Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Reizen en vechten in het Zuiden van de Philippijnen - De Aarde en haar Volken, 1908
Author: Kann, Reginald
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.


*** Start of this LibraryBlog Digital Book "Reizen en vechten in het Zuiden van de Philippijnen - De Aarde en haar Volken, 1908" ***


Reizen en vechten in het Zuiden van de Philippijnen.

Naar het Fransch van _Reginald Kann_.



Ik kwam op het eind van Januari 1906 te Manilla met het plan, de
organisatie der inlandsche troepen te bestudeeren, die de Amerikanen
op de Philippijnen hadden gevormd. Ik stelde mij voor, mij dadelijk
in verbinding te stellen met den militairen gouverneur, ten einde
de inlichtingen te verkrijgen, die ik bij mijn onderzoek noodig had;
maar ik vernam, dat de commandant van het bezettingscorps op het punt
stond zich in te schepen, om naar de Vereenigde Staten te vertrekken
en dat zijn opvolger, generaal Wood, eerst over veertien dagen of
drie weken zou aankomen, om hem te vervangen. Ik was dus verplicht
al wachtend, den steun in te roepen van de civiele autoriteiten.

Het burgerlijk bestuur van den Archipel is sedert April 1900
geconstitueerd door een commissie, bestaande uit acht leden, van wie
vijf Amerikanen en drie Philippino's zijn. Die commissie is belast
met het ontwerpen van wetten en moest, nadat ze door het Congres van
Washington bekrachtigd waren, de wetten van kracht doen zijn en voor de
naleving waken; met dat doel is aan de vijf amerikaansche leden, boven
en behalve hun wetgevende macht, ook ministeriëel gezag toegekend.

Op die wijze zijn in het leven geroepen de departementen van
Binnenlandsche Zaken, van Handel, en Politie, van Openbaar Onderwijs en
van Justitie en Financiën; de vijfde amerikaansche commissaris neemt
den titel aan van gouverneur-generaal zonder bepaald aangewezen
functies. Deze organisatie, met de opeenhooping van macht, is
mogelijk geworden door de zeer uitgebreide prerogatieven, gegund aan
de provinciale gouverneurs, die met de commissie in betrekking staan
door tusschenkomst van den Uitvoerenden Secretaris. Tot dien ambtenaar
wendde ik mij met een schrijven van den franschen consul, waarbij
mij op het hart werd gedrukt, geen misbruik te maken van des heeren
Fergusson's tijd, daar hij de meest bezette man was op de Philippijnen.

De echt amerikaansche manier, waarop de heer Fergusson audiëntie
verleent, de juistheid, waarmee hij zijn ondervrager op de hoogte
brengt van hetgeen deze verlangt te weten, vergunt mij te zeggen,
dat als niemand het drukker heeft dan hij in den Archipel, ook niemand
actiever en practischer en beter ingelicht is.

Ik begaf mij rechtstreeks van het consulaat naar het paleis van de
Ayuntamiento, waar de leden van de regeering zetelen. De portier
deelde mij mee, dat de heer Fergusson aanwezig was en dat zijn
kantoor zich op de eerste verdieping bevond. Ik ging naar boven,
maar zocht te vergeefs naar een bediende of zelfs een jongen, wien ik
mijn kaartje ter hand kon stellen en den brief van den consul, om een
audiëntie aan te vragen. Ik dwaalde lang in een doolhof van gangen en
vond ten slotte een half openstaande deur met het opschrift erboven:
"Executive Secretary".

Er kwam een geluid van stemmen uit het vertrek. Na eenige aarzeling
klopte ik meermalen aan de deur, en daar ik in het geheel geen
antwoord kreeg, besloot ik binnen te treden. Er was in de kamer als
eenig ameublement een rij stoelen, bezet door verscheiden bezoekers,
Amerikanen en Philippino's, en een lessenaar, waarachter de heer
Fergusson was gezeten. Zonder het woord tot mij te richten, gaf
hij mij een wenk, om te gaan zitten naast de andere personen, wier
verzoeken hij met een paar woorden afdeed, terwijl hij met eenzelfde
gemak Engelsch als Spaansch sprak.

Toen mijn beurt kwam, nam hij kennis van den brief, die mij bij
hem introduceerde, en verzekerde mij daarna in vriendelijke woorden
en even vrij van étiquette als zijn ontvangst was geweest, dat hij
alles, wat hem mogelijk, zou doen, om mij de vervulling van mijn taak
gemakkelijk te maken. "De eenige man, die u werkelijk van dienst kan
zijn", voegde hij erbij, "is generaal Wood, die op het oogenblik in het
Zuiden is. Ik raad u aan, hem hier af te wachten, want als u hem gingt
zoeken, zoudt u gevaar hebben, hem mis te loopen. Wat onze inlandsche
troepen aangaat, die bestaan zoowel uit geregelde troepen, die wij
'native scouts' of nationale verkenners noemen, als uit een militie,
de constabulary, die, hoewel op militaire manier georganiseerd,
onder de burgerlijke regeering staat en dus aan de Commissie moet
gehoorzamen. Ik zal u dadelijk een paar woorden van introductie aan
den kapitein meegeven en voor enkele andere ambtenaren, tot wie u
zich met goed gevolg zult kunnen richten."

Zoo gezegd, zoo gedaan; de heer Fergusson riep een klerk, die onder
zijn dictée stenografeerde. Daarna leidde hij mij voor een groote
kaart van den Archipel, welke kaart met enkele reclamebiljetten van
scheepvaartmaatschappijen de eenige wandversiering van de zaal was,
en zei:

"Als u onze inlandsche troepen wilt bestudeeren, schijnt het mij
noodig, dat u zich vooraf eenigszins op de hoogte stelt van de
verschillende volksstammen, die de eilanden bewonen, van den algemeenen
toestand van het land en van de staatkunde, die wij volgen ten opzichte
van de onder ons bestuur gekomen menschen. Ik zal u terstond doen
toekomen het werk, dat drie jaar geleden geschreven is door het hoofd
van den dienst der volkstelling naar aanleiding van zijn werkzaamheden,
alsook de rapporten, die wij jaarlijks naar Washington zenden. Dat
zal u helpen, de avonden te slijten, want wij hebben hier nog geen
vermaken, geen schouwburg, noch music hall. Intusschen zal ik even
in een paar woorden voor u samenvatten, wat u meer in bijzonderheden
zult kunnen lezen in de geschriften, die ik u noemde.

"Wij verdeelen de bevolking van de Philippijnen in drie algemeene
groepen naar hun godsdienst. Vooreerst de heidenen, inboorlingen, die
in de bergstreken wonen, waar de werkzaamheid der spaansche zendelingen
hen niet heeft bereikt. Ofschoon de verschillende stammen vaak met
elkaar in onderlingen strijd zijn, vallen ze de hooger staande rassen
niet aan en hebben nooit reden van bezorgdheid gegeven, noch aan
de Spanjaarden, noch aan ons. Het zijn in den vollen zin des woords
barbaren, en men heeft ze zelfs wel beschuldigd van menscheneten. Wij
beginnen nog pas, ons met hen te bemoeien, door een paar scholen op
te richten, die tot nu toe maar poovere resultaten hebben opgeleverd.

"De tweede groep is die der Mohammedanen, die het Zuidwesten van
den Archipel bewonen, waar vele districten zijn samengevoegd tot wat
wij de Moro-provincie noemen, een streek, die aan een afzonderlijk
bestuur is onderworpen, dat onder de militaire autoriteiten staat en
waar generaal Wood het bevel voert.

"Eindelijk de groote meerderheid der inlandsche bevolking, meer dan
negen tienden, bestaande uit de christenen, Maleiers, als de Moro's,
maar vermengd met spaansch of chineesch bloed.

"In de steden vindt men bijna niet anders dan zulke kleurlingen,
en daar vertoont dan ook de christelijke bevolking alle tinten, waar
de menschenhuid voor vatbaar is, en alle beschavingen ook. Naast den
blanke, die nauwelijks aan de nagels nog laat zien, dat er gemengd
bloed door zijn aderen stroomt, die voor rechtsgeleerde of geneesheer
is opgeleid aan een europeesche universiteit, zult u den bergbewoner
vinden, die een afgod bezit, beschermer van zijn dorp, en aan dien
god menschen ten offer brengt.

"Zoo is het volk, dat wij geroepen zijn te bestudeeren, zoo
ingewikkeld, dat alle bestuursmaatregelen tot bezwaren aanleiding
geven en zeer moeilijk zijn toe te passen".

Daar de brieven, die mijn beminnelijke vraagbaak voor mij had
gedicteerd, inmiddels in het net overgeschreven, waren binnengebracht,
nam ik afscheid, om te gaan kennis maken met degenen, tot wie ze
waren gericht. Toen ik een uur later in mijn hotel kwam, vond ik er
de twaalf deelen, beloofd door den heer Fergusson, reeds wachtend op
mijn schrijftafel.

Ik verdeelde nu verder mijn tijd tusschen het lezen van die documenten,
de studie van de organisatie van de constabulary in het hoofdkwartier
van Binondo, en het bezoek aan Manilla en de omstreken.

Manilla is geen stad in den eigenlijken zin des woords, maar de
vereeniging van verschillende neerzettingen langs de zee en de
rivier de Pasig. Eerst ligt boven de monding aan den zuidelijken
oever de oude spaansche stad, omringd door een wal met bastions en
een gracht, die thans gedempt wordt ten behoeve van den algemeenen
gezondheidstoestand. De oude esplanade, die zeer uitgestrekt is,
werd gedeeltelijk in een bescheiden Botanischen Tuin herschapen, niet
te vergelijken met die der andere steden aan de Chineesche Zee. De
open ruimte aan zee aan den voet der wallen wordt ingenomen door een
groote grasvlakte, waar twee muziekkiosken staan, enkele lantaarns
met booglampen en houten rustbanken. Het is de Luneta, de beroemde
promenade van Manilla, waar de met wapens in de hand gevangen genomen
opstandelingen zijn terechtgesteld. Achter de Luneta vindt men de
aangename nieuwe wijken Ermita en Malate, waar in vrij goede villa's
de hooge ambtenaren en rijke kooplieden wonen.

De rechteroever van de Pasig loopt langs de handelswijk, in haar
geheele lengte doorsneden door een groote straat, de Escolta, die
voor Manilla is wat het Strand voor Londen, en de Avenue de l'Opéra
voor Parijs is. Daarna volgt de chineesche wijk Binondo. Eindelijk
breidt zich rondom deze kern, waar alleen vreemdelingen en rijke
Philippino's wonen, een breede kring uit van inlandsche dorpen, een
waar woud van hutten van bamboes, op palen gebouwd en met nipabladeren
gedekt, het riet uit dit land. Het aantal inwoners van de heele stad
is meer dan 200 000.

Manilla bezit weinig belangwekkende bouwwerken buiten een massa zeer
oude kerken van een bijzonder stevigen bouwtrant, omdat ze bestemd
waren om weerstand te moeten bieden aan de hevige aardbevingen,
die het eiland Luzon herhaaldelijk teisteren. Eenige ervan hebben
houten en bronzen versiering van beeldhouwwerk, maar de versiering is
zoowel binnen als buiten de kerk armoedig en van slechten smaak. De
eenige curiositeiten van de stad, die waard zijn bezocht te worden,
zijn het kerkhof van Paco en de gevangenis van Bilibid.

Het Pacokerkhof wordt alleen gebruikt voor de klasse der rijken;
het aantal dooden, dat er wordt toegelaten, is zeer beperkt en
de huur van de nissen van het columbarium is verbazend hoog. Daar
iedere familie, die zich respecteert, aan haar leden om haren rang
op te houden, althans tijdelijk een graf op het kerkhof van Paco moet
verzekeren, worden de lijken er voor een bepaalden tijd heengebracht,
waarvan de duur afhangt van de geldmiddelen der bloedverwanten
van den overledene. Als de familie ophoudt met het betalen van de
maandelijksche bijdragen, worden de lijken opgegraven en opeengehoopt
in een gemetselde gang, die rondom het kerkhof loopt en die de
deposito wordt genoemd. Daar de lijken daar dikwijls reeds eenige
weken na den dood worden heengebracht, wordt die doodengang, vooral in
een tijd van epidemieën, veranderd in een waar lijkenhuis in de open
lucht, dat zeer veel gevaar voor de levenden oplevert. De Amerikanen
hebben gepoogd, het gebruik van de deposito tegen te gaan, maar ze
moesten dat plan laten varen om de tegenwerpingen van de bewoners,
die weigerden afstand te doen van de gewoonte hunner voorvaderen.

De gevangenis van Bilibid, die ruim is en weelderig ingericht, is
tegelijk voor blanke en inlandsche veroordeelden in gebruik. Evenals op
het kerkhof van Paco, leveren de hoogere klassen van de bevolking een
groot deel van de tijdelijke bewoners. Men ontmoet daar, broederlijk
naast elkander, oud-opstandelingengeneraals en amerikaansche ambtenaren
die al te veel hielden van de staatsdollars. Allen dragen de zwart en
grijze jersey van de dwangarbeiders en hun haar is afgeschoren; maar
zelfs in die weinig flatteerende uniform houden ze het prestige van hun
vroegeren rang, en de bewakers spreken tot hen met een zekeren eerbied.

Als iedere tropische stad, en eigenlijk nog meer dan elke andere,
is Manilla het grootste deel van den dag in slaap. Des morgens zijn
alleen de Escolta en de aangrenzende straten een beetje levendig;
alle beweging houdt om elf uur ongeveer op, en de wandelaar, die
door de verlaten straat loopt, heeft een zware stilte om zich heen,
alleen afgebroken door het getik van de schrijfmachines onder de
handen van de amerikaansche klerken, die op hun kantoren zitten te
werken in hemdsmouwen, met een groen schermpje op het voorhoofd. De
bewoners ontrukken zich met moeite aan hun slaapje tegen vier uur
en gaan dan in menigte naar de Luneta, waar duizenden menschen uit
Manilla zich in groepjes op het gras uitspreiden, om het afgebroken
dutje te hervatten, in slaap gewiegd door de tonen van een militair
orkest. Rondom het plein rijden ruiters en met vlugge, kleine poney's
bespannen rijtuigen voortdurend in het rond, als in een draaimolen.

De stad der inlanders is nog doodscher dan die van de
Europeanen. Menschen en dieren rusten er onafgebroken; zelfs de
voertuigen, getrokken door reusachtige buffels, die zwaarder en
langzamer zijn dan kameelen, geven een indruk van slaperigheid en
verdooving. De man uit het volk voegt de luiheid van den Maleier bij
de indolentie vol minachting van den Spanjaard; hij wordt alleen des
Zondags wakker, om 's morgens naar de kerk te gaan en in den namiddag
naar de hanengevechten.

Altijd in Manilla teruggehouden door de mogelijkheid van de terugkomst
van generaal Wood, verliet ik de hoofdstad niet dan enkel voor kleine
uitstapjes van niet langer dan een dag. Het interessantste was dat
naar Malolos, waar ik een bezoek bracht aan eenige officieren, die mij
hadden uitgenoodigd, om hun troep te komen inspecteeren. Malolos,
hoofdstad van de provincie Bulacan, is beroemd geworden door
Aguinaldo, die er in het begin van den opstand de hoofdstad had van
zijn kortstondige republiek.

Men gaat naar die stad met den spoorweg, dat is langs de eenige lijn
die in den Archipel bestaat en die Manilla met Dagupan verbindt aan
de Lingayengolf. Het is merkwaardig, op te merken, dat de Amerikanen,
die de grootste spoorwegondernemers ter wereld zijn, tot nu toe geen
kilometer nieuwen spoorweg op de Philippijnen hebben aangelegd, want
de lijn van Dagupan dateert uit den spaanschen tijd en is door een
engelsche maatschappij uitgevoerd.

In het algemeen zijn de openbare werken van den kant der regeering
volstrekt niet het voorwerp eener aanhoudende zorg geweest, en de
onverschilligheid der Commissie in dit opzicht is een der ernstigste
grieven van de Philippino's tegen de nieuwe meesters, die de taak op
zich hebben genomen, om hen te besturen. Niet enkel is geen spoorweg
aangelegd, maar zelfs het wegennet wordt zeer slecht onderhouden en
weinig uitgebreid, ofschoon dat de voorwaarde is voor de welvaart der
boeren, die hun waren aan de markt moeten brengen en naar de havens van
uitvoer. De inboorlingen klagen ook over de zelfzucht der gezaghebbers
uit Amerika in het verdeelen der middelen van gemeenschap, als ze die
een enkele maal in het leven roepen. Bijna altijd komen de ondernomen
werken slechts aan de amerikanen zelf ten goede en strekken in geringe
mate ten voordeele van de massa der bevolking.

Dat is bij voorbeeld het geval met de talrijke wegen, die de
garnizoenen uit het binnenland in gemeenschap stellen met de
aanlegplaatsen aan de kust. Men kan eveneens als voorbeeld wijzen op
den met groote kosten aangelegden spoorweg in de provincie Benguet,
om toegang te geven tot het hooge plateau van Baguio, waar de
regeering voornemens is, een sanatorium te laten bouwen voor de hooge
burgerlijke ambtenaren en militairen, die in de warmste weken naar
een koeler klimaat moeten gaan. Dit werk heeft het budget der eilanden
bezwaard met niet minder dan 12 millioen francs, en het is zoo slecht
uitgevoerd, dat op sommige punten van den weg de overstroomingen
hem periodiek maken tot een pad, voor rijtuigen onbruikbaar, zoodat
de toeristen verplicht zijn, te paard te reizen en hun bagage per
muildier te laten vervoeren. Op andere wegen van den Archipel heeft
men nog minder schitterende resultaten verkregen.

De strategische weg, die de garnizoenen van Malabang en Parang verbond
en die ook groote uitgaven noodig heeft gemaakt, is geheel door den
plantengroei overweldigd, zoodat er thans geen spoor meer van over is,
en men zich nu niet van den eenen naar den anderen post kan begeven
dan over zee, ofschoon ze maar tien kilometer van elkaar verwijderd
zijn. Die middelmatige resultaten zijn gemakkelijk te begrijpen,
als men zich voor den geest roept, op welke manier de amerikaansche
ingenieurs hun wegen aanleggen op moerassige terreinen. In plaats
van een verhooging aan te brengen op een solieden onderbouw en goten
open te laten voor de afvloeiing van het water, bepalen ze zich er
toe, zoo maar op den grond de ruw bewerkte boomen neer te leggen;
dat noemt men de corduroy. De schokken over den hobbeligen weg zijn
een marteling voor de reizigers, en het duurt gewoonlijk niet lang,
of die boomen zakken in den grond, worden met aarde overdekt, de weg
verdwijnt snel en het werk kan weer van voren af aan beginnen.

Ik was sedert veertien dagen in Manilla, en na de kantoren van de
militaire administratie te hebben bezocht, enkele garnizoenen uit den
omtrek en een aantal kerken, begon ik onder den indruk te komen van
de aanstekelijke loomheid, die iemand overvalt in de hoofdstad der
Philippijnen, toen men mij kwam meedeelen, dat de nieuwe commandant
terug was en mijn bezoek verwachtte op zijn kantoor in het fort
Santiago.

Generaal Leonard Wood is een der voornaamste officieren uit het leger
der Vereenigde Staten en zeker degene, wiens loopbaan het snelst is
gemaakt en over wiens carrière het meest is gesproken. Acht jaar
geleden, vóór den oorlog met Spanje, diende hij als officier van
gezondheid en had nooit een zuiver militaire betrekking bekleed;
maar hij had al de aandacht getrokken door zijn vakkennis en door
onderzoekingsreizen in het Noorden van Mexico. President Mac Kinley
benoemde hem tot geneesheer op het Witte Huis, en daar maakte hij
kennis met een der voornaamste republikeinsche leiders, den heer
Theodoor Roosevelt, den lateren President, wiens vriend hij weldra
werd.

Toen brak de oorlog op Cuba uit. De heer Roosevelt, die er de
voornaamste aanstichter van was geweest, wenschte ook zijn deel te
hebben van de gevaren en van den roem, die de strijd aan zoovelen van
zijn landgenooten bracht, en had het denkbeeld om met zijn vrienden
uit de salons van New-York en van de ranches uit het Verre Westen
een regiment van vrijwilligers te vormen. Op het laatste oogenblik
deinsde hij er voor terug, zelf het commando op zich te nemen, want
hij wist volstrekt niets van militaire quaesties en was niet zeker,
of hij wel de ervaring en de kennis bezat, noodig voor de leiding van
verscheiden escadrons. Bij die gelegenheid dacht hij aan generaal
Wood, die zijn geheele leven in de garnizoenen en in de kampen had
gesleten, en stelde dien aan het hoofd van zijn corps, terwijl hij voor
zichzelven den graad en de bezigheid van luitenant-kolonel bewaarde.

Nauwelijks was de veldtocht begonnen, of de latere president gaf er
zich rekenschap van, dat zijn bezwaren overdreven waren geweest en
hij voelde zich volkomen in staat, zijn mannetjes te leiden zonder
de hulp van wien ook; zoo werd kolonel Wood benoemd tot generaal der
vrijwilligers, terwijl de luitenant kolonel zijn plaats innam als
chef der rough riders.

De militaire operaties tegen de Spanjaarden waren niet van langen duur,
maar weldra had het expeditionnaire corps van Cuba te vechten tegen een
oneindig gevaarlijker vijand, de ongezondheid van het land. De troepen,
die het garnizoen van Santiago vormden, namen in het volle regenseizoen
bezit van de posten en woningen, waarin hun tegenstanders gewoond
hadden gedurende het beleg, en waar de hongersnood en de ontberingen
van allerlei aard vreeselijke epidemieën hadden doen uitbreken. De
gele koorts en de malaria vielen al spoedig de nieuwe bewoners aan;
verschillende generaals werden zelf aangetast en hun jonge kameraad
Wood, die de oudste was, werd geroepen tot den post van gouverneur
der stad. Zijn medische kennis was hem toen tot grooten steun; hij
schreef aan de bevolking en aan de troepen een hygiënische leefwijze
voor, die zeer streng was, waakte met de grootste stiptheid voor de
naleving en wist ten slotte over de bezoeking te triomfeeren.

Intusschen was te Havana de gezondheidstoestand al niet veel beter
dan te Santiago. Generaal Wood werd erheen geroepen in alle haast en
slaagde er daar nog beter in, de ziekte tot staan te brengen dan op
zijn eersten post. Door de hoofdstad van de gele koorts te bevrijden,
verminderde de nieuwe gouverneur niet alleen de sterfte onder
zijn troepen, hij behaalde daardoor ook een schitterend diplomatiek
succes. De bewoners van de hoofdstad van Cuba, bevrijd van de grootste
hunner kwellingen, beschouwden hem als hun weldoener, en de besluiten,
die hij nam in den naam der amerikaansche regeering, werden altijd in
acht genomen. Zijn naam werd over het geheele eiland geëerbiedigd,
en de onderhandelingen van de inboorlingen met de Vereenigde Staten
konden aldus een snel verloop nemen. Toen generaal Wood Havana verliet
na een verblijf van twee en een halfjaar, werd zijn vertrek betreurd
door de geheele bevolking.

In dien tijd had de ex-kolonel Roosevelt Mac Kinley vervangen op
het Witte Huis, en daar volgens de wetgeving der Vereenigde Staten
de president de officieren benoemt naar zijn welgevallen en zonder
de ancienniteit in acht te nemen of den staat van dienst, liet hij
zijn vriend met zijn verkregen graad in het gewone leger overgaan en
verhief hem na korten tijd tot divisie-generaal.

Men kan nagaan, dat zulk een duizelingwekkend snelle carrière,
die in zes jaren een dokter met drie strepen tot divisie-generaal
verhief, weldra belast met het belangrijkste commando van het leger,
veel afgunst heeft gewekt en jaloerschen heeft gemaakt. Maar ieder
is niettemin van oordeel, dat degene, die van die snelle bevordering
heeft geprofiteerd, niet misplaatst is in zijn nieuwe waardigheid. De
machtige vriendschap, die ertoe heeft medegewerkt, den generaal zijn
benoeming te bezorgen, heeft zich in zijn keuze niet vergist. Ik heb
zoo goed als alleen verscheiden dagen met generaal Wood gereisd, en ik
ben verrast geworden door de manier, waarop hij zich op de hoogte heeft
gesteld van alle militaire vraagstukken, ondanks de zoo verschillende
en talrijke werkzaamheden, die hem waren opgedragen sedert zijn intrede
in het eigenlijk gezegde leger. Zijn wetenschappelijke ontwikkeling
vormt een sterke tegenstelling met de onwetenschappelijkheid, de
onwetendheid zelfs der oude kolonels, die achter hem aankomen, en die
veelal niet anders hebben gelezen dan de reglementen der manoeuvres,
terwijl de kunst van oorlogvoeren zich voor hen bepaalt tot eenige
indiaansche krijgslisten, ontleend aan de boeken van Fennimore Cooper
en Gustave Aymard.

Generaal Wood is een man van 45 jaar, vriendelijk, maar koel. Hij vroeg
mij, wat hij voor mij kon doen en wat ik wenschte te zien tijdens
mijn verblijf in den Archipel. Ik antwoordde hem, dat ik de troepen
in de kazerne had waargenomen en op het excercitieveld, dat ik de
organisatie der troepen kende en de manier, waarop ze werden bestuurd
en onderricht, en dat ik, om mij rekenschap te geven van hun militaire
waarde, ze wenschte te volgen in den strijd of tenminste op expeditie.

"Dat vraagstuk is nog al moeilijk op te lossen," antwoordde de
generaal, "want het land is op het oogenblik volkomen tot rust
gebracht. Van den vroegeren opstand zijn alleen een paar rooverbenden
overgebleven, die meestal uit niet meer dan een dozijn personen
bestaan en volstrekt niet interessant zijn, zoodat ik u niet kan
aanraden, die achterna te loopen; dat zou even vermoeiend als weinig
belangwekkend wezen.

"Op het eiland Samar vermoorden groepen pulajana's, dat zijn
godsdienstige dwepers, met bolo's, een soort van messen, gewapend,
hun landgenooten onder godsdienstige voorwendsels, maar die menschen
vluchten, als de soldaten naderen en wagen slechts uiterst zelden
een gevecht. De Moro-provincie, waar ik nu juist het bevel heb
overgedragen, zal u misschien de voor uw reis voordeeligste gelegenheid
bieden. Op dit oogenblik houden de stammen zich rustig, maar u weet,
hoe de Mohammedanen zijn; ze kunnen niet lang weerstand bieden aan
de verzoeking, een christen den hals af te snijden, een bewerking,
die hun het dubbele voordeel oplevert, zich voor deze wereld een
repeteergeweer te verschaffen en voor de toekomst het paradijs.

"Misdaden van dien aard worden altijd gevolgd door de zending van een
colonne met de opdracht, zich van den misdadiger meester te maken,
als het hoofd van den stam hem niet uitlevert. Het spijt mij, dat ik
er niet met opzet een voor u kan uitrusten, maar gaat u daarginder
heen, en als het toeval u gunstig is, zult u mogelijk het een of ander
bijwonen. En dan het is een mooi land, de bewoners zijn interessant,
en het militaire leven van onze troepen, die altijd op hun qui vive
moeten wezen, is minder eentonig dan in de kazernen van Manilla. Op
alle manieren zal uw tijd niet verloren zijn. Een schip moet weldra
naar Zamboanga vertrekken, het middelpunt der provincie Moro, daarop
zal ik een plaats voor u laten reserveeren en ik zal aan de militaire
autoriteiten instructies zenden, waardoor u zich vrij zult kunnen
bewegen en een actiever leven leiden dan hier."

Den dag na dit gesprek zat ik tegen één uur rustig in mijn
hotel te ontbijten, toen een soldaat mij een brief bracht van den
hoofdcommandant; daarin werd mij medegedeeld, dat de stoomboot Sabah
de haven precies om twee uur zou verlaten en dat ik mij daarop moest
inschepen. Daar men niet minder dan drie kwartier noodig heeft,
om van het Bayview-hotel naar de kade voor de militaire inscheping
te komen, hield ik slechts een kwartier over, om een rijtuig te
krijgen, mijn uitgaven te regelen, voor mijn uitrusting te zorgen en
datgene in te pakken, dat men voor een reis van twee maanden noodig
heeft. Men ziet het, generaal Wood was zijn belofte nagekomen en
zette mij aan het werk, mogelijk wel een weinig haastiger dan ik zou
hebben gewenscht. De zee werkte er toe mee, mij in beweging te houden
gedurende de drie volgende dagen, die de overtocht duurde en ik had
de luiheid van de bewoners van Manilla grondig van mij afgeschud,
toen ik te Zamboanga aankwam.

De hoofdstad van de Moro-provincie, gelegen op het westelijkste punt
van het eiland Mindanao, is de derde stad der Philippijnen. Toch
is het een zeer bescheiden plaatsje, waar buiten het garnizoen en
ongeveer twee duizend inboorlingen slechts een veertigtal ambtenaren
en kooplieden wonen. De handel bepaalt zich tot den uitvoer van
copra, aangevoerd van de groote aanplantingen van kokospalmen, die
zich rondom de stad uitstrekken en zich vele mijlen langs de kust
voortzetten. Alle veertien dagen komen duitsche paketbooten groote
scheepsladingen weghalen van de gedroogde vruchtvleeschmassa, een pulp,
die ze rechtstreeks naar Singapore brengen. De inboorlingen breiden
de kokospalmaanplantingen steeds uit. Er is weinig onderhoud mee en
het product vindt gemakkelijk plaatsing, vooral sedert het copravet
te Marseille in veel fabrieken voor de zeepbereiding wordt gebruikt.

Ofschoon Zamboanga hoofdstad is, wonen er bijna niet anders dan
inlandsche christenen, afstammelingen van de kolonisten der vroegere
strafkolonie, die de Spanjaarden er sinds een eeuw in stand hielden. De
weinige Moro's, die men in de omstreken ontmoet, zijn visschers, arme,
beschroomde menschen, zeer verschillend van hun woeste geloofsgenooten
uit het binnenland.

Ik bleef maar enkele uren te Zamboanga en scheepte mij nog denzelfden
dag in op onze stoomboot, die naar Cottabatto vertrok met een kolonel
aan boord, belast met de inspectie van alle militaire posten in het
gebied van de Rio Grande, aan welker monding wij den volgenden morgen
voor anker lagen.

We waren toen midden in den drogen tijd, wat ons verplichtte, om,
wilden we hooger de rivier opgaan, de Sabah te verlaten en op een
mooie, kleine kanonneerboot over te gaan, met één stuk bewapend, en
onder het commando staand van een jeugdig philippijnsch kapitein. Wij
zouden achtereenvolgens bezoeken brengen aan de garnizoenen van Reina
Regente, Fort-Pikit, Doeloean en daarna te Cottabatto terugkeeren. Dat
kleine stadje is de hoofdstad van de provincie van denzelfden naam, die
bijna een vierde deel beslaat van de oppervlakte van Mindanao. Het is
een geheel moro's-district, en op het grondgebied wonen de talrijkste
en welvarendste mohammedaansche stammen van den Archipel.

Daar de revue over het garnizoen eerst zou plaats hebben bij onze
terugkomst, bleven wij enkel in de stad, om er te ontbijten en
brandstof in te nemen voor de boot. Tegen twee uur in den middag stak
ons kanonneerbootje weer van wal. De benedenloop van de Rio Grande
loopt door een vlakke streek, die kaal en arm is aan planten, buiten
den smallen gordel van enkele palmen aan de oevers. Er zijn niet veel
dorpen, en die er zijn, beteekenen niet veel, ondanks de vruchtbaarheid
van den grond rondom, want de Moro's zijn geen knappe landbouwers,
kweeken slechts een beetje rijst en geven aan vechten en razzia's
houden de voorkeur boven het landbouwwerk. Toch is tegenwoordig
de geheele bevolking van het dal onderworpen; maar het aantal en de
uitgebreidheid van de garnizoenen, die langs de rivier zijn geplaatst,
bewijzen wel, dat de regeering niet al te vast op den duur van die
onderworpenheid rekent. Tijdens de reis bleven alle soldaten dichtbij
de verschansing zitten, met een geweer onder het bereik van hun hand,
om op de talrijke krokodillen te schieten, die op de zandbanken
liggen te slapen. Dat zijn zeer gevaarlijke dieren; om zich tegen
hun aanvallen te beschermen, moeten de vrouwen uit de rivier water
scheppen achter daarvoor met opzet gemaakte schuttingen van bamboes.

Op den post Reina Regente zijn gestationneerd twee compagnieën van het
20ste amerikaansche infanterieregiment. De naam geeft al aan, dat het
een oude spaansche vestiging is. Trouwens de Amerikanen hebben zich
bevlijtigd, overal dezelfde punten te bezetten, die hun voorgangers
hadden gekozen, en daarom lieten ze hier het cordon van blokhuizen in
den steek, dat de garnizoenen onderling verbond en dat men elke paar
mijlen langs de Rio Grande terugvindt. De spaansche forten bestaan
uit een rechthoekige steenen versterking, twee meter breed en vier
meter hoog, op de hoeken door sterke bastions verdedigd. Ondanks de
afwezigheid van een gracht, zijn deze bouwwerken volkomen voldoende,
om de aanvallen te weerstaan van alle Moro's van den Archipel, want
de artillerie van de inboorlingen is al heel primitief.

Binnen in den vierhoek vindt men de kazernementen, van steen en
hout voor de blanke troepen en van bamboes voor de inlandsche
soldaten. Ofschoon veel minder weelderig dan de huisvesting te
Manilla en te Zamboanga, is er ruimte genoeg; ze zijn hoog van
verdieping en goed geventileerd. De keukens bevinden zich in een
gebouw, dat afzonderlijk staat, evenals de douchetoestellen, waar
ieder soldaat tweemaal per dag onder gaat staan, bij het gaan naar en
het terugkeeren van de manoeuvres. De post Reina Regente heeft niet,
als die aan de kust, toestellen om water te destilleeren en evenmin
ijsmachines, maar men krijgt er dagelijks van Cottabatto een zending
ijs, die voldoende is, om een zeer lage temperatuur te houden in de
spijskamers, waar het vleesch wordt bewaard, dat in de koelkamers
van schepen uit Australië is gekomen. Wat er over is, dient om de
dranken van de officieren en van de manschappen af te koelen. Daar de
dysenterie zeer gevreesd wordt over den geheelen Archipel, gebruiken
de soldaten alleen gedestilleerd of gekookt water.

Een andere kwelling van de streek aan de Rio Grande is de overvloed
van muggen, vooral in den regentijd. Ieder bed is voorzien van drie
muskietennetten over elkander heen. De soldaten zijn genoodzaakt
te eten, vóór het donker is geworden; wat de officieren aangaat,
zij eten en werken des avonds in een soort van kooien van metaalgaas,
waar ze zich in verbergen, als de avond valt, en die ze enkel verlaten
om naar bed te gaan.

Te Fort-Pikit, waar we den volgenden dag aankwamen, ligt slechts
een compagnie van inlandsche soldaten, behoorend tot het corps
der nationale verkenners. Er bestaan vijftig van die compagnieën
van honderd man ieder. Die "native scouts" zijn allen inlandsche
soldaten onder het commando van amerikaansche en philippijnsche
officieren. Den ganschen morgen woonden wij de oefeningen der compagnie
bij. De soldaten waren in veldtenue, een trouwe navolging van die,
welke het voetvolk in de Vereenigde Staten draagt; zware kleeren,
grove schoenen, overbodige equipementsstukken, absoluut overcompleet
voor de inboorlingen, wier natuurlijke vlugheid en lenigheid erdoor
verminderen. De bewegingen werden vrij goed uitgevoerd zoolang men met
het gebruik der wapens en met de bewegingen in gesloten colonnes bezig
was, maar toen de inspecteur gevechtsmanoeuvres wilde doen uitvoeren,
schenen noch de officieren, noch de manschappen te begrijpen waar
het eigenlijk op aankwam.

Den volgenden dag voeren wij de Rio Grande af, om de posten aan den
benedenloop te inspecteeren. Onze kanonneerboot hield eerst stil
aan den post te Doeloean. Ik liet den kolonel de twee compagnieën
verkenners de revue passeeren, om een uurtje te gaan roeien stroomop
en daarbij een bezoek te brengen aan een beroemdheid van het land, het
hoofd Piang. Dit hoofd is op het oogenblik de machtigste der vorsten of
dato's van de provincie; toch is hij van geringe afkomst, want twintig
jaar geleden arbeidde hij nog als slaaf van zijn voorganger; hij is
zelfs niet van zuiver ras, maar zoon van een Chinees en een inlandsche.

Piang begon met de gunst van zijn heer en meester te winnen, door te
diens voordeele handel te drijven. Uit dankbaarheid voor zijn diensten
werd hij in het genot van de vrijheid gesteld en begon voor eigen
rekening te werken. Hij was reeds de rijkste man der streek, toen de
Spanjaarden hun militaire operaties in het dal begonnen. Piang knoopte
onderhandelingen met hen aan, werd de leider van hun spionnendienst
en was hun weldra onontbeerlijk geworden. Bij den dood van zijn
ouden meester benoemden ze hem tot dato in diens plaats en legden
aan de rivierbewoners op, hem gehoorzaamheid te bewijzen. Trots zijn
vrijgevigheid werd de nieuwe vorst door zijn onderdanen verfoeid, en
vooral ook door de andere stammen, waarvan de hoofden zijn dood hadden
gezworen. Zijn eigen schoonzoon, de dato Ali, de dapperste krijger
en de bekwaamste van  het land, was zijn onverbiddelijke vijand
geworden. Piang wist de Amerikanen te overtuigen, dat het eiland
niet anders tot rust kon worden gebracht, dan door de verwijdering
van zijn mededinger. Na verschillende nuttelooze expedities werd Ali
gedood in October 1905 door de troepen van kapitein F. Mac Coy.

Het dorp van het hoofd Piang is omgeven door een palissade van bamboes,
waarop lange bronzen kokers staan, die op kanonnen lijken; ze worden
lantaka's genoemd. In het inwendige van de omheinde ruimte is de
grond bedekt met een dikke laag vuil en afval van allerlei soort,
en ondanks de nabijheid der rivier blijft al het overbodige maar
bij de huizen liggen. De eenige riolen zijn de magen van kleine
varkens, zwarte beesten, die in menigte over den weg loopen te
midden van de morokinderen. In het midden van het dorp, dat zich
in niets onderscheidt van alle andere, die wij aan de rivier hadden
zien liggen, van Cottabatto tot Pikit, staat een tweede omheining,
waar de woningen binnen liggen van de familie van het hoofd. De
ontvangst bij den dato was uiterst vriendelijk. Hij wijst ons met
trots een blinden grijsaard, afkomstig uit Bokhara, die daar op de
een of andere onbekende wijze schipbreuk had geleden en die nu des
dato's particuliere secretaris was. Onze gastheer is er fier op, dat
hij naast zich heeft den eenigen man, die in het land de taal van
den Koran kan spreken, want de godsdienstige kennis van de Moro's
is al zeer gering, en hun praktijk bepaalt zich tot het opzeggen
van het gebed, dagelijks éénmaal. Wat de wasschingen betreft en de
inachtneming van den Ramadan, dat zijn bij hen onbekende zaken. Zij
eten met smaak en overvloedig varkensvleesch en hun vrouwen weten niets
van een sluier. Daarentegen hebben ze wel een woesten haat tegen de
Christenen, onverschillig of het vreemdelingen of inboorlingen zijn,
en ze zijn doodsverachters zoozeer, dat ze den dood zoeken, als ze
door de ongeloovigen overwonnen zijn.

Om den vorst, die mij ontving, eer te bewijzen, begon ik met den
priester een langzaam en moeilijk gesprek, mijn best doende, partij
te trekken van de enkele arabische woorden, die ik kende en die mij
te binnen schoten. Piang kon zich haast niet houden van blijdschap;
hij verplichtte al zijn vrouwen, een salam te brengen, zelfs zijn
ongelukkige dochter, de weduwe van Ali, die nog ziek was ten gevolge
van een wonde, opgedaan in den schouder bij haar pogingen om haar
man te verdedigen. Ik had groote moeite, mij van de overmatige
gastvrijheid van den ouden dato los te maken; hij gaf mij nog bij
mijn vertrek een kris ten geschenke met een prachtig golvend lemmet.

Toen de kolonel de inspectie van de troepen had beëindigd, die als
lijfwacht van Piang dienst doen, vertrokken we naar Cottabatto. Ik
begaf mij naar de kazerne der compagnie van de politie, waarvan de
chef, een jonge luitenant, van mijn aanstaande komst op de hoogte was
gebracht en aanbood, mij in bijzonderheden de manier te laten zien,
waarop hij zijn mannetjes onderwees en leidde. Ik had veel soldaten
van dat corps in de omstreken van Manilla gezien; maar hier waren
het allen Moro's, wat een nieuwe aantrekkelijkheid was.

Dit laatste bezoek bevestigde mij in mijn te voren opgevatte
meening. De miliciens van het burgerlijk bestuur, ofschoon van zeer
betwistbare militaire waarde, zijn toch ver te verkiezen boven de
compagnieën nationale verkenners. Al laat de instructie somtijds te
wenschen over, de organisatie is tegelijk veel minder kostbaar en veel
beter. De officieren worden niet gekozen uit de oude sergeanten van
het actieve leger, die slaven zijn van de routine en niet in staat
zijn, zich te schikken naar de eischen van een nieuwe instelling,
maar zijn jonge mannen van hooger intellectueel standpunt, vol van den
geest van initiatief en belangstellend in hun manschappen. De soldaten
zijn oordeelkundig uitgerust, loopen op bloote voeten en dragen noch
tent noch rugzak; zij voeden zich op de manier der inboorlingen en
leven van wat het land levert, in plaats van zich te laten volgen
door koelies, die hun amerikaansche levensmiddelen nadragen.

Ik vernam, toen ik van Cottabatto naar Zamboanga terugkwam, dat
de geheele provincie Lanao in beroering was, want op den post
Parang was een zieke soldaat, die in een tent afgezonderd was,
door een dweepzuchtige met een dolksteek gedood, en te Malabang
eenige kilometers van daar, was een korporaal, die alleen van het
schietterrein kwam, vermoord op niet meer dan 200 meter afstands van
de kazernen. De misdadigers hadden zich verscholen bij de bergstammen,
die ten zuiden van het Lanaomeer wonen, en toen men tot de hoofden het
verzoek richtte, ze uit te leveren, antwoordden zij: "Kom en haal ze!"

Van alle omringende posten kwamen de troepen der mobiele colonnes naar
de opstandelingen toe. De vergunning, mij bij een dier expedities aan
te sluiten, werd mij gegeven, toen ik er om vroeg; maar ongelukkig
moest ik te Zamboanga verscheiden dagen wachten op de aankomst van
de boot, die mij naar Overton zou brengen, het punt, dat ten noorden
van de landengte van Lanao is gelegen.

Ik maakte van mijn gedwongen werkeloosheid gebruik, om een bezoek te
brengen aan Zamboanga en de omstreken. Eerst wees men mij de lagere
scholen, die door de Moro's van de kust worden bezocht en door de
christelijke bewoners van de stad. De inlandsche onderwijzers laten er
de kinderen werken onder de leiding van amerikaansche inspecteurs en
inspectrices. Het openbaar onderwijs is van alle takken van bestuur
die, welken de Amerikanen het best hebben verzorgd en voor welks
ontwikkeling ze het ijverigst geld en moeite hebben overgehad.

Dat onderwijs zal zonder eenigen twijfel goede resultaten opleveren,
onverschillig welke beslissing de regeering ten slotte zal nemen ten
opzichte van de Philippijnen. Als men met de tegenwoordige politiek
voortgaat en den Archipel in den toestand van nu laat blijven,
namelijk als een dépendance van de Republiek der Vereenigde Staten,
zal de kennis van de engelsche taal, die weldra algemeen onder de
inboorlingen zal verspreid zijn, hen nader brengen tot hun meesters,
en aan de laatsten vergunnen, beter te strijden tegen de nationale
gevoelens en tegen de mogelijke begeerigheid van ondernemende naburen.

Indien echter de Amerikanen zich houden aan de beloften van
president Mac Kinley, zooals de democratische partij verlangt, en
op een goeden dag aan de Philippijnen hun onafhankelijkheid geheel
teruggeven, zullen zij tegen dien tijd, dank zij het onderwijs, het
verstandelijke niveau der eilanders in voldoende mate hebben verhoogd,
dat de laatsten zichzelven zullen kunnen besturen. Die overwegingen
hebben het Departement van onderwijs teruggehouden van de aarzeling
en halve maatregelen, waaraan de andere takken van dienst zich hebben
schuldig gemaakt, omdat ze altijd vreesden, uitgaven te doen, die
bij een verandering van regime binnen korten tijd volkomen overbodig
zouden blijken.

Men heeft er een uitstekend onderwijzend personeel heen gelokt
door middel van hooge salarissen. Een normaalschool, gesticht te
Manilla, levert ieder jaar een aanzienlijk aantal onderwijzers
en philippijnsche meesters. Bij de jongste volkstelling waren er
niet minder dan 772 amerikaansche ambtenaren en 3489 inboorlingen
werkzaam gesteld bij de lagere scholen, en bij het meer gevorderd en
middelbaar onderwijs, die of door den staat of door de gemeenten werden
bezoldigd. Dat onderwijs voor meer gevorderde leerlingen is nog slechts
in schetsmatigen toestand aanwezig; er bestaan inderdaad slechts 50 van
die inrichtingen in de meest bevolkte plaatsen te zamen. Daarentegen
zijn er 2233 openbare lagere scholen, verspreid over het geheele land
en waar een aantal van 120 000 leerlingen onderwijs ontvangen. Dit
succes is verkregen door de bemoeiingen van de provinciale gouverneurs,
gesteund door de gemeentebesturen, onder wie een voortdurende naijver
wordt levendig gehouden door de belofte van steeds grooter vrijheden,
naarmate de resultaten van het onderwijs beter zijn.

Men kan niet genoeg bewondering hebben voor een systeem, dat reeds zoo
goede vruchten draagt, want in acht jaren is het aan de Amerikanen
gelukt, hun taal reeds te doen spreken door driemaal meer kinderen
dan de Spanjaarden na een overheersching van drie eeuwen tot de
europeesche taal konden brengen.

De politiek van die laatsten heeft altijd bestaan in het houden van de
inboorlingen in onwetendheid omtrent de taal en zelfs den godsdienst
hunner heeren. Alleen de rijken, de illustrado's, ontvingen eenig
elementair onderwijs van den monnik, die godsdienstige leider der
gemeente was, zoowel als civiel en rechterlijk bestuurder. Dit stelsel,
dat veel gelijkt op dat der Hollanders op Java, (sic! Vert.), heeft
het Spanje mogelijk gemaakt, de massa te besturen door tusschenkomst
van de illustrado's en der broeders, en de bevolking hield men met
weinig kosten rustig, door zich van een slechts zeer klein aantal
Europeanen te bedienen. Men ziet, hoe de beide regeeringsstelsels,
waaraan de Philippijnen onderworpen zijn geworden, lijnrecht tegen
elkaar indruischen, daar het eene gegrond is op het houden der
inboorlingen in onwetendheid en het andere zich ten doel stelt de
snelle en algemeene ontwikkeling door onderwijs.

Ondanks de groote inspanning van de Commissie voor de Philippijnen
is men er nog niet in geslaagd, meer dan het tiende deel der jeugdige
Philippino's op de schoolbanken te doen plaats nemen, want de scholen
worden bezocht door 120.000 kinderen, terwijl het aantal kinderen
tusschen 6 en 18 jaar op 1.200.000 wordt geschat. Men ziet ook wel
met eenige verbazing de oprichting van zoo talrijke scholen voor
de jonge heidenen en Mohammedanen. De laatsten vooral zijn weinig
intelligente leerlingen en altijd zijn ze onwillig, zoodat zelfs het
eenvoudigste onderwijs een talrijk personeel vordert, dat men stellig
beter elders zou kunnen gebruiken. De stichting van al die scholen is
te bevreemdender, daar de Amerikanen besloten schijnen te zijn, in
de provincie Moro een politiek tegenover de inboorlingen te volgen,
die veel verschilt van de elders toegepaste in het overige deel van
den Archipel.

Terwijl ze in de christelijke districten niets hebben gedaan,
om de vestiging van emigranten uit de Vereenigde Staten te
bevorderen, trachten ze Mindanao en omliggende eilanden te maken
tot amerikaansche centra. Zij begunstigen de immigratie door het
uitgeven van concessies aan civiele personen en aan soldaten, die in
het land wenschen te blijven na afloop van den tijd, waarvoor ze zich
hebben verbonden. Wat de Moro's betreft, voor hen schijnt het weinig
benijdbare lot der Roodhuiden weggelegd; daar ze weigeren te werken en
in de maatschappij der overwinnaars op te gaan, zullen ze verdwijnen
voor de superioriteit der blanken. Er is zelfs sprake van geweest,
Mindanao in politiek opzicht af te scheiden van het overige van den
Archipel en er een territorium van de Unie van te maken; maar door
het heftig verzet van de zijde der Philippino's heeft men van dat
annexatieplan moeten afzien.

Om aan de kolonisten een goed voorbeeld te geven, hebben enkele
geestdriftige ambtenaren uit Manilla vereenigingen gesticht voor het
ondernemen van plantages. Zij gebruiken hun tweemaandelijksch verlof
ieder jaar met om beurten de exploitatie te leiden van aanplantingen
van kokospalmen en tabak, die ze gemeenschappelijk hebben aangelegd. Om
hun die taak te vergemakkelijken, heeft de regeering den proeftuin
van San Ramon, die vroeger door den spaanschen generaal Ramon Blanco
was gesticht, weer in goeden staat laten brengen. Tijdens mijn
verblijf te Zamboanga bezocht ik die inrichting, die op 20 kilometer
afstands van de stad is gelegen. Het is een alleraardigst doel voor
uitstapjes voor ruiters, die er zich langs een goeden weg heen kunnen
begeven door kokosbosschen aan het strand. Een oud-kapitein van
het vrijwilligerscorps, die er vriendelijk gastvrijheid uitoefent,
maar wiens kennis van landbouwaangelegenheden gering is, houdt in
San Ramon een aanplanting van abaca, een plant, die in uiterlijk op
bananen of pisang gelijkt en welker lange, stevige, soepele vezels
de kostbare Manillahennep leveren.

Daar de abaca nog nergens elders geacclimatizeerd is dan op de
Philippijnen, en daar het kweeken en bereiden van de hennep zeer
gemakkelijk is, worden er overal plantages aangelegd, die jaar op
jaar in aantal en uitgebreidheid toenemen; dat product neemt op het
oogenblik de eerste plaats in in den uitvoer uit de Philippijnen.

Ik verliet zonder leedwezen het dorre en zandige Zamboanga acht dagen
nadat ik er was aangekomen en stapte, na een overtocht van enkele
uren, te Overton aan wal. Ik werd ontvangen door den kolonel van het
vierde cavalerieregiment, die mij reeds den volgenden dag een paard
en een geleide van vijf soldaten aanbood voor een bezoek aan den
post Keithley op den noordelijken oever van het meer. Een kapitein,
die eveneens dien tocht wenschte te maken, vergezelde mij.

Wij stegen in den vroegen morgen te paard en een uur later verlieten
we den grooten weg, om een half uur verder naar het oosten een kamp
van dwangarbeiders te gaan bezoeken, niet ver van de watervallen der
rivier Agus. Die vallen zijn zonder twijfel de hoogste der wereld,
want ze stroomen van een verticale hoogte van 200 meter. Ongelukkig
is het volume water, vooral in het droge jaargetijde maar gering,
zoodat de waterval niet kan vergeleken worden met den Niagaraval of
dien van de Zambezi. Toch is het schouwspel van de kloof indrukwekkend;
de wanden zijn begroeid met een warreling van klimplanten, bestraald
door den regenboog, dien de zon in den waterval te voorschijn toovert.

Na een rit van zes uren, die een aanhoudend stijgen was, kwamen
we aan het kamp van Keithley, de voornaamste vestiging van
militairen aard op het eiland; een bergbatterij en het geheele 15de
infanterieregiment waren er opgesteld. Wij vernamen, toen we afstapten,
dat de krijgsverrichtingen tot dien tijd nog geen resultaat hadden
opgeleverd; de Moro's bleven ongrijpbaar, en de afdeeling van het 15de,
die te hunner vervolging was uitgezonden, was naar den oever van het
meer moeten terugkeeren, om zich van proviand te voorzien. Zij zouden
versterking ontvangen van een compagnie, die den volgenden dag zou
vertrekken en waar ik mij bij zou mogen aansluiten.

De overtocht over het meer werd volbracht met oude kanonneerbooten,
die de officieren van den spaanschen generaal Weyler indertijd tot
boven op het plateau hadden opgesleept met ongeloofelijke moeite;
maar ze hadden hun booten liever laten zinken, dan dat zij ze aan de
Amerikanen overlieten, toen het tractaat van Parijs hen noodzaakte
de Philippijnen te ontruimen.

Men was er in geslaagd, de booten weer te lichten; en ondanks een
verblijf van vier jaren onder water, waren ze nog in zeer goeden
staat en konden onmiddellijk weer worden gebruikt. De overtocht
duurde een uur; na een bezwaarlijke ontscheping voegden wij ons bij
de compagnie, die ons op het strand wachtte en gingen toen dadelijk
op weg, afgaande op het kompas naar een punt aan den bovenloop van de
rivier Malaig, waar een verzameling gewapende Moro's dicht bij een dorp
was gesignaleerd. Niets is lastiger dan een expeditie van dezen aard;
om beurten zakten wij tot de knieën in de modder van de rijstvelden,
moesten door plaatsen van laag water waden met de golfjes kabbelend
tot ons midden, trokken door rietvelden, die als bosschen vier meter
hoog waren, om daarna weer een steilen heuvel te beklimmen en op den
top een inlandsche versterking of cotta te doorzoeken, die door de
Moro's in den steek was gelaten.

Daar werden dan vrij groote hoeveelheden levensmiddelen, als rijst en
comotes of zoete aardappelen vernietigd, en vervolgens werd de tocht
hervat door de cogone, een dichten plantengroei van doornstruiken, zoo
opeengehoopt, dat iedere twintig meter de voorman, die het vermoeiende
werk had te doen, om voor de colonne een weg te banen, moest verwisseld
worden. Na twee uren worstelens kwamen we uit die wildernis en
ontdekten toen gauw de rivier en eenige hutten van inlanders.

De colonne plaatste zich dadelijk in gevechtsstelling; maar men
bemerkte, toen men het gevaarlijke punt naderde, dat de Moro's ons
niet hadden afgewacht; wij vonden er integendeel een amerikaansch
detachement, dat ons hielp de dorpen te verbranden. Wij dachten op
die plek ons bivak op te slaan, maar de aanwijzingen van den troep,
dien wij zoo juist hadden ontmoet, gaven den chef van onze colonne
hoop, de hand te kunnen leggen op een vijandelijke groep en de marsch
werd hervat.

Hier verlieten wij de vlakte, om ons in een bergachtig terrein
te wagen, dat met kloven was doorsneden en bedekt met bosch. Het
pad, dat wij in den aanvang volgden, verdween na korten tijd, en
wij moesten ons een weg banen dwars door lianen en struiken. Des
avonds waren we eenige kilometers in het binnenland binnengedrongen,
en hadden slechts een half dozijn inlanders ontmoet, afzonderlijke
menschen, die bij onze nadering de vlucht namen en van wie twee met
geweerschoten gedood werden.

Het kamp werd midden in het bosch opgeslagen; de dragers haalden in
hun lange bamboekokers water, waarmee wij een frugaal maal van spek
en beschuit besproeiden, het gewone rantsoen van den amerikaanschen
soldaat te velde. De nacht ging zonder incidenten voorbij, en den
volgenden dag begaven we ons weer terug naar het meer, dat door
de colonne werd bereikt bij de monding van de rivier Sauir. De
kanonneerboot voegde zich daar bij ons; er stapte een officier
van den staf uit en vertelde ons, dat daar de andere afdeelingen
geen beter resultaten hadden verkregen dan wij, de kolonel, die
de troepen in de provincie aanvoerde, het bevel had gegeven, de
vervolging te staken en de soldaten naar hun garnizoenen te doen
terugkeeren. De krijgsverrichtingen hadden tien dagen geduurd;
er waren een twintigtal oproerlingen gedood en bijna al hun dorpen
verbrand, terwijl de Amerikanen slechts twee man hadden verloren,
van wie één verdronken was.

Ik kwam weer te Keithley met de troepen aan en stak het meer opnieuw
over, om mij naar het Vicarskamp te begeven, aan het einde van
den weg, die van Malabang komt, de haven op het zuidelijke punt der
landengte. Een nieuw escorte en een paard stonden bij de aanlegplaats
op mij te wachten; mijn kist met levensmiddelen werd op een pakezel
geladen, die in galop voor ons uitging. Na twee uren klimmens in
den nacht kwamen we bij den post, die na eerst de voornaamste op de
Philippijnen te zijn geweest, thans nog twee compagnieën bevat. Ik
bracht er den nacht door. Den overtocht over de Lanaolandengte
volbracht ik den volgenden dag in een wagen van den troep, die leeg
naar Malabang terugging; de weg, die, tegen de amerikaansche gewoonte,
zeer goed was onderhouden, gaat door een prachtig, tropisch woud,
dat even weelderig is als de bosschen op Java. Nog dien eigen avond
was ik te Malabang, een stadje van ongeveer vier honderd inwoners,
half Philippino's, half Moro's.

De gebrekkige inrichting van het scheepvaartverkeer dwong mij hier
tot een derde periode van werkeloosheid, in afwachting van een boot
voor Manilla, die Malabang aandeed. Ondanks de twee belangwekkende
uitstapjes, die ik op het eiland Mindanao kon doen, was het mij een
teleurstelling, dat ik geen enkel gevecht had bijgewoond en ik zag
zonder geestdrift het oogenblik naderen, waarop ik de provincie Moro
zou moeten verlaten, om platzak in de hoofdstad terug te keeren.

Op den dag van mijn vertrek kwamen de officieren van het garnizoen
in de club samen, om mij goede reis te wenschen. Wij zaten allen aan
tafel, toen de bevelvoerende kolonel buiten adem kwam aanloopen,
met een papier zwaaiend. Het was een telegram, dat hij juist van
het hoofdkwartier had ontvangen en dat hij ons liet lezen, zoodra
een glas whisky hem op zijn verhaal had gebracht. Hem werd bevolen,
dienzelfden dag twee compagnieën infanterie en een half escadron
onder bevel van kapitein Rivers te laten vertrekken naar het eiland
Jolo, waar een gevecht onvermijdelijk was geworden. Een storm van
toejuichingen ontving het telegram, en terwijl de getrouwde officieren,
die voor den tocht waren aangewezen, gauw verdwenen, om afscheid te
nemen van hun gezinnen, ledigden de ongetrouwden de kelders van de
club en dronken op hun toekomstige heldendaden.

Des avonds had de inscheping der troepen plaats, en daar men de
voorzorg had genomen, het materieel te voren te pakken, ging alles
vlug en goed in de volslagen duisternis. Onze boot was een kleine
stoomer, de _Busuanga_, van zoo wat 200 tonnen inhoud en kustbewaker
gedoopt, zeker omdat er een mitrailleuse aan boord was. Er zijn twaalf
schepen van dien aard op de Philippijnen; alle onder het bevel van
vredelievende kapiteins van de groote vaart. Ze worden gebruikt voor
het vervoer van ambtenaren en reizigers naar de kleine eilanden van
den Archipel, waar de geregeld varende booten niet komen.

Op de _Busuanga_ is plaats voor elf passagiers, en wij waren aan boord
met 260 man. Het was er niet om uit te houden, en men kon geen vin
verroeren. De soldaten lagen mannetje aan mannetje, en enkelen konden
zich niet eens flink uitstrekken, en telkens als men zich even wilde
verplaatsen, moest men over de slapers heen stappen, met gevaar van
iemand te trappen. Wat de officieren aangaat, die waren genoodzaakt,
den geheelen nacht op te blijven in de kleine hut, die als salon
dienst deed. Den volgenden morgen werd de situatie er niet beter op
door een vrij harden wind, die ons aangreep van ter zijde nadat we
de Basilanstraat door waren. Wij schepten herhaaldelijk stortzeeën,
maar de lastige douches deden geen afbreuk aan de vroolijkheid der
soldaten. Zij waren blij met dien eigenaardigen doop, die hen voor
het vuur der Moro's zou beveiligen.

Om zes uur in den avond van den 3den Maart kwamen wij in de kleine
haven van Jolo en sprongen aan land, gelukkig de beenen eens te kunnen
strekken na onze 22 uren van gedwongen stilzitten. Wij werden verdeeld
over de verschillende woningen van het dorp; ik werd de gast van den
eskadronchef Wilcox, commandant van de plaats, die zich haastte mij op
de hoogte te brengen van den stand van zaken en van de gebeurtenissen,
die onze expeditie noodig hadden gemaakt.

De Moro's van Jolo zijn de dweepziekste van den geheelen
Archipel. Ondanks hun gering aantal van ten hoogste twintig
duizend, met inbegrip van de uit Borneo gekomenen, hebben ze
altijd den Spanjaarden veel last bezorgd en hun ook wel verliezen
berokkend. Toen in 1902 de sultan van Jolo zich aan de Amerikanen
onderwierp, lieten hem zijn onderdanen in den steek en weigerden
gehoorzaamheid aan iemand, die de slaaf der christenen was geworden
en wiens gezag zij dus niet langer konden erkennen. Sedert dien is
het eiland nooit volkomen tot rust gebracht. Eenige maanden geleden
weigerde een der voornaamste hoofden, de dato Addam, voor zijn stam
het hoofdgeld te betalen en versterkte zich op den top van een vulkaan,
een uitgedoofden wel te verstaan, den Dajo.

Na vruchtelooze onderhandelingen stond men hem toe, te blijven in
zijn fort en hetgeen hij met de betaling achter was niet te storten,
op voorwaarde, dat zijn stam zich rustig hield en geen overlast
aandeed aan de onderworpen stammen in den omtrek. Alles ging
eenigen tijd goed, maar weldra begonnen de bewoners van den Dajo,
die de verzoeking niet konden weerstaan, razzia's te houden bij hun
buren. Eenige dagen vóór onze aankomst vermoordde een juramentado,
dat is iemand, die op den Koran heeft gezworen niet te sterven eer
hij een Christen heeft vermoord, met messteken een Philippino en twee
soldaten van het amerikaansche leger, die een luchtje schepten voor
de poort der stad. De schuldige was niet gevat, maar zijn signalement
was bekend en hij werd van den dato opgeëischt. Deze antwoordde,
dat hij rondom zijn verblijf onneembare barricaden had opgericht,
dat hij lachte om alle Amerikanen der wereld en hen uitnoodigde,
zich eens van hun onmacht rekenschap te komen geven.

Terstond werd er besloten, de onbeschaamdheid van het rebellische
hoofd te straffen, vooral omdat hij straffeloosheid en een schuilplaats
waarborgde aan alle misdadigers van het land. Het garnizoen van Jolo,
dat enkel uit een eskadron en een batterij bestaat, was nauwelijks
voldoende om de plaats zelve te verdedigen en daarom waren er
versterkingen gevraagd aan alle posten in de Moro-provincie, om een
marschvaardig corps te vormen onder bevel van kolonel Duncan van
het 6de infanterie. Dat corps omvatte een compagnie morosoldaten,
vijf compagnieën amerikaansche infanterie, een eskadron cavalerie,
vier veldstukken en drie mitrailleuses.

Den volgenden morgen in de vroegte vertrok de chef der expeditie met
een klein gevolg van ruiters, gidsen en enkele inlandsche helpers,
om de omgeving van den berg te onderzoeken en een plan van optreden
te ontwerpen; hij had mij uitgenoodigd hem te vergezellen. De Moro's
zijn niet gewoon, in de vlakte te vechten, en bepalen er zich steeds
toe, den vijand af te wachten achter hun verschansingen. Zoo kwam ook
onze troep ongestoord aan den voet der hoogte, die op 12 kilometer
afstands van de stad was gelegen. De hellingen van den berg Dajo,
die buitengewoon steil waren en begroeid waren met een onontwarbaar
struikgewas, konden alleen worden bestegen langs drie voetpaden
van maar eenige decimeter breedte. Wij bezochten achtervolgens de
plaatsen, waar die paadjes in de vlakte uitliepen; er werden bronnen
in de buurt gezocht, opdat de troepen er hun kampen konden opslaan,
en toen riep de kolonel de drie oudste officieren tot zich. Ieder
van hen moest een colonne aanvoeren en zou den volgenden dag met
zijn detachement overgaan tot de beklimming van den berg langs het
hem aangewezen pad. Voorloopige maatregelen werden genomen, en wij
kwamen in den namiddag te Jolo terug.

Den volgenden avond begaven de drie colonnes zich op weg, vroeg genoeg
om de tenten te kunnen opslaan en de verkenning van het terrein te
kunnen voltooien, eer de zon was opgegaan. De staf, waar ik mij bij
bevond, kwam eerst op het terrein tegen het midden van den dag. Het
gevecht was al aan den gang tegen de moro'sche voorposten, die over
de helling waren verspreid en handgemeen waren met de voorposten
der drie afdeelingen, genoemd de colonne Rivers, Bundy en Lawton,
naar de namen der aanvoerders.

Wij bezochten eerst den laatsten troep, die reeds twee man buiten
gevecht had moeten stellen. Om het oprukken te vergemakkelijken,
liet de kolonel het vuur openen uit twee bergstukken, gericht op de
versterking van palen, die men duidelijk kon zien op den rand van den
krater. Maar het verschil in niveau van ongeveer 600 meter was zeer
hinderlijk bij het schieten, dat dan ook weinig uitwerking scheen
te hebben.

Ik vroeg en verkreeg verlof, mij bij de colonne Rivers te voegen, die
bestond uit mijn vrienden uit Malabang en ik kwam ongeveer een uur
later bij hun kamp aan. De krijgsverrichtingen waren hier nog veel
minder ver gevorderd; want de verkenning was bemoeilijkt door het
vuur van een barricade, die niet was opgemerkt den vorigen avond en
die slechts 200 meter boven de vlakte lag. Kapitein Rivers, die zonder
achterdocht met zijn mannen van dien kant naderde, werd getroffen door
een kogel uit een Remingtongeweer, die hem de knie doorboorde en toen
bleef zitten tusschen het been en de slobkous. Ik voegde mij bij hem,
toen hij getransporteerd werd naar zijn tent; na een eerste verband
steeg hij te paard en keerde naar de stad terug, het bevel over zijn
eskadron aan commandant overlatend. Het overige van den dag verliep
met kleine schermutselingen zonder veel effect. De wond van kapitein
Rivers maakte, dat ik zijn tent kon erven en zijn veldbed, waarin ik
een heerlijken nacht doorbracht. Den volgenden morgen in de vroegte
werd ons een bergstuk toegevoegd, dat de colonne-chef had gerequireerd
en dat hij onder mijn bevelen plaatste, met bevel de eerste barricade
te bombardeeren, terwijl twee pelotons zich er van zouden trachten
meester te maken door een omtrekkende beweging, die mogelijk was,
doordat de helling hier betrekkelijk zwak was. Ik liet het stuk op
een heuveltje plaatsen op ongeveer 1200 meter afstands van het doel;
een dozijn kogels waren voldoende om de Moro's te verjagen uit hunne
verschansing, en wij zagen ze weldra weer den berg opgaan en achter de
boomen verdwijnen. De vesting werd intusschen eerst tegen den middag
bezet, ten gevolge van de natuurlijke hindernissen, die de infanterie
ontmoette bij het stijgen door het struikgewas.

Kapitein Köhler zond mij heen, om over dit eerste succes aan den
bevelhebber der expeditie rapport te brengen. Ik moest naar het kamp
van de colonne Bundy gaan. Na mijn rapport te hebben uitgebracht,
gaf de kolonel zijn definitieve instructies. De colonnes Lawton
en Bundy zouden den volgenden morgen bij zonsopgang aanvallen; de
colonne Rivers zou er zich toe bepalen haar tegenwoordige positie te
bewaren. De bevelen van den chef der expeditie deden mij besluiten,
mij onverwijld te voegen bij het detachement Bundy, en dadelijk begon
ik het steile pad te beklimmen, dat door hem gevolgd was. Met mij ging
een afdeeling dragers, die de vechtenden van water en levensmiddelen
moest voorzien. De bestijging was zeer bezwaarlijk; men moest bijna
voortdurend zijn handen gebruiken en zich aan de wortels vastgrijpen,
om naar boven te komen. Hier en daar waren zelfs touwen opgehangen,
waar de soldaten zich aan konden optrekken tegen enkele zoo goed als
loodrechte einden.

Na twee uur krabbelens voegde ik mij bij den staart van de colonne, die
in ganzenmarsch omhoog trok. De voorhoede werd gevormd door inlandsche
militie, die met geregelde tusschenpoozen geweerschoten wisselde
met de groote afdeeling op den top, die men door het gebladerte kon
onderscheiden. Ze vonden daar een groote barricade van een twintigtal
meters lengte en een omheining van 2 1/2 meter hoogte. Een minder
belangrijke versterking, die iets lager het voetpad versperde, was
reeds in de handen der Amerikanen gevallen, maar alle pogingen, om
er voorbij te komen, hadden schipbreuk geleden en hadden het leven
gekost aan vele soldaten, die door de Moro's waren getroffen uit de
hinderlagen en door de bamboesschietgaten in de omheining.

Bij de ontvangst der laatste bevelen verzamelde commandant Bundy
al zijn officieren, om de regeling van den aanval te treffen. Het
detachement der inlandsche politie zou voorop gaan, gesteund door
twee compagnieën amerikaansche infanterie; twee secties infanterie
en het peloton cavalerie zouden in reserve blijven. Toen de laatste
voorschriften aldus gegeven waren, ging men over tot het nuttigen
van den mondvoorraad, dien ieder van ons bij zich had. Dergelijke
maaltijden zijn zelden vroolijk; hoe dapper en hoe opgewekt de
aanzittenden ook mogen wezen, zij kunnen niet laten, hun gedachten
van tijd tot tijd te richten op het gevecht van den volgenden dag
en zich af te vragen, of de maaltijd van dien dag hen weer te zamen
zal brengen. De nacht ging zonder incidenten voorbij, ondanks de
nabijheid van den vijand, die ons nu en dan eenige schoten toezond
uit hun kleine kanonnen, met uitdagingen en scheldwoorden er tusschen.

Den volgenden morgen was ieder bij de hand lang voordat de zon opging,
ieder op zijn gevechtspost. Eindelijk gaven vijf kanonschoten uit de
vlakte het afgesproken teeken. Kapitein White, chef van de inlandsche
compagnie, stelde zich aan het hoofd van den troep en begon onder een
zeer levendig vuur de bestrijking van de 50 meter terrein, dat open
lag tusschen hem en de versterking. De steilheid van de helling meer
nog dan het vuur van den vijand maakte de vorderingen uiterst langzaam;
gelukkig werd het pad breeder en wij konden dus een paar man in linie
opstellen, om het vuur van de moro'sche schutters te beantwoorden.

Die laatsten, niet tevreden met hun tegenstanders dood te schieten
door de schietgaten, klommen weldra op de omheining en schoten
erover heen. Van onzen kant werden allen neergeschoten, die zich
door hun dweepzucht tot onvoorzichtigheid lieten verleiden. De
inlandsche militie leed groote verliezen, en spoedig moesten de beide
hulpcompagnieën aanrukken tot steun. Op dat oogenblik was kapitein
White aangekomen bij de barricade, die hij ging beklimmen met zijn
sergeant majoor en een soldaat; alle drie vielen voor ze den top hadden
bereikt. Het amerikaansche voetvolk slaagde er ten koste van groote
verliezen in, de steilte te bestijgen met de inlandsche soldaten,
die even waren teruggeweken, toen hun chef buiten gevecht was gesteld
evenals hun onderofficieren; de stoutmoedigsten waren weer aan den
voet der versterking gekomen, toen een twintigtal Moro's zich met het
blanke wapen in de hand tusschen hen stortten en het gevecht man tegen
man begon. De bajonetten en pistolen van de officieren weerden dien
tegenaanval af; maar toch werd de toestand kritiek voor de Amerikanen;
een onafgebroken reeks gewonden begon het pad af te dalen en veel
dooden lagen boven op het plateau.

Commandant Bundy liet toen zijn reserve aanrukken, die zich naar de
beide hoeken van de gevechtscolonne begaf en den aanval blies. Een
kapitein, twee luitenants en een sergeant bereikten het eerst de
verschansing; de sergeant werd gedood door een kogel, de beide
luitenants vielen ernstig gewond neer; maar kapitein Ryther bleef
overeind en schoot zijn revolver op de verdedigers af. De dato Addam,
die een kind van enkele maanden op zijn linker arm had, wierp zich op
den amerikaanschen kapitein en hief zijn kris op om hem te treffen,
toen hij, door vele kogels getroffen, terugviel. De omtrekkende
beweging was aan den rechterkant gelukt, en de soldaten, die met hun
karabijnen binnendrongen in de versterking, waren er weldra meester
van het terrein. Geen van de Moro's dacht erover te vluchten en allen
stierven met de wapens in de hand; de gewonden zelfs hieven zich nog
op, om een laatste schot te lossen op den overwinnenden vijand. Er
werden 175 lijken geteld in de omheinde ruimte en op de helling aan
den anderen kant van den krater.

Nauwelijks meesteres van dit deel van den berg, zag de colonne Bundy
zich blootgesteld aan een frontaanval, komend uit de versterkingen
bij de beide andere voetpaden, waarvan zij gescheiden was door een
diepe kloof. De inlandsche militie, die veel geleden had, werd in
veiligheid gesteld, terwijl de Amerikanen zich richtten naar de Moro's
tegenover de colonne Lawton. Door een onverklaarbaar misverstand had
deze geen enkele mededeeling van kolonel Duncan ontvangen en bleef
werkeloos op bevelen wachten. Eerst tegen drie uur in den namiddag
kwam een triomfgeschreeuw ons berichten, dat zij ook haar werk had
verricht. Weldra zagen wij onze wapenmakers op den top, terwijl ze
met bajonetsteken de Moro's afmaakten, die ons zooveel last hadden
gegeven in de laatst verloopen uren.

Er bleef nu nog slechts een enkele versterking te vermeesteren,
namelijk een bastion, het sterkste van alle, op de hoogte van het
derde voetpad. Op dat oogenblik werd, ik weet niet hoe, een bergkanon
opgeheschen en een mitrailleuse, waarna de artillerie onmiddellijk
aan het bombardement van de laatste colta begon, terwijl de rest van
onze troepen de gevallen Moro's begroeven of in den afgrond wierpen,
want we waren op vier graden afstands van den aequator en de lijken
gingen dadelijk tot ontbinding over.

Het artillerievuur had het garnizoen van de Moro-versterking sterk
gedund en toen de verdedigers zagen, dat ze overwonnen waren, besloten
ze te sterven. Zij kwamen langzaam naar buiten uit hun citadel,
schaarden zich duidelijk in het gezicht op den top en hieven toen,
zich het hoofd met hun mantels bedekkend, het doodenlied aan. Het
vuur van geweren en mitrailleuses velde de ongelukkigen met één slag;
in enkele minuten was alles afgeloopen.

De zon ging onder. Op de hoogte, waar we waren, is het des nachts
geducht koud, en daar wij allen onze dekens hadden afgestaan, om er
draagbaren voor de gewonden van te maken, konden we niet aan slapen
denken. Den geheelen nacht trachtten we te vergeefs ons te verwarmen
rondom brandende boomstammen, maar de rook verstikte ons bijna,
zonder ander gevolg. Bij zonsopgang begaf het detachement Lawton zich
op marsch, om den vijand in zijn versterking te overvallen, maar werd
door een onverwacht geweervuur ontvangen. Een dertigtal Moro's waren
binnen in de vesting gebleven, vastbesloten, om nog eenige christenen
te dooden, eer ze zelf stierven. Geen van hen had getracht in den nacht
te ontvluchten, wat hun gemakkelijk zou zijn gevallen, door gebruik te
maken van een vierde voetpad, dat eerst later ontdekt werd en dat niet
bewaakt werd, want onze gidsen wisten niets van zijn bestaan af. De
tactiek van den vorigen dag herhalend, verlieten die wanhopigen de
citadel, om zich met hun krissen op de aanvallers te storten, maar
allen stortten dood neer, eer ze de Amerikanen hadden bereikt.

De laatste verdedigers van den berg Dajo waren bezweken, toen wij
op den bergtop generaal Wood zagen verschijnen, vergezeld door
zijn staf, met het plan het gevecht bij te wonen, waarvoor ze met
opzet uit Manilla waren gekomen. Hij gaf aan kleine colonnes bevel,
den heelen krater te doorzoeken en ook de hutten en schuilplaatsen,
die nog niet verbrand waren. Een uur daarna kwamen de soldaten terug,
beladen met trofeeën, krissen, lansen, geweren, zijden stoffen, tabaks-
en beteldoozen. Daarna daalden wij den berg af, wat een gevaarlijk
werkje was voor de zwaar beladen soldaten.

Wij vonden onze paarden in de vlakte terug en sloegen dadelijk
den weg naar de stad in. De expeditie was den Amerikanen op het
verlies van 90 man te staan gekomen, terwijl buiten gevecht gesteld
waren een totaal van 500 man. Bijna al die verliezen waren door de
colonne Bundy geleden, daar de twee andere samen maar 20 man uit de
gelederen misten. Het zwaarst beproefd was de inlandsche militie,
die niet minder dan 30 percent had verloren. Geen der officieren
was gedood, maar zeven van hen waren in het hospitaal opgenomen,
daar ze meer of minder zwaar gewond waren, onder hen kapitein White,
gewond in de kuit. Van den vijand was er niemand ontkomen.

De troepen, die niet thuis behoorden in het garnizoen te Jolo, werden
terstond ingescheept voor de posten, waar ze vandaan kwamen. Ook
moesten alle gewonden, die vervoerd konden worden, naar Zamboanga
worden getransporteerd, want in het hospitaal van Jolo was geen plaats
genoeg. Geheel Zamboanga wachtte ons bij aankomst in spanning af,
want geen telegraafkabel verbindt die plaats met Jolo en ieder kwam
berichten inwinnen van een kameraad of een familielid. Wij konden
de familiën der officieren gauw gerust stellen, doordat geen der
hunnen in levensgevaar verkeerde. De dokters stonden voor het leven
van kapitein White in, daar de bloeding bijtijds gestuit was. De
inboorlingen daarentegen klaagden luid en trokken zich de haren uit,
naar mohammedaanschen trant.

Generaal Wood scheepte zich met zijn staf dienzelfden avond in naar
Manilla; drie dagen later legden wij aan bij dezelfde kade, die ik
vijf weken te voren zoo overhaast had verlaten. De tijd, dien ik mij
voor de Philippijnen had gegund, was reeds overschreden; ik vertrok
dus naar Hongkong, niet zonder leedwezen het mooie land verlatend,
waar ik door de vriendelijkheid der autoriteiten zooveel belangwekkends
had mogen hooren en waar ik enkele van de meest bewogen uren van mijn
leven had doorgebracht.



De Ajita's of Aeta's van de Philippijnen.


Wanneer men de Europeanen en de Chineezen uitzondert, kan men de
bewoners van de Philippijnen tot twee rassen brengen, de Maleiers
en de Negrito's, de eersten, die uit Malakka en andere zuidelijker
streken zijn gekomen, en de Negrito's, wier afkomst nog niet met
zekerheid bekend is. Negrito's, dat is kleine negers, werden ze door
de Spanjaarden genoemd naar hun kleine gestalte en donkere huidskleur.

Hun eigenlijke naam was op Luzon Ajita's of Aëta's. Ofschoon ze vroeger
in groot aantal het eiland bewoonden, treft men ze tegenwoordig enkel
aan in de bosschen van het binnenland. Ze zijn klein, gemiddeld 1.40
meter groot, zijn goed gebouwd en over het algemeen niet leelijk,
alleen is de neus zeer breed en plat. Hun haar is wollig als dat der
Papoea's op Nieuw-Guinea.

De Ajita's leven van de jacht en van wat het bosch hun aan vruchten
levert. Aan landbouw doen ze nog niet, en hun wapens bestaan eenvoudig
uit pijl en boog en scherpgepunte lansen. Maar de uitwerking dezer
wapens weten ze te versterken door planten-vergiften. In vroeger jaren
moeten de Ajita's in voortdurenden strijd met de omwonende volken
hebben geleefd, wat thans niet meer het geval is. Hooge ambtenaren
in Manilla hielden vooral een twintig of dertig jaren geleden wel
Ajita-bedienden, die flink en ijverig waren, maar het toch op den duur
niet in de beschaafde wereld konden uithouden en naar hun bosschen
terug verlangden.

Reizigers achten het noodig, voorzichtig te zijn, als ze met de Ajita's
in aanraking komen, maar wat A.B. Piehler in het tijdschrift Globus
van hen vertelt, is niet afschrikwekkend. Wanneer men hun vriendelijk
tegemoet komt en geschenken meebrengt, zijn ze tot toeschietelijkheid
te bewegen. Piehler trok er met een vriend en een tolk op uit, om
hun levenswijze te leeren kennen en werd voorkomend ontvangen.

In het bosch zich tusschen boomen en struiken een weg banend, troffen
ze plotseling een groep van ongeveer dertig Ajita's, mannen en vrouwen
van verschillenden leeftijd. Zooals ze daar aan den oever van een
riviertje om een groot vuur lagen, zagen ze er woest uit. Op aanraden
van onzen maleischen tolk traden wij moedig op hen toe, en de tolk
wist hen te doen begrijpen, dat we goede bedoelingen hadden. Hij
liet hun eenige pakjes sigaren zien, die wij in de hand hielden,
om ze te verdeelen. Toen ze dat hadden begrepen, gingen ze op een
rij staan en wij verdeelden de begeerde lekkernij op de eerlijkste
wijze. Na de verdeeling was de vriendschap gesloten; ze schenen ons
te vertrouwen en namen hun plaatsen om het vuur weer in.

In de nabijheid van het vuur hing een gedood hert aan den boom. Het
hoofd sneed drie groote stukken er voor ons van af en wierp ze in het
vuur, om ze na een oogenblik eruit te halen en ons aan te bieden. Van
buiten was het vleesch zeer verbrand en met asch bedekt, terwijl
het van binnen nog rauw en bloederig was. Wij vreesden door tegenzin
te toonen onze gastheeren te krenken, en daar wij met hen op goeden
voet wilden blijven, schikten we ons in het onvermijdelijke en aten
ons wildbraad, waarvan per slot van rekening de smaak nog zoo kwaad
niet was.

De kleine menschen waren ons nu zeer gunstig gezind en door den tolk
vroegen de vreemden naar gebruiken en gewoonten van den stam. Ze
leven in groepen van hoogstens vijftig personen onder een hoofd,
hebben geen vaste woonplaatsen, maar trekken door de dichte bosschen,
waar het wild hen lokt.

Hun hutten zijn uiterst primitief, en steeds brandt er een vuur,
waaromheen de ouden en de kinderen zich ophouden, als de anderen op de
jacht zijn. De oudste van een schaar Ajita's is het hoofd, en over het
geheel worden de oude lieden vereerd. Elke man heeft slechts één vrouw,
en beide echtgenooten hechten veel aan de huwelijkstrouw. Zoodra een
jonge Ajita trouwen wil, vraagt hij de ouders van zijn uitverkorene om
hun toestemming. Dan zenden dezen het meisje op een vooraf bepaalden
dag vóór zonsopgang in het bosch, en een uur later gaat de jongeling
ook daarheen, om haar te zoeken. Heeft hij het meisje gevonden en
keert hij met haar vóór zonsondergang terug, dan stemmen de ouders
toe. In het andere geval, als hij dus alleen terug komt, moet hij van
het meisje afzien. Hieruit blijkt wel, dat hier de keus een recht van
het meisje is, want zij kan zich gemakkelijk verschuilen, dat ze niet
gevonden wordt, of weigeren met hem naar haar ouders terug te keeren.

Bij de Ajita's heerscht nog een eigenaardig gebruik, dat ook op
Nieuw-Guinea bij eenige volksstammen voorkomt, wat zou kunnen bewijzen,
dat de Negrito's aan de Papoea's verwant zijn. Zoodra namelijk iemand
sterft, zijn zijn kameraden verplicht, hun wapens op te nemen en het
land in te trekken, tot ze een levend wezen ontmoeten, dat ze dan,
onverschillig of het een mensch of een dier is, moeten dooden. Als ze
op zoo'n vervolgingstocht uit zijn, knakken ze de takken van de boomen
op een bijzondere manier en waarschuwen aldus ieder, hen niet in den
weg te komen. Zelfs een lid van hun eigen stam zou ontwijfelbaar
een kind des doods zijn, als ze hem als eerste ontmoeten na een
sterfgeval. Dit gebruik is voor ieder een waarschuwing, voorzichtig
te wezen bij het reizen door het gebied der Ajita's.

Tot aan de grenzen van het oerwoud vergezelden de kleine boschbewoners
de duitsche reizigers, die tot afscheid nog een paar braadpannen en
twee kleine revolvers cadeau gaven, zoodat de wilden overgelukkig
afscheid namen. Toen de Europeanen naar Manilla terug keerden,
werden ze daar door allen benijd, daar het tegenwoordig aan niet
velen vergund is, met deze boschmenschen in aanraking te komen.



Wat de Chineezen eten.

Vaak wordt gezegd, dat rijst het hoofdvoedsel van de Chineezen is,
maar dat is slechts tot op zekere hoogte waar. De rijke en welgestelde
klassen van de talrijke bevolking verorberen inderdaad veel rijst en
misschien kan die graansoort wel voor hen als hoofdvoedsel gelden, maar
de massa van het volk en vooral de plattelandsbevolking, die alleen
nu en dan rijst eet, zooals in Europa de armere klassen niet geregeld
vleesch eten. Het voornaamste voedsel is er gierst, in water gekookt,
dan maïsmeel, tarwemeel en sorghomeel, (ook een korensoort) terwijl
eveneens veel groenten worden gegeten, rauw of onvoldoende gewasschen.

De Chineezen eten weinig vleesch behalve in den tijd van het Nieuwe
Jaar, de periode van smulpartijen. Daarentegen worden in China ook
door de armere klassen der bevolking zeer veel eieren genuttigd,
die hard en geconserveerd worden gegeten. Bij dat bewaren worden de
eieren tusschen geurige planten gelegd in gebluschte kalk gedurende
minstens vijf of zes weken. Soms worden ze jaren bewaard en dan in den
aanlokkelijken staat, waarin ze gekomen zijn, toch naar binnen gewerkt.





*** End of this LibraryBlog Digital Book "Reizen en vechten in het Zuiden van de Philippijnen - De Aarde en haar Volken, 1908" ***

Copyright 2023 LibraryBlog. All rights reserved.



Home