Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Gevleugelde Daden - Avonturen der Eerste Hollandsche Luchtschippers
Author: Heijermans, Herman, 1864-1924
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Gevleugelde Daden - Avonturen der Eerste Hollandsche Luchtschippers" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



                           GEVLEUGELDE DADEN.
            AVONTUREN DER EERSTE HOLLANDSCHE LUCHTSCHIPPERS

                                  DOOR

                            SAMUEL FALKLAND,
                        (HERMAN HEIJERMANS Jr.).


                IN DEN TEKST VERSCHILLENDE BUITENGEWOON-
                SCHOONE  PENTEEKENINGEN  NAAR DE NATUUR
                EN HET LEVEN,  VAN DE HAND  DES AUTEURS.


                        TWEEDE, GOEDKOOPE DRUK.



  UITGEGEVEN BIJ C. A. J. VAN DISHOECK TE BUSSUM IN HET JAAR MCMVIII.



               GEDRUKT TE LEIDEN BIJ L. VAN NIFTERIK HZ.



INHOUD.


    Eerste Kapittel.    De proefneming gelukt                    1
    Tweede Kapittel     Waarin veel duisters belicht wordt      17
    Derde Kapittel      Dakwaarts                               29
    Vierde Kapittel     De villa wordt berucht                  47
    Vijfde Kapittel     Stoornis in de atmosfeer                78
    Zesde Kapittel      Perrol met de roode hand                86
    Zevende Kapittel    Een tragische dag                      102
    Achtste Kapittel    Kobus wordt gearresteerd               120
    Negende Kapittel    Angsten en vrede                       136
    Tiende Kapittel     Holland in de wolken en Zegepraal      163



                        Pour ma fille, quand elle aura quinze ans.



EERSTE KAPITTEL.

DE PROEFNEMING GELUKT.



        "Ils partent; et loin d'eux repoussant la barrière,
        Ils fendent dans les airs les nuages mouvans,
        Et de leurs piés ailés ils devancent les vents."

                                           (Metamorphoses d'Ovide).



Sinds de lichte kist met 't duur rembours in meneer's knutselkamer
ontpakt was, sinds die kamer op slot bleef, leek al het correcte,
zorgvuldige, wel-overwogene van meneer, mevrouw en de nog ongetrouwde
dochter heengespookt.

't Begon met den zolder, in geen vòlle maand gedaan, de zolder die
'n niet-zuinige beurt noodig had, de zolder waarvan mevrouw zèlf had
gezeid dat 't 'n schandaal was, hoe de spinragen in alle hoeken en
gaten zaten--en waarop nou nièmand 'n voet mocht zetten.

Handig as meneer prutsen kon, had-ie de deur op twee plekken gegrendeld
en de sleutels in z'n vestzak gestopt. Ja, zóó was 't gekke begin
geweest.

Kobus, de huisknecht, had 'r zich niet druk om gemaakt--die vond
àlles best, maar Christien, de oude Chris, die de menschen over de
veertien jaar kende, zat met Jans, de tweede meid, uren en uren achter
kommetjes koffie nijdasserig te schrapen over 't wantrouwen om èn
meneer-z'n-kamer èn den zolder af te sluiten.... Als je iets vermiste,
zee je 't, bleef-je niet koppen, niet broeien. Dat had geen pas.

Nog was 't gepraat niet geluwd, toen 'n verbluffing geschiedde. Jans,
die 'r 't minst recht op had, kreeg tien dagen vacantie, tièn dagen
om 'r moeder in Friesland op te zoeken, en toen Christien, die nooit
'n dàg vrij-af nam, omdat ze geen levende ziel op de wereld bezat,
geduldig aan mevrouw duidelijk maakte, dat ze tièn dagen 't huis
niet alléén an kon, dat Kobus op zìjn werk was angewezen en zij op 't
hàre, dat de boel lekker zou vervuilen, omdat ze maar twéé handen an
'r lijf had, antwoordde mevrouw, dat ze 't in die tien dagen dan maar
_niet zoo precies_ most nemen en dat juffrouw Amélie 'n beetje zou
meehelpen. Nièt zoo precies .... nièt zoo precies. De ouwe meid bleef
'r geslagen van, zóó paf en verschrikt, dat ze 'r gemeenzaam-brutalen
toon van meid-die-onmisbaar is, die 'n stuk-van-de-familie geworden,
als 'n glibber-paling door 'r vingers liet glijden....

Jans, lekker as kip, reisde af en nog dien eigensten avond, terwijl
Kobus op den weg voor den tuin Tutu en Zo, de glanszwarte schippertjes,
de harte-lievelingetjes van mevrouw uitliet en Chris bij den gootsteen
den vatenboel redderde, slingerde de reeks zotheden der familie zich
tot in de sfeer van 't uitmiddelpuntig-uitbundige.

Meneer Zwaluw, op z'n kousen loopend, op z'n kóúsen--'t was om 't
te besterven!--stond in de deuropening, zonder dat ze 'n geritsel
gehoord had.

"Chris," zeide meneer, die als altijd op dit uur van den avond één
rooie wang had, purperen bultplek van de antemakasser, waartegen-ie
afterdinner-tukte: "Chris, meid, heb je geen trek in 'n loopie?"

"In 'n loopie?"--, had ze verbaasd-suffig geantwoord: "daar heb
'k ommers nou geen tijd voor...."

"Dan maak je maar tijd--'t is 'n pracht van 'n weertje," had-ie
prettig aangespoord.

"Nee," had ze nòg eens gezegd: "eer de vate klaar binne en eer 'k de
vloer heb gedweild, is de avond om...."

"Nou jij máákt 'n loopie," had-ie aangedrongen.

Heensluipend, onhoorbaar, was-ie verdwenen zoo as-ie gekomen was
en drie minuten later, ook op 'r kóúsen--goeie God, ze joegen je
de stuipen op je lijf!--kwam juffrouw Amélie, die 'r 'n handje in
't huishouen zou helpen, nou Jans in Friesland zat, maar nog geen
vinger had uitgestoken--schuifelde juffrouw Amélie in de keuken,
vrindelijk-lief, Chris voor, Chris na zeggend, om 'r te porren, om
'r an te zetten, om 'r óók voor 'n loopie 't huis uit te jágen.

Wantrouwend, 'r geen sikkepit van begrijpend, had de ouwe opzetlijk
getreuzeld, opzetlijk de borden en schalen nòg is nagespoeld, opzetlijk
de keukentafel 'n beurt gegeven. Toen--je zou zooveel listigheid
niet achter 'r zoeken--had mevrouw gescheld en 'r poes-aaierig
verzocht allemaal nuttelooze boodschappen te doen, dingen die niet
noodig waren, die Kobus net zoo goed had kunnen halen, Kobus die
vanavond met Tutu en Zo op den loop was, ook met boodschappen voor
meneer. Eerst om negen uur, lang scharrelend op 'r kamer naast den
zolder, was ze heengegaan en toen ze gehaast, dol-gehaast, omdat ze
't zaakje niet vertrouwde, al om halftien voor 't tuinhek stond, zag
ze 't zoldervenster fel-verlicht, 't witte gordijn neer en daarachter
de akeligste schaduwen, asof meneer an de droogstokken schommelde. En
benee in de huiskamer alles donker....

Ongerust schellend, zenuwachtig-rukkend, zonder dat Tutu en Zo
aansloegen, had ze wel tien minuten moeten wachten, eer meneer op
z'n kóúsen en zweetend asof-ie uren gedraafd had, open dee.

"'k Dacht dat 'r onraad was," had ze gezegd.

"Onraad--we zaten in 't donker te pràten," had meneer hijgend
geantwoord.

Op dat gejok had ze gezwegen, in de keuken nog wel 'n dik half uur
op Kobus wachtend, die met Tutu en Zo naar den hondenscheerder was
geweest, om de propere diertjes te laten wasschen.

"Kobus," had ze benauwd gegrommeld: "d'r gebeure hier tegenwoordig
dinge die nièt zuiver zijn."

Hij had 'r uitgelachen, 'r voor de mal gehouen, 'r op de vette
schouders geklopt, 'r in d'r zij gepiekt, zooas-ie wel meer dee as-ie
uitgelaten was. Nee, van onzuivere dingen bij de familie Zwaluw
geloofde-die niks. Menschen die op geen duizend gulden hoefden te
letten, die de mooiste auto van de heele buurt hadden, 'n pracht van
'n Peugeot met magnetische ontsteking en 'n reserve-auto voor vies weer
en d'r eigen electrisch licht in huis brandden, menschen die prompt
alle dagen betaalden, nooit 'n kwitantie terugstuurden, menschen die
de béste buren ontvingen en om de haverklap groote reizen deeën, nee,
vette Chris kon in 'r bolle hoofie opzouten wàt ze wou, hij had lol
over 'r bezorgdheid. Want dat meneer 'r laatst had willen leeren om
met Brussel en Berlijn te telefoneeren en dat ze met 'n schrikgil
de gehoorbuis had laten vallen, toen ze geluid hoorde, dat was zóó
krimmeneel stom geweest en daar hadden ze allemaal zóó om gelachen,
dat as Chris 'r neepjesmuts schudde over onzuivere dingen in huis, je
vanzelf weer an 'r angst van tóén dacht! Genoeglijk grinnekte Kobus
'r malligheden weg, z'n pruim beknabbelend, waarvan-ie 't sop om de
halve minuut in den tuin ging loozen.

Dat was Woensdagavond.

Donderdagmiddag begon óok Kobus te twijfelen. Hakkelend--je kon zoo
merken dat ze met 'r woorden geen raad wist--zei mevrouw aan Chris,
dat juffrouw Amélie ineens zoo'n idee had gekregen, om wat hóóger
in huis te slapen. Of Chris 'r wat tegen had voor 'n dag of acht de
logeerkamer in 't benedenhuis te betrekken? Kobus sliep toch ook in
't sousterrein--bàng had ze niet te zijn.

"Jakkus, wat 'n invalle--dat doe 'k niet!", had Chris nijdig geweigerd:
"waarom mot ìk van me kamer af?...."

"Omdat de juffrouw 't zoo graag wil--ze vindt 't uitzicht bóven--over
de boomen zoo lief--doe jij 't nou maar--ik zal 't goed met je
maken...."

Weerbarstig, uit 'r humeur, had Chris nog 'n poosje tegengestribbeld,
'r 'n hoop vinnigheidjes uitgeflapt, toen, omdat mevrouw op d'r stuk
bleef staan, had ze morrend gehoorzaamd.

Den heelen dag dee ze geen mónd open.

Meneer, mevrouw, juffrouw Amélie, Jans, Kobus: iedereen wist, dat às
Chris bùiten 'r doen was, às ze over iets 't land had, ze 'r lippen als
'n geperste citroen geknepen hield. Ze werkte, kookte, bewoog dan als
'n stomme, smeet de pannen, sloeg de deuren, liet twee-, driemaal
schellen. Lieten ze 'r kalm in 'r eigen saus smoren, dan kwam ze nà
't eten bij. Dièn dag duurde 't lànger. Om tien uur, toen ze 't slot
van de logeerkamer omdraaide, had ze nog geen enkel woord gesproken,
had ze niemand goeien avond gewenscht en Kobus op al z'n geginnegap
geen asem gegeven. Voor den spiegel had ze 't piekerig geel haar
gekamd, 'r 'n vlassig vlechtje van gevingerd, 'r 'n veterband om
gelegd. En in 't lekker bed stappend, met 'r wollen kousen an voor
't vocht van de lakens, had ze liggen prakkizeeren over den _moedwil_
van rijke menschen, die alle dagen wat nieuws verzinnen, omdat ze
met d'r tijd geen raad weten.

Zachtjes in-sluimrend, soezend over 't houtwerk in de keuken, dat ze
morgen 'n soppie zou geven, kreunde ze òp in fel-gelen schrik.

Ergens boven 'r hoofd werd gestommeld.

Duidelijk hóorde ze bons na bons en schrapzittend in 't bed, de
vette knieën gejukt tegen 'r kippevel-lijf, stokte 'r adem toen
'n dakpan, schor van val en klepperslag, in de goot plompte. Even
schokte 'r lichaamsmassa als een zuigerstang in de dekenholte, even
floepte 'r hartmokering de lakens als 'n tooneelzee in golving--dan
bezeten-van-vrees an 'r naaidoos in de meidenkamer denkend, de doos
met de gespaarde Amsterdamsche lootjes, veerde ze 't bed uit, om de
kaars an te steken.

De wekker stond op kwart òver twaalf.

Alles sliep in huis, de hondjes blaften niet--en werachtig, werachtig,
nog terwijl ze in klappertandende overweging bij de deur luisterde,
rammelde een tweede dakpan, stooterig krassend over den gootrand heen,
in den tuin, waar-ie met 'n mullen plof in de teelaarde ploempte.

'n Stuipende reflex dee Chris de deurkruk omdraaien, en 't trapje
afstotterend naar 't sousterrein, de handkom om 't zuig-waaiend eindje
kaars, bebonsde ze met stevige meppen Kobus' deur.

"Kobus!" had 'r stem geschord: "Kobus--toe dan Kobus!"

Opgeschrikt de deur openend, had-ie 'r voor 't eerst van z'n leven
in 'r nachtjapon, met waarlijk ontbloot vleeschnekje en zwabberend
vlasstaartje gezien. D'r lijkwit gelaat had enkel spookachtige gaten
van mond en oogen en onthutste wenkbrauw-striemen.

"Is 'r brand!" had-ie geschreeuwd.

Zij, ongevoelig voor z'n magere haar-kuiten en beenige voeten, had
'r vetten wijsvinger op het mondgat gelegd, 'm tot stille luistering
hitsend.

Boven hield 't botsend gerommel aan en gedempt door de gesloten deuren,
lustigde een lach.

"Nou dan!"--, gromde Kobus: "wat is 'r dan? Ze zijn nog op!"

"Nee Kobus--néé, Kobus," heeg ze: "d'r is onraad op 't dak--d'r binne
panne gevalle."

Met dat ze 't zei, kwekkerend van geraas, klaar stootend over de
andere pannen, schoof 'r weer een van 't dak, scherp ketsend tegen
den gootrand.

"Nou," zei hij, kribbig-van-slaap-gestoordheid: "dan zalle we is
gaan kijke."

Kordaat schoot-ie in z'n broek, liet de bretels wild bungelen en z'n
zakmes openend, dat snerpend van bloeddorst in 't kaarslicht spetterde,
liep-ie de loopertrap op.

Zij, achter 'm, half-stikkend van adem-proestinkjes, schokkelde mee,
de dansende kaars in 'r handen. De vlam belichtte de geel-eeltige
voetballen van Kobus, de koperen roeden.

Hoe hooger ze kwamen, hoe vreemder 't gerucht werd. 'r Moest iemand op
't dak zijn, 'n kat kòn dat niet. Even kleefden Chris' kouse-voeten aan
't loopergoed, even bonsde 't in 'r hart als in 'n overkokenden ketel.

"Blijf nou niet àchter met 't licht!"--praatte Kobus met kelder-donkere
stem. Zóo'n akkevietje vond-ie 't niet.

Hijgend stapte ze verder, d'r eene hand als 'n scheerbak onder
't smijdig aflekkend kaarsvet, dat in bleeke propjes 'r kleumig
vleeschje bedauwde.

Niet pratend, grauw van zwijgenis, doorstapten ze de holle ruimten
der laatste treden en dáár de geluiden ongedempt hoorend, bleven ze in
meest ademlooze gebluftheid, gereed om de trappen terug te hòllen. Want
achter de zolderdeur schaterde 't ingehouden gelach van mevrouw en
juffrouw Amélie--gelach--gelach--op zòlder--'s nachts bij half een....

"Jessis nog toe," schorde Chris voor 't laatst.

Kobus porde 'r in 'r zij.

De ooren naar de zolderdeur gerekt, de halzen gespannen, hielden ze
zich aan de trapleuning vast.

Juffrouw Amélie leek te dansen--telkens schokte ze neer, dan bij de
deur, dan verder af.

Toen in een langere stilte, klonk 'n gesprek zoo bizar, zoo over het
krankzinnige heen, dat Chris van angsten en spanning 't heete kaarsvet
op de voeten van Kobus liet druipen.

"Pa"--, zeide Amélie's stem, hard van klank tegen de steenen muren
der zoldering: "pa--laat u òns nou ook in de goot...."

"Nee, 't is hier te donker!"--, riep meneer's stem van buiten.

"Hè, toe man," praatte mevrouw: "de goot is niet voor jou alléén!"

"Allemachtig," fluisterde Chris: "hoor je dat ze...."

Kobus' porrende vuist dempte 'r gebabbel.

Opnieuw luisterden ze, adem-inhoudend, naar 't helsch-dwaas praten
op zolder.

"Je mag wèl in de goot," sprak meneer, neuriënd tusschen elk woord:
"en je mag om 't huis heen tot an de schoorsteen, maar niet na
benejen--bij de Spaarns is nog licht op en in de meidenkamer bij
Leuring zit de meid 'n roman te lezen...."

"Daar kom 'k, pa--hoepla! dolletjes!"

"Is de goot dróóg, Piet?"

"Wat hindert dat?"

"Nou op me kousen is 't niet alles, Piet!"

"Dan ga je maar schuins langs de pannen."

"Pa--ik schiet effen na benee--'t is tè snoezig!"

"Wil je 't laten?"

"Dag paatje...."

Benee blafte de waakhond bij Leuring.

"Daar hèb je 't!"--, gromde meneer.



Chris was 'r bij gaan zitten. Op drie na de bovenste traptree,
'r eene stevige been schuin geplant als 'n schorende stut bij 'n
verzakkende pui, 'r linker-elboog ver-papt in de kanting van 't hout,
hield ze zich schrap, 'r Oogen folterden de trapschemering in, 'r mond
donker van scheur, smartlijk verwrongen als in brand-stapel-pijniging,
scheen in angst-schreeuw versteend.

De ontzettingen van Lot, de huivringen der door Vargas gekwelden, droeg
ze op 'r ontredderd gelaat. Meneer, mevrouw, de juffrouw, _'s nachts
half een in de goot_, pretmakend in de goot, zóo dat de dakpannen
omlaag kieperden--en de juffrouw die na benejen wou springen--'t
was van zulk eene nachtmerrielijke aandoening, dermate keel-nijpend
en zenuwspannend--Heer-in-de-hemel: drie tegelijk gèk!--dat ze in
fatale verstijving, in 't portaal benee te pletter gehobbeld zou zijn,
als Kobus 'r geen vinnigen trap had gegeven. 't Afdruipend kaarsvet
brandde z'n voet.

"Stik nou!", riep-ie woest, niet in staat om te fluistren: "hou de
kaars recht! Ben jij dol om alles op me poote te late druipe!"

Hij dànste van pijn, 't zakmes in de hand, de bretels bol-spartelend
op z'n rug.

Zij, uit 'r bezwijming gewekt, wreef 'r klam voorhoofd.

"Kobus," hakkelde ze, na elk woord kaarswalm-asperges happend:
"Kobus--je mot--jij mot de bure wekke...."

"Stil--suscht!"--zei hij, her-trappend. Als 'n moordenaar sluipend,
kroop-ie de laatste treden op naar de kamer van Chris, naast den
zolder. Zachjes opende-die de deur. As ze 'r wat van zouen zeggen,
kon-ie makkelijk antwoorden, dat-ie onraad gehoord had.

"Kom hier!", fluisterde-die: "dan kijke we door jouw raam wat ze
uitvoere!"

"En de juffrouw die op mijn kamer slaapt"..., hijgde Chris,
'm nastrompelend.

De rest van 'r gedachte-gesputter verspoot in 't Oneindige, want de
kaars, òn-bestand tegen zooveel angstzuchten, floepte uit, kniezig
nog naglimmerend als 'n lauw-walmend vonkje.

"De kaars is uitgewaaid," sprak ze, half-grienend de welgekende
donkerte der kamer doorstappend, en in 'r zenuw-verstrooidheid bestreek
ze de heup-plek waar 't doosje lucifers zat, als ze gekleed was.

Kobus luisterde niet.

Voorzichtig, zonder gepiep of gesteun, had-ie 't raam opgeschoven,
't bovenlijf over de goot gebogen.

"Nou?"--, vroeg ze.

Hij bleef in 't venstergat gevroren, beweegloos, ademloos.

"Wat zie je?"--, drong ze aan, een der bretels berukkend, alsof ze
'n schelknop te pakken had.

"Hou je bek!"--, adviseerde hij gedempt: "die beroerde kant van
't dak staat in de weg--ze zijn in de goot an 't scharrele...."

Klappertandend van vrees èn door de nachtkou die 'r vleezig nekje
bestreek, kwam ze náást 'm 't kozijn beleunen, de mollige armen half op
't zink van de goot.

Het was een lieve zomeravond. De sterren liepen te hoop om de maan,
die als een gladgepoetst koperen sikkeltje, in geklonter van veel
stijfsel en rijst, te glans-blazen stond.

De waakhond bij Leuring blafte onrustig.

"Binne ze nòg op 't dak?"--, vroeg ze rillerig.

"Hoor maar!"--, zei Kobus.

Naastan, om den hoek, die belette te kijken, klonken de stemmen,
duidelijker nu.

"Je doet 't nièt meer," knorde meneer: "zoolang die lamme hond blaft,
hou je je stil."

"Weet je wel," sprak mevrouw, zoo gezellig-rustig alsof ze op
theevisite was: "weet je wel Piet, dat 't geen twee jaar meer
duren kan of de menschen motten voor d'r veiligheid honden op 't
dak vastleggen...."

"Hoor je dat?"--fluisterde Chris: ze binne stapel--je mot de politie
waarschouwe...."

"Stil dan," snauwde de huisknecht.

"Da's pas 't begin," lachte meneer in aller-lekkerste opgewektheid:
"ik neem zeker 'n bloeddog op òns dak of 'k leg klemmen in de
goten. Zoo. De hond blaft niet meer. Nou--ik doe nog 'n toertje langs
't huis. Amélie waar ga je heen, kind?"

"Ik ga òm 't huis, pa."

"Stoot je niet an de stang van de schoorsteen, kind!"

"Nee pa."

Op datzelfde moment gaf Chris 'n gil die 't maansikkeltje dee
_trillen_.

Juffrouw Amélie, met 'n broek van 'r pa an, _vloog_ 't dakraam voorbij
en de hoofden van Kobus en Christien herkennend, schoot ze zoo in den
lach, dat de waakhond van de overzij opnieuw kwaadaardig tekeerging.



TWEEDE KAPITTEL.

WAARIN VEEL DUISTERS BELICHT WORDT.



        "L'homme est né libre, et partout il est dans les fers."

                                       (Du Contrat Social, Rousseau.)



De heer Pieter E. Zwaluw was in z'n jongste jeugd 'n knutselaar
geweest. Timmeren, soldeeren, plannetjes-maken, 't zat 'm alles
zóo glad, dat 'r 'n wònder uit 'm gegroeid zou zijn, als 't wonder
zònder centen-steun mogelijk ware. Zwaluw Senior evenwel had 'n
kleine spekslagerswinkel en nauwlijks 't geduld z'n eenigen zoon
de driejarige-hoogereburgerschool te doen _afstudeeren_--hij was
'r zònder zooveel ònnuttigheid gekomen.--Piet, versch van de school,
vol van de schoonste beginselen van wetenschap en kunsten, droomend
van zuurstof, waterstof, Goethe en trigonometrie, daalde tot den
slachtkelder en het zwijn. De eerste dagen, stil en chagrijnig,
dee-ie enkel z'n mond open om Sander, den ouwen knecht, geleerdheden
te vertellen over de ruggegraat, de wervels, de schedelbeenderen,
't gebit, de maag. Klukte 't bloed van 'n pas geslacht zwijn in
den emmer, dan verhaalde hij vreemde dingen van witte en roode
bloedlichaampjes en kwam pa benee voor de _finesses_ van worst,
hammen en zult, dan geurde-die zelfs met 'n opgevangen woord latijn
en zei "laten we _sus_-lapjes maken, pa." De levenswerkelijkheid is 'n
droevig ding. Sterker geleerden vergeten hun jeugdzwoegenissen, werpen
algebra, bolvormige driehoeksmeting, astronomie en de formules van
organische scheikunde als ballast overboord. Waartoe te behouden wat
'n nuchter bestaan als dood materiaal verschopt? In weinig maanden was
Pieter z'n te veel kwijt, ging-ie op in de kunst van het zwijn, in het
volledig verwerken der vak-geheimenissen, waarvan velen smullen, doch
weinigen de uitverkoren artiest-ingewijden zijn. Zwaluw Senior leerde
hem beginselen en grondbeginselen, 't stoppen van worsten in soorten,
't behandelen van zwijnsbloed, 't rooken en koken van ham, 't bereiden
van fricadellen, 't kloven van varkenspootjes, de wiskunstige maat van
saucijsjes. Nooit had Pieter kunnen vermoeden dat een simpel zwijn,
'n zwijn van haren en bagger, tot geneugten in honderd variaties was te
herleiden. IJverig, leergierig leerling, werd-ie triestig-vlug Meester,
daar Senior aan een plotselinge indigestie stierf, diepst betreurd
door weduwe en zoon, die de zaak onder aanbeveling op den ouden voet
voortzetten. Van af die gebeurtenis lei de firma _Wed_. _Zwaluw_ &
_Zoon_ zich moderner op de zaak toe. Al het oer-vernuft, het praktisch
geknutsel van Pieter kwam tot ontbolstering. De winkel werd verbouwd
met 'n pracht-spiegelruit en étalage-nieuwigheden. Zelf--in z'n vrije
avond-uren--boetseerde hij reuzel-blokken tot schepen en beroemde
mannen. Zelf stelde hij iederen Zaterdagavond de meest giganteske
worsten en hammen, de drillendste gelatine-schotels in 't plassend
licht van kronen en kandelabers. Het zaakje vlotte. Benee was 'n kleine
gasmotor gekomen om 't vleesch te malen--van boven naar benee liep
'n spreekbuis. Wat de tijd aan nieuwigheden bracht greep-ie aan. 'n
Bakker, naast 'm, zond aan z'n klanten prijscouranten van krentetimpen,
profetebroodjes, scharbollen, boterkadetjes, piekjes, botervlinders,
Zeeuwsche rotjes en wat de bakkunst meer gewrocht had--hij, snuivend
als 'n padvinder, bijna lyrisch van stemming, zat 'n paar nachten
op voor 'n geïllustreerde, _fransche_ reclame met _pieds de cochon
truffés_, _jambon_, _saucissons_ en zoo voort. Toch zou-ie met al
z'n moderne geestdrift voor het goede en schoone des zwijns, eerst
op làter leeftijd in volkomen welstand geraakt zijn--men slacht nòch
zwijnt zich in deze dagen spoedig rijk--hadde hij geen _Schweineglück_
verrast door 'n speculatie in Amerikanen, 'n nonvalide fonds dat in
twee maanden dertig procent steeg en 'm 'n paar ton toesmeedt. Alleen
z'n vrouw--dochter van ook 'n slager--zoo bleven de verlangens in
harmonie--hoorde 'r van. 'n Voorzichtig man verpraat zich niet, doet
geen confidenties aan snoode vrienden. Nog geen zeven jaar in zaken,
verkocht-ie z'n smakelijke _Charcuterie hollandaise_, _ancienne
maison Veuve Zwaluw et fils_ en verdween uit de plaats. Ook dàt was
wijs en wel-overlegd. Een profeet is niet geëerd in 't eigen land,
een rijk-geworden _charcutier_ behoudt een luchtje van metworst en
truffels in de eigen gemeente, ook dan wanneer het zwijn slechts
ten dééle de effectentrommel _spekte_. Pieter Zwaluw retireerde
naar buiten, kocht een villa van 'n gefailleerd notaris, en rap van
accomodatievermogen, leefde-die eenige jaren zóo teruggetrokken, zoo
deftig hollandsch-stil, dat-ie respect afdwong, dat-ie bij de andere
rentenierende burgermenschen, die allen 'n _vlek_ van kruidenierswaren,
koffie-en-gros, kleermakerij of comestibles in hun verleden hadden,
niet alleen getapt werd, maar voor gedistingeerd versleten.

Ouwe liefde roest niet--Pieter Zwaluw bleef knutselen en in 't
moderne leven. Hij was de éérste villa-bewoner met electrisch licht
en telephoon, de eerste die z'n fiets voor 'n motorfiets wisselde,
de eerste die 'n auto in diè streek bereed. An politiek dee-ie
niet. Voor den gemeenteraad en de Provinciale Staten hadden ze 'm
candidaat willen stellen--hij had beslist geweigerd. 't Prikkelde
'm niet--'t bleef buiten z'n ambitie. "De eenige goeie politiek,"
wijsgeerde-die: "is de politiek van de geldkoningen in Amerika. Die
hebben maling an oorlog en vrede, an Kamers en regeeringen--die maken
'n trust en doen wat ze willen...." Met Amerika dweepte-die. Als
de fondsen achteruit liepen, lachte-die slim, wachtend tot ze weer
rezen. Ze rezen altijd, àls 'r 'n geldkoning achter zat. Die hield de
touwtjes, liet de heele wereld sjaggeren, winnen, verliezen, zoolang
hij wou. 'r Was maar één land en dat land was Amerika. 'n Heel jaar
reisde-die met z'n vrouw en Amélie van New-York naar San Louis, van
San Louis naar Philadelphia en Baltimore. En toen ze thuis kwamen
waren ze alle drie veramerikaanscht, spraken ze met een dikke w en
een klankvolle ij. De winteravonden in de villa met 'r comfort en
afgesnoepte buitenlandsche handigheden vlogen voorbij. Illustraties
lezend en biljartend, de effectenkoersen bestudeerend en ontvangend,
leefden ze in prettigsten famieliekring. Overdag zat-ie minstens
'n paar uur in z'n knutselkamer de oude jeugd-genegenheden te
beliefhebberen. Geduldig kon-ie uren vermorsen met scheikunde-proefjes
van twintig jaar geleden--hoe zoutzuur op zink reageerde--hoe natrium
in water rondkoortste--hoe electrische polen water ontleedden--hoe
caliumchloraat met zoutzuur of bruinsteen chloor gaf. Dan praatte-die
van z'n _laboratorium_, dee vrouw en dochter hébété staan door machtige
proefnemingen met Emserpastilles, asch en spiritus, die saam ontstoken
gedrochtelijke slangen deden verrijzen. "Hoe jammer dat Piet niet
gestudeerd heeft," knikte dan mevrouw, die zooveel kunde niet vermoed
had in den artist-van-het-zwijn, dien ze getrouwd. Als Piet den auto
bestuurde, zelf als chauffeur, voelde ze zich volkomen veilig. Piet
kroop onder de machine in de stalling, repareerde zelf. Hij was
'n man die onderzocht, die niks op geloof aanvaardde.

"Zie je," had-ie al voor járen geredeneerd, lang voor iemand (behalve
Jules Verne) 'r zich druk om maakte: "wij verspillen ons geld an
dure oorlogsschepen. Engeland heeft maar te toeten en onze paar
schuiten zijn geblazen. Als ik ingenieur was, sliep 'k niet rustig
voor 'k 'n onderzeesche boot had gebouwd. Dat kàn. Da's enkel 'n
kwestie van techniek en techniek is op den langen duur geen centiem
waard. Met twaalf onderzeesche booten ruimen wij de heele Engelsche,
de heele Fransche, de heele Duitsche vloot op. Als al de Hollanders
'n paar jaar in Amerika konden leven, zouen ze wàkker terugkomen. 'n
Klein land, onzin! Wat wou de Engelsche vloot tegen ònze onderzeesche
torpedobooten? Niemendal! Je kreeg nòg eens 'n tocht naar Chatham,
toen de Engelsche Koning voor óns gebeefd en gehuild heeft! Als ik
met ònze onderzeesche booten uitvaar, dan maak 'k van Holland wat
't wàs--ja--ja--toen de sleutels van de Sont in 't Haagje leien. Nou
zullen anderen ons voor zijn. Dat voorspel ik!"

Z'n voorspelling kwam uit. Telkens als-ie 'r over las, keek-ie z'n
vrouw en z'n dochter aan, knipte met de oogen en sprak: "Jawel! Nou
zie je hoe anderen met mìjn veeren strijken! Over vijftig jaar is
de heele vaart onder water, heb je geen schipbreuken meer, kan 't
stormen zoo hard as 't wil, wordt niemand meer zeeziek...."

"'k Wou dat wij zoo'n boot hadden, pa," droomde Amélie verlekkerd.

"Dat kòmt--as je maar wacht. Wie kon vroeger denken dat je in je
huiskamer met heel Duitschland praten zou? Techniek is alles. In
twintig minuten tuf 'k van Den Haag naar Leiden! Ooit gedroomd toen
'k 'n jongen was? Eer 'k dood ben, vlieg 'k met vléugels van hier
naar Amsterdam en van Amsterdam naar Arnhem...."

"Nou Piet--nou sla je door," merkte mevrouw op: "vliegen is
ondenkbaar."

"Ondenkbaar," sprak hij geëxalteerd: "ondenkbaar is dat je zèlf 'n ei
maakt. Nee, 'n ei maken ze nooit. En às ze 't maken, maken ze meer
en is de aardigheid van 't leven af. Maar vliegen zooas de vogels,
wel waarom niet? Techniek, enkel techniek! Wat lappen en wat evenwicht
en je trekt met de ooievaars naar Egypte."

"Wat 'n leuk idee," droomde Amélie: "als wij 't maar meemaken--we
heeten net zoo aardig Zwaluw. Typisch, hè, pa--als ze zouen zeggen
de Zwaluws zijn 'n toertje an 't maken in de wolken...."

"Nou Piet, dáár doe _ik_ niet aan mee," zei mevrouw zeer voorbarig.

"Jij zou rustig meévliegen en hóé meevliegen." betoogde hij, z'n armen
fel uitzwaaiend, alsof-ie op 'n kansel stond: "eerst wou je niks van
fietsen weten--in de auto was je niet mee te krijgen--mòrgen vind je
'n vlieg-tocht je prachtigste sport--wacht maar--wacht maar...."

Zij strubbelde nog wat tegen, hij sloeg door, sloeg geweldig door,
z'n beste hoogerburgerschool-geleerdheid uit de pantsering van
zwijnszaken en charcuterie-beslommeringen herzoekend.

Van koperen gewichten, zaliger nagedachtenis, als ze onsjes
boterhammenworst en zure zult sneed, met 'n dun schijfje toe voor 't
overwicht, begreep ze grondig den Schijn en het Wezen. Maar z'n wijs
gepraat over _soortelijk_ gewicht, om 'r duidelijk te maken hoe de
lijfszwaarte, 't bierbuikje eens menschen zich tot lucht verhielden,
bleef haar eene beklemming der Rede. Een ons gekruide leverworst--zoo
als Pièt gekruide worst maakte, dee nièmand 't meer!--was 'n òns en
'n ons brood was grooter van omvang en 'n ons bedveeren wèer grooter:
dat lei allemaal voor de hand, daar hoefde je je geen hoofdpijn over
te denken. Hoe hij wist te vertellen dan goud 'n soortelijk gewicht
van negentien komma drie, koper een van acht komma negen, aluminium
een van twee komma vijf en zestig had, nee daar zat je schaàpachtig
ja bij te knikken, zonder 'r 'n klank van te verstaan.

Piet, met z'n wollen sokken tegen 't haard-rooster, in die lange
gezellige winteravonden, als 'r geen visite was, kwam op datzelfde
neer. Zijn idee van onderzeesche booten hadden ze gegàpt, zijn idee
van vliegen als de vogels, zouen ze net zoo moeren. Als zijn vader
Edison geweest was, had-ie mogelijk de enormste dingen ontdekt. Enkel
de quaestie van boffen. Edison was 'n boffer, Stephenson 'n boffer,
àl die knappe menschen die ontdekten en uitvonden, omdat ze elken
dag vrij konden scharrelen en zoeken, waren heel-gewone boffers.

In 'n _Charcuterie hollandaise_ had je geen kans....

In 'n _Charcuterie_, als je hammen rookte, worst stopte, kluifjes
hakte, pleegde je geen zoogenaamde ònt-dek-kin-gen te doen, die
'n ander voor 't grijpen had.

"Onthou 't--let goed op," praatte-die in vergenoegde stemming: "de
kunst om 'n mensch lichter te maken dan de lucht is geen kunst. Waarom
kan 'n kip wèl wat 'n mensch niet kan? De gebrajen kip die we vanmiddag
gepeuzeld hebben, kon over de schutting. Waarom jij niet?"

"Omdat 'k niet over de schutting noodig heb," zei mevrouw dom.

"Omdat we ons nooit moeite gegeven hebben," sprak hij
luciede-wijsgeerig: "we hebben wel allen 'n staart en die staart
is vergroeid...."

"Kom pa!", ginnegapte Amélie, die van de lagere school thuis was
gebleven en alleen nog later, na de prachtspeculatie, Fransch van
'n Fransche juffrouw geleerd had.

"We hébben 'n staart," hield pa, zéker van z'n weten, vol: "en die is
vergroeid, omdat-ie ongebruikt bleef en 't zou me niks verwonderen
dat met onze schouderbladeren--mot je bladen of bladeren zeggen,
Amélie?--in vroeger tijden gevlogen is! Gister heb 'k bóven de
kanarie gewogen...."

"Piet wat 'n onzin....!"

"....Geen onzin! Om den drommel geen onzin--'k heb 'm gewogen en z'n
vleugels gemeten. Dan zouen wij in verhouding tot ons soortelijk
gewicht heele zeilen noodig hebben om mee te vliegen en om dan te
gonzen als 'n bij of als 'n bromvlieg, zouen we met die zeilen duizend
slagen in 'n minuut moeten maken."

"Piet schei in godsnaam uit," huiverde mevrouw, 'r man verdacht-angstig
aankijkend. Hij fantaseerde tè benauwd: "Piet, 't is haast nacht,
je bezorgt me kippevel...."

"Kon 'k je maar kippevléúgels bezorgen," zei Piet,
sentimenteelig-verliefd z'n grocje slurpend.



[Illustratie: Bij deze eerste der frappante serie teekeningen naar de
Natuur en het Leven, door den auteur op verzoek des kunstzinnigen
uitgevers--die hem in de nieuwe qualiteit _ontdekte_--ontworpen, stuit
de niet-academisch opgeleide kunstenaar op de onvoorziene moeilijkheid
een lepeltje, een schijfje en eenige citroenpitten in het groc-glas
des heeren Zwaluw te schetsen. Men gelieve deze zeer fantaseerbare
voorwerpen, zoomede de wármwaterdamp, alsnog in verbeelding aan te
brengen en de haartjes in den eenigszins dikken inkt des artiests
te ontschuldigen.

S. F.]



DERDE KAPITTEL.

DAKWAARTS.


            "Von der Stirne heisz, rinne musz der Schweisz,
            Soll das Werk den Meister loben,
            Doch der Segen kommt von oben."

                                                       (Schiller.)



Nog geen maand na dit zwaar-beslagen discours, terwijl ze om de
thee-tafel zaten, elk met 'n blad der avondkrant, Amélie de gemengde
berichten las, mama het feuilleton en pa de laatste noteeringen van
Eries, Steels en Missouris, kreunde pa plotseling.

"Is 'r wat, Piet?", vroeg mevrouw, bang voor 'n nieuwe daling in
Amerikanen.

"Nee, niks," zei-ie in z'n stoel terugleunend, tòch zoo somber van
staring, dat ma ongerust naar het koersenblad greep.

Nog voor ze 't had, hield pa driftig de krant onder de lamp en na
'n nieuwe gretige lezing, die z'n gelaat in spanning verpaarste,
hakkelde-die onthutst:

"Mooi. 't Is 'r. Pechvogel as ik ben!"

"Pa, u maakt ons ongerust." zei Amélie, 'r kopje thee op 't schoteltje
in schrik-botsing neerklikkend.

"Ze dóén 't," zei pa.

"Wat Piet?"

"Ze _vliegen_ in Amerika."

Z'n duim, aan 't bericht vàst-geklonken, wees de plek. Mevrouw
en Amélie, de hoofden naar de krant gebogen, lazen in purperen
aandacht. 't Stond 'r waarachtig. Een Amerikaan had 'n fabriek van
vliegapparaten opgericht. Zelf was-ie twee uur rondgevlogen van de
eene plaats naar de andre, 'n poos met tegenwind.

"Da's 'n godswonder," sprak mevrouw, droomerig dazend over het
tafelblad heen.

"Nou?", vroeg hij: "is 't alweer mijn idee? Dat heb 'k alles an vader
te danken...."

Dien heelen avond, half geërgerd, half extatisch, beredeneerde
hij het bericht--den volgenden morgen, in volle begeerigheid
zijn geestelijke uitvinding in practischen vorm te zien,
seinde hij naar New-York. Weggesmeten geld of niet, hij wou
experimenteeren. 't Telegram met antwoord kostte over de dertig
gulden. 's Middags--heerlijk volk, die Amerikanen!--hàd-ie bericht. Elk
toestel kostte tweehonderdvijftig dollar, _cash_. Twee weken later
was de kist er.

Twéé weken later. 't Leek 'n eeuwigheid. Dag en nacht dacht-ie er
aan. Vloog 'n musch in den tuin, tipte 'n spreeuw op 't kozijn, dan
_glimlachte_ pa. Bij de duiventil achter 't huis, _glimlachte_-die. Bij
de kakelende kippen, _glimlachte_-die. Lieve goeie hemel, dàt was
allemaal niks. Dat vloog met onverstand, zonder gedachte, zonder
begrip. 't Groote ontzaglijke wonder was op komst, 't duizelingwekkend
wonder dat de heele menschheid zou veranderen, dat spotte met rivieren,
zeeën, dalen, dat in gewonen en overdrachtelijken zin nèèr-zag op
trams en treinen, dat 'n fiets, 'n motor-fiets, 'n auto plots tot
trekschuit-gedoe verschimde, dat grenzen en volken dee verdwijnen,
dat bij elke stoffige stad een kostelijk lucht-leven schiep, dat
den mensch dee behooren tot het boven de aarde _vliegend_ gevogelte,
geschapen op den vijfden dag der wording, dat 'n rumoer, 'n omwenteling
zou geven, waarbij alle stoom en electriciteit kinderspul leek.

Klaar, volkomen-helder, was 'm de gebeurtenis nog niet. Dat was
ook ondenkbaar. Wie overzag de veranderingen der wereld als iets
grootsch werd geboren? De éérste stoommachine had àl wat bestond
van z'n voetstuk geslagen 't eene schichtig gebeuren had 't ander
verdrongen. Je wist haast niet beter. Je had geen tijd om 'ns
behoorlijk 'n allernieuwste ontdekking te beslapen. 't Genoegen van 't
wonder fiets verslapte na 'n jaar--na 'n jaar liet je je stuurstang,
je pedalen roesten.... De auto, de eerste maanden druk bereden,
bleef ook al wéken op stal.

Nou daagde 't vliegen, 't vrij-uit stijgen boven de huizen,
't lustig-ongestoord klepperen van dorp naar dorp, zonder lastige
honden, zonder kans 'n kind te overrijden, zonder tolgeld, lekke
banden of bekeuringen....

Fluitend liep pa 't dorp rond, de menschen voorbijstappend, ze niet
ziend, zóo als z'n oogen vast zaten aan wat bóven gebeurde. En 's
avonds praatte-die uren en uren met z'n vrouw en met Amélie. Al wat
vogel was, passeerde de revue. Eerst nù zag-ie wat de gevleugelde
dieren 'n prachtbeesten waren, wat 'n toekomst de Vliegende Mensch
had....

Midden in die schoone overwegingen kwam de kist als 'n bom. In de
knutselkamer, boven, met 'r geleerde uitstalling van fleschjes en
potten, werd ze ontpakt. Eerst viel de inhoud tegen. Meneer had
't zich ingewikkelder voorgesteld, minder eenvoudig en grooter.

Het was een vrij sober instrument, dat je makkelijk kon monteeren
en waarvan de gebruiksaanwijzing glashelder scheen. Mevrouw zat in
Piet's studeerstoel verbaasd te knikkelen, Amélie hielp de machine
saamschroeven.

Langs je rug liep een stang als van 'n fiets, die 'n aluminium-geraamte
droeg. Benee waren gewone pedalen. Betrapte je die, dan bracht 'n
ketting 'n twaalf raderen in beweging en bewogen twaalf zijden vlerken.

Boven het hoofdeind der stang was een parachute voor te sterken
zonschijn en regen, mede om daling te temperen. Dan door een
voortreffelijk mechanisme van aluminiumlatten, kon je vóor in
het geraamte door een kleine wijzerbeweging de zijden vleugels in
verschillende standen brengen om tegen den wind in te laveeren.

Er was een zelf-werkende olie-toevoer voor de raderen (onzichtbaar),
en aangezien de toestel bij goede weersgesteldheid een hefvermogen van
één honderdvijftig kilo had, een waarlijk voortreffelijk gewicht, bleef
er mogelijkheid voor niet overladen-logvette vliegers om aan een haak
(A) ballast op te hangen, ten einde het evenwicht absoluut stabiel te
maken. Overigens was er, gelijk nauwlijks vermeld behoeft te worden,
een mand voor parapluies en wandelstokken (B) en bezaten de zware
pedalen (onzichtbaar) een holle ruimte, gelijk in moderne strijkijzers,
voor doovekool-verwarming, met het oog op het vriezend jaargetij.

De geheele toestel, sierlijk van voorkomen en bewerking, kon opgevouwen
worden in een vierkante nette kist (D). Bij de stuurstang was een
wimpel (C) in nationale kleuren bevestigd, om de richting van den
wind aan te duiden. De gebruiksaanwijzing schreef dringend voor,
om in geval van daling de parachute door middel van een knop-druk te
doen opspringen en bij het in vlieg-werking zetten des toestels van
eene verhevenheid te springen, om de raderen in beweging te brengen
óver het doode punt heen.

Dit alles vaag en onbeholpen be-tekst, váárdiger in _illustratie_
gezet, deed mevrouw Zwaluw zacht-verrukt glimlachen. Pieter in het
instrument, de voeten op de pedalen, de schouders be-epauletteerd
door een paar gewatteerde stangen, had allerminst den schijn van een
zoet-gevleugelden engel, doch de toestel met de twaalf zijden vlerken
gaf hem iets imposants en verschrikkends.

Voor den spiegel bekeek-ie zich.

"Ik vrees," zei-ie met zekere benepenheid, nu het Wonder hem omzat:
"dat 'k 't heele dorp voor 't tuinhek krijg als 'k 'm buiten probeer."

"Ja," schuchterde mevrouw: "dat kun je bùiten niet doen, Piet. Als
't nièt lukt, geeft 't 'n schandaal...."



[Illustratie: Toestel met néérgelaten parachute--de heer P. E. Zwaluw staande
op de _kist_. Een en ander met kleurtinten, oorspronkelijk als
steenteekening, alweder naar de Natuur geschetst, onder _toezicht_
van den kunstcriticus Alb. Plasschaert. De sokken des heeren
Zwaluw waren in terra-cotta aangeduid, de vleugels in crême,
de jekker in karmijnrood. Helaas, had de beknibbelende uitgever
finantieele en technische bezwaren. Bij een herdruk worden deze
mogelijk opgeheven. Terwille der perspectief zijn de beenen des
heeren Zwaluw een weinig verlengd. Men aanschouwe deze artistieke en
wetenschappelijk-schoone teekening _met één oog dicht_--làng turend
zal men de vleugels zien _bewegen_. _Epreuves d'artiste_ bij den
kunsthandel verkrijgbaar. S. F.]



"En als 't wèl lukt," viel hij haar in de rede: "blijft 't nòg
lastig. Want allicht slaat 'n paard op hol. Jammer. De menschen
begonnen net an auto's te wennen. Je weet hoe 't met 'n nieuwigheid
gaat...."

"Doe 't dan vanavond als 't donker is, pa...."

"'k Wou 't hier wel èerst probeeren."

Bleek om z'n neus en met diep-zwarte zenuw-pupillen, begon-ie te
trappelen. De zes linksche vleugels plompten 'n windgeul in de
kamer. De gordijnen bewogen, de paperassen van de tafel dwarrelden
heen.

"Hè!", schrikte mevrouw: "wat waai je, Piet--'k transpireer toch al
zoo van de emotie...."

"Hoe wou je 't anders doen?", zei hij nerveus, "'k zie geen kans
zonder wind te vliegen...."

Weer trapte-die stevig, weer ritselden papieren naar den grond--zonder
dat-ie omhoog ging.

"Dat komt, pa, omdat u ergens op moet staan," maande Amélie met de
gebruiksaanwijzing in de handen.

Uit de pedalen stappend, klom-ie op 'n stoel, zette zich af, kwam met
'n bons neer. 'n Flesch zwavelzuur, geheel ontdaan, smakte omlaag.

"Da's prettig," gromde hij.

Tegelijk klopte Chris, die den slag had gehoord.

"Niks! Niks!," snauwde Pieter Zwaluw: "blijf in je keuken!"

Nijdig trapte-die z'n bottines uit, om 't geraas te dempen en
hardnekkig hèt willende bereiken, beklom-ie de aanrechtbank, waarop-ie
zooveel scheikunde-proeven genomen had.

Het _gelukte_.

Ineens steeg-ie naar het plafond, stiet z'n hoofd. De kalkbladders
besneeuwden z'n haar. Ongevoelig bleef-ie peddelen, 't hoofd tegen
't plafond gedrukt.

"Nou?"--, vroeg-ie vuurrood van genot: "wat zeggen jullie daàr van? Zie
je, dat als 'r geen zoldering was, 'k boven de daken zou raken?"

"'t Is in één woord prachtig," bewonderde mevrouw.

"Vanavond moet 'k 't buiten doen," hijgde meneer: "'t is gewoon
'n fiets, 'n vliegende fiets...."

"Dan moet u 'r 'n acetyleen aan hangen, pa," mijmerde Amélie:
"anders vliegt u tegen de telephoondraden op."

"Dàt zal 'k wel laten," riep pa, 't hoofd tegen 't plafond, de voeten
in peddeling: "'n licht zou alles verrajen! 'k Zou zoo 't raam uit
willen. Je zal me niet gelooven, maar 'k voel me als 'n kanarie in
'n kooi!"

'n Kwartier lang schuierde z'n haar spinnewebben en kalk van 't
plafond--toen, 'n weinig geëchauffeerd, liet-ie zich zakken.

"De eerste dagen kun je je op zolder oefenen, Piet," zei mevrouw:
"'k had 't nooit, nóóit gedacht...."

De zolder. Uitnemender inval had niemand kunnen hebben. In 'n kámer
vliegen, dat merkte je wel dadelijk, had z'n bezwaren. De electrische
kroon zat dwars--wat 'n geluk dat ze 't gas hadden afgeschaft:
de orkaan der twaalf zijden vleugels ware een verwoesting voor
gloeikousjes en glazen geweest.... De zolder, hoog en ruim, met
dwarsbalken voor zitjes, en 'n paar dakramen om van te watertanden,
werd een prachtig oefeningsluchtveld. Mevrouw, meneer, Amélie
sjouwden de onnoodige dingen in 'n hoek, stapelden de koffers op de
waschkist, leien de droogstokken te zaam. En opnieuw vloog meneer met
'n akelig-tam vaartje rakelings langs de spinten. De kunstjes van het
draaien had-ie al heel gauw te pakken. Dat lukte vanzelf als je links
of rechts snèller trapte. Precies als de parachute, die zoo luchtig
openknipte als 'n parapluie. Toch was 't niet dàt. Om lekker, rustig
te vliegen, had je de Ruimte noodig, zoo niet het Heelal, dan toch
'n plein of 'n stuk wei. Maar de buren, het Dorp. Je moest je zoo in
acht nemen. 'n Nieuwe hoed bracht je in Holland op de tong--'t boute,
drieste van 'n vliegmachine kon je fatsoenlijke-burger-reputatie voor
jaren knakken. Dat gaf herrie, gespot, geraas--niet te bèrékènèn. Als
je op klaarlichten dag alleen maar in de goot _wandelde_, werd
je voor gek versleten, had je kans dat de politie er aan te pas
kwam. Alle overheids-overwegingen baseerden op den _beganen grond_,
ontweken in haar conservatieven bouw het mateloos begrip lucht en
hemel, zoolang dit ongrijpbaar ding onnoodig bleef voor bedrijfs en
personeel of zoodra er nà bezetten tijd kleeden werden geklopt. De
vliegmachine plofte die lauwe, domme onverschilligheid als een
zeepbel uiteen. De _begane grond_, waar je 'm--o, spreekwoordlijke
bluf!--en _vol d'oiseau_ bekeek, was 'n ingewikkeld, raar spinneweb,
'n labyrinth van greppels, schuttingen, ijzerdraad-versperringen,
hekken, muren. Van je jeugd af was 't je door vermaningen, opstoppers
en dreigementen ingestampt, dat je de beslotenheid van een terrein
had te ontzien. Later begreep je volkomenst de dreigende waarschuwing:

_Verboden toegang, ingevolge art. N. N. wetboek van strafrecht_, voelde
je de kadastrale wetenschap als eene logisch-noodzakelijke. Doch
nu. Het exacte, wel-gesnoerde van den _beganen grond_, bewoog als
't gewarrel van dansdronken lieden, wanneer je als tirailleur
der eenvoudigste vliegwerkelijkheid, je fantasie tot vogelvlucht
zette. Pieter Zwaluw, voorzichtig staatsburger, die nog nimmer met
de Overheid geharreward had, die z'n belastingen dádelijk betaalde,
zonder 'n _waarschuwing_ te wachten, die geen flauw begrip had
hoe het manend formulier van gas- of waterleiding er uit zag, die
z'n villa-deftigheid stormenderhand veroverde door z'n degelijke
hollandsche _stilte_ en venster-bedektheid, Pieter Zwaluw bekrauwde
ernstig z'n al grijzende bakkebaarden. Het vliegen nòch 't voorvoelen
eener huizenhooge vlucht deed 'm duizelen--: het nièt in kadastrale
_vakken_ gehakt zijn der lucht, die onvoorziene anarchie boven de
daken en boomen gaf 'm congesties. "Dit is _mijn_ land en dat is
_mijn water_," kon je sta-vast zeggen. Geen welgeschapen mensch zou
er zich om verwonderen. Maar het: "dit is _mijn_ lucht" borrelde
nog een weinig in gedachten-onthutsing. Links van zijn villa was
een uitgestrekt villa-terrein met bosschen en vijvers van een
zonderling jonkheer. Geen der buren had er iets anders van gezien
dan het afsluitend struikwerk. Als hij, Pieter, _uitvloog_ bleef 'm
niets meer geheim, zag-ie de paden, het huis tot in _finesses_. Dat
mocht en het mocht niet. Een vogel op je erf mocht je schieten,
maar 'n mensch? Rechts van de villa, op 'n tien minuten afstand,
had het Rijk forten en schansen gebouwd. Bij de ophaalbrug liep een
schildwacht. Niemand kreeg toegang. Maar boven, boven in de wolken,
bij de discrete vogels en nog discreter sterren? Waar hielden de
greppels, de schuttingen, de ijzerdraad-versperringen, de hekken, de
muren op--waar begonnen ze in de oneindige Eenheid bóven? Waar pleegde
je overtreding, waar stoornis van het wetboek van strafrecht, waar
lùcht-vredebreuk? Je kon makkelijk en onbezonnen ráák gaan vliegen,
als zulke excessen in je karakter leien, doch in minimalen tijd,
terug op den geordenden _beganen_ _grond_, zat je op gebrande blaren,
kon je je onbesproken bestaan beklad en bevuild zien door verbalen
en explooten.... 'n Eerste vlieger had geen baantje. De appel leek
wrang. En dat alleen, omdat de ouwbakken wetgever de gevallen van
"hinder, gevaar en schade" beneden een normale hoogte van vijftien
meter getaxeerd had.

Een avond, bij theevisite, waagde Pieter het voorzichtig 'n advocaat
te polsen, die in het dorp 'n grooten naam had, omdat-ie 'n paar maal
candidaat voor de Tweede Kamer was geweest en in 'n beruchte zaak de
beruchten vrij had gepleit.

"Amice," vroeg-ie langs z'n neus weg: "mag je in 'n eikeboom bij
Jonkheer Sannes klauteren?"

"Natuurlijk niet," zei de advocaat, verbaasd over zóó'n vraag bij
zúlk een achtenswaardige familie.

"Zoo," repliceerde Pieter, die z'n aanloop eenigszins onhandig genomen
had: "op z'n dàk mag je zeker ook niet?"

"Wel nee, amice--wat ben je klimlustig," lachte de rechtsgeleerde.

"En als 'k nou vijf en twintig meter bóven z'n dak, maar toch òp
z'n terrein ben," hield de gastheer aan, heelemaal nerveus door 't
ooggeknipper van mevrouw en van Amélie die bang waren dat-ie zich
zou verpraten, dat-ie 't ongelooflijk zolder-geheim zou verklappen:
"als 'k dertig, veertig meter bòven z'n park...."

"Als u dàt," lachte de advocaat: als u dàt doet is u 'n vogeltje
geworden en mag u redeneeren dat u zoo vrij is als 'n vogel in de
lucht...."

"Je neemt me niet _au sérieux_," klaagde Pieter.

"Uw man is van avond wel in de wolken," ginnegapte de advocaat:
"ik heb liever vasten grond onder mijn voeten, mevrouw...."

Verder drong Pieter niet aan. De dingen tè zwaar-tillend opnemen
was verkeerd en als je logisch dacht, kon niemand protesteeren tegen
't vrije veld, de onbeboetbare Ruimte van ooievaar, leeuwrik-musch en
spreeuw. De struisvogel, vastgebakken aan de aarde, was 'n mispunterig
dier....

Jans werd op reis gezonden, Chris moest verkameren. Nu de vliegmachines
voor mevrouw en Amélie, per nieuwe dépêche besteld, óok waren
aangekomen en geprobeerd, diende 't dak òveral vrij te zijn. Langs en
over de pannen te scharrelen met meidenkamers vlak bij, daar dankte
je voor, en vooral die stomme Chris moest 'r buiten blijven. 'n Braaf
mensch, 'n uitstekende meid, maar zoo'n gans, zoo'n èchte ezelskop--die
plapperde 'r alles uit an de dienstboden van de Spaarns en de
Leurings. Die éérste avond op 't dak was 'n feest, 'n ontspanning als
ze nog nooit hadden gehad. Mevrouw en Amélie, beiden met verknipte ouwe
broeken van meneer aan--dames-vliegtoestellen waren er niet. zouden
er waarschijnlijk nooit komen, omdat rokken te veel tegenstand boden
en onvoegzaam werden--mevrouw en Amélie door 't dolle heen, nu ze een
paar keeren den zolder beklapwiekt hadden, hunker-oogden meneer na,
die al een kwartier om 't dak was gevlogen. Tweemaal aan de achterzij
van 't huis, waar de buren licht-loos waren, had-ie zich zich snel
laten dalen, drijvend op de parachute. Dan weer opwaarts peddelend,
proestend van pleizier herstapte hij in de goot naar het dakraam,
buiten adem z'n sentaties vertellend:



[Illustratie: De uitnemende teekening illustreert den zin: "Dan weer opwaarts
peddelend, proestend van plezier, her-stapte hij in de goot
naar het dakraam, buiten adem z'n sensaties vertellend...." De
heer P. E. Zwaluw, dien een te heetbloedig lezer te vergeefs zal
zoeken, bevindt zich _achter den voorsten schoorsteen_. De beeldende
kunstenaar zag er tegen op, het _opwaarts peddelen_, het _proesten_,
het _herstappen_, het _buiten adem sensaties vertellen_ en dat
alles bij het zwakke licht der maansikkel (A), Eerste kwartier, in
_platte_ realiteit weer te geven. Niettegenstaande hij een nieuwe
pen gebruikte, had hij wederom last van haartjes. Vandaar de _harige_
maansikkel, waar een _nimbus_ de fantasie hanteerde. Overigens _doet_
het daken-aspect 't voortreffelijk. Als ik me als auteur niet zoo
deerlijk geblameerd had, werd 'k--o droevig, verloren talent!--daken-,
goten- en schoorsteen-schilder. 't Genre ligt braak. S. F.]



"Kinderen--'t is over 't goddelijke heen. Kinderen, daar haalt niks
bij!" Extatisch hield-ie zich in evenwicht aan de stang van den
schoorsteen (onzichtbaar). 't Maanlicht beglansde de aluminiumlatten
der vleugels.

"Is 't niet ijzig, pa, als je in zóó'n diepte zakt?", vroeg Amélie,
zachtjes trappelend op raamshoogte.

"IJzig!", zei hij: "'t goddelijke is dat je niks ziet, niks voelt. Je
droomt!"

Met, te vurig van genietings-gebaar, trapte hij een pan van het dak,
de eerste die donder-reutelend Chris zou opschrikken.

Noch mevrouw, noch Amélie letten 't op. Zig-zaggend over den zolder,
eenigszins geëmancipeerd in de vreemdlijk-heupende mansbroeken,
met de te wijde pijpen, vleugel-klepperden ze in driftkoorts.

En toen ze eindlijk òp 't dak mochten, en meneer in de scheemring als
'n monsterdier zagen vliegen óver de schoorsteenen en óver de linksche
dakspitsing heen, meneer die lustig 'n _Henry Clay_ rookte, alsof-ie
'n wandelingetje maakte--toen ze de ongewoonheid van goten en dakpannen
en diepten te boven waren, werden ze zóó opgewonden, zoo vliegbezeten,
dat meneer ze kalmeeren moest en meerdere dakpannen omlaag roffelden,
met het resultaat dat Chris in 'r nachttoilet en Kobus met het mes
in z'n hand, juffrouw Amélie's eersten tocht rond het dak verrasten.

"Pa!", riep Amélie, nog nalachend, "Chris en Kobus kijken uit
't dakraam!"

In 'n oogwenk kwamen meneer en mevrouw aangevlogen.

"Wat doen jullie hièr!", bulderde meneer voor het dakraam zwevend.

"Chris, dat's toch werkelijk _onnet_," sprak mevrouw
bedaard-aanpeddelend.

"Na bed en je mond houen!", schreeuwde meneer. Hij had ook wel
gemoedelijker kunnen praten, want Chris, de ouwe meid, te zeer
besprongen door de nachtmerrie van vliegende mensch-beesten, dozijnen
vleugels en 't akelig-grinnekend maansikkeltje, zakte in mekaar,
en Kobus, met koud-gespannen haren en 'n hart dat te bersten klopte,
holde 't kamertje uit, de trappen af, in één zet door, tot-ie in 't
sousterrein achter de gesloten deur in de dekengrot een schuilplaats
had.



VIERDE KAPITTEL.

DE VILLA WORDT BERUCHT.



    "En hij voelde een groot, groot verlangen, om met zijne vrouw en
    zijne dochter op te gaan in die groote, oneindige schoonheid der
    werelden, onbewust als de witte wolken boven zijn hoofd, als de
    zachte, wijd-deinende ademen van de zee...."

                                             (Het Zusje, Henri Borel).


                                    "Roth wie Blut, ist der Himmel;
                                    Das ist nicht des Tages Gluth."

                                                          (Schiller.)



Met azijn en veel water brachten ze Chris bij. 't Duurde 'n heele
poos. 'n Scheut in 'r nek hielp 't best. Suf, waarlijk wezenloos zat
de meid op 'r bed, 't haarstaartje zwart van vocht.

"Chris," zeide meneer, "'t spijt ons wel dat je zoo geschrikt ben--we
hebben gèvlógen."

"Chris, meid," sprak mevrouw, "we deeën ons eerste toertje...."

"Toe nou, Chris--bederf 't tochtje niet," zei juffrouw Amélie.

Chris, nattig na-glimmend, met natte nekharen, natte slapen, Chris,
zurig riekend als 'n gemarioneerde haring--'t heele azijnfleschje uit
't stel was aan 'r verbruikt--wreef angstig de handen, zei enkel maar
suffig en hardnekkig:

"....'k Hei zoo benauwd van bééste gedroomd...."

"Niet waar!", viel meneer haar in de rede, "we hebben gevlogen--we
zijn de éérste vliegers in Holland...."

De meid luisterde nauwlijks naar 't onwijs gewauwel.

"Chris," drong meneer aan: "je heb gezien wat je nièt mocht zien--als
je je mond houdt, geen sterveling wat zegt, krijg je de volgende
maand vijf-en-twintig gulden van me--verstaan?"

"O, lieve God, meneer--'k hei zoo vreeselijk gedroomd--'k hei zulke
schrikkelijke dinge gezien."

"Je heb nièt gedroomd, Chrislief," praatte mevrouw
ongeduldig-vriendelijk, "_wij_ waren in de goot...."

"Heusch Chris--ik vloog om 't huis," bevestigde Amélie.

Chris keek ze verdwaasd aan. Het klonk nog alles zóo in harmonie met
'r nachtmerrie van _gedrochten_ bij 't raam, dat ze 'r arm oud hoofd,
niet geschikt voor derglijke moderne stoornissen, in de handen lei en
'r op los begon te snikken. Meneer en mevrouw en de juffrouw moste 't
'r niet kwalijk neme--ze was heelemaal onderste boven--ze zou morgen
na 'n dokter gaan--ze had zóo akelig, zóo miserabel, zóo hondsch-naar
gedroomd van beeste, met twaalef vleugele die op 't dak zatte, dat
'r hart zeer dee....



Dat was de éérste schrik dien de familie Zwaluw veroorzaakte, den
eersten van 'n reeks. Met Kobus ging 't vlotter. Die begréép toen
meneer 'm op den zolder de kisten liet zien, die streek graag de
fooi op en zwéég. Die hielp de volgende nachten 'n handje, kroop
zelf op 't dak en verbaasde zich over het wònder. Den derden nacht,
langzaam voortvleugelend, maakte de familie haar eerste tochtje bij
helderen maanschijn.

De honden, maanziek, sloegen aan, de mènschen hadden geen
vermoeden. Alleen dichterlijke of verliefde naturen plegen lang
'n maannacht te bestaren--'t eenig-poëtische van 't dorp was 'n
rederijkerskamer met 'n leesgezelschap van _fatsoenlijke_ producten--de
amoureuse lieden liepen dien nacht in dònkere boschaadjes. Als niet
hier en daar, náast 't verschrikt hondegejank 'n kat van de daken
ware geschichtigd, zou 't kostelijk gebeuren onopgelet zijn geschied.



[Illustratie: Zoude ik waarlijk te veel hooi op mijn vork getorscht
hebben?  Om de weerga--'t is niet makkelijk! Onwillekeurig raakt men al
illustreerend aan 't _vloeken_. Derhalve moet een stijve-in-den-geloove
er zich niet aan wagen. Met schaduw en slagschaduw meen 'k 'n bijster
eind op weg te zijn--let s. v. p op de ongelooflijke moeilijkheid om
maanspelingen, op simpel papier, in àl haar geweldige zwaarmoedige
en etherische zwevingen, op 'n heel gewoon, zelfs léélijk dak te
_toucheeren_ (en zulks met _Neelmeijer_, niet met sepia, noch met
krijt, noch met doezel, noch met teekenstift). Ongetwijfeld zult ge bij
eersten oogopslag bevroeden, geachte lezeres en kunst-doorvoelster,
dat mijne ongewone illustratie in beeld zet het: 'n _Kat van de
daken ware geschichtigd_. Om den stompen schoorsteen _uit het dak
te doen leven_, heb 'k--waarom het niet te bekennen?--bezwaarlijken
arbeid gehad. Indien de een of andere Italiaansche rookverdrijver of
provinciale deskundige grovelijk beweren mocht, dat zulke schoorsteenen
niet bestaan, dat ze niet trékken--kort gesproken dat ze te _buikig_
zijn--dan kan 'k uit ondervinding verklaren, dat 'k eenmaal woonde in
een huis _met zulk een schoorsteen_, en dat we bij westen wind den rook
in 't huis en in 't eten hadden. Dit is dus niet alleen realiteit,
maar ook eene Aanklacht tegen misbouwde schoorsteenen. Voor het
overige teeken ik niet voor Italiaansche rookverdrijvers, niet voor
spitsvondige bouwmeesters, maar voor raisonable lieden. A en B stellen
_heenschichtigende_ katten voor. De auteur kan glad van _schichtigen_
spreken: wij illustrators zitten met zulke ondoordachte expressies
in onze maag. A is een kat. B een kater. Beiden gestoord in eene
_verklaring_. De staart van B is forscher dan die van A. De geheele
lichaamsbouw voorts. In nadere onkiesche aanduiding kan ik niet
treden. In de staarten heb ik het _schichtigen_ gesymboliseerd. S. F.]



Dicht langs de daken en bijna raaklings aan de boomtoppen, bewogen
zij voort--te hoog zulk een eersten keer was ongeraden, te meer omdat
alleen de _begane grond_ verlicht was. De tijd dat de wegen van stad
naar stad óók naar de zijde der wolken belicht zouden worden, was er
nog niet.

"Over vijf en twintig jaar," redeneerde de heer Zwaluw, "vind je
overal verlichte vliegpaden, zooals je nou fiets-paden begint te
krijgen. Dat kàn niet uitblijven...."

"Pa," mijmerde Amélie, "over vijf en twintig jaar is àlles
veranderd. Eenig!"

"Hoe zoo, kind?"

"Omdat 't móét, pa. Wat je noù benejen ziet is dùnnetjes--vin u
niet? Daken en nog 'ns daken. Je kan zóo zien, dat niemand 'r 'n
sikkepit om maalt hoe z'n huis 'r van bóven uitziet. Allemaal vieze
schoorsteentjes en smerige gootjes--vin ú dat móói, pa?"

"Nee, zeker niet," zei meneer met z'n voeten langs 'n reuze-populier
ritselend: "en die róókende schoorsteenen--bah, wat krijgen we 'n
tractatie uit die pijp--laten we wat op zij vliegen! die rookende
schoorsteenen vind 'k èrgerlijk. D'r is 'n verordening op 't
kleedenkloppen, 'r komt 'r natuurlijk een op 't schoorsteenrooken. 't
Is ongepermiteerd hoe de menschen benejen de lucht boven vervuilen. Dat
verandert."

"En dan moeten wij òns dak wat in orde laten maken door den tuinier,
Piet. Want niewaar, Piet, als onze kennissen mee gaan vliegen, zal
je 't meeste bezoek door 't zolderraam krijgen. Dat moet je laten
vertimmeren, Piet, met 'n nette balustrade en wat bloemperkjes en
schulpen...."

"Nee," weerlegde meneer: "we kunnen nou nog alleen plàtte daken
gebruiken en op 'n plat dak, zònder schoorsteen--bah, hier rooken ze
scharren!--kun je de keurigste perken onderhouen...."

"Wat zal dat liéf zijn, pa, als je òp elk huis rozen en
vergeet-me-nietjes ziet...."

Meneer klepperde even langzamer bij 'n zoldervenster.

"Piet!", zei mevrouw streng.

"Wat doet pa, ma?"

"Niets," zei mevrouw uit 'r humeur. Dáár zou ze 'm thùis over
onderhouen. Binnen loeren bij 'n juffrouw, die 'r avondtoilet
maakte. Ergerlijk hoe je géén man kon vertrouwen en nog ergerlijker
dat de menschen, zonder overburen, zoo ongegeneerd deeën. Amélie
leidde de verbolgen gedachten af.

"Pa," zei ze, 'n nieuwe ontdekking doend, "'r is niks meer veilig. We
zouen overal kunnen insluipen. Kijk is wat 'n ramen anstaan!...."

"Binnen de zes maanden zijn àl de ramen getralied," antwoordde pa,
't puntje van 'n nieuwe sigaar knippend.

Er stak wind op. De toppen der boomen aan hun voeten begonnen onrustig
te schuimen.

"Piet," zei mevrouw, 'n weinig vermoeid--'r linksche vleugeltrapper
moest geolied worden en tegen den wind in werd 't bezwaarlijk:
"ik ga terug."

Meneer die vloog te bepeinzen [1]--ook in de lùcht kon je _vieux
monsieur_ met wormstekigheden zijn--dat 'n vleugje alleen, zònder
vrouw en dochter, 'r genoeglijke zijde bij zooveel _verlichte_
intérieurs had, meneer protesteerde:

"Noù al? Heb jij zoo'n trek in 'n benauwde kamer als je 't _hemelruim_
voor je heb?"

De hoogte der situatie deed 'm dichterlijk praten. Zij, nu toch
hijgend en met 'n krampachtige trekking in 'r been die zich naar
'r eksteroog voortplantte, zei plat:

"Piet, zánik niet met je hemelruim. 'k Heb genoeg nàchtlucht gehapt--'k
wor 'r zàt van."

Geërgerd trapte hij òm. Bij tijden, in gezelschap, thàns in de
schoone Oneindigheid van maan, sterren, schoorsteenen en ruischende
boomtoppen, kwam haar ouwe spekslagers-dochtersche natuur, de natuur
van-achter-de-toonbank, _de laag-bij-den-grondsche_ natuur boven,
plapperde ze 'r uit wat 'r voor 'r mond groeide.

"Je moeder _verstoort_ ons uitstapje weer," klaagde hij.

"Ik _verstoor_ niemendal," zei mevrouw vinnig, "'k ben moe en zal
blij zijn as 'k 't ding kwijt ben. Me lendene krake...."

"Daar hebben we weer 'n expressie uit de Jan-van-Loon-straat!"--,
schamperde meneer.

Dàt had-ie niet moeten zeggen--dàt was 't wreedste, 't uitgezochtste
ruziepunt. Zoodra-die in twistgesprek dàt 'r uitflapte, zinspeelde-die
op haar _verleden_, op 'r jeugd in den Gelderschen worstwinkel, toen
'r vader-zaliger nog varkens op den kop hamerde en 'r moeder-zaliger,
reuzelglimmend en garstig, de vetmollige hand om worstbuiken lei. Als
zij uit de Jan-van-Loonstraat kwam, kwam hij uit de Zwaanssteeg. De
Jan-van-Loonstraat had niet onder te doen voor de Zwaanssteeg. Bei
kinderen van een zelfde slachters-geslacht, vonden ze er in gemelijke
buien minder beschaafd genoegen in, de Jan-van-Loonstraat en de
Zwaanssteeg te _hoonen_. Hij met z'n meerdere geleerdheid had 'r
'n bijzonder handje van.

Mevrouw, snuivend van geprikkeldheid, deed 'n reflex-gebaar
parachute-knop-waarts, in eerste aandrift om zich te laten vallen,
doch omdat ze juist vlogen boven de dorpsvuilnisbelt, die een zware
schutting had en minder welriekte, hervond ze haar gemoedelijkheid
in kalmen sarrens-toon.

"Zoo Piet? Uit de Jan-van-Loonstraat, Piet? 'k Dacht dat 'k zoo'n boel
uit de Zwaanssteeg had overgenomen, Piet! Als jij tegen de knechts
vloekte, Piet! Niewaar, Piet?...."

Bij elk Piet in prachtig-gevarieerde intonatie, trapte ze 'r pedaal en
_glimlachte_. Jammer dat-ie dien hatelijken lach niet zièn kon. Daar
lei-ie 't altijd tegen af.

"Mènsch!...", begon meneer in braltoon, aanpeddelend om dichter bij
'r te raken.

Toen suste Amélie.

"Jakkes, pa en ma--hou u op! Hoe geneert u zich niet voor de
menschen...."

"Wèlke menschen?"--, snauwde meneer.

En ineens schaterde Amélie 't uit. Dàt was 'n gezelligheid van 't
vliegen zonder weerga--je kon prettig kibbelen en mekaar onbewimpeld
(de wimpels der machines uitgezonderd) de hardste waarheden
zeggen--zonder burengerucht. De toekomst van kijven en herrie was
aan de Ruimte.

"Wat lach je nou hinderlijk?"--, zei mevrouw.

"Beter lachen as uitdrukkingen uit de Jan-van-Loon-straat," zei meneer
nòg eens. En ze zou daar weer 't ééne-noodige op geantwoord hebben,
ware niet 'n geluid tot hen gestegen, dat ze verschrikt deed zwijgen.

In 't dorp klonk een kermend hoorngeschal--'t geschal dat alle bewoners
kenden, 'n lang-toeterend, klagend geschal, dat overal echo's sloeg,
'n geschal dat geen uitleg noodig had, 'n geschal dat in z'n akeligheid
en lugubere klanking àlles zei.

"Brand," zeide Amélie 't eerst.

"Brand," herhaalde mevrouw, blazend en transpireerend.

"Brand," sprak meneer, kort.

"Lieve hemel," zei Amélie _ad rem_ in den hémel: "als 't 'n erge brand
is en de lucht zoo roodgekleurd wordt als laatst bij Van Galen, toen
de hooiberg in brand stond, dan kunnen we niet thuis komen, dan ziet
't heele dorp ons.... Eenig. Eenig"....

"Ik laat me vallen," steunde mevrouw, blij dat ze 'n uitvlucht had
bij de vlucht die te lang duurde.

"Dóórvliegen!", maande meneer, "'r is niks te zien, nog geen
vònkje. Natuurlijk weer alarm om niks."

't Was inderdaad nièt de eerste keer, dat 't dorp werd wakker
getoeterd zonder reden. Bij 't geringst smeulinkje, bij 't flauwst
rook-krinkelingetje ter plaatse waar smeulinkjes en krinkelingetjes
_verdacht_ waren, toeterde de dorpspolitie, die voor elke eerste
toetering 'n premie van vijftig cent kreeg, 'r ademloos op los. In de
laatste vijf jaar was 'r maar éénmaal brand (in den Van Galen'-schen
hooiberg) en driehonderdzesmaal alarm voor schoorsteenbranden,
smeulinkjes en krinkelingen, als voren, geweest. Dan liep de burgerij
naar de spuithuisjes, werd 'r absoluut water gegeven, omdat àls de
spuiten uitgerukt waren, je ze allicht op verstoppingen en lekken
kon probeeren. Zulke dorpsverschrikkingen hielden per alarm het dorp
een paar uur aan den openbaren weg bezig, en tegen het beslist einde
begon de dorpsklok nog eens overmatig te luiden, omdat de dorpstoren
twee-honderd-zeven-en-veertig treden had en niemand op ongezetten tijd
lust gevoelde den kippigen koster te waarschuwen, dat de spuitgasten
alweer naar huis waren.

Vlug voortpeddelend, bevreesd voor het drie-honderd-zevend alarm,
dat mogelijk bloed en purper in de luchten voorspelde, mevrouw, die
telkens wou parachuteeren, met vinnige woorden òpzwiepend, kwamen ze in
't gezicht der eigen villa.

"Lieve help!"--, riep Amélie doodelijk-angstig.

"O, goeie genade!"--, zei mevrouw.

"Bliksems!"--, vloekte meneer.

Bij den voortuin walmden toortsen, zag je helmen-geblink, zàg je
de kraak-helder-gepoetste rood-koperen montuur van spuit I--pàs
aangeschaft, nog nimmer beproefd--zag je de hoofden der Brandweer met
witte staven in de hand. Spuit I werkte, werkte beslist, bèwerkte de
villa _Casa Cara_, dè Zwaluw-villa. Spuit I spoot een violette straal
in de richting der logeerkamer, waar ouwe Chris sliep. Die violette
straal, beglansd en besprenkeld door poenig-brandende toortsen--die
brandden, zònder voos alarm--daverde een vlammende ontzetting naar
de donkere wolken.

"Piet--'k val flauw," hakkelde mevrouw met akelig-draaiende oogballen.

"Dat zul je laten--daar is de machine niet op berekend!", schreeuwde
meneer.

"Ma blijf in godsnaam kordaat--we kùnnen niet in 't huis, zoolang ze
spuit I probeeren!", riep Amélie gejaagd.

"Trappen! Trappen!", kommandeerde meneer.

Met kloppende harten, bonzende slapen, vleugellam en gefolterd, vlogen
ze in wijde cirkels om 't huis--de eerste hollandsche lucht-peddelaars.



Waarlijk, bij dit driehonderd-zevend alarm had de éérst-blazende
politieagent z'n vijftig cent verdiend. Hadde hij later geblazen, de
villa _Casa Cara_ van den heer Pieter E. Zwaluw ware een _speelbal
der vlammen geworden_. Het stond den volgenden morgen uitvoerig
in het plaatselijk blad, doch de _détails_, de ware oorzaak zou
niemand te weten komen. _Details_ èn oorzaak bleven in Chris' hart
begraven. Dien avond, nog ganschelijk niet genezen van de beruchte
nachtmerrie, huiverig en angstig, had ze bij de kaars zitten soezen
tot meneer de buitendeur grendelde. Dat dee meneer altijd zelf. Noch
haar, noch Kobus vertrouwde-die het kunstig Amerikaansch slot toe,
dat-ie in San Louis had gekocht, dat met drie grendels in de deur
greep en door 'n sleutel zoo licht als 'n lucifer werd gesloten. 's
Morgens werden de bakker, de kruidenier, de melkboer door 'n luikje
bediend--en om negen uur, als meneer benee kwam, ontsloot hij het
kunstwerk, dat alle intieme bezoekers van _Casa Cara_ om beurten
hadden bewonderd. Van avond had meneer bijster vroeg en met veel
gedruisch gesloten, den electrischen toevoer afgedraaid om Chris naar
bed te jagen. Chris, ondersteboven,--in geen drie dagen had ze bijna
gepraat--zocht de logeerkamerhoeken af, keek _onder_ 't bed, keek
in de kasten. Toen mijmerde ze--bij de kaars. 'r Gewoonte-dingen,
't kammen van 'r piekerig geel haar, 't wriemelen van 't vlassig
vlechtje, 't wentelen van den veter, deed ze in afwezigheid. 'r
Gedachten waren bij 't visioen, 't schrikbeeld, 't klepperen der
zes en dertig vleugels, 't gelach voor 't dakraam. Den heelen dag,
machinaal schrobbend en redderend, had ze de benauwenis hervoeld,
't doodsangst-oogenblik in 't dakkamertje. 't Licht der kaars,
zacht-zwabberend vlammetje, wieglend op 'r adem-beweeg, zwol schaduwen
langs 't behang, schaduwen tegen 't plafond, schaduwen op de witte
bedgordijnen. 't Huis was één pijnigende stilte. Meneer, mevrouw,
juffrouw Amélie, Kobus--alles sliep. In de benedengang tikte de
klok, zwaar van klepel-gang. Nog eens keek ze in de hoeken, _onder_
't bed, in de kasten, _achter_ de gordijnen--toen ging ze te bed,
met kouwe voetklompjes in verstarde sokken--liet de kaars branden,
wat niet mocht, wat meneer streng verboden had.



[Illustratie: .... "Toen ging ze te bed, met kouwe voet-klompjes in
verstarde sokken--liet de kaars branden, wat niet mocht, wat meneer
streng verboden had....", zegt de auteur. De uitgever verlangde dit
dramatisch moment in beeld--de behendige illustrator, 't niet
geoorloofd vindend critische opmerkingen in te lasschen over den
zonderlingen zinsbouw en de gewilde woordkeus, meende zoowel de _kouwe
voetklompjes_ als de _verstarde_ sokken te moeten verwaarloozen. Daar
zijn zaken die de aesthetika verbiedt te teekenen. Te over herhaal 'k
de meditatie, dat de schrijvers van den tegenwoordigen tijd, met al
hun buitenissigheden en hun verslordiging der Natuur, studies nààr
die Natuur bijkans onmogelijk maken. Ik vergenoegde mij met het bed A,
het dek D, het nachtkastje B, het vloerkleedje C. De bedgordijnen,
de peluw en de kaars acht 'k voortreffelijk geslaagd.... "Uit niets
blijkt zoozeer de beteekenis en diepte van een meester, als uit zijn
begrip en behandeling van de lijn; niets spreekt luider en duidelijker
van den krachtigen of ontzenuwden toestand van eenige kunstperiode,
dan haar teekeningen in lijn. Lijnen zijn de zenuwvezels van de kunst,
het geheele lichaam verbindend en beheerschend...." betoogt _Walter
Crane_ in zijn _Claims of decorative_ art--ik, die woorden tot de mijne
makend, heb mijn gansche _ziel_ in Chris' bedgordijnen gelegd, met
liefde en perspectivische kennis het bed geteekend. Welk een speling
van schaduwen! Welk een massieve structuur! Welk een smijdigheid
van stof! Welk een strenge eenvoud in het nachtkastje! En welk een
droevige jammer dat zùlk een volkomen techniek, zulk een teerheid
van behandeling, zulk een volheid van observatie, zulk een artistieke
toets van de pen met _Neelmeijer_, naast deze bladzijde 66 _verloren
gaan_, onmiddelijk bezwadderd worden door de stuitende woorden van
den auteur:.... "_Zij snurkte er op los_...." Enfin, de _uitgever_
moet 't weten. Ik houd mij koel en 'r buiten. S. F.]



Voor geen goud had ze in 't _donker_ geslapen. Schijnbaar wakker,
telkens met àndere onrustige droomen, snurkte ze er op los. 't Kaarsje
knetterde, dee 't papier opvlammen--'t papier begon te spelen met
't bedgordijn.... Op dat moment geschiedden twee wonderen--Chris
schrikte wakker, vloog (figuurlijk) naar het raam--en een pruimende
politieagent passeerde. Chris gilde het woordje "brand!" en het
driehonderd-zevend alarm doorklaagde het dorp, terwijl Chris,
weder teruggevlogen (figuurlijk), het bedgordijn afrukte en vol
tegenwoordigheid van geest in een deken begroef.

"'t Is al gedaan!", schreeuwde ze weer uit het raam.

Maar men speelt niet met vuur en nog minder met een nieuwe, met
rood-koper gemonteerde spuit, die nog nimmer _in_ 't vuur is geweest.

De brandhoorns joegen paarse klachten door 't dorp--dreunende
voetstappen bedaverden de keien--de gebeurtenis wàs er.

In nog geen vijf minuten werkte spuit I, werden de toegangen tot de
Zwaluw-villa afgezet, klommen _rappe_ gasten in Chris' kamer.

Er was een geparfumeerde brandlucht--er _smeulde_--er wérd gespoten.

De Burgemeester, hoofd van de Brandweer, met al de wethouders, was
ter plaatse.

Met een rooden bandelier om de borst, beklom hij de logeerkamer
en nou-ie 'r ambtshalve was, ambtshalve róók, ambtshalve uit z'n
bed was gehaald na een vermoeienden dag van trouwplechtigheden en
raadsvergadering over-rioleerings-klachten, nou most-ie ook ambtshalve
proces-verbaal opmaken en beval den eigenaar te wekken.

Chris, heelemaal gerust door zóóveel mannen met _bijlen_ in de
omgeving, alleen bang voor 'n geweldigen uitbrander, ging naar boven,
klopte.

Geen geluid.

Geen van de slaapkamers gaf antwoord en Kobus' bed was ònbeslapen.

Doodelijk-bleek strompelde Chris de trappen terug, doodelijk-bleek
werd de burgemeester, bij 't angstig vermoeden dat de familie boven
door den rook was _gestikt_.

Zulk een gruwelijk gebeuren had de plaats nog nimmer beleefd.

Bij 'n verbrande koe bij van Galen en 'n dooie kanarie bij Germs--zwak
binnenbrandje, drie jaar geleden--was 't gebleven.

Dit, die zwijgenis in de slaapkamers van drie _notabelen_ en van _een_
ondergeschikte, gaf 'n afschuwelijk vermoeden.

Vergezeld van twee politieagenten, een wethouder en den
gemeente-geneesheer, die spuitmeester van spuit I was, besteeg-ie de
trappen, klopte, nog eens en opende de deuren. Zoet droomleven van
kuischblanke bedden, onbelegde nachtkastjes, geordende stoelen.

"Dan is de familie uit," zei de burgervader met een _ontprangde_ borst.

"Nee," huilde Chris, "de buitendeur is op de grendels...."

"Onmogelijk," sprak het hoofd der gemeente, doch dalend in de gang
beneden, zag-ie met de twee politieagenten, met den wethouder,
met den gemeente-geneesheer dat het Amerikaansch slot was gesloten,
dat de ketting in de haken rustte.

"Vreemd"--, zei de burgemeester, na eene stilte.

"Angstig"--, sprak de dokter.

Nog eens gingen ze gezamenlijk omhoog, elke kamer door-snuffelend,
elke kast openend, tot aan den zolder toe. Daar vonden ze Kobus in
'n hoek op 'n matras.

"Bedwelmd--zònderling," zei de dokter, den pols van den bediende
aanvattend.

Kobus werd wakker.

"Wat is 'r? Wat mot je?"--, zei-ie slaap-verschrikt.

"Wat doe je hièr? Waarom lig je niet te bed?"--, vroeg de burgemeester
gestreng.

"Dat weet 'k niet," zei Kobus onnoozel.

"En waar is de familie?" drong de burgemeester aan: "'r is beneden
_uitslaande brand_ geweest!"

"De Familie," hakkelde Kobus, zich in z'n slaapdronkenheid
verpratend--de afspraak was dat ze tegen 't dakraam zouen klòppen--"de
familie is _gevlogen_..."

"Gevlogen!--," schrikte de burgemeester, "waarom gevlogen?"

"Dat weet 'k niet," zei Kobus nog eens.

"De vent is dronken," veronderstelde de dokter.

"Maar ze moeten toch èrgens zijn," redeneerde de burgemeester: "'t is
'n lamme, vèrdàchte historie--bijzonder verdacht."



Terwijl dit _detective-story_-geraas de rust van _Casa Cara_ benéden
de dak-spinten aan scherven smeet, fladderden de _Zwaluwen_ in wijde
cirkels om 't overrompeld nest.

Meneer peddelde opgewonden-vloekend, de gemeenste scheldwoorden
neerknettrend op de hoofden der Brandweer.

Mevrouw, bek-af, hijgend als in 'n tredmolen, had al 'n paar maal op
't dak van de dorpsschool gerust, maar de wind, lang niet dociel,
maakte 't zitje ongenietlijk en de goten walmden luchtjes om wee van
te worden. 'n Schande zooals overal de goten verwaarloosd waren--de
meiden leegden 'r àlles in--haardotten kleèfden aan je bottines--'n
tiendubbele schànde!

Amélie, die 't geval _éénig_, om te zoenen vond, die wel den heelen
nacht had willen _trainen_, gedragen op de vleuglen van geestdrift
en ambitie, liet pa vloeken en ma blazen.

Kalmpjes achterblijvend of klepperend in 'n andere richting, neuriede
ze sentimenteel-verliefd toepasselijke liedjes.... "Auf Flüglen des
Gesanges, Herzliebchen trag' ich dich fort"--of "Ich wollt' ich wär'
ein Vögelein...."--of "Klein vogelijn op groenen tak...."

"Hou op met je gezeur!"--, gromde meneer, "zing als we in hùis
terug zijn!"

Dan zweeg ze even, tot 'r 'n nieuw Hemel-ruim-gezang inviel en ze
plots tot 'r allerprettigste verbazing hèt Lied voor de situatie te
pakken kreeg.

Langzaam, op de maat peddelend, bleef ze in één dreun voortneuriën:
"Zwaluw, hóóg in de lucht--waarheen is uw vlùùùùùcht!".... Ad-rem-mer
kon 't niet. 't Scheen zoo aan het lijf der familie gedicht. Langs
de schoorsteenen rondom, over de daken rondom, tusschen de boomen
rondom, onder de knikkelende sterren rondom, fladderde ze luchtig
als 'n veertje, zich niets aantrekkend--hemeltjelief, pa was naar
àlle kanten geassureerd!--en zong 't lied met z'n stijgende bekoring
"....Zwaluw, hoog in de lùùùùùùùcht...."

Ze werd heelemaal dartel, uitgelaten als 'n kwajongen.

Als 'r in 't wolkenruim schelknoppen geweest waren, zou ze 'r pret in
fopschellen gezocht hebben. Dat ging helaas niet. Veel baldadigheid
viel 'r in de eenzaamheid niet te bedrijven. Hoogstens kon ze wat
peerdrupsjes naar de menigte benee meppen--'t heele toetje waagde ze
'r an, maar niemand die 't bij de sterren zocht.

Toen probeerde ze nog even op 'n telephoon-draad te loopen, netjes
'r voeten spitsend, vlug als Blondin, tot de draad knapte en met den
knal van 'n champagnekurk in krullen flapte.

"Kind," zeide ma, thans werklijk uit 'r humeur: "je stelt je an als
'n kwáje meid!"

"Ma, neem u alles zoo zwaar niet op!", lachte Amélie en weer
voort-peddelend, haalde ze als 'n nachtegaal uit: "Zwalùùùùùw hoog
in de lùùùùcht..."



't Werd dik halftwee eer de nieuwe spuit I met de romaneske toortsen
afzakte, eer de burgemeester het logeerkamer-raam eigenhandig
toebonsde.

Nog was de bons niet verstorven of Kobus smeet 't zoldervenster open.

"Wat is 'r gebeurd?"--, bulderde meneer, hartstochtelijk
binnen-vliegend.

Mevrouw te op, streek op de drooglatten, hijgend op flauw-vallen toe.

Koorts-haastig vertelde Kobus van 't brandje, van den burgemeester,
den geneesheer-spuitmeester, de binnenwaarts gegrendelde deur.

En zelfs Amélie werd nu ernstig. Weken 'n geheim te bewaren en op
zoo'n ongelukkige manier tegen de lamp aan te vliegen, waarlijk te
vliègen, dat was wel 't miserabelste wat je je denken kon.

Kobus, bleek-geeuwerig, hielp de draagriemen afsnoeren, zette 't
laddertje tegen de droogstokken voor mevrouw.

"Die ellendige Chris....," radde mevrouw 'r toorn-aanloopje nemend. Ze
zweeg in luistring en allen luisterden. Buiten, in de lieve Ruimte
die ze pas verlaten hadden, begon de dorpstoren z'n vroegtijdig,
angstig brandalarm van zwaar-nadreunende slagen nou 't gedaan was.

"Die ellendige ouwe suffer," zeide mevrouw nog eens en wéer
hield ze op met 'n kermend angstgilletje. Want nou Kobus 'r
vliegmachine onttakelde, zag ze op een der vleugels 'n leelijken,
dikken, zwart-kriebelenden nachtuil, die met z'n eenen poot in 't
aluminium-parallelogram verward zat. Spinnekoppen en die schuw-enge
beesten, daar was ze als de dood voor.

"Je eerste vàngst in de lucht," glimlachte meneer tegen den ernst
der situatie in: "zoo zou je waarachtig kunnen jágen, kind...."

"Maak geen gekheid," zeide mevrouw in diepste moeheid, geprikkeld, en
zéer onder den duisteren indruk der klokketonen: "'k zeg 'r dadelijk
de dienst op."

Driftig liep ze de trap af, beklopte de deur der logeerkamer.

"Wie daar?"--, vroeg Chris, met kroppende angst-mannestem.

"Ik! Mevrouw! Doe open!"

Chris zat op bij 'r kaars--'n nieuwe--die wild-wapperend week op
den tocht der deur, daar ze voor alle veiligheid 't raam weer had
opgeschoven, wachtend op de vreemdverdwenen familie.

Meneer, Amélie, Kobus, 't heele huishouden trad binnen.

"Wat heb je in 's hemelsnaam voor gekke streken uitgehaald?"--,
driftigde mevrouw: "je kan mòrgen...."

Voor de derde maal in 'r discours werd ze gestoord.

Chris, achteruitdeinzend naar 't open raam, 't raam met z'n geweld
van brandalarm-klokkeslagen, snerpte 'n fel-fluitenden gil. Want de
familie zoo inééns uit de lucht gevallen en mevrouw en de juffrouw
met ouwe broeken van meneer an--dat was nou is geen nachtmerrie,
maar een alleronfatsoendelijkste werkelijkheid.



[Illustratie: Dit is de klok, de klok van den dorpstoren, die alweder
volgens den auteur: "z'n vroegtijdig, angstig brandalarm van
zwaar-nadreunende slagen begon, nou 't gedaan was." 'n Niet-deskundige
--en helaas de heele tijd is vol van leeken, die hun opinies over alles
en nog wat publiceeren--'n niet-vakman zal bij geen benadering kunnen
beseffen hoe de illustrator bij het _scheppen_ dezer _intellectueele_
teekening, getrild, gezwoegd, getranspireerd en geleden heeft. Ofschoon
men over die _struggles_ zwijgt, gevoel ik mij toch gedrongen te
verklaren, dat 'k mijn klok en mijn klepel _vièrmaal_ opnieuw in studie
gezet heb, voor 'k eenige artistieke zelfvoldoening smaakte. "Ornamentiek",
spreekt _Walter Crane_, dien 'k vroeger reeds citeerde: "is geen wis-
of meetkunde, maar er bestaat voor ornament een zekere logica van
lijn en kleur, die, gegeven zekere fondamenteele vormen, bepaalde
noodzakelijke gevolgen eischt".... Bij het schetsen van mijn klok
en het in beeld zetten van een _vroegtijdig, angstig brandalarm
van zwaar-nadreunende slagen_, gewerd mij de gelukkige ingeving
dat alarm te _symboliseeren_. En daar in 't algemeen het groote
publiek, hoe verlekkerd 't ook op symbolen is, eene verklaring noodig
heeft--alleruitnemendst zorgt hiervoor de Heer Van Logchem op de
programma's der "Koninklijke Vereeniging"--haast ik mij der lezeres
te verzoeken de _golvingen van ontzetting_ (angstig brand-alarm), die
uit het lichaam van mijn klok over 't slapend dorp dreunen en klotsen,
nader en met aandacht te aanschouwen. Immers de kunstschepping _ook van
terzijde_ bekijkend, zal men ontwaren--en zulks duidelijker dan bij
_Jan Toorop_, die er raak op los baant--dat mijne onthutsings-banen,
nood-banen, angst-banen, haren-te-bergen-folterende banen, in haar
slingeringen en woeste beukingen een oneindige reeks!!!!!!!!!! en een
nog oneindiger reeks?????????? bevatten. Kan men een _angstig_ alarm,
gruwelijker symboliseeren dan met!! en met??... Zoo is het leven,
wreed, rauw, vraag en roep. S. F.]



"Wat gil je, krankzinnig mensch!", vloekte meneer.

"Mevrouw loopt in 'n bróek!", klaag-huilde Chris.

In de hitte der vuurlooze gebeurtenis hadden ze allen 't sportkostuum
vergeten en in de nieuwe hitte van diè ontdekking werden ze nòg
verrast door 't hoofd van 'n politieagent, die over 't kozijn keek
en met _gezag_ an z'n snor draaide.

"Is 't weer gaan smeulen?"--, vroeg-ie vluchtig aantikkend.

"Nee! Donder op!", vlàmde meneer.

"Waarom gilt die meid dan zoo?", redeneerde de agent: "en hoe kom u
't huis binnen? 'k Ben op order van de burgemeester niet van de deur
geweken--dat mot 'k verantwoorden...."

"We zijn àchter binnen gekomen," loog Pieter Zwaluw, driest 'n achter
fantaseerend dat niet aan 't huis was.

"Zoo," zei de agent, "dan is 't goed--dan is 't goed." Weer tikte-die
aan, tegelijk wenkbrauwfronzend naar mevrouw en de juffrouw in
de mansbroeken kijkend. De burgemeester had gelijk. D'r gebeurden
schunnige dingen in 't huis--as ze 's nachts halftwee door 'n achter
dat geen achter was binnenkwamen en as de vrouwspersonen gebroekt
liepen. Hij zou 't rapporteeren.

"Hier heb je 'n gulden," praatte meneer, die 't oogenloeren gezien had,
erg lief van toon.

"Dank u," zei de agent achterdochtig

Z'n zware spijkerstappen dreunden heen in de stilte van
schrik-geslagenheid en somber klokgezweef.

Even was het in gebaar en klank, 't innerlijkst wezen van 'n drama
vlak voor de pauze, als de menschen 't hèbben moeten.

Toen werd van alle zijden op arme Chris losgerammeid, de nul van
'n meid, de sukkel die 'n deftige familie op de tong bracht, de
stommerik die niet begrijpen kon, dat meneer en mevrouw en de juffrouw
'n _luchtje geschept_ hadden, wat Kobus bezwoer....

Boven liep meneer verwoed op en neer. De torenklok bimde, bamde over
't al slapend dorp. Elke klepelslag gromde 't schandaal heftiger in
de gemoederen, dee de brandblusschers langer napraten. Je zou zoo
't raam uitvliegen om den kippigen vent, die nog wel 'n uur an 't
touw zou trekken, te waarschuwen. Heel kort had-ie den inval om den
burgemeester telephonisch op te schellen. Hij zou z'n praatje wel
maken, brutaal liegen dat ze hier of daar waren geweest. Jawel! 'n
Ongeluk komt nooit alleen. Natuurlijk had Amélie juist den draad van
_Casa Cara_ stuk geloopen--de kwáje meid--de onnadenkende.

's Nachts twee, ruzieden ze nog bij 't plechtig gebeier buiten. En
eerst te bed, 'n weinig bekomen van zooveel avontuur in-eens, hervonden
ze kalmte, uitvluchten, rust en droomen.

Meneer bouwde 'n stevig leugenstel, met z'n vrouw, z'n dochter en
Kobus als getuigen.



[Illustratie: ...., zijnde A. de Fuik--B., de heer P. E. Zwaluw van
ònder--C. D. en E, schoorsteenen, de rest _vliegend, in doodschrik
opgejaagd gedierte_. Kon 'k bij vroegere illustraties inspiratie
bij de _werkelijkheid_ zoeken, hetzij een glas, hetzij een dak van
'n overbuur, hetzij den staart van 'n kat, hetzij het nachtkastje
uit m'n slaapkamer, hetzij zelfs 'n vergroote huisschel, tot
actief voorbeeld stellen--de benauwde droom van mevrouw Zwaluw,
met 't gezwerm van wilde eenden, spreeuwen en lijsters, deed een
wanhopig beroep op de _fantasie_ van den teekenaar. Door op den laten
nacht zwáár te eten, heb 'k getracht mijzelven eene nachtmerrie van
gelijke woekerende draagkracht te bezorgen. Zònder gevolg. Eten op den
nacht pleegt me goed te bekomen. Onmiddelijk na 't koel ochtendbad,
heb 'k mij op dezen fantasie-arbeid geworpen--met een waarlijk
gunstig resultaat. Men gelieve wilde eenden, spreeuwen, lijsters
enz. _naar eigen lust te herkennen_. En wie zich geroepen voelt over
dit inspannend werk te smalen of er afkeurend over te spreken, die
beproeve het zèlf met fantasie en _Neelmeijer_. Ja, voorwaar! Er is
niet één proza-kunstenaar binnen de grenzen van dit land, die mij in
gedrochtlijke teeken-fantasie benadert of overtreft. Ook dat is een
maatstaf. S. F.]



Mevrouw dróómde benauwd en hideus. De nachtuil zat 'r dwars. Ze
vloog door de Ruimte, opgehitst door kol-oogende vleermuizen en
uilen--'r man voor 'r uit was op de jàcht. Die trok 'n fuik achter
zich aan, al maar peddelend en klepprend--de fuik vulde zich met
wilde eenden, spreeuwen, lijsters--'t werd 'n zoo raak geschreeuw en
gekakel van gevangen, spartelende vogels, dat ze stikkend opstutte
en moeite had 't nachtkastje met 't oliepitje en meneer's revolver
te herkennen. Uitgeput sliep ze in, droomde nòg eens van de vreemde,
beangstigende jacht boven de schoorsteenen....

Amélie, met de onbezonnenheid van jeugd, lei gelukzalig te
glimlachen. Als ze 'r oogen sloot, vloog ze nog, voelde ze de
suizing van den wind, zag de boomtoppen en daken in glijding
vervloeien. De handen gevouwen onder 't hoofd, poogde ze 't hééle
lied van de zwaluwen uit de lang geleden dagen der Zwaanssteeg te
reconstrueeren, 't lied waarvan ze den metrischen vorm lichtlijk
vergeten was. Zachtjes-dommelend neuriede ze 't nog, 't héérlijk
vers, eens in achterbuurten ver-hartjesdagd en verhanseld, 't
vers dat zin en poëzie begon te krijgen: "...Zwaluw... waarheen
is uw vlucht?... Hóóóóóg in de lúúúúcht!.... Moedig langs bergen
en dalen.... Waar 'k mijn voedsel mot hàààààààlèèèèèèè!.... Zwaluw
waarheen is uw vlucht?.... Hóóóóóg in de lucht!...."

Half drie sliep _Casa Cara_ algeheel, zelfs Chris, die de emotie van
mevrouw en de juffrouw-in-mansbroek versnurkte.

De laatste slagen der torenklok stierven in angstige klaging....



VIJFDE KAPITTEL.

STOORNIS IN DE ATMOSFEER.



                                    "Wat is er van den nacht,
                                    O Wachter! welk een dag
                                    wordt aan de kim verwacht!"

                                                    (Isaäc da Costa.)



De eerste dagen bleef de familie hokvast, honkvast.

Veel besproken in 't dorp, was de verstandigste tactiek 't gekakel
te laten _bezinken_. De burgemeester, die ambtshalve op bezoek was
geweest, had 'n allerzonderlingste verklaring geslikt, 'n verklaring
die positief _verdacht_ scheen, doch waaraan je niet _officieel_ kon
twijfelen, omdat je 'n zoo duistere zaak van _verdwenen_ menschen,
die plots met _broeken_ aan (rapport van 'n betrouwbaar brigadier)
terug waren gekeerd, niet een-twee-drie òntduisteren kon en daarenboven
het feit dat de familie nièt _gestikt_ was, op zich zelf eene publieke
verheugenis werd.

Het weer hielp 'n handje mee, om de aandacht te verplaatsen. 'n
Allergeweldigste storm stak op, twee dagen, drie nachten. Voor 't
stadhuis werd 'n boom ontworteld, 't regende dakpannen, drie-kwart
van de straatlantaarns woei stuk.

Die _ontzettingen_ deeën de menschen thuis blijven en achter
damp-bleeke ruiten over ongelukken en akeligheden praten.

't Brandje bij de _Zwaluws_ raakte op den achtergrond--de _Zwaluws_
zelf vertoonden zich niet.

's Avonds in de leuke huiskamer, ná 't eten, bespraken ze 't gebeurde
en de toekomst. De wind omgierde de villa, floot joelend en dreigend,
brak takken, dee de behangselwanden golven. 'n Uitgezocht weer voor
luchtpeddelaars om te schuilen als de vogels--en kostelijk te praten.

Mevrouw, eenigszins vermoeid, met spierpijnen in de kuiten en
'n niet malsche verkoudheid--te bezweet had ze op 't tochtig
schooldak gerust--luisterde half--meneer, versch van optimisme,
zei _clairvoyante_ dingen bij 'n globe, die-ie door Kobus uit de
stad had laten halen. Want nou je de verrukkingen van 't Heelal
wist, nou je niet langer aan voetpaden en klinkers gebonden was,
nou 't ongekend terrein van planeten en melkweg voor je open lag,
nou diende je de aarde een weinig _en gros_ te aanschouwen.

"Zie je, Amélie," zei-die in klare gedragenheid, z'n pink op Holland
leggend: "as je van Amsterdam links in de Ruimte peddelt, krijg je
eerst Engeland, dan Ierland, dan de Atlantische Oceaan, dan Canada,
dan de Stille Oceaan, dan Japan, dan China, dan Perzië, dan Turkije en
over Duitschland kom je weer thúis. De reis om de wereld in tachtig
dagen! Abah! Niks meer waard! 'k Neem aan van de Noordpool naar de
Zuidpool te peddelen in 'n rèchte lijn, zonder 'n haperingetje--van
Spitsbergen over Finland naar Griekenland, van Griekenland over
Tripolis naar de Congo en over Kaapstad naar de àndere pool."

"Dat doe jìj dan maar alléén," zei mevrouw nuchter, met water-beloopen
oogjens: "'k heb van me toer òm 't huis zat genoeg"....

"Dan toer jij ìn huis," antwoordde Piet; "je hoeft ook niet òveral
mee"....

"Dat zit," zeide mevrouw ordinair: "as jij alléén van de Noordpool
na de Zuidpool gaat, kijk je an de Noordpool en an de Zuidpool enkel
de zòlderkamers binnen--net as vooreergister--of 'k 't niet gemòrken
heb! 'k Stop me oogen in me zak!"....

Meneer ontweek de hatelijkheid.

'n Vrouw blééf vrouw. 't Leven kon zich tot in verfijning
moderniseeren, wonderlijk stijgen van Trekschuit naar Vliegmachien en
'n vrouw maakte die wereld-schokkingen als 'n _grùtter_ mee.

Hoe kòn men an 't áárde-ding zòlderkamer denken, als de bevleugelde
geest (_l'esprit ailé_) den aardbòl omspande.

Nooit had ze 'm _begrepen_--nooit grétig meegewild. Bij 't vertimmeren
der pui, na vader's dood, toen zijn idee de _Charcuterie hollandaise_
tot eene moderne zaak had geheven, was ze vol kleine, zure bezwaren
geweest.

Vandaag, bij de globe, vandaag omringd door Mercurius, Mars,
Venus, Uranus, Neptunus, Saturnus, Jupiter en de millioenen andere
glimgelegenheden des hemels, vandaag, nu zijn arendsblik den afstand
van Amsterdam naar Java mat, nu 't 'm als 't weten-des-doods zoo rijp
werd, dat voortaan geen hollandsche regeering stapel genoeg zou zijn om
kolonialen via langzame schuiten naar Atjeh te zenden--vandaag ging 'r
opnieuw de dompende benauwenis van het _niet begrijpen_ van haar uit.

In de eerste huwelijksjaren, als alle groene echtgenooten, zou-ie zijn
opgevlogen (figuurlijk)--nu, eenigszins meelijdend, zei-ie ingehouden:

...."Kind, wees niet zoo _klein_! De heele wereld ligt voor ons open
en jij kijkt naar goten en dáken! Je snapt nog maar hàlf welke gróótste
revolutie los gaat barsten"....

Starend, als 'n ziener, 'n verklarend profeet gelijk, dronk-ie van
't héét avondgrogje, dat Amélie klaar had gemaakt (zie óók illustratie
op blz. 28).

"Gesteld," sprak-ie, met de lippen smakkelend: "gesteld dat over
twintig jaar iedereen vliegt, zooals nou ièdereen fietst--over twintig
jaar huur je zoo goed vliegmachines als nou fietsen--over twintig jaar
krijg je rechtszaken over gegapte vleugels--gesteld dat wij dan nog
gezònd mee kunnen doen, ouwetje, dan zul je je oogen niet gelooven"....

Weer wees z'n wijsvinger 'n rechte lijn op de globe, weer gaf-ie z'n
_geniale_ invallen....: "Reken is an--hièr, die bleeke broodkruimel,
da's Holland--en daar bij den staart van Engelsch-Indië heb je òns
Sumatra, òns Java, òns Borneo. Wat hebben we daaran tot vandaag toe
gehad? Geen sikkepit! Zes, zeven weken noodig, telkens, om 'r mannetjes
heen te zenden! 't Kanaal van Suez kun je voor mijn part laten
verzanden. Geef 't heele dappere hollandsche leger vliegmachines en we
peddelen _linea recta_ over Duitschland en de Zwarte Zee, over Perzië,
Hindoestan en de baai van Bengalen naar onze Oost. Wat? Subliem! Ja,
daar trek jij noù malle gezichten bij! Haha! Zoo zeker as tweemaal
twee vier krijgen we naàst 'n spoorbrigade--wat 'n fameuze kerel, die
Kuyper!--tientallen regimenten _Vliegende kolonialen_. Dan is 't uit in
Atjeh, radikaal uit. Laten de vlerken maar in de bergen vluchten--wij
vliegen bòven de bergen en tracteeren ze op dynamiet-bommen! Omgekeerd:
reken is an, denk is na, nee val me nou niet in de rede--òmgekeerd,
as de Duitschers voor de waterlinie liggen, zenden we op ons dooie
gemak 'n draadloos telegram na Batavia en eer ze d'r op verdacht
zijn, rukken onze Indische regimenten aan, door de lucht, in gesloten
gelederen--door de lucht--door de gòddelijke lucht,...."

Z'n zienende oogen staarden in 't electrisch licht, z'n wangen plooiden
zacht van glimlach.

"Pa," zeide Amélie bescheiden: "maar als de Atjehers en de Duitschers
tegen dien tijd òòk vliegen--wat dan?"

"Dan," zei Pieter Zwaluw; "dan krijg je in de wolken vèld--nee,
vèld kun je dàn niet meer zeggen--dan krijg je wòlkslagen--zooals
in de oude tijden màn tegen màn--de zware kanonnen moeten ze benejen
laten en met 'n geweer doe je niet veel, als je vliegt. In elk geval
wij kunnen de andere volken vóór zijn--dat zal van de regeering,
't verlicht gouvernement afhangen"....

"En als de Engelschen vliegmachines in Atjeh binnensmokkelen,"
droomde Amélie.

"Dàt zou wat voor de Engelschen zijn," praatte pa driftig en
denkend aan wat in Transvaal gebeurd was, strekte-die de armen
in begeestering voor zich uit: "ja, als we nou wóúen, als we nou
anpakten--dan konden we ze àlles betaald zetten, àlles terugnemen
wat ze gemoerd hebben. In één nacht vliegen we met tienduizend man
van Vlissingen naar Queensborough--wie kan ons tegenhouen?--in één
nacht hebben we Engeland in onze macht. Als ze troepen mobiliseeren,
laten we bommen vallen--maling an internationale wetten!--als ze zich
in vestingen opsluiten, vallen wij van boven aan. Dat zal wat anders
worden dan de tocht naar Chatham! In vier-en-twintig uur knippen we
alle telegraaf- en telephoondraden door--eenvoudig met 'n stevige
schaar--'t werk van de vliegende Sappeurs--niks, niks is tegen ons
bestand--geen oorlogsschip, geen leger! En omdat we 't zoo vlug doen,
wordt 'r geen _druppel bloed_ vergoten"....

Buiten adem nam-ie 'n slok van z'n koudgeworden groc, plonste bij de
tafel in z'n stoel.

Amélie keek droomerig in de electrische lamp.

Mevrouw, zwaar-verkouden, bibberend van koorts, _geeuwde_.

Toen kwam Chris tafeldekken voor 't boterhammetje met kaas.

En terwijl buiten de storm kwaadaardig loeide en daverde, begonnen
ze paisibel te happen, ma slaperig--pa en Amélie met oorlogzuchtige,
felle gemoederen.

Zoolang de storm aanhield, bleven ze 's avonds huiselijk
fantaseeren. Eerst den volgenden Vrijdagavond hernamen ze hun tocht.



ZESDE KAPITTEL.

PERROL MET DE ROODE HAND.



                    "Eens heb ik de dalende zon gevraagd te wachten,
                    Eens heb ik van dichte-nachtschaduw
                    Het luchte, vluchtige vlieden beklaagd--
                    En nu!--En nu!"....

                                             (Ellen, Fred. van Eeden.)



"Als 't vannacht wéér lukt," zei de heer Zwaluw, z'n riem toe-gespend
op zolder: "dan inviteeren we nog déze week burgemeester en wethouders,
den Raad, den dominee, den notaris, den dokter en dan geven we in
besloten ruimte op klaarlichten dag een _séance_."

't Langer in stilte, als inbrekers, te doen, leek niet verkieslijk en
daarenboven de toestellen waren zoo uitnemend en zulk een verrassing
voor de menschheid, dat het in zekeren zin plicht werd, de openbaarheid
te verhaasten.

"Hoe laat mot 'k 't zolderraam openmake?"--, vroeg Kobus.

"Dat laat je anstaan," zei meneer: "ga rustig na bed en hou 'n oog
op Chris. We zullen ons zelf helpen als we terug zijn."

"Dan wensch 'k u goeie reis," zei Kobus, blij dat-ie niet behoefde
te wachten.

Het was een zwoele zomeravond, zonder 'n zuchtje.

De lucht was bijna transparant.

De sterren smachtten--de maan, in 'r laatste kwartier, glimmerde
hollandsch-zindelijk, zonder 'n roestplek of wreef.

De geheele natuur, dien bekoorlijken avond, dee zoo smetteloos aan als
'n versch geboende dorpsstraat.

De boomtoppen, ordlijk, _gecoiffeerd_, kuifden als kropsla achter
'n schutting--blaadren noch takken hadden 'n ritsling.

Uitgezochter weer voor 'n tocht was ondenkbaar.

Meneer, smakelijk rookend, vloog voor-op, allergezelligst van
humeur. An z'n stuurrad bungelde 'n pakje door mevrouw en Amélie
bereid--'n halve kouwe kip, 'n bus sardines, wat gesmeerde broodjes en
'n stuk leverworst.

Amélie had 'n flesch wijn an 'r ballast-haak. Als de tocht wat langer
duurde, zouen ze ergens rusten en nachtlijk picnicken. Je kreeg
'n geweldigen eetlust van dat peddelen in de ozon-rijkste lucht.

Mevrouw had 'n acetyleen-lantaarn meegenomen.

Zoo toe-gerust hadden ze den heelen nacht voor zich--tot de
morgenschemering ze zou verjagen.

Het dorp verdween in de dùisternis.

'n Enkle boerenwoning stak 'r dak door 't groen.

Dan werd 't de heerlijke eenzaamheid van 't bosch.

"Piet, kan je zoo niet verdwalen?"--, vroeg mevrouw: "'k zou liever
bóven den weg blijven"....

"Nee," zei hij, 'n kompasje voor z'n brandende sigaar houdend:
"we vliegen prachtig zuidwestelijk--in 'n kwartier zijn we bij de
ruïne van _Koepelsteyn._ Dáár binden we af."

"De ruïne van _Koepelsteyn!",_ riep Amélie: "o, pa, da's 'n heerlijke
inval!"

"Piet," aarzelde mevrouw: "'s nachts op 'n verlaten ruïne, daar ben
'k niks op gesteld"....

"Mènsch," redeneerde Pieter: "uitgezochter kùn je 't niet hebben. Boven
op den stompen toren gebruiken we ons souper, rook 'k 'n sigaartje
en dan peddelen we kalm terug. D'as je toekomst, 'r Zal nog heel wat
profijt van torens getrokken worden"....

"Nou Piet," zei mevrouw nog eens: "_ik_ bleef liever in 't bewoonde."

"O die ma!", lachte Amélie: "waar kun je 's nachts veiliger zitten dan
òp 'n toren. En hij is veel dichter bij dan 'k dacht--daar is-ie al!"

Werklijk in 't duister werd de ruïne voor hun geoefende oogen
zichtbaar.

De zware, gebrokkelde muren donkerden omhoog en de toren, bijna gaaf,
plompte z'n massief silhouet in den sterrenhemel.

Het was eene schoone ruïne, verborgen in 't weelderig groen, vroeger
'n roofburcht geweest of 'n klooster.

Er achter was 't kerkhof van 't dorp.

Nooit kwam iemand op 't plateau van den toren. Eénmaal in 't jaar,
op koninginne-verjaardag, klom 'n doodgraver langs de vermolmde
trappen en plantte de vlag.

Benee, achter de zware deuren, werd 't gereedschap van 't kerkhof
bewaard.

Niet ten onrechte huiverde derhalve mevrouw, toen ze naast 'r
man nederstreek op de glibberige planken en 'n aantal uilen,
nijdig-schreeuwend, heenstoven.

"Goddelijk--dolletjes," lachte Amélie: "nou nog wat spoken, pa,
en de picnic is volmaakt!"....

"Ziezoo," zuchtte meneer, z'n riem ontgespend: "nou weet 'k wel
zéker dat we 'n uitstapje gemaakt hebben, als vóór ons nog niemand
in Holland"....

"Piet--op me woord--'k ben bàng," sprak mevrouw: "je had me net zoo
goed in 'n kelder kunnen opsluiten en de hemel weet wat voor ongedierte
hier krioelt!"

"Dat zullen we dadelijk zièn," lachte Pieter, uitgelaten, "overburen
hebben we niet, geef me je acetyleen!"

"Asjeblief," zei mevrouw, blij dat 'r licht kwam.

"Zoo," zei hij, met de geweldig-schijnende lamp het plateau bekijkend:
"geen levend insect te zien! Waarachtig de boel is zoo solide als je
maar wenschen kan."

"Mag 'k niet is beneden kijken, pa?"

"Je mag wel, maar je kàn niet," praatte pa vroolijk: "'t luik is
benejen gegrendeld. Zoo, nou gaat de acetyleen uit en steek 'k 'n
kaars op. Anders verrajen we ons nog"....

Mevrouw begon 'r ook schik in te krijgen.

't Was zoo romantisch, zoo allergrappigst dat je in diepste eenzaamheid
's nachts op 'n ruïne _picnicte_, dat ze zelf mee hielp dekken.

De flesch wijn kwam midden op 't servetje te staan--daaromheen de
halve kip, de bus sardines, de worst, de broodjes.

De vliegmachines, netjes gevouwen, leien in 'n hoek.

"Om te zoenen zoo uitgezocht," zeide Pieter. "'k Heb in geen tijd
zoo'n trek gehad!"

Z'n sigaar weg-werpend, dat 't vonken regende--wee, wee!--knipte-die
z'n zakmes open en begon voor te snijden. Soms als-ie de geledingen
niet vond, hield Amélie de kaars bij en als 't kaars vet dan neerklukte
op pa's decoupeerende hand, lachten ze als roovers.

Mevrouw dronk den eersten kroes wijn, dezelfde kroes met de initialen
A. Z. in 't zilver gegraveerd, waaruit Amélie's dorstig mondje melk
met gortwater had gedronken.

"Nou knappen we eerst de sardines," zei meneer, de olieachtige
brokken uit de doos peuterend: "en dàn de kip. De algekloven beentjes
legateeren we aan de schim van _Koepelsteyn_."

"'t Is heusch 'n ààrdig zitje," zei merouw toehappend: "'t ruikt alleen
'n beetje gebrand. D'r kan benee toch niks smeulen?"

"Da's 'n heibrandje wat je ruikt of de kip is aangebrand," zei
meneer, zwaar happend bij 't wapperend kaarslicht, dat z'n gelaat
bizar bevlamde.

"Pa," ginnegapte Amélie: "als de _Leurings_ of de _Spaarns_ u zóó
zouen zien, gingen ze an de haal--u ziet 'r uit als 'n struikroover
bij de kaars"....

"Hahaha," bulder-lachte meneer, z'n zakmes zwaaiend: "denk maar dat 'k
_Koepelsteyn_ ben, de láátste der _Koepelsteynen_! Straks vlieg ik na
benee en sleep den eerste den beste mee na boven! As wij drie willen,
kunnen we hier vandaan de menschen bij hoopen plunderen--geen haan die
'r na kraait. Alle donders, de gemeenste Italiaansche bandiet legt
't tegen òns af. Wij hebben vrij rooven, moorden, schaken...."

"Piet hou op met je ènge praat!", verzocht mevrouw.

Even kloven ze in stilte, ongegeneerd als natuurmenschen.

Toen, door 't dolle heen, hief de heer _Zwaluw_ den wijnkroes
omhoog, en voor 't eerst van z'n leven _speechte_-die studentikoos:
"Vliegers--éérste vliegers van Holland--op de tinne van deze
oude beruchte roofburcht heet ik u welkom. Wij pad_vlinders_ en
menschvogels, kluivend en fuivend, als arenden in 't arendsnest...."

Hij bleef steken, nog niet gehéél op dreef en hij hoefde niet verder
te gaan, want het werd plots zonderling licht op 't toren-plateau.

"Piet!"--, gilde mevrouw.

"Pa!"--, _kreesch_ Amélie.

Snel omkijkend, stikte-die bijna in z'n slok wijn.

De zijden vleugels der vliegmachines stonden in brand, vlamden fel
op en doofden omdat 'r niets meer te branden was.

Doodsbleek waggelde Pieter Zwaluw op de laatste smeuling toe.

"Onze vleugels zijn verbrand," hakkelde-die, de ledige aluminium-latten
voorzichtig betastend; "hoe komt dàt?"....

Eerst antwoordde niemand. Het overweldigende van het avontuur,
't plots vastgeklonken zitten aan den toren van _Koepelsteyn_,
zonder 'n kans je den verachten _beganen grond_ te kunnen bereiken,
de dònderslag van onklare toestellen op de uitgezochtst-verlaten plek,
versteende tong en gebaren van mevrouw en Amélie.

Dat zou ongekend lang geduurd hebben, hadde Amélie niet
bakvischachtig-onhandig 't slèchtste woord voor de situatie gekozen.

"Nee--die is éénig," zei ze perplex.

"Eenig!", barstte mevrouw dàdelijk los, de kippekluif wild
wegwerpend--zéér ondoordacht--: "Eenig, da's je vader z'n stomme
schuld! As-die z'n sigaar niet zoo ruw had gesmeten! Ja, je
sigaar! Enkel je sigaar! De vonken vallen niet uit den hemel! Nee,
maar daar zitten we nou, hoog en droog--hoog en droog!"....

"Ja wèl hoog," zuchtte meneer, elk van de machines bekijkend:
"We zijn gepiept."

Ook die woordkeuze getuigde van avontuur-onervarendheid. Men spreekt
niet van dood in 't huis eens gehangenen, men vermijdt _jargon_ als
'n vrouw óver 'r zenuwen heen is.

"Gepiept," herhaalde mevrouw, naar de beste accentjes zoekend om
'r gèk-van-'n-man te vernederen: "gepiept--gepiept--hij heeft 'r
pleizier in! Had me niet je _krankzinnige_ machines opgedrongen--dan
kon dat alweer niet gebeurd zijn. Eerst brand in 't huis--dan brand op
'n toren. Tweemaal brand! Tweemaal! Mij goed--mij best--as ik maar
niet den naam van 'n _brandstichtster_ krijg!"

De heer Pieter Zwaluw hield waarlijk z'n mond. De logica van z'n
opgehitste vrouw was verbluffend. Eerst verbrande bedgordijnen in
_Casa Cara_--dan verbrande vleugelen op _Koepelsteyn_--'t dee je
benauwend aan 't gestreng-ontstemde gelaat des burgermeesters denken.

"We bòffen niet," zei-ie, na 'n contemplatieve rust: "'k begrijp op
me woord niet dat mijn sigaar...."

"Nee, 't was de mijne," sprak mevrouw bedaard vernietigend: "as je
maar zòrgt dat _ik_ van nacht in m'n bèd kom"....

"Ja, daar dien 'k voor te zorgen," praatte meneer gedwee in den
afgrond náást den toren kijkend.

"'t Is éénig," zei Amélie nog eens zacht.

"Hou je onwijze praat voor je," snauwde mevrouw: "eenig is je pá die
ons in ònmenschlijke ongelegenheid brengt. Ik vraag, Piet--hoor je,
Piet?--dat je maakt dat 'k op me bèd kom!"

"Jawel! Zeker!"--, begon meneer te grommen en de onmogelijkheid
willende betoogen van zúlk een extravaganten eisch, flapte-die 'r
'n spreekwoord uit: "Beter tien vogelen in de lucht as één in je
hand. Je heb maar te kòmmàndeeren"....

Toen, kapot van zooveel tegenspoeden, snikkerde mevrouw er zacht
op los.

Er was reden toe. 't Kaarsje naast 't avondmaal, 'n allerongelukkigst
eindje, stuiptrekte, de norsche wallen van den toren grillig
bevlammend.

De verjaagde nachtuilen, niet snappend welke zonderlinge gebeurtenis
op 't plat geschiedde, fladderden spichtig heen en weer, neerplonzend
en weer schrik-schreeuwend vluchtend.

Meneer, ongezond-bleek, streek een lucifer af. Met de
acetyleen-lamp--wat 'n geluk dat diè mee was genomen!--onderzocht-ie
't luik dat naar benee voerde. Geen denken an. Aan de binnenzij was
'n bout of 'n grendel. Hoe je wrikte, 't luik blééf dicht. En als
't wèl lukte, was je even ver, kon je hoogstens de vermolmde trappen
afstrompelen en beneden de hoofddeuren gesloten vinden, Ze zaten
geknipt, onherroepelijk geknipt. Zonder hulp van menschen kwamen
ze er niet af en de hulp-van-menschen beteekende de lachwekkendste
openbaring.

"Pa, hoe kom u zoo onvoorzichtig," zei Amélie, die moeite had 't niet
uit te schateren, zoo héérlijk als ze de historie vond.

"Ja! Hoe kom 'k," praatte pa met akeligen galgenhumor, 'n humor die 'm
slecht af ging z'n bleek gezicht was 'r niet mee in accoord-bevinding:
"hoe kun je denken dat vlerken zóó brandbaar zijn, hè? Zeg an je
ma, kind, dat ze ophoudt met huilen. Dauw in den vroegen nacht is
ongezond"....

"Laat me met rust!" zei mevrouw verwoed; "ik blijf hier niet slapen,
versta je!"

"Dat zal toch wel moeten"....

"Ik doe 't niet," zei mevrouw heftig.

"Je kan toch moeilijk verlangen dat 'k na beneden spring als Jan van
Schaffelaar," betoogde meneer rustig: "we moeten hopen op den een of
anderen wandelaar"....

"D'r wandelt niemand," huilde mevrouw nerveus: "dat weet je wel. We
verhongeren honderd tegen één"....

"Eénig"...., haperde Amélie.

"'t Is waarachtig 'n beroerde zaak," rekende Pieter: "ééns in 't
jaar, op koninginnefeest, wordt de vlag geheschen. Dat duurt nog wel
'n maand"....

"Misschien wordt 'r gauw iemand begraven," hoopte Amélie.

"God geve 't"--, sprak de heer Zwaluw geheel down: "we zijn als
vlinders bij de lamp--we hebben onze vlerken geschroeid.... 't Is
leelijk, heel leelijk. Zal 'k de acetyleen uit doen?"

"Nee," bitste mevrouw; "'k dank je voor je donker"....

"'t Is me eenige lichtvoorraad," sprak hij nadenkend; "anders zitten
we morgennacht zonder iets" ...

"Mòrgennacht?"--schrikte mevrouw.

"Mòrgennacht?", zei ook Amélie, 'n weinig angstig.

"Natuurlijk," zei meneer: "'t Kan best twee, drie dagen duren. We
zullen op _rantsoen_ moeten leven. Wat is 'r nog?"

"'n Halve bus sardines, pa, en de broodjes en de leverworst--de kouwe
kip hou je niet goed"....

"Als je nou denkt," begon mevrouw onbekookt te ruziën: "dat 'k zoo
volslagen gek zal zijn, om hier 'n páár dagen te blijven"....

"_Ik_ dwing je niet," zei Pieter gemoedelijk. Je kan geen ijzer met
handen breken, noch van torens omlaag _stappen_.

"Pa, is 't u heusch ernst dat 't zóo lang kan duren?"

"Dat weet de hemel," zei meneer: "weken aneen komt hier geen levende
ziel. En àls we verhongeren moeten, verhongeren we met mekaar--da's
'n troost."

Hij blies de acetyleenlamp uit. De sombere stemming versomberde,
ofschoon de sterren lieflijk schenen en de stilte aanbiddelijk was.

"We zijn voorgoed ridikuul," snikte mevrouw.

"Da's 't minste," antwoordde hij poenig.

"'k Ben dood op."

"Ga liggen!"

"Liggen op die smerige planken? Voor geen goud!"

"Je zal wel moeten, kindlief. Wil je mijn jas hebben?"

"Nee," zei ze driftig: "'k verlang naar me bed!"

Zwijgend over mekaar, tusschen de donkere wallen van den toren,
keken ze van de sterren naar de diepten terzij.

't Proper mane-sikje belichtte de zerken van 't kerkhof, de stompen der
ruïne, de zware struiken. Geen schim-van-'n-geluid was te hooren. In
'n woestijn kon 't niet eenzamer.

"Eenig"...., begon Amélie weer, maar snel dat ophitsend woord
verslikkend zei ze: "eenige troost is 'r, dat Kobus zal zóéken"....

"Dat zal-ie niet," viel pa 'r in de rede: "hij zal z'n mond houen"....

"En als 't te lang duurt, pa?"....

"Dan zal-ie nòg z'n mond houen."

"Dan is 't weer géén troost," zei Amélie geduldig 'r kippekluif
hernemend, dien ze op 't servet in den steek had gelaten.

"Wat doe je?"--, vroeg Pieter streng.

"Kluiven, pa"....

"Geen gekluif, nou!"--, beval hij onrustig: "je hèb geen honger! Over
'n paar dagen bid je 'r om--op 't oogenblik heb je geen behoefte"....

"Da's waar," zei Amélie tam: "dan zal 'k den kluif dien ma strakkies
weggesmeten heeft bij den _voorraad_ leggen"....

"Dank je voor je _lekkers_!"--, schimpte ma: "wat op die smérige
planken bij 't vuil van vleermuizen gelegen heeft, raak 'k niet
an. 'k Wil na me bèd, Piet--versta je, Piet?--'k Kan niet meer op me
beenen staan"....

"Leg den kluif bij de rest," gebood meneer, ma's laatste klacht
verwaarloozend: "we smijten daar met kluif! In Leiden, met de
Spanjaarden, hebben ze 't met minder gedaan. Misschien snàk je de
volgende week naar 'n levende vleermuis"....

"Eenig"--, fluisterde Amélie, die zoo'n romantisch geval met honger
en dood op 'n torentje allerheerlijkst vond. Licht dat 'r in den
naren, realistischen, materialistischen tijd nog wat echte Romantiek
geboren werd.

"Eet jij levende vleermuizen, idioot"--schold mevrouw: "daar heb ik
goddank geen opvoeding voor gehad"....

"Misschien heeft je vader erger dingen in de worst gedraaid,"
vroolijkte Pieter, probeerend z'n goed humeur te bewaren.

"Mijn vader heeft zijn vrouw tenminste niet op torens geplakt"--,
zei mevrouw _hautain_.

"Nàcht," antwoordde hij, languit neder liggend: "ik zal 'r van nemen
wat 'r van te halen valt."

"Dus ik moet wakker blijven?"--vroeg ze stroef.

"'r Is ruimte genoeg," lachte hij.

"Pa," zei Amélie nederhurkend: "we zitten als in 'n belegerde
vesting"....

"Precies," geeuwde hij: "zoo heeft ook eens Jan van Schaffelaar
gelegen--belegerd door _Perrol met de rooie hand_.--Da's 't pràchtigste
boek dat 'k ken. As 'k weer thuis ben, zal 'k 't je moeder laten
lezen"....

Denkend aan _De Schaapherder_ begon-ie te snurken.

Mevrouw in 'n hoek, den zakdoek om 'r hoofd voor de griezelige
beesten--jammer dat ze geen rok had!--probeerde te slapen, schrikte
telkens wakker, als 'n _vleermuis_ neerstreek.

Amélie, languit, de oogen geopend, keek naar de sterren, had moeite
niet te neuriën. Pa's gesnurk verstoorde de idylle.

"Slaap u, ma-lief?"--vroeg ze ongerust over ma's lastige houding.

"Natuurlijk niet," snauwde ma.

"Ga u dan toch liggen."

"Nee, 'k ben vies van die planken."

"En als 't nou héúsch langer duurt--dat hou u toch niet vol!"

Wrokkend kwam mama naast 'r liggen en opnieuw zachtjes snikkend zei
ze 'r hope en vreeze: "As de hemel maar geeft, dat 'r morgen iemand
begráven wordt!"

"D'r is niemand ziek, ma."

"Dat weet je niet. Laten we 'r om _bidden_," nokte mevrouw Zwaluw.

Toen werd 't langzaam algeheel stil op het torenplat.

De maansikkel, hooger stevenend, bescheen drie menschelijke vormen, 'n
aangebroken flesch wijn, 'n kroes, 'n open bus sardines, wat broodjes,
'n eind leverworst en bekloven kluiven.

Het was geen _schoon_ stilleven.

De ontruste, beroofde uilen en vleermuizen kringden angstig om
't gebeuren.



ZEVENDE KAPITTEL.

EEN TRAGISCHE DAG.



                            "Wee, wee, wee wie het weet!
                            Melodieën van leed
                            Omruischen me als regenvlagen:
                            En roepen: Vergeet! Vergeet!"...

                                                    (Albert Verwey.)


                            "Ik weet niet waar ik sterven zal."

                                                        (Multatuli.)


    "Wellicht zullen de dames het wel het aangenaamst blijven achten,
    om alleen huishoudelijken arbeid te doen"....

         (Bijdragen tot den strijd over God, Eigendom en Familie,
                                                   Mr. S. van Houten).



Nog nimmer had de uchtendstond zóó vroeg goud in den mond gehad.

Om vier uur, klaar-lichte dag, keek de heer Zwaluw, geel-gróen en
verwezen, op z'n horloge.

't Ongeluk zette niet dadelijk in--althans mevrouw _sliep_, 't hoofd
op den ballastzak van 'r verhavende machine.

Met 't pessimisme der on-uitgeslapenheid, keek-ie 't plateau af,
dat er inderdaad onsmakelijk uit zag.

De planken, groenig beslagen, in de voegen verweerd, hadden bergen
en dalen van wat 'r vróéger, gister nog _gehuisd_ had.

Hier en daar was 'n deel vermolmd, maar 't luik, pas vernieuwd en
geteerd, lei zoo solide als de deur van 'n brandkast.

Zachjes loopend, keek-ie omlaag.

De kleinste diepte was zeker dertig, veertig meter.

Je kon je geen gemeener gevangenis fantaseeren.

De dood, honger óf 'n verlossende begrafenis--anders was 'r geen
uitweg.

In elk geval, hij zou 't mogelijke doen.

Snel z'n jas uittrekkend, schoot-ie z'n overhemd over 't hoofd,
bond een der mouwen aan de stang der vliegmachine. 'n Noodvlag die
ze zouen begrijpen, als, àls, àls de een of ander, 'n bedelaar of
landlooper voorbijkwam.

Er woei 'n zuidwesten-windje--de hemel leek druilig.

Het hemd flapperde, klepperde, wekte mevrouw en Amélie.

"Goeien morgen, pa--plezierig geslapen?"--, vroeg Amélie,
goed-gehumeurd als altijd.

"Hoe komt dat hèmd daar?"--, vroeg mevrouw knorrig.

"'n Noodsein," lei meneer uit.

"Wil je ons nóg belachelijker maken dan we al zijn," kibbelde ma:
"'n hemd zònder knoopies, 'n hemd vol olie van de sardines!"....

"Jij komt lekker an 't ontbijt," verweet hij, de omstandigheden
vergetend.

"'t Ontbijt," schamperde mevrouw: "'k wou dat je me eerst waschwater
bezorgde èn 'n tandborstel èn me _pasta_, 'n Vrouw die met jóú getrouwd
is, wordt 'n _straatslijpster_"....

"Kind," sprak hij lief: "laten we 't leed opgewekt dragen. We zìjn
nou eenmaal _gepiept_"....

'r Oogen keken 'm vernietigend aan. Geen kopje thee op 'r bèd, geen
behoorlijk ontbijt, geen bad--thuis 'n schandaal zonder eind en
'n man die 'r pret in had van pièpen te blijven spreken.

"Ma wees u nou _gezellig_," suste Amélie: "u zal zien 'r wòrdt
begraven. Als 'k 'n stoet zie ankomen, gil 'k 't uit!"

Gezellig zijn! Hoe kòn men 't woord over de lippen krijgen. Smeriger,
afstootender uithoek was niet te bedenken. En op diè griezelige,
kleverige _guano-belt_ had ze _geslápen_!....



[Illustratie: Aan de ééne zijde gaven het vijfde en zesde kapittel
mij niet de _ontroering_, die men voor àlle kunst en zeer zeker voor
die van _verluchting_ noodig heeft, aan de àndere zijde--dat sloeg
den doorslag--verzocht mij de uitgever, eerst vriendelijk, daarna met
besliste verbolgenheid, om een weinig te bedenken dat Holland geen
land is voor een boek met véél clichés. In de nog vriendelijke bui,
zeide hij: "Amice, op 'n vèl meer of minder, kijk 'k niet, omdat
'k bij de aanbiedingsreis toch 'n bepaald kwantum genoemd heb, maar
zùlk 'n stortvloed van teekeningen is mij geen _vriendschappelijke
daad_." In de verbolgen stemming werd hij echter gròf, en sprak:
"Falkland, schei in 's hemelsnaam uit met dat _geknoei_, dat mij per
vierkanten centimeter cènten kost!" Alles tezamen genomen--ook bij de
dièpste ontroering in dezen materiëelen tijd, moet men z'n connecties
ter wille zijn--achtte ik het beter de vorige kapittels zònder
schoone teekeningen te laten. Bij het hemd op den toren, het hemd
zoo zwaar van tragiek als Oedipus' uitgestoken oogen, _moest_ 'k m'n
emotie in m'n pen _storten_. Zelden, in mijn veelomvattende kennis der
wereldliteratuur, sprak een manshemd van grooter noodlot, zelden heeft
mijn teekenstift zwaarmoediger getrild dan in dit keeltoenijpend geval,
zelden werd het floers voor m'n oogen troebeler, intenser dan bij dèze
krabbel. De lezeres gelieve zich overigens de duizelingwekkende hoogte
van 40 meter, welke de techniek van géén boek verdragen kan, nader
_uit te meten._ Om den held van dit verhaal niet te blameeren, hecht
ik er aan te verklaren, dat eerst toen 't cliché gereed was, mij de
pijnlijke fout opviel van het _P. Z. 12._ Een zoo gedistingeerd heer,
met 'n villa, 'n auto, electrisch licht enz., heeft méér dan twaalf
overhemden. 'k Kan deze fout in de teekening alleen verontschuldigen,
door de bewogenheid van 'n gemoed bij het _inleven_ in de stemming....

S. F.]



"Pièt," dolk-stak mevrouw--in paroxysme van ijskoud-gehouden
verontwaardiging, staken waarlijk 'r _Piet_-en als dòlken--"Piet,
je maakt dat 'k van jóúw smerigen toren kom--en onmiddellijk--anders
besterf 'k 't--kan je me als _lijk_ na benejen brengen."

"In godesnaam," zei-ie geduldig.

't Geval bracht vanzelf mee, dat je 'n boel moest slikken en kroppen.

Thuis, als ze ongenietbaar was, maakte je korte metten, vluchtte je
naar de knutselkamer of naar de soos--de soos--de sóós--sentimenteele
droom in de wolken!--de soos met 'r vleeschcroquetjes en zoute
krakelingen--de soos met 'r hompjes kaas bij sherry en port--de op
dién afstand tot n' _ideaal_ aan-fleurend beeld....

Thuis zou-ie 'r allang van door zijn gegaan--thuis aarzelde-die
zelden als 'r gezicht de speciale wrange trekken kreeg, die elk man
van z'n vrouw, elke vrouw van 'r man kent, de speciale èn wrange
èn positief-waarschuwende, waarvan 'n vreemde geen weet heeft,
waarvan nièmand het innerlijk wezen ontleedt--, de speciale èn
wrange innig-aan-'t-dierbaar-gelaat verbondene, die tot het tééderst
huwelijks-spel behooren, omdat je alleen aan zéérgeliefden 't _profond
négligé_ van je materie en je ochtend-humeur toe-vertrouwt.

Thuis zou Pieter Zwaluw snel hebben af ontbeten, wéter der
beteekenissen van groeven, schaduwen, vermagerinkjes in en om twee
_bekende_ oogen--, hier, op de ruïne van _Koepelsteyn_, stond je
_weerloos_.

Man en vrouw waren beslist nièt geschapen voor 'n _nest_, voor 'n
besloten nest, voor 'n nest dat enkel nèst was.

Misschien in de éérste weken der zoete verteedering die
_wittebrood_ heet, de dagen dat je _glimlacht_ als 'n geliefd
hakje je eksteroog betreedt--gezocht beeld, daar teederen in diè
uren àlles soigneeren--misschien dàn zou 'n wolken-nest 'n idylle
zijn--hier, bij 'n vrouw met dè speciale èn zure trekken, 'n vrouw
met nachtuilenzwam an 'r kleeren en 'n bróék aan, hier voelde je
'n leegte in de gloeiende-aaneen-smeding-van-twee-zielen.

Vondel kon dàt niet bereeknen--'t lief en leed nà verbrande
vleuglen--op 'n torenstomp.

"Piét," hernam mevrouw na eene _vonkende_ stilte: "'t heeft lang
genoeg geduurd."

"Dat ben 'k met je eens," zei hij weder gedwee: "verbéél je nou
dat je thùis zit--laten we ontbijten, 'n Leege maag is de dood voor
alle energie"....

Mevrouw keek somber over de tinnen naar 't uitgezocht landschap
voor-zenuwlijders.

Je kon je adem hóóren.

"Ma, vin u 't niet éénig dat we met z'n drieën gevangen zitten?"--,
vroeg Amélie om 'r moeder op te vroolijken: "ma wil u 'n stukje worst?"

"Géén worst," gebood papa: "de worst blijft 't langste goed--eerst
de kippekluif"....

"Kippekluif--op me nùchtere maag!"--, viel mevrouw uit, zich kittig
omkeerend.

"Kind, bedwing je humeur," suste Pieter zéér voorzichtig: "ik heb
honger"....

In geen twaalf uur had-ie behoorlijk gegeten. Z'n maag rommelde
onkiesch.

't Viel niet mee. Zóo als-ie z'n hand naar 'n vlerk uitstrekte zòng
de kip. 'n Zwarte zwerm vliegen, die _gesmuld_ had, stoof omhoog.

"Nou dat nog!"--, zuchtte de heer Zwaluw, 'n vies gezicht trekkend. De
kip was innig veradellijkt, òn-welriekte.

"Da's jammer," praatte Amélie: "dan hebben we niet veel meer, pa."

Het was droevig en verontrustend.

Van 'n halve flesch wijn, drie aangebroken kadetjes, 'n restant
sardine, 'n mep worst en geurende kluifjes, zouen ze 't met d'r drieën
bezwaarlijk dàgen uithouden.

"Geef mij één sardine en 'n half broodje," sprak pa maag-rommelend
ernstig: "en bewaar de worst tot 't diner-tijd is."

Twaalfuur gaf-ie cadeau.

"Hier ma--heb u ook één sardine en 'n half broodje--dan houen
we voor zes uur één kadetje met z'n drieën en 'n schijf worst
over. Eenig! Eenig!"

"Als je nog één keer dat hátelijk woord zegt," driftigde ma,
onuitsprekelijk ongelukkig.

"Maar ma-lief"....

"Hou je mond"....

"Maar ma"....

"Ga de kamer uit!"--, dreigde ma, zooals ze thuis dee.

Dat bezorgde meneer 'n stuip-lach. 't Was onbetaalbaar.

Mevrouw keek sip over de tinnen.

"Ma-lief, eet u nou--'t is pas vijf uur--eerst over twaalf uur
dineeren we"....

"Ik kan niks door me keel krijgen," zei ma nerveus.

"Dat helpt," zei meneer.

"Schuif u dan _gezellig_ bij, ma," vriendelijkte Amélie.

Ma antwoordde niet.

"Mag ik de sardine-bus uitsoppen, pa?"--, vroeg Amélie, na 'n stilte
van kleine-hapjes-gekauw.

"Néé," zei Pieter: "niet alles in-eens opschròkken"....

Gemoedelijk stak-ie 'n sigaar op, nam 'n slok wijn uit den kroes met
de initialen A. Z.

De omstandigheden in aanmerking genomen, zou-ie zich vrij behaaglijk
gevoeld hebben, hadde mevrouw niet één opmerking gemaakt, die 'm de
gemeen-zwarte zij van 't geval als 'n duizeling dee ondergaan.

"Bij half zes," sprak ze over de tinnen, naar de eenzame verte van
boomen en boomen: "bij half zes--nou staat Chris op--zéven uur komt
de bakker--de bàkker"....

De bàkker.

Als 'n bliksemflits zigzagde dat kalm-gewone woord _Casa Cara's_
beeld voor Pieter's oogen.

Hij had de huisdeur op 't nachtslot gedaan--de sleutelprop zat in
z'n zak.

De bàkker.

Door 't luikje zou Chris 't hard-gebakken Duitsch, 't roggetje en de
pain-de-luxe-jes aannemen.

De bàkker.

Dan zou ze de trap opstommelen, aan de kamerdeur kloppen, tot ze já
hoorde roepen.

Als ze géén ja hoorde, zou ze nog eens kloppen, net zoolang tot hij,
die 'r niet was já zei, of zij die 'r niet was, já knorde.

De bakker.

Groote genade--de bàkker!

Dan zou Chris, die wel is niét wàchtte tot 'r geantwoord werd, omdat
als ze te drùk porde, hij èn zij uit d'r humeur an 't ontbijt kwamen,
naar de badkamer sjokken en 't bad vol laten loopen.

De bakker.

't Bad.

Dan dekte ze, haalde Kobus de kranten en brieven uit de bus, die-ie
naast zíjn bord lei.

En als ze dan benejen kwamen--terwijl ze d'r nièt waren--dampte de
thee genoeglijk, geelde de kaas in de stolp, molligden de gekookte
eieren in de dopjes....

De bakker. 't Bad. 't Ontbijt. De thee. De halfzachte eitjes....

Even schemerde alles voor Pieter's rustig-burgerlijke oogen--flauw
praatte-die na:

...."Ja, om zeven komt de bakker, de bakker"....

"En om half acht de melkboer," zei mevrouw in tonigen cadans, alsof ze
'n vers reciteerde.

"O, jee--om acht de kruijenier," schrikte Amélie.

"En om negen de sláger," hernam mevrouw: "goeie hemel--de slager. 'k
Heb 'm gister voor vandaag 'n _lamsbout_ opgegeven"....

"Die zal door 't luikje moeten--de deur is op 't nachtslot," sprak
meneer somber.

"En de klokkenmaker--me nááister," zei mevrouw zoo tragisch dat 't
op de planken _gedaan_ zou hebben: "me naaister die om acht uur voor
de deur staat.... Kan de nááister door 't luikje?

"Nee, diè kan 'r niet door," haperde hij: "die kan 'r _vermoedelijk_
niet door. Misschien...."



[Illustratie: Men moet wel in staat van òngewone kwade trouw zijn, als
men de massief-heid der in plan gebrachte deur miskent. _Rechts_
bevindt zich de villa _Casa Cara_, met de _garage_ voor automobielen,
de benzine-bergplaats, de broeikassen enz. Daar van mij uitsluitend
eene massieve _deur_, met een _luikje_ en een _naamplaatje_ gevergd
werd, achtte ik het onnoodig de rechts liggende architectonische
schoonheden der villa met haar gerieflijkheden en modern comfort te
_ontwikkelen_. Ik kàn het. Het ligt in het bereik mijner veelzijdige
gaven. Parole d'honneur! Links, dadelijk naast het trappenhuis,
heb 'k gepoogd, struikwerk, bloeiende heesters, aucuba's, hulsten,
rhododendrons etc, in weligen bloei, te verluchten. Evenwel--en
'k zeg dit in volste openhartigheid, daar 'n liegend _kunstenaar_
't allerbelabberdst wezen van God's schepping is--het was mij niet
geoorloofd en vergund deze lieve natuur-dingen naar de Natuur te
_neelmeijeren_, om de eenvoudige reden, dat 'k deze voortreffelijke
schets in de maand December 1904 op de Stadhouderskade 64 te Amsterdam
voleindigde en 'k voor éénige natuur keien en opgebroken wegen (voor
de rioleering) aantrof. Meerderen zullen dit kunnen bevestigen. Welnu,
het is alleen den illustratoren-bij-de-gratie-des-Heeren gegeven, om
heerlijke voorjaars-of zomerbloesems _des winters_ te belijnen. _La
nature vue à travers d'un tempérament_ ... Mijn temperament zag
kniezige wegen, onzindelijk, bloesemloos. Derhalve dreef 'k op
m'n fantasie, ver-wormstoken door kerstboom-souvenirs. Het groen
_bladdert_ niet voldoende, doch de wulpsche vrijmoedigheid der Lente
is er in. Ten overvloede verlokte mij de beeldkeuze van den auteur,
die nederschreef: "Hij kalde in schrik, voor z'n geestesoog het luikje
(_a_), 't naamplaatje, de massieve deur ziend".... Dat _kallen in
schrik_ schijnt mij voorbeeldig in het struikwerk bereikt. De sensatie
althans. Het onwezenlijke.

S. F.

P. S. Ofschoon 't zeer hinderlijk is, bij een noot 'n _P. S._
te voegen, moet 'k alsnog observeeren, dat de zwarte moppen,
rechts van de teekening, _zoogenaamd_ abusievelijk in cliché zijn
gebracht. Vermoedelijk zijn dezelve mij in de December-dagen van
1904 uit de pen gewiegeld bij de lezing van eenige onaangename
pers-beoordeelingen over ànder werk. _Mon Dieu_, men is
mènsch. Schokloos gaat 'n critiek aan niemand voorbij. Zal de Pers
dan nooit leeren?]



Hij kalde in schrik, voor z'n geestes-oog het luikje (_a_), 't
naamplaatje, de massieve deur ziend.

"En de beambte van de gasfabriek," ijlde mevrouw: "die elken tweeden
Zaterdag van de maand komt"....

"Die kan 'r ook niet door," knikte meneer, de sigaar, die uit was
gegaan, bestarend.

"En we krijgen vanmiddag visite van de Leurings, pa--ze komen
zeker"....

"Wat 'n schandaal! Wat 'n opschudding," praatte mevrouw over de
_tinnen_--"en daar éét hij bij--daar kan hij bij éten!"

Het laatst gram genoegens was heen. De heer Zwaluw zat bezorgd op de
groene planken van den toren.

De duiten, die hij in 't zakje te doen had, hield-ie verstandig
voor zich.

Hij had 'n timmerman besteld om tien uur en 'n loodgieter om half elf,
voor geknutsel in z'n studeerkamer.

't Zou 'n opstoot worden van belang.

Meneer, mevrouw, de dochter uit 't huis verdwenen--de deur op slot--en
Kobus die orders had z'n mond te houden....

"Nou, Pièt," dolk-stak mevrouw: "wat zeg je daar van?"

"Ik zeg niks," zei hij geslagen: "'t wordt 'n miserabele
historie. Misschien _beleven_ we de oplossing niet."

"O, o," snikte mevrouw, haar tranenloop van den nacht hervattend:
"zoo troost-ie je--zoo troost-ie je"....

Meneer antwoordde niet. Grimmig stond-ie op, sloeg de smullende
vliegen van de worst en z'n zakmes openend, begon-ie de vermolmdste
planken te bewerken.

"Pa wil ik u hèlpen?"--, vroeg Amélie, thans ook _down_: "'k heb
'n nagelschaartje"....

"Nee," weigerde pa stug, 't mes bekijkend dat al dadelijk 'n punt
verloor. IJverig peuterend, krabde hij, 't hoopje vezels te zaam
vegend, tot die op gezond hout stiet--en 't mes bij 't heft knapte.

"Wel vervloekt!"--, zei-ie driftig.

"Als we wéer vliegen, nemen we postduiven mee, pa--vin u niet,
pa?--dan kan dat ons niet overkomen--hè, pa? dan, dan...."

Pa zat in _versteend_ zwijgen.



Tegen elf uur scheen de verlossing te naderen, 'n Man stapte aan door
de struiken.

"Goddank!"--, riep mevrouw, omlaag hé-hé-end.

De man keek niet op, strompelde moeilijk.

Als bezeten schreeuwde pa, 't hemd met forsche rukken zwaaiend. De
man keek nièt.

"Ach, ach," zuchtte Amélie, "nou begin 'k 'n béétje te begrijpen wat
schipbreukelingen voelen, als ze in 'n bootje dobberen en 'n _groote
schuit voorbij stoomt_! Man! Hé! Meneer! Hé!"

De man keek nièt, stapte 't kerkhof langs in de richting van 't
dorp. Z'n gelaat konden ze herkennen. Ze hadden in elk opzicht _pech_:
't was de bijziende, doove bedelaar, die eens in de veertien dagen
de villa's afliep.

"Hònderd keer heb 'k 'm centen gegeven--de ezel!"--, klaagde ma.

"Hé!"--, brulde meneer nog eens en nog eens. De man verdween.

't Begon stevig te regenen.

"Half twaalf," zeide mevrouw triestig: "op 'n begrafenis hebben we
vandaag géén kans meer."

"Nee," heimweede Amélie. Nooit, nooit werd 't later dan elf, om vóór
koffie binnen te zijn.

Verkleumd door den wind en door-regend, hurkten ze bij mekaar, om
beurten over de tinnen kijkend. Nou waren de bakker, de melkboer,
de slager, de kruienier, de klokkenmaker, de naaister, de man van de
gasfabriek, de timmerman, de loodgieter, voor 't luikje met Chris'
ontdaan gezicht gewéést.

"'k Nam net zoo lief met z'n allen _morfine_ in," zei Pieter moedeloos
nederliggend.

Hij was dood-op van 't loopen, 't knielen, 't hurken, voelde zich ziek
van de ééne sardine, 't halve broodje, den slok wijn, de natte kleeren.

Mevrouw, angstig-bleek, at wòrst. Ze kon 't niet langer uithouden. Vel
en al slikte ze gretig--tot an 't _streepje_ dat Pieter getrokken had.

Amélie hield de wacht, bibberend, kijkend naar de boomtoppen, 't gras,
de struiken, de zerken van 't kerkhof.

Zeurig tekkerde de regen, de bladeren benee beritslend, 't toren-plat
smijdig verslijkend.

De uren kropen.

't Was 'n dag, zoo oneindig, zoo noest-lang, dat ze vermoeid insliepen,
meneer languit ronkend, mevrouw zittend tegen de borstwering, Amélie
hangend over de tinnen.

Toen ze ontwaakten, was 't nòg dag, bijna scheemring.

Sprakeloos aten ze de laatste millimeters worst, de laatste kruimels
brood.

De regen stroomde sterker.

Uitgeput leien mevrouw en Amélie in de nattige bulten, pogend te
slapen.

Meneer, die de acetyleen had opgestoken--nog 'n uur kon die
brànden--bestaarde de duisternis.

Dan, bij 't licht der lamp, nam-ie z'n notitieboek, begon te schrijven.

"Pa--wat doet u?"--, fluister-vroeg Amélie.

"'k Stel orde op me zaken," zei-ie bot; "'k _maak me testament_"....

"Pa, hoe àkelig!"

"Heb jij ook nog 'n wil, kind?"--, vroeg-ie vaderlijk-zacht.

"Nee, pa--'k ben willoos"....

"Keer je dan om," zei-ie, 't schriftuur opbergend.

"Wat gaat u doen, pa?" sprak ze angstig om z'n wanhopige gebaren.

"Me overhemd antrekken, kind--als ze ons over 'n paar maanden
_waarnemen_, wil 'k fatsoenlijk in m'n klééren gevonden worden. Keer
je om"....

Het natte hemd glibberde over z'n tricotschouders en op de fatale
vliegmachines hurkend, begon-ie blazend te snurken.



ACHTSTE KAPITTEL.

KOBUS WORDT GEARRESTEERD.



                        "De wolken worden zwaarder, en de maan
                        Gaat achter hunne breede ruggen schuil,
                        En luider schreeuwt de wind met barsch gehuil.
                        Plots stroomt de regen neer, de helle vaan
                        Des bliksems trilt op hoogen wolkendam....
                        Dàn siddert alles, vreesbevangen, stom."

                                                      (Edward B. Koster).


    "De wind was door het Noorden geloopen en was toen gaan liggen...."

                                                        (Frans Netscher).



Chris hád geklopt, hád 't bad gevuld, hád gedekt--Kobus hád de bus
opgehaald.

De huishouding was normaal verloopen. 't Ontbijt wachtte, de thee
pruttelde--'t bleef stil.

"Wat slape ze," zei Chris.

"_Ik_ zal nog is gaan wekke," zei Kobus.

Hard beklopte-die de slaapkamer--toen, angstig, opende-die de
deur. Weerlichs! Nòg niet thuis! As ze maar geen ongeluk gekrege
hadde. Vlug klauterde-die op 't dak, keek het hemelruim af. Geen
vogel. Geen stip.

Benee, voor 't huis, passeerde 'n agent, die vreemd naar boven keek.

"Zoek je wat?",--vroeg-ie.

"Nee," zei Kobus: "de schoorsteen rookt."

"Mot je daarvoor in de goot klimme?"

"'t Mot voor meneer," riep Kobus òm wat te zeggen.

De agent, rustig-pruimend, taxeerde den rookloozen schoorsteen.

"Val d'r maar niet af," maande-die.

"Welnee, man," lachte Kobus gedwongen.

Op dat moment schreeuwde Chris aan de trap.

"Kobùùùs! Kobùùùùs!"

"Ja?"--, vroeg-ie in huis terugstappend.

"Kobùùùùùs!"

"Ja?"

"De bedde binne leeg, Kobùùùs! O, Kobùùùs, kom is gauw na
beneje! Kobùùùùùs! Kobùùùùs!"....

De ouwe meid was 'm na-gesjokt, had voor de twééde maal de ònbeslapen
bedden, in keurigste orde, gezien.

"Gil zoo niet," zei Kobus verwoed.

"De bedde binne leeg--de bedde binne leeg!"

"Zet niet zoo'n smòèl op!"--, raasde hij, de schippertjes, die mee
begonnen te keffen, 'n trap gevend: "wat doet 't 'r toe of ze leeg
binne!"

Het was geen _correcte_ uiteenzetting.

Het bad wachtte.

De thee _kookte_.

De eieren _versteven_.

In eene behoorlijke familie pleegt men _zichtbaar_ op te staan.

Chris, nog niet te dreef na de vroegere ellende, de vele schrikken,
de koortsvisioenen, keek in de leege, gesoigneerde slaapkamer.

De zijden sprei lei zonder 'n rimpel--er waren geen kleeren--geen
bottines.

Alleen op 'n stoel, luguber-verlaten, snel te hoop geworpen, _puilden_
de rokken, de _rokken_ van mevrouw en juffrouw Amélie, de rokken die
ze den vorigen avond hadden gedragen, toen ze naar bèd gingen.

"O, Kobus"--, hakkelde Chris, náár lang de driè klinkers rekkend:
"Ze binne d'r niet! En de rokke, de rokke...."

"Zou je ophoue met je gebler!"--, zei hij, grimmig: "doe de deur toe!"

"O, o"--, klaagde ze, geelbleek van ontdaanheid: "ik blijf geen menuut
langer hier!"

"Zie dat je de deur uit komt, kuiken!"--, schimpte hij: "jij maakt
larie om niks. Ze binne wèl thuis!"

"Wel thuis?"--vroeg ze: "waar dan?"

"Dat gaat je niet an!"

Toen werd ze bàng voor 'm.

"Dan weet jij méér"--, zei ze, achteruit strompelend.

"Dat doe 'k ook!"--, snauwde hij: "en as je één van de buren wat
durft zegge--as je tong te lang is--dan--dan _vermóórd_ 'k je!"

'n Bandiet had 't woord _vermoord_ niet bloederiger kunnen lanceeren.

't Schokte hem òver-rauw uit z'n keel, bevreesd as-ie was voor Chris'
geweldige zotte streken.

Zij, zich ver-plankend tegen den wit-kalkten muur, stram van stuipenden
schrik, werd één laaiend oogenblik bleeker van witheid dan de kalk
die nog pas in 't voorjaar 'n lekkere beurt had gehad.

Bij intuïtie zochten 'r lichaam en 'r gelaat den steun der omgeving.

'n Beest in angst _assimileert_ zich met 't coloriet der naaste
natuur--'n haas heeft zandkleur--'n rups 't groen der blaren--'n
ouwe, eerbare dienstmaagd, beklauwd door 't meest duvelsch woord uit
mansmond--_versteent_ in gebaar en _verpleistert_ als witkalk.

Chris, zelfs niet oog-knipperend, staarde bewustloos van Kobus naar
den stoel met mevrouw's katoentje en Amélie's zomersche jurk.

Ze voelde dat ze voor 'r behoud èn voor 't behoud van 'r _naaidoos_
met de amsterdamsche lootjes, tegenover den verdachten huisknecht
_koelbloedig_ moest zijn.

Anders stróómde 'r bloed.

"Ik zal niemand wat zegge," sprak ze, nog steeds _in_ den muur, _in_
de witkalk: "as jij maar zeker weet datte ze thuis binne."

"Dat wéét 'k ...."

"Zeg ze dan"--, praatte ze met versteende tong en wit-doode woorden:
"dat 't bad vol geloope is."

"Dat zàl 'k ze zegge," beet hij haar nijdig toe.

"En datte de eiere koud worde"--, bracht ze 'r ont-zield, tegel-kil
uit.

"Dat zàl 'k! Dat zal 'k!"--, riep Kobus de zoldertrap opkieperend,
gevolgd door Tutu en Zo, die gezellig blaften en lustig de gang
bevuilden, omdat ze moeilijk door 't deurluikje uit gelaten konden
worden.

Chris bleef een oogenblik zoo loodrecht àls de muur.

Toen, gedragen door 'r koelbloedigheid, stapte ze de wijde diepten
der trap-treden af, ging de logeer-kamer binnen, sloot de deur, greep
'r _naaidoos_, liet zich zonder aarzeling uit het venster vallen.

Op handen en voeten kwam ze in de teelaarde van 't _aucuba_-perk
neer, schokte overeind en den horlogemaker voorbij-schietend, die de
klokken kwam reguleeren, holde ze op 'n draf naar 't politiebureau,
naast 't nieuwe Brandspuithuisje.

"Wèl?", vroeg de dienstdoende brigadier, die net 'n folio-blad zat
te linieeren, omdat-ie anders in hobbelende lijnen schreef: "wèl?"

"Asjeblief!" zei Chris, 'r naaidoos met de lootjes overreikend:
"asjeblief--da's om te beware!"

"Hei je dat gevonde?", vroeg-ie met wetsrimpels in z'n voorhoofd.

"Néé," hijgde Chris, 'm ineens met 'r _verweekende_ ver-steening
overdonderend: "nee--ze binne van mijn--de nommers hei 'k in me
beurs--Kobus wil me vermoorde--de bedde binne leeg!"

't Natgelikt potlood-stompje, nog maagdlijk van proces-verbaal des
dags, ontviel den omhaarden lippen.

Het was te veel ineens.

"Wat klèts je, meid?", vroeg-ie streng.

"Enkel de rokke hange over de stoel"--, gaf ze als knal-donder toe.

De brigadier keek van de naaidoos naar Chris' bevenden mond.

Hij had 'r wel gekker gezien van z'n leven, maar niet zoo gááf.

"Meid," zei-ie pootig: "jij ben niet goed in orde!"

"As je me niet gelooft!"--, snikte Chris 'r plots gierend op
los--zooveel electriciteit móést nat geven!--: "ga je dan overtuige! De
bedde binne leeg--enkel de rokke hange d'r--hìj heit 'r weet van--hij
wil me vermoorde as 'k 'r van vertel...."

Nòg zou het sensatie-geval in donkere windselen zijn gebleven,
daar de brigadier te gestreng en Chris nù te ontdooid was, als de
burgemeester niet binnen getreden ware.

De welEdelachtbare, uit z'n humeur omdat-ie zonder boter had
ontbeten--in de warmte was ze sterk geworden--de boer kwam maar
ééns in de week--, de welEdelachtbare onder de impressie van z'n
nacht-lectuur--in de late-avond-stilte had-ie juist den detective-roman
_Een geheimzinnige verdwijning_ verslonden, vèrslònden: ambtshalve,
om zich te goed te doen aan de spitsvondigheden van zulke héerlijke
_detectives_ als daar ginds--, de welEdelachtbare werd onmiddellijk
aandachtig, toen-ie Chris voor de derde maal hoorde snikken van leege
bedden en _moord_.

"Wat is 'r met de dienstbode van _Zwaluw_?"--, vroeg-ie.

"O--bùrgemeester--bùrgemeester!"--nok-griende de ouwe meid, zwaar
onder 'r bovenrok gebarend, om 'r zakdoek te grijpen: "O, de hééle
femilie is weg en Kobus--de stéker--wil me _molle!_"

De burgemeester keek somber. Na den brand in de logeerkamer was-ie
'n weinig achterdochtig gebleven.

Nu spookte 't weer.

"Laat de meid bij mij in de kamer"--, beval-ie: "dit geval wil ik
_persoonlijk_ onderzoeken...."

De groen-gevoerde deur van het _kabinet_ suisde toe.

De brigadier hernam z'n potlood voor de rechte lijnen, tot-ie
gescheld werd.



Nog geen half uur later keken de menschen uit de ramen.

De burgemeester met twee agenten èn ouwe Chris, stapte met
_ambtspassen_.

Ongetwijfeld had de familie Zwaluw eene dienstboden-quaestie.

De burgemeester groette nauwlijks, zòo zat-ie in de _schaduw_ zijner
gedachten.

Persoonlijk schelde hij aan--aan dè deur, net terwijl Kobus _van
't dak naar binnen kroop_.

Twee, driemaal moest hij den knop berukken.

"Wie daar?"--, vroeg Kobus door 't luikje--hij zag den burgemeester,
nièt de agenten.

"Ik wensch ménéer te spreken," zei de burgemeester kort van toon.

"Meneer is nog niet bij de hand," antwoordde de huisknecht allerkalmst.

"En mevrouw?"

"Mevrouw--mevrouw," hakkelde Kobus zéér vluchtig--hij zou er
op los liegen tot in 't oneindige!--"mevrouw is op de badkamer,
burgemeester...."

Doorgaans was zulk een antwoord tegenover een bezoeker van _Casa
Cara_ voldoende.

Vandaag ketste 't.

"Ik wil mevrouw positief spreken"--, zei de burgemeester gestreng:
_desnoods òp de badkamer_!"

"Wacht u dan 'n oogenblikkie," loog Kobus meesterlijk: "dan zal 'k
't vrage."

Kalm mepte hij 't luikje dicht en ging op de trap zitten
_transpireeren_.

As-ie praatte raakte-ie z'n baantje kwijt, onherroepelijk kwijt,
had meneer gezegd.

Wat drommel, dan most de burgemeester maar terug kommen!

's Morgens, ontbijt-tijd, visite en mevrouw willen zien as ze in
'r bad zat!

Het luikje opnieuw openend, zei-ie met de welopgevoede stugheid van
'n bediende-die-weet-hóé't-hoort:

"Meneer de burgemeester--'t spijt mevrouw wel, maar ze ken u niet
ontvange. Mevrouw is an 'r toilet bezig...."

"Zoo vrindje," snerpte de burgemeester, door de spleten van z'n
oogen het beslist _misdadigers-type_ van den huisknecht bespiedend:
"Zoo! En meneer?"

"Meneer sláápt nog," fantaseerde de knecht: 't is vannacht wat laat
geworde...."

"Dank je," listigde het hoofd der politie, partij trekkend van de
wenken des _detective_-romans: "dank je zéér. Dan moet 'k de dienstbode
Chris spreken...."

Kobus werd beschaafd, gepast nijdig.

As-ie Chris uit de keuken riep--van de vlucht had-ie op 't dak nièts
bespeurd--dan plapperde dat kuiken de heele familie op straat.

En te-deksel, 't liep de spuigaten uit dat 'n bezoeker--onverschillig
of 't de burgemeester was of 'n ander!--als-die niet ontvangen kòn
worden, belet in de keuken vroeg.

"Chris," zei hij deftig, gelijk in 'n deftigen dienst betaamde:
"Chris doet boodschappen ...."

Chris, op zij van den deurpost, werd lijkwit bij zooveel leugens.

"O"--begon ze, nader stappend.

"Stil!"-- gebood de burgemeester: "'t Is best man--heel best!"

Plots deed-ie 'n _coup-d'état_, maakte-die zich _meester_ van de
situatie.

'n Waarlijk _geladen_ revolver uit z'n binnenjas trekkend, 'n revolver
die nog nimmer gebruikt was en nattig voelde van petroleum, omdat-ie
het geweldenaars-ding net gister ontroest had--stak-ie den loop
door het luikje en met barsche stem van médeklinkers en accenten,
bulderde hij:

"De deur openen en nièt van je plaats, of 'k schiet!"

"Stik--wat hei 'k nou an de hand," schrikte Kobus.

"In naam der wet _de deur openen èn nièt van je plaats_!"--, herhaalde
de burgemeester, wiens pupillen in zenuw-spanning tot geweekte èrwten
vergrootten.

Kobus bleef roerloos.

"In naam der wet!"--, zei het politiehoofd nog eens, _met den haan
spelend_.

Hij was op dit moment 't voorbeeld van een _detective_.

In Amerika hadden ze 't 'm niet kunnen verbeteren.

"Dan mot je maar door 't luikie," sprak Kobus moedeloos op 'n traptree
nederzittend.

"Zoo," zei de burgemeester: "val je door de mand? Je verroert geen
vin, kerel, of 'k dood je op de plááts. Agenten, klim door 't raam
van de logeerkamer!"

Het was 'n gedecideerd bevel, doch niet zoo makkelijk na te komen.

De dikste agent kòn niet klauteren--de dunste had 'n elastieke kous
om z'n spataeren.

Chris, thans het meest bij de hand, ging 'n trapje bij de _Leurings_
leenen--wat ze wel meer dee.

Al dien ontzaglijken tijd hield de burgemeester Kobus in _bedwang_.

Misschien zou 't nooit meer zóó _meesterlijk_ in Holland geschieden.

"Ik heb 'r lak an," praatte de misdadiger cynisch: "as ze d'r voete
maar vege. Lekkere poote zalle dat zijn--met teelaarde en al!"

De dikke agent richtte 't laddertje--de dunne kroop over 't
kozijn--toen hield Chris 't trapje voor den dikke in evenwicht.

"Als je 'n gebáár maakt!", dreigde de burgemeester door 't luikje:
"_ben je een kind des doods._"

't Fijne zweet perrelde op z'n voorhoofd. Als de misdadiger gelegenheid
had de _sporen_ van z'n daad in derhaast te verbergen, was 'n boel
verloren.

Kobus lachte schaapachtig.

"'t Is goeie hoor," grinnekte-die gelaten: "as je maar niet door de
ruit van de tochtdeur schiet."

Met werd-ie door de agenten gegrepen.

"Boeit 'm," zei de burgemeester.

Z'n revolver bleef dreigen, tot Kobus achter de tochtdeur verdween.

Toen bestapte de _detective_ zelf 't laddertje en in de logeerkamer,
bewuster, nu de vogel geknipt was, begon-ie dadelijk z'n verhoor.

"Waar is meneer Zwaluw?"--, vroeg-ie.

"Weet 'k niet."

"En hij lei nog te bed?"

"Dan hei-'k me vergist...."

"En mevrouw?"

"Weet 'k niet."

"En ze was in de bàdkamer."

"Dat dacht 'k...."

"Wat dee jij op 't dàk?"

"De schoorsteen rookte."

"Dat liegt-ie," riep Chris, die op 't laddertje stond en 'r hoofd over
't kozijn stak: "de kachel is niet an!"

"Wat heb jij met je mevrouw, je meneer, je juffrouw uitgevoerd?"--,
sprak de burgemeester, als 'n scherprechter.

"Weet 'k niet," antwoordde Kobus voor de derde maal.

"Dat weet jij wèl," drong de ondervrager aan.

"Nou dan weet 'k 't wel," zei de knecht onbeschaamd: "'k Heb ze
opgevrete--nou hoor je 't!"

Chris plofte van de trapleer in de _aucuba's_-- de agenten knepen
sterker de boeien.

"Hou dien kerel vast tot ik _huisonderzoek_ heb gedaan," gebood
de burgemeester.

Met de revolver in de hand, manhaftig, inderdaad alléén, inspecteerde
hij 't geheele huis, de kasten, de buffetten.

Zelfs ónder de bedden zochten z'n loerende oogen.

In de badkamer was 't water nog aangenaam lauw--in de eetkamer sloeg
bruine damp uit den drooggestookten theepot.

Resoluut blies de burgemeester de spiritusvlam uit, betastte de nog
_warme_ eieren.

Een raadsel, een gruwelijk raadsel.

Er was géén achterdeur.

_Zwaluw_ had destijds.... gelogen.

En nu was-ie misschien dupe vàn die leugens geworden.

Besluiteloos keek de detective uit het zolderraam--er waren
_voetsporen_ in den groenen aanslag.

Dat was ièts,

Op 't dak waagde-die zich niet.

Wie wist wat 't dàk verborg....

Dat zou-ie laten onderzoeken.

Besogne voor agent Stips, die vroeger glazenwasscher geweest was.

Omlaag gaand, trok 'n _vochtige_ plek op het portaal z'n aandacht.

"Voor 't laatst," sprak-ie met hoog-roode kleur: "voor 't láátst
vraag ik je, kerel, wàt 'r met de familie is gebeurd!"

"Ze zitte in me zak," zei Kobus nuchter.

"Waarom heb je de meid met móórd bedreigd?"

"Da's mijn zaak...."

"Hoe komt 'r boven op 't portaal zoo'n vreemde vlek, man?"

"'k Heb de honde niet kenne uitlate.--En verder doe 'k geen bek
meer ope."

"In naam der wet--arresteer 'k je," zei de burgemeester: "breng dien
man naar den post, agenten!"

"Langs 't làddertje?"--, vroeg die van de spataeren.

"Natuurlijk," zei de chef: "de deur is op de grendels...."



Het werd een lugubere stoet.

't Heele dorp liep uit....



NEGENDE KAPITTEL.

ANGSTEN EN VREDE.



    "_Come what come may_--_time and the hour run through the roughest
    day_...."

                                                            (Longfellow).


    "Het had heel wat moeite gekost...."

                                   (Eenzamen, Willem Gerard van Nouhuys).



Geradbraakt ontwaakte de heer Pieter Zwaluw voor de twééde maal op
den toren.

Als een fletse streep kwijnde aan den horizon de zorgen-zwangere
dageraad.

Het verre landschap traagde in 'n nevel, die de landen besloop....

Pijnlijk-kreunend, z'n tintel-kloppend been dat aan het lichaam
gestorven leek, masseerend, keek-ie met de grimmigheid eens geboeiden
leeuws naar het gemelijk-onlekkere van 't bovenaardsch zitje.

Dan, op-strompelend, moeilijk van sleepas, kruiste hij de armen over
de verkleumde borst, stond eene wijle onbeweeglijk, als Napoléon op
de rotsen van St. Helena.

Een uil, reeds gewend aan de buurschap der nieuwe wezens, bepeinsde
hem studieus.

"Verdraaid--verdraaid!"--, sprak de heer Zwaluw tot zichzelven
en hernam zijne zwijgenis, daar een mensch in zulke gefolterde
omstandigheden zelfs den lust verliest met het eigen ik te confereeren.

Een leege maag pompt de láátste energie uit het hersenweefsel, een
leege maag maakt den blij-moedigste tot gallig pessimist.

Er was géén redding mogelijk. Vandaag niet.

Toen zij, zij de vrouw die met 'm _verhongerde_, gister van den beambte
der gasfabriek sprak, die elken tweeden _Zaterdag_ van de maand kwam,
had-ie noch haar, noch Amélie willen ontrusten met de mathemathische
berekening dat elke Zaterdag een _Zondag_ voor schaduw heeft--en op
Zondag werd geenszins, in geen _beschaafd_ land _begraven_.

Nu, de armen gekruist, 's morgens om drieën, dacht-ie met onvaste,
door maagweeïng doorvreten gedachten, dat straks de gemeenten _in de
kerk_ geen vermoeden zou hebben van de zwervers _op een toren_.

Hij hield 't niet uit.

De dood, dàdelijk, scheen verkieslijk.

Een sprong omlaag en hij lag op de plek, die 'm toch ééns moest
ontvangen.

Maar dan de vrouwen! Die zouden zelfs geen _fatsoenlijke_ begrafenis
hebben.

O, gruwel--misschien zou 't na wéken de aandacht trekken, dat zooveel
raven om de ruïne saamschoolden.

Huilerig-grommend keek de heer Zwaluw naar het huisgezin op de planken,
en ineens bukkend raapte hij 't miniatuur-ommeletje der uitgebrande
kaars, proefde er met de voortanden van--gelijk-ie als knaap had
gedaan van 'n tablet chocola.

Het wàs te eten.

Van honger krankzinnige zeelieden hadden _mekaar_ wel geslacht en
verslonden.

Bij dàt vergeleken was _stéarine_ eene delicatesse, een versnapering,
'n greep uit 'n _bon-bonnière_.

Gulzig kauwend op 't eindje kous, voorzichtig stappend om de vrouwen
niet te wekken--wie wist waarvan ze _droomden_?--herinnerde-die
zich niet van de Hoogere-Burgerschool 't nooit begrepen spreekwoord:
"_qui dort dine_...."?--, nam-ie de vliegmachines in z'n handen.

Als je ze aan mekaar hechtte, kregen de stangen 'n lengte van vier
meter zeker. Te kort voor den afgrond. Op een _doodensprong_ maakte
vier meter geen verschil.

Toch passend en wikkend--pruimend op 't pitje der kaars--bleef-ie
in berekening--tot-ie bijna van verrassing _gilde_. Z'n knutselende
vingers hadden den knop van Amélie's parachute aangeraakt. Nagenoeg
gaaf veerde de parachute uit de stang. 't Leek niet te gelooven.

Eergisteravond was-ie 'n kuiken geweest, 'n logisch-redeneerend
_kuiken_.

Want toen-ie na 't vlammen-onheil en na de bekoeling der
aluminium-latten de twee bóvenste parachutes onderzocht had en in
de stangen verkoold bevonden, had-ie de moeite gespaard ook Amélie's
onderste vliegmachine te aanschouwen, die in 't felste van 't brandje
geweest was.

Dit was een wonder.

En 'n domheid.

Had-ie tòen gekeken, dan was er een glim van redding geweest, 'n glim,
want héélemaal gaaf was de parachute niet.

Bij één balein was de zijde 'n tikje geschroeid. Dat tikje maakte een
nederdaling tot een gevaarlijke historie. Als de parachute scheurde
of kantelde, kwam je _ontzield neer_.

Pieter Zwaluw, verheugd dat-ie niet _voorbarig_ gegild had, hurkte
als een Indiaan bij het vredesvuur.

Er waren eenige kansen ter overweging:--verhongeren (wat géén kans
kon heeten)--vrouw en dochter wekken, voor haar angstig-jammerende
oogen mooglijk dood neerstorten--vrouw en kind niét wekken en de reis
naar de _Lethe_ op eigen gevaar, zonder getuigen ondernemen.

Met zware rimpels in 't voorhoofd en saamklittende wenkbrauwen,
stak hij z'n laatste sigaar op, deed 'n paar trekken.

Anders fleurde 'n sigaar 'm op--in dat bar-vroege ochtenduur miste ze
'r inspireerende werking.

Licht-duizelig lei-ie haar neer, toch reeds duizelig door de
voor-voeling van den val--de zuiging--'t houvast-verlorene.

Dieper boog z'n hoofd naar de doorweekte knieën, striemender groeven
de rimpels in 't voorhoofdsvel, ruiger sloten de wenkbrauwen aaneen.

Dan vàst-besloten, met 'n cynisme, waarvan de herinnering 'm nog
in later jaren pleizierig aandeed, gespte hij de riemen vast,
lei z'n notitieboek aan de voeten zijner ega en met een van 'r op
't plat zwemmende haarspelden, hechtte hij zich een naamkaartje in
't knoopsgat, waarin zoo dikwerf in genoeglijker situatie, bij diner
of wandeling, _'n bouton de rose_ had gegeurd.

Op 't punt òp de tinnen te stappen en den sprong te wagen, waarvoor
ze in 'n goed-georganiseerd circus goud zouden hebben betaald, nam-ie
z'n vulpenhouder en schreef in 't notitieboekje: "Houd moed--dood
of levend bezorg ik u redding"--, toen trok-ie het visitekaartje uit
z'n knoopsgat, noteerde daarop met kloeke letters:



[Illustratie: Visitekaartje van Pieter E. Zwaluw met tekst: "Mijn vrouw en dochter
zijn levend of dood!! op den toren."]



Blééf-ie liggen in de struiken beneden, dan zouden ze 'm bij de éérste
begrafenis vinden en 't spoor der andere verdwenenen speuren--dan
zouden ze alle drie _hereenigd_ worden in den familie-grafkelder,
waarin ook Zwaluw Senior en zijn _moeder_ lagen.

Even werden z'n oogen vochtig bij die deernis-zwáre ziening--dan,
zonder om te kijken, beëtiketteerde-die zich opnieuw met visitekaart en
haarspeld, stapte op de borstwering, verjoeg den wijsgeerigen uil, die
wat van 'm leek te moeten hebben, zóó als-ie 'm ankeek--en bestaarde
voor 't laatst het landschap, 't kleur-vattend groen, de boomtoppen,
de grafzerken.

De zon, nog ònder den horizon, belichtte de nevellijn achter de velden,
alsof een stofwolk door verre karossen gewenteld werd.

"Het is _zuur_," peinsde hij zeer kort: "het is in élk opzicht
zuur--de levensverzekering-maatschappij zal chicaneeren--de
ongevallen-maatschappij dito. Vooruit, Jan van Schaffelaar--een màn
aarzelt niet!"

Toch, ofschoon màn, aarzelde hij.

Zelfs mèt een leege maag heeft 't leven z'n aangename zijden.

Welk eene gaping tusschen eergister en heden.

Toen ingezetene met 'n charmant huis en alle geneugten--vandaag
'n desperaat mensch boven 'n afgrond.

Wreeder kon 't niet--acuter leerde 't nauwlijks de wereldhistorie.

't Geritsel van den uil _dreef_ hem in de diepte.

Als ze ontwaakten kreeg je 'n hartverscheurend afscheid.

Stevig de vingers klemmend om de gekwetste plek der parachute liet-ie
zich gaan, de oogen gesloten.

De wind zoog als 'n blaasbalg in z'n neusgaten, builde z'n jas open,
bolde z'n broekspijpen.

Het ging eerst met stooten en rukken, dan maag-van-streek-makend snel.

Niet zoo snel als z'n gedachten die de eeuwigheid doorstormden.

Met 'n smak bonsde-die neer en kreunde van pijn. Hij had z'n enkel
verzwikt, lei languit op den beganen grond van 't kerkhof.

"God zij gedankt," zei Pieter Zwaluw, aanzienlijk opgelucht: "'r liggen
'r hier in minder goede conditie," en met 'n opgeruimdheid die 'm de
pijn bijna deed vergeten, floot-ie omhoog om zijn vrouw en Amélie te
waarschuwen dat-ie _behouden_ gearriveerd was.

Ze hoorden 'm niet.

"Vrouw! Amélie!"--, schreeuwde hij, de handen als 'n roeper om den
mond. 't Bleef boven stil.

Nog 'n paar maal schreeuwde en riep de heer Zwaluw, dan pijnlijk
strompelend, klom-ie over 't puntdradige hek van 't kerkhof, dat
'm zóólang van 't leven en de vrijheid gescheiden had.

'n Kwartier lang, transpireerend, wee van honger en met 'n voet die hoe
langer hoe sterker zwol, kuchte hij den weg af, tot-ie geweldig bofte.

'n Boerensjees reed voorbij.

"Hallo!", riep de heer Zwaluw.

"Waablief?"--, schrikte de boer, wantrouwend het vreemde heer
taxeerend, dat in 'n fatsoenlijk, doch verregend en gescheurd pak en
met 'n gebroken fiets onder den arm, noodseinen wrikte.

"Mag 'k meerijjen--ik zal 't goed met je maken?"

"Om de weerlicht nie," betoogde de man in de sjees: "jij lijkt wel
erges uit-gebroke te zijn...."

"Dat bèn 'k ook," praatte Pieter Zwaluw; "uit 't kerkhof."

De boer trok de leidsels aan.

"Rij in Godesnaam niet door!", smeekte Pieter, ziek van pijn en
duizeligheid: "ik geef je vijf en twintig gulden as je me na 't
dorp brengt!"

't Bankje, uit z'n vestzak gegrabbeld, had uitwerking.

"Stijg dan maar op," zei de boer het papiertje grijpend en gelijk naar
z'n mes tastend voor 't geval dat de rare sinjeur streken zou uithalen.

De heer Zwaluw, zachtjes kermend, sjorde zich omhoog. En de sjees kreeg
'n zálige beweging dorpwaarts.

"Heb jij je poot bezeerd?", vroeg de boer.

"Ja," zei de heer Zwaluw op 't punt te ònmachtigen.

"Hoe komt dat dan zoo?", hield de boer aan, de leidsels in de eene
hand, 't mes bij de andere.

"Ik ben van den toren gesprongen," lei Pieter uit, lang-gerekt
geeuwend, zwaar-kakend geeuwend als 'n uitgeputte hongerlijder.

"Zoo," antwoordde de boer ongerust--straks had-ie 'n gek, 'n
losgebroken gek naast zich zitten: "Zoo ben jij van 'n tóren
gesprongen? Wel man--da's héél knap."

"Ja," geeuwde Pieter, met dikke geeuwtranen in de oogen: "en 'k heb 'n
razenden honger--'k heb"--even nam-ie rust voor n' nieuwe diep-deinende
geeuwing: "'k heb niks as 'n stukkie kaarsvet gegeten...."

"Wel--wel," grinnekte de boer doodelijk-angstig--nog liever
'n struikroover as 'n krankzinnige naast je!--"wel, wel! Nou
da's héél lekker. Dat eten we thuis ook." Je most ze niet
tegenspreken. "Hurt! Hurt!"

De opgejaagde zweep striemde 't paard, dat 'r vandoor vlóóg:
"En--en--die kapotte fiets--waar hei je die vandaan? ..."

"Nérgens," sprak de heer Zwaluw in 'n flauwte opzij-zakkend.

"Nou--da's 'n geval!", gromde de boer, zoo ver mogelijk af-schuivend,
maar ineens boog-ie dicht 't hoofd naar de borst van den vent, die met
lapjes van vijf en twintig sméét en met 'n verbluffing die 'm de haren
te bergen deed rijzen, las-ie de waanzinnige woorden aan de haarspeld:
"_Mijn vrouw en dochter zijn levend of dood op den toren. P. Z._"

"Christeneziele!", zei-ie 't paard voortzwiepend: "Hurt! Hurt, Kees!"

't Paard sloeg bijna op hol. De heer Zwaluw bleef in onmacht.

'n Leege maag met 'n eindje stearine-kaars en 'n gemeen-verzwikten
voet maken van den kordaatsten lucht-peddelaar 'n aangespoeld wrak.

De boer, ongezellig-warm, met 'n krijtwit gelaat, joeg de sjees over
de slapende keien van 't dorp.

En voor 't politiebureau hield-ie in met 'n dankbaren ruk. Het paard
beefde op de beenen.

In de stilte van 't straatje ploften twee stevige schoenen van den
bok--en de kloppende vuisten porden zoo stevig als mokerslagen.

"Ja?", vroeg de dienstdoende brigadier, die met 't neuswarmertje in z'n
hand, in de rust van 't accidenten-vrij dorp in slaap was geknikkeld.

"Christeneziele!", bulkte de boer: "wat me daar is overkomme! Ik breng
je 'n gek--een die met 'n kapotte fiets van 'n toren is gespronge,
met enkel 'n kaars in z'n maag en 'n brief op z'n borst!"

"Daar begrijp 'k geen snars van," zei de brigadier; "met gekke mot
je niet hièr weze!"

"Wel gedorie!", vloekte de boer: "as je 'm nie overneemt, zet 'k
'm op 't stoepie!"

"Dat zel jij wel late, man. Dan zou 'k jou leelijk bekeure!"

"As-die nou toch van z'n zelve leit," raasde de boer: "mot 'k 'n gek
houe die in me sjees klimt? Dan verzoek ik jou die vent uit me wagen
te zette. De wagen is mijn eigendom...."

De brigadier, eindelijk heelemaal wakker, voelde voor die argumenten,
klom op de tree van de sjees en keek onder de kap in 't blauw-bleek
gelaat van een der _geheimzinnig-verdwenenen_.

"Da's léelijk," zei-ie: "da's meneer Zwaluw--en die is dóód. Waar
hei-je 'm gevonden?"

"Hij is nie dood," zei de boer ongerust: "Help 'm maar na binnen
drage...."

In de wachtkamer, op 'n paar stoelen, leien ze 'm neer en daar
met de ontzaglijkste verschrikking las ook de brigadier de
geheimzinnig-gruwelijke woorden--in verband met de moorden van
Kobus-den-huisknecht: "_mijn vrouw en dochter zijn levend of dood op
den toren. P. Z._"

"Dadelijk de burgemeester hale!", gelastte de brigadier: "zoo iets
schrikkelijks is hier nog nooit voorgekome. Je zou die huisknecht
lévend verbrande...."

Op den toren van _Koepelsteyn_ geschiedde inmiddels eene andere
dièp-tragische gebeurtenis.

Amélie, eindelijk ontwaakt, na een heerlijken slaap--de jeugd slaapt
op rozen, zelfs wanneer de doornen der werkelijkheid in weligheid
groeien--welk een scheurkalendervondst! Amélie keek verrast om zich
henen, de plaats der ontwaking nauwlijks herkennend.

Ma sliep nog, 't hoofd op háár knie.

Nee, ze zou zich niet bewegen--ma had 't zoo noodig.

Doch plots draaiden haar oogen naar alle zijden.

En in angst-reflex gilde ze: "Ma! Mòéder!"

"Wat is 'r?"--, vroeg mevrouw dood-van-slaap.

"Pa is wèg!..."

"Wàt zeg je!"--, schreeuwde mevrouw wakker geknoet.

Onbeweeglijk, als in steen gehouwen, keken de twee vrouwen. Er was
geen vergissing mogelijk. 't Plateau wàs te overzien.

"O," zei mevrouw angstig.

"O--O!"--, huilde Amélie: "hij is van den toren gesprongen uit
wanhoop!"

Trillend aan al haar leden, stond mevrouw op, keek over de
borstwering. De struiken bewaarden het geheim van haar schaduwen
en groen.

"Genadige hemel--op zóó'n manier _weduwe_ te worden!"--, snikte
mevrouw.

Amélie had 't zakboekje opgenomen, las de woorden: "Houd moed--dood
of levend bezorg ik u redding!"

"O ma--má--pa heeft zich voor ons opgeofferd--die goeie, beste,
lieve pa--en nutteloos--nutteloos--nou ligt-ie dood in de struiken
benee--en wij kunnen hier óók sterven...."

Snikkend nam mevrouw het boekje uit Amélie's handen en las den
_laatsten wil_, dien Pieter gisteravond bij de acetyleenlamp
geschreven had.

Door 't waas voor 'r oogen, zag ze de lieve, brave, stevige letters
van den doode: "Ik vermaak al mijn hebben en houen aan mijn geliefde
_vrouw_ en mijn _innig-geliefde_ dochter en wensch met haar samen in
den familie-grafkelder _hier omlaag_ te worden bijgezet. Mochten wij
alle driè dood gevonden worden, dan schenk ik dit hebben en houen
aan de gemeente mijner inwoning, die er de vrije beschikking over
zal hebben, mits de naam _Pieter Zwaluw_ aan het fonds verblijve
en onder voorwaarde dat mijn huisknecht Kobus en mijne dienstboden
Chris en Jans een jaargeld van vijfhonderd gulden ieder ontvangen. De
gemeente verbinde zich hier tegenover alle torens in de toekomst
_geopend_ te laten, om onverantwoordelijke opsluitingen, als waarvan
wij het offer zijn, te voorkomen. Onze verbrande vleugels moeten
in het _gemeente-museum_ bewaard blijven, als aandenken aan hen,
die zoo hoog in de wolken een _marteldood_ zijn gestorven. _Pieter
Everhardus Zwaluw_."

"De èngel!", nokte mevrouw voor 't éérst van 'r leven na de
lang-geleden bruidsdagen in de _Charcuterie_.



Mevrouw jammer-kreunde met de gulzigheid eener weduwe, die te _laat_ de
schoone hoedanigheden eens echtgenoots ontdekt--Amélie schreide heftig.

Zoolang de Menschheid bestond, had geen toren-plateau zùlk desperaat
gerucht vernomen--geen toren van Barneveld--geen van Solness--geen
Notre Dame.

Noch Jan van Schaffelaar, noch Solness, noch Quasimodo benaderden dàt.

Een weduwe, een halve wees, uitgeput, hongerig, dorstig--gekerkerd
op een omweerde hoogvlakte, waarvan de man en vader veertig meter
omlaag is gesprongen--'t kon niet benarder, niet opperst-tragischer.

De handen wringend in de buurschap van den uil die _de daad_
had gezien, de beenen in _zijn_ broek--welke deerniswaardige
herinnering!--besnikte mevrouw het Verleden.

Pieter Everhardus Zwaluw--zoo zéér als haar maag ongebonden jeukte
en materie verlangde--gebaarde thans in hare verbeelding, met een
zoetelijk helden-aureool om de grijzende slapen en bakkebaarden.

Al zijn slechte, doch menschelijke hoedanigheden _verzwommen_.

Bleek-hongerig en door smart lam geslagen, onderging ze in die
vrééselijke oogenblikken het zonderling-aangrijpende der gansche
Menschheid, die zich bij een lévende ver-kneutert in spelde-prikken
en geniepige porren en een doode in het zonnetje van zijn _goedheid_
en _voortreffelijkheid_ zet (nadere scheurkalender-vondst).

Hoe dikwijls had ze Pièt (als een dolksteek) met een glimlach (als
een vernietiging) gezegd, hoe menigmaal hadden zij en hij àndere
dingen in mekaars oogen gelezen dan poëten bij maanlicht bezingen....

Hoe had zíj, uit de Jan-van-Loon-straat, hèm uit de Zwaanssteeg, op
't folterbankje der-ik-heb-'t-laatste-woord mishandeld.

Nu lag-ie afschuwelijk verminkt ergens in de struiken, zat zij als
eene legendarische, symbolische smartfiguur naast haar dochter,
de leege wijnflesch en het glimmend sardineblikje.

Antigone, Oedipus leken er kinderspel bij.



Het was een fraaie zomersche dag. De zon, fel-doorgebroken, joeg het
vocht van het plateau in sidderende dampen.

De vogels op 't kerkhof floten, schoten naar de nesten--'t
vol-weelderig groen slurpte het licht in verrukking.

Teer van stemming begon in de onzienlijke verte een klok voor de
vroegmis te luiden.

"Ma," sprak Amélie.

Mevrouw bleef in smartlijke versteening.

"Ma," zei Amélie nog eens: "àrme ma."

"Arm kind," antwoordde de weduwe.

"Misschien is 'r 'n wònder gebeurd, ma."

"Nee," knikte mevrouw.

"Laat u 't hoofd nog niet hangen. We zièn beneden toch niks."

"Als we wat zagen, zou 't nòg schriklijker zijn," snikte mevrouw.

"Heeft u erge honger?", vroeg Amélie na 'n poos om te tróósten.

"Niet meer," zei mevrouw over àlles heen.

"Dat zegt u maar," redeneerde Amélie: "toe, denk an nìks, ma!"

Ma antwoordde niet--Amélie begon _op 'r nagels te bijten_.

Van 'r vroegste jeugd had ze 't gedaan--vandaag dee ze 't hardnekkig in
'r pogingen om 'r moeder af te leiden.

'r Handen had ze laten kappen, om má aan eten te helpen.

'n Gevulde maag was beter tegen verdriet bestand dan zùlk 'n leege.

De zon scheen 'r warm in 't gelaat, stoofde 'r hoofd, kokend en
opgehitst. De benauwende broeiing maakte 'r ongevoelig.

Als 'n beest begon ze den uil te beloeren. 't Was 'n welgevulde
dikkert met vleezige pooten en 'n smaaklijken nek.

Zoo _gedegenereerd_ geraakte ze door de werking van 'r maag en 't
verlangen om 'r moeder 'n troostenden hap te geven, dat ze 'r vader
vergat en met lichtende katte-oogen de zachte bewegingen van den
uil bespiedde.

Ze kreeg 'r 'n kleur bij--'r handen kromden als klauwen--'r rug boog
in sprong.

Nooit in 'r later leven vergat ze die diersituatie, dat rooie,
bestiale gevoel om 'n rustig-slapenden, niets-vermoedenden uil,
terwijl 'n _beschaafd_ mensch naar vegetarisme neigde.

Als ze 'm te pakken had gekregen--zij, die drie dagen geleden nog geen
kanarie in 'r handen durfde te nemen--had ze 'm z'n nek omgedraaid--én
geplukt--èn met 'r nagelschaartje gehalveerd--èn rauw geslokt.

'n Door honger gefolterd mensch werd 'n _ijselijk_ dier.... Gelukkig
kwam het niet tot de euveldaad.

Ma keek op en ongerust over de loerende koortsachtige oogen van
'r dochter, vroeg ze:

"Amélie--wat doe je?"

"Niks ma."

"Wat kijk je dan?"

"Suscht, ma! Suscht! U praat 'm wàkker.'k Had 'm net haast te pakken!"

"Jakkus," zei mevrouw: "hoe kom je op de inval?"

En ze zwegen geslagen.

De kerkklokken rondom luidden nu alle.

Mevrouw vouwde de handen--Amélie keek van den uil naar den eenzamen
landweg.

De zon, hooger aan den hemel, braadde haar rug.

Warmte was ellendiger dan regen--om twaalf uur zou 't niet uit te
houden zijn.

In Godsnaam.

'n Zonnesteek onder de omstandigheden was 'n weldaad.

Uitkomst op Zondag was onmogelijk.

Al 'r idealen te begraven op 'n toren, al 'r droomen en
jeugdverlangens--welk 'n einde.

Toen, wakker geschokt, klaar van denken, botste ze op.

In de verte naderde 'n stoet, 'n stevige menschendrom.

"Ma!"--, gilde ze.

Mevrouw schrikte, keek over de borstwering.

"De hemel zij geprezen--'n begrafenis!"--sprak Amélie
koortsachtig-gejaagd: "o, o, wat 'n geluk--en net te laat om armen
pa ook te redden."

"Stil! Stil!", zeide mevrouw: "misschien gaan ze 'n anderen kant uit!"

Sprakeloos keken ze toe.

De stoet kwam nader, 'n geweldig-lange, stevige stoet. De zon bescheen
't koper van muziek-instrumenten, verguldde letters van vaandels. In
't midden een paar landouwers met heeren in 't zwart--daar achter
spartel-glinstrende brandweerhelmen en een bonte drom mannen en
vrouwen.

"Ma--droomen we?"--, zei Amélie bevend.

"Ik geloof 't," aarzelde mevrouw.

De realiteit van den uil, de leege flesch, 't blikje, 't smerig
plateau stelde haar gerust.

"'n _Wonder_," zei Amélie, zich vasthoudend om niet ineen te zakken.

Benee, in den stoet, begonnen ze met zakdoeken te wuiven--flauw
hoera-geroep zweefde aan.

"Ma--ma--pá zit in 't rijtuig!"--, gilde Amélie en dol van
uitgelatenheid begon ze op het plat te dansen, zoo wild te dansen,
dat de uil 'r beduusd van door ging.

Benee werd het plechtig. Bij de struiken van _Koepelsteyn_ zette de
muziek fanfares in.

Mevrouw, doodsbleek, hing over de tinnen, keek, keek, boog.

Dan 'r man herkennend, die 'n mand etenswaren, eieren, ham,
boterhammenworst en broodjes op z'n schoot hield, hernam ze haar
waardigheid van vóór de groote Ellende en snauwde haar dochter toe:

"Amélie! Amélie! Schei uit met je gedans. De burgemeester, de
wethouders zullen denken, dat je stapel ben!"

"Dat ben 'k ook ma! Eenig! Eenig!"

Voor het eerst sinds zwaar-zure uren hersprak ze dát woord.

"Amélie," zeide mama nog eens gestreng.

De trap benee steunde en kraakte.

Het luik schoof.

Het hoofd van den burgemeester werd zichtbaar.

"Mevrouw--dames," begon hij. Verlegen verdween-ie weer, omdat de
dames Zwaluw in zùlk kostuum een weinig landlooperig deden.

"Kom, burgemeester--wat doet u nou?"--, gromde de oudste wethouder
in het duister van het gat. Hij geraakte in de verdrukking, zóó als
ze opdrongen om van de plechtigheid getuige te zijn.

Toen zette het hoofd der gemeente, der politie en der brandweer door,
doch confuus en onhandig, _beglimlachte_ hij het plateau, om het
onvertogene te mijden.

"Kom u binnen, kom u binnen," sprak mevrouw de hoofden in de
luikopening toe.

Ze had weer haar ouwe tegenwoordigheid van geest, als gastvrouw van
_Casa Cara_.

Het werd een kort, levendig gedrang.

Al de dorpsnotabelen, de gemeenteraad, het bestuur der harmonie,
het bestuur der rederijkskamer, de notaris, de dokter, allen waren
present en _ontroerd_, toen de heer Zwaluw met een omzwachtelden voet
omhoog kwakkelde en z'n vrouw en dochter 'n broodje en 'n zoen gaf.

Benee speelde de harmonie de marschen en ouvertures, die ze kènde.

"Ophouen! Ophouen!"--riep de inspecteur van politie.

Er kwam stilte.

De burgemeester trad in het midden van den kring en eerst onvast, dan
zekerder--dit was z'n dèrde speech in het openbaar: den eersten keer
nà z'n benoeming had-ie de eerewacht toegesproken--den tweeden keer de
brandweer bij de overreiking der nieuwe spuit--zei hij, met verheffing
en aangedaanheid: "Dames en heeren--mevrouw Zwaluw--mejuffrouw
Zwaluw--mijnheer Zwaluw--als hoofd der gemeente neem ik met gretigheid
het woord om u geluk te wenschen met uw redding. Wij achten het een
eer voor onze gemeente, dat hièr het eerst de vliegmachine in practijk
is gebracht. De heer Zwaluw heeft mij, na zijn herstel, de geheele
toedracht verteld, uw avonturen, uw lijden beschreven. Gelooft mij,
dames, dat, wanneer we in de historie van ons geliefd vaderland met
eerbied den naam noemen van .... van .... van"--transpireerend in de
stékend-heete zon, bleef ook hij stéken.

"Van .... De Ruyter" ...., soufleerde de oudste wethouder op goed
geluk.

"Néé," beet de burgemeester af--en nog den naam niet te grazen nemend,
vervolgde hij "....van.... van de vrouw die bij Leiden's ontzet..."

"Kenau Hasselaar!--riepen een paar gemeenteraadsleden.

".... Juist mijne heeren--wat ìk zeggen wou--van Kenau Simons
Hasselaar--wanneer we met eerbied dien naam gedenken, dan zullen onze
nazaten met misschien even grooten eerbied van de dames Zwaluw spreken,
die met haar man en vader voor het eerst in ons land gevlogen hebben
en manmoedig dit avontuur doorstaan...."

Even zwaaide de arm van den politie-inspecteur over de borstwering,
even tetterden fanfares.

"Mag ik de aanwezigen uitnoodigen," vervolgde de burgemeester:
"driemaal aan te heffen: Lang leve de _vliegende familie Zwaluw_!"

Geestdriftig wèrd het geroepen, geestdriftig brulde de menigte benee,
die door de politie op een afstand werd gehouden.

Amélie at haar tweede broodje--ook mevrouw _kauwde_. De mensch deed
zich gelden.

Toen kwam de president der rederijkerskamer, die in verscheiden
gemeenten den roep had een uitnemend fuist- en feestdichter te
zijn, naar voren, las een làng gedicht, dat hij in het rijtuig had
geschreven. Het eindigde aldus:


        Wij zullen aan het nakroost overbrengen
        Hoe gij gevleugeld naar deez' toren kwaamt,
        Hoe 't noodlot uwe wieken deed verzengen.
        Faalt niet een mensch in wat hij soms beraamt?
        O Zwaluwen, o Man, Vrouwe en Dochters [2]
        Gij hebt het hóógste in dit land volbracht,
        Wij noemen UEd. de hemelruime-tochters,
        Dit hadden nimmer wij verwacht.
        Slaat in de toekomst uit uw breede vlerken!
        Vliegt jaren nog tot in 't zesd' geslacht!
        Vliegt zonder grens en zonder perken!
        Wij hebben eeuwen lang naar UEd. vleugelen gesmàcht!


Weer vielen fanfares in--toen na handdrukken zonder feestlijken
wijn--zóó hoog werd het moeilijk kurken te doen ploffen--begon de
daling naar den _beganen grond_.

O, de vreugde bij de eerste stappen, op 't grintpad, terwijl de politie
salueerde, de vaandels bogen, de muziek fanfaarde, de menschen met
hoeden en zakdoeken wuifden.

Voetstaps, in de landouwers, ging het dorpwaarts. Mevrouw zat naast
Pieter--over hen Amélie.

In het tweede rijtuig kranigde het Dagelijksch Bestuur.

Overal groetten de bewoners.

Het was een Droom--eene ongedachte héérlijkheid.

"Pa--hoe éénig dat u 'r zóó is afgekomen! Hoe heeft u 't dùrven wagen
met 'n kapotte parachute!", zei Amélie, toen ze alles gehoord hadden.

Mevrouw zat zwijgend.

Nu ze hem weer had, hèm dien ze 'n uur geleden als 'n lief,
_ónvleeschelijk_ wezen gezien--nu ze z'n verzakt boord, ongeschoren
kin, bevuilde kleeding, in rauwe werkelijkheid aanschouwde, nu ze zich
zelf ten spot voelde in _zijn_ pantalon, nu kregelde in haar de rijpe
verdrietigheid, dat 't per slot van rekening alles _zijn_ schuld was,
eene schuld niet te zoenen door 'n speech van den burgemeester.

"Piet," zei ze met aanzwellende kribbigheid, "hier heb je je zakboekje
met je laatsten wil."

"Dank je, kind."

"Pièt, 't is goed dat 'r niks van gekomen is."

"Dat is 't, kind."

"Nee, dàt bedoel 'k niet! Hoe kwam je zoo gek om alles an de _gemeente_
na te laten?"

"Ik kreeg zoo die inval, kind."

"En me zuster en 'r kinderen?"

"Die hebben 't niet noodig."

"Zoo," zei ze vinnig, tegelijk glimlachend-groetend: "zóó--je doet
die gekheden geen twééden keer!"

"Dat weet 'k nog niet," verweerde hij zich.

"Piet!"--, dreigde ze.

"Begin je weer kwesties te zóéken?"

"Dat was geen testament--dat was pure onzin--en ijdelheid--om je naam
in de kranten te krijgen ...."

"Daar spring ik voor van 'n toren," zeide hij geprikkeld.

Zoo tòch gezelligjes in den ouden lévenden toon kibbelend, reden ze
het dorpje in, beminnelijk naar alle zijden de kennissen en dorpenaren
toeknikkend.

Katterig hielden ze 's middags receptie bij port, sherry, advocaat.

Kobus liep grunnekend in de gangen en ouwe Chris, bewegend zonder
lichaamsweten, smoorde in den oven met _gehypnotiseerde gebaren_, een
malsch stuk lenden, dat de slager bij uitzondering op Zondag leverde.

Meneer zat met z'n verzwikten voet in ijscompressen.

Mevrouw wrokte over 'n man, die z'n hebben en houen aan z'n familie
_ontstal_.



TIENDE KAPITTEL.

HOLLAND IN DE WOLKEN EN ZEGEPRAAL [3].



    "Sedert de heer D. Bolle eigenaar werd van _Ten Brink's
    Geschiedenis der Noord-Nederlandsche Letteren in de XIXe eeuw_,
    was het werk in prijs verminderd en spoedig uitverkocht."

                                                    (Taco H. de Beer.)


    "Een lichtvlucht vlangt mijn schip met blijde mare
    En helm-zwaan na, wiens zilver wiekgesprei
    Mijn spoor vlingt langs 't azuur."

                                                     (J. K. Rensburg.)



In geen járen was _Casa Cara_ zulk een honnig, huiselijk _nestje_
geweest.

Na regen pleegt zonneschijn te komen (zij 't woord niet voor Holland
bestemd)--na storm windstilte--na wanhoop òp een toren: idylle in
'n binnenkamer.

Mevrouw en Amélie sliepen na 't gebeurde dikke vier-en-twintig uur,
meneer bleef nòg langer onder de wol, om z'n voet rust te gunnen.

Toen verkneuterden ze zich gezamenlijk in de welbehagelijkheid van
hun _thuis_.

Wat deed alles frisch en nieuw aan na de nachtmerrie bij de wolken!

Mevrouw liet zich door Amélie geklutste eitjes en geroosterde
boterhammetjes met ansjovis voeren.

Ver-zaligd in de mollige breedheid van den leunstoel voor 't raam,
de voeten op 'n bankje, Tutu en Zo op 'r schoot, beglansde ze
de voorbijgaande, nieuwsgierige menschen met zonnig-genoeglijke
groetjes--en las de feuilletons der krant, die ze op _Koepelsteyn_
niet had kunnen bijhouden.

Lieve huiskamer-teederheid omspon haar.

Ze zei wittebroodsweek-achtige dingen tot Pieter, die óver haar
aan 't andre venster, dronken door de meigeuren van zooveel plots
ontluikende huwelijks-bloesems, de gelukkige vette handen over 't
_ontknoopt_ vest gespannen hield en herhaaldelijk in _droom_-toestand,
met vredige kreuntjes-van-kokende-koffie snòrkte.

Jaren, lange jaren had zij hem den droom, den waarachtigen droom, die
zich in snorken verzinnelijkt, door vinnige interrupties gebrijzeld.

Immers, zoo als hij, zoo onbeschaafd, zoo ruw, zoo ex-slagerachtig
òngedistingeerd, gaf niet één man in Holland de brute echo van het
Ontastbare.

Vandaag, prettig-verzadigd, lichaams-evenwichtig als op dien
vèr-geleden Zondag toen ze bij likeurtjes en bemuis-te beschuitjes
kraamontvangdag hield, vandaag eerbiedig begroet door de dorpenaren die
de speech des burgemeesters in _extenso_ in het plaatselijk blad hadden
gelezen--vandaag dùldde ze zijn gesnork, 't robust getremoleer van
'n _robust geweten_--vandaag hoorde ze er geluiden in, die alleen de
_liefde_, de pure, rijpe liefde eener vrouw ook in dàt onaesthetische,
beluistert, verschoont, begrijpt.

Er was in diè uren op _Casa Cara_ het volmaakte, het harmonieuze,
het subtiele.

Af en toe ging de schel over, kuchte een visitekaartje in de bus,
nieuw aandoenlijk bewijs der publieke belangstelling.

De menschen schenen van alle zijden door eene kiesche veneratie
bezeten.

Wildvreemden namen de hoeden af.

Jans, die uit Friesland terug was, Chris, Kobus (plechtiglijk
ontkerkerd na meneer's bewust-wording) werden aangesproken,
befluisterd, _befooid_.

De melkboer gaf 'n scheutje toe, wijdscher dan z'n duim in de pint had
verschalkt--de jongen uit den comestibleswinkel--'n eerbiedsstaaltje
om nimmer te vergeten!--die dagelijks kwam hooren of 'r rookvleesch,
saucisse, blokworst, gelardeerde kalfslever noodig was, stopte Kobus
'n handteekeningen-album in de hand, met het bevend verzoek of meneer
en mevrouw zoo buitengewoon vriendelijk wilden zijn hun _namen_,
elk op 'n blanco bladzijde, te schrijven.

Het wakkere dorp was van eene superbe Amerikaansche onthutsing.

Ten bate der algemeene armen hield de "Vereeniging tot bevordering
van het vreemdelingen-verkeer", gedurende twee dagen, eene
tentoonstelling der beschadigde vliegmachines, der ledige flesch,
't ledig sardineblikje, de portretten der helden en van 't dramatisch,
alles zeggend visitekaartje met haarspeld: "_Mijn vrouw en dochter
zijn levend of dood!! op den toren. P. Z._"

Drie honderd zeven en twintig kwartjes werden ontvangen.

Dat geschiedde in het dorp.

Er buiten steeg de ontroering in gelijke of versnelde mate.

Verschillende bladen wijdden hoofdartikelen aan het nieuwe middel
van vervoer.

Men doorzocht de vaderlandsche historie, stelde vergelijkingen tusschen
de uitvinding der boekdrukkunst, het haringkaken en dàt.

De ruïne van _Koepelsteyn_ en alweer de heer en mevrouw Pieter Zwaluw
met _gezin_ vulden de geïllustreerde tijdschriften.

Het _land der trekschuit_ had het eerst in Europa gèvlógen.

Er waren er die het niet geloofden, die van een _canard_--vlóóg 'n
canard niet?--spraken, die zich wilden overtuigen. Ze zouden spoedig
in een hoekje gedrongen worden.

De eerste fietsers hadden bekijks, werden gesteenigd, gebeten (door
honden), de eerste luchtpeddelaars, die den Nacht boven den Dag
verkozen, zouden nà hun lijden volgers vinden, volgers bij honderd-
en duizendtallen.



Wanneer ge, vooruitstrevenden, in later jaren, als schrijver dezes
'n eerbiedwaardig grijsaard zal zijn--der Sport ontvallen--dit
Boek van avonturen doorbladert--moge de _tand des tijds_ en het
gruwzaam gebit der critiek het tot dien datum (1950) sparen!--welk
een phantastisch-heerlijke droom voor den uitgever en mijzelven
(eind der interruptie)--wanneer ge in negentienhonderd vijftig,
om man en paard te noemen, dit thans schijnbaar topzwaar _episch_
verhaal herleest, of er uw kleinkinderen mede rustig houdt, bedenkt
dan dat ònze voorvaderen geen vermoeden noch begrip hadden van doosjes
_Säkerhets Tandstickor_ (Zweedsche lucifers, _made in Holland_),
van naaimachines, van waterleiding of linnen zakdoeken, om te zwijgen
van zoo overdonderende zaken als eene electrische tram, telegraphie
zonder draad en W. C.'s in _treinen_. Bedenkt, vooruitstrevenden,
hoe onze kinderen thans, als eene vredige kalmte des tijds, auto's,
tuffen, X-stralen, hondsdolheid-serum, bestuurbare luchtballons,
gepasteuriseerde moedermelk _aanvaarden_--bedenkt dat de vliegmachine
der familie _Zwaluw_ geen Mop doch een voorhoofd-rimplende _Ernst_ is.



Nog vóór de verzwikte voet in _Casa Cara_ tot beleidvol gepeddel in
staat was, had de Amerikaansche firma uit Holland reuze-bestellingen
gekregen.

De eenvoudige machine, waarop de vleugel-lam-geslagen Menschheid zoo
innig gewacht had, werd de sensatie van den dag.

Binnen eene maand na de eerste levering was er reeds een fabriek
bij Amsterdam opgericht, die de toestellen namaakte en ze goedkooper
fabriceerde.

Ter eere der eerste vliegers heette het merk _De Zwaluw_.

Oudbakken zaken als dépôts, vliegscholen etc. terzijde latend, ook
de nuchtere verbazing in de straten bij het zien der luchtpeddelaars
in vol dàglicht, vermeldt de geschiedschrijver uitsluitend de meer
gedecideerde lijnen van opschudding en verkeers-verbouwereerdheid.

In de eerste maanden ontstond er inderdaad eenige Anarchie.

Wat de heer P. E. Zwaluw voorspeld had, toen hij het geval
_theoretisch_ bepeinsde, geschiedde in verrassend-juisten zin.

Daar niet alle vliegers begrip hadden van de regelen der samenleving,
elke vogel zingt zooals hij gebekt is, elke omwenteling andere manieren
en wetten noodig maakt, veroorzaakten de plotseling opduikende,
neerschietende, op de kozijnen rustende luchtpeddelaars stoornis in
zeden en gebruiken.

Vrijages bij zoldervensters vervingen het gekeuvel aan voor- en
achterdeuren.

Menigmaal, nadat op soliede wijze gesloten was, verlieten lichtzinnige
zoons de ouderlijke woning, om nièt-controleerbaar weder terug
te keeren.

Achtbare gezinnen op deftigste grachten hadden uren dat zij aan
vroeger verachte alkoven en raamlooze kamers de voorkeur gaven, daar
bijzonderlijk op feestdagen rumoerige, brooddronken Zondagsvliegers
de luchten en vensters onveilig maakten.

Vooral de tweede Pinkster-dag van dat jaar was berucht om het
onhebbelijk, weerzinwekkend _dauw-peddelen_.

Wel sloten 's avonds gordijnen allen inkijk af, maar in de wàrme
dagen werd het op die wijze eene marteling.

Noch voor noch achter had men een vrij zitje.

En dikwerf 's avonds, als men te rusten lag, rommelden dakpannen
omlaag onder de _onhandige_ vóéten van een zwerver.

De huizenbouw, al niet meer berekend op modern leven met moderne
eischen, de heele schoone architectuur van muren en raampjes kreeg
een nekslag.

Veiligheid, zedelijkheid, vrij en intiem familieleven eischten òf
het verbod van vliegen òf eene revolutie in revolutiebouw.

De architecten hielden buitengewone vergaderingen.

Men bepraatte de noodzakelijkheid van matglas met luiken.

Men bediscussieerde de mogelijkheid om op vijf-meter-afstand der
woningen rasterwerk te stellen.

Het stuitte af op oneindige bezwaren.

Met lapmiddelen bereikte men niets.

Toen schreef men een prijsvraag uit en bekroonde drie antwoorden.

Het eerste gaf een model-woning ònder den grond, ingericht als een
stoomboot met ventilatoren en licht-reflectors.

Het tweede een huis van enkel muren--en vensters op een overrasterde
_binnenplaats_.

Het derde had een vernuftige samenwerking van lenzen.

Vast stond, onherroepelijk vast, dat de bestaande bouworde om
practische en aesthetische redenen gedoemd was.

Een huis werd niet meer van uit de straat en van de overzij bekeken.

Het dak trok de meeste aandacht.

De rookende schoorsteenen moesten verdwijnen.

Zij belemmerden het verkeer en waren schadelijk voor de gezondheid,
tenzij rookend van tien tot elf 's morgens, op het uur dat kleeden
geklopt werden.

Platte daken, beplant en versierd, werden eene noodzakelijke mode.

De luxe richtte zich naar het dak vóór alles.

De pui, de hoofddeur werden bijzaak.

De lang verwaarloosde bol van het huis kwam onder kappershanden,
werd gefriseerd, gefatsoeneerd.

Men dronk er koffie, thee, ontving er.

De logica bracht vanzelf mede, dat de bovenste verdieping eener woning
voor ontvangzaal werd ingericht.

Bevriende lucht-peddelaars drie, vier verdiepingen te doen afdalen
naar de _suite_, bleek onmogelijk en ongastvrij.

De dienstbodenkamers zakten eerste-étage-waarts.

Benedenwoningen stonden in massa's te huur, bleven leeg of werden
betrokken door ouden van dagen, zieken en gebrekkigen.

Hijschbalken werden onnoodig.

Waartoe lijnen en kabels om meubilair omhoog te brengen, terwijl elk
vliegend kruier de meubelen aan zijn ballasthaak door de vensters
peddelde?

Kortom--een te lange opsomming van normale, alleen in den éérsten groei
vreemde feiten, zou den lezer vermoeien--het heele wezen van het Huis
met z'n inrichting, aspect, bedekking, schoorsteenen etc. onderging
eene wonderlijke verandering.

Waar het oog reikte zag men bebloemde keurig onderhouden dak-tuinen.

De rijke lieden plantten de kostbaarste zaken, de _degelijke_ burgerij
bloemkool, savooiekool, boerekool, boonen, erwten, rhabarber.

Hier en daar, op het dak van kleine burgers, graasde een geitje, liepen
kippen en konijnen, doch nagenoeg overal ontwaarde men waakhonden,
die grimmig de lucht-peddelaars nablaften.

_Garden-parties_ raakten uit de mode. _Flat-roof-parties_ werden
de _topic_.

De geheele maatschappij werd in enkle maanden opgejaagd.

Er waren dagen, dat treinen en stoomtrams ganschelijk ledig liepen.

Van Amsterdam naar Leeuwarden, van Den Haag naar Katwijk, van Den
Helder naar Arnhem, bleek thans de eeuwenoude mathematische stelling,
dat de kortste verbinding tusschen twee punten de rèchte lijn is,
inderdaad de kern-ware te zijn.

Riviertjes, noch kanalen, noch zeeën had men te mijden en tegen
accidenten verzekerde al dadelijk de "Eerste Nederlandsche
Vliegverzekering-Maatschappij", die alle ongevallen waarborgde,
behalve zelfmoord en het _moedwillig_ opvliegen tegen telephoon-,
telegraaf- en andere draden.

Een fietser zag men zelden.

Wie een fiets kon koopen, kon zich een _Zwaluw_ aanschaffen, ook
op afbetaling.

Ook de auto's raakten in discrediet.

De wegen, kort geleden onbegaanbaar, door woest gerij en
het afschuwelijk zomersche stof, werden door conservatieven en
reactionnairen bewandeld, evenwel niet zóó sterk of tusschen de keien
en tegels alom weligde gras.

Vele verhoudingen werden zonderling.

Zelden kostte een brand menschenlevens.

Elk huis had 'n uitgang in 't dak en de slangen der brandweer _vlogen_
omhoog eer 'n vuurtje lucht had gehapt.

De politie had het zwaarder te verantwoorden.

Bereden politie was nutteloos. Welke beteekenis had 'n paard? Vliegende
brigades, gestationneerd op de daken der bureau's en posthuizen,
hadden bij dag een wanhopend werk om de menigte links en rechts te
doen houden, daar links en rechts in de ruimte een klànk werd. Bij
avond en in den nacht fladderden de brigades machteloos....

De steden waren niet te overzien--de ruimten niet te belichten. De
vele sterren èn de ontelbare lantaarns der peddelaars stichtten een
onbeschrijflijke verwarring tusschen huishoudelijke en Groote-Beeren,
aberratie, planeten en meteoren. De Keplersche wetten schudden op
haar elliptische grondvesten. In één maand tijds kreeg Jupiter er op
het Lick-observatorium een dozijn foutieve satellieten bij ....

Er werd zeldzaam veel _gevloekt_ (in de hemellagen) in die eerste,
éérste bevleugelde tijden.

Gevloekt óók beneden in de rustige straten, waar eindjes sigaar,
verbruikte pruimen, kousenbanden, haarpennen en verbruikte zolen uit
de Mysterie nedertuimelden.

De vogels sliepen 's nachts in de boomen--boemelende nachtpitten
peddelden tot de ochtendschemering, helaas.

Want het gebeurde toen dikwijls, dat de Dageraad bewusteloozen en
dooden in de telephoonnetwerken aanschouwde.

Had de politie eene bezwaarlijke taak--bedenkt u eens hoe schromelijk
de aanwas van inbrekers, in-sluipers, in-vliegers werd!--de _generale
staf_ scheen een oogenblik met lamheid geslagen.

De verdediging des Vaderlands geraakte van haar stabiele basis.

De plek waar eens de wieg op stond, kon geen úúr langer aan
stompzinnig-_loopende_ soldaten blijven toevertrouwd.

De geheele schoone traditie van rotten-links en rotten-rechts,
stormloop, zwenken, defileeren, tirailleurslinie, sectie, compagnie
enz. lei in de _modder_.

De uitnemende hollandsche _Waterlinie_, met of zonder water (welk
een gelukkig toeval dat er geen vérdere kosten gemaakt waren om
voor heuschelijk wàter _in_ de linie te zorgen!) verschimde tot een
vogelverschrikkend onding.

Een ooievaar zou er vróeger niet voor teruggedeinsd zijn--een vliegend
eskader gierlachte er om.

En het vestingstelsel!

Waarlijk ook in dit opzicht bofte het Land.

De prijzenswaardige Voorzichtigheid om _langzaam_ te voltooien en het
geschut geleidelijk te verplaatsen naarmate de forten _verzakten_,
behoedde de burgerij voor nieuwe uitgaven.

Vestingen, pantserschepen, snelvuurgeschut waren plots zoo verouderd
als harnassen en maliënkolders.

Een 30 c.M. kanon _loodrecht_ te richten, het eischte meer van de
gevaarten dan de _platteland-dronken_ Kruppsche ingenieurs er mee
bedoeld hadden. En zeer terecht groeiden er _aesthetische_ bezwaren
tegen een slagveld, dat met z'n staande kanonnen in dubbelen zin op
een kerkhof met buitenissige zerken geleek.

De _Generale_ staf hijgde voor een berg hindernissen en gevaren. Had
men tot heden voor naburen, met wie direct gerekend moest worden,
twee of drie mogendheden geteld--heden, o nachtmerrie, begon een
lucht-oorlog met Zwitserland of Abessynië tot de èrnstige mogelijkheden
te behooren.

Holland als bufferstaat bestond niet meer.

Tusschen Duitschland en Engeland wijdde de hemel, de vrije, heerlijke
_vechthemel_, de hemel zonder rivieren, bergen, vestingen, mijnen.

Ja, dàt was bij alle slapeloosheid en hoofdbreken eene kostelijke,
blijde verheugenis, dat er op de gansche wereld een _ideale_ Ruimte
was gekomen om mekaar dood te slaan.

't Slag-veld werd legendarisch--de Slaghemel de strategische droom
van elken aanvoerder.

De opperste veldmaarschalk heette opperste hemelmaarschalk.

Een veldheer noemde men kortheidshalve _lucht-chef_.

De dienst-te-velde werd herdoopt in dienst-te-wolken.

De cavalerie verdween--ook de genie.

En om de mobilisatie te bevorderen in den zoo spoedeischenden zin van
den gevleugelden tijd, kreeg elk mannelijk en vrouwelijk ingezetene
boven de achttien jaar een dienst-vliegmachine met speer thuis.

Het bezwaar om ook de vrouwen dienstplichtig te maken hield in de
Ruimte op.

Man en vrouw konden met hetzelfde gemak een bom laten _vallen_.

Laten vallen _op wie beneden vloog, liep, at_.

Een leger van vliegende vijanden te omsingelen, af te snijden, om te
trekken, werd hopeloos gekkenwerk.

De eerste wet van alle zuivere strategie werd het (gevleugeld)
woord _Excelsior_!

Geraakte men _boven_ het vijandelijk heir, dan was dit vernietigd.

Vandaar dat eenige keur-regimenten, de zoogenaamde
_Nuageurs-en-plein-air_, als opvolgers der _grenadiers_ en _jagers_,
voortdurend geoefend werden op duizeling-wekkende hoogten (5000 tot
10000 M.), om zich te gewennen aan de _eigenaardigheden_ der sfeer.

Veel gebruik maakte men ook van den genialen inval van een kapitein der
_nuageurs_, die proefnemingen met gedresseerde arenden en valken nam.

In den nieuwen oorlogstoestand bleken die nagenoeg tot de diergaarden
beperkte soorten zeer wenschelijke bondgenooten.

Zij vielen de geduchtste vijanden aan, _reten hun de hersenpan
vaneen_, rukten oog en uit, of scheurden de zijden vleugelen der
tegenstanders stuk.

Van deze _roode_ afgrijselijkheden afstappend--niet nader uiteenzettend
hóé gemakkelijk oorlogschepen, gewapende luchtballons etc. geënterd
konden worden--eveneens als _welvoegelijk avondkouter_ de gevolgen van
volks-meetings, volks-bewegingen en internationale arbeiders-vlucht
_wijselijk mijdend_--zij het veroorloofd nog een páár opmerklijke
maatschappelijke veranderingen te releveeren.

Het geschiedde dat de brievenbussen aan de daken bevestigd werden en
de rond-zwevende bestellers aangenamer taak kregen.

Schipbreuken waren zeldzaamheid.

Elk zeeman had bevleugelde reddingsgordels.

In de schouwburgen moesten de vestiaires vergroot worden ter bewaring
der vliegmachines.

Deze tak van _Kunstnijverheid_, die zoolang op slechte recettes
geteerd had, leefde plotseling wonderlijk op.

Uit de vele ontberende provincieplaatsjes vloog het 's avonds storm.

Wat in geen eeuwen gebeurd was, gebeurde thans: er kwam gebrek aan
theaters, directeuren, raad-van-beheeren, adviseurs, critici en wat
verder tot het Vak behoort.

De tjingeltjangels en café-concerts verliepen geleidelijk.

Althans het groote publiek, nu zèlf gewend aan _parforce-toeren_
in de open lucht, juichte het gezwaai aan trapezes minder toe.

Na veelbewogen tochten over rivieren, zeeën, daken, deed zich de
behoefte aan _intellectueele_ zaken gevoelen.

De geozoniseerde Menschheid herkreeg haar ouwe liefde en gelaatskleur.

Stukken die men doodgespeeld waande, als _De Roode Brug_ en _De twee
Weezen_ maakten series met verscheiden nullen.

Acteurs, die zich uit broodsgebrek in het burgerbestaan hadden
teruggetrokken, werden weer _artist_.

De auteurs verdienden zonder hoog te vliegen betuinde villa's bij
de vleet.

De aandrang naar de schouwburgen werd zóo hevig en het gedrang bij de
toegangsdeuren (op de eerste étage) soms zoo vinnig, dat een listig
ondernemer op een weiland buiten (afstanden bestonden niet langer)
een openlucht-theater met _dertig duizend_ zitplaatsen liet bouwen.

Men vloog vóór acht naar zijn plaats. De ondernemer had voortreffelijk
gezien. Bij droog weer hing elken avond het verlicht transparant
_Uitverkocht_ aan een ballon captif boven het arena. Ook de literatuur
kwam meer _en vogue_.

Er was waarlijk niets genotrijkers dan op een eenzaam plekje in de
wolken rond te drijven met een boek op de stuurstang.

In de meest sereene stilte lééfde men met z'n _lievelingsdichter_.

Verheven boven het gewoel beneden, benaderde men met teer gebaar de
verheven stemming van den poëet.

Realisme en naturalisme kregen een _knauw_.

Peddelend-droomend begréép men eerst, _dat kunst hooger moet heffen
dan aardsche vleuglen gedoogen_, en uitblazend op een lastigen
telephoon-paal of op een torenkruis, schaamde men zich voor z'n
vroegere verblinding, z'n vroegere genegenheid voor _modder-goden
en riool-ontleders_.

Ook de volks-spelen verkuischten, vermannelijkten.

In plaats van kuit-wedstrijden op wielerbanen, schaatsenrijden,
Grieksch-Romeinsch geworstel (met het doelloos nut twee schouders
op een _nuchteren grond_ te drukken--_à quoi bon?_--,) ontstonden
verrukkelijke vlugheids-spelen om een duif in haar vlucht te
grijpen--om door hoepels te parachuteeren--om in verblindende vaart
een appel met een _speer_ te doorsteken.

De zeden werden in zooverre verzacht en verteederd dat niemand er
meer aan dacht _vliegend_ gedierte te kwellen of te mishandelen.

Wist men niet aan z'n eigen lijf van de gevaren?

Er kwam een "Bond tot bescherming van insecten bij _brandende lampen_".

Zelfs geen jongen kreeg het meer in 't hoofd nestjes uit te halen.

Zoo zeer steeg dit sentiment voor alle bevleugelden, dat er eene
neiging groeide den Hollandschen Leeuw op de vele wapens door
een _minder achterlijk_, minder aan de aarde vastgebakken dier,
te vervangen.

Behoeft aan dit beknopt en schuchter overzicht van eene geweldige
evolutie te worden toegevoegd, dat de verschillende mogendheden,
geschokt en ontdaan, eene spoed-conferentie in Den Haag belegden.

Reeds lagen de eerste heipalen voor het Vredes-Gebouw gereed.

En nog voor de moker zijn slagen mepte, debatteerden de _Délégués_
met onthutste gelaten.

De _Flying Dutchman_, het ding van trappers en aluminium-latten, smeet
geheel Europa in een roes, lachte als een 'n kwajongen om tractaten,
volkerenrecht, oorlogsrecht, internationale bepalingen.

Het evenwicht der beschaafde naties was verbroken.

Een hollandsch minister-president was vliegend gezien, te zamen met
een belgisch, een zwitsersch en een monacoosch _staatsman_.

De kleine landen verbonden zich.

Berlijn, Londen werden overgeleverd aan de willekeur der stoutmoedigen.

"Messieurs," sprak de duitsche afgevaardigde, bezorgd denkend aan de
vergruizelde eenheid van het duitsche rijk en de geruïneerde duitsche
oorlogs-industrie: "Messieurs, indien wij thans den oorlog niet
_kortwieken_, worden wij door den drang der volkeren _overvleugeld_,
zal het in de wereld bloed _regenen_. Ik stel voor elkander lief te
hebben ...."

Voor de vuist sprak hij in dien zin een paar uur.

En na eenige broeiend-optimistische discussie, werd voorloopig
aangenomen dat alle beschaafde landen als _open steden_ zouden worden
beschouwd, noch aangevallen, noch be-bomd mochten worden.

Omdat die besluiten evenwel niet doorgevoerd kònden worden, zonder
_onaangename concessies_ aan _meesmuilende socialisten_, ging men
tot eene zitting met gesloten deuren over.

Hier sluit ook Falkland--nièt meesmuilend--matigheids- en
bezadigdheidshalve de deur.

Het spreekt echter vanzelf dat de heer P. E. Zwaluw dat jaar den
Nobel-prijs verwierf en aangezien het ongepast is een Verhaal van
avonturen als een nachtkaars te doen eindigen, vermeldt de auteur,
ter wille der volledigheid en der stemming zijner nieuwsgierige lezers,
nog dit prettig slot:



ZEGEPRAAL.


Wanneer eene gebeurlijkheid algemeen en gemeen goed wordt, gevoelen
wij geen gretige belangstelling meer voor het wedervaren van kleine
enkelingen.

Zoolang de familie _Zwaluw_, ònbegrepen en eenzaam vloog, trok zij
onze aandacht.

De stormachtige beroering van àlle beschaafde volkeren, de driftige
opeenvolging van incidenten, ongelukken, zegepralen der vliegers,
dwingt ons de helden der historie tot het normaal plan terug te voeren.

De overgang is moeilijk.

"Du sublime au ridicule, il n'y a qu'un pas."

Na al het grootsch-aangeduide te besluiten met de geruststellende
verklaring dat de verzwikte voet des heeren Pieter Zwaluw spoedig
genas, lijkt een sprong in de _bùrgerlijkste_ diepte van 't leven.

Er is gelukkig meer te zeggen.

In de bloeiende opleving der tijden, in die schoonste _Renaissance_,
was Pieter Zwaluw een der eersten om voor te gaan.

Zijn dak-tuin wèrd een der fraaiste en smaakvolste, zijn huis practisch
en comfortable.

Buitengewoon gezien in de plaats, eereburger, eerelid-der-soos, lid
der Leidsche Maatschappij van Letterkunde, het Utrechtsch Provinciaal
Genootschap èn beriddeord (_Oranje-Nassau en Huis-orde_), bleef hij
tot zijn ouden dag in wetenschap liefhebberen.

Het _pootje_ belette hem na een paar jaar in z'n eentje te vliegen.

Toen liet hij--wéér de eerste--een vernuftigen bi-luchtpeddel en een
tri-luchtpeddel maken.

Gesteund door de vleugels van vrouw en dochter, kon-ie zoo nog een
heele poos mede.

Ook dàt nam een einde.

Mevrouw werd een weinig zwaarlijvig en kort-ademig en Amélie geraakte
_verliefd_. Het was te voorzien.

Op een _flatroof-party_ leerde ze hèm kennen.

Binnen een maand, geheel bekoord door haar eleganten vleugelslag,
deklareerde hij zich op diezelfde ruïne van _Koepelsteyn_, die
eenmaal vermaard geworden, tot een gemeentelijk toren-plateau-café
was ingericht.

En daar noch mama noch papa op dat tijdstip als _facheux troisième_
konden meepeddelen en een saamvliegend paartje ook in de wòlken over
de tong ging, volgde bijzonder snel de bruiloft.

O, het geluk van Mevrouw Zwaluw, toen Amélie haar na maanden op het
dak, in het oor fluisterde: "Mama--ik hoop _moeder_ te worden ...."

"Wat maak je ons blij," snikte mevrouw.

"Ik zal al héél gauw niet meer kunnen vliegen, mama ...."

"Dat is niets," sprak mevrouw innig: "de _ooievaar_ zal 't voor jóú
doen, kind."

Het werd een zoete tijd van verwachting.

Vrienden, vriendinnen vlogen in en uit, lieve verrassinkjes aandragend
voor de luiermand.

Ouwe Chris merkte met 'r stevige handen de honderd luiers en
't kindergoed.

Dat verstond ze. Dáár had ze schik in. Dat was en bleef mèt de
amsterdamsche lootjes van den _goeien_ ouwen tijd.

Sinds 't _spektakel_ in de wolken gaande was, kéék ze niet meer naar
den Hemel.

Een wurm in de aarde was 'n heilige, zei ze, vergeleken bij de dolle
menschen van den tijd.

En toen de jonge moeder weer zoover hersteld was, dat ze 'r eerste
tochtje na máánden kon doen, bleef Chris trouw en plechtig op den
knolligen jongen passen, die z'n duim bezoog en van god-verzoekende
malligheden geen besef had.

De jongen heette _Pieter_ naar z'n grootvader--_Sperwer_ als symbool
van 'n krachtigen vlieger--_Bakker_ naar z'n vader: _Pieter Sperwer
Bakker_.

Het was een voorspoedig kind.

Binnen 't jaar begon-ie te babbelen.

't Schoonste uur voor de heele familie was 't oogenblik, toen-ie in
z'n handjes klapte bij 't kippenhok, waar de haan gekraaid had en
z'n grootvader aanriep met den zinnebeeldigsten naam.

".... _Opa-kukelu!_"

"Wàt zeg je daar?"--, vroeg grootvader verrast.

"_Opa-kukelu!_"--, herhaalde het ventje.

De heer P. E. Zwaluw kreeg tranen in de oogen.

"Wat 'n _goddelijk_ verstand," zei-ie met dik-aangedane stem [4].



[Illustratie: Pentekening van vogel met eikenbladeren in bek op een
stapel boeken door S. Falkland.]


EINDE.



AANTEEKENINGEN


[1] De lezeres, gewend aan de uitdrukkingen: "liep te bepeinzen" of
"zat te bepeinzen", dient zich aan de nieuwe woordvoeging van het
geval te onderwerpen.

[2] De s eene dichterlijke vrijheid.

[3] Niet te verwarren met de _Quérido'sche_.

[4] Als 'n beminnaar van schoone kunsten eene serie
tentoonstellings-zalen betreedt, en links portières speurend, ook
daarheen zijne gretige schreden richt, dan zal hij wellicht ontstemd
zijn, wanneer hij àchter die portières eene vestiaire, met hoeden,
wandelstokken, parapluies, aanschouwt. Op analoge wijze stel ik
mij de ontnuchtering voor van de bewonderaarster mijner schoone
teekeningen, die nà pag. 113 vruchteloos hare vingers bevochtigd
heeft, huiverig-verlangend naar verdere fantastische _scheppingen_,
alsnog onzeker wèlke dier gewrochten zij zou uitknippen, om in een
_passe-partout_ te doen _encadreerenen_--en tot op deze pag.... 188
nièts meer vindend. Ik bevroed de _pijnlijke_ teleurstelling. Verwijs
de verbolgenen naar den uitgever, _ergens in Bussum_. Ik ben
onschuldig. Zoo puur van geweten als 'n knaap van twee jaar. Reeds lang
had het tusschen mij en dien heer _gemot_. Ik kan wel _kunstzinnig_
samenwerken met iemand, die mij _begrijpt_, maar als men me kwelt
en spijkers op laag water zoekt, stuif 'k in breede verwoedheid
op en smijt _Neelmeyer_ tegen de vlakte. De littéraire lezeres, in
deze bewogen tijden gewend aan de donderkoppen des letterkundigen
hemels, gevolgd door mokerslagen en inslaande bliksemstralen,
mede door afzichtlijk-verminkte lijken van literatoren-van-naam,
heeft de donderkoppen tusschen mij en den Bussumschen uitgever
natuurlijk al lang in de spiezen gehad. Of de littéraire lezeres is
door al het rumoer en gemoord reeds _geïmmuniseerd_. Om te betoogen,
hoe goddelijk 'k verongelijkt ben, heb 'k slechts dit _overzicht_
te geven: _a_) Ofschoon genoemde heer mij in de qualiteit van
_verluchter_ inderdaad _ontdekte_, en ik hem tot zóóver hulde breng,
werd ik reeds bij de tweede teekening verplicht te vermelden, dat
"de beknibbelende uitgever finantieële en technische bezwaren had", om
die teekening in kleurtinten te reproduceeren. In die dagen kwam onze
botsing evenwel niet tot _uiting_, daar zooals ik op pag. 35 schreef:
"bij een herdruk deze bezwaren mogelijk opgeheven zouden worden." De
verkoeling wàs er echter. Wanneer men nachten op den _steen_ arbeidt,
met aanduiding van terra-cotta, crême, karmijnrood, dan ziet men niet
gaarne zijn _oeuvre_ zincographisch verknoeid. Ik _duldde_ dat.

Mijne verdere motieven zijn: _b_) .... Bij de derde teekening op
pag. 44 beweerde de uitgever, dat hij nooit last had van haartjes,
als-ie 'n nieuwe pen gebruikte. De haartjes om de harige maansikkel,
wilde hij bij ontstentenis van inktstuf met de scherpe punt van
'n voorsnijmes verwijderen. Ik verzette mij tegen dat ingrijpen in
_artistieken arbeid_. Wáár moet het heen met de zelfstandigheid eens
_artiests_, als 'n werkgever hem achter de schermen met de punt van
'n voorsnijmes blameert? Verkoopen wij kunstenaars onze _ziel_? Ik
weerde de punt af, won het pleit mèt krakeel. Motief _c_) .... Bij de
teekening op pag. 50, uitte 'k mijn wrok op bedekte wijze, door te
zinspelen op een "provinciaal deskundige" die beweerd had dat mijn
schoorsteen niét bestond, en gaf ik bizonder scherp te kennen, dat
'k voor zùlke lieden niet teekende. Bij de teekening op pag. 61 moest
'k dit aandikken. Immers aan 't slot der noot achtte ik mij zedelijk
verplicht te melden: "Enfin, de _uitgever_ moet 't weten. Ik houd mij
koel en 'r buiten." Deze toespeling, alsmede de critiek die ik mij
veroorloofde, op de waarlijk _stuitende_ woorden van den auteur, maakte
de Bussumsche heer zóó verbolgen, dat hij alweder wilde snoeien, en
mij eenige keeren in de Kalverstraat te Amsterdam voorbij liep _zonder
den hoed af te nemen_. Te deksel, als wij schrijvers en illustratoren
in het zweet van ons aanschijn, de uitgevers aan hoeden hèlpen--mogen
we dan niet verlangen, dat tegenover ons de burgerlijke beleefdheid
in acht worde genomen? Mag ik als verluchter geen diepgevoelde meening
neerschrijven over den auteur _Falkland_, wiens populariteit een _hoon_
is voor alles wat schoone geschriften produceert? Te deksel.... De
strijd, in het stadium gekomen _van het elkaar niet meer groeten_,
werd er intenser op. Motief _d_) .... Bij de inderdaad _heerlijke_
teekening op pag. 71 schreef mij de tegenpartij: "Wat beteekent
toch, mijnheer, de eierdop waaruit de vlammen slaan?" Om nadere
informaties verzoekend, bleek mij dat de kunstkenner de teekening
_ondersteboven_ had gehouden. Men zwijgt hooghartig bij zulke
enormiteiten. Bij wijze van terechtwijzing, antwoordde 'k (pag. 71)
... "helaas de heele tijd is vol van leeken, die hun opinies over
alles en nog wat publiceeren." "Welk een afschuwelijke samenwerking,
nietwaar lezeres? Ieder teekenaar zou er op die manier de brui aan
geven. Nòg was 't einde niet daar. Motief _e_) .... Op pag. 106,
ter hoogte der _uitnemende_ illustratie van hemd en toren, berichtte
ik reeds de uitspraak: ".... Schei in 's hemels naam uit met dat
_geknoei_, dat mij per vierkanten centimeter cènten kost..." ....,
eene grofheid van zóó ongewoon gehalte, dat men z'n nagels van woede
zou bebijten, zoo men daar aanleg toe had. Ook gaf de vergissing van
het P. Z. 12 tot veel onheusche opmerkingen aanleiding. Ik draag
_frontjes_, vind het derhalve niet zulk een hevige fout, als men
zich in het merk van een _overhemd_ vergist. Vertoornd zeide ik
tot den uitgever: "Fiche moi la paix!".... Toen, bij de teekening
op pag. 113, meende mijn tegenstander _geestig_ te zijn, door een
paar inktmoppen, mijner ontroerde pen ontvallen, mede in het cliché
op te nemen. Men doet zoo iets niet. Het is buiten de perken van het
welvoegelijke. De grootste artisten: Steinlen, Léandre, Ibels, Veth,
Roland Holst, Hoytema, Crane, Whistler enz. hebben wel eens moppen op
't papier laten regenen. Mijn collega Toorop stiet onlangs een kop
waterchocola naast het verrukkelijk portret van een pastoor. Zou in
zulk een geval de uitgever niet _schaamteloos_ gehandeld hebben,
als hij die chocolade-klodders hadde aangebracht? Bevend van
verontwaardiging, onmachtig tegenover _willekeur_, weigerde ik
de achtste en negende kapittels te _verrijken_. Ziehier het
overzicht--vrij van scheldwoorden, uitsluitend gebaseerd op
gezond verstand--van de onverkwikkelijke verhouding tusschen een
_kunstenaar_ en een _zakenman_. En na al de onaangenaamheden mìj
aangedaan--welke vreemde opvattingen hebben onze belagers toch!--had
deze heer nog de vrijmoedigheid, mij een week geleden op dringende
wijze te verzoeken _zijn portret voor dezen bundel te teekenen_. Ik
weigerde meelijdend doch beslist. Het zou te zot worden. Om hem
daaromtrent nog eens goed mijne opinie te zeggen, had ik er zeker
genoegen in, voor slot-teekening _den nièt in mijn geest schrijvenden,
afstootenden auteur van dit boek_ (hoe vindt zoo iets 'n uitgever en
'n lezerskring?) op zinnebeeldige wijze voor te stellen. Klompen-gedoe.

S. F.



Bij den uitgever van dit boek verscheen van

S. FALKLAND (Herm. Heijermans Jr.):

Kleine Verschrikkingen. Ing. f 1,--. Geb. f 1,50.

Van HERMAN HEIJERMANS Jr.:

Tooneelstudies. I ... Ing. f 1,25. Geb. f 1,50

Tooneelstudies. II, III en IV, inhoudende:

"Schakels", "Bloeimaand" en "Allerzielen".

Ing. f 1,--.          Geb. f 1,35.





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Gevleugelde Daden - Avonturen der Eerste Hollandsche Luchtschippers" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home