Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Reis naar de Nieuwe Hebriden en de Salomons-eilanden - De Aarde en haar Volken, 1906
Author: Hagen, Alfred
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Reis naar de Nieuwe Hebriden en de Salomons-eilanden - De Aarde en haar Volken, 1906" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



Reis naar de Nieuwe Hebriden en de Salomons-eilanden.

Naar het Fransch van

Dr. A. Hagen.

Officier van Gezondheid.



De ontwikkeling van de kolonisatie op het fransche eiland
Nieuw-Caledonië heeft er sinds lang den invoer noodzakelijk gemaakt
van vreemde arbeiders. De exploitatie der nikkelmijnen, de verbouw
van koffie, tabak en maïs dwingen den europeeschen kolonist, gebruik
te maken van werkkrachten uit Oceanië.

De reeders uit Nouméa, de hoofdstad van Nieuw-Caledonië rustten dus
vaak schepen uit, die naar de Nieuwe Hebriden en de Salomonseilanden
gingen, om inboorlingen mee terug te brengen, voor zwaren arbeid
geschikt. Ongelukkig hadden er daarbij misbruiken plaats; er werd met
geweld opgetreden tegen weerspannige Kanaken, die niet gezind waren,
hun geboorteland te verlaten en het dolce far niente op te geven,
waaraan ze bij zich te huis waren gewend.

Het werd noodig, orde te stellen op die handelingen van zoogenaamde
recruteering. Ik vervulde toen mijn kolonialen diensttijd op
Nieuw-Caledonië. De heer Pardon, gouverneur der kolonie, wilde mij
wel het toezicht op de genoemde emigratie toevertrouwen en benoemde
mij tot regeeringscommissaris aan boord van de _Lady Saint Aubyn_
en de _Mary Anderson_. Zoo heb ik verschillende reizen door den
Stillen Oceaan gedaan en won daarbij allerlei inlichtingen  in over
de verschillende eilanden, die samen vormen de eilandengroepen der
Nieuwe Hebriden en der Salomonseilanden.

Den 4en April 1891 ging ik aan boord van de _Lady Saint Aubyn_,
een zeilschip van 150 ton.

Wij vertrokken op een reis van vele maanden naar weinig bekende landen,
die zeer belangwekkend waren, en waarvan de bewoners nog boosaardige,
woeste menscheneters heetten, die een zekere beruchtheid hadden
gekregen door veel aanvallen op Europeanen. Maar dat zijn gevaren,
waaraan men pas gaat denken op den dag, als ze zich juist voordoen;
op het oogenblik van ons vertrek kenden we geen andere zorg dan de
richting van den wind, want ons scheepje was niet voor stoom ingericht
en onze grootste vijand was de tegenwind.

Wat dreigementen van de inboorlingen betreft, daartegen waren wij
genoegzaam gewapend; de 200 geweren en 3000 patronen, die de _Lady
Saint Aubyn_ meevoerde, zouden ons in staat stellen, het antwoord
niet schuldig te blijven, als wij werden aangevallen, en ons leven
duur te verkoopen.

Zoodra we uit de haven van Nouméa waren, voeren we vlug voorbij het
eilandje Porc-Epic, dat wel zijn naam van Stekelvarkeneiland verdient
om de vele pijnboomen, waarmee het bezet is en zetten onzen tocht voort
langs het Zuiden der westkust van Nieuw-Caledonië. Er was daar niet
veel plantengroei, en het aantal bewoners was gering sedert den opstand
van 1878; maar deze kust bezit veel minerale rijkdommen, want nikkel
en kobalt vindt men er in groote hoeveelheid, en van het dek van ons
schip konden wij sporen ontdekken van oude en van nieuwe ontginningen.

Enkele inboorlingen voeren op zee rond, vroegen ons, waarheen wij
gingen en wenschten ons goede reis. Zij kwamen van het Pijneiland met
hun dubbele prauwen en waren op weg naar den zendingspost Saint-Louis,
waar ze de mis zouden hooren. Vroeger was altijd de piloe-piloe
met de gruwelijkste tooneelen van kannibalisme de reden van hunne
bijeenkomsten en gaf aan hun feesten zulk een woest en afgrijselijk
karakter.

De beschaving heeft hun zeden verzacht; maar dat is gegaan ten
koste van het ras, dat meer en meer de neiging vertoont, om uit te
sterven. "Er zijn geen Kanaken meer," zei Pila, een groote, forsche
en intelligente inboorling. "Vóór de blanken hier kwamen, hadden
wij aardappelen en knollen in overvloed; nu worden wij van ons land
verjaagd, of men doodt ons door middel van sterken drank."

Tegen zes uur 's avonds kwamen we in de Yré-baai.

De richting van den wind liet niet toe, het kanaal over te steken en
in open zee te komen. Wij wierpen het anker in die baai uit, dichtbij
het eiland Wen. Het eiland ziet er zeer bijzonder uit, en in de verte
lijkt het, alsof het overal met den ploeg is bewerkt van boven tot
beneden, ja tot op den top der hoogste heuvels. Doch weldra ziet
men, dat niemand lust heeft gehad, daar te zaaien of te oogsten. De
prospectors, de goudzoekers, hebben er den grond zoo omgewoeld bij
hun zoeken naar nikkel in den bodem. Hoeveel slachtoffers heeft die
mijnkoorts al niet op hare rekening, en hoeveel maakt zij er nog
steeds, ook nu op Nieuw-Caledonië!

Het schijnt trouwens wel, of het eiland niets anders bevat dan
steenen van chroom en kobalt; en men vraagt zich af, hoe de weinige
inboorlingen leven, die er heen zijn gedeporteerd ten gevolge van den
opstand van 1878. Gelukkig is de zee dichtbij, en de Kanaak is een
goed visscher, zoodat de uitstekende visch hem voldoende schadeloos
stelt voor 't gemis van knollen en aardappels.

Op de ankerplaats aan de Yré-baai, toen niemand meer dacht aan de
ellende van de zeereis, hadden wij ruimschoots gelegenheid, met
elkander kennis te maken. Dus kan ik aan de lezers voorstellen, ten
eerste B., onzen kapitein, een ouden zeerot, die al twintig jaren
ongeveer in deze wateren vaart, een ervaren zeeman, maar een al te
trouw dienaar van Bacchus; ten tweede Mac D., een Engelschman van
iersche afkomst. Men kan zijns gelijke niet vinden in het winnen van
het vertrouwen der Kanaken; hij kan hun de mooiste voorspiegelingen
doen en hun 't heerlijkst leventje voorspellen, als ze naar Nouméa mee
willen gaan. Dat is het Beloofde Land, wordt hun gezegd, waar men nooit
werkt en altijd eet, wat voor een inboorling de hoogste zaligheid is.

Ons verblijf op het eiland Wen duurde maar kort, en den volgenden
morgen zette de _Lady Saint Aubyn_ koers naar het Havannakanaal. Wij
passeerden de Zuiderbaai, waar in zoete rust en in de verzekerdheid
van een goede woning en goeden kost eenige honderden dwangarbeiders
leefden, voor wie de regeering op moederlijke wijze zorgt. Als
houthakkers werden zij aan het werk gezet bij het exploiteeren van de
bosschen aan de Pronybaai, en hun arbeid zou den nijd kunnen opwekken
van onze boeren uit de bosschen der Vogezen, wier leven zoo moeilijk
is, en wier arbeid zoo slecht wordt betaald.

Toch zijn er eenige ontevredenen, en op het eiland Santa-Anna van
de groep der Salomonseilanden, zullen wij drie van hen ontmoeten,
die op deze afgelegen eilanden een schuilplaats zijn gaan zoeken,
om tegen dwangarbeid beveiligd te zijn en voor de straffen van de
bewakers. Zij hebben bij den ruil niet gewonnen.

Tegen den middag waren wij buiten den gordel van riffen,
die Nieuw-Caledonië omgeeft. Nadat we het eiland Maré, een der
Logally-eilanden, hadden verkend, wendden wij den steven naar de
Nieuwe Hebriden, waarvan 300 mijlen ons scheidden.

Twee dagen hadden wij noodig, om dien afstand af te leggen; vier
dagen na ons vertrek van Nouméa, lagen wij tegenover het eiland
Tanna. Het werd ons al in de verte gewezen om zijn vulkaan, welks
lichtend schijnsel wij wel 20 mijlen ver op zee konden waarnemen.

Wij gingen aan wal op de oostkust van het eiland. Op eenigen afstand
gezien, bood het een zonderlingen aanblik aan. Rondom den vulkaan was
de grond dor, volkomen kaal; noch plant, noch gras, noch boom kon men
er bespeuren; maar op de noordelijke helft van het eiland groeide
een prachtige plantengroei; er werd van alles door de inboorlingen
verbouwd, en allerlei edele houtsoorten waren er in ruimen overvloed
te vinden.

Onze eerste aanlegplaats moest Port Resolution zijn. Op den
vastgestelden tijd, tien uur 's morgens, ankerden wij bij den
ingang der haven; rotsen beletten ons, er binnen te varen, want
er was slechts een nauwe doorgang, bijna niet bruikbaar voor zeer
kleine vaartuigen. Dit was oudtijds de eenige haven van het eiland;
een schip vond er een veilige schuilplaats gedurende hevige stormen
of cyclonen, die in den archipel zoo veelvuldig voorkomen in de
maanden December, Januari en Februari. Maar in 1878 is ten gevolge
van hevige aardbevingen de zeebodem opgehoogd,  en de diepte bedraagt
nu niet meer dan 1.5 à 2 M., terwijl er acht M. stond, toen Cook er
een eeuw ongeveer geleden kwam. Nu kwamen de inboorlingen,  die ons
op grooten afstand hadden gezien, naar de _Lady Saint Aubyn_ toe,
om ons te waarschuwen tegen de gevaren, die elk schip bedreigen,
dat zou willen binnenvaren.

Zoodra wij het anker hadden laten vallen, bracht een boot van het
schip ons naar den wal; wij konden zien, welke wijzigingen de vulkaan
achtereenvolgens aan de kust had teweeggebracht; een moerasje aan
den linkerkant der haven was plotseling droog geworden, en wij zagen
alleen de bedding; het had nu een zeer duidelijk in 't oog vallende
helling, en al het water was weggevloeid naar de zee.

De inboorlingen, die in Port Resolution wonen, zijn ongeveer 300
in aantal, zij stonden spoedig allen om ons heen en vroegen ons
zonder eenige schaamte of verlegenheid dadelijk om tabak en vooral
om patronen, daar zij in oorlog zijn met de naburige stammen. Maar
niemand van hen had lust, een verbintenis aan te gaan, ten einde
in Nouméa te werken. Zij waren trouwens reeds tot het Christendom
overgegaan en wel tot het protestantsche geloof, en de engelsche
zendeling, die hier resideerde, overreedde hen niet te emigreeren,
daar hij zijn kuddeke gaarne bijeen wilde houden.

Die herder was afwezig bij mijn bezoek; hij bracht in Engeland een
zesmaandsch verlof door, dus kon ik aan zijn sierlijk woonhuis een
bezoek brengen, dat, aan de linkerzijde der haven op een kleinen heuvel
gelegen, groot en ruim van steen was opgetrokken en omringd was met een
veranda en een grooten tuin, door de schaapjes van de kudde in orde
gehouden. Van binnen was het huis deftig en geriefelijk gemeubeld,
en ik vond er een welvoorziene bibliotheek, die den leeraar zeker
in staat stelde, op amusante wijze zijn vrijen tijd te besteden. In
het kort, de installatie liet niets te wenschen over, en ik kon niet
laten, vergelijkingen te maken tusschen deze inrichting en die van
onze fransche zendelingen, die in inboorlingenhutten wonen en wien
het vaak hun prestige kost, dat zij hetzelfde leven moeten leiden
als de inboorlingen.

Wij trokken door het Kanakendorp, dat aan den oever lag en wij konden
er kennis maken met de zeden en gewoonten der bewoners. Bij onze
aankomst lag een van hen op den grond en had zijn hoofd op een klein
houten bankje gelegd; hij liet zich het haar vlechten door een anderen
inboorling in kleine vlechtjes, die in den nek neerhingen. Dit is een
bewerking, die een groote rol speelt in het leven van een inwoner van
Tanna; het duurt een eindeloozen tijd en vereischt een geduld, als
wij in ons oud Europa alleen aantreffen bij de zeer elegante dames,
die zich zoo mooi mogelijk wenschen te maken voor een bal.

Die wilden besteden niet dezelfde zorg aan de bereiding van hun
voedsel. Toen ik er was, zag ik hen op heetgemaakte steenen een
grooten, achtarmigen zeepoliep braden; maar zonder te wachten, tot hij
gaar was geworden, nam één van hen het dier en zette er zijn tanden in,
terwijl een ander er ook naar greep, om zijn deel te krijgen; op een
gegeven oogenblik scheurden de vijf om het vuur gezeten inboorlingen
elkaâr het dier uit de handen en hapten er allen tegelijk in, als
honden, die vechten om een been.

Zij eten ook aardknollen en bananen, en ik zag herhaaldelijk vrouwen,
met die vruchten beladen, zich begeven naar den rechtschen kant der
baai, ze laten de knollen namelijk gaar worden in de heetwaterbronnen,
die er in menigte in het naburig gebergte worden aangetroffen, op welks
top zich de krater bevindt. Die berg vertoont overal veel spleten,
waardoor golven van stoom ontsnappen, gemengd met zwaveldampen. Men
moet zeer voorzichtig zijn bij de bestijging; elk oogenblik loopt men
gevaar te struikelen en in een dier spleten te vallen in onberekenbare
diepte.

Wij gingen met een boot naar de Zwavelbaai, eenige mijlen van onze
ankerplaats verwijderd en zoo genoemd naar de groote hoeveelheid
zwavel, die men er vindt, en die eenige jaren geleden geleid heeft
tot een poging ter ontginning van die terreinen. De baai is gewoonlijk
uitgangspunt van de excursionnisten, die den vulkaan willen bestijgen,
maar de herhaalde aanvallen van de inboorlingen dringen de toeristen,
een talrijk gewapend geleide mee te nemen.

Het was ons niet mogelijk, voor den tocht tijd te vinden en wij
stelden ons ermee tevreden, den vulkaan van het dek van ons schip te
bewonderen. Op de ankerplaats van Port Resolution gevoelden wij zonder
ophouden de schokken door de beving van de zeebedding aan ons anker
meegedeeld of liever aan zijn ketting, en gedurende de vaart van Port
Resolution naar Wassissi, die wij in één nacht volbrachten, konden we
het schitterende licht waarnemen, dat uit den vulkaan uitstraalde en
vele mijlen ver zichtbaar was. Ik genoot van een verheven schouwspel,
toen ik eenige uren leunende tegen de verschansing, enorme steenen zag
uitwerpen, die verscheiden honderden meters hoog werden opgeworpen,
terwijl de gesmolten lava in stroomen langs de helling van den berg
vloeide. Ik kreeg nog vrij wat stof over van het door den vulkaan
uitgeworpen gesteente, en fijne stofdeeltjes drongen zelfs tot in de
scheepshut door.

Wij legden te Wassissi aan in de diepte van een kleine, goed tegen
den zuidoostenwind beschutte baai; twee honderd-vijftig inboorlingen
wonen op deze plaats en leven geheel in wilden toestand. Ofschoon er
zich een engelsche zendeling heeft gevestigd, blijven de inboorlingen
weerspannig tegen zijn leer en nemen zijn raadgevingen niet aan. Van
eenige beschaving is er bij hen nog geen sprake; daarvan is nog
niets tot hen doorgedrongen; men bespeurt dat dadelijk, als men hun
rudimentaire kleeding ziet, zooals zij naar de heerschende mode daar
wordt gedragen. De mannen zijn zoo goed als geheel naakt. De vrouwen
hebben enkel een gordel van pandanusbladeren, die om de lenden is
geslagen bij de vrouwen, die moeders zijn, en de heupen onbedekt laat
bij maagdelijke vrouwen.

Deze inboorlingen, die flink van bouw en zeer sterk zijn, zouden goede
modellen zijn voor een beeldhouwer, sierlijkheid van vormen op prijs
stellend en plastische schoonheid waardeerend. Men ziet zeer zelden
zieken, en lepralijders, zooals er op deze eilanden zooveel voorkomen,
treft men bij hen bijna niet aan; allen zijn ze gespierd en lenig.

Ons verblijf viel samen met den bananenoogst; deze is een voorwendsel
voor openbare feestelijkheden. Wij vonden hier een mast om in te
klimmen, behangen met geschenken, juist als bij nationale feesten in
Europa. Men kiest daarvoor een vrij hoogen boom, aan welks takken
op verschillende hoogten trossen bananen zijn opgehangen. Ieder
inboorling moet tot den top erin klimmen en mag behouden, wat hij
mee weet te nemen.

Ook voor het dansen bieden die feesten eene gelegenheid. Ik kon
tegenwoordig zijn bij de dansen, waarin de schoone sekse in Tanna
zooveel behagen schept. Alle leeftijden nemen er aan deel, van het
kleine kind af, dat nog op de heupen der moeder wordt gedragen, tot het
tandelooze oudje, dat zich zóó de genoegens harer jeugd herinnert. De
dames dragen lappen van alle mogelijke kleuren en vormen een kring,
waarbij bij beurten een vrouw zich afzondert. Zij heft een lied aan,
en de andere danseressen antwoorden, nu eens op haar toe tredend,
dan met sierlijke bewegingen achteruit wijkend. Zoo doen zij een
muziek hooren, die ver van harmonieus is, en waar iemand, die ze voor
't eerst hoort, bijna doof van zou worden.

Ik bleef niet lang in het gezelschap van die nieuw-hebridische
schoonheden, en ik begaf mij naar het strand der zee langs een
voetpad, dat door de aanplantingen van den stam leidde. De velden
waren goed onderhouden; er was geen onkruid te zien, en ze waren
door rijen opgehoopte steenen beveiligd tegen de invallen van
wilde varkens. Midden in het veld vond ik een kleine hoogte, waar
voedingsmiddelen op waren neergelegd, aardappels, knollen, bananen
en visschen. Mijn gids vertelde mij, dat die voorraad bestemd was
voor de godin Teapolo, die den landbouw beschermde. Elke inboorling
zorgt, dat zij hem gunstig is gezind, niet door te bidden, maar door
haar geschenken aan te bieden, dan is hij er van verzekerd, dat zijn
oogst goed zal zijn.

Op het strand aangekomen, ging ik voorbij een klein huis, waarin
ik mannen op matten zag liggen; hun heftig schitterende oogen en
karakteristiek dronkemansuiterlijk deden mij zien, dat zij te veel
hadden genoten van het brouwsel, dat de inboorlingen vervaardigen,
de kawa. Elken avond tegen vier uur moet een jongen van ongeveer
vijftien jaren de wortels van die plant kauwen; hij spuwt het sap
uit in een daarvoor bestemden bak, waar hij het laat gisten. Dat is
de inlandsche drank; ieder dorpeling, die den mannelijken leeftijd
heeft bereikt, mag uit den voorraad drinken en hij heeft het recht,
om in het gemeenschappelijke huis de gevolgen te laten voorbijgaan
van dien sterk bedwelmenden drank, die op de Zuidzee-eilanden zoo
algemeen wordt gedronken. Om de kawa klaar te maken, kiezen ze bij
voorkeur een knaap, wiens gebit volmaakt in orde is; en ik heb hen
een allernauwkeurigst onderzoek zien instellen naar zijn kaken,
om te zien, of geen zijner tanden was aangestoken.

Te Wassissi heb ik voor de eerste maal gebruik moeten maken van het
gezag, dat mij mijn functie als commissaris der regeering verschafte,
om het nieuwe reglement, betreffende de emigratie, tot uitvoering te
brengen. Ziehier, in welke omstandigheden. De super-cargo van ons schip
had twee vrouwen gerecruteerd. Maar pas was ik aan boord teruggekeerd,
of een Kanaak kwam een van haar, Yamé genaamd, opeischen. Hij beweerde,
dat zij zijn vrouw was, en dat hij haar niet mee wilde laten gaan
naar Nouméa, terwijl hij aanbood, den prijs voor haar ontvangen, terug
te betalen. Ik ondervroeg Yamé, die mij antwoordde, dat die man haar
echtgenoot niet was; zij weigerde categorisch weer aan wal te gaan.

Ondanks de smeekingen van den Kanaak en de tranen, die hij in massa
stortte, ondanks de ontroering, die den man overweldigde, bleef Yamé
onverbiddelijk en hield hare ontkenning vol. Toch vertrouwde ik haar
woorden niet recht en ging informeeren bij de andere Kanaken. Zij
vertelden mij, dat zij wèl zijn vrouw was, en dat zij zijn toestemming,
om te mogen vertrekken, niet had gevraagd. Ik heb toen haar engagement
moeten schrappen en moest haar teruggeven aan haar heer en meester. Ik
vrees zeer, dat de ontvangen stokslagen haar niet zullen hebben
genezen van haar zucht naar vrijheid en onafhankelijkheid. Maar de
meest elementaire voorzichtigheid eischte, dat die vrouw aan haren
man werd teruggegeven; maar al te dikwijls hebben de aanvallen
op Europeanen tot oorzaak gehad een roof van weggevoerde Kanaken,
zonder toestemming van den stam ontvoerd; onze opvolgers aan deze
kusten zouden aan weerwraak hebben blootgestaan, en ons gedrag zou
die dan hebben uitgelokt.

Na Wassissi te hebben verlaten, voeren wij langs de noordelijke helft
der oostkust van Tanna en om kaap Lamtahim heen, die bewoond werd
door een onrustigen stam; wij hadden het voornemen, op de westkust
het anker te laten vallen bij Sangalli. De invloed van den vulkaan
is in dit deel van het eiland minder merkbaar; men bespeurt nog in
de verte de wolk van rook, die Tanna steeds bedekt houdt en in niet
onbelangrijke mate de meteorologische toestanden er wijzigt; alle
voorspellingen der zeelui omtrent het te verwachten weder brengt die
rook in de war. Maar het stof, dat uit de opening naar buiten komt,
vliegt niet tot deze plek en verbrandt er de planten niet, terwijl
de plantengroei er inderdaad vrij weelderig is en den top der heuvels
zelfs bedekt.

Aan deze kust waren niet veel menschen; men moet tot aan het Zwarte
Strand gaan op de westkust, om eenigszins belangrijke volksstammen
te ontmoeten. Ik ging hier aan wal op den oever van een rivier, waar
zoet water in overvloed te krijgen was; de gelegenheid was gunstig, om
een uitstapje in het binnenland te doen. Een kronkelend pad volgend,
dat door den regen van de voorafgaande dagen glibberig was geworden,
ging ik door een dicht bosch, waar geen zonnestraal doordrong; de grond
was er zeer vruchtbaar en humus was er in een laag van aanmerkelijke
diepte afgezet. In een meer of minder ver verwijderde toekomst zal
dit plekje een geschikt punt van uitgang zijn voor een proef met
een landbouwkolonie; de uitstekende ankerplaats, de betrekkelijke
gezondheid van de plaats, het goede rivierwater, dat men er heeft,
en eindelijk de rijkdom van het land, al die omstandigheden zijn bij
uitstek gunstig voor het welslagen van een europeesche kolonie.

Weldra naderden wij Sangalli, waar wij eenige dagen dachten te
blijven. De ankerplaats was er niet uitstekend; van het dek van ons
schip konden wij de overblijfselen zien van de engelsche stoomboot
_Fijian_, die in 1887 schipbreuk heeft geleden; de passagiers hebben
zich kunnen redden, maar het schip was geheel verloren en de lading
werd door de inboorlingen geplunderd. Onze reeder verschaft zich er
tegen lage prijzen voorwerpen van europeesch maaksel, als messen,
couverts, groote en kleine lantaarns en allerlei levensmiddelen.

Zoodra de _Lady Saint Aubyn_ het anker had uitgeworpen, zagen wij het
hoofd Gemmy aankomen, wel bekend bij de kooplieden. Met een in flarden
gescheurd hemd aan, zonder broek, met een pijp in den mond en op het
hoofd een gibus, stapte hij aan boord, om ons zijn diensten aan te
bieden tegen betaling. Het gezicht van een flesch jenever bracht een
glimlach op zijn dikke lippen, en 't ontvangen van een geweer zette
zijn blijdschap de kroon op.

Wij hebben ons over zijn gedrag niet te beklagen gehad, en uit zijn
stam konden wij enkele arbeiders tot meegaan bewegen. Maar hij had
zich ons verblijf ten nutte weten te maken, en de herinnering aan
onze goedgeefschheid zal lang levendig bij hem blijven. Zoolang wij
daar bleven, werd hij aan onze tafel toegelaten, en hij trok er de
aandacht, zoo niet door uitgezochte zindelijkheid, dan toch door
een onverzadelijken eetlust en onleschbaren dorst. Hij zag ons met
leedwezen vertrekken en gaf ons zelfs de plechtige belofte, schitterend
wraak te zullen nemen op een van zijn buren, een aanzienlijk hoofd,
Maki geheeten, wiens onverwachte aanval ons haastig tot vertrek had
doen besluiten.

Ziehier, wat er gebeurd was. In den namiddag tegen 4 uur, terwijl
een onzer walvischsloepen bezig was te recruteeren op de zuidwestkust
van het eiland Tanna beneden Sangalli, had de andere sloep zich naar
de noordwestkust begeven. Deze laatste was aan land gegaan juist op
de plek, waar de _Fijian_ schipbreuk had geleden. Plotseling werden
verscheiden geweerschoten gelost door de inboorlingen op het strand;
een matroos kreeg een kogel in het linkerbeen,  zoodat hij drie dagen
later aan tetanus stierf. De boot keerde dadelijk naar boord terug, na
eenige geweerschoten te hebben gewisseld met de aanvallers. Ik stelde
een onderzoek in. Het hoofd van den vijandelijken stam beweerde,
dat een vrouw uit zijn dorp was gevlucht en zich op ons schip had
verborgen. Hij was in den morgen er geweest, om haar te zoeken, en
toen hij haar niet had kunnen vinden, vertrok hij in de overtuiging,
dat wij haar hadden verborgen.

Hij was weer naar den wal gegaan en had ons aangevallen, om zich
te wreken over een roof, dien wij niet hadden gepleegd. Overigens
werd deze kust altijd als hoogst gevaarlijk aangewezen; de _Nouméa_,
de _Télégraphe_ en nog een schip uit Queensland hadden herhaaldelijk
zich over de inboorlingen te beklagen.

Bij zulk een reis ter afsluiting van huurcontracten met inboorlingen
is het voorzichtig, zoo gauw mogelijk te vertrekken, als dergelijke
gevallen zich voordoen, want dat zijn slechte voorteekenen. Het
schijnt, dat er dan dadelijk een teeken wordt gegeven, dat het geheele
eiland over wordt verstaan en dat het consigne blijkt, om alle verkeer
tusschen de vreemdelingen en den vasten wal te breken.

Wij maakten ons dadelijk zeilklaar en verlieten Tanna, na even Kwamera
te hebben aangedaan in het Zuiden van het eiland. De inboorlingen
zijn er rustig, en zijn bekeerd tot het protestantisme. Zij doen
aan landbouw, dus konden wij er allerlei voorraad opdoen, oranjes en
bananen, suikerriet en knollen.

Wij wendden ons naar het eiland Erromango, dat 35 mijlen ongeveer
van Tanna was verwijderd. Een krachtige zuidoostenwind bracht ons
weldra in het gezicht der westkust, en om elf uur 's avonds voeren
wij de Cooksbaai binnen, na om de Verraderskaap te zijn heengezeild,
zoo genoemd door den beroemden engelschen zeevaarder, die er door de
inboorlingen werd aangevallen. Wij bleven den geheelen nacht onder
zeil; de baai is zeer weinig beschut en men kan er dus enkel bij
windstilte landen, terwijl men ieder oogenblik gereed moet zijn,
weer zee te kiezen.

Om zeven uur 's morgens zette een boot ons in de buurt van het dorp
aan land; die kust is nog al bevolkt en wij merkten drie stammen op,
aan de baai gevestigd. Eertijds waren de bewoners zeer gevaarlijk en
zonder op te klimmen tot den aanval, waaraan Cook indertijd blootstond,
zou ik kunnen herinneren aan den zendeling Gordon, die er in 1869
gedood werd met knotsslagen, en nog korter geleden aan de bemanning
van een engelsch schip, die er in 1875 vermoord en opgegeten werd.

Bij ons bezoek liepen vreemdelingen niet meer zooveel gevaar;
de invloed van den zendeling, aan de oostkust gevestigd in de
Dillonbaai, heeft zich tot hier doen gevoelen; hij heeft in de dorpen
enkele scholen gesticht, en de onderwijzers brengen den inboorlingen
beschavingsdenkbeelden bij. Wij kunnen dus onbevreesd aan land gaan
en met hen betrekkingen aanknoopen.

Wij kwamen op een Zondag in de Cooksbaai; de inboorlingen, al half
bekeerd, hadden hun mooiste kleederen aangetrokken; mannen en vrouwen
hadden de nationale kleeding, bestaande uit een lapje of gordel van
pandanenbladeren, vaarwel gezegd. Nu dragen beide seksen hemden en
broeken, en de jonge dames van Erromango zijn hoogelijk ingenomen met
gekleurde jurken, hoeden met veêren en zelfs met het corset. Ik geloof,
dat de winkels van Nouméa hier al hun overtolligheden slijten. Zoo dan
al het schaamtegevoel bij deze transformatie der zeden heeft gewonnen,
in schilderachtigheid zijn die menschen er niet op vooruitgegaan. De
originaliteit dezer eilanden gaat langzamerhand te niet, en weldra
zal de beschaving den eigenaardigen stempel hebben doen verdwijnen,
die hen nog onder de aandacht deed vallen.

Onze werving had er niet veel succes; een enkele inboorling wilde
meegaan naar Nouméa; maar hij vroeg, of het schip voor anker wilde
blijven liggen, want hij kon geen contract sluiten op Zondag; hij
mocht geen betaling aannemen op een dag, die geheel en al moet zijn
gewijd aan overdenking en godsdienstoefening.

Weldra verlieten wij deze streken, die reeds al te beschaafd waren,
en in de richting van de Dillonbaai varend, volgden wij de noordkust
van het eiland en een gedeelte van de westkust.

Erromango zag er meer begroeid uit dan Tanna, het eiland is boschrijker
en niet zoo vulkanisch en bergachtig als het andere, er zijn wel
enkele heuvels in het binnenland; maar men heeft er ook vlakten waar
aan veeteelt zou kunnen worden gedaan. Daarbij is het eiland goed
besproeid, en de kust is gemakkelijk toegankelijk.

Als men bij de Dillonbaai komt, ontdekt men aan den oever der rivier
de prachtige installatie van den protestantschen zendeling R., die
sedert 1872 op het eiland woont; in de buurt is een kerk gebouwd, waar
men op een houten bord kan lezen, welke feiten Engelands aandacht op
dit eiland hebben gevestigd en het zoo bekend hebben gemaakt. Sedert
1839 zijn vijf anglicaansche zendelingen gedood door inboorlingen
uit Erromango.

Langen tijd ging dit eiland door voor het gevaarlijkste van
de groep der Nieuwe Hebriden. De Kanaken werden voorgesteld
als de bloeddorstigste en gevaarlijkste wilden uit den geheelen
archipel. Vijftig jaren geleden ongeveer kwamen op Erromango veel
Europeanen; in de Dillonbaai kan men nog de overblijfselen vinden
van eene belangrijke vestiging, bestemd voor de exploitatie van
sandelhoutaanplantingen. Die werkte er van 1855 tot 1864, en van dien
tijd dagteekent de vijandige gezindheid, bij de bewoners opgemerkt,
waardoor niet alleen onder de zendelingen, maar ook onder de toevallig
aankomende zeevaarders zooveel slachtoffers zijn gemaakt.

Inderdaad werpen de handelingen, door de houtinzamelaars volbracht,
om arbeiders te krijgen, hun blijkbaar kwade trouw bij het sluiten
van handelsovereenkomsten, de moord op veel inboorlingen voldoende
licht op de daden van geweld, door de inboorlingen begaan, en op de
weerwraak, door hen genomen op onschuldigen, met hun leven boetend
voor de misdaden van anderen.

Aan boord van ons schip luisterde ik naar de mededeelingen van
onzen werver F., die vroeger ambtenaar was in een exploitatiezaak van
sandelhout, en hij zei tot mij: "Als dit eiland Erromango spreken kon,
zou het dingen kunnen vertellen, die iemand de haren zouden doen te
berge rijzen".

Het scheen mij toe, dat de bevolking er minder dicht was dan op
Tanna; volgens ter plaatse ingewonnen inlichtingen heeft men er
ongeveer 2500 inwoners, waarvan 1200 tot het Christendom bekeerd
zijn en 1300 nog heidenen zouden wezen. Maar de vorderingen, die
de zendeling R. maakt, zijn niet weg te cijferen, en langzamerhand
dringt zijn invloed door tot in de afgelegenste gedeelten van het
eiland. Zoo heeft hij drie-en-dertig kleine zendingsposten in 't
leven kunnen roepen, geleid door een dergelijk aantal vermaners,
en toen ik er was, had hij reeds 150 kinderen gedoopt.

Ik hoop, dat deze pogingen tot het maken van proselieten volkomen
slagen; zij zullen mogelijk de ontvolking van het eiland tegengaan,
waar sinds dertig jaren het aantal bewoners van 3000 tot 2000 is
gedaald. Ik heb kunnen waarnemen, dat de inboorlingen van Erromango
minder forsch zijn dan die uit Tanna. Hun gestalte is kleiner, hun
kleur donkerder; ze zijn magerder en hebben een minder gezond gestel
dan hun buren; de wapens, die zij gebruiken, als bogen en pijlen en
knotsen, zijn kleiner en geheel in overeenstemming met den tengerder
lichaamsbouw, die bij alle bewoners valt op te merken.

Uit het oogpunt van het intellect, komt dit ras mij het minst
ontwikkeld voor van die, welke ik nog in den archipel heb ontmoet. De
inboorlingen beoefenen in 't geheel geen industrie, en hun verstand
is niet ontwikkeld. Men bemerkt, dat zij den invloed niet hebben
ondervonden van de Polynesiërs, die op de andere eilanden de
autochthone bevolking hebben opgeheven, haar nieuw bloed hebben
bijgebracht en haar in alle opzichten hebben vooruitgeholpen. De Kanaak
uit Erromango is nog de zuivere Negrito of wel de Papoea, die nog in
niets is veranderd, die vrij gebleven is van elken vreemden invloed
en een der laagst staande rassen vormt van de groote menschenfamilie.

De gezondheid van 't klimaat op het eiland is verschillend op de oost-
en de westkust; de Cooksbaai lijkt gezond en wel geschikt voor eene
europeesche vestiging; maar daarentegen hebben mijn tochten in en om
de Dillonbaai mij overtuigd van de ongunstige ligging dier plaats. Het
dal is vruchtbaar, en de rivier brengt zoet water aan in overvloed,
maar miasmen worden ontwikkeld op de moerassige oevers der rivier, en
de baai ligt te zeer beschut voor de heerschende zuidoostenwinden. Het
verbaasde mij niet, dat de heer R. en zijn gezin ziek waren tijdens ons
bezoek en zich genoodzaakt hadden gezien, tot herstel van gezondheid
de australische koloniën op te zoeken.

Van Erromango voeren wij naar het Noordwesten en stevenden naar het
eiland Vaté of Sandwich, waarvan wij ongeveer 70 mijlen verwijderd
waren. Het deed mij genoegen, dit eiland nogmaals aan te doen;
vier jaren geleden was ik er een half jaar gestationneerd geweest
met nog een luitenant en vijftig soldaten. Dat was in den tijd,
toen Frankrijk den archipel in bezit had genomen en posten had
gevestigd te Vaté en te Mallicolo. Maar het verzet van Engeland en
van de presbyteriaansche zendelingen leidden tot de ontruiming van
het land door onze troepen, en ik had met leedwezen moeten aanzien,
hoe onze driekleur er was verdwenen.

Twee dagen, nadat wij Erromango hadden verlaten,  verkenden wij het
Sandwicheiland. Cook beschouwde het als de parel van de groep der
Nieuwe Hebriden en het verdient dien naam, terwijl de beschrijving,
die hij ervan geeft, zich niet aan overdrijving schuldig maakt. Dit is
het voor den landbouw 't best geschikte eiland; men vindt er breede,
goed besproeide dalen, waar de grond verrassend rijk en vruchtbaar
is; de heuvels dragen niet veel bosschen, maar er zijn weidenrijke
plateaux, en op veel plaatsen wacht de grond er maar op, in cultuur
te worden gebracht, om de overvloedigste oogsten te leveren. De
kolonist behoeft hier geen voorbereidenden arbeid te doen, hij vindt
een ontgonnen terrein en dadelijk na zijn aankomst kan hij er maïs
en koffie gaan planten. De noordwestkust is rijk aan zeer goede,
veilige havens; alleen voor de oostkust ligt een gevaarlijke klip,
maar die is best te vermijden.

Wij voeren de Pangobaai binnen en zouden bij Port Vila voor anker gaan,
een haven, zoo ruim, dat er wel een vloot in geborgen kon worden. Het
is 't belangrijkste punt van de groep der Nieuwe Hebriden, bestemd
voor eene groote toekomst, en nu reeds neemt het een eerste plaats in,
wat handel en landbouw betreft.

Port-Vila is dan ook de hoofdstad der Nieuwe-Hebriden, centrum van
de kleine, fransche kolonie, die de natuurlijke schatten van den
grond exploiteert en deze eilanden, die zoo rijk en productief zijn,
voor Frankrijk wil trachten te winnen. De naam Franceville, die der
plaats ook wel wordt gegeven, herinnert aan het moederland en aan de
gevoelens, die onze landgenooten koesteren voor Frankrijk, waarvan
zij door 6000 à 7000 mijlen land en zee gescheiden zijn.

Ondanks hunne grootere getalsterkte zijn de inboorlingen als verloren
onder de blanken, die Port-Vila bewonen; zij zijn voor 't grootste
deel verwezen naar de twee eilanden Vila en Mélé, die wij tijdens
ons verblijf alhier nog willen bezoeken.

Vijftig Europeanen ongeveer wonen te Franceville; zij behooren
tot verschillende nationaliteiten; men ziet er Franschen, Zweden,
Engelschen, Noren, Amerikanen en Duitschers. Allen doen aan landbouw
en drijven handel.

Ons eerste bezoek gold den agent van de _Compagnie Calédonienne_,
die te Anabroe woont. Die maatschappij, in 1882 opgericht, heeft veel
grondgebied verworven in den Archipel; zij heeft kantoren ingesteld
op de verschillende eilanden en houdt zich ernstig bezig met het
stichten van landbouwkoloniën.

De vertegenwoordiger van de maatschappij, de heer A., stelde
vriendelijk een paard te mijner beschikking, en zoo kon ik een prettig
wandelritje doen door de aanplantingen; er gingen verscheiden uren met
een rit over de plantages heen. Tegenwoordig zijn reeds 30000 H.A. in
cultuur; 120000 koffieboomen geven een jaarlijksche opbrengst van
40 tonnen en 1000 kokospalmen zullen het volgend jaar voor 't eerst
vruchten leveren.

Het was een waar genoegen, het binnenland van Vaté of het
Sandwich-eiland in te gaan, dat vroeger geheel aan de inboorlingen
was overgelaten en nu bijna uitsluitend door Europeanen is bezet,
die de natuurlijke hulpbronnen er exploiteeren; daar zijn er onder
hen, die zich met geduld en volharding een zoo niet schitterende,
dan toch zeer dragelijke positie hebben veroverd.

Zoo kwamen wij te Freshwater, reden door bananenaanplantingen,
die zeer winstgevend zullen zijn, zoodra de kolonisten de vruchten
ter markt zullen kunnen brengen te Sydney en te Melbourne en dus
met voordeel zullen kunnen wedijveren met de voortbrengers op de
Fidsji-eilanden. Na de Freshwaterrivier te zijn overgegaan, bereikten
wij het dorp Tagabé, door onze landgenooten bewoond. Zes jaren geleden
ongeveer liet een fransche kolonisatie-maatschappij naar Port-Vila
een groep kolonisten uitgaan, die lust hadden in landverhuizing en
die elders eens hun fortuin wilden beproeven. Sommigen werden al
gauw ontmoedigd en keerden naar het moederland terug; anderen, die
zich niet lieten afschrikken door tegenspoed en inspanning, bleven en
hebben ten laatste het welvarende dorp gesticht, dat er nu is verrezen.

Elk van hen heeft een kleine bezitting, waarop hij een huisje heeft
gebouwd met bijgebouwtjes voor varkens en kippen; enkele woningen
waren artistiek versierd; er was een engelsche tuin aangelegd met
nette paden, grasvelden en keur van bloemperken.

Allen leefden van de opbrengst van hun land; hun koffieaanplantingen,
en de bouw van bananen en maïs leverden hun een welstand, die hun
in Frankrijk niet zou zijn te beurt gevallen; hun bestaan is vrij en
onafhankelijk en kent geen dwang van conventie of mode, waardoor in
Europa zooveel individueel initiatief wordt tegengehouden.

Ik kwam te Franceville terug en begaf mij naar de woning van den
ouden maire dier plaats, den heer C. De blanken te Port-Vila vormen
inderdaad een afzonderlijke groep, met een burgemeester en verdere
ambtenaren, die de aangelegenheden van openbaar belang behartigen; de
quaesties omtrent de wegen, de reiniging, de haven worden bestudeerd,
en binnen korten tijd zal men goede rijwegen te Port-Vila hebben,
leidend naar andere centra van kolonisatie.

Er is zelfs sprake van, een weg te leggen naar  den anderen kant
van het eiland, naar Port-Havannah, en het zal een weg zijn voor
allerlei vervoermiddelen geschikt. Zoo vertelt mij de heer C., dien
ik reeds had leeren kennen op een vorige reis. Hij noodigde mij uit,
zijn bezitting te gaan zien, die in de laatste jaren aanmerkelijk was
vergroot, en stelde mij voor, den volgenden dag met hem een uitstapje
naar het inlandsche dorp Mélé te maken. Ik nam het aanbod gretig aan,
was precies op tijd op de afgesproken plaats, namelijk om zes uur
's morgens voor den winkel van de Maatschappij der Nieuwe-Hebriden.

Wij deden den tocht te paard. Port-Vila is het eenige punt op de
Hebriden, waar men van die beweegkracht gebruik kan maken; er zijn
sinds eenige jaren paarden ingevoerd van het eiland Norfolk. Zij
bewijzen er groote diensten, want nu kunnen de kolonisten te paard
hunne uitgebreide plantages bezoeken. Bij 't verlaten van Port-Vila
kwamen wij in een bosch, waarvan de dichte boomen den mooien weg, die
naar het dorp Mélé leidde, heerlijk tegen de brandende zonnestralen
beschutten.

Na een half uur verlieten wij het bosch en kwamen uit vlak
bij de Pangobaai, waar rustig ons schip, de _Lady Saint Aubyn_
lag. Wij volgden het strand, en na nog een paar plantages te hebben
bezichtigd van zweedsche families, die er reeds vijf-en-twintig jaren
woonden, kwamen we bij een open ruimte, waar vijf- of zeshonderd
inboorlingen schreeuwden en gesticuleerden en zich aan allerlei
lichaamsverdraaiingen te buiten gingen.

Dat waren de bewoners van het dorp Mélé, die door hun dansen den
aardknollenoogst vierden. In rood en in wit katoen gekleed, met
veêren in het haar en een rood en zwart beschilderd gezicht, ieder
met een knots en een paar messen gewapend, stonden ze in vier of vijf
gelederen en kwamen al zingend naar voren, met de voeten trappend op
de maat van inlandsche trommels.

Hun muziekinstrumenten zijn allermerkwaardigst; 't zijn holle
boomstronken, vastgezet in den grond, met gaten er in geboord,
die onderling verbonden zijn door verticale spleten; van boven zijn
ze versierd met allerlei snijwerk, dat een voorstelling geeft van
vogels en andere dieren, schepen enz. Door op die trommels te slaan
met stevige stokken, weten ze vrij afwisselende geluiden in de maat
voort te brengen.

Die dansen en die muziek zijn zeer gewild bij de inboorlingen der
Nieuwe-Hebriden; bij elken stam zijn er, evenals in onze fransche
dorpen, enkele jongelui, die den boel aan den gang maken en de feesten
geanimeerd houden; zij zijn ongevoelig voor vermoeienis en warmte,
en altijd gereed, om opnieuw te beginnen.

Alleen over dag houden zij zich met die genoegens bezig, en een uur na
onze aankomst hielden de dansen op en de inboorlingen keerden naar hun
hutten terug. De dansen werden telkens aangemoedigd door grijsaards,
die op den grond zaten en nu en dan opstonden, om de vermoeiden te
laten drinken en de drukst dansenden te complimenteeren.

Zij, die op het eiland Mélé zich met die dansen bezighielden, woonden
niet op het hoofdeiland maar op een klein dor eilandje in de baai, waar
bijna geen water en geen groen te vinden waren. Daar vertoeven zij en
gaan alleen aan wal, om hun velden te bebouwen. Wat zou de oorsprong
van dit gebruik zijn? Waarom hebben zij zich afgezonderd? Ik zou het
niet kunnen zeggen, en ik denk, dat zij in vroeger tijden in strijd
zijn geraakt met de naburige stammen en dat ze zich op het eilandje
moesten verschuilen voor de aanvallen van hunne tegenstanders.

Wij volgden hen, en door een bootje overgebracht, gingen we bij hun
woningen aan wal. De bevolking van het eiland Mélé schijnt nog niet
spoedig te zullen uitsterven; wij werden omringd door kinderen van
elken leeftijd, jongens en meisjes, die elkander duwden en stieten,
om ons beter te zien. De kleine kinderen waren geheel naakt en
betrekkelijk vrij zindelijk, als wij ze vergeleken met de bewoners
van Tanna en vooral van Erromango. Overigens verschilt dit ras van
dat der andere eilanden, zoodat ik er wel toe geneigd ben, voor
waar aan te nemen de traditie, die wil, dat Mélé bevolkt is geworden
tachtig jaren geleden door een schip, dat van Nieuw-Zeeland kwam en
schipbreuk leed in de Pangobaai. Hun physieke eigenschappen, hun taal
en ook hun gewoonten herinneren sterk aan die der Polynesiërs.

Wij verlieten die eilandbewoners en kwamen op het groote eiland terug,
waar wij onze paarden terugvonden, rustig grazend onder de hoede van
een paar Kanaken. Een vlugge galop bracht ons in anderhalf uur naar
Franceville terug.

Zoodra ik aan boord was, maakte ons schip zich voor het vertrek gereed,
nadat wij afscheid hadden genomen van de beminnelijke kolonisten van
Port-Vila, en de _Lady Saint Aubyn_ zette koers naar Port-Havannah,
de belangrijkste plaats van het eiland Vaté na Port-Vila. Wij zeilden
met moeite om de Duivelskaap heen, die de noordwestelijke begrenzing
van de Pangobaai vormt; het was nog al een gevaarlijk punt vanwege
een klip, die ver in zee vooruitstak. Op die klip was kort te voren
een schip van de Nieuw-Hebridische Compagnie vergaan.

We voeren voorbij kaap Tu-ku-tu, bewoond door een fransche familie, die
een landbouwkolonie bestuurt; koffieboomen en kokospalmen en bananen
waren in de laatste jaren daar aangeplant, zoodat die bezitting een der
belangrijkste van de Nieuwe-Hebriden belooft te zullen worden. Het is
een doel voor uitstapjes van toeristen uit Port-Havannah, die zeker
zijn, door den heer H. goed te worden ontvangen.

Uit wat ik hier heb meegedeeld, kan de lezer wel afleiden, dat een reis
naar het eiland Vaté niet lastig of moeilijk is; de Europeanen, die er
wonen, zijn blij, eens gastvrijheid te kunnen bewijzen aan iemand, die
hun een bezoek brengt. De inboorlingen zijn er zachtzinnig en vreedzaam
en beschouwen de Europeanen volstrekt niet met een wantrouwend
oog. Ongelukkig kan deze beschrijving alleen voor het eiland Vaté
gelden. Op de andere eilanden der groep, bij voorbeeld op Tanna en
Erromango, ontmoetten wij slechts wilde, gevaarlijke inboorlingen,
en men moet dan uiterst voorzichtig zijn bij de betrekkingen, die men
wel genoodzaakt is met hen aan te knoopen, want elk oogenblik kan er
een moeilijkheid ontstaan, die den reiziger herinnert aan de waarheid,
dat deze archipel, dien hij bezoekt, gelegen is aan den anderen kant
van de beschaafde wereld.

Zoodra men Tu-ku-tu voorbij is, bemerkt men het eiland, dat het
Hoedeiland wordt genoemd naar den vorm, dien het met zijn laag gebergte
vertoont, of dat ook wel het Entrée-eiland heet, omdat het den weg
aangeeft, welken men heeft te volgen naar Port-Havannah,

Wij voeren de Zuiderstraat of de Groote Straat binnen, en na enkele
oogenblikken bemerkten wij aan het kalme water en den getemperden wind,
dat we in een goed beschutte haven waren binnengekomen. Port-Havannah
was nog niet duidelijk te zien. Wij ontdekten de eilanden Déception
en Protection, die aan alle zijden de haven omsluiten, maar de huizen
der kolonisten en hun winkels waren nog niet te zien. Die gebouwen
werden verborgen door de kaap, die Kaap van het Witte Zand heette. Daar
woonde de engelsche presbyteriaansche zendeling Mac., wiens geest zoo
weinig evangelisch is gestemd en die een zoo krachtigen haat tegen
Frankrijk koestert.

Wij lieten aan stuurboord die kaap liggen, waar de engelsche vlag boven
wapperde, en bemerkten weldra de eerste huizen van Port-Havannah. Wij
ankerden tegenover de magazijnen van de Caledonische Maatschappij. Ik
zag deze plaats met genoegen terug, waar ik zes maanden van mijn
leven had gesleten met dappere soldaten, die door moeraskoortsen
gekweld werden, maar die trotsch waren, het eerst de driekleur op
deze eilanden te hebben geplant.

Onze nationale vlag heeft er echter slechts eenige maanden gewapperd;
zij heeft zich moeten terugtrekken voor britsche aanmatiging, en wij
hebben het moeten bijwonen, dat de huizen verwoest werden, waar onze
matrozen hadden verblijf gehouden. Nu zag ik er geen spoor meer van.

De groote vlakte, waar Port-Havannah was gelegen, zag er niet meer
zoo druk en levendig uit als vroeger; de belangrijkheid van het
punt was sterk verminderd in de laatste jaren, en de handels- en
landbouwinrichtingen zijn nu alle geconcentreerd te Port-Vila.

Toch scheen deze haven eens een groote toekomst te gemoet te gaan. De
reede is veilig; de vlakte wordt bespoeld door twee rivieren, die
zoet water van uitstekende hoedanigheid leveren; er zijn weiden, die
voldoende voedsel geven voor de honderd-vijftig stuks vee, welke er
grazen onder de hoede van eenige inboorlingen.

Ik ontmoette te Port-Havannah mijn ouden vriend Mackintosh, hoofd van
het Déception-eiland; hij vertelde mij eenige van zijn gouvernementeele
rampen. Hij stond oudtijds aan het hoofd van een belangrijken stam,
waarover hij een volstrekt en onbeperkt gezag uitoefende; sedert
de engelsche zendeling is aangekomen, hebben zijn onderdanen hem
langzamerhand in den steek gelaten en ze zijn gaan wonen in het dorp
bij het huis van den heer Mac.

Wij konden niet hopen, veel contracten te sluiten met de inboorlingen
van Vaté; ze zijn tot het Christendom bekeerd en wel tot de denkbeelden
der presbyteriaansche zendelingen; die laatsten beletten hen het
landverhuizen en houden het op alle manieren tegen, dat de jonge lieden
van daar gaan. Zij vreezen, dat het reizen hen onafhankelijker zal
maken en den invloed zal verkleinen van de predikers der christelijke
leer. Alleen de bewoners van Lélépa op het Protection-eiland bleven
ongevoelig voor de vermaningen van den anglicaanschen zendeling en
behielden ondanks alles het geloof hunner voorouders.

Het werk der zendelingen, de invloed der Europeanen en de herhaalde
aanraking der inboorlingen met de blanken hebben het moreele
en intellectueele peil der bewoners van het Sandwich-eiland doen
stijgen. Hun materieele leven is er niet weinig op vooruitgegaan en
hun maatschappelijke verhoudingen zijn tevens verbeterd. Toch zien wij
hier, evenals op Nieuw-Caledonië, een geleidelijke vermindering van
het ras der Kanaken; stammen, die ik in 1887 had ontmoet, bestonden
niet meer, en het blijkt maar al te duidelijk, dat deze Zuidzeevolken
onvermijdelijk ten ondergang zijn gedoemd. In acht-en-twintig jaren
is het bevolkingscijfer van 8000 op 3500 gedaald.

Mijn bezoek bij het hoofd Mackintosh van het Déception-eiland heeft
mij in die meening niet weinig versterkt; die vervallen grootheid
bracht mij naar de plek, waar zijn stam had gewoond, op den top van
den hoogsten heuvel van het eiland. Wij kwamen er langs een lastig
voetpad, dat naar een nu verlaten dorp geleidde, waar vroeger een
volkrijke vestiging was. We zagen er een twintigtal verlaten en in
puin vallende hutten. Een enkel huis had weerstand geboden aan den
tijd, en merkwaardig genoeg was dat juist het huis, dat het meest
iemand moest interesseeren, begeerig om de zeden der inboorlingen
te leeren kennen, nu die zeden en gewoonten langzaam, maar zeker,
te loor gaan bij de aanraking met de blanken.

In dit huis toch hadden vroeger de tooneelen plaats, die dit eiland
om zijn kannibalisme zoo berucht maakten. Mackintosh diende mij
tot gids en wees mij op de balken, die het dak steunden. Zij waren
gebeeldhouwd aan hun uiteinde en vertoonden de vormen van vogels,
bijlen, messen en andere figuren. Het hoofd vertelde mij, dat aan
elk dier figuren de herinnering aan een kannibalenfeest verbonden was.

Sedert de komst der Europeanen zijn die treurige gewoonten geheel
verdwenen; maar ik zou bijna durven beweren, dat Mackintosh, zoo
afkeerig van vreemden invloed, dien goeden, ouden tijd betreurt en
met genoegen den tijd zou zien terugkeeren, toen zijne onderdanen
nog niet hun culinaire gewoonten hadden veranderd.

In 1872 werd op het eiland Hinchinbrock, niet ver van het
Sandwicheiland, nog een Maleier gedood en opgegeten.

Wij verlieten het Déceptioneiland, om den Lélé-Pastam te bezoeken,
die op de zuidelijke punt van het Protectioneiland woont; wij zagen
er inboorlingen,  die wenschten scheep te gaan bij ons, om het werk
van matrozen te verrichten; het zeemansleven behaagde hun zeer, maar
zij weigerden hun land te verlaten, om bij den landbouw of bij het
werk in de mijnen te worden gebruikt. Men ziet er dus niet velen in
Australië of Nieuw-Caledonië.

Zij hebben hun plantages op het Sandwicheiland tegenover het
Protectioneiland en drijven handel in aardvruchten met de kolonisten
van Port-Vila en Port-Havannah; wij kochten er eenige matten en
armbanden van hout en schelpen. De kleeding der bewoners bestond
slechts uit een gordel van pandanusbladeren; als versiering droegen
ze een varkenstand, met een touwtje om den hals vastgebonden, of ook
wel een oesterschelp.

Zij leefden in vrede met de naburige stammen, stonden ons met genoegen
de wapens af, die hun voorvaderen hadden gebruikt en verkochten ons
een voorraad messen en pijlen met in het vuur geharde punten.

Gedurende onzen terugkeer naar Port-Havannah bezochten wij het
Rahni-station. Het was vroeger een belangrijke bezitting, waar veel
koffie en maïs werd verbouwd; er waren vruchtboomen geplant en ondanks
verwaarloozing gaven ze nog heerlijke vruchten. Het Sandwicheiland
is inderdaad in 't bijzonder bedeeld met natuurschoon, en de grond
brengt er mildelijk allerlei tropische producten voort.

Er zou niet veel inspanning worden vereischt, om aan Rahni zijn
oorspronkelijken bloei terug te bezorgen; de grond is ontgonnen en
men zou zonder veel moeite het huis, dat nu vervallen is, kunnen
herstellen; een gezin van jonge, werkkrachtige menschen zou er zich
kunnen vestigen en er een landbouwkolonie stichten. Men zou dan het
eerste pionierswerk niet meer behoeven te doen, dat het budget van den
kolonist vaak al te zeer drukt en geen onmiddellijk voordeel aanbrengt.

Wij gingen de woning van den engelschen zendeling voorbij en bespeurden
weldra het huis, dat ik in 1887 bewoonde en dat langen tijd het
eenige bewoonde verblijf op het eiland Vaté was. Vroeger waren er
geïnstalleerd geweest een familie uit Australië deze menschen wilden
beproeven, er katoen en indigo te verbouwen.

Er werden groote werken uitgevoerd en zelfs werden met enorme kosten
stoommachines overgebracht uit Sydney. Eenige jaren lang scheen het,
of Port-Havannah eene groote toekomst te gemoet ging. Ongelukkig bleek
het klimaat te ongezond, en de amerikaansche concurrentie maakte,
dat er van de mooie plannen weinig terecht kwam; de onderneming liep
op eene liquidatie uit.

Wij zouden nog wel langer daar hebben willen blijven en een bezoek
hebben willen brengen aan den heer G., die op de oostkust de eerste
koffieaanplanting heeft aangelegd, niet enkel de eerste op Vaté, maar
in den geheelen archipel. Zijn voorbeeld is gevolgd door de andere
Europeanen, want spoedig leerden de planters inzien, dat die cultuur
zeer winstgevend was vanwege de nabijheid der groote centra Sydney,
Melbourne en Adelaïde. De verkoop der koffie is altijd verzekerd
in die groote plaatsen en aan den anderen kant vereischt de koffie,
als zij eenmaal geplant is, niets dan wat onderhoud en geeft reeds
van het vierde jaar af een overvloedigen oogst.

Ons bezoek aan het Sandwicheiland was afgeloopen. Ik was er lang
genoeg geweest, om mij te overtuigen van het gewicht, dat Franschen en
Engelschen aan het bezit van het eiland hechten. Herhaalde malen was er
sprake van een verdeeling van den archipel der Nieuwe-Hebriden tusschen
de beide volken, maar altijd werd het eiland Vaté of het Sandwicheiland
door beide mogendheden opgeëischt, waarbij Groot-Britannië zijn
recht grondde op de aanwezigheid zijner zendelingen, Frankrijk op
die zijner kolonisten.

Ik geloof geen onjuistheid te zeggen, als ik beweer, dat mijn
landgenooten het meest er toe hebben bijgebracht, om de natuurlijke
hulpbronnen van het eiland te ontginnen en dat zij drie vierden van
het grondgebied in bezit hebben.

De degelijke exploitatie van Vaté dateert pas van den dag, waarop de
Nieuw-Caledonische maatschappij, te Nouméa opgericht, haren arbeid
begon op de Nieuwe-Hebriden. De zending der kolonisten vanwege die
Maatschappij heeft misschien niet al die resultaten opgeleverd, die men
het recht had, er van te verwachten met het oog op de opofferingen,
die men zich had getroost, maar alles is toch niet verloren moeite
geweest, en enkelen van die uitgezonden kolonisten hebben zich tot
een aardigen welstand opgewerkt.

Onze belangen dateeren dus van vóór die der Engelschen.

Port-Vila heeft, wat de beteekenis van den handel betreft,
Port-Havannah vervangen, maar toch zal dit laatste punt in de toekomst
altijd belangrijk zijn om de haven, die groote veiligheid aanbiedt
en om de rivieren met zoet water, die men er in de buurt vindt. Of
die rivieren ook later als beweegkracht te gebruiken zouden zijn,
moet nog nader worden onderzocht.

Van Port-Havannah sloegen wij eene noordwestelijke richting in en
verlieten de reede door den nauwen doorgang tusschen het Deception-
en het Protectioneiland. Wij waren voornemens, het noordelijk deel
van de groep der Nieuwe-Hebriden te bezoeken en stevenden naar het
eiland Api. De zuidoostenwind blies voor ons in gunstige richting;
de _Lady Saint Aubyn_ legde met gemak acht knoopen in het uur af,
en 36 uren na ons vertrek uit Port-Havannah kregen wij het eiland
Api in het gezicht. Gedurende dien korten overtocht konden wij op
een afstand de eilanden der Twee Heuvels waarnemen, het Maï-eiland,
waar drie stammen woonden, die ieder een eigen dialect spraken, en het
eiland Muna. Er is daar niet veel te zien; de bevolking vermindert
gestadig; de eilanden leveren zoo goed als niets op en ze zijn zoo
klein, dat men hun ook geen betere toekomst mag voorspellen.

Wij lieten het anker vallen in de Diamantbaai, aan de zuidwestkust
van Api; de engelsche boot _Hector_, uit Maryborough in Queensland,
lag in dezelfde baai voor anker; zij bracht een zeker aantal Kanaken
van verschillende eilanden uit den archipel naar hun respectieve
woonplaatsen terug. In deze baai moest het schip een inboorling en
zijn vrouw afzetten, die drie jaar te voren aangenomen waren bij een
stam in het binnenland; het paar had intusschen een baby veroverd,
op engelschen grond geboren.

Alle drie gingen aan land, in hun mooiste spullen uitgedost; de man
droeg een deftige jas uit een of ander australisch modemagazijn,
hij droeg een horloge met vergulden ketting op een smetteloos wit
vest; maar hij had bloote voeten. De vrouw liep onder een vuurroode
parasol en zag er met haar kanten japon met sleep en strooken uit
als een danseres uit een paardenspel, altijd met bloote voeten,
wel te verstaan.

Maar pas waren ze aan wal gegaan in hun geboorteland, of de
inboorlingen aan de kust verzameld, maakten zich meester van hun
koffers en deelden den inhoud onder elkander, en binnen eenige minuten
waren de stumpers beroofd van de opbrengst van hun arbeid van drie
jaren; de australische jas en de roode parasol wekten de begeerigheid
op van het hoofd van den stam, die er zich krachtens het recht van
den sterkste van meester maakte. Zóó is nu eenmaal de ontvangst, die
de inboorlingen wacht, wanneer ze na kortere of langere afwezigheid in
hun land terugkeeren. Wat zij hebben overgespaard in den vreemde en de
waren, die zij meebrengen, worden aan de plundering van de landgenooten
prijs gegeven. Behooren ze tot een stam uit het binnenland, dan moeten
ze zich gelukkig achten, wanneer de inboorlingen van de zeekust hun
het leven laten en hen rustig laten vertrekken naar hun geboorteland.

De tegenwoordigheid van de _Hector_ was hinderlijk voor onze
wervingsbezigheid; wij maakten ons zeilreê, om bij kaap Foreland weer
het anker te laten vallen in een door die kaap beschutte baai. Een
klein zoetwaterstroompje liep er door een vruchtbaar dal, dat echter
nog weinig bebouwd was; de bevolking is er echter vrij talrijk en
drijft een drukken handel in kokosnoten met een handelaar uit Jersey,
die sinds eenige jaren op het eiland woont; een engelsche zendeling
woont er dichtbij en beproeft, maar met slechts matig succes, den
inboorlingen zijne geloofsovertuiging bij te brengen.

Wij recruteerden een paar jongelingen en een kleinen jongen van een
jaar of zes, die zijn vader en zijn moeder had verloren en opgedragen
was aan de zorg van een oom. Deze kon hem niet langer te eten geven
en wenschte hem te verhuren voor den arbeid te Nouméa. Het was een
goed werk, dat aanbod aan te nemen, want het stond te vreezen, dat
die oom, dien het verveelde den knaap te onderhouden, hem op een
goeden dag een gewelddadigen dood zou doen sterven.

De kleine Kanakenjongen ging met genoegen mee; zijn vroolijk,
intelligent gezichtje straalde van blijdschap,  en ieder had plezier
in hem. Onze reeder hield hem later bij zich en wilde er een jockey
van maken, bestemd te schitteren op de nieuw-caledonische renbaan.

's Nachts wist een onzer pas aangeworven arbeiders te ontsnappen; hij
zwom naar den wal, maar was niet zoo beleefd geweest, ons het handgeld
terug te geven. Er zal nauwlettender toezicht moeten worden gehouden,
en de inboorlingen zullen bij zonsondergang in het tusschendek worden
opgesloten.

Wij zeilden nu naar Pané op dezelfde kust; maar terstond bij aankomst
zagen we aan het strand in den grond gestoken palen, taboes, die
vrouwen en jongelieden moesten waarschuwen, niet mee te gaan met
de schepen der fransche wervers. Ziehier, welke reden ons voor dat
verbod of die waarschuwing werd opgegeven. Twee maanden te voren had
een engelsch schip _Alice and Mary_ veertig inboorlingen, tot den
stam uit Pané behoorend, aangeworven. Het had schipbreuk geleden op
de kust van Mallicolo, en de Kanaken waren verdronken. Nu mocht voor
een vastgestelden tijd geen inboorling zijn dorp verlaten; zóó hadden
het de toovenaars van den stam beslist.

Onmiddellijk zetten wij koers naar de Yémubaai tegenover het eilandje
Lamenu; een vrij aardig huis werd zichtbaar aan de kust; het was de
woning van een nieuw-caledonischen kleurling, die een belangrijke
aanplanting van maïs en koffie had aangelegd. Hij gebruikte als
arbeidskrachten Kanaken van de naburige eilanden. Zijn plantages
lagen in een zeer vruchtbaar dal, besproeid door een rivier, die
steeds voldoende water had.

Mijn tochtjes over het eiland in verschillende richtingen deden mij
tot het besluit komen, dat het eiland Api het vruchtbaarste van den
archipel was. De grond is er rijk; de humuslaag op den rotsgrond
heeft eene aanmerkelijke dikte bereikt, en zoo is er een weelderige
plantengroei ontstaan, en de rivieren zetten aan hun oevers een groote
hoeveelheid slijk af, die nieuwe vruchtbaarheid brengt. Het eiland
Api wordt goed besproeid en heeft vrijwat stroomende watertjes, want
eveneens is het gesteld te Foreland, Pané, Yému; maar ongelukkig is er
geen enkele haven, wel heeft men aan deze kust bruikbare ankerplaatsen.

De geheele bevolking van het eiland kan op 18.000 zielen worden
geschat. Zij zijn tenger en klein, en velen van hen hadden wonden op
het lichaam, die zij door bepaalde planten er op te leggen, trachten
te genezen. Zij hebben den naam van erg wraakzuchtig te zijn en hebben
zich berucht gemaakt door herhaalde aanvallen op Europeanen. Zoo is
er bijna geen enkel punt op Api, waar men met vertrouwen kan landen,
en men moet de grootste waakzaamheid in acht nemen. Vele nachten
heb ik aan den wal geslapen, altijd met revolver en patronen binnen
mijn bereik.

In de Yémubaai zag ik de inboorlingen op een dag vereenigd bij
gelegenheid van een hunner feesten of _sinn-sinn_. De mannen hadden om
het middel een enkel touw, waaraan een koker van schors was bevestigd;
enkelen van hen hadden het tot een wollen hemd of vest gebracht. De
vrouwen uit het binnenland hadden niet anders aan of om, dan een
gordel van bananenbladeren, maar die van de kust waren in een lap
katoen gehuld.

Elke inboorling was gewapend met een knots of met een rond mes. Hoewel
de bewoners van Api niet zoo beslist oorlogszuchtig zijn als die
van Tanna, voeren ze dikwijls strijd tegen elkander. Het is dan een
oorlog met hinderlagen; er worden diepe kuilen in den grond gegraven
en een inboorling, door den hoofdman van den stam aangewezen, moet
er in gaan liggen en den vijand afwachten, als hij voorbijgaat.

Hun instinct is tot menscheneten maar al te zeer geneigd, en als
ze die kannabalistische> neiging kunnen bevredigen, gaan ze daarbij
aldus te werk. Van een gevangene wordt de romp aan de jonge lieden
afgestaan; de ingewanden zijn bestemd voor de varkens en de honden; de
mannen krijgen de ledematen. Vrouwen mogen aan dergelijke barbaarsche
maaltijden niet deelnemen.

Altijd gaan die maaltijden met feesten en dansen gepaard. Een koopman,
die reeds lange jaren op Api woont, gaf mij een beschrijving van de
dansen. Het costuum van het hoofd bestaat dan uit een groote bloem,
in ieder oor gestoken, een veêr in de haren, een tak in den gordel,
een laag verf op iedere wang en op het puntje van den neus. Hij houdt
in zijn linkerhand een zeker aantal lansen vast en in de rechter zwaait
hij een knots. Dan loopt hij rondom de inlandsche trommelslagers, en
danst en springt, terwijl de muzikanten met behulp van twee stukken
hout hun trommels slaan en een helsch rumoer maken.

De hoofden hebben veel autoriteit; het heet, dat zij alleen de kunst
verstaan, de pijlpunten te vergiftigen.

Ons verblijf te Yému was nog al gunstig voor onze werving; we konden
een tiental Kanaken recruteeren. De _Lady Saint Aubyn_ wendde zich
daarna naar de westkust en wij voeren door de straat, die het eiland
van Ambryn scheidt. Daar zagen wij een bezitting van een Europeaan,
die kort te voren door de bewoners van het eiland Paama vermoord was
geworden. Wij ankerden in de Groote Baai.

Onder de stammen van Mangliao, Apwe en Baap hoopten wij velen te
werven; maar zoodra wij waren aangekomen, kwam er een boot van den
wal, en de inboorlingen, die er in zaten, vertelden ons, dat sedert
de komst van de onderwijzers of vermaners, door den zendeling van
Foreland gezonden, de stammen van Mangliao en Apwe zich aan zijn gezag
hadden onderworpen. Dus hadden ze besloten, geen verbintenissen naar
buiten meer aan te gaan, en men gaf ons den raad, zoodra mogelijk
den terugtocht te aanvaarden. Toch bleven wij een paar dagen, en
het gelukte ons, drie inboorlingen mee te krijgen, afkomstig uit het
dorp Baap.

De Groote Baai van Api zou gunstig gelegen zijn voor eene europeesche
vestiging; er is een zeer mooie plantengroei; de bosschen hebben veel
bruikbaar hout, en de Kanaken hebben reeds goede bananenaanplantingen
aangelegd. Wat het klimaat en de gezondheid betreft, deze verschillen
naarmate men aan de eene of aan de andere kust van het eiland is. De
noordkust en de noordwestkust, blootgesteld aan de uit zee komende
winden, schijnen in een uitstekende conditie te verkeeren; maar de
zuidkust en die in het Zuidwesten, die de luchtstroomen opvangen,
nadat deze gestreken zijn over Paama, Lopévi, May, Tongoa, Shepherd,
zouden voor een Europeaan, die er langen tijd moest vertoeven,
allerverderfelijkst kunnen worden. Dit is echter slechts mijn
persoonlijk gevoelen; de ervaring kan later misschien tot een ander
oordeel leiden.

Ons bezoek aan Api was afgeloopen. Wij zouden nu het eiland
Paama aandoen en voeren voorbij het eilandje Lopévi, waarvan de
suikerbroodvorm zeer opmerkelijk was. Het is van vulkanischen oorsprong
en bereikt wel een hoogte van 1650 M.

Van tijd tot tijd kwam er uit den top van den berg rook; maar
wij konden in 't voorbijgaan de omtrekken verder niet nauwkeurig
onderscheiden. Het bestaan van dien vulkaan bevestigt een vrij
zonderlinge opmerking, die in dit deel van Oceanië is gemaakt,
namelijk dat de werkzame vulkanen in een lijn zouden liggen, die,
van Tanna uitgaande, een noordwestelijke richting zou inslaan en
zich dan zou aansluiten bij Lopévi en Ambrym op de Nieuwe-Hebriden,
bij de zwavelbronnen van Vanua-Lava en de kraters van Urépara-pasa
en Tinakula op de Bankseilanden. Die lijn zou eene lengte hebben van
een duizendtal K.M. ongeveer.

Het oude vulkanische karakter van Lopévi verklaart de weinige
vruchtbaarheid van het eilandje; er wonen niet veel menschen. Tachtig à
honderd inboorlingen verbouwen een en ander op een kleine landtong in
't Noordwesten. Zij onderhouden geregelde betrekkingen met de Kanaken
van het eiland Api, wier taal zij spreken.

We hadden niet veel tijd noodig, om de westkust van Paama te bereiken
en het anker te Liro uit te werpen, een eiland, dat 10 K.M. lang en
ongeveer 4 K.M. breed is. Het is dus niet zeer groot, maar wel is
het dicht bevolkt; na enkele oogenblikken was het dek van ons schip
overstroomd door een massa luidruchtige Kanaken, blij, dat ze ons hun
producten konden verkoopen in ruil voor tabak, pijpen en lucifers. Die
beleefdheid, ons zoo spoedig te bezoeken, voorspelde wat goeds; zij
verdreef onze achterdocht ten opzichte van deze inboorlingen, die in
den ganschen archipel geen al te besten naam hebben. Sedert langen
tijd kon geen schip Paama naderen, of het werd met geweerschoten
ontvangen. Het zou mij misschien gemakkelijk vallen, een verklaring
voor die vijandige gezindheid te vinden in het volgende feit. Een
tiental jaren geleden beproefden bewoners van het eiland, die met
geweld waren aangeworven, hun vrijheid terug te krijgen aan boord
van het schip, dat hen meevoerde naar Australië. De bemanning sloot
hen toen op in het ruim en doodde hen allen; "ze werden als ratten
vermoord", zei bij gelegenheid van de rechtzaak de advocaat-generaal
van Nieuw Zuid-Wales.

Het verbaast mij dus niet, dat er herhaaldelijk aanvallen zijn gedaan
door de Kanaken op Europeanen en dat zij zich krachtig verzetten tegen
een vaste vestiging van vreemdelingen op hun eiland; oorlogsschepen
hebben de dorpen daarbij wel eens gebombardeerd, en bij mijn bezoek
heb ik voor een pak tabak een bom kunnen koopen, die afgeschoten was
door het fransche adviesjacht _D'Estrées_. Van een _Man oui oui_,
zei de inboorling, die het voorwerp mij bracht. Wij, Franschen, worden
namelijk door de bewoners van de Nieuwe-Hebriden als de _Man oui oui_
aangeduid, en zoo werd mij bekend gemaakt, dat een fransch schip het
schot had gelost.

Wij voeren vlug om het eiland heen en bleven op onze hoede, want ieder
inboorling is gewapend met zijn Snidersgeweer en zou niet aarzelen, ons
een poets te bakken, als onze waakzaamheid ook maar even verflauwde.

Het land was goed bebouwd; aanplantingen liepen tot aan de zee voort,
en men zamelde er in grooten getale de vruchten van den broodboom
in. Al is er dus een dichte bevolking, gebrek wordt er niet geleden, en
deze inboorlingen zijn forsch en krachtig. Het is waarschijnlijk, dat
men hier niet veel sympathie zal hebben voor de vreemde koloniën. Geen
der inboorlingen wilde tot landverhuizing besluiten; allen bleven
bestand tegen de velerlei aanlokking, hun door ons voorgehouden,
als ze te Nouméa wilden komen werken.

Wij verlieten het eiland Paama om zeven uur 's morgens. Terwijl ons
schip onder zeil bleef, trachtten de kleine booten de oostkust van
Ambrym te naderen bij den stam Pemedial, maar de toestand der zee
belette het aan wal gaan; daarbij was de kust steil, en onder den
invloed van de heftig blazende zuidoostenwinden sloegen de golven met
kracht tegen de loodrechte rotsen. Het was nutteloos, een poging te
wagen, om met het land gemeenschap te onderhouden. Wij voeren langs
de zuidkust en ankerden daar tegenover het station van Dick A.

Dat personnage is een Engelschman, die al lange jaren in den archipel
woont en alle eilanden bereisd heeft. Hij kent uitstekend de havens
der Nieuwe-Hebriden en ook die der Salomonseilanden. Daar het ons plan
was, aan die laatste groep een bezoek te brengen, was onze kapitein er
op gesteld, aan boord van de _Lady Saint Aubyn_ iemand te hebben, die
ervaring had van de streek en ons van goeden raad kon dienen. Hij vond
dien in den persoon van Dick A., die snel zijn bagage inpakte en met
zijn trouwe levensgezellin, een Kanakenvrouw van het Pinkstereiland,
aan boord kwam. Zij was door elephantiasis aangetast, miste alle
uiterlijk schoon, maar was vol toewijding voor haren meester.

Toen ik naar boord terugkeerde, was ik aan het strand tegenwoordig
bij de werving van twee vrouwen, die, zooals zij zeiden, blij waren
het eiland te kunnen verlaten, om aan de slechte behandeling van hunne
echtgenooten te ontkomen. Die laatsten, verlokt door het gezicht van
de goederen, die wij hadden aan te bieden, gaven hunne toestemming,
en de beide vrouwen zwommen naar ons schip toe; één van haar nam
een kindje van een paar maanden mee; zij verliet haar dorp, zonder
zich te laten verteederen door de tranen van hare oudste dochter,
die bij haar vertrek tegenwoordig was en haar wilde terughouden.

De inboorlingen van dit eiland zijn klein en welgevormd; zij hebben een
opgewekt, vrij intelligent uiterlijk, maar hebben den naam van korte
metten te maken met lastige blanken, niet door geweerschoten te lossen,
maar door middel van vergif. Ik geef die laatste bewering slechts
onder voorbehoud, en geloof dat de vele sterfgevallen aan het klimaat
moesten worden toegeschreven en niet aan misdadige handelingen. Hoe
het zij, men heeft deze inboorlingen te Nouméa graag als werkkrachten,
ze worden uitnemende arbeiders.

Ze wonen hier in kleine dorpen aan het strand der zee of in het
binnenland op de berghellingen. Hun woningen zijn nog uiterst
primitief, maar toch voldoende om hen te beschermen tegen de ongunst
van het weder. Het binnenland is zeer schaars bevolkt, een gevolg
van de aanwezigheid van den vulkaan. Op den top van een der bergen
heeft men een krater, die rook laat ontsnappen; maar de uitbarstingen
zijn niet aanhoudend zooals op Tanna, en ik passeerde het eiland
menigmaal, zonder het minste of geringste teeken te bespeuren, dat
van de werkzaamheid van het onderaardsche vuur getuigde.

De geologische gesteldheid van Ambrym verklaart de geringe
vruchtbaarheid; de grond is poreus, zandig en dor, en er is weinig
water op het eiland; zoet water is er alleen in gegraven plassen,
en er stroomt geen enkele rivier; dus is de plantengroei schraal,
gelijkend op dien van Tanna in de buurt van Port Resolution en
Wassissi. Toch wonen er nog zeven of acht Europeanen; ik ontmoette
hen op de verschillende plaatsen, waar wij stilhielden, bij Malo,
Creig Cove, Dip Point, Rhanone; ze dreven allen handel in copra, door
middel van schepen die op Nieuw-Caledonië of Australië voeren. Enkelen
worden er rijk, en ik hoorde dikwijls spreken van F., die alleen op
de noordwestkust woonde en schitterende zaken deed.

Te Dip Point bezocht ik de inrichting van zulk een _copramaker_,
een industrie, zeer algemeen in den archipel der Stille Zuidzee en
die wel even nader mag worden beschreven.

Men vindt die copramakers op alle eilanden, maar vooral op Ambrym en
Aoba. Waar komen zij vandaan? Dat weten ze vaak zelf niet of ze houden
het zorgvuldig geheim. Nu eens is het een Portugees, die er voor altijd
van heeft afgezien, ooit naar de oevers van de Taag terug te keeren;
dan een voorzichtige Engelschman, wien een bezoek aan de Theems voor
altijd is verboden, of wel een Franschman, die het eiland Nou van
nabij kent en al te compromitteerende betrekkingen heeft te Nouméa;
soms ook is het een gouvernementsambtenaar, die niet snel genoeg
carrière heeft gemaakt en uit den dienst is gegaan, en men ziet er
ook wel jongelui, die door de familie in den steek zijn gelaten. Voor
al dezulken zijn de Nieuwe-Hebriden het beloofde land; ze vinden er
geen wetten, geen gezag en geen regeering; gendarmen en politie zijn
er nog niet ingevoerd; ieder leeft er zooals het hem behaagt, regelt
zelf zijn zaken zooals hij wil, en behoeft zich nooit te ergeren over
de langzaamheid van de rechtsspraak.

Levend in een hut, door de inboorlingen gebouwd, koopt zoo iemand
alle kokosnoten die hem worden gebracht en zoekt voor de eenzaamheid
troost bij de flesch. Veel heeft hij niet te doen; het blijft bij
eenig toezicht op de beide Kanaken, die hij gewoonlijk in dienst
heeft, om de noten in tweeën te splijten. Elke helft wordt aan de zon
blootgesteld of aan de hitte van een vuur en het gedroogde vleesch
wordt daarna uit de noot gehaald en heet copra. Dat product wordt
naar Marseille vervoerd en doet er dienst bij de zeepfabricatie.

Vanaf de kust van Ambrym bespeurt men in het Westen een vrij lang,
bergachtig eiland, Mallicolo, welbekend op het oogenblik der bezetting,
omdat daar een zekere J. woonde, die door de inboorlingen werd
gedood. Zijn dood diende tot voorwendsel voor het zenden van soldaten,
die de veiligheid van onze landgenooten moesten waarborgen. Er werd te
Port Sandwich een post gevestigd. Nu wendden wij ons naar die plaats,
na op Ambrym onze taak te hebben volbracht.

Dick A. diende ons tot loods en leidde ons zonder aarzeling in
de straat, die uitkwam in de ruime baai van Port-Sandwich. Eerst
voeren wij langs de Maskelyne-eilanden, ten zuiden van Mallicolo
gelegen. Men deed er aan vischvangst, en de Europeanen die er woonden,
met name de heer Mac L., vonden daarin zelfs een bestaan. Wie in
deze streken vertoeft hoort vaak van den laatste spreken; zijn naam
komt telkens weer voor in de gesprekken, niet alleen van blanken,
doch ook van Kanaken. Hij is een der laatste vertegenwoordigers
van die groep handelaars, die onder de namen van walvischvaarders,
sandelhoutinzamelaars, houders van slavenschepen oudtijds in dezen
archipel berucht werden en door hun zeeschuimerij en hun willekeurig
optreden de vijandige gevoelens tegen de blanken deden ontstaan,
die nu nog bij de inboorlingen worden opgemerkt.

Hij was dertig jaren geleden zonder een cent in den archipel gekomen
en bezit nu een vermogen van eenige millioenen, verkregen door den
handel met de inboorlingen, toen er nog in 't minst geen regel daarin
was gebracht; en gelukkige speculaties met grond hadden het hunne
tot zijn fortuin bijgedragen. Uit staatkundig oogpunt was hij een
verbitterd vijand van den franschen invloed, en hij streed daartegen
al lange jaren met de grootste geestkracht; van zedelijkheidsstandpunt
kende hij geen scrupules, zooals gebleken is uit de quaesties, die
hij had met de Caledonische Maatschappij. Zóó is de heer Mac L.,
wiens naam door elken reiziger dadelijk nadat hij aan wal stapt wordt
vernomen; ik moest hem wel met een paar woorden teekenen, en ik heb
hem dikwijls ontmoet.

Maar om terug te komen op de Maskelyne-eilanden, er zijn er daarvan
drie. Oudtijds waren ze bewoond door een talrijke bevolking, maar
nu zijn ze zoo goed als verlaten, en we zagen slechts nu en dan
eens een boot langs de kust varen. De weinig teergevoelige wervers
hebben menigmaal gewapende expedities naar den wal gezonden, die de
inboorlingen met geweld meevoerden, de dorpen verbrandden en zelfs
vóór hun komst overal schrik en angst verspreidden in de bewoonde
oorden. Aan die daden van zeeroof moet de ontvolking van vele eilanden
worden toegeschreven.

Wij kwamen te Port-Sandwich en legden aan in een prachtige, goed
beschutte haven. Wij waren daar in een betrekkelijk beschaafd land;
't is de hoofdstad van den archipel, de stad der pretjes op de
Nieuwe-Hebriden; daar ontmoeten elkander de coprahandelaars van de
naburige eilanden en komen er hun opgespaard geld verteren. Men kan
er waarnemen, hoe zakken copra omgezet worden in kisten jenever,
tot groot genoegen van die echte drinkers van den Stillen Oceaan.

Wat is Port-Sandwich? Enkele huizen aan weerskanten van de baai,
één winkel van de Caledonische Maatschappij, een kolendepôt, een
kade, dat is het eenige, wat er nog te zien is in die veiligste
haven van de geheele eilandengroep. Maar men moet niet op den schijn
afgaan; feitelijk wordt daar veel handel gedreven, schepen van alle
nationaliteiten laten er het anker vallen en brengen er leven en
beweging; zij laten er koopwaren achter, nemen de producten van
het land in en brengen die naar Nouméa, Sydney, Queensland of de
Fidsji-eilanden.

Het is ook een centrum der landbouwkolonisatie. Ik ging aan land,
om den heer G., agent van de Nieuwe-Hebridenmaatschappij een bezoek
te brengen. Hij verheugde zich erin, mij de aanplantingen van maïs
en koffie te kunnen vertoonen, door hem in het leven geroepen, in
't belang der maatschappij die hij vertegenwoordigde. Hij bood mij
allervriendelijkst gastvrijheid aan, en in de schaduw van het aardige
huis op het strand heb ik prettige oogenblikken gesleten en ik heb er,
beter dan mij aan boord mogelijk was, mijn aanteekeningen van de reis
kunnen uitwerken.

Er zijn niet veel Kanaken te Port-Sandwich, en men moet naar het
binnenland gaan om eenigszins talrijke groepen aan te treffen. Wij
zetten dus koers naar de westkust van Mallicolo, passeerden weer de
Maskelyne-eilanden en sloegen vervolgens eene noordelijke richting
in. De westkust vertoonde een dor, verlaten aanzien. De Nieuwe-Hebriden
zijn over 't algemeen merkwaardig om hun weelderigen plantengroei,
om hun prachtige bosschen, zich uitstrekkend tot het strand der zee,
en men staat verbaasd over den rijkdom van den grond, bedekt met zoo
velerlei planten en zulke reusachtige boomen. Maar in dit gedeelte van
Mallicolo is de toestand niet zoo liefelijk; de kust is er steil en
wordt gevormd door kale  rotsen, verdord er uit ziende en geschroeid
door den fellen zonneschijn. Wel ziet men in de diepte een paar groene
heuvels, maar men moet vrij ver in het binnenland doordringen, om
geschikten bouwgrond aan te treffen. Kokospalmen komen aan het strand
weinig voor, en de Kanaken hebben geen enkele aanplanting gewaagd.

In de baai in 't Zuidwesten, waar wij hadden geankerd, wordt de natuur
iets beter, dank zij den drie rivieren, die er zich in zee storten en
door nog al vruchtbare dalen stroomen. Zelfs ziet men na 't passeeren
van de rots aan den ingang der baai bouquetten van kokospalmen,
die de inlandsche dorpen voor het oog verbergen. Nauwelijks hadden
wij op eenige meters afstands van het dorp het anker laten vallen,
of wij zagen talrijke booten met inboorlingen op ons afkomen,
luidruchtig op de _Lady Saint Aubyn_ aanroeiend. De aanblik van die
Kanaken was zonderling; allen hadden ze verbazend puntig toeloopende
hoofden, glimmende, met kokosvet ingesmeerde haren en armbanden,
van parelen of van varkenstanden gemaakt. Die puntige vorm van den
schedel is kenschetsend voor de bewoners van Mallicolo. Dit was het
eenige punt, waar ik die eigenaardige misvorming heb aangetroffen,
die een gevolg is van bepaalde manipulaties, op de hoofden der kleine
kinderen toegepast. Er worden daarvoor banden van boomschors gebezigd,
die om de hoofdjes worden gewikkeld, om er den gewenschten vorm aan
te geven. In een der booten zag ik een zoo toegetakeld klein kindje.

Ik heb talrijke wapenen aangekocht, want de inboorlingen hier
verkochten gereedelijk hun knotsen en pijlen en bogen. De knots is van
zeer hard hout gemaakt, en heeft een lengte van ongeveer een meter,
op het eind uitloopend in een kraagje, dat tot steun dient voor de
hand; de bogen werden gespannen met vezels van bananen.

Deze inboorlingen hebben een groote vaardigheid in het maken van
pijlen, en zij kunnen ze, heet het, vergiftigen; die, welke ik heb
kunnen koopen, waren opgeborgen in een doos, die de punten verborg,
zoodat men zich er niet aan kon verwonden. Zij zijn overtuigd van de
werkdadigheid van het gif, maar ik kan zeggen, dat de proeven, met
die pijlen genomen, niet konden doen besluiten tot de aanwezigheid
van eenig vergif. Hoe het zij, zij passen de volgende methode toe,
met het doel de pijlen te vergiftigen. Zij halen uit een bepaalden boom
een kleverig sap, waarmee zij de pijlpunt bestrijken; vervolgens nemen
ze wat aarde, afkomstig van een ongezonde plek of uit een moeras van
wortelboomen en laten de punt daarin eenigen tijd staan. Vervolgens
wordt alles in de zon gedroogd.

Die wapens hebben den naam van zeer gevaarlijk te zijn. Toen ik ze
uit de doos haalde, om ze te bezien, gingen alle inboorlingen, die
in een kring om mij heen stonden, ver uiteen en waarschuwden mij
voor het gevaar, dat mij bedreigde, als ik ook maar het geringste
wondje kreeg. Toch zou het misschien voorbarig en gevaarlijk zijn,
ze als volkomen onschadelijk te beschouwen. De voorbeelden van den
commodore Goodenough, van bisschop Patteson en van veel Europeanen,
die aan tetanus of spierkramp overleden ten gevolge hunner wonden,
zijn nog van te recenten datum, dan dat men de vraag van de al of
niet vergiftigheid als opgelost zou kunnen bespeuren.

De inboorlingen van de zuidwestelijke baai hadden juist bezoek gehad
van een duitsch werfschip van de Samoa-eilanden; doch niemand van de
bewoners had zich willen laten aanwerven wegens de slechte behandeling,
die de arbeiders in de werkplaatsen op die eilanden ondervinden.

Bovendien had eenige jaren geleden Duitschland een oorlogsschip
gezonden, om den moord van een Duitscher te Mallicolo te wreken;
de herinnering aan de kanonkogels had de duitsche vlag niet populair
gemaakt bij deze inboorlingen. Zoo althans luidden de inlichtingen,
mij verstrekt door een inboorling, die drie jaar op de Samoa-eilanden
had gewoond.

Mijn wandelingen over het eiland voerden mij een paar keeren naar een
dorp, aan den rand van een lagune gelegen, die vrij diep landwaarts
in drong; de hutten waren alle van riet en bamboes opgetrokken;
maar het huis van het hoofd was gemakkelijk herkenbaar aan de heg er
omheen en aan de groote schelpen en onderkaken van varkens, die het
dak versierden. Het hoofd heeft ook nog een ander voorrecht; bij zijn
dood wordt namelijk zijn lichaam in stroo en in lianen gewikkeld en
zoo met klei bestreken en gekleurd met zwarte, roode en blauwe verf,
waarna het in een bepaald gebouw wordt geborgen, dat de lijken der
stamhoofden bevat.

Ik heb het kunstenaarstalent van deze Kanaken kunnen bewonderen in
de koppen van klei of leem, die men in de hutten aantreft, en in de
maskers van boomschors met groote, puntige hoeden gekroond, die zij
gebruiken bij de groote feesten of _sinn-sinn_. Maar ik zou niet
durven zeggen, dat de vormen of de teekeningen tot modellen konden
dienen voor onze europeesche kunstenaars.

Bij mijn omzwervingen door het dorp heb ik weinig vrouwen ontmoet; die
ik zag, waren gekleed in een zeer primitief costuum, bestaande uit een
gordel van pandanusbladeren, maar ik heb tevens kunnen constateeren,
dat ze alle de snijtanden in de bovenkaak misten, een eigenaardige
mode op het eiland Mallicolo.

De zuidwestelijke baai is de eenige goede reede aan de kust; wij gingen
dus nergens aan wal, behalve met kleinere bootjes. In de Espièglebaai
begonnen wij te onderhandelen met enkele inboorlingen, die ons
beschroomd naderden. Men bespeurt wel, dat dit deel van het eiland
zelden bezoek krijgt. De bewoners keken den Europeaan verbaasd aan,
en toen ze een beetje vertrouwd met hem raakten, werd hij betast, alsof
ze wilden voelen of hij wel van eenzelfde maaksel was als zij. Een der
Kanaken met witte, scherpe tanden voelde mijn armen en kuiten en scheen
bij zich zelven iets te overleggen, waarvan ik de strekking ten halve
begreep. De kannibalenneiging van de inboorlingen dezer kust is bekend,
en mijn vriend taxeerde mij denkelijk eens, om te zien of ik al goed
was voor een feestmaal van menscheneters. Bij sommige stammen bepalen
ze zich er niet toe, door bewegingen hun gedachten aan te duiden,
maar uiten een paar woorden, die "goed om te eten" beduiden en die
u doen beseffen, met welke oogen ze uw persoon zoo nauwlettend opnemen.

Mallicolo is niet zeer vruchtbaar in het gedeelte dat wij nu bezochten;
er waren weinig plantages en de grond was er dor; hij bestond enkel uit
vulkanische rotsen, waarop geen boom of plant groeide. Wij haastten
ons, dat ongastvrij oord te verlaten, en wij bereikten al gauw de
Bougainvillestraat, die dit eiland van Espiritu Santo scheidt. Door
die straat voer Bougainville, toen hij het eiland ontdekte. Langen tijd
had men de Nieuwe-Hebriden beschouwd als deel uitmakend van het groote
Zuidelijke vastland; maar de fransche zeevaarder bracht de waarheid
aan het licht, door aan te toonen, dat zij een eilandengroep vormen,
terwijl Cook later de zuidelijke eilanden er van zou ontdekken.

Het zal misschien interessant zijn, den lezer er aan te herinneren,
dat bij gelegenheid van deze reis een vrouw voor de eerste maal de reis
om de wereld deed. Dat feit werd door Bougainville ontdekt, juist toen
hij zich bij Mallicolo bevond. Ziehier, in welke omstandigheden. Het
gerucht liep aan boord van de _Etoile_, dat de bediende van den heer
de Commerçon een vrouw was. Die persoon, Baré geheeten, volgde den
meester overal heen, had mee de bergen aan de Magellaensstraat bestegen
en deinsde voor geen enkelen vermoeienden tocht terug. De bewoners
van Tahiti hadden het eerst hare sekse geraden, die door niemand der
medepassagiers nog was vermoed; zij gedroeg zich trouwens altijd kalm
en behoorlijk als een teruggetrokken, stille jonge man. Bougainville
liet haar bij zich komen en zij bekende, dat ze uit droefheid over
den dood van haar verloofde mannenkleeren was gaan dragen en zich
als knecht had verhuurd.

Wij deden zulk een ontdekking niet aan boord van de _Lady Saint Aubyn_,
maar na een doodkalmen overtocht, die door geen enkel incident werd
gekenmerkt, lieten wij het anker vallen bij het eiland Vao, vóór de
oostkust van Mallicolo. Al spoedig kregen we hier bezoek van een
landgenoot, pater L., een zendeling der Maristen, die sedert twee
jaren te Mallicolo woont en de inboorlingen tot het katholieke geloof
tracht te bekeeren. Hij heeft niet veel succes, want de bewoners van
dit eiland zijn afkeerig van europeeschen invloed; zij leven slechts
van roof en plundering en hebben volstrekt geen vreedzame gevoelens
tegenover den zendeling, dien zij elk oogenblik met den dood bedreigen.

Ik bewonder den moed van dezen Franschman, wiens handelingen waarlijk
wel de vergelijking kunnen doorstaan met die van de engelsche
presbyteriaansche zendelingen; geen zucht naar winst doet hem in deze
streken blijven en hij tracht ook niet, zich een behagelijk interieur
te bezorgen, dat nadeel zou kunnen doen aan de zaak die hij wil
dienen. Ik bracht een bezoek aan zijn huis, van riet opgetrokken en
met allerprimitiefste meubels; een houten tafel, twee matten stoelen,
een bed in een hoek was alle ameublement; zijn voedsel was hoogst
eenvoudig en bestond uit knollen en beschuit met hetgeen eenige
blikjes opleverden. Ik dronk er echter een uitstekend glas bier,
bereid uit een plant van die streek.

Vao is een dichtbevolkt eilandje, maar toen wij het anker er
uitwierpen, ontdekten wij geen enkelen inboorling op het strand; alle
Kanaken waren inderdaad naar liet groote eiland Mallicolo gegaan, om er
op de plantages te werken of om met het geweer in de hand de arbeiders
te verdedigen tegen aanvallen van de inboorlingen uit het binnenland.

Tegen vier uur in den avond zagen wij ze terugkeeren naar hun dorpen
op het kleine eiland; enkelen verkochten ons in 't voorbijgaan hunne
aardvruchten en boden mij een plaats aan in hun booten. Zij zetten
mij aan het strand af, en ik behoefde maar enkele schreden te doen,
om in het dorp te komen. Een troep varkens en honden liep dadelijk
om mij heen en wilde mij de nadering beletten; maar de inboorlingen
kwamen er op toe en verjoegen de dieren met hun stokken. Ik beloonde
mijn redders door pijpen en tabak onder hen uit te deelen; die
edelmoedigheid bezorgde mij hun vertrouwen, en zoo kon ik met hen
een gesprek beginnen.

Sedert eenige dagen was een der hoofden uit het dorp boos op de
blanken, omdat Mac L., van wien ik reeds heb gesproken, hem zijn
zoon had ontroofd, die nu te Port-Vila bij dien Engelschman moest
werken. Hij ontvouwde mij zijn grieven, en de goudgalons ziende op
de mouwen van mijn buis, vroeg hij mij, of ik hem door middel van de
oorlogsschepen recht wilde doen weervaren; als belooning zou ik een
hermaphroditisch  varken ontvangen. Dat was een prachtig cadeau in
de oogen der inboorlingen, want voor een hermaphroditisch varken kan
men het ver brengen in den stam, zich een hooge positie verschaffen
en zelfs een vrouw koopen.

Wij hadden spoedig ons recruteeringswerk op het eiland Vao ten einde
gebracht. De nabijheid van de coprahandelaars maakte, dat de menschen
hun kokosnoten aan den man konden brengen en dat ze in ruil daarvoor
europeesche waren konden erlangen; dus gevoelden zij geen behoefte,
om elders hun kostwinning te zoeken en verlieten niet graag hun
geboortegrond. Wij vervolgden onze vaart naar het Noorden van den
archipel en waren voornemens, het noordelijkste en grootste eiland
van de groep te bezoeken, het eiland Spiritu Santo of kortweg Santo.

Wij voeren om de zuidpunt van het eiland Malo heen en konden een
fransche driekleur ontdekken, die ons in 't voorbijgaan groette. Dat
was de woning van pater D., een fransch zendeling, die reeds dertig
jaren in de Stille Zuidzee verblijf houdt. Hij heeft de eilanders
op de Fidsji-eilanden bekeerd, en beproeft thans de inboorlingen van
Malo tot het Katholicisme te brengen.

Door een gunstigen wind gedreven, kwam de _Lady Saint Aubyn_ in het
Bruatkanaal, dat het eiland Aoré van Malo scheidt en langs Tongoa
gaat, waar de dweepzieke Presbyteriaan A. woont, om vervolgens het
anker uit te werpen bij kaap Lisburn op de westkust van Spiritu Santo.

Ik heb weinig zulke schilderachtige plaatsen gezien als het dorp
Nouvin, tegenover hetwelk wij stilhielden; het was gebouwd op de
helling van een heuvel, aan welks voet een bevaarbare rivier stroomde;
de oevers waren met boomen en struiken begroeid, waardoor de reizigers
beschut waren tegen de felle zonnestralen, en de zandige bedding van
den helderen stroom lokte uit tot het nemen van een verfrisschend bad.

Maar het komt mij voor, dat de inboorlingen van Nouvin een heiligen
schrik hebben voor het heldere water, want ze zijn bedekt met een laag
oud vuil, en de lompen, die maar povertjes hun naaktheid bedekken,
schijnen al heel zelden met de wasch kennis te hebben gemaakt. Zij
maken hun leelijkheid en hun vuilheid nog erger door de verf, die
zij op zich smeren; haren en baard bedekken ze met rood oker, en als
sieraden droegen ze banden van schelpen om de armen en bloemen in
de haren.

Behaagzucht schijnt niet in 't bijzonder eigen aan de vrouwen, want
de mannen toonen zich hier niet minder ijdel, en beide geslachten
meenen zich mooi te maken door misvormingen van den neus en de
ooren. De haartooi wisselt af naar den smaak der heeren en dames;
de eenen droegen zeer korte haren, de anderen waren kaal geschoren
en er waren er, die een klein bundeltje hadden laten staan of die het
haar hadden laten groeien en het in een vlecht hadden bijeengebracht.

Ik heb in hun handen een wapen opgemerkt, dat in 't bijzonder aan
Santo eigen is, een assegaai van ongeveer 2 1/2 M. lengte, van hout;
de bovenkant is belegd met menschenbeenderen over een aanmerkelijke
lengte en het wapen loopt uit in drie beenderen als een drietand. De
wonden die er door worden gemaakt, zijn zeer gevaarlijk, want die
beenderen breken af en blijven in de wond achter, waarvan zij de
genezing tegenhouden. Voor een doosje buskruit kon ik verscheidene
van die wapens koopen.

Wij maakten ons gereed, om langs de westkust te gaan. Dit deel van het
eiland is bergachtig; de dalen zijn zeer smal en niet vruchtbaar. Er
is veel overeenkomst tusschen deze westkust van het eiland Santo en
de oostkust van Nieuw-Caledonië; sommige mijnontginners hebben dan
ook gehoopt, dat het eiland rijk aan mineralen zou wezen en hebben er
met dat doel onderzoekingen gedaan. Ik geloof niet, dat hun pogingen
met succes bekroond zijn geworden.

Toen wij te Poussey passeerden, sprak een inboorling ons over een
blanke, die eenige maanden geleden op de kust was ontscheept en er nu
nog aan het graven was. Tot nu toe was het hem nog alleen gelukt, de
inboorlingen te verbazen, die, toen ze zagen, dat hij gewicht hechtte
aan steenen, hem voor een krankzinnige hielden. Het was een zekere
V. een bevrijde gevangene uit Nouméa; hij heeft van zijn tocht niet
veel kostbaar gesteente meegebracht, maar wel veel koortsaanvallen.

In de buurt van Poussey kwamen ons veel booten tegen, sommige met
varkens, andere met aardvruchten of met suikerriet geladen. Dat punt
aan de kust is een plaats, waar veel inlanders uit het binnenland
samenkomen met die van de Saint-Philippebaai en Poussey. Die laatste
verkoopen, in ruil voor de levensmiddelen, welke hun worden gebracht,
het aardewerk dat zij zelf fabriceeren en dat zij alleen kunnen maken
op het eiland. Het zijn aarden potten van verschillende grootte,
vaak met lijnteekeningen versierd, en vrijwat weerstand biedend aan
de hitte; ze worden voor het koken van het voedsel gebruikt.

Het scheen mij, dat de inboorlingen van Santo niet zoo laag stonden
als die van de zuidelijker eilanden. Wij kregen te Poussey een man
met zijn vrouw aan boord, die wel naar Nouméa wilden meegaan; maar
zij stelden als voorwaarde, dat ze in hetzelfde huis en op dezelfde
plantage moesten dienen. Ze hielden elkander teeder aan de hand en
schenen ware genegenheid voor elkaâr te koesteren. De positie der
vrouwen scheen hier over 't algemeen beter dan in de andere deelen
van den archipel.

Buitendien werden de inboorlingen ook intelligenter, hoe verder wij
naar het Noorden van den archipel vorderen; ze kregen meer besef
ook van zedelijkheid en zorgden vooruit voor wat hun materiëel
bestaan kon verbeteren. Zij eten vrij smakelijk, en een van de
door ons aangeworvenen kreeg van zijn vrienden een gerecht cadeau,
in bananenbladeren gewikkeld, dat heel lekker rook en bestond uit
varkensvleesch met aardvruchten en kokosmelk toebereid. Zij gebruikten
het òf met houten vorken òf door er balletjes van te rollen en die
in den mond te steken.

Ik kreeg een uitnoodiging, om aan het festijn deel te nemen, en
ik proefde het inlandsche gerecht, dat niet kwaad smaakte en zeer
voedzaam moet zijn.

Onder de inboorlingen, die wij ontmoetten, hadden sommigen een
lichte huidskleur, anderen waren donkerder en allen hadden sterker
krullende haren dan de bewoners der zuidelijker eilanden en vooral van
Erromango. In voorbijgegane eeuwen moeten volken van verschillende
afkomst zich hier neergezet, en hebben zich met de autochthone
bevolking vermengd; dus is het niet verwonderlijk, dat wij vrij sterke
individueele verschillen aantroffen. Maar het gemiddelde type was
niet leelijk; het ras van Santo was sterk en gespierd.

De vereeniging van de vele bewoners uit verschillende hoeken van het
eiland op de markt te Poussey gaf aanleiding tot feesten en nationale
dansen. Het heeft mij zeer gespeten, dat ik eenige dagen te laat kwam,
want anders had ik een zonderlinge plechtigheid kunnen bijwonen,
eigen alleen aan dit eiland.

Ofschoon ik het zelf niet heb gezien, kan ik den lust niet weerstaan,
er van te vertellen naar de beschrijving, die de inboorlingen mij
er van hebben gegeven. Het feest wordt geleid door het hoofd van den
stam, welke man rood is gekleurd en met bloemen is behangen. Kleine
speenvarkentjes worden vastgebonden en ingepakt neergelegd op de markt
bij de op den grond gezeten jongelieden. Op een gegeven oogenblik
loopen twee mannen naar de jongelieden toe en moeten blijven staan, om
van ieder een zweepslag te ontvangen. Vaak bedekken zij hun bovenlijf
met schors, om de gevoeligheid der slagen te keeren. Ieder man uit
den stam moet aan de plechtigheid deelnemen. Al dien tijd dansen
en springen vijf of zes inboorlingen op het feestterrein rond,
en op dat oogenblik worden de kleine ingepakte varkentjes hoog in
de lucht opgegooid en moeten op het hoofd der dansers terugvallen,
die ze moeten vangen of oprapen.

Ik zou graag nog langer te Poussey zijn gebleven, om beter en langer de
zeden dier inboorlingen te kunnen bestudeeren; maar ons werven had er
geen succes. Wij moesten onzen weg dus vervolgen naar kaap Cumberland,
de noordelijkste punt van den archipel. We voeren gemakkelijk er
omheen, liepen in de Saint-Philippebaai binnen en ankerden dichtbij
een rivier, die den naam van "de Jordaan" droeg. Daar had Quiros
zijn Nieuw-Jeruzalem willen stichten, toen hij de eilanden in 1606
ontdekte. Hij hield processies aan den wal, liet het kruis rondom de
baai voeren en maakte zich gereed om de fondamenten te leggen van
zijn heilige stad, toen zijn metgezellen in opstand kwamen en hem
dwongen naar Spanje terug te keeren.

Enkele reizigers hebben beweerd, dat de spaansche zeevaarder zijn
plannen wel reeds ten uitvoer had gebracht, dat hij een stad had
gesticht met muren er omheen, waarvan de sporen nog over zouden
zijn. Maar ik vermoed, dat die inlichtingen alleen in het brein
dergenen, die ze heetten te hebben ontvangen, waren ontstaan. Ik heb
herhaaldelijk wandelingen op het eiland gedaan, en ik heb niet het
minste spoor kunnen ontdekken van een oude stad. Bovendien behoeft
men slechts het rapport van Quiros te lezen, om verzekerd te zijn,
dat zijn plan niet werd volvoerd; 't is dus noodelooze moeite naar
sporen te zoeken van iets, dat niet heeft bestaan, en het moet iets
van een tweede gezicht geweest zijn, als er personen geconstateerd
hebben, dat ze muren van Nieuw-Jeruzalem hebben aanschouwd.

Ik zal niet zeggen, dat de plaats slecht gekozen zou zijn; integendeel
ben ik er van overtuigd, dat een ernstige poging tot kolonisatie in de
Saint-Philippebaai kans van slagen zou hebben. De haven is buitengewoon
ruim en heeft talrijke ankerplaatsen, maar zij is ongelukkig niet
beschut tegen de noordenwinden. Acht rivieren storten zich uit in de
baai en stroomen door diepe, vruchtbare dalen; de kuststrook is met een
weelderigen plantengroei bedekt, en op korten afstand ziet men reeds
velden met humuslagen, die voor allerlei culturen geschikt zouden zijn.

De bewoners zijn nog al zacht en vreedzaam. De Saint-Philippe baai is
een der weinige plaatsen op de Nieuwe-Hebriden, waar nooit aanvallen
op Europeanen zijn voorgekomen; de inboorlingen komen ons vriendelijk
bezoeken en zijn gelukkig, hun producten te verkoopen tegen kruit
en lood. Zij houden veel van de jacht en zijn buitengewoon behendig
in het dooden van de talrijke wilde eenden, die rondvliegen aan de
oevers van de Jordaan.

Hier trekken, evenals te Mallicolo, de vrouwen zich de beide voortanden
uit van de bovenkaak; zij dragen geen andere kleeding dan een gordel
om de lendenen. De mannen dragen een band om het middel, waaraan
een vlechtwerk hangt, dat de geslachtsorganen verbergt. De beide
geslachten houden er van, zich het gelaat rood te verven, en enkelen
doorboren zich het tusschenschot van den neus met een stukje koraal.

De Saint-Philippebaai ligt ten noorden van den archipel der
Nieuwe-Hebriden; dus moeten wij ons wel weer zuidwaarts begeven, om
met de werving op die eilanden voort te gaan, eer we ons tot de groep
der Salomonseilanden wenden. De inlichtingen, die wij op reis hadden
gekregen, gaven ons hoop, dat we op het eiland Aoba talrijke contracten
zouden sluiten; daar, zoo heette het, wenschten de bewoners in Nouméa
te werken, wanneer ze in betaling geweren kregen en ammunitie. Wij
verlieten onze ankerplaats aan de Jordaan, en na kaap Quiros te zijn
omgezeild, wendden wij den steven naar het eiland Aoba.

De zuidoostenwinden, die hevig bliezen, vertraagden onze vaart,
en ondanks den geringen afstand tusschen Santo en Aoba deden wij er
drie dagen over, eer we op de noordoostkust van laatstgenoemd eiland,
te Naboekiriki, landden. We gingen een kleine baai voorbij, die in
den laatsten tijd op Nieuw-Caledonië zeer bekend was geworden. Daar
woonde namelijk een coprahandelaar van fransche afkomst, de heer M...,
wel bekend te Nouméa; enkele weken geleden was hij door de inboorlingen
vermoord geworden; zijn lijk werd teruggevonden, in den grond begraven.

Ofschoon zij in beschaving zich boven de andere eilanders verheffen,
en ondanks hun nauwe aanraking met de weer hooger staande Polynesiërs,
hebben de inboorlingen van Aoba toch niet geheel hun bloeddorstige
neigingen overwonnen; ze zijn altijd gevaarlijk en verdienen in
't geheel geen vertrouwen.

De bewoners van den oever der zee werpen alle verantwoordelijkheid
voor zulke misdaden op de Kanaken uit het binnenland of van het bosch;
zij zouden bijna van verontwaardiging blozen, als men hen van zulke
wandaden beschuldigde, maar het is toch zaak, ook tegenover hen op
zijn hoede te zijn.

Toch kan ik geen weerstand bieden van het verlangen, om het dorp
Naboekiriki te bezoeken. Het hoofd van den stam is ons komen zien
en inviteerde ons, om ten hunnent te verschijnen. Eenmaal aan land,
volgden wij een smal pad door het bosch en kwamen weldra op een
open plek, een plein, met hutten eromheen, die goed gebouwd waren,
met matten uitgespreid op den vloer en zonder al te veel rook. In
een hoekje stonden de trommels of liever holle boomstammen, die als
muziekinstrumenten werden gebruikt, maar ze lagen op den grond en
stonden niet overeind, zooals te Mélé.

Ik zag buiten het dorp een platform; daar troonde het hoofd van den
stam op de dagen van _sinn-sinn_ of groote feestelijkheden; zijn taak
was het, bij die gelegenheden met zijn pijlen de varkens te dooden,
die ieder inwoner moet leveren en die vervolgens worden gebruikt bij
de feestmaaltijden van het volk.

Dit dorpshoofd ontving ons zeer vriendelijk; ik ontving een
welkomstcadeau van hem, bestaande in een kip en veel bananen; ik
gaf hem daarvoor tabak, een flesch jenever en daar ik wist, dat
geweven stoffen te Aoba zeer op prijs werden gesteld, deed ik er
mijn zijden halsdoek bij, waarmee hij prijken zal op de dagen der
groote plechtigheden. De eenige kleeding van deze menschen bestaat
in een lap katoen tot bedekking van hun naaktheid; als zij daarvoor
geen europeesche weefsels hebben, nemen ze eigen gevlochten matjes,
soms niet zonder smaak gefabriceerd.

Zooals ik boven zeide, de bewoners van Aoba verschillen vrijwat
van de andere bewoners der Nieuwe Hebriden; dat hangt samen met de
ligging van het eiland, die zeer gunstig voor vreemde immigratie is,
met name van de Samoa-eilanden. In een betrekkelijk nog niet ver
achter ons liggenden tijd moet Aoba Polynesiërs hebben opgenomen,
komend van de naburige eilandengroepen. Die hebben zich vermengd met
de oorspronkelijke bewoners, en zoo is dat bijzondere ras ontstaan,
dat een eigenaardigen lichaamsbouw en eigen gewoonten en zeden
kan aanwijzen. In een groep menschen van de Nieuwe-Hebriden zal ik
altijd de Kanaken uit Aoba kunnen ontdekken aan hun groote gestalte,
hun intelligent gelaat, het niet zeer geaccentueerde prognatisme,
de krullende haren en vooral aan de lichte gelaatskleur. Evenals
de Polynesiërs wonen deze Kanaken niet in kleine dorpen bijeen,
maar vormen groote stammen of volken, wier hoofden eene absolute
heerschappij uitoefenen. Hun taal bevat veel bestanddeelen, die aan de
dialecten van Tahiti, Tonga en Samoa herinneren. Ik zal niet verder
ingaan op de ethnologische verschillen; men zou veel ruimte noodig
hebben, om ze nauwkeurig na te gaan. Maar ik ben blij, Aoba te hebben
bezocht, want op dat eiland heb ik de ingewikkelde quaestie van de
verhuizingen in de Stille Zuidzee kunnen bestudeeren.

Die vermenging met polynesisch bloed verklaart de groote losheid van
zeden, die dit eiland kenmerkt; de Papoea is namelijk zeer jaloersch
en onttrekt zijn vrouw liefst aan alle onbescheiden blikken; maar de
bewoner van Aoba is niet zoo scrupuleus en aarzelt niet, zijn vrouw
volle vrijheid te laten. De jonge meisjes zijn ook ver van beschroomd
en vluchten niet bij de nadering van een vreemde, zooals op de andere
eilanden; met een lapje rood katoen of een parasol wordt haar deugd
gemakkelijk op zij gezet.

Ik verliet het dorp Naboekiriki en alle bewoners deden mij uitgeleide
tot op het strand. We liepen een groep jonge vrouwen voorbij, die
in zee hadden gezwommen en zingend naar het dorp terugkeerden;
zij groetten mij lachend en schenen zich vroolijk te maken over
den vreemdeling.

Een kleine boot wachtte, om mij naar ons schip terug te brengen,
en even later zette de _Lady Saint Aubyn_ naar Walhara koers.

Daarna gingen wij naar Duin-Dui, waar ik een Kanakeninboorling
ontmoette, die eigendommen had in Queensland. Hij sprak zuiver
Engelsch en had met parelvisscherij in de Torres-straat zich een groot
fortuin verworven. Daarna was hij te Brisbane gaan wonen en had een
Engelsche getrouwd. Hij was nu een paar maanden in zijn geboorteland
komen doorbrengen en was voornemens, spoedig naar Australië terug te
keeren. Zijn voorbeeld toont aan, hoe dit ras zich op kan werken en
pleit voor de intelligentie der bewoners van Aoba.

Wij passeerden het eiland Aurora, dat kort na ons vertrek een treurige
vermaardheid heeft verkregen door een catastrophe, die schrik
en ontsteltenis verspreide onder de zeevaarders van den Stillen
Oceaan en vooral onder hen, die, als wij, zich met de werving van
arbeidskrachten bezighielden.

Wij hadden te Port Havannah een jongen Creool van Mauritius ontmoet,
die in den archipel reisde met zijn schip, de _Constantine_, waarop
een fransche kapitein het bevel voerde. Hij liet het anker vallen
vóór de kust van Aurora met het plan, er eenige inboorlingen te huren,
maar de bewoners van het eiland maakten misbruik van het vertrouwen,
dat de Creool in hen stelde, en vermoordden hem en den kapitein met
enkelen der bemanning, terwijl het schip in brand werd gestoken.

Alle eilanden van de groep der Nieuwe-Hebriden zijn gevaarlijk; er is
er geen enkel, waar men een onbepaald vertrouwen in de inboorlingen
kan stellen. Maar Aurora of Maïro verdient speciaal den slechten naam,
dien het heeft; men moet daar bij uitstek voorzichtig zijn.

Overigens kan men aan hun gewoonten al gauw merken, met welke soort
van menschen men te doen heeft; als een der Kanaken sterft, is het de
gewoonte een anderen te dooden, om den doode gezelschap te houden; het
is niets ongewoons, dat een moeder haren zoon vraagt om haar te dooden,
ten einde een gestorven dochter niet alleen de reis te laten doen.

Geen enkele Europeaan hield ten tijde van ons bezoek op Maïro verblijf,
en ik geloof niet, dat er ooit een blanke heeft gewoond. Het gemis
aan veiligheid, de afwezigheid van havens houden vreemde schepen op
een afstand; de bevolking is er echter talrijk en de plantengroei
weelderig; men vindt er vooral veel broodboomen, die er het
hoofdvoedsel leveren evenals op Tahiti. Het eiland is goed besproeid,
en van het dek der boot konden wij watervallen onderscheiden, die
van groote hoogte neervielen en een schilderachtig aanzien aan het
eiland gaven.

Daarna verlieten wij den archipel der Nieuwe-Hebriden. Met een
gunstigen wind zette ons scheepje koers naar het Noordwesten, en wel
naar de Salomonseilanden, waarvan ongeveer 800 mijlen ons scheidden.

De archipel der Salomons-eilanden werd door Mendana in 1564 ontdekt,
en sinds dien tijd is hij alleen bezocht geworden in de 18de eeuw
door Surville en d'Entrecasteaux. Ten tijde van zijne expeditie
naar het eiland Vanikoro deed Dumont d'Urville deze eilanden aan;
maar sinds dien tijd is er nooit een fransch oorlogschip verschenen.

Onze aardrijkskundige litteratuur levert ook in 't geheel geen
documenten over de Salomons-eilanden, al zijn ze belangrijk genoeg
ook uit het oogpunt van den reiziger. Hun oppervlakte is tienmaal
die van Corsica. De grootste eilanden zijn Bougainville, Choiseul,
Isabel, Malaïta, San Cristoval en Guadalcanar; de drie laatste hebben
wij bezocht.

Het deed ons allen veel genoegen, die zoo weinig bekende streken
te leeren kennen. Honderdmaal had men ons de vijandige gezindheid
der bewoners voor oogen gesteld, hun woeste zeden en hun aanvallen
op Europeanen.

Welk vertrouwen verdienden die verhalen? Zullen wij ook van dergelijke
aanvallen te lijden hebben. De uitkomst zou ons dat alles precies
leeren.

Den 30_sten_ September, tegen acht uur's morgens, werd dus het land
met vreugde begroet, en onze oogen trachtten het kleine stipje te
herkennen, dat alleen een zeer doordringend oog kon onderscheiden.

Wij naderden de kust bij de oostpunt van de zuidkust op het eiland
San-Cristoval.

Maar weldra ging de wind liggen; wij konden niet voort, en eerst om
drie uur in den namiddag konden wij er aan denken, aan land te gaan,
terwijl ons schip, daar er geen haven was, op twee mijlen afstands
van de kust moest blijven.

De beide bij ons schip behoorende booten werden meegenomen, en ik nam
er in plaats met de wapens en de ammunitie, om ons te verdedigen, en
met de ruilwaren en geschenken, die voor ons de inboorlingen gunstig
moeten stemmen.

Wij wendden ons naar het dorp Makira, waarvan de hutten, aan het
strand gelegen, aardig tegen het groen uitkwamen en veel geleken op
groote bijenkorven. Zij werden overschaduwd door tal van kokospalmen
en stonden te midden van een weelderigen plantengroei, herinnerend
aan dien der tropische landen. Geen duimbreed gronds, of er hadden
zich planten ontwikkeld, en er waren hier en daar dichte bosschen
verrezen, waarin licht en lucht slechts met moeite doordrongen.

Onze beide bootjes bleven bijeen, om elkander zoo noodig wederkeerig te
beschermen; dat was een eisch van voorzichtigheid, want een verrassing
of plotselinge aanval van de zijde der inboorlingen behoorde niet tot
de onmogelijkheden. Op eenige meters afstands van het dorp zagen wij
de inboorlingen ons te gemoet komen, allen gewapend met assegaaien,
knotsen en andere wapens, zoo niet tot den aanval, dan toch ter
verdediging geschikt, want zij kenden ook onze bedoelingen niet.

Er werd een gesprek aangeknoopt. Onze hoedanigheid van Franschen en
onze komst uit Nouméa scheen de bewoners niet af te schrikken, dus
hebben onze voorgangers er geen slechten indruk achtergelaten. Zoodra
ze waren gerustgesteld, naderden ze ons; ze vroegen om 't hardst om
tabak, pijpen en lucifers, en hun geestdrift steeg ten top, toen wij
hun een geweer en patronen gaven en dat beloofden aan elken inboorling,
die te Nouméa wilde komen werken. Dadelijk verklaarden twee sterke,
jonge mannen zich bereid om te vertrekken, en zonder op de smeekingen
en vertoogen van hunne vrienden te letten, klommen ze in de boot en
plantten zich op de achterbank.

De tegenwerpingen van de ouders zonken in het niet voor de betaling,
die voor beide verbintenissen werd uitgekeerd; wij gaven hun een
Snidergeweer, 20 patronen, 1 K.G. tabak, 20 pijpen, 20 doosjes
lucifers, een groot mes en eenig glaswerk, alles misschien ter waarde
van ongeveer 30 francs.

Ik kon op mijn gemak deze inboorlingen bekijken, die om ons heen
drongen, begeerig om ons wat te verkoopen, armbanden, wapens e.d. In
enkele minuten deed ik voor een zeer bescheiden sommetje den aankoop
van vele ethnographisch interessante voorwerpen, die een plaats
zullen erlangen in 't museum op het Trocadéro. Ik wachtte tot ik weer
aan boord zou zijn, om ze te rangschikken en te onderzoeken wat ze
mij zouden kunnen leeren over het karakter van dit ras, dat mij op
het eerste gezicht uit verschillende elementen scheen samengesteld,
goed van elkander te onderscheiden door kleur, vooruitsteken van de
wangbeenderen en soort van haar.

Dadelijk bij onze nadering had mij het groote aantal vrouwen en
kinderen getroffen, dat op ons was komen toeloopen en ons met
nieuwsgierige blikken bekeek; het was een goed voorteeken, want
in geval van vijandige bedoelingen zouden de mannen, om vrijer in
hunne bewegingen te zijn, wel hun gezinnen op den achtergrond hebben
gehouden.

Die vrouwen kwamen geheel naakt op het strand; ze hadden zelfs niet het
vijgenblaadje, dat Eva beroemd heeft gemaakt; ze waren slank gebouwd,
en het ontbrak haar niet aan een zekere gratie. Het onbescheiden
kijken van de vreemdelingen scheen haar niet te verontrusten en ook
niet de jaloezie der mannen gaande te maken.

Zij vroegen vrijmoedig om tabak, en er waren een paar tandelooze
oudjes, die een stompje pijp in den mond hadden, 't welk bij gebrek
aan voedsel lang had gerust. Deze kust wordt zeer zelden door vreemde
schepen aangedaan, en europeesche waren zijn er schaarsch.

Het was een wedstrijd, wie van haar het snelst haar parelmoeren
armbanden en oorringen of neusversierselen zou afdoen, om ze af te
staan tegen een doosje lucifers, een pakje tabak of een halssieraad
van koralen. De katoenen of andere geweven stoffen hadden hier in
't geheel geen waarde; die zijn overbodige luxe voor de schoonen van
de Salomonseilanden.

De sympathieke ontvangst, die wij genoten, haalde ons over, uit de
booten te stappen en het dorp van dichterbij te bezien. Het lag eenige
meters van het strand verwijderd, en op den rug van een inboorling
gezeten, zette ik voor de eerste maal den voet op den grond der
Salomons-eilanden, of eigenlijk raakte mijn voet eerst later den
grond. In betaling gaf ik mijn drager een patroon en nam hem als
gids aan.

De huizen stonden achter elkander tegen een heuvelhelling aan, die
tot het strand doorliep. Om er te komen, moesten wij over groote
boomstammen springen, die door den storm gevallen waren, en die door
de zorgeloosheid der inboorlingen maar op den weg waren blijven
liggen. Overal stonden verder reuzenboomen, die diepe schaduwen
wierpen over de lage, primitieve hutten. Men behoeft geen bekwaam
bouwmeester te zijn, om in een oogenblik zoo'n huis te verwaardigen,
waarin deze menschen wonen met heel hun gezin en hun honden en
varkens. Eenige bamboestaken, dicht aaneen in den grond gestoken en
door lianen aaneengebonden, een paar palen nog om het stroodak te
steunen, een opening aan elken kant en 't huis is gereed; de grond
zelf dient als vloer, een paar steenen als vuurhaard, dorre bladeren
als familielegersteden. In den eenen hoek lagen wapens, in een anderen
houten drinknappen en eenige matten, dat was alle meubileering. Een
deur ontbrak, er was niets te halen voor dieven.

Met de grootste vriendelijkheid lieten de inboorlingen mij binnen in
hunne huizen, en ze zouden het zelfs onvriendelijk hebben gevonden,
als ik aan hunne uitnoodiging geen gevolg had gegeven. Zij schenen
mij iets beters te verdienen dan hun slechten naam, en voorwaar,
toen ik in een der hutten was, om naar een zeldzaam wapen te kijken,
zou het hun niet moeilijk zijn gevallen mij het leven te benemen.

Daar het al laat was, konden wij niet lang te Makira blijven, en zoo
groot en vast was ons vertrouwen nog niet, dat wij den nacht aan den
wal durfden doorbrengen. Begeleid door de geheele bevolking, mannen
vrouwen en kinderen, bereikten wij weer onze booten, die aan de hoede
van enkele matrozen waren overgelaten geweest, en een half uur later
waren we aan boord van de _Lady Saint Aubyn_ terug. Verrukt over ons
eerste uitstapje en rijk voorzien van ethnographica, namen wij ons
voor, zoo dikwijls het ons mogelijk zou wezen, aan land te gaan.

Maar ik was nog niet lang aan boord terug, of ik bespeurde, dat
eerlijkheid geen hoofddeugd van deze primitieve wilden was; en de
verdwijning van mijn revolver en mijn patronenkoker waarschuwde mij,
dat ik voortaan beter het oog zou hebben te houden op hun lange
vingers. De talrijke assegaaien, die ik had meegebracht, stelden mij
niet schadeloos voor het verlies van mijn eigen wapen; maar sommige
ervan waren mooi, wel vier meter lang en uitloopend in punten van been
of van ijzer. De behendigheid in het werpen is bij deze inboorlingen
verbazingwekkend; op een dertigtal meters afstands missen zij nooit
het doel, dat zij zich hebben gesteld.

Wij verlieten dien nacht de kust en wendden ons naar het eiland Santa
Anna ten zuiden van San Cristoval; wij meenden er een tolk te zoeken,
want zoo iemand kunnen wij niet missen bij onzen arbeid van de werving.

Den volgenden morgen tegen zes uur in den morgen lieten wij, na om
kaap Surville heengevaren te zijn, het anker vallen te Uaah, dat is de
inlandsche naam van Santa Anna. Dadelijk stak er een boot van wal en
voer op ons af, zij bracht het hoofd May naar ons over, een man, die
bij de kooplieden welbekend is en die zeer gevreesd is bij de stammen,
naar wier dorpen het hem behaagt, zijn oorlogsbooten te zenden. Zijn
oorlogzuchtige bedoelingen waren algemeen bekend en zij brachten
hem later veel geschenken in vanwege de hoofden der dorpen, die wij
langs de kust van San Cristoval bezochten. Hij bood ons namelijk zijn
diensten aan als loods en tolk, en wij namen die zonder aarzeling aan.

Hij inviteerde ons, om zijn dorp te bezoeken en bood ons een plaats
aan in zijn wankel bootje; maar wij gaven er de voorkeur aan, in
de boot van ons schip te gaan, en deze zette ons spoedig aan het
strand af in een zandige kleine baai. Nauwelijks aangekomen, werden
wij bezocht door een van die geïsoleerde Europeanen op de eilanden
van de Stille Zuidzee, die zich zelfs niet meer de plaats hunner
geboorte herinneren, en die in hun avontuurlijk leven alle eilanden
zoowat hebben bezocht. 't Was de heer F., een in Finland geboren Rus;
hij woont al sinds een tiental jaren op de Salomons-eilanden en wordt
er niet bepaald rijk door den coprahandel.

Hij woont er vrij goed in een houten huis met een veranda eromheen,
dat hij aardig heeft ingericht en versierd met allerlei inlandsche
wapens en veel cosmopolitische chromolithografieën; hij heeft zelfs,
wat in dat land het toppunt van deftigheid vertegenwoordigt, een
franschen kok.

Maar het schijnt dat die landgenoot er niet naar verlangt, kennis
met ons te maken; ik begrijp zijn aarzeling, toen hij eindelijk
besloot, zijne opwachting te maken. Wij ontdekten in hem al spoedig
een strafgevangene, ontsnapt uit Nieuw-Caledonië. Enkele maanden
tevoren waren drie misdadigers ontvlucht uit de zuiderbaai met een
klein scheepje, dat hen naar de Loyalty-eilanden had gebracht, een
dépendance van onze kolonie. Daar zij meenden, in een onafhankelijken
archipel te zijn aangeland, gingen zij vol vertrouwen aan wal,
maar ze werden gevangen genomen en voor den administrateur dezer
eilanden gebracht. Ze wisten echter opnieuw te ontkomen, en, dezen
keer gelukkiger terechtkomend, deden ze het eiland Guadalcanar aan,
na een lastigen overtocht. Zij deden zich voor als schipbreukelingen
van een fransch schip op weg naar Batavia en werden door de blanken
van de Salomons-eilanden goed opgenomen. Ik meende den Rus van Santa
Anna maar niet nader te moeten inlichten omtrent de herkomst van
zijn kok. Moge deze zich een nieuwe levensbladzijde van maagdelijke
moraliteit hebben omgeslagen en aldus zijn vroegere fouten boeten.

Ons bezoek bij den heer F... was van korten duur; ik haastte mij om een
toertje te gaan maken in het inlandsche dorp en daar enkele gegevens te
verzamelen. Wij konden er onbeschroomd binnengaan en ons vrij onder de
Kanaken bewegen; Santa Anna is het beschaafdste eiland van de groep,
en kapitein Mac Donald, een ervaren reiziger uit den Stillen Oceaan,
heeft er lang gewoond, zonder ooit aan gevaar te zijn blootgesteld.

Onze aankomst werd met een groot geschreeuw begroet; de mannen liepen
ons tegemoet, terwijl de vrouwen zich beschroomd en angstig achter
in de hutten verscholen en niet voor den dag durfden komen.

De mannen waren vriendelijker; zij liepen met ons mee en brachten ons
dadelijk in de hut, waar de oorlogsbooten lagen. Dat huisje was het
belangrijkste monument van het geheele eiland; de inboorlingen waren
er trotsch op en wilden er gaarne de honneurs van waarnemen voor de
vreemdelingen. Het ongeveer 4 M. hooge huis werd gesteund op palen
van beeldhouwwerk, die dieren en menschen moesten verbeelden.

Het is de karakteristieke eigenaardigheid van de inboorlingen van Santa
Anna, dat zij knap zijn in het maken van booten; men kan het eiland de
scheepswerf noemen van den geheelen archipel. Wij zagen er de echte
oorlogsjonk van wel 7 à 8 M. lengte, waar 60 à 70 roeiers plaats in
vinden; een speciale zitplaats is achterin de boot bestemd voor den
leider, die het gevecht regelt. De booten hebben geen steunbladen,
zooals de booten der inboorlingen van de Nieuwe-Hebriden en van
Nieuw-Caledonië vertoonen.

De vaartuigen hier waren met parelmoer ingelegd, aan beide
uiteinden omhooggebogen en van teekeningen voorzien; aan de randen
waren gebeeldhouwde dieren aangebracht, als honden en vogels;
tusschen bloemguirlanden; de stevigheid is buitengewoon groot en de
zeewaardigheid voldoende, om te maken, dat de inboorlingen er 50 à
60 mijlen mee kunnen roeien, want van zeilen maken ze nooit gebruik.

Het gebouw, waarin de booten werden bewaard, stond onder de bescherming
van een godheid, aan wie een menschenleven wordt geofferd telkens
als er een nieuwe oorlogsboot van stapel loopt. Ook is er een boot
speciaal voor den god bestemd, en in een hoek stonden artikelen,
als huisraad en allerlei vazen, te zijnen gebruike. Nooit willen de
inboorlingen een dier voorwerpen afstaan, hoe hoog de prijs ook zij,
die hun ervoor wordt geboden, en ze zouden den vreemdeling niet sparen,
die het mocht willen wagen, met hun vooroordeelen en hun bijgeloof
te spotten.

Het bezoek aan het dorp Santa Anna hield ons den geheelen morgen
bezig. Op den middag verlieten wij het eiland, om ons naar de
noordkust van het eiland San Cristoval te begeven. May vergezelde ons
en diende ons tot loods, om ons de haven Fanariki te helpen bereiken;
wij hoopten er den volgenden morgen vroeg aan te komen.

Gedurende den korten overtocht kon ik een algemeen overzicht krijgen
van de eilanden, die het zuidelijk gedeelte van den archipel uitmaken;
Malaïta, San Cristoval, Hougué, Santa Catalina en Santa Anna kwamen
duidelijk uit, en we konden alle goed herkennen.

De duur van een nacht was voldoende, om de weinige mijlen af te
leggen die ons van Fanariki scheidden. Zoodra de _Lady Saint Aubyn_
voor anker lag, gingen wij aan land, om een bezoek te brengen aan
het dorpshoofd, dat den naam van Quarter droeg. Allereerst was het
bij de recruteering noodig, dat wij de goede gezindheid verwierven
van de hoofden. Zij hebben een onbeperkt gezag en besluiten niet om
een inboorling te laten vertrekken, als ze niet eerst veel geschenken
hebben ontvangen en veel drank hebben genoten. Toen dan ook Quarter van
onzen kapitein een flesch jenever en een prachtig Lefaucheux-geweer had
ontvangen, beloofde hij ons zijne medewerking en verzekerde ons, dat
wij veel verbintenissen zouden kunnen aangaan op zijn grondgebied. Dat
laatste beteekent trouwens nog niet veel bij deze koninkjes van de
Salomons-eilanden. De inboorlingen vormen namelijk kleine verspreide
groepen, en het gezag van een inboorling en hoofd reikt niet verder
dan eenige mijlen van de plaats, waar hij woont.

Quarter aarzelde dan ook, ondanks zijn groot gezag in eigen dorp,
den voet te zetten op het terrein zijner buren; hij heeft altijd zoo
een en ander op zijn geweten, en hij is niet gemakkelijk tegenover
de bevolking om hem heen. May, onze loods en Quarter, onze gast,
zijn twee beroemde jagers op menschen; zij begrijpen elkander en
zijn vereenigd in een vriendschap, die bevestigd is door veel samen
vergoten menschenbloed.

De onderdanen van Quarter zijn volstrekt niet veilig, en hij beschikt
naar willekeur over leven en goed der zijnen. Hij wou ons zelfs wel
eens toonen, hoe weinig hij geeft om een menschenleven meer of minder,
en hij zou niet aarzelen, te onzer eer een paar zijner landgenooten
te offeren. Maar wij haastten ons hem te zeggen, dat we hem op zijn
woord geloofden, en dat we heelemaal geen bewijzen voor zijn bewering
verlangden.

Intusschen was zijn houding tegenover Europeanen welwillend, en dank
zij zijne bescherming, konden wij in alle gerustheid de omstreken
van het dorp bezoeken.

We zagen bij die gelegenheid ook de aanplantingen van de inboorlingen
op de helling der bergen. De Kanaken of liever hun vrouwen ontbosschen
het terrein door verbranding en planten er daarna hun aardvruchten. Zij
eten die taro's en buitendien veel bananen, hun hoofdvoedsel, dat
zij zoowel gekookt als rauw tot zich nemen.

Toen we die plantages hadden bekeken, liepen wij die gedeelten van
het bosch in, waar de bijl van den mensch nog nooit had gekapt; wij
konden oordeelen over de vruchtbaarheid van den grond en bemerken,
hoeveel voordeelen die zou kunnen opleveren, als ervaren landbouwers
er aan het werk gingen. Onder de reuzenboomen, die men overal ziet,
ligt een dikke humuslaag, waaruit bij de warmte en de vochtigheid
vaak schadelijke dampen opstijgen; maar als er meer licht en meer
lucht in die bosschen werd toegelaten, zou het land gezonder worden
en de grond zou er niet minder vruchtbaar om zijn.

Op onze wandeling ontmoetten wij eene groep jonge vrouwen, die gebukt
gingen onder den oogst van bananen, voor Fanariki bestemd; zij liepen
onder toezicht van een inboorling. Hoewel haar levenswijze niet maakt,
dat haar schoonheid lang bewaard blijft, zag ik er toch onder, die
er aardig uitzagen, en ze zouden zelfs mooi kunnen heeten, als ze
niet tot allerlei dwaze ontsieringen waren overgegaan.

Een van haar had het tusschenschot van den neus doorboord en had er een
ring van schildpad aan gehangen; eene andere had het oorlelletje zoo
uitgerekt, dat zij er een houten blokje of schijfje had kunnen insteken
van 0.05 M. middellijn. Men ziet het, de behaagzucht is nergens de
wereld uit. De dames hadden regelmatige trekken, zijdeachtige, niet
gekroesde haren als bij negerinnen, en ze waren goed geproportionneerd.

Zoo kwamen wij terug in Fanariki. In onze afwezigheid hadden de onzen
veel succes gehad met het werven; vijf inboorlingen gingen mee op ons
schip, namelijk Sohima, Toro, Tarimbanne, Tagaro en Soemanson. Zij
vonden het aardig, te gaan naar een land van blanken, en onbewust
zullen zij meehelpen tot den vooruitgang van de fransche kolonisatie
in Nieuw-Caledonië. Het waren knappe, sterke, jonge mannen tusschen
18 en 22 jaar; hen trokken de zucht naar het onbekende en de zin
voor avonturen, en zij moeten moed hebben, om weg te gaan, want
in hun verbeelding zien ze niet alleen wonderen, maar wel degelijk
ook gevaren.

Er wordt gewoonlijk beweerd, dat zij gaan op bevel hunner hoofden of
van hun ouders; maar dat is een vergissing; zij moeten integendeel
meestal den tegenstand van de ouders overwinnen en den onwil van hun
hoofden, die het volstrekt niet prettig vinden, het aantal hunner
strijders te zien verminderen.

Door velerlei geschenken moeten wij de smart der scheiding
verzachten. Maar zoodra het schip de kust verliet, werden we met
geschreeuw uitgeleid, en ik heb wel jonge meisjes zwemmend onze boot
zien volgen en pogingen zien aanwenden, om door waarschuwingen en
gebeden den broeder terug te houden, die haar misschien voor altijd
ging verlaten.

Wij vervolgden onzen weg naar de Wannoni-baai, De pas ingescheepte
Kanaken verzochten mij, of ik hen op mijn register wilde
inschrijven. Ze wisten, dat die plechtige formaliteit onmisbaar is,
als hun contract geldig zal zijn. Het is in hun belang, als de plaats
hunner geboorte staat opgeschreven en de duur van hun contract, opdat
men hen, als het tijd is, naar huis kunne terugbrengen, namelijk als
de drie jaren, waarvoor ze zich verbinden, om zijn.

Ik liet hun een volledig stel kleederen geven en een deken; hoewel
ze een lange reis gingen ondernemen, was er geen sprake van bagage,
en naakt als wormen trokken ze uit hun dorp weg. Toch zag ik nog,
dat ze allen een heel klein gevlochten zakje droegen, en door
nieuwsgierigheid gedreven, zag ik na, wat er in was. Het bevatte een
beschilderd bamboekokertje met de ingrediënten voor het sirih-kauwen,
een paar arekanoten dus, wat tabak en betelbladeren. Ze doen allen
aan het betel- of sirih-kauwen, deze inboorlingen, en de gewoonte moet
door de Maleiers er zijn ingevoerd. Dit is niet het eenige bewijs van
maleischen invloed; men vindt, uit anthropologisch en ethnographisch
oogpunt kijkend, er nog zeer veel sporen van.

Wij kwamen te Wannoni aan en ankerden in een ruime baai, tegen
de heerschende zuidoostenwinden beschut. De inlichtingen, die wij
hadden ingewonnen, leerden ons, dat dit deel der kust zeer bevolkt
was, en dat de inboorlingen uit het binnenland er dikwijls kwamen
handel drijven. Wij zouden dus die menschen uit de wildernis kunnen
aanschouwen, die aanmerkelijk verschillen van de kustbewoners.

Ik geef aan elken zeevaarder, die deze eilanden bezoekt, den raad, de
Wannoni-baai niet voorbij te gaan; hij zal er in overvloed zoet water
kunnen innemen uit twee groote rivieren, die in de baai uitloopen,
en als het noodig is kan hij van de inboorlingen proviand koopen, als
bananen, suikerriet, aardvruchten en varkens. Wij bereikten een dorp,
dat ongeveer 500 inwoners had. De huizen waren gelegen op de oevers
van één der rivieren, en wij hielden gemeenschap met de overzijde
door onze bootjes; de inboorlingen waren nog niet zoo slim geweest,
om de noodzakelijkheid van een brug in te zien.

Wij ontmoetten vrouwen aan hare huiselijke bezigheden, bananen
bereidend voor den avondmaaltijd, of visch schoonmakend, en bereikten
weldra het voornaamste huis uit het dorp. Bij elken stam heeft men een
gemeenschappelijk huis, dat tot plaats van samenkomst dient voor het
mannelijk deel der bevolking; de vrouwen mogen er niet binnenkomen,
omdat haar maatschappelijke rang te laag is, dan dat zij een woordje
zouden mogen meespreken bij de discussies van haar echtgenooten.

Op het platform vóór de hut stonden de mannen dan ook druk te praten
over het mooie weêr en de lange dagen en vertelden elkander, wat ze
hadden gezien op hun reizen naar Queensland en Nieuw-Caledonië en de
Samoa-eilanden. Ze besloten er ook tot komende oorlogsexpedities en
kozen de plaatsen uit, die van de kusten in de buurt in aanmerking
kwamen voor het zenden van oorlogsbooten.

Onze komst wekte de algemeene nieuwsgierigheid, en, getrouw aan de
algemeene bedelachtigheid, begonnen ook zij te vragen naar pijpen en
naar tabak. Ik heb tot principe aangenomen, nooit eenig geschenk te
geven, waarvoor geen wederdienst wordt bewezen. Eén van hen verdween
uit de groep, om uit zijn huis een prachtigen boog met pijlen te
halen, en na lange onderhandelingen gaf ik hem er tien rollen tabak
voor in betaling. De boog was werkelijk mooi en artistiek gemaakt;
hij was aan de rugzijde met parelmoer ingelegd en was gespannen met
een zeer stevig koord van gevlochten lianenvezels; zoo'n boog heb ik
op mijn latere omzwervingen nergens meer aangetroffen, en het museum
op het Trocadéro zal met dit eenig exemplaar worden verrijkt.

De inboorling, die hem mij verkocht, beweerde hem te hebben gekocht
van een inboorling uit Malaïta; maar ik vrees, dat dit niet waar
is en dat het alleen gezegd wordt, om de waarde van het voorwerp
te verhoogen. Deze eilandbewoners gaan immers juist door voor de
handigste en bekwaamste.

Ik kon ook een stuk beeldhouwwerk van hout bemachtigen boven van
een huis; en ik kocht andere ethnografische voorwerpen, als vazen,
borden en ander houten huisraad.

Zooals ieder europeesche natie haar eigen oorlogswapen heeft en
een veelgebruikt soort van geweer, zoo vindt men op de groep der
Salomons-eilanden knotsen van verschillende soort; ieder eiland heeft
er zijn eigene, door de inboorlingen in aanval en in verweer nog liever
gebruikt dan de assegaai, waarmee ze zoo uiterst behendig werpen.

De knots van San Cristoval is van zeer hard hout, en heeft den vorm van
een sikkel van soms wel 1.50 M. lengte. Het is een geducht wapen in de
handen der inboorlingen, en vaak heeft het hun gediend, om Europeanen
uit den weg te ruimen. Wie er een slag mee heeft ontvangen staat niet
weer op.

Bij gelegenheid van ons bezoek aan het dorp in de Wannoni-baai deden
wij een uitstapje in het binnenland en voeren een eind de rivier op;
wij kwamen daarbij ook weer in bosschen, nog niet door menschenhanden
aangeraakt. Er waren veel vogels, en hun gekweel was de eenige
verlevendiging der eenzaamheid; als de inboorlingen er door gaan,
houden ze zich zoo stil mogelijk, en trachten hun aanwezigheid te
verbergen, uit vrees dat een achter een boom verscholen vijand hen
onverhoeds mocht aanvallen en hen berooven van het weinige, dat zij
bij zich dragen.

Warmte en vocht zijn de beste hulpmiddelen voor de ontwikkeling van den
plantengroei, en die worden op de Salomons-eilanden aangetroffen. Zoo
konden wij op die wandeling langs de smalle boschpaden reuzenboomen
bewonderen, waaronder veel bananen met groote luchtwortels. Kokospalmen
waren er niet veel, die bleven meestal tot het strand beperkt; ze
waren minder algemeen dan op de Nieuwe-Hebriden en de Fidsji-eilanden,
en de coprahandel, de verkoop van het gedroogde kokosnotenvleesch,
is veel minder algemeen hier dan in beide genoemde archipels.

Maar daarentegen komt hier de boom voor, die plantaardig ivoor levert;
het is ook een palmsoort, die den wetenschappelijken naam _Phytelephas
macrocarpus_ draagt en een eigenaardig voorkomen heeft. De bladeren
zitten laag, bijna op den grond en komen voort uit een lagen stronk,
die een weinig op een cactusplant gelijkt. Hij brengt zaden voort, die
vóór ze rijp zijn, een waterig vocht bevatten, dat later melkachtig
van kleur en consistentie wordt en eindelijk een witte kleverige
massa vormt. Is het zaad, dat de grootte van een dikke kastanje heeft,
volkomen rijp, dan is die massa hard geworden als ivoor en lijkt daar
ook precies op. Daar die stof veel duurder is, wordt het plantaardig
ivoor er dikwijls voor gebruikt; men maakt er sieraden van en voert
de stof in groote hoeveelheid uit van de Salomonseilanden;  er wordt
200 francs voor een ton betaald.

Aan de beide rivieroevers vonden wij telkens sporen van kaaimans;
die dieren krioelen in de wateren van den archipel, maar ze worden
bijna nooit buitgemaakt, altijd zijn ze den inboorlingen te slim af.

Wij hadden geen enkelen inboorling gezien en kregen van dat
verschijnsel de verklaring, toen wij in Wannoni terugkwamen en
daar hoorden, dat er oorlog was tusschen hen en de stammen in het
binnenland.

De aanleiding tot die onderlinge gevechten der naburige stammen is
soms de behoefte aan slaven, dan weer de roof eener vrouw, die als
een moderne Helena een oorlog van Troje teweegbrengt.

Maar ten tijde van onze komst was men bereid, een wapenstilstand af te
kondigen tusschen de beide oorlogvoerende partijen. De inboorlingen
van de kust wilden wel toestaan, dat die uit de wildernis met ons
handel kwamen drijven. Eenige dagen later werd ons dan ook de komst
aangekondigd van de boschmenschen, op de aangeduide plaats verschenen,
op neutraal terrein aan de baai. Zij waren driehonderd in getal,
mannen van elken leeftijd en vrouwen en kinderen.

Wij gingen aan wal, om de onderhandelingen te beginnen; pas hadden
we elkander begroet, of vier jonge mannen sprongen in onze boot en
ondanks de smeekingen van hun vrienden verklaarden zij zich bereid,
mee naar Nouméa te gaan. De betaling geschiedde terstond, maar daar
er meer inboorlingen lust hadden, met ons te gaan, begonnen ze heftig
tegen elkander uit te varen, en wij waren genoodzaakt, maar gauw
aan boord terug te gaan. Het was gelukkig, dat een tweede gewapende
boot bij ons was, om de menschen aan het strand in bedwang te houden,
anders zou het ons moeite hebben gekost, de _Lady Saint Aubyn_ weer
te bereiken, zonder door assegaaien te worden geraakt.

We spoedden ons haastig van daar weg en ankerden een paar dagen later
in de Paola-baai bij Tavaro, de plaats, waar de inboorlingen van het
noordelijk deel der kust veel samenkomen, omdat men er beschut is
tegen de heerschende zuidoostenwinden,  en men er gemakkelijk zoet
water kan krijgen uit een breede, snelstroomende rivier.

Nadat we te Tavaro een paar contracten hadden afgesloten, begaven
wij ons naar het eiland Hougué en zouden daarna varen langs het
eiland Malaïta.

Door gunstigen wind gedreven, naderden wij weldra Hougué, herkenbaar
aan zijn ronde gedaante, als een rond stuk koraal op de zee
neergelegd. Het is een laag eiland met een weelderigen plantengroei,
waaronder de inlandsche hutten aan het strand zich verbergen.

Er wonen ongeveer 800 inboorlingen, echte zeeroovers, wel beveiligd
tegen vreemde invallen, omdat ze zelf herhaaldelijk de anderen
bedreigen. Ook hier leefde een uit Nieuw-Caledonië ontvluchte
Franschman onder de Kanaken en deelde in hun leven; hij heeft het
niet noodig geacht, ons met een bezoek te vereeren, maar hij is sedert
dien al weer opgepakt en in de gevangenis van Nouméa teruggegebracht.

Wij zetten onzen weg voort, en al spoedig kwam het eiland Malaïta in
het gezicht. Er zijn weinig eilanden in de Stille Zuidzee, zoo bekend
als Malaïta. Het gaat voor het gevaarlijkste van de Salomonseilanden
door, waar de aanvallen op blanken het talrijkst zijn. Toen wij er
waren, sprak men nog van een onlangs voorgevallen catastrophe, die
schrik had verspreid onder de blanken in de buurt. Een klein schip
was de oostkust genaderd boven Port-Adam en was door de inboorlingen
aangevallen; de kapitein en de stuurman waren gedood en het scheepje
was verbrand, na geplunderd te zijn.

Er moest met de uiterste voorzichtigheid worden opgetreden bij de
onderhandelingen, en wij namen aan boord alle mogelijke voorzorgen.

Maar niet alle plekjes op Malaïta zijn even gevaarlijk. Port-Adam, onze
eerste aanlegplaats, had vroeger een treurige reputatie, maar sedert
eenige jaren is het aan de engelsche zendelingen gelukt, er eenige
vermaners of leermeesters te plaatsen, en de geest der inboorlingen
is daardoor wezenlijk beter geworden, zoodat vreemdelingen er nu niet
meer zooveel gevaar loopen.

Zoo konden wij dus hier leeren kennen de Kanaken, nadat ze een
zeer licht tintje van beschaving hebben opgedaan en niet meer die
woestheid vertoonen, die zoo kenmerkend is voor het ras. De huizen
waren hier beter ingericht dan bij de echte heidenen; we vonden er
enkele europeesche waren en een paar godsdienstige boeken, in de taal
van het land overgebracht.

Uit Port-Adam krijgt men gewoonlijk de tolken, die bij de werving
niet mogen ontbreken. Hoewel ze tot één archipel behooren, hebben
de bewoners van bijna alle eilanden een eigen dialect, dat op
een naburig eiland niet wordt verstaan, en soms wordt er zelfs een
verschillende taal gesproken in dorpen, die 60 à 70 K.M. van elkander
zijn verwijderd. Er is wel veel overeenkomst tusschen de verschillende
talen; als men een weinig op de hoogte is van het oceanische idioom,
bemerkt men spoedig, dat het alles dialecten zijn van de papoea-branche
der maleisch-polynesische talen.

Toch kunnen een inboorling van San Cristoval en een van Malaïta
elkander niet verstaan of begrijpen; daar heb ik meermalen voorbeelden
van gezien.

Port-Adam is de beste haven van Malaïta, gelegen aan een lagune,
waardoor men gemakkelijk met niet te groote schepen van den eenen
naar den anderen kant van het eiland kan komen.

Wij volgden na Port-Adam de westkust van Malaïta naar Pioe, en onderweg
werden allerlei plaatsen aangedaan, waar we talrijke inlichtingen
konden krijgen over de inboorlingen en over de fauna en de flora van
dit eiland. Het is het minst bekende van de geheele groep, het eenige
ook, waar nooit een Europeaan aan den wal heeft vertoefd.

Wij vonden er den broodboom en den amandel, den arecapalm, allerlei
lianen, veel Rubiaceeën en Orchideeën; de _Hibiscus_ groeit er
in overvloed en, evenals de Olijf in oude tijden, is hij een
vredessymbool.

Maar de fauna is minder rijk dan de flora; er waren bijna geen dieren
op het eiland. Soms brachten de inboorlingen ons een paar magere
kippen, die onzen kok tot wanhoop brachten, en dan weer kregen wij
eieren, driemaal zoo groot als gewone; die moeten worden gelegd door
een zeer kleine kip, welke ze in het zand legt en ze onder den invloed
der zonnestralen laat uitbroeden. Ondanks mijn ijverig zoeken heb
ik geen dier vogels kunnen bemachtigen; maar ik heb te dikwijls hun
eieren geproefd, die ik niemand kan aanbevelen.

Koning op dit eiland is het varken; men koopt een vrouw voor tien
varkens; met een varken betaalt men het contract van een inboorling,
en overspel zoowel als moord en alle andere zonden, worden geboet
door de aanbieding van één of meer varkens aan het hoofd van den stam.

Zij vormen echter niet het eenige ruilmiddel. Wij zagen vaak
vrouwen en mannen, versierd met halssieraden van hondentanden, die
ze tot geen prijs wilden afstaan; die tanden vormen de inlandsche
muntstukken. Maar slechts twee tanden hebben waarde, dat zijn die,
welke onmiddellijk aan de kiezen of maaltanden aansluiten; de andere
dienen alleen tot sieraad.

De westkust van het eiland was dicht bevolkt, en de dorpen lagen er
idyllisch in de schaduw van kokospalmen; het zou moeilijk zijn, ook
maar bij benadering de geheele bevolking van het eiland op te geven,
maar zeker is het, dat er nog meer menschen in het binnenland wonen
dan aan de kust.

Het gezag van een inlandsch hoofd strekt zich soms uit over 5000 à
6000 onderdanen; zekere hoofden hebben zich vrij groote rijken weten te
verwerven, waarover zij als onbeperkte heerschers regeeren; soms hebben
ze 700 à 800 krijgers in hun dienst. Dus is het gemakkelijker, de
politieke organisatie te bestudeeren op Malaïta dan op San Cristoval.

De waardigheid van dorpshoofd kan erfelijk zijn, of ook wel wordt zij
verkregen door rijkdom of door sterk sprekende physieke meerderheid
boven de andere inwoners.

Onder hem staat een ander hoofd, die een invloedrijke positie heeft
weten te verwerven door zijn moed. Dat is dan de oorlogsleider,
waarvan wij een type aantreffen in den persoon van Aio, wel bekend
niet enkel op de Salomons-eilanden, maar ook op de Nieuwe-Hebriden en
zelfs op Nieuw-Caledonië, waar hij aan den gouverneur is voorgesteld
geworden. Aio is begiftigd met een alles te boven gaanden moed, en
bij menige gelegenheid heeft hij niet geaarzeld, vreemde booten aan te
vallen. Er heeft echter niet altijd zegen op zijn werk gerust, waardoor
hij ten laatste een onvrijwillige reis naar Nouméa heeft moeten maken.

Dan was er nog de toovenaar, zooveel als de ta-ka-ta van de stammen op
Nieuw-Caledonië. Vaak wezen de inboorlingen ons een lid van hun stam,
die, zeiden zij, naar believen regen of mooi weer kan maken.

Hun geloof raakt niet aan het wankelen, als het beloofde weder
uitblijft en de aardvruchten bij gebrek aan regen verdrogen; er is
dan blijkbaar altijd een uitlegging gereed, waardoor het gemis aan
welslagen aan allerlei andere dingen te wijten is dan aan 't gemis
van bekwaamheid bij hun toovenaar.

Te Pioe zagen wij het grootste aantal inboorlingen op ééne plaats
bijeengekomen. De bewoners van de kuststreek en die uit de bosschen
van het binnenland waren er vergaderd. Te midden dier menigte, waarbij
individuen te vinden waren van elken leeftijd en beide seksen, was
het gemakkelijk, twee typen te onderscheiden, die uit physiek oogpunt
veel verschilden. Naast den inboorling met Papoea-trekken vonden wij
vele inboorlingen, die onmiddellijk den Polynesiër verrieden.

De beide rassen, het papoesche en het maleisch-polynesische, hebben
inderdaad den archipel bevolkt. Het schijnt, dat de landverhuizers van
maleisch-polynesische afkomst de kust bezetten en de eerste bewoners,
die Papoea's waren, naar het binnenland hebben teruggedrongen.

Toen wij Malaïta verlieten, zouden wij naar het eiland Isabel hebben
willen gaan en de baai der Mille-Vaisseaux hebben willen bezoeken,
waaraan talrijke fransche herinneringen zijn verbonden. Doch sinds
1885 heeft het noordelijk deel van den archipel de opperhoogheid van
Duitschland moeten erkennen, en die mogendheid heeft de werving op
haar grondgebied verboden.

Wij hadden slechts vergunning om te werven in het onafhankelijke deel
der eilandengroep, en het deed ons leed, zonder er stil te houden,
de bewuste baai te moeten voorbij varen aan de zuidkust van het
eiland Isabel. Daar legde Dumont d'Urville aan op zijn reis naar de
Salomons-eilanden, en de haven van Astrolabe, aan die baai gelegen,
werd door fransche officieren zeer nauwkeurig hydrographisch opgenomen,
terwijl het te betreuren is, dat ook niet andere punten van de kust
zoo goed bekend zijn.

Op het eiland Isabel, waar wij niet veel succes hadden, eindigde ons
recruteeringswerk. Wij hadden 112 inboorlingen aan boord, voor wie
wij zeker wisten te Nouméa werk te zullen vinden, en nu waren wij
verheugd naar Nieuw-Caledonië te kunnen terugkeeren, naar beschaafder
streken. Maar wij waren toch voldaan over ons bezoek aan deze eilanden,
die zoo weinig bekend en zoo interessant zijn. Het geluk had ons
gediend, en wij waren welwillend ontvangen door de inboorlingen, die
zulk een slechten naam hebben; ze hadden ons tenminste geen openlijke
vijandschap getoond.

Den 17den November om zes uur 's avonds ankerde de _Lady Saint Aubyn_
in de haven van Nouméa, waar zij te huis was.





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Reis naar de Nieuwe Hebriden en de Salomons-eilanden - De Aarde en haar Volken, 1906" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home