten zich laven een kortstondig oogenblik.



II FAUST EN MEFISTOFELES



1. Het eeuwige in den mensch (de proloog in den Hemel).


De denker Faust wil een kennis van het absolute. Met niets minder
is hij voldaan, want wat in hem leeft en beweegt is de _oneindige
drang_. Faust is eeuwigheidsmensch. De oneindige drang is het wezen
zijner menschelijkheid.

Hiermede is Faust niet "Uebermensch" maar _mensch_. Hij is, zoo ge
wilt, de geniale mensch. Maar het genie is niet een menschensoort,
die, buiten de kondities van het menschelijke bestaan levend, een
eigene roeping vervult en eigen karakter heeft. Het genie is de
mensch in zijn volheid, en bestaat in een zuiverder uitdrukking van
het mensch-zijn. Het genie is zich op dieper wijze van het algemeen
en waar menschelijke bewust. Zoo ook Faust: hij is zich bewust van
den oneindigen drang, die ongeweten ook in Wagner werkt. Hij is zich
bewust van de eeuwigheid in hem en daardoor streeft zijn denkerschap
naar het allerhoogste.

In dit opzicht zijn wij aan Faust verwant. Waarlijk, noch Faust,
noch zijn streven zouden ons belang inboezemen, zoo wij ons niet aan
hem verwant wisten en zoo niet in zijn lot een beeld van het onze
geschilderd was, hoewel in blinkender kleuren. Het loutere verhaal
boeit slechts kinderen; de geschiedenis van iemands worstelingen zonder
meer houdt ons eenige uren bezig; maar wat in het Faust-gedicht een
eeuw lang de lezende en denkende menschheid geboeid en verwonderd
heeft, is de aanschouwing van haar eigen streven en haar eigen
levensdrang in dichterlijk beeld. Zoo is de oneindige drang het wezen
ook onzer menschlijkheid.

Tot het begrijpen van de Faustfiguur dalen wij af naar de _gronden_
onzer menschelijkheid; de dichter zelf heeft ons dezen weg gewezen
door aan het optreden van zijn figuur een "proloog in den hemel"
te doen voorafgaan.

Hier zien wij God op den hemelschen troon gezeten en door engelen
omringd. Wij hooren het gezang der aartsengelen, verheerlijkend de
werken der natuur, den omloop der zon, die instemt in den reizang der
planeten en haar dagreis met donderslag voltooit. De engelen ontvangen
sterkte uit dezen aanblik en de onbegrijpelijk verhevene werken Gods
zijn heerlijk als op den eersten scheppingsdag. Ook de aarde wentelt
in de ruimte met haar pracht in snelle beweging om en de helderheid
als van het paradijs wisselt af met diepe huiveringwekkende nacht;
de zee schuimt met haar breede vloeden; rots en zee bewegen mede
in de omwenteling der planeet, en stormen bruisen, een verband van
ingrijpende werkingen uitoefenend en bliksemende verwoesting vlamt
vooruit op het pad des donders. Maar Gods boden verheerlijken het
zachte wandelen van den dag.

Terwijl aldus de Aartsengelen als wereldmachten de kosmische
werkzaamheid Gods verkondigen, verschijnt Mefistofeles met zijn
ironisch beklag over den mensch. Hij kent ze de menschen, wezens die
zich aftobben, bedeeld met de rede, die een valsche schijn is van
het hemelsche licht en waarvan ze niet anders kunnen dan misbruik
maken. Een hunner is de doctor Faust, die in zijn onbevredigd zoeken
de schoonste ster van den hemel vordert en de hoogste lust van de
aarde. Al het verhevene, dat God in dien mensch ziet, is niet anders
dan dwaze waan: zoo Mefistofeles hem maar eens mocht meenemen op
zìjne wegen, zou hij volgaarne afstand doen van zijn dusgewaande
hoogere natuur.

Welaan! zoo spreekt de goddelijke wijsheid over dezen mensch: hij zij
overgegeven aan Mefistofeles om van zijn oorsprong te worden afgerukt;
hij worde omlaag gevoerd op Mefistofeles' weg: eindelijk zal de
verleider beschaamd staan wanneer hij moet erkennen: een goede mensch
blijft in het duistere gedrang zich van den rechten weg welbewust.

En hieraan voegt de goddelijke wijsheid toe: al te licht verslapt des
menschen werkkracht en bemint hij de onbepaalde rust; daarom geef ik
hem den medgezel, die aanspoort en drijft en die als duivel zijn moet
in gestadige werking.

In dezen "proloog in den hemel" wordt dus Faust genoemd in
een ander verband dan van zijn studeercel. Eerst worden ons het
kosmisch leven en de groote werkingen der wereldmachten voor oogen
gevoerd en aanstonds daarna wordt de mensch herdacht als lid in dit
wereldgeheel. Het is God zelf, die na het gezang der aartsengelen
den naam van Faust uitspreekt. In de groote werkingen des heelals is
hij ingedacht; hij heet onafscheidbaar van zijn eeuwigen oorsprong
en treedt ons dus voor oogen als eeuwigheidswezen. Niet maar een
vergankelijk deel der aardsche verschijning is hij, maar een door
God met hoogeren inhoud toegeruste; en terwijl Mefistofeles hem
vatbaar waant voor verderf en ondergang, weet God, dat in hem een
kracht woont, door geen verderf aantastbaar. In den mensch is het
oneindige; krachtens den onuitputtelijken, oneindigen drang is hij
_mensch_. In iederen mensch is het _bovenpersoonlijke_, algemeene
en kosmische. Het wereldgeheel is in hem vertegenwoordigd, zooals de
val van een voorwerp de aantrekkingskracht in het algemeen beduidt,
en zooals in een enkele plant de geheele natuur werkzaam is.



2. De verstorende macht.


Faust dan is vergezeld door _Mefistofeles_. Reeds in den proloog is
deze figuur toegelicht; te duidelijker blijkt zijn wezen waar hij
zich aan Faust onthult in de studeercel en in den omgang, dien hij
met zijn geleider pleegt.

De inkleeding der Mefisto-gedachte is evenals het Gods- en hemelbegrip
in den proloog aan de Middeleeuwsche voorstelling ontleend; maar de
gedachte zelf is mijlen ver van het Middeleeuwsche geloof verwijderd.

Het Middeleeuwsche geeft hier zijn magisch-dichterlijken glans af:
de booze geest in een zwarten poedel geïnkarneerd, loopt op Faust,
die met Wagner langs de velden wandelt, in al nauwer kring toe, een
vuurspoor achterlatend. Daarna in de studeercel van Faust meegekomen
en door magische spreuken gedwongen, onthult hij zich als Mefistofeles
in de gedaante van een reizend scholier, zooals de Middeleeuwen ze bij
menigte telde en aan wier reputatie vaak een geheimzinnig verdachte
bijsmaak was.

Welke nu is de beteekenis van Mefistofeles in het Faustgedicht? Want
deze figuur heeft een zeer bepaalde beteekenis voor Faust. De dichter
heeft in het Middeleeuwsche beeld de Middeleeuwsche gedachte verlaten,
niet bedoeld een persoonlijken duivel, boozen geest of zelfstandig
wezen, maar een faktor van Faust's menschelijkheid zelf, een element
_in_ den menschegeest. Geen wezen naast Faust maar een wezen in Faust.

In Faust vindt, gelijk ieder mensch, de goddelijke geest (die het
menschelijk _wezen_ zelf is in zijn hoogere Algemeenheid) eene
belichaming, en Faust is zich hiervan als van een oneindigen drang
bewust. Dit hoogere en algemeene wezen is in ons een aanleg, die
zich moet verwerkelijken. Niet in eens zijn wij die wij _zijn_. De
majesteit van ons wezen is nog omhuld. Het is nog niet openbaar
wat wij zijn zullen, zegt de apostel Paulus. Dit beteekent dat de
bepaalde persoonlijkheid, die wij zijn, een grond en diepte verbergt,
die eerst in de voltooiing des levens tot volle verschijning komt.

Deze oneindige drang nu verwerkelijkt zich door eerst zijn _tegendeel_
te stellen en in zich zijn tegendeel te overwinnen. Is niet de
mannelijke wijsheid veroverd op de dwaasheid der jeugd en wordt niet
de innerlijke vrijheid gewonnen na het bewustzijn van benauwing en
onmacht, zoodat alle schoonheid en waarheid onzes geestes tot stand
komen door een overwicht over het leelijke en over de leugen? Het
licht schept de duisternis, die niet anders is dan een tegenstelling
des lichts, maar daarna zal het licht de duisternis overwinnen. Daar
nu de mensch een kosmisch wezen is, doorleeft hij dezen wereldstrijd
in zichzelf; zijn oneindige drang, een werkende en scheppende macht,
roept zijn eigen tegendeel, het begrenzend en verstorend element
te voorschijn. In de triomf over dit zal de oneindige natuur zich
verwerkelijken. Faust brengt zijn Mefistofeles voort om over hem te
triomfeeren. Bij de onthulling in de studeercel verklaart Mefisto,
dat hij is een deel van die kracht, die steeds het booze wil en het
goede voortbrengt. Hij is het Faustisch deel van deze; de kracht zelve
is het duister element dat de Goddelijke scheppingsdrang voortbrengt
uit zichzelf, afscheidt en overwint; deze wil ten kwade wordt tot
het goede aangewend. In de menschelijkheid van Faust heeft hetzelfde
plaats. Faust's titanisch wezen, werpt een duistere schaduw van zich
af, gelijk iedere mensch zijn schaduw heeft. En gelijk een schaduw
met ons is totdat ze verbleekt, zoo is Mefisto de reisgezel van
Faust. Mefisto is de negatieve zijde van Faust's wezen.

Ook het denken van Faust is een kamp tegen Mefistofeles. En hier is
Mefisto de ontkenner van de waarheid. Tegenover den wil tot waarheid,
stelt hij de ironie en den twijfel. De twijfel is zijn beginsel
omdat daarin de oneindige waarheidsdrang is verloochend en om den
waarheidsdrang te fnuiken leert hij tevens een pedante voldaanheid
met het beetje ordinaire wetenschap, alreeds verzameld.... bij welke
voldaanheid het hooggestemd gemoed zal inslapen en ten gronde gaan.

De verstandsheld is met zijn wetenschap tevreden en bemerkt niet eens,
dat het denken zijn grenzen heeft. De famulus Wagner met zijn beperkten
geestesaard is nog steeds aan het verzamelen van feiten. De grazende
koeien zijn zich niet bewust, dat de natuur, die hen van gras voorziet,
mysteries in haar schoot omvat. Wie chemische formules toepast op de
stof vindt werk en bemerkt van geen grond des geheims in deze formules
zelf omsloten. Maar de eeuwigheidsmensch die ook den lust kent van
het nijvere weten, en de verleiding om zich daaraan te vergasten,
onbekommerd over diepte, hoogte en mysterie--de eeuwigheidsmensch
heeft toch verkozen de klacht over de onkenbaarheid der wereld en wil
worstelend naar de verborgen waarheid zoeken. Voldaanheid met minder
dan het volstrekte zou voor hem een _ontkenning_ van de waarheid
zijn, een verderving van zijn hoogste verlangen, een Mefistofelische
leugen. Zijn eigen hoogere wezen ware daardoor getroffen en te gronde
gericht. De titanische natuur van Faust verlangt geen gemakkelijke
voldaanheid, maar streven.

De onvoldaanheid van Faust, die een bewustzijn is van onze
oneindigheid, wie heeft haar niet op eigen wijze nagevoeld? Zelfs
de famulus Wagner zuchtte eens: ach God, de kunst is lang en kort
is ons leven, ook hij besefte de ons opgelegde taak te groot voor
verwerkelijking. Als wij teleurgesteld zijn om het onbereikbare, of
mismoedigd ons werktuig neerleggen, over het werk ontevreden, dat wij
toch niet opgeven; als onze hoop met vreeze is vervuld.... telkens
weder schrijnt de onvoldaanheid onze worstelende natuur. Zooals een
laat-zomer-avond ons met zijn melancholie overvalt, zoo stort het
leven een droefheid om het oneindige in ons uit. Ons bepalen bij
de genoegens en voldoeningen, die het menschelijk bestaan meebrengt
kunnen wij niet. Zoo wij onszelven toestonden voldaan te zijn, het
ware een onderwerping aan Mefistofeles.

Mefistofeles is een verleider, die ons poogt af te leiden van
onze hooge menscheroeping; maar zijn oogmerk ligt verder dan een
verleiding zonder meer; de verleiding is niet meer dan middel en
het doel, waarheen hij streeft is _verstoring_. Hij wil verderven,
te niet doen. Hij wil den waren levensdrang vernietigen.

"Ik ben de geest die steeds ontkent" roept hij tot Faust. Wel is waar
is het onmogelijk om louter ontkennend te zijn en niet anders dan
ontkennend en verstorend te werken; want de ontkenning staat in dienst
van een erkenning (nl. de erkenning van het tegenovergestelde)--maar
dit is bewijs te meer, dat Mefisto niet als zelfstandige grootheid
bedoeld is, maar als een deel van Faust's persoonlijkheid. Van
zijn standpunt uit "is alles wat bestaat waard om te gronde te
gaan". Immers al wat bestaat, bestaat krachtens een drang van leven,
en deze drang zelf wordt door Mefisto verstoord. Hij, die in allen
menschelijken arbeid het teeken ziet van den drang ten leven, acht het
beter dat niets ontstond; en daar het booze de verwoesting is van het
levensgeluk, noemt hij het booze zijn eigenlijke element. Let wel: niet
om het kwaad als zoodanig, maar om de verstorende uitwerking daarvan.

Met plechtiger gebaar dan men van dezen ironischen verwoester
verwachten zou, redeneert hij tot Faust: "Ik ben een deel des deels,
dat in den aanvang het al was: een deel der duisternis, waaruit het
licht geboren werd, het trotsche licht, dat nu aan zijn moeder de nacht
den ouden rang en plaats misgunt." Ja, Mefistofeles is het tegendeel
der goddelijke scheppingskracht, en waar deze uit den chaos het licht
als levenskracht doet verrijzen, daar zal eens, gelijk hij hoopt,
het licht tot den duisteren chaos terugkeeren en alle schepping des
lichts zal zijn vergaan.



3. Mefistofeles: ontkenning en ironie.


Wij komen hier nog eenmaal terug op onze bewering, dat Mefistofeles
een deel is van Faust zelf. De oneindige levensdrang stelt zijn
tegendeel om in de overwinning hierover zichzelf te bevestigen, en
aldus het oneindige en eeuwige in ons te verwerkelijken. De zin tot
hoogste waarheid moet eerst den twijfel doorleven en deze komt niet van
elders, maar is een voortbrengsel van ons eigen wezen. Worstelend met
haar eigen negatie komt onze diepe menschelijkheid tot de overwinning.

Is het raadselachtig, dat Faust-zelf zijn Mefistofeles
voortbrengt? Zeker niet, wanneer wij bedenken dat in de wereld
tegenstrijdige beginselen noodwendiglijk met elkaar verbonden zijn,
en dat het eene de ontkenning is van het andere. De oneindigheid is
ons wezen en wij leven onder eindige voorwaarden: zoo moeten deze
laatste zich tegen ons keeren. Wij bestaan uit eindige faktoren,
al onze daden zijn pogingen, onze liefde is maar betrekkelijk en ons
kunnen is begrensd; geen kunstenaar die in eigen werk meer ziet dan de
halfgeslaagde uitdrukking zijner idee. Het werk keert zich tegen hem en
al onze pogingen verschijnen ons als een ontkenning onzer oneindigheid.

Op hoeveel hooger trap onze levensuitingen bedoeld zijn, zooveel te
meer zijn ze mislukt: is er één godsdienstige vorm, die niet jammerlijk
achterblijft bij de religieuze idee? Zoo ooit dan treft ons hier de
Mefistofelische ironie, die onze hoogste bedoelingen verstoort. De
menschegeest is een oceaan, die moet omvat worden in een vijver: de
eindigheid onzer levensvoering keert zich als een verstorend geweld
tegen ons hooger ik.

Dat in onze levensvoering een ontkenning schuilt tegenover ons hoogere
wezen, is voor iedereen ondervindbaar, die niet, als de heroën, alle
verleiding te boven is. Maar wij menschen pogen het eindige met het
oneindige te verzoenen; wij regelen voorloopig onzen wil naar ons
vermogen, aldus den oneindigen levensdrang niet ontkennend, maar
hem tijd gevende en een toekomst belovend, om zijn vollen aanleg te
verwerkelijken. Daarbij komt, dat de geestelijke verrichtingen, die
het meest dien drang aanzetten, natuurbewondering, kunst, wijsbegeerte,
godsdienst, dezelfde zijn, die hem bevredigen, zoodat een geleidelijk
te vervullen taak, die zich tot in verre verschieten verlengt, de
gelukkige afleiding is voor een al te hevig innerlijk konflikt.

Maar toch blijft de tegenstelling bestaan en zoo ons eeuwige wezen
zich bedreigd weet door de Mefistofelische verleiding, rijst het
op en keert zich tegen Mefistofeles en zijn arglistige ontkenning,
ja keert zich tegen alle zinnelijke voldaanheid, als waarin zich
Mefistofeles met de bedoeling om het oneindige te belagen, vermomd
heeft. De Indische leer der begoocheling, die de geheele zichtbare
wereld als onware schijnwerkelijkheid verwerpt; de Neo-platonische
leer, dat de ziel zich in deze wereld bevindt als in een gevangenschap;
het christelijke ascetisme, dat alle zingenot verwerpt; de mystische
versmachting van een heilige Theresia; het oneindigheidsverlangen
der duitsche Romantiek en niet het minst de wijsgeerige benadering
van het Absolute, waarbij de menschegeest zich van de eindigheid
der ervaarbare wereld bevrijdt--zij alle zijn de poging van den
oneindigheidsdrang om de aardsche begrenzing omver te stooten. Zij zijn
een tebovenstijging boven de aardsche voldaanheid, door Mefistofeles
aangepraat en waarmeê hij ons innerlijke wezen verstoren wil. De
hooggestegen geesteskracht getuigt alsdan tegen maatschappij,
bestaanden godsdienstvorm, overlevering, zede, instelling, kerk,
eigendom, huisgezin, zinnenschoon. Alle voorwaarden der gewone
levensvreugd moeten het ontgelden, omdat Mefistofeles zich in hen
heeft vermomd als vijand onzer oneindigheid. De oneindigheidsdrang
zegeviert; verscheurt de begoocheling, bevrijdt de ziel en verzaakt de
wereld, met alle historisch gegroeide en betrekkelijke werkelijkheid in
botsing. Het absolute bevestigt zich door het nietige en betrekkelijke
te verstoren. Zoo overwint de oneindigheid in ons den Mefistofeles.

Maar voorloopig is de verhouding nog andersom en kant zich Mefisto met
verstorende bedoeling tegen Faust, Meesterlijk hanteert hij de ironie,
dit ideëele middel om de waarheid omver te loopen; de ironie rukt alles
uit zijn hooge verband en brengt het verhevene tot het alledaagsche
terug. Zij is het vuur van den wereldbrand, de verwoestende vlam,
dienaresse van het Niet. Mefisto zegt, na zijn uitspraak dat uit
alle wereldelementen het leven ontspringt: "had ik mij niet de
vlam voorbehouden, er ware niets eigens voor mij overgebleven." Dat
echter de ironie wondt, maar niet kan dooden wat leeft, dat zij geen
macht is, maar een onmacht, is niet aan Mefistofeles, maar wel aan
Faust bekend. Op juiste wijze karakteriseert Faust het vergeefsche
werk van zijn tegenstander: "Zoo heft gij tegen de eeuwig werkzame
heilzaam-scheppende macht de koude duivelsvuist op, die gij boosaardig
balt, doch vergeefs".



4. De weddenschap van Faust en Mefistofeles.


Maar Faust zal eerst gaan op den weg van Mefistofeles, alvorens hij
zijn tegenstander overwint. Hij die in het zoeken naar de absolute
kennis is teleurgesteld en geschokt is in het bewustzijn van zijn
oneindige menschewaarde, is te meer vatbaar voor de Mefistofelische
verleiding. Mefisto acht dat Faust op dit oogenblik gaarne een
weinig zinnenroes als surrogaat voor zijn oneindigheidsverlangen
zal aanvaarden en dat dan de oneindigheidsdrang wel bezwijken
zal. Inderdaad is Faust, ook al zal hij met Mefisto meegaan, zich
van de onverstoorbaarheid zijner hoogere natuur bewust, zooals in den
proloog verklaard werd: een goede mensch is in het duistere gedrang
toch zich van den rechten weg bewust. Nooit zal Faust bevredigd bij
den zinnenlust, die de negatie zijns wezens is, verwijlen. Nooit zal
hij de oneindigheid vergeten. Werd hij inderdaad bevredigd, dan zou
hij verzinken in de macht van het onwezen, dat tot hem sprak: al wat
ontstaat is waard om te gronde te gaan.

Hier ligt de beteekenis der weddenschap tusschen Faust en Mefisto. Uit
Mefisto's oogpunt schijnt het mogelijk den levensdrang van Faust in de
ontkenning te doen ondergaan. Immers zoodra hij met bevrediging in het
betrekkelijke en in den zinnenlust verwijlt, doet Faust afstand van
zijn ware menschelijkheid. Mefisto, de negatieve, acht dit mogelijk,
daar hij den inhoud van het menschelijk wezen niet begrijpt. Indien
maar Faust's geest zich een weinig beperken wil, meent hij, is het
geen reuzenwerk hem te voeren tot die zelfvoldaanheid waarmee hij ten
ondergaat. Met verleidende woorden poogt Mefisto den oneindigen drang
te binden. "Wat gij wilt, zoo spreekt hij tot Faust, het al-tegelijk,
dat is slechts voor een God gemaakt. Gij zijt tenslotte.... wat gij
zijt, ook al zet ge u een pruik van millioen lokken op het hoofd en
zet uw voet op hakken van meters hoog."

Faust daarentegen ontkent bij zichzelf de mogelijkheid van
vernietiging; hij weet dat de oceaan niet in een drinkbeker kan
geledigd worden en dat het oneindige bewustzijn niet bevredigd wordt
in een oogenblik van zinnenlust. Daarom durft hij zonder aarzeling
de weddenschap met Mefisto aan: "wanneer ik ooit bevredigd mij op
het bed der traagheid neerleg, zoo zij het met mij gedaan; kunt gij
mij door vleierij beliegen en mij bedriegen door het genot, zoodat
ik mijzelf behaag, dan zij mijn laatste dag aangebroken. Wanneer ik
tot het oogenblik zeg: blijf, want gij waart schoon genoeg, sla mij
dan in boeien, want dan mag ik te gronde gaan. Deze weddenschap ga
ik aan met u!"

De zinnelijkheid, eensdeels het uitingsmiddel onzer geestelijke
natuur, is anderzijds een ontkenning onzer hoogste waarde. De mensch
als geestelijk wezen is zich van de ontoereikendheid en onmacht der
zinnelijke natuur bewust. Krachtens dit hooge besef durft Faust de
weddenschap met Mefistofeles aan.



III FAUST IN DE WILDERNIS



1. Zelfverlies in den zinnenlust


Faust heeft door zijn klacht om het hoogere weten het geloof betoond
aan zijn oneindige wezenheid. En toen zelfs de magie hem niet tot
het inzicht der waarheid leidde, heeft hij waarheid gezocht bij
den dood. Faust wil sterven opdat de dood hem wijs make: hij wil
dat duister ingaan, dat bij het binnendringen misschien zich als het
geopenbaarde geheim onthullen zal. Door den dood heen grijpen naar het
absolute. Vandaar dat hij plotseling in jubel uitbreekt: de aardgeest
heeft hem verbijsterd, maar desniettegenstaande heeft hij zelf den
weg der waarheid gevonden. En waarlijk niet in wanhoop, maar in den
triomf begroet hij den giftbeker: "ik groet u gij kristallen schaal,
die ik nu met eerbied aanvat; in u vereer ik menschelijk vernuft en
kunst. Gij samenvatting der zoete sluimersappen, uittreksel aller
doodelijke krachten, bewijs thans uw gunst aan den meester! Ik zie
u, de smart verzacht; ik vat u aan: ik voel mijn jacht verminderen;
de vloed des geestes gaat over in eb en wijst mij naar de volle zee
henen; het spiegelende water glanst aan mijne voeten en tot nieuwe
oevers lokt een nieuwe dag.... bereid gevoel ik mij op nieuwe baan
het luchtruim te doordringen naar sferen van nieuwe werkzaamheid. O
hooge leven, o godenweelde! Te voren nog een worm en nu reeds verdien
ik deze. Keer vastbesloten den rug toe aan de aardsche zon; vermeet
u slechts de poort te openen langs welke ieder mensch het liefst
voorbijsluipt! Hier is het oogenblik gekomen om door daden te bewijzen,
dat mannenwaarde niet voor godenhoogte terugwijkt!"

Nochtans bezwijkt dit doodsenthousiasme voor den zang des levens, die
stroomend van de Paaschklokken in Faust's studeercel binnendringt. De
weg door den dood tot het mysterie is op eens versperd. Een andere
weg moet zich openen. Deze ligt van de studeercel in de _menschelijke
samenleving_. De oneindige drang, welke Faust's natuur is, zal hier
niet ondergaan, slechts anders gericht worden. In het leven waar hij
nu ingaat, geldt zijn weddenschap met Mefistofeles.

In de menschenwereld, waarin Faust door Mefisto geleid wordt, had
zijn oneindigheidsdrang zich kunnen voordoen als een Napoleontische
heerschzucht of als de zucht naar apotheose, zooals der Romeinsche
Caesaren; zelfs had hij naar het wonderbaarlijke kunnen streven
gelijk Apollonius en Cagliostro. Immers op deze wijze kon Mefisto
gepoogd hebben aan zijn hevige verlangen te gemoet te komen. Maar
de oneindigheidsdrang onder Mefisto's leiding openbaart zich in een
_onstuimige zinnelijkheid_: "de draad van het denken is doorgebroken;
van alle wetenschap walg ik: laat ons in de diepte der zinlijkheid
gloeiende hartstochten stillen! Storten wij ons in den roes des
tijds en in de wenteling der gebeurtenissen!" Meen echter niet dat
Faust in deze razernij een voldoening zoekt en zich aan Mefistofeles
zal gevangen geven. Veeleer zal hij als een stormwind alle geluk en
geluksvoorwerp uiteen blazen en eerste stort hij zich in het niets
dan zich te vleien met begoocheling. Vandaar ook zijn schrikwekkend
woord: "ik vervloek alles wat de ziel omspant met lokwerk van
begoocheling! vervloekt zij de hooge illusie van den menschelijken
geest, vervloekt de verblindende schijn; vervloekt de bedriegelijke
droom van roem en bezit, van vrouw en kind en knecht en heer; vervloekt
het balsemsap der druiven en vervloekt de zaligheid der min; vloek
over de hoop en over het geloof en vloek voor alles over het geduld!"

De zinnenbegeerte van Faust is geheel anders dan Mefistofeles
bedoelt. Zij stamt uit den oneindigen drang naar zielsverzadiging
en kenmerkt zich door voorbijstreving van haar doel. Zij wil niet
genieten, maar zich verliezen. Tevoren was Faust's leven ontbering;
nu wil hij niet-ontberen en zijn geweldig streven tot het uiterste der
gevoels-spanning voortzetten en in zielsverrukking sterven. "Zalig wien
de dood in den glans der overwinning de bloedige lauwers om de slapen
windt; zalig wien hij na de razernij van den dans in de armen van een
meisje aantreft." Of anders verkiest hij een snerpende ontgoocheling,
die met zijn geestesaard beter overeenstemt dan de voldoening welke
Mefisto belooft: "Hebt gij spijs die niet verzadigt, rood goud dat
als kwikzilver mij in de hand ontloopt; een spel waarbij men nimmer
wint; een meisje dat aan mijn borst gelegen, zich reeds met het wenken
der oogen aan mijn nabuur verbindt; de godenlust der eer die als een
meteoor verdwijnt--geef ze mij! Toon mij de vrucht die verrot eer men
haar plukt!" Faust wijdt zich aan de dronkenheid en het genot dat met
smarten zegent, aan den haat der liefde, aan het verdriet, dat de ziel
verkwikt. Voor geen smart gesloten, wil hij genieten wat toebedeeld is
aan de gansche menschheid, haar vreugd èn jammer; zijn eigen zelf tot
het zelf der menschheid verbreeden, en met haar wil hij ten onder gaan.

Ziehier de zinnenbegeerte van dezen titanischen mensch. Het is geen
genot dat hij zoekt. "Gij hoort toch: om vreugd is het mij niet te
doen." Het is zelf-verlies; gelijk hij door een teug uit den giftbeker
zichzelven gewelddadig wou inslingeren in het mysterie des doods,
zoo werpt hij zich thans in de zinnelijkheid met de onstuimigheid van
zijn rusteloos gemoed. Hoe zou het mogelijk zijn dat Mefistofeles
dezen stormenman in zijne bedwelming ving! Onder de leiding echter
van zijn verstorende macht is het voor Faust niet anders mogelijk
dan te vertoeven in een wildernis.

Het omslaan uit den weetdrang naar den zinnenlust heeft vele lezers
van Goethe's gedicht verwonderd; het kwam hun voor dat de Faust van
den eersten monoloog, de uitspreker van de klacht, èn de Faust, die
Gretchen verleidt niet meer gemeen hebben dan den naam, en dat wij in
waarheid een geheel ander karakter voor oogen hebben hier en daar. Bij
deze beoordeeling vergeet men echter dat de Faust geen psychologisch
persoonsdrama is, gelijk in de school der Fransche klassieke gegeven
werd; maar een symbolisch gedicht. Racine had zeker van den Faust niets
begrepen en hem uit een oogpunt van dramatische kompositie dubbel
en dwars afgekeurd. De eenheid van gedrag des hoofdpersoons is ver
te zoeken. Faust is geen bepaalde persoon; maar hij is de _mensch_
en de mensch in verscheidene fasen van het oneindigheidsbewustzijn;
de tafereelen van het dichtstuk hangen niet samen als voorvallen uit
het leven eener bepaalde menschenfiguur. Het geestelijk leven kan
zich verjeugdigen. Het kan zijn dat een grijsaard voller idealist is
dan een jonkman, die zijn levenslust verloor; men kan eerst oud zijn
naar den geest en daarna jong. Zoo verschijnt Faust in het begin als
bejaard man en in de Gretchen-episode als een jeugdig kavalier. Hier
zijn geestelijke fasen in beeld gebracht. De verjongingsdrank, dien de
dichter aan zijn held in de heksenkeuken te genieten geeft, is niet
anders dan de aanwijzing van overgang tot nieuwe geestesfase. Moge
hierdoor het Faust-drama een onwaarschijnlijkheid hebben en verwarring
stichten voor een uitwendigen verstaander, de inwendige toedracht is
zoo geheel waar en de inwendige eenheid des poeëems zoo onbestrijdbaar,
dat de verbazing over verschillende gestalten van Faust allen grond
verliest.



2. De onmacht van Mefistofeles (Faust in Mefisto's leiding)


De wildernis waarin Mefistofeles Faust vergezelt heeft verschillende
gebieden; Faust vertoeft tusschen de drinkende boeren in
Auerbachs wijnkelder, bezoekt de heksenkeuken, verwijlt in de
zoete vreugde van Gretchens liefde en komt te gast met de heksen
in Walpurgisnacht. Alleenlijk het verkeer met Gretchen oefent een
schoone verleiding uit en daarin schijnt het soms als zal Faust de
weddenschap verliezen door tot het oogenblik te zeggen: houd stand,
want gij zijt schoon genoeg. Voor Gretchen misschien zal hij den
oneindigheidsdrang verloochenen. Is zij niet het toonbeeld der lieve
onschuld van het aardsche geluk? In haar is de wereld op haar schoonst,
gelijk in den bloei der vruchtboomen op een zonnigen Meimorgen. Zoo er
onbetwist geluk is en zijn mag, en zoo wij met de wereld en het leven
ons verzoenen, en de vraag naar het oneindige met reden tot zwijgen
gebracht wordt--het is bij de aanschouwing eener zoo landelijke en
vredige lieflijkheid, als wij in hare verschijning belichaamd zien.

Maar ach, nu Faust's oneindigheidsdrang in Mefistofeles' leiding tot
een verstorend geweld werd en nu zijn begeerte zoo hevig brandt als
te voren zijn drang naar kennis, nu kan het niet anders of het geheele
geluk van Faust en van Gretchen moet als tot een wildernis vergaan.

Het meisje, wier leven door den storm van Faust's hartstocht
verwoest wordt, staat niet als een vreemdeling buiten Faust, maar
houdt verband met de aardsch-nederige en tevredene zijde van Faust's
eigen karakter. Het levensproces eens menschen is een proces in de
ziel en de dichter stelt het in beelden voor en laat het dus buiten
den mensch voorvallen. Maar in deze beelden ligt de aanduiding van de
worstelingen des karakters. Faust's karakter heeft de lieflijke, humane
zijde evenzeer als de titanische, maar zij is geen hoofdeigenschap
en zal dus door den oneindigen drang worden aangestormd. De behoefte
aan levensgeluk is hem gelijk allen menschen eigen. Hoe vrij heeft
hij geademd in de voorjaarsnatuur van den Paaschmorgen, terwijl de
vroolijke menigte de wegen vult. Te midden van deze heeft hij zich
mensch gevoeld en zijn recht op het leven erkend. In de liefde voor
Gretchen eindelijk werden de teerste snaren van het menschelijk
gemoed aangeslagen. Het konflikt tusschen den oneindigen drang en
den aardschen vrede, is een konflikt, waarmede wel de bestaande orde
der maatschappij wordt aangetast, maar dat ten slotte in de ziel
van dien titanischen mensch zelf wordt uitgestreden. De woede der
titanische zinnelijkheid komt aldus Faust, in het beeld van Gretchen,
op een ondergang van alle aardsche vreugd te staan; hij verstoort
zijn aardsche bestaan door den drang der oneindigheid en eindigt
hier met nog heviger klacht, dan welke hij ophief na de verschijning
van den aardgeest; een klacht welke ditmaal een aanklacht is tegen
de macht der verstoring: "Hond, afschuwelijk ondier, word o slang
veranderd in de hondgestalte waarin gij mij verscheent; verander in
uw lievelingsbeeld en kruip op den buik in het stof, en ik trap u met
den voet, verworpeling. Ellende, door geen menschenziel te vatten,
dat meer dan éen ziel in de diepte van zulken jammer verzinken
moest...." "O ware ik nimmer geboren."

Het einde van dezen weg in de wildernis van het leven bereikt
Faust in zijn wilden dans met de heksen op den Blocksberg in
Walpurgisnacht. Alleenlijk deze fantastische spookwereld blijft
nog over, nu Faust in Gretchens omgang het verlangde oogenblik der
voldaanheid niet heeft beleefd. Mefisto zal hier hem tot het laagste
punt des levens heenvoeren. Mogelijk dat het walgelijke aan zijn
titanischen drang voldoet, nu hij het bekoorlijke verwierp. Aan den
heksendans is tenminste een diabolisch genot te beleven, en daar
niets anders overblijft zal misschien Faust zich hier gewonnen
geven. Bereidwillig laat hij zich meevoeren. Door een dwaallicht
geleid, schrijden Faust en Mefisto de tooversfeer binnen, de rotsen
hebben menschen-neuzen, spookvogel, kievit en ekster zijn wakker
gebleven en de hagedissen kruipen met de muizen door het struikenbosch,
terwijl boomwortels uit den bodem steken en glimwormen een verwarrend
geleide geven. Onderwijl draait het geheele landschap en is het alsof
rots en boomen gezichten trekken; vuurgloed en lichtstrepen maken
de wereld geheimzinnig; vonken storten zich uit als fonteinstralen
en de geheele rotswand is verlicht. Onderwijl steekt de storm op en
schudden de denneboomen, wier takken afbreken al krakend; gegier,
gesis en geraas doorblaast de lucht en langs den geheelen berg stroomt
woedend een tooverzang. Een menigte van heksen nadert door de lucht
varende, zoodat Mefisto voor Faust ruimte moet maken opdat hij niet
worde omvergeworpen. Zij wijken ter zijde en terwijl bij uitgegloeide
kolen een klein gezelschap van oude heeren zitten, vinden zij weldra
twee heksen, een oude en een jonge; en terwijl Mefisto de oude grijpt
voor den dans dwingt hij Faust om met de jonge om te springen.

Dit oogenblik is het dieptepunt der leidingen van Mefistofeles. Hij
meene echter niet, dat de Faustische geest hier iets anders zal
beseffen dan afkeer. Reeds zoovele malen is Mefisto's onmacht gebleken
om Faust te verderven. Elke periode zijner werking eindigt met een
zelfbevrijding. In den wijnkelder van Auerbach, heeft Faust het gansche
schouwspel met onverschilligheid bijgewoond, en wanneer ten slotte
de lustige drinkers uitroepen "wij voelen ons heelemaal kanibalisch
lekker gelijk aan vijfhonderd varkens" heeft hij nog slechts éen
wensch te uiten: ik verlang nu heen te gaan. In de heksenkeuken wordt
Faust geboeid door het in den spiegel aanschouwde beeld van Helena:
een nieuw verlangen wordt in hem levend, maar voor het overige vindt
hij in al het gedoe dezer onsympathieke wezens niets dan smakeloos
bedrog. Daarop volgt de Gretchen-episode. Ongekende gevoelens van
teedere bekoring stillen de machtige levensdorst van Faust; en
misschien zou hij hier het gevaarlijk oogenblik bereiken, zoo niet
een geheimzinnige aantrekkingskracht hem uit de oase naar de woestijn
terugtrok. Deze vreugde moet eindigen in wanhoop; ook terwijl Gretchen
zijn gemoed en zinnen bevredigt, verkeert Faust in de wildernis, die
weldra zich in groot onheil openbaren zal. De scala der aandoeningen
van Gretchens gemoed teekent deze afzinking naar het jammer, waarin
Faust aan Mefisto ontkomt; terwijl de genotsbevrediging hem aan Mefisto
zou hebben overgeleverd. Bezorgdheid is de grondtoon van haar liefde,
sedert haar ontboezeming "mijn rust is henen, mijn hart is bezwaard"
en het klagende lied voor het beeld der Mater Dolorosa is zóo van
leed vervuld, dat wij hier het ergste voorzien: "help en red mij
van smaad en dood! ach buig gij smartenrijke genadig uw aangezicht
tot mijn ellende neer!" Het leed van Gretchen zal het leed van Faust
blijken; het is niet anders dan de afspiegeling van zijn titanische
natuur, die alle aardsche verhoudingen verbreekt en wiens geluk
vanzelf in ongeluk omslaat. Wanneer dan Gretchens broeder Valentin
in een tweegevecht met Faust is omgekomen, nadat ook haar moeder,
niet zonder schuld der gelieven, gestorven is en bij den lijkdienst
in de domkerk het dreunend orgel den donkeren choorzang begeleidt,
den zang van het goddelijk oordeel--dan is niets meer te wachten van
levenslust of liefdevreugd en aan Mefistofeles zal zeker de macht over
Faust ontgaan: in déze wildernis des gemoeds weet geen Mefisto den weg.

Maar nu de Walpurgisnacht op den Blocksberg: terwijl Faust zijn
tijdelijke laagten doorwaadt in vergetelheid van Gretchens liefde
en haar ongeluk, wordt hij plotseling door de gedachte aan haar
opgeschrikt. Weelde en wanhoop doorkruisen zijn gemoed en terwijl
hij van de bepeinzing niet scheiden kan doorflikkert de gedachte aan
dood en straf zijn overdenking. "Een in lange niet gevoelde afschuw,
de gansche ellende der menschheid grijpt mij aan. Hier toeft zij
achter vochtige muren", roept hij uit, staande voor de gevangenis,
waarin zij om den in waanzin gepleegden moord op haar kind geworpen is;
"haar misdaad was het verkeeren in zoeten waan. Gij aarzelt tot haar
te gaan? Gij vreest haar weder te zien! Voort! uw talmen brengt haar
dood naderbij!"

Zoo verscheurt Faust het net dat Mefisto over hem heenwerpt. Het
woord uit den proloog in den hemel wordt bewaarheid: de goede mensch
blijft in het duister gedrang zich van den rechten weg bewust. Bij
alle omdwaling in de wildernis blijft Faust de ware richting des
levens beseffen en zijn verheven menschelijkheid gaat niet ten onder.



IV DE WEG VAN FAUST



1. De nacht van uitrusten voor den nieuwen morgen


Zoo Goethe aan zijn Faust-drama den ondertitel "een tragedie"
heeft toegevoegd, is deze benaming toch niet in eigenlijken zin
aangewend. De onmogelijkheid om dit gedicht bij een der bestaande
dichtsoorten in te deelen, verontschuldigt de halftoepasselijke
aanwijzing. In een tragedie traden van oudsher figuren op van
grootscher bouw dan die van het dagelijksch leven; de beweegkrachten
en ondervindingen waren eer heroisch dan gewoon en het levenslot dier
"helden" was het lot der enkelen die naar het uiterste streefden. In
zoover kan Faust een tragische figuur heeten. Maar in de tragedie is
de held tot den ondergang geroepen: zijn grootsche aanleg, grootsch
in deugd of ondeugd, bestemt hem tot een lijden, dat zich niet meer
te zijnen gunste wenden laat. Van den beginne af hangt over zijn
leven het noodlot. In dit opzicht waarin juist het tragische der
tragedie bestaat, kon het Faust-drama niet bij deze dichtsoort worden
gerekend; wat niet voor den tragischen lijder, maar wel voor Faust
bestaat is: de weg der ontkoming aan de wildernis. Evenmin als om de
helsche ondervindingen van Dante de Divina Commedia een tragedie is,
evenmin is Faust zulks om het eerste deel des gedichts; en het tweede
deel, dat "den weg van Faust" bezingt, is niet maar een toevoegsel,
waarin de oorspronkelijke opzet van het poeem verloochend wordt,
maar een van den aanvang af bedoelde voortzetting en de uitwerking
der grondgedachte waarmee het gedicht opent: een goed mensch blijft in
het duister gedrang zich van den rechten weg bewust. De kontinuïteit
der beide gedeelten is onmiskenbaar.

Toch is het verschil tusschen den tweeden Faust en den eerste op vele
manieren groot: een andere toon wordt vernomen, een andere omgeving
geschapen, andere figuren treden op. Een veel meer bedachte kompositie,
een verstandelijker konstruktie kenmerkt het tweede gedeelte tegenover
het eerste. Terwijl de eerste Faust den indruk maakt van een gedicht
uit des levens bloeitijd, schijnt de tweede een gedicht van den
ouderdom. Is het ook niet begrijpelijk, dat ouder wijsheid den _weg_
vindt, terwijl de jeugd avontuurt in de _wildernis_? Faust II heeft
kunstmatigheid waar het eerste gedicht vrijheid heeft.



Faust II is een heden na het gisteren van Faust I. Tusschen beide
gedeelten van het Faust-poeem ligt een _nacht_, een nacht van
vergetelheid en diepen slaap. Het geheele Eerste Deel kan beschouwd
worden als een avondgebeurtenis na een voorafgeganen dag van zware
inspanning en overladen werk. De monoloog, waarmede het eerste
Faustgedicht aanvangt, geeft aanstonds een blik op dezen voltooiden
en vermoeienden werkdag: "nu heb ik ach, filosofie, rechtswetenschap
en medicijnen en helaas ook theologie grondig bestudeerd met vurigen
ijver." Ziehier de al te zware dagtaak, welke Faust achter zich heeft,
wanneer wij met hem kennismaken. Op dit oogenblik gaat zijn geest
den avond in, den avond met zijn geheimzinnige aanspraak tot het
menschelijk gemoed, een avond reeds aangekondigd in den "proloog"
met de schildering van de zon, die haar voorgeschreven dagreis met
donderslag voltooit. In dien zielsavond neigt hij tot de wereld
der geesten met hun duistere wetenschap en verlangt hij naar den
dood, die een hooger licht dan het aardsche daglicht over hem zal
uitgieten. De dood wenkt hem verlokkend toe uit kristallen schaal. De
magische heksenkeuken, het spiegelbeeld van Helena zijn verschrikkende
en verteederende avondfantasieën. De zucht naar weelde en genot
herleeft: de zinlijkheid bekoort met haar schaduwzwarte diepten;
Faust verlangt het al der wereld te doorleven en zijn ziel daarin te
laten vervloeien. Gretchens liefde is zijn avondweelde en avondtroost
en in haar nabijheid verdoezelt zich zijn godsdienstig gevoel tot
pantheïsme, avondgodsdienst zonder omtrekken, welks leuze is: naam is
klank en rook; wees in gevoelens zalig en noem het zooals gij wilt:
geluk, hart, liefde, God. De zachte stemming èn vreemde fantasie zijn
de terugwerking op een dag van vruchtelooze moraliteit des werks. De
vergeefsche inspanning van den harden werker verkeert zich tot deze
maatlooze zieletoestanden.

Maar het einde des avonds, en waar hij tot nacht wordt is zwaar
en van jammer vol. Het is de wilde spooknacht der wroeging en der
radeloosheid, die met waanzin dreigt. De hevigste onrust als van een
heksendans op den Blocksberg is het laatste loon van dezen langen
dagtijd vol ondervinding.

Het zestiend'eeuwsche Faust-gedicht laat Faust ter helle varen;
de hel is het hopelooze en onherstelbare, en het schijnt wel of
na Faust's ondervindingen geen anderen uitweg bestaat. Immers, wat
is er te herstellen voor een man, die zoowel in het denken als in
het verkeer, in het waarheidsverlangen als in de liefde op ellende
uitkwam? Nu staat de strever naar het hoogste voor het Niet, het
ledige Duister der sterrenlooze middernacht.

Maar na de middernacht breekt de na-nacht aan, en de na-nacht zal
Faust's rusttijd zijn. Nu is het spookuur voorbij en hoogere geesten
onder leiding van Ariël, den geest der lucht, hebben den vermoeiden
lijder opgenomen en op een bloemenrijken grasgrond uitgestrekt;
zij zingen hem in slaap en zweven om hem heen, terwijl zij de rust
in zijn gemoed herstellen: "Nu is de nacht neergezonken en heilig
verbindt ster aan sterre zich; groote lichten, en kleine glinsteren
nabij en ter verte, glinsteren weerspiegeld in het meer, glanzen in
de heldere hoogten des nachts. Het geluk van diepe rust wordt door
de volle pracht der maan bezegeld." Onder deze zegening slaapt Faust
een slaap, die tijden duurt; hij doorslaapt het tijdperk der nacht;
het is de periode der uitrusting uit welke men niet met wroeging of
ellende ontwaken zal. De zwevende geesten verteederen zijn afgepijnd
hart, genezen de wonden van het zelfverwijt en reinigen zijn innerlijk
bestaan van het doorleefde tumult.



Nu kan de nieuwe Morgen komen en hij zal geen morgen van nieuwe
zorgen zijn. Met welk morgenlied ook vangt het tweede deel van het
Faust-gedicht aan! Het eerste deel was met den zang der aartsengelen
ingeluid. Zij zongen het _avondlied_ van de zon, die haar dagreis
voleindigt, en van de aarde in wier wenteling paradijsglans plaats
maakt voor diepen nacht--maar de geesten, die het tweede gedicht
openen, zingen het lied van de juichende ontwaking des Lichts:
"Schouw, zoo roepen zij tot den slapenden Faust, naar den glans,
die ginds verschijnt! Slechts lichtelijk zijt gij met slaap omvangen:
slaap is als een schaal, werp haar af; verzuim niet u te verkloeken,
terwijl de menigte talmend aarzelt: alles vermag de edele mensch, die
verstaat en snel handelt." En bij dit woord verkondigt een geweldig
gedruis de nadering der zon: "hoort o hoort naar het aanstormen der
Horen; voor geestes-ooren blinkend wordt geboren de nieuwe dag."

Met dezen aanroep is Faust ontwaakt.



2. De nieuwe zedelijkheid (zedelijk streven en zelfbevrijding).


En hiermede begint zijn nieuwe weg. De inhoud van het tweede
Faust-poëem bevat meer dan de vertooning en verbeelding van dezen weg;
geheel het denken van Goethe's tijd en vooral de natuurfilosofie
voeren er het dichterlijke woord; maar wij laten dit ter zijde
en zoeken te bepalen den weg dien Faust ging. In het eerste deel
hebben wij Faust, teleurgesteld in zijn oneindige verlangst naar
kennis, zich zien storten in het levensgenot: door de oneindigheid,
die hij in zich beseft, heeft eerst zijn natuurweten schipbreuk
geleden. Daarna in het leven gekomen, leed zijn genieten dezelfde
schipbreuk op de onvoldaanheid zijner hoogere natuur. Faust heeft
den oneindigen eisch gesteld en daarop is zoowel zijn kennis als zijn
levensvreugd gestrand. Niets was bestand tegen dezen drang naar het
absolute, die tegen alle beperktheid stoot en voor welks aangezicht
alle levens-vrede tot verwoesting keert.

De vraag, welke wij thans stellen, is: welke weg blijft voor Faust
over na dit twee-ledig bankroet? Er is een mogelijkheid van klein te
eindigen, nadat men groot begonnen is. De aanstichter van een nieuwe
wereldbeweging kan mislukken in zijn grootschen toeleg en--na eenige
jaren teruggevonden worden als vreedzaam burger van een klein dorp
bij de grenzen; na het eerste hoofdstuk van den nieuwen bijbel der
menschheid geschreven te hebben, is de vlaag der genialiteit gedoofd,
en men biedt, na wat verpoozens, litteratuur van derden rang. Indien
Mefistofeles den Faust geschreven had, ware er geen ironischer
vervolg van het eerste boek geweest dan den held te laten optreden
als gevierd middelpunt van een dorpskring, bemind op sociëteit
en letterkundigen krans. De overmacht van de negatie had zich dan
bewezen in de uitsterving van dien oneindigen drang, die Faust's wezen
uitmaakt. Zoo er echter een weg voor Faust is, moet het een weg zijn,
waarop hij zijn wezen bewaart en tegen Mefistofeles de geheele diepte
van zijn menschelijk karakter volhoudt. De weddenschap blijft gelden:
zoodra Faust het mindere aanvaardt als voldoend en zijn oneindigen
drang ontkent, is hij verloren; maar dus ook: zoolang hij wezenlijke
mensch blijft en zijn eeuwigheidsnatuur door eenig voorloopig resultaat
van zijn streven niet wordt vervuld--zoolang is zijn streven zelf
zijn levensweg. _Het oneindig streven is de weg van Faust._

Deze uitspraak gelijkt op rhetoriek, maar zij bevat een diepen inhoud
en is vol wijsheid. In haar is de nieuwe zedelijkheid uitgedrukt in
tegenstelling met de oude.



Met oude zedelijkheid bedoel ik de levensopvatting der Zeventiende
Eeuw; met nieuwe zedelijkheid het begrip van persoonlijkheid en
leven, dat in de Negentiende Eeuw is gangbaar geworden. Faust is geen
zeventiend' eeuwsche, maar een moderne mensch. De oude zedelijkheid
is Israëlitisch gestempeld, en door ontkoming aan het Israëlitisme
is Faust een mensch van den nieuwen tijd. De tegenstelling, die hier
geldt is een andere dan de vaak genoemde tusschen de twee geestelijke
standpunten: Israël en Hellas. De Israëliet is vooral zedelijke mensch,
doch in dezen bizonderen zin van te staan onder de zedewet, waarbij het
schuldgevoel des menschen tegenover de heiligheid Gods de grondtoon
der geheele gezindheid bepaalt. Deze mensch weet niet dat in hem een
goddelijk licht brandt: hij kent zich als zondaar en ontleent uit een
geschreven wetgeving den maatstaf der zelfbeoordeeling. De Helleen
daarentegen is aesthetische mensch, die geen onvoorwaardelijkheid kent
op zedelijk gebied, geen zedelijk gebod, maar een zedelijke intuïtie;
in schoonen arbeid geniet hij het geluk zijns levens.

Deze tegenstelling nu kan niet rechtstreeks op die tusschen oude en
nieuwe zedelijkheid worden overgedragen, al is er overeenkomst: de
oude (zeventiend' eeuwsche) zedelijkheid is Israëlitisch gestempeld;
de nieuwe is aan Hellas verwant doordat zij het recht der vrije
persoonlijkheid erkent.

In den oud-Germaanschen vrijheidszin is de nieuwe zedelijkheid
voorgeschaduwd. Reeds Parzival, de Germaansche held, wordt uit zijn
verwildering gered, doordat "in hem een vaste zin was en onversaagde
mannenmoed, die niet gebroken werd door harden druk." Zijn zedelijkheid
was de vastberadenheid van een streven, dat de vertwijfeling
overwon. Faust is een tweede Parzival, de vernieuwer dezer Germaansche
zelfbevrijding. Aan het einde van zijn levensloop wordt over hem
gesproken: "wie altijd strevend werkzaam is, dien kunnen wij verlossen"
(wer immer strebend sich bemüht, den können wir erlösen).

Het onderscheid van oude moraliteit en nieuwe bestaat hierin, dat
de oude moraal het zwaartepunt der deugd buiten den mensch legt,
de nieuwe moraliteit stelt het in ons; d. i. in de menschelijke
persoonlijkheid, genomen in den vollen en diepen zin van dit begrip. De
Zeventiende Eeuw is, binnen de nieuwe Geschiedenis gelijk wij zeiden,
de vertegenwoordigster der oude zedelijkheid, hoewel juist toen een der
groote scheppers der nieuwe leer geleefd heeft: Spinoza. De oude moraal
stelt de zedelijkheid in deugden, plichten, werken, die als meer of
min afgepaste en aangewezen geestelijke grootheden door een zedelijke
wetgeving zijn afgekondigd en gekodificeerd. Dat alle deugden, plichten
en werken de openbaring zijn van éen innerlijk levensbeginsel, en dat
er dus geen zedelijkheid is dan als een verwerkelijking van dit; dat
zedelijkheid de verwerkelijking is van het eeuwige zelf des menschen,
vermoedt zij niet. De oude zedelijkheid is gedrag volgens de zedewet,
en deze zedewet is een goddelijke _instelling_, geen opwelling uit
het menschenhart zelf.

De Zeventiende Eeuw heeft het _mechanisch_ denken tot overwinning
gevoerd; zij stelde de mechanika vast als methode der natuurleer,
en bestreed de Middeleeuwsche opvatting, volgens welke de natuur
met verborgen eigenschappen en geestelijke krachten werkte. Het
mechanische denken rekent met uitwendige oorzaken alleen en behandelt
alle gebeurtenissen in de natuur als toepassingen van algemeene wetten,
die wiskunstig moeten berekend worden. De astronomie is het zuiverste
voorbeeld van mechanische natuurwetenschap. Huyghens, Harvey en
zoovele natuurkundige ontdekkers der 17de en 18de eeuw hebben door de
mechanische methode de natuurwetenschap tot haar hoogte gebracht. De
wiskunde is het hart der mechanika en Cartesius had de wiskundige
methode van denken ook op de geestelijke wetenschappen van toepassing
verklaard. Zoo is dan ook de opvatting dat zedelijkheid een gedrag is
volgens de ingestelde zedewet, de vrucht van een mechanisch denken: de
zedewet werd evenals de natuurwet geacht door den schepper der wereld
te zijn ingesteld. Aan deze voor de levensleer noodlottige opvatting
beantwoordde het Calvinisme, deze algemeen geldige geestelijke richting
des tijds. Het Calvinisme is een herleving van den Israëlitischen geest
in het Christendom, gekeerd tegen de idee der vrije individualiteit
volgens Grieksch en tegen die der zelfberaden persoonlijkheid volgens
Germaansch begrip. Het Calvinisme immers hield de zedelijkheid
voor een gehoorzaming aan een zedewet, van bovenaf aan de menschen
gedekreteerd op het ontoegankelijkste rotsgebergte, de Sinai, alsof
de zedewet van ergens anders stamde dan van onze menschelijkheid zelf!

De Zeventiende Eeuw is theologisch: het aanvangspunt van denken is
er de tegenstelling tusschen God en mensch. Spinoza, die haar niet
erkende, werd voor atheïst gescholden. In deze tegenstelling komt de
mensch ontledigd tegenover God te staan, waarbij een negatief begrip,
het zonde-begrip, het uitgangspunt der levensbeschouwing wordt. Het
dwars-verkeerde dezer beschouwing is niet meer goed te maken. Zij
berooft den mensch van de waarheid zijns wezens. De heilsleer der
Zeventiende Eeuw is hetero-soterisch; d. i. de krachten die het
leven tot heil brengen werken van buiten af. Calvinisme, Piëtisme,
Lutheranisme zijn in dit opzicht gelijk. Deze hoofdstroomingen der
Zeventiend' Eeuwsche levensleer mogen onderling verschillen als meer
intellektualistisch of meer empiristisch gekleurd--in de levensleer
is aller opvatting op het door ons genoemde punt gelijk. Inzonderheid
het Piëtisme, dat aan Lutheranisme en aan Calvinisme de gemoedswarmte
gaf en een religieuze ervaringsleer kan heeten, heeft in zijn
heilige boek _Bunyans Pilgrims Progress_ een uiting geleverd,
die de zedelijk-religieuze opvatting des tijds op het duidelijkst
uitsprak. Het Engelsche Piëtisme dat in dit boek tot uiting komt,
heet gewoonlijk Methodisme. Bunyans "Christenreize naar de Eeuwigheid"
is het Zeventiend' Eeuwsche heilsboek; het heeft zijn verdienste in
groote menschenkennis en is _het tegendeel van Faust_. Geen boek ter
wereld is zoozeer in tegenspraak met de moderne levensopvatting. De
mensch is er ongeniaal, uit zichzelf voelt hij alleen onmacht en
ellende. Uit een boek, dat hem van elders in de handen komt, leest
hij den beteren levensweg; andere wezens leiden hem; alles komt van
buiten behalve de zonde; in zichzelf is hij negatief. Hij is geen
persoonlijkheid, hij is alleen maar behoefte. Het Piëtisme is de leer
eener reeks van gevoelservaringen, die doorloopen moeten worden,
en die niet uiting zijn van eigen geestelijk streven, maar waar de
mensch, de lijdelijke, wordt doorheen-geleid. Het geestelijk leven
als stroomend uit den eigen innerlijken bronwel en zijn rijkdommen
uit zichzelf voortbrengend--dit nieuwer levensbegrip is er onbekend.

Dat zedelijkheid niet is een gehoorzaamheid aan een wil die van buiten
af beveelt, maar des menschen eigen aspiratie, wordt door deze oude
leer niet bevroed.

Maar ziehier juist de kern der nieuwe levensgedachte. Spinoza
reeds had de stelling uitgesproken, dat des menschen "streven om in
eigen zijn te volharden" het eenige fondament der deugd is. In deze
uitspraak klinken de bazuinen der nieuwe levensleer. De mensch, aan
banden eener ingestelde zedewet vastgelegd, zal opnieuw ontwaren, dat
zijn eigen wezen de zedewet inhoudt. Dat beteekent: de geestelijke
natuur van den mensch zelf is de grond aller deugd, en er is geen
andere deugd dan deze: onze geestelijke natuur verwerkelijken;
zich-_zelf_-zijn. Voorheen gold de zedewet door bedreiging en
belofte, als door dwangmiddelen; des menschen vrijheid beteekende
de vrijwilligheid, waarmeê hij dezen band verdroeg of niet verdroeg:
nu geldt de gedachte andersom: er is geen ander beginsel van zedelijk
leven, dan de idealiteit onzes wezens: de zedewet niet heerschappij
voerend over den mensch, maar de mensch als voortbrenger van de
zedewet. Deze moraal is die der vrije persoonlijkheid, die de zedewet
niet boven zich, maar in zich heeft.

De levensopvatting, hier geldig is niet de mechanische, maar de
_organische_. Terwijl de steenen op elkaar gezet worden en uitwendig
door de kalk saamgebonden tot een muur, volgens het plan van den
metselaar, die ze behandelt--groeit het zaad tot een plant niet
door uitwendige toevoeging, maar krachtens een innerlijk beginsel en
volgens een wet, die in het leven en den groei des zaads is vervat. Het
geestelijk leven als de oprichting van dezen muur te begrijpen is
de mechanische opvatting der oude moraliteit: maar dat het zedelijke
aan een innerlijke levenswet, veeleer op den groei der plant gelijkt,
organisch, is de Negentiend' Eeuwsche gedachte.

Het Nieuwe Testament heeft menige uitspraak in deze richting; de
middel-eeuwsche mystieken en Luther hebben dergelijke tonen van
hun instrument doen klinken; in geen tijdperk der Christelijke
kultuur-geschiedenis heeft de stem der zedelijke vrijheid geheel
gezwegen: maar de andere opvatting heeft deze nieuwere telkens
overstemd en de "oude" zedelijkheid heeft zich als de kettermeester
der nieuwe gedragen.

Goethe's Faust vertoont deze levensleer op de meest klare wijze in
het dichterlijke beeld. De Faust is een kultuurboek, waarin niet
slechts de geest van Goethe, maar vooral de geest der aangevangen
Negentiende Eeuw zich spiegelt.

De dichter van Faust heeft den overgang tot den nieuwen tijd in zich
meegeleefd en de groote revolutie gadegeslagen. Nu is zijn gedicht
breed geworden, encyclopaedisch van opzet, daar het den nieuwen
mensch vertoont in zijn zedelijk streven en dit streven naar alle
zijden ontwikkelt: de nieuwe zedelijkheid heeft haar verhouding tot
staat en maatschappij, kunst, natuur en godsdienst.



3. Het besluit tot daden.


"In den beginne was de Daad", zoo heeft reeds in zijn studeercel Faust
gefilosofeerd. Er staat geschreven: "in den beginne was het Woord",
maar het woord kon hij zoo hoogelijk niet vereeren; evenmin de rede,
ook niet de kracht.

Het zedelijk streven, waarin hij Mefisto zal te boven komen, zal voor
Faust bestaan in het uitoefenen van de levende daad.

In het eerste Faust-gedicht overheerscht de negatie,
Mefistofeles. Faust wordt er door Mefisto geleid en geeft zich aan zijn
inspraken over; alleenlijk bewaart hij zichzelf tegen dien leidsman,
zoodat hij nooit ten onder gaat. Zijn leven is nog bewogen door den
levensnood; de passie overheerscht, de levensgang is verwilderd. Dit
is de noodwendige aanvang van elk zedelijk leven: het leven begint in
laagtestand en gaat door het heilsgemis naar het heilsbezit, evenals in
Carlyle's Sartor Resartus Professor Teufelsdrökh door het Everlasting
No heen moet om het Everlasting Yea te bereiken. Maar hiermee is
het leven niet verloren: zijn de negatieve wateren doorkliefd, dan
komt het schip in positieven stroom. Mefisto heeft zich aan Faust
onmachtig gemaakt, doordat Faust in de volgzaamheid aan zijn leidsman,
zichzelf tegen hem heeft vastgehouden, de weddenschap op geene wijze
verliezende.

Eindelijk is het positief beginsel in Fausts natuur voldoende tot
eigen kracht van daden gerijpt, zoodat Mefisto niet meer den weg
behoeft aan te wijzen, doch alleen als Faust's dienaar kan blijven
geduld. In het tweede poëem is Faust zijn eigen meester en betreedt
door eigen streven den weg van het levensheil.

Faust's moraliteit is dus: zichzelf te zijn, en het aktueel beginsel
van zijn streven is het _besluit tot de levende daad_. De daad is
uiting der inwendige aktiviteit; in haar betoont de mensch zichzelf;
zij is niet wat de oude moraliteit bedoelt: een gedraging of werk
volgens de zedewet; geen "werk der dankbaarheid" of wat ook, waarbij
een handeling uitgevoerd wordt, die reeds tevoren was voorgeschreven in
een kodex van deugdwerken; neen maar de daad als _getuigenis_. De daden
waartoe Faust besluit, zijn pure uitingen van inwendigen drang; zij
zijn niet te voren bij eenige zedelijke wetgeving bepaald; zij zijn de
betooningen van den zedelijken mensch die zijn moreele persoonlijkheid
doet gelden: "dit aardegebied verschaft nog ruimte tot groote daden;
tot het doen van koene en verbazingwekkende werken voel ik de kracht."

Misschien acht menigeen zulke ideëele moraliteit geen degelijke
zedelijkheid te zijn. Het schijnt of het Faust-poëem het lied is van
den aesthetischen mensch Goethe, die zichzelf bezingt. Men wil een meer
geëikte deugd. Het besluit tot daden, niet eens tot bepaalde en als
zedelijk goed voorgeschrevene, maar het besluit tot _zelf-uiting in de
daad_ schijnt den menschen, die aan konventioneeler deugd gewend zijn,
nevelig en onbestemd. Zij begrijpen niet dat er geen vruchten zijn dan
uit de groeikracht van den boom en dat er evenmin deugden, plichten,
werken, zedelijke handelingen zijn dan als levensopwelling van een
menschenhart zelf. Er is misschien voor een dogmatisch verstand geen
houvast aan een zedelijkheid, die van binnen stamt, gelijk er een zeer
gemakkelijk houvast is aan zedelijkheid, die een bestaande wetgeving
opvolgt. De Muzelman heeft aan zijn trias van aalmoes doen, bidden,
vasten, een algemeen begrijpelijker deugdsysteem, dan de Germaansche
strever aan zijn besluit tot de loutere daad. Dit verhindert niet
dat de zedelijkheid in laatstgenoemden vorm de ware is.

Aan Faust's besluit tot daad (het positief moreel princiep) gaat
vooraf het _berouw_. Het berouw is de reaktie na het verblijf in de
wildernis. Als de negatie is doorgemaakt, blijft een nijpend gevoel
van leegheid over; de mensch beseft de laagte, waarin hij heeft geleefd
en klaagt zichzelf aan om zijn verblindheid. Deze negatieve moraliteit
volgt op het negatieve levensgedrag en is de weerslag op Mefistofeles'
leiding, de terugschrik na de zelfherkenning. Het Piëtisme zou dit
zedelijk moment, het berouw van Faust, hebben doen aanzwellen tot
hoofdbelang; in litteratuur kon het in 't breede geëxploiteerd worden
als tijdperk van zelfverwijt en zelfontreddering; de Zeventiend'
Eeuwsche moraal althans had met voorliefde op deze negatieve zijde
van het zedelijk leven de schrilste lichten geworpen--Goethe is te
zeer menschkundig om het berouw te ontkennen in zijn heilzame werking,
te schoon van geest, dan dat hij er zwaarder gewicht aan gaf dan als
overgang uit lager tot hooger levensstand. Het berouw van Faust wordt
ondervonden in de diepte van het naar binnen gekeerde bewustzijn,
aanvaard als krisis des inwendigen levens. Zoo volstaat Goethe ook
met een fijnvoelige vingerwijzing, die den begrijpers genoeg is:
in den aanvang van het tweede Deel spreekt Ariël tot de geesten:
"brengt den grimmigen strijd zijns harten tot rust, verwijdert
de scherpe pijlen van zijn zelfverwijt; en reinigt zijn innerlijk
van doorleefden schrik." Hier is het geestelijk herstel van Faust
geteekend. En als hiermee de negatieve faze zijns levens (de wildernis)
voorbij is, zie! daar ontwaakt "een krachtig besluit om volhardend
naar den hoogsten levensstaat te streven."



4. De klassieke beschaving als leerschool.--geestelijke vorming.--de
idee der schoonheid.


Faust heeft dan besloten tot de zedelijke daad, d. i. tot de betooning
zijns innerlijken wezens. En waarin deze ook besta--een streven
rechtstreeks naar het absolute, gelijk hem eenmaal vervulde, is niet
meer te wachten: hij getuigt dat het geestenlicht hem heeft verblind,
en roept nu uit: "den waterval, die het rotsrif doorbruist, beschouw
ik met toenemende vreugd; in duizend en meer dan duizend stroomen giet
hij zich uit al nederstortende, zijn schuim in de lucht spattend. Die
spiegelt het menschelijke streven af; overpeins hem en begrijp dat
wij het leven hebben in den kleurigen weerglans der zon." De waterval
werpt zich in de aardsche wereld, en weerkaatst in zijn stralen het
zonlicht, zonder het licht te gemoet te streven: zoo zal Faust doen;
hij zal zijn drang naar het absolute verwerkelijken in de lichtende
daden van zijn hart. Ziehier zijn weg.

Faust zoekt op dien weg te komen; maar hoe? Wij vinden hem aan het
keizerlijk hof genoodigd wegens den roem zijner geleerdheid. Het
keizerlijk aanzoek heeft hij opgevolgd in de hoop aldaar gelegenheid
te vinden tot heilzame daden. Maar het is niet in deze omgeving dat
hij slagen zal. De toestand van het Keizerrijk is verre van fraai;
uiterlijk vol glans is het rijk innerlijk krachteloos en vervallen;
de keizer zelf leeft voor het genot in de grootste verkwisting en de
schatkist is tot den bodem geleegd.

Faust, die nog naar zijn weg zoekt, moet in deze omgeving tot
inzicht komen, dat de zedelijke daad des menschen vrij is tegenover
alle bestaande ordening. Voor den Jood uit Jezus' tijd is het
godsdienstig volks-instituut de sfeer, die het zedelijke bepaalt;
voor den oud-Indiër de kaste; voor den Griek het staatsverband,
zoodat hij zedelijk mensch is in dit opzicht, dat hij zijn arbeid doet
voor het staatsgeheel. De Middel-Eeuwer, over 't algemeen genomen,
acht zich zedelijk handelend volgens voorschrift van en in dienst
aan de kerk. Zijn barmhartigheid, eedstrouw en gerechtigheid zijn een
verplichting, die de kerk hem oplegt. Voor Faust echter zal al zulke
instelling wegvallen. Geen bestaande ordening zal als verplichtende
macht zich aan hem voordoen: in de sfeer van het keizerrijk valt
voor hem niets van zedelijke beteekenis uit te richten. Tegelijk
blijkt hem, dat deze keizerlijke staatsordening (en daarmee alle
"instituut") de echte nooden der gemeenschap niet lenigt, en een
van boven opgelegde figuur is, die met het ware leven der volkeren
in geen verband staat. Wie zedelijk werken wil, doe het niet ten
dienste aan eenige instelling of organisatie, maar doe het voor de
menschelijke schare, dat is voor het _gemoed_ der menigte, want dit
is voor zedelijke weldaden ontvankelijk.



Maar om tot machtige daden bekwaam te zijn moet Faust een scholing
doorloopen. Het "strevend in werking zijn" (strebend sich bemühen)
moet voortkomen uit een welgeordenden en evenredigen geest, want anders
is het werk chaotisch, vormeloos. Faust moet nu niet in een wildernis
rondwaden, maar zich een weg banen in het leven, en de dichter van
Faust acht, dat hiertoe geen betere scholing is dan het verkeer
met de klassieke Grieksche kultuur en hare schoonheid. Door deze zal
Faust de mateloosheid van zijn strevenden drang te boven komen en dien
louteren. Immers, zooals het moderne, Germaansche, romantische streven
zich _uitleeft_, zoo wil het Grieksche _zich inhouden_. Werther is de
romantische mensch, subjektief en onbegrensd in zijn aandoeningen;
maar hij zou in de Grieksche zelfbepaling tot vruchtbaarheid zijn
gekomen, terwijl hij zonder deze kwam tot ondergang. Faust zal niet
als Werther lijden, maar hijzelf weet welke leerschool hij behoeft.

Het verkeer van Faust aan het keizerlijk hof wordt bekroond met
een maskerade, waarin de krachten en faktoren van het menschelijk
leven en der maatschappij in symbolische gestalten worden vertoond:
een schouwspel, waarin Faust een tegengestelde houding aanneemt, dan
die hij in het leven wil voeren: hij is er werklooze toeschouwer. De
keizer ziet de fraaiheid van de vertooning, maar de aldus gesymboleerde
werkelijkheid heeft veel onschoons en op 't einde gaat de geheele
maskerade in vlammen op. De keizer, wiens lust naar schoone vertooning
aldus ontstoken is, wil zich nog meer vermaken en wenscht het meest
uitgezochte voorbeeld van menschenschoon te zien vertoond: Paris en
Helena uit het doodenrijk te voorschijn geroepen, moeten voor zijn
oogen verschijnen!

Deze vertooning is voor hem niet meer dan een lichtzinnig
amusement. Maar in Faust heeft de gedachte aan de klassieke schoonheid,
in Helena vertegenwoordigd, een horizont van inzicht geopend. Hijzelf
zal naar de diepte der wereld afdalen en door de macht zijns geestes
de Helena-gestalte te voorschijn roepen. Waarheen zal hij afdalen? Men
daalt slechts in zichzelven af en deze afdaling heet de _bezinning_,
maar de bezinning brengt den bezinner tot de algemeene gronden waar
het leven, waar elk geestesleven, ontspringt. In de dichterlijke
voorstelling heeten deze gronden: de Moeders en van hen wordt
met plechtig geluid verzekerd: "godinnen tronen verheven in hun
eenzaamheid; rondom hen is alle Ruimte opgeheven, geen Tijd is daar;
over hen kan niet gesproken worden: de Moeders zijn zij. Welke weg
leidt tot hen? geen weg! De weg tot hen gaat in het onbetreden en niet
te betreden gebied; door geen navraag vindbaar: zijt gij bereid? geen
sloten en geen grendels behoeven weggeschoven; door eenzaamheden
wordt gij heen gedreven: hebt gij begrip van het verlatene en van de
eenzaamheid?" Het is Mefistofeles, die deze aanwijzing geeft, en zij
is gegeven uit zijn zienswijs: de levensdiepte geldt voor hem niet;
maar met kloeke verzekerdheid antwoordt Faust: "in uw Niets hoop
ik het Al te vinden." Wanneer het aan Faust gelukt om uit de diepe
bezinning op het leven de idee der schoonheid op te roepen, staat hij
aan den aanvang zijner geestelijke scholing. Wat hij gedaan heeft is
bij zichzelf de noodzaak en onmisbaarheid der leerschool vaststellen,
die hij doorloopen moet.

Uit de diepe gronden zijns levens brengt hij de idee der schoonheid
te voorschijn, maar de enthousiaste omhelzing daarvan werpt alsnog
de idee zelve in verbrijzeling. Faust verliest Helena terwijl hij
haar aangrijpt.

Niet als bloote gedachte lichtend voor hem uit, doch als duurzame
levenservaring moet de schoonheid aan zijn bestaan deelnemen: daartoe
neme Faust de klassieke beschaving in zich op: het _huwelijk met
Helena_ zal hem tot de zedelijke daad bekwamen.

Maar de klassieke beschaving moet recht begrepen worden. Ook zij
heeft haar excessen en verwarringen. Geen kultuur is feitelijk
volmaakt, en het is niet meer dan de geest en de idee der klassieke
beschaving, welke Faust zich eigen make. Hij moet zich beschermen
tegen de spookgestalten, die ook hier zich voordoen; in de "Klassieke
Walpurgisnacht" moet hij tot het inzicht komen, dat niet overal
waar Griekenland is Helena woont. Niet de spookachtige fantasie,
die griffioenen, sfinxen, sirenen, centauren, pygmaeën en wat
half-dierlijks er meer zij, voortbracht--maar de klare en zuivere
geest, die de gestalte van Helena opriep, is de ware geest der
Grieksche beschaving. Om Faust rond te leiden in de spokenwereld,
daartoe is Homunculus, een kunstmatig menschje, in chemische retorten
bewerkt, voldoende: voor zijn huwelijk met Helena drage hij zelf zorg.



5. Het huwelijk van Faust en Helena. Harmonie en maat.


De schoonheidszin is van het geestesleven een integreerend deel. Geen
geestesleven is gaaf zonder deze. Aan de "oude zedelijkheid" heeft
de schoonheidszin ontbroken; de Calvinist heeft nooit beseft dat
er verband is tusschen het goede en het schoone. De theologische,
mechanische aanleg van het Zeventiend' Eeuwsche denken, sluit den
schoonheidszin eer buiten dan in zich.

Het Piëtisme is vaak vijandig gestemd tegenover hem, daar het
de wereld verwerpt; zelfs Spinoza heeft zich zeventiende-eeuwer
betoond door van hem niet te gewagen. Onze groote schilderkunst heeft
geen verband gehouden met het zedelijk bewustzijn des volks, en het
zedelijk bewustzijn heeft zich niet geopend voor de kunst noch voor de
aesthetische ontroering. Eerst het geslacht, waartoe Goethe behoorde,
begreep het verband tusschen schoonheid en levensbestemming. Faust
treedt in het huwelijk met Helena, en dit huwelijk is een noodzaak
tot zijn volmaking.

Het is hier niet te doen om een aesthetische beschaving in de plaats
der ethische, een oppervlakkig schoonheidsbehagen, dat met de diepe
gronden des levens zich niet afgeeft. Zulk aestheticisme, dat de
kunst tot zijn godsdienst heeft, is in de Negentiende Eeuw opgekomen;
maar het huwelijk van Faust en Helena heeft diepere waarde: het is
de scholing in de klassieke kultuur, de vorming van den zedelijken
mensch door harmonie, klaarheid en innerlijke orde. Faust heeft
aanraking met den _geest_ der Grieksche beschaving.

Het huwelijk met Helena is voor den zedelijken mensch noodig,
omdat hij, naar de nieuwe opvatting, de wet zijns eigenen wezens te
vervullen heeft. Moet de mensch zichzelf verwerkelijken, dan loopt
hij daarbij het gevaar eener redelooze emancipatie en afzondering uit
het geheel. Zoo hij de nieuwe moraal als een wil tot macht opvat en
meent, dat aan zijn eigen wil alles geoorloofd is, ware het beter dat
hij nog onder het toezicht der oude wetgeving stond. Met dergelijke
Nietzschiaansche op de spits drijving zijner individualiteit is de
wonderbare harmonie des bestaans verbroken. Wie slechts eigen macht
erkent is tyran en tyranniseert de wereldorde, in welke wij omvat zijn
en waarin ons leven redelijkheid bezit. Juist daar de wereld-orde
in ons bewustzijn inwoont zijn wij onszelf ten wet. Zoo behoort
de mensch der nieuwe moraliteit van de idee der orde en harmonie
doordrongen te zijn. Geen wild-romantieke vrij-machtigheid besture
zijn daden. De student, die in Faust's studeercel kwam verkondigen,
dat hij persoonlijk het superieure subjekt der wereld was, en dat het
op- en ondergaan der zon van zijn denken afhing, vertoont de nieuwe
moraliteit als karikatuur. Maar Faust zal innerlijk rijpen en zich
van de idee van orde en wet doordringen, opdat zijn streven niet
romantisch zij.

Het altijd-durende streven gaat verloren, zoo daaraan de rust der
zelfbeheersching ontbreekt; de fantasie vindt willekeurige slingerwegen
maar niet den weg tot het doel. Zoo moet het streven zich scholen
door de schoonheid, die niet anders is dan de evenredigheid en
algemeene orde der wereld. Griekenland heeft de wereld als "kosmos"
opgevat. De schoonheidszin is uit Griekenland geboren. Overal liggen
zijne voorteekenen verspreid: Indië, Egypte, Assyrië, Babel, Israël,
Phoenicië, Germanië zijn vol voorteekenen die de geboorte van den
schoonheidszin aanzeggen; maar eerst Hellas heeft de schoonheid
_geweten_ en het vormelooze verworpen voor de erkenning van harmonie
en maat. Eerst Hellas heeft dit inzicht tot beginsel eener geheele
kultuur gemaakt.

Dit is dus de vrucht van Faust's scholing door de klassieke kultuur,
dat hij leert innerlijk maatvol zijn, en dat zijn strevende
werkzaamheid daardoor planmatig en doelmatig wordt.



Maar het huwelijk met Helena is leerschool en niet meer. Evenmin
als een leerschool is het tot bestendigheid beschikt. Zal Faust tot
uitvoering der zedelijke daad komen, dan moet dit huwelijk achter
hem liggen, al is ook de leering, daarin ondergaan, van blijvende
beteekenis. Zoo zien wij Helena aan Faust's armen ontzinken. Wat
zij hem verwekt heeft is de _poëzie_. Immers deze is niet anders
dan maatvolle gedachte en Goethe noemt haar Euforion. Voor hem
was de poëzie niet een kunstvol spel, maar een innerlijk vermogen,
om het leven en de werkelijkheid als een kunstwerk te zien en te
beleven; zij was hem een scheppende macht, die zich uitte in denken
en doen. Zal Faust tot zedelijken werker worden, dan moet hij door
de poëzie bezield zijn tot dienst aan de wereldorde en door haar tot
maatvolle wijsheid zijn bekwaamd. Deze vrucht zal blijken, wanneer
de huwelijkstijd met Helena voorbij is; tijdens het huwelijk zal zij
hem verschijnen als lichtende beeld. De lichtende gestalte Euforion,
in het huwelijk van Faust en Helena verwekt, blinkt voor beider
verwonderde oogen, maar gaat als een meteoor voorbij, waarna ook
Helena's oogenblik van verscheiden is gekomen. Wanneer zij aan Faust
ontzinkt, blijven als aandenken, kleed, mantel en lier achter. Dit
beteekent dat de nieuwe zedelijkheid de sporen bewaart van hare
scholing in de klassieke kultuur, maar dat zij toch een andere is,
zelfstandig, en uit haar leerschool is verrezen als een vrije macht,
stichtster harer eigen beschaving.



6. Stichting eener vrije wereld. Waarde en ontoereikendheid der
zedelijke daad.


Het oneindig streven, Germaansch van oorsprong maar geadeld in de
leerschool der klassieke beschaving; de zedelijke zelfbetooning, door
het besef van maatvolle orde verhelderd--ziehier den _weg van Faust_:
op deze wijze zal hij zijn Mefistofeles te boven komen.

Maar waarin bestaat het dat Faust Mefisto te boven komt? Indien hij in
het zedelijk streven, dat toch ook naar bepaalde doeleinden uitgaat
_bevredigd_ wordt, is dan de oneindige drang, deze richting naar het
Absolute, niet tòch verloochend? en wie heeft dan overwonnen: Faust,
die beweerde met niets te zullen bevredigd zijn, of Mefisto die daar
al te gemakkelijken raad op wist?

Ziehier de vraag, die de ontknooping van het Faust-drama beheerscht.

De zedelijke daad, die Faust uitvoert is grootsch, bovenal zoo zij in
haar symbolische beteekenis doorzien wordt. "Mijn oog was gericht,
zoo spreekt Faust, naar de hooge zee; zij zwol op om in zichzelve
omhoog te streven--dan zonk zij in en schudde haar golven om daarmede
de breedte der vlakke oevers te bestormen. En dat verdroot mij,
gelijk de overmoed door zijn hartstochtelijk opgezweepten zin den
vrijen geest, die slechts het recht waardeert, ergert.

"Ik achtte het toeval, scherpte mijn oog: de golf stond op en rolde dan
terug, trok weg van het trotsch bereikte doel; het oogenblik komt en
hij herhaalt zijn spel. Dan sluipt hij weer aan op duizend plaatsen,
de onvruchtbare, om overal onvruchtbaarheid uit te strooien. Het
is een zwellen en toenemen en uitstorten over het woeste gebied,
en dan weder terugtrekken en er is niets volvoerd. Mij beangstigt
dit schouwspel tot vertwijfeling; doellooze kracht van bandelooze
elementen! Hier waagt mijn geest het boven zijn macht te streven:
hier wil ik strijden en hier wil ik overwinnen! En dit is mogelijk:
zoo vloedend als zij is, golft de zee langs elken heuvel heen; al
beweegt zij zich nog zoo overmoedig: een geringe opgeworpen hoogte
weerstaat haar trots en een geringe diepte trekt haar machtig tot
zich neer. Toen heb ik snel in mijn geest het plan gevormd: verwerf
het kostelijk genot om de heerschzuchtige zee van den oever af te
sluiten, het gebied dier vloeiende massa in te krimpen, en haar diep
binnenwaarts terug te dringen in haarzelf. Van schrede tot schrede
heb ik mij het plan voor den geest geroepen: dit te volvoeren is mijn
wensch, waag het de uitvoering te bevorderen."

Faust wil de zee aan banden leggen en het onvruchtbaar zeegebied
herscheppen tot vruchtbaar land; daar wil hij een door menschen
veroverde woonplaats stichten, een vrijen grond voor een vrij volk,
dat zich in vrije werkzaamheid oefent.

Het veld zal vruchtbaar zijn, een land als een paradijs; laat aan
zijn buitenkant de vloed den dijk bestormen: de samenwerking eener
schare is haastig bereid om de kleinste scheur te versperren. De
symboliek dezer Faustische daad is duidelijk: de zee is de negatie
der vruchtbare aarde; terwijl deze uit een onbegrensden levensdrang
het leven voortbrengt, plant, dier en mensch ontspruiten doet,
en uit haar schoot de delfstoffen opwerpt--doet de zee niets dan
verzwelgen; in haar diepte schuilen monsters en de kolk van gevaar
blijft zij voor ieder, die zich op haar bedriegelijke vlakten
waagt. De zee is het verstorend element; zij is de Mefistofeles in
de aardsche schepping; van den oer-chaos overgebleven. Nu zal Faust
de zee terugdrijven. Zinrijke daad! Ziehier het heilswerk, in eigen
geestelijke vrijheid uitgedacht en volvoerd, geheel anders dan de
"goede werken" voorgeschreven door een gekodificeerde moraal. Deze
daad beteekent Faust's overwinning over Mefistofeles.

Een bekoorlijk tafereel schildert het welslagen dezer daad van
Faust: een vroeger schipbreukeling, eenmaal aan deze kust gespoeld
en verpleegd in de hut van Philemon en Baucis zoekt nu, jaren later,
zijn weldoeners op, en aanschouwt van hun in 't duin gelegen woonplaats
af, geen zee maar een vruchtbaar land: hetgeen u grimmig mishandeld
heeft, de zee met haar schuimend wilde golven, ziet gij in een
tuin herschapen: een tafereel als een paradijs! Koene knechten van
verstandige heeren groeven en dijkten de zee in, verminderden haar
rechtsgebied en werden heerscher in hare plaats. Zie toch hoe weide
naast weide groent, beemd, tuin, woud en dorp! rechts en links over
groote uitgestrektheid is het gebied dichtbevolkt!



Maar is Faust nu voldaan? en heeft in deze daad zijn oneindige drang,
d. i. zijn drang naar het Oneindige vervulling gevonden? Indien ja, dan
is eenerzijds Mefistofeles overwonnen, omdat niet in de verlokkingen
van dezen, maar in Faust's eigen gevonden en geschapen taak zijn
drang vervuld is.

Mefisto heeft Faust in de wildernis gevoerd.. Nu heeft hij zelf uit
de wilde zee een bewoonbaar en vruchtbaar land geschapen!

Anderzijds heeft toch Faust een voldoening gevonden beneden het
Oneindige. Eenmaal heeft hij het wezen der wereld gezocht met het
denkend intellekt; de magie is door hem te hulp geroepen; hij heeft
den dood gewild om langs dezen weg in de eeuwige waarheid in te
dringen; diep en ontroerend was de klacht over zijn onvermogen; in
zijn ongeleschten kendorst dreigde hij te zullen bezwijken, en heeft
gezworen dat niets hem ooit zou bevredigen: "zal ik ooit gerustgesteld
mij neerleggen op het bed der ledigheid, dan zij het tegelijk met
mij ten einde; kunt gij mij zoo beliegen dat ik mijzelf behaag,
mijn laatste dag zij aangebroken; zal ik tot het oogenblik spreken:
blijf toch want gij zijt schoon genoeg, dan wil ik te gronde gaan."

Faust is voldaan.... maar zóo dat hij het niet is. Dat is: hij
heeft de daad gedaan die de meest zuivere _omzetting_ is van zijn
oneindigen drang in de aardsche omgeving. Maar deze daad is op
elk oogenblik nog slechts een _betrekkelijke_ uitdrukking van zijn
drang, en om haar volledig te denken, denkt hij haar verlengd in het
toekomstige. Bovendien: aan het werk zelf heeft Mefistofeles deel en
zoo is het een onvolkomen werk.

Wat dit laatste aangaat: in het werk mengt zich onrecht; dus houdt
het een bewijs zijner onvolmaaktheid in. De Faust-dichter schildert
deze ongerechtigheid in den aanval van Mefisto met drie gevaarlijke
gezellen op het huisje van Philemon en Baucis. Faust ergert zich
aan het oud-modisch klokgebengel, waarmeê deze oudjes nog steeds
den verleden tijd dienen. Hij heeft hun in 't nieuwe gebied een
beter woning en welvarender landgoed aangeboden; maar vond slechts
weigering. Mefisto volgt Faust's wenk op eigen manier en.... de hut
gaat in vlammen op, terwijl de bewoners omkomen. Voor Faust geeft deze
handeling stof tot bepeinzing. Ook de werken van zedelijke bezieling,
naar bepaalde doeleinden uitgaand, kunnen de eeuwigheidswaarde van
den mensch niet vervangen; zij zijn eindige grootheden, heilzame
doch begrensde gewrochten en zij houden den mensch binnen zijn
eindige levensvoorwaarden besloten. Evenmin als de opstapeling
der wetenschappelijke resultaten, bereikt de vermenigvuldiging der
zedelijke daden het eeuwige. Waar de Wagners juichen zijn de Fausten
onvoldaan. Dat de zedelijke handelingen den mensch niet vergoddelijken
bewijst het onrecht dat ongewild ook daarin binnensluipt.



Toch heeft Faust _zijn weg_ gevonden. Maar de weg is niet het doel,
doch het middel. Na de scholing door de oude kultuur heeft hij in
een nieuwe zedelijkheid _zich tot het hoogste voorbereid_.



Nog is, gelijk wij zagen, Mefistofeles niet geheel overwonnen. In
beginsel is zijn macht over Faust gebroken, hiermeê dat Faust in de
zedelijke daad zijn ware zelf verwerkelijkt. Niet meer leider maar
dienaar van Faust is hij, maar ook in deze verhouding is hij nog de
medgezel. Weldra doet zich het verstorend element zijns persoons
aan Faust gelden; want reeds in den proloog in den hemel is deze
onontkoombare waarheid over hen uitgesproken: de mensch dwaalt zoolang
hij streeft.

Voor den strevenden mensch is er geen mogelijkheid om de negatie,
de verstoring, het kwaad, den Mefistofeles te niet te doen--zoolang
hij streeft. Maar in beginsel is hij, zoodra zijn strevenden wil
zich verheft, hem te boven. Nu nadert tot den oud geworden Faust
een gestalte, die lang afwezig is gebleven, maar toch op hem geloerd
heeft zoolang Mefisto met hem ging: de Zorg.

Is iemand hier? vraagt Faust. De vraag vereischt een ja, antwoordt
zij.--En gij wie zijt gij dan?--Ik ben nu hier.--Verwijder u!--Ik
ben ter rechter plaats.--Neem u in acht! zegt Faust, en spreek geen
tooverwoord! En zij: al zou mij geen oor vernemen, toch weerklink
ik in de harten; op wegen, op de zeetochten ben ik de steeds
beangstigende medgezel. Steeds gevonden, nooit gezocht, ik wordt
gevleid en gevloekt. Hebt ge nooit de zorg gekend? "Uw macht erken
ik niet" roept Faust haar toe, maar zij blaast haar adem over hem
uit en Faust wordt blind.

Hij buigt zich niet voor de tegenstandster, zooals hij zich niet
buigt voor Mefistofeles; hij is zichzelf en handelt uit aansporing van
zijn eigen wezen, maar tegelijk vervult hem zijn grootsche daad met
onbevredigdheid. "Nog heb ik mij niet opgeworsteld tot de vrijheid"
roept hij uit; en: "de mensch doorreize zijn aardschen dag; als geesten
spoken ga hij zijn vrijen gang. In het voortschrijden vinde hij smart
en geluk, hij, onbevredigd elk oogenblik."

De beperktheid van zijn kunnen en het te-kort van zijn zedelijk
streven wordt aan den mensch te ondervinden gegeven door de macht,
die zich tegenover hem stelt. Maar in zichzelf vindt hij zijn streven
en de geestelijke kracht, die hem daarbij geleidt. Faust wordt door
de zorg weerstaan, maar in zichzelf beseft hij den aandrang tot
voortzetting zijner grootsche daad en voor zijn innerlijke oogen
spiegelt het vizioen der voltooiing. Terwijl Mefisto's gezellen
bezig zijn het graf te delven, waarin hij Faust hoopt te vangen,
(want vernietiging acht hij het einde ook van dit leven), hoort
de blindgeworden strever in het geklank der spaden het werk der
arbeiders, die hij geroepen heeft. Immers een kanaal graven zij om
een moeras af te leiden en aldus de gezondheid der streek voor haar
bewoners te verhoogen? Het volk dat hier in vrijheid woont, zal zich
uitbreiden. Het gevaar kennend en afwerend zal jeugd, manschap en
grijsheid hier zijn lange leven in noeste werkzaamheid volvoeren!

Deze gedachte is het die Faust vervult en als vizioen voor zijn blinde
oogen zweeft, en in het licht daarvan roept hij uit: "nu waag ik tot
het oogenblik te zeggen: blijf, want gij zijt schoon genoeg. In aeonen
kan het spoor van mijn aardsche dagen niet vergaan. In het voorgevoel
van zulk verheven geluk, geniet ik thans het hoogste oogenblik."

Deze woorden zijn de laatste en Faust zinkt stervend op den grond. Dat
hij de weddenschap met Mefistofeles slechts naar den klank des woords
verloren heeft, is duidelijk. Hij zelf, aan Mefisto ontgroeid, is van
hem vrijgekomen. Hij heeft zijn oneindig wezen tegen den ondergang
bewaard.... maar niet verwerkelijkt. Het zedelijke streven is niet het
hoogste bereik der menschelijke persoonlijkheid. "Wiens geest altijd
strevend werkzaam is, dien kunnen wij verlossen" zal van Faust gelden:
dat de zedelijke streving zelve de voltooiing van het menschelijk
bestaan inhoudt, is daarmee niet gezegd!



V FAUST'S VOLEINDIGING



1. De liefdemacht. God en mensch. Overschrijding der begrensdheid.


"God kennen is de hoogste deugd" leert Spinoza. Dit "hoogste"
noemt hij summa virtus, hetgeen nog iets anders beteekent dan
"hoogste" nl. toppunt der deugd. Het begrip "hoogste" duidt aan
iets betrekkelijks, zijnde de uitkomst eener vergelijking; het
beteekent niet, dat het nòg-hoogere is uitgesloten; slechts over het
thans-voorhandene doet het uitspraak. Maar "toppunt" beteekent het
logisch uiteinde der opstreving, waarbij het nòg-hoogere niet gedacht
kan worden. Hier is het streven ten einde in zijn bereikte doel.

De oude zedelijkheid erkende niet dat het geestesleven zijn
(natuurlijke) voltooiing had in de eenheid met God en op deze eenheid
was aangelegd. Zij geloofde aan de tegenstelling tusschen mensch en God
(door de zonde) en hoopte te eindigen bij een verzoening. Dit is de
oude religie, die uitgaat van het zondebesef, en met alle middelen de
overtuiging hunner onwaardigheid bij de menschen aankweekt. Maar de
ware religie, die zoo oud is als de beschaving, al bleef ze in het
verborgen, beleed de fundamenteele identiteit des menschen met God
(zooals de zonnestralen fundamenteel één zijn met de zon) en erkent dat
in de bewuste eenheid met God het leven tot zijn waarheid is gekomen.

Deze eenheid met God is een verheffing des bewustzijns, waarin het
betrekkelijke is overwonnen; zij is onze vereeniging, die door
de mystische denkers zelfs "vergoding" (theosis) is genoemd. De
religieuze zielkunde handelt over haar in een diepzinnig hoofdstuk
en het is deze vergoding als een voleindiging van het geestesleven,
welke de Faust-dichter in de slot-scène van het gedicht heeft in
beeld en klank en woord gebracht. In haar is geen Mefistofeles die
het bewustzijn der oneindigheid tracht af te leiden of uit te dooven.

Een bergwand rotsachtig met kloven en met bosch begroeid; niet bewoond
dan door eenige kluizenaars; een geest van diepe geheimzinnigheid
hangt daar; de berg is in lagere en hoogere gebieden verdeeld;
geestelijke wezens zweven af en aan, en een koor van zalige knapen
beweegt zich kringvormig om den hoogsten top; engelen van mindere
en van meerdere volmaking gaan zingend om, terwijl zwevend de Mater
gloriosa nadert op den aanroep van haar grootsten vereerder. Zalige
vrouwen onder wie eene (weleer Gretchen genoemd) aanbidden haar,
terwijl het onsterfelijk deel van Faust door Engelen wordt opwaarts
gedragen en het geheele tafereel met een mystisch koor eindigt,
waarin de eeuwigheid als voltooiing van den tijd bezongen wordt.

Dit alles heeft de beteekenis van aanwijzing van een hoogere
werkelijkheid. Deze berg is onttrokken aan de aardsche natuur en
natuurwet; de wezens, die er vertoeven, zijn in zwevende beweging
en de geheele berg is een heilige schuilplaats der liefde. Ook het
streven en de zedelijke strijd bestaan hier niet. Wat in de wereld
niet geldt, geldt hier: het is de almachtige Liefde die alles vormt
en alles koestert.

In deze sfeer wordt het wonder voltrokken der voleindiging van
het geestesleven. De voltooiing moge een logisch gevolg zijn van de
voorafwerkende krachten, zoodat het geestesleven uit zichzelf naar haar
heenwijst--toch is haar werkelijkheid een _nieuwe_ daad. Beter nog:
in de voltooiing komt aan het licht welke kracht in het geestesleven
verborgen was: de liefdekracht van God. De zedelijke houding van
Faust was een strevende zelfwerkzaamheid, en het is dit streven,
dat hem tot de volmaking voert ("wie altijd strevend werkzaam is,
dien kunnen wij verlossen" zingen de engelen)--maar nu blijkt dat dit
menschelijke streven nog een andere waarde heeft dan het streven van
een mènsch te zijn: het is de ervaarbare keerzijde der Godskracht: de
eeuwige scheppingshandeling Gods draagt het geheele leven, gelijk zij
draagt de geheele wereld en waar wìj van zedelijk streven gewagen is
't in waarheid deze groote kracht, die zich in menschen openbaart. De
groeikracht, waarmee de plant zich uit den aardbodem opheft, is niet
haar speciale eigendom, maar is de Natuur zelve in haar werkzaamheid:
zoo is het niet anders dan de Kosmische Liefde, die zich in Faust
voordeed en vermomde als zijn eigen strevende wil. Zoo lang de mensch
nog in zijn streven is bevangen en de Mefistofeles hem begeleidt,
weet hij niet anders of het is zijn eigen zedelijke natuur die
handelt.... maar dit wordt anders in de voleindiging.

Ja dit is de voleindiging dat hij zich bewust is van de Godskracht
als zijn eigen wezen. Op eens aanschouwt hij in zich niet zijn eigen
persoon, maar het groote Wezen. Dit is de Godskennis waarvan Spinoza
zegt dat zij het einde is der deugd, God schouwende met een helderheid
als waarmee wij te voren van ons eigen streven bewust waren.

Want de mensch leeft in het Wereldgeheel en de geheele wereldorde,
die is de geest van God, woont in hem. Deze is de "eeuwige Liefde
die alle dingen vormt" en in de voleindiging des levens hebben wij
niet het partikuliere zelfbewustzijn, maar het bewustzijn van God,
dat is van de eeuwige Liefde. Wij zìjn ons bewust van de Oneindige
Tegenwoordigheid. Als "de Liefde van boven aan ons deelneemt roept de
heilige schaar ons het welkom toe." De Pater Seraphicus, langs den
berg zwevend, roept op tot deze ondervinding: "Stijgt opwaarts tot
hooger gebied, groeit ongemerkt, want hier versterkt u de zuivere
tegenwoordigheid van God. Dit is het voedsel der geesten, regeerend
in het vrije hemelruim; dit is de openbaring der eeuwige Liefde,
die zich in ons tot zaligheid ontvouwt."

De beteekenis van Faust's oneindigen drang wordt nu verstaan: wat
hem drong is het Oneindige zelf: zijn strevende natuur is van den
beginne aan niets anders geweest dan de oneindige kracht Gods in haar
menschelijke keerzij: datgene waarvan de Wagners onbewust waren, werd
door de Fausten beseft; maar met een vóórbesef dat zich nu eerst tot
levend inzicht voltooit.

Nu eerst.... De mensch streeft zoolang hij leeft en zoolang hij
streeft dwaalt hij en is door Mefistofeles vergezeld. Faust wordt
voleindigd door den dood heen. De ingang in het groote Mysterie
is de voorwaarde tot de voleindiging. Faust zelf heeft nog in zijn
laatste levensstonde verzekerd, dat het "uitzicht naar boven" hem is
afgesloten en dus de _kennis_ van het oneindige, waarnaar hij tevoren
zoo vurig smachtte, niet verkregen is. Maar het onbekende is niet het
onwerkelijke, en gelijk hij eenmaal den dood heeft willen roepen om
hem in het mysterie in te wijden, zoo komt nu de dood met het mysterie
en wijdt hem in. Slechts de dood geeft die zuivering waarbij de geest
des menschen tot zichzelven komt, de uitwendigheid der wereld aan de
aandacht ontzinkt. "Reeds is hij schoon en groot van heilig leven"
zingt over Faust een schare van zalige knapen.

Het zedelijk streven van den mensch is, in zijn grond beschouwd,
niet eigen werk, maar de Godskracht in hare werkzaamheid; want naar
ons wezen zijn wij het Algemeene, en de Geest des Geheels heeft
hier zijne inwoning. Het streven opwaarts is, alzoo beschouwd, de
aantrekkingskracht die van boven werkt, en de Faust-dichter noemt deze
aantrekkingskracht: _het eeuwig-vrouwelijke_. "Het eeuwig-vrouwelijke
trekt ons opwaarts" luiden de slotwoorden van het Faust-gedicht:


    "Das ewig-weibliche zieht uns hinan."


Wat is de beteekenis dezer uitspraak? Naar ons voorkomt deze: tot nu
toe kenmerkt Faust zich door de strevende werkzaamheid. Het streven is
het eeuwig-mannelijke; deze drang tot werken, deze voortschrijdende
daadkracht is de scheppende macht, gewrochten voortbrengend en van
den eenen tot den anderen arbeid voortgaand. Maar, "wie immer in
strevende werking is dien kunnen wij verlossen"; hetgeen beteekent dat
niet deze mannelijke gezindheid zelve de verlossing is: in haar wordt
Mefistofeles geleidelijk overwonnen, maar het eindpunt der overwinning
wordt niet bereikt. Doch in 't einde moet de mensch inzien, dat niet
hijzelf, dat is niet zijn individueele eigen-persoon, de voleindiging
toebereidt, maar dat hij haar verwerft krachtens de Godheid die zijne
werkende macht is. Hij, als eigenpersoon, _geeft zich over_. Hier
treedt het passieve moment in, dat de aktiviteit bekroont. Wat hem
tevoren werk toescheen schijnt hem nu rust.

Daarom is de Godheid in dit opzicht dat zij het geestesleven
voleindigt, voor hem niet de werkzame Man, maar degene in wien het werk
ten einde is en bij wien de mannenkracht uitrust: zijn tegendeel: het
eeuwig-Vrouwelijke. Man en Vrouw, Mannelijkheid en Vrouwelijkheid zijn
symbolische namen en symbolische begrippen om de goddelijke werking
aan te duiden. In dit opzicht van ten einde zijn des werks en van
overgave onzer persoonlijkheid aan den Voleinder is het goddelijke
vrouwelijk gedacht. Hier is een _innigheid_ die tusschen man en man
niet bestaat. Wat de Middeleeuwen in de Maria-dienst, wat de Griek
in de Aarde-moeder nabij was, deze aflegging van den menschelijken
eigen-wil en van het eigen-bewustzijn, vindt Faust in zijn opstijging,
aangetrokken door het eeuwig-Vrouwelijke der goddelijke Liefde. Hier
is niet bedoeld een onderdompeling in het onbewuste onzer zinnelijke
natuur, gelijk men heeft verklaard, maar een opstijging boven het
bepaalde bewustzijn van ons verstandelijk daglicht.



Het menschenleven voleindigt zich door inkeer tot zijn grond; het
eindigt bij zijn aanvang. Het Faust-gedicht begint in den hemel
d. i. in de sfeer van God en vindt er zijn einde. In het einde is de
eeuwige Dag aangelicht.

De eerste Dag van Faust was het vale, voorbijgezwoegde tijdperk zijner
vergeefsche inspanning, eindigend in de klacht. Daarna de avond
met mysterieuse diepten en zinnelijkheid en eindelijk de voornacht
bespookt door wroeging en verwijt. Deze eerste Dag is het eerste
Deel des gedichts. De na-nacht brengt kalmte en geeft den strever
geestes-rust. Nu verschijnt de nieuwe Morgen van arbeid, de morgen van
het groote streven en deze morgen geeft zich over aan den Eeuwigen Dag.

In dien Nieuwen Dag der goddelijke Tegenwoordigheid is de Drang naar
het Absolute bevredigd. [1]



INHOUD


    WOORD VOORAF

    I DE KLACHT VAN FAUST:

            1. De famulus Wagner, de begrensde mensch

            2. Wetenschap is herleiding tot het
               Onbegrepene
            3. Faust zoekt ontkoming bij de magische
               fantasie
            4. Faust's klacht herhaald (verschijning van
               den Aardegeest)

    II Faust en Mefistofeles:

            1. Het eeuwige in den mensch (de proloog in
               den Hemel)
            2. De verstorende macht. Het noodwendige
               Tegendeel in wereld en leven. Mefistofeles
            3. Mefistofeles: ontkenning en ironie
            4. De weddenschap van Faust en Mefistofeles


    III FAUST IN DE WILDERNIS:

            1. Zelfverlies in den zinnenlust
            2. De onmacht van Mefistofeles (Faust in
               Mefisto's leiding)

    IV DE WEG VAN FAUST:

            1. De nacht van uitrusten voor den nieuwen
               morgen
            2. De nieuwe zedelijkheid (zedelijk streven
               en zelfbevrijding.)
            3. Het besluit tot daden
            4. De klassieke beschaving als leerschool;
               geestelijke vorming; de idee der schoonheid
            5. Het huwelijk van Faust en Helena. Harmonie
               en maat
            6. Stichting eener vrije wereld. Waarde en
               ontoereikendheid der zedelijke daad. Het
               einde van Faust's streven

    V FAUST'S VOLEINDIGING:

            1. Overschrijding onzer begrensdheid in
               de religie; de goddelijke Liefdemacht; de
               overgave



AANTEEKENING


[1] Verg. Dr. J. D. Bierens de Haan, Dante's mystische reis (Amsterdam,
1914), Hoofdstuk XIII, Het kristallijnen bewustzijn en Idee-studies
(Amsterdam 2de druk 1913): De geestelijke ontroering; en: door de
Rede tot de Aanschouwing.





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Goethe's Faust" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home