Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: In Roemenië - De Aarde en haar Volken, 1906
Author: Hebbelynck, Th.
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "In Roemenië - De Aarde en haar Volken, 1906" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



In Roemenië.

Naar het Fransch van Th. Hebbelynck.



I.

Van Boeda-Pest naar Pétrozény.--Een stukje geschiedenis.--Het dal van
de Jiul.--De Bojaren en de Zigeuners.--De markt van Targa Jiu.--Het
klooster Tismana.


"Zijn de heeren ingenieurs?"

"Pardon, mevrouw."

"Inspecteurs van het boschwezen?"

"Ook dat niet; wij zijn gewone reizigers."

"Toeristen? Hier in Roemenië, en zonder dat er eenig voordeel van te
halen is?"

"Geen ander dan de voldoening, interessante zeden en gebruiken waar
te nemen, een mooi land te bewonderen en er aangename herinneringen
uit mee te nemen."

Zoo ongeveer werden wij op een dag ondervraagd door een deftige dame,
vrouw van een roemeensch generaal, die op een bekoorlijk plaatsje
midden in het bergland van Walachije en villégiature was. Uit het
gesprek blijkt wel, dat de toeristen tot nu toe Roemenië nog onbezocht
hebben gelaten, en dat noch de Alpenclub, noch de agentschappen van
Cook beslag hebben gelegd op de mooie bosschen van de Karpathen en
de schilderachtige dalen, die van daar naar de Donau loopen.

Wij deden onze reis in de maand Augustus 1901. Eerst hebben wij het
nog primitieve gedeelte van Roemenië doorreisd, dat tot in deze laatste
jaren bijna precies gelijk gebleven is, als het twintig eeuwen geleden
was en dat te vinden is in de bergstreken van Walachije. Vervolgens
hebben wij een bezoek gebracht aan het moderne Roemenië, dat een
industrieel land is, tegelijk met het nieuwe régime ontstaan en
waarvan Boekarest de ziel is en het middelpunt.

De kunst heeft in Roemenië door de eeuwen heen slechts zeer zwakke
sporen achtergelaten. Alle oude herinneringen, die men zou verwachten
in een door de Romeinen gekolonizeerd land, zijn vernietigd geworden
door den stroom van barbaren, die telkens over deze provinciën werd
uitgegoten in de volgende twaalf eeuwen en die alles heeft weggevaagd
en meegenomen. Alleen een paar kloosters, die in de Middeleeuwen onder
de vorsten of woiwoden gebouwd werden en waarvan dat van Curte de Arges
het beroemdste is, trekken tegenwoordig nog de aandacht. Maar de groote
aantrekkelijkheid voor den reiziger is gelegen in het landschap, dat
dikwijls grootsch en altijd poëtisch is, verder in de originaliteit
der kleederdrachten en in de zeden der bewoners.

Wij vertrekken van Boeda-Pesth naar ons doel. Die stad, de heerlijke
hoofstad van Hongarije, neemt sedert 1896 een plaats in onder de
schoonste steden van Europa. Er werd in dat jaar door een schitterende
tentoonstelling en door de inwijding van veel monumentale gebouwen
o.a. het Parlementsgebouw feest gevierd ter eere van het duizendjarig
bestaan van Hongarije. Het was tien eeuwen geleden, dat de Magyaren
onder Arpad het land vermeesterden.

Bij het verlaten van Boeda-Pesth voert de trein ons door de
vruchtbare vlakten van Hongarije, tusschen velden van blonde maïs,
die eindeloos ver zich uitstrekken. Reusachtige bergen van koren zijn
om de boerenhoeven gegroepeerd, waar dorschmachines aan het werk zijn,
en waar men groote scharen arbeiders en arbeidsters, in 't wit gekleed,
bezig kan zien. Verderop zagen wij tallooze kudden ossen met groote,
wijd uitstaande horens; daarna varkens met lang krullend, zijdeachtig
haar, die er onder zulk een vacht allerkoddigst uitzagen en die men,
in de verte gezien, voor schapen zou houden.

In die hongaarsche vlakten kregen wij in de buurt van Arad voor
de eerste maal tamme buffels onder de oogen. Terwijl de ossen
in melancholieke stemming in de wei liepen, waren de buffels met
welbehagen bezig, een bad te nemen in het lauwe water der rivier. Die
dieren worden op hoogen prijs gesteld in Hongarije en Roemenië. Hun
melk is uitstekend; ze zijn gehard tegen vermoeienis, kunnen even
goed als ossen worden gespannen voor de karren en wagens der boeren,
maar zijn uiterst gevoelig, zoowel voor warmte als voor koude, hebben
in den zomer zeer veel noodig en moeten in den winter in speciaal
voor hen bestemde stallen een onderkomen vinden. In Transsylvanië en
in Roemenië, waar de winters streng zijn, stalt men ze dan ook onder
de boerenhuizen in goed beschutte kelders.

Dit gedeelte van Hongarije, het gebied der poeszta's, is zeer dun
bevolkt; maar de grond is er wel vruchtbaar en wordt goed bebouwd. De
boerenhoeven zijn niet talrijk, maar er behooren uitgestrektheden
land bij. Men doet er aan den grooten landbouw in elken zin des woords.

Maar daar zijn we bij de grenzen van de vlakte: we naderen de wouden
van Transsylvanië. Te Piski, waar wij onze eerste indrukken krijgen
van de woeste bergbewoners, die wij eenige dagen lang van dichtbij
zullen kunnen waarnemen, verlaten wij den grooten weg, om in het
echte bergland door te dringen en dat deel der zuidelijke Karpathen te
bestijgen, dat in zijn geheele lengte slechts één enkelen natuurlijken
doorgang biedt, namelijk de IJzeren Poort. Hoe hooger men komt, des
te armoediger zien de boerenhuizen eruit. Het zijn allen huizen van
leem, gedekt met wat riet of droge maïsstengels, en gegroepeerd om
sjofele kerken, geheel van hout opgetrokken. Weldra verdwijnt ieder
spoor van menschelijke woningen, en de weg neemt een echt grootsch
karakter aan. Het leek wel een chaos, waar wij doorheen moesten.

De eene tunnel volgde op den anderen, en tegen de hellingen der rotsen
waren met groote koenheid wegen in de bergen uitgehouwen. Het is
avond geworden, als wij stil houden op enkele schreden afstands van
de roemeensche grens in een gebied, waar steenkolen gevonden worden,
en waar zich rotsen van 2500 M. verheffen. Wij zijn te Pétrozény. De
stad ligt op eenigen afstand van het station. Slechts twee of drie
fiacres, die dadelijk bezet zijn, staan er ter beschikking van de
reizigers, en als een onbekende niet de buitengewone beleefdheid had
gehad, om zeer gracieus zijn rijtuig aan te bieden, zouden wij den
weg te voet hebben moeten gaan.

Twintig minuten, in vluggen draf door onze paarden afgelegd, en daar
zijn we op het groote plein tegenover het voornaamste hôtel van de
plaats, waar een vroolijk concert wordt gegeven ten genoegen van de
élite der inwoners.

Tegen twee uur in den morgen worden wij met schrik wakker door geroep
en kreten van wanhoop. Een reuzenvlam stijgt boven het groote plein
omhoog. Een zigeunertent, tegen het hotel aangebouwd, is aan het
branden.

Reeds wordt de achtertrap van het hôtel bedreigd, en het personeel
stapelt, zonder er aan te denken, dat de reizigers gewekt moeten
worden, de corridors vol met kasten, matrassen en tapijten. Met
groote moeite banen wij ons een weg er doorheen, om het binnenplein
te bereiken, waar wij veilig zijn voor de hitte van het vuur.

De bevolking van Pétrozény is voor een groot deel roemeensch. Maar
daar het een industriëele stad is, zijn een menigte vreemde elementen
zich onder de oorspronkelijke bevolking komen mengen. Daarom ziet
men er naast de frissche en sierlijke roemeensche kleederdrachten
een menigte menschen, wier kleeding van geen bepaalde nationaliteit is.

Het stadje is in 't minst niet origineel. Huizen van steen en andere,
van leem opgetrokken, wisselen met houten huizen af, en uit elken
gevel steken palen naar buiten, waaraan allerlei zaken heen en weer
schommelen, hier een uithangbord, daar schapenhuiden, braadpannen,
worsten, zelfs hemden. Het is een echte étalagewedstrijd.

Pétrozény heeft een onzindelijk voorkomen. De bewoners hebben geen
andere coquetterie dan die van hun gesteven wit linnen. Bij de mannen
zijn broek en overhemd van verblindende witheid, en de vrouwen dragen
onberispelijke jakjes en sluiers. Alleen de Zigeuner veroorlooft
zich linnen van twijfelachtige tint, en ik acht het niet onmogelijk,
dat hij zijn onderkleêren pas aflegt als zij het afleggen, dat is,
als ze in lompen uiteenvallen. Het inwendige der woningen ontbeert
alle gerief. Deze menschen kennen zoo weinig behoeften, dat zij
volstrekt geen begrip hebben van de rechtmatige eischen der weinige
vreemdelingen, die onder hen verzeild raken.

Het marktplein vertoont een zeer eigenaardige soort van drukte. Men
krijgt den indruk van op een groote boerderij te zijn. De ganzen en de
varkens hebben er burgerschapsrechten; de laatste zijn er in allerlei
verscheidenheden. Er zijn witte, zwarte en rossige in allerlei nuances
en allerlei grootte, naarmate zij tot het moldavische of servische
ras behooren, of moerasvarkens zijn, zooals men zooveel aantreft in
de buurt van de Donau. Die belangwekkende dieren leven in vrijheid
en zoeken eikels in de naburige eikenbosschen, waarmee de naburige
hoogten bedekt zijn.

Volgens de statistische opgaven van het Ministerie van Financiën
bestond de bevolking van Roemenië in 1894 uit vier millioen
inwoners. Maar de berekeningen van den heer Stoerdza, die, naar men
zegt, nauwkeuriger zijn, komen voor dienzelfden tijd tot 6100000
inwoners.

De geschiedenis van het roemeensche volk is die van een ongelukkige
natie, die door onderdrukking, oorlogen en lijfeigenschap alle
initiatief heeft verloren, een volk, welks verstand en wilskracht
afgestompt zijn onder de eeuwenlange heerschappij der Turken.

Het tegenwoordige Roemenië, dat is Walachije, Moldavië en Dobroedsja,
neemt de plaats in van het oude Dacië, dat door Trajanus op het eind
der eerste eeuw van de christelijke jaartelling veroverd werd. Daar
het land zeer dun bevolkt was ten gevolge van de vele oorlogen, bracht
Trajanus er romeinsche kolonisten heen, die zich vermengden met de
oorspronkelijke bevolking en het nog tegenwoordig bestaande ras der
Daco-Romeinen of der Roemenen deden ontstaan. Later trekken Gothen,
Hunnen, Bulgaren, Hongaren, Tartaren beurtelings door het oude Dacië,
dat zij verwoesten en plunderen, en terwijl veel van die Daco-Romeinen
over de Karpathen gaan en in Transsylvanië een schuilplaats vinden,
stemt de andere helft van de jonge natie er na een wanhopigen strijd
in toe, het terrein, dat zij den anderen niet weer kan afhandig maken,
voortaan met hen te deelen.

In de 13_de_ eeuw overvallen de Tartaren Hongarije en
Transsylvanië. Vluchtend voor hun barbaarsche horden, besluiten de
Daco-Romeinen, die in Transsylvanië een toevlucht hadden gezocht,
tot een nieuwen uittocht. Zij trekken opnieuw de Karpathen over en
keeren naar hun vroeger vaderland terug. Radu-Negru, dat is Rudolf de
Zwarte, hoofd der kolonne van Togaras, vestigt zich te Kampolung en
wordt de eerste woiwode van Walachije, terwijl een ander hoofd, Bogdan
geheeten, zich laat uitroepen tot woiwode van Moldavië. Zoo ontstonden
de beide onafhankelijke romaansche of roemeensche vorstendommen,
maar de onafhankelijkheid was niet van langen duur.

In 1393 wordt Walachije en in 1511 Moldavië een vazalstaat van de
Turken. In den aanvang worden die provincies geregeerd door inlandsche
hoofden onder de suzereiniteit van de sultans in Byzantium; maar in
de 18_de_ eeuw zonden dezen er vreemde vorsten heen, gekozen uit de
machtige grieksche financiers van Konstantinopel. Dat is de tijd der
Fanarioten van 1716 tot 1822. Zij heeten naar Fanar, een wijk van het
oude Konstantinopel, waar na de verovering door de Turken de Grieken
bleven wonen. Bij hun troonsbestijging moesten de fanariotische
vorsten buiten de gewone jaarlijksche schatting nog een belangrijke
som aan de Porte opbrengen. Van toen af ging de bevolking gebukt
onder zware lasten, en terwijl zij in naam haar vrijheid behield,
werd zij op onmenschelijke wijze uitgezogen.

In 1820 echter werd de Roemeniër het juk moede; hij ontwaakte uit zijn
dofheid en stond op tegen den sultan, eischend met een geestkracht,
waartoe men hem niet in staat zou hebben geacht, zijn eigen inlandsch
bestuur terug te erlangen, hetgeen geschiedde. Die vorsten wisten het
nationaal gevoel te doen herleven, en na den Krimoorlog verwierven zij
voor de roemeensche provinciën een betrekkelijke onafhankelijkheid,
gewaarborgd door de mogendheden, die het verdrag van Parijs in 1856
hadden geteekend.

De vereeniging der provinciën werd in 1861 afgekondigd, en kolonel
Couza werd tot vorst gekozen onder den naam Alexander-Jan I. Samen
met zijn ministers kondigde hij tegelijkertijd de secularisatie van
de kloosters af, die een vierde deel van al het grondgebied bezaten,
en de afschaffing der slavernij van de boeren. Maar in 1866 werd hij
gedwongen, afstand te doen van den troon, en de Kamers riepen, nadat
zij tevergeefs een beroep hadden gedaan op Zijne Hoogheid den graaf van
Vlaanderen, prins Karel van Hohenzollern tot vorst van Roemenië uit.

Bij zijn troonbestijging moest alles van voren af aan worden
opgebouwd. De steden leverden een schouwspel van volslagen armoede
op. Overal heerschten omkooping en diefstal. De vorst hield zich dan
ook van het begin af bezig met de reorganisatie van de verschillende
takken van staatsdienst, en in 1877, tijdens den turksch-russischen
oorlog, was Roemenië reeds met groote schreden vooruitgegaan en kon
een machtige steun zijn voor Rusland.

Het werd maar kaaltjes beloond voor zijn edelmoedige hulp. Men
gaf Dobroedsja met de haven Constanza; maar in ruil moest Roemenië
dat deel van Bessarabië afstaan, dat in 1856 verkregen was, en waar
Rusland al sinds langen tijd een begeerig oog op hield gevestigd. Het
is waar, dat tevens de volledige onafhankelijkheid van Roemenië door
de verschillende europeesche staten werd erkend, en in 1881 verkreeg
vorst Karel van Hohenzollern den titel van koning van Roemenië.

In dit geschiedverhaal wordt de uittocht van Fogaras door verschillende
schrijvers tegengesproken. Zij houden vol, dat Radu-Negru slechts een
legendarische persoonlijkheid is. Volgens hen zouden Tugomer Bassarab,
die een dynastie in Walachije stichtte en zijn zoon Alexander Bassarab,
die het volk van herders in een zelfbewuste, onafhankelijke natie
herschiep, de grondleggers van den staat zijn.

Wij betreden Walachije langs den nieuwen weg, die door de Karpathen
leidt en te Targu Jiul uitkomt. Daarna, als wij ons successievelijk
hebben opgehouden in de kloosters van Tismana, Horezu, Curtea de Arges
en Kampolung, begeven we ons naar Boekarest, de hoofdstad van Roemenië,
van waar we een bezoek zullen brengen aan het petroleumgebied van
Doftana en aan de mijnen van steenzout van Slanic. Wij zullen den
tocht besluiten met Sinaïa, de poëtische residentie van Roemenië's
souvereinen.

Tegenwoordig reist men in Roemenië nog per victoria, met twee, drie
of vier paarden bespannen. Onder de kap is een ruime bergplaats voor
alles, wat men kan noodig hebben onderweg, en er hangt een emmer aan,
om den paarden te drinken te geven, want al die dingen kan men onderweg
niet krijgen. De zak met maïs, waaruit de paarden gevoerd worden, die
maïs in plaats van haver krijgen, bevindt zich naast den koetsier. De
laatste neemt ook rijkelijk voorraad mee en is dan eindelijk wel zoo
goed, uwe bagage op te laden.

De paarden zijn vlug en opgewekt en bestand tegen groote
vermoeienis. Zij leggen 80, soms zelfs 100 kilometer per dag af en 10
kilometer per uur. De koetsiers hebben een eigen, bijzondere manier
van hen aan te zetten, door de zweepslagen te doen vergezellen door
woeste, zeer eigenaardige geluiden.

Voor vijf-en-twintig jaar was de victoria in het land onbekend; men
reisde enkel met de _birdj_, het nationale voertuig, dat nu nog bij
de boeren in gebruik is. Het is een kist van houten latten zonder
veêren op vier wielen, aan de achterzijde is de onvermijdelijke bak
voor berging en een groote huif is er overheen gespannen, ondersteund
door breede hoepels. Door een smalle, lage opening stapt men er binnen
en heeft daar dan als zitplaats zijn eigen bagage of een hoop hooi.

Het dal der Jiul, dat bij 't vertrek uit Pétrozény voor ons open ligt,
werd langen tijd voor volkomen onbruikbaar gehouden, want zelfs de
bergbewoners beschouwden het als onbegaanbaar, en om over dit deel
der Karpathen heen te komen, gaven zij nog ondanks de hinderpalen van
allerlei aard, de voorkeur aan het ruwe pad over den Vulkaan-pas. Maar
door groote en vernuftige werken, voor 't meerendeel aangelegd door
belgische ingenieurs, loopt er thans een der mooiste wegen door en
een der veiligste uit de zuidelijke Karpathen.

Men rijdt er door een nauwe spleet, met aan beide zijden hooge bergen,
die van boven volkomen kaal zijn en die in de lagere gedeelten met
groote, nog niet geëxploiteerde bosschen zijn bedekt, waardoor de
bergen een prachtig maar somber aanzien krijgen. Heel in de diepte van
de kloof stuwt de hongaarsche Jiul, gevoed met de roemeensche rivier
van dien naam, haar onstuimig water tusschen al de hindernissen door,
die in de rotsachtige bedding in den weg komen. Nu eens in het nauw
gebracht tusschen rotswanden, schuimt en bruist en springt de rivier
voort; dan weer breidt zij zich rustig uit te midden van het groen,
dat tot het water voortloopt.

Soms is de rivier zoo woedend, dat zij een stuk van den nieuwen,
met groote kosten aangelegden weg met zich mee sleurt. Men kan in
West-Europa zich geen denkbeeld maken van dat snelle wassen der
rivieren, en het komt niet alleen in de lente voor, als de sneeuw op
de bergen smelt, maar ook in het hartje van den zomer.

De weg is wel niet te vergelijken bij de wonderschoone wegen in
Zwitserland, maar hij roept de herinnering wakker aan de mooiste dalen
van Schwarzwald en Jura en heeft nog woester, grootscher karakter.

Dicht bij den uitgang van het dal staat in een omheinde ruimte het
nederige klooster Naïch. Dat witte kloostertje, waarvan het aardige
kerkje met de driedeelige vensters van buiten aan alle kanten met
mooie fresco's is versierd, wordt op 't oogenblik nog door enkele
monniken bewoond.

Weldra worden de bergen lager en staan verder uiteen. De Jiul, die
niet langer door rotsen beperkt wordt, stroomt door een bedding, die
tienmaal te breed is voor haar wateren, en de wouden verdwijnen, om
plaats te maken voor gewoon bouwland. Eerst nadat wij dertig kilometer
hadden afgelegd, ontdekten wij enkele houten huisjes met puntige daken
op zijn Turksch en bedekt met planken van berkenhout. Hoe armoedig ze
ook mogen wezen, alle huisjes zijn van elkander afgescheiden en zijn
door een schutting omgeven. In Roemenië zijn, evenals in de meeste
oostersche landen, levende hagen onbekend. Men maakt afsluitingen
van planken of palen, van doode takken of van rijswerk. Die kleine
boerenhoeven hebben, al zien ze er ook nog zoo ellendig uit, toch een
echte verbetering gebracht in het lot van den Roemeniër. Hij heeft
thans een eigen huis, een stal, een maïszolder, een varkenshok, terwijl
hij te voren eeuwen lang onder de heerschappij der Bojaren gewoond
heeft in holen, die twee meter diep in den grond waren uitgegraven
en onder een dak van rijswerk met aardkluiten belegd. Voor elk van
deze woningen ligt nu een veranda, waar het gezin des zomers slaapt,
omdat de groote hitte het huis van binnen onbewoonbaar maakt. Des
avonds worden er matrassen en dekens neergelegd, die 's morgens weer
worden weggenomen.

Oudtijds wilde een vroom gebruik, dat ieder boer vóór de deur van zijn
huis een schotel met water plaatste ten gebruike der voorbijgangers
en der reizigers; tegenwoordig ziet men vóór elke hoeve een pomp,
waarbij ieder naar welgevallen zijn dorst kan lesschen.

De monumentale deur, die de omheining afsluit, is een der sieraden
van een roemeensch huis; men vindt zoo'n deur overal, bij de
grootste, zoowel als bij de kleinste hoeven, bij de villa's en bij
de kloosters. Die deuren zijn op eigenaardige en soms zeer artistieke
wijze uitgesneden.

De Bojarenheerschappij werd eerst in het land gevestigd op het
eind der 14_de_ eeuw. Radu of Rudolf XIV kwam, met den steun van
den griekschen patriarch Niphon, op het denkbeeld een adelstand in
het leven te roepen op het voorbeeld van den byzantijnschen adel en
veranderde de hofambten zóó, dat ze recht gaven op adellijke titels.

Dit was de aanleiding tot het ontstaan van den stand der Bojaren. Later
kwam onder de Fanarioten een stroom van grieksche avonturiers het land
binnen, in het gevolg der vorsten, die hen bij voorkeur tot eereambten
riepen. Zoo ontstond er in het land zelf een vreemde aristocratie, een
lage, verdorven, winzuchtige klasse, die de inboorlingen onderdrukte
en ze onbeschaamd uitmergelde. Die nieuwe adel was erfelijk tot in
het tweede geslacht.

Elke Bojarentitel gaf recht op een zeker aantal boeren, die alleen aan
hun heer belasting hadden te betalen. Zestig duizend gezinnen werden
aldus in den dienst der Bojaren gesteld. Die ongelukkige landbouwers,
hoewel niet precies gebonden aan den grond, hadden niet het recht,
van heer te veranderen en mochten hun grond alleen verlaten met
toestemming van den eigenaar.

"Nog in 1856", zegt Elisé Reclus, "waren 5 à 6000 Bojaren heeren
en meesters van het land en zijn bewoners. Maar er bestond groote
ongelijkheid onder hen; de meesten waren slechts kleine grondbezitters,
terwijl 70 vazallen in Walachije en 300 in Moldavië met de kloosters
bijna al den grond onderling hadden verdeeld.

In 1864 kwam er, met de secularisatie van de kloosters, ook een einde
aan de lijfeigenschap der boeren. Elk gezin verkreeg een stuk land,
afwisselend tusschen 3 en 6 H.A., naar gelang het één koe hield,
twee ossen en een koe, of vier ossen en een koe. De hectare werd hun
eigendom tegen den prijs van 60 gulden, betaalbaar aan den staat in
vijftien jaarlijksche aflossingen.

Het aantal boeren, dat op die manier land in bezit kreeg, steeg in
't begin tot 450000, maar in 1880, toen er een nieuwe verdeeling van
den grond door den staat plaats had, kwamen er nog 100000 bij.

Ondanks die hervorming behooren de groote bronnen van rijkdom nog aan
den staat en de oude Bojaren. De staat exploiteert namelijk zelf de
onuitputtelijke zoutmijnen, hij is eigenaar van de petroleumhoudende
terreinen; voor het grootste deel zijn de bosschen, die een vijfde van
het grondgebied bedekken, in zijn bezit. Wat de Bojaren betreft, zij
hebben enorme eigendommen in handen, hun door de woiwoden afgestaan,
en waarvan de uitgestrektheid van 4 tot 8000 H.A. bedraagt.

Die eigendommen kunnen niet dan in hun geheel verkocht of vervreemd
worden; de wet verbiedt hun verbrokkeling. Buitendien is door art. 7
der grondwet bepaald, dat vreemdelingen geen vaste goederen in Roemenië
mogen bezitten. Zij kunnen niettemin van een Roemeniër erven; maar in
dat geval heeft de staat het recht, hen te verplichten hun bezittingen
te verkoopen, tenzij ze zich laten naturaliseeren. Dat kan geschieden
bij Parlementsbesluit na tien jaren verblijf in het land. Er zijn
nog andere verzachtingen van de bepalingen, die op vreemdelingen
betrekking hebben. Zoo kunnen ze bijvoorbeeld huizen bezitten in de
steden, en er bestaat plan, om de verkrijging van vaste goederen
mogelijk te maken voor buitenlandsche maatschappijen, in geval de
meerderheid der aandeelhouders uit roemeensche burgers bestaat.

De wijze, waarop die groote bezittingen worden geëxploiteerd is nog
al eigenaardig. Op een vastgestelden dag roept de burgemeester de
gezinnen uit zijn dorp op en verdeelt onder hen, tegen een dikwijls
belachelijk laag loon, de gronden, die bebouwd moeten worden. Het
loon wordt vooruit betaald, maar de geheele oogst valt toe aan den
eigenaar. Behoef ik nog te zeggen, dat de ongelukkige boeren, die
vroeger zoo slecht behandeld werden, dat tegenwoordig nog worden? In
vele gevallen worden ze lomp bejegend en zelfs wel geslagen.

Verscheiden oude Bojaren, vooral in Moldavië, besturen zelf de
landbouwondernemingen op hun goederen en hebben uitgebreide corpsen
arbeiders in het werk, terwijl zij tien maanden van het jaar er
wonen. Maar in het hartje van den winter gaan ze reizen en gaan hun
inkomsten te Boekarest, Weenen en Parijs verteren.

Op den weg van Targu Jiul komen wij groote wagens tegen. Zeven of
acht paar ossen, het eene paar achter het andere en bestuurd door
in het wit gekleede boeren, trekken landbouwmachines en zware karren
met nieuwerwetsche artikelen voor den modernen landbouw. Vroeger ging
het dorschen in Roemenië met behulp van ossen, die het koren op den
dorschvloer trapten. Tegenwoordig is de dorschmachine er doorgedrongen,
en de kleine eigenaars vereenigen zich, om samen stoomdorschmachines
te koopen.

Mannen en vrouwen te paard gaan naar de stad; spiernaakte kinderen
vluchten bij onze nadering. De dorpen worden grooter; de huizen
zijn netter onderhouden, en op de palen van de afsluitingen staan
allermerkwaardigste potten en vazen omgekeerd, om uit te lekken en
te drogen. Aardewerkfabricatie is inderdaad een der belangwekkendste
takken van de roemeensche klein-industrie. Er worden zelfs markten
van aardewerk gehouden, en men vraagt zich af, hoe de Roemeniërs zoo'n
oneindige verscheidenheid van gebruiksvoorwerpen kunnen aanwenden.

Bij den ingang der stad waren geheele gezinnen aan den wegrand gezeten,
in een kring op den grond gehurkt in volkomen sans gêne. Zedigheid is
waarschijnlijk niet de hoofddeugd der roemeensche boerinnen; misschien
ook bestaan er daar andere begrippen op dat punt dan bij ons, en het
is waar, dat hoe meer men het Oosten nadert, des te inschikkelijker
wordt men voor het déshabillé.

Wij zijn te Targu Jiul, de eerste belangrijke plaats in Roemenië. Het
is een stad van 3000 inwoners, waar een school in aanbouw de aandacht
trekt, omdat zij als modelschool aangewezen wordt.

Het hôtel, waar wij afstappen, ziet er zeer goed uit en, hoogst
aangename verrassing, de eigenaar spreekt Fransch. Maar wij moeten nu
kennis maken met de roemeensche keuken! O, die roemeensche keuken! Zure
soepen, waar een half dozijn sardines in drijven. Is dat niet iets,
om u op slag den gretigsten eetlust te benemen?... Geen roastbeef,
noch biefstuk.... Runderen worden niet geslacht; zij dienen enkel als
trekdieren. Varkens loopen op straat rond, maar ze worden evenmin
geslacht, in den zomer ten minste niet, onder voorgeven, dat het
vleesch maar twee of drie dagen goed blijft. Kippen krijgt men meer
dan genoeg, maar die welke ons aan tafel werden voorgezet, zijn
magere beestjes, zoo hard gebraden, dat ze bijna geheel uitgedroogd
zijn. Schapenvleesch, trossen gekookte maïs en een gerecht, dat
koukouroute heet, schijnen de meest aanbevelenswaardige onderdeelen
van 't menu.

In de hôtels eet men met muziek. Als gij een orkest van Zigeuners
treft, hoort ge woeste, heftige, hartstochtelijke muziek; hebt ge een
roemeensch orkest, dan blijven vuur en gloed achterwege, om plaats te
maken voor klacht en melancholie. Het is om te schreien, zoo droevig;
't is in muziek omgezette smart.

Midden in den nacht worden wij gewekt door een hevig onweêr, zooals
er bij ons zelden voorkomen. Het is een opeenvolging van lange,
witachtige bliksemstralen, uitgaande van alle punten van den horizon
tegelijk en, in éénen door, de markt en de straten der stad met licht
overstroomend. Tegelijkertijd storten de watervallen van den hemel
op de aarde neer, en de straten worden tot ware rivieren. 's Morgens
waren de straten weer droog, en de lucht was zuiver en geurig.

Niettegenstaande den nachtelijken storm was van vier uur af de
markt, die tegenover ons hôtel werd gehouden, buitengewoon druk en
levendig. Men kan zich niets aardigers en schilderachtigers denken dan
die markten, waar de bewoners uit de naburige dalen samenkomen. Die
laatsten komen naar de stad in met een paar ossen bespannen karren,
of op den rug van een muilezel, door de vrouwen bereden op dezelfde
wijze als door de mannen. Zij hebben vaak een reeks van een vijftiental
bijeengebonden kippen bij zich, die er erbarmelijk uitzien. Enkele
vrouwen komen op de markt met leêge handen; maar met zeer gevuld
jakje. Als ze ter plaatse zijn, steken ze de hand vóór in hun
halfgeopend gewaad, dat daar trouwens altijd voor zak dient en halen
er, 't zij een kip, 't zij een eend uit; ik heb er zelfs gezien,
die uit die bergplaats een speenvarkentje voor den dag haalden,
dat daarna moederlijk in de armen werd gedragen.

Doch het origineelste zijn zij, die uit de stad terugkeeren met de
meest uiteenloopende voorwerpen in haar geïmproviseerden zak. Die
hangt dan zwaar omlaag op den boezelaar, en maakt bij elke schrede een
rinkelend geluid van aardewerk of men hoort er den triomfkreet van een
haan uit opstijgen, die op de markt een koopster heeft gevonden. De
vrouwen staan of zitten er langs de trottoirs met haar koopwaar vóór
zich. De verkoop van de producten is niet zeer winstgevend. Men betaalt
30 centimes voor een kip, 10 centimes voor vier eieren, en 15 centimes
voor vier liter wijn. Toch zien ze er niet uit, of ze gebrek lijden. Ze
zijn vroolijk en vriendelijk en gaan naar de markt als naar een feest.

Haar kleeding, van onberispelijke netheid, is tevens niet
onelegant. Zij dragen een zeer wijd linnen hemd, versierd met
borduursel van blauwe en roode wol. Vóór en achter wappert een
boezelaar, de catrinza, van wol met breede strepen. In andere plaatsen
hullen ze zich bij wijze van japon in een stuk geweven stof, die zeer
stijf is en rijk versierd met motieven in kleuren. De jonge meisjes
loopen altijd blootshoofds met een op den rug hangende vlecht. Alleen
de getrouwde vrouwen dragen over het hoofd en de schouders een sluier
van zeer lichte stof en in enkele steden hebben zij een mannenhoed op,
die niet zeer gracieus staat.

De kleeding van de mannen herinnert aan de oude dracht der Daciërs,
zooals zij op de Trojanus-zuil is weergegeven. Zij bestaat uit een hemd
van grof linnen, om het middel bevestigd met een breeden leêren gordel,
die voor zak dient. Onder het hemd wordt de linnen broek gedragen,
gewoonlijk sluitend van de knie tot den enkel.

De Roemeniër uit het laagland, vooral de Walach, heeft zwarte oogen,
een gebronsde tint en een zacht, sterk sprekend gezicht. Nog in onze
dagen vertoont hij de sporen van het droevig lot, dat hij zoo lang
heeft moeten dragen. Hij is tegelijk beschroomd, geduldig, bijgeloovig
en fatalistisch.

Al vroeg in den morgen wacht onze met drie paarden bespannen victoria
aan de deur van het hôtel, en na ons van mondvoorraad voor den dag
te hebben voorzien, gaan wij op weg naar Tismana.

Het landschap, waar we door rijden, is zeer schilderachtig. Op dichte
groepen hoog eiken hakhout langs den weg volgen de groote wouden,
reuzenbosschen, waar de boomen prachtige afmetingen erlangen. De dorpen
zijn armoedig en vuil, en het geeft een bedrukkend gevoel, te rijden
door die vruchtbare dalen der Karpathen, en te constateeren, dat er
alle sporen van werkzaamheid ontbreken. Maar de arme heeft in dit land
bijna geen behoeften; hij heeft maïs in huis en uien en brood, een brok
zout en kaas, en hieraan heeft hij genoeg. Het bosch levert hem hout
en zijn kleêren worden thuis door de vrouwen gesponnen, geweven en
genaaid. Elke woning heeft dan ook haar weefgetouw. Van hennep wordt
het grove linnen gemaakt, waaruit in hoofdzaak kleederen van mannen
zoowel als van vrouwen zijn vervaardigd. Gesponnen wol dient voor het
maken der lakensche mantels voor de boeren en voor huishouddekens. Met
meekrap of lakmoes gekleurd, dient die wol ook voor het weven van de
veelkleurige boezelaars, die de vrouwen dragen en voor de versiering
van de linnen hemden met allerlei curieuse en artistieke borduursels.

Ik kan hier nog bijvoegen, dat tot op den leeftijd van zes à zeven
jaar de meeste kinderen geheel naakt loopen, wat practisch en zuinig
moet heeten. Des avonds alleen trekt men hun een hemdje aan tegen de
koude van den nacht.

Vlak bij Tismana ontmoeten wij talrijke groepen, los en vrij op
den grond gelegen vóór hun deuren. Als bij instinct staan ze op,
als ze ons zien naderen en blijven staan als teeken van eerbied,
tot we voorbij zijn. Die groepen zijn voor 't meerendeel Zigeuners.

De oorsprong van dit eigenaardige ras is lang een punt van strijd
gebleven. Het schijnt tegenwoordig vast te staan, dat ze uit Hindostan
afkomstig zijn. Oude charters, die te Tismana teruggevonden zijn,
spreken al van Zigeuners, die in de 14de eeuw in slavernij naar
Walachije werden gekracht.

Werkelijk zijn de Zigeuners in Roemenië eeuwen lang in een toestand
van smadelijke dienstbaarheid gehouden, terwijl ze overal elders reeds
de vrijheid hadden gekregen. Zij bleven het eigendom van den staat,
de Bojaren en de kloosters tot 1827, het jaar van hun bevrijding. Hun
aantal is betrekkelijk gering; in heel Roemenië komen er tegenwoordig
niet meer dan 260000 voor.

Onder al de wisselvalligheden van hun treurig bestaan hebben de
Zigeuners hun type, hun taal en hun gewoonten behouden. Het type is
zeer bijzonder en is merkwaardig zuiver door de eeuwen heen bewaard
gebleven. De taal, die zij spreken onder elkander, is een hindoesch
dialect, dat veel op eenige sanscrietsche tongvallen gelijkt. Eerst
sedert hun vrijverklaring komen gemengde huwelijken tusschen hen en
Roemeniërs voor. Ze hebben een ovaal gelaat en prachtige, schitterende,
zwarte oogen. Het zeer zwarte haar laten zij als een bos groeien en
nooit maakt het kennis met een kam. De neus is recht, met een lichte
arendswelving; de tanden behouden hun schitterende witheid in alle
omstandigheden, zelfs bij het overmatig gebruik van tabak, waaraan
mannen en vrouwen zich overgeven.

Velen van hen zijn landbouwers en anderen beoefenen het smids- of
het koperslagersbedrijf. Maar ze zijn vooral muzikanten, en zonder
eenige theoretische kennis brengen ze met veel gevoel en uitnemend
talent de liefelijkste melodieën ten gehoore.

Wij gaan nu door bekoorlijke boschjes, waar aan alle kanten beekjes
onder de struiken ritselen, zooals zij neergedaald komen van de
naburige hoogten en den stoffigen weg met hun gemurmel begeleiden.

Links van ons wordt het landschap beheerscht door het klooster van
Tismana, zooals het daar leunt tegen den dichtbegroeiden berg en op
een vooruitspringend gedeelte van de rotsen is aangelegd. Een waterval
vloeit schuimend onder het klooster naar beneden en stort zich met
één sprong in het dal, waar hij nog trillend van den val in de diepte,
zijn loop vervolgt tusschen de donkere boschjes naast ons.

De abdij van Tismana, die vroeger zoo beroemd was, bezit thans geen
anderen rijkdom meer dan zijn prachtige ligging en heerlijke omgeving.

Een vijftiental monniken leiden er nog een armoedig bestaan. Sinds
de secularisatie van de kloosters in 1864, dat is dus sinds den tijd
toen zij beroofd werden van hun bezittingen en kostbaarheden, bepaalt
de regeering zich ertoe, aan elken monnik 70 centimes per dag te geven
voor hun voeding en 50 francs per jaar voor kleeding. De rijke sieraden
en kostbare ikons zijn hun afgenomen en worden thans tentoongesteld in
het museum te Boekarest, waar ze hun typische belangrijkheid natuurlijk
hebben verloren. Er heerscht dan ook groote ellende in die kloosters,
en de cel van een der monniken, waar men ons heen brengt, om van het
prachtig uitzicht te genieten over het dal, is een akelig verblijf
met geen andere meubels dan een stroozak.

Vroeger, in den tijd van hun grootheid, toen herbergen in Roemenië iets
onbekends waren, boden de mannen- en de vrouwenkloosters de ruimste
gastvrijheid aan, en vriendelijk werd ieder vreemdeling opgenomen,
die aan hun deur klopte.

Zij waren zelfs het doel geworden voor kortere of langere uitstapjes,
en de burgerij uit de steden kwam er samen, om er den zomer te slijten.
Er slopen allerlei misbruiken in bij dat leven van wereldsche
ledigheid, dat daar langzaam aan binnendrong in het kloosterleven en
dat zelfs, naar het schijnt, een der redenen was van de secularisatie
der kloostergoederen. Tegenwoordig, nu de monniken het armoedig
hebben en zelf alle werkzaamheden op het veld moeten verrichten,
zijn de kloosters stil en verlaten geworden. Enkele kalme gezinnen,
die de hitte in de vlakte willen ontloopen, komen er nog wel eens
rust en koelte zoeken. De monniken verhuren hun kamers, maar zij
bieden niet anders aan dan een legerstede in die ruimten. De logés
moeten zelf in al hun andere behoeften voorzien.

Men komt het klooster binnen langs een vierkant voorplein, waar
men de gebouwen ziet, bestemd voor de vreemdelingen. Er zijn op dit
oogenblik twee welgestelde families uit Krajowa, waarvan de dames ons
vriendelijk als tolk dienden bij den portier, een prachtigen monnik
met lange haren en zwarten baard.

Er is een tafel neergezet in het klooster ten gebruike van
de vreemdelingen die hun ontbijt in het klooster wenschen te
gebruiken. Maar wij mochten ons inderdaad gelukkig achten, omdat wij
er aan gedacht hadden proviand mede te nemen, en niet vertrouwd te
hebben op den regel, die al zeer oud is en die de kloosters verplicht
vreemdelingen drie dagen lang te herbergen en te voeden. De portier,
die ons bediende, had zelfs geen brood ons aan te bieden. Alleen had
hij ronde, harde, platte beschuiten als enorme medailles, met een
afbeelding van het klooster op den eenen en een van den patroon der
abdij Sint Nicodemus op den anderen kant.

De monniken houden zich bezig met de eenvoudigste en meest vermoeiende
werkzaamheden; maar zij behouden zelfs bij het nederigste werk een
waardigheid, die eerbied afdwingt. Armoede is geen schande.

Zij belijden den orthodox griekschen godsdienst. Tot 1864 was de
kerk onderworpen aan het patriarchaat van Konstantinopel; sinds
dien werd zij een onafhankelijke, nationale kerk. Haar hoofd is de
metropolitaan-primaat van Roemenië, die te Boekarest resideert. De
roemeensche geestelijkheid wordt in twee categorieën verdeeld,
de monniken van den H. Basilius, die aan het celibaat gebonden
zijn, en de wereldlijke priesters, die mogen huwen. Uit de eerste
categorie alleen wordt de hooge geestelijkheid gerecruteerd. Zelfs
onder het turksche protectoraat zijn de Roemeniërs er in geslaagd,
het verdrag te doen eerbiedigen, waarbij het verboden was moskeeën
op hun grondgebied te bouwen. Nooit hebben de Turken, het zij tot
hun eer gezegd, de minste poging gedaan, om dat verbod te overtreden.



II.

Het klooster van Horezu.--Uitstapje naar Bistritza.--Romnicu en de
pas van den Rooden Toren.--Van Curtea de Arges naar Kampolung.--Pas
van Dimbo-viciora.


Op 25 K.M. af stands van Targu Jiul ligt het klooster van Horezu,
onmiddellijk bij het stadje van denzelfden naam. Daar de weg nog al
vermoeiend is, heeft men voor ons gewoon klein rijtuigje vier paarden
gespannen, alle vóór elkander. Wij volgen juist de tegenovergestelde
richting van die naar Tismava; doch evenals gisteren rijden we langs de
hooge bergen van de Karpathen en wij steken dwars over een eindeloos
aantal dalen, die van de groote hoofdketen afdwalen, om zich in de
roemeensche poeszta te gaan verliezen.

De dalen zelf zien er niet merkwaardig uit, maar bij elke hoogte
ontdekken wij ruime vergezichten, die den tempel van dichterlijke
melancholie dragen. Nu eens gaan we voorbij prachtige eikenbosschen,
die kolossale hoogten bereiken, dan langs verrukkelijke berkenbosschen
met zilveren stammen en levend loof. Wij houden halt, soms onder
een boschje in de diepe schaduw bij een van die groote putten, wier
eenige arm ten hemel wijst en waar onze arme paarden met lange teugen
zuiver en kristal-helder water drinken, en dan weer bij een bescheiden
dorpsherberg, waar we binnengaan, om ons eens te vertreden en ook om
van die dorpsbinnenhuizen een voorstelling te krijgen.

En terwijl in de gelagkamer onze koetsier zijn fleschje tzuica drinkt,
of pruimelikeur, die uit zeer kleine fleschjes geschonken wordt,
in één teug te ledigen, brengt de waard ons naar de achterkamer,
de eerezaal. Wij zien er als voornaamste meubel een divan, die als
bed kan dienen en in den vloer is vastgeschroefd. Een mooi gestreept
tapijt ligt erover en kussens met allerlei borduursels en roode en
witte letters. Tegen de muren hangen chromolithografieën, afwisselend
met groote strikken van wit linnen, op dezelfde wijze geborduurd en
van initialen en datums voorzien. Er is in het geheele huis geen
kast, noch in den muur, noch los in de vertrekken. Daarvoor in de
plaats staan er langwerpige houten koffers of kisten naar turksch
en servisch gebruik, waar men door elkaâr schoenen en vaatwerk en
juweelen in bergt, kortom al wat men bezit.

De middenzaal wordt door het gezin bewoond. Men ziet daar
de weefstoelen, dan divans, allerlei aardewerk, heel eenvoudig
keukengereedschap en een langwerpige tobbe, in den vorm van een boot in
een boomstam uitgehold. Die tobbe, die men in alle huizen terugvindt,
bewijst de meest verschillende diensten. Het is de draagbare wieg
der kinderen, de waschtobbe van de moeders en de etensbak der beesten.

In het algemeen koken de Roemeniërs bij mooi weêr in de open lucht,
's Avonds groepeeren zich geheele gezinnen om een vuur, waarop de
mammaliga kookt, de nationale schotel, een dikke brij van maïsmeel
in zout water gekookt, en tegen den nacht geeft het roode schijnsel
van het vuur, dat al die witte gedaanten, die er zich omheen dringen,
verlicht, aan het landschap iets sombers en dreigends.

De waard zet ons, na de honneurs van zijn huis te hebben waargenomen,
zijn besten wijn voor, die _entre nous_ niet drinkbaar is, daarna
brengt hij ons naar de plaats bij zijn huis, waar een soort van rad is
opgericht, een russische schommel, hier het Groote Rad van de parijsche
tentoonstelling in zijn eenvoudigsten en meest rustieken vorm. Men
ziet die raderen nog al eens, zoowel in Moldavië als in Walachije.

De dorpen, die wij door trekken,--de weinige dorpen, zou men moeten
zeggen, want het land is dun bevolkt,--lijken alle op elkander. Het
zijn altijd dezelfde boerenhuizen, die men er ziet, met planken
daken, en waar varkens van allerlei kleuren voor rondloopen met een
driehoekigen ijzeren ring door den neus, dan ganzen en eenden en
daartusschen naakte kinderen. Uit die hoeven stuiven vaak groote
honden te voorschijn, die tegen het rijtuig blaffen en achter ons
aan hollen, tot de koetsier met een flinken zweepslag hen tot orde
en welvoegelijkheid roept.

De dorpskerken, alle gelijk, zijn in nieuw-byzantijnschen stijl
opgetrokken en trekken van verre de aandacht door hun metalen koepels
en hun hooge, achthoekige torens met groote boogvensters. Vele zijn
van buiten met groote fresco's versierd, die er een zeer bijzonderen
stempel op drukken. De kerkhoven, die meestal afgezonderd liggen
te midden van de velden, zijn vol van zware byzantijnsche kruisen,
beschilderd en versierd met vrome figuren op gouden fond. Ook langs
den weg staan veel kruisen, die niets met graven te maken hebben,
kruisen, die als in veel berglanden, door vrome geloovigen zijn
opgericht. Zoo ziet men vaak een kruis naast een bron of zelfs wel
bij een eenvoudigen put.

Op den middag houden we stil te Podovraj, een aardig plaatsje,
middelpunt, van waar uit men verscheiden belangwekkende uitstapjes
kan maken. Wij vinden er veel roemeensche familiën, die er hun
zomerverblijf hebben opgeslagen.

De Roemeniërs gaan op eenvoudige en goedkoope manier _en
villégiatura_. Zij hebben eigenlijk geen ander koel zomerplaatsje
dan Sinaïa, de koninklijke residentie, waar de élite van 't
gezelschapsleven samenkomt; enkele badplaatsen als Slanic in Moldavië
en Calimanesti, en een paar deftige lustoorden in de bergen, als
Kampolung, Ocna en nog enkele. Daarom gaan families met beperkte
middelen, die de brandende hitte der vlakte willen ontvlieden, bij
voorkeur naar de dorpen. Daar gaan ze een accoord aan met de eene of
andere Zigeunerfamilie, die hun haar woning voor één of twee maanden
afstaat. Men installeert zich dan in zoo'n primitief huis en brengt er
de vacantie door te midden der bosschen en der woeste Karpathennatuur,
gelukkig als er een herberg in de buurt is, van waar ze hun eten
kunnen laten komen. In dien tijd kampeeren de Zigeuners hier of daar;
die nemen het zoo nauw niet en hebben hun nomadenbloed behouden.

Te Horezu moesten wij de keus van ons logement aan den koetsier
overlaten. Hij brengt ons in een soort van hoeve, die volkomen
ledig is. Niemand in de herbergzaal, niemand in de kamers, waar
wij haastig en tersluiks een blik in werpen. Maar alles ziet er zoo
vuil, zoo afschuwelijk vuil uit, dat wij niet kunnen besluiten, er
den nacht door te brengen en op de zoek gaan naar een meer passend
verblijf. Na veel zoekens vinden wij een minder voorhistorische,
zelfs bijna moderne herberg. De waard laat ons kamers zien, waar de
bedden wel door divans zijn vervangen op roemeensche manier, maar
waar de lakens van een witheid zijn, die een uitstekend voorteeken is.

Helaas! het voorteeken heeft bedrogen. Den geheelen nacht zijn de
springende insecten in de weer. Noch ammonia, noch eau de cologne
helpt er iets tegen en slapeloos brengen wij den nacht door.

Het stadje Horezu is bekoorlijk en druk. De huizen, minder op zichzelf
staand dan te Targu Jiul, zien er beter uit met hun in de straat
naar voren springende balkons. De bewoners, vooral de vrouwen, zien
er vroolijker uit, hebben zelfs iets joligs. Des avonds dringen naar
het eind van de hoofdstraat, waar wij logeeren, vreemde liederen tot
ons door, gezongen door van het werk terugkeerende meisjes. Het zijn
turksche melodieën met zeer bijzondere modulaties, en het gezang is
werkelijk boeiend, zoo boeiend, dat wij de groepen volgen tot op het
oogenblik, dat zij uit ons oog verdwijnen, altijd nog zingend en de
echo's voortstuwend van hun trillers en hun hooge noten.

Op twintig minuten afstands van de stad ligt het klooster van
Horezu. Men gaat per rijtuig langs den grooten weg tot aan den
heuvel, waarboven de indrukwekkende steenmassa's van de oude abdij
verrijzen. Daar wordt de weg zoo steil en steenachtig, dat wij te
voet verder moeten gaan. Halverwege de helling zien we een monnik van
gemiddelde grootte, die met ons den lijdensberg bestijgt. Wij gaan
schrede voor schrede achter hem aan, zooals hij ons daartoe schijnt uit
te noodigen met den vriendelijken glimlach, zich afteekenend onder den
fijnen knevel, en spoedig betreden wij na hem het groote binnenplein
van het klooster, waar op dit oogenblik veel menschen bijeen zijn. Een
leekenbroeder treedt op ons toe, en na een korte samenspraak met
den monnik, die ons had binnengeleid, wendt hij zich tot ons en zegt
in zeer correct Fransch: "Mevrouw, de overste noodigt u uit in het
salon te gaan." Wij waren grootelijks verrast. Wij wisten niet, dat
het klooster van Horezu, dat ten allen tijde een mannenklooster was
geweest, een nonnenklooster was geworden, de kleeding en de knevel
van de overste hadden ons geheel op een dwaalspoor gebracht. Werkelijk
is de kleeding van de nonnen in Roemenië volkomen gelijk aan die der
monniken. Zij dragen dezelfde zeer ruime zwarte pij met wijde mouwen
met een zwart wollen koord om het middel gesloten. Daaraan hangt
de rozenkrans en op het hoofd hebben ze op de kortgeknipte haren
hetzelfde stijve, ronde mutsje, iets lager echter dan bij de mannen.

Voor profane menschen, zooals wij, zou de vergissing noodlottig
kunnen worden, te meer daar, toen wij de superieure ontmoetten, zij
ongesluierd was. De sluier wordt alleen bij plechtige gelegenheden
gedragen en bij het zingen in het koor.

Daar zij tegenover ons de plichten der gastvrijheid wil nakomen, gaat
zij ons vóór naar de bovenverdieping en brengt ons in een eenvoudig
salon, op oostersche wijze gemeubeld, dus langs den geheelen wand
voorzien van breede divans. Een jeugdig nonnetje gaat naar turkschen
trant rond met een blaadje, waar confituren en glazen ijswater op
staan. Na eenige minuten pratens geven wij den wensch te kennen,
eenige photografieën te nemen, waarna de overste dadelijk allen om
zich verzamelt en wij ze weldra in plechtgewaad vóór den hoofdingang
der kerk bijeen vinden.

De abdij van Horezu is een der indrukwekkendste en best in stand
gebleven kloosters van Roemenië. Eertijds een mannenklooster, is het
nu in een hospitaal veranderd onder leiding van grieksch-orthodoxe
zusters. Men moet zich dan ook niet verbazen over den droevigen
aanblik, dien op sommige tijden de pleinen en de toegangen van het
klooster aanbieden. De menschelijke ellende in haar meest afzichtelijke
vormen en van den meest weerzinwekkenden aard komt hier verlichting
van haar lijden zoeken. De zusters ontvangen ieder van den staat
niet meer dan 35 centimes per dag, terwijl de monniken het dubbele
krijgen. De regeering beweert, dat vanwege den van haar gevorderden
arbeid zij gemakkelijker in hun behoeften voorzien.

Het klooster van Horezu werd gesticht in de laatste helft der 17_de_
eeuw door Constantin Brancovan, voorlaatsten inlandschen woiwode
van Walachije, die in het geheim er naar streefde, zijn land van
het turksche juk te bevrijden en door de Bojaren aan den sultan werd
overgeleverd. Hij stierf te Konstantinopel den marteldood.

Uit de verte lijkt het klooster een middeleeuwsch kasteel, met zijn
grooten toren en de overblijfselen van versterkingen. Maar pas heeft
men het binnenplein betreden, of alles verandert van aanzien.

Prachtige boomen werpen er hun schaduw over de gebouwen, welker
bovenverdiepingen uitkomen op een rijke zuilengalerij, en naast
de vroegere appartementen van den vorst springt een keurig klein
paviljoentje naar voren.

De kerk staat, als bij de meeste kloosters hier, midden op het
plein. Zij is in zeer zuiveren romaanschen stijl opgetrokken, naar
ons wordt verzekerd. Feitelijk is het de byzantijnsche, eenvoudig en
streng van aanzien, zonder overlading met versierselen. Het portaal
is rijk versierd met schilderwerk op gouden grond. Dit mooie kerkje
diende met dat van Curtea de Arges als model voor het roemeensche
paviljoen op de laatste parijsche tentoonstelling.

Op den weg naar Romnicu waren verscheiden dorpen feestelijk getooid. Er
is iets origineels in die kalme feestelijkheden, in dolce far niente
gesleten. De vrouwen groepeeren zich aan den eenen kant van den weg,
de mannen aan den anderen. Als de tijd voor dansen daar is, voegen
zich de groepen te zamen, en men kan zich moeilijk iets bekoorlijkers
voorstellen dan die aardige dorpstooneeltjes. Maar de menschen zijn
uiterst beschroomd en verlegen, en als men van hun pleizier getuige
wil zijn, moet men de grootste discretie in acht nemen.

Wij houden stil in het dorp Tomsani; en omdat het moet, maar ook om
de stijfheid uit onze beenen te loopen, leggen wij te voet een visite
af in het klooster van Bistritza.

Dat uitstapje, zoo hoog geprezen door onze gidsen, en waarvan het
heette, dat er een uur mee gemoeid was, kost ons drie volle uren. Daar
wij het midden op den dag waren, in de brandende zon, worden we er
haast wanhopig onder.

Maar er is veel schoons in het dal te bewonderen. Hooge, met
bosschen bedekte bergen omsluiten den horizon en langs den weg staan
boerenhoeven, waarin en waaromheen alles welvaart ademt. Op de rustieke
binnenplaatsen zijn in de dichte schaduw vrouwen in haar bijbelsche
kleederdracht bezig. Ze hebben volle klossen in de hand en spinnen
de voor 't huisgezin bestemde wol.

Maar de aanblik dier bekoorlijke tooneeltjes stelt mij niet schadeloos
voor de vermoeienis, die de slecht gebaande weg mij bezorgt, een weg
vol kuilen en zonder eenige schaduw.

De abdij van Bistritza, tegenwoordig in een militaire school
herschapen, bezorgt ons een heele ontgoocheling. Bij 't binnenkomen
krijgt men den indruk van een imposant gebouw, doch het is stijlloos
en, laat ons het maar zeggen, onbelangrijk. De dienstdoende officier
is daarvan zoozeer overtuigd, dat hij zich ertoe bepaalt, ons een
bezoek aan den waterval voor te stellen, die in een holte van de
rots achter het klooster neerschuimt. Na de teleurstelling, zoo juist
ondervonden, lacht ons die tocht niet toe, en wij keeren haastig op
onze schreden terug.

Wij ontmoeten een boer, die na wat heen en weer praten erin toestemt,
ons zijn karretje te leenen en zijn paard, terwijl zijn buurman ons een
pony zal bezorgen, om de zaak volledig te maken. De kar is een soort
van birdj; twee planken, aan beide kanten met touwen vastgemaakt,
zijn de banken en bij wijze van tapijt hebben we een dik bed van
geurig hooi.

Wij rijden hortend en stootend weg. Bij elken modderpoel, en er waren
nog al zoo eenige, worden wij door elkander geslingerd, en tot tweemaal
toe werd onze koetsier, een kereltje van een jaar of vijftien, buiten
den wagen geworpen; maar hij klemt zich vast aan den dissel en springt
weer vlug op zijn plaats met een lenigheid als van een eekhoorn. Wat
ons aangaat, wij klemmen ons aan de banken vast met het vooruitzicht,
ons als geradbraakt te zullen voelen, wanneer we onze plaats van
bestemming hebben bereikt.

Plotseling, _krak_, gaat het, _krak_! De achterbank is gebroken,
daar liggen wij op het hooi onder in den wagen. In dien hopeloozen
toestand vindt ons eindelijk onze koetsier van Horezu, die, ongerust
over ons lang uitblijven, ons tegemoet gereden was, zoo ver als de
slechte toestand van den weg het hem vergunde.

Tusschen Pomsani en Romnicu is het landschap prachtig, vol dichterlijke
woestheid. Het is een reusachtige steenwoestijn, waar wij doorheen
moeten. De hooge keten der Karpathen blijft ons links op zij, en
de voorbijgangers zijn al even zeldzaam als de woningen langs den
weg. Zwervende honden loopen er rond, en enkelen zagen wij bezig bij
het lijk van een onderweg achtergelaten paard. Er is in het landschap
iets sombers en doodsch. Eerst als wij het dal der Olt naderen, begint
de streek er anders uit te zien, en de groote kruisen, aan den weg
geplant, toonen dat er dorpen in de buurt zijn en dat de woestijn
ten einde is.

Bij een dier dorpen houden wij stil vóór een boerenherberg, die er
vrij onzindelijk uitziet. Bij den ingang liggen bloedende resten van
de slacht, en honden, veel honden zwerven er rond, om zich op die
walgelijke prooi te werpen.

Maar in het dal der Olt wordt het landschap vroolijk en vriendelijk,
en aan den horizon verrijzen met bosschen bedekte bergen. Boerenwagens,
met vurige kleine paardjes bespannen en overhuifd door een grooten kap,
komen uit de stad terug en uit de wijde vooropening kijken aardige,
kleine, bruine gezichtjes, waar groote, zwarte, intelligente oogen
uit lichten. Iets verder toonen zware karren met blokken steenzout,
dat wij in de nabijheid der beroemde zoutbergwerken van Ocna zijn. Wij
hadden ons voorgesteld, er een bezoek te brengen; maar reeds valt
de avond, en om zes uur worden de zoutwerken gesloten. Wij zullen
bovendien nog gelegenheid hebben, die van Slanic in Prahova te zien,
die, naar het heet, de belangrijkste en mooiste uit Roemenië zijn.

Het stadje Ocna, waarvan wij spoedig de eenige en zeer breede straat
doorrijden, schijnt wel druk en aantrekkelijk. Mag ik het bekennen? Na
het slechte logies van de laatste dagen voelen we ons een beetje
treurig, dat wij hier niet bij de geneugten van Ocna kunnen blijven,
tusschen die lachende villa's, waar elegante menschen op de balkons
en veranda's te zien zijn. Wij hebben echter pas onzen spijt onder
woorden gebracht, of daar zijn we alweer in het open veld tusschen
gescheurde en vuile en gelapte tenten, waaromheen een dichte menigte
Zigeuners krioelt. Zij zien er verbazend woest en onheilspellend uit,
en hun optreden verschilt veel van de zachtheid en goedmoedigheid
der Zigeuners, die wij tot nu toe in Roemenië hebben ontmoet.

Na drie kwartier rijdens komen we in Romnicu. Dat is een echt
roemeensche stad. De hôtels met hun galerijen langs de eerste étage,
gebouwd om binnenpleinen als echte, oostersche karavanserai's;
de theaters in de open lucht, waar drama's en vaudevilles worden
opgevoerd; de restauraties, waar Turken met reukwerk uit het serail
rondgaan; tot de nachtwachts toe, die met geregelde tusschenpoozen
een scherp en snijdend gefluit doen hooren, dat in de slapende stad
de echo's wekt juist als 't geroep der schildwachten in vestingen,
dat alles geeft aan Romnicu een zeer bijzonder karakter.

Geleund tegen het gebergte, ziet het stadje de rijke vlakte van de Olt
vóór zich uitgespreid met reuzenvelden van tarwe en maïs. Roemenië
brengt, naar men weet, in overvloed koren voort en voert jaarlijks
een massa daarvan uit. Maar de boeren bebouwen het land slecht; ze
verbranden mest en vertrouwen enkel en alleen op de vruchtbaarheid
van den grond. Daar zij buitendien in 't geheel geen begrip hebben
van sparen of van zuinigheid, komt er, indien de oogsten door
overstrooming, hagel of droogte mislukken, dadelijk hongersnood in
het land.

In Servië is bij een wet van 1889 vastgesteld, dat in elke landelijke
gemeente gemeenschappelijke voorraadsschuren moeten worden aangelegd,
die bestemd zijn de gevolgen van schaarschte aan voedingsmiddelen
te voorkomen, en die in geval van oorlog ook moeten dienen voor de
behoeften van het leger.

Ieder belastingplichtig Serviër moet jaarlijks 90 K.G. maïs en
evenveel kilo's graan storten. Als een boer door het een of ander
ongeval gebrek heeft aan levensmiddelen, ontvangt hij van den
gemeenschappelijken voorraad wat hij voor voeding en zaaisel noodig
heeft, op voorwaarde, dat hij het volgend jaar teruggeeft, 't geen
hij voor zijn oogenblikkelijke behoeften in voorschot heeft gekregen.

Die instelling bleek van onbetwistbaar nut in den servisch-bulgaarschen
oorlog en bij de overstroomingen van 1897, die even noodlottig waren
voor Servië als voor Roemenië. Bij de Roemeniërs echter vond men niets
van dat alles, en dit gebrek aan voorzorgen plaatst hen op een lager
standpunt. Gelukkig is thans een wetsontwerp aangeboden in den geest
der servische wet.

Graan is niet het eenige uitvoerartikel uit het district Romnicu. Deze
geheele hoek van de Karpathen bezit mineralen in overvloed, goud,
zilver, kwikzilver, ijzer, koper, arsenicum en lood; maar tot nu toe
worden die schatten bijna niet geëxploiteerd.

Van Romnicu uit wordt meestal het uitstapje gemaakt naar den pas van
den Rooden Toren. Die weg is te allen tijde de groote strategische
route naar Walachije geweest; hij gaat over de Alpen op de plaats,
waar zij hun grootste hoogte bereiken en waar zij den indruk van de
grootste woestheid maken. Het is de natuurlijke weg voor invallen in
het land, en Trajanus volgde hem, toen hij de Daciërs overwon, evenals
de Turken er gebruik van maakten bij de verovering van Hongarije.

Die lange bergpas, waar wij door zullen gaan, is door alle eeuwen der
geschiedenis heen telkens getuige geweest van heldhaftigen strijd. Maar
van dat verleden vol bloed en vol glorie zijn nu nog maar zeer weinig
sporen over.

Vier lustige paardjes, vóór elkander aangespannen, brengen ons in
vier-en-een-half uur bij den Rooden Toren, op 64 K.M. afstands van
Romnicu. Bij 't verlaten der stad heeft men een zeer ruim uitzicht
over het dal van de Olt, dat op die plek bijzonder breed is. Daarna
nadert men snel de donkere Karpathen, en welkom is het oponthoud in
het aardige, kleine stadje Calimanesti, bekoorlijk gelegen en met
minerale, zwavelhoudende bronnen in de buurt en andere, die staal en
jodium bevatten, zoodat ze jaarlijks een groot aantal badgasten lokken.

De kleeding der vrouwen heeft in dit deel van het dal een eigen
karakter. Haar _castrinza's_ zijn met veelkleurige pailletten bestikt
en fonkelen daardoor, als de zon erop schijnt, en haar sluiers, altijd
van zeer licht en doorschijnend weefsel, vertoonen allerlei tinten;
men ziet ze in groen en geel, in rose en bruin.

Dichtbij Cozia wordt het landschap grootsch; vulkanisch gesteente in
zware vreemd gevormde rotsen komt tot dichtbij den weg. Wij passeeren
het klooster van Cozia, welks kerkje op de rots ter linkerzijde troont,
terwijl rechts zich de oude, nu gerestaureerde en in gevangenis
herschapen kloosters verheffen. Voorbij Cozia sluiten hooge, steile
rotsen den weg al nauwer in, terwijl de Olt ernaast voorbij bruist,
zooals zij ons langs den geheelen pas zal blijven vergezellen.

Aan den anderen oever vestigt de koetsier onze aandacht op de nog zeer
duidelijke sporen van den grooten, romeinschen weg op een grooten,
afzonderlijk liggenden steen, die, van den berg losgeraakt, over
de rivier hangt. Het is de Tafel van Trajanus. De legende zegt,
dat boven van dien steen af, waar hij zijn tent had opgeslagen,
Trajanus toezag op het voorbijtrekken van zijn zegevierende legioenen.

Arenden zweven boven onze hoofden en dalen langzaam op en tusschen
de verbrokkelde rotsen om ons heen. Dichte boomen overschaduwen den
eenzamen weg, en de zeer in 't nauw gebrachte Olt bruist en schuimt
als een woedende bergstroom.

De weg behoudt dat woeste en grootsche karakter over een afstand van
17 à 18 K.M. Het is altijd de strijd tusschen den stroom, die zich
een doortocht banen wil, en de rots, die hem den weg verspert. Vandaar
de tallooze bochten en kronkelingen, die wij hebben te volgen in den
loop van de rivier.

Daarna treden langzamerhand de bergen weer terug, en armoedige
dorpjes krijgen ruimte aan de kalmer geworden Olt. Daar ligt vlak
aan de rivier een ruïne van een romeinsch fort, waar een herberg zich
geïnstalleerd heeft. Hooger, op den top van een heuvel vindt men de
overblijfselen van het kasteel Landskron, van waar het gezicht op het
dal buitengewoon prachtig is. Veel kudden ossen, buffels en schapen
vinden er uitstekende weiden. Wij komen nu bij de Fogarasbergen, den
Surul en den Negoï met scherpe toppen, waarvan de uitgetande vormen
somber afsteken tegen een donkeren onweêrshemel. Bij een vernauwing
van het dal doen zich, gekleefd aan de rots en over den weg hangend,
de ruïnen voor van den Rooden Toren, die zijn naam aan den bergpas
heeft gegeven. Volgens de legende was dat fort eenmaal zoo rood van
het bloed der Turken, dat de witte muren onder de roode kleur als
verdwenen, en ter herinnering aan dien bloedigen dag heeft men de
muren helder rood geverfd.

Romnicu is 34 K.M. verwijderd van Curtea de Arges, dat herinnert aan
Radu Negru, den eersten woiwode van Walachije, die in 1244 er zijn hof,
_curtea_, aan de rivier de Argis vestigen kwam. Hij is echter niet,
zooals de overlevering wil, de stichter van het klooster, dat niet
hooger dan tot 1512 opklimt. De kerk, gebouwd door Radu Negru, is
de "Biserica Domneasca," vorstelijke kerk, in het midden der stad
gelegen. Zij dreigt in puin te vallen, en daar ze noodzakelijke
reparaties moet ondergaan, wordt zij aan alle zijden gestut.

Maar de parel van Curtea is de prachtige, witte kerk, die schittert
onder haar vergulde koepels en, een kwartier van de stad verwijderd,
op een alleenstaanden heuvel ligt, de kerk namelijk van het klooster
en waarvan beweerd is, dat zij alleen de reis naar Roemenië waard was.

De schepper van dit architectonisch kunstwerk, waarin de byzantijnsche
kunst iets moois geleverd heeft, met herinneringen aan arabische en
perzische bouwwerken, is vorst Neagu Voda Bessaraba, die in 1513 in
Walachije regeerde. In zijn jeugd werd hij als gijzelaar mee naar
Konstantinopel genomen. De sultan vatte genegenheid voor hem op
en liet hem in de bouwkunde onderrichten door een man van talent,
Manoli de Niaesia, met wien hij o.a. een der groote moskeeën van
Konstantinopel bouwde. In zijn land teruggekeerd, ontwierp hij de
kerk van het klooster. Hij gebruikte er een zeer fijnen zandsteen
voor uit de in de buurt zijnde groeven van Albesci.

Behalve haar kerken heeft Curtea de Arges weinig aantrekkelijks voor
den vreemdeling. Monniken met lange haren en lange baarden ziet men
overal loopen. Hun kleeding is onberispelijk en vormt een sterke
tegenstelling met het armoedig aanzien van de monniken der andere
kloosters. Zij treden echter zeer eenvoudig op, spreken graag met
het volk, dat groote achting voor hen schijnt te koesteren en hen
met den diepsten eerbied behandelt.

In de eenige straat van de stad wordt op het oogenblik een groote
vischmarkt gehouden. Er waren hoopen kolossale karpers onder zware
blokken ijs, karpers, die de Donau bij het hooge water van de laatste
dagen in haar zijtakken heeft opgestuwd en die toen spoedig in de
netten van de visschers zijn geraakt. Die visschen, waarvan het
gemiddeld gewicht tien à twintig kilo bedraagt, worden in groote
mooten verkocht. Men betaalt 30 centimes per kilo.

Wij moeten nog een tocht maken, voor we te Boekarest komen, namelijk
naar Kampolung. Gewoonlijk gaan de reizigers daarheen per spoor over
Pitesci en Golesci; maar wij geven de voorkeur aan den rijweg, die
afwisselend en eigenaardig moet zijn.

Om half acht 's morgens zijn we voor de expeditie gereed. Nauwelijks
zijn we een uur onderweg, of wij ondervinden een reeks van
teleurstellingen. De rivieren, door de laatste regens verbazend
gezwollen, zijn niet over te trekken, omdat een paar bruggen zijn
weggeslagen, en wij moeten een lastigen omweg maken en toch nog per
rijtuig door de bedding van een stroom gaan, waar het water zoo hevig
bruist, dat wij kans loopen meegesleurd te worden. Rondom ons is niets
dan een zeer armoedige streek, de hoeven en hutten en kapelletjes
zijn in den treurigsten staat van verval, en men vraagt zich af, of
de een of andere ramp dit stukje aarde geteisterd heeft, waar niets
overeind staat en alles aan vernieling schijnt prijs gegeven. Buiten
een paar visschers, die naar de rivier zijn afgedaald en groote netten
vasthouden, zien wij geen enkelen bewoner. Eerst bij Domnesci begint
er weer leven in de omgeving te komen.

Dat is intusschen slechts een arm dorpje, doch bij gelegenheid van
den Zondag zijn allen er op hun mooist uitgedost. Zoodra wij onze
photografietoestellen voor den dag halen, gaan ze op de vriendelijkste
manier om ons heen staan. Wij hebben slechts een wenk te geven,
en de brave menschen plaatsen zich in een groepje, blij voor ons te
mogen poseeren. Er zijn zelfs enkele jongelui, voor wie het objectief
zooveel aantrekkelijks heeft, dat ze ons op den voet volgen, zoodat
wij genoodzaakt zijn listen te gebruiken, ten einde hen niet op al
onze cliché's terug te vinden. De dorpskerk, sierlijk overschaduwd
door een groep groote boomen, staat op een plein, waartoe een poort
van eigenaardigen stijl toegang geeft. Ofschoon die poort bij een
ellendig dorpje, verloren in de bergen, behoort, is zij versierd met
bekoorlijke engelen-figuurtjes en beelden van heiligen met opschriften
en bloemslingers, werkelijk van kunstzin getuigend. Ze zijn afkomstig
van rondtrekkende kunstenaars, die, door dezelfde figuren herhaaldelijk
te maken, er groote geoefendheid in kregen.

De pope van het dorp stak den weg over en kwam juist bij zijn huis
met een brood onder den arm. Hij zag er zeer armoedig uit in zijn
verkleurd geestelijk gewaad en met zijn hooge, bruine muts, zoodat wij
instinctief onze camera op hem richtten. Maar 't was of een beschroomde
eerbied ons weerhield tegenover die waardige en fiere armoê, die zich
voor onze blikken scheen te willen verbergen. Die dorpsgeestelijken
zijn brave, waardige menschen, niet geleerd, meestal bemind bij hun
medeburgers, wier droevig lot zij deelen, maar op wie zij gewoonlijk
weinig invloed hebben.

Als men de hellingen van het dal van Domnesci bestijgt, bespeurt
men bijna op den top van een berg de schitterende koepels van een
dorpskerk. Dat is de kerk van Slanic, een net en sierlijk dorpje,
dat sterk afsteekt tegen de armoedige en weinig bevolkte streek, die
wij pas zijn doorgereden. Dit heele dorpje is een beeld van welvaart
en opgewektheid. Groote boerderijen bestaan uit veel gebouwen met
flinke binnenpleinen, waar alles goed is onderhouden. Mooie jonge
meisjes loopen af en aan, in huishoudelijke drukte, te midden van
kippen, eenden en kalkoenen, op 't oogenblik de eenige aanwezige
dieren. Gedurende den geheelen zomer is het groote vee afwezig;
het graast in vrijheid op de bergen, 's Avonds wordt het binnen
omheiningen opgeborgen zonder eenige beschutting tegen het weder.

Zoodra wij Slanic achter ons hebben gelaten, begint weer de
eenzaamheid. Herders met hun kudden en troepjes arbeiders, die onder
boomen liggen te rusten van den zwaren veldarbeid, zijn de eenige
levende wezens, die wij onderweg ontmoeten op het laatste traject,
dat ons nog van Kampolung scheidt. De weg loopt door een reeks van
poëtische dalen op de Karpathenhellingen, en in de verte zien wij
de koeien grazen in de schaduw van forsche berken. Links altijd de
wazige en blauwe keten der Transsylvanische Alpen. Maar nergens huizen
of hutten, en rondom doodelijke stilte. Eindelijk, tegen vier uur in
den namiddag, rijden wij Kampolung binnen.

Dat is een aardige plaats, al belangrijk ten tijde van Radu Negru,
den stichter van het vorstendom Walachije. Er bestaan nog slechts
enkele sporen van het oude vorstelijk paleis, maar het groote
klooster, dat hij aan den ingang van de stad liet bouwen, bestaat
nog, al heeft het groote veranderingen ondergaan. Een 40 M. hooge
en 6 M. breede romaansche toren geeft toegang tot het binnenplein
van het klooster. Die imposante toren, welks stijl den invloed van
de Longobarden in de herinnering roept, heeft veel karakter. Het is
dan ook een der oudste en beroemdste monumenten in Roemenië. De stad
is zoo zindelijk, ligt zoo mooi, en de lucht is er zoo opmerkelijk
zuiver, dat jaar op jaar veel burgers uit de groote steden er den
zomer komen slijten.

Van de hoogten rondom het plaatsje heeft men een prachtig bergpanorama
voor oogen. Wij zijn hier zeer dicht bij de Karpathen, en de dalen,
die daarvan uitgaan, zijn evenveel aanleidingen voor afwisselende
uitstapjes. Het stadje, hoewel niet groot, heeft toch zijn
Zigeunerwijk, een heele straat, niet ver van het klooster. Wat dat
een zonderlinge straat is, vooral tegen den avond, als alle woningen
wijd openstaan en de roode schijnsels van hun smidsvuren naar buiten
werpen, waar schoone vrouwen in lompen, maar met prachtige zwarte
oogen in het bleeke gelaat en engelachtige halfnaakte babies voor
heen en weer loopen. Groote, magere mannen met gebronsd gelaat slaan
in de helle verlichting van de vuren het ijzer; anderen bewegen
de blaasbalgen. Dit is de werktijd van die paria's, want hun zware
arbeid is niet doenlijk tijdens de hitte van den dag, en eerst tegen
het vallen van den avond wordt het levendig in die wijk.

Het uitstapje naar den pas van Dimbo-viciora is de verplichte
aanvulling van elk verblijf te Kampolung. Die kloof is een der
beroemdste en meest bezochte van dit deel der Karpathen.

Van Kampolung af is het een aanhoudende reeks van prachtige uitzichten,
vreemde horizons, waar de bergketenen achter elkander schuiven tot in
de verste verte. In het dorp Rocaru rijden wij over de Dimbovitza,
die wij naast ons zullen houden op den weg tot aan de grot van
Dimbo-viciora. De witte rots, die opstijgt uit de bedding en geheel
met groen begroeid is, vormt een aardige omlijsting van dit mooie
riviertje met kristalhelder water.

Dan naderen wij snel den hoogen, verweerden muur, die ons al eenigen
tijd het uitzicht beneemt en waarin wij den ingang moeten zoeken van
de beroemde kloof. Pas zijn wij er binnen getreden, of een wondermooi
schouwspel treft ons oog. Torens en spitsen en ruïnen van schoone,
lichtrose tint staan om ons heen in de engte der spleet en boven ons
hoofd hangen slingers van groen langs de steile wanden.

Bij den uitgang der kloof wordt het landschap rustiger; wij zien er
weiden en enkele houten hutten. Bij een dier laatste houden wij stil,
en een jonge knaap geleidt ons naar de grot van Dimbo-viciora, weer
door een doolhof van rotsen. De opening van de grot ligt in een woeste
omgeving, maar de geestdriftige beschrijvingen, die men ervan leest,
zijn overdreven en wij vinden haar nauwelijks een bezoek waard. Een
paar bergbewoners met dunne kaarsen bieden aan, mee te gaan; men
verwacht iets fantastisch en ziet niets dan een hol van 15 à 20
M. diepte, met enkele stalactieten en geelwitte stalagmieten.

Na dit uitstapje, waarvan enkele gedeelten aan de Bastei
in Saksisch Zwitserland herinneren, bezoeken wij een klein
bescheiden nonnenklooster, de abdij van Namaesci, dat door deze
bijzonderheid gekenmerkt wordt dat de kerk geheel is uitgehouwen
uit een monolieth. Alleen de toren en een klein voorportaal zijn
metselwerk. Al het inwendige is in de rots uitgehouwen, waar men
overheen kan loopen en waar men een prachtig panorama vóór zich
ziet. Wij zeggen Kampolung vaarwel. Een zijlijn van den spoorweg voert
ons naar Golesci, waar wij de groote lijn naar Boekarest terugvinden.



III.

Boekarest, aanzien van de stad.--De zoutmijnen van Slanic.--De
petroleumbronnen van Doftana.--Sinaïa, wandeling in het bosch.--Busteni
in het kroondomein.


De entrée in Boekarest is voor den vreemdeling een teleurstelling. Van
het station zich begevend naar het midden der stad, gaat men door
straten, die tot de primitiefste dorpen konden behooren, straten,
waar instortende huizen en schunnige winkels aan gelegen zijn en waar
de trottoirs onder hoopen vruchten en groenten verborgen zijn. Maar
spoedig wordt die indruk weggevaagd. Op die onfrissche voorsteden
volgen prachtige straten, waaraan weelderige gebouwen staan, niet
onderdoend voor die der grootste europeesche steden.

De Roemeniërs zijn zeer trotsch op hun hoofdstad en roemen graag
het comfort, dat men er geniet. Zij vergelijken met een zekeren
nationalen trots hun bewonderenswaardig geplaveide straten en hun
openbare pleinen met de afschuwelijke straten van Belgrado, waar men
na een kwartiertje rijdens in al zijn leden pijn gevoelt. Ze noemen
Boekarest dan ook graag het Parijs van het Oosten. Reeds in 1864 zei
de heer de Blowitz, toen hij terugkeerde van een oostersche reis:
"Ik geloof niet, dat er in de wereld een tweede stad bestaat, die
even trouw als Boekarest het land, waarvan zij de hoofdstad is,
weerspiegelt.... Boekarest levert thans een levend en merkwaardig
beeld van Roemenië. De stad wikkelt zich los uit den chaos van
gisteren en haakt naar den luister van morgen. De lompen nemen de
kleur van het purper aan; de eerzucht wordt grooter en grooter;
dit is de nieuwgeboren hoofdstad van een nieuwgeboren koninkrijk."

Met niet minder recht zei Carmen Sylva, de koningin van Roemenië,
in 1892: "Het oostersche en schilderachtige Boekarest, het Boekarest
met kleine, in het groen verscholen huisjes, waar men zei "het huis
van den heer Zus of van mevrouw Zoo", terwijl men de menschen bij
hun voornamen noemde, dat Boekarest verdwijnt, om plaats te maken
voor een stad als alle andere. Het heeft nog alleen een oostersch
karakter voor hen, die pas uit het Westen komen. Zij, die uit Azië
naderen, gaan met een zucht van voldoening de Donau over en zeggen:
"Gelukkig, nu zijn we in Europa!"

Ons schijnt Boekarest nog heden den hoogmoed en de eerzucht te bezitten
van den pas onlangs vrijverklaarde, die door gloednieuwe weelde zijn
pas overwonnen staat van dienstbaarheid wil doen vergeten. Vandaar die
treffende tegenstellingen, die men telkens in de stad ontmoet, hier
lage huizen, echte zwerverskrotten, waar halfnaakte menschen uit te
voorschijn komen; daar prachtige paleizen als het Spaarbankgebouw en 't
Postkantoor, rijk versierde café's, waar de voorname roemeensche wereld
samenkomt. Aan den eenen kant winkels van oud roest als in de Leipziger
straat, waar de kooplui hun schatten zoo maar op straat uitspreiden,
en aan den anderen weelderige magazijnen van den modernsten smaak,
die met de mooiste winkels van Parijs kunnen wedijveren.

De verschillende klassen van de maatschappij vertoonen dezelfde
tegenstellingen. Hier de lagere volksklasse, die zich nog niet heeft
kunnen vrijmaken van de vreesachtige, beschroomde manieren uit den tijd
der eindelooze slavernij; daar de klasse der rijken, die, plotseling
op den trap der moderne beschaving gekomen, de zeden en de letterkunde
uit het buitenland tracht na te doen en daardoor alle eigen karakter
mist. Zoodra men de binnenstad betreedt, krijgt men dien indruk van
plagiaat van Parijs. Het ideaal is hier Parijs, dat gecopiëerd is in
zijn bouwwerken, zijn winkels, de manieren zijner bewoners. Maar al
zijn dan de mooiste openbare gebouwen in parijschen stijl gebouwd,
de particuliere huizen zijn niet altijd in den zuiversten stijl
opgetrokken. De enkele fortuinen zijn niet bijzonder groot, en toch
wil ieder graag met iets monumentaals voor den dag komen. Vandaar die
oude gebouwen, geheel met een nieuwe pleisterlaag bedekt, die bij de
eerste vorstige winterdagen loslaat en voortdurend herstelling behoeft.

Door zijn ligging midden in een groote, aan alle zijden open vlakte
heeft Boekarest alle ongemakken te verduren van een klimaat als het
siberische. De winter is er zoo lang en zoo streng, dat men er drie
maanden alleen per slede het verkeer onderhoudt. In den zomer stijgt
de thermometer soms tot 40° C. en de uitersten van temperatuur kunnen
soms wel 70 graden verschillen. Mooie boomen zijn er dan ook zeldzaam;
die uit het Noorden verdragen de brandende hitte van den zomer niet,
en die uit het Zuiden en Oosten bezwijken door de strenge koude van
den winter.

De huurrijtuigen, die zeer talrijk zijn en licht en gemakkelijk rijden,
worden door twee vlugge, russische of moldavische paardjes getrokken;
de koetsiers dragen lange fluweelen jassen met gekleurde gordels om
het middel en een platte pet op het hoofd.

Boekarest heeft slechts 250.000 inwoners, en toch is de oppervlakte
der stad gelijk aan die van Weenen, 30 K.M_2_. Als men dan ook van
de eene of andere hoogte in de buurt op de stad neerziet, treft het
groote aantal tuinen en ledige terreinen, dat zich tusschen de huizen
en de straten bevindt. Gebouwen en openbare pleinen nemen slechts
een vierde van de ruimte in. Aan den buitenkant der stad liggen
armoedige voorsteden; de eigenlijke stad ligt het dichtst bij de
Dimbovitza. Op den linkeroever heeft men de ministeries, de paleizen
en de handelswijk; op den rechteroever de kerken en de inrichtingen
van weldadigheid.

Wij beginnen ons bezoek aan de stad met een van haar oudste kerken, de
Metropool, in neo-byzantijnschen stijl en dagteekenend van 1656. Zij
ligt op een heuvel op den rechteroever en men heeft er een prachtig
uitzicht over een deel der stad. De gebouwen van het oude klooster
staan er nog omheen; ze zijn echter gewijzigd en verbouwd, die van
links zijn nu de residentie van den metropolitaan, die van rechts
het gebouw der volksvertegenwoordiging.

Aan den voet van den heuvel op den voorgrond van het panorama, dat
zich vóór ons ontrolt, ligt te midden van bloeiende tuinen de kerk van
Domna Balasa, de mooiste en weelderigste der kerken van Boekarest. Die
kerk, welke na de kerk van Curtea de Arges voor de merkwaardigste
uit Roemenië doorgaat, is een meesterstuk van neo-byzantijnschen stijl.

Domna Balasa is omringd door hospitalen, evenals de kerk gesticht door
de dochter van Constantijn Brancovan, den voorlaatsten inlandschen
woiwode van Walachije.

Het aantal hospitalen is zeer groot in Boekarest, en ten allen tijde
hebben rijke particulieren hun fortuin bij hun dood bestemd voor
het onderhoud van die liefdadigheidsinrichtingen, die de glorie van
Roemenië zijn. Hun noodzakelijkheid is vooral een uitvloeisel van
de aanraking, waarin Roemenië komt met de havens uit het Oosten,
van waar zooveel epidemische ziekten worden ingevoerd.

Dichtbij Domna Balasa staat de kerk van Spiritoe Noe, belangrijk om
haar groote afmetingen. Dat gebouw, dat van 1858 dagteekent, heeft
een oude basiliek vervangen, waar de Fanarvorsten zich lieten kronen
bij hun terugkeer uit Konstantinopel.

Buiten die weinige kerkelijke gebouwen biedt de rechteroever van de
Dimbovitza niet veel belangrijks aan; om een goede voorstelling van
het moderne Boekarest te krijgen, moet men zich naar den hoofdader
der stad begeven, de Calea Victoriei, die dien naam kreeg na de
russisch-roemeensche zegepraal over Turkije in 1877-78.

Hier concentreert zich alle leven, en in deze eindelooze
straat ziet men achtereenvolgens het paleis van den koning, het
bisschoppelijk paleis, het Athenaeum, den schouwburg, de ministeries,
de gezantschapsgebouwen. De mooiste winkels liggen aan de Calea, en
vóór de voornaamste hôtels zitten aan tafeltjes langs de trottoirs
de heeren en dames, die ijs en likeuren van de beste qualiteit en de
grootste verscheidenheid genieten. Heel aan het einde van de Calea
Victoriei begint de beroemde straatweg naar Kisselef.

Die weg, om zoo te zeggen het Bois de Boulogne van Boekarest, is de
meest gewilde promenade, en de mondaine wereld is bijna verplicht,
er zich te vertoonen. Elken dag in den winter, als de sneeuw dik ligt
op den grond, en in de lente, die met snellen overgang op den strengen
winter volgt, is er in de breede lanen van twee à vier uren lengte,
een ongehoorde weelde te zien van sleden en rijtuigen. In den zomer
zijn de wegen geheel verlaten, en de rechte, eenzame lanen zonder
schaduw, waar de zon brandt door de magere, krachtelooze boomen brengt
den reiziger niet in verrukking.

Bij 't begin van den weg staat het paleis van den oud-minister
Stoerdza, hoofd der liberale partij. Dit kolossale paleis, hoewel
wat overladen versierd, is toch een zeer indrukwekkend gebouw. Het
staat tegenover den boulevard Coltei, nog onlangs aangelegd, en men
ziet er een reeks van nieuwe hôtels, alle wit en van origineelen
bouwtrant. De meeste zijn het eigendom van rijke particulieren; maar
net als de weg is ook die boulevard verlaten, en de bezitters van
die vriendelijke paleizen zijn verspreid over de in Roemenië meest
gezochte lustverblijven.

Maar al die nieuwe wijken, hoe verlokkend zij er ook mogen uitzien,
hebben niets, wat aan een eigen verleden herinnert, en men moet het wel
betreuren, dat de Roemeniërs in hun eerzuchtig streven om Boekarest
op één hoogte te brengen met de groote, westersche steden, een ware
woede van afbreken aan den dag hebben gelegd, zoodat bijna ieder spoor
van vroegere tijden verdwenen is. Wat de oorlogen hebben gespaard,
vernielen de menschen steeds nog in hun zucht om hun hoofdstad op
te tooien.

Toch is er een juweel van een klein kerkje over, dat trots zijn
vervallen voorkomen nog voor den griekschen eeredienst gebruikt
wordt; dat is de Straviopolis. Dat gebouw, tweehonderd jaar oud, is
opgetrokken in een byzantijnschen bastaardstijl, met een merkwaardigen
arabischen voorhof, waarin men drielobbige boogvensters ziet, die
aan den moorschen stijl ontleend zijn. Motieven, ontleend aan den
arabischen stijl, komen trouwens zeer veelvuldig in Roemenië voor en
vormen een der karakteristieke trekken van de roemeensche bouwkunst.

Laat ons het tochtje door de stad besluiten met een bezoek aan
de Universiteit, die, buiten de lokalen voor de faculteit der
theologie, der medicijnen enz. een groote zaal bevat, bestemd voor
de vergaderingen van den roemeenschen Senaat, en dan verschillende
musea. In het Oudheidkundig Museum vinden wij de prachtige oude
fresco's uit de kloosters, kostbare handschriften en geborduurde
tapijten. De parel van dit museum is de schat van Petrossa, anders
gezegd die der Gothen. Die kostbare verzameling bestaat uit tien
stukken van massief goud uit de elfde eeuw onzer jaartelling. Zij
werd in 1837 ontdekt door werklieden, die haar voor lagen prijs aan
voorbijtrekkende Zigeuners verkochten. Die laatsten onderzochten den
aard van het metaal door met de bijl verscheiden van de voorwerpen
stuk te slaan, o.a. een prachtigen schotel met reliëffiguren, nu nog in
't museum aanwezig. Onder de stukken, die aan de vernieling ontkwamen,
moet genoemd een diadeem, versierd met groote granaten, een beker, met
edelgesteenten opgelegd, een massieve ring en een groote lampetkan. De
ontdekking van den schat was een belangrijke archaeologische vondst.

Men kan Boekarest niet verlaten, zonder Cotroceni te bezoeken, het
eerste paleis van den koning van Roemenië, nu nog residentie van den
erfprins Ferdinand van Hohenzollern. Het paleis, omringd door tuinen,
ligt een eindje buiten de stad op een boschrijken heuvel.

Het is een oud klooster, in 1679 gesticht door een lid van het
grieksche geslacht Cantacuzenos, en ofschoon het huis verbouwd en zeer
verfraaid is, heeft het zijn kloosterachtig aanzien behouden; het
ziet er nog koud en streng en somber uit. Men treedt er binnen door
een groote gewelfde poort, die naar een eerste plein leidt, waar de
cellen en kloostervertrekken in bediendenkamers zijn veranderd. Midden
op een tweede plein staat de kerk, waarachter het paleis als verborgen
is met zijn majolica-versiering van bloemslingers en figuren.

Het inwendige, dat wij tot in détails mochten bezien, is zeer rijk
en smaakvol ingericht met alle moderne weelde en comfort. De groote
hal vertoont de jachttrofeeën van den vorst, beren, wilde zwijnen,
arenden, korhoenders. In de studeerkamer ziet men veel zeekaarten,
doorsneden en plannen van schepen, aanwijzingen van den smaak en
de bij voorkeur gevolgde studie van den erfgenaam der kroon. Op de
eerste verdieping zijn de huiselijke vertrekken, boudoirs en salons,
leerkamers der jeugdige prinsen, hun speelkamer met allerlei kostbaar
speelgoed. Dat alles is aardig en vriendelijk en vormt een groote
tegenstelling met het strenge aanzien van den gevel.

Tusschen Boekarest en Sinaïa ligt Slanic, waar men een der
belangrijkste zoutmijnen van Roemenië vindt. Een zijlijn van den
spoorweg, op de hoofdlijn geënt, voert er ons rechtstreeks heen.

De lagen steenzout strekken zich in onafgebroken lagen, maar op
verschillende hoogten uit langs de geheele moldavische en walachijsche
hellingen der Karpathen. Zoo ziet men te Rimnik Sarat in Moldavië
een berg van zout in de zon schitteren; in andere streken liggen de
zoutlagen op den grond; maar in de meeste gevallen moet men tot tien,
twintig, zelfs dertig meter diep graven. Sommige lagen zijn niet
dikker dan twee à drie meter; doch de meeste zijn veel dikker.

Het roemeensche zout vormt een der groote rijkdommen van het land,
en het zou eeuwen lang in de behoeften van heel Europa kunnen
voorzien. Over het algemeen is het zeer wit en doorschijnend,
maar de qualiteit is niet overal dezelfde, en men vindt in de beste
zoutgroeven aders met zwartblauwe strepen erin. Die strepen wijzen op
de aanwezigheid van leem, en het zout uit die groeven is niet voor de
consumptie bestemd; het wordt alleen voor den landbouw gebruikt. Soms
ook treft men in enkele lagen petroleumhoudende gedeelten aan, die
een karakteristieken geur bijzetten aan het zout, een geur, dien men
zelfs terugvindt in het brood, waar dat zout in gebakken is.

Sedert 1862 heeft de staat de exploitatie van het steenzout aan
zich getrokken; het is een monopolie geworden. Daar de productie
in de laatste tijden te overvloedig was, heeft men het werk in de
mijnen van Doftana laten rusten. Zij brachten jaarlijks 25000 ton
op, maar het zout was blauwer en minder goed dan van Slanic. Dus
zijn op 't oogenblik alleen in exploitatie de groeven van Slanic,
van Targul. Ocna en van Ocna-Mare.

De tegenwoordige diepte van de Slanicmijn is 100 M. Bij het dalen van
den bak, waarin men wordt neergelaten, ziet men op 20 à 30 M. diepte
een eerste galerij, en weldra komt men beneden in de groote zaal, die
uitgehouwen is tot een prachtig gewelf van 60 M. hoogte. Men meent
in een marmeren kathedraal te zijn, waarvan de wanden schitteren in
den bleeken schijn van groote electrische lampen. De muren gelijken
verwonderlijk veel op ongepolijst marmer, en als om de illusie
volkomen te maken, heeft men langs de enorme zijden der zalen gedeelten
uitgespaard en laten vooruitspringen als zware vierkante zuilen.

Driehonderd arbeiders, alle in het wit gekleed, werken in die ruime
zaal; enkele hebben alleen een broek aan, want de arbeid is zeer
inspannend. Het zout wordt uitgegraven naar beneden uit den bodem,
die daardoor steeds lager komt te liggen. Van den wand af tot het
smalle paadje in het midden voor de passage van de wagentjes worden
met het houweel evenwijdige groeven gemaakt op 60 cM. afstands van
elkander, die 20 cM. breed en 50 cM. diep zijn. Daarna maakt men
door middel van zware hefboomen, door twee of drie mannen bewogen,
groote blokken los, die daarna in stukken van 25 à 50 K.G. worden
verdeeld. In de zaal, die wij bezoeken, wordt het werk verricht door
vrije mannen; maar in de afzonderlijke galerijen zijn dwangarbeiders
bezig. Vóór 1848 mochten die ongelukkigen, als ze eenmaal in de mijn
waren neergelaten, niet meer naar het daglicht terug, en zeer weinigen
van hen hielden die barbaarsche behandeling meer dan drie of vier
jaar uit. Tegenwoordig is hun leven dragelijk geworden, en dagelijks,
in den winter na acht en in den zomer na twaalf uren werkens, keeren
zij naar de gevangenis terug. Buitendien ontvangen ze een belooning
van 60 à 80 _bani_ per dag.

Het zout van Slanic heet het mooiste van Roemenië, en alleen deze
groeven leveren dagelijks 300,000 KG. zout. Het wordt in tweeërlei
vorm verkocht, òf in groote, vormlooze blokken òf gestampt en in
zakken verpakt. Na Servië zijn Bulgarije en Rusland de voornaamste
afzetgebieden.

Nauwelijks hebben wij Slanic achter ons gelaten, of we komen in het
petroleumgebied. Aan alle stations staan tankwagens, die een akeligen
stank verspreiden. Wij zijn in het district Prahova, dat den eersten
rang inneemt onder de petroleumdistricten van het rijk.

Van Campina, waar wij stilhouden, gaan we per rijtuig naar Doftana,
om de putten te bezoeken en de raffinaderijen. Als wij dicht bij het
dorp komen, verkondigen zware buizen, die langs den weg liggen en een
vettig, slijkig vocht uitzweeten, de nabijheid van het industriëele
middelpunt aan. Wij moeten uitstappen bij de Doftana, die zoo laag is,
dat er een massa rotsachtige eilandjes worden gevormd, waar het water
snel tusschen doorstroomt. Een houten brug leidt over den stroom. Om
die te bereiken, moeten wij vijf minuten lang loopen op den smallen
rand van den muur, die langs de rivier loopt en het water in den tijd
van hoogen waterstand tegenhoudt.

Maar ons rijtuig, dat natuurlijk dien acrobatenweg niet kan volgen,
moet in de rivier rijden, er de doorwaadbare plaatsen zoeken en langs
allerlei kronkelwegen den tegenoverliggenden oever bereiken. Hier
zijn wij in het gebied der exploitatie. Rechts en links en aan alle
kanten om ons heen wijzen hooge houten boortorens de putten aan,
die in werking zijn. De grond is geheel doortrokken met petroleum;
de lucht is verzadigd van den damp, en de boomen in de buurt zijn
alle bladerloos. Evenals in den Kaukasus en in Amerika geschiedt
het boren der putten door middel van den derrick. Men ziet slechts
zelden in Roemenië bronnen, die onder den druk der ontwikkelde gassen
de vloeistof hoog boven den grond doen opspuiten. Gewoonlijk heeft
men hier te doen met onderaardsche verzamelbekkens of met leem-
of leilagen, die de aardolie vasthouden bij wijze van een spons. In
het laatste geval boort men op verscheiden plaatsen en de petroleum
verzamelt zich door uitzweeting onder in een put, gegraven door
een zuigpomp.

Maar onverschillig of men met een onderaardsch bekken heeft te doen,
of dat de petroleum door filtratie samenvloeit in een kunstmatigen
put, de wijze van aan het daglicht brengen is dezelfde. Men laat in de
boorgaten, die vooraf van buizen voorzien zijn als bij de artesische
putten in gebruik zijn, een cylinder van 4 à 5 M. lengte bij 15 à
20 cM. middellijn, voorzien van een klepje aan het ondereind. Die
cylinder hangt aan een langen ketting, die om een as op den top van een
boortoren is gewonden, neergelaten wordt en bevestigd aan een paal met
tegenwicht. Met behulp daarvan kan één werkman het toestel bedienen;
hij laat den cylinder in den put neer en brengt hem vervolgens weer
naar boven. Dan opent een tweede werkman het klepje, en de olie stort
zich in houten goten, die haar naar groote, ondiepe verzamelbekkens
voeren.

De petroleum is bij 't verlaten van den put een dikke vloeistof, die
troebel en olieachtig is en bruin-rood van kleur met groenachtigen
weerschijn.

Uit de réservoirs, waarin men de olie brengt als ze uit den grond
komt, wordt ze door pijpen geleid naar de raffinaderijen in het
dal. De natuurlijke helling van den grond zou niet voldoende zijn om
de vloeistof, waarin zich allerlei vreemde stoffen bevinden, geregeld
af te voeren; ze moet worden voortgestuwd door middel van speciale
pompen, die soms verbazend krachtig werken.

In de raffinaderijen wordt de petroleum blootgesteld aan zeer hooge
temperaturen, tot wel 270° C. Daarna heeft de destillatie plaats,
waardoor naphta, gazoline enz. worden afgescheiden.

De diepte der boorgaten verschilt aanmerkelijk, want de petroleum
is door het gansche gebied der Karpathen verdeeld op zeer ongelijke
diepten. Tot in het midden der 19de eeuw boorde men meestal niet
dieper dan 30 M. om de aardolie te verkrijgen, die eigenlijk niet
anders dan als smeerolie werd gebezigd. Tegenwoordig boort men putten,
welker diepte tusschen 130 en 400 M. afwisselt, en de productie,
die al in 1900 tot 247000 ton was gestegen, is later nog sterk
vermeerderd, vooral door de uitbreiding aan de exploitatie gegeven
door de Steana Romana, de belangrijkste roemeensche maatschappij
van petroleumexploitatie.

Maar de vorderingen zijn toch nog niet evenredig aan de belangrijkheid
der petroleumbronnen; en de organisatiefouten in de exploiteerende
maatschappijen, het uitblijven van behoorlijke dividenden houden de
vreemde kapitalen op een afstand, terwijl ze toch zoo noodig zouden
zijn voor Roemenië's industriëelen vooruitgang.

De rit van Campina naar Sinaïa is een der mooiste, die zich laten
denken. Een opeenvolging van prachtige landschappen gaat aan ons oog
voorbij onder het gaan door het dal der Prahova. De rivier bespoelt
roodachtige rotsen, beneden bedekt met magere weiden; hooger hangen
bosschen van zilvergrijze wilgen in grillige schikking langs de
bergen. De boerderijen zijn grooter, beter gebouwd, goed onderhouden,
en de menschen zien er niet zoo slaafsch en vreesachtig uit als
geslagen honden, zooals wij zooveel andere boeren hebben waargenomen.

Een belangrijke cementfabriek heeft een heel dorp van witte woningen
om zich heen gegroepeerd, alle met roode daken. Zoo komt er welvaart
in het dal, maar daarmee verdwijnt wel tevens de poëzie, als de mooie
wegen vuil zullen geworden zijn en alles aangeslagen zal wezen door
fabrieksrook.

Onder in het dal stroomt de Prahova, wier tallooze bochten en
kronkelingen ten slotte doorloopen tot in de verre vlakten. Het water
der rivier, verdeeld over een menigte dunne adertjes, schittert in de
zon, en naast het stroompje liggen de beide glinsterende stalen lijnen
van den spoorweg. Door woeste bergkloven en langs duistere afgronden
komen wij in het woud, dat halverwege op den berg is gelegen en waar
de weg doorheen leidt.

Daar, in het hart van het bosch, ligt aan den voet van een enorme
rots van 2500 M. Sinaïa.

Sinaïa is een lustoord van nog jongen datum, dat zijn bloei te
danken heeft aan het verblijf van den koning en de koningin van
Roemenië, die een der sombere dalen van de Prahova uitkozen
als zomerresidentie. Rondom hen schaarde zich al spoedig de
aristocratie van het koninkrijk, ministers, afgevaardigden, gezanten,
hofdignitarissen en hooge officieren. Tegenwoordig brengt al wat in
Boekarest iets beteekent, den zomer te Sinaïa door.

Wij komen er langs een breede, heerlijke laan van prachtige villa's;
dan volgt een groote, magnifieke tuin vol bloemen en groote gazons,
watervalletjes en velden voor allerlei spelen. De hôtels van Sinaïa
liggen in dien tuin. Er zijn er niet genoeg, want ze zijn altijd
overvol; het kost ons moeite logies te vinden.

In het hôtel Sinaïa biedt men ons een paar zolderkamertjes aan, en bij
onze aarzeling om ze te aanvaarden, wijst men ons een paar kamers in
een bijgebouw, waar een gezant zijn intrek heeft genomen. Hier nemen
wij genoegen meê.

Het hôtel is goed, maar van een oostersche zindelijkheid, die voor
ons niet het rechte is. Men heeft in de vertrekken geen bedden, maar
divans, die 's nachts in legersteden worden veranderd en over dag de
gewone diensten bewijzen.

In het restaurant echter meent men te Parijs te zijn. Ieder spreekt
Fransch; het menu is geheel fransch, ook in de bereiding; alleen
het kleintje koffie na den eten is turksch; dat herinnert den gast,
dat hij zich aan de poort van het Oosten bevindt.

De roemeensche wijnen zijn over 't algemeen zacht en fijn. De
witte wijnen van Dragashani en Cotnar zijn dadelijk bij ons in de
gunst. Wij kunnen de roode wijnen minder prijzen, hoewel ze hier
veel lof inoogsten en men tracht, ze in waarde gelijk te stellen
met Bordeauxwijn. Ofschoon de Roemeniërs lofwaardige pogingen in het
werk hebben gesteld voor het welzijn van hun wijngaarden, ofschoon
ze zelfs uit Frankrijk veel wijnbouwers hebben laten overkomen, om
de roode wijnen te bereiden, toch zal de roemeensche wijn nooit met
den franschen kunnen wedijveren.

Te Sinaïa is het leven weelderig en duur; trouwens de rijke Roemeniër
geeft graag geld uit, hij houdt van mooie kleeding en van pleizier;
hij is een beschaafd man in elken zin des woords.

De wereld in dit hôtel is een officiëele wereld. Het is het hôtel der
gezanten en ministers. Er zijn hier roemeensche families, die op zeer
grooten voet leven en geheel in de mondaine wereld op hun plaats zijn.

De groote namen, die men hoort, doen mij denken aan een eigenaardige
bijzonderheid van den roemeenschen burgerlijken stand. Niet dat men
de echtheid van hun hooge afkomst behoeft in twijfel te trekken;
maar tot in den laatsten tijd bestond nog niet de erfelijkheid der
familienamen. Gewoonlijk noemde men zich maar doodeenvoudig Jan,
Filipszoon of Philepsco, zooals men in Servië Pavitsj zegt voor den
zoon van Paul. Ieder kan naar believen bij zijn voornaam den naam
van zijn buurman voegen, of zelfs dien van een vorst of een beroemd
generaal en dien tot zijn eigen maken, ook voor zijn erfgenamen die
hem wilden behouden. Zoodat die groote namen, die ons aan beroemde
personen doen denken, niet het idee moeten wekken, dat we ons in de
tegenwoordigheid bevinden van afstammelingen dier grootheden, doch
alleen van afstammelingen hunner bewonderaars, die den beroemden naam
hebben aangenomen.

Een verschrikkelijke storm met diluviaanschen regen heeft den geheelen
nacht onze vensters geschud, en 's morgens bij het opstaan zien wij
de treurig slikkerige wegen gehuld in een niets goeds voorspellenden
mist. Wat te doen in Sinaïa, als het regent? Er is geen kurzaal,
noch casino, en in de hôtels, die te klein zijn voor het aantal
reizigers, dat zich er ophoopt, vindt men slechts een klein lees-
en biljartzaaltje. Ondanks den fijnen, aanhoudenden regen besluiten
wij een exploratietocht te doen.

Bij het stijgen in de boschjes achter het hôtel komen we al spoedig aan
het klooster. In 1695 gesticht door Michaël Cantacuzenos, bestaat het
als alle kloosters van eenige beteekenis uit twee pleinen, waar rond
omheen de woningen der monniken en de bijgebouwen van het klooster
zich groepeeren. Midden op ieder van de beide pleinen staat een
klein byzantijnsch kerkje. Een werd op dat oogenblik gerestaureerd,
en dank zij der vrijgevigheid van den koning kan de restauratie zeer
goed geschieden.

Lang diende het klooster in troebele tijden als schuilplaats voor de
bewoners van het laagland, die in de bergen een toevlucht zochten,
terwijl het tevens gastvrijheid bood aan reizigers.

Toen koning Karel en koningin Elizabeth, aangetrokken door de machtige
bekoring en de vreemde poëzie van het woud te Sinaïa, voor de eerste
maal er een deel van den zomer kwamen doorbrengen, namen zij hun
intrek in een der bijgebouwen van het klooster.

Eerst na eenige jaarlijksche bezoeken besloten zij in een liefelijk
dal achter het klooster een paleisje te bouwen, dat door den kunstzin
en den goeden smaak der koningin een der juweeltjes van Roemenië
werd. Weldra werd het voorbeeld gevolgd, en midden in het bosch
verrezen aan alle kanten sierlijke villa's en optrekjes. De regeering
bouwde een paar hôtels voor reizigers, en het begin van Sinaïa was er.

Het koninklijk paleis, kasteel Pelesch, heet naar den berg waarop
het ligt. Uit de verte gezien, treedt het naar voren uit een dicht
dennebosch, dat de rooskleurige rotsen van het Bucegi-gebergte
kroont. Het prachtige gebouw van steen en hout, waar gothische
en byzantijnsche elementen in vereenigd zijn, is een harmonieus
geheel, met sierlijke torentjes, mooie balcons en terrassen, een
dichterdroom van de kunstenares Carmen Sylva. Inderdaad, wie Sinaïa
noemt, roept dadelijk zich het beeld van de vorstin voor oogen, van
haar, die dit lustoord in het leven riep. De koningin van Roemenië is,
zooals ieder weet, een dier superieure vrouwen, die van kunst, poëzie
en melancholie leven. Zij is graag in het woud, kent er alle paden,
en om er naar hartelust te kunnen droomen, heeft zij zich een hoog
verblijf laten inrichten, een huisje, hangend in de boomen hoog op den
top van een der bergen, die Sinaïa omgeven. Het Nestje der Koningin,
zoo noemt men hier die plek. Van daar overziet zij den gansenen omtrek.

Eenige jaren geleden zag men haar dikwijls met de dames van haar
gevolg gekleed in de nationale kleederdracht, die zoo goed past bij
haar hooge, majestueuse gestalte. Maar de poging, om het bekoorlijke
costuum weer in eere te brengen onder de deftige dames, heeft niet
het succes gehad, die de sierlijke witte, met byzantijnsch borduursel
getooide dracht verdiende.

De roemeensche dames, minder dichterlijk van aanleg dan haar
souvereine, worden bekoord door de parijsche modes, en men ziet heel
zelden de nationale kleeding meer te Sinaïa. Eigenlijk treft men die
alleen aan als historische merkwaardigheid en wel vooral op de markt,
die des Zondagsmorgens gehouden wordt in de groote laan. Boerinnen
spreiden er op het gras langs den weg en op de hekken der tuinen
de mooie borduursels uit, doorschijnende sluiers, halsdoekjes en
lijfjes met rijke patronen en andere fraaie toiletartikelen. Sinaïa is
eigenlijk een wonderlijke badplaats! Men zou er dépendances verwachten
van alle groote huizen te Boekarest en winkels, waar de elegante
dames al haar luimen konden bevredigen, maar er is niets van dat alles.

Wij hebben het dorp Sinaïa bekeken. Het bestaat enkel uit een
kronkelende, sterk hellende straat. Een gewone kruidenierswinkel is
er, met een paar winkeltjes van visch en groenten. Te Sinaïa boven
vindt ge een kapper, een photograaf en een paar banketbakkers; maar
artikelen van dagelijksch gebruik kan men er niet krijgen.

Wat de bijzondere aantrekkelijkheid van de plaats uitmaakt, zijn
de verrukkelijke wandelingen, die men in 't oneindige variëeren
kan in de dalen en op de hellingen der bergen. Bij het verlaten
van den grooten weg is men dadelijk op goed onderhouden voetpaden,
die tot in het diepste van het woud voeren, en hier begrijpt men de
koninklijke gril van Carmen Sylva; men kan zich niets woesters en
dichterlijkers en idealers denken. Dit is het maagdelijke woud in
den besten zin. Boomen van zes meters in omtrek en vijftig meter
hoog staan er in grooten getale. Meest zijn het dennen en beuken,
die met hun groen de bergen tot groote hoogte bedekken.

De grond is geheel bedekt met heide en mos. Hier en daar blijven
omgevallen stammen op den bodem liggen, zooals de storm ze velde. De
koning, tot wiens domeingoederen het bosch behoort, wil niet, dat
iemand eraan raakt.

Elk voetpad leidt naar een mooi uitzicht. Het toeval voert ons naar de
Promenade der H. Anna aan de grenzen van het woud. Boven ons hoofd op
een kalen top van rood gesteente, die wel ontoegankelijk lijkt, staat
een sierlijk paviljoentje, dat ons schijnt uit te tarten. Maar 't is
al laat, en het weêr is onzeker. Wij durven ons niet verder wagen.

Op regendagen is het stil en somber te Sinaïa; maar als de zon
schijnt, hoort men overal muziek in de tuinen, militaire muziek en
Zigeunerliederen, die de echo's wekken van de donkere bergen.

Het kroondomein heeft overal een goeden invloed op de
boerenbevolking. Door de vele scholen, die het bestuur der domeinen
opricht, ook vak- en landbouwscholen, worden de boeren op de hoogte
gebracht van een rationeele manier om den grond te bebouwen en gebruik
te maken van machines en andere verbeteringen. Zij krijgen onderricht
in de behandeling van het vee en van allerlei aanplantingen. Alle
pogingen worden door de kroon in het werk gesteld voor de verheffing
van den boerenstand.

In den loop zijner regeering heeft de koning veel wegen laten
aanleggen, en hij heeft daarbij dikwijls een beroep gedaan op
buitenlandsche ingenieurs, ook voor den aanleg van spoorwegen. Niets
wordt verwaarloosd, wat den boer vooruit kan brengen en hem in staat
stelt zijn woning gezonder en zijn leven rijker te maken. Maar de
slavernij heeft diepe sporen nagelaten, en al zijn sommige streken,
vooral die tusschen Predeal en Boekarest, krachtig ontwikkeld, aan de
bergachtige randen van Roemenië is de bevolking nog niet veel verder
gekomen, dan zij was onder de turksche heerschappij.





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "In Roemenië - De Aarde en haar Volken, 1906" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home