Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I
Author: Kalff, Gerrit
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



               GESCHIEDENIS DER NEDERLANDSCHE LETTERKUNDE

                                  DOOR

                               G. KALFF,

            HOOGLEERAAR AAN DE RIJKS-UNIVERSITEIT TE LEIDEN.

                              EERSTE DEEL.

                 TE GRONINGEN BIJ J. B. WOLTERS, 1906.

                   STOOMDRUKKERIJ VAN J. B. WOLTERS.



VOORREDE.


_Van 1868-1872 ontving ons volk van _JONCKBLOET'S_ hand de eerste
volledige wetenschappelijke geschiedenis onzer letterkunde._

_Tot op den huidigen dag is die eerste de eenige gebleven. Met die twee
feiten voor oogen zal menigeen erkennen, dat de rustelooze voortgang der
wetenschap en de ontwikkeling onzer denkbeelden over literatuur en
geschiedschrijving der literatuur een nieuwe geschiedenis onzer
letterkunde wenschelijk, ja noodig, maken._

_Het is waar_, JONCKBLOET _heeft zijn, in vele opzichten voortreffelijk,
werk in latere uitgaven aangevuld en gewijzigd; doch het wezen van zijn
boek is daardoor niet veranderd._

_Ongeveer twintig jaar na_ JONCKBLOET _ondernam_ Dr. J. TE WINKEL _een
nieuwe geschiedenis onzer letterkunde, eveneens op eigen
wetenschappelijk onderzoek berustend. Een dergelijk boek mocht toen
reeds om meer dan een reden noodig genoemd worden, zooals door den
schrijver in zijne Voorrede is uiteengezet. Doch_ Dr. TE WINKEL _liet
zijn verdienstelijk werk na het eerste deel steken. Zoo bleef een nieuwe
volledige geschiedenis onzer letterkunde een desideratum_[1].

[1] De geïllustreerde _Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde_ van
Prof. J. TEN BRINK, bestemd in de eerste plaats voor het groote publiek
en dus van anderen aard dan de beide bovengenoemde werken, kan hier
buiten beschouwing blijven.

_De firma_ J.B. WOLTERS _te Groningen, die indertijd_ JONCKBLOET'S
"Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde" _had uitgegeven, verzocht
mij een nieuw dergelijk werk samen te stellen en ik heb die taak op mij
genomen, in de overtuiging dat hier werk viel te doen nuttig voor
anderen en voor mijzelf._

_Voor anderen--want ook in de 18 jaren, verloopen sedert de verschijning
van_ Dr. TE WINKEL'S _boek, zijn weer tal van nieuwe werken en teksten
gevonden; is onze feitenkennis door voortgezet onderzoek gewijzigd en
vermeerderd; hebben buitenlandsche geleerden werken geschreven die ons
in staat stellen, dieper door te dringen in het wezen en de ontwikkeling
onzer literatuur. Dat alleen reeds maakt een nieuwe poging tot
verwerking en samenvatting der bestaande stof wenschelijk. Doch er is
meer. Een der redenen waarom_ Dr. TE WINKEL _het wenschelijk achtte,
naast_ JONCKBLOET'S _werk het zijne te plaatsen, was gelegen in een
"afwijkende aesthetische beschouwing der letterkundige voortbrengselen."
Ook die reden bewoog mij tot het samenstellen van mijn werk. De
opvatting en beschouwing mijner voorgangers eerbiedigend, acht ik het
wenschelijk eene geschiedenis onzer letterkunde samen te stellen,
uitgaand van een andere opvatting van leven en literatuur, van den
samenhang tusschen die beide, en van de taak der
literatuur-geschiedschrijving._

_Voor mijzelven acht ik de samenstelling van dit werk een goede
aanleiding tot verwerking en samenvatting van hetgeen een bijna
25-jarige studie onzer letterkunde mij te gevoelen en te denken heeft
gegeven._

_Mijne opvatting van literatuur en literatuur-geschiedschrijving hier
uiteen te zetten, schijnt mij overbodig; men zal die uit mijn werk
voldoende kunnen opmaken._

_Hier zou ik dus kunnen eindigen, ware het niet dat ik eerst een
droevigen plicht had te vervullen._

_De man die den stoot gaf tot het ontstaan van dit boek, de uitgever_
E.B. TER HORST, _is eenige dagen geleden ontvallen aan de zijnen, aan
den boekhandel, aan de wetenschap waarvoor hij als uitgever in zijn kort
leven zooveel heeft gedaan. Het doet mij hartelijk leed, dat deze
rusteloos, te rusteloos, voortvarende man in de volle kracht zijner
werkzaamheid van ons moest scheiden; dat ik zijne belangstelling en zijn
raad bij de voortzetting van dit werk zal missen. Mij blijft slechts de
herinnering aan zijn onbekrompen trant van zaken doen en onze korte doch
aangename samenwerking_.

LEIDEN, 20 October 1905. G.K.



INHOUD.


VOORSPEL I
VOORSPEL II

BOEK I.
STANDENPOËZIE

Inleiding
1. Ridderpoëzie
2. Geestelijke Poëzie (Hadewych)
3. Poëzie der Gemeenten (Reinaert)
Vroegste Lyriek
Jacob van Maerlant
Dichters, Voordragers, Publiek
Tusschenspel. Ontkieming van het Nationaliteitsgevoel

BOEK II.
STANDENPOËZIE. DE STEM DER GEMEENTEN

Inleiding
Ridderpoëzie in verval
Geestelijke epische poëzie en proza (Ruusbroec)
Poëzie der Gemeenten (Vervolg)
  Het Leerdicht--Reinaert II
  Verhalende en lyrische poëzie
Ontwikkeling van het Literair Leven
Willem van Hildegaersberch
Dirc Potter

Alphabetisch Register



VOORSPEL.



VOORSPEL.

I.

  Land en Volk. Romeinen. Franken. Bernlef. Heidendom en Christendom.
  Oudnederlandsche Letterkunde. De akker der volkspoëzie ligt
  braak. Latijnsche poëzie en prozawerken.

Het onderzoekend oog dat zich richt op het verst verleden van ons volk,
stuit allerwegen op een ring van duisternis. Slechts langzaam en
tragelijk wijken voor het wassend licht der wetenschap, de dikke nevelen
die verbreid liggen over het ontkiemen van ons volksbestaan.

Wat zien wij in die schemering?

Lage landen aan zee, oostwaarts zachtkens opglooiend, overal afgebroken
door plassen en meren en breede rivieren; eenzame heiden en uitgestrekte
bosschen, afgewisseld door poelen en moerassen. Over die woeste gronden
zwerven Kelten en Germanen, jagers en visschers, levend van de hand in
den tand, een ruw en zorgvol bestaan rekkend in den strijd met wilde
dieren. Onzekere geruchten omtrent een schrikwekkenden grooten vloed
zijn blijven hangen in het geheugen ook van ons volk. Nog staan,
indrukwekkend en geheimzinnig, op de Drentsche heidevelden de
hunnebedden, heugenissen dier vroegste schemertijden.

Maar niet onduidelijk noch onzeker van klank zijn de schetterende
trompetten die de nadering verkonden van Romeinsche soldaten en als
sterren door de nevelen schitterend zien wij de zilveren adelaren zich
wiegen boven de helmen dier legioenen die de wereld hadden veroverd.

In het gevolg der Romeinen kwam de beschaving. Van hen leerden onze
voorouders het aanleggen van wegen en dijken, het bouwen van bruggen en
huizen; in landontginning, landbouw, handel en nijverheid waren de
Romeinen onze voorgangers en leermeesters. Met de zee, "de wilde zee"
zooals men haar te onzent nog lang placht te noemen, wordt een strijd
aangebonden ter verdediging van het land; weldra gaan de Friezen haar
bevaren om handel te drijven.

Langzaam neigt der Romeinen heerschappij ten val. Hun wereldrijk
verzwakt; als het bloed naar het hart trekken de legioenen zich uit de
verre streken terug, de greep van Rome's ijzeren vuist verslapt. Wanneer
eindelijk het Romeinsche rijk bezweken is onder de slagen der Germanen,
komen de Franken hier als heerschend volk de plaats der Romeinen
innemen. Zelf een Germaansch volk, maar dat langzamerhand samensmolt met
de Gallo-Romeinsche bevolking van het door hen veroverd land en meer en
meer onder den invloed geraakte van de beschaving en het Christendom der
overwonnelingen, dringen zij aldoor noordwaarts op. Een botsing met de,
benoorden den Rijn wonende, Friezen en Saksen kon niet uitblijven; eene
botsing van stammen tegen stammen, botsing ook van ruwheid en
beschaving, van Heidendom en Christendom. Lang blijven de Friezen onder
hunne koningen RADBOUD en POPPO zich verdedigen tegen de Franken onder
hunne PEPIJNS en KAREL MARTEL, maar ten slotte moeten zij den strijd
opgeven; het Friesche rijk dat zich langs de zeekust eens tot het Zwin
had uitgestrekt, wordt in de 8ste eeuw bij het Frankisch rijk ingelijfd.
KAREL DE GROOTE bevestigt dien stand van zaken; onder zijne roemvolle
regeering beginnen de bewoners dezer landen de zegeningen van orde en
vrede eenigermate te leeren kennen en genieten.

Niet verwonderlijk dus, dat wij ook nu eerst onder deze volken eenig
spoor vinden van letterkundig leven. Aan het Friesche volk komt de eer
toe, het eerst zijne stem te hebben opgeheven in het veelstemmig koor
van Nederlands poëzie; aan de poort onzer literatuur staat--Frysk bloed,
tsjoch op!--een vrije Fries, de blinde zanger BERNLEF.

Het weinige dat wij van BERNLEF weten, is ons verhaald door ALTFRIDUS,
bisschop van Munster, in zijne levensbeschrijving van den apostel
LIUDGER, een edelen Fries die in Friesland het werk van BONIFACIUS heeft
voortgezet[1].

In dat levensverhaal vinden wij gewag gemaakt van "den blinden zanger
BERNLEF, dien zijne buren liefhadden om zijne minzaamheid en omdat hij
de daden van het voorgeslacht en de oorlogen der koningen wel in zijne
harpzangen wist te verhalen." Voorts wordt ons nog medegedeeld, dat
BERNLEF met zijne vrouw te Holwerd bij Dokkum woonde en dat hij drie
jaar lang met volslagen blindheid bezocht was.

Misschien hebben wij hier een dier zangers van beroep voor ons, gelijk
zij bij de Gernamen voorkwamen, een der dragers van de oude inheemsche
volkspoëzie[2]. Al kennen wij BERNLEF'S liederen helaas! niet, wij wagen
niet veel met de onderstelling dat zij hetzelfde karakter zullen hebben
gedragen als die "alleroudste liederen over de daden en oorlogen der
vroegere koningen" welke KAREL DE GROOTE deed verzamelen en
opteekenen[3]. Was BERNLEF de dichter der liederen die hij placht te
zingen? Daarnaar kunnen wij zelfs niet gissen. Liever dan eene poging
daartoe aan te wenden, wijzen wij op een andere mededeeling aangaande
dezen Frieschen zanger in hetzelfde _Leven van Liudger_: "Overal waar
deze BERNLEF den man Gods (LIUDGER) vond, leerde hij psalmen van hem en
hij bleef in de "verlichting" die hij door dezen deelachtig was geworden
totdat hij, oud en der dagen zat, in vrede stierf."

De literatuur is ook hier spiegel, van het leven. In die Oudgermaansche
volkszangen, wijkend voor de Christelijke kerkliederen, zien wij de
worsteling van Heidendom en Christendom die nu onze aandacht vraagt.

Die worsteling was niet meer zoo zwaar als zij voorheen was geweest,
maar zij was toch nog verre van geëindigd. De oudste verkondigers van
het Christendom hier te lande: SINT SERVAES, SINT AMAND, SINT ELOY, en
hunne meerendeels Angelsaksische opvolgers WILLEBRORD, LEBUÏNUS,
BONIFACIUS en zoovele anderen hadden de bewoners dezer landen gevonden
als belijders van een geloof dat men een natuurdienst mag noemen. Wodan
was vooral een windgod, Wodan's heir de wilde jacht der stormende
wolken; Donar was een onweersgod, Moeder Aarde werd vereerd als eene
godheid, sporen van boomvereering zijn ook hier aan te wijzen evenals
van het geloof aan elven en nikkers, geesten die verblijf hielden in
lucht en aarde, bosch en water. Tegen dat geloof komt het Christendom
zich kanten: tegen den ontzagwekkenden Wodan op zijn achtvoetig ros de
luchten doorzwevend--God de Vader; tegen den wilden Donar met zijn
pletterenden hamer--de bleeke man der smarte met de doornenkroon; tegen
de bloedwraak--het "hebt uwe vijanden lief"; tegen de heerschappij van
zinnelijkheid en hartstocht--de eisch van zelfbeheersching,
zelfverloochening, kastijding van het booze vleesch. Overal, in
Vlaanderen en Brabant als in Holland en Friesland, doet zich de stem van
het nieuwe geloof hooren. De vrome mannen, die hier het Evangelie
brengen, worden vaak grimmig ontvangen, hun leven in gevaar gebracht,
BONIFACIUS door de Friezen vermoord--zij versagen niet. Gestadig gaan
zij voort met prediken, bekeeren, doopen, met het bouwen van kerkjes,
het stichten van kloosters. RADBOUD, "de vijand Gods", zooals MELIS
STOKE hem noemt, moge komen met zijne heidensche Friezen en het pas
gestichte vernielen en verbranden--geen nood! een nieuwe kerk, een nieuw
klooster verrijst.

Het Christendom wint gaandeweg veld; het heidendom trekt zich terug,
overwonnen niet gedood. Lang blijft het voortbestaan als ondergrond van
het nieuwe geloof, lang nog blijft het leven en zich openbaren in tal
van gewoonten en gebruiken, hoezeer ook bedreigd door den banvloek des
priesters. Lustig bleven op Sint-Jan de vuren branden aan welker vlammen
de heidenen van ouds eene reinigende kracht toeschreven; bezwerings- en
tooverformulieren werden nog steeds toegepast, de wichelarij met paarden
en vogels hield stand; de hazelaarstak deed nog lang zijne diensten bij
het zoeken naar verborgen schatten. De lijkmaaltijden bleven in zwang;
men hechtte er gewicht aan, welk dier men des morgens het eerst
tegenkwam, aan welken kant eene kraai u voorbijvloog. Menige heidensche
godheid, menig voorvaderlijk heiligdom werd gekerstend, maar lang niet
overal bleek het doopsel krachtig genoeg om het oude geloof te verjagen.
Zoo was het klooster Blandinium te Gent blijkbaar gesticht op de plaats
waar vroeger een Oudgermaansch heiligdom had gestaan. Immers, wij lezen
in het _Leven van Sint Amand_:

  Het was omme den torre Blandijn,
  Daer die afgod der Sarrasijn
  In stont, die Marcurius hiet.

al worden de heidensche bewoners dezer landen hier, gelijk zoo menigmaal
elders, Sarracenen genoemd, al schuilt onder den naam Mercurius Donar of
een andere Germaansche god. Nog in het midden der 14de eeuw toonde men
den geloovigen de zeven boomen "waar SINT AMAND eerst zijn ruste nam"
[4]. Doch er bestaat wel reden om te vermoeden, dat dit zevental Sint
Amands-boomen oorspronkelijk een zevental Wodans-eiken zal geweest zijn,
zooals de overlevering er ook te Wolfhezen toont. En menig halfbekeerde
Vlaming, wiens weg hem in het schemeruur langs die boomen voerde, zal er
een eerbiedig schuwen blik op hebben geworpen, denkend aan de oude
goden.

Ondertusschen vermenigvuldigden de kloosters zich snel; reeds vóór de
kruistochten is Zuid-Nederland er mede bezaaid[5] en in het Noorden
moeten zij ook al spoedig talrijk zijn geweest. Gewoonlijk werd zulk een
klooster gesticht ergens in de "solitudines", de woeste gronden die een
groot deel dezer landen besloegen. Bosschen moesten dan gerooid,
moerassen gedempt, heiden ontgonnen; het werk der beschaving nam een
aanvang. Naast vele wereldlijke heeren maakten vooral de Cisterciënsers
zich verdienstelijk ten opzichte dezer kolonisatie binnenslands.

Zeker, niet al deze geestelijken waren heiligen; de meesten waren maar
menschen, zwakke menschen. Over de ruwheid, vechtlust en zedeloosheid
der geestelijken van de 8ste eeuw wordt luide geklaagd.[6] De kerkelijke
tucht verslapte zóózeer, dat in de 10de eeuw de regel van SINT
BENEDICTUS bijna geheel vergeten was, dat menig abt zich van de
wereldlijke machthebbers slechts door de tonsuur onderscheidde.[7]

Doch het zou onbillijk zijn, wegens zulke feiten den goeden invloed,
door het Christendom en een deel der geestelijkheid geoefend, voorbij te
zien. En zeker zou menig literair werk van dezen tijd niet geschreven
zijn, indien zijn maker niet in een klooster die veiligheid, rust en
kalmte van geest had gevonden, zonder welke de meeste letterkundige
werken niet kunnen ontstaan. Dat geldt in hooge mate van de eeuwen
waarop wij hier inzonderheid het oog hebben, de 9de-12de eeuw, die ons
deze landen toonen in een toestand van verwarring en verwildering.
Telkens zeilen de Noorsche zeeroovers onze rivieren op, allerwege schrik
verbreidend; zij moorden, plunderen, sleepen den buit naar een versterkt
kamp, worden soms verjaagd, doch slechts om een volgenden keer met
fellen wrok terug te komen. Doch ook in streken waar zij niet kwamen,
vernemen wij weinig anders dan veeten, oorlog, roof, moord, verwoesting.
Tal van kleine graven, behalve den graaf van Friesland (die zich later
graaf van Holland zal noemen), trachtten zich onafhankelijk te maken.
Het groote rijk van Neder-Lotharingen, dat een korten tijd al deze
landen behalve Vlaanderen omvatte, kon geen afzonderlijke staat blijven
maar loste zich op in een aantal kleine feodale staatjes[8].

Te midden van al die verwoesting en verdeeldheid bleef de Christelijke
Kerk overeind, niet ongedeerd, maar ongeschokt in hare eenheid. Ook op
de literatuur dezer eeuwen heeft zij haar stempel gedrukt. Want terwijl
er nauwlijks sprake kan zijn van de vorming eener literatuur in de
volkstaal, kiezen de letterkundigen dier eeuwen bijna zonder
uitzondering de klassieke kerktaal, waar zij uiting willen geven aan
hetgeen hun geest en gemoed vervult. Voordat wij die in het Latijn
geschreven werken in oogenschouw nemen, moeten wij kennis maken met
hetgeen door sommige geleerden als _Oudnederlandsche Letterkunde_ is
aangeduid[9].

Evenals de Engelschen vóór hunne middeleeuwsche letterkunde eene
Oudengelsche of Angelsaksische literatuur kunnen aanwijzen en de
Duitschers vóór de Middelhoogduitsche eene Oudhoogduitsche, zoo moesten
ook de Nederlanders, meende men, eene Oudnederlandsche letterkunde
hebben gehad. Vaderlandsliefde die in het teeken der Romantiek stond,
strekte verlangend de armen uit; de Wetenschap werd omhelsd, zóó vurig
zelfs dat zij in de knel raakte--uit die vereeniging werd een
"twijfelkind" geboren, zelfs critische geesten zoo bekorend, dat een
hunner profeteerde als ziener met den blik achterwaarts gericht, "dat er
eene Oudnederlandsche letterkunde _moet_ bestaan hebben"[10].

Er was hier een bezwaar: Oudnederlandsche dichtwerken waren en zijn
afwezig. Doch voorloopig behielp men zich met gewag te maken van het
Hildebrandslied, het Lodewijkslied, van den Oudsaksischen Hêliand, van
OTFRID'S Evangeliën-harmonie en dergelijke werken. En zeker, wanneer men
zegt: wij Nederlanders zijn een Germaansch volk, _dus_ hebben ook wij
deel aan de Oudgermaansche letterkunde; of: ook hier te lande hebben
Saksen gewoond, _dus_ kunnen wij den Hêliand tot onze literatuur
rekenen, dan kan men van die werken gewag maken in een geschiedenis
onzer nationale literatuur. Doch dan moet men nog heel wat meer tot de
Oudnederlandsche letterkunde rekenen dan thans geschiedt. Wie bij zijn
verhaal van de ontwikkeling der Nederlandsche literatuur zooveel
mogelijk de grenzen wenscht te eerbiedigen, waarbinnen deze volken van
ouds geleefd of hunne taal gesproken hebben, die zal dit deel der
Oudnederlandsche literatuur afwijzen als onrechtmatig verkregen goed.
Sterker meenen de scheppers dier literatuur te staan in hunne aanspraken
op een aandeel in de vorming van heldendichten als BEOVULF en GUDRUN.
Dat die dichterlijke werken of deelen daarvan hier te lande bekend zijn
geweest, daarvan hebben wij ook zelfs niet de geringste historische
aanwijzing. Ook later wordt ten minste van BEOVULF en GUDRUN nooit
gerept. "Het mag daarom met recht bevreemding wekken", lezen wij bij een
der bovenbedoelde geleerden, "dat zij hier volkomen in vergetelheid zijn
geraakt"[11].

Uitgaande van die vooropgezette meening, heeft men met vlijt en
scherpzinnigheid alles samengebracht, wat maar eenigszins dienen kon om
te betoogen b.v. dat de Gudrun-sage hier gelocaliseerd is geweest, of
ten minste dat het tooneel der gebeurtenissen die in de Gudrun-sage
verhaald worden, voor een deel in ons land te zoeken is. De Franken en
Friezen worden genoemd in den BEOVULF; in de GUDRUN is sprake van
Friesland, en allerlei andere plaatsnamen die _kunnen_ doen denken aan
deze landen bij de zee.

Met den jongsten uitgever van GUDRUN geloof ik, dat de aardrijkskundige
en staatkundige namen en aanwijzingen in dat gedicht zulk een verward
mengelmoes te zien geven, dat wij ons daarvan kwalijk als
wetenschappelijk materiaal kunnen bedienen[12]. Doch laat het waar zijn,
dat de gebeurtenissen, in die heldendichten bezongen, ten deele op onze
kusten hebben plaats gehad, krijgen wij dan daardoor eenig aandeel aan
dat Angelsaksische, aan dat Middelhoogduitsche dichtwerk? "Ja", zal men
zeggen, "want dan hebben wij tot het ontstaan van die gedichten
bijgedragen". Mij schijnt die gevolgtrekking uitermate gewaagd.

Behoort dan een dichterlijk werk, welks tooneel ons verplaatst naar een
of ander land, daardoor reeds tot de literatuur van dat land? Dan zal
men de literatuurgeschiedenis van menig volk moeten gaan herzien.

Zoolang er geen deugdelijker gronden worden aangevoerd voor de stelling,
dat ook ons volk deel heeft gehad aan de vorming dier Oudgermaansche
heldendichten, acht ik het beter geene poging te doen ons te tooien met
veeren uit de pluimage van Duitschers en Engelschen.

Een eenigszins verschillend geval hebben wij in de sage van den
Zwaanridder. Dat die sage hier te lande, vooral in Brabant maar ook
elders, overal bekend is geweest, daarvan zijn onderscheidene
bewijzen[13]. Een deel dezer sage, ook dat staat vast, ten minste voor
sommige redactie's, heeft zich gelocaliseerd te Nijmegen. Wat meer zegt,
hier _weten_ wij, dat de sage te onzent in de middeleeuwen bekend is
geweest: MAERLANT immers acht het de moeite waard, de sage te bestrijden
die verhaalde dat de hertogen van Brabant afstammen van den Zwaanridder.
"Misdadige leugenaars tijgen GODFRIED VAN BOUILLON aan dat HELIAS, de
Zwaanridder, zijn grootvader van moederszijde was" zegt hij in zijn
_Spieghel Historiael_ en elders in datzelfde werk over GODFRIED
sprekend:

  Noch wijf, no man, als ict vernam,
  Ne was noit zwane, daer hi af quam,
  Al eist dattem Brabanters beroemen,
  Dat si vanden zwane sijn coemen[14].

Voorts bestaat er een fragment van een Dietsch gedicht over den
Zwaanridder. Doch geeft het bestaan van dat fragment ons nu "alle reden
om te doen vermoeden dat er evengoed een Nederlandsche roman van den
Zwaanridder zal bestaan hebben, als er een Fransche _Roman du Chevalier
au Cygne_ in verschillende redacties, en meer dan ééne bewerking in de
Middel-hoogduitsche letterkunde van bestaat"?[15]

Dat wij eertijds eene volledige bewerking der sage in het Nederlandsch
bezeten hebben, geloof ook ik. Echter--en daarop komt het aan, indien
men spreekt over sagen als materiaal voor de poëzie--voorzoover wij nu
zien kunnen, is dit Nederlandsch gedicht geen zelfstandige bewerking der
inheemsche sage, maar eene navolging van een of ander Fransch
origineel[15]. Ook de sage der Heemskinderen was hier te lande populair;
doch het Middelnederlandsch gedicht, dat hunne geschiedenis behandelt,
is bewerkt naar het Fransch.

Wij zien dus, dat ook hier poëtische stof voor het grijpen lag; maar
geen dichter die er de hand op legde om er een poëtisch werk in de
volkstaal uit te scheppen.

De bovengenoemde voorbeelden zijn niet de eenige van dien aard. Wat kan
sterker indruk hebben gemaakt op het gemoed en de verbeelding onzer
voorouders, dan die telkens herhaalde rooftochten der Noormannen?
Wanneer de gevreesde viking zich vertoonde aan boord van zijn hooge
kromsteven, dan sidderde ook den stouten Fries het hart in de borst,
want hij wist dat er geen genade was; dat plundering, mishandeling,
moord hem en zijn volk bedreigden, dat ballingschap en slavernij veelal
het lot was van wie gespaard bleven. De gansche negende eeuw door
bestoken de Noormannen de kusten van Holland en Vlaanderen. Zij zeilen
de rivieren op, diep landwaarts in; zij bouwen versterkte legerplaatsen
bij Maastricht en Leuven, die uitgangspunten worden voor rooftochten in
het omliggend land.[16].

Welnu, geen enkel gedicht, geen lied, geen rijmpje zelfs in de volkstaal
dier eeuwen is tot ons gekomen. Eerst in een gedicht van veel lateren
tijd, de _Legende van het heilige Kruis_ (naar het schijnt uit de 14de
eeuw), vinden wij verwarde herinneringen aan het verblijf der Denen
(Noormannen) in Brabant.

Zweeg men, omdat de smart te groot was? Dikwijls immers is het waar, wat
in later tijden Vader CATS een Latijnsch dichter nazeide:

  Gewone droefheid klaagt, maar al te diepe zeer
  En heeft geen open wond, geen zucht, geen tranen meer.

Doch de akker der volkspoëzie is braak blijven liggen ook op plaatsen,
waar eene verklaring als de bovenstaande niet van pas zou zijn.

Wat al gerucht is, in den aanvang der 12de eeuw, in den lande gemaakt,
in Zeeland, Utrecht, Keulen, door den dweper TANCHELM! Een voorlooper
van JAN VAN LEIDEN, een volksredenaar zóó welsprekend, dat hij de
geleerde klerken ijverzuchtig maakte; die door zijn grooten invloed op
de vrouwen ook de mannen voor zich wist te winnen; die in 't openbaar
optrad in kleederen met goud doorweven, omstuwd door lijfwachten die een
banier en een zwaard voor hem uitdroegen; die de geestelijkheid en de
kerkleer durfde aantasten in zijne prediking en door de Utrechtsche
Kanunniken aan den aartsbisschop van Keulen werd afgeschilderd als de
voorlooper van den Antichrist! Te Keulen gevangen gezet met zijne
gezellen: een priester EVERWACHER en een smid MANASSE die naar het
voorbeeld van zijn meester een broederschap van twaalf mannen en ééne
vrouw had opgericht (de apostelen en de maagd Maria), weet hij zich door
de waterproef te zuiveren van de beschuldigingen tegen hem ingebracht.
Later treedt hij weer in het openbaar op; in een vorstelijk kleed en met
schitterend hoofdtooisel trekt hij, omgeven door drieduizend mannen,
door stad en land. Hertogen noch graven durven hem weerstand bieden. In
1115 wordt hij, in een vaartuig gezeten, door een priester
verslagen.[17]

Een poëtische stof, zou men zeggen, aantrekkelijk ook voor onze
middeleeuwsche dichters, wien het--indien men mag afgaan op zoo menig
dichterlijk werk van later tijd--waarlijk niet haperde aan gevoel voor
het indrukwekkende of aangrijpende. Maar de nationale poëzie zwijgt over
TANCHELM en de Tanchelmisten, over den priester EVERWACHER, over den
smid MANASSE en zijn ontuchtig apostelengilde. Waarom? De verklaring
schijnt mij voor de hand te liggen.

Behalve de bovengenoemde zijn er in deze eeuwen nog zooveel andere
dingen gebeurd, die indruk gemaakt hebben op de gemoederen der menschen
van toen. Verscheidene daarvan nu zijn wel herschapen tot literaire
werken van grooter of kleiner waarde. Echter niet in de volkstaal, maar
in de taal der Kerk, het Latijn.

Verwonderlijk is dat niet. In de schatting der middeleeuwsche menschen
van dien tijd, stond het Latijn hoog boven de volkstaal. Het Dietsch was
de taal van het "diet", van JAN ALLEMAN, en werd nog niet als
schrijftaal gebezigd; het Latijn, met zijn eerbiedwaardig verleden, den
roem en het gezag der klassieke schrijvers, was de taal der Kerk in
gansch West-Europa, de taal ook waarvan geestelijken en geleerden zich
schriftelijk bedienden, de taal die vorsten en machtigen kozen voor het
opstellen van officieele stukken. Rome's taal en letterkunde werden ook
hier te lande vlijtig beoefend. In de bibliotheek der beroemde abdij van
Egmond vond men in de 11de en 12de eeuw tal van klassieke dichtwerken:
VIRGILIUS' _Bucolica_ en _Georgica_; OVIDIUS' _Tristia_; CICERO's _De
Senectute, De Amicitia_, de _Orationes_; SALLUSTIUS' werken. Van de
lateren vond men er: PERSIUS' _Satiren_, STATIUS' _Thebaïs_; SENECA'S
_De Clementia_; AULUS GELLIUS' _Noctes Atticae_. Voorts talrijke glosen
op de klassieke schrijvers waaruit men mag opmaken dat de werken dier
auteurs wel bestudeerd werden. Van middeleeuwsch-Latijnsche werken trof
men er aan o.a.: eene _Vita Brendani_, de _Gesta Francorum id est
Cronica cum Vita Karoli_, DARES FRIGIUS' _De Excidio Trojae, Gesta
Alexandri Magni_[18]. Onder de boeken welke de abdij Bloemhof te
Wittewierum in een latere eeuw (de 13de) bezat, vinden wij OVIDIUS,
VIRGILIUS, eenige auctores ethici et satyrici; verder tal van werken
over grammatica en dialectiek, geschriften van de Kerkvaders AUGUSTINUS
en GREGORIUS[19]. In diezelfde eeuw vinden wij aan de abdij van
Mariëngaarde te Hallum eene "scola publica" verbonden; aan haar hoofd
stond zekere magister FREDERIK, die met zijne leerlingen 's morgens de
heidensche poëten en geschiedschrijvers en na het middagmaal de
Kerkvaders las[20].

Die eerbied en liefde voor het Latijn zal de ontwikkeling der volkstaal
waarschijnlijk belemmerd hebben; de veldbloem heeft "tier noch zwier" in
de schaduw van den grooten boom die haar het vrije genot van zon en wind
en regen beneemt en beslag legt op de groeikracht van Moeder Aarde.

Abt EMO van Wittewierum bezat, volgens zijn biograaf, den lateren abt
MENKO, vele gaven en talenten--doch niet de gaaf der wereldlijke
welsprekendheid "in lingua teutonica"; daarvan was hij geen beminnaar en
hij oefende er zich ook niet in "propter studium et amorem vitae
spiritualis et lectionis". Nog op zijn sterfbed sprak hij keurig Latijn.

Begrijpelijk is het, dat wij in de Latijnsche geschriften van zulke
mannen niet zelden aanhalingen vinden uit klassieke schrijvers: in EMO'S
Kroniek b.v. verzen of sententie's van CICERO, HORATIUS, SENECA,
LUCANUS; in een reisbeschrijving van een Friesch of Groningsch pelgrim
uit den aanvang der 13de eeuw herinneringen aan VIRGILIUS' _Eclogae_ en
aan zijne _Aeneis_[21]. Begrijpelijk evenzeer, dat bewondering ook hier
tot navolging bracht. Het lag voor de hand, dat allen die in aanraking
waren gekomen met de Latijnsche literatuur en behoefte gevoelden zich te
uiten, voor die uiting de taal zouden kiezen waarmede zij vertrouwd
waren, die reeds op zich zelve zekere waardigheid aan een literair werk
bijzette, het verhief boven het alledaagsche, en waarin zij allerlei
wendingen, uitdrukkingen, vergelijkingen vonden waarmede zij hun
voordeel konden doen.

In die dagen, met voorbijgang van het Latijn, zich van de volkstaal
bedienen voor de samenstelling van eenig letterkundig werk, zou alleen
dan verwacht kunnen worden, indien er toen onder ons volk een krachtig
gevoel van zelfbewustheid, een krachtig nationaliteitsgevoel, aanwezig
ware geweest. Daarvan was nog geene sprake. Indien men zich herinnert,
dat de grootste dichter der middeleeuwen, DANTE ALIGHIERI, vóór het
schrijven der _Commedia_ geweifeld moet hebben tusschen de volkstaal en
het Latijn, dat hij zelfs den aanvang van den _Inferno_ in Latijnsche
hexameters gedicht heeft, dan zal men zich over de toestanden te onzent
in vroeger eeuwen niet verwonderen.

Het is natuurlijk denkbaar dat in die eeuwen een dichter, die geen
Latijn kende, zich gedrongen zal hebben gevoeld tot eene poëtische
uiting in de volkstaal. Maar in allen gevalle is geen enkel voorbeeld
van zoodanige uiting tot ons gekomen.

Wanneer wij nu het oog slaan op de Latijnsche werken, toen te onzent
gedicht, dan treft ons aanstonds, dat wij hier een zwak voorspel
vernemen van de latere literatuur der middeleeuwen. MAERLANT sprak in
zijn _Wapene Martijn_ dit kloeke woord over den adel:

  Mine roec, wiene droech of wan [Zijnoot: Ik geef er niet om wie zijn
moeder of zijn vader was.],
  Daer trouwe ende doghet es an
    Ende rene es van seden;
    Uut wat lande dat hi ran,
    Dats, dien ic der namen an [Zijnoot: toeken (gun)]
      Van der edelheden.

Maar lang vóór hem had de adellijke Fries LUDGER, in den proloog van
zijn verhaal over de heiligen BONIFACIUS en GREGORIUS, verklaard "dat er
een adel des geestes bestaat, welks leden boven alle aanzienlijken van
geboorte, de hoogste liefde en vereering waardig zijn"[22].

Wij vinden de stof voor meer dan een ridder-epos in een paar Latijnsche
kronieken dier eeuwen; eene bewerking der Reinaert-sage, eenige
heiligenlevens, een leerdicht en ten slotte een paar staaltjes van
lyrische poëzie. Het schijnt mij de moeite waard, de meeste dezer
werken, het een iets korter, het ander iets uitvoeriger, te
behandelen[23].

MILO, monnik uit het klooster Elnon bij Doornik, die omstreeks 872
stierf, behoort zeker wel tot de oudste Latijnsche dichters te onzent.
Hij vervaardigde een leven van SINT AMAND in 1800 hexameters, op
aansporing zijner kloosterbroeders, en als een hulde door hem op den dag
van Sint Amand aan dien heilige gebracht.

Behalve eenige kleinere gedichten schreef hij ook nog een omvangrijk
leerdicht in twee boeken _De Sobrietate_, waarin door tal van
voorbeelden uit O. en N. Testament wordt aangetoond, hoe nadeelig de
gevolgen der gulzigheid en hoe goed die der matigheid zijn. Tusschen die
voorbeelden vindt men hier en daar, evenals in de leerdichten van
lateren tijd, uitweidingen over de priesters, over de onkuischheid van
velen in dien tijd, ook wel eens over den dichter zelven. Geleerdheid is
hier genoeg, ook navolging van VIRGILIUS; poëzie zoo min als in verreweg
de meeste onzer middeleeuwsche leerdichten.

Over de levens van BONIFACIUS en GREGORIUS door LUDGER, beide in proza,
spraken wij reeds. Voorts vinden wij nog melding gemaakt van een ander
leven van BONIFACIUS, geschreven door een tijdgenoot van LUDGER, een man
van merkwaardige belezenheid en eenigermate bekend met Latijnsche
klassieken en mythologie. In de eerste helft der 9de eeuw schreef een
Friesch monnik in de abdij van Werden eene levensbeschrijving van
LUDGER, waarin soms stof voorkomt, bruikbaar voor een dichter. In de
laatste helft der 10de eeuw gaf een ander Friesch monnik ter abdij van
Werden een verhaal van de romantische lotgevallen en vele mirakelen der
Heilige Ida[24].

Bisschop RADBOUD van Utrecht (± 917) toonde vooral eene voor dien tijd
zeldzame kennis van grammatica en metriek in zijne _Versus de
hirundine_, zijn _Carmen Allegoricum_ op Sint Suitbert en zijne _Ecloga_
op Sint Lebuïnus; in deze en andere stukken van zijne hand vinden wij
wel loofwerk van antieke mythologie en navolging van VIRGILIUS, maar
nergens eene wending of uitdrukking, karakteristiek voor den volksgeest
of het volksgemoed dier dagen[25].

Door de heerschappij van het Latijn werd de natuurlijke uiting van het
gemoedsleven als gestremd en verstijfd. Rechtstreeksche gemeenschap
tusschen het innerlijk leven en de taal die dat innerlijk leven moet
verklanken, kon onder die heerschappij niet bestaan. Om uit te drukken
wat men gevoelde, moest men in eene vreemde taal zoeken naar woorden,
wendingen, vergelijkingen die zoo ongeveer overeenkwamen met hetgeen men
wenschte uit te drukken. Zoo kwam men tot poëzie, die op echte poëzie
gelijkt als een kunstbloem op een levende bloem.

Een goed voorbeeld van zulk dichtwerk vinden wij in de verzen die gewijd
zijn aan het leven en den lof van ANSFRIED, bisschop van Utrecht, die in
1010 stierf.

Hoe rijk aan afwisseling is het leven van dezen bisschop, hoe rijk ook
aan treffende of ontroerende feiten, aan zedelijke schoonheid, aan
verhevenheid.

Hij is van aanzienlijke afkomst, zijn vader schijnt graaf van Leuven te
zijn geweest; een neef en naamgenoot van den knaap bezit vijftien
graafschappen. Aartsbisschoppen, die van Trier, die van Keulen, leiden
zijne opvoeding. De latere keizer OTTO I kiest hem op een tocht naar
Italië tot zijn zwaarddrager; onder diens roemrijke leiding wordt hij
een bekwaam veldheer. Spoedig is hij een der machtigste edelen van zijn
tijd. Van de vroomheid en trouw zijner gemalin HILSWINDE bleven tot in
onzen tijd romantische verhalen bewaard. Krachtig treedt hij op tegen de
roovers (Noormannen?) in Brabant. Daarna wordt hij--zijns ondanks--door
den keizer tot bisschop van Utrecht verheven; hij legt in de kapel te
Aken zijn zwaard op het altaar der H. Maagd en wijdt zich aan haar
dienst. Alle omstanders barsten in tranen uit. Voortaan wordt zijn leven
meer en meer dat van een heilige; blind geworden, vertoeft hij liefst in
het door hem gestichte klooster, de Hohorst bij Amersfoort. Zijn leven
daar doet denken aan dat van SINT FRANCISCUS: hij put water om
melaatschen te wasschen; zijne liefde ontwikkelt zich tot eene
onbegrensde teederheid voor alle schepselen van den Heer. Zelfs den
vogelkens was hij weldadig. Des winters liet hij uit medelijden met
hunne armoede volle korenschooven in de boomen van zijn heuvel plaatsen.

Geen wonder waarlijk dat na zijn dood de Utrechtenaren niet rustten,
vóórdat zij zijn lijk van den Hohorst naar hunne stad hadden gevoerd,
waar het onder psalmen en lofzangen en den toeloop eener ontelbare
menigte in de Sint-Maartenskerk begraven werd[26]. Geen wonder ook dat
een Utrechtsch priester zich niet lang daarna opgewekt, misschien
gedrongen, gevoelde om den lof van zulk een man en zulk een leven te
zingen. Hij heeft getuigd van zijn eerbiedige liefde voor zijn bisschop
in een 26-tal Latijnsche hexameters.

Dat deze hexameters niets eigens, niets persoonlijks hebben, bevreemdt
ons niet; de kunst der middeleeuwen immers is juist algemeen en
onpersoonlijk van aard. Maar wij verwachten toch voor het minst in deze
uiting van droefheid en bewondering eenige warmte van gevoel te zullen
opmerken en dat des dichters hart bewogen was, toen hij zijne verzen
schreef. Inderdaad is er wel eenige golving van gevoel te bespeuren,
maar het zijn golvingen zooals men ze ziet in een ijskorst die over het
bewegelijk element ligt uitgebreid. Onder den verstijvenden invloed der
rhetoriek, bij het verkillend zoeken naar juiste uitdrukkingen en
tegenstellingen in een vreemde taal, is, wat er aan gevoelswarmte moge
geweest zijn, vervlogen en wij vinden meerendeels slechts verzen als de
volgende:

  Quondam bellator, nunc autem pacis amator.
 ...
  Deposuit parmam, cepitque levare patenam.

Wat de nagedachtenis van een als heilige vereerd en bemind prelaat in
het Nederland dier dagen niet vermocht: een gedicht in de volkstaal te
voorschijn roepen, dat is een halve eeuw later in Duitschland geschied.
Toen een jongere tijdgenoot van ANSFRIED, de beroemde aartsbisschop ANNO
van Keulen in 1075 gestorven was, heeft een Frankisch geestelijke niet
lang daarna in een dichtwerk getuigd van zijne liefde en eerbied voor
den overledene. Maar in Duitschland was de ontwikkeling van het
nationaliteitsgevoel blijkbaar verder gevorderd dan te onzent: het
bekende Anno-lied is in de volkstaal gedicht. Dit 900-tal verzen geeft
ons iets anders te zien dan de 26 Latijnsche hexameters van den
Utrechtschen klerk.

Welk een rijke ader van echte poëzie zien wij telkens glinsteren in het
ruwe, ongevormde en onbewerkte, ijzerharde taal-erts van dat Anno-lied!
Ja, wij vinden hier veel onbeholpens, ook hier die zonderlinge
overzichten van bijbelsche en wereldgeschiedenis, dat gemis aan
samenhang en overgang; herinneringen aan VIRGILIUS en LUCANUS, te midden
dezer speelmans-poëzie.... Maar hoe leven hier de middeleeuwen in
visioenen van hemelsche heerlijkheid, in wonderen en allegorieën, in
verhalen van veldslagen, roof, moord, brand en verwoesting. Hoe gloeit
de wilde strijdlust der ijzeren eeuw van tijd tot tijd op in stalen
helmen en vaste halsbergen en scherpe Beiersche zwaarden, die door
helmen bijten; hoe vlamt die strijdlust op uit verzen als:

  Ha! hoe kletterden de wapenen
  Toen de rossen op elkander in vlogen,
  Legerhoornen loeiden,
  Beken bloeds vloten.

Maar hoezeer ook overweldigd door de volheid zijner kwalijk beheerschte
stof, toch vergeet de dichter zijn held niet, den "dierbaren" man, den
"heiligen bisschop" in Keulen, de schoonste burg in het Duitsche land.
Telkens waar SINT ANNO in dit dichtstuk optreedt, schieten, als zedige
bloemen onder zijne voeten, beelden en vergelijkingen uit de verzen op:
te midden der zeven heilige bisschoppen van Keulen schittert ANNO als de
turkois in een gouden vingerling; God heeft hem door lijden gelouterd
zooals de goudsmid goud in het vuur smelt, wanneer hij een kostbare
spang wil maken; als een leeuw zat hij voor de vorsten, als een lam ging
hij tusschen de behoeftigen; hij is ten hemel opgestegen om ons den weg
derwaarts te wijzen, zooals een arend die zijne jongen wil leeren
vliegen, in kringen opwaarts stijgt en op zijne wieken statig
zweeft[27].

Zulke tonen wist die vroege zanger voort te brengen, omdat hij durfde
zingen in zijne moedertaal. Zulke of dergelijke muziek had ook hier
kunnen weerklinken, indien het nationaliteitsgevoel krachtig genoeg ware
geweest; indien een Dietsch dichter de hand had durven slaan aan de
poëtische stof die ook te onzent lag opgehoopt.

Welk een voorraad van zulke stof geven ons de beide Latijnsche kronieken
van den Utrechtschen geestelijke ALPERTUS en zijn Vlaamschen genoot
GALBERTUS te aanschouwen[28]. Ik heb hier het oog vooral op de
geschiedenis van den edelman BALDERIK die met ADELA, eene dochter van
den machtigen graaf WICHMAN van Hamaland, gehuwd was. De
levensgeschiedenis van dit verdorven echtpaar verhaalt ons van
langdurige belegeringen, onneembare kasteelen en verraders die den
vijand ter sluik binnenlaten; van gevechten in het open veld;
dienstmannen wien neus en ooren worden afgesneden; van vrouwen in eene
belegerde vesting die helmen op het hoofd zetten om de belegeraars te
misleiden; de vernietiging der sterke vesting Uplade (bij Elten aan den
Rijn); den sluipmoord op den jongen Saksischen graaf WICHMAN gepleegd en
de vernietiging der sterke vesting Uplade waar die daad geschied was.
Wegens dien moord moet BALDERIK zich te Nijmegen voor Keizer HENDRIK
komen verantwoorden. Als hij vóór den Keizer staat, verbieden de
hertogen GODFRIED en BERNHARD hem te spreken. Wanneer hij
desniettegenstaande zich gaat verdedigen, knarstanden zij van woede en
het scheelt weinig of hij wordt door hunne krijgers afgemaakt.

ADELA doet ons in hare verhouding tot BALDERIK soms aan Lady MACBETH
denken: op de tijding van des Keizers komst, wordt BALDERIK moedeloos;
ADELA verliest den moed niet, doch wekt haren man op tot dappere
tegenweer. Van haar gaat het plan uit tot moord op graaf WICHMAN, hun
tegenstander, die als gast op het kasteel Uplade vertoeft. Eerst wil zij
hem vergiftigen; als dat niet gelukt, draagt zij hare taak over aan een
paar knechten die WICHMAN van achteren aanvallen en neerstooten.
Voortdurend zet zij BALDERIK aan tot nieuwe misdaden. "Et sicut Hiezabel
Achab, ita et ista hunc ad flagitia semper concitavit, dans ei consilia,
quibus ad perniciem suam uteretur, donec abominabilis et odiosus omnibus
fieret"[29].

Een onvoldragen gedicht zien wij ook in het geschiedverhaal van den
moord, die in 1126 in een kerk te Brugge gepleegd werd op KAREL DEN
GOEDE, graaf van Vlaanderen. Na het volbrengen van den moord verschansen
de moordenaars onder hunne aanvoerders, BOUTSAERT (BORSIARDUS) en
ROBBRECHT, in eene kerk en worden daar door de aanhangers van den graaf
belegerd. De strijd die dan aanvangt, heeft in de beschrijving van
GALBERTUS inderdaad hier en daar een grootsch karakter. Begrijpelijk is
het, dat men een oogenblik denkt aan het indrukwekkend slottafreel der
_Nibelungen_, in BOUTSAERT den grimmigen HAGEN meent te herkennen, in
ROBBRECHT "Giselher daz Kint". Terwijl de strijd in de Kerk woedt,
springt WALTER, een dienstman van den graaf die zich op het orgel
verscholen hield, naar beneden midden tusschen de vijanden--een sprong
die doet denken aan den vervolgden HERNANT in de _Chanson des
Lorrains_[30]. Maar er is in de middeleeuwen meer gelijk dan eigen, en
dergelijke overeenkomsten bewijzen alleen, hoe zeer het middeleeuwsch
epos _in hoofdzaak_ juiste afspiegeling der werkelijkheid bevat; niet
dat een episch dichter het oog hield gericht op een of ander historisch
feit.

Met een weinig scherpzinnigheid eenerzijds en een weinig goeden wil
anderzijds, zou men op die wijze ook kunnen aantoonen, dat SHAKESPEARE
in zijn _Macbeth_ het oog moet hebben gehad op de geschiedenis van ADELA
en BALDERIK.

In beide deze kronieken, vooral in die van GALBERTUS, blijkt op meer dan
eene plaats vrij sterke aandoening; er was ook wel voldoende
zelfbeheersching en neiging om het waargenomene en gevoelde te verwerken
tot een met kunst geschreven verhaal. Maar dan toch een verhaal naar het
voorbeeld der Romeinsche geschiedschrijvers. Vandaar de rhetorische
toon, de redevoeringen en gesprekken in den trant van die voorgangers,
doch met minder talent. GALBERTUS laat zich wel eens verleiden zijner
verbeelding te zeer den teugel te vieren: hij weet ons o.a. gezegden
mede te deelen, die midden in een vreeselijk bloedbad geuit zullen zijn
en wat een eenzaam opgesloten man denkt, vóórdat hij sterft. Maar toch,
had deze monnik eens den moed gehad zich van zijne moedertaal te
bedienen--misschien waren wij een belangwekkend kunstwerk rijker.
Diezelfde gedachte komt bij ons op, indien wij kennis maken met de
Latijnsche bewerking der Reinaert-sage die op deze kronieken volgt,
zooals in de nationale literaturen van Franschen, Duitschers en
Nederlanders de bewerkingen der dier-sage op het ridder-epos.

Dit Latijnsche gedicht, dat naar den wolf: _Ysengrimus_ heet, is
vermoedelijk omstreeks 1150 vervaardigd door zekeren Magister NIVARDUS,
eerst monnik in het klooster Blandinium, later scholaster der Kerk van
S. Pharahilde te Gent[31].

Wij vinden hier een aantal, ook van elders bekende, dierfabels in
distichen vervat en op kunstelooze wijze tot een geheel verbonden. Het
verhalend element is in dit werk gering, de dialoog overheerscht; het
zijn al te vaak eindelooze gesprekken waarin de middeleeuwsche
dialectiek triomfen viert, maar die den lezer na eenigen tijd vermoeien
en ten slotte vervelen. De dichter was een zeer belezen man, die de
klassieke Latijnsche schrijvers goed en OVIDIUS op zijn duimpje kende;
onder het schrijven zijner verzen stonden hem telkens plaatsen uit zijne
lievelingsauteurs voor den geest, maar nergens maakt hij zich aan
slaafsche navolging schuldig.

Opmerkelijk nu is vooral, hoe onder en in dit overgenomen klassicisme
telkens het Vlaamsch-menschelijke zich vertoont. Wij speuren en zien den
volksgeest in die ietwat ruwe rondheid die alles bij zijn naam noemt, in
de ironie, de komische of groteske overdrijving, de grappen, de
vergelijkingen en spreekwoorden aan het dagelijksch leven ontleend[32].
In zijne uitdrukkingen en aardigheden, in woorden als _mantica, bulga,
follis_ te vergelijken bij het latere middelnederlandsche _male_ (maag),
als _taberna (taverne), carmina completoria ("van uwen complete dat
ghetide")_ doet hij ons telkens aan den, een eeuw jongeren, _Reinaert_
denken. Het is dezelfde nationale dichtader, maar die hier niet kan
uitschieten in de laag van klassicisme waarmede de Vlaamsche
geestesakker overdekt was.

Indien deze dichter eens gedurfd had, zooals DANTE gedurfd heeft! Wat
zou hij, met zijn ongetwijfeld voortreffelijken aanleg niet hebben
kunnen volbrengen. Maar de tijd, dat een dichter zulk eene stof in de
volkstaal zou durven behandelen, was nog verre. Er moest nog veel
veranderen in het uiterlijk en innerlijk leven van de bewoners dezer
landen, eer het zoover kon komen.



AANTEEKENINGEN.

[1] Deze _Vita Liudgeri_ is uitgegeven in PERTZ _Monumenta G._, II, 404
seqq.

[2] Vgl. P. PIPER, _Die Spielmannsdichtung_, I, 29.

[3] In EGINHARD'S _Vita Caroli Magni_ 29 (PERTZ, _Monum._, II, 458).
"Item barbara et antiquissima carmina, quibus veterum regum actus et
bella canebantur, scripsit memoriaeque mandavit."

En in _Annales Caroli Magni_, V, 545 (PERTZ, _Monum._, I, 276) leest
men:

Quae veterum depromunt praelia regum Barbara mandavit carmina
litterulis.

[4] _Leven van Sint Amand_ (ed. BLOMMAERT), I, 3468; II, 3303.

[5] PIRENNE, _Geschichte Belgiens_, I, 91.

[6] _Bonifacins_ door Dr. J.P. MÜLLER, I, 86.

[7] PIRENNE, t.a.p. I, 86-7.

[8] Vgl. hier als elders BLOK'S _Geschied. v.h. Nederl. Volk_.

[9] Ik heb hier het oog op hetgeen eerst door JONCKBLOET is uiteengezet
en later door TE WINKEL uitgebreid. Ook op COSIJN'S rectorale rede
"_over Angelsaksische Poëzie_" (1899).

[10] COSIJN, t.a.p. bl. 21.

[11] Dr. TE WINKEL, _Gesch. der Ned. Lett._

[12] _Hilde--Gudrun...._ von F. PANZER. Halle a/S. 1901. Ook Prof.
SYMONS, die de _Gudrun_ uitgaf, hecht aan die plaatsnamen niet veel.

[13] Men vindt ze opgesomd o.a. in de werken van JONCKBLOET (I, 33
volgg.) en TE WINKEL (I, 58). Zie voorts de onderscheidene studiën van
Dr. BLÖTE over deze sage, een artikel van G. PARIS in _Romania_, 1901,
en van Mr. L.A.J.W. Baron SLOET in _Versl. en Meded. d. Kon. Akad._,
XII, 253 volgg.

[14] _Sp. Hist._, IV, Partie III, Boek, c. VI en XXII. Zie voorts mijne
_Middelned. Epische Fragmenten_, bl. 250 volgg.

[15] Vgl. _Middelned. Epische Fragmenten_, bl. 255.

[16] PIRENNE, t.a.p. bl. 41-43.

[17] Zie dat alles uitvoeriger medegedeeld in MOLL'S _Kerkgeschiedenis_,
II, 3, bl. 45-55.

[18] Zie den Catalogus der boekerij van Egmond medegedeeld in VAN WIJN'S
_Huiszittend Leeven_ en, in veel beter uitgaaf, in _Archief voor Ned.
Kerkgesch._, II, 147 volgg. door wijlen Prof. KLEYN.

[19] A.W. WYBRANDS, _De Abdij Bloemhof_, bl. 78-79.

[20] MOLL, t.a.p. II, 2, 239.

[21] In het _Itinerarium_ van dien pelgrim, dat ik leerde kennen uit
MATTHAEI _Veteris Aevi Analecta_, II, 26-33 b.v.: "Natales fines et arva
dulcia linquentes" (_Ecl._, I, 3); aan het slot: "et tunc demum quae
passi fuimus periculorum meminisse juvabit" (_Aen._, I, 203). Vgl. ook
de naar klassieke voorbeelden gevolgde beschrijving van den storm op p.
31.

In de Kroniek van ALPERTUS, _De Diversitate Temporum_ (ed. DEDERICH)
o.a.: uit Juvenalis: "Intolerabilius nihil est quam foemina dives."

[22] MOLL, t.a.p. I, 367. Dezelfde gedachte reeds bij HIERONYMUS. Zie
FRANCK en VERDAM in hunne uitgave van MAERLANT'S _Stroph. Gedichten_,
bl. LXXVIII.

[23] Ik maakte bij dit overzicht gebruik vooral van EBERT'S _Allgem.
Geschichte der Literatur des Mittelalters im Abendlande_, van MOLL's
_Kerkgeschiedenis_ en een enkele maal van HOFMAN PEERLKAMP'S _Liber de
vita_ etc.

MILO'S gedichten zijn het best uitgegeven door L. TRAUBE in _Poetae
Latini Aevi Carolini_, III, 557 seqq.

[24] Over deze laatste heiligenlevens vgl. MOLL, I, 367 volgg.

[25] Vgl. over de poëzie van RADBOUD: EBERT, t.a.p. III, 184. H.
PEERLKAMP, p. 11. De _Versus de hirundine_ medegedeeld in _Zeitsch. f.d.
Alt._ N.F. 7, 388 flgg. Zijne Antiphonen op S. Maarten in _Kerkhistor.
Archief_, III, 213 volgg.

[26] Zie voor het medegedeelde MOLL'S _Kerkgesch._, I, 275 volgg. en
ALPERTUS' Kroniek _De Div. Temporum_.

[27] _Der Lobgesang auf den heiligen Anno_ (ed. GOLDMANN), Leipzig und
Altenburg, 1816. Voor verdere bijzonderheden zie men _Grundriss der
Germ. Phil._, II, 1, 251; en PIPER'S _Spielmannsdichtung_, II, 1.
Gedateerd op 1077-'78; door sommigen op 1105-1110.

[28] De Kroniek van ALPERTUS: _De diversitate temporum libri_ II, is van
ongeveer 1022 (ed. DEDERICH, Münster, 1859). Vgl. MOLL, _Kerkgesch._,
II, 2, 343 en BLOK, I, 130. Over de Kroniek van GALBERTUS vgl. RUDOLF
HENNING, _Nibelungen--Studiën._ Strassburg. 1883.

[29] _De Div. Temp._, II, 5.

[30] R. HENNING in het aangehaald werk.

[31] Ik heb mij hier bediend van E. VOIGT'S voortreffelijke uitgave van
den _Ysengrimus_, (Halle a.S., 1884). In zijne _Etude sur l'Ysengrinus_,
(Gand, 1895) komt L. WILLEMS tot eenigszins andere voorstellingen dan
VOIGT. W., stelt den tijd van ontstaan 1151-1152; V.c. 1148. W. gelooft
dat een "flamand gallicant" uit de buurt van Lille de dichter is geweest
en dat deze niet uit de mondelinge overlevering maar uit de verhalen der
trouvères heeft geput. Het eerste is door W. m.i. niet aangetoond; het
tweede is niet te bewijzen. Zie over WILLEMS' boek ook het oordeel van
Dr. J.W. MULLER in _Museum_ (1897) waarmede ik mij in hoofdzaak kan
vereenigen.

[32] VOIGT, _Einl._ LXIII.



II.

  De Kruistochten. De "lage landen bij de zee" als grensland tusschen
  Frankrijk en Duitschland. Fransche en Duitsche literatuur. Heinric
  van Veldeke (_Leven van Sint Servaes_, _Eneïde_, liederen). Vertaling
  van het Nibelungen-lied. Speelmanspoëzie (_Van den bere Wisselau_;
  _Van Sente Brandane_). Losmaking van Duitschland.

Toen het gevreesde jaar 1000 voorbij en de wereld niet vergaan was,
ademden ook de bewoners dezer landen op.

Niet alsof met die 11de eeuw een tijd van ongestoorden vrede en rust
aanbrak! Integendeel, ook in deze en de volgende eeuw, wij hebben er
reeds staaltjes van gezien, was er nog allerwege verdeeldheid; soms
schijnt het alsof ieders hand tegen allen is opgeheven. Zeker, tegenover
de verdeelende stonden verbindende krachten: de kerk, het leenwezen,
eene zelfde of ten minste gelijke taal, dezelfde zeden en gewoonten.
Maar voorshands is de eenheid van elk dier onderscheidene kleinere
volksgeheelen hier te lande (Friesland, Holland, Vlaanderen, Brabant en
andere) weinig hecht; er is te nauwernood sprake van één band die ze
onderling vereenigt.

Geen verschijnsel heeft in deze eeuwen zoo krachtigen invloed geoefend
op onze volkswording als de kruistochten!

Onder de eerste deelnemers aan die grootsche tochten, toen "het Westen
zich op het Oosten wierp, onder den kreet: God wil het!" vinden wij ook
onze voorouders. Reeds omstreeks 1030 zien wij een graaf van Holland ter
kruisvaart trekken en aan zijne zijde een lid dier stoute ARKELS, welke
de latere graven van Holland zoo dikwijls tegenover zich zouden zien[1].
Na hen treffen wij onder de kruisvaarders in deze en de volgende eeuwen
graven van Holland, Gelder, Vlaanderen aan; zonen van oud-adellijke
geslachten als de BREDERODE'S, BORSELEN'S, VAN LYNDEN'S; Friesche edelen
uit den stam van GALAMA en BOTNIA. Nog lang na den tweeden kruistocht,
die in 1147 voorviel, wezen latere kruisvaarders elkander den palmboom
op het graf van den dapperen Frieschen aanvoerder HENDRIK ULVINGA in de
nabijheid van Lissabon. Niet alleen ridders, ook aanzienlijke burgers,
gewone poorters, lijfeigenen trokken naar het Heilige Land.
Waarschijnlijk waren er maar weinig ridders onder die Antwerpenaars,
Hollanders en Friezen, die volgens hun eigen getuigenis acht jaren in de
Middellandsche zee van roof op de heidenen hadden geleefd en in 1097 op
hunne schepen, welker masten met goud waren beslagen, het leger der
kruisvaarders in Cilicië te hulp kwamen[2].

Zeker, behalve zuivere godsdienstige geestdrift zullen er voor deze
tochten beweegredenen zijn geweest van minder gehalte; de naam "groote
aflaat" dien men in de 13de eeuw aan een kruistocht gaf, wijst reeds op
iets anders dan op liefde tot God om Gods wil. En dat vooral bij degenen
die slechts geld, niet zich zelven, gaven ten behoeve dezer tochten. Ook
bezwaardheid van geweten zal wel tot de beweegredenen hebben behoord;
ook drijfveeren van minder allooi zal men niet mogen voorbijzien: lust
naar avonturen, strijdlust, zucht om buit of roof te behalen.

Dat alles moge waar zijn, maar desniettemin zien wij hier in de
ontwikkelingsgeschiedenis van ons volk dit belangrijk verschijnsel, dat
voor het eerst zij die zóó lang verdeeld waren gebleven: Vlamingen,
Friezen, Hollanders, Gelderschen en zoovele anderen, in het besef hunner
éénheid als Christenen, gezamenlijk optrekken tegen één vijand in verre
gewesten.

De groote invloed dier tochten op de ontwikkeling ook van ons volk is
bekend. Nu eerst deden de Nederlanders hun "intocht in de Kerk waardoor
zij inderdaad vereenigd werden met het groote lichaam, waarvan zij
vroeger leden heetten, maar niet waren"[3]. Handel en nijverheid, ook de
kunsten ontwikkelden zich. De trage verbeelding der bewoners van deze
lage landen kreeg een schok, werd opgewekt, geprikkeld. Welk een indruk
moet het Zuiden, moeten die landen der zon met hun geheimzinnig
achterland, hebben gemaakt op de ruwe maar ontvankelijke gemoederen
dezer zonen van het Noorden, die zich voor het eerst verplaatst zagen
buiten de enge grenzen van hun gouw of graafschap!

Maar niet minder gewichtig dan dat alles is de invloed geweest, dien de
aanraking met andere volken moet hebben geoefend op het onze. Door dat
herhaald en langdurig samenzijn en samenwerken met andere volken of
volksdeelen, moeten onze voorouders voor het eerst ten deele bewust zijn
geworden van zich zelf. Nu eerst wordt hun de gelegenheid gegeven om
door vergelijking met anderen zich zelven te leeren kennen; nu eerst
begint door den morgennevel der naïeveteit heen het beeld der eigen
persoonlijkheid flauw voor hen op te schemeren. Ook van het volk,
waarvan zij nog een deel uitmaakten en waaraan zij zich het nauwst
verwant gevoelden: de Duitschers, moeten zij zich reeds onderscheiden
hebben gevoeld in taal en karakter. Welk een aanzienlijk verschil
bestond er reeds omstreeks 1171, toen HEINRIC VAN VELDEKE zijn _Sint
Servaes_ dichtte, tusschen Middelnederlandsch en Middelhoogduitsch! Dat
verschil kan natuurlijk eerst langzamerhand zoo gewichtig zijn geworden.

Uit staatkundig oogpunt gezien, behoorden verreweg de meeste dezer lage
landen tot Duitschland; hunne ligging in Europa maakte ze tot een
schakel tusschen Germaansche en Romaansche landen. Langzamerhand zullen
wij den band met het overig Duitschland losser zien worden en ten slotte
feitelijk wegglijden, al blijft hij in schijn nog lang zichtbaar, al
wordt hij later wel eens opnieuw aangeknoopt.

Dat de bewoners dezer landen tusschen Duitschers en Franschen in
woonden; dat, in de Zuidelijke Nederlanden, het Dietsch onmiddellijk
paalde aan het Fransch, was oorzaak dat Fransche taal en letterkunde te
onzent gemakkelijk ingang konden vinden.

Dien aanwas van zelfstandigheid tegenover Duitschland, waarbij de
invloed van Frankrijk zich doet gevoelen, zullen wij nu in de
geschiedenis, onzer letterkunde gaan beschouwen.

De eenheid dezer landen met het overig Nederduitschland vertoont zich
ook in die scharen van Vlaamsche en Hollandsche kolonisten, welke in de
11de en 12de eeuw een deel van Nederduitschland bevolkt en er zeker toe
bijgedragen hebben daar het gevoel van eenheid met de bewoners der lage
landen levendig te houden. Echter moet dat gevoel van eenheid te onzent
sterker geweest zijn in het zuiver Germaansche Noorden dan in het
Zuiden, dat een tweetalig land was. Dit verschil tusschen Noord- en
Zuid-Nederland moeten wij hier al aanstonds op den voorgrond brengen.

Zuid-Nederland was verdeeld in Dietsche en Waalsche gewesten of zulke
die Dietsche en Waalsche elementen in zich vereenigden. Vlaanderen,
Brabant, Limburg waren in hoofdzaak Dietsche gewesten; Artois, Kamerijk,
Henegouwen, Namen en het land van Luik bijna uitsluitend Waalsche.
Echter deed zich in Vlaanderen de politieke invloed van Frankrijk sterk
gelden; Brabant hing nauwer met Duitschland samen; Limburg had wel het
meest recht op den naam van: grensland.

Tegenover de Fransch (Walsch) sprekenden voelden de Dietsch-sprekenden
zich één. Reeds in VELDEKE'S _Leven van Sint Servaes_ worden "Dutschen
ende Walen" tegenover elkander gesteld[4], Maar niet zóó scherp stonden
zij tegenover elkander, of de meerdere geestesbeschaving en kunstzin van
het Fransche volk oefenden hare bekoring en haren invloed op de minder
ontwikkelde bewoners dezer grenslanden, voorzoover zij Fransch
verstonden. Ook in de literatuur zal dat blijken. Terwijl te onzent,
zooals wij gezien hebben, nog geene nationale letterkunde bestond, had
de kunst van het woord in Frankrijk reeds tal van voortreffelijke of
belangwekkende werken voortgebracht. Kort vóór of na den eersten
Kruistocht waren de oudste _Chansons de geste_ reeds gedicht: de
grootsche _Chanson de Roland_, de indrukwekkende _Lorreinen_, barbaarsch
als de Roodhuiden, de bloedige _Raoul de Cambrai_, _Girart de
Roussillon_, een deel van den _Guillaume d'Orange_, de _Aiol_. De
aanvang der 12de eeuw bracht het ontstaan van het hoofsche ridderdicht
("épopée courtoise") en dat der lyriek. Vóór het midden dier eeuw waren
de meeste verhalen, die de onderscheidene "branches" van den _Roman du
Renart_ vormen, reeds voor de eerste maal opgesteld[5].

Ook de Duitschers konden, lang vóór het ontwaken der literatuur te
onzent, op menig werk van beteekenis wijzen; behalve de vroeger genoemde
dichtwerken hadden zij reeds: het Walthari-lied, EZZO'S lied over de
Wonderen van Christus, een gedicht over Koning ROTHER. Die nationale
literatuur, in hoe menig opzicht ook zelfstandig en oorspronkelijk, kon
zich echter niet onttrekken aan den invloed der Fransche literatuur, die
toen reeds den toon aangaf. De _Alexander_ van PFAFFE LAMBRECHT en het
_Rolands-lied_ van PFAFFE KONRAD waren reeds in de eerste helft der 12de
eeuw uit het Fransch vertaald; in de tweede helft dier eeuw zou de
vertaling eener branche van den _Roman du Renart_ volgen en de Fransche
lyriek de ontwikkeling der Duitsche bevorderen.

Het is waarlijk niet vreemd dat wij dezen invloed van Frankrijk op
Duitschland kunnen waarnemen ook in het land, dat meer dan eenig ander
een schakel tusschen hen vormde: Limburg. Omstreeks 1170 werd binnen of
bij de grenzen van dat land de bekende geschiedenis van FLORIS en
BLANCEFLOER bewerkt in een dialect, dat misschien oorspronkelijk zuiver
Limburgsch geweest is of althans met evenveel recht tot het Nederlandsch
als tot het overige Nederduitsch kan gerekend worden[6]. Het is den
schrijver dezer bewerking, die een Fransch voorbeeld volgde, blijkbaar
slechts om het verhaal te doen geweest; reflexie is, naar het schijnt,
afwezig. Zijn verhaaltrant is uiterst beknopt en zaakrijk, sober maar
droog; van de aandoening die dit liefelijk verhaal in latere dichters
zou wekken, is hier weinig te bespeuren. Taal en stijl van dit gedicht
zijn nog onbeholpen; de korte zinnen, en de hortende verzen waarin
dalingen niet zelden ontbreken, met hunne onzuivere rijmen, wijzen op
geringe technische vaardigheid.

Veel duidelijker dan in dit gedicht vertoont zich de invloed der
literaturen van Frankrijk en Duitschland op de ontwikkeling der onze in
het werk van HEINRIC VAN VELDEKE.

In de poëzie van dezen Limburgschen edelman uit de buurt van Maastricht
vinden wij de onderscheiden elementen vereenigd, welke wij hier
achtereenvolgens hebben leeren kennen: hij legt den band tusschen de
Latijnsche literatuur en de nationale door zijne omwerking van een
Latijnsch heiligenleven tot het Limburgsch _Leven van Sint Servaes_; uit
het Fransch vertaalt hij een riddergedicht over ENEAS in zijne
moedertaal, waaruit het weer in het Middelhoogduitsch wordt overgebracht
(_Eneît_); in het Limburgsch dicht hij, onder den invloed der Fransche
(Provençaalsche) lyriek een dertigtal minneliederen die eveneens in het
Middelhoogduitsch worden vertaald. Zoowel zijne _Eneïde_ als zijne
minneliederen hebben groote beteekenis gehad voor de ontwikkeling der
Middelhoogduitsche epische en lyrische poëzie.

Van zijn leven is ons weinig bekend. Hij schijnt op een of andere wijze
in betrekking te hebben gestaan tot den geestelijken stand en het
klooster van SINT SERVAES; blijkbaar kende hij behalve de Fransche ook
de Latijnsche literatuur, o.a. de _Aeneïs_, de _Metamorphosen_ en het
epos van STATIUS[7]. Hij ondernam c. 1171 de bewerking der _Vita_ van
den H. Servatius op verzoek van gravin AGNES VAN LOON en van zekeren
kanunnik HESSEL, "die doen der costeryen plach." Hij heeft in
Duitschland gereisd, was omstreeks 1175 aan het hof van Kleef en gaf
zijn onvoltooide _Eneïde_ daar te lezen aan gravin MARGARETA, de bruid
van LODEWIJK III, landgraaf van Thüringen. Zijn handschrift werd hem
ontstolen en eerst veel later terug bezorgd, zoodat de voltooiing der
_Eneïde_ waarschijnlijk kort vóór 1190 heeft plaats gehad. In
Duitschland zal hij kennis gemaakt hebben met de daar bestaande
nationale literatuur, o.a.: het _Anno-lied_, LAMPRECHT'S _Alexander_,
KONRAD'S _Rollands-lied_; ook de Duitsche sagen van dien tijd kunnen hem
niet vreemd zijn gebleven. Zijne minneliederen dagteekenen misschien uit
denzelfden tijd als zijne _Eneïde_. Ook heeft hij nog een gedicht van
"Salomon en de Minne" geschreven, dat ons slechts uit eene aanwijzing
van een Duitsch dichter bekend is[8].

Indien "meyster HEINRIC" begonnen ware met minneliederen te dichten,
vervolgens de hand geslagen had aan een ridderroman waarvan de minne
schering en inslag is, en daarna, ouder en ernstiger geworden, getracht
had door middel van een heiligenleven goed te maken wat hij misdreven
had met het dichten dier wereldsche poëzie--dan zou hij gedaan hebben,
wat na hem door tal van andere Nederlandsche dichters gedaan is. Die
gang van zaken zou bovendien in overeenstemming zijn geweest met wat de
gewone levenservaring ons leert. Naar het schijnt, heeft het
tegenovergestelde plaats gehad: is hij begonnen met de bewerking van een
heiligenleven, om zich daarna tot minnepoëzie en ridderverhaal te
wenden. Zoolang deze voorstelling niet door nieuwe feiten aangetast is,
zullen wij ons er aan moeten houden.

Daar zoowel _Sinte Servatius Legende_ als de _Eneïde_ bewerkt zijn, de
eene naar een Latijnsch, de andere naar een Fransch voorbeeld, komt het
er bovenal op aan, het karakter dezer bewerkingen te leeren kennen. Over
het algemeen volgt VELDEKE zijne Servatius-legende, die hij telkens
aanduidt als "die vite", op den voet[9]. De letterkundige waarde dezer
bewerking is gering en herinnert ons dat wij bij den aanvang van de
ontwikkeling onzer literaire kunst staan. De gebrekkige uitdrukking, de
afgebroken zinbouw, de stootende verzen met hun drietal heffingen doen
ons denken aan de oude volkspoëzie. In eene periode als:

  Alle die vergaderinghen
  Al weynende dat sij songhen
  Met luder stemmen: Osanna!
  Doen was vroude ende yamer da,

meent men een nagalm te hooren van deze verzen uit het
Lodewijkslied:

  Joh alle saman sungun
  "Kyrieleison".
  Sang was gisungan
  Wig was bigunnan.
    Enz.

Beelden en vergelijkingen zijn schaarsch en over het algemeen
onbeduidend. In een paar dier vergelijkingen bespeuren wij eenige
aandoening. Zoo b.v. in deze uit het eerste boek:

  Daer nae sprack der heilighe man,
  --Die salighe diet ghemercken can--
  "Men mach in menghen synnen
  "Gods heerscapie bekennen,
  "Sijne ghenade ende sijne ghewalt.
  "Ghij siet wale wie der wynter kalt
  "Die eerde bevroret
  "Ende haer vrocht testoret
  "Ende tewrijvet ende verkeert;
  "Ende als hij dan henne veert,
  "Ende der somer aen gheyt,
  "Dien alle die werelt gherne ontfeyt,
  "Ende daer toe alle creatueren,
  "Eyn yeghelijck nae sijnre natueren,
  "Verhoghen sich ende vervrouwen.
  "Allen die Gode ghetrouwen
  "Ende doer hem lijden arbeit,
  "Dien gheeft hij grote rijcheit,
  "Woninghe in hiemelrijck
  "Ende vroude ewelijck."

Maar wanneer wij een blik in VELDEKE'S voorbeeld slaan en daar op de
overeenkomstige plaats lezen: "en", ait "quomodo verna temperies redit
post hiemem, sic post mortem orietur beatis requies", dan zien wij dat
VELDEKE'S verdienste hierin bestaat, dat hij een dichterlijk onderdeel
van zijn voorbeeld op zelfstandige wijze heeft uitgebreid[10].

Ook waar wij elders verwachten, dat eenige stijging van aandoening zich
in den stijl en de verzen zal openbaren, zooals b.v. in de visioenen,
wordt die verwachting niet vervuld[11].

Toen VELDEKE zijn _Leven van Sint Servaes_ bewerkte, gevoelde hij zich
een armen zondaar, die behoefte had aan de voorspraak van den heiligen
man bij God; die hoopte dat zijn werk ter eere Gods zou strekken[12].
Maar de levensgeschiedenis van den heilige moge hem hebben gesticht, zij
heeft noch zijn gevoel noch zijne verbeelding kunnen treffen. Anders was
dat met de geschiedenis van ENEAS, zooals zij door een onbekend Fransch
dichter omstreeks 1170-'75 is verwerkt tot een ridderroman[13].

Wat dit gedicht opmerkelijk maakt, is vooral de wijze waarop hier de
liefde tusschen de beide seksen als dichterlijk motief is gebruikt en de
groote plaats die de ontleding van het gansche gemoedsleven, van de
hartstochten en vooral van de liefde hier inneemt. Deze opvatting der
liefde was iets nieuws in de toenmalige literatuur. Aan de klassieken
viel die niet te ontleenen. Het is bekend, dat zoowel de toestand der
vrouw als de verhouding der beide seksen in de Oudheid gansch anders was
dan in de nieuwere tijden; er waren weinig dingen die TACITUS in de
Germanen sterker troffen dan juist hun achting voor de vrouwen, hun
eerbied voor het huwelijk, dat kuischheid bij hen in eere was en dat de
vrouw in het huwelijk stond als eene gelijke tegenover den man. Door de
opkomst van het ridderwezen, eene Germaansche instelling, was dit gevoel
van eerbied jegens de vrouwen nog sterker geworden en had het zich,
vooral in Zuid-Frankrijk, onder den invloed der galanterie verfijnd.

In het Fransche gedicht is de ontleding van den hartstocht bij
uitnemendheid reeds vrij ver voortgezet en, voor dien tijd, fijn. Het is
een van VELDEKE'S verdiensten dat alles nagevoeld en in eigen trant het
eerst in onze taal te hebben gezegd. Doch al heeft hij een voorbeeld
gevolgd, hij was geenszins louter vertaler. Hij heeft heel wat gewijzigd
of veranderd, weggelaten of toegevoegd; meestal geschiedde dat om de
juistheid der uitdrukking te verhoogen of den gang van het verhaal te
verduidelijken; ook wel eens om de eischen van eigen kieschheid of eigen
smaak te bevredigen[14]. Verscheidene didactische uitweidingen,
overtollige beschrijvingen en mededeelingen heeft hij laten vervallen.
Desondanks telt zijn werk ongeveer 3000 verzen meer dan het
oorspronkelijke. Die grooter omvang is toe te schrijven vooral aan de
wijdloopigheid van den bewerker, die zich openbaart o.a. in het
uitspinnen van monologen en van gevechten, ook in de beschrijving van
zielstoestanden. Waar hij beschrijft, ook naar het uiterlijk, toont
VELDEKE menigmaal wel talent, maar een onontwikkeld talent, terwijl zijn
smaak en zijne kunstvaardigheid nog gering blijken. Zoo b.v. waar hij
ons de Sibylle beschrijft, die ENEAS "toe Icônjen in her hûs" bezocht.
Een viertal verzen van het oorspronkelijk gedicht zijn in de bewerking
uitgedijd tot een 34-tal, zoodat men hier met recht van VELDEKE'S werk
mag spreken:

  grôt ende grâ was her dat hâr
  end harde verworren--
  dat wir wale spreken dorren--
  alse eines perdes mane.
  die frouwe hadde ane
  vele onfrouwelîch gewant.
  ein boech hade sî an der hant.
  dar ane sach sî ende las.
  doe schoude sî Enêas.
  He marcde sî rechte.
  dat mies [Zijnoot: mos.] lockechte
  hiene her ût den ôren.
  sî enmochte niet gehôren,
  et enwâre, dat man riepe.
  her ougen stonden er diepe
  onder den ouchbrâwen,
  langen ende grâwen,
  die dâ vore hiengen--
  end her ter nase giengen,
  grouwelîch was her lîf:
  hem enwart nie wîf
  alsô wonderlich kont.
  swart ende kalt was her der mont.
  sî sat in den gebâre,
  alse er leven wâre
  ân alre slachte wonne.
  die tande stonden er donne [Zijnoot: dun (geplant).]
  end wârn her lanc ende gele.
  her was der hals end die kele
  swart end gerompen [Zijnoot: gerimpeld.].
  sî selve was geskrompen
  in bôsen gewande.
  her arme end here hande
  waren âdern ende vel[15].


Belangwekkend is op deze plaats de worsteling van een naïef kunstenaar
met zijne stof. De dichter is blijkbaar wel onder den indruk en tracht
dien zoo goed mogelijk weer te geven; er is wel goede grondstof, er zijn
wel goede deelen van een beeld, maar hoe zonderling liggen zij dooreen.
Telkens springt hij van de afzonderlijke trekken op het geheel over of
wordt zijne eigen voorstelling hem te machtig, zoodat hij zich lucht
moet geven. Na de aardige vergelijking van het haar bij verwarde
paardemanen--de vergelijking raakt volgens VELDEKE blijkbaar de grens
der kieschheid--een blik op het onvrouwelijk gewaad; zij had een boek in
de hand; nu weer de détails: vlokken mos (haar) hingen haar uit de
ooren, diepliggende oogen onder laag afhangende grijze wenkbrauwen; dan
plotseling een blik op het geheel: gruwelijk was haar lichaam; daarna
terugkeer tot de détails: de mond was zwart en koud; weêr een algemeene
indruk: hare houding gaf te kennen dat zij geenerlei vreugde kende; zoo
gaat het voort.

Kunst als deze, hoe onvolkomen ook, doet ons betreuren dat VELDEKE'S
invloed op de Nederlandsche dichters van later tijden naar het schijnt
zoo gering is geweest, want aanleg had hij zeker.

Duidelijker nog dan in zijne _Eneide_ blijkt die aanleg in het dertigtal
minneliederen, door hem onder den invloed der Fransche hoofsche lyriek
gedicht.

In gevoelens en stemmingen, in keuze van voorstellingen en uitdrukkingen
blijven deze liederen binnen den kring van den conventioneelen
vrouwendienst, die zich in Frankrijk had ontwikkeld en zich daar en
elders deed gelden, zoowel in eene min of meer kunstmatige werkelijkheid
als in de poëzie.

De verhouding van den minne zoekenden man tot de vrouw die hij wenscht,
wordt voorgesteld als een _dienst_: zij is de meesteres, hij de dienaar.
Telkens is ook in deze liederen sprake van _dienen_ en _dienst_. De
minne wordt verheerlijkt:

  Von minne kumet uns allez guot:
  diu minne machet reinen muot.
  Waz solte ich sunder minne dan?[16]


De vrouwen worden tegenover de mannen verdedigd, haar
toorn wordt gevreesd. Het zinnelijke in de verhouding der beide
seksen (het "umbevân") wordt dorperlijk genoemd:

  Wie mohte ich dat für guot entstân,
  dat hê mî dorpelîche bâte
  dat hê mî muoste al umbevân?[17]

vraagt eene vrouw, die--naar de gewoonte in deze minnepoëzie--sprekend
wordt ingevoerd. Voor haar goeden naam moet de minnaar zorg dragen;
daarom mag hij zijne liefste niet in het openbaar noemen; daarom ook
moet hij haar en zich hoeden tegen de booze tongen de ("rueger" en
"nider") [18]. Niet zelden begint een lied--ook dat was conventioneel
geworden, maar conventie waarin waarheid schuilt--met een klein
natuurschetsje of een trek uit het natuurleven; hetzij om
overeenstemming, hetzij om tegenstelling tusschen natuurleven en
gemoedsleven te doen uitkomen. Tegenstelling vindt men al dadelijk in
het eerste lied:

  Ez sint guotiu niuwe mâre,
  daz die vogel offenbâre
  singent dâ man bluomen siet.
  Zuo den zîten in dem jâre
  stuende wol daz man frô wâre:
  leider des enbin ich niet[19].


Overeenstemming treft men aan in verzen als deze:

  Ez tuont die vogele schîn [Zijnoot: toonen.]
  daz si die boume sehent gebluot [Zijnoot: bloeiend.].
  ir sanc machet mir den muot
  sô guot daz ich vrô bin
  noch trûric niht kan sîn[20].

Maar niet zóó vast is VELDEKE in de leer van den vrouwendienst of de
natuur gaat hem soms boven de leer. Het moge dorperlijk zijn naar het
"umbevân" te verlangen, deze minnaar doet wat hij niet laten kan:

  ich bat sie in der kartâten
  daz si mich müese al umbevân[21].

en hij vraagt het niet te vergeefs. Hoe idealistisch ook gezind,
hij verliest den blik op de alledaagsche werkelijkheid daarom niet:

  Swer den vrouwen setzet huote [Zijnoot: bewaking.],
  der tuot daz übele dicke stêt.
  vil manic man der treit die ruote [Zijnoot: draagt de roede.]
  da er sich selben mite slêt[22].

Ook de leukheid niet, die hem doet zeggen:

  geschihet mir als deme swan,
  der singet als er sterben sal,
  sô vliuse [Zijnoot: verlies.] ich ze vil dar an[23].

Zoolang wij deze liederen slechts in eene Hoogduitsche overzetting
kennen, is het natuurlijk niet uit te maken of zij in Limburg bekend
zijn geworden, noch of zij ook in andere deelen dezer landen verbreid
zijn en invloed hebben geoefend op de zich daar ontwikkelende
literatuur. Wij komen op die vraag nog even terug, doch kunnen nu reeds
zeggen, dat wij voor het bestaan van zulk een invloed geen afdoend
bewijs hebben. Ten opzichte der _Eneide_ verkeeren wij in iets gunstiger
omstandigheden. Het is bekend dat MAERLANT in zijne _Historie van
Troyen_, sprekend over de geschiedenis van ENEAS en DIDO, zegt: "Oec ist
gedicht in Duytsche woert"[24]. Het is mogelijk, dat hij hier het oog
heeft op VELDEKE'S gedicht, maar zonder nader bewijs mogen wij dezen
regel natuurlijk niet als beslissend beschouwen.

Voorzoover wij nu kunnen zien, is VELDEKE'S invloed op de ontwikkeling
der Nederlandsche letterkunde gering geweest; in allen gevalle op verre
na niet zoo belangrijk als op die der Hoogduitsche literatuur. Voor tal
van Middelhoogduitsche dichters is VELDEKE'S werk, met name zijne
_Eneide_, een voorbeeld geweest, dat zij bewonderden en navolgden. Zijn
dichterlijk verhaal gaf in Duitschland den stoot tot het ontstaan der
epische minnepoëzie en minstens eene eeuw lang wordt hij door Duitsche
dichters gelezen en geprezen, ook door de grootsten onder hen als
WOLFRAM VON ESCHENBACH, den duister-verhevene en den beminnelijken
GOTTFRIED VON STRASSBURG[25].

VELDEKE'S werk, het werk van een ontwikkeld dichter, die reeds zekere
mate van individualiteit vertoont, behoorde tot de kunstpoëzie dier
dagen. In die poëzie is een Nederlander de Duitschers vóórgegaan. Naast
die kunstpoëzie echter bestond in Duitschland eene nationale verhalende
volkspoëzie. Gedeeltelijk was deze, in den tijd waarvan wij spreken,
reeds onder den invloed gekomen der hoofsche epiek. De beide bekende
heldendichten _Nibelungen_ en _Gudrun_ leveren daarvan het bewijs en
toonen ons van welken aard die invloed is geweest. Een ander deel dezer
volkspoëzie was vrij gebleven van dien invloed van het hoofsche epos.
Die soort van poëzie vinden wij vertegenwoordigd in een aantal
verhalende gedichten, meerendeels In het laatst der 12de eeuw gemaakt en
voor een deel afkomstig uit de Rijnlanden. Men pleegt ze samen te vatten
onder den naam: _speelmanspoëzie_, omdat zij zwervende dichters en
voordragers tot makers hadden. Ook treedt in vele dezer gedichten een
speelman op den voorgrond. De meest bekende zijn: _Orendel, Salman und
Morolf, Hertog Ernst, Sint Oswald_. Alle herinneren door hun inhoud en
hun trant min of meer aan een vroeger gedicht van dezen aard: de
geschiedenis van _Koning Rother_, al beweegt dat verhaal zich in hooger
sfeer dan deze latere werken. In alle leveren de Kruistochten den
historischen achtergrond; in verband daarmede vinden wij hier dan ook
telkens melding gemaakt van schepen en zeereizen. Het verhaal dier
tochten naar verre landen geeft den dichters natuurlijk ruimschoots
gelegenheid hunnen hoorders allerlei vreemds en wonderbaarlijks voor
oogen te brengen; vooral het verhaal van Hertog ERNST is met dat
wonderbare vervuld. Het komisch element openbaart zich op vele plaatsen,
gewoonlijk in ruwe grappen zooals men ze van deze dichters verwachten
kon[26].

Hier staat de Nederlandsche poëzie tegenover de Hoog- en Nederduitsche
in eene andere verhouding dan bij VELDEKE: dáár was het onzerzijds
_geven_, hier _nemen_. Beide boven aangewezen soorten van volkspoëzie
vinden wij te onzent vertegenwoordigd: het volksepos onder den invloed
der hoofsche ridderpoëzie in eene vertaling der _Nibelungen_; de
speelmanspoëzie in het gedicht _van den Bere Wisselau_ en misschien ook
in dat _van Sinte Brandaen_.

In welken tijd hebben de bewoners dezer landen voor het eerst kennis
gemaakt met de Nibelungen-sage? Op die vraag moeten wij het antwoord
schuldig blijven. Dat er geen grond bestaat om den bewoners dezer landen
een aandeel toe te kennen in de _vorming_ van het Oudgermaansch
heldendicht, hebben wij hiervoor uiteengezet. Daarin ligt natuurlijk
niet opgesloten, dat men hier te lande geene kennis van die _elders
ontstane_ heldenpoëzie of heldensage kan hebben gedragen.

Het mag waarschijnlijk heeten dat de, in een bericht der 10de eeuw en in
den _Reinaert_ vermelde, koning HERMENRYC de bekende Gotenkoning der
heldensage is[27]. Ook weten wij dat de abdij van Egmond reeds in de
11de of in het begin der 12de eeuw een exemplaar van het _Walthari-lied_
heeft bezeten[28]. Weliswaar was het slechts een Latijnsche vertaling
waarin dat heldendicht tot ons is gekomen; doch juist dat Latijn zal het
aantrekkelijk hebben gemaakt voor de geestelijken dier dagen en in allen
gevalle mag men de aanwezigheid van dat dichtwerk beschouwen als een
bewijs van belangstelling in de Oudgermaansche heldensage.

Heeft men hier te lande, zij het dan ook slechts in het Zuidoosten,
Nibelungen-liederen gekend, vóórdat het, later uit die liederen
ontstane, epos in het Nederlandsch is vertaald? Die vraag hangt samen
met het vraagstuk van den ouderdom dier vertaling. Volgens de meeste
Duitsche geleerden is het epos, zooals wij het tegenwoordig hebben en
dat het voorbeeld is geweest der Nederlandsche vertaling, niet ouder dan
1205[29]. Nu vinden wij echter dat VELDEKE in zijn _Leven van Sint
Servaes_ spreekt van ATTILA als "Bodelinghes son" [30]; deze vadersnaam
komt ook in de _Nibelungen_ meer dan eens voor. Was VELDEKE nu met dezen
naam bekend geworden door de _Nibelungen_ of kende hij dien van elders?
Dat hij dien naam in Duitschland heeft leeren kennen, evenals de namen
der heldenzwaarden Eggesas, Mimming, Nagelring, waarover hij in de
_Eneïde_ spreekt, is niet waarschijnlijk; immers hij heeft, naar het
schijnt, eerst na het dichten van den _Servaes_ in Duitschland gereisd.

Een andere grond om te vermoeden, dat hier misschien Nibelungen-liederen
in omloop zijn geweest, is dit: nog in de 15de eeuw vinden wij den
melkweg in een Geldersch-Kleefsch woordenboek genoemd: _Ver Broenelden
strait_[31].

Wijst het in zwang komen en blijven van een dergelijken naam niet op
langdurige bekendheid met de Nibelungen-sage? Is het wel aannemelijk dat
een dergelijke naam in zwang zou kunnen komen door den invloed eener
schriftelijke vertaling en moet hier niet veel eer gedacht worden aan
den gestadigen invloed eener mondelinge overlevering?

Wat daarvan zij, vast staat, dat men het Nibelungen-lied in het
Nederlandsch vertaald heeft en, indien de tijdsbepaling der Duitsche
geleerden juist is, dat deze vertaling nà 1205 is vervaardigd[32]. Hoe
lang na 1205? Dat is niet met een jaartal aan te geven. Doch er bestaat
reden om te gelooven, dat onze vertaling in de eerste helft der 13de
eeuw is gemaakt. De populariteit van dit epos zal zich spoedig ook over
de grenzen dezer landen hebben verbreid; het handschrift dat de
fragmenten der Nederlandsche vertaling bevat, schijnt nog tot de 13de
eeuw te behooren; het feit dat MAERLANT in zijn vroegste werk
_Alexander_ den vernederlandschten naam van ATTILA: _Ettel_ gebruikt en
in zijn _Spiegel Historiael_ dien van _Diederic van Berne_, mag doen
vermoeden dat hij deze namen misschien uit de vertaling der _Nibelungen_
heeft leeren kennen.

Van die vertaling zijn ons slechts twee kleine fragmenten over, elk van
72 verzen, die een gedeelte der 16de en een gedeelte der 17de Aventiure
van het oorspronkelijk epos behelzen. Of men het gansche gedicht
vertaald heeft, moet dus onzeker blijven; ook hoe onze voorouders het
genoemd hebben. Dat men van het _Nevelingen-lied_ of van de _Nevelingen_
zal hebben gesproken, is onwaarschijnlijk, omdat dit woord reeds in de
13de eeuw eene gansch andere beteekenis had (_neef_ of _verwant_).

Ook bij deze vertaling hebben wij in de eerste plaats te vragen naar het
karakter der vertaling en de wijze waarop de vertaler zich van zijne
taak heeft gekweten[33].

Gunstig kan het oordeel over zijn werk niet luiden. Zijne verzen zijn
vrij goed en hij heeft wel getracht het episch rhythme van het origineel
weer te geven; doch zijne gebrekkige kennis van het Duitsch belemmerde
hem in zijn werk als een blok aan het been. Waar hij een woord of een
vers niet begreep, liet hij het weg, of--erger--verving het door een
stoplap als: "dat doe ic u verstaen" en "dies was hi wel blide". Aan
zijne gebrekkige taalkennis is waarschijnlijk toe te schrijven, dat,
vooral in het tweede fragment, de gang van het verhaal hier en daar
onduidelijk of verward is. De aanschouwelijkheid van het jachttooneel
heeft bij de overbrenging geleden; voor het krabben en bijten van den
beer dien SIEGFRIED vangt, heeft de vertaler geen oog gehad; geen oog
ook voor SIEGFRIEDS rijke kleeding, voor de fraai bewerkte pijlen en het
goede zwaard BALMUNG. De gevoelige regels uit het oorspronkelijk gedicht
over KRIEMHILDE'S droefheid:

  ir hetet mîn vergezzen, des mag ich wol jehen,
  dâ ich dâ wart gescheiden von mîme lieben man.
  "daz wolde got" sprach Kriemhilt, "waer iz mir selber getân".

zijn weergegeven door het onbeteekenende:

  Nu is mijn welvaren voerwert meer gedaen.

Ook den trek dat KRIEMHILDE niet kan besluiten den geliefden man te
laten begraven, mist men in de Nederlandsche bewerking.

Van den persoon des vertalers is ons niets bekend, evenmin als van de
auteurs van _Wisselau_ en _Brandaen_. Dat is geen toeval, maar in
overeenstemming met het onpersoonlijk karakter der volkspoëzie, in
tegenstelling met de bekendheid van de auteurs der meer individueele
kunstpoëzie. Indien wij echter in aanmerking nemen dat in het laatste
couplet van het tweede fragment de geestelijke tint bij de overzetting
vrij wat sterker is geworden, dan zouden wij geneigd zijn voorloopig een
geestelijke voor den bewerker te houden.

Maar geen geestelijke zal het geweest zijn, die ons het verhaal _van den
Bere Wisselau_ heeft nagelaten. Of zoo al, dan een tot speelman
verloopen geestelijke of klerk, een dier vaganten of goliarden, gelijk
er in de 12de en 13de eeuw zoovele rondzwierven: arme schooiers, tuk op
een goeden maaltijd, en als GARGANTUA in extaze gerakend "au seul son
des pintes et flacons"; verloopen studenten, wier ideaal was

  in taberna mori,
  ubi vina proxima
  morientis ori

wien uit de engelenkoren de smeekbede reeds tegenklonk:

  "Deus sit propitius
  isti potatori".

Want zoo ergens, dan vinden wij hier in onze literatuur de rechte
speelmanspoëzie. Reeds uit den kort samengevatten inhoud van het gedicht
kan dat blijken[34].

Het begin van het fragment brengt ons naar het land van den reuzenkoning
ESPRIAAN. Wij zijn aan het zeestrand. Koning KAREL is juist met zijne
"genooten" op een schip aangekomen. Onder zijn gevolg is een reusachtige
beer, Wisselau genaamd, die zekeren GEERNOUT als zijn meester
gehoorzaamt. Een reus die de wacht aan het strand houdt, wordt door
Wisselau gedood. Nu komt koning ESPRIAAN met zijne reuzen. Op zijne
vraag verneemt hij van GEERNOUT, dat er nog vier zulke beren in het
schip gebonden liggen. Uit vrees noodigt ESPRIAAN koning KAREL en de
zijnen op zijn kasteel. GEERNOUT trekt Wisselau een rok van vier
kwartieren aan, dien hij voor hem had laten snijden ter gelegenheid van
een hoffeest te Aken en volgt met den beer de overigen. Als zij aan
ESPRIAANS burcht komen, loopt de portier op het zien van Wisselau
jammerend van angst weg. GEERNOUT gelast den beer in de "gargoensche
tale" (jargon) die zij beiden alleen verstaan, dat hij naar de keuken
moet loopen, den opperkok bij het haar grijpen en in den soepketel
werpen; daarna met den ketel de zaal binnenkomen, om de reuzen nog meer
schrik aan te jagen. Dat geschiedt. Schenkers en drossaten komen de zaal
binnenvliegen om ESPRIAAN te melden wat met den opperkok BRUGIGAL
gebeurd is. Achter hen aan komt de beer met zijn grotesken last.
ESPRIAAN wil vluchten, maar GEERNOUT trekt hem neer op zijn zetel.
Wisselau gaat den kok verslinden; grimmig kijkt hij rond, zoodat de
reuzen doodsbenauwd op de zaalbalken klimmen. De reuzenkoning smeekt
GEERNOUT om hulp en deze belooft den beer mak te zullen maken. In zijn
gargoensch zegt hij tot hem, dat zij een schijngevecht zullen houden;
Wisselau moet zich daarin laten overwinnen. Nadat de worsteling
geëindigd is, staan de reuzen verbaasd over de kracht van den kleinen
man. GEERNOUT zegt schertsend tot den beer dat er niets meer te eten is;
ESPRIAAN lacht, maar Wisselau wordt boos en schudt zich, zoodat de
kostbare knoopen van zijn rok springen. Daarna werpt hij den rok op het
vuur en gaat er voor zitten om zich te warmen. Daar zat hij als een
jonker! Voor geen duizend mark zou een reus hem gelast hebben op te
staan; zij blijven op veiligen afstand van het vuur en den beer. Een
maaltijd wordt voor de gasten aangericht en men beraadslaagt over het
nachtverblijf. Koning ESPRIAAN zou den beer gaarne kwijt zijn. GEERNOUT
denkt er over hoe hij koning KAREL en zijne gezellen behouden weer uit
het reuzenland zal brengen.--Daar eindigt het fragment.

De kern van dit verhaal kenden wij reeds van elders[35], ESPRIAAN of
ASPRIAAN, zooals hij in de Duitsche sagen wordt genoemd, is een
ontzagwekkende reus, die o.a. ook in het gedicht van koning ROTHER
voorkomt als koning van het verre reuzenland. In eene Noorsche sage
bevindt hij zich onder het gevolg van koning OSANTRIX, die naar de hand
eener Hunsche prinses dingt; hij wordt vergezeld door zijne drie
broeders: WIDOLF "mit der Stange", ATGEIR en AVENTROD. WIDOLF (elders
WIDOLT) wordt door zijne broeders wegens zijne wildheid aan een keten
meegevoerd; want, laat men hem los, dan slaat hij met zijne ijzeren
stang woedend om zich heen.

Een deel dezer sage kan als tegenhanger van het Middelnederlandsch
fragment dienen: WIDGA, THIDRIKS strijdgenoot in een gevecht van den
held van BERN en ATTILA tegen koning OSANTRIX, is door WIDOLFS stang
neergeslagen, door den vluchtenden vijand gebonden en meegevoerd. Hierop
doen WILDIFER, een ander strijder van THIDRIK, en ISUNG, diens
voornaamste speelman, gezamenlijk eene poging om den gevangene door list
te bevrijden. WILDIFER laat zich in eene berenhuid naaien en wordt zoo
door zijn gezel bij den halsband geleid. In 's konings hof aangekomen,
slaat ISUNG meesterlijk de harp en op die tonen dartelt en huppelt zijn
beer, dien hij _Vizleo_ (Witte leeuw) noemt, tot verbazing van allen.
OSANTRIX wil nu ook den moed van het dier op de proef stellen; op eene
schoone vlakte worden, in tegenwoordigheid eener groote menigte, zestig
groote jachthonden op Vizleo losgelaten. De koning is ook aanwezig,
vergezeld door zijne dienstmannen, onder welke zich de geboeide WIDOLF
bevindt, geleid door zijn reusachtigen broeder ABENTROD. De beer grijpt
den grootsten brak en slaat daarmede twaalf der beste honden dood.
Toornig gaat de koning met ontbloot zwaard op den beer los en brengt hem
een houw in den rug toe; het zwaard doorklieft de berenhuid maar stuit
af op de "bronie" (maliënkolder) daaronder. Als OSANTRIX dan naar de
zijnen wil terugkeeren, rukt WILDIFER zijn zwaard uit de handen van den
speelman, loopt den koning na en houwt hem het hoofd af. Ook tegen de
reuzen ABENTROD en WIDOLF keert hij zich en verslaat hen. WIDGA wordt
bevrijd en keert terug tot THIDRIK.

In hoever nu in de Noorsche sagen, onder de gedaante van den beer, Thor
schuilt en het berengevecht eigenlijk een strijd van zomer en winter
moet voorstellen, is voor ons van minder gewicht. Duidelijk blijkt
echter uit het voorgaande de samenhang van het Nederlandsch gedicht met
andere, ook tot poëzie verwerkte, Germaansche sagen. Deze en dergelijke
verhalen moet de dichter van den _Wisselau_ gekend hebben; daar heeft
hij blijkbaar de elementen gevonden, die door hem in eigen trant zijn
bewerkt en vereenigd. Het gedicht van koning ROTHER was in de Rijnlanden
ontstaan en de herinnering aan den geketenden beer leefde daar ook in
liederen als dat "von dem übelen wîbe" voort. Naar de oostelijke grenzen
wijst ons dan ook niet alleen de taal van het gedicht, maar evenzeer de
vorm van den naam _Wisselau_, die in het Nederlandsch _Wittelau_. zou
moeten luiden[36]. In het oosten of zuidoosten des lands zal dit
speelmansgedicht zijn ontstaan, waarschijnlijk kort na den tijd, waaruit
ook de Duitsche speelmansgedichten dagteekenen--, nl. het laatst der
12de of den aanvang der 13de eeuw. MAERLANT kende ons gedicht reeds,
want in zijn _Spieghel Historiael_ laat hij er zich afkeurend over uit.
Tot tweemaal toe verwijt hij den dichters van beroep dat zij in hunne
poëzie KAREL DEN GROOTE beliegen en onder andere gedichten van dien aard
vermeldt hij ook "van bere Wisslau die saghe" en

  Van bere Wisslau die snodelhede [Zijnoot: onwaardige, armzalige dingen.]
  ende meneghe favele groet ende cleine[37].

MAERLANT'S ergernis zal vermoedelijk vooral hebben gegolden,
dat men een vorst als KAREL DEN GROOTE in zulk gezelschap
bracht. Maar ook GEERNOUT met zijn beer kunnen hem niet
behaagd hebben. In GEERNOUT toch hebben wij blijkbaar een
dier zwervende speellieden voor ons, die er altijd zijn geweest
en er nog zijn: beurtelings kunstenmaker, goochelaar, muzikant,
dichter of ten minste zanger en voordrager, die niet zelden
met gedresseerde dieren rondreisden. Een van het soort waartoe
ook de "Sarrasijn" behoorde, "die voor mijn here speelde met
eenen bere", van wien eene grafelijkheids-rekening der 14de eeuw
gewag maakt[38].

Boven zulk volkje voelde een eerzaam klerk en gezeten burger als
MAERLANT zich ver verheven.

De speellieden waren er vooral op uit, hun publiek te doen lachen;
gedurig hooren wij in dit gedicht dan ook van _lachen_ en _scop_
(scherts) spreken. Die grappen waren niet van het fijnste soort; dat kan
men verwachten: een beer, potsierlijk uitgedost in zijn rok met
kwartieren als in een ridders wapenrok; een kok, gekookt in zijn eigen
soepketel; een angstige portier, roepend, schreeuwend: "o wi, o wach!";
schenkers en drossaten die, hals over kop, een zaal komen
binnenvluchten, zoodat hunne armen, beenen en hoofden het zwaar te
verantwoorden hebben; de vraatzucht van een beer die zich zoo dik
gegeten heeft, dat de knoopen hem van den rok springen als hij zich
schudt; angstige reuzen op zaalbalken hunne toevlucht zoekend; een
reuzenkoning, met schuine blikken naar zijn vreeselijken gast
loerend--alles gruwzaam of grof, doch niet zonder zekere ruw-komische
kracht en wel geschikt om de ruige lippen van ruwe poorters en boeren te
plooien tot een breeden lach.

Een meester in de kunst was deze speelman evenmin als de meeste zijner
gildebroeders; hij bekommert zich weinig om de overgangen in zijn
verhaal, dat in reeksen van kort afgebroken volzinnen als met vlugge
schokjes voortspoedt met veronachtzaming zoowel van de maat der verzen
als van de zuiverheid der rijmen. Waartoe zou het hem ook gediend
hebben, zorg te besteden aan rijm en maat? Zijn publiek was er
onverschillig voor; dat publiek wilde aangenaam bezig gehouden, geboeid
worden; hoe meer nieuws en wonderbaars hoe beter; op dit publiek, tot
hetwelk de dichter zich meer dan eens richt, was alles berekend. Geen
wonder voor wie in het oog houdt, dat deze dichters van hunne kunst
leven moesten.

Tot datzelfde publiek moet in ongeveer dienzelfden tijd ook het gedicht
_van Sente Brandane_ zich gericht hebben. Deze BRANDAEN was abt van een
Iersch klooster. Eens zat hij te lezen in een boek dat allerlei verhalen
van wonderen bevatte. Hij werd boos over zoo ongeloofelijke dingen en
wierp het boek op het vuur. Een engel kondigt hem nu aan, dat hij tot
straf voor zijn ongeloof met een aantal zijner monniken moet scheep gaan
en negen jaren lang rondzwalken. Op hunne tochten zien zij zooveel
wonderbaarlijks, dat den abt alle twijfelzucht vergaat. Nu mag hij naar
zijn klooster terugkeeren en sterft kort daarna.

De kern van dit verhaal is reeds in de 10de eeuw te vinden in een
Latijnsche legende: _Peregrinatio Sancti Brandani Abbatis_ en werd later
in verscheidene Europeesche talen, zoowel in proza als in poëzie,
bewerkt. Waarschijnlijk is deze stof tusschen 1173-1180 aan den
Neder-Rijn in een rijmwerk behandeld en misschien niet lang daarna in
het Nederlandsch vertaald[39].

Dat wij hier het werk van een speelman voor ons hebben, kan niet
betwijfeld worden door iemand, die ook maar eenigszins op de hoogte is
van deze soort poëzie. Evenals in den _Oswald_ en den _Orendel_ hebben
wij hier eene half-ascetischen half ridderlijken zeetocht (de _Brandaen_
spreekt van "recken"); vooral in het gedicht van _Hertog Ernst_ vinden
wij tal van wonderbaarlijke zaken en personen die ook hier voorkomen:
zoo b.v. de leverzee en den magneetberg; de schitterende karbonkels; het
prachtig paleis, met de in den muur gegraveerde dieren; de menschen, met
zwijnskoppen en kranenhalzen, in zijden gewaden, gewapend met bogen; de
vermelding der Pygmeeën. Een kluizenaar die op een eenzame rots woont,
vindt men weer in het verhaal van _Sint Oswald_.

Dat ook in den _Brandaen_ drossaten en schenkers voorkomen, die
veroordeeld zijn om na hun dood dorst te lijden, zoodat ze in honderd
jaren geen droppel water binnen krijgen, is een der vaste trekken van de
speelmanspoëzie[40]. Het was een onschuldige wraakneming der speellieden
op degenen die hen onder hunne voordracht niet voldoende van nat en
droog hadden voorzien.

Echter heeft de Nederlandsche bewerking ook elementen, welke men niet
vindt in een der drie Duitsche bewerkingen die voortgekomen zijn uit het
oorspronkelijk Nederrijnsch gedicht. Ik heb hier het oog vooral op de
merkwaardige ontmoeting van Brandaen met een sprekend reuzenhoofd dat
door den vloed op het strand geworpen is. Een dergelijk verhaal vindt
men ook in de legenden van S. MALO en S. MACARIUS. In de eerste legende
is sprake niet van het hoofd doch van het gansche lichaam van een
gestorven heidenschen reus; in de tweede van een reuzenhoofd. Beide
reuzen laten zich doopen. In dat laatste opzicht nu geeft de
Nederlandsche bewerking ons iets eigenaardigs. Brandaen stelt aan het
reuzenhoofd voor, zich te laten doopen. Maar de doode weigert, omdat hij
vreest zijn toestand te zullen verergeren: liet hij zich doopen en
zondigde hij dan opnieuw, dan zou hij, als Christen, veel strenger
gestraft worden. En dus, zoo besluit hij:

    willic weder varen
  Te mijnre aermer scaren
  In die deemsternesse [Zijnoot: duisternis.] [41].

Mij zou het niet verwonderen, indien de Nederlandsche bewerker, bij deze
vermoedelijk van hem afkomstige passage, aan den Frieschen koning
RADBOUD gedacht heeft, die door den apostel WULFRAN gedoopt zou worden.
Immers, als deze heiden verneemt dat zijne koninklijke voorzaten de
plaats der helsche verdoemenis bewonen, trekt hij den voet uit de
doopvont terug en wil liever met zijne voorouders in de hel dan met de
Christenen in den hemel verblijven[42]. Opmerkelijk mag ten slotte
heeten, dat wij in de Nederlandsche bewerking op een paar plaatsen een
komisch element aantreffen, waar dat in de drie ons overgebleven
Duitsche bewerkingen ontbreekt. Ook dat getuigt dat wij hier het werk
van een speelman voor ons hebben[43].

Lang niet alles in het wezen en de herkomst van dit gedicht is ons
duidelijk; wij moeten vele vraagteekens laten staan en zouden er nieuwe
kunnen bijvoegen. Doch er schijnt mij voldoende grond aanwezig om aan te
nemen, dat het uit het Duitsch vertaald is en met de vertaling der
_Nibelungen_ en het gedicht _Van den Bere Wisselau_ dagteekent uit het
laatst der 12de of den aanvang der 13de eeuw. Ook de twee laatstgenoemde
werken alleen zouden reeds kunnen volstaan om ons in de literatuur van
dien tijd zoowel den samenhang met als de losmaking van het overig
Duitschland te toonen.

Dat er samenhang was, behoeft niet te worden aangetoond. Wel dient de
aandacht te worden gevestigd op het gewicht van feiten als de vertaling
van _Nibelungen_ en _Brandaen_, als de bewerking van _den Bere
Wisselau_. Want uit dat overbrengen van de eene taal in de andere
blijkt, dat de bewoners dezer landen zich een ander volk voelden dan de
overige Duitschers; het gedicht _van den Bere Wisselau_, zelfstandige
bewerking van Duitsche gegevens, toont ons dat gevoel in nog hooger
mate.

Staatkundig bleef een deel dezer volken nog lang afhankelijk van
Duitschland; in cultuur en kunst, ook in de literaire kunst, zouden zij
steeds meer hunne eigen wegen gaan. Zij zouden dat vooral doen, nadat
Brabant en Vlaanderen op den voorgrond waren getreden en Limburg op den
achtergrond was geraakt. Meer en meer zullen Brabant en vooral
Vlaanderen de leiding der literaire beweging krijgen. Wanneer zij
daarmede begonnen zijn, is moeilijk te zeggen. Is de vertaling der
_Nibelungen_ misschien uit Brabant afkomstig? Zijn de beide redacties
van den _Brandaen_ in het oosten des lands of elders gemaakt?
Dagteekenen de bewerkingen der Fransche ridderromans, welke MAERLANT in
één adem noemt met de "sage van den bere Wisslau", uit denzelfden tijd
als de _Wisselau_?

Tot het geven van afdoende antwoorden op die vragen zijn wij vooralsnog
niet in staat. Slechts op de laatste vraag mag men misschien: "ja"
antwoorden of: "het is waarschijnlijk."

Zeker is: dat de bewoners dezer landen zich van de overige Duitschers
moesten losmaken, vóórdat er sprake kon zijn van hunne ontwikkeling tot
een zelfstandig volk en ook: dat de hier aanwezige kiemen van
nationaliteit beter bodem vonden in het verder van Duitschland af, en
aan zee gelegen, Vlaanderen, dan in het grensland Limburg.

In Vlaanderen, Brabant en Limburg zien wij gedurende de 13de eeuw, op
welker drempel wij nu staan, eene half-internationale, half-nationale
kunst groeien en bloeien.

Uit welken bodem zij opschoot, onder welke omstandigheden zij zich
ontwikkelde, zullen wij nu trachten te verhalen.



AANTEEKENINGEN.

[1] Vgl. voor dit overzicht der Kruistochten vooral MOLL'S _Kerkgesch._,
II, 1, bl. 7 volgg.

[2] Vgl. MAERLANT'S _Spiegh. Historiael_ (edd. DE VRIES en VERWIJS),
III, bl. 366.

[3] MOLL, t.a.p.

[4] Zie I, 1116. Zie ook I, 682-3: "In ebreuschen, in dietschen || In
walschen ende in vriesschen". Vgl. ook _Roman van Torec_, vs. 2556:
"Joncfrouwe, sprecti diets oft walsc?" In den _Rinclus_, vs. 602
_walsch_ en _vriesch_ tegenover elkander gesteld.

[5] Vgl. _Hist. de la langue et de la Littérature française...._ sous la
direction de L. PETIT DE JULEVILLE I, 49 suivv. (o.a. 92, 100-101), 171
en L. SUDRE, _Les sources du Roman de Renart_, p. 341.

[6] Vgl. SCHERER, _Gesch. der D. Lit._, S. 143-4; PIPER,
_Spielmannsdichtung_, II, 299; _Grundriss der German. Phil._, II, 1,
258. Uitgegeven door STEINMEYER in _Z.f.d.A._, 21, Bd. S. 307 flgg.
STEINMEYER gelooft dat de afschrijver aan de taal een Hoogduitsche tint
gegeven heeft.

De bewerker schijnt eene Fransche redactie te hebben gevolgd, waaruit
no. 1 en no. 2 der door ED. DU MÉRIL uitgegevene redactie's zijn
voortgevloeid. De fragmenten komen overeen met ASSENEDE'S bewerking, vs.
2315-3945 en tellen samen 368 verzen; daartusschen zijn echter op vele
plaatsen verzen weggevallen. STEINMEYER'S raming van het geheel (c. 3700
verzen) schijnt mij te hoog: ASSENEDE'S bewerking die veel uitvoeriger
is, telt er slechts 3980.

[7] Dat hij zich "ongheleert ende ongherecht" noemt (I, 186) zal wel
eene uiting van nederigheid zijn. Immers onmiddellijk daarvoor stelt hij
zich zelven tegenover de "ongheleerde luden". Vgl. bovendien het Latijn
in den proloog en eene plaats als II, 944-946.

[8] Zie al het wetenswaardige omtrent VELDEKE samengevat in de Inleiding
tot BEHAGHEL'S _Eneide_. Over VELDEKE'S taal nog te vergelijken wat Prof
J.H. KERN mededeelt in _Museum_ 1900, bl. 213-218. Overigens nog
BORMANS' Inleiding op _Sint Servatius Legende_.

[9] VELDEKE'S bewerking stemt het meest overeen met het leven van S.
SERVAES, dat men vindt in de _Gesta pontificum Tungrensium Trajectensium
et Leodiensium_ in de 10e eeuw samengesteld door den abt HARIGER. Vgl.
over een fragment van een hs. van het eind der 12e eeuw: _Z.f.d.A._, Bd.
27, 146-157. Over een Duitsch leven van S. SERVAES uit ongeveer
denzelfden tijd als VELDEKE'S werk: _Z.f.d.A._, 1845, V, 75 flgg.

[10] Deze Latijnsche passage komt niet voor in HARIGER'S _Gesta_, wel in
de toevoegsels tot dat werk van zekeren AEGIDIUS, een Cistercienser
monnik uit het Klooster van S. Maria aureae vallis. Daar AEGIDIUS echter
omstreeks het midden der 13e eeuw schreef, moet de door VELDEKE
gebruikte _Vite_ ook door HARIGER en AEGIDIUS gebruikt zijn. (Zie
CHAPEAUVILLE'S uitgave van HARIGER en AEGIDIUS). Zoo vinden wij ook de
vergelijking uit I, 271 terug in het oorspronkelijke: ejusmodi nempe
multas tunc temporis provisio divina pro necessitate accenderat faces
etc.

[11] Vgl. I, 1626; II, 674, 1789, 1931.

[12] Vgl. den proloog van Boek I.

[13] Vroeger hield men BENOÎT DE STE. MORE voor den maker. Zie PETIT DE
JULEVILLE a.w. I, 220, en SALVERDA DE GRAVE, _Introduction à une édition
critique du Roman d'Eneas_ ('s-Gravenhage, 1888).

[14] Vgl. BEHAGHEL'S _Einleitung_, CL-CLVI.

[15] Vs. 2708-2741; in het Fransche gedicht vs. 3456-3460.

[16] _Minnesangs Frühling_, p. 62.

Dat VELDEKE'S liederen oorspronkelijk door hem in zijne moedertaal
gedicht zijn, blijkt ook daaruit, dat men ze--in tegenstelling met de
werken der overige Minnesinger--gemakkelijk in gewoon Middelnederlandsch
(daarom nog geen Limburgsch) kan overzetten. Hier b.v.:

van minne comet ons alle goet: die minne maket reinen moet. Wat soude ic
ane minne dan?

[17] Ik kan niet beslissen of het eerste vers gebruikelijk
Middelhoogduitsch is. Misschien heeft eene verwarring met _entfaen_
(ontvangen) plaats gehad en zal men de drie verzen op deze wijze mogen
weergeven:

hoe mochte ic dat voor goet ontfaen, dat hi mi dorperlike bade dat hi mi
moeste ombevaen?


[18] Vgl. M.F., p. 61, 25; 56, 18; 57, 30-32; 60, 32; 61, 10; 58, 17-19.

[19] M.F. 56, 1-6.

Het sijn goede nieuwe maren dat die vogel openbare singen daer men
bloemen siet. tot dien tiden in den jare stonde wel dat men vro ware:
lacen, des en ben ic niet.


[20] M.F. 64, 17-21.

Die vogelen doen ane schijn dat si die bome sien gebloet. haer sanc
maket mi den moet so goet dat ic vro bin ende trurich niet can sijn.


Vgl. voorts nog: M.F. 57, 10-18; 58, 23 vlgg.; 59, 11; 62, 25; 66, 1.

[21] M.F. 57, 5-6.

ic bat hare in der caritaten dat si mi moeste al ombevaen.


Vgl. voorts: 59, 32; 60, 1.

[22] M.F. 65, 21-24.

So wie den vrouwen settet hoede, die doet dat dicke evel staet. wel
menich man draget die roede daer hi sich selven mede slaet.


Vgl. voorts: 65, 11-12; 67, 1-2; 62, 11-22.

[23] M.F. 66, 13-15.

geschiedet [Zijnoot: Misschien in het oorspronkelijk Limburgsch:
_gescege_?]" mi alse den swane die singet alse hi sterven sal, so
verliese ic te vele daer ane.


[24] Vgl. o.a. Episodes uit MAERLANT'S _Historie van Troyen_ door Dr. J.
VERDAM, p. 27-28.

[25] Vgl. BEHAGHEL'S _Einleitung_, S. CLXXXVI flgg.

[26] Uitvoerige mededeelingen over en uiteenzetting dezer poëzie in
PIPER'S _Spielmannspoesie_. Vgl. voorts: _Grundriss_, II, 1, 305 vlgg.

[27] Vgl. _Reinaert_ (ed. MARTIN), GLOSSAR j.v. _Ermenrijc_ en W.
MÜLLER, _Mythologie der deutschen Heldensage_, S. 178.

[28] Vgl. KLEYN'S Catalogus in _Archief voor Ned. Kerkgesch._, II, 147.

[29] Over die tijdsbepaling _Grundriss_, II, 1, p. 310 vlgg. ZARNCKE
houdt het er voor dat B. "um die Mitte des 13. Jahrh." is ontstaan.
(_Das Nibelungen-Lied, Einl._, S. XIV).

[30] Boek II, 115.

[31] _Teuthonista_ (ed. VERDAM), p. 486: "die witte wech des nachtes an
der lucht, den men noempt sent Jacobs wech of ver broenelden strait,
_galaxia_."

[32] Over de redactie die waarschijnlijk tot voorbeeld heeft gestrekt
aan de Nederlandsche bewerking vgl. mijne _Middelned. Epische
Fragmenten_, p. 1-3 en het artikel van Dr. FRANTZEN in _De Gids_, 1889,
I, 29-79.

[33] In mijne uitgave der fragmenten heb ik daaromtrent het een en ander
medegedeeld; Dr. FRANTZEN voegde daaraan vrij wat toe in zijn
voortreffelijk _Gids_-artikel. Sedert heb ik de fragmenten nog eens met
het origineel vergeleken in de uitgave van BARTSCH: _Der Nibelunge Nôt._
(Leipzig. BROCKHAUS, 1870-1880) waarin men ook de varianten der hss.
vindt.

[34] Vgl. _Middelned. Ep. Fragmenten_, bl. 9-32; het genoemde stuk van
Dr. FRANTZEN in _De Gids_ en de uitgave van E. MARTIN in _Quellen und
Forschungen_, 65. Heft.

[35] Vgl. _Mnl. Ep. Fragmenten_, bl. 10.

[36] Volgens de juiste opmerking van Dr. FRANTZEN, t.a.p.

[37] _Sp. Hist._, IIIe Deel, bl. 170, 204.

[38] Vgl. _Rekeningen der Grafelijkheid van Holland onder het
Henegouwsche huis_, III, p. 96.

[39] Bij de door Dr. TE WINKEL genoemde literatuur moet gevoegd worden:
1o. de uitgave van het gedicht door Dr. E. BONEBAKKER. (Amsterdam.
Gebroeders BINGER. 1894); 2o. Dr. J. BERGSMA, _Bijdrage tot de
Wordingsgeschiedenis en de critiek der Mnl. Brandaenteksten_; 3o. _Van
Sente Brandane_ in _Tijdschr. v. Ned. T. en L._, VII, 85 vlgg.; 4o.
_Romanische Studiën...._ von ED. BOEHMER, I, 553 flgg. Over de
tijdsbepaling van het Mnd. gedicht te verg. het a.w. van P. PIPER, I,
116. De Middelnederlandsche bewerking is tot ons gekomen in twee
redacties, die van het Hulthemsche en die van het Comburgsche hs. Ook ik
houd de eerste voor de oudste; o.a. omdat het aantal assoneerende rijmen
en het aantal der verzen met slechts drie of twee heffingen er grooter
is dan in het Comburgsche hs.

De beide bewerkingen schijnen, onafhankelijk van elkander, naar
hetzelfde Mnd. voorbeeld gemaakt te zijn.

[40] Vgl. _Van Sente Brandane_ (ed. BONEBAKKER), p. 10.

[41] Vs. 249-251.

[42] Het hier en elders in den _Brandaen_ voorkomende _aerme scaren_
(zie BONEBAKKER'S _Aant._, p. 8) met DE VRIES, VERWIJS, VERDAM e.a. te
veranderen in een door DE VRIES gemaakt Mnl. woord _harmschare_ (straf,
kwelling), dat nergens in de Duitsche redacties voorkomt, schijnt mij
niet alleen onnoodig maar zelfs verkeerd. Het Comb. Hs. dat spreekt van
"keitivegher scaren" had DE VRIES kunnen waarschuwen. De uitdrukking is
op de bewuste plaatsen volkomen goed te verdedigen. MAERLANT spreekt van
"blide scare" voor hemelbewoners; (zie _Stroph. Ged._ edd. FRANCK en
VERDAM, p. 135). Doch wij hebben hier een der niet zeldzame gevallen
waarin de oudere philologie, tegen de overlevering in, en met verwerping
van het voor de hand liggende als te eenvoudig, zich vermeide in de
spelingen van haar critisch vernuft.

[43] Ed. BONEBAKKER, C. 1008, H. 953; C. 1075-1081, H. 1022-1028.



BOEK I.

STANDENPOËZIE.



INLEIDING.

Gedurende de gansche 13de eeuw is er in deze landen en volken nog weinig
eenheid te bespeuren; integendeel, wij zien eene veelheid van
onderscheidene eenheden: kleine staten en staatjes die voortdurend naar
volkomener onafhankelijkheid streven. Holland was reeds vroeg
zelfstandig geworden, had zich nagenoeg van het Duitsche rijk
afgescheiden, was er steeds op uit alle bemoeiingen van Keizers of
andere rijksvorsten met zijne binnenlandsche aangelegenheden af te
weren. De overige landen gaan met meer of minder goed gevolg denzelfden
weg. Vlaanderen heeft het misschien het zwaarst in zijn strijd om
onafhankelijkheid van Frankrijk te verwerven.

Onderwijl zijn de Nederlanders bezig hun land te verdedigen tegen het
water, woeste streken te ontginnen, te herscheppen in bouwland en
weiland. Het water geeft geen kamp: de Marcellus-vloed van 1218 wordt
meer dan eens door hevige overstroomingen gevolgd; doch de waterschappen
ontstaan, polderland komt te voorschijn, allerwege beginnen windmolens
te draaien.

Veelheid van eenheden zien wij ook in het volk dat deze landen bewoont.
Tegenover het geestelijk element stond het wereldlijke. God--zegt DIRC
POTTER in zijn _Minnen Loop_--heeft der wereld rijk in tweeën gedeeld:
de eene helft moet zich bezig houden met het tijdelijke; de andere moet
opwaarts schouwen en van daar nederbrengen wat zij ons, de eerste helft,
moeten leeren[1]. Het wereldlijk element werd weer gescheiden in heeren
en gemeente. Ridderschap, geestelijkheid en de gemeenten waartoe men ook
de landbouwers kan rekenen, vormden de drie groote bestanddeelen der
bevolking van al deze gewesten. Een dichter der 14de eeuw, WILLEM VAN
HILLEGAERTSBERCH, spreekt dan ook "van der drierehande staet der werelt"
en bedoelt daarmede: ridders, geestelijken en huislieden[2].

Niet meer, als in de 11de eeuw, waren de Zuidnederlandsche ridders op
het land wonende grondbezitters, die in vredestijd hunne goederen
bestuurden en zelf wel eens de hand aan den ploeg sloegen; die,
eenvoudig gekleed en gewapend, op zijn best een wachttoren op een heuvel
bewoonden, omgeven door een muur van ruwe steenen.

In het laatst der 12de eeuw reeds prijst de Duitsche dichter HARTMANN
VON AUE de ridders van Henegouwen, Brabant en de Haspengouw, als hij
voortreffelijke ridders wil noemen. De graven van Henegouwen en van
Leuven komen soms met honderden prachtig uitgedoste ridders ten
tournooi. In Holland zijn de BREDERODE'S, WASSENAERS, TEILINGENS,
EGMONDEN, ARKELS en zoovele anderen reeds aanzienlijke geslachten. JAN
VAN BRABANT, FLORIS en WILLEM VAN HOLLAND sterven op een tournooi of aan
de gevolgen van daar ontvangen wonden. Terwijl een aantal Vlaamsche
ridders zich bij Hesdin met het ridderlijk spel der "tafelronde"
vermaken, hechten zij zich het kruis op borst of schouder.

Naast doch vaker tegenover de ridders staan de geestelijken. Naast hen,
want ook in deze landen vond men prelaten als die bisschop van Beauvais
die in den slag bij Bouvines de vijanden met een ijzeren knots
neersloeg--omdat de Kerk geen bloed mag vergieten. Doch vaker tegenover
hen, in de werken des vredes. Overal worden kloosters gesticht voor
monniken en nonnen; kloosters van Benedictijnen, Cisterciensers,
Praemonstratensers. Door de instelling der bedelorden komt het
monnikwezen in een nieuw stadium van ontwikkeling. Vooral de orde der
Franciscanen breidt zich meer en meer uit. De bagijnen beginnen hare
hoven te stichten. Voorname abdijen als die van Egmond, Rijnsburg,
Leeuwenhorst verrijzen. In Groningen, in Friesland, Gelderland, ook in
Limburg en Brabant vindt men kluizenaars die voor langer of korter tijd
een eenzaam leven leiden.

Het overig, verreweg grootste, deel der bevolking woonde als visschers
langs de zeekust (MELIS STOKE kent Zandvoort reeds)[3], als landbouwers
en veeboeren ten platten lande, alleen of in dorpen en gehuchten, of
eindelijk als kooplieden, neringdoenden, ambachtslieden in de steden die
in aantal en omvang toenamen. Sommige steden dagteekenden nog uit den
tijd der Romeinen, andere waren opgekomen als middelpunten van
marktverkeer, hadden zich langzamerhand gevormd om een kasteel of
klooster of waren ontstaan uit de vereeniging van eenige landgemeenten.
Allengs verkrijgen zij het recht zich te beschermen met "eiken tune
(planken muren) ende diepe grachte", een stedelijke hal, een steenen
gevangenis (_steen_) te bouwen; andere vrijheden en voorrechten zullen
volgen. In groote steden als Gent en Brugge vinden wij reeds melding
gemaakt van plaveisel en steenen woonhuizen (verreweg de meeste waren
van hout en met riet gedekt).

De maatschappelijke toestand der boeren was gedurende de middeleeuwen
minder droevig dan men langen tijd heeft gemeend. Ook was de verhouding
tusschen heer en lijfeigenen niet louter die van een meester tegenover
zijne dienstknechten en belastingplichtigen; zij omvatte integendeel het
gansche leven in zijne meest verschillende uitingen en had niet zelden
iets patriarchaals. Bovendien worden gedurende de gansche 13de eeuw
eigenhoorigen verheven tot den vrijen dienstmansstand; aan het eind dier
eeuw is de groote meerderheid der bevolking vrij geworden.

Er wordt--het spreekt vanzelf in dien tijd--ter dege onderscheid gemaakt
tusschen ridders en dorpers; zoo wordt bijvoorbeeld een dorper die een
ridder slaat of scheldt, zwaarder gestraft dan wanneer hij een anderen
dorper te na gekomen is, en het schaken van een meisje uit den
aanzienlijken stand zwaarder dan van een arm meisje[4]. Toch was de adel
niet een _heerschende_ stand; wel had hij een eere-voorrang. Ook waren
ridders en poorters niet zoo scherp gescheiden of er hadden wel
huwelijken tusschen deze beide standen plaats. En eindelijk: de vroeger
zoo talrijke klasse van ridders nam gedurende deze eeuw af in aantal als
in aanzien. Verarmd door oorlog, tournooien en den ganschen nasleep van
het ridderlijk leven, moesten zij bij honderden in den dienst der
vorsten treden, den vorst hunne allodiën opdragen en voortaan leven als
zijne leenmannen of zijne baljuwen. Ook de kloosters daalden in
maatschappelijke en economische beteekenis. De geestelijkheid moest,
tenminste in Gelderland, een deel harer bezittingen aan den graaf
overdragen.

Maar stadig rees de ster der gemeenten[5].

In het wereldlijk bestanddeel der bevolking, bij heeren en gemeenten,
kunnen wij ook weer een veelheid van samengestelde eenheden opmerken: de
onderscheidene "sibben", maagschappen of geslachten. De band tusschen
bloedverwanten was toentertijd zooveel sterker dan nu, daar de mensch
alleen zich in de maatschappij meer weerloos en onbeschermd gevoelde.
Iemand was niet in de eerste plaats een persoon, maar lid zijner
"sibbe"[6]. De maagschap staat op den voorgrond, niet de enkeling.

Het familie-verband werd bij de Germanen voorgesteld door vergelijking
met het menschelijk lichaam. Zoo worden volgens den Saksenspiegel de
ouders voorgesteld door het hoofd; de kinderen door de geleding tusschen
hoofd en hals en zoo voort, totdat eindelijk de zevende "sibbe" in de
nagels der handen geplaatst, en vandaar "nagelmagen" genoemd werd. De
maagschap bracht verscheidene rechten en plichten met zich. Zoo b.v. het
recht en den plicht tot het opnemen der veete van een verslagen
bloedverwant. Nog in het midden der 13de eeuw heerschte in Friesland de
barbaarsche gewoonte om een verslagene niet te begraven, vóórdat zijne
naastbestaanden op den doodslager of diens betrekkingen bloedwraak
hadden genomen. Vervolgens het recht en den plicht om weergeld te
eischen en te betalen. In Kennemerland en West-Friesland was het nog in
de 14de eeuw gewoonte, dat bij doodslag de schuldige en zes zijner
naaste magen (in Drenthe "keurmagen" genoemd) ieder een zevende van het
weergeld (man-geld) of zoengeld betaalden. De magen staan elkander bij
voor het gerecht als in het gevecht. Zij deelen in de schande die over
een hunner komt.

Als de edelen graaf FLORIS omsingeld hebben, ontneemt AERNT VAN BENSCOP
hem zijn jachtvogel en zegt:

  Ic moet nu op desen tijt
  Uwen sconen sperwaer draghen,
  _U te lachtre [Zijnoot: schande.] ende uwen maghen_.

Wanneer de oude MAERLANT zijne mede-christenen wil
opwekken tot strijd voor de kerk die in last is, zegt hij:

  _Eest dat ghi sijt van haren maghen_,
  So moetti nuwe wapene draghen,
  Keren ende wreken dese overdaet.

En niet duidelijker voorstelling weet een middeleeuwsch ridder koning
ARTHUR te geven van een fellen zwaardslag, dan door als gevolg van dien
slag te noemen: "ic vergat al mire mage"[7].

Deze neiging tot het stellen van de maagschap boven den enkeling, het
samengestelde boven het enkele, het vormen van complexe eenheden, zien
wij in deze eeuwen ook elders.

Menige abdij, menig klooster, met zijn boomgaard, moestuin, vischwater,
met molen, bak- en brouwhuis, is als een kleine wereld op zich zelve.
Een ridderkasteel omvat binnen zijne muren en grachten tal van
afzonderlijke gebouwen. In menig gezin, vooral ten platten lande, at men
eigengebakken brood (_huisbakken_ kreeg eerst later zijne ongunstige
beteekenis); droeg men eigengeweven linnen; zelf slachtte men in
Reuzelmaand een varken, droeg zorg voor het rooken der zijden spek en
der hammen. De wetenschap omvat alle wetenschappen: geleerden als ROGER
BACO, ALBERTUS MAGNUS, VINCENT VAN BEAUVAIS, JACOB VAN MAERLANT weten
alles wat er in dien tijd te weten valt.

Wat wonder dat wij dezen geest der tijden terugvinden in die meest
geestelijke uiting van het leven: de taal? Dat ook daar de synthese het
wint van de analyse, zooals blijkt uit de neiging tot het vormen van
groote zin-complexen bij menigen middeleeuwschen schrijver? Zulk een
zin-complex is b.v. dit volgende uit den proloog van den _Brandaen_:

  Die Heleghe Gheest moet mi leeren,
  --Die welke der ezelinnen
  Wijlen dede sprekens beghinnen,
  Daer up dat reet Balaam,
  Dat was een heydin man,
  Dat so [Zijnoot: zij.] meinschelike sprac,
  Daer sij den inghel Gods sach
  Commen in haer ghemoet:
  Den wech hi haer wederstoet [Zijnoot: versperde.]
  Met eenen zwerde vierijn [Zijnoot: van vuur.];
  Si vloo van den inghel fijn
  Ende dede haeren heere cont--
  Dese moete ontsluten minen mont:
  Die ghene die haer gaf de macht,
  Dat si wert redene acht [Zijnoot: met spraak begaafd.] [8].

Is de taal hier beeld van het innerlijk leven, inzonderheid het
gedachtenleven der menschen van toen, en valt hier een zwak schemerlicht
op de onnaspeurbare gangen der menschelijke gedachte--ook andere deelen
van dat innerlijk leven zijn ons in het afdruksel der taal bewaard
gebleven: de sterk ontwikkelde zinnelijkheid van het middeleeuwsch
geslacht en zijn gebrek aan zelfbeheersching.

Om begrippen van ruimte en tijd uit te drukken, bedient men zich niet
van ellen en mijlen, uren en dagen, doch men verzinnelijkt die begrippen
door te spreken van: een boogschot hoog, een steenworp ver; zekere
eilanden liggen volgens MAERLANT "twee dachseilinghe verre" van Afrika;
zeker arts is beroemd: "alse [Zijnoot: even.] verre als God de sonne
seinen doet". Iets zal gebeuren "eer die sonne ondergaet"; een paar
ridders vechten zoolang als men noodig heeft om een mijl te loopen. De
tijd van 24 uren wordt uitgebeeld door "tusschen twee sonnescinen"; van
den eenen winter op den anderen door: "tusschen twee sneeuwe". De lente
door: "alst ten nieuwen gerse [Zijnoot: gras.] kwam", najaar en voorjaar
door "te hooi en te gras". Men ziet de dingen nog vóór zich: een bosch
_staat_; een brug _loopt_ over een rivier; men hangt iemand niet op--men
hangt hem "_bi der kelen_"; men kust een meisje "_ane haren mont_", zit
met haar in het "_groene gras_", begraaft haar onder "_de rooskens
root_".

Behoefte aan volledigheid van voorstelling brengt de schrijvers van toen
tot het uitdrukken van deelen eener handeling, die wij--als onnoodig,
immers: vanzelf sprekend--weglaten. Het zijn gewoonlijk verbindingen van
twee werkwoorden, waarvan het eene een lichamelijken toestand, het
andere eene werking uitdrukt; aanwijzingen van het eerste soort, zooals:
"daer hi lach, sat, stont" achten wij nu overbodig--voor de
middeleeuwsche menschen waren zij dat niet.

Men zal zich moeten wachten, uitdrukkingen als: _antwoordde ende seide,
bevelen en overleveren, weest des seker ende hout dat vaste, Gods ghebot
ende sine woorde_ tautologieën te noemen: toen had elk der deelen van
zulke uitdrukkingen zijne eigen beteekenis en kracht; het verschil
tusschen onze voorouders en ons is slechts, dat zij er behoefte aan
hadden een grooter deel der voorstelling in taal te verzinnelijken dan
wij. Om dezelfde reden zijn in: _God, die coninc van den trone_
[Zijnoot: hemel.], de op _God_ volgende woorden volstrekt geen stoplap,
evenmin als in zoovele dergelijke uitdrukkingen, want er bestond
behoefte om ook aan dat deel der voorstelling uitdrukking te geven[9].

Gebrek aan zelfbeheersching toont zich telkens waar wij een
middeleeuwsch schrijver midden in een periode den eerst gekozen trant
van voorstelling zien verlaten, met dien verstande dat hij het indirecte
vervangt door het directe. Zij beginnen b.v. met een bode te doen
spreken in afhankelijke zinnen:

  Dat sijn vader doot ware
  Ende sijn moeder ooc mede.

Daarop laten zij dan plotseling, zonder overgang, volgen:

  "Ende in u lant is groot onvrede,
  "Want vremt volc, sonder waen,
  "Hebben u lant ondergedaen [Zijnoot: onderworpen.]."

Blijkbaar is de dwang der periode, die het voortdurend gebruik van
afhankelijke zinnen met zich brengt, hun te lastig en de rechtstreeksche
uiting, als natuurlijker, hun aangenamer.

Een niet volkomen gelijk, maar toch verwant, karakter vertoonen die
perioden, waarin de dichter plotseling zijn verhaal of beschrijving laat
varen voor het sprekend invoeren van een zijner personages, zonder dezen
overgang aan te kondigen: een schrijftrant die, begrijpelijker wijze, in
hooge mate tot de verlevendiging van het verhaal bijdraagt[10].

De taal--wij zeiden het reeds--was hier spiegel van het leven. Welk een
brand van hartstocht slaat ons tegen uit de middeleeuwsche kronieken!
Hoe onbeteugeld stormen de driften in al die gevoelsmenschen, die nog
zoo weinig gewend zijn hun eerste opwellingen te onderdrukken en aan de
rede stem in het kapittel te geven. Waarlijk niet zonder reden vaardigde
men verordeningen uit, waarbij het dragen van wapenen verboden werd. Ook
het heiligste is soms niet veilig. Eene woeste menigte, in strijd met
den kloostervoogd HERDERIK van Schildwolde, stormt de kloosterkapel
binnen, rooft het corpus domini met het ciborium en steekt de
kloostergebouwen in brand. Van hertog JAN I van Brabant, een toonbeeld
van echte ridderschap, wordt ons verhaald dat hij in gramschap een stok
doormidden beet.

MAERLANT beschuldigt adellijke priesters dat zij vrouwen bedriegen en
als hunne prooi beschouwen. De abdis van het hoog-adellijk Rijnsburg
klaagde aan den paus, dat hare nonnen in vele opzichten den regel
overtraden, dat zij twistgierig waren en zelfs de handen aan elkander
sloegen.

De kloostermuren mochten hecht en hoog zijn--zij konden den hartstocht
niet buitensluiten, noch de zonde. Het klooster zal voor menigeen een
veilige wijkplaats zijn geweest, maar hoevelen namen hun strijd met zich
nadat de poort zich achter hen gesloten had! Als een rijk man gereed
staat der wereld vaarwel te zeggen en zijne goederen te vermaken aan het
klooster dat hem zal opnemen, welk een wedijver ontstaat er dan tusschen
de abdijen die vlassen op zijne nalatenschap[11]. Wat is er ook binnen
de kloostermuren geleden in den strijd met de zonde en den wellust. Hoe
heerschten ook daar trots, ijverzucht, toorn, gulzigheid en die
zonderlinge lusteloosheid, welke de monniken van Heisterbach _acedia_
noemden en die een middeleeuwsch prototype van _spleen_ en _weltschmerz_
schijnt te zijn geweest[11].

Gansche geslachten komen door de verplichting van veete tegenover
elkander te staan: in Leuven de patricische families van BLANCKAERT en
DE COLVERE; in den slag bij Woeringen vinden wij de SCAVEDRIESCHEN
tegenover de geslachten van WITHAM en MULREPAS; in 1290 breekt in de
Haspengouw een verbitterde strijd uit tusschen de Awans en de Waroux,
die 45 jaren duurt, waarin de partijen elkander te gronde richten en
vele dorpen worden verbrand.

De standen zijn tegen elkander verdeeld. De abdij van Rijnsburg is meer
dan eens in twist met de grafelijkheid van Holland of met Hollandsche
edelen, met TEYLINGHENS, WASSENAERS, VELZENS; nu eens over een brug, dan
over den eigendom van veenlanden. De bisschop van Utrecht, OTTO VAN DER
LIPPE, strijdt met de weerbarstige edelen in de buurt van Vollenhove en
slecht hunne kasteelen. GIJSBRECHT VAN AEMSTEL leidt in Holland en het
Sticht een boerenopstand waarvoor de bisschop moet wijken. Onder de
burgerij zien wij op vele plaatsen de ambachten staan tegenover de
patricische geslachten, die zich langzamerhand uit de gemeente omhoog
beurden, en die den ambachtslieden geen aandeel in de regeering
gunden[12].

Zien wij dus dikwijls man tegen man, geslacht tegen geslacht, stand
tegen stand, niet zelden vinden wij gewest tegen gewest. Het is de
strijd om Limburg tusschen JAN I van Brabant en REINOUT van Gelre;
tusschen de hartstochtelijke gravin van Vlaanderen, ZWARTE GRIET, en
WILLEM II van Holland; denzelfden graaf van Holland die bij Hoogwoude
tegen de Friezen sneuvelt.

Al die woelige elementen van hartstocht en strijd worden te nauwernood
in bedwang gehouden door Germaansch recht en Christelijk geloof.

"Van sachte meesters vuyle wonden", zeide het spreekwoord en waarin onze
voorouders te kort mogen zijn geschoten, niet daarin dat zij te zachte
heelmeesters waren. Zij die een meisje aanspoorden om zich te laten
schaken (het schaken was in zwang) werden gestraft met het verlies van
den neus. "Wie vrouwen ofte joncvrouwen vercrachte, men sal hem den hals
afsagen mit eenre plancken". Van ouds was het gewoonte "alle duytsche
lant door" dat een dief de galg kreeg, een moordenaar of moordbrander
het rad, dat manslag en roof met het zwaard werden gestraft, een valsche
munter in een ketel levend gezoden werd, een spion boeten moest met
verlies van een oog, een "pontsnider" (besnoeier van het geld) een duim
moest missen.

Wereldlijke en geestelijke overheid gingen hier hand aan hand. Ook de
kerk had tal van straffen te harer beschikking en maakte daarvan een
ruim gebruik: vasten, boeten, bedevaarten behoorden tot de gewone
straffen. Had iemand zich zwaarder vergrepen, dan moest hij soms zeven
jaren lang in ballingschap omzwerven. In het ergste geval werd hij door
de excommunicatie buiten de gemeenschap der kerk gesloten: als
vogelvrije zwierf hij rond en, bekeerde hij zich niet bijtijds, dan
wachtten hem de verschrikkingen der hel, door een middeleeuwsch monnik
samengevat in een vers dat reeds aan de tong een voorsmaak van dat
lijden geeft:

  Pix, nix, nox, vermis, flagra, vincula, pus, pudor, horror.

Maar de kerk deed meer en beter dan schrik aanjagen en straffen. Met
krachtige hand bestuurde zij de gemeente der geloovigen; liet zij de
teugels vaak losjes hangen, zij hield ze stevig vast. Van de wieg tot
het graf begeleidde zij den mensch, ja, haar invloed eindigde ook met
den dood niet. Was de middeleeuwsche christen door den doop in de
gemeenschap der kerk opgenomen, dan moest menige gewichtige handeling
die hem en de zijnen van nabij raakte, door de kerk gewettigd worden.
Gestadig bezocht hij het kerkgebouw waar hem, uit geheimzinnig
schemerdonker, van het altaar zacht kaarslicht tegenglansde, waar bij
het mysterie der mis de opzwevende wierookgeuren hem stemden tot
aandacht en vereering. Lag hij op zijn sterfbed, dan naderde,
aangekondigd door de klinkende altaarschel, de priester met de heilige
hostie en de stervende blies den laatsten adem uit met de gewijde
waskaars tusschen de saamgelegde handen, in het vertrouwen op een zalig
leven in eeuwigheid.

In en buiten de kerk was de geloovige steeds omgeven door de heiligen
die vroeger op deze aarde hadden gewandeld, hem waren voorgegaan naar
den hemel, doch nog steeds over de menschen bleven waken. Wie op reis
ging, beval zich in de hoede van SINT JAN en SINTE GEERTRUIDE, SINT
CHRISTOFFEL was de toevlucht tegen een onverwachten dood, SINT MICHIEL
beschermde inzonderheid tegen den duivel. Immers, ook deze en zijne
trawanten waarden rond, zoekende wien zij konden verslinden. Maar wat
nood voor den vromen Christen? Konden God, Jezus en Maria, konden de
heiligen en zelfs de overblijfselen dier heiligen, niet elk oogenblik
een wonder verrichten? Telkens vernam men van betrouwbare menschen, dat
er wonderen geschied waren. Friezen getuigden dat zij in het jaar 1214
kruisen in de lucht hadden gezien, terwijl de kruisprediker OLIVIER van
Keulen sprak. In het klooster Aduard waren monniken, zóó eenvoudig van
hart, dat zij beproefden hunne kappen op te hangen aan de
zonnestralen[13]. Was er nog een grens tusschen wonder en werkelijkheid
voor wie deze en dergelijke dingen hadden gezien en gehoord? En is het
niet begrijpelijk, dat de dichter van den _Karel ende Elegast_ in den
aanvang van zijn verhaal "wonder en waarheid" in één adem noemt?

Wij hebben getracht in eenige groote trekken eene voorstelling te geven
van het leven der toenmalige maatschappij. Het was noodig eene poging
daartoe aan te wenden, omdat alleen langs dien weg eenigermate zal
kunnen blijken, op welke wijze zich hier het leven in de poëzie heeft
geuit. Zóóveel kan althans uit die voorstelling gebleken zijn, dat
gedurende de 13de eeuw het algemeene de overhand had op het bijzondere,
het samengestelde op het enkele, de stand op het individu. Het leven
heeft zich toen vooral _standsgewijze_ geuit. En zoo bevat de poëzie,
die wij nu zullen gaan beschouwen, in hoofdzaak uitingen, niet van
individuen, maar van standen. Daarom mag zij _standenpoëzie_ heeten.

In het leven van dien tijd kunnen wij geene scherpbelijnde
persoonlijkheden aanwijzen, wel typen van een der drie standen. Zóó is
het ook in de poëzie. HADEWIJCH, WILLEM VAN AFFLIGHEM en vooral MAERLANT
vertoonen iets van een dichterlijke persoonlijkheid, maar schaduwachtig
van omtrek. Eenige andere namen van dichters der 13de eeuw zijn tot ons
gekomen, doch het zijn _slechts_ namen. Wat baat het ons of wij weten
dat "CLAES VER BRECHTEN ZONE" den _Willem van Oranje_ vertaald heeft?
Dat WILLEM VAN UTENHOVE "een priester van goeden love" was en dat de
dichter van den _Reinaert_ eveneens WILLEM heette? Kennen wij die mannen
nu? Van vele andere dichterlijke werken zijn zelfs de namen der
bewerkers ons onbekend.

Dat onpersoonlijke kenschetst een groot deel dezer poëzie als
volkspoëzie, maar volkspoëzie, welke, naar de verschillende stroomingen
die zich in haar openbaren, als vanzelve zich scheidt in: ridderpoëzie,
geestelijke poëzie en poëzie der gemeenten.



AANTEEKENINGEN

[1] _Der Minnen Loop_, IV, vs. 4 vlgg.

[2] _Gedichten_ (edd. BISSCHOP en VERWIJS), bl. 207. Bij den
Henegouwschen dichter JEAN DE CONDÉ vindt men een _dis des trois estas
dou Monde_ (_Dits et Contes de Baudouin de Condé_, II, 49 suivv.). Beide
stukken hebben overigens niets gemeen.

[3] Vgl. Boek VIII, vs. 1070.

[4] VANDERKINDERE, _Siècle des Artevelde_, p. 141.

[5] Voor dit overzicht raadpleegde ik, behalve de werken van PIRENNE,
MOLL en BLOK; A. SCHULTZ, _Höfisches Leben zur zeit der Minnesinger_;
SCHOTEL, _De Abdij van Rijnsburg_; MOLL en DE HOOP SCHEFFER, _Studiën en
Bijdragen; Mem. Cour. de l'Acad. Royale de Belgique_, no. 32; _Kronijk
v.h. Histor. Genootschap_, XII, (164-165); twee artikelen van POLS in
_Bijdr. voor Vad. Gesch. en Oudh._ (stuk over Graaf JAN I van Holland)
en redevoering ter algem. vergadering van het Prov. Utr. Gen. in 1879.
_De Slag van Woeringen_ (ed. WILLEMS), vs. 2078, 2635; voorts in de
Aant. p. 542.

Wat den _Grêgorjus_ van HARTMANN VON AUE betreft, merk ik nog op, dat de
tijdsbepaling niet geheel vast schijnt te staan.

[6] Vgl. _Reinaert_, vs. 2006-'98:

Hi rekende dat hi ware mijn oom ende began ene sibbe tellen; aldaer
worden wi gesellen.

[7] Over de maagschap zie men: JACOB GRIMM'S _Deutsche
Rechtsalterthümer_, (4e Ausg.), I, 642 flgg; FOCKEMA ANDREÆ in:
_Geschiedkundige Opstellen aangeboden aan Robert Fruin_, p. 259 vlgg.;
_Nederd. Regtsoudheden_, p. 298; _Versl. en Meded. der Kon. Akad. afd.
Lett._, 4e Reeks, Deel I; MOLL, _Kerkgesch._, II, 4, 225; _Kroniek van
Melis Stoke_ (ed. BRILL), IV, 1482; ook ald. IV, 1305; _Kerken Claghe,_
vs. 212; _Moriaen_, vs. 174-177; voorts _Grimb. Oorlog_, II, vs. 291,
413, 857, 1247, 4354, 4571 en pass.; _Parthonopeus_, vs. 1227;
_Limborch_, II, 1862. In het _Mnl. Wdb._ zullen i.v. nog wel andere
voorbeelden genoemd worden.

[8] Ik heb dit staaltje gekozen als bijzonder duidelijk sprekend. De
oudere philologie is in deze gevallen alras geneigd tot schrappen van
wat zij: _inlapsels_ noemt; doch men moet hier zeer voorzichtig zijn.
Wie een citaat uit den _Brandaen_ niet afdoend acht uit hoofde van
mogelijken invloed van het Duitsch (de proloog kan zeer licht van den
Nederlandschen bewerker zijn), vindt tal van andere voorbeelden in
MAERLANT'S _Alexander_, I, 953-960; VII, 61-84; 93-105; _Leven van S.
Lutgarde_, II, 3651-'67; 3790-'96; 3824-'39; 6694-6716; 9542-'48;
9632-'47; 9775-'95; 10359-'376; 10730-'37; 11504-'512; 13844-'66; III,
548-557; 850-864. _Der Leken Spieghel_, II, c. 48, vs. 668-685 (men
lette vooral op het slotvers in verband met den aanvang). _Der Minnen
Loep_, I, 2047-2060. STOETT, _Syntaxis_, p. 146; _Hildegaersberch's
Gedichten_, 155, 203 vlgg.; 157, 129-138; 157, 1-15. FRANCK onderstelt
in den dichter van het _Leven der H. Lutgarde_ opzet bij het maken
zijner lange en ingewikkelde zinnen. Mij schijnt dat zeer twijfelachtig.
Doch indien er al opzet geweest zij, dan zal de kunst de natuur hier te
hulp zijn gekomen. (Zie FRANCK'S betoog in _Neue Jahrbücher für das
Klass. Alt. Gesch. u. Deutsche Lit._, Jahrg. 1904, XIII. Bd. S. 432-434.
F. denkt aan invloed van het Latijn).

[9] Deze en andere voorbeelden vindt men: _Karel en Elegast_ (ed.
KUIPER) vs. 394, 802, 862, 103, 1192, 1232; _Sp. Hist._, I, p. 34, vs.
21; _Alexander_, I, 1121; _Moriaen_, vs. 86, 3795; _Tijdschr. v. N.T. en
L._, XVII, 297 vlgg.; _Kar. e. Eleg._, 100, 198; _Merlijn_, p. 72, vs.
6696; _Lied in de Middeleeuwen_, bl. 572; STOETT, _Syntaxis_, p. 121;
BOTERMANS, _Die hystorie van die seven wijse mannen van romen_.
Proefschrift, p. 50; _Leven van Sinte Lutgart_ (ed. VAN VEERDEGHEM).
Inl. XXXVI.

[10] _Torec_, 3800-3804; 3738-'41; _Moriaen_, 355, 573, 972; _Karel en
El._, 329, 640; andere voorbeelden in STOETT'S _Syntaxis_, p. 144.

Het verwante verschijnsel in mijne _Mnl. Ep. Fragmenten_, p. 187;
behalve de daar aangehaalde plaatsen nog: _Flovent_, 395; _Madelghijs
Kintsheit_, p. 69, vs. 40; _Aiol_ (Vlaamsche redactie), vs. 663; _Karel
de Groote en zijne XII. Pairs (Lorreinen)_, p. 12, vs. 287; p. 31, vs.
872 (weer het eerste verschijnsel). LONGINUS of althans de schrijver van
het boek [Greek: Peri Upons] heeft op dezelfde eigenaardigheid bij
HOMERUS gewezen. Zie: DIONYSII LONGINI _de Sublimitate_ (ed. B. WEISKE.
Lipsiae. WEIGEL. 1809). Sect. XXVII.

[11] Vgl. TE WINKEL'S _Maerlant_, p. 257, noot 2; WYBRANDS, _De Abdij
Bloemhof_, p. 72; _Naturen Bloeme_, II, 690-2; MOLL, _Kerkgesch._, II,
2, 78; _Brab. Yeesten_, V, 144-146; MOLL, t.a.p. II, 2, 45; MOLL en DE
HOOP SCHEFFER, _Stud. en Bijdr._, II.

[12] DEWEZ, _Histoire générale de la Belgique_, III, 43; HEELU'S _Slag
bij Woeringen_, 3834, 5115 vlgg.; PIRENNE a.w. II, 174; SCHOTEL,
_A.v.R._, o.a. p. 100-101; PIRENNE I, 416, 422.

[13] BLOK a.w. I, 175.

_Bijdr. en Meded. v.h. Histor. Genootschap_, XXIII, 43.



1. RIDDERPOËZIE.

  Het ridderwezen. Overzicht der Fransche ridderpoëzie. Ouderdom
  der Nederlandsche ridderpoëzie. In hoeverre indeeling naar de "matières"
  te onzent geoorloofd?

  Romans: _Flovent_, _Roelants-lied_, _Willem van Oringen_,
  _Renout van Montalbaen_, _Geraert van Viane_, _Lorreinen_, _Aiol_, _Aubri
  de Borgengoen_, _Doon de Mayence_, _Gwidekijn van Sassen_. Overige
  romans. Aesthetische waarde der bewerkingen. _Karel en Elegast_.

  II. Keltische, Klassieke en Oostersche romans: _Lancelot_, _Percevael_,
  _Ferguut_, _Floris en Blancefloer_, _Partonopeus en Melior_. Overige
  romans. Aesthetische waarde der bewerkingen. _Moriaen_, _Walewein_.

  Eindbeschouwing.

Germaansche kern in Frankrijks grond geplant, snel opgeschoten, frisch
uitbottend en breed zich vertakkend, bloeiend in pracht, verstorven door
overmaat van weelderigheid--zoo ging op, zoo blonk, zoo verzonk het
ridderwezen.

Het Germaansch gebruik, den manbaren jongeling in een plechtige
bijeenkomst met schild en speer te begiftigen, was de kern, door de
Franken gebracht in het naar hen genoemd land; onder den invloed der
kruistochten ontwikkelde die kern zich daar tot een zedelijke instelling
met een hoog-ideaal karakter. Een ridder moest zijn "grootmoedig in
tegenspoed, edel van bloede, overvloeiend van eerlijkheid,
voortreffelijk door hoffelijke zeden, standvastig in mannelijke
braafheid. Dagelijks moest hij met devote gedachtenis aan 's Heeren
lijden de mis hooren, voor het Katholiek geloof zijn lichaam veil
hebben, de heilige Kerk met hare dienaren van alle geweldenaars
bevrijden, weduwen en weezen en onmondigen in hunnen nood beschermen,
onregtvaardige oorlogen vermijden, oneerlijk krijgsloon weigeren, tot
bevrijding van iederen onschuldige als kampvechter optreden, geene
steekspelen bezoeken, tenzij met ridderlijke bedoelingen, den roomschen
Keizer of zijn stadhouder in wereldlijke zaken gehoorzamen, den staat
ongeschonden in zijne kracht laten, geene leengoederen des rijks
vervreemden en onberispelijk voor God en menschen leven."

Door zulke verplichtingen werd de woeste strijdlust van vroeger, in
veilige bedding gebracht, aangewend tot ontwikkeling en beschaving der
maatschappij. Maar de aanraking met het weelderig Oosten, de toenemende
rijkdom en weelde, menschelijke zwakheid en zinnelijkheid begonnen na
eenigen tijd de instelling in haar ideaal karakter te bedreigen, deden
haar langzamerhand veraarden en eindelijk ontaarden. De eerbied voor de
vrouw werd vooral in Zuid-Frankrijk opgeschroefd tot een vrouwendienst
waarin het zinnelijk element zich krachtig deed gelden; de hoofschheid,
die gaandeweg de vroegere ruwheid had vervangen, werd galanterie; de
losheid, loszinnigheid en die: losbandigheid. Toewijding die goed en
bloed op het spel zette met het oog op een grootsch doel, werd eerzucht,
roemzucht; mildheid sloeg over tot spilzucht. Ten slotte was de adel een
stand geworden, die zich slechts door meer rijkdom en uiterlijke
beschaving onderscheidde van de overige bevolking, die hem veelal
overtrof in innerlijke kracht, in zedelijke en geestelijke
ontwikkeling[1].

De poëzie, uit het ridderleven geboren, heeft dat leven in zijn
ontwikkelingsgang gevolgd. Maar ook hier: werking en wederwerking. Wie
kan het vergeten, die nooit vergeten kan dat roerend-droeve verhaal van
FRANCESCA DA RIMINI en die verzen:

  Galeotto fu 'l libro e chi lo scrisse:
  Quel giorno più non vi leggemmo avante.

Dichters, afhankelijk van de ridderschap en onder haar levend, hebben
uit verhalende liederen grootere verhalende gedichten geschapen. In den
aanvang behandelden die gedichten uitsluitend het nationaal verleden,
uit den tijd der Merovingen, zooals de _Floovant_; uit dien der
Karolingen verhalen waarin KAREL DE GROOTE, zijne pairs of de groote
vazallen des rijks optreden: de _Chanson de Roland_, de _Chanson des
Saisnes_ (Saksen), den _Ogier_, den cyclus van _Guillaume d'Orange_, de
_Lorrains_ (hertogen van Lotharingen), _Renaus de Montauban_, _Aiol_,
_Auberi le Bourgoing_. Kort voor of in den aanvang der 12de eeuw
begonnen dichters van meer ontwikkeling ook verhalen uit den
Trojaanschen oorlog en andere sagen der klassieke oudheid te verwerken:
den _Roman de Troie_, den _Roman d'Enéas_, _Roman de Thèbes_, de _Geste
d'Alexandre_, den _Roman de Jules César_.

Uit de aanraking der Fransch-Normandische maatschappij met het Keltisch
element in Engeland ontstond omstreeks het midden der 12de eeuw een
nieuw soort van verhalen: de Keltische romans. Keltische zangers die
rondzwierven door Engeland en Frankrijk, zongen ook in het laatste land
hunne lais, liederen van fabelachtigen of mythologischen inhoud, die al
spoedig werden vertaald en nagevolgd door Fransche dichters.
Langzamerhand werden deze stoffen met de nationale versmolten, werden
ook nationale stoffen in den geest der Keltische romans behandeld. Wij
vinden hier in hoofdzaak òf verhalen, waarin Koning ARTUR en zijne
gemalin op den voorgrond komen en het Christelijk element zich krachtig
doet gelden òf zulke, waarin de dolende ridders van ARTURS hof eene
hoofdrol spelen als: de _Tristran_, _Ivein_, _Lancelot_, _Erec_,
_Gauvain_, _Cligès_.

Tot de romans der eerste groep behooren ook groote prozaromans als _Le
Grand Saint Graal_, die bestaat uit deze drie deelen: _Jozef van
Arimathea_, _Merlijn_, _Perceval_; voorts _la queste_ (het zoeken) _du
Saint Graal_ en een gedicht _Le Petit Saint Graal_.

Een middeleeuwsch dichter heeft ons het overzicht dezer romans, waarvan
ik slechts eenige voorname heb genoemd, gemakkelijk gemaakt door de drie
voorname stoffen, welke zij behandelen, aan te wijzen. In de _Chanson
des Saisnes_ heet het:

  Ne sont que trois matières a nul home entendant:
  De France et de Bretaigne et de Rome la grant.

Maar de romans welke klassieke en Keltische stoffen behandelen, zijn,
bij alle verschil van onderwerp, inderdaad ééns geestes kinderen; de
romans waarin nationale stoffen verwerkt zijn, danken hun ontstaan aan
een anderen geest.

Zoo mag men deze epische poëzie dan ten slotte scheiden in twee groote
afdeelingen, die zich tot elkander verhouden als het nationale tot het
uitheemsche.

Tegenover het krijgshaftige, eenvoudigvroom Christelijke der oude
nationale _Chansons-de-Geste_ met hunne ruwheid en grootschheid, ziet
men de Keltische en klassieke romans met hunne hoofschheid, hunnen
vrouwendienst, het sterk ontwikkeld lyrisch-erotische, gemengd met
mystiek, hunne neiging tot het wonderbaarlijke tegenover het wonder in
de nationale gedichten. Naar den inhoud staan deze beide groepen ook in
zóóverre tegenover elkander, dat zij verschillende beschavingstoestanden
weergeven: de nationale groep weerspiegelt een beschaving minder
ontwikkeld dan die waaruit de uitheemsche geboren is. De nationale groep
staat dichter bij het volks-epos, de uitheemsche dichter bij het
kunst-epos. Voor een deel geldt dit onderscheid van volks-epos en
kunst-epos ook met betrekking tot de dichters dezer romans; want de
makers der oudste _Chansons-de-Geste_: _Roland_, _Girard de Roussillon_,
_Jourdain de Blaives_, _Floovant_, zijn ons onbekend; van de dichters
der latere _Chansons_ kennen wij eenige bij naam: ADENEZ-LE-ROI,
BERTOLAIS, JEHAN DE FLAGY, JEHAN BODEL, CRESTIEN DE TROYES, BÉROL,
BENOIST DE SAINTE MORE, ALBÉRIC DE BRIANÇON, LAMBERT LE TORT, ALEXANDRE
DE BERNAY... doch zelden veel meer dan den naam. Sommige dezer dichters
hebben nationale romans van lateren tijd bewerkt of omgewerkt, andere
hebben uitheemsche gedicht.

Ten slotte zijn de beide groepen gescheiden ook naar den uiterlijken
vorm, want bijna alle uitheemsche romans zijn geschreven in korte verzen
van acht lettergrepen, in tegenstelling met de overige die in het oudere
decasyllabische vers of in alexandrijnen zijn gedicht[2].

Langs zulke wegen was de Oudfransche epische poëzie bezig zich te
ontwikkelen, toen zij ook in Zuid-Nederland bekend werd. Dat zij daar
bekend werd, is licht te verklaren uit het internationaal karakter der
ridderschap en de nabuurschap van Frankrijk. Maar bovendien waren
Fransche taal en literatuur reeds in de laatste helft der 12de eeuw in
een deel van Zuid-Nederland bekend en in aanzien. Kennis van het Fransch
werd als noodzakelijk deel der opvoeding van den adel beschouwd; in
Vlaanderen was het Fransch voor den hoogen adel en de hooge
geestelijkheid als een tweede volkstaal[3]. Aan het hof van den
Vlaamschen graaf PHILIPS VAN DEN ELZAS (1168-1191) leefde en werkte de
beroemde CRESTIEN DE TROYES, dichter van vele Keltisch-Fransche romans;
BOUDEWIJN VIII van Vlaanderen dichtte Provencaalsche liedjes; een paar
bekende Fransche dichters, ADAM DE LA HALLE en JEHAN BODEL woonden te
Atrecht[4]. Het is begrijpelijk dat deze veelvuldige kennismaking met de
Fransche literatuur leidde tot vertaling en navolging; dat wij eene
Nederlandsche ridderpoëzie zien ontstaan onder den invloed der Fransche.

Den juisten tijd van dat ontstaan te bepalen, is vooralsnog niet
mogelijk. Wel mogen wij met voldoende zekerheid aannemen, dat wij het
laatst der 12de of althans de eerste helft der 13de eeuw als zoodanig
moeten beschouwen. MAERLANT immers heeft meer dan eens in zijne werken
(_Alexander, Sint Franciscus, Spieghel Historiael_) gewaarschuwd tegen
den, zijns inziens, verkeerden invloed van allerlei ons bekende
ridderromans. Onder die romans vindt men een paar die tot de
bovengenoemde "nationale" groep behooren, zooals _Willem van Oranje_ en
de _Heemskinderen (Renaus de Montauban)_; enkele zoogenaamde klassieke
romans, zooals die over _Alexander_; een paar die in het Oosten spelen:
de _Floris en Blancefloer_ en den _Partonopeus_; eindelijk een groot
aantal die tot de Keltisch-Fransche romans behooren, zooals die van
_Lancelot_ en _Tristan_[5]. Bij deze, aan MAERLANT'S werken ontleende,
bewijsplaatsen behooren eenige verzen uit het _Leven van Sinte Lutgart_
gevoegd te worden. De dichter van dat werk klaagt, dat de menschen niet
willen luisteren naar "goede exempelkine", maar gaarne komen:

  Daer men van ouden ijeesten [Zijnoot: geschiedenissen.] singet,
  Oec daer men voert die sagen bringet
  Van wigen [Zijnoot: strijden.] och van tavelronden,
  Daer wilen eer hen onderwonden
  Te dichtene af die menestrele.
 ...
  Mar wonder hevet mi van desen
  Warumme si so gerne lesen
  Van ouden sagen dat gedichte
  Ende oc geloeven also lichte
  Din logeneren die se tellen.
 ...
  Mar die die oude bourden scriven,
  Si swegen bat, dat seggic hen[6].

Zoowel MAERLANT als WILLEM VAN AFFLIGHEM moeten het oog hebben op
Nederlandsche romans. Immers, zij richtten zich vooral tot de
gemeentenaren en lagere geestelijken die over het algemeen weinig of
geen Fransch verstonden. En zou zelfs onder den lageren adel de kennis
van die taal zoo verbreid zijn geweest, dat men er de voordracht van
Fransche gedichten met eenig gemak kon volgen? De heilige LUTGARDIS,
wier moeder van adel was, kon in de veertig jaren die zij doorbracht in
het klooster Aquiria bij Kamerijk, waar men Fransch sprak, nauwelijks
zooveel van die taal leeren dat zij daarin om brood kon vragen wanneer
zij honger had[7]. Zouden ook lieden uit dien kring der maatschappij
geen deel hebben uitgemaakt van het publiek dat Fransche romans liefst
vertaald hoorde voordragen?

Indien men nu in aanmerking neemt, dat de _Alexander_, het oudste der
genoemde werken van MAERLANT, omstreeks 1257-1260 zal zijn vervaardigd
en het _Leven van Sinte Lutgart_ tusschen 1263-1274; dat de romans,
waartegen met zooveel nadruk gewaarschuwd wordt, eenigen tijd hebben
behoefd om zóó bekend te worden; eindelijk, dat de oorspronkelijke
Fransche werken, die hier werden nagevolgd, deels in de tweede helft der
12de eeuw reeds bestonden, deels van nog vroeger tijd dagteekenen--dan
zal men wel mogen aannemen, dat men te onzent in het laatst der 12de of
den aanvang der 13de eeuw het grootste deel der bewuste ridderromans
heeft verdietscht.

Mag men in een overzicht der Nederlandsche ridderpoëzie zich bedienen
van het onderscheid in: nationale (Frankische) en uitheemsche
(Keltisch-Fransche of Britsche, klassieke, Oostersche) ridderdichten? In
allen gevalle volstrekt niet met hetzelfde recht dat de Fransche
literatuurgeschiedenis hier heeft. Nergens blijkt dat men te onzent zich
bewust is geweest van een onderscheid in drie "matières". Niet, als in
Frankrijk, beantwoorden hier de beide groepen aan verschillende
cultuurtoestanden, waarvan de een op den ander volgde. Integendeel,
voorzoover wij nu kunnen zien, mogen wij niet aannemen, dat men te
onzent begonnen is met werken der oudste (nationale) groep te vertalen.
VELDEKE'S _Eneïde_ is het vroegste episch vertaalwerk dat wij met
zekerheid kunnen aanwijzen; daarna komt een deel van den _Roman de
Troie_, vertaald door SEGHER DIEREGOTGAF. Zou de vertaling van de
_Chanson de Roland_ niet ouder zijn dan beide? Onmogelijk is dat niet,
zelfs m.i. niet onwaarschijnlijk, aangezien het oorspronkelijk gedicht
reeds vóór den eersten Kruistocht (1096) bestond. En het moet opgang
gemaakt en zich snel verbreid hebben: reeds in 1130 vinden wij eene
Duitsche bewerking. Doch zekerheid kunnen wij in dezen niet verkrijgen.
Voorloopig moeten wij het er voor houden, dat men hier te lande in het
laatst der 12de of den aanvang der 13de eeuw, zonder oordeel des
onderscheids, Fransche ridderromans heeft vertaald en nagevolgd. Indien
wij nu toch onderscheid blijven maken tusschen een paar groepen van
riddergedichten, dan geschiedt dat alleen, omdat ook nu nog voor ons een
verschillende geest uit die beide groepen spreekt; dat verschil mogen
wij hier ook ter wille van een beter overzicht doen uitkomen.


FRANKISCHE ROMANS.

De stoffen, in deze romans verwerkt, moesten een publiek dier dagen wel
krachtig aantrekken. Daar was in de eerste plaats de indrukwekkende
gestalte van KAREL DEN GROOTE, immers ook hier te lande bemind en
geëerd; groot in de oogen van het nageslacht niet het minst om zijne
oorlogen tegen de heidensche Saksen en Mooren. Streden de edelen en
burgers dier dagen die ter Kruistocht waren opgetrokken, niet denzelfden
strijd tegen het "Saracynsche diet" dien ook de groote Koning met zijne
dapperen had gestreden? En onder die dapperen verschenen in deze romans
voor het geestesoog de dappersten en wijsten, die beroemde "genooten",
lijfwacht en raad des Konings, wier roem de wereld vervulde: ROLAND en
zijn boezemvriend OLIVIER; bisschop TURPIJN, het type van den
strijdbaren geestelijke dier dagen; OGIER van Ardennen, BERNARD van
Brabant, BERENGIER, hertog NAIMES van Beieren en anderen[8]. Het
geweldige en grootsche in vele dezer dichterlijke werken moest wel
indruk maken op een publiek, eenvoudig van gemoed, beheerscht door
dezelfde hartstochten als de personages in die verhalen.

Daar is ROLAND met zijne helden in den ongelijken strijd tegen duizenden
bij duizenden Sarracenen, die weigert op zijn wonderhoorn Olifante te
blazen om zijn Koning te hulp te roepen; die eindelijk afgestreden, ten
doode gewond, zich uitstrekt op den top van een heuvel, het gelaat naar
Spanje gekeerd, maar het hart vol van "het zoete Frankrijk" en zijne
maagschap; die stervend zijn rechter handschoen omhoog houdt tot God
zijn oppersten leenheer; dan zijgt zijn hoofd op zijn arm, met
saamgelegde handen ontslaapt hij; cherubijnen komen en voeren graaf
ROLAND'S ziel naar het paradijs. Elders is het GARIN, de reusachtige
hertog van Lotharingen, door een overmacht na heldhaftige tegenweer
neergeveld, die daar ligt tusschen de overige dooden, "als de eik
tusschen de kleine stammen." HAYMIJN, de vader der vier Heemskinderen,
die onder zijne baronnen in zijne ridderzaal gezeten is, wanneer de
gezanten van koning KAREL, ROLAND en WILLEM VAN ORANJE onder hen,
binnentreden. Overmoedig zitten HAYMIJN'S baronnen; elk heeft zijn
scherp zwaard over zijne knieën gelegd. HAYMIJN zit in een groenzijden
bliaut, het eene been over het ander geslagen, zijn elleboog rust op
zijn knie, zijn hoofd op zijn hand. Niemand durft een woord spreken. De
afgezanten komen voor HAYMIJN en nijgen voor hem. Hij wil hen niet
aanzien. Zij richten het woord tot hem. Hij zwijgt. Vaalbleek wordt hij,
nu hij zijne vijanden daar voor zich ziet, maar hij kan geen woord
uitbrengen: te vol is zijn gemoed. Weer spreekt ROLAND. HAYMIJN blijft
zwijgen. Dan komt zijne gemalin, de schoone vrouw AYA, met een gouden
schaal vol koelen wijn en heet de gezanten welkom. Zij verwijt haren man
dat hij zich gedraagt als een dorper. Maar nauwelijks heeft zij dat
woord gesproken of de vuist van den geweldenaar treft haar zoo in het
aangezicht dat het roode bloed op hare voeten stort.

Niet overal zijn de toestanden zoo aangrijpend, geweldig of ruw; ook
voor het zachte, het teedere is er eenige plaats.

In de grootsche _Chanson de Roland_ komt de teederheid soms te
voorschijn als een weemoedig zonnetje uit dreigende onweerswolken.
ROLAND'S boezemvriend en wapengezel OLIVIER is doodelijk gewond; met
moeite houdt hij zich nog in den zadel, de nevel des doods houdt zijn
blik reeds omtogen; zoo voert zijn ros hem over het slagveld. In ROLAND
die komt aangereden waant hij een vijand te zien. Met inspanning zijner
laatste kracht brengt hij zijn vriend een zwaardslag op den helm toe.
ROLAND ziet hem aan; zachtkens, zachtkens zegt hij: gezel, doet gij dat
met opzet? Ik ben ROLAND die u zoo lief heeft.--Ik hoor u, zegt OLIVIER;
ik hoor u spreken, maar ik zie u niet. Moge God u zien, vriend. Ik heb u
getroffen, vergeef mij.--Ik heb geen letsel bekomen, antwoordt ROLAND ik
vergeef het u.

Hoe treffend is het tooneel in den _Willen van Oranje_, waar de
roemruchte graaf, nu monnik geworden en op inkoop voor zijn klooster
uit, door roovers aangevallen wordt; na ze te hebben gedood of verjaagd,
ontdekt hij in een kar die de roovers medevoerden, zijne eigen jonge
kinderen.

Aandoenlijk is in den roman der _Heemskinderen_ de trouw van het
reuzenros Beyaert aan zijn meester REINOUT. Wanneer het eindelijk op den
eisch des Konings in de Oise verdronken zal worden, slaat het telkens de
steenen stuk welke de dienaars aan zijne pooten hebben gebonden; zoolang
het ros zijn meester ziet, heeft het kracht om dat vol te houden. Nu
dwingt de Koning REINOUT te zweren, dat hij niet zal omzien naar
Beyaert. Op nieuw wordt het ros in de rivier geworpen. Op nieuw komt het
boven en steekt het hoofd op, hinnekend naar zijn meester, "alsof 't een
mensch geweest hadde, die na sijn lieven vrient bitterlijk geschreit
hadde"[9]. Wanneer REINOUT dan niet naar den trouwen vriend omziet,
zinkt het ros en verdrinkt.

De vrouwen en de liefde komen vooral in de oudere romans niet op den
voorgrond. Slechts van tijd tot tijd komt een komisch tooneeltje of een
komische trek den ernst vervangen; de grappen waarmede de personages
zich vermaken, zijn ruw of grimmig.

Behalve de kleine roman van _Karel en Elegast_, die een afzonderlijke
plaats verdient, is geen enkele dezer romans in zijn geheel tot ons
gekomen; van bijna alle bezitten wij slechts grooter of kleiner
fragmenten[9]. Wij noemen den roman van _Flovent_ in de eerste plaats,
omdat de _kern_ van dit gedicht herinneringen bevat aan de eerste
Frankische dynastie: de Merovingen. FLOVENT wordt ons voorgesteld als
oudste zoon van den eersten christelijken koning van Frankrijk, CLOVIS.
Wij zien hem in ballingschap rondzwerven met zijn trouwen schildknaap
RICHIER. Voortdurend zijn hij, zijne magen en vrienden, in oorlog met de
Sarracenen (onder wie hier, gelijk zoo dikwijls, de heidensche Saksen
schuilen). Een christelijke en een heidensche prinses betwisten elkander
FLOVENT'S bezit. Ten slotte wordt hij teruggeroepen naar Frankrijk door
zijn vader die in Laon door de Sarracenen belegerd wordt. De heidenen
worden verslagen en FLOVENT later koning van Frankrijk. Ons fragment van
ruim 600 verzen wijkt sterk af van de eenige ons bewaarde Fransche
redactie, die echter zelve weer moet zijn voortgekomen uit eene oudere.

Onder de Karolingische romans behoort in de eerste plaats het
_Roelants-lied_ te worden genoemd. Algemeen bekend is, dat wij hier het
verhaal hebben van den slag bij Roncevaux, waarin de achterhoede van
KAREL DE GROOTE'S leger, onder bevel van graaf ROELANT, in de Pyrenaeën
door de vijandige Basken is vernietigd. Daar KAREL'S leger terugkeerde
van een tocht tegen de Mooren, lag het hier nog dichter voor de hand, de
Basken in Sarracenen te veranderen. Het grootsche Fransche gedicht is
waarschijnlijk in zijn geheel vertaald; doch de oorspronkelijke
vertaling schijnt niet tot ons te zijn gekomen, wel een vijftal
fragmenten die op deze verloren Middelnederlandsche bewerking berusten.
Tracht men daaruit die verloren bewerking weer samen te stellen, dan
komt men tot een fragment van ruim 1000 verzen die in ruim 1700 verzen
van het Fransch ten deele teruggevonden worden.

Naar den strijd met de Mooren verplaatst ons ook de cyclus van gedichten
welke zich groepeeren om den persoon van WILLEM VAN ORANJE, een der
voorname edelen uit Zuid-Frankrijk, die de Mooren telkens terugsloegen
wanneer zij pogingen deden om den Islam ook aan deze zijde der Pyrenaeën
te verbreiden. Voorzoover wij weten, is slechts één dezer werken, het
zoogenaamde _Moniage Guillaume_ (WILLEM'S monniksschap) hier vertaald;
van dat laatste deel van WILLEM'S geschiedenis is ons een klein fragment
van ruim 400 verzen bewaard gebleven. Aan MAERLANT danken wij de
wetenschap, dat zekere CLAES VAN HAERLEM, "VER BRECHTEN SONE", deze
vertaling vervaardigde[10]. De ons bewaard gebleven fragmenten behelzen
de ontmoeting van WILLEM met de roovers, waarvan boven sprake was en
eenige van zijne latere lotgevallen.

Van den strijd der Karolingische koningen met hunne groote vazallen
geeft de roman van _Renaus de Montauban_ ons een voorbeeld[11]. Een der
machtige vazallen des Konings, HAYMIJN van Dordogne, is met dezen in
strijd. Zijne zonen REINOUT, ADELAERT, RITSAERT en WRITSAERT zetten
dezen strijd tegen den Koning en zijn zoon LODEWIJK voort. In dien
strijd moeten zij vluchten en eene schuilplaats zoeken bij vreemde
koningen. Ten slotte moeten zij zich overwonnen verklaren en zich aan
den Koning onderwerpen. Het wonderpaard Beyaert en de toovenaar MALEGIJS
spelen een gewichtige rol in dit gedicht. De roman draagt terecht den
naam van den oudste der vier Heemskinderen--zooals zij later te onzent
genoemd werden--daar REINOUT'S reuzenkracht en heldenmoed de kans
telkens weer ten voordeele der zijnen doen keeren. Dat ook dit gedicht
eene bewerking is uit het Fransch, staat vrij wel vast, al blijft het
mogelijk dat de Nederlandsche bewerker op zelfstandige wijze eenige der
bestaande legenden tot een geheel heeft vereenigd. Welk Fransch
origineel door hem is gevolgd, weten wij niet; wel dat het geen der ons
overgebleven redactiën is geweest. Misschien ook is de Nederlandsche
bewerking eene samensmelting van een paar oudere redactiën en heeft de
bewerker, evenals de Fransche dichter, een noordelijke en een zuidelijke
Renout-sage gekend, al gaf hij de voorkeur aan de laatste[12].

De ons bewaard gebleven fragmenten tellen ruim 2000 verzen; misschien
slechts een zevende der gansche bewerking[13].

Naast den _Reinout van Montalbaen_ moet de _Geraert van Viane_ genoemd
worden; ook deze roman immers bevat herinneringen aan den strijd van
CHARLEMAGNE met zijne groote vazallen, al zijn die herinneringen hier
verbonden met heugenissen aan den strijd tegen de Sarracenen in
Zuid-Frankrijk. Slechts een klein fragment van nog geen 200 verzen van
dezen roman is tot ons gekomen. Naar het schijnt is de Fransche roman
van BERTRAND DE BAR SUR AUBE niet het voorbeeld van den Nederlandschen
bewerker geweest, maar eene veel oudere bewerking.

Een beeld van den strijd tusschen machtige adellijke geslachten vinden
wij in de _Chanson des Lorrains_. Door die geheele grootsche epopee
immers loopt als een roode draad: de bloedwraak; alles draait om de
"veede" tusschen het geslacht der hertogen van Lotharingen en dat van
FROMONT van Bordeaux. Gedurig wordt er een zoen getroffen, maar telkens
wordt de vrede weer verbroken en vangt de strijd verwoeder dan ooit
weder aan; een strijd in hoofdzaak van kracht en heldenmoed tegen
sluwheid en bedrog. Wanneer BEGGE van Lotharingen op de jacht overvallen
en vermoord is en daarna ook GARIJN zelf, het hoofd van het geslacht der
Lorreinen, zetten hunne zoons den strijd voort. GARIJNS zoon GIRBERT
doodt FROMOND van Bordeaux; diens zoon FROMONDIJN neemt nu de "veede"
over en zoo gaat het voort. Van de Middelnederlandsche vertaling bleven
ons een vijftiental fragmenten bewaard, te zamen meer dan 10.000 verzen,
misschien slechts een tiende deel van het oorspronkelijk gedicht
bevattend[14].

Een eigen plaats neemt onder de Oudfransche heldendichten de _Aiol_ in.
Zeldzaam en aantrekkelijk is hier vooral de figuur van den jongen
ridder, die alleen naar des Konings hof trekt om de zaak van zijn
verongelijkten en verarmden vader te verdedigen. In de verroeste
wapenrusting van zijn vader, op een armzalig paard, rijdt hij heen en
wekt den spotlust van wie hem op zijn weg ontmoeten--maar hij wint zijne
zaak. Deze roman is tweemaal in het Nederlandsch bewerkt; die beide
bewerkingen zijn onderling onafhankelijk[15]. De eene, in Limburg
vervaardigde, bewerking geeft een vrij dor uittreksel van het ons
bekende Fransche gedicht; de bewaard gebleven fragmenten, ongeveer 600
verzen bedragend, omvatten vs. 2538-10092 van het origineel. Eenige
verzen der Middelnederlandsche bewerking (vs. 58-73) vindt men in het
Fransen niet terug. De andere bewerking, waarvan ons 1200 verzen zijn
overgebleven, wijkt veel meer van het Fransch af dan de eerstgenoemde.
Of wij daarom recht hebben aan te nemen, dat zij dus op eene, ons
onbekende, Fransche redactie moet berusten, mag echter betwijfeld
worden. De samensteller dezer bewerking volgt het Fransche verhaal wel
in hoofdzaken, doch verwerkt die hoofdzaken op eigen wijs. Hij heeft
veel weggelaten (vs. 518-601 komen overeen met vs. 8354-9061: 83 verzen
in het Nederlandsch voor 707 verzen in het Fransch); van vs. 801-1200
dezer bewerking vindt men in het Fransch nagenoeg niets. Dat deze
bewerker zijn eigen weg ging, moet men vermoeden ook met het oog op het
feit, dat wij hier een blijkbaar oorspronkelijk Nederlandschen naam
vinden voor AIOL'S zwaard, nl.: _Scaerdeline_, terwijl in het Fransche
gedicht geen zwaard van AIOL een naam draagt[16]. Dat namen uit het
origineel als _Elie, Avisse_ zijn weergegeven door _Helline_ en
_Anflisse_, doet denken dat de Nederlander het Fransche verhaal slechts
kende van "hooren zeggen". Bovendien komen eenige namen uit het tweede
fragment dezer bewerking (_Baselie, Mersaelien ende Eggermort,
Florette_, het wout van _Bonival, Godevert van Brusewijc_) in het
Fransch in het geheel niet voor.

Slechts kleine fragmenten bleven ons over van den roman van _Auberi le
Bourgoing_. In dat verhaal vinden wij de krijgstochten en daden van een
jong Bourgondisch ridder, die met zijn neef en wapenbroeder GASCELIN, in
Beieren de Russen en in Vlaanderen de Friezen bevecht en ten slotte door
een huwelijk met GUIBOURC, koningin-weduwe van Beieren, koning van dat
land wordt.

Eindelijk moeten wij nog melding maken van een paar fragmenten, die tot
dusverre geacht worden ontleend te zijn aan den roman van _Doon de
Mayence_ en aan de _Chanson des Saisnes_ (Saxons). Het eerstgenoemd
fragment verhaalt ons van drie ridders: FIERABRAS, ELEGAST en MILO
(ROELANTS vader) die van de jacht terugkeeren naar de stad Vauclere,
welke door de Sarracenen onder HABIGANT belegerd wordt. Zij ontmoeten
drie Sarraceensche vorsten die zij uitdagen; het gevecht zal plaats
hebben op een eiland in de rivier. Op hun weg naar Vauclere doen de
ridders een inval in het kamp der heidenen en een hevig gevecht vangt
aan. In den Franschen roman van dezen naam, waarin de stad Vauclere en
de Sarraceensche aanvoerder HABIGANT (AUBIGANT) inderdaad eene groote
rol spelen, heb ik ons fragment niet kunnen terugvinden. Wanneer men in
aanmerking neemt dat de roman van _Fierabras_ hier volgens MAERLANT'S
mededeeling reeds vóór het eind der 13de eeuw vertaald was; dat in den
_Geraert van Viane_ de strijd tusschen OLIVIER en ROLAND ook plaats
heeft op een eiland in een rivier[17]; dat ELEGAST hier, evenals in den
roman van _Karel en Elegast_, optreedt als toovenaar; dat de naam van
ROELANTS vader evenals die van den hier voorkomenden pair van
CHARLEMAGNE, SANSON, licht van elders bekend konden zijn, dan moet men
waarschijnlijk achten, dat wij hier eene vrije bewerking van Fransche
epische stoffen vóór ons hebben.

Wat het fragment betreft, dat bekend is onder den naam _Gwidekijn van
Sassen_, ook daarin blijft nog veel over dat opheldering behoeft[18].
Met JEAN BODEL'S _Chanson des Saxons_ heeft ons fragment niets gemeen;
dat het vertaald zou zijn naar eene vroegere bewerking dezer stof die
bewaard is gebleven in de Noorsche Karlamagnus-sage, acht ik
onwaarschijnlijk wegens de gewichtige afwijkingen. Ons fragment
verplaatst ons in de volgende omstandigheden: Het Fransche leger,
waarbij ROLAND en zijn broeder FRANSOYS (niet van elders bekend),
OLIVIER, ESCOUS, OLLEUS, REYNOUT en vele andere ridders zich bevinden,
heeft het beleg geslagen voor de stad Sassine, waar de reus FLEDRIC,
GWIDEKIJN'S broeder, het bevel voert. Een nachtelijk gevecht heeft
plaats, waarin FLEDRIC sneuvelt. De dichter der Nederlandsche bewerking
kende het _Roelants-lied_ blijkbaar; met den ridder in de zwarte
wapenrusting die tooveren kan, zal ELEGAST wel bedoeld zijn[19]. Ook
hier moeten wij, naar ik meen, denken aan eene vrije bewerking van
epische stoffen, die den Nederlandschen bewerker misschien slechts door
mondelinge overlevering bekend waren geworden.

Behalve de genoemde romans zullen hier te lande in dezen tijd
vermoedelijk nog andere bekend zijn geweest, misschien door eene
Nederlandsche vertaling. MAERLANT, zagen wij, spreekt van _Fierabras_.
Waarschijnlijk heeft hij den naam van dezen heidenschen reus, die in
Spanje, na een gevecht met OLIVIER, tot het Christendom bekeerd wordt,
leeren kennen uit den roman van dien naam. Misschien kende hij ook
Nederlandsche bewerkingen der romans van _Foulque de Candie_ en van
_Karel en Galie_, welke laatste ons in eene Nederduitsche omwerking in
den _Karlmeinet_ is bekend gebleven.

Van deze door MAERLANT genoemde of aangeduide romans en van de reeds
behandelde: _Roelants-lied_, _Willem van Oringen_, _Reinout van
Montalbaen_, zal men wel mogen aannemen, dat zij uit de eerste helft der
13de eeuw, ten deele misschien (het _Roelants-lied_ b.v.) nog uit het
laatst der 12de eeuw dagteekenen. Ook van den _Flovent_, _Geraert van
Viane_, de _Lorreinen_, den _Aiol_ (ten minste de Limburgsche redactie)
en den _Aubri de Borgengoen_, mogen wij wel aannemen dat zij nog in de
eerste helft der 13de eeuw vervaardigd zijn. Of de vrije bewerking van
den _Aiol_, de _Doon de Mayence_, de _Gwidekijn van Sassen_ tot
dienzelfden tijd behooren, of eer in de tweede helft der 13de eeuw
moeten geplaatst worden? Zoolang wij niet meer en beter gegevens hebben,
zal dat bezwaarlijk zijn uit te maken[20].

Dat in vele dezer romans echte poëzie of tenminste poëtische stof wordt
gevonden, hebben wij vroeger reeds gezien. Die poëzie echter was
voortgebracht door de dichters der oorspronkelijke werken; er is hier
gewag gemaakt van die poëzie alleen om den smaak onzer voorouders in
dezen te kenschetsen. De Nederlandsche dichters der middeleeuwen hebben
slechts eenig aandeel in deze poëzie, voorzoover zij die hebben
nagevoeld. De vraag die wij ons bij de beoordeeling dezer Nederlandsche
werken hebben te stellen, is: welk karakter dragen zij als bewerking of
navolging?[21]

Over het algemeen kan men zeggen, dat--met uitzondering van het
_Roelants-lied_--bij de bewerkers wel gevoel voor het ridderwezen
bestond. In de _Lorreinen_ die vrij letterlijk vertaald schijnen, worden
de lange gevechten niet weggelaten of bekort, ook in de _Geraert van
Viane_ zijn verzen als:

  Wi sullen hem marghiin laten weten,
  Of onse swerde connen sniden,

tenminste niet weggevallen, indien zij al in het oorspronkelijke
voorkomen. In den _Aubri_ is sympathie voor het ridderwezen; de bewerker
heeft behagen gehad in AUBRI'S getrouw strijdros Blanchaert dat zijn
meester terugvindt.

  Ende het begonde neyen [Zijnoot: hinneken.] zeere
  Ende scrabbelde metten voete.

Ook in den _Renout_ kan men nog vrij wat van de ruwe grootschheid van
het oorspronkelijke zien, al blijft de bewerking beneden haar origineel.

Eene jammerlijke tegenstelling met deze bewerkingen vormt die van het
_Roelants-lied_. Niet zoozeer, doordat de bewerker slechts gebrekkig
Fransch kende; daarin zal hij wel niet veel lager gestaan hebben dan de
meeste overigen. Maar doordat hij zoo weinig heeft gevoeld van dat echt
ridderlijk epos, zoo sober van uitdrukking, maar zoo indrukwekkend in
zijn grootschen eenvoud. Voor het ridderwezen heeft hij weinig gevoel,
hij heeft er ook geen verstand van. De Fransche dichter is soldaat in
zijn hart; hij geniet bij elken strijd, bij elk tweegevecht; hij kent de
wapenrustingen door en door: de blinkende, met goud doorwerkte
halsbergen, de met goud en gesteenten versierde puntige helmen, de
lansen met hunne kleine vaantjes, de zwaarden van gebruineerd staal, de
gouden sporen. Hij volgt elken slag met het oog van een kenner en weet
op een prik of de den neus beschermende strook metaal (_le nasel_) al
dan niet doorkliefd wordt en of het zwaard afschampt, dan wel het
lichaam der tegenpartij doorklieft en eerst door het zadel wordt
tegengehouden, of nog verder dringt en ook het paard een diepe wonde
toebrengt. Hij is godsdienstig op zijne ruwe eenvoudige wijze, maar hij
weet dapperheid toch ook in een Sarraceen te waardeeren; hij is een
getrouw vazal: voor zijnen Koning en voor "douce France" heeft hij alles
over. De woeste grootschheid van het berglandschap, waaraan wij telkens
worden herinnerd door verzen als dat gestadig terugkeerend: "halt sunt
li pui e tenebrus li val" [Zijnoot: Hoog zijn de bergen en duister de
dalen.], verhoogt nog den indruk van het geheel.

Van dat alles nu heeft de Nederlandsche bewerker weinig of niets
gevoeld. Geheele stukken die betrekking hebben op het ridderwezen of die
uitingen zijn van den feodalen geest, laat hij weg. Voor ridderlijke
mannentaal geeft hij vrome breedsprakigheid. Waar hij een epitheton
toevoegt, geschiedt het om de Christenen dapperder en vromer, de
heidenen lafhartiger en slechter te maken. Fatsoenlijk is hij: wanneer
OLIVIER zijn aanstaanden zwager ROELANT dreigt, dat hij het huwelijk
tusschen dezen en zijne zuster AUDE zal verhinderen, zegt hij in het
Fransch:

  Vus ne gerrez [Zijnoot: zult liggen.] jamais entre sa brace

in het Nederlandsch:

  Nemmermeer en wert si u wijf.

Maar hoe is de aanschouwelijkheid van het oorspronkelijke in dit fatsoen
ondergegaan.

Waar een bewerker, naar het schijnt, meer zijn eigen weg ging, daar
krijgen wij soms hier en daar een verrassend kijkje op den geest van
zijn stand of van zijn tijd. Zoo b.v. in de Vlaamsche bewerking van den
_Aiol_, waar de beschrijvingen vooral van gevechten aanzienlijk bekort
of geheel weggelaten zijn, de episode van den visscher TIERIJN
daarentegen met blijkbare voorliefde is bewerkt. In overeenstemming met
dat krachtiger burgerlijk element is eene beeldspraak als deze:

  Ware Macharijs mijn oem hier,
  Hi soud u, Ayoel, _selc een bier
  Met vullen nappe scinken_,
  Ghi souds langhe mogen dinken[22].

Van de zending des engels tot den visscher (vs. 654-700) vinden wij in
het Fransch niets; wel strookt met dat invoegsel des bewerkers een vers
als het derde van dit drietal:

  De hermite starf cortelike,
  Want hi voer te Gods rike:
  _Daer moeten wi alle comen_!

De uitval van jonkvrouw LUSIENE tegen de "maechscap" die haar verhindert
AIOL te trouwen, is ook een merkwaardig teeken des tijds[23].

De kunstvaardigheid dezer Nederlandsche dichters is over het algemeen
gering. Hunne verzen zijn weinig verzorgd; telkens komen verzen met drie
heffingen al te lange verzen afwisselen. De rijmen zijn achteloos
behandeld; het aantal assoneerende rijmen in de meeste dezer bewerkingen
is vrij groot, vier gelijke rijmen komen niet zelden voor. Eene
eigenaardigheid des bewerkers van _Reinout van Montalbaen_ is, dat hij
in rijmnood de heiligen te hulp roept: bij het woord _man_ moet _sente
Jan_ te hulp komen; bij _trouwe_: _onse Vrouwe_; bij _huus_: _Jesus_
enz.[24]. Niet alleen het _Roelants-lied_, maar ook de _Lorreinen_, de
_Reinout van Montalbaen_ wemelen van stoplappen; met _Flovent_, _Aubri
den Borgengoen_, _Willen van Oringen_ schijnt het in dezen beter
gesteld. Dat alles, ook de dikwijls kort afgebroken perioden, wijst er
ons op dat wij hier waarschijnlijk met volksdichters, niet met geleerde
dichters (_clercken_) te doen hebben.

Hiervoor hebben wij het vermoeden uitgesproken, dat wij in _Doon de
Mayence_, _Gwidekijn van Sassen_ en de Vlaamsche redactie van _Aiol_ eer
vrije bewerkingen van, uit Frankrijk afkomstige, epische stoffen te zien
hebben dan vertalingen. Met meer recht mag men dit aannemen van _Karel
ende Elegast_. Zelfs meen ik het voor waarschijnlijk te mogen houden,
dat wij hier eene zelfstandige bewerking van een bekende stof
hebben[25]. Bekend was in Frankrijk het verhaal van eene samenzwering,
tegen KAREL DEN GROOTE gesmeed, waartegen een door God gezonden engel
hem waarschuwde. Die engel gelastte den Koning 's nachts te gaan stelen.
Op zijn nachtelijken tocht ontmoet hij een ridder, nu roover geworden,
die hem met de samenzwering bekend maakt. De verraders worden ontmaskerd
en gestraft. In de Latijnsche kroniek van ALBERICUS TRIUM FONTIUM wordt
de kern van dit verhaal vermeld en ook gewag gemaakt van eene
_cantilena_ (lied) waarin deze stof was verwerkt. Ook in eenige
Oudfransche gedichten, vooral den _Renaus de Montauban_ en een werk van
lateren tijd, _le Restor du Paon_, wordt over dit verhaal gesproken. Dat
er behalve het lied over deze stof nog een episch gedicht van eenigen
omvang zou hebben bestaan, is niet bewezen. In allen gevalle is zulk een
episch gedicht niet bekend en kan men dus geen origineel van het
Nederlandsch gedicht aanwijzen. Doch ook al ware bewezen, dat zulk een
Fransch episch gedicht bestaan heeft, wat dan nog? Moet dat dan
noodwendig het voorbeeld zijn geweest van ons verhaal? Kan de
Nederlandsche dichter niet evengoed kennis hebben gekregen van zijne
stof langs den weg der mondelinge overlevering? In tegenstelling met de
meeste Middelnederlandsche gedichten, welke vertaald of bewerkt zijn
naar een uitheemsch gedicht, vinden wij hier nergens melding gemaakt van
een bron, nergens eene uitdrukking als "die boec seit" of iets
dergelijks. Het eenige van dien aard, dat men in ons gedicht vindt, deze
verzen uit den aanhef:

  Wat den coninc daer ghevel,
  _Dat weten noch die menighe wel_

wijst aan, dat het verhaal toentertijd in omloop was; wijst in de
richting van mondelinge overlevering. Er is dus geen afdoende reden om
reeds op grond van de bovenvermelde feiten de oorspronkelijkheid van ons
gedicht onwaarschijnlijk te achten of te ontkennen[26]. Doch er is meer:
de namen ELEGAST, EGGHERIC VAN EGGERMONDE zijn Nederlandsche namen,
waarvan de Fransche overlevering niet weet; ook is het tooneel van ons
verhaal--anders dan in de Fransche vermeldingen--de landstreek rondom
KAREL DE GROOTE'S geliefde verblijfplaats Ingelheim. Bovendien schuilt
in ELEGAST een wezen uit de Germaansche mythologie en is hij blijkbaar
verwant met ALVEGAST (heer der elven), denzelfde die in Frankrijk
AUBERON genoemd werd. Het bezit van een kruid dat, in den mond gestoken,
het vermogen geeft om te verstaan wat hanen kraaien en honden bassen; de
kennis van een tooverspreuk (hier _bede_ genoemd) waardoor hij de
bewoners van een kasteel in slaap brengt, zijn dan ook trekken die men
in Germaansche sprookjes terugvindt[27].

Voor mij zweeft door dit kleine epos, zoo zuiver van gevoel en taal, een
geur van oorspronkelijkheid, die mij, met het oog op bovenstaande
uiteenzetting, weerhoudt van aan vertaling te denken; moet men al denken
aan navolging, dan zeker aan eene die van oorspronkelijkheid niet ver
afstaat.

Wat is hier nog een kinderlijk maar oprecht en sterk geloof in God en
vertrouwen op God! Hoe voelen wij dat geloof in uitdrukkingen als "een
heilich enghel", "d'enghel die van Gode quam", "d'enghel van den
paradise"; in Gods vaderlijke zorg voor den koning die het gezinde van
Ingelheim in vasten slaap houdt, opdat zij niets zullen bemerken van den
nachtelijken tocht; in de vrome gebeden; in dien strijd tusschen
riddereer en geloof, zoo treffend samengevat in dat eene vers: "varen
stelen of God verwerken [Zijnoot: van zich afkeerig maken.]!" Hoe goed
kent de dichter het ridderleven en de ridderzeden: hij strijdt de beide
gevechten mede, hij kent het wapenbroederschap, hij ziet de "witte"
halsbergen; met de inrichting der middeleeuwsche kasteelen en den
wachter die "den dag blaast", is hij blijkbaar vertrouwd. Opmerkelijk is
hier de eerbied voor KAREL DEN GROOTE, "d'edel man" zooals hij telkens
wordt genoemd; treffend de onwankelbare trouw van zijn vazal ELEGAST,
door hem op valsche aantijgingen verjaagd.

Op ELEGAST valt het meeste licht; blijkbaar heeft de dichter voor hem de
sympathie die de "vogelvrije" te allen tijde gevonden heeft; ook
beantwoordt hij aan het ideale type van den vogelvrijen roover: alleen
den rijken ontneemt hij het hunne, bisschoppen, abten en kanunniken
vooral zijn hem een welkome prooi. Hij leeft van _roof_, maar dat
verlaagde hem niet in de oogen van een middeleeuwsch publiek[28]. Dat
publiek zal hem te liever gehad hebben om zijne dapperheid, kracht en
edelmoedigheid in het gevecht, om zijn goedaardigen spot met KARELS
talenten als dief en inbreker.

En hoe goed is het verhaal verteld: vlug, zonder uitweidingen, met
slechts een enkele reflexie over "vrouwenlist", zelden ontsierd door
stoplappen. De komst van ELEGAST wordt in den aanvang op eenvoudige maar
doeltreffende wijze voorbereid door des konings overpeinzing over
"ridders die op aventure" leven[29]; dan zien wij den nachtelijken rit
bij maanlicht door het bosch, de ontmoeting met den dreigenden zwarten
ridder, het tweegevecht, de overeenkomst der kampioenen, de inbraak in
EGGHERIC'S kasteel en zoo gaat de dichter gestadig voort en weet ons te
boeien en met zich te voeren--zooals hij het ook ongetwijfeld meer dan
zes eeuwen geleden zijn publiek zal hebben gedaan.


KELTISCHE, KLASSIEKE EN OOSTERSCHE ROMANS.

Wat onze voorouders in deze romans aantrok, was van anderen aard dan wat
hen zoo gaarne deed luisteren naar de voordracht der Frankische romans.
Met de personages uit die romans voelden zij zich verwant; het leven
daar afgebeeld was min of meer ook hun leven, slechts zagen zij het daar
op grooter schaal en in het licht der poëzie. De Keltische en daarop
gelijkende romans voerden hen in een wereld die hun grootendeels vreemd
was, maar die hen bekoorde, deels door al dat vreemde en
wonderbaarlijke, deels doordat zij hier in overvloed vonden wat zij
begeerden of bewonderden: rijkdom en weelde, hoofsche beschaving,
fijnheid van vormen en omgangstaal.

Het hof te Kamelot was een toonbeeld en leerschool van het hoofsche
ridderwezen; zijn middelpunt: koning ARTUR, de volmaakte ridder;
koningin GENOVERE, louter liefelijkheid en edele schoonheid. Rondom hen
eene glanzende schaar van ridders, getrouwe vazallen, bereid hun leven
voor hun koning te wagen, dapper, hoofsch, wel ter tale. Vrouwen en
jonkvrouwen, bekoorlijk, dartel, plaagziek, wie de minne in het hart en
op de tong lag. Kwam dat adellijk jonkvolk samen, wat hoorde men dan een
levendig spel van woord en weerwoord; van dartele behaagzucht en schalke
veinzerij tegen vurige liefde en ootmoedige toewijding.

Hier zijn de minnaars die met halve woorden spreken, die bleek worden
van aandoening, die om genade smeeken, en jonkvrouwen die zich houden
alsof zij niets gehoord hebben, die haar minnaar wijs maken, dat hij
geslapen heeft. Welk Vlaamsch of Brabantsch edelman had ooit gesprekken
gehoord als dit van POLLIDAMAS en HELENE in den _Roman van Troye_:
HELENE bemerkte wel, dat het POLLIDAMAS ernst was.--Word toch wakker,
POLLIDAMAS! hoor hoe de vogels zingen! Van nacht kunt gij slapen zooveel
gij wilt.--Vrouwe, zegt hij, wie zou zoo onhebbelijk zijn om naast u te
zitten slapen?--Zoo onhebbelijk zijt gij toch geweest! Gij hebt immers
in uw slaap tegen mij gesproken? Hadt gij dat wakend gedaan, dan zou het
u slecht bekomen.--Sliep ik dan?--Ja zeker.--Als gij het zegt, moet het
waar zijn. Maar heb ik in mijn slaap iets miszegd?--Ja gij, maar
onwetend; daarom zal ik het niet in ernst opnemen.--Mag ik zoo vrij zijn
u te vragen, wat ik miszegd heb?--Ja gij: eerst zegt gij tot mij:
"genade!"; toen meende ik dat gij waakte en antwoordde u. Ik vroeg u,
wat u scheelde; ten slotte zeidet ge openlijk: ik heb u lief! Toen ik
die ongepaste woorden hoorde, meende ik dat gij droomde en maakte u
wakker.--Ach, vrouwe, men heeft wel eens meer gezegd: waar het hart vol
van is, daar loopt de mond van over.--

Hier blijft het bij praten, maar gewoonlijk blijft het daarbij niet,
want ook van deze weigerachtige jonkvrouwen en smachtende jonkers gold:
"vuur en stroo dient niet alzoo." In het stroovuur van den hartstocht
blaakt zoo menig dolend ridder voor zoo menige geschaakte jonkvrouw die
hij op zijn weg ontmoet, die hij verlost uit de macht van een of anderen
rooden ridder of afzichtelijken dwerg en die hem verder in zijne
eenzaamheid wat opmontert. Maar wij krijgen ook liefde van beter allooi
te zien: trouwe liefde als die van WALEWEIN voor YSABELE, van FLORIS
voor BLANCEFLOER, van PARTONOPEÜS voor MELIOR; de liefde voor GALIENE
doet wonderen aan den boerenzoon FERGUUT, vormt hem tot een volmaakt
ridder.

Dat de vrouwen in deze romans op den voorgrond treden, is reeds uit het
voorgaande gebleken; duidelijker nog blijkt het, indien men er op let,
hoe de aandacht die vroeger alleen of voornamelijk den man geschonken
werd, nu in beslag wordt genomen door een minnend paar. Wie aan FLORIS
denkt, kan BLANCEFLOER niet vergeten; PARTONOPEÜS herinnert ons MELIOR,
TRISTAN ISOUDE; zelfs de toovenaar MERLIJN wordt door de verleidelijke
VIVIANE in het bosch van Broceliande verstrikt. En wie kan LANCELOT de
bloem der ridderschap noemen, zonder de heugenis te wekken aan zijne
misdadige liefde voor zijne hooge gebiedster GENOVERE?

Dat alles zien wij in deze romans omstraald door den glans der poëzie;
nergens misschien liefelijker dan in den roman van _Lancelot_, waar ons
verhaald wordt hoe LANCELOT gevangen lag in de woning der fee
MORGUEYNE.--Uit zijne gevangenis, door de ijzeren staven voor het
venster, ziet hij in den bloeienden tuin. Twee winters en een zomer zit
hij nu reeds daar. Om de verveling te verdrijven, heeft hij zijne
wapenfeiten op de muren geteekend. In die wemeling van figuren
verschijnt meermalen ééne vrouw--de koningin. Dikwijls gaat hij op haar
beeld toe, kust het op de oogen, op den mond; dan weent en klaagt hij.
De Mei is gekomen; April heeft oorlof genomen. Weer ziet hij de boomen
bloeien, de frissche rozen opluiken, de roode rozen... hij ziet haar
rooden mond. Altijd moet hij aan haar denken. Op een zondag is hij vroeg
opgestaan; de zon schijnt in den tuin. Weer ziet hij de rozen; ééne is
er, pas ontloken--zóó was zij, toen hij haar zag ten tournooi te
Karmeloot. Verlangend de roos te plukken, steekt hij zijn hand uit het
venster, maar de ijzeren traliën houden hem tegen. "Zouden traliën mij
tegenhouden?--Neen!"--met beide handen grijpt hij de twee staven aan;
één ruk... zij zijn gebroken, al hebben zij zijne vingers ontvleescht.
Nu verlaat hij zijne gevangenis, hij kust de roos, hij plukt haar en
legt haar op zijn hart. De poort staat open; hij wapent zich, kiest een
goed ros, zit op en rijdt heen.

Waarheen? Op een der vele tochten ("questen") die deze dolende ridders
ondernemen om iemand of iets te zoeken: een gevangen wapenbroeder, een
wonderbaarlijk zwaard of schaakbord, een sluier of ander ridderteeken.
Waar komen zij, wat zien zij niet op die tochten? In bosschen waar
kluizenaars wonen; aan kasteelen, ingericht met wonderbare pracht, waar
tooverbedden staan die iederen gewonde genezen die er op rust; zij
geraken in strijd met andere ridders die zij als overwonnelingen naar
ARTURS hof zenden, met reuzen, dwergen en toovenaars.

Ook ten oorlog rijden zij. Maar zelfs de oorlog heeft hier fijner vormen
aangenomen; het is niet meer de grimmige ernst van vroeger, maar eer een
tournooi met scherpe wapenen. Grootsche afmetingen neemt de strijd aan
in het laatste deel van ARTUR'S geschiedenis, dat ons herinnert aan den
strijd der Kelten tegen de Angelsaksische indringers. ARTUR'S zoon
MORDRED staat tegen hem in de wapenen; op de vlakte van Salesbiere komt
het tot een grooten strijd. WALEWEIN is vroeger reeds gesneuveld;
LANCELOT heeft zijn Koning verlaten; IJWEIN, de ridder met den leeuw,
ligt met gekloofden schedel neer; van die gansche roemruchte Tafelronde
staan nog slechts een paar den Koning ter zijde; ook zij sneuvelen. De
Koning doodt MORDRED den verrader, maar ontvangt van hem de doodwonde.
Ondersteund door den eenig overgeblevene zijner ridders, GRIFLET, zet
hij zich te paard; zeewaarts rijdt hij; hij voelt zijne krachten
bezwijken. Op zijn last werpt GRIFLET ARTUR'S goed zwaard Excalibur in
een poel; een gewapende hand en arm komt te voorschijn en vangt het
zwaard op. GRIFLET verwijdert zich op 's Konings bevel. Van een
heuveltop ziet hij uit zee een schip aankomen, waarin vrouwen zijn
gezeten; ARTUR'S zuster, de fee MORGUEYNE, is onder hen. Met paard en
wapenrusting treedt de Koning in het schip en de trouwe dienaar verliest
hem weldra uit het oog.

Geheimzinnig als ARTUR'S afscheid van deze wereld, doch omstraald met
hooger licht is de heilige Graal, waarnaar zoo menig dapper ridder der
Ronde Tafel te vergeefs heeft gezocht; niet weggelegd voor LANCELOT noch
WALEWEIN, die besmet zijn met onkuischheid, doch dat PERCEVAL'S zoon, de
reine GALAÄD, eindelijk zal winnen. Ook in de geschiedenis van den Graal
zien wij den invloed, op de oorspronkelijke Europeesche godsdiensten
geoefend door het Christendom, dat deze verdrongen heeft. Een
tooverketel die drommen van ridders kon spijzigen, kwam reeds in de
Keltische mythologie voor; het Christendom verving dien ketel door een
schotel, later een beker (_gradale, graäl_ is een Romaansch woord voor
_schotel_), waarvan Christus zich bediend had bij het Laatste Avondmaal.
De heilige lans waarvan bloed afdruppelt, eveneens in de Keltische
mythologie bekend, werd gekerstend tot de lans van LONGINUS. Ook de
Graalburcht met den koninklijken visscher (le Roi Peschéor) wordt in
Keltische verhalen teruggevonden. Geheimzinnig en wonderbaar is de graal
reeds in CRESTIEN DE TROYE'S _Conte del Graal_ (omstreeks 1175).
PERCEVAL, in den Graalburcht aan tafel gezeten, ziet een page
binnentreden die een blanke lans draagt; bloed vloeit van de spits tot
de hand van den drager. Daarna komen twee pages met kroonluchters; dan
een jonkvrouw met een gouden schotel, kostbare steenen sieren hem. Zóó
verblindend een glans straalt van dien schotel af, dat het licht aller
kaarsen in de zaal verdoofd wordt. Bij ROBBERT DE BORRON, wiens werk
door MAERLANT vertaald werd, is de Graal de Avondmaalsbeker[30]. En zoo
blijft hij het heilig vaatwerk dat gansche scharen kan sterken, maar met
het brood des levens.

Een aantal dezer romans zijn in hun geheel of gedeeltelijk tot ons
gekomen. Het zijn verhalen over de lotgevallen van _Lancelot,_,
_Percevael_, _Walewein_; de romans _van Ferguut_, _van Torec_, _van den
Graal_ en _van Merlijn_; de roman _van Alexander_ en die _van Troje_;
eindelijk de verhalen _van Floris en Blancefloer_ en _van Partonopeus en
Melior_.

Over de romans _van Merlijn_, _van den Graal_ en _van Torec_, evenals de
roman _van Alexander_, bewerkt door MAERLANT, spreken wij later.

Onder den naam: _roman van Lancelot_, is tot ons gekomen een groot werk
dat reeds vroeger als eene compilatie van onderscheidene zelfstandige
werken door LODEWIJK VAN VELTHEM was erkend, en welks deelen men
langzamerhand beter leert kennen[31]. Wij vinden hier 1o een groot werk
waarvan LANCELOT de hoofdpersoon is, dat slechts gedeeltelijk tot ons is
gekomen, 2o de _Graalqueste_ en 3o _Artur's dood_. Voorts hebben wij,
blijkens deze compilatie, zelfstandige bewerkingen gehad van CRESTIEN DE
TROIE'S _Percevael_, van de _Wrake van Ragisel_, een _Walewein-boek_,
een roman _van den Ridder metter mouwen_ en de vertaling van een paar
Fransche fabliaux uit dezen kring van verhalen[32].

De inhoud van al deze romans wordt vrij wel weergegeven door dit viertal
verzen uit den proloog van den _Lancelot_ (II, 11-14):

  Ghi sult hier horen scone die jeesten [Zijnoot: verhalen.]
  Bede van rouwen ende van feesten,
  Van ridderscape groote daet,
  Van selsieneheden [Zijnoot: vreemde dingen.] menich baraet [Zijnoot:
  bedrieglijk spel.].

In den _Lancelot_ vinden wij vele "wandele" of "dolende" ridders.
Opmerkelijk is ook de plaats die de allegorie hier inneemt. Wij treffen
hier o.a. reeds "'t wiel van avonturen" aan. Ook vrouw VENUS, die "den
boom der minnen" in het harte der menschen plant; deze boom heeft
twintig telgen: de eerste telg draagt "melthede", de tweede
"oetmoedechede", de derde "sin ende wijshede" enz. Vooral in het derde
deel, dat de vertaling bevat van de _Queste van den Grale_, vinden wij
veel allegorie: zoo b.v. een grafsteen die de "hertheid van ertrike"
voorstelt; de weg ter linkerhand is de weg der zondaren; zeven ridders
zijn de zeven hoofdzonden; de tafelronde is de wereld; de oude en de
nieuwe wet worden voorgesteld door eene vrouw op een serpent en eene op
een leeuw gezeten[33].

De roman _van Ferguut_ heeft naar den inhoud iets eigens. FERGUUT immers
is de zoon van een rijken dorper, wiens vrouw echter met den adel is
vermaagschapt. Terwijl hij achter den ploeg loopt, komen eenige gezellen
der Ronde Tafel, die op een wit hert jagen, voorbij. Verlangen om te
worden als zij bevangt den jongen dorper. In een armelijke wapenrusting
trekt hij naar ARTUR'S hof--evenals AIOL naar het hof te Parijs. ARTUR
geeft hem den ridderslag. Hij trekt uit op avontuur, ziet de schoone
GALIENE en wordt onder den invloed van de liefde tot haar langzamerhand
een volmaakt ridder. Deze boerenzoon die ridder wordt en beschaafd door
den invloed der liefde, is een type dier eeuw: type van den nieuwen adel
uit de gemeenten gevormd door den landsheer; van de gemoedsontwikkeling
der moderne volken onder den invloed der liefde.

Doch overigens is ook deze roman gelijk aan alle overige: ridder KEYE,
ARTUR'S drossaart, een half komisch half verachtelijk personage, bespot
den boerenzoon; FERGUUT overwint ridders, bevecht eene reuzin, neemt
deel aan het beleg van eene stad enz.

Iets eigens hebben ook de romans van _Floris en Blancefloer_ en van
_Partonopeüs en Melior_. In beide staat de liefde op den voorgrond, de
avonturen--hoe talrijk en wonderbaarlijk ook--op den achtergrond. Maar
in den eersten roman zien wij die liefde in een paar kinderen die samen
opgroeien: een heidensch prinsje en een christelijke gravendochter. Door
de ouders van FLORIS gescheiden, komen zij na tal van boeiend vertelde,
met naïeve kunst fraai beschreven, avonturen weer samen; FLORIS wordt
Christen en trouwt BLANCEFLOER. Later worden zij de grootouders van
KAREL DEN GROOTE.

In het tweede verhaal hebben wij de bewerking van eene dergelijke stof
als die van AMOR en PSYCHE. Een hooggeboren jong edelman, PARTONOPEÜS
VAN BLOIS, op jacht verdwaald, wordt door een tooverschip naar een
geheimzinnig prachtig kasteel gevoerd. Door onzichtbare handen bediend,
gaat hij na den maaltijd rusten. In het donker vlijt eene jonkvrouw zich
naast hem neer. Hij mag nimmer eene poging aanwenden haar gelaat te
zien, dan zal zij hem later trouwen. Hij verbreekt zijne gelofte en
daarmede hunne verhouding. Na eene scheiding van een paar jaren, waarin
PARTONOPEÜS half waanzinnig rondzwerft, komen de gelieven weer samen. De
geheimzinnige minnares blijkt de dochter van den Keizer van
Constantinopel te zijn. Dat er een huwelijk volgt en PARTONOPEÜS Keizer
van Constantinopel wordt, spreekt vanzelf.

Het bont en liefelijk spel van minne heeft in deze beide romans een
historischen achtergrond: de nauwe aanraking tusschen Europa en het
Oosten in den tijd der Kruistochten, aanraking ook tusschen Christendom
en Heidendom; zegepraal van het eerste over het laatste, blijkbaar
zoowel in de kerstening van FLORIS als in de kroning van PARTONOPEÜS.
Elkanders tegenbeeld zijn deze romans o.a. door de verschillende wijze
waarop de rollen van Christen en Heiden over de beide paren verdeeld
zijn.

Blijkbaar zijn er, behalve de bovengenoemde, nog andere werken van deze
soort te onzent bekend geweest. MAERLANT maakt nog melding van: _Tristan
en Isoude, Octaviaan, Madocs droom, Amadas en Ydoine_[34]. Al zijn ons
geene Nederlandsche bewerkingen dezer romans bewaard gebleven, er
bestaat toch voldoende reden om ze, met het oog op de oorspronkelijke
werken, hierbij te voegen. Want--wij stipten het reeds aan--men mag ter
wille van een beter overzicht wel spreken van Keltische of
Britsch-Fransche, Klassieke en Oostersche romans; doch in waarheid zijn
al deze werken voortbrengsels van denzelfden geest. Ten deele zal dat
reeds uit het voorgaand overzicht gebleken zijn. Het blijkt opnieuw,
indien men er op let, hoe weinig al deze werken onderling verschillen.
Wat voor klassieks hebben die zoogenaamd klassieke romans? Niets dan de
namen van plaatsen en personen; voor het overige gelijken zij volkomen
op de andere romans. Grieken en Trojanen, mannen zoowel als vrouwen,
gevoelen, denken en spreken als middeleeuwsche Franschen, zijn gekleed
en gewapend als zij. Het Oostersche van de zoogenaamd Oostersche romans
ligt voornamelijk in het tooneel der handeling; er bestaat geen verschil
tusschen PARTONOPEÜS en PARIS, tusschen BLANCEFLOER en een of andere
Trojaansche jonkvrouw of weer tusschen deze en GALIENE of dergelijke
heldinnen uit een Keltischen roman.

De vier door MAERLANT vervaardigde bewerkingen zijn niet lang na het
midden der 13de eeuw gedicht (tusschen 1257 en 1264), de overige worden
door hem in onderscheidene zijner werken genoemd en zullen dus wel
tenminste zoo oud zijn als die vier, doch waarschijnlijk, tenminste ten
deele, nog wel tot de eerste helft der 13de eeuw behooren.

Ook hier is weer de voorname vraag, die ons moet bezig houden, deze:
welke waarde hebben de Nederlandsche bewerkingen dezer oorspronkelijk
Fransche romans? Hoe hebben de vervaardigers dier bewerkingen hunne taak
opgevat en uitgevoerd?

De Lancelot-compilatie biedt ons weinig gelegenheid om dat na te gaan;
zoolang wij de onderscheiden werken, welke door VELTHEM zijn vereenigd,
niet in hun oorspronkelijken vorm bezitten, kunnen wij bezwaarlijk
uitmaken, wat van den oorspronkelijken Nederlandschen bewerker, wat van
den compilator is. Naar het schijnt, heeft de bewerker van den
eigenlijken Lancelot-roman zijn voorbeeld vrij letterlijk gevolgd[35].
Dat het godsdienstig element op menige plaats zooveel sterker is dan in
den Franschen roman, moet misschien op rekening van VELTHEM worden
gesteld. Of men hem ook de platte vergelijking moet toeschrijven van een
bloedenden ridder bij een rund dat geslacht wordt, is moeilijk uit te
maken[36]. Ook het duizendtal verzen dat wij van den roman _van
Percevael_ in zijn oorspronkelijken vorm bezitten, geeft dien indruk van
nauwe aansluiting bij het oorspronkelijke. De bewerker schijnt slechts
hier en daar een opmerking van moralizeerenden aard ingevoegd te
hebben[37].

Op vaster grond staan wij bij de bewerking van den _Ferguut_. Het is
mogelijk doch niet waarschijnlijk, dat wij deze bewerking te danken
hebben aan twee dichters, waarvan de tweede zijn werk bij vs. 2593 zou
hebben begonnen. Doch in allen gevalle bestaat er geen reden, om het
eerste deel der bewerking tegenover het tweede te stellen als het werk
van een "hoofsch" tegenover dat van een "dorper" dichter; beide deelen
der Nederlandsche bewerking ademen volkomen denzelfden geest die zeker
eer dorperlijk dan hoofsch moet genoemd worden[38]. De dichter van den
Franschen roman _Fergus_ was blijkbaar een bewonderaar van CRESTIENS DE
TROIES. De Nederlandsche bewerker moet dat eveneens zijn geweest; in het
Fransche oorspronkelijk gedicht wordt de naam van GALIENE'S kamenier
niet genoemd; in de Nederlandsche bewerking heet zij LUNETTE, een naam
dien de Nederlander waarschijnlijk had leeren kennen uit CRESTIENS'
_Ivain_, waar de kamenier van IVAIN'S minnares denzelfden naam
draagt[39].

De oorspronkelijke Fransche roman bevat goede of bevallige poëzie en de
Nederlandsche bewerker heeft daarvan vrij wat weten te behouden. Zoo
zijn b.v. de liefdesoverpeinzingen van GALIENE goed door hem
weergegeven. Op een enkele plaats heeft hij de levendigheid van het
oorspronkelijke verhoogd door den dialoog uit te breiden. Doch daarmede
is dan ook gezegd, wat ten gunste dezer bewerking gezegd kan worden.
Kenschetsend is wat hij overigens heeft gewijzigd, weggelaten of
ingevoegd. Er is iets goedmoedigs in de herhaalde vertaling van _vilain_
door _vrient_; de zedigheid van den bewerker toont zich, waar uit de
opsomming van GALIENE'S bekoorlijkheden de "mamelettes comme pumetes
[Zijnoot: appeltjes.]" zijn verdwenen[40]. Had hij maar niets
gewichtigers weggelaten. Doch men vergelijke de beschrijving der jacht
in het oorspronkelijke bij die in het Nederlandsche verhaal. Duidelijk
blijkt dan dat de bewerker, anders dan de dichter, die hertenjacht in
het bosch niet heeft _gezien_; niet gezien "hoe de Koning gaat staan in
de stijgbeugels om zijne jagers te roepen"; niet gehoord hoe "de
bosschen weergalmen van de jachthorens"; niet opgemerkt "het hijgen en
woelen" van het uitgeput hert en hoe het, verdronken in de rivier, komt
bovendrijven met "den gezwollen buik, stijfstaand van het ingezwolgen
water"[41]. Tal van platte uitdrukkingen zijn door den bewerker
ingevoegd; zoo zegt hij b.v. van FERGUUT die als boerenzoon schrikt voor
Koning ARTUR en zijne ridders: "Hi stont ende sweette als een das";
iemand iets betaald zetten, drukt hij uit met: iemand iets "aen sijn
cleet wriven" of iemand "sijn vel verwarmen". FERGUUT blijft te lang weg
van zijne minnares; "een vrouwenhart is niet van staal", waarschuwt de
Nederlandsche dichter, en: "zijne rapen zouden wel eens kunnen
aanbranden"[42].

In zijn ijver om GALIENE te verheffen overschrijdt de bewerker de
grenzen van tact en kieschheid; zoo waar hij het doet voorkomen dat
GENOVERE niets was in vergelijking van GALIENE en waar hij Koning ARTUR
tot GALIENE doet zeggen: "ware GENOVERE dood, ik nam u tot vrouw".

Er zou wel meer te noemen zijn dat van den bewerker afkomstig is: eene
uitweiding over het karakter der liefde en een licht komisch glimpje
hier en daar o.a. in een spottend verkleinwoord[43]. Doch noodig is dat
niet om op grond dezer bewerking het vermoeden uit te spreken, dat deze
bewerker een zedig man zal zijn geweest, die wel eenig talent bezat,
doch wien het ontbrak aan eene eenigszins levendige verbeelding en aan
de gewenschte fijnheid van gevoel.

Meer talent dan uit de bewerking van den _Ferguut_ blijkt ons uit die
van den _Partonopeüs_, waarvan groote fragmenten (meer dan 8000 verzen)
tot ons zijn gekomen[44]. Dat deze bewerker onvoldoende kennis toont van
ridderlijke kleeding en riddergebruik, raakt de aesthetische waarde
zijner bewerking niet van nabij. Wel, dat hij hier het dramatisch
element heeft verzwakt, daar het parallellisme van eenige mooie verzen
heeft voorbijgezien of niet kunnen weergeven. Hij heeft den zinnelijken
hartstocht hier en daar eenigermate getemperd; in overeenstemming
daarmede is, dat hij het godsdienstig element versterkt en o.a. de
vergelijking van MELIOR bij de maagd MARIA heeft weggelaten. Doch van
meer gewicht dan dat alles is, dat hij op verscheidene plaatsen zijner
bewerking toont dichter te zijn. Hij moge onbekend zijn met de namen van
sommige kleedingstukken, met sommige gebruiken bij het geven van den
ridderslag en het houden van een tournooi--aan _gevoel_ voor deze dingen
ontbreekt het hem niet. Anders dan de bewerker van den _Ferguut_ heeft
hij de jacht van PARTONOPEÜS op een wild zwijn blijkbaar wel voor oogen;
hij voegt er zelfs een paar aardige trekjes aan toe: hij ziet den
jachthond aan de "leise" (zeel), ziet hoe de honden met de oogen den
ever volgen. In een troepje ridders dat komt aanrijden, heeft hij
blijkbaar behagen:

  scone gewapent quamen si echt [Zijnoot: achteraan.],
  scilt ane hals ende spere gerecht,
  helm op 't hovet, baniere gebonden,
  ende neder totter hant ontwonden.

Elders voegt hij een aardig beeld in; om uit te drukken dat
menschen zich zelven ongeluk zouden berokkenen, zegt hij:

  Dus souden wi die roede houwen
  daer men ons soude mede blouwen [Zijnoot: slaan.],

Fraaie verzen of brokken van het oorspronkelijk gedicht zijn niet zelden
door even fraaie Nederlandsche weergegeven[45].

Hooger dan de _Partonopeüs_, het hoogst misschien van al deze
bewerkingen, staat DIEDERIC VAN ASSENEDE'S _Floris ende Blancefloer_.
Dat deze dichter er in geslaagd is, het liefelijk en schoon Fransch
gedicht om te werken tot een zoo bekoorlijk en mooi Nederlandsch berijmd
verhaal, moet toegeschreven worden vooral aan zijne idealistische
opvatting der liefde. Het zaad der edele minne, afkomstig uit verhalen
als _Tristram en Isoude_, _Paris en Helena_ en andere werken der
hoofsche minne-epiek, was bij hem in goede aarde gevallen: geen
dorperlijk gemoed--hij besefte het--kon de edele minne op den rechten
prijs stellen; niet voor dezulken schrijft hij, maar voor clercken,
leeken en hoofsche vrouwen die de liefde bij ervaring hebben leeren
kennen[46]. Gemakkelijk viel hem zijn taak niet; zij viel hem zuur,
zooals hij ons zelf zegt; met passen en meten verdietschte hij het
"walsch":

  men moet corten ende lingen
  die tale, salmen se te rime bringen.

en zijne soms onwelluidende of buitensporig lange verzen, zijne
worsteling met de taal hier en daar getuigen daarvan[47]. Doch
daartegenover staat, dat zijn werk op menige plaats de vergelijking met
zijn voorbeeld veilig kan doorstaan; dat die deelen van het werk welke
door hem zijn uitgebreid of waarin hij meer zelfstandig te werk gaat,
beter zijn dan de overige; dat over het algemeen de naïeve bevalligheid
van het oorspronkelijk gedicht door hem is gevoeld en op voortreffelijke
wijze in zijn dietsch weergegeven.

Vermoedelijk eenigen tijd vóór DIEDERIC VAN ASSENEDE (c. 1220) heeft een
Duitsch dichter, KONRAD FLEKE (FLECK), hetzelfde Fransche gedicht in
zijne moedertaal bewerkt. In sommige opzichten, vooral in
gemoedsontwikkeling, staat FLEKE boven DIEDERIC; daarentegen heeft deze
de oorspronkelijke stof niet verwaterd zooals de Duitscher, die de 3000
Fransche verzen in 8000 Duitsche heeft overgezet en door zijne
wijdloopige reflexies het verhaal in zijn gang belemmerd[48].

Wanneer wij ten slotte eene voorstelling trachten te verkrijgen van de
kunstvaardigheid dezer bewerkers, voorzoover die zich openbaart in het
bouwen van verzen en het vinden van rijmen, dan wordt ons dat moeilijk
gemaakt door den toestand waarin o.a. de romans der Lancelot-compilatie
tot ons zijn gekomen. Rekening houdend met dien stand van zaken, zijn
wij geneigd aan te nemen: dat de verzen dezer romans over het algemeen
ten minste zoo goed als die der Frankische romans, en dat de stoplappen
minder talrijk zijn. Assoneerende rijmen vindt men o.a. in de romans
_van Ferguut_ en _van Partonopeüs_. Daar, evenals in den _Walewein_ en
den _Moriaen_, treft men vrij wat voorbeelden aan van het zoogenaamd
_rime riche_ (gelijke klank bij verschil van beteekenis of van functie),
zoowel waar het geoorloofd als waar het ongeoorloofd was. Het
eigenaardig soort van rijm, dat wij in den _Renout van Montalbaen_
aantroffen, waar steeds een of andere heilige in den rijmnood moet
voorzien, vinden wij in den _Ferguut_ terug[49].

Zooals onder de Frankische romans o.a. de _Aiol_ den overgang vormt van
de vertalingen op een waarschijnlijk zelfstandig werk als _Karel en
Elegast_, zoo staat hier de bewerking van _Floris en Blancefloer_
tusschen de vertaalde romans en een paar werken die mij voorkomen
zelfstandig te zijn: _Moriaen_ en _Walewein_.

Ook de roman _van Moriaen_ is ons bewaard gebleven in de
Lancelot-compilatie, doch schijnt slechts weinig onder VELTHEM'S handen
te hebben geleden en nagenoeg in zijn oorspronkelijken vorm tot ons te
zijn gekomen[50]. Zelfstandig en eenigermate oorspronkelijk mag deze
roman heeten, aangezien er geen origineel bestaat. Ook de hoofdpersoon,
een Moor, die voorgesteld wordt als een zoon van PERCEVAEL, schijnt
oorspronkelijk[51]. Doch daarmede houdt de oorspronkelijkheid op. De
zelfstandigheid van den schrijver bestaat hierin, dat hij eenige, uit
andere Britsch-Fransche romans bekende, elementen heeft vereenigd tot
een nieuw geheel, dat niet zonder verdienste is ten opzichte van taal en
versbouw, doch overigens niets eigens noch veel kunstvaardigheid toont.
Een overwonnen ridder die door zijn overwinnaar naar ARTUR'S hof wordt
gezonden, tweegevechten, een jonkvrouw door een edel ridder uit de
handen van een snoodaard verlost, bevrijding van den eenen
tafelronde-gezel door een anderen, strijd met een monster, beleg van een
sterk kasteel--dat alles behoort tot het vaste materiaal waaruit deze
romans werden samengesteld.

Bovendien heeft de dichter gedurig den roman _van Karel en Elegast_ voor
oogen gehad; op verscheidene plaatsen kan men zelfs woordelijke
navolging opmerken[52].

Zelfstandige verwerking van motieven die men uit andere romans had
leeren kennen, schijnt ook de roman _van Walewein_, waarvan door den
dichter PENNINC ongeveer 7800 verzen werden gedicht en die met 3300
verzen door PIETER VOSTAERT werd voltooid[53]. Hier wordt ons verteld
van onderscheidene "questen", door WALEWEIN volbracht. Een prachtig
schaakbord, in koning ARTUR'S zaal verschenen en weer verdwenen, doet
WALEWEIN zijn eersten tocht aanvangen. Het schaakbord blijkt te behooren
aan koning WONDER; deze wil WALEWEIN het kleinood afstaan, indien hij
daarvoor het wonderzwaard met de twee ringen krijgt, dat koning AMORAEN
bezit. Een nieuwe zoektocht begint. Koning AMORAEN wil het zwaard
slechts geven in ruil tegen de schoone IJSABELE, koning ASSENTIJN'S
dochter. Op nieuw trekt WALEWEIN uit. Prins ROGES, lotgenoot van
JOZEF-HIPPOLYTUS, door eene booze stiefmoeder in een vos herschapen,
wijst hem den weg naar ASSENTIJN'S burcht. WALEWEIN wint IJSABELE, ook
haar hart, en trekt terug naar koning AMORAEN. Deze redt hem uit de
moeilijkheid eener keuze tusschen IJSABELE en het wonderzwaard door te
overlijden. Voort gaat de reis naar koning WONDER, die WALEWEIN het
schaakbord geeft in ruil tegen het zwaard, en ten slotte naar koning
ARTUR die zijn schaakbord ontvangt.

Deze voornaamste avonturen zijn aangevuld met tal van andere minder
belangrijke, zooals ze in deze romans plegen voor te komen.

Reeds vroeger spraken wij van het wonderbed dat de zwaarste wonden
geneest; ook vinden wij hier een wonderboom in den lusthof van YSABELE
en een gloeiende rivier rondom den burcht van koning ASSENTYN, om van
den betooverden prins te zwijgen[54]. Zulke zaken vindt men eveneens in
andere romans van deze soort. En zij zijn hier niet het eenige van dien
aard. Een schaakspel dat vanzelf speelt, komt voor in de geschiedenis
_van Peredur (Perceval)_; daar ook de vermelding van het "Castle of
Wonders" of "van den wondere dat casteel" zooals het in den roman _van
Lancelot_ genoemd wordt. Ook de bron der jeugd, waarvan hier verhaald
wordt; de smalle brug, scherp als een scheermes; de onderscheidene
tafels, waaraan verschillende leden eener hofhouding middagmalen, zijn
ons van elders bekend[55].

Deze elementen zijn door beide bovengenoemde dichters vereenigd tot een
geheel; want eenheid is er, al is zij niet van hooger orde dan die in
het bekende sprookje:

  Toen ging hij naar de Galg:
  "Galg, wil jij Man hangen?
  "Man wil niet Os dollen,
  "Os wil niet water slobberen
 ...
 ...
  Ja, zei Galg.
  En Galg hing Man,
  En Man dolde Os
  En Os slobberde water
    enz.

Of deze roman uit denzelfden tijd is als de overige van deze soort, valt
moeilijk te beslissen. MAERLANT en JAN VAN HEELU kennen blijkbaar wel
verhalen over _Walewein_; of zij echter het oog hebben juist op dezen
roman[56]? Met het oog op het gevoel voor het ridderwezen, dat hier vrij
sterk is, op het geringe komisch element en op de godsdienstige tint die
over het gansche werk, vooral over dat van PENNINC, ligt, zou ik geneigd
zijn dezen roman in allen gevalle tot de 13de eeuw, en eer tot de eerste
helft daarvan dan tot de tweede te brengen. Ook de taal en het vrij
groot aantal assoneerende rijmen schijnen ons daartoe recht te
geven[57].

De ridderschap met hare hoog-zedelijke idealen, met haar macht en haar
praal, met de fijnheid van hare vormen heeft de gemoederen van velen
hier te lande aangetrokken, beheerscht of bekoord. De poëzie, uit dat
ridderwezen en ridderleven geboren, heeft vooral den adel, maar
waarschijnlijk ook de aanzienlijke en gegoede burgerij behaagd. Toch kan
de indruk, door de ridderschap in haar streven en doen op ons volk
gemaakt, niet zoo heel sterk zijn geweest.

Het feit alleen dat de ridderpoëzie zich te onzent ontwikkelde onder den
invloed der Fransche ridderpoëzie, kan niet volstaan om die bewering te
staven. Immers, ook in de overige landen van West-Europa was dat het
geval. Doch--en dat feit weegt zwaarder--de volksziel nam hier te lande
het ridderwezen niet zóó gretig in zich op, werd daardoor niet zoo
krachtig bevrucht, dat uit die bevruchting een zelfstandige nationale
ridderpoëzie werd geboren; eene _eigen_ ridderpoëzie, gelijk de
Duitschers er eene bezitten in de werken van GOTTFRIED VON STRASSBURG,
HARTMANN VON AUE, WOLFRAM VON ESCHENBACH en het nationaal-ridderlijk
epos van _Nibelungen_ en _Gudrun_.

Waar wij den geest der Nederlandsche dichters in de door hen vertaalde
of nagevolgde werken kunnen waarnemen, daar zien wij naast gevoel voor
het ridderwezen in zijne onderscheidene uitingen, ook vroomheid en
zedigheid die slechts matige sympathie koesteren voor de ridderidealen:
die den hartstocht temperen, de kieschheid ontzien, moralizeerende
opmerkingen invoegen; voorts merken wij niet zelden gemis aan
verbeelding op. Opmerkelijk is, dat de eenige Frankische roman, dien wij
voor een oorspronkelijk werk mogen houden, hooger staat dan de twee
zelfstandig bewerkte Keltische romans. _Karel en Elegast_ staat niet
veel lager dan de beste "Chansons-de-geste" uit den nationalen cyclus;
_Moriaen_ en _Walewein_ veel lager dan de beste Fransche romans van den
uitheemschen cyclus. Het ridderwezen in zijne eerste periode, die zich
afspiegelt in de Frankische romans, heeft--zou men zeggen--sterker
indruk gemaakt op het Nederlandsche volk en er meer sympathie gevonden,
kon dus ook beter door hen vertolkt worden, dan dat der volgende
periode, toen liefde, maar vooral zinnelijke liefde, hoofsche
bevalligheid en fijne vormen overheerschend waren.

Maar hoe ook, het ridderwezen heeft op de ontwikkeling van ons volk
ongetwijfeld invloed geoefend. De uit dat ridderwezen geboren poëzie
heeft de ridderlijke idealen onder deze volken helpen verbreiden. Die
idealen en die poëzie hebben er deels ingang gevonden, deels hebben zij
afkeer gewekt en verzet doen ontstaan. Ook vonden zij, onder
geestelijkheid en gemeenten, stroomingen der geesten, die, zoo zij al
niet tegen den geest der ridderschap indruischten, dan toch in eene
andere richting gingen. Dat verzet en die stroomingen in andere richting
vragen nu onze aandacht.



AANTEEKENINGEN

[1] De hier geraadpleegde werken zijn o.a. doch vooral: LA CURNE DE
SAINTE PALAYE, _Mémoire sur l'ancienne Chevalerie_; L. GAUTIER, _La
Chevalerie_; A. SCHULZ, _Das höfische Leben zur Zeit der Minnesinger_;
MOLL, a.w. II, 4, 235.

De geschiedenis van het ridderwezen in Nederland--aanlokkelijke maar
zware taak--moet nog geschreven worden. Dr. J. TE WINKEL gaf een vlijtig
bewerkte studie: _Het kasteel in de XIIIe eeuw_, later omgewerkt tot:
_Het Ridderwezen geschetst volgens de ridderromans_. Maar het blijft de
vraag, in hoeverre onze, meerendeels vertaalde, ridderromans hier als
bronnen mogen dienen.

[2] De voornaamste uitkomsten van het wetenschappelijk onderzoek zijn
hier zoo beknopt mogelijk samengevat, voorzoover noodig is om de
Nederlandsche ridder-poëzie beter te begrijpen. Wat nog ontbreekt, zal
verderop zijne plaats vinden. Ik maakte bij de samenstelling van dit
overzicht gebruik van de algemeen bekende werken van GASTON PARIS
(_Histoire poétique de Charlemagne_); L. GAUTIER, _Le Epopées
Françaises_ (2e éd.); PIO RAJNA, _Le origini dell'epopea francese_; K.
NYROP, _Den oldfranske heltedigtning_. Ik volgde vooral NYROP en de
auteurs in PETIT DE JULEVILLE'S _Histoire_, I, 49-344.

Van NYROP'S werk verscheen eene Italiaansche vertaling met belangrijke
aanteekeningen van EGIDIO GORRA. (Torino, 1888). De oudere literatuur
(tot 1887) over de Keltische gedichten bij TE WINKEL. Daarbij moet
gevoegd o.a.: _Studies on the Legend of the Holy Grail_ by ALFRED NUTT
(1888) en de scherpe doch billijke en opbouwende critiek op NUTT'S werk
door Prof. H. ZIMMER in _Gött. gel. Anzeigen_ (1890); _Studies in the
Arthurian Legend_ by JOHN. RHŶS. (1891). Zie voorts de literatuur bij
PETIT DE JULEVILLE a.w. I, 49 suivv.; vooral ook de inleiding op W.
FOERSTER'S _Der Karrenritter_ (LANCELOT). Halle. NIEMEYER. 1899.

[3] Vgl. PIRENNE a.w. 167, 368-9; JONCKBLOET, I, 113 (noot).

[4] Vgl. TE WINKEL, p. 79-83 en J. STECHER, _Hist. de la Litt. Néerl._,
p. 21 suivv.

[5] JONCKBLOET heeft het eerst de aandacht op deze bewijsplaatsen
gevestigd. Vgl. o.a. zijne _Gesch. der Ned. Lett._, I, 140 vlgg.; 289
vlgg.

TE WINKEL heeft deze bewijsplaatsen nog vermeerderd in zijn _Maerlant's
Werken_, (2e druk), bl. 402-408.

[6] _Leven van Sinte Lutgart_ (ed. VAN VEERDEGHEM), II, 39-57. Vgl. ook
de plaats uit _Van den Levene ons Heren_ die later vermeld zal worden.

[7] _Acta Sanctorum Junii_, III, p. 242-3: "in quadraginta annis, quibus
postea inter socias Gallicas vixit, tantum vix sermonis Gallici
addiscere potuit, ut panem recto modo Gallice peteret, cum esurivit."
_Leven van Sinte Lutgart_, II, 461 vlgg.

S. LUTGART stierf in Aquiria (Aiwières) in 1246.

[8] De namen der pairs staan niet alle vast. Zie daarover L. GAUTIER in
zijne voortreffelijke uitgave der _Chanson de Roland_, p. 30-31 (in de
aanteekeningen).

[9] Waar geen ander werk wordt opgegeven, verwijs ik voor de hier
behandelde fragmenten naar mijne _Mnl. Epische Fragmenten_. Daar ook
vindt men de bespreking der hss., der verhouding tot het origineel enz.

[10] _Spiegh. Hist._, IV, 1, c. 29, vs. 73-76.

[11] Uitgave van Dr. J.C. MATTHES. (Groningen. WOLTERS. 1875).

[12] Zie de samenvatting der uitkomsten van MATTHES' onderzoek, p.
XXXVII zijner Inleiding, waarbij echter veel onzekers.

[13] Vergelijkt men de Mnl. bewerking met het _Volksboek_ (ed. MATTHES),
dan blijkt dat ongeveer 25 bladzijden van het _Volksboek_ overeenkomen
met de 2000 verzen der fragmenten; volgens die berekening zou het
gansche Mnl. gedicht meer dan 14000 verzen hebben geteld, daar het _V._
184 bladzijden telt.

[14] Uitgegeven door Prof. J. VERDAM in _Tijdschrift voor Ned. T. en
Lett._, II, 209 vlgg.

[15] Te laat om een zelfstandig onderzoek te kunnen instellen, bemerkte
ik, dat SUCHIER dat deel der _Lorreinen_ hetwelk niet te vinden is in
het Fransch voor oorspronkelijk Nederlandsch houdt, terwijl G. HUET het
aan een verloren Fransch werk ontleend acht.

De degelijke en scherpzinnige onderzoekingen van den laatsten geleerde
over dit onderwerp zijn gepubliceerd: _Romania_, XXI, 361 suivv. en
XXXIV, 1 suivv. De zienswijze van SUCHIER in zijne _Gesch. der Franz.
Lit._ (1900), p. 45.

[16] _Scaerdelijn_ ziet er uit als eene afleiding van _scaert_
(_scaerde_). Zie o.a. _Karel ende Elegast_, vs. 413 de "scaerde ende
vlegghen" in de helmen.

[17] Zulke duels komen in de Oudfransche epische poëzie meermalen voor.
Zie o.a. Pio RAJNA, _Le Origini_, p. 402.

[18] Eene collatie van het hs. gaf ik later in _Tijdschr. v. Ned. T. en
Lett._, IXe jaarg., p. 166, 189.

Zonderling is, dat MAERLANT hem noemt: "Winechkijn, der Sassen here";
zie: _Spieghel Historiael_, III, 8, c. 86, vs. 3.

[19] Met terugneming van hetgeen ik vroeger (_Tijdschr. v. N.T. en L._,
IX, 166) heb gezegd, geloof ik nu dat met _El'e_ of _Es'e_ in het hs.
Elegast bedoeld is.

[20] Ter bepaling van den ouderdom steunde ik vooral op vermeldingen als
die van MAERLANT, in verband met den ouderdom van het oorspronkelijk
gedicht, dien van het hs. der Nederl. bewerking, ook den geest van het
gedicht en dien der bewerking. Overigens verwijs ik voor dit deel van
mijn verhaal naar mijne _Middelnederlandsche Epische Fragmenten_ en de
vroeger aangehaalde werken over de Fransche epische poëzie. Doch er valt
ook in onze ridderpoëzie nog veel te onderzoeken; ik noem slechts de
verhouding van den _Karlmeinet_ tot de Mnl. ridderpoëzie.

[21] In sommige gevallen sloot een Mnl. vertaler zich dicht bij den
tekst van zijn origineel aan; hij leverde dan eene _vertaling_ in onzen
zin van dat woord. In andere, talrijker, gevallen, gaf hij eer een
_bewerking_ dan eene vertaling. Op zulke gevallen past wat BORMANS
(_Mnl. Ep. Fragm._, p. 51) zegt: "traduire c'était imiter; on
retranchait, on ajoutait, on transposait, on modifiait de toutes
manières." Het spreekt vanzelf, dat men, alvorens eene vergelijking in
te stellen tusschen origineel en navolging, waar onderscheidene
redacties van dat origineel bestaan, eerst voorzooveel mogelijk moet
vaststellen, welke redactie den bewerker tot voorbeeld zal hebben
gestrekt; op de wijze zooals Dr. VAN BERKUM dat gedaan heeft in zijn
onderzoek van den _Partonopeus_, Dr. BOTERMANS in dat van _die hystorie
van die seven wyse mannen van romen_; ik meen ook te mogen wijzen op
mijne Inleiding tot de fragmenten van het _Roelantslied_.

Echter overschatte men de waarde van zulk een onderzoek voor eene
vergelijking tusschen voorbeeld en navolging niet. Waar men den geest
der bewerking kenschetsende invoegsels, weglatingen of wijzigingen
vindt, daar zal men die gewoonlijk op rekening van den bewerker moeten
zetten.

Bij de vergelijking der bewerkingen van _Nibelungen_, _Roelantslied_,
_Reinaert_, _Rinclus_ e.a. met hunne origineelen, kan men vaak dozijnen
van varianten te hulp roepen; doch zij laten de kenschetsende
afwijkingen voor rekening van den Mnl. bewerker. [
F2] _Aiol_ (ed. VERDAM), vs. 14-17.

[23] T.a.p., vs. 390-405:

"Verdoemt moete de maechscap sijn" "Ay, maechscap, wat heb di mi
gedaen!" enz.


[24] Vgl. vs. 555, 629, 750, 780, 787, 850, 856, 886, 890, 1095, 1103
(pass.), 1147, 1248, 1515, 1774.

[25] Uitgaven van JONCKBLOET, KUIPER. (Amsterdam. VAN KAMPEN EN ZOON.
1890), en BERGSMA (Pantheon-uitgave, 1893). Vgl. ook: BERGSMA'S
_Bijdrage tot de tekstcritiek van den Karel ende Elegast_. (Groningen.
1890).

[26] Tot dusver heeft men dat op voorgang van JONCKBLOET gedaan. Maar
JONCKBLOET was zóó bevangen door zijne studiën der Oudfransche
Chanson-de-geste--hoe uitnemende vruchten die studiën ook hebben
gedragen--en had daarbij zóó weinig geloof in het dichterlijk vermogen
van ons volk, dat vermeldingen als de bovengenoemde hem reeds dadelijk
afdoende voorkwamen.

[27] _Karel ende Elegast_ (ed. KUIPER), vs. 768-9, 837-839, 923.

[28] _Roof_ was niet onteerend, heimelijke diefstal wel. Men maakte
onderscheid tusschen "diefte ende roof" (_Limborch_, X, 505). MAERLANT
zegt in zijn _Rijmbijbel_, (I, p. 206): "Ne roof niet, hen si dijn"; in
den _Spiegh. Historiael_, III, p. 374: "onse aerme worden rike met
rove". Zie verder _Nederd. Regtsoudheden_, p. 282. De dichter van _Van
den Levene ons Heren_ legt het zelfs Jezus in den mond, (vs. 943).

[29] Vs. 105 vlgg; 203 vlgg.

[30] Een overzicht van den _Oorsprong van den Graal_ gaf TEN BRINK in
eene voordracht, gehouden in de Kon. Vlaamsche Academie. Afzonderlijk
uitgegeven bij A. SIFFER te Gent. (1897).

[31] Eenige volledige uitgave van JONCKBLOET. Latere uitgaven van deelen
der zelfstandige werken, waaruit de compilatie bestaat, door TE WINKEL,
MOLTZER en FRANCK in _Tijdschr. v. N.T. en L._, X, XIII, XIV, XIX, en
door VAN VEERDEGHEM in de _Bulletins de l'Acad. Royale de Belgique_, 3me
série, tome XX, no. 12.

[32] TE WINKEL, _Geschiedenis,_ p. 190.

[33] Vgl. IV, 10720 vlgg.; III, 15256-'91; III, 1745 vlgg.

[34] Vgl. _Maerlant's Werken_ door Dr. J. TE WINKEL, bl. 405 vlgg.

Ook in _Floris en Blancefloer_, (vs. 58-59) wordt melding gemaakt van de
geschiedenis _van Tristram en Ysoude_.

In het gedicht _Van den Levene ons Heren_, vs. 15, wordt onder de romans
waartegen de dichter waarschuwt, opgenomen die

_Van Pyramuse_, hoe hi sijn leven Verloos....


In de Oudfransche literatuur bestond een roman van dien naam. (Vgl. P.
DE JULEVILLE'S, _Histoire_ etc., I, 244).

[35] Zie JONCKBLOET'S _Inleiding_ op Deel II, p. CCVI.

[36] Vgl. o.a. III, 22557 vlgg.; IV, 2149-'50.

[37] _Tijdschr. v. N.T. en L._, XIII, 38.

[38] VERWIJS geloofde aan twee dichters. Zie zijne Inleiding, p. XXIX.
Bij zijne argumenten moet nog gevoegd worden dat in het eerste deel niet
19 assoneerende rijmen voorkomen, maar 28 (vgl. vs. 59-60, 121-122,
563-4, 605-6, 669-'70, 711-'12, 1029-'30, 1331-2, 1673-4).

Deze voorstelling werd door JONCKBLOET bestreden. (Vgl. zijne _Gesch.
der Ned. Lett._, I, 310). Ik zou mij eer aan de zijde van J. scharen;
doch acht den strijd niet zoo heel gewichtig, omdat in allen gevalle de
geest der bewerking doorgaans dezelfde blijft.

[39] Zie o.a. RHŶS, _Studies_, 93, 105 en PETIT DE JULEVILLE a.w. I,
310.

[40] Vgl. vs. 1360 vlgg. (liefdesoverpeinzingen); 1671-'6 (dialoog);
1658 en 1666; vs. 1182 vlgg.

[41] Vs. 75 vlgg.

[42] Vs. 319, 2057, 5328, 4984; andere dergelijke uitdrukkingen:
399-400, 402-4, 1170, 2099.

[43] Vs. 5035, 5056; 2768-'84; 3500 vlgg. (waar de afschuwelijke reuzin
PANTASALE "scone wijf" wordt genoemd); 3365, 3524, 3533.

[44] Vgl. het in menig opzicht uitnemend proefschrift van Dr. A. VAN
BERKUM: _De Middelnederlandsche bewerking van den Partonopeusroman_.
(Groningen, WOLTERS. 1897.)

[45] Zie VAN BERKUM a.w. LXIII, LXVII, LXXI; CXV; CIV; CIII, CXXXIII;
XLIV; CV, CVI, CVIII; XCVII, CXII-CXIII.

[46] Die opvatting in vs. 3-13, 53-75, 1012 (door MOLTZER blijkens zijne
aanteekening niet begrepen); vs. 1365 (waar met het hs. _sot_ moet
worden gelezen).

[47] Vgl. vs. 22, 86; vs. 19-20; al te lange verzen of zulke waarin men
geen rhythme hoort zijn b.v. vs. 1900, 1918, 2005, 2058, 2339, 2647,
2859, 3567, 3853.

[48] Uit vs. 282-4 zou men opmaken, dat D.v.A. meer dan een redactie van
het verhaal heeft gekend. Van de twee door ED. DU MÉRIL uitgegeven
redactie's van het Fransch gedicht, staat A dichter bij DIEDERIC'S werk
dan B; echter heeft DIEDERIC waarschijnlijk eene ons onbekende redactie
gevolgd. Die redactie zal wel dezelfde zijn geweest als of dicht gestaan
hebben bij de door FLEKE gebruikte: in vs. 272-'82, 474-'95, 1562-'81,
staat D.'s bewerking dichter bij die van FLEKE dan bij version A.

Vgl. over de verhouding der onderscheiden redacties: MOLTZER'S Inleiding
voor zijne uitgave; H. SUNDMACHER, _Die altfranzösische und mhd.
Bearbeitung der Sage von Flore und Blanscheflur_. (Göttingen. 1872) en
H. HERZOG in _Germania_, 1884, 149. SUNDMACHER overschat FLEKE'S
bewerking, die hij bespreekt alsof ze een oorspronkelijk werk ware;
onderschat de Middelnederlandsche. HERZOG'S stuk is vol geleerdheid,
gewaagde onderstellingen en slotsommen.

Op vele plaatsen is DIEDERIC'S bewerking veel uitvoeriger dan het
Fransch. B.v. in vs. 213-'30, 322-'48, 474-'95, 519-'34, 1562-'81,
1922-'31, 2148-'54, 2219-'22, 2224-'48, 2735-'50, 2750-2820, 2827-'31,
3173-'95, 3376-'81.

Niet in het ons bekende Fransch komen voor: 272-'82, 378-'9, 410-'20,
570-'85, 714-831 (iets daarvan in version B), 2197-2204, 2841-'9,
2887-'9, 3139-'49, 3396-3415, 3482-'97.

Van deze plaatsen vindt men voor een klein deel iets bij FLEKE; maar
DIEDERIC gaat ook daar doorgaans zijn eigen weg.

[49] Vgl. vs. 657-8, 2138, 2830, 2908, 3201, 3762, 3832, 4534, 4749,
4783, 4839, 5275, 5392.

Ook in de Fransche epische poëzie was dit heiligen-rijm bekend. Vgl.
NYROP in de vertaling van _Gorra_, p. 383.

[50] Vgl. FRANCK'S uiteenzetting in _Tijdschr. v. N.T. en L._, XIX,
45-46.

[51] In den _Merlijn_ wordt vs. 31706 zekere ridder _Morian_ genoemd
("Dander was Morian, als ic versta"). Waarschijnlijk hebben wij hier
echter te doen met een bedorven tekst; immers diezelfde ridder wordt,
verderop in dat hoofdstuk, tweemaal _Moriaval_ genoemd (vs. 31942,
31989). Misschien had het hs. _Moriau'_; het is bekend hoe licht _u_ en
_n_ verwisseld werden.

[52] Vgl. Dr. BERGSMA'S uitgave van _K.e.E._, bl. 47-48. Bij de daar
opgegeven plaatsen moet nog gevoegd worden: vs. 112 (het tooverkruid uit
den _K.e.E._) en _M._ 607-8 = _K.e.E._, vs. 1205-6.

[53] JONCKBLOET hield ook dezen roman voor vertaald; doch de
bewijsgronden, door hem aangevoerd, zijn zwak. Van een Fransch origineel
is niets bekend; J. zelf houdt de aanwijzing bij ROQUEFORT (II, 33) voor
eene vergissing; de door R. aangehaalde plaatsen (II, 129), meerendeels
gemeenplaatsen, hebben weinig bewijskracht. Ook kan men den proloog maar
niet wraken of uitleggen, zooals J. doet. Er zijn inderdaad vele
verwijzingen naar een bron of bronnen (bij VOSTAERT meer dan bij
PENNINC); doch die geven nog geen recht om aan te nemen, dat hier een
voorbeeld werd nagevolgd.

[54] Deze elementen aangewezen door JONCKBLOET in zijne uitgave van den
roman (II, 152-153).

[55] Vgl. RHŶS, _Studies_, 105 en 55; _Lancelot_, II, 40393; _Walewein_,
vs. 1010 vlgg.; 3550 vlgg. en II, p. 153.

[56] Vgl. JONCKBLOET'S uitgaaf II, 135.

[57] Gevoel voor het ridderwezen in vs. 1846 vlgg.; 4333 vlgg.; de
beschrijving van het gevecht, vs. 10598-10635. VOSTAERT heeft eens de
platte vergelijking van een bloedenden ridder bij eene geslachte koe.
(8830-1).

De godsdienstige tint in vs. 147-9, 236-8, 292-4, 378-9, 384, 460,
478-'81, 495 vlgg., 574-6, 666, 1154-6, 1326-'30, 2684, 2695, 2980-4,
3010, 3049-'51, 3360-'66, 3626-'33, 3649-'50, 3714, 3875-'7, 3946-'54,
4020-'1, 4064-'5, 4097 vlgg., 4268-'9, 4348-'52, 4436-'7, 4758 vlgg.,
6138, 6142, 6683 vlgg., 7049-'55, 7198-7200, 7687-'8.

Bij VOSTAERT: 8118-'9, 8133-'5, 8380-'5, 8478, 9272-'7, 9376-'7, 9531,
9866, 11088.

De moralizeerende toespraak van den dichter tot zijn publiek (4838-4845)
zou ik dan ook niet met JONCKBLOET willen schrappen, als van een
afschrijver afkomstig.

Over de taal vgl. JONCKBLOET II, 135. Verscheidene daar genoemde woorden
komen echter ook in later tijd voor.



2. GEESTELIJKE POËZIE.

  Adel en Geestelijkheid. Oorsprong der geestelijke poëzie. _Van den
  Levene ons Heren_. Heiligenlevens. _Rinclus_. Ontstaan der mystiek.
  Hildegard van Bingen, Elisabeth van Schönau. Mechthild van
  Maagdeburg. Extatische vrouwen in Zuid-Nederland: Maria van Oignies,
  Christina van Sint-Truyen, Margaretha van Yperen. Lutgart van
  Tongeren. _Leven van Sinte Lutgart_. De Minne. Hadewych.

Waar de ridderschap poogde hare zedelijke idealen te verwezenlijken,
daar ging haar streven in dezelfde richting als dat der geestelijkheid
die de Christelijke idealen, voor een deel althans, tot werkelijkheid
trachtte te maken. En dat was niet het eenige punt, waar deze beide
standen elkander raakten. Tal van mannen en vrouwen, die tot den adel
behoorden, lieten zich in den geestelijken stand opnemen. Een
Westvlaamsch auteur der 14de eeuw gaat zelfs zóóver dat hij zegt:

  Van vier moneken sijn die drie
  Gheboren van groten maghen.[1]

In de geestelijke ridderorden waren beide elementen der toenmalige
maatschappij vereenigd.

Doch onder adel en geestelijkheid beide was doorgaans een scherp
verschil tusschen de theorie en de praktijk des levens. Waar de adel,
alleen naar het tijdelijke strevend, geen middelen ontzag om zijn doel
te bereiken, daar kwam hij in botsing met die geestelijken welke, hunne
roeping getrouw, den blik op het eeuwige gevestigd hielden.

De verheerlijking van strijd zonder heilig doel en van liefde zonder
wijding, zooals vele ridderromans die te hooren en te lezen gaven, moest
kwaad zijn in de oogen van vrome geestelijken. Daartegen waarschuwen
moesten zij plicht achten. Doch dan mochten zij het niet laten bij
waarschuwen; dan moesten zij trachten den verkeerden invloed dier
ridderromans te verzwakken, door de aandacht van het publiek te vestigen
op andere, Gode welgevallige, werken. Mede langs dezen weg ontstond
geestelijke poëzie als eene terugwerking der ridderpoëzie. Wij hebben
reeds vroeger eene plaats uit het _Leven van Sinte Lutgart_ leeren
kennen, die ons dien gang van zaken toont[2].

Tegenover al die "sagen van wigen och van tavelronden", [Zijnoot:
Verhalen van oorlogen en tournooien.] van "minne" die niet tot de
"gerechte minne", nl. de liefde tot God, behoort, plaatst WILLEM VAN
AFFLIGHEM zijn leven van de maagd LUTGARDE "dat vromelic es ende goet".
Eene tweede bewijsplaats vinden wij in het merkwaardig gedicht _Van den
levene ons Heren_. In den proloog van dat werk waarschuwt de dichter
zijn publiek tegen zoo menige "rime die ter zielen luttel smaect"; hij
heeft daarbij het oog op verhalen

  Van battalien ende van minnen
  Van meneghen die wi niet kinnen:
  Van Roelande ende van Oliviere,
  Van Alexandre ende van Ogiere,
  Van Walewaine ende van siere macht,
  Hoe hi jeghen sine viande vacht;
  Van Digenen, hoe hi sijn lijf
  Tormente omme een scone wijf;
  Van Pyramuse hoe hi sijn leven
  Omme minne verloos....[3]


Doch dat zijn alles "boerden", al zijn zij op schrift gebracht.
Tegenover zulke verhalen prijst hij diegene, waarin _waarheid_
verkondigd wordt: van "waarheid" spreekt zijn werk, immers van den
heiligen Christus.

Verhalen over JEZUS' leven, dood en opstanding, gegroepeerd om de kern
van het werk: de verlossing van het menschdom, zijn hier door een echt
dichter vereenigd tot een geheel dat hooge waarde heeft[4].

De ons onbekende maker, misschien een "clerc", heeft zijne stof tusschen
1260-1270 bewerkt, zooals hij die had leeren kennen uit den bijbel en
uit andere bronnen[5]. Onder die andere bronnen moeten de zoogenaamde
apocriefe evangeliën in de eerste plaats worden genoemd. Van den bijbel
kreeg de christelijke gemeente in de latere middeleeuwen door allerlei
uittreksels en bewerkingen vrij wat te zien en te hooren; doch behalve
die, door de Kerk als de eenig ware vastgestelde, boeken, vond men
andere evangeliën over JEZUS, MARIA, JOZEF, PILATUS, JOZEF van Arimathea
en andere heilige personen, die als een sterke onderstroom het
godsdienstig gemoedsleven onzer voorouders bleven voeden. De kanonieke
bijbelboeken waren voor het grootste deel des volks te sober, te
verheven; de apocriefe evangeliën wisten hun allerlei te vertellen
waarover de bijbel zwijgt: verhalen van JEZUS' kindsheid; van de vlucht
naar Egypte; van de Drie Koningen en hoe het met HERODES afliep; van
JEZUS' nederdaling ter helle en hoe hij de daar aanwezige heilige mannen
uit het Oude Testament, ondanks het verzet der duivelen, verloste. Aan
het gewoon-menschelijke, het dagelijksche is in deze verhalen meer
plaats vergund; maar ook aan het avontuurlijke, het kleurige, het bonte.
Dat alles trok het volk aan; het heeft ook dezen dichter aangetrokken
die één was met het volk waaronder hij stond, al stak hij boven hen uit
door zijne dichterlijke gaven.

Dat dit gedicht volkspoëzie bevat, zou men reeds vermoeden, wanneer men
ziet welk een warme liefde tot de misdeelden den dichter bezielde:

  Selen wy dragen bont ende grau,
  Ende ons sieren als enen pau,
  Ende die arme sal sijn in selc bedwanc,
  Dat hi ne sal hebben spel no sanc?


Maar niet alle vóór het volk geschreven poëzie is volkspoëzie. Deze is
het. Wij vinden hier telkens den geest, den trant, de wendingen der
volkspoëzie, zooals wij die van elders kennen. Zoo b.v. de
rechtstreeksche vragen tot het publiek, waar GABRIËL Gods wil aan MARIA
komt boodschappen:

  Vant hi Marien ter venstren staen?
  Vant hise achter [Zijnoot: langs.] straten gaen?
  Vant hise in plaetsen [Zijnoot: pleinen.], vant hise int spel?
  Neen hi, niet; die maecht pensde al el [Zijnoot: andere dingen.].


Zoo ook wendingen der verhalende volkspoëzie als: "Doe sprac een jode:
Heren, hort na my"; het afgebrokene in den zinbouw, den korten
vleugelslag van des dichters gedachten[6].

De naïeve vroomheid en kinderlijke eerbied voor het heilige, die wij
later in de geestelijke volksliederen zullen opmerken, openbaren zich
hier in een oprechte vroomheid, een zachtheid van toon, een doorvoelen
van JEZUS' lijden, zooals later MEMLINC het ons te zien zal geven.
Telkens hooren wij van "dat zoete kint", zijne heilige, zijne
gebenedijde hand, zijn zoete hart; God "van hemele", "d'alweldeghe God",
de heilige engel. JEZUS' liefde tot zijne discipelen voelen wij in
verzen als: "Kinder, seit hi, hoert na mi" of "Kinder, seit hi, lieve
vrient"[7]. De keerzijde van deze liefde en eerbied is een felle haat
tegen HERODES, die ons voorgesteld wordt: hebzuchtig, wreed, fel als een
hond; hij is een "dief" (in de taal onzer voorouders: het inbegrip van
alle kwaad), een "onreyne drake"; ten laatste wordt hij krankzinnig, het
helsche vuur gloeit uit zijne oogen[8]. Geen woorden genoeg heeft de
dichter om de Joden uit te beelden in hunne felheid, die hen doet
schuimbekken; in het welbehagen waarmede zij het zachte lam kwellen en
martelen; in hun schamperen spot[9]. Die haat en die liefde zijn beide
in hooge mate naïef. "God is een goed wreker", zegt de dichter, "al
spreekt Hij niet veel". JEZUS zegt tot zijn hart: "Hart, kondt gij
spreken als een mensch, hoe zoudt gij dan over uw lijden klagen". Van
GABRIËL lezen wij, dat hij Gods gebod ten uitvoer bracht en ter
verklaring daarvan: "Hine dorst laten, want hi was God". De duivel
spreekt van "mijn hel"[10].

Het kinderlijk onbewuste van de vroomheid dezer tijden verminderde den
afstand tusschen God en de geloovigen, die niet zich verhieven tot Hem
maar tot wie Hij afdaalde. Eerbiedsgrenzen, door latere geslachten in
acht genomen, bestaan voor dezen dichter te nauwer nood. Hij schroomt
niet, de schamele hut, het "huseken cranc", waarin JEZUS geboren wordt,
met zachte ironie "dit paleis" te noemen; evenmin om van PETRUS te
zeggen, dat hij "zweette als een das" toen hij JEZUS verloochende, of
ons MARIA MAGDALENA te teekenen, zooals zij onder stoelen en banken door
kruipt om bij JEZUS te komen[11].

Zooals de dichters der ridderpoëzie zich eene klassieke oudheid schiepen
naar de toestanden hunner dagen, zoo handelde deze volksdichter met de
bijbelsche oudheid. Bij zijne voorstelling van het maatschappelijk en
huiselijk leven in Palaestina, geeft hij eenvoudig zijne eigen omgeving,
zooals lang vóór hem de dichter van den Oudsaksischen _Hêljand_ had
gedaan. JEZUS deelt aan zijne twaalf "gezellen" mede, dat de smartelijke
kruisdood hem wacht; de "gezellen" zwijgen op dat bericht, maar PETER
"zijn getrouwe vriend" neemt voor allen het woord en wenscht dat JEZUS
nog berouw moge krijgen over hetgeen hij gezegd heeft: "Ghi sijt een so
scone man", zegt hij, "hoe komt zoo iets dan in uwe gedachten?"

Apostelen en Joden worden ons meer dan eens voorgesteld staand of
zittend "in een rinc", zooals dat van ouds ook hier te lande
gebruikelijk was. De Joden zijn hier afgodendienaars die aan MAHOMED
gelooven; zij komen "met manne ende maghe" te samen; hun hoogepriester
wordt "bisschop" genoemd, PILATUS noemt zich zelven "meier". Hier en
daar klinken tonen uit de ridderpoëzie door deze geestelijke poëzie
heen: wij treffen woorden aan als stegereep [Zijnoot: stijgbeugel.],
ghereide en vorboech" [Zijnoot: borstriem.], als "glaviën" voor lansen;
geen soldaten maar ridders, houden de wacht bij JEZUS' graf; van een
slag, JEZUS toegebracht, wordt de staande uitdrukking gebezigd: "dat hi
en horde no en sach"[12]. Het wonder van het droogvoets trekken der
Israëlieten door de Roode Zee, is dezen dichter niet genoeg: van de
Roode Zee maakt hij de Leverzee, dat wonderbaarlijk mengsel der
elementen herinnerend aan den baaierd vóór de schepping, ergens ver weg
in de geheimzinnige streken door den Heiligen BRANDAEN op zijne
zwerftochten bezocht[13].

Uit het vroom gemoed van dezen kinderlijk onbevangen dichter die het
leven van JEZUS zóó medeleeft, welt poëzie op telkens wanneer een deel
van dat leven hem sterk ontroert. Zoo b.v. waar hij ons MARIA'S
moederweelde schetst:

  Sat Maria, ghinc se ochte stoet [Zijnoot: of stond zij.],
  Sie custe dicke [Zijnoot: dikwijls.] haers kindes voet,
  Daer sijt in die wieghe leide ofte nam;
  Soe lanc soe meer tkint haer bequam [Zijnoot: behaagde.].
  Als tkint weende, haer was onsachte,
  Sie sweghet [Zijnoot: suste.] minlike, soete ende sachte;
  Als tkint hadde honger ofte dorst,
  Sie gaf hem haer ghebenedide borst;
  Sine cleder waren altoos wit,
  Nieuwe gedweghen [Zijnoot: pas gewasschen.], groot recht was dit;
  Sijn bat ne was no heet no cout,
  Met rechte was tkint sire moeder hout [Zijnoot: genegen.].
  Maria herde wel dies wachte,
  Dat sine wieghe was scone ende sachte;
  At sie, dranc sie, al dat sie dede,
  Haer oghen volgden den kinde mede.

Hoe treffend aandoenlijk zijn ook die onschuldige kinderen, lachend
tegen de blinkende zwaarden die hen in het volgend oogenblik zullen
treffen:

  Daer tkint sach blicken [Zijnoot: schitteren] tscarpe swert,
  Tkint loech ten mordenare wert.

Begrijpelijk is het in dezen dichter, dat hij telkens van het
rustige-epische overgaat in het meer bewogen lyrische, dat zijn verhaal
telkens overgaat in het lied. Wij meenen een oud Driekoningen-lied te
hooren in:

  Drie coninge woenden in Oriënt,
  D'een den anderen wel ghehent [Zijnoot: naburig.].
 ...............
  Een werf [Zijnoot: eens]" in ere avontstont
  Een clare sterre an den hemel stont.
 ..................
  Sie lasen op, (sie lasen) nedere,
  Ter sterren si keerden wedere.
 ...............
  Een coninc vant ende las,
  Wat dat scone boekijn [Zijnoot: voorteeken.] was.
    Enz.

Zóó dikwijls (zeker een dozijn malen) keeren zulke op liederen
gelijkende plaatsen terug, dat men, met het oog op het ontstaan van het
epos uit liederen, zou gaan vermoeden dat ook hier bestaande liederen
door den dichter tot een geheel zijn verenigd[14]. Doch al acht ik dit
niet waarschijnlijk, voor zeker houd ik, dat het gedicht, ware het in
beter toestand tot ons gekomen, dieper indruk op ons zou maken dan het
nu reeds doet.

Indine deze kapel, door een vroom kunstenaar ter eere van zijnen
Verlosser gesticht, eens ware ontdaan van den ombouw en het bijwerk
waarmede een latere tijd haar heeft ontsierd, dan zou eerst duidelijk
blijken, hoe oorspronkelijk van opvatting dit voortbrengsel van naïve
kunst is en welk een bevallige eenvoud vele zijner deelen siert.

Niet van alle geestelijke poëzie, welke wij meenen te mogen brengen tot
de 13de eew, kunnen wij aantoonen dat zijn ontstaan is uit eene
terugwerking der ridderpoëzie. Trouwens, ook werken als het _Leven van
Sinte Lutgarde_ en _Van den Levene ons Heren_ zijn natuurlijk niet
voortgebracht louter uit begeerte om tegenover de ridderromans
geestelijke poëzie te plaatsen. Ongetwijfeld ging de behoefte om zich te
verdiepen in het eeuwige met die begeerte gepaard. Behoefte om zicht te
verdiepen in het eeuwige en verlangen om het geestelijke welzijn der
christelijke gemeente te bevorderen deden een aantal andere werken
ontstaan, welke een geest ademen en eenkarakter vertoonen,
tegenovergesteld aan den geest en het karakter der ridderpoëzie.

Hetzelfde handschrift uit de laatst der 13de eeuw, dat ons een fragment
van het gedicht over JEZUS'leven bewaard heeft, bevat een aantal
berijmde levensverhalen van heiligen: _van sente Marie Egyptiake, van
sente Eustaesse, van sente Aechte, van sente Caterine, van sente
Waerneer_[15].

Geen dezer werken heeft als literair kunstwerk veel te beteekenen. De
meeste schijnen ongeveer 2700 verzen te hebben geteld en geven een
eenvoudig kunsteloos verhaal van de lotgevallen der bovengenoemde
heilige vrouwen en mannen. Waarschijnlijk zullen zij vertaald zijn uit
het Latijn; ook het beroep op eene "scrifture" dat men in het leven _van
sente Eustaesse_ vindt, schijnt eene aanwijzing in die richting. De
legende van S. WERNER berust op het in de middeleeuwen algemeen verbreid
geloof aan een, jaarlijks door de Joden gebracht, offer van een
Christenkind "wit [Zijnoot: blank.], blosende ende root."

Dat deze heiligenlevens van ééne hand zijn, is natuurlijk mogelijk; doch
het is bezwaarlijk uit te maken, zoolang wij van de meeste slechts
betrekkelijk kleine fragmenten hebben. Misschien moet men het
onwaarschijnlijk achten, omdat b.v. het leven _van sente Aechte_ zooveel
assoneerende rijmen vertoont, terwijl die in de overige fragmenten
schaarscher zijn of, zooals in het leven _van sente Marie Egyptiake_,
schijnen te ontbreken[16]. Wat ten minste drie dezer gedichten gemeen
hebben, is de wensch door den dichter tot zijne hoorders gericht: dat
het aanhooren van zulk een levensverhaal onder hunne goede werken moge
medegerekend worden[17].

Tenauwernood kan tot de voortbrengselen der literaire kunst worden
gerekend een klein fragment van _de boec der biechten_, dat eveneens in
het handschrift van MARTIJN VAN THOROUT gevonden wordt. Vermoedelijk is
dit werk uit denzelfden tijd als de bovengenoemde heiligenlevens. In
allen gevalle is het aannemelijk dat een dergelijk catechetisch werk
vervaardigd zal zijn door een monnik uit het klooster Thorout, waar
reeds in de 9de eeuw eene school van zendelingen werd gesticht, die aan
de Denen het evangelie zouden verkondigen[18].

Geen geringe plaats besloeg in die verkondiging van het middeleeuwsch
Christendom de voorstelling van God als "een goed wreker", volgens de
uitdrukking in _Van den Levene ons Heren_. Het is niet geheel zeker maar
toch m.i. waarschijnlijk, dat er reeds vóór het midden der 13de eeuw te
onzent een gedicht _van onses Heren wrake_ bekend was, vertaald of
vervaardigd door een Vlaamsch priester. De inhoud van dat gedicht zal
waarschijnlijk bestaan hebben uit een verhaal van de verwoesting van
Jeruzalem; die verwoesting placht namelijk voorgesteld te worden als
Gods wraak over het ter dood brengen van JEZUS. In den proloog van zijn
boek over den Graal en MERLIJN noemt MAERLANT dit gedicht "wyde becant";
was het omstreeks 1261 reeds wijd bekend, dan heeft de verbreiding van
het werk in ruimen kring natuurlijk eenigen tijd vereischt, en moet het
dus ten minste in de eerste helft der 13de eeuw ontstaan zijn[19].

Zekerheid hebben wij ook niet omtrent den tijd der bewerking van een
Oudfransch stichtelijk leerdicht uit het eind der 12de of den aanvang
der 13de eeuw, dat gewoonlijk naar het aanvangswoord _Miserere_ genoemd
wordt en door zekeren RENCLUS (kluizenaar) van Moiliens werd
gedicht[20]. In de geschiedverhalen onzer letterkunde wordt het kortweg
_Rinclus_ genoemd[20]. Het Fransche werk is in 12-regelige coupletten
gedicht, een vorm die in de Nederlandsche overzetting behouden bleef. De
97 eerste coupletten werden bewerkt door GIELIJS VAN MOLHEM (een dorp
van dien naam ligt bij Afflighem); de overige door zekeren HEINREC. Het
gedicht geeft ons een uitvoerig antwoord op de vragen: wat de mensch
geweest is, wat hij is en wat hij zijn zal; het wekt op tot navolging
der martelaren, tot het doen van de rechte keuze tusschen God en de
wereld, het betoonen van mildheid aan de armen. Waarschuwend verheft de
dichter zijne stem tegen hoofdzonden als hoovaardij en nijd en geeft
zijne waarschuwingen nadruk door allerlei voorbeelden van weelde, ijdel
zelfbehagen en nijd, die aan het dagelijksch leven ontleend zijn. Ook de
priesterschap en de kloosterlingen worden niet gespaard.

De Nederlandsche bewerking geeft in vele gevallen slechts de hoofdzaken
van het origineel terug, of slechts het een en ander daarvan[21]. Soms
heeft de Nederlander zijn voorbeeld niet begrepen en maakt hij er maar
iets van; elders heeft hij een beeld weggelaten dat hij misschien geen
kans zag weer te geven of zijn deelen eener voorstelling weggelaten,
waaraan die voorstelling juist haar karakter of hare belangrijkheid
ontleent. Zoo missen wij in de bewerking het beeld van den valk die op
het lokaas aankomt, de beeldspraak omtrent den paradijsappel; in het
Fransche verhaal _van Sint Maarten_ die zijn mantel doorsnijdt, krijgt
men "het stalen zwaard" te zien--de Nederlandsche bewerking spreekt
slechts van de "snede die den mantel deelde in tween". Elders is eene
tegenstelling grootendeels verloren gegaan; op een paar plaatsen eene
realistische uitdrukking weggelaten of de tint verzacht en het Dietsch
ingetogener dan het Fransch[22].

Echter, de bewerkers hebben niet louter weggelaten of hun voorbeeld
schade doen lijden bij de overzetting. Hier en daar voegen zij--GIELIJS
meer dan HEINREC--iets van het hunne in; onder die invoegsels of
wijzigingen zijn er die verdienstelijk of karakteristiek mogen heeten.
In no. 33 is sprake van priesters die--zooals HEINE zegt--"water
preeken, maar wijn drinken". Kenschetst het GIELIJS VAN MOLHEM niet als
kind van een zeevarend volk, dat hij hier het oorspronkelijke "verlucht"
met dit beeld: "eerst moet hij zelf de donkere diepte bevaren; dan zal
hij wind in zijn zeil krijgen"? HEINREC vervangt de beeldspraak "on veut
bien étain pour argent" door: "want hi neemt rogge daer hi leent evene"
(haver). Van LAZARUS die vergeefs wacht aan de poort van den rijke, heet
het bij GIELIJS: "men sant hem niet dan hontgebas". Van een begeerig man
die verlangend voor een gesloten boomgaard staat, zegt het Fransch:
"tant huka [Zijnoot: schreeuwde.] et tant apela"; GIELIJS vertaalt: "Hi
claterde der doren rinc". Elders vinden wij in het origineele gedicht
een hoovaardige in dit vers: "orguieus va dou col coloiant" [Zijnoot:
rek (reik)-halzend.]! Aardig geschetst; maar GIELIJS overtreft zijn
voorbeeld met: "'t Hoot op hals als een hane die crait". Op een andere
plaats weer heeft hij de voorstelling verlevendigd door het invoegen van
een dialoog[23].

Naar men mag aannemen, zijn MAERLANT'S strophische gedichten zoowel aan
GIELIJS als aan HEINREC bekend geweest; hier en daar vindt men zelfs
plaatsen die woordelijk overeenkomen[24]. Maar alleen op grond van die
bekendheid aan te nemen, dat de bewerkers van den _Rinclus_ en MAERLANT
tijdgenooten zijn geweest, is gewaagd. Toch meen ik, ook met het oog op
den ouderdom van het Fransche gedicht, dat er wel grond is om de
Nederlandsche bewerking nog in de 13de eeuw te plaatsen.


DE MYSTIEK.

De kerk, bekleed met goddelijk gezag, naar zij beweerde, breidde hare
macht steeds uit. Meer en meer stelde zij zich zelve voor als de eenige
bron van waarheid en recht. Doch al te velen onder hare machthebbers
logenstraften door hunne daden, door hun gebrek aan zedelijke reinheid
en kracht, wat zij met woorden verkondigden. De twijfel aan het gezag
eener kerk, door zulke geestelijken vertegenwoordigd, nam toe en groeide
in kracht door de twisten tusschen de leiders der kerk onderling.

Geestelijken en leeken, die zich den grond onder de voeten voelden
ontzinken, werden bevangen door zekere onrust en koortsachtige
geprikkeldheid. Waar liepen nieuwe wegen om den vasten grond te
herwinnen, de verloren gemoedsrust te hervinden?

Bleek de kerk niet langer bij machte, middelares te zijn tusschen God en
den mensch--dan afgedaald in de eigen ziel, daar zelf den weg tot God
gezocht.

Langs deze en dergelijke wegen ontstond in het godsdienstig gemoedsleven
der middeleeuwen langzamerhand die strooming, welke bekend staat onder
den naam van: mystiek. Onder haar invloed ontwikkelde zich het
gemoedsleven met eene vroeger niet gekende kracht; geen hoogte was meer
te hoog, geen diepte te diep.

Ook langs andere wegen trachtten vrome mannen en vrouwen, geestelijken
en leeken, verbetering te brengen in den algemeenen toestand der kerk.
In de abdij van Molesme werd de geest van SINT BENEDICTUS vaardig over
Vader ROBERTUS en zijne boezemvrienden HARDING, met wie hij te Citeaux
het eerste Cistercienser klooster stichtte, om daar aan de ontaarde
zonen van S. BENEDICTUS nieuwen eerbied voor hunne regel te leeren. Eene
eeuw later werd het Christelijk ideaal als herboren in de grootsche en
teedere ziel van SINT FRANCISCUS, den "bruidegom der armoede", die zijn
kort maar rijk leven besteedde aan eene poging om de kerk tot nieuw
leven te wekken.

Omstreeks het midden der 12de eeuw zien wij een paar abdissen van
Cistercienser-kloosters in Duitschland: HILDEGARD VAN BINGEN en
ELISABETH VAN SCHÖNAU zich met hare profetische beden wenden tot keizer,
paus, bisschoppen en abten. Terzelfder tijd komen leeken uit de diocese
van Lyon tot paus ALEXANDER III met het verzoek om de armen het
evangelie te mogen verkondigen.

Wel waren er die het noodig hadden, vooral onder de vrouwen. In de
voortdurende oorlogen en veeten waren vele mannen gesneuveld; hunne
vrouwen vaak hulpeloos achtergebleven, zwierven bedelend rond, werden de
prooi van ruw geweld of leefden van ontucht. Geen wonder dat ook hier,
gelijk zoo menigmaal in de middeleeuwen, de individuën, machteloos op
zich zelve, zich aaneensloten; dat de vrije vrouwenvereenigingen der
Begijnen snel in bloei toenamen. In Tirlemont, in Tongeren, in Leuven
vindt men begijnhoven reeds in den aanvang der 13de eeuw; Luik zag
omstreeks 1240 vijftienhonderd begijnen als in eene afzonderlijke kleine
stad vereenigd; Keulen telde er omstreeks het midden der 13de eeuw
duizend; nog vóór het einde dier eeuw waren er ten minste zestien
plaatsen in België die een begijnhof bezaten.

Onder al die vrome of dwepende vrouwen van de 12de en 13de eeuw zijn
eenige Duitsche en Nederlandsche op wie wij hier in het bijzonder het
oog moeten richten, omdat het ons vergund is een blik te slaan in haar
godsdienstig gemoedsleven.

Twee van haar leerden wij reeds terloops kennen: HILDEGARD VAN BINGEN en
ELISABETH VAN SCHÖNAU, beide draagsters van beroemde namen in de
geschiedenis der mystiek.

HILDEGARD, van adellijk geslacht, leefde van 1104-1178 en stierf als
abdis van het klooster Rupertsberg. Zij was ook hier te lande bekend. De
bisschoppen: RUDOLF van Luik, GODFRIED van Utrecht, graaf FILIPS van den
Elzas, een Praemonstratenser abt FILIPS, uit de buurt van Leuven, zonden
haar brieven. Zij zou aan den heiligen GERLACH, kluizenaar in het
Roermondsche, een krans hebben gezonden.

Van haar gemoedsleven krijgen wij iets te zien in de geschriften door
haar, naar het schijnt, deels in het Duitsch deels in het Latijn
opgesteld; de Duitsche werken zullen later door haar biechtvader
GODFRIED in het Latijn zijn overgebracht. Haar voornaamste geschrift
heet: _Scivias sive Visionum ac Revelationum libri tres_[25]. Zij zegt
ons daarin o.a. dat zij alle dingen ziet in een buitengewoon licht, dat
als een vlam hare ziel aangrijpt en verteert. Dat blijvende licht noemt
zij _visioen_. In zulk een visioen ziet zij b.v. een grooten berg,
ijzerkleurig; daarop gezeten iemand van wien zulk een luister
uitstraalt, dat zij er door verblind wordt; hij spreekt met sterke stem.
Deze berg beteekent de kracht en de eeuwige bestendigheid van Gods
heerschappij. Of: op een ontzaglijk steenblok een ronden koningstroon en
daarop gezeten een jongeling van zooveel glans dat zij hem niet kan
aanzien. Telkens ziet zij schitterend licht, schitterende torens en
kolommen. Ook wel een menschenhoofd met zes vleugels.

Onder hare briefwisseling bevindt zich een schrijven van ELISABETH,
"magistra in Schonaugia", met HILDEGARDE'S antwoord.

Anders dan HILDEGARDE was ELISABETH van arme ouders geboren (1129). Van
der jeugd af leidde zij een ascetisch leven, droeg het haren kleed op
het lichaam, was omgord met een ijzeren ketting, nuttigde slechts weinig
voedsel; alles onder veel weenens en biddens. In het klooster Schönau
bij Bingen, waar zij van 1141-1165 leefde, ontvangt zij, evenals
HILDEGARDE, last van God om de menschen op te wekken tot berouw en
bekeering. Als MOZES voorheen tracht zij zich aan dien last te
onttrekken door aan te voeren dat zij niet "wel ter tale" is ("nescio
loqui"), maar dat mag haar niet baten. In hare geschriften berispt zij
vooral de geestelijken om hunne hebzucht en heerschzucht, hun hoogmoed,
weelde en wellust. Ook den paus spaart zij niet.

Het ascetisch leven houdt ook haar geest in stadige strakke spanning.
Ook zij is telkens in visioen. Dan ziet zij: een groot wiel van vuur;
een kruis, oogverblindend in gouden glans; een hoogen berg en op den top
schitterend het Lam Gods; op een wiel eene ladder welker top de hemelen
schijnt te doorboren; naast het wiel een man met goudglanzend hoofd,
haar als witte wol, schitterende oogen; vóór Gods troon vier dieren, die
vier aangezichten en zes vleugels hebben; die vleugels zijn vol oogen;
een hoogen berg, welks top schittert van licht;

van den voet naar den top leiden drie wegen, welker symbolische
beteekenis ons verklaard wordt. ELISABETH zelve deelt dikwijls mede op
welken tijd, onder welke omstandigheden zij in dien toestand van extaze
geraakt en hoe lang die toestand aanhoudt[26].

Doch niet altijd is zij in extaze. Dikwijls--geen wonder bij zulk een
lichaams- en gemoedstoestand--wordt zij overvallen door droefheid en
somberheid. Zelfs het gebed, anders haar hoogste genot, staat haar dan
tegen. Zij werpt haar psalmboek van zich. Wel schrikt zij van die daad
en grijpt het terstond weder op, maar dan zinkt zij weer terug in hare
somberheid. De Booze wekt twijfel in haar gemoed aan het geloof, aan den
Verlosser: zou het wel waar zijn, alles wat over Hem geschreven is? Ook
aan de Heilige Maagd gaat zij twijfelen. Bitter weent zij over zekere
droomen waarmede de duivel haar kwelt. Het leven gaat haar walgen. "Maak
er een eind aan" blaast de Booze haar in. Doch God waakt over haar, ook
in hare ellende.

Geestverwanten dezer beide vrouwen zijn in de volgende eeuw in niet
geringen getale aan te wijzen. In Thuringen en Saksen vooral vond men in
de 13de eeuw een aantal vrouwen, daaronder vele adellijke, die haar
leven verdeelden tusschen mystieke overpeinzing en het verplegen van
zieken en melaatschen[27]. Bij eene van haar, de begijn MECHTHILD VAN
MAAGDEBURG (c. 1212-1277) zullen wij even stilstaan, omdat zij een
aantal liederen en beschouwingen heeft nagelaten waarin zij haar
innerlijk leven ten deele blootlegt.

Ook MECHTHILD spaarde de geestelijkheid niet; hare uitingen over de
zedeloosheid der geestelijken schijnen haar zelfs vervolging berokkend
te hebben. Doch gewichtiger dan zulke uitingen zijn voor ons die over de
gewijde liefde, de _minne_ als middelares tusschen God en de ziel.
Evenzeer die over de zondige begeerten, welke des menschen lichaam en
zijne ziel in vijandige verhouding tegenover elkander stellen. De
geweldige Minne dwingt haar te verkondigen het wonderbare dat zij
aanschouwd heeft. Een aantal dialogen in verzen tusschen de Minne en de
Ziel geven ons een denkbeeld van dat wonderbare. Het zijn telkens weer
uitstortingen des harten, lofzangen op de Minne. Vrouw Minne heeft haar
beroofd van vrienden en magen, van wereldsche eer en rijkdom; heeft haar
ziekte berokkend, heeft haar vleesch en bloed verteerd--maar ook, welk
een rijken schat des harten heeft zij daarvoor teruggekregen.

Hier en daar zijn hare godsdienstige opvattingen en beschouwingen, uit
streng-dogmatisch oogpunt, gewaagd genoeg en een ketterjager zou deze
zorgeloos rondzwevende vogels licht onder schot kunnen krijgen.
MECHTHILD laat zich gaan, zooals een dichteres dat doet. Want poëzie is
hier in zoo menige uitstorting des harten, waar de Minne zich openbaart
met "een kracht, innigheid en liefelijkheid als men later slechts bij
Suso vindt". Poëzie is ook in beelden en vergelijkingen als deze: wie
van minne sterft, dien moet men in God begraven; van het leven in God
sprekend: zegt zij: de visch kan in het water niet verdrinken; de genade
komt van boven: dat de arend zoo hoog vliegt, heeft hij niet aan de uil
te danken; de ziel moet zich hoeden voor de zonde, zooals een muis die
in de val zit en haar dood verwacht; zij wikkelde zich in de heilige
Drievuldigheid, zooals een kind zich wikkelt in den mantel zijner moeder
en zich vlijt aan haar borst.

De godsdienstige gemoedsstrooming die wij in Duitschland hebben
waargenomen, valt ook hier te lande aan te wijzen. De eerste helft der
12de eeuw was nog maar even voorbij, toen de abdij Klaarkamp in
Friesland als het eerste Cisterciënser-klooster verrees. Tal van andere
kloosters kwamen uit dit moeder-klooster voort, ook nonnenkloosters:
Syon en Nazareth in Friesland, Jesse bij Groningen, Mariënkamp bij
Assen, Mariënhorst bij Deventer, Mariëndaal bij Utrecht. In de meeste
dezer kloosters en in andere, tot de orde van Citeaux behoorende, als de
abdijen van Loosduinen en Leeuwenhorst, vond men addellijke jonkvrouwen
en daaronder ettelijke die de namen droegen van RENESSE, ALKEMADE,
TEILINGEN, DUVENVOORDE.

Ook in sommige Friesche kloosters vindt men aanwijzingen van een
hooggespannen gemoeds- en zenuwleven. In het Praemonstreiter klooster
Mariëngaarde gold het als een bewijs van innige vroomheid en tevens als
eene groote genade-gave: "totum esse raptum in Deum"; zoo ook, bij het
dankgebed na den maaltijd in tranen uit te barsten; wie in zulk een
toestand verkeerde, werd "intus debriatus" genoemd. Ook van het
zoogenaamde "tweede gezicht" vinden wij een voorbeeld: toen GERBRAND,
tweede abt van Klaarkamp, van eene reis naar Citeaux huiswaarts keerde,
werd hij ziek en stierf te Vervins; lang vóórdat de tijding van zijn
dood in Friesland was ontvangen, had eene non van het klooster Syon in
een visioen den abt zien sterven.

Veel sterker echter dan in het Noorden was de extatische strooming in
het Zuiden dezer landen.

Toen bisschop FULCO van Toulouse in 1212 te Luik kwam, werd hij
getroffen door de menigte extatische vrouwen in die stad. Sommige konden
in de zielen van anderen lezen; andere waren zoo krachteloos door
verlangen naar den hemelschen bruidegom, dat zij in vele jaren slechts
enkele malen van haar bed opstonden; zij gevoelen een honigsmaak op de
tong zoo vaak zij in geestvervoering zijn, zitten een ganschen dag in
zwijgende rust, zonder oog of oor voor de buitenwereld; voor een steek
met een of ander puntig voorwerp zijn zij gevoelloos.

Het leven van een viertal extatische vrouwen uit Zuid-Nederland is ons
nader bekend geworden, uit de verhalen daarvan in het Latijn opgesteld
door THOMAS VAN CANTIMPRÉ en JACOB VAN VITRY. Het zijn MARIA VAN
OIGNIES, in 1177 te Nivelles in het bisdom Luik geboren en in 1213 als
bagijn gestorven; CHRISTINA VAN SINT TRUYEN die leefde van 1150-1224;
MARGARETHA VAN YPEREN, die in 1237 in haar 21ste jaar overleed en
LUTGART VAN TONGEREN, die eerst met de heilige CHRISTINA in het klooster
te Sint Truyen leefde en van daar naar het klooster Aquiria bij Kamerijk
ging, waar zij in 1246 stierf.

De drie eerstgenoemden leidden, zooals de meeste harer zusteren, een
streng ascetisch leven; zij zijn ongevoelig voor koude, al bevriest de
wijn in de miskelk; voor pijn, voor honger. MARIA en MARGARETHA waren
begaafd met het "tweede gezicht". Alle drie verdiepen zich gestadig in
Christus' lijden, vooral zijn lichamelijk lijden. Dagen lang blijven zij
in extaze of een daarop gelijkenden toestand. MARIA bleef eens 35 dagen
lang zonder spijs en al dien tijd kwam geen ander woord van hare lippen
dan: "ik wil het lichaam des Heeren". Wanneer al het zinnelijke als een
wolk uit hare ziel was verdwenen door de stralen van het goddelijk
licht, dan ontving zij de vormen der godheid in hare ziel als in een
spiegel. CHRISTINA onderscheidt zich van de overige door den sterken
invloed dien het natuurleven op haar oefent, door de aantrekkingskracht
welke hooge plaatsen voor haar hebben en door het weinig persoonlijke
van haar geestesleven. In MARGARETHA treft ons de geweldige begeerte
naar mannen, die haar uit angst voor dien hartstocht tot Christus doet
vluchten; die er haar toe brengt zich met doornen te geeselen, totdat
zij de booze zinnen heeft getemd. De gedachte dat zij nu Christus' bruid
is, gaat haar dan zoozeer beheerschen, dat zij een volslagen afschuw van
mannen krijgt, zelfs de tegenwoordigheid van een jongen niet meer kan
verdragen; dat zij gansche nachten in gebeden verzonken blijft en dat
haar gevoel zich zoo bovenmatig ontwikkelt, dat zij soms in diepen slaap
viel wanneer zij zedelijk gekwetst werd door iets dat zij hoorde of
zag[28].


LEVEN VAN SINTE LUTGART.

Evenals MARGARETHA VAN YPEREN heeft ook LUTGART VAN TONGEREN te
worstelen met de zinnelijke liefde; evenals deze gelukt het ook haar,
slechts door de liefde tot den hemelschen bruidegom de zinnelijke liefde
te overwinnen. In hare extazes ziet zij vijf jaren lang bijna dagelijks
de Moeder Gods, de engelen, heiligen en apostelen; doch zij vindt geene
rust voordat zij den Heilige der Heiligen gevonden heeft. De omgang met
Hem heiligt ook haar; de kloosterzusters vertelden dat zij eens des
nachts een licht, heller dan zonlicht, boven LUTGARDE'S leger hadden
gezien; van LUTGART, evenals van CHRISTINA en anderen, wordt ons
verhaald, dat zij door aanraking met hare hand of door het strijken van
speeksel wonderen verrichtte.

Het leven van SINTE LUTGART is in het bijzonder gewichtig voor ons[29].
Het is oorspronkelijk in het Latijn verhaald door den bekenden
Dominikaan THOMAS (DAMAES) uit het adellijk geslacht van Bellenghem, die
gewoonlijk genoemd wordt naar de abdij van Cantimpré bij Kamerijk, waar
hij een deel zijner jonge jaren doorbracht. Hij was langen tijd een
vertrouwd vriend van LUTGART, die toen haar verblijf hield in de
eveneens bij Kamerijk gelegen abdij van Aywières (Aquiria). Dankbaar
herdacht THOMAS later, hoe menigmaal zijne oudere vriendin--zij was
omstreeks 18 jaar ouder dan hij--hem had getroost en opgebeurd, wanneer
hij de moeilijke taak der biecht-afneming had te vervullen. Voor hem was
zij een heilige; de gedachte dat hem, na haar scheiden uit dit leven,
niets van haar zou overblijven dan de liefelijke herinnering alleen, was
hem blijkbaar ondragelijk. Iets van haar moest hij na haar dood mogen
behouden. Doch welk eigendom had eene vrome non als deze dan haar
lichaam? De teergevoeligheid van later tijden bevredigt hare behoefte
aan een tastbare heugenis van geliefde dooden met een vlok haar--dit
kind eener eeuw van forscher en grover zinnelijkheid wenschte hoofd of
hand zijner vriendin voor zich om die, in zilver of goud beslagen, te
bewaren[30]. Slechts haar rechterpink, haar "minste vingerkijn", had
LUTGART, wien het ter oore was gekomen, hem half in ernst half in
scherts toegezegd. Inderdaad werd die pink na LUTGART'S dood door een
paar leekebroeders afgesneden en aan HADEWYCH, toentertijd abdis van
Aywières, overhandigd. Maar THOMAS kreeg de begeerde reliquie slechts,
nadat hij de abdis beloofd had het leven zijner gestorven vriendin te
zullen beschrijven.

Ter vervulling van die belofte schreef hij zijne _Vita Lutgardis_; dat
werk moet voltooid zijn geweest vóór 1248, het sterfjaar van HADEWYCH
aan wie THOMAS zijn werk heeft opgedragen. De schrijver had het verdeeld
in drie deelen volgens de drie trappen van het ascetisch leven: het
begin, den voortgang en de volmaaktheid. Het eerste deel verhaalt ons
LUTGART'S leven in het Sinte-Katharinaklooster bij St. Truyen; het
tweede omvat de 29 eerste jaren van haar verblijf bij de
Cisterciënser-nonnen van Aywières; het derde hare elf laatste
levensjaren.

Deze _Vita Lutgardis_ nu is als leiddraad gebruikt door een Nederlandsch
dichter bij het schrijven van zijn merkwaardig _Leven van Sinte
Lutgart_. De dichter van dat werk, WILLEM genaamd, werd omstreeks 1210
te Mechelen geboren als een onwettig kind uit het adellijk, aanzienlijk
geslacht der Berthouts; hij studeerde te Parijs, trad in de orde van
Sint Benedictus, werd prior van Afflighem (bij Aalst), later abt van
Sint Truyen en stierf in 1297. Zijn _Leven van Sinte Lutgart_ is door
hem waarschijnlijk tusschen 1262-1274 gedicht[31].

Inderdaad, meer dan een leiddraad is de Latijnsche _Vita_ niet geweest
voor WILLEM VAN AFFLIGHEM, die het sobere verhaal van THOMAS in de
gemakkelijk vloeiende verzen zijner omstandige en genoegelijk
breedvoerige bewerking liet uitdijen tot een omvangrijk geheel; het
tweede en het derde boek, die alleen tot ons zijn gekomen, omvatten
samen reeds meer dan 20.000 verzen[32]. WILLEM heeft slechts weinig
weggelaten; wat hij weglaat, zijn o.a. dingen die hem voor den goeden
naam der nonnen blijkbaar minder wenschelijk voorkomen.

Zoo vertelt THOMAS ons in zijne _Vita_ van eene non, door den duivel
bezeten, en door dezen zoo onrein van hart gemaakt, dat zij zich meer
dan eens aan ontucht zou hebben overgegeven, indien vurige gebeden haar
niet weerhouden hadden[33]. WILLEM acht het voldoende te verhalen dat de
non door den Booze bezeten was, dat zij zich zelve soms sloeg en er
angstwekkend uitzag. Maar een breedvoerig verhaal geeft hij ons daarop
van de wijze waarop LUTGART dien boozen alf dwong, het lichaam der
bezetene te verlaten; van het gansche levendig tooneel dier
duivelbezwering vinden wij daarentegen in de _Vita_ weinig of niets[33].

Tegenover die enkele weglating staat dus reeds dadelijk een invoegsel.
In de meeste gevallen heeft hij echter, zonder iets weg te laten, zijn
voorbeeld uitgebreid of ook wel gevoelens en opmerkingen van zich zelven
ingevoegd. Zoo b.v. waar een paar van LUTGART'S visioenen beschreven
worden en waar hij zich verdedigt tegen menschen die zich niet schamen,
de dichters dwaas te noemen, omdat zij al die "fantasijen" van oude
vrouwen beschrijven[34]. Zoo is ook hoofdstuk XVI van het Tweede Boek
bijna geheel van WILLEM afkomstig, die ons daar eene levendige
schildering geeft van den strijd tusschen LUTGART en de duivelen die
haar voortdurend belagen; die zij verjaagt, "zooals iemand zich de
vliegen met een kwispel of een tak van het lijf houdt" en die haar zóó
vreezen dat zij zelfs in hare afwezigheid niet wagen hare bidplaats te
naderen.

Op menige plaats heeft de dichter de gelegenheid te baat genomen, om
vermaningen te richten tot de "heren en vrouwen" die zich onder zijn
gehoor bevonden of die hij elders door de lezing van zijn werk hoopte te
bereiken. Hij waarschuwt de prelaten die hun plicht verzaken en wien het
slechts om wereldsche eer te doen is; brengt zijn publiek onder het oog,
hoe LUTGART slechts door de "sterke minne" tot God den duivel en zijne
trawanten kon overwinnen; hij vaart uit tegen de oude hebzuchtige
huichelaars, de "papelarde metten grisen langen barde", die den armen
onder allerlei drogredenen het hun toekomende willen onthouden; hij
betreurt de verslapping der kloostertucht en stelt de abdij van
Afflighem aan andere ten voorbeeld.

Is de dichter niet zelden breedsprakig en staat hij stil bij tal van
bijzonderheden die ons geen belang meer inboezemen, anderzijds dient
erkend, dat hij even vaak onderhoudend en levendig vertelt. Levendig en
onderhoudend is b.v. de proloog van het Tweede Boek, waaruit wij vroeger
eenige verzen aanhaalden. En hoe aardig teekent hij in den proloog van
het Derde Boek de slaperigheid die een deel van zijn publiek heeft
bevangen onder de voordracht:

  Dat heldekoppen [Zijnoot: knikkebollen.] ende nigen,
  Dat metten hoofden neder sigen
  Gaf mi litteeken [Zijnoot: blijk.] dat hem somen
  Die vaec in d'ogen ware comen.

Maar hooger vlucht neemt hij in andere deelen van zijn werk; daar
wandelt hij niet met bedaarden of levendigen pas over den beganen grond,
maar hij zweeft er boven. Deze abt is waarlijk dichter; heeft ten minste
eenige der wezenlijke eigenschappen van een dichter. Men zou dat reeds
vermoeden waar men hem de onmacht der taal ziet beseffen: LUTGART was na
een gebed tot God, aldus vertelt WILLEM ons, zóó verheugd,

  Meer dan u iemen soude mogen
  Geseggen wel met didscher spraken
  [Zijnoot: in het dietsch (de volkstaal).].

Maar dat hij dichter is, ziet men duidelijker waar hij ons beschrijft
hoe de H. Maagd aan LUTGART verschijnt: hoe dat gelaat van uitgelezen
schoonheid, anders stralend van glans, nu zoo bleek en verslagen ziet
van hartzeer; hoe donker haar gewaad, dat anders schittert heller dan
het licht van een zomerschen dag. Fraai is het 4de hoofdstuk van het
Tweede Boek, waarin ons verhaald wordt, hoe LUTGART door hare gebeden
den prediker JACOB VAN VITRY verlost van zijne zinnelijke liefde tot
eene vrouw van uitverkoren schoonheid. De innerlijke strijd dien eene
mystieke vrouw te strijden had, vóórdat zij rust in God vond, is ons in
het zesde hoofdstuk van dat boek geschetst met de zachte gevoeligheid
van omtrek die wij ook in vele miniaturen bewonderen. Schoon is hier
vooral de verhouding eener non van edelen bloede tot God afgebeeld; er
is sprake van vrouwe MARIA VAN RAEVIË

  die har herte voeget
  So simpellic an onsen Here,
  Dat men ne can no min no mere
  Vergronden noch genemen ware
  Hoe 't tusschen hem stoet ende hare.
  Si es so schamel [Zijnoot: bedeesd.] ende so blode,
  Dat si mi soude ontdekken node
  Des iwent [Zijnoot: iets.] ochte condech maken[35].

Een streven naar kunst toont WILLEM VAN AFFLIGHEM ook in de zorgzaamheid
voor den vorm van zijn werk: zijne verzen zijn gebouwd met eene
regelmaat van stijging en daling, die eenig is in onze middeleeuwsche
literatuur en zijne rijmen zijn zoo zuiver, dat men er te nauwernood
eene enkele assonance onder aantreft[36].

Tot nog toe hebben wij een voornamen karaktertrek van WILLEM'S werk
buiten beschouwing gelaten: zijne eigenaardige voorstelling van het
streven der ziel naar vereeniging met God, dat hij _minne_ noemt. Als
een stroom van wit licht doorgloeit die "minne" het _Leven van Sinte
Lutgart_; in de _Vita_ van THOMAS is daarvan niets of te nauwernood een
glimpje te zien.

Heeft men eens leeren beseffen, wat de ware "minne" is, namelijk niet de
wereldsche of de zinnelijke liefde, maar de liefde der ziel tot God, dan
moet men al zijne krachten inspannen om deze liefde deelachtig te
worden. Maar lang is de weg en moeilijk de strijd. Menigeen die zich
gewennen wil de minne te dienen en in haar school te gaan, streeft in
den aanvang al te haastig voorwaarts in plaats van rustig af te wachten.
In den beginne behaagt dat oefenen zijner krachten den minnaar; doch
indien zijn wil hem dan verlokt zwaarder taak op zich te nemen dan hij
kan volbrengen, dan wachten hem schaamte en vernedering. Daarom moet hij
die "der minnen rade volger" gestadig volharden in den goeden strijd.
Want een strijd, eene worsteling der ziel met God is de minne. LUTGART
dwong met hare sterke minne den hoogsten Koning, onzen Heer, haar al
hooger in Zijne gratie te verheffen; want Hij kon het haar niet
weigeren; zij bracht Hem ten onder. Soms liet Hij haar geene "zeghe
vechten", ook al bleef zij lang stokstil liggen, krachtiglijk met
gebeden worstelend tegen den hoogste des hemels. Maar wie eenmaal de
minne als middelares tot vereeniging met God heeft leeren kennen, die
blijft strijden. En dan wordt hem te zijner tijd de zoete wijn der minne
geschonken, zoodat hij in "orewoet" [Zijnoot: geestverrukking.] geraakt
en verzwolgen wordt in der minne grondelooze diepte. LUTGART was in de
school der minne geweest; daar had zij den Meester gevonden, die haar
zonder woorden binnen in het hart alles verklaard had, wat geen geleerde
met behulp van boeken en schrifturen verklaren kan[37].

Ook andere nonnen van Aywières waren de genade der minne in meerdere of
mindere mate deelachtig geworden; het spreekt van zelf, dat verwante
zielen, die eenigen tijd de minne hadden gediend, behoefte hebben
gevoeld, hare innerlijke ervaringen ten minste ten deele te bespreken,
of te luisteren naar eene zuster als LUTGART die in de school der minne
het zóó ver had gebracht. Zoo zien wij dan ook eens eenige nonnen in de
ziekenzaal van Aywières zitten, daarheen gekomen om LUTGART te hooren
"disputeren van der minnen".

Men waagt zeker niet veel met de bewering dat dit niet de eenige keer
zal geweest zijn, dat LUTGART en hare geestverwante zusters in het
klooster zich hebben onderhouden over de hooge dingen die hare gansche
ziel vervulden.

Zou de abdis van het klooster nooit hebben deelgenomen aan die
gesprekken? Zij, wie LUTGART blijkbaar zóó na aan 't hart lag, dat zij
"het minste vingerkijn" der overledene niet missen en slechts voor eene
levensbeschrijving der betreurde zuster wilde afstaan?

Kan deze abdis HADEWYCH, aan wie THOMAS VAN CANTIMPRÉ zijne _Vita
Lutgardis_ opdroeg, eene andere zijn geweest dan de mystieke, en tot nog
toe mysterieuze, schrijfster, die ons hare visioenen heeft geopenbaard
en de minne verheerlijkt in zoo menig fraai en innig gevoeld lied?

Eene beschouwing van haar persoon en haar werk moge op die vraag het
antwoord geven.


HADEWYCH.

Eene gunstige lotsbeschikking heeft een aantal Nederlandsche werken in
proza en poëzie uit dezen tijd voor ons bewaard, die in een paar
handschriften van de 13de en den aanvang der 14de eeuw _visiones
haywigis, epistole haywigis_ en _ritmata haywigis_ genoemd worden[38].

De visioenen behelzen gedeeltelijk beschrijvingen van hetgeen eene in
extaze verkeerende vrouw heeft gezien, doch handelen veelal over de
minne; ook de epistolae behandelen vooral dat onderwerp, zooals reeds
blijkt uit den aanvang: "God die de clare Minne die onbekint was,
verclaerde bi siere doghet"; van de gedichten (_ritmata_) is de minne
schering en inslag. Blijkbaar hebben wij hier het werk vóór ons van ééne
dichteres die den naam HADEWYCH draagt; ook _in_ haar werk wordt die
naam een paar maal genoemd. Het godsdienstig gemoedsleven waarvan al
deze dichterlijke werken uitingen zijn, beweegt zich in dezelfde sfeer,
waarin LUTGART en de andere vroeger genoemde vrouwen in ons land en in
den vreemde zich te huis gevoelden. Wanneer wij in een van HADEWYCH'S
visioenen melding gemaakt vinden van "Heldegaert die al de visione
sach", dan zal het wel niet gewaagd zijn, te vermoeden dat hier de abdis
HILDEGARDE VAN BINGEN bedoeld is[39].

Dat HADEWYCH spreekt van hare geestverwanten o.a. in Saksen en
Thuringen, waar, zooals wij zagen, de mystiek zich bijzonder krachtig
ontwikkeld heeft; dat zij onder die geestverwanten vele bagijnen noemt,
zoowel in ons land als daarbuiten, maakt deze voorstelling nog
aannemelijker. Op eene andere plaats in haar werk maakt HADEWYCH gewag
van de "vrouwe van Nazaret". Waarschijnlijk hebben wij hier te denken
aan BEATRIX VAN THIENEN, abdisse van het Cisterciënser-klooster Nazareth
(bij Lier) die in 1260 overleden is, en die ook visioenen had[40].

Alles leidt er ons dus toe, de dichteres HADEWYCH te zoeken in een
Cisterciënser-klooster. Nu is het natuurlijk mogelijk, dat er in de
abdij van Aywiéres of elders eene Cisterciënser-non heeft geleefd,
eveneens HADEWYCH genaamd en naar den geest verwant met al de hierboven
genoemde vrouwen; doch waarschijnlijk zal HADEWYCH, de dichteres, één
zijn geweest met de abdis van Aywières aan wie THOMAS VAN CANTIMPRÉ
zijne _Vita Lutgardis_ heeft opgedragen.

Een deel van dit proza en der berijmde zendbrieven, achter de zuiver
lyrische gedichten in coupletten, is gericht tot eene jongere
geestverwante, door HADEWYCH herhaaldelijk aangesproken met "lieve
kint". Deze "joncfrouwe" is nog "ongheproeft van allen dinghen".
HADEWYCH wekt haar op om zich in te spannen als iemand die den weg der
Minne nog van meet af heeft te bewandelen; daartoe moet zij den diepsten
ootmoed betrachten bij al wat zij zal kunnen bereiken[41]. Door middel
van deze jongere vriendin deelt zij goede lessen en waarschuwingen uit
ook aan andere geestverwanten; zoo aan zekere SARA en EMME, wie zij
verwijt dat zij zich te weinig bekommeren om de minne, die haar zelve
"zoo vreseleke omvaen hevet in beroeringhen van onghecuster [Zijnoot:
onbevredigd.] minnen".

Niet alleen het pad der minne betreden, is noodig; de jonkvrouw tot wie
HADEWYCH zich richt, moet zich ook ontfermen over allen nood, goede
daden verrichten, zieken verplegen. Zij zelve heeft dat ook gedaan
totdat het haar verboden werd[42].

Over hare persoonlijke omstandigheden is in HADEWYCH'S werken niet veel
te vinden; wat wij als zoodanig kunnen aanwijzen, is gedeeltelijk
nevelachtig uitgedrukt. Reeds op haar tiende jaar had de minne haar hart
bedwongen; had God haar niet gesterkt, zij ware onder dien dwang
bezweken. De meeste visioenen schijnen uit hare jeugd te dagteekenen, al
kwamen zij ook in haren ouderdom nog wel voor. Van der jeugd af had zij
haar lichaam, dien heiligen tempel Gods, rein gehouden van al wat niet
betaamt; zóó was zij geworden tot eene reine kolom in de kerk der
heiligen[43]. Wel had zij reeds in hare jeugd een sterk zielsverlangen
naar het genot van één te zijn met Gode; doch daartoe was zij toen nog
te weinig volgroeid naar den geest; zij had er zich nog te weinig voor
ingespannen. Leed en ellende waren door haar aanvaard als middelen tot
heiliging.

Dat leed en die ellende waren haar door God opgelegd. In een visioen was
haar door God dit gebod gegeven: zij moest begeeren arm, ellendig en
versmaad te zijn onder alle menschen; alle verdriet moest haar
behagelijk zijn boven alle aardsche geneugten, ook al zou dat verdriet
ondragelijk zijn voor een mensch. Zij moest der wereld vreemd worden,
klein geacht bij de menschen en zoo rampzalig dat zij niet zou weten
waar zij des nachts haar hoofd zou neerleggen; alle menschen zouden haar
begeven, niemand zou met haar willen dolen in haren nood en hare
ellende. Over al dat leed spreekt zij ook tot hare jeugdige vrienden:
zij heeft niet onder de menschen gewandeld, hunne gewoonten niet
gevolgd, noch in hun eten noch in hun drinken noch in hun slapen; niet
zich gesierd met kleurige kleederen, nooit genoten van blijdschap die
een menschenhart verblijden kan. Bedroef u--zegt zij tot het jonge
meisje--zoo weinig mogelijk om mijnentwille, hoe het ook met mij ga,
hetzij in ronddolen door het land, hetzij in gevangenschap, want het is
al der minnen werk, dat de "vreemden" niet kennen[44].

Op die gevangenschap die haar bedreigde en die "vreemden" komen wij
terug; eerst moeten wij trachten ons eene voorstelling te vormen van
haar innerlijk leven, duidelijker dan mogelijk is met behulp van het tot
hiertoe medegedeelde.

Ook HADEWYCH'S zieleleven werd beheerscht door de minne. "Mint de
minne!" zoo had ook in haar eene stem weerklonken. Wie naar minne
streeft, doch naar die stem niet luistert, dien klinkt zij vreeselijker
dan de donder. Dat woord is de band daar de minne hare gevangenen mede
bindt, het zwaard waarmede zij wondt die zij raakt, de roede waarmede
zij hare kinderen kastijdt.

Waarschijnlijk hebben wij den oorsprong dier minne te zoeken in het
bijbelwoord, ook door HADEWYCH aangehaald en "het swaerste inder
scrifturen" genoemd, dat God zeide tot Mozes: "Du salt minnen dinen
Here, dinen God, van al dijnre herten, van al dijnre sielen, van al
dijnren crachten"[45]. Die woorden mag de minnende ziel nimmer vergeten,
slapend noch wakend. Slaapt zij, dan moet zij er van droomen; waakt zij,
dan moet zij erover peinzen, erover spreken, ernaar handelen. Zij moet
dat doen, niet om macht of blijdschap of rijkdom of hoogheid te
verwerven, noch om der wille van eenig genot in den hemel of op
aarde--maar alleen omdat het welbehagelijk is aan den hoogwaardigen God,
die de menschelijke natuur daartoe geschapen heeft.

Doch niet licht is de last dien de minnende ziel op zich neemt. Met de
minne komt ook de vreeze het hart des minnaars binnen. Hij vreest, dat
hij de minne niet zal kunnen voldoen; dat al wat hij over minne zegt, te
gering zal zijn voor haar. En wel bestaat er reden tot zulke vreeze.
Want wij willen allen wel God zijn met God; doch weinigen onzer willen
mensch zijn met Hem, met Hem het kruis dragen en met Hem aan het kruis
hangen om de schuld van het menschdom te voldoen. Elk klein verdriet
trekken wij ons aan; doet men ons smaadheid, beliegt men ons, worden wij
in onze eer getast of in ons gemak of in ons genoegen--dan gaat het ons
zoo ras aan het hart. Daarom blijft onze zin onverlicht, ons wezen
ongestadig, onze rede en ons verstand onbetrouwbaar; en zoo dolen wij
arm, onzalig, ellendig en verbijsterd langs moeilijke wegen in een
vreemd land. Want alleen de minne kan ons voldoen; niets anders. Der
minne loon blijft nimmer uit, al komt het dikwijls spade. Wie haar zich
zelven geeft geheel, die zal haar hebben geheel, wien lief wien leed.
Dan hebben zijne ziel en zinnen dag noch nacht rust: de vlam der minne
brandt alle uur in het merg zijner ziel; dan wordt hij verzwolgen in de
diepte der minne.

Keert deze hooge ziel dan terug tot de menschen en de dingen der
menschen, dan is haar aanschijn zoo blijde en zoo wonderliefelijk
gezalfd met de olie der caritate, dat zij zich goedertierenlijk tot de
menschen kan richten in al wat zij wil[46].

Doch niet altijd is de minnaar der minne zoo kalm gelukkig.

Wanneer de kracht van den grooten God zich openbaart in het hart zijner
vertrouwelingen, dan wordt de zalige ziele geleid in eene geestelijke
dronkenschap "daer si in moet spelende sijn". Telkens valt HADEWYCH zoo
"buten den geest" en blijft zij zóó verzwolgen in de minne, dat zij
geene voorstelling of begrip meer heeft van iets anders dan één te zijn
met Hem en daarvan te genieten. Zij zelve heeft nauwkeurig het tijdstip
en den duur, ook den inhoud van vele dier extaze's aangegeven. Zij
geraakt in visioen op Kerstdag, op Paschen, op Pinksteren, op
Maria-geboorte, in een Kerstnacht, op O.L. Vrouwe Hemelvaart; de eene
extaze duurt een half uur, eene andere een halven dag, vaak blijft zij
drie dagen en drie nachten "in opghenomenheide van geeste". Zij ziet een
hoogen berg met vijf wegen van symbolieke beteekenis, eene draaiende
schijf die de eeuwigheid verbeeldt, de drie "overste" hemelen met de
tronen, cherubijnen en serafijnen, het hemelsch Jeruzalem met al de
zaligen. Een der visioenen beschrijft zij ons aldus: "Ende ic keerde mi
van heme ende ic sach een cruce vore mi staen ghelijc cristalle, claerre
[Zijnoot: helderder.] ende witter dan cristal; daer mocht men dore sien
een groote wijtheit. Ende vore dat cruce sach ic staen enen setel
ghelijc eener sciven ende [Zijnoot: die.] was claerre ane te siene dan
die sonne in haerre claerster macht ende onder die scive stonden drie
colommen.... Ende midden onder die scive draeyde een wiel soo vreseleke
omme ende die soo eyselike was ane te siene, dat hemelrike ende aertrike
daer of verwonderen mochte ende vervaren [Zijnoot: vreezen.]. De zetel
beteekent de eeuwigheid; de drie kolommen verbeelden Vader, Zoon en H.
Geest.

Zelfs voor eene beschrijving van God deinst zij niet terug. Doch terwijl
zij bezig is met eene poging om mede te deelen wat zij gezien heeft, op
eene wijze die levendig herinnert aan het beeld van "eenen den Zoon des
menschen gelijk zijnde" uit de Openbaring, wordt zij zóó overweldigd
door Gods grootheid en schoonheid, dat zij erkennen moet: "Daer ne magh
ic niet af te woerde bringhen, want die ontelleke [Zijnoot: onzegbaar.]
grote scoenheit ende oversoete soetecheit van dien werdeleken
wonderleken aenscine, dat benam mi alle redene van hem in
ghelikenessen."

Niet zoo ingetogen blijft hare taal, waar zij ons eene extatische
ontmoeting met Jezus beschrijft: hoe hij haar in zijne armen neemt en
aan zich drukt, hoe al hare ledematen de zijne gevoelden naar haars
harten begeeren; eene korte wijle heeft zij kracht dat genot te
verdragen, maar spoedig daarop verliest zij den schoonen man in zijn
zichtbaren vorm; zij ziet hem als wegsmelten, totdat zij niets meer van
hem gewaar wordt. Doch op die ure was het haar alsof zij één waren
"zonder differentie". Een walm van zinnelijkheid verdonkert hier de
zuivere vlam, waarmede de minne doorgaans in haar brandt.

Dat zulke en trouwens ook de overige visioenen haar lichaam moesten
aangrijpen, spreekt van zelf. Het verwondert ons niet haar te hooren
vertellen, dat soms al hare leden schudden en beven van begeerte; dat
zij, uit eene extaze tot zich zelve komend, zich niet zelden
neerslachtig of ellendig voelt[47].

Niet zonder reden vestigden wij, sprekend over HADEWYCH'S visioenen, de
aandacht tevens op de Openbaring van JOHANNES; de invloed van dat werk
toch openbaart zich telkens in de beschrijving van hare droomen en
gezichten. Ook de schrijver der Openbaring deelt ons een paar maal mede
dat hij "in den geest was", eens "op den dag des Heeren"; ook hij heeft
velerlei visioenen. Ook in de Openbaring vinden wij de vier dieren, den
arend, de sterke stem als die van den donder, de zes vleugels met oogen
bezet; het zevenvoudig bazuingeschal vinden wij terug in de zeven
vleugelslagen waarmede, bij HADEWYCH, de engel "een ghestille" maakt. In
de woorden der Openbaring: "gij moet wederom profeteren voor vele volken
en natiën en talen en koningen" kan HADEWYCH een gebod hebben
gezien--zooals vóór haar HILDEGARDE VAN BINGEN en ELISABETH VAN
SCHÖNAU--haar dwingend hare visioenen te openbaren[48].

Naast de Openbaring moet het Hooglied genoemd worden onder de bronnen
waaraan deze volgster der minne haren dorst naar het eeuwige stilde.
Onder de boeken, toebehoorend aan het Roode-Klooster in het Soniën-bosch
waar HADEWYCH'S poëzie bewaard bleef, vond men ook een exemplaar van
"der minnen boec dat men noempt cantica canticorum"[49]. Op meer dan
eene plaats van haar werk ziet men dat het Hooglied haar bekend was, dat
de voorlezing van dat bijbelboek haar hart ontroerde[50].

Hooglied en Openbaring spraken vooral tot HADEWYCH'S gevoel en
verbeelding; in andere geschriften zocht zij wat behalve haar gevoel ook
haar verstand bevredigde. PAULUS was haar niet onbekend, noch ORIGENES,
noch AUGUSTINUS. De werken van den heiligen BERNARD VAN CLAIRVAUX
moesten deze minnende ziel wel aantrekken. Hij immers had dien door haar
zoo geliefden tekst uit het Hooglied: "dilectus meus mihi et ego illi"
tot onderwerp voor een zijner sermoenen gekozen; weinigen hadden zich
zoo als hij verdiept in de beschouwing van de geestelijke liefde, van
dien "amor sanctus et castus" waardoor de ziel van den Christen moet
worden gezuiverd; ook hij kende dat opgaan der ziel in God, zooals een
ijzer, gloeiend in het vuur, ten slotte aan dat vuur gelijk wordt;
zooals de lucht, doorgloeid van zonlicht, met dat licht vereenzelvigd
wordt; de geestelijke dronkenschap, waarvan hij in het Hooglied en de
Psalmen melding gemaakt vond, moet hij, evenals HADEWYCH, hebben gevoeld
vóórdat hij haar in een zijner tractaten kon beschrijven. Wanneer
HADEWYCH in een harer gedichten onderscheid maakt tusschen hen die God
dienen uit vrees en hen die Hem dienen uit liefde en deze beide soorten
tegenover elkander stelt als "knechten" en "zonen", dan schijnt haar
daarbij eene plaats uit een van SINT BERNARD'S brieven voor den geest te
staan[51].

Met het werk van den beroemden ALBERTUS MAGNUS schijnt zij, wie het
Latijn blijkbaar niet vreemd is, wel kennis te hebben gemaakt. Wanneer
wij zien dat zij de krachten der ziel onderscheidt in _redene_, _wille_
en _memorie_, dan worden wij herinnerd aan ALBERTUS' indeeling: _ratio,
voluntas, memoria_[52].

Heeft HADEWYCH, wandelend de wegen der minne, zwevend in hare visioenen,
nooit de grenzen overschreden welke door de R.K. Kerk aan het voelen en
denken waren gesteld? Er bestaat reden die vraag te doen, waar het
mystieken geldt. Hoe licht konden zij er toe komen zich te vergelijken
met andere Christenen en zich boven deze te stellen! Op menige plaats in
haar proza en hare poëzie spreekt HADEWYCH van hen die zij "_vreemde_"
noemt[53]. Zij bedoelt daarmede vermoedelijk dezelfde personen die zij
elders noemt: "valsche broederen die seinen huusgenoote des geloofs".
Tegenover deze plaatst zij de ware broeders en zusters die zij met den
naam van de "_nuwe_" (nieuwen) pleegt aan te duiden. Het komt mij niet
waarschijnlijk voor, dat wij hier moeten denken aan eene kettersche
secte als die der beruchte Broeders en Zusters van den vrijen geest,
doch dat wij ons ook hier tot de Openbaring van Johannes om licht moeten
wenden; daar vinden wij telkens gewag gemaakt van het woord _nieuw_ in
geestelijken zin, in uitdrukkingen als: En ik zag eenen _nieuwen_ hemel
en eene _nieuwe_ aarde; het _nieuwe_ Jezuzalem; ziet ik maak alle dingen
_nieuw_[54].

Het is begrijpelijk dat eene vrouw van hare gaven onder een klein aantal
geestverwanten op den voorgrond kwam, dat men tot haar opzag, dat zij
daardoor neiging kreeg tot zelfverheffing, dat zij kwam tot uitspraken
als deze: "ic en gheloefs ooc niet, dat enich mensche levet daer God
also sere af ghemint es". Doch er is een groote afstand tusschen al of
niet rechtmatige zelfverheffing en ketterij. Zeker, er is vooral in haar
proza hier en daar iets dat naar den mutsaard riekt. Zoo b.v. in een zin
als deze: "Mer in ghebrukene [Zijnoot: genot]" van minnen es men God
worden, moghende ende gherecht". Doch alvorens men het anathema
uitspreke, bedenke men dat alle mystiek die een eigen weg naar God
zoekt, eene kiem van ketterij in zich omdraagt, en dat er naast eene
kettersche ook eene kerkelijke mystiek leefde: men heeft toch BERNARD
VAN CLAIRVAUX niet van ketterij beschuldigd, omdat hij in zijn tractaat
"de diligendo Deo" geschreven heeft: "sic affici deificari est"?[55]

In allen gevalle heeft HADEWYCH in hare poëzie meer dan eens getuigd van
haren eerbied voor de "heilige kerk", en tegen haar eigen getuigenis in
mag men haar niet van ketterij beschuldigen.

Erkend dient echter dat daarmede niet alle vragen aangaande HADEWYCH'S
persoon zijn beantwoord.

Wanneer wij in het proza lezen dat zij er zich over verwondert, dat de
menschen haar "soo langhe laten leven ende datse enegen raet ochte enecb
sparen ochte genade te mi hebben, sine tormenten mi altoes met nuwen
tormente", dan moet men wel denken dat zij hier zinspeelt op vervolging
om den geloove. Brengen wij deze uiting in verband met eene vroegere
over ronddolen door het land en dreigende gevangenschap, dan komt men
tot het vermoeden, dat zij vroeger wellicht als begijn reizend en
trekkend is geweest (niet alle toch waren in hoven vereenigd). Onder
hare geestverwanten noemt zij immers ook "eene beghine die meester
ROBBEERT doedde _om hare gherechte Minne_"[56]. Eerst in lateren tijd
zou zij dan eene toevlucht hebben gezocht bij de Cisterciënser-nonnen
van Aywières en abdis zijn geworden.

Doch wat daarvan zij, zeker is, dat wij hier een proza hebben, het
vroegste in onze literatuur, waarvoor wij de schrijfster, begijn, non of
abdis, dankbaar moeten zijn.

Voor het eerst vinden wij hier het streven van den mensch naar het
oneindige, in onze moedertaal verklankt, in eene periode, aanvangend:
"Nu verstaet die innecheit van uwer zielen, wat dat es: ziele". Men zou
het gevoelsleven dier mystieken geheel moeten kunnen medeleven, om die
periode geheel in zich te kunnen opnemen; maar ook zonder dat kan men
toch wel iets gevoelen van de stoutheid van dit proza in het eerst van
zijne vlucht:

"Siele es een wesen dat sienlec es Gode, ende God hem weder sienlec....
Siele es een wech van den dorevaerne Gods in zine vriheit van sinen
diepsten ende God es een wech van den dorevaerne der zielen in hare
vriheit.... Dat sien dat naturelec in de ziele ghescapen es, dat es
caritate. Dat sien hevet twee oghen: dat es minne ende redene. De redene
en can Gode niet ghesien, sonder in dat hi niet en es; Minne en rust
niet dan in dat Hi es.... Redene hevet meerre ghenoechlecheit dan minne,
mer minne hevet meer suetecheiden van zalecheden dan redene. Doch hulpen
hem dese twee herde zeer onderlinghe, want redene leert minne ende minne
verlicht redene"[57].

HADEWYCH'S proza is ook elders indrukwekkend door zijne verhevenheid.
Zoo b.v. waar zij de minnende ziel vergelijkt bij den arend: zooals hij
de zon in het aanschijn ziet, zoo beschouwt de ziel God; dan denkt zij
niet meer aan heiligen of menschen, zij vliegt alleen "in die hoechede
Gods". Op andere plaatsen treft het ons door diep gevoel, met eenvoud en
zuiverheid uitgedrukt: men moet zich verheugen indien men zich verlaten
en eenzaam gevoelt, omdat alle lijden dat men lijdt om Gods wil Hem
behagelijk is.

"Al ghevoeldi oec bi wilen ellendecheit van herten, alse ochte ghi van
hem begheven waert, daer omme en mestroest u selven niet. Want ic segghe
u waerleke, dat al de ellende die men doeghet met goeden wille te Gode,
die es bequame [Zijnoot: passend.] in die ghehele nature Gods".

Zij schroomt echter, kunstenares die zij is, ook het lagere niet, want
zij weet het te verheffen. Duidelijk komt dat uit waar zij ons
mededeelt, hoe God haar eerst het genot had gegeven van Hem lief te
hebben, doch haar dat ontnomen had, toen zij zich zelve in hare
onwaardigheid had leeren kennen. Eerst had zij lang gewacht, alvorens
Hem te grijpen, later ontweek Hij hare grijpende hand: "Nu gaat het
mij", zegt zij, "als iemand wien men iets aanbiedt "te spele" (uit de
grap) en als hij er naar grijpt, slaat men hem op de hand en zegt:
vervloekt wie het gelooft". Op een andere plaats staakt zij eene
uiteenzetting van haar "ongheval ter minne" uit vrees voor verkeerde
uitleggingen der "vreemden": "de vreemde souden netelen planten daer de
rosen staen zouden"[58].

Het Latijnsche proza der kerkvaders dat vaak van groote schoonheid is,
heeft waarschijnlijk invloed geoefend op HADEWYCH'S proza. Men ziet het
b.v. waar zij de kleinmoedigheid van sommige minnende zielen schelst:
"Inden daghe der gratien sijn si coene ende inden nacht der tribulatien
soe keren si den rugghe. Dit sijn aermherteghe liede; si werden lichte
verheven int suete ende lichte bedroeft in tsuere. Ende eene cleine
gratie doet hare herte sere verbliden ende een cleyn vernoy [Zijnoot:
verdriet.] sere verdroeven."

Dit werken met tegenstellingen en parallellismen, bij de kerkvaders zoo
veelvuldig, komt ook op andere plaatsen bij HADEWYCH voor.

Hier en daar vinden wij opzettelijk aangebrachte rijmklanken in het
proza, zooals dat ook in het latere proza der middeleeuwen vaak gezien
wordt[59]. Blijkbaar geschiedde dit met de bedoeling aan de taal eenige
verheffing en uiterlijk schoon bij te zetten; doch het bloed kroop hier
waar het niet gaan kon.

Anders was dat in hare gedichten, waarin wij zoo menigmaal den harteklop
der echte poëzie kunnen hooren.

HADEWYCH mocht al zeggen:

  Wat hulpet mi, dat ic van minnen singhe
  Ende mi selven mine quale linghe [Zijnoot: verleng.].

Zij liet het daarom niet; zij wist te goed:

  Maer dien ouden ende dien jonghen
  Coelt sanc van minnen haren moet.

Wel ons, dat zij "van minne" gezongen heeft, want wij hebben daaraan het
bezit van geestelijke poëzie te danken, niet zelden duister, ook wel
eens eentonig en onbeteekenend, maar vaker in haar onbestuurde gangen
voortzwevend met onbewuste gratie en bijwijlen treffend door eene diepte
en innigheid van gevoel, zooals wij ze in onze middeleeuwsche literatuur
niet dikwijls zullen aantreffen.

Ook tot hare "vri edele sinne ende wel gheboren" was het verholen woord
gezegd, dat geen vreemden kunnen verstaan. In hare jonge jaren had zij
zich geheel aan de minne overgegeven; zij beloofde zich niets dan
zaligheid van de minne, van der minne wijsheid, rijkdom, goedheid,
macht--lacy! het zou anders uitkomen. Wel zegt de dorper:

         jeghen avont
  Sal men loven den sconen dach.

Te laat had zij dat begrepen. Teleurstelling en tribulatie
wachtten haar, onnoozele; want:

  Suer ende donker ende overwreet
  Sijn der minnen weghe in haer beghin.


Uit de diepten van het hart hooren wij die teleurstelling en
dat verdriet opkomen in dit mooi en welluidend couplet:

  Want ic sach eene lichte wolke opgaen
  Over alle swerke, soo scone gedaen [Zijnoot: van gedaante.],
  Ic waende met volre weelden saen [Zijnoot: spoedig.]
  Vri spelen in de zonne....
  Doe wert mijn hoge [Zijnoot: blijdschap.] maer een waen;
  Al storve ic, wie es dies mi wanconne [Zijnoot: misgunnen zou.]?

Doch langzamerhand had zij de wegen om tot de minne te komen leeren
kennen: vreemden en vrienden had zij laten varen, eer en rust opgegeven;
hare ziel zooveel mogelijk ontledigd van indrukken, door al het
geschapene op haar gemaakt; die ziel gemaakt tot een klaren spiegel,
waarin het beeld der Godheid zich zou kunnen weerkaatsen. Wie heeft de
minnende ziel deze wegen leeren kennen? Redene. Want wie pas door de
minne gevangen is, dien sluit zij de oogen met het uitzicht op allerlei
geneugten; doch dan komt Redene de sterke, dan blijkt eerst dat redene
den grond der minne moet doorglanzen.

Nu kan de ziel de onderscheidene trappen ("graden" en "staghen") der
minne opklimmen. Doch slechts langzaam kan dat geschieden; men moet
geduld oefenen. Menigeen wil wel op gemakkelijke wijze de minne
deelachtig worden en stelt zich, dorper die hij is, tevreden met een
klein genot dat voor de hand ligt; doch minne kent dezulken niet:

  Die gherne woude doghen tsuete ellende: [Zijnoot: ballingschap.]
  Die weghe ter hogher mînnen lant,
  Hi vonde sijn lief, sijn rike, ten ende,
  Des ghevet de trouwe seghel ende pant.
  Nu es menech dorper soo truwant [Zijnoot: (schooierig) verachtelijk.],
  Hi nemt dat hem es naest ghehende [Zijnoot: nabij.]
  Ende blivet vore minne die onbekende;
  Metter truanciën cleet,
  Soo en hevet hi vorme noch ere,
  Daer minne dat haer bi versteet.

In den dienst der minne moet men zich niet ontzien, geene kracht, geen
merg, geen hartebloed sparen, steeds indachtig aan deze uitspraak der
minne: hoe dieper gewond, hoe zachter genezen!

Langs zulke wegen komt de ziel tot de minne, die is als een band, een
licht, een kole vuurs, een dauw, een levende bron; eene helle, die alles
verslindt. Alleen hij zal haar geheel bezitten, die zich geheel aan haar
overgeeft. "Den middenweg houden, dat is zalig leven", zeggen de
vroeden, die naar deze wereld wijs geacht worden--maar HADEWYCH zegt:

  Middelheit moet af,
  Eer men in mach
  Ten edelen goede.

Ook dan blijft er nog wel een op-en-neer van juichen en
klagen, maar daarin is toch zaligheid:

  Bi wilen lief, bi wilen leet,
  Bi wilen verre, bi wilen ghereet [Zijnoot: dicht bij.],
  Die dit met trouwe van minnen versteet,
  Dat es jubileren:
  Hoe minne versleet [Zijnoot: verslaat.]
  Ende ommeveet [Zijnoot: omvangt.]
  In één hanteren.

  Bi wilen licht, bi wilen swaer,
  Bi wilen doncker, bi wilen claer,
  In vriën troost, in bedwongen vaer [Zijnoot: vrees.],
  In nemen ende in gheven,
  Moeten die sinne
  Die dolen in minne
  Altoos hier leven[60].

Groot is de kracht der minne, die immers God zelven tot den dood voor
ons gebracht heeft. Dat heeft niemand kunnen begrijpen, vóórdat MARIA
door haren ootmoed de minne zelve had gevangen:

  Wat soo ons god ye onste [Zijnoot: ooit gunde.],
  Hen wert nie man  [Zijnoot: er kwam nooit iemand.], die conste
  Gherechte minne verstaen,
  Eer dat maria de goede
  Met diepen ootmoede
  Die minne hadde gevaen [Zijnoot: gevangen.].
  T'ierst was si wilt, doe wert si tam,
  Si gaf ons vore den leeuwe een lam:
  Si maecte de demsterheit [Zijnoot: duisternis.] claer,
  Die hadde geweest donker wel menech jaer[61].

Is men onder strijd en storm van minne door het land van ballingschap
tot het rijk der minne gekomen, dan komt na al dat hooge gerucht (der
wereld) de stilte der nederigheid over de ziel; dan omvat de ziel wijde
ruimten, dan doorwandelt zij de diepten der minne ("der minnen gewat");
zij geniet de minne en geniet totdat zij in "orewoet" en geestelijke
dronkenschap zich zelve verliest.

Poëzie, die op zoo hoogen trap van ontwikkeling staat als deze, kan
kwalijk de eerste van haar soort zijn geweest. Wij weten te weinig van
de ontwikkelingsgeschiedenis onzer lyriek om met zekerheid te kunnen
spreken over den samenhang van HADEWYCH'S poëzie met de poëzie vóór
haar. Dat er te onzent, vóór of in haar tijd behalve VELDEKE'S liederen,
eene lyrische poëzie bestaan heeft, hopen wij verderop aan te toonen;
doch iets kunnen wij alreeds nu doen ter verdere kenschetsing van de
poëzie die wij tot dusverre vooral naar hare stof hebben leeren kennen.

HADEWYCH'S geestelijke liederen en gedichten vertoonen eene onmiskenbare
verwantschap met de wereldlijke lyriek, zooals die zich vóór haar in de
aangrenzende landen en ook te onzent had ontwikkeld. Onder al dit
"zingen van minne" verneemt men telkens klanken en motieven die ook in
de wereldsche minnepoëzie voorkomen. Dat om genade bidden, die klachten
over den band en den brand der minne, de ellende die de minnaar moet
doorstaan, die betuigingen dat de minne met haar aanlokkelijk gelaat hem
van zinnen berooft--dat alles hooren wij ook in de gewone minnepoëzie.
Woorden als _zeelde_ (minneweelde), _merkaren_ (kwaadwillige spionnen en
verklikkers), eene uitdrukking als: "de minne heeft de dagen en ik de
nachten", wijzen in diezelfde richting[62]. De aanvang van een der
grootere lyrische gedichten:

  Viere meisteren seiden een coninc:
  Welc ware de starcste dinc

is de gewone van zoovele _tenzonen_ (strijdgedichten) welke,
in navolging der Fransche lyriek, ook bij andere volken
gemaakt werden[63].

Evenals in het wereldlijk minnelied vangen ook vele van HADEWYCH'S
liederen aan met een schetsje of een greep uit het natuurleven. Dat
natuurleven moet dienen ter inleiding van het gemoedsleven, hetzij door
overeenkomst hetzij door tegenstelling. Zoo b.v. in dit fraaie
aanvangscouplet:

  Tsaermeer [Zijnoot: thans.] sal in corten tide
  Tsap van den wortelen opwaert slaen!
  Daerbi sal, verre ende wide,
  Beemt ende cruut sijn loof ontfaen;
  Dies so hebben wi sekeren waen [Zijnoot: vast geloof.],
  Die voghele werden blide;
  Die gheet in minnen te stride,
  Hi sal verwinnen saen [Zijnoot: spoedig.],
  Opdat hi niet en mide [Zijnoot: zich niet spare.] [64].

Ook hare vergelijkingen ontleent HADEWYCH niet zelden aan het
natuurleven: de minnaar komt uit de stormen der minne en alle verdriet
te voorschijn, zooals een roos, bevochtigd door den dauw, op den
dorenstruik ontluikt; ook in de minne is het: "na groten storme werdet
dat weder scone"; waar 't gemoed met den rijp van den waan is bedekt,
daar kan geen loover van minne groeien[65]. Andere vergelijkingen
verplaatsen ons in het dagelijksch leven: hoe hooger kasteel men wil
bouwen, hoe dieper men den grond moet omwoelen; zij vergelijkt zich
zelve bij een kind "dat na sprect dat het spreken hoort"; op de
vervulling van de beloften der minne moet iemand wachten, zooals een
gehangene dat men hem zal afsnijden; elders vinden wij vergelijkingen of
beelden ontleend aan schaak- en dobbelspel; op de grens van het platte
staat zij met haar beeldspraak van de taverne waarin Minne hare gasten
bedient. Aan de volkspoëzie en wel aan de oudste leugenliederen
herinneren ons deze verzen:

  Want niet bat en can 't getoonen mijn sin,
  Dan een molensteen ghevloten mach in 't Zwin[66].

Maar aan geen deel van het maatschappelijk leven worden wij door hare
beelden en vergelijkingen vaker herinnerd dan aan het ridderwezen. In
het proza komt er een enkele maal een voor, zoo b.v. waar zij spreekt
van de "wijsheit" die "alle die edele ridderen achemeert" [Zijnoot:
uitrust.] in den strijd der minne; doch in de poëzie wemelt het
ridderleven ons telkens voor de oogen. De gansche voorstelling van het
zoeken der minne als een strijd gaf daar aanleiding toe. HADEWYCH heeft
overigens waarschijnlijk ook hier gedaan wat zij niet laten kon. Wij
hooren van "doorhouwen schilden" en "schermen onder den scilt", van
"joesten", eenen "keer doen" (zich door den vijand heen houwen en langs
denzelfden weg terugkeeren), van "sinen hoghen telt (draf) riden", van
"heervaert", "kimpen" (kampvechters), "vesten", muren en grachten; van
koene ridders die een pand hunner jonkvrouw aan de lans binden, van
"schachten die diepe steken." Zulk eene vertrouwdheid met het
ridderleven kan men slechts in de kringen van den adel verwachten en het
is niet gewaagd aan te nemen, dat HADEWYCH, de dichteres van het vers:

  Fiere herte en was nie [Zijnoot: nooit.] bloode

gelijk zoovele Cisterciënser-nonnen van adellijke afkomst is
geweest[67].

Maar hooger dan de adel van haar geboorte staat de adel van haar geest
en haar gemoed.

Er is in de wijze waarop zij den strijd der minnende ziele weet te
vertolken, iets edels en hoogs dat ook nu nog hen die haar eenigszins
kunnen volgen, in zijne vlucht medeneemt. Haar gevoel is dikwijls
onbestuurd en doet hare poëzie dan vervloeien tot muzikale
woord-arabesken, die uiting geven aan hare gemoedsstemming, al kunnen
wij daar het verband tusschen gevoel en klank niet waarnemen. Op menige
plaats geven hare verzen ons een treffend beeld van de worsteling eener
ziel met het eeuwige en oneindige dat zich niet onder woorden laat
brengen. Het strekt HADEWYCH tot eer dat zelve te hebben beseft. Voor
het eerst--immers nog vóór WILLEM VAN AFFLIGHEM--vinden wij in de
geschiedenis onzer woordkunst het besef uitgesproken van het onvermogen
der taal om de diepste diepten der ziel bloot te leggen. Sprekend over
de Drie-eenheid, zegt HADEWYCH: "van al dien dat in ertike es, mach men
redene ende dietsch genoech vinden, mer hiertoe en wetic gheen dietsch
noch gheen redene". En elders lezen wij over het zich oplossen van den
mensch in God: "ay, ic en dar [Zijnoot: durf.] hier af nemmeer scriven,
ic moet emmer van den besten meest swighen... ende hier omme quetse ic
mi, dat ic niet segghen en dar jeghen menschen, noch scriven, dat
der pinen [Zijnoot: moeite.] wert es, ochte woorde na [Zijnoot:
volgens.] miere zielen gront." Ook in hare poëzie vinden wij uitingen
als:

  Het mochte dat inneghe gedinken
  De tonge verminken,
  Sprake siere af meer[68].

Maar dikwijls ook weet zij haar innerlijk leven, de vreugden en smarten
der minnende ziel te boetseeren in hare smijdige taal, telkens nieuwe
rhythmen en vormen vindend en die verlevendigend met het lichte spel van
rijmklanken, van staand en slepend rijm, van dubbelrijm en refrein.

Eentonig--heeft men gezegd. Is niet elke minnelyriek eentonig? Ook de
heide is eentonig. Toch zijn er die daar zich gelukkig voelen, omdat de
blik er niet op grenzen stuit, noch in het wijde rondom noch in het
diepe omhoog; wier oog met welbehagen rust op frissche wel en volle
beek, op den dorren grond ook, aanzwellend en neerglooiend in zijn
stemmig bruin, en bijwijlen zoo heerlijk opbloeiend in het rozerood der
erica.



AANTEEKENINGEN

[1] _Spiegel der Zonden_ (ed. VERDAM), vs. 4852-3.

[2] Zie bl. 124, 6.

[3] Vs. 5-15. Den naam _Digenen_ kan ik niet thuisbrengen. De eenige mij
bekende naam die op dezen gelijkt, is die van den ridder _Degener_ die
door zijne minnares LUSSEWINE verraden wordt. Vgl. de romance in H. v.
FALLERSLEBEN'S _Horae Belgicae_, II, 29.

[4] Uitgaven van het volledig gedicht en van eenige fragmenten vermeld
door TE WINKEL, _Gesch._, bl. 266 en in PETIT'S _Bibliographie_, no. 478
en 1143. Zie verder het belangrijk artikel van VERDAM in: _Versl. en
Meded. der Kon. Akad. v. Wet._, 4e Reeks, Deel IV.

[5] In vs. 4055 wordt "die ewangeliste" genoemd; in vs. 4059 "sinte
Gregorijs"; in vs. 4067 "sinte Augustijn". Doch is dit deel van het
gedicht van den oorspronkelijken dichter, die de Roode Zee: de
_leverzee_ noemt, (vs. 1130)?

[6] Vgl. vs. 165 vlgg.; 1100, 1292, 1310, 1342, 1584, 1752, 1760, 2076;
vs. 217 vlgg.; 478, 930, 1352 en de telkens volgende verzen.

[7] Vgl. o.a.: 376, 660, 1837, 1843, 2857, 3678; vs. 345 vlgg.; 860
vlgg.; 644, 650, 1277, 666; 1775-8, 1802, 1910.

[8] Vs. 517, 757 vlgg.

[9] Vs. 2154-'67, 2353-'62, 2788 vlgg.; 2860, 2885 vlgg.; 2923, 2950
vlgg.; 3039 vlgg.

[10] Vs. 754-5, 1634, 271-2, 4277.

[11] Vs. 354-5 (het Ovidiaansch: "eodem argento" maar minder fijn);
2251, 1402.

[12] Vgl. vs. 1050 vlgg., 1382 vlgg.; 1685, 1864; 1179, 2394, 2396;
2376, 2720, 1539 vlgg.; 2054, 3903 vlgg.; 2340-1.

[13] Vs. 1130.

[14] Zulke plaatsen zijn vs. 478 vlgg.; 1417 vlgg.; 1626 vlgg.; 1986
vlgg.; 2088 vlgg.; 2440-'64; 2983 vlgg.; 3195 vlgg.; 3277 vlgg.; 3395
vlgg.; 3445 vlgg.; 3483 vlgg.

Op menige plaats kan men zonder moeite een lied in vier- of meerregelige
coupletten, welker aanvang of slot door gelijke verzen wordt aangegeven,
herkennen. Door te letten op den bouw dier liederen kan men dan den
blijkbaar sterk geïnterpoleerden tekst zuiveren. In het door WILLEMS
uitgegeven fragment naar een hs. der 14e eeuw vinden wij de coupletten,
MARIA MAGDALENA in den mond gelegd (vs. 1417 vlgg.) doch door den
afschrijver verknoeid; het volledige hs. (der 15e eeuw) geeft hier een
zuiverder tekst. Echter heeft ook deze eene critische zuivering
hoognoodig. Opmerkelijk is (VERDAM merkte het reeds op) hoe dikwijls van
vier verzen met gelijk rijm twee bij eenig nadenken al spoedig
interpolaties blijken.

[15] Het hs. is waarschijnlijk geschreven door zekeren MARTIJN van
Thorout in de abdij van EENAME bij Oudenaarde. Zie over dat hs. _Belg.
Museum_, III, 197 vlgg.; NAP. DE PAUW, _Mnl. Gedichten_, II, Inleid.;
PRIEBSCH, _Deutsche Handschriften_ enz., no. 177.

In vs. 752 van het leven _van S. Aechte_ wordt als jaar der
vervaardiging 1286 genoemd; S. WERNER is volgens de A.S. gestorven in
1287 en in vs. 13-15 van zijn leven lezen wij: "dat doet es bleven _nu
nichtinghe_"; in het leven _van S. Marie Egyptiake_, vs. 687-9: "dit was
ghemaect.... MCC ende neghentech jaer."

[16] Een tijdgenoot dezer dichters, de Fransche poëet RUTEBEUF schreef
eveneens eene _Vie sainte Marie l'Egyptianne_. De Mnl. bewerking, die
uitvoeriger is, heeft, voorzoover ik kan zien, niets met deze bewerking
gemeen dan natuurlijk de hoofdzaken, die men o.a. vindt in de _Legenda
Aurea_ (ed. GRÄSSE), p. 247, c. LVI.

[17] _Van sente Aechte_, vs. 668 vlgg. en vs. 762 vlgg.; _van sente
Waerneer_, vs. 5 vlgg.; ook het slot van _van sente Marie Egyptiake_.

[18] Vgl. PIRENNE'S _Gesch. Belgiëns_, I, 36. Het klooster Thorout
(Thor-hout?) lag niet ver van Sluis.

[19] Vgl. over de vraag of MAERLANT een Dietsch dan wel een Fransch werk
zal hebben bedoeld JONCKBLOET'S _Gesch. der Ned. Lett._, II, 88-90.

FRANCK is van oordeel, dat M. ook wel een Fransch gedicht kan hebben
bedoeld; JONCKBLOET'S betoog komt mij echter overtuigend voor. Zou
MAERLANT trouwens wel van een _Fransch_ werk hebben kunnen zeggen, dat
het "wyde becant" was? Kennis van het Fransch was in de 13e eeuw
geenszins algemeen in Vlaanderen.

[20] Zie de literatuur-opgaven bij TE WINKEL, (p. 408); daar ook den
titel van VAN HAMEL'S uitgave van het oorspronkelijk Fransch werk. Ik
verwijs hier steeds naar de nieuwste uitgaaf van Dr. P. LEENDERTZ.
(Amsterdam. 1893).

[21] Vgl. b.v. no. 15, 39, 44, 48, 51, 86, 114, 117 van den _Rinclus_
met de overeenkomstige coupletten van het oorspronkelijke.

[22] Vgl. no. 38 (v.d. _Rinclus_) met het origineel; vs. 936 (_Rinclus_)
met str. no. 81, 11; voorts no. 5, 12 v. _Mis._ met de bewerking; no.
104 (met 103 v.d. _Rinclus_) no. 109 (met 108); in no. 112 de
uitdrukking: _n'en leva pas le ventre vuit_, die niet in no. 111 (_R._)
te vinden is; no. 120 (_Mis._). De varianten van 29 door VAN HAMEL
medegedeelde hss. zijn hier zonder beteekenis.

[23] Vgl. _Rinclus_, no. 117; vs. 526 (_Mis._, no. 43, 5-8); vs. 691
(_Mis._, no. LVII); vs. 1114 (_Mis._, no. 96, vs. 8); vs. 595 vlgg.

[24] Reeds JONCKBLOET had deze overeenkomst opgemerkt. Vgl. zijne
_Gesch. der Ned. Lett._, I, 434. Meer punten van overeenkomst zijn
aangewezen in FRANCK en VERDAM'S uitgave van MAERLANT'S _Stroph. Ged._,
Inl. LXXXVIII.

[25] _Scivias_ i.e. _nosce vias Domini_ (onderzoek (leer kennen) de
wegen des Heeren).

[26] Vgl. _Acta Sanct._ (ord. S. BENED). Junii III, p. 612 ("Deinde cum
inchoaretur Missa de beatissima Virgine Domina Nostra (sabbatum enim
erat), veni in extasim." "Et his dictis, ab extasi reversa sum", p. 617:
"In Exaltatione Sanctae Crucis saepe in extasi facta"; p. 619: "Accidit
in prima Dominica solennis Jejunii in primis Vesperis, ut venirem in
mentis excessum"; p. 620: "In die ad Missam, cum inchoaretur Passio
Domini, iterum in extasim veni."

[27] In een brief der abdis van ANDERNACH aan HILDEGARDE (_Epistola_
CXVI) vraagt eerstgenoemde of het waar is, dat H. alleen adellijke
jonkvrouwen in haar klooster opneemt.

[28] Het hier beknopt samengevatte werd door mij ontleend vooral aan:
MOLL'S _Kerkgesch._, (zie: _Alg. Reg._, p. 181-2. Zonden heerschende bij
geestelijken en kloosterlingen), voorts pass. en o.a.: II, 2, 1 vlgg. en
148 vlgg.; PREGER, _Gesch. der deutschen Mystik_, I; SABATIER, _Vita di
S. Francesco d'Assisi_; MIGNE, _Patrolog._, T. 197; _Acta Sanct._ (ord.
S. BENED). Junii III, 604-643. _Offenbarungen der Schwester Mechthild
von Magdeburg...._ herausgeg. von P. GALL MOREL; WYBRANDS, _De Abdij
Bloemhof_, p. 136-7. AUGER'S _Etude sur les Mystiques des Pays-Bas_
geeft weinig nieuws van beteekenis.

[29] Vgl. _Leven van Sinte Lutgart...._ door F. VAN VEERDEGHEM. Leiden,
voorheen E.J. BRILL. 1899.

[30] Vgl. ald. III, 4580-'84. De _Vita_ schijnt slechts van _de hand_ te
spreken. Zie _Inl._ XI.

[31] Vgl. over dat alles VAN VEERDEGHEM'S _Inleiding_.

[32] Zie staaltjes dier breedvoerigheid t.a.p. XXXV-XXXVI.
[33] _Vita_ (in de _Acta Sanct._, Junii, T. III), p. 246, c. 11; _Leven
van S. Lutgart_, IIe Boek, c. XII.

[34] II, vs. 1684 vlgg.; 2576 vlgg.; III, 956-979.

[35] De bedoelde plaatsen, voorzoover niet reeds aangewezen, vindt men
II, 1297; 516-562; vgl. ook vs. 7479-'83 met het origineel, waar men
slechts deze woorden vindt: "cum Moniales alta voce cantarent."

[36] De uitgever zegt: "assonances hebben wij er niet opgemerkt" (_Inl._
LXIII). Ik vond er slechts één (II, 241-2: _talen_ || _maken_).

[37] De voornaamste plaatsen waar over de _minne_ gesproken wordt, zijn
II, 81-88; 1220 vlgg.; 1339; 4625-'7; 5262-'7; 6283 vlgg.; 6388-'98;
6969-'88; 7787-7806; 7848-'52; 7906-'13; III, 1789-'91; 2008-'32;
3070-'84; 4564-'7.

_Orewoet_ genoemd: II, 6409, 7066, 7544, 7893, 13927.

Al deze plaatsen worden in het Latijn niet aangetroffen. Slechts van
III, 3070-'84 vindt men iets in het Latijn terug ("pia Lutgardis in
oratione cum Domino mira spiritus instantia luctabatur. Tandem vero, ubi
in ira Dominum misericordias continentem evincere non valebat" etc.).

[38] Uitgaven van haar werk: _Gedichten_ in Maetschappij der Vlaemsche
Bibliophilen, 4e Reeks, no. 2; _Proza_, id. no. 11. De hss. ter Bibl.
Royale te Brussel Cat. Ned. hss., no. 2877-'80 en ter Univ.-Bibl. te
Gent. Vgl. voorts over die hss. _Vaderl. Museum_, II, 136 vlgg. Een
artikel van PAUL FRÉDÉRICQ over: _De geheimzinnige ketterin
Bloemaerdinne_. (Zuster HADEWYCH) in: _Versl. en Meded. der Kon. Akad.
v. Wet._, 3e Reeks, Deel XII en het stuk daartegen van E. VAN EVEN in
_Dietsche War._ van 1896. Voorts: _Untersuchungen über die Werken van
Zuster Hadewych...._ von M. JÖRIS. Strassburg. 1894.

De voorstelling van RUELENS--FRÉDÉRICQ: Hadewych = Bloemaerdinne is m.i.
onaannemelijk. VAN EVEN heeft dat reeds ten deele aangetoond.

Tegen die voorstelling pleit vooral:

1o. dat de namen der beide vrouwen verschillen; _Hadewijch_ en
_Heilwijch_ zijn namen van verschillende afkomst (zie o.a. POTT, _Die
Personennamen_, 110, 212, 641) en nergens blijkt, dat zij in dien tijd
ook wel verwisseld worden

2o. de voorbeelden van kettersche leerstellingen, door F. uit HADEWYCH'S
werken aangehaald, bewijzen niet dat hier inderdaad van ketterij sprake
mag zijn; ook van die "allerschandelijkste seraphische liefde" zijn in
HADEWYCH'S werken geene sporen aan te wijzen.

3o. RUUSBROEC heeft tegen HEILWYCH BLOEMAERTS gepreekt en haar invloed
bestreden. RUUSBROEC'S vurige bewonderaar, de kok JAN VAN LEEUWEN,
spreekt van "een overheylich wijf die hiet hadewijch" en van hare "edel
goddelike leringhe"; die "leringhe" is zichtbaar in JAN VAN LEEUWEN'S
geschrift: _die rolie der woedegher minnen_. Zie daarover het artikel
van Dr. C.G.N. DE VOOYS in: _De XXe eeuw_, IX, 181.

[39] _Proza_, bl. 187.

[40] Vgl. _Quinque prudentes Virgines...._ auctore P.F. CHRYSOSTOMO
HENRIQUEZ. Antwerpiae. 1630. Daarin ook de _Vita B. Beatricis_. Was zij
de Cisterciënser-non, "quae Teutonice multa satis mirabilia scripserat
de se ipsa"? (_Vad. Museum_, II, 142), en wier werk door WILLEM VAN
AFFLIGHEM in het Latijn "satis eleganter" vertaald is? Of moeten wij aan
HADEWYCH'S werk denken? In allen gevalle worden wij ook hier weer
verplaatst onder de Cisterciënser-nonnen en zien wij WILLEM VAN
AFFLIGHEM in betrekking tot deze.

[41] Vgl. o.a. _Proza_, blz. 5-6, 15, 20-21, den aanvang der _Epistolae;
Gedichten_, bl. 179, vs. 107; 207, 29; 197, 43; 204, 5-10; 210, 25-28.

[42] _Proza_, bl. 54, 56. Was dit verbod misschien, evenals bij sommige
Duitsche mystieken, uitgelokt door te strenge ascese?

[43] _Proza_, bl. 34; 119, 129, 141; 134; 122. Ook het artikel van PAUL
FRÉDÉRICQ.

[44] _Proza_, bl. 106-7, 128.

[45] _Deuteronomium_ VI, 5. (De tekst van het proza heeft "_diere_
herten" enz.; ter wille van de duidelijkheid schreef ik _dijnre_).

[46] Vgl. _Proza_, bl. 72-3, 40, 25, 27, 22, 94, 14, 63.

[47] _Proza_, bl. 104, 143, 179, 119, 126-7. (_Openb._ I, 13 vlgg.),
146, 144, 151. Vgl. ook FRÉDÉRICQ'S artikel, bl. 83.

[48] Vgl. _Openb._ VIII, 6 en _Proza_, 135; VI, 1 en 135-6; VIII, 13 en
153-4; IV, 8 en 168; XXI, 2 en 153; I, 10 en IV, 2 met _Proza_, 135,
139, 141; XIX, 12 en 169, 151; X, 11: "gij moet wederom" enz.

In _Openb._ II, 4 lezen wij: "Maar ik heb tegen u dat gij uwe eerste
liefde hebt verlaten" enz.; vs. 14: "maar ik heb eenige weinige dingen
tegen u" enz. Bij HADEWYCH, bl. 129: "Mer ic hebbe een dinc te di, daer
ic mi omme belghe" enz.

[49] Vgl. _De handschriften van Jan van Ruusbroec's werken...._ door W.
DE VREESE, I, 427.

[50] _Proza_, bl. 44, 45, 83, 151. Ook het: "ic di, wes mi" in hare
_Poëzie_, bl. 94, 131, 244.

[51] S. BERNARDI _Opera omnia...._ D. JOANNIS MABILLON. Mediolani. JAC.
GNOCCHI, 1850, I, _Ep._, XI te vergelijken met: _Gedichten_, XI, 19-20:

Want der knechten wet es vaer [Zijnoot: vrees.] Maer minne es wet der
sonen.

"Primus servus est et timet sibi: secundus mercenarius et cupit sibi:
tertius filius et defert patri."

Voorts: _Tract. de Conversione_; _de diligendo Deo_; _In cantica sermo
67_.

[52] Vgl. _Proza_, bl. 10, 79. HADEWYCH'S tijdgenoot HENDRIK GOETHALS
van Gent, spreekt van: _nosse_, _velle_ et _posse_. Vgl. _Heinrich von
Gent_ von Dr. K. WERNER, S. 37.

[53] B.v. _Proza_, p. 43, 93, 107. _Gedichten_ o.a.: p. 5, 41; 26; 86,
41, 9; 43, 65; 45, 21; 52, 38; 53, 56; 57, 67; 58, 96; 65, 26; 81, 2;
86, 27 en pass.

[54] _Proza_, 14, 24; voorbeelden van _nuw_, _Mnl. Wdb._, IV, 2422 en
pass. in HADEWYCH'S _Gedichten_. Tegenover de _nieuwe_ plaatst H. ook
wel eens de _oude_ en tegenover de _vreemde_ de _bekende_. Zie b.v.
_Ged._, bl. 224 (b.).

[55] _Proza_, 35, 58.

[56] _Gedichten_, bl. 72, 49 vlgg.; 88, 70 vlgg.; niet zoo duidelijk is
190, 1 vlgg. _Proza_, bl. 176.

Met "broeder Robbeert" is misschien een pauselijk inquisiteur der 13e
eeuw bedoeld. Vgl. FRÉDÉRICQ t.a.p., bl. 90.

[57] _Proza_, bl. 61-2. _Minne_ en _Redene_ als de twee voornaamste
zielekrachten herinneren aan SINT BERNARD'S _voluntas_ en _ratio_.

Inderdaad vinden wij in de _Gedichten_, bl. 196, vs. 15 vlgg. _redene_
en _wille_ in verband met _memorie_ behandeld.

[58] _Proza_, bl. 87, 5, 3, 68.

[59] _Proza_, bl. 32; voorts 17, 96, 104. _Rijmklanken_ o.a. op bl. 23,
42, 57, 89.

[60] Deze en dergelijke plaatsen vindt men in de _Gedichten_, p. 84, 69,
18, 56, 61, 66-7, 69, 129, 130, 88, 198, 6; (wegen tot de minne), 92,
93, 261, 268, 271; (redene), 67, 69, 118; 39, 233; (wezen der minne),
242, 264, 21-22, 32; (de geestelijke "dorper"), 39, 42, 43, 46, 49, 105,
123, 235.

[61] Vgl. _Ged._, 111, 8, 11, 100, 4, 57, 72, 78, 246, 17-18; ("hoech
gheruchte ende neder stille"), 138, 277, 15, 152, 171; ("gewat"), 9;
("ghebruken"), _orewoet_, (28, 51, 69, 107, 30-31), 43.

[62] _Ged._, p. 69, 134, 142, 146, 156-7, 295, 299; p. 124, 101, 69, 93.

[63] Vgl. bl. 186.

[64] Bl. 8. En voorts pass. b.v. no. I, II, III; bl. 13, 17, 20, 23, 35,
41, 47, 51, 55, 60, 62, 77, 143.

[65] _Ged._, bl. 11, 15, 24.

[66] _Ged._, bl. 48, 175, 168, 179, 149, 290, 293. Men herinnere zich
het, volgens deze plaats blijkbaar reeds zeer oude, leugenlied met den
aanvang:

Een blinde zag een molensteen Ronddrijven in den stroom.

[67] Vgl. _Proza_, bl. 60-61; _Ged._ 14, 32, 36, 53, 55, 78, 79, 83,
124, 145, 151, 152, 154, 158, 165, 169, 178, 179, 269. Of het vers:
"Haddic mijn hoege geslachte bedacht" (XXIII, 50) eene zinspeling is op
haar adeldom (zooals JONCKBLOET meent), schijnt mij twijfelachtig. In
den mond van mystieken beteekent zulk eene uitdrukking m.i. eer: dat men
zich een schepsel Gods dan dat men zich van adellijk geslacht voelt.

[68] _Proza_, bl. 59, 77; _Ged._, bl. 252, 254, 257.



3. POËZIE DER GEMEENTEN.

 De gemeenten tegenover adel en geestelijkheid. _Disticha Catonis_.
 Dietsche _Ars Amandi_. _Bestiaris_. _Esopet_. De eerste boerde. Roman
 _van den VII. Vroeden van Rome_. _Van den Vos Reinaerde_.

De ridderschap droeg een half nationaal half internationaal karakter. De
adel van eenig land mocht zich aan dat land verbonden gevoelen door
afkomst, taal, grondbezit en van tijd tot tijd met zijne landgenooten
tegenover andere volken staan--toch had hij met den adel van andere
West-europeesche volken veel gemeen: dezelfde ridderplichten golden voor
allen, hun begeeren en streven, hunne leefwijze, zeden en gewoonten,
waren grootendeels van denzelfden aard.

Ook de geestelijkheid, dienaren eener zelfde kerk die het Westen van
Europa in haar greep omvatte, had vrij wat internationaals; dezelfde
klooster-orden vond men in onderscheiden landen; overal droegen "gelijke
monniken gelijke kappen" en konden van gedachten wisselen in de
gemeenschappelijke kerktaal.

Tegenover deze beide standen vertegenwoordigen de gemeenten het
zuiver-nationale element. Poorters en boeren, doorgaans aan stad of dorp
gebonden, kwamen zelden buiten hunne streek of hunne gouw, veel minder
in vreemde landen, tenzij een bedevaart of een krijgstocht er hen toe
dwong. In die talrijke kleine kringen welker samenhang door onderling
gesloten huwelijken nog versterkt werd, bewaarde men het zuiverst het
oorspronkelijk volkskarakter in zijne voorname uitingen: taal, recht,
maatschappelijk en huiselijk leven. Daar sprak men slechts Dietsch, gaf
en ontving recht volgens voorvaderlijke instellingen, en bewaarde de
eeuwen door een schat van instellingen, gebruiken, zeden en gewoonten.

Het ideale streven van den adel en de geestelijke "minne" waren voor
hunne nuchterheid te hoog. Oorlog en hoofsche minne, in de ridderromans
verheerlijkt, konden nog niet veel aantrekkelijks hebben voor harde
werkers, tuk op winst die slechts de vrede hun brengen kon; voor
eenvoudige boeren en poorters, die nog niet veel gaven om oorlogsroem,
uiterlijke beschaving en verfijning. Zeker, ook zij hadden behoefte aan
iets hoogers dan het dagelijksch werken om den broode. In die behoefte
voorzagen de kerk en het geloof voor een groot deel; doch naarmate het
geestelijk leven onder de gemeenten zich ontwikkelde, begonnen ook zij
smaak te krijgen in eenig letterkundig werk dat hen kon vermaken,
onderrichten of stichten. Wat aan een of meer dezer drie voorwaarden
voldeed, had kans de gemeente te behagen--indien het niet te omvangrijk
was; want onder burgers en boeren had men niet zooveel vrijen tijd als
in kasteel of klooster.

Van dien aard was de Latijnsche verzameling van eenvoudige zedelessen
onder den naam _Disticha Catonis_ uit de eerste eeuwen onzer
jaartelling, die in bijna ontelbare bewerkingen of vertalingen onder de
volken van West-Europa was verbreid[1].

Dat "bouc van zeden" zooals MAERLANT het noemt, werd reeds in 1253 zóó
hoog geschat, dat men het op de scholen van Yperen als leerboek
gebruikte; toen DIEDERIC VAN ASSENEDE zijn _Floris en Blancefloer_
bewerkte, nam hij in zijn gedicht een drietal verzen uit den "bouc van
zeden" op, die hem blijkbaar nog van de schoolbanken heugden. De korte,
grootendeels vierregelige stukjes, in eenvoudige taal en doorgaans
paarsgewijze rijmend, waren daartoe dan ook wel geschikt. Met hun inhoud
kon het middeleeuwsch geslacht zeker zijn voordeel doen. Zij vonden hier
enkele voorschriften in den geest van het Christendom, zooals: den dood
niet vreezen, zich niet schuldig maken aan overspel of vrekheid. Veel
meer echter zulke die gericht waren op algemeene zedelijke vorming, op
de praktijk des levens, het aankweeken van zachtheid en heuschheid, het
aanleeren van goede manieren: vroeg opstaan, niet te veel eten en
drinken, niet veel praten onder het eten, zijn kinderen een ambacht
laten leeren, spaarzaam zijn, weer goed maken wat gij in dronkenschap
misdreven hebt; ais gij ziek zijt, kies dan iemand die verstand heeft
van de geneeskunst; let niet op droomen, beproef niet te doen wat uwe
kracht te boven gaat; maak u niet boos op uwe dienstbaren, geloof uwe
vrouw niet als zij te onrechte over hen klaagt, bedenk dat zij menschen
zijn als gij; aanvaard minzaam ook een kleine gift, scheld niet die u
liefhebben; bespot oude menschen niet; tracht wijs te worden: onderricht
in den landbouw kunt gij vinden bij VIRGILIUS, in den oorlog bij
LUCANUS, in de minne bij OVIDIUS. Wacht u voor menschen die weinig
spreken:

  Men seit: die vloet die stille staet,
  Soe [Zijnoot: zij.] es dieper dan die harde gaet.

Bemin het geld om zijn gebruik; bezit gij have en goed, geniet er dan
van. Gij moogt wel een spiering uitgooien om een kabeljauw te vangen.

OVIDIUS' onderricht in de minne, waarvan de _Dietsche Catoen_ spreekt,
was te vinden o.a. in een uit het Fransch vertaald gedicht, dat
waarschijnlijk tot dezen tijd behoort en de _Ars Amandi_ behandelde. Ook
in een _bestiaire_--wij zouden zeggen: een _beestenboek_--zooals een
Fransch geestelijke van hoogen rang, RICHARD DE FOURNIVALL, er in den
aanvang der 13de eeuw een schreef, dat toepasselijk was gemaakt op de
liefde. Zulk een "bestiaris van minnen", waarschijnlijk uit dezen tijd,
kwam gedeeltelijk tot ons.

Veel meer in trek echter waren de echte "bestiaires" die een overzicht
van gesymboliseerde zoölogie behelsden. MAERLANT verhaalt ons dat Heer
WILLEM UTENHOVE, "priester van goeden hove" te Aardenburch, zulk een
_Bestiaris_ had gemaakt. Doch hij was van den rechten weg afgedwaald,
doordat hij een Fransch gedicht tot voorbeeld had gekozen. Misschien was
dit voorbeeld PHILIPPE DE THAON'S _Bestiaire_ uit den aanvang der 12de
eeuw, waarin o.a. de leeuw Jezus-Christus voorstelt; de eenhoorn die
zich laat vangen door eene maagd: God die afgedaald is tot Maria; de
krokodil den duivel; de sirenen die in zee de schippers verlokken: de
rijkdommen in de wereld de menschen verleidend enz.[2].

Doch hoe nuttig zulke zedelessen ook waren, zij zetten de verbeelding
niet aan het werk en vermochten dus niet, wat men van een literair werk
vooral verlangt: de toehoorders (lezers) aan zich zelven te ontrukken.

Daartoe was het verhaal beter geschikt, het korte verhaal dat tevens een
nuttige les bevatte. Zulke verhalen zijn van de oudste tijden af bij
alle volken, beschaafd of onbeschaafd, in zwang geweest en hebben zich
langs de wegen van mondelinge en schriftelijke overlevering, de eeuwen
door, van het eene volk tot het andere verbreid. In tijden toen de
mensch zijne meerderheid boven het dier nog niet zoo sterk gevoelde als
later, verplaatste de verteller zijne hoorders gaarne te midden der
dierwereld. Liet hij dieren handelen en spreken als menschen, dan kon
niemand zich ergeren als ware het op hem gemunt, en het verhaal won aan
zinrijkheid doordat het den geest der hoorders aan het werk zette, en
hen zelven de toepassing deed maken. Niet zelden ook voerde de verteller
de dieren in gezelschap van een of meer menschen ten tooneele of
vertelde hij een verhaal waarin louter menschen voorkwamen onder
verdichte namen of aangeduid in algemeene bewoordingen.

Die honderden verhalen in hunne verbreiding over de wereld door den loop
der eeuwen volgen, daartoe is de wetenschap op verre na niet in staat.
Slechts hier en daar kan zij ons een kijkje geven op de veelheid hunner
elkander kruisende kronkelwegen. In het Oosten met name in Voor-Indië,
zijn vele dezer verhalen al vroeg opgeteekend en tot grootere werken
vereenigd; van het Oosten zijn er ettelijke, ten deele langs
schriftelijken ten deele langs mondelingen weg, naar het Westen gekomen;
vele andere moeten echter vanouds gemeen goed der menschheid geweest en
mondeling van het eene geslacht op het andere zijn overgegaan, ook al
kreeg men door vertalingen eene schriftelijke overlevering naast die
mondelinge[3].

Waarschijnlijk waren er in de 13de eeuw ook hier te lande verscheidene
dierenfabels in omloop[4]. Echter berust de eenige Nederlandsche
fabelbundel van dezen tijd die tot ons is gekomen niet op mondelinge
overlevering, maar bevat zij eene vertaling van een Latijnsch origineel
dat bekend staat onder den naam _Romulus_. Misschien had MAERLANT het
oog op dezen bundel, toen hij in zijn _Spieghel Historiael_ verhaalde
dat de "favele" van ESOPUS door een paar dichters, CALFSTAF en
NOYDEKIIN, waren verdietscht "in rime scone ende fijn" en ze aanprees om
de "spellecheit [Zijnoot: vermakelijkheid.] ende wijsheit van zinne" die
men er in vond[5].

De bedoeling ook van dezen fabelbundel, gewoonlijk _Esopet_ genoemd, was
natuurlijk lessen van menschenkennis en levenswijsheid mede te deelen.
De schrijver van den proloog bereidde zijne hoorders (lezers) daarop
voor, toen hij aldus aanving:

  Ic wille u, in die ere ons Heren,
  Bi beesten ende bi vogelen leren,
  Wisen ende wel bedieden
  Die nature van den lieden.

Aan het slot der fabels zijn die lessen dan ook doorgaans in een paar
regels of een spreekwoord samengevat. In die goede lessen achtte de
proloogschrijver de verdienste van het boek gelegen. "Let op den inhoud,
niet op den vorm", zegt hij; in elk woord vindt gij "redene ende goeden
sin"[6]. Toch mag de bewerking over het algemeen verdienstelijk heeten,
al is zij onder de handen van een afschrijver er waarschijnlijk niet
beter op geworden. De 67 fabelen die hier uit den _Romulus_ ter
bewerking zijn gekozen, behelzen de algemeen bekende verhalen van vos en
kraai, kikvorsch en os, wolf en kraanvogel enz.; zij zijn meerendeels
levendig verteld; hier en daar heeft de bewerker de levendigheid
verhoogd door zijne personages sprekend op te voeren, zooals dat ook in
de epische ridderpoëzie gebruikelijk was[7]. Hier en daar heeft de
volksaard aan de vertaling een eigen kleur gegeven. Zoo b.v. waar de
vertaler de fabel van de muis en de kikvorsch besluit met:

  Hets recht, dat valsche taverniere
  Drinken van hars selfs biere[8].

Elders komt de maagschap ons herinneren dat wij in middeleeuwsch
Nederland zijn. Op een andere plaats geeft de bewerker ons een kijkje in
de middeleeuwsche hel waar de rampzaligen in de (met kokend sulfer en
pik gevulde) ketels moeten ronddrijven[9].

In een vijftiental dezer fabelen komen naast dieren ook menschen ten
tooneele, in een vijftal slechts menschen of goden; zij handelen over de
bruiloft van een dief, over Juno en Venus, een jonkman en eene
jonkvrouw, een vader met zijn onhandelbaren zoon, een man die uit twee
monden spreekt. Daar had de dichter een greep gedaan in het algemeen
menschelijke, daar verplaatste hij zijne hoorders in wat ook nog voor
hen werkelijkheid was[10].

In hooger mate geldt dat van een der verhalen uit dezen bundel dat ik
tot nog toe ter zijde heb gelaten, omdat het een karakter draagt,
verschillend van dat der overige. Het is het bekende verhaal van de
ontroostbare weduwe die niet wil scheiden van haar mans lijk. Niet ver
van haar zit een soldaat op wacht bij de galg, waaraan het lijk van een
misdadiger hangt. De wachter krijgt dorst, klopt aan bij de schoone
weduwe, stilt zijn dorst en troost haar. Terugkomend, ziet hij dat
verwanten van den gehangene het lijk gestolen hebben. Bevreesd voor
straf, roept hij de hulp der weduwe in; deze redt hem uit den brand door
het lijk van den betreurden echtgenoot in de plaats van het
misdadigerslijk te hangen.

Het middeleeuwsch woord _fabel_ was, evenals het Oudfransche _fabliau_,
ruim genoeg om verhalen van dezen aard en verhalen uit het dierenleven
te omvatten; doch wanneer wij de Nederlandsche bewerking vergelijken met
het Latijnsche origineel, dan zien wij duidelijk dat wij hier een
voorlooper onzer latere _boerden_ voor ons hebben. Van het sober, bijna
droog, vertelde Latijnsche verhaal heeft de Nederlandsche dichter een
klein tafereel vol leven gemaakt, waarin de naïeve volkshumor van tijd
tot tijd op voortreffelijke wijze tot uiting komt. Men hoore b.v. het
eerste onderhoud tusschen de schijndroeve en den wachter:

  "Vrouwe," seegt hi, "God houde u!"
  "Ay mi!" seegt si, "wie es daer nu?"
  "Vrouwe," seegt hi, "hier es een man."
  "Ay mi!" seegt si, "nu vlie dan!
  "Nemmermeer so ne wil ic comen,
  "Of God wilt daer men _man_ hort noemen.
  "Ay mi!" seegt si, "hier leget doet
  "Mijn soete vrient, mijn beddeghenoet
 ...


Dan de leukheid waarmede de wachter haar troost:

  "Bi Gode!" seegt hi, "lieve vrouwe,
  "Mi es herde leet uw rouwe;
  "Maer die levende ende die dode
  "Moeten sceden, al doen sij 't node."
 ...


Verdraag wat gij niet verhelpen kunt; denk aan uw jonge jeugd. Zoo'n
mooie vrouw past vroolijkheid beter; en dan, uw man mag flink zijn
geweest... daar zijn nog betere dan hij:

  "Beter?" seegt si, "ay mi! ay mi!
  "Wie soude dat sijn, segt mi, wie?"--
  "Vrouwe," seegt hi, "dat ben ic,
  "Die u ghemint hebbe een stic" [Zijnoot: eenigen tijd.].--
  "Ghi hout u scaren [Zijnoot: gij spot.], ic wane," seegt soe.
  "God weet, vrouwe," seegt hi, "in doe."

Met dezelfde losheid en levendigheid gaat het verhaal voort tot het
eind, al heeft de afschrijver op al te plompe wijze getracht het slot te
verknoeien[11].

Een dergelijk verhaal van de ontroostbare weduwe vindt men met
verscheidene andere vereenigd in een der beroemdste verhalenbundels,
welke de wereldliteratuur kent, nl.: _van den VII. vroeden binnen Rome_.

Van de vroegste tijden af vindt men bij tal van volken in Azië en Europa
deze en soortgelijke verhalen vereenigd tot bundels, die onderling
verschillen doordat, als in een kaleidoscoop, telkens weer andere
verhalen zich samenvoegen tot een nieuw geheel. De lijst om die verhalen
blijft dezelfde; overal is het een stiefmoeder die haren schoonen
voorzoon, een JOZEF-HIPPOLYTUS, belastert bij zijn vader. Telkens wil de
vader den zoon ter dood laten brengen, doch wordt ook telkens daarvan
afgebracht door een waarschuwend verhaal van een der zeven vroede mannen
die den jongeling hebben opgevoed. Tegenover elk dier verhalen plaatst
de stiefmoeder een verhaal met tegenovergestelde strekking, totdat de
vader de waarheid ervaart en de booze stiefmoeder doet verbranden. In
die lijst vindt men telkens weer een verschillend samenstel van
verhalen, al komen ettelijke van dezelfde verhalen in vele bewerkingen
voor[12].

In den bovengenoemden Nederlandschen bundel hebben wij waarschijnlijk de
bewerking eener Fransche proza-redactie[13]. MAERLANT zal wel het oog op
dit gedicht hebben gehad, toen hij in zijn _Spiegel Historiael_ schreef:

  Maer noit en vand ic, als ic ghome [Zijnoot: naar ik meen.],
  Ghene VII. vroede te Rome,
  _Els dan die valsche faloerde [Zijnoot: Behalve dan dat logenverhaal.]
  Veinset daer af eene boerde_[14].

Ook is het zeer wel mogelijk dat een paar regels uit één der verhalen
zijn overgenomen uit het verhaal van de weduwe in _Esopet_ of omgekeerd,
zoodat beide werken niet zoo heel lang na elkander zullen vervaardigd
zijn[15].

Deze Nederlandsche bewerking geeft ons een aantal der meest bekende
verhalen, waarvan ik slechts een paar noem om eenig denkbeeld van het
geheel te geven. Wij vinden hier o.a. het verhaal van den trouwen hond
die een kind in de wieg verdedigt tegen een slang, de slang doodt en,
met bloed bevlekt, zich neervlijt bij de wieg die in het gevecht
ondersteboven is komen liggen. Als dan de vader van het kind thuiskomt,
de wieg ondersteboven doch niet zijn kind ziet, waant hij dat de hond
het kind heeft gedood en slaat den trouwen wachter den kop af. Voorts
het verhaal, reeds bij HERODOTUS voorkomend, van de dieven die in des
Konings schatkamer binnendringen, waarin één hunner gevangen blijft; dat
van de vrouw die het geduld van haar man op zware proeven stelt, door
SHAKESPEARE in zijn _Taming of the Shrew_ gedramatizeerd; van de
overspelige vrouw die door een slimmen streek haar man 's nachts buiten
de deur weet te sluiten en de verdenking van ontrouw op hem te laden.

Vergelijkt men de Nederlandsche bewerking met haar voorbeeld dat zij
over het algemeen vrij getrouw volgt, dan blijkt dat de vertaler in
menig opzicht te kort schiet: zelden treffen wij een stuk aan dat mooi
verteld is, al te vaak vinden wij noodelooze herhalingen en stoplappen;
de bouw zijner zinnen laat nogal eens te wenschen over. Anderzijds is er
in zijn werk zekere frischheid en iets eigens dat aangenaam aandoet en
de vele teekenachtige woorden die hij gebruikt, versterken dien indruk
nog. Zelden of nooit laat hij in eene opmerking of overweging iets van
zijne persoonlijkheid zien, doch het karakter van zijn volk en zijn tijd
openbaart zich hier en daar duidelijk. Op meer dan een plaats vinden wij
een godsdienstig tintje, waar dat in het Fransen ontbreekt; elders
integendeel een realistisch-erotisch element, dat in het Fransch niet
gevonden wordt. Soms geeft hij ons een kijkje in de rechtspraak dier
dagen, in het huiselijk leven en de gewoonte om met Kerstdag zijne magen
ten eten te noodigen, toont ons dat het verbod om 's avonds na klokslag
zonder lantaarn uit te gaan toen reeds bestond of, verlevendigt zijn
verhaal door het aardig weergeven eener tevreden stemming in een regel
als deze:

  Dat halp den keyser in sijn merch[16].

Zulke teekenachtige uitdrukkingen, in verband met den ganschen geest der
bewerking en de blijkbare onbedrevenheid van den bewerker in het
hanteeren der taal, doen mij eer aan een volksdichter dan aan een
ontwikkeld dichter denken, al blijkt ons niet tot welk publiek hij zich
bij voorkeur richt.

Opmerkelijk blijft in allen gevalle dat de smaak in korte verhalen van
dezen aard--zij konden immers alle afzonderlijk worden
voorgedragen--zich in dezen tijd onder ons volk openbaart. En
begrijpelijk is het dat men hier nog meer moet hebben genoten van een
dichtwerk waarin een aantal dierfabels waren verbonden tot een veel
hechter en schooner geheel dan dat der _VII. vroeden van Rome_.

Men zal beseffen dat ik het oog heb op het voortreffelijk middeleeuwsch
kunstwerk

VAN DEN VOS REINAERDE[17].

In de ontwikkelingsgeschiedenis van het dierdicht vertegenwoordigt de
fabel een vroeger tijdperk dan het epos. Daaruit volgt natuurlijk nog
niet, dat de fabelbundel _Esopet_ ouder moet zijn dan het episch gedicht
_Van den Vos Reinaerde_; doch welke ook de ontstaans-orde dezer twee
werken moge zijn, veel zullen zij elkander waarschijnlijk niet
ontloopen. En, wat gewichtiger is, in beide blijkt, dat hier
waarschijnlijk eene mondelinge overlevering moet hebben bestaan naast of
onder de schriftelijke.

De bewerker der Latijnsche fabels uit den _Romulus_ moet ook andere
fabels hebben gekend. Wat ligt meer voor de hand, dan dat die hem uit
den volksmond bekend, dat zij hem door anderen verteld zijn geworden?
Anders dan in den _Romulus_ draagt de vos bij hem reeds zijn naam
_Reinaert_, kent hij den ezel onder den naam _Boudewijn_, den aap onder
dien van _Martijn_; de vos spreekt den wolf aan met "soete here oom", de
ezel het everzwijn met "lieve broeder", de kleinere dieren (muis, lam)
spreken sterkeren als leeuw en wolf aan met "here" of "edel here"; wij
vinden in den _Esopet_ reeds de uitdrukking: "van reinaerts spele
spelen".

Juist omdat de bewoners dezer landen toentertijd reeds dierfabels
kenden, zal de verdietsching van den _Romulus_ bij hen in goede aarde
zijn gevallen. Zij moeten behagen geschept hebben in die korte verhalen,
waarin allerlei menschelijk gebeuren, denken en gevoelen was
voorgesteld; te meer, omdat de acteurs op dit klein tooneel te
voorschijn kwamen in de gedaante van allerlei, hun grootendeels bekende
dieren. Maar in die dieren herkenden zij menschen zooals zij zelve
waren, zooals zij er zagen onder hunne magen, vrienden, geburen: den
hebzuchtige, den bedrieger, den ontevredene, den ondankbare, den
hoovaardige. Hier werden zij gewaarschuwd en vermaand; hier konden zij
"vroescap leren" in nuttige lessen als: tevreden zijn met weinig, zich
hoeden voor slechte raadgevers, mooipraters wantrouwen, zich aan een
ander spiegelen, om het rad van avontuur denken, dat het met groote
heeren kwaad kersen eten is, "dat behendichede beter es dan sterchede".

En die "vroescap" moet hun te meer behaagd hebben, omdat zij werd
voorgedragen in lossen onderhoudenden trant, met rustige vroolijkheid en
zachte luim en leuke scherts die hier en daar, als in de fabel over de
vrouwen, tot goelijken spot werd.

Hoe moeten zij dan genoten hebben bij de aanschouwing van het zooveel
grooter en uitvoeriger tafereel van menschelijk dierenleven, dat hun in
het verhaal _Van den Vos Reinaerde_ geboden werd. Alles wat er in
_Esopet_ te genieten viel, was ook hier aanwezig, maar in hoogere macht,
en vereenigd tot een boeiend geheel vol afwisseling en leven. Hier waren
een groot aantal meerendeels inheemsche dieren: wolf[18], vos, das,
ever, bever, ram, haas, kater, haan met kippen, raaf, met uitheemsche
als leeuw, luipaard, beer, vereenigd tot eene maatschappij gelijk aan de
feodale, bestuurd door Koning Leeuw die met zijne groote vazallen te
rade gaat. In die maatschappij is er een die zich om recht noch wet
bekommert, leeft naar eigen lust en wil, niemand spaart, door allerlei
misdaden zich tal van vijanden heeft gemaakt, maar geen kamp geeft: vos
Reinaert, de felle met den rooden baard, sluw, vermetel, onbarmhartig,
telkens voor een nieuwen rooftocht zijn bijna ongenaakbaar Maupertuis
verlatend.

Eindelijk is de maat zijner misdaden volgemeten. Tal van klachten zijn
tegen hem ingebracht. Een geding voor 's Konings rechterstoel vangt aan.
Reinaerts grootste vijand, Isegrim de wolf, opent de reeks der
aanklagers. De Koning besluit dat Reinaert driemaal zal worden
ingedaagd. Beer en kater, achtereenvolgens naar Maupertuis gezonden,
komen met schade en schande terug, zonder Reinaert. Dan eerst gelukt het
aan neef Grimbaert den das hem voor den Koning te brengen. Veroordeeld
tot de galg, weet de schelm zich te redden door den Koning het uitzicht
te openen op een ver weg begraven schat; dit leugenverhaal heeft hij
verbonden met zware beschuldigingen tegen beer en wolf. Hij komt er af
met eene bedevaart; beer en wolf moeten boeten. Haas Cuwaert en ram
Belijn vergezellen hem naar Maupertuis; alleen de laatste keert met
Cuwaerts kop tot den Koning terug. Als hij daar aankomt, heeft Reinaert
met zijn gezin reeds de wijk genomen naar de wildernis.

In dit overzicht zijn slechts de voornaamste figuren met een paar lijnen
aangeduid en op hunne plaats gezet. Zulk een algemeenen indruk moesten
wij hebben, voordat wij ons nu kunnen wenden tot het beantwoorden van de
vragen: van waar had de dichter zijne voorstelling? hoe heeft hij haar
opgevat en uitgewerkt? welke indrukken laat de beschouwing van zijn
kunstwerk bij ons achter?

Niemand betwijfelt dat de Nederlandsche dichter WILLEM een of meer der
Fransche bewerkingen van de Reinaert-sage heeft gekend, noch dat hij een
zoogenaamde "branche" dier sage, _Le Plaid_, eenigermate als voorbeeld
heeft gevolgd.

Van de 12de tot de 14de eeuw hadden tal van Fransche trouvères,
meerendeels klerken, uit Normandië en Champagne, maar vooral uit
Picardië en Fransch-Vlaanderen, met liefde deze verhalen behandeld,
zooals zij zich die herinnerden uit de klassieke fabelbundels, uit de in
kloosters gedichte Latijnsche verhalen als _Ecbasis Captivi_, _Sacerdos
et Lupus_, _Gallus et Vulpes_, of uit de mondelinge overlevering.
Langzamerhand ziet men in het werk der trouvères satire van kerk en
kerkgebruiken en parodie van ridderwezen en ridderroman op den voorgrond
komen. Bij de voortgaande ontwikkeling van het literair kunstgevoel
gingen sommige dichters er naar streven eenheid te brengen in de
veelheid dezer verhalen. In den aanvang der 13de eeuw (omstreeks 1204)
zien wij dat streven althans voor een deel verwezenlijkt in het gedicht
_Le Plaid_.

Die bewerking van eenige Reinaert-verhalen heeft den Nederlandschen
dichter aanleiding gegeven tot het scheppen van een nieuw werk; tal van
bekende verhalen en dichterlijke motieven, met kunst verwerkt en met
tact samengevoegd, zijn daarin door hem met nieuw leven bezield. In het
eerste deel van zijn werk (ongeveer tot vs. 1883) volgde hij ten deele
het Fransche gedicht, maar op zelfstandige wijze: den gang van het
verhaal wijzigend, hier bekortend daar uitbreidend; niet zelden ook
andere verhalen invoegend, die hem of uit andere Fransche "branches" of
uit de mondelinge overlevering bekend waren. In het tweede deel ging hij
nog meer zijn eigen weg, daar hij, naar dichters welbehagen puttend uit
de bronnen der schriftelijke en waarschijnlijk ook der mondelinge
overlevering, uit de door hem gekozen stof de tweede helft formeerde. Is
er dus wel eenige reden om de beide helften van het gedicht naar hun
gehalte aan oorspronkelijkheid tegenover elkander te stellen, scherp kan
die tegenstelling niet genoemd worden.

Verscheidene punten van overeenkomst tusschen het Nederlandsch gedicht
en de Fransche "branches" zijn ons reeds vroeger aangewezen; die
overeenkomst heeft soms betrekking op den toestand, soms ook, maar
minder dikwijls, op de wijze van voorstelling; woordelijke overeenkomst
kan vooral in het eerste deel hier en daar worden opgemerkt[19]. De tot
dusver gegeven aanwijzingen kunnen echter met nieuwe worden vermeerderd.

Zoo b.v.: de vermelding van Reinaerts verraderlijke gepeinzen, terwijl
hij schijnbaar welwillend met een zijner vijanden staat te praten. Een
tweede aanwijzing vinden wij in het volgende. In het Nederlandsch
gedicht moet Bruin de beer, op zijne zending naar Maupertuis door
Reinaerts toedoen deerlijk mishandeld, een zwaren tocht volbrengen om
koning Nobel alles te berichten; niet in _Le Plaid_, maar in een der
andere Fransche "branches" vinden wij den hond Roenel in dezelfde
omstandigheden: ook hij is uitgeweest om Renart te halen, valt door
Renart's toedoen in een strik, wordt door de boeren mishandeld en sleept
zich met moeite naar 's konings hof. De weeklachten van vrouwe JULOCKE,
de pastoorsche, vindt men op de overeenkomstige plaats in _Le Plaid_
slechts aangeduid; vrij wat uitvoeriger zijn de klachten der
"prestresse" uit eene andere branche en het meest gelijken zij op het
gejammer van Dame Hersent, de wolvin, wanneer zij bemerkt dat haar
gemaal Isegrim door een bulhond op dergelijke wijze verminkt is als de
pastoor. Botsaert, de "clerc" des konings, schijnt van WILLEM'S vinding;
wij mogen echter niet vergeten, dat ook koning Noble een "clerc" heeft
in Baucent "le sanglier", al komt deze niet op dezelfde plaats voor als
in het Nederlandsch. Het gat dat "onder dien spiker verholenlike
gemaect" was, uit den _Reinaert_, vinden wij niet op de overeenkomstige
plaats in _Le Plaid_, wel in eene andere "branche" terug[20].

In al deze gevallen is de overeenkomst slechts in de toestanden gelegen;
behalve in een enkel vers, kan nergens van woordelijke overeenkomst
sprake zijn. Het is dus moeilijk uit te maken wat wij hier aan de
schriftelijke, wat aan de mondelinge overlevering moeten toeschrijven.
Het is zeer wel mogelijk dat WILLEM onderscheidene, door trouvère's
gedichte, verhalen van Renart heeft gekend, maar toch waarschijnlijk
niet met eene volledigheid die slechts door hedendaagsche critische
uitgaven bereikt wordt. Daarom zal men veiligst gaan door de mondelinge
overlevering ook hier niet uit het oog te verliezen.

Anders staan de zaken bij eene beschouwing van den _Reinaert_ als
parodie van den ridderroman. Die parodie was reeds in meer dan een der
Fransche "branches", ook in _Le Plaid_, aanwezig. Hier is het een
verdienste van WILLEM, dat hij den geest dier parodie zoo uitnemend
heeft gevat en weergegeven en dat hij getoond heeft dit wapen van den
spot voortreffelijk te kunnen hanteeren ook waar hij geen voorgangers
vond. Hoe duidelijk toont hij het eerste b.v. in de beschrijving van het
gevecht tusschen de dorpers en den beer, waaraan hij door parodiëering
der genealogische herauten-wijsheid zulk een komisch-grotesk aanzien
weet te geven.

Doch ook op eigen hand parodiëert hij het ridderwezen, zooals het hem
uit Nederlandsche romans bekend was geworden. Dat hij den _Karel en
Elegast_ voor dat doel gebruikt heeft, wisten wij; op verscheidene
plaatsen is zelfs woordelijke overeenstemming aan te wijzen. Doch er is
meer van dien aard te noemen.

In het bekende tooneel, waarin Bruin de beer ons geschilderd wordt: met
snuit en voorpooten gevangen in den halfgespleten eik op LAMFROIT'S erf
en bedreigd door een aansnellenden troep dorpers, heeft WILLEM naar alle
waarschijnlijkheid het Fransch gevolgd. Maar misschien toch het Fransch
niet alleen. Mij althans komt het opmerkelijk voor dat wij in den roman
_van Lancelot_ een troep dorpelingen geteekend vinden, evenzeer met
vijandige bedoelingen aansnellend op WALEWEIN. Men oordeele:


    _Reinaert_, vs. 718 vlgg.

    Doe volchde hem een mekel here.
    Int dorp ne bleef man no wijf:
    Den bere te nemene sijn lijf
    Liep 't al dat lopen mochte.
    Sulc was die enen bessem brochte,
    Sulc enen vleghel, sulc een rake:
    Sulc quam ghelopen met enen stake,
    _So si quamen van haren werke_
    _Lancelot_, II, 38377 vlgg.

    (Die meyer liep sere verbolgen:
    Die scepenen gingen hem volgen.
    Men geboet al ute daer,
    Wat elc conste vinden vorwaer,
    Waes 't riec, pike, vleghel, stocken,
    Hake, sceppen, swingen, rocken,
    Wat dat si gegripen conden,
    _Also alsi in haer ambacht stonden_,
    Nam elc dat ende volgede naer.
    Sulc nam enen timberbiel daer
    Ofte ene reke oft een gysarme;
    En si dattene God bescerme
    Soe es min here Walewein verloren.

De mogelijkheid bestaat natuurlijk, dat reeds de plaats in _Le Plaid_
eene parodie was van de overeenkomstige plaats uit den Franschen
_Lancelot_; doch met het oog op de boven gecursiveerde verzen, komt mij
dat niet zoo waarschijnlijk voor.

Een dergelijk geval vinden wij in den grooten roman der _Lorreinen_. In
het verhaal van Tibert's zending tot Reinaert lezen wij o.a. dit vers
(1075):

  wat cost Reinaerde scone tale?

Indien wij nu op de overeenkomstige plaats in het Fransch
(vs. 782) lezen:

  Mes sa parole que li coste?

dan kunnen wij kwalijk betwijfelen, dat WILLEM dit vers onder de oogen
heeft gehad. Doch wanneer wij verder in den roman der _Lorreinen_ den
verrader ROBRECHT van Milaan tot een bode (dus onder dezelfde
omstandigheden) hooren zeggen:

  Want mi cost niet hoefsce tale

dan gaan wij toch vermoeden, dat WILLEM ook dit vers moet gekend hebben.
En dat met meer reden, omdat er ook andere plaatsen in de _Lorreinen_
zijn, die ons aan het gedicht _van den vos Reinaerde_ doen denken.

In het Tweede Boek van dien roman vinden wij keizer KAREL te Aken; hij
zal uitspraak doen in "'t gedinge" tusschen een paar zijner groote
vazallen: koning OTTE en koning YOEN; de laatste wordt namelijk
beschuldigd van overspel met OTTE'S gemalin (de verhouding tusschen
Isegrim, Reinaert en Hersent).

Ook elders in dezen roman vinden wij een paar voorname vazallen met
hunne magen voor 's Konings rechterstoel hunne zaak bepleitend. GELLOEN,
de verrader, die in dezen roman eene gewichtige rol speelt, boos, sluw,
dapper, doet ons meer dan eens aan Reinaert denken: indertijd heeft hij
in een strijd tusschen zijn heer, koning KAREL, en koning ASPRIAEN, de
zijde van den laatste gekozen om der wille van ASPRIAEN'S dochter; toen
hij zag, dat de zaak verkeerd liep voor ASPRIAEN, kwam hij koning KAREL
"smeken ende lecken || Als die sine quaetheit woude decken." Tot straf
voor zijne misdaden wordt hem eene "heilege bedevaert" opgelegd[21]. Het
eerste geval herinnert aan de houding van Reinaerts vader in den strijd
tusschen leeuw en beer; de bedevaart wordt, zooals men weet, ook
Reinaert tot straf opgelegd.

Ook hier zou men van oordeel kunnen zijn, dat de overeenkomst reeds kan
bestaan hebben tusschen de _Chanson des Lorrains_ en den _Renart_ en dus
het Nederlandsch gedicht niet of niet in de eerste plaats raakt. Doch
zoo oordeelend zou men geene rekening houden met een gewichtigen, tot
dusver onopgemerkten karaktertrek van het Nederlandsch gedicht: de
groote rol die _de maagschap_ daarin speelt.

In WILLEM'S gedicht zien wij de dieren telkens met hunne maagschap
opkomen en vinden wij over het algemeen een levendig besef van de
beteekenis der maagschap; in de Fransche gedichten over Renart vindt men
op de overeenkomstige plaatsen niets daarvan. Neemt men nu in aanmerking
dat die maagschap vooral in de tweede helft van WILLEM'S gedicht op den
voorgrond treedt en dat er zeker weinig Fransche riddergedichten zijn,
waarin de maagschap vaker genoemd wordt dan juist in de _Lorreinen_, het
verhaal der veete tusschen twee voorname geslachten--dan geloof ik wel
te mogen aannemen dat WILLEM ook de Nederlandsche _Lorreinen_
zelfstandig heeft geparodieerd[22].

Zelfstandige parodie van den ridderroman vinden wij ten slotte niet het
minst in den proloog, die juist om die reden zoo uitnemend strookt met
het gansche gedicht. Wie den proloog van den _Reinaert_ leest na die van
_Walewein_ en van _Floris en Blancefloer_, zal in gelijke woorden,
wendingen en rijmklanken meer dan eens de parodie opmerken[23].

WILLEM beweert zijn gedicht te hebben geschreven op verzoek eener dame.
Het is natuurlijk mogelijk, dat hij hier de waarheid zegt; doch
waarschijnlijk acht ik, dat de proloog ook hier de ridderromans
parodieert, waarin wel eens meer gewag wordt gemaakt van zulk een
verzoek.

Zoo deelt MAERLANT ons mede dat hij zijn roman _van Alexander_ heeft
ondernomen ter eere van haar die hem "gevangen" houdt. En nu is het
opmerkelijk dat wij juist in den _Alexander_ tal van plaatsen vinden die
ons aan den _Reinaert_ herinneren en hoogstwaarschijnlijk maken, dat
WILLEM ook dezen roman heeft gekend[24].

Elk dichter die menschen voorstelt in de gedaante van dieren, loopt
gevaar dat hij het gevoel voor harmonie van zijn publiek te weinig zal
ontzien; dierfabel en dierepos immers brengen in hun wezen zekere
tweeslachtigheid mede. Ongetwijfeld is elk publiek gaarne bereid den
dichter ook in zulke verbeeldingen te volgen, en naarmate een publiek
eenvoudiger is, zal het te minder gestoord worden in zijn genot door het
overschrijden der grenzen in dezen. Van den bewusten of onbewusten tact
des dichters zal het afhangen, of en in hoever hij hier de juiste maat
weet in acht te nemen en, der menschen leven uitbeeldend, ons toch
binnen den kring van het dierenleven te houden.

De dichter WILLEM heeft, zoo min als eenig ander, dit anthropomorphisme
geheel kunnen vermijden. Wij vinden hier immers eene voorstelling der
feodale maatschappij: de koning bestuurt den staat, zijne groote heeren
zijn zijne raadslieden, hij houdt een hofdag en behandelt gedingen, hij
zendt gezanten die brieven meekrijgen, wij hooren van een mis, een
kapelaan, van het zweren op heilige reliquieën; de dieren doen afstand
van iets met den symbolischen stroohalm, worden begraven met eene
lijkmis, hebben een graf met grafschrift, een kasteel, schatten, gaan op
een bedevaart met "palster ende scerpe", worden terechtgesteld; de galg
staat voor hen klaar, er wordt bij de terechtstelling op een hoorn
geblazen. De leden dezer feodale maatschappij vertoonen onderscheidene
menschelijke aandoeningen: de beer lacht dat hij niet meer kan, Reinaert
bespot den beer met allerlei aardigheden die op den priesterstand
betrekking hebben, Reinaert's vrouw Ermeline valt in onmacht, Reinaert
zelf loopen bij zekere gelegenheid de tranen langs de knevels[25].

Al dit menschelijk-dierlijke, of ten minste verreweg het meeste daarvan,
had de dichter reeds in zijn voorbeeld gevonden. Nergens echter gaat hij
de grenzen van den tact zoozeer te buiten als de dichters van _Le Plaid_
en der overige "branches". Deze laten de dieren op bankjes zitten,
blozen van schaamte, de armen om elkaars hals slaan, een ring aan den
vinger steken, baden en aderlaten; hier werpt men eene in zwijm gevallen
kip water over den kop, om haar weer bij te brengen. In den _Reinaert_
vinden wij een enkelen keer eene uitdrukking, aan het paardrijden
ontleend, gebezigd van dieren: Reinaert en Tibeert de kater loopen

      daer si lopen wilden,
  dat si nie toghel uphilden[26].

Daar echter nergens in dit of eenig ander deel van het verhaal sprake is
van rijpaarden, kan deze uitdrukking niet meer beteekenen dan:
_stilstaan_.

In de Fransche gedichten echter vinden wij, behalve deze uitdrukking
("onques n'i ot resne tenue") nog vrij wat andere die ons de dieren
werkelijk te paard zittend voorstellen, hoe zij hun rijdier de sporen
geven en door de vlakte draven.

WILLEM spreekt van Reinaert's kasteel en zelfs van een der buitenwerken
daarvan, de "barbecane". Doch daarbij blijft het. In de Fransche
gedichten krijgen wij het gansche kasteel voor ons met zijne hooge
muren, ophaalbruggen, het wiket in de poort; in een der "branches" wordt
zelfs een formeel beleg beschreven; elders gewag gemaakt van het
Grieksch vuur[27]. Heeft WILLEM dus in de onvermijdelijke
vermenschelijking der dieren de maat geëerbiedigd, anderzijds weet hij
de dieren in hun handel en wandel zoo telkens weer voor onze oogen te
brengen en te houden, dat wij het menschenleven maar flauwtjes door dat
dierenleven heen zien schemeren.

Nu eens zien wij Reinaert een haas bij de keel grijpen, dan eens aan de
kleine wolfjes zeker oogwater toedienen waardoor zij stekeblind worden.
Wij zien hem om een hoenderpark sluipen; de honden gaan hem te lijf, dat
de vlokken hem van den pels stuiven. In zijn schuilplaats ligt hij zich
te koesteren op een zonnig plekje. Hij speelt met de jonge lammetjes,
totdat hij er een dood bijt en het opgelikte bloed den sluimerenden
moordlust voorgoed wekt. Onder varens verscholen, ligt hij zijn vader te
bespieden, den ouden vos die met den staart zijn spoor uitwischt; hij
zelf krabt met zijn pooten het zand weg van den toegang tot een hol, pas
door zijn vader gestopt en kruipt naar binnen; bij het afscheid van den
koning en het hof gaat hij op zijne achterpooten staan. Hij bijt Cuwaert
de keel af en het vossengezin smult van den "goeden vetten hase."

Daar is Isegrim de wolf die zich zoo dik gegeten heeft, dat hij niet
meer kan ontsnappen door het gat, waardoor hij eerst is binnengekomen;
die, als hij een kalf of ram heeft buitgemaakt, onder het vreten tegen
Reinaert gromt en hem de tanden laat zien; Isegrim met zijne magen die
ons zoo goed geschetst worden in dat ééne vers: "met scerpen claeuwen,
met diepen monden." Bruin de beer, op zijn staart voor de "barbecane"
van Malpertuis gezeten, den honing verheerlijkend, met kop en voorpooten
gevangen in een halfgespleten eik; later zien wij hem afgemat en
bloedend op den oever liggen, "ende sloech met beiden sinen lanken"
[Zijnoot: zijden.]; daarna op weg naar des konings hof, beurtelings
voortschuivend op zijne achterdeelen of zich over den grond wentelend.
Tibert de kater, op de

muizenjacht in een strik gevangen, die in zijn doodsangst den bijna
naakten pastoor met klauwen en tanden te lijf gaat; die zich uit den
strik redt door het touw stuk te bijten. Daar is voorts de haan
Cantecleer met zijn kippenharem, die zoo lustig en rustig leeft in dat
mooie park, totdat de roode vijand hen komt belagen; Cantecleer,
klapwiekend gaande voor de lijkbaar, waarop de door Reinaert vermoorde
kip Coppe ligt; Coppe "die so wale conste scraven [Zijnoot: (met de
pooten) schrabbelen.]." Elders zien wij haan en kippen op de hanebalken
of losloopend bij een schuur, hond en kat kijvend om een worst, de
ooievaar die de kikkers opslokt en tal van andere beesten die ons
slechts terloops genoemd worden.

Dat rumoerig dierenleven in zijne bonte afwisseling wordt grootendeels
afgespeeld onder den blooten hemel in Gods vrije natuur.

Het is Pinksteren in een heuvelachtig land, bosch en hagen staan in het
groene blad. Op een grasveld houdt Nobel hof; een hooge steen is 's
konings troon. Onbezorgd wandelt Cantecleer met zijne kippen rond waar
de groene velden vol bloemen staan. Coppe wordt begraven onder de linde
(rustplaats van zoo menig minnend hart!) Bruin trekt naar Malpertuis
door een donker woud, door een wildernis, over een hoogen breeden
heuvelrug. Langs een krom pad bereiken Reinaert en hij het erf van
LAMFROIT, waar een eik ligt dien de boer uit het bosch heeft gehaald om
hem te splijten; een rivier stroomt in de nabijheid. In die rivier
ontkomt de mishandelde beer aan zijne vervolgers. Op den oever van die
rivier ligt hij uitgeput, als Reinaert die op een heideheuvel een vet
hoen heeft verorberd, daarheen komt om zich wat op te frisschen.

Tibert ontmoet op zijn weg de kraai. "Al heil, edel voghel!" roept hij,
"vlieg aan mijne rechterhand voorbij!" Maar de vogel vliegt in het
kreupelhout, links van hem: een kwaad voorteeken! 's Avonds laat bereikt
hij Maupertuis; helder als de dag schijnt de maan over de heide; bij dat
licht loopen hij en Reinaert naar pastoors schuur.

Ver weg van deze streken, in de wildernis, bij een bosch ligt de bron
Kriekeput; alleen uilen nestelen in die eenzaamheid; jonge berken staan
in den bemosten grond om de put. Een dergelijke wildernis moet het zijn,
waarheen Reinaert ten slotte met zijn gezin de wijk neemt, waar het op
de heide en in het kreupelhout krioelt van patrijzen en ander gevogelte.

Welk een meester toont deze middeleeuwsche dichter zich reeds in de
karakteristiek zijner personages?

Welk een brutale zinnelijkheid is er in dien Reinaert, den echtbreker;
die niet tevreden met de wolvin, ook de gemalin van den koning, naar het
schijnt, te na is gekomen; die voor zich zelf weet te zorgen en tijdens
het gevecht der dorpelingen met Bruin een vet hoen wegkaapt; hoe grof
uiten zich zijne teleurstelling en zijne minachting voor LAMFROIT, als
deze den beer heeft laten ontsnappen; hij lacht dat hij kraakt bij de
weeklachten der pastoorsche. Hoe gruwzaam is zijn wraak op Isegrim en
Bruin en hoe bitter zijn spot over hun ongeluk. Bij zijn afscheid weet
hij den haas Cuwaert en den ram Belijn met zich te lokken; den eerste
vermoordt hij en zendt den ander met den kop des vermoorden in een zak
naar den Koning terug; "er zitten brieven in", zegt hij, "waarvoor de
Koning u dankbaar zal zijn". Dat is zijn afscheidsgroet. Al zit hij in
de klem, hij verliest den moed niet. Aan 's Konings hof gekomen na al
zijne misdaden, krijgt hij het benauwd; toch houdt hij het hoofd op, hij
loopt als een prins bij den weg. Met de galg voor oogen spot hij nog met
Isegrim. Zijn zelfvertrouwen begeeft hem ook nu niet, want reeds heeft
zijn vindingrijke geest een uitweg ontdekt: als terloops laat hij iets
van een schat verluiden; wanneer dan de hebzucht van Koning en Koningin
gewekt is, doet hij een kunstig verzonnen verhaal over eene samenzwering
der dieren om Bruin op Nobels troon te zetten. Dat verhaal besluit hij
op voortreffelijke wijze met de klacht: "ende arm man Reinaert es de
blare [Zijnoot: zondebok.] "; langs dien weg weet hij het verhaal weer
op zich te wenden. Niets is hem heilig: hij maakt grappen bij de biecht
en begint Latijn te koeteren; als Grimbaert hem berispt dat hij na de
biecht onmiddellijk een aanval doet op eenige kippen, zegt hij: stoor
mij niet in mijne vrome overpeinzingen! Onder het voorwendsel van
Cuwaert een gebed te leeren, grijpt hij hem bij de keel. Hoe ootmoedig
houdt hij zich tegenover den Koning; hoe nederig tegenover den beer: ik
moet wel honing eten uit nood, een arm man is geen graaf! Maar des te
bitterder en onbarmhartiger is zijn spot later, als hij het spel
gewonnen ziet. Want hij kent geen genade; boven alles is hij _fel_: "de
felle metten roden baerde", het "felle dier", "die felle creature"--zoo
noemt de dichter hem bij voorkeur. Zijn eenige zwakke punt is de liefde
voor zijne zoons: Reinaerdijn, wien de knevels al zoo aardig aan zijn
muiltje staan en die een aardje naar zijn vaârtje zal hebben; Rosseel,
"den schonen dief", die hij zoo lief heeft als eenig vader zijne
kinderen.

Het meest op den voorgrond staan tegenover Reinaert Isegrim en Bruin,
naast Reinaert zijn neef Grimbaert de das, terwijl Tibert de kater zich
later ook tegenover Reinaert plaatst.

Van Isegrim wordt ons meer verhaald dan dat wij hem zien handelen of
hooren spreken. In den aanvang van het verhaal staat hij met zijne vrouw
Hersinde en zijne magen vóór den Koning; hij is degeen die de reeks der
klagers opent. Uit onderscheiden verhalen blijkt ons, hoe vaak Reinaert
en hij als "gezellen" er op uit zijn geweest en hoe slecht Isegrim er
gewoonlijk is afgekomen. Bij de voorgenomen terechtstelling van Reinaert
is hij op dreef: hij vermaant zijne magen den schuldige stevig vast te
houden, Hersinde moet den schelm bij zijn baard grijpen, onderwijl zal
hij met Bruin en Tibert de galg in gereedheid brengen. In zijn triomf
over den gehaten vijand maakt hij bittere grappen in vossetrant. Als hij
hoort dat Reinaert zich heeft weten vrij te pleiten, snelt hij terug
naar 's konings hof en vaart zoo uit, dat de koning boos wordt en hem
met Bruin doet gevangen nemen. Terwijl zijne voorpooten gevild worden,
ligt hij stil; bij Reinaerts spotternijen verkropt hij zwijgend zijne
woede.

Met blijkbaar welbehagen heeft de dichter den beer geteekend in zijn
domme zelfgenoegzaamheid. "Maak u niet bezorgd over mij" zegt hij tot
den Koning, die hem waarschuwt tegen Reinaerts bedriegelijken aard.
Komisch is hij in zijn naieven lofzang op den honing, niet minder in de
deftigheid waarmede hij een wijs spreekwoord te pas brengt; hij, de
gulzigaard, over het "maathouden"! Dan zien wij "arm man Brune" in de
knijp: met een bebloeden kop, zonder wangen, met slechts één oor, drijft
hij vloekend de rivier af; hijgend van inspanning, steunend van pijn,
ligt hij op den oever; liever dan Reinaerts bittere grappen te
verdragen, springt hij opnieuw in het water. Welk een krachtig komische
werking doet zijn droefheid over de vermindering van zijn uiterlijk, het
verlies van zijne "mooie wangen". Wanneer de vos eindelijk als gedaagde
aan het hof verschijnt, springt hij met zijne verwanten op; gretig neemt
hij deel aan de toebereidselen tot de terechtstelling.

Grimbaert de das is de eenige trouwe vriend dien Reinaert heeft, die hem
van den aanvang af verdedigt, die hem trouw blijft, ook nadat zijn oom
hem droevig heeft gelogenstraft. Wanneer hij ziet, dat Reinaert gevaar
loopt door niet aan de indaging gehoor te geven, brengt hij zelf hem aan
's Konings hof. Is Reinaert veroordeeld, dan gaat hij met zijne magen
heen, om zijn ooms dood niet te moeten zien. Slecht wordt hij voor zijne
trouw beloond; om zich van de galg te redden, beticht Reinaert ook hem
van deelname aan de samenzwering tegen den koning.

Voor Reinaert pleit, althans in den aanvang, ook kater Tibert. Maar hij,
"een arm wicht, een clene dier" heeft toch na Bruin's mislukten tocht
weinig trek zijn vriend Reinaert te gaan halen. Onderweg is hij angstig,
al tracht hij zich goed te houden. Voorzichtig zal hij zijn, maar zijn
snoepzucht is hem de baas; voor de opening in pastoors schuurdeur
aarzelt hij, maar Reinaert weet op zijn eergevoel te werken, zooals ook
koning Nobel dat vroeger gedaan had. In beide gevallen geeft hij aan dat
beroep op zijn eergevoel gehoor; katten zijn immers ook nu nog dieren
"qui se respectent." Met welbehagen neemt hij later de beulsrol op zich:
"ic ne dede nie so lieve pine." Het loopen met het zware stroptouw valt
hem wat moeilijk, maar hij doet het met goeden wille. In groote zorg
zien wij hem ten laatste op de galg blijven zitten, wanneer de raaf het
bericht brengt van Reinaerts vrijspraak.

Daar zijn verder de lichtgeloovige Cuwaert; de waardige Cantecleer, zoo
fier op zijn groot geslacht en zijn wijze echtgenoot; de angstige en
domme ram Belijn en andere dieren die geheel op den achtergrond blijven.
Boven deze staat koning Leeuw, lichtgeloovig, lichtgeraakt, lichtgesust,
een spotbeeld van een koning, zooals CHARLEMAGNE in zoo menigen
ridderroman.

  Dus siet men dat behendichede
  Beter es dan sterchede.

Die slotverzen van een der fabels uit _Esopet_ moeten wel den voornamen
indruk hebben weergegeven, op de Nederlandsche gemeenten gemaakt door
dit werk, het rechte epos der gemeentenaren. Voor hen geen ridderidealen
noch hooge minne. Reinaert was een held naar hun hart: een sluwe
vermetele boef, koel van hoofd, scherp van zinnen, tuk op zijn voordeel,
die spot met het gezag en zich weet te handhaven tegen zijne meerderen;
grappenmaker met een scherpe tong, die ook het heilige niet spaart, die
pleizier heeft in eigen schelmstukken; wien gewetenloosheid en wreedheid
werden vergeven, omdat hij ten slotte zijne zaak wint, en omdat hij
bovendien immers maar een dier was.

Zulk een karakter moet aantrekkelijk zijn geweest voor poorters en
boeren, wier grove zinnelijkheid met moeite in band gehouden werd door
het geloof en de wet, wier nuchter verstand gescherpt werd vooral door
den lust naar voordeel en gewin; wien hartige scherts en losse grappen
zoo smaakten al liep er wat van SINT ANNA onder; die zelf zoo
onbarmhartig en genadeloos wreed konden te werk gaan tegen hunne
vijanden; die hunne wassende zelfstandigheid hadden te verdedigen tegen
de hoogere standen.

Dat zij van dit dierenverhaal zulk een sterken indruk kregen, hadden zij
te danken aan den voortreffelijken dichter, van wien wij slechts weten
dat hij WILLEM heette, een roman van Madoc (uit den Britschen
sagenkring) had gedicht, en van wien wij mogen vermoeden dat hij in
Oost-Vlaanderen woonachtig was.

Die dichter toonde zijn meesterschap niet alleen in de karakteristiek,
maar ook in den bouw van zijn werk. Welk een eenheid heerscht daar!
Reinaert's figuur beheerscht het gansche gedicht; hij vervult
voortdurend onze gedachten; is hij niet ten tooneele, dan spreekt men
van hem. Doch niet minder voortreffelijk is de wijze waarop WILLEM al
deze, deels overgenomen deels zelfgekozen, stoffen heeft verwerkt en
vereenigd. Hoe is hij _in_ zijn verhaal, dat slechts hier en daar door
eene reflexie wordt afgebroken. Welk een pleizier heeft hij zelf in
zijne stof; zoo b.v. wanneer hij Reinaert in schoenen van Isegrim's huid
en met een reiszak van Bruin's vel op reis ziet gaan. Trouwens het
gansche gedicht is geboren uit liefde, liefde tot het uitbeelden van
menschen, dieren, de natuur.

Wie zoo geestig kon vertellen, schertsen, parodiëeren, moet een fijn man
zijn geweest.

Van hoeveel takt getuigt het, dat hij Reinaert's overspel met de wolvin,
in het Fransch de spil waarom alles draait, naar den achtergrond heeft
geschoven. Hoe geestig weet hij den hoofschen spreektrant na te volgen
in dat half omsluieren van het onkiesche, waar Reinaert zijn overspel
aan Grimbaert biecht; want Grimbaert, nog heden een nurksche potentaat
maar een rustig en, voor zijn doen, fatsoenlijk man, moet vooral op dat
oogenblik door Reinaert worden ontzien.

Het verwondert ons niet dat deze dichter juist een Britschen roman heeft
bewerkt en het der moeite waard acht, ons dat in den aanvang van zijn
verhaal mede te deelen.

Maar al was hij fijn, zeker moet hij zich één hebben gevoeld met zijn
volk. Hoe komt de Vlaming in hem reeds voor den dag, waar hij het
juffershondje Cortois Fransch doet spreken; en Grimbaert bij de biecht
tot den Latijn brabbelenden Reinaert zeggen: "oom, praat je Fransch?
spreek asjeblieft Dietsch, dan kan ik je verstaan".

Den hoofschen dichter van _Sinte Lutgarts Leven_, WILLEM VAN AFFLIGHEM,
smaakten die dierfabels blijkbaar niet, die opgesmukte leugenverhalen
van ezels die dansen en springen, van rammen die de mis bedienen[28].

Maar het Vlaamsche volk, onbekommerd om dat vonnis, is zijn Reinaert
blijven genieten en het Nederlandsche volk is gevolgd waar de Vlaming
voorging. Eeuw in eeuw uit, in omwerkingen van velen aard, in volksboek,
volkslied, volkssprookje kwam "'t looze Reintje" de geesten bekoren met
zijne vernuftige bedriegerijen, zijn gezonde luim, zijn luchtigen of
scherpen spot. Die verhalen zijn nu beperkt vooral tot de kinderkamer.
Nog heeft geen geniaal Nederlandsch dichter aan deze stof opnieuw de
hand geslagen, om haar te verwerken in den geest van het oude gedicht of
om er zijn eigen omgeving parodieerend in af te beelden.

Doch hetzij zulk een dichter kome of niet, voor ons blijft het gedicht
_van den vos Reinaerde_ een kleinood der Dietsche letterkunde, en de
nagenoeg onbekende WILLEM een dichter die onder de middeleeuwsche
kunstenaars van het woord te onzent geen meerdere en te nauwernood zijns
gelijke heeft gevonden.



AANTEEKENINGEN

[1] Uitgave van Dr. A. BEETS. (Groningen. WOLTERS. 1885).

[2] Fragmenten van een bestiaris van minnen (oorspronkelijk of
vertaald?) en van een gedicht getiteld "_Hier beghint Ovidius_", dat uit
het Fransch is vertaald, uitgeg. door BORMANS in: _Bulletins de l'Acad.
Roy. de Belgique_, T. XXVII, 488.

MAERLANT'S mededeeling in _Der Naturen Bloeme_, (ed. VERWIJS), bl. 5.
Zie voorts over de _bestiaires_: PETIT DE JULEVILLE, a.w. II, 164 suivv.
en: _Geschichte des Physiologus_ von Dr. F. LAUCHERT. Strassburg. 1889.

[3] Ik volgde hier hoofdzakelijk de voorstelling van BÉDIER in zijn
bekend werk _Les Fabliaux_.

[4] Vgl. het artikel van Dr. J.W. MULLER in _Taal en Letteren_, XIV,
490.

De verzen uit _Sinte Lutgart's Leven_ (II, 95-6):

Daer doen si stomme beesten spreken _Daer doen si simmen speren breken_

wijzen ook daarop. Uit het door mij gecursiveerde vers mag men opmaken,
dat hier sprake is van een fabel of een verhaal waarin een tournooi van
apen wordt beschreven. Zulk een verhaal is, mijns wetens, niet tot ons
gekomen.

[5] T.a.p. I, 96, vs. 69. Vgl. voorts de uitgave van Dr. TE WINKEL.

[6] Aldus versta ik de verzen (vs. 19-20):

Maer merket ende hoert Meer die redene dan die woert.

[7] Vgl. b.v. no. 11, 1-2; 28, 1 vlgg.; 42, 1 vlgg.

[8] De afschrijver voegde hieraan weer een paar onnoodige verzen toe.

[9] Vgl. no. 3; no. 50; no. 30; no. 66. Het Latijn heeft op deze
plaatsen niets van dien aard.

[10] no. VII, XLV, LX, LXII, LXIII. Ook de fabel van den strijd tusschen
den buik en de overige ledematen verplaatst ons buiten de dierenwereld
(LXV).

[11] De vier laatste verzen kunnen, zooals FRANCK opmerkte, onmogelijk
van den oorspronkelijken Nederlandschen bewerker zijn.

Het Latijnsche verhaal heeft op de overeenkomstige plaats slechts het
volgende: "Accepit (aquam) bibit et exinde habiit. Cumque ille videret
feminam pulcram, rediens consolatur eam. Iterum sic fecit et tertio."
Vgl. _Romulus_ (ed. OESTERLEY. Berlin. Weidmannsche Buchhandlung), p.
69, III, 9.

[12] Een zeer goed overzicht van deze stof en de literatuur daarover gaf
Dr. A.J. BOTERMANS in zijn Proefschrift: _Die hystorie van die seven
wijse mannen, van romen._ 1898. De Erven F. BOHN. Haarlem. Hoofdstuk I.

[13] Vgl. daarover: Dr. H.P.B. PLOMP, _De Middelnederlandsche bewerking
van het gedicht van den VII. vroeden van binnen Rome._ (Utrecht. 1899).

[14] I, p. 92.

[15] Vgl. _Esopet_, vs. 51-2:

Mi es te nacht een dief verstolen, Die mi op thoeft was bevolen

met _VII. Vroeden,_ 3248-9:

Ende hem van der galgen verstolen, Die hem te wachten was bevolen.

Ik verwijs naar de editie van STALLAERT. Zie ook de critiek dier uitgave
van Dr. STOETT in _Noord en Zuid_, X, 6.

[16] Vgl. het a.w. van Dr. PLOMP, bl. 51 vlgg.

Het realistisch-erotisch element o.a. in een vers als 1921: "_Maer so
een meer maelt, so hi moeder es._" (Vgl. mijn _Lied in de Midd._ over de
molenaarsliederen bl. 308, 409 vlgg.). Met vs. 1519 vlgg. (het verbod
van 's avonds zonder licht uit te gaan) vgl. men deze keur van Antwerpen
van 1438-'9: "dat nyement by nachte en ga achter de straten na de
diefclocke sonder lanteern ofte licht." (_Antw. Bibliophilen_, no. 3,
bl. 134).

[17] Een overzicht der literatuur bij TE WINKEL en PETIT. Daarbij moet
gevoegd worden vooral: _Les Sources du Roman de Renart_ par L. SUDRE,
(Paris, 1893); een overzicht van dat werk door Prof. J.W. MULLER in
_Taal en Letteren_ van 1895; de nieuwe uitgave

"_van den Vos Reinaerde_" door BUITENRUST HETTEMA en MULLER; de
artikelen dezer geleerden in _Taal en Letteren_, 14e jaargang.

Ik verwijs hier naar de voortreffelijke uitgaaf van Prof. MARTIN; voor
de Fransche branches naar MARTIN'S _Roman de Renart_, ook naar een
uitnemend artikel van VORETZSCH in _Zeitschr. für roman. Philol._, XV en
XVI.

[18] Nog in de 14e eeuw krioelde het in het Brugsche Vrije en trouwens
in gansch Vlaanderen en Brabant van wolven. Vgl. _Siècle des Artevelde_,
p. 251 en _Mém. Cour. de l'Acad. Royale de Belg._, XXXII, 221.

[19] Vgl. daarover de mededeelingen van JONCKBLOET en MARTIN; Prof. J.W.
MULLER heeft nog op eenige andere punten gewezen in het genoemde artikel
in _Taal en Letteren_.

[20] Vgl. _Reinaert_, vs. 623-6 met _Br._, XIV, 302-6 (al is daar geen
"gepeins" maar "dire soef"); dit "binnensmonds spreken" ook I, 2785,
2841. _Rein._, 960-'81 met _Br._, X, 687-716; _Rein._, 1258 vlgg. met
_Br._, I, 879-882; VI, 207-224; _Br._, I b. 2702-2722; _Rein._, 3368
vlgg. met _Br._, I, 942-3; _Rein._, 1510 vlgg. met _Br._, I, 1050-'54 en
XIV, 258-9, 665 vlgg.

[21] Vgl. de door JONCKBLOET uitgegeven fragmenten (_Karel de Groote en
zijne XII. Pairs_), p. 55, 60, 169, 182, 233 vs. 60, 244.

[22] De bedoelde plaatsen in den _Reinaert_ zijn: vs. 62: "Isingrijn
ende sine maghe"; 1024: "te lachtre allen sinen maghen"; vs. 1084-5;
voorts: vs. 1666: "ghi sijt mijn maech: u souts vernoien || seidic
eneghe dorperheit"; ook vs. 1755: "so arem no van so cranken maghen";
vs. 1850: "Bruun spranc up met sinen maghen"; 1884-5: "Orlof nam
Grimbeert die das || Met Reinaerts naesten maghen"; 1899-1900: "al es
Reinaert selve quaet || hi hevet meneghen goeden maech"; 2191: "som van
minen liefsten maghen || die ic node soude bedraghen" (ook vs. 2228,
2913); vs. 2463: "ser Isingrijns maghe"; 2720: "doe haddics rauwe als
een sijn maech"; 3398-9: "hi was een deel des coninx maech || hi mocht
wel doen"; vs. 3449: "alle sheren Belijns maghe"; 3456-7: "Reinaerde...
ende allen sinen maghen".

[23] Vgl. _Rein._, 11-17, 32-7 met _Flor. en Blanc._, 1-13, 65-75;
_Rein._, 1-9 met _Wal._, 1-6; _Rein._, 1-2 met _Wal._, 23-24.

[24] Vgl. FRANK'S uitgave van den _Alexander_, Inl. XVII-XVIII. F.
gelooft, dat MAERLANT hier onder WILLEM'S invloed gestaan heeft. Mij
komt dat reeds op zich zelf onwaarschijnlijk voor. Doch bovendien: bij
de door F. genoemde plaatsen is door VERDAM in zijne recensie van F.'s
werk nog eene treffende plaats gevoegd nl.: _Alex._, VIII, 315 te verg.
met _Rein._, 1589.

VERDAM schijnt niet te hebben opgemerkt of der vermelding waard geacht,
dat de rijmen dier verzen: _oghen_ || _ghedoghen_ in datzelfde boek nog
tweemaal voorkomen: VIII, 251-2, 751-2.

Nu is het toch waarschijnlijker dat een paar verzen uit den _Alexander_,
welker rijmklanken nog tweemaal terugkeeren, WILLEM in het oor zijn
blijven hangen, dan dat MAERLANT het ééne verspaar uit den _Reinaert_
zou herhaald en nog tweemaal diezelfde rijmklanken gebruikt hebben.

Ten slotte wijs ik nog op de overeenkomst tusschen het begin van
WILLEM'S proloog en dat der _Enfances Ogier_ van ADENEZ LE ROI: Li roi
ADANS ne veut plus endurer que li estoire d'Ogier, le vassal ber, soit
corrompue, pour ce i veut penser etc.

[25] Vgl. o.a. _Rein._ 83, 90, 142, 622, 656, 941, 1090, 1450, 1713,
1813, 2060, 2153, 2271, 2282, 2435, 2471, 2722, 2739, 2959, 2980, 2993,
3241, 2839, 2844, 2048 en tal van andere plaatsen.

[26] 1159-1160.

[27] Vgl. _Br._, I, 271, 342; 134: "Hersent rogist, si ot vergoine";
967: "au col li met andous les braz"; 1447-'59: "Renart mist l'anel en
son doi"; 1617: "baignier... ventuser... sener"; 344; 577 ("onques n'i
ot resne tenue"); 580: "Iloc s'arestent li destrer"; 705: "tant a alé
esporonant"; 744: "tant a sa mule esporonee" en voorts 1146, 1190,
1461-2. Het kasteel: vs. 953, 961, 1120; _Br._, I a.; het Grieksch vuur
I, 282.

[28] T.a.p. II, 89 vlgg.



VROEGSTE LYRIEK.

  Hoofsche lyriek. Geestelijke lyriek. Het volkslied.

VELDEKE'S minneliederen--wij zagen het in een vroeger
hoofdstuk--vertoonen den invloed der Oudfransche lyriek; in hun
Middelhoogduitsch gewaad staan zij volkomen op hunne plaats tusschen de
werken der Minnesinger, omdat immers ook de Duitsche lyriek van minne
zich had ontwikkeld onder den invloed der Fransche. Of HADEWYCH Fransch
en de Fransche lyriek heeft gekend, weten wij niet; woorden als _zeelde_
en _merkaren_ in hare poëzie wijzen eer naar de lyriek der Minnesinger;
doch dat zij de wereldlijke minnepoëzie moet gekend hebben, kan
nauwlijks betwijfeld worden[1].

Het is geen toeval dat VELDEKE en waarschijnlijk ook HADEWYCH tot den
adel behoorden; de erotische lyriek immers, waarop wij het oog hebben,
was _hoofsche_ lyriek, werd vooral door den adel voor den adel gemaakt;
tot den adel behoorden zoowel de Zuidfransche troubadours als de
Hoogduitsche Minnesinger. Een aantal Zuidnederlandsche edelen uit
Brabant, Vlaanderen, het Doorniksche, Artois volgden hun voorbeeld;
onder hen HENDRIK III, hertog van Brabant (± 1260). De Fransche
minnepoëzie dezer Zuidnederlandsche dichters draagt in hoofdzaak
hetzelfde karakter als de overige "lyrique courtoise", die wij reeds in
VELDEKE'S werk leerden kennen; wij vinden hier dezelfde opvatting en
voorstelling der liefde, de geveinsde wanhoop, dezelfde klachten,
hetzelfde smachten, talrijke jeux-parti's (tenzonen) waarin twee
tegenovergestelde meeningen door een paar vrienden verdedigd worden,
vele pastourellen; niet zelden vangt een lied aan met een klein
natuurschetsje, vele dezer stukjes vertoonen een refrein. Zoo klaagt
QUENES DE BETHUNE die blijkbaar ter kruisvaart gereed staat:

  Aï, amors, com dure departie,
  Me covient faire à perdre la millor
  Ki onkes fust amée ne servie;
  Deus me ramainst à li, par sa douçor,
  Si voirement com j'en part à dolor!
  Deus, c'ai je dit! Jà ne m'en part je mie:
  Se li cors vait servir Nostre Signor,
  Tous li miens cuers remaint en sa baillie.


GUILLAUME DE BETHUNE begint een lied aldus:

  Kant li boscage retentist
  Dou chant des oisillons en mai
  Et la rose el vergier florist,
  En icel tens joious et gai,
  Lors chanterai de cuer verai,
  Car quant li maus d'amer me prist,
  El plus haut lieu del mont me mist.

Verderop in dat lied lezen wij:


  Douce Dame, quant je vos vi
  A celle fois premièrement,
  Ne cuidai pas il fust issi
  De tout en tout à vo talent;
  Por vos languis à esciant,
  Et quant n'i puis merci trover,
  Bien veul morir por bien amer[2].


Heeft er geen Dietsche minnepoëzie van dezen aard bestaan? Men moet het
wel gaan vermoeden, indien men ziet, dat er meermalen gewag van wordt
gemaakt. In den proloog der _Disticha Catonis_ lezen wij:

  Dieghene die in haren sinne
  Draghen waerlike [Zijnoot: wereldsche.] minne,
  Si maker of riim ende liet.

Dat deze dichter het oog heeft op wereldsche, zinnelijke liefde, blijkt
wel uit hetgeen hij laat volgen:

  Der minne so ne draghic niet[3]

ook uit zijne uitdrukking "ter minnen dienste staen" die immers ontleend
is aan de hoofsche lyriek.

Ook WILLEM VAN AFFLIGHEM klaagt over hen

  Die loes baraet [Zijnoot: sluw bedrog.] ende arge treken
  Bedekken metter minnen name

over de dwazen die behagen scheppen in zulke beuzelachtige rijmen[4].

Doch de merkwaardigste dezer bewijsplaatsen is ongetwijfeld die waar
MAERLANT zijne hoorders tegen deze minnepoëzie waarschuwt en haar tevens
kenschetst. In zijn _Wapene Martijn_ zegt hij tot zijn vriend:

  Martijn, ic ben wel berecht:
  Het seghet al, heren ende knecht [Zijnoot: schildknaap.],
  Vrouwen ende joncfrouwen,
  In sanghe ende in rime slecht,
  Dat si met minnen sijn verplecht [Zijnoot: verstrikt.],
  Ende men cans niet bescouwen.
  Mi dinke dat al die werelt vecht
  Jeghen der reenre minnen lecht
  Ende volghen ontrouwen.
  Menich seghet nu ende echt [Zijnoot: daarna.]:
  "Mijn sin is ane u ghehecht
  So sere, ic wane bedouwen" [Zijnoot: wegkwijnen.];
  Achtre maken si de mouwen [Zijnoot: steken zij er den draak mede.] [5].

MAERLANT heeft hier blijkbaar het oog op edelen als dichters en lezers
van minnepoëzie. Dat echter ook geestelijken zulke minnepoëzie maakten,
blijkt ons uit den _Spieghel Historiael_. In zijn voorbeeld, VINCENTIUS'
_Speculum_, worden de wereldsche geestelijken dier dagen berispt, wier
gefriseerde lokken en geparfumeerde kleederen eene andere dan "heilige
minne" verraden en die zoete minnebrieven schrijven. Voor de woorden:
"dulces literulas sanctus amor non habet" vinden wij bij MAERLANT:

      noch laten gaen
  Salute, subtijleke ghedicht
  Ende met sconen rimen verlicht[6].

Het is natuurlijk denkbaar, dat in het viertal aangehaalde plaatsen
gedoeld wordt op Fransche minnepoëzie, doch het kan niet waarschijnlijk
worden geacht. Zoowel de dichter der _Disticha Catonis_ als MAERLANT
richtten zich immers niet in de eerste plaats tot edelen; onder de
gemeenten was kennis van het Fransch in dezen tijd allerminst verbreid,
en het is de vraag of de geestelijken waarvan MAERLANT spreekt, het
Fransch zoo gemakkelijk hebben gehanteerd dat zij er verzen in konden
maken. Afgaand op de bovenvermelde plaatsen mag men vermoeden, dat er
omstreeks het midden der 13de eeuw vrij wat Dietsche minnelyriek moet
zijn geweest. Doch in ieder geval is er maar zeer weinig van
overgebleven.

Toen MAERLANT zich zoo scherp uitliet tegen de wereldschgezinde
"clerken" zijner dagen die minnepoëzie dichtten, herinnerde hij zich
misschien niet dan met berouw, dat hij, ook een "clerc", indertijd den
roman _van Troje_ had vertaald waarin de minne zooveel plaats beslaat.
Zou hij zelf nooit een minneliedje hebben gedicht ter eere van de
onbekende jonkvrouw voor wie hij zijn _Alexander_ heeft bewerkt? Het is
licht mogelijk. In allen gevalle heeft het hem niet ontbroken aan de
vereischte handigheid. Hoe gemakkelijk vloeit uit zijn ganzeschacht voor
een enkelen Franschen regel dit lyrisch couplet:

  Nye en droech vrouwe
  Ghestadighen rouwe,
  Noch nummer en doet;
  Haer ketsen [Zijnoot: zich inspannen.], haer jaghen,
  Haer mynne draghen
  Is saen te voet[7].

Deze verzen en de minneliedjes die aan Hertog JAN I VAN BRABANT worden
toegeschreven, is alles wat ons van de hoofsche lyriek dier tijden is
overgebleven. Waarschijnlijk zijn niet alle, aan Hertog JAN
toegeschrevene, minneliederen die ons slechts in Hoogduitsche
overzetting bewaard bleven, inderdaad door hem gedicht. Een vijftal dat
zich gemakkelijk tot het Middelnederlandsch laat terugbrengen, zullen
wij aan hem mogen toekennen; de overige zijn misschien door hem in het
Middelhoogduitsch gedicht of anders te onrechte op zijn naam gesteld[8].

In deze minneliedjes is weinig eigens of karakteristieks, maar zij zijn
bevallig en welluidend. Zoo b.v.:

  Eens meienmorgens vroe
  Was ic opgestaen;
  In een scoen boemgaerdekijn
  Soudic spelen gaen.
  Daer vant ic drie joncfrouwen staen;
  D'ene sanc voren, d'ander sanc na:
  Harba lori fa, harba harba lori fa, harba lori fa.

  Doe ic versach dat scone cruut
  In den boemgaerdekijn,
  Ende ic verhoerde dat soete geluut
  Van den mageden fijn,
  Doe verblide dat herte mijn,
  Dat ic moeste singen na:
  Harba lori fa, enz.

  Doe groette ic die allerscoenste,
  Die daer onder stont;
  Ic liet mine arme al omme gaen;
  Doe ter selver stont
  Ic woude se cussen an haren mont;
  Si sprac: "laet staen, laet staen, laet staen!"
  Harba lori fa, enz.

Het refrein, hier waarschijnlijk louter muzikaal, vindt men ook in de
overige liederen. In het bovenstaande liedje ziet men, gelijk elders zoo
vaak, de liefde ontluiken in de vrije natuur. Overigens vinden wij hier
de gewone klachten, verzuchtingen en betuigingen.

Dat er naast eene hoofsche eene geestelijke lyriek heeft bestaan, is ons
overvloedig gebleken uit de poëzie van HADEWYCH.

Het is niet aannemelijk dat HADEWYCH de eenige zij geweest die van
"minne" gezongen heeft of de godsdienstige verlangens en behoeften des
harten geuit in liederen of andere lyrische vormen. Dat men in dezen
tijd geestelijke liederen heeft gekend, weten wij uit het _Leven van
Sinte Lutgart_. In een visioen ziet zij de heilige jonkvrouwen CECILIA
en CATHERINA naderen, achter haar eene schare groote schoone maagden, in
witte stolen gekleed, met een bloeienden tak in de hand; in het naderen
zingen zij "enen leec van minnen"[9]. Uit dit zeldzaam,
slechts hier voorkomend, woord _leec_ blijkt in allen gevalle dat ook
WILLEM VAN AFFLIGHEM geestelijke liederen kende. Doch daartoe bepaalt
zich onze wetenschap in dezen.

Waarschijnlijk zullen sommige geestelijke liederen, die ons slechts in
latere redactie's bekend zijn, nog uit dezen tijd dagteekenen. Zoo b.v.
het lied:

  Nu zijt wellecome, Heere Christ,
  Want ghy onser alder Heere bist
      enz.

dat in Duitschland algemeen bekend is geweest en daar reeds vóór het
jaar 1000 moet bestaan hebben; doch met zekerheid is hier niets te
zeggen[10].

Zouden ten slotte ook hier te lande geene liederen of andere korte
lyrische gedichten zijn gemaakt op gebeurtenissen die het gansche volk
of een aanzienlijk volksdeel ontroerden? Reeds op zich zelf moet dat in
dezen tijd waarschijnlijk worden geacht; doch ook hier zijn ons meer
aanwijzingen dan teksten van liederen overgebleven. Welke gebeurtenissen
kunnen de bewoners dezer landen sterker hebben ontroerd dan de
kruistochten? Toch is ons geen enkel lied of gedicht overgebleven, dat
eene herinnering aan die tochten bewaart. Zijn zulke liederen er niet
geweest? Het is mogelijk, doch mij niet gebleken[11].

Liederen, vóór of in den strijd aangeheven--men zou ze in navolging van
onze oostelijke buren: _wijchliederen_ kunnen noemen--waren bij de
Germanen vanouds bekend[12]. Een dezer liederen is, hoe zeer dan ook
verminkt, door een Engelsch kroniekschrijver voor ons bewaard. MATTHAEUS
PARISIENSIS vertelt ons, dat drieduizend Vlaamsche soldaten, in dienst
van ROBERT graaf van Leicester naar Engeland gekomen in 1173, vóór den
strijd in een vlakte een reidans uitvoerden en daarbij zongen:

  Hoppe, hoppe, Wilekin, hoppe, Wilekin,
  Engelond is min ant tin [13].

Hoe onverstaanbaar deze regels in dezen vorm ook mogen zijn, het feit:
dat een krijgslied gezongen werd, mag opmerkelijk heeten en niet minder:
dat wij hier het van ouds bestaand verband tusschen zang en dans nog
vermeld vinden; dat verband is misschien nog zichtbaar in het herhaalde
_hoppe_[13].

Verhalen van oorlogen en gevechten, zooals in een veel vroeger eeuw de
Friesche zanger BERNLEF er zong, werden ook in MAERLANT'S tijd blijkbaar
nog altijd tot liederen verwerkt.

In zijn roman _van Alexander_ zegt hij:

  Alse die liede seghe
   ghewinnen, Spreectmen verre van haren daden Ende singht er af in
   meneghen staden.

Op een andere plaats in datzelfde werk verdietscht hij de Latijnsche
woorden: "toto radiaret in orbe" door:

  Men soude van siere doghet
  singhen Al van daer die sonne up staet,
  Tote daer soe weder neder gaet.

Ook de typische uitdrukking _een nieuw lied_ waarmede de liedjesdichters
en liedjeszangers vanouds de nieuwsgierigheid van het publiek hebben
geprikkeld, is aan MAERLANT reeds bekend, zooals blijkt uit het vers
waarin hij van ALEXANDER zegt:

  Van joien sanc hi nuwen sanc[14].

Toen de slag bij Woeronc (1288) geleverd zou worden tusschen de
Brabanders eenerzijds, de Gelderschen en hunne bondgenooten anderzijds,
waren er blijkbaar spotdichten gemaakt, waarin JAN VAN BRABANT en de
zijnen vergeleken werden bij een haan met zijne hennen, hunne
tegenstanders bij valken en blauwvoeten[15].

Dat ook gevechten van minder omvang en beteekenis misschien reeds in de
12de eeuw in een lied werden bezongen, blijkt ons uit eene mededeeling
van den kroniekschrijver LAMBERT VAN WATERLOOS. Niet lang vóór 1108 werd
in de buurt van Doornik een gevecht geleverd, waarin tien broeders
sneuvelden; een treurlied over dat gevecht werd nog in latere tijden
door liedjeszangers gezongen[16]. Deze liedjeszangers waren met de
pijpers, fluitspelers en andere muzikanten dier dagen de bewaarders en
verbreiders, misschien ten deele ook de dichters van zoovele liederen
die toentertijd bestaan moeten hebben, doch, naar het schijnt, voorgoed
verdwenen zijn.

Omstreeks het midden der 13de eeuw moet er een aantal vroolijke, dartele
of ontuchtige liederen hebben bestaan. Met het oog op den volksaard
zouden wij dat wel reeds mogen vermoeden, doch zekerheid in dezen wordt
ons verschaft door den vroeger genoemden THOMAS VAN CANTIMPRÉ in zijn
_Liber Apum_ ("der Biën Boeck") dat tusschen 1258-1261 geschreven is. In
menig verhaal, door den schrijver tot stichting of waarschuwing verteld,
vinden wij eene kostbare bijdrage tot onze betere kennis van het leven
onzer voorouders.

Zoo lezen wij b.v.: "Inder sceydinghe des landes van Vlanderen ende
Brabant is gheleghen een groot dorp vol volckes ende inden dorpe was
karcwijdinghe, ende daer waren vele menschen verghadert te spelen, onder
wien dat was een piper als wij ghehoert hebben van meyster WILHELMUS,
die een gheleert ghoet priester is ende gheboren van den selven lande.
De voergheseide piper verwecte mit sinen springhen die jonghelinghen
ende ander maechden tot onkuussche liedekens te singhen. Daer nae doe
die hemel des avondes verdonckert was ende alleman te huys ghinck, was
alleen de piper noch niet ghesadet van den spele ende ghinc over den
weghe singhende mitten pipen". Een onweer komt op en twee
herdersjongens, die den pijper vergezellen, zien dat hij, door den
bliksem getroffen, ineenzinkt. "Mercke hier", besluit de schrijver, "dat
alle die gheen die de heylighe karchove ende karcken onteren mit
schandelicken sanghen ende spelen waerdich zijn soedanigher
wraeken"[17].

Elders zegt de schrijver, sprekend over een edel en heilig man, Heer
GOESEN VAN VELPEN, ridder in Brabant: "hy hadde eenen knechte,
ghelijckerwijs als hi mi selven vertelt hevet, die geset was des nachtes
te waken. Dese selve voerghenoemde knecht was seer ydel in allen
doechden ende was oeck mede des selve ghelijkes seer oncuus ende hi
plach te pipen ende te singhen ende vergaderde vele maechden ende
jonghelinghen. Do dese voerghenoemde knechte eens avondes pijpede ende
dansede, ghevielt dat die ridder (zijn here) sach alte openbaerlijke dat
die helsche duvel mit hoernen ende mit bernenden oghen voer den piper
huppelde ende spranc, ende tot menigherhande maniren zijnre beweghinghe
hem menichsins verblidede. Doe dat die here den knecht gheseyt hadde
ende hi niet aflaten en wolde vanden verdoemelijcken spele ende
alremeest van den oncuuschen lieden daer hi die magheden mede
verweckede, gaf hem zijn here oerlof ende dreef hem van daer." Weinig
tijds later wordt ook deze knecht "van gode gheslaghen"[18].

"Wie twijfelt er aan", vraagt THOMAS VAN CANTIMPRÉ op eene andere plaats
van zijn boek, "dat door ontuchtige minneliederen de harten ook van
kloosterlingen en oprechte geloovigen dikwijls verontrust worden?"[19].

Naar het schijnt, werden er toentertijd ook schandelijke
Sint-Maartensliedjes gedicht en gezongen. Een duivel die in den jare
1216 eene adellijke jonkvrouw te Nivelles in Brabant kwelde, zou ten
aanhoore van het volk gezegd hebben: "dat vermaarde lied van _Martijn_
heb ik met een mijner gezellen vervaardigd en in verscheidene deelen van
Frankrijk en Duitschland verbreid." De schrijver voegt er aan toe: "dit
nu was een zeer schandelijk lied, door dartel handgeklap begeleid"[20].

Wat men nu ook denken moge van den gehoornden danser met zijne brandende
oogen, die voor den pijper uit danste, men zal kwalijk geloof kunnen
weigeren aan het getuigenis van CANTIMPRÉ dat er toentertijd vrij wat
dartele of ontuchtige minneliederen bestonden. Begrijpelijk is: dat die
liederen meest 's avonds gezongen werden, als de dagtaak was afgeloopen;
opmerkelijk: dat het lied hier gewoonlijk voorkomt, begeleid door muziek
en dans, waarmede het vanouds verbonden is geweest.

Geen enkel dier liederen schijnt bewaard te zijn gebleven. Zij zijn
verstoven met het dartele jonkvolk dat ze gezongen heeft op zomeravonden
bij den reidans onder het spel van den pijper. De zangers konden ze niet
opschrijven al wilden zij; wie schrijven konden, zullen het niet der
moeite waard hebben geacht. Iets anders was het wat de meerderheid der
burgerij vroeg en wat men schrijvenswaard achtte: werken die nuttige
kennis bevatten, die de ontwikkeling van geest en gemoed bevorderden.
Die kennis en ontwikkeling werd hun rijkelijk verschaft door den man die
meer dan eenig ander zijner tijdgenooten in zijne werken eene
samenvatting en een beeld geeft van zijn tijd: JACOB VAN MAERLANT.



AANTEEKENINGEN.

[1] Over den vermoedelijken invloed van VELDEKE'S poëzie op de hare vgl.
MARTIN JÖRIS, _Untersuchungen_ enz., bl. 81 vlgg.

[2] Vgl. hetgeen ik hierover vroeger heb geschreven in mijn _Lied in de
Middeleeuwen_, bl. 252 vlgg.

De aangehaalde verzen zijn te vinden in: _Trouvères Belges du XIIe au
XIVe siècle...._ par A. SCHELER, p. 2, 35, 36.

[3] _Der_ moet hier opgevat worden, gelijk niet zelden op andere
plaatsen, als aanwijzend voornaamwoord; vgl. ook den variant: _Diere
minne ne garic niet_.

[4] T.a.p. II, 63 vlgg.

[5] _Strophische Gedichten_ (edd. FRANK en VERDAM), I, str. 35.

Ik vestigde indertijd de aandacht op deze plaats in _Het Lied in de
Middeleeuwen_; vgl. ald. bl. 253.

[6] A.w. II, bl. 82, vs. 40-42.

[7] Vgl. _Historie van Troyen_ (ed. DE PAUW en GAILLIARD) vs. 16055. Het
Fransche vers (13421) luidt: "One nule ne pot doel aveir."

Eene lyrische ontboezeming ook in vs. 6666-6677 over den dood van
HECTOR, waar men in het origineel (vs. 16179-'81) slechts een drietal
verzen vindt.

[8] Het vraagstuk van Hertog JAN'S liederen is grondig behandeld door H.
BOERMA in: _Tijdschr. v. N.T. en L._, XV, 220 vlgg. Onder de daar
genoemde literatuur is vergeten hetgeen door VERDAM was opgemerkt in
hetzelfde Tijdschrift IX, 274.

[9] A.w. II, 2673-'4. In het Latijn is hiervan niets te vinden; vgl. _A.
Sanct._ Junii III, p. 245, 9.

[10] Vgl. _Kerstliederen en Leisen_ door J.G.R. ACQUOY, Amsterdam, JOH.
MÜLLER, 1887, bl. 20; BÄUMKER, _Niederl. geistl. lieder_ in:
_Vierteljahrsschrift für Musikw._, 1888, bl. 157.

[11] In R. HENNING'S _Nibelungen-Studiën_ (_Quell. u. Forsch._, 31, p.
21) lees ik: ALBERT VON AACHEN schöpfte im Anfang des zwölften
Jahrhunderts seine Erzählung über den ersten Kreuzzug aus flandrischen
und nordfranzösischen Liedern." Het is mij niet mogen gelukken in het
_Chronicon Hierosolymitanum_ de plaatsen te vinden, welke die bewering
zouden kunnen staven.

[12] Vgl. HOFFM. VON FALLERSLEBEN'S _Gesch. des deutschen
Kirchenliedes_, p. 44-5.

[13] Vgl. _Onze historische Volksliederen_ door PAUL FRÉDÉRICQ, bl. 8 en
_Middelnederlandsche Historieliederen_ door Dr. C.C. v.d. GRAFT, bl. 43.

[14] Vgl. _Alexander_ (ed. FRANCK), IV, 1450; V, 1226; III, 1338 en de
aanteekening op p. 435. Eene vergelijking met het Latijn toont dat deze
verzen van MAERLANT zijn. (Het "singhen ende lesen" in X, 1254 b.v. is
van GAUTIER DE CHATILLON).

[15] Vgl. _Rymkronyk van Jan van Heeln_ (ed. WILLEMS), p. 343, DXX vlgg.
JAN VAN HEELU zelf zinspeelt op die gedichten in vs. 5184 vlgg.

[16] PAUL FRÉDÉRICQ in a.w. bl. 8.

[17] Ik geef hier de Dietsche vertaling uit den druk van PETER VAN OS,
Swolle 1488 weer. Dit verhaal vindt men fo 169 vo.

[18] T.a.p. fo 140.

[19] _Liber Apum_ c. XLVIII: "obscenis et venereis cantibus corda etiam
religiosorum ac bonorum fidelium multotiens permoveri".

[20] A.w.c. XLVIII: "Cantum hunc celebrem de Martino ego cum collega meo
composui et per diversas partes gallie, theutonie promulgavi. Erat autem
turpissimus et plenus luxuriosis plausibus cantus ille."

Ik vond deze plaats niet in den door mij gebruikten druk der Dietsche
vertaling.

Het, mij en anderen onduidelijk, "plenus luxuriosis plausibus" heb ik
gemeend op bovenstaande wijze te mogen vertalen.



JACOB VAN MAERLANT.

 Inleiding. Ridderpoëzie. Omkeer. Geestelijke poëzie. Poëzie der
 Gemeenten. Der Kerken Claghe. Van den Lande van Overzee. Besluit.

In MAERLANT'S persoon en werk vinden wij de drie standen en hunne poëzie
vereenigd.

Hij staat in betrekking tot den adel en dicht ridderromans; hij behoort
tot de lagere geestelijkheid en schrijft geestelijke poëzie; hij zegt
den adel en vooral den geestelijken de waarheid en tracht door zijne
latere werken aan de gemeentenaren die kennis en ontwikkeling te
verschaffen die zij begeerden en noodig hadden.

Van zijn uiterlijk leven, vooral van zijn leven in verband met zijne
werken, is ons weinig bekend. Hij was een Vlaming, in de eerste helft
der 13de eeuw, vermoedelijk in de buurt van Brugge, geboren; misschien
woonachtig te Damme. Later in zijn leven vinden wij hem als koster te
Oost-Voorne en in betrekking tot de machtige edelen: Heer NICOLAAS VAN
CATS, wien hij zijn _Naturen Bloeme_ ten geschenke gaf, en ALBRECHT,
Heer van Voorne, burggraaf van Zeeland en vertrouwd raadsman van FLORIS
V; aan dezen ALBRECHT van Voorne droeg hij zijn roman _van Merlijn_ op.

Ten deele misschien nog in Vlaanderen, ten deele op Voorne, schreef hij
zijne eerste werken: den roman _van Alexander_ (1257-1260), _van
Merlijn_ (c. 1261), _van Torec_ (c. 1262) en _van Troyen_ (c. 1264)[1];
waarschijnlijk nog op Voorne de tweespraak die naar de aanvangswoorden
_Wapene Martijn_ (c. 1266) genoemd wordt. Van Voorne verhuisde hij naar
Damme, waar hij, volgens de overlevering, "scepenclerc"
(gemeentesecretaris) zou zijn geweest. Die verhuizing heeft misschien
omstreeks 1266 plaats gehad.

Na dien tijd schreef hij, behalve een aantal strophische gedichten, nog
eenige groote werken: _der Naturen Bloeme_ (1266-1269); _Rijmbijbel_
(vóór 1271); _Sinte Franciscus Leven_ (c. 1271-1272?) en daarvóór het
_Leven van Sinte Clara Spieghel Historiael_ (1282 of 1283 tot 1289 of
1290[2]).

In dat laatste werk is hij blijven steken; de dood heeft hem belet het
te voltooien. Aan het slot van het 3de boek der 4de Partie van dat
groote werk gekomen, schreef hij:

  Ende verstaet dat Jacob moet
  Van Maerlant rusten terre stede
  Van der vierder paertyen mede,
  Ende beiden tote dats hem God jan [Zijnoot: vergunt.],
  Dat hire weder coemet an,
  Omme te dichtene in redene claer
  Die dinghe diere volghen naer.

In die verzen meenen wij het doodsklokje te hooren luiden.


RIDDERPOEZIE.

Wie MAERLANT door latere dichters "vader der Dietsche dichteren algader"
hoort noemen, zou kunnen vergeten dat ook deze vader eens jong geweest
is en de minne heeft gekend, al was hij nog zoo degelijk. De zoete
heugenis dier minne overvalt hem later midden in de geleerdheid van _der
Naturen Bloeme_. Wanneer broeder THOMAS VAN CANTIMPRÉ aan eene
beschrijving van den kalander-leeuwerik eene uitweiding over de vreugde
der contemplatie vastknoopt, gaat MAERLANT in zijn vertaling een anderen
weg. Dezen leeuwerik, die heerlijker zingt dan eenige andere, wien in
eene kooi de gevangenschap weelde schijnt, vergelijkt hij bij

  Hem die met minnen es bevaen,
  _Dat een zwaer karker es ende soete_.
  Cume [Zijnoot: nauwlijks.] hevet hi enighe moete [Zijnoot: tijd.]
  Om yet te pensen dan omme sanc,
  Ende om feeste ende om spel ghemanc [Zijnoot: samen.],
  _Der minnen karker geeft hi prijs [Zijnoot: lof.],
  Want et dinct hem een paradijs_[3].

In dien kerker was ook de jonge MAERLANT gevangen, toen hij de hand
sloeg aan eene bewerking van den roman van ALEXANDER, ter wille van eene
schoone die hem gevangen hield en peinzen deed[4]. Behalve den
_Alexander_ bewerkte hij in deze eerste jaren nog drie andere romans.
Het is begrijpelijk dat twee daarvan: _Merlijn_ en _Torec_ behooren tot
die Keltische romans die immers door hunnen vrouwendienst, door een
lyrisch-erotisch element en hunne hoofschheid, een jonkman in MAERLANT'S
omstandigheden moesten aantrekken; begrijpelijk ook, dat de twee
overige: _Alexander_ en _Troyen_ behooren tot die klassieke romans die
naar den geest zoo verwant waren met de Keltische.

De scheiding die wij hier, in aansluiting bij onze vroegere beschouwing,
voor een oogenblik maken, bestond voor MAERLANT niet. Hij noemt in zijn
proloog ALEXANDERS daden als gelijksoortig met en overtreffende die van
zoovele andere helden: de strijd om Troye kan bij ALEXANDERS oorlogen
niet halen, de daden van ARTUR en WALEWEIN zinken hierbij weg, de
oorlogen van KAREL DEN GROOTE en van ATTILA met zijne Hunnen kunnen
hiermede niet vergeleken worden. Voor MAERLANT zijn blijkbaar alle
gedichten die deze en dergelijke stoffen behandelen, gelijksoortig als
schilderingen van het verleden.

Dat hij zich het eerst wendde tot eene bewerking der verhalen over
ALEXANDER DEN GROOTE, vindt ten deele zijne verklaring in het zoo even
gezegde. Maar ook de groote roem van het door hem verdietschte werk moet
daartoe hebben bijgedragen. De _Alexandreïs_ waarmede de scholaster
GAUTIER DE CHATILLON andere onhistorische gedichten over ALEXANDER
hoopte te verdringen, maakte grooten opgang; zóó zelfs dat de
Universiteit van Parijs dit nieuw-Latijnsch epos onder de klassieke
boeken opnam; dat het werd gelezen, bestudeerd en vereerd als een van
deze. Ook in ons land was de roem van dit werk doorgedrongen. MENKO, abt
van Wittewierum in den aanvang der 13de eeuw, noemt in de kroniek van
zijn klooster de _Alexandreïs_ in één adem met de _Aeneïs_; een zijner
tijdgenooten, de Christelijke Platonist HENDRIK VAN GENT, zegt, dat dit
werk zoozeer in aanzien is, dat men er de oude dichters voor laat
liggen[5]. Doch ook in het werk zelf en in daarmede verwante verhalen
was veel dat een jongen Vlaming dier dagen moest aantrekken. Geest en
gemoed waren toen nog zoo ongerept en stonden wijd open als de bloemkelk
gereed om zonnestralen en dauw en regen op te vangen. Deze menschen
luisterden naar verhalen uit den voortijd als kinderen naar een
sprookje; hun frissche belangstelling, nog niet neergebogen onder den
last eener eeuwenoude beschaving, niet overprikkeld noch afgestompt,
zweefde als een jonge vlinder door de tuinen van het verleden.

Die ridderlijke Koning die met zijn klein leger het geheimzinnig Oosten
introk en den machtigen Perzischen heerscher durfde aantasten, moest wel
indruk maken op de verbeelding van middeleeuwsche menschen. Wanneer
MAERLANT de toebereidselen tot ALEXANDER'S tocht verhaald heeft, kan hij
zich dan ook niet weerhouden, zijne verbazing lucht te geven[6]. En wat
al wonderen verhaalden de auteurs van de _Alexandreïs_ en dergelijke
werken! ALEXANDER komt in landen waar gouden en zilveren bergen zijn;
gelijk SINT BRANDAEN, nadert ook hij het Paradijs dat er uitziet als een
schitterende burg; hij ziet menschen zonder hoofd, arenden die van
achteren leeuwen zijn, draken, reuzen. Doch niet alleen door de
verbeelding in werking te brengen behaagde de _Alexandreïs_; in de
schets eener middeleeuwsche vorstenschool, in de verhalen over schepping
en bijbelsche geschiedenis, de verwijten tot papen en klerken gericht
wegens hunne simonie, tot de groote heeren wegens hunne hebzucht, was
veel wat den jongen MAERLANT belangwekkend en aantrekkelijk moest
voorkomen. Het verwondert ons dan ook niet van hemzelven te vernemen,
dat hij dit omvangrijk werk van meer dan 14000 verzen (uit het niet
zelden moeilijk of duister Latijn van zijn voorbeeld) in een half jaar
heeft verdietscht[7].

Gelijk zoo menig dichter vóór hem, geeft ook MAERLANT in dit gedicht eer
eene bewerking dan eene vertaling. Hij geeft korte samenvattingen, ten
einde grooter duidelijkheid of beter samenhang te verkrijgen; lascht
gepaste vergelijkingen of spreekwoorden in of voegt scherper trekken toe
aan de teekening van zijn voorbeeld. Het thema der onbestendigheid van
alle aardsche grootheid is door hem met liefde bewerkt. Den
bombastischen, bloemrijken stijl van GAUTIER heeft hij waarschijnlijk
niet willen noch kunnen volgen; de door den Franschen dichter geliefde
Homerische vergelijkingen heeft MAERLANT weggelaten, of een enkelen keer
door een eenvoudiger vergelijking vervangen. Op sommige plaatsen bekort
hij zijn voorbeeld en breidt dan niet zelden uit hetgeen onmiddellijk
volgt, als om eene vergoeding te geven[8].

Een der meest karakteristieke uitbreidingen is zeker die

waarin hij de openbare feestelijkheden te Babylon beschrijft; in de
teekening van "meester WOUTER CASTELLIOEN" brengt hij zooveel Vlaamsche
werkelijkheid, dat men hier en daar wanen zou verplaatst te zijn naar
een Vlaamsche stad die feest viert. MAERLANT moge een geleerd en stemmig
jonkman zijn geweest, hij kan toch niet nalaten zich bij die gelegenheid
even vroolijk te maken over de dwaze "warmoesdeernen" die zich hoofsche
namen hebben aangeschaft en beweren "vrouwe YMME" en "vrouwe MARGRIETE"
te heeten[9].

Doch liever laat hij het oog zijner verbeelding gaan over de hoofsche
vrouwen van name, om wier hoofd de stralenkrans der minne blonk. Wanneer
"meester WOUTER VAN CASTELLIOEN" de schoonheid eener Scythische koningin
heeft geprezen, neemt MAERLANT de gelegenheid waar om beroemde
schoonheden uit vroeger tijden op te sommen[10]. Hij heeft ze voor het
kiezen: behalve BLANCEFLOER die FLORIS beminde, kent hij nog twee van
hare naamgenooten; hij kent YSOUDE VAN IERLAND en die andere YSOUDE "met
de blanke handen" en MELIOR VAN CHIEFDORE en het liefje van AMADAS en
eene van WALEWEIN'S vele minnaressen en LANCELOT'S "amie" en DEJANIRA,
DIDO, BRISEÏS en ABSALON'S zuster THAMAR... waarlijk, men behoeft niet
te vragen met welke lectuur deze in der minnen kerker gevangene zich tot
nog toe bij voorkeur den tijd had verdreven.

Tot diezelfde soort van lectuur behoorde ook de _Historie van Troyen_.

Een geruimen tijd vóór MAERLANT, waarschijnlijk in den aanvang der 13de
eeuw, had zekere SEGHER, met den toenaam: DIEREGOTGAF, een paar
gedeelten van den Franschen _Roman de Troie_ vertaald of bewerkt[11]. In
het eene stuk, _tprieel van Troyen_ genaamd, is de liefde hoofdzaak; wij
zijn daar in het gezelschap van een aantal jongere ridders, met de
koninginnen van hun hart in een prieel buiten gezeten, en zich vermeiend
in hoofsche liefdesgesprekken. Het andere deel verplaatst ons in den
oorlog, maar een oorlog die gelijkt op een groot tournooi met scherpe
wapenen; de dames zitten er dan ook naar te kijken.

MAERLANT heeft den ganschen _roman de Troie_ van BENOÎT DE ST. MORE
vertaald en SEGHER'S werk in het zijne opgenomen, waarschijnlijk echter
na het zóó te hebben gewijzigd dat het met zijn eigen werk strookte[12].

De _Roman van Troyen_ is vol liefdelyriek. Het is dan ook begrijpelijk,
dat op ééne plaats dat lyrisch element ook den uiterlijken vorm der
lyriek aanneemt en het verhaal onderbreekt met een minneliedje. Ook
elders vinden wij dat lyrisch karakter: een drietal verzen van BENOÎT
over den dood van HECTOR wordt door MAERLANT uitgebreid tot eene
elegische ontboezeming, wel niet in coupletten, maar toch in eenige op
gelijke wijze aanvangende perioden afgedeeld[13].

Over het geheel mag de Dietsche bewerking verdienstelijk heeten; op
menige plaats is duidelijk te zien hoe zeer de bewerker vervuld was van
zijn onderwerp, van die ridderwereld en die liefdesgevallen. Waar hij
b.v. MEDEA'S hartstocht in zijn Dietsch moet weergeven, levert hij eene
fraaie navolging van zijn voorbeeld en op menige plaats zijner bewerking
heeft hij de levendigheid der voorstelling verhoogd door een dialoog in
het verhaal te brengen[14].

Tusschen den roman _van Alexander_ en dien _van Troye_ bewerkte hij een
paar romans uit den Britschen sagenkring. De _Historie van den Grale_ en
_Merlijns Boeck_ vormen de beide deelen van het eene werk, dat eene
vertaling bevat van een Franschen prozaroman van ROBERT DE BORRON.

In de _Historie van den Grale_ worden ons in hoofdzaak de lotgevallen
van JOZEF VAN ARIMATHEA verteld: hoe hij van PILATUS een "nap" of
"scotele" had ontvangen, "daer Jezus die eerste misse in sanc"; hoe hij
na de inneming van Jeruzalem door de Romeinen met een groote schare naar
verre landen trok en hoe "die scotele die men heet den Grael" het
vermogen bezat om de goeden van de kwaden te scheiden en tevens de
goeden de "gracie" te doen gewinnen. Later wordt de "heilige Grael",
"dat Sacrament van den Grale", gesteld onder de hoede van JOZEF'S zwager
BROEN, die "de rike visscher" geheeten wordt omdat hij een visch moet
vangen die naast den Graal op een gedekte tafel (avondmaalstafel) moet
worden gelegd. BROEN staat namelijk aan het hoofd van eene der vier
afdeelingen van geloovigen, die het Christendom over de wereld moeten
verbreiden. Van de lotgevallen van BROEN en de zijnen vernemen wij
verder niets, want het verhaal neemt vrij plotseling een eind en wendt
zich tot de geschiedenis van MERLIJN.

Dit verhaal vangt aan met een pleidooi voor Gods troon, over het recht
op de zielen der afgestorvenen, tusschen MASCAROEN, advocaat der
duivelen, en MARIA, pleitbezorgster der menschen[15]. Natuurlijk
verliezen de duivelen het pleit. Om zich te wreken, doen zij door een
hunner bij eene onschuldige maagd een kind verwekken dat tot Antichrist
bestemd is. Hun opzet mislukt, doordat dit kind, MERLIJN, zijne
bovennatuurlijke wijsheid slechts tot heil der menschheid wil aanwenden.
MERLIJN komt later in aanraking met den Engelschen koning UTER, wiens
broeder PENDRAGOEN gevallen is in den strijd tegen de Saksische
indringers. Hij helpt koning UTER in zijne liefdesbetrekking tot YGERNE,
"des hertogen wijf van Tintaveel." De vrucht van die overspelige liefde
is ARTUR, die koning van Logres wordt maar jaren lang strijd moet voeren
tegen de weerbarstige baronnen in zijn land.

Daarmede eindigt MAERLANT'S bewerking, die later door LODEWIJK VAN
VELTHEM zal worden voortgezet[16].

Noch in de _Historie van den Grale_, noch in _Merlijns boeck_ vind ik
plaatsen die ons de persoonlijkheid van den vertaler doen kennen. Wel
mag men vermoeden, dat de beschrijving der hoofsch-hartstochtelijke
liefde van koning UTER voor de schoone YGERNE in MAERLANT'S smaak zal
zijn gevallen[17]. Had hij geen behagen geschept in zulke
liefdesgeschiedenissen, dan zou hij zeker den roman _van Torec_ niet
hebben bewerkt. Het is begrijpelijk, dat dit ridderverhaal in de
_Lancelot-compilatie_ is opgenomen, want in hoofdzaak bevat het eene
verwerking derzelfde motieven die in andere Britsch-Keltische romans,
met name in den _Lancelot_, voorkomen. Wij vinden hier o.a. een schoone
maagd, zittend op een boom dien zij niet mag of kan verlaten; een dozijn
ridders, achtereenvolgens uit een kasteel komend, die door den held van
het verhaal overwonnen moeten worden; het "josteeren" tegen de gezellen
van de Tafelronde; bedwongen roofridders; verloste jonkvrouwen.

Dat MAERLANT bij de samenstelling van zijn werk gebruik heeft gemaakt
van Fransche romans, mag men reeds opmaken uit een vrouwenaam als
"TRISTOUSE" dien hij vertaalt door: "met rouwe gedragen" (er is daar
sprake van een kind); uit riddernamen als "VAN DER BASSE RIVIERE" en "DE
ORGELIOUS"; de hier voorkomende "camere van wijsheden" herinnert ons aan
"la Chambre de Beauté" in den _Roman de Troie_[18]. De eenmaal
voorkomende uitdrukking "also als ic 't int romans hore" kan wel grond
geven tot de onderstelling dat MAERLANT zich bij die plaats van zijn
werk een Fransch voorbeeld herinnerde; doch op grond van dat vers alleen
aan te nemen dat de _Torec_ vertaald is, schijnt mij gewaagd met het oog
op het feit dat nergens een Fransche roman van dezen naam genoemd wordt.
Trouwens, ook al is, wat mij waarschijnlijk voorkomt, de roman van
MAERLANT'S vinding, veel oorspronkelijks kan men er toch niet in
aanwijzen.

Doch vertaald of niet, opmerkelijk is in allen gevalle dat ook in dezen
roman de minnedichter zich vertoont: in verzen als:

  Dat hare doe een splinter stac
  Van reinre minnen in haer herte

in eene lyrische ontboezeming over de minne, "die alle hovescheit
wiset"; in het "saluut van minnen" dat TOREC aan de blanke MIRAUDE
zendt[19].


OMKEER.

In MAERLANT waren nog andere neigingen en verlangens behalve liefde voor
vrouwen en romantiek; dat is reeds aangestipt doch behoeft nadere
verklaring.

Of zijn gevoel voor het ridderwezen sterk is geweest, mag men
betwijfelen. Een dichter die de idealen der ridderschap tot de zijne had
gemaakt, zou niet licht van den ridderlijken koning PORUS hebben gezegd,
dat hij "bloedde als een rund" of uit den roman _van Troyen_ juist
beschrijvingen van wapenrustingen of van den plechtigen ridderslag
hebben weggelaten. Bovendien waren die romans voor MAERLANT _historie_.
In zijn _Alexander_ verklaart hij met nadruk dat hij "die waerheit, meer
no min" in het Dietsch wil uiteenzetten; èn in dien roman èn in de
overige vergenoegt hij zich niet met zijn voorbeeld te volgen; doch hij
vult het aan, wijzigt of bestrijdt het, zooals hij meende dat de
historische waarheid het eischte. Hoeveel prijs hij stelt op nuttige
kennis, blijkt duidelijk waar wij in den _Alexander_ allerlei
wetenschappelijke invoegsels aantreffen: over de Joodsche en de
Babylonisch-Perzische geschiedenis, over JULIUS CESAR, CROESUS, CYRUS,
XERXES, over de verklaring van zons- en maansverduistering. Naar het
schijnt, heeft hij bij deze mededeelingen vaak slechts zijn geheugen
geraadpleegd, zoodat hij toch ook andere boeken gelezen moet hebben dan
"der minnen boek". Zoo hoog stelt MAERLANT de lectuur, dat hij DIOMEDES
tot zijne geliefde BRISEÏS laat zeggen: "wy lesen in ouden vyten", waar
het Fransch slechts van "hooren zeggen" spreekt[20].

Niet zóó ingenomen is MAERLANT met zijn held ALEXANDER of hij blijft
zich helder bewust dat deze toch een _heiden_ was en hij verzuimt niet
DARIUS te doen getuigen dat hij in de hel zal komen[21].
Hij koesterde liefde voor eene Vlaamsche schoone en bewondering voor
uitheemsche romanheldinnen, maar in schoonheid konden die toch niet
halen bij

  ... de vrouwe die noit en dede
  Sonde no ooc dorperhede

met wie hij de reeks van vermaarde schoone vrouwen besluit. Dezelfde
eerbiedige liefde voor "de moeder ons heren" vinden wij aan het slot van
den _Alexander_ en in den roman _van Troyen_, waar hij eene onbekende,
door BENOÎT aangeduid als "riche dame de riche roi", vervangt door haar
die "moeder es ende maghet".

Ten slotte maken die Grieken en Trojanen op MAERLANT den indruk van
dorperlijke onnoozelheid; beide volken hebben meent hij, in den oorlog
hunne eer verloren. En waarom--gaat hij voort--laat men zich onder
Christenmenschen nog altijd voorlezen van die "overdaet"--Want aan
weerszijden waren het louter heidenen--? Het antwoord luidt: opdat

  ... elc man mercken sal,
  Hoe onreene dat averal
  Hoerdom es ende hoe groot quaet
  Datter af te comene staet[22].

Zoo kon het verhaal van Troye ten slotte nog wel dienst doen als
afschrikwekkend voorbeeld. Met die overweging zal MAERLANT zijn geweten
hebben gerust gesteld, indien dat ten minste nu reeds in hem sprak,
zooals het later zou spreken over den verkeerden weg door hem als
dichter gevolgd.

Gaf de _Alexander_ ons den MAERLANT van later reeds te zien in zijne
neiging tot onderzoek en wetenschap, niet minder doet hij dat, waar wij
in dien roman eene uiterst vrije en zelfstandige bewerking vinden van
de, ook bij GAUTIER voorkomende, verwijten jegens papen en klerken over
hunne symonie, jegens groote heeren over hunne hebzucht.

Maar nergens zien wij in deze vroegste werken van MAERLANT zóó duidelijk
wat hij later worden zal als in den _Torec_. In het hoofdstuk, getiteld
"hoe Torec in 't scep van aventuren was", zien wij allerlei kiemen die
later zich zullen ontwikkelen. In een rijkversierd vertrek hooren wij
daar vroede oude mannen spreken over het nut der wijsheid, over dwazen
die dat nut niet inzien, over het onrecht door de grooten bedreven, de
minachting der kunst, de geldzucht, de breede klove tusschen rijk en
arm, de onverdiende geringschatting van den arme. Hier vinden wij ook
reeds de drie soorten van liefde genoemd, die wij later in den _Wapene
Martijn_ zullen terugvinden[23].

Deze MAERLANT, de Christen die de Moedermaagd stelt boven alle vrouwen,
die partij kiest voor den arme tegen de grooten der aarde, die adel en
geestelijkheid hunne hebzucht verwijt, die wijsheid en nuttige kennis
verheft en aanprijst--zal het winnen van den verliefden bewerker van
ridderromans. Zal het winnen--langzamerhand. Want van eene bekeering in
den eigenlijken zin des woords kan men hier niet spreken. Immers onder
zijne vroegste werken behoorde reeds een didactisch geschrift over de
gesteenten (_Lapidarijs_) en een werkje over droomen (_Somniarijs_) dat
een dergelijk karakter zal hebben gedragen. Ook verloochent hij in
latere jaren dat eerste werk niet. Naar zijn _Troyen_ en zijn
_Alexander_ verwijst hij de lezers ook nog in zijn _Rijmbijbel_ en zijn
_Spieghel Historiael_ zonder ze af te keuren; van den _Alexander_ zegt
hij alleen, dat er fabelen aan zijn toegevoegd die hij niet wil
herhalen. Anders is het met den _Merlijn_ en de Britsche romans in het
algemeen. Zoowel in _Rijmbijbel_ als in _Spieghel Historiael_ laat hij
zich geringschattend uit over "die boerde van den Grale", over "MADOCS
droom, REYNAERTS en ARTURS boerden"[24].

Immers, dat waren alle verzonnen dingen, leugens. Meer en meer komt hij
tot de overtuiging, dat hij in die vroegere werken van den rechten weg
was afgedwaald. In den _Rijmbijbel_ zien wij die overtuiging zoo sterk
geworden, dat zij zich moet uitspreken. Hij bidt God: vergeef mij om der
wille van dit werk

      dat ic mi besmet
  Ebbe in logenliken saken,
  Die mi de lichtheit dede maken
  Van der herten ende van den zinne
  Ende van der wereliker minne[25].

Hier mag men ten minste van een omkeer spreken. MAERLANT toont besef te
hebben van dien omkeer en van nu af zien wij hem in de nieuwe richting
voortgaan. Meer dan eens stelt hij "der poëten fabelen", de "boerden
ende favele" tegenover de waarheid, tegenover het evangelie. Het
duidelijkst in den aanvang van _Sinte Franciscus Leven_:

  Cume [Zijnoot: nauwlijks.] es hi van mi bekint,
  Die nu leeft ende waerheit mint;
  Maer Tristram ende Lanceloot,
  Perchevael ende Galehoot,
  Ghevensde [Zijnoot: verzonnen.] namen ende ongheboren,
  Hier of willen de lieden horen;
  Truffe van minnen ende van stride
  Leestmen dor de werelt wide.
  Die ewangelie es ons te zwaer,
  Omdat soe recht seit ende waer.

Of MAERLANT niet aan zich zelven gedacht heeft bij zijn verhaal van dien
"coninc van versen"

  Die vinden conste ende maken
  Veerse die ter werelt smaken

maar die, door SINT FRANCISCUS tot inkeer gebracht, voortaan "pensde te
betren dingen"? Bij gebrek aan bewijs is dat moeilijk uit te maken; doch
zeker is, dat de stem der waarheid zich in MAERLANT'S werk luider doet
hooren, naarmate hij ouder wordt[26].

Zijne oogen richtend op de waarheid, had hij der Fransche
romanliteratuur den rug toegekeerd; naïef doch begrijpelijk is het, dat
nu in het vervolg alle "Walsch" voor hem "valsch" is, terwijl het
Latijn, immers ook de taal der kerk, geloofwaardig heet. Dat onder de
waarheid, die hij voortaan wil verkondigen, tal van wonderen begrepen
zijn, behoeft in een middeleeuwsch man niemand te bevreemden; "waerheit
ende menech wonder", "wonder ende waer" worden door hem, evenals door
andere middeleeuwsche auteurs, telkens in één adem genoemd[27].

GEESTELIJKE POËZIE.

Waar kon hij daarvan krachtiger en talrijker getuigenissen vinden dan in
den bijbel? In die overtuiging heeft hij de _Historia Scolastica_ van
PETRUS COMESTOR verdietscht, die bekend staat onder den naam van
_Rijmbijbel_.

In dit werk vindt men in hoofdzaak den inhoud weergegeven der
geschiedkundige boeken van het Oude Testament, met dien
der Apocriefe Boeken en der Evangeliën. MAERLANT heeft weggelaten wat
hem overtollig of langwijlig voorkwam, hier en daar stukken van den
bijbel of zedelijke toepassingen ingevoegd; menige mystieke uitlegging
van het bijbelverhaal is door hem uitgebreid, ook neemt hij niet zelden
de gelegenheid waar om MARIA te verheerlijken of de geestelijkheid te
gispen[28].

Hoofdzaak was voor hem: den bijbel en de bijbelsche geschiedenis onder
het bereik der leeken brengen. Van poëzie is in dit werk geen sprake;
van aandoening zelfs tenauwernood. Slechts op een paar plaatsen,
namelijk waar hij den dood van JUDAS MACCABEÜS verhaalt, en eens waar
van JEZUS sprake is, kunnen wij eenige aandoening waarnemen[29].
Blijkbaar was de bewerking der _Scolastica_ voor den auteur louter
plicht. Hij moge dien plicht gewillig en blijmoedig volbracht hebben,
wij kunnen begrijpen dat die hem soms zwaar gevallen is. Na de
voltooiing der bewerking van den _Pentateuch_ slaakt hij dan ook de
verzuchting:

  God danc, ic heb se overleden [Zijnoot: achter den rug.].

Minder zwaar zal hem de bewerking van _Sint Franciscus' Leven_ zijn
gevallen, al ondernam hij die, niet uit eigen beweging, maar op verzoek
van eenige belangstellenden te Utrecht, inzonderheid van zekeren broeder
ALAERD, waarschijnlijk, evenals de overige vragers, lid der orde van
SINT FRANCISCUS. Dit werk zal hem vlot van de hand zijn gegaan, omdat in
de persoonlijkheid van den "edelen vaendragher ons Heren" veel moet zijn
geweest wat juist MAERLANT in zijn strijd voor de armen tegen de
aanzienlijken zal hebben aangetrokken. In den proloog immers herhaalt
hij nog eens eene waarschuwing van vroeger:

  Dat minnen gaet vor alle ere;
  _Want arem man heet emmer sot_.

En wie had de armoede trouwer en belangeloozer gediend, wie haar op
kostelijker altaar geheven, dan juist "il Poverello"?

Toch heeft MAERLANT'S bewerking van dit heiligenleven weinig eigens,
weinig ook dat ons spreekt van aandoening in hem gewekt door de
levensopvatting en den levenswandel van "SINTE FRANSOYS". Waar wij hier
en daar sporen van aandoening meenen te zien, blijkt bij vergelijking
met het origineel dat MAERLANT niet veel meer geeft dan eene
vertaling[30].

Met _Rijmbijbel_ en _Sinte Franciscus Leven_ had MAERLANT werken gegeven
die zijns inziens beter lectuur waren dan de door hem verworpen
dwaasheden "van minnen ende van stride". De kennismaking met Latijnsche
kerkliederen en eigen godsdienstige overpeinzingen brachten echter ook
nog andere geestelijke poëzie uit hem voort, waarop wij nu het oog
moeten richten.

Het zijn een vijftal, in kunstig gebouwde strofen verdeelde lyrische
gedichten, waarvan een drietal: _Van den vijf Vrouden_ [Zijnoot:
vreugden.], _Van ons Heren Wonden_ en _Clausule van der Bible_
misschien nog uit des dichters jeugd dagteekenen; het eerste stuk is
waarschijnlijk, het tweede zeker een vertaling uit het Latijn; het
vierde gedicht _Van der Drievoudichede_ bevat een zeer vrije bewerking
van een Latijnsch gedicht als dat _De Sancta Trinitate_; _Clausule van
der Bible_ en _Disputatie van den Cruce_ schijnen zelfstandige
bewerkingen te zijn van godsdienstige gedachten en voorstellingen, die
men ook elders in de middeleeuwsche literatuur aantreft[31]. In het
eerste stuk wordt telkens in een nieuw couplet eene nieuwe vreugde van
MARIA, in het tweede achtereenvolgens de vijf wonden van JEZUS bezongen.
_Clausule van der Bible_ bevat eene verheerlijking van MARIA in een toen
veelvuldig gebruikten vorm: overal, doch vooral in het Oude Testament,
vond men gelijkenissen van MARIA; MAERLANT wordt niet moede, door een
veertigtal strofen heen, de Moedermaagd telkens weer onder een andere
gedaante te verheerlijken: MARIA is de duive met den olijftak
terugkeerend naar de ark; de ladder waarlangs de engelen af- en
opklommen; RACHEL, des zaligen JOZEFS moeder; het korfje waar het kind
MOZES schreiend in lag; het vlies van GIDEON waarop des hemels dauw
neerdaalde; het brandend braambosch, de zoete manna, de steen waaruit op
MOZES' gebed een klare fontein ontsprong... zoo volgt het eene beeld op
het andere, totdat de dichter het moet opgeven, want "volprisen" kan hij
haar niet, "de schone Vrouwe, de blonde" uit wier oogen een licht scheen
gelijk de zonneschijn.

In de drie eerstgenoemde gedichten liet MAERLANT zich gaan; behoefte om
JEZUS en MARIA te loven, te verheerlijken, te aanbidden, uit zich hier
ongedwongen in vrij gemakkelijk vloeiende verzen.

Anders stond het geschapen in de beide laatste gedichten: _Van der
Drievoudichede_ en _Disputatie van den Cruce_. Hier kon hij niet
volstaan met gevoelsuitstortingen; hooge en subtiele vraagstukken als
dat der Drieëenheid, een geschil als dat tusschen MARIA en het Kruis,
eischten inspanning van denkkracht en voorstellingsvermogen om zelf te
begrijpen en anderen te doen begrijpen. Het is licht verklaarbaar dat
wij MAERLANT hier het zuiver lyrische zien verlaten voor het
lyrisch-dramatische van den dialoog. De didactische dialoog, in zwang
gekomen op voorgang vooral van AUGUSTINUS, was door middeleeuwsche
geleerden als ALCUIN en HUCBALD met goed gevolg aangewend bij de
samenstelling van leerboeken. Gewoonlijk zijn daar de rollen zoo
verdeeld dat de leerling vraagt, de meester antwoordt. Die verdeeling
gaf gereede gelegenheid tot het uiteenzetten van moeilijke vraagstukken;
de afwisseling van vraag en antwoord of ook het verschil van opvatting
tusschen twee sprekers bracht leven en beweging in het geheel. MAERLANT,
man van veelomvattende geleerdheid, zal den dialoog wel uit de
Latijnsche literatuur zijner dagen hebben leeren kennen; wie het Fransch
zoo goed verstond als hij, zal ook niet onkundig zijn gebleven van de
"débats", "jeux-partis" en "tençons" die in de toenmalige nationale
Fransche literatuur den dialoog vertegenwoordigden en die ook door de
Belgische trouvères gedicht werden[32].

Zoo zien wij in de tweespraak _Van der Drievoudichede_ JACOB in
gezelschap van zijn vriend MARTIJN, die hem vraagt: hoe kan ik God
leeren kennen? Al vloog ik hooger dan Cherubim en Seraphim, antwoordt
JACOB, nog zou ik u op die hooge vraag niet kunnen antwoorden. Luister
naar hetgeen mij de bijbel leert: de mensch die Gods geheimenissen wil
doorgronden is als de beesten waarvan MOZES spreekt, die gesteenigd
zullen worden als zij den Horeb beklimmen.--Ook ik ben overtuigd,
herneemt MARTIJN, dat alle engelen samen de Godheid niet zouden kunnen
omvatten; doch leer mij zooveel mijn door de zonde verzwakt verstand kan
bevatten. JACOB geeft dien wensch gehoor: God is boven alles, onder
alles, buiten alles, binnen alles. Hij is Vader, Zoon, Heilige Geest.
Den Vader noemen wij het eerst, omdat Hij was vóór alle begin; daarna
den uit Hem geboren Zoon, dan den uit hun beider vereeniging ontsproten
Heiligen Geest; samen vormen zij eene drie-eenheid van _macht_, _const_
en _wille_, die aanwezig moet zijn in elken mensch die iets wil
voortbrengen. God rust zelf en brengt alles in beweging; geene plaats
omvangt Hem, Hij omvangt alle plaatsen; ons leven heeft begin en einde,
Hij is eeuwig. Met onze rede kunnen wij dat niet begrijpen; het geloof
draagt hier de kroon.

Op MARTIJN'S vraag naar de menschwording van den Zoon geeft MAERLANT
eene uiteenzetting der geschiedenis van Lucifer, van den zondeval, van
de verhouding tusschen het menschelijke en het goddelijke in JEZUS, van
het Laatste Oordeel. Hij is van ons heengegaan, doch Hij heeft zijn
vleesch en bloed hier gelaten om het te "sacreeren" in der priesters
handen. Met eene beschouwing van den Heiligen Geest, eene waarschuwing
tegen ongeloof en den wensch het hemelsch leven deelachtig te mogen
worden wordt het gedicht besloten[33].

In _Disputatie van den Cruce_ zien wij MARIA handenwringend staan onder
het kruis waaraan JEZUS hangt; zij verwijt het kruis: moordenaars en
dieven moet gij straffen, niet Hem die rein van zonden is.--Niet alleen
uwe zaak geldt het hier, antwoordt het kruis, maar die "der wereld
gemene"; toen ik uw zoon ontving, was Hij een sterfelijk wezen, doch
onsterfelijk zal Hij terugkeeren. Huichelaars beroepen zich alleen op
Hem en willen van mij niet weten; doch niemand kan Hem genieten die niet
met Hem geleden heeft. MARIA zwijgt: zij beseft dat het kruis waarheid
heeft verkondigd. Nu laat zich JEZUS' stem hooren: mensch, wat heb ik
voor u gedaan en wat doet gij voor mij? Gij moet de wereld verzaken of
gij zult niet met mij leven. Al uw pogen strekt om schatten te
vergaderen. Doch het is niet vreemd, dat gij volgt waar uwe leiders
voorgaan: al het kwaad komt uit de "sacristie" [Zijnoot: de kerk.];
vleeschelijk leven, wellust, zich trotsch gedragen--het vindt zijn
oorsprong bij de geestelijkheid. Om de armen bekommeren zij zich niet.
Beginnen zij soms de wereld te verzaken, ras keeren zij terug tot de
vleeschpotten van Egypte. De vette posten geeft men aan verwanten en
vrienden, al zijn zij onbekwaam. Dat zijn geen herders der kudde, maar
wolven! Neemt mijn teeken, het kruis, aan en ontrukt het heilige land
aan mijne vijanden! JEZUS zwijgt en het kruis zegt tot MARIA, dat het
niets baat of men haar al bidt, indien men niet eerst met JEZUS geleden
heeft. Ten slotte gaat de dichter beider aanspraken nog eens na en laat
door Ontfermicheit uitspraak doen: dat de mensch den steun van Kruis
noch Maagd kan ontberen.


POËZIE DER GEMEENTEN.

In zijne geestelijke lyriek wandelt MAERLANT doorgaans over de hoogten
der bespiegeling; in _Disputatie van den Cruce_ zien wij hem afdalen tot
de vlakte beneden waar het werkelijk leven wordt afgespeeld. Er was
echter in dat werkelijk leven, behalve het wangedrag der geestelijken,
nog zooveel dat hem vervulde: maatschappelijke misstanden die hem in
twijfel en onrust hielden, onrecht dat hem ergerde, gewichtige
vraagstukken die hem niet los lieten. In een paar tweespraken, _de
eerste_ en _d'ander Martijn_, heeft hij getracht samen te vatten wat in
hem omging. Allerlei in dien tijd gangbare opvattingen, voorstellingen,
gedachten over maatschappij en kerk, over handel en wandel der menschen,
over de verhouding der standen, over de liefde, de zonde, over God, ten
deele reeds door anderen uitgesproken, ten deele dus herinneringen den
dichter bijgebleven uit school, kerk of lectuur, ten deele zijn
eigendom--zijn hier in lossen samenhang vereenigd. Beide dichtwerken
bestaan uit een aantal derzelfde kunstige strofen waarin ook de meeste
andere vervat zijn; in _de Eerste Martijn_, de omvangrijkste tweespraak
van alle die bijna 1000 verzen telt, is op menige plaats een
dichterlijke gloed waaruit ware poëzie is voortgekomen; _d'ander
Martijn_, van veel minder omvang, geeft meer spel van vernuft dan poëzie
al is deze niet geheel afwezig.

De rijke en rijpe inhoud dezer stukken, de spot over de hoofsche
minnelyriek en de minachting van "truffen ende poëtriën", het
meesterschap over den vorm verbieden ons aan te nemen dat zij uit des
dichters jeugd zouden dagteekenen. Maar anderzijds getuigt _de Eerste
Martijn_ van zooveel eerbiedige liefde voor de vrouwen, zij het ook dat
die evenals in den _Roman van Troyen_ bekroond wordt door een AVE MARIA,
en toont _d'ander Martijn_ zulk een welbehagen in het behandelen van
eenigszins spitsvondige minne-vraagstukken, dat wij ons den dichter
kwalijk als een bedaagd man kunnen denken. Mag men eene gissing wagen,
dan zal men geneigd zijn aan te nemen, dat hier een man van tusschen de
dertig en veertig tot ons spreekt.

Dien man, hoe oud hij dan ook geweest moge zijn, zien wij in _de Eerste
Martijn_ in de weemoedige stemming die op eene ontgoocheling pleegt te
volgen. Hij heeft de werkelijkheid aan zijne idealen getoetst, de
schellen zijn hem van de oogen gevallen; en hij slaakt een alarmkreet:
"Wapene [Zijnoot: wee!]", Martijn! hoe salt gaen?" Hij ziet de goeden
bespot, verdrukt--de slechten, die de grooten pluimstrijken, in eere.
Hoe anders dan vroeger: toen stelde vrouwe EERE hem, in wien trouw en
deugd was, tot heer boven den "dorper"--nu spannen de heeren samen,
vrouwe EERE is verjaagd! Overal hebben de slechten de macht in handen.
Dat komt van de kwade raadgevers. Is er nog een God die regeert?
Blijkbaar laat Hij alles over aan het blinde toeval.

MARTIJN schrikt bij dat woord. De duivel gaf het u in, zegt hij. Terug!
God hoort en ziet alles. De priesters zullen het gewaar worden; de
brandstapel wacht u! Vertrouw op God:

  God en was noit moede no mat;
  In 't wout en es loof no blat
  Buten siere hoede.
  Al dat es in elke stat
  Dat behoet hi ende besat
  Met godliken goede [Zijnoot: voorziet Hij van goddelijken zegen.].
  Al ghehinghet hi dan dat,
  Dat die quade ghewinnet scat
  Ende menne heet den vroede:
  So hi hoghere sit up 't rat [Zijnoot: van Avontuur.],
  So hogher val, so meere plat [Zijnoot: zwaarder smak.]
  In der helscher gloede
  Onder der duvele roede.

JACOB is gerustgesteld. Maar niet geheel: is het billijk dat de slechten
eeuwig gestraft worden? Hij aarzelt die vraag te doen aan den harden
MARTIJN.--Omdat de zondaar eeuwig zou willen leven, klinkt het antwoord,
moet hij ook eeuwige straf ondergaan.

Het vraagstuk der zonde laat JACOB nog niet met rust: zou ik dan, indien
ik in de hoofdzonden vervallen ware, eeuwig verdoemd zijn, ook al ware
ik milddadig en al had ik penitentie gedaan? MARTIJN spreekt den vrager
moed in: laat u niet van allerlei door de priesters opdringen, er is
"menich onbescheden [Zijnoot: onverstandig.] swijn" onder; God is ook
een God van genade, van liefde. Maar de liefde is blind, naar men
zegt--herneemt JACOB. Laat ons onderscheid maken, antwoordt MARTIJN; er
zijn drie soorten van minne: de eerste, de hoogste, is de "caritate" die
God zelven hier op aarde bracht; de tweede, onbetrouwbaar van aard,
strekt zich uit naar geld en goed; de derde is de "cracht die twee
herten tsamen bint". Met een uitval tegen de hoofsche minnepoëzie geeft
JACOB zijne instemming te kennen.

Tot dusver is JACOB de vrager geweest; nu, halverwege zijn pad gekomen,
keert de dichter de rollen om.

MARTIJN vat een motief uit het begin der tweespraak weer op: van waar
komt de scheiding tusschen adel en lijfeigenen, edel en onedel?
Sommigen, antwoordt JACOB, zeggen: van CAÏN; anderen: van CHAM; doch het
is onwaar, de "Duutsche loy" [Zijnoot: Het Duitsche wetboek: de
_Saksenspiegel_.] weet beter bescheid: het zijn de nakomelingen van
krijgsgevangenen. En wat den adel betreft--wat gaat het mij aan, wie
iemands vader en moeder zijn geweest! Wie trouw, deugdzaam
is en rein van zeden, die is voor mij de rechte edelman[34]! MARTIJN
stelt een nieuwe vraag: indien alle menschen van ADAM afstammen en dus
bloedverwanten zijn, hoe is dan de "maechscap" zoo verdwenen? Van waar
dan al die afgunst en strijd?--LUCIFER is daarmede in den hemel
begonnen, antwoordt JACOB; van daar zijn zij op aarde neergedaald. Mijn
en Dijn hebben eendracht en vrede verjaagd. MARTIJN wendt zich tot een
ander motief uit de eerste helft van het gedicht: van waar neemt de
liefde tusschen beide seksen haar oorsprong: uit het hart of uit de
oogen? Gij spreekt als een dorper, zegt JACOB; als een onbeschaafde
Fries die niet weet wat liefde is. Luister! Nu vangt een redetwist aan
tusschen het hart en het oog, tweespraak in de tweespraak, die door
vrouwe Redene beslecht wordt. Maar hoe staat het, herneemt MARTIJN, met
de liefde tot geld en goed? Wat is beter: rijkdom of armoede? De
priesters wijzen u het rechte pad, antwoordt JACOB, maar zelf volgen zij
een ander. Laat ons op JEZUS' voorbeeld letten. Deel van uw goed aan de
armen, neig uw hart tot hen; dan moge God u in Zijne hoede nemen, u aan
de macht der duivelen onttrekken. Dat laatste woord brengt MARTIJN op
den oorsprong van alle rampen: de zonde. Van wie komt de zonde? Van de
vrouw, van EVA? JACOB antwoordt met een vurig pleit voor de vrouwen die
hij bij den wijn en het vuur vergelijkt. MARTIJN verklaart zich
overtuigd: ook hij wil de vrouwen vergeven om der wille van de "hooge
vrouwe", aan wie ons behoud gelegen is. Zoo neemt aan MARIA'S voeten de
tweespraak een einde.

_D'ander Martijn_ is in zoover eene voortzetting van _den Eersten
Martijn_, dat wij hier in den aanvang een dergelijke vraag gesteld zien
als die over den strijd tusschen het hart en het oog. Hier geldt het de
vraag: twee vrouwen beminnen mij; de eene heb ik lief, maar zij mij
niet; de andere heeft mij lief, maar ik haar niet--tot welke der twee
moet ik mij wenden?

Dat is een vraag, zooals men ze voor de rechtbanken der "Cours d'amour"
bepleitte; eene vraag ook, zooals TOREC ze in "_het schip van
aventuren_" had hooren behandelen.

In vernuftige dialectiek bestrijden de beide vrienden elkander nu met
allerlei voorbeelden van liefdesgevallen, ontleend aan de Oudheid en den
Bijbel. Redene moet zich in de liefde doen gelden, zegt JACOB o.a. Aan
de voorbeelden van noodlottige liefde uit den Bijbel moeten wij ons
spiegelen. God zelf wijst mij in dezen den weg. Zooals Hij lief heeft,
wie Hem wederliefde bewijst, zoo moet ook ik mijne liefde schenken aan
haar die mij lief heeft.

In den _Verkeerden Martijn_ hebben wij een aardig voortbrengsel van
middeleeuwsche ironie. Met talent zijn hier MAERLANT'S redeneeringen uit
den _Eersten Martijn_ omgekeerd en tegen de zijne overgesteld. Hier en
daar, vooral in de drie eerste strofen, meent men toch de bitterheid van
den dichter in zijn scherts te hooren doorklinken. In het laatste
couplet is iets van voorname levenswijsheid, die met een lichten
glimlach spreekt over de verkeerde toestanden hier op aarde. Het is wel
jammer, dat slechts een fragment van dit gedicht tot ons is gekomen. In
zijn geheel zou het zeker een waardig sluitstuk voor de MARTIJNS-dichten
vormen. Waarschijnlijk zouden wij dan ook meer zekerheid krijgen
aangaande de vraag, die voor mij voorloopig eene vraag blijft: of
MAERLANT inderdaad de maker is van dit gedicht. Er bestaat misschien
meer reden hier aan het werk van een ander te denken dan aan een
zelf-parodieerend sarcasme, waarvan in de middeleeuwsche literatuur,
naar ik meen, tenauwernood een ander voorbeeld te vinden is[35].

De MARTIJN-dialogen waren voortgekomen uit warme belangstelling in het
maatschappelijk leven, uit ergernis van een eerlijk hart over de
misstanden in dat leven en uit begeerte om in die misstanden verbetering
te brengen. Verbetering door afbreken en opbouwen. De _Martijn's_,
vooral _de Eerste Martijn_, werkten vooral afbrekend; in een drietal
andere gedichten trachtte de dichter op te bouwen.

Evenals MARTIJN en JACOB in die tweespraken meer dan eens een vroeger
motief hervatten, om het op nieuw te bewerken, zoo keert ook MAERLANT
terug tot vroeger bewerkte stoffen. De schets eener middeleeuwsche
vorstenschool uit den _Alexander_ wordt overtroffen door de handleiding
voor vorsten in _Heimelijkheid der Heimelijkheden; Lapidarijs_ is
uitgebreid tot het groote werk _der Naturen Bloeme_; de historische
overzichten uit _Alexander_ en _Merlijn_ tot den _Spieghel Historiael_.

Het oorspronkelijke _Liber de Secretis Secretorum_, in dezen vorm zeker
niet van ARISTOTELES, doch mede door het gezag van zijn naam wijd en
zijd verbreid, bevatte eene soort van overzicht der regeerkunst en, daar
een vorst ook zich zelven moet regeeren, bovendien eene levensleer. Niet
onwaarschijnlijk is, dat MAERLANT bij zijne bewerking het oog had op den
twaalfjarigen FLORIS V. Misschien was de dichter tot het inzicht
gekomen, dat de vroeger door hem zoo verheerlijkte ALEXANDER toch in
menig opzicht niet het toonbeeld van een goed regent kon heeten.
_Heimelijkheid der Heimelijkheden_ zou dan min of meer als een
correctief van den _Alexander_ moeten worden beschouwd, dat des te beter
zou werken, omdat het ook hier juist ALEXANDER is, wien door den zoo
hoog vereerden ARISTOTELES allerlei wijze lessen worden toegediend. Zoo
was b.v. de aansporing tot het bedwingen van den "grammen moet" voor den
_Alexander_ van GAUTIER de CHÂTILLON zeker niet overbodig[36].

_Der Naturen Bloeme_ en _Spieghel Historiael_ moesten, evenals vroeger
_Rijmbijbel_ en _Sinte Franciscus Leven_, voorzien in de behoefte aan
degelijke lectuur voor de leeken. In de verdietsching van
THOMAS VAN CANTIMPRÉ'S groot werk _De Naturis Rerum_ kon elk die zijne
bekomst had van fabelen en leugens, "nutscap ende waer" vinden. Alles
wat men toentertijd van de natuur, van menschen en dieren wist, vond men
hier bijeen. MAERLANT heeft een deel van het Latijn onvertaald gelaten,
in het overige de volgorde over het algemeen behouden, in den regel zijn
voorbeeld bekort, hier en daar in de moralisaties iets gewijzigd of er
iets aan toegevoegd[37].

In zijn _Spieghel Historiael_ leverde hij populair-wetenschappelijk
werk, dat voor dien tijd hooge waarde bezat. Het verleden was voor de
leeken tot dusver één nevelachtig verschiet van eentonig grijs geweest;
deze _Spiegel_ wierp er voor het eerst krachtige lichtstralen in en
doorheen. Nu eerst namen enkele bekende figuren in dat verschiet vaste
omtrekken aan, nu eerst kon men onderscheid maken tusschen nabij en ver
af, nu eerst een blik krijgen op de wording der toestanden waarin men
leefde.

Van het groote werk des Franschen Dominicaans, VINCENT VAN BEAUVAIS,
bewerkte MAERLANT slechts een deel, het _Speculum Historiale_; de twee
voorgaande deelen: _Speculum Naturale_ dat over God, het heelal en den
mensch handelde en het _Speculum Doctrinale_ dat een overzicht der
menschelijke wetenschap gaf, liet hij achterwege. Overigens gaf hij van
het _Speculum Historiale_ eer eene bewerking dan eene vertaling; hij
raadpleegde tal van andere geschiedschrijvers, o.a. den Hollandschen
kroniekschrijver MELIS STOKE, breidde de geschiedenis van Nederland en
de levensbeschrijvingen van Vlaamsche heiligen uit, verrijkte zijn werk
met een schat van spreuken en lessen van levenswijsheid[38]. Hier ook
had MAERLANT gelegenheid te velde te trekken tegen allen die, zijns
inziens, de waarheid ten opzichte van het verleden te kort gedaan of
vervalscht hadden: de menestrelen die leugens vertelden over KAREL DEN
GROOTE, zijne Pairs en groote vazallen, die verschillende KARELS hadden
samengesmolten tot éénen; hij houdt zich aan de _Historia Caroli Magni
et Rolandi_; immers, dat was Latijn en dus waar. Eveneens kant hij zich
tegen de vermenging van ARTUR-sage en Graal-sage, tegen die van de
verhalen over den Zwaanridder met de geschiedenis van het huis
Bouillon[39].

Indien men bedenkt dat MAERLANT'S opmerking over de vermenging van
verschillende historische KARELS eerst door de hedendaagsche wetenschap
opnieuw is gemaakt en met evenveel geleerdheid als scherpzinnigheid
gestaafd, dan moet men dezen middeleeuwschen "clerc" bewonderen om zijn
helder verstand en zijn scherpen blik. Maar de aesthetische waarde van
zijn werk rijst daardoor niet. Trouwens, van rijzen kan eigenlijk geen
sprake zijn, want de poëzie is in de drie laatstgenoemde werken zoo goed
als afwezig. Zelfs vertoonen zij in de bewerking tenauwernood eenige
aandoening, tenauwernood iets eigens. MAERLANT moge een gemoedelijk
grapje maken over de vlooien, de "clene wichten" die ons in dit aardsche
tranendal steeds gezelschap houden; hij moge zijne kieschheid toonen
waar hij het dier Furions ter sprake brengt--doorgaans blijft hij in
_der Naturen Bloeme_ de ernstige leermeester[40].

In den ganschen _Spieghel Historiael_ vond ik slechts een paar plaatsen
waar blijkt, dat de eene of andere gebeurtenis op MAERLANT zooveel
indruk maakte, dat zijne bewerking er de sporen van draagt.
CHARLEMAGNE'S smart bij het lijk van ROELAND heeft hem blijkbaar
getroffen; in het Dietsch lezen wij dat de groote keizer

  ... grongierde [Zijnoot: brulde.] in der gebare
  Alse oft een leuwe ware
  Die sine jonge vonde vermort.

Het beeld van den ouden leeuw brullend bij zijn vermoorden welp zal wel
niet van MAERLANT zelf zijn, maar is toch in zijn voorbeeld niet te
vinden[41].

Eveneens wordt hij gedrongen zijn medegevoel te uiten, waar hij in
bisschop AMBROSIUS, die keizer THEODOSIUS de waarheid zegt, een
geestverwant herkent. Daar komt hem zijn _Eerste Martijn_ weer voor den
geest, zoo levendig zelfs dat een paar rijmen uit de eerste strophe hier
weer opklinken[42].


DER KERKEN CLAGHE; VAN DEN LANDE VAN OVERSEE; BESLUIT.

Het tekort aan poëzie in de pas behandelde werken heeft MAERLANT ons
vergoed door bovengenoemde lyrische gedichten. Beide dagteekenen uit
zijn ouderdom. _Van den Lande van Oversee_ moet gedicht zijn na den val
van ST. JEAN D'ACRE (1291) en in _der Kerken Claghe_ hooren wij den
dichter zeggen:

  Wat sagh ic in den spieghel claer?
  Mijn oude leven, mijn graeuwe haer,
  Hoe sterven es met mi gheboren!

Tusschen deze twee gedichten bestaat eene vrij nauwe verwantschap. De
klacht der kerk, die den titel en den hoofdinhoud uitmaakt van het eene,
ruischt als ondertoon door de verzen van het andere[43].
De dichter beeldt hier de kerk uit als eene moeder, eene bedroefde vrouw
van haar erf ontzet, wier verdediging Christenridders plicht moet zijn.
Het komt mij waarschijnlijk voor, dat deze voorstelling eene herinnering
is uit de dagen, toen de jonge verliefde Vlaming zich zoo gaarne
verdiepte in ridderromans. In den roman van _Lancelot_ toch legt een abt
aan BOHORT de beteekenis uit van een visioen dat die ridder heeft
gezien. Wij lezen daar:

  Tot u quam op dien nacht besien
  Die heilege kerke ende al om dien
  In eens droefs wijfs gelike,
  Die u clagede droeffelike,
  Datmen hare onrecht dede
  Ende nam hare ervechtechede.
  Sine quam niet gecleet met siden,
  None togede met den bliden;
  Maer si quam in groter droefheden
  Ende gecleet met swerten cleden
  Om den toren die hare kinder
  Daden mere ende minder;
  Dat sijn besondechde kerstine
  Dat haer kinder (sculdech) te sine,
  Ende gelijc hare moder hare
  Altoes sculdech te houdene waren[44].

Zoo kwam de romanlectuur, waartegen hij met zooveel nadruk gewaarschuwd
had, MAERLANT toch nog ten goede in zijn strijd tegen de geestelijkheid.
In zijn _Naturen Bloeme_, zijn _Rijmbijbel_, zijn _Spieghel Historiael_
had hij zich meer dan eens scherp uitgelaten over hunne hebzucht,
weelde, wellust; hun verweten, dat zij waren

  ... vor mine ogen smeker [Zijnoot: vleiend.]
  Ende achter valsch als de verrader.

De critiek, welke zijn bewerking van den _Rijmbijbel_ hem van de zijde
der geestelijkheid had berokkend, was hij in zijn _Spieghel Historiael_
nog niet vergeten[45]. Doch, had hij daar met de belgzucht van het
"paepscap" rekening gehouden, in _der Kerken Claghe_ spaart hij hen
niet. Onversaagd springt deze strijdbare "clerc", ridder naar geest en
gemoed, zijne moeder de Heilige Kerk ter zijde, om het leed te wreken,
dat haar wordt aangedaan door wie haar moesten beschermen en leiden. De
wolven zijn nu herders. Wie de aanzienlijke geestelijken de volle
waarheid zou durven zeggen, hen met name noemen--hoe zou hij bejegend
worden! Met enkele trekken schetst hij hen: korte rokken, breede
zwaarden, lange baarden, kostbare kleederen, hooge paarden; wat al
fierheid--ten koste der kerkegoederen! Liever dan den grooten heeren de
waarheid zeggen, zitten zij met hen aan tafel. De armen, hongerig,
naakt, koud, roepen te vergeefs hunne hulp in; doch er is eene
vergelding. Denkt aan LAZARUS! De duivel ligt steeds op de loer. Hij
behoeft niet ter jacht te gaan: daar zijn er zoovelen onder zijn bereik.
Wie de kwaden vleien, hebben de beste plaatsen en eene vette keuken; zij
drinken dat zij zweeten en slapen er te beter op. Al maken de heeren
zich aan roof schuldig, geen verwijt krijgen zij te hooren van deze
geestelijken, die, zelf met zonden besmet, anderen den hemel beloven. En
krachtig klinkt de oproep ten slotte: Zóó klaagt de heilige Kerk!
Gevoelt gij u van hare maagschap, zoo moet gij nieuwe wapenen dragen en
deze wandaden te keer gaan en wreken.

Met een nieuw wapen, scherper dan eenig ridderzwaard, met zijne pen,
tastte MAERLANT ook in het gedicht _Van den Lande van Oversee_ de Kerk
van Rome aan, die hij scherp onderscheidt van de Katholieke Kerk. Hier
durft hij zeggen:

  Die Kerke van Romen is dusdaen vraet,
  Si is dronken ende al sonder raet,
  Die hovet is van Kerstijnhede.

Echter heeft dit gedicht een ruimer strekking. Het is een noodkreet,
door den vromen Christen geslaakt, toen hem meer en meer zekerheid
gewerd, dat het Heilige Land aan de macht der Christenen ging
ontglippen. In _Disputatie van den Cruce_ had hij reeds eenmaal een
klacht daarover doen hooren, maar nu Acre, het laatste bolwerk der
Christenen, gevallen is, slaat hem de schrik om het hart. Vandaar de
ontzetting, de verontwaardiging in dezen onstuimig-schoonen aanhef:

  Kersten man, wats di gheschiet?
  Slaepstu? hoe ne dienstu niet
  Jhesum Christum dinen here?
  Peins, doghedi dor di enich verdriet,
  Doe hi hem vanghen ende crucen liet,
  Int herte steken metten spere?
  Tlant, daer hi sijn bloet in sciet [Zijnoot: stortte.],
  Gaet al te quiste, als men siet:
  Lacy, daer en is ghene were!
  Daer houdt dat Sarracijnsche diet [Zijnoot: volk.]
  Die Kerke onder sinen spiet
  Daerneder, ende doet haer groot onnere
  Ende di en dunkets min no mere [Zijnoot: gij geeft er niet om.]!

In dien toon gaan de volgende coupletten voort: het is uwe moeder, de
Heilige Kerk, wier behoud het geldt; God lijdt--gij leeft in weelde;
Gods vijanden hebben te Acre kloosters en huizen vernield, het volk
gedood. Christen! trek op, den hemel kunt gij winnen, indien gij die
schande wreekt. Dan eerst komt de dichter tot kalmte; hij zet uiteen wat
er gebeurd is, zonder vragen, zonder uitroepen. Maar aan het eind van
zijn verhaal is hij opnieuw onder den indruk gekomen. Het vlamt weer op
in hem: Gij heeren, gij prinsen, gij baronnen... Kerk van Rome, trek
het zwaard! Maar de voorname geestelijken hebben wel wat anders te doen!
Wat doet gij ter wille van de Kerk? Wie volgt JEZUS na? Als het om vette
prelaatschappen te doen is, ja, dan snelt gij allen toe. "Reinaerdie"
speelt dan haar spel. Geleerdheid? Wat zou men er mee uitrichten! En
waartoe gebruiken zij hun rijkdom? De goeden niet te na gesproken--de
duivel hale hen met hunne trotsche bijzitten! Maar het Heilig Graf
vertoont zich weer aan zijn geestesoog. Weer klinkt het dringend tot de
koningen, graven en hertogen, die onderling oorlog voeren: Het is tijd
het schild "van sabel en van goude", het "lazuren" schild met de leliën
op te nemen. Dan dreigend: Wie niet stoutelijk voorwaarts gaat en zijne
moeder wreekt--hij zal er voor boeten! Overredend klinkt het daarop:
Waarom wil elk slechts vreugde? Wij moeten immers toch eens sterven?
Denkt wat JEZUS heeft willen lijden! Hoe anders was het ten tijde van
CHARLEMAGNE en GODFRIED VAN BOUILLON! Wat vaart gij in deze dagen ter
valkenjacht, gij landsheeren? Hoort gij de Kerk niet klagen? Gevoelt gij
u van hare maagschap, komt er dan openlijk voor uit! Met een bede tot
God besluit de dichter zijn bezielden oproep.

Die oproep heeft geen weerklank gevonden; kort na den val van Acre is
het Heilige Land geheel aan den greep van het Westen ontglipt. Sedert de
kruistochten een aanvang hadden genomen, was de Europeesche Christenheid
twee eeuwen ouder geworden; niet langer konden romantische geloofsdrift
en avontuurlijke reislust de volken tot verre tochten verlokken; andere
idealen legden beslag op hunne belangstelling, hunne toewijding, hunne
kracht. Voortaan kon wie er behoefte aan gevoelde, zijne devotie
verrichten bij het Heilig Graf dat in zoo menige kerk ook te onzent was
nagebootst.

MAERLANT, die na den val van Acre tot een nieuwen kruistocht opwekte,
schijnt den veranderden koers der geesten niet te hebben opgemerkt. En
indien al, dan heeft hij dien zeker betreurd. Want hij was een "prijzer
van 't verleên" en zag in zijn eigen tijd slechts achteruitgang waar hij
dien bij vroeger vergeleek. Zijn blik was gericht vooral op het verleden
en op het verkeerde of gebrekkige van het heden. Afbrekend en opbouwend
heeft hij getracht dat verkeerde in het rechte spoor te leiden, dat
gebrekkige aan te vullen. Hij is de eerste Nederlandsche dichter die,
sterk door zijn geloof, tegen de aanmatiging en het plichtsverzuim van
adel en geestelijkheid is opgekomen voor waarheid en voor recht. Hij
heeft voor Vlamingen en andere Nederlanders gedaan wat zes eeuwen na hem
een ander Zuidnederlander opnieuw zou doen: het volk leeren lezen.

Dat alles geeft hem aanspraak op onze dankbaarheid, op eene plaats onder
de groote mannen van ons volk; doch als kunstenaar rijst hij daardoor
niet in onze schatting. Zeker, hij was dichter. Hij heeft dat getoond in
den _Eersten Martijn_, vooral in de eerste helft waar de aandoening door
de strofen golft en telkens een beeld of een vergelijking de strofe komt
afronden als het schuimkroontje den top der golf. Hij heeft dat getoond
in zijne beide laatste lyrische gedichten en in menig brok van zijn
overig werk dat, zoo al niet schoon, dan toch bevallig of aardig mag
heeten. Den kunstenaar zien wij in den dichter, waar hij, in navolging
der Latijnsche en Romaansche lyriek, kunstige strofen bouwt, waar hij de
afschrijvers bezweert zijne verzen ongeschonden te laten en hooge waarde
hecht aan de zuiverheid zijner rijmen.

Doch de dichter, de kunstenaar in hem toont zich te zelden; er is in
zijn werk te veel dat middelmatig of gebrekkig, te veel dat berijmd
proza moet heeten. De drang naar schoonheid in zijn gemoed werd
onderdrukt door het verlangen om de maatschappij te verbeteren en zijn
volk te onderwijzen. En nu kan de invloed van een dichter op de
zedelijke, geestelijke en maatschappelijke ontwikkeling van zijn volk
wel strekken om de waarde zijner gansche persoonlijkheid te verhoogen,
niet om te vergoeden wat hij te kort komt als kunstenaar. Bovendien
heeft zijn roem maar al te veel dichters of verzenmakers verlokt om op
zijn voorbeeld Pegasus in het gareel te slaan.

Indien wij dan ten slotte aan MAERLANT'S persoon en werk zulk eene ruime
plaats hebben gegeven in dit verhaal van de geschiedenis onzer
letterkunde, dan is dat geschied: omdat hij, beter dan eenig ander
auteur zijner dagen, de eeuw en de maatschappij waarin hij leefde in
hunne onderscheiden stroomingen vertegenwoordigt; omdat de geslachten
die na hem kwamen, tot hem hebben opgezien als tot een groot dichter
wiens voorbeeld zij moesten volgen; en eindelijk, omdat hij in enkele
zijner kleinere werken ons iets gegeven heeft van dat onbeschrijfelijke
dat wij poëzie noemen.



AANTEEKENINGEN.

[1] De romans _van Alexander, Merlijn_ en _Troyen_ zijn tot ons gekomen
in een vorm die vrij ver afstaat van den oorspronkelijken, in een
dialect dat buiten de oostelijke grenzen van het tegenwoordig Nederland
gesproken werd _(Tijdschr. v. Ned. T. en L._, XXIII, 156). De _Torec_
schijnt nog al geleden te hebben onder de handen des compilators van den
_Lancelot_ (a.w. X, 173; XIX, 36).

[2] Ik volgde bij deze rangschikking het uitvoerig en verdienstelijk
boek van Prof. J. TE WINKEL: _Maerlant's Werken_, (2e druk, 1892), vgl.:
Tweede Hoofdstuk.

[3] Vgl. _Nat. Bloeme_ (ed. VERWIJS), III, 885 vlgg. en _Inleid_. XXIV.
Over den kalander-leeuwrik: BREHM, _Het Leven der Dieren_ (bewerking van
HUIZINGA), II, 100.

[4] De ons onbekende schoone, wier naam MAERLANT verborgen heeft in zijn
gedicht, heette waarschijnlijk _Gheile_ en zal wel eene Vlaamsche
geweest zijn. Vgl. FRANCK'S _Inl_. op den _Alexander_, XI-XII.

[5] WYBRANDS, _De Abdij Bloemhof_, bl. 134.

[6] Vgl. I, 1066-'70. Deze verzen zijn niet in het origineel aanwezig.

[7] Vgl. X, 1530-1.

[8] Voor dit alles verwijs ik naar FRANCK'S voortreffelijke _Inleiding_,
inzonderheid naar het hoofdstuk: _Maerlants verhouding tot zijne
bronnen._

[9] Vgl. V, 1006 vlgg. en FRANCK'S aanteekening op bl. 454.

[10] T.a.p. VIII, 77 vlgg. en bl. 481.

[11] Onder de schepenen van Gent vond ik op het jaar 1301 een _Simon die
Godgaf_ (vgl. Memorieboek der stad Ghent, ed. der Vlaemsche Bibliophilen
I, 6).

[12] Vgl. over SEGHER en zijn werk VERDAM'S _Inleiding_ op zijne
_Episodes uit Maerlant's Historie van Troyen_, met name p. 17, 154-5,
181.

MAERLANT'S werk is in zijn geheel te vinden in de uitgave van NAPOLEON
DE PAUW.

[13] Vgl. VERDAM'S _Episodes_, vs. 6666-6711 met _Roman de Troie_, vs.
16179-16181.

[14] Vgl. _Episoden_, vs. 508 vlgg.; dialoog, waar BENOÎT vertelt, op
bl. 54, vs. 354; 63, 667; 73, 1031; 76, 1138; 91, 5129; 305, 9345; 327,
10166; 341, 10694.

[15] FRANCK houdt dit satansproces niet voor MAERLANT'S werk. TE WINKEL
beweert het tegendeel. Vgl. _Anzeiger f.d.A._, IX, 367-8 en TE WINKEL'S
_Gesch. der Ned. Lett._, bl. 168 noot.

[16] Vgl. _Merlijn_ (ed. VAN VLOTEN), vs. 10408. VAN VLOTEN'S uitgave
kan dienst doen, vooral nadat men kennis heeft genomen van FRANCK'S
vernietigende maar rechtvaardige critiek.

[17] _Merlijn_, vs. 7639 vlgg. (7770-8, 8164, 8175-'80).

[18] Vgl. _Torec_ (ed. TE WINKEL), vs. 170, 149, 156, 489 (eene
"Orguellouse de Longres" komt voor in CRESTIEN'S _Conte du Graal_; zie
de Aant. op FRANCK'S _Alexander_, bl. 481). Afbeelding der _Chambre de
Beauté_ bij PETIT DE JULEVILLE a.w. I, 192.

[19] _Torec_, vs. 869-870; 1228-'49; 3231-'51.

[20] Vgl. _Alex._, IX, 450. De vergelijking is door M. ingevoegd; vgl.
GAUTIER, _Alex._, IX, 258-260. Of M. deze vergelijking misschien uit den
_Lancelot_ heeft overgenomen, doet weinig ter zake. _Episoden_ enz. vs.
767 vlgg., 8074-'91; 1546 in verg. met het origineel; _Alex._, I, 68;
VERDAM'S _Inl._ op _Episoden_ enz. bl. 21 vlgg.; TE WINKEL in _Tijdschr.
v. N.T. e. L._, I, 332 vlgg.; _Merlijn_, vs. 33, 589, 621. FRANCK'S
_Inl._ op den _Alex._, L-LI; _Episoden_, bl. 163-4, vs. 4159 en vs. 4219
in verg. met het oorspronkelijke.

[21] _Alex._, III, 513; III, 836; VII, 584; Vgl. ook _Troyen_, vs.
10736.

[22] _Alex._, VIII, 126-9; X, 1535 vlgg.; _Episoden_ etc. bl. 159-160.
Over die _riche dame_ te verg.: PETIT DE JULEVILLE a.w. I, 197-8;
_Episod._, bl. 342. In geen der verschillende einden van het gedicht,
door JOLY medegedeeld, is iets van dezen aard te vinden. Vgl. zijne
uitgaaf v.d. _Roman de Troie_: "Sur les manuscrits" in Deel I.

[23] Vgl. _Alex._, VIII, 637 vlgg.; _Torec, Inl._, bl. XXII vlgg.

[24] Vgl. o.a.: _Rijmb._, I, 7778, 7917, 7923; 18440, 34846; _Sp.
Hist._, I, bl. 66, vs. 21 vlgg.; bl. 137, vs. 47 vlgg.

[25] A.w. I, 64 vlgg.

[26] Vgl. o.a.: _Rijmb._, I, 2755; _Sinte Franc._, 9-10; 51-40. Het
verhaal van den "coninc van versen" ald. vs. 1917 vlgg.; men vindt het
ook in het Latijn.

[27] Vgl. o.a. den Proloog van _der Nat. Bloeme_, vs. 108-116; TE
WINKEL, _Maerlant's Werken_, p. 368; waai heidsliefde o.a.: _Rijmb._, I,
25, 4885, 34830; waarheid en wonder: _Nat. Bl._, I, 486-'93; IV, 5
vlgg.; V, 413 vlgg.; _Sp. Hist._, I, 16, vs. 61; II, 64, vs. 7.

[28] Vgl. TE WINKEL'S _Gesch. der Ned. Lett._, bl. 337-9.

[29] Vgl. a.w. vs. 19626-'9, die niet in het origineel voorkomen:

Want haer lyoen, hare lupaerd, Haer troest, haer muur, haer casteel,
Ende hare hulpe algeheel Starf met eren, die goede Judas.


In vs. 24796 vlgg. vinden wij het Latijn: "firmavit faciem suam ut iret
in Hierusalem" aldus weergegeven:

Doe de tijd naken began Vander Passiën, maecte vast Sijn anscijn, _die
lieve gast_ [Zijnoot: vreemdeling.], Te Jherusalem te gane.

[30] Zoo b.v. vs. 7811-'14:

Aldus in dien dorwitten vleesche Die nagle zwart als iet vereesche Entie
wonde van der zide Bloeide als ene rose blide.

Het Latijn heeft hier (in de bewerking van _Bonaventura Vulcanius_):
"Erat autem similitudo clavorum nigra quasi ferrum, vulnus autem lateris
rubeum et ad orbicularitatem quandam carnis contractione reductum rosa
quaedam pulcherrima videbatur."

[31] Vgl. over dit alles de voortreffelijke Inleiding en Aanteekeningen
op de uitgave der _Strophische Gedichten_ door FRANCK en VERDAM.

[32] Vgl. over den dialoog: Inleid. der _Stroph. Ged._, LXXX; EBERT,
_Allgem. Gesch. der Lit. des Mitt._, II, 16; JEANROY, _Les Origines de
la poésie lyrique_, p. 45 suivv. Het vroeger aangeh. werk van SCHELER,
_Trouvères Belges_ o.a. I, 6-7, 137, 139, 141.

[33] In sommige handschriften heet dit gedicht _De derde Martijn_.

[34] Dit beroemde woord over den adel wordt reeds gevonden bij den
kerkvader HIERONYMUS. Zie _Inleiding_, p. LXXVIII. Naar het schijnt, ook
reeds in ARISTOTELES' _Ethica_. Vgl. BURCKHARDT, _Die Cultur der
Renaissance_, II, 90. Vgl. ook _Heim. der Heim_ (ed. CLARISSE), vs.
1831-2; in het Latijn: "quia Deus creavit aequales."

[35] FRANCK en VERDAM houden MAERLANT voor den maker. Zie _Inleiding_,
p. XLVIII-XLIX. Doch ook na die uiteenzetting blijf ik twijfelen.

Nagevolgd werd de _Eerste Martijn_ door een dichter die in 1299 den
_Vierden Martijn_ dichtte (uitgeg. door SERRURE in _Vad. Mus._, IV, 55
vlgg.). Talent is er in deze, hier en daar woordelijke, navolging niet.
HEYN VAN AKEN kan bezwaarlijk de dichter zijn geweest (SERRURE is
geneigd dat aan te nemen). Bij diens persoonlijkheid past niet het
dichten "op die heren" (vs. 479-'81), en ook maakte HEYN VAN AKEN beter
verzen dan deze dichter.

[36] _Heim. der Heim._ (ed. J. CLARISSE), vs. 348. MAERLANT heeft vrij
wat weggelaten uit zijn voorbeeld, doch het overige getrouw gevolgd. Zie
de vergelijking in KAUSLER'S _Denkmäler_, III, 289 vlgg.

[37] Vgl. den Proloog, vs. 85 vlgg.

Het eerste en tweede boek zijn niet vertaald, van het derde slechts een
klein deel. Boek II-XII geven eene vertaling van het Latijn in Boek
IV-XVII; Boek XVIII-XX zijn weer niet vertaald. Zie overigens de
Inleiding in VERWIJS' uitgave.

[38] Zie over dat alles, dat gewichtig is vooral voor onze kennis van de
ontwikkeling der historiographie te onzent, de voortreffelijke inleiding
van DE VRIES en VERWIJS voor hunne uitgave van den _Sp. Hist._ en TE
WINKEL t.a.p. het _Achtste Hoofdstuk_.

[39] Vgl. _Sp. Hist._, III, p. 170, 204; TE WINKEL, _Maerlant's Werken_,
p. 422-5; IIIe Part. VIII Boek, c. 60, vs. 73 vlgg.; II, p. 383; II, p.
79; I, p. 15, vs. 55 vlgg.; 315, 2e kolom; IV3, c. 22, vs. 83 vlgg.; c.
6, vs. 5-11.

[40] Vgl. a.w. VII, 788 vlgg.; II, 1875 vlgg.

[41] Vgl. IV1, c. 27. VINCENTIUS heeft hier (ed. DUACI 1624, _Lib._ 24,
c. 20): "Carolus Rolandum exanimatum invenit iacentem eversum brachiis
super pectus in modum crucis positis et super eum ruens irrugit clamore
magno."

[42] Zie: _Inleiding_, XL-XLI. De door mij bedoelde rijmen zijn: _hove
|| verscrove_.

[43] Vgl. _v.d. L. v. O._, vs. 11 vlgg.; 118 vlgg.; 130, 200.

[44] Vgl. III, 7290 vlgg. Ik deel hier slechts de meest overeenkomstige
verzen mede. De tekst is blijkbaar corrupt, vooral in de laatste verzen.

[45] Vgl. _Nat. Bl._, II, 469-'76; 680 vlgg.; _Rijmb._, I, 78 vlgg.;
5260-'4; 5358; 5398 vlgg.; 5502-'3; 13322 vlgg.; 25485-7; _Sp. Hist._,
I, bl. 16, vs. 80 vlgg.



DICHTERS, VOORDRAGERS, PUBLIEK.

Tot nog toe hebben wij ons bezig gehouden vooral met de dichtwerken die
gedurende de 12de en de 13de eeuw door deze volken zijn voortgebracht;
de personen der makers bleven op den achtergrond. Op dien achtergrond
moeten zij blijven, omdat, ten minste in het verhaal van de ontwikkeling
eener middeleeuwsche literatuur, de persoon des dichters minder
gewichtig is dan zijn werk. Toch is het wenschelijk, dat wij op dien
achtergrond meer licht doen vallen; dat wij samenvatten wat ons van die
dichters met of zonder naam bekend is. Tevens geeft ons dat gelegenheid
mede te deelen, wat wij weten van het publiek waartoe zij zich richtten,
van de wijze waarop en de omstandigheden waaronder literaire werken toen
ter kennisse van het publiek kwamen.

Een middeleeuwsch dichter schreef verzen of proza, omdat hij er roeping
toe gevoelde of omdat zijn beroep het medebracht. Het spreekt vanzelf,
dat beroep en roeping niet steeds samengingen; doch ook dat door het
beroep de roeping niet noodwendig werd uitgesloten.

Tot hen die dichtten, omdat zij er roeping toe gevoelden of omdat zij er
behagen in schepten, zullen wij wel geestelijken of "clercken" mogen
rekenen zooals WILLEM VAN AFFLIGHEM, WILLEM VAN UTENHOVE, HADEWYCH,
MAERLANT, de dichters van _Rinclus_, _Van den Levene ons Heren_, van den
_Dietschen Catoen_, _Esopet_ en dergelijke werken; ook JAN VAN BRABANT,
de edelen en hoofsche "clercken" die minneliedjes dichtten en de
dichters van volksliederen. Het is wel mogelijk dat sommige dezer
dichters zich, evenals MAERLANT, van het wereldsche tot het ernstige of
stichtelijke hebben gewend; wij kunnen het echter slechts van één hunner
bewijzen. De bewerker der _Disticha Catonis_ namelijk verhaalt ons in
zijn proloog:

  Als ic die minne sach, ic louch;
  Nu haticse al in minen sinne
  Die minne draghen entie minne
  Ende hebbe ghekeert minen moet
  An die ghenen die siin vroet.

Wij hoorden vroeger een paar dezer dichters: MAERLANT en WILLEM VAN
AFFLIGHEM, op minachtenden toon spreken over andere dichters die zij
_menestrelen_ noemen. MAERLANT heeft een afzonderlijk hoofdstuk van zijn
_Spieghel Historiael_ gewijd aan "'t scelden jegen die borderers", d.i.
romanschrijvers; aan het slot van dat hoofdstuk zien wij dat hij het oog
heeft op de "menestrele", die dus ook door hem als de dichters der
ridderromans werden beschouwd[1]. En WILLEM VAN AFFLIGHEM spreekt van de
menestrelen als van "logeneren". Blijkbaar gevoelen zij zich door hunne
geleerdheid en ontwikkeling, ook door hun streven naar waarheid en
vroomheid verheven boven die verdichters van fabelen en luchtige
verhalen van oorlog en minne. MAERLANT weet dan ook zijn afkeer van al
te wereldschgezinde "clercken" niet beter uit te drukken, dan door eene
schildering van hun uiterlijk te besluiten met de woorden:

  Dit en sijn niet clerke, maar menestrele[2].

Deze menestrelen behoorden, zooals hun naam (ministeriales) aanduidt,
tot de dienaren van den adel; hun taak was vooral, den heer en zijn
"gezinde" met muziek en zang of voordracht van poëzie te vermaken. Een
dienaar van die soort hebben wij reeds ontmoet in dien knecht van den
Brabantschen ridder, Heer GOOSEN VAN VELPEN, die gewoon was "te pipen
ende te singhen" en die door zijne onkuische liedjes de harten der
maagden prikkelde. De vereeniging van muziek en poëzie vinden wij ook
bij de menestrelen van wie MAERLANT spreekt in _der Naturen Bloeme_ naar
aanleiding van den vogel _Garrulus_[3]. Het "pipen en mauwen" van den
menestreel kan kwalijk iets anders beteekenen dan het spelen op de
pijpen ter begeleiding van zang of voordracht.

Niet alleen om hun heer den tijd te korten, dienden hem de menestrelen;
zij waren er ook op uit, zijne roemzucht door hun loftuitingen te
prikkelen, in de hoop op geschenken zijnerzijds. Lof en roem
verwerven--MAERLANT zegt het ons--daarnaar streefden de meeste ridders:

  Want die ridder niet gheroet [Zijnoot: rust.],
  Hine verslijt vleesch ende bloet,
  Updat sijn prijs mere.

En dat de menestrelen die roemzucht trachtten te bevredigen, vernemen
wij eveneens uit zijne woorden:

  ... der idelre gloriën cleet,
  Daer menestraudië met omme gheet[4].

In zijn _Spieghel Historiael_ laat hij nog eens een waarschuwing hooren
tegen de "smekende" (vleiende) menestrele[5]. Een klein staaltje van
hunne praktijken zien wij in de bewerking van den _Aiol_. In eene
opsomming van edelen die AIOL verwelkomen, worden in de Dietsche
bewerking o.a. de graaf van Vlaanderen, de hertog van Brabant en de
graaf van Artois genoemd, ofschoon deze hooge heeren op de
overeenkomstige plaats in den Franschen tekst niet worden vermeld.
Waarschijnlijk hebben wij hierin eene beleefdheid van de zijde des
menestreels jegens zijn publiek te zien[6].

Bij dezen ruilhandel van loftuitingen tegen geschenken (geld,
kleederen, wapenen of sieraden) hadden de menestrelen mededingers in de
met hen eenigszins verwante "yrauden" (herauten). Meer dan eens worden
"menestrele ende yraude" of--wat hetzelfde is--"yraude ende spelmanne"
in één adem genoemd[7].

In den roman _van Torec_ zien wij den held in de wapenrusting van een
anderen ridder, MYDUEL genaamd, alle tegenstanders uit den zadel steken.
De paarden der overwonnenen geeft hij aan de aanwezige speellieden en
yrauden, en deze zijn onmiddellijk gereed met hun tegengeschenk:

  Doe riepsi ende dyraude mede:
  "Ha ha! Myduel, Myduel!
  "Hi heeft den prijs ende niemen el;
  "Hi es die beste van den velde:
  "Hi es genindech [Zijnoot: dapper.], coene ende melde"
  [Zijnoot: mild.] [8].

Dat de menestrelen niet alleen bij de ridders welkom waren, maar ook bij
die hooge geestelijken, wier levenswijze weinig van die der ridders
verschilde, zouden wij wel reeds mogen vermoeden. MAERLANT verzekert het
ons ten overvloede in zijn _Rijmbijbel_[9]. Omgekeerd werd de plaats van
den menestreel, naar het schijnt, wel eens ingenomen door een "scriver",
die doorgaans wel een "clerc" zal zijn geweest. In de _Heimelycheit der
Heimelychede_ lezen wij:

  Nu betaemt wel elken heere
  Die bewaren wille sine eere,
  Dat hi scrivers met hem houde,
  Vroede liede, jonghe ende oude,
  Die scone ende wel connen dichten,
  Ende met sconen worden verlichten
  Connen dat sijn heere wille.
  ...
  Want ghelijc dat smenscen lede
  Scoonre sijn ghecleedt dan naect,
  Also eist dat men een dicht maect,
  Daer men der wareit niet ut en gheet
  Ende ment met scone worden cleet.

MAERLANT spreekt hier over poëzie, terwijl in zijn voorbeeld, naar het
schijnt, slechts over de kunst van het een of ander op te stellen
gesproken wordt[10]. Doch wat hiervan zij, zeker is meer dan een
dichtwerk door een "clerc" op verzoek van een edelvrouw of edelman
vervaardigd. MAERLANT deelt ons in den proloog van zijn Graal-roman
mede:

  Dese historie van den Grale
  Dichte ick ter eren Heren Alabrechte,
  Den Heer van Vorne, wael met rechte;
  Want hoge liede met hoger historie
  Menechfouden zoecken hoer glorie
  Ende korten daer mede hoer tijt.

En in de opdracht van zijn _Spieghel Historiael_ lezen wij:

  Grave Florens, coninc Willems sone,
  Ontfaet dit werc! Ghi waert de gone
  Die mi dit dede anevaen.

Het zou mij dan ook niet verwonderen, indien sommige ridderromans, bij
den voortgang onzer wetenschap, bleken bewerkt te zijn door "clercken".
De godsdienstige, hier en daar zelfs kerkelijke, tint, die over de
bewerking van het _Roelandslied_ en over den roman _van Walewein_ ligt,
die misschien ook in de _Lorreinen_ te zien valt, geeft tot dit
vermoeden wel eenigen grond[11].

In ontwikkeling zullen de "clercken" over het algemeen wel boven de
menestrelen hebben gestaan. Echter behoeft men daarom aan deze laatsten
niet alle ontwikkeling te ontzeggen. De bewerker van den _Partonopeüs_
b.v. was blijkbaar een man van zekere ontwikkeling en beschaving; hij
zal wel niet de eenige zijn geweest[12]. Dat mogen wij vermoeden ook met
het oog op eene reeds vermelde plaats uit den _Spieghel Historiael_.
MAERLANT neemt daar uit zijn voorbeeld eene waarschuwing over tegen de
wereldsche "clercken" die een wit voetje bij vrouwen en jonkvrouwen
trachten te verkrijgen. VINCENTIUS' schets van het uiterlijk dezer
"petits abbés" geeft hij in zijn Dietsch aldus terug:

  Dese setten al haer doen
  (Om) haer surcoet [Zijnoot: tabbaard.] ende haer caproen,
  Hoe hare gescoyte [Zijnoot: schoeisel.] ten besten staet;
  Om specie ende mossceliaet [Zijnoot: parfums.],
  Dat si wel rieken van den crude;
  Nuwe scoen met behagelen hude,
  T'haer gelu enten crooc [Zijnoot: krullende lokken.],
  Met vingerlinen verciert ooc:
  Si gaen rechts of si pleyen [Zijnoot: dansen.] souden.

Zeker, MAERLANT spreekt hier, in navolging van zijn voorbeeld, over
wereldschgezinde geestelijken; doch hij besluit deze beschrijving met
het vers:

  Dit en sijn niet clerke, maer menestrele.

Dat had hij toch niet kunnen doen, indien het uiterlijk van sommige
menestrelen hem daartoe geen recht had gegeven. Blijkbaar trachtten
dezulken hunne adellijke meesters te evenaren in voornaamheid van
kleeding, voorkomen en gang. Zijn er te onzent, behalve HEINRIC VAN
VELDEKE, adellijke menestrelen geweest? Dat de bewerker van den _Willem
van Oringen_ door MAERLANT: "Claes _ver_ Brechten zone" wordt genoemd,
geeft ons daarvan geen voorbeeld, want _ver_ wordt in de 13de eeuw reeds
van burgervrouwen gebezigd[13].

Doch zoo er al geen scheiding zij geweest tusschen edel en onedel--zeker
is er wel onderscheid geweest tusschen de menestrelen onderling: in
maatschappelijke positie, in uiterlijke en innerlijke beschaving;
onderscheid ook tusschen hen die, verbonden aan den dienst van één heer,
als gezeten menestrelen gesteld mogen worden tegenover hunne
rondzwervende kunst-broeders. Ook die "gezeten" menestrelen zullen wel
eens van heer gewisseld, doch niet als de rondzwervende van de hand in
den tand hebben geleefd. Zoo althans stel ik het mij voor; onze bronnen
vloeien hier te schaarsch om met zekerheid te kunnen spreken. Op die
rondzwervende menestrelen moet VELDEKE het oog hebben, waar hij,
afwijkend van zijn voorbeeld, ter bruiloft van ENEAS en LAVINE "die
speleman end die varende diet" laat verschijnen en rijkelijk
beloonen[14]. Op hen zal ook MAERLANT'S uitdrukking doelen: "menestrele
|| Die altoes zijn onghestade"[15].

Tot deze mindere klasse zullen behoord hebben de "speelman" en het
"speelwijf", waarvan de bewerker van den _Partonopeus_ (niet zijn
voorbeeld) in vs. 466 melding maakt; tot hen ook "alle die singen broet
om Gode", die door HEYN VAN AKEN in zijne vertaling der _Rose_ genoemd
worden, waar het Fransch ze niet noemt[16].

Dat onze voorouders bij het woord _menestreel_ in de eerste plaats
dachten aan een _muzikant_, een "_speelman_" zooals zij zeiden, blijkt
ook uit eene plaats in MAERLANT'S _Alexander_. Een paar verzen der
_Alexandreïs_ waarin over _mimi_ gesproken wordt, geeft hij aldus weer:

  Die menestrele quamer mede
  Vor dien coninc in die stede
  Ende loofdene met haren sanghe.
  Daer was menich trompe langhe,
  Vedelen, haerpen ende sijmphonien,
  Cystolen die wel leren vrien,
  Salterien, orghelen ende sciven[17].

Wanneer hij dan echter op den laatsten regel laat volgen:

  Men speelder met sweerden ende met kniven

dan zien wij hoe rekbaar het begrip _speelman_ was en dat het in de
middeleeuwen ook allerlei kunstenmakers omvatte. Nergens zien wij dat
zoo duidelijk als op eene plaats in de Nederduitsche compilatie
_Karlmeinet_ die omstreeks 1300 uit Nederlandsche romans is
samengesteld. Daar wordt ons een overzicht gegeven van de kunst en de
kunsten van

  Hundert mynistrere
  De wir nennen speleman.

Dezen bespelen allerlei muziek-instrumenten: de vedel, den hoorn, de
harp, het salterie; genen kunnen spreken van wapenen, van avonturen en
van minne; anderen goochelen onder den hoed, vangen bekkens (blijkbaar
draaiende) met stokken op, tuimelen en springen, dansen met honden, eten
vuur, zingen als een nachtegaal, schreeuwen als een pauw[18].

Hier zien wij duidelijk de afkomst van ons reizend kermisvolk, die
paria's en nomaden der hedendaagsche samenleving. Trouwens hunne
middeleeuwsche voorgangers stamden weer rechtstreeks af van de
Romeinsche "mimi." In deze kringen, waarin ook niet zelden zwervende
klerken (goliarden, vaganten) werden opgenomen, zullen wij
waarschijnlijk de dichters hebben te zoeken die onzen _Bere Wisselau_,
misschien ook de reize _van Sente Brandaen_ hebben vervaardigd.

Van de dichters komen wij tot de wijze waarop zij hun werk aan het
publiek mededeelden en tot dat publiek zelf. Alle poëzie, en zeker het
grootste deel van het proza der middeleeuwen, was in de eerste plaats
bestemd, te worden voorgedragen en aangehoord. Tallooze plaatsen ook in
onze middeleeuwsche literatuur kunnen daarvan getuigen. Ik heb het oog
op uitdrukkingen als: "Nu hoort....", "dat u te hoorne dunket zoete",
"hoort er naer", "nu hoort vort van deser dinge" enz.[19]. Bij de
voordracht van ridderromans zal het publiek, ten minste aanvankelijk,
wel voornamelijk uit edelen of ten minste aanzienlijken hebben bestaan.
Het publiek wordt daar gewoonlijk aangesproken met: "gi heren ende gi
vrouwen"; de hoofsche WILLEM VAN AFFLIGHEM zegt ook wel: "gi vrouwen
ende heren"[20].

Soms wordt deze benaming afgewisseld met: "gi goede liede"; doch men
moet hierbij in aanmerking nemen dat deze uitdrukking eene
beleefdheidsformule was: "een goet man" is wat wij noemen: een
fatsoenlijk man, een man van eer. De dichter van _Floris ende
Blancefloer_ spreekt bepaaldelijk niet tot dorpers, maar tot lieden van
stand en ontwikkeling[21]. Het _Leven van Sinte Lutgart_ richt zich nu
eens tot "heren ende vrouwen", dan weer tot "closterliede", "grote ende
clene", "man noch wijf in desen ringe". Zijne uitdrukking: "die hier te
ringe sijt geseten" toont ons, dat het publiek ook wel in een kring om
den voordrager heen zat.

Iets gemoedelijks ligt er in het "kinder" of "lieve kinder", waarmede
MAERLANT in zijn _Merlijn_ en de bewerkers van het _Roelands-lied_ en
van het gedicht _Van den Levene ons Heren_ soms hun publiek
aanspreken[22].

Indien de dichters der twee laatste gedichten, zooals men vermoeden mag,
tot den geestelijken stand behoorden, evenals MAERLANT, dan paste die
wijze van aanspraak in hun mond wel; minder in dien van
niet-geestelijken die later hun werk voordroegen.

Die opmerking brengt ons tot de vraag naar de verhouding van dichter tot
voordrager. In menig geval zal de dichter tevens de eerste voordrager
van zijn werk zijn geweest; immers de meeste dichters zullen hunne kans
hebben waargenomen om met iets nieuws de aandacht te prikkelen. Doch
zoodra het oorspronkelijk handschrift door afschriften vermenigvuldigd
was, konden ook anderen het werk ten gehoore brengen. Uit de prologen
van sommige der hier behandelde dichtwerken blijkt, dunkt mij, dat de
dichters op latere voordragers gerekend hebben[23]. Het vermelden van
des dichters naam in den proloog moest waarschijnlijk denzelfden dienst
doen als in onzen tijd de naam van den schrijver op het titelblad. In
sommige gedichten (_Moriaen_, _Carel en Elegast_, _Levene ons Heren_,
_Seven Vroeden_) schijnen dichter en voordrager aanvankelijk dezelfde
persoon te zijn

geweest; de dichter-voordrager spreekt daar tot zijne hoorders in den
eersten persoon; die prologen zijn zoodanig, dat ook een later
voordrager dat _ic_ kon behouden. In andere werken (_Floris en
Blancefloer_, _S. Frandscus_, _Walewein_, _Troyen_, _Merlijn_) begint de
dichter wel met _ic_, doch gaat later over tot het noemen van zijn naam
en spreekt van zich zelven in den 3en persoon. Op die wijze bleek bij
eene voordracht door een ander toch, wie de dichter was. Ook het
omgekeerde komt voor: de dichter van den _Reinaert_ begint met: "WILLEM,
die... hem... hi" en spreekt later van zich zelven met _ic_; hetzelfde
geval treffen wij aan in _der Naturen Bloeme_ en den _Rinclus_. Hier
zullen wij moeten denken aan den overgang van _oratio indirecta_ tot
_directa_, dien wij vroeger in een ander verband hebben besproken.

Werden voordrachten van poëzie vooral des zomers gehouden? Indien men
MAERLANT'S uiting dienaangaande in _Heimelijcheid der Heimelijcheden_
gewicht mag toekennen, dan: ja. In den zomer, zegt hij, pleegt men zich
op allerlei wijze te vermaken:

  Ende men brinct soeten sanc te voren,
  Ende men moet dan geesten [Zijnoot: geschiedenissen.] horen
  Die ghenouchlijc sijn int vertellen
  Ende lachen dan met goeden ghesellen[24].

Doch anderzijds zal men, vooral op de kasteelen van den adel, juist
des winters en in den herfst meer behoefte hebben gehad aan zulke
voordrachten dan in de andere seizoenen.

Was het publiek nu, staand of zittend, om den voordrager geschaard,
dan verzocht hij een "ghestille" en de voordracht ving aan. Begon hij
dadelijk met spreken? Indien wij ons herinneren, dat de menestrelen
tevens muzikanten waren, dan is het niet onwaarschijnlijk dat zij
begonnen zijn met een klein voorspel. Zoo lezen wij in den roman _van
Lancelot_:

  Hi tymperde die harpe eer iet lanc,
  Ende begonste harpen enen sanc[25].

Of, en zoo ja, in hoever muziek ook de verdere voordracht begeleid
heeft, daaromtrent is ons niets bekend. Wij weten zelfs niet, of de
verzen in den toon van het recitatief of slechts rhythmeerend
voorgedragen werden.

Bepaalden de menestrelen hunne voordracht tot het eenvoudig zeggen der
verzen, of streefden zij er ook naar, de personen in hun verhaal ten
minste met de stem, misschien ook in houding en gebaar, te verbeelden?
Verwonderlijk zou dat niet zijn. Niet zonder reden noemden de inwoners
van Provence een speelman: _contrafazedor_, d.i.: conterfeiter,
nabootser. Het voordragen van een stuk door één persoon met
verschillende stemmen was in het middeleeuwsch Europa niet onbekend; en
waarom zou een speelman die nachtegaal en pauw nabootste, ook niet een
menschenstem nabootsen?[26]

Het is begrijpelijk dat MAERLANT die zeker wel eens zulke speellieden
pauw, nachtegaal en andere vogels heeft hooren nafluiten en nabootsen
(wie hoorde zulke kunstenaars nooit ten platten lande of in kleine
steden?) dacht aan den vogel Garrulus, de gaai, die ook bij de
hedendaagsche vogelkenners geroemd wordt om zijn nabootsingstalent.
Vooral de Vlaamsche gaai moet "een der meest begaafde en onderhoudende
inheemsche spotvogels" zijn. Sommigen kunnen hinneken als een veulen,
anderen hebben zich geoefend in het kraaien als een haan en het kakelen
als een hen. Een hedendaagsch natuuronderzoeker vertelt ons, hoe hij
eens in het bosch in een hoogen berk eerst het gezang van de lijster
hoorde, daarna het gepik van den specht, toen het gekras van de ekster,
de stem van den spreeuw... en eindelijk, opkijkend, een Vlaamsche gaai
boven zich zag[27].

Op de reeds meer dan eens vermelde plaats van _der Naturen Bloeme_ nu
lezen wij van de gaai:

  Wat so bi hem lijt [Zijnoot: hem voorbijgaat.] ooc mede,
  Ist man, ist voghel, ist enich dier,
  Bespot dit voghelkijn al hier,
  Ende conterfaet alrehande luut
  ...
  ...
  Gheplumt ist van menigher ghedane
  ...
  ...
  Garrulus dit dinct mi vele
  Bedieden some menestrele,
  Die altoes sijn onghestade,
  Ende callende vroe ende spade
  Vele boerden, vele lueghen,
  Ende conterfeiten dien si moeghen,
  Bede riddere ende papen,
  Porters, vrouwen ende knapen,
  Daer si scone sijn omme gheplumet.

Beschouwt men deze verzen in het licht, dat de voorafgaande
mededeelingen daarop werpen, dan zal men wel mogen aannemen, dat de
bedoelde menestrelen inderdaad door stem, houding en gebaar de personen
in hun verhaal trachtten uit te beelden. Zelfs acht ik het, met het oog
op het laatste vers, waarschijnlijk, dat de menestrelen soms
gekostumeerd zijn opgetreden.

Gewoonlijk zal de menestreel voorgedragen hebben uit een handschrift. Op
zulk eene voordracht immers doelen de talrijke plaatsen waar van _lesen_
sprake is in den zin van _voorlezen_[28]. In verband daarmede wordt, ten
minste in _Sinte Lutgarts Leven_, de voordracht zelve _lesse_
genoemd[29]. Opmerkelijk is ook de niet zeldzame uitdrukking "singen no
lesen" of "lesen ende singen", die misschien aan den kerkdienst ontleend
is, maar ons toch ook aan het Oudgermaansche _singen und sagen_
herinnert[30].

Voordragers met een sterk geheugen, die gansche gedichten uit het hoofd
opzeggen en daardoor zooveel sterker indruk kunnen maken, zijn er ook nu
nog. Zij zullen in die vroegere tijden, toen het geheugen zooveel minder
beladen en overladen werd, zeker niet minder talrijk zijn geweest. Men
zal dit te eer aannemen, indien men bedenkt, dat vele dier menestrelen
zich gedurende een groot deel van hun leven in de kunst der voordracht
oefenden en dat zij er van leven moesten. Kortere stukken zullen
doorgaans wel uit het hoofd voorgedragen zijn.

Echter schijnt het als een bewijs van vaardigheid te hebben gegolden,
indien men sprak zonder eenigen tekst ter hand te hebben. Wij lezen op
eene vroeger vermelde plaats van den _Karlmeinet_, dat er menestrelen
waren

  De van mynnen ind leve [Zijnoot: liefde.]
  Sprachen _sunder breve_[31].

Maer hetzij de voordrager uit het hoofd voordroeg hetzij hij las, hij
kon niet voortdurend spreken en de aandacht zijner hoorders had grenzen.
Zeker, het publiek dier dagen, niet verwend en luistergraag, zal niet
spoedig te veel hebben gekregen. Toch zijn de voordragers er wel op
bedacht, aan het dreigend "te veel" te ontkomen. Zij beseffen, dat zij
hier en daar kort moeten zijn; dat toonen ons staande uitdrukkingen als:
"Wat holpe hiertoe lange tale?" of eene wending als deze uit _Floris en
Blancefloer_:

  Het soude u allen dinken te lanc,
  Noemdic u die gherechten alle[32].

Telkens prikkelen zij de belangstelling, niet alleen door toespelingen
op gebeurtenissen die eerst veel later zullen voorvallen, maar ook door
bijzondere opmerkzaamheid te vragen voor hetgeen onmiddellijk zal
volgen. Het zijn wendingen als: "Hoort hier wonder groot!", "Hoort hier
ontfermelike dinc!" of:

  Nu alre irst so mogedi horen
  Utenemende aventuren.

Ook klinkt het wel overredend:

  Maer wildi vort met lesen duren,
  Ghi sult hier horen scone die jeeste[33].

Ondanks die voorzorgen zal een voordracht de hoorders wel eens verveeld
hebben. WILLEM VAN AFFLIGHEM'S mededeelingen over zijn publiek verdienen
stellig niet alle letterlijk te worden geloofd; doch de aardige verzen
waarin hij de verveling zijner hoorders teekent, zullen zeker wel voor
een deel werkelijkheid bevatten[34]. Een zoo omvangrijk gedicht als het
_Leven van Sinte Lutgart_ zal wel in verscheidene "lessen" en op
achtereenvolgende dagen ten gehoore zijn gebracht; het spreekt vanzelf
dat voordrager en toehoorders van tijd tot tijd moesten pauzeeren. Met
de groote ridderromans zal het wel niet anders zijn gegaan. Doch men
behoefde natuurlijk niet steeds een werk in zijn geheel voor te dragen;
het karakter van vele middeleeuwsche dichtwerken leende zich zeer goed
juist tot gedeeltelijke voordracht.

De vraag doet zich hier op: hoeveel verzen droeg men gewoonlijk in ééne
"lesse" voor? Zou men ook te onzent, evenals misschien in Frankrijk,
niet meer dan twee of drie duizend verzen tegelijk hebben gelezen of
gezegd[35]?

Ook deze vraag is lichter gesteld dan beantwoord. Er is in dezen nog
niets onderzocht en het onderzoek is moeilijk. Wij kunnen slechts door
een paar voorbeelden de richting aangeven, waarin met eenige kans op
vinden kan worden gezocht.

In den grooten roman der _Lorreinen_ die waarschijnlijk uit een
honderdduizendtal verzen heeft bestaan en dus onmogelijk in zijn geheel
kan zijn voorgedragen, vindt men op meer dan een plaats verzen die het
begin, andere die het eind eener "lesse" schijnen aan te wijzen; niet
zelden geeft de voordrager daar eene korte samenvatting van hetgeen te
voren verhaald was, om daarna den draad van zijn verhaal weer op te
vatten. Zulke literaire pleisterplaatsen vindt men ook in den _Walewein_
en den _Reinaert_. In de _Lorreinen_ leest men b.v. (na de gewone
opwekking tot aandacht: "Nu hort, gi heren, dat u God lone") deze
samenvatting:

  Gi hebt hier voren wel gehort,
  Hoe van Bordeas der port
  Was gereden her Garijn
      enz.

Elders in dezen roman vinden wij zelfs een overzicht van den inhoud der
drie groote deelen van het gedicht, en iets later deze samenvatting van
het voorafgaande:

  Gi hebt hier voren verstaen wel,
  Hoe Gelloen die ridder fel
      enz.

Op weer eene andere plaats, waar men eene dergelijke recapitulatie
vindt, is deze tevens in het handschrift aangegeven door een groote
geschilderde hoofdletter[36].

Zoo ook in den _Walewein_:

  Nu latic hier of die tale,
  Ic salre weder toe keren wale.
  Ghi hebt wel ghehort hier voren
  Hoe Walewein die ridder uutvercoren
  Jeghen den roden ridder vacht
  Die....

Op eene andere plaats in dien roman vindt men bij een: "Ic wille corten
mine tale" misschien het eind eener voordracht[37]. Dat
men het gedicht _Van den Vos Reinaerde_, bijna 3500 verzen, in ééne
"zitting" zou hebben voorgedragen, is niet onmogelijk; doch
waarschijnlijk dunkt mij, dat menige voordrager een rustpunt gekozen zal
hebben bij de afsluitende verzen 1686-'8:

  nu moet hi pleghen siere sele
  Reinaert bi Grimbeerts rade,
  ende ghinc te hove up ghenade.

om dan later opnieuw aan te vangen met het recapituleerende vs. 1689:

  Nu es die biechte ghedaen.

Een drietal recapituleerende verzen vinden wij een eind verder na vs.
1962. Wij lezen daar:

  Nu waren die drie heren gereet,
  die Reinaerde waren te wreet.
  dat was de wulf ende Tibeert
  ende her Bruun die hadde gheleert
  honich stelen te sinen scaden.

Doch zou een voordrager dan een eind hebben gemaakt aan zijne "lesse"
midden in het verhaal der voltrekking van het vonnis aan Reinaert die
tot de galg veroordeeld is? Ik antwoord: waarom zou hij de aandacht
zijner hoorders niet gespannen hebben met dezelfde kinderlijke
kunstgreep, waarvan zich in onzen tijd AIMARD en dergelijke auteurs
bedienen, wanneer zij een hoofdstuk besluiten met: "Eensklaps weergalmde
een schot!" of: "De doodstraf nam een aanvang"?

Behalve de mogelijkheid dat men den _Reinaert_ in zijn geheel of in twee
deelen zal hebben voorgedragen, bestaat ook deze andere: dat men telkens
slechts één of meer der afzonderlijke verhalen hebbe gekozen waaruit het
gedicht bestaat. Men zal b.v. eene indeeling kunnen gevolgd hebben als
deze: Inleiding (vs. 1-464); Bruin's zending naar Malpertuis (vs.
465(518)-1014); zending van Tibert (vs. 1043-1356); zending van
Grimbaert (vs. 1357-1750); Reinaert ten hove (1751-3018; misschien met
een rust vóór vs. 2551: "Doe Reinaert quite was ghelaten"); Reinaert's
wraak (3019-3476). In allen gevalle is het wel opmerkelijk, dat de
Latijnsche vertaling van ons gedicht verdeeld is in een aantal
hoofdstukken, die vrij wel overeenkomen met de bovenvermelde, door mij
afgedeelde, "lessen".

Een voorbeeld van verdeeling in hoofdstukken in een Dietsch gedicht
geeft ons o.a. de roman _van Limborch_. Dit verhaal is verdeeld in een
aantal boeken, welke--evenals in de _Lorreinen_--door eene groote
gebloemde letter zijn onderscheiden[38]. Sommige dezer boeken die van
1000-1400 verzen tellen, kunnen zeer wel achtereen zijn voorgedragen. In
de overige die omvangrijker zijn, vindt men soms aan het slot van eenig
onderdeel een "amen!" dat mij een rustpunt toeschijnt[39].

Bij deze eerste stappen op een te onzent nog schaars betreden pad moeten
wij het hier laten. Tot een bepaald antwoord op de in den aanvang
gestelde vraag zijn wij niet gekomen. Zal voortgezet onderzoek ons dat
brengen? Voorloopig meen ik het te moeten betwijfelen. Voor den omvang
dier middeleeuwsche voordrachten eene norm te vinden, schijnt mij
uiterst moeilijk, zoo niet onmogelijk. Ook hier zal het leven te rijk
zijn geweest, dan dat men het zou kunnen vastleggen in eene regelmaat
van lager orde. Waarom zou men niet soms 500 en op een anderen keer 1000
en bij weer een andere gelegenheid 2000 verzen hebben voorgedragen? Of
welk ander aantal ook, afhankelijk slechts van de omstandigheden, den
aard der stof in verband met de aandacht van het publiek en de
persoonlijkheid van den voordrager?

Nog een enkel punt vraagt onze aandacht, eer wij dit deel van ons
verhaal kunnen besluiten.

Alle poëzie--zeiden wij vroeger--en het grootste deel van het proza der
middeleeuwen was in de eerste plaats bestemd te worden voorgedragen en
aangehoord. In die uitspraak ligt opgesloten, dat verzen en proza ook
langs een anderen weg ter kennisse van het publiek konden komen; men
begrijpt, dat ik het oog heb op het zelf en voor zich zelven lezen.

Er zijn in de tweede helft der 13de eeuw wel reeds lezers, in onzen zin
des woords, geweest. Het ligt voor de hand, dat wij die in de eerste
plaats onder de geestelijkheid en daarna onder den adel zullen vinden.
Zoo zegt MAERLANT'S vriend MARTIJN aan het slot van het strophisch
gedicht _Van der Drievoudecheide_:

  Als ic dit lese ende spelle
  Maghic leren, als ic vertelle,
  Mijn ghelove al bloot.

In den proloog van _Sinte Lutgarts Leven_ lezen wij:

  Mar wonder hevet mi van desen
  Warumme si so gerne lesen
  Van ouden sagen dat gedichte,
  Ende oc geloeven also lichte
  Din logeneren die se tellen[40].

En aan het slot van het Tweede Boek spoort hij ieder die hem niet
gelooft aan:

  Dat hi die vite van der maget
  ...
  Of selve lese, ochte imene el
  Hem lesen doe[41].

In een van MAERLANT afkomstig deel van de bewerking der _Historie van
Troyen_ voorspelt de dichter, sprekend van HECTOR'S dood:

  Oec alle heren ende vrouwen
  Diet lesen, sullen maken rouwe[42].

En in _der Naturen Bloeme_ zegt hij tot Heer NICLAES VAN CATS:

  Ghebiedijt, here, dit suldi lesen,
  Die wile dat ghi ledich sout wesen[43].

Misschien heeft MAERLANT in zijn _Rijmbijbel_, die toch tenminste
evenzeer voor de gemeenten als voor den adel bestemd was, het oog op
zelf lezen, als hij schrijft:

  Nu merct ghi die hier in zult lesen,
  Wat nutscap hier an zal wesen.

Werden er dus wel lezers gevonden, groot kan hun aantal niet geweest
zijn. Waren er veel edelen die vlot konden lezen? Het mag betwijfeld
worden. Ook had de adel tal van vermaken en ontspanningen die hij hooger
stelde dan deze vermoeienis des geestes. De geestelijken konden wel
lezen, doch Latijnsche geschriften genoten bij hen de voorkeur. In de
kloosters werd bovendien onder de maaltijden veel voorgelezen.
Voorzoover de monniken zelven lazen, beperkte zich hunne lectuur
waarschijnlijk tot liturgische of stichtelijke geschriften. Onder de
gemeentenaren werd de leeskunst zeker weinig beoefend. Het lager
onderwijs was uiterst gebrekkig. Indien een poorter al kon lezen, dan
eischte het koopen van een handschrift toch eene vrij hooge mate van
stoffelijke welvaart, want een handschrift bleef vooreerst nog een
voorwerp van weelde; het lezen eischte smaak in geestelijke ontspanning,
vrijen tijd en niet minder zekere zelfstandigheid van gevoelen en
denken, zich openbarend in het kiezen van eigen lectuur, die verre van
algemeen verbreid was.

Eer de Dietsche laaglanders tot die zelfstandigheid van gevoelen en
denken konden komen, hadden zij nog menig stadium van ontwikkeling te
doorloopen. In het eerstvolgende dier stadiën zullen wij hen nu
gadeslaan.



AANTEEKENINGEN.

[1] _Sp. Hist._, IV, 1, cap. XXIX.

[2] A.w. Deel II, p. 85, vs. 20. In het Latijn leest men daarvoor:
"_sponsos_ magis estimatos quam clericos."

[3] T.a.p. III, 2146:

"Als hi dus pipet ende mauwet."


Vgl. ook XI, 149: "blasen ende pipen" in verband met het woord "noten"
in vs. 151.

[4] _Eerste Martijn_, vs. 371-388.

[5] A.w. 1e Deel, bl. 430, vs. 22.

[6] _Tijdschr. voor N. Taal-en Letterk_., II, 230, vs. 493-4.

[7] Vgl. b.v. _Moriaen_ 4641-2: "Menestrele ende yraude mede || Ward
daer gegeven grote rijchede"; _Lorr._ (Fragm. JONCKBLOET), p. 46, vs.
1342. _Torec_, vs. 2714-'5: "Daer quamen yraude ende spelmanne || Die hi
alle gichte danne". Dat _menestreel_ verdietscht werd met _speelman_,
zien wij in _Karlmeinet_, A. 287, vs. 12-13:

Hundert mynistrere, De wir nennen speleman.


[8] A.w. vs. 2753-'7. Eene eeuw later vermeldt WILLEM VAN
HILDEGAERTSBERCH nog hetzelfde gebruik. In het stuk getiteld _Van Feeste
van Heren_ lezen wij (edd. BISSCHOP en VERWIJS), bl. 195: Dan roepen die
eerauden voort Den danc als die vrouwen ramen, Ende noemen overluut bi
namen Wyet verdient nae wapen recht.


[9] Vs. 15259 vlgg.

[10] A.w. vs. 2087 vlgg. en KAUSLER'S mededeeling over den inhoud van
het capittel: _De Electione notarii_.

[11] Vgl. mijne aanwijzingen daaromtrent in mijne _Mnl. Ep. Fragmenten_,
bl. 52, 55. Over den roman _van Walewein_ vgl. het vroeger medegedeelde
en vs. 19-21 van den proloog. Wat de _Lorreinen_ betreft, verwijs ik
naar de door MATTHES uitgegeven fragmenten, p. 17, vs. 371-2; 28, 637-9;
30, 661; 32, 730-'4.

[12] Vgl. Dr. VAN BERKUM'S opmerkingen dienaangaande t.a.p. bl. LI vlgg.

[13] In de _Oudste Stadsrekeningen van Dordrecht_ (ed. Mr. CH. M. DOZY),
p. 7 vindt men op het jaar 1284-'85: "Symoen vern Anesoeten sone van
wine" etc. Ik dank deze mededeeling aan mijn vriend VERDAM. Bij nader
onderzoek bleek mij dat er in de voorafgaande posten nog tal van
dergelijke benamingen voorkomen, die duidelijk maken dat _ver_ in het
laatst der 13e eeuw geene adellijke dame aanduidde. Zoo b.v.: "Thout Jan
ver Haedwien sone"; "Van den mele Jan ver Diewien sone"; "Ysere Heyne
ver Lisbetten sone" enz.

[14] _Eneide_, vs. 13107, 13159, 13196. VELDEKE gaat hier zijn eigen
weg, zooals uit eene vergelijking met het Fransch (ed. SALVERDA DE
GRAVE) blijkt.

[15] _Nat. Bloeme_, III, 2135. In afwijking van het _Mnl. Wdb._ vat ik
hier _onghestade_ op als _ongedurig, zwervend_. Immers dan alleen gaat
de vergelijking op met den gaai "die van bome te bome vliecht ende
sprinct.... Noch gheduert in ghere stede."

[16] A.w. vs. 10514-6.

[17] _Alex._, V, 1041-7. In de _Alexandreïs_ op de overeenkomstige
plaats, (V, 483):

Occurrunt lyricis modulantes cantibus odas Cum cytharis mimi:


[18] _Karlmeinet_ (ed. A. KELLER), A 287, vs. 11 vlgg.; ook nog 296_b_,
vs. 48 vlgg.

[19] Vgl. o.a. _Mnl. Wdb._ i.v. III, kol. 592.

[20] A.w. II, vs. 5089, 6271.

[21] Proloog, vs. 3 vlgg.; 72-5.

[22] Eenige bewijsplaatsen uit vele: _Mnl. Ep. Fragm._, bl. 124; _Flor.
en Blanc._, 16; _S. Lutgart_, II, 3, 25, 912, 6854, 7769, 10047, 11393,
13817; III; 68, 2737; _Roel._, 210; _Merlijn_, vs. 545; _L.o.H._, vs.
17.

[23] Het spreekt vanzelf dat hier gelet moet worden op de vraag of de
proloog van den dichter zelven is. Doch ik kan daarin hier niet dieper
treden; dit deel onzer stof zou m.i., wel een afzonderlijk onderzoek
verdienen.

[24] A.w. vs. 1233-'8. Naar het schijnt, niet in het Latijn aanwezig.

[25] II, 29408.

[26] Vgl. CREIZENACH, _Gesch. des neueren Dramas_, I, 380. Over het
voordragen met "Stimmenwechsel" ald. 34, 160.

[27] Vgl. BREHM'S _Leven der Dieren_ (bewerking van HUIZINGA), II,
227-8.

[28] _Sp. Hist._, I, 280 (2e kol.): "Maer die scone bispele || Diemen
gerne lesen hort"; _Bere Wiss._, 391: "daer ic vormaels ave las";
_Ferg._, 4509: "dus gedaen dinc hordic noit lesen"; _Rijmb._, 27099:
"Ende diet dichte ende sullen lesen (de voorlezers) || Ende daerment
leest bi sullen wesen" (de toehoorders).

[29] II, 168. Vgl. voorts _Mnl. Wdb._, IV, kol. 403-4.

[30] _Moriaen_, 2506-7: "Van soo vreseliken dinghen || En horde noit man
lesen no singhen"; _Walewein_, 4994; _Troyen_ (Epis. ed. VERDAM), 4687,
waar in het origineel staat: "Jamès hom _n'orra_ tel esforz"; _Leven v.
S. Lutgart_, II, 3157, 5580, 7631.

Vgl. verder de opmerking van MARTIN in zijne ed. van den _Reinaert_, I,
2981 en _Mnl. Wdb._, IV, p. 392, 394, 395, 396.

[31] D.i.: zonder beschreven papier vóór zich, uit het hoofd.

Zie voorbeelden van deze staande uitdrukking in _Mnl. Wdb._, I, kol.
1337.

[32] Vs. 2197-8.

[33] Vgl. o.a.: _Reinaert_, 877, 1043, 2225, 2236, 2268, 2425, 2848 en
pass.; _Aiol_, 25, 602, 615, 983; _Van Sente Brandane_, C. vs. 1, 5, 30,
1702; H. vs. 2014, 2026; _Moriaen_, 1688-90; _Lancelot_, II, 10-11.

Bij dit licht moeten ook verscheidene uitdrukkingen worden beschouwd,
die VAN VEERDEGHEM in de Inleiding (XXXVI) tot zijn _Leven van S.
Lutgart_ ten onrechte stoplappen noemt.

[34] Ik verwijs hier naar het uitnemend artikel van FRANCK over WILLEM
VAN AFFLIGHEM en zijn werk in: _Neue Jahrbücher für das klassische
Altertum_ etc., XIII Bd., 6. Heft.

[35] Tot die uitkomst is NYROP door zijn onderzoek geleid. Zie de
Italiaansche vertaling van zijn werk door E. GORRA, bl. 288.

[36] Vgl. Fragm. uitgeg. door JONCKBLOET (_Kar. de Groote en zijne XII.
Pairs_), bl. 35, vs. 987; misschien ook bl. 47, vs. 1354 vlgg.; bl.
74-75, bl. 76, vs. 63 vlgg.; Fragm. DE VRIES in _Tijdschr. v. N.T. en
L._, III, bl. 49, vs. 5 vlgg.; vgl. verder nog Fragm. JONCKBLOET, bl.
131, vs. 1773 vlgg.; Fragm. DE VRIES, bl. 31, vs. 95 vlgg.

Met behulp der versierde hoofdletters en kleinere _rubricae_ is het
misschien mogelijk het onderzoek in dezen verder te brengen.

[37] Vgl. vs. 8333 vlgg.; vs. 6772. Aanvang eener "lesse" in vs. 1867 en
vs. 2842?

[38] Inleiding, p. XXXV.

[39] I, 2482; aan het eind van het boek trouwens een drietal "amen's";
in boek II kan vs. 868 een rustpunt hebben aangeboden; V, 1738; ook aan
het slot; VI, 2234.

[40] II, 47-51.

[41] A.w. II, 10368-'72. Vgl. ook nog II, 165-7.

[42] _Epis._, vs. 6676-7.

[43] _Nat. Bl._, bl. 169, vs. 4029-4030.



TUSSCHENSPEL.


ONTKIEMING VAN HET NATIONALITEITSGEVOEL.

 Maerlant. Ridderpoëzie. Heyn van Aken. _Hughe van Tabarien_; _Roman van
 de Roos_; _Roman van Limborch_. Jan van Heelu. _Slag bij Woeronc_.
 Lodewijk van Velthem. _Flandrijs_. _Vlaamsche Rijmkroniek_.
 _Brabantsche Yeesten_. Melis Stoke.

Op onzen weg door het verleden hebben wij tot dusver meermalen iets
aangetroffen, dat, uit deze volken oorspronkelijk voortgekomen of onder
hen opnieuw geboren, als het inheemsche tegenover het uitheemsche mocht
worden gesteld.

In de bewerkingen der ridderromans zagen wij hier en daar wel gevoel
voor het ridderwezen in zijn heroïek idealisme, zijn hoofschheid en
fijnheid, doch vaker het burgerlijke tegenover het ridderlijke, het
dorperlijke tegenover het hoofsche; uit gemis aan aesthetischen zin het
aanschouwelijke en beeldende opgeofferd aan de eischen van fatsoen en
zedigheid.

In den _Karel en Elegast_ bewonderden wij eenvoudig en zuiver gevoel,
sober en met naïeve kunst verwerkt. Het gedicht _Van den Levene ons
Heren_, de poëzie van WILLEM VAN AFFLIGHEM, vooral die van HADEWIJCH,
toonden ons innigheid van godsdienstig gevoel in bevallige vormen en de
hooge vlucht der ziel op sterke wieken des geloofs. Uit het verhaal _van
den vos Reinaerde_ sprak brutale zinnelijkheid naast scherpe waarneming
der werkelijkheid; daar vonden wij schalksche scherts en bitteren spot
in dienst der hekeling van maatschappelijke toestanden.

Bij MAERLANT zagen wij onverschrokken waarheidszin en sterk
rechtsgevoel; schoonheidszin onderdrukt door het verlangen om te
onderwijzen en te stichten, doch bijwijlen zich uitend krachtig en
bezield.

Men zou zulke eigenaardigheden en eigenschappen als het nationale
tegenover het uitheemsche of het internationale kunnen stellen. Doch men
zou zoo doende uit het oog verliezen, dat er in dezen tijd van het
nationale in den vollen zin des woords eigenlijk niet gesproken kan
worden, omdat uit de bewoners dezer landen nog niet eene natie, ééne
natie, was ontstaan.

De eigenaardigheden en eigenschappen waarop wij het oog hebben,
behoorden echter tot de elementen waaruit zich het Nederlandsch
volkskarakter mettertijd zou vormen. Eer het zoover kon komen, moesten
de onderscheiden volksgroepen hier te lande zich nauwer aaneensluiten.
Dat kon weer niet geschieden, voordat in elk dier groepen een inniger
samenhang ontstaan en het besef ontwaakt was van dien samenhang. Elke
groep moest zich bewust worden, dat zij, tegenover de andere, eene
eenheid vormde, eenheid van tongval, recht, zeden en gewoonten,
kleeding; eenheid ook ten opzichte van den grond, waaraan zij allen
eenig deel hadden, dien zij wilden verdedigen tegen indringers, waaraan
zij gehecht waren door de kracht der gewoonte en doordat zij er zich
thuis gevoelden.

MAERLANT is ook hier weer een vertegenwoordiger van zijn volk, dat hij
onder de eersten zich bewust wordt van die gehechtheid aan den
geboortegrond, die zulk een voornaam bestanddeel vormt van het
nationaliteitsgevoel. Tot die bewustheid is hij niet uit zich zelven
gekomen. GAUTIER DE CHATILLON heeft hem door zijne _Alexandreïs_ op die
gehechtheid aan den geboortegrond opmerkzaam gemaakt; doch GAUTIER'S
warme ontboezeming is door MAERLANT nagevoeld en op zelfstandige wijze
weergegeven in deze verzen:

  Owi, here God, hoe macht sijn
  Dat elken minsce int herte sijn
  So soete dunct sijns selves lant?
  Die Brabantsoen prijst Brabant
  Ende die Fransois Vrankerike,
  Die Duutsce dat Keyserrike,
  Die Baertoene [Zijnoot: Bretagners.] prisen Baertaniën,
  Die Tsampanoise Tsampaniën,
  Also mint die vogel dwout,
  Daer hi in hevet grote ghewout [Zijnoot: vrijheid.].
  Al dademene in een waerme mute [Zijnoot: kooi.],
  Mach hi, hi vlieghet ute.
  Dus priset elckerlijc sijn lant.
  Maerlant seide dat hi noit en vant
  Also goet lant alse Bruxambocht [Zijnoot: het Vrije van Brugge.].
  Ic waens hem daerbi heeft ghedocht,
  Omdat hiere in was gheboren[1].

Zooals men hier ziet, toont MAERLANT eene ruime opvatting van het begrip
_geboortegrond_, waar hij over Frankrijk en Duitschland als het land van
_de_ Franschen, _de_ Duitschers spreekt. Doch daarnaast zien wij eene
beperkter opvatting, waar hij Champagne en Bretagne in één adem met
zulke landen noemt. Met die beperkter opvatting strookt, dat hij Brabant
als een land op zich zelf en het Vrije van Brugge als zijn geboortegrond
voorstelt.

MAERLANT zal hier wel de opvatting van de meeste zijner tijdgenooten
hebben weergegeven.

De dichter van den _Reinaert_ moge een enkele maal den blik laten weiden
over het groote laagland "tusschen de Elbe en de Somme", HADEWYCH hare
geestverwanten hebben gehad in Thuringen en Saksen, geestelijken en
clercken als MAERLANT een deel van Europa hebben omvat met hun blik--de
groote meerderheid des volks bleef naar lichaam en geest gevangen binnen
den kring van de eigen stad of de streek, waar zij geboren waren. De
blik der meesten werd beperkt door de grenzen van het graafschap of
hertogdom, waartoe zij behoorden, en richtte zich betrekkelijk zelden op
naburige landen en volken.

Het gevoel van gehechtheid aan den geboortegrond, zoo licht zich
uitzettend tot trots op dien grond, dat wij omstreeks het midden der
13de eeuw in MAERLANT aantreffen, kunnen wij in het laatst dier eeuw en
in den aanvang der volgende ook elders in deze landen waarnemen. In
Limburg, Brabant, Vlaanderen, die landschappen dus, waar het
letterkundig leven tot nog toe hoofdzakelijk zich had ontwikkeld, zien
wij het volksgevoel ontwaken en zich uiten in den roman _van Limborch_
en den _Flandrijs_, in JAN VAN HEELU'S verhaal van den _slag bij
Woeringen_, in het werk van VELTHEM en de Kroniek van MELIS STOKE.

Opmerkelijk, doch niet onverklaarbaar, is, dat wij in de meeste dezer
werken het volksgevoel--of beter: het stamgevoel--verbonden zien met de
verheerlijking van den adel, dat de vorm dier werken ons herinnert aan
dien der ridderromans, dat de dichters dezer werken grootendeels in vrij
nauwe betrekking staan tot den adel. Het zelfbesef der edelen, de
ingenomenheid met eigen geslacht en de zucht om den roem van dat
geslacht te verhoogen, vinden wij op groote schaal terug bij een
ganschen stam. Zoo kwam een dichter er toe, de verheerlijking van een
geslacht uit te breiden tot den stam, waarover dat geslacht regeerde.

Een staaltje van dergelijke uitbreiding vinden wij in een 14de-eeuwsch
dichtwerk over den Grimbergschen oorlog, een strijd tusschen de machtige
heeren van Grimbergen en de hertogen van Brabant. De bedoeling van den
dichter was natuurlijk: eene verheerlijking van het geslacht van
Grimbergen. Doch in die verheerlijking krijgt ook de gansche adel en het
gansche Brabantsche volk deel, zoodat wij reeds in den aanvang vernemen,
dat "die van Brabant" gekomen zijn "uut dien van Troyen[2]." Langs dien,
ook later niet zelden gevolgden, weg verhief men een gansch volk tot den
adelstand.

Wij worden in onze overtuiging van de juistheid dezer voorstelling
versterkt, wanneer wij er op letten, hoe in de oorspronkelijke
ridderpoëzie de liefde tot het eigen land zich reeds openbaart. Toont de
onbekende dichter der _Chanson de Roland_ niet eene sterke liefde voor
"dulce France"? Het zou geen wonder zijn, dat menig hoorder der
Nederlandsche bewerking zich bewust is geworden van de liefde tot zijn
geboorteland, waar hij ROELANT hoorde zeggen:

  Dan wille God niet, dat ghesciet,
  Dat soete Vrankrike bi mi
  Sijn eere verliese, hets soe vri!

of waar hij dergelijke uitingen elders hoorde terugkeeren[3].

In geen, te onzent vertaalden of bewerkten, ridderroman echter vond ik
de liefde tot een bepaald land en zijne inwoners zoo diep gevoeld, zoo
uitvoerig in wezen en werking beschreven, als in den roman _van
Lancelot_, in deze verzen:

  Alsi ter zee quamen mettien,
  Begonste Lancelot dat lant besien,
  Daer hem in was menege ere
  Gedaen ende oec vele mere
  Dan oit daer vore was, sonder waen,
  Enegen riddere allene gedaen.
  Hem begonste lopen sere
  Die trane op sirie lire [Zijnoot: wangen.],
  Ende hi versuchte doe sware
  Ende weende sere daernare.
  Alsi aldus hadde gewesen
  Ene wile, hi sprac na desen
  Stillekine, so dat dese word
  Nieman en verstont dan Bohort:
  "Ay soete lant ende godertire
  "Ende mergelijc [Zijnoot: vreugdevol.] in alre manire,
  "Wel sittende ende blide mede,
  "Vol van alre geluckechede,
  "Daer min geest in blivet geellike [Zijnoot: geheel en al.]
  "Ende mine ziele dier gelike,
  "Gebenedijt moetstu talle stonde
  "Wesen van Jhesus Kerst monde,
  "Ende gebenediet soe sijn si
  "Dire in bliven selen na mi
  "Ende wonen selen in desen lande!
  "Sijn si mi vriende oft viande,
  "God mote hen pays geven
  "Ende met rasten [Zijnoot: rust.] doen leven!"
  ...
  ...
  Dit waren sine worde die hi sprac,
  Alsi uten lande van Logres trac.
  Hi sach ten landewaerd nadien,
  Alse lange als hijt conde gesien[4].

Hoe modern reeds schijnt ons dit afscheid van een land dat ons lief
geworden is: die tranen langs de wangen, die zuchten, die gefluisterde
zegenwensch, dat staren naar de wijkende kust! Hoe modern reeds, al
hooren wij hier slechts een flauw voorspel van dergelijke poëzie in
lateren tijd, wanneer CHILDE HAROLD zijn "native shore" vaarwel zal
zeggen.

Den samenhang nu tusschen ridderlijke romantiek en een kiem van
nationaliteitsgevoel, dien wij in het _Roelants-lied_ en den roman _van
Lancelot_ kunnen opmerken, vinden wij ook in de meeste bovengenoemde
Dietsche dichtwerken en dichters. De _Limborch_ en de _Flandrijs_ zijn
ridderromans; HEYN VAN AKEN, dichter van den _Limborch_, toont ook
elders sympathie voor het ridderwezen; de _Slag van Woeringen_ is half
ridderroman half kroniek, de dichter van dat werk, JAN VAN HEELU, zal
wel tot het gevolg van JAN I, hertog van Brabant, behoord hebben; de
edelman LODEWIJK VAN VELTHEM zet wel MAERLANT'S _Spieghel Historiael_
voort, doch is tevens de samensteller van de Lancelot-compilatie. De
_Vlaamsche Rijm-Kroniek_, de _Brabantsche Yeesten_ en MELIS STOKE'S
_Rijmkroniek van Holland_ zijn zuiver-historische werken; doch men
vergete niet, dat deze werken ten deele strekken moesten om de
aanzienlijke afkomst der over die landen regeerende vorstenhuizen te
betoogen, en dat de adel zelf grootendeels aan de historie zijn recht
van bestaan ontleende.

De dichter van den _roman van Limborch_, HEYN VAN AKEN, was vermoedelijk
in Brussel geboren en tijdens zijn leven pastoor van Corbeke bij Leuven.
Wij kennen drie werken van hem; twee vertaalde: _Hughe van Tabarien_ en
den roman _van de Roos_; een oorspronkelijk: den _roman van Limborch_.
Het laatste is door hem waarschijnlijk geschreven tusschen 1291-1318;
het middelste misschien omstreeks 1300 terwijl hij de bewerking van den
_Limborch_ eenigen tijd liet rusten; de dagteekening van het eerste is
onzeker. De dichter moet vóór 1330 gestorven zijn; zeker niet zoo heel
lang na de voleindiging van den _Limborch_[5]. In den aanvang van het
Tiende Boek immers stelt hij zich aan zijn publiek voor als een oud man:
hij is versleten, het vesperklokje gaat voor hem luiden, zijn eenig
genoegen "leit in de scotele ende in den nap"; voor de minne deugt hij
niet langer, erover praten is al wat hij kan. Hij moge dan pastoor
geweest zijn, aan het slot van zijn _Hughe van Tabaryen_ schreef hij:

  Dit hevet ghedicht, te love ende theeren [Zijnoot: ter eer.]
  Allen rudderen, Heyne van Haken[6].

Daaruit blijkt wel, dat hij met den adel op goeden voet stond of
wenschte te staan. Het oorspronkelijk gedicht _De l'Ordene de
Chevalerie_ in 36 achtregelige strofen, bevat eene uiteenzetting van het
ridderwezen en van de symbolische beteekenis der plechtigheden bij de
ridderwijding. Evenzoo behelst de roman _van de Roos_, vooral in zijn
eerste deel, eene uiteenzetting van het wezen der hoofsche liefde.
Daarom is de tweede titel van dezen roman, dien wij in het werk zelf
vinden: nl. _Spieghel der minne_, zooveel juister, omdat hij het wezen
van het boek beter aanwijst. Naspeuren en uiteenzetten van het wezen der
dingen--dat was de geest der burgerij, die misschien ook over een deel
der edelen vaardig werd. Het kenschetst echter dit tijdvak van overgang,
dat die geest zich hier richtte op de instelling van het ridderwezen en
op den hartstocht die vooral door den ridderstand tot eene soort van
eeredienst was verheven. Trouwens den ganschen opzet van den _Roman de
la Rose_: een minnaar die eene roos (symbool der geliefde) wil machtig
worden, maar daarin door zijne gevangenschap verhinderd wordt, vindt men
reeds in den roman _van Lancelot_[7].

Doch er is in dit werk behalve den opzet nog meer gewichtigs, waarvan
wij hier het een en ander moeten mededeelen.

Het oorspronkelijk gedicht dankt zijn ontstaan aan twee dichters:
GUILLAUME DE LORRIS en JEAN DE MEUNG; het werk van den eerste dagteekent
van omstreeks 1225-1230, en is omstreeks 1270 door den tweede
voortgezet. Tusschen die beide dichters bestaat een groot verschil.
GUILLAUME DE LORRIS, uit de school van CRESTIENS DE TROIES, is een
elegant prediker der hoofsche liefde, een vereerder der vrouwen, een
bevallig kiesch dichter, die voor edele heeren en hoofsche vrouwen
schrijft--JEAN DE MEUNG is een geleerde met een scherp verstand, een
open oog voor de werkelijkheid in al hare naaktheid, onbevangen,
sceptisch, niet zelden cynisch, die de vrouwen minacht. GUILLAUME leert
hoe men de vrouwen moet winnen, JEAN hoe men ze moet bedriegen. Ook JEAN
is een begaafd dichter, maar zonder zelfbedwang of kieschheid. Geeft het
eerste deel van den roman ons vooral eene "minnekonst"; in het tweede
vinden wij de minne verbonden met allerlei anderslachtigs: wijsbegeerte,
godgeleerdheid, natuurwetenschap, satire tegen de vrouwen, de
geestelijke orden, de grooten, de koningen zoodat wij aan onzen MAERLANT
gaan denken[8].

Van dien aard is het werk dat door HEYN VAN AKEN half bewerkt half
vertaald is. Hij heeft vrij wat bekort, vrij wat weggelaten; bekort zijn
de wijdloopige redeneeringen hier en daar, zoo ook eene beschrijving der
kunstmiddelen van het vrouwelijk toilet, eene opsomming van
voorschriften aangaande de wellevendheid. Weggelaten is de uitweiding
waarin JEAN DE MEUNG zich verontschuldigt dat hij de vrouwen harde
waarheden heeft moeten zeggen, de uitweiding over den strijd tusschen de
Natuur en den Dood, vooral de 4000 verzen lange biecht der Natuur "de
omni scibili", de mededeelingen over de kracht van het Medusa-hoofd, de
uitval tegen de Dominicaner-orde[9]. Hier en daar vinden wij een
eenigszins karakteristieke afwijking; zoo b.v. waar de bewerker spreekt
van "al 't goet van Sassen", waar hij den Rijn in de plaats stelt van de
Seine, of Poitou en Engeland in zijn gedicht brengt[10]. Doch overigens
vertoonen zijne vrij goede en vloeiende verzen weinig dat het karakter
van den bewerker of dat van zijn volk kenschetst.

Meer van hem zelven vinden wij in den _Limborch_, al kan dat werk
slechts met aanzienlijke beperkingen oorspronkelijk worden genoemd. Dat
tekort aan oorspronkelijkheid blijkt niet uit het telkens herhaald
beroep op het Walsch. "Als ict in den Walsche las" en dergelijke
uitdrukkingen dienden slechts om achtbaarheid aan zijn werk te geven of
om hem aan een slot te helpen: "want dWalsch en seges mi nemmeer".

Er was hier een historische kern in de persoon van Hertog HENDRIK IV van
Limburg die in 1227 keizer FREDERIK vergezelde op een tocht naar het
Heilige Land. De dichter heeft dezen hertog echter verward met HENDRIK I
die in 1206 te Constantinopel tot keizer werd gekroond en bovendien de
geschiedenis zoodanig met sagen of eigen verdichtselen omhuld dat het
geheel niet meer dan eene fabel kan geacht worden[11]. Hoofdzaak was
voor den dichter de verheerlijking van het huis van Limburg door middel
van een rijmwerk. Om dat rijmwerk te kunnen samenstellen, had hij stof
noodig; die stof heeft hij uit zijne herinneringen aan vroegere werken
samengebracht en op de gebruikelijke wijze verwerkt.

Zoo ontstond, niet uit het leven, maar uit boeken, dit doodgeboren kind
van belezenheid en gunstbejag.

Menig dichter vóór hem had zijn werk vervaardigd ter eere eener
jonkvrouw die hij liefhad, HEYN VAN AKEN blijft in dezen niet in
gebreke. Doch hij weet zich niet te hoeden voor het gevaar, dat
navolgers dreigt: hij tracht zijne voorgangers te evenaren, doch
overschreeuwt hen. Hadden zij een enkelen keer gewag gemaakt van de
schoone, ter wille van wie zij hun werk ondernamen, hij herhaalt zulke
betuigingen door acht boeken heen[12]. Kwam zijne "joncfrouwe
ongheveinst" misschien uit hetzelfde Walsch, waaruit hij zijn roman
vertaalde? DIEDERIC VAN ASSENEDE had gezegd, dat de liefde slechts voor
hoofsche lieden is weggelegd--HEYN VAN AKEN praat het hem
na. Waar hij elders eene omschrijving der minne wil geven, bedient hij
zich van een paar verzen uit MAERLANT'S _Eerste Martijn_ [13].

Allerlei motieven, toestanden, namen in zijn werk zijn aan vroegere
werken ontleend; namen als SIBILLE, MORANT, JONET, EVAX, FROMOND vinden
wij terug in het verhaal _van koningin Sibille_, in den _Lancelot_ en
den _Merlijn_, in de _Lorreinen_, den _Lapidarius_ van bisschop
MARBODEUS van Rennes. De verhouding tusschen den gravenzoon ECHITES en
de gewaande dienstmaagd MARGRIETE VAN LIMBORCH is geheel dezelfde als
die tusschen den koningszoon FLORIS en BLANCEFLOER, de dochter der
Spaansche edelvrouw, die kameniersdienst moet doen; ook de toorn der
moeder over die verhouding, de list, aangewend om een eind te maken aan
die liefde, de redding van het meisje door haren minnaar op het
hachelijkst oogenblik, zijn in beide werken gelijk. Trouwens ook in den
_Lancelot_ vinden wij eene jonkvrouw "al naect in haer hemde gedaen" te
midden eener menigte, die de "justitie" wil zien, totdat LANCELOT het
meisje bevrijdt[14]. ECHITES werpt zijn vaders kok op het vuur, omdat
deze niet doet wat hij gelast--iets dergelijks doet REINOUT in den roman
der _Vier Heemskinderen_ [15]. Het gevecht met den draak herinnert aan
dat met den vogel grijp in de _Lorreinen_[16]. Het koningspel hier doet
denken aan iets dergelijks in SEGHER'S _Prieel van Troyen_[17]. Van dien
aard zou meer te noemen zijn, doch het is onnoodig.

Dat in een gedicht, bestemd voor een Limburgsch publiek, niet alleen
Fransche, maar ook Duitsche dichtwerken op cijns gesteld werden, is
licht verklaarbaar. Zoo vinden wij hier dan ook de namen van het zwaard
Mimminc, van den smid WILANT, van den koenen held WEDEGE (WITTICH); eene
herinnering aan de Nibelungen (de "drie meerwiven"), misschien ook aan
TANNHÄUSER en zijn verblijf in den Venusberg[18].

HEYN VAN AKEN mocht al beweren, dat zijn held ECHITES ROELANT en OLIVIER
overtrof en aan zijne reuzen ongeloofelijke afmetingen geven--zijn werk
kreeg daardoor niets van het heroïeke of ideale, dat echte ridderpoëzie
toch altijd eenigermate bezit. Een ridder, die uitgedaagd wordt tot een
tweegevecht, vraagt uitstel, om in dien tijd schermen te leeren! Is dit
bedoeld als een grap? Dan nog blijft die grap kenschetsend. MARGRIETE
VAN LIMBORCH vergelijkt den jongen graaf ECHITES bij een ouden hond, en
dat nog wel terwijl zij van minne spreken. Wanneer ECHITES in een
tournooi de overige ridders voor zich uitdrijft, wordt HEYN VAN AKEN
warm; een beeld ontstaat uit dien gloed: ECHITES is gelijk den stroom,
die turven stroomafwaarts voert[19].

In de lange gebeden zijner ridders kon de samensteller van den
_Limborch_ andere romandichters wel navolgen, doch hij vermocht niet die
te bezielen met de naïeve vroomheid die den _Karel en Elegast_ zoo
aantrekkelijk maakt. Maar in geleerdheid overtrof hij de meeste zijner
voorgangers; de lauweren van JEAN DE MEUNG lieten hem blijkbaar geen
rust. Hij kent VENUS, JUNO, PALLAS, de drie Parcen, CUPIDO met fakkel en
speer; hij is ver in aardrijkskunde, hij weet van Narcissus, van Ulysses
en Penelope, hij onthaalt ons op een staaltje van de allegorie waarmede
de _Roman van de Roos_ zoo vervuld is[20].

Ja, indien geleerdheid de waarde van poëzie verhoogde en andermans
veeren zoo goed waren als eigene, dan zou HEYN VAN AKEN met zijn
_Limborg_ eer hebben ingelegd. Echter, niet zoozeer dat hij zijne stof
van anderen ontleende, komt in zijn nadeel; doch dat hij die ontleende
stof niet tot zijne eigene heeft weten te maken, dat zijn rijmwerk
weinig of niets eigens vertoont.

Dat geldt ook van den _Slag bij Woeringen_.

De strijd tusschen JAN I VAN BRABANT en REINOUT VAN GELRE om het bezit
van Limburg, in 1288 beslist door eene overwinning der Brabanders, werd
omstreeks 1291 verheerlijkt door een rijmer die misschien JAN VAN HEELU
heette en wel een van hertog JAN'S menestreelen kan zijn geweest[21].

Meer nog dan de _Limborch_ was dit gedicht er op berekend, de roemzucht
van den adel te streelen en te prikkelen. Voortdurend deelt de schrijver
ons mede, dat hij gewag maakt van deze of gene ridders, opdat men "hare
daden ewelike gedincken sal." Elders heet het: "zoo groote condicheit"
(stoutheid) werd nooit gezien als voor Woeronc; meer dan eens
verontschuldigt hij zich dat hij niet alle ridders bij name kan noemen;
ook van dappere vijanden verzwijgt hij de namen niet. Geen wonder dat
het aantal namen hier legio is en nog--zegt de auteur--verzwijg ik de
namen van velen die even dapper in den strijd waren of nog dapperder dan
de genoemden[22].

Wat HOMERUS niet kon: poëzie maken van een catalogus, kon ook deze
schrijver niet. Wat HEYN VAN AKEN kon: slaafs overnemen van anderen, dat
kon ook hij. Dat hij bij de samenstelling van zijn werk onder den
invloed was zijner lectuur, blijkt o.a. in den aanvang van het Tweede
Boek, waar hij zegt dat de daden der Maccabeën, van "Roelant ende sine
gesellen", van WALEWEIN, PERCHEVAEL en ALEXANDER niet zoo grootsch en
indrukwekkend zijn geweest als de daden in den slag bij Woeronc
bedreven. De wijze waarop de schrijver van dit rijmwerk den
aartsbisschop van Keulen doet optreden, herinnert hier en daar levendig
aan het gedrag van bisschop TULPIJN in het _Roelands-lied_; op een
andere plaats blijkt dat bisschop TULPIJN hem onder het schrijven
inderdaad voor den geest stond[23]. Poëzie is in dit verhaal nergens te
vinden, wel herhaalde uitingen waaruit blijkt dat de stof den rijmer
overweldigde. Tevergeefs heeft hij getracht aan zijne verzen hier en
daar door een vergelijking meer verheffing te geven[24].

Het verhaal van den _Slag bij Woeringen_, schreven wij
hierboven, is half ridderroman half rijmkroniek. Die beide dichtsoorten
vinden wij eveneens, doch onvermengd, in LODEWIJK VAN VELTHEM'S werk.
VELTHEM zette MAERLANT'S _Spiegel Historiael_ voort op verzoek eener
aanzienlijke Antwerpsche edelvrouw, MARIA VAN BERLAER, en voor loon. Wij
vinden in zijne kroniek de geschiedenis van Holland, Brabant,
Vlaanderen, ook die van zijn eigen tijd, ten deele volgens hetgeen hij
zelf gezien of van ooggetuigen vernomen had. Voor de kennis van de
ontwikkeling onzer literatuur is dit geschiedwerk van geringe
beteekenis. Slechts een paar maal, zooals b.v. in het verhaal van den
Leuvenschen kampvechter en in dat van een mirakel dat te Velthem gebeurd
zou zijn, vinden wij in de levendigheid en natuurlijken eenvoud van
stijl iets dat naar literaire kunst zweemt. Een paar andere groene
plekjes zijn die waar hij, den lof der Heilige Maagd zingend, verzen
schrijft die voortvloeien met zekere natuurlijke bevalligheid[25].

Tien jaar later, in 1326 namelijk, voltooide VELTHEM, in MAERLANT'S
voetspoor tredend, een ander werk: het _boek van koning Artur_, dat zich
bij den _Merlijn_ aansluit. Vertaling van een Fransch _Livre du roi
Artus_, bevat het de verdere geschiedenis van ARTUR en MERLIJN en hoe de
machtige toovenaar ten slotte, verstrikt in zijne liefde tot de fee
VIVIANE, door haar met zijn eigen tooverkunsten gebannen wordt binnen
een toovercirkel in het woud van Broceliande[26].

Het eenige dat opmerking verdient in deze vertaling, is de indruk dien
MERLIJN'S geschiedenis op VELTHEM ten slotte heeft gemaakt; indruk dien
hij weergeeft in deze regels:

  Wat mach men daer meer af seegen dan?
  Negeen dinc, so help mi God,
  Dan dat hi was een fijn sot;
  Al heet hi vroet ende conde vele,
  Nochtan heeften een wijf bij horen spele
  Datsi hem toende menechfoude,
  Bracht in 't nette daer si woude.

Wat zou DIEDERIK VAN ASSENEDE wel gezegd hebben van zulk eene opvatting
der liefde?

Over VELTHEM als compilator van de in den _Lancelot_ vereenigde
ridderromans spraken wij vroeger reeds. Zoolang wij de samengevoegde
werken niet in hunnen oorspronkelijken vorm kunnen vergelijken met dien
waarin zij hier voorkomen, kan over VELTHEM'S werk in dezen geen afdoend
oordeel worden geveld. Doch zóóveel kunnen wij ook nu reeds zien: dat de
onderscheidene verhalen zijn aaneengeschakeld zonder eenige kunst met
een: "nu doet d' aventure verstaen," d' avonture seget hier ter steden"
of dergelijk tusschenvoegsel. Ook dat de compilator weinig op den
samenhang van zijn werk gelet schijnt te hebben, daar hij in het Derde
Boek PERCHEVAL doet optreden, nadat deze in het Tweede Boek overleden
was. Op een paar plaatsen blijkt, dat de "clerc" VELTHEM zich bezwaard
gevoelde over het berijmen van "alle dese wereltlike daden", waarvoor
hij God en MARIA om vergeving bidt[27]. Geen werk eindelijk is er in
dezen tijd aan te wijzen, dat zoo krioelt van stoplappen als deze
compilatie; in dat opzicht wordt VELTHEM misschien door niemand onder de
Dietsche rijmers der middeleeuwen overtroffen.

Wat HEYN VAN AKEN voor de Limburgers had gedaan, werd in het eerste
kwart der 14de eeuw door een onbekend auteur voor de Vlamingen verricht
met de bewerking van den ridderroman _Flandrijs_. Indien men ten minste,
wat mij hoogst waarschijnlijk voorkomt, dezen naam moet vertalen met
_Vlaming_ en dat werk als eene, zij het ook zwakke, uiting beschouwen
van het Vlaamsch nationaliteitsgevoel[28]. Evenals de _Limborch_ is ook
de _Flandrijs_ een gebrekkig samenstel van allerlei bestanddeelen,
grootendeels ontleend aan vroegere ridderromans: _Ferguut_, _Walewein_,
_Moriaen_, _Torec_, _Historie van Troyen_. Ook hier vinden wij bedreigde
en verloste jonkvrouwen, den zoon van een gastheer gedood, gevechten met
roofridders en reuzen enz. Het godsdienstig gevoel in den _Flandrijs_
schijnt sterker dan het gevoel voor het ridderwezen. Een ridder,
doormidden gehouwen "zooals men het een varken doet," brengt ons naar
den slagerswinkel; de aanprijzing van het Christendom hier en daar en
een lang gebed geven het werk iets stichtelijks, wat men niet kan zeggen
van FLANDRIJS, die door het teeken des kruises een gebraden kapoen van
de tafel doet opvliegen.

Van Vlaanderen is sprake in een rijmkroniek, die ongeveer ter zelfder
tijd als de _Flandrijs_ werd vervaardigd en hier slechts om dat
nationale element even vermeld kan worden[29].

Gewichtiger is MELIS STOKE'S _Rijmkroniek van Holland_, aangevangen
waarschijnlijk in het laatste twintigtal jaren der 13de eeuw, voortgezet
en voltooid in het jaar 1305.

STOKE'S werk ontstond uit dezelfde beweegredenen als de andere in dit
hoofdstuk behandelde werken, doch die beweegredenen zijn hier
samengesteld op eigenaardige wijze. Verheerlijking van het regeerend
gravenhuis was een dier beweegredenen. Vandaar dat het eerste deel
zijner kroniek is opgedragen aan Floris V, het voltooide werk aan graaf
Willem III, wiens "armen clerc" (secretaris) hij zich noemt. Vandaar dat
hij aantoont en met nadruk verzekert, dat het Hollandsche gravenhuis
"van edelen tronke begonde". Maar, in tegenstelling met JAN VAN HEELU,
onthoudt hij er zich van, de roemzucht des adels te prikkelen, door hen
bij name te noemen. Daar zien wij misschien weer het verschil tusschen
"menestreelen" en "clercken". Hij verklaart openlijk, dat hij niet bij
name wil noemen:

  Die van den stride was de bloeme
  Of de quaetste of de beste

uit vrees dat men hem mocht beschuldigen van afgunst, van winzucht; uit
vrees ook--het kenschetst den tijd--dat hij vervolgd en doodgeslagen zou
worden[30]. Liefde voor zijn land dat hij verdedigt tegen de aanmatiging
der Henegouwers, belangstelling in de geschiedenis van dat land en zijne
bewoners behooren evenzeer tot zijne beweegredenen[31].

De beide eerste boeken en misschien een deel van het derde bevatten
weinig meer dan eene vertaling van het _Chronicum Egmundanum_; het
overige deel van het werk berust, naar het schijnt, hoofdzakelijk op
mondelinge overlevering en op hetgeen hij zelf had bijgewoond. Van
poëzie is ook bij STOKE weinig sprake, maar toch meer dan bij HEYN VAN
AKEN of HEELU. Waar STOKE warm wordt, vergelijkt hij ten minste geene
ridders bij turven. Eerbiedige bewondering voor SOPHIA, gravin van
Holland, en voor JAN VAN BRABANT ontlokt hem verdienstelijke verzen als
deze:

  Haer herte was een grondeloos wael [Zijnoot: bron.]
  Van miltheit ende van ontfarme,
  Van soeticheit op de Gods arme,
  Van wakene, van pinen in ghebede

en:

  Ja! hoech man was hi, weet men wale,
  Beide in der daet ende in de tale[32].

Maar het beste brok van zijn werk is zeker het verhaal van FLORIS DE
VIJFDE'S gevangenneming en dood. Daar hooren wij oprecht gevoel zich met
naïeve warmte uiten in eenvoudig-zuivere taal. Treffend is b.v. de
ontzetting van des graven "arme clerc" over het feit, dat men de hand
heeft durven slaan aan een zoo hoog heer:

  Deus, here God, wat hi dochte,
  De des eerst ghewaghen durste,
  Dat men also groot een vurste
  Soude vanghen of verslaen!

Ook zijne klachten en verwijten tot de samengezworenen:

  Ay Herman! bi wat zaken
  Wilstu der quader name ontfaen?
  Was di niet ghenoech ghedaen?
  ...
  Ende du Gheraert, felle man,
  Droeghes oec sine cleder an,
  Du hads van kinde met hem ghewesen.

Zijn medelijden met den graaf die al te goed van vertrouwen, was:

  Hi waende, hem sijn volc ghemene
  Ghetrouwe waren, groot ende clene.
  Ay lasi! hi ne mocht niet weten,
  Dat hi van binnen was beseten.
  ...

Zijne naïeve bewondering van de trouw, door FLORIS' jachthonden
betoond aan het lijk van hunnen meester[33].

Deze en dergelijke verzen maken AMELIS STOKE niet tot een dichter van
beteekenis, neen zeker! Maar zij vermogen toch in den nacht der
vergetelheid een flauw lichtglansje te verbreiden om den naam van den
eersten Hollander die zich met bewustheid Hollander heeft gevoeld, den
eersten ook die in de geschiedenis onzer letterkunde den naam van
Holland heeft doen opklinken.

Hollander gevoelde STOKE zich, doch vooral Hollander die min of meer
vijandig gezind was jegens de bewoners van andere graafschappen of
hertogdommen in het Dietsche land. Hoe stelt hij zijn volk reeds
tegenover het Vlaamsche volk, waar hij beweert dat de Vlamingen, anders
dan de Hollanders, nooit hun verlies willen erkennen:

  Verliesen wi, wi gheliën [Zijnoot: ten volle erkennen.] wale;
  Die Vlaminc hevet ander tale:
  Verliest hi, hi ne liëts [Zijnoot: erkent.] niet
  ...
  ...
  Het is der Hollanders maniere:
  Verliesen si drie manne ofte viere,
  Si seggen liever meer dan min--
  Die Vlaminc messaect [Zijnoot: loochent.] int beghin[34].

Zijn afkeer van de Vlamingen is zeker niet verminderd door hun inval
in Holland die eerst bij het Manpad gestuit werd.

Niet veel vriendelijker is STOKE gezind jegens de Friezen en Saksen,
voor hem één volk (immers "die Nederzassen heten nu Vriesen"). In den
aanvang zijner Kroniek spreekt hij minachtend over het "onbeschaamde
Friesche volk dat niets van historie weet"[35]. STOKE'S tijdgenoot,
MAERLANT, denkt evenzoo over de "wilde Saksen" en "ruwe Friezen"[36].
Een eeuw later zal de Hollander WILLEM VAN HILLEGAERSBERCH nog in
denzelfden geest spreken[37]. En hoeveel wrok en minachting open baren
zich in deze woorden van den "clerc uten lagen landen" waar hij in zijne
Kroniek gewaagt van de Friezen bij het lijk van den gesneuvelden
Roomsch-Koning WILLEM II van Holland: "dese Vriesche honden en wisten
niet dathet coninc WILLEM die edel man was... ende liepen over hoop
daeromme staen als beesten."

Maar hoe geminacht ook door de Hollanders, de Friezen verdedigden hun
vrij land daarom niet minder krachtig tegen elken indringer. Telkens
doen de Hollandsche graven pogingen zich van Friesland meester te maken,
doch gewoonlijk trekken zij aan het kortste eind. WILLEM IV sneuvelt met
de bloem van zijn edelen bij Stavoren. Een halve eeuw later komt Graaf
ALBRECHT die nederlaag wreken: bij Schoterzijl worden de Friezen
overwonnen. Zonder genade woedt het gevecht, geen losprijs wordt
geboden, geen lijfsbehoud gegeven: alles wat den Hollanders in handen
valt, wordt meedoogenloos over de kling gejaagd; in het heetst van den
strijd valt ook de dappere Friesche aanvoerder, de vermaarde edelman
JUWINGA, die, als koning SAUL weleer, een hoofd boven de anderen
uitstak[38].

Toch was de uitslag van dien tocht gering; de Friezen werden niet tot
gehoorzaamheid gebracht. Zij bleven naijverig op hunne zelfstandigheid
en ongezind vreemde machthebbers van welken aard ook te erkennen.
Getuigenis daarvan gaven reeds vroeger (1327) die parochianen van
Bolsward, die weigerden een hun uit Utrecht gezonden rector der Kerk te
ontvangen en te erkennen, omdat hij geen Fries was[39].

Eene verdeeldheid als die tusschen Brabanders en Gelderschen, Vlamingen
en Hollanders, Hollanders en Friezen zag men ook elders in deze "lage
landen". Het meervoud in dezen bekenden naam verdient aandacht, want
inderdaad bestond er nog niet één land dat _Nederland_ heette. In naam
bestond het wel. In een allegorisch gedicht uit de tweede helft der 14de
eeuw wordt gezegd, dat de knapen van zekeren HER ERENTRIJC waren

  ... al van eenen gheslachte
  Gheboren al ut Nederlant.

Ook als strijdleus vinden wij dien naam daar gebezigd:

  Daer mochtmen die tyene horen
  Lude roepen: "Nederlant!"[40]

Doch het was slechts een naam. Landseenheid berustend op volkseenheid,
lag nog ver af, als een kust die men over de wateren ziet blauwen. Maar
toch niet zóó ver, of men kon er een paar vooruitstekende punten van
onderscheiden: wordende eenheid van taal en wordende betrekking tusschen
volk en landsheer.

De verdeeldheid tusschen de onderscheidene volksdeelen hier te lande
spiegelde zich af in het verschil van tongvallen of "tongen", zooals men
toen zeide. Men voelde zich Vlaming, Brabander, Hollander, Zeeuw; een
enkele besefte ook dat er verschil was tusschen de talen in die
onderscheidene deelen des lands gesproken. In zijn _Leven van Sint
Franciscus_ zegt MAERLANT:

  Men moet om de rime souken
  Misselike [Zijnoot: onderscheidene.] tonghe in bouken:
  Duuts, Brabants, Vlaemsch, Zeeus[41].

Met _Duuts_ zal hier wel _Hollandsch_ bedoeld zijn in den eigenlijken
zin des woords.

In den _Spieghel Historiael_ lezen wij:

  Int ander jaer dat Karel de jonge,
  Die grouf [Zijnoot: (grof) dik.] hiet in somege tonge.
  ...

Echter, indien MAERLANT het verschil van tongvallen besefte, hij was er
zich tevens van bewust, dat er tegenover of boven die tongvallen een
algemeen Dietsch bestond. In zijn _Naturen Bloeme_ stelt hij op meer dan
een plaats het Vlaamsch of "_ons_ Dietsch" tegenover _het_ Dietsch[42].
Een tijdgenoot van RUUSBROEC, Heer GERAERT, prior van een
Karthuizer-klooster spreekt van "brabantsch dietsch" en zelfs van
"brusselsch dietsch" in deze opmerkelijke woorden: "Oec is te merken dat
dese boeken (van RUUSBROEC) ghemaect sijn in onvermingheden
bruesselschen dietsche, soe datter luttel latijnscher ofte walscer
woerden ofte van enighen anderen tale in sijn ghesaeit. Ende oec is dat
selve brueselsche dietsche volcomenre hier in gheset dant daer die
lieden ghemeinlic spreken, in dien dat si dicwile in hare tale
vernieuten ofte minderen haer pronominael artikelen bi desen exempelen:
Als si souden seggen _dat ierste, dat anderde, dat derde, dat vierde_,
soe laten si ghemeinlic after die twie letteren van dien artikele _dat_,
ende segghen: _dierste, dandere, derde, tfierde_, ende des ghelijcs in
noch anderen silleben ende woerden"[43]. Opmerkelijk noemde ik deze
woorden, omdat men er tevens uit ziet, dat men eenig verschil ging
waarnemen tusschen de gesproken en de geschreven taal.

MAERLANT en de prior GHERAERT waren niet de eenigen die de eenheid
van het Dietsch beseften, al of niet in tegenstelling met het Walsch.
JAN VAN HEELU spreekt van:

  Alle die yeesten [Zijnoot: geschiedenissen.] die nu sijn
  In dietsche, in walsche, in latijn[44].

In BOENDALE'S rijmwerk _Van den derden Edewaert_ lezen wij:

  Want tkerstenheit es gedeelt in tween:
  Die Walsche tongen die es een,
  Dandre die Dietsche al geheel[45].

En er zweeft reeds een adem van volksgevoel en volkseenheid door deze
regels van BOENDALE over den zeeslag bij Sluis (1340):

  Van deser hoger victoriën
  Die eeuwig blijft in memoriën,
  Werden blide ten selven male
  Alle die spreken Dietsche tale[46].

Naarmate er meer letterkundige werken van beteekenis in het Dietsch
geschreven werden, rees die taal in de achting dergenen die haar
spraken. Een blijk van die achting voor de taal zien wij in het feit dat
JAN VAN HEELU zijne rijmkroniek zond aan MARGRIETE VAN ENGELAND,
verloofd met den zoon van Hertog JAN VAN BRABANT, opdat zij er "dietsch
in leeren" mocht. Langzamerhand ontwikkelde zich dit gevoel van
zelfstandigheid, zich openbarend in eerbied voor de moedertaal. Eerst
nadat het, vooral langs den weg der literaire kunst, bij de individuën
zich had ontwikkeld, kon het zóó krachtig worden, dat Overheid en
Regeering volgden waar de onderdanen waren voorgegaan. Het oudste ons
bekende charter in de landstaal dagteekent van 1249 en is opgesteld door
de schepenen van Bochoute (tusschen Gent en Oudenaarde). Daarna komen er
tal van charters en keuren in de landstaal in Vlaanderen, Brabant,
Holland.

De Hollandsche graven zijn de eersten die in hunne staatsstukken het
Latijn door het Dietsch vervangen. Hun voorbeeld wordt langzamerhand
door de andere landsheeren gevolgd, al kunnen de graven van Vlaanderen
in de 14de eeuw en later hunne voorliefde voor het Fransch niet geheel
opgeven. Gelderland komt achteraan; het Latijn handhaaft zich daar nog
in de staatsstukken der 14de eeuw, maar wordt toch ook reeds in die eeuw
door het Dietsch overvleugeld[47]. Ook in de rechtsbediening zien wij
dat streven naar eerbiediging der moedertaal.

Paus ALEXANDER IV stond den burgers van Gent hun verzoek toe, dat zij
niet gedwongen zouden worden recht te gaan zoeken bij de geestelijke
rechtbanken van Doornik of, in tweede instantie, te Reims, omdat dan tot
hen gesproken zou worden in een taal die zij niet verstonden[48]. In
1290 werd bepaald, dat in Vlaanderen alle burgerlijke rechtsgedingen in
het Vlaamsch zouden behandeld worden[49]. Die maatregel was zeker niet
naar den zin van den Franschen koning FILIPS DE SCHOONE, die omstreeks
dienzelfden tijd het gerechtshof te Gent had gedwongen, een door hem
gezonden prevôt toe te laten. Telkens, wanneer die koninklijke prevôt
aanwezig was, moest er Fransch gesproken worden[50].

Op heel wat lager toon zong zijn opvolger KAREL VI, die in 1385 in
eene vredes-onderhandeling voor 150 Gentenaren een geleide-brief in het
Vlaamsch deed opstellen[51].

Maar tusschen 1290 en 1385 liggen dan ook de Sporenslag en de leus:
"Schild ende Vriend."

Daar klonk voor het eerst de stem van den Vlaamschen Leeuw!

Toen de Franschen in 1301 Vlaanderen binnenrukten, scheen de
nationale zaak geene verdedigers meer te hebben; de adel en de rijke
burgers verwelkomden de indringers, maar de gemeenten waakten. In
Kortrijks velden werd het Vlaamsche volk zich voor het eerst van zijne
kracht bewust; daar werden hun zelfgevoel en hun volksgevoel verhoogd,
toen zij in den strijd voor vrijheid en voor recht, onder eigen leiders,
eene roemrijke overwinning behaalden op een buitenlandschen vijand, die
hun volksbestaan bedreigde.

Doch al was die vijand overwonnen, hij was niet machteloos gemaakt. De
gansche 14de eeuw door moet Vlaanderen zijne onafhankelijkheid tegenover
Frankrijk blijven handhaven; het is daarin geslaagd, maar ten koste van
de Waalsche deelen des lands. Voortaan is Vlaanderen, dat vroeger
tweetalig was, een zuiver Dietsch land. Voortaan zijn de Nederlanden
onafhankelijk van Frankrijk, zooals zij het inderdaad reeds van
Duitschland waren. Toen de graven van Henegouwen ook het graafschap
Holland verwierven, werd het Dietsche element in de Zuidelijke
Nederlanden versterkt en een eerste, nog zwakke, band geknoopt tusschen
Noord en Zuid.

De graven van Vlaanderen hadden niet zelden gemeene zaak gemaakt met de
gemeenten. Deze begrepen niet, dat het den graaf slechts te doen was om
de patriciërs te kortwieken; doch toen de patriciërs steun zochten bij
Frankrijk, ontwaakte onder de gemeentenaren het nationaliteitsgevoel en
verdedigden zij hun eigen onafhankelijkheid en die van hun graaf tevens.
Die gelijkheid van belangen versterkte den band tusschen volk en
landsheer[52]. Iets dergelijks was vroeger gezien in Holland. Graaf
FLORIS V, "der keerlen god", lag overhoop met den adel. Toen eenige
samengezworen edelen den graaf hadden opgelicht en gevangen gezet,
ontstond er eene algemeene verbijstering in het land. Geen der edelen
snelde toe om den graaf te bevrijden. Maar in dreigende drommen komt het
volk opzetten: Kennemers, Friezen, Waterlanders, "tghemene diet" van
Noord-Holland, de poorters uit Zuid-Holland--alles trekt naar het
kasteel aan de Vecht

  Ende segghen, dat si verliesen
  Willen beide lijf ende have,
  Of si wreken haren grave[53].

Den moord op den graaf hebben zij niet kunnen verhinderen, maar met des
te meer liefde hebben zij zijne nagedachtenis in eere gehouden. Dat
bleek, toen acht jaar later de Vlamingen Holland binnendrongen,
overstroomden, aan zich onderwierpen. Slechts achter de muren van een
drietal steden: Zierikzee, Dordrecht, Haarlem, werd nog tegenweer
geboden; het scheen gedaan met Hollands onafhankelijkheid. Maar hoe
herleefde de moed des volks, toen WITTE VAN HAEMSTEDE, onechte zoon van
FLORIS V, te Zandvoort geland, op den Blinkert de banier van Holland
liet wapperen en de poorters uit Haarlem en van elders toestroomden om
hem te verwelkomen. In hem immers zagen zij den zoon van FLORIS en hij
verzuimde dan ook niet partij te trekken van zijne afkomst. MELIS STOKE
heeft ons de heugenis bewaard van dat tooneeltje op den Blinkert, van
die ontmoeting, ook van dat woord en weerwoord:

  Wie sidi dan? Ic hete Witte
  Ende was 's graven Florens kint,
  Ende her Willem heeft mi ghesint
  Alhier van Zirixe
  U te troostene.

Op dien Zondag in de Zandvoortsche duinen, in de schaduw der banier
met den rooden leeuw, heeft een der kiemen van nationaliteitsgevoel zich
in Holland ontsloten, heeft de betrekking tusschen volk en landsheer
iets in hechtheid gewonnen. Zoolang vreemde landsheeren hier regeerden,
kon die gehechtheid bezwaarlijk sterk worden. Voor een vorst, hier te
lande geboren, zooals KAREL V, kon men reeds iets meer gevoelen, ook al
was hij uit het Oostenrijksch stamhuis.

Maar zoover zijn wij nog lang niet. Wij moeten vooreerst trachten,
ons ten minste eenigermate eene voorstelling te vormen van sommige
toestanden hier te lande, zooals zij zich aan ons oog vertoonen in het
nieuwe tijdvak dat ingeluid is door de geboorteklok van het
nationaliteitsgevoel.



AANTEEKENINGEN

[1] A.w. I, 1081-'97. De overeenkomstige plaats in de _Alexandreïs_, I,
365 seqq. luidt:

O patriae natalis amor, sic allicis omnes O quantum dulcoris habes!
fugitiva per altum Classis dum patriae raptim furatur alumnos, Sponte
licet properent Persarum invadere fines, Nec trahit invitos ad praedae
praemia ductor, Sola tamen revocat patriae dulcedo volentes, Nec sinit a
patria divelli mentis acumen, Sed dulces oculos animumque retorquet ad
Argos, Donec ab intuitu longe decrescere visus Europae defecit apex
portusque recessit.

[2] I, vs. 59-62.

[3] Vgl. de uitgaaf in mijne _Mnl. Ep. Fragmenten_, p. 57 vlgg., vs.
103-4, 110-112, 267-9, 316-7, 340, 547-550; bovendien hebben wij slechts
een deel der vertaling over.

[4] A.w. IV, 7325 vlgg.

[5] Over dat alles is uitvoerig gehandeld door JONCKBLOET in zijne
_Geschiedenis_, II, 218 vgg.; TE WINKEL in zijne _Geschiedenis_, bl.
218-229; voorts door VAN DEN BERGH en VERWIJS in hunne inleidingen. Ten
opzichte der dateering van den roman _van de Roos_ deel ik TE WINKEL'S
zienswijze. Was de roman _van Olivier van Spaengen_ (_Limb._, III,
800-807) misschien ook door HEYN VAN AKEN gedicht?

[6] KAUSLER, _Denkmäler_, III, 93.

[7] A.w. vs. 23394-23553.

[8] Vgl. over den _Roman de la Rose_, PETIT DE JULEVILLE a.w. II,
105-161.

[9] Vgl. de Inleiding van VERWIJS, XVI vlgg.

[10] Vgl. vs. 2992 (voor: "por nule riens vivant"); 4916; 7044 ("mainte
terre sauvage"). Paep Jans lant in vs. 1013-4, waar in het Fransch:
"trestous li ors de Romme".

[11] Vgl. VAN DEN BERGH'S _Inleiding_, IV.

[12] Vgl. den aanvang van boek II-IX.

[13] Vgl. _Limb._, VII, 1683-5 met _Flor. en Blanc._, Proloog, vs. 1-12,
65-75; _Limb._, XI, 642-5 met _Eerste Martijn_, vs. 430-1.

[14] _Limb._, I, 1316 vlgg.; het tooneel der "justicie" alleen in de 2e
bewerking van _Flor. en Blanc._ (het Fransche gedicht nl.), vs. 359-902.
_Lanc._, I, vs. 19208 vlgg.

[15] _Limb._, IV, 248-250 te verg. met _De Vier Heemsk._ (ed. MATTHES),
p. 26.

[16] _Limb._, X, 1013 vlgg. te verg. met _Lorr._ in _Mnl. Ep. Fragm._,
bl. 132-3.

[17] _Limb._, XI, 67 vlgg. te verg. met BLOMMAERT, _Oudvl. Ged._, I, 6
vlgg.

[18] _Limb._, IV, 1057-'69; 1298 vlgg.; III, 1159 vlgg. (1374-6).

[19] _Limb._, V, 374; VIII, 149 (een reus van 30 voet lang en 10 voet
breed); III, 1009; IV, 328; IV, 546-7; zie ook nog VIII, 574-5.

[20] _Limb._, III, 1248 vlgg.; V, 2105 vlgg.; VI, 59; VIII, 822 vlgg.;
X, 279 vlgg.

[21] Vgl. de uitgave van WILLEMS, _Introd._, VIII. Misschien was de
berijmer ooggetuige. (_Introd._, VII; vgl. echter vs. 8221).

[22] Vgl. vs. 3372-3; 4084-5; 4178 vlgg.; 4640 vlgg., 4746, 5627, 7808
vlgg., 8184, 8346 vlgg., 8410-12, 8537 vlgg. en tal van andere plaatsen.

[23] Vgl. Tweede Boek vs. 1 vlgg.; 5786 vlgg., 5851 (een paard dat
"Baiaert ghenoot" was), 8559 vlgg.; 4271 vlgg., 6025-8.

[24] Ik heb het oog op de dozijnen van uitingen gelijk die welke men
vindt o.a. in vs. 2679, 2954, 3102, 3155, 3418, 7652 vlgg., 8073 vlgg.
Vergelijkingen in vs. 1037, 1044, 3253, 3944, 5185, 5651.

[25] Uitvoerig en nauwkeurig is over VELTHEM'S kroniek gehandeld door
Dr. TE WINKEL in zijne _Geschiedenis der Ned. Lett._, bl. 355-367. De
bovengenoemde verhalen vindt men: _Sp. Hist._, V, 1, 28-30, en VI, 4.
Over de H. Maagd VI, 32 en VIII, 34.

[26] Vgl. TE WINKEL a.w. bl. 170-171.

[27] Vgl. het slot van den proloog van Boek IV en het slot van dat Boek.

[28] Ik volg hier de uitgave en de inleiding van FRANCK.

[29] Vgl. TE WINKEL'S _Gesch. der Ned. Lett._, bl. 381-3. Het eerste
deel schijnt in het laatst der 13e of den aanvang der 14e eeuw
opgesteld.

[30] Vgl. Ed. BRILL, Boek X, 40-151 in verband met eene plaats uit Boek
IV. (I, p. 224): "God moet mi sijnre hulpen jonnen" enz.

[31] III, 1473-'78; Opdracht van Boek I.

[32] II, 644-'7; IV, 263 enz.

[33] Boek IV, vs. 1086 vlgg. en V, 96 vlgg.

[34] In twee der drie hss. van STOKE'S Kroniek lezen wij deze verzen in
plaats van VIII, 791-2.

[35] I, 76, 531.

[36] _Eerste Martijn,_ vs. 109-110, 665; _Sp. Hist._, III, 8, c. 93,
185.

[37] _Gedichten_, bl. 3, 180; 125, 174.

[38] _Oorlogen van Hertog Albrecht van Beieren met de Friezen_ door E.
VERWIJS. (Utrecht. 1869). CXLVIII.

[39] _Registers en Rekeningen van het bisdom Utrecht_ door Mr. S. MULLER
FZ., I, 165.

[40] _Dietsche Warande_, IX, 147, 150. De naam _Nederland_ in de
vertaling van het _Nibelungenlied_ (II, vs. 11) heeft hier geen
bewijskracht, daar hij ook reeds in het origineel voorkomt.

[41] Vs. 131-'3.

[42] _Inl._ XXXVI-XXXVII.

[43] W.L. DE VREESE, _Bijdragen tot de kennis van het leven en de werken
van Jan van Ruusbroec_, bl. 10, 19.

[44] Vs. 3175-6.

[45] Vs. 1585-7.

[46] Ik dank de aanwijzing van deze plaats aan mijn vriend, Prof. PAUL
FRÉDÉRICQ te Gent.

[47] Ik deed hier mijn voordeel met de opsomming, door Dr. TE WINKEL
gegeven in zijne _Geschiedenis der Ned. Lett._, bl. 541-544.

Vergeten is daar het, voor de geschiedenis onzer taal zoo merkwaardig,
reglement voor de scheepvaart en de heffing der tollen op het Zwin,
afgedrukt in _Bijdragen tot de Oudheidkunde en geschiedenis inzonderheid
van Zeeuwsch Vlaanderen_, V, 1 vlgg.

Opmerkelijk is ook, dat de oudste Cameraars-rekening in het Dietsch
eerst van 1361 dagteekent, terwijl er reeds eene Dordrechtsche
stadsrekening in de moedertaal is van 1284-'85. Ook hier zien wij het
Oosten des lands achteraankomen.

[48] WARNKÖNIG, _Hist. de la Flandre_, III, 171.

[49] _Belg. Museum_, II, 387.

[50] WARNKÖNIG a.w.

[51] _Belg. Mus._, II, 388-9.

[52] Vgl. VANDERKINDERE, _Siècle des Artevelde_, p. 31; PIRENNE a.w. I,
104; II, 7; I, 408 vlgg.

[53] Vgl. het artikel van POLS over Graaf JAN I in: _Bijdr. voor Vad.
Gesch. en Oudh._ en STOKE V, 222-'30.



BOEK II.



STANDENPOËZIE. DE STEM DER
GEMEENTEN.


INLEIDING.

De drie stemmen die wij in het Eerste Boek hoorden: eerst
achtereenvolgend, toen in de lyriek vereenigd en daarna in MAERLANT'S
werk versmolten, vallen ook in het Tweede Boek te onderscheiden; doch in
andere orde en verhouding.

De Stem der Gemeenten krijgt den boventoon en behoudt dien. Handel,
nijverheid, landbouw, de maatschappelijke toestanden hebben zich
ontwikkeld en die ontwikkeling is vooral ten goede gekomen aan de
gemeenten, is zichtbaar vooral in de door hen gestichte steden.

De adel is er nog en zet het oude leven gedeeltelijk voort, den oorlog
afwisselend met feesten, tournooien, jacht en galanten omgang. Vooral de
Geldersche adel onderscheidt zich in dit opzicht. WILLEM VAN GULIK,
hertog van Gelderland, wordt door FROISSARD telkens met lof vermeld. Hij
doet, evenals vóór hem graaf WILLEM IV van Holland, een krijgstocht
tegen de ongeloovigen in het Oosten van Duitschland, wordt gevangen
gehouden op een slot in Pommeren, doet een inval in Brabant, voert een
bloedigen strijd om Grave en wordt eerst door een Fransch leger tot
staan gebracht. Maar de uitvinding der vuurwapenen en de instelling van
huurtroepen bedreigen den adel in zijn bestaan[1]. Feestvieren kunnen
zij nog wel; de hoogsten gaan hun daarin voor. De graven van Holland
komen niet zelden in de hoog-adellijke en rijke abdij van Rijnsburg,
hetzij met een sleep van baronnen, hetzij met klein "gezinde" om er te
ontbijten of het noenmaal te houden. Aan spijs en drank behoefde het
niet te ontbreken: soms werden 18 kapoenen en een aam rijnwijn
vooruitgezonden. Daarna ging men "haar met haar en veer met veer" jagen
in den Haarlemmerhout en 's avonds dansen met de edele jonkvrouwen[2].
In den Haarlemmerhout kon men ook wel eens een ander machtig edelman
vinden, graaf JAN VAN BLOIS, ter jacht met de gravinne van Holland. Ook
in Brabant kon men hem vinden aan het "jagen en vliegen" met een groot
aantal edelen en edelvrouwen of aan een grooten avondmaaltijd in het
Katrijnen-klooster te Utrecht, waar meer dan honderd edele gasten
aanzaten[3].

Een edelman die in botsing kwam met de steden kreeg soms een gevoelige
les: ZWEDER VAN VOORST ondervond het in zijn strijd tegen de steden van
het Oversticht en hun heer den Bisschop, al zat hij ook achter muren die
tachtig voet hoog en twaalf voet dik waren. Het sterke kasteel Gaesbeek
in Brabant, toebehoorend aan Heer ZWEDER VAN ABCOUDE, werd door de
Brabantsche en Luiksche burgerijen ingenomen en geslecht[4].

Zijne verwoeste kasteelen kon de adel wel opbouwen, niet zijne verloren
idealen herwinnen. En vooral daardoor, meer dan door vuurwapenen en
huurtroepen, is de adel gedaald van het vroegere standpunt. JAN
BOENDALE, de schrandere schepenklerk van Antwerpen, zag het wel, toen
hij in zijn _Lekenspieghel_ zeide: "vroeger, toen de edelen ouder
gewoonte nog buiten woonden en onderling huwelijken sloten, hielden zij
den adel hoog en waren edelen met eere; doch sedert zij om der wille van
het geld naar de steden zijn getrokken, heeft hebzucht de schuldelooze
edelheid onder de voet geworpen. Zal zij ooit weer opstaan? Vroeger was
het edele wapenspel in zwang en gang, hetzij in het Heilige Land, hetzij
in de grenslanden--nu heeft het afgedaan: schatten, weelde, gemak, dat
is wat de adel begeert. Het edele, ingetogen leven wordt in den lande
niet meer gezien[5]."

Anders dan met den adel stond het met de geestelijkheid. Ja, ook daar
zag men ten deele de toestanden van vroeger. Te Rijnsburg kwamen niet
alleen de Hollandsche graven, maar ook de abten van Egmond, die er met
hun gevolg eenige dagen "joleuslyck" werden onthaald. Strijdbare
geestelijken vinden wij ook nu: in dien bisschop van Luik, ADOLF VAN DER
MARCK, die, omzwermd van pijlen en steenen, zijne troepen leidt tot een
stormaanval op sterke burchten; in dien geestelijke uit het Groningsche
klooster Aduard, die, gereed de mis op te dragen, bij een aanval op het
klooster zijn priesterkleed afwerpt, naar buiten stormt en in den strijd
sneuvelt[6].

Doch naast of liever tegenover zulke geestelijken stonden andere, die,
zonder zich met de wereld in te laten meer dan noodig was, eenvoudig hun
plicht deden, of, de wegen der mystiek volgend, ingekeerd tot zich
zelven, de diepten der eigen ziel trachtten te peilen en te verkennen.

Het zelfgevoel der burgerijen, dat zich zoo krachtig deed gelden
tegenover den adel, verloochent zich ook niet tegenover de geestelijken.
Niemand heeft dat deel van het aangroeiend zelfgevoel beter vertolkt dan
diezelfde BOENDALE, dien wij zoo even over den adel hoorden spreken. In
zijne _Teestye_ [Zijnoot: Overtuiging.] durft hij zeggen:

  Du leec man en ontsie di niet,
  Dat paepscap en es sekerre [Zijnoot: zekerder.] niet
  Hemelrijx dan du bes:
  Die best leeft, best es.
  Al predect tpaepscap Gods woert,
  Ende haer theologie bringt voert,
  Ende du sits daer voer hare voete,
  Du best lichte also soete
  Ende also weert voer d' anscijn Ons Heren
  Als si sijn die di leren;
  Want clergye sonder goet leven
  En can ghene salecheyt gheven.
  Hets beter een doghet allene
  Dan alle phylosophye ghemene [Zijnoot: samen.].
  Al eest oec dat si di biechten
  Ende dine ziele verlichten
  Ende van dinen sonden ontladen daer,
  Du best lichte also claer
  Oft claerre [Zijnoot: zuiverder.] voer Gode dan hi,
  Die daer absolveert di[7].

En hierbij laat deze wakkere "scepenclerc" het niet. Een volgend
hoofdstuk brengt: "van den papen noch meer". Kwam Gods Zoon nu op aarde
en dorst hij den priesters de waarheid zeggen, hunne gebreken onder het
oog brengen, het volk tot zich en van hen af trekken--zij zouden "te
zamen raad tegen hem houden, hoe zij hem dooden mochten", gelijk de
Farizeën weleer. Zij verkoopen het volk aflaat van zonden; zelf koopen
zij dien niet, al hebben zij hem evenzeer noodig. In het sermoen zoekt
men hen te vergeefs, al zou het voor hen evenveel vrucht dragen als voor
de leeken. BOENDALE zegt later, dat hij der papen vriend is

  Maer dat si mesdoen, dats mi leet;

hij zal in die uitspraak zeker oprecht zijn geweest, doch van zulke
vrienden was de meerderheid der priesters niet gediend. Al te welig
schoot hier het zaad op, met volle hand gestrooid door "JACOB, die
dichter hoghe", wiens beeld zijn navolger hier blijkbaar voor den geest
stond. En het zou nog erger worden voor de priesters, geloofde BOENDALE.
Uit oude profetieën had hij vernomen:

  Dat men noch zal die papen jaghen
  Ende die Kerke doghen [Zijnoot: lijden.] sal,
  Ende bider papen ghebreke al,
  ...
  ...
  Maer en sal niet dueren langhe
  Si en selen te payse comen weder
  Ende haer ghierecheit [Zijnoot: hebzucht.] legghen neder
  Ende andre onnutte seden
  Ende hem bat hoeden dan si deden
  Ende men sal hem meer eeren doen
  Dan noyt te voren was gheploen [Zijnoot: gepleegd.].

Hoe zullen in latere dagen Hervorming en Tegenhervorming, en ook de
geschiedenis van onzen tijd, deze profetieën op ongedachte wijze
vervullen! Dat heeft BOENDALE niet kunnen voorzien, doch de fakkel der
waarheid, hem door MAERLANT'S hand toegereikt, heeft hij op zijne beurt
overgegeven aan wie na hem kwamen.

Oefende de geestelijkheid aldus door doen en laten invloed op de
ontwikkeling der geestelijke zelfstandigheid van deze volken, ook de
adel, al geraakte hij in de minderheid, deed zijn invloed op de
gemeenten gelden. Doch deze invloed was van anderen aard. Het beginsel
der navolging dat zich ook in het maatschappelijk leven zoo krachtig
openbaart, had langzamerhand uit de bovenste lagen der gemeentenaren een
patriciaat gevormd, verwant met den adel, naar den bloede door
huwelijken, naar den geest, door leefwijze en levensopvatting. Dat waren
de oude geslachten der vermogende kooplieden en grondbezitters, de
stedelijke aristocratieën, die nog in het laatst der 13de eeuw de
leiders of meesters der gemeenten waren. Zij zochten den adel te
evenaren in uiterlijken glans, in vertoon van pracht en praal, in
beschaving en fijnheid van vormen. Zij streefden naar hetgeen de adel
nooit had kunnen bereiken: heerschende stand te zijn. Een tijd lang
gelukte hun dat, doch reeds de eerste helft der 14de eeuw bracht een
omkeer in hun toestand. De handwerkslieden, in Noord en Zuid vereenigd
tot gilden die al machtiger werden, stelden zich onder hunne Dekens
tegenover de "geslachten" en eischten deel aan de regeering van stad en
land. Overal zien wij deze democratische woeling en strijd der partijen.
Doch de zege blijft aan de gilden. JACOB VAN ARTEVELDE bezorgt hun in
Gent de overwinning; ook elders in Zuid-Nederland en in het Noorden, in
steden als Dordt, Leiden, Utrecht, Zwolle zien wij deze verplaatsing van
het overwicht[8]. Eene nieuwe laag der bevolking komt op ruimer schaal
dan vroeger deelnemen aan en invloed oefenen op het volksleven in al
zijne uitingen.

Ook onder de lagere standen ontwaken het zelfgevoel en de begeerte om
hoogerop te komen:

  Die huusman [Zijnoot: boer.] volcht den heren naer,
  Om schout te wesen ofte baeliu,

zegt WILLEM VAN HILLEGAERTSBERCH[9].

In een stuk van een onbekend dichter uit dezen tijd zien wij, hoe de
titelzucht ook toen reeds de burgerij had bevangen.

De neiging tot een titel, door MAERLANT in zijn _Alexander_ terloops
gehekeld bij de meisjes uit het volk, is blijkbaar zoo sterk geworden
dat een ander dichter er een gansch gedicht aan wijdt, getiteld _Van dat
die liede sijn gherne geheten joncfrou_. Wij lezen daar o.a.:

  Heile, Griete, Lise oft Calle,
  heten nu joncfrou alle!
  Al hadde haer moeder warmoes vercocht,
  oft liede gebeden ter bruloft,
  oft te like gebeden [Zijnoot: ter begrafenis genoodigd.] vrouwen,
  oft ael [Zijnoot: bier (met minder hop).] oft bier gebrouwen,
  natten geknocht [Zijnoot: biezen gevlochten.] oft huven,
  hoenre vercocht ende duven--,
  Si souden joncfrou willen sijn.

Een van deze dames, die door den dichter wordt begroet met _vrouwe_,
kijkt op hem neer zoo trotsch

  Als ene hinne op enen pier![10]

BOENDALE keurde deze gansche volksbeweging af; dat de "heeren" moesten
wijken voor schoenmakers, volders, wevers, slagers en dergelijken--het
was voor hem "de verkeerde wereld"[11]. Doch vruchteloos heeft hij zich
met deze nabetrachting tegen den stroom gekant; hij heeft dien niet
kunnen keeren.

Al gelooft men niet dat het toentertijd in de Nederlanden de verkeerde
wereld was, men kan daarom toch wel erkennen dat er in die wereld veel
verkeerds was. De vroegere onkunde begon weliswaar te wijken voor den
invloed, die uitging van kapittel- en kloosterscholen, van parochie- en
bijzondere scholen; de kunsten van lezen, schrijven en rekenen begonnen
zich langzamerhand te verbreiden; de volslagen onwetendheid van vroeger
ziet men nog vooral onder de boeren, die zelfs niet weten hoe oud zij en
hunne kinderen zijn. Maar de wilde zinnelijkheid van deze krachtige
jonge volken laat zich even bezwaarlijk teugelen als in een vroeger
tijdvak. Dat zij behagen schepten in lichaamsoefeningen: naar den
papegaai schieten, kaatsen en andere spelen, dat kon men slechts loven;
minder prijselijk was hun lust tot dobbelen met teerlingen, hun dansen,
reien en springen in de kroegen op heilige dagen.

Welk een ruwheid overal! Lieden, die in de kerken nog wel een vrijplaats
gevonden hadden, ontzien zich niet de banken af te breken om er vuren
van te stoken, er te dobbelen, te twisten en ontucht te plegen. Het
schenden van heiligenbeelden en van het plaveisel in de
Lievevrouwen-kerk te Dordrecht was niet zeldzaam. In de kerken wordt ook
onder den dienst getwist en gekeven; ook soms tusschen priesters en
leeken, zoodat de vuist en de wijkwast te werk gesteld worden. De leden
van den Raad te Kampen gaan elkander in het Rechthuis te lijf.

De strafregisters van dezen tijd zijn rijk voorzien, ook rijk aan
afwisseling. CLAES MEYNSEN ZOON wordt gestraft, omdat hij de sluis van
NANNE MODDE heeft opengezet, zoodat NANNE'S land is ondergeloopen.
LAMMEKIJN DE WEVER, omdat hij een stomme heeft mishandeld en willen
dwingen tot spreken. NANNE LUTART, omdat hij een brouwsel bier van
JACOB, ALIDE'S ZOON, heeft bedorven, door er een dood varken in te
gooien. GERRIT DE DUIVEL en tal van anderen, omdat zij een mes hebben
getrokken. Zekere CAMERMAN wegens het toebrengen van een vuistslag bij
nacht (die waren tweemaal duurder dan de overdagsche)[12]. Talrijk zijn
de boeten, opgelegd aan gehuwde mannen en vrouwen, die leven met andere
vrouwen en mannen. Vrouwenschennis en schaking waren niet zeldzaam. De
rekeningen van het bisdom Utrecht bevatten talrijke posten "de
fornicacione", "de adulterio" en "de duplici adulterio"[13].

Al deze ruwheid van zeden en grofheid van uitspattingen mogen niet
vooral op rekening der opkomende democratie worden geschoven. De hoogere
standen bezaten meer uiterlijke verfijning, dan de lagere; doch vaak was
die slechts een vernisje, waar de oorspronkelijke ruwheid op menige plek
doorheen schemerde. Wanneer eene aanzienlijke edelvrouw als YOLENTE
COURTROISIN, uit het geslacht der kasteleinen van Kortrijk, zich zóó ver
vergeten kon, dat zij een baljuw in de uitoefening zijner bediening
grovelijk beleedigde en met een stok mishandelde; wanneer de kanonniken
der hofkapel te 's-Gravenhage elkaar niet zelden in het koor bespotten,
scholden, stootten en sloegen--dan kan de beschaving onder den adel over
het algemeen geen hoogen trap hebben bereikt[14].

De Overheid trachtte de brooddronkenheid, bandeloosheid en ontucht met
wetten te keeren en te betoomen. In Vlaanderen en Brabant werden wetten
uitgevaardigd tegen de weelde. Brussel bezat reeds in de tweede helft
der 14de eeuw tuchthuizen, "goede vaste ghyoelen", "omme de wilde
joncheit te bat in bedwange te houden". De straffen blijven nog altijd
zwaar en ten deele barbaarsch. In Deventer worden in 1344 vrouwen levend
begraven. Een valsche wijbisschop wordt in 1392 te Utrecht veroordeeld
om levend gekookt te worden in een onder het schavot geplaatsten ketel.
Bij wijze van gratie wordt hij uit den ketel getild en onthoofd[15].
Naar het schijnt, werd deze laatste straf slechts zelden toegepast; doch
er waren zoovele andere gruwzame straffen, dat onze algemeene indruk
daardoor weinig gewijzigd wordt.

Die straffen strookten met die tijden: tijden van groote ruwheid ja,
maar ook van groote, van ontzagwekkende kracht. Welk een taaie kracht
was er in die Friezen, die telkens de aanvallen der machtige Hollandsche
graven afslaan en onder wier slagen de bloem van den Hollandschen en
Henegouwschen adel bezwijkt; in die Vlamingen ook die den slag bij
Kortrijk wonnen; in al die weerbare burgerijen, verplicht en gereed
hunne stad te bewaken en te verdedigen.

Welk eene volksweerbaarheid, welk eene volkskracht!

Die volkskracht gaat zich openbaren in eene aanwassende verscheidenheid
van vormen en gestalten. Er komt werking in de massa's; hier en daar
gaat zich het bijzondere losmaken van het algemeene, de enkeling zich
onderscheiden van den stand waartoe hij behoort. Bij adel en
geestelijkheid was dat reeds vroeger eenigermate het geval geweest; nu
ziet men dat verschijnsel ook onder de gemeentenaren. Het is geen toeval
dat wij juist uit dezen tijd verscheidene hunner leiders of aanvoerders
bij name kennen: NICOLAAS ZANNEKIJN, JAN BREYDEL en PIETER DE CONINC;
JACOB VAN ARTEVELDE met zijne beide medestanders: PIETER VAN DEN BOSSCHE
en FRANS ACKERMAN; JOHAN YOENS; PETER COUTEREEL, "de Brabantsche
ARTEVELDE"[16]. In de Noordelijke landen, die in algemeene ontwikkeling
bij de Zuidelijke achterstonden, kunnen wij niet zulk een aantal namen
van beteekenis aanwijzen.

Het bijzondere zich losmakend van het algemeene, dat verschijnsel meenen
wij te kunnen opmerken ook op kleiner schaal: de verhouding van den
eenling tot de maagschap. Niet alsof de maagschap hare beteekenis geheel
zou hebben verloren! In eene oude vertaling van FROISSART'S kroniek
lezen wij van eene bloedveete tusschen een paar geslachten van rijke
"schippers" (reeders) te Damme uit het laatst der 14de eeuw in deze
woorden: "Wair was dat, voir dien tijt van oudts, binnen der stede van
den Damme, een dootlijc oirloge gestaen hadde twischen twee rijke
mannen, scipperen aldair, met horen magen an beyden sijden, dairaf die
een geheten was JAN PIER ende die ander JAN BAIRDE, bij welken oirloge
onderlinge van horen magen doit gebleven wairen wail tot CXVIII pereonen
toe, van welker eenre pertije GIJSBERT MAHIEU ende sine bruederen mage
waren, ende JAN LIJON was maech van der ander zijde. Welken hate ende
nijde aldus bedect gedragen wert ende van langen tijt opgevoet twischen
desen JAN ende GIJSBERT, hoewail sij te samen spraken, aten ende
dronken, alst so diende te samen of te punte quam, mer altijt lach desen
hate den Mahijewelingeren veel felre ende duenre [Zijnoot: vaster]"
int herte dan dat JAN LIJON dede"[17].

In een gedicht uit dezen tijd wordt gesproken van "buten maghen in
ellenden" te wonen[18]; daar loopt een der wegen, waarlangs het woord
_ellende_ dat oorspronkelijk: _ander land_ beteekende, aan zijne
overdrachtelijke beteekenis gekomen is.

Maar er zijn toch teekenen die op eene aanstaande kentering in dezen
schijnen te wijzen. Sprekend over de moordenaars van Graaf FLORIS, zegt
MELIS STOKE:

  Dat dese verraders hebben ghelaten
  Den maghen verwijt: si moghense haten.

Hier wordt de verantwoordelijkheid der magen voor de daden van één
hunner erkend. Doch onmiddellijk daarop lezen wij:

  Nochtan so nes niement vroeder [Zijnoot: geen verstandig man.],
  De dat verwijt iement goeder,
  Dat sijn maech hevet misdaen[19].

De Antwerpsche stadssecretaris JAN BOENDALE stelt in zijn
_Lekenspieghel_ de vraag: of men magen en vrienden moet helpen en
ondersteunen. Een wijs meester antwoordt daarop: ja, indien uwe magen
arm zijn, in het ongeluk geraakt en brave menschen. Doch zijn zij dwaas
en slecht, doorbrengers of deugnieten, laat ze dan links liggen; 't is
toch boter aan de galg gesmeerd[20].

Deze Zuidnederlander durft al heel wat verder gaan dan de Hollander
STOKE; maar ook hier zal het Noorden het Zuiden volgen.

In een merkwaardig stuk _Van drierehande lyden_ heeft de
Noordnederlandsche dichter WILLEM VAN HILLEGAERTSBERCH ons een man
geschetst, wien het slecht vergaat, omdat hij zich van zijne magen
afzondert. Hij is trotsch als een baron, hoewel hij slechts "maet van
goede" is. Zijne magen ergeren zich daaraan, maar hij geeft niet om hun
raad. Nu moet hij alleen zijn weg gaan en dat bekomt hem slecht:

  Misdede ic yet, ic wort ghesleghen,
  Ic most den menighen verdreghen
  Entaer toe lyden mit hem allen.
  Soe wye sijn maghen worden tieghen,
  Die moet van des ghelijcke pleghen,
  Hem sel veel te lyden vallen[21].

Het is waar dat HILLEGAERTSBERCH hier waarschuwt tegen het losmaken
van den band der maagschap, doch uit die waarschuwing zelve blijkt, dat
de dichter dezen nieuwen trek in het volksleven had opgemerkt en
gewichtig genoeg achtte om er de aandacht van zijn publiek op te
vestigen.

Verwant met dezen trek is het individualisme, dat zich, zij het
slechts op een paar plaatsen, in de keuze der kleeding openbaart. De
hekeldichter JAN DE WEERT deelt ons in zijn _Nieuwe Doctrinael_ mede:

  Elc wil draghen of hebben dat niemen
  En heeft of draghet, can hijt gheraken[22].

en de auteur van een ander 14de-eeuwsch leerdicht _Spiegel
der Zonden_ zegt evenzoo:

  Elk zoect om vremde ghedane
  In zinen clederen....[23].

Dit individualisme, zich nu nog maar openbarend in iets uiterlijks,
zullen wij gaandeweg, doch uiterst langzaam, zich zien ontwikkelen in
een later tijdvak.



AANTEEKENINGEN

[1] Vgl. BLOK, _Gesch. v.h. Ned. Volk_, II, 24 vlgg., 222.

[2] SCHOTEL, _Abdij van Rijnsburg_, bl. 90-92.

[3] DE LANGE VAN WIJNGAARDEN, _Gesch. van Gouda_, I, 137, 141, 154.
BUSKEN HUET geeft een aardig beeld van Graaf JAN in zijn handel en
wandel in Deel I van _Het Land van Rembrand_.

[4] BLOK a.w. II, 42-3, 165-6.

[5] A.w.B. III, c. 26.

[6] SCHOTEL, _Abdij van Rijnsburg_, bl. 76; PIRENNE a.w. II, 20; _Bijdr.
en Meded. v.h. Histor. Gen._, XXIII, 60.

[7] A.w. (ed. SNELLAERT in _Nederl. Gedichten uit de veertiende eeuw_),
bl. 252.

[8] Vgl. hierover VANDERKINDERE'S _Siècle des Artevelde_ o.a. p. 185,
112, 126-130; BLOK a.w. II, 8 vlgg.; PlRENNE a.w. II, 407; S. MULLER FZ.
in _De Gids_ van 1897 (Juni).

[9] _Ged._, bl. 211, vs. 344-5.

[10] _Vad. Mus._, I, 76.

[11] In zijne _Brabantsche Yeesten_, V, 415 vlgg.

[12] Vgl. _Siècle des Artevelde_; het "papegoy schieten" ao 1361 in de
_Cameraars-Rek._, III, p. 15; _Nieuwe Doctrinael_, 793-5, 1720-4;
EBBINGE WUBBEN, _Over Mnl. Vertalingen van het O.T._, p. 105 (ao 1360).
Mr. S. MULLER FZ., _Registers en Rekeningen van het Bisdom Utrecht_, I,
481, 488, 467 vlgg., 474-5.

[13] _Siècle des Art._ p. 404; ROBERT FRUIN'S _Verspr. Geschr._, I, 155;
MULLER, _Reg. en Rek._, I, 480; 527 vlgg.

[14] Vgl. _Siècle des Art._, p. 260; CANNAERT, _Bijdragen tot de kennis
van het oude strafrecht_, bl. 69; MOLL a.w. II, 4, bl. 146-7.

[15] _Belg. Mus._, X, 104 vlgg.; _Cam.-Rek._, I, 134, 199;
_Oud-Utrechtsche Vertellingen_ door Mr. S. MULLER FZ., bl. 43.

[16] PlRENNE a.w. II, 33.

[17] _Jehan Froissarts Cronycke van Vlaenderen_ in de vertaling van
GERRIT POTTER VAN DER LOO (ed. N. DE PAUW), p. 5.

[18] _Cyromanchie van den pape van den Hamme_ in N. DE PAUW'S _Mnl.
Ged._, I, 270.

[19] IV, 1305-'9.

[20] A.w.B. III, c. 22.

[21] _Gedichten_, bl. 127, no. 66.

[22] Vs. 859-860.

[23] Vs. 11605 vlgg.



RIDDERPOËZIE IN VERVAL[*]

[*] Voor de tijdsbepaling vgl. de Aanteekeningen achter dit hoofdstuk.

1. Baerte metten breden voeten, Ridder metten Zwane, Cassamus, Loyhier
ende Malaert, Borchgravinne van Vergy.

2. Ogier, Malegijs, Huge van Bordeeus, Valentijn en Nameloos.

3. Borchgrave van Couchi. Seghelijn van Jerusalem.

De ontwikkeling van het ridderwezen spiegelt zich af in die der
ridderpoëzie. Voor een deel wordt het oude leven ook hier voortgezet: er
wordt, als vroeger, vertaald uit het Fransch; als vroeger zelfstandige
bewerkingen van in het Fransch bewerkte stoffen gegeven; als vroeger
oorspronkelijke romans--voorzoover daarvan hier sprake kan
zijn--samengesteld. Er is echter verschil op te merken in dit opzicht:
de aanwas van zelfstandigheid onder deze volken openbaart zich hierin,
dat het aantal vertaalde werken geringer is dan dat der zelfstandig
bewerkte.

Vertaald werden de romans: _van Baerte metten breden voeten_, _de Ridder
metten Zwane_, _Cassamus_, _Loyhier ende Malaert_ en _de Borchgravinne
van Vergy_; de laatste zelfs in twee bewerkingen. Van den _Loyhier ende
Malaert_, die waarschijnlijk uit het Fransch vertaald is, kan kan men
echter geen Fransch origineel aanwijzen. Van de twee eerstgenoemde
werken hebben wij slechts onbeteekenende, van de twee volgende grootere
fragmenten over; het laatstgenoemde werk is tot ons gekomen in eene
volledige en eene onvolledige bewerking[1].

Zelfstandige bewerkingen van poëtische stoffen, ook door Fransche
dichters behandeld, doch kwalijk als vertalingen te beschouwen, brengen
ons de romans _van Ogier_, _van Malegijs_, _van Huge van Bordeeus_ en
_van Valentijn en Nameloos_, alle in fragmentarischen toestand tot ons
gekomen. In hoever ook de _Loyhier en Malaert_ tot deze groep kan worden
gebracht, is moeilijk uit te maken, zoolang wij het Fransch origineel
niet bezitten[2].

De romans _Van den borchgrave van Couchi_ en _van Seghelijn van
Jerusalem_ eindelijk mag men onder voorbehoud oorspronkelijke werken
noemen[3].

Het eerste der hier genoemde werken geeft reeds dadelijk een denkbeeld
van hetgeen ons in de overige wacht.

BERTE "metten breden voeten" is de dochter van FLORIS en BLANCEFLEUR en
huwt koning PEPIJN van Frankrijk. Eene dienstmaagd MARGISTE doet hare
dochter ALISTE BERTE'S plaats in het bruiloftsbed innemen. BERTE wordt
na eene valsche beschuldiging ter dood veroordeeld. Zij brengt er het
leven af, zwerft rond in de bosschen, komt bij den "foreestier" SYMON en
blijft daar, totdat zij door den koning wordt teruggevonden en in eere
hersteld. Later wordt zij moeder van KAREL DEN GROOTE. Door dit werk
toont ADENET LE ROI zich in zijn karakter van "remanieur"; aanknoopend
bij een vroeger literair werk eenerzijds, bij de persoonlijkheid van
CHARLEMAGNE anderzijds, tracht hij door eene verwarrende veelheid van
avonturen de aandacht te prikkelen.

LOYHIER, in den roman van dien naam, wordt ons voorgesteld als een zoon
van CHARLEMAGNE. Hij is een middeleeuwsche Don Juan. Op aandringen der
hooge edelen van het hof verbannen, trekt hij met zijn trouwen vriend
MALAERT naar het Oosten, wordt keizer van Constantinopel en beleeft nog
tal van avonturen. De roman van _den Ridder met den Zwaan_ is eene
poging om de eigenlijke geschiedenis van den Zwaanridder HELIAS te
verbinden met die van GODFRIED VAN BOUILLON. De onbeduidende fragmenten,
die wij van de Dietsche bewerking over hebben, verplaatsen ons naar een
schitterende wapenschouwing over GODFRIED'S vazallen, die indruk moest
maken op de toehoorders als op den Sarraceenschen koning CORNUBRANT, die
haar vermomd bijwoont. De _Cassamus_ behelst eene der bewerkingen van de
_Alexander-sage_ en spreekt vooral van hoofschheid en van minne. De
_Borchgravinne van Vergy_ is een bevallig maar droef verhaal van de
liefdesbetrekking tusschen deze edelvrouw en een Bourgondisch ridder, op
wien ook de hertogin van Bourgondië verliefd is. De ijverzuchtige
hertogin brengt eerst de burggravin, daarna den ridder tot zelfmoord en
wordt zelve met den dood gestraft door haren gemaal, die dan als
Tempelridder naar Palestina trekt. Deze berijmde novelle vormt den
overgang tusschen den ridderroman en de riddersproke.

De sage van OGIER, een der dappere "genooten" van KAREL DEN GROOTE, was
hier te lande waarschijnlijk reeds vroeg behandeld. Men mag dat
vermoeden op grond eener vermelding in _Van den Levene ons Heren_ (vs.
10). Doch het is weinig waarschijnlijk dat daar gedoeld wordt op deze
Dietsche bewerking, die niet terug te brengen is tot een der bekende
Fransche bewerkingen. Zoo hebben ook de _Malegijs_, de _Huge van
Bordeeus_ en de _Valentyn en Nameloos_ met de Fransche bewerkingen dier
stoffen weinig meer gemeen dan eenige namen en voorname feiten. MALEGIJS
is de uit den roman van _de Heemskinderen_ bekende toovenaar; HUGE VAN
BORDEEUS: een leenman van CHARLEMAGNE, die onwetend des keizers zoon
doodt, daarvoor gestraft wordt met de opdracht om den baard en vier
tanden van den soudaan van Babyion te gaan halen en allerlei avonturen
gelukkig te boven komt door hulp van den tooverkoning OBERON. _Valentyn
en Nameloos_ behelst eene bewerking der zelfde sage, die in het latere
Fransche volksboek van VALENTIJN en OURSON wordt gevonden: de talrijke
bonte avonturen van een broederpaar, jong gescheiden, waarvan de een
door eene berin (wolvin) gezoogd is en door den ander, een volmaakt
ridder, overwonnen wordt, waarna zij als wapenbroeders de wereld
rondtrekken. VALENTIJN wordt ten slotte koning van Frankrijk, NAMELOOS
koning van Hongarije.

Het verhaal _van den Borchgrave van Couchi_ behandelt voornamelijk
COUCHI'S liefde tot BEATRIJS, echtgenoote van den Heer van Famweel en
zijn strijd met den bastaard MASEBROUC om het land van Ardennen. Meer
dan eens ook worden wij verplaatst aan het hof van koning KAREL DEN
KALE, tot wiens vazallen COUCHI behoort.

SEGHELIJN van Jeruzalem eindelijk is de zoon van een heidensch vorst;
zijne moeder heet BLANSEFLEUR. Hij wordt opgevoed door een visscher,
helpt CONSTANTIJN DEN GROOTE de overwinning behalen, huwt diens dochter
FLORETTE, wordt keizer van Rome en later paus. Vóór dien tijd heeft hij
de gelegenheid waargenomen bij zeven koninginnen de latere zeven vroeden
van Rome te verwekken; op deze wijze--natuurlijker en eenvoudiger kon
het niet!--heeft de dichter, zekere LOY LATEWAERT, zijn werk verbonden
met den naar de Zeven Vroeden genoemden roman.

Vergelijken wij deze ridderpoëzie met die uit ons Eerste Boek, dan
blijkt wel dat wij van verval mogen spreken.

Daar was nog gevoel voor het ridderwezen in zijn idealisme, zijn
heroïsme, zijne fijnheid van omgangsvormen; hier is daarvan weinig of
niets over. Zeker, ook het dorperlijke en onaesthetische vertoont zich
daar, doch tegenover die schaduw is er vrij wat licht. Maar hier? Wat is
er geworden van het gevoel voor het ridderwezen, van de ridderlijke
idealen? Ja, er wordt nog gestreden ook tegen de heidenen, maar de
bezieling is verdwenen. Avonturen en nog eens avonturen, wonderen het
een nog wonderbaarlijker dan het andere, moeten dat gemis vergoeden. De
_Limborch_ en de _Flandrijs_, die wij in het Tusschenspel leerden
kennen, mogen in dit opzicht beschouwd worden als schakels tusschen de
oudere en de jongere ridderpoëzie.

Staaltjes van gemis aan ridderlijk gevoel, dorperlijke opvatting, die
wij vroeger slechts hier en daar vonden, zijn hier maar al te rijkelijk
aanwezig. In geen der vroegere werken wordt het ridderwezen door lage
boert en platte grappen zoo naar beneden gehaald en onteerd als hier
niet zelden geschiedt. In het gedicht _van den Grimbergschen Oorlog_ dat
wij in het _Tusschenspel_ even vermeldden, moedigt Heer ARNOUT VAN
OYENBRUGGE de zijnen aan door hen indachtig te maken dat zij in hun
eigen land zijn, de vijand daarentegen op vreemd gebied moet strijden.
Hij bedient zich daarbij van deze vergelijking: een hond durft op zijn
eigen mesthoop veel beter dan een vreemde. Elders in dat gedicht lezen
wij, dat een schild wordt gekloofd als een raap[4]. Den dapperen OGIER
laat men struikelen over erwten, om hem zoo ten val te brengen[5]. In de
_Couchi_ wordt eene veete bij een zwerende puist vergeleken. Ridder
SEGHELIJN zegt van zich zelven:

  Ende so ic ben een quade sprute,
  So moet die pust breken ute.

Zijn ros Glorifier eet gebraden kapoenen. Als het dan staat te
likkebaarden, zegt zijn meester lachend tot het ros: dat is uwe ouders
nooit gebeurd, maar gij verdient het wel!" Nadat SEGHELIJN vijftien jaar
lang gevangen heeft gezeten op water en brood in een donker hol, doet
God een wonder aan hem: nu ziet hij er weer zoo goed uit, "alsof hij
zich had liggen mesten"[6].

Maar de _Malegijs_ spant hier de kroon.

MALEGIJS doet door zijne tooverkunsten een aantal ridders naakt een
rondedans uitvoeren en later onder groot gelach der omstanders op den
grond tuimelen; de dwerg SPYËT vermaakt zich daar kostelijk mede en
geeft den raad om ze als vogelverschrikkers in het koren te zetten.
MALEGIJS' oom, meester YVERT, lacht als REINAERT: "mi dochte dat ic
spleet". Beyaert, het edele ros der Heemskinderen, wordt door MALEGIJS
voor een kar met wijn gespannen. Dat was erger dan, met molensteenen aan
de pooten, in de Oise verdronken te worden! ROELANT spreekt smalend tot
CHARLEMAGNE over diens "grote coenheide"; gaat gij ons voor in het
gevecht, zegt ROELANT, dan vechten wij mee; maar vlucht gij, dan
vluchten wij ook[7].

Evenals de _Limborch_ en de _Flandrijs_ zijn ook deze werken slechts
voor een gering deel uit het leven ontstaan, doch grootendeels uit
herinneringen aan wat de vervaardigers elders gehoord of gelezen hadden.

De _Seghelijn_ is op-en-top een compilatie; vele bewijzen daarvan zijn
reeds vroeger bekend gemaakt en zij kunnen nog vermeerderd worden; ook
met den _Huge van Bordeeus_ en den _Valentijn en Nameloos_ is dat het
geval. In de overige werken kunnen wij eveneens telkens namen of
toestanden aantreffen die reeds in vroegere werken worden gevonden en
het beroep op "ouden jeesten" in den roman van _Couchi_ begrijpelijk
maken[8].

Doch waarin ook de ridderpoëzie van dezen tijd moge achterstaan bij die
van een vroeger tijdperk, niet in stichtelijkheid. In de onderscheidene
fragmenten van _Valentijn en Nameloos_ en in den _Malegijs_ vertoonen
zich telkens godsdienstige of op godsdienstigheid gelijkende invoegsels.
De voltooier van het gedicht op den Grimbergschen Oorlog betreurt het
zelfs, dat deze strijd gevoerd is tusschen Christenridders: hadden zij
gezamenlijk de Sarracenen bestreden, zegt hij, dan zouden wij hen mogen
prijzen. Aan het slot van zijn werk richt hij tot den edelman, voor wien
het werk bestemd was, een bespiegeling over de broosheid des levens en
een waarschuwing, dat hij rekenschap zal moeten afleggen van zijn doen
en laten[9]. Maar eerst in den _Seghelijn_ viert de stichtelijkheid
hoogtij! Allerlei wonderen worden verricht door onderscheidene
reliquieën van CHRISTUS: den geesel, het "vergulde vat", waar JEZUS
azijn met gal gemengd uit dronk, de doornenkroon en de spijkers van het
kruis. De gebeden zijn hier uitermate lang; andere stichtelijke passages
niet zeldzaam. Als SEGHELIJN honger heeft, daalt een soort manna voor
hem uit den hemel. Op zijn wensch krijgt dat brood daarna den smaak van
een kapoen en later zelfs van wijn. De stichtelijkheid komt hier
gevaarlijk dicht bij het sprookje van "tafeltje dek je"! SEGHELIJN zelf
wordt als een soort van Graalridder voorgesteld: als hij nadert laat een
geesel met vijf knoopen, waarmede JEZUS gegeeseld is, droppels bloed
vallen; zelfs de speer uit de Graal-sage wordt hij waardig gekeurd[10].

Wel strooken met deze begeerte tot stichten de vermaningen en
moralisaties, die in den _Ogier_ zijn gevlochten, en het didactisch
element in dat werk en den _Seghelijn_. In den laatsten roman vinden wij
een tooneel, waar de held door zijne moeder BLENSEFLUER gekust wordt.
Verraders, die de verhouding der koningin tot den jongeling niet kennen,
beschuldigen SEGHELIJN in des konings tegenwoordigheid van ongeoorloofde
verstandhouding met de koningin. "Schurk," zegt SEGHELIJN, "men omhelst
en kust elkander dikwijls in eer en deugd. Wat overigens de kussen
betreft, er zijn vier soorten: "van moeder, van lieve, van peise en van
grieve." Deze scholastieke indeeling en de elders voorkomende "questiën"
met de daarbij behoorende antwoorden verplaatsen ons naar het trivium en
het onderwijs in de dialectiek.

Het geringe gevoel voor de ridderlijke idealen, de neiging tot
stichtelijkheid en didactiek hebben reeds het vermoeden kunnen wekken,
dat de literaire waarde dezer werken niet groot zal zijn. Het
compilatorisch karakter alleen zou voor dat vermoeden te weinig grond
geven; want ook al heeft men dat vastgesteld, dan blijft altijd nog ter
beantwoording deze vraag: Wat hebben de dichters van de door hen
ontleende stoffen gemaakt?

Maar ook op die vraag kan men bezwaarlijk anders antwoorden dan: weinig
moois of verdienstelijks. De _Cassamus_ en vooral de _Borchgravinne van
Vergy_ zijn vloeiend, hier en daar bevallig, vertaald; doch naar het
schijnt hebben deze vertalingen overigens weinig eigens. De meer
zelfstandige werken verheffen zich soms tenauwernood boven het
middelmatige en blijven niet zelden daarbeneden. In den _Couchi_ vindt
men wel eens aardige verzen; zoo b.v. deze:

  Daer so hadde een worm ghebeten
  Diepe in ziere rosen blat,
  So dat nemmermeer dat gat
  Conde heelen noch genezen.

In den _Malegijs_, die overigens vooral in den versbouw een ongeoefende
hand verraadt, vindt men hier en daar niet onverdienstelijke
minne-lyriek[11]. Doch over het algemeen is de oogst van het goede of
verdienstelijke uiterst schraal. Hoe zou dat ook anders kunnen zijn,
waar de dichters van de beide minst afhankelijke werken telkens toonen
hoe weinig zij _in_ hun verhaal zijn. Den vervaardiger van den
_Seghelijn_ zien wij telkens het oog afwenden van zijn verhaal en zijne
personages, om het op zijn eigen tijd te richten; gewoonlijk wordt hij
daartoe gedreven door het verlangen om te waarschuwen, te vermanen of te
berispen. Hij handelt dan over de trouweloosheid en de kijfzucht der
vrouwen, de wellustigheid der mannen; ontraadt zijn publiek, een dief
van de galg te bevrijden; hij wekt den dommen mensch op, God te erkennen
in Zijne kracht en Hem steeds te dienen[12]. In den roman _van Couchi_
vinden wij evenzoo b.v. een uitval tegen het ridder worden zonder den
ridderslag; over den ootmoed, die de vrouwen past; eene bespiegeling
over "een crudekijn, heet nijt", in den geest, waarin later WILLEM VAN
HILLEGAERTSBERCH zal spreken "van enen cruut ende hiet selve".

Niet bij toeval komt, aan het eind van dit overzicht der ridderpoëzie in
verval, de naam van een Hollandschen spreker, die de gemeenten
vertegenwoordigt. Die naam is een vingerwijzing naar de dingen die
komen. De ridderschap als instelling had uitgeleefd, maar niet vergeefs
geleefd. Trouw aan den heer; eergevoel, dat geen smet op het blazoen
duldde; vereering der vrouw; toewijding, die met mannenmoed desnoods het
leven op het spel zette, waar een der ridderlijke idealen te verdedigen
viel; begeerte om het leven ook door de kunst schooner en aangenamer te
maken--naar zulke dingen had de ridderschap gestreefd. En al heeft zij
die slechts gedeeltelijk bereikt, al waren hare handelingen dikwijls in
openbaren strijd met hare beginselen, desniettemin hebben die idealen,
door haar voor het eerst verkondigd en voorgestaan, als een zuurdeesem
ook in het leven dezer volken gewerkt en zijn zij dat blijven doen.



AANTEEKENINGEN

TIJDSBEPALING.

De Fransche roman van _Berte aus grans piés_ is door ADENET LE ROI
omstreeks 1275 gedicht, de Mnl. bewerking kan dus hoogstens uit het
laatst der 13de eeuw dagteekenen. (Vgl. _Les Epopées françaises_ III,
7). De Fransche roman van _Le Chevalier au Cygne_, waarop wij hier het
oog hebben, dagteekent uit de 14de eeuw. Zie _Mnl. Ep. Fragm._, bl. 253.
Onze vertaling dus ten minste evenzeer. Over den tijd der vervaardiging
van _Cassamus_ vgl. ed. VERWIJS, Inl. XXVIII; het Fransche gedicht
dagteekent van omstreeks 1312; zie: HOOGSTRA, _Proza-bewerking van het
Leven van Alexander den Groote_, Inl. p. XX; de volledige bewerking der
_Borchgravinne van Vergy_ is van 1315; zie vs. 1119 vlgg; de Fransche
_Lohier et Mallart_ moet uit de 14de eeuw zijn: zie _Mnl. Ep. Fragm._,
bl. 266; de overige werken: _Ogier_, _Malegijs (Maugis d'Aigremont)_,
_Huon de Bordeaux_ behooren in de Fransche literatuur tot het tijdvak
der décadence van de ridderpoëzie (laatst der 13de en aanvang der 14de
eeuw) en moeten dus in hun Dietschen vorm ook tot de 14de eeuw gebracht
worden; trouwens de geest der bewerkingen zelve wijst ons ook naar dien
tijd. Het is ook opmerkelijk, dat b.v. in den _Malegijs_ verscheidene
vreemde woorden voorkomen, die men uitsluitend of vooral in werken der
14e eeuw aantreft, zooals: athoer, bolle, calant, tfaliant, fardeel,
rabat, respons, mastijn en andere op p. 193, 201, 203, 205, 207. De
_Seghelijn van Jeruzalem_ dagteekent van omstreeks 1333-1350 (zie:
Inleiding ed. VERDAM, IV). _Van den Borchgrave van Couchi_ wordt door DE
VRIES m.i. terecht in het tweede vierdedeel der 14de eeuw geplaatst; (zie
_Tijdschr. v. N.T. en L._, VII, 129-131). De roman _van Valentijn en
Nameloos_ vertoont in opzet, samenstelling en bewerking zooveel
overeenkomst met de hierboven genoemde, dat ik meen hem tegelijk met de
overige hier te moeten behandelen.

[1] no. 1 afgedrukt achter MOLTZER'S _Floris ende Blancefloer_, bl. 131
vlgg., no. 2 in _Mnl. Ep. Fragm._, XIII; no. 3 uitg. VERWIJS in: _Bibl.
van Mnl. Lett._, 2e afl.; no. 4 _Mnl. Ep. Fragm._ en _Tijdschr. v. N.T.
en L._, XII, 241 vlgg.; no. 5 uitg. STOETT in: _Klassiek Lett.
Pantheon_. (Zutphen. W.J. THIEME EN Co).

[2] Ik bediende mij voor no. 1 van de uitgave door MATTHES in _Taal- en
Letterbode_, VI, 241 vlgg.; no. 2: _Madelghijs' Kintsheit_ ed. N. DE
PAUW; nieuwe fragmenten in _Tijdschr. v. N.T. en L._, XV en XX en
_Romania_, 1897; no. 3-4 in _Mnl. Ep. Fragm._, XI-XII; nieuwe fragmenten
in _Tijdschr._, XVII en XI (daarbij te verg. XI, 229 vlgg.).

[3] De _Couchi_ is uitgeg. door DE VRIES in: _Tijdschr. v. N.T. en L._,
VII, 97-250. DE VRIES hield dit werk voor eene vertaling uit het Fransch
en meende zelfs dat dit "nauwelijks aanwijzing behoefde." Wat hij
aanvoert als grond voor zijne meening, is echter zwak (_Tijdschr._, VII,
124). Alleen de vele hier voorkomende Fransche woorden schijnen grond te
geven; inderdaad kunnen zij dat niet doen; in den _Limborch_,
_Flandrijs_, _Seghelijn_, _Leven van Sint Amand_ en menig ander, _niet_
uit het Fransch vertaald werk van dezen tijd, komen eveneens vele
Fransche woorden voor. Daarentegen wijzen de naam _Masebrouc_ en de
verklaring van dien naam door den dichter (II, 371-374) er op, dat wij
hier een oorspronkelijk Dietsch werk hebben. Ons verhaal behelst eene
gansch andere geschiedenis dan die van den _Châtelain de Coucy_ en
nergens blijkt dat er nog eene andere Fransche bewerking is geweest.
Indien men let op de meerdere zelfstandigheid bij de bewerkers van
ridderromans uit dezen tijd, die blijkt o.a. uit _Limborch_, _Flandrijs_
en _Seghelijn_, ook uit de andere in den tekst genoemde romans; op de
vermenging van verdichting en quasi-historische werkelijkheid, die ook
in den _Limborch_ wordt aangetroffen, en op het didactisch karakter van
het bewuste werk--dan zal men het met voldoenden grond voor een
Nederlandsch werk mogen houden.

Bovendien schijnen nog tot de 14e eeuw te moeten worden gebracht: 1o.
een roman _van Cesar_, uitgeg. door N. DE PAUW in _Mnl. Ged._, III, 530
vlgg., naar het schijnt uit het Fransch vertaald; 2o. een roman _van
Octaviane_, door BOENDALE vermeld in _Der Leken Spieghel_, III, c. 15,
vs. 125.

[4] II, 1681-5; 3017-'9.

[5] _Taal- en Letterbode_, VI, 261.

[6] _Couchi_, II, 248-250; _Seghelijn_, vs. 640-2; 3134 vlgg.; 5934.

[7] _Fragmenten_ (ed. DE PAUW), bl. 69, 71, 75, 81, 85, 129, 133.

[8] In den _Seghelijn_ personages uit de Karel-sage (GAURES en ROHAERT);
vooral de _Flandrijs_ is nagevolgd, zie _Inl._, VI. Den reus GRAPAERT
vinden wij terug in AGRAPART uit den _Huge van Bordeeus_; een visscher
die een hooggeboren kind bij zich neemt, komt voor ook in _Aiol_;
SEGHELIJN leeft in het bosch van vruchten en kruiden (2885-'9) gelijk
PARTONOPEUS; zijn paard wordt hem, terwijl hij ligt te slapen,
ontstolen, zooals Beiaert aan REINOUT. De naam FLORETTE ook in
_Karlmeinet_. De paardenaam Blankaert uit _Loyhier en Malaert_ ook reeds
in _Aubri de Borgengoen_; de naam van het zwaard Scaerdelijn in _Val. en
Nam._ ook reeds in _Aiol_; de dans van betooverde ridders in den
_Malegijs_ ook reeds in den _Lancelot_, I, bl. 109, vs. 122-3; NAMELOOS
heeft een onzichtbaar makenden ring en knots evenals de dwerg SPYËT; de
auteur v.d. _Malegijs_ heeft geput uit _Patricius' Vagevuur_ en den
_Brandaen_ (_Romania_, p. 504). Vgl. voorts _Mnl. Ep. Fragm._, bl. 206,
210, 228. En nog noem ik niet alles.

[9] II, 5203 vlgg. en 6167-'73.

[10] Vgl. vs. 1311 vlgg.; 2100 vlgg.; 2124-'47, 2742-2882; 5837-5903;
3318 vlgg.; 6200 vlgg.

[11] _Couchi_, II, 195-198; _Mal._ (fragm. DE PAUW), bl. 77, vs. 130
vlgg.; 79, vs. 141 vlgg.

[12] Vgl. vs. 182-'5, 202-'5, 4641-'3, 5472-'8, 9792-'4, 10476-'81.



GEESTELIJKE EPISCHE POËZIE EN PROZA.


1. POËZIE.

  1. Der Ystoriën Bloeme. Leven van S. Lutgart. Leven van S. Kerstine.
  Leven van S. Amand. Leven van S. Kunera van Rhenen.

  2. Vaghevier van S. Patricius. Boec van den Houte. Legende van het H.
  Kruis. Theophilus. Beatrijs. Jonitas en Rosafiere.

Evenals de ridderpoëzie is de geestelijke poëzie van dezen tijd ten
deele eene voortzetting der vroegere. Dat geldt in de eerste plaats van
een aantal heiligenlevens, waarvan enkele misschien uit het laatst der
13de eeuw zijn, andere waarschijnlijk tot de 14de eeuw behooren; een er
van, _het Leven van Sint Amand_ is van 1366.

In _Der Ystoriën Bloeme_ hebben wij aanzienlijke fragmenten over van een
groot werk, dat volgens den proloog de levens der apostelen, der
martelaren en confessoren en die van heilige vrouwen en maagden zou
bevatten. Slechts de levens der apostelen zijn tot ons gekomen. Om den
afgebroken zinbouw, de vrij talrijke assoneerende rijmen en een zeker
waas van oudheid dat over dit werk ligt, zou het mij niet verwonderen,
indien latere vondsten ons toonden dat het nog in de 13de eeuw is
ontstaan; doeh zekerheid daaromtrent is voorloopig niet te verkrijgen.
Ook niet omtrent de vraag of een kleine 500 verzen van een dergelijk
werk over apostelen en martelaren, als "Sinte Pouwels jonghers", "Sinte
Tecla", "Sinte Nasarius en Celsus" deel van _Der Ystoriën Bloeme_ heeft
uitgemaakt. Men zou geneigd zijn, de vraag ontkennend te beantwoorden,
omdat de assoneerende rijmen, daar vrij talrijk, hier ontbreken. Het
eerste werk is zeker uit het Latijn vertaald, het tweede waarschijnlijk
ook, daar het verwijst naar een martyrologium[1]. Uit het Latijn
vertaald zijn ook het _Leven van Sinte Lutgart_ door zekeren "broeder
GERAERT" en dat _van Sinte Kerstine_. Voorts het _Leven van Sinte Amand_
dat vervaardigd is door zekeren GILLIS DE WEVEL, vertaald uit het
Latijn, onder gebruikmaking van geschriften als UTENBROEKE'S _Spieghel
Historiael_; en ten slotte mag misschien een gedicht _van Sinte Kunera
van Rhenen_, "hare gheboerte, hare passie en die verheffinge", ook nog
tot de 14de eeuw gebracht worden[2]. De vijf eerstgenoemde werken zullen
wel alle uit Zuidnederland afkomstig zijn; het laatste schijnt, naar het
dialect te oordeelen, in Gelderland te zijn ontstaan; is dat zoo, dan
ligt het vermoeden voor de hand, dat het in Rhenen zelf of de omstreken
van dat stadje zal zijn vervaardigd.

Voor de geschiedenis der Roomsche kerk mogen deze heiligenlevens van
niet geringe beteekenis zijn--in die der Nederlandsche literatuur kunnen
zij slechts een bescheiden plaatsje innemen. In geen dezer werken vindt
men iets dat op poëzie ook maar gelijkt en weinig of niets
karakteristieks. _Der Ystoriën Bloeme_ bevat slechts gebrekkig berijmd
proza, de levens _van S. Christina_ en _S. Lutgart_ zijn beide
letterlijk vertaald uit het Latijn van THOMAS VAN CANTIMPRÉ en toonen
weinig of niets eigens; de verzen in deze beide werken, ten minste in
_S. Lutgart's Leven_ zijn beter dan die in de twee eerstgenoemde[3]. Ook
de beide andere heiligenlevens, vooral dat _van Sinte Kunera_ hebben
voor de geschiedenis der literaire kunst weinig te beteekenen. Van eene
reactie tegen de ridderpoëzie, zooals in de geestelijke poëzie van een
vroeger tijdvak, is hier weinig te bespeuren. Het eenige van dien aard
waarop men zou kunnen wijzen is deze in het _Leven van Sinte Christina_
gevoegde opwekking:

  En neemt meer bispel aen de papen
  Dan aen riddre ocht aen knapen[4].

Ook zou men hiertoe kunnen rekenen eene vergeestelijking van het
koningspel die men vindt in het _Leven van Sint Amand_. De samensteller
van dat laatste rijmwerk richt zich niet zelden tot zijne hoorders om
hen te vermanen, te waarschuwen of te berispen[5]. In die, trouwens
weinig beteekenende, deelen van zijn werk vinden wij dus iets eigens.
Zoo geeft ook de vertaler der _Vita_ van de H. CHRISTINA op een enkele
plaats een bewijs zijner kieschheid[6]. Daarmede hebben wij alles
genoemd, wat hier vermelding verdient; eene schrale oogst, zooals men
ziet.

Naast deze vertaalde heiligenlevens staan, evenals in de ridderpoëzie
van dezen tijd, eenige andere werken, die van meer zelfstandigheid
getuigen of inderdaad oorspronkelijk mogen heeten. Een overgang tusschen
beide soorten vormt het, waarschijnlijk uit het Latijn vertaalde,
gedicht _Van den Vaghevier dat sente Patricius vertoghet was_[7]. Wij
vinden hier eene beschrijving van een tocht naar het Vagevier, die
volbracht werd door zekeren ridder, en van al de geheimenissen, door hem
in de grot van den H. PATRICIUS op het eiland Ulton gezien. Het verhaal
had diepen indruk gemaakt op den bewerker, die ons mededeelt:

  ... noit en quam mi dicht soe na

doch hij is er niet in geslaagd zijne indrukken te verwerken tot een
letterkundig voortbrengsel van eenige beteekenis. Wij mogen de oorzaak
der zwakheid van het werk niet zoeken in de opvatting van den dichter,
voor wien het Vagevier iets stoffelijks was ("materelic"), evenals de
pijnen, die de zielen er te doorstaan hadden. Dat was immers de
algemeene opvatting dier dagen, die men terugvindt o.a. in een
13de-eeuwsch gedicht _Le Purgatoire Seint Patriz_ van MARIE DE FRANCE,
en zelfs bij DANTE. Maar de bewerker of vertaler was blijkbaar iemand
van geringe poëtische vermogens. Niet veel hooger stond de bewerker van
_dboec vanden houte_, een der talrijke middeleeuwsche verhalen over de
voorgeschiedenis van JEZUS' kruis. Volgens dit verhaal ontving ADAM'S
zoon SETH van den hemelschen wachter bij het Paradijs drie pitten van de
vrucht, aan den boom der kennis gegroeid. SETH legde deze pitten in den
mond van zijn stervenden vader en begroef ze met het lijk. Uit de drie
pitten schoten drie loten op: ceder, cypres en pijnboom, zinnebeelden
van Vader, Zoon en H. Geest. DAVID plantte ze over naar Jeruzalem, waar
zij opwiessen en samengroeiden tot één boom. SALOMO liet den boom
ombouwen om hem bij zijn tempelbouw te gebruiken. Na allerlei
lotgevallen wordt deze stam later gebezigd om er een kruis voor CHRISTUS
uit te maken.

Naar het schijnt, heeft de bewerker der Nederlandsche legende zijne stof
aan het Latijn ontleend en haar vrij zelfstandig bewerkt[8].

Een zwak dichter was ook de man, die eene legende _van het Heilige
Kruis_, verbonden met een verhaal van Denen in Brabant, heeft
berijmd[9]. Blijkbaar kende de auteur dezer legende de vroegere
speelmanspoëzie: een koning (hier DAVID BRUCE, koning van Schotland) die
wenscht te huwen, die boden zendt tot een anderen koning (MAGNUS van
Denemarken) "over mere" om de hand zijner dochter, het uitrusten van een
schip--dat zijn, gelijk wij vroeger hebben gezien gewone motieven uit de
speelmanspoëzie[10]. De prinses, die met dat schip overgevoerd zal
worden, sterft onderweg; de Denen durven zonder haar niet in Schotland
komen, maar besluiten te landen aan de Brabantsche (Zeeuwsche?) kust en
zich daar te vestigen. Op een verkenningstocht komen zij in de buurt van
Breda, waar zij eene burcht bouwen, die den naam van Brunensteen krijgt
en weldra een roofnest wordt. De roovers maken het ten laatste zoo bont,
dat zij op bevel van den hertog van Brabant door den Heer VAN WESEMAELE
worden verslagen; hun burcht wordt geslecht.

Deze Denen zijn door den bewerker voorgesteld als Christenen, wat
kwalijk past bij hun gansche bedrijf, maar noodig was om verband te
kunnen brengen tusschen hunne geschiedenis en die van het Heilig Kruis.
In hunne kapel hadden de Denen namelijk een kruis gemaakt, dat na de
slechting van den burcht in de kerk van Breda geplaatst werd en daar
menig wonder deed.

Misschien is in dit verhaal een nagalm van de rooftochten der Noormannen
blijven hangen; zeker is, dat noch in de wijze waarop de beide deelen
zijn verbonden, noch in de bewerking van het geheel eenige
kunstvaardigheid of iets literair karakteristieks valt op te merken.

Meer van dien aard is er in twee van de drie Maria-legenden, welke uit
deze eeuw dagteekenen: de geschiedenis _van Theophilus_, _van Beatrijs_
en _van Jonitas en Rosafiere_[11]. Dit vers uit _Beatrijs_:

  Goet berou mach als ghewouden [Zijnoot: alles goedmaken.]

en deze andere waar sprake is van MARIA:

  Wie aen u soect ghenade,
  Hi vint se, al comt hi spade.

behelzen de kern der beide eerstgenoemde werken. THEOPHILUS komt ten val
door eerzucht, BEATRIJS door onkuischheid; beiden krijgen om hun oprecht
berouw genade door tusschenkomst van de Heilige Maagd.

THEOPHILUS, een weldadig en aanzienlijk man, om zijne vroomheid geliefd
door den bisschop zijner woonplaats, wordt door dezen tot zijn opvolger
gekozen. Uit bescheidenheid weigert hij; een ander krijgt de hem
toegedachte plaats. Kwaadstokers zetten den nieuwen bisschop tegen
THEOPHILUS op; hij wordt van het bisschoppelijk hof verbannen; niemand
ziet meer naar hem om. Nu begint zijn strijd; hij vergelijkt zijn
vroeger aanzien bij zijne tegenwoordige versmaadheid. Een driftig
verlangen naar herstel in zijn vroegeren staat maakt zich van hem
meester; elk middel daartoe is hem goed genoeg. De Booze sluipt zijn
ziel binnen. Heimelijk onderzoekt THEOPHILUS of er ook iemand in de stad
is, die zich bezig houdt met tooverij of gemeenschap houdt met den
duivel. Ten laatste verneemt hij, dat er een Jood is die zijne ziel
heeft overgegeven aan den Booze en die menig ander daartoe heeft
gebracht op hoop van gewin. Te middernacht staat hij stilletjes op en
spoedt zich naar het huis van den Jood. Op zijn herhaald aandringen
opent deze de deur en verneemt de reden van zijn komst. Indien gij uwen
God en uw geloof wilt afzweren, zegt de Jood, dan zal ik u helpen. Den
volgenden nacht neemt hij THEOPHILUS met zich naar een "dwerse strate";
daar zien zij zwarte gedaanten die, kandelaars dragend, loopen te
zingen. Een hunner aanbidden zij: dat is hun heer LUCIFER. Vóór hem
gebracht, kust THEOPHILUS Satans voeten en verloochent God. De Booze
belooft hem zijn vroeger aanzien te zullen wedergeven. Dat geschiedt.
Maar na eenigen tijd ontwaakt het berouw. Hij zoekt troost en vergeving
bij MARIA.

In de tweede helft van het verhaal vinden wij zijne weeklachten tot de
Heilige Maagd, eene verheerlijking van hare goedheid, hare samenkomsten
met den berouwvollen zondaar en de vergiffenis, die zij voor hem weet te
verwerven. Ten slotte biecht THEOPHILUS wat er met hem gebeurd is aan
den bisschop en sterft kort daarna.

Deze geschiedenis bemoedigde BEATRIJS, toen zij, op hare beurt in zonde
gevallen, berouwvol haar hart voor de Heilige Maagd uitstortte. Zij was
eene hoofsche schoone non, die in een klooster den dienst van kosteres
getrouwelijk waarnam. Maar de duivel, die ons dag en nacht belaagt, doet
het vuur van den wellust in haar hart ontgloeien, zóó dat zij meent te
zullen bezwijken. Met vasten en bidden gaat zij den Booze te keer;
vergeefsch is haar strijd. Zij weet, dat zij moet vallen. Een brief van
hare hand aan een minnaar, een vriend harer jeugd, brengt dezen in het
klooster. Nog acht dagen, dan zal hij wederkomen met mooie kleeren voor
haar en geld voor hen beiden. 's Nachts vindt zij haar vriend in den
kloostertuin. Zij verkleedt zich onder eene wilde roos, hij tilt haar
vóór zich in den zadel; nu begint het te dagen in den oosten; onder het
zingen der vogels rijden zij het bosch in.

Zeven jaren lang leven zij in een vreemd land en krijgen twee kinderen.
Dan blijkt het geld verteerd, zij vervallen tot armoede, de armoede
verjaagt de liefde--bij den man. Heimelijk verlaat hij haar en hunne
kinderen. BEATRIJS kent geen ambacht; hoe zal zij voor hare kinderen
zorgen? Zich zelve geeft zij prijs. Zeven andere jaren worstelt zij zóó
door, in schande en kommer. Dan doet het berouw zijne stem luider en
luider hooren. Zij walgt van hare kostwinning. Bedelend trekt zij met
hare kinderen terug naar haar land en haar klooster en wordt uit
barmhartigheid opgenomen door eene weduwe, die bij het klooster woont.
Op hare vraag naar de kosteres BEATRIJS verneemt zij, dat deze nog
altijd in het klooster haren dienst getrouwelijk verricht. Een wonder is
geschied: MARIA zelve heeft den dienst waargenomen voor de zondige non,
die altoos, ook in de dagen van zonde en schande, haar _Ave Maria_ is
blijven bidden. Diep ontroert dat bericht de zondares. In tranen en
gebeden brengt zij nu hare nachten door. Is er vergeving voor haar?
"Maria, vrouwe, in een vurigen oven zou ik kruipen, mocht ik daardoor
vergiffenis verwerven." Eene stem in den nacht verkondigt haar, dat
MARIA zich haars ontfermt; zij moet zich heimelijk naar het klooster
begeven; de deur, waardoor zij eens is ontvlucht, zal open staan. Zij
treedt de kerk binnen; daar ligt haar kloostergewaad op het altaar en
hangen de sleutels der sacristie waar zij die had opgehangen dien
laatsten keer vóór hare vlucht. Het uurwerk slaat middernacht; als
vanzelf grijpt zij het klokketouw en begint te luiden voor de metten;
daar komen de nonnen afgedaald van den dormter en alles gaat als
vroeger. De abdis heeft zich, op verzoek der weduwe, die waant dat de
moeder heimelijk gevlucht is, met het onderhoud der kinderen belast.
Maar altijd blijft BEATRIJS bezwaard met het geheim van haar zondig
leven. Een visioen in den slaap brengt haar eindelijk tot volledige
biecht aan een abt bij zijn jaarlijksch bezoek aan het klooster. Evenals
de bisschop in het verhaal van THEOPHILUS, maakt ook de abt de
geschiedenis openbaar; doch anders dan de bisschop, verzwijgt hij den
naam van haar, wie deze dingen gebeurd zijn.

Zooals reeds uit het overzicht dezer twee verhalen kan zijn gebleken,
wint de _Beatrijs_ het van den _Theophilus_ in belangwekkendheid en
volheid van leven. THEOPHILUS is een der velen van wie in de
middeleeuwen het verhaal ging, dat zij zich aan den duivel verkocht
hadden; in de middeleeuwsche literatuur is dat niets bijzonders; met het
oog op dat punt van overeenkomst de figuur van THEOPHILUS naast die van
FAUST te plaatsen, heeft weinig zin. Alles hangt ook hier af van de
wijze, waarop een dichter eene dergelijke stof behandelt. Wat heeft
deze, ons onbekende, dichter van zijne stof gemaakt? Naar het schijnt
heeft hij andere bewerkingen der Theophilus-sage, die in de _Acta
Sanctorum_, de Latijnsche metrische bewerking van MARBODUS, bisschop van
Rennes, en eene Fransche van GAUTHIER DE COINSY, gekend en gebruikt.
Daardoor wordt de oorspronkelijkheid van zijn werk binnen vrij enge
grenzen beperkt. Echter heeft hij binnen die grenzen toch werk geleverd,
dat, hoe ongelijk ook, hier en daar verdienstelijk mag heeten. Niet
zelden schrijft hij passages waar gang en warmte in zijn, zoo b.v.
THEOPHILUS' bede om verschoond te mogen blijven van het bisschopsambt en
zijne berouwvolle weeklachten; levendig is het eerste onderhoud met den
Jood en belangwekkend naar den inhoud dat nachtelijk "manscap doen" aan
den Booze. Maar daartegenover staan te veel andere deelen van het
verhaal, waar onze belangstelling niet gaande wordt gehouden, de
wijdloopigheid ons verveelt, de dichter beneden zijn onderwerp blijft.

Voor een deel moet de zwakheid van zulke deelen natuurlijk worden
toegeschreven aan het middelmatig talent van den dichter; voor een ander
deel waarschijnlijk ook hieraan, dat hij niet zóózeer in zijne stof
verdiept was als een kunstenaar zijn moet om iets goeds voort te
brengen. Meer dan eens laat hij zijn verhaal in den steek om zich te
richten tot zijne tijdgenooten, om hen te berispen of te vermanen; zoo
o.a. waar hij klaagt over het gebrek aan nederigheid, waar hij zich
keert tegen de huichelaars, waar hij uitweidt over het onheil, door
booze tongen aangericht[12].

Anders dan de auteur van _Theophilus_, was de, eveneens onbekende,
dichter van _Beatrijs_ geheel _in_ zijn verhaal. Hij moge in den aanvang
terloops een blik slaan op de hedendaagsche nonnen, en
elders--begrijpelijk in eene Maria-legende--met een paar woorden
opwekken tot het bidden van een "Ave" wanneer men MARIA'S beeld
voorbijgaat--doorgaans toont hij zich geheel vervuld van zijn verhaal en
weet ons daarvan vervuld te houden.

Blijkbaar was de stof den dichter bekend geworden door mondelinge
overlevering, geen voorbeeld bond of belemmerde hem en die vrijheid van
beweging is aan zijn werk ten goede gekomen.

Welk een gevoelige ingetogen kunst valt hier te bewonderen in de wijze
waarop de schoone non is uitgebeeld in haar strijd met den
vleeschelijken hartstocht, met "Venus die duivelinne" zooals het lied
_van Heer Daniëlken_ het uitdrukt. Zij heeft gevast en gebeden, zich
gekastijd--alles tevergeefs; zij meent te zullen sterven in dien strijd.
Voor MARIA'S beeld stort zij nacht en dag hare klachten uit; wat baat
het? Zij vreest krankzinnig te zullen worden.

Echter hield des dichters vroomheid zijne verbeelding hier gestadig in
toom. De schoonheid der non beschrijven, acht hij niet oorbaar; haar
leven als "ghemene wijf" gaat hij voorbij. Op één plaats vlamt de
hartstocht op: wanneer de gelieven onder vogelgezang in het heldere
licht door de groene velden en de bosschen rijden en de jonkman BEATRIJS
verlokken wil om af te stijgen en zich minnelijk naast hem neer te
vlijen in het gras, vaart zij, beleedigd in hare kieschheid, tegen hem
uit: een dorper alleen zou zoo iets voorstellen! Maar, toorn van
gelieven is hernieuwing van liefde; bedwongen hartstocht doet haar
zeggen:

  Waric in hemelrike gheseten,
  Ende ghi hier in ertrike,
  Ic quame tot u sekerlike.

Zelf schrikt zij van die opvlamming en bidt God om vergiffenis; zij
haast zich erbij te voegen dat de minste vreugde van den hemel verre
staat boven alle aardsche genot. Wijs zijn zij, die daarnaar streven;
"maar desniettemin moet ik in zonde vervallen om der wille van u,
schoone lieve vriend." Duidelijker nog zal deze strijd tusschen
vroomheid en hartstocht worden voor wie in de allerbevalligste Fransche
novelle _Aucassin et Nicolette_ eene dergelijke uiting, hier van een
minnaar, vergelijkt met die van BEATRIJS en ziet hoe teugelloos de
hartstocht daar voortschiet[13]. Met naïef-teedere intuïtie heeft de
dichter ons het gevoel van beklemdheid getoond, dat BEATRIJS bevangt
onder het rijden, als de dag gaat doorbreken en hare gedachten
terugvliegen naar het klooster, waar zij anders "priemtijt" zou hebben
geluid. Welke bevallige miniaturen zien wij in dat tooneeltje der beide
gelieven aan weerszijden van het getraliede venster en later in den
boomgaard! Hoe goed zijn ook de bouw en de evenredigheden dezer novelle,
die door hare zachte bevalligheid de forscher schoonheid van den _Karel
en Elegast_ naar de kroon steekt.

Geen wonder dat zulk een verhaal indruk maakte, dat men den invloed er
van gewaar wordt in het derde bovengenoemde Maria-verhaal: van _Jonitas
en Rosafiere_. JONITAS, een jong en vroom ridder, tevens vurig vereerder
van MARIA, is verloofd met de schoone ROSAFIERE. Op last van MARIA zegt
hij haar echter vaarwel; ROSAFIERE, onder een ongunstig gesternte
geboren, moet haren vader een kind baren en zeven jaren lang een zondig
leven leiden. JONITAS trouwt nu "t'Oriënten" ROSAFIERE'S zuster
EGLENTINE. In den bruidsnacht neemt ROSAFIERE, met toestemming harer
zuster, EGLENTINE'S plaats in. Zij weet hare kuischheid te bewaren en
JONITAS het geheim van hare toekomst te ontlokken. Op haar verzoek
brengt hij haar in een klooster van Grauwe Nonnen, waar zij portierster
wordt. Haar vader keert terug uit den oorlog tegen de Sarracenen,
verneemt waar zij is, verkoopt zijne ziel aan den duivel, dringt met
Satan's hulp het klooster binnen en maakt de voorspelling tot waarheid.
JONITAS brengt ROSAFIERE naar een ander land, waar zij zeven jaren lang
een zondig leven leidt. Nadat die zeven jaren verloopen zijn, brengt hij
haar terug in haar klooster en verneemt, dat MARIA al dien tijd
ROSAFIERE'S dienst heeft waargenomen. ROSAFIERE zal abdis worden,
JONITAS met zijne echtgenoote spoedig in het hemelrijk worden opgenomen.

Reeds uit dit overzicht zal gebleken zijn, dat dit verhaal op een paar
punten overeenkomst vertoont met dat van _Beatrijs_[14]. Andere deelen
er van vindt men in andere middeleeuwsche dichtwerken terug. Zoo is het
b.v. opmerkelijk, dat wij het motief der dochter, die haren vader
ontvlucht om bloedschande te ontgaan, aantreffen juist in een paar
Fransche Maria-mirakelen van dezen tijd[15]. Een ander motief: het
verwisselen eener bruid in den bruidsnacht, treffen wij aan o.a. in de
geschiedenis _van Tristan_, in die _van Baerte metten breden voeten_ en
een Fransch "conte dévot"[16]. Ook de roman _van Limborch_ schijnt den
vervaardiger van dit Nederlandsch werk niet onbekend te zijn
geweest[17].

De wijze, waarop deze en andere bestanddeelen van dit verhaal zijn
verbonden, getuigt evenmin van eenig letterkundig talent als de
bewerking van het geheel.

Zoolang wij omtrent dit rijmwerk niet meer gegevens hebben dan nu, is
niet met voldoende zekerheid te zeggen of het inderdaad nog tot de 14de
eeuw behoort, evenals de twee overige Maria-verhalen; inhoud, taal en
dichttrant maken het m.i. wel waarschijnlijk, doch het zou ook wel uit
den aanvang der 15de eeuw kunnen dagteekenen. Al ware dit bewezen, dan
nog zoude het hier niet misplaatst zijn als een half-geestelijke,
half-ridderlijke, onaanzienlijke nabloeier der vroegere poëzie.


2. PROZA.

  Heiligenlevens en Wonderverhalen. Leven van Alexander den Groote.
  Reisverhaal van Joannes Witte de Hese.

  Stemmen uit den Voortijd. Kerkvaders. Betrekkingen tusschen
  Nederlandsche en Duitsche mystiek: Eckhart en Suso. Limburgsche
  Sermoenen. Geschriften van den onbekenden leek en Jan van Leeuwen.

  Ruusbroeck.

  Eerste bijbelvertaling.

In de dertiende eeuw kon men zich de kunst van het woord tenauwernood
denken zonder maat en rijm; begrippen als _poëzie_ en _literatuur_
omvatten bijna uitsluitend verzen of wat daarop geleek. HADEWYCH'S proza
alleen kwam dat wanbegrip bestrijden; doch het mag betwijfeld worden of
het door velen is opgemerkt en in allen gevalle staat dat proza in dien
tijd alleen.

De veertiende eeuw geeft ons eene andere verhouding tusschen epische
geestelijke poëzie en geestelijk proza te zien. In omvang reeds
overtreft nu het proza de poëzie. Doch ook in beteekenis; want hoog moge
de poëzie stijgen in het liefelijk verhaal _van Beatrijs_--die bevallige
kleine kapel kan toch niet worden gelijk gesteld met de statige
kathedraal van RUUSBROECK'S mystiek.

Van menig hierboven behandeld geestelijk gedicht vinden wij hier de
weergade in proza. Zoo hebben wij een prozaverhaal _van Sinte Kunera_,
van _dBoec vanden Houte_ en _van Theophilus_, alle drie zonder literaire
beteekenis[18]. Van het verhaal _van Sinte Patricius' Vagevier_ bezitten
wij een tegenbeeld in proza: het _Visioen van Tondalus_.

Opmerkelijk is hier, dat de vertaler zelf ons verzekert dat het
oorspronkelijk Latijn door hem "van woorde te woorde" verdietscht is.
Opmerkelijk is ook wat hij er bijvoegt om zijn standpunt in dezen aan te
geven: "Maer men sal weten dat ic desen bouc niet en begheere te rimene,
omdat icker no af no toedoen ne wille van den ghenen dat ic vand in
lattine; ende ooc so en es men gheen helighe scriftuere sculdich te
rimene, want in den rijm en es gheen ander voordeel dan dat den hooren
gheeft soeten luut, ende metten rimene so wert alle helighe scriftuere
gheconfondeert"[19].

Misschien hebben wij hier de verklaring van het feit, dat wij, naast
sommige rijmwerken over geestelijke stoffen, prozabewerkingen dierzelfde
stoffen aantreffen. Waarschijnlijk echter zal men hier rekening moeten
houden ook met den aanwassenden lust tot literaire werkzaamheid onder
menschen die toch niet allen de kunst van verzenmaken meester zullen
zijn geweest. Tot de wonderverhalen van dezen tijd behooren
waarschijnlijk ook een paar geschiedenissen van mirakelen, door SINT JAN
BAPTIST verricht[20]. Van den bekenden bundel _Vitae patrum_ waren de
beide eerste boeken waarschijnlijk reeds in de 14de eeuw in het
Nederlandsch vertaald[21].

Van heiligenlevens en wonderverhalen op het _Leven van Alexander den
Groote_ schijnt naar de hedendaagsche opvatting een groote sprong. Voor
de middeleeuwsche denkwijze bestond die sprong niet. Immers men vindt de
historie van ALEXANDER gewoonlijk ingevoegd tusschen de boeken van het
Oude Testament, geheel in overeenstemming met de toenmalige opvatting,
volgens welke de geschiedenis van het Joodsche volk de kern der
wereldgeschiedenis vormde. Wij kennen twee proza-bewerkingen der
Alexander-sage, die beide waarschijnlijk omstreeks het midden of in de
eerste helft der 14de eeuw zijn ontstaan. De eerste, die eenigszins vrij
en grillig maar beknopt is, berust vooral op Latijnsche bewerkingen: het
zoogenaamd _Epitome_ uit den tijd van KAREL DEN GROOTE en de _Historia
de praeliis_ uit de 10de eeuw. De tweede, die ordelijker en geregelder
is, bevat eene verdienstelijke paraphrase van Boek IV van MAERLANT'S
_Spieghel Historiael_, aangevuld met eenige hoofdstukken uit de
_Historia Scholastica_ en MAERLANT'S _Alexander_. De literaire waarde
van beide bewerkingen is gering[22].

Verwantschap met legenden en mirakelverhalen heeft de Alexander-sage
bovendien door de wonderen waarvan wij reeds bij eene vroegere
gelegenheid melding maakten. Men verbaasde zich over die wonderen van
het verleden trouwens weinig in een tijd, toen geloofwaardige priesters
thuis kwamen met verhalen van de wonderen die zij in het Oosten hadden
gezien of voor zeker hooren vertellen. De paleizen en kasteelen der
Keltische romans waren niet zooveel wonderbaarlijker dan "paep JOHANS
woninghe ende palaes" in Edessa, waarvan de Utrechtsche priester JOANNES
WITTE DE HESE ons vertelt in een Latijnsch reisverhaal dat misschien in
1398 in het Nederlandsch is vertaald[23].

Bijzondere literaire verdiensten heeft het verhaal noch de vertaling,
maar beide zijn van belang voor wie den geest des tijds er uit wil
leeren kennen. Hoe is Palestina voor de menschen van toen met recht "het
_heilige_ land"; hoe leeft het bijbelsch verleden daar voor hen op! In
Hermopolis ziet DE HESE "een hof daer hadde onse lieve vrouwe in
ghewoent" en eene fontein waar zij "haer dinghen in plach te wasschen";
den steen waaruit MOZES water deed springen, den bitteren stroom dien
MOZES door een roedeslag zoet maakte, eene fontein waaraan S. PAULUS en
S. ANTONIUS gezeten hadden. DE HESE moge vrij wat ontleend hebben aan
andere reisverhalen, zijne mededeelingen vonden daarom niet minder
gretig geloof. Vooral het paleis van "PAEP JAN" (naar het schijnt, een
tot het Nestorianisme bekeerde Mongoolsche Khan) zal toentertijd indruk
gemaakt hebben. Dat paleis rust op negenhonderd pilaren; alle nachten
wordt het door duizend gewapende mannen bewaakt; men gaat vijfhonderd
treden eener trap op, voordat men aan de eerste verdieping komt; op elke
trede staan levende leeuwen die elken ongeloovige of heiden die er op
komt verscheuren; op de eerste verdieping wonen de profeten, op de
tweede de patriarchen, op de derde de heilige jonkvrouwen enz. In de
eetzaal van "paep JOHAN" is eene tafel van zoodanigen aard, dat indien
er vergiftige spijs op wordt gezet, die spijs niemand zou hinderen. Er
is een klok die, wanneer zij geluid wordt, alle booze geesten doet
vluchten, zoodat bezetenen indien zij haar hooren, hun verstand
herkrijgen; er zijn vaten waarin de spijs altijd zuiver blijft en haren
smaak behoudt. Het gansche paleis kan omgedraaid worden als een rad en
het is rond gewelfd gelijk de hemel. In de zoldering van het gewelf
staan kostbare steenen die het paleis des nachts verlichten "recht of
die sonne daer in scheen des middaghes". In paep JOHANS slaapkamer
eindelijk is o.a. een reus die zwaargewapend is "ende men seghet, ginghe
enich quaet mensche of viant daer in na der sonnen onderghanc, soe soude
hem die roese ter stont doet sclaen". Die reus is gegoten van metaal en
versierd met edel gesteente.

Daar kon zelfs het paleis van koning WONDER niet tegen op!

De tot dusver behandelde proza-werken worden in belangrijkheid en
schoonheid overtroffen door het proza, dat, meer dan het overige, diende
tot uitstorting van eigen en opbouw van anderer gemoedsleven. Evenals in
de overige landen der Westersche Christenheid, ontwikkelde het
godsdienstig gemoedsleven zich te onzent onder den invloed van de
geschriften der kerkvaders. Hoe zou het ook anders? In de werken van
AUGUSTINUS, zijne tijdgenooten en hunne opvolgers was zooveel diepe
gedachte en fijn gevoel, zooveel vernuftige allegorie en verheven
symboliek, zooveel schoonheid ook van vorm, dat de Nederlandsche
geestelijken dier dagen wel kortzichtig zouden zijn geweest, indien zij
met dat alles niet hun voordeel hadden gedaan. Bewondering leidde ook
hier tot overneming en navolging. Vele preeken en andere stichtelijke
geschriften der 14de eeuw bestaan, naar het schijnt, hoofdzakelijk uit
aaneengeregen gezegden der kerkvaders, oudere en jongere, onder wie
vooral S. BERNARDUS op den voorgrond komt[24].

Maar naast den invloed der kerkvaders moet die der Duitsche mystiek
worden genoemd, waar sprake is van de ontwikkeling van het Dietsche
proza als uiting van het godsdienstig gemoedsleven. Echter is hier niet
alleen sprake van geven, doch ook van nemen. Het is vooral Meester
ECKHART op wien wij hier het oog moeten richten, want de twee andere
groote mystieken der 14de eeuw, SUSO en TAULER, waren beiden zijne
leerlingen, al gingen zij ook eigen wegen.

Meester ECKHART, "wien God niets verborg," zooals een schrijver van
lateren tijd het uitdrukt, was in menig opzicht de grootste en zeker de
diepzinnigste der Duitsche mystieken. Zijne opvatting, beschouwing en
uiteenzetting van het wezen Gods en het wezen der ziel, die twee assen,
waarom zijn stelsel draait, zijn even stout als verheven en goeddeels
oorspronkelijk, al dankt ook hij veel aan de geschriften der kerkvaders.
Waar ECKHART spreekt van het _wezen_ bedoelt hij datgene, dat alle
dingen nog ongedeeld in zich omsloten houdt, waarin alle dingen nog eene
stille kracht zijn; de duisternis, waaruit het licht nog niet geboren
is; den baaierd, rijke bron van alle kracht en macht, onbewegelijk,
niets voortbrengend. God heeft zich geopenbaard in den Zoon, als
uitstraling van Zijn Wezen, die voortdurend zich hernieuwt en eeuwig zal
blijven bestaan. Het eerst, wat de engelen zagen, nadat zij geschapen
waren, was het Wezen des Vaders en hoe de Zoon uit het hart des Vaders
te voorschijn brak als een groene loot uit een boom. In den Heiligen
Geest erkennen beiden hun wezen; "Vader en Zoon hebben éénen wil, dat is
de Heilige Geest". De mensch, door God geschapen, is bestemd ééns boven
de engelen te stijgen, daar de menschelijke ziel met God één zal worden.
Daarom moet de ziel streven naar eene volslagen ledigheid en
lijdelijkheid; immers eerst wanneer zij die bereikt heeft kan zij van
God vervuld worden. Om dat hooge doel te treffen moet de mensch alle
vleeschelijke lusten en begeerten in zich dooden; dan eerst wordt de
mensch waarlijk mensch. In overeenstemming met die beschouwing is, dat
wij in ECKHART'S werk overal het innerlijke tegenover en boven het
uiterlijke geplaatst zien, dat hij met instemming het woord van
DIONYSIUS AREOPAGITA aanhaalt "de hel dat is: gescheiden zijn van God,
en het hemelrijk: Gods aangezicht"; voor ECKHART is er eene opstanding
slechts der ziel en het Laatste Oordeel zal slechts hierin bestaan, dat
het eigenlijk wezen van ieder mensch wordt onthuld.

Maar hoe ook geneigd tot afdalen in de diepten zijner rijke ziel om van
daar het edel erts zijner mystiek opwaarts te brengen, toch stelt hij
het werkende leven boven het schouwende leven. "Want al ware de mensch
ook in eene geestesverrukking als die van PAULUS en wist hij ergens een
zieke wien hij met een soepje kon helpen, dan zou hij veel beter doen
door uit liefde te scheiden uit zijne verrukking en den behoeftige te
dienen uit meerder liefde"[25].

Toen ECKHART deze en dergelijke dingen begon te schrijven, was RUUSBROEC
nog maar een knaap; met zijne geschriften konden onze voorouders hun
godsdienstig gemoedsleven nog niet opbouwen. HADEWYCH'S werk was
blijkbaar niet geheel onbekend en werd ook in de 14de eeuw nog wel
gelezen, maar was toch niet toereikend om de behoefte aan mystieke
lectuur te bevredigen[26]. Het is dus begrijpelijk, dat ECKHART'S werken
hier opgang maakten. In handschriften, deels uit de eerste deels uit de
tweede helft der 14de eeuw, vinden wij verscheidene zijner tractaten,
sermoenen en exempelen vertaald; zijne eigenaardige terminologie treffen
wij voor een deel ook in Middelnederlandsche werken van dien tijd aan.
Al ontbreekt het in die vertaalde werken niet aan bespiegelingen zooals
b.v. in het tractaat _Diu zeichen eines warhaften grundes_, zoo schijnen
toch vooral de exempelen en verhalen met practische strekking hier in
den smaak te zijn gevallen. Ik heb het oog op verhalen als dat van S.
BERNARD en "een bruer in sinte bernardus clooster die altoos gheerne in
syn celle alleen was" en die op S. BERNARD'S vraag naar zijne bezigheden
antwoordt: "In den eersten heb ic een wilde beeste te temmen... die
wilde beeste zijn myn vyf wilde sinnen, die costen my groote arbeydt te
temmen." Op het stichtelijk exempel "van eenen devooten vraukin" dat
vertelt van haar werk op Dinsdag: "als ic mijne voghelen antiere"
[Zijnoot: zich bezig houden met.]. Die vogels zijn namelijk hare vijf
zinnen en zij bepeinst dan: "dat ic se meer ter werelt ghekeert hebbe
dan tot Gode ende dat ic myne ooghen so qualic bewaert [Zijnoot: gepast
heb op.] hebbe."

Ook bespiegelingen over de "godlike mynne" zullen wel in den smaak zijn
gevallen der geestverwanten van WILLEM VAN AFFLIGHEM en HADEWYCH.

Het is er echter verre van, dat ECKHART'S geschriften hier te lande
louter instemming zouden hebben gevonden. Immers ook in Duitschland
waren vooral onder de geestelijkheid velen, wien zijne leer aanstoot gaf
omdat zij haar in strijd achtten met de leer der Kerk. Meer dan eens
heeft hij dan ook terecht moeten staan voor de Inquisiteurs en al heeft
hij zich kunnen vrijpleiten, zoo blijkt toch wel dat zijne leer naar den
mutsaard rook. Het karakter der mystiek in het algemeen en dat van
ECKHART'S mystiek in het bijzonder die den mensch ten slotte tot God
liet worden, maakt die beschuldiging van ketterij licht verklaarbaar.
Doch bovendien werd ook door deze mystiek het middelaarschap der
priesters tusschen God en den mensch in den wortel aangetast en heeft
menig geschrift, van hem of aan hem toegeschreven, de strekking om te
doen zien, hoeveel hooger geestelijke volkomenheid kon bereikt worden
door leeken dan door geestelijken. Van dien aard is b.v. een verhaal van
eene ontmoeting tusschen een doctor in de godgeleerdheid en een arm man,
die, gekwetst, "sonder cousen ende baervoets" vóór de kerk zit. De
doctor staat verbaasd over de diepe gedachten, godsvrucht en vroomheid
van den armen man en vraagt hem ten slotte: Wat creature sijdij ende van
wat gheslachte? De man seyde: Ic ben een conync.--Conync, seyde die
meester, hoe muecht ghij een conync ghesijn, anghesien u aermoede ende
waer es u conyncrijcke? De man seide: Mijn siele, dats mijn rijcke, als
ic die dueren sluute van mijnen vyf sinnen ende soucke mijnen alder
liefsten Jhesum Christum duer 't ghelove, alle eertsche saken achter
latende. Oec vyndic Gode int diepe van mijnre sielen duer sijn gracie,
ende also, mijn vrient, ic segghe hu inder waerheit, dit conincrycke
passeert ende gaet te boven alle de rijcken die up eerderijc sijn; want
tes een conyncrijcke dat nemmermeer hende nemen en sal.

Zoo is het dan niet vreemd dat in zeker tractaat de leeken gewaarschuwd
worden tegen "eggardus sermone"; noch dat ECKHART bij sommigen doorging
voor den vader van de kettersche secte der Vrije Geesten; noch dat JAN
VAN LEEUWEN, de kok van RUUSBROEC'S klooster Groenendaal, vóór 1355 "een
boecxken van meester ECKAERT'S leere" schreef om den meester van dwaling
te overtuigen. Indien men weet dat dit "boecxken" aanvangt met: "Het was
een duvelijc mensche, hiet meester ECKAERT", dan verwondert men zich
niet over uitdrukkingen als: "meester ECKAERT hadde alsoe vele
ghewaregher oeffeninghen alse die padde steert heeft ende ooc alsoo vele
als die duvel in caritaten ende in minnen leeft." Wel heeft de kok zijne
beschuldigingen in een later geschrift herroepen, doch zijne eerste
indrukken blijven er even merkwaardig om[27].

Leerling van ECKHART, toonde HEINRICH SUSO, een tijdgenoot van
RUYSBROECK, zich vooral in zijn eene hoofdwerk: _het Boek der Waarheid_,
waarin de speculatieve mystiek tot de erkentenis van Gods wezen tracht
door te dringen. Het is opmerkelijk, dat, naar het schijnt, niet dit
werk van SUSO, maar slechts zijn andere voorname geschrift: _Horologium
aeternae sapientiae_ (c. 1337), op het eind der 14de eeuw in het
Nederlandsch is overgebracht. Dit werk namelijk is een voortbrengsel der
practische mystiek. Geboren uit een oneindig verlangen naar een hoogste
goed, dat de ledigheid der ziel zal vervullen met duurzamen vrede,
behandelt het vooral het lijden van CHRISTUS. De idealen der eeuwige
waarheid, goedheid en schoonheid zijn door SUSO samengevat in het begrip
der eeuwige wijsheid. In den vorm van een gesprek tusschen CHRISTUS, die
de eeuwige wijsheid is, en een dienaar, ontvangen wij hier schilderingen
van de heerlijkheid dier wijsheid, van de goddelijke minne, de
hemelweelden, het lijden van CHRISTUS en MARIA. De weg tot een leven met
en in CHRISTUS wordt dan aangewezen en het geschrift besloten met eene
verheerlijking van God.

Vooral in dit werk toont deze "Minnesinger in Prosa" eene innigheid en
diepte van gevoel en eene hooge opvatting der geestelijke minne, die wel
indruk moesten maken op een Nederlandsch publiek, dat de lyriek van
HADEWYCH en MAERLANT en een werk als dat van WILLEM VAN AFFLIGHEM geheel
of ten deele kende. Het kan kwalijk anders of ook onze landgenooten
moeten onder den indruk zijn gekomen van het verhaal van SUSO'S
bekeering, van eene wonderfraaie passage daaruit als deze: "Doen gheviel
op enen dach dat ic ongheduerich was van moede, ende sach al omme ende
sochte een stat om mi te rustene in die scaduwe, want ic scuwen woude
die middach hitte; daer sach ic op enen hogen berch alse ene scone edele
veltbloeme, die lusteleken was aen te siene ende scoen sceen sonder
ghelike allen den bloemen die ic ghesien hadde. Doen ic mi haeste dese
bloeme te siene, doen wert si verwandelt [Zijnoot: veranderd.] ende en
sceen niet meer bloeme, maer si scheen ene godinne alre scoenheit voir
mi staende. Si roedde [Zijnoot: bloosde.] alse ene roede rose; si blicte
[Zijnoot: schitterde.] alse snee ende si scheen claerre dan die sonne
ende hair sprake was vol scoenheden. Dese godinne hadde in hare alle dat
men begheren mochte, ende van hair soe ghinc zoeten roke verre ende
wide, daer si mede toech [Zijnoot: trok.] tot hare minnen alle die ghene
die den roke ghevoelden."

Deze godin blijkt de "moeder der scoenre minnen" te zijn; zij bemoedigt
hem en hij spreekt haar toe.

Anderzijds verwondert het ons niet, bij een kenner der mystiek de
onderstelling te vinden, dat SUSO de geschriften van THOMAS VAN
CANTIMPRÉ en JACOB VAN VITRY heeft gekend. De levensgeschiedenissen der
ecstatische vrouwen, ons door JACOB VAN VITRY verhaald, komen ons weer
in de gedachte, als wij hooren van SUSO'S bijna bovenmenschelijke
zelfpijnigingen tusschen zijn 18de en 40ste jaar: het haren onderkleed
met ijzeren nagels, die in zijn vleesch drongen; zijne handen geboeid,
opdat het ongedierte vrij spel zou hebben op zijn lichaam; het kruis met
spijkers, waar hij op lag; de deur, waarop hij sliep; honger, koude,
dorst, geeselingen ten bloede--totdat zijn lichaam gezwollen, vol zweren
en litteekens, en zijne sidderende handen hem waarschuwen, dat zijn
leven gevaar loopt.

Misschien ook heeft SUSO persoonlijke betrekkingen aangeknoopt met
Nederlandsche geestverwanten, toen hij, evenals ECKHART, van ketterij
beschuldigd, in 1335 voor het Provinciaal Kapittel van 's-Hertogenbosch
moest terechtstaan[28].

Meer zekerheid dan omtrent SUSO'S betrekking tot de Nederlandsche
mystiek geeft ons een bericht aangaande den derden der groote Duitsche
mystieken: JOHANNES TAULER, evenals SUSO een tijdgenoot van RUYSBROEC,
doch met dezen bekend en zelfs een zijner bewonderaars. In een geschrift
van dezen tijd lezen wij: "Dese Tauweler hadde den prior Jan van
Ruysbroeck in groter ende sonderlingher reverenciën. Daer om dat hi en
oec dick te visiteren plach... navolghende, als een oetmoedich discipel
des prioers, syns meesters voetstappen, welcke leere hi oec te menighen
steden heeft doen vloyen als een rivier, comende ut Ruysbroecs
boecken[29]."

Het mag alweer eene bijdrage heeten tot kenschetsing der Nederlandsche
mystiek, dat wij haar in nauwe betrekking zien juist tot dien Duitschen
mysticus, bij wien het zedelijk godsdienstige en de praktijk van het
zedelijk leven op den voorgrond stonden. RUYSBROECK'S invloed bepaalt
zich niet tot TAULER. Wij weten, dat zijn werk hooggeschat werd ook
onder de zoogenaamde "Gottesfreunde" van Straatsburg en dat hun hoofd,
RULMAN MERSWIN, nog in zijne laatste levensdagen RUYSBROECK'S _Chierheit
der geestelijker Brulocht_ voor de broeders vertaalde.

In RUYSBROECK'S verhouding tot de Duitsche mystiek kunnen wij hier niet
dieper treden; wij moeten dat uitstellen, totdat wij hem zelven en zijn
werk gaan beschouwen. Eerst hebben wij nog te spreken over andere
mystieke geschriften. Ik heb hier het oog vooral op de zoogenaamde
_Limburgsche Sermoenen_ waarin zich de invloed der Duitsche mystiek op
de Nederlandsche vertoont. Deze bundel bevat 48 preeken, waarvan twee
derde stellig en de overige vermoedelijk vertaald zijn uit het
Hoogduitsch. De vertaler was waarschijnlijk afkomstig uit de buurt van
Maastricht of Tongeren; zijn werk schijnt te dagteekenen uit de jaren
tusschen 1320 en 1350. Verscheidene dezer preeken zouden, ook al waren
zij oorspronkelijk, van geringe beteekenis voor de
literatuurgeschiedenis zijn, omdat zij, evenals andere vroeger
aangeduide, bestaan hoofdzakelijk uit aaneengeregen citaten. Doch andere
zijn van meer beteekenis[30]. Dat deze preeken uit de kringen der
mystiek afkomstig zijn, mag men aannemen op grond van den inhoud, die in
menig opzicht verwant is met dien van andere mystieke preeken der 14de
eeuw[31]. Zoo b.v. de opvatting der "minne" in de preek van
"negenrehande minne", die zich onder den invloed van SINT BERNARD
schijnt te hebben gevormd[32]. In "dboec vanden boegarde" vinden wij de
allegorie en het niet zelden spitsvondig vernuft waarvan de mystieke
predikers van dezen tijd zich gaarne bedienen[33]. Op menige plaats in
dezen bundel worden wij getroffen door eene innigheid van gevoel en eene
hoogte van vlucht, zooals wij ze slechts bij de mystieken vinden.

Ik wijs op de plaats waar van een God minnende ziele gezegd wordt:
"Susdans [Zijnoot: zoodanig.] menschen wort ende werc ende al sin leven
es onder anderen liden [Zijnoot: lieden.] een bloyende paradis van
dogeden ende van lichten levene"[33]. In de preek "van seven maniren van
minnen" lezen wij: "Sulke stont [Zijnoot: soms.] geschiet dat die minne
sutliken in der sielen verweckert [Zijnoot: aangewakkerd.] wert ende
blidelike op versteet ende har selver berurt int herte sonder enech
tuduen [Zijnoot: toedoen.] van menscheliken werken. Ende wert dan therte
so morweliken gerenen [Zijnoot: inniglijk beroerd.] in minnen ende so
begerliken getrect, so hertelic bevaen in minnen, so liflic behelst in
minnen, dasse altemalen verwonnen wert metter minnen. Hirin gevulse
eenre groter naheit te Gode ende ene gestelike clarheit ende wonderlike
verwentheit [Zijnoot: weelde.] ende ene edele vriheit ende een groet
bedwanc van starker minnen ende ene overvludege volheit van groter
genugden; ende dan gevultse dat al har sinne sin [Zijnoot: zijn.] in der
minnen ende al har wille es worden minne, ende dasse so dipe es
versonken ende verswolgen in minnen ende selver al es worden minne. Die
schonheit des minnen hefse geschoent, die cragt der minnen hefse
vertert, die sutheid der minnen hefse versonken, die geregtheid der
minnen hefse verswolgen, die edelheit der minnen hefse behelst, die
purheit der minnen hefse geschirt [Zijnoot: gezuiverd.], die hogheit
der minnen hefse boven getrect, ende in hare geënget [Zijnoot:
vereenigd.], soe dasse altemale mut sin der minnen ende anders nit en
mach plegen."

Een eind verder in diezelfde preek is sprake van de ziel voor wie het
leven op aarde "groote ellende en zware gevangenis en hevige kwelling"
is, die verlangt naar het "zoete gezelschap van de geesten daarboven,
die overvloeien van minne"; de prediker vervolgt dan aldus: "Har wille
es dar boven onder die geste [Zijnoot: geesten.] ende har begerlike
wandelinge, ende meest onder die bernende seraphine; ende in die grote
Gotheit ende in die hoge Drivuldecheit es har liflicste rastinge
[Zijnoot: rust.] ende har genuglicste woninge. Si suctene in sinre
majesteit, si volgt hem dar ende siten ane [Zijnoot: ziet hem aan.] met
herten ende met geste. Si kenten, si minten, si begerten, soe dasse en
can gagten [Zijnoot: achten.] heilgen noch engle, menschen noch
creaturen dan met gemeinre [Zijnoot: gemeenschappelijk.] minnen in heme,
darse al mede mint; ende heme allene hefse verkoren in minnen boven al
ende onder al ende binnen al."

Hier en daar toont dit proza in het werken met tegenstelling en
parallellisme, ook in het bouwen van lange zinnen, eene kunstvaardigheid
zooals die tot dusver in ons proza niet gezien was. Door de samenspraak
weten de schrijvers dezer preeken soms eene hooge mate van levendigheid
te bereiken. Zoo b.v. in _Dbuec van Heren Selfarts [Zijnoot: egöist.]
regelen_ in passages als deze: "Wie [Zijnoot: hoe.] sal ic mi selver
bekennen?--Ic segt di. Met vif dengen. Dirste es daste arm best; dander
daste cranc best; terde daste quaet best; tfirde daste vel sculdech
best; tfifde daste onscoen best.--Du hefs mi seer gescouden [Zijnoot:
berispt.]; es dit waer, so bennic sere bedrogen an mi selver. Want ic
waende ric ende scoen wesen, starc ende dogentlic. Nu berigt mi: war
ombe ben ic arm?--Die nit guts en heft, es di arm?--Ja er [Zijnoot:
hij.].--So beste arm. Dun hefs [Zijnoot: gij hebt niet.] cleder noch
spise, penninch noch penwert [Zijnoot: ter waarde van een penning.] van
di selver. Pruve [Zijnoot: overweeg.]: wat brechste here [Zijnoot:
bracht gij hier.], ende wat sauste hen vuren? Alt gut daste hefs, dat
hefste van Gode: sin est [Zijnoot: het is van Hem.], hi gevet, hi
nemet. Nu seg ochte [Zijnoot: of gij.] arm sis.--Dat weet God, ja ic! ic
ben arm. Nu sege mi: war ombe ben ic cranc?" enz.

Wij weten niet of dit proza in ruimen kring verbreid is geweest; maar
ook binnen een beperkten kring van hoorders en lezers kan het allicht
eenigen invloed ten goede hebben geoefend op de ontwikkeling van het
Dietsche proza.

De betrekking tusschen de Duitsche en de Nederlandsche mystiek wordt
gekenschetst niet alleen door wederzijdsch geven en nemen maar ook door
het voorkomen van gelijke of gelijksoortige uitingen en vormen. In de
Opperduitsche Dominicaner-nonnenkloosters van de eerste helft der 14de
eeuw wordt het mystieke leven, zooals wij dat vroeger onder de
Cisterciënser-nonnen leerden kennen, voortgezet. Tal van adellijke
vrouwen en meisjes laten zich in die kloosters opnemen om daar de wereld
en zich zelve te leeren verloochenen. Al deze nonnen, onder wie
ELISABETH STAGEL, SUSO'S vriendin, en CHRISTINA EBNER tot de meest
bekende behooren, streven onder ontbering en zelfkastijding naar éénheid
met JEZUS. Extatische toestanden en visioenen zijn dagelijksch brood
voor haar; de meesten zijn ontwikkeld, eenige hebben mededeelingen uit
haar eigen en anderer leven te boek gesteld.

Naar het schijnt, hebben wij een, met die geschriften verwant,
Nederlandsch werk in het boek _van machteldis visioenen_. Voorzoover ik
heb kunnen nagaan, bevat dit geschrift geene vertaling der werken van de
begijn MECHTHILD VAN MAAGDEBURG, die wij vroeger leerden kennen[34].

Zeker hebben wij met zelfstandige Nederlandsche uitingen te doen in het
merkwaardig geschrift van een onbekenden leek dat omstreeks 1333 schijnt
te zijn ontstaan en in de werken van "den goeden coc van Groenendaal"
JAN VAN LEEUWEN, over wien wij reeds spraken[35].

Het geschrift van den onbekenden leek, die misschien in Noord-Nederland
leefde, heeft den gewonen vorm van een samenspraak tusschen den auteur
(die ook wel een vrouw kan zijn geweest) en Meester EGGAERT, die in den
aanvang "een uutgenomen licht van hemelscher wijsheit" wordt genoemd.

Wat ons in deze samenspraak al dadelijk treft, is het gevoel van
zelfstandigheid tegenover de priesters. Niet tegenover de priesterschap
op zich zelve; hij zou wel eerbied voor hen hebben, indien zij waren wat
zij moesten zijn: "lichtdraghers der heiligher kerken." Maar dezulken
schijnt hij niet te kennen. Over het algemeen heeft hij van priesters en
kloosterlingen geen hoogen dunk. Hun geestelijk "habijt" boezemt hem
weinig eerbied in, omdat hij er door heen zooveel wereldschgezindheid
ziet, zooveel hoogmoed, eerzucht, zinnelijkheid en laagheid. Een goed
mensch is meer monnik voor de oogen Gods dan die het "habijt" draagt en
ongeestelijk leeft. Wee allen, die zijn "apostelen in die tonge ende
rabaude in die oefeninghe [Zijnoot: schurken in de practijk.]" roept
hij uit. Hij oefent critiek op beweringen van priesters, "meesters in de
vrië consten," die hij gehoord heeft; hij stelt hunne laatdunkendheid
tegenover de leeken aan de kaak.

Zijn gevoel van zelfstandigheid openbaart zich niet minder in zijne
opvatting van geloof en kerkleer. Welk eene stoutheid van denken vinden
wij in dezen middeleeuwer, die durft schrijven: "Die salighe minnende
siele is godliker op haer bedde dan in die kerc!" Soms vervoert die
stoutheid van denken hem tot vragen, waarvoor hij zelf terugschrikt. Een
oogenblik twijfelt hij aan de Drie-eenheid. Hij schroomt niet, Meester
EGGAERT de vraag voor te leggen: "Plach God te lieghen, dat Hij Moyses
niet en liet dat lant, dat Hij hem belooft hadde?" Doch als hij vraagt:
"Meester Eggaert, hemel en aarde hadden een begin, en God is eeuwig.
Waar was God dan vóór de schepping?" dan is het antwoord: "Al daer en
betaemt geen leec na te vraghen, noch om te peysen."

Ook tegenover ECKHART weet hij zijne zelfstandigheid te bewaren, want
visioenen stelt hij lager dan deze; hij gelooft, dat ze meerendeels het
werk zijn van booze geesten. Met de overdreven MARIA-vereering kan hij
zich niet vereenigen, evenmin met die van apostelen en heiligen; allen
zijn zij Gods schepselen, "God es die fonteyne van alre doecht." Dat
sterke besef van God als de bron van alle goed brengt hem tot de
schijnbaar ongerijmde, maar juist daardoor zoo sterk sprekende uiting:
"Ik zou liever met God in den afgrond van de hel zijn, dan met Maria en
alle heiligen en alle engelen in den hemel zonder God." Ook voor
mirakelen en het aanbidden van beelden gevoelt hij weinig. De goede
"verlichte" menschen zoeken geen mirakelen. Slechts onverlichte
menschen, zwak van geloof, aanbidden heiligenbeelden. Hij gaat zelfs
zoover van te zeggen: "Eer ik één goed mensch van honger liet sterven,
zou ik een vuur maken van alle beelden te Aken, te Aardenberg en te
Katwijk en er voor hem eten op koken."

Hier hoort men ander vuur knappen dan dat van den mutsaard, waarop de
ketters verbrand werden! Hier gloeit reeds een sprank van het vuur dat
later zal uitslaan in de Hervorming. Een anderen sprank van dat vuur
zien wij in zijne ergernis over de vervolging, waaraan beggaarden en
begijnen toentertijd blootstonden vanwege de geestelijke inquisiteurs.
Levendig is reeds in hem het besef: God moet men gehoorzamen boven alle
menschen en boven alle prelaten. Ook de paus, al is hij een aardsch god,
heeft geen recht iets te bevelen, dat in botsing komt met wat God
geboden en verboden heeft.

Hier is reeds de godsvrucht die geen menschenvrees kent en zich
afhankelijk gevoelt van God alleen; nu nog maar aanwezig in een enkele,
doch die gaandeweg zal aanwassen en zich uitbreiden over duizenden bij
duizenden.

Het verrast ons niet, bij een man, zoo onafhankelijk van geest als deze
leek, de opvatting van _adel_ en _dorper_ terug te vinden, die wij
vroeger door MAERLANT hoorden verkondigen. Zijn oog blijft dan ook niet
gesloten voor zoovele maatschappelijke misstanden, voor het onrecht in
de verhouding tusschen rijken en armen; en zoo hij aan boeren en
ambachtslieden onderwerping predikt, het is in bitterheid des harten.

Toch is het niet vooral op deze wereld, dat hij den blik gericht houdt;
als elk waarachtig christen, heeft hij een heimwee naar hooger, reiner
leven: "Siet, wij sijn al pelgrims... ende wij gherne waren tot ons
vaders lande, daer wij toe ghemaect sijn."

Datzelfde heimwee vinden wij in de geschriften van den goeden kok van
Groenendaal, waar hij verzucht: "Rechts [Zijnoot: volkomenlijk.] es hier
mijn leven ende mijn daghelijcsche ghevoelen, als een armen ghevanghenen
te moede es, die droeve ende serich leghet, ya al vol rouwes in eenen
aleyndeghen [Zijnoot: ellendig.] kerkere des lichamen bevaen [Zijnoot:
omvangen.] ende besloten."

En dit is--begrijpelijkerwijze--niet het eenig punt van overeenkomst
tusschen deze twee tijdgenooten. Ook JAN VAN LEEUWEN ergerde zich aan
het schreeuwend verschil tusschen leer en leven van zoovele
geestelijken, aan de hebzucht, gulzigheid en wellust van vele prelaten;
"die duvel regneert nu onder dat gheestelijke volc"--aldus vat hij
ergens zijne indrukken van hun handel en wandel samen. Ook bij hem
vinden wij die neiging tot terugkeer naar den apostolischen eenvoud en
het christelijk communisme. Ook bij hem een ruimer en hooger opvatting
van vroomheid dan in die dagen het deel der meesten was. Hier en daar
weet hij die opvatting weer te geven met treffende levendigheid en
gezonde luim. Zoo b.v. waar hij spreekt over de trouwe kerkgangers die
telkens weer in zonden vallen, maar genoeg wanen te doen door eens in
het jaar ter biecht te gaan. "Soe seggen si: "Here, ic hebbe gheloghen
ende ghesworen. Ic en weet niemeer. Vraecht mij voert.... Ende dan seit
die pape [Zijnoot: priester.] ter selver stont--ende es also droncken
als een hont--"Absolvo te!" dats in dietsche: "Ic ontbinde oft ic
absolvere di." Ende dan seit die pape: "Joffrouwe, gaet thuuswert; sijt
onverveert. Vallen ende opstaen es menschelijc." JAN VAN LEEUWEN heeft
ook dien waarheidszin die hem doet schrijven: "Want ic bin der waerheyt
meer sculdech dan alre menschen of oec enechs menschen hulde [Zijnoot:
genegenheid.] te houdene, daer ic de waerheyt yet verswighen soude. Omme
sterven of oec omme leven en sal men der waerheyt niet afgaen, maer wy
selen rechte doerliden [Zijnoot: doorgaan.] voor de oghen Gods, sonder
yemene [Zijnoot: iemand.] te spaerne om gheniets [Zijnoot: voordeel.]
wille, noch arme noch rike, noch vriende noch maghe."

Echter blijft hij zich wel bewust van de grenzen die hij hier moet in
acht nemen: "van den alder quaetsten willic swighen". Hij heeft niet de
onafhankelijkheid van geest, waarmede de onbekende leek zich tegenover
kerk en priesters durft plaatsen; hij wil of durft zich niet zoo
uitlaten als deze over Mariadienst, mirakelen, heiligenbeelden,
vervolging om den geloove. Visioenen zullen wel in eere zijn geweest bij
hem, die zich bevoorrecht gevoelde door de "gracie Gods" die hem het
"scouwende leven" deelachtig had gemaakt.

In dat alles was "de goede kok" een man van zijn tijd, een middeleeuwsch
Katholiek; den onbekenden leek mag men "een middeleeuwsch Protestant"
noemen.

Dat JAN VAN LEEUWEN was zooals hij was, moet zeker goeddeels worden
toegeschreven aan den invloed van zijn prior, van den man dien hij
vereerde meer dan een heilige, die voor hem was "een seraphin in
hemelrike, den hoechsten enghelen ghelike", die zijne "edele gloriose
leringhe al eertrike dore ghesaeit ende ghespraeit" had--van JOHANNES
RUYSBROECK, wiens werk hier reeds meer dan eens even zichtbaar is
geworden, zooals een kerktoren bij eene nieuwe kromming van den weg.

Zijn leven maar vooral zijn werk gaan wij nu beschouwen.


RUYSBROECK[36].

Het verhaal van zijn uiterlijk leven is ras gedaan. Hij werd in 1294
geboren in het dorp Ruysbroeck, dat ten zuiden van Brussel aan de Senne
ligt. Zijn vrome moeder wilde hem gaarne bij zich houden, maar zucht
naar kennis en ontwikkeling dreef den knaap op zijn elfde jaar uit haar
huis. Heimelijk gaat hij naar Brussel en wordt opgenomen bij een
bloedverwant die kanunnik was aan de kerk van Sinte Goedele. Hij wijdt
zich nu met grooten ijver aan de studie, vooral aan de theologie; de
begeerte om tot een schouwend leven te komen wast steeds in hem. Zelfs
het genot van zijne moeder te zien en te spreken ontzegt hij zich. Op
zijn 24ste jaar wordt hij priester, daarna kapelaan aan de kerk van St.
Goedele. Meer en meer trekt hij zich terug in eigen zieleleven.

Met het klimmen zijner jaren moet het verlangen naar bevrijding van
ambtsbezigheden en stadsleven sterker in hem zijn geworden. Op zijn
60ste jaar legt hij zijn ambt neer en gaat met Heer FRANK VAN
COUDENBERGHE, kapelaan van St. Goedele als hij, in het Soniën-bosch
wonen. Daar stichten zij in een dal dat Groenendaal genoemd werd, voor
hen beiden "eene matelycke habitacie", op de plek waar vroeger de kluis
van een kluizenaar gestaan had.

RUYSBROECK ware wel gaarne met Heer FRANK alleen gebleven; maar deze
"begheerde die minne Gods te vermeeren in vele personen." Zoo voegden
zich dan eenige leeken en religieusen bij hen. Allen namen daarna den
regel en het "habijt" der regulieren van SINT AUGUSTINUS aan. Onder Heer
FRANK als proost werd RUYSBROECK prior. In dit klooster heeft hij, zijn
ambt waarnemend en overigens ook het geringste werk niet versmadend,
zich eerst recht aan de oefening in het werkend en schouwend leven
kunnen wijden. De roep van heiligheid, uitgaand van zijn leven en zijne
werken, bracht talrijke bezoekers uit Dietsche en Duitsche landen, ook
wel eens uit Parijs, naar Groenendaal. TAULER en GEERT DE GROOTE
behooren tot de beroemdsten onder hen. Zijnerzijds gaat RUYSBROECK soms
te voet, al viel het hem moeilijk, naar bevriende kloosters, waar men
aanstoot had genomen aan eenig geschrift van zijne hand en voorlichting
van hem begeerde. De Karthuizer-broeder GERAERT, die hem bij zulk eene
gelegenheid heeft gezien en gesproken, weet ons te vertellen "van sinen
ripen ende bliden aensiene, van sinen goedertieren ende oetmoedighen
spreken." Zoo vloeit zijn leven rustig voort. Dan gaan zijne gezellen
hem begeven o.a.: zijn leerling, de kanunnik WILLEM JORDAENS, en de
goede kok JAN VAN LEEUWEN.

RUYSBROECK'S oogen beginnen te verduisteren; als hij de mis opdraagt,
kan hij de hostie niet goed meer onderscheiden. Steeds heeft hij den
psalm op de lippen: "mijn ziele dorst naar God, de levende bron; wanneer
zal ik komen en verschijnen voor het aangezicht van mijn God."
Heugenissen der kindsheid komen op in zijn geest; het beeld zijner
moeder verschijnt hem, zij onderricht hem van zijn sterfdag. Die dag
kwam in December 1381. Met den blos des levens op het gelaat, scheidt
hij uit dit leven[37].

Op een miniatuur, kort na RUYSBROECK'S overlijden vervaardigd, zien wij
hem in het Soniën-bosch bezig met het opstellen van een geschrift. De
grijze prior zit onder een boom op den grond; op zijn knie rust een met
groen was bestreken schrijftafeltje, zijne rechterhand grift letters in
het was; boven zijn hoofd zweeft een duif, symbool van den Heiligen
Geest, onder wiens inspiratie hij werkt. Tegenover hem zit een jonge
kloosterbroeder, met bruin haar en blozende wangen, aan een
schrijflessenaartje; links van hem ligt een beschreven was-tafeltje,
vóór hem een vel perkament; den wijsvinger der linkerhand houdt hij bij
het in was gegrifte woord, dat hij juist bezig is op perkament over te
brengen. Dat is de jonge priester, die Heer JAN als "notarius" diende,
gelijk Broeder GHERAERT ons heeft verhaald[38].

Naar alle waarschijnlijkheid hebben wij hier eene betrouwbare
voorstelling van de wijze, waarop menig werk van RUYSBROECK is ontstaan.
De mystieken hadden behoefte aan afzondering, om zich ongestoord in
eigen zieleleven te kunnen verdiepen. Waar konden zij die behoefte beter
bevredigen dan op een eenzame plaats buiten? Gedurig buiten vertoevend
in bosschen en velden of aan het werk in den kloostertuin, leerden zij
de natuur kennen en liefhebben als openbaring Gods. Welk een innige
verhouding tot de natuur zien wij in Sint FRANCISCUS, die alle
schepselen Gods als zijne broeders en zusters beschouwt en in zijn
_Cantico del Sole_ blijk geeft van een innig samenleven met de gansche
natuur, zooals wij dat eeuwen daarna bij dichters als GOETHE en SHELLEY,
maar ontkerstend, zullen terugvinden. Ook in HADEWYCH'S poëzie merkten
wij een levendig natuurgevoel op. Zoo is dus de voorstelling van
RUYSBROECK, zijne werken dichtend in het Soniën-bosch, geheel
overeenkomstig de algemeene verhouding tusschen mystiek en natuurleven.

Waarschijnlijk is een groot deel zijner werken ontstaan in en bij het
klooster Groenendael. Maar niet alle werken. Immers broeder GHERAERT
vertelt ons, dat RUYSBROECK te Brussel begon eenige zijner boeken te
maken, en zijn voornaamste werk, de _Chierheit der geesteleker
Brulocht_, was reeds in 1350 voltooid, vier jaar voordat hij de
"habitacie" ten Groenendale betrok. Van de chronologie zijner werken is
ons overigens tot dusver weinig bekend; slechts weten wij, dat zijn
_Spieghel der ewigher Salicheit_ in 1359 geschreven is en dat het
tractaat _vanden Rike der Ghelieven_ zijn eerste werk was[39].

De oude "verluchter", die op zoo naïeve wijze RUYSBROECK'S werk
voorstelde als ontstaan door "ingheestinghe", toonde daardoor wel de
juistheid van zijn inzicht. Toch mag men niet voorbijzien, dat de in den
vromen prior schuilende scheppingskracht meer dan eens te werk is
gesteld door een oorzaak buiten hem. Zoo werd de _Spieghel der ewigher
Salicheit_ geschreven op verzoek eener non van St. Clara, "die hem
langhe daerom ghebeden hadde". _Dat Boec vander hoechster Waerheit_ werd
geschreven ter verklaring van zijn eerste werk en op verzoek van broeder
GHERAERT en de zijnen. Een derde geschrift: _Vingherlinc [Zijnoot:
vingerring.] of het blickende steentje_, vloeide voort uit een gesprek
met een kluizenaar "van gheesteliker materien" en werd op verzoek van
dezen te boek gesteld. Ook het _Tractaet van Seven sloten_ is
waarschijnlijk geschreven op verzoek eener Clarisse[40].

Behalve de reeds genoemde werken schreef RUYSBROECK nog: _Van den
gheestelijken Tabernacule_, het omvangrijkste van alle; _Van den Twaelf
Dogheden [Zijnoot: deugden.] _, dat, zoo al niet door hem, dan toch
zeker geheel in zijn geest is geschreven; _Van seven Trappen_; _Van den
Kerstenen Ghelove_; _Van den vier Becoringhen_; _Van den twaelf
beghinen_.

Zijn deze titels alle van RUYSBROECK zelf afkomstig? Van een viertal,
reeds door broeder GHERAERT genoemde, (_Rike_ _der Ghelieven, Van der
hoechster Waerheit, Brulocht_ en _Tabernakel_) acht ik dat wel
waarschijnlijk; de overige zouden ook van afschrijvers kunnen zijn. Al
deze titels houden natuurlijk in meerdere of mindere mate verband met
den inhoud der werken, doch in bijna al deze werken vinden wij, behalve
hetgeen door den titel wordt aangewezen, ook deelen van RUYSBROECK'S
mystieke levensbeschouwing, telkens in ander verband en met meerdere of
mindere volledigheid, terug. Daarom moet men bij eene beschouwing van
RUYSBROECK'S werk niet zoozeer letten op de, door verschillende titels
onderscheiden, deelen ervan, als wel op het geheel dat zij samen vormen.

Een kort overzicht van de _Chierheit der gheesteleker Brulocht_ kan ons
eenigermate een denkbeeld geven van den bouwtrant van RUYSBROECK'S werk.
De _Brulocht_ bestaat uit drie deelen, overeenkomend met de drie
trappen, welke de mysticus in zijn streven naar volmaaktheid heeft te
bestijgen: het werkende, het innige en het schouwende leven. Aan het
geheel is ten grondslag gelegd deze tekst: "Ziet, de bruidegom komt,
gaat uit, hem te gemoet." De vier deelen van dezen tekst worden nu
achtereenvolgens op elk der trappen toepepast, telkens in dieper zin.
_Ziet_, d.i.: de mensch moet zich telkens weer richten op God; _de
bruidegom komt_: God komt den op Hem ziende tegemoet; _gaat uit_: de
mensch handelend in zijne betrekking tot God; _Hem tegemoet_: de
ontmoeting van God en mensch[41].

Weinig werken van RUYSBROECK vertoonen in hun bouw eene zoo strenge
symmetrie als dit; toch kunnen wij in de meeste wel iets daarvan
terugvinden. Het _Boek van den Tabernakel_ geeft eene voorstelling van
het mystieke leven of van "den loop der minnen", gesymbolizeerd in den
Tabernakel en zijne talrijke onderdeelen. _Van den twaelf Dogheden_, eer
eene zedekundig dan een mystiek geschrift, geeft eene beschouwing der
Christelijke deugd, welker grondslag de ootmoed wordt genoemd. In
_Spieghel der ewigher Salicheit_ ontvangen wij beschouwingen over het
kloosterleven, het Avondmaal en de soorten van avondmaalgangers. In het
_Tractaet van seven Sloten_ worden de kloosterplichten uiteengezet;
doch, evenals in de bovengenoemde en nog te noemen geschriften, telkens
weer in verband met het gansche mystieke leven en hier inzonderheid met
het schouwende leven. De _Vier Becoringhen_ [Zijnoot: verzoekingen.],
bedoeld in het geschrift van dien naam, zijn: onbedwongen natuur waaruit
zinnelijkheid en wellust voortkomen; schijnheiligheid; begeerte om met
het natuurlijk verstand alle dingen te willen verstaan, hetwelk tot
geestelijken hoogmoed leidt; bij de vierde "becoringhe" had RUYSBROECK
het oog op de kettersche secte der Broeders en Zusters van den vrijen
geest, die, innerlijke en uiterlijke goede werken versmadend, hunne ziel
ontledigd van alle andere dingen en slechts met God vervuld achtend,
waanden geene zonde te kunnen doen, omdat God immers alles in hen
werkte. Het _boek van den twaelf beghinen_ is gewijd vooral aan de
Beschouwing. Aanvangend met eene samenspraak tusschen twaalf begijnen
over de liefde tot JEZUS, handelt het voorts over het Avondmaal, de
vereischten voor de beschouwing, de dwalingen der ketters, de schepping
der wereld, de bedorven natuur van den mensch enz. De stof moge hier
rijk zijn, de samenhang der deelen laat veel te wenschen over. In
_Vingherlinc_ wordt, aanknoopend bij een bijbeltekst uit _de Openbaring_
waar gesproken wordt van een "blickend [Zijnoot: schitterend.]
steenken", met kunstige symboliek aangetoond dat met dit in een ring
gevat steentje CHRISTUS bedoeld is.

Bestaat er dus wel verband tusschen de titels en den inhoud van
RUYSBROECK'S werken, anderzijds zal gebleken zijn hoe telkens naast en
boven dit bijzondere het algemeene zich vertoont. Dat algemeene zullen
wij trachten beknopt samen te vatten.

Uitgaande van het Wezen Gods, daalt ook RUYSBROECK'S mystiek af tot den
mensch en klimt weer op tot God.

God is het absolute praedicaatlooze Zijn, het "overwesen", de
"onghebeelde blootheit" [Zijnoot: ledigheid zonder beelden (vormen).].
_Wat_ God is, gaat boven het begrip aller schepselen; doch _dat_ Hij is,
getuigt Natuur en Schriftuur en alle Creatuur. Uit Gods eenheid vloeit
Zijne drieheid voort; de geboorte van den Zoon heeft voortdurend plaats,
Gods wijsheid weerspiegelt zich in den _Zoon_; uit beider ontmoeting
ontspringt hunne minne: de Heilige Geest. Ook deze wordt voortdurend
herboren: steeds is er een nieuw "uutgheesten", een nieuwe vloed van
eeuwige minne. Al kunnen wij God niet volnoemen noch volspreken, toch
kunnen wij als zijne voorname eigenschappen onderscheiden: almacht,
wijsheid en liefde, overeenkomend met Vader, Zoon en H. Geest. Tegenover
de eeuwige schepping: het ideëel vóórbestaan der dingen in God, staat de
schepping in den tijd, die eene vrijwillige daad van Gods liefde is. In
zijne voorstelling dier tijdelijke schepping neemt RUYSBROECK
PTOLEMAEUS' wereldstelsel over, volgens hetwelk de aarde middelpunt des
heelals is. Tegenover de stoffelijke schepping staat de geestelijke:
engelen en menschen. De mensch, kroon der schepping, geschapen niet uit
Gods wezen doch uit niets, is bestemd de plaats in te nemen die de
engelen verloren hebben, terug te vloeien tot zijn oorsprong: God. Doch
eerst langzamerhand zal het hoogere in hem het lagere kunnen overwinnen,
onderwerpen, beheerschen. De krachten der menschelijke ziel zijn te
verdeelen in vier lagere "vee-gelijke", en drie hoogere; de lagere zijn:
toorn, begeerte ("beestelicke" krachten), redelijkheid die mensch van
dier scheidt, en vrijheid van wil. De drie hoogere: memorie, verstand en
wil; met deze drie krachten komen overeen deze eigenschappen:
"onghebeelde blootheit", "overste redene" en "vonke der ziele", d.i. de
aangeboren neiging der ziel tot haren oorsprong. Door deze eigenschappen
staat de ziel in betrekking tot God en kan zij tot Hem opklimmen. De
mogelijkheid tot vereeniging met God is van eeuwigheid af in onze ziel
gelegd, doch de werkelijke vereeniging met God komt tot stand eerst in
het mystieke leven. In zijn streven naar die verwerkelijking wordt de
mensch belemmerd door de zonde. Zonde is niet: geneigdheid tot het
kwade, doch afwezigheid van strijd tegen het kwade. In zijne leer
aangaande den zondeval, de zegepraal over dood en duivel en onze
loskooping staat RUYSBROECK op het standpunt der Roomsch-Katholieke
kerk. Echter beslaat CHRISTUS' verlossende werkzaamheid weinig plaats in
zijn stelsel. CHRISTUS, de mensch, is hem vooral, toonbeeld van het
mystieke leven.

Zoo wordt uit het Goddelijk Wezen alles afgeleid, met dien verstande dat
het Goddelijk beeld overal bewaard blijft. Tegenover en naast het, uit
opeenvolgende momenten bestaande, menschenleven wordt het transcendente
begrip van tijdeloosheid, het "ewigh nu" in God en Gods werken
gehandhaafd. Worden en bestaan, komen en vergaan zijn slechts vluchtige
vormen van het eenige, eeuwige Zijn; de altijd wisselende eb en vloed
van de diepe en eeuwig ruischende zee der Godheid. De eeuwige
bestaansvorm der Godheid vertoont zich overal in dit grootsche stelsel
als de spitsboog in een kathedraal.

Op dezen grondslag van speculatieve mystiek heeft RUYSBROECK het gebouw
zijner practische mystiek opgetrokken. In die vereeniging van theorie en
practijk ligt voor een deel het eigenaardige en de verdienste zijner
mystiek.

RUYSBROECK neemt drie trappen ("staten" of "ordenen") aan als
evenzooveel stadiën op den heilsweg. Wie tot een hoogeren trap opklimt,
moet toch altijd de plichten van den vorigen trap blijven beoefenen. In
het _Boec van seven Trappen_ noemt hij b.v. als de zeven treden
waarlangs de vrome opklimt tot de zaligheid der beschouwing: 1o.
eendrachtich ende eenwillich sijn met den wil ons Heren; 2o. willich
armoede; 3o. reynicheit der sielen ende suverheit van lichame; 4o.
ghewarighe [Zijnoot: waarachtige.] oetmoedicheit; 5o. edelheit alre
doechde ende alre goeder werke d.i.: begeeren de eere Gods bovenal; 6o.
een claer insien puer van gheeste ende van ghedachten; 7o. een
grondeloos niet weten van God, "een versterven ende overliden [Zijnoot:
overgaan.] in ene ewighe onghenoemtheid daer wi ons verliesen". De
verdeeling in drieën, die in het middeleeuwsch leven zoo veelvuldig
voorkomt, schemert ook hier weer door. Want de drie eerste graden
behooren tot het _Werkende_, de twee volgende tot het _Innige_, de beide
laatste tot het _Schouwende_ leven.

Tot het Werkend Leven moet de mensch voorbereid worden door tweeërlei
gratie: 1o. de "voirlopende" die den mensch beweegt, van buiten: door
ziekte, leed, goede voorbeelden; van binnen: door overdenking van Gods
lijden, de vergankelijkheid van het aardsche; 2o. de gratie die is "een
heymelic inwerken Gods" in de ziel. Door Gods inwerking ontstaat dan de
"caritate", d.i. een minneband tusschen God en de minnende ziele. Wie
deze "caritate" bezit, heeft volkomen rouw van zonden, en wie deze
heeft, zal trachten zich van zonde te reinigen om te komen tot een
onbesmette conscientie.

Nog is de mensch niet waardig een _zoon_ Gods te heeten; in afwachting
daarvan moet hij trachten zooveel mogelijk een getrouwe _knecht_ te
zijn. Abstinentie, penitentie, eerzame zeden en heilige werken van
buiten--dat is ongeveer wat door het werkende leven wordt omvat. Op
"caritate", rechtvaardigheid en ootmoed, berust het "gestichte alre
doghede ende alre edelheit". In al die onderscheiden deugden: ootmoed,
gehoorzaamheid, zelfverloochening, lijdzaamheid, zachtmoedigheid,
medelijden, zachtheid, reinheid van ziel en lichaam, moet de mensch zich
aldoor oefenen. Drie machtige vijanden heeft hij daarbij te weerstaan:
de Booze, de wereld, zijn eigen vleesch. Bijgestaan door de genade Gods
moet de mensch in dien strijd zich staande houden en zijne ziel ordenen
als een koninkrijk, waarin de vrije wil koning is. Deze geheele
deugdsbetrachting wordt aangewezen als navolging van CHRISTUS.

Het Innige Leven staat hoog boven het Werkende, als "overlant" [Zijnoot:
Hoogland.] boven "nederlant" [Zijnoot: Laagland.]. Wie in het Innige
Leven wil komen, moet op de bergen wonen waar de Zonne der Gerechtigheid
schijnt. In tegenstelling met het Werkende Leven, waar voornamelijk de
mensch werkt, werken hier God en mensch gelijkelijk en komen elkander
tegemoet.

In het Innige Leven vallen drie stadia te onderscheiden: 1o het
kenvermogen des menschen wordt doorschenen met bovennatuurlijke
klaarheid; 2o daardoor voorgelicht, moet de mensch uitgaan in inwendige
oefeningen naar gerechtigheid; 3o hij moet opklimmen tot het genieten
van de eenheid met God. In het eerste stadium, waarin RUYSBROECK den
invloed der bovennatuurlijke klaarheid vergelijkt bij den loop der zon,
worden weer tal van deugden beschouwd in de wijze, waarop telkens eene
nieuwe zich uit eene voorgaande ontwikkelt. Het hart wordt door het
inwendig vuur van den H. Geest steeds op en neer gedreven, opbruisend en
neervallend als water waaronder vuur wordt gestookt. Het hart, gewond
door minne, wil telkens zich sluiten, doch telkens schijnt de zon,
CHRISTUS, er in en wordt de wonde vernieuwd. Vandaar dat een hevige
ijver des menschen hart verteert. Uit dezen ijver wordt hij van tijd tot
tijd opwaarts getrokken in den geest. Dan ontstaan visioenen en
revelatiën, die hij soms wel, soms niet onder woorden kan brengen.
Evenals de hitte afneemt, wanneer de zon het eind van haar loop nadert,
zoo gaat nu ook CHRISTUS zich voor den mensch verbergen. Droefheid,
gevoel van verlatenheid, van twijfel aan zich zelven maken zich nu van
den mensch meester; doch uit zijn lijden moet hij vreugde scheppen.
Vooral moet hij waken tegen al te groote vreugde over hetgeen hij tot
dusver bereikt heeft; daardoor toch zou hij minder toegankelijk worden
voor het invloeien der genade Gods.

De genade-instorting van het tweede stadium wordt vergeleken bij eene
levende fontein, die uitvloeit in drie rivieren: 1o enkelvoudigheid, die
alle zielekrachten doordringt; hierdoor richt de mensch zich op
_blootheit_, d.i. de waarheid, ontdaan van alle beeld en kleed, vorm en
gelijkenis; 2o geestelijke klaarheid, die geene visioenen en revelatiën
noodig heeft. Nu moet de mensch den blik richten op de Godheid; die
aanblik wekt in hem inwendige vreugd, waaruit de derde rivier
ontspringt, nl. "inghegeeste hitte", die in den wil vloeit, dezen doet
gloeien en branden en hem vervult met minne. Nu moet de mensch uitgaan
met overvloedige liefde tot God en alle heiligen, tot de zondaren en
verkeerde menschen, tot hen die in het Vagevuur zijn, tot zich zelven en
alle goede menschen.

In het derde stadium is de genade-instorting gelijk aan de levende ader
in de fontein. De mensch ondervindt het "gherinen" d.i. het beroeren
Gods. De door de genade verlichte rede tracht nu dat beroeren Gods in
het innigste zijns geestes te beschouwen, doch bespeurt alras dat zij te
kort schiet; zij "faelgiert in 't voirtgaen". Echter wil de minnende
kracht niet rusten. Van nu af begint een eeuwig verlangen: de ziel
ontbrandt in steeds gloeiender begeerte, maar is nog niet rijp voor de
zaligheid; "het geschapen vat en can geen onghescapen goet ghevaten"
[Zijnoot: bevatten.] [42].

In het Innige Leven zijn de _knechten_ van het Werkende Leven tot
_zonen_ Gods geworden, doch den eindpaal hebben ook zij niet bereikt.

In den staat van "blootheit" kan Gods geest onmiddellijk op hen werken.
Nu eerst kan de mensch geheel opgaan in God, zooals de rivier die zonder
ophouden en wederkeeren altijd uitstroomt in de zee. In het Schouwende
Leven wordt de mensch geheel lijdelijk; hij rust en gevoelt slechts wat
hem door God wordt aangedaan. Het leven wordt een leven Gods in den
mensch. Op den duur gevoelt de mensch echter dat hij niet louter
lijdelijk kan blijven. Hij wil werken; "minne en mach niet ledich sijn".
Ook het leven der Godheid is tweeledig: naar binnen eeuwig rustend, naar
buiten eeuwig werkend. Zoo keert dan de mensch weer terug tot de
practijk des levens. Vol van de zaligheid der Beschouwing, moet hij
tevens de deugden van het Innige en het Werkende Leven betrachten. Door
aldus, in God rustend, onder de menschen te werken, wordt het leven van
den vrome een goddelijk leven dat toch menschelijk blijft. Zoolang de
mensch op deze aarde vertoeft, zal zijn leven steeds een "crighen in
ontbliven" (streven zonder volledig verkrijgen) zijn. Zal de schouwer
door zijn terugkeer in de wereld niet veel van zijne innigheid moeten
verliezen? Daarvoor behoeft geen vrees te bestaan. De ziel kan wel
alleen zijn, ook al vertoeft zij in de buitenwereld. Het komt er slechts
op aan, God steeds voor oogen te houden. Door voortdurende oefening moet
de inkeer van den schouwenden mensch een onbewuste daad worden, evenals
b.v. het vormen van letters voor iemand die schrijft.

RUYSBROECK zelf had het in die kunst ver gebracht. Zijn
levensbeschrijver deelt ons mede, dat het hem, volgens zijn eigen
getuigenis, minder moeite kostte, door contemplatie zijn ziel tot God
omhoog te heffen, dan zijn hand aan zijn hoofd te brengen[43].

De schouwer moet dus blijven werken; ja, zelfs de zaligheid der extaze
moet hij opgeven, indien hij een medemensen kan helpen: "want ware die
mensche in also groter jubilaciën of contemplaciën als Sinte Peter of
Sinte Pauwels ye ghewaren, ende wiste hi enen sieken mensche die
noetorftich [Zijnoot: behoeftig.] ware eens supens [Zijnoot: soep.] oft
anders yet, het waer veel beter dat hi liete sine oefeninghe van
jubilaciën ende van contemplaciën, ende diende dien noetorftighen
mensche in meerre [Zijnoot: vermeerdering.] van minnen."

Wij konden hier slechts beproeven een beeld van RUYSBROECK'S mystiek te
geven in eenige groote lijnen en binnen die omtrekken eenige voorname
punten aanwijzen. Veel van het minder gewichtige moesten wij achterwege
laten. Zoo b.v. de vraag naar de consequentie van RUYSBROECK'S stelsel.
Naar het schijnt, is het niet moeilijk den auteur van zoovele en
omvangrijke geschriften op meer dan eene plaats in tegenspraak te
brengen met zich zelf. Wij willen het wel gelooven, doch achten het bij
de beschouwing van een mystiek auteur van gering belang.

Van meer gewicht is de vraag, in hoever RUYSBROECK'S werk oorspronkelijk
mag heeten. Het slot onzer uiteenzetting van zijn stelsel zal sommige
lezers reeds getroffen hebben als volkomen overeenstemmend met eene
vroeger medegedeelde uiting van ECKHART. En dat is niet het eenige punt
van overeenkomst tusschen deze twee meesters. In de grondbeginselen
zijner speculatieve mystiek toont RUYSBROECK nauwe verwantschap met
ECKHART, met name in de onderlinge verhouding van God, den Zoon en den
H. Geest. Beiden stellen visioenen niet hoog. De terminologie van
ECKHART vindt men voor een deel bij RUYSBROECK terug[44].

Het is zeer wel mogelijk dat de jonge kanunnik van Sinte Goedele de
lessen van den Duitschen meester te Keulen heeft gevolgd; en in allen
gevalle wel waarschijnlijk, dat diens geschriften invloed hebben gehad
op zijne theologische vorming.

Anderzijds heeft, gelijk wij reeds zagen, RUYSBROECK'S persoonlijkheid
invloed geoefend op die van TAULER.

In een zijner oudere preeken zegt TAULER van de broeders en zusters van
den vrijen geest, die volslagen werkeloos willen blijven om God
ongestoord te laten inwerken op hunne zielen, dat zij niets doen "recht
wie ein Werkzeug ledig ist und auf seinen Meister wartet wenn er
arbeiten will." In een van RUYSBROECK'S werken wordt van zulke menschen
gezegd: "rechte alse dat ghetouwe, dat selve ledich es ende sijns
meesters beidet, wanneer hi werken wilt"[45]. De overeenkomst is te
treffend om aan toeval te mogen worden toegeschreven; met het oog op
eene vroeger medegedeelde uiting van een tijdgenoot, zou men geneigd
zijn aan te nemen dat TAULER hier RUYSBROECK heeft nagevolgd; doch ook
het omgekeerde is mogelijk.

Men moet bij dergelijke vraagstukken bovendien steeds rekening houden
met de mogelijkheid eener gemeenschappelijke bron. Ook hier blijkt de
noodzakelijkheid daarvan. Het beeld van Gods natuur dat der menschelijke
ziel ingedrukt is, noemt ECKHART den _Funken der Seele_ en RUYSBROECK
gebruikt, zij het ook in eenigszins andere beteekenis, de uitdrukking
_vonke der siele_. Doch ook BONAVENTURA bedient zich in dien zin gaarne
van het woord _scintilla_. De indeeling der zielekrachten bij RUYSBROECK
gelijkt op die bij ECKHART; doch beiden kunnen die hebben ontleend aan
AUGUSTINUS. De indeeling der zielekrachten in hoogere en lagere komt bij
TAULER zoowel als bij RUYSBROECK voor; TAULER legt den nadruk vooral op
de _begeerte_ en den _toorn_, die eveneens bij RUYSBROECK genoemd
worden. Maar ook THOMAS AQUINAS geeft deze indeeling.

Zeker heeft RUYSBROECK de geschriften der kerkvaders wel gekend en er
zijn voordeel mede gedaan. De werken van S. BERNARD worden meer dan eens
door hem aangehaald en hun invloed vertoont zich o.a. waar RUYSBROECK
het Werkende Leven uiteenzet. Naar de verschillende trappen van
godsdienstige ontwikkeling had S. BERNARD de menschen verdeeld in
_mercenarii_, _servi_ en _filii Dei_; RUYSBROECK spreekt evenzoo van
_huurlingen_, _getrouwe knechten_ en _zonen Gods_; echter heeft hij
tusschen de tweede en de derde soort die der _vrienden Gods_ gevoegd.

Voor zijn geschrift _Van den Tabernacule_ heeft RUYSBROECK gebruik
gemaakt van de werken der Fransche mystieken HUGO en RICHARD van St.
Victor[46].

Heeft RUYSBROECK, onder den invloed van andere mystieken doch vooral van
ECKHART, nooit de geloofsgrenzen overschreden, welke de Roomsche Kerk
geëerbiedigd wilde zien? De beteekenis van dien mogelijken invloed is
moeilijk te bepalen; doch het schijnt wel dat de vrome prior, in
oogenblikken van contemplatie, soms meer heeft gezegd dan hij voor de
Inquisitie zou kunnen verantwoorden. De vurige drang van zijn gemoed
doet hem meer dan eens den afstand tusschen God en den mensch vergeten;
maar telkens doet de rede hem dan later die kloof duidelijk zien en
brengt zij hem tot de besliste verklaring, dat de creatuur niet God kan
worden en dat men de eenheid tusschen God en den mensch, waarvan hij
spreekt, verstaan moet slechts "in minnen", niet "in naturen".

Na al hetgeen wij vroeger hebben opgemerkt over de kiem van ketterij
welke alle mystiek in zich omdraagt, is er overigens niets
verwonderlijks in, dat wij die kiem ook in RUYSBROECK'S werk aantreffen.
Reeds na zijn eerste werk immers, hadden broeder GHERAERT en zijne
mede-kloosterlingen aanstoot genomen aan sommige uitingen daarin; om
dien aanstoot verder te voorkomen, schreef RUYSBROECK toen _dat Boec der
hoechster Waerheit_. Misschien is dat niet overbodig geweest, want in
menig later werk heeft hij de slechte priesters en monniken, en zelfs de
"princen der heilegher Kerken" niet gespaard[47]. Persoonlijke wrok had
zich licht kunnen verbinden met geloofsijver om den geestverwant van
ECKHART voor de rechtbank der Inquisiteurs te brengen. Zeker zal het ook
in zijn voordeel zijn geweest, dat hij in zijne werken de Broeders van
den vrijen geest zoo fel bestrijdt en "hare quade secte ende beestelike
costume"[48]. Tot die secte behoorde waarschijnlijk HEYLWIG, de dochter
van den Brusselschen patriciër BLOEMAERTS, wier verdorven geloof door
RUYSBROECK openlijk bestreden is.

De vraag naar RUYSBROECK'S orthodoxie moge belangrijk zijn geweest voor
zijne tijdgenooten, voor de meesten onzer is zij van ondergeschikt
belang. Gewichtiger is voor ons de vraag: hoe heeft hij zijn stelsel van
mystiek uitgewerkt? Het is vooral in de uiteenzetting zijner practische
mystiek, dat hij zich vertoont als den grootsten prozaschrijver dien wij
in de middeleeuwen bezeten hebben. Zijne eigen indeeling van Werkend,
Innig en Schouwend Leven zooveel mogelijk in het oog houdend, zullen wij
trachten eenig denkbeeld te geven van de wijze waarop hij zijne taak
heeft volbracht.

In zijne beschouwing van het Werkend Leven treft ons de hoogheid van
gevoel waarmede hij spreekt over de "veelike" krachten en lusten in den
mensch; de geringschatting van zulke dingen als spijs en drank, welke de
mensch wel moet nuttigen--maar zooals de zieke een geneesmiddel. De
onafhankelijkheid van geest waarmede hij spreekt over de waarde van de
wetenschap in vergelijking met het leven; het moet ons, zegt RUYSBROECK,
meer te doen zijn "om leven dan om weten, want die vele weet ende niet
en leeft, hi verliest den tijt." Zijne menschenkennis, zijn talent van
karakterizeeren en uitbeelding van het gemoedsleven. Hoe scherp is de
blik van dezen man, die zich toch zoo gaarne aan de wereld en het gewone
menschenleven onttrok, voor de geveinsdheid dergenen die afkeerig zijn
van onthouding en nu zeggen, dat zij "cranc ende teder ende edel van
complexiën sijn, ende daerom behoeven si vele gheriefs ende vele
ghemacs." Hoe goed heeft hij de menschen geschetst die lijden aan
zelfverheffing, eigenzinnigheid, die dadelijk kregel worden indien men
hun iets in den weg legt: "Si en sijn niemene ghevolchsam van gronde,
maer si begheren dat alle menschen haren goetdunkene ghevolchsam sijn;
want si sijn krighelijc ende eenwillich; altoes dunct hem dat si recht
hebben jeghen yeghewelken die hem contrarie es. Si werden lichte
gherenen [Zijnoot: lichtgeraakt.], ghestoert, toernich, haestich,
scalc, slaghelijc ende onweerdich in woerden, in werken, in ghelate"
[Zijnoot: gedrag, houding.].

Gevoelig en fraai is dit schetsje der gemengde aandoeningen die PETRUS
vervulden, nadat hij zijn Meester had verloochend: "In sinen elendighen
doghene keerde hi hem omme ende sach Petren ane met groter ghenadicheit
ende Peter hem weder met groter bitterheit van herten. Ende inden
onderlinghen siene vernuwede die liefde tusschen hem beiden mere dan si
te voren was, want gracie ende liefde, inwendich rouwe, groet betruwen
[Zijnoot: vertrouwen.], scande ende sceemte [Zijnoot: schaamte.] dese
dingen vervulden sine herte ende alle sine binnenste; ende sine siele
smalt als die snee voir die sonne ende als was voir een berrende vier.
Ende met sijnre sielen vloyden tranen bitter ende suete, bitter omme
sine sonden, soete ende vol bliscapen omme die trouwe die hi in Christo
ghevoelde: ende aldus was hi vol droefheden ende vol bliscapen. Hoe dat
sijn mach, dat en weet niemen dan dies ghevoelt heeft."[49].

Het uitgaan met overvloedige liefde ook tot de zondaren en verkeerde
menschen, waarvan in het Innig Leven sprake is geweest, zien wij in
RUYSBROECK'S hartelijk medelijden met de menschen die hun eigen geluk
niet zien: "Daer af comt in den mensche een geestelike compassie, dat hi
proeft ende merct die scade der menschen dat si soe elendich sijn ende
soe grote rijcheit ende ere ende weldicheit besitten mochten ofte si
wouden ende sire hem toe voechden ende Gode soe eerlic ende soe minlic
dienen mochten ende dit al gader verloren blijft. Dit maect alsoe groten
wee, dat nieman vremders [Zijnoot: geen vreemde.] bekennen en mach."

Maar zelf genoot hij volop van de weelde God te mogen dienen. Wel is hij
zich bewust zijn Schepper nimmer genoeg te kunnen eeren, doch dat
onvermogen, een bewijs van Gods grootheid, is hem eene reden tot nieuw
genot: "dat is herde lustelic, dat onse Here ende onse God soe groot is,
dat wi hem nemmermeer ghenoech reverenciën ende waerdicheden en sellen
moghen doen." Hooger rijst zijn vlucht, waar hij den geestelijken
liefdebrand, den hartstocht der minnende ziel onder woorden tracht te
brengen; zoo b.v. in eene passage als deze: "dit verberren es ene
volmaectheit in alre dogede, want et es een gebreken [Zijnoot: te kort
schieten.] des geestes in minnen, daer hi hem lidende houdet, ende wert
verberret ende verteert in den onbegripeleken ommevange der eenheit
Gods, die met ewegen hongere ende met ghelosteger niedecheit [Zijnoot:
gretigheid.] al dat mint begaept ende verslint ende verteert in haers
selves eenheit." Welk een kracht van gevoel en wat een durf in dat
"begapen en verslinden", terwijl van God sprake is.

RUYSBROECK zal, wanneer "al der sielen crachte in storme ende in woede"
verkeerden, wel zelden of nooit zijn vervallen tot het loopen, springen
en handgeklap, waarin andere mystieken hunne verrukking lucht gaven; eer
zal hij hebben behoord tot hen die "zwighen ende smelten van weelden in
allen sinnen." Maar ook voor hem zal op zulke verrukkingen dikwijls de
neerslachtigheid en het gevoel van geestelijke ellende zijn gevolgd, dat
hij zoo goed moet hebben gekend om er anderen op zoo teedere wijze in te
kunnen troosten: "Voirtmeere, eest dat gi traecheit, zwaerheit ende
droefheit ghevoelt inder naturen, ende dat ghi sijt sonder smake ende
lost, ende sonder drift te gheesteliken dinghen, arm, ellendich,
begheven [Zijnoot: eenzaam.] ende ghelaten in allen troeste van Gode, in
verdriete, sonder smake ende lust tot enigher oefeninghen van buten ofte
van binnen, ende alsoe zwaer ofte ghi doer die erde sinken sout: en
ontsiet u niet, maer gheeft u over in die handen Gods ende begheert dat
sijn wille ende sijn eere ghescie. Die donkere bedroefde wolkene die sal
sciere overliden, ende dat licht der claer sonnen ons Heren Jhesu
Christi sal u bescinen in meere troest ende gracien dan ghi noyt te
voren ghevoelet [Zijnoot: ghevoeldet.]."

Hij heeft wel geweten hoe zulk een van God verlaten mensch verlangt,
ontbonden te worden van den kerker zijns lichaams, hoe de balling het
"vaderland daarboven zoekt" (VONDEL): Soe slaet hi sijn inwendighe oghen
op ende scouwet die hemelsche sale vol glorien ende vrouden ende sijn
lief ghecroent daer binnen, uytvloyende in sine heilighen in riker
weelden ende [Zijnoot: en dat.] hi des derven moet. Hier comen bi wilen
in selke menscen uutwendighe tranen ende groet verlanghen. Soe siet hi
neder ende merket dit ellende daer hi in ghekerkert es ende dies hi niet
ontgaen en mach: soe vloyen tranen van droefheden ende van jammere"[50].

Toen RUYSBROECK zelf door kracht van geestelijke oefening en
bespiegeling erin geslaagd was, zijne ziel te ontledigen van het lagere,
haar te maken tot "een levende spieghel" waar het goddelijk licht in
scheen, toen kon hij, van het Schouwende Leven getuigend, schrijven:
"Ende hier omme heeft ons God ghegheven een leven boven ons ende dat is
een godlic leven. Dat en is anders niet dan scouwen ende staren ende in
bloter minnen cleven ane Gode, smaken ende ghebruken [Zijnoot:
genieten.] ende versmelten in minnen ende altoes vernuwen in dat selve.
Want daer wi verhaven sijn boven redene ende boven al onse werke, in
bloet ghesichte, daer werden wi ghewracht vanden gheeste ons Heren; ende
daer ghedoghen wi dat inwerken Gods ende werden verclaert in godliker
claerheit, ghelikerwijs dat die locht verclaert wert met den lichte der
sonnen ende alse dat yser doergaen wert met crachte ende met hitten des
viers, alsoe werden wi ghetransformeert ende doerdraghen [Zijnoot:
doortrokken.] van clairheiden in claerheiden, in dat selve beelde der
heyligher Drivoldicheit."

Maar altijd bleef het een "crighen in ontbliven"; want de hoogste
klaarheid die de mensch hier op aarde bereiken kon, hoe ver bleef zij
toch steeds van de klaarheid der heiligen! "Want die scaduwe Gods
verlicht onse inwendighe woestine; mer op die hoghe berghe inden lande
der gheloeften daer en is gheen scaduwe: nochtan eest al één sonne ende
éne clairheit die onse woestine verlicht ende oec die hoghe berghe; mer
die staet der heilighen is doerschinich ende glorioes ende hierom
ontfaen si die claerheit onghemiddelt; mer onse staet is noch sterfelic
ende grof ende dit is dat middel daer die scaduwe ave comt die onse
verstandicheit alsoe bescaduwet, dat wi Gode noch hemelsche dinghen niet
bekennen en moghen also clairlic als die heylighen doen"[51].

In meer dan een der hier aangehaalde stukken zal de lezer reeds zelf de
zachte welluidendheid of de kracht, de hooge vlucht en den breeden zwaai
van RUYSBROECK'S proza bewonderend hebben opgemerkt. Toch schijnt het
mij wenschelijk een blik te slaan ook op eenige deelen en op het
samenstel van zijn werk om daardoor den kunstenaar in zijne wijze van
werken iets beter te leeren kennen.

Een gewone karaktertrek van het middeleeuwsch proza, het veelvuldig
zinsverband met "ende", zooals men het nog kan opmerken bij elk kind dat
iets vertelt, vertoont zich ook in dit proza. Niet zelden ook bedient
RUYSBROECK zich van de, hiermede verwante, eenvoudige opsomming; zoo
b.v. in: "Want willen wi verduldich sijn ghewaerlic, soe en sal ons
gheen dinc moghen ontsaten [Zijnoot: onrustig maken.], noch verlies van
den ertschen goede, noch van vrienden, noch van maghen, noch van siecte,
noch scande, noch doot, noch leven, noch vaghevier, noch duvel, noch
helle[52]." Soms geeft hij regelmaat aan zijn proza door een deductieven
schrijftrant, als in: "aldaer verliesen wi ons selven in die woeste
idelheit [Zijnoot: leegte.], ende al verliesende ons selven vinden wi
die salecheit, ende al vindende verkiesen wi, ende al verkiesende werden
wi vercoren" enz.[53]. Elders zien wij hem parallellisme en
tegenstelling aanwenden om meer kracht en scherpte te bereiken: "Hi
arbeit sere in minnen, want hi siet sine raste. Hi is pelgrim ende hi
siet sijn lanscap. Hi stridet in minnen om victorie, want hi siet sine
crone." Sprekend van het afkoopen der zonden voor geld zegt RUYSBROECK:
"Ende aldus heeft ieghewelc dat hi begheert: de duvel de siele, de
bisscop dat ghelt, de dore [Zijnoot: dwaze]" mensche sine corte
ghenoechte." Tegenstelling vinden wij b.v. in: "Hi heeft hem ghenedert
ende ons ghehoecht, hem ghearmt ende ons gherijct, hi heeft hem versmaet
ende ons gheëert. Maer al heeft hi hem ghenedert, hi en heeft hem niet
ontedelt[54]."

Zoo leerde RUYSBROECK, waar sterke aandoening hem dreef tot schrijven,
die aandoening beheerschen en haar verklanken tot breedgolvende zinnen
als deze over JEZUS' dood: "doen verdonkerde die locht, want die
roedekene worden te broken [Zijnoot: verbroken.], die edele speciboem
wart ontwe [Zijnoot: doormidden.] ghescoert, die overste crachten sijnre
zielen worden ghesceden van den nedersten, sine sinne verghinghen, sine
ziele sciet van den live, die doet bevinc dat leven, dat leven verwan
die doet, die Apostelen hadden hare licht verloren, die oude wet
[Zijnoot: geloof (der Joden).] verloes oec hare licht, die sonne liet
hare scinen ende die locht was vol nevels der onbekinnessen [Zijnoot:
onverstand.]--maer onse dach ginc op daer wi eweleke inne ghesien[55]."

Welk een indruk maakt hier, na die opsomming der verschijnselen van
duisternis en vernietiging, dat juichende slot.

Onder de eigenaardigheden van RUYSBROECK'S stijl moet ook het rijmend
proza genoemd worden.

Het beginrijm of de alliteratie schijnt in zijn werk niet vaker voor te
komen dan de aard onzer taal met zich brengt; doch het eindrijm is zoo
veelvuldig, dat wij hier wel aan opzet moeten denken. Het eindrijm
vertoont zich zoowel aan het slot van opeenvolgende zinnen als van
opeenvolgende woorden, zoowel in: "ende soe hi hem selven naerre
_bekint_, so hi hem in der waerheit meer te versmadene _vint_," als in:
"kinneloos ende minneloos," "verstout ende verout". Op menige plaats
(vooral in _Spieghel der Salicheit_ en _Rike der Ghelieven_) vinden wij
rijmende verzen tusschen het proza in, doch hunne aanwezigheid kan
bezwaarlijk verklaard worden uit eene verheffing van stemming, uit meer
innigheid of gloed. Soms zelfs wordt de neiging tot rijmen RUYSBROECK
tot last; aan het slot van een berijmd gedeelte van zijn werk immers
zegt hij:

  Nu moet ic rimen laten bliven
  Sal ic scouwen clare bescriven[56].

In dit aanwenden van parallellisme, tegenstelling en rijmklanken zal
RUYSBROECK waarschijnlijk ten deele het voorbeeld hebben gevolgd, hem
gegeven door de kerkvaders, wier werken hij kende. Immers in het proza
b.v. van S. BERNARD, van BONAVENTURA, van de beide VICTORS vinden wij
die eigenaardigheden evenzeer; waarschijnlijk ook wel in dat der oudere
kerkvaders, die hun stijl hadden gevormd onder den invloed der klassieke
schrijvers[57].

Zijn RUYSBROECK'S verzen ook meerendeels zwak, in zijn proza toont hij
zich een waarachtig dichter. Zijn levendig en fijn gevoel, zijn vlugge
en sterke verbeelding, zijn gave van waarneming en voorstelling, de
schoonheid zijner taal geven hem alleszins recht op dien eerenaam. Het
is niet vreemd, dat hij, die in het lagere slechts een verschijningsvorm
van het hoogere ziet, gedurig van het lagere tot het hoogere opklimt, of
dat lagere verheft door eene gelijkenis.

Een enkele maal doet hij daartoe een greep in den R.-K. eeredienst,
liefst ontleent hij zijne voorbeelden aan de natuur of aan het
dagelijksch leven. De tabernakel, die in middeleeuwsche kerken op het
altaar placht te staan en diende ter bewaring van de hostie, gaf
RUYSBROECK aanleiding tot eene breed uitgewerkte symbolische
voorstelling. Met een onuitputtelijk geduld en een liefdevolle
uitvoerigheid, die aan de miniatuurschilders herinneren, met eene hooge
mate ook van subtiel vernuft, heeft hij alle deelen en onderdeelen, alle
onderdeeltjes en deelen van onderdeeltjes van het sacramentshuis
geestelijk verklaard: de tabernakel moet staan "in een kerckhof", "dat
es een sedelec leven van buten met al dien dat daer toe behoort"; om dat
kerkhof moeten staan zestig kolommen: "bi den colummen verstaet men
starke begerte tot allen den gheboden Gods ende tot allen den seden ende
der oefeninghen diere [Zijnoot: welke.] men pleghet in der heileger
kercken". Deze kolommen moeten bedekt worden met zilveren platen, "dat
es met goeden levene ende met eersamer wandelingen" enz. enz. Het
behoeft geen betoog, dat deze voortgezette symboliek op den duur voor
een hedendaagsch lezer vermoeiend eentonig en daardoor vervelend wordt;
doch voor RUYSBROECK'S tijdgenooten zal de beschrijving en verklaring
van een zoo kostelijk sacramentshuis zeker onderhoudend en aantrekkelijk
zijn geweest.

Kostelijke tabernakels zooals de hier beschrevene gaf de werkelijkheid
tenauwernood, gaf het eenvoudig klooster te Groenendale zeker niet te
zien; doch een stap buiten de muren bracht den prior in den kloosterhof,
waar hij zoo menigmaal aan het wieden was, al trok hij in verstrooidheid
de heilzame kruiden wel eens mede uit, en rondom het klooster lag Gods
vrije natuur in rijke verscheidenheid en stille pracht. In den boogaard
en op de mossige glooiingen, onder de wuivende kruinen van het
Soniën-bosch, zal wel menigmaal een bloem, een plant of een dier
RUYSBROECK'S verbeelding gaande hebben gemaakt. Zoo heeft hem de
zonnebloem getroffen in haar volgen van de zon: "Alse die sonne opgeet
in oriënten, soe ontpluct hare [Zijnoot: ontsluit zich.] de goutbloeme
jegen die raeien [Zijnoot: stralen.] der sonnen, ende keret hare altoes
omme al neighende jegen de hitte der sonnen, tote in occidenten. Ende in
der nacht luuct si hare toe, ende verberget hare varuwe ende ontbeidet
weder der sonnen opganc. Alsoe gelikerwijs sele wi, overmids
ghehoersamheit, onse herte ontpluken jegen dat inscinen der gracien
Goeds, ende oetmoedichlike al nigende sele wi der gracien Goeds volgen,
alsoe lange als wi die hitte der minnen ghevoelen. Ende alse dat
inscinen der gracien sijn nuwe beroeren ophoudet ende wi hitte van
minnen lettel ochte niet gevoelen: dat es die nacht, dat wi onse herte
selen toe luken jegen al dat ons becoeren [Zijnoot: in verzoeking
leiden.] mach; ende alsoe sele wi die goutvarwe der minnen in ons
beluken ende ontbeiden enen nuwen opganc der sonnen, met nuwen lichte in
nuwen beroerne[58]."

Elders vergelijkt hij CHRISTUS' deugden bij de leliën van dale; de
natuur die den geest volgt, is vrij, gelijk de vogel in het woud en
dartelt in de minne als de visch in het water. God is "uutstortende ende
vloeyende ghelijc der wilder see, met onbegripeliker weelden in alle die
ghene die sijns ontfanclijc sijn ende weder ebbende is ende intreckende
in die wilde see sijner enicheit." Als een heete bron "alsoe
ghelikerwijs werct dat inwendighe vier des heylichs Gheests. Het drivet,
ende stoket ende jaghet dat herte ende alle die crachte der sielen tot
den walle [Zijnoot: koken.] dat is Gode te dankene ende te lovene." Een
mensch die zich "wel regeeren" wil, moet doen als de wijze bij: "si
woent in der enicheit, met vergaderinghen haerre gheselscap, en vaert
ute, niet in storme, mer in stillen ghesaten wedere, in schinen der
sonnen, op alle die bloemen daer men soeticheit in vinden mach. Si en
rust niet op ghene blome noch op ghene scoenheit ofte soeticheit; mer si
trect daer ute honich en was, dat is soeticheit en materie der
claerheit, en voeret in die vergaderde enicheit, op dat sy vruchtbaer
werde tot groter nutticheit." Zoo moet ook de wijze mensch doen en "niet
rusten op ghene bloemen der gaven, maer al gheladen met danke en met
love weder vlieghen in die enicheit, daer si met Gode rusten en wonen
wilt"[59].

Menigmaal ook vindt RUYSBROECK stof voor zijne gelijkenissen in eigen
omgeving en het dagelijksch leven.

De oefening in deugd vergelijkt hij bij een penning van fijn goud; doch
ieder moge onderzoeken of zijn goud van goed allooi is en het volle
gewicht heeft en aan weerszijden wel gemunt. In ons deugdzaam leven
moeten wij allerhande sier van deugden weven, zooals vogelen en bloemen
en gulden sterren geweven staan in de gordijnen van den tabernakel. De
reinheid des harten "ghelijct men der lampten bernender oliën, die hare
vlamme gheeft opwert te hemele: alsoe doet die suvere herte die beneden
besloten is yeghen die werelt ende boven open die gracie Gods
t'ontfane."

CHRISTUS' beeld moeten wij drukken in ons hart en onze zinnen, in ons
lichaam en onze ziel, zooals men een zegel drukt en vormt in het was. De
gratie Gods in de ziele is gelijk eene kaars in een lantaarn of glazen
vat, want zij verlicht en verklaart en doorschijnt het vat, nl. den
goeden mensch. Als God zich van ons afwendt, dan doet hij met ons:
"recht alsof een mure stonde ghemaect tusschen hem ende ons."

Welk eene kracht ontwikkelt RUYSBROECK'S beeldende zinnelijkheid, waar
hij zijn hoorders voor oogen wil brengen, hoe groot Gods genadevolle
vergevensgezindheid is: "al waer alle die werelt een gloet van viere
ende dat midden in dat vier een vese [Zijnoot: vezel.] van een linen
cleet laghe, soe en ware die vese niet alsoe bereet te aensteken, als
God bereet is den sondaer sijn sonden te vergheven, als hem sijn sonden
ghewaerachtich leet sijn[60]."

Het valt bezwaarlijk te ontkennen, dat deze prozadichter, waar hij zijne
gelijkenissen aan het dagelijksch leven ontleent, voor ons gevoel soms
de grenzen der kieschheid te buiten gaat, doch men moet daarbij in het
oog houden dat tusschen het hoogere en het lagere, vooral tusschen het
hemelsche en het aardsche, in de middeleeuwen niet zulk een afstand lag
als thans. RUYSBROECK vergelijkt iemand die waant één te zijn met
CHRISTUS bij een slapenden hond "dien droomt dat hi heeft een stucke
vleeschs in sinen mont" en "alse hy ontwaket, soe en heeft hi niet." Die
vergelijking zou men desnoods ook met ons gevoel van kieschheid in
overeenstemming kunnen brengen door te wijzen op het minderwaardige van
hem die slechts _waant_ met CHRISTUS één te zijn. Doch tenauwernood zal
nog één hedendaagsch lezer behagen scheppen in die talrijke andere
beelden en gelijkenissen die ons naar de keuken en den refter (eetzaal)
verplaatsen. De tekst: "dit is mijn vleesch en mijn bloed" en de hostie
als symbool van CHRISTUS gaven, trouwens niet aan RUYSBROECK alleen,
gereede aanleiding tot het vormen van beelden en gelijkenissen. Zoo zegt
JEZUS tot den mensen:

  Myn vleysch is wel gebraden
  Aent cruce om uwe ghenaden.

"De edele tarwebloem, d.i. JEZUS, is ons gegeven door MARIA; God heeft
de olie zijner barmhartigheid in MARIA uitgestort; de Heilige Geest
heeft dat tarwemeel en die olie samengekneed en voor ons gemaakt en
gebakken het zoetste brood dat ooit bestond, spijze der engelen en der
menschen. Dit brood is gebakken in den oven, dat is in het lichaam der
zuivere maagd MARIA, die wel doorheet was met het vuur der caritate." De
zachtmoedige lijdzaamheid van CHRISTUS vergelijkt RUYSBROECK bij "den
cleinen oesteren die in sculpen ligghen also cleine als eens menschen
naghel". CHRISTUS wil ons geheel in zich opnemen, zijn honger is onmatig
groot, "want hi is een ghierich slockaert [Zijnoot: begeerige
schrokker.] ende heeft den mengherael" [Zijnoot: geeuwhonger.]

Konden wij slechts zien, welk een gretige begeerte CHRISTUS heeft naar
onze zaligheid, "wi en mochten ons niet onthouden [Zijnoot: weerhouden.],
wi en souden hem in die kele vlieghen." Hier schijnt de auteur zelf
beseft te hebben dat hij de grens der kieschheid ook voor dien tijd had
overschreden, want hij verontschuldigt zich eenigszins door te zeggen:
"al luden mine worde wonderlike, die mynnende die verstaen my wel"[61].

Gelijkenissen als deze zijn in verhouding tot alle overige niet talrijk;
zoo is ook de toon van RUYSBROECK over het algemeen zacht en waardig,
doch een enkele maal klinken er forscher klanken: "arme rasende
mensche", "verscoven [Zijnoot: verstooten.] ende verblinde mensce",
"onwaerdich boeve", "onverstandich esel"[62].

Wij zouden noch het een noch het ander willen missen, want wij krijgen
daardoor RUYSBROECK'S beeld vollediger te zien. En ook, doordat hij zich
van tijd tot tijd laat gaan, toont deze Nederlander die zich zoo gaarne
uit de wereld in het innerlijk zieleleven terugtrok, toch niet misdeeld
te zijn van dien volkshumor dien wij in den _Reinaert_ en andere
Dietsche werken genieten.

Hoe aardig drijft hij den spot met de hoovaardij der rijke vrouwen: "si
maken ane hare hoefde bulte van hare, dat sijn des duvels neste daer si
in sculen. Maer dunct hen dat si edel sijn van gheboerte, so moeten se
hebben ane hare anschine cromme hoerne alse gheiten, daer si den duvel
mede gheliken. Ende dan gaense hen spieghelen ochte si scoen ghenoech
sijn den duvel ende der werelt te behaghene"[63]. De geveinsden en
hoovaardigen vergelijkt hij bij de blaas "die vol is van losen winde;
als men se duwet ende perst, so gheeft si enen luud die ongracelic is te
hoirne"[64]. Nonnen die zich opsieren met zilveren gordels en allerlei
rinkeltuig doen hem denken aan "ene hinne [Zijnoot: hen.] met
bellen"[65].

Uit denzelfden volksgeest die dezen lichten spot voortbracht, werd
echter ook eene vergelijking geboren als deze: "wanneer een groot coninc
oft een wijs lantshere varen wilt in pelgrimagien, in verren lande, soe
roept hi sine ghenoten [Zijnoot: pairs.] te gader, ende beveelt hem sine
lant, sijn volc, sijn kynder ende sine familie, dat si al dat regeren
ende bewaren in payse ende in vreden tote dier tijt dat hi weder comt in
sijn lant. Alsoe ghelikerwijs Christus, die ewighe wysheit Gods, coninc
der coninghen ende heer alre heren, doen hi sine pelgrimagie gedaen
hadde in dese ellendighe werelt, doen woude hi varen in sijns Vaders
lant ende ten lesten daghe weder comen ten ordele. Ende hier omme, voir
dien dach dat hi sterven woude, doe stichte hi ene grote feeste dat was
een avonteten. Ende daer toe node hi die meeste princen der werelt, dat
waren sine Apostelen...."[66].

Dat is dezelfde geest waaruit vijf eeuwen vroeger het Oud-saksisch
heldendicht _Hêliand_ was voortgekomen.

Wat ons dan ten slotte in RUYSBROECK het sterkst treft, dat is het ruime
van zijne persoonlijkheid en zijn werk. In beide is "nederlant" en
"overlant", al woont hij liefst op de tergen, waar de zonne der
gerechtigheid schijnt. Hij ziet de huurlingen en knechten, maar ook de
vrienden en zonen Gods. Zijn blik omvat de zonnebloem, den slapenden
hond die van vleesch droomt, de bij die beladen van bloem tot bloem
vliegt, maar ook een groot koning en de wilde zee en de zon in haar loop
door de ongemeten ruimten. Hij schuwt de menschen, doch blijft ze
liefhebben; zijne menschenkennis heeft zijne menschenliefde niet
uitgedoofd, al openbaart die liefde zich op eigenaardig-middeleeuwsche
wijze. Hij kent het gevoel van geestelijke ellende, maar ook het
zwijgend wegsmelten van innerlijke weelde.

RUYSBROECK is de eerste Nederlander, die in de volkstaal een ideaal
levensgeheel heeft ontworpen, dat slechts paste voor kloosterlingen,
doch dat ook voor hen, die in de wereld bleven, veel goeds, edels en
schoons bevatte. Tegenover den toenemenden drang naar verlichting des
verstands heeft hij de ontwikkeling van het zedelijk en godsdienstig
gemoedsleven gesteld; tegenover het "kennen" het "minnen", zooals reeds
kort na zijn dood door een zijner vereerders werd getuigd; tegenover het
"mate is goet t' allen spele"--het "wiselose", het bovenmatige, den
hartstocht, zij het ook slechts in het streven der ziel naar éénheid met
God. Hij heeft zijn levens-ideaal niet opgetrokken tot één grootsch
gebouw, doch het verwerkt tot een aantal grootere en kleinere
taalmonumenten, die ons niet zelden treffen door schoonheid van lijn en
fijnheid van uitvoering. Ook in dat taalwerk is "nederlant" en
"overlant": het vlakke, dat wel eens plat wordt; de liefelijk opwaarts
glooiende landen; de hooge toppen, waar de auteur zich in de nevelen
verliest: de "hoge materiën", waarvan hij beseft dat een schrijver ze
slechts kan "voirt bringhen met woorden also verre als ment woorden
mach"[67].

Dozijnen bij dozijnen handschriften zijner werken bewijzen welk een
invloed zijne mystiek moet hebben geoefend. Die invloed beperkte zich
niet tot de grenzen van het Dietsche taalgebied, noch tot des schrijvers
taalgenooten, maar strekte zich uit tot Neder- en Opper-Duitschland en
was krachtig nog in de 16de eeuw, toen zijne werken veelvuldig in de
kloosters werden gelezen en in eene Latijnsche vertaling toegankelijk
gemaakt ook voor hen, die geen Dietsch verstonden.

In RUYSBROECK heeft de Dietsche mystiek haar voornaamsten
vertegenwoordiger gevonden. Ja, HADEWYCH is hem vóór geweest. Maar, is
HADEWYCH de leeuwrik, de "hemellawerke" opwaarts wiekend op de vleugelen
van haar lied en vaak zich verliezend in het blauwe--RUYSBROECK is de
nachtegaal, immers ook een zanger van "minne", zijn smeltend lied, zijn
storm van geluid orgelend in de stilte van het Soniën-bosch.

Het werk van RUYSBROECK is een der hooge toppen in het land onzer
literatuur en dus zou het begrijpelijk zijn, indien wij daarmede dit
deel van ons werk besloten. Wij hebben echter goede reden het niet te
doen, want: meer dan RUYSBROECK is hier.

Omstreeks 1360 werd een groot deel van het Oude Testament in de
volkstaal te boek gesteld[68].

De vertaler was blijkbaar een niet-geordend geestelijke, misschien een
Vlaming, zeker een vroom man; ook een ontwikkeld man, wien de brieven
van PAULUS, eenige kerkvaders, MAERLANT'S _Spieghel_ en _Rijmbijbel_
bekend waren, en die zijne vertaling kon toelichten met behulp der
_Scolastica_ en van andere werken. Vroeger had hij reeds eene Dietsche
overzetting geleverd van het _Passionael_ (de "Legenda aurea").

Van het karakter zijner vertaling valt weinig te zeggen, zoolang wij
niet weten, welke redactie der _Biblia Vulgata_ door hem gebruikt werd.
Echter deelt de vertaler zelf in den proloog ons mede dat hij voornemens
is, het Latijn "ghetrouwelic te dietschen... die lettere houdende van
woorde te woorde ofte van zinne te zinne of van beyden onderminghet, so
dattet die liede verstaen moghen na den sede van onsen lande"[69].
Bovendien vallen er in of naar aanleiding van zijn werk andere dingen op
te merken die vermeldenswaard schijnen.

De vertaler was een man van orthodoxe vroomheid die meer dan eens
verklaart, dat hij niet van zins is iets te doen "dat jeghen Gode ofte
jeghen die heilighe kerke zi." Maar juist daarom vervulde hem het
onbetamelijk en onzedelijk gedrag van vele priesters en leeken met des
te meer droefheid. Hij ergert zich aan de leeken die, op feestdagen nog
wel, in de taveernen spelen, dansen en reien; aan de priesters die in
plaats van het volk te leeren, ook door hun voorbeeld, het volk door hun
kwaad voorbeeld verderven, die "amiën" houden en argelooze vrouwen ten
val brengen. Daarom was het hem "langhe in 't herte geweest", het
"fundament van der scrifture" te verdietschen, in de hoop dat menig
ongeleerde er zijn voordeel mede zou doen. En ook, hij acht zich niet
gerechtigd het talent dat God hem geschonken heeft ongebruikt te laten.
Zoo heeft hij dan het werk ondernomen met vreezen en beven, in het diepe
besef van de zwaarheid der taak; en hij zou haar misschien niet
voleindigd hebben, indien zijn vriend JAN TAY er niet op had
aangedrongen[70].

Onder de mystieken van dien tijd zal men dezen vertaler wel niet moeten
zoeken. Ware het zoo, dan zou dat toch uit zijn spraakgebruik moeten
blijken, en dat is niet het geval. Toch moet er wel eenige
geestverwantschap tusschen hen en hem hebben bestaan. Het Hooglied en de
Openbaring, twee Bijbelboeken, bij de mystieken in eere, worden ook door
hem hoog gesteld[71]. Tegenover de priesters toont hij dezelfde
onbeschroomde vrijmoedigheid als JAN VAN LEEUWEN en RUYSBROECK. Zijn
wantrouwen in de geestelijke leiding der priesters brengt hem tot het
verdietschen van het Oude Testament, dat hij den leeken in handen wil
geven, opdat zij daar mogen vinden wat de priesters hun onthouden[72].
Een streven naar ontwikkeling van een zelfstandig godsdienstig
gemoedsleven ziet men immers ook bij de mystieken, al mag het de vraag
heeten of RUYSBROECK den Bijbel in de handen der leeken zou hebben
gewenscht.

Wat ons in dezen vertaler ten slotte treft, is het rustig
zelfvertrouwen, waarmede hij spreekt over de ontvangst, die hem en zijn
werk wacht van de zijde der geestelijkheid. Hij beseft zeer wel, dat het
sommige "clercken" zal ergeren "dat men die heymelicheit der scrifturen
den ghemenen volc ontbynden soude"; dat zijn werk zal worden "benijd en
beknaagd door dolle honden"--maar God kent de bedoelingen, waarmede dit
werk ondernomen is, en daarom zal hij met DAVID hopen op God en niet
ontzien wat de menschen hem aandoen[73]. Hier spreekt een dergelijk
vertrouwen op God en het eigen geweten, als wij vroeger opmerkten bij
den onbekenden leek en als later in de dagen der Kerkhervorming zoo
menigmaal zal gehoord worden.

Het is wel opmerkelijk, dat van deze Bijbelvertaling, naar het schijnt,
geen enkel afschrift der 14de eeuw is overgebleven, terwijl er dozijnen
afschriften der 15de eeuw bestaan. Mag men aannemen, dat de
geestelijkheid het werk onderdrukt heeft? Zoolang daarvoor geen enkel
bewijs bestaat, natuurlijk niet. Doch in allen gevalle blijkt uit de
afschriften, dat deze Bijbelvertaling ter kennisse van anderen is
gekomen, zij het waarschijnlijk van slechts weinigen. Daarmede was een
edele kiem in de ziel van ons volk gelegd, die er zich zou ontwikkelen
met de langzaamheid die groote zaken past.



AANTEEKENINGEN.

[1] _Der Ystoriën Bloeme_ in de uitgave van A.C. OUDEMANS SR. Het tweede
werk is als _Fragment van een oud berymd passionael_ uitgegeven door
WILLEMS in _Belg. Museum_, IX, 418 vlgg.

Vgl. _Der Ystoriën Bloeme_, vs. 2229-'30, 3554; _Belg. Mus._, IX, 424,
vs. 184.

[2] _Van Sinte Lutgart_ uitgeg. door BORMANS in _Dietsche Warande_,
III--IV. _Van Sinte Christina_ eveneens door BORMANS. Vgl. over de hss.
ook: _Tijdschr. v. N. T. en L._, IX, 161 vlgg. _Leven van Sint Amand_
uitgeg. door BLOMMAERT. Over de bronnen van dat werk TE WINKEL a. w. bl.
279. Over het hs. nog _Tijdschr. v. N. T. en L._, X, 158. Het _Leven van
S. Kunera_ in _Middeln. Ged._ (ed. DE PAUW), I, 247 vlgg.; het hs.
schijnt uit de 15e eeuw, de taal en de rijmen wijzen naar de 14e eeuw.

[3] Over broeder GERAERT'S werk vgl. _Willem van Afflighem's Leven van
Sinte Lutgart_ (ed. VAN VEERDEGHEM), Inl., XVII, XXXVIII-XXXIX.

[4] Vs. 1341 2.

[5] I, 5135 vlgg. Wereldlijke koningspelen (waarin vooral "questiën van
minne" behandeld werden) vindt men o.a. in den _Limborch_, XI, 67 vlgg.
en _Cassamus_, vs. 1368 vlgg. (Aant., bl. 80). Vgl. voorts II, 1331
vlgg.; 1709; 1903 vlgg.; 4809.

[6] In vs. 630 wordt gesproken van S. KERSTINE'S "lenden ende ander haer
lede", waar het Latijn _nates_ heeft.

[7] Vgl. over de vermoedelijke bron van dit werk TE WINKEL a. w. bl.
283.

[8] _Dboec van den Houte_ is uitgeg. door J. TIDEMAN. (Leiden. 1844).
Hs. H. door TIDEMAN tot grondslag gelegd voor zijne uitgave, staat
volgens een later onderzoeker W. MEIJER niet zoo dicht bij het
vermoedelijk origineel als Hs. S. (Vgl. Inl., XX--XXI; en: _Abh. der
Kön. Bayer. Akad. der Wiss._, I, Cl. XVI B. II Abth. (1881). Een
uitvoerig stuk over de Kruis-sage van J. KOOPMANS in _Taal en Letteren_,
VII, 321 vlgg. Een fragment uit de 14e eeuw met eenigszins afwijkende
lezingen uitgegeven in _Germania_, XV, 360 flgg.

[9] Uitgeg. door Dr. L. WIRTH in: _Bibl. van Mnl. Lett._ (Groningen.
WOLTERS). Afl. 49. Vgl. de critiek dezer uitgave door Dr. STOETT in
_Museum_, 1893, 104.

[10] Vgl. daarover Inl., bl. 14 vlgg.

[11] _Theophilus_ uitgeg. door BLOMMAERT, (Gent, 1858) en later door
VERDAM; _Beatrijs_ door JONCKBLOET (met _Carel en Elegast_); Over het,
eerst eenige jaren geleden ontdekte, verhaal _van Jonitas en Rosafiere_
zie: _Tijdschr. v. N.T. en L._, IX, 170 vlgg.; het geheele werk later
uitgeg. door N. DE PAUW in zijne _Mnl. Ged._, afl. 3, bl. 487 vlgg.

VERDAM heeft in zijne Theophilus-uitgave ongeveer 260 verzen van den
door BLOMMAERT gepubliceerden tekst geschrapt als geïnterpoleerd. Ik kan
mij met deze handelwijze niet vereenigen.

1o. Omdat het onbeholpene of gebrekkige van vele verzen voor mij niet
bewijst dat zij geïnterpoleerd moeten zijn.

2o. Allerlei uitweidingen, die door V. beschouwd worden als
interpolaties, vindt men ook in de door hem als echt erkende deelen.

3o. Eigenaardigheden van den bewerker, als het herhalen der slotwoorden
van een vers in den aanvang van een volgend vers, vindt men zoowel in de
verworpene als in de voor echt erkende deelen.

4o. Legt men den door V. gebruikten maatstaf aan andere deelen van het
gedicht, door hem voor echt gehouden, dan moet er nog veel meer
geschrapt worden.

[12] Ed. VERDAM, vs. 74-6, 95-116, 319-340.

[13] Uitgave van H. SUCHIER, (Paderborn 1899), 6, 24 vlgg.

[14] Ook ROSAFIERE blijft gedurende haar zondig leven tot MARIA bidden.

[15] Vgl. CREIZENACH, _Gesch. des neuern Dramas_, I, 147. Ook in de
geschiedenis der "verduldige Helena van Constantinopel".

[16] Vgl. PETIT DE JULEVILLE a.w. I, 260 en LEGRAND D'AUSSY, IV, 121.

[17] In Boek VI eene geschiedenis van eene koningin die naar SINT JACOB
wordt gebracht en vlucht naar Venetië.

[18] De twee laatste gedrukt achter de uitgaven der gelijknamige
dichtwerken door TIDEMAN en VERDAM. Het proza-verhaal van S. KUNERA in
KIST'S _Kerkhist. Archief_, II, 1-48; door STALLAERT vergeleken met het
rijmwerk in _D. Warande_, 1891, 28-36.

[19] Uitgeg. in BLOMMAERT'S _Oudvlaemsche Ged._, II, 31 vlgg. Zie ook:
_de Handschriften van Jan van Ruusbroec's Werken_ door W. DE VREESE, I,
145. Voorts: _Visio Tnugdali...._ A. WAGNER, Erlangen, 1882. MUSSAFIA
zegt van de Nederl. bewerking o.a.: "con una certa inclinazione a
dilavare alquanto il dettato" (_Sitzungsber. der Wiener Akad.
phil.-hist._, Cl. Bd. 67, 157-206). Met het oog op de verklaring van den
Nederl. bewerker komt mij dat niet waarschijnlijk voor.

Eene uitvoerige en goede karakteristiek van _Tondalus Visioen_, uit een
algemeen oogpunt beschouwd, gaf J. KOOPMANS in het _Tweem. Tijdschrift_
van 1901.

[20] _Rumbeeksche Avondstonden_, p. 16 vlgg. Het eene mirakel is
gedagteekend: 28 Sept. 1399.

[21] DE VOOYS, _Mnl. Legenden_, p. 15.

[22] Vgl. _Proza-bewerkingen van het Leven van Alexander den Groote...._
door S.S. HOOGSTRA. ('s-Grav. M. NIJHOFF. 1898). Een enkel aardig trekje
in de eene bewerking vermeld op p. LVII.

[23] Uitgeg. door Dr. M. DE VRIES in _Versl. en Meded. der Vereen. voor
oude Ned. Lett._, II, 5-32. Vgl. voorts TE WINKEL a.w., bl. 569-572.

Over het Latijnsche origineel PENON'S aanwijzing in _Feestbundel aan M.
de Vries opgedragen_, p. 103. Over "PAEP JAN" vgl. _Zeitschr. f.d.
Alt._, N.F. XXI.

[24] Vgl. _Stemmen uit den Voortijd...._ door F.H.G. VAN ITERSON, p. 140
vlgg., 162, 164-5 (ik ontleende deze voorbeelden aan de hss. door VAN
ITERSON als 14e eeuwsche genoemd).

[25] Vgl. over ECKHART'S leer: PREGER'S _Gesch. der deutschen Mystik_,
I, 309 vlgg. Het kwam mij ondoenlijk voor, met de hier geboden
beknoptheid, een overzicht van ECKHART'S gansche stelsel te geven;
daarom heb ik slechts eenige voorname trekken daarvan aangeduid.

[26] ECKHART leefde van 1260-1327; zijn eerste werk volgens PFEIFFER van
c. 1307. PREGER schijnt het nog iets vroeger te stellen.

Een paar uittreksels uit de _Epistolae Haywigis_ in een hs. van
1360-'70; vgl. _Handschr. v. J. v. Ruusbroec's Werken_, I, 425.

[27] Dit overzicht van ECKHART'S verhouding tot de Nederlandsche mystiek
berust vooral op de artikelen van Dr. DE VOOYS in _Ned. Archief voor
Kerkgesch._, N.S., 3e deel en in _De XXe Eeuw_, IX Jaarg. Vgl. voorts:
_De Handschr. v. J. v. Ruusbroec_, II, 642.

Er valt hier nog vrij wat te onderzoeken (misschien meer voor theologen
dan voor literatoren), ook omdat men voorzichtig moet zijn met de
teksten van ECKHART zooals ons die vroeger zijn medegedeeld. Vgl.
daarover de Inleiding op: _Meister Eckhart und seine jünger...._
herausgeg. von FRANZ IOSTES. Freiburg. 1895.

[28] Vgl. over dit alles: PREGER a.w. II, 309 vlgg. JOSTES a.w. _Einl._,
XIV. DE VOOYS, _Mnl. Leg._ p. 325.

[29] _Ned. Archief voor Kerkgesch._, N. Serie, III, 54. Over TAULER vgl.
PREGER a.w. III, 90 vlgg.

[30] _De Limburgsche Sermoenen_ (uitgeg. door Dr. H. KERN). Weinig of
geen citaten vindt men in: VI, VIII, XVI, XVII, XXII, XXV-XXVII, XXIX,
XXX, XXXIX, XLI-XLIV; ook in de 1e helft van XI. Over het verschil
tusschen de preeken onderling vgl. FRANCK in _Taal en Letteren_,
Jaargang VIII.

[31] Vgl. PREGER a.w. II, 3-246. Het in de _Limb. Sermoenen_ voorkomend
_buec vanden Palmboeme_ is blijkbaar hetzelfde als het door PREGER, p.
52-53 vermelde _der Palmbaum; Dboec vanden boegarde_ doet denken aan
_den Baumgarten_ waarover vgl. PREGER, p. 48 vlgg.

[32] Vgl. vooral p. 569, 9 vlgg.

[33] Vgl. p. 440 vlgg.; ook p. 538 vlgg.

[34] Ter Prov. Bibl. van Friesland berust een hs., naar het schijnt, der
14e eeuw, dat aanvangt: "Hier beghint die prologus van desen boke als
der geesteliker gracien. Ende dit is machteldus (sic) eerste boec van
haren visioenen."

In den aanvang der 15e eeuw waren "Machteldis revelacien" te onzent nog
in trek. De zusters van St. Barbara te Delft bezaten ze in een dubbel
exemplaar en een hs. van den aanvang der 15e eeuw bevattend een groot
aantal "stichtige woorde genomen uut den boeck der revelacien der
heiligher maghet Mechteldis" behoorde voormaals aan "die susteren van
der derde oerde" van FRANCISCUS te Heusden in N.-Brabant. MOLL,
_Boekerij v.h. St. Barbara-Klooster_, p. 32-33.

In diezelfde boekerij vond men een boek _van Maria van Ogines_ (t.a.p.
bl. 53), blijkbaar MARIA VAN OIGNIES. Het zal wel haar
levensbeschrijving van de hand van THOMAS VAN CANTIMPRÉ zijn geweest.

Ook hieruit blijkt weer hoe lang de mystieke literatuur in trek bleef.
Het hs. ter Prov. Bibl. te Friesland verdiende wel een afzonderlijk
onderzoek.

[35] Ik ontleen mijne kennis hier aan de belangrijke artikelen van Dr.
DE VOOYS (in: _De XXe Eeuw_, 9e Jaargang) die o.a. over den "goeden kok
van Groenendaal" nieuw licht hebben doen opgaan.

[36] Uitgave zijner werken door Prof. DAVID (Reeks: Vlaemsche
Bibliophilen) 1856-'69. Voornaamste werk over hem van Dr. A.A. V.
OTTERLOO, (Amsterdam, BRINKMAN, 1874). Eene tweede uitgave daarvan is
bezorgd door Dr. J.C. VAN SLEE in 1896. Vermelding verdienen voorts: de
_Bijdragen tot de kennis van het leven en de werken van Jan van
Ruusbroec...._ door Dr. W.L. DE VREESE, (Gent, A. SIFFER, 1896); _Jan
van Ruusbroec's Taal en Stijl_ door Dr. H. CLAEYS, pr. (Gent, A. SIFFER,
1894); wat over R. gezegd wordt in BÖHRINGER'S _Deutsche Mystiker_, II,
3; over RUYSBROEK'S verhouding tot de Nederduitsche mystiek o.a.:
PRIEBSCH, _Deutsche Hands._, I, 66; _Jahrbuch des Vereins f. niederd.
Spr._ 1884.

Eene vertaling van _De Chierheit der geesteleker Brulocht_ gaf MAURICE
MAETERLINCK (_L'Ornement des noces spirituelles_); eene bloemlezing van
in 't Fransch vertaalde stukken gaf ERNEST HELLO: _Rusbrock
l'Admirable_, (Paris, 1902).

[37] Ten deele naar VAN OTTERLOO, ten deele naar de mededeelingen van
"broeder GHERAERT" bij DE VREESE a.w. bl. 7 vlgg.

[38] Afbeelding en beschrijving dezer miniatuur in _Oud-Holland_, XIIe
Jaargang (1894) door Dr. S.G. DE VRIES.

[39] VAN OTTERLOO, (1e uitgaaf), bl. 168-9; DE VREESE'S _Bijdragen_, bl.
8, 13.

[40] Dezelfde als de bovengenoemde? Dat is bezwaarlijk uit te maken;
evenzoo de vraag of eene dezer Clarissen de voorname vrouw was, "die
RUYSBROECK dikwijls twee mijlen ver op bloote voeten kwam bezoeken" en
te Keulen in de orde van S. Clara trad. (VAN OTTERLOO, bl. 136). Vgl.
overigens: DE VREESE a.w. bl. 13, 16; VAN OTTERLOO, bl. 156 en 166 en
Editie DAVID, III, 235.

[41] Ik nam hier VAN OTTERLOO'S overzicht, eenigszins gewijzigd, over.
Ook dat der volgende boeken en het overzicht van RUYSBROECK'S stelsel is
hoofdzakelijk aan zijn werk ontleend.

[42] Eene andere voorstelling van het _Innige Leven_ bij RUYSBROECK
wordt door VAN OTTERLOO uiteengezet op bl. 265-269.

[43] VAN OTTERLOO, bl. 128.

[44] ECKHART spreekt van _istigkeit, entgeisten, weiselos_; RUYSBROECK
van: _istegheit, ontgeesten, wiseloos_. Beiden gebruiken de uitdrukking
_Funken der Seele, vonke der sielen_, zij het misschien niet in geheel
dezelfde beteekenis. Uitdrukkingen van RUYSBROECK (waar van God sprake
is) ais: _die donkere stille, de wilde woestine, de grondelooze zee_
doen aan dergelijke van ECKHART denken.

[45] Uitgave DAVID, VI, 173.

[46] Reeds opgemerkt door VAN OTTERLOO a.w. bl. 148, noot 2. VAN
OTTERLOO gaat m.i. echter wat ver, indien hij beweert dat RUYSBROECK'S
werk desniettemin geheel oorspronkelijk is. 1o. heeft RUYSBROECK voor de
beschrijving des tabernakels het een en ander ontleend aan RICHARD'S
_Expositio tabernaculi foederis_ (MIGNE, _Patrol._, T. 196, p. 211
seqq.); 2o. heeft hij vrij wat ontleend aan HUGO'S _de Archa Morali_
(MIGNE, Tom. 177, p. 115 vlgg.). Vgl. vooral de hoofdstukken: de
ciconiae natura; de ibe; de caladrio (p. 48) en de charadrio (p. 77); de
upupae natura. Doch een afzonderlijk onderzoek zou hier noodig zijn.

[47] Vgl. o.a. Editie DAVID, I, 2, p. 119, 121-2, 178-9; IV, 83-4, 108
vlgg.

[48] A.w. I, 2, p. 146; III, 198.

[49] Vgl. Ed. DAVID, VI, 37; IV, 68; IV, 273; IV, 35; V, 167-8.

[50] A.w. IV, 189; III, 23; I, 51; III, 212; VI, 74 en 256-7
(geestelijke dronkenschap); III, 133; VI, 81.

[51] A.w. V, 21; IV, 97 (vgl. ook III, 208-9; IV, 104); VI, 230.

[52] Vgl. o.a. I, 61; I, 71; III, 8 (10 zinnen met "ende" verbonden);
IV, 241 (40 zinnen). Opsomming o.a. III, 57-8; 250.

[53] Vgl. I, 133; I, 103; III, 44, 184.

[54] VI, 166; I, (2), 181; III, 169; ook nog: I, (2), 10; III, 26, 48,
116.

[55] I, 248-9. Vgl. ook III, 59-60: "En daer an en leghet niet allene"
enz.

[56] Deze plaats is te vinden V, 20. Een voorbeeld van alliteratie III,
121. Voorbeelden van eindrijm zijn talrijk; vgl. o.a.: VI, 246; I, 49,
50, 60, 96; 133, 143, 151; II, (2), 222, 240-1. Vgl. andere voorbeelden
in _Jan van Ruusbroec's Taal en Stijl_ door Dr. H. CLAEYS, pr. (Gent, A.
SIFFER, 1894) en in _Ned. Museum_, 1891, (H. MEERT). Rijmende verzen
o.a.: III, 201; IV, 4.

[57] Daarover is uitvoerig gehandeld door E. NORDEN in zijn werk: _Die
antike Kunstprosa_ (van de 6e eeuw vóór Chr.--Renaissance), vgl.
_Museum_, 1899, no. 9.

[58] I, 67.

[59] Vgl. CLAEYS a.w. bl. 38-9; _Werken_, I, 136; IV, 190; VI, 71; vgl.
ook nog V, 71 (fontein).

[60] _Werken_, IV, 74; I, 134; V, 174; CLAEYS a.w. bl. 14; _Werken_, VI,
61; III, 61; 104.

[61] Vgl. V, 58; V, 13; VI, 149; II, 47, 92; III, 156-7.

[62] V, 57-9.

[63] CLAEYS a.w. bl. 33.

[64] Vgl. IV, 15.

Het is opmerkelijk dat VOLTAIRE, die wel niet veel in RUYSBROECK zal
hebben gelezen, zegt: "L'amour-propre est un ballon gonflé de vent, dont
il sort des tempêtes quand on lui a fait une piqûre".

[65] IV, 111.

[66] III, 151.

[67] VI, 82.

[68] Vgl. over deze vertaling het degelijk bewerkt proefschrift van Dr.
C.H. EBBINGE WUBBEN: _Over Middelnederlandsche Vertalingen van het Oude
Testament_. ('s-Grav. NIJHOFF. 1903).

[69] A.w. bl. 73.

[70] Vgl. over dat alles de prologen en de hoofdstukken in de Eerste
Afdeeling II, 1 en 3, bl. 127.

[71] Zie bl. 87-88.

[72] Bl. 70; ook bl. 75: "Nu bidde ic elken die hierin lezen sel ende
tijtcortinghe doen"; bl. 85: "meniger zaliger zielen, diere in lesen
moeten".

[73] Bl. 127.



POËZIE DER GEMEENTEN.


(VERVOLG).

  1. Het Leerdicht.--Reinaert II.

  2. Verhalende en lyrische poëzie.

Leerdicht, dierfabel en dier-epos, de berijmde novelle, het lied--dat
waren de wegen in het rijk der literatuur, waarop wij de gemeentenaren
in de 13de eeuw hebben aangetroffen. Op die wegen vinden wij hen ook in
deze volgende eeuw, doch hoeveel verder zijn zij daarop gevorderd.

De hoogere ontwikkeling die de burgerij in hare voortbrengselen van
dezen tijd toont, had zij zeker voor een deel te danken aan den omgang
met en het voorbeeld van adel en geestelijkheid. Den invloed dier beide
standen zullen wij dan ook op meer dan één plaats in de poëzie der
gemeenten aantreffen. Doch tevens zal blijken, dat de burgerij, in den
omgang met de beide overige standen haar geestelijk wezen aanvullend,
ontwikkelend en verfijnend, daardoor slechts te onafhankelijker
tegenover die beide standen kwam te staan.

Dien gang van zaken zullen wij al dadelijk waarnemen in


1. HET LEERDICHT.

In hun streven om de godsdienstige en zedelijke ontwikkeling des volks
te bevorderen, trekken de leerdichters ééne lijn met de geestelijkheid.
Onder de makers van leerdichten zien wij burgers, ons bij name bekend:
den chirurgijn JAN DE WEERT, den schepenklerk JAN BOENDALE, naast
ongenoemden uit den geestelijken stand: den "simpelen clerc", die den
_Spiegel der Zonden_ samenstelde; den "armen pape", die de _Bediedenis
der Misse_ berijmde.

Evenals vroeger geestelijke dichters met bewustheid hunne poëzie stelden
tegenover de door hen gelaakte ridderpoëzie, zoo zien wij nu den
samensteller van het didactisch werk _Sidrac_, dat in 1329 werd
voltooid, in zijn proloog te velde trekken tegen de verhalen daar weinig
nut in steekt en die slechts van "vechten en vrouwen minnen, van het
veroveren van landen en steden" weten te spreken[1].

Men mag wel aannemen dat de leerdichters bij de samenstelling van hun
werk het oog hadden vooral op de niet-geleerden, wier grootste deel uit
gemeentenaren bestond. Echter vindt men slechts bij een enkele hunner
het bewijs, dat hij zich daarvan bewust was. In den proloog van zijn
_Lekenspiegel_ zegt BOENDALE:

  ... want dat leke is die sake [Zijnoot: oorzaak.]
  Daer omme ic dit boecskijn make.

In overeenstemming met het onderwijzend karakter dier werken is de vorm
van een gesprek tusschen "Meester" en "Clerc", zooals wij dat in den
_Lucidarius_, tusschen vader en zoon, zooals wij het in _Seneka leren_
aantreffen; ook het dialogisch karakter van werken als de _disputacie
van Rogier ende Janne_ en de _Melibeüs_. Dat deze dichters hunne lezers
of hoorders van tijd tot tijd aanspreken met "lieve kindre" of "lieve
liede" was dan ook in hun mond alleszins gepast[2].

Op vrijwillige medewerkers aan de volksontwikkeling als deze
leerdichters schijnen de priesters weinig gesteld te zijn geweest, even
weinig als op den Bijbelvertaler van 1360. Blijkbaar beschouwden zij
zulke geschriften als pijlen, waarmede onder hunne duiven geschoten
werd, en de schrijvers als stroopers in een veld, waar de Kerk "eigen
jacht" had. Een dezer leerdichters eerbiedigt de grenzen, waarbuiten men
voor leeken niet gaan mag: omtrent God zal de meester zijn leerling
onderrichten

  Also verre voirt als den leeken lieden
  Gheoorloft is te bedieden[3].

Een ander is dat met hem eens, doch voegt er bij:

  Ende oec ontsie ic der papen treken
  Dat sijs mi mochten spreken lachter [Zijnoot: schande.] [4].

Een derde zegt: Zou ik de gansche waarheid bekennen, de priesterschap
zou mij vervloeken[5]. Dat BOENDALE het met zulke uitingen eens was,
spreekt vanzelf voor wie zich zijne beschouwing van leeken en
geestelijken uit een vroeger hoofdstuk herinnert[6]. In zijn
_Lekenspiegel_ stelt hij zich nog eens tegenover de priesters, waar hij
den ongehuwden staat en het huwelijk vergelijkt. Ongehuwden staat en
maagdelijkheid acht hij hoog--wanneer zij gepaard gaan met een rein hart
"van ghepeinse ongeknaecht"; doch dat komt maar al te zelden voor. Als
hij daarna den lof van een goed huwelijk heeft verkondigd, voegt hij er
aan toe: Ik weet wel, dat "liede van gheesteliken abite" zich aan dezen
lof zullen ergeren en mijne woorden berispen... maar hoe zouden zij aan
kost en kleeren komen, indien de gehuwde lieden niet voor hen
zorgden[7]?

Tegenover dit drietal kiest slechts een dezer leerdichters de partij der
geestelijken. Het is begrijpelijk dat hij zelf tot hen behoorde. De
"simpele clerc", die den _Spieghel der Zonden_ samenstelde, tracht de
schuld van de simonie van de geestelijken op de leeken te schuiven: "Si
sijn soekers eerst daervan." Dat er priesters zijn die een slecht leven
leiden, geeft hij toe; maar nochtans moeten wij ze eeren, omdat God
Almachtig hen gezonden heeft[8].

Vergelijken wij het leerdicht van dit tijdvak bij dat van het
voorafgaande, dan treft ons dat het godsdienstig en vooral het zedelijk
element veld hebben gewonnen op het zuiver wetenschappelijke. Met groote
werken als die van MAERLANT en VELTHEM kon men vooreerst zijn begeerte
naar kennis der geschiedenis bevredigen; BOENDALE moge in zijne
_Brabantsche Yeesten_ deels MAERLANT'S werk overnemen, deels de
geschiedenis van zijn eigen tijd verhalen--meer en meer kiest de
historiographie den vorm der proza-kroniek. Algemeene natuurkennis vond
men voldoende in _der Naturen Bloeme_; doch voor sommige onderdeelen
viel wel iets te doen, vooral voor een betere kennis van den mensch.

Dat verklaart het ontstaan van rijmwerkjes als: _Die Cracht der Mane_
van zekeren HEINREC VAN HOLLANT, _Der Vrouwen Heimelicheit_, _Der Mannen
ende der Vrouwen Heimelicheit_ en eenige fragmenten van een leerdicht
dat, voorzoover men kan zien, over de physiologie en de psychologie van
den mensch handelt. Van literaire kunst is in deze
populair-wetenschappelijke werkjes nog minder sprake dan in de meeste
overige leerdichten. Opmerkelijk is slechts, hoe zich in het tweede en
het vierde werk op zonderlinge wijze de invloed der hoofsche poëzie
vertoont. Zoo goed als de menestrelen van vroeger, heeft ook de bewerker
van het laatste physio-psychologische werkje eene "jonkvrouw, die (z)ijn
herte heeft ghewont." Het tweede werk, eene handleiding voor
vroedvrouwen, was door den bewerker vertaald uit het Latijn van ALBERTUS
MAGNUS ter wille zijner "lieve joncfrouwe", waarschijnlijk eene
vroedvrouw wier hart hij door deze obstetrische hulde hoopte te winnen.
Doch zijne hoofsche verzuchtingen passen bij zijne practische wetenschap
als riddersporen aan de hielen van een dorpsbarbier[9].

Voor het godsdienst-onderwijs werd op de in aantal toenemende scholen
langzamerhand beter gezorgd. Toch voelden eenige leerdichters zich
geroepen om dat onderwijs aan te vullen en uit te breiden. Zoo
ontstonden werken als _die Bediedenisse der Missen_ en de berijmde
zoowel als de proza-bewerking van den _Dietschen Lucidarius_. De inhoud
van het eerste werk wordt voldoende door den titel aangewezen. De
berijmde _Lucidarius_ was een vrije bewerking, hier bekort daar
uitgebreid, van het _Elucidarium_, door HONORIUS AUGUSTODUNENSIS in het
begin der 12de eeuw samengesteld als een dogmatisch handboek ten dienste
van theologen. De _Lucidarius_ in proza, voorzien van een berijmde
voorrede, was een getrouwe vertaling van een Duitschen catechismus van
het geloof en de wetenschap dier dagen, bestemd tot onderricht der
leeken. Het Duitsche origineel dagteekent uit het eind der 12de eeuw; de
Dietsche bewerking, naar het schijnt, uit den aanvang der 14de. Het
Nederlandsch rijmwerk schijnt vóór 1353 reeds verbreid te zijn
geweest[10].

Dicht bij deze catechetische werkjes staat het _Boec van der Wraken_,
omstreeks het midden der 14de eeuw gedicht; dit geschrift bevat een
aantal voorbeelden van Gods wrekende gerechtigheid, zichtbaar in
allerlei gebeurtenissen uit vroeger en later tijd. Opmerkelijk is hier
vooral de voorstelling dat Gods hardheid en haastigheid zijn afgenomen,
sinds Hij mensch geworden was:

  Aldus haestich ende dus hart
  Was God eer hi mensche wart;
  Maer sint dat hi die menscheyt kinde,
  Ende God die menscheyt minde,
  En heeft hi so haestelike
  Niet ghewroken op aertrike[11].

Ook het sterk Duitsch getinte rijmwerk van _Die X Plaghen ende die X.
Ghebode_, dat een allegorischen uitleg der Tien Plagen van Egypte geeft.
Egypte is b.v. de duisternis der zonde, die der ziel schade doet en de
zinnen des menschen verblindt. Overigens vindt men hier een groot aantal
aaneengeregen uitspraken, aan den Bijbel, de apocriefe boeken en de
kerkvaders ontleend[12].

Tegenover dit achttal geschriften van wetenschappelijken of van
theologischen aard plaatsen wij een dozijn andere, die een
opvoedkundig-zedelijk karakter dragen. In aantal, maar meer nog in
omvang en beteekenis, overtreffen de laatstgenoemde die der eerste
soort.

Het algemeen karakter van deze werken der tweede soort leeren wij al
dadelijk kennen uit dit drietal: _Dietsche Doctrinael_, in 1345 door een
onbekend dichter te Antwerpen voltooid; _Nieuwe Doctrinael_,
samengesteld, misschien in 1351, door JAN DE WEERT, chirurgijn te
Yperen; _Spiegel der Zonden_, het werk van een Westvlaamsch dichter der
14de eeuw[13]. Alle drie zijn leerboeken van practische zedekunde; zij
geven eene uiteenzetting der onderscheidene deugden en ondeugden, van de
middelen waardoor men de deugden kan aankweeken en de ondeugden
tegengaan; de twee laatste lichten dat alles gaarne toe met voorbeelden,
zij wijden zich zoowel aan den opbouw van het persoonlijk zedelijk leven
als aan dien van het huiselijk en burgerlijk leven. Dit karakter spreekt
zich uit ook in de titels dezer werken: een _doctrinael_ is een
leerboek, inzonderheid van practische moraal; _Spiegel der Zonden_
spreekt voor zich zelf. JAN DE WEERT noemde zijn werk in den tekst:
"_Spieghel der Zonden of Doctrinael_", en de middeleeuwsche titel vóór
den aanvang luidt: "Hier beghint een goet boec van den VII. doetsonden
ende van den X gheboden."

Van denzelfden aard als dit drietal moet het verloren werk zijn geweest
van den dichter der _Dietsche Doctrinale_, dat getiteld was _Exemplaer_
en handelde over de "IIII. doeghden cardinale."

Wat deze werken gemeen hebben is, dat zij, evenals verreweg de meeste
dezer leerdichten, uit het Latijn vertaald of althans naar het Latijn
bewerkt zijn; voor een deel bestaan zij "uit los aaneengeregen
aanhalingen uit gewijde schrijvers, apocriefe zoowel als canonieke, uit
kerkvaders en voor een klein deel ongewijde schrijvers" [14]. Echter
moet men hier eene uitzondering maken voor al die plaatsen, waar de
auteurs over hun eigen tijd spreken en waar zij, zooals vooral JAN DE
WEERT doet, hunne uiteenzetting of hun betoog toelichten met
voorbeelden, door hen aan de werkelijkheid ontleend.

De _Dietsche Doctrinale_ beperkt zich in hoofdzaak tot eene
uiteenzetting van deugden en ondeugden; de _Nieuwe Doctrinael_ verbindt
met zijne beschouwing van doodzonden en geboden eene scherpe
zedenhekeling van alle standen; de _Spiegel der Zonden_ staat dichter
bij den _Nieuwen_ dan bij den _Dietschen Doctrinael_, doordat hij
waarschijnlijk berust op eene Latijnsche verhandeling over de zeven
doodzonden en met die stof zedenhekeling verbindt; anders echter dan JAN
DE WEERT heeft de "simpele clerc" zijne waarschuwingen en raadgevingen
toegelicht door tal van "exempelen", "ware of verdichte verhalen,
waaruit iets te leeren viel," die in de geschiedenis der
wereldliteratuur zulk eene belangrijke rol hebben gespeeld [15]. Echter
richt ook de bewerker van den _Spiegel der Sonden_ zijn blik niet zelden
op zijne omgeving en op misbruiken, die hij zelf moet hebben
waargenomen. Zoo b.v. waar hij te velde trekt tegen de weelde, tegen den
adel die de boeren verdrukt, tegen de drankzucht en de kwartjesvinders
dier dagen:

      die schanienisse
  Vanden speelre [Zijnoot: spelers.] ende die verradenisse,
  Als si noden om drinken of eten
  Den ghenen dien si bi ghelde weten,
  Ende vake maken si onder hem drien
  Of vieren verbond te rovene dien[16].

Voor een betere kennis van het maatschappelijk leven dier dagen zijn
deze leerdichten van veel belang. Echter zal men bij een werk als _de
Spiegel der Zonden_ nimmer uit het oog mogen verliezen dat het de
bedoeling van den samensteller was: _slechts_ de zonden te doen zien en
dat JAN DE WEERT vooral een hekeldichter is. Wij mogen hem geen geloof
weigeren, waar hij ons vertelt van den vraat die zijn vinger in de keel
placht te steken om daardoor zijn volle maag te ontledigen en opnieuw
aan het schrokken te kunnen slaan. Belangrijk voor de kennis van het
bijgeloof zijn ook zijne mededeelingen over het "werken met
toverringhen" om daarmede vrouwen of iets anders machtig te worden, over
het betooveren van koeien en andere beesten. Doch men moet zich wachten
voor het vormen van een algemeen oordeel, louter op grond van zulke
plaatsen.

Zoo zal ook JAN DE WEERT'S oordeel over de dartelheid der toenmalige
meisjes: "waren zij niet bang voor de gevolgen, men zou er tenauwernood
ééne maagd onder vinden", zeker wel waarheid maar niet de waarheid
bevatten.

Niet alleen het zedelijk en maatschappelijk leven, ook het godsdienstig
gemoedsleven van de Nederlanders der 14de eeuw, kan men door deze
leerdichten beter leeren kennen. Zoo vindt men in den _Nieuwen
Doctrinael_ dezelfde verlichte opvatting omtrent de beteekenis van
beelden die wij reeds vroeger hebben aangewezen en eene uitvoerige
beschouwing van de verhouding tusschen den berouwvollen, boetaardigen
zondaar en God[17].

In den _Dietschen Doctrinael_ en den _Spiegel der Zonden_ wordt
gehandeld over de "caritate" en de verdere verhouding tusschen God en
den mensch. Toch houden deze leerdichters den blik niet bij voorkeur op
het godsdienstig gemoedsleven gericht. Hoofdzaak is voor hen, wat
RUYSBROECK samenvatte onder den naam van het _Werkende Leven_. Waar een
hunner een enkele maal over het _Schouwende Leven_ spreekt, daar is hij
er blijkbaar mee verlegen, hoe hij het zal plaatsen tegenover het
Werkende Leven. Er is veel over getwist, schrijft de samensteller van
den _Dietschen Doctrinael_, welk dier twee het best zou zijn. Zelf is
hij blijkbaar geneigd het Werkend Leven hooger te stellen; immers dat is
"vele meerre arbeit"; de schouwer doet niets anders dan dat hij "zijnen
Schepper liefheeft". Wat hem echter weerhoudt aan het Werkend Leven den
voorrang te geven is, dat degelijke geleerden het Schouwende Leven
hooger gesteld hebben; bovendien, CHRISTUS zeide immers van MARIA, dat
zij het beste deel gekozen had; zoo komt de auteur van den _Doctrinael_
niet tot eene slotsom. In overeenstemming met de geringe plaats, door
het Schouwende Leven ingenomen, is ook, dat deze leerdichters slechts
zelden over Gods wezen en het wezen der ziel spreken. In den _Dietschen
Doctrinael_ vinden wij een hoofdstuk "Van der Godheit" en "noch
subtijlre van Gode", in _der Leken Spieghel_ een paar hoofdstukken "van
Gods wesene" en "van den wesene der zielen", doch wat beteekent dat
viertal tegenover de honderde hoofdstukken van anderen aard?

De rijkdom aan gegevens, dien deze leerdichten bieden aan den
onderzoeker van de zedelijke ontwikkeling onzer voorouders, mag ons oog
niet verblinden voor hunne doorgaans geringe waarde als literaire
kunstwerken. JAN DE WEERT moge wel eens zekere levendigheid en gloed
vertoonen, de samensteller van den _Spiegel der Zonden_ aardige woorden
maken of althans gebruiken als "slaeplief" (concubine), "die
beeste-mensche" of "die mensche-beeste" (la bête humaine), over het
algemeen kan hier van schoonheid zelden sprake zijn. Noch in den bouw
der werken, noch in het verband der deelen, noch in de uitwerking der
onderdeelen valt doorgaans--want er zijn uitzonderingen--eenige kunst te
bespeuren. Het mag de vraag heeten of deze dichters in staat waren tot
het voortbrengen van belangrijke literaire kunst, maar zeker hebben zij
er niet naar gestreefd.

Het leerdicht der 14de eeuw vindt zijn meest typischen vertegenwoordiger
in den Antwerpschen "scepenclerc" JAN BOENDALE, die waarschijnlijk in
het laatste kwart der 13de eeuw geboren is. Onder den invloed van
MAERLANT begint hij met een paar geschiedkundige werken: de _Brabantsche
Yeesten_ en _Van den derden Edewaert_, dat den krijgstocht van den
Engelschen koning EDUARD III tegen Frankrijk behandelt is[18]. Maar
verreweg zijn gewichtigste werk levert hij daarna in _der Leken
Spieghel_, een leerdicht dat tusschen 1325 en 1330 is samengesteld[19].
In dit volksboek vond de leek ongeveer alles bijeen wat hij noodig had
om zich als christen, mensch en burger te ontwikkelen. Het werk sprak
eerst over God, den hemel, de goede en kwade engelen, het heelal, de
planeten, de aarde, de hel. Daarna kwam het op den mensch, op zijne
geschiedenis en op die van het Joodsche volk, Gods uitverkorenen; als
aanhangsel der Joodsche geschiedenis werd ook iets van de geschiedenis
der Romeinen medegedeeld. Na zoo, evenals de mystiek, van God tot den
mensch te zijn afgedaald, maakt de dichter zich gereed weer tot God op
te klimmen; maar lang is de weg. De mensch kan slechts tot hooger
ontwikkeling komen doordat God op aarde is afgedaald. Gods menschwording
wordt dus medegedeeld, het leven van JOZEF en MARIA, JEZUS' kindsheid en
geschiedenis; een overzicht van de geschiedenis der door Hem gestichte
kerk sluit zich daarbij aan. Nu plaatst de schrijver den mensch in zijne
verhouding tegenover God, leert hem hoe hij zijn persoonlijk zedelijk
leven kan ontwikkelen, hoe hij zich te gedragen heeft in het huwelijk en
bij de opvoeding zijner kinderen; wat de plichten zijn van een goed
landsheer, van een rechter; wat men te denken hebbe over de waarde en
het wezen van kunst en wetenschap, over minne, vriendschap, mildheid,
maagschap, voeding en dergelijke belangen. Hij besluit zijn werk met een
groot toekomstbeeld: de Antikrist zal op aarde komen en het volk
verleiden; de Heer zal zijne twee getrouwe knechten HENOCH en ELIA tegen
hem uitzenden, de Antikrist zal hen dooden, doch de "gadoot" [Zijnoot:
plotselinge dood.] zal hem zelven van Gods hand treffen. Dan zullen er
teekenen geschieden: de zee zal zich verheffen, zeegedrochten zich
vertoonen en angstwekkend huilen, dan aardbeving, opstanding der dooden;
hemel en aarde zullen in brand staan--zóó zal de Dag des Oordeels worden
aangekondigd. Op de wolken zal dan de rechter komen, die in het dal van
Josaphat de menschen zal oordeelen, de goeden met zich voeren, doch de
boozen ter helle verwijzen.

Dat is de kern der omvangrijke stof die in bijna 22000 verzen, nochtans
beknopt en zaakrijk, behandeld is. Zeker was daarin veel waarmede de
leeken hun voordeel konden doen. Zij vonden er nuttige kennis en dingen
die hunne algemeene ontwikkeling konden bevorderen naast lessen voor de
practijk des levens; zoo wekt BOENDALE de landsheeren op tot zorg voor
het algemeen welzijn; de poorters tot onderlinge eendracht, te waken
tegen zelfverheffing, hunne kinderen op hun zevende jaar naar school te
zenden om lezen en schrijven te leeren[20]. Doch sterker invloed nog zal
hij geoefend hebben door zijne verheffing van het geestelijke boven het
stoffelijke. Hoe forsch pakt hij de overmoedige zinnelijkheid dier
opkomende burgerij aan, waar hij haar voor oogen houdt dat de "arme
menschelichede" het zwakste en onreinste zou zijn dat bestaat--ten ware
dat de ziel haar door hare gratie bestierde en sierde. Onder een
geslacht dat afzonderlijke woorden bezigde voor te veel eten en drinken
("overate" en "overdranc") is BOENDALE een matigheids-apostel geweest
die hun voorhield, dat éénmaal eten: geestelijk is, twéémaal:
menschelijk, driemaal: beestelijk. Hij komt op tegen de voorstelling van
God als een mensch: "God is altemale gheest; tegen afbeeldingen van
engelen met menschenlichaam en vleugels; tegen de voorstelling van de
kerk als een huis, zooals RUYSBROECK dat evenzeer had gedaan[21].

De vraagstukken van maatschappelijken aard die hier behandeld zijn,
vindt men, met eenige andere vermeerderd, terug in een tweede, veel
kleiner, leerdicht van BOENDALE, dat getiteld is _Jan's Teesteye_
[Zijnoot: overtuiging.] [22]. Nieuw is hier o.a. BOENDALE'S overtuiging:
dat de menschen, vergeleken bij de vroegere, eer vooruit dan achteruit
zijn gegaan, al heeft de adel onder den invloed der boozen geleden; dat
de boeren en kooplieden zulke nuttige leden der maatschappij zijn; dat
de vrouwen zoo vele en zoo groote gebreken hebben. Ook over dichters
vinden wij hier eenige uitlatingen die niet zonder belang zijn, doch die
wij liever elders zullen behandelen.

Vooral in de _Teesteye_ zien wij, welk een sterken invloed MAERLANT op
BOENDALE heeft geoefend. Zijne beschouwing van de "edelhede" is geheel
die van MAERLANT, soms vinden wij zelfs woordelijke overeenkomst.
MAERLANT'S _Martijn's_, zijn _Spieghel_, zijn _Rijmbijbel_, zijn roman
_van Troyen_ zijn door BOENDALE blijkbaar gelezen; gelezen en bewonderd,
want meer dan eens verkondigt hij den lof van "JACOB, die dichter
hoghe"; in zijn _Lekenspiegel_ noemt hij hem zelfs "'t hooft van alle
Dietsche poëten"[23]. MAERLANT heeft in BOENDALE die liefde tot de
waarheid gewekt of versterkt, die hem den moed gaf zich zoo onbeschroomd
tegenover de priesters te uiten, die hem ook aan een dichter den eisch
deed stellen, "dat hi uter waerheit niet en kere"; doet hij dat, dan is
hij den naam van dichter onwaardig[24].

Toch is er tusschen den meester en zijn bewonderenden leerling een
aanmerkelijk verschil.

MAERLANT was een idealist. In zijn jonge jaren hadden de idealen van het
ridderwezen zijn hart wel niet onverdeeld bezeten, maar er toch
weerklank gevonden; de vereering der vrouwen had het in gloed gezet, die
gloed was langzamerhand gezuiverd van rook en walm, de moedermaagd had
al die romanheldinnen verdreven, den stralenden afglans van het vuur
zijner jeugd zien wij in zijn _Land van Overzee_ en zijn _Kerken
Claghe_; daar heeft de lezer en vertaler van ridderromans zich
ontwikkeld tot een "miles Christianus".

BOENDALE heeft ook wel eens van dien eerbied voor de vrouwen gehoord. De
"edelhede", zegt hij in zijn _Teesteye_, gebiedt dat men over vrouwen en
jonkvrouwen slechts hoofsche dingen spreke. Maar zich zelven acht hij
blijkbaar aan dat gebod niet gebonden. Een paar hoofdstukken verder in
datzelfde gedicht geeft hij eene karakteristiek van de vrouwen die aan
duidelijkheid niets, aan hoofschheid alles te wenschen overlaat; hij zal
er maar "een luttel" van zeggen: vrouwen zijn van nature loos, vrekkig,
begeerig, twistziek, ongestadig, wraakzuchtig, zonder genade voor wien
zij haten, hoovaardig, kinderachtig, onwetend, lichtgeloovig... men zou
zeggen dat het zóó wel kon, doch het hoofdstuk geeft nog meer van dezen
aard, er volgt een ander dergelijk dat getiteld is "noch van den wiven"
en daarop nog een "exempel". Een geluk is er echter: "dat de vrouwe des
mans dienstwijf is", wat men hieruit kan zien dat de vrouw het kind,
door den man gewonnen, moet dragen en groot brengen; een taak waarvan de
man terecht is vrijgesteld, omdat hij "heer en voogd van het aardrijk"
is.

Men zou BOENDALE onrecht doen, indien men verzweeg dat hij zelf zijn
best heeft gedaan om niet misverstaan te worden; op deze hoofdstukken
heeft hij een ander laten volgen dat handelt "van den goeden wiven";
daarin maakt hij onderscheid tusschen "vrouwen" en "wiven": al het kwade
geldt slechts van de "wiven", zegt hij; van de "vrouwen" weet hij
allerlei liefelijke en goede dingen te vertellen: een goede vrouw is
haar mans schat, zij draagt zorg voor haar mans eer, voor zijn leven,
zijn goed; zij is hem trouw tot in den dood; zij is dikwijls wijs, geeft
goeden raad, houdt vrede met haar man, zij troost hem als hij verdriet
heeft; een goede vrouw gaat zilver en goud te boven en purperen
staatsiekleederen en saffieren... aldus stelt BOENDALE het goede
tegenover het kwade.

Het feit dat drie hoofdstukken aan de "wiven" gewijd zijn en slechts één
aan de "vrouwen" behoeft hier niet zwaar te wegen. Doch ook al ware hij
even uitvoerig geweest over de goede als over de kwade vrouwen, dan nog
zou men terecht mogen beweren, dat een dichter die de fouten en zonden
der vrouwen zóó breed kon uitmeten, weinig sympathie kan hebben gevoeld
voor het hoog en zuiver idealisme, dat, vermengd met elementen van
minder waarde, in den middeleeuwschen vrouwendienst gevonden werd. Ja,
ook MAERLANT heeft in zijn roman _van Troyen_ wel eenige verzen vertaald
waarin gebreken der vrouwen worden opgesomd, doch wie het _vóór_ en het
_tegen_ de vrouwen in MAERLANT'S werken onderling vergelijkt, zal toch
moeten instemmen met de slotsom van MAERLANT'S vriend MARTIJN:

  Jakob, du best den vrouwen hout  [Zijnoot: genegen.],
  Du gheves den mannen al de scout  [Zijnoot: schuld.].

Ook elders toont BOENDALE zekere nuchterheid en bezadigdheid, die hem
afkeerig maakt van wat buiten de middelmaat valt; "middelheit houden
over al", dat moet iemand doen die zich zelven mint. Een ander minnen is
goed, maar ieder minne een ander zóó, "dat hi sijns selfs scade niet en
doe", want doet hij dat niet, dan heeft hij een ander liever dan zich
zelven--en, wie zóó liefheeft, leeft "onwijslijc". Zoo moet men arme
brave bloedverwanten wel helpen, doch zóó dat men er zelf de minste
schade bij lijdt [25].

MAERLANT'S idealisme maakte hem pessimist, gelijk zoovele idealisten
vóór en nà hem. De werkelijkheid ontstemt, bedroeft, ergert hem; om zijn
geloof aan de menschheid te kunnen behouden, vlucht hij ermee naar een
droomland in een ver verleden waar alles rein en goed was; bij de
toestanden uit die gouden eeuw vergeleken, is al wat hem op deze aarde
omringt, gebrekkig, leelijk, zondig.

BOENDALE is het hier geenszins met zijn voorganger eens. In zijn
_Lekenspiegel_ sprak hij de overtuiging uit, dat de menschen
tegenwoordig even goed zijn als vroeger. In zijn _Teesteye_ neemt hij
die stelling in het eerste hoofdstuk reeds weer op, gaat na hoe het komt
dat wij het voorgeslacht zoo prijzen, betoogt de waarheid zijner
stelling met voorbeelden uit het Oude en het Nieuwe Testament, en hangt
daarna een zóó verlokkend tafereel op van de braafheid en vroomheid
zijner tijdgenooten dat men een oogenblik aan ironie denkt; doch uit het
gansche werk blijkt dat men den dichter ook hier moet houden aan zijn
woord. Deze verheerlijking van zijn tijd komt in een eigenaardig licht
te staan, indien men haar naast den proloog van het werk plaatst.
BOENDALE heeft zijn _Teesteye_ opgedragen aan een machtig en invloedrijk
edelman, ROGIER VAN LEEFDALE, kanselier van Brabant en burggraaf van
Brussel. Heer ROGIER was blijkbaar een MAECENAS voor BOENDALE. De
dichter verzekert dat hij zijne dichtkunst wil stellen ten dienste en
ter eere van zijn hoogen beschermer en diens gemalin AGNES VAN CLEVE.
Hoog verheft hij beider lof, zelfs hunne namen deelen daarin: wie kan
mooier namen bedenken dan: ROGIER EN ANGENEESE? Één ding hoopt hij nu
slechts: dat Heer ROGIER in dit werk niets vinden moge dat hem mishaagt.
Vroeger is hij vaak in vreeze geweest, wanneer hij zijn beschermer eenig
dichtwerk zond, of het hem wel bevallen zou; daarom is hij nu voortaan
op zijn hoede, want Heer ROGIER ziet scherp en heeft hem wel eens
berispt over zijne poëzie.

Blijkbaar had BOENDALE in een vorig gedicht (welk?) te stout en te
scherp gesproken, waarschijnlijk over maatschappelijke misstanden en
moest de aanvang der _Teesteye_ Heer ROGIER weer in een goed humeur
brengen. Maar een idealist, een echte, doet zulke dingen toch niet.

MAERLANT sprak een stout woord voor dien tijd, toen hij, het eerst in de
volkstaal, neerschreef dat de ware adel in de deugd gelegen is. BOENDALE
volgt hem daarin slechts na. MAERLANT zwijgt over de democratische
beweging zijner dagen, die opkwam toen hij reeds bejaard was; doch hij
heeft er zich toch niet vierkant tegenover geplaatst zooals BOENDALE.

MAERLANT bewerkte den _Rijmbijbel_; BOENDALE voegde bij het werk van
zijn voorganger slechts het een en ander uit de apocriefe
evangeliën[26].

MAERLANT was geen hervormer maar toch een vernieuwer en een voorganger;
BOENDALE een verdienstelijk volger en behouder.

MAERLANT eindelijk was een dichter die, ja, ter wille van zijn volk veel
berijmd proza heeft geschreven, maar in wiens werk toch op menige plaats
echte poëzie te zien valt als groene loten tusschen het dorre hout.
BOENDALE'S poëtisch vermogen was blijkbaar gering. In zijne voorstelling
van den naderenden

Oordeelsdag zijn hier en daar elementen van grootsche verhevenheid die
doen denken aan het Oudhoogduitsche _Muspilli_; doch waarschijnlijk
heeft hij ook deze aan een of andere Latijnsche bron ontleend; indien
hij al iets van deze verhevenheid hebbe beseft, dan is hij er toch niet
in geslaagd het ons te doen zien.

In zijn beste werk, _der Leken Spieghel_, kan men slechts op een paar
plaatsen wijzen die zich boven het gelijkvloersche verheffen. De eene is
die waar hij spreekt over de roeping van den dichter; de andere, eene
uiting van verlangen naar de paradijsweelde van JEZUS' liefde, bevat
misschien de beste verzen die hij geschreven heeft:

  O edele minne, wanneer seldi
  Volkomenlike comen in mi?
  Of dat ic uwes ghesmake iet!
  Had ic u, mine ghebrake niet [Zijnoot: mij zou niets ontbreken]",
  Al mijn vernoy [Zijnoot: verdriet]" ware verdreven.
  Ay heere! wilt mi gheven
  U vaderlike minne daer toe:
  So blivic eeuwelike vroe [Zijnoot: blijde]"[27].

_Jans Teesteye_, het werk van BOENDALE, waarin MAERLANT'S invloed zich
het duidelijkst vertoont, is geschreven in den vorm eener samenspraak
tusschen een paar vrienden, WOUTER en JAN; echter niet in regelmatige
afwisseling van vraag en antwoord verdeeld over afzonderlijke
coupletten, maar zóó dat verreweg de meeste hoofdstukken aanvangen met
een vraag van WOUTER die door JAN wordt beantwoord. Misschien moeten wij
dit dialogisch karakter toeschrijven aan den invloed van MAERLANT'S
_Martijns_, doch, zooals wij reeds in den aanvang van dit hoofdstuk
zagen, het leerdicht koos gaarne dezen vorm.

Wij vinden den dialoogvorm nog in een drietal leerdichten die wij nu
zullen behandelen.

_Meliboeus_ een "boec van troeste ende van rade" is eene vertaling uit
het Latijn van ALBERTANUS VAN BRESCIA en werd in 1342 door een te
Antwerpen wonend dichter voltooid. Het zou worden opgedragen aan den
hertog van Brabant en de hier aangeboden troost en raad waren dan ook
voornamelijk gericht tot landsheeren, zooals ons in den proloog wordt
medegedeeld. In een onregelmatig dialogischen vorm geeft het gedicht
allerlei opmerkingen ten beste over de wijze waarop een man zich heeft
te gedragen in den strijd o.a. met het vleesch, de wereld en den duivel;
verreweg de meeste plaats wordt echter ingenomen door een breedvoerige
behandeling van vragen als: of en wanneer een man rekening moet houden
met den raad zijner vrouw, wat men schuwen moet in het raadplegen, hoe
men zal onderzoeken of een raad nuttig is, dat men aan jongere menschen
geen raad moet vragen enz.

Mogelijk is ook dit werk van BOENDALE'S hand, al zal eerst voortgezet
onderzoek deze mogelijkheid tot zekerheid of hooge waarschijnlijkheid
kunnen brengen[28].

Den invloed van MAERLANT'S _Martijns_ dien wij in BOENDALE'S _Teesteye_
opmerkten, zien wij eveneens in _Eene disputacie van Rogiere ende van
Janne_, door den Yperschen chirurgijn JAN DE WEERT gedicht, nadat hij
den _Spiegel van Zonden_ had voltooid. Evenals in den _Meliboeus_ wordt
ook hier de strijd van den mensch met zijne drie vijanden: het vleesch,
de wereld en den Booze behandeld. Wij hebben deze voorstelling reeds
leeren kennen uit RUYSBROECK'S _Werkende Leven_; ook andere deelen
daarvan vinden wij in deze _Disputacie_ terug, zoo b.v. de rol die Gods
gratie vervult in dezen strijd van den mensch met zijne vijanden; de
vergelijking van den mensch bij eene stad waarin de vrije wil koning
is[29].

Toen JAN DE WEERT dit werk schreef, stond MAERLANT'S beeld hem voor
oogen; MAERLANT'S naam wordt door hem dan ook meer dan eens genoemd, de
_Martijns_ vermeld en de trant dier werken nagevolgd. Maar het talent
van den navolger schoot te kort; de dwang van MAERLANT'S kunstig
gebouwde strophe belemmert hem voortdurend in het voorwaartsgaan en hij
was zich daarvan wel bewust, toen hij schreef:

  Mijn conste en es niet also groot
  Als Jacops hier te voren.

Toch is hier nog in het kiezen van dien vorm een streven naar kunst.

Dat streven valt tenauwernood te ontdekken en is bijna schuil gegaan
achter het nuttigheidsbeginsel in de samenspraak tusschen vader en zoon,
die onder den titel _Seneka leren_ eene vertaling bevat van een aan
SENECA terecht of te onrechte toegeschreven werkje _De Remediis
Fortuitorum_[30]. De Dietsche vertaling bevatte een menigte welgemeende
terechtwijzigingen, verstandige voorschriften en lessen van
levenswijsheid, in zuivere taal uitgedrukt. Door dat karakter sluit dit
werkje zich aan eenerzijds bij den _Dietschen Catoen_ uit vroegeren tijd
en bij eenige andere gelijktijdige: het _Doctrinael savage_, _die Bouc
van Zeden_ en _Van Zeden_[31].

Evenals de meeste overige leerdichten, zijn ook deze werkjes wel niet
zonder belang voor de geschiedenis der literatuur--immers, zooals men de
literatuur toen beschouwde--maar toch belangrijker voor de
zedengeschiedenis. De twee laatste werkjes vooral zijn gewijd aan de
verfijning van manieren en gedrag in het dagelijksch leven. Men ziet
eruit dat ook de burgerij prijs gaat stellen op uiterlijke beschaving en
tevens dat die beschaving nog geen hoogen trap had bereikt. Dat laatste
blijkt wel, wanneer men in het oog houdt wat de Dietsche vertaler van
het laatstgenoemde geschrift zijnen lezers en hoorders al zoo voorhoudt:
eet en drink niet tegelijk; soppen in een nap gaat aan, in den mond
niet; bijt niet in een stuk dat gij (daarna) in den schotel wilt leggen;
gebruik het tafellaken niet om er uwe tanden, tranende oogen of uw neus
mede te vegen; vat den beker niet bij den rand aan; wijs niet met den
vinger naar iemand over wien gij spreekt; komt gij voor iemands deur,
val dan niet met de deur in huis, maar geef een of ander teeken door
kloppen, hoesten of spreken. Andere voorschriften echter waren berekend
niet zoozeer op het te keer gaan der oorspronkelijke ruwheid als wel op
het verhoogen der reeds aanwezige beschaving. Zoo b.v.: lach niet te
veel; lach ook niet in u zelven, want dat is een teeken van boosheid en
geveinsdheid; spreek niet minachtend over vrouwen; zit gij in gezelschap
van uwen meerdere, sla dan het eene been niet over het ander; moet gij
slapen in één bed met uw gelijke of uw meerdere, vraag hem dan aan
welken kant hij wil liggen.

Door raadgevingen als die over de drie vijanden van den mensch houdt het
bundeltje _Van Zeden_ verband met _Meliboeus_ en JAN DE WEERT'S
_Disputacie_, anderzijds beseft de bewerker wel dat hij iets geeft dat
in den _Dietschen Catoen_ niet gevonden werd[32].


De hier behandelde tweespraken en dialogische gedichten, de korte
coupletten, waaruit het bundeltje _Van Zeden_ bestaat, kunnen dienen als
voorbereiding op de didactische lyriek, die wij in een volgend hoofdstuk
zullen leeren kennen. Zij zijn als schakels, die de leerdichten in
epischen vorm verbinden met de didactische lyriek. Geen der in deze
laatste bladzijden behandelde werken is daartoe zóó geschikt als het tot
nu niet genoemde werk van zekeren JAN PRAET, dat men op grond van eene
aanwijzing in den tekst _Leeringhe der Zalichede_ heeft genoemd[33].
Gedicht nu eens in verzen met overslaand rijm, dan weer in paarsgewijze
rijmende verzen, die onderbroken worden door vier- en zesregelige
coupletten, afgewisseld op hunne beurt door twaalfregelige "motetten",
geeft dit rijmwerk ons een vermoeiend bonte afwisseling van dichtvormen
te zien. Harmonie heerscht hier in zóóver, dat ook de inhoud een bonte
verscheidenheid toont; doch die harmonie beperkt zich tot de
oppervlakte, want de wisselingen van vorm beantwoorden niet aan
wisselingen van inhoud of stemming, maar schijnen slechts voort te komen
uit zekere onrust, misschien ook uit de zucht van den auteur om met
zijne kunstvaardigheid te pronken.

Daar de aanvang en het slot van het werk ontbreken, kunnen wij ons uit
de ongeveer 5000 overgebleven verzen geene volkomen voorstelling vormen
van het plan des dichters. De aanvang van het fragment verplaatst ons in
een lofzang op de H. Maagd. Hare deugden worden opgenoemd in verband met
de letters van haar naam. Telkens begeeft de auteur zich in eene
uitweiding, zoo b.v. over de wanhoop en de geschiedenis van THEOPHILUS.
De voorstelling van het leven als een gevaarlijke zeereis wordt breed
uitgewerkt: het lichaam is het schip, het hart de schipper, het gepeins
het anker; het kompas, bestaande uit naald, zeilsteen en water, geeft
een voorstelling van Verstand, Zin en Geheugen. Hoogmoed wordt gelaakt;
zelfkennis aangeprezen; de verachtelijkheid van het lichaam met nadruk
betoogd. Daarna wordt het beeld van het schip weer op den voorgrond
gebracht. De auteur, die zich hier wel in de plaats zal stellen van den
gewonen mensch, belijdt dat hij schuldig staat aan de zeven hoofdzonden;
deze worden dan op de bekende middeleeuwsche wijze voorgesteld als een
boom (hoovaardij) met zes takken (_arbor vitiorum_). Staaltjes van de
wijze, waarop de hoofdzonden zich in het leven openbaren, worden
medegedeeld; vooral de priesters moeten het hier ontgelden in hun
wellust, luiheid en hebzucht. Een lang dispuut tusschen Hoovaardij en
Ootmoed volgt; daarna een beschrijving van een strijd tusschen de
deugden en de ondeugden (bekend uit PRUDENTIUS' _Psychomachia_); ten
slotte wordt Hoovaardij berispt door Vrouwe Sapientia en JEZUS' leven
uitvoerig verhaald.

Hoewel nergens blijkt dat een bepaald werk of een auteur door JAN PRAET
gevolgd is, knoopt hij toch telkens nieuwe beschouwingen vast aan
Latijnsche teksten of korte Latijnsche verzen, die niet zelden door hem
worden uitgebreid. In die uitbreidingen, vooral in de lyrische gedeelten
daarvan, toont deze auteur zich op zijn best. Zijn smaak was niet
fijn--getuige zijne vergelijking van God, die zich van sommige priesters
afkeert, bij een haas die de honden ontvlucht[34]--hij weet zich niet te
beheerschen noch te beperken, toont zich niet zelden een
gelijkvloerschen rijmelaar; doch, waar hij op zijn best is, weet hij ook
aardige, gemakkelijk voortloopende coupletten te dichten, die zekere
natuurlijke bevalligheid vertoonen. Zoo b.v. het "motet" dat aanvangt:

  Bi rimes zucht [Zijnoot: nadeelige invloed van de rijp.]
  Verlieset vrucht
  Saen hare baten

of:

  Hooren, peinsen,
  Zwighen, veinsen
  Ende wel voorsien,
  Dat zijn seden
  Van wijsheden
  Dies willen plien [Zijnoot: plegen.].

Ook de aanvang der lange passage, waar Vrouwe Hoovaardij aan het woord
is, mag hier genoemd worden:

  Ic doe tornieren,
  Ridders verfieren [Zijnoot: stouter worden.]
  Van haren zinne,
  Vrouwen pareren,
  Zinghen, baleren [Zijnoot: dansen.]
  Om ridders minne;
  Knapen [Zijnoot: schildknapen.] josteren [Zijnoot: strijden te paard in
tweegevecht.]
  Ende breken speren
  Om roeme saken;
  Joncfrouwen vermoyen,
  Wempelen ployen
  Ende horne [Zijnoot: de horens van het middeleeuwsch kapsel.] maken.

Zulke stukken herinneren ons, dat er in de 14de eeuw eene bloeiende
lyriek wordt aangetroffen. Met die lyriek zullen wij ons spoedig hebben
bezig te houden. Eerst echter wacht ons een andere taak: na te gaan, wat
er van den _Reinaert_ geworden is onder den invloed van de sterke
didactische neigingen der burgerijen.


REINAERT II.

Een eeuw en het vierde eener volgende eeuw waren voorbijgegaan, sinds
een Vlaamsch dichter de geschiedenis _van den vos Reinaerde_ aan zijn
volk had verhaald.

Welken indruk dit dichtwerk op het publiek heeft gemaakt, kunnen wij wel
vermoeden doch niet in bijzonderheden aantoonen. Moesten wij afgaan
alleen op het ontbreken van handschriften uit de 13de en 14de eeuw,
waarin het gedicht is bewaard, dan zou men moeten aannemen dat het
weinig of niet bekend is geworden. Maar de afkeurende critiek van
ernstige mannen als WILLEM VAN AFFLIGHEM en MAERLANT bewijst wel, dat de
roodbaard in ruimer kring sympathie vond dan hun lief was. Duidelijk
openbaarde zich die sympathie bij zekeren BALDWINUS, die omstreeks of
eenigen tijd vóór 1280 aan ons gedicht de zeldzame eer eener vertaling
in het Latijn bewees. Maar indien de _Reinaert_ daardoor al in de
schatting ook der ernstige mannen gerezen is, dan toch waarschijnlijk
alleen omdat hij ook nuttige lessen bevatte. Dat standpunt zien wij ten
minste JAN BOENDALE innemen ongeveer een halve eeuw nadat de Latijnsche
vertaling vervaardigd is. In zijn _Lekenspiegel_ zegt hij, sprekend "van
Reynaerde ende Ysegrime, Brunen den bere ende den das":

  Dat dese dinc vonden was,
  Was al om lere ende wijsheit[35].

Die opvatting bleef gelden ook bij anderen die na hem kwamen. Indien
BOENDALE--wat niet waarschijnlijk is--nog heeft geleefd omstreeks 1375,
dan heeft hij zijn hart kunnen ophalen aan een verhaal _van den vos
Reinaerde_, dat waarschijnlijk wel genade zal hebben gevonden in de
oogen der ernstige mannen van dien tijd. In dat jaar toch heeft een
onbekend, geletterd dichter het oude verhaal opnieuw bewerkt in den
geest der didactische dichters. WILLEM'S gedicht is door hem tot
grondslag genomen eener nieuwe bewerking, bestaande uit: 1o het oude
gedicht, doch met allerlei wijzigingen, invoegsels, toevoegsels en
weglatingen; 2o eene voortzetting van het oude gedicht in den geest
zijner bewerking van WILLEM'S gedicht. In zijn werk heeft hij tal van
nieuwe dierfabels gelascht: wolf en merrie, man en slang, paard en hert,
ezel en hond, wolf en kraanvogel, zieke leeuw en Reinaert als arts; deze
zijn ontleend deels aan den _Esopet_ deels waarschijnlijk aan de
Latijnsche fabelverzameling _Romulus_. Aan de voortzetting van het oude
gedicht ligt waarschijnlijk eene Fransche bewerking van een deel der
Reinaert-sage ten grondslag, doch de Nederlandsche bewerker heeft op
dien grondslag zelf voortgebouwd.

De dichter van 1375 heeft uit den ouden _Reinaert_ vrij wat weggelaten
doch er ook vrij wat aan toegevoegd; zijne bewerking van WILLEM'S
gedicht heeft denzelfden omvang als dat gedicht zelf. Door de
voortzetting die meer dan 4000 verzen bedraagt, verkreeg _Reinaert II_,
zooals men het 14de-eeuwsch gedicht gewoonlijk noemt, echter meer dan
den dubbelen omvang van _Reinaert I_.

Willen wij trachten _Reinaert II_ te leeren kennen en te kenschetsen,
dan zullen wij dat werk voortdurend naast _Reinaert I_ moeten houden om
de overeenkomst en het verschil tusschen beide te beter te zien[36].



Evenals in de 13de eeuw zien wij ook nu na de ridderpoëzie eene
bewerking der Reinaert-sage verschijnen, doch verschillend in wezen van
die der 13de eeuw en onder andere omstandigheden.

Het oude gedicht _Van den vos Reinaerde_ was, evenals het Fransche
gedicht _Le Plaid_, ontstaan ten deele uit lust tot parodieering van
ridderwezen en ridderpoëzie; de Vlaamsche dichter heeft die parodie op
zelfstandige wijze met onmiskenbaar talent uitgewerkt en voortgezet. De
parodie die in _Reinaert I_ reeds aanwezig was, is door den lateren
dichter grootendeels behouden, doch, behalve de beschrijving van een
tweekamp tusschen vos en wolf, heeft hij daaraan niets toegevoegd
waaruit lust tot zulke parodie ook in hem blijkt. Wel zien wij op een
enkele plaats dat hij het ridderwezen niet hoog stelt; hij zegt immers
dat hij den strijd tusschen Reinaert en Isegrim liever zou zien dan dien
"van twee riddren in een perc"[37]. Overigens moeten wij niet vergeten
dat er voor zulk eene parodie omstreeks 1375 weinig reden meer bestond;
het ridderwezen was niet meer wat het nog in de eerste helft der 13de
eeuw was en de ridderpoëzie van de eerste helft der 14de eeuw was
grootendeels namaak van de vroegere.

Voor een ander gedeelte was het oude gedicht geboren uit natuurliefde,
welbehagen, in het wezen en leven der dieren, lust om het leven der
dieren in de natuur met het menschenleven in- en buitenshuis te
vereenigen en te verwerken tot een groot tafereel. Wat is daarvan in de
bewerking der 14de eeuw overgebleven? Het natuurleven en dierenleven is
er natuurlijk nog; doch als een tafereel, hier verbleekt daar
overschilderd, dat menigen fijnen trek heeft verloren en nieuwe trekken
vertoont die kwalijk passen bij den geest van het geheel. Wij zien in de
latere bewerking niet de menigvuldige kromme paden in Reinaert's
jachtveld; wij hooren den beer niet meer luid steunen en zuchten,
wanneer hij, van zijn rampspoedigen tocht naar Malpertuis teruggekomen,
vóór koning Nobel staat. Verdwenen zijn uit _Reinaert II_ de kinderen
die den wolf een blinddoek voorbinden, verdwenen ook het aardige tooneel
van Reinaert's vijanden bij de galg waaraan zij hem aanstonds hopen te
hangen[38].

Het onvermijdelijk anthropomorphisme, door den ouden dichter, met
natuurlijken takt binnen de grenzen gehouden, vertoont zich hier op
hinderlijke wijze: koning Leeuw zegt: nimmer zal ik meer een zwaard
aangorden of een kroon dragen; Reinaert vertelt den koning, dat vrouwe
Hermeline heeft moeten zweren in den naam der drie koningen; de dieren
dansen hofdansen op trompen en schalmeien, zelfs dragen zij "sproken
ende stampiën" [Zijnoot: danslied.] voor; bij het beleg van Malpertuis
bedienen zij zich van "donrebussen en bombaerden" [Zijnoot: kanonnen.]
[39].

Zoo weinig schijnt de omwerker de dieren in hun wezen en gedrag te
kennen, misschien ook geeft hij zoo weinig acht op zijne eigen
voorstelling van het dierenleven, dat hij den leeuw laat "brieschen als
een stier" en den vos zijne voetstappen dekken(?) met den mond [40].

Dat de omwerker op deze wijze door schrappen en toevoegen het
oorspronkelijk werk in waarde deed dalen, behoeft ons niet te
bevreemden. Zijn voorganger stond _in_, hij _buiten_ de dierenwereld.
Duidelijk zien wij dat, waar hij, sprekend van eene woordenwisseling
tusschen Reinaert en zijne vijanden, zegt: "nooit hoorde men feller
aanklacht en beter verdediging dan daar, _ten minste van zulke wilde
dieren_"[41]. Een dergelijke uitdrukking zou WILLEM nooit gebruikt
hebben; die voelde zich daarvoor te zeer één met de dieren die hij voor
ons doet optreden. De veertiend'eeuwer kent niet meer of gunt zich niet
meer dat genot van zorgeloos gaan door een droomwereld, met de dieren te
zwerven door bosschen en over heiden, ze na te gaan in hunne gangen, te
beluisteren en te bespieden in hun omgang. Hij is een ontwikkeld man,
een "clerc" die zijne geleerdheid gaarne lucht, die de wereld slecht
vindt, haar wil waarschuwen, verbeteren, stichten. Het verhaal van
Reinaert moet hem dienen als middel om dat doel te treffen. Reeds in den
aanvang van zijn werk vestigt hij de aandacht op de "wijsheit" die hier
besloten ligt; en als hij aan het eind gekomen is, klinkt het op nieuw:

  so wie dit wel verstaet in 't lesen,
  al ist som boert, hi vinter in
  vroede leer ende goeden sin [42].

Om die "vroede leer" en "goeden zin" was het den auteur te doen; dat was
de pit, de boert slechts de bolster. Telkens blijkt het dan ook, hoe
weinig de auteur leeft in die fantastische dierenwereld; hoe zeer hij
vervuld is van het heden. Over dat heden is hij slecht te spreken. Er
loopen maar al te veel Reinaerts rond, al

dragen zij geen rooden baard; trouw en waarheid zijn verdreven;
hebzucht, loosheid en afgunst met koningin Hoovaardij zitten nu op het
kussen. De geestelijkheid moet menige veer laten: Losevont de prior,
bisschop Prendeloor, Rapiamus de deken, de kardinaal Valoot met zijne
concubine.

Op die wijs had vroeger ook JAN DE WEERT het mes gezet in de booze
zweren van zijn tijd. Verwantschap met de leerdichters toont de omwerker
van den _Reinaert_ ook, waar hij veel gewicht hecht aan "raet",
"subtilen raet" en den invloed daarvan aan een hof; waar hij nu eens de
vrouwen in een ongunstig licht stelt dan weer een zweempje van
vrouwendienst laat blijken. Doch ook maar een zweempje; de lof der
vrouwen wordt verkondigd door vrouw Venus "die duvelinne". Voor den
rechten vrouwendienst zal deze auteur te kalm en nuchter-verstandelijk
zijn geweest. Juist door die eigenschappen kon het hem gelukken, den
mysticus te parodiëeren waar hij uit Reinaert's mond sprak van "een
bloot niet", van "bescouwender contemplaciën" en "sonderlinghe
graciën."[43].

Geen bedwelmenden nectar van mystiek maar het voedzame brood van
practische levenswijsheid--dat was wat volgens hem de burgerij noodig
had! Wijze lessen, kernspreuken deelt onze omwerker dan ook gaarne uit:
zonder dwang gaat het niet goed met eene gemeente; de geleerdsten zijn
dikwijls niet de wijsten; een trouw vriend is een sterke hulp; misdoen
en zich beteren is menschelijk, zonder dat is het duivelswerk; soms
komen de spreuken in een vlaag achtereen: het zwaarste moet het zwaarst
wegen; in voor- en tegenspoed moet men maat houden; karaktervastheid
voegt den heer, het lot is wisselvallig; prijs den dag niet eer het
avond is; goede raad kan dikwijls baten[44].

Onze voorstelling zou eenzijdig, onze beschouwing onbillijk worden,
indien wij slechts op deze karaktertrekken van Reinaert den Tweeden de
aandacht vestigden; indien wij het deden voorkomen alsof het dezen
auteur geheel ontbrak aan medegevoel voor het dierenleven. Dat gevoel
was er wel, doch hij onderdrukte het ter wille van andere gevoelens; het
bloed kroop, waar het niet gaan kon.

Op verscheidene plaatsen vinden wij toevoegsels van zijne hand, die wel
in den geest van _Reinaert I_ zijn; zoo b.v. waar hij van de vermoorde
kip Coppe zegt: "de beste, die ie [Zijnoot: ooit.] eier leide op
neste."--"Kon de koning geen minderen bode vinden dan u?" laat hij
Reinaert tot den dom-trotschen afgezant Bruin zeggen; en later, als
deze, bebloed en bek-af na de mishandeling op LAMFROIT'S erf, op den
oever eener rivier ligt te hijgen: "hebt gij iets vergeten daarginds? ik
zal gaarne een boodschap voor u meenemen; smaakte de honing? ik weet er
nog meer voor u tegen denzelfden prijs." Hoe goed ook zijn de kapriolen
beschreven van de kleine vossen, die zoo'n pleizier hebben in de
weerkaatsing van hun beeld in een spiegel, waar zij:

  in plaghen te spieghelen ende voor te springhen,
  ende saghen hoe haer steertjens hinghen,
  ende hoe hem haer muulken stont[45].

Op meer dan eene plaats blijkt, dat de omwerker, waar hij voortzetter is
van het oude gedicht, een levendigen stijl heeft, dat hij wel kan
vertellen en beschrijven[46]. Vooral blijkt dat in het verhaal van
Reinaert's bezoek bij de meerkat. "Tante," zegt Reinaert, "wat heb je
mooie jongen! deus, hoe wel behaghen si mi!" En zij: "Reinaert, lieve
neve, weest wellecome!" Zoo'n vriendelijke ontvangst, vertelt de vos
later, verdiende ik al dadelijk door dat "tante". Toch verlaat hij het
hol der apin zoo snel mogelijk, "omdattet na die wieghe daer rooc".

Zoo is er dus wel geestverwantschap tusschen den ouden dichter en den
lateren; doch anderzijds dit groote verschil dat voor den oudere de
schepping van zijn werk haar doel vond in zich zelve, terwijl voor den
jongere het dichtwerk vooral een middel was tot verbetering zijner
tijdgenooten. Was WILLEM een beeldend kunstenaar, die schiep uit
scheppingslust en drang, zijn opvolger was een verstandelijk dichter,
die de behandeling der behagelijke stof gewettigd achtte slechts door de
nuttige leering die zij bevatte.

Dat verstandelijk element heeft er hem toe gebracht, het oude gedicht op
menige plaats te wijzigen, met de bedoeling natuurlijk het te verbeteren
en voor het logisch denkend verstand juister of aannemelijker te maken.
_Reinaert I_ vertelt ons, dat Bruin, bij Reinaert's kasteel Malpertuis
gekomen, de poort waarneemt waar Reinaert gewoonlijk uitgaat en dan vóór
de "barbecane" [Zijnoot: ronden verdedigingstoren bij een kasteel.] op
zijn staart gaat zitten. Let wel, zegt de omwerker, de poort was
gesloten.--Alsof dat bij een middeleeuwsch kasteel niet vanzelf
sprak!--Bruin, mishandeld door de dorpelingen, is in de rivier
gesprongen, laat zich met den stroom afdrijven en kruipt eindelijk
vermoeid op den oever.--Op den _anderen_ oever, zegt de omwerker. Hij
heeft misschien gelijk, misschien niet; maar wat kan het ons schelen?
"Ik liep uit een schuur," vertelt Reinaert ergens. "Door het gat waar ik
wilde zijn"--wordt ons verduidelijkt. Koning Nobel en zijne gemalin gaan
de terechtstelling van Reinaert bijwonen, vertelt WILLEM ons.--Het hof
ging ook meê, haast zijn opvolger zich er bij te voegen.

Op die wijze voortgaand, heeft hij de bekoorlijk-vrije poëzie van het
oude gedicht onder de plak van den schoolmeester gebracht[47].
Ordelijker heeft hij haar gemaakt, hier en daar ook ordentelijker. Van
"verhoerd" maakt hij "verdoord" [Zijnoot: het hoofd op hol gebracht.],
al past dat niet in het verband; "achterste" wordt "lijf", al gaat
daardoor eene aardige tegenstelling verloren[48]. Op sommige plaatsen
heeft de omwerker door zijne zucht om duidelijk, vooral duidelijk te
zijn, het oude gedicht ernstiger beschadigd dan door bovengenoemde
toevoegsels of wijzigingen.

De vos is ingebroken bij den pastoor en heeft een haan meegepakt;
Martinet, pastoors zoon, heeft een strik voor het gat gespannen in de
hoop den kippendief bij een volgend bezoek te vangen. De rampzalige
Tibeert, gekomen om Reinaert met zich ten hove te voeren, wordt door
Reinaert in den strik gelokt en staat droefelijk te miauwen. Martinet
wordt wakker, vliegt op, steekt een stroowisch aan en schreeuwt tot de
huisgenooten: "Er op af, hij is gevangen!" Dat "_hij_" zonder meer zal
door zijn waarheid ieder treffen die weet wat men onder zulke
omstandigheden pleegt te roepen. Den omwerker heeft het ook getroffen,
echter niet door zijne waarheid; blijkbaar acht hij zijn voorganger ook
ditmaal niet duidelijk genoeg en dus laat hij Martinet roepen: "Staat
op, de dief is gevangen!" Doch welk een aardig trekje ging hier
verloren[49].

Elders hooren wij den braven haan Cantecleer roemen op zijne vijftien
kinderen die zijne echtgenoot, de wijze Rode, hem had geschonken "in één
broedsel"; de omwerker maakt daarvan: die mijne echtgenoot, de wijze
Rode, "zeer verstandig opvoedde". Ook al neemt men aan dat dit ironisch
bedoeld is, wat is dan toch het warme leven van het oude gedicht door
deze wijziging verkild[50].

Zit de omwerker eens op zijn praatstoel dan raakt hij er niet
gemakkelijk af; zijne personages redeneeren en redeneeren... dat men
soms niet meer weet wie aan het woord is. Vrouw Rukenau, de apin, houdt
een pleidooi door 400 regels heen; een ingevoegd verhaal over eenige
kostbaarheden heeft een omvang van niet minder dan 900 verzen.

Dat zulke uitweidingen de belangstelling verdeelen en verzwakken,
behoeft evenmin betoog, als dat de eenheid van het geheel er door wordt
verbroken[51].

Reinaert de Eerste heeft bij al zijne brutaliteit iets onbevangens; boef
die hij is, heeft hij toch iets naïefs. Reinaert de Tweede toont zekere
zelfverheffing in uitingen als: "ic weet so menighen loosen vont"[52].

Kortom, het is WILLEM'S dichtwerk onder de handen van den omwerker
gegaan, zooals Reinaert onder die van tante Rukenau, de apin.

Reinaert moet in het krijt komen tegen zijn ouden vijand, den sterken
Isegrim. Zonder list zal hij dezen niet kunnen overwinnen. Moei Rukenau
weet raad. Zij scheert neef Reinaert glad tusschen hoofd en staart en
smeert daarna zijn romp met olie in. Zóó zal de vijand geen vat op hem
kunnen krijgen, want "hij was vet en wel gevoed." Bovendien moet hij
dien avond veel drinken, doch den natuurlijken aandrang die daarvan het
gevolg zal zijn, bedwingen. Komt hij onder het gevecht in nood, dan zich
niet langer bedwongen; met zijn ruigen druipenden staart kan hij dan
zijn vijands oogen verblinden. Met behulp van deze en andere listen
gelukt het hem inderdaad de zege te behalen.

Maar hoe ziet hij er dan ook uit!

Ja, het is de vos nog; nog fonkelen de wilde oogen in den fijnen kop,
nog heeft hij klauwen en tanden. Maar zijn sieraad, de ruige dichte
pels, waarvan de vlokken zoo afstoven toen de honden hem te lijf gingen,
is verdwenen. Ja, hij is welgevoed; zijn lijf staat bol van nuttige
leering en zedelijke verbetering--maar hoe is de natuurlijke schoonheid
van den prachtigen struikroover verdwenen. Nog bezit hij den zwaren
fraai gevormden staart, doch die hangt neer, druipend... er is een
luchtje aan.

Zoo uitgerust, was hij ongetwijfeld sterker in den strijd met den wolf
der menschelijke ondeugd, doch wie ziet niet hoe hier de moraal de kunst
heeft geschaad. Uit liefde, ongetwijfeld; maar, apenliefde.



AANTEEKENINGEN.

[1] Vgl. _Sp. der. Z._, vs. 16958 en _Bed. der M._ aan het slot; en
VERWIJS, _Van Vrouwen ende van Minne_, XIV.

[2] _Lekensp._, I, c. 24, 57; c. 37, 127; II, c. 7, 102. _Dietsche
Doctrinael_, III, 831; 1763; II, 2278. _Boec van der Wraken_, I, 262,
294, 1142 enz.

[3] _Dietsche Lucidarius_, vs. 38-40; ook vs. 335-6: "Van hem (God) en
dorren wi niet bedieden || Te verre voor die leke lieden.

[4] _Der Mannen ende der Vrouwen Heimelijcheit_ (in: _Mnl. Ged._ ed. DE
PAUW), I, 121.

[5] _Boec van der Wraken_ (ed. SNELLAERT), I, 1102-3; zijn betuiging van
eerbied voor de priesters in het algemeen (II, 1222 vlgg.) is daarmede
niet in strijd.

[6] Bl. 288.

[7] I, c. 25, vs. 79 vlgg.

[8] Vgl. de inleiding van VERDAM, XLIII.

[9] Over de uitgaaf van _Die cracht der Mane_ zie TE WINKEL en PETIT.
Daarbij komen nu een paar andere uitgaven in DE PAUW'S _Mnl. Ged._, I,
203 vlgg. en 219 vlgg. naar hss. der 14e eeuw. De uitgaven van no. 2 en
no. 3 bij TE WINKEL en PETIT; de klacht over "die onghetrouwe merkaren"
in no. 2 (vs. 360) wijst ook op de 14e eeuw. no. 4 is uitgegeven door W.
DE VREESE in _Tijdschr. v. N.T. en L._, XI, 63 vlgg.

[10] Over de uitgaven van beide werken vgl. TE WINKEL i.v. Voorts en
vooral: _Studiën über das deutsche Volksbuch Lucidarius...._ van KARL
SCHORBACH. Strassburg. TRÜBNER. 1894. Aankondiging van dat werk door TE
WINKEL in _Museum_, 1895, bl. 17.

[11] Uitgeg. door SNELLAERT in: _Nederlandsche Gedichten uit de
veertiende eeuw_. De hier aangehaalde verzen I, 648 vlgg.

[12] Over de uitgave vgl. TE WINKEL i.v.

[13] Over de twee eerste vgl. TE WINKEL i.v. Van den _Nieuwen_
_Doctrinael_ gaf J. KOOPMANS een boeiend overzicht en goede
karakteristiek in _Tweem. Tijdschr._ van Jan. 1901.

Voor den _Spiegel der Zonden_ verwijs ik naar de uitgave van VERDAM,
(BRILL, Leiden, 1900) die voorzien is van eene voortreffelijke
Inleiding.

[14] VERDAM a.w. II, XLV.

[15] Een degelijk overzicht daarvan danken wij aan VERDAM; vgl. a.w. II,
LI vlgg.

[16] Vgl. vs. 5645 vlgg.; 11563 vlgg., 11683, 11964; 12159 en voorts de
plaatsen door VERDAM aangewezen in zijne Inleiding, bl. XLIX.

[17] Vs. 1614 vlgg. en 1996 vlgg.

[18] Vgl. de uitvoerige mededeelingen daaromtrent bij TE WINKEL, bl. 387
vlgg.

[19] Ed. DE VRIES. Bij de opgave der hss. van TE WINKEL, bl. 392 moeten
gevoegd de _Baseler Fragmente_ waarover zie: _Germania_, XXXVII, 410.
Karakteristiek van den inhoud door J. KOOPMANS in: _Tweem. Tijdschr._,
1899.

Over den, in den _Lekenspiegel_ opgenomen, _Sidrac_ vgl. TE WINKEL a.w.
bl. 396. Bij de daar vermelde literatuur-opgave is te voegen eene
mededeeling van W. DE VREESE in _Tijdschr. voor N.T. en L._, X, 33 vlgg.

[20] Vgl. I, c. 40, vs. 50 vlgg.; I, c. 44; I, c. 16; III, c. 10.

[21] Vgl. I, c. 16, c. 15, c. 2, c. 5; II, c. 39, 251 vlgg. te verg. met
RUYSBROECK I, 41: "Dese heilege Kerke, dat sijn alle goede minschen met
Gode verenecht, ende te gadere geroepen iegewelc met al den anderen."

[22] Met DE VRIES en TE WINKEL geloof ik, dat de _Teesteye_ nà den
_Lekenspiegel_ is bewerkt. Zie de plaatsen pro en contra vermeld bij TE
WINKEL, bl. 397. De _Teesteye_ werd uitgegeven door SNELLAERT in zijne:
_Ned. Ged. uit de 14e eeuw_.

[23] Vgl. _Teesteye_, 393, 812; _Lekensp._ B. II, c. 35, 17-18; vooral
ook de Inleiding op MAERLANT'S _Strophische Gedichten_ (edd. FRANCK en
VERDAM), bl. LXXXVII.

[24] _Lekensp._, II, c. 38, vs. 103 vlgg.

[25] _Lekensp._, B. III, c. 20-22.

[26] _Lekensp._, B. II, c. 35, vs. 109 vlgg.

[27] B. I, c. 21, vs. 93-100.

[28] Wat SNELLAERT in de Inleiding zijner _Ned. Ged. uit de 14de eeuw_,
bl. XXV heeft medegedeeld over de gelijkenis tusschen _Teesteye_, _Boec
van der Wraken_ en _Melibeus_, is zeker niet voldoende om ons te
overtuigen dat deze drie werken van één maker moeten zijn; doch geeft
voldoende reden om een afzonderlijk onderzoek in te stellen. Daarbij zou
ook het overige werk van BOENDALE moeten geraadpleegd worden. Immers bij
de door S. medegedeelde plaatsen kan men alvast een paar verzen uit den
_Lekenspiegel_ voegen (III, c. 3, vs. 237-8) die teruggevonden worden in
_Meliboeus_, vs. 2266-7.

Een nauwkeurig onderzoek van de taal zou de vraag heel wat verder kunnen
brengen.

Opmerkelijk is voorts, dat ook CHAUCER eene proza-bewerking gaf van _The
tale of Melibeus_. Staat deze bewerking in verband tot het Mnl. gedicht?

[29] Uitgeg. in KAUSLER'S _Altniederl. Gedichte_, II, 14 vlgg. Vgl. o.a.
vs. 210 vlgg.; 482 vlgg.; 522 vlgg.

[30] Nieuwe uitgaaf van Dr. W.H.D. SURINGAR. Leiden. Gebr. V.D. HOEK.
1895.

[31] Uitgeg. in KAUSLER'S _Altn. Ged._, III, 177-181. Het is vertaald
uit het Fransche "_Doctrinal d'un rimeur nommé Sauvage_"; vgl. PETIT DE
JULEVILLE'S _Hist. de la Litt. Franç._, II, 185, waar het "banal et
confus" wordt genoemd. no. 2 en no. 3 eveneens uitgeg. door Dr. SURINGAR
(Leiden, V.D. HOEK, 1891 en 1892); no. 2 ontleend aan drie Latijnsche
werkjes waarvan één door den bewerker op den voet is gevolgd (vgl. bl.
XXII vlgg.). no. 3 eene vertaling van den Latijnschen _Facetus_, echter
geen woordelijke vertaling. Vgl. ook _Ned. Spect._, 1891, no. 41; 1893,
no. 1. Over andere derg. geschriften vgl. TE WINKEL, bl. 405.

[32] Vgl. no. 28, no. 2. _Die Bouc van Zeden_ behelst dergelijke
gegevens als _Van Zeden_.

[33] Uitgave van J.H. BORMANS (_Speghel der Wijsheit of Leeringhe der
Zalichede_). Brussel. 1872.

[34] Vs. 2065-6.

[35] B. III, c. 15, vs. 190-3.

[36] Ook _Reinaert II_ is voortreffelijk uitgegeven door MARTIN. In M's
_Einleitung_, XLIX-LI vinden wij eene parallel als boven bedoeld wordt,
in hoofdzaken aangegeven. Eene uitvoerige vergelijking van beide
bewerkingen gaf Dr. J.W. MULLER in _De oude en de jongere bewerking van
den Reinaert_. (Amsterdam. 1884).

[37] Vs. 7068-'71. Vindt men in vs. 3181: "Ic heb minen dume uut sinen
monde" misschien eene herinnering aan een tooneel uit den roman der
Heemskinderen? (Vgl. _Volksboek_ ed. MATTHES, bl. 141).

[38] Vgl. I, 505 en II, 530-1; I, 990 en II, 1013; I, 1582-'98 met II,
1611; I, 1947-'60 en II, 1977 vlgg.

[39] Vgl. II, 1022-'3; 2314-'5; 3486-'7 (ook in het Fransch; vgl.
MARTIN, _Einl._, XLI); 3499; 3745 vlgg.; 4827-'9. Van dat alles is in
_Reinaert I_ niets te vinden.

[40] II, 3622 en II, 2417 verg. met I, 2393-'5. (Het mogelijk verkeerd
lezen van _moude_ (stof) voor _monde_ doet hier niets af).

[41] _Reinaert II_, vs. 1899.

[42] Vgl. vs. 40-44, 7769 vlgg. Over het vertoon van geleerdheid vgl.
MARTIN, _Einl._, XLIX-L.

[43] Vgl. _Reinaert II_, vs. 7654 vlgg.; 2959 vlgg.; 4534 vlgg.; 4595;
1413-'29; 3821 vlgg.; over de vrouwen vgl. MULLER'S dissertatie, bl.
122, 187, doch ook hier vs. 5541-'5; de mystiek vs. 4130 vlgg.

[44] II, 2335, 3613, 4098, 4422, 4770, 4848, 7393, 7408 en de op deze
volgende verzen.

[45] Zie deze en andere plaatsen in _Reinaert II_, vs. 488, 604-'8. 961
vlgg., 2228-'9, 2916, 3030, 3210, 3842-'3, 4450-'9, 5896-5901, 6581 (in
vergelijking met de overeenkomstige plaatsen van _Reinaert I_).

[46] Vgl. MULLER a.w. bl. 191-2.

[47] Vgl. deze en andere plaatsen I, 520 vlgg. met II, 544 vlgg.; I, 842
en II, 881; I, 960 en II, 985; II, 1047; I, 1550 en II, 1587-'8; II,
1595 (ingevoegd); II, 2027-'30; I, 2064 en II, 2076; II, 2307-'13; I,
2829 en II, 2820.

[48] I, 73 en II, 83 (in verband met vs. 105); I, 1929 en II, 1961.

[49] Vgl. I, 1235 met II, 1259.

[50] Vgl. I, 331-2 met II, 359-360. Vgl. voorts het echt epische in I,
643 vervangen door het didactische in II, 692-3; het ironische in I,
1663 door het rechtstreeksche in II, 1677; de mindere levendigheid in
II, 616 vlgg. vergeleken bij I, 562 vlgg.

[51] MULLER a.w. bl. 161-163, 166.

[52] Vgl. vs. 2053, 3182 en 2053.



2. VERHALENDE EN LYRISCHE POËZIE.

  _a_. Boerden en sproken, _b_. Liederen. Muziek en zang. Geestelijke
  liederen. Minneliederen en drinkliederen. Historische Liederen, _c_.
  Geestelijke, stichtelijke en didactische lyriek, _d_. Minnepoëzie.

Vonden wij in de 13de eeuw nog maar weinige berijmde novellen, hoorden
wij het lied slechts hier en daar als schuchter kweelen der vogels bij
den komenden morgen--nu zien wij ons geplaatst voor eene menigte van
verhalende en lyrische gedichten, zoo rijk in verscheidenheid, dat het
moeilijk valt in die warreling het gelijke of verwante te onderkennen en
te groepeeren. Die moeilijkheid ontslaat ons echter niet van de taak om
te pogen, ook deze stof te beheerschen door haar te verdeelen.

Wij zijn gewoon verhalende gedichten van komischen aard _boerden_ en van
ernstigen aard _sproken_ te noemen; doch wij mogen niet voorbijzien, dat
het hedendaagsch en het vroeger spraakgebruik elkander hier niet
volkomen dekken. Een komisch gedicht wordt ook wel "ene boerde" genoemd,
al bevat het niet juist wat wij een verhaal noemen en een verdicht
verhaal wordt wel met "boerde" betiteld, al heeft het niets komisch[1].

Het woord _sproke_ heeft een zeer ruime beteekenis; zoo wordt een
"bedinghe" _van onser Vrouwen_ aan het slot genoemd: "desen _sproke_",
en dat is niet het eenige voorbeeld van dien aard; elders treffen wij
eene "sproke up den wijn" aan[2]. Daarentegen heet menig verhalend
gedicht, met min of meer stichtelijke of didactische strekking, niet
_sproke_, maar _exempel_ of _bispel_[2].

Doch anderzijds blijft het waar, dat de meeste korte verhalende
gedichten _boerde_ worden genoemd, indien zij van komischen, _sproke_
indien zij van ernstigen inhoud zijn. Wij mogen ons dus gerechtigd
achten deze gedichten tot eene afzonderlijke groep te vereenigen. Een
tweede groep valt te onderscheiden in de muzikale lyriek: de liederen,
in tegenstelling met de boerden en sproken, bestemd te worden gezongen
niet gezegd; doch evenals deze ontstaan uit zuiverder lust tot
dichterlijke uiting des harten en beelding der stof, dan wij over het
algemeen in een derde groep waarnemen. Die derde groep omvat uitingen
van het godsdienstig gemoedsleven, zoowel als stichtelijke en
didactische stukken, bestemd tot vermaning, waarschuwing, opwekking en
leering; het karakter van vele dezer stukken blijkt reeds ten deele uit
vooral hier voorkomende benamingen als _bedinghe_, _disputacie_,
_questie_, _notabel_. Het spreekt vanzelf, dat ook tegen deze
groepeering bezwaren bestaan; ook hier ontsnapt het leven op meer dan
een plaats aan de banden eener altijd min of meer schoolsche indeeling.
Doch mogen de groepen hier en daar ineenvloeien, wat nood, indien
daardoor het besef harer onderlinge eenheid wordt versterkt?


_a_. BOERDEN EN SPROKEN.

De honderden korte verhalen, welke wij vroeger leerden kennen, waren nog
springlevend. Zij zwierven nog van mond tot mond en van het eene
handschrift in het ander. Hen volgen op al hunne gangen is ons
onmogelijk; wel kunnen wij zien: dat verscheidene hunner op hunne
omzwervingen trekken van elkander overnemen, dat zij zich wijzigen naar
het volk waaronder zij vertoeven, en dat de verhalen uit het
menschenleven den voorrang krijgen op de dierfabels.

Ook bij de Nederlanders der 14de eeuw vonden zij een gunstig onthaal.
Tal van stoffen, die ook in andere middeleeuwsche literaturen verwerkt
zijn, werden hier geboetseerd tot berijmde verhalen van komischen of
ernstigen aard, die gewoonlijk van twee- tot driehonderd verzen tellen,
doch ook wel eens grooter of kleiner omvang hebben. De komische stoffen,
hier tot _boerden_ verwerkt, vindt men bijna alle terug in de Fransche
literatuur; doch, hoewel de wijze van bewerking niet zelden gelijk is,
zijn er weinig of geen sporen van navolging aan te wijzen. Onze boerden
maken in hoofdzaak den indruk, dat zij oorspronkelijke bewerkingen zijn
van mondeling overgeleverde stoffen. Sommige zullen uit Frankrijk
hierheen, andere uit Brabant of Vlaanderen naar Frankrijk gekomen zijn.
Om te zwijgen van onze literaire betrekkingen in dit opzicht tot
Duitschland, Engeland en andere landen.

De sproken zijn zeker voor een deel, voor het grootste deel misschien,
afkomstig uit middeleeuwsche bronnen als _Vitae Patrum_, _Gesta
Romanorum_, _Dialogus Miraculorum_, _Liber Apum_, _Legenda aurea_; voor
een ander deel zeker ook door mondelinge overlevering verbreid. Met den
invloed der Fransche literatuur zal men ook hier rekening moeten
houden[3].

Hier en daar vinden wij in deze boerden en sproken aanwijzingen omtrent
den weg, waarlangs het verhaal den verteller had bereikt; uitdrukkingen
als b.v.: "Ic quam eens daer men mi sede" of: "Ic vant ghescreven ende
las"; doch zulke aanwijzingen zijn schaarsch en niet alle duidelijk[4].
Duidelijk is daarentegen het streven van sommige dichters de verhalen te
localiseeren; de stukken heeten te spelen, zijn misschien soms ook
werkelijk zóó of ten naastebij zóó gebeurd, "in 't lant van Loon," "te
Hasselt in die goede stede," "te Dordrecht in de poort," "Tantwerpen in
die coperstrate"[5]. Zooals men kon verwachten, worden wij hier vaker
naar het Zuiden dan naar het Noorden dezer landen verplaatst.

Waarvan vertellen ons de boerden? In welke wereld verplaatsen zij ons?
Op een paar uitzonderingen na behandelen zij gevallen van minne, van
zinnelijken lust, van overspel; zij vertellen ons van overspelige mannen
of vrouwen, die gefopt of gestraft worden, van minzieke vrouwen of
meisjes, clerken of nonnen, een enkelen keer ook van mannen die in de
kroeg zitten of boeven die een vroegeren kameraad bestelen. Maar de
lusten des vleesches vormen toch het hoofdmotief, dat voor de
middeleeuwsche dichters en niet voor de Dietsche alleen, blijkbaar een
komisch karakter had[6].

Wij worden verplaatst naar de kroeg, onder de "goede gezellen die lange
in 't drinchuus duren" en vrouwen die hare mans uit de kroeg halen; wij
komen in gezelschap van een waard, die bedrogen wordt door de waardin en
haar minnaar; van reizende "clercken", die het hun verleend nachtlogies
aan de vrouw en de dochter des huizes vergoeden in liefde, aan den
huisheer in kostelooze vuistslagen bij nacht; van een kostelijk
gekleeden, langharigen Don Juan te Dordrecht; van een koopman, die zijne
al te dartele vrouw voor den gek houdt.

Slechts een paar malen verkeeren wij, zooals in de laatstgenoemde
gevallen, in de huizen van rijke burgers. Gewoonlijk zijn wij onder de
kleine burgerij, waar men slaapt in één vertrek, meelpap eet en
"stoppelen sonder hout" brandt of groen elzen hout; waar het 's nachts
donker is of een vetpotje ("lichtvat met smoute") een flauw schijnsel
geeft. De koe staat dicht achter de woonkamer, ook in een burgerhuis; in
de boerde "van de gestolen zijde spek" zijn wij op het land ten huize
van een voormaligen boef, die zich bekeerd heeft en eene boerendochter
getrouwd. Elders komen wij op het erf van een visscher, aan de oevers
der Seine. Ook de koopman, die ons wordt voorgesteld als een rijk
man--hij heeft mooie kleeren en juweelen en speelt schaak met zijne
vrouw--, toont in zijne manieren een buitengewone grofheid; zijne vrouw,
die een handelsman uit de Oostzee-provinciën te gast heeft en waant door
dezen bedrogen te zijn, wreekt zich op dien gast door hem spijs op zijne
kleeren te storten, tegen hem te vloeken en hem heimelijk tegen de
schenen te schoppen.

Dat zijn de maatschappelijke kringen, dat de levensomstandigheden, welke
de stoffen leverden tot de dichterlijke verhalen die onder en naast het
verhalend ridderdicht opgekomen en bestemd waren die ridderpoëzie te
verdringen. De rijke koopman uit een dezer boerden, die "gheleerst,
ghespoort, ghegort wel vaste" zijn huis binnenkomt, toont ons dat het
zwaartepunt in de maatschappij dier dagen zich had verplaatst.

In de boerde, getiteld _Wisen raet van vrouwen_, worden wij in een "huys
met hoghe mure" gebracht; blijkbaar een dier huizingen zooals de rijke
burgers ze in navolging van den adel bouwden. De eigenaar van het huis
houdt daar achter slot en grendel zijne dochter die hij hoopt uit te
huwelijken aan een ridder of jonkheer, maar wat kan hij tegen de Min?

  Al sluiten
  Hem buiten
  Met grendel en boom
  Benagelde poorten
  ...

hij raakt er binnen in de gedaante van een jonkman, blijkbaar een
burger, tot wien zij haar goedgeloovigen biechtvader als liefdebode weet
te zenden.

Komt deze burger die blijkbaar hoogerop wil, er bekaaid af, op meer dan
een plaats wordt in deze boerden op spottenden toon gesproken over het
ridderwezen. De vrouw van een drinkebroer die thuis grimmend en grommend
haar man zit af te wachten, zegt:

  Ic woude ic met hem op een pleyn
  Mijn leven mochte setten in waechscalen[7].

Zooals de brave ELEGAST vroeger tegen den schelmschen EGGHERIC VAN
EGGHERMONDE!

Van heer GOBERT die 's nachts aan het vechten raakt met een der
"clercken" wien hij nachtlogies heeft verstrekt, heet het:

  Men sach noit so wel tornieren
  Sonder wapene ende sonder corieren [Zijnoot: maliënkolders.] [8].

De dichter die ons met blijkbaar welgevallen de onbeschaamd-dartele
boerde _Van den tanden_ verhaalt, stelt ons zich zelven voor, op zijn
paard Morele buiten Brussel rijdend. Dien naam _Morele_ droeg eertijds
het ros van ridder AMELANT in den roman _van Lancelot_; dien naam ook
het ros van den dapperen TOREC, dat meer waard was dan eene stad[9].

In gansch andere kringen der maatschappij leiden ons de sproken binnen.

Hier verkeeren wij onder "verweende" [Zijnoot: hoovaardig.] keizers en
koningen, heeren "van groten bloede", prinsen, graven, ridders, edele
vrouwen en jonkvrouwen. Het is waar, dat het ridderlijk tweegevecht ook
hier wordt afgekeurd en zelfs min of meer belachelijk gemaakt. Zeker
keizer die den vrede lief had en wijs en rechtvaardig zijn land
regeerde, maakte korte metten met de veete tusschen een paar zijner
voornaamste edelen. Hij ontbood de beide "helden" en trachtte ze te
verzoenen. Te vergeefs! Toen deed hij ze beiden ontkleeden "totter
brouc", bracht ze in een vertrek, gaf elk een dolk en zeide: gaat nu
maar dapper aan 't werk; gij krijgt geen eten of drinken, vóórdat een
van beiden gedood is. Onmiddellijk waren zij het eens. Zóó moesten meer
vorsten doen, zegt de dichter, dan zou er heel wat minder onschuldig
bloed vergoten worden [10]. De ernstige toon en het beroep op den
Almachtigen Rechter aan het slot toonen wel dat, indien sproke en boerde
hier al één lijn trekken, hun punt van uitgang toch verschillend is. In
een ander verhaal wordt een rijk en gierig ridder op onzachte wijs voor
den gek gehouden door zijn medeminnaar, een dapper maar arm edelman. De
wijze waarop de gierigaard 's nachts door zijn medeminnaar bewerkt wordt
met een hazelaarstwijg, is weinig hoofsch, en ook de verdere inkleeding
doet hier en daar denken aan de boerden; doch dit verhaal is dan ook het
eenige waar men twijfelt of men het tot de sproken dan wel tot de
boerden zal rekenen [11].

Overigens echter wordt in de sproken het ridderwezen met eerbied
bejegend en er is nog gevoel voor de ridderlijke idealen. Zoo zien wij
in een sproke een hooggeboren rijke maagd aan een dapper arm oud ridder
de voorkeur geven boven een jongen "mooyaert" [Zijnoot: fat.], die den
ouden krijger bespot wiens gelaat met zwaarden geteekend is [12]. Het
fraaie verhaal: _de mantel van eren_, wil toonen, hoe verkeerd het is,
goud hooger te stellen dan riddereer [13].

Zijn wij niet aan hoven of in ridderlijke huizingen, dan brengen de
sproken ons in klooster of kluis, in gezelschap van monniken en
kluizenaars, nonnen en bagijnen. Van dien aard is o.a. het verhaal van
het _Baghijnken van Parijs_, een aanzienlijk meisje dat in een bagijnhof
wenscht te worden opgenomen; dat van de non die met haren meester haar
klooster ontvlucht; van het jonge monnikje dat telkens een deel van zijn
eten aan het beeld van MARIA brengt; van de edelvrouw die terwijl zij
haar minnaar afwacht, door de geesten der afgestorvenen voor wie zij
placht te bidden, wordt bekeerd en in een klooster gaat.

Verwant met deze sproken van geestelijken inhoud zijn andere, die ons
verhalen van eene jodin die bekeerd wordt tot het Christendom, een
jodenmeisje dat Christin wil worden en door haar vader vermoord wordt;
weer andere behelzen algemeen bekende korte verhalen die men overal
terugvindt, zooals dat van Hansken met de ganzen; het ouderpaar, dat
door hun kind teruggebracht wordt van de slechte behandeling van hun
ouden vader; de rechtgeaarde zoon, die niet op het lijk van zijn vader
wil schieten. In eene enkele sproke treedt de koopmansstand op: het
verhaal van een paar trouwe vrienden, een koopman uit Brugge en een uit
Baldac (Bagdad), die zich voor elkander willen opofferen. Het verhaal
van Pyramus en Thisbe, "twee kinderen die droeghen eene sterke minne,"
leende zich natuurlijk beter tot een sproke dan tot een boerde; de
oudheid zette aan deze stof eene achtbaarheid bij, die het verhaal wel
doet passen bij de ridderverhalen en die uit het leven der geestelijken,
beide toch nog altijd op hooger plan gelegen dan het leven van burgers
en plattelanders[14].

Dat de sproken alle een zedelijk karakter vertoonen, kan ons niet
verwonderen. Een dezer sprookdichters blijkt zelfs zoo nauw van geweten,
dat hij het noodig acht zijne toehoorders gerust te stellen omtrent
zeker gemis aan waarheid dezer verdichte verhalen. De sproke _van eenen
verwaenden coninc_ vangt aan met deze regels:

  Exempel vertrect [Zijnoot: vertelt.] men hier ende daer,
  Niet om dat si alle zijn waer,
  Maer om dat mer bi verstaet
  Ondersceet tusschen goet ende quaet[15].


In een enkel geval is de moralisatie bijna even groot als het verhaal
zelf. Elders is in een sprookdichter de lust tot het mededeelen van
zedekundige waarheden of bespiegelingen zóó sterk, dat hij ook de
personages, die in zijn verhaal optreden, met dien lust bezielt. Een
paar ridders "van quaden levene" komen tot hun meester om hem te zeggen,
dat zij berouw gevoelen over hunne misdaden en hun leven willen
veranderen. Op eene vraag van hun meester, op welke wijs zij dat denken
te doen, antwoorden zij:

  .... Wi merkent bi Alexanderen
  Die grote coninc, dat hem en mochte
  Die daet ghehulpen die hi wrochte,
  ....
  Hine moeste der doot doen een ghemoet[16].

In overeenstemming met dezen lust tot moraliseeren is dan ook, dat wij
zelden eene sproke aantreffen zonder een nuttige les of stichtelijke
opwekking: trouw gaat boven al; hovaardij is zonde boven al; hooren,
zwijgen en ziende blind // dat's dat nu de wereld mint, enz. Elders
worden de hoorders opgewekt, onzer Vrouwe getijde en vigiliën voor de
dooden te lezen; hoovaardij, hebzucht en afgunst te schuwen[17].

Opmerkelijker dan dit stichtelijk karakter der sproken is, dat ook in de
meeste boerden een zedelijke of didactische strekking niet te miskennen
valt. De boerde van de dartele koopmansvrouw met den "Oosterlinc" vangt
aan met een paar spreukmatige regels, die in het daaropvolgend verhaal
worden toegelicht:

  Tgoede wijf maect den goeden man
  Ende de goede man maect tgoede wijf.

Aan het slot dezer boerde lezen wij dan ook: "Elc vrouwe neme hier
exempel an." In den aanvang der boerde van de twee "clercken" en heer
GOBERT wordt ons gezegd, dat men uit sommige gedichten "vroedschap en
dwaasheid" te weten komt[18].

Ook in andere boerden vinden wij dergelijke uitdrukkingen. In eene
boerde, zóó plat-realistisch als die _van den visscher van Parijs_,
wordt, wat de middeleeuwsche dichters huichelarij achtten in minzieke
vrouwen, op onbarmhartige wijze bespot en de moraal der boerde _van
Heile van Berseele_ is samengevat in eene waarschuwing tegen den omgang
met lichte vrouwen. Waar geen eigenlijke zedeles of wat daarop gelijkt,
in het verhaal voorkomt, voelen de boerdendichters zich toch verplicht
iets in dien geest te geven door een zegenwensch als: "God gheve ons ter
zielen bate" of: "God bringhe ons ten eweghen paradise"[19].

Het is waar dat de vrouwen en meisjes, vooral de getrouwde vrouwen, in
deze boerden voorgesteld worden als in hooge mate weelderig en onkuisch.
Doch men moet niet vergeten dat deze voorstelling rust op theologischen
grondslag en dat de middeleeuwsche dichters, voorzoover zij geen
aanhangers van den vrouwendienst waren, er steeds op uit zijn de vrouwen
als EVA'S dochters te doen zien. EVA'S val immers was de bron van zoo
groote rampen voor het menschelijk geslacht geworden niet alleen hier op
aarde maar ook nog in een later leven[20]. Ook dragen de boerdendichters
er zorg voor dat men hen goed begrijpe: niet op "hoofsche vrouwen"
hebben wij het gemunt, zeggen zij; en, bij een andere gelegenheid: geen
goede vrouw behoeft dezen schoen aan te trekken[21].

Die goede en hoofsche vrouwen vinden wij in de sproken: een jong rijk
meisje dat bagijn wordt; eene edelvrouw die zich bekeert en in een
klooster gaat; een jonge non die zich neus en lippen laat afsnijden om
hare kuischheid te redden; eene adellijke dame die zich nieuwe kleeren
en sieraden ontzegt om haar man te kunnen bijstaan in zijn strijd tegen
de ongeloovigen; THISBE die den dood van haren minnaar niet overleven
wil.

Een dezer sprookdichters is zijn tijdgenooten zelfs zóóver vooruit, dat
hij in de bres durft springen voor vrouwen die een misstap begaan
hebben. Een adellijk meisje heeft eene liefdesbetrekking aangeknoopt met
een jonkman van geringen stand. Hare magen zijn vergramd, want, al was
de jonkman haar knecht niet, zulk een misstap was erger dan overspel.
Haar broeder, een groot heer, heeft medelijden met haar en verdedigt
haar in een gesprek met eene hooge bloedverwante die hem zijne
zachtmoedigheid in dezen verwijt.--Ik zelf heb vijf onechte kinderen,
antwoordt de edelman; zal ik een ander dan dingen verwijten die ik zelf
heb begaan?--De hooge vrouwe herneemt: zoudt gij mannen en vrouwen in
zoo iets willen gelijkstellen? Men zal u voor onwijs houden.--Hij weer:
de schande der mannen zal in Gods oogen duizendmaal grooter zijn, want
zij zijn de aanleggers, het is alles hun schuld.

Deze opvatting, zooveel rechtvaardiger en menschelijker dan de gewone
middeleeuwsche, zullen wij eerst in veel later eeuwen en in onzen tijd
opnieuw aantreffen[22].

Tot dusver hebben wij, boerden en sproken karakterizeerend in hun
onderling verschil, gelet vooral op inhoud en geest dezer beide genres.
Wij kunnen er nu bijvoegen dat dit verschil zich slechts ten deele in
den uiterlijken vorm openbaart. De sproken zijn, op _het Baghijnken van
Parijs_ na, gedicht in doorloopende verzen, paarsgewijze rijmend of met
overslaande rijmen; de boerden, luchtiger van karakter en stemming,
hebben in een paar gevallen den luchtiger gang van het verhalend in
coupletten afgedeeld lied. Verscheidene dezer ernstige of komische
verhalen zijn in allen eenvoud goed verteld,

onderscheiden zich door zuiver zacht gevoel en naïeve kunst, door
vluggen lossen gang en eene soms onweerstaanbare komische kracht. Zoo
hoog als sommige Oudfransche fabliaux staan onze boerden niet, maar op
zich zelf beschouwd staan zij hoog. Een gevoelig en mooi stuk is de
sproke _van het Baghijnken van Parijs_ dat ons in zijn dialogisch
karakter en zijne wendingen telkens aan de oudere epische volkspoëzie
herinnert. Zoo b.v.:

  Sy ghinck voor haer moeder staen
  Ende badt haer door (haer) houde
  [Zijnoot: om der wille harer genegenheid.],
  Dat syse door haer edelheyt
  Baghyne maken woude.

  Sy seyde: lieve dochter mijn,
  Soo ghinck aen [Zijnoot: begon.] mijnen rouwe;
  Ghy zijt van haven [Zijnoot: bezittingen.] alsoo rijck,
  Ghy meucht wel sijn een vrouwe.

De moeder tracht hare dochter te behouden voor de wereld, doch te
vergeefs:

  Die dochter keerde haer omme
  Ende ghinck al te hant
  Totten Baghijnkens hove,
  Daer sij de meestersse vant.

  Sy viel neder op haer kniën,
  Ootmoedelyck dat syse booch
  Ende werp den rooden mantel
  Ter aerden dat hy vlooch.

Dat afvliegen van den rooden mantel is in zijn suggestieve kracht
voortreffelijk.

Naïeve volkskunst vinden wij ook in de sproke _van Pyramus en Thisbe_.
Te vergeefs zou men hier zoeken naar de fijnheid en berekende juistheid
van uitdrukking, den tact, de smaakvolle zelfbeperking, ook de beeldende
kracht van het Ovidiaansch verhaal, welks omvang nog geen vierde der
Dietsche bewerking bedraagt. Maar deze wint het in natuurlijkheid en
eenvoud; hare waarheid van gevoel onderscheidt zich gunstig van het hier
en daar opgeschroefde der Latijnsche bewerking. Zij weet hare
gemoedelijke breedheid aardig af te wisselen door levendigheid van
alleenspraak en tweespraak, te nationalizeeren o.a. door het beeld van
den vermoeiden pelgrim

  Die lange moede heeft ghesijn,
  Ende dan een luttel rasten [Zijnoot: rust.] heeft,
  Ende [Zijnoot: wanneer.] hi weder gaens dan pleecht,
  Es hi moeder dan hi was eer.

door de vermelding dat THISBE sliep met andere jonkvrouwen

  Die se van scake souden hoeden
  Also als noch doen die vroeden.

Hoe aardig is b.v. ook dat trekje, waarin ons geteekend wordt hoe de
aandoening PYRAMUS overmeestert:

  Daer hi Tysbee roepen soude,
  Tusschen "Tys" ende tusschen "bee"
  Versuchti vijfwerf ofte mee [Zijnoot: meer.].

Zoo zou er meer zijn te noemen, o.a. uit de sproke _van den ouden ridder
ende den jonghen_, waar wij een staaltje vinden van de in onze
middeleeuwsche literatuur schaarsche ironie, hier omschreven met de
uitdrukking "ghevensde [Zijnoot: geveinsd.] tale". Doch wij kunnen noch
willen alles noemen, en ook in de boerden is zooveel dat verdient even
naar voren gebracht te worden.

Hoe vlot en aardig wordt het verhaal van heer GOBERT en de beide
"clercken" verteld en hoe herinnert GOBERT'S vrouw, in hare bezorgheid
over haar naakt-vechtenden man, aan vrouw JULOCKE uit _Reinaert I_. Hier
als elders openbaart eene krachtige zinnelijkheid zich gaarne in
schertsende beeldspraak, in half-omsluierde uitdrukkingen, ontleend aan
het dorschen, het bespelen van een snaren-instrument, het ambacht van
den kuiper. De monnik en de non, die, midden in de vreugd, op één bed
door den duivel in het koor worden gebracht, waar alle nonnen vergaderd
zijn, herinneren ons HEPHAISTOS' wraak, zooals zij ons in de Odyssee
door dien meester-verteller voor oogen is gebracht. In het verhaal van
de gestolen zijde spek worden wij op meer dan een plaats herinnerd aan
de grappen en dubbelzinnigheden uit _Uilenspiegel_ en dergelijke
volksboeken; ik heb het oog o.a. op den boef, die, opkijkend naar een
bij de schouw hangende zijde spek, langs zijne wang wrijft en tot zijn
gezel zegt: vóór morgen moet hij er af; ook de wijze, waarop zij
elkander telkens het stuk spek ontstelen, doet hier en daar aan de
kluchtboeken denken.

Voortreffelijk is het tooneeltje, waar de domme oude LACARIJS, wien
zijne vrouw en een verliefde priester hebben wijsgemaakt dat hij dood
is, onder een lijkkleed toegedekt, den amoureuzen paap in zijn bedrijf
waarneemt. "Loop liever naar het bordeel!" roept hij toornig; "als ik
maar leefde, zooals gisteren, dan zoudt gij het duur
betalen."--"Lacarijs!" zegt de paap, "houd je oogen maar stijf dicht,
lig stil als een molensteen; zóó doet men als men op de baar ligt; je
zou ons nog bang maken."

En niet minder voortreffelijk is een tooneel uit de boerde _van Heile
van Berseele_. HEILE, een lichte vrouw, heeft afspraak gemaakt met een
drietal minnaars, die achtereenvolgens bij haar zullen komen; maar de
afspraak loopt in de war, en zoo is een hunner, WILLEM HOOFT, nog bij
haar, als zijn medeminnaar, ook weer een priester, komt aankloppen.
WILLEM wordt inderhaast in een ruimen bak gestopt, daarin opgeheschen
tot aan de zoldering en het touw vastgemaakt. Uit zijn kraaiennest is
hij nu getuige van het onderhoud tusschen HEILE en den pape. HEILE heeft
den priester stilletjes beduid, wie daarboven te luisteren zit. Deze
begint nu een verhaal van den Zondvloed; zóó plastisch weet hij het
stijgen van het water voor te stellen, dat WILLEM het al benauwder
krijgt; nog steeds hoort hij van het stijgende water... de angst wordt
hem te machtig, hij snijdt het touw door en roept:

  Nu wouds God ende goed gheval [Zijnoot: Nu zij het aan God en het
geluk bevolen.]
  Of Willem Hooft iet [Zijnoot: ook (soms).] zeilen zal.

Zóó gaat deze Noach in zijn ark onder zeil.


_b_. LIEDEREN.

De kruistochten hadden ook het Dietsch sprekend volk in het Zuiden van
Europa en in Oostersche landen gebracht. Een der gevolgen van die reizen
was een krachtige ontwikkeling der muziek. De Grafelijkheids- en
Cameraars-rekeningen der 14de eeuw weergalmen "van sanghe ende van
vedelspele." Ook naar de lage landen bij de zee komt Orfeus om er de
onbeteugelde krachten en lusten te bedwingen en te temmen.

Wij vinden hier allerlei zangers en zangeressen, die liederen zingen
soms alleen, soms in koor, onder of zonder muzikale begeleiding.

Tot de reizende volksdichters en volkszangers, hetzelfde volkje dat ook
met gedresseerde beren, geiten en apen rondtrok, behooren blijkbaar
zangers en zangeressen, als de man die den teekenachtigen naam van "die
wilde vos" droeg, "die sanc ende dichte voir minen here" (nl. den graaf
van Holland); "te Berghen in Henegouwen eenen man die vedelde, sinen
wive diere op sanc ende eene gokelaer," "'t Scoenhoven eenen menestreel
die op een harpe speelde, daer een wyf op sanc," "te Nyerborch enen
wive, die op de liere speelde ende sanc," "Heerkin die mitten
cornemusekin speelde ende daerop sanc."

Andere zangers behooren blijkbaar tot de menestrelen die in vasten
dienst waren bij een of ander edelman; tot deze zou ik rekenen: het
"sangherkin dat bi hertoghe Aelbrecht was", "Hansel tshertogen sanger
van Gelre", "Hannekin die zangher van Apcoude", "Herman den sangher die
miins heren (van Blois) paedse plach te wesen", misschien ook "Jacop
vander Lucht, den zangher" en "Willem den zanger" die van den Graaf van
Blois "twee ellen groens en twee ellen roods" krijgt, blijkbaar ter
voorziening in zijne kleedij.

Wij zagen uit de bovenstaande rekening-posten dat een menestreel soms
alleen zingt, soms met een vrouw. Wij vinden ook wel zangers en
zangeressen die met of zonder begeleiding, éénstemmig of met hooge en
lage stem, zingen. Uit de schrale aanwijzingen is natuurlijk niet altijd
met zekerheid op te maken of wij hier al dan niet reizende
beroepszangers vóór ons hebben. Genoemd worden ons o.a.: "een wijf die
op die ghisterne speelde ende twee ghesellen diere op songhen", "twee
zanghers die een dicht zonghen van mevrouwen doot van Hollant"; "vier
wiven die voir minen here speelden op een psalterie ende op ene
quinterne ende daerop songhen", "drie sanghers die voer minen here
gesongen hadden alst kermiss in den Haghe was". Soms zou men meenen een
hedendaagsch a-capella koor aan te treffen, als men gewag gemaakt vindt
van zangers of zangers en zangeressen die onder een met name genoemden
leider zich laten hooren: "Wigant ende sine ghesellen die (te Mechelen)
songhen voor minen jonchere Jan", "Meeu sijn ghesellen ende haer
ghesellinnen die mit hem pleghen te singhen". In dit laatste geval
hooren wij, evenals hiervoor een enkelen keer, _wat_ er gezongen werd;
want op dien post aangaande MEEU volgt deze andere: "Item den selven
noch ghegheven opten Jaersdach, want si dat nuwe jaer songhen in der
sale voir den deken, proefst ende kanoniken die doe staet helden." Tot
de concurrenten van WIGANT en MEEU behoorde ook "HEYN VAN CALES de
sangher mit sinen ghesellen."

Dit zingen in koor toont dat de wereldlijke muziek zich naast de
kerkelijke moet hebben ontwikkeld. Voor een deel was die ontwikkeling
zeker te danken aan de meistreel-scholen waarvan wij in het Noorden en
het Zuiden dezer landen melding zien gemaakt. Zoo treffen wij in eene
Cameraars-rekening van 1364 de "meysteryels van der vedelen" aan, "die
do haer schole to Deventer ghehoelden hadden". Dat zij er welkom waren
blijkt wel uit het feit, dat Raad en Schepenen hen op een gastmaal
onthaald en nog een geschenk in geld gegeven hadden. In een rekening van
1388 wordt een som gelds geboekt, die gegeven is aan den "coninc van de
pipers van Oestervant, om mede te riden tot Berghen daer hi scoel soude
houden van pipen."

Waarschijnlijk zullen ook in de 14de eeuw, zij het eerst in de tweede
helft, de menestrelen van eene stad zich wel tot een gilde vereenigd
hebben. Daar elk gilde een patroon of patrones had en gewoon was den dag
van dien patroon feestelijk te vieren, zullen ook zulke muziekgilden wel
tenminste eenmaal 's jaars een feestelijke samenkomst hebben gehouden.
Op zulk eene samenkomst brengen ons, naar ik vermoed, een paar liederen
van dezen tijd: eenige leden van een gezelschap, dat, naar 't schijnt,
_het Maria-roosken_ heet, zijn bijeen; een hunner zingt eene opwekking
tot feestvreugd, den lof der muziek en dien van MARIA; de overigen "die
van muziken geerne horen", zingen blijkbaar in koor een refrein[23].

Naast of tegenover zulke wereldlijke muziek-vereenigingen zou men de
scholieren kunnen plaatsen, die op Allerkinderen-dag een bisschop uit
hun midden plachten te kiezen en met dezen aan het hoofd naar het koor
kwamen om daar te figureeren en mede te zingen[24].

Een wijder strekkend en dieper doordringend onderzoek van muziek en zang
te onzent in de middeleeuwen blijve de taak der beoefenaars onzer
middeleeuwsche muziekgeschiedenis. Hier moge dit weinige volstaan als
inleiding tot hetgeen onze taak is: een overzicht en eene voorstelling
van de liederen, die in de 14de eeuw in deze landen werden gezongen.


GEESTELIJKE LIEDEREN.

Niet talrijk zijn de liederen van dezen aard, welke met voldoende
zekerheid tot de 14de eeuw gebracht kunnen worden.

Het half Latijnsche half Dietsche lied: "In dulci jubilo singhet ende
weset vro" uit dezen tijd is vooral van belang, omdat wij er door
herinnerd worden aan den samenhang der geestelijke Dietsche lyriek met
de Latijnsche hymnen en kerkliederen[25]. Opmerkelijker om zijn inhoud
is "eyn devoet lietgen van den heilighen kerste", een kerstliedje,
kinderliedje, dat aanvangt:

  Sy namen dat kindekyn metten teenen [Zijnoot: bij de toonen.]
  Sussoe nynnoe
  Der heylighe kerst wil onser ghedencken
  Sussoe nynnoe
  Als wy suelen van ertrijc sceiden
  Sussoe nynnoe.

Op dezelfde wijze worden dan de "verssen" [Zijnoot: hielen.] daarna de
"enckelen" in het lied gebracht en zoo beurtelings alle ledematen van
het Christus-kind als met vroom-eerbiedige hand aangeraakt.

Het zou mij niet verwonderen indien wij hier een geestelijke omwerking
van een wereldlijk lied vóór ons hadden; immers dergelijke kinderliedjes
in den trant van ons "kinne-, kinnewipje", aanbrengers van vroegste
zelfkennis voor het kind, zooals zij nog te onzent en in andere landen
van West-Europa in den volksmond leven, zullen wel overoud zijn[26].

Twee andere liederen hebben naar alle waarschijnlijkheid betrekking op
een bedevaart. Het eene verplaatst ons bij zonsopgang naar bergen en
bosschen, smeekt de bescherming van het heilig kruis af op dezen tocht,
roept de hulp der heiligen in tot het vinden van een goede herberg en
beveiliging tegen roovers en moordenaars te land en te water[27].

Het andere is een geestelijke romance ter eere van SANTE GHEERTRUUT, de
patronesse der reizigers. Een volksdichter heeft waarschijnlijk op dien
tocht voor het overig "gezelschap" dat "tot onsen here god voer" het
verhaal gezongen van den ridder die, ter wille van de schoone heilige al
zijn goed had verteerd, die zijn ziel aan den duivel verkocht om weer
rijk te worden en op het beslissend oogenblik door SANTE GHEERTRUUT
wordt verlost uit de klauwen van den Booze. Er is poëzie in dit lied,
hoe weinig geoefend ook de hand was die haar verwerkte: de eenvoudige
droefheid bij het afscheid van den ridder en zijne geliefde; de naïeve
verzuchting: had ik het maar geweten van te voren! het dwalen op een
duisteren avond langs de wilde heide, de plotselinge verschijning van
den Vijand, het "roode bloed" waarmee het contract wordt geschreven, de
plastiek bij het drinken van den beker van SINT-GEERTEMINNE:

  Hi nam den nap op sijnre hant,
  Hi sette hem voor sinen mont,
  Hi en hadde den wijn ooc niet gespaert,
  Hi dranc hem uut al tot den gront[28].

Deze en dergelijke trekken maken het wel begrijpelijk, dat een
sprookspreker als Meester WILLEM VAN HILLEGAERTSBERG geen weerstand
heeft geboden aan den lust om de stof dezer geestelijke romance op zijne
wijze te bewerken.


MINNELIEDEREN.

Zoo schaarsch als de geestelijke liederen zoo talrijk zijn de
minneliederen van dezen tijd. In een handschrift van het laatst der 14de
eeuw, dat misschien was aangelegd voor een edelman uit het Brugsch
geslacht Van Gruythuyse, zijn ons bijna anderhalfhonderd liederen
bewaard die ons een beeld geven van het minnelied dezer tijden. Voor een
deel zijn die liederen misschien gedicht door zekeren jonker JAN VAN
HULST, doch het komt mij voor dat ook andere handen in deze liederen
vallen te onderscheiden[29]. Misschien hebben Duitsche dichters tot het
ontstaan van dit handschrift medegewerkt; in allen gevalle worden wij al
dadelijk getroffen door de Duitsch-getinte taal of het mengsel van
Duitsch en Nederlandsch waarin ettelijke dezer liederen zijn geschreven.
Het Beiersche gravenhuis had het Duitsch hier te lande in zwang
gebracht, Duitsche dichters en zangers kwamen in het gevolg der graven
en edelen in deze landen; het is begrijpelijk dat velen hunner getracht
hebben aan hunne taal een Nederlandsche kleur te geven zooals de
Fransche trouvères der 13de en 14de eeuw, in het Noorden van Italië
rondtrekkend, de Fransche ridderpoëzie in veritaliaanscht Fransch
voordroegen.

Misschien zijn er ook Nederlandsche dichters geweest, die getracht
hebben aan hunne taal een Duitsche tint te geven; het is niet
gemakkelijk uit te maken welke der beide mogelijkheden men in bepaalde
gevallen vóór zich heeft[30].

Herinneren vele dezer liederen ons door hun vorm aan Duitschland, hun
inhoud toont in menig opzicht verwantschap met de hoofsche Duitsche
minnepoëzie dier dagen. De opvatting van de liefde als een dienst, die
wij reeds vroeger in dit verhaal hebben leeren kennen, treffen wij ook
hier aan; ook hier zijn de rollen omgekeerd: het sterke geslacht zucht,
treurt, klaagt en weent of vleit--het zwakke is mannelijk en fier; zij
is de "princesse", de "keyserinne"--hij de "dienaer" of de "lijfeigene".
De liefde is hier eerbiedig, bescheiden, het zinnelijke wordt
onderdrukt; heimelijk smachten naar haar bijzijn, dat staat hoog; wordt
de "stedicheit" van den minnaar ook niet beantwoord, toch blijft hij
trouw. Hoofsch is deze opvatting der liefde in hooge mate; een dorper
kan zich dan ook niet daartoe verheffen: "een kerel ghert der vreughden
gheyn." Het is niet vreemd dat wij in dezen zelfden bundel een fraai
lied aantreffen, dat van diepe minachting voor de "kerels" vervuld is.

Een tegenstelling met deze liederen, gedicht onder den invloed eener
internationale opvatting der liefde, vormt een veertigtal andere die in
taal, gevoel en voorstelling zuiver nationaal mogen worden genoemd.

Hier geen hoofschheid, neen waarlijk niet! Hier krachtig realisme en
onbedwongen zinnelijkheid; maar ook welk een dartele levenslust en
onbezorgde vroolijkheid, welk een helder opklinkende lach!

Niet zóó scherp noch zóó volstrekt echter moet men zich deze
tegenstelling denken, alsof alle Duitsch-getinte liederen tegenover de
zuiver-Vlaamsche konden worden geplaatst als idealisme tegenover
realisme. Want eenerzijds komen er onder die Duitsch-getinte liederen
een paar voor die in dubbelzinnig schertsende beeldspraak over het
minnespel denzelfden trant houden als sommige zuiver-Vlaamsche
liederen[31]. Anderzijds zijn sommige zuiver-Vlaamsche stukken gedicht
in den geest der hoofsche minnepoëzie; doch opmerkelijk is, hoe het
nationaal realisme dan op sommige plaatsen door het idealistisch vernis
heen komt kijken[32]. Overigens vindt men hier verscheidene genre's
vertegenwoordigd: liederen over de droefheid van het scheiden, waarvan
er een doet denken aan de later uitvoeriger te behandelen
"wachterliederen"; nieuwjaarsliederen die waarschijnlijk bestemd waren
om aan de liefste gezonden te worden, evenals andere die ter begeleiding
van een bloeienden meitak zullen hebben gediend; weer andere hebben een
meer verstandelijk karakter en handelen over de "stede" (trouw), over
vriendschap, afgunst en nijd. Een enkel behelst klachten over de
"niders"[33].

Aan de verscheidenheid van inhoud beantwoordt een rijke verscheidenheid
van vorm; sommige liederen bestaan uit slechts een enkel couplet, de
meeste uit meer coupletten; de gewone vierregelige strophe komt maar een
enkelen keer voor en dan nog met een kunstiger rijmstelsel dan de gewone
overslaande rijmen (no. 136); de omvang der coupletten zwelt soms,
misschien onder den invloed eener bestaande melodie, aan tot het
buitensporige. Maar ook, hoe menig fraai lied is hier te vinden! Daar is
dit lied op het scheiden:

  Sceiden, onverwinlic leit,
  Onvreuchdelyc es dijn beghin,
  Dat nemic waerlic up myn heit [Zijnoot: eed.]:
  Ten brinct gheen dinc meer lidens in.
  Sceiden, du dwinx herte ende zin,
  So langher tyt, so meer verdriet,
  Sceiden, du ne ghenouchs [Zijnoot: behaagt.] mi niet.

Het aardige lied op den leeuwrik, dat aanvangt:

  Aloëtte, voghel clein!
  Dyn nature es zoete ende rein,
  So es dyn edel zanc;
  Daer dienstu met den here allein
  Te love om sinen danc.

Het lied tegen de kwellende gepeinzen, die den minnaar rust noch duur
laten, en het klaaglied over het lot van den ongelukkigen minnaar, met
dit aardig couplet:

  Trueren, waken,
  Magher caken,
  Selden sonder toren [Zijnoot: verdriet.],
  Breken, maken,
  Niet gheraken,
  Achter meer dan voren--
  Dit moeter al toe horen
  Ende al den tijt verloren[34].

Wij vinden hier ook meer dan een mooien beurtzang, hetzij tusschen
ridder en jonkvrouw, minnaar en meisje, hetzij tusschen twee gezellen of
twee speelnootjes. Als proeve kunnen hier slechts een paar coupletten
worden medegedeeld van den beurtzang tusschen een paar gezellinnen,
waarvan de eene aan de andere een droeve bekentenis doet:

  Ghespele, in caent gheswighen niet,
  Nu wilt mijn overzwaer verdriet
  In trauwen helpen helen.
  Doe ic lesten van u sciet
  [Zijnoot: laatst afscheid van u nam.],
  Doe addi mi allein bespiet
  Ende ic ginc mettem spelen.
  Ghespele, wilt beraden mi,
  So dat mijn ere behouden zi
  Bi wizen rade;
  Ic wane in comme hem nemmer bi.
  Wat sal ic doen! o wach, o wi!
  Het es te spade!

  Die ander sprac: op minen heit [Zijnoot: eed.],
  Dat es mi waerlic alzo leit,
  Ghespele, ic wil u claghen.
  Waer es dijn zuver ommecleit
  [Zijnoot: de reinheid waarin gij gekleed waart.]?
  Nu moestu dinen aerbeit [Zijnoot: zwangerschap.]
  Lange alleine draghen.
  Waer es dijns hertzen toeverlaet?
  In can di, leider! genen raet
  Ghegheven--
  Wint up dijn haer [Zijnoot: maagden lieten het haar los hangen.], dijn
  guldin draet,
  Waer es dijn vruechdenrijc ghelaet
  Ghebleven!

De realistische minneliedjes en beeldjes uit het volksleven zijn niet
minder fraai. Het manke liefje met één oor en zwarte handen, dat knort
als een varken, bereidt ons reeds voor op de groteske figuren van
Breughel, en hoe gaarne zou men weten hoe het afloopt met den kapelaan
van Hoedelem, dien wij 's morgens met den koster achter hem ter mis zien
gaan. Maar slechts de aanvang van dat lied is ons overgebleven. Dan is
er TUTEBIER, de marskramer, met zijn vroolijken straatroep:

  Naelden, spellen, trompen, bellen,
  Ic wil mijn merse hier nederstellen,
  Laet zien of ic vercopen can!

die aangeroepen wordt door een lachend mooi meisje, dat zoo'n moeite
heeft om een speld van het juiste formaat te vinden:

  "Merseman," seidesi, "lieve geselle,
  "Ic hebbe een cleine cokerkijn,
  "In vinde hier in no naelde no spelle [Zijnoot: speld.],
  "Die wel voughen soude daer in.
  "Hier sijn grote ende daer so cleine,
  "Maer ic ne vinde niet dat ic meine."
  --"Joncfrauwe, wat spellen wildi dan?
  "Naelden, spellen, trompen, bellen,
  "Ic wil mijn merse" enz.

  "Joncfrauwe, ic hebbe een spellekijn,
  "Dan es niet aldus cleine."
  --"Cnape, wel moeti comen sijn,
  "Ghi weit wel wattic meine.
  "Wildi de spelle vercopen niet,
  "So leen se mi of ghijt ghebiet [Zijnoot: indien gij wilt.],
  "Ic salt u lonen, bi sinte Jan--
  "Naelden, spellen, trompen, bellen,
  "Ic wil mijn merse hier neder stellen,
  "Laet zien of ic vercopen can!"

Daar is verder de "maecht in vrueghden rijck" die zoo gaarne op de
"bonghe" [Zijnoot: trom?]" wil leeren spelen; Heer WOUTER, oud en
koud, die LYSKEN te na komt en op zijne kaken geslagen wordt; het
avondfeestje in de schuur tusschen zuster LUTE en broeder LOLLAERT,
waaraan zulk een onverwacht eind komt--altemaal uitingen eener krachtige
zinnelijkheid die wel eens uit den band springt en grof wordt, doch die
in zijn dartelen moedwil ook zulk een volheid van leven toont, zulk een
natuurlijke bevalligheid en lossen zwier[35].

De hierboven genoemde "bonghe" was een der vele muziekinstrumenten die
na onze kennismaking met het Zuiden en het Oosten ook hier werden
ingevoerd en gebruikt.

Naar het schijnt, werd de "bonghe" ook wel "bom" genoemd en bediende men
er zich van ter begeleiding van een zanger of zangeres[36]. Het
_rondeel_, een der lyrische dichtvormen die in de 14de eeuw in zwang
kwamen, werd toen ook wel gezongen met muzikale begeleiding. Een rondeel
van amoureuzen inhoud vinden wij in een gedicht "_van den wilden man_"
dat uit deze eeuw dagteekent; begrijpelijker wijze wordt het rondeel,
als voor den zang bestemd, hier "liedekijn" genoemd:

  Nu hoert hier dliedekijn, dat hi sanc
  met luder stemmen eer iet lanc:
  "Ic was wilt, ic ben ghevaen
  "ende bracht in mintliken bande;
  "dat heeft ene maghet ghedaen.
  "Ic was wilt, ic ben ghevaen;
  "Al mochtic, in woude haer niet ontgaen,
  "des settic mine trouwe te pande.
  "Ic was wilt, ic ben ghevaen
  "ende bracht in mintliken bande"[36].

Ook elders bleven ons nog minneliederen bewaard in eene
Brabantsch-Limburgsch gekleurde taal, doch in zóó gebrekkigen toestand,
dat men er zich geen juist oordeel over kan vormen. Zooveel is echter
wel zeker, dat zij tot de hoofsche poëzie moeten worden gebracht. Op
meer dan een plaats immers wordt gesproken over _dienst_ en _vrouwe_,
b.v. in eene uiting als deze:

  Lijfs ende sins is hi versaeght,
  Die dlijf [Zijnoot: het lief(je).] mint die sijn dienst meshaeght.

Elders herkennen wij in "dier verreder ghevensde tale" de klachten over
de "niders" waarvan de hoofsche minnepoëzie vol is. Hier en daar hooren
wij een couplet of een paar verzen die ons een goeden dunk van het
geheel geven. Zoo b.v.:

  En mach verberghen in gheen hol
  Hem lief vor lief, die liefs es vol.

of:

  Liefs troest eest beter niet ghenieten,
  Dan na liefs troest liefs troest mesnieten [Zijnoot: ontgelden, boeten.],


of dit deel van een couplet:

  dat hem verdrote
  's Levens sere,
  Die uyt sire vrouwen
  Herte dor trouwen
  Ghesloten were[37].

Doch wij zouden er meer van over moeten hebben en vooral in een beter
overgeleverden tekst, vóórdat wij ons een algemeen oordeel zouden kunnen
vormen.

Onder de minneliederen uit het handschrift der Gruythuysens vindt men
ook--de nabuurschap dagteekent reeds van Anakreon--een aardig drinklied
dat aanvangt:

  Scinc her den wijn,
  Gheselle mijn,
  Wi willen vroilic leven;
  Het mach sulc [Zijnoot: deze of gene.] zijn
  Noch up den Rijn,
  Die ons gheluc mach geven,
  Al moeten wi nu sneven.

Andere, met dit lied verwante, liederen brengen ons in gezelschap van
berooide minnaars die hunne versmade liefde zoeken te vergeten en als
een voorspel vormen van de latere liederen der "gildekens" [Zijnoot:
doorbrengers.] [38].


HISTORISCHE LIEDEREN.

Gebeurtenissen of toestanden en verhoudingen die in ruimen kring indruk
maakten, ontroering verwekten onder een aanzienlijk deel van het
Dietsch-sprekende volk, waren, zooals wij zagen, ook in een vorige eeuw
waarschijnlijk wel tot uiting gekomen in het lied. Voorbeelden van zulke
uitingen zijn echter niet tot ons gekomen. Gelukkiger zijn wij wat de
14de eeuw betreft. De wassende beteekenis en invloed der burgerijen
schijnt zich te openbaren ook in het feit, dat ten minste eenige
historische liederen uit dezen tijd tot ons zijn gekomen.

Indien wij ons herinneren welk een diepen indruk de moord op graaf
FLORIS DEN VIJFDE in Holland maakte, dan verwondert het ons niet dat
deze gebeurtenis tot een lied is verwerkt, noch dat dit lied eeuwen lang
in den volksmond is blijven leven. Hoogst opmerkelijk is de wijze waarop
de uit de geschiedenis bekende feiten hier door een ons onbekenden
volksdichter verwerkt zijn. Spreekt de historie van een strijd tusschen
den op zijne voorrechten naijverigen adel en den graaf dien zij
smadelijk "der keerlen god" noemden, het lied vindt den sleutel tot de
verklaring der gebeurtenissen in persoonlijke motieven.

Graaf FLORIS, zóó wordt ons hier verteld, is zijne bijzit moede en wil
haar als echtgenoote aan GERARD VAN VELZEN opdringen. Deze weigert; "uw
versleten schoenen en wil ic niet", zegt hij in hoonende beeldspraak.
FLORIS zint op wraak; het huwelijk van VELZEN met MACHTELD VAN WOERDEN
biedt hem daartoe gelegenheid. Hij ontbiedt GERARD aan zijn hof; terwijl
deze onderweg is, gaat FLORIS tot de jonge vrouwe van VELZEN en onteert
haar. Die schennis wreekt GERARD op den schender. Verhaalt de historie
ons dat de moordenaars van den graaf ontsnappen--de volksdichter laat
GERAERT VAN VELSEN gevangen nemen; drie dagen lang wordt hij om en om
gerold in een vat waarin spijkers geslagen zijn. Die marteling vermag
hem te breken noch te buigen. Op de vraag "hoe hem nu te moede is?"
antwoordt hij:

  Ic ben noch al de selve man,
  Die graef Floris sijn jonc leven nam.

Wij mogen wel als zeker aannemen, dat deze voorstelling van zaken niet
door den volksdichter is verzonnen, doch dat hij haar ontleend heeft aan
een Nederduitsche sage.

Van den Gotenkoning ERMANARIK en een zijner voorname heeren wordt ons
bijna volkomen dezelfde geschiedenis verhaald; ook in Deensche liederen
treden koning ERIK GLIPPING en zijn maarschalk, ridder STIG, in dezelfde
verhouding op.

Met dat al blijft het opmerkelijk, dat een volksdichter te onzent eene
dergelijke voorstelling van den moord op graaf FLORIS heeft gegeven,
waarin "der keerlen god" nu juist niet de mooiste rol heeft; zelfs kan
men zeggen dat de sympathie des volksdichters eerder aan de zijde van
den onbuigzamen edelman is, den wreker der bevlekte huwelijkseer en aan
die der schoone jonge vrouw die den smaad zoo diep gevoelt. Heeft graaf
FLORIS door een liefdesbetrekking tot eene jonkvrouw of edelvrouw
inderdaad eenige aanleiding gegeven tot het in verbinding brengen zijner
geschiedenis met de Nederduitsche sage? Immers, ook LODEWIJC VAN VELTHEM
die zich overigens in dezen welingelicht toont, schrijft over de redenen
tot den moord:

  Ander secgen: dat om een Vrouwe quam,
  Dat men hem sijn leven nam,
  Daer hi met soude hebben te doene,
  Die wyf was een van sinen baroene,
  Ende datten diegene daerom lagen
  Leiden vander stont alle dagen[39].

Vóór 1316 was derhalve dit gerucht aangaande de schennis eener adellijke
dame, niet juist MACHTELD VAN VELZEN, als reden tot den moord reeds
verbreid. Heeft VELTHEM dit gerucht leeren kennen uit het Dietsche lied
of langs anderen weg? Tot het geven van een afdoend antwoord op die
vragen zijn wij niet in staat. Doch hetzij den volksdichter de ware
toedracht der zaak bekend is geweest of niet, in beide gevallen is het
begrijpelijk dat gekrenkte huwelijkseer voor hem een aantrekkelijker
motief was dan gekrenkte adeltrots; dat algemeen menschelijk gevoel hem
sterker aandeed dan het belang van een bijzonderen stand, waartoe hij
blijkbaar niet behoorde. Die aandoening zou zich ongetwijfeld
duidelijker openbaren, indien wij het oude lied in zijn oorspronkelijken
vorm bezaten; het moet heel wat geleden hebben in het drietal eeuwen,
waarin het van mond tot mond ging, vóórdat wij het in 1591 achter de
_Rijm-Kroniek van Melis Stoke_ aantreffen. Doch ook in dezen verminkten
vorm treffen ons nog de levendigheid van het verhaal in zijn vluggen
gang, de teekenachtige beeldspraak van VELZEN tot zijn heer, de
aanschouwelijkheid der voorstelling, de dramatische kracht; ook de
vinding om den moordenaar, volgens een uit de sprookjes bekend motief,
in een met spijkers doorboorde ton te rollen[40].

Een landsheer in strijd met een zijner voorname edelen vinden wij ook in
een ander lied van dezen tijd. Dat ook dit lied ons gebrekkig is
overgeleverd, blijkt reeds uit den titel: _Van cort Rozijn_; immers de
naam van den edelman die hier de hoofdrol speelt, ZEGER VAN KORTRIJK,
"Segher de _Curtroysijn_" (d.i. van Courtroy), is hier verbasterd door
een Vlaming, die blijkbaar geen Fransch kende.

Wij zijn in Vlaanderen tijdens den oorlog tusschen Frankrijk en
Engeland. De graaf van Vlaanderen, LODEWIJK VAN NEVERS, heeft de partij
van Frankrijk gekozen; een deel van zijn volk, en daaronder twee
invloedrijke Gentenaars, houden de zijde van Engeland. Die twee zijn
JACOB VAN ARTEVELDE en ZEGHER VAN KORTRIJK. Vertoornd over hunne
tegenkanting laat de Graaf ZEGHER gevangen nemen en onthoofden (1337).

Opmerkelijk is ook hier de wijze, waarop deze historische kern door de
volkspoëzie is verwerkt.

In het lied biedt de Graaf zijn "lieven neve" den Cortrosijn het
ruwaardschap over Vlaanderen aan; doch deze, weinig minder hooghartig
dan VELZEN tegenover den Graaf van Holland, weigert in smadelijke
bewoordingen: "ick leve so noode bi quaden ase" [Zijnoot: voedsel.].
Die "spitighe woorden" zullen u berouwen, herneemt de ander; met uw
hoofd zult gij ervoor boeten. Onvervaard door dat vooruitzicht beweert
de Cortrosijn, dat hij nog een nacht bij des Graven dochter zal slapen.
Toornig wendt Vlaanderens heer zich van hem af, en niet lang daarna
wordt de weerspannige gevangen genomen. Genade bidt hij te vergeefs;
voor het huis te Rupelmonde valt zijn hoofd onder de bijl. Maar op
Sint-Laurensdag komt de koning van Engeland zijn aanhanger wreken; toen
de dag ten avond kwam, lag Brugge in het roode bloed.

Evenals in het lied _van Gerard van Velzen_ is ook hier het bijzondere:
de strijd der partijen, tenauwernood zichtbaar; het algemeen
menschelijke: gekrenkt eergevoel en liefde, staat op den voorgrond[41].

Heeft de volksdichter zijne voorstelling geheel verzonnen? Wie zal dat
uitmaken? Dat de historische stukken van dezen tijd niets van zoodanige
verhouding weten, is wel van gewicht, maar levert geen afdoend bewijs.
Doch ook al hebben wij hier louter verdichting, dan blijkt daaruit nog
eens te meer het eigenaardig wezen der volkspoëzie, die het algemeen
menschelijke gaarne op den voorgrond brengt, ook daar, waar het niet
door de gebeurtenissen ten tooneele wordt gebracht.

Het lied _van den Cortrosijn_ herinnerde ons den grooten patriot JACOB
VAN ARTEVELDE. Indien de historische overlevering te werk ging volgens
onze verwachtingen, wat zouden wij dan eer verwacht hebben, dan dat niet
één, maar verscheidene liederen de heugenis aan ARTEVELDE'S krachtige
persoonlijkheid en zijn tragischen dood zouden hebben bewaard? Toch
bezitten wij niets over hem, dan een onbeteekenend fragment van een naar
allen schijn onbeteekenend lied, dat bovendien nog van twijfelachtige
herkomst is. Maar zijne partij, de nationale partij der "Clauwaerts",
die de klauwen van den Vlaamschen leeuw op hunne mouwen geborduurd
droegen, bleef leven in een kort spotliedje, uitgegaan van de
Franschgezinde "Leliaerts", op wier mouwen de "fleur de lis" prijkte:

  Clauwaert, Clauwaert,
  Hoet u wel van den Lelyaert
      enz.[42].

Dat liedje was niet de eenige uiting van de minachting en den haat der
voorname "Leliaerts" jegens de nationale partij. In een vierregelig
gedichtje wordt gewezen op den overmoed van de rijk wordende "kerels".
Uitvoeriger worden de "kerels" ons geteekend in een veel grooter gedicht
van dezen tijd, dat van niet geringe technische vaardigheid getuigt en
waarschijnlijk is vervaardigd door een edelman of aanhanger van den adel
die door de "kerels" was gevangen genomen en in den "stoc" [Zijnoot:
gevangenisblok.] gezet. Met onverholen minachting, met verdienstelijke
plastiek en scherpen spot is de "kerel" hier afgebeeld in zijne ruwheid
en grofheid: hij vreet look met koolstronken, met zijne handen klopt hij
eieren door zijn heete melkpap en slaat ze naar binnen tot hij er
scharlaken van ziet; achter het vleesch en spek zit hij heen, dat hem
het vet langs de vingers druipt. Hoort hem kallen tegen zijn soort: mijn
landheer vroeg mij onlangs ten eten, ik schrokte en vrat mij
boordevol!--"Hei", roept een andere kornuit, "hoort nou ereis een
vreemde klucht: ik heb mijn bles-merrie verruild, nu zal zij voor de
schuit van Pieter Gerrits loopen! Heb ik hem zijn neus niet
gesnoten?--Hadden de "kerels" de macht in handen, het zou spoedig
klinken: slaat de heeren dood! De "kerels" van Gent kunnen het getuigen.
Boven op een paard speelt hij ook wel voor ridder; de dorschvlegel is
zijn speer, de wan zijn schild; "ja, zeker!" zeggen dan de overige
rekels, "Roelof weet van steekspel houden!"

Denzelfden vijandigen geest, dezelfde minachting ademt een lied "van de
kerels" waarvan wij, sprekend over de minneliederen, reeds gewag
maakten. In kleiner bestek doch met niet minder talent en met vaster
hand is hier een beeld van den "kerel" omgetrokken, dat bovendien niet
zóó door den tijd geleden heeft als het voorgaande. Hier zien wij hem:
"vijand van de ruiters, langgebaard, in gescheurde kleeren, met gelapte
kousen en schoenen, de kaproen scheef op het hoofd, altijd vol wrongel
en wei, brood en kaas. Met een homp roggebrood in de hand gaat hij naar
de ploeg; dan komt zijn vuil wijf er bij, de flarden hangen haar bij de
muilen neer. Gaat hij ter kermis, dan beeldt hij zich in dat hij een
graaf is; alles wil hij neerslaan met zijn knuppel"... in dien trant
gaat het lied voort, om te eindigen met het grimmig dreigende:

  Wi willen de kerels doen greinsen,
  Al dravende over 't velt,
  Hets al quaet dat zi peinsen;
  Ic weet ze wel bestelt [Zijnoot: ik weet goed raad voor hen.]:
  Men sal ze slepen [Zijnoot: nl. op eene horde (naar de galg).]
ende hanghen,
  Haer baert es al te lanc;
  Sine connens niet ontganghen,
  Sine dochten [Zijnoot: zouden niet deugen.] niet sonder bedwanc.
  Wrongle ende wey, broot ende caes,
  Dat heit [Zijnoot: eet.] hi al den dach;
  Daer omme es de kerel so daes [Zijnoot: dwaas.],
  Hi etes meer dan hi mach.

Ook al voegt men bij deze weinige historische liederen eenige politieke
gedichten van dezen tijd, zooals de _Jammerliche Clage_ over den dood
van graaf WILLEM IV in Friesland, een onbeteekenend gedicht op JAN III,
hertog van Brabant, een stuk van WILLEM VAN HILLEGAERTSBERCH over het
ontstaan der Hoeksche en Kabeljauwsche twisten en een paar andere--welk
een onvolledigen en zwakken indruk krijgen wij dan nog van die
gewichtige 14de eeuw!

Doch men mag hier niet vergeten dat, vooral in de middeleeuwen, de
poëzie zich slechts ten deele openbaart door de kunst van het woord; dat
zij voor een aanzienlijk deel latent bleef in het leven. Hoeveel poëzie
schuilt er in de werkelijkheid dier dagen, ook al richt men het oog in
het bijzonder op de geschiedenis van land en volk. Een goed voorbeeld
daarvan levert ons de Latijnsche kroniek, door WILLEM, kapelaan te
Brederode, opgesteld in het eerste vierdedeel der 14de eeuw. De auteur
verhaalt ons daar, hoe WILLEM I, graaf van Holland, op een reis naar
Duitschland door Gelderland trekt. Uit vrees voor hinderlagen van zijn
vijand OTTO, graaf van Gelre, heeft hij zich in geringe kleeren
gestoken; met slechts een enkelen dienaar wandelt hij blootsvoets door
Gelderland. Zijn weg leidt hem langs het kasteel van zijn vijand. De
gravin staat voor het raam en ziet hem; aan zijne beenen en overige
ledematen herkent zij den man van edel bloed en begrijpt dat het graaf
WILLEM moet zijn. Een bode noodt hem binnen te komen. WILLEM aarzelt
maar geeft aan de noodiging gehoor. De gravin laat hem in een kamer
brengen en betere kleeren uit haar mans garderobe geven; zij begroet hem
als graaf van Holland en laat niet af, al loochent hij het; op slimme
wijs weet zij hem tot erkenning der waarheid te brengen. Bij het vallen
van den avond komt graaf OTTO thuis. Zijn gemalin gaat hem tegemoet;
hand in hand komen zij de zaal binnen. De verstandige vrouw vraagt of
hij haar een belofte wil doen; de graaf stemt toe en doet er een eed op
dat hij zijne belofte zal houden. Daarop zegt zij: huw dan onze dochter
ALEID uit aan WILLEM, graaf van Holland.--"Droomt gij?" zegt de graaf;
"maar mijn eed zal ik houden." Nu gaat de gravin de kamer binnen waar
WILLEM zich bevindt, begroet hem als schoonzoon en brengt hem voor haar
gemaal. Allen zijn verwonderd; doch sommigen zeggen: geen wijsheid, geen
raad kan bestaan tegenover God. Lag hier niet de stof voor eene romance
te wachten op de beeldende hand van een dichter? Die barrevoeter-graaf
in slechte kleeren vermomd door Gelderland trekkend, die gravin voor het
venster--typische houding eener middeleeuwsche edelvrouw--die bode, dat
verwisselen van kleeding, die belofte van den graaf en die
ontknooping--het is alles ongeboren poëzie. Had deze kapelaan Dietsch
durven schrijven, wie weet? Doch zijn eerbied voor HORATIUS, OVIDIUS en
SENECA verbood hem dat en deed hem in zijn Latijn vertellen wat een mooi
lied in de volkstaal had kunnen worden[43].


_c_. GEESTELIJKE, STICHTELIJKE EN DIDACTISCHE LYRIEK.

  Al waren alle gherse [Zijnoot: grasjes.] tonghen,
  Die te meye oit ontspronghen,
  Ende si alle van u songhen,
  Si en gaven u niet te vollen prijs.

Deze verzen uit een gedicht _van onser Vrouwen_ wijzen aan, waar het
zwaartepunt ligt in de geestelijke lyriek van dien tijd: MARIA neemt de
voornaamste plaats in. Het is haar "opvaert", hare "vijf pinen", hare
"claghe"; wij vinden "bedinghen" tot haar, een "lof van Maria", "Ave
Maria," "Salve Regina" en hoe die stukken verder heeten mogen. Vele
daarvan toonen meer vroomheid dan eigenaardig karakter of talent van den
dichter. Sommige andere verdienen op den voorgrond gebracht te worden.

Zoo vinden wij drie meesters: ALBRECHT VAN KEULEN, HEYNRIC FROMATOR en
JACOB VAN MERLANT, "een edel clerc ende wide becant" in een soort van
wedstrijd bezig met den lof der Moedermaagd te zingen; MAERLANT'S
lofspraak wordt de schoonste geoordeeld. Een enkelen keer treffen ons
onder de gebeden tot MARIA fraaie stukken; zoo b.v. dit couplet:

  O maghet, o moeder, o godlijc wijf,
  O zoete, o reyne, o leytsverdrijf,
  O lieve, o werde, o zalighe vrouwe,
  O advocate der zonden kijf [Zijnoot: op wie de zonden kwaadaardig zijn.],
  O onser, ellendigher, biblijf [Zijnoot: toeverlaat.];
  O roze, vul van 's hemels dauwe,
  O troost in node, o heils beclijf,
  O wech der dolender, even stijf [Zijnoot: zeer betrouwbaar.],
  O bloeyende minne, o vloeyende trouwe,
  O moederlic herte, o maechdelic lijf,
  O licht voor thelsche ongherijf,
  Com, los mijn herte uut allen rauwe[44].

Opmerkelijk is een stuk getiteld _Onser Vrouwen Claghe_ om den geest der
vroegere volkspoëzie, dien het ademt. Zoo vinden wij hier meer dan eens
dat spreken der personen zonder aankondiging:

  Tote Adame dat hi quam:
  "Adam, du ne wet min no mee
  ...

Ook de epische herhaling van vraag en antwoord en de deelneming van den
dichter, die zich lucht moet geven midden in zijn verhaal met een: "Ay,
hoe node dat hi (Adam) 't dede!"[45].

Naast deze gedichten op MARIA vinden wij andere _Op het lyden Christi_,
_ons liefs Heren passie_, _de seven ghetide van onsen here_. Hindert ons
hier soms dezelfde platheid, die wij vroeger in de ridderpoëzie
aantroffen, waar een dichter zich niet ontziet te schrijven

  Dat Jhezus naect hinc als een rent [Zijnoot: rund.]
  An den cruce moedernaect[46].

Anderzijds treffen wij hier een fraai staaltje van geestelijke
volkspoëzie aan in een stuk, dat den naam draagt _Van Jhesus Mynnen, een
scoen ryme_. Men oordeele zelf:

  O edele ziele mijn, en was die trouwe niet groot,
  Dat Jhesus Christus, Marien Sone, om u vercoes di doot?

  O edele ziele mijn, nu sijt hem onderdaen,
  Want hi wilt noch anders met u spelen gaen.

  O edele ziele mijn, staet op, maect u ghereet,
  Doet uwen mantel ane, der hogher minnen cleet.
  O edele ziele mijn, doet ane u scone juweel,
  U brugom wilt gaen meyen met u in sijn prieel.

  O edele ziele mijn, hets daer zuete meyen gaen:
  Den wijn der melodiën wort u daer opgedaen[47].
      enz.

Voorts vinden wij nog lofdichten op S. JAN BAPTIST, eene paraphrase van
het _Miserere_, van het _Pater Noster_. Het oude geloof, dat voor het
Christendom had moeten wijken, openbaart zich in een tooverformulier,
dat wel gekerstend is, doch waar het oude geloof nog uit opduikt als een
duiveltje uit een verlucht getijdenboek. Want dit is wel het
oud-nationaal geloof:

  ...
  ... dat my gheen dinghen en moghen vellen
  Noch gheen tonghe en moge quellen,
  Noch yser noch stael my sniden noch slaen.

Maar onmiddellijk daaraan vooraf gaat een bede tot "den heyligen kerst"
en op den laatsten hier medegedeelden regel volgt:

  Dat seder ghesmeedt waert
  Dat Christus gheboren waert.

Opmerkelijk is ook, hoe de onharmonische vermenging van oud-nationaal en
Christelijk geloof zich hier openbaart in het gemis aan samenhang en
harmonie van het gansche stuk[48].

Vonden wij hier den mensch vooral tegenover MARIA en JEZUS, een enkelen
keer tegenover God, in andere gedichten staat niet het godsdienstige,
maar het zedelijke op den voorgrond. Die gedichten zijn veel en veel
talrijker dan de weinige eigenlijk gezegde geestelijke gedichten. Meer
en meer zien wij ook in de poëzie, dat de burgerij zelf de ontwikkeling
van haar zedelijk leven ter hand neemt, al blijft zij de priesters nog
erkennen als middelaars tusschen haar en God.

De burgerlijke dichters, die zich hier als woordvoerders der gemeente
tot de gemeente richten, kiezen daartoe gaarne den weg van het
verstandelijk betoog, de redeneering, de uiteenzetting, de waarschuwing.

Het verwondert ons niet, bij deze neiging tot didactiek ook hier een
paar maal het vaderlijk "lieve kindre" aan te treffen, dat wij vroeger
in de leerdichten aanwezen, noch dat het _debat_ en daarmede verwante
vormen hier vaak voorkomen. Juist die dichtvorm immers gaf gelegenheid,
eene zaak door onderscheidene sprekers van verschillenden kant te doen
beschouwen, vragen te stellen tot de hoorders om hen langs dien weg te
brengen tot het vinden van de waarheid of ten minste van eene
overtuiging. Vandaar dat men aan het slot van sommige dezer stukken
uitdrukkingen leest als: "Nu mach elc vroet man merken" of "Nu gheraet
hier naer"[49].

Met het verstandelijk karakter dezer poëzie strookt ook wel de lust tot
allegorie, die hier zich zoo krachtig openbaart. De roman _van de Roos_
moge invloed geoefend hebben op de ontwikkeling der allegorie ook te
onzent, eene dergelijke neiging van den menschelijken geest kan toch
niet alleen uit een boek worden afgeleid. Allerlei menschelijke
eigenschappen en hoedanigheden, gevoelens, neigingen, toestanden, worden
door de dichters belichaamd, treden voor ons op om, redeneerend en
disputeerend, te leeren, te vermanen of te stichten. Het zijn Vrouw Ere,
Vrouw Minne, Trouw, Milde; meester Baraet [Zijnoot: bedrog.] van Lozane
en zijn vennoot Visevase; de edele vrouwe Gerechtigheid, op jacht met
hare honden Hope en Troost, komt den jager Onrecht tegen met zijne
honden Wankelmoed, Loosheid en Logenaar. In een gedicht van Heer
ERENTRYCK treden o.a. Heer Hoeffscaert en Heer Mildriaen op[50].
Ootmoedigheid disputeert tegen Wereldsche Eer, Rijkdom tegen Armoede,
Solaes tegen Penitentie.

Een der oudste stukken van dezen aard, dat nog uit het laatst der 13de
eeuw dagteekent, is "een abel dinc ende een edel leere: _van der Zielen
ende van den Lichame_. Het is eene bewerking van den Bijbeltekst: _de
geest strijdt tegen het vleesch en het vleesch strijdt tegen den geest_,
die in zijne aangrijpende kernachtigheid het zedelijk leven der meeste
menschen samenvat[51]. Verwant met dit stuk zijn andere als "een edel
exempel", waarin een gestorven mensch, in zijn graf liggend,
waarschuwend en vermanend, spreekt tot hen, die over zijn graf gaan: ik
was jong, schoon, bloeiend--nu ben ik zwart, verrot, de wormen eten mij;
wat ik ben, zult gij worden; let dan op het eeuwige, geef aalmoezen enz.
Ook "een figure" van een zondaar, die in de hel zijne zonden beweent en
zijne medemenschen waarschuwt, en een drietal tweespraken tusschen een
levenden en een dooden koning[52].

Verder vinden wij een A.B.C. gedicht ter gelegenheid van het nieuwe
jaar, vol allerlei zedelijke opwekking; een uitleg van het woord _liden_
volgens de onderscheidene letters, die elk weer een afzonderlijke
beteekenis hebben; eenige droomen en visioenen. De allegorie ontbreekt
ook hier niet; zoo wordt ons b.v. verhaald van het paard dat "de
menschelijke nature" voorstelt; dat paard wordt geregeerd met den
breidel van "redelic verstaen"; in dien trant is de allegorie verder
uitgewerkt[53].

Wat al deze stukken gemeen hebben, is eene stichtelijke of zedelijke
strekking; doch de dichters bedienen zich tot den opbouw van het
zedelijk gemoedsleven hunner tijdgenooten van allerlei materiaal. De
tweespraak is geliefd; behalve de bovengenoemde, vinden wij er een
tusschen den Zomer en den Winter over elks meerdere voortreffelijkheid;
een andere over de vraag, wat beter en machtiger is: geluk of geld? weer
een ander maakt er eene "questie" van: of iemand zijn lam zal hoeden
tegen een wolf dan wel zijne vrouw tegen een belager. Andere stukken
geven rechtstreeksche opwekkingen tot zelfkennis, het bewaren zijner
eer, bescheidenheid jegens zijne meerderen; zij waarschuwen tegen
"baraet en reinaerdie", hoovaardij, afgunst, boosheid. Zij houden ons
het beeld voor "van den IX besten", de beste vorsten die geleefd hebben:
HECTOR, ALEXANDER, CESAR, ARTUR en anderen; zij vertellen ons van "een
geestelijken boomgaard"; van den hemel, voorgesteld als een schoone zaal
met vele woningen, waarin God de waard is; van een ridder die zijn zoon
de eigenlijke beteekenis van het woord _wapen_ leert; van de raadslieden
die een vorst tot zich moet roepen; van twaalf soorten van dienaren.

Het is begrijpelijk dat dichters die er op uit waren hunnen hoorders of
lezers praktische levenswijsheid mede te deelen, zich gaarne bedienden
van spreuken of spreukachtige verzen. Hunne gedichten zijn dan ook vol
spreukenwijsheid, die men vindt samengevat in een refrein, in een
slotregel of aan het begin van een stuk als tekst; verzen als:

  Gherne soud se visschen, die catte,
  Maer node steec se den poot in 't natte.

  Die wel doet, darf gheenen wisch ute steken [Zijnoot: goede wijn
  behoeft geen
  krans.].

  Vele onderwinden en was noit goet.

  Swigen brinct vele rusten in.

Doch daarmede niet tevreden, brengt men spreuken in bundels samen en
alzoo onder de menigte. Sommige daarvan zijn in onbruik geraakt; ik heb
het oog op een aardige spreuk als:

  Boven macht piint men dicke om haven
  [Zijnoot: geeft men zich moeite om rijkdom.],
  Want noot doet oude quenen [Zijnoot: vrouwen.] draven.

Andere herkennen wij ook in dezen vroegeren vorm:

  Hi en dunct mi niet te sere riesen [Zijnoot: dwaas zijn.],
  Die van tween quaden dminste can kiesen.

Of:

  Met dommen dom, met wisen wijs,
  Want het es nu der werelt prijs.

Verscheidene dier spreuken worden ook in een Hoogduitschen vorm
teruggevonden, o.a. in den bundel die bekend staat onder den naam
_Fridankes Bescheidenheit_.

Gaarne ook liet men menschenwijsheid vertolken door vogels. Soms houden
deze "voghel sproexkene" verband met het karakter dat men een of anderen
vogel toekende. De raaf, een onheilsvogel, zegt b.v.:

  Here, dune machs niet genesen [Zijnoot: behouden blijven.]
  Du en wilt [Zijnoot: tenzij gij wilt.] scalc und ontrou wesen.

De koekoek, een "beroemech" vogel volgens onze voorouders, omdat hij
altijd van zich zelven spreekt, zegt:

  Oetmoedecheit salmen miden,
  Want hoverde geet voren tallen tiden.

Doch vaker is dit verband tusschen vogelkarakter en spreukwijsheid niet
aanwezig en kan men het ontstaan dezer vogelspreuken slechts verklaren
uit hetzelfde samenleven met de natuur, dat ook vroeger het lied of den
roep van zoo menigen vogel vertolkte met menschenwoorden die er
eenigszins op leken[54].

Al dat opvoeden door middel van de poëzie ging langzamerhand vrucht
dragen: het zedelijk onderscheidingsvermogen gaat zich ontwikkelen; men
begint scherper oog te krijgen voor eigen feilen en gebreken, en
vooral--het waren ook toen immers maar menschen?--voor die van anderen.
De critiek begint zich te doen gelden en invloed te oefenen, voorshands
vooral op het zedelijk leven. De mannen die zoo gereed waren bij elk
geschil naar zwaard of mes te grijpen, beginnen in te zien dat geen
zwaard zoo scherp is als de menschelijke tong:

  Ten snijt gheen zwert so grievelijc zeere
  Als tonghe, die rovet des menschen eere.

Menigeen moet zich onbehagelijk gevoeld hebben onder het besef dezer
toenemende critiek. Als tolk van dezulken treedt zekere EGIDIUS op met
een naïeve klacht over het eeuwige "begrijpen" [Zijnoot: aanmerkingen
maken.] der menschen, waaraan men niet ontkomen kan: ga ik dikwijls naar
de kerk--ik ben een schijnheilige; laat ik het--ik ben erger dan een
hond; draag ik een wapen--ik ben een vechtersbaas; laat ik het thuis--ik
heet een lafaard; praat ik veel--zijn mond gaat als een Lazarusklep; zeg
ik weinig--hij speelt stommetje; loop ik veel in de taveerne--de hel is
zijn voorland, hij zal er nog alles doorbrengen; kom ik er weinig--'t is
een saaie Piet! "Jeghen quade tonghen helpt geen weeren"; EGIDIUS ziet
er niets anders op dan de tien geboden houden en de heilige kerk volgen;
zóó alleen kan men rust vinden in "dit ellendighe erdsche dal."

Anderen zijn niet zoo zachtmoedig tegenover de "begripers" gestemd. Dat
voorbeeld willen zij niet volgen, zij willen liever op zich zelven
letten:

  Mijns selfs ghebrec cleeft an mi vast.
  Dat anderen weecht, es mi gheen last.
  Ic hebbe te draghene ghenouch an tmijn,
  Twi [Zijnoot: waartoe.] soudic yemens begripere zijn?

En tot den "begriper" zeggen zij:

  So wie dat spreken wille up mi,
  Bezye hem selven, wie hi zi.
  Es hi goet ende al de zine,
  So eist mi te mindre pine[55].

Doch wie zich ook aan de critiek ergeren mocht, zij zweeg daarom niet.
Het zaad, door MAERLANT uitgestrooid, dat wij reeds zagen opkomen in de
leerdichten, droeg ook hier vrucht bij genoemden en ongenoemden.
Ongenoemde dichters hekelden in hunne verzen het bandeloos leven in
sommige kloosters en het kroegloopen; een ander geeft ons een aardig
zedentafreeltje van vrouwen en meisjes die vóór het avondeten
buitenshuis op de straat komen zitten en het zoo vermoeiend vinden op te
staan en te nijgen wanneer een kennis voorbijkomt en den kaproen licht;
weer een ander zingt ironisch den lof van de "plaesteraers" [Zijnoot:
vleiers.] en besluit telkens een couplet met het refrein: "ic moet emmer
[Zijnoot: volstrekt.] plaestren leeren"[56].

Onder de ons bij name bekenden vinden wij een paar "sprekers", die wij
spoedig als dichters van beroep nader zullen leeren kennen: BOUDEWIJN
VAN DER LOREN, waarschijnlijk een Gentenaar en AUGUSTIJNKEN VAN DORDT.
Hunne niet talrijke werken geven ons eenigszins een beeld van de in dit
hoofdstuk behandelde poëzie.

BOUDEWIJN'S _Maghet van Ghend_ (omstreeks 1381) geeft een kijkje in de
vijandige verhouding tusschen die stad en den graaf van Vlaanderen,
LODEWIJK VAN NEVERS. AUGUSTIJNKEN'S gedicht "van (den) Sceepkene" is
eene allegorische voorstelling van den droevigen toestand waarin de
Hoeksche en Kabeljauwsche twisten deze landen gebracht hadden. Allegorie
vindt men ook in zijn _Borch van Vroudenrijc_, eene voorstelling van het
lichaam en de vijf zinnen Hekelt BOUDEWIJN personen en toestanden zijner
dagen op scherpe wijze in de "edele sproke": _Dits Tijt's verlies_,
AUGUSTIJNKEN schroomt niet, zich zelfs tot de pausen te richten:

Petrus leyde oetmoedich leven, Daden die pausen diere gelike, Dat soude
schinen in Kerstenrike.

Ook het stichtelijk element der hiervoor behandelde poëzie vinden wij
terug in zijn gedichten over _de Schepping, Sinte Jans Ewangelium, van
der Rycheit ende van der Doot_[57].

Beide "sprekers", doch vooral AUGUSTIJNKEN, bezaten wel eenig talent. In
BOUDEWIJN'S _Tijt's verlies_, in het laatstgenoemde stukje van
AUGUSTIJNKEN, tevens zijn laatste werk, zijn hier en daar wel aardige
verzen. Ook is er iets aantrekkelijks in zijn "_Sceepken_": dat bootje,
drijvend in de Merwede, waar de dichter "in 't risen van der sonnen"
instapt, waarin hij zich laat drijven op goed geluk, totdat hij
eindelijk de riemen ter hand neemt--geeft ons eene aardige
verzinnelijking der verbeelding die "vaart spelen daar draaiboom sluit
noch hek."

Beter dan hun werk echter is dat van hun kunstbroeder WILLEM VAN
HILLEGAERSBERGH geschikt om ons de verhalende en lyrische poëzie, in een
kort bestek samengevat, op nieuw te doen zien. Vóórdat wij daartoe
overgaan hebben wij echter nog die minnepoëzie te beschouwen, die naar
den geest wel verwant is met het minnelied, doch in vorm van deze
verschilt en vooral eenige nieuwe trekken zal toevoegen aan de daar
gegeven voorstelling.


_d_. MINNEPOËZIE.

Duidelijk is ook in de minnelyriek, die niet tot het lied behoort, de
invloed der hoofsch-ridderlijke opvatting van de liefde te zien. De
vrouwendienst, zooals wij dien vroeger hebben leeren kennen, komt in al
deze stukken op den voorgrond, gewoonlijk in verband met allerlei
herinneringen aan het ridderwezen. Het bijna 900 verzen tellend gedicht
_Van der feesten_ bevat een uitvoerig overzicht van de leer der minne,
op scholastieke wijze verdeeld in deelen en "poenten". Wij vinden hier
antwoorden op de vragen: wat minne is? waardoor men minne kan verwerven
en weer verliezen? wie gestadiger zijn in de liefde: vrouwen of mannen?
eene uiteenzetting wordt gegeven van de wijze, waarop de vier
onderscheidene temperamenten zich in de minne openbaren. Waarschuwingen
tegen het roem dragen op vrouwengunst, aansporingen tot het "helen" van
den naam zijner liefste of "vrouwe" zijn niet zeldzaam. Telkens en
telkens wijzen de dichters op de voortreffelijkheid der vrouwen.

Duidelijk zien wij dat vooral in een stukje, dat getiteld is: _van XII
cnechten [Zijnoot: schildknapen.] die ruddren worden van heeren_
[Zijnoot: eere.]. Twaalf dappere schildknapen hebben, zonder van
elkander te weten, een edele vrouw om minne aangezocht. Aan elk hunner
geeft zij ten antwoord: eerst moet gij met de wapenen eere verwerven;
dan zult gij uw loon ontvangen. Allen trekken de wereld in en worden
ridders met eere. Teruggekeerd vragen zij om hun loon. Gij hebt het
reeds ontvangen, zegt zij, in uw met eere verworven ridderschap.

Deze voorstelling, volgens welke de vrouw de belichaming is van de
ridderlijke idealen, vindt men ook in andere dezer gedichten, schoon
nergens zoo duidelijk.

Het is wel mogelijk dat een deel dezer werken voor een ridderlijk
publiek zijn bestemd geweest; doch andere waren zeker voor de burgerij
bestemd, ook al bevatten zij ridderlijke voorstellingen. Zoo ziet men
ook in deze poëzie den invloed door den eenen stand op den anderen
geoefend.

Midden in een verzameling spreuken van didactisch-burgerlijk karakter
treft ons deze spreuk:

  Spere, schilt, helm ende sweert
  _Hebben_ gode ridders weert[58].

Het Recht wordt voorgesteld als eene edelvrouwe met hare honden op
jacht; uitdrukkingen, ontleend aan het ridderwezen, worden ook in de
burgerlijke poëzie al talrijker. Meer dan eens vinden wij herinneringen
aan de ridderromans; in het gedicht _Van der Feesten_ worden er
ettelijke genoemd; het Koningspel uit den roman _van Limborch_ is
verwerkt tot een afzonderlijk stuk; de "vijf heren" en "vijf vrouwen",
wier "wenschen" ons worden medegedeeld in een paar stukken, die
waarschijnlijk afkomstig zijn van een of anderen spreker, behooren thuis
in Troje; de "vier heeren", die wij voor het vuur zien zitten in een
ruime zaal en die zich met "wenschen" den tijd korten, zijn helden uit
het _Nibelungen-lied_. Opmerkelijk is, dat in BOUDEN VAN DER LORE'S
_Achte Persone Wenschen_ een ridder en een edele jonkvrouw met
geestelijken en nonnen en eene getrouwde burgervrouw zitten te drinken
om het gelag[59].

De lust tot allegorie, dien wij in de stichtelijke en didactische poëzie
opmerkten, vertoont zich ook hier. Hier openbaart zich de invloed van
den roman _van de Roos_ zelfs in eene rechtstreeksche navolging. Wij
bezitten nl. een gedicht van dezen tijd van meer dan 2000 verzen, dat
blijkbaar in navolging van dat beroemde werk is gedicht en dat bovendien
ook verwantschap toont met een deel der hier behandelde stichtelijke,
didactische en minnepoëzie. Wij vinden ook hier den droom als
inkleeding, de wandeling buiten, het zien van een kasteel, de ontmoeting
met allegorische personages als Vrouw Hope en Twifel; later komen de
vijf zintuigen: Heer Nouwe-zien, Heer Smakelijn, Rieke-lucht,
Licht-gevoel en Hoor-na. Zij komen voor den zetel van Vrouwe Zuverheit,
waar Jonkheer Lust en Jonkvrouwe Jeucht ook tegenwoordig zijn, met de
heeren Melancholie, Collorijn en de overige temperamenten[60].

Het verstandelijk element, zichtbaar in deze allegorische minnepoëzie,
openbaart zich ook in de overige lyriek van minne, die van burgerlijke
dichters afkomstig was. De liefde wordt in de poëzie aangewend als een
verstandsspel tot scherping van het vernuft. Een reeks van raadsels en
vragen aangaande de minne, onder den titel _Der Minnen Guet_, was
blijkbaar bestemd om door een spreker te worden gebruikt bij zijne
voordrachten. Ook de dialogen en "twistspraken" over de minne hadden de
strekking om in gezelschappen de wellicht eenigszins trage geesten
gaande en de tongen los te maken. De spreker vertelde b.v. van twee
gezellen, die uitgenoodigd worden mede te trekken naar het land van
Overzee en die hunne liefjes vragen wat zij moeten doen; het eene meisje
stemt toe, het andere weigert. "Nu, welc harer hadde den besten wille?"
luidt de vraag aan het slot van het gedicht. Elders zijn wij
tegenwoordig bij een "strijd van minne" tusschen een ridder en eene
jonkvrouw, tusschen "Vrouw Venus en een gheselle". Ook de bovenvermelde
"wenschdichten", al handelen zij niet uitsluitend over de minne, zijn
met deze gedichten verwant. Een volledig pleidooi vinden wij in het
_Jugement van Vrouw Venus_, al is dat gewichtiger als voorstelling der
middeleeuwsche procesvoering dan om zijne literaire waarde[61].

Daalt het minnedicht hier af tot het gezelschapsspel, het moet ook
dienst doen als huwelijksmakelaar. Het conventioneel genre van den
berijmden minnebrief, dat men in de Oudfransche en Middelhoogduitsche
literatuur aantreft, werd in de 14de eeuw ook in de Nederlanden
beoefend. Een vijftal Dietsche stukken van dezen aard zijn volgens het
gewone model vervaardigd en hebben dus weinig eigens; titels als "ene
vriendelike groete van enen lieve ten anderen" en "noch een vriendelike
saluut van minnen" wijzen eer op invloed der Oudfransche "saluts
d'amour" dan op dien van Middelhoogduitsche "liebesbriefe." In zulk een
"saluut" zong een verliefd jonkman den lof eener schoone, verklaarde
haar zijne liefde, verzocht om antwoord, hetzij een "brief" hetzij "eene
tafele" [Zijnoot: gewast schrijftafeltje.], sloot ook wel eens eene
roos in die hij dan als antwoord terugverzocht[62]

Poëzie die zulke diensten moet doen, kan kwalijk hare eer ophouden. Dat
blijkt uit deze stukken. Wat is er geworden van den trotschen GUNTHER,
den edelen RÜDEGER, den grimmigen HAGEN, die in de 13de eeuw toch nog
indruk maakten? Het is hun vooral te doen om te lachen, met mooie
vrouwen uit visschen te gaan, te eten en drinken, reien en dansen. Bij
BOUDEN VAN DER LORE zit een aanzienlijk ridder met eene maagd van hoogen
geslachte met monniken en nonnen te drinken--om het gelag! Het kan ons
niet verwonderen dat wij een kindergrap onzer dagen als die van GRIET
die men door een komma ten hemel of ter helle doet varen, reeds onder
deze minnepoëzie aantreffen:

  Ic minne een wijf die scande geert
  Nemmermeer si pijnt na ere;
  Wijflijcheit hat hare onweert [Zijnoot: minacht haar.]
  Nicht [Zijnoot: niet.] haren prijs kan si meerren.
      enz.[63].

Slechts bij uitzondering vinden wij onder de minnepoëzie van den
hierboven behandelden aard iets goeds, zooals b.v. in deze verzen:

  Ende of ic troest sochte an hare
  Ende sijt ontseide, wat lagher an?
  Ic sal haer claghen mijn mesvaren;
  In sal [Zijnoot: ik zal het niet doen.]; ic sal; in sal nochtan!
  Ic ware een verloren man,
  Ghelijc den snee in sonnenschine,
  Hope ende troest dies ben ic van [Zijnoot: mis ik.]!
  Ay lacen, die scouden [Zijnoot: schul(en).] die sijn mine![64]

Waar wij verder iets aardigs aantreffen, daar is het spot met de
hoofsche sentimentaliteit. Van dien aard is eene sterk Duitsch-getinte
klacht van minnewee, die besloten wordt met deze regels:

  Doe ich har clagede minen noot,
  Vragede zi mi: "is Brugge groot?"[65]

Recht op hun dreef komen sommige minnedichters van dezen tijd eerst in
dartel of grof-zinnelijke stukken als de monorimes, aanvangend:

  Ic quam gegaen met liste,
  Daer ic mijn suete lief wiste,
  Ic sprac: "lief, waer biste,?"

en wat daar meer volgt.

Zoo ook in de "goede boerde" van de bagijn en haar minnaar die op een
laken door den zolder komen vallen te midden der andere bewoonsters van
het bagijnhof; alle bagijnen slaan de handen voor de oogen, maar meer
dan eene gluurt door de vingers. Zoo eindelijk ook in dat dartele stukje
_Dmeisken metten sconen vlechtken_ dat aan zijne naïeve zinnelijkheid
zooveel verleidelijke bekoring paart dat de dichter of een later lezer
er onder schreef: "Desen sproke doet mi al te sere verlanghen"[66].



AANTEEKENINGEN

[1] Vgl. _Vad. Mus_., I, 369 (ook _Mnl. Ged_., ed. DE PAUW, III, 667).
VERWIJS, _X Goede Boerden_, no. VIII: "ene boerde" en _Mnl. Wdb._ i.v.
b.v. "die boerde van den Grale".

[2] Vgl. _Mnl. Ged_. (ed. DE PAUW), I, II, 37; _Rumbeeksche
Avondstonden_, p. 23: "eene sproke van de drie koningen": 3 achtregelige
coupletten, elk bestemd door een der drie koningen te worden
uitgesproken; KAUSLER, _Denkmäler_, III, 204, 222, 131, 114, 109 ("dese
miracle"). _Goede Boerden_, p. 11 (ook vs. 222: "dit exempel"); _Belg.
Mus_., I, 326.

[3] In den tekst van ons verhaal dieper in dit vraagstuk treden, zou ons
in de vergelijkende literatuurgeschiedenis brengen. De mogelijkheid
bestaat echter, dat voortgezet onderzoek de kennis onzer boerden en
sproken zou kunnen bevorderen. Daarom voeg ik bij de aanwijzingen, in
dezen door Dr. TE WINKEL gegeven; 1o eene verwijzing naar de _Hist.
Littéraire de la France_, T. XXIII, 143, 201. 2o. De stof _van den cnape
van Dordrecht_ vindt men terug in het fabliau _du fotéor (Recueil
général et complet des Fabliaux_ van MONTAIGLON en RAYNAUD, I, 304). 3o.
De stof der tot nog toe onuitgegeven boerde _van Heile van Berseele_
vindt men, naar het schijnt, niet in de Fransche fabliaux, doch wel bij
CHAUCER in _The Miller's Tale (Canterbury Tales)_. De vraag mag gesteld
worden, of CHAUCER onze boerde heeft gekend? Vgl. met het oog daarop ook
in _The Pardonere's Tale_ de passage aanvangend: "In Flandres whilom was
a compagnie." Vgl. overigens over deze stof: _Anglia_, I, 38, 186; II,
135. (R. KÖHLER). 4o. Aan het slot van het fabliau _De le vescle a
prestre_ (MONTAIGLON et RAYNAUD, III, 106) lezen wij:

Jakes de Baisiu, sans dotance, L'a de Tieus (tyois = Dietsch) en Romanc
rimée.

Het is het verhaal van een Antwerpsch priester die de hebzucht van een
paar Jacobijnen teleurstelt, door hun bij uiterste wilsbeschikking zijne
blaas te vermaken. 5o. Dezelfde stof die in de sproke "Van eenen
verwaenden coninc" is verwerkt (KAUSLER, _Denkmäler_, III, 204-212)
vinden wij in "_Li dis dou Magnificat_" van den Henegouwschen menestreel
JEAN DE CONDÉ, die schreef in de eerste helft der XIVe eeuw. Vgl. _Dits
et Contes de Baudouin de Condé_ par A. SCHELER, II, 355 suivv.

[4] Vgl. _Goede Boerden_, p. 11, vs. 4; KAUSLER, _Denkmäler_, III, 101;
voorts: ald. III, 111, vs. 4-5; III, 186; _Vad. Mus._, I, 50, vs. 6-8;
_Belg. Mus._, I, 326, vs. 12-17; 328, vs. 64-5; 336, vs. 354-5.

[5] _Goede Boerden_, bl. 1, 4, 19; _Belg. Mus._, III, 108-114; KAUSLER,
_Denkmäler_, III, 165. In de boerde _van Heile van Berseele_ behalve
Antwerpen ook Gent en Brussel genoemd.

[6] In de _Chansons du XVe siècle_ (ed. G. PARIS) leest men (no. LXXIX)
de uitdrukking: "faire la follie" of "faire la sottise" in dezen zin.
Vgl. ook: _Oudvlaemsche Lied. e.a. Ged._, no. LXXI: "dat sotte dinc
doen". Ook de Oudfransche "gabs" in de _Pélérinage à Jérusalem_.

[7] _Belg. Mus._, X, 52.

[8] _Goede Boerden_, bl. 17. De volgorde der verzen bij VERWIJS is
verkeerd, zooals blijkt uit de paarsgewijze rijmende verzen.

[9] Vgl. _Lancelot_, III, 16040 en _Torec_, vs. 276.

De hier bedoelde boerden zijn: _Van enen man die lach gheborghen in ene
scrine_; _van den cnape van Dordrecht_; _een bispel van II. clerken; van
Lacarise den katijf_ (_Goede Boerden_, ed. VERWIJS, I-IV); _Belg. Mus._,
X, bl. 51 vlgg.: _van den man die gherne dranc_; _tghoede wijf maect den
goeden man_; _van III. ghesellen die den bake stalen_; _Belg. Mus._,
III, 108: _Wisen raet van Vrouwen_, vollediger in VERWIJS' _Bloemlezing
uit Mnl. Dichters_, III; _Van Vrouwen ende van Minne_ (ed. VERWIJS), no.
II; KAUSLER, _Denkmäler_, III, 111 _van der weldaet die de duvele dede_.
Drie onuitgegeven boerden vindt men in het Thorpe-hs. ter Kon. Bibl. te
Brussel, no. 1171, 2e serie: _van den visscher van Parijs_ (_Recueil
Gén. des Fabl._, III, 68: "Du péschéor de pont seur Saine"); _van Heile
van Bersele_ (zie boven) en _Van der vrouwen die boven haren man minde_
(_Rec. Général_, V, 132-142: "De la dame qui fist entendant son mari
qu'il sonjoit"). Ik heb de kennismaking met deze drie stukken te danken
aan Dr. H.P.B. PLOMP, die het Thorpe-hs. beschreef in zijn vroeger
vermeld Proefschrift. Het stuk, welks aanvang door VERWIJS wordt
medegedeeld in de Inleiding tot zijn bundel _Van Vrouwen ende van
Minne_, zal wel eene boerde zijn geweest, waarin de stof verwerkt is die
ook behandeld wordt in het fabliau _de Trois aveugles de Compiègne_
(_Rec. Général_, I, p. 70).

[10] KAUSLER, _Denkmäler_, III, 118-120.

[11] _Van Vrouw. e.v. M._, no. VIII.

[12] _Belg. Mus._, VIII, 96.

[13] _Id._, X, 64.

[14] Het _Baghynken van Parijs_ uitgeg. door de Maetschappij der
Vlaemsche Bibliophilen, 3e Serie, no. VII, volgens eene Antwerpsche
uitgaaf van 1605. Afdruk van een anderen druk in _Konst- en Letterbode_
van 1853, II, 50-55 (VAN VLOTEN). CAMPBELL stelt het in zijne _Annales_,
no. 215 op c. 1490. De Nederduitsche vertaling (_Geistliche Gedichte des
XIV. u. XV. Jahrh._, O. SCHADE) dagteekent echter reeds uit de eerste
helft der 15e eeuw. Vgl. ook: _Jahrb. des Ver. für niederd.
Sprachforschung_, XXIII, 114. Taal en vorm van het gedicht leidden er
mij toe, het in de 14e eeuw te plaatsen.

De overige sproken vindt men: _Belg. Mus._, I, 326: _Een scone exempel
van eenen jonghen kinde ende van haren scoelmeester_; _Belg. Mus._, X,
57 vlgg.: _van den verwenden keyser_; _de mantel van eren_; _van enen
here die vremde liede bi hem nam ende verdreef sinen brueder_. (Ook in
KAUSLER'S _Denkmäler_, III, 131: _een goet exemple_); _van tween
kinderen die droeghen ene starcke minne_. (Ook in: _Taalk. Bijdr._, I,
244, een andere bewerking); _Belg. Mus._, X, 339: _van enre nonnen
verduldechede_; _Van Vrouwen ende van Minne_, no. VIII; KAUSLER,
_Denkm._, III, p. 101, 118, 165, 186; _Tijdschr. v. N.T. en L._, XXIII,
46; _Belg. Mus._, VIII, 96: _Van den ouden ridder ende den jonghen_;
_Vad. Mus._, I, 50: _Van enen ridder die God sine sonden vergaf_; 57:
_vanden goeden Brueder_; de exempelen in den _Spieghel der Sonden_
opgesomd en aangewezen door VERDAM in zijne Inleiding, bl. LI vlgg.

[15] KAUSLER, _Denkmäler_, III, 204.

[16] _Vad. Mus._, I, 51.

[17] KAUSLER, _Denkm._, III, 165, 109; _Belg. Mus._, X, 76, vs. 1; 58,
vs. 11; _Vad. Mus._, I, 57, 66; p. 49-50; p. 98, vs. 34-5.

[18] _Goede Boerden_, bl. 11, vs. 3. (_Depllijcheit_ zal wel eene
verschrijving zijn voor _Spellycheit_.)

[19] Vgl. _Goede Boerden_, bl. 11, vs. 3; bl. 18, 222; 10, 166; 22, 104;
_Belg. Mus._, X, 218 vlgg.

[20] PETIT DE JULEVILLE a.w. II, 205.

[21] _Goede Boerden_, 22, vs. 93 en 1, vs. 11.

[22] _Vad. Mus._, I, 57 vlgg. (bl. 63 vooral). Die zachter beschouwing
eerst in _Manon Lescaut_; in HOOD'S _Bridge of Sighs_, b.v. in:

Still, for all slips of hers, One of Eve's family.


De rechtvaardigheid op den voorgrond o.a. in BJÖRNSON'S _Handske_.

[23] _Oudvlaemsche Liederen en andere Gedichten_, no. 99, 101.

[24] De plaatsen waarop deze en de daarvoor gegeven mededeelingen
berusten, vindt men in de uittreksels der Grafelijkheids-rekeningen
achter JONCKBLOET'S _Gesch. der Middennederl. Dichtkunst_, III en verder
in de _Cameraars-Rekeningen_, III, 349; DE LANGE VAN WIJNGAERDEN'S
_Gesch. van Gouda_, I, 656; Oudste rekening der stad Antwerpen ao 1324
(in: _Codex Diplom. Neerland. Hist. Gen._, IV, 114); _Het Lied in de
Middeleeuwen_, hoofdstuk VII. Over muziekscholen der meistreels Deel XX
der "_Annales de la Société d'Emul. pour l'Etude de l'histoire et des
antiquités de la Flandre_", p. 53. _Préludes historiques sur la ghilde
des Ménestrels de Bruges_ door DÉS. VAN DE CASTEELE.

[25] BÄUMKER'S _Niederl. geist. lieder_ etc. in: _Vierteljahrschrift für
Musikwissenschaft_, Leipzig, 1888, no. 63.

[26] Medegedeeld door ACQUOY in _Archief voor Ned. Kerkgesch._, IV,
334-6. Vgl. overigens tal van Duitsche varianten van "Kinne Wippchen"
in: _Das deutsche Kinderbuch_ von KARL SIMROCK, S. 5. Een Engelsch
voorbeeld: "Here sits the Lord Mayor" in HALLIWELL'S _Nursery Rhymes_,
p. 205. Het Fransch heeft evenzoo zijn: "_Menton d'or, bouche d'argent_"
etc.; vgl. SCHEFFLER'S _Französische Volksdichtung_, I, 239.

De vroegste opteekening die ik te onzent van dergelijke liedjes vond is
van 1680 in het liedboekje _Amsterdamse-Spinhuys_, bl. 76: "Een aerdig
Lied van een Wagenaer en sijn lief Hille":

De Wagenaer die vatte sijn Lief al bij haer hoofje. Hey, wat is dat,
Hille? Dat is mijnen krullebol, Och vader enz.


Achtereenvolgens komen dan de _oogjes_ (kijck-uyt), _neusje_
(snuyt-uyt), _montje_ (slock-op), _kinnetje_ (kinne-klap) enz. Dat dit
lied eene amoureuze omwerking is van een kinderlied doet tot de zaak
niet af.

[27] Vgl. bl. 199 van: _Oudvlaemsche Liederen en andere gedichten der
XIVe en XVe eeuwen_. Volgens het Voorwoord is het hs. van het laatst der
14e eeuw; van de 15e eeuw wordt in het Voorwoord nergens gewag gemaakt
en de liederen geven daartoe m.i. ook geen aanleiding.

De pelgrims in dit lied waren misschien dezelfde Bruggelingen wier namen
zijn aangewezen op bl. 29 van dezen bundel.

[28] Vgl. _Horae Belgicae_, X, no. 39 en _Het Lied in de Midd._, bl. 605
vlgg. Het lied is ons ongelukkig in een zeer bedorven redactie
overgeleverd; dat blijkt reeds uit de rijmen nu eens "overslaghend" dan
paarsgewijze geplaatst, uit de volgorde van couplet 24 en 25 enz.

[29] Uitgeg. in den bovengenoemden bundel _Oudvlaemsche Liederen_ enz.

[30] De bundel en dit vraagstuk moeten beide nauwkeuriger onderzocht
worden. Tot de critiek van den tekst heeft VERDAM eene bijdrage geleverd
in: _Tijdschr. v. N.T. en L._, IX, 273 vlgg. Vgl. voorts: _Het Lied in
de Midd._, bl. 256 vlgg.; L. GAUTIER, _Les Epop. Franç._ (2e éd.), III,
555 en A. DARMESTETER, _De Floovante_, p. 78: "Hodie demonstratum est"
etc. Dr. A. NIJLAND, _Gedichten uit het Haagsche Liederhandschrift_ en
de critiek van Dr. FRANTZEN in _Taal en Letteren_, 1896, afl. 3.

[31] Vgl. no. XXXVIII en CXXI.

[32] Vgl. b.v. no. XXXVII; dat begint hoofsch genoeg: "Woude mi de
vrouwe mijn" enz.; maar het refrein is in gansch anderen toonaard gezet:
"In 't scade van tween witten dien" enz.

[33] Scheidliederen zijn no. 70, 86, 96, 108; aan de wachterliederen
doet no. 72 denken; nieuwjaarsliederen zijn no. 59, 60, 75, 76: in no.
45: "den Mey die ic u minlic gheve"; voorts no. 2, 15, 33, 35, 51; de
"niders" in no. 84.

[34] no. 96, 125, 140 (opgenomen in _Het Lied in de Midd._, bl.
269-270), 58. Beurtzangen in no. 5, 7, 21, 53, 54, 55, 68, 71, 75, 91.

[35] no. 16, 17, 26, 27, 38, 42, 71, 86, 121.

[36] _Vad. Mus._, II, 197, vs. 61 vlgg. Op het laatste blad van het
bekende Hulthemsch hs. waaraan ook dit stukje ontleend is, leest men:
"Dits een rondeel.... Vrou met eren... nacht. Ene ander maniere den bom"
geschreven boven muzieknoten (_Vad. Mus._, III, 141). _Bonghe_, _bom_
wordt in het _Mnl. Wdb._ verklaard met _trom_; maar in de _Oudvl.
Lied._, no. 38 wordt van de _snaren_ der _bonghe_ gesproken.

[37] Vgl. _Tijdschr. v. N.T. en L._, XIV, 260 vlgg.

[38] Vgl. _Oudvl. Lied._, no. 56, 41, 45, 49.

[39] Boek III, c. 43.

[40] Een deel onzer wetenschap aangaande dit merkwaardig lied hebben wij
te danken aan een degelijk onderzoek van Prof. R.C. BOER. (_De Gids_ van
Mei 1899). Den tekst vindt men o.a. in: _Hor. Belg._, II, no. 3. Vgl.
voorts _Het Lied in de Midd._, bl. 117 vlgg. en _Middelned.
Historieliederen_ door Dr. C.C. VAN DE GRAFT, bl. 48 vlgg. Ook nog VAN
LENNEP'S _Vondel_, III, 350 noot op vs. 113-114. Over de bekendheid van
het lied in lateren tijd vgl. _Het Lied in de Midd._, bl. 694, 708, 714,
715, 729, 734.

Opmerking verdient ook dat wij in de geschiedenis van Frankrijk in de
16e eeuw een verhaal vinden dat op sommige punten eene treffende
overeenkomst vertoont met de hier behandelde sagen. Vgl. HOOFT'S _Henrik
de Groote_ (ed. van 1704), p. 23: de geschiedenis van _Antonis
Nantoillet du Prat_.

[41] De tekst o.a. _Hor. Belg._, XI, no. 16. Vgl. voorts: Dr. PAUL
FRÉDÉRICQ, _Onze Historische Volksliederen_, bl. 16. (F. zag het eerst
de beteekenis van den zonderlingen titel _van cort Rozijn_). Dr. V.D.
GRAFT a.w. bl. 62. Dr. TE WINKEL, _Gesch. der Ned. Lett._, bl 453. De
beide laatste auteurs nemen aan dat met de dochter van den Graaf van
Vlaanderen Gent wordt bedoeld. Mij komt dat weinig waarschijnlijk voor;
vooral omdat Gent aan Zegher v. K. volstrekt niet een "fier ghelaet"
toonde en er voor den Zegher van het lied niet de minste reden was om de
stad Gent te onteeren.

[42] Zie die liedjes medegedeeld door Prof. FRÉDÉRICQ en Dr. V.D. GRAFT
in de aangeh. werken, bl. 18 vlgg. en p. 69 vlgg. Ook in VAN VLOTEN'S
_Ned. Geschiedzangen_, bl. 44 en 56.

[43] _Willelmi capellani in Brederode.... Chronicon_ (ed. C. PYNACKER
HORDIJK), p. 1-3. Het eerste gedeelte opgesteld in 1322 (zie Inl. XVI).
Dat dit eerste deel "krioelt van grove vergissingen": dat WILHELMUS
Duitsche koningen verwart, dat het huwelijk van graaf WILLEM met ALEID
VAN GELRE reeds in 1197 geschied was enz., is voor onze beschouwing van
weinig gewicht. Van belang voor ons is, _dat_ de kapelaan deze
geschiedenis in 1322 zóó voorstelt.

[44] VERDAM in: _Versl. en Meded. Kon. Akad._, 4e Reeks, Dl. II, 156.

[45] _Mnl. Gedichten_ (ed. N. DE PAUW), I, 101 vlgg. Blijkbaar bestaat
_Onser Vrouwen Claghe_ uit twee afzonderlijke gedichten, duidelijk
genoeg van elkander onderscheiden. Bij vs. 186 begint het tweede
gedicht; dat blijkt bovendien uit de rijmen die van hier af paarsgewijze
loopen, terwijl vs. 1-185 vier aan vier zijn gerijmd, al is de tekst
slordig overgeleverd.

[46] A.w. I, 56, 332-'4.

[47] A.w. I, 245.

[48] VERDAM t.a.p. bl. 170.

Voor de overige hier vermelde stukken verwijs ik den lezer naar de
genoemde werken en de _Oudvlaemsche Lied. en Ged._, bl. 1 vlgg.

[49] Vgl. _Mnl. Ged._ (ed. DE PAUW), I, 101 vlgg., vs. 243; BLOMMAERT,
_Oudvl. Ged._, II, 116, vs. 175-6; 119, vs. 179-182; 120, vs. 137-140.

[50] Ook in de Hoogduitsche poëzie dier dagen zulke personages; vgl. de
bovengenoemde dissertatie van Dr. A. NIJLAND, bl. 60.

[51] Vgl. BLOMMAERT, _Theophilus_, (Gent, 1858), bl. 38 vlgg. en PETIT'S
_Bibliographie_ i.v. In het Fransch bestaat eene "Desputaison du corps
et de l'âme" die naar den inhoud overeenkomst toont met ons gedicht.
Vgl. P. DE JULEVILLE a.w. II, 209-210. Voorts _Romania_, IX, 311; XX,
1-55, 513-578 en _Zeitschr. f. rom. phil._, IV, 74-80. Een afzonderlijk
onderzoek zal misschien de verhouding der beide gedichten kunnen
bepalen.

[52] Vgl. _D. War._, II, 352; III, 242; _Belg. Mus._, II, 237. Indien
men let op den bouw van het laatste stuk (telkens drie coupletten van 8,
12 en 12 verzen, dan zal men eer aan drie tweespraken denken, drie
variatie's op één thema waaruit een sprookspreker kon kiezen, dan aan
ééne).

[53] De stukken, hier niet nader aangeduid, zijn te vinden: _D. War_,
VII, 377; IX, 6, 142; _Vad. Mus._, II, 151; _Oudvl. Lied. en Ged._, bl.
380, 395, 398, 404, 409, 417, 440, 474; _Versl. en Meded. der Kon.
Akad._, 3e Reeks, Deel XII.

[54] De hier bedoelde stukken en nog andere van dien aard vindt men in
_Vad. Mus._, I, 296 vlgg.; II, 146 vlgg.; Dissertatie van Dr. A.
NIJLAND, p. 185; KAUSLER, _Denkmäler_, III, 94 vlgg.; _Tijdschr. v. N.T.
en L._, III, 177 vlgg.; XI, 210 vlgg.; XI, 285 vlgg.; XII, 97 vlgg.;
XVI, 306 vlgg.

Vogel-spreuken vindt men behalve _Vad. Mus._, I, 319-321, ook nog in het
Haagsche hs. no. 721, fo 3, vo en achter een ter Kon. Bibl. aanwezig
bundeltje, getiteld: "Dit boecxken hout in sulcke manieren" etc.

Vgl. voorts nog: _Jahrbuch des Vereins für niederd. Sprachforschung_,
no. XI, 171; XIV, 101 flgg. (Deze laatste aanwijzing dank ik mijn vriend
VERDAM).

[55] Zie deze stukken in _Tijdschr. v. N.T. en L._, XI, 210, 289 en _D.
War._, I, 134.

[56] _Vad. Mus._, I, 82, 86, 322, 324.

[57] Beider werken vindt men in BLOMMAERT'S _Oudvl. Ged._, II en III.

[58] _Tijdschr. v. N.T. en L._, XII, 103.

[59] Men vindt de hier bedoelde stukken in VERWIJS' _Van Vrouwen ende
van Minne_, p. 1, 8, 40, 42; _Vad. Mus._, I, bl. 80, 318; KAUSLER,
_Denkm._, III, 162; BLOMMAERT, _Oudvl. Ged._, II, 111-120; _Tijdschr. v.
N.T. en L._, XI, 286, vs. 15; XII, 103.

In _Achte Persone Wenschen_, vs. 20 te lezen _'t Gelach_ in plaats van
_'t Gelaet_ dat geen zin geeft en ook niet in overeenstemming is met vs.
179-180.

[60] In de _Oudvl. Lied. en Ged._, bl. 233 vlgg. De invloed van den
roman _van de Roos_ op onze letterkunde werd nog versterkt door Fransche
navolgingen. Zoo schreef de Henegouwsche dichter WATRIQUET DE COUVIN er
een, getiteld _Li Mireoirs as Dames_ (eerste helft der 14e eeuw). Vgl.
_Dits de Watriquet de Couvin...._ par A. SCHELER, p. 1 suivv.

[61] Vgl. o.a.: _Van Vrouw. e.v. Minne_, bl. 37 vlgg.; _Belg. Mus._,
VII, 229; X, 84; _Vad. Mus._, I, 373, 377; Dissertatie van Dr. A.
NIJLAND, bl. 152 vlgg.; _Tijdschr. v. N.T. en L._, XIX, 269 vlgg.
(misschien aanvang der 15e eeuw); _Oudvl. Lied. en Ged._, bl. 314 vlgg.

[62] _Vad. Mus._, I, 366-369, 387-391. Voorts: _Die gereimten
Liebesbriefe des deutschen Mittelalters...._ von ERNST MEYER. (Marburg.
1899). Op bl. 88-92 behandelt de S. in "_Die niederländischen
Liebesbriefe_", een paar voorbeelden van dit genre uit de 15e eeuw; het
is jammer voor zijn werk dat hij deze vroegere voorbeelden niet gekend
heeft.

[63] _Vad. Mus._, I, 369.

[64] _Vad. Mus._, I, 393.

[65] Dissertatie Dr. NIJLAND, bl. 199.

[66] _Goede Boerden_, no. VIII en no. VII.



ONTWIKKELING VAN HET LITERAIR LEVEN.

  _a_. Meistreels. Sprekers en andere dichters.

  _b_. Publiek. Voordragen en Lezen. Het Boek.

  _c_. Critiek en Theorie. Invloed der Literatuur. Letterroem.


_a_. MEISTREELS. SPREKERS EN ANDERE DICHTERS.

Nog altijd trekken meistreels en herauten door deze landen met vedel,
trompet en beltrom. Wij ontmoeten hen als boden b.v. der Heeren VAN
ARNHEM, VAN ARKEL, BRONKHORST met eene kennisgeving aan de schepenen van
Deventer van huns heeren huwelijk of met een andere opdracht. Van een
enkele hunner kennen wij den welluidenden naam: in het jaar 1365 vinden
wij den heraut HOPEZOMER in de _Cameraars-rekeningen_ vermeld[1]. Nog
altijd beoefenen zij naast de muziek de kunst van het woord. Meester JAN
VAN VLAERDINGHEN, die genoemd wordt onder de "menistreylen" die in 1364
te Middelburg "vor 't sacrament ghenghen", wiens vrouw en dochter ook
tot de meistreelen behoorden, treedt elders op als dichter. In het
toenmalig woord _vedelsage_ [Zijnoot: praatjes voor de vaak.] zien wij
dat verband tusschen muziek en woordkunst uitgedrukt en in
overeenstemming daarmede het woord _vedelaar_ gebruikt om een _dichter_
(misschien een liederdichter) aan te duiden[2].

Naast de menestrelen vinden wij ook nu nog de herauten. Ook zij zijn
werkzaam als dichters. Zoo wordt melding gemaakt van "des heren hyraut
ende sengher van Gaesbeke"; een "mynstreel", maar ook van "Jan Dyllen
den yraut, die voer mijns heren tafel sprac". Doch de meistreels hadden
als dichters hunne beste dagen gehad en gaan het tooneel ruimen voor
anderen. Hebben de herauten hen ook hier te lande op den achtergrond
gedrongen? In Frankrijk was dat, naar het schijnt, het geval. Naarmate
de heraldiek zich ontwikkelde en steeds meer aandacht vroeg en verkreeg,
steeg het aanzien der herauten en nam dat der meistreels af. Misschien
heeft de dichter eener merkwaardige samenspraak tusschen een paar
menestreelen uit dezen tijd het oog op de herauten, wanneer hij een
meistreel tot den ander doet zeggen:

  En condi geen reinaerdie,
  Smeken [Zijnoot: vleien.], no leckeberden [Zijnoot: flikflooien?]",
  Men sal segghen: "gaet uwer verden [Zijnoot: gaat heen.],
  Hier en es u nu niet te doene [Zijnoot: heeft men u niet noodig.] ."[3]

Doch in allen gevalle is het wel opmerkelijk dat de dichters, die
vanouds de banierdragers der ridderlijke idealen waren geweest, niet die
idealen zelve op den achtergrond raken. Verreweg de meesten hunner gaan
zich uitsluitend aan de muziek wijden. Sommigen hunner laten het beroep
varen en vestigen zich onder de burgerij; anderen zetten het zwervende
dichtersleven voort. Een paar vertegenwoordigers dier beide soorten zijn
het die wij in de bovenvermelde samenspraak tegenover elkander vinden.
De een, die zich "ter neringhe geset" heeft, ontraadt den ander het
voortzetten van het zwervend leven: vroeger ging het goed, toen de
heeren mild waren en goedgeefsch jegens de meistreels; toen kon men van
zijne kunst leven--maar nu? menigeen sterft van gebrek en armoede. De
ander erkent de waarheid dier woorden ten deele; maar--zegt hij--ik eet
zoo menigen brok, ik drink zoo menigen beker in de taverne, waar ik met
weinig moeite aan kom, dat ik de "wandelinghe" niet kan laten.--Met
hoevele zwervers is het slecht afgeloopen, herneemt de eerste; denk eens
aan GIELIJS VAN TRECHT, aan JAN VAN LIER, aan meester JAN METTER HUVEN
[Zijnoot: muts, kapje.], die allen op hunne tochten het leven hebben
verloren. Welnu--is het antwoord--die kregen hun verdiende loon, en dan,
ik kan eenmaal mijn vrijheid niet opgeven; word ik eens zóó oud dat ik
op krukken moet gaan, kom mij dan nog eens vermanen[4]!

Zóó scheiden zij. Deze zwerver, die zijn zwerversleven lief heeft, is
een type dier dagen. De gansche 14de eeuw door blijven wij hem
aantreffen. Nog in 1396 worden "piperen, heralden, ministrelen" in één
adem genoemd met de "varende lude"; onder deze "varende lude" vond men
de reizende dichters in gezelschap van blinde guitaarspelers, meesters
"van suptilen drachten" [Zijnoot: behendige kunstgrepen.],
gasten die een levend "hoofd van Jut" op hunne schouders droegen, zooals
zekere Brabander, "die hem up sijn hooft liet slaan hoe seere [Zijnoot:
hard.] men woude"; onder hen ook de mislukte studenten, zooals die, aan
wien wij de gewilde dwaasheid van "de frenesie" te danken hebben[5].

Niet alle meistreels geven hun beroep op of blijven zwerven. Sommigen
hunner blijven de kunst getrouw, doch laten, naar het schijnt, de muziek
varen om zich uitsluitend aan de woordkunst te wijden. Dezen zien wij
gedurende de tweede helft der 14de eeuw in deze landen optreden onder
den naam van _sprekers_ of _zeggers_. Velen hunner zijn, evenals vroeger
de menestreelen, verbonden aan den dienst van bijzondere heeren: zoo
vinden wij gewag gemaakt van "des heren spreker van Zevenberghen", "des
hertoghen spreker van Gulic", van "meester JAN, een spreker die bi den
here van Abcoude is", "eenen seggher uut Zeelant, die seide dat hi heren
Vranken knecht van Borssel was"; "enen spreker die bi den here van
Wassenaer placht te wesen", "des heren spreker van Gaesbeke", "enen
spreker die den here van Lymburch toebehoorde", "enen spreker
toebehorende den here van Gistel". Dat deze dienstmannen van adellijke
heeren het wapen van hun heer droegen op hunne kleedij, mag men
vermoeden uit een rekeningpost, die spreekt van "enen vreemden spreker
sonder wapen".

De burgerij volgde ook hier den adel na en nam "stadssprekers" aan; zoo
vinden wij BOUDEWIJN VAN DER LORE als stadsspreker van Gent; "Meyster
PETER VREUGDEGAER, den seggher van Breda", "den spreker van Monickedam".
Misschien waren ook meester JAN VAN VLAERDINGHE, AUGUSTIJNKEN en MEEUS
VAN DORDT, "Meester JAN, de dichter van Sente Gheerdenberghe",
"GODEKIJN, de spreker van Tricht", "meester JAN VAN MACHELEN", "DAEM, de
seggher van IJsselsteyn" en BERTELMEEUS VAN DELF stadssprekers; zij
kunnen echter ook, evenals WILLEM VAN HILLEGAERTSBERCH genoemd zijn naar
hunne woonplaats en als vrije sprekers hebben rondgereisd.

Onder de sprekers zal natuurlijk, evenals vroeger onder de menestrelen,
verschil van ontwikkeling en aanzien hebben bestaan. Sommigen spraken
"voor mijnen here den grave" en konden als AUGUSTIJNKEN VAN DORDT van
zich zelven zeggen:

  Want ghi bi heren, bi hoghen vrouwen
  Te sijn pleecht.

Anderen die zonder naam worden vermeld als b.v. "twee segghers ut
Brabant", "twee duytsche segghers" zullen van minder aanzien geweest
zijn. Doch bij gemis aan gegevens is het moeilijk hier scheidingslijnen
te trekken en eene plaats te wijzen b.v. aan: Meester HERMAN den
spreker, SNELRYEM den spreker, "den Jonchere van der minnen", "JANNES
DEN COSTER" en zoo menig ander.

Een paar sprekers, AUGUSTIJNKEN en zekere COLPAERT--indien deze tot de
sprekers gerekend mag worden--kenden Latijn; WILLEM VAN HILLEGAERTSBERCH
daarentegen, toch een aanzienlijk spreker, kent het niet.

Dat wij naast deze Dietsche sprekers verscheidene Duitschers vinden, kan
ons in het Beiersch tijdvak niet verwonderen; in het gevolg der
Beiersche graven of Duitsche edelen of althans in hunne omgeving zullen
wij een "blinden dichter van Mens" moeten zoeken, sprekers van "Beem"
(Bohemen), Trier, Keulen, Westfalen; een spreker "die men hiet Ghetuose"
en "enen jonghen spreker van Holsten, gheheten HOPEZOMER." Tegenover
deze Duitschers vinden wij slechts een enkelen Franschman: "CUDELIER,
des conincs spreker van Vrancrike"[6].

Opmerkelijk echter mag heeten dat de Noordnederlanders zoo talrijk zijn,
zoowel onder de ons bekende sprekers als onder de overige dichters van
dezen tijd, die wij niet met zekerheid onder de sprekers kunnen
rangschikken. Tegenover eenige weinige sprekers en dichters van Gent,
Mechelen, Brussel staan vele uit Noord-Nederland. Misschien zijn vele
sprekers uit het Zuiden ons in hunne werkzaamheid vooralsnog onbekend;
doch in elk geval blijkt wel, dat de bewoners der Noordelijke gewesten
in de tweede helft der 14de eeuw meer dan vroeger gaan deelnemen aan de
beoefening der literaire kunst. Evenals hunne voorgangers, de
meistreels, doen ook deze beroepsdichters niets voor niets: geschenken
in geld of kleeren zijn het loon waarvoor zij hunne kunst ten gehoore
brengen. AUGUSTIJNKEN VAN DORDT, die een el wit laken krijgt voor een
paar kousen, een paar laarzen met sporen om er "mijns heren zomer
[Zijnoot: lastpaard.] mede te riden", mag ook hier als type zijner soort
gelden.

Ook elders vertoonen zich in de literatuur van dezen tijd dichters, die
voor geld verzen leveren, al weten wij niet of wij daar met eigenlijke
_sprekers_ te doen hebben. Zoo begint een stichtelijke opwekking tot
menschen van allerlei nering of bedrijf met deze regels:

  Omme 't ghebrec van goeden lone
  Blijft menich rijm te makene scone
  Van den dichters openbaer
  Die lustelic te hoorne waer[7].

In een allegorisch gedicht over een burcht, die _Vaste Hoede_ heet,
deelt de auteur ons mede, dat hij aan de burchtvrouw verzocht had hem
een onderwerp voor een gedicht te geven, "want ic met dichtene mi
ghenerde". Met het voordragen van _boerden_ vielen kostelijke kleeren te
verdienen; "constenaers", die in een herberg een "nieuwen zanc" ten
gehoore brachten, werden daarvoor beloond[8]. Dat de berijmde
minnebrieven en minne-naamdichten van dezen tijd op verzoek en voor geld
gemaakt zijn, valt niet te bewijzen; doch hunne volslagen kleurloosheid
zou doen vermoeden, dat zij gemaakt zijn door anderen dan door de
minnaars zelven en dan zeker niet voor niet[9].

Verzen maken voor geld of ander loon, de dichtkunst opgevat als een
beroep--dat scheidt deze dichters van andere, die andere beweegredenen
hadden tot dichten.

Die anderen waren zich wel bewust dat zij tegenover de beroepsdichters
stonden; immers niet zelden laken zij dezen in hunne geschriften. De
auteur van _den Grimbergschen Oorlog_ berispt de "consteneren die hem
met dichten generen", omdat zij verzonnen en onware zaken vertellen; in
den _Spieghel der Sonden_ worden speellieden en goochelaars genoemd in
één adem met degenen, die "valsche rime visieren" [Zijnoot: verzinnen.];
in een ander didactisch werk vinden wij een waarschuwing tegen de
"smekende [Zijnoot: vleiende.] menestrelen". JAN BOENDALE volgt zijn
meester ook in diens afkeer en afkeuring van de meistreelen; in zijne
_Teestije_ laat hij zich minachtend uit over hen:

  Die asaghen [Zijnoot: sprookjes.] ende tureluren
  [Zijnoot: beuzelpraatjes.]
  Dichten vander avonturen.

Scherp laakt hij het in de edelen, dat zij hun goed geven aan rabouwen,
meistreels en herauten, opdat deze hen zullen prijzen en hun lof overal
verkondigen; een mooie lof, voegt hij er aan toe, die door "knechten en
boeven" gegeven wordt! En in zijn _Lekenspieghel_ klinkt het nog eens
schamper: zoo zijn de "yrauden": noode komen zij thuis eten, als zij het
elders gratis kunnen krijgen[10].

Behalve JAN BOENDALE zijn ons slechts enkele dichters, die tot deze
groep behooren, bij name bekend. Hunne beweegredenen tot dichten mogen
onderling verschillen, alle wortelen zij toch in het godsdienstig of
zedelijk gemoedsleven. De Ypersche chirurgijn JAN DE WEERT b.v. had vrij
wat wereldsche poëzie gedicht vóórdat hij zijn _Nieuwen Doctrinael_
schreef, om daarmede de dichterzonden zijner jeugd te boeten. Als
dichter van _Sinte Amands Leven_ kennen wij den jongen geestelijke
GILLIS DE WEVELE van Brugge. Deze legt er den nadruk op, dat hij met
zijn werk geen "winninghe van gelde" of ander loon beoogt; zijn loon
wacht hij slechts van God. Een andere beweegreden, door hem genoemd, is
angst voor de "ledicheit", immers ook heden nog des duivels oorkussen.
Een lofdicht op MARIA werd geschreven uit "groote vreeze", blijkbaar
voor de vergelding die den zondaar wacht. Het _Vagevier van Sinte
Patricius_ dankte zijn ontstaan aan het verlangen des dichters om den
boozen afkeer van hunne boosheid in te boezemen. Andere geestelijke
dichters vragen: bid voor mij die dit schreef, of beloven den lezers
kwijtschelding van zonden[11].

Is ook de liefelijke sproke _van Beatrijs_ te beschouwen als een soort
van boetedoening? Zekerheid hebben wij hier niet. De dichter
(dichteres?) vangt zijn werk aan met:

  Van dichten comt mi cleine bate;
  Die liede raden mi dat ict late
  Ende minen sin niet en vertare

Doch het is bezwaarlijk uit te maken of met deze "bate" al dan niet
geldelijk voordeel bedoeld is; of wij hier een beroepsdichter vóór ons
hebben die zijn beroep vaarwel zegt, of een leek, die vroeger wereldsche
poëzie had gedicht en nu iets beters wil geven.

Dit is trouwens niet het eenige geval, waar wij in onzekerheid blijven
omtrent de personen der dichters van de 14de eeuw. Van sommige kennen
wij de namen, doch ook weinig meer; van andere weten wij zelfs den naam
niet en naar hunne persoonlijkheid kunnen wij slechts gissen. Wij weten
dat LODEWIJK VAN VAELBEKE een bekend menestreel is geweest, die in den
aanvang der 14de eeuw stierf en zich naam had gemaakt o.a. door zijne
"stampiën" (misschien eene soort van dansliederen). OTTO VAN ORLEIEN
schreef eene "bedinghe van onsen Here", die niets karakteristieks heeft;
de samensteller van _die Cracht der Mane_ heette HEINRIC VAN HOLLANT.
Als dichter van den _Seghelyn van Jeruzalem_ noemt zich LOY LATEWAERT,
dien wij om zijne literaire kennis en aanhalingen van door hem zelven
vertaald Latijn voor een eenigermate ontwikkeld man moeten houden. Was
hij misschien een "clerck", verbonden aan den dienst van een edelman?
Diezelfde gissing zou men willen wagen ten opzichte van den man, die ons
het verhaal _Van den borchgrave van Couchi_ naliet; bij den _Malegijs_
en de overige ridderromans van dezen tijd zal men over het algemeen
misschien eer aan meistreelen dan aan "clercken" moeten denken.

In een aantal vierregelige wapendichten op de edelen, die met WILLEM IV
in Friesland sneuvelden, meen ik de hand van een heraut te herkennen.
Elders kunnen wij zelfs geen gissing wagen. Wie schreef b.v. den
geestelijken roman _Van Jonitas en Rosafiere_? BOUDEWIJN VAN DER LORE
noemt zich als auteur van _Achte Persone Wenschen_; doch wie schreef de
overige wenschliederen? Hier staan wij in een duisternis, die bij
voortgezet onderzoek misschien zal verdunnen tot den nevel, waarin wij
een dichter als JAN VAN HULST zien, een zanger als die EGIDIUS, wiens
dood ons gemeld wordt in dat roerend klaaglied dat aanvangt:

  Egidius, waer bestu bleven?
  Mi lanct na di, gheselle mijn!
  Du coors [Zijnoot: verkoost.] die doot, du liets mi tleven.
  Dat was gheselscap goed ende fijn,
  Het sceen, 't een moeste ghestorven sijn[12].


_b_. PUBLIEK. VOORDRAGEN EN LEZEN. HET BOEK.

Het publiek waarvoor deze dichters optraden, wisselde af evenals vroeger
naar gelang van de poëzie en van den voordrager.

Voorname sprekers, zooals WILLEM VAN HILLEGAERTSBERG en AUGUSTIJNKEN VAN
DORDT, zullen zich vooral tot de aanzienlijken hebben begeven om hun
werk voortedragen. Dat blijkt wel uit het "heren en cnapen", waarmede
zij hunne hoorders niet zelden toespreken. Menige sproke zal ook wel in
de eerste plaats voor den adel bestemd zijn geweest. Zoo wordt in _de
Mantel van eren_ het wapenschild beschreven van den edelen ridder, wiens
lof hier was verkondigd: "van lazure // met twee ramshorne van
goude"[13]. In een andere sproke echter, van het Jodenmeisje dat
Christin wordt, spreekt de dichter zijn publiek aan met: "gi goede
liede"; diezelfde uitdrukking vindt men in het heiligenleven _van Sint
Amand_, doch afgewisseld door: "ghi lieden alle ghemeene... knapen,
joncwive, vrouwen ende heeren." Dat de boerden vooral voor de burgerij
bestemd waren zou men op zich zelf reeds vermoeden; dat vermoeden krijgt
meer zekerheid door een aanvang als: "Alle swighet ende hoert," of:

  Ghi goede liede, hoort na mi!
  Selke boerde en hoerdi nie
  Als ic u hier sal vertellen.

Maar ook sproken en andere ernstige stukken zullen zeker wel eens voor
de mindergegoede standen zijn voorgedragen. De sproke van de edelvrouw,
die "vigilyen" voor de dooden placht te lezen, richt zich niet tot edele
heeren of vrouwen, doch tot "alle... eist wijf of man", en aan het slot
van een notabel lezen wij: "Secht "amen" die hier zijn omtrent[14]."

Nog altijd was de literatuur bestemd in de eerste plaats om te worden
voorgedragen en gehoord; ook zelfs een populair-wetenschappelijk werkje
als _die Cracht der Mane_; ook een prozawerk als het _Leven van Jezus_
richt zich tot degenen "die dit lesen (voorlezen) selen ende hoeren
lesen". Het verzoek om stilte en aandacht blijkt ook in deze tijden nog
niet overbodig. Evenals in de 13de eeuw werd de voordracht van poëzie
nog wel door muziek begeleid. In den aanvang der boerde _van Heile van
Berseele_ ten minste wordt het vertellen van schoone avonturen genoemd
in verband met "vedelen en singhen" en "somtijd spelen metter harpen".
De taverne zal wel--wij hoorden het reeds van den zwervenden
meistreel--de plaats zijn geweest waar men de meeste kans had een
rondreizend dichter aan te treffen en zijne voordrachten bij te wonen.
Een jonkman die gaarne met goede gezellen uitgaat, gaarne een rooden
mond ziet en lachende vrouwenoogen, vertelt ons hoe hij "te wine" of "te
biere" zit:

  Ende hoor daer singen ende boerden spreken.

Voor een droge keel wist de voordrager zich te wachten; aan het slot der
zedenschets _van den man die gherne dranc_--een dorstige stof--klinkt
het:

  Nu, gheeft mi drincken metter vaert
  Want drincken dat es al mijn aert[15].

Tusschen de overgroote meerderheid der hoorders van eenig literair werk
zagen wij in een vroeger tijdperk hier en daar ook eenige lezers. Die
lezers zullen langzamerhand talrijker worden, al blijven zij nog lang
tevens hoorders.

Onder een zich ontwikkelend volk, onder eene zich ontwikkelende burgerij
vooral, neemt de vraag naar literatuur in dezen tijd steeds toe. De
literatuur van een vroeger tijdvak vindt nog altijd aftrek; de werken
der 13de eeuw immers zijn ons bewaard gebleven vooral in afschriften der
14de eeuw. Doch ook de geschriften van tijdgenooten worden door
afschrijvers vermenigvuldigd. De bescheiden RUUSBROECK was er niet op
gesteld dat men zijne werken langs dezen weg onder de menschen bracht.
Slechts heimelijk durfde een priester, die zijn "notarius" geweest was,
Heer JAN'S werk aan eenige bewonderaars toevertrouwen tot het nemen van
een afschrift[16].

Adellijke heeren en vrouwen wekken schrijvers op tot het samenstellen
van een of ander letterkundig werk. Zij wenschen een stuk dat men hun
waarschijnlijk eerst voorgedragen heeft, in bezit te hebben. Zoo schenkt
in 1360 de Graaf VAN BLOYS 19 schellingen en 4 stuivers aan JAN BOT den
"segger", "want hi ene sproke gemaect hadde, ende in gescrifte overgaf,
van minen here van Byamont, des God ghedenke"; in 1398 krijgt de spreker
van Monickedam "die mynen here een sproke van de Vriezen overgaf" twee
"nye gulden"[17]. Men begint een boek als een geschenk te beschouwen:
jonkvrouw JOHANNA VAN BLOIS krijgt voor haar Paschen "enen nuwen
boexkine" ten geschenke, "daer in stont onser Vrouwen legende"[18]. Ook
uit andere feiten blijkt ons, dat de adel prijs stelt op boeken: de
Vlaamsche graaf ROBRECHT VAN BETHUNE bezit een boek van _Godefroi de
Bullion_, van _Merlin_ en de _contes du Barisiel_; een Henegouwsch
edelman, GODEVAERD VAN NAAST (± 1337), bezit reeds eene kleine
boekenverzameling: _le message Carlemaigne_, de geschiedenissen _d'Aëlis
et l'Empereur et du roy Ingres_, van _Atis et Prophelias_, van
_Sidraach_, van _Mainnet_, de _Aventures d'Oultremer_ en den _Veus dou
Paon_.

Lezen de Leliaerts Fransch--de Clauwaerts houden zich aan hun Vlaamsch.

Welk een belangstelling in literatuur en wetenschap spreekt er uit de
boeken, die wij in de tweede helft der 14de eeuw in het bezit vinden van
aanzienlijke en eenvoudige Gentsche burgers. De handschoenmaker JAN DE
BEERE heeft een _Bestiaris_, een _Lucidarius_, een _(Wapene) Martin_,
een boek _van den Landsheren_ en _Evangeliën in vlaems_. WILLEM VAN DEN
PITTE, lakensnijder en eerste schepen, is eigenaar van den "_Spieghel
Ystoriaelle_ in twee bouken ghescreven". Meester SYMOEN ELYAES,
waarschijnlijk een chirurgijn, bezit een _Barlaäm_, een "cleennen"
_Spieghel_" en "een deel van der Biblen". De Clauwaert JAN WASSELINS
heeft een heele bibliotheek. Evenals de twee eerstgenoemde Gentenaars
heeft ook hij een "Bibele in vlaemsche"; maar wat heeft hij al niet
meer! Zijne boekerij is bijna een kort begrip onzer middeleeuwsche
literatuur, voorzoover daarin de voorname genres behalve het lied en het
drama vertegenwoordigd zijn. Wij vinden onder zijne boeken geestelijke
werken over _de Passie_, over _Adam en Eva_, _van der Zielen_ en _van
der ghuldene baghe_; ridderromans _van Ogier, Seghelijn, Isenbaert_[19];
zedekundige werken en leerdichten: van SENECA, "_Pietagoras bloume_",
_Jans Testye_, een paar "doctrinaelen", een _Bestiaris_, _Melibeus_, een
_Wapene Martijn_; een historisch werk over de Pausen en een Kroniek van
Vlaanderen, Brabant en Frankrijk; wetenschappelijke geschriften over
astronomie en medicijnen. Ook "_een bouc van Reynaerde_" ontbreekt
niet[20].

Zouden deze Vlamingen de eenige bezitters van boeken geweest zijn? Met
het oog op het groote aantal handschriften der 14de eeuw, zal men wel
mogen aannemen dat er verscheidene andere boekenliefhebbers waren. De
lust tot lezen bracht meer boeken te voorschijn; die boeken brachten op
hunne beurt meer menschen aan het lezen. JAN BOENDALE waarschuwt wel
tegen de lezing van ijdele boeken, maar toch:

  Alse ghi den tijt corten wilt,
  In u camere ghi u sluten silt
  Ende roepen uwen sceppre an;
  Oft ghi selt boeke hebben dan
  Van Gode oft van goeden zeden
  Ende niet van idelheden
  Ende selse lesen oft doen lesen[21].

De _Melibeus_ spreekt niet alleen van _lezen_ maar ook van _overlezen_
en broeder GHERAERT, de Karthuizer-prior, neemt in zijn afschrift van
RUUSBROECK'S _Tabernakel_ ook meeningen van anderen op, opdat "een
subtijl ende verlicht lesere yet orberlics [Zijnoot: nuttigs.] daer uut
moghe _mediteren_"[22].

Naast de voordracht van proza of poëzie, die zoo gemakkelijk ten ooren
invloeide en geen tijd liet tot overpeinzen van wat men niet
onmiddellijk begreep, komt nu langzamerhand het nadenken over het
gelezene, het worstelen met een stuk dat men niet dadelijk vat. In een
vroeger door ons genoemd allegorisch gedicht zien wij vier personages,
die elk een der temperamenten voorstellen, bezig met een lied waarvan
zij den zin niet kunnen vatten. Nu spreken zij af:

  Dat si souden al ghemeen
  Studeren, peinsen, nacht ende dach,
  Bezien wiet eerst ghevinden mach[23].

Dit critisch lezen vindt een tegenhanger in het critisch vergelijken der
onderscheiden handschriften van één werk om daaruit een goeden tekst
samentestellen. Devote bewondering van RUUSBROECK'S geschriften bracht
een lateren bewoner van Groenendaal tot het verzoek aan alle minnaars
der waarheid, om onderscheiden exemplaren van een werk des meesters te
vergaderen "op dat sy doch uut enighen, of nu uut den eenen, dan uut den
anderen, den gherechten sinne vinden ende setten moghen."[24].


_c_. CRITIEK EN THEORIE. INVLOED DER LITERATUUR. LETTERROEM.

Langs deze en dergelijke wegen ging zich de literaire critiek
langzamerhand ontwikkelen.

De vorige eeuw had hare geboorte gezien uit het verschil in aard,
temperament en smaak der menschen. MAERLANT had zich ook hier weer een
vertegenwoordiger van zijn tijd getoond, want in zijn werk vooral vinden
wij die klachten over het "beniden", de "niders" en de "nidechede" onder
degenen voor wie zijn werk bestemd was[25]. Doch in de 14de eeuw zien
wij de critiek toenemen. BOENDALE en de auteur van _Der Mannen ende der
Vrouwen Heimelycheit_ klagen over de "beniders" evenals hunne
voorgangers in dezen; doch in een didactisch stukje van een hunner
tijdgenooten, zien wij de critiek zich uitbreiden ook tot hen die in
wetenschap of muziek zich onderscheiden, en daardoor de ijverzucht van
anderen opwekken. Want zóó laag is de opvatting van critiek in 't
algemeen nog, dat men haar toeschrijft in de eerste plaats aan
ijverzucht of afgunst.

In het bovenbedoeld stukje lezen wij:

  Predict een cleerc die waerheit
  Of toecht een zijn meesterie,
  Pijpt hi, zyncht hi, of dichte seit,
  Of spel toecht of melodye,
  Ezels ende rude saeftiere [Zijnoot: broddelaars, knoeiers.]
  Die der consten niet en weten een haer,
  Sullen bi ombekender maniere [Zijnoot: uit gemis aan ontwikkeling.]
  Haestelic vinden daer an een "maer"[26].

Doch niet alleen op andermans werk ook op eigen werk en talent gaat de
literaire critiek zich richten.

De samenstellers van _Sinte Amands Leven_ en van _de Tien Plaghen_
beseffen wel dat zij geene "meesters" in de kunst zijn, dat "diepheit
van dichtene" en "sproken van cunsten fijn" hunne zaak niet is. De
bewerker van den _Spieghel der Sonden_ is zich ook wel van iets
dergelijks bewust; doch hij acht dat van geringe beteekenis: "de rime"
moge van minder allooi zijn, wat schaadt dat, indien de _Spiegel_ maar
helder is[27]?

En dan, de critiek was niet louter afkeuring. MAERLANT brengt zijns
ondanks hulde aan de bevalligheid der ridderpoëzie waartegen hij in
later tijd te velde trok en BOENDALE volgt hem ook in die hulde.
MAERLANT zelf werd bewonderd en geprezen door wie na hem kwamen en
AUGUSTIJNKEN VAN DORDT na zijn dood geroemd als "een constenare fijn."

Zelfs zouden wij een oogenblik kunnen meenen, dat men toentertijd te
onzent reeds beroeps-critici gekend heeft, wanneer wij gewag hooren
maken van

  Die meerkeren ende de wijsen
  Die de grote cunste prisen[28].

Doch ook al laten wij deze plaats uit een sterk Duitsch-getint gedicht
ter zijde, dan nog blijkt uit al het voorafgaande wel, dat men aan
poëzie en alles wat haar raakt meer gewicht gaat hechten dan vroeger.

Reeds het veelvuldig gebruik van den droom als poëtischen vorm wijst op
een hooger opvatting van poëzie. De dichters wilden hierdoor op naïeve
wijze te kennen geven dat poëzie iets buitengewoons is, iets dat buiten
of boven de gewone werkelijkheid staat. Het visioen der mystieken breidt
zich in steeds breeder en flauwer wordende kringen over ons volk uit.

Dichtkunst en poëzie worden opgenomen onder de stoffen van het
dagelijksch gesprek, zij het dat wij daarvan vooralsnog slechts één
bewijs kunnen bijbrengen: HILLEGAERTSBERCH laat "een leeck dichter" en
een "clerck" zich onderhouden over "dichten ende const". JAN VAN HULST
(of welke andere Vlaamsche dichter ook) acht het der moeite waard, ons
het dichten, componeeren en opschrijven van een lied tamelijk uitvoerig
te beschrijven.

Geen auteur van dezen tijd leert ons de toenmalige opvatting en
beschouwing van dichters en dichtkunst beter kennen dan JAN BOENDALE.

In den proloog van zijne _Teestye_ doet hij ons reeds eenige
bekentenissen over zijne neiging tot en zijne beschouwing van poëzie.
Hoog is die beschouwing niet; de neiging tot poëzie komt bij hem voort
uit afkeer van ledigheid, doch tevens uit zijne natuur; poëzie is
vermoeienis des geestes, doch daarom verzaakt hij haar niet. Hij hoopt
zich met deze "reyne onlede" [Zijnoot: bezigheid.] bezig te houden,
zoolang God hem het leven gunt, en zijn talent aan te wenden ten dienste
van zijn beschermer, Heer ROGIER VAN LEEFDALE[29].

Veel gewichtiger echter voor ons doel is het bekende hoofdstuk uit het
derde Boek van _der Leken Spieghel_.

Het heeft BOENDALE getroffen, dat in zijn tijd zooveel leeken naast de
"clercken" optreden als dichters; daarom acht hij wenschelijk uiteen te
zetten, wat noodig is om een recht dichter te zijn. Wenschelijk, want:
"dichten en is geen spel." Drie dingen zijn noodig: een dichter moet de
taalkunde en de kunst van schrijven verstaan; waarheidlievend moet hij
zijn en eerzaam van leven. Hij moet zich toeleggen op schoone taal en de
woorden te voegen "elc na sinen scoonsten accoorde", hij moet juist
schrijven en spellen, begrip hebben hoe men een stuk moet opzetten,
voltooien, en stevigen door kracht van voorbeelden. Leeken, die van dit
alles, de kunst der "gramarie", geen verstand hebben, deugen niet voor
dichter; zij missen den onontbeerlijken grondslag.

Een poëet moet de waarheid liefhebben. Want hij wenscht toch, dat men
zijne geschriften leze en blijve lezen. Wordt hij nu op onwaarheid
betrapt, dan zal men hem niet meer gelooven en zijn dichternaam is
verloren. Er zijn bovenal twee dingen, waarin hij niet mag liegen:
historische feiten en de Bijbel. "Eere wien eere toekomt", dat zij de
leus van den rechten geschiedschrijver; onwetendheid, gunst en afgunst
doen de waarheid vaak verzwijgen--maar men bedenke, dat leugen de ziele
doodt en dat wij rekenschap moeten geven van elk ijdel woord. Terecht is
JACOB VAN MAERLANT, "die vader is der Dietsche dichtren algader", zoo
uitgevaren tegen de leugendichters, die met vernuft en in mooie taal
allerlei onwaarheid verteld hebben van historische personages als KAREL
DE GROOTE en OCTAVIANUS. Zoo vertelt men van KAREL dat hij indertijd uit
stelen gegaan is, dat hij door zijn vader op een kar bij een dienstmaagd
verwekt is; van OCTAVIANUS dat hij bij Leuven geboren is "ten Zeven
Tommen" [Zijnoot: bij de zeven graven.]. Alles leugens! Zulken
leugenaars moest men het dichten verbieden! 't Is waar, zij willen de
menschen iets nieuws opdisschen om er geld of eer mede te winnen. Ja,
men vertelt wel eens verzonnen dingen, zoo b.v. van Reynaert en Izegrim
en Bruin den beer; maar daar is het te doen om leering en wijsheid. God
zelf sprak immers ook in parabelen!

Het tweede, waarin men geen onwaarheid spreken mag, dat zijn heilige
boeken, levens der heiligen en alles wat tot de heilige Kerk behoort;
want die heeft haar grondslag in JEZUS CHRISTUS, die alleen de waarheid
is.

Wil hij in zijn werk de menschen op het rechte pad brengen, priesters en
ridders deugd en wijsheid leeren, vaak hen berispen, dan moet hij zelf
een deugdzaam man zijn. Leeringen wekken, voorbeelden trekken. Let eens
op de dichters die er vroeger waren: MOZES, (FLAVIUS) JOSEPHUS,
ARISTOTELES, CATO, SENECA, PLATO, HORATIUS, OVIDIUS, HIERONYMUS die den
Bijbel vertaald heeft--allen dichters in eere en deugd. Niemand heeft
ooit JACOB VAN MAERLANT op een leugen betrapt, want zijn leven was
eerzaam, zooals een dichter past.

Dichter moet men zijn van nature; zijt gij door de natuur niet tot
dichter gemaakt, dan zal niemand u kunnen leeren hoe gij het worden
zult. Rechte dichters moet men op hoogen prijs stellen. Zij zijn
onmisbaar; want de Bijbel, alle recht en wet, ons geloof, onze
handvesten en onze geschiedenis--alles zou verloren zijn gegaan, hadden
de dichters het niet in hunne geschriften bewaard.

Ten slotte wil ik u zeggen, wie dichters geboren zijn.

De een dicht om een liefje, de ander om roem te winnen, weer een ander
om geld--maar dat is de rechte poëzie niet; zulke menschen dichten uit
winstbejag, zonder natuurlijke aandrift

  Een rechte dichtere, God weet,
  Al waer hi in enen woude,
  Dat hi nemmermeer en soude
  Van dichtene hebben danc,
  Nochtan soude hi herde onlanc [Zijnoot: zeer korten tijd.]
  Sonder dichten daer gheduren,
  Want het hoort te sire naturen:
  Hi en mochts niet laten, al woude hi.
  Dichten moet uut herten vri
  Comen ende uut claren zinne,
  Daer God behoude inne
  Elken dichter die waerheit mint.

Aldus eindigt de eerste Nederlandsche poëtiek. Misschien mogen wij
zeggen: de eerste Europeesche poëtiek die in eene moderne volkstaal
geschreven is; mij althans is in geen der moderne literaturen een
vroeger of gelijktijdig geschrift bekend dat met dit hoofdstuk van JAN
BOENDALE vergeleken kan worden. Reeds om die reden acht ik deze
verhandeling van groote beteekenis; doch ook om andere redenen.

Het had BOENDALE getroffen dat de poëzie langzamerhand uit de handen der
meistreelen en "clercken" overging in die der burgerij; en daar de
dichters voor hem blijkbaar de dragers van het ideaal zijn, tracht hij
de komende dichters in het rechte spoor te brengen. Vandaar zijne
omschrijving der eischen waaraan een dichter behoort te voldoen. Zij
moeten ontwikkelde mannen zijn, wier leven in overeenstemming is met
hunne poëzie. De waarheid moeten zij voorstaan, al wordt het begrip
_waarheid_ hier nog in zeer beperkten zin opgevat. Het gewicht van het
nieuwe in de literatuur heeft BOENDALE reeds gevoeld; hij heeft ook
beseft dat ware poëzie geboren kan worden slechts uit belangelooze
aandoening en aandrift, en niets gemeen kan hebben met eenige zelfzucht.
Waar hij er op wijst, hoeveel de menschheid aan de poëten te danken
heeft, herinnert hij even aan niemand minder dan SHELLEY die in zijne
_Defence of Poetry_ deze gedachte heeft uiteengezet met een rijkdom van
gevoel en wetenschap en bekleed met een heerlijkheid van taal, waarvan
de Antwerpsche schepenklerk zich geene voorstelling heeft kunnen vormen.

Doch hoe onvolkomen en gebrekkig in menig opzicht de berijmde
verhandeling van dezen ook moge zijn, zij blijft een merkwaardig
literair-historisch stuk. Al ware zij ook onvolkomener dan zij is, dan
nog zouden wij BOENDALE dankbaar moeten blijven voor dezen eersten stap
op een onbetreden weg; niet het minst voor die fraaie slotregels, waarin
voor de eerste maal in deze lage landen bij de zee verkondigd is, dat
men dichter geboren moet zijn en dat een recht dichter zingt, "al zong
hij zichzelve' alleen"[30].

BOENDALE'S uiteenzetting van den invloed der literatuur op de
ontwikkeling der maatschappij kan worden aangevuld met een paar
staaltjes van dien invloed, ontleend aan zijn eigen tijd.

MAERLANT, vervolgd door de geestelijkheid wegens zijn Rijmbijbel, heeft
ons reeds vroeger getoond dat men de macht der literatuur in de
volkstaal ging beseffen. MELIS STOKE maakt zich ongerust over de
wraakzucht van het publiek; bij de beschrijving van een gevecht acht hij
het veiliger dappere strijders en lafaards niet bij name te noemen; hij
kent zijne tijdgenooten als hardhandig en geen vrienden van halve
maatregelen[31]. In het verhaal _van den borchgrave van Couchi_ wordt
een page die een verboden lied zingt, opgehangen aan een boom[32].

Begon de literatuur zoo eenerzijds invloed te oefenen, anderzijds bracht
zij soms roem aan de schrijvers. De dichters van _Sinte Amands Leven_ en
van _Theophilus_ vreezen dat hun naam zal bekend worden en dat men dan
hun werk zal toeschrijven aan roemzucht; Broeder GHERAERT, de
Karthuizer, verbaast er zich over dat RUUSBROECK zoo volslagen vrij is
van "ydelre gloriën"[33].

Die afwezigheid van roemzucht in den prior van Groenendale verhoogde
zijn roem, versterkte en verbreidde zijn invloed ook op de auteurs die
na hem kwamen. Zoo werden ook MAERLANT'S aanzien en invloed op latere
schrijvers verhoogd door de vervolging waaraan hij bloot stond.

In VELDEKE'S invloed op de Hoogduitsche literatuur, in den invloed door
MAERLANT en RUUSBROECK geoefend op de schrijvers die na hen kwamen,
hebben wij in onze literatuur de eerste voorbeelden van de literaire
vorming welke een volgend geslacht van het voorgaande ontvangt.



AANTEEKENINGEN

[1] Vgl. Mr. S. MULLER FZ., _De Registers en Rekeningen van het bisdom
Utrecht_ (ao 1325, 1329, 1332), I, 567, 383; _Rekeningen der
Grafelijkheid van Holland onder het Henegouwsche huis_ (ed. HAMAKER),
III, p. 49, 92 vlgg.; _Cameraars-rekeningen_ (ed. VAN DOORNINCK), I, 47,
84; II, 20, 308, 783; III, 498, 518 (ao 1339, 1340, 1360, 1365).

[2] Vgl. _Oudste Burgemeesters rekening van Middelburg_ (ao 1364),
uitgeg. door het Historisch Genootschap in _Codex Diplom. Neerl._, 1853,
II, p. 5, 6. _Oudvl. Lied. en Ged._, p. 267 en _Versl. en Med. Kon.
Akad._, 3e Reeks, XII, 164, vs. 144.

[3] Vgl. _Dits et Contes de Baudouin de Condé...._ par AUG. SCHELER, I,
153: _Li Contes des Hiraus_; I, 448 een citaat uit de _Hist. Litt. de la
France_, XXIII, 272; "A la fin du XIIIe siècle la profession des hérauts
etc."

In het tweede der vier boven aangehaalde verzen staat in den tekst
_lecken berden_. VERDAM wil hiervoor lezen: _leckeberden_ in den zin van
_flikflooien_. Doch op andere plaatsen schijnt dat w.w. niet voor te
komen (_Mnl. Wdb._ i.v.). De emendatie blijft dus twijfelachtig voor
mij. Wat beteekent _bert_ hier? In de beteekenis _schotel_ schijnt het
niet voor te komen. Kan het misschien _(wapen)bord_ beteekenen? Zoo ja,
dan zouden wij daarin een duidelijker toespeling op de herauten hebben.

[4] _Belg. Mus._, VII, 318.

[5] _Oorlogen van Hertog Albrecht van Beieren met de Friezen_, bl. 63;
_Cam. Reken._, III, 1, p. 624 (ao 1366); III, 2, p. 239 (ao 1369);
_Reken. der Graf. v. Holland onder het Heneg. huis_, III, 385; _Goede
Boerden_, p. 37 vlgg.

[6] Al deze sprekers worden vermeld in de excerpten der
_Grafelijkheids-rekeningen_ achter JONCKBLOET'S _Mnl. Dichtk._, Deel
III. COLPAERT in _Vad. Mus._, I, 50. De Holsteinsche _Hopezomer_ wordt
ao 1392-'3 _jong_ genoemd en kan dus niet dezelfde zijn als zijn
naamgenoot de heraut.

[7] KAUSLER, _Denkmäler_, III, 114.

[8] _Vad. Mus._, I, 335, vs. 44 vlgg.; _Vierde Martijn_, vs. 789-791;
_Van den Borchgrave van Couchi_, I, 94 vlgg.

[9] Die naamdichten (voor _Marie, Liegaert, Lauwerette, Violette Calle_
e.a. volgens aanwijzing van ARNOLD in _D. War._, I, 542) in _Oudvl.
Lied. en Ged._

[10] _Grimb. Oorlog_, I, 12-21; _Sp. der Zonden_, vs. 7739-'40; _Oudvl.
Ged._ (ed. BLOMMAERT), III, 115; _Teestije_, vs. 1615 vlgg.; 922 vlgg.;
_Lekensp._, III, c. 4, 190-2. Misschien zouden wij in dit verband ook de
zonderlinge _Tweespraak van Scalc ende Clerc_ moeten behandelen (vgl. TE
WINKEL, bl. 310; ook m.i. is zij stellig niet van MAERLANT). Doch
zoolang wij dit gedicht slechts in zoo gebrekkigen tekst kennen, is het
beter zich van een oordeel te onthouden.

[11] Vgl. _N. Doct._, vs. 19 vlgg.; _Leven Van S. Amand_, 1379 vlgg.;
_Theoph._, 28-29; _Mnl. Ged._ (ed. DE PAUW), I, 12; _Vaghevier van S.
Patr._, 24-26; _Bed. der Missen_ aan het slot; _Mnl. Ged._ (ed. DE
PAUW), I, 41 vlgg.; _S. Kerstine's Leven_, vs. 151-3; _Der Ystor.
Bloeme_, 36-40, 725 vlgg.

[12] Over LOD. VAN VAELBEKE vgl. _Lied in de Midd._, bl. 587; maar
vooral: VANDER STRAETEN'S _Les Ménestrels aux Pays-Bas_, p. 88 suivv.
OTTE VAN ORLEIEN, _Vad. Mus._, II, 394; de hand van een geestelijke of
clerck meen ik te zien in _Couchi_, II, 1628 vlgg., 1746-'7, 2171 vlgg.;
de bedoelde wapendichten in _Belg. Mus._, V, 104 vlgg.; het groot aantal
assoneerende rijmen in _Jonitas en Rosafiere_ (zeker een 40-tal op 1200
verzen) zou aan een volksdichter doen denken; de rijmen van BOUDEN VAN
DER LOREN zijn over het algemeen zuiver, terwijl men in de overige
wenschliederen nog al wat assoneerende rijmen aantreft. Over JAN VAN
HULST vgl. een artikel van ARNOLD in _D. Warande_, (N. Reeks), I, 542 en
de Inleiding tot de _Oudvlaemsche Lied. en Ged._ Een nauwkeurig
onderzoek der onderscheiden liederen en gedichten van dezen bundel zal
misschien meer zekerheid brengen aangaande de makers of den maker; het
komt mij voor dat althans de twee groote allegorische gedichten op bl.
233 vlgg. en 314 vlgg. van dezelfde hand zijn die vele der liederen
schreef: op bl. 266 vindt men een viertal verzen die hier en daar
letterlijk herinneren aan eenige uit het lied op de "kerels". Vgl. ook
bl. 311-312 met no. 36, no. 103, no. 140 (de kleuren). De liederen op
bl. 247, 261, 276, 279, 280, 294, 303, 311 herinneren door vorm en
inhoud aan vele der 145 die den bundel openen.

Op bl. 459 wordt Brugge genoemd als woonplaats van den dichter;

juist dat gedicht vertoont in de aanvangsletters zijner laatste verzen
den naam JAN MORITOEN; dezelfde als JAN VAN HULST? Over den zanger
EGIDIUS te verg. no. 98 en no. 100 der _Oudvl. Lied. en Ged._; op p. 470
van dien bundel eene klacht die aan hem doet denken; voorts _Tijdschr.
v. Ned. T. en L._, XI, bl. 286-7, 289-292.

[13] _Belg. Mus._, X, 69.

[14] Vgl. _Tijdschr. v. N.T. en L._, XXIII, 46; _Leven van S. Amand_, I,
676, 2807, 3920; _Goede Boerden_, p. 4; _Belg. Mus._, X, 69; KAUSLER,
_Denkm._, III, 109, 203.

[15] De plaatsen over het _hooren_ van poëzie zijn, na de vroeger
vermelde, te talrijk om mede te deelen; ieder kan ze gemakkelijk vinden.
Vgl. overigens: _Vad. Mus._, I, 337; _Belg. Mus._, X, 57.

[16] Vgl. _Werken_ (ed. DAVID), I, bl. IX.

[17] _Het Leven van S. Kerstine_ ondernomen op verzoek der geestelijke
jonkvrouw FEMINE VAN HOYE; VELTHEM berijmde voor loon zijne voortzetting
van den _Sp. Hist._ op verzoek van de Vrouwe VAN BERLAER; de
_Brabantsche Yeesten_ werden gemaakt in opdracht van Heer WILLEM
BORNECOLVE, een aanzienlijk Antwerpenaar; de _Grimb. Oorlog_ werd
"beschreven en gedicht" op verzoek waarschijnlijk van een edelman (zie
vs. 6167 vlgg. en 6600-'2 van het tweede deel); _Tondalus Visioen_ voor
een "edele Jonfer".

De beide rekeningposten in JONCKBLOET'S _Gesch. der Mnl. Dichtkunst_,
III, 618, 611.

[18] DE LANGE VAN WIJNGAERDEN, _Geschied. van Gouda_, I, 187 (omstreeks
1387).

[19] Vgl. over dien roman _Middelned. Ep. Fragmenten_, bl. 263-4; voorts
_Das Epos von Isembard und Gormond...._ von Dr. R. ZENKER, Halle a.S.
1896; THEODOR FLURI, _Isembart et Gormond_ (Züricher Diss., 1895);
_Romania_, Avril, 1897, Janv. 1898.

[20] Vgl. het merkwaardig stuk van NAP. DE PAUW in _Ned. Museum_, 1879.

[21] _Lekensp._, B. III, c. 3, vs. 969 vlgg.

[22] _Melib._, 55-58. (Ook al komt deze plaats reeds in het origineel
voor, dan blijft zij nog van gewicht); DE VREESE'S _Bijdragen_, bl. 15.
Andere plaatsen waar m.i. gewag wordt gemaakt van _lezen_ in onze
beteekenis, zijn: _Jans Teesteye_, vs. 812-'4; _Vlaamsche Rijmkroniek_
(in KAUSLER'S _Denkmäler_), vs. 4124-'5; _Tondalus Visioen_ in den
aanvang (ed. BLOMMAERT), II, 31: "So wie datter neerenstelic in wille
lesen ende de woorden merken, hi sal" enz.

[23] _Oudvl. Lied. en andere Ged._, bl. 268.

[24] DE VREESE, a.w. bl. 24.

[25] _Alex._, vs. 6, 29; _Merlijn_, 6 vlgg.; _Troyen_, 24-26; _Rijmb._,
I, 73 vlgg.

[26] Proloog v.d. _Lekensp._; _M.e.V. Heim._, vs. 25 vlgg.; KAUSLER,
_Denkm._, III, bl. 215.

[27] _S. Amand_, II, 5333 vlgg.; _Tien Plaghen_, 30-33; _Sp. der Zond._
I, p. 218.

[28] _Oudvl. Ged._, III, 105; _Tien Plaghen_, vs. 43-44.

[29] A.w. vs. 64 vlgg.

[30] _Licht en Schaduw_ door SOERA RANA (I. ESSER JR.), bl. 6.

[31] A.w. (ed. BRILL), I, bl. 224; Boek X, vs. 40-151.

[32] A.w. I, 113 vlgg., 312 vlgg. Daarbij: _Oudvl. Lied. en Ged._, bl.
270 en _Brab. Yeesten_, V, 3181 vlgg.

[33] DE VREESE, t.a.p. bl. 13.



WILLEM VAN HILDEGAERSBERCH.

Een goed voorbeeld van dien invloed vinden wij in de persoonlijkheid en
het werk van den dichter wiens naam hierboven staat.

Die persoonlijkheid en dat werk vereenigen in zich zooveel trekken van
veertiend'eeuwsche dichters en dichtkunst, zij toonen ons den invloed
der vroegere literatuur zooveel beter dan die der meeste anderen uit
dezen tijd, zij voegen bij dat gemeenschappelijke en ontleende zooveel
eigens--dat WILLEM VAN HILDEGAERSBERCH wel aanspraak mag maken op een
afzonderlijke plaats in dit verhaal[1].

Hij was een spreker gelijk er zoovelen waren, doch die, naar het
schijnt, de overigen in talent overtrof; in allen gevalle is hij de
eenige van wiens werken ons zooveel is overgebleven en van wien wij ons
daardoor eene betrekkelijk zoo volledige voorstelling kunnen vormen.

Misschien is hij omstreeks het midden der 14de eeuw geboren, en
gestorven niet lang na 1408. Vóór 1375 moet hij reeds als spreker zijn
opgetreden. Heeft broodsgebrek hem gedrongen tot het aanvaarden van dat
beroep? Het is licht mogelijk. Mij ten minste komt het niet
onwaarschijnlijk voor dat hij in één zijner gedichten over zich zelven
spreekt waar hij een jonkman over zijne jeugd laat verhalen: hoewel van
matigen rijkdom, leefde hij als een prins; zijne magen ergerden zich aan
zijn gedrag en rieden hem aan dat leven te laten varen; maar hij stoorde
zich niet aan hen; toen trokken zij de handen van hem af en het liep mis
met hem[2].

Eerst in 1382 vinden wij in de rekeningen der Grafelijkheid van Holland
gewag van hem gemaakt; uit de wijze waarop hij daar genoemd wordt:
"WILLEM VAN HILGAERTSBERGHE, _enen_ spreker" zou men opmaken, dat hij
toen nog niet zeer bekend was aan des graven hof. In het volgend jaar
echter schijnt "Meester WILLEM de spreker" reeds meer bekend te zijn
geworden. Behalve voor mijn Heer den Grave spreekt hij niet zelden voor
andere "hoghe heren", maar hij is, zoomin als zijne kunstbroeders, te
grootsch om zes "nieuwe schilden" aan te nemen voor een rok en een paar
"Henegouwsche kronen" als drinkgeld. Met spijs en drank als loon voor
kunst is hij niet zooals zijne mindere gildebroeders tevreden en waar
hij geen kans ziet een zwanepluim rijker te worden, zooals ten huize van
Heer DIRC den Commandeur der Duitsche Orde te Leiden, daar licht hij
zijne hielen.

Evenals andere sprekers en zeggers wacht hij niet altijd op eigen
aandrift, maar vervaardigt ook wel een gedicht over een opgegeven
onderwerp. Zoo schrijft hij op verzoek der abdisse van Rijnsburg iets
over de Tien Geboden[3].

HILDEGAERSBERCH'S werken geven een kort begrip van een groot deel der
toenmalige literatuur: men vindt er tal van stichtelijke of zedekundige
stukken, een paar dierfabels, een paar boerden, ook historische
gedichten aan de tijdsomstandigheden ontleend. In zijn werk is de
invloed van vroegere auteurs duidelijk zichtbaar en wij vinden er
onderscheidene trekken der gelijktijdige literatuur in terug. Een
geleerd dichter als MAERLANT of BOENDALE was hij allerminst; Latijn
kende hij niet en zijne boekenkennis zal zich in hoofdzaak wel bepaald
hebben tot den bijbel[4]. Destemeer zal hij zijn voordeel hebben gedaan
met wat de geleerde "clercken" vóór hem hadden gedicht. MAERLANT'S
werken, o.a. zijne strophische gedichten, zijn hem niet onbekend
gebleven; doch meer had hij te danken aan het werk van BOENDALE die een
paar geslachten ouder moet zijn geweest dan de Hollandsche spreker.
Stukken van _der Leken Spieghel_ zijn door WILLEM in zijne werken
opgenomen. Zijn verzet tegen de materiëele voorstelling dat "God is als
een mensch gedaen", zijne eigene voorstelling dat God "altemale een
gheest" is, herinneren ons ook aan den _Lekenspieghel_. BOENDALE'S
beschouwing der literaire kunst is door HILDEGAERSBERCH overgenomen; de
verzen:

  Const is die alrehoochste schat
  Die men ter werelt ye besat.

zijn een weerklank van BOENDALE'S hoofdstuk _Hoe dichters dichten
sullen_[5].

Evenals voor BOENDALE heeft ook voor WILLEM de dierfabel slechts waarde
als voertuig van nuttige leering: "Zoo sprac Reynaert, ende hi was
vroet"--daarmede besluit hij een zijner dierfabels en in een andere waar
hij een hond doet spreken, acht hij zich verplicht den lezer te
waarschuwen:

  Niet dat honden yet spreken moghen,
  Mar in 't ghelijcke wert vertoghen
  Menighe leer tot onser bate[6].

Den invloed van MAERLANT meer dan dien van BOENDALE zien wij in WILLEM'S
beschouwing der vrouwen. Bij hem als bij MAERLANT vinden wij vooral den
hoofschen vrouwendienst die zich vertoont o.a. in regels als deze uit
een stuk _Vanden goeden vrouwen_:

  Twaer een kaerl onwijs te weten
  Off by maten dat uut te meten,
  Wat loff den vrouwen toebehoort.

"Wat een reyn wijff waerdich is", heeft hij uiteengezet en ook in andere
stukken zijn eerbied voor het vrouwelijk geslacht betuigd. Die eerbied
is zóó groot dat hij eervergeten vrouwen die zich onder de eerzame
mengen, bellen zou willen aanhangen "die lude cloncken waer si
ghinghen"; op die wijze zou men zich voor haar kunnen wachten[7].

Niet alleen door den inhoud, ook door den uiterlijken en innerlijken
vorm zijner poëzie toont WILLEM VAN HILDEGAERSBERCH zich een kind van
zijn tijd. Allegorische personages als Trouw en Gerechtigheid, Rede als
portier, Trouwe als kastelein, Eer als raadsman en dergelijke komen ook
bij hem voor. Hij bedient zich van tweespraak en "disputacie", hij
speelt met woorden als _beschermen_ dat tot _bescheren_ wordt, met
_vaer_ [Zijnoot: vrees.] en _varen_[8]. Zijne stukken zijn, gelijk
zoovele andere didactisch-lyrische, niet zelden in coupletten verdeeld
en vangen nog al eens aan met eene natuurschildering. De stof is er op
de gewone schoolsche wijze verdeeld in punten, die achtereenvolgens
nauwgezet en degelijk worden behandeld; reeksen los aaneengeregen
sententie's zijn ook bij hem niet zeldzaam.

Bijna alle gedichten van HILDEGAERSBERCH hebben, de strekking: invloed
ten goede te oefenen op de menschen en de maatschappij. Wij weten te
weinig van de poëzie der overige sprekers om te kunnen beslissen of hij
ook hier als type zijner soort mag gelden; doch indien de stichtelijke
en didactische lyriek dier dagen grootendeels aan sprekers mag worden
toegeschreven--en ik zie daartegen geen bezwaar--dan bevat WILLEM'S werk
ook hier het meest wezenlijke van dat zijner tijdgenooten.

Overal vinden wij in zijne gedichten die opwekkingen en waarschuwingen
om wel te leven, ten einde zalig te kunnen sterven; te geven "metter
wermer hant" [Zijnoot: nog bij iemands leven.], niet gierig te zijn, de
goede keuze te doen tusschen het tijdelijke en het eeuwige, indachtig te
blijven dat wij "geen _morgen_ hebben", dat wij allen "op de lange
vaart" moeten. Hij wendt zich tot de hooge heeren met de bede om recht
en billijkheid te betrachten, klaagt over het onrecht dat zij laten
geschieden, waarschuwt anderen zich niet al te veel met de groote heeren
in te laten. Den rechters houdt hij het ideaal voor oogen van den
waarachtigen rechter: God "die elken man ghelike recht". Den steden
wijst hij den weg om tot voorspoed te komen: onderling eendrachtig zijn,
geld verdienen, vreemde kooplieden aanmoedigen[9].

Evenals bij MAERLANT, anders dan bij BOENDALE, is bij WILLEM het
verleden de lichte achtergrond waartegen de gebreken van het heden
scherp uitkomen. Het heden ligt voor hem in het booze: Reinaert staat
aan het roer en Simon [Zijnoot: verpersoonlijking der simonie.] op de
voorplecht. Vroeger was alles zooveel beter; toen werden Trouw en
Gerechtigheid geëerd; nu denkt ieder er slechts aan zijn eigen kist te
vullen. Midden in een of ander verhaal uit het verre verleden zien wij
hem soms plotseling terugkeeren tot zijn eigen tijd, om dien tegenover
het betere verleden te plaatsen[10].

Doch het sterke idealisme dat den onafhankelijken MAERLANT zóó forsch
deed spreken, missen wij in HILDEGAERSBERCH die leven moest van het
publiek. De zorg voor het dagelijksch brood hing den armen spreker als
een kluister aan het been. Hij moet oppassen niet te veel te zeggen, of
hij zal het voelen in zijne beurs, ja in zijn maag:

  Want een dichter moet hem hoeden
  Voer den ghenen diet sullen horen,
  Dat sijs [Zijnoot: zij het.] in nide noch in toren
  Niet en nemen dat hi maect.

Hoe nederig vraagt hij de heeren om wat geduld; het moge hun toch niet
te lang vallen als zij goede leering hooren! Zijnerzijds belooft hij
maat te houden:

  Een dichter die hem wel verstaet,
  Dien dicht niet al sijns selfs begheren.

Niet te lang, "dat heeft men gaern ter heren hove," en daaraan zal hij
zich ook maar houden[11]. Vandaar in zijne gansche houding tegenover
zijn publiek iets slaps en zwaks. Het hoogste waartoe hij het in dezen
brengt, is zachte ironie die in haar soort vooral voor dien tijd
verdienstelijk is:

  Waerom souden wy trueren yet?
  Sint God die werelt werden liet,
  So ne was sy nye so wel te vreden.
  Die paeus die leeft by goeden reden
  Om te dienen onsen Heer

al het volk leeft deugdzaam, in de omgeving van den paus kent men geen
afgunst en hebzucht, bisschoppen en prelaten zijn rechtschapen waar men
komt--meer zal ik er niet van zeggen.

Doch ironie is bij WILLEM, en over het algemeen in de middeleeuwsche
literatuur, betrekkelijk schaarsch. Gewoonlijk tracht ook deze
leerdichter zijn publiek rechtstreeks te overtuigen; doch van hoe weinig
idealisme getuigen doorgaans zijne gelijkvloersche argumenten. De tien
geboden moet men houden. Waarom? Men leeft langer en heeft veel minder
te doorstaan dan zij, die ze overtreden; die overtreders immers worden
zelden oud, hunne zorgeloosheid kost hun het leven of maakt hen jichtig
en lam. Met "wychelinge" [Zijnoot: de zwarte kunst.] moet men zich niet
afgeven: zij brengt geen voordeel aan. Één God moet men aanbidden; men
kan immers "met minre arbeide" één God aanbidden dan vele? God moet men
"te vriend houden" en eenvoudig weg gelooven dat Hij, onze Heer van den
hemel, is één God en drie personen--"daer comt men by ten hoghen loon."
Hebt gij verdriet, toon dat dan niet in uw uiterlijk: uwe vijanden
zouden er in groeien. De heeren mogen hunne onderdanige schapen wel
scheren, maar het vel moeten zij hun laten; dan kan er immers nieuwe wol
op groeien! Wat overigens het onrecht betreft, dat moet men verdragen en
zachtkens terecht trachten te brengen. Al deed de heer nog zooveel
kwaad, zijne onderdanen moeten steeds

           smeken ende nygen [Zijnoot: vleien en buigen.]
  Om hoers heren hulde [Zijnoot: gunst, genegenheid.] te crigen.

WILLEM ziet wel dat de Kerk in zijne dagen van den rechten weg is
afgedwaald en dat vele priesters niet deugen; doch de leeken moeten er
zich maar niet te zeer aan ergeren en slechts letten op wat de priesters
hun _leeren_; er kan wel goed zaad gestrooid worden uit een slechten
korf[12].

Dat de roeping van den dichter is vóór alles: priester der waarheid te
zijn, hadden MAERLANT en BOENDALE WILLEM VAN HILDEGAERSBERCH geleerd;
hij heeft getracht die leer in praktijk te brengen, doch zijn beroep
kwam telkens met zijne roeping in strijd. "De waarheid wil niet gehoord
zijn" dat was meer dan eens zijn droeve ervaring, en de omstandigheden
dwongen hem daarin te berusten. Echter bracht die berusting hem niet tot
lijdelijk stroomaf drijven; hij bleef roeien met de riemen die hij had.
Ik zal leeren dicht bij het wit te schieten, niet het wit zelf te
treffen, zegt hij in het gedicht _van den coninc van Poertegael_. Maar
zijn eerlijk eenvoudig hart, verdeeld tusschen ideaal en werkelijkheid,
blijft droevig gestemd:

  Hoe sal ic dan, arme oude,
  Die gaerne die waerheit spreken soude,
  Der heren gunst of hulde verwerven?

In die verdeeldheid, in die droevige stemming is hij waarschijnlijk
blijven verkeeren tot zijn dood.

Hij had de Fortuin gezocht oost en west, maar nooit gevonden. Doch al
was zijn voorspoed naar de wereld gering, hij wilde zijn loon verwachten
van God, zijn lijden geduldig dragen. Had het sprekerswerk hem geen
stoffelijke winst gebracht, ook den invloed, door hem als dichter
geoefend, schatte hij gering. Wat werkt al ons dichten en verzinnen uit?
vraagt hij ergens, en met lichten spot antwoordt hij zelf: de menschen
worden tegenwoordig zóó deugdzaam, dat matiging en billijkheid in hen
blijven als in bodemlooze vaten. Elders klinkt het zonder spot en
mismoedig:

  Oft al om niet is dat ic doe,
  Wat sel dan arbeit onderstaen?
  [Zijnoot: Waartoe mij dan moeite gegeven?]"

Hij gaat zijn leven als spreker nog eens na: hoeveel schoone "exempelen"
heeft hij voor de heeren gesproken; al zijn verzen spraken van
rechtvaardigheid en eer te betrachten; hoe liefelijk men treedt op het
pad naar den hemel--hoe vuil het pad is dat ter helle voert. Maar weinig
hebben de menschen er zich om bekommerd; zij hebben den achterkant naar
voren gekeerd

  Dus clop ic veel an doofmans deur;
  Al roep ic lude, en mach niet in.

Zijne tijdgenooten zijn gestorven of verdwenen, hij zelf wordt vergeten,
zijne ledematen gaan hem begeven, hij hoort het vesperklokje luiden.
Zelf is hij moede en verlangt naar rust. Eindelijk komt de man "met het
witte kleed",.die niemand spaart, ook hem halen. In April 1409 kocht
graaf WILLEM VI een boek "dairin stonden vele schoonre sproken, die
Willem van Hillegairtsberge gemaeckt hadde"; dat zal wel de voornaamste
nalatenschap van onzen spreker geweest zijn[13].

Die nalatenschap zou er misschien anders hebben uitgezien, indien zijn
talent zich onder gunstiger omstandigheden had kunnen ontwikkelen. Want
eenig talent had WILLEM VAN HILDEGAERSBERCH wel. Zijne vergelijkingen
zijn niet zelden aardig gevonden; zoo b.v. die van de stichtelijke
woorden, die langs de meeste kerkgangers afglijden als hagelsteenen
langs de kleeren. Hoe goed van waarneming is dat huiselijk tooneeltje,
waar wij middeleeuwsche huisvrouwen aan het spinrokken zien, terwijl de
jonge kuikens met de klokhen om haar heen in de zon loopen. De
vergelijking van het leven bij een zeereis is ook verdienstelijk
uitgewerkt[14].

Vertellen kan WILLEM ook wel; dat blijkt ten deele uit zijne fabels en
de sproke _van Sinte Gheertruden min_, maar vooral uit de twee boerden
_van het gestolen varken_ en _van den Monnik_[15]. Welk een levendigheid
en gang is in die verhalen, al worden zij hier en daar vertraagd door de
zucht tot leering en vermaning; welk een talent van waarnemen en
voorstellen; welk een blijkbaar welbehagen ook in de behandelde stof! De
door den duivel bedrogen monnik vooral is kostelijk! Aan zin voor echten
volkshumor paarde deze spreker een loffelijk vermogen van waarneming.
Dat vermogen toonde hij in zijne verhalen; hij toont het ook waar hij
anderer of eigen gemoedsleven afbeeldt. Hoe juist heeft hij die zwakke
en zorgelooze menschen gezien, die zich geene behagelijke zonden willen
ontzeggen en denken: als wij ouder worden zal onze zinnelijkheid vanzelf
wel afnemen en onze "nature vercouden". HILDEGAERSBERCH heeft het eerst
de verveling van den traag voortkruipenden tijd beseft en in woorden
gebracht:

  Als my die tijt verlanghen dede,
  So had ic ziecte ende onghevoech,
  Ic hoorde wat die clocke sloech,
  Die tijt, die ghinc van ure tot uren[16].

Meer dan een zijner kleinere stukken mag bevallig worden genoemd. Zoo
b.v. dat gedicht op het scheiden, dat aanvangt:

  Ic heb op [Zijnoot: tegen.] scheyden horen spreken,
  Dattet vroechde mochte breken
  Onder tfolc, verre off naer,
  Die uut dier nature beke
  Mit ghenoechten soude leken,
  En dede [Zijnoot: indien er niet was.] der argher nyders schaer,
  Die menichwerve binnen der weken
  Goet gheselscap doen versteken,
  Die liever bleven tsamen daer,
  Al moeten si scheiden ane vaer [Zijnoot: zonder vrees.] [17].

Ook is er in zijne poëzie hier en daer iets persoonlijks, dat ons in een
middeleeuwsch dichter door zijne zeldzaamheid treft en dat wij vóór
dezen slechts een enkelen keer hebben aangetroffen bij MAERLANT, waar
hij zijne grijze haren in den spiegel ziet. Ik heb het oog o.a. op een
reeds vroeger vermeld stuk, dat wel een van des dichters laatste zal
zijn:

  Ic bin al moede, ic wil gaen rusten;
  Van des mi wilen [Zijnoot: vroeger.] plach te lusten
  Des wordic sat, en weet niet hoe.
                enz.[18]

Ook op de inleiding van het gedicht _Van Ghilden_, waar hij op zoo
naïeve wijze getuigt hoe onzeker en schroomvallig hij zich gevoelt door
zijn gemis aan kennis en ontwikkeling. Altijd is hij bang in strijd te
komen met "die scrifture", wanneer hij iets gemaakt heeft. Die "anxte
zwaer" voor de wijsheid, die in geschriften ligt opgetast, benauwt hem,
drukt op zijn denken en zijn verbeelding, als het net op een vogel.
Denkt hij over iets na, dan schiet hem tevens te binnen dat dit alles
misschien lang en breed in een of ander geschrift te vinden is:

  Want die clergie [Zijnoot: de geleerden.] is so subtijl:
  Daer ic om peynse lange wijl,
  Dat vinden sy varinc [Zijnoot: schielijk.] inder scrift;
  Dit doet dat ic met anxten dicht.
  Anxte die heeft my veel becoort,
  Als ic dichte of brenghe voort
  Enigherhande hoghe sake[19].

In die stemming moet hij dikwijls verkeerd hebben en het behoeft geen
betoog dat zijne poëzie daaronder geleden heeft. De boerde _van den
Monnik_ en, in mindere mate, die _van het gestolen varken_ toonen ons
wat hij kan, indien hij zich durft laten gaan; doch vermoedelijk zal hij
zelf deze stukken niet hoog hebben gesteld. Opmerkelijk is het, wat er
onder zijne handen wordt van de fraaie geestelijke romance _van Sinte
Gheertruut_[20]. WILLEM'S bewerking heeft meer dan driemaal den omvang
van de romance; in dichterlijke waarde echter overtreft het lied van den
volksdichter de sproke van den spreker: de eerste is een werk van
verbeelding, de laatste hoofdzakelijk verstandswerk. Het is er
HILDEGAERSBERCH van den aanvang af om te doen, zijnen hoorders de
beteekenis van de Sint-Geerteminne uit te leggen; ook andere deelen der
stof wenscht hij voor het verstand zijner hoorders aannemelijker te
maken, zoo b.v. de reden waarom SINTE GHEERTRUUT juist tot SINT JAN zich
zoozeer aangetrokken voelde. Het gansche verhaal trouwens geeft hij aan
zijn publiek ter leering:

  By desen _exempel_ moochdi leren,
  Dat hem nyemant en laet bedrieghen.

en hij verzuimt niet zich meer dan eens tot zijne hoorders te richten
met een stichtelijke waarschuwing of opwekking.

De ridder in de sproke is, evenals zijn maker, iemand in wien het
verstand overheerscht, die redeneert, en, waar hij eens onverstandig
handelt, daarover door den dichter berispt wordt: "Doe en dede hi niet
als die vroede." Hij gevoelt wel liefde voor SINTE GHEERTRUUT, doch het
is hoofsche liefde:

  Ghestade te bliven in horen dienst
  Sonder enich dorperheit;

De ridder in het volkslied is een type van gewone menschelijkheid; hij
houdt van eten en drinken en tournooien en ledigt den beker tot den
bodem; hij kan zijn hartstocht voor de schoone non tenauwernood
bedwingen: als hij haar in het klooster eens niet mag zien of spreken,
vreest hij dat zijn hart breken zal.

Uit verbeelding en hartstocht ontstond in het lied de poëzie die uit de
sproke geweerd is door zucht tot leering en stichting. Nergens blijkt
dat zoo duidelijk als bij het eerste afscheid van den ridder, wanneer
hij al zijn goed in den dienst van SINTE GHEERTRUUT heeft verteerd. De
overeenkomstige deelen van beide gedichten volgen hieronder:


               _Lied_ (c. 10-14).

  Drie jaer lanc heeft die ridder dit
                        [ghepleghen,
  Des so en heeft hi niet behouden:
  Sijn schat ende sijn goet heeft hem
                   [altemael begheven,
  Des hadde die ridder also groten rouwe.
  "Adieu, goet lief ende blijft ghesont,
  "Adieu, ende ic moet immer van u
                                  [scheiden!
  "Die wech en is mi niet becant,
  "Te dwalen aen gheenre wilder heiden.

  "Och, lacy, god, het is altemael verloren:
  "Wat coste dat ic daaraen hebbe geleit!
  "Hadde ic dat so wel gheweten te voren,
  "Ic woude van der joncfrouwen hebben ghescheiden."

  Dus is die ridder uutghestreken
  In eenre duustre avontstont,
  Hi is gaen dwalen aen gheenre wilder heiden,

  Die wech en was hem onbecant.

  Doe dat quam omtrent der middernacht,
  Druc ende liden so ghinc den ridder an,
  Die viant [Zijnoot: de duivel.] die hadde hem also schier verwracht,
  Hi stont gheschapen of dat waer een man.



            _Sproke_ (vs. 148-170).

  Daer nae wart hi des ghevens mat,
  Want sinen staet die quam ten ende.
  Doe was die ridder in ellende,
  Ende hi en wiste hem ghenen raet:
  Dat dede, hi most sijn hoghe staet
  Dalen laten aen sinen danck.
  Doe wort sijn hope al te cranck,
  Ende hi dochte in sijn moet:
  "Al creghe ic dese joncfrou goet,
  "Ic en mochtse niet in eren houden,
  "Waer op so willic mi verhouden
  "Off verstroyen tenighen tijden?"
  Doe most die ridder sorghe lyden,
  Des hi onghewone was
  Daer te voren, als ic las.
  Ende als hi stont in dit ghepeyns
  Ende dochte harwaert ende gheyns
  Doe quam die bose tot hem ghegaen
  Ende was recht als een man ghedaen
  So wye dat in wanhope sy,
  Daer is die vyant gheerne by;
  Want hy en [Zijnoot: hem.] dan best becoren mach,
  So poecht hire om nacht ende dach.


Maar ook elders in de beide gedichten: het sluiten van het contract met
den Booze, het drinken van den beker van Sint-Geerteminne, de tweede
samenkomst van den ridder met den duivel zien wij dergelijke
tegenstellingen als in de boven medegedeelde stukken. Opmerkelijk is
ook, dat bij die tweede samenkomst in het volkslied SINTE GHEERTRUUT,
blijkbaar onzichtbaar voor den ridder achter hem te paard gezeten, den
Booze ontzag inboezemt. HILDEGAERSBERCH die dit voor eene heilige minder
passend zal hebben gevonden, maakt er geen gewag van.

De indruk, dien WILLEM VAN HILDEGAERSBERCH'S persoon en werk ten slotte
bij ons achterlaten, heeft iets droevigs: een dichter van eenig talent
die gaarne zijne roeping als dichter zoo goed mogelijk zou vervullen,
daarin belemmerd of verhinderd door den dwang van zijn beroep; dien de
ontwakende wetenschap schroomvallig maakt, zoodat hij zich niet durft
laten gaan; die zich verplicht acht, echte poëzie waar hij die bij een
ander vindt, weg te werken voor leering en stichting; die scheidt uit
dit leven in de neerdrukkende overtuiging dat hij tevergeefs heeft
geleefd.

Echter, ook zóó is hij den geschiedschrijver lief als een merkwaardig
type van de dichters der 14de eeuw; merkwaardig ook als
vertegenwoordiger der kleine Hollandsche volkseenheid waartoe hij
behoorde. Stond MELIS STOKE nog vijandig tegenover de Vlamingen--deze
Hollander vond zijne voorname leermeesters in den Vlaming MAERLANT en
den Brabander BOENDALE. In HILDEGAERSBERCH'S werk zien wij voor het
eerst dien ontwikkelenden invloed, door het Zuiden op het Noorden
geoefend, waarvan wij ook in het vervolg van dit werk meermalen zullen
gewagen.



AANTEEKENINGEN

[1] Ik verwijs hier natuurlijk vooral naar de uitgaaf zijner werken door
BISSCHOP en VERWIJS en de uitstekende Inleiding daarop; voorts naar
hetgeen JONCKBLOET over hem heeft medegedeeld en het degelijk overzicht
van Dr. TE WINKEL. Fragmenten van zijn werk zijn medegedeeld in
_jahrbuch d.V.f.N. Sprachf._, XII, 106; XV, 39 flgg.

[2] _Ged._, bl. 127.

[3] Zie de rekeningposten medegedeeld in de Inleiding op de _Gedichten_,
bl. VII-VIII. De plaatsen waar WILLEM zich bepaaldelijk richt tot de
_heren_ o.a. bl. 16, 23-24; 18, 224; 18, 1 vlgg.; 105, 127-8; 109, 167;
111, 168; 133, 94 vlgg.; 142, 14-18; 166, 224; 183, 115; 216, 257. _Van
den X Gheboeden_ op bl. 12 der _Gedichten_.

[4] _Ged._, bl. 45, 32-34; 71, vs. 14-17; 155, 153-4.

[5] _Ged._, bl. 173, 131-2.

[6] _Ged._, bl. 21, 82; 90, 68 vlgg.

[7] _Ged._, p. 73, no. 34; 195, 38-42; p. 240 (no. 114). Over den
invloed van MAERLANT zie de Inleiding tot de _Stroph. Ged._ (edd. FRANCK
en VERDAM), p. LXXXIX.

[8] _Ged._, bl. 205, 104 vlgg.; 183, 220; 25, vs. 65-7; 71, 25 vlgg.;
149, vs. 46.

[9] Vgl. o.a. _Ged._, 3, 202; 13, 85 vlgg.; 14, 18; 24, 272; 61, 5-8;
107, 18; 156, 77-78; 248, 126; 18, 224; 23, 107; 40, 48; 139, 61; 96,
104; 120, 73; 4, 90; 4, 115; 5, 139-141.

[10] _Ged._, 25, 8; 36, 12-25; 135, 104; 205, 80; 19, 92; 54, 123; 55,
190; 146, 290-2.

[11] _Ged._, 164, 26; 109, 149 vlgg.

[12] _Ged._, bl. 40 (no. XIX _Van Mer._); 7, 80; 7, 126; 49, 56; 101,
73; 222, 22; 238, 120; 239, 161; 4, 61; 16, 23; 111, 17; 113, 193.

[13] Opvatting zijner taak als dichter vgl. _Ged._, 16, 1; 45, 18-20;
53, 1; 66, 9-10; 169, 10-23; 247, 5-7. Over zijn zwerven en zijn
tegenspoeden, bl. 183 (_Van der Avontuer_); invloed zijner poëzie:
_Ged._, 226, 17-21; 236, no. 111. Laatste jaren en dagen: bl. 66, vs.
9-10; 183, 1-8; 236, no. 111; 239, no. 113; 249, no. 119. Voorstelling
van den Dood als een man in het wit gekleed, bl. 201, 121-'2; 202,
213-'6. Nalatenschap _Inleid._ tot de _Ged._, IX.

[14] _Ged._, 2, 116-117; 31, 109-132; 245, 137-150.

[15] De stof der eerste boerde vindt men ook in het Fransche fabliau _du
Boucher d'Abbeville_ (Recueil de Fab. van Montaiglon et Raynaud, III,
227); de stof der tweede heb ik elders niet teruggevonden.

[16] _Ged._, 242, 36.

[17] _Ged._, bl. 116.

[18] _Ged._, bl. 236.

[19] _Ged._, bl. 117; vgl. ook vs. 16 "mit anxten zeer bevaen" en vs.
20, 23.

[20] In _Het Lied in de Middeleeuwen_, bl. 605 vlgg. is door mij
aangetoond dat er eene betrekking moet bestaan tusschen beide gedichten
(vgl. bl. 616-617). Alles pleit er voor aan te nemen, dat het volkslied
het oorspronkelijke zal zijn, dat door HILDEGAERTSBERCH is omgewerkt.
Het is ook opmerkelijk, dat wij juist in dit gedicht van H. de
vermelding van eene bron vinden in vs. 162: "als ic las."



DIRC POTTER.

Naast het werk van HILDEGAERSBERCH plaatsen wij dat van DIRC POTTER als
een ander type van veertiend'eeuwsche dichtkunst.

POTTER, een Hollandsch edelman, diende eerst graaf ALBRECHT, later
WILLEM VI, daarna Vrouwe JACOBA als secretaris. In die hoedanigheid
vergezelt hij zijne meesters op reis en wordt ook wel met zendingen
belast; een tijd lang vervult hij den post van baljuw van den Haag. Voor
zijne getrouwe diensten wordt hij door Graaf WILLEM beloond met de
hofstede ter Loo in het ambacht van Voorburg, waar een paar eeuwen later
een andere secretaris van Hollandsche vorsten zich een buitenverblijf
zou stichten.

Toen hij in 1428 gestorven was, bleef JACOBA zijne goede diensten in
dankbare gedachtenis houden; de zoon van den trouwen dienaar, GERRIT
POTTER VAN DER LOO, zag het erf, hem door zijn vader nagelaten, met nog
vijftien morgen lands vergroot[1].

In zijne jonge jaren, aldus vertelt POTTER zelf ons, werd hij met een
geheime zending naar Rome belast. Hij bleef er langer dan een jaar.
Overviel hem bij wijlen de melancolie--zou het geen heimwee zijn
geweest?--dan ging hij wandelen langs een stroomend water. Daar
verschijnt hem vrouw Venus die hem opwekt in een gedicht "den loop der
minne" te beschrijven, opdat ridders, edele vrouwen en schildknapen
daaruit mogen leeren wat liefde en minne is. Aan die opwekking gaf hij
gehoor en schreef het werk, dat door hem zelven _der Minnen Loop_ is
genoemd[2]. Mogen wij POTTER'S voorstelling van zaken naar de letter
opvatten, dan had hij, toen hij zijn gedicht schreef, met de liefde
afgerekend. Zelf had hij meer last dan lust van haar gehad: "wat hij
jaagde, bleef ongevangen"; den zoeten drank had hij nooit gedronken[3].
Nu wilde hij jongeren met zijne ervaring van dienst zijn, hun het rechte
pad wijzen, hen waarschuwen voor het kwade.

Doch van welken aard zijne beweegredenen ook mogen geweest zijn, in
allen gevalle moet zijn werk worden aangeduid als een _leerdicht_. De
woorden _leer_ en _leeren_ vloeien hem telkens uit de pen: "had hij maar
gedacht aan zijne leer!" zegt hij van een ongelukkigen minnaar, die niet
op zijne hoede is geweest en ten gevolge daarvan met een hamer "opten
cop" werd geslagen, zoodat hij nooit meer een minnebrief schreef. "Denkt
maar aan deze leer!" zegt hij tot de minnenden, "dan dwaalt gij niet van
het rechte pad af." Een minnaar moet _leeren_; vóór alles moet hij
geduld leeren: vrouwen zijn veranderlijk, haastigheid is nooit goed, en
dan: de boom valt immers niet met den eersten slag?

In overeenstemming met het karakter van het leerdicht heeft POTTER zijn
werk verdeeld in vier boeken, die achtereenvolgens handelen over dwaze,
goede, ongeoorloofde en geoorloofde liefde. In de goede reine liefde
onderscheidt hij weer vier graden, zooals de mystieken die in de
goddelijke liefde aannamen. De inhoud dier boeken bestaat in tal van
meer of minder bekende liefdesgeschiedenissen, telkens besloten met een
les of eene waarschuwing; niet zelden ook gaat een of andere algemeene
zedekundige stelregel vooraf en dient het dan volgend verhaal als
"exempel". Tusschen _der Minnen Loop_ en een leerdicht als _De Spiegel
der Zonden_ is dus alleen dit verschil, dat de liefde hier de plaats der
hoofdzonden inneemt en dat de "exempelen" in het eerste werk meer plaats
beslaan dan in het laatste. Ook de neiging tot spreuken en spreekwoorden
en wendingen als: "kinder mijn", "salighe wiven", "lieve vrienden"
ontbreken hier niet. Dat deze leerdichter slecht te spreken is over den
"scalken vos Reynaert", kan ons niet verwonderen[4].

Evenals de overige leerdichten is ook _der Minnen Loop_ een vrucht
vooral van lectuur. De secretaris der Beiersche graven van Holland was
een groot lezer, zooals hij zelf ons meer dan eens vertelt. De Godheid
contempleeren, dat liet hij den theologen, de medici mochten zich moeien
met hetgeen den zieken te pas komt, de wetgeleerden met hunne codices en
digesten--"poëten ende historiën zanck" dat was wat hem smaakte. Vrouw
Venus zelve wekt hem dan ook op, allerlei liefdesgeschiedenissen in zijn
geheugen terug te roepen om ze aan anderen opnieuw te vertellen.

Tal van verhalen, aan OVIDIUS' _Heroïdes_ en _Metamorphosen_ of aan den
Bijbel ontleend, zijn door POTTER in zijn werk gevlochten: _Pyramus en
Thisbe_, _Hero en Leander_, _Phoedra en Hippolytus_, _Ahasverus en
Vasthi_, _David en Michol_, _Jacob's dochter Dina_ zijn eenige der meest
bekende. Ook van elders heeft hij zijne stoffen ontleend; hij kent
blijkbaar het werk van den Duitschen "minnesinger" NEIDHART VON REUENTAL
("Heer Nytert van Ruwendael"), den roman _van Tristan en Isolde_ en
WOLFRAM VON ESCHENBACH'S _Titurel_; ook de romans _van Malegijs_ en _van
Parcival_ en eene novelle als die _van Griseldis_, hier onder den naam
_van Orphaen en Lympiose_[5]. POTTER is zoozeer vervuld van zijne
literaire herinneringen, dat hij soms een beroep doet op de lectuur van
zijn publiek. In het verhaal _der Borchgravinne van Vergi_ dat ook door
hem in zijn werk is opgenomen, zegt hij tot zijn lezers of hoorders:

  Dat hebdi lichte ghelesen mee.

De heldin van een zijner verhalen, PERNELLA, leest in een of ander
geschrift dat men in een liefdesbetrekking goeden dienst kan hebben van
een vertrouweling; eerst die mededeeling brengt haar op de gedachte zich
te verzekeren van de hulp eener kamenier. Aan het slot van zijn werk
verzuimt POTTER niet, de eerbare vrouwen eraan te herinneren dat de
dichters, zooveel over haar geschreven hebben[6].

Het is begrijpelijk, dat in het werk van een auteur die zooveel las,
zich de invloed der vroegere literatuur vertoont; dat denkbeelden en
opvattingen, langzamerhand door de literatuur tot gemeen goed geworden,
in zijn werk worden aangetroffen.

De kleurensymboliek die wij hier en daar in _der Minnen Loop_ vinden;
het ontstaan van een dichtwerk uit eene "fantasie" waarin de dichter
eene verschijning ziet; eene "vraghe" door den auteur aan zijn publiek
gesteld, en die hij zelf niet kan "solveren"; het noemen van zijn naam
in de aanvangsletters der slotregels van zijn gedicht--dat zijn altemaal
trekken die wij ons uit de poëzie vóór POTTER herinneren[7].

De gansche voorstelling der liefde als een "verband der herten"
herinneren wij ons reeds uit den _Wapene Martijn_. En waar wij POTTER
met nadruk hooren beweren dat alle verschil van stand voor de liefde
moet wijken en met blijkbare instemming vermelden dat de gemaal van
LYMPIOSE deugd boven afkomst stelde, zouden wij ook daar niet aan
MAERLANT'S invloed moeten denken?

Eene herinnering aan HILDEGAERSBERCH vinden wij misschien in POTTER'S
klacht over zijn vijand "die avontuyer", die hem in de minne altijd
ongunstig was geweest. BOENDALE'S invloed zien wij in de gelijkstelling
van leeken en geestelijken; die wij aantreffen in deze regels:

  Elck dient bijsonder sinen God:
  Soe wael dient Gode Hein ende Han [Zijnoot: Jan, Piet en Klaas.],
  Ghelijck doet een begheven man [Zijnoot: kloosterling.],
  Al staet die een in hogher scouwe.

Ook in POTTER'S verheffing van het huwelijk boven den ongehuwden staat
en in zijn onderscheiding van _vrouwen_ en _wiven_ mogen wij staaltjes
van BOENDALE'S invloed vermoeden[8].

Het spreekt vanzelf, dat in het laatste geval behalve met BOENDALE'S
invloed rekening moet gehouden worden met den ganschen tijdgeest; immers
ook in dit onderscheid openbaarde zich die vrouwendienst die zulk een
gewichtig aandeel heeft gehad in de gemoedsontwikkeling der moderne
volken.

Het loont de moeite na te gaan, hoe die vrouwendienst door dezen
Hollandschen edelman is opgevat, wat hij daaruit heeft overgenomen en in
hoever zijn oorspronkelijk wezen daardoor ongewijzigd is gebleven.

Met DIEDERIC VAN ASSENEDE en zoo menig ander hoofsch dichter van
vroegeren tijd is POTTER het eens, dat geen recht begrip van liefde kan
wonen in "rude menschen van grover aert": boeren, visschers, slagers,
smeden, spitters en delvers, monniken, schippers en allerlei ambachtslui
zijn nooit door de liefde ten verderve gevoerd. Toch maakt hij ééne
uitzondering en wel voor hen "die van naturen edel sijn" en die hij
plaatst nevens de lieden "van goeder gheboort". Hij kan zich wel
voorstellen dat een minnend paar waant in het bezit te zijn van "een
graal van zaligheid". Minachtend laat hij zich uit over huisbakken
jongens die te dikhuidig zijn om de liefde te begrijpen. Overal houdt
hij in zijn werk de eer hoog. Zijn kieschheidsgevoel is reeds vrij
ontwikkeld: bij verhalen als dat van PASIPHAË en van VIRGILIUS' wraak op
een meisje dat hem in een mand ten toon had gesteld, schaamt hij zich
voor zijne hoorderessen of lezeressen en verontschuldigt zich over zulke
mededeelingen. Ook heeft hij een goeden dunk van de vrouwen zijner
dagen; hij twijfelt er niet aan dat men er onder de eerbare goede
vrouwen nog wel zou vinden die voor hare mans zouden willen sterven[9].
Maar niet zoozeer is hij in bewondering voor de vrouwen of hij blijft
indachtig dat zij toch menschen zijn en veranderlijke menschen, die wel
eens "neen" zeggen als zij "ja" meenen. De vrouw moet "heer" zijn en de
man "knecht"--ja, zegt POTTER, dat geldt voor de rechtbank der liefde,
maar in het huwelijk is het iets anders: "daer sal die man een voocht
[Zijnoot: de baas.] wesen".

Al die liefde en vrouwendienst is heel mooi, maar ten slotte staat toch
de huwelijksliefde het hoogst. In overeenstemming daarmede handelt het
tweede boek dat verreweg het omvangrijkst is, over de "goede reine
minne"; het derde, verreweg het kleinste, over de ongeoorloofde
liefde[10].

In zulk eene beschouwing van vrouwen en vrouwendienst kon bezwaarlijk
plaats zijn voor eenig medegevoel met den hartstocht. Eene liefde als
die van MEDEA, DIDO, HELENA, ARIADNE, rangschikt POTTER dan ook onder de
"gecke minne". Hartstocht die aan een minnaar of eene minnares het leven
kost, daar kan hij niet bij:

  Om sulc wee te bliven doot,
  Dat en docht mi sijn gheen noot.

HERO zou hem bijna verteederd hebben. Wanneer hij de droeve geschiedenis
dezer twee koningskinderen die elkander zoo lief hadden, verteld heeft
en hoe HERO met LEANDER'S lijk in zee springt, dan geraakt hij zelf
onder den indruk en stemt een lofzang aan voor de trouwe liefde:

  O edel vrouwe ende goede man,
  Hier sal men truwelic deyncken an.
  Hier liet truwe [Zijnoot: trouwe.] truwe bliken.
  Der truwen en woude sy niet bezwiken.
  Die wile si leefden waren sy
  Onverscheiden ende wandels vry:
  Dus sijn sy in der lesten noot
  Onghescheiden ghebleven doot.
  Daer wrocht Venus den rechten aert.

Maar te rechter tijd komt hij nog tot bezinning en besluit zijn lofzang
met:

  Nochtan waer beter tlijff[het leven.] ghespaert,
  Also als ic voer hebbe bescreven.

Liefde is goed, maar--getemperd:

  Minne sal sijn te maten heet,
  Te maten cout ende wail ghesmeet
  ....
  Vrou mate is een edel vorstinne.

Hollandsche bezadigdheid kwam hier in botsing met uitheemschen
hartstocht, Hollandsche zedelijkheid met geïdealizeerde zinnelijkheid.
Toch is POTTER'S gevoel van zedelijkheid niet bijzonder hoog ontwikkeld.
Kan een minnend paar zich volstrekt niet bedwingen, dan moeten zij hun
gang maar gaan--indien het dan slechts heimelijk gebeurt, zoodat de eer
naar de wereld ongeschonden blijft. De wagenmenner MIRTHOÜS helpt door
bedrog zijn meester PELOPS aan het bezit der schoone HIPPODAMIA; PELOPS
heeft MIRTHOÜS zijn deel in dat bezit beloofd; als MIRTHOÜS zijn meester
nu komt manen om de vervulling der belofte, werpt PELOPS hem in zee waar
hij verdrinkt. POTTER vindt dit volmaakt billijk: aan een onredelijken
eisch moet op onredelijke wijze voldaan worden; deze boef kreeg loon
naar werken.

Mannen en vrouwen gelijk stellen op het punt van echtbreuk, dat gaat
niet aan, zegt POTTER. De eer van den man lijdt er naar de wereld niet
onder of hij al eenige bastaarden heeft; bij de vrouw is dat heel wat
anders. Ook heeft men dikwijls gehoord dat heidensche vorsten en andere
mannen twintig, veertig of honderd vrouwen hadden, doch ééne vrouw twee
mannen--nooit! Kortom, het is een verschil als van dag en nacht[11].

POTTER moge kennis gemaakt hebben met het werk van GODFRIED VON
STRASSBURG en van WOLFRAM VON ESCHENBACH, hij moge OVIDIUS' _Heroïdes_
en _Metamorphosen_ hebben gelezen--een dichter als zij is hij niet
geweest. Het licht en liefelijk spel van GODFRIED'S verbeelding,
WOLFRAM'S diepte en innigheid, de fijnheid en bevalligheid van OVIDIUS,
men zoekt ze in zijn werk tevergeefs.

Dat POTTER'S smaak nog niet zeer ontwikkeld was, gaat men reeds
vermoeden wanneer men eene vermelding van PARCIVAL'S zoeken naar den
Graal aantreft op bedenkelijk korten afstand van de jacht op een wilden
witten haas, die door een vijftal gezellen drie jaar lang werd
voortgezet. Dat vermoeden wordt versterkt, waar wij hier en daar
slordige of lamme rijmen aantreffen en platte beeldspraak. In het eerste
boek, van de "gecke" minne, zegt hij tot de vrouwen: hebt gij last van
de liefde, weest dan voorzichtig in de keus van uw minnaar of zooals hij
het uitdrukt: kookt uw spek in goed rivierwater! Van minnende paren heet
het elders:

  Sijn zij in kercken of in clusen,
  Die cat siet altoos na den musen.

Een minnaar kan veel dienst hebben van een vertrouwden vriend, maar laat
hij oppassen dat uit den vriend geen medeminnaar worde, die de "potage
met het spek" naar zich toe haalt[12]. Doch tegenover zulke plaatsen die
bovendien niet talrijk zijn, staan vrij wat andere die getuigen dat
POTTER, al was hij geen groot dichter, toch niet van talent ontbloot
was. Verdienstelijk is b.v. zijn lofzang op de

  Rechte mynnentlike minne,
  Die den menschen in den zinne
  Verwerret lecht ende ghestricket.

Hoe aardig is in het eerste boek de schets van den jeugdigen zot, die
door een meisje voor de grap als minnaar is aangenomen, slechts voor
deze Meimaand en niet langer. Wat is dat zomergekje dan opgewonden! Hij
brengt zijn liefste een meitak, hij vertelt aan een van zijne vrienden
uit Zotteghem--soort zoekt immers soort?--dat hij een liefje heeft die
doet wat hij wil; samen gaan zij er op uit om haar ergens te zien.
Gebeurt hem dat, dan is het al te mooi, dan moet er een dronk op staan:

  So sal hi dan sijn gheselle gaen slepen
  In den wijn; daer gaen si sitten.
  Die wile hi zweeft in deser hitten,
  So werpt hi sijn arm in die lucht
  Ende maect een heerlic gherucht [Zijnoot: geroep.]:
  "Wy hou! ic heb minen boel ghesien!
  "Huden [Zijnoot: heden.] en mach mi niet misschien
  [Zijnoot: niets kwaads overkomen.]!"
  Vrolic is hi mit ghesanghe.
  So vraghen die ander also langhe,
  Dattet die heelghesel al seit,
  Wair dat Hannen sin op steit.
  Des wondert den ghesellen dan
  Ende segghen: "Is Hannen alsulken man?"
  Ende dat hoert Hannen al te gaern,
  Dat die ghesellen van der tavaern
  Weten van sire minnen staet[13].

Kon POTTER de kunst van OVIDIUS al niet navolgen, veel min evenaren, men
kan toch zien dat het verhaal van HERO en LEANDER, zooals het in de
_Heroïdes_ voorkomt, indruk op hem heeft gemaakt; zijne bewerking treft
ons hier en daar door een zachte bekoorlijkheid, die nog verhoogd wordt
door den welluidenden klank onzer middeleeuwsche taal. Zoo in dat deel
van het verhaal, waar HERO beschrijft hoe zij op LEANDER zit te wachten:

  Als my die vake dan bestaet
  Ende twater an die mure slaet,
  Soe waen ic alle weghe [Zijnoot: telkens.] dan
  Dattu daer biste, mijn liefste man.
  Wat ic lope, en vinde niet.
  O wy! wat is my gheschiet!
  Ic wachte, ic wake, twort my zuyr;
  Ic sitte dromende by den vuyr;
  My donct dan dattu by mi bist,
  Dat alle gader niet en ist.
  Als ic dan weder wakende werde,
  So sitte ic noch bij den haerde
  Ende droghe die schone sachte doecken.
  O wy! ic mach dat water vloeken,
  Dat so onstuyr [Zijnoot: onstuimig.] heeft gheweest
  Van groten storme ende tempeest[14].

En waar POTTER zich eens durft overgeven aan zijn gevoel, omdat hij
immers "van goede reine minne" spreekt, hoe verrast hij ons daar met dit
liefelijk miniatuurtje van een paar gelieven:

  Daer legghen sy in groter lust:
  Menichwerff wart dair ghecust,
  Die lipkijns werden gheconreydet [Zijnoot: uitgestoken.],
  Vroechde meret, trueren beydet,
  Menich guetlic, lieflic woert
  Wort van beyden daer ghehoert,
  Vriendelick drucken sy die armen,
  In gueder vroechden sy hem warmen,
  Lachende blencken dair die oghen,
  Elck anderen troest van allen doghen [Zijnoot: verdriet.]:
  Al waer hi sieck ende onghesont,
  Elck ghenase in sulker stont.
  Die witte kele ende wancskijn root
  Mach men handelen daer al bloot.
  Die borstkijns mach men wel anstoten,
  Sijn sy niet te vast besloten,
  Ende byeden hem gueden dach[15].

In de beschrijving is POTTER sterker dan in het verhaal; toch heeft hij
ook als verteller zijne verdiensten. Een meester in die kunst, zooals
zijne oudere tijdgenooten BOCCACCIO en CHAUCER, was hij niet, doch er is
in zijn zestigtal sproken van minne menig goed of aardig brok aan te
wijzen, dat eene plaats verdient nevens de beste der hiervoor behandelde
sproken van onbekende dichters.

Houden wij _der Minnen Loop_ ten slotte naast een vroeger leerdicht over
dezelfde stof: _den Spiegel der Minnen_ of den _roman van de Roos_, dan
merken wij vrij wat verschil op. Het voornaamste punt van verschil is
zeker, dat tegenover een vertaald werk nu een werk is gekomen dat
oorspronkelijk mag heeten, al heeft het--gelijk zoo menig ander
oorspronkelijk werk--een deel zijner stof van elders ontleend. Dat feit
toont reeds dat de Dietsche geest aan zelfstandigheid had gewonnen; doch
er is meer. Van de elementen, waaruit de _roman van de Roos_ bestaat,
vinden wij er hier eenige terug, doch op andere wijze dan daar
verbonden. In _der Minnen Loop_ is geen plaats voor de minachting der
vrouw, noch voor het scepticisme, noch voor het cynisme, dat JEAN DE
MEUNG kenmerkt, wel voor een deel van den hoofschen eerbied, dien
GUILLAUME DE LORRIS de vrouwen toedroeg. Het zinnelijk element dier
hoofsche liefde is in het Hollandsch dichtwerk zwakker dan in het
Fransche; bij de goede reine liefde staat de Hollander het langst stil;
de huwelijksliefde staat voor hem het hoogst; jegens den hartstocht is
hij op zijne hoede. Die liefde, zóó opgevat, is verwerkt door een
didactischen geest die weer aan JEAN DE MEUNG doet denken, tot een
eenigszins schoolsch geheel, waarin theorie en practijk des levens nog
niet zijn versmolten, doch onderling verbonden naast elkander staan als
leering en voorbeeld.

Menig lezer zal misschien van meening zijn, dat een Christelijk
Hollandsch dichter als POTTER tevreden kon blijven over zijn werk. Hij
had immers willen waarschuwen en leeren, en aan het nuttige
gemakkelijker ingang verschaft door het aangename? Verhalen van minne,
zelfs al waren zij verdicht, vonden immers genade ook bij kunstrechters,
die van de kunst bevordering der zedelijkheid eischten? Zoo zou men
meenen, doch te onrechte. POTTER is gebeurd, wat menig dichter of
verzenmaker vóór hem was gebeurd: in zijn later leven kreeg hij berouw
over de literaire zonden zijner jeugd en trachtte die met ander werk te
boeten.

In zijn ouderdom schreef hij een werk, door hem zelven

_Blome der Doechden_ [Zijnoot: Bloem der Deugden.] genoemd, waarin hij
_der Minnen Loop_ wel niet verloochent, maar toch scherp laakt[16].

Op een vóór zijn werk geplaatst miniatuur zien wij op zinrijke wijze den
auteur van _der Minnen Loop_ tegenover dien van de _Bloem der Deugden_
gesteld; die tegenstelling is door POTTER zelf in den aanvang van zijn
laatste werk bovendien toegelicht. Die miniatuur toont ons in een
lusthof een "out simpel man" met een grauwen tabbaard, die met een
mestvork veel mooie, welriekende bloemen uit den grond haalt en tevens
vele leelijke bloemen en onreine, bitter smakende kruiden. Die had hij
alle te zamen in zijne onwetendheid en onnoozelheid in één korf
geworpen. Zóó, dat hij de goede niet van de kwade had gescheiden, wat
hem ook niet mogelijk was.

Tegenover hem zien wij een schoon jonkman, prachtig gekleed, die een
paar mooie bloemen uit den korf neemt. Deze stelt den ouderen POTTER
voor, die tot beter inzicht gekomen is; want dat de auteur van _der
Minnen Loop_ voorgesteld wordt als "van grover erde ende onghemaect van
lijflijker scoenheit" is slechts symboliek en daarom ook is de oudere
POTTER bekleed met uitwendige schoonheid en pracht. Deze immers heeft de
onwetendheid van dien groven mensen bemerkt en de heilige goddelijke
Drievuldigheid aangeroepen, hem wijsheid te verleenen, opdat hij de
goede, reine bloemen, waar deugd in bloeide, mocht onderkennen van de
overige. Die bloemen der deugd heeft hij dus uitgelezen en
bijeengebracht in een zuiver vat. De overige heeft hij onachtzaam ter
zijde geworpen; laat niemand ze ter hand nemen, want steekt iemand zijn
hand in het pik, zij zal er in blijven steken.

Deze _Bloeme der Deugden_ zou misschien kunnen goedmaken, wat hij
eertijds had misdreven met een ander boek "van wer(l)tlijker mijnnen
ende van menschelijker ijdel liefde die ut vleyschelijker becoringhen
hoeren oerspronck nemt" dat hij in zijne jonge jaren te Rome had
gemaakt; over die liefde had hij daarin veel geschreven en, naar hij
vreesde, "meer dan gode behagelijk was". Hij hoopt dat God hem dat zal
vergeven, omdat hij het had gedaan met een goede bedoeling. In zijn
tweede boek zal hij van die ijdele minne geen gewag meer maken.

Wij vinden hier dan ook wel verhalen uit _Der Minnen Loop_ terug, doch
alleen zulke die de auteur bij zijn strenger opvatting van de zedelijke
verplichtingen der kunst oorbaar achtte. De neiging tot kleurensymboliek
komt ook hier nog wel eens voor den dag en de "bose Hecuba" die het in
_Der Minnen Loop_ zoo moest ontgelden, wordt ook hier nog eens onder
handen genomen[17].

Doch overigens heeft POTTER hier een werk geleverd zeer verschillend van
het werk zijner jonge jaren. De verdichte verhalen zijn naar den
achtergrond gedrongen of van het tooneel verdwenen. De schrijver laat
zich afkeurend uit over "woerde in boerden voertgebracht om ghenoechte
of corttinghe des tijts sonder ernste"; over leugens van poëten die
schoone woorden schrijven, van "veel dichters ende sproeken sprekers
ende sonderlinghen [Zijnoot: in 't bijzonder.] in valsschen
hystoriën"[18]. Sprak hij vroeger luchtigjes over zijn onvoldoende
kennis, liet hij de wetenschap aan wie er lust in had om zich alleen aan
"poetryen ende oude gesten" te wijden--nu heeft hij zijne schade
ingehaald. De _Bloem der Deugden_ is samengesteld uit den bijbel en de
werken van ARISTOTELES, SENECA, de Kerkvaders en menig ander geleerd
auteur. Deze, zijns inziens deugdelijker, stof heeft hij scherp
gescheiden in voorbeelden van deugd en van ondeugd; want ook de ondeugd
heeft hij in zijn boek opgenomen: op elk hoofdstuk waarin een deugd
behandeld en toegelicht is, volgt een ander over de ondeugd die
ertegenover staat; immers: "witte verwe onderscheidt haer selven van der
swertter, soe doet die ondoecht als die doecht daer bij ghestelt
wort"[19].

_Der Minnen Loop_ is in verzen geschreven, de _Bloem der Deugden_ in
proza. Ook dat verschil is in overeenstemming met den aanwas van
strakken ernst dien de ouder wordende POTTER te zien geeft. "Soeticheit
van sanghe van melodiën ende die genoechten van instrumenten, van dansen
ende desghelijcs", het was nu alles uit den Booze. Had PYTHAGORAS niet
geleerd, dat de "luxurie" wast door instrumenten en melodieën zooals de
kruiden bij de oevers der rivieren?[20]

Wie zóó over poëzie en melodie dacht, zal het zich waarschijnlijk tot
plicht hebben gerekend, de schoonheidsontroering waar zij in hem mocht
opkomen te onderdrukken. De aesthetische waarde van dit prozawerk in
zijn geheel is dan ook niet groot. Maar het bloed kruipt waar het niet
gaan kan: waar POTTER het fraaigebouwd gevoelig proza van SINTE
BERNARDUS onder de oogen krijgt, kan hij toch niet anders dan er mooi
Hollandsch proza van maken. Ook elders toont hij bij de omschrijving van
een deugd of een ondeugd de taal wel meester te zijn, al moet ook hier
natuurlijk de vraag naar de oorspronkelijkheid veel gewicht in de schaal
leggen[21].

DIRC POTTER behoorde evenals WILLEM VAN HILDEGAERSBERCH tot de poëten
van lager orde. Hij zelf is zich daarvan wel bewust geweest[22]. Doch
schoonheid is niet het eenige wat een literair werk van vroegeren tijd
belangrijk maakt voor den geschiedschrijver. Naast de schoonheid staat
het karakter. Dat POTTER'S werk karakteristiek is als type van de poëzie
zijner eeuw, zagen wij reeds vroeger. En er is meer te noemen. Een
Hollandsch edelman die voor zijn pleizier, zij het ook met de
bijbedoeling om nuttige leering te geven, verzen schrijft over
wereldsche minne, is een type dat wij tot dusver niet ontmoet hebben;
als zoodanig staat hij tegenover den beroepsdichter HILDEGAERSBERCH en
kondigt hij, ook als verteller, den Zeeuw CATS aan[23].

Opmerkelijk is in dezen Hollandschen edelman die wel gevoel blijkt te
hebben voor hoofschen vrouwendienst, de democratische gezindheid waarin
hij kunsten en wetenschappen verheft als het middel waardoor de arme den
rijke kan evenaren en overtreffen. Opmerkelijk ook het gevoel van
onafhankelijkheid tegenover zijn publiek--zoo geheel anders dan bij
HILDEGAERSBERCH en andere sprekers en dichters--dat hem in den aanvang
van zijn Derde Boek doet zeggen: wie wil pogen in zijne geschriften
allen te behagen, die moet vroeg opstaan! Hij is niet van plan zich
daarover druk te maken, hij wil dichten naar zijn eigen zin, en, zoo
vervolgt hij:

  Ist dat ic yet scrive hier in,
  Dat den enen of oec den anderen
  Niet en ghenoecht, die mach gaen wanderen
  Ende latent anderen luden lezen[24].

Die zelfbewuste onafhankelijkheid van geest is in dezen
vertegenwoordiger der veertiende eeuw eene flauwe voorafschaduwing van
later tijden. Dienzelfden indruk geven ons een paar andere trekken van
zijn werk en zijne persoonlijkheid. Flauwtjes klinkt ons uit de verte
het bellengerinkel van STULTITIA'S narrenkap in het oor, waar wij in _De
Bloem der Deugden_ lezen: "Mer, god betert, ic duchte die ghecheit vele
meer scolieren ende naevolgers heeft dan die wijsheit"[25].

ERASMUS, de schrijver der _Laus Stultitiae_, doet ons denken aan Italië.
POTTER is, voorzoover wij weten, de eerste Nederlandsche dichter die
Italië heeft bezocht. Langer dan een jaar is hij er gebleven, doch dat
verblijf schijnt weinig of geen invloed te hebben geoefend op zijne
ontwikkeling. Of hij Italiaansch heeft gekend, mag betwijfeld worden. In
allen gevalle maakt hij met geen enkel woord gewag van de Italiaansche
literatuur, en toch waren DANTE, PETRARCA en BOCCACCIO reeds eenigen
tijd geleden gestorven en verbreidde hun roem zich al verder. Ook van
den invloed der Renaissance, wier profeet PETRARCA was geweest, is in
POTTER'S werk niets te bespeuren. Of wil men als zoodanig de vermelding
van een paar groote oude steenen laten gelden[26]? Maar wat dan nog?

De ongunstige indruk dien POTTER van de Italianen kreeg, zal hem niet
hebben opgewekt, nader kennis te maken met hun taal en hun kunst. "Ter
wereld is geen vuiler volk", zegt hij in zijn _Minnen Loop_; die vuile
honden leven in allerlei zonde; vrouwen slaan, daar stellen zij eene eer
in; schelden kunnen zij, "maer sy en willen niet ten zwaerde";
hebzuchtig, onbetrouwbaar, verraderlijke gifmengers, leugenaars,
roovers--dat zijn zij. Maar de vrouwen zijn de "schoonste creaturen die
men kan vinden". Ook hun aangeboren spotlust heeft POTTER blijkbaar
geërgerd. Het zou mij niet verwonderen, indien de Italianen met wie hij
in kennis is gekomen, zich vroolijk hebben gemaakt over zijn Hollandsch.
Immers nog in de _Bloem der Deugden_ acht hij het noodig te verdedigen
dat "een yeghelijc sprect nae sijns lants taele"; en "daerom so sijnt in
den iersten dwase ende ongheleert die eenen anderen bespotten om sijnre
talen die hem van sijns lants weghen aengheboeren is"[27].

Trouwens, ook de Henegouwers, Franschen of Vlamingen onder wie zijne
zendingen als grafelijk secretaris hem brachten, kunnen zich over zijn
Hollandsch vroolijk hebben gemaakt. En ook dezen kan zijne ergernis
gelden; want, overtuigd van de voortreffelijkheid van eigen volk, heeft
hij het op andere volken niet begrepen. De goeden in het Duutsche land
hebben volgens POTTER het monopolie van de goede reine minne; Lombarden,
Engelschen en Walen hebben daar over het algemeen geen begrip van;
enkelen mogen er zijn, maar dan zeker niet over de bergen. Ook in zijn
later leven was hij er nog steeds van overtuigd, dat men de meeste
ijdelheid en "onnutte glorie" vindt in de Waalsche landen[28].

POTTER'S gevoel en smaak waren nog niet zóó ontwikkeld, dat de kunst der
Oudheid een indruk op hem kon maken, sterk genoeg om hem te dwingen tot
eene uiting van eenige beteekenis. Zijne eenzijdige en benepen
beschouwing van het Italiaansche volk zal hem hebben weerhouden van eene
kennismaking met hun taal en hun literatuur. CHAUCER die, eveneens met
eene zending naar Italië belast, een jaar te Genua en Florence
vertoefde, deed anders: hij kocht handschriften der werken van DANTE,
PETRARCA, BOCCACCIO, bestudeerde die en bracht langs die nieuwe baan
zijn eigen kunst tot hooger ontwikkeling.

POTTER'S nationaliteitsgevoel was nog van dat enghartige soort, dat zich
openbaart vooral in overmatige verheffing van het eigen volk en in
vijandige gezindheid tegenover andere volken. In beide opzichten was hij
een type van zijn volk[29]. Dat volk moest nog een aanzienlijk deel van
de baan zijner ontwikkeling afleggen, eer de herboren Oudheid haar
invloed ook in deze landen kon doen gevoelen, eer het
nationaliteitsgevoel ruimer en sterker kon worden. Op dat deel harer
baan zullen wij de ontwikkeling dezer volken nu gaan volgen.



AANTEEKENINGEN


[1] Al het wetenswaardige omtrent POTTER, dat wij voor een deel aan het
onderzoek van Mr. L.PH.C. VAN DEN BERGH te danken hebben, medegedeeld in
LEENDERTZ' uitgave van _Der Minnen Loep_. Vgl. ook het degelijk
overzicht in TE WINKEL'S boek, bl. 497 vlgg. BUSKEN HUET heeft in _Het
Land van Rembrand_ menige aardige of geestige opmerking over POTTER en
_der Minnen Loop_ ten beste gegeven. Doch al is Dr. TE WINKEL'S oordeel
over HUET'S tekortkomingen in dezen te hard--wie het om historische
waarheid, om billijkheid en juistheid te doen is, moet niet uit het oog
verliezen, dat ook in _Het Land van Rembrand_ de schrijver der
_Literaire Fantasieën_ aan het woord is.

[2] Den juisten tijd bepalen, waarin dit werk geschreven werd, is niet
gemakkelijk. Uit _Der Minnen Loop_ zou men opmaken, dat POTTER reeds een
man van zekeren leeftijd was, toen hij het schreef. Vgl. plaatsen als I,
73: "vesper is over langhe gheluut"; I, 949; II, 2465; II, 4137. Maar in
zijn tweede werk _Bloeme der Deugden_, spreekt P. van _Der Minnen Loop_
als van "een boec dat ic in jongen tijden maecte te Rome."

[3] I, 169; II, 2394.

[4] Vgl. I, 133, 879, 1248, 1663, 3011; II, 2053, 2079, 4246; I, 2091,
2372, 3025; III, 1104; I, 1841.

[5] De plaatsen over lectuur: I, 47, 63, 120; II, 2239; IV, 1335. De
opsomming der onderscheidene verhalen en hunner bronnen bij TE WINKEL,
bl. 508 vlgg.

De vermelding van NEIDHART VON REUENTAL vindt men in _Der Minnen Loop_,
II, 705-6. De stof van het verhaal van den Spaanschen schildknaap, die
TE WINKEL niet kan thuisbrengen, is dezelfde als die der boerde
opgenomen in _Van Vrouwen ende van Minne_, no. II (Inl. XVI).

[6] II, 560, 1430; IV, 2276.

[7] II, 2107 vlgg.; IV, 175; I, 88 vlgg.; III, 418 vlgg.; IV, 2315 vlgg.

[8] I, 253 vlgg.; II, 71 vlgg.; IV, 1131; II, 2395 vlgg.; II, 1817-'18;
IV, 38 vlgg.; 1839-'42.

[9] II, 665-704; 1204; I, 1329 vlgg.; 1390, 2621-2; III, 191; IV, 1089
vlgg.

[10] I, 1225-'30; 2700 vlgg.

[11] I, 459-460; 718, 901, 1079 (en pass.); II, 404; I, 1865 vlgg.; I,
3116-'7, 3129-'30; II, 1798-1810; 2805; III, 1257 vlgg.; IV, 365-386,
612 vlgg.

[12] I, 1280 vlgg.; 585-6, 613-614, 1379-'80; IV, 1005-'6; I, 3207-'9;
II, 815-'6; 3894-'6.

[13] I, 736 vlgg.

[14] II, 297 vlgg.

[15] II, 1299-1315. Vgl. ook nog: II, 1014; 1172-'6; 2287-'9; ik geef
slechts staaltjes, hoewel, naar ik meen, van het beste.

[16] Dit werk is eerst onlangs ontdekt en, op uiterst gebrekkige wijze,
uitgegeven door FR.P. STEPHANUS SCHOUTENS, Minderbroeder, onder den
titel _Dat Bouck der Bloemen_ (Hoogstraten, L. VAN HOOF--ROELANS, 1904).
Dat dit werk van POTTER is, kan niet betwijfeld worden door iemand die
met een weinig kennis van zaken de eerste bladzijden (7-12) leest en dan
let o.a. op de vermelding van het ambt door den auteur bekleed (de
"yseren roede" vgl. _M. Loop_, I, 78-79), op het "boec van wer(l)tlijker
minnen" dat hij "in jonghen tijden maecte te rome", op alle in _Der
Minnen Loop_ voorkomende verhalen die hier als de inhoud van dat boek
worden genoemd. De "lieve soon", voor wien het boek werd gemaakt, zal
misschien GERRIT POTTER VAN DER LOO zijn geweest over wien wij reeds
spraken en die zich bekend heeft gemaakt als vertaler der kroniek van
Froissard.

[17] Vgl. bl. 9, 54, 97.

[18] Bl. 35-36.

[19] Bl. 9.

[20] Bl. 79.

[21] Vgl. b.v. bl. 10, 31 (_wreetheit_), bl. 85 (_gierigheid_) en
passim.

[22] Vgl. I, 36; II, 619; III, 1025.

[23] I, 66; II, 636.

[24] I, 1-25; III, 1-17.

[25] Bl. 44.

[26] I, 2613; II, 3207.

[27] _Der Minnen Loop_, III, 98 vlgg.; _Bl. der Deugden_, bl. 43.

[28] _M. Loop_, II, 721 vlgg.; _Bl. der Deugden_, bl. 101.

[29] Dat een enkel schilder als HUBERT VAN EYCK reeds in dezen tijd
_Giotto_ schijnt te hebben bestudeerd, kan deze bewering niet
ontzenuwen.



ALPHABETISCH REGISTER[*].

[*] Alle namen van dicht- en prozawerken zijn cursief gedrukt.

A.

_Aechte (Van Sente)_, I, 137-138.
_Aiol_, I, 94, 97, 100.
_Alexander den Groote (Leven van)_, I, 362.
_Alexander_, I, 230-235, 239.
Alpertus' _De diversitate temporum_, I, 22.
_Amadas en IJdoine_, I, 112.
_Amand (Leven van Sint)_, I, 349-351.
_Amand (Leven van S.)_ Latijn, I, 17.
_Anno-lied_, I, 21.
_Ansfried (Loflied op bisschop)_ Latijn, I, 20.
_Artur's dood_, I, 109.
_Aubri de Borgengoen_, I, 95, 97, 98.
Augustijnken van Dordt, I, 497, 515, 516.

B.

_Baerte metten breden voeten_, I, 337-8.
_Beatrijs (Van)_, I, 353 vlgg. 518.
_Becoringhen (Van den vier)_, I, 382 vlgg.
_Beghinen (Van den twaelf)_, I, 382 vlgg.
_Beovulf_, I, 10.
Bernlef, I, 5.
Bertelmeeus van Delf, I, 515.
_Bestiaris_, I, 186.
_Bestiaris (van minnen)_, I, 185.
_Biechten (Boec der)_, I, 138.
_Biën Boeck (der)_, 225 vlgg.
_Bloeme der Doechden_, I, 565 vlgg.
Boendale (Jan), I, 427 vlgg. 517-518, 524, 527-'31.
_Boerde (de eerste)_, I, 189.
_Boerden_, I, 455 vlgg.
_Boerden en Sproken_, I, 504 vlgg.
_Bonifacius (Leven van S.)_ Latijn, I, 18.
Boudewijn van der Loren, I, 497, 515, 520.
_Brandaen (Van Sinte)_, I, 53.

C.

Chaucer, I, 504, 570.
_Chierheit der geesteleker Brulocht_, I, 382-3.

D.

Daem van IJsselsteyn, I, 515.
_Disputatie van den Cruce_, I, 245 vlgg.
_Disticha Catonis_, I, 184.
_Doctrinael (Dietsche)_, I, 423 vlgg.
_Doctrinael (Nieuwe)_, I, 334; 423 vlgg.
_Doctrinael savage_, I, 436.
_Dogheden (Van den twaelf)_, I, 382 vlgg.
_Doon de Mayence_, I, 96, 97.
_Drievoudichede (Van der)_, I, 245 vlgg.

E.

Eckhart, I, 365 vlgg.
_Edewaert (Van den derden)_, I, 313, 427.
Egidius, I 520.
_Eneïde_, I 38.
Erasmus, I, 568.
_Esopet_ ("favele" van Esopus), I, 187, 193.
_Eustaesse (van sente)_, I, 137-138.

F.

_Fierabras_, I, 97.
_Flandrijs_, I, 306-7.
_Floris en Blancefloer_ (Limburgsche bewerking), I, 34.
_Floris en Blancefloer (van Diederic van Assenede)_, I, 111-112, 116, 117.
_Flovent_, I, 91, 97.
_Foulque de Candie_, I, 97.
_Franciscus Leven (Sinte)_, I, 231, 244.
Froissart (Vertaling van Kroniek), I, 332.
_Ferguut_, I, 110-111, 113-115, 118.

G.

_Galbertus (Kroniek van)_, I, 23.
Geraert (Heer), I, 313.
_Geraert van Viane_, I, 93, 97, 98.
_Ghelove (Van den Kerstenen)_, I, 382 vlgg.
Gielys van Molhem, I, 139.
Gielijs van Trecht, I, 514.
Godekijn van Tricht, I, 515.
Gillis de Wevel, I, 305, 518.
Graal (de heilige), I, 108-109.
_Graalqueste_, I, 109, 110.
_Grale (Historie van den)_, I, 236.
_Grimbergsche Oorlog_, I, 295, 341-2.
_Gudrun_, I, 10.
_Gwidekijn van Sassen_, I, 96, 97.

H.

Hadewych, I, 150, 155, 156 vlgg.
Heelu (Jan van), I, 304.
_Heemskinderen_, I, 89, 91, 93, 97, 98.
_Heimelijkheid der Heimelijkheden_, I, 254.
_Heimelicheit (Der Vrouwen)_, I, 421.
_Heimelicheit (Der Mannen ende der Vrouwen)_, I, 421.
Heyn van Aken, I, 298.
Heinrec, I, 139 (vgl. _Rinclus_).
Heinric van Hollant, I, 519.
Herman de Spreker, I, 515.
Hese (Reisverhaal van Joannes Witte de), I, 363.
Hillegaertsberch (Willem van), I, 328, 333, 345.
Hopezomer, I, 512, 516, 533.
_Horologium aeternae sapientiae_, I, 369.
_Houte (Dboec van den)_, I, 352, 361.
_Huge van Bordeeus_, I, 338 vlgg.
_Hughe van Tabaryen_, I, 299.

I. J.

Jan I van Brabant, I, 221.
Jan Bot, I, 522.
Jan Dyllen, I, 513.
Jan van Sente Gheerdenberghe, I, 515.
Jan van Hulst, I, 520.
Jan metter Huven, I, 514.
Jan van Lier, I, 514.
Jan van Machelen, I, 515.
Jan Praet, I, 437 vlgg.
Jan van Vlaerdinghen, I, 512, 515.
Jan de Weert, I, 334, 423, 435, 518.
Jannes den Coster, I, 515.
_Jonitas en Rosafiere (Van)_, I, 353 vlgg.
Jonchere van der Minnen, I, 515.

K.

Calfstaf, I, 187.
_Karel en Elegast_, I, 101.
_Karel en Galie_, I, 97.
_Carmen allegoricum (S. Suitbert)_, I, 18.
_Cassamus_, I, 337-9, 344.

_Caterine (Van sente)_, I, 137-138.
_Kerstine (Leven van Sinte)_, I, 350-1.
_Claghe (der Kerken)_, I, 257.
_Clara (Leven van Sinte)_, I, 231.
_Clausule van der Bible_, I, 245 vlgg.
Colpaert, I, 515.
_Couchi (Van den borchgrave van)_, I, 338 vlgg. 347.
_Cracht der Mane_, I, 421.
_Kruis (Van het heilige)_, I, 13, 352-3.
_Kunera (Van Sinte)_, I, 350, 361.

L.

Lambert van Waterloos, I, 225.
_Lancelot_, I, 106, 109, 110, 113, 296, 306.
_Lande van Overzee (Van den)_, I, 259.
_Lebuïnus (Ecloga op S.)_, I, 18.
_Leec_ (geestelijk lied), I, 223.
_Leek (Geschrift van den onbekenden)_, I, 375.
_Levene ons Heren (Van den)_, I, 132-137.
Leeuwen (Jan van), I, 368, 377.
_Limborch (Roman van)_, I, 301.
_Lorreinen_, I, 89, 94, 97, 98.
Lodewijk van Vaelbeke, I, 519, 534.
Loy Latewaert, I, 519.
_Loyhier ende Malaert_, I, 337-8.
_Lucidarius (Dietsche)_, I, 422.
_Leven van Ludger_ (Latijn), I, 18.
_Lutgart (Leven van Sinte)_ door broeder Gheraert, I, 350.
_Lutgart (Leven van Sinte)_ door Willem van Afflighem, I, 149-155.

M.

_Machteldis visioenen (Van)_ I, 374, 441.
_Madocs droom_, I, 112.
_Malegijs_, I, 338 vlgg.
_Marie Egyptiake (Van sente)_, I, 137-138.
_Maartensliedjes (Sint)_, I, 227.
_Martijn (Vierde)_, I, 267.
_Martijns-zangen_, I, 249 vlgg.; 267.
Meeus van Dordt, I, 515.
_Meliboeus_, I, 435, 451.
_Merlijn_, I, 230, 236-238.
_Minnen Loop (Der)_, I, 553 vlgg.
_Missen (Bediedenisse der)_, I, 422.
_Moriaen_, I, 118-119.

N.

_Naturen Bloeme (der)_, I, 231, 254-6.
Nederlant, I, 311-2.
Neidhart von Reuental, I, 555, 571.
_Nibelungen-lied_ (Dietsche vertaling), I, 45.
Noydekijn, I, 187.
"_Nu zijt wellecome_", I, 223.

O.

_Octaviaan_, I, 112.
_Ogier_, I, 338 vlgg.
_Oranje (Willem van)_, I, 90, 92, 97.
Otto van Orleien, I, 519.

P.

_Partonopeüs en Melior_, I, 111-112, 115-116, 118.
_Passionael_, I, 408.
Peter Vreugdegaer, I, 515.
_Plaghen (Die X)_, I, 423.
_Percevael_, I, 109, 113.

R.

_Ragisel (Wrake van)_, I, 109.
_Reinaerde (Van den Vos)_, I, 193.
_Reinaert II_, I, 440-449.
_Ridder metter mouwen_, I, 109.
_Ridder metten Zwane_, I, 337-9.
_Rike der Ghelieven_, I, 382 vlgg.
_Rinclus_, I, 139-141.
_Roelants-lied_, I, 89, 90, 92, 97.
_Rogiere (Disputacie van--ende van Janne)_, I, 435.
_Roos (Roman van de)_, I, 299.
Ruusbroec, I, 371, 379.
_Rijmbijbel_ (Maerlant's), I, 231, 243.

S.

_Scivias_, I, 143.
_Seghelijn van Jerusalem_, I, 338 vlgg.
_Seneka leren_, I, 436.
_Sermoenen (Limburgsche)_, I, 371.
_Sinte Servatius' Legende_, I, 36.
Snelryem de spreker, I, 515.
_Sobrietate (De)_, I, 18.
_Spaengen (Olivier van)_, I, 318, noot 5.
_Spieghel Historiael_, I, 231, 255-6.
_Spiegel (der Leken)_, I, 427.
_Spieghel der ewigher Salicheit_, I, 382 vlgg.
_Spiegel der Zonden_, I, 334, 423 vlgg.
_Sproken_, I, 456 vlgg.
Stoke (Melis), I, 307-310, 317.
Suso, I, 369.

T.

_Tabernacule (Van den gheestelijken)_, I, 382 vlgg.
Tauler, I, 371.
_Oude Testament (Eerste vertaling van het)_, I, 408.
_Teestye_ (Jans), I, 325-327, 429.
_Theophilus (Van)_, I, 353 vlgg.; 361.
Thomas van Cantimpré, I, 149.
_Tondalus (Visioen van)_, I, 361.
_Torec_, I, 230, 238-239.
_Tractaet van seven sloten_, I, 382 vlgg.
_Trappen (Van Seven)_, I, 382 vlgg.
_Tristan en Isolde_, I, 112.
_Troyen_, I, 105, 230, 235-236, 240.

U.

Willem Utenhove, I, 186.

V.

_Vaghevier (Van S. Patricius')_, I, 351-2.
_Valentijn en Nameloos_, I, 338 vlgg.
Heinric van Veldeke, I, 34.
Veldeke's _Minneliederen_, I, 41.
Velthem (Lodewijk van), I, 305-6.
_Vergy (Borchgravinne van)_, I, 337-9, 344.
_Versus de hirundine_, I, 18.
_Vingherlinc_, I, 382 vlgg.
_Vitae patrum_, I, 362.
_Vroeden (Van den VII... binnen Rome)_ (gedicht), I, 190.
_Vrouden (Van den vijf)_, I, 245 vlgg.

W.

_Walewein_, I, 119-121.
_Walewein-boek,_ I, 109.
_Boek der Waarheid_ (Suso), I, 369.
_Waerheit (Boec vander hoechster)_, I, 382 vlgg.
_Waerneer (Van sente)_, I, 137-138.
Willem van Afflighem, I, 150.
_Wraken (Boec van der)_, I, 422, 451.
_Wrake (Van onses Heren)_, I, 139.
_Wisselau (Van den bere)_, I, 48.
_Woeringen (Slag bij)_, I, 303.
_Wonden (Van ons Heren)_, I, 245 vlgg.
_Wychliederen_, I, 223

Y.

_Yeesten (Brabantsche)_, I, 427.
_Ysengrimus_, I, 24.
_Ystoriën (Der--Bloeme)_, I, 349.

Z.

_Zalichede (Leeringhe der)_, I, 437 vlgg.
_Zeden (Bouc van)_, I, 436.
_Zeden (Van)_, I, 436.
_Zwaanridder-sage_, I, 11.





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home