Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Nieuw-Guinee en de exploratie der "Meervlakte" - De Aarde en haar Volken, 1918
Author: Langeler, J. W., Doorman, L. A. C. M.
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Nieuw-Guinee en de exploratie der "Meervlakte" - De Aarde en haar Volken, 1918" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



      Nieuw-Guinee en de exploratie der "Meervlakte." [1]

                           1913-1915.


          door J. W. Langeler en L. A. C. M. Doorman.



Inleiding.


Nieuw-Guinee, een der grootste eilanden van onzen aardbol, 24 × zoo
groot als ons vaderland, werd ontdekt in 1545 door den Spaanschen
reiziger Ynigo Ortiz de Retes. In de oude scheepsjournalen van
Spanjaarden en Portugeezen komt de naam geregeld voor. Het is dan
ook vrij zeker, dat, toen de Hollanders bezit namen van Indië,
het bestaan van Nieuw-Guinee hun niet onbekend was. Spoedig werden
schepen derwaarts gezonden, teneinde te pogen handelsbetrekkingen
aanteknoopen. Deze tochten hadden geen of weinig succes; onze oude
zeevaarders hadden veel te lijden van vijandelijkheden der bevolking en
de scheepsbemanningen werden gedecimeerd door de gevreesde "Papoesche
ziekte." Aangezien er bovendien weinig voordeel te behalen was,
werden deze tochten allengs gestaakt. In de tweede helft der 18e
eeuw is het initiatief tot onderzoekingsreizen geheel in handen van
Franschen en Engelschen en de namen van eenigen onder hen bleven tot
heden aan de geografie van Nieuw-Guinee verbonden als Kaap d'Urville,
Maccluer golf e.d.

In 1828 werd door de Nederlandsche regeering de geheele West-,
ZW.-, en Zuidkust tot 141° OL. verklaard tot haar territoor. Een
bestuurszetel werd gevestigd, Fort du Bus; deze plaats werd in
1836 echter weder verlaten, daar men niet bestand was tegen het
moordend klimaat. Ondanks dit, breidde onze Regeering in 1880 haar
gezag nog verder uit, ditmaal over de geheele Noordkust tot aan de
Humboldtbaai. Wat de Oostelijke helft betreft, in 1885 verdeelden
Duitschland en Engeland deze in ongeveer gelijke deelen.

Bestuursvestiging in ons gebied had wederom plaats in 1898;
toen werd Manokwari (Menukwari) de hoofdplaats van de afdeeling
Noord-Nieuw-Guinee en Fakfak voor de afdeeling West- en
Zuid-Nieuw-Guinee.

Na 1912 was de indeeling als volgt;

Noord Nieuw-Guinee, met bestuurszetel Manokwari, ressorteerend onder
Ternate.

West Nieuw-Guinee, met hoofdplaats Fakfak.

Zuid Nieuw-Guinee, met Merauke; beide laatste afdeelingen ressorteerend
onder de residentie Amboina.

Tot 1903 was hier betrekkelijk nog zeer weinig van land en volk
bekend. In den loop der tijden slechts hadden de zeevaarders de kusten
vrij behoorlijk in kaart gebracht; aan de zendelingen, die sinds 1855
op Nieuw-Guinee hun vestigingen hadden, was het te danken, dat eenige
van de onmiddellijk aan zee grenzende streken met hun bevolking meer
nauwkeurig bekend werden.

Nu kwam in 1903 en volgende jaren een groote
verandering. Wetenschappelijke genootschappen in Nederland
gingen voor in het organiseeren van meer systematisch opgezette
onderzoekingstochten en in 1907 volgde de Regeering met de oprichting
van de "Militaire Exploratie-detachementen voor Nieuw-Guinee."

Van de eerstgenoemde, dus particuliere tochten vermelden wij:

1903. Expeditie Wichmann, exploreerende Humboldtbaai en omgeving.

1904-05. Expeditie tot het betreden der "eeuwige sneeuw", in 1623
door Jan Carstenz het eerst vanaf de Zuidkust gezien. Het doel werd
niet bereikt.

1907. Eerste expeditie Lorentz; bereikte van uit de Noordrivier
(Zuidkust) een hoogte van 2600 M.; bracht belangrijke verzamelingen
mede.

1909-10. Tweede Lorentz expeditie; beklimmen van de helling van den
Wilhelminatop en bereiken der sneeuwgrens op ± 4500 M.

1913. Expeditie Franssen Herderschee; bereikt de kruin van den
Wilhelminatop; zag om de Noord een zwaar bergland van evenwijdige
O.W. loopende ketenen; groote verzamelingen op allerlei gebied.



In 1907 dan werd samengesteld het Militaire Exploratie detachement
voor Zuid Nieuw-Guinee, ter beschikking van het Civiel Bestuur,
met het doel om op stelselmatige wijze het land te karteeren, de
bevolking en de gesteldheid van den bodem te leeren kennen; in 1909
volgde de oprichting van een overeenkomstig detachement voor Noord-,
in 1910 evenzoo voor West Nieuw-Guinee. In 1912 ging de leiding van
de geheele exploratie over in militaire handen en wel directelijk in
die van den Militairen Commandant van Amboina.

De resultaten door deze detachementen verkregen tot in het jaar
1913 waren:

Zuid. Basis Merauke. Verkenning langs de kust; opvaart van alle
rivieren tot den oorsprong, voor zoover uitmondende tusschen
Etnabaai en Bensbach rivier; van deze rivieren is de Digoel (tot ±
700 K.M. opgevaren) de grootste, daarop volgen de Eilanden- en de
Lorentz- of Noordrivier. Eenige doorsteken van den grooten Digoel
naar de Flyrivier. Vaststelling van het feit, dat geheel Nederlandsch
Nieuw-Guinee bezuiden de hoogketens van het Centraal Gebergte één
uitgestrekte, op vele plaatsen moerassige vlakte is; en dat vele van
de geëxploreerde rivieren ver van hun mondingen onderling door armen
(antassan) verbonden zijn; men vermoedt zelfs alle. Doorkruisen van het
vlakke oerwoud van Frederik-Hendrik eiland. Panorama's en vastlegging
van bijna den geheele Zuidrand van het Centrale Gebergte, waaronder
de groote sneeuwtop-complexen: Carstensz, Wilhelmina, Juliana,
(Luitenants ter zee Van der Ven en Chaillet). Beklimming van den
Goliath tot ± 3300 M.

Het detachement werd einde 1913 na beëindiging van zijn
taak overgebracht naar den Mamberamo (Pionierbivak) voor de
binnenland-exploratie benoorden het Sneeuwgebergte.

West. Ingesteld begin 1910, opgeheven na uitgevoerde opdracht begin
1914. Basis Kaimana. Het van alle kanten doorkruisen van den geheelen
"Vogelkop", zooals men het schiereiland noemt links van de lijn
Geelvinckbaai-Etnabaai; vergemakkelijkt door den ingesneden vorm
van het land en de menigvuldige Papoeapaden, die het bereiken van
alle punten mogelijk maakten. Het Zuidelijke schiereiland is niet
boven de 800 M. hoog, behalve bij de Wandammenbaai, waar men tot
1200 M. klimt. In het Noordelijke schiereiland echter rijst de 3000
M. hooge Arfak op met de 1900 M. boven zee liggende Anggimeren. De
grootste rivier van den (Noordelijken) Vogelkop is de recht Noord-Zuid
loopende Kamoendan, die in de Golf van Maccluer uitmondt.

Noord. Aanvang September 1909, ter beschikking van den
Assistent-Resident van Manokwari. Basis Hollandiabivak aan de
Humboldtbaai, na begin 1912 Manokwari. Tevens belast met de voorloopige
maatregelen voor de uitvoering van het Gouvernementsbesluit van Maart
1910: het vaststellen van een natuurlijke grens tusschen Nederlandsch
en Duitsch Nieuw-Guinee. In November 1910 kwam het detachement weder
beschikbaar voor de systematische exploratie der Noordkust.

In de "Grensregelingsperiode": exploratie van het Tamibekken, het
Sentanimeer, het Bewani-gebergte (Mokkofiang) en de Keeromrivier. De
laatste werd gevolgd, in de hoop dat zij, zijrivier van de
Kaiserin-Augustarivier, Zuidwaarts buigend, met deze een geschikte
grensrivier vormen zou; doch zij werd verlaten door den Kapitein
Sachse bij het punt Terminus, toen de loop onveranderlijk westelijk
bleek. Deze detachementscommandant opperde toen het vermoeden, dat de
Keeromrivier de oorsprong van den Mamberamo kon zijn. Belangrijk is
ook van dezen tijd de opvaart der Kaiserin-Augusta rivier door den
Luitenant ter zee Rambonnet en daarna door de Nederlandsch-Duitsche
Grensregelingcommissie in 1910-1911 tot nabij haren oorsprong op ruim
1000 K.M. van de monding.

Na November 1910: exploratie van alle rivieren der Noordkust
en van de delta van den Mamberamo. Exploratie van het Arfak-
(3000 M.), Weijland- (3750 M.), Gauttier- (2000 M.), Bonggo-
(1200 M.) en Cycloopgebergte (2000 M.). Aan den hoogsten top van het
Weijlandgebergte, 3750 M., komen samen de hooge ketens van Weijland-,
Nassau- en Charles-Louis-Gebergte; van dicht hierbij (3250 M.) werden
de Geelvinckbaai en de Indische Oceaan gelijktijdig overzien en kreeg
luitenant ter zee Stroeve zijn peilingen tot in den Afrak, voorwaar
een schitterend resultaat!

Het detachement voegde zich in Maart 1914, na beeindiging der
Noordkust-exploratie, bij het reeds in Pionierbivak gelegerde
"Detachement van den Mamberamo", om deel te nemen aan de exploratie
van het Binnenland.



Er bleef nu nog over de Exploratie van het Binnenland benoorden het
sneeuwgebergte. Hier was de Mamberamo de toegangsweg, Pionierbivak
hoofdbivak. Dat deze exploratie zwaar zou worden in vergelijking
met die van Noord, West of Zuid, bleek hieruit, dat geen Papoeapaden
ten dienste stonden als in West Nieuw-Guinee; dat er één weg was, de
groote Mamberamo, doch door sterken stroom en versnellingen oneindig
veel moeilijker te bevaren dan de vlakte-rivieren der Zuidkust; dat
het land één dun bevolkt oerwoud was, waar men niet te rekenen had
op tuinproducten van de bevolking; en dat de afstanden enorm waren.

Alvorens in de schetsen over die exploratie te schrijven, willen
wij nog kortweg recapituleeren en de geschiedenis van den Mamberamo
aanvullen. Wij noemen dan:

1826. Ontdekking van de monding door Dumont d'Urville.

1884. Eerste opvaart door van Braam Morris, Resident van Ternate,
met de "Havik" tot Havik-eiland.

1900. Idem door de "Camphuijs" (K.P.M.)

1906. Idem door de "Brak" (Gouvernements-Marine) met hetzelfde
resultaat, n.l. niet boven Havikeiland.

1909. Door den Commandant van Hr. Ms. "Edi", den Luitenant ter zee
Rambonnet, werd met het communicatie vaartuig "Pionier" in Juni-Juli
de Mamberamo opgevaren, de versnelling bij Havikeiland zonder bezwaar
genomen en bereikt een punt op korten afstand beneden de door hem aldus
gedoopte "Marine vallen"; met een prauw verder gegaan door de Marine
versnellingen heen en gekomen tot bij de eveneens door hem gedoopte
"Edivallen." Bij de terugvaart afgevaren per prauw de Aiberam of Weir,
linker delta arm van den Mamberamo.

Uit de rapporten van de vier genoemde opvaarten halen wij nog aan:

"Havik", Juli 1884: "Gedurende de terugreis hebben wij geen
malaria-ziekte gehad. Na terugkeer te Ternate echter kregen allen,
die de reis mede hadden gemaakt,--ik meen met uitzondering van 2
personen en er waren in 't geheel 38 personen aan boord,--in meer of
minder mate een aanval van malaria, echter niet in zoo hevige mate
als bij de twee latere reizen het geval schijnt te zijn geweest."

"Camphuys", Januari 1900: "Deze reis was voor de opvarenden vrij
noodlottig. Kapitein de Grooth (gezagvoerder) kreeg malaria en
beri-beri, evenals de meeste inlandsche opvarenden en ook stuurlieden
en machinisten moesten allen worden vervangen, terwijl het schip
zelf geheel moest worden gedesinfecteerd en enkele van de Europeesche
opvarenden, waaronder Kapitein de Grooth, voor herstel van gezondheid
naar Europa moesten."

Brak, Juni 1906: "Gedurende de geheele reis en een week daarna werd
aan de equipage elken dag een halve gram kinine gegeven, terwijl
tevens tegen beri-beri kadjang idjoe werd verstrekt. Toch kregen wij
na 14 dagen (men heeft mij verteld het z.g. incubatie tijdperk van
malaria) zooveel koortslijders aan boord, dat van de 27 man equipage
er slechts 13 geschikt bleken om den dienst waar te nemen. Slechts
het machinekamerpersoneel bleef gespaard en ik schrijf het toe aan de
hooge temperatuur in de machinekamer, dat zij er zoo goed afkwamen. De
koorts begint gewoonlijk de eerste week met zware hoofdpijnen, hooge
temperatuur (39°-40°) en absoluut gebrek aan eetlust. Na een week
neemt de temperatuur af tot om en bij 38° en deze toestand blijft
zoo tot een 14 dagen daarna."

Pionier, Juni/Juli 1908: "Door den Commandant van Hr. Ms. 'Edi' werd
meegedeeld, dat, dank zij de door den officier van gezondheid genomen
maatregelen (kinine en kadjang idjoe), deze tocht voor de gezondheid
van slechts 3 schepelingen schadelijke gevolgen heeft gehad. Deze
drie kregen malaria; twee hunner waren na een paar dagen hersteld."

1910. Poging van Kapitein A. Franssen Herderschee om het sneeuwgebergte
vanaf de Noordkust te bereiken. Na de Edivallen te zijn gepasseerd,
wachtte hem 40 K.M. verder een groote verrassing: de heuvels verdwenen,
de rivier verbreedde zich en zoover het oog reikte, strekte zich
naar het Oosten, Zuiden en Westen een zeer groote vlakte uit. Dit
was de z.g. "Meervlakte". Hierna liep de rivier over 25 K.M. recht
Zuid en bleek alsdan ontstaan uit de samenvloeiing van twee takken:
één komend uit het Westen, één uit het Oosten. Den eerste volgend,
bereikte Franssen Herderschee in 10 dagen roeiens den voet van het
gebergte; doch nauw tot den landtocht overgegaan, brak onder zijn
troep beri-beri in zoodanige mate uit, dat er verscheidenen stierven
en de leider met 50% zieken ten spoedigste moest retireeren en de
expeditie opgeven. Men was toen nog ruim 70 K.M. hemelsbreed benoorden
de Carstenztoppen. De Oostelijke tak, Idenburgrivier gedoopt, werd
45 K.M. opgevaren. Natte moesson.

1910-1911. De Duitsche doktor Max Moszkowski maakte van den weg
van Franssen Herderschee gebruik om eveneens het Sneeuwgebergte te
bereiken; gebrek aan vivres dwong de kleine expeditie, die in slechts
één prauw voer, tot terugtocht. Moszkowski was zeer tevreden over den
gezondheidstoestand, dank zij de toegepaste prophylaxe van kinine,
zilvervliesrijst en kadjang idjoe.

1911. De bij de expeditie Franssen Herderschee in 1910 slechts 45
K.M. opgevaren Idenburgrivier werd over bijna 400 K.M. verkend door
den Luitenant ter zee 1e klasse De Wal. Onbegaanbare kloven met woeste
versnellingen aan het eindpunt op 139° 54' OL. noopten hem tot den
terugtocht. Deze reis door de Meervlakte geschiedde in de maanden
Juni-Augustus; er kwamen slechts enkele koortsgevallen voor.



I.

De samenstelling van het Exploratie detachement voor den Mamberamo.


Tot het reeds genoemde einddoel, het exploreeren van het Binnenland
benoorden het Sneeuwgebergte, voer in het begin van December 1913 het
eerste échelon van het "detachement voor den Mamberamo" deze groote
rivier op.

Dit échelon bestond uit den Kapitein der Infanterie Oppermann als
leider, den Officier van Gezondheid Thomsen en den Luitenant ter zee
der 2e klasse Langeler. Verder uit eenige Europeesche en Inlandsche
onderofficieren, voorts Inlandsche fuseliers en dwangarbeiders. Te
zamen een 70 man.

De fuseliers waren in hoofdzaak Javanen en enkele Timoreezen;
Amboneezen hadden wij er niet bij. De Timoreezen muntten bijzonder
uit. De dwangarbeiders vormden een staalkaart van rassen en stammen;
onder hen waren de Atjehers, Palembangers en Boegineezen de besten;
hun "zonden" waren moord en grove diefstal; geen wonder, dat het
régime streng was en er vaak ter bestraffing naar den rottan moest
worden gegrepen.

Een Inlandsche opnemer was toegevoegd aan het detachement; dit was
één der z.g. "verkenners" van den Topografischen dienst, welke
zijn opgeleid voor detailwerk, doch die ook voor het globalere
overzichtswerk uitstekende diensten kunnen bewijzen.

Met een volgend échelon kwamen 40 Dajaks van Borneo, bekwame
prauwenmakers en versnellingroeiers en 130 Papoea's van de kusten,
die als roeiers diensten zouden bewijzen.

Eind Maart 1914 kwam het geheele detachement van de Noordkust op
den Mamberamo aan en stelde zich onder de bevelen van den leider,
Kapitein Oppermann.

Dit detachement bestond uit den Kapitein der Infanterie Schultz,
1e Luitenant Schulze en de Luitenants ter zee 2e klasse Doorman en
Stroeve. De Officier van Gezondheid v. Steenis bleef te Manokwari
achter. Met een vorig échelon was reeds aangekomen de 1e Luitenant
der Infanterie Feuilleteau de Bruin, ter vervanging van Kapitein
v. d. Beeke, die na een kort verblijf op Nieuw-Guinee met malaria en
beri-beri geëvacueerd was.

Totaal hadden wij derhalve 9 officieren, 160 man kader en fuseliers,
40 Dajaks, 130 Papoea's en circa 240 dwangarbeiders. Vele zieken
maakten een voortdurende vervanging noodzakelijk.



II.

Den Mamberamo op.


Doreh of Manokwari is de naam voor onzen bestuurszetel aan de Noordkust
van Nieuw-Guinee. Het plaatsje ligt aan den Noordkant der baai;
het terrein is flauw oploopend met heuvels op den achtergrond. Van
af den wal ziende naar het Zuid-Zuid-Westen over de baai heeft men
bij helder weer in den vroegen morgen een schitterend uitzicht op
het 3000 M. hooge Arfak-gebergte aan den overkant.

Behalve de verblijven en de gebouwen voor de ambtenaren van het
Gouvernement, een kazerne voor de gewapende politie, e.d., vindt
men één lange hoofdstraat evenwijdig aan het strand met toko's aan
weerszijden. De handelaren zijn Chineezen, zij koopen vogelhuiden in,
verkoopen snuisterijen aan de pronkzieke Papoea's en voorzien verder
tegen buitensporige prijzen in de talrijke meer of minder belangrijke
nooden van de lagere klassen van het Exploratie-Detachement

De vogelhuiden worden hun geleverd door Papoesche of Ternataansche
jagers, aan wie zij geweren, mondkost en een voorschot verstrekken
en die na verloop van eenigen tijd hun buit aan hen komen afdragen
tegen den overeengekomen prijs. Hier worden goede winsten gemaakt;
de prijs van den Paradijsvogel was destijds gemiddeld f 70.- voor de
beste soort (Ansoesvogel). Ook andere vogelhuiden worden verhandeld,
doch de Paradijsvogel is hoofdzaak; de grootste afnemers waren Amerika
en Frankrijk.

De koopende, doch meer nog kijkende, Papoea's kon men den heelen
dag in de winkels zien "lummelen". Dit luie volkje voert voor den
kost geen vinger meer uit dan even noodzakelijk is. Zij leven van
vischvangst en landbouw en, als de honger het hun zeer lastig maakt,
van koelie-arbeid. Zij hebben zich een zekere beschaving eigen gemaakt;
een sarong of lendendoek siert hun lijf en kralen en ringen behooren
reeds tot den noodzakelijken opschik. Over den haartooi beslist
blijkbaar de spreuk: alles of niets; men ziet of kroeskoppen met 1
à 1 1/2 dM. haardikte of schedelbedekkingen van 1/2 cM. kroeshaar;
beide haartooien zijn evenredig aan hun capaciteiten bewoond. Ook
onder de hier wonende Papoea's komt veel een schurftige huidziekte voor
(cascado), welke hun aanzien niet appetijtelijker maakt.

Zij zijn voor een groot deel Christenen; de bekende zendeling Van
Hasselt heeft nabij Manokwari zijn "hoofdkwartier." Het koppensnellen
is er onder den druk van het Gouvernement en den invloed van den
godsdienst vrijwel uit, doch een enkele maal bezwijkt nog wel het
Papoea-hart voor de verleiding van een rechten raak [2]-tocht.

Hun huizen staan hier en daar langs het strand. Het zijn
verzamelwoningen met een middengang met tal van kamertjes ter
weerszijden, voor elke familie één. De huizen staan op palen, aan het
strand en buiten de laagwaterlijn, wat een hygiënisch voordeel is; een
lange "pier" verbindt de woning met den begroeiden oever van de baai.

De prauwen, uit boomstammen uitgehold, liggen bij het huis; zij hebben
vlerken, zooals in den geheelen Archipel, en een groot rechthoekig
zeil. De Papoea's zijn goede zeelui en krachtige roeiers; hun pagaaien
zijn lang, breed en sierlijk. Een aardig gezicht is het, hen te zien
aankomen, als zij hun doel bereikt hebben en de vangst is goed geweest;
zij roeien dan zeer snel en doen een regen van zeewater opspatten,
de prauw stuift door het water en hun geschreeuw klinkt vroolijk over
de baai; hoe minder de vangst, hoe trager de gang.

Het is een opgewekt volkje en om een kleinigheid kunnen zij een
heidensch spektakel maken. Gezag en gehoorzamen is hun onbekend:
chacun pour soi et Dieu pour eux tous. Er zijn hoofden of korano's,
door het Gouvernement aangesteld, doch mij is altijd verteld, dat
hun gezag zich niet verder uitstrekt dan tot de panden van de jas en
de klep van de pet, die hun als teekenen van waardigheid geschonken
zijn. Toch hebben enkele individuën, ofschoon geen hoofden, grooten
invloed; onder dezen bewezen later Dirk Broos en Oscar ons belangrijke,
schoon goed betaalde diensten; zij zullen hierna ten tooneele komen.



Het Detachement was gelegerd beoosten Manokwari; de legerplaats
heette Kwawi. Hier was tegen het hellende land een groot bivak
gebouwd met grintwegen; een goede weg verbond Kwawi met Manokwari
en vóór Kwawi was een stevige houten aanlegsteiger gemaakt. Men
vond er een hospitaal, groote fuseliers- en dwangarbeiders-barakken
en woningen voor officieren en onderofficieren. Alles was in den
loop der jaren door het Detachement zelf gebouwd uit het hout der
wildernis; de indekking was atap. Het was een permanent bivak van
soliede constructie; zelfs een waterleiding ontbrak er niet.

Hier was gelegerd het Detachement van Noord Nieuw-Guinee. Ik
ontmoette er mijn collega's Doorman en Stroeve, kort te voren van
patrouille teruggekeerd, en maakte kennis met de overige heeren van
het Detachement.

Men had voor ons en onze menschen tijdelijke woningen
gereedgemaakt. Dit was wel noodig, want wij zijn een week te Manokwari
gebleven en toen eerst met een deel van ons Detachement den Mamberamo
opgegaan.

Om te beginnen werden na aankomst (20 November) de "Heemskerk" en
het, reeds ter reede liggende, stoomschip "Valk" geheel leeggehaald
en alle levende ziel ontscheept. Voor allen en alles werd, vaak dan
met moeite, plaats aan den wal gevonden, doch dat we hiermee niet in
één dag klaar waren, is te begrijpen.

Daarna werd op de "Valk", welke ter beschikking bleef, opnieuw
ingescheept: [3] een échelon van ± 70 man, de materialen noodig voor
hun onderdak en voor den verderen bivakbouw en een ruime voorraad
vivres.

Tot de 70 man behoorden 3 officieren, n.l. Kapitein Oppermann,
dokter Thomsen en ik; [4] verder een Inlandsch verkenner, eenige
onderofficieren, ± 15 fuseliers en ± 45 dwangarbeiders.

Over de benoodigde materialen behoeft, na de uitgebreide opsommingen
in het vorige hoofdstuk, [5] niet nader te worden uitgeweid. Slechts
zij nog een groote hospitaal-tent vermeld, die in onderdeelen kon
worden meegevoerd. De groote motorboot ging mee, twee roeisloepen en
twee lichte prauwen.

De afreis van Manokwari was den 26en November. Daar ging het dan ten
slotte op den Mamberamo los, na, voor zoover mij betreft, bijna drie
maanden van reizen en regelen.

Na Sjeri voeren wij recht Oost benoorden het langgerekte eiland Japèn
langs, om vervolgens de Noordkust van Nieuw-Guinee tot Kaap d' Urville
te volgen. Zagen wij het hooge bergland van Japèn bij helder weer en
zonneschijn, den volgenden dag kwam de Noordkust tusschen de elkaar
snel opvolgende regenbuien slechts nu en dan even te voorschijn. Die
kust is weinig schilderachtig.

Men vaart op een mijl of vier uit den wal en aanschouwt niet anders dan
het vlakke land, als een donkere streep geteekend aan den horizon. Het
is een zandig strand en daarachter groeien rizoforen en tjemara's. Hier
en daar kenmerkt een landhoek zich door donkerder tint; op zulke
plaatsen komt gewoonlijk een grootere of kleinere rivier in zee uit.

Kaap d' Urville heet de Noordelijkste hoek der Noordkust, waar
de Mamberamo in zee komt. Zij was moeilijk te herkennen, want
landhoeken zijn er vele en de talrijke buien maakten het vinden
niet gemakkelijker; de "groote rivier" [6] annonceert zich echter
op verren afstand door den grooten plas bruin modderwater, die over
een rayon van niet minder dan tien mijl uit de kust, op het heldere
blauwgroene zeewater drijft. En zoo duidelijk is de scheiding, dat men
op een gegeven moment met het voorschip in zoet, met het achterschip
in zout water is en de scherpe scheidingslijn tusschen blauw en bruin
ter weerszijden ver kan volgen.

Op het lood werd de vaargeul gezocht over de baar of modderbank,
die ook hier, zooals voor elke Indische rivier, niet ontbreekt. De
minste diepte was 4 vadem.

Eindelijk voeren we de rivier binnen; de mond was hier een 800
M. breed, de stroom in het midden 3 à 4 mijl. Daar de "Valk" zes
mijl volle kracht liep, avanceerden wij dus somtijds slechts met een
snelheid van 2 mijl; gewoonlijk konden wij onder den eenen of anderen
oever, in minder stroom, voordeel behalen; doch over de 240 K.M. tot
Pionierbivak deden wij 4 dagen, waarbij evenwel moet opgemerkt worden,
dat we des nachts voor anker gingen.

Als gids voor de opvaart hadden wij de oude kaart van den Luitenant
ter Zee Kerkhoven van 1884, welke ook zijnen opvolgers als leiddraad
had gediend en die, waar noodig, door hen was gecorrigeerd. De groote
rivier toch verlegt zich in die jaren, doch het is minder dan men
wel zou verwachten en het bepaalt zich in hoofdzaak tot de lage en
ondiepe modderbanken bij de eilanden. Evenals zulks bij het opvaren
van alle rivieren gebeurt, houdt men in krommingen den buitenbocht,
omdat die het diepste is; de binnenbocht is ondiep. Drijvend zwaar
hout raakt daardoor gemakkelijk vast, zoodat men er groot gevaar voor
stooten heeft. In binnen- of buitenbocht, kan men zich van verre
gezien, nooit vergissen; de eerste toch is in breeden band omzoomd
door glagah, een meer dan manshoog uitgepluimd oevergewas. Dit glagah
is het wilde suikerriet, doch alleen een hoogst enkele dikke stengel
is saprijk en zoet genoeg om de moeite van het uitkappen te loonen.

Den tweeden ochtend zagen wij de eerste heuvelrijen van het Van
Rees-Gebergte in de verte, den derden dag voeren wij er tusschendoor
tot wij in den avond van den vierden dag op weinig na de plaats van
het oude Pionierbivak bereikten.

Bij Scholten-eiland, den derden dag, deed zich de moeilijkheid van
den stroom duchtig voelen. Men is hier even voorbij den rand van het
heuvelland en heeft wel niet met een stroomversnelling te maken, maar
toch is het rivierbed, hoewel breed, op sommige plaatsen zeer ondiep
door uitgebreide banken van rolsteenen, welke ook bij lagen waterstand
deels droogvallen, zoodat de stroom er sterk is en het water er kolkt.

Door de talrijke draaikolken ter plaatse luisterde de slechts zes
mijl loopende "Valk" moeilijk naar het roer; op een gegeven moment
werden eenige kolken den roerganger de baas; het schip liep zooals
men zegt "uit het roer" en werd door den stroom tegen den steilen
rotswand geworpen. Wij dachten, dat de schok hevig zou zijn, doch dit
viel mee; de oever liep hier onder water blijkbaar hellend af en wij
kwamen vrij zacht aan. Het duurde evenwel eenige uren eer wij ons los
gemaakt hadden, door ons af te halen aan een zijwaarts uitgebracht
werpanker. Het behoeft wel geen betoog, dat het uitbrengen van dit
anker met stalen tros in gesleepte sloepen bij dezen zwaren stroom
hoogst bezwaarlijk was; toen het anker eindelijk gevallen was, hield
het niet in den grond, zoodat het gelicht en opnieuw, doch verder,
uitgebracht moest worden. De tweede maal hield het; toen wij los waren
scheelde het een klein beetje of wij waren opnieuw geboeid geraakt,
doch ditmaal op de overliggende grintbank; wij liepen evenwel vrij,
dicht langs Scholten-eiland.

Een voorbeeld van de kwade gevolgen, die zulk vastloopen kan
hebben, hadden wij ettelijke maanden later, toen wederom de "Valk"
bij dalenden waterstand vastraakte op een verlegden modderhoek bij
Kerkhoven-eiland. Het schip had toen voor eenige maanden vivres in. In
Pionierbivak waren wij ongeveer juist op het einde van onzen voorraad,
de afstand was omtrent 95 K.M. en deze toestand duurde een kleine week;
toelichting overbodig.

's Avonds om een uur of 5 ging het schip voor anker onder den lagen
oever, waar goede ankergrond (modder) was en de stroom gering. De
sloepen werden gestreken en het heele échelon naar den overwal
gebracht, waar op een gunstig plekje bivak werd gemaakt. Het was
toch noodzakelijk, dat ieder onder zijn klamboe sliep; om die allen
te spannen, daarvoor was aan boord geen plaats. In het eerste bivak
waren veel muskieten; wij waren hier nog in de lage moerassige vlakte,
die zich vòòr het heuvelland tot de zee uitstrekt; de volgende
bivaks ondervonden in dat opzicht reeds den goeden invloed van het
heuvelland. Want wij hebben later steeds opgemerkt: waar de vlakte
verdwijnt, verdwijnt ook de muskiet. [7]

Door de opvaart dien eersten dag door het muskietenterrein, zat ook het
schip vol muskieten. Ofschoon dan ook ieder onder de klamboe sliep,
waren er overdag en des nachts toch nog genoeg prikken ontvangen,
om een behoorlijk aantal geïnfecteerden (malaria) te krijgen.

De opvarenden van de "Valk" die, om het zoo maar eens uit te drukken,
wel de lasten, doch niet de genoegens der Exploratie voelden, waren
dan ook over de "groote rivier", die haar kwaden naam binnen de drie
dagen eer aandeed, slecht te spreken. Toen wij voor Pionierbivak lagen,
begonnen wij reeds koortsleiders te krijgen. Van het échelon van ±
70 man gingen er ± 25 aanstonds weer met de "Valk" stroomafwaarts,
geëvacueerd; twee dagen nadat het schip vertrokken was, waren alle
drie de officieren ziek en lagen zij om beurten te bed. Onder de
equipage van de "Valk" was ook menig ziektegeval voorgekomen en bij
latere opvaarten van hetzelfde en andere Gouvernements-vaartuigen
deden zich overeenkomstige gevallen voor. Wel merkwaardig niet of in
geringe mate bij het stokerspersoneel, zoodat men zich onwillekeurig
afvraagt of de hitte der vuren een gunstigen invloed heeft op de niet
ontvankelijkheid voor infectie.

In het kort volgt hier de dienst der Gouvernements Marine, voor zoover
die met de Exploratie verband hield. Die dienst was verdeeld over drie
stoomschepen: de "Valk" en de "Albatros", beide van ongeveer 800 ton en
de "Zwaan", die een 200 ton kleiner was. Die schepen waren beurtelings
gedurende twee maanden ter beschikking van den Commandant van het
Exploratie-Detachement. Wij richtten het zoo in, dat er ongeveer
elke maand een verbinding met Ambon bestond, waarlangs ons vivres,
uitrustingsmaterialen en de mail bereikten; daar tusschendoor had
deze verbinding met Manokwari en het permanente bivak Kwawi plaats.

Ontmoetingen hadden wij niet vele bij het opvaren. Hier en daar
passeerden wij kampongs. Zij lagen geheel anders dan aangegeven was
op de oude kaart van Kerkhoven van 1884, wat ook geen wonder is,
gezien het ambulante karakter der Papoea's.

Eén hutje kwamen we voorbij, waar een man en een vrouw ons, half
verscholen in het geboomte, begluurden; ik vroeg me af, wat er wel
moest omgaan in dit paar der wildernis bij het zien voorbijtrekken
van zooveel onbekends, zooveel angstwekkends. Later, eenige uren
boven Scholten-eiland, kwamen wij voorbij een dorp van een twaalftal
hutten, waar de bevolking ons in groote verbazing, doch zonder vrees
bekeek. Een groote zware kerel in een prauwtje kwam zelfs tot vlak
langs het schip en riep ons onverstaanbare woorden toe. Men vergete
niet, dat deze stammen het opvaren kunnen gezien hebben van de "Havik",
van de Expeditie Franssen Herderschee en van die van De Wal. Enkele
versierselen, als kralen en beenen armringen ontbraken ook hier niet;
dit waren òf ruilartikelen afkomstig van de genoemde expedities,
òf ze waren van af de Noordkust uit de handen van vogeljagers van
stam tot stam gewandeld en hier terechtgekomen. [8]

Nog zij vermeld, dat ter hoogte van dezen kampong veel sagoboomen
gezien werden. In verband met het feit, dat de kampong een half jaar
later verlaten was, maar zich nieuwe kampongs gevestigd hadden op, bij
onze eerste opvaart, onbewoonde plaatsen, komt men tot de conclusie,
dat het nomadenvolk een deel van het jaar de sagostreek bewoont,
zich voor langen tijd voedsel (sago en gerookt varkensvleesch)
verschaft en dan, voorzien van levensmiddelen, voor geruimen tijd
zijn zwerversleven hervat.

Bij het beschrijven van een kampong vol Papoea's mogen de honden
niet vergeten worden. Mager, schurftig, huilerig en laf, zijn ze
desondanks de onafscheidelijke metgezellen der wilden. Hoort of ziet
men ergens in de wildernis een hond, dan kan men er zeker van zijn,
dat menschen in de buurt wonen; omgekeerd kan men bij menschen steeds
honden verwachten. Merkwaardig is het, dat noch ik, noch één mijner
metgezellen, ooit een Papoea-hond hebben hooren blaffen. Deze honden
kunnen niet anders dan huilen en janken. Reeds door Lorentz was dit
opgemerkt aan de Humboldt-baai; hij veronderstelde, dat men hier met
een afzonderlijk ras te doen zou hebben.



In den morgen van 5 December tegen een uur of tien kwamen wij
voor de Otken-rivier. Deze is een kleine rechterzijrivier van den
Mamberamo. Een 1000 M. deze rivier op, lag het Pionierbivak van
Franssen Herderschee en De Wal.

Zoodra het schip het anker had laten vallen, werd een prauw te water
gelaten, want onmiddellijk moest vastgesteld worden of het Oude
Pionierbivak geschikt was voor dit zeer groote Detachement; zoo niet,
waar alsdan het hoofdbivak zou komen.

Het bleek, dat het Oude Bivak te klein was. Het was wel een fraaie
gelijke plek gronds, maar voor een Detachement van b.v. 500 personen
(vrouwen en kinderen en later te werven Dajaksche en Papoesche roeiers
meegerekend), bij lange na niet groot genoeg. Er waren geen sporen te
zien van vroegere barakken. Alles was tot halve manshoogte begroeid
met onkruid en struikgewas. Bij den oever vonden wij een uitstekend
stuk hout, dat bij latere opgraving tot één der vier prauwen bleek
te behooren, die in 1911 door de Expeditie De Wal achtergelaten en
ingegraven waren om eventueelen lateren opvolgers van nut te kunnen
zijn. Die prauwen bleken verrot na twee jaren tijds; wij hadden er
niets meer aan.

Wij staken nu de Otkenrivier over en na eenig wandelen en zoeken
bepaalde Kapitein Oppermann, dat het nieuwe Pionierbivak zou komen
in den hoek tusschen Otken-rivier en Mamberamo. Het land was hier
mooi vlak en 4 M. boven het rivierniveau. Een tweehonderd meters naar
binnen was een 4 M. hoogere rug, breed circa 100 M., die landinwaarts
evenwijdig aan de Otken-rivier liep. Voorloopig zou onderdak gemaakt
worden aan den rivieroever; het eerste werk zou daarna zijn, het
hoofdbivak te bouwen op den hoogeren rug, meer naar binnen.

Een beekje, uitkomend in de Otken-rivier, gaf vrij helder water,
dat na filtreeren en koken zeer goed drinkbaar was.

Zoo was dus de grond voor het Groote Bivak gelegd. Zoo spoedig mogelijk
werd eerst het onderdak voor den nacht gemaakt, waarna militairen en
dwangarbeiders hun persoonlijke eigendommen konden opbergen. Vervolgens
werd een kleine aanlegsteiger gemaakt, waarna met de ontscheping van
materiaal begonnen werd. Onze groote motorboot en de motorboot van de
"Valk" met onze roeisloepen voeren af en aan.

Den volgenden dag, 6 December, vertrok de "Valk". Wij oogden haar na,
tot ze om de groote bocht verdween, na nog eenmaal lang haar fluit
te hebben laten hooren. Daarna waren we alleen, doch er was genoeg
te doen om ons bezig te houden.



III.

De eerste maand in Pionierbivak.


Zooals men zich herinneren zal, was de eerste taak voor het Detachement
van den Mamberamo het inrichten van "Pionierbivak", doch voor één
Detachement. Na verkenning van het Batavia-bivak [9] zou dit laatste
ingericht worden als algemeen uitgangpunt, met woonplaats voor beide
Detachementen. Laat mij aanstonds zeggen, dat, toen de bouw van
Batavia-bivak nog maar kort aan den gang was, het reeds duidelijk
werd, dat Pionierbivak hoofdbivak moest blijven, Bataviabivak alleen
een hoofd-vivres-depôt; de redenen zullen later vermeld worden.

Naast de genoemde taak stond het zoeken van aansluiting aan de vroegere
verkenningen van de Apauwar en in het Waropèn-gebied, maar dit stelden
wij voorloopig uit, daar men geen twee dingen tegelijk kan doen;
voor een groote marschpatrouille toch heeft men veel menschen noodig
en dat was juist, wat ons ontbrak.

Ons woonbivak aan den rivieroever bestond uit een officiershuis,
één barak voor militairen, één voor dwangarbeiders, een goedang of
opslagplaats, een ziekenhuis en een keuken.

Het schoonkappen van het terrein had zich bepaald tot alles, behalve
het zware hout. Langs de barakken liepen gegraven sloten, die het
terrein zooveel mogelijk draineerden, wat met het oog op de elkaar
snel opvolgende regens wel noodig was. De paden door het bivak waren
bevloerd met korte dwarslatjes; later werd grint gehaald, dat bij
lageren waterstand gemakkelijk van de banken te krijgen was en de
daarmee aangelegde paden waren netter en meer soliede. Om het bivak
heen stond een houten hek; daarachter was naar alle zijden wildernis.

De officiersbarak was vrij eenvoudig: een houten geraamte, van
achteren, op zijde en van boven met atap gedekt. Het naar twee zijden
schuin afloopende dak was van voren 2, van achteren 1 3/4 M. hoog;
de diepte was 3 M. Hier stonden onze veldbedden, twee tafels, enkele
stoelen en onze koffers. Daar de barak aan de rivierzijde open was,
mocht de door den Westenwind aangevoerde regen daar gaarne vrij in
spelen. Eenig voorstaand geboomte werkte wel beschermend, doch ik weet
zeker dat al mijn goed bedorven zou zijn door vocht als mijn met ijzer
beslagen tropenkoffers niet zoo ondoordringbaar gebleken waren. De
opening naar achteren was wellicht in dat opzicht voordeeliger geweest,
doch wij prefereerden licht en het vrije riviergezicht met als nadeel
den regen boven het omgekeerde. Om niet steeds met de voeten in den
weeken grond te zitten, hadden wij onze barak met gegolfde ijzeren
platen bevloerd; dit was zeer doelmatig; alleen veroorzaakte het
gekras van de kopspijkers onzer schoenen op het ijzer gewoonlijk meer
onaangenaam lawaai dan gewenscht was.

De barakken voor militairen en dwangarbeiders waren overeenkomstig;
de bevloering was hier tevens ligplaats, dus dunne boomstammetjes
naast elkaar, hoe gelijker hoe liever; twee palm boven den
grond. Onderofficieren en verkenner sliepen onder hetzelfde dak,
doch hadden veldbedden.

De goedang had een vloer en een beschermend dak en daartusschen waren
onze voorraden: vivres, geneesmiddelen, verlichting, gereedschappen,
aanmaakmateriaal voor prauwen, enz.

Het ziekenhuis was de reeds vroeger genoemde groote wegneembare tent;
gemiddelde hoogte ruim 2 M.; vrij ruim. Dit was het doktersdepartement
met vele potjes en flesschen en zelfs met een kleine operatie-tafel.

In de keuken werd in een paar groote ijzeren potten de rijst gekookt;
het was een eenvoudig afdakje, waar ook onze filtersteenen stonden. De
laatste bestaan uit een poreuse kalkmassa en zijn zeer doelmatig;
ze zijn geelwit van kleur.

Boven de rivier werden van den oever uit en gelijk met dezen bruggen
gebouwd, op wier uiteinde overdekte W.C.'s en mandikamers kwamen
alles van de meest primitieve constructie, doch stevig.

De kleine aanlegsteiger werd vervangen door een grooten met
verschillende trappen in verband met variabelen waterstand (het totaal
verval over een jaar bedraagt toch 7 M.); die steiger hield zich goed
tot het einde der Exploratie, hoewel de bandjirs dikwijls met stroom
en boomstammen moeite genoeg deden om hem omver te halen.

Intusschen was een ploeg bezig met het schoonkappen van den vroeger
genoemden 4 M. hoogeren rug. Ook hier bleef het zware hout staan voor
de per volgende boot verwacht wordende Dajaks. De rug bleek nogal
grillig van vorm en hoe meer wij met den huizenbouw naar achteren
vorderden, hoe meer wij moesten goochelen met de ruimte. Maar het
ging best. Hier verrezen in den loop der maanden barakken, als zooeven
genoemd, doch ruimer en geriefelijker, hoog (minstens 1 1/2 M.) boven
den grond; een ruime goedang en een ruim ziekenverblijf.

Het werk der officieren was in hoofdzaak toezicht houden en "er achter
heen zitten". Daar wij twee zeer ijverige Europeesche onderofficieren
hadden, nam dat niet veel tijd in beslag en wij verlangden naar de
volgende boot, die ons een groote uitbreiding van menschenmateriaal
zou brengen.

De avonden waren gezellig. Men had dan gemandied, gegeten, men had
lectuur en den grammofoon. De lectuur was een algemeene erfenis
van alle goedkoope romans, die bij het exploratie-detachement van
Zuid-Nieuw-Guinee door de opvolgende explorateurs verwerkt waren
geworden, een vrij belangrijke hoeveelheid. De grammofoon was first
rate, met talrijke goede, groote platen. Wij lieten hem elken avond
draaien door een onzer jongens, die daartoe afgericht was en hij
heeft ons nooit verveeld. Het was de grootste band, die ons aan de
beschaving bond en, met gesloten oogen luisterend, lieten wij ons
leiden waarheen de muziek ons bracht.

Onze dokter amuseerde zich met de fotografie, waarin hij een meester
was. Zijn donkere kamer was voorloopig een roode klamboe, waar hij
's avonds met alle ingrediënten inkroop.

Meteorologische waarnemingen behoorden tot mijn departement; elken
dag, om 7, 2 en 9 uur werden opgenomen: barometerstand, temperatuur,
bewolking, richting en kracht van boven- en benedenwind; elken morgen 7
uur de regenval en de stand van het rivierwater; voor het laatste was
een peilschaal geplaatst tegen den grooten steiger. Deze observaties
zijn altijd door geschied; bij mijn afwezigheid door den dokter,
die permanent bivak-commandant was. Zij geven in elk geval voor een
vol jaar het betrouwbaar verloop van twee met elkaar verbandhoudende
belangrijke dingen: den regenval en den waterstand. Wij weten te goed
de bezwaren van den regentijd en de moeilijkheden der bandjirs om niet
gaarne gebruik te maken van den gunstigen tijd en het is een voordeel,
dat men thans met juistheid zeggen kan in welke maanden het reizen
in Nieuw-Guinee gemakkelijk en opwekkend is en in welke maanden men
met veel zorg en moeite weinig vorderingen maakt.

Voor ons was voorloopig de regentijd nog weggelegd: zware wolken
dreven onafgebroken uit het Westen, aan regen geen gebrek; het was
kil en het landaanzicht naargeestig. 's Morgens hingen dikke nevels
over de rivier, welke ten tien ure waren opgetrokken; 's avonds kwamen
veelal sterren door en op den middag af en toe het zonnetje.

Van nu aan wies de rivier steeds en einde Januari vreesde men, dat het
bivak zou onderloopen; gelukkig kwam het niet zoover. De stroomsnelheid
voor Pionierbivak was in Januari 4 à 5 mijl; in Augustus 2 1/2 à
3 mijl.

De natste en meest moeitevolle maanden zijn van begin November tot
eind Februari; de beste Mei tot September; in dien drogen tijd is
het reizen bepaald een genot en smaakt men elken dag de grootste
voldoening over den afgelegden weg, maar in den regentijd: ho maar!

Dat de natte tijd niet gunstig was voor den gezondheidstoestand
is duidelijk. Toch hadden wij geen ernstige reden tot klagen. Onze
benedenstrooms opgeloopen malaria-infectiën waren door de kinine weldra
overwonnen; het bivak-zelf (heuvelland) was muskietenvrij; daarna
bepaalde het ziekenrapport zich tot de bekende vrij-van-dienst-gasten
en eenige meer hardnekkige koortslijders, die van tijd tot tijd werden
geëvacueerd. Van beri-beri bleven wij voorloopig verschoond en het
totaal aantal lijders daaraan gedurende de geheele expeditie was
gering; over de prophylaxe tegen deze ziekte heb ik vroeger reeds
gesproken. De malaria-prophylaxe was 0.4 gr. kinine elken 4en en
5en dag.

Was het bivak muskietenvrij, een andere lastige bezoeker moet hier even
vermeld. Dit was een insectje, dat leek op een vlieg en op een bij; het
was wat kleiner dan onze kamervlieg, de wetenschappelijke naam er van
is mij onbekend. Men had twee soorten, donkergele en zwarte. Zij waren
meer dan vervelend. Met het rijzen van de zon kwamen zij opzetten,
snel nam hun aantal toe. Soms waren gezicht en handen bedekt met dit
ongedierte, dat er zonder kwaad te doen rustig overheen wandelde. Men
joeg ze ijverig weg en meestal waren zij dan goed genoeg om even op
te vliegen, doch zetten zich weer op een ander plekje neer. Waarom
sloeg men ze dan niet dood? Omdat ze dan zoo geweldig vies roken;
dit was juist hun veilige bescherming. Een geduldschepper waren ze;
gelukkig kwam de plaag niet alle dagen voor.

Den 22en December verscheen opnieuw de "Valk", doch voor dien tijd
maakten wij eenige verkenningstochten.

In den omtrek van het bivak hier en daar rondvarende, hadden wij
boven Havik-eiland een linker zij rivier ontdekt. [10] Deze zag er
nog al forsch uit en werd het eerste doel voor een marsch.

De Mamberamo was kalm, we waren (met de twee prauwen) spoedig aan
den mond der zijtak en daar de regenval eenige dagen vrij gering
was geweest, stond er niet veel water in de kleine rivier. Een paar
kilometer konden wij haar met de prauwen nog volgen; daarna werd ze
te ondiep, we stapten uit en trokken de prauwen in het oeverriet,
de glagah.

Nu werd de bedding verder gevolgd.

Grillig en veranderlijk was het landschap als geen ander; we verkenden
de rivier ruim 20 KM., tot het avond werd en bivaktijd; we waren
toen tot een 200 M. gestegen, het laatste gedeelte snel, daar we den
oorsprong naderden en dus tegen de heuvels begonnen op te kruipen. Hoe
hooger men kwam, hoe schilderachtiger. Frisch, helder water leschte
den dorst en koelde het voorhoofd; het was voor mij een verrukkelijke
tocht en een heerlijke lichaamsbeweging na de lange dagen van rust. Het
nut? Wij brachten een riviertje mede en eenige aangepeilde toppen. Nut
hadden we gehad, als we hier den hoogen scherpen top beklommen hadden
en van dien af het landschap aangepeild; doch eerstens waren we daar
niet voor uitgerust en tweedens was die royale wijze van werken nog
niet voldoende tot mij doorgedrongen; reeds in den aanvang [11] heb ik
gezegd, dat men exploreeren leeren moet en er is tijd voor noodig om
te komen tot het onderscheiden van zeer nuttig en minder nuttig werk.

Ten 5 uur bivak gemaakt, ten 6 uur na de genietingen van een
frisch bad, schoone kleeren en een kroes chocolade in de beste
stemming. Zelden heb ik zoo'n opgewekten bivakavond meegemaakt;
het weer was fraai, de lucht helder; het geruisch van het water, het
gegons van de myriaden beestjes in het bosch, de kookvuurtjes rondom,
het was alles nieuw; hier genoot ik voor het eerst het boschleven
met zijn volkomen gevoel voor vrijheid, onafhankelijkheid, zooals
ik het zoo menigmaal genoten heb, zooals ik er nog dikwijls naar
mag terugverlangen.

Dan 's morgens wordt men wakker door het schemeren van den komenden
dag en door het eerste geroep van de vogels. Ik kende ze spoedig,
die verschillende geluiden; elken vogel herkent men aan zijn slag;
boven allen uit klinkt het geroep en gefluit van den paradijsvogel,
een lang telkens herhaald wijsje.

Als het dag wordt: uit de klamboe, in de kleeren; de dwangarbeiders
pakken reeds; we eten haastig een bordje bras ketan met javaansche
suiker, dan op marsch.

De prauwen worden op hun plaats gevonden; des avonds zijn we in
Pionierbivak terug. Dat was een leuke marsch!

Onze volgende beweging was gericht op de beproeving van onze groote
motorboot in de versnellingen.

Laat mij eerst verklaren wat een versnelling is. Een versnelling
ontstaat daar, waar de aanvoer van water meer is dan de
afvoer-capaciteit van de bedding verdragen kan; i.a. dus in
bergterrein, waar de grond hard is. In wat wij als "vlakte" kennen,
is meestal de grond zacht genoeg om de rivier bij overmatigen
wateraanvoer in staat te stellen, door uitschuring haar bed te
verbreeden; in bergterrein gewoonlijk niet. Er ontstaat daar dus,
òf permanent, òf alleen in tijden van zwaren regenval, een meer of
minder groot niveauverschil en het water stroomt er veel sneller dan
boven of beneden dit punt. De versnelling vormt zich daar, waar het
rivierbed smaller of ondieper wordt; zij brengt veelal met zich op
eenen of beide oevers banken van rolsteenen; er vormt zich een goot,
waarin het water met groote snelheid loopt, kolkt en draait. Groote
versnellingen brengen groote en diepe draaikolken met zich mede. Deze
zijn niet stationnair, maar verplaatsen zich langzaam stroomafwaarts,
waarbij zij zich uitputten. Op de oude plaats ontstaat dan weer een
nieuwe kolk. Aan de binnenzijde der versnelling, i.a. dus langs den
oever beneden het versnellingspunt ontstaat een "neer", d.i. een
terugstroom.

Beneden de versnelling krijgt men een staande golving van een vier,
zes krachtige golven; stroomafwaarts roeiende moet men daar met
groote vaart doorheenschieten, want in den kortsten tijd neemt men
reeds veel water over.

Een mooi voorbeeld van een versnelling geven onze afbeeldingen van den
Edival, waarbij het geheele golvende gedeelte den steenbank weergeeft;
men ziet er stroomafwaarts. De tweede foto geldt voor lagen waterstand;
duidelijk ziet men aan den witten bovenrand der rotsen, hoever de
gemiddelde waterstand is. De eerste geldt voor hoogen bandjirstand;
de op beide foto's met een kruisje gemerkte steenen zijn identiek.

Stroomopwaarts gaande kan men met vrucht van de "neeren" gebruik
maken; dikwijls zijn zij vrij sterk en voeren ons gemakkelijk in de
binnenzijde der versnelling, die daarna "genomen" wordt, zooals wij
later nog uitvoerig zullen zien.

Dat wij met onze groote prauwentransporten geregeld in 4 dagen van
Pionierbivak naar Batavia-bivak kwamen, een afstand van 75 K.M.,
is uitsluitend te danken aan handig gebruik maken van de sterke
"neeren"; dat was dus ± 20 K.M. per dag, zeer veel in een rivier met
zulke sterke versnellingen. De terugtocht duurde 8 uren, d.i. 1/5
van den opvaarttijd.



Wij vertrokken in den morgen, een mooien morgen, van Pionierbivak
met de groote motorboot en twee prauwen, gesleept; vivres voor 3
dagen. Van het komende riviergedeelte tot de Marine-vallen bestond
een schetskaartje, vervaardigd door den toenmaligen Luitenant ter Zee
Rambonnet, commandant van Hr. Ms. Edi tijdens diens opvaart met de
"Pionier" in 1909. Ons doel was, terwijl wij het karakter der rivier
in oogenschouw namen, de motorboot zoover mogelijk te brengen, haar
zoo noodig boven te laten, daar toch haar bestemming Bataviabivak was.

In den zijarm achter Havik-eiland kwamen wij moeizaam vooruit;
het verval is hier vrij groot, de stroom sterk. Daarna schoten
wij harder op; men houdt steeds vlak onder den oever, daar is de
stroom gering; hieruit volgt tevens, hoe gemakkelijk men beslopen
en bepijld kan worden. Bij het nemen der versnellingen, alleen met
eigen motor-beweegkracht, dus zonder hulp van trektouwen, moesten
wij wel in den vollen stroom op. Toen deze meer dan 5 1/2 mijl [12]
werd, was hiermee ons eindpunt bepaald; dit was op ongeveer 1/3 van
den afstand tot de Marine-vallen.

Waren we in dat opzicht teleurgesteld, ook om een andere reden viel
de dag ons niet mee: de motor toch gaf aanleiding tot bezorgdheid.

Een motor heeft een koelpomp, die rivierwater ter afkoeling pompt
langs de heete wanden der cylinders. Voor onze pomp (en ook later
voor die van onze andere motorboot) bleek het rivierwater funest;
doordat het zooveel slib bevatte, werd de goede werking der pomp
gehinderd en raakten de pijpen verstopt.

Toen ons het euvel den eersten keer overkwam, waren we juist in
het volle van een breede versnelling; de pomp gaf geen water
meer, de motor werd heet. De machinist vroeg te stoppen; "nog
een oogenblikje" werd er gezegd, "even uit den stroom onder den
wal." Pang, pang, deed de motor. Stoppen, doch twee scheuren in de
cylindermantels. Onverantwoordelijk? Ja, maar wie had dat verwacht! Tot
onze groote verlichting bleken alleen de mantels gescheurd; water liep
er zelfs niet uit; de cylinders waren heel, de motor kon draaien. Het
was een waarschuwing eens en voor altijd; de pomp werd hierna nooit
meer uit het oog verloren, doch wat dikwijls hebben we haar uit elkaar
moeten nemen en hoeveel geduld heeft ze ons gekost? Eventueelen lateren
explorateurs, die een modderrivier met motorbooten denken te bevaren,
kan niet genoeg op het hart gedrukt worden: een sterke koelpomp,
ongevoelig voor rivierslib.

Als "schip" hield de groote motorboot zich best in de versnellingen. Op
een gegeven oogenblik raakten we in een kolk, de boot helde, de
rivier zoog aan het schroefgedeelte. Het was een vrij unheimische
gewaarwording, doch het bleek van geen belang; al draaiende kwamen
wij vrij, doch één der gesleepte prauwen had het te kwaad gekregen
en was volgeslagen, gekanteld en gaf aanleiding tot het verlies van
eenige dwangarbeiders-eigendommen. De menschen werden opgepikt en
zoo spoedig mogelijk werd op een rustig plekje de prauw weer recht
gelegd en leeg gehoosd.

In den namiddag waren we weder thuis in ons groote dorp. Hadden we
dan al opnieuw tot onze teleurstelling moeten ondervinden, dat onze
motorboot geen hardlooper was en hadden we dan al met schade onze
eerste pomp-ervaring opgedaan, we hadden de groote rivier gezien en
hoe zij zich een bed, rijk aan natuurschoon, uitgeschuurd heeft door
het Van Reesgebergte, welks ketens N.W.-Z.O. loopen.

Waar ons als leeken telkens en telkens de eigenaardige veranderingen
in de oorspronkelijke ligging van den bodem opvielen, moet een
geoloog hier wel een dankbaar arbeidsveld vinden. De mijningenieur
Van Gelder maakte in 1909/10 de Expeditie Franssen Herderschee
mede; bij ons Detachement was geen geoloog van professie; doch de
eenige maanden later gearriveerde 1e Luitenant Feuilleteau de Bruyn,
die een geologischen cursus had gevolgd, maakte eenige uitvoerige
beschrijvingen.



Dezer dagen kregen wij ook af en toe bezoeken van Papoea's van
omwonende of, beter gezegd, van toevallig tijdelijk in de buurt zijnde
stammen. Door ons zooveel mogelijk op hun gemak gebracht, overwonnen
zij weldra hun schuchterheid; hoewel altijd een open oogje houdende
voor een gelegenheid tot eventueel noodigen terugtocht. Den eersten
keer vooral waren zij met groot enthusiasme ontvangen; hier begon
ons ethnografisch werk!

Na hen met diverse ruilartikelen in de meest rooskleurige stemming
te hebben gebracht, begonnen wij zooveel mogelijk van hen te
plukken. Vooreerst woorden. Door de Regeering van Nederlandsch-Indië
worden gedrukte woordenlijsten, in een klein boekje vereenigd,
uitgegeven, om mee te nemen bij elke expeditie of exploratietocht in
onzen Archipel, ten einde op systematische wijze, waar de gelegenheid
zich voordoet, taalgegevens te verzamelen. Omringd door een kring
van onze bezoekers noteerden wij de woorden, die wij machtig konden
worden. Vragen werden natuurlijk niet begrepen, doch al wijzende en
met gebaren en vooral met heel veel geduld kwamen wij toch een heel
eind. De Papoea's hadden vrij veel vermaak in dit geval en waren ten
zeerste voldaan, als wij de goede uitspraak van een woord te pakken
hadden; hun goedkeuring, i.a. elke sterke bevestiging, drukten zij
uit door even kort de voorhoofdhuid op te trekken, om zoo te zeggen
in dezelfde gevallen, waarin wij een kort knikje geven.

Het opschrijven der woorden vervulde hen niet met vrees, zij keken er
met belangstelling naar; uit verschillende dingen kon men merken, dat
zij reeds vroeger met blanken hadden omgegaan. Kralen en een enkele
afgesleten parang waren ook reeds in hun bezit. Terwijl een aantal
zich met ons occupeerde, snuffelden anderen rond, doch werden stevig
in de gaten gehouden, daar wij wel begrepen, dat de verleiding groot
was. Af en toe merkte men, dat er iets nieuws en "leuks" ontdekt was
aan een levendig "èh, èh!", een veelbeteekenend lachen tegen elkaar,
herhaaldelijk optrekken van het voorhoofd en met de vlakke hand slaan
op het zitvlak.

Verschillend waren hun gelaatstrekken; heel anders dan het passieve,
dat men in Indië i.a. bij den inlander aantreft. Hier had men met
een vrij volk te doen, dat nooit geleerd had zijn gewaarwordingen te
verbergen. Vrees, wantrouwen, verlegenheid, verrukking, vergenoegdheid,
allen toonden het ons beurt om beurt. Daar waren domme, goedige
gezichten; daar waren vlugge, intelligente trekken.

Verschillende "kleedingstukken" werden door hen gaarne afgestaan tegen
begeerlijkheden uit onzen ruilvoorraad, waarin het practische oog
parangs en bijltjes voor liet gaan, hoewel een mooie kralenketting
toch ook niet te versmaden was. Tabak werd bovenal gaarne aanvaard;
daar waren zij met recht dol op, deze Papoea's verbouwden zelf geen
tabak. Toch komt de plant voor, daar, waar men haar het minst zou
verwachten, nl. in het verste binnenland. Of de plant geïmporteerd is,
weet ik niet, doch zeker is dat men kan zeggen, dat ze over een groot
deel van Nieuw-Guinee bekend is. Het verging sommigen onzer bezoekers,
zooals het kleine jongens vergaat, die voor het eerst een trekje doen:
zij werden onpasselijk; de meesten evenwel hielden zich goed en vonden
het rooken verbazend voornaam.

Vervolgens kwamen de heeren voor den fotograaf. Dames waren er niet,
die bleven de eerste maanden veilig opgeborgen. Onze afbeelding geeft
de twee krachtigsten onder onze bezoekers, den linkschen brutaal
en zelfvoldaan, den rechtschen ongerust en verlegen. Beiden hadden
rijkelijk de cascado-huidziekte; beiden waren overvuil en roken
op 5 M. afstands alleronaangenaamst; dit is zonder overdrijving;
beiden bewogen zich over het water, doch waarschijnlijk nooit er
in. Het hoofdhaar mag een centimeter of vijf lang geweest zijn;
het was doorvlochten met een cirkelend weefsel van rottankoord,
wat aan den haartooi het aanzien van een pruik of hoedje gaf; des
avonds wordt het haar geenszins "losgemaakt", dit gebeurt nl. nooit,
dus maakt uw consequenties!

Om den hals of om het voorhoofd veelal een kransje, zoo al niet van
kralen, dan van bamboevruchtjes; vaak ook een zakje van gevlochten
melindjoe [13]-touw, een netje a.h.w., waarin eenige eetwaar als
sago en een stukje varkensvleesch. Om het middel een touw van
melindjoe-bast, een oneindig aantal malen om de heupen gewonden;
deze meer beschaafde bezoekers hadden er als schaambedekking een
doekje doorheen bevestigd, maar ook dit partijtje gaat nooit los. Een
dergelijke menigvuldige omwinding, doch van de onderarmen, zagen wij
bij andere stammen in deze buurt. Rond de bovenarmen en onder de knie
vaak een ring van rottan of fijne boomvezels. Sommigen droegen ook
"bretels".


Een onzer foto's toont al deze kleedingstukken. Daarin heeft men:


     1. haarkransen van casuarisveeren,
     2. kamvormige haartooi van houtjes,
     3. armring,
     4. halsring van bamboevruchtjes,
     5. bosje pijlpunten voor kinderschiettuig,
     6. "bretels", bestaande uit een buikband en twee
        schouderbanden,
     7. buikbanden van gevlochten fijne rottan,
     8. voorhoofdstooi van varkensribben,
     9. drinkwaterflesch (kalebas),
    10. "oneindige" buikgordel met "staartje",
    11. fleschje (kalebas) voor kalk voor den sirihpruim,
    12. halszakjes van boomvezels.


Men lette ook op het beentje, dat beide mannen dragen door het
middenschot van den neus; dit is een matige versiering: wij kwamen
later in het verre binnenland bij stammen, die te dezer plaatse de
beide slagtanden van het wilde varken droegen, wat hun een woest en
krijgshaftig aanzien gaf.

De kleur der Papoea's is zeer donker bruin; op de plekken der
huidziekte wordt die kleur iets lichter. Eenigen hadden mondkost
bij zich: sago, klappers, papaja's en laboe. De sago in groote
klompen van 1/2 L. inhoud, een groot blok fijn meel; later zal over
de sagowinning uitvoeriger gesproken worden. Klappers komen hier
weinig voor; de palmen zijn dan afkomstig van de Noordkust, waar
ze wel in grooten getale (geïmporteerd) voorkomen; men krijgt den
indruk, dat de kokospalm geen inheemsche boom op Nieuw-Guinee is,
in het diepe binnenland hebben wij hem nergens gezien. Papaja en
laboe zijn op de Soenda-eilanden welbekend; waarschijnlijk ook op
Nieuw-Guinee geïmporteerd.

Op de foto's ontbreken pijlen en bogen. Deze hadden zij dan ook
neergelegd, toen hun schuchterheid overwonnen was. De bogen zijn van
niboeng-hout, de pezen van rottan koord, lengte 2 M. De pijlen zijn
even lang, van licht riet van 3/4 à 1 cM. dikte; de punt is er apart
aan gebindseld en van bamboe of niboeng-hout. Bijna alle pijlpunten
zijn van weerhaken voorzien, het indringingsvermogen is enorm,
doch de zuiverheid van het schot niet groot en boven 20 M. klein te
achten. Omtrent het al of niet vergiftigen van pijlen heb ik geen
zekere gegevens. [14]

Waren onze bezoekers zonder veel moeite voor den fotograaf gehaald,
voor den grammofoon waren ze bang. De psychische uitwerking was toch
aardig om te volgen: eerst het gezang gehoord, nieuwsgierig er heen,
voorzichtig genaderd, verrukt geluisterd, toen er achter gekeken;
niets gezien, angstig geworden, afwerend met de handen gewenkt;
wij stopten toen den grammofoon, waarna de rust wederkeerde.

De macht van het geweer was een enkelen bij herinnering bekend. Hij
wees op het geweer, wees op een vogel, maakte een beweging van
aanleggen, deed langgerekt en smartelijk "oooh!" en viel daarna
een oogenblik neer. Hij had er blijkbaar grooten eerbied voor en
wij probeerden dan ook maar niet hem of zijn metgezellen er mee
te verschrikken.

Na eenige uren werd afscheid genomen; het genoegen was aan beide
partijen.

Na de tweede helft der maand kreeg de koorts mij weer te pakken.

Den 18en December bleef ik om deze reden achter, toen
kapitein Oppermann, vergezeld van onzen dokter, er opnieuw op
uittrok. Noord-oostelijk van ons bivak lag een NW.-ZO. loopende
heuvelrug, dien wij reeds van uit de rivier gezien hadden, naar
schatting 400 à 500 M. hoog. Op onze eerste groote patrouille, die
wij ons voorstelden te maken naar het Apauwargebied, als de "Valk"
ons van meer menschen zou hebben voorzien, hadden wij dien rug over
te trekken, wilden wij oostwaarts vorderen. Bovendien verwachtten
wij van af den kam een ruim uitzicht naar het zuiden te hebben.

Om deze twee redenen dan werd tot het beklimmen van den rug nu reeds
besloten, welks kam in éénen dagmarsch werd bereikt. De kapitein
richtte er een klein bivak in en liet er kappen op twee verschillende
punten. Uit deze punten kreeg men goed uitzicht naar het Zuiden,
doch daar het kappen met de parangs niet zeer vlug ging, kwam er van
het goede uitzicht voorloopig niet veel terecht. Vòòr er resultaten
kwamen, verscheen de "Valk."

Dat was den 22en. Om een uur of tien in den morgen klonk het ongewone
geluid van een stoomfluit over de rivier. Men hoorde van alle kanten
opgewekt: "kapal datang!" [15] Na een kwartier verscheen zij om
den hoek, de "Valk", en bracht het heele kamp in een vroolijke
stemming. Daar verscheen Europa, al was het voor een korten tijd.

Het schip bracht veel vivres, veel materialen en ± 150 fuseliers
en dwangarbeiders, bovendien 40 Dajaks. De Militaire Commandant van
Ambon was aan boord om het Pionierbivak en de zaken aan den Mamberamo
te inspecteeren.

Waren tot nu toe onze handen gebonden geweest door gebrek aan
personeel, thans kon het mes van alle kanten snijden en kwam er aan
het "gemodder" een einde. Een onzer stoomsloepen was meegekomen;
hierdoor kwam de groote motorboot vrij om bij komende gelegenheid
naar Batavia-bivak te worden gebracht.

Een kleine patrouille werd onmiddellijk uitgezonden om Kapitein
Oppermann op de hoogte te brengen van de aankomst van den Majoor
Gooszen; het bleek evenwel, dat de stoomfluit tot aan den heuvelkam
was doorgedrongen en reeds denzelfden middag verschenen de Kapitein
en de Dokter beneden.



IV.

Onze Dajaks.


Een der eerste échelons bracht 40 Dajaks in Pionierbivak en over
dezen niet genoeg te waardeeren hulptroep wil ik eerst een en ander
mededeelen.

In het noordoosten van Nederlandsch Borneo, aan den bovenloop van de
Kajan, die bij Boeloengan in zee valt, woont de Dajakstam, waartoe
onze menschen behooren. Het is wel merkwaardig, dat deze inlanders,
in tegenstelling met zoovele andere rassen in den Archipel, tot dit
reizen en trekken over te halen zijn.

Reeds bij meerdere expedities van gelijke soort als de onze bewezen
zij uitstekende diensten en ook nu weer waren zij bij uitstek voor
ons doel geschikt. De Kajan, is mij verteld, is veel wilder nog dan de
Mamberamo; wie konden ons dan beter door de versnellingen brengen dan
juist deze Kajan-menschen? In het kappen van boomen en het bewerken
van hout hebben zij hun gelijke niet; wie waren dan beter geëigend
voor bivakbouw en prauwenmaken dan deze Dajaks? Een ideaal-exploratie
van deze soort zou uitsluitend met Dajaks moeten werken; maar hun
loon was f 1.- per dag buiten den kost, terwijl dwangarbeiders het
Gouvernement alleen op kosten van rantsoen komen.

In een bewegelijke en vroolijke rij zwermden ze achter elkaar uit
onze motorboot, die hen met een sloep in éénen trek uit het schip
gehaald had. Zij gingen eerst hun lijfgoed in veiligheid brengen in
de voor hen aangewezen barak; want zoover was de bouw van het bivak
gevorderd, dat we ruimte hadden voor al onze nieuwe menschen.

Dat gaf mij gelegenheid hen op mijn gemak te bekijken. Het was flink
volk, dat de controleur van Boeloengan voor ons geworven had: allen
krachtig en gezond, vlug, sierlijk en zeker in hun bewegingen. Men zie
slechts onze afbeelding om met mij deze fraai gespierde gestalten
te bewonderen; links staat Hanji Ipoei, het hoofd der Dajaks;
rechts Boejau Awan, een handige kerel met veel invloed. Terloops zij
opgemerkt, dat een boom van den omvang als op de foto door 4 Dajaks
in den tijd van een half uur wordt geveld! Op blz. 157 ziet men den
geheelen stam, zooals zij elken morgen om half zeven met de overige
werkkrachten aantraden om in ploegen te worden ingedeeld; de eerste
dagen kostte het heel veel moeite hun deze eenvoudige manoeuvre aan
het verstand te brengen.

Aan kleeding hebben zij niet veel "om het lijf." Een hoofddoek om
het lange sluike haar, een "tjidako" om de lendenen; een enkelen ring
om arm of been, gewoonlijk van melindjoe-bast. Het sluike haar hangt
hun tot even onder den nek, langer groeit het niet. Sommigen hadden
een jasje van boomschors, door de vrouwen met rood band gegarneerd.

Allen droegen een grooten ronden platten hoed, gemaakt uit palmbladeren
en rottan, waarop verwonderlijke motieven waren gestikt.

Het wapen van den Dajak is de mandau, een zwaard van 40 cM. lengte met
flauw gebogen lemmet. Licht en vlijmscherp als het is, weet de hand
van den Dajak er een bijzonder indringingsvermogen aan te geven. Op de
vraag, of hij met éénen slag een menschenhoofd kon afslaan, antwoordde
Hanji Ipoei met een bescheiden lachje: "Gampang sadjah." [16] De
greep van den mandau is vaak zeer sierlijk bewerkt; een foto geeft
twee oorlogsmandaus en hun scheeden, versierd met vlechtwerk van fijne
rottan en met haar (in den "goeden" tijd van gesnelde koppen; thans,
onder humaner régime, van geiten). Aan de scheede van hout is een
bijscheede van boomschors, waarin een klein vlijmscherp mesje met
langen houten steel; dit dient voor alle voorkomend snijwerk.

Een ander wapen van den Dajak is mij verteld te zijn de lange blaaspijp
met korte vergiftigde pijlen; hiervan was niets meegenomen. Doch het
is zeker, dat de Dajaks zeer bang voor pijlen waren en zij waren nog
niet lang bij ons of een opgewekte schildenindustrie was in vollen
gang. De schilden, evenals andere groote voorwerpen, zooals b.v.b. een
soort guitaar, werden uit één stuk hout gehouwen en met veel geduld
bewerkt; ten slotte werden ze beschilderd met dezelfde krul-motieven
als op de hoeden gezien werden.

Was de blioeng of bijl niet zoozeer een wapen van den Dajak, het was
toch een onmisbaar werktuig. Het ijzer is klein, 15 cM. lang en de
snede niet breeder dan 6 cM. De steel is aan het uiteinde vrij dik
en vaak fraai versierd.

Met den blioeng worden de zwaarste boomen geveld, gespleten, uitgehold
en planken voor prauwenboorden gemaakt van 20 M. lengte bij 3 palm
breedte en 3 duim dikte. Om de laatste te vervaardigen, heeft men
dan het blioengijzer 1/4 slag gedraaid, zoodat het als schaaf dienst
doet; liever gebruikt men er aparte ijzers voor, die dunner, breeder
en eenigszins gebogen zijn.

De ijzers voor mandau en blioeng worden den Dajaks tegenwoordig in
Boeloengan door Chineesche handelaars verkocht; vroeger smeedden zij
ze zelven in den door hen gewenschten vorm, want het smeden is een
kunst, die ze goed verstaan.

Elke Dajak heeft zijn "Rücksack." Het is een mandje van fijn
gevlochten dunnen rottanvezel van diverse kleuren, zoodanig, dat
er weer onderscheidene motieven in zijn geweven. Het wordt op den
rug gedragen aan twee draagkoorden, die over den borst en weer naar
achteren loopen; zooals een soldaat zijn ransel draagt.

Iedere Dajak heeft ook zijn eigen pagaai of dajong. Ze zijn iets
steviger dan die van de Papoea's, maar het blad is wat smaller.

Met hun levendige vroolijkheid, hun fraaie gereedschappen, maar meer
nog door hun krachtigen bouw, hun lichtbruine, bijna gele huidskleur
en hun groote zindelijkheid op het lichaam maakten de Dajaks een
buitengewoon prettigen indruk. Riviermenschen als zij zijn, duiken
zij elk oogenblik in het water, in tegenstelling met de Papoea's;
ongunstig hiertegenover staat de onzindelijkheid van hun eetgerij,
dat er soms verbazend onsmakelijk kon uitzien.



Dit veertigtal modelmenschen dan, nauwelijks aan wal gestapt, werd
aanstonds aan het werk gezet. Hanji Ipoei verstond geen Maleisch;
maar Ileh, een hoofdenzoon, wèl en deze bracht alle bevelen over. De
blioengs kwamen te voorschijn, alle groote boomen in het lage en
in het hooge bivak stonden reeds lang ongeduldig te wachten, weldra
vlogen de spaanders rond. Het was een lust om te zien. Is men moe,
dan wordt een strootje opgestoken; overhaasting schaadt, "wij werken
hard genoeg." En zoo viel een dikke boom in een half uur; zoodanig
was hun uithoudingsvermogen, dat ik van een Dajak 180 slagen telde,
voor hij "het bijltje er bij neerlei."

Merkwaardig is de groote juistheid, waarmee de Dajaks een boom laten
vallen in de gewenschte richting. Verschillende boomen, tusschen de
barakken staande, mochten slechts deze of gene richting uitvallen en
dikwijls hielden wij ons hart vast; doch nooit heeft een der barakken
eenig letsel bekomen.

Even merkwaardig is de economie, waarmee de Dajaks een boschterrein
"raseerden"; nooit viel een boom alleen, doch steeds een heele rij. Van
die rij was dan elke boom half of driekwart ingekapt, alle aan dezelfde
zijde. Ten slotte werd dan een groote zware boom geveld, doch zoo, dat
hij in zijn val tegen nummer twee aankwam, die, half aangekapt zijnde,
doorbrak en nummer drie meenam en zoo voort. Onder een oorverdoovend
gekraak viel de heele rij en de Dajaks juichten vroolijk, doch sprongen
ijlings weg. Om de middelsoort stammen bekommerden zij zich niet;
die gingen vanzelf mede in den grooten val. Het was dan een ware
chaos van gevelde stammen door elkaar.

Vraagt men, waarom wij al dit zware hout niet eenvoudig lieten
staan, dan is het antwoord: "Zonsbestraling en uitdamping zijn
hoofdvereischten voor een gezond hoofdbivak".

Geen wonder, dat we deze kerels veel toestonden en dat bleek toch later
weer verkeerd. Evenals elk mensch, hielden ook zij van hun gemak;
alleen een streng régime kon maken, dat ze zonder toezicht veel en
goed werk leverden. In het begin echter werden ze een beetje bedorven,
maar, zooals ik zeg, het was begrijpelijk.

Verwonderlijk was de hoeveelheid rijst, die zij verwerken konden;
zij waren aangenomen op 3/4 kg. daags, terwijl ons marschrantsoen
1/2 kg. was. Na een Dajak-maaltijd was niets vermakelijker dan de
rij gespannen buikjes en de voldane gezichten te zien.

Niet alleen onze Dajaks, ook de rest van het "regiment" trok aanstonds
aan den slag. Een partij dwangarbeiders bleef op de lossende sloepen
en versjouwde op den wal; een partij fuseliers ging rottan halen
in de rimboe, ging het splijten en maakte er bindmateriaal van;
de rest van de dwangarbeiders haalde stammen voor bouwmateriaal en
vatte met kracht den barakkenbouw aan. Het was een waar genoegen,
zooveel bedrijvigheid; mijn koorts vergat ik geheel en al.

Den 24en December maakten de Militaire Commandant van Ambon, majoor
Gooszen, kapitein Oppermann en ik een tocht naar de Marinevallen. Wij
vertrokken weder in onze twee prauwen, elk met zes Dajaks bemand. De
afstand van 30 KM. werd in 7 uren afgelegd. Wederom maakten de Dajaks
onze bewondering gaande, nu door het voorbeeldeloos handige werken
in de versnellingen.

Een versnelling wordt als volgt genomen: met goede vaart nadert de
prauw in den "neer", de Dajaks roeien hun gelijkmatigen slag. Nabij de
rolsteenbank, als er grond gehaald kan worden, springt het meerendeel
uit de prauw; de vanglijn (touw of rottanstengel van 10 m. lengte,
voor aan de prauw verbonden) wordt uitgeloopen en in handen genomen;
een man vat den kop der prauw; twee man voorin nemen elk een gallah,
dat is een langen soepelen stok en boomen de prauw daarmee voort;
de stuurman blijft achterin. Nu gaat het over de rolsteenbank: de
gallah-menschen en de man aan den kop houden de prauw vrij van de
steenen, de vanglijn-menschen trekken, de stuurman stuurt. Het water
klotst gezellig links en rechts, weldra is de prauw weer in glad water,
alleen een paar voet hooger dan zooeven. Ik reken, dat we zoo een 40,
50 versnellingen passeerden.

In elke prauw zijn twee stuurlui: een voor (pandjerwallah) en een
achter (djoeroemoedi). Beide werken zonder commando absoluut samen
en evenzoo zij met de roeiers. In een Dajak-prauw is geen commando,
alleen een gemeenschappelijk begrijpen.

Ten drie ure in den middag stonden we voor het panorama. Daar lagen
de Marine-vallen in al hun moeilijkheid voor ons. Geen eigenlijke
val, maar een zware versnellings-combinatie, het rivierbed driemaal
verbreed, het water vlietend, al golvend en kolkend, tusschen een
zevental rotsige eilandjes. Dat was geen kinderspel! En stroomop
kijkende, wachtte ons geen vertroosting. We wisten, daar lag de Edival,
die nog een haartje lastiger was. Doch de Dajaks waren niet van hun
stuk te brengen; zij zagen den toestand niet zwaar in en verklaarden,
dat de groote motorboot daar best doorheen zou komen, als we maar
lang en sterk touw hadden.

Nu, daaraan was geen gebrek!

Met goede hoop en vasten wil voor later werd de terugtocht aanvaard
en in 1 1/2 uur volbracht; het was bijna donker, toen we terugkwamen,
de bivakvuurtjes brandden hier en daar. Het was dîner op de "Valk";
een klein europeesch gevoel bekroop ons even.

Den volgenden morgen, 25 December, om 6 uur reeds hoorden we de
stoomfluit van de "Valk" bij den grooten bocht; dat was zoo vroeg
noodig, om 's avonds nog in zee te kunnen zijn.



V.

Den Mamberamo op met het exploratie-detachement van de
Noordkust.--Toebereidselen.


Einde Maart 1914, na onze terugkomst uit het Bonggogebied, [17] kon
de exploratie van de kustgebieden van Noord-Nieuw-Guinee als gereed
worden beschouwd en werden te Manokwari toebereidselen gemaakt voor
het vertrek naar Pionierbivak.

Een der laatste dagen van Maart lichtte het Gouvernements-stoomschip
"Zwaan" het anker, om ons naar den beruchten Mamberamo te brengen. Het
detachement stond onder bevel van den kapitein der infanterie Schultz;
verder gingen mede 1e luitenant der infanterie Schulze en schrijver
dezes. Mijn collega, luitenant-ter-zee Stroeve was nog niet terug van
zijne expeditie in het Van Reesgebergte (Groote Kerkberg of Kamoeso
Pedai) en zou met de eerstvolgende gelegenheid nakomen.

Het detachement bestond uit een uitgelezen troep inlandsche fuseliers
en dwangarbeiders. Bijna allen waren reeds eenige jaren te Manokwari en
hadden in elk geval mij op alle tochten in de laatste anderhalf jaar
vergezeld, zoodat dit een uitstekend getrainde en aan het klimaat
gewende troep mocht heeten. Niettegenstaande dit alles, waren er,
toen in Juni de groote tocht begon in de westelijke Meervlakte,
nog slechts enkele van deze oude garde over.

Het opvaren van den Mamberamo liep vlot van stapel, de gezaghebber
van de "Zwaan" en ik keken nog wel even het plekje aan, waar wij in
1913 met het schip een dag of zes vast zaten. [18] Den avond van
den eersten dag, toen wij voor anker lagen, werd onze genoeglijke
rust plotseling verstoord, doordat een dwangarbeider een collega
vermoordde. 't Was geen prettig begin van onzen Mamberamotocht.

Over het opvaren van de rivier zal ik verder niet uitweiden; in de
vorige hoofdstukken heeft collega Langeler reeds voldoende hierover
verhaald.

Wij kwamen zonder verdere ongelukken een der eerste dagen van April
's middags voor Pionierbivak ten anker en begonnen dadelijk te
debarkeeren en de lading te lossen.

Wij hadden een motorboot medegebracht, met 8 P.K. Brooke's motor,
vaart ± 8 mijl, die bij het lossen goede diensten bewees.

De eerste indruk, dien ik van Pionierbivak kreeg, was niet zoo heel
gunstig; tenminste wat aangaat de sombere, gedrukte stemming, die
er heerschte. 's Morgens een schier eindeloos ziekenrapport bij den
dokter; het meerendeel der fuseliers en dwangarbeiders onder den indruk
van de reeds gebeurde prauwongelukken in de versnellingen en het was
mij dan ook een waar feest, toen ik opdracht ontving om te trachten,
de motorboot en een stoomsloep boven de vallen naar Bataviabivak
te brengen.

Eenige toebereidselen waren spoedig gemaakt en den 4den April 's
morgens vertrok ik met de motorboot en 4 prauwen. De colonne bestond
uit 11 militairen, 5 matrozen, 2 dwangarbeiders en 24 Papoea's. Deze
laatsten gingen mede, om zoo noodig de boot aan een tros voorbij
lastige hoeken te trekken.

Reeds dadelijk bemerk ik, dat het niet zoo vlot zal gaan, want hoewel
de boot bijna 8 mijl haalt, kruipen wij langs den oever vooruit en
moeten reeds tegen den middag het prauwtransport inwachten om een
uitstekenden hoek, waar een felle stroom langs trekt, voorbij te
komen. En nu zijn wij nog beneden de versnellingen en vallen!

Ten 3 uur 30 min. komen wij voor de eerste versnelling waar een
ontzaggelijk groote steen "de tulband" den weg verspert en diepe
draaikolken veroorzaakt. Er wordt getracht een dikken manillatros uit
te brengen door een prauw, bemand met 5 Papoea's; deze prauw slaat vol
water en verdwijnt met mijn kroeskoppen in de draaikolken. Afsteken
met de motorboot is het werk van een oogenblik; gierend en tollend
snuiven wij de draaikolken door en hebben het geluk de brave kerels
te redden. De boorden der prauw worden hierbij echter stukgevaren en
de geheele prauw moet worden achtergelaten. Ik behoef niet te zeggen,
dat deze redding ons weder een heel eind benedenstrooms heeft gebracht
en na veel moeite bereiken wij tegen donker voor de tweede maal den
"tulband", waar bivak gemaakt wordt en nieuwe krachten verzameld
worden voor wat de morgen zal brengen.

Den volgenden dag komen reeds vroeg 8 prauwen met circa 90
dwangarbeiders en Papoea's van de hoogerop gelegen étappen om te
helpen. Het gelukt nu een tros uit te brengen en met behulp van de
120 man, die uit alle macht aan den tros halen, terwijl de motor
volle kracht draait, passeeren wij dit eerste lastige punt.

Verder is het nu bijna bij elken hoek noodzakelijk de boot te
trekken. Reeds dezen tweeden dag laat de motor ons in den steek;
het zeer zandige Mamberamo-water had de circulatiepomp verstopt
en zelfs reeds averij aan de pomp veroorzaakt. De herstelling gaat
gelukkig vrij voorspoedig en ten 4 uur namiddag zijn wij beneden de
Marine-vallen, die er op het eerste gezicht niet malsch uitzien om
te passeeren. De tros wordt uitgebracht en een oogenblik later is
de val achter ons. Wij betrekken bivak in de Etappepost I, die als
een roofnest hoog tegen de rotshelling gebouwd is en vanwaar men
een schitterend uitzicht heeft over de Marine-vallen, 's Avonds en
's nachts, als het bivak in diepe rust gedompeld is, hoort men het
bruisen van het water als van een zware branding.

Den volgenden morgen wordt eerst de colonne van luit. Schulze,
die inmiddels ook hier aangekomen is, met de motorboot naar den
rechteroever der rivier gebracht, om een tocht te maken in de richting
van den Apauwar; daarna gaat het weer vooruit, stroomopwaarts.

Bij het punt tusschen Marine- en Edivallen waar korten tijd tevoren
een prauw verongelukte en 1 fuselier met 7 dwangarbeiders verdronken,
geraakt een prauw, met 1 Papoea er in, in drift en deze ontsnapt
ternauwernood aan den dood. Een schielijk toegeschoten prauw met zes
Dajaks wist hem te bereiken en naar den oever te brengen. Dit punt is
wel het gevaarlijkste van de geheele versnellingenreeks; een kleine
fout behoeft slechts gemaakt te worden door de stuurlui en de prauw
is met de inzittenden reddeloos verloren. Ten 2 uur zijn wij voor de
Edivallen; hierbij vergeleken zijn de Marinevallen maar kinderspel;
het water stroomt met circa 20 mijl (= 36 KM.) snelheid tusschen de
steile rotswanden door, overal bevinden zich rotsen, boven, in en
onder water. Ten 4 uur is alles pas gereed om te trekken; de val wordt
gepasseerd en de hoogst gevaarlijke oversteek naar den rechteroever
even bovenstrooms van den val wordt zonder fout gemaakt. Bivak wordt
gemaakt in Etappepost II; het lastigste deel van de vallen is nu
achter den rug.

Den 7en April vroeg vertrokken, moeten wij in den beginne
eenige malen den sleeptros gebruiken; daarna stoomen wij door
en komen verder zonder hulp voor Etappepost IV, even vóór de
Bataviaversnellingen. Het prauwtransport is 's avonds niet aangekomen,
zoodat wij den volgenden morgen vertrekken met eenige fuseliers van
de fortbezetting. Herhaaldelijk moet getrokken worden. Bij één der
laatste malen raakt een Inlandsch fuselier te water en verdrinkt;
oogenblikkelijk werd de sleeptros gekapt, doch ik kwam te laat;
eenige meters voor den boeg kwam de drenkeling voor de laatste maal
even boven, om voor goed in een kolk te verdwijnen.

Tegen half elf 's morgens ligt de motorboot voor Bataviabivak,
met circa 400 K.M. goed bevaarbare rivier voor zich; behoudens een
reparatie aan de voering der circulatiepomp hadden motor en boot
geen averij.



Voor de muskietenplaag in Bataviabivak vluchten wij naar beneden
en ontmoeten bij Etappepost IV het prauwentransport. Nu moest
de stoomsloep, die bij de Edivallen ligt, naar boven gebracht
worden. Ik zoek 20 van de beste Papoea's uit, die hierbij zullen
helpen en vertrek in mijn prauw, alleen bemand met Papoea's, naar
beneden. Hoe vertrouwd deze echte zeelui in de hoogste branding zijn,
de verraderlijke rivierversnellingen kennen zij niet en doordat het
zulke waterrotten zijn, minachten zij het gevaar te veel. Mijn prauw
sloeg dan ook even boven de Edivallen half vol water en het scheelde
werkelijk niet veel of wij hadden ons testament kunnen maken. Enfin,
tegen donker, zat ik rustig op een tuinbank bovenop een hooge rots aan
den kant van den Edival naar het werkelijk machtige natuur-tafereel
te kijken en onwillekeurig komt dan de gedachte op: wat zal de dag
van morgen weer brengen? [19]

Den 9en April wordt de stoomsloepketel nagezien; er blijken 4
vlampijpen lek te zijn; de dag gaat voorbij met deze te stoppen en
de machine gereed te maken, want dit goede oude stoomsloepje (reeds
4 jaren bij het Exploratiedetachement) loopt lang geen 8 mijl en zal
een zwaren dobber hebben.

Den 10en April vertrekken wij reeds vroeg, met de stoomsloep en 3
prauwen. De colonne is sterk: 5 man "bemanning stoomsloep", 3 Dajaks,
19 Papoea's.

Zonder veel moeite worden de verschillende versnellingen genomen,
doch ongeveer om 10 uur blijken weer vlampijpen lek te zijn; het vuur
wordt getrokken, de pijpen gerepareerd en ten half twee 's namiddags
wordt weder stoom gestookt. Van 4 uur tot donker leggen wij nog een
goed eind af.

's Nachts om half twee begint de machinist Kasmo, die 's avonds tot
half elf was bezig geweest, ketel en machine na te zien en ten half
zeven gaan wij onder stoom. De ketel houdt zich nu best, maar nu legt
de voedingpomp [20] het af, zoodat wij elk half uur moeten stoppen
om met de hand bij te pompen.

12 April ten 2.30 uur komen wij met ons kleine troepje voor Etappepost
IV aan, de post even beneden de Batavia-versnellingen. Mijn Papoea's
komen wat later, dus er is geen gelegenheid meer, vanmiddag nog door te
gaan. Dit was anders wel wenschelijk geweest met het oog op het dalende
water. Sinds 8 April is het water hier ruim 1 1/2 M. gedaald. De
stroom is echter minder, zoodat het morgen bij voldoende water niet
lastig zal zijn.

Den 13en April ten 6.30 uur vertrokken wij van post IV; ten 7 uur, bij
den eersten hoek, slaat de stoomsloep los van de vanglijn, zwaait om en
vóórdat de vanglijn is binnengehaald, zit deze reeds in de schroef en
vliegt de sloep weerloos met 10 mijls vaart de zwaarste versnelling
in. Schoenen en jas uittrekken is het werk van een oogenblik. In
10 seconden draait de sloep drie malen rond; is daarna gelukkig de
zwaarste versnelling gepasseerd en tolt achtereenvolgens nog meerdere
kolken door. De Papoea's, die allen reeds met de prauwen aan den wal
waren, zaten verbijsterd van schrik het geval aan te kijken, zonder
zelfs maar iets te probeeren.

Niet alzoo Tamantojan, de beste aller Dajaks; hij was de eenige Dajak,
die aan den wal was, want hij had de vanglijn uitgebracht; de andere
twee Dajaks zaten bij mij op de sloep, dus konden evenmin als ik wat
uitvoeren. In een prauw met Papoea's springende, steekt Tamantojan,
gillende en joelende de Papoea's aanvurende, van wal en stuurt dwars
door de kolken op ons aan. De kroeskoppen roeien als duivels; door
dit voorbeeld steken de twee andere prauwen ook af en toen de sloep
in kalmer water was gekomen, waar getracht kon worden den tros uit de
schroef te snijden, waren de drie prauwen bij de hand om zoo noodig
te helpen. Eindelijk hebben mijn Inlandsche bootsman Doelah en een
matroos den tros losgesneden; de machine draait nog, er wordt weer den
wal ingestuurd en de poging wordt herhaald, ditmaal met meer succes.

Zooals met de motorboot was geschied,--oversteken naar den anderen
oever tusschen twee versnellingen door,--daar is nu geen denken aan,
zoodat de rechteroever wordt gehouden. Voortdurend wordt getrokken
langs stukken van circa 200 meter. De serang [21] Doelah wordt telkens
bij de Papoea's aan den wal gezet, omdat het noodzakelijk is, iemand
bij de trekkers te hebben, die fluitsignalen begrijpt. Zelf houd ik
het roer en zonder verdere ongelukken bereiken wij het Batavia-bivak,
alwaar ik een foto maak van het handige, onversaagde troepje. Ook
mijn Papoea's worden vereeuwigd.

De muskieten doen ons weder vluchten naar Post IV, waar overnacht
wordt.



Den 14en April terugkomst in Pionier-bivak, alwaar ik van den
kapitein vernam, dat ik over eenige dagen, als de "Zwaan" weder zou
zijn gekomen, met deze terug zou gaan naar Manokwari, om aldaar of
elders Papoea's in te huren.

De tegenwoordige Papoea's, die er sedert December of Januari al waren,
hadden in het geheel niet voldaan. Ik kan ook niet zeggen dat het een
gunstige collectie was; maar het absolute fiasco met deze lieden was
naar mijn bescheiden meening in hoofdzaak een gevolg van gebrek aan
bekendheid met hen; het was het exploratiedetachement uit Merauke
(Zuid Nieuw-Guinee) dat het eerst in November 1913 den Mamberamo
was opgegaan en hoe wil men met lieden, die men niet kan verstaan,
iets bereiken, als men daarenboven hunne gewoonten niet kent en hen
niet begrijpt! Stroeve en ik, die toen reeds anderhalf jaar op de
Noordkust werkten, hadden nooit eenigen last met deze kerels. Zooals
men tevoren ook heeft gezien, bracht ik met deze dienstweigeraars de
motorboot en stoomsloep boven de vallen.

Hoe het zij, den 16en April kwam de "Zwaan" voor Pionier-bivak en nadat
het schip gelost was, vertrokken wij den 18en April naar Manokwari.

Te Manokwari was mijn eerste gang naar het huis van Dirk, die tot
mijn grooten spijt niet tehuis was. Wie Dirk is, zal ik U zoo dadelijk
vertellen; aanstonds ging een goed bemande prauw er op uit, om hem te
achterhalen; hij was n.l. kortelings naar Siari vertrokken en wilde
het Arfakgebergte in.

Den volgenden dag meldde Dirk zich reeds bij mij, zoodat het
voorspoedig gegaan was.

Dirk Broos--eigenlijk heette bij Burwos (bur wosi = van Wosi, een
dorpje op de Noordelijke uitloopers van het Arfakgebergte)--was een
Papoea, en wel de slimste, dien men zich kan voorstellen; zijn huis
stond te Kwawi, doch daar hoorde hij oorspronkelijk niet; toch had Dirk
wijd en zijd in den omtrek gezag, waarvan hij veel gebruik maakte. Dirk
was een uitstekend jager; geen Papoea, die zich met hem als bevaren
zeeman kon meten. Als woudlooper vond hij zijn gelijke niet.

Dirk was Christen; op een vergadering van goeroe's (Inlandsche
hulppredikers) kon hij een preek houden zoo mooi en vlot, dat de
beste Ambonees hem dit niet verbeterde; doch Christen in den waren
zin des woords was Dirk niet. Daarvoor hoefde men hem maar even in
zijn schelmentronie te zien. Enfin, als men Papoea dragers of roeiers
noodig had en men nam Dirk in den arm, dan kwam de zaak in orde;
en het gezag, dat hij onder die lieden had, maakte hem in zulk een
geval tot een onmisbaar iemand.

Met Dirk was ik spoedig overeengekomen, op welke voorwaarden hij mee
zou gaan; hij had n.l. licencie's voor vogelgeweren en stond er op,
dat zijn jagers mede den Mamberamo opmochten, tot Pionier-bivak. Dit
vond ik best en ik polste Dirk, waar hij zijn roeiers vandaan wilde
hebben. Ik zelf wenschte Biaksche Papoea's of Sowekkers; Dirk liet
zich er nog niet over uit en zei lakoniek: "wij zullen wel zien,
als het zoover is."

's Middags bracht ik den zendeling Van Hasselt op het eiland Mansinam
een bezoek, vanwien ik hoorde, dat in de kampongs op de Zuid-
en Oostkust van Noemfoor, hetgeen echte Biaksche Kolonies zijn,
voldoende Biakkers en Sowekkers zouden te vinden zijn.

Ik verzocht den heer Van Hasselt den volgenden dag met mij mede te
gaan, wat deze gaarne aannam, om tevens een inspectietocht op Noemfoor
te maken.

Den 20en April vertrokken wij met de "Zwaan" naar Noemfoor en kwamen
's avonds voor Kg. Rumboi, alwaar de heer Van Hasselt van boord ging
en beloofde 's nachts de andere kampongs op Zuid- en Oostkust van onze
komst te laten verwittigen. Toen wij dan ook den volgenden dag onder
stoom gingen om de Oost, liep alles vlot van stapel en in de kampongs
Pakriki, Wanoeserei en Mandori werden 60 stevige roeiers uitgezocht.

Dirk had zich tot dusver nergens mede bemoeid, maar trad pas op toen
alle roeiers present waren. Dadelijk kwam hij met een verzoek bij
mij, dat allen wel voorschot wenschten te ontvangen. Nu, daar dit
gewoonte was, had ik geen bezwaar en betaalde elk f 5.00 uit. In
minder dan geen tijd had Dirk hen nu om zich heen verzameld, stalde
alle mooie kleeren, sarongs, messen, tabak enz. enz. die, hij voor de
vogeljacht bij zich had, uit en verkocht tegen flinke prijzen zijne
spullen. Mijne roeiers natuurlijk in de wolken, doch in korten tijd
had Dirk, die oude schavuit, de voorschotten.

Onder stoom gaande naar Pionier-bivak bemerkte ik reeds, wat een
bijzonder geschikt slag Papoea's ik getroffen had, vroolijk en
opgeruimd, tevreden en gewillig, op het oog gezonde en stevige
kerels. En dit alles onder de bekwame leiding van Dirk Broos, dit
moest goed gaan. Nu, het heeft de verwachtingen dan ook niet beschaamd.



In Pionier-bivak vond ik luitenant Schulze, die van zijn tocht
bewesten de Marinevallen met zware malaria was teruggekomen, en dan ook
spoedig geëvacueerd zou worden. Verder den luitenant ter zee Stroeve,
die inmiddels van zijn te voren reeds genoemden tocht in het Van
Reesgebergte was teruggekeerd en daarna te Pionier-bivak aangekomen.

Eenige dagen te voren was de colonne van kapitein Schultz, die
vanuit de Van Gelder-rivier om de Z.W. het land binnendrong, door
Papoea's overvallen, waarbij een Dajak gedood en een fuselier gewond
was. Kapitein Oppermann was met een colonne, waarbij den dokter,
ter assistentie vertrokken.

Stroeve was juist bezig een nieuwen tocht voor te bereiden:
de Rouffaerrivier op, den stroom, die door den kapitein Franssen
Herderschee indertijd als een belangrijke zijrivier van de Van der
Willigenrivier was aangegeven, doch niet nader werd onderzocht. Stroeve
hoopte namelijk, dat deze rivier haar oorsprong zou vinden in het
Van Reesgebergte (Kamoeso Pedai) en zou dan trachten aansluiting te
verkrijgen met zijn zoo juist gemaakten tocht in dit gebergte van
uit het Noorden.

Zoo vertrok dan ook na eenige dagen Stroeve met vier prauwen naar
Batavia-bivak en ging van daar uit met de motorboot en 4 prauwen de Van
der Willigenrivier op. Bij de monding der Rouffaerrivier aangekomen,
valt het hem dadelijk op, dat deze aanmerkelijk grooter is dan de
Van Daalenrivier. Eenige loodingsslagen dwars over beide rivieren
bevestigen dit vermoeden. De Rouffaerrivier blijkt veel dieper en
breeder dan de Van Daalenrivier, zoodat de waterafvoer aanmerkelijk
grooter is.

Ook voert de Rouffaerrivier het typische vuile Mamberamo-water af,
terwijl de Van Daalen-rivier mooi helder water bevat.

Na een dag opvaren blijkt de rivier uit Westelijke richting te
komen. Dadelijk verandert Stroeve zijn plan: drie prauwen worden naar
Pionier-bivak teruggezonden; met de motorboot en één prauw wil hij zoo
ver mogelijk de rivier, die ontzaggelijk groot en breed is, verkennen,
daar dit van belang zal zijn bij het ontwerpen van het plan voor den
grooten tocht, die ongeveer half Mei zal moeten aanvangen. Nog eenige
dagen vaart hij de rivier op; overal zijn de oevers bevolkt, voor
Nieuw-Guinee zeker dicht te noemen en niet altijd is de ontmoeting
met de bewoners der Rouffaerrivier vriendschappelijk. Zelfs is hij
genoodzaakt eenige Papoea's, die met een groote overmacht het kleine
troepje aanvielen, neer te leggen. Gebrek aan motorsmeerolie doet
hem terugkeeren op een punt, waar hij oordeelt, dat de rivier nog
belangrijk verder op te varen zal zijn.

Begin Mei komt hij in Batavia-bivak aan, waar hij geen Dajaks
of bevaren stuurlieden vindt om met een prauw door de vallen naar
Pionier-bivak te komen. Voor hem geen bezwaar; hij vraagt van de hem
vergezellende dwangarbeiders eenige liefhebbers om dit gevaarlijke
tochtje mee te maken en, zelf aan het roer, weet hij, na echter
tweemaal omgeslagen te zijn, behouden Pionier-bivak te bereiken.

Opgetogen is hij over zijne ontdekking op de Rouffaerrivier, welke
van zoo groot belang zou zijn voor ons doordringen in het diepste
binnenland van Nieuw-Guinee.

Alle officieren waren nu in Pionier-bivak teruggekomen om
toebereidselen te maken voor den Grooten Tocht.

In twee colonnes, elk 150 man sterk, zouden respectievelijk Idenburg-
en Van der Willigenrivier worden opgevaren.

Elke colonne zou 20 Dajakprauwen krijgen.

De Idenburg-rivier-colonne zou onder bevel staan van den kapitein
Oppermann, bijgestaan door den 1en luitenant Feuilleteau de Bruijn
en den luitenant ter zee Langeler.

De Rouffaer-rivier-colonne kwam onder bevel van den kapitein Schultz
met de luitenants ter zee Stroeve en Doorman.

De officier van gezondheid Dr. Thomsen zou in Pionier-bivak blijven
als bivakcommandant.

Daar door ziekte de gelederen enorm waren gedund, bleek spoedig, dat
van het formeeren van twee volledige colonnes geen sprake kon zijn; ook
het aantal prauwen was verre van toereikend. Er werd derhalve bepaald,
dat de Idenburg-rivier-colonne het eerst zou vertrekken. Stroeve
en ik hielden ons dezen tijd onledig met jagen, schermen, roeien en
plannen maken voor onzen tocht.

Den 15en Mei vertrokken Feuilleteau de Bruijn en Langeler met 20
prauwen naar Batavia-bivak; Dirk Broos met 30 van de beste Papoea's en
alle beschikbare dwangarbeiders-stuurlieden vergezelden hen. Zij waren
niet fortuinlijk, want zij raakten in deze eerste dagen in de vallen
6 prauwen kwijt (3 prauwen met lading en de lading van 3 andere.)

Den 18en Mei 1914 vertrok het tweede en laatste échelon der
Idenburgcolonne, 4 prauwen onder den kapitein Oppermann. De Dajaks
waren achtergehouden, zij zouden zoo spoedig mogelijk het benoodigd
aantal prauwen der Rouffaerrivier-colonne completeeren.



VI.

De verkenning van West-Centraal-Nieuw-Guinee door de
Rouffaerrivier-colonne.


Pionier-bivak 18 Mei-3 Juni. Na vertrek van het laatste échelon der
Idenburg-rivier-colonne op den 18en Mei wordt met alle hens begonnen
prauwen te repareeren en nieuwe te maken. Geheel bruikbare prauwen
waren er niet meer; vier stuks konden echter hersteld worden,
hetgeen door de Biaksche Papoea's geschiedde; het personeel der
gouvernements-marine zorgde voor het breeuwen en pekken der boorden,
zoodat alle Dajaks aan het prauwenmaken konden blijven en zes stuks
nieuwe per week afleverden.

Den 20en Mei komt de tijding, dat drie van de vier prauwen van
bovengenoemd laatste échelon in en nabij de Edivallen zijn verongelukt
en dat een aanvulling van vier prauwen moest worden gezonden. Juist
waren er vier gereed, die aan de Idenburg-rivier-colonne worden
afgestaan.

Tevens werd ons meegedeeld, dat de 40 Dajaks, die allen met onze
colonne mede zouden gaan, aangezien de Idenburg-rivier-colonne
alle beschikbare kettingjongens-stuurlieden en prauwenmakers had
meegenomen, niet bij één der colonnes mochten worden ingedeeld,
alvorens 60 prauwen gereed waren.

Twee mandoers-dwangarbeider (= kettingjongens) waren de eenige
overgebleven stuurlieden, zoodat werd afgezien van het medenemen per
eerste échelon van dwangarbeiders; zij zouden ons in de versnellingen
maar last bezorgen. Wellicht zou het gouvernementsstoomschip eene
aanvulling roeiers meebrengen.

De stoomsloep en de motorboot, die in Batavia-bivak lagen, zouden
voorloopig met de Idenburg-rivier-colonne medegaan.

Voor de hand lag nu, dat alle aandacht werd geschonken aan het al of
niet mogelijk zijn van het door de versnellingen naar Batavia-bivak
brengen der groote motorboot, die zich nog in Pionier-bivak bevond.

Indien dit gelukte, dan waren wij ook zonder roeiers verzekerd van een
voldoenden vivresopvoer van af Batavia-bivak naar boven. Stroeve en
ik besloten het maar te wagen; lukte het niet, dan waren wij nog even
ver. Onze colonne-commandant, kapitein Schultz, keurde ons plan goed
en 3 Juni 1914 vertrokken wij ten 8 uur 's morgens van Pionier-bivak
met de motorboot en 15 prauwen.

De sterkte der colonne was: 2 luitenants-ter-zee (Stroeve en ik),
1 inl. leerling-verkenner, 1 inl. korporaal, 10 inl. fuseliers,
4 bemanning motorboot, 33 Dajaks, 30 Biaksche Papoea's en 6
dwangarbeiders, totaal 87 man.

De Dajaks zouden alleen medegaan tot Batavia-bivak, dus om behulpzaam
te zijn bij het door de vallen brengen der motorboot.

Het is zeer laag water in den Mamberamo en daardoor staat er
betrekkelijk weinig stroom, zoodat de "tulband" zonder eenige moeite
wordt gepasseerd.

Ten 12 uur 30 min. komen wij voor een versnelling, die zonder hulp
niet te passeeren is; het prauwtransport wordt ingewacht en eerst ten
3 uur zijn alle prauwen present. Dit eerste moeilijke punt wordt zonder
fout genomen en ten 4 uur bivak gemaakt, even beneden de Marinevallen.

Terwijl een ieder bezig is, verschijnt heel rustig uit het oerwoud aan
den rivierkant, vlak bij onze bivakplaats, een Papoea, boog en pijlen
in de eene, een buitengewoon groot kapmes in de andere hand. Zonder
vrees te toonen, komt hij naderbij; 't is een reus, nog nooit had ik
zoo'n ontzaggelijk grooten, goed geproportioneerden kerel gezien. De
Dajaks werden er stil van en hurkten in een halven cirkel om ons heen;
het kalme, bedaarde, zelfbewuste optreden van dezen wilde maakte
duidelijk indruk op hen. Nadat wij hem eenige geschenken hebben
gegeven, roept hij eenige stamgenooten, die zich tot nu toe in het
bosch hadden schuil gehouden. Een van deze, een jongeling van een jaar
of zestien, is door een pijlschot zwaar aan den rug gewond. De reus
beduidt ons, dat dit door lieden, wat meer landwaarts in wonende,
moet zijn geschied. Dit zijn dan waarschijnlijk dezelfde lieden,
die de colonne Schultz in April overvielen en een Dajak vermoordden.



4 Juni. 's Morgens tegen 8 uur komen wij bij de Marinevallen aan, die,
nadat beide oevers zijn onderzocht en de doorgangen opgelood, langs
den rechteroever worden gepasseerd. De plaats, waar de stoomsloep en
de kleine motorboot aan den linkeroever passeerden, ligt minstens
10 meter droog boven den waterspiegel, terwijl zich aan dien oever
werkelijke vallen vertoonen.

Ten 1 uur 's namiddags komen wij langs den rechteroever der rivier
even beneden de Edivallen aan; dadelijk wordt een aanvang gemaakt
met de prauwen te ontladen, om alle bagage langs den wal bovenstrooms
van de versnelling te dragen. Het ziet er hier leelijker uit dan bij
de Marinevallen. De linkeroever, waarlangs de boot getrokken moet
worden, kan alleen worden bereikt door dwars door de kolken heen over
te steken, hetgeen met dit trage, slecht bestuurbare vaartuig zeer
gewaagd is. Want even uit het roer loopend, zou de motorboot tegen
de steenen te pletter slaan. Na met Stroeve alles lang en breed te
hebben besproken, komen wij tot het besluit, dat wij in ieder geval
naar den overkant moeten.--Wij steken van wal en komen behouden over,
al scheelde het geen paar meters.

De Dajaks brengen nu de trekkrachten,--fuseliers, Papoea's en
dwangarbeiders,--naar den linkeroever; telkens steken de Dajaks over om
een nieuw menschenvrachtje te halen en zonder ongelukken komt dan ook
de geheele colonne aan. Met Dajaks en Papoea's bij één troep had men
altijd nogal wat te stellen met den naijver tusschen beide volkjes;
in dit terrein en voor dit werk waren de Dajaks in handigheid en
bruikbaarheid verre de meerderen; in kalmer water roeiende, leggen zij
het echter op korten en langen afstand tegen de Biakkers af. Stroeve
en ik plaagden het Dajaksche hoofd Anji Poei wel eens en zeiden dan
tegen hem: "Die Papoea's, die kunnen best roeien."

Nu waren de Dajaks in hun element; met een prauw vol menschen staken
zij voorzichtig over; wanneer zij echter leeg terug gingen, roeiden
zij stroomop en gingen door de zwaarste kolken en versnellingen
terug. 't Was een schitterend gezicht en wij stonden dan ook met
steeds klimmende bewondering telkens de naar de overzijde afstekende
prauwen gade te slaan. De brave Anji Poei, die vlak naast ons stond,
zag ons enthousiasme en met een fijn glimlachje zei hij tegen ons:
"Die Papoea's, die zijn toch wel handig."

Hij had groot pleizier, toen wij hem zeiden, dat het van ons maar een
grapje geweest was en antwoordde: "Van mij is het ook maar een grapje."

De twee manillatrossen van 11 c.M. hadden reeds veel geleden van het
schavielen langs scherpe rotshoeken, zoodat ik den indertijd door mij
in Etappepost II achtergelaten tros van 12 cM. liet halen en met één
van 11 cM. liet uitbrengen.

Eindelijk is alles klaar, de motor wordt aangezet, wij steken af. Op
het oogenblik, dat de boot in den fellen stroom giert, weigert de
motor. Met een ruk komt de dunne tros het eerst stijf en breekt, de
boot komt dwars op den stroom. Daar de trekkers aan den wal den zwaren
tros niet kunnen houden, drijft de boot dwars weg, totdat deze tros,
die gelukkig om een rotsblok belegen is, stijf komt en houdt. Elk ander
vaartuig zou in deze positie zijn omgeslagen; deze zeer stabiele boot,
die als een blaas op het water ligt, helde slechts een weinig.

Daar Stroeve, die op den wal bij de trekkers stond, het gevaarlijke der
positie dadelijk had gezien, hadden de menschen, die door het breken
van den tros voor het meerendeel onzacht van de been waren geraakt,
in een oogwenk den dikken tros weer in handen en uit alle macht werd
getrokken. Maar de motor bleef weigeren, wij schoten geen duim op;
de boot dobberde nu echter veilig met zijn neus in den stroom. Hoe
de trekkers ook werden aangevuurd, de boot bleef aan het rotsblok
hangen. Eindelijk, na circa 5 minuten was er eenige beweging te
bespeuren; dat gaf nieuwe kracht en centimeter voor centimeter
gingen wij vooruit. Het Dajaksch hoofd Anji, die zich bij mij op de
boot bevond, stond dansende en gillende zijn menschen aan te vuren;
langzamerhand gaat het vlugger en ten 4 uur zijn ook de Edivallen
gepasseerd. Wij steken over naar den rechteroever en maken bivak in
Etappepost II. De Dajaks brengen nu alle prauwen door de versnellingen
heen en ten 7 uur is de geheele colonne met alle vaartuigen behouden
in Post II. 's Avonds is de stemming in het bivak bijzonder opgewekt;
tot laat in den nacht hoort men Dajaks en Papoea's zingen, begeleid
door het sombere bruisen van de vallen.



5 Juni. Rustdag in Post II; een prauw met drie zieke Dajaks terug
naar Pionier-bivak met bericht aan den kapitein Schultz, onzen
colonne-commandant, van het voorloopig slagen.



6 Juni. Passeeren de kleine Edivallen; de verdere dag verloopt kalm;
alleen de circulatiepomp van den motor weigert herhaaldelijk en
telkens moet worden gestopt. Ten 12 uur, tijdens eetrust, komt een
prauw van boven, waarin onze collega, luit. t. zee Langeler der
Idenburg-rivier-colonne, die op weg is naar Pionier-bivak.



7 Juni. De waterstand blijft laag en de rivier levert nergens
ernstige moeilijkheden op. Ten 11.30 uur gaat Stroeve in een prauw
met 7 van de beste Dajaks vooruit naar Bataviabivak om een nieuwen
manillatros te halen en tevens van de gelegenheid gebruik te maken,
de Batavia-versnellingen eens te bekijken. Tegen den middag namelijk
begint de rivier er al bedenkelijk uit te zien; en wij zijn nu nog
een heel eind beneden Etappepost IV.

Kon ik in April bij hoogen waterstand met de kleine motorboot en
de stoomsloep zonder veel moeite Post IV bereiken, nu is hier geen
sprake van. Na het vertrek van Stroeve, wordt de boot nog door een
zware versnelling heengebracht, waar wij rond vier uur over doen.

De Dajaks verrichten schitterend werk en onder hen blinkt Tamantojan,
dezelfde, dien ik reeds op den 13en April vermeldde, weer uit. Vroeg
men aan de Dajaks: "Wie roeit van jelui het beste?" Zonder aarzelen
zeiden allen: "Tamantojan". Vroeg men achtereenvolgens aan hen, wie
van hen het beste zwom, vischte, dook, boomen klom, kon hardloopen,
kon springen enz., telkens weer was het: "Tamantojan". 't Was dan ook
een juweel; met het vroolijkste gezicht van de wereld haalde hij de
onmogelijkste braniestukjes uit.



8 Juni. Hoewel Stroeve 's morgens vroeg reeds werd terugverwacht, kwam
de prauw ons pas ten 12 uur tegemoet en weldra vernam ik dat gisteren
de prauw, hoewel bemand met de beste Dajaks, 's avonds ten 7 uur eerst
Post IV had bereikt. Voor dag en dauw vertrokken, was hij ten 11 uur te
Bataviabivak aangekomen en dadelijk teruggekeerd. Stroeve had eenige
hoop, dat het kon gelukken, de boot door de Bataviaversnellingen te
krijgen, maar dan zou het minstens een week duren. De Dajaks, die
waren meegegaan, toonden zich minder optimistisch gestemd, maar daar
in dezen tijd veel hooger water niet te verwachten was, besloten wij
de motorboot er aan te wagen en het tot elken prijs te beproeven.

Nadat dit ook aan Anji Poei was meegedeeld en deze was gerustgesteld
omtrent het dragen der verantwoordelijkheid, wanneer de boot verloren
ging, werd voortgegaan. Langzaam en heel onzeker schieten wij op.

9 Juni. 's Nachts is het water ongeveer een meter gestegen, hetgeen
hier wel niet veel, doch in ieder geval iets beteekent.

Ten 6 uur 's morgens vertrekken wij; de prauwen worden achtergelaten;
aan één stuk wordt, zonder te eten of te rusten, doorgewerkt tot
5 uur 's middags, waarna langs den oever naar de prauwen wordt
teruggekeerd. 't Is een zware dag geweest; de eene versnelling is
nog niet gepasseerd, of men staat voor de volgende; den geheelen
dag heeft de motor niet gedraaid, uit vrees de schroef op steenen
stuk te slaan. Waar de versnellingen te zwaar bleken, werd de boot
over of tusschen de steenen doorgetrokken. Hierbij waren bijzonder
aardige tafereeltjes; de groote boot onder een flinke helling tegen
een versnelling opgetrokken aan een dikken tros, terwijl alle Dajaks,
tot het middel in het water, als mieren om een dooden kever, aan de
boorden der boot trokken en duwden.

Later hebben Stroeve en ik er veel spijt van gehad, geen foto's
hiervan te hebben gemaakt, (wij hadden n.l. beiden een toestel),
doch op den dag zelf hebben wij er geen oogenblik aan gedacht.



10 Juni. Het laatste deel der Bataviaversnellingen wordt genomen en
ten 1 uur komen wij onder een vroolijk hoerah in Bataviabivak aan.



11 Juni. De Dajaks keeren in 4 prauwen naar Pionierbivak terug; Anji
Poei had wel verzocht om den tocht, het binnenland in, met ons mee te
mogen maken met zijn wakker troepje, doch dit mocht ik niet toestaan
in verband met den prauwenaanmaak, hoezeer het mij speet. Met zulke
kerels kun je alles probeeren en uitvoeren.

Het was nu bewezen, dat ten allen tijde de mogelijkheid bestaat,
krachtvaartuigen naar boven te brengen. De stoomsloep en de kleine
motorboot werden bij hoog, de groote motorboot bij laag water naar
Bataviabivak getransporteerd. Hoog water is echter te verkiezen,
mits men een boot heeft, die voldoende vaart loopt; d.w.z. tien mijl
of meer. De groote motorboot, die maar 5 3/4 mijl liep, kwam zelfs
bij hoog water op eigen kracht niet voorbij gewone hoeken in de rivier.

Dat men over voldoende handig personeel--in dit geval Dajaks--moet
beschikken, spreekt van zelf.

Wanneer men over een snelle motorboot of glijboot beschikt--vaart
20 mijl of meer--ben ik er van overtuigd, dat men het traject
Pionierbivak-Bataviabivak zonder hulp aflegt. Aan eenige bijzondere
eischen, wat aangaat vorm, geringe kwetsbaarheid der schroef en goede
bestuurbaarheid, zou moeten worden voldaan.

In Bataviabivak aangekomen, werd dadelijk aangevangen, alles gereed
te maken voor den Grooten Tocht. De motor wordt nagezien, prauwen
gerepareerd, levensmiddelen en andere behoeften gepakt en in de
prauwen geladen; alléén de motorboot laadde 3 1/2 ton bagage (3500
K.G.), evenveel als 10 groote prauwen, welke 60 roeiers noodig hadden,
terwijl de boot aan 4 man ruim voldoende had.



12 Juni. Vertrek van Bataviabivak. Sterkte der colonne: 2
luitenants-ter-zee, 1 leerling-verkenner, 1 europ. sergeant, 1
inl. korporaal, 15 inl. fuseliers, 4 bemanning motorboot, 30 Papoea's
(Biakkers) en 8 dwangarbeiders, totaal 62 man.

_Doel_. Zoo ver mogelijk opvaren der Rouffaerrivier met de
motorboot. Aldaar een bivak maken. [22] In één prauwcolonne de
rivier verder verkennen. Bij den eersten grooten zijtak splitsen
in twee colonnes. Onderweg zoo veel, zoo vlug en in verband met den
beschikbaren tijd zoo nauwkeurig mogelijk vastleggen der bergtoppen,
zoodat een overzicht wordt verkregen over het geheele in kaart
te brengen terrein, waarna kan worden bepaald, welke landtochten
noodzakelijk en het meest productief zullen zijn. Na afloop der
verkenning met de plannen voor de tochten terugkeeren naar Motorbivak,
waar de colonne-commandant, kapitein Schultz, circa half Juli met de
rest der colonne zal aankomen van uit Pionierbivak.

_Levensmiddelen_. Gewone magazijnsvoorraad, 5000 volle rations,
dus toereikend voor ruim 80 dagen. Deze voeding werd aangevuld met,
_nooit_ vervangen door opbrengst van jacht en vischvangst en door
geruilde voedingsmiddelen der bevolking als sago, pisang, ketella.

Tegen beri-beri werd per dag verstrekt 0.2 kg. kadjang idjoe en 0,03
kg. javaansche suiker. Verder prophylactisch, 0.2 gram chinine per
dag tegen de malaria.

_Instrumenten_. Voor de plaatsbepaling en karteering was de uitrusting
als volgt: 2 tijdmeters (marine), 3 observatiehorloges, 5 chronomètres
torpilleurs, 1 theodoliet, 2 boussoles tranche montagne, 1 prismacirkel
met stand, 3 sextanten, 2 kookthermometers en 1 hoogtebarometer.

Verder voor den leerling-verkenner: zakkompassen, Smalkalder
patentboussoles en een patentniveau.



12 Juni. Onder fellen regen wordt 's morgens van Batavia bivak
vertrokken; het eentonige laagland heeft een nog triestiger aanzien
dan gewoonlijk; om drie uur 's middags wordt Kalong-eiland gepasseerd
en de Van der Willigen-rivier opgegaan; ten 4 uur wordt bivak gemaakt,
een slecht modderig bivak met myriaden muskieten. Dezen eersten dag
beginnen wij met vijf koortslijders.



13 Juni. Zonder bijzonderheden vervolgen wij den tocht tot 4 uur 's
middags; tegen twaalf uur wordt het ontzaggelijk warm op het water,
hetgeen afmattend op de roeiers werkt.



14 Juni. De rivier bandjirt; het water is sterk gestegen, de stroom
is fel en er wordt zeer veel drijfhout afgevoerd, waaronder complexen
van eenige boomen. 't Opvaren dient omzichtig te geschieden.

Ten 11 uur loopt één der prauwen uit het roer en slaat stuk tegen een
boomstam. De inzittenden worden gered, doch de bagage, tenminste het
gedeelte, dat niet drijft, gaat verloren, o.a. zeven stormlantarens. De
prauw blijkt zoodanig beschadigd, dat van meenemen geen sprake meer is.

Bij het redden van de roeiers onderscheidde zich wederom de mandoer der
kettingjongens Si Joesan, een Atjeher, die reeds bij een der tochten
op de Noordkust (Biri rivier) met groot levensgevaar een sergeant uit
de branding haalde, voor welk feit hem de helft van zijn nog uit te
dienen straf werd kwijtgescholden, in casu twaalf jaren.



15 Juni. Op den voormiddag zien wij een prauw met 5 Papoea's, die voor
ons wegvluchten; telkens verdwijnen zij met hun vaartuigje in het riet,
dat zich aan de binnenbochten in groote velden uitstrekt (glagah =
wild suikerriet). Later volgen zij ons en onder de eetrust, omstreeks
12 uur, komen zij op onze herhaalde uitnoodiging en het toonen van
geschenken naderbij. 't Blijkt een ongunstig volkje te zijn, diefachtig
en wantrouwend. De versiering wijkt niet af van die bij Batavia bivak.



16 Juni. Na een half uur te hebben gevaren, weigert de circulatiepomp
van den motor; reeds alle vorige dagen hadden wij herhaaldelijk
moeten stoppen. Na een grondig onderzoek bleek ons (Stroeve en mij,
aangezien de twee Inlandsche motoristen het reeds eenige dagen hadden
opgegeven), dat het wit-metaal der circulatiepomp geheel afgesleten
was en daardoor de pomp geen ijdel meer verwekte. Goede raad was
duur. Na veel moeite gelukte het uit rivierzand een vorm te maken
en van de reservekrukasmetalen der machine nieuwe te gieten. Een
klein tekort aan gietmetaal werd aangevuld met soldeertin, dat wij in
groote hoeveelheden bij ons hadden. Bij het beproeven deed de pomp het
prachtig en gaf bij den uitlaat zelfs vrij koel water. 's Middags om
vier uur is de boot weder geheel gereed; wij blijven echter in dit
bivak en gaan niet meer verder vandaag.

De eerstvolgende maal in Bataviabivak teruggekeerd, hebben de
motoristen alle reserve-witmetalen verzameld en vast vooruit nieuwe
reservedeelen voor de pomp gegoten, zoodat wij later nooit meer last
van warmloopen van den motor hadden.



17 Juni. 's Morgens prachtig uitzicht op een hooggebergte in het
Zuiden; vrij zeker dezelfde toppen, die zeer vluchtig door de colonne
Franssen Herderschee werden bepaald. De meest markante toppen worden
gepeild en een panoramaschets vervaardigd; tegen 8 uur verdwijnen deze
toppen dan in den regel in de wolken, om 's avonds tegen zonsondergang
weer te voorschijn te komen.

Zien tijdens het varen twee prauwen met vier mannen er in, die echter
niet naderbij durven komen; wederom wordt tijdens de eetrust aanraking
met hen verkregen; zij blijken dol te zijn op kapmessen; als geschenk
brachten zij een pas geschoten kroonduif mede.

Ten 2 uur 's namiddags bereiken wij de samenvloeiing van de Rouffaer-
en Van Daalenrivier en varen de eerste op. Duidelijk opvallend is
hier het heldere water der Van Daalenrivier tegenover het zandige,
bruine, echte Mamberamo-water der Rouffaerrivier.

Deze laatste wordt nog een uurtje opgevaren en ten 3 uur maken
wij bivak op een punt, geschikt om 's avonds een astronomische
plaatsbepaling te nemen.

Nauwelijks bezig met kappen, verschijnen twee groote prauwen met 5
en 8 mannen er in, die ons dadelijk in het bivak komen opzoeken. Zij
dragen snor en baard en in het geheel geen versierselen in het haar. Op
het voorhoofd zes varkenstanden: 2 stel van drie boven elkaar, met
de ronding naar boven; door een koordje van plantenvezel worden de
tanden onderling op afstand en op het voorhoofd vastgehouden, links
en rechts op het voorhoofd één stel.

Allen hebben eenige banden om de lendenen van varenvezel; de meesten
dragen geen schaambedekking; enkelen hebben de op de benedenrivier
ook gebruikelijke schouder- en borstbanden van witte en bruine
vruchtenpitjes. Door de neusvleugels van onder naar boven gestoken een
beenen sprongetje in de vorm van een V, dat schuin naar voren en boven
wijst en waarvan de punten ongeveer ter hoogte van de oogen komen.

Zij zijn bewapend met pijl en boog en hebben een geknoopt net als
draagtasch op den rug hangen.

Een van deze mannen, met een bijzonder ongunstig uiterlijk, wordt
door Stroeve herkend als de aanstoker van relletjes bij zijne eerste
verkenning. Wij laten hem duidelijk merken, dat wij hem herkend hebben
en toen hij daarna demonstratief met gespannen boog den krijgsdans
gaat uitvoeren, wordt aan de anderen, die voor dit ophitsen niet
geheel ongevoelig zijn gebleven, de uitwerking van een karabijnschot
getoond. Dit, gepaard gaande met het zien van onze kleederen en
het ons in het geheel niet bevreesd toonen voor hun pijlen, houdt
hen ervan terug, om op den krijgsdans van onzen vriend in te gaan,
die dan ook stilletjes afdruipt.

's Nachts na zonsondergang behoeft men nooit bang te zijn voor een
overval, want in het donker durven de Papoea's, bevreesd als zij zijn
voor geesten, niet door het bosch. Zijn zij om den een of anderen
reden genoodzaakt 's nachts door het bosch te gaan, dan nemen zij
flambouwen mede en maken zooveel mogelijk lawaai om de kwade geesten
te verdrijven. Dan hoort men hen vanzelf aankomen.

Dezen avond en nacht blijft de hemel bewolkt, zoodat wij geen sterren
kunnen observeeren.



18 Juni. Passeeren 's morgens een menigte Papoea's, die zich allen
aan den oever bevinden; zij voeren op het zien van onze colonne
gezamenlijk hunne krijgsdans uit; het krijgsgeschreeuw en alarmgeroep
is den geheelen dag niet van de lucht. Telkens wordt hun doordringend
oehoe-oehoe uit de verte beantwoord en herhaald. Goed opletten is nu
geraden, daar wij met het oog op geringen stroom stijf den oever aan
de binnenbocht moeten houden.

Het alarmgeroep wordt door onze krijgslustige, dappere Biakkers
telkens met gejoel beantwoord.

De rivier houdt hetzelfde aanzien en blijft nog goed bevaarbaar.

's Avonds astronomische plaatsbepaling.



19 Juni. Dezen dag passeeren wij de nederzettingen der Papoea's,
die in begin Mei de colonne Stroeve bepijlden en waarvan er één werd
neergelegd. Het oerwoud langs de rivieroever is vol van onheilspellende
geluiden en de houding van de zich vertoonende mannen zegt ons, dat
zij niet veel goeds in den zin hebben. Tegen den avond wordt bivak
gemaakt, dicht bij een groote nederzetting, waarvoor ongeveer 15
groote prauwen liggen.

Het bergland komt om de Zuid tegen zonsondergang prachtig helder te
voorschijn, zoodat wij belangrijke peilingen kunnen nemen.



20 Juni Hoe hooger wij de rivier opkomen, hoe dichter bevolkt zij is;
bij elken omgevaren hoek of bocht zien wij weer nieuwe huizen, dorpen
en tuinen; menschen laten zich den geheelen dag niet kijken, doch
de smeulende vuurtjes in de huizen doen ons zien, dat hunne bewoners
eerst kortelings verdwenen zijn. Waarschijnlijk, of liever vrij zeker,
wordt ons kort bezoek aan een kampong door vele oogen bespied.

De gezondheidtoestand der roeiers blijft uitstekend: sporadisch
komt een koortsgeval voor. De laatste vier dagen hadden wij eiken
nacht harde regenbuien en wie een flinke tropenbui heeft meegemaakt,
begrijpt dat wij dan handenvol werk hadden, om de volgeladen prauwen
lens [23] te houden.

21 Juni. Aan den oever wederom vele kampongs; huizen, kleeding en
versierselen worden primitiever. De mannen loopen geheel naakt:
zij hebben eenige koorden om het middel van varenvezel of rotan. De
vrouwen dragen een kleine schaambedekking; beide seksen dragen kort
hoofdhaar; de mannen zonder uitzondering baarden. Hoofdversierselen
zijn voor vrouwen zoowel als voor de mannen dezelfde; het reeds vroeger
genoemde V-vormige beenen sprongetje door de neusvleugels en een tot
driehoek gebogen zwarte casuarispen door de oorlel.

Voor het eerst wordt sinds eenige dagen wederom aanraking met de
bevolking verkregen; het zijn vriendelijke, vroolijke lieden, van wie
wij een groote hoeveelheid sago en brood vruchten ruilen. Sagopalmen
en broodboomen komen langs den oever in groote complexen voor. Het
geruilde voedsel vormt een aangename toevoeging aan het eentonige menu
van rijst met gedroogde visch of deng-deng (gedroogd vleesch.) Ook de
jacht levert vrij veel op; de zandbanken zitten vol met eenden, terwijl
in het bosch kroonduiven en gewone duiven in menigte voorkomen. De
rivier zelf levert prachtige visch.

's Middags vanuit het bivak wederom bergpeilingen om de Zuid;
's avonds een stersobservatie, teneinde de juiste plaats te bepalen.



22 Juni. Zonder verdere bijzonderheden wordt de Opvaart voortgezet.



23 Juni. De rivier wordt soms vrij smal met feilen stroom, dan weer
breed, ondiep, met vele zandbanken en eilandvorming. Ten 2 uur 30
min. wordt bivak gemaakt nabij een nederzetting; terwijl de colonne
het bivak bouwt, gelukt het Stroeve en mij aanraking met de bewoners
te verkrijgen, die door het geven van geschenken op hun gemak worden
gesteld.

Totaal hebben wij vanaf Bataviabivak nu langs de rivier 250
K.M. afgelegd.



24 Juni. De zandbanken en ondiepten maken het lastig, de rivier op
te varen, zoodat wij besluiten op een geschikt punt het hoofdbivak in
te richten. Een eerste vereischte is, dat het bivak ten allen tijde,
ook met lage waterstanden, met de motorboot bereikbaar zal zijn,
zoodat deze alleen zonder prauwen de communicatie met Bataviabivak kan
onderhouden en vivres met alle andere noodige behoeften opvoeren. Ten
11 uur 30 min. vinden wij reeds een geschikte plek op den Noordelijken
oever en dadelijk, wordt een begin gemaakt met openkappen van het
bosch. Tot vijf uur wordt flink doorgewerkt en vele groote boomen
zijn reeds gevallen en opgeruimd door ze in de rivier te doen vallen
of rollen, waarna de stroom ze meevoert. Een tijdelijk nachtverblijf
wordt opgeslagen.

's Avonds krijgen wij uitzicht op het machtige Centraal-Gebergte,
dat over een sector van bijna 180° te zien is. Meer dan 150 hooge
en markante toppen kunnen worden gepeild. 's Nachts wordt met groote
nauwkeurigheid de plaats op lengte en breedte bepaald. Onze tijdmeters
en horloges hebben vanaf Bataviabivak zeer mooi geloopen en geven
zeer betrouwbare standen.

's Middags waren Papoea's, die, op het geluid van het boomen vellen,
zich op een zandbank even boven het bivak verzameld hadden, na lang
beraad op de vlucht gegaan. Dat was niets, die zouden wel terugkomen.

Dit Hoofdbivak wordt door ons Motorbivak gedoopt; de rivier is hier
ongeveer 1200 Meter breed; er bevinden zich zandbanken in, doch met
hoog water zijn deze geheel onder.

25 t/m 30 Juni. Er wordt voortgegaan het terrein geheel schoon te
maken; verder in het oerwoud worden stammetjes gekapt voor het
bouwen der barakken; een ploeg verzamelt en splijt rotan om als
bindmateriaal te dienen. Palmbladeren worden tot atap-dakbedekking
gevlochten enz., enz.

Den 26en Juni wordt de motorboot teruggestuurd naar Bataviabivak onder
dekking van 1 eur. sergeant + 4 karabijnen [24], met opdracht, daar
te wachten tot de rest der Rouffaerriviercolonne onder den kapitein
Schultz zou zijn aangekomen.

Het laat zich reeds aanzien, dat dit Motorbivak een goed bivak zal
worden. Het terrein is mooi droog; de rivier stroomt er vrij kalm
langs, zoodat er goede gelegenheid is om te baden. Verder is het
geheel blootgesteld aan bestraling der zon, wat voor een pas opengekapt
terrein een eerste vereischte is; geen enkele boom was blijven staan.

Wij treffen het prachtig met het weer; elken morgen en avond hebben wij
zicht van het Centraal-Gebergte en wij schieten met het peilingswerk
goed op.

Reeds den tweeden dag krijgen wij bezoek van Papoea's, die met 50 en
60 tegelijk gewapend aan komen zetten; het kost heel wat moeite om
onze eigen menschen goed aan het werk te houden, want deze kerels,
die vlak bij Motorbivak hunne kampongs hebben, brengen veel sago,
pisang en andere lekkernijen mede.

Den 30en Juni is de bivakbouw reeds zoover gevorderd, dat wij ons klaar
gaan maken om met de prauwen door te gaan. Het peilingswerk is hier
geheel gereed en de bivakdekking, die achtergelaten zal worden, kon
kalm het bivak verder voltooien, om de colonne Schultz te ontvangen.

1 Juli. 's Morgens wordt eerst nog een observatie genomen ter
verifieering der tijdmeters, ten 9 uur 30 min. wordt vertrokken met
7 prauwen.

Sterkte: 2 luitenants-ter-zee (Stroeve en ik), 1 inl. verkenner, 7
inl. fuseliers, 30 Biaksche Papoea's, 7 dwangarbeiders, totaal 47 man.



Als bivakdekking worden achtergelaten een inlandsch korporaal en vier
fuseliers, met opdracht het bivak verder af te bouwen.

Wij passeeren vele nederzettingen, waarvan wij vele mannen herkennen,
als zijnde reeds op bezoek in Motorbivak geweest. Overal bij de
huizen pisang-tuinen. Aan den oever veel pinang- en niboeng-palmen
en een menigte broodboomen; langs de rivier zien wij bijna geen
sago meer. Voor het eerst wordt hier op de zandbanken fijn grint
aangetroffen; de rivier is hier ongeveer 500 meter breed.

Van uit het bivak, dat ten 2 uur 30 min. gemaakt wordt, wordt in
noord-noord-westelijke richting bergland gepeild op naar schatting
40 KM. afstand; dit moeten toppen van het Van Reesgebergte zijn,
die de meervlakte aan de noordzijde begrenzen.



2 Juli. De rivier vormt vele eilanden, zoodat het kiezen van den goeden
arm dikwijls moeilijkheden oplevert, want wij mogen geen belangrijke
zijrivier voorbijvaren.

Tegen den middag komen wij aan den mond van een flinke, 200 à 300
m. breede linker zijrivier, die grintbanken bevat en zeer helder water
afvoert. Wij besluiten deze linker-zijrivier A eerst samen op te gaan,
om te zien of het de moeite waard is de colonne te splitsen.

Deze rivier is zeer dicht bevolkt; overal huizen en tuinen; spoedig
krijgen wij vriendschappelijke aanraking met de bewoners en ruilen
sago, trossen pisang en ketella voor kleine stukjes blik of een
enkele kraal. Heele drommen gewapende mannen snellen in den looppas
vooruit, over de banken, onder het geroep van oewà-oewà-oewà-wà-wà,
om dan plotseling als op commando keert te maken en als één massa
weder op ons los te stormen, 't Leek vrijwel op een soort krijgsdans,
dus hielden wij een oogje in het zeil en waren op eventueel omkeeren
van hunne stemming voorbereid.

's Middags wordt bivak gemaakt op een 20 meter breede, droge strook
aan den oever; daarachter begint een diep sagomoeras.

's Nachts zware regen, de rivier bandjirt sterk en wij hebben handenvol
werk om geen prauwen te verliezen.



3 Juli. Gisteren hebben wij reeds gezien, dat de zijrivier A voldoende
groot is om de colonne in tweeën te splitsen. Wij willen echter eerst
nog bij de samenvloeiing een nauwkeurige plaatsbepaling nemen en de
voornaamste toppen, die wij van uit Motorbivak peilden, hier ook nemen,
zoodat wij dan reeds een vrij aardig overzicht krijgen van den loop
van het bergland en van de richting der ketens.

Ten 8 uur zijn wij reeds ter plaatse en bouwen tegelijk met het
bivak op eiken oever in een hoogen boom een stellage, van waaruit
wij een goed uitzicht om de zuid hebben. De inl. verkenner wordt met
een prauw, 2 fuseliers en 8 Papoea's uitgestuurd om nog een grooten
zijtak te verkennen; dit blijkt echter geen zijrivier, maar een arm
van de hoofdrivier te zijn. 's Avonds astronomische plaatsbepaling.



4 t/m. 6 Juli. De observatiestellingen komen gereed, doch 's morgens
en 's avonds hebben wij zwaren regen, zoodat wij niets opschieten:
den 5en Juli wederom geen uitzicht.

Den 6en begint hetzelfde, doch tegen den middag klaart het op,
't zonnetje breekt door; dit geeft hoop voor den avond tegen
zonsondergang.

Ten twee uur 's middags worden Stroeve en ik gewaarschuwd, dat een
groot aantal gewapende Papoea's zich verzamelen op een zandbank even
boven het bivak. Er bleken reeds ongeveer 100 man te zijn; telkens
kwamen nog meer prauwen vol krijgers aan. Voortdurend wordt door hen
gezamenlijk de krijgsdans uitgevoerd. Ons bivak wordt gealarmeerd;
ongewapende roeiers in het midden geplaatst met alle zeven soldaten
er bij, terwijl Stroeve en ik den aanval meer naar voren zouden
afwachten. Toen dan ook na circa een kwartier de 150 man sterke
troep den aanval begon, vond zij ons gereed en werd zij gemakkelijk
afgeslagen.

Tegen zonsondergang prachtig uitzicht op het gebergte, zoodat wij
met het peilingswerk gereed komen. Morgen zullen wij ons splitsen in
2 colonnes, Stroeve zal de zijrivier A opgaan, ik de hoofdrivier.



7 Juli 1914. Het eerste vertrekt 's morgens Stroeve met 3 prauwen uit
het "Splitsingsbivak." Sterkte: 1 luitenant-ter-zee, 3 inl. fuseliers,
12 Papoea's, 4 dwangarbeiders, totaal 20 man.



Daarna vertrekt mijne colonne in 4 prauwen. Sterkte: 1
luitenant-ter-zee, 1 inl. verkenner, 4 inl. fuseliers, 18 Papoea's,
3 dwangarbeiders, totaal 27 man.

Ten 8 uur 30 min. steekt de laatste prauw af; de hoofdrivier buigt om
de zuid en blijft den geheelen dag in zuidelijke richting loopen. Langs
den geheelen oever nederzettingen en tuinen; op enkele plaatsen wordt
aanraking met de bevolking verkregen en broodvruchten, suikerriet en
sago geruild. Ten 12 uur 30 min. breekt de rivier door een heuvelketen
heen en zijn wij op den rand der groote meervlakte. In de rivier
bevinden zich reeds groote grintbanken. Ten 2 uur wordt bivak gemaakt.



8 Juli. 's Morgens vertrokken, hebben wij reeds spoedig te kampen met
stroomversnellingen. De rivier-, oevers zijn heuvelachtig; de stroom
zelf is minstens 1000 meter breed, wordt echter door grintbanken en
eilanden dikwijls in vier of meer takken verdeeld. Op de steenbanken
bevinden zich al brokken van 1/2 Meter. Het is opvallend, hoe snel
het karakter van de rivier veranderd is. In de versnellingen vinden
wij geen nederzettingen aan de oevers meer. Het water is nog altijd
bruin en zanderig, het typische Mamberamowater. De begroeiing van
den oever verandert eenigszins, glagah (riet) komt niet meer voor;
behalve broodboomen, pandanus en pinang, treffen wij in het oerwoud
op de heuvelhelling ook een soort naaldboomen en groote boom varens
aan. Bij het bivak, dat wij op den achtermiddag maken, vind ik,
op de jacht zijnde, een goed beloopen Papoeapad op den rechteroever.



9 Juli. 6 uur 30 min. vertrek; aan één stuk door versnellingen; 8 uur
hebben wij een prachtig uitzicht op het Hooggebergte en blijkt, hoe
dicht wij dit reeds naderen. Een grintbank wordt als observatiepunt
gekozen en theodolietmetingen verricht. Tevens worden panoramaschetsen
gemaakt.

Recht in het zuiden is een zwaar, diep ravijn, dat als het ware den
ongeveer 3000 M. hoogen O-W. loopenden bergketen loodrecht snijdt. Dit
moet vrij zeker de bedding der Rouffaerrivier zijn, zoodat deze dan
zijn oorsprong op de Carstenstoppen zal hebben, in aanmerking genomen
den grooten waterafvoer op dit punt.

Ten 1 uur wordt een linkerzijrivier B gepasseerd, die helder water
afvoert en reeds bij de uitmonding grintbanken en versnellingen
vertoont. Deze rivier zal voor later bewaard worden.

De Papoearoeiers doen hun best, maar zijn in dit versnellingterrein
niet in hun element. Zeer langzaam gaan zij vooruit.



10 Juli. De rivier blijft breed met groote grintbanken, tot zij zich
's middags tegen 2 uur plotseling versmalt van 800 M. tot 100 à 150 M.

Dit is het punt, waar de rivier uit het gebergte treedt; de stroom
wordt feller en de oevers steil, vaak loodrechte bergwanden, en het
laat zich aanzien, dat aan den prauwentocht spoedig een einde zal
komen, 's Avonds en 's nachts een astronomische plaatsbepaling.



11 Juli. De ware plaats wordt uitgerekend en de bergpeilingen der
laatste dagen op de kaart bijgewerkt. Voor de roeiers is het vandaag
rustdag.



12 Juli. Wij vorderen nog enkele K.M. om de zuid; de versnellingen
worden echter voor de Papoea's te zwaar, zoodat ik besluit op een
geschikt punt het Prauwbivak in te richten. Op een plek, waar langs de
steile helling een helder stroompje naar beneden stort, wordt het woud
opengekapt en een voorloopig bivak betrokken. Dit heldere water kwam
goed te pas, want het water der hoofdrivier is modderiger dan ooit en
heeft bijna een chocoladekleur. De rivier is hier ongeveer 60 M. breed.



13 Juli. Bivak verder openkappen en in orde brengen.



14 Juli. Ten 6 uur 30 min. vertrekken in 3 prauwen, terug naar
Motorbivak--hetgeen in één dag te halen zal zijn--: 3 inlandsche
fuseliers en 13 Papoea's, totaal 16 man, met bericht aan den Colonne
Cdt. van het verloop van de verkenning.

Als bivakbewaking blijven over: 1 luitenant ter zee, 1 inl. verkenner,
1 inl. fuselier, 5 Papoea's en 3 dwangarbeider, totaal 11 man.

's Morgens wordt door mij de omtrek verkend, om een geschikt
observatiepunt te vinden. Op de helling van een 1300 M. hoogen top,
die zich vrij dicht bij den oever bevindt, wordt een boom gevonden,
waarin een stelling kan worden gemaakt. Er kan dan om de Zuid en West
uitzicht worden verkregen.

De Papoea's en dwangarbeiders maken het bivak verder gereed.



15 Juli. De Papoea's bouwen de boomstelling. Verdere bivak
werkzaamheden. Het wemelt hier letterlijk van paradijsvogels; den
geheelen dag hoort en ziet men hen; soms vliegen zij met vijf of zes
tegelijk door het bivak.



16 t/m. 18 Juli. De boomstelling is gereed, doch er is voortdurend
slecht zicht en de toppen komen niet uit de wolken.



19 Juli. Prachtig uitzicht. Het peilingswerk komt 's morgens geheel
gereed; op ± 20 KM. om de Z.Z.W. ligt een naar ruwe meting klein 3000
m. hooge top op den linkeroever der rivier. De bergkammen, waarlangs
deze top het vlugst te bereiken zal zijn, kan ik prachtig zien en
het blijkt mij dat de beste plaats voor het begin der klimpartij is
hooger de rivier op, voorbij de eerstvolgende linker zij-rivier. Het
is echter de vraag of dit punt met prauwen bereikt kan worden.



20 Juli. Juist gereed zijnde om met een leege prauw en de 5 Biakkers
de rivier hooger-op te gaan verkennen, komt van benedenstrooms een
prauw in zicht en weldra is het 7 prauwen sterke transport onder een
eur. sergeant en met ongeveer 45 man in het Prauwbivak.

Er was een schrijven van den kapitein Schultz, waarin deze mij schreef,
met dit transport voldoende menschen en vivres te hebben gezonden, om
zoo noodig den tocht dadelijk voort te zetten; doch indien mogelijk,
eerst zelf nog in Motorbivak terug te komen om met hem en Stroeve
over de te maken tochten besprekingen te houden. Nu, haast was er
heelemaal niet; alles was volledig verkend en op een paar dagen kwam
het niet aan.



21 Juli. 6 uur 30 min. wordt met 7 prauwen naar beneden vertrokken
met bijna alle menschen, alleen de eur. serg. bleef met eenige
soldaten als dekking achter. Zooveel menschen werden medegenomen,
teneinde de levensmiddelen in Prauwbivak niet noodeloos snel te
laten verbruiken. Sterkte: 1 luit.-ter-zee, 1 inl. verkenner, 4
inl. fuseliers, 18 Papoea's en 26 dwangarbeiders, totaal 50 man.

Ongeveer 8 uur hoor ik achteruit een geschreeuw. Dadelijk wordt
aangelegd, over de grintbank teruggeloopen: een prauw omgeslagen
tegen een rots. Bij het appèlhouden bleek, dat een dwangarbeider
vermist werd, hij was in de versnelling verdwenen en niet meer boven
gekomen. De prauw is zwaar beschadigd en wordt achtergelaten.

4 uur. Aankomst in Motorbivak, waar ik den kapitein en Stroeve aantref;
tot laat in den avond blijven wij nog elkaar ons wedervaren vertellen
en de toekomstplannen bespreken.

Van af Splitsingsbivak had Stroeve de zijrivier A ongeveer 40
KM. hemelsbreed om de west kunnen opvaren, had op 2 plaatsen
uitzicht gekapt en de noodige peilingen verkregen. In het westen
had hij een top verkend van ruim 2000 M., behoorende tot het
Oost-Weylandgebergte. Vanaf het eindbivak was deze top ± 30
KM. hemelsbreed verwijderd.

Het beklimmen van dezen top zou volledige aansluiting verschaffen
met de vroegere tochten op de Oostkust der Geelvinckbaai, zoodat tot
dezen tocht besloten werd.

De door mij verkende bergtop van ± 3000 meter, van waaraf vrij zeker
door het ravijn der Rouffaerrivier de Carstenszsneeuwtoppen te zien
zouden zijn, zou eveneens beklommen worden. De kapitein wilde dezen
laatsten tocht medemaken.



22 t/m. 23 Juli. Verdere besprekingen; klarigheid maken voor den
tocht. Het Motorbivak was in mijne afwezigheid geheel gereed gekomen
en keurig in orde gebracht.

Langs de rivier een aanlegsteiger voor de motorboot en de prauwen,
een bad- en waschsteiger en verder benedenstrooms de privaten, ook
boven het water.

Er waren reeds in het bivak tuintjes aangelegd en de medegebrachte
zaden deden al dienst.

Weinig of geen muskieten, zoodat het werkelijk een genoegen was om
er te verblijven. Men hoefde slechts het oerwoud in te gaan om een
goed jachtterrein te hebben; de rivier leverde goede visch.

Vele Papoea-kampongs bevonden zich in de nabijheid, zoodat wij over
gebrek aan bezoek niet te klagen hadden.

De gezondheidstoestand liet niets te wenschen over, in aanmerking
genomen, dat Stroeve en ik met het eerste echelon al bijna 2 maanden
van Pionier bivak weg waren.



24 Juli. 's Morgens vertrekken beide colonnes te zamen en bivakkeeren
's middags in Splitsingsbivak.



25 Juli. Het eerst vertrekt Stroeve, nadat wij afscheid hadden genomen
en ik hem de beste resultaten toe had gewenscht, de zijrivier A op.

Wij gingen daarna opbreken en bereikten na 3 dagen roeien, den 27en
Juli, het eerste Prauwbivak.



28 Juli. Rustdag voor de roeiers; den volgenden dag zouden wij trachten
nog hooger de rivier op en aan den linkeroever te komen.



29 Juli. De rivier wordt spoedig heel lastig en daar wij niet over
geoefende stuurlieden beschikken, verliezen wij al spoedig 2 prauwen,
waarna wij op den linkeroever het 2e Prauwbivak inrichten, ongeveer
1 KM. verder dan het eerste.



30 t/m. 31 Juli. Bivak wordt door de soldaten en dwangarbeiders
ingericht. De Papoea's varen in drie prauwen transport tusschen beide
Prauwbivaks en brengen in twee dagen alle vivres boven.

Door mij wordt met den inl. verkenner de weg verder verkend.

1/2 Aug. Het kleine zijriviertje, waaraan het bivak ligt, wordt
een eindweegs gevolgd, doch spoedig maken zeer groote steenen dit te
bezwaarlijk en wordt het ravijn aan den zuidkant beklommen. Zeer steil
gaat het omhoog, den weg kappende door een dichte begroeiing. Op het
eind van den eersten dag is de kam nog niet bereikt en maken wij bivak
op de helling. Water om rijst te koken of te drinken is tot vrij ver
in den omtrek niet te vinden, zoodat wij een flinke regenbui noodig
hebben, die dan ook gelukkig tegen den morgen komt. Wij behoeven dus
niet met een leegen maag op marsch te gaan.

Den 2en Augustus wordt door zwaar terrein doorgeklommen, tot wij den
kam bereiken en dezen verder volgen; de bergrug loopt voorloopig om
de ZW. tot WZW. Op een geschikte plek wordt 's middags bivak gemaakt
op 880 meter hoogte en hier zal een vivres-depôt A worden ingericht.



3 t/m. 5 Aug. De dragers loopen transport tusschen 2e Prauwbivak en
A. Den 4en Augustus kunnen zij door een hevigen bandjir de zijrivier
niet oversteken en verliezen zoodoende één dag.

De kapitein en ik zijn met den inl. verkenner en eenige soldaten in
het bivak gebleven en kappen deze dagen den weg verder.



7 t/m. 9 Aug. Kappen met de geheele colonne door, voortdurend den
kam volgende, die naar het westen en zelfs naar het NW. gaat loopen,
dus van het doel af. Wij wisten echter te zeker, dat wij op den goeden
weg waren, om ons hierdoor te laten misleiden.

Den 9en Augustus richten wij een 2e depôt B in op 1330 meter. Vooral
des nachts is het op deze hoogte al koud. Vanaf het begin van den
tocht hadden wij geen spoor van menschen gezien; niets dat op hunne
aanwezigheid duiden kan.



10 t/m 13 Aug. Tweemaal wordt transport geloopen van A naar B en in
dien tijd door ons de weg verder gekapt. De kam blijkt nu spoedig om
de Zuid te gaan loopen.



14 t/m 16 Aug. Kappen den weg verder tot 2000 M. hoogte (Depôt C). De
natuur wordt hoe langer hoe mooier. Boomen met dik-bemoste stammen
en takken; het mos glinstert van duizende druppels; op den bodem een
mostapijt, waarin men wegzinkt. Over heele stukken is het alsof men
door mosspelonken loopt.



17/18 Aug. Transportloopen van B naar C.



19 Aug. Rustdag; de dragers marcheeren nu achttien dagen achtereen
in dit zware bergterrein en hebben rust noodig. Zieken zijn er
betrekkelijk weinig; wel veel voetwonden, waaraan ik veel werk heb,
om ze elken middag te verbinden.



20/21 Aug. Kappen door tot 2200 M. hoogte (Depôt D.)



22 Aug. Transport loopen van C naar D. Wij zijn nu langzamerhand
zoover gevorderd, dat wij geen depôt meer behoeven te maken, doch
den eindtocht kunnen beginnen.



23 Aug. Wordt van depôt D vertrokken met 14 dagen vivres bij de
colonne. Op 24 en 25 Aug. wordt door zwaar terrein doorgekapt. De
begroeiing wordt toch allengs minder; volgens ons bestek moesten wij
dicht bij den top gekomen zijn en inderdaad, den 26en Augustus ten
8 uur 45 min. bereikte ik als eerste den top en zag tot mijn groote
voldoening prachtige sneeuwtoppen, schitterend wit afstekend bij de
andere van den Centralen keten.

Een werkelijk machtig uitzicht had men hier: den geheelen
Centralen keten met twee complexen van sneeuwtoppen, de Carstensz-
en Idenburgtoppen; verder het Weylandgebergte in het Westen en het
Van Reesgebergte in het Noorden; tenslotte de Meervlakte, die omgeven
wordt door deze gebergten en die doorsneden wordt door Rouffaerrivier
en Van Daalenrivier met hunne zijrivieren. Men kon geheel volgen, waar
de rivieren vandaan kwamen; men zag de waterscheidingen enz.; in één
woord: de geheele kaart, zooals die worden moest, lag voor onze oogen.

Het eerste werk van den Kapitein was een plekje te vinden voor het
bivak, want hier dacht ik ongeveer een week te blijven. De top was
rotsachtig en met lage struikjes en gras begroeid.

Ikzelf had dadelijk mijn theodoliet voor den dag gehaald en was met den
inl. verkenner, die de panoramaschetsen maakte, aan den arbeid getogen.

Dit observatiepunt nº. 4 lag 2650 M. hoog zooals bepaald werd
door den kookthermometer te gebruiken. De meting van dezen top
uit Motorbivak gaf ook dezelfde hoogte. Dat deze observatietop
van uit Motorbivak te zien was, kwam goed van pas bij de
juiste plaatsbepaling van dit observatiepunt 4. Immers van uit
Motorbivak een nauwkeurige astronomische peiling op onzen top;
in observatiepunt 4 door observaties van stersdoorgangen en door
sterscircummeridiaanswaarnemingen een absoluut juiste breedte;
combinatie: de plaats is op breedte en lengte nauwkeurig bekend,
onafhankelijk van den stand der chronometers. Met deze zuivere
lengte en breedte bepaalde ik een nieuwen stand der chronometers,
welken stand ik dan weder gebruikte voor een astronomische peiling
op den Oost-Carstensztop. Aangezien toevalligerwijze deze sneeuwtop
N. 180° O. rechtwijzend van observatiepunt 4 bleek te liggen, ligt
dus de Oost-Carstensztop door 2 astronomische peilingen rechtstreeks
in lengte vast op Motorbivak, onafhankelijk van den tijd. Aangezien
verder dit Motorbivak vast lag op Batavia- en dus op Pionierbivak,
zooals ik reeds vroeger meedeelde, kon de door mij gevonden lengte
van den Oost-Carstensztop als juist worden aangenomen. Het was mij dan
ook een groote voldoening, later bij de constructie te zien, dat mijn
astronomische peilingslijn de vroeger door anderen van af de zuidkust
bepaalde plaats van dien top precies sneed, zoodat in dit opzicht van
om de noord en om de zuid werkend volkomen aansluiting werd verkregen.

Vanaf observatiepost 4 waren duidelijk zes nieuwe toppen te zien in
het Carstenszcomplex en drie in het Idenburgcomplex; op de genomen
foto is dit duidelijk waar te nemen.



De dagen gingen langzaam voorbij; 's morgens bij het lichtworden
om half zes, klaar bij den theodoliet, doch tegen acht uur kwamen
meestal de wolken reeds uit de dalen omhoog en hulden de toppen in
een dichten nevel. Wij leefden dan den verderen dag in een wolk, die
somtijds eerst tegen zonsondergang wegtrok. De nachten waren koud;
dikwijls windvlagen, vergezeld van regen, die ons in onze primitief
opgeslagen tenten herhaaldelijk de nachtrust benamen. Het observeeren
van sterren was door de koude ook geen sinecure.

De gezondheidstoestand liet wel wat te wenschen over; behalve
eenige hardnekkige malarialijders, waren er twee dragers met zeer
zwaar geïnfecteerde voetwonden, aan wie ik handenvol werk had, om
hen met geringe hulpmiddelen behoorlijk te behandelen. Verder een
dwangarbeider met een zware bronchitis, wellicht longontsteking. Water
om te drinken of te koken was nergens te krijgen, zoodat wij hiervoor
waren aangewezen op nachtelijke regenbuitjes. Hoeveel misère er ook
was, het uitzicht 's morgens vergoedde ruimschoots alles.

Den 1en September was ik geheel gereed met de metingen en aanvaardden
wij den terugtocht. Even voor wij den top verlieten, ontdekten wij
plotseling op de helling van den bergketen bezuiden ons bivak rook
en zagen wij duidelijk eenige huizen in het midden van lichtgroene
plekken, ladangs. [25] Hier wonen dus weder menschen; vanuit de vlakte
tot dezen top hadden wij nergens sporen van bewoning ontdekt, zoodat
wij hier zonder twijfel met bergbewoners te doen hebben. De huizen
stonden ongeveer op een 1500 M. hoogte.

De terugtocht gaat vrij langzaam; de zieken en gewonden bepalen
de marschsnelheid, want hen te dragen in dit terrein is practisch
onuitvoerbaar. Van dit langzame tempo wordt gebruik gemaakt om van
1400 M. tot 1000 M. orchideeën te verzamelen. Op 2 en 3 September
wordt rustig doorgegaan en 4 September zijn wij weder in ons 2e
Prauwenbivak aan de Boven-Rouffaerrivier.



Den 5en September zouden wij teruggaan naar Motorbivak, maar stonden
echter voor het feit, dat wij nog slechts 6 prauwen over hadden;
twee waren er immers opgaande verloren gegaan. In zes prauwen
wordt 's morgens vertrokken; even na het vertrek passeeren wij een
versnelling, die door de vier eerste prauwen met moeite en veel water
overnemen wordt genomen; de twee laatste prauwen verdwijnen er bijna
gelijktijdig in, d.w.z. 15 man te water. Mijn prauw aan den kant
brengen en er met alle overtollige menschen uitspringen is het werk
van een oogenblik en met alleen drie Papoearoeiers bemand suist mijn
prauw de drenkelingen achterna. Zij slagen er in één prauwbemanning
te redden en ook de prauw zelf wordt met veel tobben aan wal gebracht
en gekeerd. De andere prauw, waaraan zich nog 3 menschen vastklemmen,
is reeds om den hoek verdwenen.

De oevers worden afgezocht, appél gehouden; er ontbreken nog eenige
menschen. Alles weer in de prauwen en opnieuw stroomafwaarts; hier
dient gehandeld te worden. Na circa 10 minuten varen hooren wij van den
oever roepen en jawel: twee van de drie vermisten; zij hadden gebruik
gemaakt van een oogenblik, dat de felle stroom hen vlak langs een hoek
voerde, en hadden een rotspunt kunnen bereiken. Volgens hun zeggen,
was de laatste man, die de prauw niet durfde loslaten, om den hoek
verdwenen. Enfin, hij moest langs het 1e Prauwbivak komen, waar de
kapt. Schultz, die 's morgens vóór mij was vertrokken met 2 prauwen,
op mij zou wachten. Daar zouden zij hem wel zien en helpen.

Bij aankomst in 1e Prauwbivak hoorde ik van den kapitein, dat op
de gewone wijze het prauwongeluk zich reeds had aangekondigd door
het voorbij drijven van blikken uit de ladingen. Zij waren er op
hun qui-vive geweest en hadden den laatsten drenkeling spoedig te
pakken gehad. De prauw was echter even beneden het bivak te pletter
geslagen. Weer een prauw minder, maar gelukkig geen menschen verloren.

Wij gaan verder terug; het ongeval heeft ons echter te lang opgehouden
om nog vóór donker Motorbivak te kunnen bereiken. Wij overnachten in
het Oude Splitsingsbivak.

Den 6en September kwamen wij in Motorbivak aan; wij troffen hier een
Europeesch sergeant, die het bericht kwam brengen van den Grooten
Oorlog en tevens de order om terug te keeren. Hoelang kon het nog
duren, voordat wij de bewoonde wereld zouden bereiken? Was er nog
communicatie?

Deze sergeant was in een prauw gekomen met een uitgelezen stel van zes
Dajaks, de eersten, die in ons Motorbivak kwamen, nadat de voornaamste
tochten achter den rug waren.

Verder vonden wij een bericht van Stroeve, dat zijn tocht naar 2200
M. schitterend geslaagd was [26]; dat hij om de N.W. de Wapoga had
verkend en teruggegaan was om levensmiddelen te halen, teneinde een
doorsteek te maken naar deze rivier (Wapoga), en zoodoende uit te
komen aan de Geelvinckbaai. Teruggaande, was hij den 1en luitenant
Ilgen [27] tegengekomen, die zich bij hem aansloot, zoodat Ilgen en
Stroeve dezen tocht met een kleine colonne zouden aanvangen. Nu, wij
hadden goede hoop, dat zij zouden slagen. Hierna zouden zij beiden
weder den Mamberamo op naar Motorbivak komen, teneinde met ons hier
het werk af te maken.

Het Motorbivak had, wat inrichting en onderhoud aangaat, een zekeren
graad van volmaaktheid bereikt, zoodat het werkelijk een lust was,
om er een paar dagen te zijn.

Hoewel rust niet overdadig zou zijn geweest, kon hiervan na het
ontvangen oorlogsbericht niets komen; 7 en 8 September werden gebruikt
om alles gereed te maken voor vertrek en den 9en September 1914
braken wij dan ook op, zooals wij dachten, om er niet meer terug te
komen. De groote motorboot lag hopeloos in duigen; het freewheel van
de aanzetinrichting was kapot en zou vernieuwd moeten worden. Toch
wilde ik haar medenemen en liet de Papoea's lange riemen maken,
zoodat de boot als een galei werd voortbewogen.

's Morgens reeds om een uur of elf zien wij een prauw aankomen met
de bekende Dajakhoeden en weldra bereikt ons een spoedbericht, dat
de exploratie kan worden beëindigd, alvorens terug te keeren naar
Ambon. Wij waren dus blijkbaar een dag te vroeg vertrokken.

De motorboot kan niet meer mede stroomopwaarts terug, zoodat deze met
zijn Papoearoeiers onder leiding van een vertrouwden, geroutineerden
sergeant naar Bataviabivak wordt geroeid; voor het gemak geef ik hun
een prauw mede. Het zal niet gemakkelijk zijn, dit gevaarte heelhuids
in Bataviabivak te brengen, en met eenige bemoedigende woorden nemen
wij afscheid van den sergeant en de Biaksche Papoea's, die weder naar
hunne kampongs zullen terugkeeren.

Den 10en September '14 komen wij in Motorbivak terug; alles, wat
wij achtergelaten hadden, is gestolen doch het bivak is geheel
ongeschonden.

De kapitein Schultz zal voorloopig in Motorbivak blijven, teneinde de
komst van Stroeve en Ilgen af te wachten, die tegen eind September
weder hier kunnen zijn. De geheele colonne, die met ons mee is
geweest naar observatiepunt 4 heeft rust noodig, zoodat zij ook in
Motorbivak blijven.

Er zijn nu echter 11 Dajaks; 11 en 12 September maak ik alles gereed
om er met een kleine colonne op uit te gaan. Het doel was te probeeren
de linkerzijrivier B der Rouffaerrivier op te gaan en te verkennen.

Mocht het blijken, dat deze rivier over een belangrijken
afstand op te varen zou zijn, dan kon de circa 3000 M. hooge kam
be-Z.W. observatiepunt 4 [28] beklommen worden.



15 September vertrek ik met een kleine colonne van 23 man, waaronder
11 Dajaks de rivier op, om den 9en October op de meest avontuurlijke
wijze van benedenstrooms weder te Motorbivak terug te komen. Zijrivier
B werd verkend; de Boven-Rouffaerrivier was met Dajaks slechts 1/2
K.M. verder op te komen dan ons te voren gelukt was en daarna op
zoek naar de door mij waargenomen meren in de Meervlakte, belandde
ik met een gedeelte van de colonne aan een vrij groote rivier, die
afgezakt werd en in de Van Daalenrivier uitmondde, en zoodoende kwam
ik na een kleine maand weder in de Rouffaerrivier, echter een heel
eind benedenstrooms van Motor bivak.



9 October. 's Morgens bereiken wij het Motorbivak waar wij alles
in orde aantreffen. Tot mijn groote verwondering waren Stroeve
en Ilgen nog niet aangekomen. Met kapitein Schultz bespreek ik
de verdere plannen, nu zij er nog niet zijn en wij besluiten, zoo
spoedig mogelijk door te gaan met het peilingswerk benedenstrooms
van Motorbivak. Dan ontmoeten wij hen van zelf en kunnen de tochten
bezuiden Kalongeiland beginnen.

Eenige dagen later braken wij voor goed van Motorbivak op, hetgeen
ons allen speet, omdat het zoo'n buitengewoon gunstig gelegen bivak
was, voorzien van alle mogelijke rimboegemakken. De dag voor ons
vertrek was nog bijna uitgeloopen op een gevecht met de omwonende
Papoea's, die van een bezoek aan het bivak misbruik maakten, door
een Dajakschen mandau te stelen. 't Werd gelukkig gezien en er werd
krachtig ingegrepen, maar de goede verstandhouding was weg.

Den volgenden morgen vertrokken wij en maakten bivak op den
linkeroever, ongeveer 24 K.M. beoosten Motorbivak. De lengte werd
hier als volgt bepaald: 's morgens een standbepaling in Motorbivak;
's middags een lengtebepaling in dit observatiepunt 5.

In een hoogen boom nabij het bivak werd een observatiestelling gemaakt
en werden metingen verricht. Het weder werkte niet mede. Om de zuid
bleven de Centrale ketens verscholen in de wolken.

Den 17en October werden wij plotseling verrast door het geroep:
"prauwen in aantocht." En zeker, van benedenstrooms kwamen minstens
7 prauwen.

Groote vreugde in het bivak. De eerste prauw komt naderbij, tot mijn
verwondering zie ik Stroeve er niet in. Ik roep den Europeeschen
sergeant toe, waar of deze is; en daarna hooren wij het treurige
bericht, dat hij aan den Wapogamond gesneuveld is. Een noodlottig einde
voor mijn dapperen makker, die sedert October 1912, alle tochten van
het Exploratiedetachement medemaakte.

Een bericht van den Detachements-Commandant bereikt ons, dat luitenant
Ilgen ingedeeld was bij de Idenburgriviercolonne.



Tegelijk met het bericht van het sneuvelen van Stroeve ontvingen wij
van den 1en luitenant Ilgen een verslag van het verloop van den mooien
tocht, die helaas zoo noodlottig moest eindigen.

Ik zal hier het uittreksel overnemen, indertijd in het Tijdschrift
van het Kon. Ned. Aard. Gen. verschenen en ontleend aan het journaal
van Ilgen: [29]

Laatstgenoemd officier ontving in het begin van Augustus 1914 van den
Colonne-Commandant de opdracht om zich, na aankomst in Motorbivak,
zoo spoedig mogelijk en met zooveel mogelijk vivres en personeel te
begeven naar de zijrivier A van de Rouffaerrivier, waar luitenant
ter zee Stroeve exploreerde en blijkbaar moeilijkheden had ondervonden.

Ilgen kwam den 10den Augustus aan de monding van die zijrivier en
bereikte de colonne Stroeve den 15en dier maand. Onderweg ontmoette
hij een groot aantal inboorlingen, allen ongewapend en in houding zeer
vriendschappelijk. Stroeve deelde hem mede, dat hij van een ± 2200
M. hoogen bergtop een groot gedeelte van het omringende bergland had
kunnen peilen en ook een groot stuk van de Wapoga, en voornemens was
geweest een doorsteek naar die rivier te maken, doch uit gebrek aan
voldoende vivres dien tocht had moeten uitstellen. Na de vereeniging
der beide colonnes kon thans daartoe worden overgegaan.

De 17en Augustus werd de tocht aangevangen; men rekende er op, zonder
groote bezwaren den 5en September aan de monding der Wapoga te kunnen
wezen en verzocht den Detachementscommandant in het Pionierbivak, om
op dien dag een Gouvernements-stoomer bij die monding te doen zijn,
ten einde de colonne te doen afhalen. Men heeft zich echter misrekend
en deze verkenningstocht is een der zwaarste geworden van die, welke
voor de exploratie van Nieuw-Guinee zijn gedaan en heeft daarbij het
leven gekost van een onzer meest verdienstelijke verkenners. Ten einde
diens nagedachtenis te eeren en aan onze lezers een goed denkbeeld
te geven van de groote moeilijkheden en gevaren, welke bij zulke
tochten door onze brave pioniers moeten worden overwonnen, zal ik [30]
de beschrijving van de lotgevallen der colonne gedurende de laatste
dagen hieronder woordelijk overnemen uit het journaal van Ilgen.

Na vermeld te hebben, dat na één dag opvarens van die zijrivier A
de prauwen werden verlaten en op den linker (noordelijken) oever
werden geborgen, van waaruit den volgenden dag de landtocht aanving;
dat na een marsch door een uitgestrekt moeras de uitloopers van de
waterscheiding werden bereikt; dat na dagen van vermoeiend klimmen
en dalen, langs paden, welke in dichtbegroeid terrein moesten worden
gekapt, den 26en Augustus een riviertje werd aangetroffen, door welks
bedding men aan de Wapoga kwam; dat deze rivier door hare bedding
of langs de oevers verder werd gevolgd, nu en dan van ruwe vlotten
gebruik makende, waarbij echter door stroomversnellingen en bandjir
een deel der kostbare vivres verloren ging; dat op den tocht slechts
enkele inboorlingen worden aangetroffen, die steeds vriendschappelijk
hulp verleenden,--schrijft Ilgen in zijn journaal verder:



5 September. "Heden hopen we de nederzetting der jagers te bereiken
(die volgens het verslag van den kapitein Ten Klooster van zijne
verkenning van de Wapoga en volgens een Papoea-mandoer der colonne,
nabij de kust moet zijn gelegen) om daar te fourageeren. Het wordt
tijd, want wij beginnen gebrek te krijgen aan de noodzakelijkste
artikelen. Zout is er niet meer en ook de gezouten visch is verbruikt.

De op de kaart aangegeven linkerzijrivier der Wapoga moeten we
spoedig bereiken; doch als ten 12 uur 's middags deze rivier nog niet
is aangetroffen, krijgen wij de zekerheid, dat wij ons verder van
de kust bevinden, dan we vermoedden. Daar de vlotten zoo langzaam
opschieten, besluiten wij, dat de luitenant ter zee Stroeve in een
der prauwtjes vooruit zal gaan met den Inlandschen fuselier Wagimin en
den dwangarbeider Deloesin, om spoediger bij de jagers te zijn en mij,
die met de vlotten langzaam zal volgen, prauwen tegemoet te zenden. Zoo
het schip, dat wij heden aan den riviermond verwachten, er reeds is,
zal hij ons met de motorboot tegemoet komen teneinde voeding aan te
voeren en ons _vlug_ naar den riviermond te brengen. Het prauwtje
zal ook 's nachts doorroeien.

Dit plan wordt dadelijk uitgevoerd. Het laatste blik rijst wordt
verdeeld, maar blijkt door nat worden een weinig bedorven te
zijn. De rijst kan echter nog worden gebruikt en wordt in elk geval
verstrekt. De toespijs is reeds vroeger verdeeld. Ieder heeft nog
een paar stukjes deng-deng, maar dat is ook al.

Ten 12 uur 30 min. n.m. scheidt zich de patrouille van den heer
Stroeve van de colonne. Reeds na een half uur wordt door mij genoemde
zijrivier van de Wapoga bereikt. Ik ben dus thans nog ± 60 K.M. van
den mond verwijderd.

Ten 6 uur n.m. wordt op den rechteroever bivak betrokken.

Den geheelen dag werd verder geen bevolking of eenige nederzetting
aangetroffen.



6 September. Afmarsch 6 uur v.m. Als het schip er is, kan ik volgens
mijn berekening tegen 3 uur n.m. de motorboot ontmoeten en kan de
patrouille 's avonds aan boord zijn.

Wij merken echter niets van de motorboot, waaruit ik de gevolgtrekking
maak, dat het schip er nog niet is; maar in elk geval zullen wij toch
wel de jagers ontmoeten, die, ± 20 K.M. de rivier op, hun nederzetting
moeten hebben.

Ten 6 uur n.m. is de nederzetting der jagers nog niet bereikt. Wij
krijgen, als gevolg van den vloed, een weinig tegenstroom, waartegen
de vlotten niet meer kunnen oproeien, zoodat wij op dat uur in bivak
moeten gaan.

Daar hier de vloed reeds merkbaar is, moeten we dus reeds dicht bij de
kust zijn. Waar blijft echter de nederzetting der jagers? De mandoer
der Papoeasche koelies, die bij de kolonne is, zegt mij nu dat bedoelde
nederzetting zich vlak bij den riviermond bevindt. Morgen zullen we
er dus in elk geval zijn. Ik verlang er zeer naar, daar het zonder
zout toebereide eten bijna niet te genieten is.

Ook heden troffen wij nergens menschen of nederzettingen aan, wat ik
vreemd vind, daar er langs de oevers vrij veel sago is te vinden.



7 September. Afmarsch 6 uur. v.m. Aanvankelijk is de vloed
uit zee nog zeer merkbaar en komen de zware vlotten bijna niet
vooruit. Ondergeteekende, die met één roeier in het kleine prauwtje
vooraan gaat, moet telkens uren wachten om de colonne gelegenheid te
geven op te sluiten. Later komt de eb wat krachtiger door, en nu gaat
het vlugger.

Ongeveer ten 11 uur v.m. wordt het eilandje bereikt dat ± 4 K.M. van
den mond midden in de rivier ligt. Vanaf dit punt is de zee zichtbaar
en als het personeel op de vlotten hier het einde van den tocht ziet,
gaat er een luid gejuich uit hun midden op. De meer genoemde mandoer
der Papoea'sche koelies zegt, dat zich op dit eilandje de nederzetting
der vogeljagers moet bevinden. Er is echter niets van te zien. Zelfs
geen overblijfselen van huisjes. Ondergeteekende krijgt den indruk,
dat deze streek in langen tijd niet door jagers is bezocht. Vervlogen
is de hoop, hier onzen voorraad vivres te kunnen aanvullen. Van het
schip is nog niets te zien. De toestand is niet rooskleurig, want
zoo juist verorberden we ons laatste beetje bedorven rijst, sommigen
der dwangarbeiders hadden zelfs hun aandeel reeds des morgens vroeg
geheel verbruikt.

Zoodra de riviermond zichtbaar is, krijgen de moeilijk te besturen
vlotten order den linkeroever te houden, om het gevaar van in zee
drijven te voorkomen. Van den Europeeschen sergeant Van der Valk,
die den tocht met den luitenant ter zee Doorman had meegemaakt
[31], hadden wij bij den aanvang der patrouille vernomen, dat op den
linker rivieroever een strook strand beplant met tjemara's was, en
dat vroeger het "Strandbivak" daar was opgeslagen. De luit. ter zee
Stroeve en ik hadden toen afgesproken om, voor het geval er op het
schip moest worden gewacht, ook op dit punt een bivak in te richten.

Ten 1 uur n.m. werd de mond der rivier bereikt. Tot mijn groote
verwondering trof ik de patrouille Stroeve niet aan. Ook geen teeken
of eenige mededeeling, waarheen de patrouille zich had begeven, werd
gevonden; noch waren de overblijfselen van een bivak aanwezig. Een
patrouille in het prauwtje uitgezonden, om op den rechteroever te
zoeken, komt onverrichterzake terug. Ik vermoed, dat de vermiste
patrouille, die evenals wij gebrek aan vivres heeft, misschien
weer de rivier is opgevaren, om sago te halen. Het is mogelijk,
dat zij zich ter hoogte van het eiland op den rechterrivieroever
bevinden. Daar wij links gepasseerd zijn, zouden wij misschien elkaar
zijn misgeloopen. Het prauwtje wordt onmiddellijk daarheen gestuurd,
maar komt wederom zonder iets gevonden te hebben terug. Ondertusschen
is de avond gevallen. Ik maak me hevig ongerust omtrent het lot der
patrouille. Wat kan hun overkomen zijn? Zou het prauwtje wellicht
bij het varen gedurende den nacht zijn omgeslagen en de opvarenden
hier of daar op den oever zitten? Doch neen, dit kan niet, daar
zij de colonne dan toch hadden moeten zien passeeren. Een andere
veronderstelling is, dat de heer Stroeve, het schip niet vindende,
een verkenning heeft gemaakt langs de kust, om te trachten, aldus
aan voedsel te komen. Met deze hoop bezield, gaan we zonder eten den
nacht in. De stemming onder de menschen is zeer gedrukt. Ik hoop, dat
morgen het schip zal komen; men zal er misschien op hebben gerekend
dat wij tot en met den 8en vivres hebben en op dien datum het schip
zenden; niettemin zullen we toch morgen moeten zien sago te krijgen,
daar wij bij langer wachten zoo slap zullen zijn van honger, dat van
eenigen spierarbeid geen sprake meer zal zijn.



8 September. Ten 6 uur v.m. worden 4 man in het wrakke prauwtje
uitgezonden, om de rivier op te varen voor het bereiden van sago. Het
doel is, dat zij een goeden boom zullen uitzoeken en dadelijk met
kloppen beginnen. Het prauwtje zal door 1 man worden teruggebracht,
waarna ik zelf met 3 dwangarbeiders naar boven zal gaan, om de
werkzaamheden te controleeren. Ik hoop dan vanavond een sagomaal te
kunnen verstrekken.

Daar ik meen op den anderen oever aan een der boomen een teeken te zien
hangen, misschien door de patrouille Stroeve daar voor mij geplaatst,
wordt het prauwtje eerst daarheen gezonden, om zich van de eventueele
aanwezigheid van eenig bericht te overtuigen. Reeds na een half uur
is het prauwtje terug. Inderdaad hebben zij een spoor gevonden en ben
ik spoedig ingelicht omtrent het vreeselijk feit, dat zich gisteren
morgen hier heeft afgespeeld. De uitgezonden dwangarbeiders vonden
op den anderen oever den inl. fus. Wagimin; de man is al zijn wapens
en ledergoed kwijt. Hij wordt dadelijk naar het bivak overgebracht
en hier hoor ik uit zijn mond, wat er is voorgevallen.

Den 6en kwam de patrouille Stroeve, na den geheelen nacht te hebben
doorgeroeid, des morgens omstreeks 10 uur bij den riviermond aan. Daar
ook zij de verwachte nederzetting der jagers niet vonden, begaf de
heer Stroeve zich dadelijk naar den rechteroever en richtte hier op de
uiterste punt van dezen oever een bivakje in. De inl. fus. Wagimin,
die versche menschensporen zag, maakte de opmerking, of niet liever
op den linkerrivieroever zou worden gebivakkeerd. Hij was mede geweest
bij de vroegere exploratie van deze rivier, en meende zich het bestaan
te herinneren van de vijandige kampong Aropen. (Vermoedelijk vergiste
hij zich met de kampoeng Kai, die ongeveer een jaar geleden getuchtigd
werd, maar die ± 70 KM. meer Noordelijk ligt). De heer Stroeve zeide
toen, dat zij voorloopig hier zouden blijven, maar morgen (dus den
7den) bij aankomst der geheele colonne zouden oversteken.

Op den 7den, des morgens vroeg, gaf de heer Stroeve opdracht aan den
inl. fuselier en aan den dwangarbeider Deloesin, om met het prauwtje
nipahvruchten en zoo mogelijk sago te verzamelen. Hij zelf zou, met
den karabijn gewapend, een verkenning maken in Noordelijke richting,
en trachten eenig wild onder schot te krijgen. Toen Wagimin tegen 8
uur voorm. terugkwam in het bivak, was de heer Stroeve nog niet terug,
maar kwam kort daarop aan. Hij had niets geschoten en verzocht om
eenige nipahvruchten. Ook hun voedsel was geheel verbruikt.

Nauwelijks had Stroeve eenige vruchten genuttigd, toen hij plotseling
op korten afstand van ter zijde werd bepijld. Van het naderen van den
vijand had geen van de leden der patrouille iets gemerkt. Vermoedelijk
had hij, de sporen van Stroeve volgende, zoo het goed verscholen
bivakje gevonden. De ongelukkige officier werd dadelijk door twee
pijlen in de zijde getroffen, die hij zich eigenhandig uit het lichaam
trok en waarop hij om den karabijn riep. Daar hij bij terugkomst der
verkenning dit wapen buiten zijn bereik had neergelegd, kon hij het
niet meer grijpen, maar vloog toen naar den dwangarbeider Deloesin,
ontrukte dezen den klewang en stormde onvervaard op den talrijken
vijand in. Daar de Papoea's uit deze streken niet voorzien zijn
van blanke wapenen, was deze taktiek in deze omstandigheden wel
de beste. Inderdaad had de plotselinge aanval aanvankelijk succes,
althans alles vlood heen, met uitzondering van één man, die staan
bleef en op korten afstand zijn pijl op Stroeve afschoot. Deze pijl
trof mijn armen vriend in den buik, waarop hij nederzeeg.

Middelerwijl had de vijand den karabijn in het bivak gevonden, en
toen Wagimin en Deloesin dit wapen in handen van den vijand zagen en
hun commandant gevallen, vluchtten zij achtervolgd door vele vijanden
het bosch in, waar zij zich verborgen. Van de komst mijner colonne,
eenige uren later, hadden zij niets gemerkt, daar zij zich niet durfden
vertoonen. Aldus hadden zij zich den geheelen nacht verborgen gehouden
en in al dien tijd niets genuttigd.

Dit verhaal wordt mij in stukjes en brokjes door den zeer ontdanen
fuselier medegedeeld.

Onmiddellijk stapte ondergeteekende met den fuselier en een
dwangarbeider, behoorlijk gewapend, in het prauwtje om op den
rechteroever een onderzoek in te stellen. Spoedig wordt daar het lijk
van den heer Stroeve gevonden op de plaats waar hij gevallen is. Het
lijk is niet beroofd en nog voorzien van alle kleederen. Het wordt
opgenomen en in het prauwtje gelegd, waarna de oever verder wordt
afgezocht naar den dwangarbeider Deloesin, die na eenig zoeken
en roepen eveneens in het bosch wordt gevonden. De man is door
een pijlschot licht in den voet gewond, maar is er overigens goed
afgekomen. De dappere gesneuvelde officier heeft dus hier met zijn
eigen lijf het leven gered van zijn twee lotgenooten. Het bivakje is
geheel geplunderd. Alle instrumenten zijn door de wilden weggenomen,
zoomede het meetboek van onzen tocht, dat de heer Stroeve had
meegenomen om eventueele peilingen aan te teekenen.

De verslagenheid van de menschen bij aankomst van het lijk in het
bivak is groot. Ook bij mij is de indruk van het gebeurde diep,
doch de zorg voor de levenden staat nu op den voorgrond. Het schip
is er nog niet, kan misschien nog lang wegblijven en ons voedsel is
op. Spoedig wordt het lijk begraven vlak bij ons bivak en daarna ga
ik er met drie dwangarbeiders in het prauwtje op uit, om te trachten
een sagoboom hierheen te sleepen. Ten 5 uur n.m. zijn wij met een
boom terug. De bereiding der sago is echter met deze ongeoefende
menschen niet eenvoudig. Niemand weet eigenlijk, hoe de sago moet
worden verkregen, maar toch heeft ieder des avonds een weinig van
een vies kleverig sagopapje, wrang en bitter van smaak. Een poging
om uit zeewater zout te koken mislukt volkomen door het zeer geringe
zoutgehalte van het water.

Als het schip niet spoedig komt, zal de toestand zeer hachelijk
worden. De stemming onder de menschen is down.



9 September. Gisterenavond werden we opgeschrikt door het geroep van
"kapal" (schip). Alles springt op om zich te overtuigen. Helaas,
een loos alarm. De post heeft een ster aangezien voor de lichten van
het schip.

Hedenmorgen algemeene verslagenheid, omdat het schip er nog niet
is. Bij de menschen doen zich, vermoedelijk als gevolg van de slechte
voeding, gevallen van nachtverblindheid voor. Met alle middelen
tracht ik er bij mijn lotgenooten den moed in te houden, spreek ze
toe en doe mijzelf zeer opgewekt voor. De menschen liggen verslagen
op den grond en trachten in den slaap hun toestand te vergeten. Met
moeite krijg ik hen tot werken om een vischnet te maken. Van avond
zullen we trachten wat visch te vangen. De sagovoeding gaat niet erg
schitterend. Wel is waar krijgen wij een papje, maar dit is bijna
niet naar binnen te krijgen. Ik krijg de zekerheid, dat er iets met
het schip niet in orde is. Maar wat?



10 September. Gisterenavond vingen we een klein zoodje visch. Voor
elk twee vischjes. Het is wel niet veel, maar het heeft smaak. Daar
ik vrees, dat de krachten bij ons zoo zullen afnemen, dat we ten
slotte niet meer in staat zullen zijn om sago te halen, ga ik er reeds
heden weer op uit om een boom, die echter blijkt absoluut geen sago
te bezitten. Hij is blijkbaar te jong. Morgen zullen we een anderen
zien te krijgen.



12 September. De 6e dag, dat we zonder behoorlijke voeding zijn;
nog steeds geen schip in zicht. Ik vraag me vergeefs af, wat toch de
reden der vertraging kan zijn.

Tegen 10 uur v.m. zie ik aan de overzijde een twintigtal menschen
loopen. Ik hoop, dat ze een aanval met prauwen zullen wagen. Het zal
dan niet moeilijk zijn hun met de drie overgebleven vuurwapens een
goede les te geven. Ondergeteekende denkt er over om aanvallend te
werk te gaan; er staat echter zoo veel wind, dat een oversteek in
ons kleine prauwtje, waar hoogstens 4 man in kunnen plaats nemen,
niet mogelijk is. De vijand wordt nauwkeurig waargenomen. Ze maken
echter geen aanstalten om over te steken.

Ten 11 uur v.m. meent ondergeteekende een rookwolkje aan de kim
te zien, en na een half uur hebben we zekerheid, dat het schip in
aantocht is.

Een gejuich van "sekarang hidoep" [32] gaat er op onder de leden
van de patrouille en ieder maakt klaar om te embarkeeren, hoewel
het zeker nog wel 2 à 3 uren duren zal, vóór we zoover zijn. Een
veel-rook-gevend vuurtje wordt er aan het strand ontstoken en een
roode deken als vlag opgestoken. De bevolking aan de overzijde is
bij het in zicht komen van het schip snel verdwenen.

Dank zij de welwillendheid van den gezaghebber der "Albatros", wordt
op mijn verzoek het lijk van den gesneuvelden luitenant ter zee
Stroeve opgegraven ten einde, via Manokwari, te worden overgebracht
naar Ambon."



Tot zoover het verslag van Ilgen, dat ons de treurige waarheid bracht
van het verlies van mijn braven kameraad; bijna twee jaren waren wij
samen bij het exploratie-detachement te Manokwari werkzaam geweest.

Er moest nu echter gehandeld worden; voor het karteeren der bergen
bezuiden Kalongeiland stond ik thans alleen met nog slechts 2 maanden
tijd voor den boeg.

Besloten werd, dat wij zoo spoedig mogelijk zouden opbreken en ik den
tocht zou maken. Kapitein Schultz zou naar Bataviabivak teruggaan en
mij alle beschikbare menschen en vivres nazenden.

Mijn plan was, eene linkerzijrivier der Idenburgrivier op te gaan
(monding op 138° 35' OL. en 3° 15' ZBr.) zoover mogelijk, en daar
een hoofdbivak te maken; in Z.W. richting te marcheeren en een hoogen
top te beklimmen, indien mogelijk meerdere toppen. Zeer dicht bij dit
riviertje stonden op de oude kaart reeds toppen van ± 2000 M., bepaald
op den tocht van Franssen Herderschee, doch deze plaats verdiende
volgens zijn eigen rapport weinig vertrouwen, daar de bergen bepaald
werden uit de Van der Willigenrivier door afstandschatting.

Wij zakten de Rouffaerrivier en daarna de Van der Willigenrivier
af. Den 2en October waren wij nog een dag van Bataviabivak af en
besloten de colonne te splitsen. 's Morgens 6 uur vertrok de kapitein
Schultz met een paar prauwen naar Bataviabivak.

Na zijn vertrek werd door mij alles gereed gemaakt om den nieuwen
tocht aan te vangen. Ten 7 uur 30 min. wordt vertrokken met 10 prauwen.

Sterkte der colonne: 1 Luit.-ter-zee, 1 inl. verkenner,
2 eur. sergeants, 1 inl. korporaal, 9 inl. fuseliers, 1
eur. ziekenverpleger, 10 Dajaks en 35 dwangarbeiders. Totaal 60 man.

Zonder bijzondere gebeurtenissen wordt ten 4 uur 30 min. n.m. onder
hevigen slagregen, Kalongeiland bereikt en bivak gemaakt bij
de samenvloeiing der Idenburg- en Van de Willigenrivier. Vier
koortsgevallen.



21 October. 's Morgens wordt om de Zuid een hooggebergte gepeild met
bijzonder hooge, kenbare toppen. Met zeer veel genoegen slaan wij
dit gade, want dit is het terrein, waarheen ik op weg ben.

Nadat ik met de metingen gereed ben gekomen, roeien wij de
Idenburgrivier stroomopwaarts; de stroom is gering, de rivier doet
denken aan de Van Daalenrivier, wat betreft stroomsterkte, waterkleur
en oevers. Het is moordend warm, zoodat ik korte dagen maak, om
mijn roeiers niet te veel af te matten. 2 uur 30 min. bivak. Vier
koortsgevallen.



22 October. Varen verder de Idenburgrivier op; 2 uur 30
min. bivak. Geen bijzonderheden. Vier koortsgevallen.



23 October. Als gisteren. 's Avonds passeert op weg naar Bataviabivak
een prauw van de Idenburg-rivier-colonne onder bevel van een
inl. fuselier. Deze heeft order met het oog op de geringe hoeveelheid
vivres ook 's nachts door te roeien. Spoedberichten heeft hij niet,
zoodat ik hem vergunning geef in ons bivak te overnachten en hen den
volgenden morgen vóór het vertrek flink van eten laat voorzien. 't
Was een buitenkansje voor hen, want zij waren al vier dagen en nachten
op weg.

Onder hevigen slagregen wordt vertrokken, ten 10 uur wordt de
linkerzijrivier bereikt en opgegaan. Ten 11 uur klaart het op en
krijg ik mooi helder zicht.

In het Zuiden, vrij dicht bij, bergland; om de West echter niets dan
laagland. De bergen, waarvan ik reeds sprak, zullen wel verder om de
Zuid liggen.

Na 1 KM. te zijn gevorderd, slaat een prauw om; door de snelle hulp
van onze Dajaks, die onmiddellijk uit alle prauwen te water sprongen,
worden menschen, prauw en bagage gered. Ik heb voor de 10 prauwen
slechts 10 Dajaks als stuurlieden en daar een prauw pas vertrouwd
bestuurd is met minstens 3 Dajaks, kan dit ongeval geen verwondering
baren. Als dan ook ten 2 uur 30 min. wederom een prauw omslaat en
eenige barang verloren gaat, besluit ik hier maar mijn "Prauwbivak" in
te richten en dan maar wat verder te marcheeren. 't Was jammer, want de
Luit.-ter-zee De Wal kon in 1911 deze rivier ongeveer 10 KM. opvaren,
terwijl ik 2 KM. van den mond reeds verplicht ben te bivakkeeren.

Het bivak wordt in orde gebracht; prauwen op het droge gehaald. Een
flink vivresmagazijn wordt gebouwd.

Als alles klaar is, laat ik 's middags de colonne indeelen voor het
vertrek op morgen. Daar ik verwacht, vrij spoedig in het bergland te
zitten, laat ik warme kleeding en wollen dekens uitgeven; elke man een
twist-borstrok en -onderbroek, benevens een wollen deken. De dragers
moesten dit stuk voor stuk bij het transport-loopen boven hun gewone
vracht meenemen, anders zou mij dit te veel dragers kosten.



26 October. 6 uur 30 min. op marsch, kappen in ZW. richting,
aanvankelijk langs de rivier. Een zwaar en diep moeras, daarna droog
boschterrein, doorsneden met vele beekjes. Sterkte: 1 Luit.-ter-zee,
1 inl. verkenner, 1 eur. sergeant, 1 inl. korporaal, 5 inl. fuseliers,
1 eur. ziekenverpleger, 10 Dajaks en 33 dwangarbeiders, totaal 53 man.

Als bivakdekking was achtergelaten 1 eur. sergeant met 4 karabijnen.

Ten 3 uur 30 min. wordt bivak gemaakt; heden afgelegd 5 1/2 KM. in
9 uur marcheeren door bijzonder zwaar terrein.



27 October. 's Nachts harde regen.

7 Uur vertrek; kappen in Z.Z.W-richting; af en toe stukken diep moeras,
dan weer stukken boschterrein zonder ondergroei. Even na eetrust, ten
12 uur 30 min. gaan wij den eersten heuvel op en komen na een zware
klimpartij op den kam ± 400 meter hoog. Op den kam een goed beloopen
Papoea-pad. Dalen in de voorgenomen marschrichting den heuvel weder
aan de andere zijde af en maken ten 3 uur bivak aan een helder beekje.



28 October. 6 uur 30. Op marsch. Kappen het pad verder in
ZZW. richting; passeeren vele riviertjes, die alle om de West
(!!) stroomen. Ten 11 uur zijn wij aan de uitloopers van het gebergte;
stijgen zeer steil, om drie uur bereik ik den ± 1100 meter hoogen,
zeer smallen bergrug, waar bivak gemaakt wordt. De staart der colonne
komt pas om 5 uur aan.

Aangezien deze kam Oost-West loopt en maar 1 1/2 meter breed is,
kan hier een prachtig uitzicht om de Zuid worden verkregen, zoodat
hier het eerste vivresdepôt A wordt ingericht.



Het transport dragers gaat onder dekking van 1 inl. korp. en 3
karabijnen terug naar Prauwbivak.

Met den eur. serg., 1 karabijn, den inl. verkenner en eenige Dajaks
blijf ik achter om hier observaties te doen.

Dezen dag komt uit Bataviabivak aan in Prauwbivak een transport vivres
en kleeding, sterk 29 man, zoodat mijn geheele troep nu bestaat uit:
1 Luit.-ter-zee, 1 inl. verkenner, 3 eur. sergeants, 2 inl. korporaals,
15 inl. fuseliers, 1 ziekenverpleger, 10 Dajaks en 56 dwangarbeiders,
totaal 89 man.



30 October. Kappen uitzicht en maken een boomstelling, 's Middags
helder uitzicht, dus een begin gemaakt met het peilingswerk. Dit
bivak heeft een bezwaar; er is geen water, zelfs niet tot ver in
den omtrek. Gelukkig regent het elken nacht en vangen wij dan het
water van de tenten op, zoodat wij geen gebrek hebben; het is hier
na zonsondergang al vrij koud en wij kunnen onzen deken best velen.



31 October. Peilingswerk; astronomische plaatsbepaling van het bivak.



1 November. Regenachtig; slecht bergenzicht. Laat op den middag komen
de Dajaks van het transport aan; deze taaie kerels zijn de verdere
colonne een heel eind vooruit.



2 November. Het transport komt aan; 1 europ. serg., 3 fuseliers en
47 dwangarbeiders. Tevens ontvang ik bericht, dat de exploratie tot
ultimo Februari kan duren, zoodat kalm doorgewerkt kan worden.



3 November. Transport van 26 dwangarbeiders onder dekking van 1
inl. korp. + 1 fuselier terug naar Prauwbivak.

Mijn peilingswerk is hier nog niet gereed, zoodat ik een colonne laat
doorkappen onder leiding van den inl. verkenner, met 1 eur. serg.,
2 karabijnen, 10 Dajaks en 22 dwangarbeiders.

Naar Prauwbivak wordt bericht gezonden aan den
sergeant-bivakcommandant, om nog een transport van 20 dwangarbeiders
naar depôt A te zenden. Daarna, na terugkomst van dit loop-transport,
met 4 prauwen transport te gaan varen tusschen Bataviabivak en
Prauwbivak, zoodat ik na terugkomst van dezen tocht levensmiddelen
genoeg heb om dadelijk weer een nieuwen tocht te beginnen.

Vanaf depôt A houd ik alleen als dragers 10 Dajaks en 25
uitgezochte dwangarbeiders; de rest der 56 dwangarbeiders is door de
loop-transporten van Prauwbivak--Depôt A dusdanig in slechte conditie,
dat zij verder in dit zware bergterrein niet meer goed bruikbaar
zijn. De ziekenverpleger heeft het ook afgelegd, zoodat ik de gewonden
verder weer zelf kan behandelen; enfin, dit deed ik al van 3 Juni af.



4 November. Met eenige menschen in depôt A. Geen uitzicht. Mistig
en koud.



5 November. Geen uitzicht.



6 November. Er komt een transport van depôt B aan, dat op den bergkam
is gemaakt, ± 5 KM. verder om de Zuid; sterk 1 inl. fuselier, 10
Dajaks + 20 dwangarbeiders.

's Avonds krijg ik om de Zuid mooi uitzicht. Op ± 15 KM. ZZW. van
dit punt is een kale hooge top, naar meting ongeveer 4000 M. hoog;
duidelijk kan ik waarnemen, dat de kam, dien wij volgden, daarheen
voert. Dien top zal ik derhalve beklimmen; het uitzicht vandaar zal
loonend zijn, hoop ik.

Hoewel nog niet geheel gereed met het peilingswerk, wordt besloten
morgen door te gaan. Transport van Prauwbivak is nog niet aangekomen.



7 November. Onder harden regen op weg: 1 luit.-t./zee, 1 karabijn,
[33] 10 Dajaks + 16 dwangarbeiders; ten 1 uur 30 min. in depôt B,
een goed bivak met water in de nabijheid.

Wij liggen een beetje in duigen: ik zelf en de Eur. sergeant hebben
een flinken malaria-aanval, mijn verkenner heeft het in den buik.



8 November. Transport loopen tusschen A en B.



9 November. Met een kleine colonne, waaronder 10 Dajaks en 10
dwangarbeiders, kappen wij den weg verder; het is zeer zwaar begroeid
bergterrein en wij schieten per dag niet meer dan 1 1/2 KM. hemelsbreed
op. Tegelijkertijd wordt tusschen depôts A en B transport geloopen.



10 November. Kappen door in zuidelijke richting, 1 1/2 KM. zeer zwaar
bergterrein met steile hellingen.



11 November. Kappen verder; ten 11 uur komt een transport
van 15 dwangarbeiders onder een Eur. serg. mij achterop. Het
transport-loopen van A naar B is gereed gekomen. In depôt A is alleen
eten achtergelaten, onbewaakt, voor den terugtocht.

Ten 2 uur zijn wij na een stijve klim op een plateau aangekomen, waar
een helder stroompje doorloopt. Daar ik volgens mijn kookthermometer
hier op 2430 M. hoogte ben aangekomen, besluit ik hier mijn Hoofdbivak
te maken en dan van dit bivak uit een tocht naar de 4000 meter,
zonder verdere depôts aan te leggen.



12 November. Transport terug naar depôt B: 1 inl. fuselier, 5 Dajaks,
19 dwangarbeiders.

Nacht en dag zware regen.



13 November. Kappen met den inl. verkenner en 5 Dajaks den weg verder.

Ten 2 uur komt onder leiding van een Eur. serg. het transport van
depôt B aan. In depôt B heeft hij achtergelaten 3 zieken (1 inl. fus. +
2 dwangarb.).



14 November. 's Morgens stuur ik 1 Eur. serg., 1 fuselier en 10
dwangarbeiders terug naar Prauwbivak. Zij zijn niet meer noodig en
mijn aantal dagen rantsoen wordt hierdoor niet onbelangrijk uitgebreid;
de zieken uit depôt B worden tevens medegenomen.

Met 1 inl. verkenner, 1 Eur. serg., 1 fuselier, 10 Dajaks en
15 dwangarbeiders op marsch naar boven. 3 Inl. fuseliers worden
achtergelaten als dekking van Hoofdbivak. Na een steilen klim bereiken
wij een kam van 3000 meter hoogte.

Legden vandaag ± 2 KM. af.



15 November. Volgen, voortdurend een pad kappende, den kam, die weinig
stijgt. Regen en windvlagen.

Onze tenten zijn slecht geworden door het reeds langdurig gebruik,
zoodat wij bij regen 's nachts weinig slapen. En gaat het er niet
doorheen, dan waait het wel onder onze afdakjes door.



16 November. 's Nachts zeer koud; ondanks den wollen deken, slaapt
niemand; hout om een flink vuur te maken is niet meer te krijgen.

's Morgens weer met frisschen moed op marsch en reeds spoedig
wordt een 3200 M. hooge top bereikt, die zich uitmuntend leent voor
observatie's. (Observatiepunt B, 3200 M.) Zoo goed mogelijk wordt
hier bivak gemaakt.

De begroeiing bestaat uit lage struikjes; ik heb hier een prachtig
uitzicht. Het bivak maken gaat er door gebrek aan hout moeilijk. Morgen
heb ik nog 7 dagen vivres over; door nu een gedeelte der dragers terug
te zenden naar Prauwbivak houd ik minstens 14 dagen levensmiddelen
over om van Hoofdbivak weg te blijven. De Dajaks verzoeken om te
mogen blijven, ten einde den hoogen top mede te beklimmen.

Het uitzicht is hier schitterend; in het Noorden zien wij
duidelijk de samenvloeiing van Idenburg- en Van der Willigenrivier
(Kalongeiland), zoodat de lengtebepaling weder zeer nauwkeurig
wordt. De breedtebepaling is onafhankelijk van de tijdmeters, zooals
te voren reeds is medegedeeld.

In het kort was de werkwijze als volgt:

Magnetische peiling met boussole-tranche-montagne op Kalongeiland;
breedtebepaling op sterren. Dit geeft een voorloopige plaats op
breedte en lengte. Met deze plaats een standbepaling op de zon ter
verifiëering der tijdmeters. Deze nieuwe stand wordt gebruikt om
een astronomische peiling te nemen, ter bepaling van één zuivere
astron. richting en der magn. variatie; dus tevens wordt hiermede
de ware astronomische richting van Kalongeiland bepaald. De juiste
ware plaats van observatiepunt B wordt nu opnieuw uitgerekend. Deze
geheele verbetering kan men, indien men groote verschillen vindt
tusschen voorloopige en ware plaats, nogmaals herhalen.

Vanaf observatiepunt B. was de Wilhelminatop (sneeuw) te peilen, in
ongeveer Z. 1/4 O. richting. De hoogte van den Wilhelminatop klopte
precies, doch de peilingslijn liep er iets langs.



17 November. Transport 1 fus. + 12 dwangarbeiders terug naar
Hoofdbivak; vandaar met de dekking door naar Prauwbivak, dus 4
inl. fus. + 12 dwangarbeiders.

Door 5 Dajaks laat ik het pad verder kappen; de weg wijst zich vanzelf
en de verkenner en ik hebben het te druk met peilingswerk.

Onze colonne is nu nog sterk: 1 Luit.-ter-zee, 1 inl. verkenner,
1 eur. sergeant, 10 Dajaks en 3 dwangarbeiders. Totaal 16 man.

De geheele etappenlijn is nu zonder bezetting, in alle bivaks ligt
echter ruim voldoende eten voor den terugtocht.

's Nachts wordt in een fellen, kouden wind een astronomische
plaatsbepaling genomen.



18 November. Astronomische peiling. Standbepaling tijdmeters. De
Dajaks kappen het pad verder. Peilingswerk.



19 November. De geheele Centrale keten is nu te zien: Wilhelminatop,
Rhumphius keten, enz.

Vandaag kom ik met het peilingswerk gereed.



20 November. Vertrek naar den hoogen top. (Observatiepunt C.)

't Is een steile klim en 't valt den verkenner en mij bijzonder
moeilijk; wij zijn dan ook al van 3 Juni af, aan één stuk door,
op meer of minder zware patrouilles.

Op den Wilhelminatop is de sneeuw duidelijk te zien; groote vreugde
onder de Dajaks, voor het meerendeel jonge kerels! Het zien van de
sneeuw is voor hen een heele gebeurtenis.

Op 3500 Meter hoogte wordt bivak gemaakt; er is gelukkig een weinig
water in de buurt.

Ons bivak staat aan den voet van een uit groote rotsblokken bestaanden
steilen top.



21 November, 's Morgens voor dag en dauw klim ik met den verkenner
naar boven; na ruim een uur steil klimmen bereiken wij het hoogste
punt, 3810 M. hoog.

Wij hebben hier rondom prachtig uitzicht; zien Carstensztoppen en den
Wilhelminatop met de geheele Centrale keten, die er tusschen ligt. Het
hooggebergte, dat ik op mijn vorigen tocht in September bepaald had,
is van hier weder duidelijk te herkennen, zoodat volkomen aansluiting
wordt verkregen.

Een peiling op den Wilhelminatop geeft mij een zeer groote afwijking;
een astronomische peiling wordt daarom genomen en de magn. variatie
er uit bepaald; dit geeft nu ongeveer 13° verschil met de normale
variatie. Zeer waarschijnlijk is dit hier een plaatselijke afwijking.

Den geheelen dag blijf ik met den verkenner boven en pas tegen donker
dalen wij weder naar ons bivak af.



22 November. 's Nachts zwaar onweder en hevige regen; onze lekke tenten
laten ons in den steek en de nattigheid gepaard aan de koude belet
ons te slapen. In onze dekens gewikkeld, zitten wij maar te wachten,
tot de dag weer aanbreekt.

Dadelijk weer naar boven; wij treffen een schitterend uitzicht; in
het Noorden zie ik de meervlakte met de rivieren en zelfs duidelijk de
randgebergten, die de meervlakte aan de Noordzijde begrenzen, zooals:
Van Reesgebergte, Gauthier-, Foja-, Karamoor- en Cycloopgebergte. In
het Zuiden en Westen bevindt zich een diep ravijn, waarin een
bergrivier naar de meervlakte stroomt.

De hellingen van dit ravijn zijn als bezaaid met huizen en
ladangs. Overal zien wij rook uit de huizen komen, zoodat er een
vrij groote bergbevolking moet zitten. Typisch is weer hetzelfde
verschijnsel, dat zich ook bij de Boven-Rouffaerrivier voordeed: in
de meervlakte bevolking; diep in de bergen eveneens; op de uitloopers
der bergen naar de vlakte geen spoor van verkeer. Op onzen tocht in
het hooggebergte bezuiden de Geelvinckbaai (West-Weilandgebergte)
in 1913 daarentegen vonden wij aldaar jachtpaden, strikken, enz. en
bleek er ook werkelijk wèl aansluiting plaats te hebben.

Vandaag kom ik gereed met de bergpeilingen, zoodat wij morgen kunnen
afmarcheeren. Echter wil ik van observatiepunt B nog enkele bergen
nemen.



23 November. Terug naar observatiepunt B. Peilingen.



24 November. Peilingen.



25 November. Terug naar Hoofdbivak.



26 November. In vivresdepôt B.



27/28 November. In depôt A.



29 November wordt van depôt A vertrokken en den 30en vinden wij het
Prauwbivak bijna verlaten terug. Er is namelijk in mijn afwezigheid
order gekomen, zoo spoedig mogelijk terug te keeren naar Pionierbivak,
zoodat de sergeant-bivakcommandant reeds bijna alle menschen en vivres
had weggezonden.

't Was wel jammer; de tocht, dien ik mij voorgesteld had te maken
bezuiden de Van der Willigenrivier, teneinde de rivier en het ravijn
te bereiken, waar ik van af punt C dichte bevolking had waargenomen,
kon nu niet meer doorgaan.



1-3 December wordt gereedheid gemaakt voor het vertrek naar
Bataviabivak.



4 December varen wij de groote motorboot achterop, die door de
Idenburg-riviercolonne in gebruik is genomen en weer eens in duigen
ligt. Ik kan nu niet helpen, maar beloof den djoeroemoedi (stuurman),
hem van uit Bataviabivak de kleine motorboot tegemoet te sturen.



5 December. Aankomst in Bataviabivak, alwaar voor mij bericht is van
den Detachements-command. kapt. Oppermann, om de beide motorbooten
door de vallen weder naar Pionierbivak te brengen.



6 December. 3 Prauwen met den verkenner, de sergeant en 10 Dajaks naar
Pionierbivak met alle instrumenten, meetboeken en verdere waardevolle
voorwerpen, 's Morgens stuur ik de kleine motorboot uit om de andere,
groote te gaan zoeken; zij ontmoeten elkaar even boven Bataviabivak
en komen op eigen kracht aan.



7-8 December. Proefstoomen met de booten, want het wordt een gevaarlijk
tochtje. Het hulproer van de groote motorboot, door Dajaks gemaakt,
bevalt mij niet; het wordt nagekeken en hersteld, waarna nogmaals
wordt proefgestoomd.



9 December. Op weg met beide booten; reeds bij het binnenloopen van de
Batavia-versnellingen slaat het roer der groote boot er geheel af. De
andere komt te hulp en tracht de boot uit de kolken te sleepen. Als
dit niet lukt, worden snel alle menschen overgenomen en de groote boot
aan zijn lot overgelaten. Alleen één Dajak vertikte het om de boot
te verlaten en tolt alle versnellingen door. Benedenstrooms wordt de
boot weer opgepikt en naar de vroegere Etappepost IV gesleept. Ik
laat hier de boot achter met bemanning, 4 Dajaks en dekking, met
order voor de Dajaks om een stevig noodroer te maken. Met de kleine
boot komen wij vandaag in Post II bij de Edivallen.



10 December komt de kleine boot behouden in Pionierbivak aan en eenige
dagen later verschijnt ook plotseling de groote.

In Pionierbivak, waar ik nu bijna 6 1/2 maand achtereen vandaan
was, tref ik de kapiteins Oppermann, onzen Detachements-commandant
en Schultz, mijn colonne-commandant. Alleen Langeler is nog op
patrouille naar de bronnen van de Idenburgrivier; Dr. Thomsen is hem
achternagestuurd, om hem terug te roepen.

De tochten zijn voor mij nu afgeloopen en met den kapitein Schultz
zal ik dan ook spoedig naar Manokwari vertrekken, waar onze huizen
staan en waar ik dan een begin maak met het teekenen van de kaart.

Den 25en December brengt het G. ss. "Albatros" ons met mijne laatste
colonne naar Manokwari.



Alvorens dit hoofdstuk te eindigen, zal nog een en ander worden
meegedeeld over de bevolking in het stroomgebied der Rouffaerrivier.



De oevers der Rouffaerrivier zijn vanaf het punt, waar zij uit het
hooggebergte treedt tot aan hare samenvloeiing met de Van Daalenrivier
bewoond. De bevolking is er voor Nieuw Guinee zeer talrijk en wordt
langs de rivieren op circa 10 000 zielen geschat; dit getal werd
bepaald uit gegevens, verkregen door het tellen der mannen in de
kampongs. De zijrivier A is zeer dicht bevolkt, evenals de zijrivier
D der Van Daalenrivier.

Dat de bevolking verdeeld is in stammen komt mij vrij zeker voor;
in kleeding en versierselen is weinig of geen verschil te bemerken;
in den aard der lieden echter wel.



_Bevolking_. De mannen zijn over het algemeen zeer forsch gebouwd,
hebben echter allen slecht gevormde beenen. De eenige uitleg hiervoor
is het bijna voortdurend loopen op de randen der zandbanken, waar zij
tot over de enkels inzakken; zware liesbreuken komen ook algemeen voor.

De vrouwen zijn klein van postuur en goed geproportioneerd; het maakt
den indruk, dat zij zeer spoedig verouderen. Onder de jongeren ziet
men er velen, die niet van Papoesche bekoorlijkheid ontbloot zijn.



_Kleeding en versierselen_. De mannen dragen om het middel eenige dunne
gordels van varenvezel, zooals ook aan den Mamberamo gebruikelijk is;
echter zeer weinige, hoogstens 4 of 5 gordels, terwijl sommigen zich
met één tevreden stellen. Sommige mannen dragen een schaambedekking,
alsdan bestaande uit een kort, smal stukje geklopten boombast, dat vóór
op den buik door een der gordels wordt gehaald en dan dubbel afhangt.

De versierselen der mannen bepalen zich bijna alleen tot hoofdtooi;
tatoeage werd nimmer opgemerkt. De mannen laten op de kruin een
plukje haar staan, waaromheen een krans van casuarisveeren wordt
gewonden; de manier waarop dit geschiedt, is verschillend met die aan
de Mamberamo. De veeren krans staat nl. nagenoeg recht overeind op
het hoofd en hangt naar buiten over. Hiervóór worden over het hoofd,
nabij het voorhoofd, eenige dunne banden gelegd, gemaakt van witte en
bruine vruchtenpitjes. Op het voorhoofd een versiering van gepolijste
varkenstanden, meestal drie stel boven elkaar. Door de neusvleugels
van onder naar boven gestoken een soort haarspeld van been, door het
neustusschenschot een horizontaal stukje hout.

Door den oorlel, eenige tot een driehoekig gebogen casuarispennen,
de driehoek wordt gemaakt door het dunne uiteinde van de pen in
het dikke te steken.

Alle mannen dragen een staart van bladeren. Soms ziet men kruisbanden
over borst en rug. Nooit verlaat hen de geknoopte draagtasch, dien
zij in alle soorten bezitten. De groote tasschen zijn versierd met
koppen en pooten van vogels.

De vrouwen dragen ook eenige gordels met schaambedekking van
boombast. De schaambedekking wordt tusschen de beenen doorgehaald en
voor en achter aan de gordels vastgemaakt. Zij zijn zeer smal en kort,
zoodat zij net toereikend zijn, en niet, zooals elders gewoonte is,
met een breede lap voor en achter afhangen. De hoofdtooi der vrouwen
bestaat alleen in neus- en oorversierselen, zijnde deze dezelfde als
bij de mannen.

Op den bovenloop der zijrivier A dragen de vrouwen ook geen schaamlap.



_Wapens_. Hun bewapening bestaat uitsluitend uit pijl en boog; op
de Beneden-Rouffaerrivier werden eenige beenen messen gezien. De
bogen zijn van niboenghout met rottan pees; zij zijn versierd met
kroonveeren van kroonduiven en met casuarisveeren en tusschen deze
versierselen rood geschilderd (kleurstof uit boomwortels). De pijlen
zijn uitsluitend voor den strijd tegen den mensch en voor de jacht
op groot wild. Vischpijlen, slangenpijlen en vogelpijlen werden
niet gezien.



_Voedingsmiddelen_. Hoofdvoedsel is sago, die overal in geweldige
hoeveelheden voorkomt; voor zoover was na te gaan, geschiedt de
bereiding gelijk als in andere streken. De sago wordt bewaard in ruwe
houten bakken zonder eenige versiering; wanneer de sago geheel gereed
is, wordt zij verpakt in pandanbladeren of stukken van geklopten
boombast.

Varkens- en casuarisvleesch, wijders allerlei soorten vogels.

De tuinen leveren pisang, suikerriet, keladi, oebi en tabak. De
laatste wordt gerookt, gerold in een boomblad.

Aan de Beneden-Rouffaerrivier, dicht bij de Van der Willigenrivier,
werden groote tabakspijpen gebruikt, gemaakt uit een grooten knoest
hout; men gebruikt daar die pijpen ook bij wijze van trompet.



_Vaartuigen_. Deze zijn overal gelijk van vorm met die aan de Van der
Willigenrivier; ze zijn log van vorm, doch liggen licht op het water,
zoodat zij zelfs tegen stroom in hard kunnen opschieten. Vóór in den
platten overhangenden boeg is een rond gat, waardoor een boomstok wordt
gestoken, tot in den rivierbodem, teneinde afdrijven te voorkomen.

Als boomstok wordt gebruikt de middenbladnerf van den sagopalm,
terwijl, wanneer er geroeid wordt, een kort stuk sagobladnerf als
pagaai dienst doet.

Zoodra de stroomversnellingen beginnen, maken de bewoners geen gebruik
meer van prauwen. Er loopen langs den oever zeer goede paden, waarvan
zij gebruik maken om bovenstrooms te komen. Zij zakken dan af op
vlotjes, zooals ik reeds uitvoerig beschreef. [34]



_Jacht_. Voor de jacht op groot wild wordt gebruik gemaakt van
pijl en boog; men beduidde ons, dat de vogels ook hiermede werden
geschoten. Waar de inboorlingen echter geen speciale vogelpijlen
bezitten en in aanmerking nemende het groote aantal vogeljachttrofeeën,
is er reden te veronderstellen, dat zij een veelvuldig gebruik van
strikken maken.

Nooit hebben zij veeren van paradijsvogels, die daar zooveel men wil
te schieten zijn. Toen hun er een vertoond werd, keken zij elkaar
aan en deden erg geheimzinnig, wilden den vogel echter niet hebben.



_Vischvangst_. Veelvuldig kwamen voor een soort aalkorven, van rottan
of van doorntakjes vervaardigd.

Ook zijn er groote hoepelnetten, waarmee de vrouwen schijnen te
visschen. Men vindt verder op den oever van takken en bladeren gemaakt
kleine schuttingen (een soort sero's) ± 3 dM. hoog. Wanneer de rivier
bandjirt, loopt de oever onder; dan de sero geplaatst, en bij weder
gevallen water is de buit voor het grijpen. De plaats van deze sero's
gaf ook een aardigen kijk op het onderwaterloopen der meervlakte in
den bandjirtijd.



_Werktuigen_. Alleen steenen bijlen, die zeer primitief zijn. Wanneer
men deze bijlen heeft gezien, begrijpt men, dat de Papoea's fel waren
op alles, wat maar op een parang (kapmes) leek; in onze nabijheid
was het woord saroo (= parang? ijzer?) niet van hun lippen. Met deze
steenen bijlen kappen zij hun ladangs schoon en maken hun prauwen.



_Huizen_. Mannen, vrouwen en kinderen wonen samen in één huis. De
huizen zijn gelijk als die aan de Van der Willigenrivier; aan den
bovenloop van zijrivier A wordt aan den bouw meer zorg besteed;
dit gaat gepaard met beter verzorgde tuinen.

In verschillende huizen treft men menschenschedels aan. Er is geen
twijfel, waarom zij worden bewaard, zij hangen bij de jachttrofeeën,
en liefst op nonchalante wijze tusschen de varkensschedels. Dat
het koppensnellen hier op groote schaal voorkomt, komt echter niet
waarschijnlijk voor.



VII.

De Exploratie der B-rivier.


Den 20en October afmarsch tot het doel in den titel van dit hoofdstuk
vermeld. Er was gewacht moeten worden op nieuw menschenmateriaal,
dat den 16en der maand per "Albatros" werd aangebracht.

In den tusschentijd regelen van particuliere en exploratie-zaken.



Pionierbivak was een mooi, afgewerkt dorp geworden. Aan den oever, waar
oorspronkelijk ons barakje had gestaan, waren drie groote "gebouwen"
verrezen: de groote goedang, het nieuwste (derde) officiershuis
en het Dajak-huis. Mooie foto's waren door onzen dokter gemaakt om
het Pionierbivak, dat reeds van alle kanten astronomisch vastlag,
ook fotografisch vast te leggen.

Commentaren op deze afbeeldingen zijn vrijwel overbodig. Men ziet op
den voorgrond het derde officiershuis (×) met den grooten omgehakten,
doch niet te water geraakten boom er voor; rechts daarvan den
linkervleugel van het Dajak-huis en links, verscholen achter het loof
van den eenigen "sierboom", dien men in het bivak had laten staan,
de goedangs; verder de mandikamers en aanlegsteigers en een klein
"zootje" oude prauwen en sloepen. Bovenstaande foto geeft het groote
bivak van den achterkant met het derde officiershuis (×) en het tweede
idem (·) thans onder-officiersverblijf.

Onze nieuwe woning komt beter uit op blz. 195, terwijl de 2e
foto eenigen van ons in de voorgalerij vereenigd doet zien;
als een aardigheid werden de drie doodskoppen links erbij
gefotografeerd. (ethnografica!)

De grond van het bivak, langzamerhand met klein struikgewas en
onkruid begroeid, zag er vroolijker uit dan in den regen- (=
modder)tijd. Hier sprong lustig een geelharige jonge hond rond,
een vroolijke gladdakker [35] of street-terrier en zijn kameraad,
een klein gestreept varken. Zij waren goede vrienden en namen wat van
elkanders eigenschappen over: het varken kreeg iets van de wildheid
van den hond en de hond heel veel van de vuilheid van het varken;
beiden kenden geen grooter genoegen dan rond te tollen in de modderige
waterloopjes door het bivak.

Of wel zij zaten onze kippen na, die vrij in eenigszins verwilderden
staat rondliepen; ons kippenhok toch was reeds lang verlaten,
sinds er op een goeden nacht een slang in gesnapt was, die zich
aan eenige kippen had volgegeten en bovendien een groot aantal had
gedood. Sindsdien liepen alle kippen vrij rond, zij zaten op de
boomen en overal. Als het "kip" was, trok de oudste der bedienden er
met een oud jachtgeweer op uit en werden eenige neergelegd. Dat we
onder die omstandigheden weinig van eieren zagen, was geen wonder,
vooreerst waren ze moeilijk te vinden en àls er gevonden werden,
zal het meestal wel "bij toeval" door dwangarbeiders geweest zijn.

Ook koeien hadden we een korten tijd in het bivak gehad,
met de bedoeling het eeuwige blikkenvleesch eens door versch
vleesch te vervangen; daar het echter veel te duur uit kwam
(Manokwari-prijzen!) bleef het bij een proefneming. Men vertelde
mij hoe Papoea-bezoekers over deze dieren verstomd hadden gestaan;
men kan zich dat indenken, als men zich herinnert dat de grootste
afmetingen op het gebied van viervoeters op Nieuw-Guinee in het wilde
varken worden gevonden.

De vivresopvoer ging altijd nog zijn gewonen gang, de voorraad in
Bataviabivak werd bijgehouden. Ongelukken kwamen zelden meer voor,
het aantal prauwen was vrij stationair; Dajaks en huur-Papoea's,
de eersten als leiders, bedienden de transportlijn.

Ik hoorde ook het lot van een Europeesch sergeant van de
Idenburgcolonne. Tijdens onze groote opvaart was hij op de
Idenburgrivier teruggezonden, daar hij de verschijnselen van
beri-beri voelde. In Bataviabivak aangekomen, had hij zoo'n haast
om naar beneden te gaan, dat hij denzelfden dag nog doorging in
een transportprauw met zieken; terwijl hij een dag later met Dajaks
van het vivrestransport had kunnen varen. Zijn haast kwam hem duur
te staan: in de Bataviaversnellingen raakte hij het hoofd kwijt,
gaf aanwijzingen links en rechts, zoodat de prauw omging en twee
menschen verdronken. De overigen redden zich op den oever, werden
deels later mee teruggenomen door het voorbijvarend vivrestransport,
bereikten deels uitgeput Bataviabivak. De sergeant zelf had zich aan de
prauw vastgeklemd en is met haar stroomafwaarts gedreven, ging in den
nacht door den Edi-val, waar zijn angstgeroep doorklonk tot Post II,
vervolgens door de Marinevallen en strandde ten laatste een eindweegs
beneden die laatste versnellingen. Hier werd hij door Papoea's gevonden
en bijgebracht; zij brachten den armen, geheel getroubleerden kerel
in Pionierbivak, vanwaar hij ten spoedigste werd geëvacueerd.

Een dergelijk geval strekt wel tot leering.

De gezondheidstoestand in het bivak was steeds zeer goed; wie er
bleven voelden er zich in den drogen tijd behagelijk. Die tijd liep
nu echter op zijn einde en hierin vond ik wel een prikkel om zooveel
mogelijk spoed te betrachten en ten minste ons Prauwbivak te bereiken
vóór de groote was begon. Hoe laag de waterstand was geweest ziet
men op blz. 196 en 197, dit was geweest Juli-Augustus; een verschil
van 7 M. met den hoogsten winterstand was toen gevonden. Het was zeer
ongeriefelijk geweest: de doorstrooming onder W.C.'s en mandikamers
was verdwenen en een vette modderbank, vol rottend afgekapt hout en
oude blikken, was te voorschijn gekomen; prauwen en sloepen waren op
het droge geraakt. In dien tijd ging een Dajak-prauw in 2 à 3 dagen
van hier tot Bataviabivak.

De kleine motorboot, met zooveel moeite boven gekregen, lag nu voor
Pionierbivak, dupe van den eersten alarmkreet over den Grooten
Oorlog. Zij verving hier de stoomsloep bij het maandelijksch
transportsleepen van af den Gouvernementsstoomer naar den oever
van het bivak; die stoomsloep n.m. was gezonken naast het schip,
naar het heette door den fellen stroom, waarschijnlijk echter door
de zorgeloosheid van den stuurman, die binnenboord was geloopen,
nadat hij de sloep naast het schip had vastgelegd. De sloep was op
een gegeven moment scheef gaan liggen, volgeloopen, en de vanglijn,
niet meer bij machte om den grooten druk uit te houden, was geknapt;
de inzittenden hadden zich reeds ijlings binnen boord geborgen. Doch
dit was gebeurd eenige maanden geleden.

Over de groote motorboot hoorde ik de gunstigste verhalen, o.a. dat
zij 3 ton vivres bergen kon. Ik hield reeds een oog op haar voor de
tweede opvaart; kon echter niet vast op haar rekenen, daar Doorman
haar misschien op dit moment gebruikte.



Bij de voorbereiding van dezen mijnen laatsten tocht hield ik rekening
met alle tot nu toe opgedane ervaring. Zooals daar was:

_Indekking_. Uitsluitend tentdoek van het katoen- lijnolie-
vaseline-procédé; voor mijzelf mijn kleine Wittich-tent.

_Vivres_. De benoodigdheden voor den troep, ruim naar den tijd en
precies naar het aantal menschen in kilo's nauwkeurig berekend;
hierboven 10% als reserve voor bederf. Geen enkele "schatting"
alzoo. De blikken alle door mij persoonlijk geinspecteerd, opdat niet
een klein lekgaatje mij 15 K.G. rijst door vochtbederf onbruikbaar
zou maken. Het vleesch in bundels van 4 blikken bij elkaar gepakt;
de verstrekte bundels van 6 toch zijn in de prauwen onhandig en te
groot. Katjang idjoe, hoewel ik die wilde laten slippen, moest op
order van Kapitein Oppermann (en een zeer begrijpelijke order) mede;
ik liet er echter evenveel blikken rijst voor thuis, fourageerde
daarna elke week een deel van de katjang tegelijk met de rijst op.

_Geneesmiddelen_. Veel "buikdrank", [36] kinine en asperine; voldoende
verband en perubalsem; veel zalf. Alles ging in twee blikken, na
Canobivak in één. Voor ziekenkost alleen gecondenseerde melk; een
vivresblik vol bevatte ongeveer 20 blikjes van 1/2 liter.

_Diversen_. Per prauw 6 man; 7 is te veel, 5 te weinig gebleken. De
eindpatrouille van af Canobivak plus de bezetting van dat bivak,
tezamen 33 man, en vivres voor 4 maanden, bezwaarde mij met circa 4000
rantsoenen; dit aantal, gedeeld door het rendement eener prauw na de
reis van Bataviabivak tot Prauwenbivak, gaf mij het benoodigde aantal
prauwen en roeiers. De geheele patrouille van af Bataviabivak eischte ±
7000 rantsoenen. Ik rekende ook met de mogelijkheid dat ik de groote
motorboot zou kunnen krijgen, maakte dus verschillende schema's.

Eén onderofficier; na vertrek van Canobivak geen.

Eén verpleger, eveneens slechts tot Canobivak.

Daar ik na Canobivak de verkenning in 4 prauwen wilde doen met 24 man,
waaronder mijzelf, rekende ik op 8 Dajaks, per prauw 2, één voor,
één achter. Verder op 1 verkenner en de rest, dus 9, dwangarbeiders.

Voor den opvoer langs de Idenburgrivier (behalve op 1 onderofficier,
1 verpleger en deze 22 menschen) uitsluitend op Papoea's onder Oscar,
den "onderkoning."

Een blik ruilartikelen, hoofdzakelijk ijzer, dus parangs en bijlen.

Veel werk, pek en spijkers, want boven Canobivak moesten eerst prauwen
gemaakt worden; overigens is er steeds prauwenreparatie onderweg.

Zooveel mogelijk tijdmeters: 3 van het groote (Marine-)model,
5 chronomètres-torpilleur.

Vischlijnen en haken in ruime hoeveelheid.

Lichte ijzeren haken, door de Dajaks gesmeed en door hen "kait"
genoemd; dienden om, aan een gallah gebindseld, de prauwen aan het
oevergeboomte bij bandjir voort te trekken; hadden aan den onderkant
een klein voetje om het afglijden van den stok te beletten; gaven
verbazend veel gemak. Lectuur, waartoe zich prachtig leenden een
twintigtal exemplaren van de "Petite Illustration"; immers, wanneer
men zonder aanspraak is, zijn observaties en vivresrekening heeft
uitgecijferd en zijn patrouillekaart heeft bijgewerkt, dan komt de
verveling en dat mag niet.

Voor mijzelf nam ik geen andere dan troepvoeding; alleen een viertal
1 pondsblikken boter voor de jachtopbrengst en een tiental blikjes
gecondenseerde melk. Overigens rekende ik op de ziekenkost, hopende
dat ik geen zieken zou krijgen.

Fuseliers, dwangarbeiders en Dajaks waren allen zooveel mogelijk
door mij uitgezocht uit de oude, beproefde garde; de dwangarbeiders
uitsluitend riviermenschen uit Djambi en Palembang, flink en
handig. Velen, die de vorige patrouille hadden meegemaakt, vonden het
niets leuk, dat ze zoo gezond waren, doch daar was niets aan te doen.

Behoef ik nog te zeggen: geen stoomsloep?



Alzoo 20 October afmarsch. In drie prauwen slechts. Een dag of 3
te voren was een groot periodiek prauwentransport reeds naar boven
gegaan; daar waren alle door mij gereserveerde prauwen bij, gemerkt,
de beste die ik in Pionierbivak krijgen kon. In 3 1/2 dag was ik in
Bataviabivak; het was een aangename tocht door het van ouds bekende
Van Reesgebergte; doch met Dajaks en met fuseliers en dwangarbeiders
die na een jaar aan het spel met den Mamberamo gewend waren, kon het
ook niet anders dan voor den wind gaan.

Bij aankomst in Bataviabivak aan den sergeant-majoor-bivakcommandant
mijn verlangenslijstje opgegeven. Alles werd den volgenden morgen
apart gezet, soort bij soort; de prauwen apart gelegd; daarna de
menschen aan het werk gezet om de vleeschblikbundels van zes op vier
terug te brengen, een werk waar heel wat rottantouw voor noodig was.

Van den kapitein Schultz, dien ik hier ontmoette, kreeg ik toestemming
om de groote motorboot te gebruiken. Dit was dus de groote meevaller,
waar ik op gehoopt had. Doorman exploreerde bezuiden Kalongeiland, was
met een klein prauwentransport gemakkelijk op vivres-sterkte te houden.

Nadat ook alle Papoea's voor het transport definitief waren aangewezen,
werden de motorboot en 13 prauwen volgeladen, tezamen circa 5000 kg.,
de motorboot nam benzine in voor 21 dagen en veel vet. De sterkte
van den troep was ruim 80 man, van wie ruim 50 Papoea's.

Toen werd den 26en October de tocht begonnen.

Bij lagen waterstand en met mooi weer legden wij in 16 dagen den
afstand tot Prauwenbivak af, een record, dat wij evenwel niet zonder
zorgen haalden. Die zorgen kwamen natuurlijk van de motorboot en
wel meer speciaal van de pomp. Ik hield haar steeds in de gaten,
overwegende dat, waar zij ons in den steek liet, ik mijn vivres
moest deponeeren om die later te doen ophalen. Elke dag, dat dit
dichter bij Prauwenbivak geschiedde, was mij een dag winst. Ikzelf
bleef dan ook steeds in de motorboot, waar ik wel een vrij ruim,
doch ook een vrij lastig verblijf had. De boot stikte nl. van de
muskieten, die er ook kalm bleven zitten en beurt om beurt op een
gelegenheid wachtten om zich even vol bloed te zuigen. De matrozen
en de motoristen, die bovendien op bloote voeten werkten, waren nog
het minst hierover gesticht en zij vervloekten den Mamberamo, waar
ze tegen hun zin werden vastgehouden.

Prompt elken morgen half zeven was het bivak opgebroken en zat het volk
in de prauwen, wachtende op het sein voor vertrek. Ik liep dan nog even
het verlaten kamp rond om te zien of niemand iets had laten liggen en
daarna stak alles van wal. Gewoonlijk lag de motorboot dan een minuut
of wat te brommen voor er water was, daarna haalde ik mijn transport
stuk voor stuk in en liet meestal half elf stoppen en den geheelen
waterloop nazien en schoonmaken. Tegen een uur of half twaalf kwam
dan de eerste prauw aanzetten, tegen twaalf uur de laatste. Daarna
werd er een half uur rust gehouden om te eten. In den middag werd
hetzelfde herhaald; de motorboot hield ten 3 ure stil voor een tot
bivak geschikte plek, tusschen vieren en half vijf verschenen de
prauwen. Na aankomst in den middag werd opnieuw de geheele pompbeweging
nagezien en gereinigd, klaar voor den volgenden dag.

Tusschen Dajaks en Papoea's was de eerste dagen een wedijver, wie het
meeste met de dajongs zouden presteeren; op glad water toch, zooals
hier op de vlakterivier, waren de Papoea's in hun element en bij het
vertrek en lang daarna waren zij gewoonlijk ver vooruit. Doch de Dajaks
roeiden kalm en zeker door en geleidelijk haalden zij de Papoea's in;
de eerste prauwen, die des middags tegen vieren verschenen, waren
steeds de twee, met Dajaks bemand.

Dit kwam mij ook best van pas zoo. Mijn beste houtkappers had ik nu
het vlugste bij de hand; het eerste wat ik in orde liet maken was
steeds mijn eigen bed en tent en de Dajaks stelden er ook een eer in,
dat dit zoo vlug en zoo goed mogelijk in orde kwam; mijn jongen, Noer,
een dwangarbeider van Palembang, had hierbij het oppertoezicht. Daarna
maakten de Dajaks hun eigen barakje, dat ze steeds van de anderen apart
hielden; vervolgens zette ik ze aan het kappen voor het nachtonderdak
voor de rest van den troep, doch dat stond ze minder aan.

Achteraan kwam gewoonlijk een stelletje Papoea's de kleinste en
minst sterke van den troep, die ik dan weer door verspreiding over
verschillende andere prauwen in een wat gunstiger conditie bracht;
dikwijls ook was er ruzie in een Papoeaprauw en waren dan allen
"boos", en wilden een tijdje niet roeien, tot de andere prauwen uit
het zicht raakten en dan werd er weer verder getrokken. Hoe dikwijls
kwam Oscar bij me, sloeg de hand tegen het voorhoofd bij wijze van
groet en vroeg me, een van hun kleine geschillen te berechten.

Meestal vreeselijke beuzelingen, een scheldwoord vaak, doch door met
een ernstig gezicht uitspraak te doen, hield ik er het vertrouwen
in en legde de verongelijkte zich bij het geval neer; gewoonlijk had
een grapje het gewenschte resultaat.

Welk kinderlijk volkje, die Papoea's! Pleizier om de minste
kleinigheid, gelukkig met een heel klein pluimpje. Dikwijls kwamen
zij ook op ziekenrapport. Als ik hun dan vroeg wat er eigenlijk aan
scheelde, kreeg ik een lang verhaal over weeën hier en weeën daar,
doch dat alles ging graag over als ze maar een kleinen "obat" kregen,
onverschillig welken. Als het periodiek kinineslikken was, de Papoea's
mankeerden nooit; zij vonden het allen even lekker. Dol waren zij op
wonderolie, doch ik was er zuinig op. Hoesten leerden ze vlug aan
en ach, ze konden zoo met een ongelukkig gezicht, al kuchend, van
hun kwalen vertellen. Doch de grofste wonden aan voeten of beenen
lieten hen koel; niet waar, dat zat maar van buiten, dat gaf geen
lekkeren obat.

Ik was zeer tevreden over hen en ze waren over 't algemeen bijzonder
gewillig; alleen ruw met de prauwen en menigmaal moest er een hard
woord vallen als ze hun vaartuig weer tegen een ander lieten oploopen,
dat kop of boorden scheuren kregen.

Eens in de vier dagen was het fourageeren. De prauwen werden zooveel
mogelijk gelijkelijk verlicht; op zulk een dag vlaste elk stel van
zes roeiers er op, dat hun prauw met een of meer blikken ontlast zou
worden. Dan werden de blikken opengeslagen, de heele bende zat er
omheen en ik was het beste voldaan als er geen vivres bedorven werden
bevonden. Overigens werd daar nog zooveel mogelijk uit gehaald; een
blik rijst, b.v.b. dat van onderen wat nat was en duf rook, werd op een
zeil uitgestort, in de zon gedroogd en met de andere opgefourageerd;
natuurlijk, er waren grenzen, doch tweede kwaliteit is ook goed.

Streng moest ook gelet worden op het loopen over de blikken, die in
de prauwen lagen; vooral de Dajaks hadden daar een handje van en hoe
gemakkelijk konden scheurtjes ontstaan!

De fuseliers, ik had er tot Prauwenbivak 8, hadden den
schildwachtdienst, 1 1/2 uur lang van 6 uur af tot 5 uur 's morgens. Ik
verzuimde nooit het bivak geheel schoon te laten kappen en er een
omrastering van struikgewas en doornen om heen te laten maken.

Met circa 80 parangs was het een moeite van geringen duur, die het
gevoel van veiligheid vermeerderde. Alle fuseliers sliepen met het
geladen geweer naast zich; ikzelf had ook steeds den revolver onder
mijn hoofdkussen. Na den dood van Stroeve was ik dubbel voorzichtig
en wantrouwend geworden.

De dwangarbeiders deden den dienst van prauwenwacht; met hun negenen,
telkens 2 tegelijk, gaf dat elken nacht twee uren wacht, van 8 uur
's avonds tot 5 uur 's morgens. Dit was wel een onrechtvaardige
bezwaring tegenover de andere "rassen", doch ik wist er niets beters
op. De Dajaks toch en evenzoo de Papoea's vatten zoo'n dienst als
een grapje op en straf zou hier niet veel geholpen hebben, had hen
in elk geval niet betrouwbaar gemaakt.

Zoo vond de opmarsch geregeld plaats; jacht en vischvangst leverden
een en ander op, de laatste zelfs veel, doch ik kon er weinig
van profiteeren: een paar dagen eerst van Bataviabivak vertrokken,
kreeg ik weer een ingewandsziekte die een dag of tien duurde, die mij
eenigszins bezorgd maakte voor het "in-elkaar-vallen" van den leider,
doch die ik ten slotte met een melkdiëet er onder kreeg.

Wij hadden twee ontmoetingen met Papoea's: den 27en met de Tori
Aikwakai, die ons ijzer afbedelden; ik gaf echter niets, kon mijn
parangs beter voor boven gebruiken; ik zag weder een kampong op een
plaats, waar vier maanden geleden niets te zien was, doch vond er
overigens geen bijzonders. Bivak werd gemaakt op den tegenoverliggenden
oever. Dien nacht was er zeker feest in de kampong; tot in den
vroegen morgen hoorden wij muziek als van het slaan op groote
trommels, begeleid door menschengeroep en hondengejank; ik drukte
den schildwachten waakzaamheid op het hart, kreeg echter eerst in den
ochtend bezoek van een 15-tal mannen in zes prauwen, die met groote
vrijmoedigheid ons bivak binnenstapten en zeer vrijpostig waren. Ik
liet hen wegjagen, ik moest niets van hen hebben.

De tweede ontmoeting was den 2en November, halverwege
Prauwenbivak. Hier was een kleine stam van een twintigtal menschen,
blijkbaar doortrekkende langs den oever der rivier. Daar ik met de
motorboot stopte om de plaats voor bivak te bekijken, kregen wij
contact met de voorloopers van deze kleine bende. Wij wisselden
vriendschappelijke handdrukken en gaven hun sigaretten. Een oude
man was in een soort vervoering bij de motorboot komen zitten, die
nog rustig lag te snorren; hij knikte voortdurend met het hoofd en
murmelde zonder ophouden; heeft ons waarschijnlijk voor goden of
geesten aangezien. Weldra kwam het gros van den stam: kinderen en
zwaar beladen vrouwen; zij trokken schielijk voorbij, daarna gingen
ook de mannen verder.

Den dag, hierop volgende, kreeg ik het eerste belangrijke motordefect
en wel op de volgende wijze. Door de lange droogte was het rivierniveau
geweldig gezakt. Groote stammen kwamen bloot, niet alleen op de
binnenbochten, de glagahbanken: maar ook in de buitenbochten en
in de gestrekte riviergedeelten aan beide zijden. Het was steeds
met groote voorzichtigheid uitwijken; gelukkig was de schroef der
motorboot beschermd door een koperen raam, dat aan den onderkant,
om schroef en schroefas gebogen, aan de huid was bevestigd. Op 3
November, om een uur of elf liep de motorboot volle kracht op een
boom onder water. Wij kwamen onmiddellijk vlot, doch er was geen stuur
meer; onderzoek wees uit dat de stang, die het roer droeg, totaal was
kromgebogen; het roer stak boven water uit. Ik liet mij aandrijven,
wij maakten vast, maakten de roerbeweging los. Inmiddels kwamen de
prauwen aan; ik liet meteen bivak maken, begrijpend dat de reparatie
wel zijn tijd nemen zou. Pogingen om den stang gloeiend te maken en
recht te hameren mislukten; de stang knapte in tweeën, er bleek een
oude breuk te zitten; blijkbaar had zich het grapje vroeger ook al
eens voorgedaan.

De Dajaks gaven redding. Zij maakten een houten roer. Niet ver
behoefden wij te zoeken of wij vonden een stam, die aan zijn voeteinde
platte, wijduitstaande, driehoekige wortelsteunen heeft; als het ware
planken van eene bijzonder taaie samenstelling. Hiermee was het ongeluk
bezworen; een houtblad werd uitgekapt, ik teekende het model en in een
half uur hadden wij een prachtroer met groot oppervlak. Gelukkig was
in den voorraad van de motorboot een eind staaldraad; hiervan werden
twee stropjes gemaakt en het roer er mee opgehangen aan de oude haken;
de stuurstok (z.g.n. helmstok) werd er stevig aan gebindseld en wij
hadden een roer dat mocht gezien worden.

Het voldeed den volgenden dag bijzonder goed. Maar op 4 November:
boem! weer op een boom. Oogenschijnlijk geen bijzonders, doch,
nauw aangezet, rammelde de schroef als een bezetene. Laten duiken;
het bleek dat het schroefraam voor de helft reeds was weggestooten,
de andere helft zwierde los onder de boot en hierin ratelde de
schroef. Die andere helft werd er dus ook maar afgetrokken. Nu echter
was het bestaan der schroef elk oogenblik bedreigd en ik bepeinsde al,
hoeveel dagen de motorboot nog mee zou sukkelen.

Doch ziet, het viel mee. Tot 7 November hield de machine het vol. Toen
waren wij op slechts een paar kilometers van de gevaarlijke passage,
die mij nog van mijn ongeval van 23 Juni goed in het geheugen lag. Ik
was van plan, de motorboot bij die passage af te danken, daar ik
er niet mee tusschen die boomstamversnellingen door dorst. Doch de
motorboot dankte zich zelf af. In den morgen van 7 Novemder konden wij
na een half uur tobben geen water meer uit de koelpomp krijgen. Ik
besloot kort en goed hier het tijdelijk vivresdepôt op te slaan. De
prauwen legden aan; een kleine goedang en een hutje voor twee man
werden met zorg in elkaar gezet, daarna de vivres uit de motorboot
gehaald en in de goedang geborgen.

Ondertusschen werd de machine nagezien, doch niets hielp. Ik liet dus
dajongs en lange roeiriemen maken, gaf den menschen der motorboot
voor 8 dagen eten mee; een karabijn en nog een oud beaumontgeweer
waren de bewapening, een oude fuselier was commandant.

De bezetting van "Vivresbivak" was twee man. Die konden om de beurt
wacht doen met de order, zich tegen elke aanranding met scherp te
verzetten.

Hierna gingen wij voort en de motorboot werd middenstrooms geroeid. Op
het moment van het afscheid snorde de motor nog eenmaal en ziet,
de pomp gaf water. Ik denk wel, dat de machinist op de pomp zijn
uiterste best zal hebben gedaan; ik hoorde later, dat de motorboot
in 4 dagen Batavia-bivak had bereikt, wat voor de inzittenden zeker
een opluchting moet zijn geweest.

In den ochtend van den vierden dag na dezen, op 11 November, passeerden
wij Motorbivak. Daar was het verval reeds leelijk ingetreden; geen
wonder bij een bivak, dat sinds ruim twee maanden verlaten was. Nu
door de eerste kloof. Zij was vrij moeilijk, er was blijkbaar druk
van boven, doch alles marcheerde zonder ongelukken.

De lange versnelling in het bevaarbare deel tusschen de kloven,
halverwege Prauwenbivak, gaf meer zorg. De rivier heeft daar een
verhang van 1 1/2 M. en steile afbrokkelende grintoevers. Er is een
oversteek met niet minder stroom dan in den Edi-val en met evenveel
kans op ongevallen. De prauwen kwamen na twee uur werken behouden
over en een uur later waren wij in Prauwenbivak.

Hier werden wij met groote vreugde ontvangen. Men zal zich
herinneren, dat wij op 28 September van daar waren vertrokken,
er een bezetting latende met ruim een maand vivres. De Europeesche
sergeant-bivakcommandant ontving mij met de mededeeling dat hij alles
had ingepakt en klaar was om den volgenden morgen te vertrekken:
de vivres waren op.

Welk een toeval, dat ons zoo juist op tijd bracht!

De menschen waren in-blij, ons te zien komen. Zij moeten zich dan
ook wel vergeten hebben gevoeld. De gezondheidstoestand was goed
op één uitzondering na: dat betrof een dwangarbeider die in een
ver stadium van beri-beri was. Wat was dat kereltje uitgeteerd; een
geraamte gelijk! Loopen kon hij niet meer. Een dag of veertien later
was hij in Pioniersbivak onder handen van Dokter Thomsen, ik vond er
hem terug welgedaan en gezond, doch hij had een narrow escape gehad.

Was tot hiertoe alles prachtig voor den wind gegaan en de rivier nog
rustig, lang kon het niet meer duren. Dat de kentering ophanden was,
bewezen zware onweersluchten, die zich elken avond in het Oosten
samentrokken en af en toe tot uitbarsting kwamen. Maar het was nog
geen ernst geworden, de drift der wolken was nog van Oost naar West.

Daarom werd in Prauwenbivak geen rust genomen. Den volgenden morgen,
12 November, vertrok de Inlandsche korporaal Kadir met zes der grootste
prauwen en 37 roeiers, van wie acht Dajaks, 8 dwangarbeiders en de 20
beste Papoea's, een keurbende alzoo; om te probeeren den voorraad van
"Vivresbivak" nog te halen voor het doorkomen van de groote bandjirs,
die de Eerste Kloof onbevaarbaar maakten en dus een oponthoud van
weken zouden geven.

Vijf dagen was ik in hoop en vreeze; een bandjir kwam op, doch
verflauwde weer. In den middag van den vijfden dag werd de eerste
prauw gesignaleerd, weldra nummer zes. Een uur later stond Kadir
voor mij; geen ongelukken, geen verliezen, de twee man bezetting van
"Vivresbivak" waren meegekomen. De brave jongen had evenveel voldoening
over den vluggen voortgang als ikzelf.

Intusschen hadden wij in Prauwenbivak niet stil gezeten. Twee keer was
reeds een draagtransport heen en weer tot Canobivak geweest, elken keer
circa 50 man; tevens was dat bivak opnieuw bewoonbaar gemaakt; ik had
er den waterstand niet hoog gevonden, evenwel was het "bekken" gevuld.

Een derde draagtransport, thans 80 man, liep op 17 en 18 November en
bracht datgene, wat Canobivak nog behoefde. Negentien November zag
den afmarsch van den sergeant-bivakcommandant met een 80 man in 10
prauwen, hierbij alle Papoea's, dat deze menschen in de wolken waren,
behoeft wel geen betoog; ook het "geraamte" verheugde zich, hij zag
het leven weer gloren!

Ik vertrok dien dag met mijn heelen eindtroep en alle
patrouille-benoodigdheden naar Canobivak, latende in Prauwenbivak 6 man
bezetting en 6 goede prauwen, hoog op den wal en extra vastgebonden.

Mijn terugtocht was dus gedekt en voor vivresnood behoefden wij niet
bang te zijn; het wegvarend leeg transport toch droeg een nabestelling
van circa 2000 rantsoenen, eerst na een maand in 9 prauwen te
ontvangen, een opdracht, die met kalmte kon worden uitgevoerd.

Een groote damarboom, dicht bij Canobivak opgemerkt door mijn Dajaks,
gaf ons een blik vol hars; dit was alweer een welkome aanvulling van
den pekvoorraad.

Toen ik me dien avond van 19 November in Canobivak onder het kleine
tentje ter ruste legde, had ik een tevreden gevoel; de aanvang was
goed en vlot geweest; de groote voorraad rondom mij en het puike
menschenmateriëel beloofden ook voor de komende dagen succes. Juist
30 dagen geleden was ik van Pionierbivak weggegaan.



Thans was alleen het wachten op de prauwen. Van de drie der vorige
patrouille, die hier hoog en goed bezorgd op den oever lagen, keurde
ik de kleinste af en liet er twee prauwen bijmaken. Hiertoe had ik
mijn 8 Dajaks, die reeds vanaf 16 November in Canobivak aan het werk
waren geweest; thans kwamen mijn 9 Palembangers helpen; deze verstaan
het prauwenwerk goed, doch werken veel langzamer dan de Dajaks. Twee
mooie lange prauwlichamen kwamen den 20en klaar, benevens twee stel
breede planken, wit en soepel, voor de boorden. Den volgenden dag stond
alles in elkaar; pek, werk, damar en spijkers waren ruim voldoende;
op 22 November zouden wij inschepen en stroomop gaan.

Doch Nieuw-Guinee wilde het anders.

Reeds heb ik verteld, hoe elken achtermiddag zware stapelwolken zich
in het Oosten verzamelden. Tegen zonsondergang, dik en koperkleurig,
kwam de wolkmassa opzetten, een uur later bedekt ze den hemel,
bliksemflitsen en dondergerommel waren de uitingen van deze voorboden
van de komende kentering, doch het bleef nog droog. Eerst 21 November
kwam de eerste losbarsting.--Wat ik nog niet vertelde, was dat naast
Canobivak een zijstroompje zich in de groote rivier stortte, een
frisch, helder watertje met vlak onder het bivak een breeden waterval,
die de heerlijkste douches gaf. Met het rijzen van het water verdween
de waterval, want ook de benedenloop van den zijtak vulde zich dan
met het bruine water der Idenburgrivier. Doch dezer dagen was de
waterval er weer en even daar beneden, op vlakke steenoevers, lagen
de prauwen vastgemeerd met dikke touwen aan een boom van den oever.

De avond van 21 November dan, toen wij ons ter ruste begaven, gaf weer
het gewone onweersverschijnsel, maar het verontrustte mij niet. Na
den prauwenwachten goede zorg op het hart te hebben gedrukt, viel ik
in slaap, werd echter een uur later wakker door klaterenden regen. En
die hield niet op, hield uren aan. Omstreeks middernacht drong van
beneden het geschreeuw der prauwenwachters tot mij door; de schildwacht
kwam waarschuwen, doch ik was de klamboe al uit. Ik begreep het al; de
kleine rivier bandjirde en mijn prauwen lagen beneden! Ik schreeuwde:
"orang kaloewar, orang kaloewar!" [37] en in een drom gingen wij naar
beneden, de stormlantaarns in de hand. Het regende en het woei, het
was hondenweer en stikdonker; sommige der lantaarns woeien uit. Wij
glibberden de hooge helling af tot we aan het water kwamen. Hier zag
men bij een bliksemflikkering af en toe een woest schouwspel; het
rustige beekje van den middag was weg, een woeste stroom vloog ons
voorbij en op haar golving dansten mijn vier prauwen en beukten tegen
elkaar. Ieder deed zijn best om te redden wat mogelijk was; doch de
donkerheid en het tumult van den stroom maakten samenwerking en het
geven van orders onmogelijk. Daar danste reeds een prauw weg en toen,
nog wat worstelen, nog wat trekken.... toen trokken de Dajaks me weg:
het werd gevaarlijk hier: de boom, waaraan nog drie der prauwen lagen,
raakte los, dreef weg! Weg alles, het werk van zooveel dagen....

Wij klommen naar boven. Een Dajak moest gedragen worden, had het been
tusschen de prauwen bekneld gekregen; een Dajak was weg. Wij gingen
slapen, er was niets meer om voor te zorgen. Wat moest ik doen? Nieuwe
prauwen maken natuurlijk, doch het kostte twee weken en waar haalde
ik pek en spijkers vandaan? Het zou een kruk-expeditie worden, het
resultaat van den tocht die zoo mooi begonnen was.

In den nanacht hoorden wij geroep aan den overkant en weldra herkenden
de Dajaks hun makker. Die was dus gered gelukkig; nog een uur en hij
was overgezwommen, bij ons. Dat was een vertroosting, daarna sliepen
wij weer door.

Vroeg in den morgen kwam Noer, de jongen, mij vertellen, dat er
van de prauwen overblijfselen gezien werden in de Idenburgrivier op
steenachtige banken een eindje benedenstrooms. Dat was de moeite; het
gaf weer een straaltje hoop. En ja, het viel mee. Dank zij den boom,
die met zijn takken aan de steenen was blijven zitten, waren drie van
mijn vier prauwen daar gestrand. Doch wat was er van over? De planken
waren gescheurd, twee der onderlichamen gaaf. Alles werd bij elkaar
gehaald, de planken losgemaakt, spijkers recht geslagen, pek zuinig
afgeschraapt en in een blik verzameld. Toen werden uit drie gebroken
prauwen weer twee heele gemaakt, wel met een euvel hier en daar,
doch best bruikbaar.

Thans werd de oude, afgedankte Papoea-prauw der vorige patrouille
in eere hersteld, opgelapt, scheuren met blik beslagen en met pek en
werk gedicht en ziet, in den avond van 22 November was de expeditie
op nieuw klaar voor vertrek; alleen haar omvang was ingekrompen; ik
besloot te gaan met 18 man in 3 vaartuigen en 40 dagen vivres. Dat
de prauwen dien nacht hoog waren geborgen, laat zich begrijpen;
niet voor niets had Nieuw-Guinee mij weer eens voorzichtigheid geleerd.

Thans kwam nog een oogenblik strubbeling van den kant der Dajaks. Zij
wilden hun zieken kameraad niet verlaten. Overreden hielp niet, zij
waren nu ver genoeg geweest, bovendien hadden droombeelden hun een
ongunstigen afloop voorspeld. Mijn ultimatum was: niet eten of mee. Zij
kozen het laatste en waren weer opgewekt als te voren. Kinderen, die
Dajaks; zij zeuren, tot men hun een hard woord geeft, denken daarna
aan iets anders.



Zoo werden dan 's morgens op 23 November de prauwen te water gelaten
en volgeladen; het ging net aan, doch, evenals den vorigen keer, wij
zouden er ons wel doorheen eten. Ik gaf 5 dagen vivres "bij den man";
zoo konden wij het 45 dagen uithouden.

Zes Dajaks gingen mede; twee bleven achter: de gewonde en een om hem op
te passen. Verder zes dwangarbeiders, vier fuseliers en de verkenner
Makatipu. Noer; mijn jongen, werd mandoer over zijn kameraden; hij
was zoo ijverig en handig en had toch steeds de leiding.

Canobivak bleef onder bewaking van een korporaal en acht man; zij
haalden telkens hun eten uit Prauwenbivak; dat hield de menschen
levendig, een goede marsch van tijd tot tijd. In den goedang lag juist
zooveel voorraad, dat, als ik na 1 1/2 maand terugkwam, ik mijn prauwen
maar had vol te laden om er opnieuw voor 1 1/2 maand op uit te kunnen
gaan. Dit was dus wel gemakkelijk geregeld. De bezetting had verder
in opdracht, ten spoedigste een goedang met barakje te bouwen op
den heuveltop, ± 40 M. boven het huidige bivak; zooals men weet, kon
immers het rivierniveau tot aan het tegenwoordige Canobivak stijgen,
wij moesten dus daarop voorbereid zijn.

Den 26en November waren wij in "Splitsingsbivak", d.i. aan de monding
der A-rivier. Hier werd geobserveerd en alle vivres geïnspecteerd. Wij
hadden nog al met bandjir te kampen gehad; de goede tijd was absoluut
voorbij, steeds kwamen nu de wolken opzetten uit het Westen. Doch de
voortgang was goed. Werd de bandjir al te bar, dreef hij ons onder en
tusschen de overhangende oevertakken, dan maakten wij bivak; want dan
werd het afjakkeren om een enkelen kilometer met het grootste gevaar
van omslaan; vroeg braken wij dan op om de schade in te halen. Van het
grootste nut bleken nu de "Kaits"; wat hadden wij daar een plezier van!

Onderweg waren groote vluchten kalongs of vleermuizen (vliegende
honden) gezien. Als groote zwarte dorre bladeren hingen zij in
de takken van sommige hooge boomen. Kwamen wij voorbij, dan werd
er geschreeuwd en op blikken geslagen, tot de beesten een voor een
opvlogen; in groote kringen zweefden ze piepend over onze prauwen en
kwamen eerst weer tot rust als we lang voorbij waren. Een enkele maal
heb ik ze geschoten, doch ik vond het vleesch niet smakelijk; het was
bloederig en taai, wellicht komt hier suggestie bij. Misschien ook was
het slecht klaar gemaakt, want meermalen heb ik later hooren beweren,
dat kalong-vleesch zich zeer wel laat eten.

In Splitsingsbivak maakte ik een merk; ik had afgesproken met Kapitein
Oppermann, dat, als ik de A-rivier zou exploreeren, ik eén, voor de
B-rivier twee blikken op een stok zou vastzetten. Hier werden thans
twee blikken gezet op een langen gallah en rottankoord stevig tusschen
de boomen bevestigd.

Op 28 November kwam ik aan de B-rivier; deze liep hier tusschen
schilderachtige hooge rotswanden, het was een fraaie dag en de rivier
merkwaardig kalm. Wij maakten dus dienzelfden dag een grooten voortgang
en bovendien, het vlaktekarakter kwam weer op. Dit laatste is echter
slechts tijdelijk gebleken; de B-rivier bleef versnellingrivier;
een blik op de kaart van het door haar doorstroomende heuvelland
maakt zulks begrijpelijk. Het water was, vergeleken met dat der
Idenburg-rivier, verbazend helder; ook dit wees er op, dat de B-rivier
geen vlakte kende.

Sporen van menschen werden spoedig gezien en wel in den vorm van
ladangs; menschen zelf heb ik aan dezen grooten zijtak vier malen
ontmoet. De ladangs leverden ketella in groote hoeveelheid, evenzoo
pisang; verder tabak en kloewé. Wij namen steeds uit een geschikte
ladang, waar veel groeide, ons bescheiden deel, legden tabak en een
enkelen parang er voor in de plaats. Deze verandering van voedsel
was den troep bij zonder welkom en mijzelf niet minder. De wilde
pisang toch, gekookt, is een geweldig stevig voedsel en evenzoo de
ketella. Als ik mijn avondmaal van rijst voor pisangs ruilde, had ik
aan vijf stuks meer dan genoeg. Ik at ze steeds met gecondenseerde
melk, zoo ook de ketella; men zal zich afvragen, hoe zoo iets in 's
hemelsnaam mogelijk is en inderdaad zou ik het thans ook een vreemde
combinatie vinden. Toentertijd echter vond ik het heerlijk.

Zoo reisden wij steeds langs ladangs, zagen hier en daar een hut. Deze
hadden alle een puntig dak van atap over een gabah-gabahwand van 4 ×
4 M. lengte en breedte; de baleh-baleh lag meestal 1 1/2 M. boven
den grond; slechts één keer zag ik een huis op palen van 4 M.

Sago werd weinig gezien; "op het land leven", zooals tijdens de vorige
patrouille gelukt was, zou hier een onmogelijkheid geweest zijn.

Niet alle dagen was de rivier ons zoo ter wille als dien eersten dag;
den volgenden morgen liep reeds een zware bandjir en later werden wij
ook menigmaal onder de oeverboomen gedrukt. In het geheel voeren we
haar 12 dagen op en hadden toen 130 K.M. langs de oevers afgelegd.

Zelfs aan het eindpunt, waar toch telkens een versnelling den kalmen
loop van het water onderbrak, werden nog krokodillen gezien; zij
verdwenen steeds schielijk bij onze nadering. Aan visch was de rivier
weer bijzonder rijk. Aan jagen werd niet veel gedaan! Wij hadden
voedsel in overvloed, dus de prikkel om na een dag van aanpakken nog
weer het woud in te gaan, was niet bijzonder groot; bovendien, ik hield
liever den troep bij elkaar, want wij hadden niet velen te verliezen.

Een dier, dat ik tot nu toe nog nooit gezien had, werd door twee
Dajaks meegebracht; het was een boschkangoeroe of koeskoes, dien
zij geschoten hadden. Een mooi dier met een donkerbruine huid,
hoog ongeveer een halven meter. Merkwaardig dat mijn fuseliers
en dwangarbeiders, allen Mohammedanen, het vleesch niet wilden
eten. Noer, de jongen, verklaarde mij, dat zij in dat opzicht een
koeskoes gelijkwaardig met een varken vonden; nu, mij smaakte de bout
des te beter. Wel eigenaardig, dat deze dwangarbeiders (die heusch
niet allen voor een liefdesmoord in den boei zijn geraakt, doch ook
wel heel andere dingen op hun kerfstok hebben) zoo streng aan het
verbod van den Koran vasthielden. Zelfs op de vorige patrouille met
Kapitein Oppermann, in den tijd toen de sago ons er boven op hield,
aten de dwangarbeiders geen varkensvleesch; de fuseliers wèl. Thans,
terwijl er overvloed was, namen geen van allen het.

Toen wij de rivier 8 dagen waren opgeroeid en een dag te voren
in Zuidelijke richting en niet ver af bergland hadden gezien,
besloot ik het hoofd eens boven de boomen uit te steken; wij maakten
observatiepunt I, hoog 325 M. Een loonend, een schitterend uitzicht! In
nevenstaande schets zijn schematisch de drie gebergten geteekend,
die ik van hieruit zag; (1) was de Zuidrand van het bergland, dat
van af de Poeveh en Pauwasi was gekaarteerd, gaf dus aansluiting
aan de vorige patrouille! (2) was de (vermoedelijke) waterscheiding
tusschen A- en B-rivier, hoog tot 2500 M. en in het Zuiden overgaande
in het Centrale Gebergte; (3) was het bergland aan de Oostzijde van de
Kaiserin Augusta-rivier, wat mijn kaart aanstonds uitstrekte tot over
de Duitsche grens; tusschen (2) en (3) bergland in Zuid-Oostelijke
richting, behoorend tot het Centrale Gebergte, doch niet veel boven
4000 M. en met lagere complexen er tusschen.

Dat ik mijn kaart niet alleen uit dit ééne observatiepunt
kreeg, behoeft wel nauwelijks gezegd te worden; bovenstaande
terreinbeschrijving in groote lijnen is het resultaat van de
gezamelijke metingen; behalve Observatiepunt I waren er nog drie
andere.

Ik zag wel, dat ik de rivier nog niet voldoende ver was opgevaren om
het bergland in den uitersten zuidoosthoek te kunnen "grijpen". Daarom
gingen wij nog vier dagen verder stroomop, een tegenvaller voor velen,
die gedacht hadden, dat het eindpunt reeds was bereikt.

Observatiepunt II lag 35 KM. verder; op dat traject zagen wij
tweemaal menschen. Den eersten keer twee mannen bij een kleine
prauw voor een ladang met een groot huis. Zij waren zeer verbaasd,
doch niet vreesachtig, toonden belangstelling in al wat hun vreemd
was. Ik verkreeg eenige woorden van hun taal, pijlen, enz. Er valt
niets bijzonders over hen te zeggen na de uitvoerige beschrijving
der stammen in mijn vorige hoofdstuk, waar zij (Pauwasi) geheel mee
overeenkwamen. Een stuk uit Europa was hier nochtans verdwaald geraakt;
het was de bovenhelft van een parang, zoo oud en in 't gebruik zoo
afgesleten, dat die hier wellicht al vijftig jaar was geweest; wij
gaven de beide menschen thans elk een nieuw exemplaar.

Dat men overigens niet al te hard op ons gesteld was, bemerkten wij een
dag later. Wij voeren rustig in kalm water, toen het "pana, pana!" [38]
in eens achter mij klonk. Ik liet mijn prauw vlug oversteken naar
den veiligen oever en nam onmiddellijk den vijandelijken wal onder
vuur. Doch geen vijand was meer te zien, een tiental schoten hadden
indruk genoeg gemaakt. De bepijlde prauw intusschen was niet ver
gevlucht. Dat had zijn oorzaak: de beide Dajaks, voor- en achterman in
die prauw, waren onmiddellijk in de rivier gedoken en hielden zich met
een hand vast aan de prauw, achter het boord, den neus boven water. Dat
was nu wel erg slim, doch zoo was er van zich-bergen voor de anderen
geen sprake; hier kreeg ik dus een minder gunstigen kijk op den moed
der Dajaks, zooals ik reeds vroeger heb aangeduid; om het eigen lijf
te bergen, stelden zij hun tochtgenooten zonder bezwaren bloot.

Dat er intusschen met reden geschreeuwd was, bewezen twee pijlen,
die in het prauwboord zaten, gebroken bij de trilling van het treffen;
of ze ook met kracht aangekomen waren! Ik was blij, dat we er zonder
gewonden waren afgekomen.

Dienzelfden dag kwamen wij voorbij een kampong met twee groote
huizen. Model als vroeger. Twee menschen bleven een korten tijd bij
ons, weldra vluchtten zij het bosch in. Ik wil alleen vermelden,
dat wij in de woningen talrijke (gesnelde) koppen vonden, met roode
strepen versierd; als "verf" dient hiertoe een roode krijtsoort, die
ook in de rivier werd gevonden. Eenige exemplaren werden meegenomen.

Daar het reeds laat was, maakten wij bivak dichtbij op den
tegenovergestelden oever; weldra verschenen menschen aan den
overkant. Een tiental mannen wenkten mij uitnoodigend over te komen
in een van onze prauwen; toen ik met meer menschen wilde gaan, liepen
zij weg; nu, ik ging niet alleen; ik weet wel, dat er dan spoedig
ook roode strepen over mijn hoofd hadden geloopen. Echter probeerde
ik het met drie man, doch zette fuseliers achter de struiken, klaar
om te schieten als het noodig was; maar de menschen liepen weg.

In deze kampong was niemand meer, toen wij later stroomaf voeren.

Den volgenden morgen roeiden wij reeds een uur boven ons bivak, toen
mannen ons inhaalden langs den oever. Zij riepen en wij zwaaiden
vriendelijk. Er gebeurde het volgende: aan een klein open plekje
legden zij eenige voorwerpen neer, werkten daarna met armen en handen
in de meening van: "ga in 's hemelsnaam van ons weg!" en verdwenen. Ik
naderde zeer behoedzaam, bekeek daarna de vredesgeschenken. Het waren
twee draagzakjes van geknoopten boombast, met veeren van papagaaien
en paradijsvogels versierd; er waren eenige kleine ingrediënten in,
o.a. een stukje van het roode krijt.

Hoe merkwaardig, deze menschen, die aan de bepijling wel niet vreemd
zullen zijn geweest en die het thans het veiligst vonden om vrede
aan te bieden! Ik zou er echter niet gaarne op vertrouwd hebben.



Op dezen vredesdag bereikten wij tevens ons eindpunt aan den voet van
een heuvel, 550 M. hoog, op het oog fraai voor uitzicht; hier kwam
Observatiepunt II. Ik was thans 675 KM. van Pionierbivak, ruim 900
KM. van de zee. De verste opvaart van den Digoel was 700 KM., van de
Kaiserin-Augusta-rivier 1000 KM. en van de Fly-rivier 1100 KM. [39]

Van Observatiepunt II kreeg ik gelijksoortig uitzicht als in I; in
oostelijke richting, over een 15 KM. heuvelland heen, deed zich de
uitgestrekte vlakte der Kaiserin-Augusta-rivier aan het oog voor;
eenige glinsterende strepen beduidden groote moerasplekken of meren
als de vroeger besproken Rombébai. Daarachter, scherp van lijn,
het onbekende bergland op Duitsch gebied, 2000 M. hoog, dat aan
zijn buitenrand zoo zuiver omtrokken wordt door den grooten bocht
der Kaiserin-Augusta-rivier.

Welk een voldoening geeft het, na langen marsch en inspanning een
onbekend bergland te ontdekken en in kaart te brengen! Hoe duidelijk
kwam thans de vlakte uit der groote rivier met haar randgebergten
in het oosten en in het westen; zoo ontsprong dus onze zijtak van de
Idenburg-rivier dicht nabij den Duitschen "Mamberamo".

Wat mij echter verdriette, was, dat ik het Sneeuwgebergte niet te
pakken kon krijgen. Vijf dagen lang heb ik er op gewacht, of de
Juliana-top of omliggende zich niet wilde bevrijden van zijn sluier
van wolken of waterdamp, doch het mocht niet zijn; ik kwam niet verder
dan den keten 3700-3800 op 20 KM. van die sneeuwtoppen. Maar het gaf
dan toch aansluiting en toen de vijfde morgen weer niets opleverde,
besloot ik tot terugkeer.

Mijn prauwen en vivres waren in een klein bivak aan den voet van den
heuvel, de bewaking bestond uit twee fuseliers. Den derden dag had een
klein vivrestransport van zes man geloopen met twee karabijnen. Dat
was wel de gevaarlijke zijde van deze Exploratie in klein formaat,
het werken met kleine verbanden, die dan, zooals in dit geval, nog
in drieën werden gesplitst. Doch wat wil men? Het rendement was in
elk geval prachtig.

Ook het systeem "geen onderofficier, geen verpleger" beviel mij
best. De verveling van het lange zitten in de prauw werd er door
verminderd: bivakbouw, fourageeren, vivresrekening, zij vulden weer
den langen vrijen tijd en zóó deed ook het verbinden. Het laatste, het
"dokteren" i.a., had trouwens het groote voordeel, dat men het vermogen
van elken man, zoowel als van den heelen troep, tot op een haar kende.

Aan kinine-prophylaxe werd streng de hand gehouden, katjang idjoe
regelmatig opgefourageerd. Op deze heele patrouille had ik niet eenen
zieke, niet eenmaal ging de flesch met "buikdrank" open. Maar de
menschen waren met zorg uitgerust, hadden allen wollen ondergoed
en nieuwe kleeren, een deken en goed tentmaterieel; bovendien
ruime voeding en volmaakte rust in de observatiepunten, zoodra de
boomstelling stond.

Zoo geeft het dan een groote voldoening, die patrouilles in de puntjes
te regelen en wordt de moeite elken noodigen kilogram berekend te
hebben, volkomen beloond.

Van diefstal, zooals vroeger wel was voorgekomen, was geen sprake;
eenmaal hadden twee dwangarbeiders een blik rijst opengemaakt en,
na zich ruim te hebben ingespannen, het blik in de rivier geworpen;
zoo iets scheelde mij 30 rantsoen rijst, dus 1 1/2 dag eten! Op
toevallige wijze ontdekte ik de daders, eerst drie dagen later;
een zware straf heeft toen herhaling van dit ernstige feit ten
eenenmale voorkomen. Maar er moet ook een strenge tucht heerschen in
een troepje, waarmee men zich in het hartje van Nieuw-Guinee bevindt,
op 600 KM. van het hoofdbivak!

Mijn verkenner Makatipu, menadonees van geboorte, was een aardige
jongen, die vrij goed hollandsch sprak; vol ijver en een vaardig
teekenaar. Hoe zaten wij heele dagen op de baleh-baleh boven in
den boom en maten of wachtten. Hoe werden we geërgerd door het
zachte westenwindje, dat het meten onmogelijk maakte; door de
paardenvliegen, die ons staken als wij er niet op verdacht waren,
door de "geduldvliegjes" die behagelijk over onze huiden heen en weer
wandelden. Hoe konden we vreugde scheppen in elke nieuwe bijzonderheid,
die ons opviel van onze hooge stellage! Ja mijn verrukking over het
vrije uitzicht was nog steeds even groot; die vlakte, die bergketenen,
door geen mensch nog gezien. Wat voelt men zich daar onafhankelijk,
vrij!

Mijn observatiepunt III had ik van af dit voorgaande reeds gekozen; het
was het hoogste punt van een langen heuvelrug in Noordelijke richting,
dien ik langs een zijrivier dacht te bereiken. Het gelukte mij in
een dag of drie en na een landmarsch van éénen dag met zes dagen
vivres. Allereerst werd twee dagen de zijrivier opgevaren en bivak
gemaakt. Die rivier bandjirde zoodanig, dat het bivak zoowat klaar
was, toen het onder water raakte; hierna zochten wij het een tien
meter hoogerop en maakten een tweede bivak. Hier bleven de prauwen
achter, vivres, drie fuseliers en éen Dajak. Dezen man had een klein
malheur getroffen. Bij het kappen had een van zijn stamgenooten hem
even met het puntje van zijn mandau in de kuit geraakt en toevallig
een ader opengesneden. De man bloedde als een rund, doch ik had een
gummislang en stelpte vlug het bloeden, tot groote bewondering van
de bezorgde kameraden. Die hadden zoo iets nog nooit gezien! Toen
een stevig verband en daar lag mijn kostbare riviermensch; doch wij
behoefden niet meer stroomop, het kon wel lijden.

Met dertien man marcheerde ik eenen dag door een vrij zwaar terrein,
doch gelukkig nog geen Van Rees-Gebergte. De weg tegen den kam op
was zeer steil en smal, op 't laatst klommen wij als katten. Doch wij
waren 's avonds in bivak op een mooi plekje van den top (480 M. hoog),
met frisch water in de buurt. Dichtbij moesten menschen zijn, want op
geen 200 M. van ons af was een huis met puntdak, gaaf en dus bewoond
of pas verlaten.

Trouwens, waar wonen geen menschen in dit deel van
Nieuw-Guinee? Behalve de talrijke sporen langs de rivier en onze
vluchtige ontmoetingen, zagen wij over het heele land verspreid in
vlakte en over de heuvels de meest onmiskenbare teekenen van het
verblijf van Papoea's: opstijgende kolommetjes dunnen blauwen rook,
die vooral in den avond menigvuldig werden.

In Observatiepunt III werden de metingen gecompleteerd, de kaart
uitgebreid. Er moest veel gekapt worden. Een keer viel een boom
vlak langs mijn observatiestelling; doch de Dajaks waren zeker van
de richting geweest, waarin die boom zou vallen. Toch was de suizing
vrij sterk; een van de zware takken van den vallenden boom greep langs
den stam, waarin wij zaten en zwiepte ons eenige malen heen en weer;
wel interessant, maar toch wat angstig!

Wij bleven hier drie dagen.

Op den terugmarsch, dicht bij het bivak der prauwen, bij het afdalen
van een steilen rug, hoorde ik eensklaps dat we "aanraking" hadden. En
niet vriendschappelijk! Mijn troepje haastte zich verder, ik snelde
met de fuseliers naar boven, de wapens in de hand. Hier stonden
wij voor een tiental gewapende en gevechtsklare Papoea's. Toen ze
ons ongewapend (!) zagen, zakten de pijlen; men kwam nader, tabak
baarde vriendschap. Het waren brave kerels; zij begeleidden ons
den verderen terugweg en onderzochten met groote nieuwsgierigheid
al onze "bullen", tot zelfs mijn kleeding, waarvan ze de strekking
niet schenen te vatten. Toen ik mijn blouse een oogenblik uittrok,
vervulde die "losse huid" hen met de grootste verbazing; ook mijn
hoed viel zeer in hun smaak, een enkele probeerde hem. Ik verzamelde
hier weer verschillende woorden, o.a. den naam der zijrivier: Abo;
wel bijkans onnoodig te zeggen, dat deze woorden niet leken op die
uit eenige vroeger gehoorde taal; het merkwaardige is, dat namen voor
gelijke voorwerpen, b.v.b. pijl of boog, bij de verschillende stammen
ook zelfs geen vage klankverwantschap met elkaar hebben. Typisch ook
dat Papoea's altijd op het oorlogspad zijn. Nooit zag ik er zonder pijl
en boog. Hoeveel levensonzekerheid is daar in hun zwerversbestaan;
doch wellicht zijn de onderlinge verhoudingen milder dan wij ons
voorstellen.

Het opschrijven der woorden maakte onze vrienden angstig; daarna
dorsten zij ook niet in het bivak te komen, doch bleven loeren aan
den buitenkant. Toen wij een half uur later vertrokken, begeleidden
zij ons echter juichend een eindje langs de rivier, spoedig waren
wij uit zicht.

Een welwillende bandjir bracht ons dicht bij Observatiepunt IV. Daar
liepen wij den volgenden morgen tegen op; het was een heuvel van 420
M., waar geen bijzonders meer van te vertellen valt.

En nu was het afgeloopen. Op 29 December 's morgens vroeg, verliet
ik dit laatste observatiepunt. Ik ontmoette nog één keer menschen,
verzamelde woorden, doopte hier de B-rivier definitief Sobgèrtoerin
[40], vond de hierboven vermelde taalconclusie weer bevestigd,
merkte overigens geen bijzonders op. Vermeldenswaardig is alleen,
hoe een moedertje een heel klein pasgeboren kindje in een netje op
den rug droeg; een huisvarkentje marcheerde er genoegelijk naast.

Dus thans waren we klaar. Ik rekende: 1 Januari in Canobivak, de
patrouille gemaakt in 39 dagen. Ik had dus de vivres wel noodig gehad,
maar toch nog vrij veel overgehouden, daar ik meermalen half of geen
rantsoen had gegeven als wij overvloed van ketella of pisang en visch
hadden gehad.



De terugtocht ging vlug en ongestoord. Verrukkelijk op den snellen
stroom zonder veel moeite voort te varen. Ik was wel tevreden; de
helft van mijn opdracht was vlug en met prachtresultaat uitgevoerd.

Tegen elf uur deden wij een merkwaardige ontdekking. Op een eilandje
in de rivier een Dajak-bivak! Mijn Dajaks hadden het onmiddellijk in
de gaten; behalve het hutje was hier een merkteeken gemaakt, eenige
armdikke stammetjes van den bast ontdaan en ingekapt met den scherpen
mandau. Het leed geen twijfel of men was mij achterop geweest en toen
wij de andere bivakjes van het troepje stuk voor stuk voorbij voeren,
was het mij geheel duidelijk, dat ik teruggeroepen en de exploratie
beëindigd was.

Den volgenden dag in Splitsingsbivak gekomen, betrok ik het oude
Bivak nog voor een of twee dagen. Aan den overkant was een heuvel,
die mij, naar ik hoopte, uitzicht zou geven over het stroomgebied der
A-rivier. Een dag hard werken gaf echter een matig succes; een breede
rug, waarachter de A-rivier na een paar bochten schuil ging, onttrok
het achterland aan ons oog; slechts kon ik nog met eenige peilingen
het scheidingsgebergte tusschen A- en B-rivier aanvullen. En van de
A-rivier vaststellen, dat ze aanvankelijk uit het Zuid-Westen kwam.

Met gemengde gevoelens zat ik daar boven in den boom. Met een baloorig
gevoel wegens het "onontdekt" blijven van den tegenover mij liggenden
grooten zijtak der Idenburg-rivier; ja, dezen tak vergelijkende met
de B-rivier of met de afwatering van Botbotna of Mokkofiang, moest ik
eerlijk bekennen, dat mijns inziens de grootste waterader van deze
drie de A-rivier was; een meening, die ik ook reeds bij vroegere
opvaarten heb gehad. De A-rivier dus de eigenlijke Idenburg-rivier,
die dan toch komt van het Sneeuwgebergte, van den Julianatop; en deze
was niet geëxploreerd! Het was wel jammer.

En dan ook: zoo vlot was alles verloopen, de vivres lagen in Canobivak
klaar, het was zoo zonde die ongebruikt te moeten laten.

Laat mij ook ronduit bekennen dat een gevoel van opluchting, van
vrijheid na goed volbrachte taak, zich van mij meester maakte. Over
eenige dagen zou ik in Pionierbivak zijn en vandaar weer de beschaving
langzamerhand bereiken. Het streelde mij, het trok mij aan, ik kan
het niet ontkennen.

2 Januari van Splitsingsbivak vertrokken, kwamen wij den 3en in
Canobivak aan. De waterstand was zeer hoog, het bivak was niet meer
dan 10 M. boven water. Alles was verlaten. Een klim naar boven bracht
mij voor het bovenbivak, waar ik inderdaad een nette kleine goedang
vond, doch alle vivres waren weg.

Een groot gevoel van verlatenheid beving den heelen troep. Geen
spoor, geen teeken, een groote vlucht. Men vergete niet dat ik in
2 1/2 maand geen oorlogsnieuws had gehad! Was Prauwenbivak, was
Pionierbivak nog bewoond?

Ik fourageerde zeven dagen vivres, bovendien kreeg ieder zijn aandeel
van mijn eigendommen, instrumenten en ethnografica. Zwaar beladen
ging men op marsch. Halverwege Prauwenbivak viel het nachtbivak.

4 Januari in den middag konden wij onze vrees, de eenige in
Nieuw-Guinee te zijn, op zijde zetten: wij zagen rook, er waren
menschen in Prauwenbivak.

Korporaal Kadir meldde zich bij mij, bivakcommandant; hij was hier
met ± 12 man, er lagen 5 goede prauwen. Ten spoedigste werd alles
voor vertrek gereed gemaakt.

Ik vond er brieven en daaronder het bevel tot terugkeer met alle
vivres en voorraden. Een schrijven van Dokter Thomsen las ik met
groote belangstelling; hij toch was het, die mij met negen Dajaks
achterop was geweest op last van kapitein Oppermann, die den 16en
November het bevel, om de exploratie te staken, ontvangen had. Doch
zijn brief was geen opwekkend reisverhaal; het was een aaneenschakeling
van moeilijkheden en misère. Met twee prauwen vertrokken, een groote
en een kleine, hadden zij zich moeizaam tegen de bandjirs opgewerkt,
mijn merk in Splitsingsbivak gevonden. Op een avond aan de B-rivier
hadden de Dajaks vrij van wacht gevraagd, zij waren moe na een heelen
dag tobben; de dokter had hun dat toegestaan, onvoorzichtig. Den
volgenden morgen was de groote prauw weg! Drie dagen had Thomsen nog
langs den oever gemarcheerd, was toen ziek geworden. Hij besloot tot
terugkeer, begreep mij toch niet te zullen krijgen. Een vlot werd
gemaakt en hierop en in de kleine prauw werd teruggevaren; het vlot
was eenige malen over den kop gegaan tegen steenen en rotshoeken;
allen waren echter behouden aangekomen. Thomsen schreef, hoe blij
hij zijn zou, mij behouden terug te zien. Nu, die vreugde zou hem
spoedig te beurt vallen.



Op 5 Januari was de afvaart. De waterstand was hoog, doch er was geen
bandjir. Ik zag geen reden om de Eerste Kloof niet door te gaan,
was echter zoo voorzichtig om de prauwen slechts matig te beladen,
een maatregel die ons waarschijnlijk van verdrinken heeft gered.

Want de Eerste Kloof was verschrikkelijk! De stroomversnelling was
zoo hevig, dat overal gevaar dreigde. Een poging der Dajaks, om
bij het ontdekken van het gevaar nog den wal te halen, was volkomen
vruchteloos; een geweldige zuiging trok ons mee. Een golf sloeg mijn
prauw halfvol water, wierp ons daarna tegen een steilen rotswand. Ik
dacht niet anders dan dat mijn prauw zou splijten, doch zij hield
uit. We roeiden als bezetenen om vrij te blijven van de steenen
en een jagende stroom sleepte ons mee. De prauw van Makatipu, een
groote als de mijne, verging het evenzoo; dezelfde kolk wierp hem
tegen de steenen; ook zij kwamen vrij. Naar de drie andere prauwen
keek ik niet meer, die waren kleiner, die gaf ik verloren; helpen was
onmogelijk geweest, wij hadden genoeg aan onszelf. De heele kloof
van 2 KM. waren we in een paar minuten door. Toen ademde ik op,
de kloof was uit, we passeerden het oude vervallen Motorbivak. Ik
hield er stil, wachtte op de anderen. Makatipu kwam, een poosje nog,
en toen de anderen, een voor een. Goddank, geen ongelukken. Allen
zagen bleek van schrik, zooiets had men nog niet beleefd. Eerst
toen wij de Marinevallen waren gepasseerd, zei Noer, mijn jongen:
"saja hidoep!" [41] Doch voorloopig was het stil in de prauwen.

Drie dagen deden we over de terugvaart tot Bataviabivak, op den
8en passeerden we de versnellingen in het Van Reesgebergte. Den 8en
Januari kwam ik in Pionierbivak.

Die afvaart langs de Idenburg-rivier ging 's nachts door; mijn menschen
berustten gaarne; de oevers zaten thans zoo stikvol muskieten, dat
bivakmaken hier een kwelling was. Tegen donker hielden wij stil,
kookten eten en roeiden weer voort. Ik behoefde heusch niet aan te
sporen, de muskieten zaten er wel achterheen. De eerste nacht was
goed, de tweede regenachtig en ellendig. De muskieten waren toen zelfs
op het water; zij staken in het donker, men kon ze niet zien. Mijn
menschen waren stijf van kou; gelukkig had ik nog cognac, zoo bracht
de flesch allen een kleine verwarming. In den avond van 7 Januari
werd Batavia-bivak bereikt; met welk een vreugde werd de lantaarn,
die ons daar van verre tegenstraalde, begroet!

Over de Idenburg-rivier viel niets te vertellen; wij waren allen
blij, toen het lange traject achter den rug was. Of er dien nacht in
Batavia-bivak geslapen werd!

En toen den 8en door het Van Reesgebergte. Het was een mooie dag,
de Dajaks gilden vroolijk; de anderen eerst, nadat de Marinevallen
gepasseerd waren. Toen zongen zij tot de avond viel en de lichten
van Pionierbivak om den hoek verschenen. Nu, ook mij sloeg het hart
van vreugde; het was weer ruim 2 1/2 maand sinds ik het comfort van
het hoofdbivak miste en ik was er gansch niet ongevoelig voor.

Ik vond een hartelijke ontvangst; wij hadden een opgewekten avond. En
aan het vertellen kwam geen einde.



Slot.


De exploratie van Nieuw-Guinee was hiermee dus beëindigd; zij had
veel gekost, veel geld, veel inspanning en vele menschenlevens.

Moet men nu teleurgesteld uitroepen, als men hoort, dat geen rijke
goudvelden gevonden, geen steenkolenlagen of petroleumbronnen tot
nu toe met succes geëxploiteerd zijn: "Waartoe zóóveel verspild aan
een land zonder toekomst?" Immers neen. Om te beginnen is het een
verblijdend iets, dat Nederland, hetwelk tot 1907 sinds 80 jaren een
kolonie van 12 maal zijn eigen oppervlak bezat, zonder het binnenland
noemenswaard te kennen, in 8 jaren tijds een goede overzichtskaart
verkreeg.

Tevens wijzen verschillende feiten bij het uit den aard der zaak
zeer vluchtig geologisch onderzoek tijdens de militaire exploratie
er op, dat op meerdere plaatsen petroleum gevonden kan worden. Op de
Noordkust werd jodium en petroleum ontdekt; steenkool werd gevonden
in West-Nieuw-Guinee.

De aanplantingen op Engelsch Nieuw-Guinee van rubber, cocos, hennep,
tabak en katoen geven zeer gunstige resultaten, en het is zeker, dat
ons vruchtbaar gedeelte in dit opzicht daar niet voor onder behoeft
te doen. Als werkkrachten zijn de bewoners van ons gebied echter
nog weinig bruikbaar; werken kunnen zij niet. Dit kan en moet hun
echter geleerd worden. Een groot bezwaar blijft echter nog over,
het buitengewoon ongezonde klimaat der lage streken, die vóór de
ontginning zeker geassaineerd moeten worden.

Aan de hand van de voor dit doel zeer bruikbare overzichtskaart zullen
geologen, plant- en dierkundigen het land verder elk op hun gebied
nader kunnen onderzoeken. Gebruik te maken van de dikwijls jarenlange
ondervinding van de eerste explorateurs zal dan wel nuttig blijken
te zijn.

Van ethnografisch belang blijft nog de nadere kennismaking met de
bewoners der zeer dicht bevolkte valleien, door mij gezien bewesten
en bezuiden het laatste observatiepunt, ± 4000 M. hoog, bezuiden
Kalongeiland.

Een onderwerp, dat nog steeds veler belangstelling gaande houdt, is
dat van den zoogenaamden "doorsteek", dwars door Nieuw-Guinee op zijn
breedst. Over de plaats, waar dit het gemakkelijkst zal geschieden,
valt natuurlijk wel van meening te verschillen; doch ik ben van opinie,
dat deze doorsteek, mits goed voorbereid, overal slagen zal.

Dit herinnert mij het gezegde van den toenmaligen Militairen
Commandant van Ambon, onzen doortastenden en energieken Chef der
geheele Exploratie, den Majoor Gooszen, [42] die nooit bezwaren maakte
en ook geen bezwaren accepteerde: "Bezwaren en moeilijkheden zijn er
alleen om te worden overwonnen".

Het mooie resultaat der Mamberamo-expeditie moet dan ook voor een groot
gedeelte toegeschreven worden aan het met helder inzicht en ruimen
blik in groote lijnen aangeven van het plan door dezen hoofdofficier,
die in vroegere jaren als een der eerste explorateurs in Merauke
reeds zijne sporen verdiende.

Vergelijken wij de kaart van het Nederlandsche gebied met die van
de oostelijke helft van het eiland, dan kunnen wij constateeren,
dat wij onze buren, de Duitschers en de Engelschen, in dit opzicht
een heel eind vooruit zijn en kunnen wij tevreden zijn, dat onze
regeering dit werk zoo krachtig heeft aangepakt.

Mogen, als vrede en rust weder op aarde zijn wedergekeerd, vele
wetenschappelijke onderzoekers zich beijveren, om den voltooiden
arbeid der Militaire Exploratie-detachementen productief te maken
door nader en vollediger onderzoek. De weg is voor hen bereid!



AANTEEKENGINGEN


[1] Onder bovenstaanden titel kwam ons in handen een uitgebreid
werk over de exploratie van Nieuw-Guinee door de Luitenants ter zee
L. Doorman en J. Langeler, welke beide officieren een belangrijk
aandeel hadden aan dezen grootsch opgezetten Gouvernementsarbeid.

Wij nemen hieruit, bij gebrek aan plaatsruimte voor geheele publicatie,
een aantal fragmenten over. Een korte inleiding, die de schrijvers
doen voorafgaan aan de schetsen, is onontbeerlijk.

                                                        De Uitgevers.

[2] Raak = Papoesch woord voor plunderen en koppensnellen.

[3] Dit ontschepen en weder inschepen was noodig om de materialen,
die het eerst gebruikt moesten worden, te sorteeren.

[4] Luitenant ter zee Langeler.

[5] Niet overgenomen.

[6] Mamberamo, evenals Amberam of Aiberam, beteekent "het groote water"
in Papoea-taal.

[7] Bij het bereiken van grootere berghoogten verschijnt zij helaas
weer, mijn collega Doorman had er tot 2000 M. hoogte last van.

[8] Collega Doorman teekent hierbij aan:

"Deze Papoea's werden door mij aangetroffen bij de Weir-rivier,
vergezeld van twee Ternataansche of Binongkineesche jagers; zij
kwamen rechtstreeks in aanraking met deze jagers, die van Wakdé-eiland
kwamen, via de Matabori (een rivier tusschen Mamberamo en Apauwer),
naar den Mamberamo. Deze laatste rivier oproeien lukte hun niet door
den sterken stroom."

[9] Evenals Pionierbivak het hoofdbivak was der vorige expedities voor
de stroomversnellingen in het Van Rees-gebergte, was Batavia-bivak
geweest het hoofdbivak nà die versnellingen, dus bij het begin der
"Meervlakte", waar de Mamberamo weer vlakterivier was; Batavia-bivak
dateerde van de Expeditie Franssen Herderschee van 1910.

[10] Die wij naar onzen dokter de "Thomsen-rivier" noemden.

[11] Niet overgenomen.

[12] De groote motorboot liep n.l. hoogstens 5 1/2 mijl per uur.

[13] Uit den vezeligen bast van den melindjoe-boom.

[14] Doorman teekent hierbij aan, dat op Nieuw-Guinee nog nooit
vergiftigde pijlen gevonden zijn.

[15] Maleisch; = het schip komt!

[16] Maleisch: heel gemakkelijk.

[17] Noordkust beoosten Kaap d' Urville.

[18] De lezer ziet uit deze uitlating, dat het ongeval van de "Valk",
op blz. 148 beschreven, niet alleen stond.

[19] De eigen gemaakte tuinbank op den hoogen rots was van Post II
en was voor den doortrekkende na het dagwerk een gewaardeerd zitje.

[20] Zoet water voor voeding van den ketel.

[21] Mandoer = bootsman.

[22] Werd gedoopt Motorbivak; wel te onderscheiden van Motorbivak
aan de Idenburg-rivier.

[23] Lens beteekent hier: droog en drijvende.

[24] Karabijnen = Inl. fuseliers.

[25] Ladangs = tuinen.

[26] Zie kaart.

[27] Bij het Detachement geplaatst voor den geëvacueerden 1en
luitenant Schulze.

[28] Obs.-punt 4 = de zoo juist beklommen top van 2650 meter.

[29] Hier en daar zijn enkele onjuistheden verbeterd.

[30] Deze "ik" is de schrijver S(taal) in het Tijdschrift K.N.A.G.

[31] Tocht van Doorman in 1913.

[32] Maleisch; = we leven weer op

[33] "Karabijn" is synoniem met fuselier.

[34] Dit bedoelde hoofdstuk is niet opgenomen.

[35] Indische naam voor de kamponghonden.

[36] cholera-essence.

[37] Maleisch: er uit! er uit!

[38] Maleisch; pana = pijl.

[39] Hoe worden deze aanzienlijke afstanden echter weder in de
schaduw gesteld, als men bedenkt dat de lengte van den Amazonas van
den oorsprong tot de monding 4500 KM. is!

[40] Toerin beteekende hier water.

[41] Maleisch; = ik leef weer op!

[42] De tegenwoordige kolonel Gooszen, Commandant van Walcheren.





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Nieuw-Guinee en de exploratie der "Meervlakte" - De Aarde en haar Volken, 1918" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home