Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: In en om Java's Paradijs - De Aarde en haar Volken, 1907
Author: Koorevaar, A.
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "In en om Java's Paradijs - De Aarde en haar Volken, 1907" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



				   In en om Java's Paradijs.

					   Door A. Koorevaar.



Wij wenschen in de herinnering van de vele Indische lezers die "De
Aarde en haar Volken" ongetwijfeld telt, terug te roepen de gedachte
aan Tosari en omstreken en den landgenoot in patria, nu het toerisme
over de geheele wereld als het ware hand over hand toeneemt en ook
de Nederlanders daarin niet achterblijven, een klein denkbeeld te
geven van het wondervolle Tenggergebied, zoo rijk aan mysteries
vooral voor hem, die eerbied heeft voor het grijs verleden van de
zooeven genoemde streken en medevoelt de taal zonder woorden, die
daar gesproken wordt door machtige bergen, die getuigen waren van
het Hindoetijdvak, op Java een tijdvak, dat zich nog eeuwen lang aan
ons zal blijven openbaren in tempels en andere overblijfselen van
voortreffelijke bouwkunst, welke nog steeds de bewondering wekken van
Insulindes bezoekers. Er schijnt zelfs, toen het grootste gedeelte van
het eiland Java reeds geheel bekend was, toch nog lang een sluier van
geheimzinnigheid gehangen te hebben over het Tenggerland, een sluier,
die uit den aard der zaak eveneens de bewoners er van bedekte.

Althans in 1778 werd van uit Batavia aan den commandant van Pasoeroean
de vraag gesteld, of het waar was, dat op het gebergte Bromo onlangs
nog menschen aan de goden geofferd waren. En zelfs in het jaar 1860, in
onze dagen dus, verzocht een doctor in den "Amsterdamschen Navorscher"
ingelicht te worden omtrent het feit, of er op Java wezenlijk nog
een gebergte met Pythagoristen bevolkt, gelegen was.

De eerste kennis van het prachtland hebben wij te danken aan de Britten
(1815).

In 1806 wist men evenmin iets van een krater Bromo als van den
algemeenen naam Tengger. Men had toen nog zóó weinig kennis van
Oost-Java, dat in allen ernst beweerd werd, dat door een brandenden
berg op Bali alle koffieboomen in Pasoeroean verzengd waren geworden.

De Javasche courant van 1829 verhaalde ons het eerst iets over het
meergenoemde gebied. De latere litteratuur is mager. De reizigers
kwamen, zagen en gingen. Een koude neus was genoeg. En toch, als men
van uit het sanatorium Tosari als een leeuwerik op een zode op uitkijk
staat, dan ziet men van alle zijden een gebergte, waarvan elk deel zijn
legende heeft, ruggen, ravijnen, bronnen, steenen en bosschen en de
dorpen zichtbaar naar alle windstreken zijn bewoond door het overschot
van een stam, die drie eeuwen opwaarts tellen kan, 10 à 13 geslachten.

Hoe men naar Tosari komt? Van Pasoeroean tot Poespo per as, dan te
paard of in een tandoe (draagstoel) binnen eenige uren van de hitte
in de kou, uit de dichte in de ijle luchtlagen.

Vooraf een blik op de bewoners van die hooge oorden.

Die zwart geblakerde gespierde kerels met vodden voor broek, specie van
hoofddoek, met om zoo te zeggen kattenpooten en tijgerklauwen waarmede
zij de steile hellingen opklimmen, onvermoeid, immer kakelzuchtig
en vertellend op weg, die lieden dan zijn het eenig overgebleven
gedeelte van de oorspronkelijke polynesische inheemsche bewoners van
Oud-Java. Zij hebben een eigen tijdrekening, eigen namen voor dagen,
weken, maanden en jaren, eigen goden, eigen woon- en bouworde, eigen
zeden en gewoonten.

De groote, onzichtbare wereldkracht, die zich openbaart in vuur en
rookwolken opwellend uit het hart der aarde door den grooten krater
van den Tengger, die kracht, dat vuur, die krater is Bromo, een
voorstelling van de scheppende en vernielende kracht, Bromo en Siva.

Dat machtige, onbegrijpelijke wezen, dat zich enkel openbaart door
vuur en rook, wordt jaarlijks bevredigd door offeranden.

Straks komen wij op de daaraan verbonden plechtigheid terug. De eerste
lieden, door wie de Tengger ten minste eenigszins in exploitatie
kwam, waren de commandanten van Pasoeroean. Kleine potentaatjes,
wel nederig in titel en rang (vaandrig, luitenant), maar met meer
gezag bekleed dan tegenwoordig de generaals.

Reeds ruim een eeuw geleden schijnt een dier commandanten te
hebben opgemerkt, dat de aardappelen, de uien, de kool en andere
"vaderlandsche" groenten uitstekend gedijden in een klimaat op een
hoogte van zes duizend voet.

Men kan aannemen, dat de eerste kool- en andere moesgroententuinen
daar zijn aangelegd tusschen de jaren 1743 en 1751, want in dien tijd
begon men een dergelijken aanleg te Buitenzorg, Tjipanas en Soerakarta,
in West- en Midden Java dus.

De vaandrig Adriaan van Rijck deed het eerst in den Tengger een
"berghuis" bouwen en stelde er een Europeeschen tuinier aan, namelijk
een Duitscher, die koolzaad aan de bevolking uitreikte, om te zaaien,
edoch de Tenggertaal nog niet verstond.

Toen nu de bergmenschen wilden weten, wat er van het uitgereikte zaad
zoude opkomen, verstond onze Schulze--het kan ook Herr Meijer geweest
zijn--hem niet, en zich boos makende over hunne domheid, schold hij
hen uit voor koebeest. En de Tenggerees, meenende dat dit de naam
was van de plant, noemde sedert de kool koebis, zooals heden nog.

De Commissaris-generaal Nederburgh met gevolg, in 1798 te Pasoeroean
zijnde, wenschte ook de kooltuinen van Tengger te zien.

Er werden toen verkenners uitgezonden, die evenwel den weg te
gevaarlijk vonden, zoodat een bezoek achterwege bleef.

In 1820 maakte de Resident van Besoeki, Van IJseldijk, een tocht naar
de dessa (dorp) Ngadisari, midden in het Tenggergebergte gelegen,
en de Gouverneur-Generaal van der Capellen besteeg de Noordzijde van
het hoogland in 1822 en beklom den Bromo.

Sedert 1825 is de passage van en naar den krater zeer algemeen
geworden. Wat vroeger een geduchte onderneming scheen, werd later
een gewone zaak, weinig vermeldingswaardig althans, beschouwd uit
het oogpunt van te overwinnen moeilijkheden.

Sinds tal van jaren is de naam van den Tengger onafscheidelijk
verbonden aan het aldaar gelegen Sanatorium Tosari, een inrichting
die, destijds klein opgezet, langzamerhand de uitbreiding kreeg welke
het gezondheidsoord thans maakt tot een verblijf, dat met glans de
vergelijking doorstaan kan met zusterinstellingen in de tropische
landen, getuige de lofspraak van de talrijke vreemdelingen uit alle
landen der wereld, die deze kolonie bezoeken en steeds vol geestdrift
over haar spreken.

Laten wij, alvorens het Sanatorium nader te bezien, een en ander
vertellen van de reis daarheen en deze aanvangen te Pasoeroean aan
het station der Staatsspoorwegen Dit is van uit Soerabaia reeds om
negen uur in den ochtend per sneltrein te bereiken. De agent van
het etablissement is steeds aan het station aanwezig en zorgt geheel
kosteloos voor goede karretjes met flinke bespanning.

Van af eerstgenoemde plaats tot Poespo, het 2500 voet hoog gelegen
acclimatisatie-station van Tosari, gaat de reis geheel per as en biedt,
ten minste tot Passerpan, alwaar men bij den agent van het Sanatorium
van karretjes verwisselt, voor iemand eenigszins op Java bekend,
zeer weinig mooie natuurgezichten aan.

Anders wordt het evenwel, als een drietal stevige bergpaardjes, voor
het voertuig gespannen, den reiziger in matigen draf langs een zwaar
stijgenden weg naar boven trekken.

Al nader en nader komt het hooge land, en steeds duidelijker doemen
voor het oog op de verschillende bergruggen, hier en daar scherpgerand,
soms roodachtig van kleur; de opklimmende bergweg slingert zich door
dessa's, waar de woningen der Inlanders reeds een anderen bouwtrant
vertoonen dan in de vlakte--veel minder open, om meer tegen de koude
beschut te zijn; en na een rit van ruim twee uren is Poespo bereikt.

Reeds op weg daarheen kan men van tijd tot tijd, wanneer het
uitzicht niet belemmerd wordt door hooge bamboegewassen, een blik
slaan op de vlakte van Pasoeroean en Bangil, die schijnt weg te
zinken naarmate men stijgt. Uit deze vlakte, waarin de uitgestrekte
met suikerriet beplante velden, naar gelang van den ouderdom van het
gewas, genuanceerde plekken vormen die door meer of mindere belichting
zich duidelijk afteekenen, ziet men telkens als slanke witte zuilen
de hooge schoorsteenen van de suikerondernemingen oprijzen naar mate
de zon de nevelen optrekt; ziet men eindelijk de glinsterende zee,
omzoomd door het schuim der branding.

Te Poespo gebruiken de gasten in den regel de lunch die er uitstekend
is ingericht. Van daar uit is de weg door het oerbosch gekapt, en
kronkelt zigzagsgewijze naar boven.

De reis moet nu te paard vervolgd worden, of wel per tandoe
(draagstoel).

Het landschap wordt grootscher. Wel is waar is het pad, dooreen
genomen, aan beide zijden zwaar begroeid, maar hier en daar bij een
open plek kunnen wij een blik slaan in de diepe ravijnen, die als
het ware tegen ons aandonkeren, zwijgend en somber.

Er gaat een geheimzinnige bekoring uit van het woud, een bekoring,
waaraan men zich niet kan onttrekken. In verschillende toonaarden
hoort men de bergstroomen, die klaterend van de rotsen komen; en
het ruischen der tjemaraboomen (Indische dennen), paart zich aan het
geluid van den specht, die hier veelvuldig voorkomt.

En aldoor klautert het stevige bergpaardje voort, met rustige zekerheid
immer hooger en hooger.

De berglucht heeft op uw aangezicht een scherp prikkelenden invloed,
die het vel doet barsten en aan het uiterste puntje van uw neus een
kalkoenachtig aanzien geeft.

Ge voelt u opgewekt en krijgt zelfs neiging een gesprek aan te knoopen
met den Tenggerees, die u begeleidt en kalm achter uw paard aanstapt.

De natuur, nog altijd tropisch natuurlijk, wordt gaandeweg veel minder
specifiek Indisch.

Hooger en hooger klimt ge, tot het snuiven van het paard wijst op
vermoeidheid en de geleider het beest plotseling bij den teugel
vattend, u verzoekt om af te stijgen, ten einde het dier op adem te
laten komen. Een goede gelegenheid om even een blik achterwaarts te
werpen. Veel is echter van den afgelegden weg niet te zien, verloren
als deze ligt in de ravijnen, waar wij langs reden.

Maar daar vóór ons, van tijd tot tijd zich verliezend in de vale
wolkenmassa, die tegen de bergwanden blijft hangen en dieper in de
afgronden zinkt, zoodat de zon niet meer bij machte is daarin door
te dringen en ze op te lossen, daar vóór ons strekt zich het bergpad
uit in grillige lijnen, omzoomd door slanke boomvarens, bepareld met
dauwdruppels, en wordt het geboomte ijler, de vegetatie minder krachtig
doch daarentegen fijner dan in de vlakte. Het groen is frisscher en
komt levendiger uit tegen den blauwen hemel, die boven ons koepelt
en aan den horizon samensmelt met de bergtoppen, die met donkergroen
fluweel behangen lijken.

Nu maar weer te paard gestegen. Een rit van een groot half uur nog
brengt u, door de kampong van dien naam, tot voor het sanatorium
Tosari, dat wij dus van uit Poespo in ongeveer twee uren bereiken. Wij
zijn thans op zes duizend voet boven de oppervlakte der zee, en
zullen, alvorens de omgeving nader te beschrijven, eerst nog in het
kort spreken over vervlogen tijden, over den Tengger van weleer.

Betrekkelijk lang geleden schijnt men reeds tot de wetenschap te zijn
geraakt, dat het droge, versterkende klimaat aldaar te verkiezen was
boven elk ander verblijf op Java, en reeds in 1840 verleende de van
gouvernementswege in de dessa Ngadisari gebouwde pasangrahan (primitief
logement voor inspecteerende en doortrekkende ambtenaren) gastvrijheid
aan lieden, die daar herstel van gezondheid zochten. Geriefelijk
schijnt evenwel het berghotel niet ingericht te zijn geweest.

Een bezoeker in 1844 schrijft onder meer: "Ik vond het er tochtig
en berookt, en de bouworde liet voor lui uit de vlakte ten minste
tamelijk veel te wenschen over, van wege de luchtigheid." Ook de
voeding daar schijnt onvoldoende geweest te zijn. Alleen op zon-
en feestdagen een ei; water, eerste soort, plenty.

In 1861 was de hotelhouder een oud militair, die uit vrees voor
paardrijden zes en dertig palen te voet kwam loopen (ongeveer 12 uur
gaans). Hij verkocht bier en jenever, maar geen wijn of port, want
zulke "fijne kost" was te duur, en wat logeergasten betreft liep het
niet druk.

's Mans uitwendig gevoel ging van lekker koud tot stekelig warm;
met "geleerdheid" hield hij zich niet op, want toen men hem naar een
thermometer vroeg, wist hij niet of dit een dier of een plant was. Hij
droeg een bril van wege "de ziltigheid van de lucht".

De gastvrijheid schijnt er met de jaren niet veel beter op te zijn
geworden. Een logé schreef daaromtrent in Maart 1871: "Ik ben tien
dagen te Ngadisari geweest als in arrest. Tien dagen lang regen. Voor
geen geld, voor geen bidden is hier iets te krijgen. Ik ben half
doodgevroren en uitgehongerd naar beneden gevlucht."

Wel zijn de tijden in den Tengger veranderd!

Thans is daar verrezen een complex van gebouwen, hoog opgetrokken
van hout, te zamen vormend het Sanatorium Tosari, en bestaande uit
villa's voorzien van ruime, goed geventileerde kamers, met groote
voor- en achtergalerij en serres, uitzicht gevend op de schoonste
gedeelten van het gebergte, beschut gelegen te midden van fraai
aangelegd wandelterrein en europeesche bloemenpracht.

Recreatie-, biljart-, lees- en eetzalen zijn keurig in orde, men is
in de gelegenheid op daarvoor ingerichte terreinen tennis en croquet
te spelen; kegel- en schietbaan voldoen aan de strengste eischen,
de tafel is overvloedig en goed verzorgd. Zeer terecht geeft men hier
boven niet de bekende Indische rijsttafel, maar laat de gasten smullen
van de versche aardappelen en groenten, op eigen terrein verbouwd. Het
is er in één woord up-to-date; daarvoor zorgt de geneesheer-directeur
Dr. H. J. van Barmen 't Loo, arts, die er steeds op uit is, zijn
logé's in ieder opzicht tegemoet te komen.

En die taak is niet gemakkelijk, nu ook hier te lande het europeesche
leven hand over hand toeneemt, de behoeften dagelijks grooter worden,
de snelle gemeenschap met het moederland meer dan vroeger toeristen
aanbrengt, die vergelijkingen maken met zusterinstellingen in niet
tropische landen en daarbij vergeten de betrekkelijk geringe middelen,
die hier ten dienste staan. De bekende professor Dr. Robert Koch
stelde te Tosari een wetenschappelijk malaria-onderzoek in en vond
het klimaat hoogst aanbevelenswaardig, absoluut vrij van malaria.

Prévenir vaut mieux que guérir. Niet alleen zieke personen vertoeven
daar, maar sinds jaren is het als het ware mode geworden, geregeld
naar Tosari te trekken, en vele families uit de vlakte behooren er in
de warme maanden Augustus, September, October tot de vaste gasten;
het hoofd van het gezin komt, als zijn werkkring zulks toelaat, van
tijd tot tijd eens over; menigeen doet er nieuw levensbloed op voor
den zwaren arbeid die hem beneden wacht. Doordat Tosari telefonisch
verbonden is met Pasoeroean--Soerabaia is trouwens van daar in een
paar uren per spoor te bereiken--kunnen handelslui ook hier geregeld
in verbinding blijven met hunne zaken.

Onder de vorstelijke personen, die Tosari met een bezoek vereerden,
noemen wij in de eerste plaats Prins Hendrik der Nederlanden, toen
hij in 1837 met de _Bellona_ in deze gewesten kwam.

Ook de koning van Siam, Prins Lodewijk van Savoye, hertog der
Abruzzen, dezelfde die onlangs den Ruwenzori, besteeg, de Prins
van Reus, kleinzoon van wijlen Prinses Sophia der Nederlanden,
Kroonprins Ruprecht van Beieren, vertoefden er dagen lang, om de
goddelijke omstreken te leeren kennen. En welk persoon van gewicht,
zoowel in het particuliere als in het ambtelijke, kent niet Java's
Paradijs uit eigen aanschouwing?

Hier schreef Couperus zijn "Stille Kracht", Borel "Een Droom", hier
hield de Minister van Sport uit patria, de heer C. A. A. Dudok de
Wit, ambtshalve een inspectie over de geheele inrichting en sprak er
onomwonden zijn volle tevredenheid over uit.

Onder den indruk van de machtige natuur schijnen hier zelfs deftige
lieden uit hun plooi te komen, te oordeelen naar de indrukken,
gedurende hun verblijf in het etablissement vastgelegd in een register.

Een bekend hoofdofficier, een vechtsabel, laat zich daarin uit als
volgt: "Een best bivak." Een collega van de Marine hoopt er eenmaal
"voor goed zijn anker te laten vallen", een rechterlijk ambtenaar
oordeelt: "Oost-West, thuis best. Tosari thuis," en een grijs
koopvaardijkapitein, die kort en bondig neerschrijft: "Alles in orde
(R.)" wekt, wat zijn letterkundige ontwikkeling betreft, de geestdrift
op van een aantal adelborsten, die onder 's mans gekrabbel met groote
letters neerschrijven: "Drie hoera's voor de R."

De humor ontbreekt er dus ook niet. Jammer is het zeer zeker, dat,
nu men hier te lande zoo in het teeken van bezuiniging staat, de
regeering er toe overging om de geldelijke subsidie in te trekken,
die sinds jaren aan het Sanatorium werd verleend in verband met de
plaatsen, die er moesten worden opengehouden voor zieke ambtenaren
eerste klasse en officieren.

Was evenwel het toekennen van subsidies aan sanatoria, vroeg "De
Locomotief", wel een geldelijk offer, dat de regeering plengde ten
behoeve van hare dienaren? Wij zijn in staat om een recent geval mede
te deelen, waaruit blijkt dat het geld, aan bovenbedoelde subsidies
besteed, zijn rente wel opbracht.

De heer X, ambtenaar lijdende aan een tropische leverkwaal, verzocht,
toen de behandelende geneesheer evacuatie naar Holland noodig achtte,
een proef te nemen met Tosari, omdat het hem geldelijk niet gelegen
kwam met buitenlandsch verlof te gaan.

De patiënt herstelde, dank zij het uitnemende klimaat, gelijk in 90
procent van deze ziektegevallen te Tosari behandeld, plaats vond.

Evacuatie naar Europa werd dus voorkomen, en dit herstel bespaarde
aan den lande ruim negen duizend twee honderd gulden (passage heen en
terug naar Holland, benevens verlofstractement), ongeveer het bedrag
dat door de regeering aan subsidie voor alle ambtenaren gedurende
een geheel jaar aan genoemd herstellingsoord werd verleend.



Bezien wij thans de omgeving van het Sanatorium eens meer van nabij,
om tevens op te gaan naar den ouden Bromo, Tosari's wachter.

Het is laat geworden gisteren avond. Bouwmeester met zijn wakker
troepje voerde in de recreatiezaal "Voerman Henschel" op, en na
afloop van de voorstelling is menigeen onder het genot van een glas
wijn nog wat blijven napraten.

Om vijf uur in den ochtend zouden de paarden voorkomen.

Doel van den tocht: Zandzee, met Bromo.

Daar recht vooruit slingert het pad langs ravijnen en berghellingen
tot op den eigenlijken bergkam, die hier ruim zes duizend voet hoog
is. Zie thans ver voor u uit in de diepte, als de morgennevelen
genoegzame vensters in het hemelsch gordijn openlaten.

Wat ge dan ziet? Een lappendeken van groen, geel, met een floers,
een waas bedekt; bovenaan een horizontaal vlak, van links naar
rechts helder schitterend, soms zwarte of witte stipjes. Dáárboven
een ongelijke horizontale streep, naar boven weder een helderen rand.

Die heldere, horizontale baan is de zee, die ongelijke horizontale
streep is Madoera, het eiland waar ge over heen ziet.

Die zigzagsgewijze grauwe baan links, aan de linkerzijde van
Madoera, is de hoek van Grissee, en daarboven ziet ge flauw drie
trapsgewijze, lange horizontale banen aaneen. Dat zijn de zoogenaamde
doodkisten, aldus genoemd omdat die drie platte lange kalkheuvels
er op gelijken. Daar ziet ge over geheel het "suikerparadijs" van
Soerabaia, Bangil en Pasoeroean heen. En het koffieparadijs? Dat is
achter u gelegen.

Daar ziet ge nu een gebied, waar twee millioen menschen leven, werken
en zwoegen voor handel en nijverheid, millioenen schats produceeren,
een land waar vrede en welvaart heerscht door arbeid.

We gaan verder oostwaarts op, eerst een tijd lang over den hoogen
noordelijken bergwand, langs een pad van zand, door den Bromo tot
hierheen uitgeworpen op zes à acht palen afstand.

Rondom u in alle geulen en hoeken, langs alle hellingen, op alle
ruggen, houden zich onzichtbare wezens op, die u begluren, begeleiden
en bespieden.

Vrees evenwel niet! De geleider, Tenggerees, is de ware gids op
dit pad, de vertrouweling der goden. Zie hem gedurig rondom zich
heen kijken. Dit is de gewoonte der bergbewoners. Zijn er meerderen
bijeen, gewis kakelen ze den ganschen weg over. Ge gelooft niet aan
de onzichtbare wezens? Welaan, gelooft ge dan aan de u omgevende
lucht, die in het benedenland zes en dertig duizend ponden zwaar op
uw lichaam drukt, zonder dat ge iets voelt of ziet, en die hier in de
hoogte aanmerkelijk lichter maar ook onzichtbaar is. Dat is ook een
onzichtbaar wezen, en ge gelooft er aan, omdat de wetenschap het leert.

Sta een oogenblik stil, zoo mogelijk alleen, op een rustig
plekje. Hoort ge dat geruisch? Lispelend, glijdend, strijkend, als
een zijden gewaad over een marmeren vloer, als het gemurmel van een
verwijderd beekje. De taal der luchtgoden! Daar hoort ge op eens een
uitbarstend geloei, als van een kudde vee in de verre weide, een gebrul
met rollende tonen, gesis en gekraak, gefluit en dan weer een rollenden
donder. Ge staat stil, ziet rondom u, niets dan ruggen en kruinen
met gras en struikgewas. Wat was dat, man? Bromo-koelo, noehoen!

Hoort ge! de goden zijn te gast in den grooten kelder, die verre,
diep onder ons gelegen, reikt tot in het hart der aarde. Zoo wij nu
straks den Lamongan in het oosten, den Smeroe in het zuiden zien,
zullen zij waarschijnlijk niet rooken.

De goden bezoeken hunne zetels bij beurten, liggen bij beurten rondom
een disch aan; bij beurten rooken de hooge schoorsteenen.

Eindelijk zien wij vooruit, in den wit-grauwen bergwand, een uitgekapte
poort; opening, waardoor men naar het daarbuiten gelegene kan zien.

Men blikt in een oneindige diepte, op een warrelende, schitterend witte
dampmassa, een gezicht, dat het gemoed beklemt tot hartkloppens toe.

Wij staan aan den Moenggal, 7574 voet boven de zee. Treft men het
juist dat over de breede diepte wolkenmassa's hangen, dan gevoelt ge u
verlegen en eenigszins bevreesd om in de schijnbaar eindelooze diepte
af te dalen langs een zigzagpad, dat in den bergwand uitgehouwen
en over een afstand van wellicht niet meer dan honderd voet zeven
honderd en veertig voet daalt als de wenteltrap in een toren.

De Moenggalpas is een uitkapping in den kraterrand aan de
noordwest-zijde, een bergportaal van het groote paleis der
Tenggergoden. Doe als de u begeleidende Tenggerees. Leg een paar
duiten in een der gaten, breng dus uwe offerande aan den alhier
geposteerden onzichtbaren portier, en ge kunt welgemoed verder gaan,
al kunt ge geen twintig voet diepte, geen tien schreden naar beneden
vooruit zien door het schitterend, warrelend ijle wolkenfloers.

De goden hebben hunne gordijnen dicht geschoven totdat de hemelgeesten
ze omhoog zullen trekken.

Doch bezoekt ge, van Tosari uit, in de maanden Juni tot Augustus dit
portaal van den Bromo, ga dan om half negen 's morgens op weg. Dan komt
ge ongeveer half elf aan den Moenggalpas, vindt het zwerk weinig in
wolken gehuld en aanschouwt er de volle heldere hemel van het bergland.

Zie voor u neder in de diepte. Ge staat bij de planken hut, daar
geplaatst door het Sanatorium. Daar beneden is een vale, grijze,
schijnbaar doorploegde vlakte, doodsch, naakt, kaal.

Noch vogel, noch insect, noch vlinder, noch mensch, noch dier ziet
ge ergens. Zeldzaam dwalen verwilderde paarden in dit kraterdal. Zoo
ze er zijn, als ge op den kraterwand bij Moenggal staat, gewis zoudt
ge ze voor mieren aanzien, want afstand en hoogte zijn groot.

Wij dalen langzaam neder in de kratervlakte, meer dan twintig
duizend voet breed of ruim een uur gaans, tamelijk waterpas en alles
zandbodem. Klompen, schijnbaar van steen en lava, verkoolde poreuze
massa's als uit steenovens, wijzen den weg en zijn de levenlooze
begeleiders op ons pad door de Zandzee.

Daar vóór ons rijst somber en dreigend de Bromo, die tot zevenhonderd
voet boven de zandvlakte zich verheft, één aschhoop zonder een enkel
grasscheutje of sprietje. Een deel van zijn noordoostelijken voet hangt
samen met den Batok, dat broodsuikervormig geribt bergje, 926 voet hoog
en waarvan de smaragdgroene voet verdwijnt in den vaalgrijzen bodem. De
sedert lang uitgedoofde en de nog werkende krater willen nog niet van
elkander scheiden, houden elkander vast aan de zoomen van hun kleed.

Maar dat kleed is bij den Batok groen als fluweel, door den verren
afstand van de tjemaraboomen; bij den Bromo is het een treurig woest,
doodsch, naakt en kaal gewaad.

En als dan de Bromo in werking is, dan ziet men vuur en rook
en vlammen en warrelende kolommen opstijgen uit den vuurmuil van
vijftien honderd voet diameter; men ziet de schijnbaar als vuurvonken
opgeworpen lavabrokken in bogen neervallen; men hoort het geraas en
gerommel opkomen uit de diepten van het hart der aarde en de omgeving
sidderen onder de machtige mokerslagen van den god Vulcaan, die met
zijn trawanten daar den vuurhaard stookt.

Doorleef het nog eens in uwe herinnering, gij die het ook gevoeld en
ondervonden hebt; mededeeling door woorden aan anderen is ondoenlijk.

Een koude wind komt opzetten, de wolken van Tosari hullen alles in
een sluier, geheimzinnig en zwaar: langzaam verlaten wij de plek,
waar de natuur haar wonderen wrocht. De Bromo is reeds onzichtbaar,
de doodsche vlakte ligt daar vaalgrauw in indrukwekkende majesteit, en
in galop voeren de paarden ons door de Zandzee wederom den Moenggalpas
op en terug naar het Sanatorium.

Daar liggen de golvende bergkammen en de ravijnen, daar blinken de
prachtige dessa's en in de verte schemert de vlakte en de zee. En
ziet! rijst daar niet in het allerverste Westen aan den lichten
horizon Ardjoeno's goddelijk lichaam in maagdelijk blauw omhoog, met
een blinkende glorie van witte, pure wolken om zijn statig hoofd? [1]

Heerscht in gewone tijden een doodsche stilte in en om de Zandzee,
anders is het wanneer het Bromo-offerfeest zal worden gevierd.

Op de nauwe bergpaden, die naar den Moenggalpas voeren, verdringt zich
dan de bont uitgedoste bevolking, gedeeltelijk gezeten op stevige
bergpaardjes met rinkelende bellen behangen, op weg naar den ouden
Wachter.

Reeds dagen te voren verzamelen zich de Tengger-bewoners in de Zandzee
en slaan daar een tijdelijke woning op, zoodat die zandvlakte een
kermisplaats zonder tenten gelijkt. Bij het ochtendgloren wordt dan de
aschkegel bestegen door duizenden lieden, voorafgegaan door priesters,
dragende offers bestaande uit rijst, klappers en pisang.

Ten opzichte van het brengen van levende offers zijn de tijden veel
veranderd. In de 18e eeuw werd eenmaal per jaar een jonge maagd, bij
het bergfeest, in den krater geworpen. Later, instede van de maagd,
een stokoude vrouw reeds met één voet in het graf. Eindelijk werden,
en maar gelukkig, dieren in plaats van menschen geofferd, en ook deze
hoe langer hoe minder groot en kostbaar. Van een koe kwam men tot een
kip. Schrijver dezes woonde het bij, dat men zelfs den kratergeest de
kip niet meer gunde; althans het beest werd, zorgvuldig aan een touwtje
gebonden, neergelaten en haastig weer opgehaald uit den vuurmuil.

Andere tijden, andere zeden!



Schier onhoorbaar is de stilte van den nacht gekomen over het
wondervolle Tenggerland. In de helder verlichte zalen van het
Sanatorium vermaakt men zich met spel en opgewekt discours, en naar
buiten getreden, werpen wij een blik in de richting van het lage land
in de vlakte, zes duizend voet beneden ons.

Als een reusachtig mysterie donkert de omgeving tegen ons aan,
diep en zwaar. Hier en daar blinken lichten op uit de velden; één
plek komt helder uit, vermoedelijk een boschbrand. Daar in de verte
wordt van tijd tot tijd zichtbaar het vuur van Zwaantjes-droogte,
een lichttoren van de vierde orde.

Als een reusachtig oog blikt het licht over het water. Het schijnt
ook opwaarts te zien, als een symbool van hoop en vertrouwen.

Men voelt zich hier verheven boven het klein gedoe der wereld,
zwoegende beneden ons; de bergen stemmen tot weemoed en ernst,
maken den mensch beter, geschikter om te volvoeren de plichten,
die hem opgelegd zijn, de plichten waaraan wij ons niet kunnen
onttrekken zonder te kort te schieten in 't geen wij der gemeenschap
verschuldigd zijn.


													Blitar, 1907.



AANTEEKENING


[1] Borel, "Een Droom."



				   Uitstapje naar Kopenhagen.



Wie de deensche hoofdstad gaat bezoeken, richte het zóó in, dat hij
bij nacht of ten minste bij avond de haven binnenvaart, want al is
de ligging van Kopenhagen uit een schoonheidsoogpunt te vergelijken
met die van Napels, Lissabon, Stockholm en Konstantinopel en dus
ook bij dag interessant en mooi, de nachtelijke binnenvaart is
onvergetelijk. De door de zee omspoelde stad heeft vóór alles het
karakter van een vesting, maar van een moderne vesting, welker wallen
ver buiten liggen in de zee als schier onneembare forten, in een
krans den Sond omgevend en dien naar het Zuiden en Oosten beschuttend.

De binnenkomende stoomboot gaat er tusschen door, en van alle forten
ziet men in het nachtelijke duister de schijnwerpers stralen,
zoodat door fonkelende stralenbundels geëffend, de weg open ligt
door de tallooze voor anker liggende schepen, de werven en de
dag en nacht werkende baggermachines. De haven getuigt van een
druk handelsleven. De oude vesting Driekronen, op welker wallen de
kanonnen staan als wachters der stad, is de grens tusschen de buiten-
en de binnenhaven. In de eerste gaan de schepen voor anker, die de
Oostzeehavens bezoeken, in de laatste liggen de toeristenschepen,
de pleiziervaartuigen en de kleine vaartuigen, door het land in het
Westen en door een eiland in het Oosten voor wind en golfslag beschut.

De zee is de toonaangeefster in het kopenhaagsche leven. Slechts in
een zeestad vindt men zulke kolossale handelshuizen als hier in het
centrum der stad; slechts daar komt zulk een overvloed van producten
der zee ter markt en is zoo'n levendigheid op de kanalen en in de
grachten. Op de groote verkeerswegen, die van het station uit naar
alle richtingen loopen is het een woeligheid zonder weerga, vooral
op de zoogenaamde Ströget, een reeks van straten met aangrenzende
pleinen, waar het kopenhaagsche leven zich concentreert.

De straten zijn niet breed en vertoonen moderne hooge huizen, terwijl
vooral aan de mooie pleinen gebouwen uit vroegere eeuwen staan. Naast
den stroom van voetgangers, die deze Frederiksgade, Bredgade en de
andere straten, die de Ströget vormen, vult, ziet men alle soorten
van voertuigen, cabs, met en zonder taxameter, hooge trams met twee
étages, omnibussen, landauers en een massa fietsen, welk vervoermiddel
bijna nergens zoo algemeen is als in Kopenhagen. Het drukste punt is
de Kongens Nytorv of Konings Nieuwmarkt en verder is ook de Amagertorv
zeer levendig en overal zijn aan de straten en op de pleinen de café's
in de open lucht.

Bij de Amagermarkt verrijst de ruïne van het Christiansborger slot,
dat in 1884 een prooi der vlammen werd en niet weer werd opgebouwd. Het
is een stuk deensche geschiedenis, want Christiansborg is het oude
deensche koningsslot en de door het vuur geblakerde muren omsloten
eens een der schoonste kasteelen van Europa. Thans is de Amalienborg,
in hollandsche renaissance opgetrokken, zetel van de koninklijke
familie. Het plein is van een uiterst deftig en oud aanzien met de vier
in gelijken stijl gebouwde paleizen en daartegenover de Frederikskerk
met zijn goudgestreepten koepel. Wat een onderscheid met de Kongens
Nytorv, waar alles modern is, hotels, winkels en café's.

Maar die tegenstelling treft telkens in Kopenhagen tusschen oude
cultuur en moderne stroomingen. Eerbiedig is de hulde, die in het
Thorwaldsenmuseum aan den grooten beeldhouwer is gebracht en niets
kan soberder en tegelijk indrukwekkender wezen dan het eenvoudige
graf op een plaats binnen de muren van het gebouw, waar geen steen
en geen opschrift van hem getuigt, maar waar hij rust te midden van
de marmeren bewijzen zijner grootheid.

En hoezeer is de omgeving van Kopenhagen met natuurschoon
gezegend! Dichtbij de stad parken en lanen; in het Oosten het park
van het Rosenberger slot in engelschen stijl met het standbeeld
van den grooten sprookjesdichter Hans Andersen en in het Westen de
Frederiksborgallee met haar honderdjarige boomen. Die omgeving van
Frederiksborg met het park is voor de Kopenhagers wat de Champs Elysées
voor de Parijzenaars, de Prater voor de Weeners en de Tiergarten voor
de Berlijners is. Maar er is hier een concurrent, dat is Tivoli,
het wereldberoemde Tivoli, een volmaakter Dresdener Vogelwiese en
Berlijnsche Hasenheide, waar acrobaten en dierentemmers en goochelaars
en pantomimes, vroolijke muziek oostersche bazars en wat niet al,
avond aan avond de scharen amuseeren, vooral de vreemdelingen, waar
Kopenhagen in den zomer van krioelt.

En dan is er de Sond, dat paradijs der Denen. Men wordt er aan
Hamlet herinnerd, en in het park van Marienlyst wordt u zijn graf
vertoond. Maar dat is sage, en er zijn herinneringen aan het echte
verleden. Helsingör, thans een klein, stil plaatsje met zindelijke
straten, was eenmaal, toen de beide oevers van den Sond nog aan
Denemarken behoorden en het slot Kronborg als een wachtpost voor het
rijk en de Oostzee lag, een veelbegeerde stad, waar het volkerenverkeer
levendig was. Nu glijden de schepen, die door den Sond varen, lans
Kronsborg en Helsingör en zien langs de kust van Seeland villa's
en landhuizen in lange rijen, en stadjes en dorpen liggen tegen een
achtergrond van groote bosschen.

Bij Rungsted heeft men slechts over den weg te gaan, om in het mooiste
beukenwoud te komen, waarna de villa's zich weer aaneensluiten tot
de stad Vedback.

De strandweg van Skadsborg naar Kopenhagen gelijkt een straat van
villa's; kleine, sierlijke landhuisjes ziet men er naast prachtige
kasteelen en hier en daar nog een eenvoudige vischershut. Om alles is
geslagen de heerlijke band van bosch en zee en lachende tuinen. Hoog
boven de vele concurrenten ligt Klampenborg, het bekende zeebad,
waar de hôtels tusschen palmen staan en men broeikassen en terrassen
ziet op de hoogte.

Mijlen ver strekt zich achter de bebouwde strook de Dierentuin uit
als een schitterend mooi park in de schilderachtige omgeving van
Denemarkens hoofdstad.

Tivoli heeft in de eerste week van October zijn
automobielententoonstelling gehad. Het automobilisme heeft in het
laatste jaar groote vorderingen in Kopenhagen gemaakt, ofschoon de
ligging der stad niet juist bevorderlijk is voor de ontwikkeling der
tuftufsport. Toch snorren thans veel prachtige wagens door de stad.

De weinige motordroschke's die het vorige jaar reden, en van
een voorhistorisch model waren, zijn verdrongen door een groot
getal kostelijk er uitziende, splinternieuwe opvolgers, waaraan
niets lachwekkends is dan de bestuurder op den bok, in zijn oude
koetsierspak met den witten hoogen hoed op; en het is ook maar alleen
's mans kleedij, want hij verstaat zijn werk reeds uitstekend.

De tegenzin, die hier als overal bij de menschen en vooral bij de
paarden bestond, is bij beide reeds lang vervangen door een redelijker
beschouwing, en men heeft zich met het nieuwe vehikel verzoend.

Maar één ding is jammer. Met al te groote gestrengheid handhaaft de
Deensche justitie bepalingen, die een ernstige belemmering zijn voor
het automobilisme op het eiland Seeland. Strandvejen, de weg van
Kopenhagen naar Klampenborg langs den Sond, een der meest geliefde
wegen, de toegang tot de schoonste deelen van het eiland, en de weg
naar de badplaatsen langs de kust, is voor de auto's verboden. Het is
er dikwijls druk, en de weg is niet breed, maar het is er niet zoo druk
en zoo smal dat het verbod er door verklaard wordt. Dit verbod is te
gekker, als men weet, dat in de zeer smalle, geasfalteerde stratenreeks
van het raadhuisplein naar het Nytorv, het bij den Kopenhagenaar sedert
eeuwen geliefde "ströget", autoverkeer wel toegelaten is. En toch
is het er in de middaguren zoo druk dat men moeite heeft er te voet
vooruit te komen. Maar door die menschenmenigte tuffen automobielen,
men begrijpt niet hoe, en doen niemand kwaad; wielrijden is er echter
verboden, en daar ook alleen in de heele stad.

Deze tegenstelling is wel zonderling, en de politie-directeur van
Kopenhagen, die vroeger een streng heer was tegenover auto's, heeft
zich dan ook met een uitvoerig gemotiveerd verzoek tot den minister
gewend, om het verbod, wat het Kopenhaagsche gedeelte van Strandvejen
aangaat, op te heffen. Hij wees daarbij op het onbillijke, om zonder
voldoenden grond de zoover weg wonende en talrijke bewoners van dat
stadsdeel te beletten de autodroschkes te gebruiken, en hun huizen
onbereikbaar te maken voor de motorvrachtwagens, die hier hoe langer
hoe meer in gebruik komen. Maar de minister heeft zonder opgaaf van
redenen geantwoord, dat hij geen reden had om hierin verandering
te brengen.

Of het gemeentebestuur erin zal slagen, ten slotte een middel te
vinden tot openstelling van dien weg voor auto's?





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "In en om Java's Paradijs - De Aarde en haar Volken, 1907" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home