Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Geschiedenis der Europeesche Volken
Author: Kohl, Johann Georg, 1808-1878
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Geschiedenis der Europeesche Volken" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



						  Geschiedenis
							  der
					  Europeesche Volken.


					  Naar het Hoogduitsch

						  J. G. Kohl.

					 Met gekleurde platen.

				Naar oorspronkelijke teekeningen

						 A. Kretschmer.


				's Gravenhage--Joh. Ykema--1874.



EUROPA.


"Dit oude Europa verveelt mij!" moet Napoleon eens gezegd hebben. En
velen, dat werelddeel moede, hebben het hem later nagezegd.

Napoleon uitte dat gezegde waarschijnlijk, toen hij het toppunt
zijner macht bereikt had, toen hij geheel Europa aan zijne voeten
zag en hem niets meer te wenschen over bleef. En zij, die even als
hij Europa moede waren, zeiden het, omdat zij hopeloos, in het oude
Europa niets te winnen of te verliezen hadden.

Het is een somber gezegde, dat òf uit geblaseerdheid òf uit
vertwijfeling ontstaan is en er door ingegeven wordt.

Noch de geschiedenis, noch eene bedaarde overweging der bestaande
verhoudingen, brengt er ons toe dit gezegde te beamen, veeleer brengen
beide ons tot de overtuiging, dat ons goed Europa noch vervelend,
noch, zoo als de Amerikanen het uitdrukken, zwak van ouderdom is.

Op de geheele wereld is, tot op den nieuwsten tijd, geen schouwtooneel
voor hoofd en hart meer onderhoudend en ontwikkelend, dan de
beschouwing van het leven en het werken der wakkere Europeesche volken;
nergens vestigt men meer zijne hoop op de jeugd, op vooruitgang en
op nieuwe gezichtspunten, dan in ons kleine werelddeel, dat wel reeds
oud is, maar altijd zijn levenslust blijft behouden.

Van de tijden der Atheners af, was Europa de bakermat der
beschaving. "Met het christendom", zegt Arndt, "zijn alle geniën
daar heen getrokken. Het is het hart der wereldgeschiedenis
geworden. Door de ontdekking van Columbus werd Europa het centrum van
het aard-organisme, en sedert dien tijd kan men bijna met zekerheid
zeggen, zal het, door alle tijden heen, het geestelijk en lichamelijk
centrum van onzen aardbol blijven."

Deze zekerheid bevestigt zich bij ons, wanneer, wij het verwonderlijke
en op Aarde eenige plan, waarnaar de Schepper ons vasteland daarstelde,
nader beschouwen; wanneer wij nagaan hoe gelukkig de natuurlijke
aanleg is, die aan de Europeesche volken van den beginne af eigen
was en hun in hoofdzaak eigen gebleven is.

Als de Grieken den God van den regen en de wolken, en zijn broeder
den "aarde-schuddenden" Poseidon, den God der zee, de hoogste macht
toekenden, en de Godin der Aarde slechts als eene ontvangende,
lijdelijke vrouw voorstelden; als hun groote dichter Pindarus een
zijner oden met de beroemde spreuk begon: "het water is zeker het
beste," toont een blik op den aardbol aan, door welk juist begrip
deze zoowel als gene daarbij geleid werden.

Alle oude en jongere beschaafde landen der wereld waren in de nabijheid
van het water gelegen. Van China over Indië naar Perzië, Arabië, Egypte
en Europa, vormen zij een langen gordel van door de zee bespoelde
schiereilanden. Meer binnenslands, verder verwijderd van de zee, buiten
het bereik harer bevruchtende wolken en baren, afgelegen van bevaarbare
rivieren, heeft nooit de beschaving zelfstandige wortels geschoten.

Het in tallooze stukjes land verbrokkelde en steeds barbaarsche
Australië, waar de eilanden zich met hunne kleine wilde volkstammen
in de water-woestijn verliezen, bewijst echter dat, ook met betrekking
tot het water, het goede te veel kan zijn.

Het schijnt, dat bij het huwelijk tusschen vastland en water, beide
even als echtelieden met nagenoeg gelijke kracht tegenover elkander
moeten staan; In den omtrek van den onmetelijken oceaan, waar Gaea
als eene dwerg leeft, ziet het er even onaangenaam uit als in het
binnenste der grenzenlooze landmassa's, die niet onder het bereik
van den elektrischen drietand van Neptunus vallen.

In geen werelddeel echter is de verhouding tusschen water en vastland
zoo gunstig en voordeelig, als in Europa.

Aan drie zijden door zout water omspoeld, wordt het door groote
zeeboezems in verschillende krachtig ontwikkelde landen verdeeld. Het
heeft een zeer sierlijken en vasten lichaamsbouw, eene slanke,
goed geproportioneerde gestalte met duidelijk ontwikkeld hoofd,
goed gevormde borst, fraaie taille en sterk gespierde armen.

Te recht heeft men daarom Europa met den mensch vergeleken, en haar
naam aan dien eener goddelijke jonkvrouw ontleend, als had de natuur
zelve reeds de hooge bestemming van dit gedeelte der wereld bij
voorbaat aangewezen, als had zij willen zeggen: gij zult de eerste
onder de werelddeelen, de Koningin der Aarde zijn.

De andere vastelanden Azië, Afrika, schijnen in vergelijking met ons
Europa, niets dan breede, plompe, ongefatsoeneerde massa's, die nooit
met eene menschelijke figuur, hoogstens zooals Indische sagen het met
betrekking tot Azië deden, met de schaal van groote schildpadden of
met de bladeren der op de wereld-zee drijvende reusachtige planten,
vergeleken kunnen worden.

De gladde, koele, zilte, landen aan elkander verbindende, wateren,
waarin Europa zich baadt, bespoelen in Frankrijk en Spanje het hoofd
en de borst der jonkvrouw, zij versterken in Engeland en Italië hare
gespierde armen. In de Zwarte zee, en meer noordwaarts in de Witte
zee, bevochtigen zij hare voeten; en even als de Godin der liefde komt
zij steeds vroolijker, gezonder en schooner uit dit bad te voorschijn.

De stamvader Oceaan, in wiens schoot Europa ligt, heeft, hoe beweeglijk
hij ook zijn mag, toch eene zekere mate van gelijkmatigheid in zijn
karakter. Daar hij, niet zooals de hartstochtelijke vrouw Gaea,
gemakkelijk door de zon verhit wordt, en zelfs gedurende den winter
ook nog eenige warmte in zijn bloed blijft behouden, matigt hij daarom
overal waar hij verschijnt. Hij breekt de spitsen af der pijlen van den
zuidelijken zonnegod, en tevens maakt zijn zachte adem de verstijfde
leden van den noordelijken Boreas lenig.

In Europa doet hij dit, ten gevolge van de zamenwerking van
buitengewone omstandigheden, meer dan in eenig ander gedeelte der
Aarde.

Het gedeelte der Aarde, dat wij bewonen, keert namentlijk zijn gelaat
naar die merkwaardige oceanische strooming toe, die als heete stroom,
onder den naam golfstroom, uit de golf van Mexico te voorschijn komt
en door de kusten van Amerika teruggestooten, zich als een zacht
verwarmde stroom uit het zuid-westen tot ons keert.

Met vochtige wolken beladen en door zachte weste-winden, de bloesem
ontwikkelende Favonius of Zephyr der ouden, begeleid, dringt deze
strooming door de zuilen van Herkules (Gibraltar) de Middellandsche
zee, die ons van den Afrikaanschen gloei-oven scheidt, binnen. Even
als zij in het zuiden verkoelend werkt, zoo werkt zij verwarmend in
het koude noorden. Zij kronkelt door de golf van Biscaia, verhoogt
de temperatuur der Britsche eilanden, voert eene menigte warmtestof
strijkelings langs de kusten van Noorwegen tot aan de Noordkaap,
en houdt, jaar in jaar uit, de zee tot aan Spitsbergen open.

Aan dezen weldadigen golfstroom, aan wiens--tot in den laatsten tijd
miskenden--invloed, geheel Europa en zijne beschaving blootgesteld
waren en nog zijn, hebben de Skandinaviërs het te danken, dat zij
als Europeanen kunnen leven; dat zij met groote schepen hunne havens,
waarin het ijs smelt, even gemakkelijk kunnen verlaten als de Italianen
het de hunne kunnen doen; dat hunne velden, die door de dampen van
den golfstroom bevochtigd worden, bijna even groen zijn als die in
Duitschland en Nederland; dat bij hen akker- en boschbouw bloeien op
een breedtegraad, waar overal elders op Aarde--in Amerika, zoowel
als in Azië en Australië--de ijskoning zijn ruwen schepter zwaait,
of hoogstens alleen nog Eskimo's of Päschera's een allerellendigst
leven leiden.

De afstand van de noordelijkste berken-bosschen van Noorwegen, tot aan
de zuidelijkste pijnboom-wouden van Griekenland en Italië, bedraagt
bijna 40 breedtegraden. Op den geheelen aardbol wordt, behalve in
Europa, nergens in de gematigde luchtstreek een streek gevonden,
waar op een even groot breedte-verschil zoo weinig onderscheid in
het klimaat is, als in het hierboven opgegevene.

In Azië zoowel als in Amerika, ook in het zuidelijk gedeelte, staan de
uiteinden eener dergelijke oppervlakte tegen elkander over als leven en
dood. Bij de hoog in het noorden gelegene Tornea-rivier, vindt men een
der vruchtbaarste, bekoorlijkste en volkrijkste streken van Zweden,
waar in den zomer korenvelden afgewisseld worden door liefelijke
weidelanden, waarop het gras ongewoon digt en hoog groeit. Ja! aan
den even noordelijk gelegen Alfen-Elf groeien nog pijnboomen van 60
voet hoogte, terwijl buiten Europa op dienzelfden breedte-cirkel,
niets anders dan mos en klein struikgewas wil groeien. In het oosten
langs de Europeesche helling van het Ural-gebergte, langs de Oka en de
Wolga, bevinden zich de schoonste en vruchtbaarste landschappen van
het Russische rijk; voortreffelijke weiden, rijke korenvelden, nu de
korenschuren van Oost-Europa, en de prachtigste eiken-bosschen wisselen
daar elkander af. Aan de oostelijke of Aziatische helling van datzelfde
Ural-gebergte verandert dat tooneel ras. Daar mist men al spoedig den
echt Europeeschen boom, den mannelijken, koninklijken eik, die bij ons
overal groeit, dien de Europeesche volken voor heilig hielden en dien
zij allen, Grieken, Celten, Germanen, zich als om strijd als hunnen
nationalen boom, als het symbool van lang voortdurende kracht verkozen.

Misschien moeten wij in deze strooming van den oceaan,
de _allerwezentlijkste_ en afdoendste oorzaak der gesteldheid
van Europa ten opzichte der andere werelddeelen verklaren; want
misschien is ook deze stroomrichting uit het Zuid-Westen, die in
vroegere tijdperken der Aarde-ontwikkeling wellicht veel sneller
gestroomd heeft, de kracht geweest die onze kusten zoo golfrijk, ons
vastland zoo bont getooid, zoo open en toegankelijk gemaakt heeft;
die, met één woord, langzamerhand die jonkvrouwelijke gedaante
heeft te voorschijn geroepen. Men zou daarom den golfstroom een
der invloedrijkste onder de natuurkundige factoren kunnen noemen,
die het lot der Europeesche menschheid bepaald hebben. Daar hij aan
ons werelddeel de eigenschappen van een trekkas verleende, heeft men
hem ook wel den eigenlijken vader der westelijke beschaving genoemd.

Weste- en Zuidweste winden, die deze strooming vergezellen, zijn
de heerschende in Europa. Zij voeren de dampen en nevels van den
Oceaan over het geheele vasteland heen, bevochtigen het overal,
spijzigen rijkelijk zijne bronnen en rivieren, en maken het tot
eene goed bevochtigde en bronnenrijke _regengordel_, namentlijk in
tegenstelling met dien breeden, waterloozen aardgordel, die in het
zuiden door Perzië, Arabië, en Afrika om haar heen loopt.

Bevaarbare, vruchtbaarmakende en vroolijk stroomende rivieren, die
toonbeelden en voorbeelden eener rustelooze werkzaamheid, doordringen
als een net van levendige aderen alle deelen en onderdeelen van ons
groot Europeesch vaderland. Zelfs in het hooge noorden brengen zij de
molens en kunstraderwerken der Schotten en Skandinaviërs in beweging,
en dragen zij hunne vaartuigen het geheele jaar door, terwijl op
dezelfde poolshoogte in andere werelddeelen de rivieren met eeuwig
ijs bedekt zijn, en zich niet anders voordoen dan als toonbeelden
van traagheid en doodelijke rust.

De regen en de rivieren maken ook nog de zuidelijkste streken van
Europa, de landen aan de Middellandsche zee vruchtbaar, terwijl in
den naastgelegen gordel, in de woestijn Sahara, met het wegloopen
en opdroogen der wateren, alle leven, ook het menschelijke leven,
versterft.

In de regenlooze zonen is de grond van nature veel minder geschikt
tot bebouwing. Slechts door kunstmatige bevochtiging en door eene
inspanning, die nu en dan de krachten der bewoners schier te boven
ging, kon men dat verhelpen. Wanneer men dit echter naliet, dan moest
weldra, zooals dit in den nieuwen tijd geschied is, de kunstmatig
geteelde plant verwelken.

In het steeds door den hemel bevochtigd Europa, zullen de gronden en
hun plantengroei niet zoo spoedig afgeleefd en afgestorven zijn, als
daar. Dit werelddeel bevat het element der eeuwige jeugd in zich. Het
zal zoo lang krachtig blijven, als de Oceaan, de golfstroom en de
terugkeerende passaatwinden, aan Europa verfrisschend nat zullen
toevoeren.

Even als het heilaanbrengend nat der wolken, zoo ontvouwt zich een
vruchtbare bodem over het geheele werelddeel. De vruchtbare akkergrond
strekt zich uit tot de binnenste dalen der gebergten.

Europa is het eenige onder de groote werelddeelen, dat geen
voor den mensch onbewoonbare woestenij bezit, waarmede Noord-
en Zuid-Amerika, Afrika en Azië zoo overvloedig bedeeld zijn. De
steppen van Rusland, die men wel eens woestijnen genoemd heeft,
hebben dien naam voornamelijk te danken aan hunne eentoonigheid. Zij,
zooals ook de moerassen van Polen, wanneer de mensch zich maar eenige
moeite geeft, zijn vruchtbaar en loonen den arbeid. En als men over
de zandvlakten van Pruissen als over eene natuurlijke woestijn sprak,
dan was dat toch eene, die met behulp van regen, vlijt en arbeid,
in eenen tuin te veranderen was.

Een sporadisch, dat wil zeggen slechts hier en daar, door ijs, kale
rotsen of moerassen van geringe uitgebreidheid afgebroken plantendek,
bedekt het geheele, altijd groene Europa; in deze door de natuur
gevormde schilderij heeft _de kleur der hoop_ den grondtoon.

Europa behoort tot de gematigde luchtstreek. Slechts een onbeduidend
gedeelte bij de Noordkaap behoort tot de koude luchtstreek, en van
de heete wordt zij door een fraaie zee over hare geheele lengte
gescheiden.

Ook in dat opzicht verschillen wij van de andere werelddeelen. Al
deze behooren deels, zoo als Afrika en Zuid-Amerika met bijna hunne
geheele oppervlakte tot de aequatoriaal-landen; deels ligt, als Azië
en Noord-Amerika, hunne breede borst geheel bloot voor den invloed
der onbarmhartige noordewinden.

Te recht heeft men ook hierin eene hoofdreden gezocht voor de welige
ontwikkeling der Europeesche natien. Waar, zooals aan de poolstreken,
de grootste vlijt, de sterkste inspanning geen of slechts een zeer
karig loon ten deel valt, daar vervalt de geest, evenals de natuur,
tot den eeuwigen winterslaap.--Waar, zooals in de tropische gewesten,
een dozijn broodboomen voldoende zijn om eene familie te voeden,
daar doodt de overvloed de geestkracht der menschen, die niets
moeielijker kunnen verdragen dan "eene reeks gelukkige dagen."--Waar
echter, zooals in onze gematigde luchtstreek, eene spaarzame en toch
niet ondankbare natuur ons ten strijde roept, en die strijd niet te
zwaar is, daar wordt de geest wakker geschud, daar bloeit de arbeid,
de moeder van ontwikkeling en vooruitgang.

Hoe practisch, hoe opwekkend, hoe aangrijpend is niet de, onze
Europeesche zone eigene, natuurverschijning: de wisseling der
jaargetijden. In de streken, waar de liefelijke zonnegod nooit in zijn
vollen luister verschijnt, evenals daar waar hij in eentoonige pracht
eeuwig lachend straalt, kan hij ter naauwernood de menschen wakker
houden. Met ons Europeanen echter speelt hij het altijd opwekkende
spel van scheiden en weder verschijnen.

Welk een beteekenisvol beeld van ons eigen leven, toovert deze
bekoorlijke dans der Horae ons niet voor den geest. Als de jeugdige
lente en met haar het vernieuwde licht nadert, als de vogelen
kweelen en de aarde juicht, "wien zweefden dan niet altijd weder de
droombeelden zijner jeugd voor den geest en wie gevoelde dan niet
zijne goddelijke bestemming?" En niet alleen de lente, waarin alles
tot een nieuw leven ontwaakt, of de zomer, waarin alles tot volle
rijpheid komt, ook de langzamerhand eindigende finale, de herfst,
maakt op ons gemoed een diepen indruk.

Hoe bezielend, hoe ontwikkelend moet in het verloop der tijden het
schouwspel van eene zoo tooverachtige afwisseling gewerkt hebben op
het gemoed onzer volkeren, die altoosdurend strijd en overwinning
voor oogen hadden, die daardoor als het ware in staat gesteld werden,
in hunne woonplaats en zonder te reizen, alle luchtstreken der Aarde
te doorleven en van alle klimaten te genieten.

Gedichten op den zomer, den herfst en de lente maken wel de helft uit
van de poëzie der Europeesche volken. Ja! als men bedenkt, hoe de
Grieken den in lentetooi terugkeerenden Apollo den beschermgod der
dichters maakten, en hoe ook in het noorden van Europa het gezang
der landskinderen in Mei, tegelijk met het lied van den leeuwerik,
op nieuw weerklinkt, dan wordt men geneigd juist in deze afwisseling
der jaargetijden de bron en de aanleiding onzer poëzie te zoeken.

De schoonste en roerendste sagen en ideeën, niet alleen der Romeinsche
en Grieksche, maar ook der Slawische en Germaansche godenleer, hebben
betrekking op de afwisseling der jaargetijden, die alle Europeanen
tot nadenken, tot het maken van vergelijkingen en tot de kennis van
het menschelijke leven en van hen zelven bracht.

En de bijbel zelf spreekt met lof over den invloed van de wisseling
der jaargetijden, wanneer hij zegt: "zoo lang de Aarde staat en zoo
lang er menschen op leven, zullen ook zaaien en oogsten, koude en
hitte, zomer en winter, dag en nacht blijven bestaan."--Maakt niet
zelfs de stichter van den godsdienst, die wezentlijk de Europeesche
geworden is, steeds melding van deze zaken? heeft hij niet vele der
voor ons bevattelijkste beelden en der fraaiste leeringen uit haar
geput? Het zijn allen beelden en gelijkenissen en lessen uit den
schoot der gematigde luchtstreek; van dien grilligen aardgordel,
die zijne kinderen nu eens in het vuur, dan in het water doopt, die
hunne gemoederen steeds in spanning houdt, altijd hunne neigingen, hun
verlangen of hun verdriet wakker maakt, hen nu eens met treurigheid,
dan weder met vroolijkheid en vreugde vervult, en die daarom _alleen_
door zulke phenix-volkeren als de Europeesche bewoond wordt, die even
als de vogel Phenix steeds van voren af hun vernield nest opbouwen,
en bij wie men nooit aan eene wedergeboorte behoeft te twijfelen.

Even als in de _uiterlijke gedaante_ van het vaste land, en zijne,
voor het onderlinge verkeer zoo _gunstige zamensmelting met de
zee_, alsmede in het klimaat, dat van geene uitersten weet, en in de
grondgesteldheid, die geene woestijnen kent, maar overal, hier meer,
daar minder, bebouwbaar is; zoo toont zich ook overal elders in de
geheele verdere natuur van Europa, in zijne oorspronkelijke produkten,
in zijne planten- en in zijne dierenwereld, eene zekere doelmatigheid,
zekere bijzonder heilzame gematigdheid. Nergens vindt men Indischen
overvloed, Aziatische pracht en tropische overdaad. Maar bijna overal
heeft men het noodige en bruikbare, of kan men het verkrijgen.

In andere werelddeelen, b.v. in Zuid-Amerika, vindt men landen,
waar op eene vlakte-uitgebreidheid, nagenoeg zoo groot als geheel
Europa, volstrekt geen vaste steen gevonden wordt, waar straat-
en bouwsteenen even zeldzaam zijn als diamanten. In Europa steekt
het oude gebeente der Aarde overal rijkelijk boven den bodem uit,
of is in puin over zijne oppervlakte verspreid, opdat de Europeesche
volken hun verstand er aan zouden scherpen, en van de steenen, die
zij te voorschijn kunnen halen, duurzame werken zouden daarstellen.

Van nature zijn wij arm aan paarlen, edelgesteenten, goud en
zilver. Daarentegen zijn wij rijk aan het metaal, waardoor men
zich, op de zekerste wijze, die schatten verschaffen kan. Overal
in ons werelddeel vindt men ijzer; men vindt het in de moerassen
van Finland, in de bergen van Skandinavië en Groot-Brittanje,
en in de rotsen en eilanden der landen aan de Middellandsche
zee. Uit dit metaal vervaardigden de Europeänen hunne spaden,
hunne ploegen, hunne zwaarden, hunne machineriën, waardoor zij
den wereldbol aan zich onderwierpen. Met dit haar ijzererts, dat
zij hem bijna overal aanbiedt, spreekt Europa tot hare kinderen:
"arbeidt en heerscht!" "Arbeiden is koninklijk," zoo luidde de
beroemde spreuk van een met ijzer bekleeden Europeeschen heerscher:
een echt Europeesch koningsidée, een bon mot, waarin geen Aziatische
Nebukadnezer den Macedonischen Alexander vóór was. Deze spreuk vormt
een scherp kontrast met het uit Azië afkomstige en daar algemeen
verspreide gezegde: "rusten is beter dan gaan, slapen is beter dan
waken en de dood is het beste van alles."

Ook het karakter der dierenwereld komt overeen met de aangegevene
physionomie van het vasteland. Even als in de wijze waarop de
lichaamsbouw geregeld is, uitstekend en behendig de juiste maat
in het oog gehouden is, en men evenmin op het vasteland zulk eene
verlammende verbrokkeling als in Australië, of zulke kolossale en
onbehouwen afmetingen als in Azië en Afrika aantreft--zoo heeft ook
de dierenwereld van ons werelddeel geene soorten die, of in karakter
of in afmetingen, monsterachtig zijn. Na den zondvloed werden in ons
Europa geene olifanten, rinocerossen of andere wilde dieren meer
gevonden. De weinige leeuwen en tijgers, die Griekenland eens zou
gevoed hebben, heeft de Europeesche Herkules spoedig gewurgd.

Noch in soort noch in aantal, zijn de door den mensch gevreesde
schepselen, bij ons zeer talrijk geweest. De wolf, de losch, de
beer zijn, nevens eenige kleinere diersoorten, de eenige die wij als
bij ons inheemsch kunnen beschouwen, terwijl in verscheidene andere
oorden der wereld, de mensch moeite heeft zich voor de verscheurende
en roofdieren te vrijwaren, en genoodzaakt is een onophoudelijken
strijd tegen hen te voeren.

Vergiftige planten zijn zoo goed als geheel uit onze gezonde wouden
verbannen; de elders zoo talrijke vergiftige planten zijn, even als
de vergiftige slangen en andere verschrikkelijke en monsterachtige
kruipende dieren, bij ons nagenoeg geheel onbekend.

Onze vogels evenaren die der andere luchtstreken niet in grootte en
kleurenpracht, daarentegen munten zij boven die der andere werelddeelen
uit door hun liefelijk geluid. Geen werelddeel is zoo rijk aan
zangvogels als Europa. Kweelend doortrekken de kleine gevederde
minnezangers onze bergen en bosschen en doen ons gehoor aangenaam
aan, terwijl de Flamingo's en Kakatoe's der tropische gewesten, door
de grilheid hunner kleuren het oog verblinden. Het is, als ware in
Europa de natuur zelve verstandiger, en minder op bloot materieele
praal en pronk gesteld, dan ergens anders.

Ook in de plantenwereld gaat het bevallige boven het prachtige,
het nuttige en voor menschelijke doeleinden geschikte boven het
schitterende.--De broodgevende voedingsplanten, de opvroolijkende
wijn, vele verfrisschende en gezonde vruchtsoorten, die de Schepper
Adam in het paradijs gaf, heeft Europa gaarne aangenomen, en zij
zijn in onze trekkas, met behulp van ons gematigd klimaat, door
Europeesche kunstvlijt nog in zoo hooge mate veredeld, dat moeielijk
een verfijnde smaak de voorkeur zal geven aan de overzoete, sterk
gekruide en lekkere vruchten van het zuiden, boven het bouquet van
ons druivensap, boven de liefelijk gekleurde vruchten onzer appel-,
peeren-, pruimen- en citroenboomen.

De bij ons van nature inheemsche bosch- en weidebloemen, spreiden
wel niet zooveel uiterlijke pracht ten toon als de sierplanten van
andere werelddeelen, die overdadig prijken met alle kleuren van den
regenboog. Onze echt Europeesche nachtviooltjes en vergeet-mij-nietjes,
onze mirre en resida, onze lavendel, onze kleine rosmarijn,
sneeuwklokjes en meibloemen verbergen zich, om zoo te zeggen. Zij
moeten ontdekt, hunne bescheidene schoonheid moet erkend, en kan
dikwijls niet dan alleen met overleg, genoten worden. Zij bezitten
niet dat bedwelmend aroma, dat aan de planten van Arabië eigen
is, en toch brengt een Europeesch viooltje of een heerlijk riekend
"hoe-langer-zoo-liever" eerder den dichter in verrukking, dan de kelk
van eene schitterende kaktus of eene sterk riekende magnolia.

Kortom, waarheen wij onze blikken ook wenden, overal blijkt het,
dat de gulden middenweg midden door Europa loopt. De natuur heeft
Europa nergens geheel verwaarloosd, maar ook nergens den hoorn des
overvloeds verkwistend over haar uitgestrooid. En juist in deze
gematigdheid, die bij de Europeesche schepping heerscht, ligt hare
eigentlijke kracht. Een klein begin heeft de natuur overal gemaakt,
den aanleg heeft zij allerwege gegeven, den menschen de benuttiging en
de voltooiing van het werk overlatende. Het borduurraam en de stof die
geborduurd moet worden heeft zij zeer voordeelig gesteld, het borduren
zelf echter slechts voorbereid. De Europeaan moest dat werk voltooien.

Sem, de Aziaat, was als Noach's eerstgeborene, om zoo te zeggen
door eerstgeboorterecht de erfgenaam der schepping; hij bleef op de
aangeërfde hoeve en volgde de oude overlevering der voorvaderen. Japhet
echter, de Europeaan, was de jongere zoon, die weinig erfde, die het
leven in moest en zich in de wereld zijn koningrijk moest en wist
te veroveren.



ZUIDELIJKE NABUREN VAN EUROPA.

(PHENICIËRS, ARABIEREN, MOOREN, BARBARIJERS.)


De lange aaneengeschakelde rij van ter bebouwing geschikte
landschappen, die tusschen de woestijn van Sahara en de Middellandsche
zee gelegen is, maakt meermalen, zoowel in physieken zin als in
betrekking tot de geschiedenis der beschaving, eene uitzondering op het
groote werelddeel Afrika, waarvan zij een gedeelte uitmaakt. Misschien
is er eens een tijd geweest, waarin zij daarvan geheel gescheiden was,
namentlijk, toen de nu opgehevene kom dier groote woestijn ook met
zeewater gevuld was.

Zij sluit zich in vele opzichten aan de landen van zuidelijk Europa
aan, en vormde daarmede vroeger, toen de straat van Gibraltar nog niet
bestond, een samenhangend geheel. Nu ligt zij aan den oever derzelfde
zee, waaraan zuidelijk Europa gelegen is--deelt met haar een zelfde
klimaat en een zelfden plantengroei,--is met haar dan ook dikwijls aan
de zelfde veroveraars en koningrijken onderworpen geweest, en heeft
tot op onzen tijd--tot het verschijnen der Afrikaansche Turco's onder
Fransche banier in ons noorden, en tot op de vernieuwde invallen der
Spanjaarden in Marokko in 1862--met ons van krijgslieden, koloniën,
bevolking en ontwikkeling omgewisseld.

Hieruit spruit de voor ons onderwerp al aanstonds belangrijke
vraag voort: welke volks-elementen, welke invloeden op karakter
en ontwikkeling, welke veranderingen in zeden, gewoonten en taal,
hebben de Europeanen van deze zijde ontvangen en geleden, en welke
overblijfselen en indrukken vinden wij daarvan nog ten huidigen dage
bij ons?

De landen van Noord-Afrika behooren, even als Europa, tot de gematigde
luchtstreek, waarin zij, even als ons werelddeel, over de geheele
lengte van het Oosten naar het Westen zich uitstrekken. Zij deelen nog,
ofschoon niet in dezelfde mate, in den invloed van den zuidwest-passaat
en zijn daarom--voor het grootste gedeelte althans--even als Europa
een _regenland_. Zelfs snijdt de zuidelijke grenslijn der met de
oppervlakte der zee op dezelfde hoogte vallende sneeuw, eenige der
hoogste punten van noordelijk Afrika. Hier en daar treft men deze
verschijning aan tot aan den voet van het Atlas-gebergte en der andere
bergen van het binnenland, tot aan den rand van de, tot den altijd
regenloozen en heeten gordel behoorende, Sahara, de groote zandzee
zonder water.

Even als het karakter van het klimaat, zoo heeft ook de plantengroei
van Noord-Afrika, veel meer overeenkomst met dien van Europa dan met
dien der binnenlanden van Afrika. Ja! dit Noord-Afrika vormt eigenlijk
met het zuidelijke Europa eene en dezelfde botanische provincie. Het
deelt met het zuidelijk gedeelte van Europa de belangrijkste blad-
en vruchtboomen, onder anderen den nuttigen olijfboom, de sappige
citroenen, oranje-appelen en andere Europeesche zuidvruchten. Ook is
het nog een wijnland, maar de zuidelijke grens van den wijnstok loopt
rakelings langs de zuidelijke grens dezer kustlanden heen.--Vooral
ook is het een zeer dankbaar bouwland, en de graansoorten, die wij
gaarne de Europeesche noemen, vinden wij ook hier in zulke gunstige
omstandigheden, dat Noord-Afrika, dat zich in het gezicht van Europa
ontplooit, in vroeger tijden een der voornaamste korenschuren van ons
werelddeel geweest is. Deelde Noord-Afrika met ons onze graansoorten,
zoo kon omgekeerd het in de tropische gewesten te huis behoorende
suikerriet, de katoenstruik en de dadel-palm naar Spanje en Sicilië
overgebracht worden, en aan den drassigen oever van eenige rivieren
van dit eiland, groeit nog heden ten dage de bij den Nijl te huis
behoorende papyrus-plant.

Even als met den plantengroei, zoo is het in zekere mate ook met
de dierenwereld gesteld, ofschoon, met betrekking tot deze, beide
werelddeelen meer van elkander onderscheiden zijn. Verscheidene
dieren en diersoorten bewonen zoowel de noordkust van Afrika, als de
zuidelijke gedeelten van Europa. Zoo, om slechts eenige voorbeelden
te kiezen, vindt men èn hier èn daar, het damhert, het konijn, den
kraanvogel, verscheidene roofvogels en nog talrijker kruipende dieren,
insekten, kapellen. En daarbij moet wel opgemerkt worden, dat deze
zuidwaarts, de zuidelijke grens dezer aan de Middelandsche zee gelegene
Afrikaansche kustlanden niet overschrijden of overvliegen.--Dat wij
Europeanen jaarlijks vele vroolijk kweelende zwermen zangvogels, en
ook de bij ons zoo inheemsche ooievaars, met Noord-Afrika verruilen,
is van algemeene bekendheid, even als dat eene kolonie Afrikaansche
apen, naar de rotsen van Gibraltar verhuisd is, alsmede dat--in oude
tijden ten minste--de Afrikaansche leeuw ook in Europa zijn gebrul
deed hooren, tot de knods van Herkules hem in Griekenland nedervelde.

Met het oog op al deze omstandigheden, hebben dan ook vele oude
Grieksche aardbeschrijvers er geen steen of been in gevonden, het
Noordelijk Afrika onder den naam "Libyë" nog tot Europa te rekenen,
en het geheel van het overige Afrika, dat zij bij voorkeur "Ethiopië"
(het land der Zwarten) noemden, af te scheiden.

De oorspronkelijke bewoners van Afrika, de zwarte kinderen van
Cham, de door de zon aan huid en hersenen verzengde negerstammen
hebben, ofschoon zij over eene groote uitgestrektheid even dichte
naburen van ons werelddeel zijn als de Mongoolsche nomaden-stammen
van Azië, het nooit in hun hoofd gekregen Europa te beoorlogen,
te verwoesten, of er zich met der woon heen te begeven. Diep
verzonken in eene van eeuwen her dagteekenende barbaarschheid,
zijn deze ontelbare volkeren, die niet de minste énergie bezitten,
voor de overige menschheid van niet den minsten dienst geweest,
zij hebben voor haar niets uitgedacht of uitgevonden. Even als de
baren van eene groote, sombere binnenzee, bewogen zich bij hen,
van het begin der wereld af, de volkeren heen-en-weer. Iedere baar,
hoe hoog zij ook mogt stijgen, viel weder binnen de grenzen dezer
zee terug, en nergens stroomde zij vol ondernemingsgeest over.--De
wolharige negers hebben geene geschiedenis. Wij nemen bij hen niets
waar, dan tallooze eentoonige veranderingen en altijd op dezelfde
wijze herhaalde wilde omwentelingen; nergens een vroolijken wasdom,
nergens eenige grootsche ontwikkeling, nergens eenigen belangrijken
vooruitgang. Zij zijn voor ons werelddeel nooit gevaarlijk, maar
ook nimmer nuttig geweest. Ja! zij hebben, voor zoover het oog der
geschiedenis reikt, nooit op de door ons bedoelde noordelijke grens van
hun eigen werelddeel vasten voet gehad. Ook daar verschijnen zij (even
als nu en dan in Europa) niet dan begeleid door krachtiger rassen,
en door dezen behandeld als slaven. Wij mogen deze neger-volken, bij
eene schildering der volken van Europa, geheel en al ter zijde laten.

Noord-Afrika heeft van oudsher zijne heeren en zijne landbouwers deels
uit Europa, deels uit de omstreken van Hasch, dat is het land der
Zon (Morgenland)--Azië--gekregen, voornamentlijk en het meest uit de
laatste streken, vooral in de vroegste tijden, toen alle verbreiding
van het menschengeslacht en der beschaving, van daar uit het Oosten
naar het Westen gericht was.--Beschouwen wij daarom het allereerst
de verhouding van Noord-Afrika tot Azië.

Beide zijn door eene hoogst merkwaardige brug, de landengte van Suez
en hare voortzetting in Syrië, aan elkander verbonden. Zij zijn ook
over de geheele uitgebreidheid der smalle kloof van de Roode Zee,
die gemakkelijk bevaarbaar is en vroeger--zoo luidt de bijbelsche
sage--door een geheel volk doorwaad werd, slechts zwak van elkander
gescheiden. Afrikaansche en Aziatische eigenaardigheden vermengen
en verbroederen zich hier. Door Arabië, eene oostelijke voortzetting
der Sahara, en door Perzië en Beludchistan, dringt deze verbroedering
door tot aan Voor-Indië.--Oude schrijvers hebben daarom ook dikwijls
gevraagd, of men niet een deel van Noord-Afrika, namentlijk Egypte
en het geheele Nyl-dal, nog tot Azië rekenen moest; anderen hebben
weder het omgekeerde gedaan en gedeelten van Azië, met name Arabië,
tot Afrika gerekend. En wij, onzerzijds, mogen hier ook deze streken
mede in den kring dien wij zullen nagaan, trekken, en wanneer wij
over de Noord-kust van Afrika spreken, dit ook tot Syrië, Phenicië,
Arabië en hunne naburige landen uitstrekken.

De geloofwaardige geschiedenis leert ons, dat noordelijk Afrika
herhaalde malen van daar overstroomd en gekoloniseerd geworden is, en
het is hoogst waarschijnlijk, dat alles wat de Noord-kust van Afrika,
wat bevolking betreft, aan ons Europa gegeven heeft, oorspronkelijk
uit Arabië en andere naburige Aziatische streken gekomen is, en dat de
Noord-Afrikaansche landstreken daarbij slechts de rol van bemiddelaar,
van een land dat doorgetrokken wordt, of van een brug voor de volken
gespeeld heeft.

Dit nu schijnt zeer goed te passen op het Oostelijk Afrikaansche
kustland, waarop ons oog het eerst valt; op den oudsten weg der
westersche beschaving, op het raadselachtig land van sphinxen
en eeuwenoude ruïnes, uit wier overblijfselen van tempels en
grafplaatsen, vijfduizend jaren tot ons spreken. De gelijkvormigheid
der gebouwen die de oude Egyptenaars optrokken, met die der nog oudere
bewoners van Hindostan, hunne priesterheerschappij en verdeeling in
kasten, hunne volks- en staatsregeling, alsmede andere kenmerkende
eigenaardigheden, schijnen het meer dan bloot waarschijnlijk te maken,
dat zij als kolonisten uit het Aziatische Oosten beschouwd moeten
worden. Vermoedelijk kwamen deze kolonisten het allereerst met schepen
aan de zuidkust van Arabië, in het zoogenaamde "gelukkig-Arabië,"
aan, en gingen zij vervolgens door de straat van Bab-el-Mandeb,
(_poort des doods_), die, met het oog op de invoering der Oostelijke
ontwikkeling liever "poort des levens" moest gedoopt zijn, naar de
naastbijgelegene gedeelten van het middelste Nyl-dal.

Van deze middelste landstreken, waarheen ons ook de oudste Egyptische
overleveringen als het beginpunt hunner beschaving wijzen, richtten
zich hunne koloniën en hunne rijken noordwaarts, langs de boorden van
den geheelen Nyl tot aan de Middellandsche zee, waar in de vruchtbare
delta de Egyptische palmboom zijn kroon ontvouwde, en vervolgens
weder zuidwaarts tot diep in Abessynië en Ethiopië.

In het Nyldal ingesloten, aan de kanalen der rivier wonende,
bloeide de Egyptische beschaving--eene afgeslotene wereld op zich
zelve--onbepaalde tijden lang. Eindelijk werden eenige harer zaadjes
en stekjes over de Middellandsche Zee naar Europa gevoerd, waar zij op
een hoogst vruchtbaren, namentlijk op Griekschen bodem vielen.---Een
Egyptenaar (Cekrops) stichtte Athene; een Egyptenaar (Danaüs) bouwde
het koningsslot van Argos; Minos, de wetgever van Creta, had wellicht
meer dan de overeenkomst van naam gemeen, met den ouden Egyptischen
staten-regelaar Menes. Ja! een Egyptisch Koning, Sesostris, zou,
oorlogvoerend en veroverend, eens het geheele Grieksche schiereiland
tot aan den Donau en tot in het land der Skythen, doorgetrokken zijn.

Door Griekenland,--wiens oude kunst, zoolang zij nog niet op eigen
wieken gedreven had, blijkbaar hare wieg in Egypte gevonden heeft;
wiens denkende mannen zich tot de Egyptenaren begaven, om daar aan de
oude bronnen wijsheid op te doen--Plato onder anderen, die even als
Herodotus, Solon en Pythagoras, Egypte bezocht en daar studeerde, kende
den Egyptenaren zonder voorbehoud den eersten rang toe, noemde hen de
uitvinders der rekenkunst, der meet- en sterrekunde; volgens Diodorus
stamt de geheele godsdienst der Grieken, hunne goden en helden-sagen
uit Afrika van de Egyptenaars af; alleen stelden de Grieken alles
wat in Egypte geschied was voor, alsof het in Griekenland gebeurd
was--door deze Grieken, zeg ik, die aanvankelijk door de Egyptenaren
voor kinderen, voor piepjonge volken en onontwikkelde barbaren
uitgescholden werden, werd de ontvangen beschaving vervolgens aan het
overig Europa verder medegedeeld; en zoo komt het, dat wij nieuwere
Europeanen--wier hedendaagsche tijdrekening van Egyptischen oorsprong
is--nog heden ten dage eenigzins den Egyptischen stempel dragen,
en dat onze gedachten zich langs banen bewegen, wier oorsprong aan
den Nyl gezocht moet worden.

Alexander de Groote en na hem de Romeinen braken later den boezem
van het oude Egypte, dat zijne ontwikkeling als in een gesloten
oesterschelp verborg, open, en lieten haar met die van Europa
zamensmelten. Egyptische priesters bouwden hunne tempels in Italië;
Europeesche (Grieksche en Romeinsche) wijsgeeren richtten hunne
scholen aan den Nijl op, terwijl hunne handelaren en krijgslieden
tot in het hart van Ethiopië doordrongen. Door de Bijzantijnsche
Keizers en later door de Turksche Padichas, die nog later Egypte en
geheel Noord-Afrika, zooals vroeger Alexander en Rome gedaan hadden,
veroverden, zijn weder de bewoners der Nijlstreken, even als ten
tijde van Sesostris, tot aan de oevers van den Donau gevoerd geworden,
en bij die rivier kan men onder de Halve-Maan, nog heden ten dage de
gezichten der bruine Egyptenaren en donkere Ethiopiërs, tegenover de
Duitsche troepen zien staan.

Met den invloed welken de Egyptenaren op Europa gehad hebben, staan,
zoowel wat betreft den tijd waarin als de wijze waarop, die van
een ander volk, de zoogenaamde "purper-menschen" (Pheniciërs), de
bewoners van de Syrische kust, op dezelfde lijn. Die Syrische kust,
tegelijkertijd een oostelijk aanhangsel en een zijvleugel van Egypte en
Afrika, maakt een der belangrijkste deelen uit der door ons beschouwde
zuidelijke kusten van de Middellandsche zee. De zeevaartkundige en
handeldrijvende kinderen van Syrië, scholieren van het oude wijze
Babylonië, hebben reeds vroeg de Middellandsche zee doorkliefd, en
zoowel aan de Afrikaansche als aan de Europeesche kusten, beschaving
en koloniën door het geheele groote waterbekken verbreid, dat ook
nu nog bij de Oostersche volken hun naam draagt, en de Syrische zee
(Bahr el Scham, het water van Scham) genoemd wordt.

Reeds 1500 jaren vóór Christus kwamen Phenicische zeelieden,
kolonisten, handelaars, planters en veroveraars naar Griekenland. Hun
aanvoerder (Kadmus) bouwde Thebe in Boeotie en bracht het Phenicische
letterschrift naar Griekenland. Hiervan zijn alle andere Europeesche
alphabets afgeleid. Ook brachten de Pheniciërs, wat minstens van
evenveel gewicht is, het allereerst het gebruik van ijzer en van
ijzeren gereedschappen naar Europa over.--Kreta, Rhodus, Cyprus,
ja bijna alle eilanden van den eerst later "Griekschen Archipel"
werden door hen bezet. Zij drongen nog veel verder naar het Westen
door, en bouwden in den omtrek van het tegenwoordige Tunis hun
wereldberoemde "_Kart Chadata_" (Nieuwstad), dat door de Romeinen
"Carthago" genoemd werd. Met de overwinnende vlooten en legerscharen
der Pheniciërs en hunne machtige moederstad, drong de Semitische
volksstam, en met hem ook andere hun onderworpene bewoners van
Afrika, Spanje binnen. Zij overstroomden en veroverden bijna het
geheele Pyreneesche schiereiland, bebouwden en exploiteerden het;
evenzoo handelden zij met de Europeesche eilanden, Sicilië, Sardinië
en Corsica, waar zij verscheidene steden stichtten.

Hunne tochten ter zee strekten zij zelfs uit tot ver voorbij de zuilen
van Herkules noordelijk tot aan Groot-Brittanje, waar hun naam den
bewoners zoo diep ingeprent is, dat nog heden ten dage vele Ieren
in den waan verkeeren dat hun volk rechtstreeks van de Puniers of
Pheniciërs afstamt. Punische en Afrikaansche volken doortrokken onder
Hannibal zelfs het zuidelijk Frankrijk en Spanje, even als wij weder
in onze dagen onder de vanen van Napoleon, uit diezelfde streken, in
diezelfde landen, Afrikaansche krijgslieden, even woest als de soldaten
van Hannibal, met de Franschen naar den Rijn zagen marcheeren.--Dat
op deze en andere wijze, door tusschenkomst der Pheniciërs en hunne
kolonisten, de Europeesche en Noord-Afrikaansche bevolkingen zich
meermalen vermengden, is onder anderen ook daaraan merkbaar, dat zij
een slavenhandel op groote schaal door de geheele Middellandsche zee
georganiseerd hadden, en daarbij, zooals beweerd wordt, de in Europa
geroofde slaven gewoonlijk in Afrika, de Afrikaansche daarentegen in
Europa verkochten. Dat de Pheniciërs in Europa spoorloos verdwenen,
dat zij bij ons geheel dood en uitgestorven zouden zijn, is niet aan
te nemen; bijvoorbeeld reeds daarom niet, dat de, wel is waar vrij
wat veranderde, letters: letters van den schrijfmeester van Europa,
zich thans nog onder onze hand en pen vernieuwen. Zien niet nog,
om zoo te zeggen, de schimmen der uitvinders van het glas door onze
vensterramen onze huizen binnen?

Van de Egyptenaren en Pheniciërs stap ik nu over naar de westelijk
gelegene landen en volken aan de zuidzijde der Middellandsche zee.

De geschiedboeken van Egypte deelen ons verscheidene invallen mede der
oude landsvijanden uit het oosten, de herdersvolken, die zij "Hijksos"
noemen. Deze waren naar alle waarschijnlijkheid de voorvaderen onzer
Arabieren. Zij overstroomden Egypte en een groot deel van Afrika's
noordkust, volgens mededeelingen onder anderen reeds 2000 jaren voor
de geboorte van Christus. De Perzen en Meden, en met hen ook weder
Arabische nomaden-stammen, rukten onder Cambyses het land binnen,
en onderwierpen Egypte en andere gedeelten der noordkust van Afrika.

Wij zien in latere tijden een dergelijken inval uit diezelfde
landstreken gebeuren, waarmede wij beter bekend zijn. Meer andere
invallen kunnen vóór de Mohamedaansche Arabieren en vóór Cambyses,
en ook vóór de zoogenaamde "Hyksos", plaats gevonden hebben; de
geschiedenis en ook zelfs de sage zwijgt daarover.

Zoolang wij de volken kennen, die Noord-Afrika, westelijk van Egypte,
en die de Europeanen Nasamonen, Getulers, Numidiërs, Barbarijers,
Mauritaniërs of Mooren noemden en noemen; zoolang zien wij in hen een
ras, dat van de zuidelijke Afrikanen, de negers, geheel verschilt in
lichaamsbouw, kleur, haar, in verstandelijke ontwikkeling, in taal
en in gewoonten. Zij hebben in dat alles veel minder overeenkomst
met de zwarten, dan met de Arabieren en de andere volken van
Zuid-Westelijk Azië, die, zooals gezegd is, vermoedelijk reeds in
de allervroegste tijden hunne beweging naar dit gedeelte der Aarde
begonnen hebben.--Reeds de oude Grieken beweerden dezen oorsprong
der inboorlingen van Noord-Afrika uit Azië. Herkules, die onvermoeide
wandelaar, de halfgod aan wien zij alle groote dingen toeschrijven,
heeft Aziaten uit Indië, over Arabië naar Afrika gevoerd. Ook de Romein
Sallustius, die langen tijd proconsul in westelijk Afrika was, en de
geschiedkundige boeken van Hiempsal, een ouden Koning der Numidiërs,
liet vertalen, was van meening, dat de Mooren en Numidiërs afstamden
van Armeniërs, Perzen, Meden en Arabieren, die zich met der woon hier
gevestigd hadden.

De naam "Mauritaniers" of "Mooren," waarmede de Romeinen, en na hen de
Spanjaarden en Portugeezen, alle Noord-Afrikanen, zonder onderscheid
van ras, gewoon waren aan te duiden, zou van Aziatischen oorsprong
zijn; zelfs de oude naam van het geheele vasteland "Afrika", alsmede
de reeds door de Grieken opgegevene inheemsche benamingen van het
groote Afrikaansche gebergte, "Atlas", laten zich uit het Arabisch
afleiden. Zekerlijk zijn deze Aziaten, die in de allervroegste tijden
Afrika binnentrokken, even als de vroegste Aziatische bewoners
van Europa, in zeer van elkander verschillende stammen en volken
omgezet. Wij mogen in hen wellicht de, met en door elkander vermengde,
overblijfselen van verschillende kolonie-stichtingen uit Azië, te
herkennen hebben.

De laatste en ook voor ons, tegenwoordige Europeanen, belangrijke
inval van Aziatische volkstammen in Noord-Afrika, was die der door
Mohamed in beweging gestelde en tot den Islam bekeerde Arabieren. Zij
verspreidden zich tijdens het einde der 7de eeuw, langs de geheele
kust, over het geheele land, dat zij hun Westland ("Magreb", waarvan
Marocco eene afleiding is) noemden. Hunne heerschappij strekte zich uit
tot aan den Oceaan, tot aan de Straat van Gibraltar, van waar zij naar
het naburige Spanje overstaken en in dat land een inval deden. Dit was
eene gelijksoortige beweging, als die welke vroeger door de "Hijksos"
en de voorvaderen der oude Libyërs en Barbarijers bewerkstelligd was.

De Arabieren, en in hun gevolg de Mooren en andere Afrikaansche,
hun van oudsher verwante, volkeren veroverden, even als eens hunne
voorgangers, de Pheniciërs en Karthagers, het gedaan hadden, bijna
het geheele Pyreneesche schiereiland. Tijdens den hoogsten bloei en de
uitbreiding van hun Kalifaat, bezaten zij ook weder al de voornaamste
eilanden der Middellandsche zee: Cyprus, Kreta, Sicilië, Sardinië,
Corsica en de Balearische eilanden, van welke de Grieken beweerd
hadden, dat zij reeds in de oudste tijden, inwoners uit Afrika zouden
ontvangen hebben, en die ook, zooals reeds gezegd is, vroeger door
de Pheniciërs en Karthagers vermeesterd waren geworden. Over deze
Europeesche eilanden is dus, even als over Spanje, menige stortvloed
van volken uit Noord-Afrika heengegaan.

Zeer merkwaardig is het, dat de Mohamedaansche Arabieren en Mooren,
ten tijde hunner grootste uitbreiding, vrij wel een even groot deel
van Europa onder hunne macht hadden, als de Pheniciërs en Karthagers
ten tijde hunner grootste macht. Beiden kregen geen vasten voet aan
deze zijde der Pyreneën; beiden werden in Gallië en in Italië door de
Europeanen geslagen, de Puniërs door de Romeinen onder de Scipio's,
de Arabieren door de Germaansche Franken onder Karel Martell. Bij
beide gelegenheden scheen Europa in gevaar, door Afrika overmeesterd
en geafrikaniseerd te worden.

De invloed, die deze Afrikaansch-Aziatische inval, onder de zonen
van Mohamed, op de moderne Europeesche volken gehad heeft, was van
veel meer belang dan ooit vroeger eene volksbeweging uit diezelfde
streken, en dat wel reeds daardoor, dat zij in een veel lateren
tijd plaats grepen, en ook door den langeren duur der Arabische
heerschappij. Ook kan men den loop van dien invloed, aangaande
welken wij beter onderricht zijn, duidelijker nagaan. De levendige
en hartstochtelijke Arabieren begonnen, nadat zij naar alle vier de
windstreken de schoonste en rijkste landen in wilden haast waren
doorgetrokken, "nadat zij meer vijanden verslagen hadden dan zij
tellen, meer land onder hun juk gebracht hadden dan zij beschrijven
konden", toen zij meer rust hadden, de kunsten en wetenschappen te
beoefenen. Zij maakten zich meester van de door de Grieken en Romeinen
opgegaarde schatten van kennis, verzamelden de geschriften hunner
geleerden, vertaalden die in het Arabisch, bouwden op dezen grond
verder door, en toonden daarbij meer talent en vlugheid dan de langzame
Indo-Germaansche volksstammen, die eerst veel later doordrongen in den
klassieken geest en de wetenschap der oudheid. De Arabieren voerden,
terwijl zij de fakkel der geleerdheid, die bij de overige volken nog
bitter weinig licht verspreidde, tot zich trokken, de eerste ver om
zich heen grijpende _renaissance_ of wedergeboorte der wetenschappen
aan. Zij hadden het merkwaardige en grootsche spreekwoord: "de menschen
zijn òf geleerd òf zij zijn leerlustig. Alle andere menschen zijn
nietige muggen." Tot in Tartarije en de Mongoolsche landen, ja zelfs
tot in het afgeslotene China, werden door hen de edelste schatten
van kennis, en de fraaiste denkbeelden van den menschelijken geest
overgebracht. En evenzoo ontgloeide hun voorbeeld de Europeanen,
onder wie zij in Spanje, in Sicilië en elders, ver om zich heen
lichtverspreidende scholen, waarin zoo wel de goede smaak als het
verstand ontwikkeld werd, stichtten.

Deze Arabische akademiën, waarin zij aan de Musen een nieuw tehuis
bereidden, b.v. die van Cordova, Sevilla en Grenada in Spanje, de
scholen van Salerno in Italië, die door Arabische geleerden, die alle
doode en levende talen der wereld lezen en schrijven konden, op het
toppunt van glans en aanzien gebracht werden, werden in de elfde en
twaalfde eeuw bezocht, niet alleen door Mohamedanen uit alle deelen
van Afrika, zelfs uit het binnenste gedeelte van Fez en Marocco,
maar ook door Christenen uit alle oorden van Europa, zelfs door
mannen die bestemd waren eens de driedubbele kroon van het Pausdom te
dragen, op gelijke wijze als later het Italiaansche Bologna en daarna
Parijs en de Duitsche universiteiten. Zij, die, door de Arabieren
goed onderwezen en met rijke kundigheden en geestesgaven toegerust,
terugkeerden, werden door de onwetende Europeanen Magiërs genoemd
en door hen dikwijls als heksenmeesters vervolgd. In het begin der
14de eeuw richtte men in verscheidene Europeesche steden, in Parijs,
Bologna, Oxford en Rome leerstoelen voor de Oostersche talen op,
ter ontginning der mijnen van Arabische beschaving.

De grootste verdienste verwierven zich de Arabieren in de wiskunde,
de natuurwetenschappen en de artsenijkunde, met betrekking tot welke
vakken zij in nog hoogere mate de onderwijzers van Europa geworden
zijn, dan de Grieken en Romeinen het geweest waren. De _algebra_ en
de _chemie_ noemen wij nog heden ten dage met Arabische namen. In de
astronomie, eene wetenschap die hare wieg heeft onder den helderen
hemel, in de onbewolkte schitterende atmospheer van Noord-Afrika,
Egypte en Arabië, gebruiken wij nog dagelijks de Arabische woorden:
"Nadir," "Zenith," "Azimuth," "Almanak" enz.

De rekenkunst hebben wij nagenoeg geheel alleen aan de Arabieren te
danken, en zoo ook de, misschien in Indië uitgevondene teekens der
getallen, die zooveel doelmatiger waren dan die, welke bij de oude
Romeinen en Grieken in gebruik waren. Ook de benaming "cijfer" is
van Arabischen oorsprong; even als de teekens zelve aan de gestalte
van den kameel hunnen oorsprong zouden te danken hebben. Ook in de
chemie zijn verscheidene dagelijks gebruikt wordende uitdrukkingen
van Arabischen oorsprong, zooals de woorden: "Alkohol," "Alkali,"
"Elixer" en vele andere.

In de uitoefening van vele kunsten echter waren aan de Arabieren,
door de voorschriften van Mohamed de handen gebonden, zooals
b.v. in de schilder- en beeldhouwkunst, daar het hun verboden was,
het menschelijk gelaat en het omhulsel van den menschelijken geest,
tot voorbeeld te kiezen. Toch leverden zij ook daar, waar zij zich
op dit gebied vrij ontwikkelen konden, zooals b.v. in de bouwkunst,
veel schoons en groots.

In de door hen en naar hunne ideën gebouwde tempels, in Azië (b.v. de
groote moskee te Damascus)--in Afrika (b.v. de prachtige moskee van
Kairwan) en in Europa (b.v. de beroemde moskee van Cordova) voegden zij
aan de zeven wonderen der wereld nog geheel nieuwe toe. Door Spanje
werkten hunne door ieder bewonderde bouwmeesters, ook op het overige
Europa in, en veel van wat wij den Gothischen stijl en smaak noemen,
is eigentlijk niets dan een ideé en eene uitvinding der Arabieren.

De taal der Arabieren werd, en zulks kon bij al hun streven naar
ontwikkeling moeielijk anders, voor alle takken van menschelijke
wetenschap en kennis, meer beschaafd en verfijnd dan eenige
andere van dien tijd. Alleen aan de muziek, die noch door hunne
godsdienstplechtigheden, noch door hunnen nationalen aanleg in
de hand gewerkt werd, schijnen zij weinig gedaan te hebben. "Van
oudsher waren de Arabieren meer redenaars en dichters, dan zangers,
musici en kunstenaars. Voor rhytmus en melodie in de taal hadden de
Arabieren, wier volks-poezie zeer oorspronkelijk en eeuwen oud was,
en die het eigendommelijk kenmerk van hun vurig en phantastisch
nationaal-karakter droeg, steeds het fijnste gevoel, en daarvoor
maakten zij dan ook het nog ruwe oor der Europeanen het eerst weder
toegankelijk." De Provençaalsche dichtkunst werd, toen het eerste
morgenrood van Nieuw-Europeesche poezie en literatuur in de 12de en
13de eeuw weder gloorde, aan de Europeesche naburen der Arabieren, door
deze hunne vijanden tegelijkertijd opgedrongen en opgezongen. Even als
deze ontleenden ook de Katalonische en Siciliaansche dichterscholen,
de bronnen der Spaansche en Italiaansche poëzie, hun vuur aan de
punten van aanraking der christelijke met de Arabische wereld. En
zoowel in deze "_gaya siencia_" (de vroolijke kunst), als in hunnen
bouwstijl, in de mathesis, geneeskunde en chemie werden de Arabieren
ook in velerlei andere vakken tot voorbeeld genomen.

Zij brachten niet alleen de fraaiste paarden-rassen naar Europa--zij
waren niet alleen zelven de uitstekendste ruiters en ridders--zij,
die, stoute heldendaden verrichtende, overal in de wereld naar
avonturen zochten, bevorderden ook dikwijls bij de Europeanen dien
zelfden lust naar avonturen, die zelfde ridderlijkheid, dien zelfden
trek naar groote daden. Bij hen ontwikkelde zich (ten deele althans)
dat, wat wij echter even goed de "Arabische geest" zouden kunnen
noemen. De instellingen onzer Europeesche ridderschap waren meerendeels
navolgingen, van hetgeen reeds lang bij de Arabieren gebruikelijk
was geweest. En wanneer ook al onze ridderschap in hoofdzaak een
Germaansch-Romanische instelling moge geweest zijn, zoo geraakte
deze toch eerst tot volkomenheid, toen Noordsche manhaftigheid de
gloeiende geestdrift met den glans en de hoffelijkheid der Oostersche
verfijning, overgenomen had. De oorlogen die de Europeanen gedurende
hunne kruistochten, in het Zuiden en in het Oosten met de Arabieren
voerden, dwongen hen onwillekeurig, veel van de militaire gebruiken
en de krijgskunst der Arabieren over te nemen. Onze christelijke
ridderorden zijn het eerst aan den rand der breede grenslinie van den
strijd met de Saracenen, in Spanje, in Egypte of in het Heilige Land,
ontstaan. De Tempelridders kwamen er rond voor uit, dat zij hunne
orde-voorschriften aan de Muzelmannen ontleend hadden. Ook de wapenleer
(heraldiek) is door de Arabieren en Mooren tot ons gekomen, en onder
anderen is, volgens de onderzoekingen van den Vicomte de Beaumont,
de beroemde lelie in het wapen van Frankrijk van Oosterschen oorsprong.

Vooral niet minder merkwaardig en van niet minder ingrijpenden aard,
was de van de Arabieren uitgaande inwerking op den Europeeschen
handel en op industrie. Arabische zeevaarders, kooplieden en hunne
vlooten zeilden en verkeerden in de 9de en 10de eeuw door al de
drie deelen der Aarde, aan de eene zijde in den Atlantische Oceaan
en aan de andere zijde tot naar Oost-Indië en China. Zij brachten
de uiteinden der wereld tot elkander, en dreven ruilhandel met de
verst verwijderde volken. Zij waren de aanvoerders der karavanen in
het binnenland van Afrika, zij begeleidden ook de karavanen tot in het
hart van Azië. De handelstakken van bijna alle andere volken der Aarde,
met name ook de Europeesche, waren eveneens niets dan vertakkingen
van den grooten Arabischen wereldhandel, waarvan de Genueesche en
Venetiaansche handel eveneens afstammen. Ook het handelsverkeer
door Rusland langs de Wolga tot aan het oude Nowgorod en het in de
nabuurschap der Samojeden bloeiende "Biarmie" was een tak van dien
machtigen stroom, en daar aan het strand der IJszee en der Oostzee,
worden nog heden Arabische munten gevonden.

Zooals eens die munten, zoo zijn ook nu nog bij de door ons, en
bij alle Europeanen zonder uitzondering, aangenomene termen, vele
uitdrukkingen in zwang, toepasselijk op handel en zeevaart, die van de
Arabieren afkomstig, en door bemiddeling der Italianen en Spanjaarden
aan onze taal toegevoerd zijn: "admiraliteit", "arsenaal", "tarief",
"magazijn", "karavaan", "bazar", zijn enkele der hiertoe behoorende
woorden, zoo ook de namen der beroemde winden: "monsum", "sirocco",
"samum", waarmede de Arabische schepen zeilden. Ook velen der wijd
en zijd verbreide waren en produkten, hebben door alle tijden heen
Arabische benamingen gehouden, zooals de suiker (_alzucar_), die de
Arabieren ons het eerst leerden kristalliseeren; de koffij (_kawe_),
die zij sedert onheugelijke tijden in Gelukkig Arabië verbouwden;
de kamfer en het lak, dat hunne kooplieden uit Indië aanvoerden;
zoo ook de "safraan", de "artisjok", de "jasmijn", de "tamarinde", de
"boomwol", (_katoen_, _al guoton_) en de daarvan vervaardigde stoffen
"mousselin", en "calico". Even zoo zijn de "gazelle", de "giraffe",
de "civet-kat" en nog eenige andere dieren, in de Europeesche
woordenboeken met Arabische namen aangeduid.

Ook in verschillende takken van nijverheid zijn de Arabieren
voorbeelden en onderwijzers der Europeanen geworden. Zoo waren
zij b.v. gedurende een gedeelte der midden-eeuwen de voornaamste
en bekwaamste bewerkers der zijde. De Arabische zijde-weefsels
uit Almeria in Spanje, waartoe Marocco de grondstof leverde,
waren beroemd. Het is bekend, dat reeds de ouden hunne kostbaarste
purperkleurige kleedingstukken uit Phenicië kregen, en zoo was het
ook weder in de midden-eeuwen. Gouden treswerk en boordsels, fraai
gekleurde tapijten, gouden en zilveren draadwerk, kostbare weefsels,
waarin sierlijke patronen met gouddraad waren ingeweven, kwamen
nagenoeg alleen van de zoogenaamde "Saraceenen" (Oosterlingen),
d.i. Arabieren en hunne naburen. De Noormansche Koningen in
Beneden-Italië en hunne Hohenstaufsche opvolgers, hadden groote en
wereldberoemde katoen- en zijdefabrieken in Palermo. De teekenaars
en de werklieden in deze fabrieken waren Saracenen. De Oostersche
smaak in de versieringen, en de ingeweefde Arabische spreuken geven
dit genoegzaam te kennen. Deze fabrieken leverden de prachtgewaden
voor de Koningen en Grooten van Europa. Van hen is onder anderen ook
een deel der kroonings-ornamenten der Duitsche Keizers afkomstig. De
Arabische inrichtingen in Palermo werden de leerscholen voor de
zijde- en tapijtweverijen in Opper-Italië. En van hieruit kwamen deze
oorspronkelijk Arabische kunsten in de vijftiende eeuw naar Nederland,
waar zij verder tot bloei en volmaking kwamen.

Ook met de kunst, reukwerken te vervaardigen, met het distelleeren
van wijn, hebben de Arabieren ons Europeanen bekend gemaakt, en het
is overbekend dat het eerste mechanische uurwerk, dat noordelijk
van de Middellandsche zee gezien werd, uit Arabië afkomstig was;
zooals vermoedelijk ook de eerste invoering van het buskruit en van
het kompas, deze in de geschiedenis der beschaving zoo buitengewoon
belangrijke uitvindingen, aan de Arabieren moeten toegeschreven
worden. Uit dit alles ziet men dus, dat even als de toenmalige dichters
van Europa, Arabische vertellingen en riddergeschiedenissen in hunne
romans inweefden, evenzoo onze kunstenaars en werklieden in hunne
voortbrengselen, Arabische phantasiën tot thema namen; dat even als
in de verzen der Provençalen en Troubadours, Arabische beeldspraak
weerklonk, zoo ook onze Keizers en Koningen Arabische borduursels en
sieraden op schouders, borst en gordel droegen, en dat even als de
ridders en krijgslieden, zoo ook de geleerden en wijzen van Europa,
meermalen de zeden en wetten overnamen van de uit Afrika overgekomene
veroveraars.

De Europeanen hebben zich echter bij deze door alle tijden
terugkeerende zamensmelting der beide, in het zuiden naburige
vastelanden, niet altijd alleen passief gedragen. Zij hebben
de Puniërs, de Egyptenaren, de Saraceenen niet alleen bij zich
afgewacht. Ten allen tijde zijn zij zelven op verscheidene punten
hun uitgestrekt vaderland binnengedrongen, en zijn zij, doordien zij
herhaalde malen verscheidene gedeelten der Afrikaansche kustlanden
met hunne Europeesche landen in aanraking brachten, met hen in inniger
samenhang gekomen en hebben zij Afrikaansche zeden en bloed van daar
naar hier overgebracht.

De in het zuiden van Europa gelegene schiereilanden Griekenland,
Italië, en Spanje, waren bij voorkeur de bruggen, waarlangs
hunnerzijds de Europeanen zich naar Afrika begaven. Men zou deze
schiereilanden en de eilanden-keten Sardinië, Corsica en Sicilië,
in zekere mate kunnen vergelijken met groote stukken druipsteen, die
van het hoofdlichaam van Europa in de diepe grot der Middellandsche
zee afhangen. De Afrikaansche kust, die overal dezelfde gedaante
heeft en in eene rechte lijn doorloopt, is dan de vlakke bodem van
deze grot. Even als het kalkwater langs de druipsteenen afvloeit,
en op den bodem der grot duidelijke figuren vormt, zoo hebben ook
altijd de Europeesche volken langs die landen getracht naar buiten te
komen, en is daardoor tegenover de uiterste punten een Afrikaansch
Griekenland, een Afrikaansch Italië of Spanje ontstaan. Zoo kwamen
reeds in de oudste tijden, na de vernietiging van Troje, Hellenen op
het Afrikaansche schiereiland Barca, dat juist onder hun land ligt,
en stichtten daar hunne beroemde kolonie, Cyrene. Zoo kwamen ook
de Romeinen, reeds spoedig in de eerste tijden hunner toenemende
grootheid, in aanraking met dat gedeelte van Afrika, dat juist onder
hun schiereiland Italië lag. Over Sicilië gaande, togen zij naar
Afrika, vernielden Carthago en onderwierpen zich dat Afrikaansche
land. Zoo zijn insgelijks de Spanjaarden--ook weder in onze dagen--over
de straat van Gibraltar--het dichtst bij hen gelegen gedeelte van
Afrika, het zoogenaamde Tingitanische schiereiland, binnengetrokken
en hebben het dikwijls, als behoorende aan hun moederland, als het
_Hispania Transfretana_ (het Spanje aan gene zijde van de straat)
bezet.

Hadden de Europeanen eerst op een zoo in hunne nabuurschap gelegen
punt vasten voet gekregen, dan breidden zij zich vervolgens, even
als de uit Azië komende veroveraars, over de geheele noordkust,
of ten minsten over groote terreingedeelten er van, uit. De Grieken
stichtten van Cyrene uit, langs dezen kustrand, vele andere koloniën,
en deze Afrikaansche Grieken, die, naar de uitdrukkelijke getuigenis
der oude schrijvers, allen zich, nevens hunne Europeesche moedertaal,
ook de Afrikaansche hadden eigen gemaakt; die ook naar hunne zeden en
gewoonten van tweeërlei natuur, halve Europeanen en halve Afrikanen
waren, vormden langen tijd een belangrijk verband tusschen de beide
werelddeelen. Na de Grieken onderwierpen de Romeinen de geheele
noordkust van het vasteland van Egypte tot aan Marocco, stichtten er
eene reeks bloeiende koloniën en verdeelden haar in verscheidene,
op Europeesche wijze bestuurde en bebouwde provinciën. Zij maakten
zich daar zoo inheemsch, dat er bijna geen onderscheid was tusschen
de Romeinsche provinciën langs de noordelijke, en die langs de
zuidelijke kust der Middellandsche zee. Zij drongen ook dieper het
land in en haalden van daar de Getulische en Numidische ruiters,
die zij bij hunne legers inlijfden en waarmede zij in alle deelen
van ons vaste land oorlogvoerden.--Hunne Afrikaansche legioenen,
hunne zouavenregimenten, waarin zich zoowel Romeinsche Afrikanen als
inboorlingen van Afrika bevonden, toonden in vele op Europeeschen bodem
geleverde veldslagen, eene groote mate van onstuimige dapperheid en
eene bijzondere geschiktheid, die zij zich op de leeuwenjachten en in
de eeuwige guerilla-oorlogen der woeste stammen, in de rotsgebergten
van Getulië hadden eigen gemaakt.

Na de Romeinen, tijdens de volksverhuizing, vermengden zich, al
was zulks ook maar van voorbijgaanden aard, zelfs de Germanen, de
bewoners van het noorden van Europa, met de Afrikanen. De Vandalen
werden van den Oder, over Spanje, tot naar Mauritanië teruggeworpen,
en zij beheerschten eens zoowel de Europeesche landen ten noorden van
de zuilen van Herkules, als de Afrikaansche landen ten zuiden er van,
oostwaarts tot voorbij Carthago. Onder hunnen Koning Genserik keerden
zij, door Afrikanen vergezeld en zelve waarschijnlijk gedeeltelijk
geafrikaniseerd, naar Europa terug, en brachten de voornaamste stad
van ons werelddeel ten onder, van uit dezelfde haven (Carthago), die
eens door de Europeanen, van Rome uit, een zoo hard lot te verduren
had. Nog in latere tijden heeft men, in eenige blondharige bergvolken
van Afrika, nakomelingen dezer Germanen willen zien.

In den bloeitijd der Arabische macht, die de Duitsche volksverhuizing
op den voet volgde, was de heerschappij der Europeanen meer dan
ooit van Afrika uitgesloten. Nadat echter het groote Arabische
Kalifaat, even als het Romeinsche rijk, uiteengespat was, gedurende
de kruistochten in de 12de en 13de eeuw, vielen om zoo te zeggen, de
Europeesche volkeren weder midden in het Zuiden en in het Oosten. In
Syrië, Palestina, op de eigentlijke noordkust van Afrika, in Egypte,
in Tunis en Marocco verschenen zij ontelbare malen onder de banier
van Lodewijk den Heilige en andere Koningen, tot op de tijden van
Keizer Karel V en Sebastiaan van Portugal, en brachten van daar
terugkeerende, zuidelijke gewoonten, zienswijzen, zeden, natuur-
en kunstproducten naar Europa.

Onder de langdurige heerschappij der Turken, kwam vervolgens de geheele
reeks van schoone Afrikaansche landen, wier ontwikkeling vroeger,
zoowel onder de Carthagers als onder de Grieken en Romeinen en later
ook onder de Arabieren, zoo op Europeesche wijze gebloeid had, weder
tot den toestand der oude barbaarschheid. De zoogenaamde roofstaten
ontstonden, en gedurende verscheidene eeuwen betraden Europeanen den
Afrikaanschen bodem niet anders dan als slaven en krijgsgevangenen. Dit
is eindelijk eerst weder in onze 19de eeuw veranderd, want nu zijn
de Romaansche volken andermaal begonnen zich over de tegen hen over
liggende kusten op nieuw te verspreiden.

Sedert 1830 zijn de Franschen, die zich somwijlen als de erfgenamen
der Romeinen beschouwen, het land binnengerukt en hebben er een
Europeesch-Afrikaansche kolonie gesticht. Zij hebben daar den toegang
gebaand aan de nakomelingen der eertijds daar zoo gevreesde Germanen,
aan de nijvere Duitsche landbouwers, die nu door vlijt en weldaden
de misdragingen hunner Vandaalsche voorvaderen doen vergeten.

Sedert eenige jaren zijn de Spanjaarden het voorbeeld der Franschen
gevolgd. Vol geestdrift hebben zij de oude veete en den zelden
afgebroken naijver tusschen Europa en Afrika weder opgerakeld, en
schijnen, indachtig aan de vroegere overleveringen van hun land, hun
"Afrikaansch Spanje" weder te willen veroveren.

Napoleon III heeft van daar zijne Afrikaansche legioenen, de regimenten
zouaven of Afrikaansche Europeanen en de horden der woeste Turco's,
(inboorlingen, geboren leeuwenjagers van het land) naar ons werelddeel
overgevoerd en met hunne hulp in 1859 zijne snelle overwinningen in
Italië behaald.

Dit is nagenoeg een kort overzicht over de groote rij van
gebeurtenissen, die tot de zamenvlechtingen en zamensmeltingen der
Europeesche en Afrikaansche volks-elementen geleid hebben. Wel zijn
de resultaten van vele dezer zamensmeltingen weder weggevaagd, of
beter gezegd: zij zijn zoo in de Europeesche atmosfeer vervlogen, dat
zij niet meer opgediept en nauwkeurig nagegaan kunnen worden. Maar
er zijn ook streken in ons werelddeel, waar de resultaten van dat
langdurig verkeer met Afrika nog min of meer merkbaar zijn, en die
wij in zekere mate als een midden tusschen ons in gelegen streek
Saraceenen-land, of ten minste als eene zichtbare Afrikaansche tint,
op het gelaat onzer volken kunnen beschouwen.

Ten slotte wil ik trachten, deze nu nog meer of minder Afrikaansch
gekleurde deelen van Europa aan te duiden: bij onze Europeesche Turken
is de Arabische taal het orgaan van godsdienst en geleerdheid. Bij
den Turkschen stam zelven is nog veel vermomd Arabisch bloed,
en bij hunne legers, aan den Hellespont zoowel als aan den Donau,
dient nog menig Arabier, Egyptenaar en Moor. Ook verschijnen in
hunne handels-havens niet zelden Arabische kooplieden, zooals ook
op hunne galeien, slaven en gevangenen uit alle landen ten noorden
van de woestijn. In het overige niet Turksche Europa, bestaan nog
enkele punten, waar de Saraceenen nog heden ten dage, zoo te zeggen
in persoon, ofschoon met aanzienlijk veranderde nationaliteit en
gewoonten, bestaan. Op Malta b.v. heeft het volk, zooals bekend is,
een Arabisch dialect, en iets dergelijks kan men ook opmerken bij
de bewoners der Balearische eilanden, die zoo dikwijls in handen der
Afrikanen waren, en wier gewoonten en taal nog altijd eene Arabische
tint hebben.--De bevolking van Zuid-Italië en die der groote eilanden
Sicilië, Sardinië, Corsica, die in den loop der tijden zoo dikwijls
en zoo lang onder den invloed van Afrikaansche rassen stonden, duidt
nog heden menig Arabisch en Afrikaansch element aan.

Veel bij de hedendaagsche bewoners van Sicilië en van het naburige
Abruzzo, doet eerder aan het Oosten dan aan Europa's christelijke
landen denken. Half barbaarsche stam-hoofden, Palikaren en Klephten,
komen hier onder veranderde namen voor.

De bewoners der bergen van het binnenland van Sardinië ten tijde
der Romeinen, beschreef Strabo ongeveer zoo, als wij tegenwoordig
de Kabylen van Noord-Afrika kennen. "Beschaving," schrijft hij,
"is in Sardinië alleen aan de kusten te vinden. De bergbewoners
echter leven alleen van veeteelt en roof, zij zijn ruw en schuw als
het wild." En wat deze Romein van de half Afrikaansche natuur der
oude Sardinische bergbewoners van voor 2000 jaren zegt, dat geldt in
meerdere of mindere mate ook nog ten huidigen dage van hen.

Ook de Corsicanen, met wier volksnaam men de benaming van het handwerk
der "corsaren" (zeeroovers) in verband gebracht heeft, waren in het
binnenste van hun eiland, van oudsher niet veel beschaafder dan de oude
oorspronkelijke bewoners van Noord-Afrika, de Barbarijers. Roofzucht,
bloedwraak, de ruwheid van de herdersvolken, haat en verachting
voor alle nieuwigheden en veranderingen, heerschen nog heden bij hen,
ofschoon zij reeds sedert eene eeuw tot een beschaafden staat behooren,
en Frankrijk veel gedaan heeft om hen naar dezelfde regelen als de
andere Franschen te regeeren. De bruinachtige gelaatskleur, de kleur
van het haar, de uitdrukking van het gelaat en de geheele vorming van
het lichaam der zoogenoemde "Italiaansche" eilanders schijnt er op
te wijzen, dat zij in zekere mate een overgangsvorm uit Afrika naar
Europa zijn.

En wat eindelijk de bevolkingen van Spanje en Portugal betreft,
deze zijn, voornamentlijk in het zuidelijke deel dezer landen,
nog heden ten dage dikwijls met Afrikaansche (Moorsche) elementen
bezwangerd. Niettegenstaande later christelijke Koningen van Spanje,
de Mooren en Morisco's van hun land, op eene allerwreedaardigste
wijze deden vervolgen, en ofschoon het hun gelukte hun rijk van hen
die hun geloof trouw bleven, zooals zij het noemden te "zuiveren,"
zoo hebben zij toch het Moorsche of Afrikaansche karakter, bij de
bevolking van Andalusië, Granada, Murcia, Valencia, niet geheel kunnen
doen verdwijnen. Het is een ten deele eeuwenoud, en reeds ten tijde
der Pheniciërs en Carthagers hier ingeworteld karakter. Takken van
Arabische industrie bloeien, al is het dan ook op vrij wat jammerlijker
wijze dan ten tijde der Abderhamans, daar nu nog; en onder de zwarte
sluiers, in snede en maaksel van Arabischen oorsprong, der schoone
dames van Cadix en Sevilla, schittert dezelfde gloed der donkere oogen,
reeds door Arabische dichters bezongen.--Zeer veel in de levenswijze,
kleederdracht, zeden, dansen en volksliederen, der bewoners van het
zuidelijke deel van het Pyreneesche schiereiland, is van Afrikaanschen
oorsprong. Vele, nog heden geldende geographische namen in die streken
zijn Arabische benamingen, die door de Spanjaarden eenigzins gewijzigd
zijn. Zulke benamingen dragen daar rivieren, b.v.: de Guadalquivir,
Arabisch _Werd al Kebir_ (het groote water); steden, b.v. Gibraltar,
Arabisch "_Dschebel al Tarik_" (de rots van Tarik); provinciën,
b.v. Algarvië, arabisch _El Garb_; bergketens b.v. de Alpujarras,
Arabisch _Alboscharat_. Een zeer beroemd bergland heet nog heden het
_Moorsche_: "Sierra Morena."

Dergelijke geographische sporen en monumenten der volksverhuizingen
uit Afrika naar Europa, treffen wij nog veel meer noordelijk
aan, b.v. in een dal der Helvetische Alpen. In het kanton Wallis
is nog heden ten dage eene geheele reeks namen voor bergpaden,
afgronden, gebergten en dorpen in gebruik, die hun Arabischen
oorsprong duidelijk verraden. _Piz del Moro_ (de top der Mooren),
_Monte-Moro_ (de Mooren-berg), _Fontane More_ (de Mooren-bronnen),
en de plaats-namen "Allalie," "Alangel," "Algabi" zijn eenige der
Arabische namen in dit land. Ten tijde toen de Arabieren en Mooren in
Spanje en Zuid-Frankrijk machtig waren, hebben, zegt men, zich eenige
Saraceenen uit Noord-Afrika in de bergpassen der Alpen, voornamentlijk
in de kloven van den St. Bernard nedergezet, vanwaar zij het zuiden
en het oosten van Zwitserland onophoudelijk beoorloogden, tot in
954, in welk jaar zij zelfs St. Gallen bedreigden. Van hen zouden
deze Arabische namen, in deze zoover van de Arabieren en Mooren
verwijderde landstreek, wier zwartharige, bruinkleurige inwoners,
volgens de opmerkingen van een reiziger, nog heden eene Arabische
afstamming verraden, afkomstig zijn; ofschoon zij anders in zeden,
taal en levenswijze van hunne blonde Duitsche en Fransche naburen
niet meer verschillen.

Ja, bij het Waadlandsche dorp Saas, maken deze dalbewoners nog, ter
bevochtiging hunner Alpen-matten, gebruik van eene oude waterleiding,
die de Saraceenen daar, hoog boven het dorp en boven de toppen der
boomen uit, in de rotsen hebben uitgehouwen. Dat is dan wel een het
verst naar het binnenste gedeelte van ons werelddeel vooruitgeschoven
post, van die merkwaardige verhuizingen, veroveringen en invloeden
uit Afrika; het meest nabijgelegene spoor der zamenvlechting en
zamensmelting der bevolkingen van beide werelddeelen, dat ik aanwijzen
kan, en hiermede sluit ik daarom dit hoofdstuk.



OOSTELIJKE NABUREN VAN EUROPA.

TARTAREN, MONGOLEN, ENZ.


Er bestaan tamelijk gegronde redenen om te vermoeden, dat eens niet
alleen de Kaspische zee en het meer Aral eene zamenhangende watermassa
vormden, maar dat die groote binnenzee zich ook ten noorden van
den Kaukasus uitbreidde en zich met de zee van Azof en de Zwarte
zee vereenigde, terwijl zij in het westen de vruchtbare streek van
Oostelijk Europa, en in het noorden den zuidelijken voet van het
Uralisch gebergte bespoelde. In het oosten reikte die binnenzee
tot aan den aanvang van het centraal-Aziatisch hooggebergte. Had
deze voor-historische binnenzee een duurzaam bestaan gehad, dan
zou ons werelddeel, door eene bijna onoverkomelijke natuurlijke
grens, van de Aziatische binnenlanden gescheiden zijn geweest. De
ons onbekende natuur-veranderingen, tengevolge waarvan de Zwarte
zee, die van Azof, de Kaspische en de Arabische zee zich in
afzonderlijke bassins oplosten, en zich binnen de tegenwoordige
engere grenzen terugtrokken, hebben veroorzaakt dat sedert dien tijd,
het Zuid-Oosten van Europa zich meermalen nauw verbonden heeft met
Azië. De bergvolken konden zich nu droogvoets van den Kaukasus verder
westwaarts begeven. Vooral echter is daardoor eene groote breede
opening, tusschen het noordelijk uiteinde der Kaspische zee en den
zuidelijken voet van den Ural ontstaan, en deze is van oudsher eene
der merkwaardigste volken-poorten voor Europa geweest. De Kaspische zee
liet, toen zij het noordelijk gedeelte van haren diep ingezonken bodem
ontblootte, een uitgestrekt en woest land na, welks grondgesteldheid
nog heden ten dage aantoont, dat het vroeger met water bedekt geweest
is. Het is een uitgestrekte, boomlooze, zoutachtige steppengrond,
die met zand, kiezel, mosselschelpen en ontelbare zoutkorrels, de
overblijfselen der vroeger hier woedende baren, bedekt is. En deze
onhuisselijke steppen-natuur loopt in zuidelijke richting voort tot
aan de vlakten van Perzië, oostelijk tot aan het begin van den hoogen
bergmuur van den Bolortagh, waarvan twee groote rivieren afstroomen,
die de beroemde vruchtbare oasen van het oude Baktrië besproeien.

In het Noord-Oosten breidt zich deze onverkwikkelijke grondgesteldheid,
zonder bepaalde grenzen naar Siberië uit, en in het Noorden eindigt
zij aan den zuidvoet van het met bosschen begroeide Ural-gebergte. In
het westen dringt zij tusschen den Ural en de Kaspische zee, door
het gebied der beneden Wolga, Europa binnen, waar deze woeste
vlakte een vruchtbaar land ontmoet, dat ten minste iets boven de
oude zee-oppervlakte verheven is. Dat geheele groote bassin, in
welks midden het meer Aral gelegen is, en waarin de Kaspische zee
zich van den Kaukasus af rondkronkelt, is een der eigenaardigste
diepten van den aardbodem. Het ligt met al zijne meeren en rivieren,
nu nog merkelijk lager dan de Zwarte- en Middellandsche zee. Alexander
von Humboldt en andere geleerden hebben daarom over een "afgrond"
van de Kaspische zee gesproken, en spraken over de geheele woeste
streek, die ons Europa als op sleeptouw medegegeven is, als over een
kolossalen, wijdgeopenden "krater". Vroeger noemde men het naar de
beide hoofdwateren, die ook nu nog zijne diepste plaatsen bedekken,
ook wel het "Aralo-Kaspische bassin", of ook wel de "lage vlakten
van Turan", naar een oud Perzisch woord, dat zooveel beteekent als
"het land der duisternis", in tegenstelling met Perzië of Iran zelf,
dat beteekent "het land des lichts".

Uit den "afgrond" der Kaspische zee, komen op bepaalde tijden van
het jaar verschillende soorten van visschen te voorschijn: geheele
scharen zalmen, steuren en andere groote waterbewoners, begeven zich
stroomopwaarts door de groote kanalen der Wolga, tot diep in het Westen
en het Noorden van Oost-Europa, waar zij zich over de neventakken van
dat gebied verdeelen. Even zoo trekken uit die zuidelijke, laaggelegene
landen, voortdurend geheele scharen land- en watervogels naar het
Westen en het Noorden. Zij komen uit den omtrek der Kaspische zee en
van het meer Aral, passeeren de bovengenoemde landen-poort tusschen
deze zee en den Ural, en verspreiden zich in de lente over Rusland,
vanwaar zij tegen den herfst weder naar de streken vanwaar zij kwamen,
terugkeeren. Ook de verwoestende zwermen vliegende sprinkhanen,
die met andere, minder te vreezen soorten van sprinkhanen daar hun
vaderland hebben, vliegen, overal verderf aanbrengende, dikwijls en
in groote zwermen door die poort uit Azië Europa binnen.

Met één woord, een groot gedeelte, der levende natuur schijnt
hier zich uit het Zuid-Oosten naar het Noord-Westen en Westen te
bewegen. Even als met de dieren, zoo ging het ook van oudsher met
de menschen. Met uitzondering van enkele vruchtbare rivier-gebieden
en oase-achtige vruchtbare streken in het Oosten en het Zuiden, die
reeds in oude tijden de zetels waren der ontwikkeling van volken,
die daar hunne bestendige woonplaatsen hadden, en waarin de steden
Taschkent, Samarkand, Buchara, Chiwa en hare oude voorgangsters
bloeiden, was het geheel bewoond door steeds heen- en weer trekkende
Nomaden. Reeds in de oudste tijden, tijdens Cyrus, worden ons als
zoodanig de "Massageten" genoemd, en later nog ontelbare andere
stammen, die langs hunne zuidelijke grens in onophoudelijken strijd
met de meer ontwikkelde bevolking van Iran of Perzië leefden. Aan
gene zijde der hooge bergen in het Oosten, meer naar het binnenste
van Azië toe, zijn nog andere dorre bassins, die gelijk zijn aan het
Aralo-Kaspische bassin, en die ook, even als deze, van de vroegste
tijden af door Nomaden bewoond werden: de woestijn "Gobi", die van
"Schamo" of de door de Chineezen zoo genoemde "zandzeeën".

Dikwijls reden de Nomaden dezer Oostelijke "zand-zeeën," door de passen
der bergen, naar het westelijk bassin aan de Kaspische zee, en brachten
zoodoende aan de bewoners daarvan nieuwen toevoer van bevolking en
nieuwe meesters. Dikwijls begaven zich omgekeerd de Westelijke Nomaden
naar hunne naburen in het Oosten. Maar nog menigvuldiger vereenigden
zij zich, en trokken zij door de Uralisch-Kaspische volken-poort, even
als die vogels waarvan wij gewaagden, Europa binnen, en verspreidden
zij zich daar, om even als de zwermen vliegende sprinkhanen, overal
verwoesting aan te brengen.

Men zou haast zeggen, dat de menschen op dien van water beroofden
zeebodem, den onrustigen aard dier eens hier klotsende zilte baren
aangenomen hebben. Als de zee, zoo woedt en stormt hun geest hier
eeuwen lang, en slechts nu en dan, in tijden van rust en vrede,
komt zij tot kalmte, even als zulks ook bij de zee het geval is.

Sedert het begin der geschiedenis, waren dergelijke overstroomingen
en doorbraken hier aan de orde van den dag. Maar wanneer wij de
geschiedenis der eeuwen nagaan, zien wij die overstroomingen nu en
dan in omvang tonemen, de baren hooger rijzen en, als een tweede
zondvloed, de beschaafde landen overstroomen en de geheele wereld van
China tot Rome op hare grondvesten doen schudden, als zouden, waar
het menschengeslacht niet verdelgd werd, ten minste al de bloesems
der beschaving van den aardbol weggevaagd worden.

Ten gevolge van dergelijke gewelddadige bewegingen, is China herhaalde
malen, van het eene einde tot het andere, in handen gevallen der uit
het binnenland van Azië komende Nomaden-stammen, maar heeft het zich
door zijne onweerstaanbare vastheid van karakter en zijn staatsbestuur,
steeds weder er boven op weten te werken, en door omwerking der vreemde
bestanddeelen die waren blijven hangen, steeds zijne eigendommelijkheid
weten te bewaren.

Eveneens hebben ook de andere beschaafde schiereilanden van Azië,
Indië, Perzië en Klein-Azië, herhaalde malen nieuwe bevolking en
overheerschers van die zwervende Nomaden-stammen ontvangen; zijn
gedurende lange tijd-ruimten in hunne innerlijke ontwikkeling gestoord
geworden, en hebben niet dan na veel strijds, hunne onafhankelijkheid
en de hun eigene ontwikkeling, even als China, weder kunnen herstellen.

Ons Europa, dat zelfs door onze natuurvorschers soms niet eens als
een op zich zelf staand werelddeel, maar meer als een groot aanhangsel
van Azië, als een der Aziatische schiereilanden ("zooals Bretagne een
aanhangsel van Frankrijk is," zegt Humboldt) beschouwd is geworden;
dit Europa schijnt ook door die Nomaden-stammen van oudsher als een
gedeelte van Azië aangezien te zijn, en zij zijn het even dikwijls in-
en uitgetrokken, als de schiereilanden China en Indië, als maakte
het mede een gedeelte uit van hun moederland en van het gebied,
waarop zij meenden recht van grazen te hebben.

Gewoonlijk golden die invallen wel alleen de oostelijke gedeelten van
ons werelddeel, en meer in het bijzonder de volken der uitgebreide
vlakten van Rusland, die den Nomaden als bijzonder geschikt
moeten voorgekomen zijn. Slechts tweemaal zijn zij, bij wijze van
uitzondering, zoo diep ons vasteland binnengetrokken, dat het scheen
als wilden zij daar, even als in Azië, alles mongoliseeren. Eenmaal
in het begin der 5de eeuw onzer tijdrekening, toen tengevolge van een
aan de Chineesche grenzen uitgebroken strijd onder de herdersvolken,
Rome met vernietiging bedreigd werd; toen Atilla, de geesel Gods,
de volkeren tot in Frankrijk en Italië, in beroering bracht en hen,
als een stormwind de wolken, voor zich heendreef, en ze als een hoop
kaf tot naar Spanje en Afrika deed overwaaien. En een tweede maal in
het begin der 13de eeuw, toen Dschingis-Chan en zijne bloeddorstige
opvolgers door alle langs den Donau en de Wolga gelegene landen
heentogen, en tot aan de grenzen van Duitschland de akkervelden onder
de hoeven hunner paarden vertrapten. Beide malen hebben Duitsche
krachtsontwikkeling ons werelddeel voor eene dreigende mongoliseering
gevrijwaard. De eerste maal deden zulks de West-Gothen onder Setius
op de vlakten van Châlons, en de tweedemaal de Duitsche ridders onder
Hendrik den Vrome van Silezië, op het slagveld aan den voet der Sudeten
bij Wahlstatt, waar nog heden ten dage jaarlijks, de den barbaren
geleverde, en voor de bevolking zoo merkwaardige slag, herdacht wordt.

Daar deze beide invallen der Aziaten, die bijna een duizendtal jaren
na elkander plaats hadden, voor Europa de meest belangrijke geweest
zijn, zoo zijn ook de namen, waaronder de Nomaden in beide tijdstippen
verschenen, het meest verspreid geworden.

De ruiters van Attilla werden _Hunnen_ genoemd. Dezen naam hebben zij
van de Chineesche grenzen medegebracht. Geschiedschrijvers van het
Hemelsche rijk noemden hen "Hungnu" of "Hiongnu," en daar zij onder
dezen naam de schrik van het door hen geteisterde Romeinsche rijk en
van de door hen in rep en roer gebrachte Germanen werden, zoo heeft
men langen tijd na dien, alle uit Azië komende en gelijke zeden met
hen hebbende barbaren, onder den naam van Hunnen-volken zamengevat,
even als in vroegere tijden de Grieken dezelfde wilde volksstammen
onder den algemeenen naam "Skythen" aanduidden.

Hetzelfde deed men ook weder bij den tweeden grooten inval der Nomaden
onder Dschingis-Chan. Toen ter tijde was in Azië de naam "Tata" of
"Tatar" beroemd onder hen geworden. "Tata" was oorspronkelijk de
naam van een kleinen nomaden-stam, die zich echter met den roem en
de macht van dien stam meer en meer verspreidde. Het eerst kwam bij
de Chineezen, en later ook bij de Perzen en Arabieren, die naam in
gebruik, en eindelijk kwam hij, toen de Nomaden zoowel het Russische
Kiew, als de Poolsche koninklijke residentie Krakau bestormden, en
toen het heesche geschreeuw hunner kameelen zelfs aan den Oder vernomen
werd, ook in Europa in zwang. Hier voegde men bij den naam, die zuiver
Aziatisch "Tata" luidt, maar die de Europeanen in klank en beteekenis
aan den Tartarus herinnerde, nog eene "r." "Wees getroost," had Koning
Lodewijk IX van Frankrijk tot zijne moeder Blanche gezegd, toen deze
hem uit naam der door de Aziatische horden geteisterde christenheid
om bijstand smeekte--"wees getroost! want de hemelsche genade zal
in allen gevalle met ons zijn, hetzij dat wij deze kwaaddoeners
in den helschen afgrond van den Tartarus, waaruit zij voortkwamen,
terugslingeren, hetzij dat zij zelf ons vernietigen en ons naar het
paradijs zenden zullen." Sedert dien tijd werden zij Tartaren genoemd
en paste men ook dien naam toe op de volkeren, die met Dschingis-Chan
kwamen, hoe verschillend zij ook in taal en afkomst mochten zijn,
en ook nog wordt wel in onze dagen, die naam op de gezamentlijke
Nomaden-volken van Midden-Azië toegepast, op dezelfde wijze als de
Oosterlingen alle Europeanen, tot welk volk zij ook mogen behooren,
"Franken" noemen. Later zag men in, dat er onder die Nomaden twee zeer
van elkander verschillende groote geslachten bestonden, met geheel van
elkander afwijkende talen en gelaats-uitdrukking: een meer westelijk
ras, dat den naam, "Turken" verkreeg, en eene meer oostelijke groep,
die den naam "Mongolen" droeg. Deze laatste naam bracht Dschingis-Chan
zelf in zwang, aanvankelijk als een eeretitel voor de élite zijner
dappere strijdmakkers. "Ik wil", zeide hij, "dat dit mijn met een
edel kristal te vergelijken volk, dat mij bij ieder gevaar zoo trouw
was, 'Mongol' d.i. de trotsche of de onverschrokkene, heet, en het
verhevenste zij, van alles wat zich op Aarde beweegt." Weldra beroemde
zich ieder der Oostelijke Tartaren op dezen eeretitel, die door den
nieuwen geesel Gods in eere gebracht was. "Mongolen en Mongolei"
werden de namen van wijd verbreide volken en rijken, en ten slotte
heeft men met dien naam een der vijf hoofdrassen van het menschelijk
geslacht aangeduid.

Als men den gang dezer groote volken-bewegingen en de machtige
rijken, die nog meer in grootte toenamen dan vroeger het Romeinsche
rijk, en den oorsprong der talrijke beroemde landen-veroveraars en
volken-vernietigers, die uit den Aziatischen Tartarus opdoemden,
nagaat, dan komt men, even als bij de reuzenstroomen der Aarde,
die verscheidene landschappen doorstroomen, gewoonlijk tot eene,
in een afgelegene streek verborgen bron, en tot eene zeer geringe
aanleiding van de groote beweging.

In de rookerige tent van een Tartaarsch edelman, midden op de dorre
vlakte, wordt een knaapje geboren, dat als duizend andere, door
zijne moeder naar landsgebruik voor het eenvoudige herdersleven wordt
opgeleid. Vader en moeder sterven en de jongeling erft de kudde; eenige
knechten en vazallen zijner famillie worden tegen hem weerspannig. Hij
brengt hen weder tot gehoorzaamheid, treedt zegevierend uit den met
de vuist beslisten strijd te voorschijn, en hierdoor ontwaakt in
den opgewonden en zegedronken jongen paardenherder, een heldengeest
die naar grootere daden snakt. Hij vindt in zijne nabijheid nog meer
strijdvragen over weide-recht en kudden-gebied te beslechten.--Hij
vereffent ze,--verzamelt om zich de uitgelezensten van zijn volk,
die beginnen met hem in hunne liederen te bezingen. Spoedig brengen
de hoofden der herderstammen van nabij en van verre hunne zaken voor
hem. Hij verklaart zich voor de eene partij, verklaart de tegenpartij
voor oproerlingen en vernietigt hen, zoo zij weerstand bieden, te vuur
en te zwaard. Vrijwillig en uit vrees onderwerpen zich vervolgens
vele andere hoofden van stammen aan den herdersknaap, "Temudschin"
genaamd, die oorspronkelijk als een lam opgroeide, maar wiens stem
weldra als het gebrul van den leeuw over de velden klinkt.--"Het volk
staat op, de storm breekt los," en de op de grassteppen levendig
geworden hartstochten en de opgewekte begeerten, zetten nu, alle
grenzen overschrijdende, den aardbodem in lichte laaie vlam.


    Uit de rotskloof bruischt de bergvloed
    Woedend, dondrend, naar benêen,
    Met zich voerend in zijn stortvloed
    Eikenboomen, brokken steen.


Temudschin beweegt zich weldra als een jonge adelaar in steeds grootere
en grootere kringen. Hij neemt zijn vlucht naar de Chineesche grenzen,
doortrekt met zijne "Tartarus-zonen" de prachtigste dalen, plundert
met hen de rijkste steden, voert hen naar onbekende rivieren, laat
hen onder indrukmakende plechtigheden van het water dier stroomen
drinken, laat hen zweren dat zij, zooals hij zich sierlijk uitdrukt,
"het onaangename zoowel als het aangename van dit leven met hem willen
deelen." Een heilig kluizenaar, een zoon der woestijn, treedt nader
en verkondigt in eene groote, "Kuraltaï" (een Mongoolsche rijksdag)
aan het verzamelde volk, dat de Goden aan dezen Temudschin al het land
dat langs de rivier ligt gegeven hebben, en dat hij van nu af "Chakan"
(Vorst der Vorsten) of Dschingis-Chan (groote Chan) heeten zal.

Weldra drinkt nu deze Dschingis-Chan parelenden wijn uit de schedels
zijner vijanden, de Koningen van Azië, die hij als gedenkteekenen
van zijnen toorn en zijne strafoefening, in zilver en goud gevat,
met zich medevoert. "Ik wil mijn stijgbeugel niet verlaten," zoo
zweert hij, terwijl hij weder te paard stijgt, "voor ik geheel Azië
als een kleine molensteen rond kan draaien."--Hij onderwerpt de halve
wereld. Oude, door wapenmacht beroemde, door kunsten en wetenschappen
en eene wijze staatsregeling uitmuntende rijken, worden medegesleurd
door den dwarrelwind die aan gindsche dompige tent zijn ontstaan te
danken heeft, en naar men later berekend heeft, dalen zes millioen
menschen daardoor, afgemaaid als het gras, ten grave.

Gelijkluidende met dit verhaal, maar met menige variatie, zijn ook
de tradities van de wijze waarop de andere Nomaden-bewegingen, die
in de wereldgeschiedenis staan opgeteekend, ontstaan. Maar even snel
als de door hen gestichte rijken in macht aangroeiden, even spoedig
spatten zij weder uiteen. Even als de bergstroomen, zijn zij spoedig
in uitgebreidheid en kracht toegenomen, hebben een tijd lang gedreigd
en alles in rep en roer gebracht, en zijn als sneeuw-lawines weder
verdwenen. Attila en Dschingis-Chan hebben geene opvolgers gehad. Bij
hen is niet zulk eene opvolging van machtige mannen geweest, zooals
de lange lijst der Romeinsche Keizers of der Chineesche Hemels-zonen
ze ons doet lezen. De groote Herder-Keizers staan als een eenzamen
Kolossus in de woestijn. Als bruischende golven stuwen de opgewonden
volken tot aan zijn kruin tegen hem op, maar weldra is het: "zoo
gewonnen, zoo geronnen" aan hen bewaarheid. Zij richtten geene gebouwen
op, bij gemis van het duurzame fundament van onwrikbare grondstellingen
en diep ingewortelde gewoonten. Hunne geschiedenis biedt geene stof
aan, waaruit een Tacitus of een Gibbon een werk kan samenstellen,
dat geschikt is het verstand te boeien. Daadzaken zijn wel is waar in
massa voorhanden, maar zij kunnen niet gegroepeerd worden, er bestaat
geen zamenhang tusschen. Er vindt geen organischen wasdom plaats,
evenmin als een afsterven naar de wetten der natuur. Hoogstens een
steppen-dichter bezingt hen in een wild lied. Alleen in de meer
beschaafde landen, waarin zij zulke oude grondstellingen bij hunne
verschijning vonden, en waar zij deze langzamerhand tot de hunne
maakten, duurde de heerschappij hunner opvolgers langer.

Op de steppen van hun vaderland brak, nadat het alles overschaduwend
genie, de groote komeet met den langs het halve hemelgewelf loopenden
staart verdwenen, en nadat b.v. Dschingis-Chan onder een eenzamen boom,
midden op een naakte steppe, zonder eenig gedenkteeken of monument
begraven was, onder de tegenstrijdige elementen weder tweedracht
uit. Reeds onder de eerste opvolgers ontstond bij de horden en in
het rijk tweespalt, en de oude chaotische toestanden ontstonden weder.

Alle zooveel overeenkomst met elkander hebbende Oostersche
volksstammen, door den loop der eeuwen heen en in volgorde na te
gaan, en den lezer alle stammen, die onder verschillende namen
verschijnende en weder verdwijnende, door de Kaspische-Uralische
volken-poort Europa binnendrongen, ieder op zich zelf te beschrijven,
kan mijn doel niet zijn. Voor ons, die hoofdzakelijk ons oog
gericht hebben op hetgeen nu nog in Europa bestaat, zal daardoor
weinig gewonnen worden; want schier geen dezer ontelbare invallen
doet zijne gevolgen nu nog gevoelen. Alleen de laatste inval onder
Dschingis-Chan maakt daarop eene uitzondering. Door dezen heeft de
bevolking van Oostelijk-Europa eene blijvende, nog heden ten dage
niet geringe vermenging met Tartaarsche bestanddeelen ondergaan,
daar na het verval van het groote rijk van Dschingis-Chan, zijne
Europeesche bezittingen nog eeuwenlang onder bijzondere Tartaarsche
machthebbers bleven. Ten tijde zijner grootste uitgebreidheid omvatte
dit Europeesche Tartaren-rijk, of het door hem zoogenoemde "Chanaat
van Kiptschak", de grootste helft van het tegenwoordige Rusland, van
de Kaspische zee langs de Wolga tot aan Nischnei-Nowgorod en Moskou,
en westwaarts tot aan den Dniepr, aan de grenzen van Litthauen en
Polen. Het was een stuk nagenoeg vier à vijf malen zoo groot als
Duitschland. Het werd ook wel het rijk der gouden horde genoemd,
omdat de vorstelijke tent der Chans, die zich in de hoofdlegerplaats
"Saraï" aan de beneden-Wolga bij het tegenwoordige Astrachan bevond,
met van gouddraad vervaardigde sieradiën bedekt en overtrokken was.

De heerschappij der Tartaren had deze uitgebreidheid gedurende
ongeveer 200 jaren, van het jaar 1224, toen de Russen in den slag bij
de Kalka geslagen werden, tot aan het einde der zestiende eeuw, toen de
Russen het hoofd weder opstaken en de eerste groote overwinning over de
Tartaren, op de Kulikowsche velden langs den Don, onder Dimitri Donskoi
(in het jaar 1380) bevochten. Niet dat gedurende die lange tijdruimte,
het geheele zuid-oostelijke gedeelte van Europa, binnen de aangegeven
grenzen gelegen, geheel door Tartaren bevolkt geweest is. Zijne
zuiver Tartaansche bevolking bepaalde zich tot de zuid-oostelijkste
en oostelijkste gedeelten, maar wat dit rijk aan Finsche en Slavische
bewoners bevatte, was aan de Tartaren onderworpen en vermengde zich
dikwijls met hen. Tartaarsche adellijken en ambtenaren, die onder
anderen de schattingen inden, doortrokken het land in alle richtingen
en woonden ook onder de onderworpene volken; Europeesche (Slavische)
Vorsten moesten naar de gezegde gouden legerplaats aan de Wolga
reizen, om daar voor den de zweep zwaaienden Chan als vazallen den
rug te buigen.

Als hulptroepen vinden wij de Tartaren ook dikwijls onder de Polen en
Lithauers, met wie zij dikwijls tegen de Russen verbonden waren, en
met wie zij zich ook gedeeltelijk als kolonisten en naburen vermengd
hebben. Ook kregen gedurende dien tijd de Europeesche Tartaren nog
somwijlen weder toevoer uit het groote Tartarije in Azië.

Het laatste Tartaarsche en Mongoolsche leger van eenige beteekenis,
dat door de Kaspisch-Uralische volken-poort binnentrok, was dat van
den "hinkenden man met den ijzeren voet", Tamerlan of Timurlenk,
die zich van een smid en roover, die aanvankelijk niets bezat dan
een mager paard en een oud kameel, tot Heer van Azië opwerkte.

Intusschen kwam deze Tamerlan het hem arm en koud toeschijnend
Europa niet ver binnen. Hij stelde zich tevreden met de Tartaren van
Kiptschak, die zich tegen hem verzet hadden, te vernederen; rukte
slechts een klein eind langs de Wolga op en keerde spoedig naar Azië
terug, waar hij, de plunderaar van het rijke Indië en Perzië, in
zijn hoofdstad Samarkand, midden in den Kaspisch-Uralischen afgrond
gelegen, veel grootere schatten verzameld had, dan Rusland en Europa
hem aanbieden konden.

Die tocht van Tamerlan naar Europa heeft eerder gediend om de macht
der Tartaren in ons werelddeel te breken dan te versterken, want de
Europeesche of Kiptschaker Tartaren werden toen bij duizenden geslacht,
en na Timurs aftocht en eenige jaren daarna gevolgden dood, loste zich
het groote rijk der gouden horden in verscheidene kleinere chanaten
op, in de vorstendommen Kasan, Astrakan en de Krim.

Deze kleine Tartaarsche rijken, ofschoon onder elkander in strijd
levende, gaven den Russen nog wel een eeuw lang de handen vol
werk. Hunne wilde ruiterscharen beangstigden Moskou en andere Russische
steden nog dikwijls. Maar eindelijk, na eene reeks bloedige gevechten
in den zomer van het jaar 1552, viel de Tartaarsche koningsstad Kasan
aan de Wolga in handen der Christenen. En slechts twee jaren na den
val van Kasan, in het jaar 1554, voer voor de eerste maal een Russisch
leger de geheele Wolga af, en overwon, terwijl het Astrakan veroverde,
de Tartaarsche landen tot aan de monding der rivier, tot aan de oevers
van de Kaspische zee. Daardoor was de levensader in het oosten van
ons werelddeel, voor Rusland en voor de Europeanen gewonnen.

Het Tartaarsche Chanaat van de Krim bestond nog bijna 200 jaren langer
dan Kasan en Astrakan. En van dit schiereiland uit, werd dan ook nog
eens in het jaar 1571 de stad Moskou door ruiterscharen overvallen,
ingenomen en verbrand. Dit was de laatste maal dat de Russische
hoofdstad van de Nomadische volken te lijden had.

Van nu af breidde Rusland zijne Kozakken-liniën, zijne
verdedigingswerken en militaire-grenzen steeds verder tegen de Aziaten
uit, en beperkten deze hen in een steeds enger gebied. Volgens het plan
van Peter den Groote werd eindelijk in het jaar 1738 de Uralische
linie, juist dwars door de reeds meermalen vermelde volkenpoort
tusschen Azië en Europa getrokken, en de stad Orenburg in het midden
dier opening, als wachter van Europa en hare beschaving gebouwd. Het
ontstaan en de opkomst dezer stad en vesting, waarmede dat onzalige gat
gestopt werd, kenmerkt de grondvesting der Europeesche heerschappij
aan die poort, wier sleutel nu Rusland in handen kreeg. Van daar
uit had ons werelddeel--voor de eerste maal in de geschiedenis--eene
sterke grens tegen de Nomaden van Azië. Sedert dien tijd heeft geen
nieuwe verwoestende inval van Aziatische herdersstammen in Europa
plaats gegrepen; de groote duizendjarige Nomaden-verhuizingen uit
het Oosten hielden op; de kleine geïsoleerde rest in de Krim, die
geen toevoer en hulp meer van daar ontving, werd spoedig, kort na
het midden der 18de eeuw, onschadelijk gemaakt en aan de Russische
heerschappij onderworpen.

Verscheidene der, op de hier boven beschrevene wijze in Europa
binnengedrongene Tartaren, werden, tengevolge der Russische
veroveringen, tot het Christendom bekeerd, vele hunner Vorsten
werden zelfs gedurende den loop der gebeurtenissen gedoopt en
deze gingen langzamerhand in de Russische nationaliteit onder. Het
meerendeel echter behield hunnen Mohamedaanschen godsdienst, hunne
taal en zeden, en verloor slechts hun ouden oorlogzuchtigen geest
en hunne onafhankelijkheid. Als landstreken, waarin zij nog de meer
of minder overwegende, nu echter dikwijls met de Russen vermengde,
grondbevolking uitmaken, mogen wij noemen: 1º. de landstreek aan
den linker Wolga-oever, tusschen de Wolga en het Ural-gebergte en
2º. de dalen en steppen in de Krim, die ook wel eens Klein Tartarije
genoemd worden.

Volgens de berichten van Baron von Herberstein en andere vroegere
reizigers schijnt het, dat vroeger (voor ongeveer 300 jaren) het
leelijke Mongoolsche type in de lichamelijke ontwikkeling, bij de
hoogere klassen dezer Kasansche, Astrakansche en Krimsche Tartaren,
nog tamelijk sterk te voorschijn trad. Toen waren nog velen hunner
Mursas (edellieden) en hunner Chans van Mongoolsch bloed. Al hunne
Vorsten zeiden van Dschingis-Chan af te stammen. Dit Oost-Aziatische
of Mongoolsche element heeft zich echter langzamerhand vermengd en
is verloren gegaan. Latere reizigers schilderen die Tartaren af,
als veel meer van de Mongolen verschillende, en nu maken zij een zeer
fraai gevormd Turksch-Tartaarsch slag van menschen uit.

Men zal deze verandering, deze versterking der Europeesche Mongolen
gemakkelijk begrijpen, als men bedenkt, dat bij den geheelen
zoogenaamden Mongolen-inval, de stoot van de Mongolen uitging. Reeds
bij die legers, waarmede Dschingis-Chan, Batu en Tamerlan, Europa
binnen vielen, vormden wellicht van den beginne af de Turksche of
Westelijke Tartaren het meerendeel. Van Mongoolsch of Oost-Tartaarsch
ras waren alleen de Prinsen, de legeraanvoerders, de elite der
troepen. Daar de oorspronkelijke woonplaatsen der Mongolen ver van
ons werelddeel verwijderd zijn, het van oudsher door Turksche stammen
bevolkte Turan, echter zeer nabij dat Aralo-Kaspische laagland gelegen
was, zoo moesten de nieuwe manschappen, rekruten en kolonisten,
die bestendig toestroomden, steeds meer van Turksch-Tartaarsche
afkomst zijn.

Even als het Mongoolsche bloed, zoo is ook (grootendeels ten minste)
de nomadische geest bij deze aan Rusland onderworpene Tartaren
verloren gegaan. In de middelpunten van het leven aan de Wolga, in
Kasan, Astrakan, Simbirsk, die zij gemeenschappelijk met de zich daar
ook gevestigd hebbende Russen bewonen, houden zij zich nu onledig
met allerlei in steden te huis behoorende handwerken, vooral zijn
zij zeer beroemde leder-bewerkers. Maar ook, zelfs in de kleinste
Tartaarsche dorpen, mangelt het niet aan de noodige handwerkslieden,
smeden, timmerlieden, looiers. Hunne vlijtige vrouwen spinnen wol,
hennep en vlas; ook worden de Tartaarsche boeren, waar zij land
verwierven, als zeer zorgvuldige landbouwers geroemd. Boven alles
is echter de bijenteelt hunne liefhebberij. Overal treft men onder
hen bekwame en gegoede immekers aan. Het zou wel niet geheel juist
zijn, te gelooven dat de Tartaren al deze kunsten des vredes eerst
tijdens hunne onderwerping aan Rusland zich eigen gemaakt hebben. Ons
Europeanen hebben deze volken vroeger, om zoo te zeggen, zich van
hun ruwen kant doen zien. Maar in den rug hunner ruiterscharen,
die onze steden in puin en asch hulden, oefenden ook altijd weder
nakomende kooplieden en handwerkslieden hun bedrijf uit. De Russen
veranderden daaraan niets, dan dat zij de ruiters en boogschutters
der Tartaren de oorlogsfakkel uit de handen namen, en het ook bij
hen wonende vreedzame element naar boven werkten.

Daar de Tartaren na hunne onderwerping, als met de overigen
gelijkstaande onderdanen, in het Russische rijk zijn opgenomen;
daar zij, even als de Russen zelven in alle deelen van dat groote
rijk konden handelen en wandelen, zoo vindt men dan ook nu schier
in alle groote Russische steden, in Moskou, Petersburg, Nowgorod,
kleine koloniën van hen, welke in die Christelijke plaatsen hunne
Mohamedaansche bedehuizen bezitten. Als dienstbaren worden zij
tot verschillende betrekkingen gebezigd, en vooral worden die
oude paarden-vrienden dikwijls door het rijk als voerlieden bij
goederen-transporten gebezigd, terwijl zij zeer gezochte koetsiers
en stalmeesters zijn. Zelfs op het vlakke land, binnen in Rusland,
midden tusschen eene geheel Slavische bevolking, vindt men kleine
door Tartaren bewoonde distrikten, die geheel op zich zelve ten oosten
van Moskou verspreid zijn. Vermoedelijk zijn het de nakomelingen van
Tartaarsche krijgsgevangenen, die de Czaren hier en daar onder hunne
bevolking, zich met der woon deden vestigen.

Eene tamelijk groote bevolkings-groep van Tartaarschen naam bevindt
zich, zooals reeds gezegd is, nog heden ten dage in de Krim. Daar
bewonen zij vooral de schoone dalen van de kleine bergstreek, die
de zuidelijke helft van het Taurische schiereiland vormt en met den
schoonen, door de Russen zoo hoog geprezen zoogenaamden "zuid-oever",
in de Zwarte Zee eindigt. Daar hebben de Tartaren aan alle hellingen
der bergen hunne kleine dorpen met platte daken, en hunne kleine,
vlijtig bezochte moskeën en minarets, waarin zij met ijver hunne
gebeden verrichten en de dikwijls moeielijke plichten van hunnen
godsdienst vervullen. Daar kweeken zij in hunne tuinen de edelste
fruiten, die tot zelfs naar Moskou en Petersburg verzonden worden,
vreedzaam als onze Alpenbewoners, langs de hooggelegen weiden
van den "Tschatirdag" en de andere hooge toppen van het Taurisch
gebergte. Daar staat ook nog, door tuinen en grachten omgeven,
in de schilderachtige hoofdstad Baktschisarai, het oude paleis, het
zoogenaamde "rooversnest", der eens door de Russen zoo gevreesde Chans,
uit het Mongoolsche geslacht van Dschingis-Chan.

Het is merkwaardig, hoezeer het geheele doen en laten der Krimsche
Tartaren in deze kleine plaatsen overeenkomt, met wat men in
Constantinopel en in de steden der Osmanen in Klein-Azië en
Europa ziet. De bouw der huizen, de winkels, de werkplaatsen der
ambachtslieden, de kleeding, de wijze van omgang, de zeden en de
uitdrukking van het gelaat, alles is precies als in Turkije. En toch
zijn deze Tartaarsche Turken ten noorden van de Zwarte Zee, tengevolge
van andere gebeurtenissen, langs een geheel anderen weg en in een
geheel anderen tijd, in hunne tegenwoordige woonplaatsen aangekomen,
dan zij, die ten zuiden dier zee wonen; ook hebben zij bijna nooit met
dezen tot een zelfde rijk behoord, en hebben zij in verbinding met de
Mongolen geheel andere politieke lotgevallen gehad. Zij hebben met de
Osmanen niets dan de oorspronkelijke afstamming gemeen, die hen eens
voor vele eeuwen in de steppen van Turan zamen verbond. Maar juist
dat is iets eigenaardigs bij de Aziatische volkeren, dat zij in ras
en zeden onveranderlijk als rotsen schijnen, terwijl hunne politieke
scheppingen als zand en stofwolken vervliegen.

Bijna alle Turk-Tartaren, binnen de grenzen van Europeesch Rusland,
zijn nu nijvere dorp- of stadbewoners. Van de naar een hunner
aanvoerders zoogenaamde Nagaïsche horde, zijn alleen nog eenige
bewegelijke en ongedurige overblijfselen op de steppen in het noorden
van den Kaukasus en de Krim.

Wat de bloedverwanten der Turk-Tartaren, de echte Mongolen betreft,
ook deze worden in zekere mate nog in Europa aangetroffen, waar een
hunner stammen, eene afdeeling der Kalmucken of "Kalimik", d.i. de
afvalligen, zich nog ophoudt. Deze Europeesche Mongolen die zich zelven
"Oeloeth" noemen, mogen intusschen eigentlijk niet beschouwd worden
als achtergeblevene overblijfselen van vroegere Mongoolsche invallen,
veeleer zijn zij nog van nieuweren datum. Eerst in het begin der 18de
eeuw, ten tijde van Peter den Groote, kwamen zij in ons werelddeel,
en wel, niet meer bezield met plannen om de Aarde te verwoesten,
maar als bescherming zoekende vluchtelingen. Het schijnt dat telken
male, wanneer de groote beschaafde rijken aan hunne grenzen in
kracht toenamen en om zich heen grepen, oproer, angst en beweging
bij de Aziatische Nomaden ontstonden. De horden vluchtten dan niet
zelden, om de met de beschaving komende afhankelijkheid te ontgaan,
naar afgelegene landen. Eene dergelijke beweging of vlucht ontstond
in de 17de eeuw onder de Mongolen, tengevolge van de machtstoeneming
van den Chineeschen Mantschu-keizer.

Daar echter, tegelijk met deze macht in het Oosten, ook in het Westen
het groote Europeesche beschaafde rijk der Russen krachtig tegen
Azië optrad, zoo werd het eigentlijke vrije gebied der Nomaden in
het binnenland van Azië steeds enger en enger, en wij zien daarom
sinds dien tijd, de uit elkander gespatte horden, herhaaldelijk van
het eene der beide rijken naar het andere, van China naar Rusland of
van Rusland naar China trekken, al naarmate zij geloofden, nu eens
hier dan weer daar, iets van hunne oude vrijheid te kunnen redden.

Aan deze omstandigheden heeft Europa zijne hedendaagsche Mongolen, de
vroeger genoemde horden der Kalmucken te danken. Op hun terugtocht
voor den Mantschu-keizer en in strijd met andere op hunnen weg
liggende volken, werden zij steeds verder westwaarts naar de Uralische
volkenpoort voortgeschoven, en kwamen zij eindelijk in het jaar 1703
in de nabijheid van het Russische gebied aan.

In den zwakken toestand, waarin zij zich bevonden, onderwierpen zij
zich aan de Russische opperheerschappij. Peter de Groote wees hun
aan de beneden-Wolga eene streek lands aan, waar zij hunne kudden
konden weiden, en sedert dien tijd huist deze Mongoolsche kolonie
aan de passen en afscheidingen tusschen Azië en Europa, en beweegt
zij zich binnen de natuurlijke grenzen van ons werelddeel.

Aanvankelijk hadden zij eene aanzienlijke getalsterkte, maar deze werd
in het jaar 1771 door eene zeer merkwaardige gebeurtenis aanmerkelijk
verminderd en tot op de helft gebracht. De Kalmucken, die belijders
waren van den Indischen Budha-dienst, voelden zich namentlijk ook in
Rusland niet tevreden, zij hadden hun Aziatisch vaderland niet geheel
vergeten en werden eindelijk, ook door geheime boodschappen van den
Keizer van China, tot terugkeer aangemoedigd en overreed. Toen hun
besluit tot rijpheid gekomen was, kwamen plotseling de familiën van
50,000 Kalmucksche Kibitken te zamen--ten getale van, naar hun zeggen,
meer dan 300,000 "monden"--verhieven hunne standaarden en vluchtten
met hunne vrouwen en kudden weder oostwaarts naar China, om, zooals
de Chineesche Keizer Khienlong, (die deze terugkeering, in een door
de Chineesche dichters klassiek genoemd gedicht, bezongen heeft) zegt:
"de gevaren en bezwaren aan eene groote reis verbonden, de aanvallen en
gevechten gedurende den verren tocht niet tellende, om de helderheid
des Hemels in de nabijheid van het rijk van het midden, en het geluk
vazallen te mogen zijn van den grootsten monarch van het heelal, te
genieten." Deze groote Kalmucken-vlucht is daarom zeer belangrijk,
dat zij eene der weinige Aziatische volken-bewegingen is, die wij,
in hare oorzaken en de omstandigheden waaronder zij plaats greep,
nauwkeuriger kennen, en wijl zij ons daardoor ook de oorzaken en de
toedracht der andere vroegere volksverhuizingen duidelijker maakt.

Die oostwaarts gevluchte Kalmucken wonen thans nog aan den Altaï en
zijn afhankelijk van China. De in Europa (Rusland) achtergeblevene,
die men om hen te behouden, nu ook meer vrijheden en gunsten toestond,
hebben nu nog eene getalsterkte van 300,000 zielen. Daar zij, in woeste
en voor den akkerbouw bijna geheel ongeschikte streeken, zich op de
veeteelt toeleggen en eenige duizende vierkante wersten bosch- en
waterlooze steppen, voor het Russische rijk in eene rijke paarden- en
veestapelplaats veranderd hebben, zoo zijn zij zeer nuttige onderdanen
geworden, die wel verdienen in waarde gehouden te worden. De talk en
de wol hunner kudden helpt de Europeanen in het noordelijk gedeelte
van Rusland, hunne donkere winternachten verhelderen en verwarmen.

Toen in den nieuweren tijd hunne wilde op ruige paarden gezeten
boogschutters, met het Russische leger, zoowel gedurende den
zevenjarigen oorlog als ook gedurende de oorlogen tegen Napoleon,
in Duitschland en in het overige Europa verschenen, verwekten
zij daar bijna evenveel opzien, als eens hunne voorvaderen onder
Dschingis-Chan en Attila. Men beschreef hen als baarlijke duivels,
men legde hun te laste rauw vleesch, zelfs menschenvleesch te eten,
en dat zij geene andere kookkunst bezaten, dan het vleesch onder den
zadel malsch te zitten.

Zulke vreesselijke zaken blijken geheel en al onwaar te zijn, wanneer
men deze goede menschen in hunne eigene legerplaatsen bezoekt. Dan
ontdekt men dat zij wel gewoon zijn wat vleesch en vet onder den
zadel te leggen, om mogelijke wonden hunner paarden te genezen,
maar dat zij zoo weinig liefhebbers van rauw vleesch zijn, dat zij
er zich ten zeerste over verwonderen hoe de Europeanen rauwe ham
kunnen eten. Dan ontdekt men verder, dat deze barbaren, van den
stichter hunner godsdienst een zoo fraai, zachtzinnig en verstandig
wetboek ontvangen hebben, dat het schier met de Christelijke zedeleer
wedijveren kan. Helaas echter heeft hun wetgever, Dschingis-Chan,
juist in tegenstelling met den voor de reinheid zoo zorgdragenden
Mohamed, hun verboden zich met het wasschen hunner kleederen en
kookgereedschappen bezig te houden, welk verbod zij dan ook jammerlijk
stipt nakomen.

Zij gebruiken eene taal, de Oud-Mongoolsche, wier kracht en uitdrukking
men te vergeefs getracht heeft in andere talen terug te geven. "De
melancholische gedichten en gezangen dezer van roof levende herders,"
zegt een Chineesch geschiedschrijver, "als zij in den stillen nacht
over de groote steppen weerklinken, hoe eenvoudig en ongekunsteld
zij ook zijn, persen den toehoorder de tranen uit de oogen."

Achter deze merkwaardige Kalmucken, in het binnenste van het
Kaspisch-Uralische laag gelegen land, wonen de roofzuchtige
Kirgisen, in drie talrijke horden, en over een ver uitgestrekt
gebied. Daar zij met hunne Kibitken (kleine voertuigen) slechts
zelden tot aan de Europeesche grenzen stroopen, zoo zal ik hier
van hen alleen opmerken, dat zij beschouwd moeten worden als een
volkstam, die uit eene vermenging van Turken en Mongolen ontstaan is;
zij spreken echter een zuiverder Turksch dialekt dan de Osmanen in
Constantinopel. Gedeeltelijk erkennen zij de opperheerschappij van den
Czar, gedeeltelijk die van den Zoon des Hemels in Peking, en als zij
de gelegenheid schoon zien, berooven zij de onderdanen van beide deze
groote rijken. Wegens hun blond haar, hebben enkele geschiedschrijvers
deze Kirgisen voor afstammelingen onzer Gothische voorvaderen gehouden.

Behalve de genoemde Mongoolsche en Turksche stammen, die de
volksverhuizingen uit Azië naar Europa overbrachten, hebben zij af en
toe ook nog staaltjes en overblijfselen van andere Aziatische volken
met zich medegevoerd, waaronder niet weinige van de grenzen van Perzië,
en zelfs eene kleine kolonie uit het verwijderde Hindostan.

Aan de noordelijke grenzen van Perzië, in de vruchtbare oasen van
het zuidelijk gedeelte van Turan, leefde van oudsher midden onder de
Nomaden, een gezeten, steden bewonend en ontwikkeld volk, de oude
"Sogdianen" en "Baktrianen", bij wie handel, kunsten en handwerken
bloeiden. Hun omgang met de Nomadische steppen-volkeren, waaraan zij
hunne kunstprodukten verkochten, is van overouden oorsprong. Wij
ontmoeten hen, in de geschiedenis van den Aziatischen handel, ook
onder verscheidene andere namen. Door de ruwere Mongolen, die onder
Dschingis-Chan hunne oude steden en vorstendommen veroverden en hunne
bibliotheeken verbrandden, werden zij "Buckhar" d.i. "de geleerde
mannen" genoemd, en onder dezen door de Mongolen ingevoerden naam,
zijn zij nog heden ten dage bij de Europeanen bekend.

"Bochara" is nog heden de naam van een hunner hoofdsteden, en hun
geheele land noemen wij Bucharye. Als hunne kramers, als de aanvoerders
hunner karavanen en ten deele financiers en fabriekanten, trokken de
Bucharen met de Mongolen de wereld door, en verbreidden zij zich, als
eene merkwaardige kaste van reizende kooplieden, oostwaarts langs alle
wegen, die door hen, aan wie zij onderworpen waren, gevolgd werden,
oostwaarts tot in China; ook gingen zij met deze westwaarts naar
"Kiptschak" of Europa. Nog heden, na het verdwijnen van het Mongoolsche
rijk bezoeken zij--nu onder Russische bescherming--dezelfde landstreken
langs de Wolga, de groote jaarmarkten van Nowgorod, Charkoff, Kasan,
en komen ook te Moskou en Petersburg, ja zelfs op de Leipziger-messe
zijn zij welbekende gasten.

Deze Bucharen zijn, wat lichaamsbouw betreft, een slank, goed gebouwd
volk, met frissche, heldere gelaatskleur, groote zwarte en sprekende
oogen, edel gebogene haviksneus, zwart haar en dichten baard. Zij
zijn bedaarder, buigzamer en minder trotsch dan de Turksche Tartaren,
en hebben geen lust voor veeteelt en een zwervend leven, maar hebben
aanleg voor de kunsten des vredes en zijn door handel en nijverheid
zeer welvarend. Zij noemen zich zelve "Tadschicks", dat de oude naam
der Perzen is. Daar zij over het algemeen Perzisch spreken, zoo zijn
zij ongetwijfeld niet, zooals men weleens beweerde, van Mongoolsche
maar van Perzische afkomst. Gewoonlijk brengen zij aan Europa niet dan
zeer vluchtige bezoeken, en keeren, als zij hunne zaken gedaan hebben,
naar hun geboorteland, ten zuiden van het meer Aral terug. Ook worden
in Astrakan, Kasan en eenige andere Russische steden, rijk gewordene
Bucharen, die zich daar met der woon gevestigd hebben, aangetroffen.

Zooals gezegd is, zien wij eindelijk de ver verwijderde Hindostansche
volkenwereld, om zoo te zeggen met het puntje van den vinger, ons
werelddeel aanraken. Aan de Wolga, in Astrakan bestaat eene kleine
kolonie van Hindoes die de leer van Brahma omhelzen. Men gelooft, dat
zij eerst tegen het einde der 14de eeuw, ten gevolge van een inval
der Mongolen onder Timur, daarheen getrokken zijn. Dit is dezelfde
Timur, wiens opvolger ook de Zigeuners uit Indië verjaagd en naar
Europa gevoerd heeft, zoo men meent althans.

Het gezamentlijke getal van alle, als nakomelingen der door de
Uralisch-Kaspische volken-poort binnengestroomde Middel-Aziatische
volkeren, en nog heden ten dage onder ons levende menschen, der
Hindoes, der Bucharen, der Kalmücken, der Kasansche-, Astrakansche-
en Krimsche Tartaren, zal hoogstens 2 millioen bedragen. Wij zouden
echter te weinig waarde hechten aan den invloed dezer volkenbeweging
op Europa, zoo wij hen alleen naar hun aantal, in vergelijking met
de bevolking van het werelddeel, wilden schatten.

De Tartaren en Mongolen hebben nog veel grootere overblijfselen en
sporen hunner aanwezigheid bij ons achter gelaten, dan die weinige
rechtstreeksche afstammelingen. Afgezien daarvan, dat zij verscheidene
onzer oorspronkelijk Finsche natiën, de Bulgaren, de Tschuwaschen, de
Baschkiren, door vermenging min of meer geturkiseerd of gemongoliseerd,
en hun gedeeltelijk hunne taal en zelfs hunnen godsdienst, den Islam,
opgedrongen hebben--(van deze geturkiseerde Finsche volkeren zal ik bij
de beschouwing van den Finschen volksstam spreken)--afgezien daarvan,
hebben de Tartaren en Mongolen ook op een onzer grootste Europeesche
rijken en volken, dat der Russen, vrij wat invloed uitgeoefend en
zijn er in versmolten. De eens aan de Tartaren onderworpene Russische
natie, openbaart zoowel in haren politieken toestand, als in haar
physieken en psychischen type, menigen trek, neiging en instelling,
waarvan wij het voorbeeld waarschijnlijk in het binnenste van Azië,
bij de Nomaden der Mongolen en van de Kaspische laaglanden, moeten
zoeken. De geheel onbeperkte heerschappij der Czaren zelve, heeft veel
van de regeeringswijze dier Aziatische opperhoofden. De hardheid der
bij hen gebruikelijke straffen, herinnert aan het bamboes-riet bij de
Chineesche Mongolen. De geringschatting en het kwistig omspringen
met menschenlevens bij krijgstochten en andere gelegenheden,
is bij hen niet veel geringer dan zulks bij de krijgstochten der
Mongolen was. Hunne lastige volgorde in maatschappelijken rang, hunne
zoogenaamde "Tschin", schijnt naar naam en daad eene kopie van de bij
de Mongolen en Chineezen heerschende etiquette te zijn. Ook hunne
melancholieke en roerende volksgezangen, persen den toehoorder de
tranen uit de oogen, even als zulks de Mongoolsche zangen vermochten.

Vele Tartaren, Mongolen, Kalmücken en andere Aziaten werden van
oudsher, als men hen als krijgsgevangenen naar de binnenlanden van
Rusland overbracht, wanneer de Czaren hen met Russische eereblijken
beloonen of winnen wilden, in den schoot der Russisch-Slavische
nationaliteit opgenomen. Zelfs onder de voornaamste familiën des
rijks ontdekt men nog namen, die reeds dadelijk de Tartaarsche
afkomst van het geslacht verraden. Zoo, om een voorbeeld aan te
halen, de naam van den bekenden, nu Russischen Vorst Kotschubey,
d.i. "de kleine bey." Misschien is den lezer somwijlen wel eens de
naam der vorstelijke familie Dunderkoff-Korakow voorgekomen. Het zijn
nu Russische Magnaten, wier stamboom echter oorspronkelijk in eene
Kalmuksche herderstent ontkiemde.

De schedelvorm en de gelaatstrekken van het Mongoolsche type, het
vierhoekige hoofd, de vooruitstekende wangbeenderen, de kleine wipneus,
de langwerpige oogen, het vlakke gelaat, al is een en ander bij hen
zoo opvallend niet als bij de eigentlijke Mongolen, schemeren ook bij
de Russische nationaal-trekken, onder de anders meer ronde en ovale
liniën van den Indo-Europeeschen stam zeer duidelijk door.

En als men dan eindelijk bedenkt, dat diezelfde gelaatsvormen ook
bij alle stammen van het Chineesche rijk, die zeer beslissend het
Mongoolsche type dragen, weder teruggevonden worden, dat verder ook
zelfs de Indiaansche stammen van Noord-Amerika, in hunne lichamelijke
gesteldheid, wederom slechts ietwat getemperde uit- en afdrukken van
datzelfde model schijnen te zijn, dan staat men werkelijk verbaasd
over de buitengewone verspreiding van dit type over de oppervlakte der
Aarde, en men kan schier zeggen, dat wel een derde gedeelte van het
menschelijk geslacht tot het Tartaarsch-Mongoolsch of Mongoolsch-achtig
ras behoort.

Ja! zelfs in de gebergten van midden-Europa, in het zuid-oostelijke
punt van Duitschland heeft men--en met deze opmerking zal ik deze
beschouwing sluiten--sporen van Mongolen of van Mongoolsche type willen
vinden. Aan den voet van den Orteles, in de hoogere dalen van het
Etsch-dal, in de zoogenaamde Bintch-Gau is, volgens de onderzoekingen
van Dr. Goldrainer, de schedelbouw der daar nu Duitsch sprekende
bewoners, "Mongoolsch". Men heeft gemeend, dat in die gebergten een
verstrooide troep van de soldaten van Attila achtergebleven is,
en men heeft getracht, de daar aangetroffen wordende zonderlinge
on-Duitsche plaatsnamen, "Tschars, Tartsch, Latsch, Compatsch" enz,
uit de Aziatische talen te verklaren. De Zwitsers gelooven, dat dit
volk afstamt van een vreemdsoortig volkje in Annisiers, een dal in
Boven-Wallis op zes uren afstands van Sitten, en dat zij "Hunnen"
(d.i. Mongolen) noemen, van hetwelk echter Slavische oudheidkenners
gelooven, dat het afstamt van Slaven, waarschijnlijk echter toch van
Slaven die Attila volgden, en zich in de bergen van zijne legers
verwijderden. Ik heb er reeds in het vorige hoofdstuk opmerkzaam
op gemaakt, dat men in dit zelfde kanton Wallis ook de oostelijkste
sporen van Saraceensche of Arabische volksverstrooiing aanwijst. En
zoo is dat daar dus eene zeer merkwaardige plaats, waarin nog heden ten
dage de uiterste sporen herkend worden van twee groote volksstroomen,
die in het hart van Europa tegen elkander over stonden; de eene, die
van Arabië en West-Azië en van de noordkust van Afrika, den gloeioven
van Europa, over Spanje kwam aanstroomen, en zich in Frankrijk en
tegen de Alpen verloor--en de andere, die uit het binnenste van Azië,
uit den Europa in het Oosten, als het ware, aanhangenden "Tartarus",
losscheurde, de Uralisch-Kaspische volken-poort passeerde, het geheele
Oostelijk Europa herhaalde malen overstroomde, en eveneens tegen
Frankrijk en de Alpen wegstierf, waar zij midden in de bergholen de
duidelijkste sporen achterlieten.



DE HELLENEN EN NIEUW-GRIEKEN.


Tusschen Klein-Azië, het Grieksche schiereiland en het eiland Creta
is het vierhoekige bassin eener kleine binnenzee van het overige der
Middellandsche waterwereld afgesloten. Dit water-parallelogram mag
als eene groote binnenzee, met verscheidene uitgangen die naar groote
zee-partijen voeren, beschouwd worden. Het binnenste van het bassin
is als bezaaid en bestrooid met eene menigte bergachtige eilanden
van vulkanischen oorsprong, die, wat natuurschoon, vruchtbaarheid en
andere voordeelen betreft, met weinig andere eilandgroepen van Europa
vergeleken kunnen worden.

Een schitterende hemel welft zich er over heen. Zij genieten een
zachten winter en worden door de zeelucht voor eene overmatige hitte
bewaard. Zij zijn allen bewoonbaar, en in het bezit van liefelijke
dalen, afgewisseld door vlakten, die zeer geschikt zijn ter aankweeking
van den wijnstok; de olijf- en citroenboomen bieden de bijen eene
massa van honigrijke tuinen aan.

Even als de eilanden zoo doen ook de kusten van het omliggende
vasteland zich zeer afwisselend voor. Van het noorden, oosten en westen
uit loopen de landen met vele fraaie schiereilanden in het zee-bassin
uit. Diepe bochten en golven en bijzonder veilige havens dringen het
land in en noodigen overal ter scheepvaart uit. Men zou de geheele
Aegeïsche zee, ten gevolge van haren rijkdom aan ankerplaatsen en
reeden, als eene enkele groote haven kunnen beschouwen. En zeer
goed zou men Griekenland in zijn geheel een Europa in het klein
kunnen noemen.

Even als Europa door zijne verschillende onderdeelen, door zijne
bijzonder goede verhouding van vastland en water boven al de andere
deelen der Aarde uitmunt, zoo munt Griekenland boven het overig Europa
uit. En even als de Europeesche volken, toen zij eenmaal wakker waren
geschud, bestemd schenen alle andere volken der wereld, scheepvaart,
handel, verkeer, werkzaamheid, énergie, beschaving en wetenschap te
leeren kennen, zoo schijnt de Aegeïsche- of Grieksche zee van nature
bestemd, de wieg en leerschool dezer Europeesche werkzaamheid en
kracht te zijn.

Wanneer en hoe zich de eerste menschelijke bevolking over dit heerlijk
schoone bassin, over die vriendelijke eilanden en schiereilanden
verspreidde, is in een ondoordringbaar duister gehuld. Maar zooveel
valt uit de taal der Hellenen op te maken, dat zij en hunne stamvaders,
als hoedanig men gewoon is de "Pelasgen" te noemen, uit het Oosten over
Klein-Azië gekomen zijn en tot den grooten Indo-Germaanschen volkstam
behooren, die aan ons Europa, zijne voornaamste en ontwikkeldste volken
gegeven heeft. Uit hunne taal blijkt, dat zij innig verwant zijn met
de Keltische, Romaansche, Germaansche en Slavische volkeren. Even
als van deze, zoo moet ook de oorsprong der Grieken in Indië en aan
den Himalayah gezocht worden.

Onder wiens aanvoering, onder welke omstandigheden en lotgevallen,
de voorvaderen der Hellenen, de zoogenaamde Pelasgen zich vandaar
losrukten; waardoor zij zich reeds in dezen tijd onderscheiden
konden, en hoe zij toen door het westelijk gedeelte van Azië en door
Klein-Azië zich een doortocht wisten te banen, dat alles is ons niet
zoo nauwkeurig overgeleverd geworden, als b.v. de oorsprong en de
vroegste geschiedenis der Israëliten.

Juist de beide volken, die in de oudheid het grootste gewicht verkregen
en het meest ontwikkeld waren, de Grieken en Romeinen, deelen het lot,
dat over hunne oudste geschiedenis en over de vroegste bewoners dier
landen eene schier nog grootere onzekerheid bestaat, dan over menig
ander, minder ontwikkeld ras, en dit is ten deele een natuurlijk
gevolg juist van hunne vroegtijdig gerijpte ontwikkeling en bloei,
die alles wat aan vroegere tijden herinnerde en van ouderen datum
afkomstig was, als "barbaarsch" verduisterde, verachtte en aan de
vergetelheid ten prooi gaf. Ja! zelfs hebben wij niet dan eene hoogst
onduidelijke en zeer twijfelachtige voorstelling van de manier en
de wijze, waarop de Hellenen zich in taal en ontwikkeling, uit den
grooten moederstam hunner Pelasgische voorouders of voorgangers,
te voorschijn werkten en zich als een zelfstandig volk neerzetten
en leerden gevoelen. Dergelijke zaken zijn in de geschiedenis der
menschheid meermalen even moeielijk te doorgronden, als b.v. in de
natuur, de manier en de wijze, hoe en door welke chemische werking
in den wortel van den rozenstruik, de droppel die bestemd is den knop
te vormen, opstijgt en zich bevestigt, en hoe zich uit het knopje de
schoone bloem ontvouwt. Weldra staat de volle centifolie heerlijk
riekend daar, voor wij nog kunnen aantoonen, hoe en waarom zij zóó
en niet anders werd.

Alles wat wij zeggen kunnen, is: dat de zoogenaamde Pelasgen, vooral
echter hunne opvolgers of kinderen, de "Hellenen," een van oudsher
met voortreffelijken aanleg toegerust geslacht moet geweest zijn,
en dat hun goed gesternte hen een tehuis binnenleidde, dat zoo
gunstig, als maar bij mogelijkheid gewenscht kon worden, geschikt
was ter ontwikkeling van zulken voortreffelijken aanleg, namentlijk
in dat bont getooide bekken der Aegeïsche zee, waarvan ik zooeven de
voornaamste eigenaardigheden mededeelde.

Trots deze gunst en gaven der natuur schijnt het niet te min, dat
zelfs ook bij de Grieken, even als bij alle andere Europeesche volken,
de aanstekende vonk van buiten moest aangebracht worden.--De sagen
der Hellenen wijzen naar landverhuizers, die van buiten af het land
binnenkwamen, als gebeurtenissen, die hun den lust tot een welgeordend
leven inboezemden: op eene uit den vreemde komende onderwijzeres in
den landbouw, Demeter (Ceres) die den echt stichtte, den vijgeboom
naar Griekenland bracht, even als Minerva den olijfboom--op een
buitenlandschen Prometheus, die den Grieken alle kunsten leerde,
waarbij zij van het vuur moesten gebruik maken. Zelfs het gebruik van
het ijzer, ontvingen zij uit den vreemde. De invoering van het paard,
de kunst van spinnen en weven werden aan Poseidon, den god der zee
toegeschreven, dat wellicht even veel zeggen wil als: zij kwam in
schepen naar het tot nu toe onkundige eilanden-volk.

Even zoo kwamen uit Phenicië en Egypte te scheep tot hen, door Kadmus,
Danaüs, Pelops, de eerste wetgevers, staten-regelaars en de stichters
hunner burgten en steden,--hunne orakels--een groot deel der namen
hunner goden en hunne godsdienstige fabelen en instellingen. Alle
beginselen van beschaving werden den Grieken door zeevaarders en
handelaars gebracht. Hunne ontwikkeling was, met één woord, uit de
zee geboren. Ten gevolge der ligging en grondsgesteldheid groeide
die vervolgens bij hen, met behulp der zee, verder aan. Van de
vroegste tijden af werden de Grieken zelven een volk van zeevaarders
en handelaars. De oudste naam der bewoners van het land "Pelasgen"
zou ook (volgens de meening van sommigen ten minste) af te leiden zijn
van het Grieksche woord Pelagos (Zee) en niets anders dan "zeelieden"
beteekenen. Na den grooten God van den alles omvattenden Hemel,
den ongeëvennaarden Zeus, was Poseidon, de god der wateren en der
winden, bij hen de voornaamste godheid. Hij was machtiger en had meer
invloed op hun lot dan de andere goden. Tot hem stegen in de talrijke,
op de eilanden en voorgebergten opgerichte tempels, hunne vurigste
gebeden omhoog. Uit de zilte baren verrees Aphrodite, hunne godin der
schoonheid, en in de zee zelve had de zonnegod Helios zijn paleis,
waar hij in de armen der onder de wateren heerschende Thetis rustte.

De eerste belangrijke, gemeenschappelijke ondernemingen der Grieken,
waarin zij als een op zich zelf staand volk optraden en zich leerden
gevoelen, de tocht der Argonauten, de Troyaansche oorlog, waren groote
vloot- en zee-expedities, en even als ten tijde van Agamemnon geheel
Griekenland uit de Aegeïsche zee opdaagde, zoo heeft het uit diezelfde
zee, uit hare eilanden, havens, schepen, ook later meermalen zijne
kracht getrokken--eene wedergeboorte te weeg gebracht. Even als de
door Herkules nedergevelde Antaüs, die steeds van zijne moeder, de
Aarde, nieuw leven ontving, zoo is Griekenland, als het nedergeveld
was (zelfs in onze dagen) uit zijne moeder, de zee, weder opgestaan.

Hunne oudste en ook bij hen meest gebruikelijke liederen, de gedichten
van Homerus, hebben zeerooverijen, zeeavonturen en scheepvaart
tot onderwerp. Het zijn gedichten, die nog heden ten dage even als
voor 3000 jaren, door het Grieksche volk het best begrepen worden,
even als bij de Nomaden-volken der Arabieren de tradities van hunne
herders-patriarchen Abraham en Ismael.

Eenmaal door invloeden van buiten wakker gemaakt, ontwikkelde de
vruchtbare, en even als het water beweegbare, genius der Grieken
eene verwonderlijk veelzijdige werkzaamheid naar alle richtingen van
den menschelijken geest. Tot enthusiasmus--dit fraaie woord is van
Grieksche vinding--geneigd, begaafd met eene levendige phantasie
en een levendig voorstellingsvermogen, ontdekten zij op de hooge
toppen hunner bergachtige eilanden, in de wouden hunner langs de
kusten gelegene dalen, op de met bloemen bedekte en door liefelijke
bronnen en stroomen bevochtigde, langs de oevers gelegene landschappen,
overal het spoor eener godheid. Ieder hoekje van hun land werd door
de poëzie verheerlijkt en vereeuwigd. Zij leerden die goden vereeren,
en in alle oorden van Griekenland ontstonden orakel-plaatsen, tempels
en bedevaartsplaatsen. Iedere duim gronds van het land werd klassiek
en geheiligd.


    Al de hoogten zijn door Oreaden bewoond,
    In ieder boomke leeft eene Drijade,
    En het helder, rein, schuimend rivierwater stroomt
    Uit de urnen der aanminn'ge Najaden.


Even als hun land, zoo bood ook hun leven de scherpste contrasten
aan. Het scheepsleven was rijk aan afwisseling en merkwaardige
gebeurtenissen, en zou alleen reeds voldoende geweest zijn, om den
vertellers, den redenaars, den dichters den mond te openen. Maar op den
achtergrond van dit veelbewogen, stormachtig zeeleven lagen de kleine,
bekoorlijke woonplaatsen in de hoekjes der eilanden, de huisselijke
haard aan de helling der bergen, de vruchtbare akkers langs de heldere
stroomen en het idyllische herdersleven op de bergen Ida, Pelion,
Helikon en in het boomenland van Arcadië.

Noodwendig moesten de Grieken onder dusdanige natuurlijke gesteldheid
en contrasten, zich dichterlijk gestemd gevoelen. Zij grepen naar de
lier en hebben gespeeld en gezongen als geen anderen na hen.

Naar het model der door de Egyptenaren en Pheniciërs bij hen gestichte
gemeenten, stichtten en bestuurden zij bloeiende steden, republieken
en staten in 't rond om den Archipelagus. Daar versterkt, zeilden
zij verder langs de natte paden der zee, stichtten zij in Italië en
Sicilië hunne koloniën, ontstaken de vuurtorens der beschaving aan alle
barbaarsche kusten der Zwarte Zee, verlichtten daarmede ook, als met
een helder schitterend garneersel de geheele noordkust van Afrika,
entten van Massilia uit, het verre Gallicië de eerste beginselen
der beschaving in, ja voeren zelfs door de zuilen van Herkules,
den Oceaan op.

Terwijl zij op die wijze de grootte der wereld leerden kennen,
begonnen zij, wier geest van eene even ideale als praktische natuur
was, over het geheele wereldrond handelsondernemingen te doen,
en traden, midden op hunne met waren opgevulde markten en in hunne
van handel en menschen wemelende en levendige havens, als even zoo
scherpe als diepzinnige denkers, natuurvorschers en wijsgeeren op, die
ieder naar hunne wijze van wereldbeschouwing, verschillende systemen,
scholen en sekten oprichtten.

De handel met volken, die zoo verschillend van aard waren, deed bij hen
rijkdom en weelde ontstaan, en liet een streven naar de verfraaiing
van het alledaagsche leven bij hen ontwaken en de schoone kunsten
bloeien. Een Apelles, een Praxiteles en de tallooze scholieren dezer
meesters traden op; onder hunne handen kreeg het marmer gestalte en
leven, en verrezen de heerlijkste tempels en zalen, op wier wanden
de fraaiste schilderstukken aangebracht werden.

Daar in het vaderland der Grieken geen vorstelijke, alles uitsluitend
naar zijne nukken schikkende Nijl, geen groote gebiedende Ganges,
geen onmetelijk groot en eentoonig Mesopotamië was; daar hier
integendeel alles verbrokkeld, verschillend en sierlijk gevormd
was--eene gemakkelijk te overwinnen en den menschen niet overweldigende
natuur--kleine dalen, smalle vlakten, talrijke tamelijk hooge bergen,
en dat alles toch door den gladden spiegel der zee nauw verbonden
en saamgesmolten, zoo is ook ten gevolge daarvan de aard van den
Griekschen volksgeest zelf een veelhoekig, een aan alle zijden geslepen
edelgesteente geworden.

Geheel in tegenstelling met andere volken, b.v. met de eentoonige
en eenvormige massa, die nog heden ten dage ons de Russische land-
en volksgeest biedt, gelijken de Hellenen een boom, die in bevallige
groepeering zijne vele takken naar alle zijden uitbreidt. Hunne
taal scheidde zich in verschillende dialekten, hun stam in talrijke
geslachten, die allen zeer verschillende eigenschappen en toch
allen uitstekende hoofddeugden bezaten, en die ook allen, trots
hunne uitbreiding in zeer tegenovergestelde richtingen, toch, even
als hunne eilanden door de daar tusschen stroomende zee, door den
band van gemeenschappelijke sympathieën en doeleinden aan elkander
verbonden en vastgeknoopt waren.

Dezelfde verhoudingen, die de verschillende dialekten, bouwstijlen
en wijsgeerscholen der Dorische, Jonische en Aeolische Grieken
in het leven riepen, kweekten bij hen ook een even groot verschil
van politieke inrichting en burgerlijke toestanden. In dezen zin,
hebben zij gedurende hun bestaan, om zoo te zeggen, alles in het
leven geroepen wat maar denkbaar is. Democratiën, monarchiën,
oligarchiën en aristokratiën, heerschappij van het volk en van het
geld, militair-despotismus en priestergeweld, wisselden elkander bij
hen af, al naar mate afstamming, tijd en plaats. De geheele overige
wereld biedt geen staatsvorm aan, waarvoor de kleine Grieksche wereld
niet een model geleverd en waarvoor de Grieksche taal geene bepaalde
benaming uitgedacht heeft, die nu nog bij alle beschaafde volken der
Aarde in zwang zijn. De Grieksche Aristoteles philosofeert, ofschoon
hij niets dan de politieke scheppingen van zijne landslieden en hunne
naaste buren kende, over alle mogelijke vormen van staatsregeling,
als had hij, even als wij, alle politieke toestanden der wereld voor
oogen gehad.

Vergelijkt men de staats-regeling, het burgerlijke zijn en de
politieke strekking van twee Grieksche staten, b.v. het ernstige,
harde, krijgshaftige, monarchale of aristokratische, om zoo te
zeggen Britsche Sparta, met het fijne, vernuftige, schitterende,
weelderige, demokratische, ietwat Fransche Athene, zoo houdt men het
schier voor onmogelijk, dat menschen, die eene zelfde taal spraken
en zich eene zelfde nationaliteit toeschreven, een, wat karakter en
verstand betreft, zoo scherp contrast kunnen vormen. Men zou eerder
gelooven de vreemdsoortigste bestanddeelen--Noordpool en Zuidpool--op
steenworps afstand naast elkander te zien huizen. De uitersten,
teugellooze vrijheid en onbarmhartige tyrannie onder het juk van
één enkelen, schijnen elkander bij de Grieken de hand te reiken,
en midden tusschen deze beide uitersten, vinden wij dan weder een
menigte staats-inrichtingen, die uit het verstandigst overleg,
en uit het zorgvuldigst overwegen der menschelijke natuur en der
verschillende bestanddeelen der maatschappij ontstonden.

De revolutie en de afwisseling van meesters, waren bij deze rustelooze
menschen, die zoo belust op nieuwigheden waren, aan de orde van den
dag. In hunne geschiedenis ziet men te vergeefs uit naar een zonnig
tijdpunt van rust, zooals b.v. die van Rome ten tijde van Augustus
aanbood, waarin de kunsten van den vrede en de wetenschappen,
naar onze begrippen gemakkelijk hadden kunnen bloeien. Het zwaard
aangegord, schreven de krachtige Grieken geschiedenis, zoo kernachtig
als later die niet weder geschreven is. Den giftbeker drinkende,
dien de onverdraagzame medeburgers hun reikten, gaven de Grieksche
wijzen zedelessen over verdraagzaamheid en liefde, die nog niet
vergeten zijn. Midden in de wereldsche drukte op straat, onder
de opgewondenheid van het Forum, dachten hunne philosophen rustig
en kalm na over boven-aardsche dingen. Midden tusschen het eeuwige
partij-getwist en bloedige wapengekletter, huldigden hunne dichters en
kunstenaars de gratiën, en schiepen zij zulke volkomene, welluidende
en harmonische taalbeelden, als nimmer aan een vreedzaam volk in die
mate gelukte. Tusschen hunne lippen werd de Grieksche taal gevormd
tot de fraaiste, deftigste, mannelijkste en tegelijkertijd zachtste
taal, waarin ooit menschen gedacht en gedicht hebben, tot eene bij
uitstek rijke taal, wier woordvoeging zoo gemakkelijk, zoo vloeiend
is, die voor den mond zoo aangenaam te spreken, voor het verstand
zoo veelbeteekenend en zoo nauw samenvoegend is, en die gedeeltelijk
middellijk, gedeeltelijk onmiddellijk alle tegenwoordige talen tot
voorlichtster gediend heeft. Wanneer men het doen en laten der Grieken
in hun geheel beschouwt, dan meent men stoute, geniale mannen te zien,
die het verstonden bloemen te doen ontluiken in de vurige kraters
der vulkanen, en die aan de muzentempels gebouwd hebben op den rand
van den steeds vloeienden lavastroom.

Even als in het moederland Hellas, zoo ging het ook in de koloniën. De
Grieksche dochtersteden ontstonden meestal ten gevolge van inwendige
tweedracht en hartstochtelijke partijtwisten, en deze koloniën zelve,
waarmede zij de barbaarsche kusten der Middellandsche Zee omgaven,
schijnen even vele kraters geweest te zijn, die, als de Etna, het land
in de rondte tegelijkertijd verwoestten en vruchtbaar maakten. Aan
de kleine golf van Tarente in Groot-Griekenland alléén, had een half
dozijn van zulke vuur- en bloemenspuwende vulkanen wortel gevat:
het trotsche Crotona, het weelderige Sijbaris, Heraclea, Tarente en
nog eenige andere onvergetelijke steden. Even als Athene en Sparta
in Hellas, als Ephesus en Milete op de kust van Klein-Azië, als
Syracuse de volkrijkste en machtigste aller Grieksche koloniën, en
het steeds door de Etna verwoeste en steeds weder opbloeiende Catanea
op Sicilië, leefden die steden in eeuwigdurende tweedracht, en hunne
burgers trokken, zoo lang zij zich roeren konden, tegen elkander te
velde en hielden over en weer de onbarmhartigste strooptochten in
het gebied hunner naburen. Men is somwijlen geneigd deze Grieksche
republieken voor even zoovele halfwilde Montenegro's te houden. Niets
van alles wat later de Turken tegen de Christenen uitgevoerd hebben,
bleef door deze Hellenen onbeproefd in de schier nimmer gestilde
partijwoede. Moord, brand, verwoesting, harde slavernij, ja verdelging
tot den laatsten man, tot er geen steen op den ander bleef. En toch
waren deze steden bij wijle rijk, groot, losbandig en weelderig,
telden hunne burgers bij honderdduizenden en hadden volop dichters,
schilders, beeldhouwers en leerlingen van Pythagoras.

Toch lag vermoedelijk in de bijzonder heftige en vurige natuur
der Grieken opgesloten, dat de geheele tijd van hunnen bloei en
hunne fraaiste scheppingen, slechts kort was, en dat zich hunne
geheele scheppende kracht slechts in een, als een vluchtigen droom
voorbij zwevend oogenblik, samenvatte. Ten tijde van Perikles,
in de 5de eeuw voor Christus geboorte, hadden zij het toppunt van
hunnen bloei bereikt. Om de persoon van dezen "hellenischten aller
Hellenen", groepeeren zich de uitstekendste Grieksche namen, die
door hetgeen zij volbracht hebben, over de geheele wereld bekend en
verheerlijkt zijn geworden. Men heeft de Grieken eene jongelings-natie
genoemd. Ja! Hegel noemde hun geheel nationaal zijn en streven,
"een enkele jongelings-daad". Men kan hun nationaal maatschappelijk
leven met het eigenaardige bestaan van andere geniale, naar het
grootsche strevende jongelings-naturen vergelijken, b.v. met die
van een Raphaël, die zich in de vurige opwelling zijner werkkracht
vroegtijdig ontwikkelde, maar daarop aan de nakomelingschap eene
erfenis van zijne werken vermaakte, waarover zij zich, door alle
tijden heen, verheugen kan. Met zulk eene erfenis in de hand, welke de
tijdgenooten van Pericles achterlieten, heeft de nationale geest der
oude Grieken zich steeds, tot op onze dagen, machtig en invloedrijk
getoond; ofschoon sedert den dood van Perikles bij hen slechts de eene
overheersching door vreemden op de andere volgde, en zij nimmer weder
tot eene zoo krachtvolle zelfstandigheid geraakten, als in die korte
jaren, toen zij ongestraft onder elkander vechten en om den palm der
overwinning strijden konden.

Het allereerst kwamen zij onder Philippus en Alexander. Maar deze
barbaarsche Koningen van het Noorden helleniseerden zich, huldigden
den geest der Grieken, namen hunne taal over, en verbreidden beiden,
te gelijk met hunne veroveringen, over het geheele Oosten. Aan de
grenzen van Indië en de Mongolen en vervolgens ook aan den Nijl,
stichtten zij rijken, die men naar de aldaar heerschende taal en
ontwikkeling, als Grieksche stichtingen moet aanmerken.

De Macedoniërs werden, zoowel in de wereldheerschappij als in
het bezit der heerschappij over Griekenland, door de Romeinen
afgelost, en even als gene werden ook deze de scholieren hunner
Hellenische onderdanen. Hebben de Romeinen ook al niet, als de
naburige Macedoniërs, de taal en de zeden der Grieken overgenomen,
zoo moesten zij hen toch, daar zij zelven niets beters konden te
voorschijn brengen, als hunne meesters en modellen beschouwen. Het
gevangene Griekenland nam zelf zijne wilde gebieders gevangen en
bracht de kunst over naar het boersche land der Latijnen. De Romeinen
gingen bij de Grieksche redenaars in de leer. Hunne gedichten waren
niet anders dan een weerklank der Grieksche gezangen, hunne musici,
hunne paedagogen waren Grieksche slaven. Hunne tempels, hunne steden,
hunne marktplaatsen werden versierd en verlevendigd door standbeelden,
die een eeuwig leven ademen en gered waren uit den ondergang van
Griekenland. Op de vleugelen van den Romeinschen adelaar verbreidde
zich Grieksche beschaving over het geheele Westen, even als vroeger de
Macedonische phalanx haar tot aan den Indus en Himalayah, die bronnen
van alle Hellenisch en Indo-Germaansch leven, baan gebroken had.

Met het goud des verstands, dat de Romeinen uit Griekenland gehaald
hadden, hebben zij om zoo te zeggen de geheele wereld verguld, en de
Grieken zijn op die wijze, in het gevolg der over de Aarde marcheerende
Macedonische en Romeinsche infanteristen, ook in het binnenste van
alle landen gekomen, waarheen zij als een oud zeevaarders- en kustvolk,
alleen misschien nooit gekomen waren.

De Macedoniërs, die van oudsher naburen en stamverwanten der Grieken
waren, zijn met taal, verstand en zeden, zooals ik reeds zeide, in de
Grieken, om zoo te zeggen, opgegaan. Waar zij geboden en vertoefden,
daar geboden ook de Grieken zelven. De Romeinen daarentegen,
bewoners van een ander schiereiland en van een vreemd geslacht,
ofschoon in alle aangegevene opzichten de kweekelingen der Grieken,
bleven toch altijd Romeinen en verspreidden het ontvangene op hunne
wijze. Daardoor kwam het, dat de Grieken zich in het Westen, waar
zij bijna niet anders dan als dienaren verschenen, nooit zoo te huis
gevoelden als in het Oosten, het schouwtooneel der verrichtingen van
de Macedoniërs. Ja! de Romeinen romaniseerden zelfs dààr geheele
streken, waar in vroegeren tijd Grieksche zeden, taal en bloed de
overhand hadden, b.v. Zuid-Italië en Sicilië. Daardoor kwam het
dan ook dat, toen het Romeinsche rijk zich in twee groote helften
verdeelde, van deze beide helften, het Westersch Romeinsche rijk
en het Oostersch-Romeinsche rijk, het eene aan zijn uiteinde een
geheel geromaniseerd, het andere een predomineerend Grieksch, met
Macedonisch-Grieksche ontwikkelings-elementen bezwangerd, karakter had.

In het Oostersch-Romeinsche rijk, dat Nieuw-Rome of Bijzantium tot
hoofdstad had, kregen na de afscheiding Grieksche taal, Grieksche
volksstammen, Grieksche geslachts-adel, Grieksche beschaving weder
de overhand, en men kan deze verdeeling van het rijk in zekeren zin
als eene politieke wedergeboorte der Grieken beschouwen, ofschoon
het wedergeborene kind van toen af aan bij de Oostersche volken niet
slechts den naam "Rome" (Rum, Rumili) droeg, maar zelfs de Grieken
zelve, zich eeuwenlang "Romaier," hunne Grieksche taal de Romaiische
noemden. Daar in het geheele Oosten de Grieksche taal bij voorkeur de
taal der letterkundigen was, zoo werd zij dan ook van den eersten tijd
af aan de draagster van het, ten tijde van den bloei der Romeinsche
macht opkomende, _nieuwe geloof_. Het Christendom werd, zoodra het
Jeruzalem verlaten had, het allermeest door de Grieksche taal over
de wereld verspreid.

Het bekken van den Archipelagus met zijne eilanden en zijne
vooruitstekende landen, dat het best met een naar het Oosten geopend
net vergeleken kan worden, ving nu de eerste, aan de Phoenicische
kusten ingescheepte, christen-apostelen op, zooals het duizend jaren
te voren de van daar scheep gegane professoren der oud-Egyptische
wijsheid ontving. Het Grieksche volk bood den grooten zaaier het eerst
een terrein aan, waar zijne zaadkorrels niet op een steenachtigen
bodem vielen, maar waar zij integendeel al spoedig in Korinthe,
Thessalonika, Ephesus en andere steden diepe wortels schoten. Ook in de
Aziatische steden bestonden de eerste Christen-gemeenten schier zonder
uitzondering uit Grieken. In hunne taal werd de eenige God overal
aangebeden, en de eerste predikatiën der zendelingen gehouden. In hunne
taal werden onze heilige boeken geschreven. Ook was zij de taal der
eerste christelijke conciliën. Grieken brachten het christendom naar
Rome en verbreidden het over het overig Europa; vandaar zijn dan ook
tot op heden in geheel Europa de meeste uitdrukkingen voor kerkelijke
zaken, zelfs de naam der "kerk" en die van het boek der boeken, den
"bijbel", van Griekschen oorsprong.

Van alle christelijke kerken is de Grieksche de oudste; van Griekenland
uit werd het heidendom het eerst door het Christendom ondermijnd en
eindelijk tijdens de stichting van Nieuw-Rome of Constantinopel geheel
afgeschaft. Gedurende de invallen der barbaren, die op de verdeeling
van het Romeinsche rijk weldra volgden, bleef het Oostelijk Keizerrijk
der Grieken veel langer bestaan dan dat der Westelijke Romeinen. De
onbuigzame, barsche Romeinen, die hun rijk hoofdzakelijk op hunne
dapperheid en stoffelijke overmacht gegrondvest hadden, moesten
het onderspit delven, toen hun die dapperheid begon te ontbreken
en eene grootere macht dan de hunne zich tegen hen over begon te
stellen. De Grieken, die zich tijdens hunnen bloei, behalve den moed
en de vaderlandsliefde die hun eigen waren, ook eene hooge mate van
verstandelijke ontwikkeling, eene bijzonder groote mate van politieke
behendigheid en andere daarmede in betrekking staande eigenschappen,
hadden eigengemaakt,--bewaarden, nadat de bandelooze overmoed en
vrijheidszin gebreideld waren, toch deze taaiere eigenschappen,
en bleven, even als de Chineezen in hunnen strijd met de Mongolen,
zelfs na hunne nederlagen, meermalen overwinnaars. Terwijl het
geheele Westelijk Europa door Noordsche horden overstroomd en eeuwen
lang weder in eene diepe duisternis gestort werd, ontvingen ook de
Grieken vele hun land diep binnendringende benden. Maar zij wisten,
als vlugge strijders, behendig de stooten te ontwijken en ze dikwijls
van zich af te wenden, of, wanneer zij somwijlen het onderspit moesten
delven, zoo stonden zij toch, even als het door de stormen heen- en
weer gezweepte struikgewas der hoog-gebergten, steeds, van frissche
loten voorzien, weder op.

Sedert de 5de en 6de eeuw trok de groote Slaven-vloed met overmacht het
Grieksche schier-eiland binnen, en drong in alle tot het Europeesche
vasteland behoorende provinciën van het Grieksche rijk, tot aan Athene
en tot in den Peleponnesus. De Slaven kwamen daar nu niet alleen als
soldaten en gebieders, maar met vrouwen, kinderen en kudden zetten zij
zich in deze landen met der woon neder, begonnen na eenigen tijd den
grond te bebouwen, stichtten talrijke Slavische dorpen en vlekken,
en gaven aan landen, bergen, dalen, rivieren, beken en grotten,
Slavische namen. Maar te midden dezer Slavische overstrooming, bleven
de steden en havens aan de kusten, overal langs de Aegeïsche zee,
zelfs in de bangste tijden, in het bezit der Grieksche burgers en der
Byzantijnsche bezettingen. Daar de Slaven geene schepen hadden, zoo
lieten zij de eilanden der Aegeïsche zee grootendeels ongemoeid. Zelfs
in de gevaarlijkste oogenblikken, toen Avaren, Bulgaren en Serviërs
Constantinopel bestormden en te gelijkertijd aan de Aziatische zijde
van den Bosphorus, bij Scutari de Perzen onder de wapens stonden; zelfs
in zulke oogenblikken, waarin alles verloren scheen, hielden de Grieken
zich staande op hunne vloot, met behulp waarvan de verbinding tusschen
het middelpunt van het rijk en de eilanden en kusten nauwelijks een
oogenblik verbroken was, en werd ook telkens weder in de vertwijfeldste
omstandigheden, de buitenste omtrek en het ruwe getimmerte van de oude
Hellenen-wieg, de Archipelagus (de hoofdzee) met haar toebehooren
gered. Rondom deze wieg dus, bleef altijd een overblijfsel van het
Hellenendom bestaan, en van dit oude tehuis en geboorteplaats uit,
dat wil zeggen van uit de schepen, van uit de havenplaatsen Korinthe,
Thessalonika, Patras, Monembasi en vele anderen, verspreidde zich in
de 9de eeuw andermaal dit Hellenendom. Nadat de inval der Slaven in
den loop van 300 jaren hun aanvankelijk zoo woest karakter verloren
had, nadat zij uit roovers, verwoesters en plunderaars, landbouwers en
grondeigenaars geworden waren, toonden zij zich ontvankelijk voor de,
van de Grieksche kusten het land binnendringende, beschaving. Ook de
Grieksche wapens, voornamentlijk onder de regeering van Keizer Basilius
I, in de tweede helft de 9de eeuw, waren weder gelukkig tegen hen,
en vele der door de Slaven bezette provinciën en landschappen werden
toen weder door de Grieken heroverd.

Eene duizenden tellende en Grieksch sprekende geestelijkheid trok de
nieuw bekeerde provinciën binnen. Kloosters en kerken werden gebouwd,
nieuwe steden en versterkte plaatsen aangelegd en in deze zetten
zich bij voorkeur weder Grieken neder. Ten gevolge van dit een en
ander verstonden en spraken de Bulgaren, die er hun intrek genomen
hadden, spoedig even goed Grieksch als Slavisch, en werden in den
Peleponnesus en aan de kuststreken van Thessalië, Macedonië en Thracië,
de Slavische namen weder òf verdrongen òf verhelleniseerd. Het nieuwe
door Grieken of Grieksch-sprekenden bevolkte Griekenland, dat zich
op deze wijze weder oprichtte, had in hoofdzaak denzelfden omvang,
als het eens door de oude Hellenen bezette land.

Zoo viel dus toen in Griekenland iets dergelijks voor, als ter
zelfder tijd (na Karel den Groote) in Duitschland plaats greep. Ook in
Duitschland, even als in Griekenland, hadden de Slaven, tijdens hunne
eerste woeste overstrooming van eene menigte oud-Duitsche landstreken,
schier de geheele oostelijke helft van het oude Germanië met hunne
stammen gevuld. Maar ook daar werd weerwraak genomen. Karel de Groote
en de Duitsche Keizers die hem opvolgden, herstelden, terwijl zij
de binnengedrongene Slaven onderwierpen en doopten en ze dwongen de
Duitsche taal en gewoonten aan te nemen, weder de grenzen van het oude
Germanië, even als Basilius en de hem opvolgende Grieksche Keizers,
Griekenland zijne oude grenzen terug gaf. In de groote landschappen,
meer binnenwaarts in het Byzantynsche schiereiland gelegen, won de
van de kusten komende vergrieking minder voet. Daar behielden de
vele binnengedrongene barbaren hunne taal en gewoonten. Slechts nu
en dan kwamen Grieken bij hen in de steden en vestingen wonen. Ook
dit was weder juist zoo, als ten tijde der oude Hellenen, met dit
onderscheid dat nu, in stede der vroegere Macedoniërs, Thraciërs en
Illyriërs, de Slavische Bulgaren, Serviërs, Kroaten enz. de oude,
steeds barbaarsche plaatsen bewoonden, die nooit door Grieksche
schepen en kustbewoners in grooten getale bevolkt waren geworden.

In hoofdzaak is dit, met eenige geringe wijziging zoo gebleven tot
aan den volgenden grooten inval die Griekenland trof, tot den inval
der Turken. De tusschen beide groote invallen, den Slavischen in de
6de eeuw en den Turkschen in de 14de eeuw, gelegene invallen der
westelijke volken van Europa, die onder den naam van kruistochten
bekend zijn, kunnen in eene geschiedenis van den Griekschen volkstam,
zooals ik die tracht te schetsen, niet dan van minder belang beschouwd
worden, want op taal, zeden en bloed der natie hebben zij betrekkelijk
slechts geringen invloed uitgeoefend. Ten dezen opzichte moet men
de algemeene opmerking voor oogen houden, dat de Grieken over het
algemeen als de Oostersche volken van Europa te beschouwen zijn; dat
zij als zoodanig, van oudsher minder van de Westersch-Europeesche
volken overgenomen hebben, dan zelfs van de Aziaten. In de oudste
tijden waren de volken van West-Europa, de volken van Italië enz.,
ruwe barbaren, en stond de Grieksche beschaving in veel nauwere
betrekking met de toenmaals hoogst beschaafde Aziaten. De bewoners
van Italië hebben, ofschoon zij op verschillende tijden Griekenland
geheel of ten deele overheerden, de nationaliteit daar slechts zeer
weinig gewijzigd.--Zelfs de Romeinen, die langer dan 400 jaren in
Griekenland de teugels van het bewind in handen hadden, die daar
geheele volkrijke steden b.v. Korinthe uitmoordden en haar weder
met Italische (Romeinsche) burgers bevolkten, konden de Grieksche
nationaliteit niet in de hunne doen opgaan. Men vindt nu, en vond
reeds spoedig na het einde der Romeinsche opper-heerschappij,
nauwelijks hun spoor meer in Griekenland. Zij hebben geen streek
des lands geitaliseerd of geromaniseerd. Geen overblijfsel hunner
taal laat zich in Hellas bespeuren, zooals zulks in het land der
Daken of der tegenwoordige Wallachijers nog heden ten dage het geval
is. Alle Romeinsche kolonisten in Griekenland werden spoedig uit den
weg geruimd of tot Grieken vervormd.

Datzelfde nu laat zich ook zeggen van den inval dier Italiaansche
kruisvaarders en der andere Westelijke Europeanen, die in het begin der
13de eeuw het Byzantijnsche rijk veroverden en het een tijdlang onder
elkander verdeelden. Venetianen, Genueezen, Franschen en adellijke
geslachten van andere volken van West-Europa hebben, ten gevolge dier
gebeurtenis, zich wel in Griekenland opgehouden, hebben op de eilanden
en in Grieksche kust-plaatsen vele kleine Vorstendommen gesticht en
deze korteren of langeren tijd beheerd, ja de Venetianen hebben tijdens
hunne grootste macht den geheelen Peleponnesus, de meeste eilanden
der Aegeïsche zee, verscheidene kuststreken van Noord-Griekenland,
ook Cyprus en Creta, om zoo te zeggen, in één woord dus het geheele
stamgebied der Grieken onder hunne heerschappij gehad, en toch neemt
dit niet weg dat op het karakter, op de taal en het bloed van dit volk,
de heerschappij ook dezer Westelijke Europeanen geen beslissenden
invloed gehad heeft. Alleen op de Jonische eilanden heeft de volkstaal
vele Italiaansche uitdrukkingen aangenomen, en op de Cycladen zijn
nog heden ten dage eenige nakomelingen van Fransche en Italiaansche
familiën, die de Roomsch-Katholieke kerk trouw gebleven zijn. Ook
deze Roomsch-Katholieke kerk der Westelijke Europeanen heeft even min
als hunne taal en gewoonten, ooit bij de Grieken wortel geschoten,
welke pogingen de Pausen daartoe ook aanwendden. Hier moet ik nog de
volgende opmerking, die gemakkelijk verder uitgewerkt kan worden,
maken, dat evenmin de Germanen, zoo dikwijls zij op verschillende
tijden in Griekenland verschenen zijn, het eerst als Gothen,
die geheele provinciën van het schiereiland overmeesterd hadden,
vervolgens als Noormannen, die dikwijls als Keizerlijke trawanten,
als zeeroovers, als bedreigers van Constantinopel, onder de Grieken
vertoefden, eindelijk in den nieuweren tijd als Beieren, die het jonge
Koningrijk Griekenland in de 19de eeuw organiseerden, belangrijke
sporen bij het volk of zijn karakter hebben achtergelaten.

Na de eerste invallen der Turken in Griekenland in de 14de eeuw, en
na de verovering van Constantinopel door de Osmanen in het jaar 1453,
moesten de Grieken, zooals gezegd is, andermaal voor een vreemden
volksstam bukken en wel voor een volkstam van Aziatische afkomst. Met
betrekking tot eene politieke onafhankelijkheid, was dit eene zoo
volkomene nederlaag, als de Grieken haar slechts eens, namentlijk van
de Romeinen, geleden hadden. De Turken brachten in Azië zoowel als in
Europa, schier zonder eenige uitzondering, alle plaatsen en streken
die den Grieken toebehoorden, onder hunne macht. Het Turksche rijk
omvatte nagenoeg alles, wat het Oost-Romeinsche of Byzantijnsche
Keizerrijk ten tijde van zijn grootsten bloei bezeten had. En de
eerste daad, bij de inname van Constantinopel, scheen de Grieken als
een totaal vernietigende slag te zullen treffen. Kort na de overgave
der stad, liet de veroveraar Muhamed II, al de waardigheidsbekleders
en primaten van het door hem vernietigde Grieksche rijk, onbarmhartig
dooden, en deed overal de plaatsen der vermoorden door Osmanlis
innemen. Toen, en ook later, als de Grieken, bij hunne pogingen om
hunne onafhankelijkheid te herkrijgen, gedecimeerd werden, scheen het
nog meermalen als waren de beklagenswaardige Grieken in de holen van
den cycloop geraakt, en als zouden zij allen verdelgd en uitgemoord
worden even als de medgezellen van Odysseus. Maar even als deze
schrandere held, zoo zijn ook de buigzame Grieken weder levend uit die
holen te voorschijn gekomen. Nauwelijks had dan ook die Turksche Sultan
besloten, dat Constantinopel geen puinhoop blijven zou, dat de Grieken
ten minste als slaven en bedienden konden gebruikt worden, en dat een
nieuw gebouw van staat op de fundamenten van het oude zou opgetrokken
worden, of hij zag in, hoezeer hij de met de betrekkingen van het land
vertrouwde en in regeeringszaken bedrevene Grieken noodig had. Het
allereerst deed zich de behoefte gevoelen aan Grieksche tolken, om het
nieuwe volk te kunnen verstaan. De betrekking van rijks-opperste-tolk
werd dus weldra een zeer gewichtig ambt, dat natuurlijk in handen
der Grieken kwam. Door zulke invloedrijke Grieksche tolken,
secretarissen en tusschenpersonen werden langzamerhand de Turksche
Pacha's omgeven. Van het inwendig bestuur der christelijke kerk
verstonden de Mahomedaansche Turken nog minder, dan aanvankelijk van
de regeling der staats-aangelegenheden in hun nieuw gebied. Zoodra de
Sultans besloten waren, de Grieksche Kerk naast den Islam te dulden,
ja zelfs haar tegen den Paus en tegen het Katholieke Westelijk
Europa te ondersteunen, moesten zij ook menschen verheffen, die in
staat waren deze machtige en ver verspreide lichamen in beweging
te brengen. Zij stelden de Grieksche patriarchen en de hoogere
Grieksche geestelijkheid, in wier aangelegenheden zich te mengen
zij vernederend zouden gevonden hebben, op zulk een onafhankelijk
standpunt, als deze vermoedelijk door geene veroverende Katholieke
macht geplaatst zouden geworden zijn. De Grieken bezetten daarom,
zelfs onder de heerschappij der Turken, naar eigen goeddunken uit hun
midden niet alleen de hoogste kerkelijke betrekkingen in de eigentlijk
Grieksche steden en landstreken, maar ook bij de onderworpen volken
van niet-Griekschen oorsprong. De aartsbisschoppen en bischoppen der
Wallachijers, Serviërs en Bulgaren behoorden bijna altijd en behooren
nog heden ten dage tot Grieksche familiën, terwijl alleen de lagere
geestelijkheid uit de Slavische landskinderen zelven bestaat.

Evenmin konden de Grieken, die van overoude tijden her, bijzonder
geschikt waren de zee te bevaren, op de Turksche vloot ontbeerd
worden. Zij maakten daarvan een zeer belangrijk element uit. De
groot-dragoman der Keizerlijke vloot was bijna altijd een Griek. De
handels-marine bleef natuurlijk van zelf in hunne handen. Uit dit
alles mag men besluiten, dat de Grieken steeds, ofschoon in Turksche
afhankelijkheid, een zeer invloedrijk volk uitmaakten.

In zekeren zin zelfs kan men beweren, dat, met de steeds toenemende
vergrooting van het Osmanische rijk, ook het gebied van den invloed
der Grieken en van hunne taal toegenomen is, op gelijke wijze als zij
zich eens, toen zij de triumftochten van den Macedonischen Alexander
begeleidden, uitgebreid hebben. De Turken vonden onder de Grieken
in Byzantium menig voor politiek en intrigue zeer geschikt talent,
dat zij ook in hunne Aziatische aangelegenheden zeer goed benutten
konden en toen zij de groote Donau-Vorstendommen Moldavië en Wallachye
geheel van zich afhankelijk gemaakt hadden, werden langer dan eene
eeuw de vorsten-kroonen dezer landen aan Grieksche familiën uit
de zoogenaamde Phanar, d.i. uit dat gedeelte van Constantinopel
waar al de aanzienlijke Grieksche familiën bij elkander woonden,
toegedeeld. De Grieksche taal werd dientengevolge de gewone taal van
het hof en den adel in geheel het oude Dacië, en als zoodanig drong
zij noordelijk door tot in de Bukowina, tot in het tegenwoordig
tot Oostenrijk behoorende Gallicië, waar zij ook nog heden ten
dage geschreven en gesproken wordt. Zoo ver was zelfs ten tijde van
Alexander de Grieksche taal als volkstaal (of ten minste als taal van
een volksstam) het Skythen-land niet binnengedrongen. Toen eindelijk
de Porte langzamerhand meer met Europa vereenzelvigd, en in zekere
mate als een lid der Europeesche staten-familie beschouwd werd, toen
toonden zich ook zeer dikwijls weder de Grieken als de geschiktste
diplomatieke agenten aan de hoven van Parijs, Londen en Weenen.

Op verscheidene onderdeden der Grieksche natie rustte het Turksche
juk in gewone tijden volstrekt niet zwaar. Verscheidene der Grieksche
eilanden, zooals die, welke aan de vrouwen van den Keizerlijken
harem slechts eene geringe schatting als speldengeld betaalden,
regelden hun bestuur naar oude Grieksche gewoonten. De Grieksche
Klephten met hunne Palikaren leefden hier en daar in de gebergten
van Thessalië en Boeotië, zoo vrij als Koningen. Andere Grieksche
gemeenten, zooals b.v. de nakomelingen der oude Spartanen, de
Mainoten, zijn nooit geheel aan de Turken onderworpen geweest. Daar
de Osmanen, zooals men gewoon is te zeggen, in Stamboel, waar zij
hunne legerplaatsen hadden opgeslagen, slechts "kampeerden", daar zij
in de binnenste gedeelten der landen zonder onderling verband, als
soldaten, ambtenaren, bezettingstroepen in de vestingen, en in allen
gevalle als spahis of landheeren verschenen, daar zij zich slechts
als trotsche veroveraars gedroegen, en zich zelden vernederden om op
stedelijke bedrijven of akkerbouw zich toe te leggen; daar zij in éen
woord in den regel niet met den vriendelijken, de volkeren het best
tot onderwerping brengenden landbouw, in alle afgelegene deelen der
landen binnendrongen, en altijd slechts als krammen of nagels in het
geheele gebouw der volken van hun rijk verschenen, terwijl het gebouw
zelf uit het oorspronkelijke materiaal bleef bestaan, zoo kan men
uit dit alles gemakkelijk afleiden, dat door hen de oorspronkelijke
gewoonten der Grieken in hare hoofdtrekken weinig veranderd werden.

En inderdaad, als wij deze hoofdtrekken, zooals zij heden ten dage
bestaan, vergelijken met die, zooals zij nagenoeg 400 jaren voor
Christus, ten tijde van Pericles zich vertoonden, dan ziet men, dat
beide nu nog met elkander overeenstemmen, en dat al de Turken- en
Slaven-oorlogen, al de landverhuizingen, omwentelingen, verplaatsingen
en uitroeiingen van bevolkingen, daarin slechts eene nauw merkbare
verandering te weeg gebracht hebben.

Thans nog--men kan ook zeggen nu weder--wordt de Aegeïsche zee door
een zoom van Grieksche dorpen en steden omgeven. Grieken of Grieksch
gewordene, dus Grieksch sprekende menschen bewonen den geheelen
Peleponnesus, schier het geheele Livadië of de provinciën Attika,
Boeotie, Euboea, en verderop Thessalië. Als eene smalle streek omgeeft
het Grieksche bevolkings-gebied den geheelen kustrand van Macedonië en
Thracië. Bij Constantinopel bewonen zij een vrij aanzienlijk gedeelte
van den Tracischen landen-driehoek tot Adrianopel toe, en ook wonen
zij aan weerszijden van den Propontis, van den Hellespont en van
den Thracischen Bosphorus. Van hieruit begeven zij zich, overal met
Turksche kolonien vermengd, eenerzijds oostwaarts over Sinope tot
Trebizunde, en anderzijds over Troye, Smyrna, Ephese naar Rhodus,
van waar zij ook weder oostwaarts den zuidelijken rand van Klein-Azië
innemen. Verder bewonen zij, en hier maken zij het grootste gedeelte
der bevolking uit, alle eilanden van den Griekschen Archipelagus,
alsmede Creta en Cyprus, waar hun aantal honderdduizenden bedraagt,
en eindelijk vormen zij ook het hoofddeel der bewoners in het westen
op de Jonische eilanden.

Alleen in de westelijke helft der Middellandsche Zee, in Sicilië,
dat eens nagenoeg even Grieksch was als Cyprus en Creta; in
Zuid-Italië, waar eens eene bloeiende Grieksche kolonie, het
zoogenaamde Groot-Griekenland bestond, en verder op, in Corsica en
Zuid-Frankrijk, Spanje enz., zijn alle Grieksche volks-elementen
verloren gegaan. Maar men meent toch in de dialecten en zeden van
eenige plaatsen in het koningrijk Napels, zoo mede in eene armoedige,
vervallene wijk van Marseille, nog zelfs heden ten dage eenige sporen
te vinden die een Dorischen en Jonischen oorsprong verraden.

Daarentegen hebben in de latere tijden de Grieken, weder even als
hunne voorvaderen met handels- en reisgeest bezield, in vele andere
steden van Europa, wanneer ook al niet zulke machtige, onafhankelijke
republieken als hunne voorouders, toch handelsnederzettingen,
kantoren en faktorijen gesticht. Deze in het overig Europa verstrooide
nederzettingen der Grieken dagteekenen ten deele reeds van de tijden
der kruistochten, die een levendig verkeer der Grieken met het
avondland veroorzaakten. In Venetië leefden al de tijden van haar
bestaan, Grieksche zee- en kooplieden. Sedert de 17de eeuw vestigden
zij nederzettingen in Moskou en weldra ook in Weenen, waar nog heden
eenige der aanzienlijkste bankiers tot deze natie behooren, en tot
waarheen zich door geheel Hongarije en Zevenburgen een uitgebreid net
van Grieksche kantoren uitstrekt. In de Zuid-Russische havensteden
Odessa en Taganrog, spelen Grieksche huizen, nog of liever weder,
zulk eene hoofdrol, dat men meenen zou, dat in deze steden het
oude Grieksche "Olbia", dat voor Christus geboorte hier eens in het
Skythenland bloeide, met veranderden naam weder opgestaan is. Ook
zijn er, sedert de tijden van Katharina, in de Krim weder Grieksche
dorpen, alsmede eene uitsluitend door Grieken bewoonde stad, het in
den laatsten Russischen oorlog zoo dikwijls genoemde Balaclava, en
eindelijk bevindt zich langs de zee van Asow eene kleine landstreek,
die met landbouwende koloniën van Grieken bezet is.

Dat sedert de verheffing van het Grieksche volk en sedert de
herleving van zijn handel en zijne ontwikkeling, de Grieken ook
meermalen in andere streken van Europa, in Londen, Parijs, Leipzig
en op andere groote markten en punten van onderling verkeer, als
tusschenpersonen voor den handel met het Oosten, en in de Fransche en
Duitsche akademie-steden als scholieren en kweekelingen der wetenschap
verschenen, mag ik als van algemeene bekendheid rekenen.

Even als in de grenzen van hun oorspronkelijk woongebied aan
de Aegeïsche zee, wier havens in den loop van 2000 jaren noch
vernauwd noch opgestopt raakten en die nog heden de schoonste van
het morgenland zijn; even als in hun scheepvaart- en handelsgeest,
die hen steeds de wijde wereld indreef, zijn de hedendaagsche Grieken
ook in hunnen lichamelijken en verstandelijken aanleg, in hunne taal
en in de eigendommelijkheden van hun karakter, in vele opzichten de
ouden gebleven.

Nog heden vinden wij, en dat niet alleen bij de daarom zoo dikwijls
geprezene eiland-Grieken, de schoonste gestalten en lichaamsvormen, en
zien wij onder hen niet zelden den echt Helleenschen, zoozeer geprezen
grondtrek, juist zoo verschijnen als de werken van Praxiteles hen ons
toonen. Die "diepe ligging der oogen in gewelfde oogkassen", de "edele
vorm en de hooge bogen der oogleden, de korte opgetrokkene bovenlip,
de volronde kin, de loodrechte stand van voorhoofd en neus, de breede,
stevige nek, en vooral de door Aphrodite zelve gescheiden en gekrulde
haardos"--dit alles is nog in onze dagen bij hen geene ongewone
verschijning. Niet minder antiek is de kleeding der Nieuw-Grieken,
waarmede zij hun slank lichaam tooien. Oude schilderstukken en
beeldhouwwerken bewijzen ons voldoende, dat wat wij nu Oostersche
of Nieuw-Grieksche kleeding noemen, in menig punt niets anders is,
dan de ook bij de oude Hellenen gebruikelijke kleedij.

De ruige wollen mantel der hedendaagsche Grieken en de Fez der Turken,
zijn afkomstig van de antieke schippersmutsen, die, op dezelfde
wijze gevormd en met dezelfde roode kleuren geschilderd, op oude vazen
voorkomen. De aloude zoogenoemde Phrygische muts wordt nu in onze dagen
door de Arkadische herdersknapen gedragen. De uit, schelpsgewijze op
elkander genaaide, zilveren munten vervaardigde borstlappen, die de
bruidschat der Livadische jonkvrouwen zijn, herinneren ons levendig aan
het borstpantser van Minerva, dat ons uit onze Musea bekend is. De vorm
der oorringen, colliers en armbanden der Nieuw-Grieksche vrouwen, hare
gewoonte om het donkere haar der bruid met goudpoeder te bestrooien,
dit alles en nog veel meer in den vrouwelijken tooi, doet ons in hooge
mate aan het antieke denken. Ook verwen zij nog heden de punten harer
fraaie vingers met eene roodachtige stof, zonder dat zij er bij denken,
dat reeds Homerus de "rooskleurige vingers" van Aurora bezongen heeft.

De oude Phrygische kleederdracht, die bij de Grieksche kolonisten in
Klein-Azie vrij algemeen in zwang was, gelijkt somwijlen, zelfs in
de kleinste details, op die, welke wij nu Turksch of Nieuw-Grieksch
noemen, zoo b.v. komen reeds op oude schilderijen, die de geschiedenis
van Achilles voorstellen, de nu nog gebruikelijke gele en roode kleuren
der Turksche pantoffels voor. Zelfs de bekende, uit doeken en shawls
gevormde hoofddekking, de zoogenaamde tulband, was bij de Grieken reeds
lang voor de aankomst der Turken bekend. De hevige en plotselinge
uitwerking der zon in die landen, heeft van oudsher het ook bij de
mannen noodig gemaakt, zich stoffen hoofddekkingen te vervaardigen.

Niet minder dan bij de kleederdrachten, laten zich ook bij andere
gebruiken en zeden der Nieuw-Grieken, zulke duidelijke overblijfselen
uit de oudheid aanwijzen, dat men dikwijls in de verzoeking komt
te gelooven, dat er in velerlei opzicht bij hen sedert 2000 jaren
weinig veranderd is. Zelfs kerkelijke en godsdienstige handelingen,
zooals b.v. gebruiken bij bruiloften en begrafenissen, die men
bij de verandering van godsdienst vooral gewijzigd en veranderd
zou verwachten aan te treffen, hebben verscheidene overblijfselen
uit het heidendom behouden. Even als in oude tijden, zoo wordt ook
nu nog het bruidspaar, als symbool van huwelijksgeluk, een granaat
gegeven, en even als toen, worden zij nog heden, wanneer zij hun huis
binnentreden, met rijst bestrooid, ten teeken dat hunne jaren van geluk
even talrijk mogen worden als het getal korrels. Even als vroeger
worden, bij de jaarlijksche herdenkingsfeesten der afgestorvenen,
gerst, gedroogde druiven, gebak en wijn als doodenoffer gebracht
en op de graven geplaatst. Aan de hoofdeinden worden kleine kaarsen
geplaatst, zoodat de geheele begraafplaats in den nacht door de vele
flikkerende lichtjes geïllumineerd schijnt te zijn. De oude Charon
is nog, nu even als toen, de verpersoonlijking van den dood. Ook nu
nog zijn uitdrukkingen als "Hades" en "Tartarus" gebruikelijk, en
worden zij dikwijls in de klaagliederen der eenvoudige, poëtische en
bijgeloovige herders, die in den zomer de hooge dalen van den Parnassus
doortrekken, aangetroffen. De beschouwingen der Nieuw-Grieken over het
leven na den dood, wel verre van voor de christelijke leer van het
paradijs en de hel geheel geweken te zijn, toonen zich in de poëzie
dezer natuurkinderen zeer antiek, en dit alles laat zich alleen
verklaren uit een rechtstreekschen, door gedurende eeuwen bewaarde
overleveringen, zamenhang met den heidenschen ouderdom.

De oude hellenische dansen worden bijna allen nog heden uitgevoerd,
zoowel de militaire wapendans, als de koordans der herders en de
dans van Ariadne of de zoogenaamde "Geranos." Deze laatste nu, de
"Romaika" geheeten, is een der merkwaardigste overblijfselen van
oud-Hellenischen oorsprong. "De figuren van dezen dans, die door
zang begeleid wordt, herinneren nog heden, even als voor Christus
geboorte, aan de dwaalgangen van het labyrinth, waarin Theseus, door
den draad van Ariadne geleid, het monster tegemoet ging. De angst
van de beminde van Theseus teekent zich duidelijk af in de pantomime
der jonge voordanseres, die, een witten doek zwaaiende, de lange
rij harer gezellinnen, aanvoert, en de bloemenketen der meisjes,
wier hoofd en sieraad zij is, nu eens uit elkander dan weder bij
elkander wenkt." Homerus beschrijft dezen dans in heerlijke verzen,
als een der voorstellingen, die op het schild van Achilles figuurlijk
waren aangebracht.

Hetzelfde wat wij van de dansen der meisjes gezegd hebben, valt ook
bij de spelen der knapen op te merken. Zoo b.v. het Astragalus-spel,
waarbij in ouden tijd ongemakkelijk slagen vielen, en bij welk
spel Patrokles, toen hij het met den zoon van Amphidamas speelde,
het ongeluk had dezen te dooden, waarom hij de vlucht nemen en
bescherming zoeken moest in het huis van koning Peleus, waar hij
vervolgens zijne zoo beroemde vriendschap sloot met Achilles, den zoon
des konings. Volgens getuigenis van den Duitschen hoogleeraar Ulrich,
spelen de Nieuw-Grieksche kinderen aan den Helicon nog heden ten dage
dit in dichterlijke verzen verheerlijkte spel, naar dezelfde regelen
en met dezelfde klassieke stooten en historisch gewordene slagen.

De Grieksche oude vrouwen bereiden nog even als vroeger toovermiddelen,
waardoor eertijds de Thessalische vrouwen zich zoo beroemd of liever
berucht maakten. Knoflook, die reeds in de Odyssea van Homerus, Hermes
als tegenmiddel tegen de toovenarijen van Circe aanwendt, wordt den
Griekschen kinderen van onze dagen als amulet om den hals gehangen,
om de kracht van het booze oog op hen onschadelijk te maken.

De landbouw-gereedschappen en huishoudelijke benoodigdheden hebben zoo
geheel den antieken vorm, dat de hedendaagsche Grieksche boerenwoningen
onze musea van de meest echte modellen zouden kunnen voorzien. Zelfs
de herdershonden dezer Nieuw-Grieksche boeren gelijken op de beroemde
Mollossische kudde-bewakers, die wij in de gallerijen van Florence en
van het Vaticaan, door meesters der oudheid afgebeeld en uitgeschilderd
zien. De watervaten der tegenwoordige Thessalische vrouwen hebben
eene opvallende overeenkomst met de antieke vazen, en dragen ten
deele ook nog dezelfde namen als deze.

Even als dit alles, is onder anderen ook de ronde handspiegel
met handvat, die wij in de handen van zoo menig marmeren Venus
zien, onveranderd gebleven. Evenzoo de handmolens, waarvan zich de
Grieksche vrouwen op de eilanden, terwijl zij hunnen arbeid met gezang
begeleiden, tot het malen van het graan bedienen, en nog ontelbare
andere zaken uit het dagelijksch leven.

Nog interessanter dan dit alles echter is het, dat de echo der oude
taal, dien welluidenden en tevens manlijken tongval, van de schoonste,
edelste en rijkste taal, die ooit door menschelijke lippen gesproken
werd, ons uit dit land duidelijk en zuiver in de ooren klinkt. Waar
is het echter, dat de tegenwoordige Nieuw-Grieksche of Romanische
taal, even als een fraai standbeeld, dat eeuwen lang in den grond
begraven lag en door de oude elementen vervreten werd, verscheidene
veranderingen ondergaan heeft; zij heeft het een en ander uit het
Slavisch, het Turksch en het Italiaansch overgenomen. Wat hare
syntaxis betreft, is zij vervormd en veranderd. Ook is het accent,
waarmede de taal tegenwoordig wordt uitgesproken, eenigzins vreemd,
misschien Slavisch. Opmerkenswaardig is het, dat zij alle sporen van
het verschil der oude dialecten verloren heeft. Volgens het oordeel
van eenige geleerden zou zij zich alleen uit het Aeolisch dialect
ontwikkeld hebben. In haar wezen is zij echter dezelfde gebleven,
en kan zij met veel meer recht de oude Grieksche taal genoemd worden,
dan men b.v. het tegenwoordige Italiaansch met het oude Romeinsch mag
gelijk stellen. Ook is het tegenwoordige Duitsch verder verwijderd
van het oude Gothisch, dan het hedendaagsche Russisch van het oude
Slavisch, dan het dialect der Atheners van onzen tijd van de taal
der tijdgenooten van Homerus.

Het Grieksch wordt nog heden met dezelfde letters geschreven als
vroeger. Ja, de Grieksche dorpelingen beschrijven het papier nog op
dezelfde wijze--op de knie, op lange reepen, die zij vervolgens even
als de ouden oprollen.

Nog heden worden in deze schoone taal volksliederen gedicht en
gezongen, waarvan Goethe getuigd heeft, "dat geene andere natie iets
dergelijks kan aanwijzen." De vrijheids-hymnen, die in het begin
dezer eeuw een Rigas zong, hebben een blijvenden roem verworven.

In het dialect van vele Nieuw-Grieksche dal-bewoners zijn niet alleen
Oud-Grieksche woorden bewaard gebleven, die bij de spreektaal der
Byzantijnsche Grieken niet meer bekend zijn, maar men treft er zelfs
verscheidene wortelwoorden aan, die ouder zijn dan de ons bekende
Oud-Grieksche schrijftaal.

De Grieksche taal is in al deze opzichten in Europa eenig in hare
soort. Zij is, in haren rijken vorm, ouder en minder veranderd dan
eenige andere. Want in denzelfden tijd, waarin het Grieksch zich
in zoo hooge mate duurzaam gelijk bleef, hebben vele der andere
Europeesche talen niet alleen verscheidene malen hun alphabet
veranderd, maar hebben zij zich ook op eene zonderlinge wijze
gewijzigd, en verscheidene er van hebben zich te midden van al deze
veranderingen en wijzigingen eerst gevormd. Deze omstandigheid alleen
bewijst voldoende, dat de Grieken, door hunne beschaving en hunne taal,
steeds weder de hun land binnendringende barbaren ten onder brachten,
en dat er ook ten allen tijde nog Grieken genoeg overgebleven moeten
zijn, om deze tenonderbrenging mogelijk te maken.

Zelfs de sagen, mythen en verhalen, die het volk elkander in zijne
taal verhaalt, de geheele dichterlijke stoffeering, waarmede zij die
omkleedt, zijn nog heden ten dage veelal de oude. In den Peleponnesus
b.v. verhalen de boeren elkander tegenwoordig nog de geschiedenissen
van de daden en verrichtingen van Herkules, welke geschiedenissen zij
vastknoopen aan de nabijgelegene holen en moerassen, en nog heden ten
dage zou een Grieksch dichter uit hunnen mond even goed het thema voor
eene "Herakleïde" kunnen verzamelen, als de oude mythedichters zulks
uit den mond hunner voorouders deden. Den naam Herkules verwisselen
zij echter daarbij met dien van een held der Christenheid, namentlijk
met dien van den heiligen Johannes.

Het allerminst erkent men den verheven, vaderlandslievenden,
spoedig in geestdrift ontstokenen, tot de schoonste deugden in staat
zijnden nationalen geest der oude Hellenen, in het karakter der
tegenwoordige, als sluw en in handel en wandel slecht te boek staande
Nieuw-Grieken. Maar ook hierin hebben zij veel meer overeenkomst met
de ouden, dan de algemeene meening wel toegeven wil. Geslepenheid,
listigheid, sluwheid en veinzerij, die den Nieuw-Grieken schier
door iedereen ten laste gelegd worden, en die men gewoonlijk aan
de onderdrukking der Turken en aan het juk der Slaven toeschrijft,
waren volgens de getuigenis van Homerus ook reeds den ouden Hellenen
in hooge mate eigen, en de vindingrijke Odysseus was met al die
hebbelijkheden en daarenboven met lust tot stelen, lust tot rooven
en sluwe overredingskunst begaafd. Deze ondeugden der Nieuw-Grieken
zijn dus ook uit de oude tijden naar onze dagen overgebracht.

Aan den anderen kant munten, trots de onderdrukking en het slavenjuk
der Turken, de Nieuw-Grieken nog heden ten dage even als de Ouden uit
door levendigheid van gevoel en phantasie, gemoedelijkheid, scherpte
van geest en vroolijkheid! Liefde voor hun te huis op berg en eiland,
en tevens groote lust zich, als de baren der zee, te verplaatsen,
bezielt hen even als hunne voorouders, en aan roemrijke voorbeelden
van practischen zin en heldhaftige zelfopofferende verdediging van het
vaderland, heeft het in den nieuweren tijd even weinig ontbroken als
in den ouden, evenmin als ook aan aanleidende oorzaken voor ijverzucht,
partijwoede en eene hartstochtelijke wraakoefening.

Naast de grootste intriganten, vindt men soms nog in het tegenwoordige
Griekenland, de eerlijkste en rechtschapenste mannen; naast de
slechtste karakters en de grootste ondeugden, menschen met zuiveren,
vasten wil, ja zelfs met den meest grootschen heldenmoed. Ik behoef
slechts Andreas Miaulis, wiens gebeente naast het gedenkteeken voor
Themistocles rust, een Lazarus Konduriotti te noemen, namen die
velen van ons zich nog uit hunne jeugd herinneren, als voorbeelden
van dappere, trouwe en eerlijke mannen, van mannen bezield met een
vasten wil. Een Johannis Kolettis is zelf door zijne vijanden voor
het edelste karakter van Griekenland verklaard, even als zulks in
oude dagen ook met Pericles het geval was. Ja! in de asch van schier
iederen Nieuw-Griekschen stam, als een of ander groot ongeluk dien
trof, is nu en dan eene vonk van heldenmoed opgegloeid, die duidelijk
genoeg bewees, dat de oude geest nog niet verdwenen was.

De lust tot geleerdheid en wetenschappen is bij de Grieken nimmer
uitgedoofd geworden, en zelfs toen de onderdrukking der Turken in
Constantinopel het zwaarste was, waren er nog altijd eenige Grieksche
afstammelingen, bij wie beschaving en wetenschappelijke ontwikkeling
traditioneel waren, en uit wier midden nu en dan groote geleerden
opstonden, heldere koppen, die veel licht om zich heen verspreidden
en zelfs in het Westen de aandacht tot zich trokken. Zelfs in de
vorige eeuw, toen de Turksche opperheerschappij alles in een diep
duister hulde, hebben oude reizigers bij de behoeftige naburen der
Akropolis, een naklank en een nasmaak van het beroemde oude Attisch
zout en vernuft ontdekt.

In den nieuwsten tijd heeft zich het geheele volk, in zoo verre het
vrij werd, weder op de studie toegelegd; de lust tot leeren en tot
onderwijzen is herleefd, even als vroeger, zijn hooge- en volksscholen
in haren boezem verrezen.

Ook met betrekking tot de schoone kunsten, is de volksaanleg nooit
geheel verloren gegaan. Reeds zeer spoedig nadat zij vrij geworden
waren, hebben de Nieuw-Grieken zich op dit gebied eenigen nieuwen roem
verworven.--De Grieksche vrouwen stonden steeds bekend als de beste
borduursters van geheel Turkije, terwijl hare mannen beroemd waren
als aanleggers van tuinen; deze wisten door zorgvuldige aanplanting
van vruchtboomen, aan menige Oostersche stad fraaie wandelwegen
te bezorgen. De aristokratische kunst van Praxiteles, die eens de
roem en de trots der oude Grieken was, is den nakomelingen nimmer
geheel vreemd geworden. Een tak der beeldhouwkunst die in Griekenland
steeds in eere gehouden werd, is de kunst in hout te snijden. De muze
der Grieksche schilderkunst, heeft in de schaduw der Kerk wel een
kommervol leven geleid, maar toch was zij in de midden-eeuwen begaafder
dan hare zusters in alle andere overige landen der christenheid, en
toen in het begin van de dertiende eeuw de Franschen, de Venetianen
en de andere, het kruis dragende barbaren, eens voor korten tijd
het Grieksche Byzantium veroverden, toen begonnen zij kort daarna
de Grieken na te apen en met kleuren te dichten. De zoogenoemde
Italiaansche schilderscholen der 14de en 15de eeuw, vereeren die
Grieksch-Byzantijnsche muze als hare moeder. En nu weder in den
nieuweren tijd, na den vrijheidsoorlog, worden verscheidene Grieksche
jongeren dezer muze, ook in het buitenland met eere genoemd. Zelfs
heeft eene Griekin, de dochter van een Primaat van het eiland Spezzia,
Bukuris, in Italië bewonderaars voor hare schilderstukken gevonden;
en in de muziek heeft onder anderen de Griek Chalkiopulos composities
geleverd, die op alle Grieksche eilanden gezongen worden. Intusschen
moet men deze kunstproducten en talenten der Nieuw-Grieken, in
vergelijk met die welke hunne voorvaderen ons achterlieten, nog zeer
gering schatten en niet meer dan als eene kiem beschouwen op den grond,
waarop eens zoo rijk de muzen bloeiden.

Derhalve is het ook zeer begrijpelijk, dat de hedendaagsche
Nieuw-Grieken in hunne overleveringen spreken over de roemrijke
verrichtingen hunner voorvaderen, als over daden van een
Titan-geslacht, en dat zij in hunne sagen al datgene wat hun van dat
geslacht ter oore kwam, vermengden met de mythen van de wereld in rep
en roer brengende Cyclopen en reuzen. De Nieuw-Grieken toonen op een
hunner voorgebergten den grafsteen van zulk een Oud-Griekschen Titan,
dien zij "Hellenos" noemen. De geest van dezen Hellenos--ik bedoel
de krachtige geest van het oude Hellas,--waarheen onze beschouwing
ons nog eens terugvoert--die van eene even onvergankelijke en eeuwig
jeugdig blijvende natuur schijnt te zijn als Griekenlands Goden zelven,
is tot den huidigen dag op Aarde nog nimmer geheel onderdrukt geworden.

Veeleer is hij, heldendaden grooter en schooner dan die van een
Alexander verrichtende, het buitenland doorgetogen, en heeft hij
overal, zelfs terwijl zijn eigen volk sluimerde, de natiën, die hem
verblijf gaven, en waar zich haar zin met den zijnen vereenigde,
verkwikt, verheugd, gelukkig gemaakt en versterkt. Immers de
geheele bloei der ontwikkeling en beschaving van de Arabieren in de
middeleeuwen, ontstond voornamentlijk uit eene vereeniging met dien
ouden Helleenschen geest. De oude Grieken waren de onderwijzers der
Arabieren, die hunne werken in de door hen veroverde provinciën zonden,
ze lazen, in hunne taal overzetten en in hunne scholen invoerden. En
ook het licht, dat toen van het Moorsche Spanje op het overige
barbaarsche Europa viel, was niets dan eene terugkaatsing van den
glans aan de Helleensche zon ontleend.

Even als bij de Arabische ontwikkeling, zoo was ook bij de Europeesche
zoogenaamde wedergeboorte der wetenschappen, in de 15de eeuw,
die naar het buitenland verdrevene Titan Hellenos degene, die bij
deze wedergeboorte behulpzaam was, ja zelfs was hij de opvoeder en
vader. Want toen de Turken in het jaar 1453 Constantinopel veroverden,
en de voortvluchtige Griek Laskaris van daar de werken van Hesiodus,
Euripides, Sophocles, Aeschylus, Aristophanus, Plato, die het
ongeletterde Europa schier niet anders dan uit Arabische vertalingen
kende, in de zuivere oorsponkelijke taal overbracht naar Italië, waar
zij kort daarna gedrukt werden; toen ontbrandde eindelijk in Europa
weder een nieuw, helder brandend en verwarmend licht. De menschheid,
die nu uit de oorspronkelijke bron van de Grieksche wetenschap putte,
wierp de middeleeuwen ter zijde, en begon andermaal met behulp van
Socrates, Plato en zijne landgenooten, dezen ontwikkelder, dezen
zachter, dezen veel christelijker nieuweren tijd.

Sedert dien tijd heeft ons die geest der Hellenen niet weder
verlaten. Sedert dien tijd zijn de Grieken, die het goddelijke in den
mensch, inniger dan eenig ander volk, gevoelden en openbaarden, in zoo
velerlei zaken weder modellen geworden, en het oud-klassieke Grieksche
zijn is met ons geheele leven zoo zeer samengevlochten, dat het schijnt
alsof wij het volstrekt niet ontberen konden, en het slechts in ons
nadeel ontberen zouden. Het schijnt dat wij gevaar zouden loopen achter
uit te gaan, als wij niet altijd met de Grieksche oudheid in verbinding
bleven. Staat niet de oude Grieksche geest onzen historici, wien
Thucydides steeds een onbereikbaar voorbeeld was,--onzen philosophen,
die van Plato en Pythagoras de impulsie tot hunne nieuwe ideeën en
onderzoekingen ontvingen,--onzen sterrekundigen, voor wie een Griek
Aristarchus reeds 300 jaren v. Chr. het Copernikaansche zonne-stelsel,
met de zon in het midden, als hypothese vastgesteld heeft,--en
onzen natuuronderzoekers, die hetgeen zij weten lang en bijna
uitsluitend uit Aristoteles en Ptolomeus putten, en nu nog dikwijls,
van hen veel nieuws en veel dat nog niet opgemerkt werd leeren, ter
zijde? Staat hij niet met zijne inspiratiën, achter onze politici,
onze staatsbestuurders, onze volks-vertegenwoordigers?--verzekeren
ons niet dagelijks, om een afdoend bewijs te leveren, de beste en
welsprekendste redenaars, die van het Engelsche parlement, dat zij
in het bad der Grieksche Hippokrene zich versterkten en bekwaamden
tot den strijd voor vrijheid en recht?

Maar het grootste wonder heeft de reizende en rusteloos werkzame
Hellenos, deze _eeuwige_ Griek, deze met hemelsch licht stralende
broeder van den somberen Ahasverus, den eeuwigen jood, deze altijd door
rijke zaden uitstrooiende en zegen verspreidende geest, gewrocht voor
de herleving der kunsten. Ja, in dezen zin, op dit hun uitsluitend
eigen veld, zijn de oude Hellenen nog grootscher geweest, maar
zijn zij helaas! nog in mindere mate tot ons gekomen dan op eenig
ander. Zij hebben in woord en in kleur, met penseel en met beitel,
zooveel prachtige kunststukken gewrocht, dat als wij ze nog bezaten,
wij er al onze steden mede zoude kunnen versieren en ze rijkelijk
van voorbeelden voorzien. Wat hun penseel schiep, wat hunne lier
melodieus te voorschijn bracht, is schier alles vergaan en verbleekt,
en zelfs van hunne steenen en metalen werken zijn slechts enkele
brokstukken, kapiteelen en torso's overgebleven. En toch spreekt uit
deze overblijfselen hunner scheppingen eene zoo volmaakte schoonheid,
een zoo krachtige geest, dat schier iedere ontdekking en uitgraving
van een enkel brok, van eene enkele torso, van een Venus van Milos,
van een Apollo van Belvedere, of van een Laokoon telkenmale groote
sensatie bij de ontwikkelde wereld teweeg brengt, ja! men zou kunnen
zeggen, een tijdpunt in onze kunstenaars-ontwikkeling aangewezen of
gemaakt heeft.

De gezamenlijke en zoo verblijdende nieuwste bloei van Europeesche
kunst is in den grond, even als de Macedonische, de Romeinsche en
Arabische geestesontwikkeling, de Italiaansche schilderscholen der
13de eeuw, en de wedergeboorte der wetenschappen in de 15de eeuw het
geweest is, wederom een voortbrengsel van den, uit zijn graf herrezen,
Griekschen geest.

Inderdaad, hetgeen door deze Grieken voortgebracht is, moet ons
met verbazing vervullen; vooral, wanneer men alles nagaat, wat zij
tot de beschaving van het menschelijk geslacht hebben bijgedragen,
en onze bewondering wordt des te grooter, wanneer wij opmerken,
dat zij daarbij van buiten af, wel eenige maar toch over het geheel
zoo weinig hulp kregen, en dat zij veeleer de helpers en redders
van ons allen werden, en zij nagenoeg alles oorspronkelijk uit zich
zelven hadden, het uit hun eigen brein schiepen en weldra, snel en
met energie den geheelen Olympus als met den stormpas veroverende,
alles tot de grootste volmaking gebracht hebben.

Volmondig mogen wij het getuigen, terwijl wij aan het slot dezer
beschouwing nog eenmaal zien naar dat kleine zeebekken, aan welks
oevers ik mijne lezers de wieg en de oude woonplaatsen der Grieken
toonde: daar aan den Archipel, daar begon ons Europa, daar liggen
de wortelen onzer beschaving; van deze, ik mag wel zeggen, heilige
zee (_Agio-Pelagos_) waar voor ons geestelijk leven, vrijheid,
en zedelijkheid opgingen; van daar zijn de zaden der humaniteit
overgewaaid tot naar het uiterste Noorden en Westen van ons werelddeel,
en vervolgens naar de nieuwe wereld en over onze geheele planeet heen.



DE OSMANEN.


In de twee groote schiereilanden van Griekenland en Klein-Azië,
die slechts door eene nauwe zeeëngte van elkander gescheiden zijn,
zien de beide werelddeelen Europa en Azië tegelijker tijd elkander
in het gezicht. Het is, alsof de vaste landen hier hunne gespierde
vuisten uitsteken, om òf elkander te omhelzen òf de zwaarden met
elkander te kruisen.

De lotgevallen dezer beide schiereilanden, zijn ten alle tijde nauw aan
elkander verbonden geweest. Het eene (het Westelijke) diende meestal
den Europeanen als sterkte en als haven tegen de Aziatische volken,
die hunnerzijds steeds het Oostelijke als brug tot hunne tochten en
marsenen naar Europa bezigden. De volkeren, die over deze brug heen
op elkander stieten, en tot groote rijken samensmolten, waren, in 't
algemeen en over het geheel genomen, schier altijd dezelfde. Aan de
eene zijde de oude Europeesche volken, de Grieken, de Illyriërs, de
Romanen, de Slawen, met zeer verschillend volks-leven; aan de andere
zijde de West-Aziaten, de Syriërs, de Perzen, de Arabieren enz. met
hun eentoonig levens-type, met de despotische staatsinrichtingen van
het Oosten.

Alleen de hegemonie der beide hier strijdende partijen is in den loop
der tijden verwisseld. Eerst stonden aan de spits der Europeanen
de Hellenen, daarna de Macedoniers en nog later de Romeinen. En de
Aziatische banier werd eerst door een Perzischen Koning, later door
de Kalifen en eindelijk door de Turksche Sultans gevoerd.

Meesttijds behaalden, gedurende de twee duizend jaren van strijd,
de Europeanen de overwinning en behielden zij het overwicht. Het
gelukte den Achaeërs Troje te verwoesten, in Klein-Azië bloeiende
koloniën te vestigen en later den aanval van den grooten Koning van
Iran af te slaan. Onder Alexander den Groote stortten zij den Grooten
Heer zelven van zijn troon aan den Euphraat, en heerschten zij voor
eeuwen over het geheele Westelijk Azië, eerst onder de opvolgers van
den Macedoniër, later met en onder de Romeinen en eindelijk weder
onder de Byzantijnsche Keizers.

Geen West-Aziatisch rijk met Oostersch despotisme van eenige
uitgestrektheid, heeft zich op den duur, noch in de oudheid noch in
de middeleeuwen, in Oostelijk-Europa kunnen vastnestelen. Eerst in
een lateren tijd, heeft het merkwaardig volk der Osmanen, den door
de Atheners zoo zeer gevreesden triumf der Aziatische Groote Heeren,
aan deze zijde van den Hellespont weten te behalen.

Naar taal, bloed en zeden behoorden deze Osmanen oorspronkelijk tot
dien grooten volksstam, die in Europa gewoonlijk de _Turksche_ genoemd
wordt, en die, even als de Mongolen, Tunguzen en Finnen, wederom
een tak is der nog grootere volkeren-groep, die onze etnographen
als de Tataarsche of Turanische, ook wel als de "hoog-Aziatische" en
"Altaïsche" aangeduid hebben.

De traditiën en de mythen, aangaande den oorsprong van al deze volken,
wijzen naar den Altaï, het hooge midden-gebergte van Azië, aan de
grenzen van China en Rusland, heen. De Turken, die zich zelven
als stamverwanten dezer Mongolen, Tungusen en andere nomadische
volksstammen van Midden-Azië, erkennen, hebben over hunne afzondering
van hunne broederen, de volgende mythe of sage, die misschien op
een historischen grond berust, maar voor het overige, zooals men
gemakkelijk opmerken zal, zeer poëtisch opgesmukt werd.

Eens, zoo vertellen de Turken, bij de verwoesting van een grooten
nomadenstam (namentlijk die, welke door de oude Chineesche schrijvers
het rijk der Noordelijke Hunnen genoemd wordt), ontkwamen aan het
algemeene bloedbad slechts twee jonge Hunsche of Tartaarsche Prinsen,
Kaian en Ragos, met hunne vrouwen. Zij verzamelden de overgeblevene
gereedschappen, kameelen, paarden en kudden hunner verslagene vrienden
en trokken Noord-Westwaarts, naar de hooggelegen schuilhoeken van
het Altaï-gebergte, om daar een toevluchtsoord te vinden. Terwijl
zij steeds dieper en dieper dit gebergte introkken, ontdekten zij
ten laatste een uiterst smal spoor, dat aan de voetstappen van het
bergwild zijn ontstaan te danken had, en zoo eng was, dat slechts één
ruiter tusschen de kloven en afgronden passeeren kon. Het gemsen-spoor
dat zij volgden, bracht hen eindelijk in eene aangename, breede,
met beken doorsneden en van rijke weiden voorziene, hoog-vlakte. In
deze welkome en moeielijk toegankelijke plaats vestigden zij zich
met hunne kudden, bouwden zij hutten en tenten en leefden daar vele
jaren, in den winter van vleesch, in den zomer van melk en wilde
vruchten. Zij gaven hunne woonplaats den naam "Erkene-Kom", dat is,
het dal van het hoog gebergte.

De nakomelingschap dezer beide Nomaden-Prinsen, van buiten ongestoord
en aan geheel de overige wereld gansch onbekend, nam aanzienlijk in
aantal toe en verdeelde zich in verscheidene stammen of horden. Nadat
zij zoo vier eeuwen in hunne schuilplaats geleefd hadden, en deze
hun met hunne groote kudden te klein geworden was, besloten zij in
eene algemeene volksvergadering, even als de Joden uit Egypte, de
wijde wereld weder in te trekken. Maar hunne ouden hadden de plaats
vergeten, waar zich het beroemde smalle bergpad bevond, waarlangs
hunne voorvaderen vluchtende zich hierheen begeven hadden. En alle
nasporingen naar dat pad, in de hemelhooge steile rotswanden, die
hun "Erkene-Kom," deze bakermat van alle Turksche stammen omgaven,
waren te vergeefs. "Men moest daarom tot andere middelen zijne
toevlucht nemen."--Een hoefsmid vond, nadat hij de steile rotswanden,
die als even vele muren het dal omgaven, opmerkzaam gadeslagen had,
eindelijk eene plaats, die niet zoo dik was als de overige, en waar
des te gemakkelijker een doorgang te maken zou zijn, daar zich hier
alleen ijzer-houdende rotsen bevonden. Op zijn raad werd hier een
groot vuur aangelegd. Zeventig groote blaasbalgen werden aangebracht
en met behulp er van smolt men het metaal weg, zoodat er eene bres
en een smallen doorgang gevormd werd, waardoor een beladen kameel
passeeren kon. Zoo trok nu het geheele volk onder aanvoering van
hunnen toenmaligen Chan of Hertog, "Bertezena" genaamd, de wereld in
en stortte zich als een lang bedwongen bergstroom over het omliggende
land uit. Zij zonden gezanten aan alle omwonende stammen en boden
hun bijstand en bescherming aan, wanneer zij hunne weiden afstaan
en zich aan hen onderwerpen wilden. Verscheidene dier stammen, die
zich verbonden hadden om tegenstand te bieden, sloegen zij terug,
en zoodoende werden zij spoedig een groot en machtig volk, uit wiens
schoot vele beroemde geslachten en machthebbers ontsproten zijn.

Later werd nog lang het aandenken aan den wonderbaren uittocht uit
het dal "Erkene-Kom", bij alle Turksche volken door een jaarlijksch
feest gevierd; zij maakten dan in een groot vuur met vele blaasbalgen
een groot stuk ijzer gloeiend, waarop de opperste Chan den eersten
hamerslag, en na hem alle andere hoofden der horden eveneens een
hamerslag moesten doen. Ofschoon nu dergelijke verhalen,--zooals er bij
de Aziatische volken vele bestaan over den aard en de wijze van hunnen
oorsprong--niet in al hunne bijzonderheden als geschiedenis mogen
beschouwd worden, zoo geven zij toch in het algemeen tamelijk zuiver
aan, hetgeen ontelbare malen gebeurd is, en zijn zij zelfs in hunne
poëtische opsieringen, als het karakter en de phantasie der volken die
deze mythen met zich omdragen, aanduidingen die verdienen opgemerkt te
worden. Ook bezitten zij als onderwerpen van het latere volksgeloof,
ten minste de waarde eener _subjectieve_ historische waarheid.

Van de op verschillende wijze over de landen ten Westen van het
Altaï-gebergte verspreide volken, waren verscheidene, reeds lang voor
onze Osmanen, langs andere wegen naar Europa gekomen.

De eerste invallen van Turksche volken in ons vasteland geschiedden
niet over Klein-Azië, maar noordwaarts van de Zwarte zee door
Rusland. De Osmanen, de Polowzer, de Petschenegen en na hen
verscheidene andere horden, die in de 13e eeuw met Tschingis-Chan
naar Europa kwamen, en daar meer of minder duurzame rijken stichtten,
behoorden tot dit ver verspreide ras der Turken. Maar de namen der
Noordelijke Turken zijn meerendeels lang verdwenen, en slechts geringe
overblijfselen er van wonen nu nog in de Krim, in het Uralische
gebergte en aan de Wolga. Van al de verschillende stammen zijn de
Osmanen de eenigen, wien het gelukt is een blijvenden indruk op
Europa te maken, en zelfs ten lange laatste in den Europeaanschen
volks-Areopagus zitting en stem te verkrijgen, even als ook van
de tallooze Finsche stammen de Magyaren, als de ontwikkeldste en
begaafdste, in macht en roem uitgeblonken hebben.

De voorgangers en broeders der Osmanen in Azië, de Seldschukische
Turken, die daar in de 11de eeuw, uit de overblijfselen van het
Kalifaat, een machtig rijk stichtten, zijn naar Europa zelf nauwelijks
overgekomen, ofschoon zij wel de heerschappij der Europeanen in Azië,
nog voor van Osmanen sprake was, zeer beperkten. Zij ontnamen den
Byzantijnschen Grieken vele hunner Aziatische provinciën, die hun
onder de Arabische Kalifen nog gebleven waren. Ook waren het de door
de Seldschukische Turken gestichte rijken, met welke de Westelijke
Europeanen, ten tijde der kruistochten in strijd geraakten. De groote,
langdurige strijd der Europeanen met de Turken in deze streken,
begon dus eigentlijk reeds in de 11de eeuw in het binnenste van
Klein-Azië, met die Seldschuken, die ook reeds de halve maan in hun
vaandel voerden en van wie de Osmanen dit teeken overerfden.

De kruistochten golden schier allen bij uitstek Turksch-Seldschukische
Sultans, en daar zij, met betrekking tot hun voornaamste doel (de
verchristelijking van Westelijk Azië) zonder gevolgen waren, daar zij
den voornaamsten schutsmuur van Europa tegen Azië, het Byzantijnsche
rijk, nog meer verzwakten, zoo hebben deze onbekwaam aangevoerde
kruistochten zeker niet weinig er toe bijgedragen, den Turken,
den Islam en het Oosten de poorten van ons werelddeel te openen. De
Turksche veroveringstocht naar het Westen zetten de Osmanen voort,
daar waar hunne broeders de Seldschuken, (die op hun tocht en zelfs
nog voor zij Europa bereikten, uit elkander gespat waren) die hadden
moeten opgeven.

De sage die de Osmanen hebben, aangaande hunnen bijzonderen
oorsprong en hunne afscheiding van de andere Turksche stammen,
herinnert eenigzins aan het eerste begin van Rome. Eene wolvin en een
Sabynsche maagdenroof spelen er de hoofdrol in. Hunne voorvaderen,
zoo luidt de Osmanische mythe, die als vreedzame weide-bezitters
aan de oevers der _Westelijke zee_ (de Kaspische zee) leefden,
werden door een naburigen, wilden stam, die ouderdom noch geslacht
verschoonde, aangevallen, uit hunne haardsteden verdreven en te
gronde gericht. Slechts een kleine knaap, die de vijanden voor dood
in een meer ge- worpen hadden, ontkwam. Een dier der wildernis, eene
wolvin, had medelijden met den jongen knaap, haalde hem uit het water
en zoogde hem, die tot stamvader der Osmanische Turken bestemd was,
even zooals ook eens eene wolvin aan Romulus en Remus dienzelfden
dienst bewezen had. Onontdekt leefde de jonge herder met zijne wolvin
in een eenzaam hol, groeide op tot een man en verwekte bij eene
eveneens voortvluchtige vrouw 10 zonen. Nadat deze tot jongelingen
opgegroeid waren, roofden zij zich vrouwen van naburige stammen en
vermeerderden hun geslacht. Toen het dal overbevolkt raakte, rukten
zij, met een wolfskop op hunne vaandelstokken, tegen hunne vijanden op
en vervulden onder dit teeken den omtrek met vrees en ontzetting. Dit
geschiedde in de alleroudste tijden. Maar zelfs nog in het begin der
13de eeuw, 300 jaren voor het tijdpunt waarop zij eene macht zouden
vormen die drie werelddeelen verontrustte, waren de Osmanen, even
als eens het volk Israël onder Abraham, niets meer dan eene horde
van slechts weinige duizende beredene herders en herderskinderen,
die vluchtende voor de invallende Mongolen, zich uit de provincie
Korassan en uit den omtrek der Kaspische zee op weg begaven naar het
Westen, en al vluchtende over Armenië naar Klein-Azië kwamen.

Uit dezen weinig talrijken ruitertroep, die onder weg door deserteurs
en naar huis terugkeerenden nog aanzienlijk verminderde, ontstond
het groote Osmanische rijk; even als uit de muren van een Sabynsch
stadje de, de geheele bekende wereld onderwerpende, Romeinen; even
als uit een bijna onmerkbaar aan den horizon verschijnend wolkje,
een storm ontstaat, die langs den geheelen hemel trekt.

Even als bij vele vluchtelingen, die uit hun vaderland verdreven de
wijde wereld voor zich open zagen, en door dezen aanblik buiten zich
zelven geraakten, zoo ontwaakte ook bij dit, tusschen de oude steden
van het land langs den Eufraat dwalende hoopje roofzuchtige herders,
weldra een geweldige lust naar heldendaden, roem en schatten. Hunne
aanvoerders droomden al vroegtijdig, even als de stamvaders der Joden,
van roem en grootheid voor hun volk.--Ertogrul, een dezer dikwijls
genoemde allereerste machthebbers en eerste horden-aanvoerders,
droomde eens gedurende een zijner legertochten, dat hij in zijne tent
een fraaie heldere bron zag ontspringen, die met steeds toenemende
kracht, in haren onstuimigen loop, tot eene groote rivier aangroeide
en toen wijd en zijd het land overstroomde. Een zijner wijze Sheiks
leide den droom zoo uit, dat aan Ertogrul weldra een heldhaftigen zoon
zou geboren worden, die het volk tot groote daden zou aanvoeren.--En
nog fraaier en duidelijker droomde daarna deze zoon zelf, Osman
(vrij omineus--beender-breeker--de Turksche naam voor een roofvogel,
den koningsarend)--de meest gevierde held van het naar hem genoemde
volk der Osmanen.

Als jongeling in liefde ontstoken voor de dochter van Edebalis,
een ouden Sheik, scheen het den jongen Osman op een avond, na het
eindigen van zijn gebed, toe, alsof hij den grijzen vader zijner
geliefde naast zich zag rusten, en alsof de wassende maan schitterend
uit den boezem van den oude opsteeg, om zich weldra als volle maan
in zijn eigen (Osman's) boezem te verbergen. Op de plaats echter,
waar de volle maan verdwenen was, groeide een prachtige boom met
uitgestrekte takken, beladen met kostelijke vruchten, en onder zijn
lommer rustte het _heelal_ met al zijne bergen en dalen, rijke weiden
en fraaie rivieren, provinciën en steden, bewoond door eene werkzame
bevolking, die zich in de schaduw van den prachtigen boom in haar
bestaan scheen te verheugen. Osman ontwaakte in het volle genot van
dit prachtig gezicht, en schilderde vol verbazing het fraaie tooneel,
dat hij in zijn droom gezien had, aan zijn ouden vriend. Deze, die
tot nu toe zijne dochter aan den jongen avonturier geweigerd had, maar
nu in den droom een teeken des Hemels meende te zien, ten gunste der
vereeniging van zijn huis met dat van Osman, en er den toenemenden
bloei der vereenigde stammen uit opmaakte, gaf zijne toestemming
tot eene verbintenis, waaruit het werkelijk schitterend geslacht der
machtige Osmanische Sultans, als eene reeks meteoren ontsproot.

Nagenoeg alle sagen en verhalen der Osmanen, die op de kindsheid van
hun volk betrekking hebben, zijn van zeer vromen, zeer phantastischen
en prophetischen aard. Ook hebben hunne geschiedschrijvers (want
deze heeft dit volk steeds vele voortgebracht) er voor gezorgd,
dat wij de ontwikkeling en den weg der natie, van af de woestijnen
van Turan, over den Euphraat tot aan den Bosphorus, voet voor voet
beter kunnen volgen, dan die van den oorsprong en vooruitgang van
vele andere Aziatische volken.

De nu nog in het Turksche rijk bekende en door het volk bezochte en
vereerde graven hunner eerste Sultans, zijn tegelijkertijd de merkpalen
en gedenksteenen op hunne zegebaan. Suleiman, de grootvader van Osman,
die zich te paard in den Euphraat stortte om zijne horde een weg te
banen, werd aan den oever dezer afgelegene rivier begraven. Ter eere
van zijn zoon, den bovengenoemden Ertogrul, werd door de zijnen, eene
halve eeuw later een grafsteen opgericht, 200 mijlen westelijker aan
de oevers der rivier Sangarios, in het midden van Klein-Azië. En de
kleinzoon eindelijk, Osman, de grondvester der Turksche macht, vond
zijne rustplaats reeds zeer dicht in de nabijheid van het Europeesche
zeegebied, in het zoogenaamde "zilveren gewelf" der Bithynische stad
Prusa, wier omtrek het eerste vaste stamgebied en de wieg van het
Osmanische rijk werd.

Tot zoolang was de horde, onder het verrichten van vele heldendaden,
rusteloos door het noordelijke deel van Klein-Azië, om de in het zuiden
nog machtiger staten der Seldschuken, en deels in dienst van deze,
rondgeslopen. Hier echter in het oude Bithynië en aan de grenzen van
Azië en Europa, waarheen de arm der Seldschuken niet meer reikte en
waar de Byzantijnsche macht niet meer bloeide, nestelden zij zich
onder Orchan, den beroemden zoon van Osman, en zetten als frissche
voortroepen der machtelooze Seldschuken, het eerst in hunne oudste
koningsstad Prusa, vasten voet, even als eene wig, die zich rechts
en links in beide werelddeelen wilde indringen.

Van daar uit hebben zij om zich heen gegrepen, zoowel westwaarts naar
Europa dat vóór hen, als oostwaarts naar Azië dat achter hen lag.

Daar het westen voor hen lag en zij aanvankelijk met hunne
stamgenooten, de Seldschuken, op vriendschappelijken voet leefden,
zoo keerden zij het eerst hunne wapenen bij voorkeur tegen ons vaste
land. Nadat zij de kleine Byzantynsche stadhouders en leenroerige
vorsten, en de Grieksche vorsten aan den Hellespont en aan de
zee van Marmora, den een na den ander overwonnen hadden, gingen
zij in het midden der 14de eeuw naar Europa zelf over. Zij kwamen
daar gedeeltelijk als vrijbuiters, die hier en daar rooftochten
ondernamen en onderlinge twisten der Byzantijnen met kracht van
wapenen onderdrukten, gedeeltelijk ook als vrienden en trawanten der
Grieksche Keizers, die deze dappere ruiters tegen hunne oproerige
stadhouders of tegen-keizers in dienst namen--eindelijk ook als
vreedzame landverhuizers, die reeds lang voor zij de stad innamen, in
Constantinopel eene zeer bevolkte kolonie bezaten--weldra echter ook,
nadat zij het masker van vriendschap afgelegd hadden, als gebiedende
veroveraars, die reeds in het jaar 1358 een hunner vorsten, Suleiman,
den hoopvollen kleinzoon van Osman, aan deze zijde van den Hellespont
een grafteeken, het eerste dezer soort, bouwden. Van het graf van dezen
jongeren Suleiman uit, drongen zij al ras, de eene Grieksche stad
na de andere wegnemende, de Europeesche landen dieper in, en reeds
weinige jaren later, in het jaar 1361, bestormden zij Adrianopel,
de grootste provinciestad der Grieken, waar zij hunnen Sultans hunne
eerste Europeesche residentie oprichtten.

Alle omgelegene Grieksche en Slawische volken bogen zich nu weldra
voor hunne sabels, die een hunner aanvoerders vergeleek bij eene
wolk, die over Europa heentrekkende, bloed in plaats van regen
vergiet. Van hier uit ontnamen zij het oude Grieksche rijk om zoo
te zeggen zijn wortels en takken, eer zij den stam, de drievoudig
ommuurde hoofdstad, velden. In het jaar 1389 vernietigden zij, in
den bloedigen volkenslag op het Amselfeld, de vereenigde macht der
Serviërs, Bulgaren, Walachijers en Hongaren, en verspreidden zij zich
nu over bijna het geheele schiereiland heen.

Eindelijk, in het midden der volgende eeuw, in het jaar 1453, nadat
zij de stad aan alle zijden omsingeld, het geheele vaartuig om zoo
te zeggen onttakeld hadden, bestormden zij den romp van het oude
Byzantium, vertraden zij geheel en al het laatste nog stuiptrekkende
lid van het Romeinsche rijk, dat achter de muren van eene enkele stad,
als een slak in zijne schulp kruipende, zijn einde vond, even als het
eens, uit de enge muren eener enkele stad, zijne vang-armen over de
geheele wereld uitgebreid had.

Hier, aan den gouden horen, in het brandpunt van het verkeer tusschen
Azië en Europa, waar de Turksche Sultans hunne tweede en blijvende
Europeesche residentie vestigden, werd nu de schitterende droom van
den heldhaftigen horden-hoofdman Osman bewaarheid. De Osmanische
macht groeide onder eene reeks krachtige, talentvolle en gelukkige
Vorsten, van Mohammed II tot Selim II, in het tijdsverloop eener eeuw
inderdaad tot zulk een reusachtigen boom aan, die de volken van drie
werelddeelen, de beroemdste en gezegendste landen van den aardbol
overschaduwde, zooals Osman het in zijn droom gezien had.

De aanvankelijk zoo kleine horde, die slechts weinige duizende
koppen telde,--daar zij deels in zich zelve vermeerderde,--deels hare
broeders, de Seldschuksche Turken, wier rijken het een na het andere
opgeslokt werden, in zich opnam,--deels echter ook altijd onder de
onderworpene volken rekruteerde en vele, tot den Islam bekeerden met
den geest der Osmanen vervulde, en hen met dezen naam vereerde--zwol
tot een machtigen stroom van verscheidene millioenen aan, die
overal de woonsteden der uitgemoorde of in slavernij weggevoerde
oorspronkelijke bevolking in bezit namen--die zich als grondeigenaars
en grondbezitters in de Europeesche rijksleenen verspreidden, die als
bevelhebbers en bezettingstroepen alle steden van Syrië, Mesopotamië,
Egypte, ja zelfs de geheele lange noordkust van Afrika binnentrokken.

Ten tijde van hun toppunt van bloei en macht in het midden der 16de
eeuw, nadat zij onder hunnen vreeselijksten Padischa Suleiman den
Prachtigen, ook Hongarije veroverd en zelfs de Duitsche Keizerstad
Weenen aangevallen hadden, toen het hof van den Turkschen Sultan het
prachtigste van zijn tijd geworden was, strekte in Europa hun rijk
zich noordwaarts uit tot aan de Karpathen, westwaarts tot aan de Alpen
en tot dicht bij Venetië, en oostelijk over Zevenbergen en Moldavië
door geheel zuidelijk Rusland heen, zoover de ruiterscharen van hunnen
vasal, den Chan der Krimsche Tartaren, hunne strooptochten ondernamen.

Nagenoeg anderhalve eeuw, gedurende de 16de en een gedeelte der
17de eeuw, bleven zij op deze hoogte. Van dien tijd af dagteekent
zoowel het verval hunner innerlijke energie als hunner uiterlijke
macht. Weinige groote en krachtige mannen verschenen meer onder
hen. De Sultans verweekelijkten in de harems, waarin zij hunne
opvoeding ontvingen. Familietwist en broedermoord bevlekten meermalen
de treden van den troon. Even als bij de heerschers geen bepaalde wet
aangaande de troonsopvolging bestond, zoo had zich ook bij het volk
geen oud-adelijk element, op geboorte en vast grondbezit gegrond,
gevormd. Hebzucht, roofgierigheid, omkoopbaarheid begonnen meer en
meer bij de Turken veld te winnen, en ondermijnden de vroeger zoo
geprezene maatschappelijke deugden.

Niet zoodra tastte die stilstand en verrotting het inwendige aan,
of de tot nu toe in ontzag gehoudene naburen begonnen met meer
geluk tegen de Turken te opereeren. Het geheele oostelijk Europa,
de Duitschers, de Polen, de Russen traden krachtig op. Kleine
christen-legers sloegen nu somwijlen Turksche legerscharen, die
dubbel zoo sterk waren, op de vlucht. Zelfs de vroeger zoo gevreesde
Janitscharen boezemden geen schrik meer in. Oostenrijk, dat Hongarije
bevrijdde, herstelde en met zijne staten vereenigde, knakte in de 17de
eeuw de Turksche macht het eerst aan den Donau. Hem volgde Rusland,
dat in den loop der 17de en 18de eeuw de Tartaarsche Vorstendommen
Kasan en Astrachan veroverde, tot aan den Kaukasus en de Zwarte zee
doordrong, en ten laatste zich ook de Turksche vasallen in de Krim,
alsmede alles wat de Turken aan gene zijde van de Pruth bezaten,
onderwierpen. In onze eeuw werden--hoofdzakelijk met behulp van
Rusland--de Donau-Vorstendommen Moldavië en Wallachije, de Serviërs,
de Montenegrijnen en eindelijk de Grieken, binnen de grenzen van het
oude Hellas, van de opperheerschappij der Turken bevrijd.

En in al deze bevrijde landen, die zij slechts als militairen
bezet hadden, waar zij naast de inboorlingen slechts als soldaten
gewoond hadden, zonder in de vele betrekkingen en handwerken van
het burgerlijke leven in te dringen, zijn zij nu zoo goed als
spoorloos verdwenen. Slechts vele treurige ruïnes getuigen van
hunne vroegere aanwezigheid. Gebouwen en kunstproducten hebben
zij niet achtergelaten, dan hier en daar de ingestorte muren eener
vroegere Turksche vesting--of ook op de marktplaatsen in de steden
waterleidingen en bronnen, van welke nuttige zaken de Osmanen zeer
groote vrienden waren--ook op menige plaats, b.v. in de stad Ofen,
midden onder de weder opbloeiende christelijke kerken, het graf van
een Mohammedaanschen heilige, waarheen nu en dan nog wel eens een
vrome Turk langs den Donau eene bedevaart maakt. Levende getuigen,
landbouwende kolonisten, burgerlijke handwerken uitoefenende
gemeenten, zijn van hen daar onder de christelijke heerschappij niet
achtergebleven, zooals dat bij hunne stamgenooten, de Turksche Tartaren
in de Krim, in Kasan en Astrachan, wel het geval geweest is.

Duidelijker zouden wij, als zich dit zoo gemakkelijk nagaan en van
de inboorlingen onderscheiden liet, de indrukken hunner vroegere
aanwezigheid vinden in de zeden, taal en het karakter der hun eens
onderworpene en nu bevrijde natiën. Zoowel in de Hongaarsche, als in
de Walachijsche, Servische en Nieuw-Grieksche taal zijn verscheidene
Turksche woorden ingeslopen, en hiermede natuurlijk, daar vreemde
woorden nooit zonder vreemde begrippen komen, ook menige Turksche
voorstelling en denkwijze. Hongaarsche schrijvers der 17de eeuw klagen,
dat in den tijd der Tursche heerschappij, bij den Hongaarschen en
Zevenbergschen adel, veel in de dagelijksche gewoonten en huiselijke
inrichtingen, Turksch geworden is, en daarvan zou men nu ook nog
overblijfselen kunnen vinden. Dat ook de Wallachijers, de Grieken
en Serviërs, den invloed van den despotischen druk der Turksche
heerschappij nog niet geheel overwonnen hebben, daarover is dikwijls
geklaagd geworden.

Ook in eenige der den Sultan nog direct onderworpene provinciën,
krijgt men heden ten dage nog slechts zelden een echten Osmanischen
Turk te zien. In het door de Slawen bewoonde Bosnië b.v., is wel de
adel van het land mohamedaansch en in zijne zeden Turksch, maar naar
de afstamming en de taal bestaat deze adel toch uit oorspronkelijke
Slawen.

Ook in de overige Europeesche provinciën, die de Turken
nog heden in bezit hebben, in Bulgarije, Macedonië, Thracië,
Albanië, enz. is de grond- en landbevolking Slawisch, Grieksch,
Albaansch enz. en de zoogenaamde Osmanen hebben daar slechts, om
zoo te zeggen sporadisch verdeelde woonplaatsen. Zij wonen in de
steden als burgerlijke en militaire ambtenaren en op het land als
grondbezitters, slechts zelden als zelf arbeidende dorpsbewoners
en nijvere handwerkslieden. Zamenhangende, uitsluitend door Osmanen
bewoonde landschappen, vindt men in geheel Europeesch Turkije slechts
enkele. In de steden zullen zij nagenoeg de helft der bevolking
uitmaken, en in het geheel mag men het getal echte Osmanen in geheel
Europa bezwaarlijk op meer dan 1 1/2 millioen stellen, waarvan het
grootste gedeelte bij elkander wonende in Constantinopel gevonden
wordt. Daar ter stede zijn nagenoeg een half millioen ingezetenen,
die tot de Osmanlis gerekend worden.

Beproeven wij nu de zeden en de eigenaardigheden van het karakter
te schetsen van dit merkwaardige volk, dat tijdens zijn bloei eens
geheel Europa deed beven, en dat ook nu nog, alhoewel niet zoo zeer
door dreigende macht, als wel door de vraag wie van zijne zwakte
voordeel zal trekken, geheel Europa bezig houdt. Wij moeten nog
daarbij in de eerste plaats onderscheiden, wat zij oorspronkelijk
in hun eigenlijk vaderland waren, en wat zij in den loop der tijden,
bij hunne verbreiding over zoovele landen en bij hunne aanraking met
zoo vele verschillende volken, geworden zijn.

Het eerste en voornaamste geschenk, dat de Osmanen na hunne eerste
ontmoetingen met hunne West-Aziatische naburen ontvingen, was de
godsdienst van Mohamed. De oorspronkelijke godsdienst der Turken
in hunne Aziatische steppen was een ruwe natuurdienst, waarbij zij
voornamelijk de vier elementen: vuur, water, lucht en aarde vereerden,
en tevens aan een hoogsten geest des hemels paarden en schapen
offerden. De Islam kwam in hunne oorspronkelijke woonplaats reeds tot
hen door de Arabieren en Perzen. Deze waren gewoon alle gevangenen,
die zij in hunne oorlogen met de naburige nomadische roofstammen
maakten, tot den Islam te bekeeren, en deze bekeerden, als zij in
hun vaderland teruggekeerd waren, weder hunne stamgenooten. Reeds
omstreeks het jaar 1000 na Christus, waren op deze wijze verscheidene
nog nomadische Turkenstammen goede Mohamedanen geworden, terwijl ook
verscheidene nog het oude Schamanendom aanhingen, en weder andere
door de Chineezen zelfs tot Buddhisten gemaakt waren.

Onze Osmanische Turken waren reeds lang ijverige aanhangers van den
Profeet, toen zij uit de vlakten langs de Kaspische zee naar het Westen
togen. Door den Islam hebben zij veel van dien godsdienstigen ernst,
die alle Oosterlingen van oudsher kenmerkte, overgenomen. Even als
bij de Hebreërs en bij de Arabieren, is ook bij hen de invloed van den
godsdienst op zeden, zin en werkzaamheid der natie, veel opvallender
dan bij de Europeesche volken, en even als bij hen, schijnt ook bij
de Osmanen al hun doen en denken, om zoo te zeggen, van godsdienst
doortrokken te zijn.

Streng en met nauwgezetheid vervulden zij ten allen tijde hunne
godsdienstige verplichtingen en de waarneming der met deze
samenhangende gebruiken. En zelfs nu nog is er moeielijk iets
plechtigers te bedenken, dan de gebeden der Turken in de kerken, die
zij op eene in het oog vallende demoedige wijze, en geheel vervuld met
vrome voornemens, verrichten. De daarbij heerschende plechtige stilte
en de indrukwekkende ernst, vervullen zelfs den christen-toeschouwer
met eerbied. Doodstil, zacht en barrevoets als bedelmonniken, sluipen
de mannen--eerwaardige, oude, witgebaarde grijsaards en achter hen
hunne gehoorzame knapen en jongelingen--nader, zinken op de tapijten
der moskee op hunne knieën, slaan als boetvaardige zondaars op hunne
borst, en vervallen in stomme bespiegeling en aanbidding van den
Onzichtbaren, of luisteren aandachtig naar de gebeden en toespraken
van hunnen Iman.

De uiterlijke godsdienst is bij hen, nagenoeg onveranderd, tot op
onze dagen dezelfde gebleven. Een echt orthodoxe Osmanli beschouwt
nog heden de pest als eene straffe Gods, die het nutteloos en zondig
is te trachten te ontwijken; hij draagt geen parapluie of zonnescherm,
daar het hem zondig schijnt de zegen van Allah van zich af te houden,
en hij geeft kleerborstels van plantaardige stof de voorkeur boven
de gewone, daar de Koran de aanraking verbiedt van alles wat van het
zwijn komt. Hun eerbied voor den Koran is zoo groot, dat zij aan het
bloote lezen er van wonderen toeschrijven. Naar hunne meening worden,
door het lezen van sommige plaatsen uit den Koran, ziekten genezen, en
het zonderlingste daarbij is, dat de psychische invloed van het vrome,
ernstige geloof aan de onfeilbaarheid hunner heilige schriften, op hen
werkelijk dikwijls eene merkwaardige geneeskracht uitoefent. Ontelbaar
zijn de middelen om in de toekomst te lezen en even talrijk die, om
zich voor booze invloeden te vrijwaren. Zij overtreffen daarin nog de
heidensche Romeinen van den ouden stempel. Even als deze lezen zij
het goede of kwade uit de ingewanden van pas geslachte dieren--doen
voorspellingen uit de vlucht der vogels--hebben geluk en ongeluk
aanwijzende uren en dagen, die met nadruk door de astrologen in hunne
kalenders worden aangegeven, en geen Osman zal eene reis ondernemen,
een huis bouwen, zich in het huwelijk begeven of iets anders gewichtigs
ondernemen, zonder zich eerst over het gunstige van het oogenblik
en de constellatie der sterren overtuigd te hebben. Is hij ziek,
of hebben kwade droomen hem droefgeestig gestemd, dan verschaft
hij zich van den Iman een pot, die van binnen met verscheidene
spreuken uit den Koran beschreven is, vult dien met water, laat de
met inkt geschrevene spreuken in het water oplossen, en drinkt dan,
in het heiligste vertrouwen op eene goede uitwerking, deze vloeibaar
gewordene heilige spreuken op.

Het dak van zijn huis, de voorsteven van zijn schip, de muts zijner
kinderen, de hals van zijn paard, de kooi zijner vogels, alles behangt
hij met amuletten en tegenmiddelen tegen "het booze oog" of tegen
andere betooveringen. Veel van dit bijgeloof stamt nog uit de steppen
en uit den tijd van het Heidensche nomaden-leven af. Echt Mohamedaansch
echter, en dit is hun door den Islam aangebracht en hebben zij
met alle aanhangers van den Profeet gemeen, is hun onwrikbaar en
hun bijzonder eigen geloof aan een onafwendbaar fatum; een geloof,
dat hen eenerzijds zoo onbuigzaam en overwinnend, maar aan de andere
zijde ontoegankelijk maakte voor eene toenemende ontwikkeling.

De overtuiging, dat in den slag, te midden van een kogelregen,
geen schot hen treffen kon, dat niet door God voor hen bestemd was,
boezemde den Turken een onoverwinlijken moed in. Maar het denkbeeld,
dat God alles hier beneden regelt en leidt, onafhankelijk van eenige
menschelijke inmenging, maakte hen tevens werkeloos en loom. In
gelukkige dagen verhoogde dit geloof de kracht van den veroveraar,
maar in dagen van ongeluk vervulde het hem met zoo groote gelatenheid,
dat hij het verval en de ontaarding van zijn volk met onverschillige
oogen aanzag.

Zich schikkende in alles, wat hem ook overkomen mag, leeft de Turk
rustig daarheen, zijne grootste voldoening, zijn zekersten troost
vindende in het bewustzijn, dat, wat de toekomst hem ook brengen
moge, het reeds te voren bepaald is. Maakt het ongeluk hem arm en
wordt hij daardoor gedwongen afstand te doen van geriefelijkheden,
waaraan hij sedert jaren gewoon is, verliest hij zijn eenigen zoon,
zijn liefste kind: nimmer zal hij morren. "God is groot! Hij gaf het,
hij nam het ook."--Een minister valt--een stadhouder wordt ter dood
veroordeeld. Zonder tegenspraak geeft hij zijne betrekking en zijn
leven op, en smeekt alleen dat men hem den noodigen tijd moge laten
om zijn gebed te verrichten. Ofschoon zij even als andere menschen
toegankelijk zijn voor teedere aandoeningen en diep gevoel, voeden
zij toch nimmer eene smart op eene wijze die schadelijk is voor
gezondheid en geest, en duurzaam zedelijk lijden, blijvende storingen
in de werkzaamheid van den geest, vindt men derhalve zelden bij de
Turken. En de zich in het leven openbarende gelatenheid, verlaat hen
ook niet in de smartelijkste ziekte en in het laatste uur. Bij geen
volk heeft de dokter, wanneer zijne geneesmiddelen niet helpen, zoo
weinig verwijtingen te wachten dan bij de Turken. Zij verontschuldigen
hem altijd daar mede, "dat het Allah's wil niet was."

In tegenstelling met de talentvolle maar geslepene Grieken, prijst men
de eenvoudige, ongekunstelde rondheid en de oprechte eerlijkheid der
Osmanlis, die van oudsher gewoon zijn, zonder omwegen hunne meening
te zeggen. Zij mijden de slingerpaden, die de vleiende Zuidelijke
Oosterlingen (de Arabieren en hunne naburen de Perzen) zoo gaarne
bewandelen.--Zij praten weinig en wat zij zeggen, zeggen zij langzaam,
duidelijk en met uitdrukking, zoodat ook geringe zaken met hen spoedig
afgedaan worden. Wat b.v. een Turksche koopman zegt, geldt bij hem
als het eerste en laatste woord; afdingen is hem onbekend.

Men ziet het reeds aan hun uiterlijk, dat zij een heerschersvolk
waren. Hun gang is statig. In al hunne bewegingen zijn zij afgemeten
en deftig. Slechts zelden verraden zij uiterlijk, wat hunne ziel
innerlijk aandoet. Waar wij hardop lachen, daar speelt om den mond
der Osmanen slechts een glimlachje. Waar wij in de handen klappen,
daar geeft hij zijn bijval slechts door een licht hoofdknikken te
kennen, of wèl blaast hij den rook zijner pijp wat harder uit.

"Het gemis aan alle aristokratische kasten- of klassenwezen bij de
Turken is oorzaak, dat niet alleen den hooggeplaatsten, maar ook zelfs
den geringsten onder hen, een zekere zweem van voornaamheid eigen
is. Behalve het onderscheid aan de verschillende ambtsbetrekkingen
verbonden, zijn alle Turken gelijk, en geen stand is zoo hoog, of ieder
kan dien, wanneer geluk, talent en omstandigheden hem begunstigen,
bereiken. De arme en de eenvoudige onder hen, is van nature hoffelijk
en waardig. Hij vergeet en verhoovaardigt zich nooit. Hij schijnt het
bewustzijn te hebben, dat hij, ofschoon in eene hut geboren, in een
paleis sterven kan. En met deze mogelijkheid voor oogen, schijnt hij
altijd zoo te handelen alsof het uur der standsverwisseling reeds
geslagen was. Dit maakt het onderling verkeer tusschen de Turken
zeer gemakkelijk. Men ziet den Bey, wanneer hij niets te doen heeft,
zonder complimenten naast den arbeider, de effendi naast den visscher
plaats nemen, als waren zij voor hetzelfde lot geboren. Bij iedere
heugelijkheid, bij ieder familie-feest of openlijke plechtigheid,
staan de deuren der rijken en grooten veel meer open voor de geringen
en armen dan bij ons."

Ofschoon de misslagen hunner krijgslieden hen bij ons als hardvochtig
en wreed bekend hebben doen staan, zoo kan men toch in tijd van vrede,
den Turken eene groote neiging tot weldoen en eene geneigdheid tot
medelijden, niet ontzeggen. Zij zijn in staat voor hunne gunstelingen
alles te wagen, hunne slaven behandelen zij als hunne kinderen. Zij
schijnen de oude grondstelling der Romeinsche veroveraars: "_De bellare
superbos et parcere subjectis_" [1] tot het uiterste in praktijk
te brengen. De weerbarstigen werpen zij onbarmhartig ter neder;
de onderworpenen liefkoozen zij. Vandaar ook hunne groote liefde
voor onschuldige kinderen. Niet tevreden met hunne eigene kinderen,
nemen zij ook zeer gemakkelijk en dikwijls, hulpbehoevende kinderen
en weezen aan. Deze aangenomene kinderen noemen zij "_kinderen der
ziele_." Ook de zeer te roemen hartelijkheid, waarmede zij hunne
moeders behandelen, vindt zijn oorsprong in dezelfde bron. Dat is
ook de oorzaak dat de moeder van den Sultan, de zoogenaamde Sultane
Valide, de tweede persoon in het rijk is.

Zij, die in den oorlog koelbloedig zooveel Christenbloed vergoten
hebben, zijn niet in staat dieren te kwellen. Zij bezitten een hun
aangeboren medelijden met alle stomme creaturen, en bovendien beveelt
de Koran zelf hun, bijen, mieren, kraaien, zwaluwen en visschen te
ontzien. Wanneer een Europeesch reiziger, bij de eene of andere
gelegenheid, voor pleizier een vogel schiet, dan wordt hij door
zijne Turksche reisgenooten beschuldigd van moord. In de nabijheid
der Turksche dorpen in Klein-Azië, vindt men vogelkooien opgericht
waarin oude arenden die niet meer verder kunnen, of patrijzen wier
vleugels lam werden, of ooievaars die een poot gebroken hebben en
die men opgevangen heeft, op algemeene kosten verpleegd en gevoed
worden. De Turken zullen het ontzien, een lam dat nog niet gespeend is
te slachten, om het gejammer van het moeder-schaap niet te hooren. De
paarden worden bij hen als kinderen opgebracht en gevoed, en in plaats
van ze aan de zweep te gewennen, zijn zij gewoon zacht toegesproken te
worden; aan hals en manen zijn zij, even als de kinderen, van amuletten
voorzien om ze tegen booze invloeden en tooverij te vrijwaren.

Daardoor was en is ook nog nu een weerspanning en koppig paard eene
groote zeldzaamheid bij de Turken, en vroeger was het bekend, dat
wanneer paarden van dat karakter in de oorlogen met de Hongaren,
Duitschers, Polen en Russen opgevangen werden, zulke buitgemaakte
wildzangen onder de zachte tucht der Turksche stalmeesters, weldra
zoo zacht en gewillig werden, dat zij vol vreugde hunnen meester
tegenhinnikten en voor hem de knie bogen, om hem des te gemakkelijker
te laten opstijgen. Ook nu nog laat de voorname Turk, wanneer hij de
lente op het land doorbrengt, gaarne onder een boom in de nabijheid
zijner paarden-weide, eene tent opslaan, en ziet hij van daar vol
genoegen uren lang naar het spelen, het vechten, en het springen
zijner veulens en merriën.

De Turken hebben zich evenmin als schoolmeesters en opvoeders der
jeugd, hardvochtig of tijranniek getoond. Zelfs in de merkwaardige
opvoedings-gestichten der trawanten van den Sultan en der Janitscharen,
waren de tucht en de orde wel streng, maar men kende in deze
inrichtingen zulke paedagogische dwangmiddelen niet, als men tot op
onze dagen in christelijke landen voor heilzaam hield, zooals ketenen,
plak, donkere kelder en slechte ligging met water en brood. De eenige
straf, stokslagen, mocht slechts zelden toegepast worden, en het getal
der slagen was dan nog zeer beperkt; ook zijn de stokstraffen bij de
Turken nooit met zooveel gestrengheid, nooit in zoo groote hoeveelheid
en zoo onbarmhartig, toegepast geworden als b.v. bij de Russen,
en het is niet zelden gebeurd, dat Turksche krijgsgevangenen bij de
Russen, wanneer zij zich aan de daar heerschende discipline moesten
onderwerpen, luide naar de in Turkije in zwang zijnde rechtspraak
terug verlangden en deze zeer roemden.

Een zeer voordeelig licht over de gemoedsgesteldheid der Turken,
werpt de hartelijkheid en aandoenlijke wijze, waarmede zij hunne
dooden herdenken. Hunne kerkhoven zijn altijd met bloemen en welig
groeiende cypressen versierd, en gewoonlijk in bekoorlijke dalen of
op liefelijke heuvelen gelegen, waar wij eene villa, een klooster
of een lusttuin zouden aanleggen. Op feestdagen zijn die kerkhoven
de gewone verzamelplaatsen van het volk, waarop de kinderen naast
de graven hunner voorouders spelen, terwijl de volwassenen zich
in het genot der frissche lucht, hunner pijp en hunner ernstige
herinneringen verheugen. Ook zijn de Osmanen groote vrienden van stille
familie-feesten in den kring der hunnen, en eenige dezer feesten,
b.v. het jaarlijks in iedere huishouding terugkeerend tulpenfeest,
zijn van zeer liefelijken aard.

De natuur heeft evenmin het hoofd als het hart der Turken
stiefmoederlijk bedeeld. Zij zijn niets minder dan dom en
onleerzaam. Veeleer munten zij in den regel uit door een vlug begrip
en vooral door een sterk geheugen. Niet zoozeer hunne ongeschiktheid
staat hun bij hunne ontwikkeling in den weg, als wel hun gebrek aan
werkzaamheid. De onveranderlijke traagheid waarin zij verzonken zijn,
houdt hunne talenten in banden. Het ontbreekt hun aan voortdurenden
ijver, aan lust tot werken, aan de rustelooze nieuws- en weetgierigheid
der Europeanen, om met hunne goede begaafdheden iets groots tot stand
te brengen.

Zij zijn niet, zooals wij, gewoon te wedden en te wagen, om het geluk
na te jagen. Voelen zij zich door de omstandigheden bevoordeeld of
is de wind hun gunstig, dan laten zij zich dit welgevallen en leven
zij gaarne in gemakkelijke en kalme rust heen. Dientengevolge munten
zij ook daardoor uit, dat zij, in tegenstelling met de Europeesche
natiën, geen geluks- of hazardspelen kennen, zooals dat toch anders
bij hunne onderdanen, de Grieken, Walachijers en Slawen, dikwijls
het geval is. Zelfs hunne jeugd doet aan geene weddingschappen en
kent geen wedstrijden, geen beproeven der wederzijdsche krachten in
gymnastische spelen en wedloopen. Den dans houden zij geheel beneden
hunne waardigheid; hoogstens laten zij zich door hunne vrouwen of hunne
odalisken iets voordansen. Evenzoo worden ook de andere kunsten, die
voortdurende oefening vereischen, door hen niet beoefend. Ofschoon
zij gaarne muziek hooren, beoefenen zij haar even weinig als den
dans. Grieken en Armeniërs zijn hunne muzikanten en voorzangers, en
verwonderd zien de Turksche grooten het aan, dat de afgezanten onzer
Koningen in Constantinopel schilderen of piano spelen, en vragen zij:
waarom zij toch zelve zich met die zaken bemoeien, daar zij immers
rijk genoeg zijn om zelf een troep muzikanten te betalen.

Alleen op de dichtkunst hebben zij zich toegelegd. Zij bezitten niet
alleen vele lieve volksliederen, maar zij hebben ook menig uitstekend
dichter en eene niet arme literatuur voortgebracht. De beroemde
Duitsche schrijver der Turksche geschiedenis, de heer von Hammer,
heeft eene bloemlezing in vier deelen, uit de werken van niet minder
dan 2200 Turksche dichters samengesteld, die echter niet alle eene
bekrooning op het Kapitool waardig zijn.

Vooral hebben de Turken--iets dat bij een volk dat zooveel roemrijke
daden verricht heeft, zeer natuurlijk is--zich meermalen op het
schrijven van geschiedenis toegelegd en hebben zij vele historici
voortgebracht. Ja! zij hebben zelfs sedert 300 jaren--en daarop kan
zich niet iedere Christelijke staat beroemen--de vaste betrekking
van een rijks-geschiedschrijver gehad, wiens plicht het is, de
gebeurtenissen, oorlogen, vredesverdragen en inwendige veranderingen op
te teekenen. Toch beschrijven deze Turksche historici de geschiedenis,
even als hunne gedichten, op eene, den Perzen, Arabieren en meest allen
Oosterlingen, eigendommelijke, zeer weidsche manier. Een overzicht
over de bloemrijke titels hunner geschiedkundige werken toont zulks
ten duidelijkste aan. Wat onze prozaïsche geschiedschrijvers eenvoudig
een "geslachtsregister" noemen, heet bij hen: "een rozenkrans der
rechtvaardigen" of "een bloementuin der besten." Wat wij eenvoudig weg
eene "wereldgeschiedenis van de vroegste dagen tot den laatsten tijd"
noemen, daaraan geven zij den hoogdravenden naam van "de golvende zee
en de rijk stroomende bronnen in de wetenschap der eerste en laatste
dingen." Eene "verzameling van biographiën" wordt bij hen verfraaid tot
een "rozenbundel uit den tuin der kennis van de menschen." En als wij
een boek in 8 hoofdstukken deelen, dan verdeelen zij het liever in even
zoo vele "bloem-perken" of wel "paradijzen." Deze zelfde hoogdravende
en weidsche stijl, hebben zij ook bij de titulatuur hunner beambten
ingevoerd, en dientengevolge draagt bij hen, wat wij een "page"
noemen, den naam van "een dienaar van het kleed der gelukzaligheid"
of een opperhof-meester "een heer der poort van genade en eere."

Eenvoudiger en nuchterder, dan zij zich in hunne gedichten en
geschiedboeken toonen, zijn de Turken in de sedert oude tijden
bij hen gebruikelijke spreekwoorden, die een schat van practische
levenswijsheid aanbieden, en vele bewijzen van een gezond verstand,
fijne opmerkingsgeest en menschenkennis bevatten.

Vooral de echte oud-Turksche, nog uit den nomaden-tijd afkomstige
spreekwoorden, die men aan vorm en inhoud gemakkelijk als zoodanig
herkennen, en onderscheiden kan van de levensregelen en spreuken die
zij van de Arabieren en Perzen overgenomen hebben, munten door een zeer
krachtig, opvallend en scherp vernuft en uitdrukking uit. Daar geest,
karakter en zeden der natiën zich zoo dikwijls in hunne spreekwoorden
weergeven en daar, als wij over de Turken spreken, veel minder sprake
is van dergelijke zaken, dan van hunne barbaarsche krijgsgebruiken
of van hunne bloemrijke rijmelarijen, zoo wil ik den lezer hier ten
slotte nog op eenige echt Turksche spreekwoorden opmerkzaam maken,
en er eene kleine verzameling van mededeelen.

Niet zeldzaam zijn de spreekwoorden, waarin de Osman de waarheid
aanbeveelt, b.v.:

"_Zit_ mijnentwege krom mijn zoon, maar _spreek_ recht."

"Wie zich _ver houdt_ van de leugen, die _nadert_ God."

"Wandel niet over de licht breekbare brug van de leugen, beter is het,
mijn vriend! door den stroom te _zwemmen_."

Zeer karakteristiek zijn de even talrijke spreuken, waarmede de
stilzwijgende, voorzichtig sprekende Turk, even als Salomo, tegen de
tong en de scherpheid van tong te velde trekt.

"De tong," zoo luidt een dezer, "is een beenlooze slang, die toch
beenderen breekt."

"Een mes-wond geeft een lidteeken, maar een wond door de tong geslagen,
is onheelbaar."

"De tong heeft meer menschen gedood dan het zwaard."

"Die zijne tong aan banden legt, redt zijn hoofd."

"Wie spreekt die zaait, hij weet niet wat. Wie hoort die oogst,
en heeft de keuze."

"Het hart van den dwaas ligt op zijne tong,--de tong van den
verstandige is in zijn hart."

"_Luister_ duizendmaal, _spreek_ eenmaal."

Verachting voor het gezwets van praatzuchtige en lasterende menschen,
drukt op recht Turksche wijze de volgende spreekwijze uit:

"De hond blaft, de wolf gaat zijn gang."--en met eene aardige variatie:

"De hond huilt, de karavaan trekt voorbij," wat men menigen dwazen
bespotter van oude eerwaardige gewoonten en instellingen zou kunnen
toeroepen.

Eenige in de Turksche spreekwoorden bevatte zedelessen, zou men gerust
in één adem met de uitspraken onzer beste kerkvaders kunnen noemen,
zooals b.v.

"Doet gij wat goeds, werp het in de zee; merkt de visch het al niet
op, zoo weet de Heer het toch."

of deze:

"Het goede der menschen verbergt zich in een eng vertrek, maar het
kwade wandelt op breede wegen."

Of het volgende:

"Doe goed dengene die u slecht behandelt, dan zult gij bij hem en
bij God genade vinden."

Van deze laatste spreuk zou men bijna geneigd zijn te gelooven, dat
de Turken, die wij gewoonlijk het oude: "oog om oog, tand om tand"
toegedaan houden, haar van buiten af ontvangen hebben, wanneer het
niet uitgemaakt was, dat zij reeds bij Turksche stammen, zelfs in
den tijd van Mohammed, gebruikelijk was.

Niet minder mag het ons verwonderen, dat zelfs het "ken u zelven"
der Grieken, bij deze Osmanische barbaren zoo hoog in waarde was.

"Wie zich zelven begrijpt," zeiden zij met nadruk, "die begrijpt God."

Welke fraaie beteekenis heeft ook niet deze spreuk:

"Die des avonds nog slecht is, die is nimmer goed." Zij schijnt
op een vromen man te duiden, die na zijn avondgebed alle booze en
wraakzuchtige plannen van den dag opgeeft.

"Toorn is uw vijand, overleg uw vriend."

"Die toornig opgesprongen is, gaat beschaamd weer zitten."

"Reik den ongelukkige uwen vinger, en God zal u zijne rechterhand
toereiken."

De ondankbaarheid wordt door de Turken sterk genoeg veroordeeld, want
"een ondankbare," zeggen zij, "telt niet onder de menschen."

Geene deugd wordt meer door hen geprezen dan geduldig afwachten,
geen misslag bitterder gehekeld, dan overijling.

"Snel geloopen, spoedig vermoeid."

"Snel gewassen, spoedig uitgebloeid."

"Wandel bedaard, dan haalt gij den haas in."

"Geduld is de sleutel tot alle genot."

Hun vast geloof aan het niet te veranderen noodlot, drukken zij
eveneens in vele spreekwoorden eigenaardig uit, b.v.:

"Geen schild van verstand weert den pijl van den boog des noodlots af."

"_De mensch spreekt, het noodlot lacht_." ("_l'Homme propose, Dieu
dispose_.")

"Wat u toegedacht is, wordt u zelfs van daar toegezonden." (uit de
verst verwijderde oorden der Turksche heerschappij.)

"Die geluk hebben zal, vangt ook met een ezel een gans; de ongelukkige
echter vangt zelfs met een koningsvalk geen muis."

Vele der in hunne spreekwoorden bevatte lessen van wijsheid, getuigen
van eene hoogst scherpzinnige zaken- en levensbeschouwing:

"Maak u zelven niet tot een schaap, de wolven zullen spoedig bij de
hand zijn."

"Niet de reis schaadt den mensch, maar zijne reisgenooten kunnen
hem schaden."

"Wie een vriend zoekt zonder gebrek, die blijft zonder vriend."

"Een domme vriend is erger dan een verstandig vijand."

"Hoed u voor den vijand één maal, maar voor den vriend met wien gij
omgaat, een duizend maal."

"Wanneer u uw heer ook slechts zand geeft, steek het beleefd in
den zak."

Schillers: "Sluit u aan het vaderland, aan dat dierbare land aan, daar
zijn de ware wortelen uwer kracht," zeggen zij echt nomadisch, maar
recht begrijpelijk, door: "een hond is het sterkst in zijn eigen hok."

Ons: "hij slaat den zak en meent den ezel," omschrijven zij sierlijker:

"Mijne dochter, ik sprak tot u, maar de schoondochter zou het hooren."

Van het "oog des meesters" zeggen zij:

"Waar gij niet zelf zijt, daar zijn geene oogen."

"De liefde is blind," luidt bij hen als volgt:

"Hij is schoon, dien men van harte lief heeft."

"Voor den minnaar is ook Bagdad niet ver."

Ons: "een nieuwe lap op een oud kleed," luidt bij de Turken:

"Een gezonde os voor een gebrekkelijken ploeg."

De tijd, waarin de Turken deze en nog vele andere gulden spreuken
en lessen, die ik hier voorbij ga, uitdachten en opstelden, ligt
ver terug.

Er is een tijd geweest, waarin zij, even als de Spartanen naar hunne
wetten, ook naar deze lessen handelden.

Er volgde een andere, waarin hun geest, door innerlijke macht
aangedreven, zich machtig verhief en waarin zij, al hunne springveeren
in beweging stellende, met schier Romeinsche energie de wereld
aanpakten en overstroomden. De Turken hebben het beter dan eenig ander
nomaden-volk verstaan, met voorzichtigheid en volgens bepaalde regels,
hunne heerschappij over Europa, Azië en Afrika uit te breiden en te
bevestigen. Deze omstandigheid zou voldoende zijn om te bewijzen, dat
naast hunne geschiktheid voor den oorlog een zeker ordenend instinkt,
naast de vernielende ook een scheppende kracht, zooals die geen andere
stam van Aziatische overweldigers bezeten heeft, gewoond moet hebben.

Nu echter gelijken zij, zooals gezegd is, een boom wier bladeren
door den storm afgewaaid zijn, de takken en de wortelen zijn nog wel
aanwezig en men kan den geheelen bouw nog herkennen, maar het hout is
broos geworden. En wanneer ook al zijn eindelijke val, "de verdrijving
der ziekelijke Turken uit hunne Europeesche legerplaats naar Azië,"
waarschijnlijk nog op velerlei tegenstand stooten zal, wanneer wij ook
al vóór dat einde nog menige ongedachte opflikkering beleven zullen,
zoo gaat de achteruitgang toch zoo zichtbaar, dat een uitdooven der
vlam onvermijdelijk schijnt.

"De Turken hebben geene toekomst in Europa. Hunne nationaliteit
en hun godsdienst zijn onbuigzaam in wezen en vorm, zonder eenige
levenswekkende kracht en zonder geschiktheid tot eene hoogere
ontwikkeling, die als behoudend element eene toekomst verzekeren kan,
die aan de toenemende eischen van den tijd zou voldoen," zij zijn
van eene stof, die zich niet buigen laat en daarom breken moet. Het
schijnt dat zij eene volledige nederlaag te gemoet gaan. Ten minste
hebben, zooals ik zeide, tot nu toe alle provinciën en staten, die zich
van de heerschappij der Osmanen bevrijdden, van deze vreemdsoortige
nationaliteit geheel afstand gedaan. Waarschijnlijk zullen de staten,
die zich verder boven de graven der Turken verheffen zullen, even
zoo handelen, en een latere ethnograaf van Europa zal dan over deze
Osmanen--niets meer hebben mede te deelen.



DE ZUIDELIJKE-SLAWEN EN DE ALBANEEZEN.


Al de lang uitgestrekte oeverlandschappen aan de zuidzijde van
den midden- en beneden-Donau, verder het zuidelijke Hongarije,
de zuid-oostelijke punt van Duitschland en de noordelijke- en
midden-provinciën van Europeesch Turkije, worden nu door eene reeks
volken van Slawischen stam bewoond. Zij hebben het door overwinningen
gekroonde vaderland van Alexander den Groote (Macedonië), het zangrijke
land van Orpheus (Thracië), de vroegere Romeinsche provinciën: het
steeds door water en troepenmarschen geteisterde Moesië, Illyrië,
Pannonië en een gedeelte van het, met de laatste bergen der Alpen
gevulde Noricum (Stiermarken en Karinthië) in bezit genomen. Zij
vormen een aanzienlijk bestanddeel der bevolking van Hongarije en
Oostenrijk, en maken verreweg het grootste gedeelte der Europeesche
onderdanen van den Turkschen Sultan uit.

Zij vormen eene geslotene compacte groep Slawische stammen, die,
zoowel geographisch door hare nabuurschap, als ethnographisch
door gelijksoortige afstamming, en eindelijk ook historisch door
gemeenschappelijke lotgevallen, met elkander samenhangen.

Daarentegen zijn zij van de overige groote Slawische volken en
rassen, door eene lange strook daar tusschen geschovene volken,
gescheiden. Van de Russen in het Oosten zijn zij door de Wallachyers
of Rumenen gescheiden, van de Polen en de Karpathische Slawen
door de Magyaren of Hongaren, en van hunne westelijke broeders,
de Moraviërs en Tschechen, door eene breede wig, gevormd door de
Duitsche bevolking van Oostenrijk. Niet alleen met betrekking tot
hunne geographische ligging, maar ook door ras en geaardheid, vormen
zij een tamelijk scherp contrast met de overige Slawen, ofschoon
zij zich meer aansluiten aan hunne noordelijke broeders (de Russen),
dan aan de westelijke (de Polen en Tschechen).

Daar zij op deze wijze eene in velerlei opzicht op zich zelve staande
volkenmassa vormen, heeft men ook eene eigene benaming voor hen
trachten te vinden. Daar zij de meest zuidelijke van alle Slawen
zijn, noemt men hen gewoonlijk de Zuidelijke-Slawen. Alle stammen
dezer Zuidelijke-Slawen laten zich naar hun dialect en volkskarakter
weder onder twee namen samenbrengen, namentlijk onder die van Bulgaren
en Serviërs.

De naam Bulgaren heeft betrekking op de Oostelijke afdeeling
der Zuidelijke-Slawen, aan den beneden-Donau en aan de Zwarte en
Aegeïsche Zee, met de provinciën Moesië, Thracië, Macedonië. De naam
Serviërs daarentegen duidt op de bewoners der westelijke helft, aan
den midden-Donau en aan de Adriatische Zee. Beide groote onderdeelen
der Zuidelijke-Slawen; het Bulgarische en het Servische, zijn zoowel
met betrekking tot de grootte der bevolking, als met betrekking tot
de uitgestrektheid van het grondgebied waarover zij zich uitbreiden,
nagenoeg gelijk.

Vrij algemeen wordt aangenomen, dat de hoofdmassa der
Zuidelijke-Slawen, eerst tijdens de groote volksverhuizing, en
wel in de 6de eeuw, onder de regeering van Keizer Justinianus, het
grootste gedeelte hunner tegenwoordige woonplaatsen in bezit heeft
genomen. Voor even zeker houdt men het, dat zij hier meerendeels
nakomelingen van de hun geheel vreemde "Thraciërs," "Macedoniërs",
"Illyriërs" als heerschende volken vonden.

Eene andere vraag, waarover de denkbeelden meer uiteenloopen,
is echter, of niet reeds eenige Slawenstammen hier reeds lang en
in overoude tijden, in de gebergten van Hämus, van Rhodope, aan den
Macedonischen Strymon, aan den Thracischen Maritza en in de Illyrische
berg-labyrinthen, midden onder de oorspronkelijke bewoners geleefd
hebben. Verscheidene overoude, reeds bij de Hellenen gebruikelijke
namen van bergen, steden en rivieren, schijnen dit waarschijnlijk te
maken. Eveneens wijzen de tegenwoordige zeden, gebruiken en levenswijze
dezer Slawen daarheen. Veel daarin stemt volkomen overeen, met hetgeen
de ouden ons van hunne Noordelijke naburen, van die "Thraciërs" en
"Illyriërs" mededeelen.

Men kan het nauwelijks gelooven, dat een geheel vreemdsoortig, geheel
nieuw en uit verre oorden deze streken pas binnengetrokken volk, zich
met behoud zijner taal, zoo geheel met de levenswijze en gewoonten van
het land zou vereenzelvigd hebben. Natuurlijker is het, wanneer men
zich voorstelt, dat de zoogenaamde "inval der Slawen in de 6de eeuw"
niets volstrekt nieuws in het land bracht, dat hij daar veeleer reeds
homogene, verbroederde maar onderdrukte volksbestanddeelen aantrof,
deze slechts versterkte en onder de, het meeste gewicht in de schaal
leggende Slawische, Thracische en Illyrische bevolking, in aanzien
bracht.

Hoe wij ons echter het oogenschijnlijk zoo plotseling en krachtdadig
optreden der Zuidelijke-Slawen, in de landen ten zuiden van den Donau
te denken hebben, zij het als een inval van een nieuw element, zij het
als eene innerlijke, van buiten versterkte toevloeiing uit reeds lang
bestaande bronnen; zooveel is zeker, dat bij dezen inval der Slawen,
andere even zoo lang bestaande volken, gedecimeerd, bij opvolging
vernietigd, in de machtige Slawenmassa versmolten, of in de bergen
gedreven en tot een eng gebied beperkt werden.

Van deze vroegere, òf alleen aanwezige òf ten minste domineerende,
oorspronkelijke bewoners van het Grieksch-Turksche schiereiland, vinden
wij nu nog in het oude Epirus een aanzienlijk overblijfsel; het volk
der zoogenaamde Arnauten of Albaneezen. Daar hunne geschiedenis en
aardrijkskunde, tengevolge van het zooeven gezegde, innig met die der
"Zuidelijke-Slawen" samenhangt, zoo kunnen wij de beschrijving daarvan
het best aan die hunner naburen, lotgenooten en nationale-vijanden
vastknoopen.

Daarom zal ik alles, wat ik in deze afdeeling wensch mede te deelen,
in de volgende drie afdeelingen splitsen:



    1) De Bulgaren.
    2) De Serviërs.
    3) De Albaneezen of Arnauten.



DE BULGAREN.


De Bulgaren, wier aantal omstreeks 3 à 4 millioen zielen bedragen zal,
bewonen nu, het voornaamste deel der bevolking uitmakende, nagenoeg
geheel het oude Macedonië, het grootste gedeelte van Thracië of
Rumelië en de oude Donau-provincie Neder-Moesië.

Na hetgeen ik reeds gezegd heb, is het mogelijk dat in deze streken,
sedert de alleroudste tijden, Slawische stammen gewoond hebben,
zonder dat zij zich intussen en op den voorgrond stelden. Eerst na de
groote volksverhuizing in de 5de eeuw begonnen zij zich te roeren, en
daar verscheidene hunner Slawische stamgenooten uit het Noorden zich
met hen verbonden, werden zij, onder den naam "Sklabänen," "Slawen"
of "Anten," gevaarlijk voor de Oostelijke Romeinen; in de 6de eeuw
deden zij verwoestende invallen in het Byzantynsche rijk, bij welke
gelegenheid zij zelfs tot Athene en in den Peleponnesus doordrongen.

Deze "Sklabänen" kwamen langs de mondingen van den Donau uit het groote
gebied der Russen, en zoo schijnen dan ook nog heden ten dage hunne
nakomelingen in taal, wezen en gewoonten, ware tweelingsbroeders
te zijn der Russen, en wel voornamentlijk der Klein-Russen uit de
omstreken van Kiew en der Ukraine.

De naam _Bulgaren_ was aanvankelijk bij hen onbekend. Even zooals
zulks meermalen met de andere Slawenstammen plaats had, geraakten
ook de Slawen van den Balkan zeer spoedig onder de heerschappij van
een ander krachtig volk. Het waren de Finsch-Tartaarsche Bulgaren,
die tegen het einde der 7de eeuw van den Ural en de Wolga de Slawen
volgden, toen deze over den Donau trokken en daar aan den voet van
den Balkan op dergelijke wijze een groot rijk stichtten, als hunne
broeders de Magyaren, het iets later in Hongarije deden.--Hun naam
"Bulgaren" stamt, zegt men, af van de groote rivier de Wolga, en
beteekent zooveel als Wolgaren, bewoners der oevers van de Wolga.

Het grootste deel der onderdanen van dit Bulgarenrijk bestond nu uit
die Slawen, de Koningen en de adel echter waren van Finsch-Tartaarschen
stam. Onder aanvoering der vreemde overheerschers, in wier legers
zij bloot als soldaten dienden, hebben de Balkan-Slawen bijna alle
oorspronkelijke bewoners van Oud-Macedonischen- en Thracischen stam
in die streken, uitgeroeid of in zich opgenomen en zich overal,
tot in Thessalië toe, in hunne plaats gesteld.

Het rijk der Bulgaren, die vierhonderd jaren lang, met de Byzantynsche
Keizers in schier onafgebroken bloedigen oorlog leefden, bevatte ten
tijde zijner grootste uitgestrektheid, niet alleen de bovengenoemde
provinciën ten zuiden van den Donau, maar ook het oude Dacië
(Zevenburgen) en een groot deel van Hongarije, welk laatste zij echter
weldra aan de Magyaren verloren. Even als Zevenburgen aan de Magyaren
kwam, zoo vervielen de zuidelijke provinciën, Macedonië en Thracië,
somwijlen weder aan de Byzantijnsche Keizers, als deze eens het
bit op de tanden namen, zonder dat dan echter de vreemde bevolking
uitgeroeid werd. Het langst handhaafden de Bulgaarsche Koningen zich
in de Donau-provincie Moesië, waar zij in hunne koningsstad Tirnowo,
het Moskou der Bulgaren, resideerden. Daardoor is ook tot op den
tegenwoordigen tijd de naam "Bulgarije" aan die streek verbleven.

De Finsche Bulgaren aan den Balkan hebben een ander lot gehad, dan
hunne in Hongarije binnengetrokken broeders, de Magyaren. Terwijl deze
midden onder de Slawen tot op onze dagen als een eigendommelijk volk
zijn blijven bestaan, verloren zich de Bulgaren langzamerhand onder
hunne Slawische onderdanen. Zij namen de taal, de levenswijze en ook
de Grieksch-christelijke godsdienst der Slawen aan en veranderden
zich allengs in Slawen. Dit geschiedde in de 8ste en 9de eeuw. Niets
bleef van hen overig, dan de Finsche naam "Bulgaren," die de eens aan
het groote rijk hunner Chans, ten zuiden van den Donau onderworpene
Slawenstammen, als hun algemeenen nationalen-naam hadden aangenomen,
zooals op gelijke wijze, de oude Galliërs den Germaanschen naam
van Franschen, van hunne in hunne nationaliteit opgegane gebieders,
de Franken, aannamen.

Sedert de 10de eeuw herinnert slechts weinig bij de Bulgaren aan
de Finnen en Tartaren, veeleer schijnen zij in zeden en gewoonten
werkelijke Slawen, alleen hunne taal toont in bouw en syntaxis nog
eenige Tartaarsche sporen. Even als de Tartaren scheren zij zich
het hoofd, en even als dezen laten zij op den schedel een langen
haarbos staan. De Bulgaarsche Slawen beroemen er zich op, onder alle
Slawen de eersten geweest te zijn, die het Christendom aannamen, eene
schrijftaal en literatuur ontwikkelden. Zonder twijfel hebben zij
dit voorrecht te danken aan hunne nabuurschap met Constantinopel. De
bijbel werd het eerst van alle Slawische dialecten in het Bulgaarsch
vertaald. Het oud-Bulgaarsch, waarvan het nieuw-Bulgaarsch eenigzins
afwijkt, had de eer de heilige kerktaal der Russen en van alle andere
niet-Katholieke Slawen te worden.

Het schijnt echter, dat met de oplossing van het krachtige,
vreemde, Tartaarsch-Finsche element, met het Slawisch worden van
den Bulgaarschen adel en der Koningen, en met de aanneming van het
christendom, ook de wilde energie van het volk verdween. Wel bestond
het oude Bulgaarsche Koningrijk te Tirnowo in Moesië, binnen beperkte
grenzen nog eenige eeuwen lang; wel voerde het nog menigen oorlog
met de Byzantijnen, de Serben en andere naburen, maar het grootste
gedeelte der Slawische Bulgaren waren aan deze naburen onderworpen, en
eindelijk werd het na de 15de eeuw een gemakkelijke buit der Osmanische
Turken. Van alle Europeanen hebben de Bulgaren het juk der Turken het
langst gedragen, en sinds het zooeven opgegeven tijdpunt zijn zij,
betrekkelijk, de trouwste of liever de geduldigste onderdanen der
Turken geweest, wien zij nimmer zooveel last berokkend hebben, als de
stoutmoedige Serviërs en hunne naburen de dappere Albaneezen. Nog meer
dan dezen zijn zij geheel aan de Turken onderworpen geworden. Onder
hen bestaan er geene zulke onafhankelijke berg-republieken, als die
der Montenegrijnen onder de Serviërs, als die der Mirditen (d.i. de
dappere mannen) en andere, onder de Albaneezen zijn. Alle Bulgaren zijn
over zoogenaamde "Spahiliks," dat wil zeggen leengoederen, verdeeld,
en zij verrichten heerendiensten voor en zijn cijnsplichtig aan den
Spahi, (den leenheer) die altijd een Turk is; aan wien zij dus even
onderworpen zijn als de Russische lijfeigene aan zijn edelman. Zij
maken in de door hen bezette landstreken de eigenlijke landbewoners
en arbeiders uit. Alle bebouwing van den grond en alle handenarbeid
wordt door hen verricht. De ploeg, de spade, de bijenkorf, de veestal,
de jaarmarkt zijn zaken, die zij boven alles liefhebben. Zij gaan,
evenals de Duitsche Holland-gangers, bij geheele scharen naar naburige
rijken of provinciën, om daar als daglooners het gras te maaien of
den oogst binnen te halen.

Geheel anders dan de oorlogzuchtige Serviërs en Albaneezen,
hebben de Bulgaren, sedert het te loor gaan van hun niet onroemrijk
verleden, met andere woorden sedert meer dan 500 jaren, het moorddadig
krijgsgewemel over hunnen rug laten rollen, zonder daaraan een actief
aandeel te nemen. Zij vreesden oorlog en strijd, en hunne soldaten
hebben zelden heldendaden verricht. Ja de trotsche Osmanli heeft hen
zelfs meermalen vol verachting van zijn leger, waarin Bosniërs en
Albaneezen de voornaamste plaats innamen, uitgesloten. De Bulgaren
hebben in den nieuweren tijd slechts nog ééne soort helden gehad,
hunne zoogenaamde Haiducken, hunne roovers, die ten allen tijde in
de bergen van den Balkan te vinden waren en zijn, maar wier aantal
in onrustige tijden, wanneer hunne vaderlandsliefde opgewekt werd,
dikwijls tot groote en gevaarlijke scharen aanwies.

Wanneer de Bulgaar de hem dikwijls door zijne Osmanische heeren
toegevoegde onbillijkheden niet langer verdragen kan; wanneer hem zijne
bruid ontvoerd, of zijn land en grond geroofd wordt; wanneer het hem,
zooals den Zwitser Melchtal, gebeurt, dat de een of andere brutale
machthebber, zijn vader het gezicht ontneemt of doodt; wanneer hij
zich in eene samenzwering ter bevrijding van het vaderland ingelaten,
of tegen de wetten zijner gebieders gezondigd heeft, dan zegt hij:
"ik word Haiduck!" met andere woorden, hij gaat naar de woeste en
afgelegene gedeelten van den Balkan, en leidt daar met gelijkgezinden,
de Turksche overheid trotseerende, een wild, vrij rooversleven. Uit
den schoot dezer patriotsche en oproerige Haiducken-vereenigingen
zijn somwijlen, als zij om zich henengrepen, als zij toevloed uit
invloedrijke familiën kregen, groote schokken voor het land ontstaan.

Zoowel onder Tartaarsche, Byzantynsche, als onder Turksche
heerschappij, onder den hardsten druk en onder eeuwenlange
kwellingen, hebben de Bulgaren hunne oorspronkelijke gewoonten,
hun Slawisch nationaal-karakter en hunne taal bewaard. Zij zijn,
zooals wij reeds zeiden, een wel vreedzaam maar taai volk, geduldig
maar volhardend, gedwee maar arbeidzaam. Overal waar zij komen,
b.v. ook in Zuid-Rusland, dat sedert de tijden van Catherina vele
duizende Bulgaarsche landverhuizers ontving, genieten zij den roep,
uitstekende landbouwers en spaarzame huisvaders te zijn, die somwijlen
niet minder werkzaam en vlijtig zijn dan de Duitsche kolonist. In
Rusland kan men het best opmerken, hoezeer zij in taal en zeden op
de Russen gelijken, hoewel zij in politieken zin niet altijd met den
grooten Czar sympathiseeren.

De woonplaatsen, dorpen en huizen, die de Bulgaren aan beide
hellingen van den, met bosschen wilde kersen-, pruimen- en andere
boomen bedekten, Balkan en van het Rhodope-gebergte, ja! in alle
bergen en dalen tot aan den voet van den Olympus, tot aan de grenzen
van Thessalië gebouwd hebben, gelijken in hooge mate op die der
Klein-Russen en Kozakken in zuidelijk Rusland. Even als daar hebben
ook zij hunne woningen half in den grond ingegraven, terwijl die
voor het overige uit leem, riet en vlechtwerk bestaan. Even als de
Kozak, bouwt ook de Bulgaar een aparten stal voor zijne paardjes,
een anderen voor zijne ossen, een anderen voor de schapen of geiten,
kippen of honden. En het geheel van zulk eene boeren-hofstede ziet
er uit als eene bonte verzameling korven van wilgentakken gevlochten,
verschillend in grootte en vorm.

Binnen deze woon- en huishoudingkorven houden zij overigens op hunne
wijze alles zeer netjes; op hunne akkers en in hunne tuinen maken zij
van ieder hoekje gebruik, om het te bebouwen en ieder plekje van eene
vruchtdragende plant te voorzien.

Even als de Russen en schier alle Slawen, trachten ook de Bulgaren
hun dikwijls treurig bestaan door gezang op te vroolijken. 's Morgens
vroeg als zij uitgaan, en 's avonds laat wanneer zij bij troepen van
het veld terugkeeren, zingen de mannen en vrouwen hunne melancholische,
eentoonige liederen, die ver over de velden klinken en dikwijls den
nacht met zwaarmoedige klanken vervullen. Ook aan het hoofd hunner
kudden, die hunne melodiën volgen, trekken zij met gezang uit. Het
instrument, waarmede zij hunne liederen accompagneeren, schijnt eene
navolging te zijn van de fluit, waarop de herders van Theokrites
bliezen. De oude Grieksche dubbel-tibia is bij de Bulgaren, zooals
ook bij de Zuidelijke-Slawen nog van dezelfde antieke gedaante. Men
beleeft in het binnenste der door hen bewoonde dalen, vlakten en
heuvelen, momenten en tooneelen, die aan het leven der herders en
herderinnen van Arkadië herinneren.

Een der merkwaardigste onder hunne antieke, nog nu bestaande gewoonten,
is de zoogenaamde "Probatimstwo" (de verbroedering). Evenals de oude
Thraciërs, bij wie reeds de Grieken deze gewoonte vonden, en van
wie de Bulgaren haar waarschijnlijk overnamen, nemen zij meermalen
een geliefd persoon als broeder of zuster aan. Een priester zegent
deze verbintenis, even als het huwelijk, in. Aan de beide vrienden
wordt daarbij, boven het graf hunner ouders, een krans op het hoofd
gezet. Zij geven elkander vervolgens den broederkus en zijn nu als
"Probatim" (bonds-broeders) voor het leven in geluk en ongeluk
aan elkander verbonden. Somwijlen verbinden zich op dezelfde wijze
geheele familiën. Deze schoone gewoonte is echter niet uitsluitend
Bulgaarsch. Men vindt ze ook bij andere Zuidelijke-Slawen.

De Bulgaarsche vrouwen behooren tot de schoonste van Turkije. Zij zijn
van eene hooge, goedgevormde, krachtige en toch uiterst fijne gestalte,
die men dikwijls, wanneer zij met golvend, met frissche bloemen
versierd haar voorbij zweven, met bewondering in dit barbaren-land
ziet. Meer dan eens is, wanneer door een Osmanli zulk eene Bulgaarsche
Helena ontvoerd werd, het geheele land in rep en roer gekomen, evenals
Griekenland toen de echtgenoote van Menelaus geroofd werd, en zijn
dien tengevolge gebeurtenissen voorgevallen, die men als eene herhaling
in het klein van den Trojaanschen oorlog zou kunnen beschouwen.

Van de mythe van Orpheus, die 1250 jaren vóór de geboorte van Christus
de dieren des wouds betooverde, en ook van meer andere dergelijke
poëtische sagen, die de Grieken bij de oude Thraciërs putten,
kan men ook onder de hedendaagsche Bulgaren sporen vinden, en tot
zulke idyllische genrebeelden als die welke Homerus en Theokrites
ons schilderen, hadden ook de Bulgaarsche dorpstooneelen aanleiding
kunnen geven, als de dagelijksche voorvallen in het land der Prinses
Nausica of onder de Sikelische herders.

Een Duitsch geleerde heeft, zooals bekend is, onze Philhellenen op
eene wreede wijze uit den droom gewekt, doordien hij hun trachtte te
bewijzen, dat de tegenwoordige Grieken geene nakomelingen der oude
Hellenen, maar hoofdzakelijk slechts Slawen waren. Wanneer men echter
in het Slawisch-Bulgarije, dingen als de bovengenoemde waarneemt, zou
men haast omgekeerd gelooven, dat zelfs de andere genoemde Slawen nog
dezelfde antieke en onveranderde tijdgenooten van Homerus zijn. Het
schijnt zelfs, dat deze oude zanger dezelfde menschen onder andere
namen voor zich gehad heeft. Is dit wellicht niet anders dan een
schijn, zoo vindt men toch in Thracië, zooals in het algemeen in iedere
andere aardstreek, zekeren geest, niet een volks- maar een landsgeest,
die zich daar zoo inheemsch gemaakt heeft, dat hij alle stammen,
die zijn land binnentrekken, aangrijpt en met zich eenvormig maakt.

Ook in de groote steden, die in het land aangetroffen werden, in
Sophia, Varna, Philippopolis enz, zijn de Bulgaren ingedrongen,
ofschoon zij daarin niet zoo den boventoon kregen als op het platte
land, waar zij _alles_ overstroomden. Geen dezer steden hebben zij
zelven gebouwd. Het zijn overoude Grieksche en Romeinsche stichtingen,
die in de algemeene Slawen-overstrooming als staan-geblevene boomen
uitsteken, en waarin de kern nog heden Grieksche burgers en nevens
hen Joden en Armeniërs zijn, terwijl als hoofd over allen een Turksch
Pascha met zijne Spahis en Trawanten staat. Zelfs in de steden,
die zooals Adrianopel en Gallipoli reeds geheel in het Grieksche
bevolkings-gebied liggen, zijn de marktkramer, de daglooner en
de mindere man Bulgaren. En zelfs Constantinopel heeft eene zeer
aanzienlijke Slawisch-Bulgaarsche bevolking.

Hier in Constantinopel was natuurlijk van ouds her, even als voor alle
volken van het groote Grieksch-Illyrische schier-eiland, zoo ook voor
de Zuidelijke-Slawen, een ruim veld ter verkrijging van rijkdommen,
invloed en macht. Vele Slawen werden hier tot den Islam bekeerd en
klommen dan dikwijls als renegaten tot hooge waardigheden op. Eenige
der in de geschiedenis der Osmanen uitstekendste ministers of
Groot-Vizieren, waren van Slawischen oorsprong, zoo b.v. Chosrew-Pascha
onder Murad IV, zoo ook de machtige Mehemed Sokolis, die als een arme
Bulgaarsche Slawe naar Stamboel gesleept, en vervolgens in den dienst
getrokken werd, wiens steun hij worden zou.

Ja, reeds ten tijde der Byzantynsche Keizers hebben zich niet
zelden zulke Slawen, van slaven of gewone soldaten, tot gekroonde
souvereinen opgewerkt. Meer dan één beroemd Oost-Romeinsch Keizer
was van Slawisch-Bulgaarsch bloed. Ook Belisarius, de gevierde held
en veldheer van Justinianus, schijnt, naar zijne geboorte en naam
te oordeelen, een echte Slawe geweest te zijn. Nog nu weet ieder de
beteekenis van het woord "Belisarius" (Beloi Czar = de witte Vorst.)

Even als naar Rusland, zoo zijn ook vele Bulgaren bij verschillende
gelegenheden naar Hongarije getrokken, en eindelijk zijn, van
Constantinopel uit, de Bulgaren ook somwijlen bij honderdduizenden
naar Klein-Azië overgeplant geworden. Maar hier, in een overzicht
over Europa, hebben wij hunne lotgevallen dáár niet te volgen.



DE SERVIËRS.


Zeer onderscheiden van de Bulgaren, zijn in geest en wezen hunne
broeders en naburen in het Westen, de Slawen van Servischen stam, die
men gewoonlijk Illyro-Serviërs of ook de Illyrische-Slawen noemt. Deze
hebben, in tegenstelling met de geduldige, arbeidzame Bulgaren, eenige
der oorlogzuchtigste en ondernemendste stammen van het Turksche rijk
voortgebracht, die tegelijkertijd de slechtste landbouwers en tuiniers
er van zijn.

Uit de Slawen van dezen stam, kwamen het eerst de bewoners van
het Vorstendom Servië te voorschijn, die in den nieuweren tijd
hunne onafhankelijkheid door eene reeks bloedige oorlogen bevochten
hebben,--de dappere Bosniaken, die eens de beste rekruten voor het
Janitscharen-korps leverden--de onbuigzame Montenegrijnen, een hoopje
bergbewoners, die van oudsher de macht der Osmanlis trotseerden. Ook
de Morlaken en Dalmatiërs, die somwijlen als zeeroovers de schrik
der Adriatische zee, en gewoonlijk ook de beste matrozen der Dogen
van Venetië geweest zijn, behooren tot dezen kernachtigen Slawenstam;
eindelijk de Slavoniërs en de, zoo al niet geheel Servische, toch den
Serviërs zeer na verwante, "Krowaten" of Kroaten, wier regimenten,
onder Hongaarsche of Oostenrijksche vanen, zich in vreemde landen
dikwijls gevreesd genoeg hebben gemaakt.

De naam "Serviër" was eens een der groote nationale- of algemeene
namen der Slawen. Even als bij de Duitschers de naam "Allemannen",
die bij de Franschen nog altijd de algemeene naam voor hen is, zoo
is de naam Serviër ook nu slechts aan eene onderafdeeling der Slawen
eigen gebleven.

De oorspronkelijke woonplaats der Serviërs en der van oudsher met hen
verbroederde en naburige Kroaten, zou aan den noordelijken voet der
Karpathen in het tegenwoordige koningrijk Gallicië geweest zijn,
en zij zouden van de daar woonachtige Ruthenen of Klein-Russen
afstammen. Thans nog duidt hunne taal, die nauw aan de Rutheensche
verwant is, hunne afkomst uit die noordelijke streken aan.

Ook de talrijke Lithauwsche uitdrukkingen, die in de Servische taal
behouden zijn, schijnen te bewijzen, dat zij van het noorden der
Karpathen, uit de nabuurschap der Lithauwsche en Finsche volksstammen
afkomstig waren.

Zij moeten in hunne tegenwoordige woonplaatsen, in de vroegere
Romeinsche provincie Illyrië, in het begin der 7de eeuw, toen daar de
Finsch-Tartaarsche Awaren heerschten, binnengerukt zijn. De Serviërs
vernietigden in die streken de heerschappij der Awaren en de hun
onderworpene oorspronkelijke bevolking, en slawiseerden het geheele
land. Hier en daar meent men echter onder hen, b.v. in de zeden en
het uiterlijk der Servische Morlaken van Dalmatië, nu nog sporen dier
Tartaarsche Awaren te herkennen.

Van af den Donau en de gebergten van Illyrië, waar zij het eerst
kwamen, drongen deze Servische Slawen door tot aan de Adriatische
Zee in de nabijheid van Venetië, en verspreidden zich vervolgens
langs de Drave en Save, tot aan de grenzen van Tyrol, Salzburg en
Opper-Oostenrijk over al de Oostelijke dalen der Alpen.

Zij verspreidden zich dus, van de noordelijke grenzen van Macedonië
en Albanië, tot in Duitschland, over een lang uitgestrekt gebied,
dat bijna even groot is als het koningrijk Pruissen, en waarin zich
nu nog 6 à 7 millioen Slawen bevinden.

Bijna geen ander Slawisch volk is in zoovele kleine onderafdeelingen,
nevenstammen en dialekten gesplitst en heeft zulke afwisselende
lotgevallen gehad, als het Illyrische of Servische. Op hun
uitgestrekt gebied ontmoeten wij eene menigte verschillende volks-
en provincienamen. De bij alle Slawen reeds sedert oude tijden in
het ooggehoudene, aan elkander hangende en verschillende onderdeden
bevattende, familie- en stam-verhoudingen, zijn bij deze Servische
Slawen nog tot op den huidigen dag onveranderd gebleven. Als hunne
dochters huwen, begeven zich naar oud gebruik de schoonzonen en
ook de zonen met hunne vrouwen, zoo mogelijk onder hetzelfde dak,
in verschillende kamertjes verdeeld. Kan men dit niet meer, dan
vestigen zij zich ten minste met der woon rondom het huis van den
familie-vader. Breidt het geslacht zich nog meer uit, dan neemt
het den akker, die het dichtst bij de woonplaats van het hoofd van
den stam gelegen is, in bezit; de oudste van den stam blijft het
hoofd van het geslacht. Zoo vormt bij hen in den regel ieder dorp,
eene enkele zich zelve regeerende familie, die met de overige wereld
en met de rijks overheid alleen door hun "Ouden," hun patriarchaal
opperhoofd, in betrekking staat. Ook de grootere staatsburgerlijke
afdeelingen en distrikten, vallen gewoonlijk met geslachts-verbindingen
en bloedverwantschappen zamen. Nagenoeg iedere familie, iedere stam
heeft zijn rivierdal, zijn bergketen, zijne afgeslotene hooge vlakte,
voor zich. In afgelegene en ontoegankelijke hoeken van het land, hebben
deze geslachten dikwijls sedert oude tijden, de Romeinen, Byzantijnen
en Turken getrotseerd en als vrye mannen hunne onafhankelijkheid
bewaard. Hoezeer het familieleven in de natuur dezer volksstammen
ingeweven is, kan men daaruit afleiden, dat bij hen, die de zee
bevaren, letterlijk elk door hen bemand schip, om zoo te zeggen eene
varende familie, eene drijvende Clan is. Van den kapitein tot den
scheepsjongen, bestaat de geheele equipage uit bloedverwanten.

Uit deze verhoudingen en neigingen zeg ik, zullen waarschijnlijk de
ontelbare stam- en volksnamen der Illyro-Servische Slawen ontstaan
zijn. Om echter over de hierdoor ontstane namenverwarring een overzicht
te hebben, mag men die stammen verdeelen in de volgende hoofdgroepen:
1) De Serviërs in engeren zin, waartoe de Slavoniërs, de Bosniaken,
de Montenegrijnen, de Dalmatiërs en de bewoners van het tegenwoordig
zoogenaamd Vorstendom Servië gerekend worden. 2) De Kroaten in Turkije
en Oostenrijk; 3) de zoogenaamde Slovenen of Wenden in Istrië,
Stiermarken en de Krain. Verscheidene omstandigheden bewijzen,
dat zij allen gezamentlijk tot ééne enkele groote afdeeling der
Slawen behooren, die hoewel in zich zelve gelijksoortig, van andere
groote Slawen-afdeelingen, de Bulgaren in het oosten en de Czechen
en Polen in het noorden, veelvuldig verschillen. Ook is er niet aan
te twijfelen, dat al de genoemde stammen met elkander sympathiseeren
en elkander als broeders van denzelfden stam beschouwen. Zelfs de
ontwikkelde Oostenrijksche officier, die aan de Drave onder Duitsche
heerschappij geboren is, begroet de halfwilde Montenegrijnen, als hij
bij hen in hunne rotsennesten komt, als zijne vrienden, en zijn hart
klopt sneller als hij hunne vaderlandsliefde-ademende gezangen hoort.

Van genoemde drie afdeelingen der Slawische Illyriërs hebben zich
de eerstgenoemden, de Serviërs in engeren zin, van oudsher als een
levendig, dapper, poëtisch en vrijheidlievend volk gekenmerkt. Zij
bezetten de landen der Dardaners, Triballers en andere wegens hunne
onhandelbaarheid reeds in de oudheid veel genoemde volken, en erfden
iets van hunne zeden en geest, waar zij niet al reeds oorspronkelijk
met hen eenigzins verwant waren.

De geheele streek, die zij bewonen, van den Donau tot aan de
Adriatische Zee, is met steile bergen en met de schoonste, aan
verschillende boomsoorten rijke, eeuwenoude wouden bedekt, waarin hier
en daar nog wolven, beeren en andere wilde dieren huizen. Tusschen
de door kastanje-bosschen omkranste hoogten, in de taal van het land
"Planina" (zooveel als: Alpen) genoemd, liggen hier en daar liefelijke,
met wateren doorsnedene, groene, vruchtbare dal- en weide-ketels of
campagnen, welke de taal des lands "Livada" noemt. Deze beide woorden
"Planina" en "Livada," die de reiziger overal in Servië ontmoet,
geven op de duidelijkste wijze het karakter aan, der door de Servische
stammen bewoonde streken.

Even als de oude Triballers en Dardaners, daalden de Serviërs in
vroegere tijden van hunne bergen af en maakten, even als de Bulgaren,
verwoestende tochten naar het zuiden, tot in den Peleponnesus. De
eerste eeuwen hunner geschiedenis zijn eene aaneenschakeling van
onafgebrokene oorlogen met de naburige Bulgaren en met de Byzantijnsche
Keizers, wien zij wel dikwijls nood en gevaar brachten, maar van
wie zij af en toe ook afhankelijk waren. Het toppunt hunner macht
bereikten zij in de 14de eeuw. Toen hadden zij de geheele Oostelijke
helft van Illyrië tot één koningrijk vereenigd. Ja! een korten tijd
(1336-1356) behoorden tot dit Servische Koningrijk zelfs ook Macedonië
en verscheidene provinciën van Griekenland. Dat viel voor onder de
regeering van den Servischen Kraal (Koning) Stephanus Dushan, die dien
tengevolge ook den weidschen titel van "Keizer van het morgenland"
aannam. Maar van dit toppunt hunner macht, gingen de Serviërs weldra
een snellen val te gemoet.

De Turken vielen Europa binnen, leverden in het jaar 1389, aan de
Serviërs en de met hen verbondene Hongaren en Wallachijers, den slag
op het Amselveld, een der "Livadas" of dalketels in Boven-Servië,
dat zoo dikwijls met bloed gedrenkt is geworden.--En sedert dien tijd
waren de Serviërs de--wel is waar niet zeer gehoorzame--onderdanen der
Turken. Nog heden ten dage staat hun de herinnering aan dien slag op
het Amselveld, waarin hun Koning, hun adel, hunne geestelijkheid, de
bloem van hun volk, hun geheel nauwelijks ontstaan rijk, door de Turken
vernietigd werd, levendig voor den geest. Deze tragische gebeurtenis is
het groote nationale-ongeluk van den Servischen stam. Hunne volkspoëzie
dwaalde sedert dien tijd treurig en klagend langs de grafheuvelen van
het "Amselveld," zooals omgekeerd de natie vol verlangen blikt, naar
het toppunt hunner vroegere macht, onder dien zoogenaamden "Keizer"
Stephanus Dushan, als naar het doel, dat zij zich voorstellen eens
weder te bereiken.

Tot nu toe echter is hun op dien weg niets verder gelukt, dan de
grondvesting van het kleine Vorstendom Servië in het dal-labyrinth der
rivier Morawa, en die van dien merkwaardigen kleinen roofridderstaat
op de ontoegankelijke sombere rotstoppen van Tschorna-Gora of
Montenegro (Zwarte berg), waar een oorlogzuchtig bisschop, met eene
uit despotismus en republikanismus gemengde regeeringswijze, eene
heldhaftige gemeente bestuurt en met de zijnen een leven leidt, dat
letterlijk in alle bijzonderheden reeds bij Homerus bekend schijnt
geweest te zijn, die het, in zijne schilderingen der roofzuchtige
Phacaken en hunnen Koning, schijnt bezongen te hebben.

De Serviërs waren, toen zij naar Illyrië kwamen, heidenen, maar weldra
werden zij, even als bijna alle Zuidelijke en Oostelijke Slawen,
door de Byzantynen gedoopt en voor de Grieksche Kerk gewonnen. Het
grootste gedeelte van het volk omhelst dit geloof, dat hen ook
weder met hunne stamgenooten, de Russen en Bulgaren, verbond, nog
ten huidigen dage: slechts bij één stam der Serviërs, de Bosniaken,
is het den Turken gelukt, aanhangers voor den Koran te winnen. De
trotsche en rijke adel der Bosniaken ging bij de Turksche verovering
tot den Islam over, om onder de nieuwe heerschappij hunne privilegiën
en hun landbezit te waarborgen. Hun voorbeeld werd door de gilden en
kooplieden der Bosnische steden om dezelfde reden gevolgd. En zoo
vormen de Bosniaken, tot groot verdriet der Servische patriotten,
midden in Illyrië een Slawischen stam, waarvan de hoogste klassen,
wel niet Turksch, maar toch Mohamedaansch, en wel zooals gewoonlijk
de renegaten, fanatiek Mohamedaansch geworden zijn. Al de door de
Turksche Keizers in den laatsten tijd goedgevondene nieuwigheden en
hervormingen, hebben bij de Bosnische aanhangers van den profeet op
hardnekkigen tegenstand gestooten. Ofschoon zij grootendeels hunne
oude Slawische taal gehouden hebben, ofschoon hun Mohamedanisme met
een weinig christelijks vermengd is--(de muzelmansche edellieden
van Bosnië vieren nog in hunne familiekringen, de oude feesten
der door hunne christen-voorvaderen vereerde beschermheiligen, een
St. Elias- een St. George- een St. Petrus feest; laten somwijlen
door christen-popen bij de graven hunner vaderen bidden, betalen
ook nog missen voor hunne zielen)--ofschoon verder een eigenlijk
Osman nauwlijks in hun land te vinden is--(de Sultans moeten, in den
regel, in het land geboren Slawische edellieden tot gouverneurs der
provincie maken, en was de uit Stamboel gezonden Vizier een Osman,
dan moest hij zich wel wachten zijne citadel bij Trawnik te verlaten,
en mocht hij zelfs in de hoofdstad van het land, Bosna Serai, niet
langer dan drie dagen vertoeven,) zoo hebben toch deze fanatieke en
oorlogzuchtige Bosniaken, dikwijls zelfs tegen den Sultan zelven,
in naam van Mohamed en de oude Turksche instellingen, hunne vanen
ontplooid.--Men heeft hen wel eens "_de Vendeërs van Turkije_" genoemd.

Van oudsher leverden zij den Sultan mede zijne beste troepen, en de
Janitscharen, die Mahmoed II in de eerste twintig jaren dezer eeuw met
het zwaard en de bijl vervolgde en uitmoordde, waren voor een groot
deel Slawische Bosniaken. Zij zijn ook tot in den laatsten tijd, meer
dan eenmaal tegen hunne christelijke, maar door hen verachte en met
hoogmoed behandelde, stambroeders in het Vorstendom Servië te velde
getrokken, en hebben zij gedreigd de vrijheden, door den Sultan dit
rijk toegekend, te vernietigen.

Tot aan de Adriatische zee, tot aan de sedert oude tijden Dalmatië en
Liburnië genoemde kustlanden, drongen de gezamenlijke Servische stammen
door, en zelfs hebben zij al de tallooze rots-eilanden en klippen, die
langs de oostzijde van die zee liggen, met hunne geslachten bezet. Daar
vonden zij eene reeks oude, bloeiende, Romeinsche handelsteden:
Rausium of Ragusa, Salona en andere. Ook in deze steden, zelfs in
het oude groote paleis van Keizer Diocletianus, dat binnen zijne
vervallen muren eene geheele gemeente, de stad Spalatro opnam, drongen
de Servische Slawen door, en vulden ze zoowel met hunne burgerlijke als
adellijke geslachten. De in de middeneeuwen zoo bloeiende en beroemde
republiek Ragusa was eene Servische gemeente. Men heeft haar wel eens
"het Servisch Athene" genoemd, en hare patricische geslachten zoeken
nog heden de wortelen hunner stamboomen, in de Planinas en Livadas
van Bosnië en Servië. Van oudsher echter was deze kust, langs de
Adriatische zee, aan de invloeden van Italië blootgesteld. Ten
tijde der Romeinen voerden natuurlijk Romeinsche taal en zeden den
boventoon. Sedert de 10de eeuw tot op den nieuwen tijd stond zij onder
de heerschappij der Dogen van Venetië. De daar woonachtige Slawen
werden dien ten gevolge een weinig geitalianiseerd, en vermengden zich
met, door hen uitgenoodigde, Italiaansche familiën. De ontwikkeldsten
onder hen spreken, nu onder Oostenrijksche heerschappij, in den regel
beide talen, zoowel de Italiaansche handels- en literatuur-taal,
als die der Slawische boeren.

Aan deze zeeoevers vestigden zich dan ook de Servische bergvolken,
zooals ik reeds gezegd heb, op schepen. Zij werden hier zulke
ijverige en geschikte matrozen,--eerst zeeroovers, vervolgens als
koopvaardijvaarders in dienst der republieken Venetië en Ragusa,--even
als hunne voorgangers, de bij de Romeinen beroemde Liburniers geweest
waren. De _Riva dei Schiavoni_ (de oever der Slawen) in Venetië,
is naar hen zoo genoemd. Ook verschijnen de Slawen nog heden ten
dage, evenals vroeger in de haven en op de markt van Venetië; ook
nu nog is het meerendeel der scheeps-kommandanten en matrozen der
Oostenrijksche oorlogsvloot van den stam der Kust-Serviërs, of zooals
zij zichzelve noemen "Morlaken" (van _mora_, d.i. zee).--Verscheidene
der Servische familiën drongen ook bij den Venetiaanschen adel in,
en hunne geitalianiseerde Slawische namen staan in het _libro d'oro_
van Venetië opgeteekend. Evenals onder de adellijken der republiek, zoo
vond men ook onder de schilders der Venetiaansche school, somwijlen een
man van Slawische afkomst. Ik wil aan den bekenden _Nicolo Dalmata_
(Nikolaas de Dalmatiër) en _Medola Schiavone_, gewoonlijk alleen
_Schiavone_ (de Slawe) genaamd, herinneren. Ook verspreidden zich de
Serviërs, van uit de Adriatische zee, vroeger nog over vele deelen
der wereld. Zij kwamen als matrozen in dienst der Napolitaansche
koningen, en men vindt hen nog heden ten dage naast de Italianen in
alle havens der Middellandsche Zee; ja zij hebben zelfs in Amerika,
b.v. in New-Orleans aan den Mississippi, kleine koloniën gesticht.

De noordwestelijke broeders en naburen der eigenlijke Serviërs, de
_Kroaten_, drongen nog dieper de landen der West-Europeesche volken
in. Zij werden allen, zelfs die, welke in het zoogenaamde Turksche
Kroatië, het westelijkst uiteinde van het Turksche rijk wonen, tot
den Roomsch-Katholieken godsdienst bekeerd. Onder hen vindt men noch
Mohamedanen, noch Grieksche Christenen, of ten minste slechts zeer
weinige. Ook de Kroaten hebben evenals de Serviërs, eens een tijd van
bloei gekend, en vormden in de 10de eeuw onder hunne eigene Vorsten
een eigen, niet zoo heel klein koningrijk. Maar deze Kroatische
bloei duurde nog korter dan die der eigenlijke Serviërs. Reeds in
het jaar 1091 werden de Kroaten door de Magyaren overweldigd, en na
dien tijd deelden zij bijna altijd de lotgevallen van dit volk, als
een aanhangsel van Hongarije. Slechts een klein gedeelte werd aan de
Turken onderworpen en is het nog heden. De naam van hun koningrijk,
figureert nog heden onder de titels van den Keizer van Oostenrijk en
Koning van Hongarije. Men kan zeggen, dat zij de Janitscharen van
Hongarije en Oostenrijk geweest zijn, evenals de Bosniaken die van
Turkije waren.

Kroaten en Serviërs mochten in den aanvang, van hunne bergachtige
landen in Illyrië uit, noordwaarts langs den Donau en door de vlakten
van Pannonië, zich verbreiden en vastnestelen, maar later bestond
in hun onrustig, door de Turken steeds onderdrukt en aan bloedige
opstanden rijk vaderland, reden genoeg tot landverhuizing. Reeds in
het jaar 1427 stond de despoot van Servië, George Brankowitsch, aan
Koning Sigismund van Hongarije, de hoofdstad van Servië, het beroemde
Weisenburg (Belgrado) af, en verkreeg hij daarvoor in Hongarije
verscheidene landstreken, waarheen zijne onderdrukte landgenooten zich
bij duizenden met der woon vestigden. Deze landverhuizing herhaalde
zich ook bij verscheidene volgende gelegenheden, en zelfs in de twee
laatste eeuwen hebben zich gedurende den bloei der Oostenrijksche
macht, herhaalde malen groote scharen Serviërs, Bosniaken en Turksche
Kroaten, naar het Oostenrijksche gebied begeven, en zetten zij zich
in de groote uitgestrektheden van het Magyaren-land neder, vooral
in die streken aan de zuidelijke Theiss en den Donau, die onder
de Turksche heerschappij van hunne andere oorspronkelijke bewoners
ontbloot waren. Buitendien heeft ook zelfs in tijden van vrede, eene
voortdurende verhuizing uit het land der Serviërs naar Hongarije
plaats gevonden. Van daar komt het, dat wij niet alleen Slavonië en
de Oostenrijksche Militaire-grenzen, maar ook het zoogenaamde Banaat,
het vruchtbare landschap aan de Theiss, en verscheidene andere streken
langs den midden-Donau, vol Servische koloniën vinden. De uiterste,
iets grootere kolonië der Serviërs ligt aan den Donau, deels boven,
deels beneden Pesth. Een kring Kroatische dorpen loopt langs de
westelijke grens van Hongarije, en aan den voet der Stiermarksche
Alpen, hoog naar het noorden toe; en de uiterste Kroatische koloniën
liggen in eene kleine groep aan het Neusiedler-meer, niet ver van
Weenen, bij elkander.

Evenals naar de Adriatische zee, zoo hebben deze nakomelingen van
den Servischen stam, zich ook te scheep naar den Donau begeven, en
zijn zij hier een der belangrijkste scheepvaart- en handels-volken
geworden. Zij hebben bijna over de geheele rivier, van Pesth tot aan
Belgrado, den voor handel en scheepvaart weinig geschikte Magyaren,
dat werk afgenomen. Zij vervoeren hier tot ver naar Hongarije toe,
de voortbrengselen van hun eigen vaderland, voornamelijk die bij de
Mohamedanen en Joden zoo weinig in aanzien zijnde dieren, die den
overleden Vorst van Servië, Milosch, zoo rijk gemaakt hebben. Zij zijn
natuurlijk hoofdzakelijk de vervoerders van die dieren langs de Save
en Drave. Men noemt de uit Servië overgekomene schippers en kooplieden
in Hongarije, gewoonlijk "Razen" en hunne groote schepen op den Donau
"Razina's" naar het land der Raiszen of Rasziërs, dat de naam eener
Servische provincie is. Uit deze en andere Servische elementen,
heeft zich letterlijk bij iedere der Hongaarsche Donausteden,
eene door Servische schippers, werklieden, kramers en handwerkers
bewoonde, zoogenaamde Razen-stad gevormd, even zooals sommige onzer
steden eene bepaalde Joden-wijk hebben. Het laatste dergelijk Razen-
of Serviërs-kwartier in noord-westelijke richting vindt men in Weenen
zelf, terwijl het uiterste in omgekeerde of in zuid-oostelijke richting
in Constantinopel gezocht moet worden. De gezamelijke Slawische
bevolking van zuidelijk Hongarije is, van af Pesth, als voornamelijk
Servisch te beschouwen, en hun aantal in Oostenrijk, met inbegrip der
Slavoniërs, Kroaten en der Servische bewoners der Militaire grenzen
en der zoogenaamde Woiwodina, bedraagt nagenoeg 3 1/2 millioen.

Het westelijk gedeelte van den grooten stam der Zuidelijke-Slaven,
bestaat uit de _Slowenzen_ of _Winden_ in Karinthië, Krain en
Stiermarken. Ofschoon de geschiedenis van den inval dezer Winden in
het duister ligt, zooveel is toch zeker, dat hunne taal een dialekt is
der Servische en Kroatische, en dat zij tot dezen zuidelijken, niet
tot den noordelijken Slawenstam der Czechen en Polen, moet gerekend
worden. Dit wordt ook bevestigd door den toon en het karakter hunner
volks-poëzie, die weinig overeenkomst met die der Czechen heeft. Zij
verraadt eene geheele andere wijze van beschouwing en uitdrukking dan
deze, en bezit, even als de Servische, iets zeer tragisch. Veel van
haar is geheel en al Servisch, vooral in de liederen, die het gebied
der geschiedenis en van het nationaal verleden betreden, en die op
volkssagen van smartelijken en beteekenisvollen inhoud berusten.

Reeds Karel de Groote deed in de 9de eeuw dezen, het Germaansche gebied
al te diep binnengedrongenen, Slawen den oorlog aan, onderwierp hen
en verdeelde hun land in grensmarken; na dien tijd zijn zij bijna
altijd aan de Duitschers onderworpen geweest. Hun adel verloor zich
in dien der Duitschers, en de burgerij der steden van hun land heeft
zich geheel uit Duitsche elementen ontwikkeld; zij zelven zijn niet
anders dan de herders, land- en wijnbouwers van hun land. Nu reiken
deze westelijkste der Zuidelijke-Slawen, niet verder dan tot aan het
Venetiaansche, tot aan den Isonzo en de hooge Alpentoppen van den
Terglou of Triglowa, een Slawische naam die "driehoofdig" beteekent,
en tot voorbij Klagenfurt. Aanvankelijk echter waren zij nog verder
vooruitgedrongen, tot in de dalen aan den Grosz-Glöckner en tot aan
Tyrol en Opper-Oostenrijk.

Maar hier heeft de terugslag van hetgeen in Duitschland gebeurd
was, hunne macht geknot. In Tyrol, Salzburg, Opper-Oostenrijk en
in de Noordelijke deelen van Stiermarken en Karinthië, zijn alle
Slawische elementen door het zegevierende Duitsche element, weder
geheel verloren geraakt.

Waarschijnlijk heeft de geographische ligging van de gezamenlijke
Zuidelijke-Slawen, de omstandigheid dat zij tot aan de spits van
de Adriatische zee, dit merkwaardig historisch- en geographisch
keerpunt in den geledingbouw van Europa, opgedrongen werden, het
meest er toe bijgedragen, dat zij zulke verschillende lotgevallen
gehad hebben. Even als de Slawen, zoo streefden ook de Italianen,
de Duitschers, de Hongaren en de Turken, naar dit natuurlijk en
gewichtig grens- en hoekpunt, en de zwakkere, de reeds van nature
verbrokkelde Slawen werden daarbij geheel uit elkander gejaagd en
vernietigd. Eenige werden, zooals reeds gezegd is, gegermaniseerd,
terwijl andere een Italiaansch waas kregen. Eenige werden door
Hongarije geannexeerd en andere met Tartaarsche en Turksche elementen
vermengd. Ook verdeelden zij zich naar hunnen godsdienst, en dit bracht
veel verschil en tweedracht onder hen te weeg, in drie soorten. Eenige
volgden, zooals bereids gezegd is, den Islam, andere den Paus en
weder andere den Griekschen Patriarch.

Ten slotte wil ik hier, zooals ik reeds aanduidde, nog een
volk vermelden, dat wel in taal en afstamming weinig met de
Zuidelijke-Slawen gemeen heeft, maar waarvan de beschrijving toch
daarom, het gemakkelijkst met die der Slawen kan verbonden worden,
daar zij naburen er van zijn, met hen een gelijk lot deelden, en,
zoo al niet in het bloed, dan toch in de zeden er veel gelijkheid mede
hebben,--en eindelijk, daar het een overblijfsel schijnt te zijn van
dien verspreiden, ouden, Illyrischen volksstam, die vroeger een groot
deel der nu door de Zuidelijke-Slawen bewoonde landen bevatte, en in
wiens grondeigendom de Slawen binnen rukten. Ik bedoel de in de geheele
wereld om hunnen oorlogzuchtigen geest beroemde Albaneezen of Arnauten,
die zich zelve echter "Skypetaren" (de kinderen der rotsen) noemen.

De "Albaneezen" of de "witte mannen" (naar de beteekenis
der Oosterlingen, die al het koninklijke en zelfstandige wit
noemen: de _vrije onafhankelijke menschen_), nu nagenoeg anderhalf
millioen zielen sterk, bewonen, als oude oorspronkelijke bewoners,
de noord-westelijke helft van het Grieksche schiereiland, of een
stuk van zuidelijk Illyrië en het oude landschap Epirus, dat van de
noord-oostelijke helft (Thessalië en Macedonië) door den bergketen
van den Pindus gescheiden wordt.--Zooals Thessalië tusschen den
Pindus en den Archipelagus ligt, zoo strekt zich Albanië of Epirus
uit tusschen den Pindus en de Jonische zee. Het land is vol woeste,
steenachtige en dikwijls met sneeuw bedekte bergen, waartusschen zich
vriendelijke en welige, met wijngaarden, oranje- en vijgeboomen gevulde
dalen en enkele meeren--hier en daar langs de rotswanden vette weiden
en hoogst vruchtbare, fraaie landstreken bevinden, waarvan een aan
den voet van den Pindus, tegenwoordig nog, even als in de oudheid,
de Elyzeesche velden genoemd wordt. Aan een dezer meren lag het,
bij de Grieken zoo hoog in aanzien staande, heilige eikenwoud van
Dodona. Maar een sterk contrast met deze kleine lachende paradijzen,
vormen de veel talrijker schrikwekkende landschappen, wier donkere
bergkloven het land als met voren doorsnijden, en waarin de Grieken de
ingangen tot de onderwereld, een Erebos en Acheron plaatsten; ook de
onbeschrijflijk woeste, doorgevretene en doorboorde rots-labyrinthen
waarvan een, reeds door de ouden uitgescholden werd als: "_infames
scopuli Acrokeraunii_", die met dreigende klippen in de Adriatische
zee uitspringen.

De stammen, die deze bergachtige wildernissen, dalen en zeekusten
bewoonden, waren van de vroegste tijden af om hun wilden geest en
hunne oorlogzuchtige gewoonten beroemd. De Mirmidone Achilles, de
meest woeste der Troyaansche helden, werd in de nabijheid van dit
land geboren. Naar de schildering, die Homerus ons van zijne kracht
en ruwe dapperheid geeft, schijnt hij een echte Albanees geweest te
zijn. In lateren tijd kwam de heldhaftige koning Pyrrhus met zijne
Palikaren van daar naar Italië, om Rome schrik in te boezemen. Een
dergelijk Palikaren-opperhoofd, de veel geprezen George Kastriota
of Skanderbeg, kwam uit de Acherontische kloven te voorschijn, toen
in de 15de eeuw de Turken dit bergvolk wilden onderwerpen, wat hun
echter nimmer geheel gelukt is. En ook weder in onzen tijd hebben
wij daar een derden Pyrrhus, den vreeselijken Ali Pascha van Janina,
uit een geslacht der Albanesche "Tosken", de macht van den Sultan
zien trotseeren. Van af Achilles tot op onze dagen heeft dezelfde
sombere geest, in dit van eeuwig wapengekletter weergalmend land,
dezen, zooals Lord Bijron het noemt, "_rugged nurse_ of _savage men_"
bestaan, en steeds heeft daar dezelfde over-oude volksstam, hetzelfde
nationale-type, dezelfde taal geheerscht. Zelfs de alles in zijn
stroom medesleurende volksoverstrooming der Slawen, die slawiseerend
tot aan den Peloponnesus doordrong, is deze stevige rotsmannen voorbij
gestroomd en heeft hen, als de oude wortelen van een eik, die eens
zijne takken wijd uitspreidde, als de overblijfselen van een ouden
burg, in de gebergten laten zitten.

Wat hun uiterlijk betreft, verschillen deze Arnauten zeer van hunne
naburen de Slawen, de Walachijers en de Nieuw-Grieken. Het zijn meestal
menschen van eene hooge gestalte en van een krachtigen, gespierden
lichaamsbouw, met langen hals en gewelfde borst. Hunne gelaatstrekken
reeds, verraden de moedige, nimmer door slavernij getemde, mannen. Zij
hebben in den regel het type van het Indo-Germaansche ras, waartoe
zij, zooals nog onlangs een geleerde uit hunne taal heeft bewezen,
behooren, ofschoon dit vroeger in twijfel getrokken werd. Hunne
vrouwen staan in schoonheid en uitdrukking bij de mannen niet ten
achter. De gestalte en de gang dezer Albaneesche Amazonen hebben
iets statigs, iets gebiedends. Hunne rijke, smaakvolle kleeding
draagt er niet weinig toe bij, den Albaneezen iets schilderachtigs
en indrukwekkends te geven. Het is dezelfde kleeding, die uit honderd
ellen linnen zamengevouwene Tristanella, het over de borst geworpene,
engsluitende met goud geborduurde "Sjelleck" (vest), de roode met
afhangende zijden kwasten voorziene hoofdbedekking (Fes), die in den
nieuweren tijd als de nieuw-Grieksche kleederdracht, in geheel Europa
bij iedereen bekend is. Zij mag bij de Arnauten oorspronkelijk en
van dezen op de Nieuw-Grieken overgegaan zijn.

In hun vaderland leven zij, evenals de Serviërs, in talrijke clans en
geslachten verdeeld, die in nimmer eindigende bloedwraak onder elkander
in vijandschap leven en die somwijlen, als een machtige vijand hen
van buiten bedreigde, als een eenig man opstonden. Verscheidene dezer
stammen, b.v. de moedige Chimarioten in de Keraunische bergen, en hunne
buren de Mirditen (d.i. de dapperen) hebben in alle tijden, evenals de
Montenegrynen, hunne onafhankelijkheid van de Turken bewaard. Ook de
door de heldhaftige verdediging van hun rotsdal, over de geheele wereld
beroemd geworden Sulioten, waren van Albaneeschen stam. Deze nooit
onderworpen geworden stammen dragen den trotschen naam van "Armatolen"
(wapenbroeders). Daar zij altijd tot den dood bereid moeten zijn,
òf om hem te ontvangen òf om hem te geven, zoo zijn zij altijd, zelfs
bij hunne vreedzaamste bezigheden en werkzaamheden, tot aan de tanden
toe gewapend, en Ceres wandelt in hun land met de speer en het schild
van Minerva rond, en zelfs Endymion hult zich in het pantser van Mars.

Deze menschen, die even vlugge en stoute bergbeklimmers zijn als onze
Zwitsersche en Tyroler Alpenjagers, wonen even als de Kaukasische
volken, in sombere woningen, die veel weg hebben van holen en sterk
zijn als vestingen; zij schijnen eer uit steenblokken _opgeworpen_ dan
_gebouwd_ te zijn, en zijn, in stede van met vensters, met schietgaten
voorzien. Ook is hun land met eene menigte kleine, eenzame wachttorens
bedekt, die boven alle rotskloven uitsteken, en van waar uit de
bewoners, als uit arendsnesten, iedere beweging op het land kunnen
waarnemen. Op de bergen zijn zij schaap- en geitehoeders, ook hebben
zij uitstekend hoornvee, terwijl zij in de dalen zich op den wijnbouw
en op de verbouwing van maïs en ander graan toeleggen. Zwijgt voor eene
enkele maal hier en daar in een dal of op een berg het krijgsrumoer,
en rust de wraak en de haar vergezellende angst, dan kan men in zulke
tijden in dit wilde land, ook ten volle de bekoorlijkheid van een
idyllisch landleven genieten, vooral wanneer de schoone epirotische
boerinnen, met meirozen versierd, het bosch intrekken, om daar de
bruiloft van Flora en de lente met dansen te vieren. Wanneer echter
de Sultan of zijn Pascha soldaten noodig heeft, en groote sommen
uitlooft, dan dalen de Arnautische "Bulukbaschis" (de opperhoofden
der stammen) van de bergen, werven ieder naar zijne kracht en naar de
hoeveelheid van het handgeld, dat geboden worden kan, eene meerdere
of mindere massa jeugdige herdersknapen en voeren deze hunne "Buren"
("pleegkinderen") zooals zij ze noemen, buiten het land ten oorlog.

Wien zij zich verkocht hebben, hetzelfde wie hij is, dien dienen
zij dapper en trouw. Zoo vindt men deze landsknechten van het Oosten
onder de vanen van den Sultan, in de serails van Bagdad en Kaïro, in
de zalen der Moldavische Hospodars; korten tijd geleden nog bij de
Pauselijke lijfwacht, in het Koninklijke slot te Napels, ja! zelfs
onder de trawanten der gebieders van Tunis en Tripoli, waar zij
meer dan eenmaal de Deys onttroonden en aanstelden, en eindelijk
voor de poorten van het paleis van den Keizer van Marocco. Van hunne
jeugd af met wapens spelende, en vertrouwd met het gebruik van hun
lang geweer, dolk, yatagan en pistolen, zijn zij reeds uitstekende
schutters en krijgslieden vóór zij hun dorp verlaten, en derhalve
overal als soldaten en trawanten welkom.

Moedig en onder luid geschreeuw, storten zij zich in ongeordende hoopen
op den vijand, en zijn zij gewoon te overwinnen. Hun oorlogsmarsch
"Brokovalas" genaamd, die reeds de strijdmakkers van Skanderbeg bij
het begin van den strijd zongen, en die wellicht afkomstig is uit de
tijden van Koning Pyrrhus, moet een verschrikkelijken indruk maken,
en is dikwijls genoeg de schrik van het Oosten en van het Westen
geweest. In hun eigen vaderland aan een vermoeiend leven gewend en
weinig behoeften kennende, achten zij de vermoeienissen der marschen en
van het oorlogsleven gering. Schielijk voldaan, matig en werkzaam, zijn
zij op reis met wat gekookte rijst of groenten tevreden. Gezang en dans
zijn hunne uitspanningen, en men ziet haast nooit een hoop Albaneesche
soldaten zonder een mandoline-speler of zanger. Bovendien hebben zij
nog dikwijls een snaakschen verteller bij zich. Bij buitengewone
gelegenheden of op hooge feestdagen wordt hun eene "Kotsche" (een
gebraden geit) of een schaap opgedischt, die nog juist op dezelfde
wijze klaar gemaakt en gebruikt worden, als zulks door Homerus wordt
beschreven. Het geheele dier namelijk wordt met zijn huid, aan een uit
het bosch gesneden braadspit gebraden en in zijn geheel opgedragen,
vervolgens wordt het door Odysseus (ik bedoel den Bulukbascha) in
stukken gesneden, hij verdeelt de dampende stukken en het vet onder
de aanzittende "buren," naar gelang van hunnen rang. Deze doorsteken
het met hunne dolken en gebruiken het onder ongedwongene vroolijkheid.

Overigens is de soldaten-kaste niet de eenige stand bij dit volk. De
ietwat gehelleniseerde Albaneezen in de steden van het land, leggen
zich met vlijt en goed gevolg op de handwerken toe. Velen van hen
trekken dikwijls als metselaars geheel Turkije door, en helpen de
plaatsen weder opbouwen, die hunne landslieden, de oorlogzuchtige
herders, verwoestten. Ook als slachters zijn de Albaneezen wijd en
zijd in Turkije bekend.

Zij hebben echter ééne kunst, die hun in het bijzonder eigen schijnt
te zijn. De in Turkije beroemde kunst der "_Suterazzi_" (bronmeesters)
stamt af uit Albanië. Deze waterkunstenaars komen uit de dalen van
Albanië, om de steden van het Oosten van frisch bronwater te voorzien,
bronnen te graven, aquaducten te bouwen, baden aan te leggen. In
Constantinopel, welke stad zij met dergelijke aquaducten omgeven
hebben, hadden zij groote gilde-voorrechten en privilegiën, en in alle
provinciën van Turkije vindt men sporen van hunne werkzaamheid. Zonder
wetenschappelijk ontwikkeld te zijn, verstaan de Albaneezen de kunst,
zeer spoedig en zeer juist de hoogte der bergen, den afstand der
plaatsen, de terreinvoordeelen van iedere plaats te beoordeelen. Zij
maken daarbij gebruik van zekere technische handelingen, die zij van
hunne voorouders overgenomen hebben, en die zij steeds onveranderd,
zonder ze verder te volmaken, behouden hebben. Hunne dikwijls 5 tot
10 mijlen lange waterleidingen, waarvan het verval zeer goed berekend
is, zijn zoo aan elkander gelijk, dat men die van gisteren nauwelijks
onderscheiden kan van die, welke voor 2000 jaren opgericht werden,
even weinig als men het onderscheid zien kan tusschen de verschillende
werken, die de bevers sedert het begin der wereld bouwden.

Ook als landbouwers hebben zich vele Albaneezen over de naburige
provinciën verspreid. Zij hebben aan de hellingen van den Helicon in
Boeötie kleine dorpen gebouwd; men vindt ze bij Athene en Attika en
zelfs over den Peleponnesus verstrooid, waar zij zich reeds in het
einde der middeneeuwen als hulptroepen der vele kleine tyrannen en
Hertogen, waaronder Griekenland na de verovering van Constantinopel,
onder de kruisvaarders zuchtte, verbreidden; waar zij ook later
dikwijls weder bij verschillende gelegenheden eigendommen verwierven,
wanneer zij op aanzetten van Turksche Pascha's, de oproeren der Grieken
onderdrukten en het veroverde land onder elkander verdeelden. En
ofschoon velen hunner, die den Islam aanhingen, gedurende de Grieksche
omwentelingen uit Arkadië en Lakonië verdreven zijn, zoo zal toch
nu nog een derde gedeelte der boeren-bevolking van het Grieksche
koningrijk, Skypetarisch of Albaneesch zijn. Bij een groot gedeelte
der Grieksche landlieden (niet der steden) is zelfs het Albaneesche
de eigenlijke huis- en familie taal.

Zij zijn ook eenige eilanden van den Archipel binnengedrongen,
en zoo beroemen zich de heldhaftige Hydryoten en Spezzioten, die
zich in de Grieksche omwentelingen zoo beroemd hebben gemaakt, van
Arnautisch bloed te zijn. De zoogenaamde Grieksche opstand, waaraan
het Nieuw-Grieksche koningrijk zijn bestaan te danken heeft, is in
zekeren zin ook een Albaneesche geweest.

Daarentegen zijn ook omgekeerd weder vele Grieken over het oude
stamland der Skypetaren verbreid. Men treft ze daar in alle steden,
voornamelijk in de zuidelijke gedeelten van het land, het oude Arkadië
en Epirus in engeren zin. Het zuidelijke Epirus is in hooge mate
vergriekscht, en heeft onder anderen ook het geloof, en den ritus
der Grieksche kerk aangenomen, terwijl de Arnauten, in het midden van
het land, tot den Islam toetraden, en de bewoners van het noordelijk
gedeelte van het land door Roomsche zendelingen voor de katholieke
kerk gewonnen zijn. Ook de tegenwoordige kerkelijke verdeeldheid
der Arnauten schijnt op zeer oude onderscheiden en verhoudingen te
berusten. Want men kan opmerken, dat de Grieksche kerk nu juist zoover
heerscht als ook reeds in de oudheid door de klassieke schrijvers,
het oude Epirus als half vergriekscht, als eene mengeling van Hellenen
en barbaren, aangegeven wordt.

In de noordelijke gedeelten van Turkije, in de Illyrische provinciën
Servië, Bosnië enz., vindt men van de oude Illyriërs, de voorvaders
der Albaneezen, nu niets meer, dan eenige oude plaats-, rivier- en
bergnamen, die nog getuigen van de vroegere groote verbreiding van
dezen volkstak.

Even als de oude Epirotische Koning Pyrrhus, zoo zijn ook zijne
latere nakomelingen, dikwijls weder over de Adriatische Zee naar
Italië getrokken. Het bovengenoemde Albaneezen-opperhoofd, de
beroemde Skanderbeg, ondernam eens een tocht naar Italië, die zeer
veel overeenkomst had met dien van Pyrrhus. Ook bezitten wij nog
een, in het Italiaansch geschreven, brief van dezen Skanderbeg,
waarin hij zich zelven met Pyrrhus en Alexander den Groote
vergelijkt, en tracht te bewijzen dat de Albaneezen, de hun door
de Italianen gegeven scheldnamen niet verdienden, maar veel eer
edele afstammelingen der edele voorvaders, der oude Macedoniërs en
Epiroten, waren. De oorlogen en invallen der Turken in Albanië,
hebben bij verschillende gelegenheden, vele der Akrokeraunische
rotsbewoners naar de zee gedreven, en deze hebben een asyl gevonden
bij den Paus te Rome, vooral echter in het koningrijk Napels, waar
zij in Calabrië en Sicilië tegenwoordig nog in verscheidene dorpen als
landbouwers wonen. Verscheidene der naar Italië gevluchtte Albaneesche
familiën, kwamen daar tot roem en aanzien, zoo b.v. de doorluchtige
vorsten-familie Albani, die in de 15de eeuw naar Rome kwam, en aan
het Pauselijke hof zooveel Kardinalen, aan de _wereld_, aan Paus
Clemens XI en de kunsten, den beroemden schilder Frans Albani en de
prachtige villa Albani leverde.

Turksche en andere woelingen voerden eindelijk ook eene kolonie van
dit merkwaardige volk naar Oostenrijk. In het jaar 1740, trokken
verscheidene duizende Albaneezen van den stam der zoogenaamde
"Clementi," in het gevolg van den Servischen Patriarch Arsenius
Ivannowicz naar Hongarije. Zij bouwden daar, in de nabijheid van
Belgrado aan de Save, verscheidene groote, fraaie dorpen, en leven nog
heden onder den naam "Clementijnen" midden onder Magyaren en Serviërs,
hunne zeden en gebruiken getrouw blijvende, onder bescherming van
een Duitsch vorstenhuis.



DE WALACHYERS OF ROMAENEN.


Het klinkt als een sprookje, wanneer men zegt, dat in den tijd, toen
het machtige Romeinsche rijk, als de toren van Babel, ineenstortte
en zich in verscheidene kleinere staten en volken oploste, een
overblijfsel Romeinsche burgers en soldaten zich naar een afgelegene
en wilde bergstreek terug trok, en in hare schuilhoeken de stormen
der volksverhuizing lieten uitwoeden; dat zij daar eeuwen lang met
de oorspronkelijke bewoners dier landstreek samenwoonden, en groote
landstreken, aan den voet van het gebergte, met hunne talrijke
afstammelingen weder bevolkten, en zoodoende de _Nucleus_ of het
zuurdeesem van een nieuw, groot, zeer verspreid volk werden, dat
tot op den huidigen dag bestaat en nog vrij duidelijk, ofschoon met
veelvuldige bijmengingen en wijzigingen, de Romeinsche taal spreekt;
bij wien ook de herinnering en den naam der Romeinen behouden bleef--en
dat nog daarenboven dit behoud van den naam en de taal der Romeinen,
juist in eene landstreek plaats vond, die vóór alle andere een groote
volken-poort, een waar doorgangsoord voor de meest verschillende
volksverhuizingen was; in eene landstreek, waarvan men vooral had
kunnen verwachten, dat zoo _ergens_, dan _daar_ al het Romeinsche
en oude tot het laatste spoor zou weggevaagd zijn--dit alles, zeg
ik, schijnt schier ongeloofelijk, en toch is het de van oude tijden
overgebrachte en geloofwaardige geschiedenis van dat gedenkwaardige
volk, dat wij gewoon zijn Walachyers of Moldo-Walachyers te noemen.

De hoofdkern der landschappen door dit volk bewoond, wordt gevormd
door de boschrijke hoogten en grasrijke Alpenplateaux der zuidelijke
Karpathen, de groote en met vele kloven voorziene bergen van het
tegenwoordige Zevenburgen, die door de inwoners zelve bloot weg
"_Muntje_" (_Montes_, de Alpen) genoemd worden.

Van dit hooge bergland, dat schier overal door groote vlakten omringd
is, en slechts op twee punten door smalle, lage en nog daarenboven
doorgebrokene bergruggen, met andere gebergten, in het noorden
met de Poolsche Karpathen en in het zuiden met de Servische bergen
gemeenschap heeft, stroomen naar alle zijden heen rivieren. Naar
het noorden en westen de talrijke wateren, die naar de Theiss, naar
het Hongaarsche vlakland stroomen, naar het oosten, de Dniester, de
Pruth en Sereth, die in de Zwarte Zee uitwateren en naar het zuiden
de Aluta en vele andere kleine rivieren, die als in eene goot in
den Donau uitloopen. De breede Donaustroom omgeeft het land, langs
de geheele zuidelijke helft, als eene natuurlijke grens, en scheidt
het van de landen van het groote Illyrisch-Grieksche schier-eiland.

De binnenste gedeelten van de bergachtige kern des lands, wedijveren
in natuurlijke schoonheden en rijkdommen met de fraaiste gedeelten
der Duitsche Alpen. Hier valt onze blik op eene menigte ijzingwekkende
rotskloven, van de grootste afmetingen, dààr stijgen de oude beenderen
der Aarde in eene duizeling wekkende hoogte op, als waren zij het werk
der Titanen. In de diepte ruischen, in watervallen en draaikolken,
de bergstroomen. De terrassen en hellingen zijn hier en daar met de
weelderigste bosschen op het schilderachtigst getooid. Boven op de
opgehevene en uitgestrekte ruggen treft ons oog met bloemen versierde
weiden en groene dreven. De op zich zelf staande, als torens en koepels
boven alles uitstekende, toppen der bergkolossen, bieden de heerlijkste
uitzichten aan, in het zuiden tot aan den Pontus en tot aan den ouden
Haemus in Thracië, in het noorden tot diep in Polen en Hongarije.

Langs groote uitgestrektheden is het kolossale muurwerk dezer prachtige
hoogten, eene ware bergvesting, ontoegankelijk voor de karavanen,
legers en volkverhuizingen. Hier en daar echter is de vesting door
natuurlijke bressen of poorten doorgebroken, waardoor de wateren en
winden even als ook de volken, sedert oude tijden uit- en instroomden,
en deze poorten of passen: "de ijzeren poort," "de roode toren-pas,"
"de vulkaan-pas" zijn van oudsher in de geschiedenis van het land
beroemd geweest. De kloven en aderen der bergen zijn rijk aan
mineraliën van de meest verschillende soort. Men vindt er berghars,
ijzer, koper, zilver en goud. Zelfs het overal elders zoo zeldzame
kwikzilver ontbreekt hier niet. Aan hunne randen zijn de rijkste
massa's van het zuiverste kristal-zout nedergeslagen. Ter verkrijging
van vele dezer schatten, is reeds sedert den oudsten tijd een gedeelte
der bergen doorboord geworden. Veel echter verbergen zij nog ongebruikt
en onontdekt in hun schoot.

Langs den lagen rand van het hooggebergte slingert zich een krans
vriendelijke heuvel-landschappen door Opper-Walachye en Moldavië tot
aan de Bukowina. Bij hen wisselen fraaie dalen met boschachtige niet
te steile hoogten, vruchtbare bouwlanden met grasrijke uiterwaarden
elkander op het allerbekoorlijkst af. Levendige beukenwouden en
aangenaam riekende lindenbosschen vindt men daar in hunne grootste
pracht, waar tusschen heuvels met wijngaarden, alsmede mildbloeiende
ooft- en vruchtboomen van zeer verschillende soort, die hier in de
lente geheele landschappen met eene zee van bloemen bedekken, en het
land een aangenamen tuin doen gelijken. Terwijl de beer, de losch, de
wilde kat in de kloven der hooggebergten huizen, worden die linden-
en beukenwouden der heuvelachtige gedeelten verlevendigd door het
gekweel van allerlei zangvogels, die hier in zoo buitengewoon groot
getal komen en nestelen, als nauwelijks in eenig ander gedeelte van
Europa. Ook leven in de bosschen verscheidene soorten van herten en
reeën, een overvloed van wilde zwijnen en andere wildsoorten.

De heuvelstreken verliezen zich ten laatste in de geheel vlakke
landschappen, die zich langs den Donau, aan den Pontus, de Dniester
en de Theiss, rondom genoemde bergachtige kern van het land, als een
groot tapijt uitbreiden. In deze vlakten hebben de rivieren, van het
begin der schepping af, haar natte slib laten vallen, en over hare
uitgestrektheid zware lagen vruchtbaren bouwgrond gevormd. Even
als in de delta van den Nijl is ook hier, aan de monden van den
Donau, de oogst honderdvoudig, en de onuitputtelijke vruchtbaarheid
dezer Donau-vlakten, die in verschillende tijden de graanschuren
van Constantinopel geweest zijn, en tot het Grieksche schiereiland
nagenoeg in dezelfde verhouding staan, als de landschappen langs de
Po of Lombardye tot het Italiaansche, is bij de oude, zoowel als bij
de nieuwe schrijvers letterlijk spreekwoordelijk geworden.

Ik kan dit, hier slechts in hoofdtrekken geschetste, beeld van het
tegenwoordig door de Walachyers bewoonde gedeelte van Europa, dat de
zoogenaamde Donau-Vorstendommen Moldavië en Walachye, de Russische
provincie Bess-Arabië, het Oostenrijksche Hertogdom Bukowina,
het Koningrijk Zevenburgen, het zoogenaamde Temeswarer Banaat, en
aanzienlijke gedeelten van Hongarije omvat, en in uitgebreidheid vrij
gelijk staat met de grootte van het Pyreneesche schier-eiland, niet in
bijzonderheden verder beschrijven. Al het bovengenoemde samen vattende,
mag men echter wel beweren, dat dit landen-complex van nature alles
aanbood, wat een volk aan grondstoffen noodig had, om beschaving en
kunsten te doen ontwikkelen; had men het gebied, uit de landen-massa
waarover het verdeeld is, kunnen uitsnijden en als een eiland in de
zee kunnen plaatsen, of naar eenige andere gunstige geographische
ligging overbrengen, en het door een nijveren volkstam kunnen laten
bevolken, dan had daarin een der ten allen tijde bloeiendste rijken
en natiën kunnen ontstaan.

Voltaire heeft ergens gezegd, dat wel het klimaat zeer veel invloed
heeft op het karakter der volken, maar tienmaal meer invloed nog heeft
de regeeringsvorm, en honderdmaal meer de godsdienst. Hij had daar
nog wel bij mogen voegen, dat meer dan dat alles, de aardrijkskundige
ligging van een land en een volk beslist; dat de ligging die het in
den grooten landen- en volkenkrans toegedeeld is, de manier en de
wijze waarop het eene plaats in het groote landen-tapijt van het
vasteland is aangewezen, boven alles en door iedereen in het oog
moeten gehouden worden. Het schoonste land ter wereld zal niet in
staat zijn, eene bloeiende maatschappij, een invloedrijk geslacht
voort te brengen en aan te kweeken, als de ligging, die het op
onze planeet inneemt, ongunstig is voor de ontwikkeling; wanneer
belemmerende invloeden zich in zijne nabuurschap bevinden. De vette
akkers der Walachyers grenzen en vermengen zich aan de eene zijde met
de onmetelijke steppen van zuidelijk Rusland. Tusschen de zuidelijke
voorgebergten der Transylvanische Alpen en den Pontus, blijft eene
ruime, opene poort, waardoor de koude steppen-winden blazen, die
het klimaat in den winter bijna gelijk aan dat van Rusland maken,
en hier, op denzelfden breedtegraad als Florence, den Donau en het
geheele land voor maanden onder eene dikke laag sneeuw en ijs begraven.

Even als de noord-ooste winden, de in het land zoo gevreesde
"crivans," zoo zijn ook hier van oudsher de onrustige steppen-volken
binnengestormd, en hebben zij herhaalde malen voor lange tijden de
schoone akkers in woestenijen verkeerd en slechts als paarde-weiden
benuttigd.

De majestueuse Donau, de grootste rivier van Europa, die wel een
huwen met den Oceaan waardig geweest was, beleeft hier het droevig
lot, door het nauw en afgelegen bassin van de Zwarte Zee verslonden
te worden. Daar hij dwars over de noordelijke basis van het groote
Grieksche schiereiland heen loopt, zoo hebben de beschaafde rijken,
die, zich over dit schiereiland verbreidende, aan den Propontis en
aan de Aegeïsche zee hunne wortels hadden, hem niet zoo zeer als
een levensader, maar veeleer als hun grens-kanaal of als eene gracht
beschouwd, waar langs zij hunne militaire grenzen en verdedigingswerken
oprichtten. En zoo hebben zij het land aan gene zijde aan de
barbaarschheid en aan het Noorden prijs gegeven. De volken van het
Noorden en het Oosten wederom, beschouwden deze Donau-landschappen
steeds als het einde van hun gebied, waarheen zij nog op hun gemak
konden rijden, terwijl het Zuiden er zich aan vasthield, als aan het
uiterste, dat het nog vermocht te verdedigen. Ten gevolge hiervan
was aan den Donau nagenoeg nooit een invloedrijk centraalpunt van het
volken-leven. Nooit ontwikkelde zich hier, zooals aan de Delta van den
Nijl, aan den Rijn en andere groote rivieren, eene wijze, machtige en
gebiedende natie. Men vindt hier, zoo lang de geschiedenis aanwijst,
nooit iets anders dan een betwist grensland, dat altijd een, steeds
van heerscher verwisselende, speelbal der machtige naburen geweest is,
en dat veel overeenkomst heeft met een zeeboezem, waarin het schuim der
volken--de uiterste toppen der baren,--tegen aan klotst en gaten slaat.

Het is hoogst waarschijnlijk, dat deze volken-branding, deze in de
landen van den beneden-Donau ingewortelde, en van oudsher bestaande
tweeslachtige en gemengde toestand, zoo als wij dien in den loop
der eeuwen kunnen volgen, reeds dagteekent van ver vóór den tijd,
waarvan wij de geschiedenis uit geloofwaardige bronnen kennen. De oude
geschriften der Grieken, die deze landen het eerst genoemd hebben,
rekenen de bewoners er van tot de zoogenaamde Thracische stammen,
waaronder allengs de "Geten" en de "Daken" of Daciërs als bijzondere,
onze Donau-Vorstendommen en het Zevenburgsche Alpenland bewonende
natiën te voorschijn treden. De laatste naam van Daciërs behield
ten laatste bij de Romeinen de overhand, en bleef voor langen tijd
de volksnaam.

De Walachysche taal heeft nog heden ten dagen vele woorden en
wortelen, die wij noch uit de Turksche, noch uit de Slawische, noch
uit de Latijnsche, noch uit eenige andere nu naburige en bekende taal,
waaruit zij elementen ontvangen heeft, kunnen afleiden, en die daarom
vermoedelijk aan die, door de Romeinen en Grieken als oorspronkelijke
bewoners genoemde Tracische "Geten" en "Daciërs" toebehooren. Even
als in de taal heeft het volk ook nog in zijn ras, in zijne zeden en
in zijne geheele wijze van zijn, veel oorspronkelijk "Dacisch." Hij,
die in de gelegenheid geweest is, een grooten en plompen Walachyschen
herder, met zijne in geitenvel gehulde voeten, zijne door een lederen
gordel vastgehouden broek, met zijn schaapsvel op het hoofd, met zijne
lang niet leelijke maar wilde gelaatstrekken onder den kolpak te zien,
en die deze figuur vergeleken heeft met die Dacische krijgsgevangenen,
zooals zij in Rome op de, aan de zuil van Trajanus aangebrachte,
beeldhouwwerken te zien zijn, zal onze gevolgtrekking billijken. De
figuren, die de oude Romeinsche beeldhouwers daar voor 2000 jaren
in steen uitbeitelden, gelijken op de personen, die wij heden ten
dage aan den beneden-Donau, in het gebergte van het oude Dacië zien
ronddwalen, als een goed portret op het origineel. Ook van den bij de
Romeinsche blijspelen ingevoerden knecht, die altijd onder den naam
"Davus" den kwâjongensachtigen en barbaarschen dwaas speelt, heeft
men gemeend eene teekening naar de uit Dacië ingevoerde slaven te
zien. Aanduidingen van dit soort, zeg ik, versterken het vermoeden,
dat wij in de tegenwoordige Walachyers, voor een groot deel, de oude
Daciërs voor ons zien.

Ten tijde van den grootsten bloei van het Romeinsche Keizerrijk, werden
de Daciërs beheerscht door een Koning "Decebalus" genaamd, die in het
oude beroemde en nu nog in eenige ruïnen bestaande "Sarmizegethusa",
in een der Alpendalen van Zevenburgen resideerde, en van daar uit
het omliggende land beheerschte. De Romeinen onder Keizer Trajanus
overwonnen dezen vorst na hardnekkigen strijd, bouwden eene steenen
brug over den Donau, stuurden troepen en kolonisten het land in,
legden wegen en bergwerken aan en veranderden het geheele Dacische
rijk in eene Romeinsche provincie. De onderworpene barbaren leerden
de Romeinsche taal, die zij echter waarschijnlijk van den beginne af,
met Dacische en andere elementen vermengd hebben.

Ofschoon Keizer Adrianus de vaste brug over den Donau weder af liet
breken, en vervolgens ook onder Keizer Aurelianus de altijd onrustige
provincie weldra geheel opgegeven werd, en ofschoon de Romeinen daar
hoogstens honderd en vijftig jaren heerschten, zoo hebben zij toch den
inboorlingen in dezen korten tijd den stempel hunner Italiaansche taal
zoo diep ingedrukt, dat hunne nakomelingen die aangeleerde taal nog
niet vergeten hebben en nog heden ten dage hun land "_Zara Rumaneski_"
(land der Romeinen) noemen.

Het is opmerkelijk, dat de grenzen van het gebied waarover heden ten
dage deze taal en natie verspreid is, bijna nauwkeurig overeenkomen
met de grenzen van het Romeinsche Dacië. Deze provincie grensde ten
oosten aan den Dniester, ten westen aan den Theiss, ten zuiden aan
den Donau en ten noorden tot even verder dan Zevenburgen, met andere
woorden overal juist zoover als nog heden ten dage de "Romaenen"
als oorspronkelijke bewoners het land bewonen.

Er is moeielijk een tweede, even sterk bewijs te geven, voor de energie
van den korporaal-stok en den schoolmeesterstaf der Romeinen. Tallooze
eeuwen bewonen de barbaarsche "Daken" alleen en ongestoord, op
hunne eigene manier, hun Noordsch land. Zij leeren niets van de
Macedoniërs, niets van de Grieken, die nu eens als vrienden, dan eens
als vijanden hun land bezoeken. Vervolgens, echter komen de Romeinen,
die onweerstaanbare landenbedwingers en volkenverwoesters, en deze
worden voor de korte tijdruimte van 150 jaren hunne leermeesters
en heeren, en ofschoon de Daciërs later weder gedurende bijna twee
duizend jaren, als eene aan de oevers der zee groeiende struik, door
de menigvuldigste volken-brandingen en stormen heen- en weergezweept
werden, zoo hebben zij het van de Romeinen ontvangene toch in zulk
eene groote mate bewaard, dat een reiziger bij hen, om zoo te zeggen
bij iederen voetstap, het Romeinsche element ontwaart. Hoeveel
bruggen ook sedert Miltiades en den Persischen Koning Darius over
den Donau geslagen zijn, zoo is toch de Romeinsche, door Trajanus
gebouwde brug de eenige, die nu nog (ten minste in eenige door
Adrianus niet verwoeste overblijfselen) overgebleven is. Ook vindt
men heden ten dage voor in het land nog eenige duidelijke sporen van
Romeinsche wegen. Ofschoon de Romeinen in hunne bergwerken ieder blok
met hamer en breekijzer moesten losbreken; zoo zijn toch de door hen
uitgebrokene, nu verlatene mijngangen en schachten, veel talrijker in
Dacië, dan die welke men later, na de uitvinding van het buskruit,
door springen veel gemakkelijker kon verkrijgen. Alle eenigzins
aanzienlijke interessante ruïnen van het land stammen van de Romeinen
af, en de munten, mozaïken en andere kunstwerken, die men daar bij
massa's uit den grond opdelft, dragen de beeltenis en den stempel
van Romeinsche Keizers. Het volk zelf versmaadt alle andere namen,
waaronder het bij de overige wereld bekend staat, onderhoudt met
groote voorliefde alleen zijne Romeinsche tradities en herinneringen,
en houdt geene nationale benaming voor eervoller dan die der Romeinen,
"Rumanye" of "Romaenen" die het nu nog op zich toepast.

Wie de geschriften der geestige Gravin Dora d'Istria, eene dochter
van den Walachyschen Vorst Ghika kent, die zal zich herinneren,
met welke levendige vaderlandsliefde deze geleerde dame, steeds
zoowel van Walachyë, als ook van Italië, als ware dit laatste het
land harer vaderen, spreekt, en hoe warm zij sympathiseert met het
streven naar vrijheid van de Italianen, die zij de broeders der
Walachyers noemt. In de, in het jaar 1849 aan den Donau uitgebrokene
nationaliteits-oorlogen, gaven zelfs deze Walachyers aan het verwonderd
West-Europa het vreemde schouwspel te zien, dat zij onder aanvoering
van "Centurionen" en "Decurionen" te velde rukten, en in hunne vanen
en wapens de klassieke letters S.P.Q.R. (_Senatus Populusque Romanus_)
plaatsten. Ook in de voortbrengselen hunner nationale poëzie wijzen
deze Romaenen ook heden ten dage dikwijls naar Rome terug, als ware
dit Rome hun eigenlijk stamland, hun vaderland, welks verlies hen
met weemoed vervult.


Waar is dat Roma? eertijds door verdediging harer zonen geducht!
			En dat thans niets dan sombere klachten doet hooren!
Onder vreemde heerschappij én macht én druk wordt nu weemoedig gezucht!
			Het vaderland, allen zoo dierbaar, is verloren.--
	Beweent ons toch, die als vreemdlingen in vreemde rijken wonen,
		Gij, gebeenten en gij, graven van Romeinen, zoo eerwaard!
	Beweent ons toch, gij waardige spruiten, gij dochters en zonen
		Uit den doorluchtigen stam van dien Romulus, zoo vermaard!
			Verhef ten hemel uw rechtmatig droefgeestig geklag,
			Want de Romeinsche Roem voor eeuwig verdween!
			Gij heuvels en gij bergen! klaagt toch ook uw wee en ach
			En ook gij beken en bronnen in het dal hier benêen;
			En gij kleine vogel, zoo vrij van alle banden,
				Klaag ook in uw zingen toch steeds met ons!
			O! lief Italië! gij schoonste aller landen!
				Wat heeft de vijand u verwijderd van ons.


Deze verzen en ontboezemingen vond ik eens in eene elegie, die mij een
der patriotische afstammelingen der Romeinsche kolonisten in Dacië,
in den omtrek der ruïnen van de oude Koninklijke residentie van
Decebalus, "Sarmizegethusa" presenteerde. Men ziet daar uit, dat een
Romeinsch nationaal-gevoel, een heimwee naar Rome, zich in de geheele
geschiedenis der Walachyers tot op onze dagen openbaart. Levendig
herinnert men zich bij zulke verzen, de elegiën die de Romeinsche
Ovidius, 1800 jaren geleden in ditzelfde land, waar hij in ballingschap
leefde, dichtte. Is het niet alsof de klaagliederen van den ouden
Naso, in die landstreken onder de Romeinsche kolonisten, van hand
tot hand, van mond tot mond, waren gegaan en zich tot op onzen tijd,
als eeuwenoude nationale treurzangen, steeds op nieuw het burgerrecht
hebben weten te verwerven?

En nu de taal, waarin die liederen gezongen worden, en die door het
geheele volk gesproken wordt, al is zij ook al niet geheel meer die
van Ovidius, zoo blinken u toch overal uit de massa der taal, òf
zuiver Romeinsche, òf een weinig veranderde Romeinsche uitdrukkingen
tegen, even als het kwartskristal uit de graniet-massa. Niet zonder
verbazing kan zich de reiziger naast een dezer barbaren aan den oever
van Dniester of Pruth nederzetten, en hooren hoe onder het gesprek,
dat hij met hem over zijne nomadische aangelegenheden aanknoopt,
hem het eene Latijnsche woord voor, het andere na, als behoorde het
in de landstaal te huis, over zijne ruwe lippen komt. Hij zelf, uw
Walachysche reismakker, waarmede gij u in een gesprek verdiept hebt,
geeft zich voor eenen "_pescator_" (visscher) uit, en hij spreekt
u met "_Domne_" (_Domine_, heer) aan, hij wenscht u een "_bundi_"
(goeden dag) of "_bun avenit_" (van _advenire_) toe; welke zonderlinge
verwelkomingen, van den Tiber tot aan den Dniester, gedurende zoovele
eeuwen weergalmen. Vraagt gij hem "_Que es_" (tot welk volk behoort
gij?) dan antwoordt u deze ruige, met schaapsvellen bekleedde Nomade:
"_Eo sum Romanie_" (ik ben een Romein). Het gras waarop gij zit, noemt
hij "_frunse värdje_" (_frons viridis_, het groene kruid). Vraagt
gij hem naar de Walachysche benamingen van het om u grazende vee,
dan krijgt gij weder Latijnsche woorden te hooren. Het zijn allemaal
"_capras_" (geiten), "_vaccas_" (koeien), "_boos_" (ossen) en de
hond die ze bewaakt "_kine_" (_canis, chien_). Hoe mogen het toch de
Romeinen wel aangelegd hebben, dat zij de overoude bergbewoners geleerd
hebben, zaken waaraan zij zoo lang gewoon waren, niet in het Dacisch
maar in het Latijn uit te drukken? Gaat hij zijne beesten tellen,
dan is het: "_uno, duo, tri_." Het tellen zelf noemt hij evenals
de Romeinen "_numerare_." De wilde pereboomen, die met vruchten
beladen aan den groen getooiden oever van den Pruth voor u staan,
noemt hij "_pieras formassas_" (_pirus formosa_), en de zwarte pruimen
daarnaast "_prungus negros_" (_pruna nigra_) en de noten, "_nukus_"
(_nuces_). Zoo pratende weg spreekt hij ook veel over zijn "_Imperatu
nostru_" (_Imperator noster_); en gij weet bijna niet of hij op den
ouden Keizer Trajanus in Rome, of op den Czar Nikolaas in Petersburg
doelen wil. Is eindelijk uw gesprek afgeloopen en ook het steppenvuur,
dat naast u flikkerde, uit, dan roept het barbaren-kind, even als
vroeger de Romeinsche Centurio des avonds in zijne legerplaats:
"_extinso fusco_" (ons vuur is uitgedoofd), en gaat hij met u over
den "_podu de leno_" (_pons ligneus_), die over het water ligt,
naar zijne niet ver verwijderde "_casa_" (hut).

Deze voorbeelden, die wij aanzienlijk zouden kunnen vermeerderen,
mogen voldoende zijn, en ik mag volstaan met de algemeene opmerking,
dat zij, die getracht hebben de elementen der Walachysche taal te
ontleden, tot het resultaat gekomen zijn, dat meer dan de helft dier
elementen van Romeinschen oorsprong zijn; zeer merkwaardig is het
dat de Walachysche uitspraak van het Latijn in hooge mate gelijkt
op die der hedendaagsche Italianen. Zoo b.v., om slechts een enkel
voorbeeld aan te roeren, spreken de Walachyers even als de Italianen
"_Tschitschero_" niet _Sisero_ (_Cicero_), even eens "_dscheme_"
niet "_gemit_" (hij zucht), _dschoku_ (Italiaansch _gioco_, zoet);
_noi_, wij; _voi_, gij; _uovo_ (_ovum_, ei). Het "_gli_" der Italianen
hebben de Walachyers volmaakt op dezelfde wijze, b.v. _tagliari_ in
het Walachysch en het Italiaansch voor "snijden." Men heeft getracht
dit van latere verbindingen der Walachyers met de tegenwoordige
Italianen af te leiden. Maar veel natuurlijker schijnt het aan
te nemen, dat de naar den Donau verplante Romeinsche burgers en
landbouwers-soldaten, in hunne _lingua rustica_, reeds toen ter tijd
veel zoo uitspraken, als nu onze tegenwoordige Italianen doen, en dit
uit Italië mede naar den Donau overbrachten. Nadat de Romeinen Dacië
verlaten hadden, kwam het (waarschijnlijk niet zonder veel strijd)
onder de heerschappij van Germaansche volken, van de "Gothen" en de
"Gepiden." Aanzienlijke gedeelten van het Dacische land en volk, de
Walachysche Bukowina, Zevenburgen, de oostelijke, geheel Walachysche,
helft van Hongarije, staan ook nu nog onder de heerschappij der
Germanen (de Oostenrijkers). Ook is reeds sedert de 12de eeuw,
het geheele binnenste, bergachtige gedeelte van Dacië, met kleine
landschappen van Duitsche kolonisten doorsneden, en ook Moldavië en
Walachye hebben niet weinige Duitsche landverhuizers opgenomen. Heden
ten dage, heeft Romaenië zelfs een Vorst van Duitschen stam.

Er valt nauwelijks aan te twijfelen, of zulke tijdperken van Duitsche
heerschappij en Duitsche inmenging, moeten niet zonder invloed op de
ontwikkeling der Walachysche nationaliteit gebleven zijn. De taal bevat
nog eenige elementen uit den Gothischen tijd, en ook later zal het
Zevenburgsche Walachye velerlei geleerd en aangenomen hebben, van zijne
Duitsche naburen, zijn Duitsche rentmeesters of Duitsche rechters.

De volken evenwel, die zich van de zijde der Slawen, weldra nadat
de Gothen west- en zuidwaarts vertrokken waren, in het Dakenland
vestigden, hebben steeds veel invloed van blijvenden aard op de
geschiedenis der Walachysche nationaliteit gehad. Met de Slawen, die
van oudsher meer met hen verwant waren en hun sympathie inboezemden,
hebben de geromaniseerde Daken zich veel meer verbonden. De Slawen,
die evenals de Germanen, door den inval van Attila en zijne Hunnen,
in oproer gebracht waren, rukten tegen het einde der 5de eeuw naar
den beneden-Donau en overstroomden ook het oude Dacië, waarin
zij zich, nevens de door hen ten onder gebrachte inboorlingen,
vestigden. Velen van hen bleven daar zelfs nog, toen in de volgende
eeuwen de opperheerschappij over het land, van de Finsch-Tartaarsche
Nomaden-volken overging op de Bulgaren, Magyaren, Petschenegen
en Kumanen, die achter elkander Dacië geheel of gedeeltelijk, voor
korteren of langeren tijd, bemachtigden. Juist onder de onderdrukking
dezer vreemde overheerschers, kwam eerst de innige vermenging van
het Slawisch en Dako-Romanisch element tot stand. Dit laatste behield
echter de overhand, vermoedelijk daar de binnengedrongene Slawen de
minderheid vormden tegen de oorspronkelijke inboorlingen.

Dat echter de vermenging, met de Slawen van grooten invloed en van
blijvenden aard was, wordt heden ten dage in Moldavië en Walachye
door velerlei zaken bewezen. Men ontmoet daar bij iedere schrede,
even goed het Slawisch element als het Romeinsche, zoowel in zeden,
als in taal en andere uiterlijke gesteldheden van het volk. In zijne
geheele lichamelijke gesteldheid, zijne physionomie, zijne wijze
van zijn en doen, heeft de Walachyer meermalen veel overeenkomst met
zijne Slawische naburen in Bulgarije en Zuid-Rusland. Zijne woningen
zijn juist zoo ingericht als die der Ruthenen en Kozakken. Zijn
bijenteelt, zijn landbouw en huishouding is meermalen op dezelfde
leest geschoeid als die van zijn buurman. Veel daarvan mag misschien
al niet rechtstreeks van de Slawen overgenomen zijn, maar zijn ontstaan
te danken hebben aan de overeenkomst van klimaat.

Ook in de taal der Walachyers vinden wij duidelijke sporen van een
het volk diep ingeprent Slawisme. Van de helft van den Walachyschen
woordenschat, die niet uit Italië kan afgeleid worden, is, volgens
het beweren van den Slawischen geleerde Schaffarik, de helft
Slawisch. Ja! zelfs verscheidene eigenaardige grondtoonen, vokalen,
consonanten en samengestelde klanken van het Slawisch alphabet, zijn
in het Walachysche overgegaan. Wij kunnen echter niet verklaren,
of dit niet ook ten deele berust op eene oorspronkelijke, van vóór
de geschiedenis dateerende, verwantschap van het Slawische met het
Walachysche of Thracische ras. Ook moet hierbij opgemerkt worden,
dat de uit het Slawische ontleende woordenschat, in het Walachysch
ongeassimileerd bleef, zonder invloed op vorm en bouw van het
Walachysch, en dat deze taal daarom in hoofdzaak eene Romanische,
eene zuster van het Italiaansch _gebleven_ en niet eene Slawische
_geworden_ is, zooals sommige wel meenden.

Herhaalde malen verviel de gezamenlijke Walachysche natie, of ten
minste een aanzienlijk gedeelte er van, met Slawische stammen tegelijk,
aan hetzelfde rijk of tot dezelfde dienstbaarheid. Zoo b.v. kwam het in
de 8ste en 9de eeuw onder het groote Walacho-Bulgarenrijk, waarin de
Slawen het grootste gedeelte der onderdanen uitmaakten. En vervolgens
werden dikwijls door Tartaarsche gebieders, Slawen naar het land der
Walachyers, en omgekeerd Walachyers naar de oorden door de Slawen
bewoond, overgebracht. Ook later nog kwamen de Walachyers meermalen
onder Slawische heerschappij. Galicische (Ruthenische) Vorsten
heerschten in de 12de eeuw over een groot gedeelte van Bess-Arabië
en van Moldavië. Ook traden de Walachyers met de Zuidelijke-Slawen
tot dezelfde christelijke kerk, tot het Grieksche of Oostersche
patriarchaat toe.

Langen tijd, zelfs tot in de 17de eeuw, was dientengevolge het
Slawische niet alleen de kerktaal, maar ook de staats- en rechtstaal
der Walachyers. De wetten, de rechtspleging, contracten werden in het
Slawisch gesteld, evenals in andere landen in het Latijn. Ook bedienen
de Walachyers zich nog tot op den huidigen dag, voor het schrijven en
drukken hunner taal, van het Slawische alphabet. Nagenoeg alle hoogere
betrekkingen en waardigheden aan het hof, zelfs de latere Walachysche
Vorsten, kregen en behielden Slawische namen en titels. De geheele
staats- en kerkelijke inrichting was in zekeren zin op Slawischen
voet geschoeid.

Ook de Bojaren, de hooge adel der Walachyers, zijn naar het oordeel
van enkelen, van Slawischen oorsprong, iets wat de Bojaren zelven
niet willen toegeven; zij beweren zelfs uit echt Romeinsch bloed
gesproten te zijn. Eveneens is de nationale naam der Walachyers,
waar onder zij in Europa vrij algemeen bekend zijn, door de Slawen in
omloop gebracht. De Slawen noemden alle afstammelingen of onderdanen
der Romeinen "Wlach." Italië zelf noemen zij ook het land der Walachen
(Walachyers.) "Wlach" beteekent nu nog in het Poolsch een Italiaan. Het
is hetzelfde woord, dat de Duitschers in den vorm "Wälsche" (vreemd,
Italiaansch) gebruiken. Door de Slawische en Germaansche benaming der
Walachyers, wordt dus weder de Italiaansche en Romanische herkomst
der hedendaagsche bewoners van Dacië erkend, ofschoon zij zelve dien
naam niet gaarne hooren.

Ook in hunne huiselijke gewoonten en alledaagsche gebruiken, toonen de
hedendaagsche Romaenen dikwijls eene groote gelijkheid met de Slawen,
en ofschoon de geleerden niet zoo groote waarde aan zulke dingen
hechten, als aan het onderzoek naar het alphabet, de deelwoorden, de
voegwoorden en de samenvoegingen der woorden, zoo moeten deze toch ook
beschouwd worden als hulpmiddelen om de bestaande volksverwantschappen
te bewijzen. Enkele voorbeelden daarvan wil ik hier aanhalen: evenals
in de Slawische landen, zoo verlaat ook in het Dakenland, het landvolk
naar een oud gebruik, wanneer de boomen bloeien, dansende zijne
winterkwartieren; de met bloemen getooide meisjes in afzonderlijke
reien, en in andere reien de knapen, door hunne met zijden doeken
zwaaiende voordansers aangevoerd. "Zij hebben," zegt Demetrius
Kantemir, eens zelf een Walachysch Vorst en een der beste kenners
der gewoonten van zijn volk, "meer dan honderd verschillende wijzen
en maten en vele zeer élégante dansen, die daarop kunnen uitgevoerd
worden." Daarmede worden tien dagen tusschen Hemelvaartsdag en de
Pinksterdagen in voortdurende beweging doorgebracht, en alle vlekken
en dorpen al dansende doorgetrokken.

Dit is nagenoeg juist zooals bij de Kozakken en Bulgaren; ook de
manier en de wijze, waarop bij de half-Slawische Letten en Lithauers,
de verliefde jongeling, aan de ouders zijner geliefde, iemand zendt
om de hand der dochter te vragen,--en hij, die voor den minnaar
het aanzoek doet, voorzichtig en met van oudsher gebruikelijke
plechtigheid, alsof het er om te doen was een Prins met een Prinses
te verloven, zijn boodschap overbrengt--hoe ontwijkend hij door de
ouders behandeld wordt, hoe men hem, die naar hij zegt gekomen is,
om een verloren lammetje, een opgespoorde maar verdwenen ree, een eens
gezien maar toen weder weggevlogen duifje te zoeken, eerst met opzet
de andere dochters voorstelt,--hoe deze door hem wel geprezen, maar
tegelijkertijd gecritiseerd en als ondergeschoven verworpen worden--en
hoe men dan eindelijk, als de aanzoeker dringender wordt, met het
echte duifje, dat in een schuilhoek reeds op het fraaist opgetooid
werd, voor den dag komt--en wat dan nog verder plaats heeft,--dat
alles komt zoo nauwkeurig overeen met de Walachysche gebruiken bij
diezelfde gelegenheden, dat zelfs de vergelijkingen en de beelden,
waarvan de sprekers zich bedienen, bijna geheel dezelfde zijn, als die
bij de half-Slawische Lithauers en Letten, die toch door uitgebreide
landstreken van de half-Slawische Walachyers gescheiden zijn.

Even als dergelijke gewoonten, zoo zijn ook verscheidene bijzondere
wijzen van bijgeloof bij de Walachyers evenzeer ingeworteld, als in de
geheele Slawische wereld. Zoo--om ook hier onder de vele voorbeelden
slechts een zeer bijzonder aan te voeren--gelooven de Walachyers,
dat de zon op den St. Johannes-dag, haren loop niet recht door,
maar met eene trillende beweging, huppelend en springend begint. De
Walachysche boeren staan daarom dien dag vroeg op, om de opkomst
der zon en die "trillende beweging" aan haren lichtenden bol waar te
nemen. Zij beschouwen het als een goed teeken en als eene reden tot
vroolijkheid, als het hun gelukken mag, dit te kunnen waarnemen. Ook
weet ik bij eigene ervaring, dat ook in vele, vroeger Slawische streken
van Duitschland, de _nu Duitsche_ boeren, juist hetzelfde bijgeloof
van hunne Slawische voorouders overgenomen hebben, en nog heden ten
dage, uit verlangen de zon op den St. Johannes-dag te zien "huppelen
en springen," zich reeds vroeg in den morgen naar de bij hunne dorpen
gelegene hoogten begeven. Iets dergelijks zou men nog van vele andere
gebruiken, meeningen en gewoonten der Walachyers kunnen opmerken. Zoo
hebben zij ook, om nog een voorbeeld aan te roeren, de "Wila", de
lucht- en wolken-godin der Slawen, in hun bijgeloof opgenomen, die
daarin evenzeer verbleef, als van de tijden van Keizer Trajanus af
"de tooveres Tina" of Dina, dat wil zeggen de Romeinsche Diana.

Dergelijke zaken wijzen, naar mijne meening, even duidelijk als
taalwortels, grammatikale vormen en gebruikelijke uitdrukkingen
en woorden, eene zeer belangrijke en langdurige vermenging van het
Slawisch onder de Walachyers aan, want alleen daardoor schijnt het
zich te laten verklaren, dat iets dergelijks in alle plaatsen en
huishoudingen van het volk binnendringt, en zich daar als dagelijks
gebruikt wordende en zeer gewone wijze en vorm van het leven
vastzetten kon. Men dringt den volken nieuwe wetten, godsdienstige
ontwikkeling en dikwijls zelfs een nieuwe taal eerder op, dan nieuwe
_familie_gewoonten, _huiselijke_ gebruiken en _dorps_zeden.

Ook in den nieuwsten tijd weder hebben de Slawen (Russen) een
aanzienlijken invloed op het Walachysche volk uitgeoefend. Zij hebben
eene groote, door Walachyers bewoonde, provincie (Bess-Arabië)
met hun rijk vereenigd, en ook in den loop dezer eeuw herhaalde
malen jaren lang in andere Romaenische provinciën, namelijk in
Moldavië en Walachye, als meesters huis gehouden; zij hebben ze door
hunne ingevoerde hervormingen, tamelijk wel aan zich zelven gelijk
gemaakt. Vooral de Romaenische Bojaren hebben zich in den nieuweren
tijd, den Russischen adel meermalen tot model en voorbeeld genomen.

Deze aanhoudende en dikwijls herhaalde inwerkingen der Slawen op de
Romaenen, die, zooals reeds gezegd is, reeds van 6de eeuw dagteekenen,
werden echter in deze lange tijdruimte door vele andere vreemdsoortige
invloeden, die van de Finsche-, Mongoolsche-, en Turksch-Tartaarsche
volken uitgingen, even als in het vaderland der Slawen zelf gekruist
en gewijzigd. De nomadische ruiter-volken der Avaren, der Magyaren,
der Bulgaren, der Petschenegen en Polovzers, vervolgens de Mongolen
en ten laatste de Turken, overvielen achtereenvolgens, de eerst
met de Romeinen en vervolgens met de Slawen vermengde Daciërs, en
namen ze of geheel of ten minste gedeeltelijk in hunne wisselende,
snel aangroeiende en snel vervallende rijken op. Bij deze bloedige
veroveringen en wisselingen van heerschappij, werden dikwijls
groote gedeelten van het land verwoest, geheele gedeelten van het
volk vernietigd, verdreven en hunne plaats door vreemdelingen
ingenomen. Wanneer de oude gebieders door nieuwe te voorschijn
getredene Nomaden uit den zadel werden gelicht, dan verdween wel hun
naam uit de geschiedenis, maar waarschijnlijk bleven toch hier en daar
overblijfselen van hunnen stam en van hun bloed in het land achter,
en deze werden dan, even als de Romaenen zelven, onderdanen der nieuwe
overheerschers, en voegden zich bij de massa der reeds onderdrukten. In
elk geval bleef bij de Romaenen, even als bij de Russen, veel van
den geest, de zeden en de taal dezer Nomaden-volken achter.

In de taal der Walachyers vinden wij nu nog, naast het Oud-Dacische,
Gothische en Slawische element, verscheidene woorden van Finschen,
Turkschen of Tartaarschen oorsprong, die ongetwijfeld toe te schrijven
zijn aan die afwisselende opperheerschappij der Oostersche natiën. Geen
dezer veroverende volken heeft zedelijke kracht genoeg bezeten, om de
vroegere bewoners van het land de taal te ontnemen, die zij van hunne
eerste machtige overwinnaars, de Romeinen, ontvangen hadden. Als
een gevolg van de heerschappij der Nomaden is ook waarschijnlijk
onder anderen de omstandigheid aan te merken, dat de Walachijers,
ofschoon zij het heerlijkste akkerbouwland bewonen, toch veel liever
herders dan landbouwers zijn; en dat zelfs hun akkerbouw, die geene
afschutting der landerijen kent,--waarbij slechts opene dorschvloeren
op het vrije veld, en geene andere dorsch-machines dan de hoeven
der paarden bekend zijn,--zoo veel Nomadisch bezit. Als bijenhouders
trekken de Romaenen nomadisch rond, even als de Baschkiren in de velden
van hun land. De veeteelt beminnen zij hartstochtelijk, en een gezeten
Walachijsche boer bezit dikwijls meer ossen en paarden, dan hij zelf
weet of geteld heeft. Vooral als schaapherder schijnt de Walachyer op
zijne plaats te zijn, wanneer hij, voor de vreedzame woldragers uit,
met de uit hertenhoorn eigen gemaakte pijp in den mond, langzaam over
de weiden wandelt. Hij is goed voor zijn vee en gaat met hen om als een
vader, en deze gedragen zich daardoor ook altijd zeer tam, gewillig en
gehoorzaam als goede kinderen. St. George, de schutspatroon der kudden,
is bij hen de grootste en meest gevierde heilige van den kalender.

De Walachysche bergbewoners en veehoeders trekken met hunne kudden
de wereld diep in. Zij gaan met hunne kudden tot ver in Turkije,
waar zij op den Balkan dreven en weiden bezitten, waarop zij het
recht van grazen hebben. Zij hebben ook een groot gedeelte van den
veehandel aan den Pontus, den Donau op, tot aan Hongarije en Weenen,
in handen. Men treft ze daar overal als ruwe ossendrijvers bij de
kudden aan. En dit nomadische herdersleven valt zeer in hunnen smaak,
en in alle Europeesche provinciën van het Turksche rijk is _"Wlach"_ en
_"herder"_ vrij wel identiek. In Rumelië, Macedonië, Thessalië stooten
deze veedrijvers uit de Donaulanden, ook weer op zeer merkwaardige
en ver verspreide overblijfselen van hunne eigene nationaliteit, op
de zoogenaamde "Cutzo-Walachyers", die hunne schapen en geiten zelfs
tot in den Peleponnesus voor zich uit drijven, en die, zooals sommigen
gelooven, de nakomelingen zijn van die Dako-Romanen, die de Romeinsche
keizers, na den inval der Gothen, zuidwaarts van den Donau verplantten.

Van alle bovengenoemde Uralisch-Aziatische nomaden-volken, hielden
de Magyaren, die zich sedert de 10de eeuw in een gezeten Donau-volk
veranderden, de Walachyers het langst onder den duim. Zij vereenigden
een groot gedeelte van het oude Dacië, Zevenburgen, het Banaat en
het geheele land langs den Theiss, en nu nog beheerschen zij die
streken onder de opperheerschappij van Oostenrijk. Zij zijn niet
alleen als gebieders, soldaten, beambten, overheden en leenheeren,
maar ook op sommige plaatsen als grondeigenaars en landbouwers dit
land binnengedrongen, zoodat men nu ook midden onder de Walachyers
geheele landschappen en dalen vindt, waarin de oude Romano-Dacische
bevolking geheel verloren gegaan en door Magyaarsch bloed vervangen is,
zooals zulks voornamelijk langs den geheelen Theiss plaats vond. Ook
de Romanische bevolking zelve is, onder die aan de kroon van Hongarije
onderworpene Walachyers, veelvuldig gemagyariseerd, vooral de hoogere
klassen van het volk, de meer ontwikkelden van den adel. Daardoor
komt het, dat men onder de 1 1/2 millioen Walachijers van Hongarije
en Zevenburgen bijna geene oude Romanische Bojaren-familiën vindt. De
grondbezittende edelman is daar in den regel Magyaar, en het volk
bestaat, in dit gedeelte van zijn oud Dacisch stamland, in hoofdzaak
nog slechts als een deel van het zoogenaamde _"misera contribuens
plebs."_ [2]

De laatste groote volksbeweging uit het Oosten stortte zich in het
begin der 13de eeuw, toen de opvolgers van Dschingis-Chan zich op
weg begeven hadden, om het Westen der bewoonde wereld te veroveren,
over de Dako-Romanen uit, nadat Dschingis-Chan zelf reeds het Oosten
en het Zuiden onderworpen had. De heerschappij der Mongolen in deze
westelijke streken van Europa, waarin zich nu de hechte Koningrijken
der Duitschers, Polen en Magyaren gevormd hadden, was echter slechts
van zeer korten duur. Al ras bepaalde zij zich uitsluitend tot
Oostelijk Europa, het tegenwoordige Rusland, en daar geene nieuwe
volksverhuizing na hen volgde, zoo slaagden daarna met zeker goed
gevolg, de Walachyers in hunne dikwijls beproefde pogingen, om eene
onafhankelijke nationaliteit te verwerven.

Kort na het terugtrekken der Mongolen, na het midden der 13de eeuw,
stonden onder de, in de bergdalen van Zevenburgen te zamen vluchtende
Romaenen, twee volksleiders op, die de hunnen naar de, door de Mongolen
verwoeste en door de Slawen sporadisch bezette Donau-landen, aan den
voet der gebergten terugvoerden.

Een dezer, "Dragosch" geheeten, trok, zooals de Walachysche
kroniekschrijvers zich uitdrukken, "met de jeugdige bloem van het
Romaensche volk," van uit de Marmarosch aan de bronnen van den
Theiss, oostwaarts. Het eerste oostwaarts stroomende water, dat hij
onder zeer avontuurlijke omstandigheden bereikte,--de vaderlandsche
geschiedschrijvers hebben er eene fraaie mythe van gemaakt--heette
"Moldava" en daarom gaf Dragosch aan het land dat hij veroverde en
weder met Romaenen bevolkte, aan den staat dien hij stichtte, den
naam van "Moldavië."

De andere Romaensche staten-vormer "Radul" of "Rudolf de Zwarte"
genaamd, die in een gedeelte van Zevenburgen aan de bronnen der Aluta
gewoond had, welk gedeelte van oudsher "Fogarasch" genoemd werd,
had op gelijke wijze, reeds eenigen tijd voor Dragosch, de bergen
verlaten, en was zuidwaarts langs genoemde rivier gegaan, terwijl hij
de daargelegen landschappen op de Daken heroverde, op nieuw bevolkte,
bebouwde en tot éénen staat vereenigde, die "Walachye" _par excelence_
genoemd werd.

Op deze beide merkwaardige staten-vormen van Dragosch en van Radul,
die tot op onze tijden, ofschoon met eene zeer onvolkomene en steeds
bevochten zelfstandigheid, en hoogstens slechts als vasallen-staten
van naburige rijken zijn blijven bestaan, zien de Romaenen met
bijzonder welgevallen neder, als op de periode der wedergeboorte en
der hernieuwing hunner nationaliteit, die, zooals zij meenen, eens
onder Decebalus en Trajanus hare gouden eeuw gehad heeft, vervolgens
onder de duizendjarige verhuizing in de bergen van Fogarasch en
Marmarosch gesluimerd, maar in stilte taal en zeden onderhouden heeft,
en nu onder de beide bovengenoemde volkshelden, op eens als een
losgebroken bergstroom bruisend en bevruchtend weder over de vlakte
henenvloot. Verscheidene streken van het oude Dacië, aan den Donau en
aan den Pontus, werden weder gedaciseerd en het onder de asch glimmende
Romaensche volkselement, dat natuurlijk ook onder de Tartaren nooit
geheel uitgestorven was, kwam weder bovendrijven. In de 14de en 15de
eeuw weerden de Walachijers zich dapper tegen de Polen, Hongaren
en andere naburen, die zich altijd in hunne zaken mengden. Toen
hadden zij hunnen Alexander, hunnen Stephanus en andere vorsten,
die door hunne geschiedschrijvers als nieuw opgestane Decebalussen,
"de goede" of "de groote" enz. worden bijgenaamd.

Maar ook deze nationale zelfstandigheid duurde niet lang, want reeds in
het midden der 15de eeuw, trok aan den zuidelijken horizon een nieuw
onweder, de over Klein-Azië en Constantinopel naderende macht der
Turken, samen. De Walachyers riepen deze nieuwe Aziatische naburen,
aanvankelijk zelf in hun land, daar zij hoopten zich van hunnen
bijstand tegen de Hongaren te kunnen bedienen, en de Turken hunnerzijds
verschoonden hen zoolang, als de macht der christelijke naburen
geëerbiedigd moest worden. Toen echter in den noodlottigen slag bij
Mohacz (in het jaar 1526) een einde aan het rijk der Magyaren gemaakt
werd, en de halve maan in het oosten en tot onder de muren van Weenen
wapperde, toen kwamen ook langzamerhand de Walachyers geheel onder de
macht der Turken. Aanvankelijk werd hun eene geringe schatplichtigheid
opgelegd, die echter met de jaren steeds grooter werd.

De inheemsche vorsten-waardigheid, die na het verdrijven der oude
vorstengeslachten van Dragosch en Radul, niet meer erfelijk, maar een
verkozen ambt was, werd spoedig onder den steeds meer rechtstreekschen
invloed des Sultans bezet, en ten laatste werden deze Walachysche
vorsten, even als de Pascha's, met het onderscheidingsteeken "de
drie paardenstaarten" vereerd, en ook even als de Pascha's naar het
goedvinden van den Sultan benoemd en afgezet. Aanvankelijk waren de
Padischa's nog zoo meegaande, dat zij deze hunne vorstelijke vasallen
uit de oude, in het land geborene Bojaren-geslachten der Walachyers
kozen. Langzamerhand echter lieten zij ook deze gewoonte varen, en
begonnen zij vreemde avonturiers uit Epirus en Albanië, wie er maar
het meeste voor bood, op den troon te plaatsen, en sedert het begin
der 18de eeuw werd het een blijvend gebruik bij de Turksche keizers,
de Walachysche en Moldavische vorsten, die hunne grens bewaken,
en zooals eens Miltiades voor Darius, hunne Donau-opzichters en
Donau-bruggenbouwers geworden waren, uit de in Constantinopel levende
Grieksche familiën te nemen, en gewoonlijk tot deze waardigheid
die Grieken te benoemen, die hen als staatstolken gediend hadden en
waarover zij tevreden waren. De Sultans waren gewoon in de decreten,
waarbij zij deze tot vorsten der beneden-Donaulanden benoemde tolken
bevorderden, in hunne bloemrijke, maar toch zeer veel beteekenende
oostersche taal over hen te spreken, als over "eene door hunne hand
aangekweekte plant, eene licht verspreidende en door hen aangestokene
kaars." Zij bliezen deze kaarsen uit, als het hun goed dacht, zonder
dat er overigens de minste reden voor bestond, en zoo zag Walachye,
sedert dit systeem in werking gesteld was, in den loop eener eeuw,
niet minder dan 40 verschillende Grieken op hunnen vasallen-troon
verschijnen en weder verdwijnen.

Deze "Grieksche Hospodars" voegden nu, bij alle onder de Romaenen reeds
bestaande nationaliteiten en talen, ook de Grieksche. Het Grieksch werd
niet alleen de hoftaal der Hospodars, maar ook de conversatie-taal der
beschaafde klasse, en de dagelijksche taal van alle, van het hof meer
of minder afhankelijke Bojaren, die onder de heerschappij der Turken in
hooge mate vergriekscht of gebyzantiniseerd werden. De Grieksche taal
schoot zulke diepe wortels, dat zij zelfs nu nog, onder de Walachysche
edellieden der Oostenrijksche provincie Bukowina, de gewone spreek-
en schrijftaal is, zooals zulks in Petersburg met het Fransch het
geval is. Verscheidene Grieksche woorden en elementen zijn daardoor
ook geheel in de Dako-Romaensche taal en nationaliteit overgegaan.

Eerst sedert het begin dezer eeuw heeft Ruslands ingrijpende overmacht,
den invloed dier door de Turken zoo groot gemaakte Grieksche familiën,
gefnuikt. Met behulp van Rusland zijn weder geboren Walachysche
geslachten op den troon gekomen, en ook hebben de Russen bij de
voorname kringen van het vorstendom, nevens _hunne gewoonten_, de
_Fransche taal_ in velerlei opzicht de Grieksche doen vervangen.

De aanhoudende afwisseling van regeering, het onbestendige van het
tegenwoordige, het onzekere der toekomst, gedurende het geheele
tijdperk der door de Turken ingevoerde heerschappij der Grieken,
moest bij de Walachyers iedere duurzame onderneming en nuttige
hervorming onmogelijk maken. De nu en dan te voorschijn tredende
kiemen der industrie werden altijd weder verstikt, de handel en
alle vaderlandslievende bewegingen verlamd en onderdrukt. Het door
de Grieken voor goeden buit beschouwde, en onder belastingen gebukt
gaande volk kon, evenmin als de door de Spanjaarden uitgemergelde
Peruanen, in zijnen staat van lijfeigenschap eenig teeken van leven
geven, terwijl al zijne naburen in ontwikkeling toenamen.

Wanneer men nu nog daarbij voegt, dat, als men de geschiedenis der
Walachyers in het algemeen en in het groot beschouwt, het blijkt
dat iedere afwisseling en iedere onzekerheid sedert overoude tijden,
bijna altijd het treurig lot geweest is van dit in zulk eene ongunstige
positie verkeerend volk, dat in zulk een kwaden wind geplaatst was,
een hoek, die tegelijk de plaats was, waardoor alle volken Europa
binnen- en uittrokken, dan laat het zich gemakkelijk begrijpen, dat
onder zulke omstandigheden, zich noch eene grootsche en gelukkige,
noch eene zeer bedrijvige of industrieele natie, vormen kon.

Inderdaad zou men gelooven, wanneer men onder de Walachyers komt,
hetzij men uit het Westen van de energieke Magyaren, hetzij uit
het Oosten van de insgelijks minder indolente Kozakken, hetzij uit
het Zuiden van de moedige en bedaarde Serviërs komt, eene schrede
bergafwaarts gedaan te hebben.

De wegen, waarlangs de reiswagen, door eenige daaraan met touwen
vastgebondene wilde paarden wordt voortgetrokken, zijn, al naar
mate van het jaargetijde, of een diep moeras of eene stoffige
zandstreek. De huizen der bewoners, of liever hunne stroo- of rieten
hutten, hunne in de aarde gegraven gaten en gelapte zomer-tenten en
hunne ellendige winterholen, die men ter nauwernood ziet, daar zij
zich altijd vreesachtig zijwaarts van den straatweg, in het binnenste
van het land verschuilen, zijn nog minder bewoonbaar dan die der
Hongaren en Kozakken, terwijl hunne akkers nog meer verwaarloosd
zijn. De gedaanten der menschen, door wie men zich omgeven ziet, de
herders, die hun hoornvee, dat met hen vergeleken er aangenaam, rein,
sierlijk en men zou kunnen zeggen, beschaafd uitziet, met een ruw
"hallo" vooruitdrijven;--de plompe landlieden, die met een voorspan
van 6 ossen langzaam een ellendigen en zeer ouderwetschen ploeg,
door den van vet glimmenden akkergrond trekken--de postiljons,
de stalknechten, de logementhouders en hunne handlangers die de
reizigers bedienen, en die hun stekelig haar met spek ingesmeerd
hebben,--zij allen zien er zeer wild en somber uit. Zelfs in den
dorpsschoolmeester en den predikant, is men eerder genegen een Heiduk
dan een zacht brandend licht der gemeente te zien. Het is onmogelijk,
dat het er bij de eens door Ovidius beklaagde onderdanen van Decebalus,
erger uitgezien kan hebben, en men mag het eens zijn met het gezegde
van den Moldavischen Vorst Kantemir, die zijne boersche landlieden
"de ellendigste dorpbewoners onder de zon" genoemd heeft.

"Krachtige vastberadene en groote mannen, sterke en edele karakters,
heeft men bij dit volk zelden aangetroffen, ofschoon een hoofdtrek
in hun karakter vermetelheid is en zij gaarne twist zoeken. Het hart
hebben zij niet ver van den mond, en even als zij hunne spoedig gaande
gemaakte vijandelijkheden spoedig vergeten, zoo zijn zij ook niet lang
trouw aan gesloten vriendschap. Zij zijn meer sluw dan voorzichtig en
weten bij hun onvast karakter, van geene matiging hunner gevoelens. Als
het hun goed gaat, geven zij zich aan overmoed en aan de uitgelatenste
vroolijkheid over, maar treft hun het ongeluk, dan laten zij ras den
moed zinken. Niets schijnt hun op het eerste gezicht moeielijk toe,
maar stooten zij op de eene of andere zwarigheid, dan geraken zij in
de war en geven hun plan op. Tegen overwonnenen en ondergeschikten
zijn zij afwisselend goedig en wreed."

"Trouw wordt zelden bij hen aangetroffen, en zal ik het eerlijk
zeggen," zegt Vorst Kantemir, dien ik hier, als landgenoot en
bevoegd beoordeelaar der Walachyers, liever dan mij zelven of andere
berichtgevers volg, "dan vind ik weinig in het karakter en de zeden
der Walachyers, mijne landslieden, te prijzen dan hunne aangeborene
gastvrijheid en hunne strenge rechtzinnigheid. Tegen alle nieuwigheden
zijn zij ten sterkste ingenomen, wat trouwens zeer gemakkelijk te
begrijpen is, daar al het nieuwe, wat hun van buiten werd aangebracht,
steeds nieuwe plagen en tyrannie waren."

Alle handwerken, kunsten en wetenschappen worden bij hen beoefend door
vreemden, die zich bij hen met der woon gevestigd hebben: Duitschers,
Russen, Franschen, Armeniërs en Joden. Zij zelven zijn niet alleen
geene liefhebbers en bewonderaars der kunsten en wetenschappen,
maar "bijna allen" zooals meergenoemde Vorst beweert, "verachten
haar even hard als zij de vreemde 'avonturiers' doen, door wie zij
beoefend worden." Voor een echten Walachyer is het volgens hunne
meening voldoende, als hij zijne gehoornde ossen, zijne paarden,
schapen en bijenkorven, met streepjes en schrappen in den kerfstok,
die hun rekening-courant-boek voorstelt, kunnen aanteekenen. Al het
andere schijnt hun overtollig toe.

Het allerminst heeft men van oudsher de Bojaren en in het algemeen
den adel der Walachyers te roemen. De adel is in verscheidene
klassen verdeeld, naast de in het land geborene Dako-Romaenen hebben
vele rijk geworden Grieken, Armeniërs, Joden, Polen, Tartaren, ja
zelfs Tscherkessen, zich in den lands-adel der Vorstendommen doen
opnemen. Dientengevolge is die adel bijna nog bonter samengesteld
dan het gemeene volk zelf. De mishandelingen waaraan deze Bojaren,
òf als hovelingen der Hospodars òf als dienaren van den Turkschen
Sultan vroeger even goed blootgesteld waren, als hunne eigene door hen
weder onderdrukte en geplaagde boeren, hebben ook bij hen het gevoel
voor de edele genoegens des levens en alle fijnere aandoeningen van
het hart ondermijnd.

Wel hebben zij in lateren tijd hunne nationale dracht afgelegd, en zijn
West-Europeesche modes en gewoonten, die grootendeels over Rusland,
maar gedeeltelijk ook over Oostenrijk en Weenen tot hen kwamen,
ingevoerd geworden; zulks neemt echter niet weg, dat zij in hunne
manieren, in hunne neigingen en liefhebberijen, nog in velerlei
opzicht de _ouden_ gebleven zijn: Fransch of Duitsch sprekende,
zich Europeesch voordoende Oosterlingen.

Zij hebben een grooten tegenzin tegen alle inspanning van lichaam of
geest. Iedere beweging, waaraan eenige moeite verbonden is, is hun
onaangenaam. Men ziet hen haast nimmer te voet. Het paardrijden en
andere lichaamsoefeningen, zelfs de jacht, die bij zoovele hoogere
standen van andere volken tot de lievelings-bezigheden behooren,
worden door hen niet bemind. Zij bewegen zich bijna niet anders dan in
gemakkelijke rijtuigen. De luxe in kleeding is, zoowel bij de mannen
als bij de vrouwen, groot, en werkt verderfelijk op hunne huiselijke
omstandigheden en hun vermogen. Hunne zucht tot verkwisting evenaart
hunne begeerlijkheid, terwijl zij daarbij nu eens door onbeperkte
pronkzucht, dan weder door eene angstvallige gierigheid beheerscht
worden.

Geheel overgegeven aan weelde, zinnelijk genot en aan de
min-vermoeiende genoegens der gezelligheid, hebben zij weinig gevoel
voor de prachtige natuur van hun land. Zij willen alleen in de
residenties der Vorsten leven, waarin van oudsher genade-bewijzen
en ambten, titels en prebenden verdeeld werden en te verkrijgen
waren. De heerlijkste oorden van hun vaderland zijn daardoor
eenzaam en verwaarloosd; de dalen en de fraaiste landschappen,
waarin ridders en Koningen hunne zetels zouden kunnen opslaan, worden
dientengevolge alleen bewoond door beeren en arenden en--door arme,
ruwe herders. Somwijlen komt het in hun hoofd op, hier of daar een
fraai landhuis te laten bouwen, maar bijna nooit brengen zij het
dikwijls geuite voornemen om het te gaan bewonen tot werkelijkheid, en
zoo zijn ze binnen weinig tijds weder tot puinhoopen vervallen. Slechts
zelden kunnen zij het over zich verkrijgen, eens, welk jaargetijde
het moge zijn, de stad te verlaten, wier kringen een onweerstaanbare
aantrekkingskracht op hen uitoefenen. "Groote, oorspronkelijke genieën
en grootsche gedachten leven even weinig onder hen, als groote deugden
en de geest van zelfopoffering." Maar wat zij spoedig kunnen leeren,
dat maken zij zich gaarne en zeer gemakkelijk eigen, daar zij in den
regel niet van vermogens ontbloot zijn.

Dit zijn minder opwekkende opmerkingen, die echter door nagenoeg allen,
die de afstammelingen der oude Dako-Romaenen in hun land opzochten,
gemaakt zijn. Echter mogen wij niet onopgemerkt laten, dat men zich
bij algemeene schilderingen van een volk, wachten moet de pen te
zeer in zwarte kleuren te dompelen, daar men overal te veel aantreft
wat te gispen of te beklagen gevonden kan worden. Hij, die beproeft
met weinige zwakke en algemeene penseelstreken, de trekken van een
volk of van eene maatschappij te schetsen, mag niet vergeten welk een
groot en veelzijdig wezen een volk is, dat met verscheidene millioenen
zielen over eene groote vlakte-uitgebreidheid verdeeld is. Er bestaan
zooveel schakeeringen in de toestanden, die men niet dan door eene
nauwkeurige beschrijving der bijzonderheden in het oog kan doen
springen; bij eene dergelijke beschrijving toonen geheele gemeenten,
ja geheele stammen, eene physionomie, belangrijk afwijkende van die,
welke men als algemeen aangegeven heeft--vele uitzonderingen op den
regel--enkele edele individuën, die zich verre boven de algemeene
middensoort, welke de etnograaf beschreven heeft, verheffen, en die
zich deugden, smaak en ontwikkeling, waartoe men aan de geheele massa
aanleg ontzeggen moet, in hooge mate eigen gemaakt hebben.

Zoo hebben dan ook de Walachyërs, trots de geringe achting, die
zij volgens de getuigenis van hunnen ouden Vorst Kantemir, voor de
wetenschappen aan den dag leggen, dezen geleerden en waarheidslievenden
schrijver, een vriend van Peter den Groote, zelven voortgebracht, en
nevens hem nog verscheidene andere wetenschappelijke celebriteiten,
onder wie ik ook weder aan de beminnelijke, geestige en geleerde
Gravin Dora d'Istria herinneren mag, die in onze dagen met zoo'n diep
gevoel haar zoo deerlijk geteisterd vaderland, en de lichtzijden van
hare zoo dikwijls berispte landgenooten, geprezen heeft, terwijl
zij toch tegelijkertijd den invloed der Duitschers billijken tol
betaalde. Zoo beroemen de Walachyers er zich op, onder vele andere
gevierde helden, eens den Hongaren hunnen grooten Johan Hunyades
(wiens moeder ten minste eene Walachysche was) en zijnen zoon Matthias
Corvinus geschonken te hebben. Verscheidene in de geschiedenis dikwijls
genoemde Vorsten der Bulgaren waren eveneens van Walachyschen stam,
en in oude tijden zijn, naar men zegt, zelfs de Romeinsche Keizers
Aurelianus en Galerius geborene Dako-Romanen geweest, en al deze
worden door de Walachysche patriotten met niet weinig trots als hunne
landgenooten beschouwd.

Evenzoo vindt men in het land der Walachyers hier en daar zeer nette
en deftige woningen, die volstrekt niet gelijken op het algemeen
beeld, dat wij zooeven geschetst hebben, op de anders vrij algemeene
stroohutten en in de aarde gegraven holen. In de bergen treft men
soms dorpen aan, wier bewoners eene bijzondere zorg wijden aan hunne
oofttuinen, vooral aan de kwetsen-boomen, de lievelings-vruchtsoort
der Walachyers.

Heeft het harde lot, dat steeds hun land trof, hen loom en traag
gemaakt, daar zij slechts zelden de vruchten van hun werk konden
deelachtig worden, zoo hebben de voortdurende oorlogen en rooverijen
hun ook geleerd, gemakkelijk afstand te kunnen doen van hetgeen zij
bezitten of minnen. Niemand schikt zich gemakkelijker in het verlies
dan de Walachyer, met zijn dikwijls herhaalden lakonieken uitroep:
"zooals God wil." Zonder groote behoeften te kennen, streng en gehard
opgegroeid, laten zij zich zelden door een ongeluk geheel ter neder
slaan. Hagelslag, overstrooming, brand en dergelijke beschouwen zij
eenvoudig als "van God komende," en verspillen er daarom ook geene
weeklachten aan. Slechts zelden bedelen zij.

Hunne gastvrijheid, die zooals reeds opgemerkt is, hun kritische
dichter en rechter, de Vorst Kantemir als hunne meest in het oog
springende deugd prijst, komt bij iedere gelegenheid aan den dag;
waar maar een paar Walachyers bijeen zitten en niets dan een stuk
droog maïs-brood eten, waarbij zij als eenige kruiderij, nu en dan een
vingerlang stukje van een knoflookstengel afbijten, daar is de reiziger
zeker, door hen vriendelijk uitgenoodigd te worden aan hun maal deel
te nemen. Bij hunne bruiloften en andere feestelijkheden, waar het
stout toe gaat, heeft de aan hunne deur kloppende wandelaar altijd
zijn deel, en bij hunne begrafenissen wordt altijd een aantal armen,
in het huis van den afgestorvene, gespijzigd en naar vermogen bedeeld.

Over het algemeen weet of denkt iedereen, die slechts eens de
Lüneburger heide doorreisde, en in deze treurige streek, die over
het geheel zeer te recht als eene "woestenij" afgeschilderd wordt,
toch menig vriendelijk, ja bekoorlijk natuurbeeld ontdekte, dat op
de heide van den Walachyschen volksgeest ook nog veel vriendelijks
en weldadigs kan aangetroffen worden. Hoe trouw en standvastig
was, in weerwil van de, zijn volk in het algemeen ten laste gelegde
"lichtzinnige vergeetachtigheid," b.v. de oude Abram Babecz, dien een
Duitsch reiziger eens in Walachye ontmoette, en die naar Walachysche
gewoonte 12 jaren om zijnen vroeg gestorven zoon treurde, d.i. steeds
blootshoofds ging. En hoevele dergelijke trekken zou men hier nog
niet bij kunnen voegen.

Hoe welluidend en aangrijpend zijn niet vele der bij de "barbaarsche"
Walachyers inheemsche zangwijzen, die, even als die der Slawen,
altijd in den klagenden moltoon gezongen worden. Hoe roerend en
poëtisch zijn niet dikwijls de onder het volk verbreide liederen en
gedichten. Gedurende mijne reizen in Walachye heb ik eenige er van
bij een verzameld, en wat kan aandoenlijker klinken dan de volgende
verzen, die een geboren Walachyer mij als een volkslied zijner
natie mededeelde, en onder den titel: "_Impartire a florilor_." (de
verdeeling der bloemen) voor mij opgeschreven heeft.


    _Florilor, o Florilor_
    _Di livada reserite_!

    o! Bloemen gij bloemen!
    Ontsproten uit den grond!
    Ieder moet u roemen
    En hier en daar in 't rond.
    Gij dochters der natuur!
    Getooid met zonnepracht

    Van geel, groen en azuur
    Van hemelsblauw, zoo zacht.
    In een krans heb ik keur,
    Van bloemen fijn geteeld;
    Wat vorm betreft of kleur
    Juist ieder meisjes beeld.

    U, o Flora! aanminnig wezen
    Met uw oogjes, zacht en lieflijk,
    Met uw mondje, nooit volprezen,
    Met uw inborst, zoo bekoorlijk
    Geef ik gaarne een viooltje, stil en klein
    Als zinnebeeld uwer deugden, veel en rein.

    En voor u, Isaa! dient tot zinnebeeld
    De schoonste roos, vol vuur en gloed,
    Daar uw wezen noch uw spreken ooit verheelt
    De warmte van uw hartebloed.

    Maria! uw hart is zoo rein en zoo goed,
    Den dauwdrop gelijk, die daar glinstert in 't veld.
    Gij die aan 't doornloos bloempje ons denken doet,
    En zonder dat ge 't u ten taak hebt gesteld.
        De lelie schenk ik u dus tot beeldnis,
        Die als zij zich 's morgens ontsluit,
        Der geheele schepping tot vreugde is,
        Uit wier geur niets dan liefde ontspruit.


Dergelijke dichtregels zijn wel in staat ons met het "barbaarsche"
volk, dat ze dichtte, te verzoenen. En wie de hoogst belangrijke
Walachysche volksverhalen gelezen heeft, die eenige jaren geleden
door een Duitscher bijeen verzameld en uitgegeven werden, die zal
aan de Walachyers eene groote mate van phantasie niet kunnen ontzeggen.

Eindelijk kan ons, bij de ontmoedigende beschouwing van het treurig lot
en de verwaarloozing van dit volk, ook nog de omstandigheid eenigzins
opvroolijken, dat in den allernieuwsten tijd, minstens twee deelen van
dit nog meer dan de Polen verbrokkelde volk, zich weder broederlijk
verbonden hebben, en dat Moldavië en Walachye althans eene poging tot
vereeniging en nationale versterking gedaan hebben. Dit is sedert de
tijden van Decebalus de eerste maal, dat zooveel Daciërs weder even
als nu, onder een door hen zelven gekozen Vorst staan. Of dit een begin
is tot zulk eene herstelling van het oude Daken-rijk in zijn geheelen
omvang, als waarvan de Romaensche patriotten, die in hunne verbeelding
"de ongebaande steppen en wouden van Walachye met gouden korenvelden,
met straat- en spoorwegen doorsneden, met fabrieken bezaaid en met
10 millioen ontwikkelde Romaenen bevolkt zien," droomen, dat zal de
toekomst moeten leeren.

Eene zekere hoop, dat deze droom eens verwezenlijkt zal worden, kan
men echter bezwaarlijk uit de treurige geschiedenis van het verledene
van het land en volk putten. Verscheidene nationaliteiten schijnen,
zoowel door hunnen natuurlijken aanleg, als door de plaats die het
oord dat zij bewonen in de wereld inneemt, veroordeeld te zijn,
voortdurend eene ondergeschikte en onzekere rol te spelen. Ook kan
men ter nauwernood zonder schrik aan de bloedige wegen en vreeselijke
schokken denken, met wier hulp alleen het zou kunnen gelukken, alle
Walachysche stamgenooten, op wier ruggen in Rusland, in Gallicië,
Hongarije, Zevenburgen, andere volken en staten zich opgebouwd hebben,
te vereenigingen en ze te ontdoen van alle vreemde bestanddeelen.



DE MAGYAREN.


In het zuid-oosten van Europa, in het gebied en in de nabijheid van
den grootsten stroom van ons werelddeel, heeft de natuur eene reeks
groote berglanden gevormd, die in physieken zin, eenige gelijkheid met
elkander hebben.--Boheme, Moravië, Hongarije, Walachye (met Bulgarije),
allen gelijken daarin op elkander, dat het uitgestrekte, aan alle
zijden door groote bergketenen omgeven, laaglanden zijn, terwijl men
in het midden effene en meestal bijzonder vruchtbare vlakten vindt,
die in de voortijden vermoedelijk groote binnen-zeeën vormden, wier
wateren nu echter tot groote stroomaderen samengetrokken zijn.

Van al deze merkwaardige bassins is Hongarije het merkwaardigste,
en ook in historischen zin was het het belangrijkste.

In het noorden en oosten wordt het door de Karpathen als door een sterk
slingerenden halven cirkel omgeven; in het westen en zuiden wordt het
door de Alpen en hare vertakkingen begrensd. In het noord-westen,
waar Alpen en Karpathen op elkander stooten, is eene opening, door
welke de Donau bij Presburg in het bassin stroomt, om het als een
groot kanaal in schuine richting te doorsnijden. In het zuid-oosten,
waar de Servische en Zevenburgsche gebergten op elkander stooten,
is eene tweede opening, de sedert oude tijden zoogenaamde "ijzeren
poort," bij welke de Donau zich, door eene verscheidene mijlen lange
galerij van hooge rotswanden, weder een uitgang door het land baant.

Van alle zijden komen de wateren van de bergen afstroomen, om zich,
tot groote stroom-aderen vereenigd, naar het binnenste gedeelte des
lands te begeven en zich met den Donau te vereenigen. Uit het westen
komen de Drave en de Save, uit het oosten de veruiteenloopende takken
van den Theiss, den vischrijksten stroom van Europa.

In het noorden en oosten scheidt het Karpathisch gebergte het land van
de Sarmatische vlakte, en veroorzaakt tusschen Polen en Hongarije een
bijna even scherp afgeteekend verschil in klimaat, als de Alpen zulks
doen tusschen Duitschland en Italië. Wanneer men van uit het noorden de
Karpathen overschrijdt, komt men al ras uit de pijnboomwouden en uit
de, gedurende zes maanden met sneeuw bedekte, moerassen van Polen, in
een vruchtbaar wijnland, en wel in een land, waar, onder veel helderder
en drooger hemel, zuidelijker en vuriger wijnen verbouwd worden. De
talrijke vertakkingen der Karpathen vormen in Noordelijk Hongarije
eene menigte liefelijke heuvelachtige landschappen. De bodem is er
rijk aan allerlei schatten, aan gezondheidsbronnen, mineraalwateren,
ijzer, zilver, koper en zelfs ook aan goud, en tusschen de ertsrijke
bergaderen breidt zich een net vruchtbare, aan elkander verbondene
dalen uit, waaronder ook het zoogenaamde "gouden land van Hongarije,"
het groote eiland Schutt in de armen van den Donau.

De vertakkingen en uitloopers der Alpen zijn in het zuiden en westen
wel armer aan metalen, maar daarentegen vol van de treffendste en
bekoorlijkste landschappen. De gezamenlijke wateren van het land,
dat naar het zuiden afhelt, zijn daar sedert oude tijden opgestuwd
geworden, en hebben, even als in de Delta van den Nijl, ook in Walachye
een vetten slijkbodem doen ontstaan, die over eene uitgestrektheid van
50 mijlen, in de om hunne vruchtbaarheid zoo beroemde landschappen
van het Banaat, de Batschka en het Drave-dal gevonden wordt. Daar
zijn zelfs amandel- en olijfboomen en zelfs de katoenstruik inheemsch
geworden, terwijl de tamme kastanjeboom er in prachtige wouden groeit.

De middelste streken van Hongarije, vormen een groot vlak land,
dat zoo geheel vrij is gebleven van de omwentelingen, die onzen
aardbol doorwroet hebben, dat zijne oppervlakte over geheele streken
gelijk schijnt te zijn aan den vlakken effenen waterspiegel eener
binnenzee. In het geheele bergachtige Europa aan deze zijde der
Russische bergen, treft men geene tweede dergelijke vlakte aan. Overal
waar men, van de grensgebergten komende, deze vlakte betreedt,
meent men een ander werelddeel voor zich te zien. Men zou meenen,
dat Europa midden tusschen zijne bergen een stuk van het Aziatische
steppenland in zich opgenomen heeft. Alles is vrij, open en ruim,
overal is de horizon onbegrensd. Zandheuvels of vroegere duinen
zijn de eenige hoogten. De oppervlakte is in den regel kaal, hout-
en woudloos, voor een groot deel arm aan water, met gras of met
onmetelijke heidevelden bedekt. Enkele gedeelten zijn vruchtbaar
en geschikt ter bebouwing. Beide streken langs den Donau en den
Theiss zijn een groot gedeelte van het jaar met water bedekt en
vormen wijd uitgestrekte moerassen. Andere gedeelten missen geheel
een vruchtbaren bodem en den gras-groei, en gelijken kale, water-,
boom- en schaduwlooze zandwoestijnen. Zij worden van oudsher "Püsten"
(Wüsten, woestijnen) genoemd, onder welken naam echter later ook de
gezamenlijke binnenste vlakten van Hongarije--bouwlanden zoowel als
woestijnen--aangewezen worden. Even als in de Russische steppen, vindt
men ook in deze Hongaarsche "püsten" talrijke zout- en natron-meren
als overblijfselen van eene vroegere binnen-zee. Ook het klimaat
dezer woestijnen heeft in hoofdtrekken veel overeenkomst met die der
Aziatische steppen; het heeft eene in hooge mate drooge temperatuur. In
den zomer brandt de zon boven de Hongaarsche vlakte even gloeiend
als boven de Sahara. Dikwijls is maanden lang aan den hemel geen
wolkje te bespeuren, en de lucht tot stikkens toe heet en stil. In
den winter daarentegen waaien scherpe winden over het vlakke land
heen, maar deze zijn, tengevolge van den tegen het noorden en oosten
beschermenden bergwal, niet zoo ruw en koud, als in de oostelijke
zusterlanden Meestal mag men het wagen zomer en winter de kudden
buiten te laten. Bij uitzondering echter komen uit het Oosten _zeer_
harde winters, en dan komen de runderen, even als in de steppen van
Rusland en Tartarye, bij duizenden om.

Alle algemeene en bijzondere karaktertrekken van natuur en leven in
deze Hongaarsche püsten, harmonieeren in zoo hooge mate met wat men
aan de Kaspische zee en den Pontus waarneemt, dat men meenen zou,
hetzelfde land, denzelfden bodem aan deze zijde der Karpathen weder te
zien, hetzelfde vroeger samenhangende tapijt, waarvan de later uit de
ingewanden der aarde opgestegene Karpathen, slechts toevalligerwijze
een stuk afsneed en insloot. Het valt niet te betwijfelen, of deze
steppen-natuur van het binnenste gedeelte van Hongarije, vormt het
wezenlijke karakter van het land, en heeft een beslissenden invloed op
het geheele land gehad. Ware Hongarije, even als het overige Europa,
door heuvels en bergketenen doorsneden geweest, het zou eene andere
geschiedenis gehad hebben; het zou zich dan meer aan het Westen hebben
aangesloten, maar nu moest het, als eene onmetelijke door bergen
ingeslotene dierenrijke weide, als een door de Karpathen omzoomde
prachtige veeplaats, bij de Aziaten beroemd en door hen als een land
van belofte beschouwd worden.

De Aziatische en Nomadische volks-elementen, die zich van de vroegste
tijden af, in dezen breeden boezem van Hongarije uitstortten, hebben
van daar uit op het land en het volk steeds hun zegel gedrukt en bij
beiden den toon aangegeven. Wij zien nu daar midden in dat weide-land
een volk van Oosterschen oorsprong, dat naar alle zijden heen, over een
ander karakter hebbende bergvolken druk en heerschappij uitoefent. En
zoo is het bijna door de geheele geschiedenis heen geweest.

Reeds in het jaar 50 na Christus geboorte, ten tijde van den
Romeinschen Keizer Claudius, trok uit de Oostelijke steppen aan de
Zwarte Zee, een nomaden-volk, de Jazijgen geheeten; het begaf zich
over de Karpathen naar Hongarije en zette zich in de lage gedeelten
van het binnenste des lands neder. De Romeinen schilderen ons deze
Jazijgen als "een volk van wilde en koene ruiters, die, zonder dorpen
en zonder steden, onafgebroken te paard, in gemakkelijk op te breken
legerplaatsen leefden, en hunne wagens en kudden met zich voerende,
naar mate zij daar lust toe gevoelden of hun zulks noodig scheen, heen
en weer trokken." Zij waren vrije menschen, die hunne onafhankelijkheid
zelfs lang tegen de Romeinen wisten te handhaven. Daarentegen hadden
zij de om hen wonende bergvolken aan zich onderdanig en schatplichtig
gemaakt.

Men meent in deze weinige door de Romeinen medegedeelde gegevens, de
aanduiding van toestanden te herkennen, zooals die nu nog in het land
bestaan. Vele hun gelijkende ruitervolken kwamen _na_ de Jazijgen in
het land, en wie weet hoe dikwijls reeds _voor_ hen, gelijksoortige
stammen op gelijke wijze het land binnen gedrongen waren.

Welke taal die Jazijgen spraken, tot welke der groote Aziatische
nomaden-stammen zij behoorden, weten wij niet, en evenmin is het ons
bekend, tot welke familie de inboorlingen en bergbewoners die zij er
aantroffen, gerekend moeten worden. Slawische schrijvers echter zijn
van oordeel, dat de laatstgenoemden Slawen waren. En was dit, zooals
waarschijnlijk is, het geval, dan zouden wij dus hier reeds in de
oudste tijden een beeld voor oogen hebben, van den nu nog in Hongarije
voortdurenden strijd tusschen nijvere, akkerbouwende, onderworpene
Slawen, en zich op de veeteelt toeleggende, vrij rondzwervende,
in het inwendige van het land gebiedende, indringers uit het Oosten.

Na de Jazijgen, wier macht, omstreeks het midden der 4de eeuw, door
een algemeenen opstand hunner (Slawische?) onderdanen gebroken
werd, wier naam echter ten huidigen dage in de geographie van
Hongarije, in het district "Jazijgië" aan den Theiss, vereeuwigd
is, vielen de horden der zoogenaamde Hunnen het land binnen, en hun
aanvoerder Attila sloeg, even als voor hem de stam-opperhoofden der
Jazijgen, zijne legerplaats midden in de vlakten van Donau en Theiss
op. Zijne verschijning was niet eene koene en op zich zelf staande
onderneming van een afzonderlijken stam, maar het gevolg van groote
staten-veranderingen en volksbewegingen in het Oosten. Hij kwam aan
het hoofd eener groote volks-lawine, midden in een bruisenden vloed
van natiën. De nationale elementen door dezen vloed over Hongarije
uitgeschud, waren natuurlijk van zeer verschillenden aard. Daaronder
bevonden zich zoowel Mongoolsche als Finsche, Turksche en wellicht
ook Tungusische krijgers, al waren dan al wellicht eerstgenoemden
de aanvoerders.

Ten tijde van Attila, in het midden der 5de eeuw, speelde
Hongarije voor de eerste maal eene groote maar vreeselijke rol in
de wereldgeschiedenis, en van dien tijd af heeft dat land den naam
"Hunnenland" of "Hungarn" (Ungarn--Hongarije) bij de westelijke
Europeanen behouden. Van uit de Hongaarsche püsten, van uit de
ruiter-legerplaatsen aan den Theiss, werden toen de eerste tochten
gedaan die tegen het Romeinsche rijk gericht waren, de Germaansche
wereld in rep en roer brachten, en in geheel Europa de vaan der
revolutie plantten. Van daar uit reden Attila en zijne scharen naar
Duitschland, naar Frankrijk en Italië, en daarheen keerden zij,
de Alpen omtrekkende, met den in het westen opgedanen buit beladen,
ook weder terug. Daar, in zijne legerplaatsen aan den Theiss en den
Donau, ontving Attila de afgezanten van de Keizers uit het Westen en
uit het Oosten en de schatting van vele volkeren.

Na het verval van het rijk der Hunnen, waarvan de oorzaak, deels in
inwendige tweespalt der opvolgers van Attila, deels in den opstand
hunner Slawische en Germaansche onderdanen, moet gezocht worden, kwam
de heerschappij over Hongarije aan Duitsche stammen, aan de Gepiden,
Gothen en Longobarden.--Maar ook deze hielden niet lang Hongarije
onder hunne heerschappij, want schier iedere eeuw deed nieuwe volken
uit het Oosten en het Westen binnenstormen.

Vervolgens, in de 6de eeuw, kwamen de Avaren. Zij volgden het
voetspoor der Hunnen, om het voorbeeld van dezen op nog ergere wijze te
herhalen. Even als Attila, zetten zich hunne Chakans (opperhoofden der
horden) in de vlakten aan den Theiss en den Donau neder, en van daar
uit vielen zij, even als de Hunnen overal verwoesting aanbrengende,
het overige Europa aan. Men toont nu nog in Hongarije overblijfselen
aan der zoogenaamde _Avaren-ringen_, groote ronde verschansingen,
waar binnen zich de Avaren met hunne ruiters en kudden verschansten.

Hunne rooftochten voerden zij, evenals de Hunnen, hoofdzakelijk in
drie richtingen uit: zuidelijk naar Constantinopel, westelijk den
Donau op naar Duitschland, zuidwestelijk tot de Adriatische zee naar
Italië. Zij handhaafden zich nagenoeg 200 jaren in hunne stelling,
tot ten laatste Karel de Groote, tegen het einde der 8ste eeuw,
langs den Donau tegen hen optrok, in een grooten slag aan den Raab
hunne macht brak, en met Duitsche kolonisten zijn "_Avaren-mark_",
Avarengrens, ook wel de "_Oostelijke-mark_" later "_Oostenrijk_"
genoemd, tegen hen oprichtte.

Reeds lang was een ander Finsch-Tartaarsch volk, de _Bulgaren_, van
den Ural af, de Avaren op den voet gevolgd. Terwijl zij, in den rug
hunner steeds voorwaarts trekkende voorgangers, de verlatene provinciën
wegnamen, kwamen zij na de nederlaag der Avaren, ook naar Hongarije,
en beheerschten dit land van af de oostelijke grens tot aan den Donau
bij Pesth. De hoofdmacht dezer Bulgaren had zich intusschen naar den
beneden-Donau en naar Constantinopel gewend, en hunne heerschappij in
Hongarije was noch zeer uitgebreid, noch van langen duur. In hunne
noordelijkste bezittingen aan den Theiss en den Donau, moesten zij
onderdoen voor de Magyaren.

Het einde der 9de eeuw bracht de Magyaren in het land. Even als
hunne voorgangers de Bulgaren, de Avaren, de Hunnen, de Jazygen,
hadden zij zich ook aan de grenzen van Azië en Europa te paard gezet,
en waren zij strijdende, slagen _winnende_ en _verliezende_, nu eens
overwinnende, dan weder door hunne vijanden gedecimeerd en voor
hen vluchtende, lang aan de Chazaren onderdanig, langs denzelfden
grooten volkeren-weg in het noorden van den Pontus, waarlangs al hunne
voorgangers gekomen waren, westwaarts getrokken; waren in dezelfde
bergpassen der Karpathen, in het noorden van Zevenburgen, de gebergten
overgetrokken, en maakten eindelijk, even als hunne voorgangers,
in de goede weiden langs den Theiss en den Donau, halt. Daar,
midden in de vlakten sloegen, even als eens Attila, hunne eerste
legeraanvoerders en hertogen, Almus en Arpard, hunne legerplaatsen op,
en zij en hunne opvolgers verspreidden zich van daar op hunne tallooze
kleine paardjes, even als de Hunnen en de Avaren, langs de van ouds
daartoe gebruikelijke wegen over het overige Europa, en doortrokken
plunderend en verwoestend het Byzantijnsche rijk in het zuiden,
Italië bij het begin der Adriatische zee en Duitschland opwaarts
langs den Donau. Wanneer men de gelijkvormigheid dezer gedurende
eeuwen voortgezette marschen en tochten, en hunne overeenstemming
op schier alle punten, zoo met betrekking tot het doel, als tot de
wegen die tot dat doel moesten leiden, beschouwt, dan zou men bijna
geneigd zijn te gelooven, dat de volken volgens afspraak te werk
gingen, of wel als bestond er eene traditie, dat het Hongarenland,
het met bergen omringde weideland aan den Donau, over heel Azië eene
groote vermaardheid had genoten, en als had zich dus van de vroegste
tijden af ieder ruitervolk, met het plan dit doel te bereiken, op
weg begeven. Ten deele moge dit werkelijk zoo geweest zijn, maar ten
deele is ook de gelijkvormigheid en regelmatigheid dezer bewegingen
uit de natuurlijke gesteldheid dier landen te verklaren.

Het geheele _zuiden_ van Rusland is eene met gras bedekte vlakte,
die den Nomaden zeer geriefelijk voor hunne beweging en toenemende
uitbreiding moest zijn. Het ruwe klimaat en de dichte wouden van
_midden_ Rusland, waren hun hinderlijk bij het voorwaarts rukken naar
het noorden, terwijl _zuidwaarts_ de Zwarte Zee hun in den weg lag.

Zij trokken dus het liefst _westwaarts_. In deze richting stieten zij
op de Karpathen, die in Zevenburgen eene hooge, breede en moeilijk
te overwinnen hinderpaal vormden, die echter van de bronnen van den
Dniester en Pruth tot die van den Theiss, lage, smalle bergruggen en
gemakkelijke bergpassen aanbieden. In het noorden dezer landstreek
verheffen de Karpathen zich weder hooger, zoodat zich bij den
Theiss eene kleine verzakking bevindt, een overgangspunt, een zeer
natuurlijk inlatings-station, veel doelmatiger en natuurlijker dan
de reeds bovengenoemde "IJzeren Poort" in het zuiden, waardoor de
Donau binnenstroomt. Nu nog gaat daar door een der voornaamste reis-
en straatwegen van Rusland en de Bukowina naar Hongarije.

De Jazygen, de Avaren, de Magyaren, die, zooals bereids gezegd is,
niet altijd als overwinnaars hunnen weg vervolgden, veelmeer dikwijls
als door andere horden voorwaarts gedrevene vluchtelingen, aan den voet
der Karpathen aankwamen, waagden dan, als zij van de heerlijke streken
aan gene zijde hoorden, de bergen over te trekken. Achter de bergen
konden zij ten minste een tijd lang voor hunne vervolgers zeker zijn,
en in die vlakten, waar zij de rijken hunner Aziatische voorgangers,
of van de aldaar van oudsher inheemsche Slawen, in tweedracht en
verval vonden, konden zij met frisschen nomaden-moed als veroveraars
en gebieders optreden.

Dat zij meest allen ten slotte aan den Donau halt hielden, als
hadden zij nu hun doel bereikt, als waren zij in het beloofde land
aangekomen, verklaart zich even natuurlijk uit de verdere gesteldheid
van Westelijk Europa. Had men verder op ook nog eindelooze vlakten,
weiden, rijbanen gevonden, dan waren de Nomaden tot aan het einde der
wereld doorgedrongen. Op hunne onderzoekings- en rooftochten van de
kale püsten uit, ontdekten zij echter steeds, dat men aan de andere
zijde niets dan bosch- en berglanden vond, vol menschen, steden, muren
en doorsneden door zeeboezems. Zij werden daar dikwijls met bebloede
koppen teruggeworpen, en bleven daarom in hunne püstenstreek waar
niemand hen opzocht, en dat het laatste stukje van het werelddeel
was, dat op hun Aziatisch vaderland geleek. Nog heden ten dage
is de Magyaar, als men hem eene beschrijving van bergen en enge
dalen geeft, gewoon met een soort afschuw te zeggen: "maar dat is
verschrikkelijk! Daar moet een Hongaar _stikken_."

Even als met betrekking tot de wegen waarlangs zij het Donauland
binnentrokken, en tot de omstandigheden waaronder zij zich daar
vestigden, gelijken deze volken, tot de Magyaren toe, ook allen op
elkander wat ten slotte hunne nationale geschiedenis was. Onder heinde
en ver gevreesde legeraanvoerders en ruwe machthebbers legerden zij
allen, de een na den ander als sombere onweerswolken, aan den Donau,
en deden zij van daar uit een tijd lang hunne verwoestende tochten naar
alle zijden heen. Maar geen vast beginsel, geen erfelijkheid van den
vorstelijken troon, geene neiging tot beschaving of vooruitgang schoot
bij hen wortel, en daardoor kwam het, dat al die onweerswolken zich in
nevels oplosten. De onstuimige ondernemingsgeest verminderde. Zulke
groote en talentvolle aanvoerders als Attila keerden niet weder. De
horden kregen oneenigheid en raakten verdeeld, en zoo werden zij altijd
weder de buit van eene andere, nieuw aangekomene horde, die nog bezield
was met dien frisschen moed en die jeugdige eensgezindheid, die den
roovers bij den aanvang hunner expeditiën zoo eigen pleegt te zijn.

De Magyaren _waren de eersten_ en _bleven de eenigen_, die het talent
of het geluk hadden, dit gewone lot van alle politieke stichtingen
der Aziaten in Europa te ontkomen. Zij alleen zijn niet als stof
vervlogen, zij alleen zijn midden onder ons blijven bestaan, en
hebben zich als een vast lid aan den krans der andere Europeesche
volken aangesloten. Nauwelijks aan deze zijde der Karpathen gekomen,
stichtten zij eene monarchie met een erfelijk vorstenhuis, en kwamen
uit hen verscheidene heldhaftige vorsten voort. Kort nadat zij, even
als de Hunnen en de Avaren, door de westelijke volken voor hunne
rooftochten in bloedige slagen bestraft en teruggeworpen waren,
gaven zij niet zooals de genoemde volken, op Aziatische wijze door
eene overhaaste vlucht het in bezit genomene land op, maar kwamen zij
veeleer spoedig tot bezinning, en besloten, terwijl zij de Westersche
beschaving en het Christendom--en wel het Westersche en niet zooals
de Russen, het Oostersche Christendom--aannamen, als Europeanen in
Europa te _blijven_, daar zij als Aziaten zich niet inheemsch konden
maken. Zij trokken de zware wapenrusting der westersche volken aan,
riepen Duitschers en Italianen in het land, stichtten met behulp van
dezen steden en vestingen, grepen naar den ploeg en leerden van de
Duitschers en Slawen den landbouw.

Het onuitputtelijke Azië ging intusschen voort, even als te voren,
nieuwe ruitervolken naar het Westen te zenden. Het eerst in de 10de
eeuw de Petschenegen, die de Hongaren altijd op den voet gevolgd
waren, vervolgens in de 12de eeuw de wilde Kumanen of Polowzers,
beide van Turksche afkomst en eindelijk in de 13de eeuw de Tataren van
Dschingis-Chan. Even als hunne voorgangers klopten ook zij allen aan
dezen Karpathen-muur, ja zij klommen dien zelfs ten deele over. Maar
de sterk geblevene en nog sterker gewordene Magyaren boden hun een
even degelijken als machtigen tegenstand. De Turksche Petschenegen en
Kumanen kwam slechts bij afzonderlijke troepen in Hongarije, en ook
dezen slechts als trawanten en onderdanen der Hongaarsche koningen,
en verdwenen weldra in de massa van het Hongaarsche volk, waarmede
zij zich vermengden. Zelfs de Tataren van de 13de eeuw, werden
in Hongarije, nadat zij het geheele land eerst verwoest hadden,
ten slotte overwonnen, en moesten zich met de heerschappij over
de uitgestrekte landen ten oosten der Karpathen tevreden stellen,
en eerst veel later was het krachtig gewordene Rusland in staat,
deze Aziatische landverhuizing bij den Ural een grens te stellen,
even als voor hen de Magyaren het reeds bij de Karpathen gedaan hadden.

Van _Duitschland_ uit, dat na den tijd van Karel den Groote en Hendrik
den Vogelaar zich vast aaneen sloot, zich met steden en muren wapende,
door Hongarije en Rusland heen, kan men in den loop der eeuwen een
langzaam kristallisatie- en consolideerings-proces der Europeesche
volken opmerken, dat met landbouw, beschaving, het bouwen van steden,
met militaire grenzen, kozakken-liniën enz., langzamerhand verder
naar het Oosten rukt, even als het indijkings-systeem der Duitsche
Marsch-boeren, de Aziatische volken-zee tot steeds engere grenzen
beperkt, en aan de van Azië uitgaande politieke schokken steeds minder
vergunt, zich aan ons vasteland mede te deelen.

Aanvankelijk zullen de Magyaren, toen zij over de Karpathen het land
binnentrokken, niet meer dan 300.000 koppen bedragen hebben. Zij
vermeerderden zich aan den Donau tot eenige millioenen, zonder dat
zij zich, even als de Franken en de Gothen in Spanje en Gallië,
in de oorspronkelijke bevolking oplosten. Terwijl zij veel meer dan
deze beide volken, de taal en de eigenaardigheden hunner voorvaderen
getrouw bleven, en deze ten deele zelfs nog aan anderen opdrongen,
stichtten zij zelven daar een rijk, dat lang bestond, en ten tijde van
zijn grootsten bloei in de 14de en 15de eeuw, bijna alle midden- en
beneden-Donau-landschappen, van af de Karpathen tot aan de Adriatische
Zee, en onder Lodewijk den Groote zelfs ook Polen tot aan de Oost-Zee
omvatte.

Onder dezen Lodewijk uit het huis van Anjou, en vervolgens onder
hunnen gevierden Mathias Corvinus, die niet alleen op de slagvelden
uitblonk, maar ook wetenschappen en kunsten beoefende, die eene zoo
groote en kostbare bibliotheek bezat als geen ander Europeesch Vorst
van zijn tijd, en dien de Hongaarsche boeren nu nog prijzen, wanneer
zij spreekwoordelijk zeggen: "Koning Mathias en de gerechtigheid zijn
dood," bereikten de Hongaren de hoogste trap van nationalen roem en
aanzien. Het geluk en de vooruitgang van dit volk zouden wellicht
bestendiger geweest zijn, als zich niet een nieuwe en vreeselijke
afgrond geopend had; een afgrond, die zoovele bloeiende Europeesche
volken verslonden heeft. Terwijl de Hongaren het toppunt hunner macht
bereikt hadden, hadden de Turken alle voormuren der christenheid
in het zuiden ter neder geworpen, en stonden zij eindelijk aan de
Donau-grenzen.

Die groote Hongaarsche Koningen, die een tijd lang de heldhaftige
voorvechters der christenheid tegen de Muzelmannen waren, hadden
onwaardige opvolgers, die kroon, rijk en leven in de ongelukkige
gevechten tegen de Turken verloren. Met de belangrijke slagen bij Varna
(1444), waar Koning Wladislaus met zijne helden verslagen werd, en bij
Mohacz (1526), waar Koning Lodewijk II met de zijnen in een moeras
verzonk, eindigde de nationale grootheid en de onafhankelijkheid
der Magyaren. Als onderdanen of verbondenen der Turken, verzonken de
_Hongaren_ zelf in een poel van machteloosheid en verwildering.

De Turken hebben van Hongarije nagenoeg 200 jaren lang, de eigenlijke
Magyaarsche kern van het binnenste püstenland bezeten. De Slawische
nabuurlanden der Karpathen zijn nooit blijvend in hunne handen
gekomen. De Magyaren verturkten zich onder de halve maan op merkbare
wijze; zij begonnen zich even als de Turken het hoofd te scheren,
bedienden zich van Oostersche baden, bouwden in hunne steden
moskeeën, en namen ook in taal, zeden en gewoonten veel van de
Osmanen over. Velen hunner gingen zelfs tot den Islam over, dienden
de Muzelmannen als vasallen, borduurden op hunne vaandels de halve
maan, en schreven daaronder: "Voor Allah en het vaderland." Dat het
hun niet _geheel_ zoo ging als de Albaneezen en de Bosniërs, en dat
bij slot van rekening, zij ook uit _dit_ gevaar de hoofdtrekken
hunner nationale-eigendommelijkheid redden, "dat zij" zooals een
hunner geschiedschrijvers zich uitdrukte "langzamerhand weder een
behoorlijk christen-gelaat toonen konden," hebben zij grootendeels
te danken aan de overwinningen van een Karel van Lotharingen, van
een Prins Eugenius, en aan hunne verbinding met het Oostenrijksche
Keizers-huis, met wier hulp zij zich in den loop van drie eeuwen van
gemeenschappelijken strijd en van worsteling, tot nieuwe hoop en tot
nieuwe ontvouwing hunner nationaliteit verhieven.

Waaruit deze Magyaarsche eigendommelijkheid en krachtige nationaliteit
eigenlijk ontsproten, wat zij geweest zijn en welke grootere
volksstammen tot de Magyaren moeten gerekend worden, daarover heeft
men tot den huidigen dag veel gestreden.

De Russische schrijvers, bij wie wij de eerste berichten aangaande
de Hongaren vinden, leidden haar af uit het land "Ugrien," het oude
stamland der Finnen aan den Ural. Een Hongaarsch geleerde, Sainovicz,
die in het jaar 1769 met de beroemde wetenschappelijke expeditie, tot
hoog in het noorden van het land der Lappen trok, om den doorgang van
de planeet Venus waar te nemen, deelde deze zienswijze, en schreef
een boek waarin hij bewees, dat de Lapsche en de Finsche taal in
wezen dezelfde waren als die der Magyaren. En het is ook nu nog het
oordeel der meeste geleerden, dat de Magyaren oorspronkelijk de naaste
verwanten geweest zijn der Finsche Oostjäcken, Wokulen en Baschkiren,
wier land in de middeneeuwen langen tijd "Groot-Hongarije" genoemd
werd. De beroemde Fransche reiziger en gezant Rubruquis verzekert,
dat in zijn tijd, in de 13de eeuw, de taal der bewoners van dit
"Groot-Hongarije," der Baschkiren, nog geheel dezelfde was als die
der Magyaren aan den Donau.

Ook de oude tradities der Hongaren zelven, wijzen naar het gebied van
den midden Wolga en de Kama, als het oord, vanwaar hunne tochten naar
Westelijk Europa uitgegaan zijn. Daar leeft nog heden ten dage een
Finsche volksstam, die bijna denzelfden naam draagt als de Magyaren,
namentlijk de "Metscher-jakers." En eindelijk bevinden zich zuidelijk
van genoemde streken en zuidelijk van de Wolga, aan de rivier Kama,
de ruïnen eener stad die nog heden "Madschar" genoemd wordt, en die
men voor de oorspronkelijke woonplaats der Magyaren houdt.

De bij alle verwantschap bestaande groote verscheidenheid, der
tegenwoordige Hongaarsche taal met die der overige Finsche dialecten,
zoo ook het wezenlijk onderscheid naar lichaam en geest van beide
volken, hebben daarentegen anderen bewogen, den oorsprong der Hongaren
ergens anders te zoeken, en de genoemde overeenkomsten te verklaren uit
hun meer of minder lang _verblijf_ onder de Finnen. De Bijzantynsche
schrijvers noemden de Hongaren van de vroegste tijden af, gewoonlijk
"Tourkoi" (Turken). En daar nu de Hongaarsche taal niet alleen vele
woorden, maar ook menige eigenaardigheid in bouw en mechanisme, met
de talen der talrijke Turksche stammen gemeen heeft; daar ook verder
de lichaamsbouw van het Hongaarsche volk eerder iets Zuid-Aziatisch
dan iets Lapsch of Finsch verraadt, zoo hebben vele geleerden hen tot
de Turk-Tataren gerekend. Anderen wederom rekenden hen tot de oude
Hunnen en Mongolen. Wijl er eindelijk echter nog zeer veel, zoowel
in de taal als ook in het geheele wezen der Magyaren overblijft, dat
noch Turksch, noch Finsch, noch Mongoolsch is, en daar voornamelijk
de Hongaarsche patriotten zelven, wien eene verwantschap met de
Oostjäcken of Lappen--de Keizer van Rusland loofde orden uit,
om dit op wetenschappelijke gronden te bewijzen--niet vleiend
genoeg of misschien zelfs wel gevaarlijk toescheen, zich altijd het
liefst hielden aan dit hun eigenaardigst, dit iets, wat zij "Mag"
d.i. kern van het volk (vandaar "Magyaren") noemden, zoo is in den
nieuwsten tijd eindelijk een hunner, de jonge, enthusiaste Czoma
von Körös, midden tusschen Finnen, Turken en Mongolen door, naar den
oorspronkelijken zetel van het geheele Europeesche menschengeslacht,
naar de Indische hooggebergten gereisd, om daar aan de bronnen van
alle Aziatisch-Europeesche volks-stroomen, de dalen te ontdekken,
waaruit de kern van het Magyarendom ontsproten mag zijn. Maar de
onderneming van dezen geleerden Hongaarschen patriot, die daarbij zijn
leven verloor, heeft weinig tot beslissing dezer vraag bijgedragen,
ofschoon hij zelf persoonlijk overtuigd was, dat het stamland der
Hongaren aan gene zijde van den Himalaya bij Tibet te zoeken is.

Het waarschijnlijkste resultaat, waartoe men intusschen, ten minste
behalve in Hongarije, vrij algemeen gekomen is, en dat zooals gezegd
is, voornamelijk op de oorspronkelijke verwantschap der Magyaarsche
en Finsche taal berust, is en blijft dit, dat de Magyaren in hun
eerste begin als een Finsch heldengeslacht moeten beschouwd worden,
dat zich later met vele vreemde bestanddeelen vermengde, en waarin
zich vervolgens gelijktijdig als door chemische vermenging en oplossing
der elementen, even als in het tegenwoordige gemengde Engelsche volk,
een zeer eigenaardige geest vormde, en waaruit een zelfstandig en
zijn eigen kracht bewust organisme ontstond, dat wij in geene der
bijmengingen, waarvan het een produkt is, terugvinden en door geen
er van _geheel_ oplossen en verklaren kunnen.

Zonder twijfel hebben zij, reeds voor zij over de Karpathen klommen,
op hunne lange wandeling en gedurende hun ongeregeld en met tijdperken
van rust afgewisseld voorwaarts gaan, van den Ural door de steppen van
Rusland, veel vreemds in zich opgenomen; Turksche, Slawische stammen
lagen op den weg van dit hoopje strijders. In de dienstbaarheid der
Chazaren en in de oorlogen met de vreemdelingen, vereenigden zij zich
met deze en trokken zij velen hunner met zich voort. In Hongarije
zelve zette zich dit proces nog verder voort, want daar vonden zij
overal zoowel Slawische volken als overblijfselen van Aziatische
stammen. Van de Avaren, van de oude Hunnen, van de nog oudere Jazijgen
waren, bij de afdaling in het binnenste der Hongaarsche püsten, altijd
eenige overblijfselen overgebleven, die, onder al de omwentelingen
en de verwisselingen van heerschers in het land, een nomadische kern
der bevolking bewaard hadden. De Magyaren namen dezen, hun het meest
passenden, Aziatischen zuurdeesem aan. Toen zij van de groote daden
der Hunnen en Avaren hoorden, en toen zij zelven later dergelijke
groote daden uitvoerden, toen versmolt in het volksbewustzijn der
Magyaren, de voortijd geheel met het daar zooveel overeenkomst mede
hebbend tegenwoordige.

Zij eigenden zichzelven, om zoo te zeggen, den geheelen vroegeren
roem van het door hen bezette land toe. Zij namen de tradities der
Avaren en Hunnen als de hunne aan. Zij vereenzelvigden zich met alles,
wat van oudsher veroverend en verwoestend, van uit het oosten in hun
Donau-bekken verschenen en daar weder uitgegaan was. Zoo werd Attila
een Hongaarsch nationaalheld, wiens daden de Magyaarsche schrijvers
nog met grooter voorliefde en met meer toevoegsels van hunne vinding
opgesierd hebben, dan de Duitschers en Franken de daden van hunnen
grooten Karel. Attila en zijne Hunnen, Bajan en zijne Avaren,
waren naar hun idée in zekeren zin slechts de voorhoede geweest van
dezelfde groote en langdurige volksverhuizing, waarvan nu de Magyaren
de achterhoede en den staart vormden, terwijl zij het geheele werk
de kroon opzetten, door dien zij ten slotte de onderdrukking en
consolideering van het land voltooiden.

Maar verreweg het meerendeel der bewoners van het land, dat de
Hongaren als hun vadererf binnentrokken, bestond uit Slawen, die,
zooals reeds gezegd is, overal in de rondte, in het zuiden zoowel
als in het noorden, in het oosten zoowel als in het westen, te
vinden waren. Grootendeels ten koste dezer Slawen, groeide de nieuwe
spruit uit het Oosten tot een grooten boom op. Het kon niet missen,
dat hij daarbij veel _ook van dit element_, te midden waarvan hij
zich verplaatst zag, aannam: bijna een derde gedeelte der woorden
in de taal der Hongaren is van Slawischen oorsprong, even als ook
vele hunner familie-namen, (zoo zelfs de naam van den beroemdsten
Magyaar van den nieuweren tijd, Lodewijk Kossut), en eveneens kwamen
vele hunner politieke instellingen, b.v. hunne landverdeelingen of
comitaten, hunne koninklijke hof-ambten, hunne boersche betrekkingen
uit den Slawischen ondergrond te voorschijn.

De Duitschers eindelijk vormden een derde element, dat wijzigend op het
karakter der Magyaren gewerkt heeft. De oude Germaansche heerschers
van Pannonië, de Longobarden, Gothen, Gepiden waren spoedig weder
verdwenen, maar reeds met de kolonisten van Karel den Groote in zijn
Avarische mark, schoot Duitsche bevolking in Hongarije vasten wortel.

Toen de Magyaren zelven met de Duitschers oorlog voerden, en vervolgens
door dezen overwonnen en tot het christendom bekeerd werden, toen na
het jaar 1000--door den gedoopten Koning Stephanus geroepen--Duitsche
zendelingen en apostelen, en kort na hen Duitsche ridders, hovelingen,
kolonisten en stedelingen bij menigte in het land kwamen, en toen
dit in het land komen van Duitschers, van af het jaar 1000 tot op
den huidigen dag, bijna onafgebroken voortduurde, toen moest ook wel
veel Duitsch bloed, even als Duitsche denkwijze, taal en zeden in
het Magyaarsche overgaan. Koning Stephanus had de, op den eersten
blik wat vreemde, maar voor de geschiedenis van Hongarije zeer
karakteristieke, grondstelling aangenomen: _Unius linguae uniusque
moris regnum fragile est_ (een rijk van _eene_ taal en van _dezelfde_
zeden is bouwvallig). Zijne opvolgers beschouwden deze grondstelling
als een heilig voorschrift, en daarom hebben de Hongaren allerlei
volken gastvrij bij zich toegelaten. Daardoor is het wel een wonder
te noemen, dat dit kleine hoopje Magyaren, midden onder zoovele op
hen inwerkende en door hen bijgeroepene vreemdsoortige invloeden, in
weerwil van de Slawische meerderheid, het Duitsch moreel overwicht
en de Turksche overheersching, toch nog tot op dezen tijd zooveel
eigendommelijks in de kern van zijnen nationalen geest, dat hen op den
eersten blik van alle andere volken onderscheidt, bewaard heeft. Zeer
begrijpelijk daarentegen is het, dat zich daarbij tegelijkertijd in
hun ras en in hunne manier van zijn zooveel veranderde, dat wij in de
ons van de oude Urmagyaren overgeleverde portretten, de tegenwoordige
ter nauwernood herkennen.

De kroniekschrijvers der Duitschers, Slawen en Byzantijnen schijnen het
daarover eens, dat die voorouders der Hongaren, zoowel naar lichaam
als naar geest, ware wangestalten geweest zijn. "Wat het uiterlijk
betreft," zegt een dier ouden, "zijn de Hongaren afschuwelijk,
zij hebben diep liggende, kleine oogen, hoekige en scherpe trekken,
zij gelijken op met de bijl behouwene schanspalen. Zij zijn klein en
nietig, en hebben in hun gedrag en zeden veel van wilde dieren." "Men
moet" voegt een ander hier nog bij "het geduld en de inschikkelijkheid
der Goddelijke Voorzienigheid bewonderen, die het toegelaten heeft,
dat dit zoo walgelijke geslacht een zoo paradijsachtig land voor zich
mocht nemen."

Merkwaardig verschillen met deze berichten der ouden, de uitspraken
en ondervindingen der hedendaagsche reizigers. Onder de hun land
bewonende rassen, daarin zijn bijna alle nieuwere reizigers het eens,
munten nu de echte Magyaren--de _Kern_mannen--vooral uit, en nemen zij
door hunne lichamelijke en zedelijke eigenschappen, eene gebiedende
en indrukwekkende plaats in. Hun lichaam is in den regel welgemaakt,
hunne spierkracht groot. Zij hebben bijna altijd een stevigen en
lenigen lichaamsbouw. Hunne houding is manhaftig. Vastberadenheid
en oorlogzuchtige trots spreekt uit iedere beweging en uit hunnen
gang. Hun gelaat is edel, hun oog groot, donker en vol vuur,
en wordt bedekt door zware, borstelige wenkbrauwen; een gevulde
knevel, dien zij als een, hun bijzonder eigen, nationaal attribuut
beschouwen, versiert de bovenlip, en onder deze is eene rij groote
sneeuwwitte tanden zichtbaar. Men zal moeielijk ergens anders
eene schilderachtiger vereeniging van manlijk schoone krijgshaftige
physionomiën vol uitdrukking, en welgemaakte gestalten aantreffen, dan
men in de Hongaarsche regimenten bijeen vindt. Onder het vrouwelijke
geslacht ontdekt men, zoowel bij de lagere als bij de hoogere klassen,
niet zelden even zooveel bekoorlijkheid en schoonheid. De vrouwen
der hoogere standen der Hongaren hebben zich beroemd gemaakt door
hunne betooverende gratie, door hunne natuurlijke en ongedwongene
lieftalligheid. Keizer Alexander van Rusland moet, toen hij zich
eenmaal door een kring van zulke Magyaarsche vrouwen omgeven zag,
gezegd hebben dat hij meende zich te midden van een gezelschap
Koninginnen te bevinden. De groote schrik, dien de ruwe voorvaderen
dezer zoo fijn gevormde schoonen, als soldaten en landverwoesters
inboezemden, zal waarschijnlijk die vroegere portretschilders alles
wel eenigzins met een donker oog hebben doen beschouwen. Velen echter
hebben eene verklaring van dit verschil gezocht in de veranderingen
der zeden, die in den loop der eeuwen plaats gegrepen hebben,
zoo mede in den invloed, dien een zachter klimaat op het ras moet
hebben uitgeoefend. De Hongaren verwisselden hunne oorspronkelijke
woonplaatsen in het ruwste klimaat van het oude vasteland, tegen eene
woonplaats in het zuiden van Europa, op vruchtbare vlakten waar koren
en wijn in massa groeit. Zij legden de gewoonten van wilde, armoedige
jagers af en namen eene beschaafde levenswijze aan. Daardoor werden
zij, zegt men, in den loop van duizend jaren van een leelijk, een
schoon volk met regelmatige Kaukasische gelaatstrekken, en bezitten
zij nu ook, in plaats van de geelachtige Noord-Aziatische kleur, de
liefelijke, roodachtig witte tint, die den volken van Europa eigen
is. Misschien bracht hiertoe de vermenging van rassen, even als bij de
Britten en Amerikanen, ook het hare bij. Dat de Magyaren aanvankelijk
vele vrouwen van Finschen stam met zich zouden medegevoerd hebben, is
weinig waarschijnlijk. Gedurende langen tijd huwden zij met Slawische
en Duitsche vrouwen. Men heeft in Siberië de opmerking gemaakt, dat
ook de echt van Russen met Mongoolsche vrouwen, die beiden niet door
schoonheid uitmunten, met opvallend schoone kinderen gezegend wordt.

In zedelijken zin schijnt de ommekeer van het Magyaarsche volk niet
zoo volledig geweest te zijn. In dit opzicht komen de oude berichten
wat meer overeen met hetgeen wij later, en ten deele zelfs heden, nog
zien. Ruwheid, barschheid en een wilde, moeielijk te temmen zin, heeft
men den Magyaren van oudsher verweten. De trekken van onbarmhartige
wreedheid, die de geschiedenis der binnenlandsche bewegingen onder
de Magyaren, zelfs die der omwentelingen van onzen tijd aanbiedt,
zijn dikwijls verschrikkelijk, en zelfs alledaagsche gebeurtenissen
zijn bij hen maar al te dikwijls daarmede in overeenstemming. Ook
in het vreeselijke straf-wetboek, dat zij ontwierpen en dat lang
bij hen toegepast werd, openbaart zich eene zekere hun aangeborene
hardheid en eene groote, misschien echt Aziatische, geringschatting
van eens menschen leven. In den oorlog is rooflust altijd een in het
oog springende karaktertrek van hen geweest, en zelfs in vredestijd
is rooverij letterlijk een handwerk bij hen, 't is zeggen zij, "wel
een gevaarlijk handwerk, maar het is niet onteerend," want moed,
kracht en dapperheid, zoo zeggen zij nog heden, betaamt den man meer
dan pijnlijke zedelijkheid. De beroemde roover-hoofdlieden worden,
door den gemeenen man in Hongarije, in liederen en platen bijna
evenzeer geprezen als de helden huns lands, en als de aan het hoofd
daarvan staande Koning Etzel.

Met de heldhaftige vastheid van hun karakter, gaat eene groote mate
van hardheid gepaard. Zij zijn over de geheele wereld beroemd geworden
door hunne spreekwoordelijk gewordene vloeken, "waarmede een Magyaar
in een dag meer tegen de goede vormen zondigt, dan een Franschman
gedurende zijn geheele leven." De Hongaren zelven leiden deze en andere
zwakheden, of als men wil deze overmaat van kracht hunner landslieden,
"uit het edele, vurige, opbruisende temperament" af, dat zij zich,
vooral in vergelijking met de door hen als flegmatisch en flauw
uitgescholdene Duitschers, toeschrijven. Zij vergelijken de Duitschers,
of zooals zij hen noemen "de Schwaben," met hunnen kouden, zuren wijn;
zich zelven echter met den vurigen tokaijer. Als bovenmate krachtige,
uiterst zinnelijke naturen, houden zij zoowel bij hunne dranken als
in hunne keuken, veel van het gepeperde, het gekruide, het vaste
en scherpe, wat geen buitenlandsch verhemelte verdragen kan. Daarin
heeft hunne keuken eenige gelijkenis met die der krachtige Engelschen.

Als maar niet met dat vuur, dat bij sommige gelegenheden zoo
gemakkelijk in hen ontbrandt, weder in een ander opzicht eene moeilijk
in beweging te brengen loomheid, een zoo diep ingewortelde weerzin
tegen alle nieuwigheden en verbeteringen verbonden was! Een oud
Duitsch spreekwoord zegt reeds van hen: "de Hongaar doet geene schrede
buiten zijne Hongaarsche zeden." Daarin verraden zij het meest hunne
oostersche natuur en herinneren zij ons aan den Osman. Even als de
Oosterlingen, worden ook zij van oudsher als zeer afgemeten in hunne
uitingen, als zeer stilzwijgend beschouwd. Reeds de abt Regino van
het klooster St. Prüm, de eerste Duitscher, die eene beschrijving van
hen gaf, noemt hen: "_natura taciti_". "Men sla den Magyaarschen boer
gade, wanneer hij voor zijne deur zit te rooken. Hij droomt en rookt
en zwijgt. Hij zou meenen iets van zijne waardigheid te verliezen,
als hij veel sprak. Slechts met lange tusschenpoozen opent hij den
mond, en alleen als hij zijn buurman iets noodzakelijks te zeggen
heeft." De bewegelijkheid van den mededeelzamen, spraakzamen Duitscher,
schijnt den Magyaar het aanhoudend gebabbel van een zwetser toe,
wien het aan waardigheid ontbreekt, en de Slawe schijnt den Magyaar
een waar potsenmaker.

Intusschen zijn er omstandigheden, waarin ook de Hongaar zeer
spraakzaam wordt, b.v. als er sprake is van processen. Even als alle
krijgshaftige natiën, is hij nergens minder bang voor dan voor een
gerechtelijken strijd. Zelfs bij de Romeinen waren rechts-kwestiën
niet talrijker dan in Hongarije, waar de rechtsgeleerdheid een
der onderwerpen der gewone opvoeding is, en waar bijna iedereen
advokaatje speelt.

Stilzwijgendheid is eene eigenschap van trotsche karakters. En
inderdaad ziet de Magyaar, op alle in zijn land nevens hem wonende
rassen, met een gevoel van eigenwaarde neder, dat niet zelden in
laatdunkendheid en somwijlen in vrij belachelijken eigenwaan ontaardt.

In zijn trotschen moed maakt hij zich dikwijls aan de grootste
hardheden schuldig. Van zijn Slawischen landsman is hij zelfs
spreekwoordelijk gewoon te zeggen: "De Slawe is geen man." Eene
critiek zijner nationaliteit en van zijn land verdraagt hij niet. Een
bewonderaar daarvan echter maakt hij spoedig tot zijn vriend. "Die
zijne ijdelheid vleit, wordt gemakkelijk zijn meester en zijn
heer. Sluwe vreemdelingen weten met deze zwakheid, terwijl zij hem
door vleierijen verblinden, gemakkelijk hun voordeel te doen." Zij
leiden de trotschen Magyaar daarbij als den stier bij de hoorns. Meer
dan eens werd juist door zijn nationalen trots, het geheele volk
afhankelijk gemaakt. Maria Theresia zette hen, met eenige vleierijen,
geheel naar hare hand. De arme Keizer Jozef daarentegen, die de
Hongaren gelukkig wilde maken, hen wilde verrijken en beschaven,
maar die hunne nationaliteit kwetste, leed in zijne plannen bij hen
schipbreuk, en de man, die hun grootste weldoener wenschte te zijn,
schelden zij nu nog uit als hun ergsten vijand. "Buiten Hongarije",
zeggen zij spreekwoordelijk "is geen leven ("_extra Hungariam non est
vita et si est vita non est ita_"), en bestaat daar al leven, dan is
het daar toch niet zooals hier." Zij zijn daarom als kolonisten schier
nooit uit hun, door de Karpathen omgeven, beloofde land gekomen. Zij
hebben zich in hunne Püsten samengedrongen, in eene zeer compacte
massa bij elkander gehouden.

Alleen de Szeklers, in de zuidelijkste dalen van Zevenburgen, maken
daarop eene uitzondering. Deze afdeeling der Magyaren heeft zich
altijd, door eene eigenaardige staatsregeling, van de hoofdkern van
het volk meer of min afgezonderd gehouden. Over den oorsprong van dit
merkwaardige Szekler-volk, dat tot de Magyaren van Hongarije ongeveer
in dezelfde verhouding staat, als de Kozakken tot de Russen, is men
het niet eens. Sommigen gelooven, dat zij van de Turksche Cumanen, die
naar de gebergten verplaatst en gemagyariseerd werden, afstammen. De
Szeklers zelven beweren, dat zij rechtstreeks van Attila en de Hunnen
afstammen, en meenen dat een der afstammelingen van het geslacht van
Attila, die zich bij den ondergang van zijn rijk met een overblijfsel
der Hunnen in de Dacische bergen nestelde en wist te handhaven, de
stichter van hun volk geweest is. Anderen echter beweren, dat voor nog
het hoofdleger der Magyaren onder Arpad nagekomen was, eene verstrooide
en voor hunne vijanden vluchtende troep Magyaren, zich in de bergen
gered en daar zijne zelfstandigheid bewaard heeft. De omstandigheid,
dat hun naam "Szekler", in het Hongaarsch zooveel als vluchteling
beteekent, schijnt deze laatste meening te steunen. Even zoo ook, dat
de Szekler zich in type en gewoonten als echte Magyaren voordoen. Zij
spreken eene geheel onvermengde Hongaarsche taal, en hebben ook de
oude Magyaarsche gebruiken en staatsregeling bijzonder zuiver bewaard.

Buiten hunne "Püsten" en Karpathen, vindt men de Hongaren
nergens anders in Europa verstrooid of woonachtig. Slechts enkele
uitzonderingen hierop, maken verscheidene merkwaardige koloniën
van Magyaarsche landverhuizers in Moldavië en Bess-Arabië, waarheen
zij door de Hussitische onrusten gedreven werden, en waarheen ook
bij verscheidene andere gelegenheden weder Magyaren zich begaven;
in de laatste tijden ook weder Szeklers, die daar boven de indolente
Walachijers, door werkzaamheid, zindelijkheid en verstand uitmunten.

Zelfs de geringste Magyaar beschouwt zich zelven, vol grandezza,
tegenover een Walachijer, een Slawe en een eenvoudigen Duitscher,
als een edelman. De Koningen volgden dezen karaktertrek hunner natie,
verhieven somwijlen bij de geringste aanleiding en bij dikwijls zeer
twijfelachtige verdiensten, geheele dorpen, ja geheele landsdistrikten,
met alle daarop wonende boeren, in den adelstand, en schonken hun
al de privilegiën van een Hongaarsch edelman, vrijdom van belasting,
persoonlijke onschendbaarheid en eene dien tengevolge bijna geheele
straffeloosheid. Zij gaven daardoor aan de laatdunkende inbeelding van
het volk en alle daarmede samengaande gebreken, een nog ruimer veld,
waarop gemakzucht en hare zusteren welig voortgewoekerd hebben. Men
kan nagaan welke hinderpalen de ontwikkeling van een volk in den weg
moesten staan, waar tot op onze dagen geheele gemeenten, uit schaap- en
koeleiders, uit voerlieden en heiducken bestaande, aan groote rechten
eene even groote onwetendheid paarden en adellijke rechten bezaten.

Tegenover deze zeer in het oog vallende gebreken, staan bij de
Hongaren zeer prijzenswaardige hoedanigheden. Is de Magyaar lomp en
hardvochtig, hij is tevens rechtschapen en eerlijk. Arglistigheid is
bij hem niet, zooals bij de Slawen, een opvallende karaktertrek. Is
hij stilzwijgend en ernstig, geen vroolijk mensch in gezelschap,
maar vastberaden en geneigd tot droefgeestigheid en zwaarmoedigheid,
zoo is hij daarbij toch niet indringend, niet nieuwsgierig, zeer
terughoudend, geen schreeuwer, geen raisonneur, eigenschappen waarin
zijn buurman, de Walachijer, uitmunt. Zijn nationale _trots_ komt
overeen met zijne _vrijheidsliefde_. Even als hij een vijand is van
nieuwe verbeteringen, zoo is hij ook een vriend van de oude wet en
gebruiken. Met groote vasthoudendheid, met veel weerstandskracht,
sloot hij zich steeds aan bij de eerwaardige staatsregeling van zijn
land, bij het historisch verleden van zijn volk. Getrouw bewaarde hij,
trots alle inmengingen en invloeden van buiten, die hij altijd weder
de baas werd, alles wat de physionomie, wat het eigenaardige kenmerk
van het volks-karakter uitmaakte. Als een granietrots is hij van den
beginne af, midden in de door volken-stormen bewogene Donau-landen,
blijven staan. Even als tot den grootsten hoogmoed is hij ook in staat
tot _groot_moedigheid. Hij speelt gaarne den groote, maar laat ook
anderen daaraan deelnemen. Gastvrijheid is bij de Hongaren een der
meest algemeen verbreide deugden, die door den rijkdom van het land
ondersteund wordt. Niet alleen in de sloten wordt het bezoek van den
reiziger met _dank_ aangenomen, ook aan de hut van den arbeider klopt
de pelgrim en de arme niet te vergeefs aast, en als men hunne _betaald
wordende_ logementhouders, van wie men gewoonlijk op de vraag "wat
kunnen wij krijgen?" als antwoord de tegenvraag krijgt: "wat hebt gij
medegebracht?" als weinig dienstvaardig en voorkomend gelaakt heeft,
zoo toonen zij zich als gastheeren, _die zelf de kosten bestrijden_,
des te voorkomender, des te meer in hun element. Hunne onbevangene
vertrouwelijkheid, hunne argelooze en naïve openhartigheid is, als zij
zich eenmaal geopend hebben, zoo groot, dat zij hem, die hun de eer
aandoet hen op te zoeken en een glas wijn met hen te drinken, hunne
geheele levensgeschiedenis en hunne grootste hartsgeheimen openbaren.

Bij vele gelegenheden heeft zich een edelmoedige en ridderlijke zin van
het Volk, in hunne geschiedenis geopenbaard. Als eene Maria Theresia
met haar zoontje op den arm, om hulp smeekende de vergadering der
Hongaarsche Magnaten binnen treedt, dan vergeten en vergeven deze alle
vroegere vijandschap met Oostenrijk, en roepen zij vol geestdrift
uit: "leve onze Koning!" en redden zij door hunne dapperheid en
zelfopoffering het in het nauwgebrachte Vorstengeslacht, dat zij toch
eigenlijk niet anders dan als een buitenlandsch beschouwen.

Ook de plaats, die de Hongaar het zwakkere geslacht aanwijst, bewijst
dat de grootmoedigheid van den sterke in hem woont. Hij beschouwt
zich wel als onbeperkt gebieder in zijn huis en familie; "Uram"
(mijn heer) noemt hem zijne vrouw, zij zal hem nimmer met "jij" of
"jou" aanspreken; maar nooit zal hij, als de Slawe, zijne vrouw, die
hij dikwijls zijne "roos", zijne "ster" noemt, en die zeker is in hem
een vriend, een steun, een beschermer te hebben, mishandelen. Zij,
die hij "zijne lieden" d.i. zijne familie noemt, behandelt hij met
welwillendheid en goedheid.

Even als de Magyaren zelven, zoo vloeit ook hunne taal over van
énergie en kracht. Zij is zeer duidelijk, zeer scherp en stellig. Zij
is rijk aan spreuken en beelden en uiterst aanschouwelijk, en bezit
naar het oordeel van kenners een fraaien en mannelijken klank. Een
harer merkwaardigste eigenschappen, die zeer kenmerkend is voor de
eenheid van de kern der Hongaarsche nationaliteit, bestaat daarin,
dat zij geene dialekten of patois bezit. De boer spreekt even zuiver
en goed als de Magnaat, of nog zuiverder, want hij gebruikt in zijn
spreken niet zooveel Latijnsche en Duitsche uitdrukkingen, en verandert
niets aan haar beeldrijk en poëtisch karakter. Het Magyaarsch is nu
de ontwikkeldste van alle talen van Finschen stam. Door verscheidene
schrijvers, dichters en geleerden is, sedert den tijd van Lodewijk den
Groote, hare stof in alle richtingen gevormd en beschaafd geworden. De
geschiedenis der Hongaarsche literatuur wijst eene menigte namen
aan, die echter buiten de grenzen van hun vaderland weinig bekend
zijn. Van oudsher hebben zij--en daarin hebben zij veel overeenkomst
met de Romeinen en met bijna alle veroverende volken--een bijzonder
grooten overvloed aan redenaars, rechtsgeleerden en geschiedschrijvers
gehad. Het strekt aan de geheele Hongaarsche natie tot groote eer,
dat het haar nooit aan mannen ontbroken heeft, die het geheel en de
onderdeelen hunner vaderlandsche geschiedenis, door het herstellen
van historische monumenten en door kritische onderzoekingen, wisten te
bewijzen en het gebied van historische waarheid te verrijken. De heer
von Engel, de Duitsche geschiedschrijver van Hongarije, noemt eene
lange reeks Magyaarsche namen, die hem in dit opzicht eerbiedwaardig
toeschijnen.

De omstandigheid, dat het Hongaarsche volk een zoo merkwaardigen en
zoo rijk aan afwisselingen zijnden heldentocht uitvoerde, gedurende
welken het als een komeet uit Azië naar Europa overvloog, om zich
bij den Donau vast te nestelen, schijnt het reeds vroeg een prikkel
tot het epische, eene voorliefde voor de heldensage gegeven te
hebben. Duitsche en Hongaarsche kroniekschrijvers vermelden liederen,
waarin de Magyaren hunne oude Arpadische Vorsten verheerlijkten, en
de herinnering aan de nationale heldendaden wakker hielden. In deze
liederen worden de zeven horden-aanvoerders, onder wie het volk het
land binnenrukte, en de eerste wilde en heldhaftige strooptochten
van hunne "Lehel" en "Botonds" naar Konstantinopel, Italië en zelfs
naar Spanje, bezongen. De Attila-sage is eveneens een onderwerp der
oude Hongaarsche poëzie geweest. Eigenlijke groote, over de geheele
wereld bekende dichters, invloedrijke voorlichters der wereld,
hebben de Hongaren echter tot nu toe niet opgeleverd. De lier van
slechts weinige hunner moderne zangers klonk sterk genoeg, om ook
somwijlen aan deze zijde der Karpathen, in Westelijk Europa vernomen
te worden. De namen der beide broeders Kisfaludy en van den genialen
Alexander Petösi hebben meer algemeene bekendheid verkregen.

Van andere Muzen-zonen, b.v. van menschen die zeggen durven: "_anch
ioson' pittore_", is bij de Hongaren zelden sprake geweest. Zij
hebben ook _dat_ met de Romeinen gemeen, dat zij de muziek en andere
kunsten bij zich door vreemden laten uitoefenen; zooals de Romeinen
de Grieken bij zich als fluitspelers in dienst namen, zoo hadden de
Hongaren van oudsher de Zigeuners als barden en muzikanten bij hunne
veldslagen en dansen.

Ja zelfs de kleine kunsten van het dagelijksche leven beoefenen de
Magyaren noch met voorliefde, noch met handigheid. Nagenoeg altijd
worden de technische handwerken bij hen door Duitschers of Slawen
uitgeoefend. Voor den handel gevoelt de Magyaar volstrekt geen lust, en
hij liet dien van oudsher aan de Duitschers, Italianen en Israëlieten
over. Op nijverheid en op hen die zich op de industrie toeleggen, ziet
hij nagenoeg met dezelfde minachting neder, die den kweekelingen van
Mars dikwijls zoo eigen is, als er van handel en industrie sprake is.

Het eenige burgerlijke bedrijf, dat bij hem in groot aanzien staat,
is de landbouw, terwijl hij met _aangeborene_ voorliefde zich op
de veeteelt toelegt. Maar ook zijne bebouwing van het land is het
duidelijk aan te zien, dat hij die eerst in Europa leerde. Zijne
uitdrukkingen voor alle landbouwgereedschappen zijn van Duitschen of
Slawischen oorsprong. Daarbij heeft hij uit den hoorn van overvloed
van Ceres, slechts het allernoodzakelijkste, de verbouwing van
graan genomen. Het verbouwen van groenten, vruchten en de tuinbouw
zijn hem nog min of meer vreemd gebleven. Zijne dorpen liggen kaal
en onaangenaam midden in het bouwland, zonder dat zij vriendelijk
afgewisseld worden door vruchtboomen, sierboomen of planten, of zonder
dat men er bloem- en groenteperken aantreft. Waar men in Hongarije
zulke kleine oasen met alle versierselen en toestellen, noodig om van
den grond op allerlei wijze partij te trekken, aantreft, daar vindt men
ook altijd te midden der bloeiende heesters, de Duitsche kolonisten,
die de zeden aangenomen hebben van het land, waar onder vlijtige
handen de bosschen nedervallen, de moerassen uitgedroogd worden,
de kale vlakten in wijngaarden veranderen, en die ook overal het
eerst, de in de bergen verborgen schatten voor den dag haalden. De
Magyaarsche dorpen vormen met die der overal onder hen verstrooide
"Schwaben" een scherp kontrast, en zien er nog tegenwoordig uit als
zooeven op het vlakke veld opgeslagen soldaten-kampen.

Nog lang na hunne aankomst in Europa woonden de Hongaren in
tenten. Eerst langzamerhand verwisselden zij hunne tenten tegen
kleine houten, wit geverwde huizen, waarvoor zij den naam, hun door
de Duitsche bouwmeesters geleerd, "hàsz" (huizen) aannamen. Daarbij
bleef echter het plan van een legerplaats bewaard--de bijzonder
breede, elkander onder rechte hoeken snijdende straten, als voor
binnentrekkende cavalerie gemaakt, en in het midden, waar vroeger de
hoofdtent, die van den ritmeester stond, staat nu het kerkje. Het is
spreekwoordelijk geworden dat de Magyaar, even als ieder ruiter, veel
van eene ruime woonplaats en eene nauw sluitende kleeding houdt. Met
uitzondering van deze kleeding, wil hij gaarne alles gemakkelijk,
ruim en rijkelijk hebben. Al wat eng en beperkt is, stuit hem tegen
de borst, en hij verstaat volstrekt de kunst niet zich te behelpen.

Volgens dezelfde ruime plannen waar naar hunne dorpen gebouwd
zijn, zijn ook hunne grootere plaatsen, hunne zoogenaamde steden
aangelegd, in wier losse en op zich zelf staande huizen, geene vaste
aaneensluiting der "_polgars_" (burgers), geen gemeenschappelijk
en organisch samenleven merkbaar is. Stevige steenen steden, met
architectonische versieringen en met aan elkander sluitende woningen,
zooals de huizen van nauw verbondene stadgenooten, hebben de Duitschers
het eerst in Hongarije gebouwd, en deze zijn bij den eersten oogopslag
duidelijk te onderscheiden, van de Magyaarsche scheppingen van dat
soort. De hoofstad Ofen-Pesth, die reeds in de 13de eeuw door de
kroniekschrijvers eene "_magna et ditissima Teutonica villa_" genoemd
werd, en nu onder de fraaiste steden van Europa gerekend mag worden,
kan als een grootsch gedenkteeken van Duitsche vlijt en Duitsche
nijverheid, in het midden van het Magyarenland, beschouwd worden.

Het meubilair in de kleine woningen der Magyaarsche boeren is in den
regel meer dan eenvoudig. Ten tijde der Turken vond de oostersche
gewoonte, om verscheidene meubelen door tapijten en kussens te
vervangen, weder ingang.

En toen (het is nauwelijks 200 jaren geleden) bepaalde zich somwijlen
het roerend goed, zelfs der Magnaten, tot eenige kostbare tapijten,
waarmede zij hunne kamers en eetzalen, in plaats van met behangsels
en beelden versierden, een paar kleinoodiën, eenige edelgesteenten en
_vele_ kleeren en wapens. Hoe gebrekkig en armoedig het meubilair ook
moge zijn, zoo zien toch deze Magyaarsche dorpen, in vergelijking met
die der Walachyers, er zeer gegoed en net uit; trouwens zindelijkheid
in huis is eene zeer gewone deugd bij de Magyaarsche boeren. In
alle, zelfs in de grootste Hongaarsche plaatsen, heeft men gebrek
aan handwerks- en ambachtslieden. Alleen kleer- en schoenmakers, die
een Hongaarsch kostuum weten te maken, en smeden die een paard kunnen
beslaan, zijn altijd in een groot aantal onder hen aanwezig; daardoor
zijn de inwoners, zelfs de edellieden die op hunne goederen leven,
genoodzaakt ieder jaar eens de groote markten en steden van het land
te bezoeken, om daar, als moesten zij eene reis door de woestijn doen,
den noodigen voorraad voor den geheelen winter te koopen.

Is echter de zomer in het land, dan eerst merkt men in een Hongaarsch
huishouden, het nomadische wezen waaruit het ontstaan is, recht op. Dan
trekt de Magyaar, dien de wanden van zijn huisje reeds den geheelen
winter gedrukt hebben, met zijn vee naar buiten, naar de püsten,
naar die grenzenlooze vlakten, waar de zon met zoo onvergelijkbare
pracht op- en ondergaat, waar storm en onweêr zich zoo vrij en imposant
ontladen, waar de nachten verhelderd worden door een zoo rein, frisch
en niet te vergelijken helder sterrenlicht. Even sterk als de zeeman
naar de zee, verlangt de Hongaar naar de püsten, die hij in zijne
liederen, even als de Arabier de zandwoestijnen, bezingt. Kan hij
niet naar de püsten trekken, dan verplaatst hij ten minste, om zich
eene illusie te geven, zijne legerstede in de vrije lucht op het
voorplein zijner woning, en slaapt daar met zijne geheele familie,
onder eene galerij, die aan zijne hut aangebracht is.

Alle landelijke werkzaamheden in dienst van Ceres, geschieden eveneens
onder den vrijen hemel. Graanzolders, dorschvloeren, schuren zijn er
niet. Het graan wordt op het land door de ossen uit het stroo getrapt,
en het koren dikwijls alleen in kuilen bewaard. Den ploeg voeren
zij over het veld om, als ware het de processie eener Aziatische
Godheid. Hij is bespannen met 4 of 6 ossen, en voor ieder wagentje
spannen zij een half dozijn moedige paarden. In vollen ren loopen
deze dieren, met den wagen achter zich aan, door dik en dun. Zoo,
zelfs op hunne zwaar beladene wagens nog tegen elkander wedrennende,
komen de Hongaarsche boeren, voorafgegaan door zware stofwolken,
met hunne produkten op de markt aan, als ware het eene plaats, die
zij met hunne ruiterij stormenderhand genomen hadden.

Het liefst echter begeeft zich, zooals reeds gezegd is, de Hongaar
des zomers even als zijne stamgenooten van den Ural, met zijn vee
naar de steppen. Dan denkt hij even als Lenau:


    Toen ik trok door het verre Hongaarsche land,
        Was de vreugde mijns harten zeer groot.
    Als dorp en bosch en boom verdween in 't land
        En de heide zoo woest zich ontsloot.


Daar vindt hij nog alles zooals in het Oosten; onbegrensde vlakten,
mijlen ver geene omheining of afschutting van welken aard ook,
eindelooze dreven, tallooze kudden vee en paarden. Zelfs de groote,
ruigharige, witte Hongaarsche herdershonden zijn, naar men beweert,
uit Azië herkomstig en stammen af van die honden, die de oude
Magyaren van daar mede brachten; zij gelijken nog heden op de honden
der Baschkiren. Ook de Hongaarsche paarden zijn van Tartaarsch
ras, klein, mager maar vlug, onvermoeid en flink, "uit louter adem
bestaande." De Magyaarsche herder heeft hen bij al zijne tegenwoordige
vreedzame bezigheden, bij het bewaken en te samen drijven zijner wijd
verstrooide kudden, bij zijn uitrijden naar het ver afgelegene veld,
bij het bezoeken zijner ver van hem af wonende buren, even noodig
als vroeger bij de strooptochten naar Duitschland.

De Hongaar leert van zijne prilste jeugd af het paard besturen. Hij is
een geboren ruiter, een centaur. "De Magyaar komt te paard ter wereld,"
zegt een Hongaarsch spreekwoord. Reeds als hij pas vier jaren oud is,
tilt zijn vader hem op het kleine, langharige ros, dat in zijne manen
nog de doornen, distelknoppen en takjes heeft zitten, van de heesters
waardoor het zwierf, en zegt tegen hem, als hij zonder van het paard
te vallen zijn eersten galop doet: "gij zijt een man!"


    "Heerlijk leven, 't ruiterleven,
    Dat is leven, dat alleen."


zingt weder Lenau en die woorden zijn uit het hart van den Hongaar
gegrepen. Terwijl, zooals men meent opgemerkt te hebben, de Hongaar
bij het drinken van wijn zwaarmoedig wordt, zoo gevoelt hij zich
vroolijk en moedig als hij op een jolig paard zit. Daardoor komt het,
dat het beste en heldhaftigste troepenkorps der Hongaren, altijd dat
der lichte cavalerie was. Als infanteristen hebben zij minder groote
daden uitgevoerd, terwijl daarentegen hunne vlugge "_huzaren_"--eene
Magyaarsche vinding en een Magyaarsch woord--in alle landen van
Europa beroemd en nageaapt werden. Even als de naam Huzaren, zijn ook
verscheidene andere militaire uitdrukkingen, b.v. de woorden "Schako,"
"Dolman," "Haiduck", en zoo vele andere in alle Europeesche talen
opgenomen. De huzaren-uniform, zooals wij die heden ten dage nog bij
onze legers zien, is de eigenlijke, oude Hongaarsche volksdracht. Zij
is zonder twijfel een der rijkste en fraaiste nationaal-costumes,
die wij in Europa bezitten, en zij stamt vermoedelijk, even als alle
smaakvolle costumes, uit Azië af, dat zich van den vroegsten tijd af,
beter verstond te kleeden dan Europa.

Hoezeer het doen en werken der paarden-beteugelende Magyaren
oorspronkelijk nomadisch is, bewijst ook weder hunne taal. Want terwijl
deze, zooals reeds opgemerkt is, de meeste op landbouw, handwerken en
kunsten betrekking hebbende uitdrukkingen van de Duitschers en Slawen
overgenomen heeft, zijn alle technische uitdrukkingen der _herders_
echt Magyaarsch. Bovendien is deze Magyaarsche herders-terminologie
eene uiterst wijdloopige en volmaakte. Zoo b.v. heeft ieder soort
kudde haren bijzonderen naam, zoo ook ieder soort van herders. Een
ossenherder heet "Gulijas," een zwijnenherder "Kanasz," een
schaapherder, "Juhasz" en de koene paardenherder "Czikos," als waren
het allen bijzondere kasten of standen der maatschappij. En iedere
kaste heeft weder eene ontelbare massa uitdrukkingen, waarvoor bij ons
geene bijzondere woorden bestaan. Ook dit hebben de Hongaren met de
Tartaren, Kozakken, Walachyers en alle andere tegenwoordige bewoners
van het eens nomadisch of Skytische Europa gemeen, bij wie allen,
ook al zijn zij nu landbouwers geworden, het oude lievelings-bedrijf,
de veeteelt, eene ongemeen rijke terminologie bezit.

Het is verwonderlijk, ik moet het herhalen, ja, men heeft het dikwijls
raadselachtig genoemd, dat zulk een oorspronkelijk, alleen voor
de ruwste bezigheden, voor het herdersleven, geschikt Aziatisch
volk, dat zoo weinig aanleg voor andere bezigheden, handwerken
en kunsten van het burgerlijke leven medebracht en ontwikkelde,
dat zoo oneindig veel van andere volken, in wier midden het zich
vestigde, over moest nemen, tot op den huidigen dag zijne nationale
eigendommelijkheid heeft kunnen bewaren en zich in zijne stelling
heeft kunnen handhaven. Meer dan eens waren de Magyaren zoo met
vreemde elementen overstroomd, zoo onder den voet geraakt, dat men
ze bijna al vergeten en uit de Europeesche volkenrij uitgeschrapt
had, en toch zijn zij altijd weder als "Magyaren" uit dien chaos
te voorschijn gekomen. Zelfs op het laatst der vorige eeuw was de
Hongaarsche taal weder zoo in minachting gekomen, dat zij nauwelijks
nog door de laagste volksklasse gebezigd werd, en door alle standen,
die eenigzins op den naam van beschaafd aanspraak wilden maken, het
Latijn bij voorkeur gebruikt werd. Jozef II meende haar gemakkelijk
den genadeslag te kunnen toebrengen, maar van den dag af waarop deze
Keizer decreteerde, dat de Latijnsche taal afgeschaft en binnen drie
jaren het Duitsch in geheel Hongarije ingevoerd, geleerd en verstaan
moest worden, is de volksgeest andermaal zoo wakker geschud, en heeft
hij op nieuw zijne krachten zoo ontwikkeld, dat hij, als werd er een
nieuwe _Arpad_ of een tweede _Mathias Corvinus_ verwacht, de oogen
van geheel Europa tot zich getrokken heeft, en dat de Hongaren in
Oostelijk-Europa--met betrekking tot vrijheidsliefde, manhaftigheid
en andere moreele eigenschappen--als het eerste volk daar staan. In
dezen zin staan zij hoog verheven boven hunne buren, de Walachyers,
de Serviërs, de Bulgaren en Slawen. Zij hebben hunne nationaliteit ook
beter bewaard dan de Polen. Zij behooren niet, zooals de Osmanen, tot
de _ziekelijke_ volken van Europa, van welke men met zekerheid vooruit
kan zeggen, dat zij verdwijnen zullen. Of het hun echter gelukken zal,
te midden der volken van Europa eene _geheel zelfstandige plaats_
in te nemen en weder, zooals zij droomen, het middelpunt van een
machtigen Magyaarschen staat midden in hunne püsten aan den Theiss
te vestigen, daarvoor geeft de geschiedenis der laatste driehonderd
jaren geen waarborg. Want van die geschiedenis heeft men, en terecht,
opgemerkt, dat zij somwijlen met verwonderlijke levenskracht opbruiste,
en dat zij dan als een bergstroom voortrolde, als wilde zij met kracht
iets groots tot stand brengen, "maar spoedig ook weder verdwijnt de
opgewondenheid dezer trotsche, statige, ridderlijke en hooghartige
Magyaren, en loopt zij dood op steenachtige en onvruchtbare gronden."



DE TSCHECHEN EN POLEN.


Na de tijden der groote volksverhuizing, die het Romeinsche rijk
verwoestte, toont de geschiedenis ons ten noorden der Karpathen, in het
Weichsel-dal, een Slawisch volk aan, dat daar onder den naam "Lechen"
woonde. Onder den naam "Obotriten" en "Wagriers", waren andere Slawen
tot in de beukenwouden van Mecklenburg en Holstein doorgedrongen. Als
"Wenden," "Pomeranen" "Lusitzer" en onder talrijke andere benamingen,
bewoonden zij de zandige streken die nu tot Pruissen behooren, tot
over de Elbe en tot in de Lüneburgsche heidevelden toe. De Slawische
"Sileziërs" bezaten het geheele gebied van den Boven-Oder, en de
"Tschechen" vulden niet alleen de dalen van Boheme en Moravie, maar
waren van daar uit ook zuidwaarts, onder den naam "Slowaken", de
heuvel-streek van Opper-Hongarije binnengedrongen. Ja! verscheidene
Slawen waren zelfs tot in het Mainland, tot aan Wurzburg en Fulda
gekomen, zooal niet als veroveraars en overheerschers, dan toch als
onderdanen, kolonisten, landbouwers, door Duitsche bisschoppen en
Vorsten daarheen verplant.

Al deze zooeven genoemde Slawen hebben in taal, zeden en geaardheid
veel met elkander gemeen gehad, en hadden in al deze opzichten
van hunne oostelijke en zuidelijke broeders, de Russen, Bulgaren,
Serviërs en Kroaten, een meer of minder wezenlijk verschil. Men heeft
hen daarom in eene groep samengevat, en plaatst ze naast de Russen en
naast de Zuidelijke-Slawen, als derde groote tak der Slawen-familie,
onder den naam "Voorste" of "Westersche Slawen."

Het lot van dezen Slawen-tak, is in den nieuwsten tijd, tot aan
de laatste verdeeling van Polen, zeer treurig geweest. Vele der
tot de "Westersche Slawen" behoorende natiën, zijn geheel van den
aardbodem verdwenen. Geen hunner heeft eene duurzame of blijvende
onafhankelijkheid bewaard of deze terug erlangd, zooals onder de
Oostelijke Slawen de Russen, onder de Zuidelijke Slawen de Serviërs
en Montenegrijnen. De overblijfselen der Westersche Slawen zijn allen
aan vreemde volken en staten onderworpen geworden.

Bij hun eerste optreden in de geschiedenis (in de 5de en 6de eeuw)
verschijnen zij als verschillende, van elkander gescheidene stammen,
die uit het verre Oosten gekomen zijn, en hebben zij, naar het
schijnt zonder veel moeite, zonder veel strijds, het Oostelijk
Germanië, dat in de groote volksverhuizing van Duitschers ontbloot
was, in bezit genomen. De akkers bebouwende, hunne kudden weidende,
voor hunne goden in de bosschen altaren oprichtende, breidden zij
zich uit over de uitgestrekte vlakten van den Weichsel en den Oder,
van een groot deel der Elbe en langs de Oostzee. Zij schijnen eerder
vredelievend dan oorlogzuchtig geweest te zijn. Wij hooren, gedurende
hunne uitbreiding in Duitschland, niets van groote legeraanvoerders en
krijgshelden, niets van zulke ver uitgestrekte verwoestings-tochten,
als bij den inval der Zuidelijke-Slawen in het Byzantynsche rijk,
of zooals later bij het optreden der wilde Avaren en Magyaren.

Het schijnt wel, dat de verspreiding dezer Slawen naar het Westen,
zeer stil in zijn gang gegaan is, terwijl zij den eenen akker achter
den anderen beploegden, en de eene weidestreek na de andere aan hunne
dorpen toevoegden.

Zij hadden geen gemeenschappelijk opperhoofd. Iedere stam had zijn
eenvoudig patriarchaal gemeente-bestuur, maar toch over eenige,
heerschten reeds vroegtijdig kleine Vorsten-geslachten.

Ook door buitenlandsche schrijvers worden zij ons als goedhartige,
vlijtige, gastvrije menschen afgeschilderd, die muziek en
dichtkunst beminden, maar voor het overige zeer sober en barbaarsch
leefden. Wreede zeden, bloedige offers, onmenschelijke gewoonten
schijnen bij hen niet, zooals bij de oude Celten en andere rassen van
harder deeg, bestaan te hebben. Zij woonden overal gezellig in sterk
bewoonde dorpen en buurtschappen bijeen. Zij legden zich toe op den
bergbouw, verstonden de kunst metalen te smelten, maakten linnen,
brouwden mede, en plantten vruchtboomen. Zij bouwden zelfs, waar zij
kwamen, houten steden, waarin, naar de beschrijving van vaderlandsche
kroniekschrijvers, handel en handwerken eene tamelijke hoogte begonnen
te bereiken. Zoo was het in het eerste begin der middeleeuwen, den
gouden tijd dezer Westersche Slawen, waarin zich een Slawische patriot
zoo gaarne terugdroomt, even als de Duitschers zich nog gaarne den
tijd der Germanen, dien Tacitus ons schildert, terug denken.

Met Karel den Groote eindigde deze gelukkige tijd. Onder hem kregen
zij last van de Duitschers. Deze machtige Keizer wendde het gelaat
van Duitschland, dat sedert den tijd der Gothen altijd naar het
zuiden en westen gericht was geweest, weder naar het oosten. Hij
en zijne eerste opvolgers brachten het Christendom op de punt
van het zwaard onder de Westersche Slawen. De invoering van het
Christendom echter is overal in Europa het teeken tot opwekking, tot
vereeniging, tot grondvesting van groote staatkundige en nationale
machten geweest. Zij die het aannamen werden door het Christendom
met een heldhaftigen geest vervuld. De opgerichte bisschoppelijke
en aartsbisschoppelijke zetels waren overal staketsels, waarlangs
de staten der gedoopte heidenen opgroeiden. Ook de stammen en kleine
zee-vorstendommen der Skandinaviërs kristalliseerden zich, onder den
invloed van het Christendom, tot de groote Koningrijken Denemarken,
Noorwegen en Zweden. Ook de Hongaren vormden eerst eenen staat en
eene vaste nationaliteit, door middel van het door de Duitschers in
hun midden geplante kruis.

Zoo ontstonden dan tengevolge hiervan, eveneens onder de Westersche
Slawen langzamerhand meerdere groote rijken. Vooreerst het beroemde
groote Moravische rijk, dat ten tijde der Karolingers tot zeer in de
verte over de westelijke stammen gebood, maar van geen langen duur
was. Vervolgens het Boheemsche rijk, dat een tijdlang onder deze
Slawen het hoogst in aanzien stond. Eindelijk het Poolsche rijk, dat
hen allen in langen duur en glans overtrof, maar ten lange laatste,
even als zij, tot verval komen moest.

De Slawenstammen, bij wie het zaad des Christendoms geen vruchtbaren
bodem vond, maar die hardnekkig hun oud heidendom getrouw bleven,
werden in den doorgezetten strijd der bekeering- en verovering-lustige
Duitschers, in den loop der tijden aan dezen onderworpen en ten
laatste geheel door hen ten ondergebracht. Dit lot trof de "Wagriers"
in Holstein, de "Obotriten" in Mecklenburg, de "Pomeranen" aan de
Oostzee, de "Ukrer" in de Ukermark, de "Hevellers" in de Havelmark,
de "Polaben" aan de Elbe--ja! wie kan al de namen noemen der kleine
heidensche Slawen-volken, die eigenzinnig aan hunne oude heiligdommen,
en aan de vereering hunner "Tschernobogs" en "Bielobogs" vasthoudende,
in den loop der op Karel den Groote volgende eeuwen, ontelbare malen
door de Duitschers verslagen werden en zich even dikwijls weder
oprichtten--zich met elkander verbonden of in twist met elkander
leefden--het nimmer tot eene krachtige nationale vereeniging konden
brengen--de een na den ander in de door de Duitschers opgerichte
grensmarken en bisdommen opgenomen werden--en ten lange laatste allen
in den grooten smeltkroes der germaniseering ten onder gingen. De taal
en de gewoonten dezer westelijkste onder de Westersche Slawen, zijn
onder den machtigen invloed der Duitschers, die in hun land burgen,
steden en kerken bouwden en het met talrijke kolonisten en burgers
binnenrukten, verloren gegaan.

In de meeste plaatsen getuigen alleen nog de namen van dorpen,
bergen, rivieren, van de eens in het oosten van Duitschland bestaande
Slawen-wereld. De namen van verscheidene der grootste Duitsche
steden (Dresden, Leipzig, Breslau) en ook die van verscheidene
Duitsche provinciën (Pommeren, Lausitz, Ukermark, Silezië) zijn van
Slawischen oorsprong. In Saksen en Pruissen is onder de verduitschte
landbewoners, overal nog veel van de Oud-Slawische zeden en van het
Oud-Slawische bijgeloof overgebleven. Daarbij hebben zich ook eenige
overblijfselen hunner taal, bij de Duitsche dialekten in het oosten
gevoegd, en zelfs in de uitspraak der Duitschers heeft men hier en
daar eigenaardigheden der Slawische spraakorganen willen herkennen. Op
enkele plaatsen (b.v. in het Altenburgsche) is bij eene overigens
volkomene verduitsching van taal en gewoonten, de oude Slawische
nationale kleederdracht overgebleven, even alsof men, in plaats van
zooals de slang die zich van hare huid ondoet, hun de huid heeft
laten behouden en hen alleen vleesch en merg heeft doen verruilen.

In physionomie, lichaamsbouw en andere kenteekenen, blinkt ons het
Slawendom onder de Duitsche beschaving, in Pommeren en in andere
gedeelten (aan gene zijde der Elbe) der helft van het Duitsche
vaderland, nog op verschillende plaatsen veel tegen. Zoo onderscheidt
men zelfs nog heden ten dage in Holstein, in gewoonten, lichaamsbouw
en karakter der bewoners, vrij scherp de grenzen der ten tijde van
Karel den Groote door Slawen bewoonde landstreken, van die welke
de Germaansche Saksers in hun bezit hadden. Ja zelfs aan deze zijde
der Elbe in het Koningrijk Hanover, in het zuid-oostelijk gedeelte
der Lüneburgerheide, vindt men nu nog eene landstreek, die men het
"Wendenland" noemt, waarin de Slawische taal eerst onlangs doodgebloed
is, en waarin nu wel plat Duitsch gesproken wordt, maar waar zeden,
kleeding, wijze van bouwen en de geheele physionomie van het land,
nog dikwijls zeer duidelijk den Slawischen stempel draagt.

Het geheele oostelijke Duitschland, het gebied waarover de Westelijke
Slawen zich verspreidden, werd met Duitsche koloniën uit bijna alle
provinciën der Rijn- en Wezerlanden overstroomd. Verscheidene dezer
volkplantingen bleven hier en daar hun volksaard en taal vrij getrouw,
somwijlen echter vermengden zij zich sterker met de Slawen. In menige
streek werden de Slawen geheel vernietigd, in andere bleven zij
compacter bijeen en werden zij tot het Duitschdom, om zoo te zeggen,
omgedoopt. Het laat zich gemakkelijk begrijpen, dat hier, ofschoon
Duitsche taal en gewoonten schier overal gezegevierd hebben, onder
het zoo ontstane Duitschdom nog verscheiden manieren en schakeeringen
van het Slawisme aangetroffen worden.

Heden ten dage vindt men midden in Duitschland hoofdzakelijk
nog slechts twee streken, waarin het Slawendom, als twee taal- en
volks-oasen of eilanden, is blijven bestaan. Namelijk ten eerste aan de
Oostzee tusschen Stolpen en Dantzig, westelijk van den Beneden-Weichsel
in West-Pruissen, eene streek, waarin de "Kassüben" en de aan hen
verwante Slawen wonen, en ten andere aan weerszijden van de Boven-Spree
in de Lausitz, onder Pruissische en Saksische heerschappij, het land
en het volk der zoogenaamde "Sorben-Wenden".--Deze nu nog Slawisch
sprekende, denkende en gevoelende Sorben-Wenden, liggen daar, gerukt
uit den samenhang met hunne andere stambroeders, van alle zijden
door Duitschers omgeven, als hadden de Duitschers vergeten hen te
vernietigen, en zij zelven zich te redden. Hunne zwakke nationaliteit,
waarmede wij ons hier niet verder behoeven bezig te houden, schijnt
ook, even als die der andere Westelijke Slawen, aan een reddeloozen
ondergang gewijd te zijn en veroordeeld te wezen langzamerhand dood
te bloeden.

De eenige der Westelijke Slawen, die tot op den huidigen dag den
aandrang der Duitschers en andere naburige staten weerstaan hebben, en
die nu nog, ofschoon zonder politieke onafhankelijkheid en nationale
zelfstandigheid twee compacte volken vormen--bij wie ook nog altijd
de hoop op eene wedergeboorte niet verloren is--en waarvan wij dus
hier als van twee invloedrijke en gewichtige deelen der bevolking
van Europa moeten melding maken, zijn de _Tschechen_ en de _Polen_.



Het merkwaardige land, dat de Tschechen nu reeds sedert langer
dan duizend jaren bewonen, is van zoo eigenaardige natuurlijke
gesteldheid, als men nauwelijks een tweede in Europa aantreft. Vier
lange bergketenen sluiten onder bijna rechte hoeken aan elkander, en
vormen een vrij regelmatigen en ruimen vierhoek, die een gedeeltelijk
vlak, gedeeltelijk golvend terrein omsluit. Van alle zijden stroomen
van de hoogten rivieren af, en vereenigen zich in het midden in
de Elbe, die den bergmuur doorboort en in de Noord-Duitsche vlakte
ontvliedt. Men zou het land gevoegelijk kunnen vergelijken met een vat
dat slechts één spondgat heeft. Het geheel heeft al het uiterlijk van
eene midden in Duitschland geplaatste groote bergvesting. Door dichte
bosschen en onherbergzame streken aan de hoogten van den grenswal,
wordt deze geïsoleerdheid nog grooter.

Het vruchtbare centraal-gebied, de vriendelijke dalen, de aan
mineraliën en andere schatten rijke heuvels, die deze ketel in zijn
binnenste bevat, werden vermoedelijk reeds eeuwen voor Christus
geboorte, door Uralische- of Finsche oude Europeanen ontdekt, en
hier even als elders zijn vele geslachten uitgestorven, waarover de
geschiedenis zwijgt. Het eerste volk, dat ons in het Boven-Elbe-bekken
genoemd wordt, de "Bojers", zou van Celtische afkomst geweest
zijn en van hen zou het land zijne namen "Bojenheim", "Boheim"
"Boheme" ontvangen hebben. Ten tijde van Christus geboorte, werd
dat bekken door een volk van Duitschen stam, door de "Markomannen"
in bezit genomen. Zij behielden het nu 400 jaren, en bedreigden of
verschrikten van hunne bergvesting uit, onder hunne Marbods, zelfs
de Romeinsche keizers.

De inval der Hunnen onder Attila brak ook de kracht dezer Duitschers
in Boheme, en voerde de bloem van het volk ter slachtbank op
de Katalaunische velden, en op de andere slagvelden der door de
volksverhuizing in rep en roer gebrachte volken. Tegen het einde der
5de eeuw trokken nu afstammelingen van de derde groote familie der
Slawen, den ontvolkten Boheemschen ketel binnen. Natuurlijk vonden
zij daar nog veel Duitschers, zooals vroeger ook ongetwijfeld de
Germanen er nog vele Celten aangetroffen en aan zich onderworpen
hadden. De Slawen kwamen in onderscheidene stammen uit de Sarmatische
vlakte. Maar onder hen was een hoofdgeslacht, en de aanvoerder daarvan
moet "Tschech" geheeten hebben; deze nestelde zich in het midden des
lands vast en nam eene gebiedende houding aan; in den loop der tijden
smolten de andere met hem gekomene Slawenstammen, en misschien ook
de in vroegere tijden in het land achtergeblevene overblijfselen der
Celten en Duitschers, tot een volk samen, onder den naam "Tschechen",
welke naam de overhand verkregen heeft.

Even als de Magyaren in het Hongaarsche bekken, zoo namen
ook de Tschechen van den beginne af, bij de verovering van den
Boheemschen ketel, bij voorkeur de vlakste vette dreven en de fraaie
heuvellandschappen in bezit; vele der door hem in het nauw gebrachte
Duitschers, namen de vlucht naar de bosschen en schuilplaatsen
der bergen die het land omgeven, waar zij wel langzamerhand aan de
Tschechen onderworpen geraakten, maar toch in het onbenijde grondbezit
der rotsdalen en bergachtige streken bleven, en daar ook hunne taal
en zeden behielden, even als de Celtische Hoog-Schotten in Caledonië,
toen de Anglo-Saksen en Noormannen in hunne Lowlands binnenrukten. Toen
later overal, om Boheme heen, het Duitsche element zegevierde op
het Slawische, toen Duitsche bergwerkers en Duitsche industrieelen
door de Tschechische Vorsten zelven naar de bergen geroepen werden,
om de in den grond bevatte schatten op te delven, of zich van hen
te bedienen tot het vervaardigen van molens of van andere werken,
die door de bergstroomen in beweging konden worden gebracht, toen
vermeerderde zich de aanvankelijk kleine stam der Duitsche bergvolken
aanzienlijk, greep hij om zich, verdrong of verduitschte de Slawen
weder, ook daar, waar zij aanvankelijk in de dalen der gebergten de
overhand verkregen hadden, en namen de woongebieden dezer stammen
langzamerhand dien vorm aan, zooals zij heden bestaan. De Slawen
behielden het binnenste gedeelte van het land, terwijl een kring van
Duitsche gehuchten, dorpen, steden en landschappen hen aan alle zijden,
door den geheelen vierhoek van gebergten en wouden heen, omringde.

Onder alle Westelijke Slawen hebben zich de Tschechen van den beginne
af gekenmerkt, door hunne manhaftigheid en door hunnen politieken
zin. Van oude tijden her, heeft men hen, de "ontoegevendste onder
de Slawen" genoemd, zij hebben zich in staatszaken bekwaamd,
toonden zich in zaken hun vaderland betreffende eensgezind, en
hebben een onbuigzamen nationalen geest bewaard. Misschien is dit
alles iets wat eigen was aan hunnen oorspronkelijken stand en aan hun
bloed. Waarschijnlijk echter, viel hun veel daarvan eerst, ten gevolge
van de geographische ligging van het land dat zij binnenrukten, ten
deel. In dien fraaien bergketel, waarin alle wateren in één stroom
zamenliepen, _moesten_ de landskinderen zich wel nauwer bij elkander
aansluiten. Daar moest zich weldra een enkel domineerend levenspunt,
een politiek centrum, eene stad als Praag, verheffen. Er moest
eene krachtige eenheid van staat, een eensgezind staats-organisme
ontstaan. Achter hunne bergen verschanst, door deze beschermd, waren
de Tschechen, in de merkwaardige stelling die zij ingenomen hadden,
beter dan hunne Slawische broeders in de noordelijke vlakten, in
staat het toestroomende Duitschdom tegenstand te bieden.

Deze krachtige politieke zin, die de gesteldheid van hun land den
Tschechen inboezemde, is gedurende het duizendjarige bestaan dier
natie, bij verschillende gelegenheden duidelijk gebleken. Herhaalde
malen--eerst onder hunnen machtigen beheerscher Samo in de 7de
eeuw--later onder hunnen Hertog Boleslaus in de 10de eeuw--nog later
onder hunnen koning Ottokar in de 13de eeuw, en wederom eene eeuw
later onder keizer Karel IV, vormden het Tschechische bergketel-land
en volk de kiem van een machtigen staat. Praag, de hoofdstad des
lands, gaf in dit laatste tijdperk, in pracht en beschaving, de
belangrijkste steden van het vasteland niets toe. Hare universiteit
telde de beroemdste professoren en in het begin der 15de eeuw 20,000
studenten, waarvan Slawen, Tschechen, Moraviërs, Polen, het grootste
gedeelte uitmaakten. Praag was toen voor de Katholieke Slawen-wereld,
wat Kiew voor de Grieksch-Russische was, een helder licht verspreidend
voorbeeld en model, eene heilige tempel- en muzenstad.

Herhaalde malen geraakten de Tschechen in verval, even dikwijls
echter verhieven en vereenigden zij zich weder, joegen de vijanden
van hunne grenzen terug, trokken over hunne bergen de daarbuiten
gelegen landen binnen en annexeerden ze: Moravië in het zuiden,
Silezië in het oosten, de Lausitszen in het noorden, Franken in het
westen, voegden zij als nevenlanden bij het gesloten hoofdlichaam
van hun rijk. De Tschechen voerden om zoo te zeggen, al het land en
volk, dat zich aan den buitensten voet van hunnen bergketel bevond,
meermalen in triumf met zich mede. Somwijlen heerschten hunne Koningen
tot diep in Hongarije en tot aan de grenzen van Italië, even als de
Markoman Marbod dit, van uit ditzelfde land, ook eens gedaan had. Maar
steeds werden hun die zoogenaamde "nevenlanden" weder afgenomen en
als te welig uitgewassene takken afgehakt. Zij beheerschten ze niet
lang genoeg om ook hunne Slawische nationaliteit, ras en taal daar
blijvend te doen zijn. Met deze bleven zij steeds tot hunne vesting,
het Boven-Elbe-bekken, beperkt.

Maar ook in het binnenste hunner bergvesting werden zij in den loop
der tijden, meermalen met Duitsche elementen overstroomd, vermengd
en doortrokken. Daar hunne geestelijke leiders en kerkleeraars
meermalen uit Duitschland kwamen--daar hunne Koningen tot Keurvorsten
en grootwaardigheid-bekleeders van het Duitsche rijk verheven
werden--daar zij, vooral na de germaniseering van Silezië in de
13de eeuw, steeds meer in het Duitsche rijk ingeweefd werden,--daar
Duitsch recht, Duitsche wetten meermalen bij hen van kracht waren--daar
eindelijk na het uitsterven van het oude Slawische Koningsgeslacht der
"Przemysliden" in het begin der 14de eeuw, Duitsche Vorsten en Keizers
in de hoofdstad van Boheme resideerden,--zoo vulden zich ook de hoven
der Vorsten, de kloosters, de bisschoppelijke zetels, de steden steeds
meer en meer met Duitschers. De steden der Tschechen werden, even
als die van Hongarije en Polen, bijna allen door Duitschers gebouwd
en aanvankelijk door Duitsche burgers bewoond, die echter te midden
van de oude, echte Bohemers, dikwijls weder tot Slawen verbasterden.

De zoogenaamde Hussiten-oorlogen, die in het begin der 15de eeuw
uitbraken, mogen wel als de laatste groote nationale beweging der
Tschechen, en als hun laatste krachtig optreden in Duitschland,
beschouwd worden. Ofschoon godsdienstige geschillen de naaste
aanleiding tot deze vreeselijke oorlogen waren, zoo namen zij
toch weldra, daar Huss en zijne ideën op ouden Slawischen grond en
bodem stonden, en daar aan de andere zijde het rijk en de Keizer
der Duitschers zich bij de "rechtgeloovige" partij schaarden, eene
_nationale_ wending.

Even als onder Samo, als onder Boleslaus en Ottokar, stroomden daarbij
de Tschechen weder van alle zijden en gedurende meer dan 10 jaren,
uit hunnen bergketel, en verwoestten zij, onder hunne eenoogige en
vreeselijke Ziska's en kaalhoofdige Prokopen, de Duitsche landen,
ten oosten, noorden, westen en zuiden rondom hunnen bergketel gelegen.

Daarentegen mag men den slag aan den Witten Berg, waarin (in het jaar
1620) weder, even als meermalen te voren, Duitschers en Tschechen
tegen elkander over stonden, en de daarop volgende vreeselijke reactie
onder Keizer Ferdinand II, als een zeer bloedigen en op onmenschelijke
wijze benutten triumf der Duitschers op de Tschechen beschouwen.

Deze voor 250 jaren geleverde slag werd langen tijd door de Boheemsche
geschiedschrijvers, als het "_Finis Bohemiae_" beklaagd, even als
de slag op het Amselfeld, die de Zuidelijke-Slawen tegen de Turken
verloren, als het einde van Servië, of als de slag bij Maciejowicz
als de ondergang van Polen. Na dien slag werd de Duitsche taal
met geweld bij de Tschechen ingevoerd. De oude Boheemsche adellijke
geslachten stierven uit en hunne goederen werden onder Duitsche heeren
verdeeld. Verscheidene, gedurende den dertigjarigen oorlog verwoeste,
landstreken werden door Duitsche kolonisten bezet. Verscheidene
duizende Tschechische familiën werden uit het land verdreven, en men
vindt hunne Slawische namen nu nog onder de burgers van Dresden en
andere Saksische en Pruissische steden. Het Tschechisch werd voortaan
eene "boerentaal" genoemd; ook legden toenmaals de Tschechen hunne
oude nationale dracht af.

Het volslagen einde van het volk was dit echter niet. Gedurende de
twee eeuwen, die op den ongelukkigen dertigjarigen oorlog volgden,
hebben de Tschechen zich langzamerhand ook weder vermeerderd
en versterkt. En toen, na den val van den volken-onderdrukkenden
Napoleon, over alle nationaliteiten van dit werelddeel een belevenden
adem woei, toen hebben ook de Tschechen, even als de Hongaren,
de Serviërs, de Walachyers en de Grieken, zich hunnen oorsprong
herinnerd. Vaderlandslievende dichters, geleerde mannen, bekwame
geschiedschrijvers en oudheidkamers zijn onder hen opgestaan, en hebben
de geschiedenis van het volk verheerlijkt, zijne literatuur verrijkt,
zijne oude "boerentaal" gezuiverd en weder in eere gebracht.

Uit alle hoeken van het land, uit de oude sloten en kloosters, zelfs
uit de kerktorens zijn de sporen en getuigen zijner vroegere nationale
grootheid voor den dag gekomen. In den knop van den kerktoren der
Boheemsche stad Köninginhof, hebben zij eene verzameling van oude
Slawische heldenliederen en lyrische gedichten gevonden, die den
Tschechen in den nieuweren tijd even waard geworden zijn, als den
Duitschers hunne Nibelungen-liederen.

Op den ouden grond is nu eene nieuwe bloesemrijke Tschechische
literatuur ontsproten, en deze heeft zich ver buiten de grenzen van het
oude Boheme uitgebreid en aanzien verworven. De Slawische Moraviërs
in Moravië, de Slowaken in Noord-Westelijk Hongarije, die van den
beginne af in stam en taal de naaste verwanten der Tschechen waren,
en zich dikwijls met hen onder dezelfde heerschappij vereenigden,
hebben den Tschechen hunne sympathie weder betuigd, zich aan hunne
literarische onderzoekingen aangesloten, en zich gewend, zich met hen
als één volk te beschouwen. Zij hebben het spraakeigen der Tschechen,
deze ijverige voorvechters der nationaliteit hunner gezamenlijke
volkengroepen, als hunne literatuur-taal aangenomen. En zoo vindt
nu weder alles, wat bij de Bohemers in Praag gesproken, gedacht,
onderzocht en gedrukt wordt, een grooten weerklank bij meer dan
8 millioen Slawen, die elkander als broeders beschouwen en die,
bij de verschillende schokken van den nieuweren tijd, reeds van eene
herstelling van een Groot-Moravisch of Groot-Tschechisch rijk droomen,
zooals dat eens ten tijde van Keizer Arnulphus tusschen den Donau en
de Karpathen, van het Saksische ertsgebergte tot in de nabijheid van
Zevenburgen bestaan heeft.

De Tschechen--en wat men van hen zegt, geldt, ten gevolge van het
zooeven opgemerkte, ook in meerdere of mindere mate van de hun
nabestaande Moraviërs en Slowaken--beschouwt men onder de Slawen
als de representanten van het cholerisch temperament, terwijl men
den Polen en Russen het sanguinische, den Zuidelijken-Slawen en
Serviërs het melancholische temperament toeschrijft. Zij bezitten
niet de ridderlijke manieren en de vroolijke levenslust der
Polen. Zij zijn somberder, achterhoudender en minder beweeglijk
dan de Russen. De Duitschers schelden hen uit voor stijfkoppig,
hardnekkig, sluw en arglistig, somber en wantrouwend. Twistzucht en
de zucht altijd gelijk te willen hebben zou hun erfgebrek zijn. De
"groote ernst en sombere trots", die de Tschechen van de overige,
veel luidruchtiger en lichtzinniger Slawen onderscheiden, zijn
hun wellicht gedeeltelijk, tengevolge van hun verkeer en strijd
met de Duitschers, eigen geworden. De oorzaak daarvan moet niet,
zooals sommigen meenen, in hunne tragische nationale geschiedenis
gezocht worden. Want reeds in de 9de en 10de eeuw, toen de Duitsche
jaarboeken melding van hen begonnen te maken, zien wij in de Tschechen
"ernstige en hardnekkige menschen." Vele vreemde schrijvers hebben,
wat energie en genialiteit betreft, den Polen de eerste plaats onder
de Slawen toegekend. Een uitstekend Pool echter, Maciejowsky, geeft
deze eer aan de Tschechen en stelt deze boven de Polen, waar hij zegt
dat zij, onder alle Slawen, met de levendigste verbeeldingskracht,
met den scherpsten blik begaafd zijn en "het meest vatbaar zijn voor
hooghartige gevoelens en verhevene dichtkunst."

Hun "politiek talent", dat zich vroegtijdig in de schepping van
een eigen, onafhankelijk, en hunnen Duitschen erfvijand lang het
hoofd biedend, koningrijk openbaarde, wordt nog heden ten dage,
veel aangewend in de groote Oostenrijksche monarchie, waartoe zij
behooren. De bestuurs-bureaux van Weenen, Gallicië, van Hongarije
en zijne nevenlanden, zijn met eene menigte bekwame en geschikte
beambten uit Boheme voorzien. Dat zij, van hunne groote Slawen-familie
afgescheurd, zonder nationalen of geographischen zamenhang met een
grooter geheel, toch hunne eigendommelijke wijze van zijn bewaard
hebben, zelfs onder den dikwijls zwaren druk van den Duitschen
schepter, bewijst meer dan iets anders, dat zij van eene krachtige,
vaste grondstof zijn, die eene nog verdere ontwikkeling belooft.

De Tschechen houden, even als alle Slawen, veel van muziek en dans. Er
is geen land ter wereld, waaruit jaarlijks zooveel muzikanten te
voorschijn komen, als uit Boheme. In het Parijsche muzikale Lexicon,
zijn het meerendeel der daarin genoemde virtuozen, Bohemers. Onder
2650 muzikale celebriteiten van Europa, bevinden zich 709 Bohemers,
701 Italianen, 517 Duitschers, slechts 134 Franschen en niet meer
dan 27 Spanjaarden en Portugeezen. Hierbij moet men echter opmerken,
dat Bohème wel virtuoozen maar slechts zelden componisten voortbrengt,
waarom bij al hunne bekwaamheid en vormbaarheid, die den Slawen in het
algemeen eigen is, hun de gave iets uit te vinden, ontzegd wordt. En
dan zeker moet men ook een groot gedeelte van hen, die daar "Bohemers"
genoemd worden, niet tot de Tschechische, maar tot de Duitsche
Bohemers rekenen, die--door den muzikalen geest van hunne Slawische
buren geïnspireerd--overeenkomstig hunnen even ontvankelijken als
vindingrijken geest, die kunst onder zich nog verder ontwikkeld hebben.

In de dorpen der muziekminnende Tschechen en Moraviërs, ziet men
dikwijls iets dergelijks gebeuren als in Rusland, waar somwijlen ook
het zwaarste werk onder muziek verricht wordt. De tot het doen van
heerendiensten verzamelde lieden trekken met violen en hobo's op,
en eenige hunner virtuozen musiceeren onder het werk, dat hun dan
gemakkelijker van de hand gaat; somwijlen laat ook de rentmeester
van het goed, aan de maaiers gedurende hunne rusturen een concert
geven, wat hen niet zelden in den vrijen tijd tot dansen en zingen
verlokt. De menschen beschouwen daarom deze gezellige heerendiensten
niet als een last, maar veeleer als een vroolijk feest, en met het
afschaffen der heerendiensten, neemt men in die streken tevens een
gedeelte der poëzie uit het volksleven weg.

Ook in Hongarije ziet men ieder jaar de Slowaken, deze oostelijke
broeders der Tschechen en Moraviërs, met muziek en zang uit de
dalen der Karpathen naar de rijke Donau-vlakten trekken, om daar de
Magyaarsche grondbezitters bij het oogsten te helpen.

Deze Hongaarsche Slowaken, ofschoon voor het overige in hunne
physionomie, in hunnen stompen neus, hunne kleine diepe oogen,
hunne zware wangbeenderen, op en top Slawen, hebben zich wat hun
lichaamsbouw betreft, in het zuidelijke, weelderige klimaat van
het land, meer volmaakt. De gedrongene vormen der groot-Russen en
Tschechen zijn bij hen geheel verdwenen. Hun lichaam is langer en
welgemaakter geworden. Men vindt onder hen schoone gelaatstrekken,
buitengewoon fraaie mannen-gestalten.

In vele kleine industriën zijn zij zeer bedreven. Als kramers,
daglooners, handwerkers, zijn zij over geheel Hongarije verspreid,
en waar zij in groote massa's binnensluipen en zich vastnestelen,
verdringen zij spoedig de oorspronkelijke nationaliteit. Er zijn
verscheidene, vroeger Duitsche en ook Magyaarsche plaatsen, die nu,
ofschoon zij nog hunne oude Duitsche en Magyaarsche namen dragen,
door de steeds voortwoekerende en om zich heen grijpende Slowaken
geheel geslawiseerd zijn. Het is eene opmerkenswaardige ethnographische
bijzonderheid, dat zij in het overig Europa het meest door den oorlog
bekend zijn geworden, dien zij ijverig tegen zekere kleine plaaggeesten
der Duitsche Vorstenhuizen geleverd hebben. Als vroolijke gasten, die
zich weinig bekreunen om behoefte en gemak, en zich onledig houden met
het verdelgen van mollen, ratten en muizen, en het vervaardigen van
allerlei zaken uit gebogen of gevlochten ijzerdraad, als muizenvallen,
vleeschdeksels, lampglazen-borstels, pijpendoorhaalders, van waar
zij, onder verschillende andere namen, "draad-Slawen" genoemd worden,
trekken de Slowaken niet alleen geheel Duitschland door, maar ook het
Noorden en Westen van ons werelddeel en zelfs Azië. Zij zijn in deze
kunst reeds eeuwen lang beroemd. Vreemd genoeg is het, dat zoo geheel
speciale talenten zich naar de nationaliteiten verdeeld hebben, en
dat ook zulke geringe rollen en bezigheden, in de Europeesche familie
zoo geheel in het bezit van een bijzonderen volksstam konden komen.

De Slowaken en Tschechen sluiten zich aan dat andere groote
West-Slawische volk aan, dat als het eerste onder alle Slawen-volken
beschouwd wordt, en dat in de wereld even beroemd is geworden door
zijne schitterende daden en zijn heldhaftig karakter, als door de
groote nationale ramp die het getroffen heeft, aan de Polen, die wij
nu tot het onderwerp onzer beschouwing zullen maken.



Van het land, dat de Polen bewonen, heeft men, om een denkbeeld zijner
eentoonigheid te geven, meermalen gezegd, dat hij die één akker er
van gezien heeft, het geheele rijk kent. "Allerwegen," zegt men,
"dezelfde treurige kleur in de natuur en in de menschenwereld, overal
dezelfde zeden, taal en levenswijze der bewoners, overal dezelfde
grondgesteldheid, bebouwing en vruchtbaarheid. De natuur is in het
geheele land even hard, den menschen gaat het overal even slecht. Het
is een onmetelijk moeras, met steenen en granietblokken bezaaid en met
dichte bosschen bezet, waartusschen hier en daar ellendige woningen
en ongezellige woonplaatsen verstrooid liggen." Deze schildering
hebben, zeg ik, eenigen van het door de Polen bewoonde land gegeven,
en zij dachten daarmede alles gezegd te hebben. Ja! de Franschen zelfs,
opperden, toen zij dit land eens binnenrukten, de beroemde vraag: "_Est
ce, qu'on appelle ça une patrie_?" "Noemt men dat een vaderland?" Maar
zulke algemeene opvattingen, doen de scheppende natuur dikwijls onrecht
aan, doen het patriotisme der menschen zeer. De eerste heeft zich zelfs
in Polen niet onbetuigd gelaten, en ook daar heeft het andere vrij wat
aangetroffen, dat liefde en bewondering verdient. Het poëtische sombere
der eeuwenoude donkere Sarmatische wouden, heeft den Byron der Polen,
den dichter Mezkiewitsch stof geleverd tot vele fraaie sonnetten. En de
dikwijls lachende velden langs de oevers der rivieren, waren daartoe
niet minder in staat. In het zuiden sluit Polen zich aan een der
grootste Europeesche bergruggen, de Karpathen, aan, die door enkelen
als de oudste oorspronkelijke woonplaats der Slawen beschouwd wordt,
wien het waarlijk niet aan het romantische in geschiedenis en natuur
ontbreekt. In het noorden slingert zich in de richting der Oostzee,
in Polen evenals in Pruissen, een kring kleinere en grootere meren,
aan wier oevers bosschen, weiden en begroeide heuvelen menig lieflijk
natuurbeeld vormen.

Zelfs de uitgebreide steppen, waarin Polen zich in het
zuid-oosten in de nabijheid van Rusland verliest, zijn niet zonder
bekoorlijkheid. Daar in Volhijnië en Podolië, neemt men, zoover
het oog reikt, onafzienbare weidevelden waar, die in de lente met
de kleurenpracht van verscheidene bloemsoorten versierd zijn. In
den dorren zomer en stormachtigen winter echter zijn zij woest
genoeg. Maar hoe verrassend is niet midden in deze woeste vlakten de
aanblik der, door de tallooze zijrivieren van den Dniepr, Dniestr,
in het weideachtige plateau ingesnedene dalen. Deze rivieren-dalen
der steppen, door de Polen "_jary_" genaamd, door de natuur als breede
kanalen uitgegraven, doorsnijden het woeste land als een net van lang
uitgestrekte, vriendelijke oasen.

In deze dal-kanalen, die dikwijls eene mijl breed zijn en die even
als souterrains, bescherming tegen het onweder of de droogte, die op
het steppen-plateau heerschen, geven, concentreert zich alle leven
en alle natuurpracht dier streek. Zij bevatten boschjes en wouden
van allerlei soort boomen, hebben bijzonder veel zangvogels, en zijn
zoowel door wilde dieren, als door tamme kudden bewoond. Daarin liggen,
zooals het merg in de beenderen, alle plaatsen en steden van het land,
en in de diepte midden tusschen dat alles in, stroomen de wateren van
helder vlietende beken en rustig stroomende rivieren. Zulke beelden
grijpen de phantasie des te meer aan, daar zij in het uitgestrekte,
eentoonige steppenland slechts als gouddraden verschijnen, en daar
zij nog daarenboven,--van verre niet zichtbaar--zonder dat men het
te voren weet en als onaangemeld, voor het betooverd oog van den
reiziger plotseling verschijnen. Kortom, ook een Pool, die van jongs
af aan al deze verschillende bekoorlijkheden en vormen, waaronder
de natuur zich in zijn groot vaderland vertoont, in zijne ziel en
phantasie opgenomen heeft, zal niet verlegen staan op bovengenoemde,
onhoffelijke vraag der Franschen te antwoorden.



Welk ras het eerst het groote land tusschen de Karpathen en de Oostzee
bezet en bewoond heeft, en ten gevolge van welke veranderingen en
gebeurtenissen de Slawen er zich eindelijk in uitgebreid hebben,
dit alles ligt in een diep duister begraven.

Volgens Tacitus hebben, ten tijde der Romeinen, Duitsche volken,
hier oostelijk zelfs tot over den Weichsel geregeerd. Of wij echter
die Duitschers ons moeten voorstellen als grondbevolking, die de
geheele streek in bezit hadden, of dat zij veeleer slechts de heeren
en veroveraars, zooals nu nog de Pruissen en Oostenrijkers, over die
landen en de toen wellicht reeds Slawische grondbevolking heerschten en
regeerden, blijft onzeker. Ook "Skijthen" en "Sarmaten," nomadische
volken uit Azië, zijn waarschijnlijk ten tijde der Romeinen van
uit het Oosten, evenals de Germanen van uit het Westen, deze landen
binnengedrongen, op gelijke wijze als wij zulke nomadische volken
van Tartaarschen oorsprong, ook nog later onder Attila, en nog later
onder Dschingis-Chan en Batu-Chan, hier zien verschijnen. De Slawen
van dien tijd, waarvan wij nauwelijks met zekerheid in deze streken
eenig spoor kunnen aanwijzen, ofschoon zij daar zeker reeds lang voor
Christus geboorte bestonden, hebben waarschijnlijk reeds voor die
actieve en gebiedende rassen, slechts eene lijdelijke rol gespeeld,
en zijn daardoor aan de oudste berichtgevers ontgaan.

Eerst na de volksverhuizing, die het rijk der Romeinen verwoestte
en de Germanen noodzaakte west- en zuidwaarts te gaan, schijnt het
Slawisch element hier ontwaakt te zijn, en na de tijden van den
uittocht der Germanen, zien wij alras, even als de oostelijke helft
van Duitschland, zoo ook het Weichsel-land door eene menigte vrij
gewordene Slawen-stammen bevolkt. Zij leefden eeuwen lang zonder
nationale eenheid en zonder een gemeenschappelijken naam, in kleine
Vorstendommen of in kleine gemeenten met een patriarchaal bestuur,
maar zullen ook wel toen reeds die eigenaardige zeden en taal met
zich rondgedragen hebben, waardoor zij later, eerst onder den naam
"Lächen" en later onder dien van "Polen," zich vereenigden en boven
de Russen, boven de Tschechen en de andere Slawen, uitmuntten.

De wieg van den Poolschen naam en de wortels van het onder dezen naam
opgegroeide volk en staat, liggen dicht aan de grenzen van Duitschland,
in het nu door het Koningrijk Pruissen geannexeerde Posen. Daar is
de schouwplaats der oudste konings-sagen der Polen, der sagen van de
Piasten. Daar was ook hunne oudste vorstelijke residentie, Gnesen
(Gnesna), hunne oudste stad. Even als de Magyaren, even als ook de
Skandinaviërs, waarvan eveneens het oudste en eerste Koningrijk, het
zich noordwaarts uitbreidende Denemarken, aan Duitschland grensde,
zoo schijnen ook de Polen in den samenhang met de Duitschers, den
eersten spoorslag tot nationale en staatsontwikkeling, even als het
Christendom, ontvangen te hebben. Weldra echter gingen zij uit hunne
westelijke wieg verder oostwaarts, evenals de Denen noordwaarts en
de Hongaren zuidwaarts. Naar het westen heen, waar Duitschland de
overige West-Slawen in zich opnam, waar het later den Polen en hunnen
Piasten het geheele Oder-gebied afnam, en de Silezische provinciën
germaniseerde, werden den Polen vroegtijdig en in den loop der eeuwen
altijd _weder_ en altijd _meer_ de wegen versperd. Zij hebben zich
daardoor, uit hunne aan de Warthe gelegene wortelen, van den beginne
af, bij voorkeur in de richting van het verre Oosten uitgebreid. Daar
hadden zij het ruimste veld en daarheen hebben zij van oudsher hun
gelaat gekeerd.

In die richting hun gebied verder uit te breiden, daarheen de uit het
Westen verkregene beschaving en christelijke leer over te brengen,
Europa tegen de van daar dreigende barbaarschheid te beschermen,
dat was om zoo te zeggen, de zending der Polen. Ten allen tijde
zijn zij aan het Westen meer vriendschappelijk verbonden geweest,
het eerst als vazallen der Duitsche Keizers, altijd als medeleden der
Roomsch-Katholieke kerk, bijna altijd als leerlingen van het Duitsche
volk in kunsten en wetenschappen, later meermalen als onderdanen
van daaruit, uit Hongarije of Zweden, uit Frankrijk of uit Saksen
afkomstige Prinsen en Koningen, _het meest_ echter als bondgenooten
tegen Mongolen, Tartaren, Russen of als redders uit den Turken-nood.

Met het Oosten daarentegen, met de Russen, waarmede zij reeds in de
11de eeuw onder hunnen eersten grooten Hertog Boleslaus, wien Keizer
Otto III den Koningstitel zou verleend hebben, in oorlog geraakten;
met de Lithauers, die zij tot het Christendom bekeerden, met de
Tartaren, aan wie zij meer slagen geleverd hebben dan eenige andere
West-Europeesche mogendheid, hebben zij van dien tijd af tot op den
nieuweren tijd toe, een 800 jarigen strijd volgehouden.

Het eerst en vóór alles namen de Polen, op dezen weg naar het Oosten,
nadat zij uit hunne enge wieg aan de Warthe waren voorwaarts gerukt,
bezit van den geheelen Weichsel, die van de Karpathen naar de
Baltische zee stroomt. In het gebied van dezen stroom zetten zich
de Polen en hun wordend Koningrijk, nu bij voorkeur vast. Zij gingen
naar die streek over, als ware het hunne tweede wieg, of als ware het
de eigenlijke groote geographische kern en het centraal-kanaal van
hunne staatkundige en nationale ontwikkeling. De Weichsel is voor de
Polen hetzelfde geworden, wat voor Duitschers en ons Nederlanders de
Rijn, voor de Groot-Russen de Wolga, voor de Klein-Russen de Dniepr,
voor de Hongaren en Zuidelijke-Slawen de midden- en beneden Donau
steeds geweest zijn,--hun voornaamste levensweg, de hoofd-ader
van hun nationaal lichaam, de uitgangs-linie hunner veroveringen,
en ook hunne verdedigings-linie in tijd van nood. In dichte massa's
en als domineerende grond-bevolking, hebben zij zich ook niet ver
over het stroomgebied van den Weichsel uitgebreid. Daarentegen heeft
hun geslacht _deze_ rivier van de bron af tot aan de monding toe
en schier al hare nevenrivieren, geheel bewoond.--Weichsel-land en
Polen zijn dientengevolge twee namen, die men in aardrijkskundigen en
geschiedkundigen zin, als woorden van gelijke beteekenis beschouwen
mag.

In het Weichsel-dal, van hare bronnen uit het Tatra-gebergte
tot aan de monding, liggen de beroemdste plaatsen, oude en
nieuwere Koningssteden, talrijke burgten van edelen, de beroemdste
strijdplaatsen en parlementsvelden der Polen. Aan deze knoopen zich
hunne dierbaarste herinneringen vast. Ter plaatse, waar de Weichsel
de bergen verlaat, en waar zijne laatste vertakkingen in de vlakte
uitsteken, blikt van een der uiterste bergtoppen, "Wawel" genaamd,
het schouwtooneel van eeuwen oude sagen, het eens zoo prachtige,
nu eenzame, vervallen Koninklijk slot der Jagellonen, op de beroemde
stad neder, die het langst de hoofd- en krooningsstad van het Poolsche
rijk en zijner Koningen geweest is. Met talrijke torens, prachtige
kerken, ouderwetsche gebouwen die rijk aan monumenten zijn, strekt
Krakau zich langs den voet der bergen in het Weichsel-dal uit. Oude
grafheuvels, hoog als de pyramiden, liggen als stomme getuigen van een
groot verleden in het landschap verstrooid, en onder deze den heuvel
welken men den laatsten Pool (Kosziusko) oprichtte, tot welks bouw
ieder patriot een hoopje aarde bijdroeg. Eens rijke en beroemde abdijen
versieren den achtergrond van dit oude Persepolis der Polen. Ruïnen van
talrijke burgten, deels de stamsloten van edele en beroemde geslachten,
deels door de vorsten ter verdediging des lands gebouwd, stijgen in
de bosschen op rotsen omhoog, en vormen een schilderachtigen krans
langs den voet der Karpathen en langs de zijrivieren van den Weichsel,
westwaarts tot naar Silezië en oostwaarts tot aan de Russische grenzen.

Verder beneden Krakau, stroomt de Weichsel nog door menig fraai dal tot
naar Sandomir, de hoofdstad van het oude Wojewodschap van den zelfden
naam. Daar besproeit hij de vruchtbaarste velden van het land. De
stamhuizen der doorluchtige familiën der Ossolinskij, der eens machtige
Zborowsky, en vele oude Benediktyner en Cisterzienser-abdijen versieren
den stroom, die op zijn linker-oever nog overal door schilderachtige
rotswanden versierd is. Niet minder vruchtbaar zijn de, van Sandomir
rivier-afwaarts liggende heuvelvlakten van het vroegere Wojewodschap
Lublin, waar de tarwe den rijksten oogst geeft, en waarin, aan een der
zijrivieren van den Weichsel, de oude eens volkrijke hoofdstad van
gelijken naam, met vele paleizen van beroemde adellijke geslachten,
kerken en kloosters versierd, ligt. Aan den Weichsel zelf volgt verder
Kazimierz, met de ruïnen van het door Kasimir den Groote gebouwde
slot, en verder benedenwaarts het door de edele Czartoryski's rijk
versierde, door Poolsche en Fransche dichters bezongene en door de
Russen verwoeste, wereldberoemde Pulawy; en zijwaarts aan de oevers
eener zijrivier "Sobieska Wola", de zetel van Johan Sobiesky, den
bevrijder van Weenen. Oostwaarts krijgt het landschap een ander
karakter; in plaats van de heuvels ziet men groote vlakten, die
zich verderop in de eindelooze moerassen van Volhynië verliezen. De
Weichsel zelf treedt eerst bij de monding der Pilica, ongeveer in
het midden van zijnen loop, geheel uit de zuidelijke hoogten des
lands te voorschijn. Nu eerst verdwijnen zijne tot nu toe hooge,
met bosschen omkranste, dikwijls romantische oevers, en nu vliet zij
in een breed dal rustig naar het noorden. Op zijn westelijken oever
verschijnt nu, op aangename hoogten gelegen, de residentie der latere
Poolsche koningen, het prachtige en ongelukkige Warschau, dat altijd,
als geheel Polen zelf, zijn voorhoofd (het bruggenhoofd Praga) naar
het Oosten keerde, en in welks stadsgebied den ouden oostelijken
erfvijand zoo veel schitterende slagen geleverd werden.

Er zijn niet veel landen en volken, wier geheele geschiedenis en
ontwikkeling, zich zoo om ééne rivier heen beweegt, zoo als het
leven der Polen om hunne "Wisla". Van haar uit, die hun bij al
hunne bewegingen tot operatie-basis diende, verbreidden de Polen
zich hoofdzakelijk in drie richtingen, in welke zij hunnen invloed
verder uitbreidden. Het eerste naar het zuid-oosten in de richting
van den Dniepr, waar zij zich, in Volhynië en in de vruchtbare
heuvelachtige streken van Podolië, verscheidene klein-Russische
stammen en Vorstendommen onderwierpen, waar zij het oude Russische
Kiew veroverden en beheerschten, en den Ruthenischen adel van het
land poloniseerden.--Vervolgens naar het noord-oosten--naar de
bosschen en moerassen aan den Niemen en aan de Duna, waar zij op
de nog langen tijd barbaarsche en Heidensche Lithauers stieten,
die hun eerst, door tallooze verwoestende invallen, verderfelijk
waren, maar die zij sedert de 14de eeuw steeds meer en meer binnen
den kring van hun nationaal-leven trokken. De Polen verwierven zich
naast de Duitsche ridders de verdienste, deze streken en volken
van Europa het Christendom te brengen en hen te vereenigen met de
Roomsch-Katholieke Kerk. De Groot-Vorsten van Lithauen, de Jagellonen,
die door huwelijk met de laatste Piastin Hedwig, de Poolsche kroon
verwierven, werden daarbij zelven Polen. Ook nam ten lange laatste,
in den loop der tijden, de geheele Lithauïsche adel de taal der Polen,
die meer beschaafde natie aan, en daar hij eindelijk in alle opzichten
gepoloniseerd werd, zoo deelt hij ook nu nog de Poolsche sympathiën. In
direct oostelijke richting eindelijk, stieten de Polen op de eigenlijke
Russische kern-landen. Hierheen zijn zij langs de zijrivieren van den
Dniepr, langs den zelfden door de natuur aangegeven weg, waarlangs
ook de grootste veroveraar onzer eeuw, Napoleon, het Oosten aanviel,
ontelbare malen gemarcheerd en hebben zij, onder de Jagellonen en
onder hunne heldhaftige koningen Stephanus Bathory en Johan Sobiesky,
vele schitterende overwinningen op de Russen behaald.

In het midden en tot na het einde der 16de eeuw had de heerschappij
der Polen hare grootste uitbreiding gekregen. Toen waren zij, wat nu
de Russen zijn, het machtigste volk in het Oosten van Europa. Toen
hadden zij zelfs de geheele Duna- en Dnieprlinie in hun bezit. De
witte Poolsche adelaar breidde zijne vleugels van de Oostzee tot aan
de Zwarte Zee uit. Toen handelde de Poolsche partij en het leger,
zelfs in Moskau, herhaalde malen naar goeddunken, en meer dan de
helft der Russische volkeren stonden onder Poolschen invloed.

De uitbreiding der Roomsch-Katholieke kerk, waarmede ook vele
Russisch-Grieksche volken onder de heerschappij der Polen vereenigd
werden, en met welke deze--zelfs na de slechts gedeeltelijk gelukte
terugvoering der vereenigden, tot de Grieksch-Russische nationale kerk
door keizer Nikolaas--nog heden ten dage vereenigd zijn, mag als een
nu nog bestaand gevolg der uitgebreide Poolsche heerschappij beschouwd
worden, en evenzoo de groote uitbreiding van Poolsche taal en zeden
op Russischen ondergrond. In het vroeger door Russische Groot-Vorsten
beheerschte Gallicië, in Volhynië en Podolië tot aan "het heilige
Russische Kiew", in de geheele westelijke helft van Klein-Rusland
of het Russinnen-land, is de Russische nationaliteit in hoogen graad
uitgewischt. Van de familiën der Russische vorsten, de nakomelingen en
opvolgers van Wladimir den Groote, die het rijk onder elkander verdeeld
hadden, is niets meer over gebleven. Poolsche taal en Poolsche zeden
hebben hier eene merkwaardige, beslissende en blijvende overwinning
op het oudere Russendom behaald, en zijn langzamerhand tot in alle
hoogere standen en klassen der maatschappij doorgedrongen. Zelfs
de Grieksch-Slawische priesterschap heeft daar hare Russische taal
vergeten. Zelfs in de vertrouwelijkste, alledaagsche gesprekken
bedient men zich van de Poolsche taal, en het Russische dialekt is
slechts aan het onbeschaafde landvolk eigen gebleven.

Toen, ook gedurende de geheele 16de eeuw, in den glorierijken tijd
der Sigismunden, der laatste Jagellonen, bereikten taal, literatuur
en ontwikkeling der Polen hun toppunt, en deze tijd wordt dan ook
hun "gouden tijd" genoemd. De wetenschappen verheugden zich in
eene ongewone beoefening en gunst. Koningen en Magnaten stichtten
akademiën. De naar het model van Praag ingerichte universiteit te
Krakau, waarvan Copernicus lid was, telde niet minder dan over de 50
drukpersen. Daar en ook buitenslands, in Duitschland, Frankrijk en
Italië, bezochten de Polen de hoogescholen. Ook de Poolsche dames
hadden hare bloeiende scholen in de kloosters, waarin zij zelfs
de Grieksche en Romeinsche dichters lazen. De Polen wijdden zich
met evenveel liefde aan de literatuur en de dichtkunst, als aan
de wapens. En toen na het midden der 16de eeuw, eenige dezer goed
ontwikkelde Polen in Parijs verschenen, om den door hen gekozen
Koning Hendrik van Anjou te begroeten, schilderde een beroemd
Fransch geschiedschrijver van dien tijd hen op de volgende wijze:
"het geheele Parijsche volk," zegt de Thou, "stond verbaasd over
de verschijning dezer Poolsche gezanten; over hunne fijne pelzen,
hunne elegante en met edelgesteenten bezaaide kleederen, over hunne
waardige en manhafte wijze van zich voor te doen, en vooral over de
gemakkelijkheid, waarmede zij zich in het Fransch, Duitsch, Latijn
en Italiaansch uitdrukten. Deze vreemde talen spraken zij, als hunne
eigene. Zij spraken onze Fransche taal zoo zuiver en zoo juist, dat
men zou kunnen gelooven, dat zij niet aan den Weichsel, maar aan de
oevers der Seine geboren waren. Onze Fransche hovelingen schaamden
zich voor hen, als onwetenden, en de meesten hunner antwoordden, als
hunne Poolsche gasten met hen over wetenschappelijke zaken begonnen
te spreken, slechts door teekens, en bleven blozend zwijgen. Aan het
geheele Fransche hof vond men slechts twee mannen, die in staat waren
die Polen in het Latijn te antwoorden."

Een even vleiend getuigenis geeft Muretus, een der grootste geleerden
der 16de eeuw, die door Koning Stephanus Bathory uit Italië naar
Krakau beroepen werd, aan de Polen. "Onder onze Italianen," dus
zegt deze beroemde man, "is nauwlijks één onder de honderd, die
het Latijn verstaat of smaak voor de wetenschappen heeft. Onder de
Polen daarentegen vindt men eene groote menigte mannen, die beide
talen volkomen verstaan, en die eene zoo groote voorliefde voor de
wetenschappen hebben, dat zij haar hun gansche bestaan wijden."

Ook de aangelegenheden der steden en harer burgers, verkeerden toen
in een betrekkelijk bloeienden en geregelden toestand, beschermd als
zij waren door de stedelijke privilegiën. En zelfs de arme landman
was nog ver van de vernedering, armoede en slavernij, waartoe hij
later vervallen is. De tijd van den grooten Kasimir, die zich (in
de 14de eeuw) den eeretitel van "den boerenkoning" verwierf, lag
nog niet ver. Velen hebben zelfs beweerd dat, in de 14de, 15de en
tot in de 16de eeuw, alle eeren en waardigheden in Polen, voor den
wedijver en de deelneming van alle klassen ruimer waren opengesteld,
dan in andere Europeesche landen. Verscheidene der beroemdste Poolsche
mannen uit dien tijd behoorden oorspronkelijk tot den boerenstand.

Sedert het uitsterven van den erfelijken koningsstam der Jagellonen (in
het laatst der 16de eeuw), verminderden de bloei en de macht van het
Poolsche volk, en gedurende de 17de eeuw gingen de zaken een snel en
steeds sneller verval te gemoet. De monarchie werd een kiesrijk. Het
kiezen der koningen begon hevige oneenigheden te veroorzaken, en
duizende edellieden verzamelden zich daartoe gewapend op het veld bij
Warschau, en kampeerden daar, in op elkander verbitterde partijen
gescheiden, dikwijls zelfs als vijanden des lands, in tegenover
elkander liggende legerplaatsen. De wijze waarop de verkiezing van
een Koning plaats had, en de den koningen voorgelegde voorwaarden,
werden telkens veranderd. De eene nieuwigheid volgde op de andere. En
bij iedere schrede verder werden de, voor het geheel en de eenheid
zoo weldadige, prerogatieven der kroon, verzwakt; terwijl intusschen
de macht en de overmoed van den adel steeds toenam, zonken de lagere
volksklassen, door den adel in het stof vertreden, in steeds dieper
ellende en werden zij hoe langer zoo minder beschermd.

De adel matigde zich zulke groote persoonlijke privilegiën en vrijheden
aan, dat hij ten laatste niet meer in staat was een politiek geheel
te vormen. Ieder dezer Poolsche edellieden bezat op zijn grond en
bodem de rechten van een souverein, daar was hij als het ware, een
onafhankelijk koning. De wetgeving van het volk en den staat betrof
slechts zijn stand. Tegenover zijne vazallen, ondergeschikten en
lijfeigenen, regelde hij zelf de wetgeving, was hij zelf rechter en
onbeperkt souverein. De Poolsche staat, dien men eene republiek noemde,
was ten laatste niets anders dan een bondgenootschap van ontelbare
kleine despoten. En deze despoten verbonden zich onder elkander niet
alleen tegen hunne lijfeigenen, tegen den koning en het rijk, maar
ten laatste ook tegen de hun vijandige fractiën hunner eigene kaste.

De merkwaardigste en verderfelijkste politieke instelling van geheel
eigenaardige Poolsche vinding, is echter het beruchte "vrije veto",
treuriger nagedachtenis, geweest. De voorstellingen van het ideaal
van persoonlijke vrijheid en individueele onbeperktheid van macht
van den edelman, ontaardden bij de Polen zoover, dat zij de, in geen
anderen beschaafden staat ooit gehoorde bepaling vaststelden: een lid
der republiek, d.i. een edelman, mag onder geene voorwaarde, zelfs
niet door de meerderheid der natie gedwongen worden, eenig besluit,
eenige wet of eenige keuze aan te nemen, als hij niet zijne vrije
persoonlijke toestemming geven wil. Men gaf aan ieder afzonderlijk
het recht zijn "_Nie pozwalam_" (ik _wil_ het niet) tegen den wil
van de meerderheid te stellen, en een enkel stijfhoofdig of door
vreemde invloeden gewonnen individu, kon daardoor de meerderheid
machteloos maken. De geschiedenis levert ons geen tweede voorbeeld
van eene dergelijke staats-instelling. Door de steeds toenemende
ontwikkeling en doorzetting van deze onzinnige grondstelling,
ontnamen de Polen aan hunnen staat alle stabiliteit, maakten dien
en het volk, om zoo te zeggen _onmogelijk_. Een volk met zulke
allerdolste aristokratische idealen in het hoofd, _moest_ weldra den
ondergang gewijd zijn. Daardoor werd aan de partijschappen van binnen,
en aan het ingrijpen van vreemde machten van buiten, deur en poort
geopend. Polen werd een nimmer rustende vulkaan, die zich zelven
vernietigde, de vreemdelingen in het land lokte en ten slotte onder
zijne eigene ruïnen begraven werd.

De dubbelgangers der Polen, hunne mededingers en naburen, de Russen,
die zich sedert het begin der 16de eeuw onder het Vorstenhuis
der Romanows, tot een steeds machtiger en steeds verder om zich
heengrijpenden staat gevormd hadden, begonnen nu zich van den invloed
der Polen, die hen eens overweldigd hadden, vrij te maken, en hun de
eene oostelijke provincie voor, de andere na te ontnemen.

Kort na het midden der 17de eeuw, kregen zij de zuidelijke helft,
van de sedert langen tijd aan de Polen behoord hebbende provinciën,
oostelijk van den Dniepr, de Ukraine, het geheele land der Kozakken en
voor de tweede maal Smolensko, dat zij reeds eenmaal, in het jaar 1500
veroverd hadden--in den loop der 18de eeuw door de reeks zoogenaamde
verdeelingen van het snel verzinkende Polen, die elkander slag op slag
volgden, het eerst in het jaar 1772, de rest van het land oostelijk
van den Dniepr, het vorstendom Witepsk; vervolgens in 1793 het land
westwaarts langs den Dniepr, Podolië en de rest van Klein-Rusland, twee
jaren later in 1795 het voornaamste gedeelte van Lithauen, benevens
Koerland en Volhynië. Het Weichsel-land kwam bij deze deelingen ook
gedurende korten tijd onder Oostenrijk en Pruissen. Maar sedert 1815
heeft Rusland ook dit voorname stuk, het geheele middenste gedeelte
van het oude nationale Poolsche Weichsel-land in bezit genomen,
en nu zijn sedert dien tijd, verreweg de meeste der eens door de
Polen bevolkte of bezette landstreken, hunnen vijandigen broeders,
den Russen, onderworpen. Aan Pruissen is slechts de kleine oude
Poolsche wieg aan de Warthe en den zoom der Oostzee-kusten, en aan
Oostenrijk de fraaie Poolsche landschappen aan den noordelijken rand
van den Karpathen-muur ten deel gevallen.



Bij hun uitstekenden aanleg, niettegenstaande hunnen moed en
ridderlijken zin, schijnen aan de natuurlijke geaardheid der Polen,
van den aanvang af, en meer dan ooit in de laatste tijden van
hun staatkundig bestaan, vele eigenschappen ontbroken te hebben,
die bijzonder geschikt zijn het geluk van staten en volken te
grondvesten. Men heeft hen de genialen maar buitensporigen, en ook
wel den "verloren zoon" van moeder Europa genoemd. Vooral schijnt hun
niets van den spaarzamen, huishoudelijken, industrieelen en nijveren
zin, die onder vele andere goede hoedanigheden de Germaansche volken
kenmerkt, eigen geweest te zijn. Van hen is het spreekwoord afkomstig:
"op de jacht een haan dooden en aan den maaltijd een os eten." En
de uitdrukking "'t ziet er Poolsch uit," is ook bij ons, in de
beteekenis van een verward staatsbestuur en ongeregelde huishouding,
spreekwoordelijk geworden.

Ofschoon groote beminnaars van poëzie en muziek, hebben zij zich
nooit met goed gevolg op handel, handwerken en kunsten toegelegd,
en worden bij hen niet de geduldige, werkzame, zeer te waardeeren
middenklassen gevonden, die voor iedere menschelijke maatschappij zoo
weldadig en noodzakelijk zijn, en die haar eerst volkomen maken. Zij
waren altijd de uitersten toegedaan. Daar oorlogsroem, heerschappij,
een schitterend, teugelloos en ongebonden leven, voor hen de hoogst
mogelijke bekoorlijkheid bezat, zoo moesten, opdat dit alles aan
_eenigen_ ten deel zou vallen, _velen_ tot afhankelijkheid en tot
harden slaafschen arbeid gedoemd worden. De bescheidene idealen van
een vrijen, nijveren boer, of van een eerzamen, vlijtigen burger, zijn
dingen, waarvan de Polen zich nooit een goed denkbeeld hebben kunnen
vormen. De adel was de spil, waarom bij hen alles draaide. Wie slechts
het geringste grondbezit machtig was, wilde bij hen stedelijk edelman
en magnaat worden. Scheppende handels- en nijverheids-koloniën zijn
nooit van de Polen uitgegaan, alleen adellijke- en militaire koloniën.

De Polen vormden in deze hunne neigingen, een groot kontrast met de
naburige Duitschers, die in alle takken van het menschelijke kunnen en
volbrengen, een zoo ernstigen, volhardenden en werkzamen zin bezaten,
en hoofdzakelijk daardoor op de Polen zulke merkwaardige overwinningen
behaalden. Als nijvere en ondernemende kooplieden, hebben de Duitschers
namelijk den Polen de lange kuststreek langs de Oostzee weggenomen,
en hier, van Dantzig over Koningsbergen, Memel en Libau tot aan Riga,
langs de geheele kust van het oude Poolsche rijk, eene reeks bloeiende
Duitsche handels-koloniën gesticht. De Polen hebben zich door hen
overal van den levenwekkenden adem der zee laten afsluiten. Eens (in
het laatste der 15de eeuw) hebben zij deze streek Duitsche koloniën
wel voor eenigen tijd heroverd, hebben zij hunne grenzen weder tot
de zee uitgebreid, en, naar men zegt, toen zij destijds de Baltische
zee zagen, van blijdschap gedanst. De Polen dansten en zongen wel,
maar zij verstonden de kunst niet, zich de zee ten nutte te maken. De
Duitschers gingen, zelfs onder Poolsche opperheerschappij, voort, van
de zee gebruik te maken, en bleven daardoor de eigenlijke bezitters en
voordeeltrekkenden van het strand. Na eenigen tijd maakten zij zich ook
in politieken zin weder onafhankelijk van de Polen, sneden dezen weder
geheel van de zee af, terwijl zij langs de kust alles germaniseerden,
en de Polen noodzaakten zich tevreden te stellen met de moerassen en
wouden van het binnenland. Ook in vele gedeelten van dit binnenland
drongen de bedrijvige Duitschers binnen, en vormden zij bij de Polen,
even als bij de Tschechen en Magyaren, het wezenlijk element der
bevolking van de steden.

Met de Duitschers, maar in veel grooter aantal dan deze, kwamen
de Joden in het land en namen bij voorkeur de uitoefening op zich,
van verscheidene der burgerlijke bedrijven, waarvoor de Polen geen
aanleg of lust hadden. Zij, de kinderen Israëls, vonden bij de Polen
een zoo gunstig terrein, dat zij in alle steden, dorpen en gehuchten,
waar Polen woonden en heerschten, als handwerkslieden, kunstenaars
en kramers, de ledige ruimte binnendrongen die zij in het Poolsche
nationale-zijn vonden, en hier weliger tierden dan in eenig ander land
van Europa. Zij vormden een surrogaat voor de den Polen ontbrekende
midden-klasse, en als 't ware den derden stand van het volk, daar zij
het midden hielden tusschen de overmoedige heeren en de ellendige
onwetende lijfeigenen. Terwijl echter in andere landen "de derde
stand" eene weldaad is, zijn deze Joodsche burger-gemeenten in Polen
dikwijls eene plaag voor het land geweest, en toch eene onontbeerlijke
toevoeging. Zooals de Duitschers door hunne meerdere beschaving, en de
Joden door hunne rustige industrie, zoo hebben de nationale vijanden
der Polen, de Russen, in den loop der tijden de overwinning op hen
behaald door de enkele hoedanigheid: gehoorzaam en ondergeschikt te
zijn aan een leidenden wil, welke hoedanigheid de Russen in hooge
mate bewaard of zich eigen gemaakt hebben, ofschoon zij overigens,
in hunnen geheelen verstandelijken en lichamelijken aanleg, vooral
niet boven de Polen staan.

Men heeft meermalen de Polen de Franschen van het Noorden
genoemd. Even als deze zijn zij levendig, vlug en bevattelijk, maar
tegelijkertijd ook even als deze onbestendig. Altijd zijn zij bij
dans- en vechtpartijen en bij drinkgelagen vooraan. Zelfs de ouderen
van dagen bij de Polen, wier hoofden reeds grijs zijn, hebben nog
iets van het vlugge der vechtersbazen der universiteiten. Evenals
de Franschen bezitten de Polen eene elasticiteit, die hen zich in
alle omstandigheden doet schikken, alle indrukken doet volgen en
geene blijvend aanneemt. Hun doen en hun denken zijn eeuwigdurend met
elkander in strijd. Evenals het de menschelijke ziel in het algemeen
eigen is, de sterkste tegenstellingen in zich op te nemen, zoo weet
zulks de Pool in hooge mate te doen.

Jaren lang leven zij onbezorgd, vroolijk daarhenen, maar plotseling
rapen zij alle krachten samen tot het bereiken van een of ander
doel, dat hunne geestdrift heeft opgewekt, en weten zij een tijdlang
met veel energie te handelen. Onverschillig, oppervlakkig en alles
veroordeelende, beschouwen en bespreken zij menschen en zaken, maar
vatten vervolgens op eens haat of liefde voor een persoon of eene
zaak op. Heden vieren zij een feestdag met boete en gebed, morgen
een luidruchtig carneval in vroolijkheid en brooddronkenheid. Het
eene uur spreken zij vol geestdrift over vrijheid en menschenrechten,
en in het volgende zondigen zij, misschien hoogst ondoordacht, daar
tegen, in de behandeling hunner bedienden en ondergeschikten.

Geestdrift en apathie, ijver en nalatigheid, toegeving en tegenstand,
verkwisting en gierigheid, al deze tegenovergestelde eigenschappen
treden in de geschiedenis der Polen, even als in hun dagelijksch
leven, duidelijk te voorschijn. En evenzoo ook de grootst mogelijke
trotschheid naast de vernederendste onderworpenheid. Een duidelijk
bewijs hiervan geeft het reeds vermelde "_Nie pozwalam_," dat een
Poolsch edelman, in het gevoel zijner souvereine grootheid, tegenover
de besluiten stelde van het parlement en den wil van het geheele volk,
alsmede de in Polen zoo gebruikelijke phrasen, "ik kus uwe voeten" of
"ik val onder uwe voeten," uitdrukkingen, die bij alle klassen van
Polen, eene even gewone uitdrukking van dank is, als in Weenen het
welbekende maar veel gematigder, "ik kus u de hand"--"Maar"--zegt
eene talentvolle schrijfster, die over de Polen schreef--"al deze
verschillende, afwisselende, in elkander overgaande, dikwijls moeielijk
van elkander te onderscheiden eigenschappen van het Poolsche nationaal
karakter te schilderen, is bijna even moeielijk als eene poging om
de kleuren van den vleugel eener kapel te analiseeren. Reeds door
het aanraken wischt men het teere en bonte email weg."

Een hoogst elastische zin, die zich over alles heen zet, niet
bevreesd is voor de toekomst, het verledene niet betreurt, eene
krenking--trouwens ook dikwijls eene weldaad--spoedig vergeet, onder
alle omstandigheden een goed gelaat bij een slecht spel tracht te
zetten, lachend alles verdraagt, zoo een zin is het erfdeel van
alle Polen.--Met verwondering ziet de vreemdeling, zelfs de meest
verwenden onder hen zich schikken in de ongemakken eener reis, de
onaangenaamheden eener slechte tijdelijke woning, de misgrepen hunner
boersche bedienden, het lastig indringen van Joodsche handelaars--dit
alles ziet hij met de beminnelijkste luim verdragen.

Zij lachen met het moeielijke en vermaken zich over hetgeen anderen,
namelijk de met hen vergeleken, weekelijke of zwaartillende Duitschers,
vertoornen, althans wrevelig maken zou.

"Poolsche edellieden en vorsten, die in hunne eigene huizen door
alle mogelijke luxe omgeven zijn, die meestal veel gereisd hebben en
met al de genietingen van groote hoofdsteden bekend zijn, kan men
_con amore_ in de kleine, vuile Joodsche stadjes van hun land zien
rondwandelen--in de onzuivere logementen hun intrek zien nemen,
in de nauwe, donkere winkels hunne inkoopen zien doen, zich zien
amuseeren met de, in de rookerige schouwburgen der groote steden,
gegevene ellendige opvoeringen van deze of gene reizende troep, of
met het oorverscheurend spel van dezen of genen reizenden virtuoos,
of wèl dagenlang in harde britschen op hobbelige wegen zien rijden,
om eene wolf- of rendier-jacht bij te wonen. En dit alles ziet men hen
met zoo veel beminnelijke vroolijkheid en natuurlijkheid doen, dat men
hen, die genoegens vinden waar anderen niets dan moeielijkheden zien,
moet bewonderen."

Met deze, den Polen eigene, elasticiteit gaat hunne rusteloosheid--die
hen van de stad naar het land, van het eene slot naar het andere
doet gaan, die hun eene aanhoudende reislust als ingeënt heeft,
ja hen in hunne huizen onophoudelijk de bestemming en de inrichting
hunner kamers en de plaatsing hunner meubels doet veranderen, en dus
eeuwig aan de in het Oosten van Europa ingewortelde nomaden-natuur
doet herinneren--hand aan hand. Men zou meenen, in eene Poolsche
huishouding eene afbeelding in het klein voor zich te hebben, van
hunne vroegere huishouding van staat, waarin ook, even als in een
kaleidoskoop, alles door elkander gewerkt werd.

Ook de hartstocht voor het spel, behoort tot de schaduwzijden in
het karakter van den Pool, die samenhangen met zijn lichtzinnigen,
vluchtigen, onstandvastigen, avontuurlijken, naar opwekkingen
verlangenden zin. Deze hartstocht schijnt nu nog, even als ten tijde
van Tacitus de Duitschers, alle klassen der Polen te beheerschen. Niet
alleen de heeren in de zaal, maar ook de bedienden in de voorzaal,
de soldaten in de kazerne, de boeren voor hunne hutten ziet men zich
met kaart- en dobbelspel bezig houden. Somwijlen echter behaalt eene
andere edeler zucht, de overwinning op dezen hartstocht voor het
onzalige en het geluk van vele familiën verwoestende spel, namelijk
hunne voorliefde voor den dans. Ook deze is den Polen, evenals allen
Slawen, aangeboren. Zij geven zich daaraan, zoowel op hoogen ouderdom
als in de jeugd over, en de dans vermag zelfs levensmoede voeten
nog op te wekken tot eene mazurka, dezen levendigen, sierlijken,
afwisselenden, alle ledematen elektriseerenden, half militairen
nationalen dans, die zoo juist de uitdrukking der opgewekte, schielijk
tot hartstochtelijkheid overslaande Polen-natuur schijnt te zijn.

De gastvrijheid der Polen is, even als die van alle Slawen, van
oudsher beroemd geweest. Zij oefenen die op de grootst mogelijke wijze
uit. Niet alleen hun lust tot verkwisting en opschik, hun genot om
pracht en luxe te kunnen ontwikkelen, hunne begeerte zich in het midden
van een door hen beschermden en hen daarvoor huldigenden kring te zien,
maar ook eene natuurlijke goedhartigheid en mededeelzaamheid drijft
hen daartoe aan. Men treft daarom deze nationale deugd in het geheele
land aan, zoowel bij de geringen als bij de grooten, ieder naar zijne
krachten en omstandigheden, ja zelfs te midden der tegenwoordige zoo
afhankelijke, gedrukte en verwarde omstandigheden van het volk.

In het oude Polen heerschte de gewoonte, dat de rijke Magnaten of
"Pake," in hunne huizen eenige edellieden, aanverwanten of vazallen
met hunne vrouwen en kinderen bij zich opnamen, die zij "residenten"
noemden, en die geene andere verplichting hadden, dan den geheelen
trein van het slotleven mede te maken, en zooveel in hun vermogen was,
tot den glans der familie bij te dragen. Toen vond men in de Poolsche
wouden zulke groote paleizen, zooals b.v. dat der beroemde familie Pac
er een was, dat het trotsche, reeds in de verte zichtbare opschrift
droeg: "dit paleis behoort aan Pac, en dit paleis is Pac waardig,"
en waarin somwijlen behalve de hoofdfamilie en de, aan het paleis
geattacheerde "residenten" en de soldaten, die vroeger de Poolsche
souvereine magnaten gewoon waren om zich te verzamelen, wel duizende
menschen samen huisden.

Zoo iets ziet men tegenwoordig niet meer, maar wel is men thans nog,
en niet alleen bij de Pac's en de Branitzky's, Potozky's en Sapreha's,
maar ook op de kleiner adellijke goederen, er op ingericht, geheele
familiën met hunnen trein van bedienden, paarden en rijtuigen op
te nemen, en daarbij ontzegt men zichzelven dikwijls, ten gerieve
der vreemdelingen, de gewone gemakken. Op den middagdisch staan
couverts voor onverwachte gasten gereed, en gaarne bespaart men
zelfs aan doortrekkende reizigers, die men ter nauwernood kent,
het onaangename rusten in ongemakkelijke logementen. En zoo ziet
zich zulk een doortrekkend reiziger, tot zijne groote verwondering,
dikwijls midden in de Poolsche heiden en steppen, plotseling als door
een tooverslag in hoogst aangename kringen verplaatst, waarin hij
zich gedurende eenigen tijd aan al de gezellige genoegens van het
slotleven, aan jacht, renpartijen, dans en spel, aan het tooneelspel,
aan levende beelden, aangename conversatie en andere genoegens,
op Poolsche wijze kan vergasten. De Polen zijn aan deze gezellige
manier van leven zoo gewend, dat zij er niet meer buiten kunnen. En
wanneer men hun vertelt, dat in Engeland en in Nederland b.v.,
dikwijls de heer des huizes alleen met zijne vrouw en kinderen
aan den middagdisch of aan de theetafel zit, dan roepen zij uit:
"_Ah! que c'est triste_!" en vergeten geheel, dat dit toch ook eene
zeer prijzenswaardige huiselijkheid is.

De Polen worden om zoo te zeggen midden in de drukten en de genoegens
van het "gezellig samenzijn" geboren, en van de wieg af, in en voor
hetzelve opgevoed. Zoodra een jong Poolsch edelmannetje alleen op
zijn stoel zitten en op zijne voeten staan kan, tafelt en danst hij,
converseert hij en maakt hij pret met de grooten, vermoedelijk niet
ten voordeele zijner lichamelijke en verstandelijke gezondheid,
ofschoon daardoor de in Polen zoo onontbeerlijke gehechtheid aan
het gezellige, wel in de hand gewerkt wordt. De Polen sterven ook
niet gaarne in de eenzaamheid, liefst zoo mogelijk te midden eener
talrijke omgeving. Daarvan zal ik een merkwaardig geval, dat ik zelf
ten deele mede beleefde, mededeelen: eene voorname Poolsche dame,
die tachtig jaren te midden van den maalstroom van haren grooten
huiselijken kring geleefd had, kon ten laatste niet meer in persoon
bij de feesten van haar huis verschijnen. Zij liet haar ziekbed daarom
dicht bij de prachtige zaal, waar hare gasten zich iederen avond aan
allerlei genoegens overgaven, overbrengen. Men ging nu en dan achter
het beschot, dat de beide vertrekken van elkander scheidde, naar haar
toe, om haar te vertellen: wie met de schoone Gravin T. de mazurka
danste, wie met mejufvrouw P.; en toen zij geen dans of muziek meer
verdragen kon: welke whistpartijen er gemaakt waren, wie gewonnen
en wie verloren had en verder wat er al zoowat in de zaal gepraat
was. Eens op een avond, toen de gasten weder als naar gewoonte een
tijd lang bij elkander gezeten hadden, werd plotseling iets van tafel
tot tafel gefluisterd. De elegante heeren legden de kaarten neder,
stonden op en gingen zacht heen. De bedienden bliezen de lichten
uit.--Hunne oude vriendin en meesteres was zooeven, gedurende de
soirée, zacht ontslapen.

Men behoeft slechts korten tijd in zulk een Poolsch huis doorgebracht
te hebben, om te weten welken grooten invloed de vrouwen in Polen
uitoefenen. Over het algemeen munten zij uit door lieftalligheid
en gratie, zij deelen den levendigen, lichtzinnigen en ook den
ridderlijken geest van het andere geslacht. Daarbij hebben zij
meermalen eene grootere mate van ontwikkeling, en dikwijls zelfs eene
grootere wilskracht en vastheid van karakter, dan de mannen. Zij zijn
de eigenlijke gebiedsters der gezellige samenleving, en zijn steeds
ingewijd in de belangrijkste plannen der mannen. Ja! zij leiden deze
dikwijls met groote behendigheid en voorzichtigheid, iets wat tot op
den laatsten tijd door de politieke en bloedige gebeurtenissen in dit
land bewezen is, daar de Poolsche vrouwen niet alleen ruimschoots voor
het vaderland offerden, maar ook aan den strijd voor het vaderland
deel namen en geen gevaar ontzagen. Algemeen bewonderd en om haar
droevig uiteinde betreurd, werd in lateren tijd eene dezer schoone en
edele kampvechtsters voor het vaderland, de heldhaftige Gravin Helena,
uit het vaderlandslievende geslacht der Graven Plater. Maar men zou
een boek kunnen vullen met de levensgeschiedenis van teedere Poolsche
vrouwen, die, even als de maagd van Orleans, hare borst ten dienste
van het vaderland gepantserd hebben en de uhlanen-lans tegen de Russen
en andere vijanden hanteerden. In onbaatzuchtigheid en opoffering
hebben deze Poolsche vrouwen meermalen de partij- en ijverzuchtige
mannen overtroffen, en een Fransch geschiedschrijver heeft daarom
niet geheel ten onrechte gezegd, de kreet: "_Finis Poloniae_" zou
nooit weerklonken hebben, als men de Poolsche vrouwen gevolgd was.

Dit "_Finis Poloniae_" is een treurkreet die dikwijls herhaald werd,
maar die alleen waarheid behelst en van gewicht is, met betrekking
tot het oude politieke staatsgebouw van Polen. Dit is inderdaad in
elkander gestort en dood, maar als volk zijn de Polen nog volstrekt
niet opgelost of gestorven. Hun ras is, als zoodanig, niets minder
dan wegkwijnend of ziekelijk. Veeleer worden bij hen overal, even als
vroeger, de krachtigste vrouwen en mannen geboren, en deze hebben ook
weder in den loop dezer eeuw, zoowel buiten hun vaderland, in Italië,
Spanje en andere landen, met hun ouden, hun eigenen moed gestreden,
als binnen de grenzen van het Weichselland wonderen van dapperheid
tegen de Russen en Kozakken verricht. Evenmin als met het oog op
hun bloed en hun ras, kunnen de Polen, wat hunne moreele toestanden
betreft--eenigzins zooals de bandelooze Romeinen tijdens de oplossing
van hun rijk--als geheel ontaard of vervallen worden beschouwd. De
godsdienst, het gewichtigst element van ieder "vaderland" is nog
altijd een heilig goed voor het volk. In vele oude vrome gebruiken
en gewoonten openbaart zich hun godsdienstzin. Onder het uiterlijke
van een vroolijken wereldzin, bemerkt men, zelfs bij hunne hoogere
standen, eene opvallende neiging tot dweepzucht en geestdrijverij. Men
ontwaart bij hen een jeugdig gevoel voor het verhevene, geheimzinnige,
wonderbaarlijke, waarin zij zich gaarne verdiepen. Zelfs de grijsaards
bij de Polen dweepen nog dikwijls als jongelingen, terwijl bij andere
volken, b.v. bij de Franschen, dikwijls jongelingen als grijsaards
keuvelen.

Het allerminst echter vindt men bewijzen van kwijning in de taal
en literatuur der Polen. Te midden van hunnen politieken winter is
veeleer voor hunne taal en literatuur eene nieuwe lente ontstaan. In
het laatst der vorige eeuw was in geheel Polen weinig verstandelijke
beweging. Ja! verscheidene gedeelten van Polen, b.v. Gallicië,
werden nog in het begin der tegenwoordige eeuw als een literarisch
China beschouwd. In geheel Polen verscheen nauwelijks eene courant,
nauwelijks een periodiek blad, om de wereld te bewijzen, dat daar
eens een Sigismundische tijd bestaan had.

Sedert de tijden van Napoleon, later sedert het jaar 1830 en nog
later sedert 1848, is dit echter aanzienlijk veranderd. Ofschoon ook
in deze jaren, bij vergeefsche pogingen, nieuwe politieke ongelukken
de Polen troffen, hebben zij toch op nieuw de lier gegrepen, en is
uit de oude, nog niet opgedroogde bron der poëzie een frissche stroom
ontsprongen. Hunne taal heeft zich aanhoudend verrijkt en veredeld. Wat
zij niet in Polen zelf, in deze hunne oorspronkelijke en van nature
krachtige taal, denken, schrijven en drukken durfden, dat hebben zij
in Parijs, Londen, Duitschland, Amerika en andere landen in het licht
gegeven. Er zijn weinige plaatsen, die door hunne drukkerijen bekend
zijn, in de wereld, waar ook geene Poolsche boeken gedrukt worden. En
zooveel beroemde dichters als de Polen nu hebben, hadden zij vroeger
bijna nooit. Al die dichters, wel verre van aan een voortbestaan
van hun volk te twijfelen, verkondigen veeleer op profetischen toon,
de heerlijkheid, de weder opstanding en den krachtigen roem van hun
ongelukkig vaderland. Ja! de eerste dichter der Polen, hun Byron
Mickiewitz, een echte zoon van het land, noemt zijn volk zelfs:
"het toekomstige middelpunt, het leven wekkende brandpunt van het
geheele Slawendom."

Dit alles zijn zeker geene kenteekenen van een inwendig verval van
den geest des volks, en eener oplossing van zijn bloed en ras. Veeleer
geeft dit alles ons het recht, trots het treurige "_Finis Poloniae_"
van Kosziusko, aan het populaire "_nog is Polen niet verloren_"
te gelooven, als wij ook al niet kunnen zeggen, hoe hetgeen men met
eenig recht meent te mogen voorzien, werkelijkheid zal worden.



DE RUSSEN.


In de uitgestrekte middelste streken van het tegenwoordige Rusland,
in de boschrijke bron-gebieden van Don, Wolga, Duna en Dniepr, in het
heuvelachtige en vruchtbare Moskovieten-land, hebben sinds onheugelijke
tijden de Slawische voorvaderen der tegenwoordige Russen den grond
bebouwd, en het land met hunne van hout vervaardigde huizen en dorpen
gevuld. Reeds de vader der geschiedenis wijst waarschijnlijk op hen,
wanneer hij spreekt over "de landbouwende of Koninklijke Skythen,"
en latere schrijvers der Byzantijnen spraken dikwijls over hen onder
den naam "Anten" (of Wanten?) wat wellicht niets anders is dan ons
"Wenden."

Hoe en wanneer zij in die streken kwamen, weten wij niet. Veel echter
(zelfs ook verscheidene der eerste, door de Grieken tot ons gebrachte,
namen der rivieren, die duidelijk van Slawischen oorsprong zijn),
spreekt er voor, dat hier hun oud Europeesch vaderland was. Hunne
stammen, die reeds door tijdgenooten van Constantijn den Groote,
zeer talrijk en volkrijk genoemd werden, vulden het binnenste der
"_immensa spatia_" van het breede oostelijk uiteinde van Europa.

Van de zeebekkens, die de wiegen der Europeesche beschaving geweest
zijn, waren zij door andere, hun voorgeschovene volken en landen
uitgesloten, in het zuiden van de Zwarte Zee door de groote steppen,
die altijd door herdersvolken bewoond waren, in het westen door de,
door Lithauers en Finnen bewoonde, moerassen van de Baltische Zee, en
in het noorden van de Witte- en Pool-Zee door onmetelijke wouden en
de daarin wonende Finsch-Uralische volken. In het oosten hadden zij
het groote Azië der Tartaren en Mongolen. Van het middel-Germaansche
Europa waren zij door andere Slawische volken gescheiden.

De tijd hunner, ons ten eenemale onbekende, kindsheid, zal wel
in ontelbare oorlogen en worstelingen met de hun naburige volken
vervlogen zijn, en naar het schijnt hebben de voorvaderen der Russen
daarbij meer eene lijdelijke dan eene overwinnende rol gespeeld. Als
hun voortijd bijzonder schitterend en roemrijk geweest was, dan zou
hij niet zoo duister zijn.

Reeds het vroegste schemerlicht der geschiedenis toont ons de Russische
Slawen, als zijnde in eene afwisselende afhankelijkheid, aan de _eene_
zijde van de _Germanen_, die van oudsher de Baltische zee beheerschten,
en aan de _andere_ zijde van de _Aziatische Nomaden_. Van beide zijden
werden zij herhaalde malen tot onderwerping en dienstbaarheid gebracht,
hetgeen op hun karakter en hunne wijze van zijn niet zonder invloed
bleef, en deze naar die der overheerschers wijzigde.

Reeds het eerste volk, dat al lang voor Christus geboorte, de oude
Hellenen als het ten Noorden van den Pontus gebiedende, noemden,
"de nomadiseerende Skijthen", bestond vermoedelijk uit dergelijke
Tataarsche herders-stammen, zooals die hier later ook nog dikwijls
verschenen. Hunne heerschappij omvatte een groot deel van het
tegenwoordige Rusland, en de Noord-Oostelijke Slawen zelfs, waren
onder den naam "Skijthen" even goed begrepen, als tegenwoordig
ontelbare volken onder den triomfeerenden naam "Russen" verdwijnen,
ofschoon zij van geheel ander bloed en stam zijn.

In de derde en de vierde eeuw na Christus, kwamen de Germaansche
Gothen over de Oost-zee, en marcheerden veroverend door de groote
landschappen heen tot aan den Pontus. De zich hier met der woon
gevestigd hebbende Slawen, werden nu onderdanen van den, in het
Oosten van Europa eene groote heerschappij hebbenden, Gothen-Koning
Hermarich. Na de overwinning op deze Gothen, ketende weder de Tataren-
of Hunnen-koning Attila de Slawische onderdanen der Gothen aan zijne
zegekar, en voerde hen als zijne rekruten of trawanten ter slachtbank,
op de door hem uitgekozene strijdplaatsen in westelijk Europa. Den
Hunnen volgden uit het Oosten hunne broeders, de Normandische Avaren
en Chazaren, die weder, ten tijde van Karel den Groote, dergelijke
uitgestrekte rijken stichtten ten koste der Russische Slawen, en den
geessel boven hunne hoofden zwaaiden.

Tegen de Chazaren riepen de geplaagde Slawen vervolgens--wederom--de
hulp in van hunne westelijke nationale-vijanden, de Skandinavische
Noormannen, en deze kwamen sedert het midden der 9de eeuw, andermaal
over de Oost-zee, langs denzelfden weg, waarvan in latere tijden de
Zweedsche Koning Karel XII gebruik maakte, Onder hunnen beroemden
aanvoerder Rurik (Roderik?) en zijne strijdgenooten, bevrijdden de
Zweedsche Wäringer of Waräger (d.i. de verbondenen) het Slawenland
van de Aziaten, maar maakten het aan zich zelven onderdanig.

Dezen Germaanschen strijders, die echter ook vele uitstekende
eigenschappen als staatsmannen en wetgevers moeten bezeten hebben,
gelukte het voor de _eerste maal_, de Slawische stammen tot een
duurzaam geheel, tot een staat aaneen te smeden, wat de Slawen, tot
dien tijd toe, uit eigene krachten niet hadden kunnen doen. Daar de
Ruriks en hunne opvolgers zich geheel van hun eigen vaderland los
maakten, eerst in Nowgorod en vervolgens in Kiew hunne residentie
opsloegen, en zich met de overwonnen vreemdelingen assimileerden
en aansloten, even als de Franken het in Gallië, de West-Gothen in
Spanje gedaan hadden, zoo ontstond vervolgens met hunne hulp een
nationaal, groot en machtig Rusland, een eenig Russisch volk, dat
dezen naam--(naar men zegt is die van Germaanschen oorsprong en werd
het eerst langs de kusten van Zweden aangetroffen)--even als zijne
eenheid, zijne vroegste wetten en zijne oudste Vorsten en adellijke
geslachten, van die Noordelijke Germanen kreeg.

Tot in de 11de eeuw kwamen nog dikwijls nieuwe Skandinavische
avonturiers of "Waräger", door de Russische Groot-Vorsten in het
land geroepen, naar Rusland over. Even als in Zweden, waren de
Skandinavische Vorsten ook in Rusland, door eene schaar raadgevende
wapenbroeders, de zoogenaamde "Druschina" omgeven; eveneens deelden
deze veroveraars ook in Rusland, naar een oud Germaansch gebruik,
het volk voor den krijgsdienst in afdeelingen van 10, 100 en 1000
koppen in, die door zoogenaamde "honderdmannen" en "duizendmannen"
gekommandeerd werden. In de Russische dorpen bestaat nog heden ten
dage deze uit Zweden afkomstige volksindeeling. Verscheidene Russische
historici zijn de meening toegedaan, dat ook oude Skandinavische sagen
naar Rusland overgeplant werden, en dat de oudste gedichten der Russen,
even als hunne wetten, uit Skandinavischen bodem opgroeiden. Dit,
b.v. zou ook het geval zijn, met het onlangs in Duitschland door
eene vertaling bekend geworden oudste heldendicht der Russen, het
zoogenaamde lied van den tocht van Igor tegen de Chazaren, een soort
van Russische Iliade. Het is vrij bekend, dat ook nog tegenwoordig
verscheidene der eerste Russische Magnaten-familiën, b.v. de beroemde
vorsten Dolgoruki (d.i. de langhanden) hunnen oorsprong bij Rurik en
zijne Zweden zoeken.

In deze periode der vroegste van de Skandinaviërs uitgaande schepping
van een vasten Russischen staat, valt ook de voor de ontwikkeling van
het volk en zijn karakter zoo gewichtige gebeurtenis, de invoering
van het Christendom, de grondvesting der Grieksche kerk onder de
Russen, voor. Wladimir I, uit het Skandinavische geslacht van Rurik,
wien het oude heidendom verdroot, liet omstreeks het jaar 1000,
Roomsch-Katholieke zoowel als Grieksch-Katholieke priesters voor
zich komen, die hem met de grondstellingen van hun geloof bekend
maakten. Ook de Joden en zelfs de Mohamedanen zou hij aanvankelijk
ten gehoore ontvangen hebben. Het best echter bevielen hem ten slotte
de praal en de ceremoniën der Grieksche kerk, die toen bij andere
verbroederde Slawenstammen, b.v. bij de Bulgaren, reeds ingevoerd was,
en Wladimir, die in zekeren zin als de Karel de Groote der Russen te
beschouwen is, verhief deze tot de nationale kerk der Russen.

De Russen, wier voornaamste landsrivieren naar den Pontus en de
Byzantijnsche provinciën stroomden, hadden reeds van den aanvang af
met Constantinopel, zoowel in oorlogzuchtige als in vredelievende
verbinding gestaan. Goederen, kooplieden, zendelingen, andere gasten,
ook Prinsessen van het Keizerlijke huis, waren hun reeds geruimen
tijd van daar toegezonden geworden. De eindelijke aanneming van den
Griekschen godsdienst, bracht hen nu in nog nauwere betrekking tot
het Grieksche rijk.

De Russen plaatsten zich daardoor dikwijls buiten den kring
der beschaving van westelijk Europa. Zij namen geen deel aan de
enthusiastische pogingen der Roomsch-Katholieke volken ter bevrijding
van het heilige graf, aan de kruistochten, en ook niet aan de andere
veel leven en opwekking verspreidende impulsiën, van de Kerk van Rome
uitgaande, die het geheele Westersche volken-systeem, onder anderen
ook de Polen, de Tschechen en andere West-Slawen doorgedrongen zijn,
en deze in beweging gebracht hebben. Niets heeft nadeeliger op den
nationalen geest der Russen gewerkt, dan de inmenging der Byzantijnsche
beschaving en van het stijve Grieksche dogma. Zij hebben zich daarmede
zoo nauw verbonden en verbroederd, dat men hun even gemakkelijk hunne
nationaliteit, als hunnen Griekschen godsdienst zou kunnen ontnemen. De
eerste bisschoppen der Russen waren geboren Grieken, en Rusland werd
eene kerkelijke provincie van het patriarchaat te Constantinopel. En
zoo ook al niet meer dat patriarchaat, zoo is toch de inrichting der
Grieksche hiërarchie en het Grieksche kerkelijke, recht, tot heden bij
de Russen van kracht. Ook werden de Russische kloosters natuurlijk naar
het model der Grieksche ingericht, en verscheidene der godsdienstige
sekten, die voorheen de Oostersche kerk in Griekenland verdeelden,
ook naar Rusland overgebracht. Het bouwen van kerken en kloosters,
had de invoering van den Byzantijnschen bouwstijl en verscheidene
der daarmede samenhangende kunsten, der Grieksche schilderkunst
en der kerk-muziek ten gevolge. De kerken werden in Rusland, naar
het model van den beroemden Sophia-tempel van Keizer Justinianus in
Constantinopel, versierd. Ook bouwden de Russische Graven in hunne
residentie Kiew, paleizen en "gouden poorten," in den stijl van
de gebouwen der Byzantynsche Keizers. En daar de overige Russische
steden hun heilig Kiew eveneens tot model namen, als deze de Grieksche
hoofdstad, zoo verbreidde zich dit alles over geheel Europa.

Ook veel later nog, na de verovering van Constantinopel door de
Turken, is den Russen weder veel Byzantijnsch toegestroomd. Toen
namen de Russische Groot-Vorsten den titel Czaren (_Caesaren_) aan,
welke de Byzantijnsche Keizers reeds lang gevoerd hadden, en nu werd
ook de adelaar met dubbelen kop van het Grieksche Keizerrijk, het
wapen der Russische heerschers, even als vele Byzantijnsche gebruiken
bij het Moskovische hof werden aangenomen. Byzantijnsche pronkzucht,
hof-etikette en hof-waardigheden, bloeiden, onder den Russischen Czar
Johan III, die zich ook met eene Grieksche Koningsdochter in den
echt begaf, in Moskou weder op, nadat zij in Constantinopel zelve,
onder de Turken, reeds lang verloren gegaan waren. De ceremoniën
bij de krooning der Czaren waren navolgsels van het Byzantijnsche
ceremonieel. Ook de vroegste beginselen der Russische literatuur en
geleerdheid zijn spruiten uit Grieksche wortelen. In de Russische
kloosters werden het eerste de Grieksche annalisten en kerkvaders
vertaald, en de beroemde oude Russische kroniekschrijver Nestor, is
uit deze Grieksch-Russische school voortgesproten. Daar op deze wijze
ook wereldsche kundigheden den Russen genaakten, b.v. vertalingen der
geschiedenissen of sagen van Alexander den Groote, zoo zijn daardoor
bij de Russen, ook eigenaardige Russische variatiën op deze en andere
traditiën en sagen ontstaan.

Daar in het Ruriksche Vorstenhuis de grondstelling van de
ondeelbaarheid des rijks niet aangenomen werd, zoo verviel met behulp
der oude, ingewortelde eigenaardigheden der verschillende stammen,
het geheel door Rurik en Wladimir gestichte en vereenigde rijk, zeer
spoedig weder in eene menigte kleine Vorstendommen, en deze moesten
later in de 13de en 14de eeuw, nog eens het onderspit delven, zooals
het dezen Oostelijken Slawen in vroegere tijden reeds herhaaldelijk
gebeurd was, voor een inval der Nomaden uit Azië.

De Mongolen verspreidden zich, even als hunne voorgangers de Skythen,
de Hunnen, de Avaren, de Chazaren zulks vroeger ook deden, over het
geheele Oosten van Europa. Zij kwamen niet zooals de Skandinavische
Waräger, alleen als hulpvolken, volksleiders en veldheeren. Zij
rukten met den geheelen tros hunner karavanen en herdersstammen
Rusland binnen. Zij vormden zich daar een vaderland, waarin zij de
eenige meesters bleven. Daardoor is ook, behalve de aanneming van het
Oostersche of Grieksche Christendom, geene gebeurtenis, met betrekking
tot de ontwikkeling van den Russischen nationalen geest, van meer
belang geweest, dan deze laatste, van langen duur zijnde en diep in
het volksleven ingrijpende, heerschappij der Tataren of Mongolen.

Zij deden het land hier en daar in eene woestenij verkeeren, om
weiden voor hunne kudden te verkrijgen. Zij zonden hunne beambten
en inners der belastingen naar alle buurtschappen en hutten. Zij
dwongen de Russische Vorsten en grooten, in de legerplaats hunner
"gouden horde" aan de monding der Wolga te komen, daar te leven, daar
hunne vrouwen te nemen en zich daar in onderdanigheid en Aziatische
heeren-diensten te oefenen. Daardoor komt het, dat de Russen zoo
dikwijls verschijnen als kweekelingen der Mongolen, wier opvolgers
in het in bezit nemen van het Oosten zij slechts worden konden,
door zich zelven de, sedert het begin der wereld daar toegepaste en
in gebruik gebrachte ruwe regeeringskunsten, het Oostersch bestuur
en eene Tataarsche discipline eigen te maken.

De Groot-Vorsten van Moskou zamelden de schatting eerst in, in naam
van hunne overheden de Tataarsche Chans. Zoo lang zij zich nog zwak
gevoelden, stonden zij de schatting ook aan de Tataren af, maar
toen zij sterker werden, behielden zij ze voor zich. De Tataarsche
manier van schatting-innen en het eischen van gehoorzaamheid bleef
bij hen in zwang. Het oude, door Germanen bestuurde Rusland van de
kinderen Ruriks, had Vorsten gehad, die bijgestaan werden door eene
"Duma" (raad der Grooten), overigens een zelfstandig bestuur en eene
persoonlijk vrije grondbevolking. Zelfs machtige republieken, zooals
Nowgorod en Pleskow hadden zich uit zijn schoot ontwikkeld. Het nieuwe,
door de Mongolen veranderde Rusland, schafte bij de pogingen die
het in het werk stelde, om eene wedergeboorte tot stand te brengen,
dit alles af. Om kracht en eenheid te herstellen, kweekte het
onbeperkte autokraten, die een einde maakten aan die republieken,
en de vrijheden der gemeenten onderdrukten. En, toen de pogingen
naar eene wedergeboorte weldra in ver uitgestrekte veroveringen
ontaardden, toen verviel langzamerhand het geheele volk in eene
strenge afhankelijkheid en lijfeigenschap.

Zelfs in hunne kerkelijke gewoonten, en in de manier en de wijze
hunner godsdienstige gebruiken, schijnen de Russen veel, ofschoon in
Christelijken vorm, van de Oosterlingen overgenomen te hebben. Hun
geheele wezen schijnt, evenals dat der Oosterlingen, van godsdienstigen
ernst doordrongen te zijn. Zij nemen hunne vasten, kruisslagen en
kniebuigingen even nauwlettend in acht, als de muzelmannen hunne
afwasschingen en gebeden. Het "_Slawa Bogu_" (roem bij God), dat den
Rus dagelijks honderd maal bij vele gelegenheden over de lippen komt,
klinkt in hunnen mond dikwijls niet anders, dan als eene vertaling
van het Turksche "Allah is groot." En de Rus toont eene nauwelijks
mindere mate van (dikwijls zeer prijzenswaardige) berusting in den
wil van God en het noodlot, dan de Mohamedaansche fatalist.

Evenals in hunne godsdienstige en staatkundige zeden, hebben de Russen
ook in hunne taal veel van de Nomaden en Aziaten behouden. Menige
tak van den boom der Russische taal, is, om zoo te zeggen, geheel
met Mongoolsche woorden behangen, zoo b.v. is dit het geval met
uitdrukkingen voor zaken en kunsten, die den Nomaden eigen waren,
b.v. met veel, wat op de veeteelt en met bijna alles, wat op
locomotie, reizen, rijden, vervoer, rijtuigen, paarden, paardentuig
enz. betrekking heeft. Ook het eigenaardige Russische post- en
koerierwezen is afkomstig van de heerschappij der Mongolen.--Met de
Mongolen kwamen ook Turksche en andere Aziatische volken onder de
Russen, en over het geheel werd door hen het gansche Slawische rijk,
om zoo te zeggen, ten vollen in de Aziatische wijze van verkeer en
leven, ingesponnen. Het is derhalve niet te verwonderen, dat ook
vele Turksche, Perzische en andere Aziatische taal-elementen, zeden,
kunsten en takken van industrie, onder de Russen achtergebleven en
nog ten huidigen dage over geheel Rusland verspreid zijn.

Alle bij de Russen gebruikelijke namen der edelgesteenten zijn
van Oosterschen oorsprong, wat bij ons slechts ten deele het geval
is. Verscheidene tuinplanten, b.v. de nu zelfs in de Oostzee-provinciën
groeiende water-meloenen, hebben zich met de Aziaten over geheel
Rusland verspreid, en eveneens de Aziatische naam er van, "_Arbusi_";
zoo ook de Aziatische namen van verscheidene Oostersche dieren,
b.v. van den kameel (_Werblud_). Daarentegen zijn omgekeerd eenige
Slawische namen voor Noordsche dieren, b.v. voor den bever, het
sabeldier enz., tot naar Arabië en Perzië doorgedrongen.

In den handel, de handwerken en bij de Russische industrie, zijn
verscheidene zaken en uitdrukkingen van Aziatischen oorsprong. Zoo
b.v. de naam en de inrichting der Russische bazars. Niet alleen
de kaftan van den Russischen koopman, ook zijn lichte pels
(_Tulup_), zijn gordel (_Kuschak_), zijn geldbuidel (_Kése_), zijn
reiskoffer (_Sundúk_), zijn magazijn (_Anbár_), hebben Persischen
of Turkschen vorm en naam. Evenzoo ook het potlood (_Karandasch_),
het lak (_Surgutsch_). Zelfs de algemeene Russische benaming voor
"handelswaren" (_Tawar_) is Mongoolsch. Ook het beroemde rekenbord,
zonder't welk geen Russisch koopman zaken doet, en dat men zoo
gemakkelijk vond om het rekenen te onderwijzen, dat men ook getracht
heeft het in eenige onzer scholen in te voeren, is van Mongoolschen
oorsprong. In denzelfden vorm als men het bij de Russen aantreft,
is het zelfs bij de Chineezen algemeen in zwang.

Vele in Rusland bloeiende en daar algemeen verspreide takken
van industrie, zijn van dien zelfden (Mongoolschen, Turkschen,
Buchaarschen of Perzischen) oorsprong. Zoo b.v. de beroemde fabrieken
der met goud geborduurde marokijn-pantoffels en laarzen van Torjok,
en de vervaardiging van het gedamasceerde staal van Slatouft. De
tuin- en wijnbouw in Zuid-Rusland, zijn daar waarschijnlijk door de
Oosterlingen het eerst ingevoerd geworden. Door hunne, in vroegere
tijden daar aangebrachte, kunstmatige bevochtiging, maakten zij daar
menige landstreek vruchtbaar, die het nu niet meer is. Men noemt ook
de fabrikatie van zeep en lak als een tak van industrie, die door
de Aziaten naar Rusland overgebracht is. Men kan het aanbrengen van
zulke erfstukken uit het Oosten, aan de eene zijde over Afrika naar
Andalusië, aan de andere zijde over den Kaukasus tot in de streken
van Moskou en verder Europa in, volgen.

Ook onze West-Europeesche legerinrichtingen wijzen dergelijke
erfstukken uit Tataarschen tijd aan. Wij hebben b.v. de huzaren van
de Hongaren, de Uhlanen van de Tataren gekregen. "_Ulan_" (Turksch:
"_Oglan_" d.i. knapen, jongelingen) heetten bij de Tataren bij
voorkeur de jonge ridders der horde, welke de garde van den Chan
vormden en leengoederen en ambten van hem kregen. Hun naam en hunne
lichte bewapening gingen van de Tataren op de Russen en Polen over,
en kwamen van de Polen naar de andere volken van Europa.

Eindelijk herinnert ook de tegenwoordige nationaal-physionomie der
Russen, levendig aan het Tataarsche of Mongoolsche type; hun laag
voorhoofd, hunne sterk uitstekende wangbeenderen, hunne kleine oogen,
hun ingedrukte en eenigszins opgewipte neus, die minder overeenkomst
heeft met den arendsneus der Romeinen of met den rechten neus der
Grieken, dan die van eenig ander volk. Wanneer ook bij de Slawen
van nature iets oorspronkelijks ten grondslag ligt, wat wij het
Aziatische type en karakter noemen, dan heeft zulks bij de Russen,
ten gevolge van de heerschappij der Mongolen, zich meer bevestigd.

Nagenoeg 200 jaren had Rusland onder het Tataarsche juk gezucht,
en wat de Mongolen niet weggenomen hadden, dat hadden in dezen tijd
in het Westen de Lithauers en Polen veroverd, en met hun rijk, dat
destijds van de hulpeloosheid van hunnen Russischen nabuur partij
trok, verbonden. Alleen in het Noorden, aan het Ilmen-meer, was een
zelfstandige Russische staat, de in de 14de en 15de eeuw bloeiende
republiek Nowgorod, blijven bestaan.

Toen zij het diepst gezonken waren en de nakomelingen van Tamerlan
onderling in oneenigheid geraakten, vermanden de Russen zich eindelijk,
en nu voor den eersten keer uit eigene nationale kracht, zonder hulp
der Germanen of van andere vreemden. Sedert zijn eersten triumf op
de Tataren, op het beroemde Kulikow'sche veld aan den Don, in het
jaar 1380, begon Rusland van uit zijn hart (Moskou) langzamerhand
alle landen, die vroeger tot het rijk behoorden, weder aan zich
te trekken. Het meest droeg daar toe bij, dat in dit Moskou, van
den beginne af, de grondstelling der ondeelbaarheid van het rijk en
der eenheid van het volk, vastgehouden was. In eene reeks gelukkige
overwinningen en veroveringen, onder zijne energieke Czaren Iwan den
Groote en Iwan den Verschrikkelijke, dreef het de Aziaten over den
Don en de Wolga terug, vereenigde het oude, lang afgescheiden geweest
zijnde Nowgorod weder met zich, nam onder aanvoering zijner gelukkige
Czaren uit het Romanow'sche huis, ook in het westen den Lithauers
en Polen hunnen buit stuksgewijze af, en onder zijn grooten Peter
den Eerste, den voltooier der Russische nationale macht, sloeg het
ook den laatsten inval der Skandinaviërs onder Karel XII, die als de
Waräger Rurik over de Oostzee gekomen was, af.

En sedert dien tijd is de politieke macht van het Russische volk, tot
op den nieuwsten tijd voortdurend vooruitgegaan en ontwikkeld. Sedert
dien tijd is het uit zijne wouden als een reus te voorschijn getreden,
en heeft zijn weg genomen naar al de zeeën, die als vensters of
poorten in het lichaam van den staat geplaatst zijn, in het Noorden
naar de Witte- en Baltische Zee, in het Zuiden naar de Zwarte- en
de Kaspische Zee. Ja! terwijl het zijne oude plagers in het Oosten
geheel terneder wierp, en de bronnen der Nomadische volksverhuizingen
voor eeuwig verstopte, heeft het zich daar zelfs door Siberië heen,
den weg naar de kusten van den grooten Oceaan gebaand. In het Westen
heeft het zich zijne broeder-stammen de Lithauers en Polen, die
vroeger hem zelven de wet hadden voorgeschreven, ten slotte geheel
onderworpen, en is het op deze wijze ook midden in het centrum van
Europa binnengerukt. Toen (voor 400 jaren) de Czar Johan III aan
de regeering kwam, heerschte hij over een gebied, dat niet veel
grooter was, dan het tegenwoordige Pruissen. Maar Peter de Groote
reeds heerschte over een rijk, dat meer dan zes maal zoo groot was
als Duitschland, en het rijk van de Keizers Nikolaas en Alexander is,
zooals Alexander von Humboldt berekend heeft, in vlakte-inhoud gelijk
aan het gedeelte der Maan, dat naar ons toegekeerd is.

Even als de Russen, gedurende den langen duur hunner ondergeschiktheid
aan de over hen heerschende volken, veel vreemds ontvingen, zoo hebben
zij ook later weder op de baan hunner overwinningen verscheidene
vreemde volken gevonden, die zij wel ten deele assimileerden, die
zij om zoo te zeggen in hunne eigene massa opnamen maar van wie zij
ook gedurende dat proces weder zelve inwerkingen ondervonden.

Bijna alle eens onafhankelijke Finsch-Uralische volken zijn in het
Russische nationale-lichaam opgegaan. Kalmuksche, Baschkirische,
Samojeedsche stammen zijn hun toegevoegd of aan hen onderworpen
geworden, eveneens talrijke volken van den Kaukasus, Grusiërs,
Tscherkessen en Armeniërs. Verder hebben zij de landen der Lithauers,
Polen en Walachyers en ook menige Duitsche provincie geannexeerd. En
al deze vermengingen en annexaties zijn niet zonder terugwerking op de
Russen gebleven. De belangrijkste en merkwaardigste aanrakingen hebben
echter met de Duitschers plaats gegrepen. Want _na_ de Grieken en na de
Tataren heeft geen volk meer invloed op de Russen uitgeoefend, dan de
Duitschers; wel is waar had die invloed minder betrekking op het ras,
bloed, temperament en hunnen natuurlijken aanleg, maar des te meer op
hunne beschaving en verstandelijke ontwikkeling, even als op staatkunde
en wetenschap. Vele Duitsche kunstenaars en handwerkslieden trokken,
met de Hanzeatische kooplieden in de 13de eeuw, de Westelijke gedeelten
van Rusland binnen. In het groote Nowgorod schijnen zij langen tijd de
voornaamste kunstenaars geweest te zijn. Zelfs de beroemde, kunstvol
bewerkte deuren der kathedraal van Nowgorod, die men tegenwoordig
bewondert en die men de "Cherson'sche deuren" placht te noemen,
omdat men ze langen tijd voor een Grieksch kunstprodukt uit Cherson
hield, stammen, zooals men later ontdekt heeft, uit Duitschland af,
en toonen ons onder anderen het portret van een Duitschen werkmeester,
Wikmann uit Maagdenburg. Een Russisch kroniekschrijver uit dien tijd,
noemt het, bij gelegenheid dat er in Rusland eene groote kerk gebouwd
werd, iets bijzonders, dat zij alleen door Russen "zonder de hulp
van Duitsche bouwmeesters" tot stand gebracht is. De nadruk, waarmede
hij deze omstandigheid vermeldt, bewijst, hoe gewoon men in die dagen
aan de hulp van Duitsche bouwkundigen moet geweest zijn.

Toen de Groot-Vorsten van Moskou opkwamen, zochten zij ook weder
door Duitsche hulp hun volk te ontwikkelen. De meeste gezantschappen
der eerste Moskovische Groot-Vorsten aan Duitsche Vorsten-hoven,
hadden nevens hun politiek doel, vooral ook tot taak, door fraaie
beloften Duitsche handwerkslieden, kunstenaars en geleerden over te
halen naar hun land te gaan. Reeds in de 15de eeuw was in Moskou
eene afzonderlijke wijk, waar deze in het land geroepene Duitsche
kolonisten bij elkander woonden.

Sedert den tijd van Peter den Groote en Katharina II, stroomden
Duitsche bevolking en Duitsche gewoonten nog in veel grootere mate het
land toe. Geheele Duitsche provinciën, Koerland, Lijfland, Esthland,
werden met het rijk vereenigd, wier Duitsche adel sedert, Rusland van
veldheeren en diplomaten voorzien heeft. De midden in deze Baltische
provinciën opkomende nieuwe Keizerlijke residentie, Petersburg, werd
half en half eene Duitsche stad. Ook aan het hof werd sedert dien
tijd eene Duitsche partij steeds machtiger. Menige landstreek in het
binnenste van het rijk werd door Duitsche kolonisten bezet, die den
Russen als model en prikkel dienden, en nagenoeg alle Russische steden,
tot aan Irkutzk in Siberië toe, hebben van lieverlede iets Duitsch, het
uiterlijk eener meer of minder aanzienlijke Duitsche kolonie gekregen.

Het innerlijk bestuur dezer Russische steden, hunne gilden-besturen,
hunne magistratuur, als mede de stadsverordeningen, door Peter den
Groote en Katharina II ingevoerd, waren naar het Duitsche model
genomen. Van 179 tijdschriften en couranten, die in het jaar 1858 in
Rusland uitkwamen, waren niet minder dan 30, dus het 1/6 gedeelte,
in het Duitsch geschreven. Ook in de inrichting van het leger, in
alle militaire instellingen heeft Rusland steeds van Duitschland
geleerd. Zelfs het heerschende Vorsten-huis is oorspronkelijk van
Duitsche afkomst, en heeft door gestadige aanhuwelijking met Duitsche
Vorsten-huizen, steeds het Duitsche bloed behouden. [3]

Men moet hierbij echter opmerken, dat Rusland bijna alles wat het van
Duitschland overnam, naar zijne gebruiken en naar zijne behoeften
wijzigde. En ook de Duitsche individuen, die Rusland toegevallen
zijn, te beginnen met het souvereine Vorsten-huis, hebben zich maar
al te gemakkelijk en spoedig Russen laten worden. "De energie en de
assimilatie-kracht van dezen verwonderlijken tak van den Slawischen
menschenstam"--zegt een Russisch schrijver--"zijn zoo sterk, dat
het in zijne aanraking met de, het meer of minder verwante volken,
dezen steeds _zijn_ tongval, _zijn_ geest en _zijne_ gebruiken
mededeelt". Als de Russen dus ook, zoo als boven gezegd is, veel van
anderen hebben overgenomen, zoo hebben zij toch in hoofdzaak hun oud
Slawisch nationaal-karakter bewaard, en is dit altijd, te midden van al
het aangenomene, boven blijven drijven.--Ja! de grootte van het land,
de roem en ten slotte het geluk van het volk, nu de eenige Slawenstam,
die zelfstandig en den toon aangevend in een groot rijk bestaat,
hebben uitgewerkt dat bij hen, aan menige Slawische nationale- en
stam-eigenaardigheid en oorspronkelijken aanleg, bij hunne minder
begunstigde en nu nog niet zelfstandige broeders moesten sluimeren,
een ruimer veld tot ontwikkeling en eene grootere energie gegeven werd.

Ook door hunne taal plaatsen zij zich aan de spits der Slawen. De
Russische taal is onder de Slawische talen de fraaiste, de meest
ontwikkelde en de krachtigste. Zij is eene der merkwaardigste en
rijkste talen van Europa. Zij heeft meer klinkers, een grooter
alphabet dan de andere talen van ons werelddeel. Men heeft daarom
ook gezegd, dat met geen ander alphabet, zich de vele toonen
en toon-samenstellingen van andere talen zoo gemakkelijk laten
uitdrukken en nederschrijven dan met het, in aantal en bepaaldheid
der karakters, zoo rijke alphabet der Russen. En de, in de juiste
behandeling dezer lange toon-ladder geoefende Russische tong,
is derhalve tegelijkertijd even goed voorbereid als geschikt, de
geluiden van iederen tongval na te bootsen, waarin de Rus niet spoedig
het eene of andere tong-kunststuk zal vinden, dat zijne moedertaal
hem niet alreeds geleerd heeft. Hunne spraakkunst is zeer rijk aan
vormen, hun woordenboek in het bijzonder vol stof tot onomatopoeische
natuurschildering. De fijnste nuancen in het rijk der kleuren en der
klanken, heeft de Rus met uiterst scherpen blik waargenomen. Even zoo
heeft hij eene menigte uitdrukkingen, om de aandoeningen der ziel en
de indrukken van het menschelijk hart en gemoed zuiver uit te drukken.

De overwinningen der natie, hare grootheid en veroveringen, hebben
meermalen eene gelukkige inwerking op hunne taal gehad. In den loop
hunner politieke loopbaan door zulke ver afgelegene landen, werden den
Russen verscheidene zaken ter bespreking voorgelegd, en hunne taal werd
daardoor in staat gebracht, zeer verschillende en menigvuldige zaken te
behandelen. Even als de Russen zelven, zoo heeft dien ten gevolge ook
hunne taal eene groote gemakkelijkheid verkregen om zich het vreemde
eigen te maken en dit te verwerken. Hunne groote buigzaamheid stelt hen
in staat, de vreemde woorden geheel als hunne eigene te behandelen,
ze te behouden en op eigenaardig Russische wijze zoo te veranderen,
dat uit de aangenomene schatten, even als de eigene oorspronkelijke
bron, weder nieuwe takken en woorden ontstaan.

Tot op Peter den Groote, bestonden in Rusland verschillende tongvallen
nevens elkander, en heerschte als schrijftaal, in de literatuur,
de oud-Slawische kerktaal. Hij eerst gaf aan het Groot-Russische
dialekt een bepaald overwicht, verhief het tot landtaal, regelde
eigenhandig zijn alphabet en liet de eerste boeken in dit dialekt
drukken. Sedert heeft Rusland, met uitzondering _der_ theologie
en philosophie, bijna in alle takken der literatuur, niet weinig
uitstekende, talentvolle schrijvers in proza en poëzie, historici,
lyrische-, dramatische- en epische-dichters voortgebracht, meer dan
in nieuweren tijd alle andere Slawen te zamen. En deze hebben de
oorspronkelijk zoo vormbare taalstof, in alle richtingen nog verder
ontwikkeld. De Russische taal is dien ten gevolge even geëigend voor
het triviale, als voor het verhevene, voor het luimige en komische,
als voor het ernstige en tragische genre. Zij bezit nu even veel kracht
en ernstigen nadruk voor de behandeling der geschiedenis, als fijne
gratie en snijdende scherpte voor fabelen en epigrammen; zij munt,
naar het oordeel der kenners, vooral uit door hare natuurlijkheid. Aan
rijkdom en buigzaamheid komt zij het Grieksch zeer na. Homerische
composita, als b.v. "de wereld-omspoelende zee", "schoongelokte" of
"rozenvingerige Godinnen", heeft men even gemakkelijk in het Russisch
als in het Duitsch of Nederlandsch kunnen overzetten.

Verscheidene der in nieuweren tijd in Rusland opgetredene dichters
zijn echt nationaal, zoo geheel uit de psyche der natie geboren. De
geniale en oorspronkelijke Dershawin, de Schiller der Russen, die de
beroemde Ode aan God dichtte, is een echt Russisch dichter. Krylow,
de Russische Boileau, heeft zijnen landgenooten op zoo klassieke
wijze fabelen en verhalen verteld, dat zij bij hen algemeen populair
geworden zijn. Puschkin, de Russische Byron, wiens gedichten de
vreugde, de smart, de roem der natie met warmte behandelen en levendig
afspiegelen, heeft zich onder het volk grooten invloed verschaft. De
Klein-Rus Gogel, een tweede Goldoni, heeft het Russische leven met
veel luimigheid ten tooneele gevoerd. En vele andere, uit wier werken
de volksgeest tot ons spreekt, zouden hier nog bij genoemd kunnen
worden. Over het geheel moet men echter zeggen, dat de kunst-poëzie der
Russen, hunne hoogere literatuur, niet of toch nog niet zoo nationaal
is, als b.v. die der Spanjaarden of Franschen. Zij is in het meerendeel
harer voortbrengselen slechts iets dat tot haar overgebracht, van
buiten overgeplant is. Zij leeft gedeeltelijk als eene kasplant,
een van de massa der natie afgezonderd leven. Zij ontvangt van deze
niet zooveel, en werkt ook niet door zoovele kanalen op haar terug,
als de literatuur in andere langer ontwikkelde landen van het Westen.

Veel karakteristieker en van veel meer gewicht voor onze
ethnographische schildering, is daarentegen de Russische _volks
poëzie_, wier talrijke, levendige geestesbloemen, de eigenlijke
openbaring van het nationaal-karakter bevatten. Sedert onheugelijke
tijden zijn de Russen, als alle Slawen, groote liefhebbers van muziek
en zang geweest, waarvoor hunne welluidende taal in zoo hooge mate
geëigend is. Reeds in de 6de eeuw na Christus verhaalden, volgens
de getuigenis der Byzantijnsche kroniekschrijvers, eenige afgezanten
der Noordelijke Slawen aan een Keizer van Constantinopel, dat rijm,
vers en zang de liefste opvroolijkingen voor hun volle waren, en dat
zij overal hunne met snaren bespannen citers met zich medevoerden,
waarmede zij hunne in koor gezongene liederen begeleidden.--Deze oude
citers door hen "Gusli" of ook wel "Balaleiken" genoemd, bezitten de
Russen nog heden ten dage, alsmede nog menig ander, zeer eigenaardig
muziek-instrument.

Over het geheel echter zijn zij minder instrumentalisten dan
vocalisten, en daarbij is hun het zingen even gewoon, even natuurlijk
als den vogelen. Met gezang begeleiden zij, om zoo te zeggen, alle
verrichtingen van het leven, niet alleen hunne dansen, feesten
en gezellige bijeenkomsten, maar ook zelfs hunne vermoeiendste
werkzaamheden. De Russische voerman zingt, terwijl hij met zijn
driespan geheel alleen door de steppe jaagt, al maar door, ook
wanneer een koude nachtwind hem langs den mond strijkt; de Russische
houthakker, wanneer hij geheel alleen midden in het woud bezig is
boomen te vellen en tot balken te verwerken--neuriet of prevelt
daarbij een eindeloos lied. Het is als ware dit gezang het in zich
zelf spreken dezer menschen.

In het zingen in koren zijn de Russen nagenoeg allen geoefend; niet
alleen de poëtische herders, boeren en boschbewoners, maar ook de
kramers en handelaars in de steden. De jonge kooplieden, zelfs op de
kleine, in het binnenland gelegene marktplaatsen, hebben onder elkander
zangvereenigingen, waar zij hunne talenten oefenen en aan hunnen lust
tot muziek voldoen. De troepen landlieden trekken met koorgezang
naar het veld en met koorgezang keeren zij weer huiswaarts. Ja
zelfs de maaiers hoort men, wanneer zij al maaiende zich in lange
reien door de afgemaaide aren bewegen, in weerwil van den invloed der
Zuid-Russische verzengende middaghitte, met stof, zonnegloed en zweet
bedekt,--toch, zeg ik, hoort men hen de zwoele lucht met liefelijke
koorgezangen vervullen. Datzelfde doen met lust de arme, geplaagde
soldaten gedurende hunne lange marschen. Datzelfde de timmerlieden,
die een huis bouwen en zoo ook de in Rusland om hunne grofheid, in
zoo'n slechten naam staande zoogenaamde "Burlaken", d.i. de schippers
en schuitentrekkers, die bij duizenden langs de stroomen van het rijk
verdeeld zijn, en als galeislaven een vermoeiend werk doen, daar zij
de zware rivierschepen op- en afwaarts moeten sleepen. In troepen
van 50 en 100 man aan een touw gespannen, gaan deze sterke menschen,
stap voor stap, dag aan dag, de zware Wolga-schepen trekkende, langs
de groote rivieren. Bijna onophoudelijk klinken bij dit eentoonig
en moeielijk werk hunne liederen, die bijna even langdradig zijn
als de rivieren zelve, en waardoor zij elkander opvroolijken. Soms,
bij bijzonder slecht weer, of wanneer het schip bijna niet tegen den
stroom op kan, worden de arme "Burlaken" zoo vermoeid, dat zij geen
pas meer voorwaarts kunnen doen. Hun schip begint terug te drijven
en de sterk aangespannen lijn, trekt de sterke mannen mede. Deze
laten zich echter niet overweldigen en wijken niet. Spoedig leggen
zij hunne gordels van hunne borst over den rug, draaien zich om,
zetten of leggen zich tegen den zandigen oever vast, en trachten zoo
met geweld het verder afdrijven van het schip tegen te gaan. Op deze
wijze rusten zij een weinig uit, en tot zijne verwondering hoort de
reiziger zelfs dan nog, die onvermoeide zangers een gezang--nu wel
een droefgeestig--neuriën, dat echter weldra, als het weder op nieuw
voorwaarts gaat, in eene vroolijke melodie overgaat.

Gaat gij eene Russische kloosterkerk binnen, waar men bezig is eenige
reparatiën te doen, dan ziet gij op hooge stellages eenige schilders
zitten, die den koepel der kerk met kleuren en vergulde beelden
versieren. Hun vlijtig penseel gunt zich den geheelen dag geen rust en
evenmin hunne onvermoeide lippen, waarover de fraaiste koraalgezangen,
als engelenstemmen uit den koepel der kerk nederdalen. Als men iets
dergelijks gehoord heeft, dan begrijpt men de Grieksche mythe, die
vertelt, dat de steenen der stadsmuren van Sardes op de maat der
muziek en bij fluitspel opgebouwd werden. Alle Russische kerken en
kloosters stellen prijs op een uitstekend koorpersoneel, en dat der
Keizerlijke kapel in St. Petersburg is het fraaiste en beste van dat
soort, dat in de geheele wereld gevonden wordt.

Zelfs de arme, oude, witgebaarde bedelaars, die voor de Russische
kerken zitten, smeeken niet met prozaïsche woorden om eene
gift. Zingend zitten zij ter neder, en trekken de opmerkzaamheid
der voorbijgangers tot zich, door de voordracht van een vroom oud
kerk-koraal.

Onder de Russen zelven echter, is geen stam zanglustiger en rijker aan
liederen dan de stam der Zuidelijke Malorossianen of Klein-Russen. Vele
Klein-Russische gezangen zijn in hunne diep melancholische melodiën
van eene verrassende schoonheid en oorspronkelijkheid. De inhoud
van sommige dezer gezangen is, naar men zegt, van hoogen ouderdom
en heeft eene historische beteekenis. Er worden er onder gevonden,
waarin heldendaden bezongen worden, die door de oude kroniekschrijvers
zelfs niet opgeteekend zijn, en andere, waarin zelfs nog heidensche
godheden figureeren of die ten minste van een overoud bijgeloof de
onmiskenbare sporen dragen. Verreweg de meesten zijn echter, zoowel
bij de Klein-Russen en Kozakken als bij de Russen over het geheel
niet van historischen of epischen maar van lyrischen inhoud. Het Epos
heeft onder de Slawen alleen bij de oorlogszuchtige Serviërs eenig
geluk had. Bij de Russen had de poëzie van het gevoel veel meer den
boventoon. Zij schijnen in hunne volks-poëzie als van eene uiterst
vreedzame, stille, men zou haast zeggen, zachte en sentimenteele
natuur. En dit is zelfs bij de Russische Kozakken, een volk, dat toch
uit den oorlog ontstond en geheel en al voor den oorlog georganiseerd
werd, het geval.

Zij toonen zich in hunne liederen altijd vol gevoel voor de hen
omringende natuur, en zij ontleenen meermalen hunne verzen aan
hetgeen bosch en veld hun toonen. De lindeboom, de vlier, de ahorn,
de jeneverboom, de salie, de wijnruit en andere planten spelen daarin
eene groote rol. Zelfs ons kleine, "vergeet-mij-niet" wordt door deze
Kozakken niet over het hoofd gezien.


    Toen ik treurig, weemoedig, gedrukt,
    Doolde door 't woud en de weide,
    Vergeetmijnietjes had tot een ruiker geplukt,
    Weende ik bitter en zeide:
    Vergeet mij toch nooit, o! geliefde!
    Vergeet mij toch nimmer, mijn leven!
    Dierbare! beloon steeds mijn liefde,
    Doch niet door geschenken te geven.
    Want wat zal uw goud mij ook helpen!
    Wat uw rijkdom, die een ieder verrukt?
    Dan eerst zult ge mij overstelpen,
    Wanneer gij mij aan uw harte drukt
    En uitroept: "Nooit vergeet ik U, getrouwe!


De koekkoek, die de lente verkondigt, de vroolijke kleine leeuwrik,
die den menschen "waarom zoo treurig?" vraagt, de blauwe duif, waarmede
een meisje, de witte valk, waarmede een jongeling vergeleken wordt,
en vele andere schepselen uit de dierenwereld, spelen in de liederen
der Kozakken eene even groote rol, als de liefelijke planten.

Even als diep en innig gevoel voor de natuur, zoo spreekt ook een
geest der hartelijkste liefde voor zijne geboorteplaats en voor zijne
onderhoorigen, uit deze Russische volksliederen:


    Van verre, langs berg en dal en meer,
    Kwam eenmaal een koekoek gevlogen.
    In den Donau, geraakte een veer
    Uit zijn staart, zoo sierlijk gebogen.
    Aan die bonte veder gelijk,
    Die door den stroom wordt gedreven,
    Zoo verkwijn ik in 't vreemde rijk,
    Eenzaam, verlaten in 't leven.


De band tusschen moeder en zoon, tusschen broeder en zuster wordt
in die liederen, waarin de Russische Kozak, als met een soort van
voorgevoel, zijn dood op het slagveld bezingt, als een dikwijls
wederkeerend onderwerp, zeer treffend geschilderd:


    Toen stormen loeiden en 't gras zich bewoog,
    Lag stervend en bleek een Kozak op den grond,
    Met zijn hoofd geleund op een struikje, dat boog,
    Met zijn oog gericht op de heide in 't rond.
    Zijn groot blank zwaard lag naast hem ter neêr,
    Geduldig toefde het paard bij zijn voet,
    Een vogeltje, schittrend door dosch en door veêr,
    Zat boven zijn hoofd, enz. enz.


Bijna altijd eindigen die liederen daarmede, dat de klagende ruiter
in zijn stervensuur zijne moeder of zijne zuster een brief of eene
teedere boodschap, zoo hij niemand anders tot zijne dispositie heeft,
door zijn "zwart ros" of den "duizendkleurigen vogel", toezendt. Een
dezer eindigt met het volgende algemeene gezegde:


    Der ouderen gebed beveiligt in gevaren,
    Maakt onze zielen rein, zelfs van de zwaarste zonde,
    Zal ons op land en zee steeds veilig goed bewaren.


Even als in hunne liederen, zoo doen zich deze baardige Russen ook
in het dagelijksche leven en in den omgang, veel hartelijker en
levendiger voor dan wij.--Vriendschap en liefde worden bij hen veel
levendiger uitgedrukt dan bij ons. Iedereen kust en omarmt voor en na
iedere scheiding. Zelfs mannen en grijsaards kussen elkander rechts
en links naar voorgeschrevene regels. Ook worden zij licht tot tranen
toe geroerd.

Het gebeurt niet zelden, dat men een ouden, grijsbaardigen Rus van
Herkulischen lichaamsbouw, ziet schreien en luide hoort jammeren,
dat hij alleen staat in de wereld zonder vader en moeder, of wèl
over eenig ander ongeluk. "Waar treft men", vraagt de schrijver,
die dit mededeelt, "in Engeland of Duitschland, of in eenig ander
land der weinig teergevoelige Germanen, iets dergelijks aan?"

Deze zachte en teedere geaardheid der Russen en der Slawen in het
algemeen, verklaart ook hunne gelatene onderwerping aan de macht van
den Czaar en de Kerk. Geen volk van Germaansch bloed, zou eeuwen
lang het juk der dienstbaarheid zoo geduldig gedragen hebben, als
deze zanglustige, lichtzinnige, lyrisch-poëtische Russen.

Andere eigenschappen en eigenaardigheden van de Russische
volks-geaardheid, ontdekt men in den rijken schat van spreekwoorden,
die in den loop der tijden in hunne taal opgenomen zijn en bij hen
het burgerrecht verkregen hebben. Zij getuigen van een scherpen
waarnemingszin en fijne menschenkennis, en zijn vol treffende
vergelijkingen en pikante uitdrukkingen. Daar zij deels oude, ook bij
ons in spreekwoorden vervatte lessen, op eene ons nieuwe en verrassende
wijze inkleeden, en deels eigenaardigheden van het Russische leven
en hart zeer levendig uitdrukken, zoo zij het mij vergund, eenige
preciosa uit die schatkamer hier uit te kramen. Ik wil ze den lezer
zonder veel commentariën mededeelen. Hij zelf zal de beteekenis en
het gebruik gemakkelijk beseffen.

In verscheidene Russische spreekwoorden, wordt, om zoo te zeggen,
met een paar woorden eene geheele fabel verteld, b.v.:

"Toen men de stem van den nachtegaal prees, begon het karrepaard
te hinneken."

Of: "een onnoozel schaapje weende van aandoening, toen de herder den
wolf met zijne knots doodde."

Zeer scherp wordt het dwaze egoïsme der menschen in de volgende
lakonische woorden gehekeld:

"Hoe jammer van mijn mooie schip, riep de schipper, toen hij met
al zijne manschappen zonk."--En hoe treffend worden de gedachten en
verborgene daden van den gierigaard verraden in het:

"Nadat de hebzuchtige het geheele bosch verkocht had, wilde hij ook
nog ieder boom afzonderlijk verkoopen."

"De bijen verzamelden was en honing, maar de gierigaard zou willen,
dat zij ook nog de mede brouwden."

"Schenk den eenbeenigen gierigaard eene kruk, hij zal haar als
brandhout in de kachel steken."

Hem, die moedeloos de hem getroffene onheilen bejammert, roept het
Russische boeren-spreekwoord toe:

"Zie de gaten in uw wambuis toch niet zoo bedroefd aan, maar zet er
een paar lappen op."--En hem, die 's levens lusten en lasten niet in
den waren zin opneemt:

"Eet den honig, vadertje, dien gij kunt, en drink den alsem, dien
gij moet gebruiken."--Den al te strengen berisper waarschuwt het:

"Als gij zelfs de sneeuw vuil noemt, hoe wilt gij dan het roet noemen?"

Met betrekking tot het gevaarlijke van het prijzen, zegt het:

"Ook den verstandigsten groeien eindelijk ezels-ooren aan, als men
hem te zeer prijst."--En van de behendigheid der menschen om hunne
fouten te bedekken en hunne baan schoon te vegen:

"De domste is verstandig genoeg, zich te verontschuldigen."

De tegenzin, dien wij gevoelen als men ons het geluk opdringen wil,
wordt uitgedrukt door:

"Sluit een wolf in eene volle schaapskooi op, en hij zal nergens aan
denken, dan hoe hij het best weder naar het bosch ontvluchten zal."

Het Engelsche _love in a cottage_, heet bij de Russen:

"Geene liefde brandt zoo heet, dat het de kachel verhit."

In aanprijzingen van die deugd, waarin de Slawen sedert onheugelijke
tijden uitmunten, de gastvrijheid en weldadigheid, is het Russische
spreekwoord onuitputtelijk:

"Zooals men het zijnen gasten geeft, zoo geeft men het God."

"Wie den musch het kruimeltje niet gunt, dien zal de lieve God het
brood niet gunnen."

"Willig het verzoek van uwen gast in, nog voor hij het uitspreekt."

"Bespaar uwe laatste snede honig voor een laten gast."

"Voeder eerst het vette paard van uwen gast, vervolgens uwe magere
koe."

Het: "is uw deken lang, strek dan vrij uwe beenen uit; is uw deken
kort, behelp u er mede, en trek uwe beenen naar u toe," luidt bij hen:

"Spin vlas, broertje, als gij geen zijde weven kunt."

Ons "zoo heer, zoo knecht" is bij hen:

"Aan de kat van het kind kunt gij zien, hoeveel slaag het van zijne
ouders krijgt."

Van de echte innerlijke waarde en van uiterlijken schijn zeggen zij:

"Het vuile zilver wordt hooger geschat dan het blanke tin," of:
"messing! hadt gij slechts de waarde van het goud, daar gij den
trots er van toch bezit," of "de augurk wil voor eene dochter van
den meloen doorgaan."

Recht uit het leven en uit de zinnelijke wereld gegrepen is ook,
wat de Russen zeggen van de wijsneuzigheid der jonge lafbekken:

"Geen trotscher koper, dan wat juist uit het hamerwerk komt."

Eveneens, wat zij bij den omgang met hartstochtelijke menschen
aanraden:

"Als uw vriend opvliegend is als buskruit, zet hem dan niet bij
het vuur!"

Of wat zij aangaande de liefde opmerken:

"De plasregen, die de minnenden treft, bestaat slechts uit
dauwdruppels,"--en wat zij den opvliegenden mensch herinneren:
"brandnetel, waarom brandt gij, als gij toch niet gaar koken kunt?"

De macht der vooroordeelen hebben zij zeer goed begrepen; want zij
zeggen er van:

"Men raakt eerder zijne jicht kwijt, dan zijne vooroordeelen."

Het Lithauische: "maak u tot een schaap en de wolf zal ras bij u zijn,"
heet bij de Russen:

"Wie zich tot paard maakt, dien wil iedereen den zadel opleggen."

En ons: "het ei wil wijzer zijn dan de hen," drukken zij uit door hun:
"de paddestoel zou het woud wel een lesje willen geven."

De machteloosheid van onze opvoedingsmiddelen tegenover eigenzinnige
naturen, drukken zij door het volgende beeld uit: "uit eendeneieren
kan zelfs een zwaan niet dan eenden broeden."

Hij, die iets tracht te bewijzen, wat van zelf spreekt, roepen zij
zeer verstandig toe: "ja, zeer juist, mijn vriend, in de vlakte hebben
de bergen een einde."

Deze kleine bloemlezing uit een overrijk veld zal wel voldoende zijn;
ik ga derhalve nu tot een ander onderwerp over.

Waar, naar hetgeen boven aangevoerd werd, bij een volk Kalliope zoo
ijverig gehuldigd werd als bij de Russen, daar kon onmogelijk hare
zuster Terpsichore in minachting zijn, vooral niet bij de Slawische
volken, bij wie de beiden Musen, zooals het overal zijn moest,
als de twee intiemste tweelingzusters verschijnen, bij wie poëzie,
gezang en dans, veel meer dan bij ons, op eene allerbevalligste
wijze saamverbonden werden. De dans was van oudsher bij de Russen,
even als bij alle Slawische volken, eene volksuitspanning. "_Slavus
saltans_" (de dansende Slawe) was reeds bij de Latijnsche schrijvers
der middeneeuwen spreekwoordelijk. Hun beweeglijk temperament, hunne
vlugheid, bracht hen op zeer natuurlijke wijze tot de beoefening
dezer kunst. Het Germaansche en Romaansche Europa heeft immers de
polonaise, de polka, de mazurka en meer andere zijner lievelingsdansen
aan de Slawen ontleend, ofschoon het die op eene wijze uitvoert, die
den Slawen zelven zeer weinig voldoet. Zij daarentegen hebben ook
onze dansen aangenomen, en op hunne tallooze dans-partijen, die in
den winter in alle steden, tot aan het uiteinde van Siberië plaats
hebben, voeren zij die uit op eene wijze, die veel bevalliger is,
dan die waarop de uitvinders zelven ze uitoefenen.

Wel dansen ook onze boeren overal, bij hunne bruiloften, op hooge
feestdagen en in hunne danszalen. Maar dit bewijst niet, dat bij hen
de dans even populair en inheemsch is als bij de Slawen, en vooral
als bij de Russen, bij wie aanleg en lust daarvoor zoo algemeen en
altijd zoo groot is, dat er geene voorafgaande afspraken, deftige
uitnoodigingen, bijzondere lokalen enz. noodig zijn, om de menschen
tot eene symmetrische groepeering, tot gracieuse bewegingen, tot
eigenaardige mimiek, tot vroolijke spier-beweging uit te noodigen. De
Rus danst zooals hij zingt, als hij er den tijd voor heeft en
als hij de ruimte kan vinden, om zijne voeten behoorlijk te kunnen
bewegen. Midden in de woeste steppen wordt de reiziger verrast door den
aanblik van een Zuid-Russischen schaapherder, die geheel alleen daar
in de wildernis, onder den vrijen hemel--_danst_. De jonge langharige
knaap heeft zijn opgeblazen doedelzak voor zich in het gras geworpen
en er een steen opgelegd, zoodat het instrument van zelf geluid maakt,
en op deze muziek beweegt hij zich met dien vluggen en sierlijken
pas, die hem in zoo hooge mate eigen is, door niemand van dichtbij
opgemerkt, dan door zijn in den omtrek weidend vee. In de landhuizen
der Russische Graven heeft men soms gelegenheid, de bedienden in een
nauw hok onder de trap, dikwijls het eenige vrije plekje, dat deze arme
duivels ter hunner beschikking hebben, te beloeren en te zien, hoe zij
hunne balaleiken slaan en hoe zij in deze, slechts weinige vierkante
voeten groote en zwak verlichte ruimte, hunne dansen uitvoeren.

Ook ziet men--en zeker, zeer tot zijne verwondering,--hoe de Russische
soldaten, wanneer zij een vermoeienden marsch hebben afgelegd, weldra
zingen en dansen en op hunne balaleiken slaan. Het is middag, zij
hebben 's morgens met pak en zak vijf uren door bosschen en moerassen
gemarcheerd. Hunne officieren geven hun een uurtje rust. De welwillende
goedsbezitter en eigenaar van het slot, in welks nabijheid zij rust
hielden, heeft ieder man van het regiment een glaasje brandewijn en
een stukje brood met kaas laten geven. Met wellust hebben zij deze
weldaad genoten. Kort daarna is het geheele regiment, even als het
woud na een frisschen regen, verkwikt, heeft het alle ongemakken
en vermoeienissen vergeten en, in verschillende groepen verdeeld
bewegen zij zich juichende, zingende en op de maat dansende, rondom het
bivouac-vuur en de aan rotten geplaatste geweren en zware ransels, die
zij binnen weinige minuten weder dragen en omhangen moeten. Zoo iets
moet men gezien hebben, in zulke omstandigheden moet men de menschen
verrast hebben, om te kunnen beoordeelen, dat het dansen hun werkelijk
aangeboren is en hoe zeer het eene nationale behoefte is geworden.

Treedt men een Russisch dorp binnen, dan kan men nog idyllischer
tooneelen opmerken. Daar vindt men wel geen herberg of danshuis,
maar het geheele dorp is als het ware ééne danszaal. Daar ontmoeten
u, om het even of het tegen Paschen of tegen Pinksteren loopt, lange
reien jonge, met bloemen versierde meisjes. Het is een "Wesnänka"
(een lentedans), dien zij uitvoeren. Zij hebben de handen in elkander
geslagen. Het fraaiste meisje voert de anderen aan en bepaalt de
figuren en wendingen, die de krans van maagden maken zal. Nu eens
vormen zij eene rechte, vooruithuppelende linie, dan weder sluiten zij
den kring en blijven, terwijl zij in rondte draaien, een oogenblik
op dezelfde plaats. Dan weder vermengt zich de dansende troep tot
een knoop, dien zij vroolijk zingende, weder tot een geregelde
keten ontvouwen. Het is het poëtische oorspronkelijke type van de
zoogenaamde polonaise onzer salons. Het geheele dorp komt op de
been. De oude menschen gaan op de banken voor hunne huizen zitten,
en verheugen zich in de bevalligheid hunner dochters. Steeds meer
en meer jonge meisjes komen lachende uit hare huizen en sluiten
zich zingende bij de vorige aan. Ook de kinderen, die in de reien
der ouderen geen plaats hebben kunnen vinden, vormen afzonderlijke
groepen, en trekken onder gelach en geschreeuw achter de grooteren aan,
terwijl zij de bewegingen van deze trachten na te doen. Gewoonlijk
voert het vrouwelijke geslacht deze liefelijke tooneelen alleen uit,
maar somwijlen komen haar ook van de andere zijde van het dorp,
de knapen der plaats in even lange reien te gemoet. Ook zij dansen,
zingen en voegen aan de dansenden nog soms iemand toe, die al dansende
viool speelt of op de hobo blaast. Vereenigen zij zich ten laatste,
dan ontstaat de grootste vroolijkheid, en het vormen van figuren
neemt eerst bij het maanlicht een einde.

Even als overal, zoo ontwikkelen de Russen ook bij hunne dansen een
niet gering talent tot mimiek, en menige hunner dansen zijn tegelijker
tijd kleine dramatische voorstellingen.

Zoo b.v. de zoogenaamde "kosatschka" die zijnen naam aan de Kozakken
ontleend heeft, maar over geheel Rusland verspreid is. Deze dans
wordt door een jong paar uitgevoerd. De knaap speelt daarbij de
rol van vurigen minnaar die om de hand der schoone, zijne danseres,
werft. Hij nadert haar al dansende. Op de maat der muziek maakt hij
allerlei gracieuse bewegingen, om haren bijval te winnen, en geraakt,
al naar mate hem dit al dan niet gelukt, in poëtische verrukking
of, op de maat der muziek, in vertwijfeling.--De danseres speelt
de preutsche die hem lang afwijst, hem wel eens koketteerend wenkt
maar schertsend--spottend--hem steeds dansende weder ontglipt, maar
zich toch eindelijk veroveren laat en ten slotte eene omarming en een
zachten kus--op de maat der muziek--ontvangt, waarop zich vervolgens
het vereenigde paar met snelle, huppelende achterwaartsche passen,
terug trekt.

Het verlangen en de pogingen van den minnaar, het schuchtere en
twijfelachtige van de geliefde, de ingeweefde episodes van gehuichelden
afkeer en allerlei kleine twisten, zooals die tusschen geliefden
voorkomen, worden door de dansers dikwijls met bewonderingswaardig
talent uitgedrukt. Natuurlijk dansen daarbij niet alleen beenen en
voeten--handen en armen, oogen en gelaats-zenuwen spelen ook mede en
bewegen zich ook op de maat der muziek.

Dit alles kan men echter beter bij de Russische solo-dansers
waarnemen. Solodansers komen bij ons in het alledaagsche leven niet
voor, men ziet ze bij ons niet anders dan op het tooneel. Bij de Russen
neemt echter dikwijls één enkele het op zich, een geheel gezelschap
te vermaken. Wie zich verveelt, mag zijn Russischen kamerdienaar,
zijn loopjongen, den soldaat, dien hij bij zich in kwartier
heeft, verzoeken hem dien avond door een solo-dans te amuseeren;
deze verschijnt zonder lang te aarzelen, versierd, beschilderd,
phantastisch opgetooid met de bonte doeken en lappen die hij bij de
hand had, en de viool in den arm--want hij is ook zelf zijn eigen
orkest. En als er tusschen stoel en tafel zooveel ruimte is, als
een vogel in zijn kooi heeft om te springen, dan krijgt gij zeker
wat te zien, wat het zien en ook het nadenken er over waard is. De
akteur begint zijne voeten in alle bedenkelijke posities te brengen,
op de maat der muziek te bewegen, te kruisen, uit elkander te brengen
en bij elkander te voegen. Daaronder zijn passen, zooals een Fransch
dansmeester zijnen leerlingen nooit geleerd heeft. Hij smijt zijne
beenen vooruit, als wilde hij ze wegwerpen. Hij trekt ze terug en
slaat ze weder in elkander. Somwijlen knikt hij plotseling tot op
den grond toe, in zijne knieën door. Men meent, dat hij op den grond
gevallen is, maar spoedig springt hij juichende weder op. En bij al
deze hevige lichaams-bewegingen verlaat hem noch zijne zingende stem,
noch het accompagneerende gekras op zijne viool. Alle andere deelen
van het lichaam nemen ook aan deze op de maat uitgevoerde beweging
deel. De schouders worden op en neder getrokken, het hoofd wordt op
zij en achterover geworpen; eene zenuwtrekking gaat door het geheele
lichaam. Het is, alsof iedere spier afzonderlijk geoefend moest
worden, als voerde de danser op bevel van den dokter gijmnastische
toeren uit. Ook het gezicht wordt daarbij niet vergeten--de mond wordt
heen en weer, de oogleden op en neder getrokken, de baard kromt en
spitst zich als eene levende slang. Het geheel eindigt ten laatste met
nogmaals op te springen, met de voeten te stampen, juichen, fluiten,
ten slotte een streek over alle snaren der viool, en dan staat de
danser voor een oogenblik recht op en stil als een standbeeld, in zich
zelven zeer tevreden lachende en uwe bijvals-betuigingen afwachtende.

Dergelijke zaken in hunne details gade te slaan, is voor den etnograaf
niet van belang ontbloot. Men leert daarin zeer duidelijk den geheelen,
er zich in afspiegelenden geest kennen, van dit vlugge, behendige,
naar omstandigheden onvermoeide, dichterlijke, tooneelkunstige, in
woord en daad welbespraakte Russische volk, de levenslustigsten onder
de Slawen, die vroolijk blijven onder de grootste ontberingen, en zich
in de neteligste toestanden weten te helpen. Men begrijpt gemakkelijk,
dat men uit zulke duizendkunstenaars, uit zulke gom-elastieke mannen,
zonder veel moeite alles maken kan, wat men wil: infanteristen,
kavalleristen, trompetters, paukenslagers, of wat ook hunne overheid
hun op den rug schuift--sjouwerlieden, handwerkslieden, kooplieden of
wat het toeval van hen maken wil,--lakeien, kamerdienaars, en door
hunne betrekking van kamerdienaar ook staatsbeamten, en ten laatste
zelfs grands-seigneurs, waartoe zoowel geest als fortuin helpen,
en waartoe de wil van een rijken groote of van den Czaar zelven hen
roepen wil.

Want de Rus van licht, week en taai hout, gevoelt zich, (in
tegenstelling met de veel eigenzinniger eikenhoutachtige stof
der Germanen) zeer spoedig in alle omstandigheden en kringen te
huis. Tallooze Russen hebben zich van den laagsten tot den hoogsten
trap der maatschappelijke ladder opgewerkt. Menig met ridderordes
versierd en met eerbewijzen overladen generaal, zag het daglicht in de
hut zijner ouders, die lijfeigenen waren. Menig uitstekend Russisch
dichter werd als boerenzoon onder een rietendak geboren. Lomonosoff
was de zoon van een visscher aan de Witte Zee, Koslow de zoon eens
herders, en Karamsin het kind van een Tataar aan den Ural.

Gelukt het hem, dan speelt de boeren jongen den edelman, den hoveling,
den grooten heer, als had Noach reeds zijne brieven van adeldom gered;
en verbant de Czaar een der grooten van zijn hof, of steekt hij hem
met geschoren hoofd als gewoon soldaat bij een zijner Kaukasische
regimenten, dan weet ook deze afstammeling van Rurik, die rol met eene
zelfverloochening en gehoorzaamheid te spelen, die men zou moeten
bewonderen, als in zulke zaken niet juist het omgekeerde te prijzen
en te wenschen was.

Het is zeer waarschijnlijk, dat deze, allen Russen meer of minder
eigene eigenschap, zich overal en onder alle omstandigheden te huis
te gevoelen, een gevolg hunner volksopvoeding en geschiedenis,
die hen in de zwaarste diensten oefende, geweest is--het geweld
hunner lijfheeren, die gewoon zijn alles van hen te verlangen--de
hardheid hunner despotische heerschers, naar wier luimen zij leven
en zich gedragen moeten.--Aan de andere zijde was hun karakter
ook zeker iets van dergelijke Proteus-natuur aangeboren, en deze
oorspronkelijke aanleg moest dan ook juist dat alles: heerschappij
der Mongolen, lijfeigenschap, Czaren-despotisme, weder in het leven
roepen, bevorderen en lichter doen dragen. Autokraten kunnen zich
geen beter volk wenschen, dan menschen waaruit men alles maken kan,
die niets te moeielijk of voor onmogelijk houden, die bij alle, zelfs
de grootste hun in den weg komende hinderpalen, hun lievelingswoord:
"Nitschewo!" (het is niets) in den mond hebben, die iedere rol weten
te spelen, en bij wie men (men moge naar goedvinden een uit hun midden
nemen) altijd nagenoeg denzelfden aanleg en dezelfde talenten vindt,
of verwachten kan ze te kunnen opwekken.

Eene dergelijke algemeene begaafdheid is dikwijls, een ongeluk voor
een volk, Waar allen evenveel verstand hebben, daar komen, schijnt
het, uitstekende talenten, hoogere en grootere genieën niet zoo
dikwijls voor. Ofschoon de Russen in den regel geboren mimici zijn,
hebben zij toch geen Talma Garrick of Schroder aan het Europeesche
tooneel geschonken. Ofschoon zij in den regel meer geschikt zijn
voor den dans dan wij, zoo is toch nog eerder onder de Duitschers
dan onder hen eene Elszler gevonden. Wanneer ook al ieder van hen een
tamelijk handwerksman is, die met bijl en beitel, met de naald en met
de draaibank weet om te gaan, zoo is nog nooit van hen eene belangrijke
mechanische uitvinding uitgegaan. Wel schijnt de minste onder hen meer
algemeene oorspronkelijke scherpzinnigheid, meer dichterlijk talent
te bezitten, dan het meerendeel onzer prozaïsche landgenooten, en
toch hebben zich deze gaven bij hen niet zoo in scheppende vernuften
geconcentreerd, die zich boven de massa verheffende, de wereld
geïmponeerd hebben. Het schijnt dat zij de eerste moeielijkheden
gemakkelijk, al te gemakkelijk overwinnen, maar zich dan geene moeite
meer geven, en het eens begonnene laten loopen. Even als in hunne door
de zon nooit ticheel verlatene zomernachten, even als in hunne door het
noorderlicht beschenene winteravonden, rust ook op de landschappen van
hunnen geest eene alom verspreide schemering, maar treft men er weinige
krachtige schaduwen en heiderstralende lichtpunten aan. Zelden verdicht
zich de lichtstof tot diamanten, zelden verzamelt zich het water
tot diepe meren. Overal heeft men eene even groote overstrooming. In
Rusland zijnde, verbeeldt men zich soms, dat deze geheele massa van
vele millioenen menschen, in denzelfden trog gebakken en gelijkmatig
gekneed en gevormd is. Het Russische volk schijnt het grootste
aantal gelijksoortige, gelijk begaafde, gelijk gestemde en gelijk
gezinde menschen, dat in Europa aangetroffen wordt. Deze groote een-
en gelijkvormigheid van de Russische volksstof, toont zich in hunne
lichamelijke ontwikkeling--(dezelfde physionomieën ontmoet men zoowel
in de eeuwenoude wouden als aan het hof van den Keizer, hier slechts
geschoren en met van goud blinkende uniformen versierd), evenals in
hunne oorspronkelijke scherpzinnigheid,--(dezelfde sarkastische,
bijtende, scherpzinnige en luimige soort van gevatheid, merkt men
zoowel in de hut van den boer, als in Petersburg op, alleen is zij
hier in het Fransch vertaald)--zoo ook in hunne maatschappelijke
toestanden. Want aangeborene en uit de geschiedenis ontstane standen
en scherp verschil van maatschappelijke klissen, bestaan eigenlijk
niet in een land, waar een Kalmuck even gemakkelijk tot geheimraad
en tot edelman van den eersten rang verheven kan worden, als een
vorstenzoon tot een naamloozen Siberischen kolonist gedegradeerd
worden kan--waar burgervrijheid nooit ontstond--waar hij, dien de
lijfeigene zijn heer noemt, in het rijk slechts weder een knecht
is,--waar het maatschappelijk gebouw niet, naar het model eener
Gothische kerk, met vele afdeelingen, trappen en spitsen gebouwd is,
maar waar veeleer alles op een populier of denneboom gelijkt, een top,
een stam en voor de rest niets anders dan kleine korte takjes.

Dit gebrek aan groepeering, aan hoogte en diepte dezer gelijke kleur,
die eene in het Russische wezen diep ingewortelde natuurlijke aanleg
en oorspronkelijke neiging schijnt te zijn, toont zich eindelijk
ook daarin, dat de Russen als natie en ras, reeds van den beginne
af, in zoo weinig onderdeden verbrokkeld zijn, zich zoo weinig in
zelfstandige, scherp afgeteekende neventakken gesplitst en afgescheiden
hebben. In het groote vaderland van het Russische volk, bestaat
lang zoo veel onderscheid in op zich zelf staande stammen niet, noch
zooveel nuancen in het dialect, als in de andere Europeesche landen.

Welke contrasten zouden wij niet in het zooveel kleinere Duitschland
vinden, binnen de grenzen van dezelfde taal en van denzelfden
stam. Men plaatse slechts den langen Oost-Fries naast den kleinen
bewoner van het Erz-gebergte, den prozaïschen Neder-Duitscher naast
den poëtischen Schwaab, den lompen Beier naast den welgemanierden
Sakser, den gemoedelijken Oostenrijker naast den phlegmatischen
Pommeraan. Welke groote verscheidenheden treft men niet in alle onze
provinciën, steden en stadjes aan! alle zijn het variaties op hetzelfde
thema, maar toch variaties, die zeer van elkander afwijken. Vergelijkt
men de Russen daarmede, dan schijnt bij hen altijd hetzelfde thema,
of ten minste slechts nauw merkbare variaties er op te bestaan.

Onderscheid bestaat echter bij hen wel; Russische ethnographen, meer
echter de vroegere dan de tegenwoordige, onderscheiden de Rood- Wit-
en Zwart-, de Klein- en Groot-Russen, de Nowgoroder- de Kriwitscher-
en de Susdaler-Russen en meer dergelijke.--Slechts ten deele waren
deze dialect- en stamnuancen, als wijd uitgestrekte heidevelden over
groote gebieden, in lange liniën uitgestrekt, deels was er zoo weinig
onderscheid tusschen hen, dat, als men ze door kleuren op de kaart
wilde aanduiden, men, om niet te overdrijven, grijs op grijs zou moeten
kleuren, en nu en dan slechts eene verschillende nuance van grijs zou
moeten kiezen, terwijl men de vertakkingen van andere volken door alle
kleuren van den regenboog zou kunnen aangeven. Eindelijk zijn ook die
kleine verschillen nu gedeeltelijk geheel verdwenen. Het eenige, wat in
deze eenvormige massa, van oude tijden heen en ook nu nog, eenigzins
sterk in het oog valt, is het onderscheid tusschen de zoogenaamde
Ruthenen of Klein-Russen en de Moskoviters of Groot-Russen. Dit
onderscheid kan men het best vergelijken met het verschil tusschen
de Noord-Duitschers en Zuid-Duitschers.

De Klein-Russen treft men aan in het geheele zuidelijk gedeelte van
Europeesch Rusland, van de Karpathen tot aan den Don. De Groot-Russen
vindt men in het geheele grootere midden der noordelijke en oostelijke
helft van het rijk, tot aan de IJszee. De eerst genoemden sluiten zich
meer bij de Westelijke en Zuidelijke Slawen van Oostenrijk en Turkije
aan, en hebben in hunne taal vele oud-Slawische vormen en beelden
bewaard, die bij de Groot-: Russen verloren gingen. Hun taaleigen is
meer verwant met de oude Russisch-Slawische Kerktaal. De Groot-Russen
werden door de Ruthenen als een nieuw ontstaan, gemengd volk beschouwd,
en hunne geleerden mochten zij slechts voor geslawiseerde Finnen
uitgeven. De Klein-Russen stichtten het heilige Kiew, de oudste wieg
van de Russischen Staat, de Groot-Russen het nieuwere Moskou, waar
nu de hoofdwortelen van het land liggen. Zoo is dan ook de Klein-Rus
over het geheel wat ouderwetscher en stijver dan de Groot-Rus, op
wien hetgeen ik boven aanmerkte, aangaande de vlugheid der Russen in
het algemeen, inzonderheid betrekking heeft: De Klein-Rus houdt meer
van den landbouw. Hij verlaat niet gemakkelijk zijne geboorteplaats,
hem ontbreken handelsgeest en industrieele talenten. Het reizen
en trekken bevalt, hem niet. Heiden onderscheiden zich ook zeer
door hun uiterlijk voorkomen. De Klein-Russen hebben iets meer
Zuidelijks, donkere oogen, bruinachtige gezichten en zwart haar. De
Groot-Russen daarentegen hebben eene frisschere gelaatskleur, meestal
blauwe of grijze oogen en even als de Finnen; blond haan Hoe sterk de
verwijdering en de ongenegenheid dezer twee, met elkander in contrast
staande hoofdstammen is, bewijzen de Klein-Russische spreekwoorden, die
zij dikwijls gebruiken, wanneer er over een Groot-Rus gesproken wordt:
"Ja! hij mag een goed mensch zijn, maar hij is toch een Moskoviet." Met
het oog op dezen, zeggen zij ook: "Sluit als gij wilt, vriendschap
met een Moskoviet, maar houd een steen bij de hand."

Over het algemeen genomen geeft de bijzonder werkzame en levendige
Groot-Rus in het rijk den toon aan. Zij vormen in Rusland den
hoofdstam Zij hebben hunne Klein-Russische broeders onderworpen, en
zij overstroomen het land en de steden van deze, niet hunne overal
welig voortwoekerende koloniën. Hun adel behoort bij voorkeur tot
de grooten van het rijk. Terwijl het Klein-Russisch de taal der
boeren geworden is, is de taal der Groot-Russen die der literatuur,
wetgeving en van gezelligen omgang geworden.

In geheel Europa bestaat wel geen volkstam, die in de laatste eeuw
zich zoo uitgebreid heeft, in aantal en macht zoo toegenomen is,
als de Groot-Russische. Eene nauwkeurige bekendheid zijner numerieke
sterkte op verschillende tijden, zou van groot belang zijn voor
de philosophie der geschiedenis. Toen in 1722 Peter de Groote eene
volkstelling in zijn rijk liet houden, telde het geheele toenmalige
Europeesch Rusland slechts 12 millioen zielen. De Russische statisticus
Arseniew, berekent de getalsterkte van den Groot-Russischen stam in
het jaar 1850 op 35 millioen.

Van deze Moskovitische of Groot-Russische centraal-massa van het
geheele volkslichaam, ging en gaat nog voortdurend, de merkwaardige
volken-beweging vooral, uit, die binnen de grenzen van het Russische
rijk circuleert, die het geheele Noordelijk Azië met Russische
steden en koloniën bezaaid heeft, die ook iedere Duitsche stad van
de Oostzee, en eiken stam, elk dorp der talrijke Finsche volken,
Russische kolonisten bezorgd heeft, en die eindelijk ook bewerkt
heelt, dat zoo menige streek en vreemde natie binnen de grenzen van
het groote rijk, in zoo korten tijd geheel Russisch geworden zijn.

De merkwaardige, vooral den Groot-Russen eigene neiging tot reizen
en trekken, wordt nog in de hand gewerkt deels door de regeering,
die nu hier, dan daar, in eene afgelegene streek van het rijk,
militaire- of strafkoloniën sticht of nieuwe steden bouwt; deels
door de grondbezitters en grooten, die nu hier, dan daar, nieuw
land ontginnen, nieuwe bergwerken exploiteeren of industrieele
etablissementen oprichten willen, en op wier bevel de Groot-Russische
boeren hunne dorpen verlaten, en op honderde mijlen van hunne oude
woonplaats zich gaan nederzetten. Eindelijk wordt of werd deze
bewegelijkheid der Groot-Russen, door het zoogenaamde "Obrok"
(erfcijns) bevorderd of eerst mogelijk gemaakt. Dat wil zeggen
daardoor, dat de grondheeren de gewoonte aannamen, hunne Glebae
adscriptis tegen eene kleine, jaarlijksch in te zenden geldsom, de
vergunning te geven de wijde wereld in te gaan, te doen wat zij goed
vonden, en in hun onderhoud te voorzien waar en hoe zij dat konden.

De werkzame Groot-Russen, die spreekwoordelijk van zich zelven zeggen:
"zet mij, als gij wilt, in de steppe op een steen; geef mij bovendien
een paar centen in den zak, dan zal ik mijn weg door de wereld
wel weten te vinden," maken gretig van deze vergunning gebruik,
om zich aan wat zij "promysl" noemen over te geven. Met het echt
Russische woord "promysl," dat even onvertaalbaar is, als onder
anderen ook het Engelsche "sport," worden alle mogelijke soorten
van handwerken en bedrijven bedoeld, voornamelijk echter kramerij,
warenvervoer en kleinhandel. Zij, die zich op deze "promysl" toeleggen,
de "promyslenniks" maken eene den Groot-Russen geheel eigenaardige
klasse van industrieelen uit, die, verlangende iets te verdienen,
de wijde wereld ingaan, om zich met hunne bijl, geweer, net of spade
hier of daar werk en een verder vooruitkomen te verschaffen. Dikwijls
zouden zij dit zeer goed bij zich te huis kunnen vinden, als zij voor
hunne tuinen en landerijen behoorlijk zorg droegen, maar de vermoeiende
tuin- en landbouw valt niet in den smaak der Groot-Russen. De "promysl"
is hun hartstocht.--Zij beginnen eerst in het klein, verhuren zich
als bedienden of koetsiers, of als knechten bij timmerlieden of andere
bazen, van wier werk zij eenig verstand hebben, of dat zij zich spoedig
weten eigen te maken. Hebben zij zich zoo een kapitaaltje verworven,
dan richten zij een winkeltje van allerlei snuisternijen op, dat
zij spoedig nu in deze, dan in gene provincie opslaan, of begeven
zich met hunne waren naar de uiterste einden van Siberië. Hun geluk
met en hunne geschiktheid voor den handel, zijn meestal even groot
als die der Joden, wien Peter de Groote daarom ook aanbeval zich
niet onder zijne Groot-Russen te vermengen, daar zij in deze hunne
meesters zouden vinden. En zulke Russische kramer-nomaden eindigen niet
zelden daarmede, dat zij zich ten slotte als millionairs in Moskou,
Petersburg, Nowgorod of Kasan voor goed vestigen.

Anderen van hen, verliezen hun leven in het oosten, in de
Siberische wouden, of in het zuiden in de Kirgisische steppen,
waar deze "Promyslenniks" even zulke pionniers of voorloopers der
Russische macht zijn, als de strikken-spanners en bevervangers der
Vereenigde-Staten. Door rustelooze begeerte om te verdienen, en door
avontuurlijke lust om te reizen gedreven, begeven zij zich ook in het
hooge Noorden des rijks op zeer slechte booten, en wagen zij zich
tot diep in de IJszee, terwijl zij de witte beeren en pelsdieren
tot aan Spitsbergen en Nova-Zembla vervolgen.--Deze Promyslenniks,
die ook de kostbare zeeotters in de Zuidzee opsporen, hebben voor
Rusland, Kamschatka en het Noord-Westelijk uiteinde van Amerika
ontdekt, en hebben ook de grenzen van den Russischen invloed tot
in China uitgebreid. Het is, alsof daarbij nog iets van den ouden
Skandinavischen Wikinger-geest [4] bij de Russen nawerkt.

Het opmerkelijkst heeft zich deze oude Wikinger-geest bij de Russische
Kozakken geopenbaard, en in de omstandigheden die de ontwikkeling
van dezen volkstam der Russen vergezelden. Het schijnt daarbij
op dezelfde wijze toegegaan te zijn, als bij de afstamming van de
IJslandsche, Engelsche, Fransche en Italiaansche Noormannen van den
ouden Skandinavischen grondstam. Evenals in Skandinavië de Wikinger
of zeekoningen de zee doorkruisten, zoo trokken de ondernemende
jonge ruiters der Russen de steppen door, vereenigden zich daar,
onder den naam Kozakken (d.i. "ongeregelden") tot oorlogzuchtige,
dikwijls slechts roofzuchtige ondernemingen tegen de Tataren en
andere naburige volken, en maakten ook strooptochten tot zelfs aan
de andere zijde van de Zwarte Zee, geheel op dezelfde wijze, als de
oude Skandinavische Wikinger die vóór hen gemaakt hebben. Daar zij met
den val der heerschappij van de Tataren, in aantal en invloed wonnen,
zoo werden zij, onder door hen zelve gekozen Hetmans, voor al hunne
naburen gevaarlijk. Zelfs vele Tataren en overloopers van andere
volken verbonden zich met hen, en uit deze vermenging ontstond weder,
een in velerlei opzicht eigenaardig volk. Daar de Kozakken echter
de taal en den godsdienst der Russen, behielden, zoo bleven zij in
hoofdzaak een volk van Slawische en vooral van Russische type.

Zoowel de Klein- als de Groot-Russen hebben hunne Kozakken gehad. De
zoogenaamde Saporogische of Waterval-Kozakken, ontstonden uit het
hart van Klein-Rusland, aan den Dniepr. Op gelijke wijze ontsproten
de zoogenaamde Donsche Kozakken uit het hart van Groot Rusland,
aan den Don. In den loop der tijden werden deze laatsten, even
als de Groot-Russen zelven de voornaamsten. Van hen verspreidden
zich naar het Oosten weder verscheidene andere eigenaardige
Kozakken-stammen. Vooreerst reeds omstreeks het einde der 16de eeuw,
als eene roover-kolonie, de _Uralische Kozakken_ die nu, vermengd met
Tscherkessen, Tataren, Perzen, een schoon en krachtig slag van menschen
en een klein gegoed volkje vormen, dat geene bedelaars bezit, maar
daarentegen menschen onder zich telt, die 10 à 20,000 schapen bezitten
en den Czaar trouw dienen.--Vervolgens de _Siberische Kozakken_, die
als gewapende Promyslenniks, onder hunnen aanvoerder Yermak, het eerst
Siberië binnendrongen en, daar zij over de geheele uitgestrektheid,
van den Don tot aan den Amur in Mandschoerije, zich met vele volken
vermengden, velerlei nuancen in zeden en gewoonten vertoonen.

Zeer merkwaardig echter is het, dat die lust tot reizen, die binnen
de grenzen van het Russische rijk de kramers en boeren, de visschers,
jagers en kozakken, als de sappen in een boom, zoo levendig heen-
en weergedreven heeft en nog drijft, dat deze overal nomadiseerende
volksverhuizing bijna nooit de grenzen van het Russische rijk
overgetrokken is. Bijna nergens vindt men Russen dan in hun eigen
land. Even als de Romein, koloniseert hij slechts de Aarde, zoover
hij haar veroverd heeft. Overal, waar de adelaars van zijnen Keizer
heerschen, al ware het ook aan de grenzen van China, gevoelt hij zich
te huis. Maar buiten dit zijn groote Keizerlijke vaderland gaat hij
niet. Slechts enkele, door fanatieke vervolgingen verstrooide sekten
maken daarop eene uitzondering. Eenige weinige Russische "Raskolniks"
of sektenmakers, hebben zich bij tijden ook in Turkije, Zweden en
eenige andere naburige landen gevestigd.

Voor het overige vertoont zich, zoowel in de nieuwe wereld, waar anders
toch alle volken van Europa elkander ontmoeten, als in de talrijke
staten van West-Europa, de Rus nergens als kolonist; in onze steden
baart de Oostersche tulband of kaftan en zelfs de neger, minder opzien
dan het Russische nationale kostuum, dat bij ons iets geheel ongewoons
is, doen zou.--De oorzaken dezer verschijning zijn menigvuldig. Deels
staat den Rus in zijn eigen land, dat de halve wereld omspant,
nog voor langen tijd een ruim veld voor nieuwe ondernemingen open;
deels zouden hunne autokraten en grondheeren, even zeer als zij de
beweging hunner ondergeschikten binnen de grenzen toestaan, den lust
deze te overschrijden spoedig tegengaan; deels zijn alle handwerken,
kunsten en talenten der Russen, zoo geëigend als die voor hun eigen
land zijn, ergens anders van weinig waarde.

De Russen en hun vaderland maken in groote mate eene wereld op zich
zelve uit, en hangen deze hunne vaderlandsche wereld, met eene groote
liefde en met patriotisme aan.--Zij noemen hun Moskovitisch vaderland,
dat even goed in politieken en nationalen, als in godsdienstigen
zin, eene zoo groote eenheid vormt als er geen tweede bestaat, het
"heilige Rusland."--Zij beminnen dit heilige Rusland met al zijne
eigenaardigheden, voordeelen en gebreken. Zij zijn zelfs verliefd
op zijn klimaat, en zij hebben medelijden met de landen, waar niet
evenals bij hen, sneeuw en winter aangetroffen worden. Even zoo zijn
zij schier hartstochtelijk ingenomen met de grootheid en de onbeperkte
heerschappij van hunnen Czaar, en zij gevoelen zich zelven groot in
hunnen grootschen heerscher.--Eene constitutie, die de macht zijner
Czaren beperkte, zou den echten Moskoviter een vermindering van zijn
eigen gewicht toeschijnen.

En deze vaderlandsliefde, deze zucht in het vaderland te blijven,
dit sterke nationale gevoel, doordringt in Rusland alle standen
der maatschappij in zoo hooge mate, als men wel bij gelijke rechten
bezittende Romeinsche burgers verwacht te vinden, maar als men bij
den eersten blik op zulk een volk, bij zoo despotisch geregeerde
onderdanen, zeer zelden zal aantreffen.



LITAUERS EN LETTEN.


Midden tusschen de Duitschers in het Westen, de Finsche stammen
in het Noorden, de Slawische Polen in het Zuiden en de Russen in
het Oosten, woont sedert overoude tijden in Europa een volkstam,
dien men, naar den naam zijner beide meest bekende onderafdeelingen,
den Litauischen of ook wel den Lettischen genoemd heeft. "Litwa" of
"Ljetuwa" (Letland), schijnt wel de oude en inheemsche naam van hun
land te zijn. Onder andere namen is waarschijnlijk land en volk,
reeds in de vroegste eeuwen der geschiedenis, bekend geweest.

Nu bewonen deze Litauers en Letten het beneden-gebied der groote
rivieren Duna en Niemen, langs de Oostzee het geheele schiereiland
Koerland, een gedeelte van Oost-Pruissen tot dicht bij Koningsbergen,
de zuidelijke helft van Lijfland, noordelijk tot bij Dorpat, bijna
de geheele naar hen genoemde provincie Litauen, en een stukje van
het Koningrijk Polen tusschen den Niemen en de Pruissische grenzen
tot aan Augustowo. Het is een groot, met wouden, moerassen, heiden
en zandvlakten, nu en dan door vruchtbare weiden afgewisseld, bedekt
gebied, dat nagenoeg even groot is als het Koningrijk Hongarije en
eene bevolking van iets meer dan drie millioen menschen telt.

De Litauers en Letten zijn, ofschoon zij van al hunne bovengenoemde
naburen, waarmede zij dikwijls in oorlog of vrede zich vermengden,
waardoor zij somwijlen beheerscht werden maar die zij ook af en toe
beheerschten, veel in taal en zeden aangenomen hebben--toch een
van hen zeer verschillend en zeer eigenaardig volk gebleven. Dat
zij van Indo-Germaanschen oorsprong zijn, en dien ten gevolge met
de Slawen, Grieken, Latijnen en Duitschers tot een en denzelfden
grooten, oorspronkelijken stam behooren, is door niemand in twijfel
getrokken. Hunne taal, die in bouw en wortels al het wezenlijke met
de talen van den Indo-Germaanschen stam gemeen heeft, duidt zulks
voldoende aan. Ook is het nagenoeg even zeker, dat zij, onder al die
stammen het nauwst aan de Slawen verwant zijn, ofschoon wij ons weder
die verwantschap niet zoo denken mogen, dat wij ons daardoor gerechtigd
zouden achten, de Litauers op dezelfde wijze als de Tschechen tot de
Slavoniërs of de Kroaten tot de Slawen te rekenen. De Litauers zijn
niet in den nieuweren tijd, en ook niet op Europeeschen bodem, uit
het Slawendom ontstaan. Het is eene overoude en scherpe scheiding, die
reeds in het Aziatische moederland moet gebeurd zijn, en waaromtrent
geen onderzoek meer valt in te stellen.

Van hunne Duitsche naburen in het Zuiden, weken de Litauers echter
stellig meer af dan van de Slawen, en eene nog grootere klove
scheidt hen van hunne naburen in het Noorden, de Finnen, ten minste
in den oorspronkelijken stam, in taal en wezen; want hetgeen zij,
wat hun uiterlijk betreft, in hunne zeden en ook in hunne denkwijze
en zielsstemming met de Finnen gemeen hebben, is in hoofdzaak eene
uitwerking van het gemeenschappelijk klimaat en van het harde lot,
dat sedert oude tijden al die volken van het Noorden met elkander
deelden, ten deele echter zeker ook tengevolge van plaats gevonden
hebbende vermenging, en van het lang neven elkander wonen.

Hoe en wanneer die Litauers, uit het Indo-Germaansche Azië naar hun
tegenwoordig vaderland aan de Oostzee gevoerd zijn, is eveneens een
ondoordringbaar geheim. Dat zij zich onder heldhaftige aanvoerders
daar heen doorgeslagen hebben, is niet waarschijnlijk, want hunne
sagen en gedichten hebben zoo weinig heroïsch, en wijzen even
weinig naar een grootschen voortijd heen, als het tegenwoordig niet
hoog strevende karakter dier menschen, die reeds door een der oude
schrijvers als een "_pacatum hominum genus omnino_" (een uiterst
vreedzaam menschengeslacht) geschetst worden. Zij werden wel door
andere volken, op groote vóór de geschiedenis plaats gehad hebbende
volksverhuizingen, daarheen _gedrongen_ waar zij nu zitten, en waar
zij vervolgens op wonderbare wijze, trots al verdere voortstuwingen,
sedert eeuwen zijn blijven zitten en hunne eigendommelijkheid bewaard
hebben. Zij liggen daar, als een van elders overgekomen rotsblok,
alleen en afgescheurd, midden tusschen louter vreemde, maar toch in
de verte verwante stoffen. Wij herkennen wel het afgelegene gebergte,
waaraan dit blok ontnomen werd, maar de zonderlinge wegen waar langs
het in den chaos der volken-stroomen hier heen kwam, verraadt ons
zelfs de sage nauwelijks met eene vingerwijzing.

De Litauers en Letten hebben, zooals dikwijls met onderdrukte
en in hunne ontwikkeling tegengehouden volken het geval is,
het oorspronkelijke en oude in menig opzicht zuiverder bewaard,
dan andere volken van een krachtiger leven en meer energieken
drang tot ontwikkeling. Hunne taal duidt nog heden ten dage
hunnen Hoog-Aziatischen oorsprong duidelijker aan, dan die der
Germanen en Slawen. Zij heeft de vroegere vormen en wortels der oude
Indo-Germaansche oorspronkelijke taal, veel meer onveranderd bewaard,
dan bij voorbeeld het tegenwoordige Duitsch of Russisch. De Godheid,
de zon, de elementen, de deelen van het menschelijk lichaam, en vele
andere wezenlijke en over de geheele Aarde gelijke zaken, worden
door de Litauische en Lettische boeren nog heden ten dage door namen
aangeduid, die bijna geheel dezelfde zijn als wij ze in de heilige
schriften der Brahminen vinden. En over het geheel genomen, bestaat
er in Europa wellicht geene taal, die de oude oorspronkelijke moeder
meer nabij staat, dan die der Litauers en Letten. Vele klanken en
woorden dier moeder heeft de dochter nagenoeg geheel onveranderd
bewaard. "_Esmi_" (ik ben) zegt de Lette, "_asmi_" (ik ben) zegt de
Himalaya-bewoner; "_eimi_," (ik wandel) heet het aan de Oostzee,
"_aimi_" (ik ga) luidde het in Indië; "_Diewas_" (God), "_sunus_"
(zoon), "_wissa_" (alles), klinkt het aan den Niemen, "_dewas_"
"_sunis_." en "_wiswa_" hoort men wederom aan den Ganges.

Ja! men heeft zelfs getracht, eenige Sanskritische spreekwijzen samen
te stellen, die een Litauisch Duna-bewoner, toen men ze hem voorlegde,
zonder veel moeite even goed verstond als de taal van zijn buurman. Er
bestaat een verwonderlijk verband tusschen de vorming der talen, die in
ruimte door vele honderde mijlen, en in tijd door eeuwen gescheiden
zijn. Het is een verschijnsel, waaruit menigeen het bewijs heeft
trachten af te leiden, dat de Litauers en Letten, later dan alle
andere Europeanen, hunne Aziatische woonplaatsen verlaten hebben,
en onder de Indo-Germanen de laatste betreders van den Europeeschen
bodem geweest zijn, maar dit bewijs is fout; wellicht laat zich de
zaak gedeeltelijk daaruit verklaren, dat de Litauische taal nooit
geschreven werd, en dat zij dientengevolge even als alle andere talen,
die geene literatuur bezitten, die zich niet verder ontwikkelden,
onveranderd en verstijfd--meer dan het Slawische en het Duitsche--op
het aanvankelijk standpunt bleef staan. Ook bij de literatuur-looze
Vlaamsche taal, [5] zien wij de oude vormen der Nederduitsche moeder
meer bewaard, dan in het Hollandsch, dat zich grammaticaal, in proza
en poëzie meer ontwikkelde, en door de veranderingen die het onderging,
zijne jeugdige kracht behield.

Wanneer ook al iets minder onzeker, zoo toch nagenoeg even duister
als de allereerste tijd van hun bestaan, is de latere geschiedenis
der Letten en Litauers, dezer "_inter septentrionales populos
obscurissimi_" (de allerduisterste onder de noordelijke volken)
zooals een oud Slawisch schrijver hen noemt, in hunne woonplaatsen in
de moeras- en boschachtige steden aan de Oostzee. Zij schijnen van
oudsher een landbouwend volk geweest te zijn, want reeds de eerste
Grieksche en Romeinsche berichten over hen, uit den tijd van Christus
geboorte, maken melding van hunne korenschuren, "die zij met groote
ovens verwarmen, om het koren van hunnen altijd vochtigen bodem,
spoediger te droogen," en de Romeinen beschrijven deze graanovens
ongeveer op dezelfde wijze, als men ze heden ten dage nog in Koerland,
Lijfland en Litauen zien kan.

Zij leefden, naar het schijnt, onder de heerschappij van een
gemeenschappelijken opperpriester, een soort van paus "_Kriwe_ of
_Kriwe-Kriweito_" (d.i. de rechter der rechters) genoemd, die met zijne
"_Weideloten_" (onder-priesters) de zaken van het volk regelde--Oude,
eerwaardige eikenbosschen, de beroemde van "Romowe" in het tegenwoordig
Oost-Pruissen en andere, worden als de verblijfplaatsen van zulke
Lithauische priesters en der heidensche godheden, in wier naam zij
regeerden, genoemd. "_Waidawut_", een soort van Lithauische Mozes, zou
de eerste dier opperpriesters en de stichter der priesterheerschappij
geweest zijn. De "_Kriwe-Kriweito_" was de vertrouwde der goden, die
in donder en onweder bij voorkeur tot hem spraken.--Hij verkondigde
het volk hunnen wil en stond in zoo groote eer, dat een mensch,
dien hij met zijn opperpriesterlijken staf ergens heen zond, als een
heilig persoon beschouwd werd. Misschien kwam oorspronkelijk ook deze
priesterheerschappij, evenals de taal der Litauers, regelrecht uit
het land der Brahminen.

Ook hunne godsdienst en hunne mythen, voor zoover die ons bekend zijn,
ademen een geheel Indischen geest. Daar de Litauers zoo laat tot
het Christendom bekeerd werden, hunne oude heidensche beschouwingen
nu nog bij hen eene niet onbeduidende rol spelen, en nog veelvuldig
in de phantasie en de dichtkunst der landskinderen voortleven, zoo
schijnt een vluchtige blik op hunne mythologie, hier op zijn plaats
te zijn. Evenals de Slawen en andere Indo-Germanen vergoodden de oude
Litauers en Letten de natuur. De hemel, de zon, de maan, de sterren,
de bliksem en alle in het oog vallende natuurverschijnselen, werden
door hen aangebeden; hunne phantasie schiep uit al deze, levende en
persoonlijke gedaanten.

Zij schijnen vooral eene algemeene moeder der natuur, onder den naam
"_Karaluni_" (Godin des lichts), waarin zich de geheele hemel en
al zijne verschijnselen verlichamelijkte, vereerd te hebben. Zij
stelden zich deze "_Karaluni_" voor als eene schoone maagd, wier
hoofd met den diadeem der zon versierd was. Zij droeg den blauwen
met sterren bezaaiden hemel-mantel aan den schouder, door de maan,
bij wijze van broche, vastgehecht. De veelkleurige regenboog was haar
gordel. Haar lachen was het morgenrood. Als het echter bij zonneschijn
regende, dan "schreide Karaluni."--Bij verdere ontwikkeling hunner
godsdienstige denkbeelden, werden ook de afzonderlijke verschijnselen
aan den hemel, afzonderlijke godheden; zon, maan en sterren, werden
op zich zelf staande goden. De zon was eene godin, die over de wereld
heenreed in een wagen met drie paarden bespannen, een gouden, een
zilveren en een diamanten. Haar paleis lag in het oosten, in het land
waarheen de zielen der deugdzame menschen na den dood terugkeeren,
om, nadat zij den hoogen, gladden hemelsberg beklommen hebben, eene
eeuwige gelukzaligheid te genieten. Twee sterren, "_Anschrinne_" en
"_Wakarinne_" (morgen- en avondster) staken de zon aan, maakten haar
bad in orde en spreidden haar bed:


    "Schoone zon! dochter van God! hoor mij aan!
    Wie steekt des morgens het vuur bij U aan?
    Wie moet des avonds uw bedje weer spreiden?
    De morgen- en de avondster beiden.
    De morgenster stookt het vuurtje goed heet,
    En d' avondster maakt mij het bedje gereed.
    Gij hebt dan ook zulk een kinderstoet!
    En van schatten zulk een overvloed!"


Zoo wordt nog heden ten dage in de Lettische volksliederen
gezongen. De Zon was de gemalin van de Maan. Als deze ontrouwe echter
de rooskleurige Morgenster het hof maakt, dan grijpt "Perkronos",
de god van den donder, het zwaard, en verminkt de volle Maan tot
straf het gelaat, terwijl hij hem toeroept:


    Waarom hebt gij de zon verlaten?
    Waarom bij 't morgenrood vertoefd?
    Waarom des nachts alleen gedoold?


De sterren waren de kinderen van de Zon en de Maan, die slechts
een weinig licht ten huwelijk mede kregen. Deze karig uitgeruste
zonnedochters huwden met zonnezonen, en daaruit ontstonden dan weder
de kleinste en allerkleinste sterren, wier uitzet nog geringer was. De
sterren werden door de mythologie der Litauers ook met de menschelijke
ziel, die zij zich als eene vonk van het goddelijke licht voorstelden,
in verband gebracht. Met de geboorte van ieder kind op Aarde, geloofden
zij, verscheen ook eene nieuwe ster aan den hemel. Eene Parce hing
deze ster aan het hemelgewelf op en bevestigde daaraan de levensdraden
van den jonggeborene. De Parce of schikgodin, door hen "_Laima_"
genoemd, spint den levensdraad, en weeft daaruit voor den mensch een
kleed, dat hij na zijn dood, ter herinnering aan de vreugde en de
smart van zijn aardsch leven, dragen moet. Van de "_Laima maminga_"
(het noodlots-moedertje) zingen zij nog ten huidigen dage in hunne
liederen, waarin wij somwijlen spreekwijzen als: "gisteren zat ik in
den nacht met Laima te praten", ontmoeten.

Merkwaardig, maar zeker niet onnatuurlijk is het, dat de zonnegodheid
bij de Letten, even als Helios op Sicilië, ook de hoeder en beschermer
der veekudden is:


    O! Godheid met uw gouden lokken!
        Wil mijne koe doen weiden,
    Zoo ook mijn ossen, schapen, bokken,
    En hun der wolven bloeddorst mijden!
        Dit smeek ik U! o Zonne!


Op deze wijze zingen de herders in Litauen en in het Lettenland nog
heden ten dage.

Behalve de "kudden beschermende" zonnegodheid, en de het leven
leidende "noodlot-moeder", hebben zij ook nog eene "woud-moeder", eene
"bloemen-moeder", eene "tuin-moeder", eene "wind-moeder". Het meest
echter hoort men hen over eene "_Semmes-Mathe_" (het aard-moedertje)
praten. Deze heerscht op en onder de oppervlakte der Aarde. Hare
helpsters heeten "_Swehtas meitas_" (de heilige maagden), die bij
hen de plaats onzer Elfen bekleeden, en die, zonder toedoen van den
mensch, bij nacht alles in de natuur klaarmaken; van de aard-moeder
zeggen de Lettische boerenmeisjes nog heden, als zij iets verloren
hebben, b.v. eene naald, schertsenderwijze: "aardmoedertje geef mij
mijne naald terug".

Een hunner machtigste goden, hun "donderaar", hun Zeus, heette
"Perkun". Hij speelde bij hen ongeveer dezelfde rol als Thor bij de
Skandinaviërs. Hem was de eik toegewijd, en ieder voorwerp dat door
zijnen bliksem getroffen werd, gold eveneens voor heilig. Ook hij,
die door zijnen bliksem gedood werd, kon van zijne zaligheid zeker
zijn. Perkun hadden de Litauers met de Slawen gemeen, en even als
deze, offerden zij hem paarden. Anders waren hunne offers in den
regel noch zeer bloedig, zooals b.v. de offers der Celten, noch
waren hunne godheden wreed en verschrikkelijk, als die van vele
Oost-Aziatische volken. Slechts één bij hen gebruikelijk offer,
verdient bijzondere opmerkzaamheid, daar het bewijst, tot welke
heldhaftige vaderlandsliefde deze menschen toch ook in staat moeten
geweest zijn. Wanneer een oorlog of eenige andere ramp het volk
bedreigde, dan wijdde een hunner zich als zoenoffer ten dood. Hij
stortte zich te midden der vijandelijke gelederen of doodde zich
op eene andere wijze. Wanneer zich niemand anders daartoe voordeed,
dan trad een priester in plechtgewaad te voorschijn, en wijdde zich
tot heil van het vaderland, openlijk aan den dood in de vlammen. Deze
trek herinnert aan dergelijke gebeurtenissen uit de geschiedenis der
Romeinen en der Zwitsers.

Deze en andere overleveringen en mythen aanklevende en bovengenoemde
goden vereerende, kunnen de Litauers zich waarschijnlijk gedurende
onmetelijke tijdruimten in vele, door geene geschiedschrijvers
beschrevene, gevechten en oorlogen, met hunne Slawische, Finsche en
Duitsche naburen gemeten hebben. Alleen de met wapens en doodsbeenderen
gevulde grafheuvels, die men hier en daar in de bosschen en langs de
rivieren van hun land aantreft, getuigen van dergelijke gebeurtenissen.

Ofschoon zij hunne heilige wouden, hunne vaderlijke akkers, somwijlen
dapper en hardnekkig genoeg verdedigden, zoo toont de geschiedenis hen
ons toch, nu eens onderworpen aan dezen, dan aan genen nabuur. Zelfs de
Finsche stam, de Koeren, Lijflanders en Esthen, hebben bij tijden het
Lettische land en volk overheerd, en de beide eersten hebben zelfs,
aan de hoofdzakelijk Lettische provinciën Koerland en Lijfland,
hunne namen opgedrongen.

Veel hadden zij van oudsher te dulden van hunne naburen aan de andere
zijde van den Oceaan, van de Gothen of Germaansche Skandinaviërs, wier
groote koning Hermanrich hen reeds in de 4de eeuw na Christus, even zoo
onderwierp en bij zijn groot rijk inlijfde, als hij zulks met hunne
naburen, de Finnen en Slawen deed. Reeds toen zullen waarschijnlijk
menige arme Letten op de slagvelden der Gothen gesleept geworden zijn,
en als gedwongen recruten aan de volksverhuizing en de verovering
van Rome deel genomen hebben, even als zij nog heden ten dage in de
regimenten van den keizer van Rusland, bij Austerlitz en Leipzig,
aan den Donau en bij den Kaukasus, hun bloed moesten vergieten, voor
eene zaak die hun niets aanging.--Menig geleerde heeft de metgezellen
van Odoaker, die een einde maakte aan het Romeinsche Keizerrijk,
"de Herulers", voor Litauers of Letten willen houden.

Een tweede Hermanrich, de Noorman Rurik, versmolt hen, of ten minste
een gedeelte van hen, op gelijke wijze in de 9de eeuw, met het door hem
gestichte Russische rijk, en reeds van dien tijd af hebben de Russen
deze Litauers en Letten en hun land als hunne onderdanen beschouwd,
ofschoon zij volstrekt niet, sinds dien tijd altijd in het bezit der
opperheerschappij geweest zijn. Skandinavische in- en aanvallen op
Litauen en Lettland zijn tot op de jongste tijden herhaald.

Veel beslissender voor den tegenwoordigen toestand van dezen volkstam,
dan al die ontelbare en voorbijgaande Zweedsche invallen van over de
zee, zijn zijne aanrakingen met de Duitschers en Slawen, van wie hen
geene zee scheidde, geweest. Reeds in de oudste tijden schijnen de
Litauers meermalen, onder den invloed en de heerschappij van Duitsche
en Slawische volken gestaan te hebben,--maar wij willen over de
vroegere duistere en twijfelachtige gebeurtenissen heenstappen. Sedert
den aanvang den 13de eeuw echter, drongen de Duitsche ridders en
kolonisten van twee zijden op hen in, eens van af den Duna en eens
van den Weichsel af, bij wier mondingen deze zich aan de Oostzee
nederzetten.

Hier in het zuid-westen, roeiden zij in een langdurigen en bloedigen
oorlog een ouden stam der Litauers, die der "_Porussen_", tot op
eenige nu nog bestaande overblijfselen na, uit, en germaniseerden
verscheidene streken van het land, tot aan den Niemen toe, waarin
van de oude Litauers weinig meer over bleef dan de beroemde naam der
tenondergegane Porussische vaderlandsverdedigers, die in "Pruissen"
veranderd op hunne doodsvijanden overging, en nu nog als de naam van
een grooten Duitschen staat bloeit.

Dáár in het noord-oosten van den Duna, maakten zich de Duitschers
den stam in engeren zin, de _par exellence_ zoo genaamde, "Letten",
onderdanig, en verdeelden zijn land onder de ridders der zwaard-orde,
wier opvolgers daar nog tot op den huidigen dag de grondbezitters
zijn. Het geheele Litauische volk werd op die wijze, toen in de 13de
en 14de eeuw, om zoo te zeggen aan twee kanten door de Duitschers
aangevallen, en het schijnt, dat juist daardoor ten minste de kern en
het hoofdlichaam van den stam--het in het midden liggende eigenlijke
Litauen--tot eene vereeniging gedrongen werd en zich, hoewel slechts
van korten duur, een historisch gewicht verwierf. Er ontstond ten
gevolge van dien druk van buiten, in de 13de eeuw, hartstocht tot
oorlog voeren en landen veroveren onder dit "_pacatum genus_". Het
tot dien tijd--ten minste als aanvallers (waarlijk niet als het de
_verdediging_ van het vaderland gold) slaperige geslacht der Litauers,
vermande zich en begon te steigeren, als een paard dat men de sporen
in de beide zijden drukt.

Daar de Russische aangelegenheden toen ten tijde, onder de heerschappij
der Mongolen, zeer in verval waren, breidde de machtig opdoemende
heerschappij der vertoornde Litauers zich voornamelijk in die richting
uit. Zij maakten veroveringen ten koste van Rusland; Litauische legers
drongen tot aan den Dniepr, tot aan Kiew door, ja streden zelfs tegen
Tataren en Russen aan de oevers van de Zwarte Zee. En zoo bestond dan,
in het begin der 14de eeuw, een groot, zeer gebiedend Litauisch rijk,
wiens woeste vorsten Gedemin, Olghard, Witoft en Jaguel (Jagello,)
in geheel Europa beroemd en bij de Russische geschiedschrijvers maar
al te bekend geworden zijn; zoo heeft dus ook deze "_duisterste_" en
vroeger altijd onderdrukte stam der Europeesche familie, ten minste
eens een tijd van roem gehad of eene invloedrijke rol gespeeld,
wel is waar echter slechts ééne maal en ook slechts voor korten
tijd, want reeds sedert het jaar 1386, nadat zij door het huwelijk
van Koningin Hedwig en den Groot-Vorst Jagello met Polen verbonden
werden, verloren de Litauers langzamerhand weder hunne nationale
zelfstandigheid, en werden zij door eene andere, en wel krachtiger
nationaliteit in de schaduw gesteld.

Eigenaardige bloesems van hoogere ontwikkeling, bracht het volk, ook
ten tijde zijner politieke macht en zelfstandigheid, niet voort. De
Litauers bleven zelfs heidenen tot aan het begin der 15de eeuw. In het
land "Smudz" of "Samogitië" werden zij zelfs eerst in het begin der
16de eeuw gedoopt. Van alle grootere Europeesche volken zijn de, zon-,
maan- en sterren aanbiddende, Litauers het laatste tot het christendom
bekeerd. Genoemde Litauische Groot-Vorst Jagello gold zelfs in Polen
voor een heidensch barbaar. Hoe donker het daar, zelfs ook in de oogen
der Russen, moet uitgezien hebben, bewijst onder anderen de naam,
dien zij van oudsher aan de, door de Litauers bevolkte bosschen en
moerassige landschappen gaven, aan die wildernissen, die nooit de
zetel eener beschaving geweest zijn, waarin zich nog heden ten dage,
kudden der elders overal uitgestorvene wilde ossen ophouden. De Russen
noemden die oorden: _Zwart-Rusland_.

In die vereeniging met een meer ontwikkeld, krachtiger en reeds sedert
lang christelijk volk, werden de voornaamste klassen onder de Litauers
gedenationaliseerd, gepoloniseerd en, ten minste in naam, Katholieke
christenen. Sedert dien tijd zijn adel en stadbewoners in dat
voornaamste gedeelte van Litauen, in zeden, denkwijze en taal geheel
Poolsch geworden, en zijn ook, zelfs na de uitbreiding der Russische
heerschappij over het geheele land, tot nu toe Poolsch gebleven.

Even als in het eigenlijke Litauen, _vele_ in dat land te huis
behoorende geslachten in het Polendom opgingen, zoo zijn in het
Letten-land, dat is in Koer- en Lijfland, ten minste menigen in het
Duitschdom opgegaan. Het Duitsch sprekende burgerlijke gedeelte der
bevolking van de steden dezer Lettische landstreek, is gedeeltelijk
van Lettische afkomst. Ja! ook onder den Lijflandschen adel, wiens
voorouders anders meestal in Westphalen, in het Bremensche en andere
streken van Noord-Duitschland gezocht moeten worden, bevinden zich
eenige oorspronkelijk inheemsche geslachten. Zoo b.v. zouden de
Vorsten Liesen van een Lettischen aanvoerder "Kaupo" afstammen.

Alleen de oorspronkelijke plattelandsbevolking in de genoemde streken
is de oorspronkelijke taal en gewoonten van den stam onveranderd
trouw gebleven, en leeft nog, ofschoon zij in strenge afhankelijkheid
gehouden wordt, en van den eenen kant met het Duitsch overtrokken,
aan de andere zijde door Poolsche en Russische nationale elementen
overdekt is, een geheel eigenaardig en in Indië zijn wortel hebbend
leven; niet ongelijk aan dat der bijen, spinnen en andere dieren
van lagere orde, die onder eene op haar nedergestorte rots, hun
leven leiden. Trots het bij hen ingevoerde christendom, vindt men in
hunne zeden en gebruiken nog veel heidensch. Ook hierin herinneren de
Litauers en Letten aan Indië. Even als de Hindoe's, hebben zij altijd
onder vreemde opperheerschappij gestaan, en toch even als deze, ten
minsten in de lagere volksklassen, aan hunne zeden en hun voorvaderlijk
geloof, met eene hardnekkige taaiheid eeuwen lang vastgehouden,
ofschoon zij wederom geene geestkracht bezaten, en het hun daardoor
ook nooit gelukte, hun nationaal-type ook op eenige andere natie te
drukken. Ten gevolge van dit gebrek aan énergie, hadden ook de hoogere
klassen der Litauers, en hunne Vorsten en hun hof, reeds gedurende,
den tijd der staatkundige grootheid van hun stam, Russische taal en
zeden aangenomen, die zij later weder tegen de Poolsche omruilden.

Ofschoon zij in Litauen zelf den Katholieken godsdienst, in Pruissen,
Koer- en Lijfland echter het protestantisme omhelsden, en ofschoon
onder hen zelven menige stam-verscheidenheid en tallooze variaties
in tongval, kleeding en gebruiken bestaan, zoo zijn toch nog heden
ten dage alle opmerkingen, die men over hen gemaakt heeft, zoowel
over de Litauers, die voor de poorten van Koningsbergen wonen, als
over die aan den Duna en aan het Peipus-meer, alsook over die bij
Wilna en aan den Niemen, zoo bijzonder overeenstemmend, dat men wel
inziet, dat men overal splinters van hetzelfde blok, een en dezelfde
nationaliteit voor oogen heeft.

De nuancen hunner taal zijn niet grooter, dan die onder de verscheidene
Duitsche dialekten. Hunne poëzie heeft overal een gelijksoortig
gronddenkbeeld, behandelt gelijksoortige onderwerpen op gelijksoortige
wijze, en Duitsche letterkundigen, die hunne tradities in Gumbinnen in
Oost-Pruissen opzamelden, stieten op letterlijk dezelfde verdichtingen
en sagen, ja dikwijls op letterlijk dezelfde verzen, uitdrukkingen
en gedachten, als de Russische literatoren, die aan het meer Peipus
dergelijke Lettische of Litauische bloemlezingen vervaardigden.

In hunne kleeding, ofschoon deze dikwijls in kleinigheden bijna
in iedere landstreek verschilt, hebben zij toch in de hoofdzaak
overal dezelfde voorliefde voor zekere kleuren en vormen, denzelfden
nationalen smaak en snit, die van dien der Russen, Polen, Finnen
en Duitschers merkelijk afwijkt. In de wijze waarop zij hunne huizen
bouwen, hunne gereedschappen vervaardigen, is overal een gelijksoortige
stijl, welke van dien der Russen en andere naburen zoo zeer afwijkt,
dat men b.v. met een enkelen oogopslag, een Russisch huis of dorp van
een Lettisch of Litauisch onderscheiden kan. Ditzelfde valt omtrent
hunne gebruiken en gewoonten bij bruiloften, begrafenissen en andere
gebeurtenissen in het leven op te merken.

Wat hun lichamelijk voorkomen aangaat, verschijnen de Litauers en
Letten als een goedgevormd slag van menschen. Zij zijn over het geheel
genomen grooter dan hunne naburen de Finnen, en men vindt vele lange,
hooge gestalten onder hen. Hun gelaat draagt schier geene sporen van
het Mongoolsche type, dat bij de Russen zoo duidelijk spreekt. Ook
bezitten zij niet die vlugheid en lenigheid, die den Russen en anderen
Slawen eigen is. Hunne vrouwen bezitten in den regel, een frissche
vroolijke gelaatskleur en eene zachte liefelijke schoonheid. Naar hun
geheelen lichaamsbouw is men eerder genegen de Letten tot de Germanen,
dan tot de Slawen te rekenen.

In hunne kleeding zijn ze vermoedelijk even ouderwetsch als,
naar hetgeen hierboven vermeld is, in hunne taal. Wat de Duitsche
kroniekschrijvers, voor 500 jaren, over de kleeding der oude Litauische
Pruissen mededeelden, geldt nog heden ten dage van hen. Dit is trouwens
zeer natuurlijk bij een volk, dat op het gebied van kleeding geene
kunstenaars bezit, bij hetwelk niet alleen het winnen en de eerste
toebereiding der stof, maar ook hare fatsoeneering en vervaardiging
eene familie-aangelegenheid is; waar de dochter des huizes zingende,
als Penelope het weeftouw in beweging brengen, en de vrouwen
zelve, evenals de echtgenoote van Odijsseus, die fraaie kleederen
vervaardigen, de broeders en vaders eigenhandig de pelzen bereiden,
en de knapen hunne schoenen zelf snijden en maken. Konden wij maar
onze kleermakers afschaffen, en wilden onze zusters, dochters en
vrouwen voor ons weder spinnen, weven en naaien, dan zouden wij ook
weldra een vast nationaal kostuum hebben.

Men heeft bij de naakte, wilde natiën opgemerkt, dat die, welke zich
bijzonder prachtig tatoueeren, gewoonlijk ook een trotschen en koenen
geest hebben. Bij de van kleeding voorziene volken, kan met betrekking
tot hunne kleedij eene dergelijke opmerking gemaakt worden. De moedige
Hongaren, de ondernemende Russen, de levendige Polen, hebben allen
een zeer opgeruimd en schitterend nationaal kostuum. De nationale
kleederdracht van het "_pacatum genus_" der Litauers en Letten, heeft,
zoo oud zij is, niets bijzonder in het oog vallends, niets elegants of
zwierigs in kleur en snit. Hunne lievelingskleur is nu nog, evenals
in de heidensche oudheid, wit en lichtgrijs. Niet alleen de mannen,
maar ook de vrouwen kleeden zich meestal met flauwe kleuren. Zij vormen
daarin een groot contrast met de levendige Russen, die in den regel
veel van bonte kleuren houden, en zelfs liever groene en roode dan
witte hemden dragen. Dit gemis aan scherpte, dit gebrek aan kleuren,
schijnt eene weerkaatsing te zijn van den lauwen, weekelijken, weinig
levendigen en weinig hartstochtelijken zin der Letten. Als iets van
het vúúr, dat zijne naburen bezitten, hem éigen was, dan zou hij
daarvan wel iets in de kleur en de manier van kleederdracht toonen,
evenals de tijger dat in zijne gevlekte huid doet.

In de vervaardiging van hun schoeisel zijn zij niet meer vooruitgegaan,
dan de Indianen van Canada; het bestaat gewoonlijk slechts uit een
zacht stuk leder, dat door eene lis om den voet vastgesnoerd wordt,
of ook wel uit een vlechtsel van linden- en wilgen-bast, dat zij
"_passeln_" noemen. Met lichten tred loopen zij daarmede over de
moerassen van hun land heen, waarin de zwaar gelaarsde Pool of
Duitscher dikwijls zou blijven steken. Daarentegen zorgen zij meer
voor eene stevige bedekking der hand, dan zij zulks voor den voet
doen, en men zal moeielijk een volk op aarde aantreffen, waar de
handschoen eene zoo groote rol speelt dan bij de, _in dit opzicht_
zeer bijzondere, Letten en Litauers. De herdersknapen, die achter
de ossen en paarden loopen, de houthakker in het bosch, ja, zelfs de
staljongen, zijn allen altijd "_bien ganté_." Waar zich de eene Lette
aan een anderen verhuurt, daar wordt telkens het aantal der te leveren
handschoenen vastgesteld, vier paar 's jaars voor den ganzenhoeder,
acht paar voor den eersten knecht enz. Handschoenen zijn dientengevolge
bij hen ook vaste feestgeschenken geworden. Zoo worden zij den gasten
als een geschenk, als eene ridderorde, aan den jas vastgespeld,
gewoonlijk tegelijkertijd met een eveneens ruim versierden, met rood
garen omzoomden handdoek, het symbool der zindelijkheid. Eene bruid
moet voor haren huwelijksdag wel eenige honderd paar handschoenen en
handdoeken gereed hebben.

In hunne _woningen_ zijn zij vermoedelijk niet minder primitief dan
in hunne kleeding. Boven is reeds opgemerkt, dat, bij de schrijvers
der ouden, eenige aanduidingen over hunne gebouwen voorkomen, die nog
heden geldig zijn. Zij huizen gewoonlijk in op zich zelf staande,
verstrooide boerderijen. Want de weinige lust tot gezelligheid
dezer menschen, liet hun niet eens tot het vormen van dorpen en
dorps-gemeenten geraken, zooals die bij de Russen en bij alle Slawen
van oudsher schijnen bestaan te hebben.

Ver van de sloten en lusthoven, die de Poolsche, Russische en Duitsche
edellieden bij hen gebouwd hebben, ter zijde van de wegen, die de
vreemde veroveraars aanlegden, daar, waar de wegen en paden van het
land, slechts aan de in het mos nauw zichtbare sporen van wagens en
paardenhoeven, te herkennen zijn, en zich in de bosschen en moerassen
verliezen, daar begint het eigenlijke vaderland der landskinderen,
daar liggen hunne kleine, onaanzienlijke landhoeven, beschut door
eenige oude eiken of berken, of in plaats van door vruchtboomen,
door hooge pijnboomen omgeven.--Even als overal in het Noorden, ook
bij de Russen en Zweden, zijn hunne huizen uit over elkander liggende
en in elkander ingelatene balken gebouwd, maar zij zijn weder geheel
anders geconstrueerd dan deze.

Al de gebouwen der boerderijen liggen in een cirkel, waarbinnen zich
eene ronde binnenplaats bevindt. Alles is even eenvoudig, even klein,
met stroo gedekt, naar buiten zonder eenige versiering en zonder
vensters, maar ook van binnen zijn er deze slechts weinige. Het geheel
ziet er uit, als een kleine houten burgt voor bange menschen, die
zich tegen de ruwheid van het klimaat (en der menschen?), evenals de
slakken zoo diep mogelijk in hunne woning verbergen. Langs een smallen,
hobbeligen weg, aan weerszijden met hooge heggen beplant, komt men
tot de uit balken in elkander geslagen deur der boerderij. Daar binnen
ziet het er bont genoeg uit, en alles is, evenals bij de Lilliputters,
zeer in het klein.

Het gebouw bestaat uit eene menigte kleine afdeelingen, kamertjes
en hokken. Daar is het gemeenschappelijke woonhuisje, dat door een
paar vensters wat in het oog valt; daaraan sluit een ander huisje
"_Kleete_" genaamd, voor de kleederen, het lijnwaad, den voorraad
boter, vlas en koren van den huisheer; een andere "_Kleete_" voor
het huisraad van den knecht, een derde voor de meiden; dan is er
nog een klein schuurtje voor de sleden en wagentjes, voor de lompe
ploegen en landbouw-gereedschappen; een afzonderlijk huisje, dat wij
het best met een duiventil kunnen vergelijken, voor het droogen van
kaas; vervolgens nog een koren-droogoven, eene zoogenaamde "_rige_"
voor het droogen en het dorschen van het koren; gewoonlijk ook nog
een vertrek voor stoombaden in de koude winters, zooals men die
bij de Finnen en Russen aantreft, en somwijlen ook een ijskelder
voor den heeten zomer. Bovendien nog eene massa andere kamertjes en
hokjes, die zich naast elkaar bevinden als de kajuiten in een schip;
een stalletje voor de schapen, een ander voor de kleine, magere,
meest horenlooze koeien, en wederom andere voor de even kleine en
ongelooflijk geplaagde en daarbij duurzame paarden; een afzonderlijk
stalletje voor het rijpaard van den huisvader, een ander voor de
paarden van den knecht, en nog een ander voor andere paarden, want de
paarden en het rijden, zoo te paard als in een rijtuig, speelt bij
deze menschen nog eene even groote rol, als waren zij pas van Azië
naar Europa heengereden. Naar hun werk op het veld gaan zij òf te
paard, òf in rijtuigen en sleden; naar de kerk gaan alleen zij die
er het dichtst bij wonen te voet, de meesten echter te paard of op
wagens. Wanneer hier of daar eene boodschap moet gedaan worden, zetten
zich de knapen, en ook de meisjes die hier bijna evenveel rijden als
de mannen, in den zadel, en rijden daarheen waar wij, die veel van
te voetgaan houden--reeds Tacitus duidt ons als voetgangers aan--als
Merkurius, de sandalen of waterlaarzen zouden aantrekken. Schuifkarren,
draagkorven, handwagens, en dergelijke Duitsche uitvindingen, komen
in de huishouding der Letten niet voor, terwijl men bij de Duitschers,
de menschen met kruiwagens en draagkorven dikwijls verre reizen maken,
en als het ware geheele winkels op hun rug dragen ziet.

De Letten transporteeren zelfs de kleine hoeveelheden melk, die
hunne magere koeien geven, het pondje boter, het hoopje vlas, het
bundeltje hout, dat zij als "houtdieven" uit het bosch van hunnen
heer haalden, op den wagen, en om een paar hazen naar de markt te
brengen, spannen zij twee hunner paardjes in. Vroeger--zoo gaat de
sage onder dit volk--waren de menschen veel grooter, waren het ware
reuzen en daarbij verschrikkelijk sterk, en "zij torschten zulke zware
lasten, als men nu nauwelijks durft te zeggen". Later echter werden de
menschen van jaar tot jaar zwakker en "wij zullen nog zoover komen,
dat wij in dwergen veranderen en met ons zevenen aan een stroohalm
moeten trekken". Dergelijke sagen treft men, wel is waar, ook wel bij
andere volken aan, maar bij de tegenwoordige Letten komen zij recht
te pas en schijnen zij reeds half in vervulling gekomen te zijn.

Ook hunne dooden _dragen_ zij niet als wij ten grave, zij zetten ze
op een met paarden bespannen slede, en rijden zoo met den doode in
snellen draf over de sneeuwvlakte en door de wouden naar het kerkhof
heen. Treurende mannen en vrouwen jagen er te paard, onder het prevelen
van klaagliederen, achter aan. Veelvuldig en bij allerlei gelegenheden
ziet men dus karavanen sleden en wagens door het land trekken, en
bereden mannen, knapen en vrouwen over de velden jagen. En dit is niet
alleen van toepassing op Koer- en Lijfland en op de Russische Litauers,
maar dergelijke tooneelen en zeden neemt men ook in Oost-Pruissen waar.

Even als het paard onder de dieren, zoo speelt de berk onder de
boomen de voornaamste rol in de huishouding en den landbouw der
Litauers en Letten. Hunne tafels, hunne kroezen, emmers, vaten,
kortom het grootste gedeelte hunner gereedschappen zijn vervaardigd
van het taaie berkenhout, dat zich zoo fraai en gemakkelijk op
de draai- en schaafbank laat bewerken. Hunne sleden loopen over
lijsten van berkenhout, de velgen der raderen zijn van hetzelfde hout
vervaardigd. Aan de elastieke berkentakken worden ook de schommelende
kinderwiegen opgehangen.

De schors en de bast van den berkenboom zijn zeer taai en laten het
water niet door. Zij nemen daarom dikwijls de plaats van het leder in,
korven, goten, flesschen en drinknappen worden er van gemaakt. En
bij het vervaardigen van daken op de huizen, wordt de schors der
berken in even groote hoeveelheden verbruikt, als bij de Indianen van
Noord-Amerika. Ook bevat zij die krachtige looistof, die het Noordsche
juchtleder zijne beroemde eigenschappen geeft. De ziekelijke uitwassen
van den berk, zijne zwammen, knoesten en de verharde vlechtingen zijner
plantenvezels dienen dikwijls de industrie van het land. Tonder,
kurken, sleutels en verscheidene andere kleinigheden worden er uit
vervaardigd. De lentesap uit den berk, wordt ook wel bij ons uit den
boom gehaald, maar meer slechts uit aardigheid. Bij deze Noordlanders
echter word de zaak ernstiger behandeld. Want in de lente is het
zoetachtige berkenwater niet alleen hun gewone drank, maar zij
vervaardigen er ook hunnen azijn van, en weten het ook weder hier
en daar tot eene stroop te verdikken, die hun tot suiker dient. In
Maart of April, als de sappen uit de wortelen opstijgen, worden in
alle krachtige berkenboomen gaten geboord, en met groote emmers,
vaten en bakken begeven de meisjes en knapen zich naar het bosch om
het begeerde vocht naar hunne voorraadkamers te halen. Zij hebben het
daarmede even druk als de wijngaardeniers bij den druivenoogst. Door
het bijvoegen van kruiden weten zij het berkensap een tijdlang goed te
houden, en tegen Paschen en Pinksteren hebben dan de armen, wien mede
of bier te kostbaar is, geen anderen feestdrank dan dezen palmwijn
van het Noorden.

De berk gaat, om zoo te zeggen met bloed en been, in de huishouding
dezer Noordsche volken over. Uit de vette wortelen van den boom winnen
zij hun teer,--zijne eerste, jonge, eenigzins bitter smakende knoppen
verzamelen zij, om met hun heilzaam planten-aroma de ledematen
hunner jichtigen te versterken,--uit de frissche, licht groene,
juist ontvouwde bladeren bereiden zij eene fraaie, gele verf,--en in
den herfst verzamelen zij weder de drooge bladeren van dezen boom,
om hunne divans of althans hunne bedkussens er mede te vullen.

Bovendien is de berk het voornaamste sieraad van een Lettisch
landschap. Hij omzoomt als een dunner voorhout overal de dichte
dennenbosschen, en is de meest voorkomende boom in de tuinen van het
Noorden, waar men haar gaarne kweekt, omdat zij in de lente het eerste
gewas is, dat tot het nieuwe leven ontwaakt, en reeds spoedig na het
smelten der sneeuw met zijn liefelijken, frischgroenen bladerensluier
getooid, daar staat. Ook in den herfst nog, voor de bladeren geheel
verbleeken en wegwaaien, verheugt zijn loof het oog door zijne
violette-, weerschijnende-, bruinroode-, goudgele kleuren. Even als
de berk in den tuin de boom der vreugde is, zoo is hij als treurberk
op de Noordsche graven, de met de menschen sympathiseerende boom
van den rouw.--Hier en daar vormen de berken op zich zelf staande
groote, vroolijke bosschen, door de Letten "_Behrsen_" genoemd, waar
een Ruysdael de liefelijkste gezichten voor zijne schilderijen zou
kunnen vinden. Zij hebben dikwijls veel van door de natuur aangelegde
parken. Deze "_behrsen_" zijn de geliefkoosde schuilplaatsen voor de
talrijke zangvogels van het land, die zich in de donkere eeuwenoude
wouden niet wagen. In hen huist de berkhaan en dikwijls ook de ree
en het reuzenhert van het Noorden, de eland, die gaarne het jonge
loof van den boom afknauwt.--De Letten zelven houden niet minder van
hunne "behrsen". In hunne liederen bezingen zij dikwijls den lof der
berkenbosschen, die in de lente en in den zomer op zon- en feestdagen
hunne gewone plaatsen zijn, waarin zij zich vermaken, dansen, en waar
zij ook aan de boomen hunne schommels hangen. Voor deze schommels,
die in het voorjaar even regelmatig als de bladeren zelve, in de
Noordsche berkenbosschen verschijnen, hebben de Letten eene even
groote voorliefde als de Russen. Als er niets te doen is, dan brengen
de meisjes, gedurende de heldere zomernachten, er uren lang zingende en
tusschen de boomen op- en nederzwevende, in door. Wellicht hebben hunne
voorouders op gelijke wijze in de palmbosschen van Indië geschommeld.

Even als in alle bovengenoemde zaken, in hunne kleeding en hunne
huiselijke inrichtingen, zoo hebben zij ook verder in hunne gewoonten,
in hunne levensbeschouwingen, in hun bijgeloof, in hunne gebruiken
bij begrafenissen, bruiloften en andere plechtigheden, veel overouds
en zeer eigendommelijks.

Hunne gebruiken bij bruiloften vooral, worden door de eerste en oudste
Duitsche schrijvers over het heidensche "Pruissen", in hoofdtrekken
juist zoo beschreven, als men ze nog heden ten dage in Koerland en
Litauen mede beleven en zien kan. Ik zal ze hier, als voorbeeld,
wat meer in bijzonderheden mededeelen. De jonge dochters der Letten
en Litauers beginnen reeds bij tijds, zich voor hun huwelijk,
eene gebeurtenis die haar allen dreigt en waarnaar zij allen in
stilte wenschen, voor te bereiden. In haar vrijen tijd, spinnen,
naaien en weven zij vlijtig, en verschaffen zich in den loop der
jaren een kleinen bruidschat van handschoenen, doeken en ander nuttig
huisraad. Hoort nu een jonge, trouwlustige knaap van een vlijtig, zedig
en niet zelden ook mooi meisje, heeft hij geinformeerd hoeveel ponden
wol zij bijeengegaard, hoeveel warme sokken enz. zij klaar, hoeveel
lammeren zij groot gebracht heeft, en voor alles, of daar ook een paar
koeien bij zijn, en heeft hij zich vervolgens, nadat hij dit alles
overwogen heeft, van de gevoelens zijner geliefde verzekerd, dan zendt
hij eerst naar het huis zijner uitverkorene een bruidwerver, die onder
allerlei ceremonieel met hoesten, kuchen en verlegene complimenten,
eene toespraak tot den huisvader richt. Met veel omwegen vertelt
hij vervolgens, dat hij voor een vriend een meisje, een goed vlijtig
meisje noodig heeft om te spinnen, te weven, te bleeken, te wasschen,
te breien en te naaien, te melken en te karnen. Hij heeft nog nergens
de rechte kunnen vinden, hij gelooft echter in dit hoog geachte en
zeer geroemde huis te moeten zijn. De huisvader of woordvoerder der
bruid bedankt voor het vertrouwen en de eer, en stelt vervolgens den
bruidwerver de meisjes van het huis voor. "Hier zijn meisjes genoeg,
zoek de uwe en neem haar!"--Daar de ware, om wie het te doen is, maar
die zich gewoonlijk even als Asschepoestertje beschaamd verscholen
heeft, niet onder haar is, zoo prijst de bruidwerver allen, die
hem voorgesteld zijn geworden. "Maar," zegt hij, "zij, naar wie ik
verlang, is er niet bij." Hij heeft gehoord, dat er nog een teeder
wezen in huis is, een ander lieftallig duifje, een vreedzaam lammetje,
een vroolijke ree, een sierlijk betooverend kindje, en die bedoelt hij
eigenlijk. Na vele verontschuldigingen, dat men niets van haar weet, en
nog verscheidene dringende pogingen en bemoeiingen van den bruidwerver,
wordt vervolgens de gezochte eindelijk, uit den eenen of anderen hoek,
voor den dag gehaald. Ontdekt en overwonnen, treedt zij eindelijk
bedeesd en beschaamd te voorschijn, en nadat zij het jawoord gegeven
heeft, en nog eenige andere punten vastgesteld zijn, geven vervolgens
alle partijen elkander de hand, en drinken zij elkander toe met een
glas mede of brandewijn, waardoor het verdrag bezegeld wordt.

Eenigen tijd daarna, verschijnt de vrijer zelf op een bontgetooid
paard, en legt zijn bezoek af, om de bekrachtiging te halen en
te geven.--Staat eindelijk de bruiloft voor de deur, dan noodigt
de bruid in persoon al hare verwanten daartoe uit en evenzoo de
bruidegom de zijne. Tot de trouwplechtigheid komen beiden, door hunne
beredene bloedverwanten omgeven, in twee afzonderlijke treinen aan,
die elkander bij de kerk ontmoeten, en na de plechtigheid zich het
eerst naar de woning der bruid begeven.

Het bruiloftshuis is met dennentakken, in den zomer ook met berkenloof
en met allerlei phantastische sieraden, die veel overeenkomst met
kroonlichten en kransen hebben, versierd. Dergelijke zaken weten
zij uit gras en stroohalmen zeer sierlijk te vervaardigen, en roode,
gele en witte bessen nemen daarbij de plaats in van edelgesteenten,
glas-kristallen of bloemen, die men in het Lettenland niet aantreft. In
het bruidshuis, treedt de bruidsjonker, waartoe een der vlugste knapen
gekozen is, op, en houdt eene aanspraak tot haar, en vervolgens nemen
de feesten en maaltijden een aanvang, iets wat niet zelden drie dagen
en drie nachten duurt.

Bij dit feest speelt de bruid zelve wel de voornaamste, maar ook
de treurigste rol. Op haar mooist aangekleed, gaat zij aanhoudend,
en zooals zulks haar plicht is de aangename gastvrouw spelende,
tusschen de gasten door. Maar, terwijl zij hun de mede toedient,
vergiet zij menigen traan, tracht hun medelijden in te boezemen,
en toont zich zoo treurig als wachtte haar het zwaarste lot. De
smart, dat zij haar moederlijk huis, de plaats waar zij hare jeugd
doorgebracht heeft, nu verlaten zal, doet zich nu veel meer bij haar
gevoelen dan de vreugde, dat zij nu haren geliefde toebehooren zal.--De
ongetrouwde meisjes, hare vriendinnen, houden zich intusschen druk met
haar bezig en trachten haar te troosten. Door de getrouwde vrouwen
worden zij daarover bespot in verzen, die zij improviseeren en in
koor zingen. De meisjes antwoorden de vrouwen ook weder in verzen,
die zij eveneens in koor zingen, en op die wijze ontspinnen zich
formeele zang-gevechten en poëtische wedstrijden, die zij elkander,
aan lange tafels zittende, leveren.

In de verzen der eene partij wordt het huwelijk en de stand der
huisvrouwen geprezen, en met nadruk geëischt, dat de bruid door de
meisjes uitgeleverd zal worden. In de liederen der andere partij
daarentegen, wordt de jeugd en de maagdelijke staat geprezen, worden
de ruwe getrouwde mannen voor hard en wreed uitgescholden en de
vrouwen berispt. Somwijlen komen de zangeressen daarbij zoo in vuur,
dat zij van hare plaatsen opspringen en staande peroreeren, terwijl
zich dan de geheele rei op de maat van het lied op en neder beweegt,
of heen- en weerschommelt. Om de kracht te vermeerderen en de maat
voor het gezang duidelijker aan te duiden, slaan zij daarbij met een
klein met ijzer beslagen instrument, dat met schellen en kletterende
metalen plaatjes behangen is, op de tafel.

Slaat eindelijk het bittere uur, waarin de bruid het moederlijke huis
moet verlaten en naar dat van den bruidegom gevoerd zal worden, dan
bereikt de droefheid den hoogsten graad. Zij mijdt dan de gasten,
trekt zich terug, verschuilt zich; staat de reisslede eindelijk
gereed, dan ontdekt men haar ten slotte in de slaapkamer harer moeder,
op wier bed zij ligt te schreien. Slede en paard zijn met doeken,
bonte linten en pluimen versierd, en de schelklinkende bellen en de
het geheel omgevende ruiterschaar, verkondigen iederen voorbijganger,
dat het eene bruid is, die men ontvoert.

Even als de bruiloften, zoo worden ook andere gebeurtenissen in
het leven, even als alledaagsche zaken door de Letten in liederen
("_Dainos_" genaamd) verheerlijkt. Het hoofdthema voor alle dichters en
van alle liederen is meestal, de aan de bruiloft voorafgaande liefde.

De Letten behandelen dit thema met groote gevoeligheid en poëtischen
tact. Uit hunne "Dainos" spreekt eene zuivere zedelijkheid, eene hooge
achting voor betamelijkheid en voegzaamheid, die, vooral wanneer men
in aanmerking neemt het weinige, wat kunst en opvoeding daaraan voor
deel hebben, iemand werkelijk met bewondering vervult. "Ook geen
enkel lied," zoo luidt de merkwaardige uitspraak van den bekenden
professor Rhesa, die 13 jaren lang bij de Litauers liederen verzameld
heeft. "Geen enkel," zegt hij, "vindt men er onder, dat men ruw zou
kunnen noemen, dat ook maar in het allerminst de grenzen, door tucht
en zedelijkheid voorgeschreven, te buiten gaat. Veeleer komen daarin
overal trekken van het fijnste zedelijk gevoel voor, die even vele
waarborgen zijn voor de edele gezindheid van het volk, en den reinen
grondtoon zijner bestemming. De liefde is bij hen niets minder dan
een wilde hartstocht, veeleer een zeer teeder en kuisch gevoel. Eene
zachte melancholie, een treffende weemoed geeft eene eigenaardige,
weldadige tint aan al hunne liefde-liederen. Levendige schilderingen
der bekoorlijkheden van de geliefde, zooals bij de Zuidelijke dichters,
komen in de 'Dainos' dezer schuchtere en beschaamde minnaars van het
Noorden in het geheel niet voor. 'Vurige' of 'smachtende blikken,'
of zelfs 'een kus van roozeroode lippen,' zooals onze poëten zulks
in hunne verzen zeggen, zouden hun al te sterke uitingen van hun
gevoel toeschijnen, en zij laten dat alles uit hunne liederen weg;
evenals de Grieksche treurspeldichters alle, het zedelijk gevoel en
de oogen kwetsende zaken, van het tooneel verwijderden. Ja! de liefde
zelve heeft ter nauwernood een naam bij hen, en is nog dat heilige
geheim der natuur, dat hij, die het gevoelt, ter nauwernood durft uit
te spreken. En toch is alles in hunne gedichten even waar gedacht,
als diep gevoeld en zedelijk gehouden." (Rhesa.)

Ten bewijze van het hierboven medegedeelde, zal ik eenige proeven
van zulke bescheidene en gracieuse "dainos" of liefdeliederen der
Letten, die ik zelf eens bij dat volk verzameld heb, mededeelen. Ik
merk hierbij echter op, dat de geliefden elkander in deze liederen
gewoonlijk "zustertje" of "broertje" noemen. Ook de naam "_geliefde_"
schijnen zij dus te sterk te vinden. Hunne genegenheid is zoo zacht
als broeder- en zusterliefde.

"Zustertje! zustertje!" zoo zucht een Lettisch minnaar in een vers:


    "Kom in mijne woning en zie nu,
    Hoe ik mij wakend en slapend steeds kwel,
    In tranen steeds baad en--dit alles om U.--"


Dat zij echter, even als andere menschen, zeer goed een onderscheid
tusschen broeder- en zusterliefde en dat andere gevoel kennen, blijkt
ons onder anderen uit het volgende vers, waarin een minnaar zijne
eigenlijke zuster en zijne geliefde met elkander vergelijkt:


    "Zoet is de boschbezie,
    Maar zoeter nog de aardbezie.
    Mijn zuster heb ik schrik'lijk lief,
    Maar meer toch nog mijn hartedief!"


Even als ook andere dichters, leggen zij dikwijls gevoelens, waardoor
zij zelve bezield zijn, voorwerpen in de natuur waarmede zij omgaan,
bloemen en boomen waaronder zij eenzaam wandelen, in den mond:


    "Ik beluisterde mijn appelboom, toen hij 't volgende bad:
    Als de herfstmaand komt, dat dan een meisjelief moge
    Van mijn takken plukken, heel de appelenschat;
    Daarna haar garen aan mijn takken doe droogen."


Eigenaardig en teeder--maar psychologisch zeer natuurlijk--is de
oorzaak en de grond tot de liefde, die een meisje in de volgende
verzen aangeeft:


    Ik breide onlangs een handschoenenpaar!
    Zal ik ze aan mijn broedertje geven?
    Neen! ik schenk ze dien goeden jongling maar,
    Die mijn moeder zoo roemt om zijn leven.--


Zij laten in hunne "dainos" veel _raden_, wat zij niet bepaald
uitdrukken, zooals b.v. in de volgende verzen geschied is, waarin een
meisje, dat ziek is van liefdesmart en verlangen, door het bezoek van
den geliefde en de eindelijke toestemming en verloving genezen wordt:

Door berkenboschjes, door pijnboomenwoudjes droeg mij mijn paardje,
mijn bruintje, naar het huisje van mijn schoonvader. "Een fraaie dag,
een fraaie avond, geliefde schoonvader! Hoe maakte het mijn zusje? wat
doet mijn jong meisje?"--"Ziek is het meisje, ziek, ach! zeer
ziek! ginds boven in de nieuwe kamer, in haar wit bedje!"--Daar, in
den tuin! en voor de deur weenende, wischte ik de tranen uit mijne
oogen; ik greep hare hand en stak er het ringetje aan. "Gaat het u
zoo niet beter, mijn liefje?" "Ha! zal uw hart u nu niet genezen?"

De vele in die verzen telkens voorkomende diminutiva zijn bij de Letten
bijzonder in trek. Deze weekelijke, eenigzins vervrouwelijkte menschen,
die, zooals ik boven reeds opmerkte, ook in hunne huishouding, zooveel
Lilliputachtigs hebben, bij wie alles, gedachtengang, gezichtskring,
phantasie en gevoel om zoo te zeggen van kleinen stijl is, die
van alles hier op Aarde slechts een klein weinig bezitten, bij wie
ook in natuur en land alles zoo armoedig en niets in overvloed is,
die ook naar hun bedeesden aard, zoo gaarne vleien en liefkoozen,
zijn de grootste vrienden van verkleiningswoordjes. Zij hebben eene
menigte aanhangsels in hunne taal ontwikkeld, om verkleinings-vormen
te maken en zij verkleinen daarmede alles: zelfstandige naamwoorden,
werkwoorden, bijvoegelijke naamwoorden en bijwoorden.--Als men hen
hoort spreken, is het, of zij alles door een verkleinglas bezien. Zij
verkleinen zelfs nog die woorden, die reeds uit en op zich zelve iets
kleins aanduiden, en hunne bedelaars b.v. bidden niet, om "een stuk
brood" maar om "een klein stukje broodje." Zij verkleinen ook nog weder
de verkleinwoorden zelf, en hebben zooveel dubbel-verkleinwoorden, als
men moeielijk in eene andere taal zal aantreffen. Zoo b.v. beteekent
"_Matte_" bij hen "moeder", en daarvan maken zij door verschillende
aanhangels de verkleinwoorden: "_Mahtite_", "_Mahminja_" (moedertje)
en "_Mahmulite_" (klein moedertje). Van dit laatste vormen zij
weder het uiterst vleiende drievoudige verkleinwoord "Mahmulinga"
(heel klein moedertje). Hetzelfde is ook het geval met "_Meita_",
"_Meitscha_" en "_Meitschinga_" (meid, meisje en klein meisje).

Dit nu over de verkleinwoorden der Letten. Ik keer tot de "Dainos"
terug. Ik sprak boven over het verdriet der Lettische bruid bij het
afscheid van haar ouderlijk huis. Dit thema is door hen natuurlijk in
vele roerende verzen behandeld. Als proeve daarvan diene het volgende:


    Waarom toeft gij meisje! hier zoo alleen?
    Waarom 't hoofdje in de hand, schatjelief! spreek?
    Zijt ge niet prettig gestemd of tevreên?
    Is ook uw hartje soms ietwat van streek?
    'k Ben zeer vrolijk en tevreên bovendien,
    Ook mijn hartje is kalm en vol van de vreugd!
    Maar toch kan ik wel eens bedrukt om mij zien,
    Want heden toch eindigt mijn jeugd.
    O! mijn kransjelief! schoone bruidskrans!
    Steeds zal 'k U bewaren zorgvuldig en goed.
    Leef wel, moederlief! 'k neem afscheid thans,
    Vaartwel, broeders, zusters, 't ga U allen goed!


In de volgende verzen wordt de smart der bruid nog onbestemder,
algemeener en daardoor nog poëtischer uitgedrukt:


    Wat huilt de wind, wat zucht het woud!
    Wat zwaait de lelie op en neêr!
    Doch de wind, zij huilt noch loeit in 't woud
    Noch zwaait de lelie op en neêr!
    De teedere maagd, het meisje weent,
    Haar bruidskrans slingert heen en weer.
    Hebt ge over uw moeder geweend?
    Of treurt ge om uw zuster zoozeer?
    Of kindlief, betreurt g'uw maagdelijken tijd?
    Ik beween mijn goede moeder niet,
    En betreur mijn lieve zuster niet,
    Maar ik beween, betreur mijn maagdelijken tijd!--


In tallooze verzen van dit soort en met menigerlei variatie, mengen
zich de snaren treurende onder het vroolijke huwelijksfeest. In
de ziel van dit altijd zoo ongelukkige volk, dat altijd
zoo'n hard lot te verduren had, wortelt een diep melancholisch
element. Hunne halve literatuur bestaat uit zoogenaamde "_Raudas_"
of klaagliederen, afscheidsliederen, grafgezangen en in verzen
gebrachte verzuchtingen. Zij schijnen zich zoo recht te goed te doen
in de poëtische beschouwing der weemoedige en smartelijke zijden en
gebeurtenissen van het leven.

In de aan hunne afgestorvenen gewijde verzen, zijn zij gewoon deze
complimenteus aan te spreken en hun vele verwijtingen te doen, dat
zij de hunnen in den steek gelaten hebben.


    Waarom gestorven, moedertjelief?
    Hadt ge geen levend dochtertje meer?
    Waarom vertrokken, moedertjelief?
    Was mijn verpleging niet zorgzaam en teêr?
    Sta op! sta op toch! moedertjelief!
    Ik zal uw graf van zijn zoden ontdoen.


En dan ontwaken de dooden uit het graf en trachten de achtergeblevenen
te troosten:


    Wie beweent mij boven op aarde?
    Wie knielt op mijn grafheuvel neêr?
    Dochterlief! ga naar huis, mijn waarde!
    Waar een ander' moeder toch weêr,
    't Haar van uw hoofd zal opmaken willen,
    Waar een jongling zal spreken van liefde,
    En daarmêe uw tranen zal stillen.


Tot eene zeer rijke verzameling treurdichtcn onder de Letten heeft
voornamelijk eene nu regelmatig van tijd tot tijd terugkeerende
ramp, de Russische recruten-lichting, aanleiding gegeven. Ofschoon
zij zich, zooals reeds opgemerkt is, in geval van nood en wanneer
het hun vaderland gold, dapper genoeg geweerd hebben, zoo is toch
dit herders- en landbouwersvolk, van nature en uit eigen beweging,
zeer weinig oorlogzuchtig en ondernemend. Zij hebben, zooals reeds
ter loops aangemerkt is, zelfs geene overleveringen van vroegere
helden. Hunne poëzie is zoo weinig heroïsch, zoo zuiver idyllisch
als die der Arkadische herders. Als natuurkinderen, zonder eenigen
zin voor politiek, zijn deze geheel onstaatkundige menschen aan
den zeer beperkten kring van hunne geboorteplaats en hunne familie
gehecht. Wanneer derhalve de Russische werver zijne trom roert,
om de landskinderen onder de keizerlijke vanen te verzamelen en
hen de wijde wereld in te voeren, dan rilt, om zoo te zeggen, het
geheele land. Het geheele volk baadt in tranen, en overal hebben de
treffendste en hartroerendste tooneelen plaats, welke hij, die ze
eens zag, nimmer weder vergeet.

Het einde der treurliederen bij het afscheid van de tegen hun zin ten
oorlog trekkende jongelingen, is gewoonlijk, dat de zusters klagende
naar den tuin gaan, om den hoed van hunnen broeder voor het laatst met
bloemen te versieren. Terwijl zij dien tooien, vragen zij hem weenend:
wanneer hij terugkomen wil? en de wanhopende broeder antwoordt haar
in troostelooze beelden: _dan_ zal hij terugkeeren,--als de palen
der omheining bloeien,--als de steenen verrotten--als de keien op het
water drijven--en als de veeren naar den bodem van het water zullen
zinken. Hij neemt dus afscheid voor eeuwig.

Als proeve van een dergelijk lied, moge den lezer het volgende dienen,
waarvan echter het beloop eenigzins anders is, waarin de zusters het
lot van den broeder profetisch vooruitzien, en al het verschrikkelijke
van den slag, als zagen zij alles in een droombeeld, uitschilderen. Ik
moet nog opmerken, dat de in dit vers voorkomende "mees" dikwijls de
profetische vogel der Letten is.


    Klagend klinkt der meezen gefluit,
    Dicht onder 't raam van den broeder:
    Zuslief! ga en hoor toch eens uit
    Wat zij wel zegt van dien broeder?--
    Dit liedje zingt het meesje ons voor:
    Ten oorlog moet de broeder gaan!--
    O! zuslief! pluk dan bloemen, hoor!
    Steek die op broeders hoed, vooraan.--
    Zingend, maar ook weenend, smeekt hij:
    Zuslief! wil niet droevig wezen!
    Mij zult gij weerzien goed en blij.
    Mocht uw wachten vruchtloos wezen,
    't Paardje zult gij wederzien!
    Het paardje komt, helaas! wel weer,
    Maar broeder is er niet te zien.
    Toen het teruggekeerd was, weer
    Met stof bedekt zeer bovenmate,
    Vroeg ik het paardje vleijend af:
    Waar hebt ge uw ruiter nu gelaten?
    Ginder ligt de ruiter in 't graf,
    Waar men niets dan bloed zag stroomen,
    Waar de beenderen bruggen maken,
    Waar gelijk gevelde boomen,
    Vele lijken hopen maken.--


Ook de dagelijksche taal der Letten is vol klagende tusschenvoegsels,
zuchten en jammerkreten, rijk aan uitdrukkingen voor ellende, zorg,
verdriet, weemoed, kommer en gebrek, zoomede aan woorden om verzoeken
en smeekbeden uit te drukken. Daar zij altijd een treurig nationaal-lot
hadden, daar zij ten allen tijde vreemde gestrenge Heeren boven zich
zagen, wier genade en medelijden zij afsmeeken moesten, zoo is onder
anderen het gezegde: "Erbarm u!" bij hen stereotiep geworden, en wordt
het zelfs daar gebruikt, waar van medelijden volstrekt geen sprake is,
en waar anderen eene andere uitdrukking zouden gebruiken. Zij zeggen
b.v. "Erbarm u! wat regent het van daag!" of ook "Erbarm u! gij zoudt
iemand zich dood doen lachen!"

Ja zelfs de zoogenaamde jubelliederen der Letten, die vreugde moeten
uitdrukken, zijn door min of meer melancholieke melodiën vergezeld,
die als treurmuziek klinken. In de heldere zomernachten, omstreeks
St. Johannes, wanneer op alle heuvels en aan de oevers van alle
rivieren, de zingende maagdenscharen zitten; wanneer de herders al
zingende het vee naar de weiden drijven; wanneer de paardenhoeders,
zich tegen middernacht, rondom hunne wachtvuren, zingende aan den
zoom van het woud verzamelen, dan klinken deze murmelende melodiën
over het geheele landschap heen, even als in het land der Kozakken het
klaaggeschreeuw der krekels en kikvorschen, en de geheele landstreek
schijnt dan hem, die dit geneurie--onbewust, dat het hier eene
uitdrukking van vreugde is--hoort, als gehuld in een somber treurwaas
van muzikale klaagtoonen.

Zekerlijk mag men dit alles slechts over het geheel en in het algemeen
aannemen. Ik geef hier natuurlijk slechts den _grondtoon_, die in het
geheel merkbaar is, en de meest in het oog vallende kleur aan. Want
geen een volk is zoo door God en de natuur verlaten, dat hem geheel
alle vroolijkheid van gemoed ontbreekt. Tusschen hun nachtelijk
geneurie heen, hoort men somwijlen zeer vroolijke, zeer aangename en
zeer bekoorlijke wijzen en melodiën, die echter--vreemd genoeg--nog
niemand op noten gebracht heeft. Ook in hunne spreekwoorden en in
hunne puntdichten, waarvan zij er zoovele bezitten, toonen de Letten
genoeg, dat het hunnen geest niet aan kernachtigheid, hun verstand
niet aan scherpte en Attisch zout ontbreekt.

Zij merken de zwakheden, ondeugden en belachelijkheden hunner
medemenschen zeer duidelijk op; bezitten even als alle onderdrukten,
zooals b.v. ook de Joden, eene besliste neiging tot satirieke bonmots,
tot het bespotten en uitlachen van anderen, en zijn daarbij uiterst
vindingrijk, zinrijk, somwijlen zeer bijtend. In het volgende vers
b.v. bespot een Lettisch meisje een jongen man, die haren vader
beleedigde, op pikante, lakonieke en treffende wijze:


    Met de stoute achterpootjes
    Sloeg een haasjen eens mijn vader,
    Gaarne had ik hem gewroken,
    Maar--door 't lachen ging het niet.


Vele hunner spreekwoorden zijn ook vol scherpe en bijtende satire
en zijn even vele bewijzen eener gezonde levens-philosophie. Uit
honderden, die voor de hand liggen, neem ik slechts enkele:

"Laat den duivel maar eerst in de kerk, dadelijk wil hij ook den
kansel bestijgen," luidt een hunner, dat de brutaliteit van een
Mephistopheles, die in dienst van de hel zich zelfs vermeet Gods
woord te prediken, zeer treffend aangeeft.--Een eenvoudigen sukkel
zonder eenige ondervinding kan men moeielijk beter uitduiden, dan
in de volgende spreekwoordelijke uitdrukking der Letten geschiedt:
"de goede man schijnt in eene ton grootgebracht en door het spongat
gespijsd te zijn."--In eene andere spreekwijze drukken zij zeer naïef
en duidelijk ons "schoenmaker blijf bij uw leest," uit. Zij zeggen:
"het schaap wenscht zich hoorns, maar het hert geeft ze hem niet."--Het
Lettische "met een gouden hengel visschen" herinnert ons aan het
Duitsche "met een zilveren spinnewiel spinnen."--Dat men den duivel
niet op den muur uitteekenen moet, leeren zij in de volgende spreuk:
"roep den wolf maar, en hij is er al." Ons "van den regen in den drup,"
is bij hen niet minder veelbeteekenend en eigenaardig uitgedrukt in:
"hij vluchtte voor den wolf en liep den beer in den muil."

Het Duitsche: "schrijf de schuld in den schoorsteen" heet bij hen:
"dat betale de spade" (namelijk de grafspade, de dood). Vergelijkt
Salomo de spraak bij een tweesnijdend zwaard, de Letten zeggen van
haar: "de tong hakt om zich heen als eene bijl, de tong hangt op als
een strik."--Hem, die eene oude verbintenis lichtvaardig breken wil,
waarschuwen zij met het zeer begrijpelijke en uit het dagelijksch
leven gegrepene beeld: "afgesneden brood plakt gij moeielijk weder aan
een." Niet weinig pikant zijn nog de volgende spreekwijzen der Letten:

"Toon hem uw open hart, hij zal u den rug toonen," (van iemand,
die zijn hart bij een hardvochtig mensch uitstort).

"Vraag den wolf om het lam," (bij een vergeefsch verzoek, dat men
tot een onbarmhartig mensch richt).

"Hij zoekt het paard, waarop hij rijdt," (van een ontevredene, die
zijn geluk miskent).

"Daar blijft de goudberg der rijken, daar blijft de bedelzak der
armen," zeggen zij van het alles gelijkmakende graf.

Bestudeert men dezen door de Litauers en Letten in woorden gebrachten
schat van levenswijsheid,--beschouwt men het fijne, dat hunne taal
aanbiedt, fijnheden, die niet anders dan de uitdrukking van een
even fijnen volks-geest kunnen zijn, overweegt men de vele echt
dichterlijke gedachten in hunne liederen en "Dainos," die echter als
_membra disjecta_, (verstrooide ledematen) als verstrooide steenen
over het land verspreid liggen--ontdekt men ook de talrijke talenten
en gaven, wier kiemen duidelijk bij deze menschen zichtbaar zijn,
hunnen in kleinigheden zoo vindingrijken geest, hun buigzaam wezen,
dat zoo gemakkelijk het een of ander opneemt, dan mag men zich wel
met recht afvragen, hoe het toch gekomen is, dat bij dit volk zulk
een aanleg nooit tot een krachtige ontwikkeling gekomen is, dat
die _membra disjecta_ nooit tot een samenhangend geheel vereenigd
geworden zijn.--Vele hunner lessen van wijsheid zijn een Uilenspiegel
of een Esopus, ja zelfs een Sokrates niet onwaardig. Verscheidene
hunner dichterlijke beelden en uitdrukkingen zijn zoo treffend
en dichterlijk, dat geen Ovidius of Tibullus zich hun gebruik had
behoeven te schamen. Meer dan één groot dichter schijnt om zoo te
zeggen in deze geheele massa opgelost voorhanden, even als de parel
in den beker van Cleopatra. En toch is nooit, noch een Shakespeare,
noch een Goethe, noch een Tibullus of een Ovidius bij hen uit die
massa geconcentreerd en nedergeslagen geworden. Bij de Duitschers
vindt men nu eens een paar millioen prosaïsche boersche zielen,
en dan weder een Uhland of een Schiller als een Blocksberg in de
vlakte. Bij de Letten schijnt het dichterlijk bloed overal verspreid,
bijna ieder heeft er min of meer talent voor, maar men treft er geene
boven allen uitmuntende, geene opzien barende geniën. Het is alles
als van een gereten en verbrokkeld. Een jachtsneeuw van vlokken en
toch geen gletscher. Het is een uitgebreid veld met kleine boschjes,
waarin de vinken slaan. Nergens echter verheffen zich hooge boomen
waarin adelaars nestelen.

De Koerlandsche, Lijflandsche en Poolsche heeren zijn, in hunne
dagelijksche gesprekken, altijd vol aardige anekdoten over hunne
Litauische en Lettische boeren; vertellen veel van schrandere
invallen en scherpzinnige opmerkingen, die deze gemaakt hebben; van
de vindingrijke wijze en kunstgrepen, waarmede zij zich spoedig uit de
verlegenheid geholpen hebben, en waarbij onze boeren om zoo te zeggen,
de handen en voeten in den weg zouden staan; van roerende trekken,
waarin zij de grootste aanhankelijkheid, trouw en liefde en andere
schoone eigenschappen van hun hart openbaarden. Ja, menig bewonderaar
van het Lettendom is tot de conclusie gekomen, dat dit volk door de
natuur tot de ontwikkeling der heerlijkste humaniteit en beschaving
bestemd schijnt geweest te zijn. Dit neemt echter niet weg, dat trots
deze veelzijdige begaafdheid, die hoogere humaniteit en beschaving
bij hen nooit doorgebroken of tot uitbotting gekomen is. Het volk is
altijd in Europa een obscuur en laag, zwak, rank gewas gebleven.

Niettegenstaande de vele wijze ouden, die men, evenals de leerlingen
van Plato, sprekende onder de Letten gevonden heeft, is toch nooit een
Plato onder hen opgestaan. Niettegenstaande hunne fraaie spreuken en
leefregels, hebben zij nooit een Lycurgus of Solon voortgebracht,
die hun eene vaste en zelfstandige nationaliteit gegeven en een
staatsgebouw opgetrokken heeft.--Bij al hunne bekwaamheid en hun
vindingrijk genie, is toch nooit iets blijvends, iets van ingrijpenden
aard bij hen gevonden. Ongeacht hunne neiging tot vrijheid en
onafhankelijkheid, die hun even als allen menschen eigen is, trots de
verwonderlijke hardnekkigheid, waarmede zij in oude tijden somwijlen
hunne vrijheid tegen Slawen en Duitschers verdedigd en ook later nog
dikwijls getracht hebben te herwinnen, hebben zij toch geen Mozes en
Jozua, die het volk een eigen en duurzaam huis gebouwd of veroverd
had.--Daartoe heeft hun een hoogere vlucht, een sterk geconcentreerde
energie, eene groote neiging zich met elkander te vereenigen, kortom,
een zeker iets ontbroken, wat eerst elken schoonen aanleg eener
natie ontwikkelt, en wat de groote en machtige volken vormt. Hoe
zich dit laat verklaren en waardoor dit komt, valt moeielijk te
zeggen. Op de vraag: waarom één volk machtig, rijk en groot wordt,
en waarom het andere zich nooit uit zijne moerassen en wouden tot het
daglicht opwerkt? vinden wij dikwijls geen meer voldoend antwoord,
dan op die: waarom de eene plant in de natuur een bloemrijke heester
blijft, terwijl de andere tot een eik of een vruchtdragenden boom
opgroeit?--Een Lettisch spreekwoord zelf zegt: "wie zich tot een lam
maakt, die wordt door den wolf verscheurd." Hebben zij begrepen, dat
dit woord op hun geheele volk past, en dat het daarom den buit van
anderen werd, omdat het niet, zooals de duigen van een goed wijnvat,
van ijzeren hoepels voorzien was?

Even als dat spreekwoord, zoo zou men ook de vele poëtische klaagtoonen
en treurliederen, die de Letten aan de arme weeskinderen wijden,
zeer goed op het geheele volk kunnen toepassen. "Arme verlatene
weeskinderen, tot wie niemand woorden van liefde richt, die niemand
hebben die hun tot voorspraak kan dienen; die in storm en sneeuwjacht
weenen en klagen, wier tranen alleen door de zon gedroogd worden,"
zijn beelden en tooneelen, die in hunne, boven door mij aangehaalde,
elegische "Raudas" zeer dikwijls voorkomen. Dit volk schijnt in zijne
weeskinderen eveneens zich zelven te bezingen. Eene dier Lettische
weeskinderen-Raudas luidt als volgt:

"Wij arme weeskinderen, aan den oever van een snelvlietend beekje
toevende, wachten onze moeder. O! wij treurende meisjes, verlatene
weezen, gewoon in bittere ellende te ontberen: niemand weet, hoe
droevig wij schreien. Alleen de zon weet het, die onze tranen met
hare warme stralen droogt. Alleen ons doekje weet het, waarmede wij
onze oogen afwisschen. Ach! zullen de moeders niet met den stroom
komen aandrijven?--Eeuwig stroomt het, eeuwig ruischt het. Maar de
kinderen wachten te vergeefs en snikken. Zuchtend en klagend gaan
zij hunnen weg."

Met die weeskinderen, welke zij zoo dikwijls bezingen, zeg ik, is dit
in geheel Europa vergetene, verweesde, onderdrukte en werkelooze volk
der Litauers en Letten te vergelijken. Zij verwachten de reddende
moeders van den stroom der tijden. Maar nimmer komen deze aandrijven.



FINNEN, LAPPEN EN SAMOJEDEN.


Door de onmetelijke wouden, aan de tallooze meren, over de
uitgestrekte, moerassige en dorre vlakten van het Noorden van
Europa--in de heuvel- en bergketenen, die ons werelddeel van Azië
scheiden en in de uiterste einden der Skandinavische Alpen, zoomede
aan de kusten van de Yszee, zijn eene menigte merkwaardige volken
en overblijfselen van volken verbreid, die allen in lichaamsbouw,
taal, zeden en ontwikkeling met elkander meer of min verbroederd,
en evenzoo van hunne zuidelijke naburen verschillend zijn, en die men
daarom kan beschouwen als tot eene en dezelfde volkengroep te behooren.

Reeds Herodotus, de vader der geschiedenis, schijnt een oppervlakkig
bericht aangaande het bestaan van deze kinderen van het Noorden,
misschien door tusschenkomst der in verre streken handeldrijvende
Grieksche kooplieden aan de Zwarte Zee, gekregen te hebben. Want
hij zegt, "dat aan gene zijde der akkerbouwende Scythen (Slawen),
in de landen waar de zon niet meer schijnt, geheel wilde, geheel
vreemdsoortige volken leefden die hunne eigene taal spraken, die niets
met de 'Scythen' gemeen hadden, die zonder de minste gezellige orde,
jagende in de bosschen rondzwierven, en waarvan hij onder anderen
een stam aangeeft, die door hem de 'Melanchlänen' (de zwartmantels)
genoemd worden."

Ook wat Tacitus in zijne beschrijving van Germanië ons van zijne
"uiterste Europeanen" mededeelt, en wat dezen Romein door tusschenkomst
der Germanen ter oore kwam, is slechts weinig en fabelachtig.--Toch
noemt Tacitus voor het eerst den naam der "Fennen" of Finnen, en zegt
van hen, dat zij van kruiden leefden, zich met dierenhuiden kleedden,
geene paarden bezaten, geen ijzer kenden en dat zij in "verwonderlijke
wildheid, in de allergrootste behoeftigheid" (mira ferocitas, foeda
paupertas) levende, geene Goden schenen te vereeren.

De naam Finnen, die van het Germaansche "Fenn" (broekland, moerassig
land) afgeleid schijnt te zijn, is dien ten gevolge waarschijnlijk
eene overoude benaming der Duitschers voor hunne, in de noordelijke
moerassige streken wonende, naburen geweest. Wij hebben dien naam
tot op den huidigen dag blijven gebruiken, en op den geheelen ver
verbreiden Finschen volkstam overgebracht.

Van alle Germanen zijn van oudsher de Skandinaviërs dezen Finnen, die
ook gedeeltelijk met hen hetzelfde schier-eiland bewoonden, het meest
nabij gekomen. De oudste Skandinavische overleveringen maken van hen
melding als van een ruwen, elkander over en weer beoorlogenden stam,
als "zonen der rotsen," als het "volk der bergkloven" en duiden hun
land aan met den naam "Jötunheim," het vaderland der "Jötunen" of
"Jätten"--der "bergwolven" en "der het licht schuwende toovenaars." In
latere geschiedkundige geschriften geven de Zweden en Noorwegers,
even als de Duitschers, hun ook den naam Finnen of Fennen.

Behalve de Duitschers en Skandinaviërs, kennen wij in den historischen
tijd geen ander Europeesch volk, dat met deze Finnen in zoo groote
aanraking gekomen is, dan de Oostelijke Slawen, de tegenwoordige
Russen, wier woonplaatsen sedert onheugelijke tijden over eene lange,
groote uitgebreidheid, naast die der Finnen zich uitstrekten. Ook
zij schijnen in deze hunne naburen, het den Slawen vreemde en het hun
onder elkander eigenaardige, reeds vroeg opgemerkt te hebben. Want zij
hadden en hebben voor hen eene overoude, veelbeteekenende benaming. Zij
noemen hen "Tschuden", een woord, waarvan de afleiding duister is,
maar dat vermoedelijk zooveel beteekent als "vreemden," "niet-Slawen."

Toen de Russen bij de uitbreiding hunner veroveringen tot aan den
Ural doordrongen, vonden zij daar ook overal deze vreemdsoortige
("Tschudische") stammen, en daar men nu dit geheele, lange gebergte,
dat de Finnen "Ogur" d.i. "de hoogten" noemden, door hen bezet
vond, en omdat men meende, dat zij uit de dalen van dit Aziatische
grensgebergte, als van uit hunne oorspronkelijke woonplaatsen, even
als de daar ontspringende rivieren, zich over het Noordelijk Europa
verspreid hadden, zoo heeft men hun daarna ook wel den naam van
"Ogurischen, Ugrischen of Uralischen volkstam" gegeven.

Bij de Finnen zelven, zijn natuurlijk al deze hun gegevene namen
onbekend. Daar zij, verspreid als zij waren over eene groote
uitgestrektheid, al hunne stambroeders nooit hebben leeren kennen;
daar zij nooit eene tot gemeenschappelijke daden, en onder hetzelfde
staatsbestuur verbondene natie gevormd hebben, zoo bezitten zij
ook geen naam, die op hen allen van toepassing is.--Iedere kleine
stam heeft zijn eigen naam. Toch keert bij velen hunner den naam
"Suomalaiset" of iets dergelijks, terug, dat naar de meening van
Duitsche onderzoekers, even als het Duitsche woord "Finnen" zooveel als
"watermannen of moerasbewoners" beteekenen moet, en men zou dien in
zekeren zin als den echten inheemschen, en met de moerassige natuur
van hun vaderland zamenhangenden, nationalen naam der Finnen kunnen
beschouwen.

De tijd, waarin de verbreiding der "Finnen" of "Tschuden" of "Suomen,"
van den Ural plaats mag gevonden hebben, moet vóór den oorsprong
der geschiedenis, ja vóór al de sagen van ons werelddeel, gezocht
worden; hij heeft zich noch door taalonderzoek, noch door andere
gevolgtrekkingen laten bepalen. Wijl wij intusschen in den historischen
tijd, de Slawen zoowel als de Germanen, altijd van het zuiden af,
tegen de Finnen zien optrekken, en deze, steeds voorwaarts gaande, naar
het noorden zien terugdrijven, zoo is het aan te nemen, dat de Finnen
als de allereerste binnentrekkers, als de eigenlijke oorspronkelijke
bewoners van Europa, of ten minste van een groot gedeelte van Europa
te beschouwen zijn, en dat, zoowel de Germanen als de Slawen, als
latere indringers binnen hun gebied moeten aangemerkt worden.

Diensvolgens zullen, naar de zienswijze van verscheidene Duitsche en
Skandinavische geleerden, deze moeras-menschen zich eens veel verder
zuidwaarts hebben begeven, niet slechts het grootste deel van Rusland
en het Skandinavische schier-eiland bewoond hebben, maar dat men
ook in Denemarken en Duitschland, ja zelfs in Engeland en Frankrijk,
zooals ook in den nieuweren tijd in Zwitserland, in de zoogenaamde
"paalwoningen", sporen en monumenten van het bestaan der "Fennen"
ontdekt en aangewezen meent te hebben. Naar dit oordeel moeten zij
daar als de eigenlijke voor-historische, oorspronkelijke bewoners
beschouwd worden, wier kleine rookerige hutten in onze bosschen en
moerasachtige streken en langs onze rivieren verspreid waren, en
op wier graven wij Indo-Germanen, wij Duitschers, Celten, Slawen,
later onze steden bouwden en onze beschaafde staten oprichtten.

Deze zienswijze wordt onder anderen ook ondersteund door de opmerking,
die eenige taalonderzoekers gemaakt hebben, dat namentlijk de
Finsche taal met die der in Europa ook overoude Iberiërs en Celten,
met welke de Finnen het bezit van het wereldeel deelden, veel meer
overeenkomst heeft dan met de talen der jongere Germanen en Slawen. Ook
Engelsche taalonderzoekers hebben in het idioom der Britten eenige
Finsche elementen ontdekt.--Ook aan gene zijde van den Ural, in de
onmetelijke landstreken van Noordelijk en Midden-Azië, heeft men de
sporen van ten ondergegane Finsche volken gevolgd.--Tusschen den Ural
en de grensgebergten van China, vindt men ontelbare gedenkteekenen van
verschillende soort: grafheuvels, aarden wallen, ruïnen, overblijfselen
van mijngrotten en bergwerken, waarvan de daar nu wonende Tataarsche
volken zeggen, dat zij noch van hen, noch van hunne voorouders, maar
veeleer van een ten ondergegaan ras afkomstig zijn. Men beschouwt
daarom deze werken als zoovele getuigenissen voor de aanwezigheid
van een daar wijd verspreid volk, en de Russen die nu die streken
beheerschen, gelooven, dat ook dit volk een "Tschudisch" of "Finsch"
volk moet geweest zijn. Zij noemen al die bovengenoemde overblijfselen
uit een over-ouden tijd "Tschudengraven", "Tschuden-vestingen" en
"Tschuden-putten."

"Er is of was dus", zegt reeds de Duitsche Schlözer, "eene groote
Finnenwereld, die, met betrekking tot hare uitgebreidheid, een der
grootste in de geschiedenis der menschheid is, en in vergelijking
waarmede zelfs de groote Slawenwereld, zoo ver wij hare oorspronkelijke
grenzen kennen, eens eene kleinigheid was."--Nu ligt deze eens zoo
bloeiende Finnen-wereld in duigen, en is zij niets meer dan eene
ruïne, en wanneer eenig volk in Europa recht heeft, eene gouden
eeuw, een verloren Arcadië te beklagen, dan zijn het de Finnen,
die dan ook dikwijls de levendige frischheid van hunnen lang
verdwenen levensmorgen, "den tijd, waarin ieder Fin vrij, sterk,
wijs en gelukkig was; toen de honig van de takken zijner eiken
druppelde, en beken van melk zijn grond bevochtigden", in hunne
sagen afschilderen. Er zijn nu nog slechts eenige schrale loten in
't leven van den eens zoo breed getakten boom, en ofschoon zij nu
van eene geringe politieke beteekenis zijn, zoo blijkt uit het boven
aangevoerde toch voldoende, van hoe groot belang in andere opzichten,
de studie en de poging eene karakterbeschrijving te vervaardigen van
deze Finsche volkenoverblijfselen, voor ons Europeanen zijn moet.

_Hoe_ in Azië de vroegere Finsche volken te gronde gingen, en _welke_
overblijfselen van hen, daar in Siberië en aan den Altaï misschien
nog te vinden zijn, hebben wij hier niet te onderzoeken. Volgens
ons aanvankelijk plan, blijven wij met onze beschouwing aan de
westelijke zijde van den Ural. In de zuidelijke gedeelten van dit
woud-gebergte, aan de midden- en boven-Wolga en hare nevenrivieren,
hebben in oude tijden die Finsche stammen gewoond, wier namen in de
wereld-geschiedenis het meest bekend zijn geworden. In die streken
waren de woonplaatsen der "Spalen", "Skamaren", "Sabiren" en na hen
die der meer beroemde Avaren, Bulgaren, Chasaren en Magyaren, die men
allen in hoofdzaak voor volken van Finschen oorsprong houdt.--Ik zeg in
hoofdzaak, want daar de Zuid-Finsche stammen zich allen in de nabijheid
van die breede volken-poort tusschen den Ural en de Kaspische Zee, en
bij den grooten Nomaden-weg uit Azië naar Europa ophielden, zoo werden
zij vermoedelijk reeds van den oudsten tijd af, door de langs dezen weg
binnentrekkende, hun naar taal en afstamming meer of minder verwante,
Mongolen en Tataren, in hunne woonplaatsen verontrust en in beweging
gebracht. Bij alle andere echte en onvervalscht geblevene Finnen,
zoover wij hen nu nog kunnen opnemen, merken wij geen grooten lust
tot reizen en trekken of tot het maken van veroveringen op. Veelmeer
verschijnen zij ons overal als stille, zwakke, verbrokkelde stammen,
als duldende offers en onderdanen van vreemdelingen, en niet als
de overweldigers en gebieders van dezen.--Misschien namen, zeg ik,
de genoemde Zuidelijke Finnen die groote vlucht, alleen door eene
vermenging met hunne, uit Azië voorwaarts rukkende bloedverwanten,
en wij hebben dus in hen alleen getatariseerde of gemongoliseerde
Finnen--bastaardvolken--te zien, die door genen uit den Ural, waar
zij woonden, losgescheurd en medegevoerd werden, en die door hen met
een grooteren ondernemingsgeest bezield, vervolgens, gedurende een
meer of minder langen tijd, zelfstandig eene rol in de geschiedenis
van Oostelijk Europa speelden.

Eenige dezer Uralische of Finsch-Tataarsche gemengde volken hebben zich
slechts gedurende een korten tijd doen opmerken, zooals de nu nog ter
nauwernood bij naam bekende "Spalen", "Skamaren" en "Sabiren". Zij zijn
weldra weder verdwenen, en hunne namen staan deels nog slechts in de
oudste Russische annalen opgeteekend, deels leven zij nog, maar niet
zonder eene slechte nevenbeteekenis, in den mond der Slawische volken,
bij welke b.v. "Skamare" zooveel als een schelm, "Sabire" zooveel
als knecht, "Spale" zooveel als een lompert of roover beteekent.

Andere van deze gemengde Finsch-Tataarsche volken daarentegen, zijn
tot grooter en blijvender macht gekomen.

De Avaren, die wij in Europa het eerst aan de beneden-Wolga en aan den
Don zien verschijnen, volgden de Hunnen van Attila op hunnen tocht
naar het Westen, en stichtten een machtig rijk aan den midden-Donau
in het tegenwoordige Hongarije, van waar uit zij, even als de Hunnen,
in vele deelen van Westelijk Europa strooptochten deden. Zij leden
echter eene nederlaag tegen de Duitschers onder Pepijn en Karel den
Groote, door wie zij in het Westen, en tegen hunne eigene stamgenooten,
door wie zij in het Oosten aangevallen werden. De overblijfselen van
hun volk in het Donau-land, hebben zich later met de Magyaren vermengd.

De Chasaren stichtten na de Avaren, aan de benedenste gedeelten der
Wolga en van den Don, een groot rijk, dat zijne grootste macht en
uitgestrektheid ten tijde van Karel den Groote verkreeg.--In deze
voor den wereldhandel zoo gunstig gelegene streken waren de Chasaren,
die niet onvatbaar voor ontwikkeling waren, een tijdlang de personen
die het goederen-verkeer tusschen Europa en Azië bevorderden en in
handen hadden; en het natuurlijke handelskanaal der Wolga droeg in
het Oosten, naar hen, langen tijd den naam "Chasaren-rivier". In de
9de eeuw werd echter hunne macht door de Russen, die onder hunne
Noormansche aanvoerders den eersten bloeitijd hunner geschiedenis
intraden, gebroken, en zij verdwijnen daarna midden in de later hier
bruisende volken-baren. Zij gingen geheel in de Turksche stammen op,
die reeds sedert het begin der 9de eeuw door de Uralisch-Kaspische
volken-poort Europa binnenstormende, de keten der Finsche volkstammen
aan den Zuidelijken Ural verbroken hadden.

De Bulgaren, die aan de midden-Wolga te huis behoorden, stichtten daar
een, ten tijde der kruistochten bloeiend rijk, waarvan het middelpunt
in de nabijheid van het tegenwoordige Kasan, aan de vereeniging der
Wolga en Kama lag, en waarin zich, behalve landbouw en veeteelt,
ook handel en industrie ontwikkelden, maar dat in de 13de eeuw door
de Mongolen onder Batu-Chan vernietigd werd. Eene afdeeling dezer
Finsch-Uralische Bulgaren aan de Wolga, was reeds tijdens Karel den
Groote, door de naar het Westen gerichte volksbewegingen medegesleurd,
waarschijnlijk door de Chasaren naar den beneden-Donau gedreven, en
had daar op den rug van onderworpene Slawen, het tweede Bulgarenrijk,
dat voor langen tijd het Byzantijnsche Keizerrijk lastig en gevaarlijk
werd, gesticht. In dit Westelijke Bulgaren-rijk gingen echter de
Finsch-Tataarsche nationaliteit, taal en zeden weldra geheel verloren
onder de talrijke Slawen. Van hen is daar nu niets meer over dan de
naam der provincie "Bulgarije."

De Magyaren eindelijk, wier oorspronkelijke woonplaatsen aan den
midden-Ural, aan de bronnen van de Kama zich bevonden, en die hier
door de Turksche Petschenegen opgejaagd werden, volgden wederom
hunne broeders in den algemeenen tocht naar het Westen en nestelden
zich, even als deze, in het midden-Donauland vast. Zij zijn van alle
Finsch-Uralische stammen de eenige, die tot op onze dagen als een
invloedrijk en historisch belangrijk volk zijn blijven bestaan. De
geweldige Tataarsch-Mongoolsche inval onder Dschingis-Chan en zijne
opvolgers in het begin der 13de eeuw, die weder zooveel Turken over
het geheele Oostelijk Europa bracht, en die, zooals gezegd is, ook
het laatste bloeiende Finnen-rijk, dat der Bulgaren aan de Wolga,
vernietigde, schijnt aan alle oorspronkelijk Finsche volks-bewegingen
in den Zuidelijken Ural een einde te hebben gemaakt. Van nu af hooren
wij van geene Avaren of Magyaren, of van andere geheel of half Finsche
stammen, die van daar uitgetrokken waren, meer. De geheele landstreek
in den Zuidelijken Ural, aan de beneden-Wolga en aan den Don, schijnt
nu bijna geheel getatariseerd of gemongoliseerd.--Heden ten dage vinden
wij daar nog de Tschuwaschen, Teptjären, Metscherjäken en Baschkiren,
allen tot den Islam bekeerde Finnen, die aan alle zijden door echte
Tataren omringd zijn, en behalve hunnen godsdienst, ook hunne zeden en
hunne taal aangenomen hebben, en daarom bijna even goed tot de Tataren
gerekend kunnen worden, als b.v. de gegermaniseerde Slawen in Saksen
tot de Duitschers. De meest bekende onder deze, tot Mohamed bekeerde en
nu Turksch-Tataarsch sprekende Finnen, zijn de Baschkiren of zooals zij
zich zelve noemen de "Baschkurt", die onder den naam "Pascatir" reeds
in zeer oude tijden daar bekend waren. Zij wonen in het oude stamland
der Magyaren, in de streken die eens "Groot-Hongarije" genoemd werden,
aan de bovenste bronnen van den zuidelijken hoofdtak der Kama, in de
dalen en op de heuvels der zuidelijke gedeelten van den midden-Ural,
ten noorden van Orenburg, waar alle hoogten, alle rivieren en beken
Baschkirische namen hebben, en luide verkondigen dat genoemd volk daar
lang inheemsch is geweest. Hun tegenwoordige naam "Baschkurt," die ook
bij de Arabische schrijvers genoemd wordt, moet zooveel beteekenen
als "de bijenhouders" en wijst op hunne lievelings-bezigheid,
de verzorging en voortteeling der in den Ural zoo veel voorkomende
wilde bijen. Ook doen zij iets aan den akkerbouw, en eenigen van hen
hebben vaste woningen. De meesten hunner wonen echter alleen in den
winter in huizen, en gebruiken ook alleen in den winter brood. In den
zomer leiden zij, met hun vee en hunne paarden een nomadisch leven,
en generen zich, even als de Mongolen, van de melk van hun vee.

Ofschoon, zooals reeds gezegd is, oorspronkelijk Finnen, hebben zij nu
zelfs hunne oude taal, die nog in de 13de eeuw zeer veel overeenkomst
met die der Finsche Magyaren moet gehad hebben,--(Rubruquis, de
beroemde reiziger en gezant van den Franschen Koning naar den Chan
der Mongolen, merkt op, dat in zijn tijd de Baschkiren nog dezelfde
taal als de Magyaren gesproken hebben)--geheel tegen die der Turken
of Tataren omgeruild; zijn dezen zelfs ook in gelaatsuitdrukking en
in de donkere kleur van het haar gelijk geworden, en hebben van hen
eindelijk ook het Mohamedaansche geloof aangenomen.--Een bewijs voor
hunnen oorspronkelijk Finschen oorsprong, vindt men onder anderen
ook nog daarin, dat zij in oude tijden bij hunne Tataarsche naburen
"_Sari-Ueschtek_" (roodharige Oostjaken) genoemd werden. Zij moeten
dus wel, even als de meeste Finnen, vroeger blond of roodharig
geweest zijn.

Op de zoogenaamde _Metscherjäken_ en _Teptjären_, die naast en
gedeeltelijk onder de Baschkiren wonen, zijn alle opmerkingen, die
wij aangaande laatstgenoemden maakten, van kracht. Met de genoemden te
samen, moeten de Baschkiren in staat zijn een leger van 100.000 ruiters
op de been te brengen, en de Russen zeggen van hen, dat zij, wat hunne
dapperheid en rooflustigen aard aangaat, na de Uralische Kozakken,
de eerste plaats onder de volken, der Orenburgsche landstreek innemen.

Aan de Baschkiren en de Metscherjäken, sluiten zich hunne naburen de
_Tschuwaschen_ aan, die eveneens oorspronkelijk wel een Finsch volk,
maar nu in zoo hooge mate getatariseerd zijn, dat zij door verscheidene
ethnologen _geheel_ tot de Tataren gerekend worden. Bij de vermenging
met de Tataren schijnen zij hunne oude Finsche taal geheel verloren
te hebben. Bij eenige hunner stammen moet deze voor drie-vierde
Turksch-Tataarsch zijn. Een Duitsch taalonderzoeker, Schott, die
eene grammatica dezer taal uitgegeven heeft, houdt haar in haren
geheelen bouw voor wezenlijk Tataarsch. De Tschuwaschen hebben ook,
even als de Baschkiren, en anders dan de andere echte, zooals gezegd
is, meestal blondharige Finnen, donkere haren en een donkeren baard
gekregen, en ook in hunnen geheelen lichaamsbouw en levenswijze veel
van de Tataren overgenomen, die zij zelfs in hunne liederen, hunne
"broeders" noemen. Varkensvleesch is hun, even als den Tataren een
gruwel, ofschoon zij ten deele Christenen geworden zijn en nooit
Mohamedanen waren. Niettemin echter onderscheiden zij zich toch weder
zeer merkbaar van de echte en eigenlijke Turk-Tataren. Zij hebben
de Tataarsche kleederdracht niet. Zij wonen schuw en afgezonderd in
hunne eigene dorpen, en hebben niet, zooals de Tataren, de gewoonte,
te samen met de Russen in vlekken en dorpen te wonen. "Steden," zegt
een Russisch schrijver, "schuwen de Tschuwaschen als de pest." Zij
zijn ook veel koeler en ongevoeliger, dan de veel levendiger,
nieuwsgieriger en weetgieriger Tataren, die, als zij maar een
vreemdeling zien, allen klein en groot, voor de deur gaan staan en
hem met duizend vragen lastig vallen. Geheel anders de Tschuwaschen,
die, als zij een vreemdeling ontmoeten, hem nauwelijks met een blik
verwaardigen. Zij laten zich verder ook nog gemakkelijk van de geheel
verturkte Baschkiren en echte Tataren onderscheiden, redenen waarom
Russische geleerden hen nog altijd tot de Finsche volken rekenen.

De Tschuwaschen maken nu nog een tamelijk volkrijke stam uit, en
moeten bij de 400.000 hoofden tellen, die in den omtrek van Kasan,
Simbirsk en Pensa, in de wouden en weiden aan de Wolga, als vreedzame
akkerbouwers en bijenhouders wonen.



Zoo gewichtig de rol was, die de "door de Tataren geïnspireerde,"
door hen in beweging gebrachte en met hen vermengde Zuidelijke en
Oostelijke Finnen in ouden tijd speelden, zoo weinig schitterend was
het lot hunner meer Noordelijke broeders. Over al de oorspronkelijke
stammen dier moeras- en boschmenschen, waarop de Skandinaviërs,
Slawen en ook andere Indo-Germanen, bij hun eerste binnendringen in
Europa gestooten zijn, en die zij waarschijnlijk uitgeroeid hebben,
zwijgt de geschiedenis. Zij zijn door den stroom der gebeurtenissen
weggevaagd, zonder eenig--behalve misschien de boven vermelde
"paalwoningen"--belangrijk spoor van hun bestaan, of eenig opschrift
op hunne graven achtergelaten te hebben. In den tijd van de eerste
schemering der authentieke geschiedverhalen, vinden wij hunne
overblijfselen reeds ver naar het Noorden teruggedrongen, en hunne
Indo-Germaansche naburen met hen, over eene lange grenslijn, aanhoudend
in aanraking en strijd. Daar de Skandinaviërs vroeger dan de Slawen,
in het Noorden van Europa eene groote politieke macht ontwikkelden,
zoo ontvangen wij ook eerst van deze zijde de eerste stellige berichten
aangaande hen. De voorgangers der Noormannen en Zweden zien wij van
den beginne af, op hun schiereiland aanhoudend voorwaarts schrijden,
in een voortdurenden veroveringsoorlog tegen de Finsche "Jötunen,"
die zij voet voor voet altijd verder naar het noordelijk uiteinde
van hun schiereiland terug- en zamendrongen.

Zelfs de allernoordelijkste Finnen aan de oevers der Witte- en
der IJszee werden reeds vroegtijdig door Noormansche zeevaarders
bezocht. In de 9de en 10de eeuw dreven zij in den omtrek van het
tegenwoordige Archangel een bloeienden handel, bij welken voornamelijk
een Finsch volk, de "Biarmiërs" of "Termiërs," als tusschenpersonen
diende. Naar hunnen eens zoo beroemden naam, draagt nog tegenwoordig
het Russisch gouvernement "Term" zijn naam.

Sedert het midden der 12de eeuw, tijdens de kruistochten, begonnen
de Zweden onder hunnen koning Erik, door den bekeeringsgeest der
kruisvaarders aangetast, die gedeelten van het Finsche Oostland,
die het dichtst bij gelegen waren, namelijk het groote schier-eiland
tusschen de Bothnische en de Finsche golf te veroveren, blijvend te
bezetten en van kolonisten te voorzien. Sinds oude tijden woonden
hier de Finsche stammen der "Tawasten," "Cajanen" of "Quanen,"
"Carelen" of "Karjalaiset" (d.i. kudden-mannen) en der "Inger," naar
wie nog heden de provinciën Tawasteland, Quäneland, Ingermanland,
en Karelië genoemd worden. De Zweden behielden het land 500 jaren,
maakten zijne bewoners tot Christenen, en onder hunne niet zeer harde
kolonie-wetten, is daar in dit _par excellence_ zoogenaamde Finland,
nog heden ten dage de grootste massa der eigenlijke Finnen blijven
bestaan. Ook in de koloniën die de Denen en de Duitsche ridders aan
de Oostzee vestigden, werd een Finsch volk, de zoogenaamde "Esthen",
onder de Germaansche heerschappij gebracht.

Vóór allen echter drongen, sedert de stichting van een
grooten Russischen staat, onder Rurik, de Slawen het gebied
der Uralisch-Finsche stammen binnen, alles vernielende en
onderwerpende. Zij streden met de "Wessen," met de "Meezen," de
"Muronen" en andere volken van dezen stam. Voornamentlijk waren de
ver om zich henen grijpende burgers der Russische republiek Nowgorod,
van wier jongen staat de "Meezen" een hoofdbestanddeel uitmaakten,
verderfelijk voor de Finnen, en van de zooeven genoemde Finsche
volken bestaat nu niets meer, dan hunne in de Russische annalen van
Groot-Nowgorod opgeteekende namen. De Russen bezetten en koloniseerden
hunne landen, en namen de oorspronkelijke Finsche bewoners in den
schoot hunner eigene nationaliteit op. Zij drongen op deze wijze
veranderend, van Nowgorod uit in noordelijke richting naar de Witte
Zee door, en vernietigden op dezen tocht, gelijk een lawa-stroom,
langs de Dwina, schier alle oorspronkelijk Finsche bewoners. Als eene
breede wig dringt het Slawische land zich hier, langs de rivieren
Dwina en Onega, tusschen de onder de Zweden staande Finnen en de
oorspronkelijk Finsche stammen, naar den Noordelijken Ural in.

Deze decimeering, opname en slawiseering van Finsche stammen door
Russische kolonisatie, heeft tot op de nieuwste tijden geduurd, en
heeft bij de toenemende vergrooting van het Russische rijk, ook in
noord-oostelijke en oostelijke richting om zich heen gegrepen.--Hier
zijn de eens zoo beroemde Finsche volken, b.v. de genoemde oude
"Permiërs" bijna geheel verdwenen. De Wogulen, Sirjänen, Permiërs,
Wotjäken, Tscheremissen en Modwinen, zijn tot op eenige ver verstrooide
bewoners van woeste streken saamgesmolten.

De Groot-Russen zonden niet alleen soldaten en handelaren naar hen,
maar ook ijverige zendelingen en bisschoppen, die in de Russische
annalen als apostelen en martelaren der heidensche Finnen geprezen
worden. Bijna alles, wat zij doopen en tot de Grieksche kerk bekeeren
konden, nam ook langzamerhand de Russische taal, kleeding en zeden
aan. En dien ten gevolge is daar een groot gedeelte van hen die wij nu
Russen noemen, niets anders dan bekeerde en geslawiseerde Finnen, even
als een groot deel der tegenwoordige "Duitschers," als verduitschte
Slawen moeten beschouwd worden.

Sedert de verovering van Siberië door de Russen in de 16de eeuw,
sedert de annexeering van verscheidene Oostzee-provinciën onder
Peter den Groote, en eindelijk sedert het verkrijgen van Finland
in het begin dezer eeuw, zijn nu schier alle Finsche stammen, met
uitzondering alleen der Magyaren en een gedeelte der van de Zweden
afhankelijke Lappen, onder het opperbestuur der Russen gekomen.--Om
nu een gemakkelijk overzicht te hebben, over hetgeen na al deze
gebeurtenissen, van de eens zoo groote volkenfamilie op Europeeschen
bodem nog overgebleven is, kunnen wij na het boven opgemerkte het
geheel in drie groepen verdeelen, en de volgende drie afdeelingen
aannemen:

1. De overblijfselen der Finsche volken op het Skandinavische
schiereiland, die door de Baltische zee van hunne broeders in het
Oosten gescheiden zijn.

2. De overblijfselen van Finsche stammen, aan het noordelijke en
middelste gedeelte van den Ural en aan de Kama en de Wolga, die door
eene breede geheel Slawische landstreek aan de Dwina, gescheiden zijn
van hunne broeders in het Westen.

3. De Finsche volken in het midden tusschen die beide gedeelten, die
in het westen door de Baltische zee en in het oosten door de breede
Slawische landen-wig, van hunne broeders gescheiden zijn.

De overblijfselen der Finsche bevolking in Skandinavië, of _Westelijke_
Finnen, zijn van deze drie groepen tegenwoordig de zwakste en minst
belangrijke.

Door het geheele binnenste gedeelte van het Zweedsche schiereiland
tot aan het Wener-meer, gaat in zuidwaartsche richting een streek,
wier bevolking nog min of meer met Finsche elementen doortrokken is,
en gedeeltelijk ook nog de Finsche taal spreekt. Zelfs in eene der
zuidelijkste provinciën van Zweden, in Gothland, vindt men nu nog
verscheidene zoogenaamde "Finnenheiden" of "Finnenwouden," waarin
enkele overblijfselen van Finsche bevolking uit de oudste tijden,
zouden zijn blijven bestaan. De Zweedsche Koningen hebben ook nu en
dan deze oude Finsche bevolking van hun rijk, door nieuwe versterkt,
doordien zij Finsche landlieden van gene zijde der Bothnische
golf, uit het eigenlijke Finland haalden en in Zweden zich lieten
nederzetten. In den ouden Skandinavischen tijd, waren de Finsche
bewoners van het schiereiland bijzonder beroemd om de vervaardiging
van smidswerk. Finsche zwaarden spelen eene hoofdrol bij de Zweedsche
helden. Ook moeten, zoo luidt ten minste de sage, de belangrijkste
bergwerken in Zweden, door Finnen ontdekt geworden zijn. Nu echter
hebben deze Zweedsche Finnen niet meer het karakter van eigendommelijke
stammen of volksgroepen. Zij bezitten geene nationale stamnamen meer,
leven verspreid onder de Zweedsche boeren, zijn reeds sedert lang
Luthersche Christenen en verstaan meestal ook de Zweedsche taal.

Ook de in het hooge Noorden van Skandinavië, als Bedouïnen
rondtrekkende _Lappen_, worden door de Noorwegers en Zweden gewoonlijk
Finnen genoemd, en ofschoon de Lappen zich van de eigenlijke Finnen,
zoowel door lichaamsbouw, als door levenswijze en karakter zeer
onderscheiden, zoo schijnen toch de onderzoekingen naar hunne taal en
andere omstandigheden, het bewijs geleverd te hebben, dat zij slechts
een verschillend ontwikkelde tak van één en denzelfden wortel zijn. De
Lappen zijn over het algemeen klein van stuk; de eigenlijke Finnen
daarentegen even groot als andere Europeesche volken. De Lappen hebben
in den regel zwart haar, eene sterk geelachtige lichaamskleur, een
hoekig gezicht, platten neus, lange oogen, hooge bakbeenderen, breeden
mond, spitse, baardelooze kin, dik hoofd, pyramidale schedelvorm,
en schijnen in dit alles het Aziatisch-Mongoolsche type in zeer
hooge mate te naderen. Hunne naburen en broeders daarentegen, de
eigenlijke Finnen, hebben meestal blond haar, ronde gelaatstrekken,
eene frissche gelaatskleur, en dragen over het algemeen in mindere mate
de kenteekenen van het Mongoolsche ras. Beiden hebben een zeer van
elkander afwijkend temperament. De eigenlijke Fin heeft in den regel
iets beslissends, iets krachtigs, een rijp verstand, een dikwijls
somberen ernst en diepe melancholie. "De Lap daarentegen is een
ten eenemale wild, zorgeloos natuurkind, een wonderlijk mengsel van
wantrouwen en kinderlijke luimen en gemoedsaandoeningen." Eindelijk is
de Lap met hart en ziel een nomade, trotsch op zijne kudden rendieren,
heeft eene echte Bedouïnen-natuur, en laat zich volstrekt niet in
een rustigen kolonist veranderen. Kan hij als eigenaar van kudden
niet meer bestaan, dan grijpt hij in zijn nood naar het visschers-
en jagers handwerk, letterlijk nooit naar den akkerbouw.

Zijn buurman, de eigenlijke Fin daarentegen, is in den regel een rustig
landman, en als zoodanig wordt hij door de Lappen verafschuwd. Deze
gaan voor de nederzettingen der Finnen overal op de vlucht. En dat de
antipathie, deze nationale weerzin tusschen Lappen en Finnen reeds van
zeer ouden datum is, wordt daardoor bewezen, dat het beroemde oude,
Finsche nationale-heldendicht "Kalewala" hoofdzakelijk de tegenkanting
en den strijd tusschen de oude Goden en helden der Finnen en die der
Lappen tot onderwerp heeft.

Dat echter, trots al deze sterke verschillen, de Lappen toch met
de Finnen tot één en denzelfden volkstam gerekend moeten worden te
behooren, wordt, zooals opgemerkt is, uit verscheidene verhoudingen en
omstandigheden duidelijk. Ten eersten daaruit, dat beide stammen sedert
onheugelijke tijden naast elkander gewoond hebben. De Lapsche taal
heeft denzelfden bouw en wortelen als de Finsche, en het is niet aan
te nemen, dat den Lappen deze Finsche taal met geweld opgedrongen zou
zijn, omdat wij er niets van hooren, dat de Finnen ooit de gebieders
en leermeesters der Lappen geweest zijn. De sagen en mythen der
Lappen zijn, trots den strijd tusschen hunne Goden en helden, innig
met die der heidensche Finnen samen geweven. Men heeft, kort geleden,
ook bij hen, epische gedichten ontdekt, die zeer overeenkomen met die
der Finnen. Dat de Skandinaviërs beide volken onder denzelfden naam
"Finnen" samenvatten, moge te dien opzichte niet veel bewijzen, wel
echter de omstandigheid, dat de Lappen zich zelven een nationalen
naam geven, die in vorm en beteekenis geheel overeenstemt met dien,
welken ook de Finnen op zich toepassen. Deze noemen zich, zooals reeds
opgegeven werd, "Suomalaiset," gene "Saomelad" en beide beteekenen
hetzelfde, "moerasmenschen." Daarenboven zijn ook alle zooeven
aangegevene afwijkingen en contrasten tusschen de beide natiën niet
zoo groot, dat zij eene nauwe verwantschap zouden uitsluiten. De
kleinere gedaante der Lappen kan hare oorzaak hebben in het ruwere
klimaat en in het verschil van levenswijze. Het leven der Lappen
wisselt veel meer af dan dat der Finnen, tusschen den grootsten
overvloed en het bitterste gebrek, tusschen groote hitte en scherpe
koude, tusschen groote inspanning en volslagene werkeloosheid. Door
muskieten vervolgd, vluchten zij sedert eeuwen in den zomer naar de
zee, om zich en hunne kudden in zeelucht en zout water te baden, en
door honger gedreven snellen zij in den herfst terug naar de bergen,
waar hun rendiermos groeit. Dat van verschillende takken van denzelfden
stam, zich de eene aan landbouw, de andere aan een nomadisch leven
wijden, en er scherpe contrasten en groote antipathiën tusschen hen
zijn ontstaan, is eene verschijning die in de geschiedenis der volken
meermalen voorkomt. Ja! onder de onderafdeelingen en de verschillende
gedeelten der Lappen zelven, bestaat eene bijna even zoo sterke, ten
deele onverklaarbare tegenzin voor elkander. De "Lappen van Umea"
b.v. hebben een zoo diepen afschuw voor de "Lappen van Lulea," dat
zij, ofschoon beiden nomadische bloedvrienden zijn, volstrekt niet
met elkander om gaan en nooit onder elkander trouwen.

Het in aantal zwakke volk der Lappen is, als op zich zelf staande
familiën, verstrooid in de wilde dalen en kloven, aan de tallooze
meren en fjorden van een uitgestrekt en onvruchtbaar, maar aan
natuurwonderen rijk en weinig bekend gebied, dat zich door noordelijk
Zweden en Noorwegen, en door een gedeelte van Rusland tot aan de
Witte Zee uitstrekt. De kale rotsen en ijsbergen hunner marken, en
de ontembare natuur van deze, geven voor het vervolg niet de minste
hoop, dat ook akkerbouw, beschaving en sterke bevolking zich tot in
dezen uithoek van Europa zullen uitstrekken. Rendieren en Lappen
is het beste wat het daar geven, kan, het eenige wat daar bestaan
kan. Echter moet hierbij nog opgemerkt worden, dat eene zekere langzame
germaniseering bij de aan de Zweden en Noorwegers onderworpene Lappen,
schijnt plaats te grijpen. Taalkundige onderzoekingen ten minste hebben
doen zien, dat reeds een derde der woorden van hunnen taalschat van
Skandinavischen oorsprong, of wel eene bloote overzetting van het
Zweedsch en Noorweegsch is. Bij de aan de Russen onderworpene Lappen
kan een dergelijk proces van langzame slawiseering plaats hebben.



De tweede of Oostelijke groep overblijfselen van Finsche volken, aan
den Noordelijken en Midden-Ural en aan de Wolga, biedt eene groote
verscheidenheid van zeer verschillende stammen en namen aan. Tot hen
behooren de van het Zuiden naar het Noorden naast elkander wonende
_Tscheremissen_, _Mordwinen_, _Wotjäken_, _Permiërs_, _Wogulen_,
_Ostjäken_, _Sirjänen_, en in velerlei opzicht ook nog de aan de
IJszee hun kommerlijk bestaan rekkende _Samojeden_.

De Zuidelijkste van deze Oostelijke Finnen zijn de _Tscheremissen_. Zij
hebben de meeste overeenkomst met de Tschuwaschen, zoowel wat betreft
hunne woonplaatsen als met betrekking tot hunne stamverhoudingen. Even
als de Tschuwaschen wonen zij in den omtrek van Kasan, maar meer
noordelijk dan deze, en aan de oevers der beneden-Kama. Daar zij,
even als Tschuwaschen, dikwijls en lang onderworpen waren aan de
Tataren, zoo hebben ook zij veel, ofschoon veel minder dan gene,
van dezen overgenomen. Zij zijn een overoud Finsch volk, van wier
namen wij, reeds sedert duizend jaren, eenige sporen in de Russische
annalen vinden. De meeste der Tscheremissen zijn nu christenen, maar
even als onder andere dezer Noord-Oostelijke Europeanen, vindt men
onder hen ook nog heidenen, die echter tegelijk met hunne afgoden,
de Russische heiligen even als ook Mahomed aanroepen, en zoowel
mahomedaansche als christelijke feestdagen en heidensche gebruiken
waarnemen. Hunne lichamelijke gesteldheid, hun blond haar, hun
dunne baard, hun eerlijk maar stuursch karakter, hun schuw wezen,
dit alles kenmerkt de Tscheremissen als Finnen. Ook zijn de bij hen
gebruikelijke kleederen, even als de inrichting hunner woningen en
hunner huishouding, geheel op Finschen voet geschoeid.

De heidensche Tscheremissen noemen hun oppersten God, "Juma" wat een
onder de Finsche volken zeer algemeen verspreide naam is. Want "Juma"
of "Jumala" of "Jummal" of "Ibmel" is bijna bij alle Finnen de naam
der Godheid of van den Hemel. Deze "Juma", zeggen de Tscheremissen,
is de schepper der natuur en der menschen en regeert het wereldgebouw.

Zij gelooven ook aan een boozen geest, dien zij "Keremet" of
"Keremiet" noemen. Bij de schepping der wereld, en der menschen,
hielp deze Keremiet Juma. Maar hij werd hoogmoedig en wilde Juma
evenaren. Daar hij echter in kracht bij dezen ten achter stond,
zoo bedierf hij Juma's scheppingen. Toen deze b.v. het drooge land
scheppen wilde, en Keremiet beval in de gedaante van eene eend op
de wateren rond te zwemmen, en in het water duikende de aarde op
te halen, toen deed Keremiet dit wel, maar hij gaf niet alle aarde,
die hij opgedoken had aan Juma af, maar hield er een gedeelte van in
zijn bek, en toen de schoone oppervlakte van het landschap klaar was,
toen spuwde hij de achtergehoudene aarde uit, en waar die nederviel
ontstonden wilde bergen en andere nadeelige zaken.

Onder denzelfden breedtegraad met de Tscheremissen, maar meer
westelijk, aan de rechterzijde van de Wolga, zijn de overblijfselen
der Mordwinen verstrooid. Zij werden in deze streken, dus in den
grooten landencirkel tusschen de Oka en de midden-Wolga, reeds door
Byzantynsche schrijvers en als onderdanen der West-Gothen genoemd. Hoe
lang zij reeds in deze streken te huis behooren, blijkt onder anderen
reeds uit de omstandigheid, dat zij nog heden ten dage de Wolga met
denzelfden naam noemen, waaronder zij den Grieken en Romeinen bekend
was. Zij noemen haar "Ràwa", wat eigenlijk met den naam der ouden:
"Rha" tamelijk wel overeenkomt.

Als zeer dicht bij de hoofdmassa der Slawische bevolking van Rusland,
hebben zij nu reeds meer van de levenswijze van het Russische landvolk
aangenomen, en komen zij ook in lichaamsbouw en in hun geheele wezen
den Russen meer nabij dan de andere Finnen.

Men heeft al de zooeven genoemde Finnen-stammen, ook wel samengevat
onder den naam Wolga-Finnen, omdat zij zich allen langs den oever en
de vertakkingen van deze rivier groepeeren. En de Wolga zelve, aan
wier machtige polsader het leven der Finnen, zich eens zoo belangrijk
en voor de wereldgeschiedenis zoo gewillig ontvouwde,--aan welke
de dikwijls door mij genoemde Bulgaren en Chasaren hunne bloeiende
en niet geheel onbeschaafde rijken stichtten--van waar de Finsche
Avaren en Magyaren naar Westelijk Europa trokken,--deze Wolga zelve,
zeg ik, heeft men wel de groote "nationale rivier der Finnen" genoemd,
evenzoo als men den Dnieper bij voorkeur de Slawen-rivier, en den Rijn
de Germanen-stroom genoemd heeft. Even als naar het reeds opgemerkte,
de den Grieken bekend geworden naam voor de Wolga "Rha", zoo moet ook
de bij de Tataren gebruikelijke naam voor deze rivier, "Itil" niet
van Tataarschen of Slawischen, maar van Finschen oorsprong zijn. De
Tataren namen den Finnen de Wolga af, en nu is zij, nadat ook de
macht dezer Tataren onderging, de hoofd-levensbaan der Groot-Russen
en Kozakken geworden, en heeft daarom ook algemeen den Slawischen
naam Wolga aangenomen.

Noord-Oostwaarts van de Wolga en van Kasan, aan de door hen zoogenoemde
Wiatka, komen het eerst de _Wotjäken_ die zich zelven "Udmurdi"
d.i., "mannen" noemen. Zij zijn in de meeste zaken den Finnen in het
tegenwoordige Finland zeer gelijk. Zij moeten sedert de heerschappij
der Russen, dus sedert 300 jaren, hunne nomadische levenswijze hebben
laten varen en tegen een meer rustig leven verruild hebben. Zij worden
als zeer vlijtige en bekwame landbouwers geroemd.--"Nauwelijks is de
winter voorbij, of de Wotjäk verlaat zijne warme, vol rook staande
'Isba' (houten hut), waarin hij in gezelschap zijner ganzen, eenden
en kalveren het koude jaargetijde zeer genoegelijk heeft doorgebracht,
betrekt geheel doorrookt en met zieke oogen de luchtige zomerstroohut,
en begint zijn werkzaam leven, ploegt, zaait en egt, evenwel niet
eerder voor dat hij daarvoor de noodige gunstige voorteekens gehad
heeft, voor hij den hemel nauwkeurig gadeslagen en den raad der
grijsaards ingewonnen heeft." Zij zijn bij de Russen beroemd om hunne
huishoudelijke bekrimping, maar ook om hunne eerlijkheid. Wat zij
eenmaal bij wijze van verdrag, beloofd hebben te geven, dat geven
zij ook even als alle Finnen. Hunne naburen, de Tataren schijnen zij
van oude tijden af te vreezen, want zij hebben een spreekwoord "de
Tataar is een wolf, de Wotjäk een hazelhoen." Gedeeltelijk zijn zij
nog heidenen en vereeren, even als de meeste nog heidensche Finnen
een aardgod (het goede principe) en een watergod (het booze wezen),
en boven beiden een oppergod, dien zij "den Ouden" noemen. Hunne
vrouwen, die zich even als de vrouwen van alle Finsche volken door
eene groote eigenaardigheid in hunne nationale-kleeding van de mannen
onderscheiden, dragen hooge uit berkenschors vervaardigde mutsen, die
zij met geweven stoffen overtrekken en met zilveren munten versieren.

Noordelijk van deze Wotjäken wonen de _Sirjänen_ en Oostelijk van hen
de _Permiërs_. De 30.000 Sirjänen (grensbewoners) zijn verscholen in
de Noordelijke gedeelten der groote wouden van Noord-Oostelijk Rusland,
die de grootste naaldhout-magazijnen van geheel Europa vormen. Zij zijn
als zeer goede jagers en vooral als koene beerenjagers beroemd. Reeds
hunne kleine kinderen vragen hunnen ouders om niets met meer aandrang,
dan om "knalspeelgoed" (een geweer). "Van de jeugd af in het jachtwerk
geoefend, worden zij zulke volleerde schutters, dat bij hen geen
ander schot voor goed geldt, dan in den snuit van het beest, opdat de
huid onverlet blijve." Kruit, dat in hunne dichte wouden altijd een
zeldzaam artikel is, schijnt hun even kostbaar als stofgoud. Alleen
onder de dringendste omstandigheden, deelen zij daarvan aan anderen
mede, en stellen dan daarbij als voorwaarde, dat het in _natura_, kruit
tegen kruit, terug betaald moet worden. Als zij het woud binnentrekken,
tellen zij zorgvuldig het aantal patronen of schoten die zij medenemen,
en berekenen daarnaar het aantal pelzen, die zij mede terugbrengen
zullen. Ook de in kruit handelende koopman weet precies, hoeveel otter-
of hermelijn- of vossenpelzen hij voor ieder pond kruit, dat hij eenen
Sirjän crediteerde, terug verwachten kan.--In hun nationaal-karakter
verraden zij nog nu hunne nauwe verwantschap met den Finschen
moederstam. Overleg, ernst, eerlijkheid en bedachtzaamheid kenmerken
den Sirjän even als de andere Finnen. Voor het overige moeten zij nu
ook reeds begonnen zijn, meer overeenkomst te krijgen met de Russische
boeren. Rusland verandert of verzwelgt al deze Finsche volken, even
als het Anglo-Saksische ras de Indianen van Noord-Amerika.

Hetzelfde laat zich van de niet talrijke _Permiërs_ zeggen, die
in den omtrek der naar hen genoemde stad Perm wonen. Eens waren,
zooals reeds gezegd is, deze Permïers beroemd, en was hun naam,
als die van een bedrijvig Finsch handelsvolk, ver in het Noorden
en bij de Skandinavische zeevaarders bekend. Men heeft ook wel de
Sirjänen en Wotjäken, en nagenoeg alle Noord-Oostelijke Finnen,
onder den gemeenschappelijken naam van den "Permischen Finnen-Stam"
saamgevoegd en hen door deze benaming onderscheiden van de Zuidelijke
"Wolga-Finnen."--Thans echter, nu de Russen vele houten steden onder
hen gebouwd hebben, is de glans van den naam "Permiërs" verdwenen,
hunne getalsterkte tot 30,000 koppen ingesmolten en hunne nationaliteit
met die der Slawen vereenzelvigd.

Nauwelijks hebben zij van de, in de oude annalen der Skandinaviërs
en Russen zoo dikwijls besproken tijd, toen de Permiërs, als een half
beschaafd volk, den handel van het Europeesche Noorden met het Oosten
in aanraking brachten, toen zelfs Arabische en Indische waren hier
doorgevoerd werden, eenige overleveringen bewaard.

Nog verder Oostwaarts van de Permische Finnen, wonen de _Wogullen_
en naast hen de _Ostjäken_, wier met elkander verwante talen bewijzen,
dat zij eveneens tot den Finschen stam behooren.

Al deze volken echter, vallen in hoofdzaak reeds buiten den kring
onzer beschouwing, want zij staan, om zoo te zeggen, nog slechts met
éénen voet op Europeeschen bodem. Het gebied, waarover zij verspreid
zijn, strekt zich grootendeels aan de andere zijde van den Ural uit,
langs de Westelijke nevenrivieren der Irtisch en Ob. Ook gaan zij,
aan de Ob, Siberië diep in tot aan Tomsk en verder.

Noordelijk van de Wogulen en Sirjänen, in het allerwoestste en door de
natuur het schraalst bedeelde gedeelte van ons werelddeel, op kale,
boomlooze gebieden, en in zelden ontdooide moerassen, de akelige
zoogenaamde "Tundren" aan de oevers eener bijna altijd met ijs gevulde
zee, houdt zich eindelijk de armzalige stam der Samojeden op. Wel
behooren zij in hoofdzaak tot Azië, en hebben daar (aan den Altai)
ook hun oud stamland, van waar uit zij, door onbekende gebeurtenissen
en omwentelingen, naar de uiterste, noordelijke uiteinden der wereld
gedreven zijn.

Hunne jachten en hun heen en weer trekken brengen hen echter ook op
Europeesch gebied, zelfs tot in de nabijheid van Archangel, waar zij
somwijlen dat andere, Europa geheel toebehoorende, trekkende volk,
de Lappen, ontmoeten.--Even als de Lappen, en in nog hoogere mate
dan die, verschillen de Samojeden in taal en wezen van hunne Finsche
naburen. Volgens Pallas behooren zij naar de vorming van hun hoofd,
naar hunne breede platte gezichten, "die echter bij hunne jonge vrouwen
somwijlen zeer aangenaam kunnen zijn," naar hunne opgetrokken lippen,
hun zwart, borstelig haar, het meest tot de Tungusen, den grootsten
volksstam van Noord-Oostelijk Azië. Desniettemin zijn zij ook weder
aan hunne Finsche naburen verwant, zooals dit een nieuw, onvermoeid
onderzoeker dezer streken en volken, de uitstekende geleerde en
reiziger Castrèn, aangetoond heeft.

Even als de Finsche Ostjäken kleeden zij zich in rendiervellen. Hunne
taal toont in hare wortelwoorden eene groote overeenstemming met
de Finsche dialekten aan de Wolga. Ontelbare eeuwen lang hebben
zij met deze Finsche volken in nabuurschappelijke, landbouw- en
familie-betrekkingen gestaan. Ook in hunne zeden en gebruiken
hebben zij dikwijls eene groote mate van overeenstemming met
die der Finnen. Zoo, om één voorbeeld uit velen aan te roeren,
b.v. bij verlovingen. Bij de Samojeden rijdt de trouwlustige met
dengeen die zijne aanstaande voor hem vragen zal, naar het huis der
uitverkorene. De bruidwerver gaat binnen en brengt den vader of voogd
der bruid, de aanvrage over. Gedurende dien tijd, moet de minnaar zelf
daarbuiten in de koude bij de slee en de paarden blijven wachten,
tot men hem de toestemming komt mededeelen. Dit en alle verdere,
daarbij voorkomende details van het gedrag en handelwijze, vindt men
juist zoo ook bij de 500 mijlen verwijderd wonende Finsche Esthen in
de Duitsche Oostzee-provinciën weder.

Zelfs de naam _Samojeden_ of _Samogieten_, waaronder zij van oudsher
bij alle volken, ook bij de Mongolen bekend waren, schijnt van Finschen
oorsprong. Deze naam komt ons, onder de meest verschillende vormen,
in de geheele Finsche wereld, tot aan de grenzen van Duitschland
tegen. Ik heb reeds opgemerkt, dat de Lappen zich "Samelads" de Finnen
"Suomalaiset" noemen. In Litauen vinden wij eene oude provincie
"Samogitie" en zelfs in Pruisen nog een "Sameland." Het zijn allen
woorden, die een gemeenschappelijken Finschen oorsprong schijnen
te hebben.

Het duidelijkst openbaart zich de verwantschap der Samojeden en Finnen,
in den verwanten geest hunner taal en nationale-poëzie. Tot in het
midden der vorige eeuw had men, in het dikwijls laatdunkende Europa,
zulke grove en onphilosophische voorstellingen van de arme Samojeden,
dat men meende, dat dit volk zich in plaats van eene taal, bediende van
"een zeker dierachtig knorren en sissen." Het is eerst een resultaat
van nieuwe onderzoekingen, waarover men zich zeer te verheugen heeft,
dat ook de Samojeden niet alleen eene zeer kunstige en ontwikkelde
taal met verschillende dialecten bezitten, maar in deze taal, ook
allerlei sprookjes, aardige vertellingen en liederen gedicht hebben.

Een groot kenner der Finsche volkeren zegt, dat zelfs het beroemde
Finsche heldendicht "Kalewala," waarvan wij hier beneden het een en
ander zullen mededeelen, alleen te beschouwen is als eene ontwikkeling
der zaadkorrels, die ook in de Samojeedsche volkswijze verborgen
liggen. De rapsodiën van het Finsche heldendicht Kalewala en der
Samojeedsche heldenliederen, schijnen uit dezelfde bron voortgekomen
te zijn.--"Heldenzangen van dit soort staan bij de Samojeden in hoog
aanzien. Met bijna godsdienstige aandacht luisteren de toehoorders
naar ieder woord, dat over de lippen van den zanger komt." Zij laten
hem gewoonlijk midden in het vertrek plaats nemen en de toehoorders
plaatsen zich in een kring om hem heen. "De zanger zelf is niet zelden
gedurende zijne voordracht zoo geroerd, dat bij zeer aangrijpende
passages zijn lichaam trilt en zijne stem beeft." De toehoorders
zitten meerendeels stom om hem heen. Bij opwekkende passages en
momenten van het verhaal echter--wanneer de held van het gedicht, die
nog in de wieg liggende er reeds aan denkt dat het tijd is zich eene
huisvrouw te kiezen, vervolgens, even als Herkules, als een krachtig
mensch uit de wieg opstaat, en uittrekt om de koningsdochter op de
met koper bedekte burgt te winnen--als hij na eene avontuurlijke
reis van zeven weken, onder de aarde door, het doel bereikt,--daar
in eene hermelijn verandert en op de muren en boomen huppelende
alles afloert--als hij met zijne minnaars in strijd geraakt,--zijn
tooverpijl op hen afschiet, die nog krachtiger dan de snorrende pijl
van Odysseus, op den aftocht 20 dezer medeminnaars doodt, en op den
terugweg, terwijl hij tot zijnen heer gehoorzaam terugkeert, weder
20 doorboort--wanneer dan echter ook de strijder zelf òf valt en
sterft, òf triumfeerend met zijne veroverde geliefde op een adelaar
rijdende opstijgt--bij al zulke passages van de vertelling, drukken
die Samojeedsche toehoorders luide en eenstemmig hunnen bijval uit.

Overigens houden de Samojeden--zoo zegt ten minste de heer Castrèn--het
voor eene gemakkelijke zaak een lied te dichten, want ieder hunner
rekent zich daartoe in staat. Maar een lied goed te kunnen zingen,
roerend te kunnen _voordragen_, dat geldt bij hen voor een zeldzaam
en hooggeschat talent. Men zou hier kunnen zeggen: _Tout comme chez
nous_. Want ook bij ons zijn de zangers en acteurs er beter aan toe
dan de dichters.



Nadat wij zoo de wereld der Finnen tot hare uiterste Noord-Oostelijke
voorposten en stamverwanten gevolgd hebben, willen wij ons naar het
Westen keeren, waar wij midden tusschen de overblijfselen der Finnen
van het Skandinavische schier-eiland, en tusschen de gedeeltelijk
verturkte of verrussischte Finnen van den Ural, het verreweg grootste
getal echte Finnen langs de Oostelijke kusten van de Baltische zee in
eene hoofdmassa dicht bijeengedrongen vinden. Dit zijn ten eersten de
Finnen in de nu bij voorkeur "Finland" genoemde Russische provincie,
vervolgens de Kareliërs in het Oosten en Noorden, de _Ingern_ ten
Zuiden van Petersburg, en eindelijk de _Esthen_ in Esthland.

Al deze stammen waren als oorspronkelijke bewoners aan weerszijden en
rondom de groote golf, die met veel recht naar hen de Finsche genoemd
is geworden. Te zamen tellen zij meer dan twee millioen zielen, en
zij overtreffen in aantal verreweg alle andere bovengenoemde zwakke
en dun gezaaide Finnenstammen in het Oosten, Noorden en Westen,
die gezamenlijk wel niet meer dan een millioen zielen zullen tellen.

De Zuidelijke grens, tot waar deze Baltische Finnen de grondbevolking
uitmaken, loopt nu tot eene lijn, welke van het Zuidelijk uiteinde van
het meer Peipus, westwaarts door het midden van Lijfland kan getrokken
worden.--Vroeger gingen ook hier de Finnen veel verder Zuidelijk,
in voorgeschiedkundige tijden waarschijnlijk, zooals reeds gezegd
is, tot diep in Duitschland en het Westen van Europa; evenwel zijn
zij zelfs nog in historische tijden--nog buiten geheel Lijfland en
Koerland aan te wijzen.

Even als door de Skandinaviërs in het Westen, door de Slawen en Tataren
in het Oosten, zoo schijnen ook hier in de Oostzee-provinciën de
Letten door hunne naburen, de Indo-Germaansche Letten of Litauers,
die zich aan den Niemen en aan de Duna vastgenesteld hadden,
aangevallen, overweldigd, uit hunne woonplaatsen verdreven of van
hunne nationaliteit beroofd te zijn geworden, en wellicht duidt op deze
gebeurtenis nog de tegenwoordige naam, die de Letten den Finnen geven,
de naam "_Iggaunis_," dat zooveel als "de verdrevenen" beteekent. Deze
naam staat in eene zeer beteekenisvolle tegenstelling tot dien, welken
deze Finnen zich zelven geven, namelijk met den naam "_Tallopoig_"
"zonen der aarde," of "_Maamees_," "mannen des lands." Het is, alsof
deze oorspronkelijke Europeanen, met dergelijke nationale-namen als
"het volk," "de mannen," "de lieden," "de menschen," die herhaaldelijk
bij verscheidene hunner stammen als nationale-namen voorkomen, en
die er op schijnen te wijzen, dat zij zich als het eigenlijke ware,
oorspronkelijk Europeesche menschen-geslacht, beschouwen, hebben willen
protesteeren tegen de invallen der binnendringende Indo-Germanen.

Men vindt in de Noordelijkste punten van Koerland, en ook in
het Zuidelijke of Lettische gedeelte van Lijfland, eenige kleine
districten, in welke, midden onder de Letten, overblijfselen der oude
Finsche _Koeren_ en _Liven_ tot op den nieuweren tijd toe leefden. Doch
ook bij deze Finsche overblijfselen krijgen Lettische taal en zeden
de overhand. In hoofdzaak bestaat hier niets meer van hen dan de
landnamen Koerland en Lijfland, die niet van de Letten ontleend,
maar van Finschen oorsprong zouden zijn.

De Finnen, die nu nog de grond-bevolking van het Noordelijke Lijfland
en van de provincie Esthland uitmaken, worden door de Duitschers
gewoonlijk _Esthen_ of _Oesthen_ (dat is Oostlanders) genoemd.

Het is een overoude naam, dien de Germanen voor alle Oostwaarts van hen
wonende kustvolken der Baltische zee gebruikten, die bij Tacitus reeds
bekend was en die nu, in de zooeven aangegevene nauwe grenzen, nog
in zwang is gebleven. De zoogenaamde Esthen kennen hem natuurlijk niet.

Zij tellen wel bij de 600,000 zielen. Vroeger waren zij een koen
en vrij jagers-, visschers- en zeeroovers volk, maar sedert lang
hebben zij onder eene harde dienstbaarheid der Duitsche ridders en
kolonisten gezucht, die hun land onder elkander verdeelden, en nu
nog in vele heerlijkheden, steden en vlekken onder hen, of liever
gezegd over hen wonen. Veel van de hun aangeborene nationaliteit zal
in deze dienstbaarheid verloren gegaan zijn, veel is waarschijnlijk
juist door haar behouden gebleven. Als "gegermaniseerd" kan men hen
niet beschouwen.

Zij spreken nog altijd hunne oude Finsche taal, die tot de Finsche
idiomen in dezelfde verhouding staat, als het Saksisch tot het
Beiersch. Zij hebben hunne oude sagen, verhalen, overleveringen,
spreekwoorden, gedichten met de overige Finnen gemeen.

Ook schijnen zij eene overoude Finsche volkskleeding van oudsher trouw
gebleven te zijn. Daar zij bij deze hunne nationale-kleeding gewoonlijk
donkere, zwarte kleuren kiezen, zoo hebben Duitsche geleerden gemeend,
dat deze Esthen, de vroeger vermelde "Melanchlänen" (zwartmantels)
van Herodotus zouden zijn.--Men heeft opgemerkt, dat in zeker distrikt
van Esthland, de menschen witte en in eene andere streek zwarte kousen
dragen, en men heeft gevonden, dat in de oudste, reeds voor 500 jaren
geschrevene kronieken van het land, deze districten "_Mustjalla_"
(het land der zwarte kousen) en "_Waldjalla_" (het land der witte
kousen) genoemd werden. Toont zich in de kousen eene zoo groote 500
jarige bestendigheid, dan is het niet zonder grond, als men voor de
zwarte mantels een duizendjarig bestaan waarschijnlijk vindt.

Het land der _Ingren_ en _Kareliërs_, Ingermannland en Karelië,
ten Zuiden en Noorden van Petersburg, was zoo lang een twistappel
tusschen Russen en Zweden, dat van hun aantal en hunne nationaliteit
niet veel meer is overgebleven.

De Finnen eindelijk in het _par excellence_ zoogenaamde Finland,
zitten nu eigenlijk, om zoo te zeggen in het centrum der wijd
verspreide overblijfselen der Finnenwereld. Zij overtreffen ook al
de overige stammen in getalsterkte en vormen bijna de helft van alle
Finnen. Reeds vroegtijdig werden zij door de Zweden tot het Christendom
bekeerd, daarna werden zij Luthersch, en door den invloed van Zweedsche
scholen verkregen zij eene hoogere mate van beschaving. Ook hebben al
de nieuwere levens-uitingen, die sedert den aanvang dezer eeuw, even
als bij alle volken van Europa, zoo ook bij de Finnen ontwaakten, zich
nergens met meer energie doen kennen dan bij de Finnen in Finland. Van
dit Finland zijn de meeste patriotische bemoeiingen tot redding van
het Finsche volksleven, tot het instellen van een onderzoek naar hunne
talen en zeden, tot herstel en ontdekking hunner poëtische schatten,
uitgegaan.

Uit dit alles is het duidelijk, dat de _Finnen_ in _Finland_ zelf de
beste gelegenheid geven, om aan hen de eigenaardigheden, en vooral
de lichtzijden van het nationaal karakter der Finnen in het algemeen,
op te merken. In Finland vindt men de Zweden in grooten getale alleen
aan de zeekusten, waar zij talrijke havensteden gebouwd hebben, en waar
daarom de Finnen ook meer onder hen verdwenen of tot Zweden veranderd
zijn. In het binnenste van het aan rotskloven en meren overrijke land,
hebben zich de oorspronkelijke bewoners in grootere zuiverheid bewaard.

Daar kan men hen nog in hunne oude "zwarte" of "rookkamers," die uit
ruwe balken, zonder vensters en schoorsteen, getimmerde woningen zien,
die op donkere houten holen gelijken, waarin als Noordsch hoofd-meubel
zich een groote oven, als rustplaats der familie, verheft, waaruit den
binnentredende een altijd vochtige en warme damp tegenslaat, en waarin
altijd tot op 3 voet van den zolder een dikke rooksluier afhangt.

Daar kan men ook nog het oorspronkelijke type der beruchte Noordsche
zweetbaden vinden, in wier heete en bedwelmende dampen de Finnen
de beste uren van den dag wegzweeten, waarin zij een niet gering
deel van hun leven doorbrengen, die ook bij alle Noordsche, Finsche
en Mongoolsche volkeren der Aarde, zelfs bij de Indianen van Noord
Amerika, op dezelfde wijze gebruikelijk zijn en wier gebruik van de
Finnen eerst later op de Russische Slawen overging.

Daar kan men eveneens nog de eigenaardige kleederdrachten der
Finsche vrouwen bestudeeren, op wier opvallende en origineele
sieradiën zoo menig reiziger opmerkzaam gemaakt heeft, die hooge
uit berkenschors vervaardigde en met munten en banden versierde
mutsen,--verder de kolossale, zoogenaamde "Preesen" of zilveren
gespen, waarmede de vrouwen hunne mantels vastmaken, die echter
door toevoeging van allerlei versierselen van munten, crucifixen,
koralen, stukjes barnsteen, gouden schilfers en bellen, tot zulk
eene grootte aangegroeid zijn, dat zij de borst als met een harnas
bedekken, en die later als pronk-erfstukken in de familie van moeder
op dochter overgaan--eindelijk ook de sierlijk met roode draden
afgezette en omgeboorde hemden, die op dergelijke wijze, ofschoon in
de menigvuldigste modellen en variaties, bij alle Finsche natiën,
tot zelfs bij de Samojeden, teruggevonden worden. Daar, in dat
oude Finsche kernland, geldt ook nog het oude Finsche spreekwoord:
"aan den hoorn den os, bij het woord den man", dat het vaste,
eerlijke en tegelijk halsstarrige karakter der Finnen zeer juist
aangeeft. Finsche eigenzinnigheid is bij de Zweden even als bij
de Slawen spreekwoordelijk geworden, en deze hoekige stuurschheid,
deze afstootende wijze van in zich zelven gekeerd te zijn, moet een
grondtrek zijn, die in de geheele Finnenwereld opgemerkt wordt, want
men zou verscheidene door Duitsche, Russische en andere schrijvers
gemaakte beschrijvingen der genoemde Tscheremissen, Mordwinen, Wotjäken
enz. kunnen aanhalen, die overal, ook bij deze stammen, "hunne schuwe
ontoegankelijkheid, hunne onbuigzaamheid en eigenzinnigheid," als
eene in het oog vallende eigenaardigheid opgeven.

Ditzelfde is ook het geval met het den Finnen zoo algemeen
toegeschrevene, "droefgeestige temperament." Zelfs de zich in
Skandinavië met der woon gevestigd hebbende Finnen worden door
de Zweden voor melancholici uitgemaakt, en zelfs de Russen, die
langeren tijd onder de Finnen woonden--er bestaan midden in Finland
eenige oude Russische gemeenten--"_hebben niet meer_" (zooals Rühs,
een vroegere aardrijksbeschrijver van Finland, zegt) "_de Russische
vroolijkheid_". Aan de melancholieke tint die zij gekregen hebben,
herkent men hunnen omgang met de Finnen.

Het is zeer gemakkelijk te begrijpen, dat zulk eene droefgeestige
tint, als grondtrek diep in de ziel van een volk zetelen moest, dat
een vroege buit van ondernemende naburen geworden is, geen anderen
strijd gestreden heeft dan den strijd van vertwijfeling, en nimmer
vroolijke zegepralen behaald heeft.


    Mijn ziel is zwart gelijk koolteer,
    Mijn hart niet blanker dan houtskool.


zoo klaagt een Finsch poëet in een gedicht.

    Uit slechte tijden werd mijn hemd geweven,
    Uit nijd en boosheid mijn hoofddoek gemaakt.


zoo hoort men in een ander volkslied der Finnen, wier gedichten men
bijna alle: "uitvloeisels van weemoedigheid en zwaarmoedigheid" zou
kunnen noemen. Zelfs bij die, welke een vroolijker inhoud hebben,
is zielesmart als omkleeding niet te miskennen:


    "Harpan ar of sorgar bildad,
    Och ut af bekümmer danad,
    Kupan ut af harda dager.
    Strängarne af smärter spunna,
    Og af andra widrigheter,
    Skrufvarna in harpens ända."


    Mijn harp ontstond uit zorgen,
    Uit verdriet werd zij geschapen,
    In droeve dagen kreeg zij haar vorm,
    De snaren zijn uit pijnen gesponnen
    En de schroeven aan haar hals
    Zijn uit ellende gedraaid.


De liederen, die aan eene dusdanige Noordsche harp ontlokt werden,
zijn droefgeestig en kunnen met die nevelachtige herfstdagen
vergeleken worden, wanneer een zonnestraal slechts zelden door de
wolken henendringt. Welk zwart treurfloers somwijlen het gemoed der
Finnen omhult, wordt op zeer pikante wijze duidelijk in den inval,
dien een hunner dichters in een lied bezingt. Daar hij zijn innerlijk
verdriet, zijn aan zijn hart knagende "vogel des verdriets" niet kwijt
kan raken, zoo komt hij op de gedachte hem in de zee te werpen. De
gedachte komt daarbij echter bij hem op, dat zijne droefheid zich
dan aan de vroolijke visschen zoude mededeelen, en dat zoodoende de
geheele natuur zou kunnen aangestoken worden.


    Alle visschen zullen treuren,
    Op den bodem zakken baarsen,
    Groote snoeken zullen barsten,
    Pijnlijk sterven de forellen,
    En de roodoog zal bedrukt zijn.
    Ieder vischsoort zal vergaan,
    Door de smart des diepbedroefden
    Door des zwarten vogels woede.--


Tot deze melancholie en tot die halsstarigheid der Finnen, heeft
hun diep ingeworteld bijgeloof en hun sedert de oudste tijden bekend
geloof aan wonderen, waarschijnlijk veel bijdragen. De Finnen gaan
bij al hunne naburen door voor heksenmeesters. Zelfs in Stokholm
wendt men zich tot de eerste de beste Finsche meid, als men meent
eenige hulp uit het geestenrijk noodig te hebben. Hoe Noordelijker
de Finnen wonen, des te grooter is hun roep te dien opzichte. Maar
zelfs de beproefdsten onder hen gelooven, dat de Lappen hen allen nog
verre overtreffen. Van een beoefenaar der zwarte kunst, die in zijn
vak goed te huis is, zijn zij gewoon te zeggen: die is door en door
een Laplander. In iederen vreemden dwarrelwind, meenen zij, huist eene
Laplandsche heks. Evenzoo worden in het Oosten de daar wonende Finnen
beschouwd als in die kunsten ver boven de Tataren verheven, en zoo
ook gelooft men dat de _Noordelijk_ Samojeden weder de _Zuidelijke_
Finnen overtreffen.

Het is merkwaardig genoeg, dat de Finnen in hunne bijgeloovige
gezichten en voorstellingen, en zelfs in de dit bijgeloof vergezellende
verschijningen--de geestdrift--de vervoeringen hunner door de geesten
bezielde toovenaars en in de daarbij op te merken gewoonten--met vele
andere Noordsche volken eene groote gelijkheid in tooverformules en
toovermiddelen verraden. De wonderdoeners der Finnen, de "Schamanen"
der Tunguzen, de "Angeköko" der Groenlanders, ja zelfs de "Jongleurs"
der Canadezen in Amerika, gaan bij hunne offerhanden en bezweringen
allen naar de zelfde methoden en principes te werk.

Daaruit zijn zelfs--dit moet ik hier nog opmerken--bij ver afgelegene
volken geheel gelijksoortige benamingen, voor deze verschillende
toovernaars ontstaan. Wijl de Canadasche "Jongleurs" de reliquiën,
toovermiddelen, medicamenten en gereedschappen, die zij voor hunne
bezweringen meenen noodig te hebben, in een van dierenhuiden
vervaardigden zak met zich dragen, hebben de Franschen hun den
naam, medicijn-zak-mannen of medicijn-mannen (_Gens de médicine_)
gegeven. Omdat de toovenaars in Zweedsch Finland een dergelijken zak
met zich dragen, hebben zij ook daar den naam "_Kockoromies_" dat is
"zak-mannen" ontvangen.

Er was en is nu gedeeltelijk nog door het geheele Noorden der wereld,
van Amerika door Azië naar Europa, eene zekere godsdienstige wijze
van beschouwing, die zich over een grootere aardruimte verspreidt
dan zelfs het Budaïsme, en die men wellicht nog niet scherpzinnig
genoeg onderzocht heeft, om bepaald te kunnen zeggen, of eene haast
wonderbaarlijke gelijksoortigheid zich bloot psychologisch laat
verklaren, of dat men daarbij tot de geschiedenis en ethnologie zijne
toevlucht moet nemen.

Even als bij de Indianen van Amerika en bij de Siberische volken,
zoo vindt men ook bij de Finnen, de helft en het oudste gedeelte
hunner nationale-poëzie, in hunne zoogenaamde "_toover-Runot_"
(toover-gezangen). Vroeger was eene meer algemeene neiging voor
de dichtkunst over het geheele volk verbreid, en zij verfraaiden
daarmede ook andere zaken en verhoudingen van het leven. Ieder Finsch
moeras-bewoner dichtte liederen en gezangen. Uitstekende dichters
droegen bij hen den eerenaam _Runo-niekat_ (lieder-kunstenaars),
en stonden algemeen in aanzien. Hunne poëzie bestond meestal uit
lyrische gedichten, die zij _Runot_ (Runen) noemden.--Kort geleden
is echter ook een groot episch gedicht uit het land der Finnen tot
ons gekomen, het in korten tijd beroemd gewordene, uit niet minder
dan 50 gezangen en 20,000 verzen bestaande heldendicht "Kalewala,"
dat men de Finsche Edda of Iliade zou kunnen noemen.

Dit gedicht schijnt sedert oude tijden, even als door de Grieken
de verzamelingen van Homerus, door de Barden der Kareliërs, aan de
Tawasten en Esthen voorgedragen te zijn, en lang in den mond des volks
bestaan te hebben. De een kende het eene, de andere een ander gedeelte,
weinigen het geheel. Enkele gedeelten werden reeds in de vorige eeuw,
bij verschillende gelegenheden opgeteekend en door den druk aan het
overig Europa bekend gemaakt. Maar eerst in nieuweren tijd heeft
een ijverig Finsch geleerde, de zeer verdienstelijke Lönnrot, alle
brokstukken van dit bewonderingswaardige gedicht, als de scherven
van een fraai standbeeld, te samengebracht en het geheel onder onze
oogen gebracht.

Dit bijzonder merkwaardige Finsche heldendicht heeft zijn naam ontleend
aan "Kalewa," den God van het gezang. "Kalewala" beteekent zooveel
als: land van Kalewa of land van het gezang, waardoor Finland bedoeld
wordt: "het schoone land, dat uit duizend zeeën de zon op haren loop
vriendelijk toelacht."

Het bezingt hoofdzakelijk de avonturen en krijgstochten van Kalewa, van
zijn zoon Wainämoinen en de heldendaden van andere Finsche halfgoden en
helden. Vele interessante schilderingen der oude tijden en zeden zijn
daarin bewaard. De kruistochten dier Finsche helden gaan bijna allen
naar het Noordland, "Pohjola" genoemd, waardoor Lapland bedoeld wordt,
en daarbij is het meestal te doen om eene schoone Prinses te winnen,
(even als het doel van den Trojaanschen oorlog Helena was) alsmede om
de verkrijging van een zekeren kostbaren schat of talisman, "Sampo"
genoemd, die in het Finsche epos ongeveer hetzelfde schijnt te zijn,
als het gulden vlies in de sage der Argonauten, of de "Nibelungen-Hort"
in het Duitsche nationale-heldendicht. Ook worden daarbij den
helden dergelijke taak opgelegd of dergelijk werk gegeven, als aan
Herkules bij de Grieken. Zoo moet b.v. de geweldige "Lemminkainen,"
die in zekeren zin de Ajax of Achilles dezer Finsche Iliade is, het
vuursnuivende ros van Heisi beteugelen, het vlugge hert van Pohjola
opvangen, de zwaan, die op den vloed van Tuonela (de onderwereld)
zwemt, dooden. Bij deze laatste onderneming wordt hij wel gedood,
in stukken gehouwen en in de rivier der onderwereld geworpen, maar
zijne moeder, die van de zon bericht ontvangt aangaande het lot dat
haren zoon wedervaren is, haalt met eene lange hark alle stukken
van het lijk haar zoons uit het water op, voegt ze weder bijeen,
maakt hem met zalven en tooverspreuken weder levend, en reist met
hem naar huis, om hem na eenige verzorging, tot het verrichten van
nieuwe daden weder te laten vertrekken.

Het is merkwaardig, hoe behalve het genoemde, ook nog verscheidene
andere poëtische thema's en opvattingen in dit Finsche heldendicht
voorkomen, die men ook in de gedichten der Grieken en andere volken
aantreft. Zoo b.v. brengt Wainämoinen met zijn gezang de geheele
natuur in verrukking, even als Orpheus zulks ook doet, en even als
deze, verzamelt hij alle dieren des wouds om zich. Zoo betoovert
hij de vijanden en doet hen door zijn spel op zijne "Kantele" (harp)
inslapen, even als Oberon met zijn tooverhoorn.

Over het geheel echter is de geest van het Finsche
nationale-heldendicht veel zachter, dan die in de Oud-Noordsche sagen
der Germanen, waarin het bloed bij stroomen vergoten wordt en al wat
wreed en verschrikkelijk is, opeengehoopt is. Alle familie-verhoudingen
worden er met bijzondere voorliefde in behandeld. Man en vrouw, ouders
en kinderen, broeders en zusters, bruid en bruidegom, in een woord
alle personen en gedaanten, waarin zich het huiselijk en zedelijk leven
openbaart, worden er met de fijnste penseelstreken in afgemaald. Zeer
merkwaardig is het slot van het gedicht. Het maakt aan het geheele
avontuurlijke doen en streven een einde, door eene onberispelijke
jonkvrouw "Mariatta" (Maria) te doen optreden. Zij is met haar pas
geboren kind uit een ver land door den wreeden Koning Ruotas (Herodes)
verdreven geworden. Zij gaat daarop naar "Tapiomäki" in Finland, waar
zij in een stal wonen moet en haar kind in eene krib laat slapen. Toen
zij wenscht het te laten doopen, verzet zich Wainämoinen, de Finsche
God van het gezang daartegen, en beweert hij dat men, naar eene oude
Finsche wet, den kleinen vreemdeling het hoofd splijten moet. Maar
het kind, dat pas twee weken oud is, doet den mond open, spreekt
met Wainämoinen, bewijst hem, dat hij eene valsche uitlegging aan
de wet geeft, laat zich doopen en blijft met zijne moeder Mariatta
in het land. Wainämoinen, hierover beschaamd en verschrikt, gaat in
een koperen schip zitten en zeilt voor eeuwig weg naar het uiterste
einde der wereld, terwijl hij zijne onvergetelijke gezangen en zijne
"Kantele" aan de Finnen achterlaat.

Het slot van het gedicht zou ons reden geven om te veronderstellen,
dat het tijdens de eerste invoering van het Christendom in Finland,
in de 13de eeuw, ontstaan is. Het is echter ook zeer goed mogelijk,
dat alleen het laatste gedeelte van het gedicht toen ontstond, en
dat zijne eerste, bepaald heidensche gezangen, reeds vroeger bestonden.

De neiging en het talent voor de dichtkunst en wat daarmede samenhangt,
zijn onder de Finnen ook nu nog niet uitgestorven. Bij de Esthen,
even als bij de Tawasten, bij de Quänen, en ook wel bij andere
Finsche volken, geldt nog heden ten dage het oude spreekwoord:
"de dag wordt verlengd door den er bij gevoegden nacht, en evenzoo
verdubbelen gezangen het karige maal," en nog tegenwoordig leeft
bij al deze volken het verlangen, zich op de vleugelen der phantasie
uit de treurige werkelijkheid op te heffen, een verlangen, dat in de
schoone inleidende verzen van het zoo even vermelde gedicht Kalewala,
zeer lief uitgesproken wordt, wanneer de dichter zingt:


    Altijd ben ik vol verlangen,
    En ik denk steeds naar behooren,
    Om legenden in gezangen,
    Of te zingen of te hooren.
    Gouden broertje, is 't niet waar?
    Ed'le metgezel in 't dichten!
    Zelden spraken wij elkaar;
    Laat ons in dit woeste land,
    In deez' noordsche barre streken,
    Plaatsen samen hand in hand
    Gelijk men haak in haak zal steken.
    Laat ons bezingen goede dâan,
    En verhalen beste werken,
    Dan hooren deze braven 't aan,
    Deez geliefden zal dat sterken,
    Ook deez' jeugd, die nu al opgroeit,
    En dit volkje, dat vooruitgaat.
    En men alzoo een ieder boeit,
    Met dien zegen, met die weldaad,
    Die men vindt in 't hooge Noorden
    Bij Kalewala's barre oorden.


Ter verklaring der toespraak in deze karakteristieke verzen, aan het
"gouden broertje," aan den "ed'len metgezel" en "het plaatsen hand
in hand, gelijk men haak in haak zal steken," moge deze opmerking
dienen: de Finsche dichters improviseeren meestal twee aan twee,
en zitten daarbij met in elkander geslagen handen knie aan knie,
als aan elkander geketend, tegen elkander over. Terwijl de een
zijne strophe zingt, bedenkt de ander wat hij antwoorden zal, en
beiden herhalen daarna--terwijl zij op de maat voor- en achterover
buigen--het laatste vers van hunnen "ed'len metgezel in het dichten."

Dit zijn zeer merkwaardige en zeer in het oog vallende dichterlijke
gebruiken. Ook eigent zich de Finsche taal uitstekend voor de
dichtkunst; zij is uiterst melodieus en zeer klankrijk. Zelden komen
bij haar twee medeklinkers en vele sissende en ruischende klanken,
zooals in het Duitsch en Russisch, bij elkander, en de meeste woorden
eindigen in eene volklinkende vocaal. Nooit komen bij haar zulke
opeenhoopingen van consonanten voor als b.v. in ons "schelmsch,"
of "herfststorm." Als harde Germaansche woorden door de Finnen in
hunne taal worden opgenomen, dan ondergaan zij in hunnen mond een
verfraaiings-proces. De korte Zweedsche naam "Olof" verandert tusschen
hunne lippen tot "Wuolaba." Het harde Zweedsche "Konge" (Koning)
maken zij tot "Kunigu." Ons "Petersburg," verzacht zich bij hen tot
"Pietapori." Van ons "vaandrig" maken zij "wänteriki." De welluidende
namen der bekende Russische meeren "Onega" en "Ladoga," ook die der
"Newa," zijn van Finschen oorsprong. Hoe lieflijk klinken ook niet,
de door mij reeds genoemde namen der zang- en luchtgoden "Wainämoinen"
en "Ilmarinen."

De Finsche taal heeft, als zij goed gesproken wordt, eene zekere
deftige volheid. Zij is rijk aan tweeklanken en vocalen en is daarin
wel met het Italiaansch vergeleken. Men heeft dikwijls verhaald,
hoe een Russisch gezant uit Esthland eens aan het Spaansche hof,
toen er van welluidende talen sprake was en men het welluidende van
het Portugeesch, het Italiaansch en het Spaansch geciteerd had, de
volgende Esthnische of Finsche woorden uitsprak: "_pois ssaïda tassa
ülla sülla_," en den aanwezigen verzocht hem te willen zeggen tot welk
genre zij den inhoud dezer woorden rekenden te behooren, Zij dachten
dat het het begin van een episch of lyrisch gedicht was en stonden
niet weinig verbaasd, toen de Noor hun den volzin vertaalde, die niets
meer of minder beteekent dan: "hallo! domme knaap, rijd langzaam over
de brug."--eene phrase, die men men op de slechte wegen dier landen
zich dikwijls genoeg genoodzaakt ziet, den postillon toe te roepen.

Dat de Finnen zelven ook in hooge mate overtuigd zijn van de
voortreffelijkheid hunner taal, bewijst de oude sage van het koken
der talen, die zij te pas brengen, en waarin zij zich en hunne taal
als lievelingen van Wainämoinen voorstellen. Toen deze Finsche Apollo,
zoo heet het in die sage, wenschte, dat de menschen zich op aarde in
verscheidene nationaliteiten verbreiden en ieder volk zijne eigene
taal hebben zou, plaatste hij op een hoogen berg een tooverketel,
en maakte er een vuur onder aan, om de talen voor de volken, die hij
bijeenriep, te kooken. De gehoorzame Finnen volgden de roepstem van
hunnen God zoo spoedig mogelijk, en verschenen zelfs zoo bijtijds, dat
Wainämoinen nog niet eens met zijne toebereidselen klaar was. Verheugd
over hunne buitengewone stiptheid, zeide de God hun daarom, dat hij,
daar de taalmassa nog niet goed door elkander gemengd was, hun, dezen
Finnen, zijne eigene goddelijke taal wilde geven en dat zij op Aarde
zijn eerste en uitverkoren volk zouden zijn. Hij liet hen, vereerd
door deze tijding, naar huis gaan. De talen der andere later komende
volken echter werden uit het sissen, ruischen, knetteren, flikkeren
en uit het schuim van het taal-brouwsel in den ketel, gevormd.--De
Italianen zelve hadden geen treffender satire op de harde en met
consonanten overvulde talen der Germanen en Slawen kunnen uitdenken.

Met den Wainämoinen, hunnen Musagetes, dien zij zich echter niet,
zooals de Grieken, eeuwig jong en schoon, maar van zijne geboorte af
met grijzen baard, wit hoofd, maar tevens met een jong hart, hooge
wijsheid en dichterlijke geestdrift begaafd, voorstellen,--(het is
zeer karakteristiek, dit moet hier nog ter loops opgemerkt worden, dat,
terwijl de Hellenen zich alle Goden jong dachten, deze Noordsche volken
zich de hunnen als oud en grijs voorstelden,)--met dien Wainämoinen
zeg ik--houden zich, behalve het gedicht Kalewala, nog vele andere
Finsche sagen en gezangen bezig, waarin verhaald en soms uitvoerig en
dichterlijk beschreven wordt, hoe hij de Kantele, de Finsche cither,
uitvond en vervaardigde; hoe hij aan de vogelen, aan de echo en de
menschen de muziek leerde; hoe hij zelf zong, hoe hij door zijne eigene
melodiën geroerd en in geestdrift ontstoken, dikke tranen schreide,
die hem als dauwdroppels langs zijn baard vielen--en van den baard
op de knie--en van de knieën in de zee--waar zij echte paarlen werden.

Ook de indrukken der natuur, de moeder van alle wezens, aan wier
boezem deze stille volken zich zoo veel inniger vastprangen dan de naar
heldendaden beluste, politieke en gezellige natiën van het _Zuiden_,
waaraan zij zich voor de over hen heen bruisende stormen verbergen,
vinden bij hen in die sagen en gezangen hunne zuiverste uitdrukking.

Het gemoed dezer eenzame, over uitgebreide streken spaarzaam
verstrooide kinderen van het Noorden, gevoelt zich sterk aangetrokken
tot den omgang met de natuur, en dicht aan alles, zelfs aan de
geringste voorwerpen, ziel en leven, gedachte en taal toe. De Finnen,
zooals ook hunne naburen, de Letten, beiden door de menschen zoo
dikwijls mishandeld, zoeken hun troost in vertrouwelijke gesprekken
met vogels, visschen en andere dieren, met bloemen en boomen, ja,
met rivieren, meren en vijvers. Uit de, ieder mensch ingeschapene,
behoefte en zucht naar gezelligheid, die zij, omdat bij hen de menschen
zoo dun gezaaid zijn, zelden bevredigen kunnen, knoopen zij zelfs met
boomstronken, steenen en granietblokken, die zij dikwijls aanspreken,
eene dichterlijke vriendschap aan. Waar en bij welke gelegenheden
zij nog heden ten dage hunne liederen componeeren en zij zich die
over en weer overleveren, daarvan geeft weder de dichter van hunne
Kalewala zelf, de trouwste schildering in een soort van inleiding,
waarin hij op zeer aardige en naïve wijze allegorisch aangeeft,
op welke wijze hij zijn schat van sagen samenbracht:


    Vader leerde mij er menige,
    Als hij zich een bijlsteel kapte:
    En mijn moeder ook nog sommige,
    Als zij aan haar spinwiel trapte.
    Velen heb ik ook vernomen,
    Zoo al gaande langs den weg,
    Of ook zittend onder boomen,
    In de hei of bij een heg,
    Of wel midden in het groen,
    Of al loopende in de wei.
    Voorts als herder heb ik toen
    Op heuvels vol van bosch of hei,
    Op schoone bergen, ongestoord,
    Vele liederen ook verzonnen,
    Vele sagen ook gehoord.


Even als de natuurschilderingen, zoo speelt vooral ook de liefde in
die Finsche volksgedichten eene groote rol. Ouder-, kinder-, broeder-
en zusterliefde, riepen bij hen een gedeelte der bekoorlijkste lyrische
producten in het leven. Eene zuivere, diepe en hartelijke innigheid
ligt in hunne liefdeliederen. Zoo, om een uit duizend voorbeelden te
nemen, in het volgende liedje, waarin eene Finsche vrouw hare smart
over de scheiding van haren geliefde uitspreekt:


    O! beste vriend, hoort gij 't wel.
    O! hartelief, merkt gij 't wel!
    Als ik zingend om u klaag?
    Scheiden moeten wij van daag!--
    Wachtend moet ik naar u uitzien
    Schriklijk ver trekt g'hier van daan!
    Ik blijf terug bij vreemde lien,
    't Is wel hard zoo weg te gaan.
    Pijnlijk is--het afscheid geven,
    Smartelijk tevens het vertrekken,--
    Altijd blijf ik met u leven:
    Altijd zie ik uwe trekken
    Droomend, etend, zonder falen!
    Kunt g' de mijne voor u halen?
    Zullen w'elkander wedervinden?
    In 't dal of bij de linden?
    Bij den oever of in 't gras?
    In het koren, onder bloemen?
    Of als 't in den hemel was?
    Of bij vaders schoone bloemen?
    Ja! daar vinden wij elkaar,
    Om te sâam altijd te leven.--


Wel komt men bij de kennismaking van zulke liederen in de verzoeking,
het gevoelen van een beroemd kenner en beminnaar der Finsche poëzie
te beamen, wanneer hij, vol geestdrift over zijn onderwerp, beweert,
"dat de echte innerlijke gloed en sterkte van gevoel niet in het warme
Zuiden, maar in het koude Noorden bij de Finnen te huis behoort,
en dat den Noorschen literator, alles wat hem van Zuid-Europeesche
volken-stammen ter oore komt, in vergelijking met dergelijke producten
van het Noorden, koud moeten toeschijnen."

Eindelijk zijn de Finnen, even als de Arabische Bedouïnen, groote
vrienden van woordspelingen en poëtische aardigheden. Hunne taal en
literatuur zijn zeer rijk aan spreekwoorden.--Een Duitsch geleerde
heeft kort geleden onder de Finnen aan het meer Peipus, bij Dorpat en
in verscheidene deelen van Esthland, eene menigte merkwaardige Finsche
spreekwoorden bijeen verzameld, en eenige uit deze verzameling,
die ik hier wil mededeelen, zullen voldoende zijn, om zoowel de
scherpzinnigheid als den wijsgeerigen geest dezer menschen, te doen
uitkomen:

"Eerst zaaien, dan maaien."

"Zit het geluk met iemand in het schuitje, dan behoeft hij niet naar
het kompas te zien."

"De man schudt de dobbelsteenen, het geluk geeft de oogen."

Aan een zeer zwijgzaam mensch: "Spreek toch zoontje, de lippen vallen
u immers niet af."

Aan de grootsprekers: "Ook de hoogste berg kan niet boven zijn top
uitsteken."

In plaats van ons: "paarlen voor de zwijnen" zeggen zij: "geeft den
ezel rozen, hij verlangt naar distels."

"De gierigaard zou wel eerst den molen en dan nog den wind willen
verkoopen."

"Die een ongeluk houden moet, die zal ook wel den spiegel breken,
als hij er maar in ziet."

"Voor de gelukkigen zijn de bergen vlakker, dan voor de ongelukkigen
het dal."

"Braad den beer niet, voor gij hem geveld hebt."

"Dank God voor het stroo, als Hij u het koren ontzegd heeft."

"Dien runderen ontbreekt, die prijze zijne kat."

"Spring niet, voor gij bij de sloot komt."

"Wie bij windstilte slaapt, moet bij storm roeien."

"Ook de slimste slang, zal het nooit zoover brengen, dat zij rechtop
loopt."

"Ver klinkt het klokje der vromen, maar nog veel verder het woord
van den booze."

"Die zonder reden boos is, verzoent zich zonder zelfvoldoening."

"Ver _ziet_ de verstandige, maar verder nog _denkt_ hij."

"De tijd vraagt niet naar den man, als de man niet naar den tijd
vraagt."

"Heeft de muis tijd tot geeuwen, als hij reeds in den bek van de
kat zit?"

Wanneer bij een volk een schat van levenswijsheid gevonden wordt,
waarvan het opgegevene slechts enkele proefjes zijn, dan mag men met
recht beweren, dat niet moreele zwakte en slechtheid, maar alleen
gebrek aan politiek verstand en aan staatkundige degelijkheid, zijn
treurig lot heeft teweeg gebracht.

Ook de woordspelingen en raadsels, waarop de Finnen zich, ter oefening
van het verstand, zoo gaarne toeleggen, zijn zeer origineel.

Het ei wordt daarin bestempeld als een "tonnetje met tweeërlei bier,"
een sluitkool als "een klein, rond, rimpelig vrouwtje, die haar hoofd
in honderd doeken gewikkeld heeft." "De vader is nog niet geboren en de
zoon zit reeds op het dak" beteekent de rook, voor dat de vlam nog te
zien is. "Een rood hondje blaft door eene uit beenderen vervaardigde
heg," is de booze tong tusschen de tanden. "Zij hebben geene voeten
en loopen toch tot aan het einde der wereld," dat zijn de wolken,
de schippers der lucht.

Slechts vluchtig kon ik hier op al deze interessante en karakteristieke
dingen wijzen, die men overigens ook tot nu toe, nog slechts in hare
bijzonderheden bij twee Finsche volken, bij de veelbesprokene Esthen
en bij de Finnen in Finland, meer en détail nagegaan heeft.

Waarschijnlijk echter zijn deze raadselen, deze spreekwoorden,
die lyrische "Runot," even als de Wainëmoinen, sagen en gedichten,
tot hoog in het Noorden, door alle heide-, bosch- en moeraslanden der
Tscheremissen, Wotjäken, Wogulen en Samojeden verspreid, en daar al die
zaken gedeeltelijk met zeer oude heidensche mythen in verband staan,
zoo is het eveneens waarschijnlijk, dat ook de vroeger genoemde nu
verdwenen Koeren, Liven, Wessen, Mezen en andere talrijke verdwenen
Finnen-stammen, van welke ons niet eens de naam overgebleven is,
door een dergelijken geest bezield zijn geweest, en dat dus, als ik
over eene onder onze voeten verdwenen Finnen-wereld sprak, daaronder
niet alleen verwoeste paalwoningen, visschershutten en "rookkamers"
verstaan moeten worden, maar ook, wat nog belangrijker is te vernemen,
een geheel rijk van oorspronkelijke gedachten, eigendommelijke sagen,
mythen, gedichten, zeden en gewoonten, over wier bouwvallen wij
nu wandelen.



DE JODEN.


De Israëlieten verhalen ons in hunne eeuwen-oude geschriften en
overleveringen de geschiedenis van hunnen oorsprong nagenoeg op de
volgende wijze:

Niet geheel "2000 jaren na de schepping der wereld" (nagenoeg 2000
jaren voor de geboorte van Christus) leefde aan gene zijde van den
Jordaan, op de steppen van Mesopotamië, onder het bestuur van zijnen
Emir Abraham ("de vader der menigte"), een kleine nomadenstam,
zooals men in Arabië tallooze aantrof. De herdersvorst Abraham en
de zijnen, onderscheidden zich aanvankelijk noch door hunne zeden,
noch door hunne taal, noch ook in hun physisch type van de overige
Arabische herdersvolken. Hunne taal werd in vele dialecten, takken van
den tegenwoordig zoogenoemden Semitischen stam, in groote gedeelten van
het Westelijk Azië gesproken, en met hen verwante nationaliteiten waren
over alle landen tusschen Perzië, de Indische- en de Middellandsche
Zee verspreid.

Alleen met betrekking tot hunne godsdienstige beschouwingen en
gewoonten, waren Abraham en de zijnen begonnen, zich van hunne naburen
te onderscheiden en af te zonderen. Hij moet een vroom en nadenkend
man, met een innig godsdienstig gemoed en met een voorspellenden
geest geweest zijn, en verhief zich daardoor boven zijne landslieden
en tijdgenooten. Hij erkende een eenigen en onzichtbaren God. "Hij
verbond zich met Hem", verwierp het veelgodendom en alle lichamelijke
voorstellingen der Godheid. Hij bekeerde ook de medeleden van zijn
stam tot dit geloof, en voerde bij hen, als teeken van hun geloof,
zekere plechtigheden of eene soort doop in.

Dit maakte echter de Israëlieten oorspronkelijk niet zoozeer tot
een afzonderlijk volk, veel meer slechts tot eene godsdienstige
secte onder de Arabieren. Was Abraham, evenals Mohamed, heldhaftig
en overwinnend uitgetrokken, en had hij met woord en zwaard ook de
andere heidenvolken van zijn vaderland bekeerd, dan zouden wij geen
eigendommelijk afgezonderd Israëlitisch volk gekregen hebben. Maar
het was hem genoeg, bij zich en de zijnen de monotheïstische
godsdienstbeschouwing in hare zuiverheid te bewaren, en de
hemelsche vonken op zijne eigene nakomelingen en stamgenooten
over te brengen. Daardoor vormden deze al ras een contrast met de
overige Semitische stammen, sloten zich van hen uit, leerden op hen,
als niet tot het uitverkoren geslacht behoorende, met trotschheid
neder te zien, werden door dezen op hunne beurt vijandig behandeld,
en daar hun, die een op zich zelven afgesloten geheel vormden, ook
afzonderlijke lotgevallen ten deel vielen, zoo ontstonden bij hen
langzamerhand een eigen physisch _type_, eene afzonderlijke taal,
andere zeden, en een eigenaardig nationaal-karakter. De nakomelingen
en stamgenooten van Abraham werden, ten gevolge hunner godsdienstige
overtuigingen, van eene secte, een van al hunne Semitische verwanten,
(Arabieren, Pheniciërs, Chaldeërs) verschillend volk, dat _eerst_
den naam "Hebreërs" (de van de andere zijde gekomenen) ontving,
omdat zij eerst aan gene zijde van den Jordaan gewoond hadden.

Zeker was dit natuurlijk een zeer langzaam en langdurig proces. Want
langen tijd na Abraham leefden zij nog, naar voorouderlijke gewoonte,
als een herdersstam in het aan weiden rijke dal van den Jordaan,
en ook naar Egypte trokken zij nog als Nomaden; daar werd hun door
de Pharao's in het land Gosen aan de Roode zee een afzonderlijk
weide-district aangewezen. De tocht der Hebreërs naar Egypte
en hun vierhonderdjarig verblijf aldaar, heeft er in de eerste
plaats zeer veel toe bijgedragen, om dit volk van zijn Arabisch
vaderland en van de daar te huis behoorende nomadische gewoonten, te
vervreemden. Toen later Mozes hen daarheen terugvoerde, voelden zij
zich onder de Bedouïnen niet meer te huis, kregen zelfs heimwee naar
het stillere en burgerlijke leven in Egypte, en gaven kort daarop
het nomadisch leven geheel op, terwijl zij onder aanvoering van
Jozua, het Zuidelijke deel van Syrië, het land Kanaän bezetten. Zij
verdeelden dit onder elkander, vermengden zich meermalen met de, na
de bloedige verovering nog overgeblevene oorspronkelijke inwoners, en
legden zich daar toe op landbouw, wijnbouw, kunsten en handwerken,
die zij gedeeltelijk in Egypte geleerd, gedeeltelijk van de in
het land aangetroffene Kanaäniten afgezien hadden. Van Mozes, na
Abraham hun grootste geloofsheld, hun godsdiensthervormer en wetgever,
ontvingen zij eene staatsregeling, berekend naar den nieuwen toestand
waarvoor hij hen bestemde; van deze staats- en godsdienstwetten, was
de kern de oude monotheïstische godsdienst-beschouwing van Abraham,
en daaruit ontwikkelde zich eene vaste hiërarchie, met verscheidene
zeer eigenaardige grondstellingen.

Bijna 400 jaar lang, leefden zij in het land Kanaän onder wakkere
krijgshaftige hoofden, die gewoonlijk "richters" genoemd worden, en
namen toe in aantal, macht en rijkdom. Het was het eerste heroïsche
tijdperk van het volk. Omtrent het jaar 1080, kozen zij zich--ten
gevolge van een opstand tegen de priesters--"Koningen", die zich al
ras, even als de gebieders van andere Oostersche volken, met glans,
onbeperkte macht en wapenroem omgaven. Onder de Koningen David en
Salomo, nagenoeg 1000 jaren na Abraham, bereikte het Israëlitische
volk het toppunt van macht en bloei. Toenmaals heerschte het over een
groot gedeelte van Syrië en Arabië, oostwaarts tot aan den Eufraat en
westwaarts tot aan Egypte en tot aan de kusten der Middellandsche- en
Roode Zee. Op beide zeeën hadden zij hunne vlooten, en wedijverende
met de Pheniciërs, werden zij voor de eerste maal van gewicht in
den wereldhandel. Uit de rijke steden van Phenicië vonden luxe
en schoone kunsten ingang bij hen, en met behulp van Phenicische
werklieden bouwde Salomo zijn tempel in Jeruzalem, een der wonderen
van het Oosten. Onder David en Salomo maakten de Israëlieten zich
beroemd en gevreesd in geheel Westelijk Azië, en onder aanvoering
dezer beide uitstekende Vorsten die zelfs door God in geestdrift
ontstokene dichters en wijzen waren, heeft hunne taal en literatuur
den grootsten rijkdom en hare klassieke zuiverheid ontvouwd.

Vermoedelijk heeft dus toen ook de geest en het karakter van het
volk het hoogste gestaan. Deze periode van bloei duurde echter niet
lang,--nagenoeg 60 of 70 jaar. Die tijd is de korte zonneschijn van het
leven van dit naderhand zoo ongelukkige en altijd zoo hard behandelde
volk. Want nooit heeft het, ofschoon nog tijden van roem en vrijheid
terugkeerden, weder eene zoo groote mate van nationale zelfstandigheid
genoten. De roemrijke tijd van David en Salomo, is in zekeren zin
het verloren paradijs der Israëlieten geworden, waarnaar zij steeds,
maar te vergeefs, terugverlangden, met de herinnering waaraan zich
hunne phantasie steeds bezig hield, en wiens terugverkrijging, naar
zij meenden, de taak van den door hen verlangden Messias zijn zou.

Reeds dadelijk na Salomo, splitste het rijk zich in twee deelen, in
dat van Israël en dat van Juda, die met elkander dikwijls in bloedige
twisten en burgeroorlogen leefden, en die ten laatste, de een na den
ander, de buit werden hunner machtiger naburen (de zich aan den Eufraat
bevindende monarchiën der Assyriërs en Babyloniërs). Niettegenstaande
de inwendige verdeeldheid van het volk, viel het den veroveraar uit
Ninive en Babylon niet gemakkelijk, dit vaderlandslievende, door God
in geestdrift ontstokene en stijfhoofdige volk te onderwerpen. Zij
voerden daarom na iedere overwinning geheele geslachten en stammen
van dit volk, van hunnen vaderlandschen bodem weg, en verplaatsten ze
naar de landstreken aan den Eufraat en de Tigris. Ook hadden zich bij
de verovering van Jeruzalem door Nebukadnezar (in het jaar 585 voor
Christus geboorte) verscheidene gedeelten der bevolking naar Egypte
begeven, en zich in de steden van dat land nedergezet.

Hiermede is dus de merkwaardige verstrooiing der Israëliten begonnen,
die later bij herhaalde omwentelingen zich nog veel verder zou
uitstrekken, en hen ten laatste als vluchtelingen uit Palestina over de
geheele wereld verspreiden zou. Natuurlijk troffen die verdrijvingen of
de zoogenaamde Assyrische en Babylonische gevangenschappen, alleen de
hoofden van het volk, de patriotten, de aanvoerders, de hardnekkigste
stijders. Eene massa rustig levende landbouwers bleef altijd in
het land achter. Maar evenzoo bleef dan ook weder een aanzienlijk
gedeelte der uit hun vaderland medegevoerden, in den vreemde terug,
toen de Persische Koning Cyrus hun, omstreeks het jaar 500, verlof
gaf naar hun vaderland terug te keeren en den ombouw van den tempel
te hervatten. De nationale en politieke eenheid van alle stammen des
volks, die na David en Salomo geheel verbroken was, werd niet weder
hersteld. Daar alleen in het koningrijk Juda,--niet echter in dat
van Israël, welks inwoners (de zoogenaamde tien verlorene stammen)
zich geheel in de overige massa der Oostersche bevolking opgelost
hadden--eene soort wedergeboorte plaats had, zoo heetten de Hebreërs
van nu af aan _Joden_.

De Koningen van het Oosten hadden de weggevoerden in den regel niet
met hardheid behandeld. Zij waren niet gedwongen geworden, de zeden
van hun vaderland tegen de zeden van het land te verruilen, of de
vreemde Goden te aanbidden. Ja! verscheidene kundige Joden waren door
de veroveraars zelfs in staatsdienst genomen en tot hooge betrekkingen
benoemd.--De schoonheid der Joodsche vrouwen evenals het talent der
mannen, heeft hen dikwijls tot invloed en rijkdom gebracht, en velen
hunner vergenoegden zich daarom, bij den wederopbouw des tempels ten
tijde van Cyrus, hun steentje daartoe bij te dragen, maar gingen voort,
den vreemden bodem die hen voedde, als hun vaderland te beschouwen.

Dientengevolge dus--zeg ik--bleef sedert de Assyrische en Babylonische
verovering, de massa van het Joodsche volk, voor altijd in hooge mate
verstrooid. In het vaderland bleef nog geruimen tijd een min of meer
aaneengesloten kern bestaan, en geraakte onder gunstige omstandigheden
bij tijden ook weder tot politieke onafhankelijkheid.

Het groote handelsgenie en de harstochtelijke lust tot speculeeren,
die de Joden in zoo hooge mate kenmerken, zal hun waarschijnlijk reeds
eigen geweest zijn, toen zij nog als herders langs den Jordaan hun
nomadisch leven leidden. Alle Arabische en Semitische stammen munten
door dit talent en door dezen hartstocht uit, die zij toonen zoo
ras hun daartoe maar eene gunstige omstandigheid zich aanbiedt. De
Pheniciërs, de naaste bloedverwanten en broeders der Joden, die ook
met de Joden tot de "Hebreën" gerekend worden, hadden reeds lang
de grootste geschiktheid voor den handel van den toenmaligen tijd
ontwikkeld. Maar ook worden, geloof ik, alle volken, wanneer zij
met geweld aan hunnen vaderlandschen bodem ontrukt en in den vreemde
verstrooid worden, altijd met voorliefde voor handel en speculeeren
bezield. Den akkerbouw en het grondbezit vinden zulke verdrevenen
in het vreemde land reeds in handen van anderen, en het valt hun
moeielijk zich daar in te werken. De over uitgestrekte landstreken
verbreide koloniën of factorijen hunner stamgenooten, die zij kennen
en aan wie zij krediet geven, met wie zij door correspondentie
of door elkander over en weer te bezoeken, in verbinding blijven,
bieden een groot gerief aan, om de produkten van vreemde landen te
ontbieden en ze den inboorlingen van het land toe te voeren. Zulke
onder verscheidene volken verstrooide volkplanters _moeten_ daarom, zeg
ik, bijna van zelf de tusschenpersonen voor het verkeer der menschen,
waaronder zij leven, worden. Er moet zich bij hen eene neiging voor
den handel ontwikkelen. Even als bij de Joden, zien wij dat b.v. ook
bij de Armeniërs, oorspronkelijk een berg-herders-geslacht, die na
hunne verstrooiing een der merkwaardigste handelsvolken van Azië en
Europa geworden zijn. Wij zien het, om een voorbeeld uit den nieuweren
tijd te kiezen, aan de Hernhutters, die oorspronkelijk slechts ten
gevolge hunner godsdienstige verschillen, her- en derwaarts verstrooid
werden, en die later begonnen zijn van uit hunne zendingsplaatsen
een zeer merkwaardigen ruilhandel te drijven, en zich nevens hunnen
godsdienstijver tegelijk een grooten en uitstekenden koopmanszin
eigen te maken.

Uit de enge kringen van hun klein vaderland, waar zij tot nu toe
alleen wijn-, olie- en graanbouwers, herders en veefokkers, priesters
en krijgslieden geweest waren, werden naar hetgeen boven gezegd is,
de Joden in den vreemde en op de banen van het groote wereldverkeer,
noodzakelijk gedwongen zich op de handwerken en op de koopmanschap
toe te leggen.--En was deze neiging eenmaal ontwaakt, dan moesten
diezelfde invloeden ook natuurlijk verder om zich heen grijpen. Ook
zonder nieuwen dwang greep vervolgens de toenemende speculatiegeest
om zich heen, en was de aanleiding tot verdere vrijwillige reizen,
nederzettingen en de stichting van factorijen.

Zoo is het dus geen wonder, dat wij reeds tijdens de groote Persische
monarchie, en niettegenstaande de vergunning van Cyrus om naar hun
vaderland terug te keeren, in alle Medische en Persische steden
Joden zich blijvend zien vestigen,--dat wij hunne koloniën reeds in
de Oostelijke provinciën van dit uitgestrekte rijk waarnemen,--ja,
dat zij toen, 500 jaren voor Christus geboorte, zonder nieuwen dwang,
waarschijnlijk ook reeds in Indië en niet lang daarna ook in China
binnengedrongen waren. Ons wordt bericht, dat reeds lang voor Christus
geboorte, Joden-koloniën in China bestonden. Toen reeds stonden
de Joden bij de Chineezen in hoog aanzien, en verscheidene hunner
moeten zich onder de Keizers van het Hemelsche rijk tot mandarijnen
en stadhouders hebben weten op te werken.

Met de Europeanen kwamen de Joden, het eerst door de Macedonïërs en
Grieken, op belangrijke wijze in aanraking. Het behoeft wel geen
betoog, dat, reeds lang voor Alexander den Groote, enkele Joden
den Europeeschen bodem betreden hadden. Koning Salomo immers moet
reeds zijne vloot met die der Pheniciërs vereenigd, en aan hunne
handels-verrichtingen in het Westen deel genomen hebben, en er zullen
dus toen in de Phenicische koloniën van Afrika en Spanje, ook wel
Joodsche agenten geweest zijn.--Ook is het tamelijk waarschijnlijk,
dat onder de 100 volken, waarmede de Persische Koningen Darius en
Xerxes Griekenland binnenvielen, zich ook krijgslieden uit het land
Kanaän bevonden hebben. Al deze verschijningen der Joden in Europa
zijn deels in hunne geschiedenis zeer duister, deels waren zij van
zeer voorbijgaanden aard en hadden geene blijvende gevolgen. Eerst
de inval der Macedoniërs en Grieken in Azië, die onder anderen het
Phenicische handelsvolk vernietigde, bracht de Joden ons werelddeel
eene goede schrede nader.--Zij sloten zich bij de Grieken aan,
leerden even als andere Aziaten hunne taal, en namen bij de Grieken
de plaats der Pheniciërs in. Voornamelijk bevolkten zij met hen de
groote, sterk bloeiende stapelplaats van den Egyptischen handel, het
door de Macedoniërs gestichte Alexandrië, de opvolgster van Tyrus,
waar zij onder de Ptolomeën eene zeer talrijke kolonie stichtten, en
van waar uit zij met de overige wereld in verbinding traden. Van daar
uit kregen zij punten van aanraking over Cyrene door Noordelijk Afrika
heen, waar hunne geloofsgenooten, stamverwanten en handelsvrienden zich
verspreidden. Van Egypte uit, gingen zij naar Nubië en Abessinië, en
zuidwaarts door de woestijn van Sahara tot in het binnenste van Afrika,
waar naar men zegt, nu nog zwarte Joden-stammen bestaan.--Ja! wij zien
in die tijden ook reeds in de Grieksche kuststeden van Klein-Azië,
eene reeks bloeiende handelsfactorijen der Joden. Men kan dus zeggen,
dat door de Grieken en Macedoniërs, de Joden, die reeds lang in
grooten getale in Azië werden aangetroffen, in zekeren zin tot aan
de poorten van Europa werden vooruitgeschoven.

Het tweede groote Europeesche veroveraars-volk, de Romeinen,
zouden hen eindelijk ons werelddeel geheel binnen halen. Onder de
opvolgers van Alexander had, behalve de verspreide handels-koloniën,
nog altijd in het oude vaderland een aanzienlijke kern Joden, bewoners
der steden, grond-bezitters, landbouwers bestaan, die bij tijden nog
eene bewonderenswaardige, heldhaftige vaderlandsliefde, moed in den
strijd, en zucht tot onafhankelijkheid ontwikkelden en b.v. onder hunne
nationale helden, de Makkabeërs ("strijdhamers"), in de tweede eeuw
v. Chr., tijdelijk een roemrijk, gevreesd rijk herstelden, dat veel
overeenkomst met dat van Salomo had, meestal echter door stadhouders
en onderkoningen der machtige naburige rijken geregeerd werd.

De heldendaden, welke die inheemsche, met heldhaftige geestdrift
voor vrijheid en vaderland strijdende Joden, bij alle aanvallen van
buiten verrichtten--de blijmoedigheid waarmede zij zich allerlei
opofferingen getroostten, om bij de herhaalde verwoestingen van hun
heilig Jeruzalem, telkenmale hunnen Jehovahtempel te herstellen,--de
onvernietigbare geestkracht waarmede zij, wanneer zij inwendig verdeeld
waren, wanneer tijdelijk losbandigheid en zedeloosheid bij hen de
overhand verkregen,--wanneer zelfs, zooals zulks eenmaal gebeurde,
de oude Mozaïsche boeken en bepalingen geheel verloren en vergeten
waren--zich toch weder uit zich zelven verjongden, en den tempel,
zoowel uiterlijk als ook in zich, op nieuw opbouwden,--de ongewone
energie, waarmede zij weigerden de Romeinsche Goden aan te nemen,--de
verschrikkelijke veldslagen die zij den legioenen der meeste gevreesde
Romeinsche veldheeren, eenen Pompejus, eenen Crassus, eenen Vespasianus
leverden,--de aard en de wijze van hunnen eindelijken ondergang,
de laatste opflikkering hunner kracht tegen Keizer Titus, voor wiens
overmacht zij slechts voet voor voet en tot aan den laatsten man en
huis weken,--dit alles vervulde de wereld steeds, en telkens weder
op nieuw, met bewondering voor hen, en _moest_ vooral bij hunne in
het buitenland verstrooide stamgenooten de vaderlandsliefde zeer
versterken, terwijl het hun medelijden voortdurend wakker hield,
hunnen gemeenschappelijken nationalen trots steeds opwekte, en
hen overal, waar zij ook zijn mochten, een verheffend gevoel van
eigenwaarde inboezemde.

De verwoesting van Jeruzalem onder Titus, in het jaar 70 n. Chr.,
en ten slotte na vernieuwde opstanden, de ontzettende bloedbaden,
en de geheele verwoesting van Palestina onder Trajanus en Hadrianus,
moesten diepe en onvergetelijke herinneringen in het gemoed van alle
Joden achterlaten. De laatste der oude tempelsteenen werden toen uit
hunne fundamenten gescheurd. Op de heilige stad liet men ploegen en
deed men boomen planten. Het afgodsbeeld van Jupiter werd op de plaats
der wet-tafelen van Jehovah geplaatst, het oude heilige Hierosolyma
tot op zijnen naam uitgeroeid, met nieuwe kolonisten bevolkt en ter
eere van Keizer Aelius Hadrianus "Aelia" genoemd, tot welk "Aelia"
zelfs aan alle Joden den toegang verboden werd.

De door Jozua eens voor 1500 jaren onder de Israëlieten verdeelde
akkers van het beloofde land, werden door de Romeinen verkocht
en kwamen in vreemde handen. De meeste der na de slachtingen nog
overige inwoners bracht men aan boord der schepen en voerde hen naar
het Westen. In het land zelf bleef maar een klein hoopje, dat echter
van nu af, trots al zijne droomen van herstelling der oude Joodsche
heerlijkheid, en ook enkele zwakke pogingen daartoe, tot op onzen
tijd nooit weder als eene gebiedende natie optreden kon. Dat bij deze,
door de Romeinen veroorzaakte, geheele verstrooiing der Joden door de
wereld, ook de Joodsche koloniën in het geheele Oosten weder nieuwen
toevoer ontvingen, spreekt van zelf. Voor ons echter is het van meer
gewicht te vernemen, hoe de oude Joodsche factorijen in Macedonië en
Griekenland daardoor aanzienlijk versterkt werden, en dat nu de Joden
met de Romeinen ook in eenige andere landen van Europa, in Italië,
Spanje, Gallië, ja zelfs in de Germaansche Rijnlanden, die zij met de
Grieken en Macedoniërs nog niet hadden kunnen bereiken, binnentrokken.

De heidensche Romeinen bereidden den Joden, die zich in hunne
provinciën met der woon hadden nedergezet, een tamelijk dragelijk
lot. Zij vervolgden hen niet--ten minste niet zoo hardnekkig en tot
op het uiterste toe, als zulks later b v. in het Christelijke Spanje
geschiedde [6]--wegens hun geloof; zij lieten hun hunnen godsdienst,
zij stonden hun zelfs ten laatste het Romeinsche burgerrecht
toe. Verscheidene Joden kwamen bij de Romeinen tot aanzien,
betrekkingen en waardigheden. Een Joodsch dichter, Fucus Aristäus,
is door zijn omgang met Horatius onsterfelijk geworden. Een Romeinsch
stadhouder van Sicilië was een Jood enz. Dat nam echter niet weg, dat
de Joden zich met de Romeinen even weinig versmolten als met andere
volken. Hunne godsdienstige grondstellingen, hunne onveranderlijke
trouw aan den God van Abraham en Mozes, hunne oude gebruiken,
waaraan zij onder alle omstandigheden vasthielden, hunne eigenaardige
voorschriften aangaande spijzen en kleeding, waren oorzaak, dat zij
ook bij de Romeinen, even als overal elders, als eene afzonderlijke
kaste bleven bestaan.--Zij waren daardoor ook reeds in het oog der
Romeinen, die dikwijls het hoofd over hen schudden, eigenzinnige,
altijd gelijkhebben willende, op zich zelf staande en onverbeterlijke
menschen, en werden als zoodanig, even als bij ons, dikwijls het
voorwerp van spot en het onderwerp der geestigheden bij Keizers,
schrijvers en volk.

Toch zouden wellicht de Joden bij de onbeperkte burgerlijke vrijheid,
die zij onder de Romeinen genoten, ten laatste, even als zoo menig
ander Oostersch volks-element, dat door de Romeinen naar hunne
Europeesche bezittingen overgeplant was, in den loop der tijden
geheel in Europa verloren gegaan zijn, en zich met de landskinderen
vermengd hebben, als niet het Christendom tusschen beide gekomen
was. Het Christendom, wiens stichter in den schoot van het Joodsche
volk geboren was, welks gezuiverde ideeën het eerst in de harten van
vrome mannen in Juda weerklank vonden, en welks voorschriften het
eerst door Joodsche apostelen in de kleine, in de Romeinsche wereld
verstrooide, Joden-koloniën verkondigd werd--deze nieuwe godsdienst
verscheen aanvankelijk als eene scheuring onder de Joden zelven,
als een vervormd Jodendom.--Overal streden de oude Mozaïsten met de
aanhangers der nieuwe leer, met de ijverzucht van tegenover elkander
staande secten, en weldra met de verbittering van als vijanden tegen
elkander over staande broeders. Toen het Christendom buiten de enge
grenzen der Joodsche gemeenten trad, werd deze vijandige sectengeest
ook op de bekeerde heidenen, die nu vooral die leer verbreidden,
overgebracht, En toen de geheele beschaafde wereld, en eindelijk de
Romeinsche Keizers zelven, tot de nieuwe leer overgingen, toen kwamen
de Joden daardoor in eene veel gedruktere positie, dan ten tijde
der heerschappij van den ouden heidenschen godendienst.--Pogingen
tot bekeering begonnen, en toen deze mislukten ontstonden hevige
vervolgingen, waardoor de in het nauw gebrachte Joden nog meer
verstrooid en versnipperd werden. Huwelijken tusschen Joden en
Christenen werden verboden en andere beperkende bepalingen werden
ingevoerd, door welke alle vermenging der Joden geheel onmogelijk
gemaakt werd, zoodat zij nog meer van de wereld buiten hen werden
afgesneden, en te vaster beperkt werden in den toestand, waarin zij
zelven tengevolge hunner innerlijke neiging zich gebracht hadden.

Niet lang na de aanneming van het Christendom, ging het rijk der
Romeinen door tweedracht en innerlijke verdeeldheid te gronde,
onder het zwaard der invallende barbaren. De heerschappij over
de wereld werd hun ontnomen. In menige streek, zooals b.v. in het
Grieksch-Byzantynsche rijk, verdwenen zij zelfs nagenoeg geheel. Overal
echter bleven de taaie en volhardende Joden zich aan de uit de
overblijfselen gevormde nieuwe rijken hechten, gelijk de buigzame,
moeielijk te vernietigen en vele loten schietende klimop-rank, aan de
deelen van een in elkander stortend gebouw. Ja, trots onderdrukking
en gebrek, wiessen zij zelfs hier en daar zeer welig op en schoten
zij nieuwe loten, uit duizend wonden bloedende en toch onbeschadigd;
over de geheele wereld verspreid en toch als rotsen aan elkander
bevestigd; verschrikkelijk onderdrukt en als het zwakke vrouwelijke
geslacht getyranniseerd, en toch even als veerkrachtige vrouwen
heerschappij uitoefenende, midden door het vreeselijke gewoel der
volksverhuizing heen.

Het allereerst traden zij in het Pyreneesche schier-eiland, het oude
kolonieland hunner broeders, de Pheniciërs, dat den West-Gothen ten
deel was geworden, als een volk van invloed en gewicht op. Hun aantal
en hun aanzien nam in Spanje toe onder de barbaarsche Koningen der
West-Gothen, wien zij zich door hunne uitgebreide ontwikkeling, door
hunne uitgebreide relatiën, door hunne buigzaamheid en slimheid, nuttig
maakten, en door wie zij dikwijls in den staat en in het burgerlijk
leven voortgeholpen werden. Eerst toen de West-Gothen van de Arianische
[7] leer tot het orthodoxe Katholicisme overgingen, kwamen de Joden
daar in eene meer gedrukte positie en werden vervolgens, tegen het
einde der 7de eeuw, voor de eerste maal in Spanje in den ban gedaan,
vervolgd en door de hardste maatregelen tot eene schijnbare aanname van
het Christendom gedwongen. Het vermogen van alle Joden in Spanje moest
ten voordeele der koninklijke schatkist worden verbeurd verklaard. Zij
zelven moesten als slaven over het land verdeeld worden; maar hunne
kinderen moesten hun worden afgenomen, om in de Christelijke leer te
worden opgevoed.

Van deze katholieke West-Gothische verdrukking, werden zij
bevrijd door de Mooren, die sedert 711 Spanje--gedeeltelijk door
de hulp der Joden--veroverden. Onder de heerschappij der meer
verdraagzame Moorsche Koningen, verspreidden zij zich weldra
weder over het geheele Pyreneesche schier-eiland, en namen toe in
aantal en ontwikkeling. Spanje werd toen in de 9de en 10de eeuw het
toevluchtsoord van vele, in andere rijken onderdrukte Joden. Zij
waren daar welgesteld, hadden hunne zelfstandige gemeente-inrichting,
beslisten zelf hunne burgerlijke en godsdienstige geschilpunten,
stonden niet zelden den Moorschen Koningen als raadgevers ter
zijde, streden in de Arabische legers en beoefenden met de Mooren de
wetenschappen. Vele der zoogenaamde Arabische geleerden en dichters
waren geboren Joden. De grootste der _Arabische_ geleerden in Spanje,
de beroemde Avarroes, en het grootste licht onder de Spaansche _Joden_,
de hooggeprezene en wereldberoemde Maimonides waren tijdgenooten
en persoonlijke vrienden (in het midden der 12de eeuw). Met de door
laatstgenoemden nagelatene werken, houden de denkende Joden zich nu
nog onledig, even als wij met die van Aristoteles.

Toen de nieuw gestichte Christelijke Koningrijken, Castilië en Arragon
om zich henen grepen, en den Mooren langzamerhand de door hen bezette
landstreken, de eene voor de andere na--en daarmede tegelijk ook
eene menigte Joodsche onderdanen die daar veel invloed en grondbezit
hadden--afnamen, waagden hunne Spaansche overheerschers het niet,
deze al dadelijk naar Oud-Gothische wijze te onderdrukken en te
verdringen. Zoolang in Spanje naast het Christelijk element zich
het Moorsche nog deed gelden, zou de onderdrukking tot niets anders
geleid hebben, dan dat de verdrukten zich naar de legerplaats van den
nabijzijnden vijand begeven hadden. Hoe groot het aantal der Joden
in beide legers geweest moet zijn, bewijst het best de omstandigheid,
dat toen eens Spaansche en Moorsche legers op een sabbath op elkander
stieten, de slag uitgesteld werd, omdat de talrijke Joodsche strijders
in beide legers zulks verlangden.

Even als bij de Mooren, zoo bloeiden de Joodsche aangelegenheden
gelijktijdig ook bij de Christelijke Koningen van het schiereiland,
wier finantiën gewoonlijk in de handen der Joden waren, en die
somwijlen moeielijke wetenschappelijke opgaven (b.v. Koning Alphons
de Wijze van Castilië zijne beroemde astronomische tafels) door
Joodsche geleerden moesten laten oplossen. Vooral echter verhief
het grondbezit, dat hun toegestaan was, de Spaansche Joden overal
tot vaderlandslievende en weerbare zonen van het land. Zelfs van de
ridderlijke oefeningen der Spanjaarden waren zij niet uitgesloten, en
schenen zij in wezen, taal en houding aan de Spanjaarden gelijk. Hoe
verder het gebied der Christelijke Koningen zich uitbreidde, hoe minder
de Mooren te vreezen waren, hoe grootere overwinningen het kruis
behaalde, des te meer ook veranderde dit. Met het aantal van anders
geloovende onderdanen, die men met de nieuwe veroveringen opnemen
moest, nam ook de angst voor en de strengheid tegen hen toe. De
geestelijkheid verlangde hunne bekeering, en toen zij tegenstand
boden, ontstonden reeds tegen het einde der 14de eeuw eenige bloedige
vervolgingen. Wel hebben in zulke omstandigheden de Joden in Spanje
soms, in groot aantal hun geloof verloochend en het Christendom
aangenomen, wat zij in andere landen, zelfs bij het hardste lot,
nagenoeg nooit gedaan hebben: maar dit laat zich daaruit verklaren,
dat zij overigens zoo geheel met de Spanjaarden gelijk gesteld waren
en zij bij eene weigering, in dit hun zoo gunstige vaderland zooveel
te verliezen hadden. Het meerendeel echter bleef ook in Spanje het
geloof hunner vaderen trouw, en tegen dezen slingerde nu, toen de zaken
langzamerhand tot rijpheid gekomen waren--nadat de verschrikkelijke
en snoode inquisitie diepe wortels geschoten had--in hetzelfde jaar,
waarin de laatste Moorsche staat in Granada onderdrukt was (1495),
Koning Ferdinand zijne vreeselijke verbannings-dekreten.

Deze Koning meende dat hij den Schepper zijn dank voor de op de
Mooren behaalde overwinning niet beter bewijzen kon, dan door òf
de Joden te noodzaken het geloof hunner vaderen af te zweren òf
hen uit Spanje te verdrijven. Driemaal honderdduizend Spaansche
Israëlieten verlieten het land, waarin zij langer dan de voorvaderen
van Koning Ferdinand gewoond hadden, en waarin hun leven hoopvoller
en schitterender geweest was dan ergens anders in Europa. Zij
verkochten hunne fraaie bezittingen voor spotprijzen, de een zijn
wijnberg voor een pakpaard, de ander zijn huis voor een reismantel
aan de geldgierige Spanjaarden. Velen vluchtten onder onnoembare
kwellingen over de zee, en zochten in Afrika, in Italië en in het
Oosten een nieuw vaderland. Twintig duizend familiën vonden een
tijdelijk toevluchtsoord in Portugal. Daar echter de Portugeesche
Koningen en geestelijkheid weldra de Spaansche politiek volgden,
doordien ook daar de Spaansche inquisitie ingevoerd was, werden
ook daar de Joden door bekeerings-bevelen en verbannings-decreten
getroffen, en moesten zij weldra hun zwaar kruis weder op zich
nemen, en hunnen met doornen voorzienen wandelstaf weder ter hand
vatten. Verscheidene Joden lieten zich, in Lissabon achterblijvende,
doopen. Maar ook deze verstrooiden zich bij latere verontrustingen,
die hun om hun geloof aangedaan werden (want in het geheim plantten
zij het Jodendom op kinderen en kindskinderen voort) naar Bordeaux
en Bayonne, naar Frankrijk, en vooral naar de tegen de elementen en
tyrannen kampende Nederlanden, waar in de 16de eeuw, de Voorzienigheid
voor alle vervolgden en onderdrukten eene haven geopend had, en later
naar Hamburg en andere Noordsche steden.

Deze sedert de tijden van Karel V en Philips, in het Noorden en het
Oosten verspreide, zoogenaamde Portugeesche Joden, die nu nog overal
hunne Spaansche zeden en taal, als eene herinnering aan het land
hunner vaderen, getrouw blijven, maken een bijzonder geachten tak
van het Joodsche volk uit. Zij munten boven de Duitsche en Poolsche
Joden uit, door hun manlijk en rechtschapen karakter en door eene
edele houding. Men meent het hun te kunnen aanzien, dat zij eens eene
onafhankelijke stelling genoten en eigen grond onder hunne voeten
gehad hebben.

In het land ten noorden van Spanje, in Frankrijk, hebben de Joden
nooit zooveel gewicht in de schaal gelegd als in het Pyreneesche
schier-eiland, ofschoon zij ook daar sedert de tijden der Romeinen,
in de steden woonden. Lyon was een hunner belangrijkste plaatsen. Zij
maakten zich door hunne kennis, waarin zij de toenmalige Christenen
overtroffen, en door hunne uitgebreide relatiën dikwijls zeer nuttig
bij de eerste Koningen der Franken. Karel de Groote zond een Jood als
afgezant naar den Kalif Harun-al-Raschid. Lodewijk de Vrome verzette,
ter wille der Joden, den marktdag in vele plaatsen van Frankrijk
van sabbath op een anderen dag der week. Karel de Kale maakte de
belasting der Joden nagenoeg gelijk aan die der Christenen. Maar hoe
meer het leenstelsel veld won, hoe meer de macht der Bisschoppen en
der Kerk zich uitbreidde, des te meer werd den Joden de bescherming
der Koningen onthouden, en moesten zij voor het geweld van een hen
vervolgenden clerus onderdoen. Zij werden door de in Frankrijk
zeer hierarchische en invloedrijke geestelijkheid bestreden,
en door de somwijlen opflikkerende geestdrijverij der Franschen
zeer in het nauw gebracht. Na de tijden der Karolingers herhaalden
zich de Joden-vervolgingen in alle plaatsen van Frankrijk. Meer dan
eens werd nu ook, door de onder den invloed van den clerus staande
Koningen, het gezamenlijke vermogen hunner Joden verbeurd verklaard;
zij overvielen en plunderden ze in het geheele rijk en verdreven
hen. Eens deed dit Philips Augustus in het jaar 1182, en eene andere
keer Philips de Schoone, dezelfde ijdele en hebzuchtige despoot,
die de wreede vervolging der tempelheeren in het jaar 1306 beval. De
Joden spreken over de vervolgingen onder dezen laatsten Koning, als
over de verschrikkelijkste die zij door te staan hadden. Al hunne
synagogen werden in Christelijke kapellen veranderd. De Parijsche
synagoge schonk de Koning aan zijn koetsier Jean Truvin. Na dien
tijd verheugden de Joden zich in Frankrijk, ofschoon zij nog eens
weder teruggeroepen werden, nimmer weder in een rustig bestaan. Het
eigenlijke Koningrijk Frankrijk was toen nog klein, en zij vonden
somwijlen bescherming in de min of meer onafhankelijke, naast Frankrijk
gelegene landen. Maar af en toe werden zij toen ook van het eene
naar het andere Hertogdom verjaagd. In het jaar 1320 hadden zij
in Zuidelijk Frankrijk de groote zoogenaamde herders-vervolging te
verduren. Geïnspireerde schaapherders waren in Zuidelijk Frankrijk
als profeeten opgestaan, en hadden het volk tot een kruistocht naar
het beloofde land opgewekt. Volgens de spreuk: "het hemelrijk behoort
den eenvoudigen," geloofden en stelden zij vast, dat het Heilige land,
dat zoovele Koningen en Keizers vergeefs getracht hadden te veroveren,
slechts door eenvoudige menschen kon teruggewonnen worden. Zij brachten
eene massa herders, boeren, landloopers en boeven op de been, die
zich in beweging stelden, maar niet eens kundigheden en middelen
genoeg bezaten, om uit Frankrijk te kunnen komen. De tocht liep uit
op eene algemeene plundering en gedeeltelijke uitroeiing der Joden,
in de steden van Languedoc en Provence. Karel VI, dezelfde meestal
diepzinnige Koning, die op een beroemd gemaskerd bal als satyr verkleed
in brand geraakte en in levensgevaar verkeerde, tengevolge waarvan
hij zijn verstand verloor, maakte het den Joden eindelijk geheel
onmogelijk in Frankrijk te vertoeven, doordien hij hen in het jaar
1394 voor altijd uit Frankrijk verbande.

Eerst met het verkrijgen der Duitsche provincie Elsasz, onder Lodewijk
 XIV, kreeg Frankrijk weder een aanzienlijk getal Joden. Onder
Hendrik II, in het jaar 1550 waren slechts eenige weinige dier
zoogenaamde Portugeesche Joden in Bayonne en Bordeaux opgenomen, en
deze, zooals nog eenige andere sedert dien tijd weder in het land
gekomene Joden, zijn eindelijk ten gevolge der nieuwere Fransche
politieke hervormingen, en voornamelijk door de hulp van hunnen
grooten beschermer Napoleon, hunnen weldoener en bevrijder, geheel
met de overige burgers gelijk gesteld en als Franschen erkend.

Het Engelsche Jodendom was schier altijd een tak van het Fransche,
want uit Frankrijk kreeg Engeland vermoedelijk, tegelijk met het
Christendom, zijne eerste, nog weinig talrijke Joden, en later met de
Noormannen onder Willem den Veroveraar een aanzienlijker aantal. Zij
verwierven zich aanvankelijk onder de Engelschen, door hunne industrie
en voornamelijk, even als overal elders, door hunne geschiktheid tot
het leiden van geldzaken, welstand en rijkdom, werden echter door de
Koningen weldra zoo gebrandschat, en door het volk, ten tijde der
kruistochten, zoo dikwijls geplunderd, mishandeld en gedecimeerd,
dat ook daar hunne zaken in verval kwamen en hunne hardverdrukte
gemeenten verarmden. Koning Eduard I, een groot krijgsman en held, de
veroveraar van Wales en Schotland, beval in het jaar 1290 plotseling,
dat alle ellendige en geheel beroofde Joden het Koningrijk moesten
ruimen; vermoedelijk omdat hij het nut, dat hij van hen trekken kon,
niet groot genoeg vond, om deswege den Jodenhaat zijner Christelijke
onderdanen, en de ophitsingen zijner geestelijkheid nog langer te
wederstaan. Zestien duizend arme vluchtelingen verlieten daarom met
schepen het groene eiland, waarop zij niets dan de oorkonde hunner
ellende, eenige plaatsnamen en hunne grafsteenen achterlieten. Zoo
ontstond er in de 16de en 17de eeuw eene periode, waarin tengevolge
der verbannings-edicten van de Koningen van Spanje, Frankrijk en
Engeland, in het geheele Westen van Europa bijna geene Joden meer
te vinden waren. Cromwell, in wien menige Jood een Messias zag, en
zijne Independenten, die zich geloofsvrijheid wisten te verwerven,
begonnen intusschen de Joden weder naar Engeland terug te voeren,
en sedert dien tijd hebben zij, in het nu gaandeweg verdraagzamer
wordende land, van den fanatieken haat en van de talrijke, in andere
landen nog voortgezette, Jodenkwellerijen minder geleden, en men
heeft daar nu tot op onze dagen, aan hunne steeds grooter wordende
vrijheid en gelijkstelling met de andere staatsburgers, met zeer veel
gevolg gewerkt.

Misschien heeft geen volk zich in de midden-eeuwen minder door bloedige
Joden-vervolgingen bevlekt dan de Italianen, die den Paus zelf in
hun midden hadden, en die zich misschien juist daarom minder schuldig
maakten aan godsdienstige onverdraagzaamheid en fanatisme, dan de meer
verwijderde natiën der Christenheid. De oude Romeinsche geest, de Joden
te dulden, is in Italië nooit geheel verloren gegaan--noch in Sicilië,
zoolang het niet onder Spaansche heerschappij kwam, waar de Joden zich
beroemen Palermo tot eene bloeiende stad gemaakt te hebben,--noch in
Napels, waar zij sedert de tijden van het Romeinsche Keizerrijk in
alle landschappen woonden, waar zij in de middeneeuwen te Bari eene
beroemde hoogeschool hadden, en van waar zij eerst door de Spaansche
heerschappij verdreven werden--noch zelfs in Rome, waar de Joden, even
goed als de Christenen, als er een nieuwe Paus gekozen was, met groote
vreugde, onder het zingen van lofliederen, met hunne vaandeldragers,
schrijvers en rechters--naar het oude gebruik hunne Thora (wetboek)
onder den arm dragende,--het nieuwe opperhoofd der kerk tegemoet
gingen en hem in de Hebreeuwsche taal toespraken, terwijl de Paus hun
in het Latijn genadig antwoordde. Zeker echter verhinderde dit niet,
dat menige Paus zich den Joden ongenadig betoonde, en hen soms bij
geheele scharen verdreef, ja soms zelfs verbrandde.

In de 13de en 14de eeuw stonden de Joden in innigen samenhang met
alle Italiaansche geestes-werkzaamheden, en vooral was Rome de zetel
van een levendig, zelden verhinderd Joodsch gemeente-leven. Toen ten
tijde kregen de Joden in Duitschland, even als die in Frankrijk, hunne
ontwikkeling en hunne letterkundige werken van de Italiaansche Joden,
en de uit Duitschland even als uit Frankrijk voorvluchtige Joden,
werden meermalen in Italië opgenomen. Den uit Spanje verdrevenen
bereidden de Medici een asyl, en voornamelijk door hen, maakten zij
hun Livorno tot eene wereldberoemde zeehandelstad. Livorno was altijd,
even als later Amsterdam, een centraalpunt van het Joodsche leven.

Van het, in de Venetiaansche landen heerschende bedrijvige en
ongestoorde leven der Joden, hebben wij de onloochenbaarste
bewijzen. Er bestonden in Venetië drie klassen van Joden, de
zoogenaamde "Ponentini" (de Westelijke) uit Spanje, de "Levantini"
(de Oostersche) en de Duitsche uit het Noorden, welke laatsten het
armst waren. Zij stonden daar aan het hoofd der geldzaken, hadden
echter somwijlen ook hunne eigene zeeschepen. Zij werden door de
regeering der republiek altijd op dezelfde wijze behandeld, benuttigd
en in hunne--hoewel zeer beperkte--rechten ook tegen de inquisitie
beschermd. De zusterstad Genua toonde zich echter den Joden veel minder
gunstig gezind, en heeft hen ook nooit in grooten getale binnen hare
muren toegelaten.

In latere tijden liet zich Italië, even als in andere zaken, ook met
betrekking op den vooruitgang die de zaak der Joden-bevrijding maakte,
door andere landen overtreffen. Het tegenwoordig _Italia Unita_
zal daar echter ook wel beter voor zorgen.

Een zeer treurig schouwspel biedt ons de geschiedenis der Joden in
Duitschland aan, waar zij zich ook reeds sedert de tijden der Romeinen
in de Rijn- en Donausteden nedergezet, en zelfs hunnen handel op
schepen langs deze rivieren gedreven hadden. Bij het ontstaan van
een op zich zelf staand Duitsch rijk, na Karel den Groote, werden
zij onder dezelfde omstandigheden en door dezelfde middelen, als
eens ten tijde der Assyrische Koningen, namelijk door vervolgingen
en door gewelddadige verplaatsingen verder naar het Noorden en het
Oosten verbreid. Gedurende de middeneeuwen zijn zij nu eens in deze,
dan weder in gene Duitsche stad, waarin zij wortel geschoten hadden,
uitgeroeid, nu hier dan daar, werden zij uit het land gezet en in
gevangenschap weggevoerd. Zij begaven zich dan naar meer afgelegene
landschappen, en daar, naar den wankelmoedigen geest der Vorsten en der
volksstemming, op een verbannings-edict (zooals onder Nebukadnezar)
meermalen weder eene terugroeping (zooals onder Cyrus) volgde, en
daarbij ook altijd, zooals bij Esra en zijnen terugkeer, een gedeelte
in den vreemde achterbleef, zoo gevoelden zij zich langzamerhand in
alle kreitsen en marken van Duitschland te huis.

Den verschrikkelijksten en voor hunne verspreiding de grootste
gevolgen hebbenden tijd, beleefden zij in Duitschland, even als elders,
gedurende de kruistochten, toen de geheele bodem van Midden-Europa,
en vooral het zeer godsdienstige en zeer opgewondene Duitschland,
van Christelijken ijver gloeide. De kruisridders meenden hunne
buitenlandsche roeping tegelijk met het werk eener binnenlandsche
roeping, tegen de niet-Christenen in het vaderland te moeten
beginnen. Men verdacht de Joden, (deels omdat zij Christenvijanden,
deels ook omdat zij Aziaten waren) van met het Oosten te heulen. Zij
waren beschuldigd geworden de Mooren naar Spanje geroepen te hebben,
zij werden aangeklaagd het met de ongeloovige Saracenen te houden,
zij zouden zelfs later ook de Mongolen naar Spanje gelokt hebben. De
kruisvaarders begonnen daarom de verovering van Jeruzalem reeds aan
den Rijn en aan den Donau, waar wreedheden tegen de arme kinderen
Israëls werden uitgeoefend, zooals hunne voorvaderen die nauwelijks van
Salmanassar geleden hadden, en bij welke gelegenheid de vertwijfelde
Israëlieten, bij de verdediging van hunne Jodenkwartieren, van hunne
synagogen en van hun geloof, een heldenmoed en eene gelatenheid aan
den dag legden, als vroeger de Makkabeën bij de verdediging hunner
heilige oorspronkelijke woonplaatsen. Sedert den tijd der kruistochten
waren bloedige vervolgingen der Joden in Duitschland eene zeer gewone
verschijning, en zij keerden in den loop der tijden zoo dikwijls terug,
als onweder en hagelslag in den loop van het jaar.

Het gewichtigste gevolg van al het lijden, dat met de kruistochten
in Duitschland over de Joden kwam, en hun gedurende de 12de, 13de
en 14de eeuw bleef drukken, was ongetwijfeld de gedurige beweging
der Duitsche Joden naar het Oosten, naar de Slawische landen, naar
Moravië, Silezië en Polen, waar, onder de daar aanvankelijk zeer
gunstige verhoudingen, hunne gemeenten beduidend vermeerderden. Reeds
vroeger met de eerste overwinningen der Duitschers op de Slawen, en met
het binnendringen van Duitsche burgers, waren ook Joden in Slawische
steden gekomen. Duitschland was eene groote Joden-kweekschool voor
de Oostelijk gelegene landen, en daaruit laat het zich verklaren,
dat nu nog, in bijna alle Joden-koloniën in Hongarije en Polen,
overal de Duitsche taal heerscht.

Maar ook Duitschland zelf moest een der voornaamste Joden-landen
van Europa blijven, want het ontving steeds nieuwen toevoer uit het
Westen, waar zooals reeds gezegd is, de inquisitie en de machtig
gewordene monarchen de Joden geheel verdreven. In Duitschland, waar
noch de inquisitie, noch den doortastende wil van eenigen erfelijken
souverein zoo veel vermocht, waar zich, zoo zij uit de eene plaats
verdreven werden, eene andere plaats hun weder een toevluchts-oord
was, kon men de Joden niet, zooals in Frankrijk, Engeland en Spanje,
door één enkele pennestreek verdrijven. Dien ten gevolge zien wij nog
altijd verreweg het grootste gedeelte der Joden van het christelijk
Europa, onder de Duitschers en Slawen verstrooid. Voornamelijk echter,
zooals reeds opgemerkt is, bij de laatsten en bij voorkeur in al de
uitgebreide provinciën, die eens tot het Koningrijk Polen behoorden.

Nagenoeg de helft der Joden van ons werelddeel wonen onder de Polen
aan den Weichsel, aan de Duna en aan den Dniepr, even als vroeger het
grootste gedeelte van alle Aziatische landverhuizers uit Palestina, aan
den Euphraat en den Tigris. Naast de reeds vermelde aanleidingen van
buiten, hebben ook de innerlijke omstandigheden der Polen en van eenige
hunner naburige volken er het hunne toe bijgedragen, de Joden bij
hen in zoo groote massa bij elkander te brengen. Noch het Christendom
zelf, noch de macht der Christelijke hiërarchie, vierde bij deze laat
bekeerde volken zulke zegepralen, als het Romanische en het Germaansche
Westen gezien had, en de antipathie tegen het Joodsche wezen had daar
haren oorsprong meer in de eigenaardige nationale verscheidenheden,
dan in het verschil van geloof. Godsdienstig fanatisme heeft zelden
in Polen geheerscht. Van kruisridders en consorten hebben de Joden in
Polen minder te lijden gehad, ofschoon zij ook in dit hun paradijs,
niet van enkele op zich zelf staande vervolging en van verachting
vrij gebleven zijn. De maatschappelijke en staatkundige verhoudingen
van Polen waren den Joden bijzonder gunstig. Daar bestond geen derde
stand, en de industrieele en werkzame Joden konden de plaats van dezen
in zekeren zin innemen. Zij zijn de kooplieden, handwerkslieden en
kunstenaars der Polen geworden, en hebben zich overal als klissen aan
hen vastgehecht. Zeer spoedig kwam Polen daardoor in een toestand,
die het dit land onmogelijk maakte de Joden te verdrijven, wilde het
zich zelf niet verwoesten.

De hoogere Poolsche standen vormden eene soort republikeinsche
adels-aristokratie. Ieder edelman kon tot Koning gekozen worden,
en ieder leefde, ook zonder gekozen te zijn, op zijne bezittingen
zoo onafhankelijk als een Koning, en even als de Spaansche Monarchen
eens het liefst de Joden tot hunne ministers van finantiën maakten,
deels omdat zij voor de behandeling der moeielijke en gecompliceerde
geld-zaken de fijnste vingers hadden, deels omdat zij als vreemdelingen
geene partijen of standen behoefden te ontzien, en tegenover de
onderdanen trouwe aanhangers hunner Heeren waren, zoo hebben, om
dezelfde redenen, de Poolsche edellieden dit ook altijd gedaan,
en hunne Joden dikwijls met nadruk tegen hunne boeren, tegen de
geestelijkheid, tegen de regeering in bescherming genomen.

Naar Hongarije kwamen de Joden reeds vroegtijdig met het Christendom
uit Italië en Duitschland. Koning Lodewijk de Groote, wilde hen eens
allen weder verdrijven. Maar over het geheel genomen, zijn zij ook
daar niet zoo stelselmatig en hardnekkig vervolgd en geplaagd geworden,
als in de Westelijke Europeesche landen. In de vele politieke stormen
van het land hebben zij zich meestal aan de zijde van het Oostersche
element der bewoners geschaard. Zij streden dapper aan de zijde der
Turken, toen deze uit Ofen verdreven werden. En gewoonlijk voegden
zij zich bij de Magyaren tegen de Duitschers.

Geheel anders was dit alles weder bij de Oostelijke naburen der Polen,
de Russen. De Joden hebben ook eens op den bodem van het tegenwoordige
Russische rijk, eene gouden eeuw Beleefd. In het, gedurende de 9de en
10de eeuw, bloeiende rijk der Chazaren aan de Wolga, waren de het land
binnengetrokkene Joden, eens tot zoo groot aanzien gekomen, dat zij
zelfs den Koning van het land tot het Mozaïsme bekeerd hadden. Uit het
Joodsche Chazarenrijk in Rusland, verschenen zelfs in het jaar 1000,
afgezanten, voor Wladimir, den heidenschen Groot-Vorst der Russen,
en beproefden hem eveneens voor het Jodendom te winnen. Maar Wladimir
verwierp hunne voorstellen, even als die der voor hem verschenen
Mahomedaansche en Katholieke zendelingen, en verklaarde zich voor de
Grieksche Kerk, die vervolgens de nationale Kerk der Russen werd. Deze
oude Grieksche Kerk echter is van oudsher, zoowel in Byzantium als
in Rusland, de gewone vijandin der Joden geweest. De eerste strijden
der Grieksch gewordene Russen, hadden met de Joodsche Chazaren, en
later met de den Joden vriendschappelijk gezinde Polen plaats. De
Joden drongen altijd met de Polen Rusland binnen; zoover deze,
met het zwaard in de hand, Rusland binnengetrokken zijn, zoo ver
hebben gene er zich met hunne kunsten en handwerken genesteld. Maar
de eigenlijke Kern-Moskowieten hebben, terwijl zij hunnen Polen-haat
ook op de met dezen verbondene Joden overdroegen, de laatsten steeds
van zich gestooten. Daarbij hadden de edellieden en Vorsten, die de
Joden noodig hadden, in Rusland nooit zooveel vrijheid als in Polen
en Duitschland. Er heerschte daar altijd een onbeperkte autokraat,
die vervolgens tegelijk het hoofd der kerk werd. De monarchale en
kerkelijke eenheid van den Staat, moest derhalve den Joden even
verderfelijk en hinderlijk worden, als in Spanje ten tijde van
Ferdinand en Isabella.

De Russische Kozakken vervolgden, in hunnen beroemden opstand tegen
hun Poolschen gebieder in de 17de eeuw, de Joden met dezelfde
verbittering als de Polen, daar de Poolsche Koningen Joden als
inners der belastingen aangesteld hadden; ook eenige der Russische
landschappen, die toen ten tijde den Polen afgenomen werden,
gingen tegelijkertijd ook voor de Joden verloren, die nu, naar Polen
teruggeworpen, daar nog meer samengedrongen werden. Daardoor is het
gekomen, dat de kern van het Moskowitische land van Joden vrijgebleven
is, waartoe zeker ook nog, hetgeen eens te Amsterdam door Peter den
Groote tegen de Joden gezegd is, het zijne zal bijgedragen hebben,
dat namelijk de Groot-Russen in alle handwerken en handelszaken,
waarin de Joden uitmuntten, eene even groote bekwaamheid als dezen
bezitten, en zij dus de Joden niet zoo noodig hadden, als de zich
voornamelijk op den landbouw toeleggende Polen. Zelfs de vrijheden,
die in lateren tijd Keizer Alexander den Joden in geheel Rusland gaf,
hebben weinig tot de vermeerdering van hun aantal bijgedragen.

In Zuidelijk Rusland echter heeft zich met de Tataren eene zeer
merkwaardige, ofschoon helaas! weinig talrijke sekte der Joden,
namelijk de zoogenaamde "Karaër" of "Karaïten" verbreid. Een zekere
"Anan," moet omstreeks het midden der achtste eeuw, dus kort na het
optreden van Mohamed, deze sekte gesticht hebben. Zij hebben zich
ook, naar het schijnt, te gelijk met en door het Mahomedanisme in de
wereld verspreid, zijn met de Muzelmannen naar Egypte, naar Spanje,
naar Turkije en, zooals gezegd is, ook naar Rusland gekomen. Op
Europeeschen bodem treft men ze in beduidend aantal alleen nog aan in
Constantinopel en in Zuidelijk Rusland, voornamelijk in de Krim. Deze
Karaïten zijn onder de Joden, wat de Protestanten zijn onder de
Christenen. Want zij verwerpen de toevoegsels en overleveringen van
den Talmud, en beroepen zich, even als de Protestanten, alleen op
den letter en den geest der Schrift. Daarom hebben zij ook aan een
Semitisch woord, dat zooveel als "Schrift" beteekent, en waarvan ook
het Arabische woord "Koran" afstamt, hunnen naam "Karaïm", dat is
"de getrouwen aan de Schrift," te danken. Zij zijn dientengevolge vrij
van de opeenstapeling van stellingen en van de geheimzinnigheden der
talmudistische of rabbinistische Joden, eenvoudig in hun geloof en
wezen. Dit was het wellicht, wat hen achtingswaardig maakte in de
oogen der Mahomedanen, en hun daarom bij dezen overal eene hoogere
mate van burgerlijke vrijheid verschafte. Dientengevolge toonen zich
de Karaïtische Joden overal, in tegenstelling met de andere Joden,
zeer gezellig, eerlijk, ordelijk en zindelijk, en hebben zij een
afkeer van den woekerhandel en den handel in oude kleeren hunner
broederen. Slechts zeer zelden zou het voorkomen, dat een Karaït
wegens diefstal of bedrog een lijfstraffelijk vonnis opliep. Armen
en bedelaars treft men bij hen niet aan, zij komen allen op eerlijke
en fatsoenlijke wijze aan den kost. Zij staan in zekeren zin tegen
de talmudistische Joden over, als de Protestantsche Ieren tegenover
de Katholieke, en zij schijnen te bewijzen, dat vele der onaangename
eigenschappen, die wij den Joden als aangeboren toeschrijven, hun
slechts door hunne wet en hunne gedrukte stelling eigen geworden zijn,
en dat deze door hervormingen het best kunnen weggenomen of ten minste
verzacht worden.

Naast Groot Rusland heeft geen Christelijk rijk in Europa zich zoo
vrij van de Joden gehouden als Skandinavië. Enkele uit Duitschland
gevluchte, of om handels- of andere belangen daar heentrekkende
Joden, zijn daar natuurlijk ook altijd geweest. Zelfs hebben soms
Zweedsche Monarchen (b.v. Koningin Christina) geschikte Joden in hunnen
dienst gehad en hen tot diplomatieke doeleinden gebezigd. Maar eene
eigenlijke geschiedenis der Skandinavische Joden begint eerst daar,
waar de geschiedenis der Joden in het Westen, in Spanje en Portugal,
eindigt. Even als de Nederlanden, Engeland en Hamburg, zoo is ook
_Denemarken_ voor de voortvluchtige zoogenaamde Portugeesche Joden eene
schuilplaats geworden, en hebben zij daar, van Hamburg uit, in eenige
steden van Jutland verspreid, altijd vele vrijheden genoten, maar
zijn zij toch altijd weinig in getal gebleven. _Zweden_ heeft--eerst
sedert korten tijd--slechts een gering aantal Joden in Stokholm en
Gothenburg opgenomen. Verder moet ook nog _Zwitserland_ genoemd worden
als een land; waarin de Joden van oudsher slechts weinig geluk gehad
hebben. Ook in alle Helvetische staten vindt men slechts zeer weinig
Joden. Noorwegen durfde echter tot nu toe een Jood niet betreden.

Over het geheel kan men zeggen, dat het geheele Noorden van Europa
door de Joden slechts weinig geëxploteerd is geworden. Misschien ook
gevoelden zij, als een Zuidelijk volk, zich daarheen slechts zeer
weinig getrokken.

In Griekenland, dat eens ten tijde der apostelen, de eerste talrijke
Joden-koloniën ontvangen had, waren bij slot van rekening toch niet
vele overgebleven. De "rechtgeloovige" Byzantynsche Keizers en de
Grieksche Patriarchen zijn hun daar even weinig genegen geweest,
als de Czaren-Pausen in Rusland. Nieuwe krachten verkreeg daar het
ingesluimerde leven der Joden, door het ontstaan van het _Rijk der
Osmanen_.

Ofschoon de Joden bij de Turken, in maatschappelijken zin, niet
in hoogere achting stonden dan bij de Christenen, zoo bleven zij
toch, als zij slechts de hun opgelegde schatting betaalden en de
hun bevolene blauwe kleederdracht droegen, voor het overige, in
zaken hunne gemeente rakende, tamelijk onafhankelijk. Wel voerde de
nationale antipathie meermalen tot het plegen van gewelddadigheden
jegens hen, maar nooit heeft onder de Turken de doos van Pandora,
het in haar bevatte lijden en zorgen, zoo geheel over de Joden
geledigd en uitgeschud, als in het overig Europa tijdens de
kruistochten. Nooit zijn zij door de Turken zoo geplaagd, gebrandschat,
getergd en mishandeld geworden, als bij wijlen in Duitschland, in
Spanje en door de Byzantynsche Keizers.--"De geheele geschiedenis
van het Osmanische rijk in Europa" zegt een Joodsch schrijver,
"is, in vergelijking met de midden-eeuwen van het Christendom,
eene bloeiende oase in de Joodsche herinneringen." Verscheidene
Turksche Sultans bedienden zich in staatszaken bij voorkeur van de
Joden. Hunne ambtenaren bij de munt waren gewoonlijk Joden, even als
ook bijna altijd hunne lijfartsen. Sultan Selim benoemde een Jood
tot Hertog der Cykladische eilanden. En de groote Joden-gemeenten
in de steden van het rijk, waren, wat hun innerlijk bestuur aanging,
in hoogen graad onafhankelijk. De halve maan, die het overige Europa
een onheilspellend meteoor toescheen, ging derhalve boven de Joden als
eene verwarmende zon op. Van vele zijden stroomden, na de verovering
van Constantinopel door de Turken, rabbijnen naar de groote steden
van het Turksche rijk. Zij vluchtten uit de Christelijke landen,
voor de Spaansche inquisitie, voor het uitjouwend "Hepp-Hepp"
der Duitschers, voor de piek der Russische Kozakken naar Turkije,
waar zij zich nu nog naar de landen, waaruit zij afkomstig zijn,
in zoogenaamde "Aschkenaren" of Duitsch sprekende Joden, in Spaansch
sprekende, in Hongaarsche, Italiaansche, Poolsche en oud-Grieksche
Joden verdeelen. Joodsche drukkerijen werden reeds vroegtijdig in
Konstantinopel, Salonika, Damaskus aangelegd, in een tijd toen den
Mahomedaanschen Turken zelven het drukken nog verboden was.

Bij den strijd van het Christendom tegen het Mahomedanisme, vinden wij
dan ook de Joden gewoonlijk aan de zijde der Turken en Saracenen. Zij
stonden b.v. met de Muzelmannen op de muren van Jeruzalem, toen de
kruisridders die stad aanvielen, en werden door dezen tegelijk met
de Muzelmannen afgemaakt. Ook in het jaar 1686 bij de belegering van
Ofen door de Duitschers, streden de Joden naast de Turken en leden met
hen. Ook zijn in den _nieuwen_ tijd de in Turksche steden opgehoopte
Joden zeer achterlijk gebleven, als men de toenemende ontwikkeling
hunner Westersche broeders, en de wijze waarop deze zich van oude
vooroordeelen vrij maakten, in aanmerking neemt, terwijl dat gedeelte
der Joden, dat onder Turksche Pascha's in het beloofde land hunner
vaderen woont, tot de ongelukkigste Joden van den aardbol behoort.

Het overig Europa ontwaakte eindelijk uit zijn langen, middeneeuwschen
nacht, en zijn geest begon zich langzamerhand van de oude knellende
banden te bevrijden. Het ondermijnde de macht zijner ruwe ridders en
leenvorsten; het riep de wetenschappen en de beschaving uit de graven
der Grieken en Romeinen weder op; het verwerkte de staatsregelingen;
het arbeidde aan de hervorming der kerk en eindelijk ook aan de
_emancipatie der Joden_, een vraagstuk, dat echter eerst sedert
de Fransche omwenteling overal eene bevredigende oplossing nabij
gebracht is.--De grootste zwarigheden, de grofste vooroordeelen, de
diepst ingewortelde antipathieën moesten daarbij overwonnen worden,
oude wetten moesten worden afgeschaft, de tegenstrijdigste belangen
vereffend en de sedert de oudste tijden bestaande gewoonten afgelegd
worden. Eeuwen lang was men gewoon geweest de Joden als de moordenaars
van den Heiland, als de doodsvijanden der Christenen te beschouwen
en te behandelen.--Sedert den tijd der kerkvaders, op wie men zich
beriep, had men hen van misdaden beschuldigd, die zij denkelijk _nooit_
begaan hadden.

Opdat iedereen zich reeds in de verte voor hen hoeden kon, had men
hen overal genoodzaakt, zekere kenteekenen te dragen, zoo b.v. in
Duitschland puntig toeloopende hoeden, in Spanje en Italië gele vlekken
op het overkleed. Op andere plaatsen, moesten het groene, of ook wel
blauwe vlekken zijn. Een oud-Egyptisch tyran (Ptolomäus Philopator)
had eens bevolen, alle Joden, de figuur van het aan Bacchus gewijde
klimopblad, voor het voorhoofd te branden. Een ander Oostersch despoot,
had hen eens allen in de hand laten brandmerken. Weder een ander had
bevolen, dat zij allen het beeld van een kalfskop, ter herinnering
van het gouden kalf, om den hals moesten dragen. Slechts door groote
geldsommen, konden de Joden zich deze hun opgedrongene schandteekenen
afkoopen. Even als den vreeselijken inval der Mongolen in de 13de
eeuw, zoo schreef men ook iedere ramp die de Christenheid trof, aan de
Joden toe en strafte hen daarvoor, als waren zij er inderdaad schuldig
aan. Sedert de kruistochten, werd bijna iedere gebeurtenis, die allen
met schrik vervulde of enkelen schade berokkende, epidemiën, branden
enz. op de Joden door roof en moord gewroken. Toen de pest uit het
Oosten ons werelddeel binnentrok, schreeuwde men, dat de Joden de melk
der aarde, de bronnen, vergiftigd hadden. Uit hostie en christenbloed,
zoo zeide men, wisten zij een vreeselijk elixer te bereiden. Als ergens
een hevig onweder, gepaard met hagelslag en wolkbreuk losbarstte, dan
heette het, dat de Joden gedurende dien tijd een wassen beeld van den
Verlosser in hunne synagogen gekruisigd hadden, en met een vreeselijk
Hepp-Hepp-geroep viel dan het razende gepeupel op de Joden-kwartieren
aan. Eene Konings-krooning of eenige andere plechtigheid, die vele
Christenen te samen bracht, ging gewoonlijk met een "Joden-spektakel"
gepaard, als behoorde dit mede tot de Christelijke feesten. Als
zelfs Koningen in hunne, in het parlement gehoudene redevoeringen,
over de Joden als over een "verpestend, volk" spraken, waardoor zij
hun land bevlekt beschouwden; dan was het geen wonder, dat buiten het
parlement en de residentiën der Koningen, zulke mannen als de beruchte
ridder Rindfleisch in het jaar 1290, zich verhieven, en terwijl zij
verklaarden, door God gezonden te zijn om den aardbodem van de pest
dezer christenvijanden te zuiveren, de landen aan het hoofd van woeste
horden doortrokken, de Joden als wilde dieren doodden en hen op de
marktpleinen bij groote hoopen verbrandden.

Afschuwelijke misdaden zijn daarbij, door hen die zich Christenen
noemden, gepleegd. De geest der kinderen Israëls echter ontvlamde zich
tot roerende, bewonderingswaardige en heldhaftige daden.--Men zette
hun het mes op de keel en riep hun toe: "zweer uw geloof af, Jood,
of sterf!" Zij riepen uit: "Hoor ons, God Israëls!" en stierven als
vrome martelaars. Om hun geloof te redden gaven zij dikwijls zelf zich
den dood. Vaders stieten hunne dochters neder, en deze bliezen haren
laatsten adem uit, terwijl zij zuchtten: "goed gedaan, vader!" "Zulke
den dood verachtende menschen," roept een christen-geschiedschrijver
van den toenmaligen tijd uit, "kan men met recht met de meest geprezene
helden der geschiedenis vergelijken."

Van de christelijke scholen waren de Joden natuurlijk in den regel
uitgesloten. Eveneens waren hun sedert de kruistochten de gilden
gesloten en hun alle ambten, iedere eereplaats in den staat, ja! bijna
ieder fatsoenlijk handwerk ontzegd. Zij behoorden bijna niet meer tot
de maatschappij. Midden onder de burgers, leefden zij als paria's,
als bannelingen. Onroerend goed mochten zij in bijna geen een land
bezitten, en het roerende liet men hun slechts een tijd lang, om
het hun ter gelegener tijd te kunnen ontrooven. In de meeste landen
hadden de Joden geen ander grondbezit, dan _het plekje grond_, waarop
zij hunne dooden begroeven, hunne _begraafplaats_. Bij de wreedheid
voegde men nog de ergste hoon en bespotting. Overal waren oude, als
wetten heilig gehoudene misbruiken, om de Joden te vernederen. In de
rijksstad Worms in Duitschland was het de gewoonte, dat ieder jaar
op zekere dagen een aantal Joden als muilezels opgetuigd, voor een
rosmolen gespannen en door drijvers voortgezweept werden, en zoo lang
de machine bewegen moesten tot er 8 malder tarwe gemalen was; hiervan
liet de Christelijke overheid zich koeken bakken, om ze terwijl zij
zich tevens aan wijn te goed deden, intusschen te verorberen. In
de stad Toulouse in Frankrijk heeft een geruimen tijd de gewoonte
bestaan, dat op zekere Christelijke feestdagen de syndicus der Joden,
op het marktplein moest verschijnen, om eene plechtige oorvijg te
ontvangen. En deze gewoonte werd dikwijls met zooveel barbaarschheid
nageleefd, dat eens bij een dergelijke plechtigheid, de kapelaan
der Christenen den hoogsten magistraatspersoon der Joden tegen den
grond sloeg. Toch waren de vrome Joden bij zulk eene plechtigheid in
grooten getale aanwezig om als martelaars in deze beleediging--die
zij als eene eer beschouwden--te kunnen deelen.

Als schapen dreef men deze gesmade, gehate, geschandvlekte Joden,
overal in nauwe, sombere, van de Christenen afgescheidene wijken
der stad, samen, die men in Duitschland "Jodenstraten," in Italië
"_Ghettis_," in Spanje "_Juderias_" noemde, die op Christelijke Zon-
en feestdagen en ook verder iederen avond, met grendels en ketens
gesloten werden. Even als het slachtvee moesten de Joden bij de
poort van iedere Christelijke plaats, per hoofd tol betalen, welke
vernederende tol hier en daar zelfs in Duitschland, naast vele
andere drukkende misbruiken, tot op den nieuwsten tijd bestaan
heeft. In die _Ghettis_, in de Jodenbuurten, waarin zij slechts
onder elkander leefden, slechts onder elkander huwden, waarin zij
met hunne steeds in angst verkeerende familiën ingesloten waren,
en waarin zij gemeenschappelijke en stille wraakgebeden ten hemel
zonden, moesten natuurlijk de Joden dat worden wat zij geworden
zijn; zij moesten versuffen en verstompen. Zelfzucht, verstoktheid,
christen- en menschenhaat moesten zich van hen meester maken. "Strenge
afzondering even als groote mate van in zich zelve gekeerd zijn," zoo
zegt een Duitsch schrijver, "schijnt een hoofdkaraktertrek der Joden
in het algemeen te zijn. Nooit ziet men hen vroolijk en onbevangen de
genoegens des levens genieten of die rondom zich verspreiden. Nooit
ontleenen zij liefelijke woorden aan de phantasie, nooit maken zij al
stoeiende kunstige verzen, nooit geven zij zich vroolijk en juichend
over aan dans en spel. Alleen het beredeneerde verstand meent men
bij hen aan te treffen. Een diepe ernst, een sombere angst ligt over
hun geheele zijn uitgespreid." _Misschien zeer waar, mijnheer! maar
zeker zeer natuurlijk_!--Want als dit alles al niet reeds van oudsher
zoo bij de Oostersche Joden geweest is, hoe zou het bij de Joden der
midden-eeuwen anders hebben kunnen zijn! Daar zij zich in den omgang
met hunne medemenschen niet konden verheugen, daar zij zich met geene,
ook niet met den laagsten stand der Christenen op gelijken voet konden
bewegen, daar zij om zoo te zeggen, de paria's van Europa waren,
was het gewis niet wèl mogelijk, dat zij anders dan verdrietig en
bekrompen van geest werden?

Het _Jodendom_ zelf en zijne voorschriften moesten wel de voornaamste
onderwerpen der studie worden, waarin zij zich verdiepten, waarover
zij steeds redekavelden, uit wier bronnen zij hun geestelijk voedsel
putten. Daardoor kwam het, dat zooveel geleerde rabbijnen en leerlingen
van rabbijnen, zich op zoo verwonderlijk veel onnutte wetenschappen
toelegden, zulke groote woordenzifters en spitsvondige uitleggers
voortbrachten. Grootsche vrij denkende menschen, die òf door verstand
òf door kunst uitblonken, konden zich, zoo als gemakkelijk te begrijpen
is, uit die _Ghettis_ niet ontwikkelen, hoeveel talenten ook in hen
sluimeren of telken jare afsterven of vernietigd worden mochten. Daar
hun honderd andere wegen, waarlangs de Christen zich verdienstelijk of
beroemd kon maken, afgesloten waren, zoo moesten zij zich wel met het
_eenige_ bezig houden wat hun nog over bleef, en waarop de Christenen
zich niet _mochten_ toeleggen, op de geringste en verachtelijkste
handwerken, op geldwisselarij, woekerhandel, en op vele andere, winst
beloovende en het lieve leven rekkende kruis- en dwarswegen. Door nood
gedrongen moesten zij wel, kramers, oud-kleerenkoopers en schacheraars
van het werelddeel worden of blijven.

Daar zij gedwongen werden, hoon en smaad te verdragen, gewenden zij
er zich aan, zich daaraan zonder tegenspraak te onderwerpen en konden
zij niet anders dan ongevoelig worden voor de eischen der eer. Daar zij
zich overal voor de overmacht moesten terugtrekken, daar zij reeds als
kinderen zagen hoe hunne vaders al het hunne verborgen, en zich zelven
eene schuilplaats zochten, zoo werden ook deze afstammelingen der
heldhaftige Makkabeën angstig en lafhartig, gedrukt en kruipend. Zij
maakten zich al die talenten eigen, waarmede de zwakke en dienstbare
zich alleen verdedigen of wreken kan, listige veinzerij, geslepene
welbespraaktheid, voorzichtig en spitsvondig verstand, en een hun in
hooge mate eigen sarcasme en satyrieken zin, die hen in staat gesteld
heeft op het gebied van literatuur en kunst zeer pikant voor den dag
te komen. Het is dien ten gevolge zeer natuurlijk, dat de Joden,
wanneer zij ook al van den beginne af reeds eenigzins zoo waren,
toch niet anders _worden_ konden dan zooals zij zijn.

Het is veeleer zeer te verwonderen, dat bij den onmenschelijken druk,
waaronder zij eeuwen lang zuchtten, zij niet ten prooi zijn geworden
aan volslagen ongodsdienstigheid, verwildering en zedeloosheid. Maar
zoo zeer was de oude eerwaardige wet van Abraham en Mozes dit volk
ingeprent, dat zij even als in Egypte en Babylon, zoo ook in hun
duizendjarig martelaarschap aan den Rijn en aan den Weichsel, hun
vromen zin, hun geloof aan eene verlossing, aan hunnen God nooit
verloren.--Bijna alle volken van den aardbodem zijn sedert de tijden
van Abraham, eens of meermalen van godsdienst veranderd,--heidenen
zijn Christenen of Mahomedanen geworden; geheele groote en schitterende
godsdienststelsels, zooals dat der vuuraanbidders, die der Grieken en
Romeinen, zijn binnen die tijdruimte onder de geesten der menschheid
opgekomen en weder verdwenen. _Het geloof der Joden_ alleen, heeft zich
onder onnoembare verwoestingen, stuiptrekkingen en rampen onveranderd
en ongedeerd, even als de piramiden van Egypte, weten staande te
houden. En even onverwoestelijk zijn onder hen de oude patriarchale
zeden gebleven, die hun door die begenadigde, persoonlijk met God en
de engelen omgaande menschen, gegeven waren. Ouderliefde, kinderlijke
eerbied, kuischheid en reinheid van omgang, innig familie-verband,
verder barmhartigheid en hulpvaardigheid, zijn zoovele prijzenswaardige
eigenschappen, die de Joden onder alle omstandigheden hebben weten
te bewaren. Overal, waarheen zij getrokken zijn of waarheen het
noodlot hen slingerde, hebben zij alles wat hen naar lichaam en geest
kenmerkte, verwonderlijk goed weten te bewaren.

Ik zeg: "ook wat hen naar het lichaam kenmerkte", want niet zonder
verwondering kan men de Joden-physionomiën beschouwen, die vele
eeuwen voor de geboorte van Christus, Egyptische kunstenaars op hunne
monumenten afbeeldden, en die in vorm, uitdrukking en alle détails
volkomen gelijken op die der Joden, die wij dagelijks om ons henen
zien. Men zou de Joden in hunne oude ommuurde _Ghettis_, met de Prinses
onzer vertelseltjes kunnen vergelijken. Als rozen bloeiden zij in die
schuilhoeken, als in een bosch van allerlei struikgewas en onkruid. Als
door een tooverslag leven om zich verspreidende, zijn de ridders van
den nieuweren tijd, de voorstanders der Joden-emancipatie, eerst de
Nederlanders en Engelschen, bij wie alle bevrijding der Europeanen
uit de hen kwellende politieke banden een aanvang nam, daarna Frederik
 II en Jozef de Goede, vervolgens de Fransche revolutie en Napoleon,
deze schuilplaatsen bevrijdend binnengedrongen, hebben op den geest der
Joden ingewerkt, en hebben verstomptheid en dofheid plaats doen maken,
voor leven en levendige deelname in hetgeen rondom hen gebeurde. Als
nieuwgeboren is het onverwoestbaar Israël opgetreden, en talenten
en krachten hebben zich onder hen ontwikkeld, wier ongedachte macht
ons nu schier overweldigt. En thans, nu dit werk in alle landen reeds
groote vorderingen gemaakt heeft, kan men slechts weinige takken van
het menschelijke weten noemen, aan welke dit merkwaardige volk geene
uitstekende vernuften geleverd heeft.

Aan de philosophische wetenschappen hebben zij mannen als Spinoza,
de groote denker van Amsterdam, en Mendelsohn, de welwillende,
zoo vast van karakter zijnde philosoof van Berlijn, gegeven, wier
onsterfelijke namen naast die van een Des Cartes en Kant genoemd
worden. De mathematische wetenschappen ontvingen van hen vele heldere
en scherpzinnige koppen, en als rechtsgeleerden hebben onder hen een
Asser in Nederland, Cremieux in Frankrijk en vele in Duitschland
geschitterd. De artsenijkunde was van oudsher het erfdeel der
Joden, en men zou eene eindelooze lijst kunnen maken, als wij al
hunne Esculapen van ouderen en nieuweren tijd wilden opnoemen. De
Israëliet Block is als natuurvorscher algemeen bekend. Friedländer
is de naam eener Israëlitische familie, waarvan zich vele leden als
geneesheeren, philosofen en schrijvers beroemd hebben gemaakt. Voor
staatslieden en diplomaten hebben de Joden ten allen tijde getoond
groote geschiktheid te bezitten, zoodra men hen daartoe maar wilde
gebruiken. Zelfs toen zij zeer onderdrukt werden, hebben, in het Oosten
zoowel als in het Westen, altijd eenige Joden, van uit de kabinetten
der Koningen de lotgevallen der volken bestuurd en hunne betrekkingen
geregeld. Joodsche Groot-Vizieren, die even als Jozef in Egypte, de
rechterhand van machtige heerschers waren, wijst de oude geschiedenis
ons in menigte aan. In den nieuweren tijd, sedert den vooruitgang der
emancipatie, hebben wij de spreekgestoelten, de presidents-zetels onzer
parlementen, ja! zelfs de minister-zetels in Engeland, even als in
Frankrijk en Duitschland, door welsprekende, behendige, voorzichtige,
vaderlandslievende afstammelingen van den stam Israëls bezet gezien.

Even als de pen, zoo hebben zij ook met ijver en goed gevolg de
lier ter hand genomen, en wij behoeven ons slechts te herinneren,
dat de dichter Michael Beer in Berlijn, dat Heinrich Heine, dat de
componisten Meijerbeer en Moscheles, die de harten van het volk wisten
te treffen, van dien stam waren, om ons van het talent te overtuigen,
waarmede zij de Muzen wisten te dienen. Voornamelijk de muziek
behoorde, sedert de tijden van den ouden Koninklijken harpspeler,
tot de kunsten, waarvan de Joden hartstochtelijk veel hielden; en nu,
sedert hunne banden geslaakt zijn, is er letterlijk geen instrument
te vinden, waarop Israëlieten ons niet, even als David eens Saul deed,
in verrukking hebben gebracht.

Minder hebben de Joden, even als al de Oosterlingen, op het gebied
der _beeldende_ kunsten gepresteerd. Er is in Duitschland een tijd
geweest--en het is nog niet lang geleden--toen slechts ééne _beeldende_
kunst, namelijk het graveeren, bij voorkeur door de Joden beoefend
werd. Schilders en beeldhouwers hebben zij bijna niet voortgebracht,
maar ook hierin bracht de nieuwere tijd verandering. Ik behoef onder
anderen slechts aan een Bendemann, wiens "treurende Joden" en andere
werken algemeen bekend zijn, te herinneren. Met goed gevolg hebben
de Joden ook het tooneel betreden, en eenige acteurs en actrices,
die in den laatsten tijd in Frankrijk en Duitschland het meest
bewonderd werden, b.v. Rachel, Dawison, zijn uit de geopende poorten
der Joden-wijken van de Duitsche steden te voorschijn getreden.

Wat in de toekomst nog voor gelukkige talenten en vreugde verspreidende
gaven, uit deze aan genie en geest rijke wijken verder moge opbloeien,
laat zich niet bepalen. Verscheidene volken van Europa zijn, om zoo te
zeggen, pas begonnen de oude banden te slaken, waarin hunne voorvaderen
de Joden sloegen; de diepe duisternis, waarin men hen liet versmachten,
weg te nemen.

Het zou te ver voeren, wanneer wij wilden beproeven den graad
van bevrijding en den stand der vorderingen van de zoogenaamde
Joden-emancipatie, met andere woorden, der wettelijke bepalingen,
waardoor zij tot de uitoefening van burgerlijke rechten en
plichten, tot deelneming aan het algemeene recht en tot het bezit
van een vaderland toegelaten zullen worden, in _ieder_ land aan te
geven. Wanneer wij een blik terugslaan op het weinige dat hier boven
gezegd is, en ons oog laten weiden over de weldadige resultaten, die
dat werk van den nieuweren tijd reeds hier en daar verkregen heeft,
dan mogen wij hoop koesteren, dat het langzamerhand overal gelukken
zal, de moeielijke kwestie in het belang van beide partijen, zoowel der
Christenen als der Joden op te lossen. In ieder geval echter is, naar
het ons toeschijnt, niets meer geschikt ons met liefde te vervullen
voor onzen grootmoedigen nieuwen tijd, die zich tot taak gesteld
heeft de Joden en naast hen nog andere dienstbaren uit Babylonische
slavernij te verlossen, dan een terugblik op de schandelijke en wreede
onderdrukking, die de Joden in de harde, door menigeen nog zoozeer
bewonderde midden-eeuwen, te verduren hadden.



DE ARMENIËRS.


De Armeniërs hebben zich ten gevolge,--of ten minste _grootendeels_
ten gevolge--der hun door de Turken gegevene impulsie zoover in
Europa verstrooid, en hebben zich in menige streek van ons werelddeel,
even als de Joden zoo ingenesteld, dat zij onder ons waarschijnlijk
nog den val van het Osmanische rijk overleven zullen; wij kunnen,
na de Osmanen en Joden geschilderd te hebben, gevoegelijk tot eene
beschouwing der Armeniërs overgaan.

Het vaderland der Armeniërs in Azië, ten Zuiden van den Kaukasus,
is een hoog gelegen bergland vol prachtige weiden, dat zich om den
heiligen berg der arke Noachs, om den Ararat, groepeert. De oorsprong
van dit volk verliest zich in de grijsste oudheid, maar de berichten
aangaande eenen vroegtijdigen bloei, macht en onafhankelijkheid van
het door hen gestichte rijk, zijn zeer mythisch en zeer fabelachtig. De
geschiedenis toont ons hen schier nooit anders dan in afhankelijkheid
en verbrokkeld. Zij zelven noemen zich "Haik," naar hunnen stamvader,
die, even als Abraham, uit de vlakten van Mesopotamië de bergen
binnentrok, en daar de wieg van zijn volk in gereedheid gebracht zou
hebben. Ontelbare malen tot op den tegenwoordigen tijd, werd hun land
door naburige veroveraars onderworpen en verdeeld.

Met zekerheid kennen wij slechts ééne periode van groote Armenische
nationale macht en bloei. "Tigranes de Groote," een Armenisch Vorst
ten tijde van Pompejus, onderwierp zich een aanzienlijk gedeelte van
Westelijk Azië. Sedert deze groote Tigranes door de Romeinen overwonnen
werd, is Armenië bijna altijd, ofschoon af en toe nog zelfstandige
en inheemsche regenten-familiën voor korten tijd bij hen optraden,
een speelbal der naburige machten, een schouwplaats van Aziatische
harrewarrerijen en oorlogen geweest, en weldra geheel of gedeeltelijk
door Byzantynsche, Egyptische of Perzische Satrapen, Arabische of
Turksche Pascha's en Russische gouverneurs beheerscht geworden. Even
als de Joden werden de Armeniërs nu eens door dezen, dan door genen
machthebber uit het land verdreven, of in gevangenschap weggevoerd,
of wel ter kolonisatie naar afgelegene provinciën gezonden. Dit
treurige lot, even als de armoede hunner eigene bergen, die zij
dikwijls, even als onze Alpenbewoners, vrijwillig verlieten, heeft
hen zeker tot datgene gemaakt, wat zij geworden zijn, tot een even
als de Joden overal verspreid, overal speculeerend handelsvolk.

Reeds vroegtijdig hadden zij handelsverkeer met Babylon, waarheen
zij langs den bij hen ontspringenden Eufraaat, de producten hunner
berg-dalen voerden.--Ook naar Tyrus en andere Phenicische steden
zouden zij reeds in de oudste tijden, de muildieren en paarden, die
zij op de in hunne bergen gelegene weiden aanfokten, gebracht hebben,
even als zij ook aan het hof der oude Perzische Koningen, jaarlijks
20,000 veulens van hunne edele en beroemde paarden-rassen leverden.

Hoe meer zij hunne zelfstandigheid en hun oorlogzuchtig karakter
verloren, des te handeldrijvender werden zij, zoodat zij zich
ten laatste als handelscommissarissen over geheel Azië verspreid
hebben. Men vindt ze reeds vroegtijdig tot in Hindostan toe, van waar
ons reeds in de midden-eeuwen door hunne bemiddeling, de rabarber, de
zijde, de edelgesteenten, kruiden en andere kostbare waren toegevoerd
en in het Westen verdeeld werden. Zij waren en zijn, in deze takken
van Oosterschen handel, in zekeren zin de mededingers eerst der Joden
en Arabieren en later van het andere, reeds dikwijls genoemde en nog
verder oostwaarts verspreide volk, de Tadschiks of Bucharen. Later
heeft de handelsgeest hen zelfs in het Oosten naar China en in het
Zuiden naar de bronnen van den Nijl gevoerd, waar de geschiedenis
ons bij wijlen in Abessinië invloedrijke Armeniërs toont.

Ook reeds in Europa zelve moeten deze Aziatische industrie-ridders,
reeds vroegtijdig bezoeken hebben afgelegd; enkele wellicht reeds
met de oude Pheniciërs, Grieken en Romeinen. De Byzantijnsche Keizers
verplantten sedert de 8ste eeuw vele uit hun land verdrevene Armeniërs,
die reeds vroegtijdig ijverige aanhangers van het Christendom waren
geworden, naar Europa, en ruimden hun wijken in Thracische en Grieksche
steden in. In de midden-eeuwen, ten tijde der kruistochten, zullen
waarschijnlijk ook de Venetianen en Genueezen hen hebben leeren kennen,
en naar hunne Europeesche markten gebracht hebben.

Evenwel zijn zij eerst hoofdzakelijk en in grootere massa's tot
ons gekomen, na de veroveringen der Polen, Russen en Turken in het
Oosten,--en sedert hebben zij zich dan ook op verscheidene Noord- en
West-Europeesche punten nedergezet. Eene der eerste, vaste Armenische
gemeenten, die ons bekend zijn, heeft zich in het midden der 13de
eeuw in Lemberg in Gallicië gevormd, waar zij van de Gallicische
Vorsten zelfs een eigen magistraat verkregen, en waar zij nog heden
ten dage onder een afzonderlijken bisschop staan. Van daar uit hebben
zij zich in kleine genootschappen of factorijen over alle steden van
Polen verspreid. Ofschoon zij daar hunne Armenische taal vergeten
hebben, en ofschoon daar ook hunne Kerk zich aan die der Katholieken
aangesloten heeft, zoo herkent men hen daar nu nog overal aan hun
eigenaardige Oostersche gelaats- en lichaamsbouw, zoo als ook aan
hunnen ouden speculatieven zin.

Even als in hunne Aziatische berglanden, zoo leggen zij zich ook in
Polen hoofdzakelijk op den veehandel toe, en trekken zij met de kudden
rundvee en paarden uit Podolië en Ukraine naar Warschau, Krakau en ook
naar Breslau in Duitschland.--Ook hebben zij in deze landen buitendien
nog altijd een groot deel van den handel in Turksche en Perzische waren
in hunne handen, en deden zij daarvoor weleer dikwijls groote reizen
van de Duitsche grenzen tot naar Perzië en tot diep in het Oosten.

De Turken, die sedert het einde der 15de eeuw den Perzen bijna geheel
Armenië afnamen, brachten het volk weder in grooten getale naar
Constantinopel, waar sedert dien tijd de Armeniërs naast de Joden,
Italianen en Grieken tot de aanzienlijkste en ondernemendste kooplieden
behooren.--Men vindt ze nu ook als kramers, beambten, pachters van
tollen en in de meest verschillende betrekkingen in alle steden van
Europeesch Turkije, waarin zij naast de Grieken en Osmanen de derde
rol spelen.

Voornamelijk zijn zij de bankiers der Pascha's, en men kan zeggen,
dat bijna alle inkomsten der Turksche provinciën door hunne
handen gaan. Zij crediteeren hunne Pascha's in Constantinopel bij
de regeering, zenden dan echter ook hunne agenten mede naar de
provinciën, om op de inning der belasting het oog te houden. De
handel in edelgesteenten en paarlen in Turkije is bijna geheel in
hunne handen; zij zijn de voornaamste juweliers en geldwisselaars
der Turksche hoofdstad.

Van uit het Turksch-Grieksch schier-eiland, verspreidden zij zich
vervolgens met de Turken ook over de Donau-Vorstendommen Moldavië
en Walachije. In Zevenburgen bezitten zij eene eigene stad:
"Armenopolis" genoemd, waarin 400 Armenische familiën wonen, die
handel drijven in hoornvee en in fabriekswaren. In Hongarije wordt
de geheele stad Neusatz bijna uitsluitend door Armeniërs bewoond,
en in de vlakten tusschen Donau en Theiss pachten zij gewoonlijk de
groote Keizerlijke püsten of weiden, om er stoeterijen op te richten
en waar zij, even als eens ten tijde der oude Perzen-Koningen in hun
vaderlandsch bergland aan den Ararat, paardenhandel drijven. Zij zijn
overal ook in Hongarije even als in Polen, de grootste pachters,
vee-fokkers en rundvee-handelaars. Als zoodanig zijn zij dikwijls
rijk en aanzienlijk geworden en somwijlen in den adel van Hongarije,
Walachije, Moldavië en Bukowina opgenomen. Ook onder den Poolschen
adel vindt men somwijlen familiën van Armenischen oorsprong, even
als men eens onder den Spaanschen adel vele familiën van Joodsche
afkomst aantrof.

In verbinding met de Turken, heeft de toenemende macht der Russen het
meest tot de verbreiding der nijvere Armeniërs bijgedragen. Reeds onder
de Tataren hadden zij zich aan de Wolga in Astrachan nedergezet. Toen
de Russen deze stad in het midden der 16de eeuw veroverden, begonnen
de Armeniërs, even als de Bucharen, den handel van Rusland met dien van
het Oosten, in het bijzonder met dien van Perzië, te verbinden. Vooral
Peter de Groote stelde veel belang in hen en verleende hun, in
het einde der 17de eeuw, vele privilegiën voor hun verkeer in en
door Rusland. Daar de Perzen zelven hun vaderland niet gemakkelijk
verlaten, en nog minder gaarne tot groote reizen in Noordelijke
landen besluiten, zoo werden de Armeniërs zoowel in Europa als in
Azië hunne zaakvoerders. Zij zetten zich nu niet alleen in grooten
getale in Astrachan, maar ook in andere Zuid-Russische steden neder,
en maakten zich langzamerhand grootendeels meester van den Perzischen
handel aan de Kaspische Zee; daar hebben zij in beide werelddeelen
hunne kantoren, aan de eene zijde ver naar Iran toe, aan de andere
zijde even ver Rusland in.

Daar de Czaren gaandeweg in die streken eene vaste orde van
zaken in het leven riepen, en begonnen hunne banieren over de
Christenen van het Oosten te laten waaien, zoo namen de Armeniërs
ook bij verscheidene gelegenheden, als zij in de oorlogen tusschen
de Turken en de Perzen in het nauw gebracht werden, met geheele
scharen de wijk naar Rusland. In de tachtigste jaren der vorige eeuw
vluchtten eens niet minder dan 15000 Armeniërs, onder aanvoering
van hunnen aartsbisschop Argutinsky Dolgoruky, over den Kaukasus
naar Europa. Catharina II wees hun verscheidene woonplaatsen aan,
van waar uit zij zich verder verspreidden. Onder anderen stichtten
zij, in de moerassen en steppen van den Don, de niet onbelangrijke en
wel bekende stad Nachitschewan, van waar uit door hen de wijnbouw en
zijdeteelt over Zuidelijk Rusland verbreid werd. In Astrachan, de stad
aan den mond der Wolga, waren reeds tegen het einde der 18de eeuw,
nagenoeg alle fabrieken en industrieele etablissementen in het bezit
der Armeniërs. Zij hebben nu ook hunne factorijen en kleine koloniën
tot aan Moskou, en tot aan de Oostzee in Petersburg vooruitgeschoven.

Nadat Rusland den Kaukasus overschreden was, werd dan ook een
aanzienlijk gedeelte van het oude Armenië, en met dit gedeelte
ook de heilige berg Ararat zelve, de oude hoofdstad Eriwan en het
beroemde klooster Edschmiadzin, de zetel van het opperhoofd der
Armenische kerk, van deze Europeesche macht afhankelijk, en hiermede
werden voor dit Aziatische volk weder vele nieuwe wegen en poorten
naar Europa geopend. Men ziet hen nu ook dikwijls, soms zelfs als
officieren, in het Russische leger, ook zijn zij in den Russischen
adel binnengeslopen, en eenige der bij ons meest bekende namen van
Russische Grooten--ik wil slechts de beroemde familie der Graven
Lazareff noemen--zijn van Armenischen oorsprong.

Ook in Westelijk Europa heeft dit merkwaardige Oostersch handelsvolk,
zich in lateren tijd verder verspreid. Zij ontbreken natuurlijk
niet op de wereldmarkt te Londen. Men vindt ze in Amsterdam en in
Marseille, en eveneens in de Keizerstad Weenen. In de lagunen van
Venetië, op het kleine eiland San Lazaro, dat de senaat in het jaar
1717 aan eene, door den Armenischen hervormer Mechitar gestichte, en
door de Turken uit Morea verdrevene gemeente schonk, hebben zij een
door zijne literarische werkzaamheid, zijne Armenische drukkerij en
opvoedingsgesticht beroemd klooster gebouw, "het Mechitaristen klooster
van S. Lazaro," van waar uit de gezamenlijke Armenische koloniën van
Europa en ook het Aziatische vaderland zelf, gedurende anderhalve eeuw,
van boeken en geletterde zendelingen en priesters voorzien geworden is.

Dergelijke Armenïsche drukkerijen en instellingen voor geleerdheid,
hebben ook bij tijden in Marseille, Rome, Amsterdam, Livorno, Moskou
en in andere plaatsen bestaan. Want trots hun treurig nationaal-lot
zijn de Armeniërs van oudsher,--en ook hierin komen zij met de Joden
overeen--zeer ijverige navorschers geweest, en hebben zij overal
eene levendige belangstelling voor de literatuur van hun vaderland
en van hunnen godsdienst bewaard. Nadat zij--reeds in de 2de eeuw na
de geboorte van Christus--tot het Christendom bekeerd werden en den
bijbel in hunne taal overzetten, hebben zij eene massa theologen en
kroniekschrijvers voortgebracht, en hunne geschiedschrijvers worden,
boven alle historici der Oosterlingen, als kritisch en als mannen
van smaak geroemd. Hunne literatuur is eene rijke bron voor de
geschiedenis der West-Aziatische volken, waarmede die der Armeniërs
steeds innig samenhing.

De taal, waarin zij schreven, is wel rijk en beschaafd, maar even als
hun bergachtig vaderland, uiterst hard, vol opeenhoopigen van lastige
consonanten en schier nooit gehoorde klank-samenstellingen. En daarin
vormen de Armeniërs een opvallend contrast met hunne gebieders,
de Osmanen. Zij, een zacht en buigzaam handelsvolk, bezitten
een hard en ruw orgaan en tongval. Deze daarentegen, de Turken,
een oorlogzuchtig heerschersvolk, hebben eene uiterst zachte,
melodieuse en welluidende taal, wier accenten men met het gekabbel
van het water vergeleken heeft.--Men heeft er lang over gestreden, tot
welken grooteren stam die Armenische taal en het haar sprekende volk,
gerekend moeten worden. Wegens groote overeenkomst met het Syrisch en
Oud-Phrygisch, heeft men de Armeniërs met de Joden en Arabieren tot de
Semitische stammen willen tellen. Vele geleerden waagden het echter
niet, hen bepaald onder de Semiten of eenige andere groote groep te
rangschikken. En de Duitsche taal-vorscher Adelung meende te mogen
beweren, dat het Armenische volk en hunne taal, die zoovele, nergens
anders te vinden eigenaardigheden bezit, eene natie en een tongval
op zich zelve waren en dat zij geheel op zich zelven stonden. Eerst
in lateren tijd is men het daarover eens geworden, dat de Armeniërs
met hunne naburen, de Perzen en Kurden, als ook met de Slawen en
Duitschers, een tak van den grooten Indo-Germaanschen volks- en
taalstam uitmaken. Men heeft in hunne taal de wezenlijkste elementen
en karakter-kenmerken van dezen grooten stam weder herkend, ofschoon
in haar, in de laatste vier eeuwen, tengevolge van het voortdurend
verkeer van het volk met de Turken en Arabieren, niet alleen vele
Turksche en Arabische _woorden_ ingedrongen zijn, maar ook zelfs de
geheele Armenische bouworde der volzinnen, zich naar de wetten der
taalkundigen dezer beide volken veranderd heeft.

Met het aannemen van de Indo-Germaansche afkomst der Armeniërs,
stemmen de opmerkingen, die men over hun lichamelijk voorkomen maken
kan, zeer goed overeen. De Armeniërs zijn een welgemaakt slag van
menschen, zij hebben zeer regelmatige en volle gelaatstrekken en, bij
donker haar en zwarte oogen, eene fraaie, blanke Kaukasische tint, en
hebben onder alle Oosterlingen de meeste overeenkomst met de Perzen,
de echte broeders der Indo-Germanen. Merkwaardig is het, hoezeer
alle Armeniërs op elkander gelijken, en hoe bij hen schier iedereen
even fraai en even welgemaakt is, als waren zij allen van dezelfde
familie. Veel in hun uiterlijk en in hunne manier van doen, en zelfs
in hunne wetten en gewoonten, herinnert echter ook aan de Joden. Zoo
hebben zij b.v. verscheidene Joodsche verordeningen aangenomen, zooals
de Joodsche gebruiken bij het slachten van vee, bij het vasten, en de
Mozaïsche beschouwingen over reine en onreine spijzen. Misschien wijst
dit op eenen vroegeren historischen en ethnischen samenhang beider
volken. Misschien echter ook hebben de Armeniërs deze dingen eerst
met het Christendom, en met den daardoor bij hen bekend wordenden
bijbel overgenomen. Het beroemde Koningsgeslacht der Bagratiden,
dat Armenië in de 9de en 10de eeuw regeerde, zou van Joodsche afkomst
geweest zijn. Ook vindt men bij de Armeniërs, even als bij de Joden,
en daarin verschillen zij, even als andere Oosterlingen, zeer van
de Indo-Germanen--geene standen, geene geboorterechten, geen adel,
geene onderhoorigheid of lijfeigenschap. Hunne gemeenten hebben een
zeer democratisch bestuur, terwijl bij hen, even als bij de Joden,
eene groote patriarchale macht uitgeoefend wordt. De familie-band is
bij hen even sterk als bij de Joden. Zoolang de hoofden van het gezin,
vader en moeder, leven, zoolang blijft steeds de geheele familie één,
en blijven alle leden, zonder dat er boedelscheiding plaats heeft,
onvoorwaardelijk gehoorzaam aan het hoofd. In hun vaderland zelf,
komt het niet zelden voor, dat bij een 80 jarigen patriarch drie
geslachten bij elkander leven en met elkander huishouden, vier à
vijf gehuwde schoonzonen en dochters in den ouderdom van 50 tot 60
jaar, en dan nog kleinkinderen van 30 jaar en hunne kinderen, de
achterkleinkinderen. Even als de Joden, zoo houden ook de Armeniërs
den gemeenschappelijken band van den godsdienst in eere. Deze band
is bij hen sterker dan taal, afkomst en alle andere kenmerken
van nationaliteit. Men heeft hen dikwijls de Christelijke Joden
genoemd. Daarom wil de Armeniër liever naar zijn geloof "Katholiek"
dan naar zijne nationaliteit "Armeniër" genoemd worden. Alleen zij,
die de oude Armenische kerk trouw gebleven zijn, noemen zich gaarne
"Armeniërs," evenwel niet omdat zij tot het Armenische volk, maar
omdat zij behooren tot de Christelijk-Armenische kerk, waaraan zij
hunne beschaving en het geheele bestaan hunner nationaliteit te
danken hebben.

Nergens zijn de Armeniërs in Europa tot zoo diepe ellende verzonken,
als op vele plaatsen de Joden, met wier lot het hunne anders
bijzonder veel overeenkomst heeft. Men treft hen bijna overal aan
als welhebbende, dikwijls rijke en invloedrijke burgers. Dit laat
zich ten deele daaruit verklaren, dat aan deze zeer intelligente en
voor hunne zaken zeer geschikte menschen, als oude Christenen nergens
een zoo hard lot bereid werd als den Joden--ten deele ook daaruit,
dat zij zich nooit zooals de Joden, uitsluitend op den kleinhandel
toelegden. Zij zetten zich ook goedschiks als landbouwende kolonisten
op eene of andere plaats neder, en hier en daar werden zij zeer goede
kunstenaars en fabrikanten.

Overal toonen zij zich een stil en ernstig, volhardend, onverdroten
en onvermoeid volk, alleen verzot op geld verdienen. Matig in eten en
drinken, houden zij weinig van pronk en publieke vermakelijkheden. Zij
zijn het best in hun schik, als zij met de hunnen, in hunne gewoonlijk
zeer zindelijke en zorgvuldig versierde huizen opgesloten, hunne winst
berekenen kunnen. Niet oorlogzuchtig maar bang van aard, trekken zij
zich van alle twistpartijen, onrust en oploopen terug, en tevreden
hunne zaken te mogen drijven, toonen zij zich loyale onderdanen. Zij
koesteren niets minder dan lust tot veroveringen en gedachten
voor eene nationale onafhankelijkheid, geen naar grootsche zaken
strevenden zin, geen geestdrift _pour l'honneur_! Zoo lang hunne zaak
goed gaat, zijn zij de onderdanigste menschen der wereld. Daarom zijn
zij door de Turksche Ulema's ook wel de "_paarlen der ongeloovigen_"
genoemd geworden.

Het geheele getal der in Europa levende Armeniërs zal nagenoeg een
millioen personen bedragen. In Azië zullen er wellicht wel dubbel
zooveel zijn. Van veel meer gewicht echter zou zich dit onder ons
Europeanen verstrooide volk voordoen, wanneer wij de kapitalen en
waarden, die zij bij ons in omloop brengen, konden begrooten.



DE ZIGEUNERS.


De wilde Nomaden-horden uit Azië, die met het zwaard in de vuist
hunne invallen in Europa zoo dikwijls herhaalden, zijn ook allen (met
uitzondering alleen der voor de beschaving gewonnene Magyaren) door
het zwaard bij ons omgekomen. Nadat de Europeanen hunne macht gebroken
hadden, hebben zij later geen last meer van hen gehad. Geene troepen,
die van de horden van Attila of van Dschingis-Chan waren afgeraakt,
hebben zich in de bosschen en op de vlakten van ons werelddeel
verstrooid, en hebben daar getracht zich, als aanhoudende plagen der
volkeren, staande te houden. Zij hebben niet getracht, in de landen,
die zij niet als dappere ruiterstammen konden innemen, als sluipende
dievenbenden voor altijd te blijven. Zij verschenen bij ons als een
onweder en verdwenen als een nevel.

Maar dikwijls is het gemakkelijker, zich tegen leeuwen te verweren,
dan de verbreiding van kleine plaaggeesten tegen te gaan. Wat aan de
strijd- en rooflustige ruiter- en herdersvolken, volgens hunnen aard
niet gelukken mocht in Europa, waar zij niet alle bergen en steden in
weidelanden vervormen konden, dat heeft een stam, die alles behalve
heldhaftig was, die volstrekt niet talrijker noch door eendracht
machtiger was--de Zigeuners--tot stand gebracht.

Nauwelijks laat zich eenig spoor van verwantschap tusschen deze
vreemdsoortige schepsels en de Europeanen ontdekken, en toch
hebben zij zich om alle volkeren van ons werelddeel als eene
woekerplant--die tegen den eikenboom opklimt en zich om al zijne
takken henen vlecht--heengeslingerd. In hooge mate onvatbaar voor
ontwikkeling, hebben zij zich vrijwillig en met eene soort voorliefde
aan de beschaafdste wezens der Aarde aangesloten, en al onze steden, de
altaren en zetels der Muzen, omfladderd als nachtuilen het licht. Door
de zon verbrande, half naakte kinderen van het Zuiden, zijn zij zelfs
tot in de Noordelijkste uiteinden van ons werelddeel doorgedrongen, en
hebben, zelfs in de koude landen der Moskowieten en Finnen, nauwlijks
geleerd hunne naaktheid te bedekken. Door niemand uitgenoodigd,
zooals de Magyaren door keizer Arnulph, of zooals de Turken door de
Byzantynsche Keizers, zijn zij toch, als ongenoode gasten overal
binnengedrongen. Zonder dappere aanvoerders, zonder wapens, voor
ieder geweld terugwijkende, schuw als de vogelen van het woud, hebben
zij zich allerwege in de kleine wildernissen, die zij tusschen onze
akkervelden vonden en waarin zij hun verblijf zochten, gehandhaafd. En
toch is bij al deze zonderlingheden ten slotte deze niet de geringste,
dat de Zigeuners zich daar nog niet reeds lang bevonden, maar dat zij,
die menschen zonder wet, ons werelddeel eerst binnentrokken, juist toen
het zich uit den toestand van middeneeuwsche ruwheid tot de hoogte
der moderne staatsregeling begon op te werken. In de ongeordende en
politie-looze middeneeuwen, zou voor hen bij ons veel meer ruimte
geweest zijn. En aan zulke aanleidingen tot landverhuizing uit Azië,
als die was, welke hen omstreeks het einde der 14de en het begin
der 15de eeuw van daar verdreven zou hebben, heeft het ook _vóór_
dien tijd niet ontbroken.

Men zegt, en dit is wel de _waarschijnlijkste_ onder de vele hypothesen
over het begin der volksverhuizing der raadselachtige Zigeuners,
dat de vreeselijke invallen der Mongolen in Hindostan onder Timur en
zijne opvolgers, het land zoo zwaar getroffen hebben, dat vele leden
der meest onderdrukte en geplaagde onder de Indische volksklassen,
zich weeklagende opgemaakt hebben en westwaarts de wereld ingetrokken
zijn. De taal, die de Zigeuners naar Europa brachten, hunne huidkleur
en hun lichaamsbouw, hunne neigingen en hunne lievelings-bezigheden,
de hun zoo ingedrukte stempel van geringschatting der zedelijkheid, dit
alles leidt ons naar Hindostan, en wel voornamelijk naar de geringste
kasten van dit land, zooals ook hunne verschijning in Europa naar
die gebeurtenissen heenwijst, die toen de geheele menschheid in
rep en roer brachten. Vele der uitdrukkingen voor de eenvoudigste
zaken, de namen voor de ledematen van het menschelijke lichaam,
voor de tijdsverdeeling zijn in het Hindostansch (Sanskriet) en in
het Zigeunersch bijna geheel dezelfde. Met betrekking tot hunnen
lichaamsbouw schijnen zij, om zoo te zeggen, den Hindoe uit de ribben
te zijn genomen. Zij hebben de ronde gelaatstrekken, de gebogen neus,
het donkere oog, de kleur van haar en huid der Indische volken. Hun
beenderenbouw is, even als die der Hindoe's, sierlijk en fijn. In
den strijd met ontberingen zijn zij bijzonder taai, ofschoon zij
niet op groote lichaamskracht kunnen bogen. Dikke Zigeuners vindt
men niet. Hunne handen en voeten zijn klein en goed geëvenredigd.

Verscheidene zeer onbeteekenende afdeelingen der Indische kaste der
Sudras (de klasse der handwerkers), worden ons als het uitvaagsel der
maatschappij geschilderd, die door alle anderen als onrein veracht
worden. Zij voeren daar een zwervend leven in woeste streken,
buiten de steden en bewoonde plaatsen, die door de hoogere kasten
in bezit genomen zijn. Zij houden zich onledig met handwerken, die
niemand anders beoefenen wil. Voornamelijk zijn zij de dienders en
scherprechters van het land, dikwijls de rij- en stalknechten der
rijken. Verder zijn zij smeden, welk edel handwerk, vreemd genoeg,
in Indië tot de minst in tel zijnde behoort.

Daar zij altijd van de godsdienstige gebruiken en plechtigheden
hunner landslieden uitgesloten waren, zoo hebben zij bijna geenen
godsdienst. "Zij hebben eene in het oog vallende neiging, alles wat
andere menschen voor verheven houden, te bespotten. In de plaats van
den godsdienst is bij hen het allergrofste bijgeloof getreden, en
daar zij steeds onder een ongelukkig lot gebukt gingen, zoo hielden
zij zich van oudsher veel bezig met het lezen in de toekomst, en met
het voorspellen der zoo vurig verlangde verbetering van hun hard lot."

Zij treden in Indië overal als waarzeggers op en voornamelijk houden
zij zich onledig met de "chiromantie" (kunst om de toekomst uit de
lijnen der hand te voorspellen). Verder wordt van hen gezegd, dat zij
eene groote voorliefde voor muziek hebben, en daarvoor, even als voor
den dans, eene groote geschiktheid bezitten. De beroemde Indische
danseressen, de Bajadères (ten minste de geringste en rondreizende
klassen onder hen), komen meestal uit hun midden te voorschijn.

Ik behoef er nauwelijks op te wijzen, in hoe hooge mate dit alles,
wat van de laagste klasse der Indische Sudras gezegd is, ook op
onze Zigeuners van toepassing is.--Noch bij de Tataren, noch bij de
Kopten in Egypte, noch bij de Arabische Bedouïnen, noch bij de tien
verlorene stammen Israëls, noch bij eenig ander verwilderd of laag
gezonken volk der wereld, waarvan men de Zigeuners wel heeft willen
afleiden, ontdekken wij het portret van een stam of eene volksklasse,
dat in alle bijzonderheden zóó op de Zigeuners gelijkt.

De rondtrekkende klassen der genoemde Sudras hielden zich, naar het
schijnt, van overoude tijden af, binnen de grenzen van Hindostan
op. Ofschoon daar altijd onderdrukt en vervolgd, trokken zij, voor
zooverre ons bekend, _nooit_, of ten minste nooit in aanzienlijken
getale, _voor_ dien inval der Tataren het land uit. Noch den
overwinnenden aanval der Macedoniërs onder Alexander den Groote,
noch de talrijke latere invallen der Arabieren, Perzen en andere
naburige volken, schijnen hen in aanhoudende en zich ver uitstrekkende
beweging gesteld te hebben, ofschoon wel _eenige_ sporen, die wij
reeds vroegtijdig van hen in Perzië en in eenige andere landen van
het Oosten vinden, ook op, bij deze gelegenheden plaats gehad hebbende
volksverhuizingen wijzen.

Dat zij nu plotseling bij den inval der Mongolen, tegen het einde
der 14de en het begin der 15de eeuw, van gedachten veranderden,
op eens de vleugels uitbreidden en vervolgens, tegelijkertijd in
zoo groote hoeveelheid en ook zoo ver naar het verre Westen, de
vlucht namen, hebben eenigen als een bewijs der onvergelijkelijke
wreedheid, waarmede die aanval gepaard ging, bij welken de menschen
bij honderdduizenden geslacht werden, willen beschouwen. Daar de
inval der Mongolen hoofdzakelijk uit het Noorden en het Noord-Oosten
plaats had, zoo hadden de opgejaagde Sudras de beste gelegenheid om
weg te komen, in Westelijke richting over den Indus.--In het Westen
van Indië, in de delta van den Indus, waarin zij, waarschijnlijk
kort voor zij hun land verlieten, samengedrongen werden, vinden wij
ook nog den naam der provincie "Sind," naar welken de Zigeuners een
der bij hen gebruikelijke namen "Sinti", d.i. "menschen van Sind"
schijnen ontleend te hebben.

Daar aan den Indus, moet ook nog een oude Indische volksstam "de
Ziganen" bestaan, van welken verscheidene zich, bij hen die het
land verlieten, aansloten, Van hen zal de bij de Westersche volken
gebruikelijke benaming dier vluchtelingen afkomstig zijn. Bij de
Perzen, Turken, Walachyers, Hongaren, Italianen, Duitschers, heeten
zij Tschingenáhh, Chyganis, Cigaris, Zincalis, Czigánys, Zigeuners,
wat niet anders dan wijzigingen van dien voor Oud-Indisch gehouden
naam schijnen te zijn.

Langs oude, door de natuur aangegevene wegen, verstrooiden zich de
Zigeuners als het zand der woestijn, eenerzijds over de landengte
van Suez naar Egypte, en door het geheele Noordelijke Afrika tot
naar Marokko,' anderzijds door Klein-Azië over den Hellespont en
langs de Zwarte Zee tot aan den Donau, en van daar uit midden door
de woonplaatsen van alle Europeesche volken heen.

Als "wildvreemde menschen van donkere tint, met ravenzwarte haren,
golvende als paardenstaarten, met een onaangenaam morsig uiterlijk,
zooals men in Europa nog nooit gezien had, bekleed met lappen grove
wol, die met banden en strikken over de schouders vastgebonden
waren, gezeten op magere paarden als ruige beeren, aangevoerd door
opperhoofden, die zich als Hertog van Egypte en Graaf van Babylonië
betitelden, en met brokken van gouden tressen en passementwerk
behangen waren,"--zoo verscheen den zeventienden Augustus 1427,
de eerste bende Zigeuners voor de stad Parijs. En, in opschudding
gebracht, als ware een meteoorsteen uit den hemel gevallen, liepen
de nieuwsgierige bewoners der Fransche hoofdstad naar de legerplaats
der wonderlijke vreemdelingen, om deze te bekijken. Zij vertelden
aan deze goede burgers, dat zij Christenen uit het Oosten, uit Egypte
waren, waar zij ter wille van hun geloof vervolgd en verdreven waren,
en dien ten gevolge oogstten zij al dadelijk menig fraai geschenk en
menige almoes.

Even als bij Parijs, in een dergelijken optocht en met _de zelfde_
klachten en vertellingen als _daar_, "een onbeschaafd, zwart, vreemd,
woest en ellendig volk," zooals een oud Kroniekschrijver zegt,
waren zij toen ook voor de poorten van Bazel, Zurich en vele andere
Europeesche steden verschenen. En over het algemeen vallen nagenoeg
alle datums, waarop in de oude kronieken der Westelijke landen van
ons werelddeel, van hen melding gemaakt wordt, in de korte tijdruimte
tusschen de jaren 1416 en 1430. In het Oosten, aan de Beneden-Donau
in Hongarije en in Walachye, wil men hen reeds vroeger bespeurd
hebben. In het jaar 1422 trokken zij over de Alpen en brachten zij
ook de Italianen in verwondering, en niet lang daarna ontdekten ook
de Spanjaarden hen in hunne bergkloven, en bij hunne schaapherders op
de heidevelden der bergvlakten van Castilië. Ja! zelfs in Engeland
en Skandinavië zijn niet _zeer_ lang daarna de jaarboeken des lands
vol opmerkingen over deze geheimzinnige gasten.--Als kwikzilver
schijnen zij door alle schiereilanden en landen, door alle bosschen
en woeste streken van dit werelddeel heengegaan te zijn. Geene andere
ons bekende volksverhuizing, is met zulk eene snelheid over Europa
heengegaan. Zij waren zoo snel, als zat de schrik voor de Mongolen
hen nog op de hielen.

Het boven medegedeelde verzinsel, dat zij verdrevene christen-pelgrims
uit Egypte (misschien van de sekte der Kopten) waren, dat hun in de
oogen der Christenen een waas van heiligheid geven moest, had bij
Parijs even als overal elders eene goede uitkomst opgeleverd, en
zij herhaalden het vertelsel, overal waar zij kwamen. Zij moeten dit
den Paus te Rome ook verteld en geloofwaardig gemaakt hebben, en van
dezen dan ook passen en een begeleidend schrijven ontvangen hebben,
waarin de Heilige Vader, den Vorsten der Christenheid aanmaande,
deze lieden ongehinderd in hunne landen te laten rondtrekken, zoo
lang de hun door den hemel toegedachte jaren van pelgrimsschap en
boete duren zouden, _eene boete_, die hun opgelegd was geworden
als straf, dat hunne voorvaderen de heilige Maria en het kind Jezus
op hunne vlucht naar Egypte, meedoogenloos water en brood geweigerd
hadden.--Dit, zoomede de nieuwsgierigheid die zij overal opwekten, zal
den Zigeuners wel het voordeeligst geweest zijn, en hunne verbreiding
door de Christenheid bevorderd hebben.

Toen men deze "boete doende" pelgrims, over wie men aanvankelijk
alleen hoogelijk verwonderd was, wat nauwkeuriger in het gelaat en
in het hart zag, toen men hun roofzuchtigen aard, hun zedeloos en
ontoegankelijk, schuw karakter, hun hart dat geenen godsdienst bezat,
leerde kennen, toen begon men weldra hen anders te beoordeelen. "Niet,
_martelaars_ en _slachtoffers_ van den Koning der Mongolen," zeide men,
"waren zij, maar zijne dienaren en spionnen, die gekomen waren om de
landen van Europa op te nemen, om een nieuwen inval der Tataren voor
te bereiden." Veelvuldig verspreidde zich nu het denkbeeld, dat zij
"Kaïniten," kindskinderen van den broedermoorder Kaïn, waren; die
sedert de dagen der schepping, door den vloek van hunnen stamvader
getroffen, rusteloos en voortdurend op Aarde moesten rondwandelen. Men
noemde hen ook, "zonen van den Booze," terwijl men hunnen naam
"Gitanos" van het Arabische Sheitan (of Satan) afleidde. En eindelijk
gaf men hunnen naam "Zigeuners" of "Zigauners," ingekort tot "Gauner"
(dief), in Duitschland aan alle dief- en roofgespuis.

Op den korten gulden tijd der Zigeuners, waarin hun overal de wegen
geopend waren, volgde dien ten gevolge al spoedig een ijzeren, waarin
zij door verboden, straffen, onderdrukking, slavernij en plagen van
allerlei aard vervolgd werden, en dat tot in den nieuweren tijd geduurd
heeft. In Spanje trad reeds Koning Ferdinand, de vriend van Columbus,
tegen hen op, en beval het geheele Pyreneesche schiereiland van het
schadelijke gespuis te zuiveren. Maar ofschoon het dezen gekroonden
jurist werkelijk gelukte, millioenen nuttige Mahomedanen en Israëlieten
uit zijn rijk te verdrijven, zoo ontsnapten toch de _vlugge_ Zigeuners
aan zijne ruwe handen. Zij fladderden, als opgejaagde vleermuizen,
nu naar dezen, dan naar genen schuilhoek, en waren na eenigen tijd
in Spanje weder in even grooten getale aanwezig als te voren.--Ook
de machtige Keizer Karel V, vaardigde in al zijne Europeesche Staten,
verschrikkelijke decreten tegen de Zigeuners uit. Maar, ofschoon hij
groote legers der Franschen vernietigde en hunnen Koning gevangen nam,
was hij toch machteloos tegen de kleine troepjes der onverdelgbare
Zigeuners, die overal als hagedissen voor zijne jagers en gensd'armes
vluchtten naar afgelegene plaatsen, en langs omwegen weder uit deze
te voorschijn kwamen.

In Frankrijk gaf Koning Frans de eerste bevelen tot hunne verdrijving,
en op een rijksdag te Orleans werd aan alle overheden der stad bevolen,
de Zigeuners te vuur en te zwaard te vernietigen. Maar hunne verdelging
moest in Frankrijk even dikwijls als in Spanje bevolen worden, en was
even dikwijls zonder de minste uitwerking als daar en in andere landen.

Noch de verbannings-edicten der Koningen, noch de regelmatig van tijd
tot tijd herhaalde besluiten der Fransche en Engelsche parlementen,
noch de talrijke landdags-besluiten in Duitschland, noch ook de
Pauselijke banbullen, die de eerste aanbevelingsbrieven vervingen,
konden hen verslaan. Evenmin de harde verordeningen der Nederlandsche
overheden, die, om zich van de Zigeuners te ontdoen, bevalen, dat
ieder "heiden" (zoo noemde men ze hier)--die zich betrappen liet, na
gegeeseld te zijn, uit het land moest verdreven worden.--Ook niet het
nog hardere bevel der Zwitsersche republiek, waarbij ieder Zigeuner
die, nadat de verbannings-wet uitgesproken was, op Zwitserschen
bodem gevat werd, aan den _dood_ vervallen verklaard en aan den
scherprechter overgeleverd werd. Zelfs Sultan Bajazeth fronste te
vergeefs het voorhoofd, terwijl hij beval, dat deze zwarte kinderen
van Indië zijn grondgebied in _beide_ werelddeelen _onverwijld_
verlaten moesten. Zij spotten ook met dezen maatregel, dachten:
"_ubi bene ibi patria_" [8] en bleven tot op den huidigen dag talrijk
in Syrië, Klein-Azië en in Europeesch Turkije, als onkruid dat niet
vergaat. Ofschoon de minachting en de woede waarmede men de Zigeuners
vervolgde, in verscheidene landen van Europa zoover ging, dat men
als op wilde dieren jacht op hen maakte, zooals de Noord-Amerikanen
zulks tegenwoordig op de arme Californiërs doen, ofschoon men deze
ongelukkige menschenkinderen letterlijk met de wolven op ééne lijn
stelde, zoo _bleven_ zij toch overal en plantten zich voort, als de
vossen in de zandholen onzer heidevelden.

Daar men met gedurende eeuwen uitgeoefende strengheid en geweld, met
de zweep, met kerker en met galg, van de Zigeuners, wien toegevendheid
en achteloosheid overal toegang verschaft had, niet meer bevrijd kon
worden, besloot men eindelijk in nieuweren tijd in verscheidene landen,
ze te behouden en hen door goedheid, scholen en opvoeding te beschaven,
en zoo langzamerhand tot nuttige leden der maatschappij te maken.

Juist die harde vervolging, zoo begon men nu te redeneeren, had de
Zigeuners, zooals ook andere vervolgden, slechts nog weerspanniger
en brutaler gemaakt; zij hadden zich in dat vuur verhard. Juist die
drijfjachten waren voor hen de beste school voor allerlei streken
en knepen, waardoor zij zich aan de macht van den staat wisten
te onttrekken. Hun ingeboren haat tegen de Europeanen werd nog
heftiger, hun gehecht zijn aan en blijven bij hunnen eigen stam nog
eigenzinniger. Even als bij de Israëlieten, werd onder het lijden hunne
taaie nationaliteit nog taaier, de kloof tusschen hen en de Europeanen
nog dieper. In plaats van die kloof nog dieper te maken, begon men
er nu aan te denken, er een brug over te slaan. Koning Karel III van
Spanje, Maria Theresia, Jozef II, Katharina van Rusland, en andere
Vorsten van de "eeuw der humaniteit," vaardigden bijna gelijktijdig
zeer wijdloopige, welwillende en grootmoedige verordeningen uit
ter kolonisatie, verandering en gelukkigmaking der Zigeuners in
hunne rijken. In al die Staten werden hun landerijen aangewezen,
vaste huizen, dorpen en scholen voor hen gebouwd. Dergelijke
verordeningen werden tot op den jongsten tijd ook in vele andere
landen uitgevaardigd, meermalen hernieuwd en nu op deze dan op gene
manier gewijzigd.

In Nederland en Groot-Brittanje trokken de zendeling- en
bijbelgenootschappen zich de zaak aan, en in Engelsche steden (b.v. in
Southampton) vormden zich "comités voor de verbetering van den toestand
der Zigeuners." Men stichtte in Engeland een opvoedings-gesticht voor
Zigeuners. Hetzelfde deed men ook te Friedrichslohr bij Nordhausen
in Pruissen. Hier en daar traden ook eenige particulieren, die
het lot der Zigeuners bijzonder ter harte namen, hunne behoeften
en hun karakter bestudeerden, en aan het publiek voorstellen ter
hervorming deden, als apostelen op. Ofschoon het wel geen twijfel
lijdt, of deze in den nieuweren tijd ingeslagen weg ter bedwinging
van het bij ons ingenestelde Zigeuner-element, is niet alleen de meest
Christelijke, maar ook de eenige die eenig uitzicht op goede resultaten
geeft,--want alle stemmen zijn het daarover eens, dat vervolging de
Zigeuners doet blijven bestaan, dat verdraagzaamheid hen over het
algemeen verzwakt--zoo moet men aan de andere zijde ook erkennen,
dat _tot nu toe_ aan die vreemde en tegenstribbelende menschen,
_ook zachtheid_ bijna altijd te vergeefs beproefd, en ook goedheid
bijna altijd zonder het minste gevolg aan hen verspild werd. Onze
pogingen om hen te verbeteren dateeren eerst uit de laatste eeuw,
hunne barbaarschheid echter wortelt in den oorspronkelijken bodem
van voor-historische tijden.

De geschenken van landerijen, die hun in Spanje, Oostenrijk en Rusland
gedaan werden, wisten zij niet naar waarde te schatten, en slechts
weinigen van hen namen eene meer kalme en landbouwende levenswijze
aan. In stede van de woonhuizen, die Katharina in Rusland voor hen liet
bouwen, te gebruiken, leefden zij liever, als zij nu toch eens in het
dorp blijven _moesten_, in hunne eigene tenten die zij in de tuinen
of op de erven der boerenhuizen oprichtten. De kinderen der Zigeuners
in Oostenrijk, die Jozef de weldaden van het onderwijs wilde doen
genieten, moesten zijne beambten, als Alpenjagers de gemzen, opvangen
en dikwijls met touwen gebonden naar den schoolmeester brengen. Hunne
moeders, die men te vergeefs de goede bedoelingen trachtte begrijpelijk
te maken, liepen schreeuwende mede, als wilde men hunne kleinen ter
slachtbank voeren, en noemden den goedhartigen Keizer een tweede
Herodes. Anderen zagen in deze pogingen om beschaving onder hen te
verspreiden, den ondergang van hun volk, gaven hunne have en goed weg,
en doodden soms zelfs, om den school- en woondwang te ontkomen, zich
zelven, even als Cato, die den ondergang van zijn volk niet overleven
wilde. Niet veel meer succes hebben de menschenvrienden in andere
landen gehad, noch in Pruissen, waar de school in Friedrichslohr
in 1837 weder verliep, noch in het zoo dicht bevolkte Engeland,
dat zoo weinig plaats voor het wilde Zigeuner-leven schijnt aan te
bieden. Hier werden de zoogenaamde verchristelijkte en hervormde
Zigeuners, die de genoemde zoo werkzame maatschappij in Southampton
in verscheidene burgerlijke betrekkingen bij Christenen gebracht had,
nog ongelukkiger dan die hunner kameraden, die in een toestand van
onbeteugelde vrijheid gebleven waren. Eenige Engelsche wijsgeeren
hebben daarom het Zigeuner-ras met het ei van een koekkoek vergeleken,
waarover zelfs een broedende paradijsvogel te vergeefs hare vleugels
uitbreiden zou.

Zelfs de zorgvuldigste en liefderijkste privaat-opvoeding, heeft
dikwijls den wilden zin bij de Zigeuners niet meester kunnen worden,
zelfs als men begon hun reeds in hunne vroegste jeugd goede zeden in
te prenten. Daarvan worden vele merkwaardige voorbeelden verhaald,
zoo b.v. het volgende:

Een klein Zigeuner-meisje, dat in het beroemde door Willem den
Veroveraar bij Southampton aangelegde woud, tot aan haar tiende jaar
met de haren rondgetrokken had, beviel eene voorname en kinderlooze
dame in zoo hooge mate, dat deze zich over de kleine wees ontfermde,
haar onderwijs liet geven en haar eindelijk geheel bij zich in huis nam
en als hare dochter hield. Charlotte Stanley--zoo heette de kleine,
lieftallige wilde--werd als eene voorname Engelsche dame opgevoed en
groeide tot eene schoone, talentvolle en goed onderrichte jonkvrouw
op.--Een rijk jonge heer, een zeer beminnelijk bloedverwant harer
pleegmoeder, vatte liefde voor haar op en was voornemens haar te
trouwen. Hoe meer dit plan echter zijne uitvoering naderde, des te
stiller en melancholischer werd de schoone Hindostansche bruid, en
op een goeden dag was zij, tot niet geringe ontsteltenis der geheele
familie, verdwenen. Dien zelfden dag hadden zich Zigeuners in de
nabijheid van het slot opgehouden. Men ging hen na en vond de gezochte,
de door allen beminde Charlotte, midden onder de kinderen des wouds,
aan den arm van een langen, zwartharigen man, het hoofd der bende. Zij
verklaarde, dat zij zijne vrouw geworden was en dat niemand het recht
had haar van hem af te scheuren. Hare goedhartige pleegmoeder en haar
voorname bruidegom waren daarover ontroostbaar. Later kwam Charlotte,
in hare geheel veranderde kleeding, nog eens een vertrouwelijk bezoek
bij hen op het slot maken, en toen vertelde zij: hoe het haar in de
kamers van het kasteel langzamerhand te benauwd was geworden, hoe een
onweerstaanbare trek naar haar vrij, omzwervend leven zich hoe langer
hoe meer bij haar deed gevoelen, naar mate het oogenblik naderde,
dat haar voor altijd aan die hooge muren zou vastkluisteren.--De man,
dien zij onder hare halfwilde landgenooten voor zich uitgekozen had,
moet een der losbandigste knapen geweest zijn, en zijne teedere en
verwende echtgenoote op brutale wijze behandeld hebben. Zij echter
beantwoordde zijne mishandelingen met toewijdende liefde, die hij
als de schatting eener slavin ontving. Zij bleef hem echter trouw
bij al de lotwisselingen van zijn stormachtig leven, dat hem nu eens
naar de gevangenissen van Londen, dan voor de crimineele rechtbank
van Schotland voerde.--Zij gevoelde geen verlangen naar haar vroeger
luxueus leven en naar het paleis harer pleegmoeder. Daar bleef niets
van haar over, dan haar steeds met een sluier behangen portret,
waarnaar haar verlaten Engelsche vriend dikwijls treurend en zuchtend
opkeek, en dat daar ook eens voor mij onthuld werd, om de heerlijke
trekken dezer capricieuse schoonheid te bewonderen.

Vele dergelijke verhalen en schilderingen van eene dergelijke, aan alle
verandering weerstand biedende, en steeds tot haren oorspronkelijken
vorm terugspringende natuur, treft men ook in andere landstreken aan,
en het is daarom begrijpelijk, dat na zoovele pogingen tot gewelddadige
verdrijving of tot langzame beschaving, wij nog heden ten dage de
Zigeuners weinig veranderd vinden, in alle landen die zij reeds voor
400 jaren als pelgrims uit het Oosten binnentrokken en waarin zij
zich genesteld hebben.--In de beneden-Donau-landen, waar zij zich
bij voorkeur ophouden, heeft men hun aantal op meer dan 300.000
geschat; in Zevenbergen alleen op 75.000, in Moldavië en Walachije
op 150.000. De heer Borrow, de beroemde beschrijver en waarnemer der
Spaansche Gitanos, rekent hun aantal aldaar op 20.000. De heer Grapp,
de vriend der Engelsche Gipsies, gelooft dat op de Britsche eilanden
hun aantal 18.000 bedraagt. Waarschijnlijk zullen zich evenveel in
Duitschland en Frankrijk ophouden. In Europeesch Turkije en Rusland
is hun aantal ongetwijfeld aanzienlijk grooter. Bedenkt men, dat ook
in Italië, waar zij in het Patrimonium Petri [9] het talrijkst zijn,
en dat ook in Zwitserland, Nederland, Denemarken en Zweden, zelfs in
Finland nog overal eenige Zigeuner-geslachten aangetroffen worden,
dan mag men wel aannemen, dat het gezamenlijk getal Zigeuners in
geheel Europa wel bijna een half millioen bedraagt. Grooter schat men
ook niet het aantal van alle in Noord-Amerika woonachtige Indianen,
en daardoor wordt aangetoond, dat ons oud, beschaafd werelddeel nog
altijd een bijna even sterk element van nog niet aan de beschaving
onderworpen nationaliteiten in zich omdraagt, als dat groote gedeelte
der nieuwe wereld, zelfs als wij daarbij niet eens de Lappen, de
Samojeden en welke heiden- en jagerstammen nog meer op onzen bodem
mogen rondkruisen, in rekening brengen.

In genoemde Donau-landen, waarover zij, uit het Oosten komende, zich
het eerst verspreidden en waar men hen nooit met strenge wetten
geplaagd heeft, hebben de Zigeuners zich ook het aanzienlijkst
vermeerderd en hunne diepste wortelen geschoten. Zij hebben de
politieke instellingen en den aard dezer landen en hunner gastvrije
volken, zoo overeenkomstig hunne eigene neigingen gevonden, dat
deze om zoo te zeggen een nieuw vaderland, een beloofd land voor
hen geworden zijn, even als de Poolsche provinciën zulks voor
de Israëlieten werden. De genealogie van vele Zigeuners in de
meer Westelijke landen, wijst naar die Donau-landschappen, als de
bakermat van hunnen Europeeschen oorsprong, heen. En wij zien daarin
in zekere mate eene naäping of een naklank van die geruchtmakende en
oorlogzuchtige ondernemingen der Hunnen, Magyaren en van andere uit
dezelfde middelpunten naar dezelfde streken trekkende volken.

In die landen zijn zij zoo zeer met het leven der inheemsche volken
samengeweven en saamgegroeid, dat zij er een niet onwezenlijk deel van
uitmaken. Verscheidene broodwinningen worden daar bij voorkeur door
Zigeuners beoefend, en verscheidene takken van industrie zijn geheel
in hunne handen. In Moldavië b.v. zijn zij in de huizen der grooten
de huisslaven, de kamerdienaars en lakeien; zooals ook de Bojaren
meestal aan de borst en met de moedermelk der Zigeuner-vrouwen groot
gebracht worden, want deze zijn de gewone minnen bij de voornamen.

Verscheidene onaangename rollen in het drama van het burgerlijke
leven, hebben daar de Zigeuners op zich genomen. Zoo waren zij
b.v. van oudsher in Hongarije scherprechters en beulsknechten, en als
zoodanig muntten zij in de sombere dagen der martelingen van de arme
aangeklaagden, door hunne, vindingrijke wreedheid uit. Ook wordt daar
verder al het moeielijke en onaangename, wat niemand anders gaarne ten
uitvoer wil brengen, aan een Zigeuner opgedragen, die gewoonlijk, als
hem slechts eene geringe winst wacht, door vuur en water zou loopen.

Eene zeer moeielijke en weinig winstgevende taak valt hun in
Zevenburgen en Hongarije ook algemeen ten deel, namelijk het
asschepoesters-werk, de glimmende stofjes edel metaal, uit de goud
bevattende rivieren en beken van die landstreken, te zoeken. Men ziet
hen in de Donau-landen, vooral in den ergsten tijd van het jaar, in
het begin der lente, wanneer de sneeuw smelt en de regen bij stroomen
nedervalt, wanneer de bodem door de wilde elementen doorploegd en nieuw
goudzand opgewoeld wordt, langs de oevers der rivieren rondtrekken,
hunne tenten opslaan, en nu hier dan daar beproeven, of niet iets van
het blinkende stof in hunne schaapsvellen, die hun tot zeven dienen,
hangen blijven wil.

Het verlangen naar een stuk gouden treswerk, dat zij aan hun hoed
hangen, naar een briljanten ring voor hunne vingers en ooren, naar
het een of ander zilveren of vergulden voorwerp, dat zij honderd malen
onder hun haardvuur begraven, bij het verwisselen van legerplaats weder
voor den dag halen, in hunne lompen verborgen met zich omdragen, en
dat zoo van overgrootvaders tijden op hunne kinderen overgaat,--deze
den Zigeuners aangeborene blijdschap over alles wat maar schittert,
wat zij even als de eksters in hunne nesten bijeenbrengen, is zeker er
de oorzaak van geweest, dat zij, zooals gezegd is, ook de goudzoekers
en goudwasschers van die streken geworden zijn.

Wonderlijk is het, dat ook het edelste aller metalen, op welks
bearbeiding onze ontwikkeling in zoo hooge mate berust, het ijzer,
algemeen in de handen van dit onontwikkelde volk gekomen is. "Zoo veel
smeden, zoo veel Zigeuners," zegt een Hongaarsch spreekwoord. Ditzelfde
spreekwoord is ook in Zuidelijk Rusland, in geheel Europeesch Turkije,
zoomede in Azië en Egypte in zwang. Waarschijnlijk werd den Zigeuners
deze kunst en die last reeds te beoefenen en te dragen gegeven in
Indië, waar, zooals ik reeds aanmerkte, ook rondtrekkende en verachte
Sudra's ze reeds van oudsher uitoefenden, daar toch in andere landen,
b.v. bij eenige volken van Afrika, de ijzersmid de werkzaamste persoon
en de eerste na den Koning is.

In al die landen vindt men in de voorsteden der groote en
kleine plaatsen, de talrijke kleine vuurhaarden der dubbel zwarte
Zigeuner-smeden. Als aanbeeld sleepen zij een steen aan, tot blaasbalg
gebruiken zij een geitenvel, als brandstof dikwijls niets anders dan
gedroogden mest. Naast den steen graven zij een diep gat in den grond,
om er hunne beenen in te steken, ten einde het werk zoo gemakkelijk
mogelijk te verrichten. De moeder met de tabakspijp in den mond,
brengt den blaasbalg in beweging, de vuile knapen reiken den vader
het armzalige gereedschap toe, en daar naast ligt, om het beeld te
voltooien, een magere, levenszatte hond met stoïcynsche gelatenheid
in het gras. En zoo zittende en onophoudelijk door rookende, smeedt de
meester dagen lang uit den kuil weg, terwijl hij dikwijls zijn weinig
geregeld werk afbreekt, nu eens uit zijn kuil springt, om zich zoo
lang hij is in het gras uit te strekken, dan weder er in springt en
tusschen de bedrijven door, nog dit en dat op hunne ongedurige wijze
afdoet en in orde brengt. Zij moeten overigens menigen moeielijken
kunstgreep van hun handwerk verstaan, b.v. betere en hardere zeissen
kunnen vervaardigen dan andere smeden. Een Zigeuner, die zich eene
oude, verdraaide tang, eene vijl, een hamer verschaft en een goed
steenblok voor aanbeeld gevonden heeft, kan trouwen en zich als
huisvader vestigen.

Er zijn nog vele andere kleine bezigheden, die den zich aan zijne
kudden, akkers en wijnbergen wijdenden Magyaar, Walachyer of Turk
te nietig schijnen, en die dien ten gevolge den, naar het schijnt
in alles wat gering is lust hebbenden, Zigeuner ten deel vallen. De
bezembinders, zeefmakers, ketellappers, zwamsnijders, mandenmakers,
vervaardigers van houten lepels in die landen, zijn bijna altijd
Zigeuners; zooals zij ook altijd rondtrekken met apen, beren en andere
dieren, om die te laten kijken en wier dans zij met gezang begeleiden.

Vooral echter is de muziek van een groot gedeelte van Oostelijk Europa
in de handen der Zigeuners. Zij hebben een in het oog vallenden
aanleg en hartstocht voor deze schoone kunst. Bij de Turken,
even als bij de Tataren, bij de Walachyers en Hongaren, zijn zij de
nationale-muzikanten. Even als naar de godsdiensten dezer verschillende
volken, weten zij zich ook bijzonder goed te schikken naar den
nationalen smaak wat muziek betreft, luisteren hunne lievelingswijzen
af en reproduceeren deze, terwijl zij er iets van hun eigen smaak
bijvoegen, op eene allezins bevredigende wijze. De hof-kapellen der
Tataren-clans _waren_, en die der Moldavisch-Walachysche Vorsten
bestaan nog heden ten dage, uit Zigeuner talenten. Krassende violen
met cymbalen en trommels, door half naakte, harige gezellen bespeeld,
geblazen en geslagen, vallen den reizigers nog heden ten dage in de
schoone dalen der Krim, even als in die der Karpathen, bij iederen
voetstap als het ware op het lijf, en vorderen schatting in naam
der Muzen. In Hongarije heeft ieder dorp, ieder comitaat een orkest
van Zigeuners, waarop het zich beroemt. Hun hoofd-instrument is de
violine, en hierop hebben zij in Hongarije, waar hunne talenten het
meest gewaardeerd werden, vele zeer bewonderde virtuozen voortgebracht.

De Magyaar is met de muziek zijner Zigeuners niet weinig ingenomen. Zij
vroolijkt bij hem den dans op, en brengt de treurende patriotten tot
tranen. Zelfs de beroemde Hongaarsche volks-hymne, de Rakoczy-marsch,
kan alleen door Zigeuners zoo gespeeld worden, dat zij een Hongaar
electriseert. Even als onze voorvaderen door hunne barden, zoo zijn
de Hongaren bij hunne nationale-oorlogen bijna altijd door blazende
en vioolspelende Zigeuners vergezeld geworden. Den componist van
het zooevengenoemde muziekstuk kent men niet, evenmin als men de
geschiedenis van bijna geen der fraaie Zigeunerstukken op authentieke
wijze kan aantoonen. "Zij ontstaan onder het volk, men weet niet hoe,
worden als toonen uit de geestenwereld beluisterd, worden als eene
goede vondst beschouwd, ruischen over de velden als de toonen eener
Eolus-harp, steeds sterker en sterker klinkende, worden ten laatste
door iedereen met verrukking vernomen, en zetten zich eindelijk in
alle hoeken des lands en in de ooren en harten van het volk vast."

De Zigeuner-virtuozen zijn dikwijls ook de componisten der door
hen voorgedragen stukken. En ofschoon zij niet bekend zijn met de
theorie der muziek, ter nauwernood de noten kennen, ook nooit iets
nederschreven, en ofschoon zij hunne geheele kunst als bij inspiratie
leeren kennen, zoo worden zij toch af en toe niet zelden door de
geleerdste musici en muziekkenners bezocht, die vol bewondering en ten
zeerste bevredigd naar de voortbrengselen hunner scheppende phantasie
luisteren. In de opvatting der compositiën van anderen, toonen zij
een bijzonder sterk muzikaal geheugen te bezitten. Zij zijn in staat
eene sonate van Mozart, eene symphonie van Beethoven die zij eenmaal
hoorden, van het begin tot het einde te onthouden en na te spelen. De
heer Kogaleitschan, de Walachysche geschiedschrijver der Zigeuners,
verhaalt, dat hij eens in den Franschen schouwburg te Jassy een dezer,
geene opleiding ontvangen hebbende musici gadesloeg, hoe hij op zijne
violine zacht en langzaam de ouverture en andere gedeelten der opera
"la dame blanche" volgde, en hoe hij, toen het stuk afgespeeld was,
naar buiten ging en de geheele muziek aan zijne vrienden, in de kroegen
der stad, met meer gevoel en volharding voordroeg, dan de violisten in
het orkest, die hij afgeluisterd had, gedaan hadden. Gevierde geboren
kunstenaars van dit soort, worden in de Hongaarsche annalen reeds voor
300 jaren genoemd. In de vorige eeuw was een dezer natuurkunstenaars
hof-musicus van den Kardinaal Czaky, de Zigeuner Michaël Barnu, die
in een door dezen prelaat in het leven geroepen Wartburgs-kampstrijd,
onder twaalf der eerste violisten van het rijk den prijs won, en
wiens melodiën, door de kenners op papier gebracht, nu nog in het
land in zwang zijn,--zoo ook de even zeer geprezene violinpeelster
Czinka Panna, die gedurende haar leven door de Hongaarsche Magnaten,
dikwijls op 30 à 40 mijlen afstands, geroepen en met gejuich binnen
hunne sloten gevoerd en met goud en kostbaarheden begiftigd werd. Een
Hongaarsch bisschop zette op haar grafsteen als opschrift: "De Orpheus
der Magyaren," terwijl men tevens ontelbare Latijnsche en Magyaarsche
verzen in het graf schudde. Maar de beroemdste Coryphee dezer halfwilde
Muzen-zonen was Johan Bihary, een der musici van het Weener Congres
en van het Oostenrijksche Keizerlijke hof, dien Keizer Frans in den
adelstand wilde verheffen, maar die echter, origineel genoeg, deze
genade slechts wilde aannemen onder voorwaarde, dat zijne geheele
bende en zijne verwanten in dit voorrecht zouden deelen. Ook in de
tegenwoordige dagen, ofschoon de bloeitijd der Zigeuner-muziek voorbij
schijnt te zijn, ontbreekt het niet aan zulke in het oog vallende
talenten, die in Pesth en ook in Weenen gezocht en bewonderd worden.

Ofschoon de muzikale composities der Zigeuners zoo eigendommelijk
van aard en kleur zijn, dat men er slechts twee maten van behoeft
te hooren, om ze dadelijk als zoodanige te herkennen, zoo laat zij
zich toch niet gemakkelijk in woorden kenschetsen. Zij zijn even
moeielijk na te teekenen, als de phantastische dessins der Brabantsche
kanten. Men meent er het evenbeeld van het wonderlijke volk, dat ze
vervaardigde, zich in te zien afspiegelen. De maat en de melodie dezer
muziek wisselen even dikwijls af, als de luimen van den beweeglijken
Zigeuner. Zij maakt sprongen en beweegt zich zigzags-gewijze als
eene elektrieke vonk. Zij is arabeske-achtig vol van teneenenmale
onverwachte wendingen en afwisselende tempo's. Zij murmelt en stoeit
als de beek des wouds, aan welker oevers de Zigeuners hunne hutten
opslaan; zij huilt, loeit en piept, als stormen op de heidevelden en
püsten, waar zij zich in aardholen verbergen. Zij bedriegt, boezemt u
belangstelling in en verrast u door hare schoonheden, zooals gij niet
zelden door den aanblik van een schoon Zigeunermeisje verrast wordt,
door wier wild kapsel en armoedige lompen de schoonste lichaamsvorm,
de liefelijkste gestalte en twee vurige oogen u tegenblinken. Zij
kermt en klaagt, als ware zij ten prooi aan de grootste vertwijfeling,
en dadelijk daarop juicht en jubelt zij, even als de zoo veranderlijk
van aard zijnde Zigeuner-kinderen, die altijd klaar staan om te huilen
en te lachen, en door zeer heftige, maar tevens zeer kort van duur
zijnde hartstochten, beheerscht worden. Als in geestdrift ontstokene
Korybanten, razen de zwartgelokte musici op hunne violen en cimbalen:


    En rondom in wijde kringen
    Hoort het moedig volk ons aan.
    Laat de vedels wilder zingen!
    Wilt de bekkens harder slaan!
    Woester en niet zachtkens meer
    Klinkt der instrumenten strijd;
    D'oude krijgszang ruischt ook weer,
    Die te voren met veel macht
    Flinke knapen en ook grijsaards
    Tegen Turken samenbracht.


In Engeland komen, even als in Hongarije, dikwijls muzikale talenten
onder de Zigeuners voor. En in Rusland gaf de groote Catalini eens
aan eene Zigeuner kunstenares, die zij beluisterd had, een shawl,
die, zooals zij zeide, door den Paus voor de "grootste zangeres van
dien tijd" bestemd was geweest.

De dans, die met de muziek hand aan hand gaat, is eveneens geen
_kunst_ onder de Zigeuners, maar een hun aangeboren talent. Hunne
lenige en van der jeugd af geoefende ledematen, die zij van hunne
Hindostansche voorvaderen erfden, maakt hen bijzonder geschikt voor
alle gymnastische oefeningen. Hunne dansen zijn aan den Donau, even
als in Spanje en Rusland, beroemd. Zij zijn levendig en gracieus en
daarbij bijna overal van dezelfde soort. Wat de Russen de "Ziganka"
noemen, is bijna hetzelfde, wat bij de Spanjaarden de "Gitana" genoemd
wordt, en die dansen zijn in de Russische steppe even gezocht als op
het Spaansche tooneel.

Ook als dichters en sprookjes-vertellers komen de Zigeuners niet
zelden voor. In Walachye zijn zij de voornaamste beoefenaars dier
kunst, en zij dragen daar hunne verzen, die even als hunne muzikale
voortbrengselen meestal geheel geïmproviseerd zijn, even als de
Seguidillas-zangers in Estramadura, begeleid met muziek en zang voor.

In de poëtische vertellingen ontwikkelen zij, naar de staaltjes die ons
laatstelijk daarvan geworden zijn, eene groote mate van gemakkelijkheid
en verbeeldingskracht. Zelfs de heilige sagen en christelijke legenden
van de wandeling op Aarde van den Heiland, en van de wonderen en
reizen der apostelen, verhalen zij somwijlen met hunne eigenaardige
bonte kleuren, op zoo bespottelijke en phantastische wijze, dat zij
in originaliteit, verrassende avontuurlijkheid en fee-achtigheid,
voor de sprookjes uit den duizend-en-één nacht volstrekt niet behoeven
onder te doen.

Men moet de Zigeuners, niettegenstaande hun tegenzin in onderwijs
en school, een zeer bekwaam en talentvol volk noemen. Bijzonder
geborneerde wezens, domme menschen en kretins, treft men zelden
onder hen aan. De fijne list en de slimheid, waarmede zij zich alle
moeilijke plannen--dikwijls ook die voor diefstal en bedrog--weten
gemakkelijk te maken, is door velen, die in de gelegenheid waren hier
nauwkeuriger mede in kennis te komen, bewonderd geworden. En toch
gaat het hun met zooveel gunstigen aanleg, als met andere begaafde
maar wankelmoedige--schandere maar lichtzinnige--poëtische maar
zinnelijke karakters--, zij komen niet zoover in de wereld als zij,
die met geringere talenten eene grootere volharding, soliden ernst
en hoogeren zedelijken zin verbinden.--Hunne onbestemdheid laat geene
moeielijke onderneming bij hen tot rijpheid komen. Men moet zich over
hunne wankelmoedigheid, over hunne onbedachtzaamheid verwonderen. Zij
leven, als bestond er geen verleden en geene toekomst. Zij schijnen
altijd slechts met den wensch, die juist in het tegenwoordige
oogenblik hun gemoed in beweging brengt, vervuld. Hunne stormachtige
en teugellooze wijze van zijn, herinnert dikwijls aan de manieren
der apen. Het geschenk, dat zij van u met heftigheid, smeekende en
biddende, op hunne knieën begeeren, pakken zij, als gij het hun geeft,
weg als roofvogels hunnen buit, en vervolgens als er niets meer te
verwachten valt, gaan zij verder, de aalmoezen doorbrengende en den
gever ondankbaar vergetende.

Slechts op één punt vindt men hen bijna altijd voorzichtig, bedachtzaam
en spaarzaam. Namelijk met betrekking tot hunne kleeding, waarop
zij zooals reeds opgemerkt is, zeer gesteld zijn. Men ziet hen
daarom bij hun werk meermalen met een naakt bovenlichaam, terwijl
zij hunne kleeding zorgvuldig op zij leggen. Ja! als twee Zigeuners
ernstig met elkander in strijd geraken, zoodat die met de vuist moet
beslecht worden, dan zullen zij toch nooit vergeten, voor het begin
der vijandelijkheden een wapenstilstand van eenige minuten te sluiten,
om te voren hunnen gegaloneerden rok en met treswerk voorzienen hoed
in zekerheid te brengen.

Daar zij geen wrok blijven behouden en voorzichtigheid hun in groote
mate ontbreekt, zoo kennen zij verder kommer noch zorg. Even als de
vogels leven zij bij den dag, zich niet bekommerende over het "vanwaar"
en "waarheen"; over het gisteren en morgen, zijn zij altijd vroolijk,
luimig, lichtzinnig, buitengewoon praatachtig en snoevend. Ofschoon
schijnbaar de meest behoeftigen en de meest geplaagden onder de
levenden, zijn zij toch altijd op de meest benijdenswaardige wijze
vergenoegd, en altijd tevreden met hun lot. In de Hongaarsche,
Slavische en Walachysche gedeelten van het Oostenrijksche leger, is
zeer dikwijls de potsemaker van het regiment een Zigeuner, die zijne
kameraden met zijne onuitputtelijke grappen opvroolijkt. Ook in de
sagen en sprookjes der Zevenburgers, valt den Zigeuners gewoonlijk
de rol van "Hans Lustig" ten deel, en zij zouden ieder Christen,
die te vergeefs tracht het gebod "zorg niet voor den dag van morgen"
na te leven, tot voorbeeld dienen.

Evenmin als hunnen geestelijken zin lijdt aan droefgeestigheid of
ontevredenheid, zoo ook zijn zij lichamelijk minder onderhevig aan
ziekten en ongesteldheden, dan men naarmate van hun lichamelijk lijden
en van de ontberingen, waarmede zij van hunne geboorte af tot aan den
dood rijkelijk bedeeld zijn, zou verwachten. De harde, dikwijls ter
nauwernood met gras of hooi bedekte schoot der moederaarde, is het bed
waarop zij geboren worden. Kinderwiegen, die zelfs de Indianen van
Amerika even zorgvuldig weten te vervaardigen als de zwaluwen hunne
nesten, zijn voor de Zigeuners onbekende meubels. Zoo lang zij op
eigen voeten niet kunnen staan, kruipen zij op den rug hunner moeder,
even als de jonge beren op den rug der beerin, en van hunne geboorte
af zijn zij even als dezen aan alle weer en wind blootgesteld. Zonder
mantel of omkleedsel groeien zij tot jonge meisjes en jonge, mannen op,
en verkrijgen ook dan slechts het allernoodzakelijkste. In onmatig
eten hebben zij het, even als andere natuurkinderen, tot eene soort
van virtuositeit gebracht. En hoe gemakkelijk zij te voldoen zijn op
het punt van kleeding, blijkt uit het volgende voorval, dat door een
reiziger verhaald wordt. Een kleine, naakte Zigeunerknaap schreeuwde,
in het hartje van den winter, van de koude. "Daar, neem dat!" riep
zijne moeder hem toe, terwijl zij hem een eind touw over den schouder
wierp. "Bind het je om het lijf. Hul er je in zoo goed je kunt. Warm
je er mee en troost je."

De armoedige leem- en stroo-hutten, waarin zij in de afgelegenste
wijken der Hongaarsche en Walachysche steden wonen, de holen, die
zij in de Krim en ook in de Zevenburgsche Alpen bewonen, zijn de
armoedigste en onhuiselijkste menschelijke woningen, die men zich
denken kan, en de zoogenaamde tenten, waarin zij, in de voorsteden
van Kiew en Odessa, bij Bucharest of Szegedin, de stormen en de
regenstroomen trotseeren, en die zij, nu eens hier dan eens daar,
in de slooten of onder beschutting der ruïne van den een of anderen
muur, opgeslagen hebben, zijn niets anders dan een oude en van gaten
doorzichtige lap zeildoek, die over een doornstruik gehangen is en met
de vier hoeken (bovendien nog zeer onoplettend en los) aan waggelende
stokken gebonden is.--Deze woningen, met welke vergeleken de tent
van den Baschkir, zelfs de Wigwam van den Indiaan een kunstig gebouw
is, moesten, naar men gelooven zou, de broeinesten van ontelbare
kwalen en gebreken, de zetels van rheumatiek, jicht, catharale en
andere kwalen zijn. De waarheid echter is, dat de Zigeuners zelden
last hebben van deze en andere kwalen, en dat zij tot het gezondste
slag menschen behooren, dat men op de wereld aantreft. Zij hebben
geene volksziekten. Uit de spichtige, dun gebeende, dik gebuikte,
dikwijls half verhongerde, altijd kou lijdende, zelden gewasschene,
nooit gekamde kleine Zigeuner-kinderen, groeien gezonde, sterke en
welgemaakte mannen en vrouwen. "Hun geheele leven door, lijden zij
schier nooit aan eene aanstekelijke ziekte, tot de natuur het hare
terugvraagt en de machine in den ouderdom plotseling stil staat." Men
beweert zelfs, dat de giftige adem der pest en van andere besmettelijke
ziekten, in de Zigeuner-koloniën dikwijls zonder de minste uitwerking
wegsterft.

Gebrekkigen, krommen of dwergen komen bij hen zelden voor. Veel
meer daarentegen ziet men onder hen, die toch zoo weinig werk van
lichamelijke schoonheid maken, de fraaiste vrouwengestalten, met
de slankste taille en den sierlijksten lichaamsbouw, ware modellen
voor eene Preciosa of Esmeralda,--meisjes, die haar leven lang
door alle mogelijke guurheid en veranderlijkheid van weer en wind
mishandeld werden, en die een dichter wel met eene in den tuin
opgekweekte hyacinthe--in snit en glans met de oogen der Indische
Princes Damajantie zou kunnen vergelijken--die nooit anders dan
grof werk verrichten, en die toch het water en het voeder voor
de paarden van haren vader en andere lasten met een natuurlijke
bevalligheid dragen, als deden zij het op het tooneel op de maat der
muziek, zooals de geoefende koorzangsters in de opera "la Muette de
Portici." Zoo vond ik het ten minste niet zelden in de Krim en in
de Donau-Vorstendommen. Zelfs wanneer zij in den ouderdom, die bij
haar reeds vroeg invalt, leelijk worden, dan heeft die leelijkheid
altijd nog een zekeren stijl. "Het voorkomen van oude Zigeuner-vrouwen
is somwijlen afschrikwekkend, heksachtig, hoogst phantastisch, maar
bijna nooit gemeen."--Worden die jeugdige Zigeuner-schoonheden, zooals
zulks in Rusland, b.v. in Moskou, somwijlen geschiedt, door voorname
en rijke vrijers op de steppe ontdekt, als echtgenooten aan haar
nomaden-leven onttrokken en in de hoogere kringen der maatschappij
verplaatst, dan leeren zij, zoo zij niet als die Charlotte Stanley
hunnen minnaar ontloopen, zich ook daar spoedig te huis gevoelen, en
ontwikkelen zij, nu zij geen water meer behoeven te dragen, de haar
aangeborene lieftalligheid in den beschaafderen gezelligen omgang
der hoogere standen.

Dat eenerzijds in Turkije en anderzijds ook in Duitschland,
de Zigeuners op die in de Donau-provinciën gelijken, alsof zij
tweelingbroeders waren, is gemakkelijk te begrijpen uit de nabijheid
dezer landen, die, zooals reeds gezegd is, dikwijls onderling van
bewoners en koloniën verwisselen.--Merkwaardiger echter is het, dat zij
ook in zulke afgelegene eilanden en schier-eilanden, zoo als b.v. in
Skandinavië, Jutland, Schotland en Spanje, hunne eigendommelijkheid
zoo zeer bewaard hebben.--De Zweden brachten in den dertigjarigen
oorlog met hunne legers een geheel korps Zigeuners mede, en de Denen
hadden, bij de belegering van Hamburg, niet minder dan drie kompagniën
Zigeuners, waarvan zij gebruik maakten op dezelfde wijze als de
Russen van hunne Baschkiren en Kozakken, namelijk tot het doen van
strooptochten, tot spionnendienst, tot het doen van fourageeringen,
tot het uitplunderen en verwoesten der vijandelijke landen.

Volgens de mededeelingen van een Deensch schrijver, trekt nog heden
ten dage, op de onbebouwde heidevelden van Jutland een landloopersvolk
rond, dat door de Jutsche boeren de "Natmänds" genoemd wordt, en
waarin moeielijk iemand echte Zigeuners miskennen kan.--Alle pogingen,
om deze half wilde Jutsche "Natmänds" tot een ordelijk, kalm leven
te brengen, zijn tot nu toe mislukt. Zij hebben donkere gezichten en
scherpe trekken, die hoegenaamd geene gelijkenis hebben met die der
Jutsche boeren. Familiesgewijze trekken zij bij troepjes van plaats
tot plaats rond. Zij verstaan allerlei kleine handwerken, het slijpen
van messen, het ketellappen, het ruiten inzetten, en hunne vrouwen
het voorspellen en door tooverij aan den dag brengen van gestolen
voorwerpen. Stelen en bedelen is hun voornaamste handwerk. Ook nemen
zij menige verrichting op zich, die de Jut beneden zich acht. Deze
beschouwt hen in even hooge mate voor onrein, als de Bramien de
Hindostansche paria's.--"Een apart vaatwerk, nap of bak, die buiten
hem alleen nog door den hofhond gebezigd wordt, is goed genoeg voor
den armen 'Natmänd' die den Jutschen boer op zijne hoeve opzoekt, en de
Jut zou liever honger lijden dan gebruik te maken van eene schaal, die
door een Natmänd gebruikt is." Zij bezigen eene taal, die in Jutland
"potjes-latijn" genoemd wordt, dat misschien echter niet anders is dan
de oude verbasterde Sanskrietsche Zigeuner-taal.--Even als in andere
landen, worden ook daar de kinderen dezer heide-Nomaden gedoopt,
doch even als elders nemen zij ook daar, behalve het doopwater,
weinig van het Christendom over.

Want de Zigeuners betoonen zich overal zoo onverschillig voor
godsdienstzaken, als geen tweede volk van Europa. Zij zweren, om
vervolgingen te ontgaan, bij de Turken op den _Koran_, en zij kussen,
als zij zich in een Christelijk land bevinden, het _kruis_. In ieder
nieuw dorp, waar zij komen en waarin zij een anderen godsdienst
aantreffen, hebben zij een ander geloof; nu eens zijn zij Katholiek,
dan Luthersch, hier behooren zij tot de Gereformeerde, daar tot de
Anglikaansche kerk. Voor het overige blijft hun zoowel de leer van
Mohamed als die van Christus, zoowel de grondstellingen van den Paus
als de catechismus van Luther even onbekend; dat is waarschijnlijk
ook de reden dat de Nederlanders hun geen beteren nationalen naam
wisten te geven, dan dien van "heidens".

Daar er bij hen niet eens mythen bestaan, die zouden kunnen bewijzen,
dat hunne gedachten zich met bovenaardsche dingen hebben bezig
gehouden, dat ook slechts hoop op een leven na dit leven bij hen is
opgekomen, zoo is dien tengevolge ook hunne liefde voor dit aardsche
leven en hunne vrees voor het einde van hun bestaan, veel grooter dan
zij bij eenig ander der geplaagde, onderdrukte en vervolgde volkeren
zijn; deze toch beschouwen den dood wel eens als hun verlosser.

Op de Britsche eilanden zijn de Zigeuners,--die door Sir Walter Scott
in eenige zijner uitstekende romans even meesterlijk geteekend zijn als
door Cervantes in Spanje, door Puschkin in Rusland, Spindler in zijn
"Jood" in Duitschland, Victor Hugo in zijn "Notre dame de Paris" in
Frankrijk,--even rustelooze omzwervers geweest, als overal elders, en
hebben daar ook, even als overal, hunnen stam zuiver bewaard. Ja! naar
het oordeel van een Engelsch schrijver, hebben zij zich daar zelfs
onvermengder bewaard, dan ergens anders. Zij hebben daar zelfs in
het reeds door mij genoemde Koninklijke woud van Southampton, eene
soort rendez-vous gehad, en verdeelen zich daar even als elders in
verscheidene tribus of clans, die hunne bijzondere opperhoofden hebben
en bijzondere namen dragen. Een dezer Engelsche Zigeuner-stammen heet
"de Stanleys", een andere "de Levells" enz.

In Schotland hebben zij in eene wild-romantische landstreek van het
Cheviot-gebergte, hun hoofdkwartier bij een dorp dat Kirk-Yetholm
heet, en schertsenderwijze ook wel "_the Metropolis of the
Gipsy-kingdom of Scotland_ (de hoofdstad van het Zigeuner-koningrijk
in Schotland)" genoemd wordt. Van de Schotsche Zigeuner-vrouwen zegt
een presbyteriaansch priester, die haar in een werkje beschreven heeft:
"zij zijn in hare bewegingen zoo natuurlijk, liefelijk en gracieus, en
hebben dikwijls zulke goede manieren, dat men bijna meenen zou, dat zij
aan een Europeesch hof opgevoed zijn." En dit is ongeveer hetzelfde,
wat ik zelf reeds aangaande de Tataarsche Zigeuners in Zuid-Rusland
opgemerkt hebt.--Van de mannen onder de Schotsche Zigeuners zegt
dezelfde autoriteit: "zij zijn bij hunne onderlinge twisten, waartoe
men dikwijls geene aanleiding ontdekken kan, boven mate wild en
heftig, geven daarbij aan de belachelijkste woede toe, en bedienen
zich daarbij van de meest phantastische verwenschingen. Zelden echter
komt het, niettegenstaande hunne hartstochtelijkheid, tot ernstige
kloppartijen. Het blijft bij een krabben, knijpen, plukharen."--Ook
dit stemt buitengewoon overeen met hetgeen men bij de Zigeuners aan
den Donau en aan den Pontus kan opmerken, waar men, wanneer in een
tent twist ontstaat, onwillekeurig aan het krijschende geschreeuw
denkt, dat naar de beschrijving der reizigers dikwijls door de apen
der Zuid-Amerikaansche wouden, ook zonder merkbare aanleiding,
aangeheven wordt, en dat ook zonder zichtbare oorzaak, als eene
plotselinge windstilte en verzoening weder gaat liggen.

Ook bij de onbegrensde en dikwijls roerende liefde der Zigeuners voor
hunne kinderen, moet men weder aan de zooeven genoemde woudbewoners
denken. De Zigeuner-moeders troetelen hare zuigelingen zoo en houden
zich zoo onophoudelijk met hen bezig, als waren deze wichtjes het
eenige wat zij aanbidden. Kindermoord is bij hen, evenals bij de
Indianen van Amerika, iets ongehoords, en even als dezen beantwoorden
zij slechts met liefkozingen en vleierijen, zelfs den uitgelatensten
moedwil dezer kleine zwarte kobolds, die nimmer met de heilzame roe
kennis maken.

Deze liefde jegens hunne eigene afstammelingen, strekken zij echter
tot hun geheele ras uit, wier leden, even als de kinderen Israëls,
als klissen aan elkander hangen. Zij verloochenen hunne natuur
nooit. Terwijl zij over het geheel genomen niets hebben, van hetgeen
men sociaal instinct noemt, blijven zij in hunne familiën als met
ijzeren banden aan elkander gebonden. Zij noemen elkander broeder
en zuster. Zij ondersteunen elkander over en weer, en een Zigeuner
is nooit in nood, zoolang hij nog bloedverwanten en stamgenooten in
zijne nabijheid heeft, die helpen kunnen.

Ook sluiten zij zeer zelden huwelijken met menschen die niet van
het "echte," van hun eigen volk zijn. Zij bezitten--merkwaardig
genoeg--een diep verborgen nationalen-trots en zijn, wat men bij deze
"verworpelingen" het allerminst verwachten zou, in zeldzaam hooge mate
ingebeeld en trotsch. Iedereen verwerpt hen en hunnerzijds wreken zij
zich daardoor, dat zij zich _boven allen_ stellen. Even als de Osmanen
betitelen zij alle andere volken met den scheldnaam: "Gadschi" of
"Giaur". Zij zelf echter zijn de "Rannitschel" (de kinderen der ware
moeder of menschen). Het is, als wilden zij daarmede tegen allen hun
door anderen aangedanen smaad, in naam van het ook in hunnen boezem
niet gestorven gevoel van menschenwaarde, protesteeren.

Van het leven der Zigeuners onder elkander en hoe zij als broeders voor
elkander partij kiezen, verhaalt men overal zeer treffende voorbeelden;
in Spanje b.v. het volgende:

In Cordova werd eens een Zigeuner, die eenen Spanjaard bij eene
kloppartij doodgeslagen had, ter dood veroordeeld. De geheele
"Gitaneria" (het Zigeunerdom) van Cordova kwam in beweging, en deed de
grootste moeite om hunnen broeder te redden. Verzoekschriften werden
aan invloedrijke personen gezonden, petities werden onderteekend,
welsprekendheid en geld werden aangewend, om het verschrikkelijke
doodvonnis in eene eenvoudige verbanning naar Ceuta in Afrika te
veranderen. Een rijk Zigeuner bood den Spanjaarden 5000 kroonen, als
losprijs voor den gevangene. Alle trouwe stamgenooten droegen naar
hun vermogen er toe bij om dezen losprijs te vermeerderen. Maar te
vergeefs! De vermoorde Spanjaard had machtige vrienden, en men was
_besloten_ een voorbeeld te stellen. Het zwarte schavot werd op het
marktplein opgeslagen, het zwaard was gescherpt en getrokken. Toen,
toen zij zagen dat alles te vergeefs was en nog eer de slag viel,
maakten alle Zincalo's der voorsteden van Cordova zich op, om het
bloed van hunnen broeder niet te zien vloeien, sloten hunne hutten
en trokken met paarden en muildieren en al hun roerend goed heen,
terwijl zij de stad voor eeuwig in den ban deden en besloten haar
nooit weder te betreden.

Langs welken weg de Zigeuners naar Spanje gekomen zijn, is niet
bekend. Het volk daar, houdt hen voor afstammelingen der "Morisco's"
of Mooren. Dit, zoomede de omstandigheid, dat zij in de dalen van het
Pyreneesche schiereiland, die het langst in handen der Mooren bleven,
in Andalusië en Grenada het meest verbreid zijn, en vervolgens ook de
bij de Spanjaarden gebruikelijke benaming "Gitanos," d.i. Egyptenaren,
schijnt er op te duiden, dat zij, even als de andere Oostersche volken,
misschien over Egypte en Noord-Afrika naar het Pyreneesche schiereiland
gekomen zijn. Hadden de Spanjaarden hen langs Noordelijken weg,
uit Duitschland en over Frankrijk gekregen, dan zouden zij wel den
bij de Franschen gebruikelijken naam "Bohemiens" (Bohemers) voor hen
aangenomen hebben.

De eigendommelijkheden in het karakter die den Spaanschen Gitanos
worden toegeschreven, zijn daarom ter vergelijking, bijzonder
belangrijk en opmerkenswaardig.--Zij stemmen in alle deelen overeen
met die, welke men bij hunne broeders aan het tegenovergestelde einde
van Europa ontdekt, en bewijzen, dat dit volk ook bij zijn tocht
door Afrika, en tot aan de uiterste punten die het bereikte toe,
geheel hetzelfde gebleven is. Hunne taal heeft in Spanje dezelfde
Sanskritische elementen als elders, en de physionomie dezer oude,
eerwaardige taal komt ook bij hen, "als een in lompen gekleed
wijsgeer, uit de hun eigen geworden fragmenten van vreemde taaleigens
te voorschijn."

Hunne bezigheden en neigingen zijn daar dezelfde als elders. Huwelijken
tusschen Spanjaarden en Zigeuners vinden uiterst zelden plaats, en het
ras bestaat, volgens getuigenis van Borrow, den geschiedschrijver der
Spaansche Zigeuners, zeer zuiver en onvermengd, even als in Engeland,
in Schotland en aan den Donau. Het is in Spanje den welwillenden Karel
 III even weinig gelukt, hen te beschaven en aan een rustiger leven
te gewennen, als in Oostenrijk den humanen Jozef II. Het aankweeken
van paarden, bedriegelijke paardenhandel en paardenroof is daar,
even als in Hongarije, in zoo hooge mate hunne liefhebberij, dat de
Spanjaarden, om deze bezigheid uit te drukken, het woord "Gitaneria"
(zigeunerij) gebruiken. "De Spaansche Gitano" zegt Borrow, "is het
lichtzinnigste, ongeloofwaardigste, wankelmoedigste en ondankbaarste
schepsel ter wereld. Zijn weldoener verraadt hij, zonder zich er het
minste gewetensbezwaar van te maken, en wat hij in den morgen verdient,
verkwist hij reeds voor den avond."

Dit alles en _in één woord ook alles anders_, wat men bovendien
nog aangaande de Spaansche Gitanos aangemerkt vindt, komt zoozeer
overeen met wat wij van de Zigeuners in andere landen hoorden, dat
het nauwelijks noodig zijn zal, de portretten nog eens in al hunne
bijzonderheden te vergelijken, om de stelling te bevestigen, dat
dit Aziatische volk door geheel Europa heen, en men kan er aanstonds
bijvoegen, ook in Brazilië en in andere gedeelten der nieuwe wereld,
waarheen hen het noodlot in den nieuweren tijd eveneens gevoerd heeft,
op eene hoogst wonderbare en op even beklagenswaardige wijze zich
zelven trouw is gebleven.

Ook bij de Joden heeft men dikwijls deze zelfde buitengewone taaiheid
en onveranderlijkheid van het nationaal-karakter opgemerkt. Bij
de Zigeuners echter is zij toch nog veel merkwaardiger en
onverklaarbaarder dan bij de Israëlieten, Turken, Armeniërs of bij
alle andere Aziaten.--Bij de Turken, wien eene zoo groote politieke
macht ter zijde staat, en die in geconcentreerde massa te samen leven,
laat zich de zaak gemakkelijk begrijpen. Het andere onder de geheele
Europeesche familie verspreide volk, de Israëlieten, heeft zijne
nationaliteit op stevige fundamenten opgetrokken. Zij hebben grootsche
overleveringen, eene heldhaftige en geloofwaardige geschiedenis. Zij
bezitten eene zeer beschaafde taal en rijk ontwikkelde literatuur. Hun
geheele huiselijk en innerlijk leven wordt door eene aaneenschakeling
van oude, zeer duidelijke bepalingen geregeld en bijeengehouden. Zij
zijn eindelijk een door en door godsdienstig volk. Hun godsdienst, die
hun geheele leven doordringt, is hoogst eigenaardig. Zij beschouwen
zich als Gods uitverkoren volk, en ieder individu is even als het
geheel, door dit geloof bezield. Hoe geheel anders is zulks het geval
met hunne lotgenooten, met den even als zij, in de wereld rondgeworpen
en voorttrekkenden stam uit Hindostan. De Zigeuners hebben niet eens
Goden gehad. Zij hebben geene vaste grondstellingen en gebruiken,
geene geschiedenis, zelfs geene overlevering, ja nauwelijks een
hun eigenaardig bijgeloof: want ook de verschillende soorten van
_bijgeloof_ der volken, tot welke zij zich begeven, nemen zij even
gemakkelijk aan, en laten zij even gemakkelijk weder varen, als
hunne godsdiensten. Zij hebben ook geene bijzondere, hen van anderen
onderscheidende, uiterlijke kenteekenen behouden, geene nationale
kleeding, geen bijzondere soort van doop of eenige andere het volk
eigene kenteekenen. Bij de Tataren kleeden zij zich Tataarsch,
bij de Spanjaarden Spaansch, en overal hebben zij zich in de lompen
gekleed, die de andere volken hun toewierpen. Hun woordenboek heeft,
zooals de geleerde Pott aantoont, geene uitdrukking voor het begrip
"hebben" en "bezitten", ook geen voor "moeten" of "plicht" of
"wet". Zij hebben hunne geheele "zaak op niets gesteld." Zij zijn
onder ons opgegroeid, zooals luchtplanten, zonder wortelen, zonder
bodem, zonder vaderland. Zij vormen ook nergens zulke talrijke en
compacte gemeenten, als de Israëlieten. Zij leven luchthartig en
los, nauwelijks stamsgewijze, maar overal alleen familiesgewijze,
en deze Zigeuner-familiën zijn als het onkruid dat men op de steppen
van Rusland aantreft, dat daar "de windsbruid" genoemd wordt, en
dat, zijne zaadkorrels en bloesems met zich medevoerende, van den
grond losgerukt, door den wind, door de lucht en over de heuvels
gevoerd,--als het water in droppels en atomen over Europa verbreid
wordt. Hun ontbreekt in één woord alles, wat eene duurzame en blijvende
nationaliteit verzekert. En niettegenstaande dat alles, zijn toch die
atomen onder het gewicht der andere op hen drukkende nationaliteiten,
tot nu toe nog niet verdrukt; niettegenstaande dat alles bezit,
zooals ik reeds trachtte aan te toonen, ieder droppeltje uit die
bron tot op den huidigen dag geheel en al de kleur, de temperatuur
en het karakter van het geheel, als waren het niet schuim en bellen,
maar ontelbare harde granietblokken. Hun geheele bestaan en behoud is
in de geschiedenis van het Europeesche menschengeslacht een raadsel,
dat wij alleen bewonderen maar niet voldoende verklaren kunnen.



DE ITALIANEN.


Van de groote bergkern van Midden-Europa, de Alpen, scheidt
Zuidwaarts de lange tak van het Apennynsche kalk-gebergte zich af,
dat in Zuidelijke richting voortloopende, in de Middellandsche
Zee zich uitstrekt.--Met de talrijke kleine plateau's en dalen,
waarmede zijne Oostelijke en Westelijke hellingen voorzien zijn,
met de grootere vlakten, die aan weerszijden tegen hem aansluiten
als spieren tegen den ruggegraat, vormt hij een grooten en breeden
landendam, die als een slinger midden in de zee neêrhangt, en door
een driehoek van groote, naburige eilanden omgeven is.--Het is de
"_Bella Italia, de l'Apennin divide é l'mar circonda_" [10].

De natuur heeft dit schoone land, als een eigenaardig lid van ons
vasteland, met een scherp uitgedrukt en, trots alle verschil in enkele
zaken, met een in algemeene hoofdtrekken, gelijk karakter en wezen
voorzien. Nauwelijks heeft men den Alpenmuur, die dit schiereiland
in het Noorden omslingert en het van het middelste hoofdlichaam van
Europa scheidt, overschreden, of men meent zich in eene andere wereld
te bevinden. Eene zachtere lucht waait den reiziger uit de met duizend
bekoorlijkheden getooide tuinen van het Po-land tegen. De lucht heeft
zich ontdaan van hare Noordsche nevelen en dampen. De geheele natuur,
de atmosfeer en het gansche landschap openbaren een nieuw karakter.--En
dit karakter blijft over de geheele lengte van dien vulkanischen dam,
met menigerlei wijziging in zoo hooge mate hetzelfde, dat al zijne
Zuidelijke en Noordelijke, Westelijke en Oostelijke gedeelten veel
minder met elkander een contrast vormen, dan het geheele schiereiland
met andere gedeelten van het vaste land, aan gene zijde der Alpen of
aan gene zijde der zee.

Met betrekking tot zijne gedaante, is het Apennynsche schiereiland
veel minder compact dan het land der Pyreneën of dan Frankrijk in
het Westen; niet zoo verbrokkeld als Griekenland in het Oosten,
en veel slanker gevormd en veel meer opengesteld aan de invloeden
der zee, dan de tot dit land neigende gedeelten van Afrika in het
Zuiden. En bovendien vormt het met al deze zijne naburen in vele
andere betrekkingen een contrast.

Het vormt daardoor een zeer scherp afgeteekend op zich zelven staand
gedeelte van ons vasteland--een door de natuur afgeperkten tuin,
die bestemd scheen, het vaderland van een bijzonder en op zich zelven
staand menschengeslacht te zijn.

De van het Noord-Westen naar het Zuid-Oosten loopende keten der
Apennijnen, deelt het land in twee deelen. Eene reeks kleine dalen
en smalle vlakten wordt aan de Oostzijde aangetroffen. Zij is naar de
Adriatische zee gekeerd, maar aan den invloed van Noorde- en Oostewind
blootgesteld; ligt in het gezicht van Illyrië en Albanië, en hare
zuidelijkste uiteinden loopen geheel uit in de naburige wateren van
Griekenland.--Eene andere reeks dalen, berghellingen, rijk met allerlei
kruiden begroeid, vruchtbare vlakten en fraaie golven en baaien
slingeren zich langs de westzijde heen. Zij staan meer open voor de
warme Zuide- en zachte Westewinden. Zij hebben een grooteren rijkdom
aan dalen en eilanden. Aan dezen kant is het aangezicht van Italië,
de beteekenisvolle en geschiedkundige glanszijde van dit lichtland,
dat naar het Oosten zijne schaduw- en rugzijde heeft.

Daar in het Westen liggen hare bekoorlijkste landschappen,
de liefelijke dalen van den Arno en den Tiber, het vroeg
beschaafde Etrurië; verderop het hoofd-middenpunt der beschaving
en macht-ontwikkeling, Rome; vervolgens het weelderige Campanië,
het paradijs van Napels en andere brandpunten van het Italiaansche
leven. De kust loopt langs de binnenzee, die gewoonlijk de Toscaansche
genoemd wordt. Even als het hoofdlichaam van het schiereiland zelf,
zoo slingeren zich ook de groote Italiaansche eilanden om deze
binnenzee heen, en sluiten haar als het ware in: slechts door
vier groote straten of waterpoorten heeft deze groote binnenzee
met het hoofdlichaam der Middellandsche Zee gemeenschap. Men zou
deze binnenzee de Westelijk-Italiaansche kunnen noemen, even goed
als men den Archipelagus, het wezenlijke Grieksche levens-bekken
genoemd heeft.--De schiereilanden van Griekenland en Italië staan in
geographischen zin in omgekeerde rede tot elkander. Het eerste sluit
zich tegen het Oosten aan open en heeft zijn rug in het Westen in de
bergen van Albanië en Epirus. Dit daarentegen opent zich tegen het
Westen, en keert den rug naar het Oosten. De beide elkander anders zoo
verwante en naburige landen keeren het gezicht dus van elkander af. In
deze verhouding is dan ook de oorzaak te zoeken, dat de Italianen
altijd meer met het Westen, de Grieken--hetzij als overheerschers,
hetzij als onderworpelingen--meer met het Oosten verbonden waren.

Aan water heeft Italië geen gebrek. De hoeveelheid regen en dauw, die
in den loop van een jaar op haar oppervlakte nedervalt, is veel grooter
dan in de naburige schiereilanden, Griekenland, Spanje en Afrika. Het
is het rijkelijkst bevochtigde land aan de Middellandsche Zee. Van de
Alpen-gletschers stroomen nimmer opdroogende rivieren in zijne lachende
dalen neder, en in de hellingen der Apennijnen ontspringen tallooze
bronnen, beken en watervallen. Vele grond-verdiepingen aan den voet
der Alpen en langs de bergketen der Apennijnen, zijn dientengevolge
met prachtige meren--in het drooge Spanje eene zeldzaamheid--voorzien.

De stroomen hebben overal vette laaggelegen landen en vochtige
landstreken tusschen de rots-gewelven gevoegd, en overal wordt
derhalve de gelegenheid aangeboden, de dalen op natuurlijke en
kunstmatige wijze te bevochtigen en vruchtbaar te maken.--Daarentegen
verhindert de geringe breedte des lands eene grootsche vorming
van groote rivieren. Behalve den Po, den Arno en den Tiber heeft
Italië geen in eenigzins belangrijke mate bevaarbaar water; het
bezit alleen bergstroomen, die naar alle richtingen heenstroomen,
en de rivier-stelsels hebben daarom hier ter verbreiding en tot de
eenheid van een eigendommelijk volk veel minder kunnen bijdragen,
dan b.v. in Hongarije, Polen en Rusland, waar de volkeren bijna altijd
langs de stroom-aderen heengeslingerd zijn, en waar eenige van hen zich
tegelijk tot dit of tot dat riviergebied bepaald hebben. Ook heeft
de hooge en ruwe rug der Apennijnen steeds veelvuldige afzondering
en afscheiding veroorzaakt. Slechts met moeite en op enkele punten
heeft hij de vorming van gemakkelijke land- en volkenwegen, van het
Oosten naar het Westen toegelaten. Door hare veelvuldige vertakkingen,
verdeelen de Apennijnen het land in eene menigte kleine, dikwijls
zeer scherp afgeteekende onderdeelen.



Thans is het geheele weefsel dezer fraaie, Italiaansche landschappen,
van de hellingen der Alpen in het Noorden tot aan de Zuidelijkste
punten van Calabrië en Sicilië, door een en hetzelfde geslacht bewoond,
dat in al zijne onderdeden als broeders leeft en zich bloedverwanten
gevoelt, en door eene groote gelijksoortigheid van physische en
psychische eigenschappen geschikt was één volk uit te maken. Zij
noemen zich allen met denzelfden naam "Italianen", zij spreken
allen dezelfde taal. Zij schijnen allen door dezelfde gedachten,
door dezelfde sympathieën bezield te zijn.

Zooals het nu is of ten minste worden wil, het geheele Italië,
van af de Alpen tot aan Malta, één lijf en ééne ziel, één geest en
één polslag, in een woord één vaderland, zoo is het bijna nooit
geweest. Immers, wij zien het land, als de eerste ochtendstralen
der geschiedenis er op vallen, bewoond door kleine volken van zeer
verschillend type, die, noch door vreemden, noch door zich zelven,
onder een algemeenen naam samengevat werden. Zij weken zoozeer van
elkander af, dat zij zich niet eens door hunne talen aan elkander
verstaanbaar konden maken. Zij leefden onder elkander, zonder den
minsten onderlingen band, in aanhoudenden krijg. Toch waren zij, ten
minste het grootste gedeelte, in Midden- en Zuid-Italië, wat hunne
oorspronkelijke afstamming betreft--nieuwere onderzoekingen hebben
zulks bewezen--aan elkander verwant. De wortelen hunner talen, de
vormen hunner verschillende staatsregelingen en hunner zeden bewijzen,
dat zij oorspronkelijk het dichtst stonden bij die Indo-Europeanen,
die ook het groote schiereiland in het Oosten bevolkt hebben, de
voorvaderen der Grieken, de zoogenaamde Pelasgen.

In alle gebieden van het menschelijk doen en werken, laat zich deze
van eeuwen her dateerende verwantschap van den hoofdstam der Italianen
en Grieken nawijzen. De namen hunner Goden zijn gelijk en hunne rollen
zijn eveneens verdeeld. De volks- en stamsagen van beide volken zijn
dezelfde. De wijn- en landbouw draagt bij beiden hetzelfde type. De
lengte- en vlaktematen zijn ook bij beiden dezelfde. In de stedelijke
wetgeving, in het muntwezen, in de burgerlijke standen zien wij,
trots alle verscheidenheid in bijzonderheden, bij beiden zeer gelijke
algemeene verhoudingen en vormen. Het oude Grieksche woonhuis, zóóals
het door Homerus beschreven wordt, verschilt weinig van die, welke men
in het hart van Italië altijd vond. "Zelfs in de eenvoudigste elementen
der zeden en der kunst, in de volksfeesten, in den wapendans, in het
minnespel, overal treft men de nauwe verwantschap der voorvaderen van
de Hellenen en der stammen van het oude Italië aan."--Zij schijnt zich
ook daarin te openbaren, dat, toen later de Hellenen als handelaars en
ontwikkelde stedenstichters naar Italië kwamen, deze oude Italianen
zoo gemakkelijk en als ware het door sympathie gedrongen, met hen
samensmolten, en dat ten laatste zelfs de helft van Italië den naam
"Groot-Griekenland" ontving.

De talrijke bloeiende steden en staten, die de Grieken in de Zuidelijke
uiteinden van het schiereiland en op Sicilië stichtten, bewerkten,
dat de inheemsche volken hunne eigene talen en dialekten ten deele
verleerden en in zeden en ontwikkeling half en half Grieken werden.--Op
Sicilië kreeg de Grieksche taal geheel het burgerrecht, werd zij
wijd verbreid en bleef het ten deele ook gedurende de heerschappij
der Romeinen, ja zelfs tot diep in de midden-eeuwen. Toen de Romeinen
met hunne veroveringen in deze Zuidelijke streken doordrongen, namen
zij zelven zeer spoedig veel van de Grieksche zeden en beschaving
aan.--De Grieken zijn in verschillende tijden naar deze, het dichtst
bij hen gelegene streken van Italië, teruggekeerd. Zulks gebeurde
ook weder na den val van het West-Romeinsche rijk. Sicilië, Calabrië
en verscheidene andere gedeelten van Zuid-Italië, waren nog tot in
de 11de eeuw in de handen der Grieksche Keizers. Zelfs thans nog is
in eenige oorden van Zuid-Italië eene Grieksch-sprekende bevolking
overgebleven. Ja! de Italiaansche geschiedschrijver Botta beweert,
dat het geheele karakter der hedendaagsche Napolitanen eigenlijk nog
Grieksch is. "Hunne volksfeesten, hunne dansen, hunne vroolijkheid,
hunne lichtzinnigheid, hunne neiging tot het gebruik maken van
sophismen, dit alles" zegt hij, "is geheel Grieksch." De Lazzaroni
in Napels zouden de directe afstammelingen zijn der oude Grieken van
Cumae en Neapolis, twee Grieksche koloniën, die reeds 1000 jaren voor
Christus geboorte aan de golf van Napels gesticht werden.

Verscheidene der volken, die op den bodem van Italië, in oude tijden
eene rol gespeeld hebben, zijn ons tot op den huidigen dag, wat hunne
afstamming betreft, raadselachtig gebleven. Zoo vooral een der meest
belangrijke hunner, de oude "Etruskers," die reeds lang voor den bouw
van Rome in het land der Medicis, een staat gesticht hebben, waarin
landbouw, steden en kunsten bloeiden. Hoe veel onderzoek men ook in
het werk gesteld en hoeveel men ook geschreven heeft, toch weten wij
nog niet uit welke bronnen hunne beschaving, die gelijktijdig met de
Grieken bestond, en deze ten deele nog vooraf ging, voortgesproten
is.--Hunne ruwe taal, die rijk aan consonanten is, week ver van die
der Italianen en Grieken af. De mond der Romeinen en Grieken kon haar
niet uitspreken.--De Etruskische muziek was, even als hunne overige
kunsten, van zeer eigendommelijken aard. Zij kenden het gieten van
erts, het graveeren en het drijven op metalen, en bewerkten het goud
en zilver tot de fraaiste versierselen, in een tijd, toen de andere
Italianen van dat alles nog weinig wisten.--Even zoo muntten zij
uit als boetseerders in klei, en de elegante vorm hunner vazen wordt
nog heden bewonderd en gevolgd. De Toskaansche of Etrurische zuil,
die ouder dan de Dorische is, heeft van hen haar naam ontleend. Hun
godsdienst, hunne godenleer en hunne mythen hadden slechts weinig
met die der overige Italianen en Grieken gemeen. Het bestuur hunner
steden en staten was even eens eigendommelijk en afwijkend, en diende
den Romeinen bij hunne burgerlijke inrichtingen tot model. Hunne
koloniën waren vóór den bloeitijd der Romeinen zoo ver in Italië
verspreid, en hun volk was zoo machtig, dat het grootste gedeelte
van het schiereiland aan hunnen invloed onderworpen zou geweest zijn.

Etrurië was eens naast Griekenland, de plaats waaruit de beschaving
zich over ons werelddeel verspreidde. En niettegenstaande dat alles
zijn wij, zooals gezegd is, in het onzekere over de afkomst van dit
volk. Volgens eene oude sage zouden zij eene uit Lydië in Klein-Azië
gekomene, en aan de kusten van Italië zich nedergezet hebbende kolonië
zijn.--De nieuweren echter, hebben hen nu eens voor Celten, dan voor
Iberen, ook wel eens voor een uit het Oosten met vaartuigen overgekomen
Semitisch volk, of ook wel voor Pheniciërs gehouden. Daar zij
zelven zich "Rasenen" noemden, en die naam met dien der "Rhaeters" of
"Rhaetiërs," in de hooggebergten van Grauwbunderland, gelijkluidend is,
zoo hebben wederom anderen hen over deze bergen uit het nevelachtige
Noorden laten afzakken. Hiermede komt de nu nog bestaande traditie
der heden ten dage zoogenaamde Romaenen in Grauwbunderland, overeen,
die beweren, dat de oude Etruskers van hunnen stam afkomstig zijn;
anderen weder beschouwen hen slechts als overblijfselen der naar de
bergen gevluchte Etruskers.

Ofschoon zij, nadat de macht der Romeinen gebroken was, in de
massa der overige bewoners van Italië versmolten, zoo kan men
toch den geest der Etruskers, als nog tot op den huidigen dag
voortwerkende, beschouwen. Daar zij bij de Romeinsche verovering,
hunne staatsinrichtingen en godsdienstige gebruiken aan de Romeinen
mededeelden, en het geheele politieke leven der Romeinen hielpen
grondvesten, zoo werken zij, middellijk en op grooten afstand, ook
nog op ons. Nog dichter naderen zij ons in de later in het land der
Medicis weder opbloeiende kunst en beschaving. Want waarschijnlijk
was dit niets dan een tweede oogst op den ouden, door de verdwenen
Etruriërs bemesten bodem. Met recht voerde men daarom ook ten tijde
van Napoleon, den naam "Etrurië" weder in, welke naam trouwens altijd
voortgeleefd heeft in den naam der Etrurische of Toscaansche Zee.

Gelijk het verband als naburen, van Italië met zijne tweeling-zuster,
het Grieksche schiereiland, zoo heeft ook de nabuurschap met Afrika en
met het vaderland der Semiten, in den loop der jaren herhaalde malen
vreemdelingen aan Italië toegevoerd.--De Pheniciërs, de voorgangers
der Grieken in de heerschappij over de Middellandsche Zee, hadden
reeds vroegtijdig koloniën rondom Sicilië en Sardinië gesticht. Na hen
overmeesterden hunne zonen, de Karthagers, al de groote Italiaansche
eilanden, en behielden ze geruimen tijd in hunne macht. Deze Afrikanen
streden zelfs tegen de Romeinen om de heerschappij over geheel
Italië'. Onder den naam Saraceenen kwamen de kinderen van Sem, in
het begin der middeneeuwen weder, en verbreidden hunne heerschappij
en koloniën over dezelfde gedeelten van Italië die de Karthagers
bezeten hadden; zelfs nog in de 13de eeuw marcheerden Afrikanen, als
hulptroepen van Keizer Frederik II, door het geheele schiereiland,
en lagen, even als eens de troepen van Hannibal of van Genserik,
overal in kwartier.

Ook in latere tijden heeft eene omruiling van bevolking tusschen
Italië en Afrika onder verscheidene vormen meermalen plaats gegrepen,
en men kan dus gemakkelijk nagaan, dat eenige sporen daarvan in het
karakter en de zeden der Italianen achter gebleven zijn.--In hunne
taal vinden wij nog verscheidene uitdrukkingen, die betrekking hebben
op handel en scheepvaart, van Arabischen oorsprong. Eene gemengd
Italiaansche-Saraceensche taal en ras, bestaat nog op het eiland
Malta. Ook in Calabrië, op Sicilië en op de andere Italiaansche
eilanden, verraadt het dialect en de het volk eigene keeltoon, de
inmenging van Arabisch bloed. En eene overeenkomst met het karakter
der Mooren, met hun hartstochtelijk en wraakzuchtig temperament,
dat ook het Spaansche volks-karakter uitmaakt, laat zich, zooals de
Italiaan Mariotti zegt, gemakkelijk bij de Italiaansche eiland-bewoners
waarnemen, even als ook hunne olijfbruine huidkleur, en hun bleek
gelaat aan de Pheniciërs, Karthagers en Saracenen herinneren.

Doordien Italië zuidwaarts diep vooruitdrong in het aloude kanaal
der beschaving, de Middellandsche Zee, kwam het in aanraking met de
Oostersche, Afrikaansche en Grieksche zeevarende volken; en daar
het noordwaarts als ineengegroeid was met het vaste land van ons
werelddeel, bracht zulks het in verband met de Noordelijker volken,
de Celten, de Germanen en ook eenigermate met de Slawen. De eersten, de
Celten, de voorvaderen der Franschen, spelen daarbij de oudste rol. Zij
hebben zich reeds in de vroegste tijden in een aanzienlijk gedeelte van
Italië inheemsch gemaakt. Zij hebben als grondbevolking het geheele
fraaie land tusschen de Alpen en Apennijnen bezet. Het duurde lang,
voor dat dit ook onder den naam "Italië" begrepen werd. Het heette
voor de geboorte van Christus Gallië en wel, ter onderscheiding van het
groote Gallië aan gene zijde der Alpen, het Gallië aan deze zijde der
Alpen "Gallia Cisalpina." Van uit de Alpen en van af den Po drongen
deze Galliërs meermalen Midden-Italië binnen, en verwoestten Rome en
andere bloeiende steden. Daarentegen waren zij de eerste stichters
van Milaan en van andere beroemde plaatsen van Boven-Italië.

De Celten hebben, naar men zegt, reeds van den beginne af aan, in het
type van hun ras meer gelijkheid met de oude Italianen gehad, dan de
Germanen en de andere Noordsche naburen. Nadat het echter den Italianen
onder Cesar gelukte, de Galliërs in hooge mate te romaniseeren of
te italianiseeren, werd gedurende den vierhonderdjarigen duur der
Romeinsche opperheerschappij, eene geestelijke verbroedering tusschen
beide Romeinsch gewordene natiën tot stand gebracht, die tot op onze
dagen toe de bron geweest is van veelvuldige verwisseling en van
gemeenschappelijke neigingen en eigenaardigheden. Wel zijn de Galliërs
en hunne opvolgers, de Franken en Franschen, de verwoesters van Rome
geweest; even als vroeger onder hunnen Brennus, zoo ook later nog
dikwijls onder Karel den Groote, onder de Anjou's, onder Karel VIII, en
in den lateren tijd onder hunne Napoleons, zijn zij onder den naam van
bevrijders, als beheerschers en onderdrukkers Italië binnengedrongen,
en hebben de Italianen, in bloedige slagen en Siciliaansche vespers,
zich tegen hen trachten te beschermen, maar dat neemt niet weg dat er,
over het geheel, buiten den door de Alpen gevormden ringmuur, geen volk
is, waarmede de Italianen als natie, zooveel overeenkomst in geaardheid
hebben, waarvoor zij zooveel sympathie gehad en waarmede zij zulke
nauwe betrekkingen aangeknoopt hebben, als met de Franschen. Even
als de Provençaalsche dichtkunst, even als in eene latere periode,
ten tijde van Lodewijk XIV, de zoogenaamde klassieke literatuur der
Franschen, zoo vonden ook alle andere voorbeelden van Frankrijk,
in Italië steeds een open oor en hart. De Fransche revolutie in
het einde der vorige eeuw, gaf aan Italië eene nieuwe gedaante. De
door Napoleon I weder aangeknoopte nauwere verbinding van Italië
met Frankrijk, bracht de politieke denkbeelden der Franschen daar in
omloop, en liet bij het volk een zoo groot gistings-proces achter, dat
men bijna zeggen kan, dat de tegenwoordige geestelijke ontwikkeling
der Italianen op Trans-Alpijnschen bodem gewassen is. "Zij denken
Fransch over staat, godsdienst en wijsbegeerte; en zoo al niet
hunne poëzie, dan is toch hun proza in hooge mate op Fransche leest
geschoeid."--Het oude land der Gallische Allobrogen, Savoye en de
Ligurische grensmarken van Nizza, landstreken, die eene Fransch
sprekende, Celtische grondbevolking hebben, zijn tot op de nieuwste
tijden, nu eens met de Franschen dan met de Italianen, onder dezelfde
heerschappij verbonden geweest.

Hét provinciaal-dialect der Piemonteezen en Lombarden, heeft nog nu
veel Fransch of Gallisch; zij hebben b.v. iets van den Gallischen
neusklank en de voor het Toscaansche oor zoo onaangename uitspraak
der "oe" als "u". Een Engelschman, de heer Edwards, die zich in den
nieuweren tijd door zijne phrenologische onderzoekingen een naam
maakte, heeft bij de tegenwoordig aan den Po wonende menschen, zelfs
dezelfde schedel- en gelaatsvorming gevonden, welke men bij hen,
die langs de Rhone en de Loire wonen, aantreft; hij heeft gemeend,
daardoor te kunnen bewijzen, dat deze zoogenaamde Italianen, met
betrekking tot hun bloed en hunnen lichaamsbouw, nog heden tot de
Galliërs of Celten behooren.

De verbinding der Italianen met de Galliërs dateert van onheugelijke,
vóór-historische tijden. Hunne eerste aanraking met de Germanen
laat zich iets beter nawijzen. Het was niet lang voor de geboorte
van Christus, toen zij, onder den naam van "Cimberen en Teutonen,"
hunne oorspronkelijke woonplaatsen in het Noorden verlieten, en voor
het eerst ten Zuiden der Alpen verschenen.--Sinds dien tijd echter,
zijn de Italianen om zoo te zeggen altijd met hen in strijd geweest,
zonder dat echter noch de Duitschers in massa in Italië, noch de
Italianen bij de Germanen op die wijze inheemsch geworden zijn, als de
hun nader staande Galliërs.--Een diep gewortelde afkeer voor elkander
schijnt de naturen dezer beide, zoo sterk met elkander contrasteerende,
landen en stammen eigen te zijn. De Italianen vermochten het Rijn-
en Donauland nooit in die mate te romaniseeren als het Celten-land;
zij werden daaruit door meer dan één Varus-slag verdreven.--Omgekeerd
hebben ook de onbeschaafde Noordlanders, hoe dikwijls zij ook het
fraaie Zuidland binnentrokken, daar nergens op den duur hun ras, hunne
taal en zeden heerschend kunnen maken.--"Italië, ofschoon overwonnen,
stond tegen hunne betrekkelijk weinig talrijke scharen altijd over,
met eene dichte bevolking, met eene oude beschaving en met eene
weelderige natuur. Het slikte de binnenrukkende Duitschers altijd
naar lichaam en ziel op." Het was aan weerszijden spreekwoordelijk,
dat Welschland bestemd was het graf der Teutonen te worden. En bij
dezen bleef altijd het oude spreekwoord in zwang: "_Graecia capta
ferum cepit victorem._" Het onderworpene beschaafde volk ving de
wilde overwinnaars in zijne zijden netten.--De Herulers, de Gothen,
de Vandalen zijn, ofschoon zij lang in Italië den baas speelden,
allen weder spoorloos verdwenen en weggevaagd.

Alleen de Longobarden maken daarop eene uitzondering. Deze Germanen
oefenden inderdaad een zeer merkwaardigen en blijvenden invloed op
Italië uit. Zij worden ons als de wijste, koenste en dapperste van alle
Italië binnenrukkende Duitsche stammen geschilderd, en men vergelijkt
hunne inmenging op volk en land met die der Franken in Frankrijk en
met die der Anglo-Saksen in Engeland. Zij verspreidden zich bijna
over het geheele schiereiland; zelfs in het Zuiden stichtten zij de
lang bestaan geblevene Hertogdommen Spoleto en Benevento, die het
grootste gedeelte van Midden-Italië en van het tegenwoordige Napels
bevatten. In het Po-dal echter schoten zij het diepst wortel, en
smeedden daar de ijzeren kroon, den diadeem der latere zoogenaamde
Koningen van Italië, die nog op de plaats ligt, waar de Longobarden
dien, eens nederlegden.--Daar zij zich er geheel inheemsch maakten,
zoo smolten zij ten laatste geheel met de bewoners van het land samen,
en oefenden zij een niet geringen invloed uit op de vervorming der oude
Romeinsche taal tot de nieuwere Italiaansche. Zelfs nadat zij zelven
reeds in Italianen vervormd waren, bleef nog de door hen ingevoerde
staatsvorm, het Duitsche recht en het leenstelsel bestaan. In den
beroemden Lombardischen stedenbond, en in de nog heden gebruikt
wordende Germaansche benaming "Lombardye" voor het Po-dal, heeft hun
volksnaam zich evenzeer behouden, als die der Angelen in "Engeland" en
die der Franken in "Frankrijk". Ook verraden de bewoners van dit dal,
van Turyn tot aan Ravenna en Rimini, nog heden niet onduidelijke sporen
eener vermenging met Germaansche bestanddeelen. "Daar kenmerken de
menschen zich" volgens de getuigenis van een Italiaanschen ethnograaf,
"nog heden door eene lichtere kleur van haar, blankere gelaatskleur,
groote levendige oogen, slanke deftige maar zelden fijne gestalte,
van de andere Italianen.--Ook is daar de taal ruwer en rijker aan
consonanten, dan daar waar de Germaansche invloed onbeduidend of in
het geheel nièt geweest is, zooals in Rome, Toscane en nog meer in
Zuidelijk Italië". "Zij munt uit," zegt een Italiaan, "door kracht
en kortheid."

Even als de Noordsche spraakklanken, zoo is ook de krijgshaftige
geest van het Noorden hier meer te huis gebleven. Napoleon en na hem
Oostenrijk en later Victor Emanuel, recruteerden in Noordelijk Italië
aan den Po hunne beste Italiaansche regimenten.

Eindelijk vinden wij daar ook nog, op de weide-plateau's en in de
boschachtige schuilhoeken van eenige schoone bergen bij Vicenza en
Verona, eenige nog heden tamelijk onvervalschte overblijfselen van
Duitsch volk, midden in den schoot van den Italiaanschen stam, de
herdersdorpen der zoogenaamde _Tredeci_ en _Sette Comuni_, die nog
heden ten dage een Duitsch dialekt spreken, en die er roem op dragen
afstammelingen der oude Germanen te zijn.

Na de Germaansche volkenbeweging in de de 5de en 6de eeuw, zijn nog
ontelbare malen Duitschers over de Alpen Italië binnengetrokken. De
Frankische Koningen en de Duitsche Keizers uit het Saksische,
Salische en het Hohenstaufsche huis, hebben door kracht van wapenen
een dikwijls bestreden heerschersrecht in Italië geldig gemaakt.--Door
deze van tijd tot tijd wederkeerende en als de noordewind invallende,
zoogenaamde "Romeinen-tochten" der Duitsche Keizers, werden echter
geene nieuwe Germaansche bestanddeelen in de massa van het Italiaansche
volk gebracht, het waren geene volksinvallen. De Duitsche Keizers
verschenen slechts voorbijgaande aan het hoofd hunner krijgshaftige
oorlogscharen.--Dikwijls streden zij met Italiaansche troepen tegen
de Italianen, die eeuwen lang door tweespalt in partijen verdeeld
waren, en onder wie de Duitschers zich, slechts zoo lang hunne
tegenwoordigheid duurde, gehoorzaamheid en aanhang verschaften;
eene germaniseering van Italië bewerkten zij niet. De Duitsche
Keizers, zooals b.v. Frederik II, werden daarbij eerder zelven
Italianen. Ook lieten zij het land meermalen door Italiaansche
staatslieden en raadgevers besturen, en namen deze ook wel mede
naar Duitschland. "Telken male echter," zegt een Italiaansch
geschiedschrijver, "waschte de eerste lenteregen het bij deze
"Romeinen-tochten" vergoten bloed weer weg. De eerste oogst, rijk
gevoed door een bodem, bemest door de lijken der Noordlanders,
maakte de schatting weder goed, die de verkwisting der soldaten
noodig gemaakt had, en de zonen van het Zuiden wischten zich de
tranen uit de oogen, grepen weder naar de lier en begonnen weder op
hunne eigenaardige wijze te zingen als een zwerm vogels wanneer de
stormwind voorbij is."--Dat deze voorstelling over het geheel de
ware is, bewijst onder anderen de Italiaansche taal. Want het is
verwonderlijk, hoe weinig Duitsche woorden, trots al die scharen
van duizend en nog eens duizend Duitschers, die naar Italië gekomen
zijn, aan haar bleven hangen. Uitdrukkingen als: "_guerra_" (weer),
"_arnese_" (harnas), "_stivali_" (stevels), "_caccia_" (jagt),
"_fiasci_" (flesch), "_bicchiere_" (beker), hebben alleen op jagt,
oorlog en drinkgelagen en dergelijke zaken betrekking.--Overigens
zijn, naar men zegt, in de locale dialecten van enkele bergdalen,
zelfs in de Apennijnen, zulke Duitsche spraakbrokken meer bewaard,
dan in de Italiaansche spreek- en schrijftaal.



Even als met de Celten en Germanen, zoo zijn eindelijk de Italianen
ook met de derde groote Indo-Germaansche volkengroep, met de Slawen,
in aanraking gekomen.

In den Noord-Oostelijken hoek van Italië woonde reeds lang een volk,
dat de geographen der ouden voor Illyriërs (Albaneezen?) hielden, en
dat zij "Venetiërs" noemden, van welken naam hun land ten Noorden der
Adriatische zee, den zijnen "Venetia" ontleende. Wegens de overeenkomst
van dezen naam met dien onzer Slawische "Wenden", en op andere gronden
hebben verscheidene historici vermoed, dat deze oude Venetiërs,
van wie de stad Venetië haren naam ontleende, oorspronkelijk Slawen
geweest zijn, die eerst later geitalianiseerd geworden zijn.--De nog
heden den Venetiaanschen mond eigene zachtheid van toon, vooral in
tegenstelling met den harden toon der Lombarden, zouden een gevolg
dezer Slawische verwantschap zijn. Ook hebben verscheidene namen der,
nu Italiaansche, steden in de nabijheid van Venetië, zooals "Triest",
"Pola", "Grado" en andere, een Slawisch karakter.

Dat ten tijde der volksverhuizing, met de Germanen, vooral ook met de
uit Hongarije hier binnenrukkende Longobarden, ook vele Slawen naar
Italië kwamen, even als in onze dagen met de Oostenrijksche legers,
is aan geen twijfel onderhevig. Hunne elementen zijn daar echter
onder Germaansche namen verborgen.--Even zoo uitgemaakt zeker is het,
dat de Noord-Oostelijke uiteinden van Italië, reeds in de 7de eeuw
door Slawen omsingeld waren. De Slawische taal was toen zelfs aan
het hof van den Hertog van Friaul in gebruik, en de Slawen trokken
dikwijls over de Isonzo op Italiaanschen bodem, en stichtten daar
steden, burchten en dorpen, die nu nog bestaan en waar beide talen,
het Italiaansch en het Slawisch nog heden gesproken worden. Op eene
tamelijk uitgestrekte lijn, langs de grenzen van Karinthië, Kroatië en
Istrië, zijn Slawische en Italiaansche elementen met elkander vermengd,
en deze grens is, door de veroveringen en volkplantingen der Italianen
in Illyrië en Dalmatië, nog verder uitgebreid geworden. Daardoor
werd Venetië zelve een middelpunt voor de Slawen, die als matrozen
en soldaten daar heen gingen, wier voorname geslachten niet zelden
in de Venetiaansche aristocratie werden opgenomen, en wier heldere
geesten somwijlen deelnamen aan het streven der Italianen om kunst
en beschaving te ontwikkelen.



Uit dit overzicht der vroeger Italië binnengedrongene volken,
blijkt dus, dat dit land in oude tijden,--vóór Rome--door de meest
verschillende stammen, men kan zeggen door gedeelten van alle in Europa
en om de Middellandsche Zee wonende rassen, bewoond was, en dat het
ook in het vervolg van tijden meermalen weder door al deze stammen, die
daarheen als tot een geographisch middelpunt samenliepen, aangegrepen
werd. Vraagt men nu, hoe al deze op het schiereiland van de vroegste
tijden af voorhandene, en steeds op nieuw binnendringende vreemde
elementen, zich tot één volk gevormd hebben dat in aanhoudenden
strijd met hen eene gelijkvormige nationaliteit ontwikkeld en
behouden heeft? Het is vrij wel uitgemaakt dat de eerste, en ook
voor alle tijden voornaamste grondvesters van een "_Italia Unita_,"
de Romeinen geweest zijn.--Zij waren van oud-Italiaanschen stam en
bewoonden het midden van het lange land, waar zich altijd de echte
Italiaansche natuur zuiverder bewaard heeft, dan in de naar het Oosten
gekeerde Zuidelijke punt, en in de, het Noorden de hand reikende, Po-
en Alpendalen. Van uit het midden veroverden de Romeinen het eene der
Italiaansche landschappen na het andere, het eerst die der met hen
verwante Latijnen, Umbriërs en Samnieten, en ook die der zeer van hen
verschillende Etruskers.--Hunne veroveringen sleepten niet alleen
eene omverwerping van de oude staatsregelingen der onderworpene
steden en staten na zich, maar ook eene vereenzelving in bloed,
zeden en taal. Burgerlijke- en militaire koloniën trokken buiten de
muren der stad Rome, en maakten het geheele land, waarover zij zich
verbreidden, gelijkvormig. De groote land- en militaire wegen, die
de Romeinen in de Apennijnen in verschillende richtingen aanlegden,
brachten er het hunne toe bij, om het geheele schiereiland in een
maatschappelijk geheel te hervormen. De scherp in het oog vallende
volkseigenaardigheden verminderden allengs overal. De oude, zeer van
elkander verschillende Oscische, Etrurische, Ausonische tongvallen,
werden overal op den achtergrond gedrongen, de Romeinsche of Latijnsche
taal werd overal de heerschende.

Op die wijze overal omwentelingen en volksplantingen aanbrengende,
drongen de Romeinen ook het Grieksche Beneden-Italië en Sicilië
binnen. Ook daar moesten Grieksche taal en zeden het onderspit delven
voor de Romeinsche. Daar de Romeinen hier echter het gebied eener
meer ontwikkelde en oudere beschaving binnenrukten, zoo konden zij
er wel niet buiten, hier veel van aan te nemen, en van toen af aan
ging derhalve ook de toenemende Latiniseering van het schiereiland,
met de toenemende Helleniseering der Romeinen hand aan hand.

Van dit Zuiden, niet uit de muren hunner stad, waaruit zij anders
alles van daan haalden, ontleenden de Romeinen den naam van het door
hen tot één gemaakte en veranderde land en volk. Geene benaming
zou er natuurlijker voor geweest zijn, dan de naam "_Romania_"
(het land der Romeinen), want de Romeinen waren zijne scheppers.--In
stede van dien duldden zij het, dat uit de zuidpunt van het land,
wij kunnen niet meer nagaan _hoe_, de ten eenemale onbekende naam
van een arm herdersgeslacht, zich als eene slingerplant uitbreidde
en het geheele schiereiland overtoog. In de landpunt aan de zeeëngte
van Messina, die wij heden ten dage Calabrië noemen, moet volgens de
legende in oude, gouden tijden een Koning "Italus" geheerscht hebben,
wien ter eere de menschen daar, die tot dien tijd toe "_Oenotri_"
(d.i. de wijnbouwers) heetten, zich "Itali" en hun land "Italia"
noemden.--Volgens anderen zouden de Calabriërs dezen naam, uit
hoofde hunner schoone weidevelden, van oudsher gevoerd hebben;
want "Italia" van oudsher verwant met het Latijnsche "_Vitulus_"
(jong rund) moet zooveel als het runder- of weiland beteekenen. Nog
tijdens den bloei van het oude Syracuse strekte zich echter deze
naam, die voor zoo grooten roem bestemd was, niet Noordwaarts van het
Calabrische schier-eiland uit. Langzamerhand sedert de 4de eeuw voor
Christus geboorte, omvatte hij reeds het Zuidelijk Italië.--Tegen
het einde dezer eeuw namen de Romeinen hem aan, toen zij Zuidelijk
Italië veroverden; zij brachten hem verder Noordwaarts, aanvankelijk
echter niet aan gene zijde der Toscane omgevende Apennijnen.--Daar
scheidde de Rubico, eene kleine rivier in het Zuiden van Ravenna,
nog lang dat wat men "Italië" noemde, van de Noordelijke Po-vlakte,
die nog onder den naam "Gallië" begrepen werd. Eerst na de Punische
oorlogen drongen de Romeinen ook als overwinnaars, koloniseerende
en de oude Cis-Alpijnsche Galliërs hunne nationaliteit ontnemende,
het Po-land binnen. Zij verbreidden hunne taal en zeden en die der
nu met hen verbondene Italianen, van het Zuiden tot aan den voet der
Alpen, die hun eene zeer natuurlijke grens van hun verruimd vaderland
toeschijnen moest. Deze italianiseering van het Po-land was echter
reeds lang half voltooid, voor men het den naam Gallië officieel
ontnam. Eerst Keizer Augustus volgde de publieke opinie, die reeds
toen algemeen tot aan de Alpen reikte, dat is, hij breidde den naam
Italië zoover uit als die later bijna altijd gegolden heeft, tot aan
den Varus of Var bij Nizza tegen Gallië, tot naar Istrië in het Oosten
en tot aan de gletschers in het Noorden. Men mag dus Keizer Augustus
als den schepper van het idee "Italië" en "Italianen" beschouwen.

De geheele bedwinging en verovering van Italië door de Romeinen, kan
men beschouwen als eene vereeniging der Italianen tot één staat onder
echt Italiaansche banier, als eene gelijkmaking en samensmelting van
al het vreemde op Italiaanschen bodem tot één volk.--De Italianen
hebben door de Romeinen onder alle volken in Europa, het eerst het
voordeel behaald, dat zij, als een, wat taal, zeden, sociale en
politieke inrichting betreft, vereenigd volk daar stonden, in een
tijd, toen nog alle andere rassen van ons werelddeel in stammen en
clans opgelost, door elkander lagen. Zulk eene nationale vereeniging
was zelfs den zoo hoog beschaafden, maar altijd in tweespalt levenden
Grieken nooit gelukt.

Het werk der, om zoo te zeggen voor de eeuwigheid bouwende Romeinen,
heeft alle wisselvalligheden der volgende eeuwen overleefd. De door
hen gelegde grondslagen voor de Italiaansche eenheid, vormen nu nog
de basis der Italiaansche nationaliteit. Hunne, in het verloop der
tijden gewijzigde taal, den door hen aan het volk, tusschen de Alpen
en Sicilië, gegeven toon, en de herinnering aan hunne heldendaden,
zijn in alle eeuwen tot op den huidigen dag, het patriotische cement
geweest, dat de Italianen tot één volk verbond en verbindt.--Alleen de
voorbereidselen der Romeinen maakten het mogelijk dat de liederen, in
lateren tijd door een Dante of Petrarca aan den Arno gezongen, in het
geheele land als uit het gemoed des volks voortgekomen, weerklonken.

De stempel, dien zij op het volk, tot aan den Var en tot aan den
bovensten rand der Alpen, drukten, was zoo onuitwischbaar en vast,
dat die altijd weder, door alle later daarover uitgeschudde elementen
heen, te voorschijn kwam en zich overwinnend naar boven werkte, en dat
Italië ten allen tijde daarnaar streeft, zich politiek binnen dezelfde
grenzen te vereenigen, die Keizer Augustus het afbakende.--Deze
vroeger door de Romeinen tot stand gebrachte vereeniging van geheel
Italië tot ééne gelijksoortige natie, gaf den Italianen het groote
overwicht over Europa, waardoor zij in staat waren ons werelddeel
te veroveren. Italië werd onder de Romeinen in zoo hooge mate en in
zoo uitgebreiden zin het levens-centrum van geheel Europa, als na hem
geen ander Europeesch land en volk weder geweest is.--Het bloed en de
denkbeelden van het geheele beschaafde _Orbis terrarum_, culmineerden
en centraliseerden een vijfhonderdtal jaren in Italië.--"Rome ontving
bij zich alle vreemdelingen, drukte hun zijn stempel op het voorhoofd
en zond hen als Romeinen weder de wereld in."

Daar zij een zoo krijgshaftig, krachtvol, ernstig, consequent,
gedisciplineerd, politiek en wetkundig volk waren, als men nauwlijks
eenig ander in de geschiedenis aantreft, zoo hebben zij dien ten
gevolge ook meer dochter-volken en dochter-talen in de wereld gebracht
dan eenig ander volk.--Zij brachten eene min of meer algeheele
romaniseering of italianiseering van alle landen en volken, van
af Schotland tot aan Afrika, van het Pyreneesche schiereiland tot
aan den Eufraat, tot stand. De in verschillende landen gesprokene
talen werden, door de wereld veroverende Latijnen, niet alleen
uit de gerechts-zalen en bestuurs-bureau's van het rijk, maar
grootendeels ook uit de bijeenkomsten der beschaafde maatschappijen
verdrongen; de Grieksche taal was bijna de eenige die naast die der
Latijnen bleef bestaan. De bijzondere rechtspraak en de oude staats-
en maatschappelijke instellingen der verschillende rijken, weken
overal voor de algemeen in zwang komende rechtspraak en toestanden
der Romeinsche monarchie.

Overal waar de Romeinsche soldaat zijn kwartier opsloeg, de
Romeinsche kolonist zijne akkers omheinde, aan de Theems, aan den
Donau, aan de Tigris en den Nijl, zetten zich ook de Romeinsche
bankier en de Romeinsche koopman neder, begaven zich ook uit Italië
de landmeters en de architecten, de opperpriesters en de advokaten,
de schoolleeraars, de kunstenaars en de handwerkers heen. Overal werden
de tegenstellingen uit den weg geruimd, die vroeger de nationaliteiten
zoo streng van elkander scheidden, en naast de uiterlijke gelijkheid in
de officieele taal, in het geld, de rechtspraak en de administratie,
werd het geheele leven, denken en wezen der volken met Romeinsche
elementen doordrongen. "Onder alle hemelstreken" zegt Prudentius,
"leefden de menschen op Romeinsche wijze, als ware de geheele wereld
slechts ééne Italiaansche stad."

Trots de later volgende eindelooze omwentelingen en volksverhuizingen
is deze stempel, dien de Romeinen een groot gedeelte van Europa op
het voorhoofd drukten, in den loop der eeuwen niet weder verloren
gegaan. Waarheen wij ons ook wenden, overal ontmoeten wij nog heden ten
dage hunne machtige en onvergelijkelijke inwerkingen. Zij lieten in ons
werelddeel, de ver verbreide groep der naar hen genaamde Romaansche
volken, achter.--Evenals de nationale geest en de taal der Italianen
zelve, zoo rusten ook die der Spanjaarden, der Portugeezen, der
Franschen, der Belgen, der ver langs den Donau verspreide Walachyers
op de, door de Romeinen door romaniseering gelegde fundamenten.

Maar hun invloed op de beschaving van Europa steekt verre uit boven
het bestaan hunner politieke macht en bloei. Zelfs nadat hun lichaam
reeds lang dood was, waarde de door hen in het leven geroepen geest
in Europa nog rusteloos rond, groote daden verrichtende en bijna nog
meer volken bindende, dan hunne legioenen zulks vermocht hadden.

De met de Romeinen opgegroeide en door hen zeer ontwikkelde taal,
bleef nog, bijna een duizendtal jaren na de ontbinding van het
Romeinsche rijk, de taal van den beschaafden stand, der dichters,
der diplomaten, der wetgeving en van het algemeen verkeer in ons
werelddeel.--Zij verwierf zich zelfs het burgerrecht in landstreken,
waarin Romeinsche krijgslieden nooit gekomen waren, b.v. ook in het
geheele uitgestrekte land der Sarmaten en in Skandinavië.--Zij is
nog heden ten dage naast hare zuster, de Grieksche taal, de taal
der wetenschappen in zoo hoogen graad, dat men zelfs geene nieuwe
uitvinding, geen aan de uiteinden der wereld gevonden plantje,
gelooft wetenschappelijk geplaatst te hebben, wanneer men er geen
Latijnschen naam aan gegeven heeft.--Nog omstreeks het einde der
midden-eeuwen werden de dichters vóór Petrarca, niet voor dat wat zij
in hunne _eigene_ taal gezongen hadden, maar voor hunne _Latijnsche_
gedichten op het Kapitool gekroond, zooals ook nu nog onze geleerden,
alleen door in het Latijn geschrevene verhandelingen, den graad van
doctor verwerven kunnen. [11]

Ofschoon de Romeinen geen oorspronkelijken naam voor den eeuwig
bloeienden aanvoerder der Muzen uitgedacht, maar den naam "Apollo"
onveranderd van de Grieken overgenomen hebben, ofschoon hunne poëzie
niet oorspronkelijk was, maar er de "geestdrift der Grieken luide
in weerklonk", zoo hebben zij toch alles, wat zij van Griekenland
ontvingen, met eene zoo groote politieke macht gestut, dat zij en
hunne taal de dragers en verbreiders ook der Grieksche ontwikkeling
in Europa geweest zijn.

"Voor de schoone kunsten hebben de stijve, harde, punctueele, dappere,
geheel door heerschzucht vervulde Romeinen het minst gedaan." Zij
waren vreemdelingen op dit gebied, en bedienden zich hierop van
bijna niets anders dan van het hoofd en de armen der Grieken. Niet
ten gevolge eener warme geestdrift voor de kunst, maar ter opsiering
hunner Keizerstad, plunderden zij de veroverde landen en voerden zij
de kunstschatten naar Italië.

"Ook in de wijsbegeerte waren zij slechts napraters der diepzinnige
Grieken. Men bemerkt dit het best in hunne taal, die zoo arm
schijnt aan philosophische uitdrukkingen en kunstwoorden, dat
Plato en Aristoteles moeielijk in goed Latijn kunnen vertaald
worden."--Daarentegen hebben zij, als eene door en door tot
heerschappij voeren geborene en gevormde natie, in hunne taal even
als in hunnen geest en hunne wetgeving, alle bont geschakeerde
rechtstoestanden en rechts-vragen van het burgerlijke leven beter
doorschouwd, bewerkt en de taal daarvoor beter bruikbaar gemaakt,
dan eenig volk te voren.



Hun recht heeft tweemalen de wereldkwestiën geregeld, eens,
zoolang hunne Keizers nog den schepter zwaaiden, door den steun
van hun overwinnend zwaard, en een tweede maal langs vreedzameren
weg, ten gevolge der hulde, die men aan hunne juiste inzichten,
principes en definities vrijwillig toebracht.--Het Romeinsche recht
was reeds eens, ten gevolge van de stormen der volksverhuizing,
buiten gebruik gekomen. Ja! de Justiniaansche codex, de quintessence
van dit recht was, even als eens ten tijde der Makkabeën bij de
Joden de Mozaïsche canon, verloren gegaan. Hij moest uit het puin
der verwoesting weder voor den dag gehaald worden, even als de
Laokoon-groep, de Venus van Medici en andere antieke standbeelden;
en even als aan deze uitgegravene Grieksche kunstscheppingen zich
een nieuw tijdperk der kunstgeschiedenis vastknoopte, zoo kwam ook
uit het weder ontdekte Romeinsche wetboek, eene nog veel machtiger,
laat geborene heerschappij der burgerlijke wetgeving der Romeinen
te voorschijn.--Deze merkwaardige tweede verovering der wereld
door de Romeinsche wet, ging in de midden-eeuwen van eene der
voornaamste en oudste leer-inrichtingen in Italië, van Bologna,
uit. Een geleerde, Irnerius, begon in de 15de eeuw de pandecten
te lezen, te bestudeeren en te verklaren. Op zijn aandrang werden
daarop Romeinsche recht-scholen gegrondvest, en toen weldra haar roem
zich verbreidde, zonden de volken van allerwege hunne weetgierige
afgezanten over de Alpen, werden de geduldige scholieren der, uit
den mond der Italiaansche professoren tot hen sprekende, Romeinen,
en staken nog eenmaal geheel vrijwillig hun nek in het Romeinsche juk.



De rechtsgeleerden der Romeinen brachten langzamerhand de onderwerping
tot stand van geheel Germanië en van vele andere volken, die hunne
veldheeren niet hadden kunnen bedwingen; de verhoudingen en toestanden
van iedere stad, van ieder dorp in Europa, werden naar de uitspraken
en besluiten der oude, reeds lang verstomde Romeinsche praetoren en
Keizers geregeld.


    Staten blijven niet eeuwig bestaan,
    Ook zijn reeds geheele geslachten
    Door der tijden wisseling vergaan,
    En dus als vergeten te achten.
    Maar aan den hoogsten bergtop gelijk,
    Door Aurora omkranst steeds met licht
    Is slechts de Vorst, aan schranderheid rijk,
    Die zoo veel goeds daardoor heeft gesticht.


Dit woord van den grooten Schiller, dat hij tot lof der groote
mannen zong, mag men in nog hoogeren zin van toepassing beschouwen,
op den geest van zulke krachtig optredende en verstandige volken,
als de Grieken en de Romeinen. Even als de Montblanc werpen zij
breede schaduwen over de landen heen; zij verlichten nog lang het
landschap, als hun voet reeds lang in duisternis begraven is.--Zij zijn
onsterfelijk, en zelfs als zij schijnen te sterven, is het eigenlijk
geen dood, maar slechts eene verpopping en een weder opleven in
anderen vorm.



Reeds terwijl hun door de barbaren het zwaard afgenomen was, hadden
de Italianen zich een anderen schepter der wereldheerschappij
gevormd. Rome had de zaden van het christendom in haar boezem
opgenomen, en de uit dit zaad ontkiemende wijnstok, de macht van den
Romeinschen bisschop, had zich ongemerkt en langzamerhand tegen den
boom van het Keizerschap aangeklemd en was met hem opgewassen.--Nadat
de barbaren den Keizerlijken eik geveld hadden, bleef de moeielijker
op te ruimen rank der Kerk bestaan. Daar zij den wereldlijken
schepter niet meer zwaaien konden, grepen de Romeinen naar den
bisschoppelijken staf, en met dezen hebben zij langzamerhand in den
loop der midden-eeuwen, door zachtere kunsten, door zachtere middelen
en wegen, door woord en overreding, weder alle volken van Europa in
hun net vastgesponnen.

Onder de vele gaven, die wij uit de handen van Rome en Italië
ontvingen, is de gewichtigste: het Christendom. Het groote werk der
verchristelijking, dat in Rome begonnen werd, werd van daar uit, door
Italië's zonen, trots de stoornissen door het ongunstige politieke
lot van hun vaderland, verder gebracht.--Er is een tijd in Europa
geweest,--en die tijd duurde lang--toen Italianen, als zendelingen
der nieuwe leer, door alle landen van ons werelddeel trokken, om
het barbarendom en heidendom te bezweren, en toen Italianen aan de
hoven der Koningen en in de hoofdsteden der volkeren, als kerkvorsten
aan het hoofd der geestelijke zaken stonden. Daar zij als soldaten en
praetorianen niet meer de Keizerskroon vergeven konden, begonnen zij nu
het als priesters te doen. Sedert Karel de Groote, omstreeks het jaar
800, deze kroon uit de handen van Leo III had ontvangen, was Rome,
de eeuwige stad, weder de hoofdstad der wereld. Het groote overwicht
der door de Italianen gevormde, onderhoudene en grootgebrachte macht
der christelijke kerk bewerkte, dat in de midden-eeuwen even als in
de oudheid, de geschiedenis van Europa, Italië weder tot brand- en
middelpunt verkreeg, waarop alle kampstrijden, de geestelijke zoowel
als die van den krijg, gestreden werden.

"De Roomsch-Christelijke kerk, haar indrukwekkende ritus, de pracht
en het betooverende van haar cultus, die den geest op verheven zaken
leidt en de ziel tot godsdienstigheid opwekt, hare liefelijke aria's,
hare indrukwekkende kooren, hare schitterende versierselen, de groote,
majestueuse ruimte harer Godshuizen, het bekoorlijk poëtische waas,
dat haren geheelen godsdienst een zoo verheerlijkt uiterlijk geeft,
hare aantrekkende geheimzinnigheid, die het gemoed naar hoogere
sfeeren brengt"--dat alles is een werk van Italiaansche vinding en
kunst.--In alle landen van Westelijk- en Midden-Europa, noordelijk
tot aan de Noordkaap, en oostelijk over de grenzen van Sarmatië,
verbreidde zich deze door de Italianen geregelde godsdienst en de
door hen georganiseerde kerkelijke heerschappij. Overal diende men
God op Italiaansche wijze en in de door de Italianen over de wereld
verspreide taal. "Italië was de opperheerscheresse in het rijk der
hoogste geestes-aangelegenheden."--In de 11de eeuw, toen den geweldigen
Benedictijner-monnik Hildebrand de driedubbele kroon op het hoofd
gezet werd, bereikte deze theocratische monarchie der Italianen,
die bijna geheel Europa omvatte, even als eens onder Augustus hunne
militaire monarchie, hare voltooiing.

Even als die jonge Mongoolsche paardenhoeder, en nog met meer
recht dan Dschingis-Chan, kon de geniale zoon van een Italiaanschen
handwerker zeggen, "de geheele wereld draait zich om mij, als om haar
middelpunt."--De Keizers hielden de stijgbeugels der hoogepriesters
van Italië, en de Koningen van Europa kwamen om hun den pantoffel
te kussen. De macht dezer Romeinsche Kerkvorsten heeft nog langer
geduurd dan die der Romeinsche consuls, en hunne reeks is langer dan
die der Romeinsche Imperatoren. En ofschoon later ook deze wijze van
Italiaansche suprematie, even als die welke zij door hunne Imperatoren
over Europa uitgeoefend hadden, door een nieuwen geestelijken Arminius
in de wouden van Duitschland gebroken werd, zoo is toch nog heden
ten dage een groot gedeelte van ons werelddeel, met betrekking tot
hun werkelijk leven en godsdienstig denken, als geitalianiseerd,
of als onder den invloed van Italië staande, te beschouwen.

Ja, het terrein, dat in Duitschland en in het Noorden van Europa voor
het Pausdom verloren ging, werd rijkelijk vergoed door de provinciën,
die zijne zendelingen, zijne jezuïten en bedelmonniken aan gindsche
zijde van den oceaan in de nieuwe wereld veroverden.

En dit Pausdom, deze door Italië voortdurend uitgeoefende geestelijke
wereldheerschappij, heeft een zoo onverwoestbaar leven, dat ook
tot nu toe, al de groote volksstormen van den nieuweren tijd, de
Fransche revolutie, de Napoleontische oorlogen, de volksbewegingen
van 1848 en de nieuwste omwentelingen in Italië zelve, die allen het,
als Luther in Duitschland, met wortel en tak dreigden uit te roeien,
het slechts weinig geschaad hebben. Het zwenkte door al die stormen
heen, werd wel heen en weer geslingerd, maar bleef voor anker liggen
en gebiedt nog heden, even als vroeger.

De Katholieke kerk en het Pausdom zijn wel de meest grootsche en de
invloedrijkste scheppingen, die uit den geest van het moderne Italië
te voorschijn getreden zijn, maar het zijn niet de eenige.--Tegelijk
met den opbouw der Kerk en ten deele onder hare bescherming, die zij
hun in den strijd met de Duitsche Keizers verleende, bloeiden in Italië
eene menigte andere staten en republieken, zetels der beschaving.--Eene
voorliefde, als ik het zoo noemen mag, voor een stedelijk, burgerlijk
en republikeinsch volksbestaan, schijnt van oudsher den geest der
Italianen eigen geweest te zijn. Wellicht heeft zij haren oorsprong te
danken aan het karakter van hun vaderland, dat in zoo vele afgesloten
deelen is afgeperkt. Reeds in de oude tijden zien wij het land met
steden bedekt, en het volk niet zooals de Duitschers, in onderlinge
betrekkingen die door het boerenbedrijf of het landbezit in het leven
waren geroepen; niet zooals de Slawen vereenigd door den band van
het familieleven, van stam- of bloedverwantschap, maar in stedelijke
gemeenten of stedelijke staten vereenigd. Eene stad noemen de Italianen
"_una nazione_".

Reeds ten tijde der Etruskers ging in Italië alles van de steden
uit. Alle oorlogen der oude Italianen onder elkander waren oorlogen
van stad tegen stad. Niet door een machtig geslacht van volken-vorsten,
zooals het later de Karolingers waren, maar door de burgers eener stad,
werd de Romeinsche wereld-verovering doorgezet. Ten tijde der Romeinen
scheen, zooals ik reeds opmerkte, geheel Italië, ja! geheel de wereld,
slechts eene enkele stad te zijn. Geheel Italië verkreeg van hen
burgerlijke stadsrechten, het geheele rijk der _Orbis terrarum_, om
zoo te zeggen eene stedelijke inrichting. Door den inval der Duitsche
Koningen en adellijke geslachten, werd deze in Italië diep-gewortelde
neiging tot eene stedelijke huishouding een tijd lang verbroken. Want
de Germanen waren, om zoo te zeggen, een volk bestaande uit herders en
landlieden. Zij gaven den door hen veroverde rijken eene Koninklijke
familie- en huisgezin-regeling, die haar model aan de inrichting
van den zetel van een landerijen bezittend edelman schijnt ontleend
te hebben. In de latere middeneeuwen echter, nadat de barbaren zich
geitalianiseerd hadden, en de Trans-Alpijnsche Keizers in de Pausen
machtige tegenpartijen hadden leeren kennen, kwam het oud-Italiaansche
stadswezen weder te voorschijn. Het geheele land en volk, loste
zich als een paarlsnoer in eene menigte stedelijke republieken op,
weder even als vroeger tijdens de Etruriërs en Groot-Griekenland,
met talrijke bloeiende en schitterende burger-gemeenten. De door
de Duitschers ingevoerde land- en leenadel verdween. In geen
land van Europa werd het feudaal-systeem en de landbouwstaat zoo
vroeg afgeschaft als in Italië. Alleen Zuidelijk Italië en Sicilië,
maken daarop eene uitzondering. De ridderschap ging in de stedelijke
republieken, en zelfs in de kleine monarchieën, waarin na eenigen tijd
vele deze kleine republieken veranderden, ten onder. Want deze nieuwe
monarchieën, hunne Heeren en Hertogen waren, zooals de Medici's in
Florence, de Dogen en de patriciërs in Venetië en Genua, bijna overal
voortgesproten uit den burgerstand en, om zoo te zeggen opperhoofden
van steden.--Reeds in de 14de eeuw was de, uit den vreemde overgekomen
riddergeest in Italië, waar zij bovendien nimmer diepe wortels
schoot, geheel verloren. "Deze overwegende invloed der steden in de
midden-eeuwen," zegt de Italiaansche geschiedschrijver Sismondi, "is
de oorsprong van het _moderne_ Italiaansche karakter. Dientengevolge
is bij hen alle landeigendom nagenoeg alleen in handen der steden,
en de bebouwer van den grond is geen onafhankelijk land-edelman
met zijne slaven, ook geen vrije burger die een eigen bezit heeft,
maar slechts een pachter van den stedelijken burger." Daaraan is ook
de minder scherpe afscheiding der maatschappelijke standen in Italië
toe te schrijven. De hoogere standen, de adel, zijn in Italië met den
burgerstand veel meer saamgewassen dan in Duitschland of Frankrijk. Men
heeft hun de overmoedige aanmatigingen, van den ouden Duitschen en
Franschen hof- en heeren-adel, nooit kunnen verwijten. Ook is in
Italië de adel nooit met zoo hevigen haat vervolgd geworden als in
Frankrijk, omdat hij in bloed, gezindheid en werkzaamheid veel nauwer
verbonden was met de burgerlijke standen en de steden."--Uit hetgeen
ik gezegd heb, mag men echter al die eigenschappen niet alleen aan de
nu _moderne_ Italianen toeschrijven. Integendeel vindt men ze, zooals
ik reeds aantoonde, reeds bij de vroegste Italianen, en men kan daarom
ook dat, wat Sismondi een _gevolg_ van het overwicht der steden noemt,
omgekeerd als de oude, sedert duizende van jaren werkende _oorzaak_
van dit overwicht beschouwen.

Even als een welige oranjeboom, met een menigte gouden vruchten
en bloesems, zoo staat ook het met bloeiende steden rijkversierde
Italië der midden-eeuwen daar. Daaronder waren machtige republieken,
zooals Venetië en Genua, die somwijlen tegen eene heilige alliantie
van Europeesche Vorsten stand hielden, en gedurende bijna duizend
jaren zelfstandig in de wereldgebeurtenissen en lotgevallen der
volken ingegrepen hebben.--Ging de ridder- en feudaalgeest in deze
Italiaansche steden te gronde, zoo ontwikkelden zich daarentegen
des te schooner de stedelijke bedrijven. Hunne republikeinsche
staatsregeling bevorderde de talenten; veelzijdige ontwikkeling en
plaatselijk patriotisme vermeerderde de bevolking en rijkdommen,
en deed kunsten en wetenschappen bloeien.--Wanneer wij de heerlijke
schilderingen der Italiaansche toestanden, tijdens den grootsten
bloei van deze hunne stedelijke republieken, dus in de 14de en 15de
eeuw, lezen, en daarbij een blik slaan op de toenmalige toestanden
in andere landen, dan kunnen wij moeielijk gelooven, dat beiden
gelijktijdig waren. "Daar, voornamelijk in Frankrijk en Engeland,
een treurig schouwspel van armoede, barbaarschheid en onwetendheid,
overal gewelddadigheden van onbeschaafde Heeren en door ellende
verbitterde boeren. Met welgevallen wenden wij ons oog van hen af
en slaan het op de rijke, verlichte staten van Italië,--naar de
Apennijnen, die tot aan hunne hoogste kruinen met rijke bouwlanden
bedekt zijn,--naar hare groote, prachtige steden, met hare levendige
havens, hare arsenalen, villa's, museums, bibliotheken, hare markten,
opgepropt met allerlei voorwerpen van genot en smaak, en naar hare
werkplaatsen, wemelende van kunstvaardige arbeiders."

Handel en scheepvaart waren de bronnen van den wasdom dezer
Italiaansche steden. Zij waren de drijfveeren harer daden en het doel
van al haar streven.

Zij legden zich met zooveel talent op den handel toe, dat zij
daarin de onderwijzers voor ons allen geworden zijn. De meeste
kunsttermen die op den handel betrekking hebben, zijn even als het
boekhouden van den Europeeschen koopman, het bank- en wisselwezen, van
Italiaanschen oorsprong.--De Italianen gaven aan de wereld de eerste
proeve van een zeewetboek. Op hunne zoogenaamde "consolato's" berust
de, nu natuurlijk veel beter ontwikkelde, rechtspraak der zeevarende
volken. Er is een tijd geweest, van de 12de tot de 15de eeuw, toen de
wetten van Amalfi, Pisa, Genua en Venetië op alle Zeeën geëerbiedigd
werden. Geen kruistocht kon zonder behulp dezer Italiaansche steden tot
stand komen. Bij de verovering van het Heilige land en later bij die
van Constantinopel, speelden zij eene groote rol en trokken ook van
deze veroveringen het meeste nut.--Hunne koloniën en kustbezittingen
breidden zich over alle havens en voorgebergten der Middellandsche-
en Zwarte Zeeën uit. Genueezen en Venetianen hadden overal, ook in
Spanje, in Barcelona, Sevilla en Lissabon, hunne bloeiende factorijen
en zelfs in Egypte en Syrië hunne kantoren.--In Zuidelijk Rusland,
zelfs in het binnenste van Klein-Azië, vindt men de torens, die zij
vroeger ter bescherming hunner magazijnen of hunner handelswegen
bouwden. Daaraan is het toe te schrijven, dat de Italiaansche taal
tot op den huidigen dag, zelfs onder de heerschappij der Turken,
de voornaamste handels- en zakentaal der geheele zoogenaamde Levant
is geworden. Ook is na dien tijd menige handelstak in het overige
Europa in de handen der Italianen gebleven, zoo b.v. de handel in
Oostersche en Zuidelijke kruiderijen. In Hongarije noemt men nog
heden de handelaars in specerijen in den regel "Walsche," dat is,
Italianen of vreemden, in Duitschland ronduit "Italianen".

Hunne Marco Polo's reisden in de 13de eeuw, handeldrijvende en
zaken doende door geheel Azië, tot aan het hof van den Keizer der
Mongolen, tot aan China en Japan. Hunne zeevaarders, sterrekundigen
en cosmographen waren de kundigste in geheel Europa, en zonder hunne
hulp zou men het omzeilen der wereld niet op touw gezet hebben. Een
Del Cano, een Columbus, een Vespucci, de meeste pioniers der groote
ontdekkingen op den Oceaan, waren Italianen of waren in de Italiaansche
school gevormd.

Even als handelsgeest en handelsdeugden, moesten de Italianen in
hunne steden met zoo verschillende besturen, met hartstochtelijk tegen
elkander over staande partijen, tusschen welke politieke gebeurtenissen
bestendig verhandeld en bepleit werden, ook diplomatische eigenschappen
en politieke talenten verkrijgen. Ook in dit opzicht doorliepen zij
eene hen zoo veelzijdig ontwikkelende school, dat Italië daardoor
voor langen tijd het land der politici werd. Zelfs in hunne slechtste
tijden en toen zij het meest in verval waren, hebben zij aan de
meeste groote staten van het overige Europa heerschers gegeven, in de
gedaante van ministers, staatslieden en afgezanten. Vooral in de 17de
en 18de eeuw hadden Italiaansche staatslieden aan bijna alle hoven
de teugels in handen. In Spanje de Orsini's en na hen de beroemde
kardinaal Alberoni. In Frankrijk de verstandige, uiterst slimme,
ja! men mag wel zeggen, de groote kardinaal Mazarin, wien Richelieu
zijnen Koning als den eenigen aanbeval, die in staat was de leiding
der zaken te kunnen voortzetten. In Oostenrijk de Prins Eugenius,
de grootste staatsman en veldheer van zijn tijd, en Montecuculi,
de eenige, die den Franschen Turenne het hoofd kon bieden. Er was
een tijd, toen men zulke invloedrijke Italianen in alle kabinetten,
zelfs der kleinste staten, vond. En was het in den nieuwsten tijd
ook niet weder een Italiaan, om zoo te zeggen een Romeinsche Cesar,
die 20 jaren lang Europa beheerschte.

Waren de Italianen inderdaad, zooals ik zeide, van oude tijden her
echte stadsmenschen, zoo moesten zij even als den handel, ook voor
alle dingen de voornaamste stedelijke, de echt burgerlijke kunst, de
bouwkunst, beoefenen. En inderdaad, deze kunst heeft onder hen ook het
langst, ja altijd gebloeid, heeft geene afwisselende tijden van bloei
en van verval gekend, als andere kunsten, zooals b.v. de schilderkunst
of muziek.--De Italianen zijn in verschillende tijden de architecten
van Europa geweest. Het was de eenige kunst, waarin de oude Romeinen
van den beginne af uitmuntten, waarin zij anderen niet navolgden. Vele
takken der bouwkunst, b.v. de weg-, de brug- en de vestingbouw, waren
dezen wereldveroveraars bijzonder noodzakelijk. Zij overstroomden de
geheele beschaafde wereld met hunne voor de eeuwigheid gebouwde werken,
wier bouwvallen nu nog luide getuigen van hunnen verheven smaak en
hunne bekwaamheid in dezen tak der kunst. "Een Romeinsch bouwstuk"
is eene spreekwoordelijke beteekenis van een solied bouwwerk.--Zelfs
uit den lateren Keizertijd, toen poëzie en literatuur reeds de
ijzeren eeuw beleefden, hebben wij nog zulke grootsche Romeinsche
bouwstukken. Ja! zelfs te midden der volksverhuizing, toen de lier
volkomen verstomde, zijn, onder Gothische en Lombardische Koningen,
in Italië bewonderenswaardige werken gebouwd.

En de architectuur is ook weder de eerste kunst geweest, die
zich na de tijden der barbaarschheid, reeds in de 10de eeuw,
in de steden van Italië weder ontwikkelde, toen de andere Muzen
nog langen tijd sluimerden. Wij mogen haar dientengevolge dus bij
voorkeur als eene echte, als eene aangeborene dochter van Italië
beschouwen.--Even als de steden- en wegenbouwende oude Romeinen,
zoo hadden ook de, als christelijke zendelingen en afgezanten van
den Paus, de wereld ingaande en altaren wijdende nieuwere Romeinen,
in de allereerste plaats weder de bouwkunstenaars noodig. De zich
in Rome opbouwende kerk moest bij voorkeur door schoone godshuizen
indruk maken. Zij werd de voedstermoeder der bouwkunst. Er ontstond
een prachtige en ver verbreide Italiaansche kerkbouwstijl.--Deze
doorliep in den loop der eeuwen verscheidene phasen. Over het geheel
echter sloot hij zich in zijne zuilen, zijne ronde bogen en zijne
koepels, aan verscheidene reeds lang in Italië inheemsch zijnde
bouwstijlen aan. Hij contrasteerde in alle opzichten sterk met den
door de Germaansche volken later beoefenden, hoekigen-, spitsen- en
torenrijken bouwstijl, die de hoekige, ruwe en hoogdravende Noordsche
barbaren uit het lichaam schijnt gesneden te zijn, maar die onder de,
het liefelijke meer huldigende, om zoo te zeggen meer ronde Italianen
altijd, ofschoon zij ze somwijlen navolgden, iets vreemds gebleven
is. Brunneleschi, de bouwmeester van het paleis Pitti in Florence,
Bramanter, de man die de St. Pieterskerk in Rome haren vorm gaf,
Palladio, de architect van ontelbare dommen en vorstelijke residenties,
zijn eenige der vele Italiaansche bouwmeesters, die door de geheele
wereld in hun vak beroemd zijn geworden. Ja! men trof in Italië geheele
familiën en geslachten van bouwmeesters aan, waarin deze kunst, en de
daarvoor noodige talenten van vader op zoon overerfden. En ook nu nog
treft men daar geheele distrikten of dalen aan, waaruit alle inwoners
als bekwame huis- en wegbouwers de wereld intrekken, om de steden-
en straatwegen in Duitschland of Frankrijk te helpen maken.

Even als in Indië, Egypte en Griekenland, zoo heeft de godsdienst,
de geestdrift voor het goddelijke en voor zijne zinnebeeldige
voorstelling, overal onder de menschen ook aan de andere kunsten
geest en leven gegeven.--Sloegen de christelijke kerk en godsdienst,
de ouders der kunsten, hunnen hoofdzetel in Italië op, zoo moest
Italië, het land van kerken- en stedenbouw, ook het hoofdland voor
alle andere kunsten worden.--De uit den schoot der kerk en der steden
ontstane bouwkunst, die de hulp dier andere kunsten zoo zeer noodig
had, daar zij slechts de ruwe omtrekken en het omhulsel levert, die
de beeldhouwer met beeldhouwwerk moet opsieren en zoo moet voltooien,
die de schilder met kleuren-poëzie moet versieren, die aan gezang
en muziek in hare zalen en gewelven den schoonsten weergalm geeft,
moest daarom ook spoedig de keur dezer kunsten tot zich trekken.

Het eerst kwamen de echt christelijke, de echt godsdienstige kunsten,
de muziek en de schilderkunst, in beoefening, en riepen heerlijke
scheppingen in het leven. Beiden hebben zich bij de Italianen
zoo inheemsch gemaakt, als bij geen ander ons bekend volk ter
wereld, zelfs niet bij de Grieken van Pericles en van Alexander
den Groote, ofschoon deze in de beeldhouwkunst aan de Italianen
den palm betwisten.--Want het is opmerkelijk, hoe in Italië het
plastische, en men kan er bijvoegen, in de poëzie het epische,
steeds ondergeschikt was aan het pittoreske. Reeds de Romeinen--ten
minste hunne dichters, b.v. Virgilius--waren het grootst in het
beschrijvende, schilderachtige genre. In nieuweren tijd hadden
Venetië, Milaan, Florence, Rome, ja bijna alle steden van Italië,
hare eigene schilderscholen, ieder met haar afzonderlijk karakter
en met hare eigene onvergelijkelijke meesters aan het hoofd. In
den kunstenaar bij uitnemendheid echter, dien men "den goddelijke"
genoemd heeft, in Rafaël Sanzio, bracht Italië het onovertreffelijkste
te voorschijn, wat de geheele menschheid ooit ten deel gevallen is,
"een genie, in wiens werken zich de geestelijke adel der menschelijke
natuur het duidelijkst openbaart, dien ooit een man bezeten heeft,
en die zich in al zijne voortbrengselen op de hoogte der plechtigste
en meest kuische schoonheid gehouden heeft."--Ten tijde van Rafaël,
den vlekkelooze, den volkomene, in de periode van het zoogenaamde
_Cinque cento_, van de 15de en 16de eeuw, bereikte de kunst in Italië
haar zenith. Toen hadden de macht en de rijkdom van alle Italiaansche
steden hun toppunt bereikt. Toen schiepen, even als hare kunstenaars,
zoo ook hare dichters, hunne voor eeuwig bewonderde werken. Dit was
zulk een roemrijke tijd, als behalve de Italianen nog slechts één volk,
het Helleensche--ten tijde van Pericles--doorleefd heeft.

Er bestaan, merkwaardig genoeg, in de wereldgeschiedenis geene perioden
van volkenbloei, die in alle opzichten zooveel overeenkomst met
elkander hebben, als bij de Grieken de vijfde eeuw voor de geboorte
van Christus, en bij de Italianen het _Cinque cento_ na Christus
geboorte. Deze beide perioden, die eene tusschenruimte van 2000
jaren hebben, schijnen naar elkander gecopieerd te zijn. In beiden
treft men een overvloed van schitterende steden en Vorstendommen,
in beiden bloeien kunsten en poëzie op eene onvergelijkelijke
wijze. In beide perioden ontmoet men karakters en mannen, die
somwijlen als broeders op elkander gelijken. In beide perioden "eene
verovering der geestenwereld, eene weergalooze bestorming van den
Olympus."--Het schijnt bijna, alsof zich toenmaals de Italiaansche
geest zelfs inniger gekeerd heeft naar dien der Grieken, die hem van
vóór-Romeinsche tijden verwant was, als tot dien der de werkelijke
wereld veroverende Romeinen, Italië's eigene, maar in zekeren zin eene
andere geaardheid hebbende kinderen. Inderdaad, de moderne Italianen
hebben in velerlei opzicht meer overeenkomst met de Hellenen, dan
met die pedante, niet beminnelijke, oorlogzuchtige, stijfkoppige,
onbuigzame Romeinsche landgenooten.

Sedert twee eeuwen zijn nu wel de beeldende kunsten en kunstscholen
bij de Italianen aan het afnemen; "maar desniettegenstaande is een
zeer algemeene en fijne kunstzin, het geheele volk als een blijvend
erfdeel van dien tijd overgebleven. Bijna ieder Italiaan, zelfs de
minst beschaafde, heeft eene levendige voorliefde voor het voltooide
en voor het schilderachtige, en zelfs onbeduidende zaken weet hij
een smaakvol uiterlijk te geven."

In verscheidene geringere takken der beeldende kunsten, b.v. in de
mozaïkschildering, in het werken in gips, in het vervaardigen Van
smaakvolle vazen, urnen en kannen van albast, zijn de Italianen nog
steeds niet geëvenaard, en de ateliers voor het vervaardigen van
figuren uit gips zijn bijna overal bij ons in hunne handen.--"Alleen
door het aanhoudend zien der oude, in hunne steden zoo talrijk
voorhandene meesterwerken, door de aanhoudende oefening van oog en
oordeel, met één woord door het opgroeien in de armen der kunst,
laat zich, even als vroeger in Griekenland, ook nu in Italië, het
kunst-instinct verklaren, dat bij hen alle standen der maatschappij
bezielt, die zelfs den minsten man zijn gescheurden mantel in
schilderachtige plooien doet dragen, of hem, bij het spel of in het
gesprek met zijne kameraden, gracieuse groepen doet vormen, en die ook
maakt, dat op hunne straten, in hunne dorpen, in hunne huizen, waar
netheid en orde anders niet opvallend zijn, alles een schilderachtig
aanzien heeft."

Veel daarvan is zelfs in hunne lichamelijke hebbelijkheden en in
hun persoonlijk optreden overgegaan, en kenmerkt zich in hunne
lichamelijke gestalte en physionomie. In plaats van de onbeschaafde
gelaatstrekken, de hoekige gezichten, het ruwe karakter en de slecht
gebouwde, maar dikwijls harde en gespierde lichamen, die aan deze
zijde der Alpen meer voorkomen, vinden wij reeds dadelijk aan gene
zijde van het gebergte, reeds bij de Noordelijke Italianen, een
eleganter en lichter vorm, eene slankere gestalte, meer verhevene
en schoon gevormde trekken, met eene meer verstandige en levendige
uitdrukking in het gelaat. Waarschijnlijk echter zijn dit allen zaken,
die men, ten deele althans, meer oorspronkelijken aanleg en oorzaak
dan uitwerking noemen moet, en die zeker bovendien ook nog meer of
minder als een oud erfdeel van _alle_ inboorlingen van Zuid-Europa,
deze, in tegenstelling met de meer Noordelijke bewoners van ons
werelddeel, karakteriseert.

Hoe zouden wij echter over den, den Italianen aangeboren en eigen
smaak en kunstzin kunnen spreken, zonder in de allereerste plaats van
de muziek te gewagen? Zij schijnt op den Italiaanschen bodem reeds
even oud te zijn als de bouwkunst. Ten minste reeds in voor-Romeinsche
tijden werden, zooals reeds gezegd is, de Etruskers als uitstekende
musici geprezen.--Door de heerschappij der niet-muzikale Romeinen,
die in dit opzicht als een ver van den stam gevallen appel, als een
onkundige zoon in eene talentvolle familie, beschouwd kunnen worden,
werd ook de verdere ontwikkeling van deze kunst tegengehouden.--"Met
de christelijke kerk echter, met de den eenigen God toe- en den
engelen nagezongene lofliederen en psalmen, trok ook de muziek
Italië weder binnen," zij heeft daar verscheidende, zeer scherp
afgeteekende, tijdperken van bloei beleefd, en tot op onzen tijd--en
daarin verschilt zij van andere kunsten--voortdurend de heerlijkste
vruchten opgeleverd. Nadat zij langen tijd bijna uitsluitend de kerk
gediend had, deed zij sedert de 17de eeuw ook pogingen om het tooneel
te betreden, en eindelijk ontsproot een eigenaardige tak der muziek,
een product van Italië, de "opera," die de Italianen geschapen en
ontwikkeld hebben, en die nu met behulp hunner zangers en componisten
zoo zeer in den smaak en den geest van alle Europeanen valt, dat men
bijna zeggen kan, dat het onzen tegenwoordigen kunstsmaak kenmerkt."

De Italiaansche opera-dichters Rossini, Donizetti, Spontini en vele
andere zijn nog onze tijdgenooten geweest; en men kan wel zeggen,
dat de Italianen den hoogsten rang in dezen tak der kunst nog niet
afgestaan hebben. Zij hebben in dit vak geene andere mededingers dan
de Duitschers, welke laatste hen echter in de instrumentale muziek
overtreffen.

De karakters der musici van deze beide voornaamste muziek-natiën van
Europa, staan ongeveer op dezelfde wijze tegen elkander over, als de
Gothische en Italiaansche bouwkunst. In de Duitsche muziek is, even als
in het geheele wezen van dit volk, alles diepzinnig en hoogvliegend,
"in de Italiaansche daarentegen vindt men als grond-element de zuivere
welluidendheid; in haar is de harmonie ondergeschikt aan de zuivere,
zinnelijk-schoone melodieën. Men zou de Italiaansche muziek, even als
het Italiaansche volk zelf, bij voorkeur pittoresk kunnen noemen. Hunne
trillers, roulades en toonrollers schijnen aan de rondbogen, koepels
en colonnaden der Italiaansche gebouwen te herinneren."

Voor weinige volken is muziek en vooral zang eene zoo werkelijke
behoefte geworden als voor de Italianen, wien de natuur daarvoor de
gelukkigste organisatie gegeven heeft, de schoonste stem, het fijnste
gehoor en eene bijzonder melodieuse taal. Het gezang vergezelt in
Italië niet alleen alle levensverrichtingen, maar het duidt ook
alle gemoeds-aandoeningen aan en accentueert ze, zoowel vroolijke en
aangename als treurige en hartstochtelijke. "Vooral bij het vrouwelijke
geslacht der lagere klassen" zegt een reiziger, "vindt men in Italië
slechts weinige individuen, die niet in een wild gezang losbreken,
als haar toorn den hoogsten graad bereikt heeft."--Is deze opmerking
waar, dan laat zich daaruit verklaren, hoe een dergelijk volk opera's
vervaardigen kon, en hoe naar het leven geteekend en natuurlijk, alle
de in dit drama-soort in gezang uitgedrukte hartstochten zijn, waarin
den nuchteren Noordlander zooveel gedwongen en gemaakt toeschijnt.



Is de kunsttaal van den handel in Europa, minstens gedeeltelijk
Italiaansch, die der muziek is het, door de geheele wereld heen,
geheel. De andere volken hebben de Italiaansche muziektaal zoo geheel
aangenomen, dat zij zich niet eens de moeite geven, in hunne talen
goede woorden te kiezen, die het onderscheid uitdrukken tusschen
eene "andante" en een "adagio," "een allegro" en een "allegretto,"
en honderd andere muzikale kunstuitdrukkingen meer, en dat onze
muziekminnende jeugd met die Italiaansche woorden, tegelijkertijd
eene voorliefde voor de Italiaansche taal ingeboezemd wordt.



Deze liefelijke, welluidende taal zelve, is het schoonste monument, dat
de den Italianen aangeboren schoonheidszin zich opgericht heeft. Bijna
elk hunner honderdduizend woorden, bevat in zijne constructie bewijzen,
voor de fijnheid van hun gehoor, voor de rondheid van hunnen mond,
de gladheid hunner tong en het melodieuse hunner stem.--Het is echter
merkwaardig, dat al deze Italiaansche taal-muziek zich eerst in den
loop der eeuwen meer en meer ontwikkeld heeft. Want in de vroegste
tijden schijnen bij de oude Italianen niets minder dan muzikale en
zachte talen in gebruik geweest te zijn; de overblijfselen die van
de oude Oscische en Umbrische talen in Zuid- en Midden-Italië tot ons
gekomen zijn, schijnen veeleer, voor zoover wij uit opschriften over
den klank kunnen oordeelen, naar zeer harde tongvallen te wijzen.--Van
de oude Etrurische taal zeiden de Romeinen zelven, dat die zoo hard en
ruw was, dat zij haar nauwelijks konden uitspreken. Zeer goed klinkende
Romeinsche namen kregen in den mond dezer kunstlievende Etruriërs, een
zeer onaangenamen en doffen toon, zoo werd Tarquinius b.v. "Tarchnas,"
Alexandros "Elschentre," Minerva "Menrva," Polydeuktus "Pultuke"
enz. En dit geschiedde in die streken (de Florentijnsche) waarin
later de zoozeer geprezene "_lingua Toscana_" bloeide.--Ook het oude
Celtische in Noord-Italië was, naar de tegenwoordige overblijfselen
der Celtische taal te oordeelen, niets minder dan eene ronde,
welluidende taal.

Het later de overhand krijgende Romeinsche of Latijnsche, schijnt in
dezen zin boven alle andere spraakvormen de voorkeur gehad te hebben,
want al mag het dan ook al niet eene bijzonder zachte taal genoemd
worden, en moet men het veeleer als een bepaald mannelijk, krachtig,
volklinkend taaleigen van een de wereld beheerschend volk beschouwen,
zoo is het toch ook merkbaar verschillend van die onaangename en het
oor zeer doende opeenstapeling van consonanten, die den Zuidlander zoo
zeer in de Germaansche en Slawische talen verschrikt.--Zij schijnt
het midden te houden tusschen de nieuwe zachte Italiaansche en de
oude harde Italische talen, en is wellicht de oorspronkelijke bron en
moeder van het welluidende in de hedendaagsche Romaansche dialecten,
alleen dat deze in den loop der eeuwen de majestueuse mannelijkheid
van die taal van wereldgebieders, lieten varen, en eindelijk het
welluidende als de hoofdzaak bewaarden en verder ontwikkelden.

De kort met scherpe consonanten eindigende woorden van het Latijn,
doet de Italiaansche mond door bijgevoegde vokalen zacht eindigen,
b.v. in "_madre_" in plaats van _mater_, "_imperatore_" in plaats
van _imperator_. De scherpe _t_ verzachten zij in de zachtere _d_,
b.v. "_lido_" in plaats van _litus_, "_podesta_" in plaats van
_potestas_. De _l_ in consonant-samenstellingen, versmelt bij hen
in eene _i_ b.v. _fiamma_ in stede van _flamma_, "_piangere_"
in stede van _plangere_. Evenzoo worden de gehemelte-letters
meermalen door gladde sisklanken vervangen, b.v. _vox_ tot "_voce_",
_occidere_ tot "_uccidere_". De vermoeiende geadspireerde _h_ aan
het begin der woorden, klinkt bij hen zeer gemakkelijk als _u,_
b.v. "_uomo_" in plaats van _homo_. Zulk een verzachtende _u_ wordt
ook dikwijls in het midden der woorden voor de volle en scherpe
_o_ geplaatst b.v. "_suono_" in plaats van _sonum_. De zachte _v_
vervangt dikwijls de plaats der harde _p_ of _b,_ b.v. "_tavola_"
in plaats van _tabula_, "_avere_" in plaats van _habere_. Dit zijn
slechts weinige der tallooze voorbeelden, die iedere pagina van een
Italiaansch woordenboek aanbiedt, waaraan ik echter hier herinneren
wilde, om te doen gevoelen, dat het Italiaansch bijna overal eene
verfraaiing, opsiering en versmelting van het Latijn is, en in zekeren
zin het vrouwelijke van dezen mannelijken tongval vormt.



Het mag vreemd schijnen, dat deze afronding, verstomping en verzachting
van het Latijn, juist na den inval der Germaansche barbaren in Italië,
onder terugwerking dezer ruw sprekende menschen, en gedurende de
vermenging met hen plaats had. Het is als hebben de Italianen,
tengevolge van deze bij hen binnendringende ruwe toonen uit het
Noorden, zich uit een soort oppositie des te meer op het welluidende
toegelegd. Veel echter daarvan zal uit den daardoor ontstanen strijd
tusschen beide talen ontstaan zijn. Verzachting en afronding moesten
het natuurlijke gevolg van een dergelijken strijd zijn. Even als de
rolsteenen allen afgerond zijn, hoe hoekig en verschillend zij ook
oorspronkelijk naar de natuur der bergsoorten mogen geweest zijn,
zoo werden ook in dien strijd der talen, de scherpe kanten van de
woorden afgeslepen.--Daar de Italianen onder de heerschappij der
Gothen en Lombarden, hun krijgsgeest verloren en een zwak geslacht
werden, zoo schijnt het dien ten gevolge natuurlijk, dat zij ook de
majestueuse, krachtige, rijke taal der wereldgebieders in hunnen
mond wijzigden. Ook de kerk zal waarschijnlijk bij hen, even als
op de kunst, de muziek en het gezang plaats vond, ook op de vorming
eener welluidende, aan vokalen rijke taal, sterk ingewerkt hebben. De
zetel der kerk en van den Paus is nu nog, als de zetel der klassieke
Italiaansche uitspraken der "_Bocca Romana_," beroemd.

Men heeft de liefelijke, melodieuse taal der Italianen de vlucht van
den leeuwerik toegekend, men heeft haar den zwaai van den adelaar
ontzegd. Dat dit oordeel eene waarheid bevat, dat daarmede gewezen
wordt op den oorspronkelijken aanleg van den Italiaanschen geest,
bewijst ook weder het karakter van de literarische producten, die in
deze taal geleverd werden, het karakter der Italiaansche poëzie.--Is
de poëzie, in even hooge mate als de taal zelve, de uitdrukking
van den innerlijken geest eener natie, het oog van haar gelaat,
de spiegel van haar leven, is hare geschiedenis de geschiedenis van
den volksgeest met zijne geheele ontwikkeling, zijn vreugde, lijden,
hoop en herinneringen, dan is het iets zeer karakteristieks bij de
zanglustige kunstlievende Italianen, dat bijna hunne geheele poëzie
in meerdere of mindere mate binnen den kring van het lyrische gebleven
is.--In dit genre hebben de Italianen, even als de Spanjaarden in het
drama, de meeste dichters, de grootste en minst geëvenaarde meesters
aan te wijzen, waaronder Petrarca eene eerste plaats inneemt. Zij
hebben een dichter Dante, die de hooge vlucht eens adelaars genomen
heeft. Deze echter heeft geen opvolger gehad, zijne navolgers zijn
allen verongelukt.--Petrarca daarentegen heeft bij de Italianen
een talloos heer gelukkige scholieren gevonden. In het lyrische en
erotische bereikte hunne literatuur en taal de hoogste trap. Onnoembaar
vele waren dien ten gevolge onder hen de pogingen ter verfijning
hunner taal, ter vermeerdering der liefelijke uitdrukkingen en tot
eene harmonische samenvoeging der woorden. Als een kunstenaars-volk
hebben zij daarbij hoofdzakelijk op den vorm gelet, en de taal heeft
met de stof kunstig gewerkt, even als hunne Benvenuto Cellini's met
de edele metalen, juweelen en paarlen. Al hunne gedichten en liederen
schijnen er minder op berekend, het hart en den geest van den lezer
te treffen, dan wel het oor der toehoorders te verrukken, of tot de
gezellige vroolijkheid mede te werken; vandaar de lichte inhoud en
karakter der Italiaansche poëzie en ook hare menigvuldige kunstige
en dikwijls uiterst ingewikkelde vormen, waarop zich toe te leggen,
zelfs hunne grootste dichters niet beneden zich achtten.--Bijna
alle vormen der lyrische dichtsoorten, en de namen die wij nu nog
voor deze gebruiken: "sonnette", "ballade", "canzone", "pasquil"
enz. enz. zijn evenzeer uitvindingen der Italianen, als de vormen en
namen onzer menigvuldige muzikale kunst-producten.

Het treurspel ging den meer vroolijken dan tragischen Italiaanen,
die daarin een scherp contrast met de ernstige Spanjaarden en
Engelschen vormen, slecht af; daarentegen hebben zij in het blijspel
vele uitstekende producten geleverd, en als een levendig, in zijne
geheele manier van doen theatraal volk, zich vooral ook op de pantomime
met groote voorliefde toegelegd, ja hebben zij, het eerst van alle
Europeesche volken, haar tot een bijzonderen kunsttak gemaakt.

Overal zijn bij hen de zachtere en lichtere, en ook lichtzinniger
dichtsoorten, de echt nationale geweest en gebleven. Vooral ook
in de satire munten zij uit, en hierin vooral staan zij in scherpe
tegenstelling met de eerlijke en hierin arme Duitschers.--"De neiging
om te schertsen, om jeux d'esprit te spelen, ook sarkastisch te
zijn en te bespotten, ligt reeds oorspronkelijk diep in de natuur
van het vroolijke volk, en deze neiging vond rijkelijk voedsel in de
verdeeldheid der Italiaansche staten, en in de onophoudelijke oorlogen
om de suprematie, die een algemeenen trek van nijd en ijverzucht
zeer in de hand werkten.--Er is bijna geen Italiaansch dichter,
die dit genre niet beproefd heeft. Reeds den ouden Romeinen was deze
neiging eigen en zij brachten den grootsten satyricus der wereld voort,
Juvenalis, die een oorspronkelijk Italiaansch dichter, en niet, zooals
Virgilius en Ovidius, een naäper der Grieken was. Geheel Europa heeft
dan ook de uitdrukkingen "satire", "caricatuur", "travestie" en de
daarmede verwante woorden en denkbeelden: "charlatan", "harlekijn",
"bajazzo" en dergelijke van de Italianen ontvangen.

De langzame vorming dezer satirieke, geestige, scherpe, fraaie,
muzikale, nieuw-Italiaansche taal en poëzie, is een zeer langdurig
proces geweest, en dat zij eindelijk een gemeen goed van alle
Italianen, een hen allen vereenigende vaste nationale band werd, is
een betrekkelijk, pas tamelijk nieuw resultaat.--Het hoogste punt van
hare liefelijkheid, van haren glans en hare algemeene literarische,
kerkelijke, diplomatieke waarde en hare verbreiding over geheel Italië,
verkreeg zij in de 16de eeuw, en sedert dien tijd heeft zij zich op
hare hoogte weten te handhaven, en dus heeft zij reeds omstreeks
300 jaren achtereen tot de daarstelling van een _Italia Unita_
medegewerkt.--Dit neemt echter niet weg, dat zij zelfs op de hoogte,
waarop zij nu staat, nog op verre na niet zulk een krachtig element
is, als de algemeene, langzamerhand opgekomen spreek- en schrijftalen
in Duitschland, Frankrijk of Engeland. Want in geen land van Europa
verschillen de provinciale dialekten zoozeer als in Italië, en in geen
land hebben zij zich zoo zeer bij alle standen ingedrongen. Dit gaat
zoo ver, dat men niet zelden bemerkt, dat zelfs voor den ontwikkelden
Venetiaan, Lombard of Napolitaan, het Italiaansch iets ongemakkelijks
is, en hoe deze Italianen zich verheugen, als zij na een "Italiaansch"
discours, zich weder kunnen ontspannen, door hun met de moedermelk
ingezogen stads- of dal-dialect te gebruiken.

Deze stads- of dal-dialecten zijn in Italië, alle met schier
denzelfden ijver als eigenlijke talen aangekweekt geworden. Ieder
van hen bezit zijne eigene, rijke literatuur, niet alleen poëtische
en prozaïsche belletrie, maar ook menig ernstig werk, philologische
geschriften, woordenboeken, grammatica's. Vooral zijn deze plaatselijke
literaturen rijk aan satires, spotgedichten en volks-comedie's, waarin
de naburige steden en gebieden belachelijk gemaakt worden.--Dit scherp
afgeteekende particularismus in taal, zeden en gewoonten is in Italië
overoud, en is een gevolg van het lang uitgestrekt, weinig compact en
afgerond land, dat door de Apennijnen en hare armen in vele dalen en
natuurlijke districten verdeeld is. Van dal tot dal, van rivierbekken
tot rivierbekken, treft men in levenswijze, physionomie, afkomst,
karakter en neiging veel grootere contrasten aan, dan men gewoonlijk
denkt. Vele dezer taal- en karakter-verscheidenheden berusten misschien
nog op die oude, reeds voor de Romeinen in Italië wonende, volksstammen
en rassen, op het verschil tusschen de "Umbriërs", "Liguriërs",
"Samnieten", "Celten", en hoe zij ook heeten mogen, want ofschoon ik
boven zeide, dat de Romeinen, door eene romaniseering van het geheele
schiereiland, den eersten grond tot een _Italia Unita_ legden, zoo mag
toch niet beweerd worden, dat het hun gelukt is, _alle_ overoude en
met de natuur der provinciën overeenstemmende eigenaardigheden te doen
verdwijnen. De Italiaan Lucchesini beweert zelfs, dat de verschillende
Italiaansche dialecten geene kinderen van eene en dezelfde Romeinsche
moeder zijn, maar oude, uit den tijd der Romeinen afstammende en door
dezen slechts eenigzins gewijzigde, volkstalen zelve zijn.

Dit overwicht der volks-dialecten, was in Italië altijd de ernstigste
hinderpaal, voor de verbreiding van een gemeenschappelijk
nationaal-type der taal. En even lang hebben het daarmede
samenhangende, scherp afgeteekende plaatselijke patriotisme, de
hartstochtelijke aanmatiging der eene stad of provincie tegenover
de andere, het opkomen van eene algemeene volks-opvoeding en eenen
eenigen nationalen geest bemoeilijkt.

Sedert de laatste halve eeuw heeft langzamerhand een groot verlangen
om een eenig, op zich zelven staand volk te zijn, een eigen vrij,
machtig vaderland te bezitten, zich van alle patriotische en
denkende Italianen meer en meer meester gemaakt. Weinigen wilden
aan den duur dezer beweging gelooven. Spot en klachten over het
zedelijk verval der Italianen, over hunne verdeeldheid, hun gebrek
aan krijgshaftigen geest, aan krachtige mannen en aanvoerders, waren
dikwijls algemeen. Reeds sedert den inval der oude Galliërs in het oude
Rome, heeft men ontelbare malen den ondergang van Italië voorspeld en
beklaagd, maar even dikwijls hebben de Italianen de wereld met eene
onverwachte wedergeboorte verrast. Zij hebben niet, zooals zoo menig
ander beroemd volk, slechts één bepaald toppunt van bloei bereikt,
maar, om zoo te zeggen, eene geheele reeks perioden waarin zij zich
verhieven, gehad. "De polsslag van het geestelijk leven in Italië
heeft, sedert het eerste begin der Europeesche geschiedenis, _nooit_
geheel stilgestaan. Wanneer er ook al af en toe zijne zon met wolken
bedekt was, zoo is zij toch nooit zooals b.v. die der Hellenen, voor
lange eeuwen van den horizon verdwenen. Zelfs in de dikwijls lange
perioden van diepe staatkundige ellende hebben de Italianen zich nog
altijd in de eene of andere richting groot getoond en roem verworven,
en men mag dit wel als het grootste bewijs hunner verwonderlijke,
innerlijke levensvatbaarheid beschouwen, terwijl het ons sterkt in
het geloof, dat ook die zelfverheffing en vereeniging van dit volk,
waarvan wij getuigen geweest zijn en waaraan de Duitschers zoo krachtig
medegewerkt hebben, een langdurig bestaan en steeds toenemenden bloei
hebben zal.



DE SPANJAARDEN.


Als uit den romp van Europa gesneden, van haar door een hoogen
bergmuur gescheiden, aan alle zijden door den Oceaan omringd,
het uiterste punt van ons werelddeel, met eene zeer eigenaardige
physionomie, ligt het wonderbare land daar, dat de ouden, wijl het
hun toescheen dat de avondster er boven schitterde, _Hesperia_ (het
Westland) noemden. Even als met Europa, was het vermoedelijk vroeger,
door de eerst in eene latere geologische periode doorgebrokene straat
van Gibraltar, ook aan Afrika verbonden, en in wezen en karakter heeft
het veel dat aan beide vaste landen gemeen is.--Dezelfde omwentelingen
der aardoppervlakte, die de terrassen van den Afrikaanschen Atlas
vormden, hebben ook op de groote rotsen-plateau's van het Pyreneesche
schiereiland ingewerkt, en dikwijls schijnt het, als hadden zij
naar hetzelfde model gewerkt, en in Spanje een A