Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Ferdinand Huyck
Author: Lennep, J. van (Jacob), 1802-1868
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Ferdinand Huyck" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



FERDINAND HUYCK

Door

Mr. J. VAN LENNEP.


       *       *       *       *       *


BRIEF VAN DEN HEER P. AAN DEN UITGEVER, TOT INLEIDING DIENENDE.


                                                   Amsterdam, den....

Ik weet niet, of gij van nabij bekend zijt geweest met de oude Juffrouw
Stauffacher, die nu ruim twaalf jaren geleden in den ouderdom van
ongeveer drieëntachtig jaren hier ter stede ontslapen is: zoo niet, acht
ik zulks uiterst jammer voor iemand als gij, die een liefhebber zijt van
onderzoek te doen naar min bekende bijzonderheden, het leven, het
karakter, of de lotgevallen betreffende van vermaarde personen; want zij
was een levend repertorium van dergelijke aardigheden. Ofschoon zelve,
voor zooverre mij bewust is, nooit eenige buitengewone avonturen
hebbende gehad, was zij, door de omstandigheden van haar levensloop, in
betrekking geweest met een groot aantal van die personaadjes, welke zich
in de vorige eeuw in verschillende opzichten vermaardheid hebben
verworven: velen hunner had zij zelfs van nabij gekend.

        Quiconque a beaucoup vû
    Peut avoir beaucoup retenu,

zegt La Fontaine; en zij had een uitmuntend geheugen. Zij was
tegenwoordig geweest, toen Voltaire in den schouwburg bekroond werd, en
had Lodewijk XV zien uitrijden met Madame Dubarry: zij had Necker zijn
financieel stelsel hooren ontwikkelen en den Graaf de Saint-Germain het
toilet beschrijven van de keizerin Helena en de inneming van Akkaron
door Richard Leeuwenhart. Er was, in Frankrijk vooral, bijna geen
adellijke familie, waarvan zij niet de vertakkingen en opvolging kende,
zoo goed en beter misschien dan die van haar eigen geslacht; (want ik
heb nooit kunnen uitvorschen, of zij van den medestichter der
Zwitsersche vrijheid al dan niet vermeende af te stammen) en zij ware in
staat geweest aan de Pseudo-Marquise de Créqui menige dwaling aan te
wijzen in de gedenkschriften, die op haar naam zijn uitgevent. Zij kende
ook al de kleine anecdoten, die omtrent de merkwaardige personen van het
Fransche hof te boek gesteld zijn; en menige daarbij, die niet gedrukt
staat, en welke zij onder vier oogen aan de uitverkorene vrienden met
zooveel bijzonderheden en locale kleur wist te vertellen, dat men aan de
echtheid daarvan niet dorst twijfelen, en dikwijls overtuigd bleef, dat
zij hetgeen zij mededeelde had bijgewoond of althans uit de eerste hand
vernomen. Wat onze Nederlandsche familiën betreft, hoewel zij ruim
vijftig jaren hier af en toe had doorgebracht, was zij daarmede wel eens
in de war: niet, dat men haar ooit op misslagen betrapte, wanneer het de
afkomst of vermaagschapping gold; maar zij was, gelijk zulks bij oude
lieden meer het geval is, op het laatst van haar leven altijd geneigd,
een geslacht te verspringen: zoodat zij mij en mijne tijdgenooten tot de
zonen onzer grootvaders en de broeders onzer tantes verhief, 't is waar,
dat een glimlach van hem, wien de misslag gold, doorgaans genoeg was, om
haar te herinneren, dat zij zich vergiste, en om tot rectificatie
aanleiding te geven.

Gij moet echter niet denken, dat zij geene andere verdiensten bezat als
die van veel gezien en opgemerkt te hebben:--hoewel ook deze minder
algemeen gevonden wordt dan men wel denken zoude. Zij paarde aan een
gezond oordeel veel _solide_ kennis, en was in de gelegenheid geweest,
daarvan voor haar zelve en voor anderen een nuttig gebruik te maken.
Ettelijke jonge dames uit onze aanzienlijkste huizen waren aan haar
onderwijs en leiding toevertrouwd geweest: en menig verdienstelijk
staatsman of geleerde, thans in hooge betrekking geplaatst, getuigt nog
heden van het nut, dat hij als jongeling uit haar omgang of lessen
getrokken heeft. En bij die verstandelijke gaven voegde zij,--in weêrwil
van haar vroegere bekendheid met vrijgeesten en filosofen, met
kwakzalvers en _roués_, in weêrwil zelfs van het zwak, dat haar was
bijgebleven voor verscheidene geschriften, die men thans uit de boekerij
eener vrouw verbannen zoude,--een vromen, godsdienstigen zin: en haar
werken zoowel als haar woorden getuigden, dat haar geloof vast was en op
een onwankelbaren grondslag gebouwd.

Haar karakter was vrolijk en opgeruimd: en tot haar einde toe bleef haar
het levendige, ja, ik zoû zeggen, het kinderlijke van een jong meisje
bij. Vandaar dat zij zich somtijds op een kluchtige wijze recht boos kon
maken: bij voorbeeld, wanneer zij iets gelezen of gehoord had, dat niet
strookte met hetgeen zij begreep en volhield waar te zijn: of wanneer
iemand een regel uit een dichtwerk verkeerd aanhaalde, of dien niet aan
den rechten maker toeschreef, of wel zijn onkunde aantoonde omtrent het
juiste getal kinderen, door Lodewijk XIV bij Mevrouw de Montespan
verwekt. Maar de lieden, op wie zij het voornamelijk geladen had, waren
onze hedendaagsche boekverkoopers, met hun flikkerende stereotypen, hun
miniatuur-uitgaven en hun compleete werken in een deel. Zij nam het zeer
kwalijk, dat men aan oude lieden, wier gezicht begon te verzwakken, en
die toch buiten lectuur weinig anderen troost konden vinden, juist die
eenige uitspanning zoo moeilijk maakte. Zij bleef dus de 4e edities
voorstaan: en, behalve den huisbijbel, kon men ook doorgaans op haar
tafel een Cats in dat formaat aantreffen, of wel de fraaiste en
duidelijkste uitgaven der Fransche puikdichters. Ook met onze
hedendaagsche muziek kon zij het maar niet vinden: zij haalde de
schouders op bij de roulades en fioritures, die tegenwoordig bij geen
aria ontbreken: en beweerde dat men alle lieflijkheid, alle gevoel had
verbannen en opgeöfferd aan de zucht om te schitteren en moeilijkheden
te overwinnen; terwijl daar-en-tegen, gelijk zij volhield, de muziek,
die men in hare jeugd maakte, tot het hart sprak en verstaanbaar was,
en tot bewijs van haar stelling gebeurde het wel eens, dat zij den
redetwist besloot door met een nog vaste en zuivere, hoewel verzwakte
stem, een aria uit _Blaise et Babet_ of _Les trois Fermiers_ te zingen,
of liedjes te neuriën, welke zij van haar grootmoeder gehoord had, en
die dus, behalve de overige verdiensten, ook die der nieuwheid
bezaten;--voor zooverre immers in de muziek hooge oudheid het nieuwste
is dat men hooren kan.

Haar huishouding bestond uit twee oude meiden en een kat: maar er was
geen papegaai, die de menschen met zijn dom gesnater in de rede viel;
noch kanarievogel, die alle conversatie met zijn schel gezang onmogelijk
maakte. Ik herinner mij echter, dat zij langen tijd een goudvink bezat,
die twee of drie van haar lievelingsdeuntjes floot; maar het was een
welopgevoede muziekant, die zich, even als alle verdienstelijke
virtuosen, niet hooren liet, tenzij hij eerst eenige malen daartoe was
aangespoord.

Wat de kat betreft, het was geen oude, dikke, logge, vetgemeste
pannelikker, zooals men die gewoonlijk bij bejaarde vrijsters plaatst,
die den dag doorbracht met op een kussen te slapen en met de lekkerste
beetjes gevoed werd; maar het was een jong vlug, geestig diertje, met
een glinsterende zwarte vacht, en een uitzicht, zoo schrander en
vernuftig als dat van den wijdberoemden kater _Murr_ kan geweest zijn:
en zijn meesteres bedierf hem volstrekt niet, maar behandelde hem gelijk
men een dartel spelend kind doet, aan hetwelk men gepaste toegevendheid
bewijst, doch dat men tevens in ontzag weet te houden. Het was een lust
om te zien, hoe aardig ons poesje uren lang met het kluwgaren van zijn
meesteres of met den rotting of de handschoenen van den bezoeker wist te
spelen en welk een pret het vond in dergelijke vermaken: hoe het over
den schoorsteenmantel, tusschen al de flacons, kopjes en vaasjes door,
heen en weder liep, zonder iets aan te raken, laat staan te beschadigen;
het zoû de kunstenaren, die op eieren danst, beschaamd hebben gemaakt.
Men kon dus met een gerust geweten, en zonder beschuldigd te worden van
zich aan vleierij over te geven, met de lofspraken instemmen, welke
Mejuffrouw Stauffacher aan haar lieveling gaf, en ook gaarne had, dat
er door anderen aan gegeven werden. Ik zal hier nog bijvoegen, dat poes
geen legaat heeft gehad: de goede juffrouw wist wel, dat het, ook na
haar dood en zoo lang haar beide oude getrouwe dienstmaagden leefden,
aan niets gebrek zoû hebben.

Maar gij zult mij vragen, wat u dit alles aangaat, en waarom ik u uwen
tijd ontroof, door u over de kunstjes van de poes mijner oude vriendin
te onderhouden? Ik zal er u openhartig de reden van zeggen: het is mij,
uit hetgeen ik zoo dagelijks lees, genoegzaam gebleken, dat het door
alle schrijvers van naam en gezag als een vereischte wordt aangemerkt,
nimmer terstond plomp weg met de deur in huis te vallen: maar eerst
eenige omschrijving en inleiding te bezigen, bestemd om de
nieuwsgierigheid te prikkelen en voorts ongeveer dezelfde dienst te
doen, welke de pastijtjes en _croquettes_ bewijzen wanneer zij het
gebraad voorafgaan.

Het voorbeeld dier doorluchtige schrijvers wilde ik volgen, en u daarom
met Mejuffrouw Stauffacher en haar _alentours_ bekend maken, alvorens ik
er toe overging om u het onderhoud te verhalen, hetwelk ik eens met haar
had en waaraan dit geschrijf zijn oorsprong verschuldigd is.

Het was op een voorjaars-achtermiddag: ik had, gelijk ik meermalen deed,
wanneer beroepsbezigheden mij in de stad hielden, het middagmaal bij
haar genomen en zat, in afwachting der koffie, tegen-over haar voor het
open raam een pijp te rooken, waartoe zij mij altijd aanspoorde, er
bijvoegende, dat de tabakslucht zulke aangename herinneringen bij haar
opwekte, dewijl zij dan aan haar vader dacht, die kapitein bij het
Regiment Waldeck was geweest, en die zooveel van rooken hield, dat hij
de pijp zelfs niet uit den mond nam, wanneer hij een schoon hemd
aantrok. De oude Juffrouw zat over mij, de een weinig van de jicht
gezwollen voeten op een met groen baai overtrokken bankje houdende,
en knorde van tijd tot tijd op de nieuwerwetsche filtreerkannen en de
koffie, die niet lekken wilde. De kat was op de tafel gesprongen en
vermaakte zich met den sleutelbos, die aan het tinnen koffietrommeltje
hing: een uitspanning, welke zij nu en dan staakte om naar buiten te
zien en aan de vogeltjes, die den pereboom voor het raam op en af
vlogen, een blik toe te werpen, die zoo veel aanduidde, als dat, indien
zij het fatsoenshalve niet liet, zij wel eens jacht op hen zoude willen
maken.

Wij hadden een poos stilzwijgend over elkander gezeten, in die
aangename, rustige gemoedsgesteldheid, welke zoo bevorderlijk is aan de
goede spijsvertering, en waarin men, zonder de hersens met eenig bepaald
onderwerp te vermoeien, de schakel der gedachten volgt, die zich van
zelve ongezocht in het brein ontwikkelen. Ik _recapituleerde_ bij mij
zelven hetgeen zij mij aan den disch had verteld, betreffende de
misslagen en logens voorkomende in zekere onlangs uitgekomene
gedenkschriften, welke ik haar geleend had, en die mij in de gelegenheid
hadden gesteld, opnieuw haar zaakkennis en geheugen op te merken.

"Weet gij, wat mij verwondert?" zeide ik eindelijk, uit mijn mijmering
ontwakende.

"Wat?--Dat ik niet liever de koffie kook, gelijk ik vroeger placht te
doen, dan een filtreerkan te gebruiken?--Gij hebt volkomen gelijk."

"Neen, lieve vriendin! Ik heb niets betreffende uw koffie aan te merken,
die reeds zulke aangename geuren begint te verspreiden, dat, naar mijn
overtuiging, het plechtig oogenblik van inschenken niet ver meer
verwijderd kan zijn; maar ik wilde u mijn bevreemding te kennen geven,
dat iemand, die zooveel gezien en gehoord heeft, waarvan wij ons niet
dan door valsche of gedeeltelijke opgaven een denkbeeld kunnen maken,
die zulk een uitmuntend geheugen heeft, en de pen bovendien zoo goed
te hanteeren weet als gij, er nimmer aan gedacht heeft, zelve eens
gedenkschriften te schrijven."

"In waarheid, mijn beste P....! ik heb in mijn vroegere betrekkingen wel
wat anders te doen gehad als memoriën te schrijven: en op mijn jaren
betaamt het eer, dat men zich met de toekomst, dan met het verledene
bezig houde."

"Nu ja!--Maar nu doet gij zulk een grooten sprong. Zoo gij op uw
vijftigste jaar begonnen waart, zoudt gij ruim den tijd hebben gehad,
eenige boekdeelen te vullen."

"Hoor! ik heb nooit verlangd, mij een naam te maken: en al wat ik begeer
is, na mijn dood vergeten te worden."

"Foei! Gij weet te goed, dat er menschen genoeg zullen zijn, bij wie gij
in gezegend aandenken zult blijven: en het zoû u zelfs leed doen te
denken, dat die u vergeten konnen."

"Kom! kom! gekheid! Gij weet wel, dat ik het in dien zin niet meen; maar
wil ik u eens zeggen, waarom het dwaas in mij zoû geweest zijn, als
schrijfster op te treden?--Zoo als gij mij nu kent, houdt gij er van,
mij te hooren keuvelen en somtijds misschien wat doorslaan: en later
als ik dood ben, zult gij, vertrouw ik, wel eens aan de oude Juffrouw
denken, als aan iemand, die nog al wat van den ouden tijd wist te
vertellen; en mogelijk gebeurt het, dat gij nu en dan aan dezen of
genen, die verkeerd onderricht is; toevoegt, hoe Juffrouw Stauffacher,
die het wel wist, dat verhaalde; maar zoo ik gedenkschriften had
uitgegeven, dan ware ik niet langer de oude Juffrouw meer, die men op
haar woord geloofde, maar een schrijfster; die elk het recht zoude
hebben met aanmerkingen en kritieken op 't lijf te vallen.--Spreek mij
niet tegen," vervolgde zij, ziende, dat ik het hoofd schudde, als
iemand, die niet overtuigd is: "ik weet het beter:--en dit ware niet
alles; maar ik zoû geen genoeglijk uur meer met u of mijn andere goede
vrienden hebben. Thans mag ik u nog de eene of andere anecdote
vertellen, die gij tien of meermalen gehoord hebt; maar waar gij de
beleefdheid hebt naar te luisteren, als of zij u geheel nieuw
voorkwam;--maar stond die eens gedrukt, dan zoû ik immers den mond niet
meer durven opendoen om over oude zaken te praten, uit vrees, dat iemand
mij op mijn boterham zoû geven: "ja! dat hebben wij gelezen bladz. 58
van het Eerste Deel." Neen! neen! dat niet. En dan is er nog iets: ik
heb met heel wat rare potentaten en stoethaspels omgegaan, en hen in hun
dagelijks bedrijf gezien: en ofschoon ik er géén kwaad in zie, over hen
te praten, en het zelfs gaarne doe, zoo heb ik er nooit van gehouden,
om datgene publiek te maken, wat tot het private leven van personen
behoort. Het komt mij altoos voor, dat noch Necker, noch Delille, noch
Madame Du Deffant, zich in mijne tegenwoordigheid zoo zouden hebben
uitgelaten als zij deden, wanneer zij vermoed hadden, dat ik hunne
gezegden later openbaar zoude maken. Er is iets heiligs, naar mijn
oordeel, in een gemeenzaam onderhoud: en daarvan mag geen misbruik
gemaakt worden."

"Dat ben ik niet met u eens. Beroemde mannen behooren tot de
nakomelingschap, en zij zijn er zelfs over 't geheel mede gestreeld,
wanneer men aan hetgeen zij gezegd of gesproken hebben waarde genoeg
hecht om het bekend te maken: zelfs dan, als het hun niet tot eer
verstrekt. Zij hebben allen een weinig van de ijdelheid van Herostratus
weg, en wanneer men slechts van hen spreekt, kan het hun minder schelen,
hoe."

"Ieder heeft zijne inzichten; maar ik heb mij niet geroepen geacht, om
iets te doen, waar mijn gevoel tegen opkwam."

"Dan is het jammer, dat gij geen roman geschreven hebt, waar gij uw
kennissen met verandering van naam, tijd, enz. in te pas had gebracht."

"Mijn lieve P.! gij vergeet, dat die kleine bijzonderheden, die thans
aan u en anderen belangrijk voorkomen, omdat zij belangrijke personen
betreffen, of wel omdat ik er zelve in gemoeid ben, al haar aardigheid
zouden missen, indien zij betrekking hadden op onbekenden. Er zijn zeer
weinige zoogenaamde vernuftige gezegden, zeer weinige merkwaardige
voorvallen, die hun waarde niet grootendeels ontleenen aan de namen,
die er mede gemoeid zijn. Zoû iemand zich b.v. de moeite ooit getroost
hebben om de zoutelooze kwinkslagen op te teekenen of na te schrijven,
die men aan Cicero toekent, indien gij of ik die gezegd hadden?--En
echter vinden wij die in al de schoolboeken.

"Ik beken gaarne, dat gij dagelijks betere dingen voortbrengt, dan al
wat wij van dien aard in de klassieke oudheid aantreffen: en juist
daarom verbeeld ik mij, dat gij, gebruik makende van de bouwstoffen die
gij hebt, een zeer onderhoudend boek zoudt hebben kunnen schrijven.

"'t Is mogelijk: ik heb het nooit beproefd: en in allen gevalle weet ik
niet, of het mij gelukt zoû zijn langs den door u aangewezen weg. Want
het is niet genoeg steen en kalk te hebben, men moet ook de bekwaamheid
bezitten van die aan-een te voegen, indien men er een huis van wil
bouwen: en al heb ik nog zulk een voorraad anecdoten en grappen, ik
diende een lijst te hebben om die in te plaatsen; want gij zoudt toch
niet begeeren, dat ik een boek schreef alleen om de menschen aan 't
lachen te maken: en er diende toch wel een zekere zedeleer bij te
komen."

"Hm!" zeide ik, glimlachende: "die zedeleer van de romans!"

"Ja! ik weet wel, dat men daar tegenwoordig niet meer om geeft: en dat
althans de Fransche boeken van dien aard zijn, dat men zich bijna
schaamt, die gelezen te hebben; nu--voor mijn part, ik lees ze niet:
ik hou mij bij 't oude."

"Er valt zeker niet veel op te roemen" zeide ik, mij vermakende met de
drift, waarmede zij sprak: "maar," vervolgde ik, haar willende plagen
door een van haar lievelingsschrijvers aan te vallen: "daar is Fielding,
met wien gij nog al ophebt: die is dan toch ook niet bij uitstek kiesch
in zijn tooneelen."

"Dat weet ik wel, en ik zoû u ook niet zeggen, dat gij _Tom Jones_ aan
uw dochter ter lezing moest geven; maar indien gij beweert, dat het boek
geen goede zedeleer heeft, dan zeg ik, dat gij het nooit met aandacht
gelezen hebt. Indien Fielding zijn held nu en dan laat struikelen, en
daardoor in de noodzakelijkheid vervalt van beschrijvingen te geven,
waar sommigen zich aan ergeren, dan dient hij zijn lezer later het
tegengift voor, door hem de rampzalige gevolgen aan te toonen, die
onvermijdelijk uit het inwilligen onzer verkeerde neigingen ontstaan:
daarom acht ik het boek zoo hoog, omdat het bestendig strekkende is,
om de groote en nooit genoeg herhaalde waarheid te verkondigen, dat het
kwade altijd zijn meester loont."

"Ziedaar een waarheid, lieve Juffrouw! die zoo oudbakken is, dat men er
aan begint te twijfelen: en, rechtuit gezegd, ik behoor onder die
twijfelaars; want wordt niet door de stelling, dat deugd en misdrijf
beide reeds hier op aarde vergolden worden, de leer der vergelding hier
namaals merkelijk verzwakt?--En leert ons eene, misschien ook wat
oudbakken, ondervinding niet, dat de booze dikwijls, ongestoord, de
rijkste zegeningen geniet, terwijl de brave in armoede en ellende zucht
en met allerlei tegenspoeden te kampen heeft?"

"Tot op zekere hoogte geef ik dit toe; maar ik verzoek u, wel op te
letten, dat ik geenszins beweerd heb, dat het goede zoowel als het kwade
hier beneden beloond of gestraft wordt in den zin, dien gij er aan
hecht:--verre van dien: dat geschiedt eerst in een volgend leven; maar
alleen, dat elke daad, die wij verrichten, haar natuurlijke,
onvermijdelijke gevolgen met zich brengt, die somtijds, wel is waar,
geheel anders zijn, dan men die zich voorstelt; maar die niet-te-min
leerzaam zijn en blijven voor den opmerkzamen beschouwer. Het moge den
booze--want ik wil uw redeneering eens volgen; ofschoon ik anders niet
houde van die peremptoire manier om de menschen in twee deelen te
scheiden, goeden en slechten;--ik heb nooit zulk een volslagen schelm
gekend, of hij had ook zijn goede zijde: en de beste mensch
daar-en-tegen zondigt ook nog dagelijks--het moge, zoo als ik zeide, den
booze welgaan: hij moge zelfs de stem van het geweten smoren ('t geen ik
ook al met geloof, want daar is poes; die kan ik het altijd aanzien als
zij gesnoept heeft, aan de schuwe en verlegene houding die zij dan
aanneemt: en zoo poes een conscientie heeft, dan heeft een mensch er een
_à plus forte raison_); maar het gedane kwaad zal niet-te-min gevolgen
hebben, die hem, soms na jaren en op 't onverwachtst, voor 't aangezicht
zullen springen en lastige oogenblikken bezorgen. Met het goede, dat men
verricht, is het, of liever, schijnt het niet volkomen zoo gelegen;
maar, behalve dat zich bij het beste dat wij verrichten altijd iets
menschelijks paart, en wij eigentlijk niets wezentlijks goeds kunnen
uitrichten, maar altijd, als onnutte dienstknechten, zeer achterlijk
blijven, zoo leert ons de ondervinding, dat men het goede om zich zelf
moet doen en niet om het loon, dat er uit voortkomt, en dat miskenning,
ondankbaarheid, terugzetting, enz. er menigmalen de gevolgen van zijn.
Nog meer: men kan wel dadelijk bepalen, en men doet het ook genoeg,
welke daad verkeerd is geweest; maar evenmin als men de drijfveeren
kent, welke iemand tot zondigen aangezet hebben en hem tot verschoning
kunnen strekken, evenmin kan men beöordeelen, of de ogenschijnlijk goede
daden altijd even zuiver in haar oorsprong zijn: en of die zoogenaamde
lijdende deugd haar tegenspoeden niet veelal aan zich zelve te wijten
heeft. Ik voor mij geloof niet aan die heel brave lieden, die tevens zoo
heel ellendig zijn: wanneer men hun geschiedenis wel kende, zoû men
dikwijls vinden dat de rampen, waarmede zij te worstelen hebben, haar
oorsprong hebben, in verkeerde, en vooral in domme streken, vroeger
gepleegd."

"Ik ben het in vele opzichten met u eens; maar ik bid u, zeg het niet
overluid; want wat werd er van het medelijden en van de liefdadigheid,
indien men zich gerechtigd achtte, elken behoeftige toe te voegen, dat
hij door eigen schuld ongelukkig ware?"

"Wel! mij dunkt, dat hij daardoor juist een dubbele aanspraak op ons
medelijden heeft."

"Ja; maar daar heeft hij weinig aan, zoo er de liefdadigheid niet bij
komt; doch--om tot ons onderwerp terug te keeren. Gij zoudt dus denken,
dat wanneer men haarklein iemands geschiedenis wist, men de bron der
wederwaardigheden, die hem treffen, altijd daarin zoû kunnen
terugvinden, even als men op een landkaart den oorsprong eener rivier
kan opsporen."

"Hou wat, gij keert mijn stelling om: en dat is mis. Even als de
oorsprong, dien gij zoekt, soms buiten de kaart gelegen zijn, even-zoo
kan de aanleiding van een ramp, die ons treft, van buiten komen; maar
ik heb beweerd, dat elke daad, die wij verrichten, tot de minste
onvoorzichtigheid toe, ons of onmiddellijk, of later, opbreekt, en dat
elke levensgeschiedenis, mids naar waarheid geschreven, ons daarvan
getuigenis geven zoude."

"Nu! ik zoû gaarne een zoodanige geschiedenis zien."

"Ik zoû gemakkelijk aan uw verlangen kunnen voldoen: wilt gij de
goedheid hebben, even aan de schel te trekken."

De meid kwam. "Fremmetje!" zeide Mejuffrouw Stauffacher, haar den
Sleutelring gevende: "ga eens op de boven-achterkamer. In de tweede kast
van het raam af, op de vijfde plank van onderen af, ligt een pakket, met
rood band omwonden: haal mij dat eens hier: maar denk er aan, de knippen
te sluiten, als gij de kast weer dicht-doet: en neem het koffiegoed maar
weg: Mijn Heer drinkt toch niet meer."

"Ziehier," vervolgde zij, toen zij het gevraagde uit de handen der
dienstmaagd bekomen had, "de geschiedenis, waar ik u van sprak. Hij, die
de hoofdpersoon er van uitmaakt, beging een kleine, zeer verschoonbare
onvoorzichtigheid, die voor hem een bron was van verdrietelijkheden en
ongenoegen: anderen, daarin voorkomende, begingen grootere dwaasheden;
en ook zij moesten er de gevolgen van dragen."

"En--de geschiedenis van de geschiedenis?"

"Gij weet, dat ik vroegere jaren eenigen tijd bij de familie A. als
gouvernante heb doorgebracht. Wij zagen dikwijls den Heer X., die aan
het hoofd stond van een bloeiend huis van negotie. Hij was daarbij een
groot minnaar en voorstander der letterkunde en hield er veel van, met
mij over de daartoe betrekkelijke onderwerpen te redeneeren. Eens dat
wij van romans spraken en ik mij ergerde over het onwaarschijnlijke der
meeste voorvallen, die ons in dat slag van werken worden opgedischt:
"_où trouvera-t-on le romanesque, si ce n'est dans les romans_," vroeg
hij lachende. "Ja!" zeide ik: "dat is even als de boef, die vroeg, waar
de valsche eeden toe dienden, als men ze niet gebruiken mocht?"--"Maar,"
vervolgde hij: "ik beweer, dat vele dingen, die ons in het dagelijksch
leven gebeuren, zoo vreemd, toevallig of zonderbaar zijn, dat zij, in
een roman vermeld, met den naam van onwaarschijnlijkheden zouden
bestempeld worden."

"_Le vrai peut quelquefois n'être pas vraisemblable_," zeide ik, maar
voegde er bij, dat het niet om een enkele onwaarschijnlijkheid, maar om
de opeenstapeling van onwaarschijnlijkheden was, dat ik de meeste romans
veroordeelde. "Nu!" zeide hij: "zoo ik op uw discretie staat kon maken,
zoû ik u een handschrift kunnen doen zien, eenige voorvallen behelzende,
die mijn eigen grootvader zijn overkomen, en waarin zoovele
toevalligheden en vreemde ontmoetingen voorkomen, als men die naauwlijks
in een roman zoû aantreffen."--Ik betuigde hem mijn verlangen om dat
handschrift te lezen: hij voldeed aan mijn wensen, en ik moest hem, na
de lezing, toestemmen, dat hij de waarheid gesproken had. Ik verzocht
hem afschrift er van te mogen nemen. "Daar heb ik niet tegen," zeide
hij: "op voorwaarde, dat gij het aan niemand laat lezen, althans in de
eerste veertig jaren niet; want er zijn te veel personen in gemoeid,
wier kinderen of kleinkinderen nog leven. Wat later gebeurt, kan mij
niet schelen: al wil men het uitgeven; want dan zullen de daarin
voorkomende portretten wel niet meer dan antiquiteiten zijn."

"Ik beloofde zulks en deed nog meer: ik veranderde al de namen, ten
einde niemand, die bij toeval het stuk in handen kreeg, zoû weten of het
waar, dan wel verzonnen ware. Nu zijn die veertig jaren om, en ik wil
niet, dat men het na mijn dood onder mijne papieren vinde: men mocht
eens denken, dat het eigen compositie ware. Neem het dus en handel er
meê naar welgevallen."

Ik aanvaardde met gretigheid het aangeboden geschenk, en las het, zoodra
ik te huis was, met belangstelling. Of echter de veranderingen, welke
het oorspronkelijke heeft ondergaan, zich alleen tot de namen bepaald
hebben, en of Mejuffrouw Stauffacher er niet hier en daar een weinig uit
haar eigen brein heeft tusschen gevoegd, wil ik niet beslissen. Het
laatste meen ik vooral daarom te moeten gelooven, omdat, schoon haar
naauwgezetheid zooverre is gegaan, dat zij alle jaartallen en _data_
heeft weggelaten, er hier en daar, bij toespelingen op bekende
gebeurtenissen, bij het schetsen van sommige zeden, gebruiken,
kleederdrachten enz., ja bij het doen van enkele aanhalingen, het een
of ander voorkomt, dat mij toescheen niet tot het tijdvak, waarin het
verhaalde voorvalt, maar iets vroeger of iets later te huis te behooren.
Ik had echter geene gelegenheid Mejuffrouw Stauffacher deswege nader te
onderhouden; daar ik haar niet weder alleen aantrof, en zij kort daarop,
tot bittere droefheid van haar vrienden, tot een beter leven werd
opgeroepen.

Ik was het geheele Handschrift vergeten, toen het mij, dezer dagen, bij
het opruimen van oude papieren onder de oogen kwam. Bij de herlezing
scheen het mij toe, dat wellicht diezelfde vreemde avonturen, met welker
lezing ik mij vermaakt had, ook bij anderen eenig belang zouden kunnen
wekken, en dat, na verloop van zoo vele jaren, geene zwarigheid meer
bestond, om de geschiedenis van den Heer Ferdinand Huyck (gelijk hij
door Mejuffrouw Stauffacher herdoopt is), wereldkundig te maken. Daar uw
naam echter meer dan de mijne in de letterkundige wereld bekend is, wend
ik mij tot u, met de vraag of gij de peetschap over het papieren kind
wilt op u nemen, overtuigd dat enz....

                                                        Uw vriend
                                                            P.

       *       *       *       *       *

Dat ik aan het verlangen van mijn vriend voldeed, blijkt uit de
navolgende bladzijden. Ik beken echter, dat ik niet zoo volkomen gerust
ben omtrent de echtheid van het werk, als mijn vriend schijnt te zijn.
Ook heb ik Mejuffrouw Stauffacher niet zoo van nabij gekend als hij, en
durf dus niet beslissen, of haar waarheidsliefde zooverre ging, dat zij
nooit knollen voor citroenen verkocht: en somtijds rijst bij mij het
vermoeden op, of zij, ondanks haar betuigingen van het tegendeel, niet
eens in haar leven tot de verzoeking vervallen is van een roman te
schrijven en, hoewel huiverig om dien bij haar leven uit te geven,
echter heeft willen zorgen, dat hij na haar dood het licht zage. Wat
hiervan zij, ik geef het boek zoo als ik het ontvangen heb: en heb er
niets aan veranderd, zelfs de spelling niet; waaromtrent ik moet doen
opmerken, dat Mejuffrouw Stauffacher overal de klanklooze _e_ achter het
onbepalend lidwoord en veelal ook achter de _possessiva_ weglaat, tenzij
wanneer het eerste een telwoord wordt of wanneer de laatsten bijzonderen
nadruk vereischen. Zij schreef misschien niet volgens vaste regelen;
misschien meer dan zij zelve wist; maar zij volgde in allen gevalle haar
gehoor: en, voor zooverre men schrijven moet gelijk men spreekt, geef ik
haar daarin geen ongelijk.

                                                DE   UITGEVER.



       *       *       *       *       *



EERSTE HOOFDSTUK.

WAARIN, ONDER MEER ANDERE WETENSWAARDIGE ZAKEN, HET PORTRET VAN DEN HELD
DEZER GESCHIEDENIS GEVONDEN WORDT.


Dikwijls, mijn kinderen! wanneer wij na afloop van den avond-disch een
naauwer kring om den haard sloten, en ik nog een laatste pijp stopte,
terwijl uw lieve grootmoeder, half wakend, half slapend, nieuwe hieltjes
aan de versletene kousjes der kleintjes breide, en een van u mij met een
vleiende stem toeriep: "och, grootvader! vertel ons nog eens wat van den
Carnaval te Venetiën, of van den Landgraaf van Hessen, of van de
Frankforter mis!" heb ik aan uw nieuwsgierigheid voldaan en u eenige der
belangrijkste episoden verteld van die reis, welke ik als jongeling door
Duitschland en Italiën deed: ja, zoo menigmalen hebt gij naar het
gepraat van den ouden man geluisterd, dat gij op het laatst mijn
ontmoetingen en wederwaardigheden zoo goed en beter kendet dan ik zelf,
en vaak, wanneer mijn door ouderdom eenigszins verzwakt geheugen te kort
schoot, mij de kleine bijzonderheden herinnerdet, welke tot aanvulling
mijns verhaals moesten strekken. Nimmer echter heeft een uwer mij
ondervraagd betreffende hetgeen mij na mijn terugkomst van die reize
overkomen is; waarschijnlijk omdat gij, wetende hoe kalm en gerust ik,
sedert mijn huwelijk, de dagen mijns levens in den schoot mijns
huisgezins gesleten heb, verondersteldet, dat ik, te huis komende, zoo
maar dadelijk een vrouw en een aanzienlijk vermogen gevonden had, en dat
geene zorg noch wederwaardigheid die dagen van kalmte was voorafgegaan.
Intusschen bedriegt gij u zeer: en het tijdvak, dat onmiddellijk op mijn
reis volgde, was het gewichtigste en, in zijn bijzonderheden, het
belangrijkste mijns levens. Dat ik er tot heden nimmer over gesproken
heb, en ik ook thans, in plaats van u de voorvallen, die daarin plaats
vonden, bij monde mede te deelen, die in geschrifte stel, ten einde gij
die na mijn dood zoudt kunnen te weten komen, moet gij niet aan een
dwaze gril toeschrijven: ik had daar een gezonde reden toe. De
gebeurtenissen, waarbij mij de omstandigheden een werkzame rol deden
spelen of wier invloed zoo krachtdadig op mijn volgenden levensloop
werkte, waren van dien aard, dat zij deels uw jeugdig verstand te boven
gingen, deels voor uw grootmoeder te droevige herinneringen opwekten:
ja, ik zou die geheel aan de vergetelheid opgeofferd hebben, ware het
niet, dat gij, naar ik mij voorstelde, bij het vorderen in jaren,
daaruit nutte les en leering zoudt kunnen trekken. Ik heb derhalve mijn
herinneringen, zooveel in mij was, bijeenverzameld, ten einde niets te
vergeten van hetgene in verband staat met de lotgevallen, welke de
navolgende bladen zullen behelzen. Ofschoon ik voor u schreef, en u
steeds gedurende mijn arbeid voor oogen had, heb ik, ter vermijding der
verwarring, welke door het gebruik der tweede persoon zoo licht ontstaan
kon in een verhaal, waarin zoovele samenspraken zijn ingelascht, dat
verhaal zoodanig ingericht, als schreef ik voor dat groote publiek,
jegens hetwelk men, uit eerbied, altijd de derde persoon moet bezigen,
en welks welwillendheid ik, (die niet weet hoe het t' avond of morgen
dit geschrijf onder de oogen krijgen kan) bij dezen inroep.

       *       *       *       *       *

Het was in den zomer van het jaar 17.., dat ik, na een afwezigheid van
twee jaren, den vaderlandschen grond weder betrad. Een oudoom van mij,
die te Leiden woonde, bij wien ik, gedurende mijn academiejaren,
dagelijks aan huis verkeerde, en die voor het einde mijner studiën
overleed, had mij een vrij aardig sommetje gelegateerd, onder
voorwaarde, dat ik daarvoor een reis naar Italiën zoude doen, iets
hetwelk bij bij zijn leven altijd hoogstnoodzakelijk placht te stellen
om de jeugd te vormen. Hij zelf was nooit verder dan den Haag geweest en
zeide altijd, dat het hem speet; ofschoon ik de reden nog niet begrijp,
welke hem, die ongehuwd en onafhankelijk was, heeft kunnen terughouden
van datgene te doen, wat hij anderen aanprees.

Verschillende oorzaken hadden medegewerkt om mij langer te doen
uitblijven, dan ik oorspronkelijk van meening geweest was, en onder die
oorzaken waren de navolgende de voornaamsten. Tusschen het handelshuis
van Bempden van Baaien en Co. te Amsterdam en een ander huis te Livorno,
hadden, sedert een geruimen tijd, over een netelige handelsquaestie,
briefwisselingen bestaan, welke tot geen beslissing leidden. Daar nu een
mijner Tantes in het eerstgenoemde Huis een groot gedeelte van haar
vermogen had zitten, schreef zij mij, of ik ook kans zou zien, de zaak
gedurende mijn verblijf in Italiën in het effen te brengen. Ik had, hij
geluk, juist kennis gemaakt met een der deelgenooten der Livornoosche
firma en, bij nog grooter geluk, zijn gunst en vertrouwen gewonnen;
zoodat ik, minder ten gevolge mijner bekwaamheden als gevolmachtigde,
dan omdat ik met een rekkelijk man te doen had, die rede wist te
verstaan, volkomen mocht slagen in het ter stand brengen eener
schikking, waarmede beide partijen tevreden waren.--Hiermede echter
was, hoe vlot het ook ging, toch altijd een vrij lange tijd verloopen.

Mij een paar maanden later te Napels bevindende, ontmoette ik den Jonker
van Ypendael, een hoogst beminnelijk jongeling, die, even als ik, voor
zijn genoegen reisde en wiens kennismaking mij ten uiterste welkom was.
Wij vormden het besluit, onze reis gezamentlijk voor te zetten. In
Siciliën overviel hem een kwaadaardige ziekte, welke van langen duur
werd en waaruit hij slechts langzaam herstelde. Het spreekt van zelf
dat ik mijn vriend en reisgenoot niet verliet en hem, zoo trouw ik kon,
oppaste en verzorgde; maar dit onvoorziene toeval vertraagde mijn
terugkomst opnieuw.

Des te zoeter was, na een zoolang uitblijven, ons beider gevoel, toen
wij voor het eerst weder, over Munsterland teruggekeerd, de moedertaal,
al was het dan ook met den Overijselschen tongval, hoorden spreken; en
met aandoening was ik een dag later getuige van de heuglijke vereeniging
mijns reisgenoots met zijn familie, die een Ridderhofstad aan gene zijde
van Amersfoort bewoonde. Ondanks mijn vrij natuurlijke begeerte om mijn
weg zonder oponthoud te vervolgen, ten einde hetzelfde geluk te smaken,
dat mijn vriend was te beurt gevallen, kon ik zijn dringend aanzoek niet
weêrstaan, om nog dien dag met hem te blijven doorbrengen en deel te
nemen in het vrolijke familiefeest, waarop zijn behouden terugkomst
gevierd werd en hetwelk volgens de uitdrukking der blijde ouders, niet
volkomen zou zijn, indien de reisgenoot van hun zoon er aan ontbrak en
zij de gelegenheid moesten missen om mij te bedanken voor de trouwe
verzorging van hun Eduard. Ik kan niet anders zeggen of,
niettegenstaande mijn gedachten meestal te Amsterdam waren, ik deed eer
aan het maal en vergastte mij recht op de zoo lang ontbeerde
dorperwtjes, op het heerlijk rundvleesch en de geurige fruit, die mij
werden toegediend; want welke voordeelen ook de Hoogduitsche keuken moge
hebben, ik gaf toch aan den Hollandschen pot de voorkeur en groette
elken mondvol, dien ik nam, met hetzelfde vermaak, waarmede ik een lang
gemisten vriend de hand zou gedrukt hebben.

"Kom, nog een glas borgonje!" riep mij de oude, dikke landedelman toe,
terwijl zijn bolle wangen gloeiden van het geluk dat hem de wederkomst
van zijn zoon verschafte, en van de herhaalde offers, aan Bacchus
gebracht: "Deze wijn kan u geen kwaad: hij is van het echte merk en niet
van die zure clairetwijnen, waar men in mijn jongen tijd niets van af
wist, en waarmede men ons nu in de kleêren wil steken. Kom, mijn jongen!
de gezondheid van uw vader! Lang moge hij leven, tot heil van Amstels
burgerij, en tot handhaving der goede Justitie!"

"Van harte gaarne!" zeide de oudste broeder mijns vriends, zijn glas
vullende: "en dat hij er spoedig in moge slagen, dien gevreesden Zwarten
Piet meester te worden, die, gelijk men zegt, de verstrooide bende van
wijlen Jaco heeft vereenigt en er het Sticht mede afloopt.

"Wel zoo!" zeide lachende Eduard, "wilt gij die eer aan onze Stichtsche
Baljuwen niet gunnen? Is dat nu een wensch voor den erfgenaam eener
Heerlijkheid, welke het recht van hooge en lage jurisdictie bezit?--maar
genoeg daarvan: Moeder schudt het hoofd en Leentje wordt bleek, wanneer
wij zoo van dieven spreken. Ik laat den Hoofdschout daar, Ferdinand! en
drink de gezondheid uws vaders."

"En dezen dronk," vervolgde de Baron, zijn geledigd glas weder vullende,
"wijde ik uwer brave moeder!"

Het was reeds de derde reis, dat de goede man al de leden mijner familie
met zijn toasten (gelijk men die thans noemt) was rondgegaan: en ik
begon te vreezen, dat de gezondheid van de mijnen mij nog ziek zoude
maken: ik verzocht dus, zoodra ik mijn glas geledigd had, om verlof, van
mij naar mijn kamer te mogen begeven, tot verschooning bijbrengende, dat
ik den volgenden dag, wilde ik nog met den avond te huis zijn,
vroegtijdig vertrekken moest.

"Het blijft dan uw vast besluit ons morgen te verlaten?" vroeg de oude
Heer.

"UEd. kan zelve beöordeelen, of ik mijn vertrek langer mag uitstellen."

"De jonge heer heeft gelijk," zeide mevrouw van Ypendael: "en hoe gaarne
wij langer zijn gezelschap zouden willen genieten, mogen wij hem echter
niet tegen zijn zin hier houden; daar wij aan ons eigen hart kunnen
gevoelen, hoezeer zijn familie naar zijn terugkomst verlangen moet. Wij
zonden het ook niet aardig gevonden hebben, indien men onzen Eduard
langer van huis gehouden had."--Met deze woorden drukte zij de hand van
haar teruggekeerden lieveling.

"Gij hebt wel gelijk, moeder!" zeide deze, haar omhelzende: "ik vind mij
nu zoo gelukkig: en zou ik dan mijn vriend beletten, dat zelfde geluk
zoo spoedig mogelijk te smaken?"

"En hoe denkt gij de reis te doen?" vroeg mij de Baron.

"Mijn voornemen is, te voet tot Naarden, en verder per schuit te gaan."

"Te voet!" zeide de oude Heer, lachende: "gij zijt, dunkt mij, ook van
de leer: haast u langzaam. Verbruid! ware ik in uwe plaats, en de zoon
van een rijken Amsterdammer, ik nam te Amersfoort een wagentje bij Jan
Stoffelsz, die rijdt flinke paarden: en dan: voort koetsier! den zweep
er over gelegd en dubbel drinkgeld zoo gij dubbelen spoed maakt."

"Ik geloof," merkte glimlachende de oudste zoon aan, "dat onze vriend
Ferdinand een kleine huichelaar is, en als een apostel bij zijn vader
te huis wil komen, om hem te doen denken dat hij op zijn gansche reis
altoos zoo zuinig op zijn _équipage_ geweest is."

Ik glimlachte en zweeg; want ik achtte het onnoodig, de ware reden
mijner handelwijze bloot te leggen, namelijk dat ik geen geld genoeg
meer bij mij had, om de onkosten van een rijtuig te dragen; want van den
laatsten mij gezonden wissel op Munster had ik geen gebruik gemaakt, in
den waan, dat hetgeen ik nog aan contanten overig had, toereikende zoude
zijn om mij tot Amsterdam te brengen. Het bleek mij echter dat ik mij
verrekend had; maar ik was nu te trotsch of te beschroomd om geld van
mijn gastheer ter leen te vragen, en evenmin wilde ik een rijtuig op
crediet nemen en bij mijn thuiskomst beginnen met mijn vader te
verzoeken, het rijtuig te betalen: iets, dat hem voorzeker slechte
denkbeelden van mijn wijze van huishouden zou hebben ingeboezemd; want
hij was geen vriend van onnutte geldverteringen; en ofschoon ik geloof,
dat hij bij deze gelegenheid de kosten van een rijtuig zou verschoond
hebben, wilde ik echter geen gevaar loopen van een vermaning. Bovendien
kende ik den zandigen weg van Amersfoort tot Naarden; en ondanks den
lof, door den Heer van Ypendael aan de paarden van Jan Stoffelsz
gegeven, wist ik zeer wel, dat wij de grootste helft stappende zouden
afleggen, en dat ik te voet omtrent even spoedig, en zeker op een veel
aangenamer wijze, mijn doel bereiken zou.

"Nu," zeide de Baron: "een mensch zijn zin, een mensch zijn leven;
--maar het eind is toch wat ver om geheel te loopen: wij zullen u van
hier naar Amersfoort laten brengen!... ik denk dat Eduard zich daarmede
wel zal willen belasten, zoo ik er hem vriendelijk om verzoek."

Dit aanbod was te heusch om afgeslagen te worden. Na het drinken van een
afscheidsdronk, en nog, tot slotte, van een glas cognacq, hetwelk de
Heer van Ypendael zijn slaapmutsje noemde, werd het mij vergund den
aftocht te blazen.

Den volgenden morgen te vijf ure, terwijl het geheele huisgezin nog in
de armen der rust lag gedompeld, zat ik reeds met Eduard in een
wagentje, met twee vlugge hitten bespannen, die ons met een prijselijken
spoed naar Amersfoort brachten. Na elkanderen herhaalde reizen
gezondheid te hebben toegewenscht en onder belofte van briefwisseling,
namen wij afscheid: hij keerde met zijn voertuig terug, in de hoop van
de familie aan het ontbijt te vinden, en ik zette eenzaam mijn weg voort
tusschen de bevallige bosschaadjen, aan weêrskanten van den weg gelegen.

Het was een heerlijke morgen; ja zelfs, voor een voetganger, al te fraai
weêr. Er was weinig of geen wind: de lucht begon, naarmate het verder op
den dag werd, meer heet en drukkend te worden, en was met die soort van
spakerige nevelachtigheid bezwaard, welke niet zelden het voorteeken is
van een verandering in den dampkring. Ten noordwesten stapelden zich
dikke wolken op elkander, en eenige zeevogels, die krijschende
rondzwierden, schenen zoovele boden, uitgezonden om zwaar weêr aan den
landbouwer te verkondigen. De zon was bloedrood, en haar stralen,
stekend als breinaalden, hadden het zand van het rulle voetpad als in
gloeiende asch herschapen. Groote zweetdruppels biggelden tappelings
langs mijn wangen af, en, wanneer ik het oog op de verwijderde buien
vestigde, zag ik met welgevallen den regen te gemoet, die de dorstige
aarde laven en mijn pad wat gemakkelijker maken zoude. In afwachting
daarvan, stapte ik echter rustig voorwaarts, en ik geloof zonder
ijdelheid te kunnen zeggen, dat ieder landman, die mij met een vasten en
gelijken tred zijn hoeve zag voorbijgaan, wel dadelijk bespeuren kon,
dat een voetreis geen ongewone zaak voor mij was, en dat ik niet tegen
de ongemakken opzag, die haar gemeenlijk vergezellen. Ik vergat dan ook
de moeielijkheden van den weg, zoo dikwijls ik herdacht, dat elke stap,
dien ik nederzette, mij nader bracht bij de voorwerpen mijner
kinderlijke liefde, bij mijn welbeminde broeders en zusters, bij de
vrienden mijner kindsheid en bij dat dierbare Amsterdam, hetwelk ik in
zulk een geruimen tijd niet aanschouwd had. Aangename gedachten brengen
bij den onbedorven mensch altijd welwillendheid voort: ik althans voelde
mij hoe langer hoe meer gestemd om alles, wat mij ontmoette of
bejegende, met hartelijkheid te behandelen: ik had een blijden groet
over voor elken boer of daglooner, die langs den weg zijn zomerarbeid
verrichtte, een paar duiten voor ieder kind, dat op de bloote voeten
voor mij uitliep en over de greppen duikelde om mijn liefdadigheid op te
wekken, en een scherts voor het frissche landmeisje, dat mij tegenkwam
en soms nog, lang nadat ik voorbij was, het hoofd omwendde, met dien
half verwonderden, half spottenden lach, welken alle eenigszins vreemde
kleederdacht bij onze landgenooten gewoonlijk verwekt. En in de daad, ik
moet bekennen dat mijn uiterlijke tooi niet van dien aard was, dat ik er
hoog op roemen kon, en in het oog van de zoodanigen, die alleen naar het
gewaad de lieden beöordeelen, zeer moest afsteken tegen de nette en
zwierige kleedij der stedelingen van dien tijd: ja, dat ik bij de eerste
beschouwing veel had van een eenvoudigen marskramer. De stoffaadje van
mijn gewaad was fijn, maar helaas! door lang gebruik zoodanig versleten,
dat niets van hetgeen ik droeg de blijken toonde van ooit nieuw te zijn
geweest. Mijn hoed, op zijn Spaansch, met breede slappe randen voorzien,
die mij ten zonnescherm strekten, was van leder, dat eenmaal zwart
geweest was, maar door zon en regen met een roze-roode kleur begiftigd
geworden, en hier en daar met enkele bruine en gele vlekken getijgerd.
Mijn rok, van uitlandsch fatsoen en zonder eenig galon of borduursel,
had insgelijks van den invloed der luchtgesteldheid geleden, en droeg
bovendien de kenmerken van lange en trouwe diensten; want menige knoop
had zijn post verlaten: en aan de ellebogen en opslagen zag men kale
plekken van een geheel andere kleur dan die, welke den grond der
stoffaadje uitmaakte. Het kamizool, dat van witte zijde was, met groene
vlaszijde geborduurd, had volkomen het aanzien, als ware het van een
verkooping op de Noordermarkt afkomstig; maar daaronder blonk hetgeen ik
altijd gewoon ben geweest als het echte kenmerk eens beschaafden mans te
beschouwen, namelijk het heldere hemdslinnen dat, dank zij mijn moeder,
die het uit twintig stukken uitgezocht had, zoo fijn was, als men ergens
bekomen kon, en zoo blank, als het stuivende stof toeliet, dat reeds
mijn witte kousen en hooge schoenen bedekt had met die roodaardige
kleur, welke aan het zand in die streken eigen is.

Een plunje als de mijne was niet geschikt om eenigen struikrover in
verzoeking te brengen: ik had dan ook de pistolen en den degen, die mij
op onze uitstapjes in Duitschland trouw vergezelden, bij mijn bagaadje
gelaten, welke met den bolderwagen van Deventer op Naarden reisde, en
meende tegen de gevaren, die ik van Amersfoort tot Naarden te vreezen
mocht hebben, en waaronder ik de ontmoeting van een dollen hond als de
ergste rekende, genoegzaam beveiligd te zijn door den kneppel, dien ik
over den rechterschouder droeg en waar aan een pakje bungelde, bestaande
uit mijn nachtgoed en eenige andere onontbeerlijke benoodigdheden, in
een bonten doek te zamen geknoopt.

Ik sta met opzet bij deze bijzonderheden stil, die wellicht onbeduidend
zullen schijnen; maar die mij toch voorkwamen vermeld te moeten worden,
tot beter verstand van hetgeen verder volgen zal. Ik durf er (want op
mijn leeftijd kan het aan geen ijdelheid worden geweten) nog dit
bijvoegen, dat, zoo mijn uitlandsche en sobere opschik aan de meisjes
een lach afdwong, het mij somtijds toescheen, als of mijn persoon zelve
haar anders niet mishaagde: ik was groot en sterk van gestalte: mijn
kloeke lichaamsbouw gaf mij, ofschoon ik werkelijk jonger ware, het
voorkomen van reeds boven de vijf-en-twintig jaren te zijn; mijn gelaat,
ofschoon geroost door den invloed van zon en lucht, prijkte met den
frisschen blos van jeugd en gezondheid: mijn tanden, die ik tot heden
toe goed bewaard heb, hadden toen bovendien het voorrecht, van blank en
welgeplaatst te zijn: en, naar de getuigenis van anderen, waren mijn
lichtbruine oogen geheel niet van levendigheid ontbloot en
onderscheidden zich ten minste door een niet onaangename uitdrukking van
goeden luim en welwillendheid. Wat mijn haren betreft, zij waren blond,
en ofschoon helaas! bestemd om bij mijn komst te Amsterdam door de
schaar des kappers te worden afgemaaid, en voor een gekrulde paruik
plaats te maken, zij golfden nog op dien ochtend in hun natuurlijken
staat over mijn schouders en deden mij konnen als een onverbasterden
afstammeling van het echte Noordsche ras.

Ik stapte dan, gelijk ik gezegd heb, vroolijk vooruit, met de vrij
zekere overtuiging van tijdig genoeg binnen Naarden te zullen komen,
om met de laatste schuit van daar naar Amsterdam te kunnen vertrekken.
Immers het was vroeg in den morgen, en de afstand naar genoemde vesting
was zoo groot niet, of ik kon dien op mijn gemak afleggen, zelfs al
dwong mij een regenbui, of vermoeidheid, of honger, hier en daar
onderweg een uurtje te vertoeven.

Wat de laatste der drie genoemde redenen van oponthoud betreft, deze
begon zich alreeds bij mij te doen gevoelen. Ik had bij mijn vertrek
van de Ridderhofstad niets gebruikt, omdat het mij nog te vroeg was,
en te Amersfoort had ik mij vergenoegd, een hartsversterking tegen de
morgenlucht te nemen. Het was dus niet zonder eenig innig genoegen, dat
ik de torenspits van Zoest in het vizier kreeg, en dadelijk was mijn
besluit genomen, om in dat dorp een oogenblik uit te rusten en eenige
verversching te gebruiken.

Weldra vergunde mij een bocht, welke de weg daar ter plaatse maakt,
om het geheele lichaam der kerk te zien, en mij te verlustigen in den
aanblik van het lachende en bevallige schouwspel, dat zij vooral van
dien kant oplevert. Oogverblindend stak de grijze en eerwaardige
vierkante toren, met zijn hooge spits, door het schelle licht der
morgenzon beschenen, tegen de donkere lucht daar achter af, en tegen
de groene hoornen, die het gebouw omringden; terwijl de heuvelachtige
grond, die mij nog van het dorp scheidde, met goudgeel koren of
sneeuwwitte boekweit bedekt, niet weinig toebracht om de bekoorlijkheden
van dit landgezicht te vermeerderen. Ik was nimmer een enthusiast; maar
de aanblik der schoone, eenvoudige natuur heeft altijd een diepen indruk
op mij gemaakt en thans ook gevoelde ik mij getroffen, zonder zelf te
weten waarom: ik geraakte in een stille, eerbiedige stemming en ik
wischte mij een traan uit het oog, toen ik het dorp binnentrad.

Deze gemoedsgesteldheid was echter spoedig geweken, toen ik de
voornaamste herberg in het oog kreeg: deze bevond zich op den hoek van
een driesprong, welke de hoofdstraat met een zijweg vormt, en was
kenbaar aan een vooruitstekend uithangbord van ijzer, rijkelijk met
krul- en snijwerk voorzien, en tot leuze een geschilderden zwaan
voerende, met het gebruikelijk onderschrift: _vrij wijn en meê_. Eenige
krebben, die tegenover den ingang stonden, en een houten stalling, die
naast het huis was opgeslagen, gaven bovendien te kennen, dat men hier
zoowel te voet als te paard welkom was en verversching bekomen kon. Ook
zag ik in de daad een niet gering aantal boerewagens en karren
uitgespannen op het plein staan, terwijl een magere oude knol bezig was
zijn honger te stillen met het frissche gras, dat hem in eene der
voorgezette krebben werd toegediend. Genoemd dier was gespannen voor een
ouderwetsche koetskar, met linnen huif, tegen welk voertuig een groot
manspersoon aanleunde, wiens gelaat van mij was afgewend en bovendien
overschaduwd door een hoed met afhangende randen, die eenige
familietrekken had met den mijnen. Een lange roode mantel met opstaanden
kraag dekte zijn ledematen en schitterde in de zon, gelijk een vurige
oven. Hij scheen zachtjes te praten met iemand die zich binnen in de kar
bevond, maar dien ik niet zien kon, vermids ik het rijtuig van achteren
naderde. Voor 't overige kan ik niet zeggen, dat ik er zeer nieuwsgierig
naar was, daar mijn gedachten voor het oogenblik meer bezig waren met
het ontbijt, hetwelk ik mij had voorgesteld _binnen_ de herberg te
gebruiken, dan met den reiziger, die zich daar _voor_ bevond, en ik
verwaardigde dezen dan ook met niet meer dan een oppervlakkigen blik,
terwijl ik mij haastte de hand aan de klink van de deur te slaan, en de
herberg binnen te treden.


       *       *       *       *       *


TWEEDE HOOFDSTUK.

WAARIN MEN LEZEN ZAL, WAT IN EN VOOR DE HERBERG TE ZOEST VOORVIEL.


Ik vond hier meer personen bijeen, dan ik reden had op dat uur van den
dag te verwachten. Immers, de kerkklok had slechts even negen geslagen
en er moest dus een bijzondere reden bestaan, welke de in de herberg
aanwezige lieden derwaarts had gelokt op een tijdstip, dat men hen
veeleer aan hun arbeid zou verwacht hebben. Het was dus natuurlijk dat
ik, na een algemeenen "goeden morgen samen!" in 't rond gewenscht te
hebben, naar de toonbank stapte en aan de aldaar post houdende dochter
des huizes (een frissche, knappe deerne van ongeveer twintig jaren, die
blijkbaar in haar zondagspak was uitgedost, met zilveren oorijzers en
een halssnoer van dikke bloedkralen) de aanmerking maakte, dat er al
vroeg volk in de herberg was.

"Dat 'eleuf ik wel, koopman!" antwoordde het meisje, terwijl zij, zonder
naar mij om te zien, voortging met voor haar gasten een paar hooge
glazen met schuimend bier te vullen: "je zult het ook wel 'eroken
hebben, wat hier van daag te doen is."

Ik was op het punt van mijn volslagene onbewustheid van de oorzaak der
vereeniging te kennen te geven, toen een papier mijn oogen trof, hetwelk
tegen den gemenieden wand aan een spijker hing en waarop een schoof als
titelvignet en de woorden: _segt het voort_ in groote letteren als
onderschrift prijkten: ik begreep dus, dat hier een graanveiling of iets
diergelijks plaats moest hebben, en, mijn onderzoekingen niet verder
voortzettende, eischte ik een boterham met kaas en een glas koude
karnemelk: vervolgens, mij omwendende, zette ik mij, in afwachting van
het bestelde, aan het benedeneinde eener lange tafel, die tegen het raam
geplaatst was, en nam de aanwezigen in oogenschouw.

Naauwlijks echter had ik den tijd gehad om op te merken, dat het
boveneinde der tafel was ingenomen door een dikken, wel doorvoeden
landman, wiens groen damasten vest met bloemen, ruim gesneden rok van
bruine sergie en zilveren broeksknoopen aantoonden, dat hij tot de
vermogendsten van zijn stand behoorde; terwijl mijn overbuurman
daar-en-tegen er vrij schraal en verloopen uitzag,--toen mijn ooren
gekweld werden door een piepend geschreeuw, van: "phijpedoppies!
deursthekers! zoek thoch maar huit, khoopman! Hik 'ep nog gheen 'andgift
ghehad vandhaag, zoo waar zelje ghesond blijven!"

Ik wendde mij om en zag een Joodschen kramer achter mij staan, dien ik
nog niet had opgemerkt. Waarschijnlijk had hij in een hoekje of bij den
haard gezeten, en was hij bij mijn komst opgerezen, om te zien of hij
iets aan mij slijten kon.

"Ik dank u, vriendje!" zeide ik, na hem ter loops te hebben aangezien:
"ik heb niets noodig!" en om hem zooveel mogelijk te toonen, dat ik geen
plan had mij verder met hem op te houden, draaide ik mij van hem af, en,
de ellebogen op de tafel plaatsende, ondersteunde ik mijn hoofd met
beide handen, in de houding van iemand, die niet verlangt gehinderd te
worden.

"Nha doch!" zeide de Jood, de dunne, magere vingeren zijner
rechterhand, welke de kettinkjes van een dozijn pijpedopjes vasthield,
door de opening tusschen mijn hoofd en mijn arm heenstekende en mij vlak
voor den neus brengende: "laat ik je toch maar een dhozijntje verkoopen.
Gheen deit rijk, zoowaar zelje ghezond blijven: en ik mot vandhaag nog
ver reizen."

Wetende uit ondervinding, hoe weinig het baat zich over dergelijke
onbescheiden aanzoeken boos te maken of er tegen in te spreken,
vergenoegde ik mij met mijn voorarm te buigen en door een soort van
_contramanoeuvre_ tusschen mijn gezicht en de hand des kramers te
brengen, waardoor ik de pijpedopjes weder van mij verwijderde.

"Nha! al duwje me therug, dhaarom zelje toch ghesond blijven," hernam de
Jood, met de vasthoudendheid aan lieden van zijn beroep eigen: "motje
gheen halmenakkie 'ebben? gheen scharen, messen of photloodjes?"--En, in
de plaats van zijn hand, wist hij nu het geheele marsje, dat hij voor
hem droeg, tegen mijn borst aan te werken, zoodat ik mij wel genoodzaakt
zag, mij geheel naar hem toe te keeren en hem vriendelijk te verzoeken,
mij met vrede te laten. "Waarlijk, goede vriend!" zeide ik: "ik heb
niets van uw kraam noodig: ik ben immers zelf maar een arme reiziger, en
zal nog werks genoeg hebben, om met het beetje gelds, dat ik bij mij
heb, toe te komen en de stad te bereiken."

Onder het uiten dezer woorden had ik den Jood naauwkeuriger beschouwd,
en meende mij nu flaauw te herinneren, dat ik hem vroeger,
waarschijnlijk wel te Amsterdam, had ontmoet. Ik was weldra zeker, dat
ik dien man, met dat olijfkleurige gelaat, dat hooge, smalle voorhoofd
en dien bruinen gelapten tabberd van saai meer gezien had, maar nooit te
voren had ik acht gegeven op de zwarte en levendige oogen, die op het
hooren mijner taal een kluchtige uitdrukking van ongeloof aannamen,
terwijl zijn dunne lippen zich vertrokken tot iets dat op een glimlach
geleek.

"Khom!" zeide hij: "Je spot immers er meê: je zoudt gheen gheld, 'ebben:
nha doch! 'et dhoet er niet toe. Khijk, ep je gheen gheld, je ept
krediet: en dat's veel gheseid in dhesen tijd van de hactie'andel! Daar
ep je een dhozijntje: je zelt me morghe of overmorghe wel bethalen, as
je in de stad zult sthaan te zijn gekhomen, dat weet ik ommers best.
Simon heit krediet voor je vhaders zhoontje."

"Vandaag of morgen is 't zelfde," zeide ik, de pijpedopjes, die hij op
tafel gelegd had, weder naar hem toeschuivende: "ik rook niet."

"Niet, koopman?" vroeg de waard, een dikke, stevig gebouwde kaerel, met
een vrolijk aangezicht, die, even naar den kelder geweest zijnde, juist
weder binnen was gekomen, en met een pijp in de hand naar mij kwam
toegetreden: "ik woû je juist een pijp aanbieden."

"Ik dank je," zeide ik, (want ofschoon ik later die gewoonte weder heb
aangenomen, ik was op mijn reis, bij mangel aan goeden tabak, het rooken
afgewend): "maar ik heb wat eten en drinken besteld, zou dat haast klaar
zijn?"

"Toe dan, Mientje!" zeide de waard, zich omkeerende, "waar blijft het
ontbijt voor den koopman?"

"Zoo aanstonds," antwoordde de dochter: "wil je er beschuit op hebben,
koopman? of verkies je nagelhout?"

"Wel!" hernam ik: "laat ons van allebei eens proeven: maak er mij maar
twee."

"Messen!--scharen!--khurkhetrekkers!--khammen!" vervolgde de Jood, met
een pause tusschen elk voorwerp, dat hij opnoemde: "of... wil je liever
kurieuser whaar: je bent toch een ghesthudeerd jong mensch... hik 'ep
hook mooie poekkies: 'ier is de Arlekhijn Haksinischt!... 't plijspel
van Khinkampoeis![1] de leste woorden van Saco, toen ie op 'et schavot
stond."

Er was geen middel van hem af te komen, zonder in de beurs te tasten. Ik
liet mij dus overhalen om mij een kurketrekker aan te schaffen, al ware
het maar om te kunnen zeggen, dat ik een Grieksch testament[2] van een
Jood gekocht had. De koop was spoedig gesloten, en ik betaalde zonder
afdingen den gevraagden prijs, ofschoon de innerlijke waarde van het
voorwerp verre te bovengaande, onder de uitdrukkelijke voorwaarde, dat
mij de kramer met geene verdere aanbiedingen zou lastig vallen.--Mijn
edelmoedigheid was mij niet nadeelig, gelijk men terstond zal
gewaarworden.

"Ghelik er meê!" zeide Simon, terwijl hij mij het gekochte voorwerp ter
hand stelde: "maar phas op," voegde hij er fluisterend bij, "dat je een
mhes vraagt bij je hontbijt en je niet bhedient van 't ghenige dat dhaar
sthaat."

"Hoe!" zeide ik met eenige verbazing,--maar, toen ik met de oogen den
blik des raadgevers volgde, vielen zij op een mes, hetwelk mijn
overbuurman, van wiens ongunstig uitzicht ik zoo even gewag maakte, kort
te voren met de punt midden in de tafel had gestoken. Te gelijker tijd
herinnerde ik mij, meermalen gehoord te hebben, hoe sommige liefhebbers
van het edele bekkesnijden, bijzonder in Eem- en Gooiland, gewoon waren
hun messen in herbergen en kroegen op een zichtbare plaats op te hangen,
of in de tafel te steken, en den onkundigen of onvoorzichtigen
vreemdeling, die er zich van bedienen wilde, of er slechts even naar
keek, tot een gevecht te dagen. Ik dankte dus met een bijna onmerkbaar
knikje den goeden Jood voor zijn tijdige waarschuwing, welke mij
toescheen ruim op te wegen tegen den voor den kurketrekker betaalden
prijs: en ik gevoelde daarvan het dubbel belang, toen ik, na mijn
ontbijt uit de handen van Mientje te hebben bekomen en een mes daarbij
te hebben gevraagd, op het gelaat van mijn overbuurman een trek van
ontevredenheid zag oprijzen. Ik heb het afbeeldsel van dezen kwant nog
niet gegeven: en echter verdient hij wel, dat ik een oogenblik daarbij
stilsta: hij had, gelijk ik reeds met een enkeld woord aanstipte, een
afzichtelijk voorkomen: lange, sluike haren, wier kleur men raden moest,
hingen hem van onder een ruige muts op de schouders: zijn oogen hadden
den gluipenden blik der hyena en waren van wenkbraauwen en ooghaartjes
bijna geheel onvoorzien; zijn wijde mond, die, door de gewoonte van een
kort pijpje bestendig aan denzelfden kant tusschen de lippen te klemmen,
geheel scheef was getrokken, opende zich nu en dan tot een grijnzenden
lach, die een alleronaangenaamsten indruk verwekte; of onze maat een
neus had of niet, kon met reden tot het onderwerp eener weddingschap
gestrekt hebben, zoovele naden en kruislijnen van lidteekens
(overblijfselen van vroegere gevechten) vereenigden het vormelooze
stompje boven den mond met de wangen en de bovenlip. Dit beminnelijk
wezen was half op zijn boersch, half op zijn zeemans gekleed, met een
blaauw duffelsch buis, vol lappen en winkelhaken, een vest zonder
knoopen, hetwelk den ruig bewassen boezem geheel bloot liet, een wijde
visschersbroek, opgehouden door een zwart lederen gordelriem, waarin een
messcheede van robbevel stak, wollen kousen, en holsblokken aan de
voeten.

Waarschijnlijk had hij verwacht, dat ik hem de gelegenheid tot ten klein
snijpartijtje zoude verschaft hebben, en reeds, als een tijger in zijn
hinderlaag, zitten loeren, of ik ook onbedachtzaam het voor hem geplante
wagentuig zoude aangrijpen. Zijn teleurstelling althans, toen hier niets
van kwam, bleek mij te groot te zijn, dan dat hij zou kunnen gezwegen
hebben: de uitdrukking, die zijn gelaat aannam, wekte mijn
opmerkzaamheid en trok mijn aandacht af van het gesprek, dat baas
Roggeveld voerde, die juist bezig was te verhalen, hoe hij van Peer de
Groot tien lakenveldsche koeien gekocht had voor fl 80 het stuk. De
varensgast nam het pijpje uit den mond, blies een dikke rookwolk weg,
sloeg het glaasje brandewijn, dat hij voor zich had staan, in eene teug
naar binnen, en vroeg mij, na deze voorbereiding, waarom ik mij niet
bediend had van het mes, dat voor mij stond.

"Ik had het niet gezien," zeide ik op een onverschilligen toon: "en
bovendien heb ik gaarne een mes voor mij alleen."--Dit gezegd hebbende
ging ik met eten door, zonder den kwant verder aan te kijken.

"Niet gezien!" herhaalde hij met een gemeenen vloek: "en waar hieldje
dan zoo even je kluisgaten op gericht? 't is mijn mes, voor den d....!"
vervolgde hij, met de geslotene vuist op de tafel slaande, en zijn stem
hoe langer hoe meer uitzettende, als dacht hij mij daarmede schrik aan
te jagen: "en wie er naar kijkt, die kan met mij aan den gang komen,
daar valt niet van, voor den....! Jij hebt er naar gekeken, en as je
boterham binnen is, dan zullen we eens zien, of je voor je boeg kunt
zorgen."

Deze forsche uitdaging verwekte een plotslinge stilte bij de aanwezige
boeren, die, in goede eendracht bijeen zittende, bezig waren over den
prijs der granen en andere onderwerpen van hun gading te spreken. Aller
oogen vestigden zich op den matroos (want daarvoor moest ik hem aan zijn
taal houden) en vervolgens op mij, met die belangstelling, welke een
twist als deze nimmer nalaat te verwekken: ja, ik geloof, dat menigeen
zich reeds streelde in de verwachting van het genoegen, dat een echt
nationaal messengevecht hun verschaffen zoude, ik moet echter tot hun
eer zeggen, dat ik hier en daar een blik van welwillend medelijden
ontmoette, en op menig gelaat kon lezen, dat men mij niet bestand achtte
tegen den geöefenden kamper, die mij had uitgedaagd. Wat mij betreft, ik
was, gelijk men denken kan, niet zeer op mijn gemak: ik begreep echter
zoo bedaard mogelijk te moeten blijven en den storm door rustige
onverschrokkenheid afkeeren. Ik ledigde eerst mijn glas en zeide toen,
op een toon, zoo kalm mogelijk, dat ik geene reden hoegenaamd tot een
gevecht zag, daar ik niet wist, iemand met woorden of daden beleedigd te
hebben. Mijn woorden werden wel opgenomen door de aanwezige boeren:
althans er ontstond een goedkeurend gemurmel: de landman, die aan het
boveneinde zat, knikte mij vriendelijk toe, en zich vervolgens tot den
zeeman wendende: "wat heit jou die koopman 'edaan, Andries Matthijssen!"
vroeg hij, "dat je met hum voor 't mesje wilt?"

"Wel! baas Roggeveld!" zeide Andries, zijn taal met vloeken
doormengende, welke ik, om geene kiesche ooren te kwetsen, slechts met
een () zal aanduiden: "die koopman kijkt naar mijn mes en geeft een
bretaal antwoord daar te boven (). Mot ik me van zoo'n
loop-in-'t-lijntje laten op den kop zitten? () Maar omdat hij nog maar
een loeris van een jongen is, zal ik hem () niet te hard behandelen en,
met een enkeld half maantje over zijn hakkebord, laten waaien;--maar
opstaan mot hij."

En met-een oprijzende, trad hij naar mij toe en wilde mij in den kraag
grijpen:--ik was echter op mijn hoede, en, zoowel een vuist- als een
messengevecht willende vermijden, schoof ik bij zijn nadering met mijn
bankje achteruit, "Pas op!" zeide ik, de armen kruisende en hem stijf in
't gezicht ziende: "raak mij niet aan of het zou slecht met u kunnen
afloopen. Ik zoek geen twist; maar het zou u rouwen, zoo ge mij eenig
leed deedt."

"Wat zou me rouwen, jou beroerde zandhaas?" snaauwde Andries, terwijl
hij hoe langer hoe driftiger werd, mij toe: "ik zel je leeren,
ordentelijk vlag te strijken. Op! zeg ik jou: nou je zoo spreekt zel ik
eens zien, of ik geen frikkedellen van je voorgebergte kan snijen."

Onder het uiten dezer bedreiging stak hij nogmaals de hand uit, om mij
te dwingen mijn plaats te verlaten en met hem aan 't snijen te gaan. Ik
moet bekennen, dat ik mijn toestand hoogst onaangenaam begon te vinden;
want ik zag niets aardigs in het denkbeeld van zonder neus bij mijn
ouders te keeren: en waar ik de blikken heen wendde, ik bespeurde bij de
boeren geen zucht om zich met den twist te bemoeien: zij waren daartoe
of te lui, of te nieuwsgierig hoe het af zoude loopen, en bleven met een
fatale koelbloedigheid hun pijpjes rooken en hun drank opslorpen.

Er kwam echter hulp van een anderen kant. Simon de Jood had zich, bij de
eerste woorden van Andries, met een angstig gelaat naar een der hoeken
van het voorhuis teruggetrokken en was, toen de twist hooger begon te
loopen, langs den muur naar de toonbank geschoven, waar hij aan Mientje,
die, ofschoon aan dergelijke tooneelen waarschijnlijk gewoon, eenigszins
onthutst keek, eenige woorden in 't oor had gefluisterd. Het meisje was
hierop terstond haar vader te gemoet geloopen, die juist uit den kelder
kwam met eenige versch getapte kruiken. Hoewel deze zich anders
waarschijnlijk zelden over een dergelijke rusie bekommerde, waar hij wel
wist dat meestal een goed gelag op volgde, scheen hij toch eenigszins
versteld over de geheimzinnige mededeeling, welke zij hem deed.

"Hoe zegje?..." vroeg hij halfluid: "de zoon van...."

Het antwoord van Mientje werd op zulk een flaauwen toon gegeven, dat ik
alleen de woorden: "Hoofdschout, Amsterdam" verstaan kon, waaruit ik
opmaakte, dat Simon haar verhaald had wie ik was.

"En zeit die Smous dat?" vroeg de waard weder: "die koopman daar de zoon
van...." en hij zag Simon aan, die, bevend bij den haard gedoken, met
een herhaalden hoofdknik de waarheid van het gezegde bevestigde.

"Dat vereischt overleg," zeide de waard, zich den kop krabbende, en de
kruiken aan Mientje overhandigende; "die Sinjeurs in Amsterdam hebben
armen, die ver reiken, en zij zouden het mij inpeperen, zoo ik een van
hun broedsel in den pekel liet steken. Hei wat, vrind Andries!" riep hij
op eens, zijne breede hand op den schouder des twistzoekers leggende, op
het oogenblik, dat deze, na mij verlaten te hebben om even aan een
buurman te vertellen waar hij mij raken zoude, zich opnieuw in postuur
stelde om mij aan 't lijf te komen.

"Wel! wat wouje?" vroeg Andries, zich onwillig omkeerende.

"Wat ik woû? herhaalde de waard, zijn zwaarlijvige gedaante tusschen ons
beiden instellende: "ik woû, dat je dut heerschap daar met vrede liet.
De man heit jou ommers geen stroobreedte in den weg 'eleid! Ga zitten en
drink je zoopje: je ziet ommers dat het je portuur niet is."

"De kastelein spreekt als een verstandig man," zeide baas Roggeveld,
zijn pijp even omdraaiende: "je zoudt er, in dat geval, geen eer meê
inleggen, met teugen dien koopman te vechten: en ik beloof het je ook,
we hadden het nooit zooverre laten komen, in dat geval. Ik was maar
'ereis nieuwsgierig hoe hij zich houen zou; maar ik mot zeggen, hij was
niet bang ook, in dat geval!" en bij deze loftuiting voegde hij een
vleiend knikje.

"Ei! ei!" zeide Andries, den waard schamper aanziende: "jij zelt ook
zooveel klanten krijgen as er op het spil van den bramtop kunnen staan,
as je 't zoo anleit; en een man, die, zoo als ik, een echt Gooierskind
ben en nog bovendien al de eilanden van de Westinjes zoo goed ken as jij
den weg naar je kelder, beletten wilt een klein, eerlijk vechtpartijtje
te hebben. 's Lands wijs, 's lands eer! zeg ik maar: en ik beloof je,
dat je mijn gezicht ook voor 't laatst ziet as het zoo mot gaan."

Deze bedreiging deed mij in mij zelven lachen; want ik dacht, dat de
waard juist niet zeer gesteld moest zijn op een klant als Andries, wiens
uiterlijk geene zeer gevulde beurs verraadde. Ik bedroog mij echter,
althans naar hetgeen de kastelein volgen liet.

"Kom! kom!" zeide hij, Andries gulhartig op den schouder tikkende: "zoo
motje nou ook niet spreken. Je weet, dat ik een eerlijke snijpartij al
zoo graag zie als een aêr; maar dan mot het over en weer goedwillig in
zijn werk gaan, zoodat Schout of Baljuw er niets in te zeggen heit. Je
weet ommers zelf best hoe 't gaat, as de eene partij niet wil vechten en
de aêre al; dan schuren naderhand allebei hun piek en de kastelein wordt
in de boete geslagen."

"Ei wat! denk er niet meer over," riep Roggeveld Andries toe, die norsch
voor zich heen keek: "er zel nog wel gelegenheid kommen vandaag om te
toonen wat een kaerel je bent, in dat geval. Drink nou de quaestie af
met den koopman en laat het daarbij blijven, in dat geval."

"Dat is niet kwaad gedacht," zeide ik, hopende op deze wijze de zaak 't
best te sussen: "geef dan een glaasje brandewijn, vrijster! en laat er
niet meer over de quaestie gesproken worden, _Zwik_!" zeide ik, mijn
mond aan het zoopje zettende, dat Mientje mij bracht en het daarna aan
Andries toestekende.

"_Zwak_!" zeide deze, het glas ledigende: "en ik wensch je toe dat je
nooit meer in mijn vaarwater komen meugt."

Ik zag eenigszins vreemd op bij dezen zonderlingen wensch: de toon,
waarop die werd uitgesproken, zoowel als de schuinsche blik waarmede hij
vergezeld ging, deed bij mij een onwillekeurigen schroom ontstaan,
waarover ik mij zelven verwonderde. Ik wilde nu heengaan; maar ik weet
niet welk een valsche schaamte mij beduidde van nog een oogenblik te
blijven, om niet door een overhaast vertrek de boeren in den waan te
brengen, dat ik mij uit vrees verwijderde. Ik bleef dus nog een poos bij
de toonbank draaien, en keek van tijd tot tijd naar buiten, waar de man
met den rooden mantel zich nog altijd bevond en thans met zijn voerman
praatte, die hem, naar het mij voorkwam, scheen te beduiden, dat het
paard opnieuw beslagen moest worden; althans, na eenige oogenblikken
werd het beest naar den smid aan de overzijde gebracht.

"Is het waar," hoorde ik intusschen baas Roggeveld aan een zijner buren
vragen, "dat Aafje Jansz gisteravond op het Larensche veen is afgezet
eworden?"

"Naakt uit'eschud, meugje wel zeggen," was het antwoord: "'t is veul,
zoo die schelmen heur een hemd an 't lijf hebben elaten. Zij waren met
er drieën, as ik hoor."

    "'k Sou zoo garen om een roompje
      Met jou eens naar buiten gaan,
    Rusten onder 't lindeboompje;
      Dat je 't maar eens dorst bestaan."

zong Andries er tusschenbeide.

"Ja nog erger," zeide een andere boer: "zij hebben de weuning van Klaas
Tymensz te nacht op'ebroken en zijn met al den bult gaan strijken."

"'t Is de bende van Zwarten Piet," zeide een derde.

"Ei wat!" bromde Andries tusschen de tanden, en terstond weêr
voortzingende:

         "Margriet! maar ziet,
         Besjen is te kwaad,
    Als men eventjes bij jou staat,
    Maar ziet, besjen is te kwaad.
    Als men maar eens met jou praat."

"Jij, die van alle markten te huis bent en op zooveel zeeën gezwalkt
hebt," zeide de waard, Andries aanstootende! "jij hebt zeker Zwarten
Piet wel 'ekend ook?"

"Wat bruit mijn jou Zwarte Piet," zeide Andries, een scheel gezicht
zettende: "och! 't is allemaal lanterluien, wat dat volk vertelt. Een
goeien vetten koopvaarder van zijn overtolligen ballast te ontlasten,
dat was werk voor Zwarten Piet: denk jij, dat een echte zeebonk as hij
zich zou ophouen met een oud wijf op den grooten weg te onttakelen?"

"Wie weet?" zeide de waard: "tot een tijdverdrijfje ondershands."

"Gekheid!" zeide Andries: en hij begon opnieuw zijn gezang.

Ik weet niet, hoe het kwam; maar het scheen mij toe, als of hij daardoor
afleiding aan het gesprek wilde geven: en het was of een geheime stem
mij influisterde, dat, zoo die diefstallen al niet op rekening van
Zwarten Piet moesten geschoven worden, Andries althans daar meer van af
wist dan hij zeggen wilde.

Het was echter niet meer dan een vermoeden; en daar ik begreep, nu lang
genoeg te zijn gebleven, wierp ik een gulden op de toonbank en verzocht
om geld terug.

Terwijl Mientje nog bezig wat een dubbeltje uit haar tasch te halen,
trad de man met den rooden mantel de deur binnen en stapte, zonder
eenige notitie van iemand te nemen, naar de toonbank toe.

"Vrijster!" zeide hij: "geef spoedig een paar sneden wittebrood en
boter. Wij moeten voort, zoodra ons paard beslagen is."

Mientje zette zich dadelijk in postuur om aan het verzoek te voldoen: en
de onbekende bleef met de armen over elkander geslagen voor de toonbank
staan, zonder te bespeuren, dat hij het voorwerp der beschouwing was van
al de aanwezigen, maar vooral van mij, die nog altijd stond te wachten
op het geld, dat ik terug moest hebben.

En in de daad, hij was wel geschikt om de opmerkzaamheid tot zich te
trekken: zijn gestalte was ongemeen hoog, zonder echter het onbevallige
te bezitten, hetwelk meestentijds eigen is aan uit hun kracht gegroeide
personen en hun het hoofd doet gebogen houden of den rug krommen.
In-tegendeel, de stand van den reiziger was vrij en ongedwongen en de
roode mantel zelf, die hem bijna geheel bedekte, was met een achteloozen
zwier omgeslagen, welke iets edels, iets schilderachtigs bijzette aan
elke houding, welke hij verkoos te nemen. Over de gelaatstrekken viel
het echter moeilijker eenig oordeel te vellen. Een slechts los
omgeknoopte das van zwarte zijde verborg de onderste helft van het
aangezicht, en de slappe rand van den hoed viel op het voorhoofd neder;
zoodat men weinig meer kon onderscheiden, dan den eenigszins
voorovergebogen neus en den zwaren peperen en zoutkleurigen knevel, die
de bovenlip overschaduwde.

Simon was bij het binnentreden des vreemdelings nog dieper in zijn
hoekje teruggekropen, als had hem die reusachtige gedaante schrik
aangejaagd; maar, even als de vos, die in 't eerst voor den leeuw
vluchtte, doch langzamerhand aan zijn uitzicht begon te wennen, en
eindelijk gemeenzaam met hem werd, zoo scheen ook onze marskramer, na
gedurende een poosje den roodmantel te hebben aangegluurd, zijn schroom
te laten varen en vrijmoedigheid te verkrijgen: hij rees langzaam op,
en, den onbekende naderende, begon hij hem zijn koopwaren aan te bieden.

"Dheursthekers!--messen!--scharen!--brillen!--photloodjes! khoop wat,
Meneer! gheen deit rijk, zoowaar God leeft." De vreemdeling vergenoegde
zich, den Jood met een langzaam hoofdschudden af te wijzen, zonder eenig
antwoord op zijn aanzoeken te geven.

"Laat ik wat an jou verdienen," vervolgde Simon, hem bij den mantel
trekkende: "halmenakkies! snijfdoozen! Thraktaatjes hover de pholetiek
van den dag!--mooi om te leggen loopen lezen hover den weg. Of wilje
liever een khommediepoekkie?--of de leste woorden van Saco, met zijn
sententie er achter. Nha! hik zeg hummers gheen kwaad?..."

"Hm!" bromde de vreemdeling en ontwrong, met een beweging van
verontwaardiging, zijn mantel aan de handen van den Jood, en te gelijk
het bord met broodjes, dat Mientje hem toereikte, aannemende, wendde hij
zich om, en ging weder naar de voordeur. Onderweg echter bedacht hij
zich, keerde terug, keek rond, als zocht hij iets, nam toen het mes van
Andries, (die, juist opgestaan zijnde, bezig was een pijp aan te steken
en de daad des onbekenden niet terstond bemerkte), sneed het eene
broodje in dunne reepjes en stapte toen de deur uit, gevolgd door Simon,
die niet afliet, hem zijn waren aan te prijzen. Andries ging weêr naar
zijn plaats en ontdekte terstond dat men aan zijn mes geraakt had. Ik
had inmiddels mijn geld terugontvangen, en, een nieuwen twist
voorziende, mij, na een goeden dag aan 't gezelschap te hebben
gewenscht, weder naar buiten begeven, toen de arme Simon plotseling naar
binnen en mij tegen 't lijf werd geworpen. Hij had, niet tevreden van
zijn prullen den vreemdeling aan te prijzen, ook in de kar willen
kijken, waarschijnlijk om te zien of hij daar ook een kooper zou vinden,
toen de reiziger hem op deze vrij onzachte wijze belette, zijn voornemen
ten uitvoer te brengen.

"Hawaai! hawaai!" riep de arme drommel, zijne, over den grond
verstrooide kramerijen stuk voor stuk oprapende: "hik ben heen bedurven
man. Wat zhijn dat nou voor menieren? mag een heerlijke khoopman op 's
Eeren straten zoo be'andeld worden? Leelijke sthraatschender dhat je
bent met jen schavotkleerden mantel. Je ben men phortuur niet; maar
gheef me hen kleinen jonge bij me hen ik shla je tot greizelementen.
Mhag jij de menschen zoo molestheren?"

Er waren eenige voorbijgangers en werklieden uit de buurt op het rumoer
komen aanloopen. Ik had de dienst, mij door Simon bewezen, nog niet
erkend, en naar hem toetredende, stopte ik hem een zesthalf in de hand.

"Daar," zeide ik, "dankje voor uw waarschuwing van zoo even! Wacht! daar
liggen nog een paar messen! en hier een kam!"

Dit zeggende raapte ik eenige van zijn koopwaren op, die onder de kar
geraakt waren, en stelde hem die ter hand, terwijl hij mij duizendmaal
"God loonje!" toewenschte. De vreemdeling bleef intusschen in een
onverschillige houding tegen de kar leunen en zijn snede brood opeten,
zonder zich over ons te bekommeren.

Op dit oogenblik stoof Andries de deur uit, met zijn mes in de hoogte,
door den waard en al de boeren gevolgd.

"Weêr en wind!" riep hij den vreemdeling toe: "jij zelt er zoo
gemakkelijk niet afkomen als dat loop-in-'t-lijntje daar. Wie heitje
gehieten van an men mes te komen?"

"Hawaai! hawaai!" riep Simon, Andries met een smeekenden blik aanziende:
"elp mij toch theugen dien Filisthijn, dien langen schlingel dhaar, die
me eelemaal heit bedhurven."

"Hoorje niet, dat je gepraaid wordt," vervolgde Andries tegen den
vreemdeling, die, zonder zich zijn woorden aan te trekken, onbeweeglijk
stil bleef staan: "wat hadje met men mes noodig?"

De onbekende gaf geen antwoord; maar het ledige bord aannemende, dat de
persoon die in de kar gezeten was hem aanreikte, stak hij het den
kastelein toe en vroeg, wat hij schuldig was. Ik had mij intusschen
willen verwijderen; maar ik beken dat de nieuwsgierigheid, hoe dit alles
zou afloopen, mij ook terughield.

"Geef dan voor den () antwoord, kaerel!" bulderde Andries, den
vreemdeling bij den mantel grijpende.

"Hebt gij lust denzelfden weg op te gaan als die Jood daar?" vroeg deze:
"ik hinder niemand; maar niemand moet mij aanraken."

"Hoor reis, ventje!" zeide Andries: "jij mot zooveel praats niet hebben:
al benje nog zoon lange spriet, ik heb er wel grooter als jou voor
derlui frontwerk getrommeld. Heb je lust? dan zal ik je een rood lintje
over je bakkes halen."

De vreemdeling verwaardigde zich niet eenig antwoord te geven; maar,
zich tot zijn voerman wendende, die juist met het beslagen paard
terugkwam, riep hij hem toe, zich wat te haasten. Dit bevel werd door de
omstanders natuurlijk als een bewijs van vrees aangezien, en de waard,
niet ontevreden, van nu eens aan Andries zijn trek tot een messengevecht
te gunnen, wendde zich verheugd tot Roggeveld: "ziezoo!" zeide hij: "nou
zellen we toch nog een grapje hebben: en onze vriend Andries zal
trakteeren; want dat doet hij altijd roiaal, mot ik zeggen, as hij er
een troef heit 'egeven."

"Ik 'eleuf het niet," zeide Roggeveld: "die lange spier is ook al niet
van 't echte soort en 't kon wel 'ebeuren dat hij zonder neus verder
most reizen, in dat geval!"

"Wat () is dat?" hernam Andries tegen den onbekende, terwijl hij, de
beenen wijd uiteenzette, de linkerhand in de zijde bracht, en met de
rechterhand zijn mes op- en nederwierp: "ben ik je nou geen antwoord
waardig? En zou je zoo schoot gaan zonder te brassen? Neen mannetje! je
zelt me, zoo lang as je bent, op je knieën ekskuus motten vragen of--op
het mesje!"

"Welnu! waar wacht gij op?" vroeg de man, wien de uitdaging gold, aan
den voerman, die met wijd opgespalkte oogen dit tooneel stond aan te
gapen: "Span in, en stoor u niet aan de praat van dien dronken lap
daar."

"Dronke lap! ik dronken!" brulde Andries, wiens woede nu ten top was
gestegen: "wacht! ik zelje leeren!"--En terstond sprong hij op den
reiziger los, die juist bezig was, den voerman aan het inspannen te
helpen. Ik was op het punt van tusschen beiden te schieten, daar ik
vreesde dat de onbekende zou worden aangevallen op een oogenblik dat hij
niet op tegenweer bedacht was; maar Simon hield mij, onder een angstig
gefluister van: "hawaai! bhemoei er je niet meê! Wat zel 'et wezen?" bij
mijn rokslippen vast: en de vreemdeling toonde meer op zijn hoede te
zijn dan ik meende; want, zich eensklaps omkeerende, gaf hij den
twistzoekenden gast een stoot in de borst, dat deze achterover tuimelde,
en, naar zijn adem hijgende, op den grond bleef liggen.

"De drommel! die kwam an!" zeide baas Roggeveld: "dat is ook geen kat om
zonder handschoenen aan te vatten."

"Wel vriend Andries!" zeide de waard, hem weder op de been helpende:
"benje nou een zandruiter 'eworden?"

"t Is () ongehoord!" vloekte Andries, met moeite opstaande: "en nou neem
ik jelui allen tot getuigen, of hij niet met mij vechten moet."

"Vechten moet hij!" riepen de boeren: "er is geen bidden voor."

"En ik neem u allen tot getuigen," zeide de vreemdeling, op een strengen
toon, "dat ik het niet ben, die aanleiding tot twist gegeven heb: en
dat, zoo de justitie deze zaak onderzoekt, zij eerder hen zal straffen,
die een vreedzamen reiziger aanranden of zulks gedoogen, dan hem die
zich verdedigt, wanneer hij aangevallen wordt."

"Dat helpt allemaal niet!" riepen de boeren: "jij hebt zijn mes
an'eraakt en hum 'eslaogen: vechten motje."

Ik zag, dat de zaak een slechte wending voor den reiziger begon te
nemen: ik weet niet welke goede geest mij nu op eens den zotten logen
ingaf, dien ik verzon om hem uit den brand te helpen.

"Laten zij oppassen, wat zij doen," fluisterde ik Roggeveld, die naast
mij stond, in 't oor. "Ik bedrieg mij niet: het is Tsaar Peter! de Tsaar
van Rusland, weet gij?"

"Wat je zeit!" zeide Roggeveld, den vreemdeling verbaasd aanziende: "wel
kijk is 't mogelijk! in dat geval!" en hij deelde zijnen buurman het
sprookje mede, dat nu van mond tot mond vloog.

Het verdichtsel vond des te meer geloof, omdat de Tsaar, weinige jaren
geleden, insgelijks zonder gevolg en _incognito_ naar Amsterdam gereisd
was, en dat de vreemdeling, door zijn hooge gestalte, zijn gebiedenden
toon, en zelfs door de geduchte wijze waarop hij van zich afgeslagen
had, niet kwalijk beantwoordde aan het denkbeeld, dat men zich van den
Russischen Vorst vormde. Kluchtig was het nu, den indruk gade te slaan,
welken de tijding, die ik had medegedeeld, op de aanwezigen maakte. Al
de mutsen en hoeden gingen een voor een af, en de boeren bleven als
beteuterd den vreemdeling aangapen. Vooral de waard was verlegen, en
zocht door menigvuldige buigingen en strijkaadjen het weder goed te
maken, dat hij bij den twist de zijde van Andries gekozen had. Andries
zelf, schoon het aan zijn gelaat te zien was, dat hij het vertelsel
betwijfelde, dorst echter den aanval niet hernieuwen, en bleef in het
midden van den kring als besluiteloos staan, de blikken met een norsche
uitdrukking nu eens op den gewaanden Tsaar, dan weder op de omstanders
wendende. Slechts twee personen waren er, die blijkbaar niets van de
zaak begrepen: de eene was Simon, die zich op eenigen afstand
teruggetrokken had en de plaats hebbende verandering met blikken van
verbazing beschouwde; want niemand gaf zich de moeite, hem eenige
opheldering te geven: de andere was de onbekende zelf, die, blijkbaar
verbaasd over de op eens zoo beleefde houding der boeren, al de
omstanders beurtelings in 't gezicht zag, totdat zijn oog eindelijk op
mij viel, en ongetwijfeld den glimlach waarnam, dien het welgelukken
mijner list bij mij verwekte. Ik begreep zijn vragenden blik, en
aanstonds, met den hoed in de hand hem naderende, maakte ik de beweging,
als of ik hem in het rijtuig helpen wilde, en fluisterde hem in 't oor:
"men houdt u hier voor den Tsaar; maak maar spoedig, dat gij verder
komt."

"Ik dank u!" zeide hij, op de kar stappende: "rij nu maar voort,
koetsier!"

De voerman liet het zich geen tweemaal zeggen, maar sprong op het krat
en lei de zweep over het paard, dat terstond, met meer vlugheid dan ik
het oordeelde te bezitten, zijn weg vervolgde.

De gansche vergadering bleef het rijtuig eenige oogenblikken in stomme
verbazing naöogen: totdat de waard de stilte brak met den uitroep: "wel
wie heit zijn leven zoo iets 'ezien? Wie kon nou denken, dat die
Roodmantel de Tsaar zou wezen?"

"De Tsaar!" riep Simon, weder toeschietende: "nha doch! 't is zooveel de
Tsaar, as dat hik Vader Abraham ben. Lhoop khijken! 'Eb ik den Tsaar
niet menigmalen ghezien, toen 'ij te Zerdam wherkte as een gemeene
krijer en den naam droeg van Phieterbhaas. Ze 'ebbe je dhan holik bheet
ge'ad, khastelein!"

"Wat! hoe! was dat de Tsaar niet? Wie heeft dat dan verteld?" mompelden
de ontevredene omstanders: en aller oogen vestigden zich op mij, met een
uitdrukking van wrevel en toorn.

"Is hij het, die jelui bedot heit?" vroeg Andries, op mij wijzende:
"jelui bent ook een hoop gekken, die je een barkas voor een brik laat
verkoopen!"

"Kom! kom!" zeide ik, "Tsaar of niet, gijlieden moogt blij zijn, dat de
zaak geen verdere gevolgen heeft gehad; want die man zag er mij wel naar
uit, om het hooger op te zoeken, zoo men hem een haartje gedeerd had: en
ik twijfel er niet aan, of de Heeren van Eemland hadden het u duur doen
betalen.--Goeden morgen samen!"

Met dezen groet begaf ik mij op weg, en haastte mij met groote schreden
het dorp te verlaten, en het dof en dreigend gemompel te ontgaan, dat
van verre achter mij klinken bleef: ik was echter niet bevreesd, dat
men mij vervolgen zoude; want ik had in Simon een trouwen bondgenoot
achtergelaten, die mij kende, en het hun, vleide ik mij, wel uit het
hoofd zoude praten, mij verder lastig te vallen.


NOTEN:

[1] _Arlequin Actionist_; _Quincampoix of de Windhandelaars_: blijspelen
van Langendyk.

[2] Men weet, dat studenten gewoon zijn een kurketrekker met dien naam
te bestempelen.


       *       *       *       *       *


DERDE HOOFDSTUK.

WAARIN WORDT BEWEZEN, HOE GEVAARLIJK HET IS ZONDER PARAPLUIE UIT TE
GAAN, EN DE BESCHRIJVING GEVONDEN VAN EEN MOOI MEISJE EN EEN MOOIEN
KOEPEL.


Naauwlijks was ik buiten Zoest gekomen, of ik zag de huifkar een goed
eindweegs voor mij uit, doch nu weder stapvoets door het zware zand
gaande. Ik gevoelde geene roeping om haar in te halen, maar bleef, met
denzelfden rustigen stap, dien ik tot nog toe gehouden had, mijn weg
vervolgen, en wel niet langs de gewone heirbaan van Amersfoort op
Naarden, door de Hilversumsche heide, maar oostelijker afhoudende met
het voornemen, over Eemnes te gaan, als welke weg wel wat om was, maar
daar-en-tegen meer belommerd en minder eenzaam.

Niets merkwaardigs gebeurde mij gedurende het begin mijner hernieuwde
wandeling; maar toen ik het Princelijke lusthuis Zoestdijk ongeveer een
half uur achter den rug had, begon ik wederom uit te zien naar een
herberg; niet omdat ik eenige vermoeidheid of behoefte aan spijs of
drank gevoelde, maar omdat de staat der luchtgesteldheid mij hoe langer
hoe meer vrees deed koesteren voor het op handen zijn van een fiksche
regenbui, die ik oordeelde dat na de lange droogte met dubbel geweld
zoude neêrkomen. De zon, die, sedert eenigen tijd, nu en dan door een
voorbijdrijvend wolkje was beneveld geworden, had zich eindelijk geheel
verscholen achter een driedubbel gordijn van grijze en witte en zwarte
wolken, die, tegen den wind opkomende, haar talrijke ronde koppen als
veelhoofdige reuzen verhieven en over elkander schoven als opeengekruide
ijsschotsen. Geen vogeltje deed zich hooren uit de hooge dennen, die aan
de eene zijde van den landweg haar graauwe kruinen verhieven, noch in
het eiken hakhout, dat aan den overkant groeide; daar-en-tegen zag ik,
aan een bruggetje komende, hoe, beneden mij, de zwaluwen onverpoosd en
met druipende vlerken heen en weder snorden over de oppervlakte der
daaronder vloeiende beek, en boven mij hoorde ik nog altijd het
krijschen der rondzwierende meeuwen. Ik verhaastte mijn tred en zag
rechts of links uit naar een bekwame schuilplaats tegen den stortregen.
Dan, ofschoon ik nu eens tegen de helling der onbebouwde heide een open
schaapskooi gewaarwerd, dan weder een arbeiderswoning of pachtershoeve
aan het einde der dwarslanen, welke het bosch doorsneden, ik bleef mijn
weg voortzetten, ongezind, even als de meeste lieden in mijn geval
zouden zijn, mij op te houden en ergens in te gaan voor en aleer de nood
werkelijk daar ware; want ik dacht boven alles, veld te moeten winnen,
zoolang zulks nog zonder hindernis geschieden kon, vooral daar ik altijd
op de mogelijkheid hopen bleef, dat de bui, als zij meer doen, zeewaart
trekken zou en zich niet op mijn hoofd, maar in de wateren van de
Zuiderzee ontlasten zou.

Maar deze hoop werd weldra verijdeld. Een onstuimige wervelwind, die op
eenmaal uit de diepte van het bosch scheen los te breken, verving de
doodsche stilte, die tot nog toe in de natuur had geheerscht, zweepte de
dorre bladeren over den landweg heen, waar zij in onophoudelijke
wielingen ronddraaiden, bracht fluitend en gonzend elke twijg van het
kreupelbosch in beweging, deed de kruinen van het geboomte zich naar
alle richtingen wenden en overal stuivende zandwolken opstijgen. Te
gelijker tijd scheen een schitterende bliksemstraal, die onmiddellijk
door het ratelen des donders gevolgd werd, het sein te geven dat de
strijd der elementen, en wel vlak boven mijn hoofd, een aanvang had
genomen. Naauwlijks was ik tien schreden verder gegaan, of de wolken
ontlastten zich in dikke regendroppelen, met zware hagelsteenen
doormengd. De duisternis bedekte het aardrijk, bij wijlen vervangen door
de schrikverwekkende verlichting van het weêrlicht: groote plassen,
waarin de nederstortende regen blinkende waterbellen vormde, en witte
hoopen hagelsteenen vulden in een oogenblik de rijsporen en andere
oneffenheden van den weg, en maakten mij het voortgaan hoe langer hoe
moeilijker. Ik had, zoodra de bui begon, mijn haastigen stap in een
vluggen draf veranderd, om de eerste schuilplaats de beste te bereiken,
en zooveel ik kon zorg gedragen de droge plekken uit te kippen, om er
mijn voet op te zetten; maar weldra was mij dit niet langer mogelijk;
want de gansche weg werd week als pap: en toen eenmaal mijn schoenen
doornat waren, draafde en klotste ik door dik en dun, door plassen en
modder heen; alle andere gedachten latende varen, buiten die van vooruit
te komen, en op mij zelven vloekende, dat ik van geene der gelegenheden,
welke zich vroeger hadden aangeboden, had gelieven gebruik te maken, om
de bui voor haar aanvang te vermijden; want juist nu zag ik niets, dat
naar huis of schuur geleek, ja zelfs geen ezelsstal, (waar ik van
oordeel was, dat mijn dwaasheid mij wel een plaats in had doen
verdienen): ja, ik begon te gelooven, dat de orkaan, die om mij heen
loeide, alle mogelijke gebouwen van de aarde had weggerukt, toen ik, bij
het omslaan van een hoek, dien de landweg maakte, eindelijk een verblijf
gewaarwerd, waar binnen ik, althans eenige, zoo geen volkomene,
schuilplaats hoopte te vinden.

De landweg namelijk slingerde, ter plaatse waar ik mij nu bevond, door
een aanzienlijk landgoed heen, waarvan mij echter de regen niet toeliet
op dat oogenblik al de schoonheden op te merken. Ter rechterzijde
verhief zich een statig beukenbosch, welks breede en diepe lanen zoovele
prachtige gothische gewelven schenen, waarvan de hooge, rechte en
blinkende stammen de kolommen,--de dikke zuigers, van weerszijden
opspruitende en zich aan den top vereenigende, de bogen en
schoorbalken--en de met loof bedekte kruinen het dak uitmaakten. Aan de
overzijde bevond zich een fraaie lusthof, naar den nieuwsten Franschen
smaak aangelegd, met sterre-bosschen, geschoren lanen en slingerende
_berceaux_, met beeld- en grotwerk, bloemtuin en diergaarde, vijvers en
fonteinen, zonnewijzers en koepeltjes. Een groot en sierlijk hek van
gegoten ijzer, op een kwistige wijze met krullen en strikken begiftigd,
en hangende tusschen twee zeshoekige pilasters, waarboven marmeren vazen
prijkten, geleidde tot de oprijlaan: deze was als bemuurd tusschen twee
geschoren beukenhagen van een reusachtige hoogte, en over haar geheele
lengte belegd met twee evenwijdige, glad afgemaaide en gerolde
grasstrooken, waartusschen de rijweg liep, en langs welken aan
weerskanten de met lekzand bedekte voetpaden liepen, van afstand tot
afstand met zonnebloemen en stokrozen beplant. Aan het einde dezer laan,
welke volkomen recht doorliep, lag een steenen brug, wier leuningen met
beelden voorzien waren: en daarachter de Ridderhofstad zelve: een ruim
en deftig gebouw, met een vrij hooge torenspits boven den ingang, en
twee vooruitspringende vleugels, wier beide gevels trapsgewijze opliepen
en met bloemplanten begroeid waren;--terwijl het plein voor het huis nog
bovendien tusschen twee mindere gebouwen besloten was, tot stalling en
tuinmanswoning strekkende. Men beseft duidelijk, dat ik op dien tijd
alles zoo nauwkeurig niet opnam, en dat het slechts een latere
bekendheid met deze lustplaats is, welke mij in staat stelt daarvan deze
beschrijving te geven: met dat al, ofschoon de regen en de spoed dien ik
maakte mij niet vergunden alles aandachtig te beschouwen, een vluchtige
blik was genoeg, om mij de voordeeligste gedachte te doen opvatten van
den rijkdom en van den goeden smaak des eigenaars of bewoners dezer
hofstede. Vooral merkte ik in dat zelfde snelle oogenblik met genoegen
op, dat hij een minnaar van bloemen wezen moest (een smaak, die mij
altijd eigen was); want ik zag heerlijke oranjeboomen in menigte op het
plein, en de trappen van de dubbele stoep schenen mij (zoover de afstand
mij toeliet zulks te zien) met uitheemsche bloemgewassen in fraaie vazen
voorzien te zijn.

Het was echter niet in het heerenhuis, dat ik, arme wandelaar, een
schuilplaats hoopte te vinden. Mijn uiterlijke tooi, vooral nu ik
doornat en druipende was, maakte mij ongeschikt om mij in zulk een
aanzienlijk verblijf te vertoonen; maar bovendien stond dat gebouw nog
te ver van mij af en zag ik naderbij een gelegenheid, waarvan ik mij
vleide ongestoord en onverhinderd gebruik te mogen maken. Het hek (ik
heb nog vergeten te zeggen dat het in gouden letteren den naam van
GULDENHOF voerde) was open, en kort daarbij stond, half rustende in de
moddersloot, die de plaats van den weg afscheidde, een achtkante koepel
van witten steen. Ziedaar alles wat ik er toen van zag; ik kan er echter
te dezer gelegenheid bijvoegen, dat het een sierlijk gebouw was, met
vier breede en vier smallere zijden: drie van de eerstgenoemde waren met
kruisramen voorzien (want men kende toen nog bijna geene andere), die
het uitzicht op den landweg hadden: de vierde, meest binnenwaarts
geplaatste zijde bevatte den ingang, waartoe men door een prachtige
stoep met marmeren trappen en leuningen geraakte. Niet slechts waren
deur en vensters door pilasters en loofwerk omsloten, maar ook prijkten
de smallere zijden met vakken van groen marmer, waarop in wit _bas
relief_ de gewone kenteekenen van handel, zeevaart, jacht en schoone
kunsten prijkten, als moest daarmede te kennen gegeven worden, dat de
eigenaar, zijn geld in het eerstgemelde vak gewonnen hebbende, het
tweede voorstond, het derde uit liefhebberij beoefende en het vierde
beschermde. Onder de ramen bevonden zich kleine ronde vensters met
ijzeren dwarsbouten, om licht en lucht in den kelder te geven. Het dak
was rond en met lood belegd en eindigde in een sport van gedraaiden
kogel, van boven met een vergulden bol versierd.

Deze verblijfplaats nu lachte mij aan. Met drift snelde ik het hek
binnen, geene andere vrees koesterende, dan die van den koepel gesloten
te vinden; maar ook in dat geval meende ik tegen de deur post te vatten
en onder de vooruitspringende lijst eenige beschutting te vinden. Ik
werd echter niet teleurgesteld; want nauwelijks, was ik de marmeren
trappen genaderd, of ik zag, dat de deur half openstond: en, zonder mij
te bedenken, liep ik, na alvorens, om den vloer van het gebouw niet te
bezoedelen, mijn beslikte schoenen op den ijzeren krabber te hebben
afgeschrapt, de stoep op, trad ruggelings binnen en veegde nogmaals mijn
voeten af op de net gevlochten matten, die zoo buiten als binnen de deur
lagen. Nauwelijks had ik deze bezigheid verricht en mijn hoed afgenomen,
waarvan de slappe randen, die een tijdlang mijn schouders beschut
hadden, nu geheel doorweekt waren, of ik wendde mij om en zag, hetgeen
ik in het eerste oogenblik niet had opgemerkt... dat ik namelijk niet
alleen was.

Op eene der diep inspringende vensterbanken en half achter de sponning
verscholen, was een jonge juffer gezeten, die, blijkens het boek dat zij
in de hand hield, met lezen bezig was, toen haar mijn onverwachte
verschijning daarin stoorde. De eerste blik, dien ik op haar sloeg, deed
mij zien dat zij een wit morgengewaad droeg, hetwelk een bevalligen
zwier bijzette aan haar slanke gestalte: de tweede, dat zij een
allerliefst gezichtje had: en de derde, dat zij, geheel niet gesticht
scheen over mijn vrijpostig binnentreden, en ik mij haasten moest daar
grondige redenen van verschooning voor in te brengen, of mij ten
spoedigste te verwijderen.

Ik deed echter in den beginne noch het een noch het ander; want ik was
van verrassing niet in staat een woord te spreken: ik zag dat zij ook
onthutst was: het geraas der buien had haar waarschijnlijk belet, mij te
hooren aankomen: bovendien zat zij met den rug naar de deur gekeerd en
had mij dus niet opgemerkt, dan voordat ik reeds binnengetreden was en
mijn hoed op den grond geworpen had, om de fraaie stoelen van rood hout
met gevlochten zittingen en zijden kussens niet vuil te maken. Zij
herstelde zich echter terstond van haar plotselingen schrik, zoodra zij
mij met een vluchtigen blik had verwaardigd: misschien ontdekte zij in
mij 't een of 't ander, 't geen haar, in weerwil van mijn ongunstig
uiterlijke, deed oordeelen, dat ik tot den fatsoenlijken stand behoorde:
in allen gevalle behoefde zij geene groote mate van verbeeldingskracht
te bezitten om de aanleidende oorzaak mijner verschijning te bevatten.

En hier ondervond ik, hoeverre de jonge lieden van ons geslacht bij
zoodanige ontmoetingen achterlijk zijn bij die eener zwakkere kunne; 't
geen voorzeker daaruit voortspruit, dat de vrouwen een vlugger vernuft
bezitten en spoediger haar tegenwoordigheid van geest hervinden dan wij.
Immers, zoo een van ons beiden een allerzotst figuur maakte, dan zeker
was ik het. Blozende en als op de plaats vastgenageld bleef ik
standhouden achter eene, tusschen ons beiden in staande, tafel van
ongemeene grootte, doch uit slechts ééne plank vervaardigd, en waarop
een werkmand, een tuinhoed en een paar handschoenen lagen, en stamelde
ik ettelijke onsamenhangende woorden van verontschuldiging, over het
slechte weer, over mijn leedwezen van de Juffer gestoord te hebben enz.,
waarna ik, al achteruitschuivende, mijn hoed wederom opraapte en te
kennen gaf, dat ik door een onmiddellijk vertrek mijn onbescheidenheid
zoude verbeteren.

"O! 't is niets, Mijnheer!" zeide zij, met een vrij stijve hoofdbuiging:
"gij hindert mij niet en het is waarlijk zulk een geweldige bui, dat men
alle plichtplegingen wel mag ter zijde stellen."

Ik maakte een diepe, vrij onhandige buiging: waarschijnlijk bracht mijn
zotte houding haar in een goede luim; want haar gelaat klaarde op, en
zij vervolgde met een vriendelijken glimlach:

"Ik heb eigenlijk niets over dezen koepel te zeggen; maar mijn oom zal
het mij niet ten kwade duiden, zoo ik voor een oogenblik in zijne
rechten trede en u een schuilplaats vergunne."

Ik had langzamerhand moed gevat, en bij deze minzame toespraak was mijn
beschroomdheid geheel geweken. "In waarheid," zeide ik, "het weer is zoo
boos, dat ik niet aarzel om van uwe beleefdheid gebruik te maken, al
mocht het onbescheiden geacht worden." Dit zeggende maakte ik weder een
buiging, min gedwongen dan de vorige, leide hoed, stok en pakje bijeen
en bleef op denzelfden eerbiedigen afstand achter de tafel staan.

De jonge juffer zag mij nogmaals terloops aan, vroeg mij of ik niet
wilde zitten, nam haar boek weder op en ging stil met lezen voort,
zonder zich verder met mij te bemoeien. Ik bleef eenige oogenblikken
weifelen, als wachtte ik een herhaling van haar aanbod; maar toen deze
niet kwam, zeide ik, dat ik vreesde door mijn vochtig gewaad de fraaie
meubelen te zullen bederven. Ik bekwam geen antwoord op deze aanmerking;
waarop ik, een weinig geraakt, het kussen van een der stoelen nam en op
tafel leide en mij op de naakte zitting plaatste. Zoo zaten wij nu een
tijdlang, gedurende welken mij de oogenblikken uren toeschenen: en
waarin ik mijn toestand, dien anderen hoogst benijdbaar zouden geacht
hebben, hoe langer hoe lastiger begon te vinden. Ik had, wel is waar,
mij aangenaam kunnen bezig houden met de beschouwing van het
fijngevormde neusje, de aardig gekuilde koontjes en rozeroode lipjes,
die het bevallige aangezichtje mijner nieuwe halvekennis
versierden;--maar ik begreep dat betamelijkheid mij verbood, haar zoo
gedurig aan te staren. Ik zocht dus mijn troost met nu en dan eens naar
buiten te zien, of de regen ook ophield, iets waarop althans voor 't
oogenblik, geen uitzicht scheen,--en met de binnenzijde van het
zomerhuis te beschouwen. Ik kon niet nalaten, hierbij den goeden smaak
des bouwmeesters te prijzen, die, zoo hij aan de buitenzijde misschien
wat al te kwistig met versierselen en krullen was te werk gegaan, van
binnen een edele eenvoudigheid tot leidsvrouw scheen gekozen te hebben.
De wanden en het gewelf waren wit gepleisterd: maar de kroonlijst,
zoowel als de pilasters, waar zij op rustte, bootsten zoo natuurlijk het
roode marmer na, dat men die moest voelen om zich te overtuigen dat zij
slechts uit hout vervaardigd waren. De vier vakken, die zich tusschen de
deuren en de vensters bevonden, schenen elk tot een bijzonder gebruik
bestemd, hetwelk werd aangeduid door vierregelige opschriften, in gouden
letteren daarop gesteld. Het eene vak was opengeschoven en bevatte een
verzameling van nette boeken, naar den laatsten smaak ingebonden. Met
behulp van een weinigje verbeeldingskracht giste ik nu, dat het vak
daartegenover met glazen en kopjes zou gevuld zijn; dat het derde een
fontein verborg, en men in het vierde

    _een verholen trap, die uitquam in een kelder_,

zoude vinden. Wat den vloer betreft, deze was geheel samengesteld uit
marmersteenen van onderscheidene kleur, zoodanig ingericht, dat zij een
groote ster binnen drie breede randen voorstelden;--echter waren alleen
de uiterste punten dier ster zichtbaar, daar het midden door een groote
Moskovische mat bedekt was, waar de tafel op stond, en waar ik mijn
voeten over uitstrekte, ten einde zoo weinig mogelijk de blijken mijner
aanwezigheid op de gladde steenen achter te laten.

Ik had dit alles nu eenige reizen en tot verzadiging toe bezichtigd en
inmiddels, wanneer ik een zijdelingschen blik op mijn schoone gastvrouw
sloeg, bemerkt, dat zij nu en dan van haar boek opzag, om naar het weer
te kijken; welke beweging ik niet kon nalaten, toe te schrijven aan haar
verlangen naar mijn vertrek. Mijn toestand werd mij nu zoo
onverdraaglijk, dat ik oprees. Den blik naar buiten slaande, zeide ik op
een toon, die in weerspraak was met mijn woorden:

"Ik geloof, dat de bui nu wat begint te bedaren: en dat ik best zal doen
met u onder dankbetuiging te verlaten."

"Ik zou nu maar wachten tot het opgehouden had met regenen," zeide zij,
haar heldere blauwe oogen eerst eventjes op mij en toen zeer lang op de
zwarte wolken gevestigd houdende: "het is waarlijk nog geen wandelweer."

En een nog geweldiger kletteren van den stortregen tegen de ruiten
bevestigde de waarheid van haar woorden.

"Mejuffrouw is al te goed," hernam ik: "er zou mij anders minder aan
gelegen liggen; maar ik had gehoopt heden nog voor 't poortsluiten
binnen Naarden te zijn, en ik zal frisch moeten aanstappen om mijn
oogmerk te bereiken."

Mijn schoone gaf geen antwoord op deze aanmerking: ik gevoelde, dat zij
alle aanleiding tot een onderhoud wilde vermijden, met iemand die haar
geheel onbekend was.

"'t Is noodweer!" vervolgde ik, eenigszins geraakt, en haar aan 't
praten wenschende te krijgen: "het koren dat te veld staat zal er zeker
vrij wat door lijden."

Het koren was zeker geen onderwerp, dat de Juffer toescheen gelukkig
gekozen te zijn: althans zij bewaarde het stilzwijgen.

"Ik beklaag de arme visschers, die zich op de Zuiderzee bevinden," zeide
ik, in den waan, dat, zoo het minste gevoel haar boezem bewoonde, zij
mijn aanmerking niet onbeantwoord laten kon; maar jawel! zij beet op de
lippen en keek in haar boek.

"Dit schijnt eene fraaie hofstede te zijn: ik heb zelden, zelfs
buitenslands, schooner boomen gezien dan die beuken in het overstuk."

Er was wederom geen antwoord.

"Voor den drommel!" dacht ik: "is het preutschheid, trotschheid of
domheid, dat zij mij niet te woord wil staan?" Ik kon het haar echter,
bij nader inzien, niet erg kwalijk nemen, dat zij, een steedsche,
misschien wel een hoofsche juffer, in geen gemeenzaam onderhoud verkoos
te treden met iemand, die er uitzag als een landlooper. Ik wilde echter
weten waar ik mij aan houden moest, en ontdekken of een lief gezichtje
de eenige gift was, die zij van de natuur ontvangen had, en of onwil dan
wel ongeschiktheid tot spreken haar tong boeide. Ik besloot dus een
duidelijk vraagteeken achter mijn volgende woorden te plaatsen:

"Mag ik vragen," zeide ik, "of dit goed niet toebehoort aan den Heer
Blaek van Amsterdam? Ik meen wel gehoord te hebben, dat hij in deze
omstreken een fraaie hofstede bezat."

"Ja, Mijnheer! de Heer Blaek is mijn oom," was het antwoord, waarvan de
koele toon mij niet afschrikte; want ik bevond mij nu op een vast
terrein, waarvan ik mijn aanval kon beginnen, zonder vrees van
teruggedreven te worden.

"Dat is mij bijzonder aangenaam," zeide ik: "ik herinner mij niet den
Heer Blaek ooit gezien te hebben."

Hier zweeg ik bot stil: en zij keek mij eenigszins verwonderd aan, als
wilde zij te kennen geven, dat zij niets van mijn gezegde begreep, maar
dat het haar voorts ten eenenmale onverschillig was of ik haar oom al
dan niet kende. Nu vervolgde ik:

"Maar den broeder van den Heer Blaek heb ik voor vele jaren wel eens ten
huize mijns vaders ontmoet... Hendrik Blaek, zoo ik mij wel herinner."

"Hij was mijn vader," zeide de jonge Juffer, terwijl haar gelaat opeens
een meer vriendelijke en tevens weemoedige stemming bekwam: "ik heb voor
twaalf jaren reeds het ongeluk gehad hem te verliezen."

"Het is waar," zeide ik: "ik spreek van den tijd, toen ik nog een knaap
was: de Heer Blaek kwam somtijds bij mijn vader: beiden hadden toen
betrekkingen bij de Oost-Indische Compagnie.... Mijn vader is thans
Hoofdschout te Amsterdam."

"De Heer Huyck uw vader!" zeide Mejuffrouw Blaek, op een uiterst
minzamen toon, haar boek sluitende: "o! ik ken hem zeer goed; en vooral
uw moeder en uw zuster: voor veertien dagen heb ik ze nog allen
gesproken en ik hoop ze eerstdaags weer te zien, daar wij morgen naar
Amsterdam vertrekken."

"En zij waren wèl, hoop ik?... indien ik zoo vrij mag zijn daarnaar te
vernemen?"

"O! zeer wel!" antwoordde zij, haar boek op de vensterbank leggende en
geheel ongedwongen: "en zij waren zeer verlangende u weer te zien. UEd.
wordt met ongeduld en smart verwacht, dat kan ik u beloven."

"Nu! het verlangen is wederkeerig," zeide ik: "het doet mij
ondertusschen recht veel genoegen goede tijdingen van hen te hooren en
vooral uit zulk een beminnelijken mond."

Mejuffrouw Blaek kreeg een kleur en zweeg. Ik begon terstond uit een
anderen toon, uit vrees, dat zij het gesprek niet zou willen vervolgen.

"En is waarlijk mijn lieve moeder zoo wèl als UEd. zegt? Volgens de
laatste berichten, die ik van haar ontving, had die lastige kwaal, de
hoofdpijn, haar weer gekweld."

"Zij scheen nu volkomen gezond, de zachte, lieve vrouw," zeide
Mejuffrouw Blaek: "ik weet echter, dat de schijn ten haren opzichte
niets bewijst; want zij klaagt nooit, en is altijd even lijdzaam en
geduldig; maar uw zuster Suzanna heeft mij verzekerd, dat zij in lang
zoo wel niet geweest was."

"En hoe maakt Santje het? Ik begrijp waarlijk niet, hoe zij het zoolang
heeft kunnen uithouden zonder mij; want toen ik nog in huis was, leefde
zij slechts half, wanneer zij mij niet driemalen in 't uur de les kon
lezen."

"Dan denk ik, dat er na uw lange afwezigheid al heel wat voor u in 't
zout is gelegd," zeide Mejuffrouw Blaek, lachende: "nu, gij zult het
toch van Santje wel willen hooren?--waar zijn de oudste zusters voor,
zoo niet om haar broeders wat in toom te houden?...--ofschoon ik vrees,
dat gij nu haar plak wel ontwassen zult wezen."

"Ontwassen! daar twijfel ik aan: zij zal mij zoo lang bruien, tot zij
een man heeft, om dien te regeeren.... _Apropos_, weet UEd. ook of er
zich al één voor haar heeft opgedaan?"

"Zoo ik haar vertrouweling ware," zeide mijn nieuwe kennis met een
fijnen glimlach, "zoude ik mij wel wachten, u iets te zeggen van hetgeen
ik weet:--en in allen gevalle wil ik haar van het genoegen niet
versteken om zelve u dienaangaande de noodige mededeelingen te doen."

"O hemel!" hernam ik, "dan zal ik niets vernemen, voor en aleer de
voorzanger in de Oude Kerk, met zijn neusstem, aan de gansche gemeente
verkondigt, dat er trouwbeloften bestaan, tusschen den Heer N.N. en
Mejuffrouw Suzanna Aletta Huyck."

"Ik vlei mij, dat zij wel wat vertrouwelijker met u zal wezen. Ten
minste, zoo ik oordeelen moet naar den toon, waarop zij altijd over u
sprak, mag ik besluiten dat zij niet weinig van u houdt."

"Zij heeft u dus over mij gesproken," zeide ik met levendigheid: "dat
verheugt mij recht; want dan ben ik u niet geheel onbekend."

"UEd. schijnt derhalve te gelooven, dat zij u in uwe afwezigheid niet
benadeeld heeft," zeide Mejuffrouw Blaek: "en dat gij meer verplichting
aan haar hebt, dan men uit uwe woorden van zooeven zoude opgemaakt
hebben."

"Wel, daarvan ben ik overtuigd," zeide ik: "verre van mij, zal zij niets
dan goeds van mij zeggen;--maar wee mij, wanneer ik weer voor haar oogen
verschijn."

"Dat is de ware vriendschap," zeide Mejuffrouw Blaek: "iemand zijn
fouten in 't aangezicht te zeggen en achter zijn rug hem te
prijzen:--maar wees slechts niet te hoovaardig. Zij wist uw brieven soms
op zulk een kluchtige wijze te ontleden en met aanmerkingen te
versieren, dat gij er meer dan eens deerlijk afkwaamt."

"Hoe!" herhaalde ik, terwijl ik een gemengd gevoel van blijdschap en
spijt ondervond: "zij heeft u mijn brieven laten lezen?"

"Immers uittreksels daarvan ... beschrijvingen van landen en steden,
zeden en gewoonten, en uw aanmerkingen daarover: ik kan niet ontkennen,
dat zij mij dikwijls vermaakt hebben."

"Helaas!" riep ik uit, een bedrukten toon aanwendende: "vermaakt!
wellicht ten koste van den armen schrijver, die zich na de
vermoeienissen van den dag uitsloofde om met vakerige oogen en een
slaperig brein aan de schrijftafel te gaan en ter liefde zijner familie
halve nachten doorbracht met papier te bekladden, terwijl hij veel
liever op zijn bed had liggen droomen.--Nu voorwaar! nu zal ik toch ook
op mijn beurt eens klagen over een misbruik van vertrouwen."

"Ik dank u voor de beleefdheid," zeide Mejuffrouw Blaek: "UEd. denkt
dus, dat het vertrouwen slecht geplaatst was."

Ik stond een oogenblik verzet en voelde dat ik rood werd: ik herstelde
mij echter, toen ik bespeurde dat Mejuffrouw Blaek, misschien
oordeelende dat zij te vrij gesproken had, insgelijks een kleur kreeg:
en ik ging dus schertsende voort:

"Het was verre van mijn bedoeling u een slecht compliment te maken:
integendeel! daar ik niet geloof, dat Santje met mijn brieven rondloopt,
beschouw ik die mededeeling daarvan aan u als een blijk dat gij beiden
zeer nauw verbonden zijt: en dewijl de vrienden onzer vrienden ook de
onzen zijn...."

"Dat spreekwoord gaat niet door," zeide Mejuffrouw Blaek, droog weg:--en
als willende zij mij te kennen geven, dat zij niet van plichtplegingen
hield, vroeg zij mij op een kouden toon of ik ook wist, hoe laat het
ware.

"Dat zou ik u moeilijk kunnen zeggen," antwoordde ik: "want mijn uurwerk
heeft mij de poets gespeeld van stil te gaan staan. Naar mijn gissing
moet het echter niet verre van halféén zijn."

"Reeds zoo laat! dan vrees ik, dat zij mij reeds door de geheele plaats
zoeken; want ik had al lang te huis moeten zijn. Het is etenstijd en ik
ben nog niet aangekleed."

"Wilt gij, dat ik naar uw huis ga, en om een regenscherm voor u vrage?"

"Wel neen," zeide zij lachende: "dit is de meening niet: gij zit hier
droog; waarom zoudt gij u nogmaals aan de bui blootstellen?"

"Indien dit uw eenige reden is," zeide ik, "snel ik er dadelijk heen. Ik
ben toch reeds doornat, en, buitendien, zou men niet desnoods door een
water loopen, om u van dienst te zijn."

"Neen! neen! ik dank u," zeide zij, eenigszins ongeduldig; "er zal
straks wel iemand komen, om mij te halen ... of liever ... zoodra de bui
bedaart, gaan wij beiden elk zijn weg."

Wij zwegen een oogenblik, gedurende hetwelk ik aan de deur post vatte,
gereed om naar het heerenhuis te snellen, zoodra zij, mij daar verlof
toe gaf. Ondertusschen kon ik in haar oogen lezen, dat zij mij nog iets
wilde zeggen, doch aarzelde het uit te brengen. Eindelijk scheen zij
haar beschroomdheid overwonnen te hebben, en vervolgde, voor zich
ziende:

"Hoor eens, Mijnheer Huyck! ik heb waarlijk liever, dat UEd. niet gaat.
UEd. is de broeder mijner vriendin! ik kan het u dus wel zeggen ... ik
ben bang dat mijn oom misschien kwalijk zou nemen dat...."

"Dat een wensch, door u geuit, dadelijk vervuld wordt, zoo ras hij
gehoord is?" viel ik in de rede.

"Luister!" hernam zij, terwijl zij dreigend den vinger ophief: "ik moet
u waarschuwen, laat alle complimenten varen, of ik zwijg bot-stil, daar
ik u toch niet ontloopen kan."

"Op mijn woord," hernam ik met vroolijkheid: "ik kan niet gelooven, dat
UEd. de nederigheid zoover zoudt drijven, om elk vriendelijk woord, dat
u gezegd wordt, dadelijk voor een plichtpleging en niets meer te houden.
Indien UEd. uitdrukkingen, welke niets dan waarheid behelzen, als
vleierij wilt opnemen, zult gij mij dwingen anders te spreken als ik
denk."

"Hoe langer hoe mooier!" zeide zij: "in welk van de door u bezochte
landen hebt gij die hoofsche taal geleerd? Uw gesprek gaat het bereik
van een onnoozel Hollandsch meisje als ik ben ver te boven: en ik weet
er niet naar behooren op te antwoorden."

"Het is dan toch waarlijk al te erg," hervatte ik, "dat al mijn gezegden
zoo verkeerd door u worden opgenomen. Ik zal nog moeten eindigen met u
allerlei onaangename dingen te zeggen, na vooraf verzocht te hebben dat
gij wel zoo goed wilt zijn, al mijn uitdrukkingen letterlijk in den
tegenovergestelden zin op te vatten. In 's hemels naam!" voegde ik er
haastig bij, ziende, dat een wolkje van ongenoegen op het blanke
voorhoofd der jonge schoone begon samen te trekken: "wees niet boos,
maar oefen lankmoedigheid uit jegens iemand, die nu twee jaren buiten de
gelegenheid is geweest een meisje in 't Hollandsch aan te spreken: en
zoo ik iets zeg, dat u mishaagt, schrijf het daaraan toe, dat mijn
blijdschap over de eerste ontmoeting met een stadgenoot mij 't hoofd op
hol brengt. Moet ik het niet als een gelukkig voorteeken opvatten, ja
zelfs er het onweder voor dank weten, dat gij die persoon zijt en niet
de een of andere...." hier schoot ik onwillekeurig uit in schaterend
gelach; want mijn ontmoeting met Simon kwam mij voor den geest.
Mejuffrouw Blaek keek mij eenigszins verbaasd aan, niet wetende wat die
ongemeene vroolijkheid beduidde.

"Ik bid u duizendmaal om vergeving," vervolgde ik: "maar juist
herinnerde ik mij, dat ik reeds hedenmorgen een stadgenoot ontmoet heb,
en wel een Joodje met negotie: dat denkbeeld in verband met hetgeen ik
zeide, kwam mij zoo zot voor, dat ik niet kon nalaten er om te lachen...
UEd. is er toch niet boos over?"

"Niet in het minste! Het spijt mij maar om uwentwil, zoo UEd. aan
voorteekenen hecht; want nu ligt het gansche gebouw uwer hoop in
duigen."

"Nog niet! Op mijn eerste ontmoeting is een geweldige regenbui gevolgd,
en dus heb ik het leed, dat zij mij aanbrengen moest, al beet, maar deze
tweede kan mij niets dan goeds voorspellen."

"Zij voorspelt u een duchtige verkoudheid," zeide het schalksche meisje:
"of kunt gij nogal tegen een nat pak?"

"O ho!" zeide ik: "daar vrees niet ik voor: straks loop ik mij weer
warm?"

"Wel mogelijk!" zeide zij, met een goedaardigen blik: "maar het ware
toch niet kwaad, zoo gij iets naamt om u wat te verwarmen. Het zou mij
voor de eer van mijn oom spijten, indien gij op Guldenhof geweest waart
en niets gebruikt hadt om u te verkwikken. Ik zal zien wat de kast
bevat."

Met deze woorden sprong zij op, nam een bos sleutels, die aan de
boekenkast hing, er af en opende, niettegenstaande mijn betuiging, dat
ik niets behoefde, eene der andere kasten, welke, gelijk ik al vermoed
had, tot buffet diende en waar, behalve eenig Japansch en Chineesch
porselein, een zilveren tabakskomfoor, een kistje en verder toebehooren,
zich ook een likeurkeldertje bevond, hetwelk ik er uitnam en op de tafel
zette.

"Ziehier!" zeide zij: "wat zult gij; nemen? cognac, rum, rosolis,
ratafia! wat gij begeert."

Ik nam een glas cognac aan en voelde inderdaad dat het mij goeddeed.
Intusschen had ik, terwijl mijn schoone gastvrouw in de kast schommelde,
het opschrift gelezen, hetwelk daarboven prijkte en luidde als volgt:

     "Gij, die in dit verblijf wilt toeven met gemak,
     Gij vindt in deze kast pijp, vuurtest en tabak:
     Ook keurig porselein van China's verre kust
     En goeden morgendrank, zoo u geen koffie lust."

"Een zeer goede terechtwijzing voor de dieven, die altemet hierbinnen
mochten dringen," zeide ik, "om niet verlegen te zijn, waar zij iets
naar hun gading kunnen vinden."

"O!" zeide Mejuffrouw Blaek: "de koepel wordt goed gesloten: en het
weinige, dat zich hier bevindt, is de moeite van 't inbreken niet
waardig."

"Het schijnt hier vol rijmpjes te zijn," zeide ik, mij omdraaiende, en
het opschrift der boekenkast lezende, 't welk van dezen inhoud was:

     "Men streele en voede 't lijf; maar beter nog den geest,
     Is voor eene eeuw de les van Vader Cats geweest;
     Zoo gij begeerig zijt om onderricht te zoeken,
     Hier binnen vindt gij keur van goede en nutte boeken."

"'t Is jammer van 't goud, dat aan de letters verspild is," dacht ik bij
mijzelven; maar te gelijk mompelde ik overluid: "hm! zeer aardig!"

"Thans, heer waarheidspreker," zeide de schalksche plaagster, "ben ik
overtuigd, dat gij niet meent zooals gij spreekt."

"Wat zal ik zeggen," hernam ik, de schouders ophalende: "hoog dravende
poëzie is het juist niet: maar het zijn rijmen, die doel treffen, en dat
kan men juist van alle niet zeggen. Ook moet ik u bekennen, dat ik
hoegenaamd geen gevoel voor, noch kennis van dichtkunde bezit."--En dit
was waar.

"Mag ik eens verder lezen?" vervolgde ik, en hief nu aan met het
opschrift, boven het derde vak geplaatst:

     "De leeuw, dien Simsons vuist ter neder heeft geveld,
     Had honing in den muil, gelijk de Schrift vermeld:
     Maar zoo deez' kast almeê een leeuwenkop besluit,
     Daar vliet nooit anders dan gezuiverd water uit."

"Voorwaar!" zeide ik: "ik dacht niet dat ik Simson bij deze gelegenheid
zou aantreffen."

"Wat zal men veel zeggen over een fontein?" zeide Mejuffrouw Blaek, de
schouders ophalende: "onze koepeldichter heeft zelfs kans gezien om op
de wenteltrap te rijmen, die achter dit beschot loopt, en er onze
stamvaders bij te pas te brengen."

Ik wendde mij om en las het vierde opschrift:

     "Nieuwsgierigheid heeft vaak den mensch gebracht in 't leed,
     Gelijk zij 't Adam en zijn bedgenoot al deed.
     Bedenkt dit, eer gij 't waagt, ook deze deur te ontsluiten;
     Gij mocht licht tuim'len en u arm of been verstuiten."

"Brr! dat mag hoogdravend, of liever laagvallend heeten," zeide ik: "hoe
jammer, dat de vervaardiger van al die kunstgewrochten de zedigheid
heeft gehad van zijn naam nergens onder te plaatsen."

"O! wat zijn naam betreft," zeide Mejuffrouw Blaek, "die staat buiten
boven den ingang, onder een vijfde opschrift, waarbij hij in brommende
woorden vertelt, dat dit gebouw een koepel is, even of de lieden het
voor een kippenhok zouden aanzien. Het is anders een goede man, die
Lucas Helding; maar het nageslacht zal er weinig aan missen, al zet hij
nimmer weer een pen op het papier."

"Ik houd mij toch overtuigd," zeide ik, dat hij betere dingen maken kan,
wanneer hij waardiger onderwerpen heeft dan een koepel en een
wenteltrap. In zijn hoedanigheid als dichter van Guldenhof heeft hij
ongetwijfeld uwe begaafdheden meer dan eens bezongen: en het kan niet
anders, of het onderwerp moet zijn dichtgeest hebben aangeblazen."

"UEd. raadt wel," zeide zij: "ik heb nog nooit mijn verjaardag gevierd,
zonder een berijmden gelukwensch van hem te ontvangen: en er is geene
godin op den Olympus, waar ik niet bij vergeleken ben geworden.
Ongelukkig had hij verleden jaar zijn stof wat uitgeput; want toen was
ik niet alleen Venus, dat sprak vanzelf, maar Juno, Vesta, Ceres,
Minerva, weet ik wat al meer: 't is waar, ik had hem ook een degenstrik
geborduurd; maar dit jaar kwam ik er slecht af en was niet meer dan
Atalante! dat was een leelijke val."

"Zeker waart gij dezen of genen minnaar ontloopen," merkte ik lachende
aan: "maar komaan! dan wil ik u weder op den Olympus terugbrengen en u
mijn dank als Hebe toebrengen," en ik dronk mijn glaasje uit.

"Hebe bediende alleen de goden, mijnheer!" zeide zij, spottende.

"Ik bid u om vergeving," zeide ik: "zij gaf ook Hercules, die maar een
halve god was, nu en dan wat te drinken, als hij nat te huis kwam."

"'t Is mogelijk!" hernam zij: "ik zal mij niet vermeten te twisten met
iemand die gestudeerd heeft. Wilt gij nog een glaasje?... o hemel! daar
luidt de etensbel! nu zal ik er wel door moeten, regen of geen regen."

"Maar welke barbaren wonen er dan toch op het Huis," vroeg ik, "dat niet
een van hen de beleefdheid heeft u te komen zoeken?"

"Ik durf niet langer blijven," zeide het jonge meisje, met blijkbare
verlegenheid: en haar boek in de kast geplaatst hebbende, nam zij haar
werk op; maar de breikluw ontviel haar en rolde onder de tafel. Ik bukte
juist om die op te rapen, toen opeens de kreet van: "gevonden!
gevonden!" mijn ooren trof, en drie mij onbekende aangezichten zich
gelijktijdig op de stoep vertoonden.


       *       *       *       *       *


VIERDE HOOFDSTUK.

'T GEEN VERHAALT WAT ME VERDER IN DEN KOEPEL VOORVIEL.


De voorstanders der nieuwe school, welke sedert eenigen tijd in de
letterkunde het hoofd begint op te steken, schijnen, met verwerping der
oude eenvoudigheid, welke wij van de Grieken en Romeinen hadden
ontvangen, in hunne voortbrengselen, vooral in die van dramatischen
aard, machtig veel prijs te stellen op treffende en ongehoorde
tegenstellingen en contrasten, en op alles, wat vreemde en door hun
onverwachte verschijning sterk schokkende uitwerkingen teweegbrengt.
Hiertoe behooren voornamelijk de zoogezegde _coups de théatre_, welke
tegenwoordig bij onkundigen, ja zelfs (ik zeg het met leedwezen) bij
ettelijken, die beter moesten weten, meer indruk maken en meer
toejuichingen verwerven dan de fraaiste gezegden of de schilderachtigste
beschrijvingen onzer beste dichters. Wat mij betreft, wellicht komt het
daar vandaan, dat ik op mijn ouden dag mijn smaak niet weet te plooien
naar dien des hedendaagschen tijds; maar ik kan maar van mijzelven niet
verkrijgen, dat verschrikkelijk bonte, dat sterke licht en bruin, al die
schuddende en schokkende contrasten te bewonderen: en zoo ik al in
enkele gevallen vrede heb met die _coups de théatre_, welke mij
doorgaans eer een lach van medelijden dan een kreet van genoegen
afpersen, het is in een blij- of kluchtspel, waarin ik oordeel dat zij
te huis behooren.

Men vergeve mij deze uitweiding, welke sommigen misschien zal ergeren en
aan allen waarschijnlijk ongepast en misplaatst zal voorkomen; maar het
is een voorrecht van den ouderdom, bij ettelijke gelegenheden wat lang
van stof te worden, en wat te beuzelen, 't geen soms bazelen wordt. Tot
mijn verdere verschooning moet ik zeggen dat de aanleiding daartoe zich
zeer natuurlijk verklaren laat uit den toestand, waarin Mejuffrouw Blaek
en ik, zoowel als de drie nieuwe personages, die ons kwamen verrassen,
ons aan het slot van het voorgaande hoofdstuk bevonden, en welke
toestand over en weder een der aardigste _coups de théatre_ opleverde,
die immer in de gefingeerde tooneelwereld kan worden uitgedacht.

Verbeeld u slechts, aan de eene zijde, den schrijver dezer
gedenkwaardige geschiedenis, in den fraaien dos, die vroeger beschreven
is en die door den regen niet beter van aanzien geworden was, op handen
en voeten onder de tafel liggende om de kluw op te rapen van Mejuffrouw
Blaek, die op het geroep het blonde hoofdje had omgewend, en zoodra zij
de aankomenden herkende, met neergeslagen oogen en bloedroode wangen,
als op haar plaats genageld bleef staan, gelijk iemand, die op een
schuldige daad wordt betrapt:--en, aan den anderen kant, de drie
nieuwaangekomenen, verbaasd en als versuft op den drempel staande om dit
tooneel aan te gapen, en zeker alle drie in den waan verkeerende, dat
het hier niet zuiver toeging, en dat Mejuffrouw Blaek een vrijer had,
die zich onder de tafel zocht te verbergen. Waarlijk, dit leverde een
tooneel op, het penseel van mijn ouden kennis Troost, of een hem
gelijken schilder overwaardig. En opdat het niemand, die zich mocht
opgewekt gevoelen, deze ontmoeting op het paneel te vereeuwigen, aan de
vereischte bijzonderheden ontbreken moge, welke hem in staat kunnen
stellen alles als naar 't leven af te beelden, wil ik hier de
beschrijving bijvoegen van de drie personen, door welke ons tête-a-tête
zoo onverwachts gestoord werd.

De voorste van hen was niemand minder, dan de eigenaar zelf der
hofstede, de Heer Jacobus Blaek, een man van middelbare lengte, schraal
en ongezond van uitzicht, en voorzien met een gelaat, waarvan men de
kleur gevoeglijkst bij die van een glas zuiver Amsterdamsch grachtwater
zou kunnen vergeleken hebben. De rimpels, die zijn voorhoofd groefden,
de ziekelijke uitdrukking van zijne, diep in de kassen weggezonken
oogen, de ver vooruitstekende kin en magere wangen, en het gemis van de
grootste helft zijner tanden, gaven hem het voorkomen eens afgeleefden
grijsaards; ofschoon hij werkelijk niet ouder was dan drie en vijftig
jaren. Zijn houding echter was altijd afgemeten en deftig; ja, in
sommige gevallen niet van waardigheid ontbloot, en zijn voorkomen dat
van een fatsoenlijk man. Zijn gewaad bestond in een effen zomerrok van
gevlochten zilverdraad. Van uit de breede omslagen der mouwen, die tot
even onder de ellebogen reikten, viel een aanzienlijk pak lubben op den
voorarm neer. Het kamizool was van zwart gebloemd damast, evenals de
wijde broek; en tusschen beide in blonk een hagelwit linnen. De zijden
kousen staken in groote vierkante schoenen met hooge roode hakken
voorzien. Hij droeg thans geen degen, maar een kostbaren hartsvanger op
zijde, aan een zilveren ketting, in een scheede van robbevel, en waarvan
het gevest van ivoor was vervaardigd, ingelegd met goud. Een touwen
pruik en daarboven een witte lakensche pet met een breede ver
vooruitstekende klep, bedekten het hoofd: en een das met kantwerk aan de
tippen, waarover rijkelijk snuif gestrooid was, omstrikte den hals. In
de rechterhand hield hij een langen bruinen rotting met barnsteenen
knop, en in de linker een regenscherm.

Rechts achter hem bevond zich zijn eenige zoon, de Heer Lodewijk Blaek,
een rijzig, kloek gebouwd jonkman, met groote bruine oogen, een
welgevormden mond en regelmatige trekken, welke hem een allergunstigst
uiterlijk zouden geschonken hebben, indien er niet in zijn schuinschen
blik en in de wijze, waarop hij gewoon was den neus en de onderlip op te
halen, iets ware gelegen geweest, dat van hoogmoed en verachting sprak
en een onaangename uitdrukking over zijn gelaat verspreidde: en indien
niet enkele roode vlekjes, op zijn fletse wangen verspreid, te duidelijk
heur herkomst hadden geopenbaard van de menigvuldige brasserijen en
nachtwaken, die toen, wat ook een _laudator temporis acti_ moge zeggen,
meer in zwang waren dan tegenwoordig. Zijn kleeding was rijker en meer
nieuwmodisch dan die van zijn vader, ofschoon insgelijks die van een
buitenman; maar zijn rok was van groen laken, als bezaaid met een
onnoemelijk getal kleine ronde knoopjes, en met wingerd-ranken van
groene vlaszijde om de zakken en op de naden geborduurd. Zijn broek,
waarboven een driedubbele gouden horlogeketting bungelde, was van geel
leder: zijn gerolde bovenkousen van gele zijde, en de onderkousen van
geweven touwwerk; van onder een ouden hoed, dien hij zeker in de haast
had opgezet, golfde een fraaie pruik van kastanjebruin haar in sierlijke
krullen naar beneden, en deelde zich op den nek in twee zoogenaamde
_marteaux_, waarvan slechts de eene zijn weg over den rug vervolgde,
terwijl de andere, naar den toen heerschenden smaak over den
linkerschouder naar voren was gebracht. Hij droeg degen noch jachtmes;
maar een klein hondenzweepje met een gouden fluitje aan den steel stak
hem onder den arm uit, terwijl ook zijne hand zooals die zijns vaders
gewapend was met een regenscherm; het zijne echter was van rood taf met
gelen rand, bloemen en gewerkte franje: dat van zijn vader van grof
linnen en meer ouderwetschen vorm.

Wat de derde personage betrof, die meer achterwaarts bleef en de
slinkerhand hield, deze was niemand anders dan de Heer Lucas Helding, de
voortbrengselen van wiens vernuft ik in het vorige hoofdstuk heb
medegedeeld. Men had den goeden man slechts aan te zien om gewaar te
worden, dat hij door de beide Heeren, in wier gezelschap hij zich
bevond, slechts geduld was en niet meer, en er verre van af was, die
onafhankelijkheid te bezitten, waarop de Muzenzonen gewoon zijn zich te
laten voorstaan. En waarlijk, het was, in die dagen zooals nu, een
beklagenswaardig lot voor een inboorling van ons Gemeenebest, wanneer
hij, niet door de fortuin bedeeld zijnde, zijn brood met de beoefening
der schoone kunsten en wetenschappen verdienen moest: vooral in
Amsterdam, waar men weinig of geene achting koesterde voor al wie aan de
begaafdheden, welke hem de natuur geschonken had, het gewicht niet wist
bij te zetten van eenige goede zakken met dukaten en eenige liassen
schuld- en kustingbrieven;--maar meer dan één schilder, wiens
voortbrengselen thans duizenden gelden, in een gasthuis stierf; waar
meer dan één plaatsnijder zich uit armoede verdronk en menige geleerde
op een vliering woonde.

Er was er echter onder de begunstigden van Apollo en het negental, aan
wien wel geen rijkdom te beurt viel, maar toch een zeker bestaan werd
verschaft,--zeer draaglijk voor alledaagsche geesten; maar voor
hoogvliegende vernuften meer onverduurbaar wellicht dan de ellende
zelve. Hoewel onze Amsterdamsche Patriciërs (ik spreek hier in 't
algemeen: er bestonden enkele en treffelijke uitzonderingen) weinig met
de beoefenaars der kunst ophadden, zij konden, bij de steeds klimmende
weelde, de kunst zelve hoe langer hoe minder missen. Men bouwde overal
nieuwe en prachtige huizen: goed: men betaalde de bouwmeesters wel; maar
dan moesten er ook beelden en vazen zijn in de voorportalen en gangen;
schilderijen op de behangsels; basreliefs boven de deuren; allegoriën,
beeldspraken en deviezen aan de gevels, stoepen, tuin- en
zomerhuizen.--Men had fraaie rijtuigen;--maar de paneelen moesten met de
wapens des eigenaars en met keurig schilderwerk prijken. Men had
sierlijk aangelegde lusthoven; maar dit moest een ieder weten, en daarom
moesten die in een "deftig dicht", gelijk men 't noemde, bezongen
worden. Men had boekerijen;--maar het was niet altijd de zaak des
eigenaars om die zelf te verzamelen. Eindelijk, men had van Augustus en
Mecenas hooren spreken, van de aanmoediging en bescherming, door hen aan
de kunst verleend, en hoe zij, ter wedervergelding, door dichters en
kunstenaars werden geëerd en geprezen: en nu moest ieder, die geld had,
een Augustus of Mecenas worden en ten minste aan een paar schilders of
dichters zijn hooge gunst doen blijken. Dat bij sommige aanzienlijke
ingezetenen een wezenlijk gevoel voor het schoone en goede bestond, kan
niet geloochend worden; en ik zal de eerste zijn om hulde te doen aan
mannen, gelijk ik er velen gekend heb, die met den luister hunner
geboorte en het aanzien, dat stand en rijkdom hun gaven, vernuft,
geleerdheid, goeden smaak en echten kunstzin wisten te vereenigen; maar,
dat het bij de meesten een zaak van mode was, zal evenmin weersproken
worden door iemand, die van den toenmaligen tijdgeest slechts een flauwe
kennis draagt:--en zoo gebeurde het, dat schilders van den eersten rang
hunne goddelijke kunst moesten verlagen om die te doen strekken tot het
versieren van vertrekken of staatsiekoetsen, of het teekenen van
perspectieven aan het einde eener laan en op de wanden eener oranjerie:
of wel, tot het afbeelden van hun beschermer en zijn huisgezin, in de
door hen gekozen, vaak belachelijke gewaden en houding;--dat de dichter
zijn vlucht beperken moest binnen de enge grenzen van het lofdicht, ter
eere van den rijkaard, die hem betaalde, en van het beschrijvend
gedicht, ter verheffing van de buitenplaats, waar hij nu en dan het
onwaardeerbaar voorrecht genoot een paar dagen door te brengen: wanneer
er namelijk geene meer aanzienlijke gasten waren dan de jongste
boekhouder en diens familie.--Want, waagde hij het, hooger tonen te
slaan, hij kon van te voren berekenen, dat zij hem geen stuiver zouden
opbrengen.

Zoodanig een lot was ook dat van Lucas Helding, wien de Heer Blaek zich
had aangetrokken, niet omdat deze eenig gevoel voor de dichtkunst bezat,
maar omdat gezegde Lucas Helding hem eenige jaren vroeger, door zijn
zoon Lodewijk (die er zijn redenen voor had) was aanbevolen geworden tot
het bezingen der schoonheden, welke de hofstede Guldenhof opleverde.
Ettelijke honderden van exemplaren in 4° formaat, met fraaie lederen
banden en goud op snede, onder de vrienden en kennissen van den Heer
Blaek rondgedeeld, getuigden, hoe treffelijk zich de hofdichter van zijn
taak gekweten had; en deze, hierdoor onder het patronaat van den
eigenaar der door hem bezongen hofstede gekomen, genoot sinds de
benijdbare onderscheiding, van somtijds bij zijn beschermer eenige dagen
te mogen doorbrengen en nu en dan met een kleine _douceur_ in geld, of
wel met een ouden rok of hoed te worden vereerd. Hij had het in waarheid
slechter kunnen treffen, want op Guldenhof waren geen kinderen, die men
te vergezellen had, wanneer zij in een bokkenwagentje reden (een
bezigheid, die gewoonlijk anders aan zulke logeergasten werd
opgedragen): geen Fransche gouverneur, met wien men uitgestuurd werd ter
wandeling en wien men niet verstaan kon: geen vrouw des huizes, die de
portiën aan tafel zelve voordiende en zorg droeg, dat een gast als deze
niet meer kreeg dan zijn bekomst;--het gansche huisgezin bestond er
slechts uit drie personen, waarvan twee zich weinig of niet met hem
bemoeiden, en de derde--een engel was. Lucas Helding sleet dus, zoo
dikwijls hij op Guldenhof kwam, daar werkelijk gulden dagen; at en dronk
zooveel hem lustte, wandelde waarheen hij wilde, mocht ongemoeid in de
boekerij snuffelen, en vond Mejuffrouw Blaek altijd gereed en genegen om
een praatje met hem te maken en hem te plagen.

Met dat al, men behoefde, gelijk ik reeds heb gezegd, onzen Muzenzoon
slechts aan te zien, om zich overtuigd te houden, dat zijn financiën
zich geenszins in een voordeeligen staat bevonden, en Plutus hem evenmin
gunstig was geweest als zoovelen anderen, die voor en na Lucas Helding
de lier van Apollo getokkeld hebben.

Mijn bemerking geldt echter alleen het uiterlijke voorkomen van den man;
want niettegenstaande zijn soberen opschik, schenen zijn ronde buik en
blozende wangen van een betere keuken en meer voorzienen spijskelder te
gewagen dan hem gewoonlijk ten deel viel: en de goede moeder natuur had
het vergoedingsstelsel te zijnen opzichte in zooverre gevolgd, dat zij
hem bij zijn armoede een gelukkig humeur en een blijde vroolijkheid had
geschonken, welke hem de nukken der fortuin trots den besten wijsgeer
deden tarten, en alleen, gelijk uit het vervolg zal blijken, nu en dan
voor smarten van een meer treffenden aard moesten zwichten. Zijn rond en
open gelaat, zijn kleine, maar geestige oogen, zijn lachende roode
lippen, hadden, om voordeelig uit te komen, een betere lijst verdiend
dan het magere pruikje, waaruit eenige grijze haren ontsnapten, die te
kennen gaven, dat hun eigenaar de zes kruisjes reeds achter den rug had.
Wat het overige van 's mans kleeding betrof, om met een dichter van zijn
slag te spreken,

     Zijn kamizool, schoon 't van damast was,--
     Was 't slechtste stuk, dat aan zijn bast was,

en miste reeds lang de grootste helft der knoopen, waarmede het vroeger
versierd was geweest en wier plaats tegenwoordig vervuld werd door een
menigte spelden, zoo hoog opgestoken, dat zij het vraagpunt in 't midden
lieten, of er al dan niet eenig linnengoed onder dat vest verborgen was.
De rok was bij uitstek fraai ... geweest, maar de kleur der gele, blauwe
en oranje ruiten, welke daarop te zien waren, was lang verschoten en het
fatsoen ten eenenmale ouderwetsch geworden: ook was hij niet ruim
genoeg, om dichtgeknoopt te kunnen worden over den vooruitpuilenden
buik, die met moeite geborgen werd in een groen fluweelen broek, welk
laatste kleedingstuk, nog zoogoed als nieuw zijnde, merkelijk tegen de
rest afstak. Witte geweven kousen, welke tot boven de dijen reikten en
onder de knie met een paar marokijnen kousebanden opgehouden werden,
omsloten de korte en met fraaie kuiten voorziene beenen, waarmede hij
angstig op en neder trippelde, om een paar groote honden van den Heer
Blaek te ontwijken, die er vermaak in schenen te vinden om hem in
verlegenheid te brengen. Wanneer men zich nu bij dit alles een klein
degentje met tinnen gevest, onder het rokspand half verborgen, en een
paar lomp gemaakte schoenen voorstelt, zal men zich een klaar denkbeeld
kunnen maken van den persoon van Lucas Helding. Ook hij droeg een
regenscherm; maar het zijne was zoo bedekt met lappen en zetstukken, dat
de oorspronkelijke aard en kleur der stoffage niet langer te onderkennen
was.

De drie personages, waarvan wij de beschrijving hebben gegeven, bleven
dan, als gezegd is, in stomme verbazing op de stoep staan en herinnerden
Helding, gelijk deze naderhand beweerde, aan soldaten, die,

                      Verdadight met een dack
    Van schilden (_regenschermen_) dicht gevoeght,

een bres beklimmen en halverwegen worden gestuit.

De verbazing, welke zich op de drie onderscheidene troniën vertoonde,
leverde een kluchtig en veelbeteekenond contrast op. Bij den ouden Heer
Blaek scheen zij vermengd met een gevoel van angst en toorn, 't welk hem
den mond wijd deed openen en den knop van zijn rotting krampachtig
vastknijpen. Zijn zoon wierp het hoofd in den nek, en trok den neus en
de wenkbrauwen naar boven: en op de lippen van Helding rees een
glimlach, dien hij zich haastte met de hand te bedekken, in de
onzekerheid, hoe een scherts met dit voorval zou kunnen worden
opgenomen.

Het stilzwijgen, door de wederzijdsche verrassing veroorzaakt, duurde
echter niet lang: de drie Heeren traden binnen, voorafgegaan door de
beide honden, die dadelijk al blaffende en grommende toeliepen naar den
ongelukkigen indringer, die ondertusschen, met de kluw in de hand, van
onder de tafel voor den dag gekomen was: en de jonge juffrouw ging haar
oom een schrede te gemoet.

"Wij kwamen u halen, Mejuffer!" zeide de Heer Blaek, op een toon van
ontevredenheid, welken de omstandigheid eenigszins wettigde, en zonder
eenige de minste notitie van mij te nemen: "niemand wist waar gij
heengestoven waart."

"Ik was ... ik zat hier te lezen. Oom!" antwoordde het lieve meisje,
beurtelings rood en bleek wordende: "het regende zoo, en...."

"Wij waren bang dat gij u verveeld zoudt hebben," zeide Lodewijk Blaek
met een schamperen lach, terwijl hij tevens een schuinschen blik op mij
wierp: "maar wij wisten niet, dat gij gezelschap hadt."

De Heer Blaek wierp op zijn zoon een eenigszins onvergenoegden blik en
wendde zich tot mij, als om mij te vragen, wie ik was, toen ik,
verlangende mijn lieve gastvrouw uit de verlegenheid te redden,
vooruittrad en hem voorkwam.

"Ik hoop, Mijnheer Blaek," zeide ik, "dat gij het mij niet ten kwade
zult duiden, zoo ik hier voor eenige oogenblikken een schuilplaats tegen
den regen heb gezocht."

"Het staat voor de deur," mompelde Helding halfluid:

     Zoo gij voor regen vreest of gure noordenwinden,
     Gij kunt in dit verblijf een zoete schuilplaats vinden...."

"Gij waart zeker bang," voerde Lodewijk Blaek mij spottende te gemoet,
"dat het dak lekte, en dat gij slechts onder de tafel tegen den regen
beveiligd zoudt zijn."

"Ik raapte deze kluw op, die de juffer had laten vallen," zeide ik, zoo
bedaard mogelijk, en reikte meteen het garen aan mijn bekoorlijke
gastvrouw toe, die het met een beleefde nijging aannam.

"En waart gij ook al aan 't borrelen, Nichtje?" vroeg Lodewijk, naar de
tafel gaande en een der fleschjes opnemende: "mij dunkt gij hieldt hier
open hof. Wat zeg je, poëet!" (tegen Helding) "heeft de maag ook een
prikkel noodig, voor wij aan tafel gaan?"

Helding naderde met eenige strijkages, en, het glas opnemende, dat
Lodewijk voor hem had ingeschonken, hield hij het zoolang in de hand,
totdat de zoon van zijn beschermer het zijne geledigd had, waarna hij
met kleine teugjes de fijne likeur begon in te slorpen.

"En heeft mijn nicht U genoodigd, hier te koomen schuilen, vriendje?"
vroeg mij de Heer Blaek op een vrij knorrigen toon, tegelijkertijd zijn
parapluie aan Helding overhandigende, die, reeds zijn handen vol
hebbende, zich haastte zijn glas op tafel te zetten en de beide
regenschermen neder te slaan.

"Het is hier anders een besloten plaats," vervolgde de eigenaar van
Guldenhof, een zware gouden snuifdoos voor den dag halende en er drie
vingers van zijn rechterhand in dompelende: "en geen herberg, waar
iedereen zoo maar vrij mag inloopen." Dit gezegd hebbende, bracht hij de
lading snuif, tusschen zijn vingers bevat, naar haar bestemmingsoord, en
stak de doos aan Helding toe, die, deze beleefdheid niet durvende
weigeren, spoedig de beide natte regenschermen onder den linkerarm
bracht, tot groot nadeel voor zijn kleed, en met de rechterhand van het
aangeboden gunstbewijs gebruik maakte.

"Mejuffrouw is zoo vriendelijk geweest, mij niet van hier te jagen,"
antwoordde ik, eenigszins bedremmeld over de barsche toespraak van den
Heer Blaek: "overigens is het schrikkelijke weer mijn verschooning, zoo
ik onbescheiden geweest ben. Mijn naam is...."

"Ik vraag u niet naar uw naam," viel mij de oude Heer in de rede.
Eenigszins hardhoorend, en buitendien ontevreden zijnde, verstond hij
slechts ten halve hetgeen ik vrij zachtjes gezegd had; "maar mij dunkt,
het weer is nu al heel wat bedaard en gij kost nu wel weer opkuieren,
vriendje!"

Tegen dezen wenk, of dit bevel, was niets in te brengen: ik trad
derhalve naar Mejuffrouw Blaek, en haar mijn dank betuigende voor haar
vriendelijk onthaal, vroeg ik, of zij mij ook eenige bevelen te geven
had voor Amsterdam.

"Ik dank u, Mijnheer Huyck!" zeide zij, met nadruk mijn naam doende
hooren: "ik denk zelve eerstdaags daar te komen en hoop misschien van de
week nog Mevrouw uw moeder en Santje te komen bezoeken."

Het hooren dezer woorden bracht geen geringe verandering in de
gelaatstrekken der aanwezigen teweeg. De Heer Blaek zag op, gelijk men
zegt, alsof hij het te Keulen had hooren donderen: Lodewijk begon te
lachen; doch op een wijze, die mij nog onbeleefder toescheen dan zijn
trotsche blik van kort te voren, en Helding liet van verbazing de beide
regenschermen op den grond vallen.

"O ho! is het een kennis van u, Jetje?" vroeg Lodewijk, na een oogenblik
zwijgens! "wel, had je dat maar terstond gezeid, meidlief! daar was
vader, die zich al verbeeldde dat Mijnheer een medegenoot was van de
bende van Jaco."

"Huyck! Huyck!" herhaalde de Heer Blaek, zijn nicht en mij beurtelings
aanziende: "is Mijnheer van de familie van den Hoofdofficier van dien
naam?"

"Ik ben zijn zoon," antwoordde ik, met een buiging: "heeft Mijnheer ook
eenige boodschappen?"

"Ik wist niet, dat UEd. in kennis waart met mijn nicht," vervolgde hij,
zonder op mijn aanbiedingen te letten: "Mijnheer is, geloof ik,
uitlandig geweest?.... anders zou Mijnheer weten, dat het de gewoonte in
Holland niet is, dat jonge dames, wanneer zij; alleen zijn, bezoeken van
Heeren ontvangen."

"Ik kom van de reis," hervatte ik, eenigszins geraakt: "en zie
Mejuffrouw Blaek heden voor de eerste maal. Ik wist niet, dat er zich
iemand in den koepel bevond, waarin ik schuilen kwam; anders ware ik zoo
onbescheiden niet geweest."

Het scheen mij toe, alsof deze mijne verklaring den Heer Blaek een pak
van het hart nam: en, als wilde hij zijn onbeleefdheid vergoeden, vroeg
hij mij, of ik niet tot zijnent wilde komen en iets gebruiken. Ik sloeg
zijn aanbod af, zeggende dat ik mij spoeden moest, daar ik gaarne voor
poortsluiten binnen Naarden wilde wezen."

"Welnu! steek dan ten minste een pijp op voor uw vertrek," zeide de Heer
Blaek: "Lodewijk zal wel een tondeldoos bij zich hebben."

"Ik heb mijn vuurslag vergeten," zeide Lodewijk, zich met
onverschilligheid omwendende. "Helding! neem eens de moeite van die
glaasjes wat om te spoelen en in het likeurkeldertje te bergen."

"Foei!" zeide Henriëtte (ik wist nu haar naam): "dat is dameswerk: dat
zal ik wel bezorgen."

"Ik ben het rooken buitenslands verleerd," zeide ik, en groette nogmaals
het gezelschap. Op de stoep gekomen, hoorde ik Lodewijk overluid zeggen:

"Nu ja: geloof maar vrij, Jetje! dat het de zoon van den Heer Huyck zou
wezen. 't Is een verkleede fielt, die zien komt of er iets van zijn
gading is."

Ik hield mij niet op om te weten of de bevallige Henriëtte mijn
verdediging op zich zou nemen, maar stapte, niet weinig ontevreden over
de handelwijze zoo van vader als zoon, de hofstede af. Dewijl de koepel,
wanneer men van den kant van Amersfoort kwam, voorbij het hek was, moest
ik, den landweg vervolgende, dien nogmaals langs gaan. Toen ik zulks
deed, lichtte ik beleefdelijk den hoed tot afscheid. De Heer Blaek
beantwoordde mijn groet op een koele, doch gepaste wijze: zijn zoon zag
mij aan met een onbeschaamden blik, dien ik hem met woeker teruggaf. Wat
zijn nicht betrof, 't zij; uit verlegenheid, 't zij uit
onverschilligheid, 't zij omdat zij aan de inblazingen van Lodewijk
gehoor had gegeven, zij bleef met den rug naar het venster gekeerd met
Helding praten: en mijn hoop, om nog een enkelen blik als vaarwel te
erlangen, was in rook vervlogen.

De bui was nu geheel over en de lucht aangenaam verfrischt door het
onweder; slechts enkele waterlooze wolkjes dreven nog in het zwerk rond.
Vroolijk zweefden de vogels om mij heen, als om de wederverschijning van
het zonlicht te begroeten. De weg daarentegen was, als te denken is, nog
glibberig en vol plassen; alleen het voetpad was redelijk;--maar ik had
zeker al een geruimen tijd doorgestapt, eer ik, 't zij op het fraaie
weer, 't zij op den slechten weg begon te letten; zoo geheel waren mijn
gedachten van de zonderlinge ontmoeting op Guldenhof vervuld. Een
onbeschrijfelijke en mij toen nog onbegrijpelijke mengeling van hoogst
genoeglijke en alleronaangenaamste gewaarwordingen hield mij bezig. Met
verrukking dacht ik aan het lieve gezichtje, aan de zoete, welluidende
spraak, aan het spelend vernuft der beminnelijke Henriëtte; maar met
wrevel en misnoegen aan de zotte rol, die ik, naar mijn meening,
tegenover haar gespeeld had. Ik ging al de woorden na, die ik had
uitgesproken, de geheele houding, die ik had aangenomen, en ik vond al
wat ik gezegd en gedaan had, zot en onverstandig. De oude Heer Blaek had
mij in den aanvang, de zoon bij voortduring, onbeleefd behandeld! doch
hunne bejegening trok ik mij minder aan dan die van Henriëtte, welke
mij, ik kon het mijzelven niet ontkennen, tot afscheid den rug had
toegedraaid. Ongetwijfeld, dacht ik, was zij mijn gezelschap lang reeds
moede, en blijde daarvan eindelijk ontslagen te worden: ongetwijfeld had
ik het onderhoud, dat zij wel met mij heeft willen voeren, alleen te
danken aan het slechte weer, dat haar dwong met mij te blijven, aan haar
beleefdheid en aan haar vriendschap voor mijn zuster--en geenszins aan
eenig behagen dat zij er in schepte.--Dan weder vroeg ik mij af, wat mij
toch eigenlijk hare welwillendheid of tegenzin aanging, en hoe ik mij
zoo verlegen kon maken over de gevoelens, te mijnen opzichte gekoesterd
door een juffer, die ik voor de eerste maal mijns levens zag. Ik had
toch op mijn reizen vele vrouwen en meisjes ontmoet, zoo schoon en
misschien nog schooner dan deze: maar nooit had eene daarvan zulk een
indruk op mij gemaakt. Was die teweeggebracht door het verrassende, het
romaneske (gelijk men het thans zou noemen) der ontmoeting?--Maar
zooveel ik mijzelven kende, was mijn karakter kalm en bedaard; zelden of
nooit nam mijn ziel haar vlucht naar het gebied der verbeelding, en
niemand had ooit uit zijn aard minder aanleg dan ik om zich idealen te
scheppen, die met ingebeelde hoedanigheden te versieren, de
wezenlijkheid aan den schijn op te offeren: in 't kort, een romanheld te
worden. Ik verwonderde mij dus zelf over de onrustige beweging, die ik
in het hoofd voelde, en over de ongewone heftigheid, waarmede mij het
hart in den boezem klopte: ja, ik was er ten laatste niet verre af, om
die toe te schrijven aan den invloed van den brandewijn, dien ik
genuttigd had, en die misschien van beter en sterker allooi was dan de
geestrijke dranken, welke men in andere landen tapte.

Wat hiervan wezen mocht, de gespannen stemming, waarin ik mij bevond,
verliet mij niet eer, dan toen ik, met natte voeten en een hongerige
maag, mij voor de herberg van Eemnes bevond, alwaar ik mijzelven had
voorgesteld het middagmaal te houden.


       *       *       *       *       *


VIJFDE HOOFDSTUK.

HETWELK BANGE LIEDEN BIJ AVOND NIET MOETEN LEZEN.


"Wel dat treft nou ongelukkig!" riep de waardin, na mijn schoenen bij
het vuur in de keuken geplaatst, en mij in een opkamertje te hebben
gelaten, waar zich een tafel bevond, beladen met de overblijfselen van
een aldaar gehouden middagmaal: "dat is jammer, koopman! dat je nou geen
amerijtje vroeger 'ekomen waart! dan had je mee kunnen anzitten met twee
passeziers, die hier 'egeten hebben en bijkans al de proviand uit mijn
huis hebben met 'epakt."

"Zoo!" zeide ik, niet zeer gesticht over deze onwelkome mededeeling, en
voorziende, dat mij de overgeblevene spijzen nu dubbel zouden worden
aangerekend: "waren dat zulke schrokkers?"

"Dat wil ik nou justement niet zeggen," antwoordde de vrouw des huizes,
terwijl zij de overgeschoten kliekjes ontweldigde aan de duizend en eene
vlieg, die er op aasden: "de jonge vrijster althans heit bijkans geen
mond vol 'egeten; maar zij hebben al wat ik nog overhad an vleisch en
nog een brood, dat ik van den bakker heb laten halen, in een groote
blikken trommel 'estopt, die zij met zich hadden, puur as gingen zij
naar het onbekende Zuien, en of er te Naarden of te Weesp, waar zij dan
ook heentrokken met 'erlui huifkar, geen sikkepitje te krijgen ware."

Het woord huifkar herinnerde mij terstond aan den man, dien ik tot Czaar
verheven had: en ik vroeg aan de waardin of de reiziger niet een rooden
mantel droeg?

"Een kerel as een boom," antwoordde zij: "en dien ik niet graag alleen
in een bosch zou ontmoeten. Ja kijk! as de vrijster niet zoo'n hupsche
deern was 'eweest, en as ze niet alles pront betaald hadden en nog een
fooi an de meid 'egeven toe, dan zou ik bij mijn zondige ziel 'edacht
hebben, dat het Zwarte Piet zelvers was. Ik had warentig medelijen met
het arme schaap, zoo bedrukt as ze keek,... maar met dat al mot je geen
honger lijen, koopman! en ik zou deur al dat praten wel heelendal
vergeten van je te bedienen. Nou! ik zeg, je heit ook al een weertje op
weg 'ehad! 't Zel de boeren ook rouwen, die 'erlui hooi nog niet binnen
'ehaald hebben. Het onze is deur Gods zegen al in de schuur, op een paar
wagens na van een kampje, dat ver leit, heel onder Eembrugge; maar er
zijn lui, die het altoos op het laatste laten ankomen. Heb je nog ergens
'eschuild, koopman?"

Niet ongenegen om aan mijn praatzuchtige gastvrouw de gelegenheid te
verschaffen, haar tong te vieren over een belangrijker onderwerp dan
haar hooibouw, vertelde ik haar, dat ik op Guldenhof den regen ontvlucht
was.

"Op Guldenhof!" herhaalde zij, eenigszins vreemd opziende: "een mooie
plaats, hè? Ken je meneer Blaek? Hij houdt er anders niet veul van, dat
men zoo bij hem oploopt."

"Ik ken hem slechts van aanzien," antwoordde ik: "ook heb ik niet in
huis, maar op den koepel geschuild."

"Nou kijk! dat had hij eensjes motten weten!--Niet, of 't is een
weldoend Heer, die veul an de arme lui geeft, dat mot ik zeggen: lest
heit hij nog twee dikketonnen en een flesch wijn 'ezonden an Lijs, de
vrouw van Tymen den varkenslachter, die een kwaje kraam 'ehad
heit;--maar ik wil maar zeggen--hij ziet niet graag menschen bij zich:
hij leeft zoo wat eenigjes met zen nicht en zen zeun, en een mild heer,
dat beloof ik je.--Men zeit zoo, ze zullen een paartje worden
samen:--Volle neef en volle nicht! 't is niet zoo as 't hoort!"

Ik kon niet nalaten innerlijk deze uitboezeming der waardin te beamen,
schoon niet uit dezelfde beweegreden als de goede vrouw, die, tot den
Roomschen godsdienst behoorende, gelijk uit het gouden kruis op haar
boezem te bemerken was, een dergelijk huwlijk af moest keuren, als met
de kerkwetten in strijd. Intusschen had haar aanmerking mijn
nieuwsgierigheid opgewekt.

"En zou dat huwelijk al spoedig doorgaan?" vroeg ik.

"Dat 'loof ik niet, koopman!--Dat jonge Heerschap is zoo wat los en
liber, zooals ik zei: en houdt te veul van zijn vrijheid om van nou af
aan den ketting te liggen."

Het bericht, dat Lodewijk Blaek zijn nicht waarschijnlijk trouwen zoude,
was mij hoogst onaangenaam geweest;--doch de gedachte, dat hij zulk een
verbintenis niet op den waren prijs zou stellen en die als een lastigen
band beschouwen, maakte hem volkomen hatelijk in mijn oogen.

"Nou!" vervolgde de waardin: "ik ken 't me wel begrijpen: het meisje
heit van der aigen niet veul, zeggen ze: en 't is maar een schraal
poppie: hij kan wel wat beters krijgen!"

Ik keek de waardin aan, die de slanke, bevallige Henriëtte een schraal
popje dorst noemen: het was een dikke, gezonde zus, met wangen of zij de
hel had aangeblazen: zij scheen mij op dat oogenblik zoo afschuwelijk
toe, dat ik niet verkoos, verder een woord met haar te wisselen; maar
slechts verzoekende, dat zij wat spoed maken zonde, mij voor het venster
plaatste en haar den rug toekeerde. Of zij uitgepraat had, weet ik niet:
althans zij had de tafel opgeruimd en verliet mij, met de belofte in een
ommezientje met het eten terug te wezen.

Niets beters te doen hebbende, vermaakte ik mij gedurende haar
afwezigheid met uit het raam te zien, hetwelk het uitzicht had op de
niet verre van daar aan de overzijde van den weg gelegene kerk, een
kloek gebouw, met twee verdiepingen en transen en van een tamelijks
spits voorzien. Meer nabij en vlak tegenover mij stond een koepeltje,
wat minder prachtig dan dat van Guldenhof, en het uitzicht hebbende over
een tuintje, hetwelk geen ander plantsoen bevatte, dan eenige
heestergewassen, in dier voege geschoren, dat zij allerlei figuren op
een wanstaltige wijze nabootsten.

Ik bekeek deze voorwerpen, welke mij eigenlijk bijzonder weinig belang
inboezemden, zoo lang, totdat de wasem, welken mijn adem op de
glasruiten had teweeggebracht, die aan mijn oog onttrok, en bleef toen
kijken, totdat ik bespeurde, dat mijn gedachten ergens anders waren: ik
bespeurde zulks, zeg ik, en wel aan een onwederspreekbaar teeken: ik had
namelijk met den vinger een H en een B in krulletters op de ruit
getrokken.

Ik werd, toen ik dit ontdekte, eenigszins wrevelig tegen mijzelven, en
haastte mij, deze vruchten mijner afgetrokkenheid van gedachten uit te
wisschen, als ware ik bang geweest, dat iemand die lezen zoude en een
geheim raden, dat ik mijzelven nog niet bewust was.

Deze daad bracht mij opeens van het rijk der verbeelding tot het
werkelijke leven terug: want het nu weder heldere glas deed mij iemand
zien, die, een weinig zwaaiende, althans met geen vasten stap, van den
kant van Soest kwam aangetreden:--en terstond herkende ik in dien
persoon denzelfden Andries, die zulk een opschudding te Soest had
verwekt.

Reeds wenschte ik mijzelven geluk, dat ik niet op den weg door dien
lastigen kwant was ingehaald geworden, toen ik tot mijn spijt
gewaarwerd, dat onze matroos, die ongetwijfeld niet gewend was een
kapelletje voorbij te gaan zonder eens aan te leggen, naar de huisdeur
stevende en binnentrad. Hoe blijde was ik, dat ik in een afzonderlijk
kamertje gezeten was! "Mits nu maar," dacht ik, "de waardin dien niet
hier brengt om met mij te eten, gelijk zij mij met dien vreemdeling en
zijn dochter had willen doen spijzigen!"

Doch dit liep beter af: na een geruime poos kwam de vrouw des huizes
terug met eenig brood en spek en een kan bier. Ik haastte mij, haar mede
te deelen, dat ik 's morgens te Soest eenig ongenoegen gehad had met den
man, die beneden zat, en liever niet met hem opnieuw in aanraking
wenschte te komen.

"Nou! ik 'eloof het wel!" zeide de waardin: "'t is een ongemakkelijke
kompeer ook as hij begint, die eigenste Andries;--maar hij zel zich nou
stil houen hoop ik; hij zit althans heel bedaard een glaasje bier te
drinken, en een praatje te maken met een kennis van hem, die juist
beneden was:--zij spreken ondertusschen een rare taal: maar die ik
liever niet hoor dan al: 't is Duitsch [3] en toch geen Christenziel kan
't verstaan: 't is net dieventaal."

Ik maakte geen aanmerkingen op dit gezegde der waardin, hetwelk zoo
volkomen strookte met de slechte gedachte, die ik reeds van den knaap
had opgevat. Alleen verzocht ik haar, mij te zullen waarschuwen, zoodra
Andries vertrokken was, daar ik niet op zijn gezelschap langs den weg
gesteld was. Na dezen maatregel van voorzorg zette ik mij aan tafel en
begon niet zonder graagte, op de mij voorgezette spijzen aan te vallen.
Zoodra echter mijn eerste honger gestild was, ging ik met meer
bedaardheid te werk, ten einde mijn maal ten minste zoo lang te rekken,
totdat Andries de herberg zoude verlaten hebben: doch, spek en brood
waren reeds van het bord naar mijn maag verhuisd en de stem van den
lastigen matroos deed zich nog in het onderhuis hooren. Ik stond op,
liep wrevelig de kamer op en neder, begon ma eindelijk verwijtingen te
doen, dat ik voor den twistzoeker vreesde en bloosde een oogenblik over
mijzelven.

"Kom!" dacht ik: "waarom niet moedig de deur uitgestapt?--Misschien ziet
mij de kerel niet eens: en, zoo hij mij al opmerkt, 't is niet gezegd,
dat hij nu juist weer twist zou zoeken."

"Maar neen!" vervolgde ik bij mijzelven, de deurklink, die ik reeds had
aangevat, weder loslatende: "schoon hij mij hier al met vrede liet, hij
zou mij op den weg kunnen volgen: en hoewel ik hem alleen wel zou durven
staan, er steekt geene eer in, om zich zonder noodzakelijkheid bloot te
stellen aan de aanrandingen van iemand, die zijn beroep van 't vechten
schijnt te maken. Wie een dollen hond ontmoet en niet uit den weg gaat,
handelt dwaas: en die dronkaard beneden is niet veel beter dan een dolle
hond."

Na door deze fraaie redeneering mijzelven overtuigd te hebben, dat geen
vrees, maar hooge wijsheid mijn handelwijze bestuurde, bleef ik bij mijn
besluit, om niet te vertrekken, dan voordat Andries vooruitgegaan was.
Het leed echter nog een goed half uur, gedurende hetwelk ik vrij
verdrietig het kamertje op en neer ging, al brommende over al de
tegenspoeden, die mij beletteden mijn weg voort te zetten, en zelfs de
aangename kennismaking van Henriëtte Blaek op den achtergrond stelden:
het leed een half uur, zeg ik, eer ik de banken in het benedenhuis
hoorde verschuiven, en, aan het raam glurende, zag ik nu weldra Andries
met nog een man, die oogenschijnlijk beter gekleed was dan hij, de
herberg verlaten. Zij liepen met groote schreden voort, als menschen,
die hun tijd verpraat, en haast hebben. Ik toefde hierop nog eenige
oogenblikken, ten einde hun gelegenheid te gunnen, om zich ver genoeg te
verwijderen, betaalde vervolgens de vertering, en vertrok, mijn weg
links af naar Laren nemende.

Ik ging echter in den aanvang niet dan langzaam voort, zoowel omdat de
slechte staat van de wegen na den regen het loopen moeilijk maakte, als
ten einde zeker te zijn van mijn twee wandelaars niet op zijde te komen,
en keek ondertusschen, zooveel de slingers van den bochtigen weg mij
zulks toelieten, voor mij uit, om te zien of ik hen ook ergens ontdekte.
Ik had echter wel een goed kwartieruurs geloopen, eer ik iets bespeurde,
dat op hen geleek, maar nauwelijks was ik den grenspaal voorbijgetreden,
die Eem- van Gooiland scheidt, en zuchtte ik bij het overzien der
schade, door den hagel teweeggebracht in de korenvelden, welke deze
anders zoo lachende heuvelen bedekten, of ik kreeg rechts van mij af
zeer in 't verschiet, twee personen in 't oog, die een paadje volgden,
dat door de bouwlanden heen slingerde, en wier uiterlijk voorkomen mij
voorkwam in allen deele gelijk te zijn aan dat van Andries en zijn
makker.

Ik was nu geheel gerustgesteld, en wandelde onbezorgd voort. Te Laren
hield ik mij niet op, maar trad integendeel met dubbele schreden voort,
daar de tijd reeds, bij al het door mij ondervonden oponthoud, verder
was verstreken dan ik gedacht had, en de allengskens dalende zon mij
vreezen deed, Naarden niet voor poortsluiten te zullen bereiken, hetgeen
toenmaals in die vesting te zes uren plaats had. Wel is waar, er bestond
nog altijd mogelijkheid om daar binnen te komen: doch hiertoe werden
meer formaliteiten vereischt, dan ik lust had af te leggen. Terwijl ik,
met die onaangename gewaarwording, welke ons eigen is, wanneer wij nog
een goed eind weegs af te leggen hebben en vreezen te laat te komen, den
heuvel beklom, die zich tusschen het bevallige Laren en de grijze
vesting, waar ik zooeven van sprak, bevindt, zag ik een rijtuig mij van
de hoogte af te gemoet komen, hetwelk ik, bij het naderen, voor de
huifkar herkende, die ik des morgens te Soest had gezien, en die thans
ledig terugkeerde. De voerman, het pijpje, dat hem tusschen de lippen
stak, hebbende laten uitgaan, zat te dommelen en te knikkebollen op het
krat, terwijl zijn zweep hem ontvallen, maar gelukkig was blijven
vasthaken aan het wiel en daarmede langzaam voortslingerde.

Ik achtte het betamelijk, den man te waarschuwen: "hei! ho hè wat! goede
vriend!" riep ik: "gij zult een goede zweep verspelen, zoo gij niet
oppast."

"Wat is er?" riep de voerman, met schrik ontwakende, en door een
natuurlijke beweging naar zijn zweep tastende: "wat wou je?"

Het paard, dat waarschijnlijk reeds zijn bekomst van den tocht had, was
op mijn geroep al dadelijk blijven staan, en ik wees nu aan den voerman,
waar zich zijn onmisbaar wapentuig bevond.

"Sta, Kees!" zeide hij tot zijn knol, die deze vermaning niet behoefde;
want het beest had volstrekt geen plan op den loop te gaan: "dankje wel,
koopman!" vervolgde hij, afstijgende en zijn zweep niet zonder moeite
loswurmende.

In weerwil van mijn haast om voort te komen, kon ik niet nalaten een
oogenblik stil te staan, om naricht in te winnen omtrent den Roodmantel
en de Juffer die met hem was, en vroeg ik den voerman, of hij zijn volk
al naar Naarden gebracht had.

"Dat weet ik niet, waar ze 'estoven zijn," antwoordde hij: "ik heb ze
aan deuzen kant van Naarden of'ezet op een plek, daar huis noch pad te
zien was. Waar ze wezen mosten, weet Joost: en ik vertrouw het werk maar
half: ze lekenen allebei zoo bang om 'ezien te worden.--Maar, wat
scheelt het mijn ook? ze hebben mijn een goeie fooi 'egeven en dus, ik
heb niks op ze te prittendeeren. Nou, ajus koopman, en je wordt bedankt
veur je beleefdheid."

Met deze woorden steeg hij op; doch voor hij wegreed, riep hij mij nog
toe: "je meugt wel voorzichtig wezen; want ik hou 't er veur, dat het
niet pluis is buiten Naarden: ik heb een paar keeren in 't bosch hooren
fluiten; zoodat ik blij was dat ik hier weer op den open weg kwam. Hi
Kees! vort pért!"

De huifkar verwijderde zich en ik vervolgde mijn weg, slechts weinig
gesticht over de tijding, mij door den voerman medegedeeld. Ik poogde
mij wel wat gerust te stellen met de gedachte, dat men het niet wagen
zoude, iemand op den helderen dag aan te randen en wel zoo nabij een
vesting, terwijl bovendien mijn bagage noch mijn uitrusting van dien
aard waren, dat zij een roover in de verzoeking konden brengen;--maar de
veronderstelling alleen, dat het geval van roof mogelijk ware, was alles
behalve aangenaam.

Op het hoogste punt van den heuvel gekomen, wendde ik mij even om, ten
einde het verrukkelijk landtooneel te beschouwen, hetwelk men van daar
geniet, over het bekoorlijk gelegen Laren, welks kerkspits en daken,
thans fonkelend in den gloed der zon, heerlijk afstaken tegen het
lommerlijk geboomte en de uitgestrekte akkers daarom heen;--over
Blaricum, de beide Eemnessen, Soest, Baarn en Amersfoort: over het
boschrijke landschap daar tusschen, en over de blauwe zee, de Stichtsche
bergen en de grauwe heide, welke dat alles omsloten: ja, ik zuchtte
onwillekeurig, toen ik herdacht aan den voortsnellenden tijd, die mij
niet vergunde mij langer in dat schouwspel te verlustigen:--en aan den
vervelenden weg, dien ik nog had af te leggen.

Immers, wanneer men eens die hoogte over is, neemt de weg een geheel
ander aanzicht. Geen welig groeiend geboomte, geen vruchtbare
bouwlanden, geen landhoeven meer: aan weerszijden een dorre,
wijduitgestrekte heide, over welke het uitzicht ten Noorden op enkele
bosschen kreupelhout, en ten Zuiden op het donkere groen der
's-Gravenlandsche lusthoven stuit. Ik kon niet nalaten van, zoo dikwijls
ik den blik naar deze laatste zijde sloeg, een vergelijking in te
stellen tusschen de woestenij, welke ik doortrok, en die, slechts een
uur of anderhalf van mij gelegen, oase, waar de Amsterdamsche rijkdom al
zijn weelde en schatten ten toon spreidt. "Voorwaar!" dacht ik, "mijn
goede tante Van Bempden, die ginds haar buitenplaats altijd vol gasten
heeft, denkt thans weinig, dat haar neef hier eenzaam door de heide
kuiert ... ik ben ook wel dwaas geweest, dat ik haar niet geschreven
heb: de goede vrouw had mij zeker haar koets te Amersfoort gezonden, en
dan was ik vrij wat meer op mijn gemak en vrij wat royaler de provincie
binnengekomen;... maar dan had ik ook Henriëtte Blaek niet ontmoet."

Het hoofd alzoo vol hebbende van Henriëtte Blaek, van mijn tante Van
Bempden, van Andries en van de rooversbende van Zwarten Piet, kwam ik
langzamerhand verder. De grond langs den weg, hoezeer nog altijd dor en
zandig, droeg, naarmate ik de vesting naderde, eenige meerdere sporen
van bebouwing: hier en daar vond ik een versch ontgonnen hoekje, en nu
en dan kleine kampjes met peulvruchten beteeld: wat verder op groeiden
heestergewassen langs de kanten van den weg en belemmerden al meer en
meer het uitzicht, totdat ik eindelijk aan mijn rechterzijde een vrij
dicht geplant boschje kreeg, hetwelk tot deze of gene rustplaats scheen
te behooren.

Het was op die hoogte ongeveer, dat de flauw gehoorde tonen van een klok
of bengel, welke allengskens duidelijker in mijn ooren klonken, mij
aankondigden, dat ik Naarden al vast naderde, doch tevens, dat ik mij
zou moeten reppen om er nog tijdig te zijn. Terwijl ik alzoo met
verhaasting voorttrad, kwam ik aan een plaats, waar kort te voren,
gelijk aan het wielspoor te zien was, een wagen had omgedraaid:
waarschijnlijk de meer vermelde huifkar. Dit zou echter mijn
opmerkzaamheid niet bijzonder hebben getrokken, ware het niet geweest,
dat ik, juist te dier plaatse, in 't voorbijgaan iets zag liggen,
hetwelk ik, bij nadere beschouwing, voor een groene beurs herkende.

Ik raapte die op en bleef eenige oogenblikken besluiteloos staan.
Waarschijnlijk was deze beurs, welke redelijk wel voorzien scheen, aan
een der personen, die in het rijtuig gezeten hadden en wier voetstappen
nog bij het spoor te zien waren, bij het uitstappen ontvallen: maar hoe
die weer aan de eigenaars terugbezorgd? de voerman was mij onbekend en
kende zelfs, volgens zijn voorgeven, zijn passagiers niet, die hem niet
aan een huis of plaats, maar midden op weg hadden verlaten.

Al overpeinzende, wat mij te doen stond, opende ik onder het
voortwandelen de beurs, ten einde te onderzoeken of zich daar ook iets
in bevond, hetwelk mij eenig licht zou kunnen verschaffen. Ik ledigde
het daarin beslotene in mijn hand: het was een goede som in gouden
rijders en dukaten, en bovendien een gouden zegelring, met een fraaien
koralijn, waarop een wapen zeer kunstig gesneden was. Terstond liet ik
het goud weder in de beurs glijden en vestigde al mijn aandacht op het
wapen, in de hoop dat mij dit op den goeden weg zoude helpen om den
eigenaar terug te vinden; maar nauwelijks had ik gezien, dat het in een
Sint-Andrieskruis met omgekrulde punten bestond en bovendien met
talrijke sieraden omslingerd was, waarvan ik de beteekenis niet zoo
spoedig kon ontcijferen, of ik hoorde opeens in de nabijheid een gefluit
en te gelijk een geritsel van takken, alsof iemand zich een weg door de
struiken baande. Ik verschrikte, zag om: en ziet! daar sprong een kerel
van den hoogeren boschkant op den weg en klopte mij op den schouder met
den uitroep "_annemekanneme meêsamen_!

Ik stond verzet: ik wist dat deze woorden, wier rechte samenhang of
beteekenis ik nooit heb kunnen uitvorschen, zooveel moesten te kennen
geven, als: "wij deelen het gevondene te zamen:"--en, wat mijn
ontsteltenis niet weinig vermeerderde, was de omstandigheid, dat ik in
den man, die mij zoo vrijpostig op zijde kwam, mijn vriend Andries
herkende, en de overtuiging, dat hij mij de beurs had zien oprapen.

Ik zag terstond in, dat een onverschrokkene houding alleen in staat
ware, den vent van mij af te houden, en, mijn stok met kracht
omvattende, zag ik hem scherp in 't gezicht en vroeg, wat hij begeerde.

"Wat ik begeer!" herhaalde hij met een hoonenden lach: "wel! niet meer,
hoop ik, dan wat mij van rechtswege toekomt. Ik heb die beurs net even
gauw gezien als jij: en ik wou er juist op an laveeren, toen jij er zoo
vlak voor-de-wind op aanschoot: je moet niet denken, dat jij alleen
recht heit, om die geeltjes bij moeder Kee te gaan verzwendelen: ik heb
ze al zoo noodig als jij."

Ik was staande deze redeneering van Andries met hem vooruitgewandeld,
maar hield hem niettemin in het oog, gereed hem voor te komen bij de
minste verdachte beweging die hij maakte: "al wat gij zegt moge waar
zijn," zeide ik: "maar hetgeen ik gevonden heb, behoort noch aan u noch
aan mij, en ik ben voornemens het den rechten eigenaar terug te
brengen!"

"Ei! ei!" zeide Andries, een spottend gezicht zettende: "terugbrengen!
wel dat bedenk je fijn! denk je dat ik je uitvluchten niet merk en geen
lont ruik? Je wilt met ongebroken lading wegzeilen; maar dat gaat zoo
niet: je zult bijdraaien, kameraad! of we zullen jou enteren."--En dit
gezegd hebbende, floot hij ten tweedenmale.

De zin der geuite woorden was te duidelijk om kwalijk verstaan te
worden: ik was nu overtuigd dat Andries niet slechts een twistzoeker,
maar een struikroover was, en dat ik mij van hem moest ontslaan eer hij
hulp kreeg: met vaardigheid lichtte ik mijn knuppel op en deed dien op
een niet zachte wijze op zijne, reeds naar mij uitgestoken handen
nederkomen, waarna ik het met allen spoed op een loopen zette, in de
hoop van alzoo den medehelpers van Andries, zoo hij die al had, te
ontkomen.--De vlucht was mij echter van geen nut; want nauwelijks was ik
tien passen verder, of twee andere kerels sprongen van weerszijden uit
de struiken voor den dag: en terwijl de een mij den pas afsneed, greep
mij de ander in den kraag.

"Pas op, Haentje! dat hij je de loef niet afsteekt," riep Andries,
toesnellende: "hij wou het mij draaien, maar hij zel er voor bloeien,
nou hij voor drie ankers leit."

"Verroer u niet, of het gaat er door," duwde mij Haentje te gemoet, in
wien ik den man herkende, met wien Andries uit Eemnes vertrokken was: en
meteen zette hij mij een mes op den strot.

"Kom Koopman!" zeide toen de derde roover, met veel bedaardheid een
pistool voor den dag halende, hetwelk hij mij voorhield: "laat u raden:
alle tegenstand ware onnut: overhandig ons goedschiks hetgeen gij aan
goud en zilver bij u mocht hebben: gij zult daarna eens zoo luchtig
voortwandelen."

Ik zag dezen man, terwijl hij sprak, in 't gezicht. Hij was iemand van
een allergunstigst uiterlijk, dat merkelijk afstak tegen het hatelijke
voorkomen van Andries en de bruine, fielterige tronie van Haentje. Zijn
gelaatstrekken waren, ja, eenigszins verschroeid en verhard, als die van
iemand, die in verre landen gereisd heeft; maar toch regelmatig en
innemend; geestigheid fonkelde in zijn gitzwarte oogen: en krullende
lokken van dezelfde kleur versierden zijn schedel. Zijn gewaad
daarenboven, dat uit een deftigen zwarten rok en broek bestond, zoude
aan niemand in hem den struikroover hebben doen vermoeden.

Alle weerstand was vruchteloos: ik lag letterlijk, zooals Andries zich
had uitgedrukt, voor drie ankers vast. "Indien het niet anders kan,"
zeide ik, "neem dan hetgeen ik bezit: voor geweld moet ik zwichten."

"Ziet! dat is gesproken, gelijk een verstandig man betaamt," zeide de
Zwartrok, op den vriendelijken toon, welken een grootvader zonde
aannemen ter aanmoediging van zijn kleinzoon, die hem een
verjaringsgedicht was komen opzeggen: "en daar gijzelf niet rijk
schijnt, zullen wij ook matig in onze eischen zijn en u nog een paar
dubbeltjes overlaten om te Naarden een slok te koopen en van den schrik
te bekomen."

"Niet rijk!" herhaalde Andries: "zoo meteen is hij nog op onze eigene
kust komen kapen en heeft een beurs vol goud van den weg opgevischt--ik
heb hem net bijtijds gepraaid, anders was hij er mede schoot gegaan;
want dat doet er niet toe ... wou jij hem laten loopen, Pieterbaas? ik
heb hem hedenmorgen al gewaarschuwd, dat hij niet weer in mijn vaarwater
zou komen ... en mijn woord moet ik houen, weet je.".

Deze woorden boezemden mij geen geringe bezorgdheid in, en ik sloeg het
oog met ongerustheid op den in 't zwart gekleeden roover, tot wien
Andries zijn rede wendde. Ik sidderde, toen ik hem de wenkbrauwen zag
samentrekken en op een korten gebiedenden toon hoorde zeggen: "kent gij
hem?--In 't bosch dan met hem!"

Dit bevel was nauwlijks geuit of de schelmen namen mij op en sleepten
mij tegen de hoogte op en door de struiken.

Een koude rilling liep mij door de aderen; want welk ander oogmerk kon
men hebben met mij van den weg af te voeren, dan dat van mij uit te
schudden en te vermoorden? Ik vormde intusschen het vast besluit, mijn
leven niet dan ten duurste te verkoopen, en alle middelen, welke list of
geweld mij aan de hand mochten doen, ter ontkoming aan te wenden. Voor
het oogenblik echter viel er aan geen wederstand te denken; want ik
bleef het koude staal tegen mijn nek en den mond van het pistool op de
borst voelen; maar, toen wij allengskens wat verder in het kreupelbosch
geraakten, waar ik mij met opzet als een levenloos lichaam doorheen liet
sleuren, vonden zich de roovers genoodzaakt hunne moordtuigen een
oogenblik van mij af te houden: Haentje om een tak af te snijden, die
hem in den weg was, en de Zwartrok, om zijn hoed op te rapen, die aan
een struik was blijven haken. Ik oordeelde, dat nu het gunstige
oogenblik ter mijner verlossing gekomen was; ik rees eensklaps weder op,
en mij van Andries, die mij nog vasthield, losrukkende, maakte ik
rechtsomkeert, sprong over de mij in den weg staande struiken heen en
liep nu al wat ik loopen kon om den heirweg weder te bereiken. Het bleek
mij echter daarna dat ik een verkeerden kant had ingeslagen: weldra
bevond ik mij, bijna gelijktijdig met de drie knapen, die mij onder de
afgrijselijkste vervloekingen achtervolgd waren, op een klein open
kampje, met mislukte rogge beteeld, en waar een voetpad dwars
doorheenliep. Mijn krachten waren uitgeput: ik bemerkte, dat ik weldra
zou ingehaald worden, en keerde mij derhalve als wanhopend om.

"Waagt het niet, mij te naderen," riep ik, mijn stok, dien ik altijd was
blijven behouden, met gezwindheid om mij heen zwaaiende.

Mijn houding boezemde den schurken eenig ontzag in. Hij, die de hoofdman
der bende scheen, haalde den haan van zijn pistool over.

"Laat die gekheid varen," zeide hij, op mij aanleggende, "of het gaat er
door."

"Maak maar gerucht," hernam ik: "de justitie is u al op 't spoor."

"Hij heeft voorden duivel gelijk ook," hernam de Zwartrok, lachende, en
stak meteen zijn pistool, dat waarschijnlijk ongeladen was, weder bij
zich: "maar, het zal hem weinig baten." Dit zeggende, haalde hij een
kort rapier van onder zijn kleederen voor den dag, trok zijn rok uit, en
kwam met het ontbloote staal op mij af. Ik verdedigde mij een korte
poos, onder het aanhoudend geschreeuw van: "moord! moord! dieven!" maar
het gelukte eindelijk aan den knaap, die den naam van Haentje droeg,
mijn arm te vatten op het oogenblik dat ik daarmede een stoot van den
hoofdman afweerde: en te gelijkertijd voelde ik mij door Andries bij de
beenen grijpen en van den grond lichten. Ik stortte voorover, en achtte
mijn laatste uur geslagen te zijn, toen ik op het onverwachts een
krachtigen vuistslag op het hoofd van een mijner bespringers hoorde
klinken en Andries naast mij op 't gras zag neertuimelen. Ik rees op, en
ziet! de vreemdeling met den rooden mantel stond met opgeheven hand aan
mijn zijde. Hij droeg geene wapens en toch schenen zijn forsche houding,
zijn onverwachte verschijning en de krachtige wijs, waarop hij Andries
het gewicht van zijn arm had leeren kennen, diens makkers met
verbijstering te hebben geslagen: althans zij bleven een wijl
besluiteloos staan. Echter vatteden zij weldra weder moed: en terwijl
Haentje zijn mes opraapte, dat hem bij de worsteling ontvallen was, liep
de hoofdman met opgeheven staal mijn redder tegemoet.

"Hoe is het, Zwarte Piet? Kent gij mij niet meer?" vroeg deze, zonder
zich te verroeren, en hem strak aanziende.

"Is het wel mogelijk!" zeide Zwarte Piet, met verbazing, terwijl hij
zijn rapier zakken liet, en zijn hoed haastig afnam: "zijt gij het zelf,
Kapitein! of is het uw geest?"

De andere roover wilde toespringen, maar de hoofdman deed hem door een
wenk op zijn plaats blijven.

"Is dat uw handwerk tegenwoordig?" vervolgde de Roodmantel, op een
verwijtenden toon: "moest ik zoo iets verwachten van iemand, die onder
mij gediend heeft?"

"Ja, Kapitein!" zeide Zwarte Piet, met een deemoedig gezicht, en zijn
hoed tusschen de handen wrijvende: "wat zal ik u zeggen? 't Is een
slechte tijd, en...."

"Geen woord meer!" hernam de vreemdeling: "neem uwen makker op, zoo hij
niet loopen kan: en zorgt, dat gij voor den nacht alle drie den omtrek
van Naarden verlaten hebt, of gij zult de galg niet ontsnappen, dat
beloof ik u."

De roover zette, zonder een letter te antwoorden, den hoed weder op het
hoofd, stak zijn rapier in de scheede, trok zijn rok aan, en gelastte
Andries op te staan en hem te volgen. De schelm, die intusschen weder
was bijgekomen, voldeed terstond aan het eerste gedeelte van het
verzoek, maar had naar het tweede geen ooren.

"Voor den d....!" zeide hij, den vreemdeling en mij met een woedenden
blik aanziende: "zullen wij vlag strijken, zonder die schooiers nog eens
de volle laag te geven?"

"Ja!" zeide Haentje, zijn hoofdman met bevreemding aanziende: "ik
begrijp niet...."

"Gij begrijpt niet?... Gij behoeft ook niets te begrijpen, domme ezels
die gij zijt," zeide Zwarte Piet, hen elk bij een arm nemende: "gij ziet
den man, die daar staat: zoo hij mij gelastte u beiden op te hangen, ik
zou het doen ook, voelt gij. Kom! kom! geen praatjes meer. Gij weet,
waar wij elkander terugvinden en maakt dat gij van hier komt, of ik zal
u beenen maken."

Hoewel de twee schelmen vrij wat forscher uiterlijk hadden dan hun
hoofdman, schenen zij echter gewoon van voor den zedelijken invloed des
laatsten hetzelfde ontzag te voeden, als deze wederkeerig aan den
vreemdeling betoonde: en, schoon eenigszins brommende en schoorvoetende,
trokken zij langs verschillende kanten het bosch in en weldra uit ons
gezicht.

"Is er nog iets van uw dienst, Kapitein?" vroeg de roover, zoodra zij
vertrokken waren, den vreemdeling beleefd naderende.

Deze vergenoegde zich met van neen te schudden.

"Indien gij mijn diensten noodig mocht hebben," vervolgde hij: "mijn
adres is altijd te bevragen bij Maaike Katers, in den Duivelshoek, te
Amsterdam."

Hier zweeg hij plotseling en sloeg een argwanenden blik op mij:

"Ik heb mij daar mooi verpraat," zeide hij: "maar!" hier werd de toon
zijner stem, die, zoodra hij tegen den vreemdeling sprak, beleefd en
welluidend was, weder kort en scherp: "Mijnheer! gij zijt gewaarschuwd,
voorzichtig te zijn."

"Ik zal dat alles wel schikken," zeide mijn redder. "Maak maar, dat gij
nu van hier komt, en gij zult niets te vreezen hebben."

De roover glimlachte op eene wijze, welke zien liet, dat hij geheel
tevreden gesteld was, boog zich en was spoedig uit ons gezicht.


NOOT:

[3] Zoo noemde men indertijd de taal, welke men sedert Hollandsch of nog
verkeerdelijker Nederlandsch genoemd heeft. Zoo zegt ook Krelis Louwen
in net blijspel van dien naam, II Bedrijf 10 tooneel.

     We praeten ummers allemael Oprechte zuivre Duitsche tael.

Noot van den Uitgever.


       *       *       *       *       *


ZESDE HOOFDSTUK.

WAARIN ONZE HELD VOOR DE TWEEDE REIS OP DENZELFDEN DAG GEVAAR LOOPT VAN
ZIJN HART TE VERLIEZEN.


Ik had dit gansche tooneel met een stomme verbazing beschouwd, onbekwaam
om de betrekking te verklaren, welke er tusschen mijn redder en den
hoofdman der roovers bestond, en dezen zoo gedwee het veld voor hem
ruimen deed. Was de ontzagwekkende vreemdeling misschien ook zelf het
hoofd geweest eener meer uitgebreide bende? en moest ik zijn invloed op
Zwarten Piet, en den naam van Kapitein, dien deze hem gaf, daaruit
afleiden? Wat hiervan wezen mocht, ik voelde mij van eerbiedige
bewondering doordrongen voor den man, die, wapenloos, en, bijna alleen
door het vermogen van zijn wil, mij uit de handen van drie boosdoeners
verlost had: en, zoodra het geritsel der struiken, waardoor zich Zwarte
Piet een weg baande, en waarnaar de vreemdeling aandachtig scheen te
luisteren geheel had opgehouden, begon ik, in de warmste bewoordingen,
mijn erkentenis aan hem uit te drukken voor den dienst, dien hij mij
bewezen had.

Hij ontving mijn betuigingen met koelheid: "al genoeg," zeide hij, na
een poos zwijgens: "ik was u wederkeerig een dienst schuldig, ter
vergelding van dien, welken gij mij hedenmorgen bewezen hebt."

"Geloof, Kapitein!" zeide ik, hem den titel gevende, welken Zwarte Piet
omtrent hem gebezigd had, "dat mijn dankbaarheid...."

"Verschoon mijl!" viel hij mij kortaf in de rede: "ik heb thans geen
tijd om al het fraais aan te hooren dat gij mij zeggen wilt. Ik heb iets
op den weg verloren en moet mij haasten het op te zoeken; want het is
allemans gading, en...."

"Een groene beurs!" riep ik uit, verheugd over de gelegenheid, welke
zich aanbood van hem op mijn beurt een dienst te bewijzen.

"Hebt gij haar gevonden?" vroeg hij, terwijl hij al rechts en links van
het pad langs den grond keek.

"Zij bevatte goudstukken," vervolgde ik: "en bovendien...."

"En een ring met een stempel," zeide hij, den volzin besluitende.

"Hier is zij," hernam ik, de beurs voor den dag halende, en met
blijdschap aan den eigenaar ter hand stellende, "door mij te redden hebt
gij meteen uw eigendom gered"--en ik verhaalde hem, hoe die beurs de
voorname aanleiding was geweest mijner ontmoeting met de roovers.

"Het is als ik gedacht had," zeide de Kapitein: "ik heb den voerman op
den weg betaald en toen zeker de beurs naast mijn zak in de plaats van
er in gestoken. Gij hebt mij inderdaad een gewichtigen dienst bewezen.
Te oordeelen naar uw wezen en uw spraak," vervolgde hij, terwijl hij mij
met opmerkzaamheid beschouwde: "schijnt gij tot een deftigen stand in de
maatschappij te behooren en zou ik u misschien met een aanbieding
beleedigen. Daar echter uw plunje geen weelde aanduidt, meen ik niet
onbeleefd te handelen, door u een geringe _douceur_ voor de genomene
moeite te schenken." En terzelfder tijd nam hij een paar goudstukken
tusschen de vingers en stak mij die toe.

"Ik dank u," zeide ik: "uw aanbieding is zoo bescheiden gedaan, dat zij
mij niet beleedigen kan. Ik behoef geen belooning, ik ben de zoon van
den Heer Huyck, den Hoofdschout van Amsterdam, en zoo ik u van eenigen
dienst kan zijn...."

"Zoo!" zeide hij, terwijl zijn gelaat zich op een zonderlinge wijze
samentrok: "de zoon van den Hoofdschout moest zich, minder dan iemand,
alleen wagen op onveilige wegen."

Hier zweeg hij een poos, deed het geld weder in de beurs en vervolgde op
deze wijze:

"Het was ongetwijfeld uw voornemen heden tot Naarden te gaan."

"Ik vrees," zeide ik, "dat het te laat zal zijn de stad nog voor
poortsluiten te bereiken: ook hoor ik de klok niet meer luiden; echter
zou ik van meening zijn, dat ik derwaarts behoor te gaan, om rapport te
maken van de ontmoeting, die mij is overkomen ... en zoo UEd. mij wildet
vergezellen...."

"Dat noem ik spreken, gelijk den waardigen zoon eens Hoofdschouts
betaamt," zeide de vreemdeling, met een gemaakten lach: "maar ik voor
mij gevoel geene roeping om aan de bruggen mijn keel heesch te
schreeuwen en bij elken schildwacht een half uur te wachten tot de
korporaal der ronde komt, en dan van de beleefdheid van dezen af te
hangen om teruggezonden te worden of den halven nacht in het wachthuis
door te brengen, ten einde de zotte verhooren te ondergaan, welke bij
een zoodanige gelegenheid nooit missen."

"Zooals UEd. wil," zeide ik: "doch ik meen dat er aan deze zijde buiten
de poort een vrij goede herberg is, _Jan Tabak_ of een dergelijken naam
voerende;--zoo wij daarheen gingen en iemand zonden, om...."

"Niets van dat alles," zeide de vreemdeling, met de hand een ongeduldige
beweging makende: "laat Zwarte Piet met zijn bende elders gaan om zich
te doen ophangen: ik wil de koord daartoe niet spinnen. Wat u betreft,
handel zooals gij het goedvindt: ik schrijf u geene wetten voor; maar
zoo gij mij gelooft, en er eenigszins prijs op stelt om mij genoegen te
geven, zult gij hedenavond niet naar stad gaan; integendeel stel ik u
voor tot mijnent te vernachten: en zoo gij de eenvoudige huisvesting
voor lief nemen wilt, welke een eenvoudige boerenwoning u kan
verschaffen, zal ik mij aan u verplicht rekenen."

Ik beken, dat ik eenigszins over deze aanbieding verzet stond, en
aarzelde, hoe die te beantwoorden. Juist de schijnbare gulheid en
openhartigheid, waarmede zijn voorslag gedaan werd, boezemden mij
wantrouwen in; want ik wist die niet te rijmen met de geheimzinnigheid,
welke zijn overige daden en gezegden tot nog toe omsluierd had, en het
kwam mij onverklaarbaar voor, dat iemand, die zich voor 't overige
gedroeg, als wilde hij alle nasporing en onderzoek ontwijken, de
onvoorzichtigheid zou hebben, een hem onbekenden jongeling, en dat nog
wel den zoon eens Hoofdschouts, in zijn verblijf toe te laten, ja te
noodigen. Met dat al, ik gevoelde weinig trek om alleen stadwaarts te
kuieren en mij nogmaals bloot te stellen aan een ontmoeting met de
lieden, uit wier handen ik zooeven verlost was: nieuwsgierigheid spoorde
mij aan, om nader uit te vorschen, wie toch mijn redder wezen mocht: en
dit een en ander te zamen gevoegd deed mij besluiten het gedane voorstel
te aanvaarden, onder de betuiging mijner erkentelijkheid en tevens van
de hoop, dat ik door mijn verblijf geen ongelegenheid aan mijn gastheer
zoude veroorzaken.

"Volstrekt niet," zeide deze, terwijl hij met haast het voetpad weder
insloeg, hetwelk hij was langs gekomen: "alleen door hier te blijven
draaien, zou ik in ongelegenheid kunnen geraken."

"In dat geval vergezel ik u terstond," zeide ik, en volgde hem op het
ingeslagen spoor. Het paadje geleidde ons weldra op een hollen dwarsweg,
aan weerszijden dicht begroeid met doornestruiken, en door de gevallene
regens op vele plaatsen zoo vol water staande, dat men werk had voort te
komen.

"'t Is hier slecht wandelen, Kapitein!" zeide ik, mijn voet losrukkende,
die in de modder was blijven steken.

"Dat kan ik niet ontkennen," antwoordde hij: "maar mag ik vragen, waarom
gij mij den titel van Kapitein toekent?"

"Ik heb u door een dier lieden van zooeven aldus hooren noemen," hernam
ik.

"Wel mogelijk!" zeide hij, met een spottenden blik naar mij omziende:
"maar omdat die gekken mij zoo noemen, moet daarom een verstandig
jongmensch hun voorbeeld volgen? Ik heb op dien naam thans even zoomin
aanspraak als op dien van Czaar, waarmede gij mij van morgen vereerd
hebt. Gij kunt alle titels met mij sparen, vervolgde hij op een vrij
hoogen toon: "ik heet eenvoudig Bos ... althans voor het tegenwoordige."

Ik zweeg en volgde, gelijk een hond, die een kastijding ontvangen heeft,
zonder verdere woordenwisseling mijn geleider, wiens groote stappen ik
moeite had bij te houden. Ik dacht, dat die fatale holle weg nimmer
zoude eindigen, toen wij ten laatste aan een klein boerenhekje kwamen,
hetwelk de Heer Bos openstootte en waar wij doortrokken. Een vrij smal
pad, hetwelk door een dichtvallend hekje gesloten was, bracht ons weldra
van achteren op een moestuin, aan welks einde ik een landhoeve
gewaarwerd, welke ik veronderstelde dat het doel onzer wandeling zijn
zoude.

Ik bedroog mij niet. Op het geblaf van een naast de deur aan een ketting
gelegen mopshondje, ging de voordeur open, en een zwarte gedaante, van
welke de meer en meer vallende duisternis mij alleen toeliet de vormen
te onderkennen, trad haastig naar buiten en fluisterde van verre: "Zijt
gij het, Vader?"

"Stil! stil!" antwoordde deze: "ik kom niet alleen ... dezen weg op,
Mijnheer!... waar is de oude Martha?"

"Bezig met het avondeten te bereiden," antwoordde de dochter op een nog
flauweren toon, terwijl ik meende te bespeuren, dat zij met weinig
verwonderd was over de aankomst van een zoo onverwachten gast als ik.

"'t Is wel!" antwoordde haar vader, binnentredende: "breng Mijnheer in
het opkamertje: hij zal van nacht hier blijven: ik ga even met Martha
overleggen, waar wij hem huisvesten zullen."

Dit zeggende, opende hij de deur van een soort van keuken, alwaar ik een
oude vrouw zag nedergehurkt en bezig met koeken te bakken. Hij trad
binnen en, de deur achter zich sluitende, liet hij mij met zijn dochter
alleen, beiden voorzeker evenzeer met onze figuur verlegen. De jonge
Juffer althans oogde haar vader met verbazing na en wendde vervolgens de
vragende blikken op mij.

Ik begreep dat de welvoeglijkheid eenige verontschuldiging vorderde.

"Mejuffer!" zeide ik: "ik vrees, dat ik hier ongelegenheid zal
veroorzaken; maar Mijnheer uw vader heeft gewild, dat...."

"Wat mijn vader begeert, moet volbracht worden," antwoordde zij, met een
vaste stem en een deftige hoofdbuiging: "wees zoo goed mij te volgen."
Dit gezegd hebbende, keerde zij zich om en besteeg een trapje, dat naar
een klein vertrekje geleidde, waar binnen ik haar volgde.

Zij schoof mij een stoel toe: ik nam echter geen plaats; maar bleef met
de eene hand op de leuning rusten: mijn hoofd was zoo vol en al mijn
denkbeelden door de vreemde ontmoetingen van den dag zoo verward, dat ik
nauwelijks wist of ik droomde, dan of ik waakte. Intusschen bleef mijn
geleidster over mij staan, in de houding van iemand, die een opheldering
verwacht, en ik achtte het mijn plicht, haar die te geven.

"Uw Heer vader," zeide ik, "heeft mij zooeven het leven gered. Zonder
zijn grootmoedige tusschenkomst had het er slecht met mij uitgezien.

"Is u eenig ongeval overkomen?" vroeg zij, op een deelnemenden toon.

Ik was op het punt, haar mijn wedervaren te verhalen, toen het denkbeeld
mij opeens voor den geest kwam, dat mijn gastheer het wellicht niet zou
goedkeuren, zoo zijn dochter van het voorgevallene onderricht en alzoo
noodeloos verontrust werd. Ik vergenoegde mij dus met te antwoorden: "uw
Heer vader zal u voorzeker wel zelf willen mededeelen, op welke wijze
hij zich een eeuwige aanspraak op mijn dankerkentenis verworven heeft."

"Maar neem toch plaats, Mijnheer!" hernam zij, na eenige oogenblikken
zwijgens, waarschijnlijk bespeurende, dat ik niet genegen was, haar
verder bescheid te geven. "Mijn vader zal ongetwijfeld dadelijk hier
zijn. Vergun mij u een oogenblik hier alleen te laten. Ik ga eens zien,
of ik hem ook van dienst kan zijn."

Met deze woorden zweeg zij en vertrok, de deur zorgvuldig achter zich
sluitende.

Mijn eerste beweging, zoodra ik mij alleen bevond, was, op mijne knieën
te vallen en den innigen dank mijns harten te brengen aan den
Almachtigen God, die mij zoo genadiglijk uit het doodsgevaar verlost
had. Niet slechts om mijnentwille dankte ik Hem, maar ook voor mijn
ouders en dierbaarste betrekkingen; want ik ijsde op het bloote
denkbeeld van hun ontsteltenis en rouw, indien zij eens vernomen hadden,
dat die zoon, wiens leven op een zoo langdurige reis en in vreemde
landen in gezondheid was gespaard gebleven, in zijn eigen vaderland en
zoo nabij het doel zijner bestemming door het moordend staal van roovers
ware gevallen. Ik bleef een geruimen tijd in die gestalte; want mijn
gemoed was vol en mijn ziel in een staat van hooge spanning: een
natuurlijk gevolg van mijn toestand. Toen ik oprees, voelde ik mij
vermoeid en afgemat, en zonk met gesloten oogen en gevouwen handen op
mijn stoel neder.

Langzamerhand begonnen mijn denkbeelden op te klaren: de ontmoeting met
de dieven speelde mij nog wel voor den geest; maar meer nog trof mij de
zonderlinge gril van het noodlot, die mij tweemalen op eenen dag, en
telkens op een zoo vreemde wijze, in kennis met een onbekende Juffer
bracht. Ik gevoelde thans echter minder opgewektheid dan des morgens om
mijn hof aan mijn gastvrouw te maken en bij haar den galanten ridder te
spelen; de doorgestane nattigheid, vermoeienis en schrik, en een zekere
ongerustheid, welke ik voedde omtrent hetgeen nog volgen moest, zouden
mij daartoe buiten staat hebben gesteld.

De jonge Juffer bleef intusschen weg, en ik moet tot mijn schaamte
bekennen, dat mij dit eenige ongerustheid begon te baren: vooral in
aanmerking der omstandigheid, dat zij den grendel op de deur geschoven
had, en dat ik mij dus in het kamertje opgesloten en gevangen bevond.
"Wie weet," dacht ik nu, "of die Heer Bos, of zooals hij heeten mag,
niet eenig voornemen omtrent mijn persoon koestert? Het is duidelijk,
dat hij onbekend wil zijn: zou hij ook de verspieder zijn van deze of
gene vreemde mogendheid, en geheime plannen vormen, verderfelijk voor
het Gemeenebest? Ik ben lang uitlandig geweest en dus niet op de hoogte,
om goed met onzen politieken toestand bekend te zijn. Er is misschien
een omwenteling, een oorlog ophanden. Deze man kan een avonturier zijn,
een hoofd van kwalijkgezinden, die mij gevangen wil houden, uit vreeze
dat ik zijn aanwezigheid alhier aan mijn vader verklikken zal."

Ik bleef bij dit laatste vermoeden staan, hetwelk mij, alles overdacht
hebbende, het aannemelijkste voorkwam, en hield mij intusschen bezig met
het opnemen van het kamertje, dat ik nu oordeelde mij ten kerker te
verstrekken.

Dit onderzoek was spoedig volbracht. De meubelen bestonden uit een
vermolmd, wormstekig noteboomhouten kabinet, op gedraaide pooten,
hetwelk naast de deur stond en met drie porseleinen vazen pronkte, in
eene van welke een ruiker van verlepte goudsbloemen geplaatst was.
Daartegenover bevond zich de kleine, met gewast taf bedekte tafel,
aangeschoven tegen het venster, dat in lood was gezet en met drie
ijzeren bouten voorzien, welke alle gedachte op ontkoming van die zijde
verijdelden. Bij de tafel stonden drie gemeene houten stoelen: de beide
vakken rechts en links waren betimmerd met dubbele deuren, die
vermoedelijk bedsteden verborgen.

De avond begon te vallen, en ik ongeduldig te worden: juist wilde ik
beproeven of ik de deur niet kon openen en onder het een of ander
voorwendsel naar beneden gaan, toen ik een bedaarden stap op de trappen
hoorde. De grendel week en de dochter mijne gastheers stond voor mij,
met een glas water in de hand.

"Mijn vader heeft mij alles verhaald," zeide zij, met een eenigszins
ontstelde stem; "wij ook zijn u dank verschuldigd: ik heb gedacht, dat
gij wellicht zoudt verlangen, iets te drinken ... en ik geloof, niet ten
onrechte: maar ga toch zitten: gij beeft er, dunkt mij, nog van."

Zij reikte mij het glas toe: ik wilde het aan den mond brengen, maar
juist toen zag ik, dat het troebel was: de gedachte, of er ook een
slaapdrank in gemengd was, kwam mij pijlsnel voor den geest.

"Neem het maar," vervolgde zij: "'t is klaar water, waarin ik eenige
droppels spiritus heb gedaan. Ik zou u gaarne wijn aanbieden; maar dien
hebben wij niet."

Ik schaamde mij nu over mijn argwaan: en het meisje, dat zoo minzaam en
hartelijk tegen mij sprak, geen minder vertrouwen waardig achtende dan
Alexander aan zijn geneesheer betoonde, dronk ik het glas in langzame
teugen ledig.

"Te veel goedheid!" zeide ik, terwijl mijn tanden tegen het glas
kletterden: "inderdaad! gij komt mijn verlangen voor; want ik schaam mij
niet te erkennen, dat mij dat geval van zooeven eenige ontsteltenis
veroorzaakt heeft."

"Men zou van iets minder kunnen ontstellen," zeide zij; "althans wanneer
men aan dergelijke schriktooneelen ongewoon is; maar helaas! men went
aan alles," voegde zij er op een droefgeestigen toon bij.

"Hoe, Mejuffer!" zeide ik, eenigszins verwonderd, en hopende door mijn
vraag den draad van het geheim machtig te worden: "is u ooit iets
dergelijks overkomen?"

"Er zijn droevige omstandigheden van verschillenden aard," antwoordde
zij: "het tooneel, dat hedenmorgen te Soest plaats had, was reeds genoeg
om iemand schrik aan te jagen."

"'t Is waar ook! Gij moet u toen in die huifkar niet op uw gemak
bevonden hebben. Weinig dacht ik, zoo spoedig en op zulk een vreemde
wijze, kennis te zullen maken met de persoon, die zich daarbinnen aan
ieders oog onttrokken hield."

"Ach!" zeide zij, op een weemoedige wijze het hoofd schuddende: "mijn
vader heeft geglimlacht, toen hij mij verhaalde met welk een kluchtigen
vond gij ons een veiligen aftocht bezorgd hebt. Hij had dit sedert jaren
niet gedaan."

"Hij schijnt vele wederwaardigheden ondergaan te hebben," zeide ik.

"Gave God," hernam zij, "dat wij daarvan slechts in den verleden tijd
mochten spreken!"

Hier zweeg zij, en zich omwendende, wischte zij een traan uit het oog.
Ik wist ook niet, hoe het gesprek weder te beginnen: het innige
zielelijden, hetwelk haar scheen te beheerschen, boezemde mij eerbied
in, en in de stemming, waarin zij zich bevond, vreesde ik een gezegde te
wagen of een uitdrukking te bezigen, die haar gemoed op dezelfde
onaangename wijze zou kwetsen als een valsche toon de ooren eens
kenners. Van een anderen kant, dacht ik, zou het misschien onbeleefd
kunnen geacht worden, het gesprek geheel te laten vallen: en ik waagde
derhalve de volgende vraag:

"Deze hoeve is ongetwijfeld uw gewone huisvesting niet."

"Helaas! Mijnheer!" antwoordde zij op een toon, die mij tot in de ziel
roerde: "wij hebben geen huisvesting, die wij de onze kunnen noemen."

"Niet, Mejuffer!" zeide ik: "dan moet ik des te meer mijn vrijpostigheid
beschuldigen, van u door mijn bijzijn nog grooteren last te
veroorzaken."

"Verschoon mij," hervatte zij, zich herstellende: "mijn vader heeft u,
geloof ik, reeds gezegd, dat die last niet noemenswaardig is.
Integendeel," voegde zij er fluisterend bij, "ik ben overtuigd, dat hij
u niet herwaarts zoude gebracht hebben, indien hij niet van oordeel ware
geweest, dat zulks niet tevens het raadzaamst ware voor onze
veiligheid."

Dat was wel juist hetgene, waar ik ook van overtuigd was; maar toch
klonk het mij eenigszins vreemd, de openhartige bekentenis daarvan uit
haren mond te vernemen. Ik meende dan ook te moeten te kennen geven, dat
ik geenszins de _dupe_ der uitnoodiging van den Heer Bos geweest was.

"Het spijt mij, Mejuffer!" zeide ik, "dat uwe woorden mij bevestigen in
een vermoeden, hetwelk ik reeds als onwaardig had onderdrukt, dat
namelijk uw Heer vader mij verdenken kon van hem te zullen verraden."

"Verraden!" herhaalde zij, terwijl ik haar oogen, niettegenstaande de
duisternis, welke reeds in het vertrek begon te heerschen, zag
schitteren van verontwaardiging: "indien hij u daartoe bekwaam had
geacht, zou hij u dan hier gebracht en vrijwillig met zijn schuilplaats
bekend gemaakt hebben? Wat wist gij van hem, dat gij zoudt kunnen
verraden?... maar vergeef mij, Mijnheer, ik spreek als een onverstandig
meisje over zaken, waarover het zwijgen mij beter voegde. Erger u niet
over de woorden, die ik mij ontvallen liet: de zonderlinge, de valsche
toestand, waarin wij ons bevinden, vergunt mij niet, u duidelijker uit
te leggen wat ik meene en gevoele. Gij zult geen misbruik maken van een
uitdrukking, die mij onbedacht ontsnapte. Een woord van u zou ons niet
alleen, maar ook de arme vrouw, die deze hoeve bewoont, in 't ongeluk
atorten. Zeg mij, dat ik in u hetzelfde vertrouwen mag stellen, hetwelk
mijn vader toont jegens u te voeden: zeg mij, dat gij de wetten der
gastvrijheid eerbiedigen zult."

"Mejuffer!" antwoordde ik, getroffen en verbaasd over deze uitboezeming
van schijnbaar onsamenhangende woorden, welke mij per slot even wijs
lieten als ik bij den aanvang was: "gij zegt wèl, dat ik, al wilde ik
ook, omtrent uw vader of u niets zou kunnen verraden; want niet alleen,
dat mij niets ten uwen opzichte bekend is; maar ook de plaats van uw
tegenwoordig verblijf zal niemand van mij vernemen, indien dit althans
uw verlangen is;--zou ik iets kunnen weigeren aan hem, die mij het leven
gered heeft?--Het smart mij maar, dat iemand, van uwe kunne en jaren,
genoodzaakt is zich schuil te houden, in stede van zich met opgeheven
hoofd in de samenleving te vertoonen, waarvan zij zeker een sieraad zou
uitmaken."

Deze laatste woorden sprak ik op een zeer koelen toon uit, opdat zij er
niet den minsten zweem eener plichtpleging in zou bespeuren. Haar
antwoord toonde mij ook, dat zij die niet als zoodanig had opgevat.

"Men kan niet betreuren, wat men nooit gekend heeft," zeide zij,
weemoedig het hoofd schuddende: "en voorzeker zou ik mij kwalijk
geplaatst vinden in die samenleving, welke gij bedoelt. Het weinige
echter, dat ik daarvan gezien heb, is mij niet uitlokkelijk genoeg
voorgekomen om mijn gedachten lang bezig te houden of die af te trekken
van de roeping, die mij hier op aarde is aangewezen."

Ik bleef eenigszins verlegen staan, niet wetende wat te antwoorden op
haar betuiging, toen gelukkig voor mij, en ook voor haar, zoo ik mij
niet bedrieg, de Heer Bos de kamer binnentrad. Hij had zich van zijn
rooden reismantel ontdaan en vertoonde zich nu aan mij in het eenvoudige
gewaad van een land-edelman of gegoeden pachter.

"Ik vraag u om verschooning, zoo ik u wat lang heb laten wachten," zeide
hij, zich tot mij wendende op een wijze, die wel hoffelijk was, maar
toch altijd als die welke men in acht neemt jegens iemand, die een sport
lager op de maatschappelijke ladder staat: "ik had beneden nog iets te
verrichten: mijn dochter heeft het u, hoop ik, aan niets laten ontbreken
... immers, aan niets van hetgeen wij u hier kunnen verschaffen," voegde
hij er met een bitteren lach bij.

"Ik weet niet, wat ik voor het oogenblik zou kunnen verlangen," zeide
ik, "of het zou een gelegenheid moeten zijn om mijn aangezicht en mijn
kleederen te ontdoen van het slijk en de modderspatten, die ik op weg
heb opgedaan."

"Ga een waschkom halen, Amelia!" zeide de Heer Bos: "en een
kleerborstel, indien hier een dergelijk meubel te vinden is ... of, hoe
kan ik zoo dwaas wezen? ik heb den mijnen immers in den zak."

De jonge juffer vertrok en ik begon mijn plunje een weinig op te
knappen, met behulp van den zakborstel, dien mij de Heer Bos had
toegestoken. Onder het schuieren trof iets blinkende op de keerzijde van
den borstel mijn oogen: ik bezichtigde dien van naderbij en zag, dat het
een koperen plaatje was, waarop hetzelfde wapen gesneden stond, dat ik
op den zegelring ontdekt had. Mijn beweging ontging mijn gastheer niet
en, naar het mij voorkwam, maakte die hem eenigszins onvergenoegd;
immers, zoodra zijn dochter terug was en het waschwater, dat zij bracht,
op de tafel had nedergezet, nam hij den borstel terug, bezag dien en
reikte hem toen aan haar over: "verbrand dit meubel," zeide hij.

"Hoe Papa! dien borstel, dien gij zoovele jaren gebruikt hebt en die u
nooit verliet!" riep zij, hem verbaasd aanziende.

"Verstaat gij niet, wat ik zeg? Mijzelven kost het, van een ouden
dienaar te scheiden, al is het maar een borstel;--maar wij moeten niets
overhouden, dat ons verraden kan. Ga mijn kind! en doe wat ik u gelast
heb: blijf verder Martha maar wat helpen: ik heb, gelijk gij weet, nog
wat met dien Heer te spreken."

Amelia zuchtte en vertrok, het hoofd schuddende en den borstel
beschouwende.

"Zij is er niet in gesticht," zeide haar vader, haar naoogende: "en ik
kan het klaar begrijpen; want mijzelf hindert het ook. Men moge het een
kinderachtig zwak noemen; maar er bestaat toch bij ons een stellige
gehechtheid aan voorwerpen, die wij lang gebruikt hebben en waar wij aan
gewoon waren; en er is iets onaangenaams in het verlies daarvan gelegen:
hoeveel te lastiger is het dan niet, wanneer men door de
noodzakelijkheid gedrongen wordt, die op te offeren ... ja te
vernietigen;... maar dat daargelaten. Zoodra gij u genoegzaam
opgefrischt zult hebben en op uw gemak bevinden, zal ik u een oogenblik
gehoor verzoeken."

Ik verlangde niets liever; want ik hoopte nu eindelijk al het
geheimzinnige opgeklaard te zien, hetwelk tot nog toe de gedragingen en
woorden van vader en dochter verzeld had. Ik haastte mij dus zooveel
mogelijk met mijn toilet en plaatste mij toen recht over den Heer Bos in
de gemakkelijkste houding die ik nemen kon. In hoeverre aan mijn
verwachting voldaan werd, zal men in het volgende Hoofdstuk beschreven
vinden.


       *       *       *       *       *


ZEVENDE HOOFDSTUK.

VERMELDENDE, WAT DE HEER BOS AAN FERDINAND VERTELDE, EN HOE DEZE PER
SLOT NOG EVEN WIJS BLEEF, GELIJK OOK HET GEVAL MET DEN LEZER ZAL ZIJN.


"Ik ben overtuigd, Mijnheer Huyck!" zeide mijn gastheer na eenige
oogenblikken stilte, "dat gij u al vreemde gedachten van mij gevormd
hebt, en uw geest gedurende de laatste twee uren vruchteloos op de
pijnbank hebt gezet om uit te vorschen, wie ik toch eigenlijk ben en wat
ik met u voorheb."

"Indien dit al zoo ware," zeide ik, "geloof ik van mijn kant te mogen
zeggen, dat al wat ik in die twee uren gezien en gehoord heb, niet
weinig gestrekt heeft om de denkbeelden en pogingen, die UEd. mij
toeschrijft, te rechtvaardigen."

"Dat stem ik u toe. Zelfs de zoodanigen, die zich het minst aan de
handelingen hunner medemenschen gelegen laten liggen, zouden, in een
geval als het uwe, hunne nieuwsgierigheid geprikkeld gevoelen. Het spijt
mij slechts, dat mijn eigene veiligheid mij verbiedt, aan uw weetlust
naar vereischten te voldoen."

Ik keek niet weinig op mijn neus; want nu bleef ik even ver als te
voren: "wat drommel kan de vent van mij willen?" dacht ik bij mijzelven;
"zoo hij mij anders niets te zeggen heeft, waartoe dan die plechtstatige
voorbereiding en die inleiding, die meer dan een foppage is?"

"Mijnheer!" zeide ik: "ik eerbiedig uw geheim en begeer niets daarvan te
weten, zoodra UEd. begrijpt het te moeten voor u houden. Indien het
echter de vrees is voor mijn onbescheidenheid, welke u zou weerhouden,
mij uw vertrouwen te schenken, zoo moet ik u mijn leedwezen betuigen,
dat gij geen betere gedachten omtrent mij koestert."

"Nu spreekt gij als alle jonge lieden, die het in hun verheven waan
hoogst kwalijk nemen, wanneer men hen niet beschouwt als van een andere
klei gevormd dan de overige kinderen van Eva. Neen, Mijnheer Huyck! ik
geloof en vertrouw, dat gij een braaf, rechtschapen jongeling zijt, die
mij de volstrektste geheimhouding zoudt beloven, en dat wel ter goeder
trouw.--Het zou slechts te bezien staan, of gij u altijd in de
mogelijkheid zoudt bevinden, dia te bewaren."

"Ik begrijp niet," zeide ik, "wat mij zou kunnen verhinderen, mijn woord
gestand te doen."

"O! Ik begrijp dit des te beter!" hernam hij: "en het zal u straks
wellicht mede duidelijk worden;--doch ter zake:--want het is niet om u
bloot te vertellen dat ik u niets zeggen wil, dat ik dit onderhoud
begonnen ben. Ik heb van u twee diensten te vragen: en de betuigingen
van erkentenis, die u straks ontvallen zijn, geven mij den moed,
daarmede onbeschroomd voor den dag te komen."

"Ik zal de vrijheid nemen," zeide ik, "UEd. te doen opmerken, dat die
betuigingen mij niet ontvallen zijn, maar welgemeend waren.--Wat verder?"

"Gij zijt een letterknecht," zeide de Heer Bos; "intusschen, uw
opheldering bevalt mij; want zij toont, dat gij niet behoort tot dat
slag van menschen, die veel beloven en weinig geven. Dan, gij wildet nog
iets zeggen."

"Slechts dit wilde ik er bijvoegen," zeide ik: "dat ik bereid ben UEd.
alle diensten te betoonen, welke niet buiten mijn vermogen liggen of
tegen mijn plicht strijden."

"Ziedaar een hoogst voorzichtige en prijzenswaardige _restrictie_,"
zeide de Heer Bos, zich de kin wrijvende: "Jammer maar, dat men, wanneer
het er op aankomt, zoo oneindig veel onder die rubriek van plicht kan
brengen, terwijl de perken van het vermogen somtijds zoo bijster eng
worden;--doch, wij zullen zien, hoe gij over mijn verzoeken denken zult.
Luister!--In de eerste plaats zal het mij aangenaam zijn, dat gij bij
niemand, wie het ook wezen moge, iets van onze ontmoeting te Soest, noch
van die historie met Zwarten Piet en zijn maats, noch van uw
nachtverblijf alhier, eenig en het minste gewag maakt."

"Maar," vroeg ik, "welke voldoende redenen zal ik dan kunnen geven van
het oponthoud, dat mij belet heeft, heden mijn reis naar Amsterdam voort
te zetten, gelijk mijn stellig voornemen was?"

"Daar hebben wij al zwarigheden," zeide mijn gastheer, niet zonder
eenige bitterheid: "kunt gij het slechte weer, de vochtige wegen, het
misloopen der schuit en honderd andere redenen, die gij zelf beter kunt
uitdenken dan ik, niet opgeven aan hen, die recht hebben u daarnaar te
vragen?"

"Ik ben niet gewoon de dingen anders te vertellen, dan zij zich hebben
toegedragen," zeide ik, droogweg: "doch in dit bijzonder geval wil ik u
de belofte doen, te verklaren, dat zoowel het weer, 't geen waar is, als
andere omstandigheden, die ik niet noemen kan, mijn reize vertraagd
hebben; onder dit enkele beding echter, dat ik aan mijn vader, voor wien
ik nooit iets verborgen hield, al wat mij is overkomen, onbewimpeld
verhale."

"Aan uw vader!" herhaalde de Heer Bos met eenige drift, en terwijl hij
zijn stoel verzette. "Het aan uw vader verhalen?--Is dit kinderpraat of
mannentaal?--Aan uw vader! opdat hij zijn rakkers uitzende en zoowel
Zwarten Piet en zijn bende als mij en mijn arme dochter in triomf binnen
Amsterdam doe sleepen?--Meent gij het oprecht? of hoe heb ik het met u?"

"Geloof, Mijnheer!" zeide ik, "dat ik mijn vader genoeg ken, om te
weten, dat ik hem iets van dezen aard vertrouwen kan, zonder dat hij er
eenig misbruik van maken zal. Denkt gij, dat ik anders de veiligheid van
mijn redder in de waagschaal zou willen stellen, of zelfs het leven van
dien roover, die, om welke reden dan ook, van zijn opzet heeft
afgezien."

"Gij zijt een braaf mensch," hervatte de Heer Bos, na eenige
oogenblikken te hebben nagedacht: "ik weet, ik kan u niet beletten aan
uw vader, ja aan iedereen, te vertellen wat gij wilt. Dit _dilemma_ wil
ik u slechts ter overweging voorhouden:--uw vader is Hoofdschout, en als
zoodanig heeft hij, dit weet ik, last bekomen, mij overal op te sporen,
en, zoo hij mij vinden kan, mij uit te leveren aan hen, die mijn verderf
zoeken. Zoo gij hem dus op het spoor brengt van mijn tegenwoordig
verblijf, zult gij dan bij hem, die, zoo ik weet, een gemoedelijk man
is, niet, hetgeen gij rechtsgeleerden een _pugna officiorum_ noemt, doen
ontstaan? Zal hij dan volgens zijn eed niet gehouden zijn den man te
doen vatten, dien hij, als de redder zijns zoons, uit dankbaarheid
liever sparen zou?"

Hier zweeg hij een oogenblik, als om de uitwerking zijner redeneering af
te wachten. Ik gevoelde daarvan het gewicht: want ik wist, hoe gestreng
en nauwgezet mijn vader was in het betrachten zijner plichten, en hoe
het hem zou hinderen, in het bezit te wezen van een geheim, waar hij
niet dat gebruik van mocht maken, hetwelk zijn ambt en plicht hem
voorschreven.

"Daarentegen," vervolgde de Heer Bos: "zoo gij zwijgt, blijft uw geweten
en--dat uws vaders in rust. Hij zal te mijnen opzichte de ontvangene
bevelen trachten ten uitvoer te leggen en zulks meer onbekommerd doen,
daar hij niet weten zal dat hij eenige verplichting aan mij heeft: en
gij van uw kant, zult u noch het verwijt behoeven te doen, de oorzaak
mijner gevangenneming geweest te zijn, noch dat, van uw vader belet te
hebben zijn plicht te volbrengen."

Ik had niets tegen deze redeneering in te brengen; en ofschoon het mij
altijd een hinderlijk denkbeeld bleef, iets voor mijn vader te moeten
verzwijgen, achtte ik echter in dit bijzonder geval aan het verlangen
van mijn gastheer te moeten voldoen.

"Het is wel," zeide ik: "ik beloof u, geen melding van het voorgevallene
te maken aan wien het ook zij; doch onder een uitzondering, welke, zoo
ik meen, geheel in uw voordeel is. Indien het u eens niet gelukt, de
handen der justitie te ontsnappen, sta mij dan toe, door mededeeling van
het gebeurde, mijn vader een gunstige gedachte jegens u te doen
opvatten. Misschien kan hij u alsdan van dienst zijn, en zeker zal hij
dat, indien het in zijn vermogen is."

"Deze voorwaarde is zoo billijk," zeide de Heer Bos, "dat ik die niet
slechts volkomen goedkeure, maar u tevens machtig, om ingeval ik eens
buiten gevaar geraak (waarvan ik u alsdan de tijding zal doen geworden),
hem insgelijks omtrent het gebeurde in te lichten.--Dit punt alzoo
afgesproken zijnde, ga ik over tot mijn tweede verzoek, waartegen ik
overtuigd ben, dat gij minder bedenkingen zult opperen, hoezeer de
vervulling daarvan u waarschijnlijk meer last zal veroorzaken, dan die
van het eerste."

"Ik ben verzekerd," dacht ik bij mijzelven, "dat deze Heer Bos een
bankroetier is en mij geld te leen gaat vragen."

"Na hetgeen ik vroeger gezegd heb," vervolgde hij, "zal ik u niet
behoeven te vertellen, dat ik mij niet in Amsterdam kan vertoonen,
zonder gevaar te loonen van in de knip te geraken. Hier in den omtrek
kan ik mij uithoofde van oude betrekkingen beter schuilhouden en de
spionnen van den Baljuw van Gooiland, die ook wellicht nog geen bevelen
omtrent mij ontvangen heeft, beter misleiden. Intusschen kan ik mijn
arme dochter niet bij mij houden: zij moet in mijn zwervend leven niet
deelen; en hare tegenwoordigheid zoude slechts strekken om mijn
schuilhoek des te eerder te doen ontdekken. Bovendien moet ik te
Amsterdam eenig geld en eenige oude papieren ontvangen: een commissie,
waarmede niemand zich zou kunnen of willen belasten, en die ik alleen
aan mijn Amelia kan opdragen. Een zekere notaris Bouvelt, die in uwe
stad woont, en wien gij misschien wel zult hebben hooren noemen, zal
haar tot zijnent huisvesten en voor een nicht van hem laten doorgaan. Is
zij eens daar, dan ben ik niet langer omtrent haar bekommerd;--doch de
groote zwarigheid is: hoe komt zij in Amsterdam?"

Ik keek eenigszins vreemd op. "Wel Mijnheer Bos!" zeide ik; "er vaart
immers om de twee uren een volksschuit van Naarden op Amsterdam: en er
zijn rijtuigen genoeg te krijgen, zoodat...."

"Dat weet ik," hernam hij: "maar ik weet ook, dat huurkoetsiers en
schippers gehouden zijn bericht te geven aan den Hoofdschout van al de
passagiers, die hun verdacht voorkomen."

"Een jonge Juffer als zij zal toch niet onder de verdachte personen
gerangschikt worden," zeide ik.

"Gij bedriegt u.--Ik ben zeker, dat men mijn aankomst wachtende was en
mij te Soest en te Eemnes reeds bespiedde. Door onderweg af te stappen,
heb ik die krabben wel voor een poos het spoor bijster kunnen maken:
maar zij zullen het spoedig hervinden. Zij weten, dat ik mijn dochter
bij mij heb. Zien zij nu een Juffer, die alleen van Naarden naar
Amsterdam reist en in beschrijving met Amelia overeenkomt, dan weten zij
al genoeg, om meer uit te vorschen. Neen! mijn kind moet de reis doen op
een wijze, welke hun alle vermoedens ontneemt: en ter bereiking van dat
doel wilde ik u voorslaan, haar onder uwe bescherming derwaarts te
brengen."

Ik wist niet of ik wel gehoord had, zoo verbaasde mij deze voorslag. Had
de Heer Bos mij dien eenvoudig weg gedaan, ik had dien zonder bedenking
aanvaard; maar juist de inleiding, welke hij had doen voorafgaan om alle
zwarigheden af te snijden, deed er eene menigte bij mij oprijzen.
Bemerkende, dat hij op een antwoord wachtte, haastte ik mij zulks te
geven, de eerste moeilijkheid, die zich aan mij voordeed, daarbij
aangrijpende.

"Mijnheer!" zeide ik, "het ware mij natuurlijk veel eer en genoegen, het
aangenaam gezelschap uwer dochter op de reis te genieten! maar heeft UEd
wel nagedacht, dat juist ik de minst geschikte persoon ben om haar tot
leidsman te strekken? Wanneer men te Amsterdam, wanneer mijn vader
verneemt, dat ik met een onbekende Juffer aldaar ben aangekomen, zal
zulks dan niet juist die vermoedens teweegbrengen, die UEd. wenscht te
voorkomen?"

"Ik zei," zeide de Heer Bos, zich in een ontevredene houding achterover
op zijn stoel werpende, "dat gij Amsterdammers allen volkomen dezelfden
zijt en honderd redenen tegen eene hebt wanneer het er op aankomt iets
te doen, hetwelk met uw gewone sleur van denken en handelen niet
volkomen strookt. Zeg liever ronduit: "ik doe het niet," dan weet men
waar zich aan te houden."

"Verschoon mij," Mijnheer!" hernam ik, een weinig verlegen en denkende
hem te bevredigen: "wat mij betreft, zal ik het gaarne doen, en mij niet
storen aan hetgeen de kwade tongen mij wellicht mochten nageven;
maar...."

"De kwade tongen!" riep de Heer Bos, opspringende, met een heftige stem,
welke mij deed bespeuren hoezeer ik mij versproken had: "wie heeft die
meer te vreezen, mijn dochter of gij?--Wie zal er een jonkman te minder
om achten, zoo hij, op reis zijnde, zich liever in de roef bij een jonge
Juffer voegt, welke hij bij toeval ontmoet, dan dat hij met den gemeenen
hoop in het ruim gaat zitten? Neen, indien de laster zich aan een van
beiden hechten moet, zij is het, tegen wie hij zijn pijlen scherpen zal.
Hoe! een vader bewijst genoeg vertrouwen te stellen in uwe braafheid, om
zijn eenigen schat op aarde, zijn brave, engelreine dochter onder uw
bescherming te stellen, en gij acht, dat zulk een bescherming uw goeden
naam in gevaar zoude brengen? of denkt gij misschien, omdat ik mij niet
in 't openbaar vertoonen mag, het recht te hebben, van mijn dochter als
een gelukzoekster te beschouwen, als een verworpene, een melaatsche,
wier gezelschap besmetting aanbrengt? Mijnheer! gij doet mij op een
wreede, op een bittere wijze het rampzalige van mijn toestand en van
dien mijner onschuldige, mijner dierbare Amelia gevoelen. Het is
mogelijk, dat uw stijve Amsterdamsche kooplieden, uw afgepaste
Patriciërs, een handelwijze als de uwe zouden toejuichen ... wat mij
betreft, wanneer mij iemand een dienst vraagt, zeg ik ja of neen; maar
kom niet met gezochte voorwendsels voor den dag."

"Mijnheer!" zeide ik, toen die vloed van woorden voorbij was, dien het
onmogelijk zonde geweest zijn te stuiten: "ik herhaal u, dat ik bereid
ben u den gevraagden dienst te bewijzen, en tevens de beschuldiging
verre van mij verwijder, als had ik u door eenig gezegde of gedachte
willen beleedigen. Omtrent het in de waagschaal stellen van mijn tot
heden onbevlekten naam, zal ik niet met u twisten; ofschoon UEd. mij
vergunnen zult, daaromtrent mijn eigene meening te bewaren:--en, vergun
mij dit er bij te voegen, het kan niet anders dan u gerustheid
inboezemen, wanneer gij bespeurt, dat gij uw dochter toevertrouwt aan
iemand, die zelf meer nauwgezet omtrent dat punt denkt dan gij. Indien
ik dus zwarigheden gemaakt heb, deze golden niet mij, maar uw eigene
veiligheid en de reputatie van Mejuffrouw Bos."

"Geef mij de hand!" zeide hij, naar mij toekomende: "gij zijt een braaf
jongeling, en hebt volkomen gelijk. Ik heb verkeerd gedaan, mij driftig
tegen u te maken; want uw bezwaren doen u eer aan. Ik hoop, dat deze
rondborstige bekentenis u vergenoegen zal;--ik ben nooit gewoon geweest,
verschooning te vragen: en het zou mij spijten, u op een andere wijze
voldoening te moeten geven."

Ik verzekerde hem, dat ik volkomen tevreden was over zijn gulle
bekentenis, en kon niet nalaten, onderwijl in mijzelven te lachen over
de zotte veronderstelling, dat ik, om al de avonturen van den dag, die
bijna met een messengevecht begonnen waren, waardiglijk te bekronen, die
zoude sluiten met een geregeld _duel_ tegen mijn bevrijder.

"Om verder op uw bedenkingen nog eens terug te komen," zeide hij:
"vergun mij u te herhalen, dat het alleen van hier tot aan de poort van
Amsterdam is, dat mijn dochter u lastig zal vallen. Eens daar zijnde,
zal zij haar weg wel vinden. De schipper zal u kennen of niet, dit doet
tot de zaak niets af: in het eerste geval zal hij niet noodig achten aan
den Hoofdschout eenig rapport te geven, dat zijn zoon met of zonder dame
van de reis terug is: in het tweede zal hij insgelijks geen vermoeden
tegen Amelia koesteren; want hij zal u beiden voor broeder en zuster
aanzien, en, daar gij niet aan de beschrijving beantwoordt, die van mijn
persoon gegeven is, ook verder geen acht op u slaan.--Mocht men eens
naderhand van u willen weten, met welke Juffer gij gereisd hebt, zoo
kunt gij den onbescheiden vrager het antwoord schuldig blijven: en aan
hem, die recht heeft de vraag te doen, eenvoudig zeggen, dat gij aan een
Juffer, wier naam u onbekend was, die kleine diensten en beleefdheden op
reis bewezen hebt, welke ieder welopgevoed man aan de zwakkere sekse
verschuldigd is."

Ik had nu niets te doen dan toe te stemmen, en ik deed dit ook, hoewel
een geheime stem mij te kennen gaf, dat ik mij op een maalstroom van
draaierijen en verwarringen inscheepte, waaruit ik mij niet dan met
moeite zou redden.

"Mag ik nog eene vraag doen?" zeide ik ten slotte: "is Mejuffrouw Bos
reeds van het gemaakte plan onderricht?--en stemt zij er gaaf in toe,
zich aan een onbekende te vertrouwen?"

"Mijn dochter heeft nooit een anderen wil gehad dan die haars vaders,"
antwoordde hij: "en in dit geval heeft zij met mij de noodzakelijkheid
dezer schikking ingezien;--doch gij zult het haar zoo aanstonds zelf
kunnen vragen; want ik hoor haar komen. 't Is of zij geraden had, dat de
zaak juist beklonken was."

"Mag men binnenkomen?" klonk nu de stem van Amelia, buiten de deur.

"Brengt gij het licht met u?" vroeg haar vader.--Wij hadden het wel
noodig, want het was gedurende ons gesprek stikdonker geworden.

"Het licht en het avondeten," antwoordde zij.

"Wacht dan een oogenblik," hernam de Heer Bos: "dan zal ik eerst de
blinden sluiten. Men mocht ons van buiten bespeuren: en men kan geen
genoegzame voorzorgen nemen."

Dit gezegd hebbende, sloot hij het luik en liet vervolgens Amelia in.
Zij droeg in de eene hand eene flesch, waarop een aangestoken kaars
stak, op den arm een servet, en in de andere hand een blikken trommel,
welke ik giste gevuld te zijn met de eetwaren, te Eemnes gekocht. De
oude Martha volgde met een kruik bier, en een bord, waarop zich een
bierglas, een wijnkelkje, een kommetje, een papiertje met zout, een
peperbos, twee stalen vorken, een tinnen lepel en drie messen van
verschillend fatsoen bevonden.

"'t 'Zelschap zal zich motten behelpen," zeide laatstgenoemde, terwijl
zij Mejuffrouw Bos hielp aan het dekken der tafel en het uitpakken van
de trommel. "We kunnen het zoo op zijn elfendertigste niet bezorgen:
niet, of er bennen hier wel wat fijne glazen en borden ook, dat beloof
ik; maar die heit Mevrouw achter 't slot."

"Aha!" dacht ik bij mijzelven: "'t is dus een Mevrouw, aan wie deze
woning behoort. 't Is nu de vraag, of zij weet, aan welke gasten in dit
oogenblik op haar erf huisvesting verleend wordt."

Onder dit alles nam ik de oude vrouw eenigszins nauwkeuriger in
oogenschouw: ik meende mij te herinneren, haar nogmaals gezien te
hebben, ofschoon waarschijnlijk jaren geleden: daar echter die grauwe
oogen met roode randen voorzien, die puntige neus, dat gelaat, waarop de
sporen des ouderdoms die der kinderziekte begonnen te vervangen, die
ingevallen, tandelooze mond en scherpe kin, die gebogen gang en bevende
stem, onder de kenmerken behoorden, welke aan meer dan eene bedaagde
boerin passende zijn, ontgaf ik mij dit. Een vrij eenvoudig toeval wekte
echter nieuwe vermoedens bij mij op. Martha liet namelijk, onder het in
orde brengen van den disch, een mes van de tafel vallen. Ik was er
spoediger bij dan zij, om het op te rapen, en overhandigde het haar.
Toen zij het van mij aannam, zag zij mij in 't gezicht en opeens begon
zij over al haar leden te beven.

"Heilige Maagd!" zeide zij: "is het mogelijk!..."

"Wat is mogelijk?" vroeg de Heer Bos: "kent gij dien Heer?"

"Waarlijk!" antwoordde zij: "ik weet niet ... maar die Heer lijktent zoo
sprekend op een neefje van Mevrouw, die wel eensjes bij ons kwam, jaren
geleden.... Maar het kan toch niet wezen. Immers...."

"Kom, oudje!" viel de Heer Bos in, wien kennelijk de wending van het
gesprek niet beviel: "gij kunt Mijnheer niet kennen, die hier vandaag
voor 't eerst in 't land komt. Ga maar naar de keuken en stel die dwaze
denkbeelden uit uw gedachten."

"Nou!" zeide Martha, terwijl zij zich met Amelia weder naar beneden
begaf: "er is meer gelijk als eigen; maar toch indien het niet sprekend
de jonge Heer...."

Mijn gastheer, de deur weder sluitende, belette mij de juistheid der
gissing van de oude vrouw te beoordeelen, ofschoon ik er wel wat onder
had durven verwedden, dat zij geen ongelijk had in haar vermoeden,
zoomin als ik in het mijne. Ik wist haar echter niet te huis te brengen.
Iets meer nopens haar wenschende te vernemen, waagde ik de volgende
vraag:

"Woont deze oude ziel hier alleen? dan loopt zij, dunkt mij, nog al
gevaar, een bezoek van Zwarten Piet te ontvangen."

"Zij had haar man tot haar bescherming," antwoordde de Heer Bos: "en
sedert deze onlangs overleden is,... gij ziet zij draagt nog den rouw
over hem ... woont haar zoon, een afgedankte varensgezel, bij haar in.
Wel is waar, aan dezen heeft zij weinig hulp; want, naar zij mij
vertelt, is hij meestal, en ook thans, van huis en verdoet zijn tijd in
de kroegen en dobbelhuizen."

"Mijn hemel!" zeide ik: "wie weet of haar zoon niet dezelfde knaap is,
die heden tweemalen zoo geducht door u begroet is geworden."

"Licht mogelijk!" zeide de Heer Bos, al lachende: "in dat gevat heb ik
hem den dienst slecht betaald, dien zijn moeder mij bewijst: doch dan
mogen wij ons tevens geluk wenschen, dat hij van huis is; want een
soortgelijken knaap acht ik tot alles in staat. Ik zal hedenavond nog
eens onderzoek doen, of uw vermoedens gegrond zijn."

Op dit oogenblik kwam Amelia terug met een schotel pannekoeken, dien zij
op de tafel nederzette. "Ziezoo!" zeide zij: "als de Heeren nu maar
plaats willen nemen; het avondeten is opgedaan."

Wij namen plaats, en ik vond nu voor het eerst gelegenheid, om de
Juffer, die tot mijn reisgenoote voor den volgenden morgen bestemd was,
eenigszins nauwkeuriger op te nemen, dan het flauwe daglicht mij bij
onze eerste kennismaking vergund had te doen. Haar gestalte, vooral
wanneer zij zat, was eer rijzig, dan gemiddeld te noemen; maar al haar
ledematen waren volkomen aan elkander geëvenredigd en evenmin van
grofheid als van te groote rankheid te beschuldigen: alleen moest men
haar handen uitzonderen, die, hetgeen juist niet als een gebrek kon
beschouwd worden, zoo tenger en smal waren als die van een aankomend
meisje. Wat haar gelaat betrof, ofschoon het den strengsten vitter
moeielijk zoude gevallen zijn, er iets aan te berispen, bezat het echter
niet die soort van schoonheid, welke mij het meeste geviel. Misschien
kwam zulks hierdoor, dat ik niet kon nalaten in mijn geest gestadig
vergelijkingen te maken tusschen haar en Henriëtte Blaek, wier
uiterlijke, ofschoon minder regelmatig fraai te noemen, een zeker iets
bezat, hetwelk mij meer behaagde. Deze laatste had mij bij den eersten
aanblik geheel ingenomen; wat Amelia betrof, ik gevoelde, wanneer ik den
droefgeestigen trek beschouwde, die haar groote donkerbruine oogen
benevelde, een beweging van medelijden, van hartelijke welwillendheid,
van dienstvaardigheid; maar niets, dat naar liefde zweemde. Misschien,
ik erken het gaarne, ontsproot dit verschil van gewaarwording uit
dezelfde Amsterdamsche afgepastheid en tegenzin in het buitengewone,
waartegen de Heer Bos zoozeer (en naar mijn begrip ten onrechte) was
uitgevaren, en verflauwde de zonderlinge aard der omstandigheden, waarin
ik Amelia ontmoet had, de uitwerking, welke anders haar bevalligheden
hadden kunnen teweegbrengen:--ik twijfel er echter niet aan (want zoo
loopen de opvattingen en gewaarwordingen uiteen), of een ander
jongeling, met een meer romanesken of ondernemenden geest begaafd dan
ik, zou, juist om dat zonderlinge, des te eerder op haar verliefd zijn
geworden. Wat hiervan zij, de waarheid is, dat Mejuffrouw Bos heerlijk
schoone oogen had, met lange, sierlijk naar boven gekrulde pinkers
voorzien, en bekranst met zuivere, net gevormde, blinkende wenkbrauwen,
even gitzwart als haar lokken, die in natuurlijke krullen het hoofd
bedekten. De vorm van het gelaat was volkomen eirond; en gelijk ik reeds
gezegd heb, het was onmogelijk eenige feil te vinden in het beloop van
den een weinig gebogen neus (die hoewel zachter van vorm, echter
volkomen op dien haars vaders geleek), van de fijne lippen en van de
gladde kin, die zich op den schoonen hals eenigszins verdubbelde. Alleen
op de kleur van het vel zoude men hebben kunnen aanmerken, dat die niet
volkomen blank was, maar eerder overdekt met die tint, welke men bij
Spaansche of Italiaansche vrouwen ontmoet; doch, behalve dat het mij nog
onbewezen was, welke landstreek of welke moeder haar het licht
geschonken had, zoo kon ik bij een _brunette_ de melkwitte blankheid
niet vorderen, welke de eigenschap eener schoone _blondine_ uitmaakt.

Het was niet alleen over de oogen, dat een waas van zwaarmoedigheid
verspreid was. Ook in een paar rimpels, die nu en dan het anders gladde
voorhoofd plooiden, en in een eenigszins pijnlijken trek, welken de mond
vertoonde, meende ik de sporen van een diep, in 't hart geworteld leed
te ontdekken. Een oogenblik van vroolijkheid zou gewis een geheel
nieuwen, verrukkenden glans over haar wezen hebben verspreid; maar het
scheen dat de vreugde en Amelia elkander voor eeuwig hadden
vaarwel-gezegd; slechts zeer enkel kwam een lichte blos zich op haar
wangen vertoonen; en wanneer zij glimlachte, was die glimlach eer
geschikt om droevige, dan om blijmoedige gedachten te verwekken.

Wat haar gewaad betrof, het was geheel zwart en duidde niet den minsten
zweem van opschik aan, terwijl men kon zien, dat het reeds eenigen tijd
gedragen was geweest: echter was alles, wat zij aanhad, niet alleen van
de fijnste stoffage, maar getuigde bovendien de snede van keurs en
mouwen, dat een modemaakster daaraan had gewerkt, die voor haar vak bij
uitnemendheid berekend was en haar taak vervuld had op een wijze, het
voorwerp waardig, waaraan zij haar arbeid had besteed.

Het afbeeldsel van den Heer Bos heb ik reeds gegeven, althans zooverre
als ik er bij onze eerste ontmoeting van had kunnen oordeelen. Ik zal er
thans slechts bijvoegen, dat zijn dochter veel op hem geleek; doch zijn
gelaat, hoewel mede bruin van verf, scheen eer door den invloed van het
weer die kleur te hebben aangenomen, dan die aan de natuur dank te
weten. Hij droeg een blonde pruik, die waarschijnlijk een deel zijner
vermomming uitmaakte; want zijn haar was zwart met enkele grijze plekken
doormengd. Wijders was zijn linnen van de fijnste soort: en een keurige
netheid op zijn persoon kenmerkte den welopgevoeden man. Zijn handen
waren fraai, volkomen aristocratisch van vorm, en met spiegelgladde
nagels voorzien: terwijl geen vlekje of spatje rok of vest ontsierde.

De wendingen en manieren van vader en dochter beiden waren gemakkelijk
en wellevend: men behoefde slechts een oogenblik met hen in gezelschap
te zijn geweest, om te bespeuren dat zij fatsoenlijke lieden waren en
met fatsoenlijke lieden verkeerd hadden. Het eenige wat mij hinderde in
den Heer Bos was de toon van meerderheid, welken hij zich gedurig jegens
mij aanmatigde, en die niet van dien aard was dat hij door zijn meerdere
jaren gewettigd konde worden. Het was licht te zien, dat hij in
omstandigheden verkeerd had, welke hem het recht gaven, te bevelen, en
dat hij zich niet dan met moeite in een minderen toestand wist te
schikken. Wat de dochter betrof, al wat zij deed of zeide, was even
beleefd en gepast; maar insgelijks van dien aard, dat het nimmer tot
eenige gemeenzaamheid aanleiding geven kon.


       *       *       *       *       *


ACHTSTE HOOFDSTUK.

WAARIN MEER GEREDENEERD DAN GEDAAN WORDT.


"De Heer Huyck zal de vriendelijkheid hebben, u naar Amsterdam te
brengen, Amelia!" zeide mijn gastheer, nadat wij eenige oogenblikken in
stilte gegeten hadden.

Amelia antwoordde niets, maar zij zag mij aan met een beleefde
hoofdbuiging, waaruit men evengoed kon opmaken, dat zij zich mijn
geleide wel getroosten wilde, als dat zij er mede vereerd was.

"Het zal namelijk zijn," voegde ik er bij, "indien de Juffer er niet
tegen heeft. Intusschen moet ik niet vergeten u verlof te vragen, om
morgenochtend, te Naarden, even aan de herberg te vernemen, of de
postwagen aangekomen is, waarmede ik mijn reisbagage verwacht. Het zal
een gering oponthoud zijn en u, hoop ik, geen hinder veroorzaken."

"In het minste niet," zeide Amelia: "wij zullen dan maar wat vroeger van
hier gaan."

"Het zal," zeide ik, "aan u, of aan uw Heer vader staan, het uur van
vertrek te bepalen: want daar ik bekennen moet, niet recht te weten waar
wij zijn, kan ik slecht berekenen hoeveel tijd wij noodig hebben om van
hier naar Naarden te wandelen."

"0!" zeide de Heer Bos, "in een klein half uur kunt gij er op uw gemak
zijn: reken er dan nog een half uur bij, voor het inwinnen der
berichten, die gij hebben moet en voor het gaan naar de schuit, dan is
het vroeg genoeg zoo gij hier tegen halfzes vandaan gaat."

"En moeten wij," vroeg ik lachende, "dien fraaien hollen weg dan weer
door, dien wij hedenavond gekomen zijn? dan beklaag ik Mejuffrouw Bos."

"Dat behoeft juist niet," antwoordde hij: "wij hadden dien heden ook
niet behoeven te nemen; maar ik was van oordeel dat de modderige landweg
den indruk mijner stappen niet zoo lang bewaren zonde als het zandpad
door het bosch, hetwelk bovendien langs bewoonde huizen loopt."

"Hoe!" riep ik uit: "heeft Mejuffrouw dien afschuwelijken weg mede
moeten doortrekken?"

"Dat niet alleen," zeide de Heer Bos; "maar nog wel, evenals ik, beladen
met pak en zak;--want wij gevoelden geen trek om onze bagage in de
huifkar te laten, noch om die te laten dragen door dezen of genen
arbeider, en ons aan zijn bescheidenheid te wagen. En dan wilde Amelia
nog wel op het voorbeeld van Esopus, den spijskorf dragen, schoon die
het zwaarst van alles was, en niet, als in het geval van den Phrygiër,
gaandeweg geledigd werd."

"'t Is waar," zeide Amelia, terwijl zij haar fijne handjes wreef: "mijn
vingers dragen nog de sporen van den ring, waaraan ik de trommel hield."

"Gij zoudt mij waarlijk het maal bederven," zeide ik, "wanneer ik denk
aan het ongemak, dat u het dragen dier spijzen veroorzaakt heeft."

"Mijn vriend!" zeide de Heer Bos tot mij, met meer innig gevoel, dan
waarvoor ik hem vatbaar oordeelde: "indien de gedachte aan het leed
mijner dochter mij verhinderen moest te eten, zou ik sedert lang geene
spijs meer genuttigd hebben."--Dit gezegd hebbende, stak hij over tafel
de hand aan Amelia toe en drukte de hare met een warmte, welke mij zien
deed, dat, wat overigens de man zich te verwijten mocht hebben,
hartelijke verkleefdheid aan zijn dochter hem was bijgebleven.

"Kom!" zeide hij eindelijk: "wij moeten hopen, dat deze bedroevende
staat van zaken niet duren zal. Nog eenige weinige slechte dagen,
Amelia! en wij zullen, zoo mijn voorgevoel waarheid spreekt, van al de
zorg en kwelling, die ons thans drukken, ontslagen zijn en blijder dagen
te gemoet zien....; wij moeten nu aan onzen gast het tooneel niet
aanbieden eener weekhartigheid, waar hij te minder in deelen kan, daar
hij er de aanleiding niet van verstaat."

En, terstond van toon en stoffe veranderende, begon hij mij over mijn
reizen te ondervragen: een onderzoek, gelijk men weet, altijd aangenaam
aan hem tot wien het gericht wordt. Het gesprek, hetwelk hieruit geboren
werd, gaf mij gelegenheid om op te merken, dat de Heer Bos de meeste
landstreken van Europa bezocht had niet alleen, maar ook een grondige
kennis bezat van de zeden, gewoonten en staathuishoudkunde der
onderscheidene volkeren; ja, dat hij vele en belangrijke bijzonderheden
wist, welke hij niet kon hebben vernomen dan door eene nauwe betrekking
en omgang met die personen, welke in hun vaderland het meeste gezag of
den voornaamsten invloed uitoefenden. Ongevoelig bracht ons de loop van
het onderhoud ook op het punt onzer koloniale bezittingen, en ik stond
versteld over de kennis, welke hij ook te dien opzichte ten toon
spreidde. Daar de mijne dienaangaande gering was, was ik niet in staat
met volkomen zekerheid over de juistheid zijner opgaven en narichten te
oordeelen; maar toch had de op mijn reizen verkregene gewoonte van met
allerlei slag van lieden om te gaan, mij niet geheel buiten een zekeren
graad van menschenkennis gelaten, zoodat ik de logenachtige versieringen
van den sprookjesverteller eenigszins wist te onderscheiden van de
onopgesmukte verhalen des zaakkundigen reizigers: en, hoewel ik ten deze
begreep geen onbepaald krediet te moeten verleenen, veelmin mijn zegel
te kunnen hechten aan de stoute beslissingen en beoordeelingen, welke de
Heer Bos zich betreffende de handelingen zoo der Compagnie als van hare
dienaren veroorloofde, zoo wist hij die echter met zulke schijnbaar
gegronde en afdoende redenen te omkleeden, dat het, in mijn oog althans,
geen geringe moeite en bekwaamheid zou vereischt hebben, die met een
goed gevolg te wederleggen. Van de Oost en West kwamen wij op Czaar
Peter te huis en op de stoute hervormingen, door hem in Rusland
ondernomen: en de naam van dien grooten Alleenheerscher, ons aan de grap
van dien morgen herinnerende, bracht ons als vanzelf op het Soester
avontuur en op de onweersbui terug. Gevraagd zijnde hoe ik het gedurende
den regen gesteld had, verhaalde ik, dat ik geschuild had op de hofstede
Guldenhof, toebehoorende aan den Heer Blaek.

"Guldenhof!" herhaalde Amelia: "is dat niet die fraaie plaats aan de
andere zijde van Eemnes? Ik heb het even gewaagd, toen wij die
voorbijgingen, mijn hoofd buiten de huifkar te steken en dat prachtige
goed te beschouwen, hoewel het mij bijkans een stijven nek had gekost."

"De Heer Blaek!" herhaalde van zijn kant mijn gastheer, bijna
terzelfdertijd: "is Jacobus Blaek de eigenaar van dat vorstelijk
buitengoed?... Het moet hem dan wel zijn medegeloopen, sedert ik hem
gekend heb: want toen zag het er sober uit met zijn tijdelijke
goederen:... dan: waarover verwonder ik mij?" vervolgde hij, als tegen
zichzelven sprekende en terwijl hij met zijn mes op de tafel speelde:
"ik heb minder recht dan iemand om over de wisseling der fortuin eenige
verbazing te toonen."

"Zoo ik wel onderricht ben," zeide ik, "heeft de Heer Blaek een
aanzienlijk vermogen in de Oost-Indiën gewonnen."

"Hij?" zeide de Heer Bos: "gij verwart hem met zijn broeder, die
werkelijk zeer rijk kon genoemd worden; want het toeval was hem even
gunstig geweest, als het den eigenaar van Guldenhof, in dien tijd
althans, tegenliep. Nu! zoo eenig mensch de gaven der fortuin verdiende,
het was dezelfde Hendrik Blaek; want een meer edelmoedig hart, en meer
geneigd hetgeen hij bezat met anderen te deelen, heb ik nooit gekend. De
arme drommel heeft niet lang genot gehad van hetgeen hij met zooveel
zorg vergaard had. Hij is een der weinige menschen, wier dood mij een
wezenlijke smart veroorzaakt heeft."

"Gij hebt hem dan zeer van nabij gekend?" vroeg ik, niet zonder
deelneming: want een gesprek over den vader der bevallige Henriëtte kon
mij niet anders dan belangrijk zijn.

"Hij was een braaf en beminnelijk mensch," zeide mijn gastheer,
blijkbaar een rechtstreeksche beantwoording mijner vraag wenschende te
ontwijken: en terstond vervolgende: "hij heeft een dochter nagelaten:
leeft zij nog?"

Ik voelde, dat ik op deze vraag tot over de ooren toe rood werd:
misnoegd op mijzelven, dat ik mij, ofschoon onwillekeurig, zou
blootstellen aan verdere onderzoekingen, trachtte ik mijn verwarring
onder den schijn van luchthartigheid te bemantelen en antwoordde met een
gemaakten lach: "voorzeker leeft zij: althans toen ik haar van morgen
sprak, was zij nog in blakenden welstand."

"En is zij nog niet gehuwd?" vroeg de Heer Bos al verder: "mij dunkt
eener goede partij als haar moet het niet aan vrijers ontbreken."

"Gehuwd is zij niet," antwoordde ik: "en meer weet ik er niet van, daar
ik eerst heden van mijn buitenlandsche reize terugkeer;--maar ik stem
volkomen met u in, dat zij geen gebrek aan aanzoeken hebben kan."

"De hemel schenke haar wijsheid, om een goede keuze te doen," zeide mijn
gastheer: "maar komaan! de avond is gevorderd: en het is tijd, dat gij
beiden u ter ruste begeeft, om morgen weer vroeg bij de hand te kunnen
zijn. Het hindert mij toch," vervolgde hij, de kruimels van zijn
roksmouw afknippende, "dat ik mijn ouden borstel moet missen."

"Zou UEd. hem zóó niet kunnen gebruiken?" zeide Amelia, terwijl haar
wangen voor een oogenblik door een zachten glans van genoegen werden
bestraald! en meteen haalde zij het betreurde voorwerp van onder haar
bouwen voor den dag en stak het over de tafel aan haar vader toe. Deze
beschouwde het met een blik van verrassing: het plaatje met het wapen
was er afgerukt en de spijkergaatjes, die nog van het vroeger bestaan
daarvan hadden kunnen getuigen, met den rug van een mes zooveel mogelijk
gelijkgewreven.

"Ik dank u, Amelia!" zeide de Heer Bos, met aandoening: "waarlijk! het
is kinderachtig van mij, aldus aan een nietig meubel te hechten; maar
... gij weet het, melieve! dat ik bij wezenlijke rampen mijn
gemoedskalmte niet verloren heb: en gij zult mij deze zwakheid ten goede
houden.--Waarlijk!" vervolgde hij, den borstel aandachtig beschouwende:
"ziedaar wel een evenbeeld, dat ik op mijzelven toepasselijk kan maken.
Ben ik niet evenals hij, na jaren wrijvens en schurens, van mijn glans
beroofd, toen ik oud werd, en thans in het oog der wereld even weinig
meer waard als dit meubel den Jood zou wezen, dien wij hedenmorgen
ontmoet hebben?"

"UEd. zal mij de opmerking vergunnen," zeide ik, "dat, gelijk deze
borstel nog evengoed dienst kan doen, al is hij van zijn pronk beroofd,
datzelfde voorrecht ook u kan vergund blijven. Onze waarde berust immers
niet in uiterlijke praal, maar in het nut dat wij stichten."

Ik dacht met deze aanmerking en voorzeker alles behalve nieuwe
vergelijking mijnen gastheer een verplichtend gezegde toe te voegen;
maar de zonderlinge uitdrukking, die zijn gelaat aannam, toen ik met
spreken geëindigd had, trof mij zoodanig, dat ik mij wel wachtte op
denzelfden toon voort te gaan. Gedurende het gesprek over de Heeren
Blaek hadden, naar 't schijnt, oude herinneringen een uitdrukking van
zachte droefgeestigheid op zijne trekken verspreid, welke ik niet
gedacht had, daar immer te zullen aantreffen, en welke nog vermeerderd
werd door het hervinden van zijn borstel en de gedachten, welke de
beschouwing daarvan in zijn boezem had opgewekt:--maar nu was opeens die
uitdrukking verdwenen: het gansche gelaat had de strenge, terugstootende
plooi hernomen, die het gewoonlijk kenmerkte: en een bittere lach kwam
het nog meer ontsieren."

"Hoor!" zeide hij, op een schamperen toon, terwijl hij een blik op mij
wierp, die mij onwillekeurig sidderen deed: "de diensten, welke ik
gewoon ben geweest te bewijzen, waren niet altijd van dien aard, dat men
er mij veel dank voor wist."

"Vader!" zeide Amelia, met een bevende stem, terwijl zij oprees en hem
bleef aanzien met een weemoedigen blik, die hem zijn rasch gezegde
scheen te verwijten.

"Gij hebt gelijk, mijn kind!" zeide hij: "en ik handel dwaselijk, door
aan zulke denkbeelden toe te geven... zoo de Heer Huyck het goedvindt,
zal ik hem zijn slaapstede toonen."

Deze laatste woorden sprak hij weder op een zeer natuurlijken en
hoffelijken toon uit en liet die met een buiging van het bovenlijf
vergezeld gaan. Ik boog insgelijks ten bewijze van toestemming: en na
gedane dankzegging rezen wij gezamenlijk op. Ik wenschte aan Amelia een
gerusten nacht, en volgde den Heer Bos, die, na zich half bij zijn
dochter verontschuldigd te hebben, dat hij haar in het donker liet de
kaars opnam en mij in een klein vertrekje bracht, hetwelk op dezelfde
trap, doch eenige treden hooger, uitkwam.

"Ik denk niet," zeide hij, mij op een nauwe bedstede wijzende, die zich
aldaar bevond, "dat u dit nachtverblijf machtig zal aanstaan: maar gij
zult het moeten nemen zooals gij het vindt."

"O! zeide ik: "maak daarover geene verontschuldigingen; ik ben lang
genoeg op reis geweest om mij te hebben leeren behelpen: en een nacht is
gauw doorgebracht. Maar wat ik u bidden mag, neem het licht met u:
Mejuffrouw Bos bevindt zich alleen en in het duister. Ik heb geen licht
noodig om mijn slaapstede te vinden."

"Zoo gij niets meer noodig hebt, en u in 't donker kunt uitkleeden, zal
ik aan uw verzoek voldoen," zeide mijn gastheer, en mij een goede
nachtrust toegewenscht hebbende, verliet hij het vertrek. Ik had
intusschen den eenigen stoel, die zich daarin bevond, voor mijn
slaapplaats geschoven en, mij van mijn bovenkleederen ontdaan hebbende,
kroop ik met de rest te bedde; want in de onzekerheid hoe de gesteldheid
daarbinnen zou wezen, was ik eenigszins huiverig om mij geheel te
ontkleeden.

En inderdaad, mijn ligplaats was noch slechter, noch beter dan ik reden
had mij voor te stellen. Het bed bestond uit een harde peul, waarvan men
de opvulsels niet behoefde te raden; want van alle zijden staken mij de
puntige stroohalmen in de leden, zoo vaak ik mij omwendde. Het laken was
van dien aard, dat het mij, welke houding ik aannam, nooit geheel
bedekte; lag ik recht uitgestrekt, dan staken mijn voeten er buiten:
haalde ik deze binnen en ging ik krom liggen, dan waren mijn knieën
ongedekt:--en wat het ware, dat mij tot hoofdkussen diende, kon ik
volstrekt niet uitvinden en moest eerst den volgenden morgen ontdekken,
dat het uit een oud stel vischnetten bestond, in een meelzak gewikkeld.
De vinding was niet onaardig en ik ben nooit te weten gekomen, of ik
haar aan het vernuft van den Heer Bos, van zijn beminnelijke dochter of
van de oude Martha moest toeschrijven.

Het was echter niet het min gemakkelijke mijner ligging, dat mij zou
verhinderd hebben, na een zoo vermoeienden dag, een zoete rust te
genieten. Integendeel waren het die vermoeienissen zelven en de
onderscheidene schokken, welke ik naar lichaam en geest ontvangen had,
die mij beletteden, den slaap te vatten, waar ik zoo vurig naar
verlangen moest. Duizend verschillende en verwarde denkbeelden maalden
mij door het brein en deden dat brandend en koortsig gevoel in mijn
hoofd ontstaan, hetwelk aan elke sluimering vijandig is. Al de
ontmoetingen van den dag kwamen mij beurtelings voor den geest zweven,
gelijk de schimmen eener fantasmagorie. Ik zag weder den twist in de
herberg: ik hoorde den hatelijken Andries vloeken en den Jood zijn
kramerijen venten: ik onderscheidde het lieve gezichtje van de bevallige
Henriëtte Blaek: ik bestreed opnieuw de drie struikroovers en dankte
weer mijn redding aan mijn geheimzinnigen gastheer, die zich aan de
oogen mijner verbeelding in een nog majestueuzer gestalte voordeed dan
in de wezenlijkheid. Dan weder stelde ik mij de belofte voor den geest,
welke ik den Heer Bos gedaan had, en de moeilijkheden, welke voor mij
zouden kunnen ontstaan zoo uit de verplichting, die ik op mij genomen
had, om Amelia naar Amsterdam te brengen, als uit die, van het op dien
gevaarvollen avond voorgevallene voor elk geheim te houden. Bij dit
alles voegde zich nog een zeker gevoel van ongerustheid, dat ik niet van
mij af konde werpen, en hetwelk was toe te schrijven aan de onzekerheid,
waarin ik verkeerde, zoo omtrent de plaats waar ik mij bevond, als
omtrent hetgeen mij nog kon te wachten staan. Wel is waar, ik voedde
geen vrees meer voor den Heer Bos, die er naar allen schijn belang bij
had, mij te vriend te houden; maar ik was niet zonder zorg omtrent
Andries, die, naar mijn innige overtuiging, niemand anders wezen kon dan
de zoon der weduwe, in wier woning ik mij bevond: het onaangename
vermoeden begon mij te bekruipen, of ik niet altemet de legerstede van
dien booswicht betrokken had: en ik kon de benauwende gedachte niet
verbannen, dat hij wellicht te huis komen en mij de weinig gewenschte
eer van zijn bezoek geven zou.

Ik had, kort nadat ik mij te bedde begeven had, den luchtigen voetstap
van Amelia eenige reizen op de trappen gehoord, en veronderstelde dat
zij de overblijfselen van ons avondmaal naar de keuken bracht. Daarop
had zij een vrij langdurig onderhoud met haar vader gehad, waarvan ik
echter niets dan bloote klanken verstaan kon, en zich toen ter ruste
begeven. De Heer Bos was vervolgens naar beneden gegaan; naar mijn
gedachten, om aan de oude Martha eenige onderrichtingen te geven: het
duurde wel een uur eer hij terugkwam en zich in de bedstede, tegenover
die, waarin zijn dochter sliep, begaf. Een zwaar gesnork kondigde mij
weldra aan, dat, welke zijn zorgen voor de toekomst ook wezen mochten,
die echter niet in staat waren, hem het slapen te beletten.

Wat mij betreft, er verliepen uren achtereen, eer de slaap mijn oogen
sloot, en toen zelfs bracht die noch rust, noch verkwikking mede.
Benauwende, pijnlijke droomen kwelden mij, en deden mij ieder oogenblik
met schrik uit mijn sluimering ontwaken. Ik zag het ouderlijk huis in
vlammen staan: gewapende roovers, waaronder zich Andries en, vreemd
genoeg, ook de poëet Helding bevonden, stormden ter plundering binnen,
en werden aangevoerd door den Heer Jacobus Blaek, die zijn regenscherm
als een staf van commando rondzwaaide. Ik zag mijn moeder, doodsbleek en
met bloed bedekt, door twee dier boosdoeners voortsleepen: ik hoorde het
noodgeschrei mijner zusters en broeders, die in de vlammen omkwamen: en
dan zag ik opeens boven het vlammend puin, Henriëtte, Amelia, en een
talrijken stoet bevallige, in feestgewaad uitgedoste jonge meisjes
luchtig en onbezorgd ronddansen, en rozen strooien op de vonken, die
onder haar voeten opspatteden. Opeens deed Andries, die een ijzeren
geldkist uit den brand had gesleurd, welke hij met geweld op straat
sleepte, een afgrijselijken vloek hooren: alles verdween voor mijn
oogen, en ik ontwaakte.

Maar, schoon wakker, nog dreunde mij die stem in de ooren, en nog
herklonken die slagen, welke echter niet op een ijzeren kist, maar op de
deur der woning nederkwamen. Ik ging recht overeind zitten. Er kon geen
twijfel meer aan zijn: het was Andries, die weder te huis kwam.

De morgenschemering was aangebroken: ik liet mij zoo zachtjes als ik kon
uit mijn bed zakken, kleedde mij aan, omklemde mijn knuppel met beide
handen en bleef toen, op den stoel gezeten, angstig luisteren, wat er
volgen zou. Weldra hoorde ik de oude Martha naar het voorhuis
schoffelen. Ik rees op, en overlegde of het ook zaak zoude wezen, den
Heer Bos te gaan wekken, toen ik Martha met een heesche stem haar zoon
hoorde toeroepen: "daar slaapt van nacht familie van Mevrouw hier in
huis: ik mag je niet opendoen: zie maar dat je in de schuur terecht
komt."

Ofschoon mij deze woorden eenigszins geruststelden ten opzichte der
voornemens van de moeder, bleef ik echter niet zonder zorg, of zich de
zoon wel daaraan zoude storen. Mijn onzekerheid was intusschen spoedig
voorbij; want na eenige vruchtelooze pogingen om de deur open te
krijgen, ging Andries al brommende en vloekende weg, en Martha haastte
zich, haar bed weder op te zoeken, hetgeen mij ten blijk strekte, dat
zij geen vrees voor zijn terugkomst koesterde.

Dit tooneel had mij echter allen slaap ontnomen. Ik bleef nog een
geruimen tijd stilzitten, toen naderde ik het venster, opende het met
zoo weinig gerucht mogelijk, en ademde de verkwikkende morgenlucht in,
die mij van buiten tegenstroomde.

Dan, was die frissche ochtendkoelte welkom aan mijn verhit gestel, niet
minder aangenaam werd ik verrast door het heerlijke schouwspel, dat zich
voor mijn oogen opdeed en hetwelk ik verre was te verwachten. Het
uitzicht, dat ik den avond te voren van de kamer, waar wij ons toen
bevonden, had gehad, was beperkt: het raam, waar ik nu voorstond, opende
zich aan eene andere zijde van het gebouw en vergunde mij het gezicht
van een natuurtooneel, het penseel eens schilders waardig. Ter
linkerzijde en achter een schuur, een duiventil en een paar andere
kleine gebouwen, tot de hoeve behoorende, verhief zich een fraaie groep
eeuwenheugende eikeboomen, wier kruin wel door den zeewind was
ontbladerd, doch wier knoestige met breede takken voorziene stammen zich
donker afteekenden tegen den nog kleurloozen hemel en tegen de
Zuiderzee, over wier grauwe oppervlakte een aantal kleine vaartuigen
elkander kruisten. Iets meer nabij verhief zich een oude, met mos en
heesters overdekte bouwval, de strenge stijl van welks bouworde scheen
aan te kondigen, dat ik de overblijfselen van een klooster voor mij had:
een muurtje, dat waarschijnlijk voorheen een kerkhof omheind had,
verbond dit gedenkstuk van vroegere dagen aan de hoeve, waarin ik mij
bevond. Ter rechterzijde liep de grond glooiend opwaarts, en werd het
verschiet hier en daar belemmerd door golvende heuvelen, deels met koren
en boekweit beteeld, deels met heesters en kreupelhout begroeid, deels
bedekt met de paarskleurige heide, waarlangs de witgewolde kudde reeds
hun ochtendmaal kwamen gebruiken. De stilte van den morgen werd alleen
nu en dan afgebroken door het dof geloei der runderen in den stal en het
gekraai van den wakkeren haan, die met zijn kakelbonten harem over het
erf kuierde en het rijzend zonnelicht begroette, dat allengskens aan dit
natuurtooneel leven en beweging kwam bijzetten. Opeens trof mij de
gedachte: ik had dit bevallig geheel nog éénmaal beschouwd: wanneer of
in welk gezelschap, dit wist ik mij niet te binnen te brengen; maar het
kwam mij voor, als ware het niet de eerste reize, dat ik mij hier
bevond. Ik kon uit den weg, dien ik den vorigen avond genomen had, en
uit de nabijheid der zee, het besluit opmaken, dat ik mij ten Oosten en
niet verre van Naarden moest bevinden en wel omtrent de plaats, waar
vroeger een stad van denzelfden naam in de Hoeksche en Kabeljauwsche
twisten was te gronde gegaan; maar ik had, zooverre ik wist, nooit eenig
uitstapje naar dien kant gemaakt. Eindelijk gaf ik het op: en daar ik
meermalen het naburige Muiderberg bezocht had, waar het landschap veel
overeenkomst had met datgene, hetwelk ik nu voor oogen had, maakte ik
het besluit op, dat ik door die gelijkheid van natuurtooneel misleid,
mij ten onrechte verbeeldde, hier vroeger geweest te zijn.

De morgenstond had zijn weldadigen invloed op mij uitgeoefend en met het
daglicht waren die kwellende droombeelden en onrustige gedachten
verdwenen, die mij gedurende den nacht hadden beziggehouden. Ik aarzelde
dus niet om mij weer naar mijn legerstede te begeven, en de natuur, haar
rechten hernemende, welke zij te lang aan de verbeelding had afgestaan,
deed mij een weldadigen slaap genieten, waaruit ik niet ontwaakte, dan
toen de stem mijns gastheers mij riep, en ik, de vakerige oogen
wrijvende, den Heer Bos, reeds geheel gekleed, zag voor mij staan.

"Het is tijd!" zeide hij: "het spijt mij zulk een aangename rust te
storen; maar gij zult ongetwijfeld de eerste schuit niet willen
misloopen."

"Gij ziet," zeide ik, opstaande, "dat mijn toilet geene groote moeite
zal vereischen. Ik heb niets anders te doen als mij te wasschen, en ik
ben tot uw dienst."

"Ik heb u gebracht wat gij noodig hebt," zeide de Heer Bos, mij op de
tafel wijzende, waar hij een kom met water en een handdoek had
neergeplaatst. "Ik behoef niet te vragen of gij goed geslapen hebt."

"Daar kan ik niet volmondig ja op zeggen," antwoordde ik, en verhaalde
hem tevens hoe mijn nachtrust gestoord was geweest. Gedurende mijn
verhaal bleef ik de wezenstrekken van mijn gastheer zorgvuldig
gadeslaan. Geen verwondering noch ontroering was daarop zichtbaar:
alleen zag ik hem een paar reizen de wenkbrauwen samentrekken.

"Ik verwachtte niet anders," zeide hij, toen ik met mijn mededeeling
geëindigd had: "en ik had dienaangaande het noodige onderricht aan de
oude Martha gegeven. Ondertusschen, die schurk moet u noch mij hier
zien: de gevolgen zouden te gevaarlijk kunnen wezen. Ik moet mij
daarover nog met de oude onderhouden. Wees zoo goed, zoolang bij mijn
dochter te vertoeven."

Wij verlieten het vertrek, en begaven ons weder naar datgene, waar wij
den vorigen avond hadden doorgebracht. Ik vond hier Amelia, in hetzelfde
gewaad als den vorigen dag gekleed, behalve dat zij nu een muts droeg en
een falie daar over heen: ook was zij met een zonnescherm voorzien. De
Heer Bos liet ons alleen, en na een korten morgengroet, bleven wij,
beiden zwijgend en eenigszins met onze houding verlegen, voor ons zien.

Het leed niet lang, of de Heer Bos kwam terug: "alles is in orde," zeide
hij: "Andries ligt in de hooischuur zijn roes uit te slapen, en, eer hij
wakker is, zijn wij ver van hier. Ik heb bovendien zijn moeder
gewaarschuwd, dat de justitie hem opspoorde; en een kleine wenk van dien
aard zal, vlei ik mij, genoegzaam zijn, om hem verre van hier te
zenden.--Niets verhindert ons dus langer, de reis aan te vangen."

"Ik weet niet," zeide Amelia, zich met minzaamheid tot mij wendende, "of
Mijnheer ook nog vooraf iets verlangt te gebruiken."

"Het is mij nog vroeg genoeg," zeide ik: "en daar ik toch genoodzaakt
ben, mij te Naarden een oogenblik op te houden, zullen wij evengoed daar
eenig ontbijt kunnen nuttigen."

"Welaan dan!" zeide de Heer Bos, en trad meteen, door ons gevolgd, de
kamer uit.

In het voorhuis stond de oude Martha, die, nijgende, en de handen
drukkende van den Heer Bos en van Amelia, afscheid van ons nam.

"Wij danken u voor uw herbergzaamheid," zeide de Heer Bos: "vergeet
niet, hetgeen ik u omtrent uw zoon gezegd heb, en neem dit aan, voor den
omslag, dien wij u veroorzaakt hebben. Mijn goed zal ik nader laten
halen. Bedenk, dat alles van uw stilzwijgendheid afhangt."

"Ach!" zeide zij: "met wie spreekt de oude Martha ooit? Geen haan zal er
na kraaien, dat UEd. hier 'eweest is: en in een kwartier tijds zijn al
de kamers weer dicht 'esloten en het beddegoed uit de bedsteden 'enomen,
en kan niemand merken, dat ik hier volk heb 'ehad."

Ik kon mij niet weerhouden van te glimlachen: "zoo al de slaapplaatsen
zoogoed gestoffeerd zijn als de mijne," dacht ik, "zal zeker het
opredderen niet veel tijd kosten."

Intusschen naderde ik ook op mijne beurt de oude vrouw en stelde haar
onder dankbetuiging voor het nachtverblijf eene kleine fooi ter hand.
Toen ik mij omwendde, zag ik dat de Heer Bos een koffer had opgenomen,
die waarschijnlijk het goed van zijn dochter bevatte.

"Mag ik u niet van die moeite ontslaan?" vroeg ik hem; "daar toch
Mejuffrouw nu onder mijn geleide komt, is het niet meer dan billijk, dat
ik haar goed drage."

"Wij zullen het ieder een gedeelte van den weg dragen," zeide de Heer
Bos: "ik ga niet met u tot Naarden."

De toon, waarop hij deze woorden uitsprak, was zoo beslissend, dat ik
het ongeraden vond, verder aan te dringen. Wij begaven ons dan op reis,
de Heer Bos den tocht geleidende, en even wakker doorstappende, alsof
hij, in stede van een koffer, een pak veeren onder den arm had. Ik heb
nog verzuimd te zeggen, dat hij thans zijn rooden mantel niet omhad, en
zijn Spaanschen hoed tegen een meer gewonen verwisseld had.

Amelia liep zwijgend achter haar vader; en ik sloot den tocht. Wij
namen, in stede van den modderigen hollen weg, een zandpad door de
eikenstruiken, hetgeen op een driesprong uitkwam, waar onze geleider
stilhield.

"Hier moeten wij scheiden," zeide de Heer Bos: "dit voetpad links brengt
u aan de poort van Naarden. Vaarwel Amelia! God behoede u en schenke u
het noodige beleid om de moeilijke taak te volbrengen, die gij op u
genomen hebt."

Dit zeggende drukte hij een hartelijken kus op 't voorhoofd zijner
dochter. Wat haar betrof, zij schreide niet; zij stortte geen ijdele,
doch bij zulk een scheiding toch niet berispelijke klachten uit: maar de
doodelijke bleekheid, welke zich over haar gelaat verspreidde, toonde
niettemin hoezeer haar hart op dit oogenblik leed.

"Wat u betreft, Mijnheer!" zeide de Heer Bos, mij de hand drukkende:
"ontvang mijn voorloopigen dank voor den dienst, dien gij mij bewijzen
wilt. Ik vertrouw u mijn dochter: en gij zult, hiervan houde ik mij
overtuigd, u dat vertrouwen niet onwaardig betoonen."

"Is er niets anders dat ik voor u doen kan?" vroeg ik hem terwijl ik
zijn handdruk beantwoordde.

"Voor het oogenblik niet:--ik heb reeds te veel van u gevorderd;
wellicht meer dan gij zult kunnen volhouden;... doch het zij zooals het
wil!... alleen dit nog!... mocht mij het lot eens treffen, dat mijn
vijanden mij toewenschen, ontferm u dan over mijn ongelukkige
dochter:--wees dan haar voorspraak.... Zorg dan, dat zij in staat
gesteld worde, zich een wijkplaats volgens haar wensen te kiezen."

Ik gaf door een buiging mijn toestemming in dit verzoek te kennen en nam
nu den koffer op, dien de Heer Bos had neergezet en die mij zwaarder
voorkwam dan ik gedacht had, waarop hij na Amelia nogmaals vaarwel
gezegd te hebben, zich met rassche schreden rechtsaf en naar den zeekant
begaf. Wij oogden hem een poos na en sloegen toen zwijgend het
aangewezen pad in, dat ons weldra op den heirweg in de nabijheid van
Naarden bracht. Buiten de poort nam ik een knaap aan, om den koffer te
dragen; bood mijn arm Amelia aan, en bevond mij met haar na verloop van
eenige minuten in de herberg te Naarden.


       *       *       *       *       *


NEGENDE HOOFDSTUK

BEHELZENDE HET VERHAAL EENER SCHUITREIS VAN NAARDEN NAAR AMSTERDAM.


In de herberg gekomen zijnde, werden wij door den waard in een
zijkamertje gewezen, waar ik terstond voor Amelia en voor mij een paar
kop koffie en boterhammen bestelde; en de vraag deed, of er ook goed met
den vrachtwagen van Deventer was aangekomen aan het adres van Mr. F.
Huyck. De waard beantwoordde deze vraag toestemmend en gaf mij te
kennen, dat het goed zich in de groote kamer aan de overzijde bevond.
Ik vroeg hierop verlof aan Amelia van haar een oogenblik alleen te mogen
laten, en begaf mij naar de aangewezen plaats, waar ik werkelijk, na
eenig zoekens, de mij behoorende koffers, doozen en verdere voorwerpen,
uit onderscheidene andere goederen, welke aldaar in heerlijke eendracht
en verwarring door en op elkaar gestapeld waren, terugvond; waarop ik
den waard verzocht, die gezamenlijk met den koffer van Amelia naar de
schuit op Amsterdam te laten brengen, en de roef voor mij te huren.

Terwijl ik met dit alles bezig was, had ik wel opgemerkt dat er paarden
voor het logement hadden stilgehouden: doch in de drukte van het
oogenblik daar geen bijzondere acht op geslagen. Toen mijn bestelling
echter was afgeloopen, en ik mij weder naar het zijkamertje terug zoude
begeven, sloeg ik het oog, in 't voorbijgaan, door de gang naar buiten
en zag een paar fraaie, kostelijk getoomde en gezadelde rijpaarden, die
reeds een goeden rit schenen te hebben gedaan, naar men kon opmaken uit
het schuim, dat hun breede borst bedekte, en die door den staljongen
voor de deur gevoederd werden, terwijl een rijknecht, in zwierige
livrei, daarnevens stond. Ik hield mij echter niet op met die te
beschouwen, daar ik Amelia niet langer wilde alleen laten,--maar men
verbeelde zich mijn verwondering en mijn misnoegen tevens, toen ik, de
zijkamer binnentredende, iemand, in rijgewaad uitgedost, over Amelia aan
de tafel zag zitten, met den hoed op het hoofd, het rijzweepje in de
hand en de beenen uitgestrekt, en in dien persoon dengenen herkende,
dien ik minst van allen hier verwacht of gewenscht zoude hebben, den
Heer Lodewijk Blaek. "Daar beginnen de wederwaardigheden al!" dacht ik
bij mijzelven: en mijn spijt was zoo groot, dat ik als sprakeloos aan de
deur bleef staan.

"Komt het glaasje haast, dat ik besteld heb?" vroeg Lodewijk, mij
slechts terloops aanziende: "o vergeef mij!" voegde hij er bij, mij
herkennende: "ik dacht dat het de kastelein was.--Mijnheer Huyck! ik
wensch u goeden morgen."--Hier lichtte hij even zijn hoed, en zich
terstond naar Amelia wendende, met wie hij reeds in onderhoud scheen te
zijn getreden: "en reist de Juffrouw zoo alleen?" vroeg hij: "in
waarheid! het zou mij tot bijzondere eer strekken u te mogen brengen,
waar UEd. wezen wilde.--Men treft soms onwelkom gezelschap op reis aan,"
(dit laatste was ik volkomen met hem eens) "en het is ridderplicht, de
dames, die alleen en verlaten zijn, daartegen te beschermen."

Ik was nog niet recht bekomen van mijn verbazing. Ik zag, hoe Amelia
bleek en ontsteld was geworden door de gemeenzame toespraak van den
vrijpostigen losbol: en ik wist nog niet, welke houding ik moest
aannemen. Het eenvoudigste ware zeker geweest, terstond aan Lodewijk te
verklaren, dat de Juffer geene bescherming behoefde, daar zij zich reeds
onder de mijne bevond; maar ik huiverde op de gedachte, daardoor
verkeerde vermoedens op te wekken bij iemand, op wiens bescheidenheid ik
mij niet kon verlaten. "Waar zal Henriëtte Blaek mij voor houden," dacht
ik bij mijzelven, "wanneer zij van haar neef verneemt, dat ik met een
mooi jong meisje op reis ben geweest?" Deze gedachte belette mij te
handelen gelijk de edelmoedigheid mij eigenlijk zoude hebben
voorgeschreven, en ik besloot, mij te vergenoegen met aan Lodewijk het
voortzetten zijner aanbiedingen te beletten, door zelf een gesprek met
hem aan te knoopen.

"Is UEd. hedenmorgen reeds van Guldenhof aan komen rijden? UEd. moet het
warm hebben, ofschoon de ochtendstond altijd het best geschikt is tot
dergelijke tochten. En hoe vaart de familie op Guldenhof? Het is een
fraai paard, dat UEd. daar heeft," enz. enz. Lodewijk antwoordde slechts
met enkele woorden op deze en dergelijke toespraken, welke ik tot hem
richtte: en, geene de minste gedachte voedende, dat ik tot Amelia in
eenige betrekking stond, bleef hij haar gedurig aanstaren, lonkte en
knipoogde, en scheen haar door zijdelingsche wenken te kennen te willen
geven hoe onaangenaam hem de stoornis was, welke ik in hun _tête-a-tête_
had aangebracht.

Wat Amelia betrof, zij beantwoordde hem op dezelfde wijze, als hij mij
deed, namelijk met niet veel meer dan "ja Mijnheer!" of "neen Mijnheer!"
Zij hield de oogen gedurig voor zich geslagen op het kopje, dat zij in
de hand hield en waaruit zij nu en dan een langzame teug nam. Ik kon
niet nalaten van met een gevoel van diepe beschaming op te merken, dat
zij, na mij toen ik binnenkwam even te hebben aangezien, geen oog meer
op mij wendde, als wilde zij mij de bescherming niet afvergen, welke ik
haar niet uit eigen beweging verleende. Deze bescheidenheid van hare
zijde overwon weldra mijn voornemen om mij te houden, alsof wij elkaar
niet kenden, en ik was op het punt, van aan Lodewijk te verzoeken, de
Juffer, die ik de eer had gezelschap te houden, niet langer lastig te
vallen, toen de waard, met een glaasje likeur binnentredende, mij de eer
der bekentenis kwam ontnemen.

"Mijnheer!" zeide hij tegen Lodewijk: "een glaasje cognac als 't UEd.
belieft: Mijnheer!" (tegen mij) "als UEd. naar de schuit moet zal het
tijd worden."

"Hoeveel ben ik u schuldig?" vroeg ik, terwijl Amelia intusschen was
opgestaan.

"Sta mij ten minste toe, u tot aan de schuit te brengen...." zeide
Lodewijk, insgelijks opstaande en Amelia zijn arm aanbiedende.

"Zeven gulden vijftien stuivers, wegens betaalde vracht voor UEds.
goed," antwoordde mij de waard: "twee kommetjes koffie en twee
boterhammen....?"

"Twee!" herhaalde Lodewijk, een oog op de tafel werpende, en vervolgens
Amelia en mij aanziende met een blik, die mij deed ontwaren, dat hij
lont begon te ruiken, en die ook den waard deed opkijken.

"Wel ja!" zeide deze: "Mijnheer betaalt immers ook voor de Juffrouw?"

"Voorzeker!" zeide ik, hem twee dukaten ter hand stellende, met verzoek
van mij geld terug te geven: "als UEd. gereed is!" vroeg ik, mij tot
Amelia wendende.

"Nu begrijp ik het!" zeide Lodewijk, met een boozen lach, die mij
machtig veel lust gaf hem op zijn gezicht te trommelen.

"_Heureux mortel!_" voegde hij er bij, het hoofd schuddende en mij
schamper aanziende. "Ik vraag u om verschooning, Mejuffer! Maar waarom
heeft de Heer Huyck mij niet terstond gewaarschuwd, dat ik vergeefsche
moeite deed?"

Ik voelde dat ik rood werd; want ik kon de juistheid dezer aanmerking
van Lodewijk niet ontkennen: "Mijnheer!" zeide ik, op een toon, dien ik
trachtte zoo natuurlijk mogelijk te maken: "ik heb niets over deze
Juffer te zeggen. Een gelukkig toeval heeft mij haar doen ontmoeten: en
haar _familie_ (met nadruk op het woord _familie_) heeft mij verzocht,
daar wij toch éénen weg gingen, wel te willen zorg dragen, dat haar op
reis niets ontbrak. Ik dacht, dat UEd. haar kende, anders zou ik niet
geweten hebben, waaraan uw voorslagen toe te schrijven. Ik heb de eer uw
dienaar te zijn."

"Goede reis samen," zeide Lodewijk: "en ik hoop dat de _familie_ van de
Juffer alle reden zal hebben, over haar keuze tevreden te zijn," voegde
hij er bij, op een toon, die mij verstaan deed, dat hij geen woord
geloofde van al wat ik hem, ik moet bekennen vrij onhandig, verteld had.

Ik antwoordde verder niets; maar, den arm aan Amelia gevende, verliet ik
met haar de herberg. Nauwelijks waren wij de stadspoort uit, toen
Lodewijk ons, met zijn lakei achter zich, voorbijreed. Hij deed zijn
groet vergezeld gaan met een spotachtigen glimlach, en bleef langzaam
voor ons uit rijden. Toen wij de laatste brug der vestingwerken hadden
verlaten en de trekschuit in 't gezicht kregen, zag ik hem weder
ophouden en eenige woorden wisselen met iemand, die zich nabij de klep
van de schuit hield; waarna hij in vollen draf verder reed.

Wij waren spoedig aan de plaats der afvaart, waar de kruier zich met
mijn goed bevond en mij het roefbriefje ter hand stelde. Amelia ging
dadelijk naar binnen; wat mij betreft, ik bleef een oogenblik de
oplading der goederen gadeslaan, toen mij de persoon naderde, met wien
ik Lodewijk had zien spreken en dien ik terstond voor Simon herkende.
Hun onderhoud deed bij mij een vermoeden ontstaan, hetwelk zich later
bevestigde; doch dat ik mij wel wachtte aan Amelia mede te deelen, ten
einde haar niet nutteloos te verontrusten.

"Whelkom, meneer Hijk!" zeide Simon: "phen je nog 'ier? Me dacht, je zat
hal 'oog en droog te Hamsterdam? Ken ik thoch niks an je kwijt worden?
Niet?--Nou! dhaarom zei je thoch ghezond blijven. Has ik je dan reis
weerzie met ghezondheid?"

Het vertrek der schuit maakte een einde aan de rede van Simon, die een
plaats nam op de voorplecht, terwijl ik met Amelia in de roef ging
zitten.

Ik zag aan de koele en gestrenge uitdrukking van haar gelaat, dat mijn
gedrag eenige verontschuldiging vereischte, en ik moest bij mijzelven
erkennen, dat zij reden had, ontevreden over mij te zijn. Ik sprak haar
dus, eenigen tijd nadat de schuit van wal had gestoken, op de volgende
wijze aan:

"Ik vrees, Mejuffrouw, dat gij mij beschuldigt, van weinig te
beantwoorden aan het vertrouwen, door uw Heer vader in mij gesteld."

"Mijnheer!" antwoordde zij, "ik heb het recht niet, u eenige
verwijtingen te doen. Ik gevoel zeer wel, hoe moeilijk de toestand was,
waarin de ontmoeting van een bekende u moest brengen; en het doet mij
van harte leed, dat gij u om mijnentwille wellicht onaangenaamheden op
den hals haalt."

"Uwe goedheid," zeide ik, "behandelt mij meer grootmoediglijk dan ik
verdien; maar waarlijk, gij hadt recht gehad, een andere handelwijs van
mij te verwachten. Geloof echter, dat, zoo ik niet terstond den Heer
Blaek voor zijn onbeschaamdheid bestrafte, zulks slechts daarom was,
omdat ik hoopte dat hij vóór ons vertrekken zoude: en ik was bezorgd,
dat zoo hij, gelijk nu geschied is, ontdekte dat wij te zamen reisden,
hij nasporingen in 't werk zou stellen, welke het geheim van uw Heer
vader in gevaar mochten brengen."

Deze reden was nu wel niet de ware; maar zij had toch zooveel grond van
waarschijnlijkheid voor zich, dat Amelia, naar mijne meening, niet kon
nalaten, die voor volkomen geldig te houden. Zij scheen er zich dan ook
mede te vergenoegen.

"Ik hoop," zeide zij, "dat gij geen last meer zult hebben van deze
ontmoeting, en dat de Heer Blaek zich met de door u gegeven inlichtingen
zal tevreden stellen.--Is hij de zoon van den Heer Blaek, over wien wij
gisteravond spraken? Hij schijnt mij toe geen gelukkig toonbeeld op te
leveren van de Amsterdamsche Heeren. Wellicht echter," voegde zij er
bij, "moet ik zijn vrijpostigheid alleen toeschrijven aan den verlatenen
toestand, waarin ik mij bevind."

"Het was gisteren voor het eerst, dat ik dien Heer ontmoette," was mijn
antwoord: "maar het zou mij grieven, indien UEd. onze Amsterdamsche
jongelingschap naar hem wilde beoordeelen. Er zijn er onder, die, zooals
hij, hoovaardig op hun rijkdom en aanzien, zich een toon aanmatigen, die
hun vrij kwalijk voegt, en zich, vooral tegen een kunne, die zij
eerbiedigen moesten, alles veroorloven, op het voorbeeld der Fransche
windbuilen, die zij naäpen, zonder tevens die welgemanierde bevalligheid
te bezitten, welke bij onze naburen de onbescheidenheid eenigszins
vergeeflijk maakt. Maar gij zult, naar ik hoop, te Amsterdam ook
jongelieden vinden, die zich door een ordentelijk, zedelijk gedrag
onderscheiden, nauwgezet zijn in het betrachten hunner maatschappelijke
plichten, zich aanbevelen door een heuschen beschaafden omgang, en niet
van oordeel zijn, dat drinken, rossen en rijden, grof spelen en
dergelijke uitspattingen tot de kenmerken eens fatsoenlijken mans
behooren."

"Ik twijfel er niet aan," zeide zij: "het zal te Amsterdam zijn, als
overal, dat men er veel kaf onder 't koren vindt. Helaas! wat mij
betreft, ik zal er niet in de gelegenheid zijn om zulks bij ondervinding
te leeren, en mijn toestand zal mij wel dwingen, mij afgezonderd te
houden van alle gezelschappen. Hoe gelukkig zijt gij, Mijnheer! aan wien
deze reis niets dan vreugde en blijdschap voorspelt. Gij gaat een
beminde familie terugvinden en moogt u thans reeds verheugen in die
zalige ontmoeting.... terwijl ik!... maar verschoon mij, ik heb geen
recht u met mijne klachten op te houden. Verhaal mij eens, bid ik u, hoe
groot is het huisgezin van uw Heer vader?"

Ik beantwoordde deze vraag, en, van het eene op het andere komende,
geraakten wij van lieverlede in een belangrijk en levendig onderhoud, in
den loop waarvan ik telkens meerdere redenen vond om het gezond verstand
en het edel hart van mijn reisgenoote te bewonderen. Wij brachten alzoo
bijna ongemerkt de lange en vervelende vaart van Naarden tot Muiden ten
einde. Aan die stad gekomen, moet men, gelijk bekend is, de schuit
verlaten om zich in een andere in te schepen. Wij trokken dan te zamen
en gearmd Muiden door, toen een nieuwe gebeurtenis mij stof gaf tot
nieuwe bekommernis over de taak, die ik op mij genomen had, en waarmede
ik mij reeds begon te vereenigen. Onder het voortwandelen hoorde ik
achter ons het klappen van een zweep en het rollen van een rijtuig over
de straatsteenen. Ik zag om: daar reed ons een prachtige koets voorbij,
met vier witte paarden bespannen, en twee lakeien achterop: en, eer ik
nog den tijd had om na te denken, aan wien dit rijtuig behoorde,
herkende ik daarbinnen den ouden Heer Blaek, met zijn hofdichter over--,
en--o spijt!--zijn schoone nicht naast hem. Ik bloosde tot achter de
ooren toe: ik groette:--de Heer Blaek had mij niet opgemerkt;--maar
Henriëtte had mij gezien, en de koele blik, welken zij bij het
teruggroeten op ons beiden nederwierp, drong mij door de ziel heen.--Zij
had mij herkend: daar was geen twijfel aan;--en wat toch moest zij nu
van mij denken? Ik had haar gezegd, dat ik _alleen_ naar Amsterdam
reisde; en nu had zij mij met een onbekende Juffer gearmd gezien:--en ik
zou mij misschien nimmer in de mogelijkheid bevinden, haar de aanleiding
mijner handelwijze te verklaren.--Zelfs ook dan, al ontsloeg mij de Heer
Bos van alle geheimhouding, wie zou de zonderlinge ontmoetingen, die mij
in deze weinige uren overkomen waren, op mijn woord af verkiezen te
gelooven.

Doch, wat deed het er eigenlijk toe, of Henriëtte Blaek ons al of niet
gezien had? Haar neef had ons immers gezien en ik hield mij genoeg van
zijn minzame gezindheid te mijwaart verzekerd, om tevens overtuigd te
zijn, dat hij zulks niet verzwijgen zou, althans niet aan zijn
nicht.--En bovendien, welk groot belang stelde ik toch in de gedachten,
die een meisje, dat ik slechts eenmaal gezien had, omtrent mij
koesterde? Ik was immers niet op haar verliefd! Iemand van mijn koel en
bedaard gestel, wien de Franschen zelfs den naam van _le phlegmatique
Hollandais_ gegeven hadden, zou zoo op een bof
verlieven!--Onmogelijk--en echter....!

Deze en dergelijke denkbeelden vlogen, als vuurkogels, die zich
doorkruisen en tegen elkaar horten, mijn geest door, zoolang ik de stad
Muiden doorliep, ja beletteden mij eenige aandacht te schenken aan
Amelia, die zwijgend aan mijn zijde ging. Alleen had ik opgemerkt dat
zij, toen het rijtuig ons voorbijsnorde en ik een kleur kreeg, mij
terloops had aangekeken, en vervolgens terstond haar falie dichter over
haar gelaat had neergetrokken. Zelfs meende ik mij naderhand te
herinneren, dat ik haar arm op dat oogenblik tegen den mijnen had voelen
trillen.--Hoe dit zij, ik sloeg, gelijk ik zeide, weinig acht op haar,
en, zoo zij mijn gedachten al bezighield, was het, om haar, op een vrij
onedelmoedige wijze... voor Sint-Felten te wenschen.

Zoodra wij echter buiten Muiden en weder in de roef gezeten waren, namen
mijn gedachten een geheel anderen loop en vergat ik mijn eigen spijt
geheel, om slechts aan het leed mijner reisgenoote te denken; want
nauwelijks was de schuit van wal gestoken, of ik zag haar in tranen
uitbersten.

Hoewel ik nooit heb kunnen begrijpen, hoe de dichters en
romanschrijvers, van een weenende schoone sprekende, durven beweren, dat
"haar tranen haar schoonheid nog verhoogden," en hoewel ik een rooden
neus en gezwollen oogen, welke daarmede doorgaans vergezeld gaan, niet
onder de bevalligste verschijnsels tel, zoo kan ik toch niet ontkennen,
dat de aanblik eener schreiende vrouw altijd een innig gevoel van
mededoogen en deelneming in mijn borst heeft opgewekt, en dat ik nooit
tranen langs haar kaken zag vloeien zonder den wensch te voeden, dat het
in mijne macht mocht zijn, die te drogen. Maar hoeveel smartelijker
moest mij dus niet dit schouwspel vallen, nu ik mij geheel buiten de
mogelijkheid bevond, niet alleen van de bron des leeds te stoppen, maar
zelfs van een enkel gepast troostwoord toe te spreken. Ik gevoelde
terstond, wat bij Amelia die diepe droefheid ontstaan deed: welke kracht
die aandoeningen moesten bezitten, die in staat waren een ziel, zoo
sterk als de hare, met zulk een hevigheid te schokken.

Ik gevoelde, dat ik toch iets moest zeggen, al ware het slechts om den
schijn van hardvochtigheid te vermijden. "In 's Hemels naam,
Mejuffrouw!" voegde ik haar toe, terwijl ik, over haar gezeten, de
handen op het tafeltje der roef smeekenderwijze samenvouwde: "wat ik u
bidden mag, bedaar! Het is mij zoo grievend, u te zien weenen."

"Vergeef mij,... o vergeef mij,... Mijnheer Huyck...." zeide zij al
snikkende: "ik gevoel, dat ik mij dwaas aanstelle... maar het zal ras
weder over zijn.... Ach! misschien doet het mij goed:--ik heb in jaren
niet geschreid."

Ik wist bij ondervinding, dat niets weldadiger is voor hen die lijden,
dan den oorsprong van hun leed te kunnen mededeelen: en met dat oogmerk
waagde ik het, de volgende vraag te doen:

"Maar, indien het niet onbescheiden is zulks te willen weten, wat heeft
dan nu die bittere droefheid bij u kunnen verwekken?... Is er van mijne
zijde eenige aanleiding daartoe gegeven, zoo bid ik u, uit den grond
mijns harten, om vergiffenis.--Maar o! laat mij toch niet in de
onzekerheid. Schenk mij uw vertrouwen! bedenk, dat uw vader mij tot uw
beschermer heeft uitgekozen:--laat dien titel, waarop ik mij
verhoovaardig, u aansporen, mij als uw broeder te beschouwen, en mij
mede te deelen, wat u thans op het hart drukt."

"O neen! vraag het mij niet," zeide zij, de oogen afwisschende en het
gelaat in haar fraaien ronden arm, die op de tafel rustte, half
verbergende: "gij zoudt mij te dwaas, te kinderachtig vinden;... en
toch!" vervolgde zij, na eene korte stilte, het hoofd weder opheffende
en mij met waardigheid aanziende: "waarom zou ik het verzwijgen, daar
gij het wel zult geraden hebben. Ik heb met kalme onverschrokkenheid de
rampen en wederwaardigheden doorgestaan, die mijn nog zoo korten
levensloop gekenmerkt hebben: ik heb aan geéne hartstochtelijke
bewegingen toegegeven, zoo dikwerf de fortuin, het leven of de vrijheid
mijns vaders en de mijne tevens in gevaar stonden: maar dat ik, die
vroeger ... ik schaam mij bijkans het nu te zeggen ... door honderden
gediend en vereerd werd... die den geringsten smaad mij aangedaan door
den dood des beleedigers zou hebben zien straffen ... dat ik, die tot nog
toe nooit het oog voor iemand heb behoeven neder te slaan, en voor niets
te blozen heb ... dat ik tot zulk een laagte gedaald ben, om te moeten
ondervinden, dat een fatsoenlijk man, wanneer hij zich in mijn
gezelschap bevindt en een kennis ontmoet ... vergeef mij ... zich schaamt,
gelijk een schuldige zou doen ... dit treft mij tot in het binnenste van
mijn gemoed: het is een contrast, dat geschikt ware om mij ijlhoofdig te
maken!"

Ik bloosde opnieuw, zag voor mij en zweeg: want wat kon ik aanvoeren
tegen hetgeen zij gezegd had? O! hoe nietig en laf schenen mij thans de
strijd en wrevel, bij mij ontstaan, in tegenstelling met de diepe smart,
die haar gemoed vervulde! Hoezeer beklaagde ik haar, en welk een eerbied
gevoelde ik niet voor de maagdelijke kieschheid, welke haar zulk een
gewicht deed hechten aan een omstandigheid, die in het oog van anderen
misschien onopgemerkt ware gebleven of althans slechts als een beuzeling
beschouwd geworden.

Er ging een geruim tijdsverloop voorbij, eer ik den moed tot spreken
wedervond; Amelia was intusschen weder bedaard geworden en zat
aandachtig de toppen van hare (zeker buitengemeen fraaie) vingeren te
bekijken: iets dat, gelijk ik den vorigen avond reeds had opgemerkt,
meer haar gewoonte was, wanneer zij niet bezig was of sprak, en waaruit
ik reeds had opgemerkt dat zij geen Hollandsche opvoeding had genoten en
zich op het breien of kousenstoppen niet verstond.

"Ik beken u," zeide ik, "dat ik min of meer onthutst was, toen ons die
koets voorbijreed en ik Mejuffrouw Blaek daarin herkende."

"Mejuffrouw Blaek!" herhaalde Amelia, een doordringenden blik op mij
vestigende: "ik dacht zoo;--maar, ik ben u in de rede gevallen:
verschoon mij: ga voort, bid ik u."

"Ik was dit te meer," vervolgde ik, eenigszins bedremmeld, omdat ik haar
gisteren, gelijk ik de eer had u te zeggen, heb gesproken, omdat zij een
groot vriendin mijner zuster is, en dat het voor ons beiden licht
onaangename gevolgen kan hebben, indien het ruchtbaar wordt dat...."
Hier bleef ik steken.

"Dat gij dit alles overdacht hebt, betwijfel ik niet," zeide Amelia:
"maar vergun mij op te merken, dat uw denkbeelden al zeer vlug op
elkander volgen, indien zij bij u een zoo onmiddellijke ontsteltenis
konden veroorzaken op het oogenblik dat de oogen dier Juffer u
ontmoetten."

De juistheid dezer opmerking leverde mij een nieuw bewijs, dat het mij
gemakkelijker zou vallen, mijzelven dan Amelia te misleiden.

"Mejuffrouw!" zeide ik, een meer vroolijke wending aan ons gesprek
willende geven: "gij verstaat u bij uitnemendheid in het ontleden der
menschelijke gedachten: en ik betuig: dat ikzelf misschien niet zoo goed
in staat zou zijn te beslissen, wat er straks in mijn hart is omgegaan.
Dit is zeker, dat mijn beweging onwillekeurig was, en als zoodanig ben
ik daarvoor niet verantwoordelijk. Misschien heb ik eene
onvoorzichtigheid gedaan, door aan het verlangen van uw Heer vader te
voldoen, want ik had moeten berekenen, dat men niet straffeloos de taak
op zich neemt, van aan een schoone Jonkvrouw tot leidsman te
verstrekken."

"Ik heb nog liever, Mijnheer!" zeide Amelia, "dat zich de spijtige
uitdrukking van zoo straks op uw gelaat vertoont, dan dat gij mij door
plichtplegingen zoekt tevreden te stellen, die ik, helaas! te wel weet
dat niet meer kunnen zijn dan ijdele klanken. Wat mij betreft, ik spreek
ernstig: en ik verzeker u, het doet mij innig leed, dat mijn vader het
noodig geoordeeld heeft, u een last op den hals te laden, welke u geene
andere dan onaangename gevolgen berokkenen kan. Want, ach! zoo is het
altijd gegaan. Het is de vloek, die op ons huis ligt, dat elke dienst,
daaraan bewezen, het ongeluk bewerkt van hem, die dezen dienst bewijst."

"Mejuffrouw!" hernam ik: "ook ik spreek ernstig, en ik betuig u uit den
grond mijns harten, dat, zoo de dienst, welken ik u thans poog te
bewijzen, aan de verwachting van uw vader beantwoordt, mij die nimmer
ongelukkig zal kunnen maken; want welke gevolgen die ook hebbe, ik zal
het bewustzijn behouden van den plicht der dankbaarheid volbracht en
naar de inspraak van mijn geweten gehandeld te hebben."

"Gij zijt een braaf mensch, Mijnheer Huyck," zeide Amelia, mij met
aandoening de hand reikende: "en mijn vader, door zijn vertrouwen op u
te stellen, heeft mij een nieuw bewijs gegeven, met hoeveel juistheid
hij bij den eersten oogopslag de menschen weet te beoordeelen.--Dan,
laat ons thans niet meer spreken over hetgeen toch niet meer te
veranderen is:

    _La plainte ni la peur ne changent le destin,_

zegt de goede Lafontaine, wiens geestige werken u misschien niet
onbekend zijn."

"En hij heeft gelijk ook," zeide ik: "ofschoon gij den regel, dien hij
er op volgen laat, wel niet zult toestemmen; noch erkennen willen dat

    _le moins prévoyant est toujours le plus sage_."

"Vergeet niet," hernam zij, "dat hij vooraf laat gaan: quand _le mal est
certain_. Gij moet geene plaatsen uit haar verband halen, gelijk, naar
ik wel vernomen heb, de ketters gewoon zijn te doen, ter staving van
hunne anders onbewijsbare gevoelens."

Dit antwoord der bekoorlijke zwerfster bevestigde een vermoeden, hetwelk
ik reeds den vorigen avond, uit sommige van haar uitdrukkingen, omtrent
haar geloofsbelijdenis had opgevat: ik verlangde echter geen
theologische wending aan ons gesprek te geven en ving dus aan, over
andere onderwerpen te spreken: daar ik mij echter weinig meer herinner
van hetgeen wij verder afhandelden en zulks ook voor mijn lezers
waarschijnlijk even vervelend zoude zijn als indien ik hen dwong de reis
in de trekschuit zelve te maken, zal ik slechts datgene vermelden,
hetwelk Amelia mij toevoegde, toen wij Amsterdam bijna bereikt hadden.

"Hier," zeide zij op een plechtigen toon, "moet onze korte kennis
eindigen.--Zoodra wij uit het oog des schippers zijn, verlaten wij
elkander, waarschijnlijk voor altijd. God doe u de betrekkingen, die u
dierbaar zijn, in welstand en vreugde ontmoeten!--Hij loone u met zijn
rijksten zegen, voor hetgeen gij zoo grootmoedig ten gevalle mijns
vaders hebt verricht,--en waarvan de herinnering, hoop ik, weldra geheel
bij u uitgewischt moge worden."

"Uitgewischt!" herhaalde ik: "en waarom dat? Zoo ik in den beginne al
eenigen weerzin tegen den mij opgedragen last gevoelde, ik ondervind
thans slechts een innig leedwezen, namelijk van te denken dat ik u
wellicht nooit wederzie."

"Dit leedwezen zal u niet lang bijblijven," hernam zij, met
droefgeestigheid het hoofd schuddende: "en het is ook beter, dat gij
onze korte ontmoeting vergeet. Gij bevindt u, door geboorte en stand, in
betrekkingen, welke u niet veroorloven, u verder in te laten met
ongelukkigen, zooals wij, die door het lot genoodzaakt zijn het daglicht
te schuwen en sluipwegen te bewandelen. Op ieder van ons beiden rust een
verschillende plicht, dien wij naar onze beste pogingen zullen trachten
te vervullen: de zoon van den Hoofdschout heeft reeds genoeg voor mij
gedaan: meer te doen zou ons niet baten en hem misschien strafbaar
maken. Ik geloof, dat gij mij verstaat, zonder dat ik een verdere
verklaring aan mijn woorden behoef te geven."

"Ik weet niet," zeide ik, "wat de zoon van den Hoofdschout aan uw vader
of u mag zeggen, en in hoeverre ik altemet, door u een goeden uitslag
met zijn bedoelingen toe te wenschen mijn plicht als burger zou te kort
doen; maar niets verbiedt mij toch, de hoop te uiten, dat het u steeds
welga, en dat, na de rampen en wederwaardigheden, die u getroffen
hebben, ik u eenmaal moge terugvinden, in dien maatschappelijken
toestand geplaatst, waar uw geboorte, opvoeding en begaafdheden u
ongetwijfeld toe bestemd hebben."

Amelia dankte mij met een handdruk voor dezen wensch, en wij spraken
geen woord verder, totdat de schipper, zijn hoofd naar binnen stekende,
ons "welkom te Amsterdam!" deed hooren.

"Hoe zullen wij het nu aanleggen met ons goed?" vroeg Amelia.

"Laat dat aan mij over," antwoordde ik, die reeds mijn plan gemaakt had:
"en blijf stil in de roef zitten, tot ik u roep. Hei! ho!" riep ik, naar
buiten springende: "is daar ook een kruier?"

"Zal ik het goed van Mijnheer niet te huis brengen?" vroeg de
schippersknecht, de muts even aflichtende.

Dit was juist wat ik wilde: "wanneer heb ik het dan?" vroeg ik.

"Binnen het half uur is het bij u. UEd. is immers de zoon van den Heer
Hoofdschout, wel bekend?"

"Goed!" was mijn antwoord: "alleen dat stuk," vervolgde ik, op het
koffertje van Amelia wijzende: "moet ik terstond medenemen, omdat ik er
iets uit moet nemen en het dan verder opzenden."

"Heel wel, Mijnheer! als Mijnheer dan daarvoor maar een van die menschen
wil nemen...."

Ik zag om: een aantal knapen en sjouwerlieden had zich om mij heen
gedrongen. Ik koos een hunner uit, aan wien ik het koffertje
overreikte.--"Zuster!" riep ik toen: "als het u maar belieft."

Amelia kwam terstond voor den dag, en wij begaven ons, naast elkander,
doch niet gearmd, en met den jongen achter ons, langs den Binnen-Amstel
verder. Wij hadden het geluk, niemand van mijn kennis te ontmoeten. Aan
de Amstelstraat gekomen, hield ik stil.

"Wij gaan hier van elkander," zeide ik: "jongen! gij volgt de Juffrouw
en brengt haar bij den Heer Bouvelt op den Buitenkant bij de
Peperstraat."

Amelia en ik drukten elkander de hand tot afscheid: zij ging met den
knaap de lange houten brug naar de Muiderstraat op, terwijl ik mijn weg
langs den Binnen-Amstel vervolgde. Toen ik ongeveer honderd schreden
verder gegaan was, wendde ik het hoofd nog, eens naar haar om: maar hoe
groot was mijn verwondering en tevens mijn spijt, toen ik bemerkte, dat
niet langer dezelfde knaap, maar Simon de marskramer achter haar ging
met het koffertje op zijn rug. Ik waande een oogenblik, dat het mij
schemerde; maar ik kon geen twijfel meer voeden; het was Simon zelf, en
de andere knaap liep op een drafje met het marsje van den Jood weg. Mijn
maatregelen van voorzorg, naar mij dacht met zooveel overleg gekozen,
waren dus verijdeld! en dat wel door de schalkheid van een listigen
marskramer, en die het nu in zijn macht had, althans gedeeltelijk,
achter het geheim te komen. Maar het was te laat om er iets aan te doen;
en elke nieuwe bemoeienis van mijn kant zoude, in den tegenwoordigen
stand der zaken, meer na- dan voordeel hebben aangebracht. Voor 't
overige wist ik bij geruchte, dat de Heer Bouvelt een geschikt man was,
die de achting zijner medeburgers genoot en onder wiens bescherming
Amelia zoo veilig mogelijk wezen moest; deze gedachte stelde mij weder
enigszins gerust, en het denkbeeld, dat elke schrede, die ik nu deed,
mij dichter bij de mijnen bracht, nam weldra mijn geest zodanig in, dat
het alle andere, ook dat van mijn laatste avonturen, ten eenenmale
verdrong.


       *       *       *       *       *


TIENDE HOOFDSTUK,

WAARIN VERHAALD WORDT, HOE FERDINAND TE HUIS KWAM EN HOE HIJ INSLIEP,
WELK VOORBEELD DE LEZER MAG VOLGEN, ZOO HET HEM GOEDDUNKT.


O! wie kan naar eisch dien stroom van gewaarwordingen beschrijven, die
ons overstelpt, wanneer wij, na een lange afwezendheid, het ouderlijk
huis weder naderen, en de oogenblikken tellen, die ons nog scheiden van
hen, die ons dierbaar zijn. Welk een vreemde mengeling van blijdschap,
van hoop, van angstvalligheid, van geluk, van vrees, komen ons gemoed
vervullen!--Welk een aantal verwarde en verschillende vragen stellen
zich aan onze verbeelding voor!--Zullen al de leden van het huisgezin
gezond en bij elkander zijn?--Zal er geen lastig bezoek wezen van
onverschillige derden, wier tegenwoordigheid die zoete stonden des
wederziens belemmert en ons het warme gevoel des harten dwingt te
smoren?--Heeft men wellicht juist dezen dag tot een pleiziertocht
uitgekozen? of is men om een andere reden afwezig, zoodat wij bij onze
terugkomst slechts ledige en verlatene kamers, en niemand vinden om aan
het hart te drukken?--Leven de oude dienstboden nog, waaraan wij van
kindsbeen af gewend waren, of zullen wij op ons aanschellen deze of gene
onbekende neepmuts zien verschijnen, die, alleen de bovendeur openende,
en met een verbaasd gelaat de ontroering bespeurende, die op het onze te
lezen is, ons begroet met de ijskoude vraag: "wat is er van je dienst,
Sinjeur?"--Zal het huisraad nog in elk vertrek dezelfde plaats
bekleeden, waar het vroeger stond, en waar het, naar ons begrip, behoort
te zijn gebleven? Zullen de kamers zelve dezelfde bestemming bewaard
hebben?--Ach! wij herinneren ons alles, zooals het zich bij ons vertrek
bevond, en wij weten, dat elke verandering, die wij vinden zullen, ook
die ten goede is aangebracht, ons een gevoel van leedwezen zal doen
ondervinden.

Ook in mijn geest speelden en verdrongen zich al die vragen, terwijl ik
met haastige schreden mijn weg langs den Binnen-Amstel vervolgde. Nu
bereikte ik de Erwtenmarkt, de Doodkistemakersgracht: ik zag den
Regulierstoren voor mij; deze was een herkenningspunt; want men kon hem
evenzeer zien van het huis mijns vaders:--ik kwam op den Singel: in het
hoekhuis woonde nog dezelfde bakker, waar ik als knaap gewoon was
drieduitskorstjes te koopen, en de bakkerin zat nog op haar oude plaats
achter de toonbank: ik knikte haar goeden dag;--maar ik wachtte niet af,
of zij mij herkende: ik had den gevel van mijns vaders huis gezien: en
ik verdubbelde mijn tred. Eenige onzer buren zaten voor het raam: ik
groette hen met dien blijden blik, die te kennen geeft: "ja, ik ben het
wèl; kijkt maar goed: het is Ferdinand, die te huis komt:"--ik snelde de
stoep op en het was mij, of mijn voetzolen minder luid op de blauwe
zerken klonken dan het hart mij in de borst bonsde: ik keek in de
zijkamer:--ja waarlijk! daar zat mijn moeder met mijn oudste zuster,
beiden op de gewone plaats:--het was mij, als werden mijn oogen
beneveld: en terwijl ik met de eene hand tegen het raam tikte, trok ik
met de andere aan de schel alsof het huis in brand stond.

Mijn goede moeder, die wat bijziende was, had mij niet herkend; en
Suzanna zat met den rug naar mij toe. Ik had haar wel zien oprijzen;
doch zij kwam niet aan het raam dan op hetzelfde oogenblik, waarin ik de
voordeur intrad. En het was geen nieuw aangezicht, het was wel degelijk
onze getrouwe Aagt de werkmeid, die voor mij; stond, en die onder den
uitroep: "wel is het mogelijk!" mij om den hals viel: "goeden morgen
Aagt!" zeide ik, haar omhelzing beantwoordende: "is alles wel?"

Maar zij dacht er niet aan om mij te antwoorden: zij had mij reeds weder
losgelaten, en riep nu, terwijl de tranen langs haar dorre wangen
liepen, met luider stemme: "Mevrouw! Juffrouw! daar is de jonge Heer
Ferdinand!"--En tegelijkertijd bijna vloog de deur der zijkamer open, en
drukte ik mijn lieve moeder en zuster aan het hart: en toen was het
_klos! klos! klos!--trip, trap, trip_ van alle zijden: en kwamen mijn
jonger broeders en zusters van boven en de overige dienstboden van
beneden de trappen af- en opgestormd: en het was een gedruisch, en een
gekus, en een gelach, en een geween en een gevraag, en een geroep door
elkaar, dat hooren en zien er bij vergingen. Eenige oogenblikken later
zat ik in de zijkamer naast mijn moeder, die mijn handen tusschen de
hare geklemd, en uit wier vriendelijke, hemelsblauwe oogen, nu en dan
een traan langs het zachte, engelachtige gelaat nedervloeide: terwijl al
haar overige kinderen in een blijden kring om ons heen stonden.

"Wij hadden u zoo spoedig niet verwacht, Ferdinand!" zeide Suzanna:
(want moeder en ik waren bijna niet in staat een woord te spreken) "ik
mag niet beginnen met te knorren:--maar ik dacht, dat gij in Westfalen
verliefd waart geworden en met deze of gene moeffrikaansche pottedeern
zoudt terugkomen, daar wij in veertien dagen geen tijding van u hadden."

"Hoe!" zeide ik: "ik verklaar u, dat ik geen zes dagen geleden uit
Munster geschreven heb: dan is de brief verloren geraakt."

"Licht mogelijk," zeide zij: "men gebruikt tegenwoordig, hoor ik, enkel
slakken en schildpadden tot postboden:--nu, in allen gevalle zijt
gijzelf ons nog welkomer dan een brief en spaart het mij de moeite, uw
hanepooten te ontcijferen."

"Pas op, Santje!" hernam ik: "ik weet van goeder hand dat gij mijn
brieven zoo laag niet schat en die zelfs aan uw vriendinnen lezen laat."

"Hoe weet je dat!" zeide zij, een weinig rood wordende: "Qui te l'a dit?
Zeker heeft papa u dat geschreven."

"Neen! dat heeft papa mij niet geschreven: maar dat weet ik toch van
zeer goeder hand:--pas maar op! ik zal u daarover onder vier oogen de
les eens lezen; en dan zult gij er niet gemakkelijk afkomen."

"Zie toch eens, mama!" zeide Santje, terwijl moeder tusschen haar tranen
om ons harrewarren lachte; "wat is het reizen toch een heerlijk ding, om
jongelieden te vormen. Daar verbeeldt zich Ferdinand nu, omdat hij
eenige landen en steden bezocht heeft en misschien niets anders geleerd
heeft dan te liegen als een courant, dat hij mijne plak ontwassen is en
durft zich een meesterachtigen toon aanmatigen tegen zijn oudste zuster.
Neen mannetje!" vervolgde zij, mij met den vinger dreigende: "ik zie wel
dat het hoog tijd is, dat gij te huis komt en u weder onder
_subordinatie_ begeeft. Dat komt er van, wanneer die heertjes zoo lang
hun eigen meesters geweest zijn."

"Kinderen!" zeide moeder, het hoofd schuddende: "gij zijt waarachtig nog
altijd dezelfde. Gij ziet elkander eerst sedert een paar minuten terug,
en het oude geplaag is weder aan den gang,"

"Wel! lieve moeder!" zeide ik, haar nogmaals omhelzende: "ik hoop
waarlijk wel dat gij mij niet veranderd vinden zult."

"Hoe verwaand!" zeide Suzanna: "net alsof de jonge Heer volmaakt was,
toen hij heenging. O hemel! wat zal ik daar nog aan te ontbolsteren
hebben:--maar zeg mij? Wat zal Mijnheer na de reis gebruiken? Zal ik wat
koffie zetten of verkiest gij een glaasje wijn? En hoe staat het met den
eetlust? Is die nog zoogoed als voor vijf jaren? Dan kan ik mijn vingers
weder lam maken van het boterhammen snijden; of lust u wellicht onzen
Hollandschen kost niet meer?"

"Wel foei!" zeide ik: "zou mij een boterham niet smaken, met echte
Delftsche boter en Beemster kaas?--En dat nog wel door mijn zuster
bereid!"

"Dat is wel gezegd, Ferdinand! En nu begin ik nogal hoop op u te voeden.
Maar kom! gij vertelt ons niets:--hoe hebt gij uw reisgenoot gelaten? en
waar komt gij nu het laatst vandaan?"

"Dat zijn te veel vragen opeens," zeide ik, het tijdstip, waarop ik met
mijn leugens zou moeten beginnen, zoolang mogelijk wenschende te
verschuiven.

"Neen Santje!" viel mijn moeder in, mij zonder het te weten uit de
verlegenheid helpende: "eerst moet de goede jongen wat te eten hebben:
ofschoon ik u niet raad veel te gebruiken; want uw zuster en ik gaan
naar de avondkerk en wij eten vroeg vandaag."

"Wel dat treft nu óók!" zeide ik: "zóó ben ik te huis, en zóó laat gij
beiden mij weer alleen. Dat gij nu juist in de weekbeurt gaan moet? kan
die kerkgang niet tot aanstaanden Zondag uitgesteld worden?"

"Had ik geweten, lieve jongen! dat gij heden thuis zoudt komen,"
antwoordde mijn moeder, "dan was ik liever gisteravond gegaan; maar het
is nu eens zoo geschikt en uw tante Letje rekent er op, dat wij haar
komen afhalen. Gij zult misschien wel met ons mede willen gaan,
nietwaar? want het zal u ook aangenaam zijn, weder in een Hollandsche
kerk te komen en den goeden God voor uw behoudene terugkomst te danken."

"Waarlijk ja, Ferdinandje!" zeide Suzanna: "dat moogt ge wel doen; want
ik vrees dat gij wel een vrome toespraak noodig zult hebben, en dat het
hoognoodig zal zijn, dat gij den catechismus weder eens opvat; gij hebt
mooi tijd gehad om dien te verleeren."

"Wees maar gerust," hernam ik: wij zullen morgen eens zien, wie van ons
beiden het best zijn vraagboekje in 't geheugen heeft."

Gedurende het laatste gedeelte van dit gesprek, hadden mijn moeder en
Suzanna eenig ontbijt uit de kast gekregen en mij voorgezet. Terwijl ik
bezig was, daarvan te nuttigen, met dien smaak, welken men na een lange
afwezigheid ook aan de eenvoudigste vaderlandsche spijze vindt, en
intusschen de menigvuldige vragen beantwoordde, mij door het jongere
deel der familie gedaan, kwam mijn bagage te huis: en nu stoven allen,
meisjes zoowel als knapen, naar het voorhuis, om de dienstboden te
helpen in het naar boven slepen mijner koffers. Ik wilde mij insgelijks
daarmede bemoeien; doch Suzanna weerhield mij.

"Wees maar bedaard," zeide zij: "gij zijt van daag de held van 't stuk
en moogt geen hand uitsteken. Wij zullen wel oppassen, dat alles
voorzichtig de trappen opga, zonder dat er iets breke van al de kostbare
kristalwerken en fraaie porseleinen, die gij ons ten geschenke
medebrengt, en zonder dat de keurige stoffage beschadigd worde, welke
gij mij vereeren wilt om een danskleed van te maken.... Tusschen twee
haakjes, ik hoop, dat gij nog eenige nieuwe rokken en vesten voor u
zelven hebt liggen in een van die koffers; want zoo dat smerige pakje,
't geen gij nu aanhebt, uw eenige gewaad is, mogen wij wel terstond naar
den kleêrmaker sturen en u, zoolang hij bezig is, achter slot houden;
want een vreemde zou schrikken, zoo hij u zag."

Ik begon te lachen en keek op de huisklok; want het moest, dacht mij,
haast de tijd wezen, dat mijn vader te huis kwam; en ik brandde van
verlangen om hem te omhelzen. Men begrijpt, dat ik terstond bij mijn
komst naar hem gevraagd had. Het antwoord was geweest, dat hij zich
welvarend, en, als naar gewoonte, op het stadhuis bevond.

Het leed ook niet lang, of ik zag den waardigen man de stoep opkomen en
aanschellen. "Wacht!" riep Suzanna: "blijf gij hier! wij moeten even een
grap hebben met vader," en zij snelde naar de voordeur, die zij opende.

"Goeden dag, Santje," hoorde ik mijn vader zeggen.

"Goeden dag, papa! Wat ziet UEd. er bedrukt uit. Is er iets gebeurd?"

"Neen, kind!" was het antwoord: "maar zeg mij, is er nog geen brief van
Ferdinand?"

"Neen, papa! die loopt zeker in Twente de ganzen na om een pen te
krijgen."

"'t Is onbegrijpelijk," hernam mijn vader, terwijl hij, gelijk Suzanna
mij naderhand vertelde, bedenkelijk het hoofd schudde en met een
angstigen blik opwaarts zag.

"Maar kom toch hier, lieve Willem!" riep mijn moeder, die het niet
langer uit kon houden: "hier is veel beter dan een brief."

"Vader! beste vader!" riep ik, den braven man tegensnellende en hem
omarmende.

"Zoo! zijt gij er dan toch?" zeide hij, mij met hartelijkheid aan zijn
borst drukkende: "laat mij u eens aanzien," vervolgde hij, mij zachtjes
van zich verwijderende en aandachtig met zijn doordringende blikken
beschouwende: "gij ziet er wat verhit en vermoeid van de reis uit,"
hervatte hij, na een korte stilte, op een langzamen toon: "maar anders
voldoet mij uw uitzicht wel en gij brengt mij terug hetgeen gij bij uw
vertrek bezat: _mentem sanam in corpore sano_. Gij hebt ons zeker willen
verrassen en ons daarom niet geschreven, wanneer gij te huis dacht te
zijn. Maar gij hadt waarschijnlijk vergeten dat uw vader Hoofdschout
was, en dat ik op mijn avondrapport van gisteren de tijding hebben
zoude, dat men u dien ochtend te Soest gezien had. Ik had u gisteravond
reeds hier verwacht."

"Waart gij daarom gisteravond en heden aan het ontbijt zoo stil en
afgetrokken?" vroeg mijn moeder: "en waarom hier niets van gezegd?"

"Ik wilde geen van u allen ongerust maken," antwoordde mijn vader: "maar
zoo ik Ferdinand thans niet gevonden had, zou ik onmiddellijk een
koerier naar Naarden gezonden hebben; want dan had ik gedacht, dat er
een ongeluk had plaats gehad,--Gij hebt ongetwijfeld te Naarden
gelogeerd, Ferdinand?"

Ik zat op heete kolen; want ik begreep, dat nu de ondervragingen zouden
beginnen, en ik begon de moeilijkheid al te gevoelen van een verhoor,
afgenomen door een vader, dien men niet misleiden wil, en een
Hoofdschout, dien men niet licht misleiden kan. De woorden, die mijn
vader tot mijn moeder gericht had, hadden mij ondertusschen den tijd
gegeven om mij te herstellen: mijn antwoord luidde eenigszins
ontwijkend:

"Ik ben door het slechte weer verhinderd geweest hier gisteren reeds te
zijn, lieve vader! Het heeft hard geregend aan gene zijde van Naarden.
Hebt gij hier geen bui gehad?--Ik heb onderweg moeten schuilen en ben nu
met de eerste schuit van Naarden gekomen."

Er was niets anders dan volkomen waarheid in hetgeen ik zeide, en toch
kromp mij het hart, alsof ik een samenweefsel van logens verteld had.
Mijn vader nam echter volkomen genoegen met deze opheldering.

"'t Is juist zooals ik dacht," zeide hij: "ja, wij hebben hier ook wel
wat regen gehad; maar toch niet zoo erg:--dan, naar ik hoor, moet de bui
in Gooiland veel schade hebben gedaan:--nu, gij zult ons van dezen
middag alles wel wat meer omstandig verhalen."

"Ja!" voegde mijn goede moeder er bij: "gij zult nu ook wel verlangen u
wat op te frisschen. Kom! wil ik u eens naar uw kamer brengen?"

"Wil ik hem den weg niet wijzen, mama?" vroeg Suzanna: "ik zal hem op
geen doolpad brengen."--"Of ik!--of ik!" riepen Letje en Keetje.

"Neen! neen!" zeide moeder, het hoofd schuddende: "gij ijdeltuiten kunt
naar uwe kamers gaan en u kleeden om bijtijds klaar te zijn voor den
eten. Ik zal mijn jongen te recht helpen: 't is lang geleden, dat hij
niet door moeder is naar boven gebracht, nietwaar Ferdinand?"

Ik voelde, dat mijn oogen vochtig werden; en, de lieve vrouw onder den
arm nemende, ging ik met haar de trappen op.

"Hoe, mama!" vroeg ik, toen zij mij binnenleidde in een ruim en luchtig
vertrek, dat te voren tot logeervertrek had gediend voor zoodanige
bekenden van buiten, als ons nu en dan bezochten: "is deze fraaie kamer
voor mij alleen?"

"Ja Ferdinand," antwoordde zij, terwijl haar trekken het genoegen
aantoonden, dat haar mijne vreugde over deze schikking verschafte: "mij
dacht, gij waart nu oud genoeg om een kamer voor n zelven te hebben,
waar gij onverhinderd kunt werken, en nu en dan dezen of genen
ontvangen. Maar mij dunkt, de meiden hadden, nu gij eens hier zijt, de
ramen wel kunnen sluiten." Dit zeggende, maakte de zorgvuldige moeder
die zelve toe, keek vervolgens het beddegoed na, de waschtafel en het
linnenkabinet, om te zien of er ook iets ontbrak, en wreef met haar
zakdoek de bijna onzichtbare stofdeeltjes weg, die zich op het
spiegelglas of op de gladde tafel bevonden.

"Waarlijk, mama!" zeide ik, diep getroffen over de blijken van haar
zorgvolle liefde: "al de vrienden, die mij bezoeken, zullen mij deze
kamer benijden, en vooral de lieve moeder, die ze voor mij in orde
bracht."

"Ik ben blijde, dat zij u gevalt," zeide mijn moeder: "maar zeg mij
eens, Ferdinand!" vervolgde zij, mij naderende, en met mijn lokken
spelende: "hebt gij, toen gij op reis waart, wel eens gedacht aan de
laatste belofte, die gij mij deedt op den avond voor uw vertrek?--Hebt
gij nooit iets volbracht, dat gij u schamen zoudt mij te vertellen?"

"O! geloof mij," antwoordde ik, haar omhelzende: "altijd is mij de
gedachte voor den geest gebleven: ik mag een zoo goede moeder als de
mijne in niets bedroeven."

"Beste jongen!" hernam zij: "het besef der vreugde, die gij mij thans
doet smaken, moet u zoeter genot schenken dan eene van die genietingen,
welke gij om mijnentwille hebt opgeofferd, u had kannen aanbieden. O!
wat zal het mij zalig zijn hedenavond mijn Schepper te danken, dat Hij u
wedergebracht heeft, zoo rein en zoogoed als toen gij mij verliet.

En wederom rustten hare blikken, die niets dan liefde en teederheid
ademden, op mij en speelde er een hemelsche glimlach tusschen de tranen
die haar ontrolden. Een geruimen tijd bleven wij beiden, in stilte en
zonder te spreken, de zaligheid genieten, die onze harten doorstroomde.
O! dacht ik bij mijzelven, had die goede moeder gisteren kunnen weten
welk gevaar zij geloopen heeft, dien zoon, dien zij zoo liefheeft, te
verliezen, haar moederhart had die angsten niet doorgestaan!

Het schijnt den mensch ingeschapen, zich, zoodra de eerste opwelling
voorbij is, ook voor de beminnelijkste zwakheden te schamen. Mijn moeder
liet mijn hand los en veegde de oogen af.

"Kom!" zeide zij: "wij zijn kinderachtig:--maar zeg mij, Ferdinand, is
al die bagage van u? En zijn al deze koffers vol? dat goed zal weder
gepakt zijn, gelijk de Heeren dat gewoonlijk doen, alles door en op
elkander gesmeten, zonder te passen of te schikken. Ik wed, dat ik wel
kans zou gevonden hebben, met de helft dier koffers toe te komen."

"Wel mama! nu maakt gij het al te grof," zeide ik: "denkt gij dat ik
gedurende mijn reizen geen pakken geleerd heb? Neen voorwaar, die
beschuldiging is onverdiend. Maar ik heb onderweg mijn bagage niet
weinig zien vermeerderen: en wanneer men bedenkt, dat ik geen klein
getal broeders en zusters heb, die allen een geschenk verwachtende
waren, zal het u niet verwonderen, dat ik mij in de noodzakelijkheid heb
bevonden, de middelen van vervoer eenigszins te vermeerderen."

"Nu, wij zullen eens zien wat het geeft," zeide mijn moeder: "ik zal u
niet langer ophouden: kleed u maar aan, en zoo gij iets noodig hebt,
moet gij maar schellen."

Met deze woorden verliet mij de goede vrouw en bleef ik alleen in het
bezit van mijn prachtig vertrek. Ik kon echter niet terstond voldoen aan
haar laatste verzoek: mijn gemoed was vol: ik zonk half in een leunstoel
neder en stortte mijn ziel uit in vurige dankgebeden tot Hem, die mij
den zegen had doen smaken, van hereenigd te worden met al die panden,
welke mij zoo dierbaar waren. Na het volbrengen dezer behoefte van mijn
hart, rees ik op, haastte mij, al wat ik aan het lijf had af te leggen
en met een gevoel van walging in een hoek te smijten, en schoone
kleederen en linnengoed uit mijn koffer te krijgen: ja een gevoel van
verkwikking en wellust vervulde mij, toen ik, nu van top tot teen in een
nieuwen dos gestoken, mij met welgevallen in den spiegel beschouwde. Er
ontbrak nog wel is waar een pruik om mijn toilet te volmaken; maar
dewijl het weldra etenstijd zou wezen, en, ook, al ware de kapper bij de
hand geweest, de plechtigheid van het haarsnijden en het passen van een
nieuw hoofdtooisel te lang zoude hebben aangehouden, begreep ik die
gevoeglijk tot den volgenden morgen te kunnen uitstellen. Ik haastte mij
naar beneden en zat weldra met de mijnen op mijn oude plaats, tusschen
moeder en Santje aan het middagmaal: waar ik van vragen bestormd werd
door het jongere deel van het huisgezin, zoodat mijn vader meer dan eens
stilte moest gebieden, en mijn moeder de kinderen beknorren en hun
verzoeken, mij toch te laten uitblazen en in vrede mijn eten nuttigen.

Daar mijn moeder en zuster, gelijk ik reeds gezegd heb, voornemens waren
naar de kerk te gaan, liep het middagmaal nog al haastig af: 't geen mij
niet speet; want ik was weinig tot praten gestemd en begon de gevolgen
der vermoeienissen van den vorigen dag te ondervinden, en wel op een zoo
blijkbare wijze, dat ik dienaangaande het verwijt van mijn zuster
Suzanna moest ondergaan.

"Wat maakt het reizen de jonge lieden toch wellevend," zeide zij: "is
het te Weenen of te Genua dat gij zoo hebt leeren gapen?--Ik dacht zoo
meteen, dat de geheele soepterrine er aan moest gelooven. Gij kunt u
gerust bij den drogist op het Rokin verhuren, indien hij zijn gaper
verliest. Dominee Best krijgt een beroerte op 't lijf als hij u ziet."

"Ik geloof, dat ik hem niet in de gelegenheid zal stellen," zeide ik:
"ik ga niet naar de kerk om te slapen: en ik ben overtuigd, dat mij
hedenavond de Apostel Paulus zelf niet wakker zoude houden."

"Neen waarlijk, gij ziet bleek van de vaak," zeide mijn moeder,
eenigszins ongerust: "vindt gij ook niet, schat!" (zich tot mijn vader
wendende) "dat Ferdinand er, sedert hij aan tafel is gekomen, niet best
uitziet."

"Dat is zeer natuurlijk," zeide Suzanna: "straks was zijn gezicht beter
dan zijn gewaad, en nu is het omgekeerd."

"Ik geloof ook," zeide mijn vader, "dat hij maar wijzer zal handelen met
te huis te blijven en wat rust te nemen. Hij zal vermoeid zijn, en daar
is niets vreemds in:

_Multa tulit fecitque puer, sudavit et alsit._

Ware ik in zijn plaats, ik ging een paar uren te bed liggen; of anders
kan hij in mijne kamer in den grooten armstoel wat gaan dutten, tenzij
hij liever verkieze, wat met mij te praten."

"Ziedaar een alternatief, dat ik gaarne aanneem," zeide ik: "ik beken,
dat ik heden maar een half mensch ben en zelfs buiten staat, mij met
fatsoen uit een schermutseling met Santje te redden."

"Dan zal ik ook maar geen kruit en lood op u verschieten," zeide
Suzanna: "want er steekt geen eer in de overwinning, wanneer de vijand
zich niet verweert: _A vaincre sans péril, on triomphe sans gloire_."

"Zeer goed," zeide ik: "zoo gij slechts niet vergt, dat ik u voor deze
edelmoedigheid bedanke; want gij weet zoogoed als ik, dat de tijd om mij
te plagen u toch ontbreken zou, daar het rijtuig binnen een paar minuten
voor de deur zal staan."

Ik bedroog mij niet; nauwelijks had ik uitgesproken, toen er gescheld
werd en men het rijtuig kwam aankondigen. De beide dames vertrokken: het
jongere gedeelte van het gezelschap ging uit elkander, en ik trok met
mijn vader naar zijn kamer. Wij spraken een wijl over onverschillige
zaken; maar ziende, dat ik vruchtelooze pogingen deed om de
aanvechtingen van den slaap te bestrijden, gaf mij op nieuw den raad
daaraan geen langer weerstand te bieden. Ik begreep, dat zulks ook het
wijste zoude zijn, en plaatste mij zoo gemakkelijk mogelijk in den
grooten armstoel, dien ik in den donkersten hoek van het vertrek had
geschoven. Mijn vader ging bij het raam zitten en eenige schrifturen
nazien: en het leed niet lang of ik lag in een gerusten slaap gedompeld.


       *       *       *       *       *


ELFDE HOOFDSTUK.

HETWELK ETTELIJKE POLITIE-GEHEIMEN AAN DEN DAG BRENGT.


Ik had ongeveer een half uur in dezen aangenamen, zorgeloozen toestand
doorgebracht, toen ik half wakker gemaakt werd door drie kleine slagen,
op een bijzondere wijze tegen eene der deuren gegeven.

"Daar wordt geklopt," zeide ik, de armen uitrekkende en willende
opstaan.

"Hou uw gemak," zeide mijn vader: "het is niemand anders als Heynsz, die
mij zijn rapport komt doen. Slaap maar door," vervolgde hij lachende:
"dan geraakt gij niet in de verzoeking van de geheimen der Justitie te
verklappen."

Dit gezegd hebbende stond hij op, haalde een bos met sleutels uit zijn
zak, opende daarmede een deur, welke zich in een hoek van het vertrek
bevond, en liet den zooeven genoemden persoon binnenkomen. Daar deze
geen geringe rol gespeeld heeft in de avonturen, welke ik nog te
verhalen heb, zal men het mij niet kwalijk afnemen, dat ik, tot recht
verstand van het volgende, eenige meer omstandige beschrijving van den
man ter neder stelle.

Het is mij onbewust of Zacharias Heynsz een afstammeling was van zijn
naamgenoot, den dichter, wiens voortbrengselen onze vaderen een tijdlang
bewonderden, maar die, sedert Vondel en Hooft hunne onsterfelijke werken
uitgaven, al spoedig vergeten werd, schoon hij nog lang bij den
Duitschen nabuur als een voorbeeld ter navolging werd aangemerkt. Zeker
is het, dat de Zacharias Heynsz, dien ik gekend heb, niet misdeeld was
van die begaafdheden, welke, zoo hij tot een andere loopbaan ware
bestemd geweest, hem een meerdere vermaardheid zouden hebben gegeven dan
hem nu ten deel viel. Intusschen, uit hetgeen mij bij onderscheidene
gelegenheden van hem ter ooren kwam, ware stoffe genoeg te vergaren
geweest, om een levensloop te beschrijven, die om het avontuurlijke zeer
lezenswaardig had kunnen geacht worden, ja met den _Gil Blas_ of _Guzman
d' Aifarache_ wedijveren, indien zich slechts een even bekwame pen als
die van Le Sage tot de samenstelling daarvan had aangeboden. Wat mij
betreft, die verre van het denkbeeld ben verwijderd zulk een schrijver
zelfs op eenigen afstand te willen nastreven, ik zal mij vergenoegen met
een korte opgave van het merkwaardigste, dat deze persoon, tot op den
tijd dat ik hem in mijns vaders vertrek terugzag, was overkomen.

De vader van onzen Heynsz, indien hij dan al van den ouden dichter
afstamde, was van de voorouderlijke deftigheid ontaard, als vervullende
hij geene hoogere betrekking dan die van lakei bij een onzer
aanzienlijkste Regenten, wien hij, bij gelegenheid dat deze als afgezant
het Fransche hof bezocht, naar Parijs volgde. Aldaar wisten zijn breede
schouderen, zijn kloeke gedaante en blozende wangen, aan welke
begaafdheden de fraai gegalonneerde rok voorzeker niet weinig luister
bijzette, het hart te winnen der dienstmaagd uit de herberg, waar de
gezant zijn intrek had, en welke aannam onzen borst Fransch te leeren
spreken. Of haar leerling goede vorderingen onder haar opzicht maakte,
weet ik niet; zooveel is zeker, dat hij, als een tweede Alcibiades, het
zooverre bracht in de minnekunst, dat zijn meesteres na verloop van een
paar jaren als zijn echte vrouw met hem in Holland terugkeerde. Het was
een wakkere tas, die vrouw Heynsz, en zij had voor haar huwelijk al vrij
wat rondgezworven: ja men beweerde, dat zij, evenals de moeder van Campo
Weyerman, in oorlogsvuur ontstoken, het schortekleed voor het musket
verwisseld, ja den veldslag van Senef en de verovering van Namen had
bijgewoond. Zelfs wilden kwade tongen wel verhalen, dat zij tot Sergeant
bevorderd zoude geweest zijn, indien niet de Luitenant, verwonderd over
de omstandigheid, dat haar figuur op een wijze uit begon te puilen,
welke hem bij het behoorlijk _aligneeren_ zijner Compagnie eenigszins
hinderlijk voorkwam, de zaak nader onderzocht en het geheim ontdekt had.
Wat er van zij, de vader van onzen Zacharias had geene reden zich over
zijne echtverbintenia te beklagen. De ondersteuning van zijn vermogenden
beschermer had hem in staat gesteld een herberg te Amsterdam te
aanvaarden, voornamelijk ingericht voor de landgenooten zijner
huisvrouw, die het talent had, hun de uien en magere soep, waaraan zij
in het moederland gewoon waren, bijna evengoed, althans op dezelfde
wijze toebereid, te doen terugvinden. Zacharias, de eenige spruit,
waarmede hun echt gezegend werd, had dus al vroeg gelegenheid, om met
menschen van allerlei slag te leeren omgaan, 't geen hem later, gelijk
men zien zal, niet weinig te stade kwam. Te dier tijd echter maakte hij
daarvan geenszins het behoorlijke gebruik en was zijn ouders tot weinig
dienst, daar hij zich meer met lanterfanten en slenteren langs de straat
geneerde, dan met het verrichten der boodschappen of bezigheden, welke
hem werden opgedragen. Daarenboven gevoelde onze Heynsz een
onweerstaanbare neiging voor de teekenkunst, welke slechts eenige
meerdere opleiding en beschaving zou hebben noodig gehad, om hem in dat
vak tot geene geringe hoogte op te voeren. Zijn ouders echter waren
alles behalve in hun schik met deze begaafdheid van hun zoon: en hunne
ontevredenheid had niet weinig kracht verkregen, toen zij van meer dan
een reiziger klachten bekwamen, dat de onbeschaamde knaap zich verstout
had, afbeeldingen van hun persoon, welke hen op een belachelijke wijze
voorstelden, op hunne kamerdeur te plakken. Hierover ernstig bestraft
zijnde, beloofde bij wel beterschap; maar de liefhebberij was te diep
bij hem ingeworteld, dan dat hij die geheel zou hebben laten varen.
Intusschen verwierf hem deze de gunst van een Franschen schilder, die,
bij zijn ouders zijn intrek genomen hebbende, zoo getroffen werd door de
beschouwing van sommige voortbrengselen van des jongelings
kunstvermogen, dat hij aan de ouders den voorslag deed, hem met zich te
nemen, en in de geheimen der kunst in te wijden, ter wedervergelding
waarvan Zacharias hem eenigen dienst op reis zoude bewijzen. Dit werd
met gretigheid toegestaan: en de ouders, nu geheel van inzicht
veranderd, zagen reeds in 't vooruitzicht hun zoon, gelijk een tweeden
Rubbens, met goud en ridderkruisen behangen, tot hen terugkeeren. Dan
helaas! hoe ijdel was deze hoop!--De kennismaking met den Heer De Vieux
(zoo heette de Franschman) moest den armen knaap, in stede van voordeel,
louter schande en tegenspoed aanbrengen. In den beginne ging alles goed;
en meester en leerling beiden wenschten elkander met hunne onderlinge
betrekking geluk;--maar eensklaps vervielen voor Zacharias alle
uitzichten voor de toekomst; daar zijn meester, zich met hem in
Zwitserland bevindende, van waar zij voornemens waren naar Italië te
trekken, in een herberg werd vermoord, na van al hetgeen hij aan goud en
kostbaarheden bij zich had, beroofd te zijn geworden. Dewijl de
misdadigers onbekend waren, vielen de vermoedens natuurlijk op
Zacharias, die zich in de gevangenis zag werpen, zonder steun, zonder
iemand, die hem kende of voor hem in de bres wilde springen. Hij raakte
wel is waar, na een detentie, welke bijna een jaar duurde, wegens mangel
van bewijzen op vrije voeten; maar werd nu ook, zoo kaal als de verloren
zoon, in een vreemd land, en waar niemand zich zijner aantrok, op straat
gezet. Hij besloot, al bedelende naar Parijs te gaan en aldaar te
beproeven, of hij de familie zijner moeder vinden en door deze in staat
gesteld zoude kunnen worden, de terugreize naar Amsterdam op eene meer
behoorlijke wijze voort te zetten. Verscheidene malen gebeurde het hem,
als vagebond te worden vastgezet, en de reis van Genève naar Lyon werd
door hem niet in eenige dagen, maar in maanden volbracht: daar hij tot
drie keeren toe weder over de grenzen teruggebracht werd. Eindelijk Lyon
bereikt hebbende, deed hem een zonderling toeval met den beruchten
Cartouche in kennis komen: een ontmoeting, welke hij later veelal
behagen schepte te verhalen en waarvan de uitslag was, dat hij van dien
Kapitein der gauwdieven een beurs met _louis d'or_ bekwam. Dit maakte de
uitvoering van het plan, dat onze reiziger gemaakt had, merkelijk
lichter. Te Parijs trof hij den broeder zijner moeder in redelijke
omstandigheden aan, en werd door hem wèl ontvangen. Dan, in stede van
naar Amsterdam terug te keeren, keurde hij beter, zich eerst nog te
Parijs in de schilderkunst te blijven oefenen, en ondertusschen den kost
te verdienen met het maken van portretten, waarin hij, althans wat de
gelijkenis betrof, zeer wel slaagde.--Dan het was hem voorbeschikt, dat
de kunst hem altijd, in de plaats van eer en goud, ellende en schande
berokkenen moest. Eens het afbeeldsel van een Edelman uit de provincie
hebbende vervaardigd, stak hij in diens bijzijn de daarvoor ontvangene
belooning in de beurs, welke hij van Cartouche bekomen had, en om haar
fraaiheid gewoon was bij zich te dragen. De Heer zeide niets, maar den
volgenden dag werd Heynsz voor het gerecht geroepen, en gevraagd, waar
hij die beurs vandaan had, welke, gelijk van achteren bleek, te Lyon aan
gezegden Edelman ontstolen was. Onze schilder, niet durvende bekennen,
dat hij die van Cartouche ontvangen had, verklaarde stoutweg, dat hij
die van een reizenden marskramer gekocht had. Men deed onderzoek, en,
ongelukkig voor hem, bevond men, dat hij zich, juist tijdens den
diefstal, nabij Lyon en wel in zeer bekrompene omstandigheden bevonden
had; terwijl hij later op eens in een deftig gewaad was verder gereisd.
De aanklacht wegens den moord van De Vieux werd mede ter sprake gebracht
en was althans niet geschikt de gemoederen der Rechters voor hem in te
nemen. Kortom, hij werd tot de galeien verwezen en bracht aldaar een
tiental jaren door. Zijn gedrag was echter zoo gunstig onderscheiden van
dat der overige boeven, dat hij er die verzachting in zijn lot genoot,
welke met de reglementen van den dienst strookende waren, en zelfs
eenigszins met het opzicht over de anderen werd belast. Eindelijk kwam
toevallig zijn onschuld uit aan de beide wanbedrijven, welke hem te
laste waren gelegd geweest. Hij werd ontslagen, en, Frankrijk nu
vaarwelzeggende, trok hij, met het weinige geld dat hij van zijn familie
te Parijs bekwam, en met een pas van den gezant van Hunne Hoog Mogenden,
naar zijn vaderland terug. Te Amsterdam gekomen, vond hij zijn ouders
overleden en de herberg in andere handen. Hij zette zich hierop in den
Haag neder en vatte het schildersberoep weder bij de hand.--Maar de
jaren van studie en genie waren intusschen jammerlijk vervlogen, en
schoon hij nog altijd gelukkig in het treffen der gelijkenis was, zijn
afbeeldingen misten die kracht van uitdrukking en die levendigheid van
coloriet, welke den meester kenmerken, en zijn hulp werd dus niet
ingeroepen dan door lieden van den minderen stand, uitgelokt door den
matigen prijs, dien zij voor zijn voortbrengselen betaalden.

Terwijl hij aldus zich op een sobere wijs geneerde, werd hij voor de
derde reize beschuldigd van een misdaad welke hij niet gepleegd had. Hij
had namelijk de vrouw van een juwelier ten haren huize geportretteerd in
een kamer, waarin zich verscheidene voorwerpen van hooge waarde
bevonden. Kort na zijn vertrek werd er een prachtige garnituur gemist,
en bij gedane nasporing bleek het, dat een man, die naar de beschrijving
vrijwel op Heynsz geleek, gemelde juweelen verpand had. Hij werd opnieuw
verhoord en gevangengezet; deze laatste gevangenis was echter de
kortste. Hij had in den kerker het vertrouwen gewonnen eener aldaar met
hem opgesloten dievenbende, door hunne afbeeldingen welgelijkend met
kool op den wand te schetsen. Deze schelmen maakten hem deelgenoot van
een plan ter ontkoming, dat vernuftig uitgedacht was en zeker zou gelukt
zijn, indien hij, voorziende dat zulks hem geen ondienst zoude doen, het
geheim niet aan de Justitie verklapt had. Tevens was het hem gelukt,
door listige vragen, bij zijn medegevangenen uit te vorschen, wie den
diefstal bij den juwelier had begaan: en het was hem gebleken, dat het
de zoon des huizes zelf was, die zijn vader bestolen had. Zijn dubbele
ontdekking had ten gevolge, dat hij niet alleen werd vrijgesteld, maar
zelfs een belooning ontving.

Dan hierbij bleef het niet. De geschiedenis van onzen Heynsz trok de
aandacht van den toenmaligen Hoofdschout van Amsterdam, mijns vaders
voorganger, die zich te dier tijd toevallig in den Haag bevond. Hij deed
onderzoek naar den schilder, en, na een met hem gehouden gesprek,
oordeelde hij, dat deze de geschiktste persoon was, om te Amsterdam een
bediening te vervullen, welke kort te voren was opengevallen.

Bekend is het, dat de Hoofdschout alhier in deze betrekking door vijf
Onderschouten en door twee Klerken wordt geassisteerd, die van stadswege
aangesteld worden en als stedelijke ambtenaren op de betaalsrollen
verschijnen. Maar minder algemeen bekend en toch onontbeerlijk zijn de
geheime agenten, welke het Hoofd der Justitie hunne diensten verleenen.
Ontelbaar zijn de draden, waarmede het beleid van dien magistraat als
met een kunstig geweven spinneweb niet alleen het geheele land
overspant, maar welke, ook naar buiten verlengd, met al de voorname
steden van Europa in betrekking staan. Het heir van spionnen en
verklikkers, dat zich in die uitgebreide sfeer beweegt en tot welks
bezoldiging de Hoofdschout jaarlijks aanzienlijke sommen ontvangt, kan
echter uit den aard der zaak niet met hem noch zelfs met de
ondergeschikte ambtenaren in onmiddellijke aanraking komen. Die onder
hen, welke van een zoogenaamden fatsoenlijken stand zijn, zouden geen
nut meer kunnen doen, zoodra het publiek kennis droeg dat zij met de
Justitie in betrekking stonden; terwijl andere verklikkers van een
minderen rang onderling onbekend blijven, en soms elkander moeten
gadeslaan. Ten einde de zaken dus een behoorlijken gang zouden gaan is
er een tusschenpersoon noodig, die, niet als ambtenaar bekend, zich
belast met het overbrengen van des Hoofdschouts bevelen aan de geheime
handlangers der Justitie, en hunne berichten wederkeerig te zijner
kennisse brengt: een trechter waar alles doorheen gaat, of liever een
totebel, die uit het slijk en de modder, waarin hij wordt nedergelaten,
alleen datgene ophaalt, wat den meester van dienst is. Zoodanig een man
wordt, of werd althans in dien tijd, uit de geheime fondsen betaald; hij
had het oppertoezicht over de geheime agenten, knoopte de noodige
betrekkingen aan bij de kollegiën der Admiraliteiten, bij de Bank, bij
de lands- en stadsinrichtingen, in de koffiehuizen, enz., wierf de
geschiktste voorwerpen aan of stelde de zoodanigen af, die hem geen
genoegzaam vertrouwen inboezemden. Niet met de Onderschouten, maar
onmiddellijk met den Hoofdschout stond hij in betrekking; en kwam bij
deze tweemalen daags zijn rapport doen[4]. Deze bediening was
opengevallen en nu sloeg de Hoofdschout, gelijk ik gezegd heb, de oogen
op Heynsz, om die te vervullen. Hij oordeelde niet ten onrechte, dat
iemand, die zoovele jaren van zijn leven in gezelschap van boeven en
schelmen had doorgebracht, al de loopjes moest kennen, welke zij te baat
nemen (en hiervan had Heynsz reeds een bewijs gegeven door de schrandere
wijze waarop hij, op de Gevangenpoort zittende, den dief der juweelen
had opgespoord): dat wijders Heynsz dit voor zich had, dat hij te
vertrouwen was, en niet besmet door het gezelschap, waarmede hij zoo
lang verkeerd had: en eindelijk, dat hij verscheidene talen sprak en een
beroep dreef, hetwelk hij oogenschijnlijk kon blijven uitoefenen en 't
geen hem overal den toegang bezorgde. Het akkoord was spoedig gemaakt,
want, behalve dat de bezoldiging niet gering was, gevoelde Heynsz in
zich juist die hoedanigheden leven, welke hem voor het aangeboden vak
geschikt maakten. Hij verhuisde dan ook naar Amsterdam en was sedert,
tot zijn dood toe, de getrouwe rechterhand der Justitie. Voor de wereld,
die van deze schikking onkundig was, bleef hij de schilder van beroep,
en voegde bij de winstjes, welke zijn portretten hem bezorgden, nog
deze, dat hij gestoffeerde kamers te zijne huizen verhuurde: 't welk hem
dikwijls in de gelegenheid stelde, verdachte personen op een
gemakkelijke wijze in 't oog te houden, hun bedoelingen te leeren
kennen, en, wanneer het noodig was, hen over te leveren.

Het huis mijns vaders stond, gelijk men reeds vernomen heeft, op den
Cingel, en had van achteren gemeenschap met een gang, in het Klooster
uitkomende. Door deze gang sloop Heynsz tweemalen daags ongemerkt binnen
en kwam (gelijk ook thans geschiedde) aan het kabinet mijns vaders
tikken.

Op den tijd, dat ik hem terugzag, kan hij ongeveer zestig jaren oud zijn
geweest; maar, niet-tegenstaande zijn jaren en de veelvuldige
wederwaardigheden, die hij had doorgestaan, was hij nog wakker en vlug:
en men had hem slechts aan te zien, om te oordeelen, dat hij een dier
lieden was, welke men, om zoo te spreken, met stokken moet doodslaan.
Van postuur was hij klein en schraal, altijd zindelijk, ofschoon naar
zijn stand en eenvoudig gekleed. Zijn gelaatstrekken hadden niets
buitengemeens; maar zijn kleine graauwe oogen, die immerdoor in beweging
waren, duidden aan, dat het hem niet aan vlugheid en scherpzinnigheid
ontbrak. Niettegenstaande de post, door hem bekleed, in de oogen van
velen verachtelijk zou schijnen, genoot hij in zekere mate de achting
mijns vaders: een voorrecht, dat over het algemeen niet zoo licht te
verkrijgen was. Want, behalve dat mijn vader hem wegens zijn bekwaamheid
en trouwe dienst waardeerde, even als een jager zijn besten drijfbrak of
staanden hond op prijs stelt, zoo was er in de daad niets op den man te
zeggen, en vereerde hij, wel aangemerkt, een bediening, welke te voren
doorgaans vervuld was geworden door voormalige dieven, verhelers van
gestolen goed, of andere ter kwader faam staande personen: naar de oude
leer, dat men dieven met dieven vangen moet. De gunst, waarin Heynsz
wist dat hij bij mijn vader stond, deed hem dan ook wel eens zich in
zijne tegenwoordigheid vrijheden veroorloven, die den eerbied, aan de
achtbaarheid van den Hoofdschout verschuldigd, te buiten gingen, en
noodzaakten mijn vader hem het zwijgen op te leggen, wanneer hij aan
zijn historietjes zonder einde over Cartouche en de Fransche boeven
begon.

Daar men de persoon van Heynsz niet altijd aan de oogen der huisgenooten
onttrekken kon, had men eerst aan mijn zuster en mij, en voorts aan al
de overige kinderen, van onze vroegste jeugd af ingescherpt, dat wij
nooit aan iemand iets moesten laten blijken van 's mans verschijning ten
onzen huize. Hiervan was het gevolg, dat wij hem altijd hadden aangezien
als een geheimzinnig wezen, dat geëerbiedigd en ontweken moest worden:
ja wij koesterden een heilige vrees voor hem, niet ongelijk aan die,
welke ik mij voorstel dat de kinderen eens vromen Bramins gevoelen voor
den ondergeschikten geest, die, volgens de Hindoosche fabelen, de
huishouding in orde brengt.--Wat de dienstboden betrof, deze kregen
Heynsz nooit te zien; want aan geen hunner werd de toegang tot mijns
vaders studeervertrek vergund, dan bij de gelegenheid der maandelijksche
schoonmaak: en alleen de gerechtsdienaar, die in de benedengang beidde,
vermocht daar, schoon nooit dan na getikt te hebben, binnenkomen.

Na deze inlichtingen, voor wier wijdloopigheid ik verschoning verzoek,
keer ik tot mijn verhaal terug.

Ik had mij, toen Heynsz, gelijk ik zeide, op de gewone wijze werd
binnengelaten, met zijn stoel zoodanig omgekeerd, dat ik door de hooge
leuning geheel voor zijn oog verborgen was: en, niet nieuwsgierig zijnde
naar de geheimen der Justitie, de gemakkelijkste houding gekozen om
weder in te slapen; maar, gelijk het veeltijds gaat, zoodra men moeite
om te slapen doet, gelukt zulks het minst. Dit ondervond ik ook nu, en
in weerwil van mij zelven moest ik luisteren naar een gesprek, hetwelk
mij in de beginne onverschillig was, doch naderhand des te belangrijker
werd.

"Welnu Heynsz!" vroeg mijn vader, zich weder aan de tafel plaatsende,
waar de ander met betamelijken eerbied voor bleef staan: "wat brengt gij
voor goeds?"

Ik hoorde Heynsz de bladeren omslaan van een zakboekje, waarin hij
gewoon was op te teekenen hetgeen aan de orde van den dag was.

"N°. 1," zeide hij; terwijl zijn stijl en tongval den Hollander
verrieden, die, reeds jong zijn land verlaten hebbende, de taal zijner
ouderen wel niet geheel verleerd heeft, maar toch somtijds moeite heeft
het rechte woord te vinden en den volzin behoorlijk te rangschikken: n°
1: de Koning van _Corse_ logeert in het wapen van Emden en heeft bij
Kuyt een cabriolet besteld, waarmede hij plan heeft morgen naar
Rotterdam te rijden."

"Hij zal zijn reis nog wat dienen uit te stellen," merkte mijn vader
aan, die insgelijks zijn zakboekje ter hand had genomen, en
aanteekeningen maakte, naarmate de beambte sprak: "wij zullen hem heden
voor zonnenondergang een logement in de gijzeling bezorgen."

"Een Koning in de gijzeling!" dacht ik:--en ik herinnerde mij niet
zonder een sombere gewaarwording, dat ik op mijn reis dien zelfden
Theodoor, met al de eerbewijzingen aan zijn rang verschuldigd, op het
plechtigst in Corsika had zien huldigen en met de kroon vercieren, welke
hij slechts eenen zomer gevoerd had.

"Ma foi!" hernam Heynsz, "indien zijn crediteuren hem laten plakken, zij
zullen lang wachten eer zij blaauw tellen hunne vingers aan zijn geld,
en het zal hen wel verveelen, hem te geven de kost.--Ik weet de _science
certaine_, dat hij kaal is als de oude Heer Job."

"Kent gij den kleêrmaker Melisz, ter wiens rekwisitie hij vervolgd is?"
vroeg mijn vader.

"Of ik hem ken? Ik heb geschilderd het portret van hem, zijn vrouw, en
zijn dochter: 't was jammer van de schoone coleuren, besteed aan die
leelijke bakkes."

"Welnu! tracht hun dan te beduiden, dat zij het arrest opheffen, en
geduld hebben. Ik zal zorgen, dat de debiteur zich niet verwijdere: en
ik vlei mij, dat hij een goeden borg zal vinden. De man is ongelukkig:
en, hoewel een gewezen Koning zijn schulden behoort te betalen gelijk
een gewoon burger, dient men toch medelijden te hebben met iemand, die
van zulk een hoogte gevallen is. Maar laat ons voortgaan.--Wat is er
verder?"

"N°. 2. De diefstal bij den Juwelier Levi Samuëlz, is gecommitteerd door
Mozes Abramsz, alias Mortje la Hayne, thans resideerende in den
Duvelshoek, n°. 110."

"Mozes Abramsz!--Een oude kennis:

     _extenuata gerens veteris vestigia poenae;_

maar zijt gij daar zeker van?"

"Zeer zeker. UEd. Achtbare weet dat ik vanouds heb een fijnen neus om te
attrapeeren dieven van juweelen. Karel de Speelman, die hem assistentie
heeft gegeven in het uitsnijden der glasruiten, en het goed op straat
heeft aangenomen, is de man die hem heeft verklapt; ik geloof dat zoo
Abramsz bij het deelen als een bonnette dief had gehandeld, de Speelman
wel zou gehouden hebben den mond."

"Best! Gij geeft vier dukaten aan Karel den Speelman en waarschuwt hem,
dat hij binnen vierentwintig uren de stad moet verlaten, of dat ik hem
anders als complice zal laten pakken. Verder!"

"N°. 3. Campo Weyerman heeft de Loge der Vrijmetselaren in de Stilsteeg
geopend met een heerlijke aanspraak en een fraai poême, waarin hij hun
heeft geschilderd het groote belang van deugd en moraal. Alles is
afgeloopen in complete orde."

"Zeer wel; doch wat mij minder moreel en deugdzaam voorkomt, is, dat die
zelfde Campo een fatsoenlijke burgerdochter uit 's Hage, buiten weten
van haar ouders, te zijnen huize heeft getroond. Waarom heb ik daar niet
eer tijding van gehad?"

"Het is gebeurd in mijn absentie. Ik kom het heden eerst te vernemen en
ging juist aan UEA. dit verhalen."

"Genoeg! draag zorg, dat de ouders ondershands bericht bekomen van het
verblijf hunner dochter, en hou intusschen den knaap in 't oog. Het is
de eerste reis niet, dat hem iets dergelijks gebeurt; hij is
onverbeterlijk en behoort onder diegenen, _qui hostili more matrimonia
student sibi conjungere_.--Wat meer?"

"N°. 4. Wij hebben het adres gevonden van dien Jean Albert, welken de
Fransche politie vruchteloos door geheel Europa opspoort."

"Voortreffelijk! dat vergoedt uw verzuim met Campo. En waar houdt hij
zich op?"

"Hij heeft niet gequitteert Parijs een oogenblik en logeert er nog
altijd in de kleine straat du Bac. Ah! 't was een _rusé compère_, die
zelfde Jean Albert: ik heb hem gekend heel wel aan het Bagne. Hij heeft
nog eens aan mijn Heer d' Argenson geschreven, dat zoo hij hem wilde
aanstellen als _chef de la Police Secrète_, er binnen zes maanden geen
straatroof meer in Parijs zoude plaats hebben."

"'t Is wel! Gij zult mij de bewijzen opgeven die ter zake dienstig zijn,
opdat ik deze tijding aan mijn ambtgenoot te Parijs schrijve. Wat is er
meer?"

"N°. 5. Ziehier het lijstje der sedert gisteravond aangekomen personen."

"Hm! hm!" zeide mijn vader: en hij begon halfluid een soort van
vreemdelingslijst te lezen, welke hij met aanmerkingen verzeld deed
gaan:

"_Donderdag morgen_: de Heer _Du Bourg_: (hm! die komt hier zien, of hij
het geld, dat hij aan de Bank te Aken verspeeld heeft met de acties op
de Zuid terug kan winnen:--_Iusus res antiqua ... sed pro tempore abiit
in lacrimas_....) met twee bedienden, logeert in den gouden Bal.--(De
kastelein is een jong beginner. Gij zorgt, dat hij gewaarschuwd worde,
niet te veel krediet te verleenen aan dien avonturier, ondanks zijn
fraaien stoet:)--de heer Peperkorrel uit Hoorn: Jacob Jansz en familie
uit Alkmaar: Nathanaël Rosen uit Berlijn, bij Levi den uitdrager in de
Muiderstraat:--(die komt zeker een collecte doen:--) Peer, de Manke,
Joost Roelifs en Symen de Beer, ketelboeters, in de Drie Verrotte
Kamizooltjes:--(gij zult onderzoeken waar dat volkje den tijd
doorbrengt:--) De heer Blaek en familie van buiten.--(Ik heb u reeds
meer gezegd, dat het heen en wedertrekken der lieden naar hunne
buitenplaatsen en terug niet behoeft vermeld te worden:) Jan Cornelisz,
koekebakker van Haarlem enz. enz. Volgen de lieden die met de schuiten
gekomen zijn."

Ik gevoelde een vreemde gewaarwording, toen ik den Heer Blaek en de
zijnen zoo zonderling verzelschapt zag. Mijn vader vervolgde:

"In de schuiten van Haarlem niemand die suspect was dan alleen de knecht
uit het groote koffiehuis in 's Hage die door zijn meester wegens
diefstal verjaagd is. (Men houde dien man in 't oog.) Met de schuiten
van Utrecht:" hier zweeg mijn vader een oogenblik en scheen met zijn
potlood eenige namen aan te schrappen, als van personen, die hij der
bewaking aanbeval: "met de schuit van Weesp: twee officieren van 't
Oranje Regiment: twee deserteurs uit Hanover: (aangeschrapt!)--enz.--Met
de schuiten van Muiden...."--werd ik dubbel aandachtig:

"Met de schuiten van Muiden: hm! hm! de Heer Ferdinand Huyck."

"Ik vat deze gelegenheid aan, UEA. mijn gelukwenschingen aan te bieden,
over de voorspoedige terugkomst van uw Heer zoon."

"Ik dank u.--Wie is die juffrouw Bos: die ik op de lijst vinde?"

Ik begon over al mijn leden te beven: het antwoord van Heynsz stelde mij
echter gerust.

"De dochter van den tabakskooper op den hoek van de Leliegracht."

"Er zijn dan twee Juffrouwen Bos van Muiden gekomen," dacht ik bij mij
zelven: "of het vernuft van Heynsz is verschalkt."

"En die Juffrouw Van Beveren? vervolgde mijn vader: "waar neemt die haar
intrek?"

"Bij uwen onderdanigen dienaar," antwoordde Heynsz: "een aardig meisje
uit Deventer, dat mij door deftige lieden is aanbevolen...."

"'t Is wel!" zeide mijn vader: "Vervolg: wat geven de tijdingen van
buiten?"

"N°. 6. De bende, welke weder eenige dieverijen en huisbraken onder
Gooiland heeft bedreven, bestaat uit drie personen, indien namelijk mijn
informatiën juist zijn."

Hier werd ik opmerkzaam, gelijk men denken kan. "Het zou nog al kluchtig
zijn, dacht ik, "indien ik den aanval, op mij zelf gedaan, hoorde
vertellen."

"De een," vervolgde Heynsz, "is een Bohémien, een Heiden, met name Peer
Hendriks, alias 't Haentje, en op zijn Heidensch Baerlo. Hij is heden
morgen, zoo ik hoor, door den veldwachter van Bussem geapprehendeerd
geworden:--de tweede is Andries Mathyssen gewezen matroos, de zoon van
een boerin, nabij Oud-Naarden."

"Ik ken hem en zijn moeder," zeide mijn vader: "hij stond vanouds in het
kladboek aangeschreven: _atro carbone notatus_."

"Uw Heer zoon," vervolgde Heynsz, "zal UEA. kunnen vertellen, hoe die
Andries gister-morgen den beest heeft gespeeld in de herberg te Zoest.
Hij is vandaar naar zijn woning gekeerd; maar, toen heden-morgen de
dienaars hem kwamen opsporen, was de vogel gevlogen."

"Hij zal wel in het net komen," zeide mijn vader. "En de derde?" "De
derde, en die zooveel als de voornaamste der bende is, schijnt na al
hetgene men van hem vertelt, niemand anders te wezen als de beruchte
Zwarte Piet, die vroeger in de West-Indien heeft geexcerceerd het
bedrijf van zeeroover, en nu, bij gebrek van beter, zich met
straatschenderij geneert. Wat dien betreft, hij is geen vogel om zich
zoo gemakkelijk te laten knippen; maar Tys de Blindeman zal zien of hij
hem niet op kan loopen en mij bericht sturen van zijn gangen."

"Goed!--maar nu het belangrijkste van allen: de Vliesridder?--Het gij
eenig bericht omtrent hem?"

"N.° 7. De Vliesridder is met zijn dochter gisteren-morgen om half acht
ure uit Amersfoort gereden met een huifwagen van De Geus: te Zoest heeft
hij stilgehouden en, aldaar onbescheiden behandeld zijnde door dien
zelfden Andries Matthijssen, van wien ik zoo even sprak, hem een stoot
gegeven, die bijna bespaard had aan den scherprechter de moeite, hem van
dienst te kunnen zijn:--althans zoo vertelt kleine Simon de marskramer."

"Goed!--Verder!" zeide mijn vader.--Men kan licht beseffen met welk een
aandacht ik luisterde naar een opgave, welke voor mij zoo belangrijk
werd.

"Zij hebben te Eenmes het middagmaal gebruikt, zijn bij Naarden beiden
uit de kar gestapt ... en sedert heeft men niets van hen vernomen."

"Niets!" herhaalde mijn vader, op een toon, die de hoogste
ontevredenheid te kennen gaf: "is Simon hen dan niet achtervolgd?"

"Ed. Achtb.! Simon had last Andries mede in het oog te houden, en het is
hem gegaan gelijk den man, waarvan spreekt vader Cats, die vangen wilde
twee hazen te gelijk."

"Hij had zich aan den Vliesridder moeten houden.--Andries begaat voor
alsnog zijn diefstallen buiten onze judicatuur, en het is meer uit
beleefdheid voor onze Gooische naburen, en uit voorzorg, dat wij de
moeite op ons nemen, zijn gangen na te gaan.--Maar de Vliesridder!
Iemand tegen wien het hooge landsbewind een bevel van apprehensie heeft
uitgevaardigd!--dat is een man van meer beteekenis, zou ik denken.

"Mag ik UEA. doen opmerken, dat alle kasteleins en voerlieden tusschen
hier en Arnhem hebben zijn portret, en dat hij gevat moet worden, zoodra
hij zich op het rechtsgebied vertoont."

"Dat is nog niet genoeg! Hij moet gevat worden, eer hij in staat zij, of
zelf, of door anderen, papieren te lichten, die zich hier te Amsterdam
moeten bevinden en van het hoogste belang zijn. Het is geen gewoon
mensch met wien gij te doen hebt: hij kent de zaken en zal list tegen
list stellen. Bovendien heeft hij nog vrienden en betrekkingen, die hem
de behulpzame hand zullen bieden. Er moet hier dus een dubbele
waakzaamheid plaats hebben. Kunt gij niet nagaan, met wien hij hier ter
stede korrespondentie voert?"

"Nog niet, Ed. Achtbare!--doch zoo UEA. verkiest, zou men kunnen
waarschuwen de post, en dan zijn er middelen genoeg om te komen achter
het geheim."

"Hij zal zijne brieven zelf niet schrijven.--Wist ik hier maar iemand,
met wien hij betrekkingen heeft onderhouden."

Mijn goede vader dacht weinig, dat de persoon, die in staat was, hem de
meest voldoende narichten te geven, zich als derde in het vertrek
bevond. Het gehoorde had mij intusschen zoo sterk aangegrepen, dat ik
geen acht meer kon geven op het laatste gedeelte van het onderhoud
tusschen mijn vader en Heynsz, hetwelk over voor mij onverschillige
zaken liep en slechts korten tijd duurde, waarna de ondergeschikte
ambtenaar, op dezelfde geheime wijze als waarop hij gekomen was, het
vertrek weder verliet. Deze oogenblikken van respijt kwamen mij wel te
stade. Ware hij terstond vertrokken, ik zoude, geloof ik, in weerwil van
mijn beloften aan den Heer Bos (of aan den Vliesridder, gelijk ik hem
had hooren betitelen) alles aan mijn vader bekend hebben! want dan ware
ik zeker geweest, dat zijn doordringend oog een geheim op mijn gelaat
zou gelezen hebben. Mijn toestand was met dat alles kwellend: ik
begreep, dat eenmaal mijn geheim zoude moeten uitkomen, dat dan wellicht
het _crimen reticentiae_ mij ten laste zou gelegd worden: dat bovendien
mijn vader zelf beticht zoude kunnen worden, der zake niet onkundig te
zijn geweest:--en dan, al ware het maar alleen de gedachte van mijn
vader onvergenoegd te zien, dat hij zijn ambtsplicht niet volbrengen kon
gelijk hij wenschte: het middel te bezitten, om hem daartoe in staat te
stellen, en gedwongen te zijn, dit voor mij te houden: O dit viel mij
hard! En toch! ik zou mij zelven veracht hebben, indien ik in staat ware
geweest, den man, die mij het leven gered had, aan hen, die zijn
vrijheid belaagden, te kunnen verraden.

Ik veinsde derhalve door te slapen, en rees niet eerder uit mijn
schuilplaats op, dan nadat Heynsz reeds een poos vertrokken was.


NOOT:

[4] Men herinnere zich, dat de steller van het Handschrift de zaken
voordraagt zoo als die in zijnen tijd bestonden.

Noot van den uitgever.


       *       *       *       *       *


TWAALFDE HOOFDSTUK,

WAARIN MEN NADERE KENNIS MAAKT MET DE LEDEN DES FAMILIE EN WAARIN TANTE
LETJE EEN CONFITUURVLEK OP HAAR HALSDOEK BEKOMT.


"Welnu!" vroeg mijn vader, die nog altijd te schrijven zat: "zijt gij
wel voldaan van uw slaapje? mij dunkt, gij waart ook in het geval van
Argus: _Succubuisse oculos, ad opertaque lumina somno_.

Ik voelde dat ik een kleur kreeg, toen ik antwoordde dat mij de rust
verkwikt had.

"Dat verheugt mij," zeide mijn vader: "ik had al half berouw, dat ik u
bij mijn gesprek met Heynsz had laten assisteeren: maar gij sliept zoo
gerust, dat de stads-omroeper zelf u niet wakker geschreeuwd zoude
hebben. En is er altemet iets geweest dat u het eene oor is ingekomen,
zoo vertrouw ik, dat zulks het andere oor weer is uitgegaan, en verzoek
u althans er niemand, zelfs mij niet, iets van te laten blijken."

Dit was juist hetgeen ik zelf ook verlangde, en ik verzekerde mijn
vader, dat ik van ganscher harte aan zijne aanbeveling voldoen zoude.

"'t Is wel!" zeide hij: "neem nu een stoel en ga bij mij zitten. Wij
moeten een onderhoud hebben, dat ik liefst niet te lang wilde
uitstellen: wij hebben nu den tijd: en in de volgende dagen zullen wij
over weinige oogenblikken kunnen beschikken: want men zal u wel komen
bezoeken en het zal zijn:

     Salutant, ad coenam vocant, adventum gratulantur,

gelijk Terentius zegt. Of zijt gij nog te slaperig om naar mij te
luisteren?"

Ik betuigde, dat ik volkomen bereid was hem aan te hooren; waarop hij
aldus begon:

"Gij zijt nu weder terug: en ik vertrouw dat zulks niet zal zijn om uw
dagen in ijdele ledigheid door te brengen, en een straatslijper te
worden."

"In-tegendeel, vader! Niets zal mij aangenamer zijn, dan mijn tijd op
een nuttige en werkzame wijze door te brengen."

"Zeer goed! ledigheid is een duivelsoorkussen. Gij weet, wat Ovidius
zegt:

     _Quaeritur, Aegisthus quare sit factus adulter. In promptu est
     ratio: desidiosus erat._

En welk beroep zoudt gij u liefst verkiezen?"

"Ik beken u," antwoordde ik, "dat ik daaromtrent mijn keus niet zoude
weten te bepalen."

"Hm!" zeide mijn vader, het hoofd schuddende: "daar houde ik niet van.
Een jong mensch moet altijd voor dit of dat vak een voorkeur hebben. Ik
haat onverschilligheid in dat geval: die is niet natuurlijk op uwe
jaren, tenzij bij domkoppen en losbollen, onder geene van welke
categoriën ik u rangschik.

"UEd. weet, dat ik het verwijt van onverschilligheid niet verdien, en
dat ik als kind een bijzondere geneigdheid had tot den zeedienst, welke
echter vroeger om gegronde redenen niet heeft kunnen ingewilligd worden,
en mij thans ook weinig zou baten, daar ik te oud ben om te beginnen. Ik
heb intusschen, zoo vaak ik over het onderwerp nadacht, te recht of te
onrecht gemeend, dat de reden, waarom UEd. geweigerd hebt mijn
liefhebberij ten deze in te willigen, daarin gelegen was, dat UEd. iets
anders voor mij op het oog hadt. UEd. heeft mij laten studeeren en zult
misschien verlangen, dat ik advocaat worde:--doch ik beken, tot mijn
leedwezen, dat ik op reis veel verleerd heb, en mij weêr druk zal moeten
oefenen, wil ik der balie geen schande aandoen."

"Dat laat zich alles wel hooren," zeide mijn vader, met een glimlach:
"bovendien, hoezeer ik voor mij de betrekking van advocaat, _nobile
illud officium_, boven alle andere stel, en u, wat mij betreft, gaarne
gezien had onder de zoodanigen,

     qui iuris nodos et legum aenigmata solvunt,

levert echter dat ambt, althans in de eerste jaren, weinig verdiensten
op: en, hoezeer ik niet in een bekrompen stand leef, is mijn vermogen te
gering en mijn huisgezin te groot, om u, zoo gij het trouwen eens in 't
hoofd kreegt, een behoorlijk uitzet te geven. Ik zou u wel door mijn
invloed aan dezen of genen post kunnen helpen: maar ieder heeft zijn
eigene inzichten, en, schoon ik die van anderen eerbiedig, heb ik voor
mij een tegenzin aan het uitdeelen van bedieningen. Gij moet door uw
eigene bekwaamheid protectie verdienen, en niet door gunst alleen
voortkomen. Intusschen, ik moet u thans gulweg zeggen, dat het mij in
zekere opzichten niet spijt, dat uw keus nog niet gevestigd is; want nu
vlei ik mij, dat gij te meer geneigd zult zijn te doen hetgeen u
voordeeligst zijn kan.--Wat zoudt gij van den handel denken?"

"De handel is een heerlijk iets," antwoordde ik, eenigszins verwonderd
over deze plotslinge vraag: "maar dat men niet zonder fondsen beginnen
kan."

"Niet! En hoe doen dan zoovelen, die hier met een paar schellingen in
den zak (God weet waar vandaan!) komen aanwaaien, menschen,

     quorum nemo queat patriam monstrare parentis,

en die, eer men hun rechten naam nog weet, aan het hoofd van een huis
van negotie staan?--Doch gij hebt gelijk.--Gij moet ook met iets
beginnen en daartoe doet zich eene gunstige gelegenheid op. Gij weet,
het huis Van Bempden, Van Baalen en Comp. heeft, sedert den dood van uw
oom, onder die zelfde firma, maar alleen onder de directie van
laatstgemelde blijven bestaan. Uw tante heeft haar geld daarin gelaten;
maar haar oogmerk was en is nog, u, bij uw terugkomst, mede in die zaak
te plaatsen en deelgenoot der firma te maken. De gelukkige uitslag uwer
pogingen te Livorno aangewend, om bij de liquidatie van de firma Bertini
nog een deel terug te bekomen van hetgeen dat huis aan uw tante schuldig
was, heeft haar goede gedachten omtrent uw bekwaamheid ingeboezemd."

"Ik ben mijn tante zeer verplicht voor den goeden dunk, dien zij van mij
heeft, en herken haar vriendschap te mijwaart."

"Gij hebt ook elders op uw reizen persoonlijke kennis gemaakt met
verscheidene Correspondenten van het huis, en, naar eenige uitdrukkingen
te oordeelen, welke sommigen hunner in hun brieven omtrent u hebben
gebezigd en welke uw tante mij medegedeeld heeft, komt het mij voor, dat
gij hun wel bevallen zijt. Dit kan nooit kwaad en zal bij hen het
crediet voor het huis niet doen dalen, wanneer gij daar associé van
wordt. Wel is waar,

     omnia non pariter rebus sunt omnibus apta,

en gij zijt niet van jongs af tot den handel opgeleid; maar ik vlei mij,
dat eenige inspanning, gevoegd bij de op uw reizen verkregen
ondervinding, en vooral de leiding van den Heer Van Baalen, u weldra op
de hoogte zullen brengen, waar gij op wezen moet. Het komt er nu slechts
op aan om te weten, of gij geen tegenzin in het beroep zelf hebt."

"Ik geloof, dat ik mijn fortuin met voeten zou stooten, indien ik zulk
een aanbod niet dankbaar aannam; maar is de Heer Van Baalen insgelijks
met deze schikking volkomen tevreden? En ziet hij er niet tegen op, een
onbedrevene als mij tot compagnon te nemen?"

"Hij Heeft geene zwarigheden gemaakt; en de drie ton, welke uw tante in
het huis heeft gelaten, wegen ook nog al tegen eenige bedenkingen
op.--Nu! ik wensch u geluk, en ik hoop, dat gij u zoowel zijne achting
als het vertrouwen uwer tante zult waardig maken."

Ik kan niet ontkennen, dat mijn eigenliefde zeer gestreeld werd met het
vooruitzicht, dat zich voor mij opende. Ik was nu geen ledigganger meer,
die zonder bepaald doel in de wereld voortleefde, neen, ik zag mij, als
deelgenoot in een bloeiende zaak, geplaatst in een betrekking, waarin
het slechts van mij afhing een ruim bestaan en de achting mijner
medeburgers te verwerven. Ik kon niet nalaten mijn blijdschap aan mijn
vader te betuigen: de geheele geschiedenis van den vorigen dag was voor
mij op den achtergrond teruggeplaatst, en, alleen denkende aan hetgeen
mij thans was medegedeeld, deed ik dienaangaande een menigte vragen,
welke mijn goede vader het zich een genoegen maakte, te beantwoorden.
Ons onderhoud deed den tijd met snelheid vervliegen; en nog waren wij
aan 't redeneeren, toen het ophouden van een rijtuig voor de huisdeur en
het klinken der schel ons verwittigden, dat onze dames uit de kerk
terugkwamen.

Wij gingen naar de zijkamer. Er stonden niet slechts eene, maar twee
koetsen voor de deur. Uit de eerste kwam mijn moeder met Susanna en
tante Letje: uit de tweede tante Van Bempden: en weldra traden de vier
dames de kamer in: tante Letje, in haar effen violetkleurig taffen
gewaad, met haar stijve neepmuts, zonder eenig cieraad, dan haar
prachtigen kerkbijbel met schildpadden band en gouden sloten: en tante
Van Bempden met hare fontanges, Brusselsche kanten, en honderden van
linten en kwikken:--twee volkomen kontrasten; maar beide, elk in haar
soort, voortreffelijke menschen.

Tante Letje, welke nu eene eerbare vrijster was van ongeveer
vijfenveertig jaren, ging bij de booze wereld door voor hetgeen men eene
fijne kwezel noemt. Men weet, het is geen ongewoon verschijnsel, dat in
groote familiën, vooral in die, waar verscheidene zusters zijn, zich
eene daarvan reeds vroeg begint te onderscheiden, door het dragen van
een stemmig, onopgesmukt, gewaad, door het afzweren van alle wereldsche
vermaken, door den schier uitsluitenden omgang met predikanten,
zielverzorgers, en zoogenaamde vromen, door het spreken der tale Kanaans
(gelijk men het bezigen van veelvuldige Bijbelsche uitdrukkingen noemt),
door het getrouw ter kerke gaan en het houden of bijwonen van oefeningen
ter onderlinge stichting. In de kerk kan men haar spoedig herkennen aan
den deemoedigen gang, waarmede zij naar hare plaats: aan den eerbied,
welken de plaatsbewaarsters voor haar koesteren, zoodat zij alleen
nimmer gedwongen zijn, in te schikken: aan de groete des voorzangers:
aan het lange gebed, dat zij, zoodra zij gezeten zijn, van achter den
breed uitgeslagen waaier doen: eindelijk aan de wijze, waarop zij den
leeraar aanzien en den blik vol hemelvreugde (anderen zeggen: vol
hoogmoed) opwaarts slaan, zoo vaak in de predikatie gewag gemaakt wordt
van uitverkorenen, waaronder zij zich bij uitsluiting achten te
behooren. Gewoonlijk zijn het noch de mooisten, noch de geestigsten der
familie, welke tot deze caste behooren, en verslijten zij haar leven in
den vrijsterstaat, doch er is geen regel zonder uitzondering, en men zou
onbillijk handelen, door de aanleidende oorzaak van haar gedrag altijd
te willen toeschrijven aan hare vrees van in de wereld geen opgang te
zullen maken. Er zijn er enkelen, ja, bij wie die reden veel moge
gegolden hebben, zelfs buiten haar weten: er zijn er, die, hoovaardig op
hare vermeende godsvrucht, in Fariseeuwschen hoogmoed op hare
mede-Christenen als op de Tollenaren en Zondaren nederzien, alles, wat
anderen goeds en loffelijks verrichten, met den naam van blinkende
zonden bestempelen, en die alle Christelijke deugden bezitten, maar
alleen de hoogste, de voornaamste, de liefde, ontberen;--maar al moge
dit met enkelen het geval zijn, ik houde mij overtuigd, dat verreweg de
meesten van haar, niet-tegenstaande de kleine gebreken, waarmede zij
behebt mogen zijn, vaak als voorbeelden verdienen te worden aangeprezen,
boven de zoodanigen, die haar gedrag bespotten en beschimpen.

Zoodanig althans was het oordeel, hetwelk mij de omgang met mijn tante
Letje over de personen van haar slag heeft doen vellen. Bij haar
voorzeker bestond de godsvrucht niet enkeld in uiterlijke vertooning,
maar woonde die in naar rein menschlievend hart. Men mocht dan haar
stijve, smakelooze kleeding berispen: de bijbeltaal, waarin zij sprak,
mocht niet altijd evenzeer ter snede worden aangebracht: zij velde
wellicht nu en dan een te gestreng oordeel over schuldige vermaken; maar
niemand kon haar te laste leggen dat zij niet in oprechtheid wandelde.
Haar kennis was niet uitstekend; maar zij bezat, wat oneindig meer
geldt, een vast en onverzettelijk geloof; en zonder aan andersdenkenden
de zaligheid te willen ontzeggen, blikte zij die met vromen Christenzin
als haar wettig erfdeel te gemoet. Zij vooral was wars van
kwaadsprekendheid en voer altijd tegen de zonde, nimmer tegen den
zondaar uit: en wanneer zij zich met kracht tegen de leer der goede
werken verklaarde, moest men niet vergeten, dat in haar volkomen
bewaarheid werd hetgeen onze Katechismus leert, dat het onmogelijk is,
dat een waarachtig geloof niet zou voortbrengen vruchten der
dankbaarheid; want nimmer was haar hart of haar beurs voor den lijdenden
natuurgenoot gesloten, en wanneer zij gaf, vervulde zij letterlijk het
voorschrift des Heilands, en wist haar slinkehand niet, wat naar rechte
uitdeelde. Haar gebrek aan genoegzaam doorzicht en haar zucht tot
liefdadigheid waren oorzaak, dat zij somtijds haar gaven ook aan
onwaardigen wegschonk; doch zij verklaarde meer dan eens, dat zij liever
honderdmalen door slechte lieden bedrogen wilde zijn, dan dat een vrome
noodlijdende ongetroost van haar af zoude gaan.

Een geheel andere vrouw was haar zuster, Mevrouw Van Bempden. Nog zeer
jong gehuwd zijnde met een schatrijken echtgenoot, die, geen naaste
betrekkingen hehbende, haar hij zijn vroegtijdig afsterven aan het hoofd
van een kolossaal vermogen had achtergelaten, had zij zich door haar
maatschappelijke positie gedwongen gezien in de groote wereld te leven,
en haar geneigdheid had zich daar niet tegen gekant. Haar rustelooze,
nimmer lang met hetzelfde voorwerp bezige geaardheid, dreef haar aan,
gedurig nieuwe voorwerpen van belangstelling en verstrooiing te zoeken:
haar dagen rolden voort in eene bestendige afwisseling van gastmalen,
feesten, comediepartijen, speelreisjes, enz. Zij las ook; maar zonder
keus of onderscheid: stichtelijke boeken, romans, brieven, verhalen,
zedekundige werken, poëzij, al wat maar gedrukt werd; doch zij faalde
meestal, wanneer zij iets van het gelezene te pas zou brengen en moest
alsdan de hulp inroepen van mijn zuster Susanna, die, zelve een
liefhebster van lezen en in het bezit van een ijzervast geheugen, zelden
bij die gelegenheid te kort schoot.

Men moet echter uit het bovenstaande niet afleiden, dat Tante Van
Bempden in den slechten zin des woords een wereldsche vrouw was. Schoon
in 't algemeen geen _laudator temporis acti_, durf ik zeggen, dat in die
dagen een ongodsdienstige vrouw iets onbekends was. Tante Van Bempden
ging trouw ter kerke, kende haar Catechismus op een haar, wist zoo goed
als iemand, zelfs met tante Letje, een gesprek over geloofspunten te
voeren en zich zeer dapper te verdedigen, wanneer deze haar berispte,
dat zij nu en dan bij de Remonstranten ter kerke ging: zij was
mededeelzaam, zelfs mild;--maar haar godsdienst was, gelijk men wel
eens zegt, zonder verzuim van affaire. Intusschen, wie haar recht kende,
vond zich gedwongen te verklaren, dat haar gebreken, zoo zij al dien
naam verdienden, uit den maatschappelijken toestand voortvloeiden,
waarin zij geplaatst was, terwijl haar goede hoedanigheden uit haar hart
voortkwamen. Voor mij althans, die nimmer dan weldaden van haar ontving,
ik zou schandelijk doen, indien ik een andere getuigenis van haar gaf,
dan dat zij, alles wel gewogen, eene uitmuntende vrouw was.

"Wees van harte welkom, waarde Neef!" zeide tante Letje, terwijl zij mij
omhelsde: "alzoo sullen de vrijgekochten des Heeren wederkeeren:"
vervolgens zich tot mijn vader wendende: "wel moogt gij, waarde Broeder!
den Profeet nazeggen: brengt mijn soonen van verre, ja van het eynde der
aerde."

De verdere wenschen die zij uitte werd ik verhinderd te verstaan; want
tante Van Bempden had zich voor mij geplaatst en drukte mij, met tranen
in de oogen aan haar hart:

"Goeden dag! beste Ferdinand!" riep zij: "wèl, zijt gij eindelijk daar?
ja, ik durf niets te voegen bij de vrome gezegden van Zuster: anders
zoude ik zeggen met Racine ... hoe zegt Racine ook weêr, Santje?"

     Thésée est arrivé, Thésée est en ces lieux,

declameerde Susanna.

"Tusschen twee haakjes," vervolgde Tante, "hebt gij de nieuwe uitgave
van Racine medegebracht, welke ik verzocht had dat gij bestellen
zoudt?... Hoe gelukkig was het, dat ik juist heden in de stad moest zijn
om een comparitie te houden met den Heer Van Baalen, die geloof ik, vrij
raar op zijn neus zal kijken wanneer hij u ziet: want hij verwacht zich
op een klein jongetje met een dik hoofd, een rooden neus en groote
ooren, die niets anders kan dan wat cijferen en wat pennen vermaken, en
gij zijt voorwaar omtrent zoo groot als hij:... gij moet nog niet bij
hem gaan, zoo gij er nog niet geweest zijt; want ik wil uw eerste
ontmoeting met hem volstrekt bijwonen en mij met zijn verbazing
vermaken."

"En nu gij hier zijt, Zuster!" zeide mijn vader, "zult gij ons wel het
genoegen doen van uw rijtuig weg te zenden en hier den avond te blijven
doorbrengen, om de terugkomst van Ferdinand met ons te vieren."

"Eigentlijk," antwoordde Tante, "was ik voornemens geweest, terstond
weêr naar buiten te vertrekken, maar de omstandigheid dat Neef terug is,
verandert mijn plan. Ik zal dan heden-avond blijven: op de voorwaarde
alleen, dat nicht Santje nu haar woord houde en een week of drie bij mij
op Heizicht kome doorbrengen; ik heb haar een kleine verrassing bestemd,
die haar niet ongevallig zijn zal:--en Neef moet ook mede, al ware het
maar voor een paar dagen."

"Hoe!" zeide mijn moeder, mij bij de hand nemende als vreesde zij mij te
verliezen: "hij is pas terug en wilt gij hem ons weder ontnemen?"

"Wel zeker! Bovendien heb ik hem over zaken te spreken. Van Balen komt
Zondag bij mij eten.... Broeder heeft immers al verteld wat het plan
is:--maar ik laat hem zelf oordeelen of ik iets onbillijks vorder?"

"Volstrekt niet," zeide mijn vader: "en het zou de plicht van Ferdinand
wezen, een paar dagen bij u door te brengen, indien het niet veeleer een
genoegen voor hem ware."

"Natuurlijk!" merkte zijn Zuster aan: "het lieve jongetje zou anders ook
te veel van zijn stuk raken, indien hij zoo op een bof het reizend leven
tegen de eentonigheid der stad verwisselde. 't Is beter dat hij zoetjes
aan de verandering wenne.--En bovendien hij mag niet nalaten op Heizicht
te komen: want, zoo als Addison in the fair Rosamond zegt:

     The bower and lady both are drest,
     And ready to receive their guest."

"Wil ik dan zeggen, dat het rijtuig van Tante Van Bempden maar weg moet
rijden?" vroeg ik.

"Als 't u belieft," antwoordde Tante: "en laat Joris om tien uren
terugkomen."

"En de koets van Tante Letje?"

Wat deze betrof, zij maakte zwarigheid om te blijven; daar het met hare
gewoonte streed, den avond uit te gaan, wanneer zij ter kerke geweest
was; echter werden de bedenkingen, welke zij opperde, zoo heftig
bestreden, en verzocht mijn moeder, aan wier bede zij zelden weerstaan
kon, haar zoo dringend, voor deze reis een uitzondering te maken, dat
zij eindelijk toegaf.

Wij plaatsten ons dan om de theetafel, en ik moet hier tusschen twee
haakjes de bekentenis afleggen, dat onder al de genietingen, welke mijn
terugkomst bij de mijnen mij opleverde, die, van wederom een lekker
kopje van dien goddelijken drank, in echt Sineesch porcelein geschonken,
te mogen smaken, op verre na de minste niet was.

"Nu moet gij ons recht veel vertellen van uw reizen," zeide Tante Van
Bempden: "hoe zegt Lafontaine ook weer van de zwaluw?"

     _"Quiconque a beaucoup vû,
     Peut avoir beaucoup retenu,"_

zeide Susanna, haar te recht helpende.

"Van harte gaarne," zeide ik: "indien UEd. mij slechts vragen wilt, ben
ik tot antwoorden bereid:" en ik schoof mijn stoel dichter naar den
haren. Maar nu schoven ook de overigen hunne zetels bij en ik zag, dat
mijn taak niet zoo gemakkelijk was, als ik mij die had voorgesteld; want
ik werd van vier of vijf kanten bestormd met vragen van geheel
verschillenden aard; en daar het mij minder gemakkelijk viel, die
gelijktijdig te beantwoorden, dan aan de overigen, om die gelijktijdig
te doen, moest ik wel verzoeken, of men ordelijk wilde te werk gaan, en
ik stelde voor, dat, ten einde niemand redenen tot beklag zoude hebben,
elk der aanwezigen, te beginnen met Tante Van Bempden, die rechts van
mij zat, op zijn beurt mij eene vraag zoude doen. Dit vond goedkeuring,
en nu werd ik beurtelings over de meest uiteenloopende onderwerpen
ondervraagd. Aan Tante Van Bempden, moest ik een beschrijving geven van
het Carnaval, dat ik te Napels had bijgewoond, terwijl Susanna mij over
de kleeding der Oostenrijksche dames ondervroeg: mijn vader stelde er
meer belang in, iets van de gedenkstukken van het Oude Rome te hooren,
en tante Letje wilde weten, hoe ik het toch in dat Heidensche land had
aangelegd om mijn godsdienstplichten uit te oefenen. Toen de beurt aan
mijn goede moeder kwam, drukte de vraag, welke zij deed, haar
moederlijke teederheid volkomen uit; want zij verlangde een volkomen
beschrijving van alle zoodanige personen, die mij op reis van dienst
geweest waren of beleefdheid hadden betoond, en van welke ik in mijn
brieven gesproken had: en zij schepte er een zichtbaar genoegen in, van
hen te hooren gewagen, die in haar Ferdinand hadden belang gesteld.

Toen de eerste nieuwsgierigheid bevredigd was, werd langzamerhand het
gesprek meer algemeen: en Tante Van Bempden, wier gedachten zich zelden
lang bij het zelfde onderwerp bepaalden, en die er van hield de
gelegenheid bij de haren te vatten, nam mijn vader onderhanden, om zijn
oordeel, waarop zij, en met recht, niet weinig prijs stelde, over eenige
nieuw uitgekomen werken te vragen, over welke hij haar echter
grootendeels antwoordt schuldig moest blijven door zijn
beroepsbezigheden slechts zeer weinig tijd tot lezen had, en in de
weinige ledige oogenblikken, die hem overschoten, liever zijn oude
_classici_ bij de hand nam, dan de voortbrengselen van den dag. Toen nu
Tante bemerkte, dat zij omtrent deze punten weinig troost erlangen kon,
begon zij over politiek te redeneeren: een onderwerp, waaromtrent mijn
vader geen ignorantie kon pretendeeren, en welke behandeling hij zich
dus getroostte, hoezeer dat duidelijk op te merken was, dat zulks alleen
uit inschikkelijkheid geschiedde; want vooreerst was hij geen vriend van
met dames over dergelijke stoffen te redekavelen, en ten andere dwong
zijn ambt hem reeds genoeg daarover te hooren en wilde hij, in
gezelschap zijnde, ter ontspanning van zijn geest wel eens over iets
anders praten.

Gedurende het onderhoud van mijn vader met Tante Van Bempden, gaf mijn
moeder, voor wie die onderwerpen veelal te uitheemsch en te hoogdravend
waren, mij een vrij breedvoerig, doch zeer duidelijk verslag van de
gehoorde predikatie, en voegde er nogmaals de betuiging bij van haar
leedwezen dat ik haar niet vergezeld had: Tante Letje zat stil voort te
arbeiden, en vergenoegde zich, met nu en dan een aanmerking betreffende
het een of ander, dat haar meer bijzonder gesticht had, te voegen bij
hetgeen mijn moeder verhaalde: terwijl Suzanna, die, zoo lang het
verslag duurde, zich alleen met haar trekpot en schoteltjes bemoeid had,
na het eindigen daarvan het woord nam en mij vertelde, wie er al in de
kerk geweest was, en met wie zij al in het uitgaan gesproken had.

"Ik ben er gek afgekomen," zeide zij: "ik had mij gevleid, aan mijn
buren in het doophek en aan al wie ik ontmoeten zou, in echten
courantenstijl te vertellen: heden is hier met lang span (alias de
Muiderschuit) gearriveerd de Heer Ferdinand Huyck, zoon van den Ed.
Gestr. Heer Hoofdofficier en broeder van de beminnelijke Juffrouw
Suzanna Alette Huyck;--maar jawel:--pas ben ik op mijn plaats gekomen,
of daar haalt mijn buurvrouw, het dikke wijf van den koperslager, haar
loddereintje uit de tasch en na mij driemalen te hebben aangekeken, als
wilde zij zeggen: "ik weet wat ik weet," en driemalen aan het mooie
zilveren doosje geroken te hebben, steekt zij het mij toe en vraagt: "is
Mijnheer uw broeder ook in de kerk? Wel! wel! dat moet een vreugde
geweest zijn!--Ja, ik heb het al gehoord van de krantenvrouw. En heeft
Mijnheer een goede reis gehad? Wel! wel!"--En eer ik haar kon
antwoorden, daar tikt Betje Du Fay, die aan de andere zijde zat, mij op
den arm. (Je herinnert je Betje Du Fay wel, Ferdinand? de dochter van
Schepen Du Fay met dien haviksneus?) en begint met een schor stemmetje:
"ik feliciteer je wel Santje! met de terugkomst van je broer:" en te
gelijk voel ik de dorre vingers van Mevrouw Muysvaal, mijn
achterbuurvrouw, mijn schouder grijpen als met een arendsklauw, en gonst
het in mijn ooren: "ik heb met veel genoegen vernomen dat uw broeder
terug is. Ik feliciteer u wel:"--en meteen piept het en bromt het voor
en achter mij al de rijen langs, als waren er overal echo's: "ik
feliciteer je wel. Juffrouw Huyck, ik feliciteer je wel:"--zoodat ik
blij was, dat het gezang werd aangeheven, want mijn nek begon mij zeer
te doen van het knikken en buigen.--En bij het uitgaan was het nog
erger; want toen dacht ik, dat ik nooit den dorpel, veelmin de koets zou
bereikt hebben, zoo drong men zich om mij heen: "Is het waar wat ik
gehoord heb? Is Ferdinand waarlijk terug?--Ik kom eerstdaags uw broeder
zien. Hartelijk geluk!" enz. En zoo ging het voort, zoodat mijn ribben
bont en blauw zijn van de stompen en duwen, die ik gekregen heb van al
de lieden, die uit loutere deelneming op mij afkwamen."

"Santje overdrijft weer, volgens haar gewoonte, zeide mijn moeder; "ik
heb maar een paar menschen gesproken die er iets van schenen te weten;
maar Santje schijnt er van te houden, diergelijke opschuddingen in de
kerk te maken."

"De menschen moesten wat meer denken," zeide Tante Letje, "dat de kerk
is een bedehuis, en niet een plaats voor ijdelen klap en onnut gesnap;
maar het is als de profeet zegt: zelfs in mijnen huyze vindt ik haar
boosheyt.--Ik wilde wel, Nicht! dat gij over deze stofte gelezen hadt
een dierbaar boekske, dat geschreven is door de eerzame Weduwe
Knijpduim, en dat ten titel draagt: "over de onchristelijke opschuddinge
in Gods Kerke," waarin dat alles uitvoerig betoogd wordt. 't Is niet
gedrukt; maar zij heeft het ons eens op de oefening bij den zielbezorger
Zoutbrand voorgelezen. Ik zal het u wel eens bezorgen, Santje! het kan u
nuttig zijn."

"Spreek mij niet van Juffrouw Knijpduim, Tante!" zeide Santje: "die kan
mij nooit door woorden of werken meer stichten, sedert ik haar laatst in
de Oude Kerk met een andere oude Juffer een kwartier lang heb zien
kijven en knorren over haar plaatsen, dat geen vischwijven het erger
hadden kunnen doen. En wat mij het meest ergerde, was dat, toen zij
gezeten waren, zij dadelijk de waaiers uitsloegen om te gaan bidden.
Maar de oude Heer Slyper, die achter haar in de ouderlingenbank zat,
tikte haar op de schouders en zeide: "wacht daar liever nog wat mede,
tot gij bekoeld zijt, en denk inmiddels om Matth. V: 24."

"Hoe is het, Santje! krijgen wij geen thee meer?" vroeg mijn vader, die,
ofschoon luisterende naar de redeneeringen van Tante Van Bempden, echter
genoeg van Santjes vertelling gehoord, en te goed den onvergenoegden
blik van Tante Letje bespeurd had, om niet te begrijpen, dat het gesprek
een andere wending moest nemen. Santje begreep dien wenk en haastte
zich, terwijl zij de kopjes vulde, mij te vragen, welke der plaatsen,
die ik bezocht had, ik het liefst tot mijn verblijf zoude kiezen. Van
mijn kant willende medewerken om het gesprek zoo ver mogelijk van het
vorige onderwerp te verwijderen, gaf ik een ontwijkend antwoord, en
begon de voor- en nadeelen op te tellen van al de voornaamste steden,
waar ik eenigen tijd had doorgebracht. Mijn vader moest zich staande dit
gesprek voor eenigen tijd verwijderen om ambtsbezigheden, en nu viel
Tante Van Bempden, die mij van Rome hoorde spreken, mij plotseling in de
rede, om mij te vragen of ik de fresco's in het Vaticaan gezien had.

Ik antwoordde toestemmend en wilde een uitgebreide beschrijving van deze
kunststukken geven; maar kwam er deze reis vrij van; want Tante scheen
de gelegenheid alleen te willen waarnemen, niet om van mij iets te
vernemen, maar om mij een redetwist te vertellen tusschen den
Kunstkooper Tempermes en den Makelaar Mosselzalf, betreffende een haar
toebehoorende schilderij, welke de eerste beweerde dat een origineele
Carlo Dolce was, de andere daarentegen voor een kopie hield. De
behandeling van dit punt gaf aanleiding tot een omslachtige uitweiding
over de Italiaansche school, welke gevolgd werd door een vertoog over
het voortreffelijke der keurslijven v. Douillié, en besloten met een
aanbeveling van den pasteibakker Jakobsz.

De verschijning der jongere leden van de familie, die nu uit de
verschillende scholen terugkwamen, gaf een nieuwe wending aan het
gesprek, door aan Tante een andere bezigheid te bezorgen; want, aan mijn
broeder Frits verzocht hebbende, haar een groot pak aan te reiken, met
grauw papier omwonden, dat uit het rijtuig gekomen en in een hoek der
kamer gelegd was, opende zij het, en vertoonde aan de verheugde kinderen
een menigte prentenboekjes, welke zij onlangs gekocht had en hun ten
geschenke aanbood, aan elk in 't bijzonder de uitlegging op den koop
toegevende van het onderwerp, dat in de boekjes behandeld of op de
plaatjes afgebeeld was, met vele aanwijzingen daarbij, op welke wijze en
ten welken einde zij een en ander best zouden kunnen gebruiken. De
milddadigheid van Tante bracht mij te binnen, dat ik ook geschenken had
rond te deelen, en, zoodra het theegoed van tafel was genomen verzocht
ik Frits en Jakob mij even naar mijn kamer te willen volgen. Zij
voldeden slechts schoorvoetende aan mijn verzoek; want het kostte hun
moeite de geschiedenis van Robinson Crusoë met fraaie houtsneeplaten, en
de galerij van uitheemsche kleederdrachten neder te leggen;--maar des te
hooger steeg hun blijdschap, toen ik, hen in mijn kamer gebracht
hebbende, mijn koffers opende en daaruit een talrijken hoop pakjes,
doozen en andere snuisterijen haalde, waarmede ik hen belaadde, terwijl
ik mijzelf belastte met die voorwerpen, welke het meest gevaar liepen
van te breken of beschadigd te worden.

"Mijn hemel! Ferdinand! waar moet dat alles heen?" vroeg mijn moeder,
toen ik, vergezeld van mijn twee helpers, de zijkamer instapte.

"Zij gelijken wel de drie koningen, die met giften en gaven uit het
Oosten komen," fluisterde Suzanna Tante Van Bempden in 't oor.

"Stil!" zeide deze met een bestraffenden blik: "laat Tante Letje u niet
hooren."

"Mijn tijd! zijn dat allemaal presenten?" riepen mijn zusters Letje en
Keetje, terwijl zij, haastig opstaande, een hoektafeltje bijschoven om
er mijn waren op uit te stallen: de twee jongsten, Karel en Truitje,
klapten in de handen en dansten van vreugde.

"Wel Ferdinand! Ik geloof, dat gij u arm gekocht hebt," zeide mijn
moeder, haar breiwerk neerleggende: "komt toch nergens aan, kinderen! uw
broeder zal het u immers wel wijzen."

"Ik hoop dat er voor mij ook wat bij is," zeide Suzanna, insgelijks
oprijzende en zich nevens mij vervoegende. Zelfs Tante Letje kon haar
nieuwsgierigheid niet bedwingen en ik vond mij weldra door de geheele
familie omringd.

Het was een plechtig oogenblik. Daar stonden zij allen om mij heen in
gespannen verwachting: en de stilte werd alleen afgebroken door
halfgesmoorde uitroepen, als: "wat zou ik toch krijgen? hé! wat ben ik
nieuwsgierig!--Ik weet wel wat ik zou verlangen! Stil toch! hinder uw
broeder niet! Heden! wat een boel dingen!"--Wat mij betreft, ik liet mij
geen woord ontvallen, maar een der zes of zeven scharen, om niet te
gewagen van even zoovele knipmesjes, welke mij werden overgereikt,
aannemende, maakte ik mij gereed om over te gaan tot het lossnijden der
pakjes, toen ik mijn hand plotseling weder ophief.

"Wat is er? wat is er?" vroegen onderscheidene stemmen.

"Zullen wij niet wachten, tot vader weer terug is?" vroeg ik.

Daar keken zij elkander zwijgend en zuchtend aan.

"Wel foei!" zeide Suzanna: "dat is niet mooi, ons ongeduld eerst op de
proef te stellen en dan niet te voldoen."

"Ja! maar mij dunkt dat Ferdinand gelijk heeft," zeide mijn moeder: "'t
Zal vader zeker genoegen doen, de uitpakking bij te wonen, en daar
moeten wij hem niet van berooven. Zijt nu verstandig kinderen!"
vervolgde zij, ziende, dat deze en gene de lip liet hangen. "Uw vader
zal wel zoo aanstonds terugkomen."

"Daar is Papa! daar is Papa!" riepen opeens een paar stemmen: en
terstond liepen al de kinderen de kamer uit en kwamen terug, mijn vader,
die uit zijn studeervertrek juist terugkwam, bij zijn gebloemde
avondjapon voortsleurende.

"Ik geloof, dat ik ter goeder ure terugkom," zeide mijn vader, wien een
blik, op de tafel geworpen, nog meer dan het door elkander roepen der
kinderen, de toedracht der zaak deed begrijpen.

Nu ging de schaar haar gang: en het kleine Truitje was uitgelaten van
vreugd, toen de losgemaakte papieren haar een fraai gekleeden pop deden
aanschouwen.

"Ik hoop," zeide Kareltje, mij met zijn blauwe oogen vragend aanziende:
"ik hoop...." hij durfde toch niet te zeggen wat hij hoopte; want hij
begreep, dat het anders kon uitvallen; maar toen ik hem het voor hem
bestemde toereikte, zag hij dat zijn wensch naar een verfdoos toch
verwezenlijkt was.

Het zou bij u, waarde lezers! weinig belang wekken, indien ik stuk voor
stuk de voorwerpen ging opnoemen, waarmede ik de jongere leden der
familie beschonk; ofschoon gij,--voor zooverre gijzelven ooit in het
geval zijt geweest, dergelijke geschenken na uw terugkomst van een
buitenlandsche reis rond te deelen, of in uw jongere jaren die van
anderen ontvangen hebt,--u de gewaarwordingen nog wel levendig zult
kunnen voorstellen, welke men alsdan gevoelt, en welke te streelender
zijn, naarmate het geschonkene meer de behoefte of den wensch van het
oogenblik bevredigt. Wat mij betreft, ten dezen opzichte slaagde ik zeer
gelukkig; want al wat ik uitdeelde was ook juist hetgeen men verlangde:
en mijn broeders en zusters begonnen reeds te denken dat ik de gaaf had,
op verren afstand iemands gedachten te raden, toen een glimlach mijner
moeder aan de oudsten althans deed gissen, dat de goede vrouw mij in
haar laatste brieven eenige wenken gegeven had omtrent hetgene meest
welkom zijn zou.

Toen nu het kleine volkje beschonken, of, om niet dubbelzinnig te
spreken, begiftigd--was, kwam de beurt aan de grooteren, en Suzanna
zette groote oogen op toen ik haar met een sluier vereerde (men zou
thans zeggen: een voile) die, in aanmerking mijner bekrompen middelen,
als een kostbaar geschenk kon worden aangemerkt. Voor mijn moeder had ik
een netgewerkt zakhorloge medegebracht en voor Tante Letje een
eenvoudigen, doch sierlijk gesneden ivoren waaier, die haar bijzonder
behaagde, omdat hij fraai en toch niet opzichtig was. Tante Van Bempden,
die alles had of kom laten komen, wat de weelde verlangen kon, ontving
een kleine antieke urn, welke ik te Rome had gekocht:--dit geschenk
bracht een langdurige vergelijking teweeg tusschen den antieken en
hedendaagschen smaak in bouw- en beeldhouwkunst.--Eindelijk was mijn
vader niet weinig in zijn schik, toen ik, een doos openschuivende, hem
een kleine verzameling aanbood der Romeinsche munten, die vóór den tijd
der Keizers in gebruik waren, door mij gedurende mijn verblijf te Rome
bijeengebracht. Mijn vader was, ondanks de bezigheden, welke zijn ambt
hem opleide, een minnaar gebleven der classieke oudheid en van alles,
wat daarmede in verband stond: en het was hem de zoetste verpoozing van
zijn arbeid, wanneer hij, in de weinige uren van uitspanning, die hem te
beurt vielen, zich in de lezing en beoefening zijner geliefkoosde
schrijvers verlustigen kon. De brokken uit de Latijnsche dichters,
waarmede hij gemeenzaam was, werden dan ook, gelijk men uit de
vorenstaande bladzijden heeft kunnen zien, niet minder dikwijls in het
dagelijksch gesprek door hem te pas gebracht dan de aanhalingen uit het
_Corpus Iuris_: ja somtijds ontvielen hem die, wanneer hij tegen mijn
moeder sprak, hetgeen dan bij deze, en vooral bij mijn zuster, niet
zelden een glimlach of vroolijke scherts deed ontstaan. Maar niet alleen
de werken der Ouden waren mijn vader dierbaar: al wat zich, al ware het
slechts zijdelings, aan de dagen van Athene of Rome's grootheid hechtte,
was hem welkom: en die geldstukken, wier gehalte of innerlijke waardij
voorzeker van weinig beduidenis was, en die hun meeste waarde daaruit
ontleenden dat het stel vrij volledig scheen, werden door hem met te
meer opgetogenheid beschouwd, naarmate der grootsche herinneringen, die
zij bij hem opwekten.

Allen waren dus recht vergenoegd en tevreden: en de vroolijkheid werd
niet weinig vermeerderd, toen een groote taart, ter viering mijner
terugkomst gebakken, op de tafel verscheen en de zintuigen door de
aangenaamste geuren streelen kwam. Witte broodjes, schoteltjes met
kalfsvleesch en ossetong, en heerlijke vruchten, zooals in Europa de
stookkasten van ons land alleen kunnen opleveren, omringden den
hoofdschotel: en de sleutel des wijnkelders werd mij toevertrouwd om een
flesch te halen van den wijn, die mij het best beviel. De kinderen
kregen allen verlof, tot tien uren op te blijven: en de avond liep zoo
genoeglijk af als men bij mogelijkheid verlangen kon: ja de algemeene
vreugde werd door geen ander toeval gestoord, dan dat Tante Letje door
het afbrokkelen van een stuk taart, een confituurvlek op haar
hagelwitten halsdoek kreeg, en dat Jakob een half glas wijn stortte over
eene der prenten, welke hij van Tante Van Bempden gekregen had: twee
ongevallen, die echter, zooverre mij gebleken is, geen blijvenden indruk
bij de lijdende partijen achterlieten.


       *       *       *       *       *


DERTIENDE HOOFDSTUK.

BEHELZENDE, HOE SUZANNA EN FERDINAND HARREWARREN, EN HOE DE LAATSTE IN
EEN WELKOMSTDICHT VERHEERLIJKT WORDT.


"Ferdinand!" zeide mijn zuster Suzanna, toen zij zich den volgenden
morgen alleen bij mij op mijn kamer bevond, waar zij mij hielp, mijn
kleedingstukken en linnengoed in de kasten te schikken: "gij weet, dat
gij mij nog rekenschap schuldig zijt wegens een gezegde, dat gij u
gistermorgen hebt laten ontvallen."

"Santje!" zeide ik, terwijl ik haar een zijden vest overreikte: "gij
weet, dat ik nog de vierschaar over u moet spannen wegens een misdrijf,
door u begaan."

"Boe! boe! denk niet, dat gij mij met uw groote woorden zult
afschrikken!--Tusschenbeide gezegd, daar zal heel wat speksteen noodig
zijn, om de vlekken uit dit vest te krijgen:--ter zake: wie heeft u
verteld, dat ik uw brieven heb laten lezen?"

"Wat knaagt dat geweten! Wie heeft u verlof gegeven, de gedenkwaardige
memoriën, die ik u toezond, onder het oog van anderen te brengen?"

"Komaan! daar hebben wij een formeele _accusatie_, gelijk mijn vader zou
zeggen: alleen is zij nog, zoo ik mij niet bedrieg, wat _vaag_ en
_ongedetermineerd_: ja--ik kan ook wel stadhuiswoorden samenflansen: ik
weet zeer goed, dat men iemand niet condemneert wegens toegebrachte
slagen, tenzij men eerst wete, op wiens rug de slagen neergekomen zijn.
Vrage: aan wie heb ik uw prulschriften medegedeeld?"

"Antwoord: aan Mejuffrouw Henriëtte Blaek.--Schuldig bevonden! Gij
krijgt een kleur--spoedig tot de _confessie_."

"Wie heeft u dat gezegd?" vroeg Suzanna, terwijl zij uit loutere
verbazing een batisten hemd, dat zij opgevouwen had, weder open liet
rollen.

"Een _irreprochabele_ getuige, Mejuffrouw Blaek zelve."

"Gij hebt haar dan gesproken?--En hoe vindt gij haar?"

"Een zeer aardig meisje!--maar dat doet niets tot het poinct in
quaestie."

"Zeer aardig! Beken maar, dat gij op haar verliefd zijt. Gij krijgt een
kleur--spoedig tot de _confessie_.

"Verliefd! op een meisje, dat ik maar eens in mijn leven gezien heb?
Denkt gij, dat ik zoo spoedig vlam vat?"

"Als wist ik niet, dat de jonge Heeren op uw leeftijd verlieven, wanneer
zij slechts een vrouwenmuts op een bezemsteel zien."

"Altemaal praatjes om van den tekst af te dwalen. Vrage nogmaal, of gij
genegen zijt, buiten pijn en banden, de _confessie_ af te leggen, van te
hebben geperpetreerd het enorme en in een land van goede justitie
intolerabele feit, van aan gezegde Juffer Henriëtte Blaek en de hemel
weet aan wie nog meer te hebben gegeven communicatie van zoodanige
schrifturen en geheime stukken, als u waren toegezonden door den
weledelen Heere Ferdinand Huyck, _juris Romani neo non canonici Doctor_,
en welhaast, _Deo volente_, compagnon in het huis Van Bempden, Van
Baalen en Co?"

"En zoo ik dat nu al bekenne, wat dan?"

"Dan zal ik u verder interrogeeren en vragen wat gij tot uw defensie
hebt te _allegueeren_."

"Dat uw schrift onleesbaar is, zoodat de Heer Van Baalen de handen van
schrik in elkander zal slaan, wanneer hij het ziet: en dat ik de hulp
van Mejuffrouw Blaek, die zich volkomen verstaat op het ontcijferen van
allerlei hiëroplyphen en manuscripten, heb moeten inroepen, om er uit
wijs te worden."

"Die defensie gaat mank; want mijn schrift is net en leesbaar genoeg, en
zoo ik, om het papier te besparen, wat klein geschreven heb, uw oogen
zijn jong en goed, en er zijn overal brillen te koop."

"Ik heb ten minste geen bril noodig om te zien, dat er al heel wat aan
uw kousen zal te mazen zijn, en dat, zoo gij nog een paar dagen langer
op reis waart gebleven, gij hier blootsvoets hadt kunnen aankomen:--doch
laat ons een speldje bij die gekheid steken: en vertel mij eens zonder
omwegen, wanneer, waar, en ter welker gelegenheid gij Henriëtte
gesproken hebt."

"Gij verdiendet, dat ik uw nieuwsgierigheid onbevredigd liet; maar kom!
ik ben een goede broeder en zal medelijden met u hebben; want gij zoudt
misschien barsten van ongeduld, en dat ware ongelukkig voor uw zijden
keurs."

Ik voldeed dan aan haar verlangen, en gaf haar een vrij omstandig
verhaal van mijn wedervaren op Guldenhof, waarmede zij zich niet weinig
vermaakte.

"Maar dat is waarachtig een roman," ving zij aan, nadat ik mijn verhaal
had geëindigd: "en al hadt gij er nog zoo tegen, gij zijt nu toch, naar
de schoone orde der dingen, verplicht op haar te verlieven;--maar gij
ziet, dat uw verhaal mijn vrijspraak medebrengt; want hoe zoudt gij het
mij nu ten kwade kunnen duiden, dat ik uw brieven aan Henriëtte heb
laten lezen? Hadt gij anders wel zulk een heerlijke stof tot onderhoud
gehad? Gij zijt mij veeleer groote dankbaarheid verschuldigd, dat ik in
uw afwezigheid mijn best gedaan heb, om aan een lief meisje goede
gedachten van u te doen opvatten".

"Ik geloof, dat ik dit als een compliment moet opnemen, waarmede gij
zoekt goed te maken hetgeen gij verbruid hebt."

"Ei kom! gij hebt veel te grooten dunk van uw eigene bekwaamheden, om
iets voor mijne complimenten te geven: en ik ben overtuigd, dat de
betuiging van Henriëtte, dat zij gelachen heeft om uw gekke
uitdrukkingen, en uw beschrijvingen bewonderd, uw eigenliefde bijzonder
gestreeld heeft. Ja zelfs, biecht maar zuiver op, hebt gij niet juist
daarom van mijn misbruik van vertrouwen melding gemaakt, ten einde de
gelegenheid te hebben, u met mij over Henriëtte te onderhouden?

                Car pour un amoureux
     Il est doux de causer de l'objet de ses feux."

Ik glimlachte; want er was veel waars in hetgeen zij zeide.

"Maar pas op!" vervolgde zij: "en hou uw hart achter dubbel slot, immers
vooralsnog: de Heer Blaek zou u toch de hand zijner nicht niet
toestaan."

"Wie denkt er aan hem die te vragen?--maar toch, stel eens, dat ik zulks
deed, mag ik dan weten, wat hij tegen mijn persoon zou hebben."

"Tegen uw persoon?--Niets ter wereld. Maar hij zal allen vrijers den zak
geven, enkel in de hoop, dat het zijn zoon eens behagen zal op zijn
nicht te verlieven."

"Dat komt overeen uit met hetgeen mij de waardin te Eemnes vertelde;
maar zoo die jonge Heer nu niet wil?"

"Spreek er niet van: er schuilt iets achter, ik begrijp niet wat:
slechts eens heb ik eenige dagen op Guldenhof doorgebracht, en toen heb
ik met eigen oogen gezien, dat de oude Heer, voor zijn zoon, het hof
maakte aan zijn nicht. 't Is in allen gevalle zeer edelmoedig van hem;
want dat lieve brokje van een Lodewijk zal zeer rijk worden, en zijn
nicht heeft niets en hangt alleen van ooms goedertierenheid af."

"Hoe!" riep ik uit met eenige verbazing; want deze mededeeling strookte
niet met hetgeen mij door den Heer Bos nopens Henriëttes vader verhaald
was: "ik meende...." hier zweeg ik stil; want ik kon mijn autoriteiten
niet noemen.

"Geloof mij," vervolgde Suzanna: "het is genoeg bekend, dat zij niets
heeft. En haar oom, dit valt niet te ontkennen, heeft recht christelijk
met haar gehandeld."

"Dat is wel mogelijk: en toch staat de man mij in sommige opzichten
tegen: waarom weet ik zelf niet."

"Dat zeide Tante Van Bempden ook, toen hij haar voor een paar jaren ten
huwelijk vroeg."

"Wat! heeft hij zich op zijn ouden dag nog aan een blauwtje gewaagd?"

"Hij is zoo oud niet als hij wel lijkt: zeker is hij in de laatste jaren
merkelijk afgevallen;--maar jawel! hij heeft het beproefd, niet lang
nadat gij van hier vertrokken waart. Zij heeft hem, gelijk aan meer
anderen, geantwoord:

     Prince, je chéris trop ma chère liberté,

en heeft ons de vreugd niet willen ontzeggen van in haar een erftante te
blijven beschouwen. Echter zijn zij goede vrinden gebleven, en daardoor
ben ik in kennis geraakt met Henriëtte, voor welke Tante Van Bempden een
bijzondere affectie heeft opgevat, en van wie zij dikwijls getuigt, dat
zij het eenige meisje is, dat welopgevoed van een kostschool
teruggekomen is."

"Maar hoe komt het toch," vroeg ik, na een poos te hebben nagedacht,
"dat die Heer Blaek zoo machtig rijk is, en dat zijn nicht, die toch de
eigen dochter is van zijn broeder, niets bezit? Heeft de Heer Blaek van
zijn vrouw die schatten geërfd?"

"Hoor eens, hoe die jonge heer, die niet verliefd is, zich naar de zaken
informeert! Maar denkt gij dan, dat ik de geschiedenis van die menschen
zoo op mijn duimpje ken?--Of zijn vrouw geld had, weet ik niet; ik
geloof dat hij gelukkig in den handel geweest ia en bovendien ergens een
aardige erfenis gehad heeft: terwijl de vader van Henriëtte daarentegen
den boel er door gelapt heeft en ellendig gestorven is. Hoe dit zij, de
slotsom blijft altijd, dat men haar evenals mij, om onze goede
hoedanigheden zal moeten nemen; want dat wij anders groot gevaar loopen,
als vrijsters te sterven."

Hier werd het gesprek afgebroken door mijn moeder, die mij kwam
onderhouden over de noodzakelijkheid om mij eenige nieuwe
kleedingstukken, als hemden, kousen, enz. aan te schaffen: een
onderwerp, dat, voor 't oogenblik althans, nog belangrijker en zeker
meer spoed vereischende was, dan mijn vrijerij naar een Juffrouw zonder
geld. Daar mijn waarde lezers wellicht niet van deze meening zullen
zijn, zal ik hun dit onderhoud schenken, en evenmin gewag maken van
ettelijke bezoeken van goede vrienden en kennissen, die mij dien morgen
met mijn behoudene aankomst geluk kwamen wenschen.

Wij waren, op den namiddag van denzelfden dag, aan het nagerecht
gezeten, toen men aan mijn vader een gezegeld pakket overhandigde,
hetwelk hij werktuiglijk opendeed, wanende dat het in betrekking tot
zijn ambtsbetrekkingen stond. Maar nauwelijks had hij er een vluchtig
oog in geslagen, of verbaasdheid vertoonde zich op zijn trekken: zijn
deftig gelaat ontplooide zich, en hij barstte uit in een luid gelach.

"Dat gaat u meer aan dan mij, Ferdinand!" zeide hij, mij den brief
overreikende: "ja! lees maar overluid; het zijn geen geheimen!"

Ik nam den brief op en las niet zonder verbazing hetgeen volgt:


         "Edelgestrenge Heer!

"Gelijk het vanouds de gewoonte is geweest, dat alle braven zioh
verheugen over het geluk, dat aan vrome en aanzienlijke luiden te beurt
valt, zoo moet de stoffe van blijdschap, welke aan UEG. en geëerde
familie geschonken is, door de behoudene terugkomst van UEGs.
uitmuntenden Heer zoon, ook bij alle rechtschapene ingezetenen dezer
stad een billijke vreugde doen ontstaan.

"Bij mij althans is die vreugde zoo levendig geweest, dat ik mijn gevoel
deswege niet heb kunnen noch willen bedwingen, maar hetzelve in
hoogdravende klanken lucht heb moeten geven, welke ik toevertrouwd heb
aan het nevensgaand papier.

"Mocht UEG. op dit zwakke voortbrengsel mijner nederige zanggodinne een
gunstig oog laten vallen, niets zoude aangenamer zijn aan hem, die onder
ootmoedige aanbeveling in UEGs. protectie, de eer heeft te zijn met den
diepsten eerbied.

                                    UEG. dienstvaardige en gehoorzame
                                        Dienaar en Hoogschatter
                                            LUCAS HELDING."

   Mijn adres is op de
Raamgracht, ten huize van
 Heynsz, portretschilder.

Het "nevensgaand papier" droeg tot opschrift:


                      JUBELZANG,

"Uitgegalmd ter gelegenheid der voorspoedige wederkomste van den
Weledelen Heer Ferdinand Huyck, Zoon enz."

Daarop volgde een gedicht van ruim honderd regelen, vrij net geschreven,
en niet beter noch slechter dan de meeste verzen, die men in dien tijd
maakte: ik werd daarin bij Theseus vergeleken, die behouden te Athene
terugkwam. Gelukkig kende de poëet mijn avonturen van Woensdag-avond
niet, anders had hij den Heer Bos als Minos, Amelia als de verlatene
Ariadne en Andries als den Minotaurus kunnen laten optreden. Overigens
werd ik overladen met loftuitingen en afgebeeld als

    "Een jongeling, de bloem der Amstellandsche knapen,
    Zoo kloek van lijf en leen, van inborst zoo rechtschapen,
      Die zedigheid aan moed en geest aan vroomheid paart,
      En in des levens bloei reeds toont een mannenaard."

terwijl mijn vader de rijkste _epitheta ornantia_ ontving, die uit te
denken, of bij de oude dichters te stelen waren.

Wij vermaakten ons allen met dit fraaie stuk en ten koste van den armen
vervaardiger, uitgenomen mijn moeder, voor wie het genoeg was, dat
Helding mijn vader en mij lofspraken gaf, welke zij ons in haar hart
waardig keurde, en die beweerde dat het een zeer zoet versje was,
ofschoon hier en daar wat al te hoogdravend voor haar verstand.

"'t Is een heerlijk denkbeeld, om Papa bij Egeus te vergelijken," zeide
Suzanna: "had hij nu maar geweten, hoe Papa 's morgens in verlegenheid
was, toen Ferdinand niet terugkwam, dan had hij die vergelijking nog
verder kannen uitwerken..., ofschoon vader de dwaasheid niet zou gehad
hebben van in 't water te springen."

"Foei Santje! Wat zijn dat voor malle gezegden?" vroeg mijn moeder, die
de geschiedenis van Egeus en Theseus niet volkomen helder voor den geest
had.

"Wel! laat Frits u die historie eens verhalen," zeide mijn vader. "_Age
puer! incipias!_"

En Frits, recht in zijn schik, de op de Latijnsche School verkregen
kunde te mogen luchten, verhaalde nu het geval in al zijn kleuren,
hetgeen ik niet doen zal, teneinde aan de mama's, die in het geval
mijner moeder verkeeren mochten, gelegenheid te laten, zich daaromtrent
door haar in de mythologie onderwezen zoontjes te doen inlichten en zich
in het geheugen der veelbelovende knaapjes te verblijden.

"Verbeeld u nu," zeide Suzanna, nadat het verhaal geëindigd was, dat
Papa, die eergistermorgen niet anders dacht, of Ferdinand was door den
Minotaurus ingeslokt, uit pure wanhoop denzelfden _coup_ had willen doen
als wijlen de Heer Egeus, en gij over hem stondt, als Badeloch
uitroepende:

     "Waar wilt gij heen? u zelf verdrinken in de gracht?

Wat zou dat een treffend schouwspel hebben opgeleverd."

"Nu! ik vind dat malle aardigheden," zeide mijn moeder.

"Maar hoe komt die zotte vent van uw terugkomst af te weten?" vroeg mijn
vader.

"Ik heb hem bij den Heer Blaek op Guldenhof ontmoet," antwoordde ik, en
gaf nu opnieuw, ofschoon ditmaal in weinige woorden, een kort verslag
van mijn oponthoud aldaar.

"'t Is een arme duivel," zeide mijn vader: "_poëta famelicus_: en dat
gedicht hebben wij niet voor niet; maar het zij zoo!"

"Wij mochten hem toch wel ten eten vragen," zeide mijn moeder.

"Niet te haastig, beste schat!" hernam mijn vader: "ik verbuig hem niet
tot gastvriend te hebben: wanneer wij zoo terstond bijten aan het eerste
aas, dat hij ons toewerpt, dan hebben wij kans dat hij ons niet loslaat,
maar onze geheele familie lid voor lid bezingt."

"Wel dat ware niet onaardig," zeide Suzanna: "ik ben nog wel ouder dan
Jetje Blaek, en er is nog nooit een vers ter mijner eere gemaakt. Het
wordt hoog tijd, dat ik ook eens uit mijn vergetelheid rake. Ik zou van
mijn kant zeer hartelijk wenschen, dat die poëet eens verzocht werd. Ik
wilde wel zien, of ik hem niet tot mijn aanbidder maken kon."

"Santje! wat zijn dat voor zotheden, die u door 't hoofd malen?" zeide
mijn moeder.

"Ik bedank er hartelijk voor om den man in huis te halen," zeide mijn
vader, "en ik wilde dat hij op zijn Pegasus naar China reed."

"Dat is een verwénsching en een vérwensching tevens," zeide Suzanna.

"Intusschen," vervolgde mijn vader, "zijn beleefdheid moet betaald
worden, en daarmede dient Ferdinand zich te belasten, als zijnde ten
deze de geconcerneerde partij, _heros celebratus_. Zie daar twee
dukaten: die zult gij naargelang van zaken hem aanbieden of op de tafel
laten liggen. Ik geloof, dat die hem nog beter te pas zullen komen dan
een uitnoodiging aan onzen disch, die hem nog een fooi aan de meid
kost.--Hij is met dat al een eerlijke kerel, die veel wederwaardigheden
gehad heeft: en hij verdient een aalmoes, zoo niet voor het goede, dat
hij doet, dan ten minste voor het kwade, dat hij nalaat: en dat zegt,
helaas! al veel."

"En onder welke van die twee categorieën schikt UEd. zijn verzen?" vroeg
Suzanna.

"Onder geene, zottinnetje! dat is een gepatenteerde bedelarij, waartegen
geene plakkaten bestaan."

"Die toch wel noodig waren," hernam Suzanna: "want ik ben van de meening
van den Misanthrope, en zeg als hij, met betrekking tot slechte verzen:

     _Qu' un homme est pendable après les avoir faits_."

"'t Is toch zonderling," merkte mijn vader aan, "dat de vrouwen altijd
zoo crimineel zijn. Zoo men u tot Hoofdofficier aanstelde, zou er binnen
de veertien dagen een oproer zijn."


       *       *       *       *       *


VEERTIENDE HOOFDSTUK.

WAARIN FERDINAND OP COGNAC ONTHAALD EN TEGEN WIL EN DANK IN NIEUWE
AVONTUREN GESLEEPT WORDT.


Ik wandelde dan, niet lang nadat wij van tafel waren opgestaan, naar de
Raamgracht, en vond weldra het huis dat ik zocht, en hetwelk kenbaar was
aan het, vrij slecht geschilderd, doch sprekend gelijkend afbeeldsel
eener in Amsterdam te dier tijd welbekende groenvrouw, 't welk achter de
glasruiten der zijkamer geplaatst was, nevens een bordje, waarop in
gekleurde letteren te lezen stond: ZACHARIAS HEYNSZ, _Portretschilder_.
Het was een ouderwetsch gebouwde woning, drie verdiepingen hoog behalve
den zolder, met twee kruisramen naast elkander en een vrij hooge, recht
opgaande stoep. Ik schelde aan, de bovendeur ging open, en wel, evenals
zulks alleen in de toovergeschiedenissen en in sommige Amsterdamsche
huizen plaats heeft, zonder dat men kon gewaar worden door welk middel:
eerst toen ik opzag, ontdekte ik, aan het bovenste einde van een vrij
steile, van de voordeur door een kort portaal afgescheiden trap, iets
dat zich in de duisternis bewoog en naar een vrouwelijke gedaante
zweemde.

"Wat is er van je dienst, Sinjeur?" klonk de stem uit de hoogte.

"Ik wilde Monsieur[5] Helding spreken."

"Kom maar op!" antwoordde de stem: "en wees zoo goed, de deur weer
achter je te sloiten."

Ik ontsloot op dit verzoek de deur geheel, en na die weder behoorlijk
gesloten te hebben, trad ik tastende naar boven, mij tot meerdere
zekerheid vasthoudende aan de koord, welke langs den muur liep, en
waarmede de vrouw, die boven stond, de deur had opengetrokken.

"Nou dat trappie op," zeide zij mij, zoodra ik bij haar stond: "en dan
de derde deur aan je rechterhand: maar pas op! het is wat doister hier."

En inderdaad, het was zoo donker, dat ik werk had, mijn voeten op de
rechte plaats neder te zetten. "Voorwaar," dacht ik: "_per ardua ad as
tra!_ zoo onze dichter nooit den top van den Helicon bestegen heeft, het
is niet, dat hij de gewoonte mist om te klimmen."

Ik vond eindelijk de deur, welke ik zocht, en klopte aan.

"Binnen!" riep een stem, die mij toonde dat ik te recht was.

Ik trad in: het was een achterkamertje met één raam, waarvan de ruiten
voor de helft gebroken waren: de vloer was met roode tichelsteenen
belegd, hetgeen in heete zomerdagen zeer frisch, maar 's winters wat
koud moet geweest zijn; terwijl ook de bedstede zonder gordijnen geen
zeer behaaglijk aanzien had. Voor 't overige bestond de geheele inboedel
uit eene tafel en twee stoelen. Op den eenen zat de bewoner zelf, met
een blauwe bakkersmuts op het hoofd, een rood baaien buis aan 't lijf en
kousen van touwwerk aan de beenen. De andere stoel was met de
_garderobe_ des goeden mans beladen: zijn degen stond er tegen aan: zijn
pruik versierde den eenen en zijn hoed den anderen knop.

Het vereischte geen geringe mate van voorzichtigheid om den bewoner te
naderen: daar de vloer grootendeels bedekt was met boeken, wier
versletene, bemorste en gescheurde banden wel getuigden, dat de eigenaar
meer hun innerlijke waarde dan hun uiterlijken tooi op prijs stelde.

"Wel, Mijnheer Huyck!" zeide Helding, oprijzende en zijn kort, zwart
gebrand, pijpje uit den mond nemende: "neemt UEd. waarlijk zelf de
moeite? Waarom heeft UEd. de meid niet boven gestuurd: ik ware wel
afgekomen en vriend Heynsz had ons zijn zijkamertje wel afgestaan."

"'t Is misschien wat vrijpostig, dat ik zoo op kom loopen," zeide ik:
"maar de meid zeide mij, ik moest maar bovengaan. Ik kon niet nalaten,
mijn dank te betuigen voor de beleefdheid,..."

"Te veel eer, te veel goedheid," zeide Helding, terwijl hij mij zijn
stoel aanbood en den anderen ontdeed van de daarop geplaatste
kleedingstukken, die hij gezamenlijk op den bultzak in de slaapstede
wierp: maar wat ik UEd. bidden mag, neem toch eerst plaats, ik ben
geheel verlegen en confuus van de moeite die UEd. neemt om zoo tot de
hanebalken op te klimmen.--Ik woon hier wat hoog."

"Wel! dat is als het behoort," zeide ik, lachende: "een poëet kan niet
te dicht bij de Goden huizen."

"UEd. gelieft te schertsen," antwoordde hij: "maar waarlijk, het is hier
te hoog. Voor mij is dit niets: ik ben dit gewend: alleen 's winters kan
het hier wel wat bar zijn; doch ik blijf er gezond bij en vroolijk. En
waarmede zal UEd. gediend zijn? Nectar of ambrozijn is hier niet te
bekomen; maar ik heb toch nog een paar flacons echten cognac, die mij
overgebleven zijn van een vereering, mij gedaan door den waardigen Heere
Willem De Bron, toen ik een dichtstuk gemaakt had op zijn gouden
bruiloft."

Ik kon niet nalaten bij mij zelven te lachen over de niet onaardige
wijze, waarop Helding, terwijl hij mij beleefdheid aandeed, tevens de
gelegenheid te baat nam, om mij te kennen te geven, dat hij gewend was,
zijn liederen met een _cadeau_ betaald te zien. Ik zocht mij met dat al
jegens hem te verontschuldigen, zeggende, dat ik, zooeven van tafel
komende, niets verlangde; maar het was vruchteloos praten; de gulle man
kreeg een der kostbare fleschjes van onder zijn bedstede voor den dag en
vulde daar twee kleine kelkjes mede, waarna hij mij zwijgend aanzag, als
wilde hij zeggen: "nu ben ik gereed uw lofspraken aan te hooren."

Ik liet hem ook niet lang in verlegenheid: en wetende, dat de menschen
in 't algemeen en de dichters in 't bijzonder nog liever gevleid dan
geprezen worden, zwaaide ik aan het flauwe voortbrengsel zijner Muze
meer lof toe dan ik aan de beste verzen van Vondel zou geschonken
hebben. Ik schaamde er mij wel wat over, maar wat zoude ik doen? de man
had mij zulke onverdiende loftuitingen op rijm vereerd, dat ik hem wel
met gelijke munt in proza diende te betalen. Hij hoorde mij zwijgend
aan, met een glans van genoegen op het gelaat, nu en dan het bovenlijf
buigende, en bij poozen een slokje uit zijn glaasje nemende, hetgeen hij
met zooveel welgevallen scheen te proeven, dat het mij twijfelachtig
voorkwam, wat hem beter aanstond, de lofspraak of de brandewijn.

"Ach Mijnheer!" zeide hij, toen ik mijn kraam van complimenten had
uitgeput: "dachten alle menschen in Holland zooals UEd. en legden zij
allen zulk een juist oordeel en zulk een fijnen smaak aan den dag, het
zou er wat beter met ons Muzenzonen uitzien. Maar helaas! daar is in de
zeven Provinciën geen liefhebberij voor de dichtkunst meer."

"De Heer Blaek," zeide ik, "schijnt u nogal te beschermen."

"De Heer Blaek," antwoordde Helding, "is een waardige schutsheer der
letteren en ik ben hem groote dankbaarheid verschuldigd. Jammer maar,"
vervolgde hij, een weinig bijschuivende, "dat hij zooveel zaken in het
hoofd heeft en daardoor somtijds zoo stil is, zoo afgetrokken. Soms
gebeurt het, dat ik hem de beste regels voorlees, die ik ooit
vervaardigd heb, en wanneer ik aan het einde ben en een klein compliment
verwacht, dan schijnt hij ais uit een droom te ontwaken, en vraagt aan
zijn zoon, hoe de wisselkoers op Genua is, of welken prijs de koffie op
de laatste veiling gehaald heeft."

"Maar zijn zoon dan?" zeide ik, zoetjes aan het gesprek op Henriëtte
wenschende te brengen.

"Zijn zoon is een knap jong mensch! vol vernuft en geest; maar zoo wild!
nu, de jeugd mag wel wat los zijn: hij schept er altijd vermaak in, den
ouden Helding wat te plagen. Soms fluit hij een deuntje, terwijl ik aan
't voorlezen ben, of maakt proppen en broodballetjes en knipt mij die
tegen den neus. Ja! er zijn geen poetsen, die hij mij niet speelt. Heeft
hij mij laatst niet buiten mijn weten een scharlaken lap op den rug
gespeld en _quasi_ om een boodschap aan den pluimgraaf, naar de
menagerie gestuurd, waar de kalkoenen mij aanvlogen als dol? En een
andere reize, toen ik een lichtkleurige broek aanhad, stuurde hij zijn
honden een moddersloot in en liet die vervolgens tegen mij opspringen,
zoodat ik, geen andere kleding bij mij hebbende, den gansenen avond voor
het keukenvuur heb moeten zitten om mij te drogen, en zeker niet weer in
de zaal had durven verschijnen, indien Mejuffrouw Henriëtte, van mijn
ongeval gehoord hebbende, zich mijner niet ontfermd had en mij uit de
oude plunje van haar oom een ander kleedingstuk had opgeschommeld.
Zooals ik zeg: het is een vroolijk Heer; maar ik moet het van hem wel
verdragen! wij zijn zulke oude kennissen: en hij heeft soms wilde buien
ook."

Ik schudde het hoofd en beklaagde bij mijzelven den armen man, die op
zijne jaren om een aalmoes zulke vernederingen dulden moest. "En
Mejuffrouw Blaek," zeide ik toen: "zij althans schijnt u zeer genegen."

"O Mijnheer! Een engel is zij. Wel is waar, zij vat niet altijd de fijne
knepen der poëzie! maar anders, een hart heeft zij ... zooals geen
meisje uit de stad. Ja! zoo dat eens een huwelijk geeft, de Heer
Lodewijk zal dan een juweeltje van een vrouw aan haar hebben, dat
verzeker ik u."

"Is dat huwelijk reeds bepaald?" vroeg ik, eenigszins onrustig.

"De oude Heer zou het gaarne zien; maar, tusschen ons gezegd," vervolgde
hij op een vertrouwelijken toon: "de Heer Lodewijk wil, geloof ik, zijn
vrijheid nog wel wat behouden: ja! ja! dat geeft somtijds onpleizierige
tooneelen; maar, ik mag niet uit de school klappen. Eergisteren onder
anderen, toen UEd. Guldenhof verlaten hadt, was het er vrij onstuimig
... ja! de oude Heer heeft niet gaarne dat andere jongelieden hun hof
aan Juffrouw Jetje maken. Zoo ik mij op uwe bescheidenheid verlaten kon,
zou ik UEd. kunnen verhalen, wat er bij die gelegenheid voorviel."

Ik antwoordde niets; want, ofschoon vrij nieuwsgierig, wilde ik den man
niet aanmoedigen om familietwisten, waarvan het toeval hem getuige had
gemaakt, aan mij te openbaren. De brandewijn had intusschen op Helding
zijn invloed uitgewerkt en hem spraakzaam, of liever, openhartig
gemaakt. Hij nam mijn stilzwijgen op als een bewijs van toestemming en
ging aldus voort:

"Pas was UEd. uit het oog, of daar begon het lieve leven. De Heer Blaek
zette een gezicht, zooals hij alleen bij feestelijke gelegenheden doet:
"past het een fatsoenlijk, welopgevoed meisje," vroeg hij, "met een jong
Heer alleen te zitten en drank met hem te gebruiken?" Toen sloeg mijn
lieve Flora (ik ben schertsenderwijze gewoon haar Flora te noemen) haar
oogjes neder en zeide: "Oom! ik heb geen drank geproefd: ik heb zelfs
geen woord met den Heer Huyck gesproken, eer hij zich bekend gemaakt
had."--Dat lieve stemmetje had de gewone uitwerking: en de
omstandigheid, die zijn nicht hem mededeelde, scheen den ouden Heer een
pak van 't hart te nemen. "Zoo!" zeide hij, "had je hem nooit meer
gezien? Maar hoe weet je dan, of hij u geen knollen voor citroenen in
handen gestopt heeft: gij deedt beter, niet meer zoo alleen naar den
koepel te gaan; er zwerft zooveel slecht volk tegenwoordig langs den
weg, en een gauwdief neemt alle namen aan. Baas Roggeveld heeft ons
immers nog verteld van die inbraak. 't Is zeker volk van de bende van
Zwarten Piet. En dan kleeden zich die schelmen soms als Heeren en
sluipen in de huizen, om te zien, of er iets van hun gading is."--"Ja!"
zeide de Heer Lodewijk: "en wanneer zij niets anders vinden, pakken zij
de mooie meisjes ook al mede."--Ik kan u zeggen, Mijnheer Huyck, het
denkbeeld deed mij schrikken! verbeeld u, mijn aanbiddelijke Flora,

     Een pronkstuk dat het oog van ieder kan betooveren
     Ontschaakt door 't gruwzaam feit van goddelooze rooveren,
     Gelijk de schoone, die Alcides had geroerd,
     Bij ('k weet niet welken) stroom door een Centaur ontvoerd.

En zoo vroeg ik, of het ook zaak ware, al het fraais, dat de koepel
bevatte, naar huis te voeren: "want," zeide ik:

     "Want, Heer! geloof mij, volle kasten
     Zijn niet vertrouwd bij zulke gasten."

"Maar meisje! meisje!" zeide de oude Heer al wederom: "hoe kon je toch
zoo onvoorzichtig zijn, dien man hier binnen te laten?"--

"Wel," zei Juffrouw Jetje: "ik heb hem niet binnengelaten: hij is hier
vanzelf gekomen. Ik kon hem toch niet wegjagen: of had ik naar huis
moeten vluchten en kletsnat worden en den koepel open laten staan voor
een iegelijk? Maar ik kon immers wel zien, dat hij een fatsoenlijk man
was."--"Taratata!" zei toen de oude Heer: "wat gaat dat mondje weer rad.
Nu geef mij maar een zoen, Jetje! wij zullen er niet meer over spreken.
Het is eigenlijk de schuld van Lodewijk: die had hier al lang moeten
zijn om u af te halen, maar hij heeft zijn tijd met Helding op het
biljart verbeuzeld. Kom Lodewijk, geef je nicht een arm."--"Neen," zei
mijn lieve Flora: "ik weet wel, dat Lodewijk liever alleen loopt.
Helding zal mijn cavalier zijn, zoo hij wil, en zijn regenscherm hem
niet hindert."

"Wel," zei ik, "al had ik er duizend te dragen, en nog als Atlas een
wereldbol bovendien op mijn schouders, ik zou mijn last niet tellen om
zulk een eer te mogen genieten:"--en zoo streek ik met de Juffrouw naar
huis: terwijl de oude Heer niets deed als Lodewijk zuur aankijken, en
Lodewijk een deuntje floot.--En och heden! ik kan het u wel zeggen,
Mijnheer Huyck! UEd. zal er toch geen misbruik van maken: ik weet heel
goed, wat het liedje was, daar hij de wijs van neuriede, en waarom de
oude Heer er zoo korzelig over was. Het is omtrent zoo:

     Ja! Zij is aardig, jong en teer;
     Maar 'k min de gulde vrijheid meer.
          Ik wil, ik wil haar niet.
     Een breidel knelt, ofschoon van goud:
     Te vroeg getrouwd, te laat berouwd.
          Ik wil, ik wil haar niet.

En dat maakte ook, dat de oude Heer geen woord sprak over tafel en dat
zij 's avonds vrij wat woorden hadden met elkaar. 't Was goed, dat zij
beiden gistermorgen ieder op zijn eigen gelegenheid naar de stad
keerden, en daardoor de twist niet hervat kon worden.--Intusschen: de
oude Heer is danig op die verbintenis gesteld, en als de Heer Lodewijk
wat wijzer en bedaarder is geworden, zal hij zijns vaders zin toch wel
doen.--'t Is maar niet pleizierig, dat het zooveel gehaspel geeft;--maar
in 's hemels naam: mondje dicht, Mijnheer Huyck!"

"Geen woord zal er van over mijn lippen komen," zeide ik:--"maar mij
dunkt, dergelijke tooneelen en een dergelijk vooruitzicht moeten voor
Mejuffrouw Blaek allesbehalve aangenaam zijn."

"Dat is waar," hernam Helding: "maar zij heeft het anders kostelijk bij
haar oom. 't Is hartje wat lust je, mondje wat begeer je? De oude Heer
heeft haar lief als den appel van zijn oogen. En zij verdient het; want
zij is een engel. Och! als ik haar zoo aanzie!..." hier hield hij ineens
op, schudde het hoofd, zag voor zich: en een paar tranen rolden den
ouden man langs de wangen.

"Wat schort er aan?" vroeg ik, eenigszins verbaasd over deze verandering
in 's mans gemoedsgesteldheid, en niet wetende, waar ik zulk een
plotseling opgekomen droefgeestigheid aan had toe te schrijven.

"Och!" hernam hij met een zucht: "als ik haar aanzie, dan herinner ik
mij altijd mijn Klaartje:... dat was ook zulk een lief vroom kind, en
had ook zulk een paar groote vriendelijke oogen, evenals zij.--Och ja!
zoolang zij bij mij was, ging het mij nog goed en leefde ik niet in
ellende en eenzaamheid zooals thans: en schoon wij het niet breed
hadden, wij waren tevreden: alles was altijd netjes en knap om mij heen:
Klaartje verdiende ook wat voor de huishouding: en als zij dan te huis
was van den winkel, en over mij zat om een muts of hoed op te maken, en
luisterde naar mijn verzen,--kijk! dan was ik zoo gelukkig, dat ik het
met geen Burgemeester zoude geruild hebben; maar nu is dat alles
voorbij; ik leef alleen en verlaten en niemand bekommert zich over den
armen Helding.--'t Is waar, ik heb den naam van een vroolijke snaak te
zijn:--en dat ben ik ook, in gezelschap; omdat ik van aard gezellig hen
en die droevige gedachte dan uit het hoofd stel. Maar als ik alleen ben,
och! dan heb ik soms bange oogenblikken." "Gij hebt dus het ongeluk
gehad, uw dochter zoo jong te verliezen?" vroeg ik deelnemend.

"Te verliezen, juist Mijnheer!" antwoordde hij, somber voor zich ziende.

"Zulk een verlies is zeker onherstelbaar," zeide ik: "maar de
herinnering aan de goede hoedanigheden der afgestorvene zal hij u toch
niet louter pijnlijke, maar ook wel zachte en streelende aandoeningen
verwekken."

"Der afgestorvene!" herhaalde hij: "gave de hemel dat zij gestorven
ware!... ofschoon het mogelijk is ... ik weet het niet.--Neen, Mijnheer,
zij is mij niet door den dood ontvallen. Zij heeft mij verlaten, mij,
haar vader, die haar zoo liefhad. Zij is de wijde wereld ingegaan:--en
wat is de wijde wereld anders voor een jong meisje als zij was, dan de
verderfenis?--Doch ik moest daarover niet spreken:--het is alles
wellicht mijn schuld: ik had haar beter gade moeten slaan. Vergeef mij,
Mijnheer! het past mij niet, u over mijn eigen leed te onderhouden."

"En waarom niet?" vroeg ik, een innig medelijden met den man gevoelende:
"het geeft altijd troost, zijn pijnlijke gedachten te kunnen uitstorten
bij iemand, die het wel met ons meent."

"Neen, Mijnheer!" zeide hij, met meerdere waardigheid dan ik gedacht
had, dat hij kon aannemen: "er zijn rampen van dien aard, dat haar
mededeeling geen troost kan aanbieden.--Er is slechts één ding, dat mij
opbeuring zou kunnen geven, en dit zou het bericht zijn, dat zij van den
slechten weg, dien zij bewandelt, ware teruggekeerd. Och! dat het
verloren schaap berouwhebbend weder bij mij kwame! Ik zou haar immers
weer aan mijn hart drukken en alles zou vergeten en vergeven zijn: zij
zou mijn armoedje deelen: en misschien beleefden wij nog gelukkige
dagen."

"Maar, zoo ik vragen mag, hebt gijzelf geene pogingen gedaan om haar op
te sporen en van het doolpad af te brengen?"

"Och Mijnheer!" antwoordde hij, de schouders ophalende: "tot zulke
nasporingen is geld noodig: en dat heb ik niet. Ik ben al meer dan eens
bij den Onderschout over de zaak geweest; maar die wil er niets aan
doen, en zegt, dat hij wel dagwerk zou kunnen krijgen van al de meisjes
op te zoeken, die de Breeveertien op zijn."

"Nu," zeide ik, "zoo de Onderschout u niet wil voorthelpen, waarom zijt
gij dan niet tot mijn vader gegaan?"

"Tot den Ed. Gestr. Heer Hoofdofficier! Ho! dat durfde ik zoo niet: dat
ware te onbescheiden geweest."

"Onbescheiden!" herhaalde ik: "onbescheiden om mijn vader in zijn
ambtsbetrekking te spreken?--Zoo gij daarvoor vreest, dan wil ik uw
boodschap wel doen."

"Wel! ik zou UEd. de moeite niet hebben durven vergen; maar och ja! doe
dat, Mijnheer Huyck! Ik zal er u levenslang voor dankbaar zijn."--En de
tranen glinsterden den man in de oogen, terwijl hij mijn handen drukte:
"Och!" vervolgde hij, "wat heb ik een gelukkige ingeving gehad, van UEd.
dat gedicht te zenden; anders ware ik nooit met UEd. in kennis
gekomen.--Ik was eerst al huiverig, of UEd. het niet te gebrekkig zoudt
vinden; want ik had het nog niet in mijn vriendenkrans voorgelezen en
het was dus nog onbeschaafd."

"Is dat anders uw gewoonte?" vroeg ik, eenigszins verwonderd, want ik
was niet op de hoogte van de manier, die onder onze zoogenaamde dichters
heerschte.

"Welzeker, Mijnheer!--Wij hebben een vereeniging om de veertien dagen,
waar de braafste dichtgeesten der stad leden van zijn: daar lezen wij
onze verzen voor en ieder maakt zijn aanmerkingen: en dan worden de
zwakke regels naar het gevoelen der meerderheid verbeterd.--O! het is
een zeer vermakelijk gezelschap! Mijn eenig leedwezen is, dat ik de
vrienden niet tot mijnent kan ontvangen; want helaas! dat gedoogen mijn
omstandigheden niet. Anders, wij mogen een gast inleiden: en ik zou mij
het tot eer rekenen,... maar het ware al te onbescheiden, zoo iets te
durven hopen."

"Wel, waarom dat?" zeide ik lachende, en in de veronderstelling, dat
daarvan wel nooit iets komen zou: "ik zou zeer gaarne dien krans eens
bijwonen.--Maar het wordt mijn tijd, Mijnheer Helding! en ik zal u
verlaten.--Nu! ik beloof u, ik zal uw zaak ter harte nemen."

Helding hernieuwde zijn betuigingen van dankbaarheid en van vreugde over
de eer van mijn bezoek: en, na de twee dukaten behendig in mijn kelkje
te hebben laten vallen, wilde ik mij verwijderen; maar, ondanks mijn
tegenzeggen, begeerde hij volstrekt mij uitgeleide te doen en mij op de
trap voor te gaan, waarvan hij door dagelijksche gewoonte best in staat
was mij de afgesleten treden aan te wijzen. Halverwegen gekomen, waar
een klein zijportaaltje naar de deur eener voorkamer geleidde, hield hij
stil en luisterde.

"'t Is of men het daarbinnen niet eens is," zeide hij, op de gesloten
deur wijzende.

"Inderdaad," zeide ik: "mij dankt, er vallen hooge woorden." En ik stond
insgelijks stil; want de stemmen kwamen mij bekend voor.

"Het is, zoo waar ik leve, de Heer Lodewijk Blaek!" zeide Helding:
"misschien zocht hij mij en heeft hij zich eene verdieping vergist."

"Stil!" zeide ik, met drift, terwijl ik aandachtig luisterde:--ik hoorde
een vrouwenstem, welke ik verre was van hier te verwachten, met kracht
de navolgende woorden zeggen:

"Nog eens, Mijnheer! ik verzoek u dit vertrek te verlaten, of gij zult
mij dwingen om hulp te roepen."

"Is het wel mogelijk!" riep ik: en terstond, door een onwillekeurige
gemoedsbeweging voortgestuwd en zonder over de gevolgen na te denken,
stootte ik de deur open en trad binnen. Ik had mij niet bedrogen. Midden
in het vertrek stond Amelia, met vlammende oogen en in een houding,
eener vorstin waardig, en wees met uitgestrekten arm de deur aan
Lodewijk Blaek, die volstrekt niet genegen scheen aan den wenk te
voldoen.

Mijn binnenkomst veroorzaakte geen geringe uitwerking. Amelia herkende
mij terstond; zij kleurde even: en haar arm latende vallen, deed zij een
schrede zijwaarts naar mij toe, als wilde zij zich onder mijn
bescherming stellen.

"Wie is daar?" vroeg Lodewijk, die met den rug naar ons toe stond en
zich eensklaps omkeerde: hij herkende mij, verschoot van kleur, maar
herstelde zich dadelijk en zag beurtelings Amelia en mij aan met een
schamperen glimlach.

"Aha!" zeide hij: "ziedaar een welkomer gast! Nu zie ik inderdaad, dat
ik het veld zal moeten ruimen."

Ik gevoelde de noodzakelijkheid, een poging aan te wenden, om zijn kwade
vermoedens weg te nemen.

Mijnheer!" zeide ik, "gij bedriegt u. Ik verklaar u als man van eer: ik
was onbewust dat deze Juffer hier woonde, en, van een bezoek bij den
Heer Helding terugkomende, vond ik mij genoopt binnen te treden, omdat
ik mij verbeeldde, dat hier iemand onbehoorlijk behandeld werd."

"Mijnheer!" zeide Lodewijk: "zoo ik het ben, wien gij een onbehoorlijke
handelwijze toeschrijft, dan zult gij mij rekenschap van die uitdrukking
geven."

"Ik zeide alleen, dat ik mij zulks verbeeldde," hernam ik, ongezind mij
een noodeloozen twist op den hals te halen: "Mejuffrouw alleen kan hier
beslissen of mijn vermoeden ongegrond was."

"O! _Mademoiselle_ zal u wel gelijk geven," hernam Lodewijk, met
bitterheid: "want dat gij, die met haar in de stad zijt gekomen, niet
zoudt weten, waar zij zich ophield, dat zult gij mij toch niet
wijsmaken."

"Wees voorzichtig!" zeide ik, gevoelende dat ik warm werd: "ik ben niet
gewoon, dat iemand aan de waarheid mijner gezegden twijfelt."

"Om 's Hemels wil! Mijnheer Lodewijk! Mijnheer Huyck! bezit uw zielen
toch in lijdzaamheid:" riep Helding, angstig tusschen ons intredende;
"verstaat elkanderen:

     En laat geen dwaze drift u beider ziel doen blaken!"

"Gij hebt mij geaffronteerd!" zeide Lodewijk, de hand aan zijn degen
slaande: "en gij zult er mij rekenschap van geven."

"Wanneer gij wilt," hernam ik in drift: "maar wij zullen eerst beiden
dit huis verlaten en aan Mejuffrouw het bijwonen van zulke ergerlijke
tooneelen besparen."

"Tot uw dienst," zeide Lodewijk, zich den hoed in de oogen drukkende, en
Helding, die hem bij den arm hield, ter zijde schuivende.

"Een oogenblik!" riep Amelia, zich snel bij de deur plaatsende:
"Mijnheer! vervolgde zij tot Lodewijk: "ik heb u zooeven verzocht mij te
verlaten: thans begeer ik, zoo gij prijs stelt op den naam van een
fatsoenlijk man, dat gij mij nog een oogenblik aanhoort. Deze Heer heeft
de waarheid gesproken. Hij wist niet, hij kon niet weten, dat ik mij
hier in huis bevond. Hoe gij mij hebt weten uit te vorschen, is een
raadsel, dat ik niet verlang te onderzoeken. Ik weet niet, welke
gedachten gij omtrent mij koestert en wil die ook niet kennen; maar dit
verklaar ik u, dat alle beleedigende uitlegging, welke gij aan mijne
korte kennis met den Heer Huyck zoudt willen geven, op verkeerde gronden
berust."

"Dacht ik het niet?" zeide Lodewijk: "_Mademoiselle_ is te beleefd om
Mijnheer tegen te spreken."

"UEd. ziet het, Mejuffer!" zeide ik: "deze Heer wil geen rede verstaan
en heeft vast besloten om uit al wat hij ziet of hoort, valsche
gevolgtrekkingen te maken."

"Waarlijk, Mijnheer Lodewijk!" zeide Helding: "UEd. is in dwaling: het
was wel degelijk aan mij, dat de Heer Huyck een bezoek kwam geven! en
ZEd. zou deze deur stilletjes zijn voorbijgeloopen, indien ik ZEd. niet
op het gerucht opmerkzaam had gemaakt."

"Mijnheer!" zeide Amelia, zich tot den dichter wendende: "gij zijt een
man van jaren: ik bid er u om: vereenig u met mij, om dezen Heeren te
verzoeken, mij te verlaten, en te vergeten dat zij mij ooit gekend
hebben."

"Kom Helding! gij hoort het," zeide Lodewijk, spottende: "neem mij dan
bij den arm en gooi mij de deur uit."

"Het is genoeg, Mijnheer!" zeide ik: "gij hebt verstaan, dat Mejuffrouw
alleen wenscht te zijn: en gij zult haar verlangen eerbiedigen zoowel
als ik: en zoo gij daaraan niet vrijwillig voldoet, zal ik zoo vrij zijn
te doen, wat gij aan Monsieur Helding voorstelt."

Onder het uitspreken dezer woorden nam ik hem bij den arm, an er ware
ongetwijfeld een tooneel van geweld op gevolgd, toen de deur weder
openging en Heynsz, de huisheer, in eigen persoon binnentrad.

"Mij dunkt," zeide hij, "dat men het hier niet eens is, en dat hier meer
leven gemaakt wordt, dan betaamt in een fatsoenlijk huis. Ik wist niet,
_Mademoiselle_! dat UEd. ontving zulke drukke visites. Had ik kunnen
raden dat dit was uw habitude, ik had u niet verhuurd deze
appartementen; want ik ben niet gewoon... maar wat zie ik? Mijnheer
Blaek! gehoorzame dienaar. Hoe vaart uw Heer vader? mijn goede vriend
Helding ook al hier! Mijnheer Huyck! welkom in 't Vaderland! Maar mag ik
weten, wat dit alles heeft te beduiden?"

"O! niets ter wereld!" zeide Lodewijk: "ik kwam aan de Juffer een bezoek
geven; en Mijnheer begrijpt dit kwalijk te moeten nemen."

"Monsieur Heynsz," zeide Amelia met waardigheid: "ik heb deze kamer van
u gehuurd en dit geeft mij recht om te vorderen, dat ik er mijn vrijheid
op moge genieten."

"Uw vrijheid! _Certainement_!" zeide Heynsz, die haar verkeerd begreep:
"niemand kan u verbieden, te ontvangen _visites_; maar dit huis heeft
altijd _gejouisseerd_ van een _honnetten_ naam: en ik logeer geene
dames, die ... die meen ik ... Heeren bij zich ontvangen. UEd. verstaat
mij?"

"Neen, Mijnheer! ik versta u niet," antwoordde Amelia, terwijl zij
kleurde van schaamte en verontwaardiging: "en gij verstaat mij nog
minder: "ik begeer juist vrij te zijn om _niemand_ te ontvangen: en als
Heer des huizes zult gij mij verplichten, zorg te dragen, dat niemand
mijne kamer kome oploopen alsof ... het een herberg ware. Ik wil alleen
zijn, en zoo mij dit niet vergund wordt, zal ik naar een ander verblijf
moeten uitzien."

"Mij dunkt," zeide ik, Heynsz aanziende, "dat Mejuffer niets onbillijks
vordert."

"Integendeel!" zeide hij: "zij spreekt als een boek: ik was in erreur.
Allons! Mijne Heeren: gij hebt gehoord de intentie van Mejuffer. Kom,
vriend Helding! opgemarcheerd."

"Ik heb de eer nederig mijn compliment te maken aan het geëerd
gezelschap," zeide Helding, terwijl hij rondboog met de blauwe muts in
de hand, en vertrok.

Gerustgesteld door de tegenwoordigheid van Heynsz, in wiens bijzijn ik
begreep, dat Amelia geene beleediging te vreezen had, maakte ik
insgelijks een buiging en verliet de kamer, doch bleef in 't portaal
staan, daar ik Blaek niet wilde ontloopen.

"Vaarwel, fiere schoone!" zeide deze, die nu wel inzag, dat hij voor het
oogenblik alle hoop moest opgeven: "het doet mij recht leed, dat ik u
misschien gedwongen heb te veinzen, dat gij met dien Heer niets
uitstaande hadt. Nu! ik begrijp, dat hij de oudste brieven heeft, en zal
u heden niet meer lastig vallen.--Mijnheer Huyck! gij gaat nog niet
heen! Ik heb u twee woorden te zeggen."

"Ik wachtte u," zeide ik, langzaam voor hem uit de trappen afdalende.

"_Eh bien_! wat zal dat zijn?" riep Heynsz, ons achternavolgende: "de
Heeren zullen immers zoo dwaas niet zijn, op straat te maken rusie!
Indien zij nog quaestie samen hebben, mag ik dan verzoeken, dat zij
komen in mijn zijkamer en daar bedaard met elkander spreken over deze
_affaire_."

Onder het uiten dezer woorden was hij ons reeds voorbijgeschoten, en,
terwijl hij de voordeur met de eene hand dichtsloot, opende hij met de
andere die van de zijkamer. Er zat dus niets anders op dan aan zijn
verzoek te voldoen. Ik ging dadelijk binnen en bleef tegen den rug van
een stoel leunen, in afwachting van hetgeen volgen zoude. Lodewijk trad
mij eenigszins schoorvoetende en mompelende na, en hield zich, als ware
hij verdiept in de beschouwing van eenige portretten, die aan den wand
hingen. Toen trad Heynsz binnen, sloot voorzichtig de deur achter zich
toe, schoof stoelen aan en zette zich in een armstoel, met al de
deftigheid van een Turkschen Pacha: en ik kon niet nalaten van bij
mijzelven te lachen om de vergelijking, welke ik maakte tusschen den
gehoorzamen ambtenaar, die de bevelen van den Hoofdschout staande en
zonder tegenspraak aanhoorde, en den deftigen huisheer, die des
Hoofdschouts zoon in 't verhoor ging nemen.

"Mijne Heeren!" zeide hij, zoodra wij alle drie gezeten waren: "ik weet
bij eigene experientie, waartoe jeugdige passie kan vervoeren ons allen.
Ik heb daar exempels van gezien bij menigten. De Heeren weten, dat ik al
wat _traversen_ en _recontres_ heb gehad." "Met verlof," zeide Lodewijk,
de beenen over elkander kruisende, en op zijn horloge ziende: "kunt gij
het niet wat kort maken? want ik moet te zes uren bij La Place zijn om
een paar harddravers te probeeren, en het is nu al kwartier."

"Het is verre van mij, UEd. te willen ophouden," hernam Heynsz: "alleen,
mag ik zoo vrij zijn van u te vragen, wat het motief is van de
quaestie?"

"Ik ben niet gewoon," zeide Lodewijk, "bij een zaak van eer andere
lieden in te halen, dan Cavaliers van mijn stand."

"Wat mij betreft," zeide ik, "ik wil gaarne Sinjeur Heynsz tot
scheidsman nemen: zijn stand of de onze doet hier niets toe: hij heeft
recht te onderzoeken, wat er in zijn huis is voorgevallen: en, oprecht
gesproken, ik acht het voor alle partijen verkieslijker, dat over deze
zaak buiten af geen gewag gemaakt worde. Ik ben dus bereid, alles,
zooals het zich heeft toegedragen, te verhalen: en dan zal de Heer Blaek
zelf bespeuren, dat er eigenlijk geen reden tot geschil bestaat."

"Zoo gij mij liever verschooning wilt vragen, dan met mij een wandeling
buiten de poort te doen, dan zeker is alles spoedig gevonden," zeide
Lodewijk, mij spotachtig aanziende.

"Ziedaar, wat wij nader zien zullen," zeide ik: "laat mij, als 't u
belieft, eerst uitspreken. Ik begin met te bekennen, dat UEd.,
oordeelende naar de omstandigheden, voor zooverre zij bekend zijn,
misschien aanleiding hebt kunnen vinden, om te denken, dat de Juffer
geen weerstand aan uw voorstellen zou bieden; maar, vergun mij UEd. te
zeggen, dat, toen zij u met nadruk verzocht, haar te verlaten, en UEd.,
in weerwil daarvan, haar met uw bijzijn lastig bleeft vallen, uw gedrag
niet langer te rechtvaardigen was."

"Voor den duivel!" riep Lodewijk driftig, "neemt gij het op dien
toon?--Bah!" vervolgde hij, lachende: "ik heb er wel honderd gekend, die
eerst zoo koppig waren als stieren en naderhand zoo mak als lammetjes,
zoodra ik de geeltjes liet klinken."

"Wel mogelijk!" hernam ik op een koelen toon: "maar dat zou niet licht
het geval worden met de Juffer hierboven. UEd. hebt haar door uw gedrag
beleedigd: en ik, door op het gerucht toe te snellen en haar partij te
nemen, heb niets anders gedaan dan hetgeen elk ander en UEd. zelf in
mijne plaats verricht zoudt hebben."

"Wel, niets was natuurlijker," zeide Lodewijk: "gij wildet gaarne uw
lief voor u alleen houden."

"Ik herhaal nogmaals, en op het plechtigst," vervolgde ik, "dat mijne
kennis aan haar slechts toevallig en zeer gering is, en dat ik verder
niets met haar uitstaande heb. Wat ons betreft, Mijnheer! wij hebben
elkander een paar woorden toegevoegd, waartoe de warmte van het gesprek
aanleiding heeft gegeven. Gold het ons alleen, ik zou niet aarzelen, u
voldoening te schenken: maar bedenk, dat wij in dit geval, om een
armhartig punt van eer, de reputatie van een fatsoenlijk meisje in de
waagschaal stellen: en dit betaamt noch u, noch mij."

"Braaf gesproken!" zeide Heynsz: "een fatsoenlijk meisje is het: haar
papa woont te Deventer: Van Beveren heet hij: zij is een nicht van den
Notaris Bouvelt, en had moeten logeeren bij hem; maar de man, hij is
heel ziek, en had daarom hier een kamer voor haar gecommandeerd."

"'t Is zeker wat verhevens! de nicht van een Notaris!" zeide Lodewijk,
zijn das ophalende en een gezicht zettende alsof hijzelf de neef ware
van den Grooten Mogol.

"Dat is hetzelfde, Mijnheer!" zeide Heynsz: "ik ben maar een
portretschilder; maar voordat iemand affronteere die Juffer, ik zelf
zoude opnemen haar defensie: ik heb ook de kling leeren maniëeren in
Frankrijk, en geëchangeerd kogels met luiden van goede _noblesse_. Wat u
betreft, Mijne Heeren! ik laat u niet van hier gaan, maar zal zenden een
boodschap aan uw ouders, zoo gij niet belooft aan mij, de zaak te
termineeren in goeden vrede."

"Gij zijt een onbeschaamde vlegel," zeide Lodewijk, driftig opstaande.

"Neen, Mijnheer! ik hen een portretteur," zeide Heynsz: "maar ik heb
genoeg experientie, om te weten hoe te handelen met lieden, die
_volontair_ zijn, als UEd."

"Ik wou wel eens zien, dat iemand mij hier hield," zeide Lodewijk, de
hand aan zijn degen slaande: "wat u betreft, Mijnheer Huyck! ik zie wel,
dat alle praatjes niet helpen. Ik zal u hedenavond nog een briefje
schrijven en u een plaats aanwijzen, waar wij de zaak kunnen vereffenen.
En nu, Heer Portretkladder: ruim baan! en maak de deur open, of ik rijg
u aan mijn degen."

"Bah!" zeide Heynsz, bedaard opreizend: "ik ben niet de waard uit het
Hagendoornsche Bosch."

"Wat bedoelt gij daarmede?" vroeg Lodewijk, terugdeinzende, terwijl zijn
gelaat zoo wit werd als papier.

"Ik bedoel daarmede, dat er geschieden dingen, die men waant niet te
zijn bekend, en die het resultaat zouden kunnen hebben, dat zekere
lieden, _bon gré mal gré_, op de binnenplaats van het stadhuis, onder
den blauwen hemel, zouden kunnen hooren voorlezen zeer onaangename
dingen."[6]

"Gij zult mij die woorden nader ophelderen," zeide Lodewijk, Heynsz bij
den arm nemende en ter zijde trekkende, als vreezende, dat ik iets van
het antwoord verstaan zoude.

"Direct!" zeide Heynsz: en tegelijk de deur openende, ging hij het
portaal in, waar Lodewijk hem volgde als een hond, die slagen heeft
bekomen. Heynsz fluisterde hem iets in het oor: en na een kort en
driftig gesprek, keerde de onstuimige jongeling terug en zeide, met een
heesche stem en zonder mij aan te zien:

"Wij zullen de zaken maar blauw blauw laten, Mijnheer Huyck! Ik ben wat
driftig geweest, en Sinjeur Heynsz heeft mij alles opgehelderd."

"Ik verlang niets liever," antwoordde ik, met een stijve buiging.
Lodewijk moffelde even aan zijn hoed, 't geen voor een groet moest
doorgaan, en vertrok.

"Door welke tooverspreuk hebt gij hem zoo mak gemaakt?" vroeg ik aan
Heynsz, zoodra deze terugkeerde.

"Ziedaar wat ik zou vertellen aan UEd., maar aan geen ander," zeide
deze: "die Sinjeur Blaek heeft onlangs met eenige _Compagnons, mauvais
garnemens comme lui_, den boel opgeschept in een nachthuis en den waard
gegeven een _coup d'épee_, waar de man van heeft moeten houden een maand
lang het bed. Die zaak is _geäpaiseerd_ omdat het waren jongelieden van
den fatsoenlijksten stand, en dat een van hen is geweest royaal genoeg
om te geven een goede som gelds. Maar deze Sinjeur Blaek, die eigenlijk
was het meest _coupabel_, heeft niets van zich doen hooren, en dacht,
dat niemand hem had verklapt. Nu heb ik hem gegeven te kennen, dat ik
die _affaire_ wist, haarklein."

"En schroomt gij niet," vroeg ik, "dat hij daardoor uw betrekkingen tot
de Justitie zal leeren kennen?"

"Geen nood: hij zal niet, al _soupçonneerde_ hij iets, daarvan spreken
durven. Ik heb hem gezegd, dat, zoo hij u molesteerde, het muisje zou
hebben een staartje."

"Ik ben u dankbaar voor de genomene moeite; maar toch ongaarne zoude ik
zien, dat hij mij voor een lafbek hield."

"Hoor Mijnheer Huyck! doe wat gij wilt op een andere plaats: dat kan ik
niet verhinderen; maar te mijnen huize zal, zoo ik helpen kan, uws
vaders zoon niet betrokken worden in eenige _querelles_. Voelt UEd.? Wat
behoeft dat _tumult_?"

"Het was niet uit vrees voor dien Heer Blaek, maar om den wille van de
Juffer, dat ik gerucht vermijden wilde."

"Bah!" zeide Heynsz, terwijl hij lachende den vinger omhooghief: "ik heb
te veel _experientie_ om mij te laten foppen. UEd. zal mij geen loer
draaien, zooals UEd. gedaan heeft den Heer Blaek. Ik
weet ook wel, dat UEd. op een beteren voet staat met die mamsel dan UEd.
wel weten wil."

"Wat!" zeide ik, onthutst: "gij weet...."

"Dat UEd. met haar van Naarden gearriveerd zijt! Of ik het weet ... maar
wees niet bang: ik weet wat ik moet zeggen of zwijgen. Ik zal het niet
oververtellen aan Papa."

Men kan zich licht voorstellen, welk een onaangenaam gevoel ik
ondervond, op de gedachte, dat ik van de bescheidenheid diens mans
afhing. Maar tevens begon ik vrees te voeden, of Heynsz ook van mijne
bekendheid met Amelia's vader bewust ware.

"Nu ja!" zeide ik op een onverschilligen toon: "ik heb met haar in de
Naarder schuit gezeten. Wat zou dat?"

"_Juste_! maar UEd. heeft niet gepasseerd den nacht te Naarden: evenmin
als zij."

Ik hield mijn oogen strak op hem gevestigd; maar ik kon niet doorgronden
of hij mij wilde toonen, dat hij het geheim wist, dan wel of hij het
integendeel zocht uit te vorschen. Ik begreep in allen gevalle zeer
voorzichtig en op mijn hoede te moeten zijn, en zeide, zoo bedaard als
in mijn vermogen was:

"Gij, die alles weet, gij weet toch niets, dat ten nadeele van die
Juffer kan strekken?"

"In het minste niet," antwoordde hij: "ware het anders, ik zou haar niet
logeeren in mijn huis. Ho! Ho! Men bedriegt niet Heynsz: ik badineerde
maar: doch _franchement_, indien het een ander ware geweest als UEd.,
die met haar had gemaakt de reis, ik zou toch nemen de moeite van mij te
informeeren, hoe gij beiden u zoo à _l'improviste_ bevondt te Naarden,
zonder dat iemand weet, hoe en vanwaar gij daar zijt gearriveerd."

Ik herleefde; want nu bleek mij, dat hij niets bepaalds wist. "Welnu!"
zeide ik, "daar wij geen van beiden verdachte personen zijn, noch
Mejuffrouw Van Beveren, noch ik, zoo raad ik u maar, u daarover niet
verder te bekommeren. Er zijn zaken van meer belang, die uw onderzoek
kunnen bezig houden."

Met deze woorden rees ik op, nam mijn afscheid en verliet het huis, niet
weinig ontevreden over het noodlot, dat mij scheen te vervolgen en tegen
wil en dank van het eene avontuur in het andere te halen en een rol te
doen spelen in allerlei zaken, waarmede ik niet verlangde iets te doen
te hebben.


NOTEN:


[5] De titel van Mijnheer werd in die dagen alleen aan aanzienlijken
gegeven: deftige leden uit den burgerstand heetten _Sinjeur_: en men
zeide _Monsieur_ tegen den zoodanige, voor wien bovenstaande benamingen
nog te verheven waren. Met _Mevrouw_, _Mejuffrouw_ en _Mademoiselle_ was
het ongeveer hetzelfde.

Noot van den uitgever.

[6] Aldaar werd voorheen het vonnis aan de ter dood veroordeelden
gelezen.

Noot van den Uitgever.


       *       *       *       *       *


VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

VERMELDENDE, HOE FERDINAND EN SUZANNA UIT LOGEEREN GINGEN EN WAT ER OP
HEIZICHT GEBEURDE.


Indien mijn waarde lezers het bovenstaande nauwkeurig hebben gelezen en
onthouden, zullen zij zonder veel moeite kunnen uitrekenen, dat de dag,
volgende op dien, waarop mijn ontmoeting ten huize van Heynsz plaats
had, een Zaterdag was, en wel die, waarop Tante Van Bempden mijn zuster
en mij zou komen afhalen om ons naar haar buitengoed te begeven. Niet
veel later dan negen uren hield haar koets voor onze deur stil, terwijl
Suzanna en ik reeds een geruime poos in de zijkamer hadden staan
draaien, onze zakuurwerken met de staande klok vergeleken, over den
juisten tijd gekibbeld, en het oneens waren geweest of de Muntklok voor-
of achteruitgezet was, en voor de tiende maal aan onze moeder haar
tienmaal herhaalde vraag, of wij niets hadden vergeten van hetgeen wij
buiten noodig hadden, beantwoord, en gegaapt en opgestaan en weer gaan
zitten en alle dergelijke belangrijke handelingen meer bedreven, die men
niet doet dan alleen wanneer men wacht en zich verveelt. Na afscheid
genomen te hebben van mijn moeder, die ons tot op de stoep vergezelde,
hielp ik Suzanna in het rijtuig, van waar mijn Tante haar reeds het
welkom toeriep. Ik hoorde mijn zuster een kreet van verbazing uiten,
stapte na naar het portier binnen, en, vond mij _nez-à-nez_ met ...
Mejuffrouw Henriëtte Blaek.

Intusschen gaven Govert en Aagt de kleine pakjes aan, die wij mede
moesten nemen: er was vrij wat drukte en bereddering: en ieder sprak te
gelijk.

"Wel, Jetje-lief! hoe vaar je? wel Tante! wat is dat een lieve
verrassing," zeide Suzanna.

"Hoe! gaat Juffrouw Blaek ook mede?" riep mijn moeder, van de stoep af,
terwijl zij minzaam goeden dag knikte: "wel Zuster! dat is een recht
aangenaam gezelschap, dat gij aan Santje bezorgt."

"Nietwaar, Zuster!" riep Tante weerom: "ja! ik wist wel, dat Santje niet
aarden kan zonder een kornuitje: en ik denk altijd: hoe meer zielen, hoe
meer vreugd."

"Goeden dag, Mevrouw Huyck!" riep Henriëtte: "is het niet een recht
lieve attentie van Mevrouw Van Bempden, dat zij mij wel mee wil hebben?"

"'t Is klaar Joris!" zeide de knecht, het portier sluitende.

"Vaartwel! Adieu!" klonk het over en weer: en het langzaam voortrollen
der koets maakte een einde aan de afscheidsgroeten.

Nauwelijks waren wij onderweg, of er ontstond eene oogenblikkelijke
stilte: en de verschillende _contenances_, die wij hielden, zouden zeker
niet onbelangrijk geweest zijn in de oogen van een derde, die met onze
innerlijke gevoelens ware bekend geweest. Wij zagen elkander beurtelings
aan: Tante Van Bempden met een blik van zegepraal over het welgelukken
van haar verrassingsplan: Suzanna met een paar oogen, waarin ik, bij de
vreugde over de ontmoeting van haar vriendin, tevens een schalksche
nieuwsgierigheid las, om te zien hoe wij ons zouden houden: Henriëtte,
die mij eerst vrij stijfjes gegroet had, met een eenigszins verlegen
blik. Wat mij betreft, ik was zoo uit het veld geslagen, dat ik niet
wist waarheen te kijken en de zotste figuur mogelijk maakte.

"Komaan!" zeide Tante: "Jetje-lief! nu moet ik u mijn neef Ferdinand
voorstellen. Ferdinand! Mejuffrouw Blaek."

"Ik heb reeds de eer van Mijnheer te kennen," zeide Henriëtte, met een
zoo korte hoofdbuiging en op een zoo drogen toon, dat ik geheel en al
van mijn stuk geraakte en kleurde tot achter de ooren toe.

"Hoe! kent gij mijn neef al?" vroeg Tante, met verbazing: "en hoe is dat
mogelijk? hij komt pas uit verre landen terug."

Ziende, dat Henriëtte op haar beurt een kleur kreeg en dat Suzanna op
haar zakdoek beet om niet te lachen, vatte ik eenigszins moed:
"Mejuffrouw," zeide ik, "is de eerste stadgenoot geweest, die ik op den
vaderlandschen grond ontmoet heb: en UEd. zal bekennen, dat ik het niet
gelukkiger treffen kon."

"Hoe varen Letje? en Keetje?" vroeg Henriëtte, zich naar Suzanna
wendende, als wilde zij mij de gelegenheid afsnijden om verder over onze
ontmoeting op Guldenhof uit te weiden.

"Wel! zeer wel!" zeide Suzanna, ons beurtelings met een verwonderden
blik aanziende: "zij zijn recht in haar schik met het moois, dat
Ferdinand haar gebracht heeft," (men ziet, dat zij mij met geweld in het
_discours_ wilde sleepen:) "wat mij betreft, ik ben maar half tevreden
over hem. Ik had gehoopt, dat zijn tochten hem wat zouden verbeterd
hebben; maar och! hij is te huis gekomen zooals hij gegaan is, behalve
dat hij deze reis geen pruik ophad."

"Welnu! wat wildet gij dan?" vroeg Tante, met haar gewone levendigheid,
en het gezegde van Suzanna voor goede munt opnemende: "hadt gij liever
gewild, dat hij terug ware gekomen als een vervreemde knaap, die zijn
eigen taal verleerd was en met medelijden of verachting op zijn
landgenooten en familie neerzag? Wij hebben, sedert de revocatie van het
Edict, al genoeg Fransche poedeljassen in het land gekregen: en het is
wel zaak, dat wij ten minste de vaderlandsche gewoonten blijven
voorstaan."

"Recht zoo Tante!" zeide Suzanna: "hoe is u de laatste preek van Talard
bevallen?"

"Santje! Santje!" zeide Tante, den vinger dreigend opheffende: "is dat
geoorloofd, aldus met uw tante te gekscheren, omdat ik nu van den
preektrant van Talard houde, waar onze predikanten wel een voorbeeld aan
mochten nemen. Ik geloof, dat ik mijn vaderland daarom even liefheb, al
ga ik nu en dan eens naar de Walekerk, waar zulk een onstichtelijk
gedrang niet is als in onze kerken."

"Neen; maar integendeel een zeer stichtelijk gesprek bij het uitgaan,
over alles behalve de preek. Laatst vroeg mij een diaken, dien ik niet
noemen zal, juist op het oogenblik, dat ik bij 't uitgaan, mijn gift in
't zakje deed, of ik veel engagementen had voor het bal van Mevrouw
Stoppelaar."

"Zoo, ja!" hernam Tante: "maar daar mij zulke vragen niet gedaan worden,
heb ik geen stof tot ergernis en blijf ik evengoed Hollandsch-gezind al
hoor ik nu en dan een Fransche predikatie."

"Zijn dat de fontanges, die UEd. uit Parijs hebt laten komen, Tante?"
vroeg mijn onverbeterlijke zuster, die evenals een echte visscher, nooit
kon nalaten de angelroede uit te werpen, waar zij er gelegenheid toe
zag.

"Dat is hetzelfde onbeschaamde meid!" zeide Tante, glimlachende: "ik
laat mijn fontanges uit Parijs komen, omdat zij hier niet goed gemaakt
worden, en ik zou er u haast naar toe sturen, om school te gaan en wat
eerbiediger te leeren worden jegens menschen van meer jaren."

"'t Is den moriaan geschuurd," zeide ik: "of UEd. haar al de les leest."

"Zoo! komt gij ook uit den hoek?" zeide Suzanna: "neen! dan is het geen
gelijke partij meer! want of ik Jetje al te hulp roep, die weet ik te
voren, dat mij altijd afvalt."

"Die overtuiging bewijst niet veel voor de deugdzaamheid van uwe zaak,"
zeide Henriëtte.

"Zeer nederig aangemerkt," zeide Suzanna.

"En ontegenzeggelijk waar," voegde ik er bij: "want Mejuffrouw Blaek kan
zeker nooit een zaak voorstaan dan die billijk en rechtvaardig is."

"'t Is jammer Jetje! dat wij in een rijtuig zitten," zeide Suzanna:
"anders zoudt gij zeker opstaan en nijgen, om voor zulk een fraai
compliment te bedanken."

"O! ik weet bij ondervinding, dat Mijnheer zeer mooie complimenten kan
maken," antwoordde Henriëtte, den toon van terughouding hernemende, die
mij zoozeer griefde.

"Waarlijk!" zeide Suzanna: "nu dan hebt gij, niettegenstaande uw korte
kennismaking, al meer goede hoedanigheden in mijn broeder ontdekt dan
ik: want ik had er hem nog niet op betrapt; maar dat geeft hoop op de
toekomst."

"Maar vertel mij toch," zeide Tante, die half naar dit laatste gedeelte
van het onderhoud geluisterd had en half gesnuffeld in een paar nieuwe
Engelsche boeken, die zij mede naar buiten nam: "waar en hoe hebt gij
elkander meer gezien? en laat dat gehakketeer toch eens varen."

Ik voldeed met weinige woorden aan haar verzoek; maar, in weerwil van
Tantes vermaning en hoe kort mijn verhaal ook ware, het haalde mij
ettelijke zetten en spotternijen van Suzanna op den hals, die nu eens
beweerde, dat ik een mannetje van zout ware en voor een klein
regenbuitje vreesde; dan weder, dat ik den regen slechts als een
voorwendsel had aangegrepen, om te zien; welke Juffer in den koepel zat;
dan, dat ik al zeer vrijpostige manieren had opgedaan om mij zoo in te
dringen op een plaats, waar ik niets te maken had, enz. Wat Henriëtte
betrof, deze scheen te lijden onder dit gesprek en antwoordde slechts
met ja en neen op de vragen, welke te dier gelegenheid tot haar gericht
werden, zoodat Tante haar houding begon op te merken en haar vroeg of
haar iets deerde, of het haar ook tochtte, of zij ook van plaats wilde
ruilen enz. Suzanna, die wel bemerkte, dat het hem daar niet zat, doch
de reden van Henriëttes handelingen volstrekt niet verklaren kon, werd
van zelf stil en zag mij zijdelings met eenige ongerustheid aan. Ik was
zelf ook lang niet op mijn gemak; maar, al mijn vermogens inspannende,
trachtte ik het zooverre te brengen, dat ik een andere wending aan het
onderhoud gaf en begon het een en ander over mijn reizen te vertellen.
Suzanna, die mijn oogmerk raadde, hielp mij dezen keer trouw voort.
Tante begon belang te stellen in hetgeen ik mededeelde: haar verbeelding
raakte met haar tong aan het wedrennen: en Henriëtte zelve, schoon
altijd min of meer schoorvoetende, mengde zich nu en dan in het gesprek,
glimlachte zelfs bij wijlen, doch verviel, telkens wanneer ik haar
bepaaldelijk toesprak, weder in haar afgepaste, koel beleefde houding.
Zoo duurde het, totdat wij aankwamen te 's Gravenland en het hek van
Heizicht binnenreden.

"Komt kinderen!" zeide Tante, zoodra het rijtuig had stilgehouden voor
de prachtige stoep, waarvan elke trede met kostelijke bloemgewassen
prijkte: "nu moet gij u zien te vermaken tot den etenstijd: want ik zie
daar al dezen en genen, met wien ik het een en ander te behandelen heb:
en ik vrees, dat mij de tijd zal ontbreken, om voor den eten met u op
den dril te gaan."

Wij zagen, dat zij gelijk had; want het voorhuis stond vol lieden, die,
met den hoed in de hand en onder beleefde buigingen, de eigenares van
Heizicht opwachtten. Daar was de timmerman van het dorp, met wien zij in
onderhandeling moest treden over den aanbouw van eenige nieuwe hokken
voor de pauwen en fazanten: de metselaar, die een steenen wal voor den
nieuwen achthoekigen vijver maken zou: de schilder, die een nieuwe verf
zou geven aan het zomerhuisje, zonder nog te gewagen van eenige
leveranciers uit Utrecht en Weesp, die zij besteld had en te woord moest
staan. Zij trad dan ook terstond in een zijvertrek, zonder zich den tijd
te gunnen van zich van hoed en mantel te ontdoen, en wenkte een der
aanwezige personen toe, haar te volgen. Wat de jonge dames en mij
betrof, wij begaven ons naar de kamers, welke wij betrekken moesten, en
waar de dienstboden ons goed brachten, en maakten ons toilet in
behoorlijke orde. Ik althans besteedde daaraan meer tijd en zorg dan
ooit te voren mijn geval was geweest: 't zij, dat ik verlangde wat knap
voor de oogen van Mejuffrouw Blaek te verschijnen, en een beter figuur
te maken, dan toen ik in mijn nat en versleten gewaad op Guldenhof voor
haar opdaagde, 't zij, dat de onaangename gewaarwording, die haar
koelheid bij mij verwekt had, mij belette den noodigen spoed te maken.
Zooveel is zeker, dat, toen ik geheel gekleed en in orde voor den dag
kwam en het huis uittrad om de balsemende buitenlucht te genieten, ik
mijn zuster reeds kant en klaar vond en druk bezig om een ruiker te
maken.

"Te deksel!" zeide Suzanna: "dat toilet heeft lang geduurd. Gij ziet er
uit, of gij uit een doosje kwaamt. En dat alles ter eere van Jetje
Blaek? Dan vrees ik, dat gij vergeefsche moeite doet; want ... maar zeg
mij toch, Ferdinand! zonder gekscheren, is er iets tusschen u beiden
voorgevallen? want ze wilde u nauwelijks te woord staan, en keek bij
wijlen zoo zuur, gelijk ik haar nog nooit heb zien doen." Dit zeggende
hadden de oogen mijner zuster, anders zoo spotacbtig en vroolijk een
uitdrukking van belangstelling, die mij wel bewees, hoe lief zij mij
innerlijk had, en hoe het haar hinderen zoude, indien ik door haar
vriendin niet naar verdiensten behandeld werd.

"Hoor eens, Santje!" antwoordde ik: "ik kan u thans niet alles zeggen;
maar zoo gij mij verplichten wilt, doe dan uw best en maak, dat ik, al
ware het maar een paar minuten, haar alleen spreke: en ik twijfel niet,
of alles zal wel in 't effen komen. Ikzelf gevoel insgelijks behoefte om
op een goeden voet met haar te blijven."

"Maar Ferdinand!" zeide zij, groote oogen opzettende: "nu! gij zult mij
dat wel nader ophelderen ... mij dunkt, dat gij in dat uurtje, op
Guldenhof doorgebracht, uw tijd niet verloren hebt."--En zij keek weer
even schalksch als gewoonlijk.

Op hetzelfde oogenblik werd ons gesprek afgebroken door de verschijning
van Henriëtte aan de voordeur, waar zij staan bleef, als in beraad of
zij zou naderen of terugkeeren; maar mijn zuster riep haar toe, of zij
niet mede eens rond zou wandelen: en met langzame schreden kwam zij de
stoep af.

"Kom! "zeide Suzanna, haar onder den arm nemende: "wij zullen ruim den
tijd hebben, de plaats rond te gaan, eer Tante heeft afgedaan. Laat ons
dit laantje ingaan: ik heb u heel veel te vertellen, en Ferdinand mag
meeloopen, mits hij niet luistere."

Wij draaiden een zijlaan in, en de twee jonge dames begonnen met
elkander te fluisteren, terwijl ik er naast liep, al bij mijzelf
peinzende, wanneer de gelegenheid, waar ik naar verlangde, zich zou
opdoen. Eensklaps stond Suzanna stil: "Wat ben ik toch een loszinnige
meid," zeide zij: "daar heb ik mijn zakdoek op het toilet laten liggen:
wacht! ik ben dadelijk terug." En zonder meer keerde zij zich om, en
liep, vlug als een hinde, weder huiswaarts, ons toeroepende, dat wij
maar langzaam zouden opwandelen, dat zij ons wel zoude inhalen.

"Maar Santje!... wil ik niet met u gaan?" riep Henriëtte haar achterna,
en was reeds van zins haar te volgen.

"Blijf maar! Ferdinand zal u niet opeten," zeide Suzanna van verre: en
Henriëtte, ziende, dat er niets anders opzat, bleef stilstaan en trok
met de punt van haar zonnescherm figuren in het zand.

Ik stond een poos als versteend: en nu de list van mijn goede zuster
mij de gelegenheid verschafte, naar welke ik een oogenblik te voren
reikhalzend uitzag, was het mij, alsof ik nooit in staat zoude zijn,
daar een goed gebruik van te maken. Ik was als met botheid en stomheid
geslagen en ik voelde, dat ik beefde. Eindelijk zamelde ik al mijn moed
bijeen en met een flauwe stem stamelde ik de navolgende woorden uit:

"Mejuffrouw! ik weet niet of ik mij bedrieg; maar ik geloof, dat ik
onwillekeurig uw ontevredenheid heb opgewekt."

Zij zag mij eenigszins verrast aan; doch haar vorige houding weder
hernemende, antwoordde zij op een onverschilligen toon:

"Ik weet niet, Mijnheer! welk recht ik zou hebben om ontevreden op u te
zijn."

Het ijs was gebroken en ik moest voortgaan, wilde ik niet als een
botmuil worden aangemerkt: "Ik geloof," zeide ik, "dat Mejufvrouw Blaek
verheven is boven hetgeen men grilligheid noemt.... Heb ik mij slechts
ingebeeld, dat UEd. heden, nu ik bij u bekend ben, in het gezelschap van
mijn betrekkingen, mij ... kortom ... mij minder vriendelijk behandelt,
dan toen ik mij op Guldenhof bevond?"

"UEd. kan het oogmerk niet hebben om mij te beleedigen?" zeide zij, mij
ernstig aanziende.

"God weet, dat dit de laatste mijner gedachten zoude zijn: en ik verwerp
alle dergelijke uitleggingen mijner woorden. Maar ik bedrieg mij niet:
er is iets voorgevallen ... men heeft mij bij u in een kwaad daglicht
doen voorkomen."

"Mijnheer!... ik weet niet ... maar het schijnt of ik een verhoor moet
ondergaan," zeide zij, kennelijk ontevreden.

Ik begon te begrijpen, dat zij toch niet voor de reden van de
verandering in haar gedrag te mijwaart zou uitkomen, en besloot er dus
zelf op te zinspelen, terwijl ik, nu eens aan den gang zijnde en mijne
eer op het spel ziende, met meerderen moed en warmte aldus voortvoer:

"Hoe kunt gij mij dus kwellen en een ongunstige wending geven aan al
wat ik zeg? Laatstleden Woensdag op Guldenhof hadden wij op zulk een
aangename wijze kennis gemaakt en waren op zulk een gullen, vroolijken
voet van gemeenzaamheid gekomen, die mij zooveel zoets en genoeglijks
voor de toekomst beloofde: en thans wilt gij mij nauwelijks met een
antwoord verwaardigen.... Wat zeg ik? reeds toen UEd. mij eergisteren
te Muiden voorbijreed, was uw groet zoo kort...."

"Mijnheer!" riep zij verrast uit, terwijl ik in haar oogen haar
verontwaardiging las en haar verbazing, dat ik van die ontmoeting gewag
durfde maken.

"Of is het wellicht die ontmoeting zelve," vervolgde ik, "welke bij u
tot verkeerde oordeelvellingen omtrent mij heeft aanleiding
gegeven?--UEd. zwijgt!"

"Inderdaad, ik weet niet, wat ik antwoorden zal," zeide zij, na eenige
aarzeling: "ik ben uwe zedenmeesteresse niet, het is mij natuurlijk
onverschillig met wie UEd. omgaat...."

Het hooge woord was er uit, en ik zegende mijn besluit om een verklaring
uit te lokken.

"Veroorloof mij, de overtuiging te behouden," zeide ik, "dat die
ontmoeting alleen u niet tegen mij zoude hebben ingenomen, en dat uw
Heer Neef, wien ik te Naarden ontmoette, en die zelf wellicht te mijnen
opzichte door den schijn misleid werd, UEd. gedachten heeft ingeboezemd,
die het mijn plicht is, u te ontnemen."

Henriëtte werd bleek en een traan glinsterde in haar oog: ik zag, dat ik
juist geraden had.

"Ik ben eerst een paar dagen bij de mijnen terug," vervolgde ik, "en er
ligt mij veel aan gelegen, dat mijn goede naam ongekrenkt blijve. Vooral
stel ik er prijs op, dat UEd. mij niet verkeerd beoordeele. Zoude UEd.
weigeren, aan mijn woorden geloof te slaan, wanneer ik u als man van eer
verklaar, dat ik de Juffer, met wie ik mij toen bevond, geheel bij
toeval heb ontmoet, dat zij mij niets is, en dat er tusschen haar en mij
geene andere betrekking bestaan heeft, dan die de gestrengste
zedelijkheid zoude kunnen veroorloven? Ware dit anders, zou ik dan
schaamteloos genoeg zijn geweest om dit gesprek te beginnen? Had ik niet
veeleer gezwegen en gebloosd?"

"Mijnheer!" hernam zij, na eenige oogenblikken zwijgens: "er rustte
hoegenaamd geen verplichting op u, mij rekenschap van uwe daden te
geven. Het is waar, men heeft mij verteld ... ik heb gedacht ... om 't
even wat. Ik beken, ik heb u niet beleefd behandeld..., en dat was
verkeerd van mij, ik verzoek verschooning daarvoor."

"In 's hemelsnaam!" riep ik verheugd uit: "spreek toch niet van
verschooning vragen, de schijn was tegen mij ... en ik ben het, die u
vergiffenis moet afsmeeken voor de onbescheidenheid, waaraan ik mij heb
schuldig gemaakt."

"Welaan!" zeide zij, met een bekoorlijken glimlach, "dan zullen wij ons
maar over en weer _quitte_ rekenen en over dat lastige geval niet meer
denken."

"Gij geeft mij het leven weder," riep ik: en tevens de lieve hand
aanvattende, waarmede zij zich steelsgewijze de oogen had afgedroogd,
drukte ik er een eerbiedigen kus op.

"Ei zoo!" riep Suzanna, die huppelende en in de handen klappende kwam
aangeloopen: "uit welk land hebt gij die manieren medegebracht?"

"Wel Santje!" zeide Henriëtte, rood wordende: "ik dacht, dat gij nooit
terug zoudt komen."

"Hoort gij, Broertje!" zeide Suzanna: "gij schijnt het talent nog niet
te bezitten om iemand den tijd kort te doen vallen."

"Wie zegt, dat Mejuffrouw mij vergunnen wil, zulks te beproeven," zeide
ik lachende.

Suzanna keek mij zijdelings aan en trok uit de opgeruimdheid van mijn
gelaat de juiste gevolgtrekking, dat ik naar wensch geslaagd was:
terwijl zij hiervan nog nader de zekerheid bekwam, toen zij op onze
verdere wandeling bespeurde, dat Henriëtte een zeer minzamen toon jegens
mij aannam, als wilde zij haar koelheid van dien morgen weder goedmaken.
Wat mij betrof, ik was door dezen aangenamen omkeer zoo verrast en
gevoelde mij zoo innerlijk gelukkig, dat ik er stil van werd en mij
zelfs kwalijk verdedigde tegen de plagerijen van Suzanna, die mij
beschuldigde een druiloor te zijn, en een zeer slecht gezelschap voor
jonge dames. Ik begon op het laatst zelf te gelooven, dat zij gelijk
had, en dat ik een mal figuur maakte. Ik bedroog mij echter: en met een
weinig meer ondervinding in liefdezaken zoude ik geweten hebben, dat een
welopgevoed en weldenkend jong meisje zich meer gestreeld gevoelt,
wanneer iemand, die haar zijn hof maakt, zich in haar tegenwoordigheid
bedeesd en ingetogen betoont, dan wanneer hij zijne gewone luchthartige
vroolijkheid bewaart. In het laatste geval toch kan zij wanen, dat hij
slechts aan zich zelven denkt: in het eerste, dat haar tegenwoordigheid
hem in ontzag houdt: en het kan niet missen, of deze gedachte moet
streelend zijn voor haar eigenliefde,

Doch er was nog een reden, welke mij stil maakte en, zelfs in het
bijzijn van de bevallige Henriëtte, stof gaf tot overdenkingen, die haar
niet betroffen. Al pratende en wandelende waren wij tot aan het
achterste gedeelte der hofstede geraakt. Wij volgden een smal en net
opgeharkt laantje, dat rondliep om een vrij aanzienlijk stuk weiland,
waarvan het door een doornenhaag was afgescheiden, terwijl aan de andere
zijde een elzenschering en greppel de uiterste grenzen afteekenden, die
het buitengoed scheidden van de onbebouwde heide, tusschen de niet
overal even dichte takken dier elzen kreeg men nu en dan den toren van
Naarden en de omgelegen bosschen in 't oog: en het gezicht van het een
en ander bracht, gelijk zich begrijpen laat, herinneringen bij mij
teweeg, nog te versch en te krachtig, om die zoo opeens te kunnen
verbannen. Aan het einde van dit laantje bevond zich een bergje (gelijk
men een kleine onevenheid van den grond noemde, door het aanbrengen van
plaggen opgehoogd) en daarop een groote groen geschilderde zitbank, die
in den vorm eener halve maan rondliep, en gelegenheid gaf, om onder het
lommer van een fraaien treur-esch uit te rusten en een niet onbevallig
landgezicht te beschouwen. Immers, wanneer men naar de buitenzijde zag,
weidde het oog over de uitgestrekte heide, met paarse bloemen overdekt
en waarboven die dunne wasem golfde, die zich altijd bij heeten
zonneschijn vertoont. Kortbij was een gedeelte van den barren grond
afgezand en terwijl het bovenste gedeelte van den daardoor ontstanen
heuvel, op het tijdstip, toen wij daar ter plaatse kwamen, met eene
kudde lammeren bedekt was, die aan het landschap eenige levendigheid
bijzette, stuitten de heete zonnestralen op den benedenkant en deden
het witte zand schitteren met een verblindenden glans. Wanneer men de
vermoeide oogen van daar afwendde, kon men die binnenwaarts laten
uitrusten op het hooge dennenbosch, dat aan den voet van het bergje
begon en waar onderscheidene paden en watertjes op een schilderachtige
wijze doorheen kronkelden,--of op de nog donkerder beuken, die, verder,
hun zware en weelderige takken spreidden over een vrij breed water,
hetwelk aan de eene zijde van het weiland liep. Heerlijk was de
terugspiegeling van het loof in het heldere nat, waarvan de kalme
oppervlakte niet verbroken werd dan door de kringen, welke nu en dan
daarin gevormd werden door den koning onzer binnenwateren, den vratigen
snoek, of door eenige schoone lakenveldsche koeien, die met een statigen
tred het weiland verlieten om koelte en schaduw in den frisschen plas te
zoeken; maar, eens daarin gekomen, zoo stil en onbeweeglijk bleven,
alsof zij een bekwamen schilder stonden af te wachten, die hem met zijn
kunstpenseel op het doek zoude vereeuwigen. Maar wat geen penseel zoude
hebben kunnen teruggeven, was de verrassende uitwerking der
zonnestralen, die, hier en daar zich een weg banende tusschen de breede
takken, door de oppervlakte des waters heen op den zandigen bodem
afstuitende, al de kleuren van den regenboog in ontelbare mengelingen te
voorschijn riepen.

Terwijl wij, op ons gemak neêrgezeten, ons in deze beschouwing
verlustigden, en het verkwikkende genot van de vrije natuur, gepaard met
de aangename gewaarwording van uit te rusten na eene vrij verhittende
wandeling, ons alle drie in een stille en weldadige stemming gebracht
had, hoorden wij opeens in de nabijheid roepen en praten en herkenden
weldra de stem van Tante Van Bempden, die zich beurtelings uitzette om
hop! hop! te roepen en dan weder een min schellen toon aansloeg en een
onderhoud scheen voort te zetten met iemand, die haar vergezelde. Wij
stonden op, ofschoon slechts langzaam; want ik geloof, dat geen van ons
tevreden was van in zijn mijmeringen gestoord te worden: wij
beantwoordden het hop! hop! met al de kracht onzer longen en begaven ons
intusschen naar het dennenbosch, waaruit het geluid scheen voort te
komen, en waar wij weldra Tante gewaarwerden, in gesprek met een kloeken
landman, wien ik terstond herkende voor den man, dien ik in de Soester
herberg ontmoet had en onder den naam van Baas Roggeveld heb ten
tooneele gevoerd.

"Zoo! eindelijk gevonden?" zeide Tante, terwijl zij ons naderde, "gij
laat mij ook mooi loopen. Kunt gij _nog_ verder gaan?"

"Wel Tante-lief!" zeide Suzanna: "wie had ooit kunnen denken, dat UEd.
ons zoudt komen opzoeken? Er stonden zooveel menschen om u heen, dat ik
mij overtuigd hield, al bleven wij een uur weg, u nog bezig te vinden."

"Neen! dat hebben wij spoediger afgehandeld," zeide Tante: "en dan, de
meeste dier _besognes_ zijn gaandeweg geschied. Daar is Baas Roggeveld,
die had ook al lang afgedaan gehad, indien hij zoo stijf niet op zijn
stuk stond, om mij zijn koeien eens zoo duur aan te willen smeren als
het vorige jaar."

"Mevrouw dolt er altijd mee," zeide Roggeveld, grinnikende en het hoofd
schuddende: "eens zoo duur! nou kaik! in dat geval! twaalfhonderd gulden
de tien! 't is twintig gulden meer per stut dan in 't leste jaer, dat 's
waer; maer in dat geval, wil ik ereis zeggen, het binnen er ook biestjes
naer. Die van verleden zeumer vielen een beetje mager; maar deuze mostje
ereis voelen, in dat geval! zoo modderig als klinkklare butter: ik wed,
je heit ze in je hiele land zoo niet staen, wil ik er ereis zeggen."

"Neen! dat geloof ik ook," zeide Suzanna: "dat kan Tante niet
tegenspreken."

"Hoe heb ik het met u, Santje!" zeide Tante: "wat weet gij van koeien
af?"

"Ik weet alleen dat de man letterlijk gelijk heeft," zeide Suzanna:
"want in uw heele land staan geen koeien: zij staan alle in 't water."

"Nou kaik! in dat geval, wü ik ereis zeggen," zeide Baas Roggeveld,
recht in zijn schik met deze aardigheid: "daar het de Juffer Tante toch
ereis beet 'ehad."

"Of jou, Baas Roggeveld," zeide Tante, "maar dat is hetzelfde: ik betaal
toch niet meer dan verleden jaar. Gij weet, ik ben een vaste klant van
u: en 't vee is anders van 't jaar niet duur."

"Dat is 't net niet," antwoordde de landman; "ofschoon het er dan naer
is ook: jae kaik, als je ander slag van biesten hebben wou, die kon je
krijgen te kust en te keur: en veur weinig geld ook; maer, in dat geval,
wil ik ereis zeggen, 't is maer omdat je op 't soort bent 'esteld, van
niet as lakenveldsche te willen hebben: en dan had je reis motten zien,
hoe weinig er van te krijgen zijn. 't Is niet, as of ie ze veur een
vasten merktprijs kunt koopen: maar je mot ze zoo bij een occasie
treffen: en wil je wel eleuven, dat ik er heel veur naer Alfen heb
motten rijen, omdat ik hoorde dat er een boer weunde, die er een paer
'efokt had? Jao! vraeg het maer aan Meneer, die zal ook wel weten, dat
het zoo gemakkelijk niet is, in dat geval."

"Wat ik er van weet," zeide ik, mij met mijn hoed in 't aangezicht
waaiende, opdat hij mij niet herkennen zou, "is, dat gij ze voor fl 80
't stuk gekocht hebt van Peer de Groot en er dus een aardig sommetje aan
verdient."

"Wel haegels kaik ereis!" zeide Roggeveld, groote oogen opzettende:
"nou in dat geval wil ik ereis zeggen...."

Maar hij zeide niets; doch bleef mij verbaasd staan aangapen.

"Hoe kunt gij dat weten, Neef?" vroeg Tante, insgelijks niet weinig
verwonderd.

"Ja Tante! ik ben zoo wat half een toovenaar," zeide ik, lachende, "maar
laat hij het maar ontkennen, als hij durft." En, niet verlangende mij
aan een herkenning bloot te stellen, welke tot het weder ophalen van
vroegere tooneelen aanleiding geven kon, draaide ik mij om en haalde
voor Henriëtte, die, waarschijnlijk weinig belang stellende in dit
gesprek, een eind vooruitgeloopen was en begeerig opzag naar eenige
hoogwassende kamperfoelie, den tak naar beneden, dien zij niet bereiken
kon.

Wij waren langzamerhand een uithoek der plaats genaderd, waar een open
hek op een buitenweg bracht. Deze plek was bijzonder wild, en met een
menigte heestergewassen begroeid; maar wat er den meesten roem aan gaf,
waren twee eikeboomen van ongemeene grootte, die aan weerskanten eener
vervallene schaapskooi stonden. De eene, door storm of onweder van zijn
kruin beroofd, scheen door zijn dikte te vergoeden, wat hij aan hoogte
verloren had, en zijn zware armen waren met het dichtste loof bedekt;
de andere droeg minder bladeren, en had een holte in den tronk; maar
verhief zich nog altijd statig naar boven. Tante Van Bempden had, niet
oneigenaardig, dezen met den naam van _Philemon_, en genen met dien van
_Baucis_ gedoopt.

Op deze plek hield Tante stil en voegden wij ons bij haar.

"Nu, zooals gezegd is, Baas Roggeveld!" zeide zij: "vijftien gulden meer
dan in 't voorleden jaar wil ik voor 't stuk wel geven; maar ook niet
meer."

"'t Is warentig wat te krap," antwoordde hij: "maer in dat geval, wil ik
ereis zeggen, as het zoo mot, dan mot het. Maer dat ik er op verdienen
zou, zoo as die jonge Heer daer zeit, dat heit ook al niet over; maer 't
is net krek of ik jou ken," vervolgde hij, mij aanziende en zich den kop
krabbende.

"Dat is mijn neef," zeide Tante: "misschien hebt gij hem hier wel
ontmoet voor een jaar of wat."

"Dat kan wel 'ebeuren," zeide Roggeveld, terwijl hij nogmaals den blik
op mij sloeg en de uitdrukking van zijn gelaat bewees, dat hij niet
volkomen met deze verklaring tevreden was: "maer zeg ereis Mevrouw!"
vervolgde hij, alsof hem eensklaps iets te binnen schoot: "mag ik wel
zoo vrij zijn, in dat geval, om je ietwes te vragen?"

"Wat is er van uw dienst?" vroeg Tante.

"Ik zou wel ereis vragen, in dat geval, wil ik zeggen, of de Czaar van
Rusland weer in het land is."

"Wel neen!" was het antwoord: "hoe komt gij daar aan?"

"Nou kaik! Hoe kunnen zij de menschen dan zoo foppen?" en hij gaf een
verhaal van 't voorgevallene te Soest, hetwelk ik achterlaat, daar het
niemand vermaken zoude, dit tweemaal te hooren, doch waarin onze dames
ongemeen veel behagen schepten.

"Men heeft u een kool gestoofd," zeide Tante: "maar het schijnt met een
goed oogmerk te zijn geschied."

"Ja! dat mag wel zoo!" zeide hij; "in dat geval. Maer is het waer, dat
zij het huisje, waar Czaar Peter te Zaandam in 'ewoond heit, niet meer
verhuren, maar laten het leeg staan?"

"Wel natuurlijk," zeide Tante.

"Nou kaik! hoe kan een mensch zoo teugens zen aigen zelvers wezen?" riep
hij in verbazing uit: "geen geld te trekken van een huisje! Neen! as het
zoo most wezen met de weuning, die ik hier op 's Gravenland heb staen,
die ik van mijne vrouws mortje geürven heb, weet je, of aigenlijk men
vrouw dan, wil ik ereis zeggen, dan verkoft ik het gauw, in dat geval."

"En gij zoudt gelijk hebben," zeide Tante: "maar die menschen te Zaandam
hebben ook gelijk; daar zij meer verdienen met het huisje te laten zien
dan er huur van te trekken."

"Wel kaik! ze kosten het iene doen en het aêre niet laten," zeide
Roggeveld: "maer ik wou toch wel ereis weten, in dat geval, wat er aan
zoo'n huisje meer te zien is as an en aêr."

"Maar _à propos_!" zeide Tante: "wie is die Monsieur Weerglas, aan wien
gij uw huisje verhuurd hebt?"

"Wattie doet, weet ik niet, maer hij heit splint en betaelt op zen tijd.
't Is nog een jong gezel en hij weet aerdig te praeten. Hij gaet wat
deftig 'ekleed ook Zundags."

"Een jong gezel, die deftig gekleed gaat en geen handwerk uitoefent!"
zeide Tante, het hoofd schuddende: "ik hoop maar, dat daar niets achter
schuilt."

"Ja! in dat geval, wil ik ereis zeggen," zeide Roggeveld eenigszins
onthutst: "as er ietwes after school, had ie gauw bij mij afedaan: maar
dat's tot darentoe. Nou Mevrouw! zoo as 'ezeid is; morgenavond kom ik
toch hier met de vrouw om de kermis te zien, in dat geval zal ik de
koeien Maandagavond of Dinsdag-ochtend hier bezurgen."

"In dat geval zal ik ze hier verwachten," zeide Tante: en de landman
wandelde na herhaalde groete het hek uit, terwijl wij den terugtocht
aannamen, daar de bengel reeds voor den eten luidde. Wij spoedden ons
naar huis, waar wij weldra aan den disch een paar heerlijke tarbotten
zagen rooken. Na het middagmaal nam Tante mij ter zijde, om mij te
onderhouden over de nieuwe betrekking, welke ik in het huis Van Bempden,
Van Baalen & Co. ging vervullen. Daar dit gesprek echter van een geheel
mercantiëelen aard was, zal ik er hier geen gewag van maken, zoomin als
van hetgeen verder dien avond voorviel, en waarvan ik mij alleen
herinner, dat ik smoorlijk verliefd naar bed ging.


       *       *       *       *       *


ZESTIENDE HOOFDSTUK.

WAARIN VERHAALD WORDT, WIEN FERDINAND IN DE KERK ZAG: EN WELKE GASTEN OP
HEIZICHT KWAMEN ETEN.


Het ontbijt vond ons den volgenden morgen allen kant en klaar om ons
naar de kerk te begeven. Hetzij, dat de dorpsklok verzet was, hetzij dat
de koetsier te laat met het rijtuig voor was gekomen, de Predikant was
reeds op stoel, toen wij het Godshuis binnentraden. Geheel vervuld door
de troostrijke gedachte, dat ik, na zoolang uitlandig te zijn geweest,
mij weder voor het eerst in een Vaderlandsche kerk bevond, hield ik mij
alleen met den plechtigen eeredienst bezig, zonder, gelijk wellicht
geschied zou zijn, indien ik vroegtijdig, bij het aangaan, of minder
opgewekt ter kerke gekomen ware, mij met de aanwezigen te bemoeien. Toen
echter de Predikant het eerste deel zijner rede ten einde had gebracht,
en de gemeente van deze gelegenheid gebruik maakte om naar gewoonte te
hoesten en zich te snuiten, liet ik even den blik over de vergadering
weiden en werd ik in een der meer verwijderde mansbanken iemand gewaar,
dien ik verre was te dezer plaats te verwachten, en dien ik tot mijn
verbazing herkende voor het hoofd der drie struikroovers, die mij hadden
aangerand: den zoo gevreesden Zwarten Piet, nog deftiger gekleed dan
toen ik hem op den weg zag. Zijn oogen ontmoetten de mijne:
waarschijnlijk had hij mij reeds vroeger opgemerkt: hij knikte mij,
vriendelijk, doch bijna onmerkbaar, toe, lei den vinger op den mond, als
wilde hij mij stilzwijgendheid aanbevelen, en zag toen weder aandachtig
den leeraar aan.

Deze zonderlinge ontmoeting bracht, gelijk men denken kan, geen kleine
ontroering bij mij te weeg, en ik raakte geheel uit de stemming, waarin
ik mij bevond: zoodat ik in het eerst buiten staat was, eenige
oplettendheid te schenken aan de woorden van den Predikant, die mij als
ijdele klanken in de poren gonsden, zonder dat mijn hart die gevoelde of
mijn verstand die bevatte: ik kon niet nalaten het oog gedurig op den
straatroover te werpen, die het zijne daarentegen onafgebroken op den
Predikant bleef vestigen, als ware hij bevreesd geweest, dat hem een
woord zou ontsnappen. In den beginne schreef ik zijn houding aan
goddelooze huichelarij toe; maar weldra bleek mij, dat ik verkeerd
oordeelde. Het zou dien avond, gelijk ik reeds met een woord heb doen
verstaan, kermis zijn op 's-Gravenland: en, als men weet, zijn de
Predikanten bij die gelegenheid gewoon, zoodanige stoffen te kiezen, als
welke zij geschikt achten om er gepaste vermaningen en waarschuwingen
uit te putten tegen alle soort van losbandigheid, dronkenschap en
ontucht, waartoe dergelijke volksfeesten niet dan te vaak aanleiding
geven. Zoodanige kermispreeken, hoe nuttig en betamelijk ook, voor
zooverre zij bestemd zijn om indruk te maken op de dorpelingen, ten wier
behoeve zij worden opgesteld, boeien doorgaans minder de aandacht der
meer aanzienlijken onder de toehoorders, die de kermis niet of slechts
terloops bezoeken en zeker minder gevaar loopen van aldaar tot die
zonden te vervallen, waartegen de stem des leeraars zoo ernstig
waarschuwt: te meer, daar de Predikanten bij zoodanige gelegenheden nog
wel eens gewoon zijn een oud paard van stal te halen.

Dit was echter thans het geval niet: de leeraar was eerst sedert kort
beroepen, en men had dus de zekerheid van, zoo niet iets
voortreffelijks, althans iets nieuws te hooren. Doch bovendien was ik
reeds bij den aanhef aangenaam verrast geweest door den ernst en de
sierlijkheid zijner voordracht, en door de verstandige wijze, waarop hij
zijn onderwerp behandelde. Het leerstellige en uitlegkundige slechts
even aanroerende, legde hij er zich voornamelijk op toe, om indruk te
verwekken en zijn toehoorders door treffende voorbeelden, door
ontzettende schilderingen en door krachtige toespraken te schokken,
overtuigd, dat zoo de leer, welke bij gewone gelegenheden wordt
gepredikt, meer duurzaam werken moest, die, welke hij thans verkondigde,
meer dadelijk uitwerkselen moest teweegbrengen.

Het was dan, toen in het tweede deel zijner rede de Predikant een
treffend tafereel ophing van de vreeselijke gevolgen, welke, zoo in dit
leven als hiernamaals, de zonde met zich sleept, dat ik de duidelijkste
bewijzen zag, hoe de aandacht van den struikroover geen veinzerij was.
Zijn oogen begonnen in tranen te zwemmen, zijn boezem hijgde, en hij
scheen zoodanig door zijn aandoeningen overstelpt, dat hij eindelijk het
gelaat op den voor hem liggenden bijbel voorover boog en het, hoorbaar
snikkende, met beide handen bedekte. O! dacht ik bij mijzelven, indien
eens het goede zaad bij dezen man in vruchtbaren akker gevallen ware, en
hij zich bekeeren mocht van den slechten weg, dien hij is ingeslagen!
Welk een zegepraal zou dit voor den vromen leeraar zijn, en hoe zou hij
juichen over het afgedoolde schaap, dat hij door Gods bijstand tot den
eenigen Herder had teruggebracht!--en bij het nagebed zond ik ook het
mijne op voor den armen boeteling.--Intusschen was ik niet weinig
verwonderd, toen ik in het uitgaan opmerkte, dat onderscheidene
notabelen van het dorp, waaronder de timmerman en de schilder, den man
heuschelijk groetteden, en zelfs deze en gene hem een woord in 't
voorbijgaan toesprak.

Te huis gekeerd, vereenigden wij ons in de zijkamer, om aldaar de gasten
af te wachten, die Tante ten eten genoodigd had, bestaande, behalve uit
de beide Heeren Blaek, uit mijn nieuwen compagnon, den Heer Van Baalen,
en uit zekeren Kapitein Pulver, die voor de firma voer. Niet lang duurde
het, of de koets van den Heer Van Baalen kwam het hek binnenrijden.
Ik had dezen Heer vroeger meermalen ontmoet; maar hem nooit met die
belangstelling gadegeslagen, welke hij thans bij mij moest opwekken, nu
het bepaald was, dat ik met hem in een nauwe betrekking zou komen en
dagelijkschen omgang hebben. Ik was evenals de zoodanige, die, een verre
zeereis zullende ondernemen, den persoon, die hem toevallig aan de haven
voorbijgaat, slechts met een onverschilligen blik beschouwt, maar weldra
hem met de grootste opmerkzaamheid gadeslaat, nu hij verneemt, dat de
onbekende zijn reisgenoot zal wezen: en alsdan uit zijn houding, woorden
en gebaren tracht op te maken, of hij in hem een aangenamen, dan wel een
lastigen makker zal aantreffen.

Op dezelfde wijze keek ik den Heer Van Baalen aan, toen ik hem, met de
dienstvaardigheid, welke ik hem uithoofde zijner meerdere jaren en onzer
aanstaande betrekking verschuldigd was, uit het rijtuig hielp. Ik kan
niet zeggen, dat de eerste indruk, dien hij op mij maakte, zeer gunstig
voor hem uitviel. Wel wist ik uit oude herinnering, dat hij een man was
van meer dan gewone lengte, mager en droog en van geen innemend
voorkomen; maar het scheen mij toe, als ware hij nog in lengte
toegenomen en in vleesch verminderd: zijn bleeke, dorre tronie had een
nog onvriendelijker uitdrukking dan voorheen: ja, toen hij, uit de koets
gestapt, voor mij stond, deed hij mij volkomen aan een gekleed cadaver
denken. Hij beantwoordde ternauwernood mijn eerbiedigen welkomstgroet
en buiging, keek mij aan, alsof hij zich bij geene mogelijkheid konde
voorstellen, wie ik toch wezen mocht, wendde zich vervolgens tot den
koetsier, en riep dezen toe:

"Reinier! gij zorgt dat gij precies te zeven uren weer voor zijt:
precies te zeven uren: en gij ziet het rijtuig goed na; want ik vrees
dat het heel wat te lijden heeft gehad: en gij brengt het bijdehandsche
paard naar den smid en laat het opnieuw beslaan."

Op de beide eerste bevelen had de koetsier eenvoudig: "jawel Mijnheer!"
geantwoord; tegen het laatste vermeende hij evenwel te moeten opkomen.

"Mijnheer!" zeide hij: "het beest is gisteren pas beslagen."

"Ik herhaal u, gij brengt het naar den smid," zeide Van Baalen, "'t is
of ik altijd bedienden aantref, die mij tegenspreken: ik heb duidelijk
gehoord, dat een van die ijzers los zit: en gij komt precies te zeven
voor," enz. Hier herhaalde bij zijne bevelen in dezelfde orde.

"De man is punctueel," dacht ik: "en het schijnt moeilijk hem tevreden
te stellen: in allen gevalle zal het mijne schuld zijn indien ik zijn
begeerte niet begrijp."

Intusschen was Kapitein Pulver, die door zijn patroon was medegenomen,
de koets uitgesprongen ongeveer als een bom, die uit den ketel vliegt.
Zoo de Heer Van Baalen een contrast had willen uitzoeken om met hem te
reizen, had hij er geen beter kunnen aantreffen. Kapitein Pulver was een
kort, dik, rond ventje, zoo zwaarlijvig, dat men zich op een afstand van
hem plaatsen moest om zijn beenen te zien: en boven het ronde lichaam
was een klein, rond hoofdje geplaatst, evenals een knop op een
Delftschen trekpot.

Beide gasten begaven zich onder mijn geleide naar de zijkamer, waar
Tante hen verwelkomde. De Heer Van Baalen maakte bij het inkomen een
buiging in het rond; doch zonder iemand bepaaldelijk aan te zien of toe
te spreken, en schijnbaar geheel andere zaken in 't hoofd hebbende.
Vervolgens haalde hij zijn horloge uit, vergeleek het met het uurwerk,
dat in het vertrek stond, en schudde wrevelig het hoofd.

"'t Is fataal!" zeide hij: "ik had gedacht, zoo goed op mijn tijd gepast
te hebben: en nu is het reeds kwartier over twaalven. Maar mijn horloge
zal wel weer mis zijn. 't Is of mij dit altijd gebeuren moet."

"Ik weet dat UEd. een man van de klok is," zeide Tante. "Zoo uw horloge
en deze klok verschillen, zal het wel aan de laatste haperen."

"Of aan de wegen, die mij belet hebben, genoegzaam spoed te maken.
't Is of ik altijd...."

"Hoe gaat het, Kapitein Pulver?" vroeg Tante, zonder verder naar de
Jobsklachten van Van Baalen te luisteren, aan den goeden Schipper, die
achter zijn patroon buigingen stond te maken en zich met een bonten
zakdoek het zweet af te drogen, dat hem tappelings langs het voorhoofd
liep.

"Ik hoop dat ik geen belet doe, (zooals het mes tegen den oester zei),"
zeide Pulver, zijn buigingen herhalende: "maar UEd. had mij zoo
vriendelijk laten noodigen, dat...."

"In 't geheel niet; gij zijt mij altijd welkom," zeide Tante, en zich
wederom tot Van Baalen wendende en mij aan hem voorstellende: "ziehier
mijn neef Ferdinand," vervolgde zij.

"Zoo!" zeide de Heer Van Baalen, mij met een doffen en verstrooiden blik
aanziende: "het zal mij aangenaam zijn, kennis te maken. Mag ik vragen,
of UEd. reeds iets aan de negotie gedaan heeft?"

"Wel Mijnheer Van Baalen! dat is een vraag!" zeide Tante: "Hoe zegt
Rodrigue ook, Nichtje?"

"UEd. wilt Ferdinand toch niet grootsch maken," zeide Suzanna: "door van
hem te zeggen:

     _Ses pareils à deux fois ne se font pas connoitre
     Et pour des coups d' essai veulent des coups de maître_."

"Is UEd. dan vergeten, hoe wij de voordeelige schikking onzer zaak met
het huis Bertini te Livorno aan hem te danken hebben?" hernam Tante.

"'t Is waar!" zeide Van Baalen, als uit een droom ontwakende. "Dat was
een meesterstuk! Een zaak die mooi ingewikkeld was ook, en dat nog wel
in een vreemd land. Gij hebt er u goed uit gered, Mijnheer Huyck!--Maar
daar kwam eigenlijk meer rechtsgeleerdheid dan handelskennis bij te
pas."

"Ik twijfel niet," zeide ik, wenschende zooveel mogelijk de goede gunst
van den man te verwerven, "of, niettegenstaande mijn mercantiëele kennis
gering is, mijn goede wil en de voorlichting van den Heer Van Baalen
zullen mij wel in staat stellen om geen geheel onwaardig figuur aan zijn
zijde te maken."

"Wel gezegd!" zeide hij: "de practijk moet het hem doen: ofschoon, het
is thans ook al de goede tijd niet meer: de zaken zijn slap en de
verdiensten verminderen bij den dag: althans het is of het mij altijd
moet tegenloopen. Wanneer ik eens een speculatie doe, die anderen tonnen
gouds in den zak jaagt, moet ik mij met eenige percenten vergenoegen."

"Gij kooplieden zijt evenals de boeren," zeide Tante: "altijd klagen, al
gaat het nog zoo voor den wind. Zal de balans van dit jaar een zooveel
minder voordeelig saldo opleveren dan die van het vorige?"

"Daar valt nog niets van te zeggen," zeide Van Baalen: "maar," vervolgde
hij met een zucht: "het saldo zou eens zooveel moeten bedragen, wanneer
wij den tegenwoordigen koers van het geld in aanmerking nemen, en
nagaan, hoe anderen profiteeren.--En dan die fatale oorlog tusschen
Rusland en Zweden!"

"Ik dacht in mijn onnoozelheid," zeide Suzanna, "dat het best visschen
was in troebel water."

Wij waren intusschen gaan zitten: eenige ververschingen werden
toegediend en aan Pulver werd een pijp aangeboden: ofschoon het anders
de gewoonte niet was, dat er bij Tante aan huis gerookt werd. Maar zij
was, en terecht, van oordeel, dat men aan gasten van een minderen rang
nog meerdere oplettendheden moet bewijzen dan aan hen, die met ons
gelijkstaan, en alles aanwenden, om hen op hun gemak te stellen: daar
zij anders zich lichtelijk verbeelden dat men hen uit de hoogte
behandelt of hun niet geeft wat hun toekomt.

"De weg van Diemerbrug naar Weesp wordt bij uitstek slecht onderhouden,"
zeide Van Baalen: "of liever in 't geheel niet. Ik heb somwijlen
gedacht, dat ik er niet levend af zoude komen: en ik hen overtuigd, dat
mijn rijtuig er van gelust heeft."

"Er bestaat een twist tusschen de Ingelanden en het Zandpad," zeide
Tante, "wie van beiden den weg herstellen moet."

     "Et le peuple pâtit de leurs tristes débats,"

zeide Suzanna.

"O Mevrouw!" zeide Pulver, die nu zijn pijp had aangestoken: "indien de
Patroon een reisje op Java gedaan had, of slechts door Zweden, dan zou
hij voorwaar zoo niet klagen. Ik herinner mij Schonen, Smaland,
Ostrogotland en Sundermanland te zijn doorgereisd, zonder dag of nacht
op te houden, schrijlings zittende op een plank op wielen, 't geen men
daar nog wel gelieft een kariool te noemen, en tot voerman een meisje
van vijftien jaren, over dik en dun."

"Dan moet hij veel hebben gehad van een bierton, die vervoerd wordt,"
fluisterde Suzanna mij in.

"Ja!" vervolgde Pulver, terwijl hij een wolkdamp wegblies, "dat was een
benauwde reis, die mij al mijn leven heugen zal: van Rostok af tot aan
Stokholm toe niets als ellende met zuur bier, tweemalen storm, eens door
een Russisch fregat nagezeten, dat ons voor Zweden aanzag: en dan die
wandeling op een plank?"

"Ja!" zeide Van Baalen met een zucht: "gij hebt altijd tegenspoeden
gehad, zoo dikwijls gij voor ons gereisd hebt. En als ik niet wist dat
het uwe schuld niet is, en dat gij een knappe kerel zijt ... hm! hm!"

"Wel Mijnheer!" zeide Pulver: "UEd. doet mij blozen (als de kreeft zei
tegen de braadpan), maar, wat ik zeggen wou, dat alles kwam toch niets
bij hetgeen ik uitgestaan heb toen ik voor de West-Indische Compagnie
voer. Heb ik dat wel eens aan Mevrouw verteld? ik geloof al."

"Welzeker," antwoordde Tante: "maar daar is Neef en de jonge Juffers,
die zouden het misschien wel eens willen hooren."

"O ja! als 't u belieft, Kapitein?" riepen Henriëtte en Suzanna, als uit
éénen mond: en ik betuigde insgelijks, dat ik zeer verlangende was naar
het verhaal.

"Nu ja!" zeide Tante: "straks op de wandeling: dan kunnen de Heer Van
Baalen en ik onze zaken terwijl eens bepraten."

Er was hier niets tegen in te brengen: en zoodra onze lichamen
behoorlijk versterkt waren en Kapitein Pulver, door zijn kopje om te
keeren, getoond had, dat hij genoeg koffie gebruikt had, verlieten wij
gezamenlijk het huis: Tante nam Van Baalen onder den arm en was spoedig
met hem in een druk onderhoud gewikkeld; en wij jonge lieden drongen ons
om Pulver heen, ten einde hem aan zijn belofte te herinneren. Dit was
echter niet noodig; want de man brandde reeds van verlangen om zijn
verhaal te plaatsen.

"Komaan! (zooals de man tegen de nauwe laars zei)" zeide Pulver: "dan
zullen wij met de vertelling maar van wal steken: 't is nog al een
aardigheid voor jongelui, die nooit den neus buitengaats gestoken
hebben, zoo ereis te vernemen, hoe het op het groote vaarwater toegaat,
en dat het niet altijd meeloopt; maar dat zullen wij weldra hooren, zei
doove Tijs. Je moet dan weten, dat het zoo omme ende bij een goeje vijf
jaar geleden is, dat ik voor de Compagnie voer op het Brikschip: "de
Prins te Paard", naar Curaçao bestemd. Wij hadden altijd voor-de-wind en
geen rakje in 't zeil gehad, totdat wij zoo naar mijn beste geheugenis
op vijftien graden N.B. waren gekomen. Het woei een bramzeilskoelte,
genoeg om het schip aan den gang te houden; meer niet: ik was naar kooi
gegaan: en pas had ik naar de gis een uur geslapen, en droomde, dat
moeder Pulver, die ik te huis gelaten had in de blije verwachting, met
al onze zeven kinderen voor me stond, en dat mijn kleine Maarten, die nu
ook al het zeegat uit is, een rateltje in de hand hield en een
vervaarlijk leven maakte, zoodat ik hem een labberdoedas om zijn ooren
gaf, en verzocht of hij op wou houen, toen ik een stem boven mijn hoofd
hoor: "omlaag hou! Schipper! omlaag hou!"

"Wat is er?" vroeg ik, met een schrik opspringende: "wie roept daar?"
En het was of ik nog altijd dat rateltje boven mijn hoofd hoorde.

"'t Is Sander," zei hij.

"Wat nieuws?" vroeg ik weer.

"Hoor je 't niet?" vroeg hij: "zwaar weer ophanden."

Ik sprong de kooi uit: en nu merkte ik, dat hetgeen ik voor het rateltje
van Maarten hield, het kletteren van den regen op het dek was; klik
klakkerdeklak! ging het, puur of zij met zakken vol erreten over de
planken strooiden.

"Heb je ooit meer zoo'n regen gehoord?" vroeg Sander. Sander was mijn
tweede stuurman, een jongen als een vlag, daar ik op rekenen kon als op
mijn zelvers, die zijn werk goed verstond; maar ik was toch eerst wat
knorrig, omdat hij mij in mijn rust stoorde.

"Wel" zei ik zoo: "al regende het handspaken en oude wijven! ben je nou
bang voor een beetje regen, man?" maar ik schoot mijn duffel toch aan,
zette mijn zuidwester op en kwam boven."

"Wel wat zeg je van dat weertje, Schipper?" vroeg Sander.

Ik keek ereis rond: "wat zal ik zeggen?" zei ik zoo: "'t is mooi donker
en ik hou niet van zoo'n hooge zee zonder dat men wind voelt."

"De zee is den gansenen nacht al hooger geworden," zei Sander: "en het
zwerk hangt laag."

Ik keek op mijn klok: het was al vijf uren, en ofschoon de zon al haast
moest opkomen, er was nog geen witte streek in het oosten te zien. De
regen bleef ondertusschen met geweld vallen, en de lucht was zwart als
een inktflesch; maar wat vreemd was, op het water was het helder als de
dag.

"Schip in lij!" riep de Uitkijk, terwijl ik met den stuurman en Sander
bij het roer stond.

Ik haalde mijn kat-oog voor den dag, en jawel: daar zag ik duidelijk een
galjoen, kennelijk van Spaansch makelei: ik kon masten en tuigage klaar
onderscheiden. Maar lang keek ik er niet naar; want ik was niet op mijn
gemak met het weer. De regen had opgehouden; maar de wolken zonken al
lager en lager en begonnen te wervelen en te draaien, als zwarte rook
die naar beneden slaat: en zoover als men zien kon, waren in het
zuidoosten de golven met wit schuim bedekt, en wij hoorden een dof
gerommel onder het water alsof er een aardbeving op volgen moest. "Is
dat donder?" vroeg Sander: "ik wou dat het waar was," zei ik.
Ondertusschen was in de verte de dichte regen loodrecht blijven vallen;
maar na een kwartier ongeveer begon de wind er van onderen tusschen te
spelen en de stralen van den regen zwaaiden heen en weer, eerst lang,
vervolgens hooger op, naarmate de wind klom, tot eindelijk de gansche
watermassa een schuinsche richting kreeg, ik reken zoo van een hoek van
dertig graden met den horizon. Ik had onderwijl alle zeilen laten
bergen; want ik mistrouwde het weer, zooals ik zeide: en ik had geen
ongelijk, als gij hooren zult. De regen viel gedurende eenige minuten
dicht als een gordijn naar beneden: toen hij opeens zich verspreidde
alsof hij weggeblazen werd en in rook verdween. Recht op ons af echter
kroop een witte streep over het water als stof op den grooten weg,
wanneer het lang droog is geweest. Wij hoorden het doffe geluid al
sterker en sterker, en mijn schip begon te kraken en te zuchten, of het
zijn lot voorzag. Bof! daar kwam de orkaan: een golf als een berg sloeg
over het dek en het was mij, of ik met honderd dozijn natte handdoeken
in mijn facie geslagen werd: en eer ik nog: "berg je!" roepen kon, daar
kwam er een tweede, die mij oplichtte alsof ik een stuk kurk ware
geweest, zoodat ik, met al wat er op het dek was, goedschiks kwaadschiks
overboord werd gespoeld: en plof! daar dook ik kopje onder, eer ik den
tijd had om een schietgebedje aan onzen Lieven Heer te prevelen. Toen ik
weer boven kwam, zag ik mijn schip reeds op een goeien afstand: en met
recht droeg het zijn naam van: "de Prins te Paard"; want het huppelde en
hobbelde over de golven als een ruin, die den kolder in den kop heeft,
en ik zag wel in, dat ze met dat booze weer geen sloep konden uitzetten
om mij op te zoeken.--Pulvertje maat! dacht ik bij mijzelven: 't is met
je gedaan: bid een Onze Vader en daarmee uit. Maar krek als ik zoo
dacht, en op het punt stond van weer te zinken, daar voel ik mij op een
stevige manier in mijn wammes pakken en achteruit sjorren. Dat's een
haai! meende ik zoo, die mij voor zijn ontbijt wil nemen, en ik dorst
niet omkijken van schrik, maar jawel! "Hier ouwe!" hoorde ik achter mij
zeggen: en wie was het? niemand anders dan Sandertje, die, juist als ik,
overboord gedwaald was. Maar hij was gelukkig net te land gekomen...."

"Gij meent, te water gekomen," viel Suzanna in.

"Juist, als de Juffer recht aanmerkt: net te water gekomen naast het
groote varkenshok, dat ook overboord gegaan was, en hij had het handig
beetgepakt. Ik moet zeggen, door een bijzondere bestiering Gods, was hij
naar mij toegedreven en wel zoo dicht dat hij mij grijpen kon, zoodat ik
nu ook kon aanklampen. Daar zaten wij nu op onze kist, als twee kikkers
op een kluitje, en dreven al verder van ons vaartuig af; maar ik zei:
"Sandertje! hou maar goeien moed: Onze Lieve Heer heeft ons tot dusverre
bewaard; Hij zal ons nog wel verder bewaren." "De droes ouwe!" zei
Sander, een beetje later: "je kijkt al uit naar "den Prins te Paard",
alsof die naar ons toe kan komen rijen; maar draai liever je hoofd ereis
om: daar is de Spanjool, die is dichter in de buurt." Ik keek naar dien
kant uit, waar Sander heen wees; en hij had gelijk ook; daar danste onze
logge Don als een bruinvisch op en neer. "Ja!" zei ik: "hij zal mij
welkom zijn (zooals de spinnekop van de vlieg zei); maar 't is duizend
tegen een, dat hij ons te zien krijgt." Ondertusschen, het ergste van de
bui was over: en het begon al mooi licht te worden, zoodat het niet lang
duurde, of ik kon de manschap van het vreemde schip onderscheiden: en,
wat nog grooter geluk was, wij naderden het al meer en meer. Zij zouden
ons echter nog niet bespeurd hebben; maar daar voel ik, dat er iets op
mijn borst drukte: ik tast er naar, en ik merk, dat ik mijn roeper, dien
ik aan boord nog gebruikt had, en dien ik tusschen mijn duffel en mijn
ondergoed had ingestoken, bij geluk behouden had. Heb ik jou daar! dacht
ik, en meteen zette ik hem aan mijn mond en schreeuwde alsof er vijf en
twintig speenvarkens gekeeld werden, totdat ik geen asem meer in mijn
longen had. Toen was de beurt aan Sander: en toen weer aan mij, totdat
zij eindelijk aan boord van den Spanjool opmerkzaam werden en den kijker
op ons richtten. Zij zagen ons:--het weer was bedaard: er werd een sloep
uitgezet, en om kort te gaan, het leed geen half uur of wij stonden op
het dek van het galjoen. Ik keek terstond uit, of ik "den Prins te
Paard" ook zag; maar die was schoot gegaan, en ik moest alle gedachten
opgeven, om hem vooreerst terug te zien, daar de Spanjool een
verschillenden koers hield. Het galjoen kwam van Cadix en was voor
Carthagena bestemd, waar het, geloof ik, geld moest brengen. Het was nog
al wel gebouwd, voerde twaalf stukken en was redelijk bemand ook. Daar
voer ik nu met den Don op genade mede en kon mee poot aan spelen voor de
sobere victualie, en in plaats van zelf te commandeeren was het
_siveplei_ en _besolosmanos_, zonder andere belooning dan vrij licht bij
dag en een schoteltje linzen nu en dan, daar Ezau geen halve penning,
laat staan zijn eerstgeboorterecht, voor zou gegeven hebben; maar dat
was het minste, en ik was blij, dat ik er met fatsoen van afkwam (zooals
de edelman zei, toen hij tot den strop veroordeeld was en de gratie
verkreeg van onthoofd te worden). Wat mij het meeste hinderde, was, dat
ik nu zoo uit mijn koers werd gestuurd, en al bij mijn eigen
prakkezeerde, hoe ik van Carthagena weer terug zou komen; want gij
voelt, naar Carthagena moest ik mee: 't is op zoo'n vaart niet als met
de trekschuit, waar men de lieden onderweg uit kan zetten."

"Gij hadt echter," zeide ik, "een vaartuig kunnen ontmoeten, hetwelk u
overnam en nader tot de plek uwer bestemming bracht?"

"Jawel degelijk ontmoetten wij een vaartuig," antwoordde Pulver: "en dat
was juist ons ongeluk. Gij moet dan weten, dat zoo ongeveer op 12 graden
N.B., zes dagen nadat wij bij den Don aan boord waren, wij een groot
vaartuig boven den wind in 't vizier kregen, dat met alle zeilen
bijgezet op ons afkwam. Het was een korvet, en zooverre wij konden
oordeelen, sterk en stevig gebouwd, en met een manschap, die haar
ambacht goed verstond, aan boord; want het voerde een takelage en ging
door het water dat het een lust was om te zien. Maar hoe mooi wij het
vonden, wij hadden toch niet veel zin in het voorkomen van onzen maat;
want hij voerde geen kleuren en had zoo iets over zich, alsof hij zeggen
wou: "wat doe jelui in mijn vaarwater?" Nu, de Don dacht er ook zoo
over: want hij schudde het hoofd en liet van zijn kant alle zeilen
bijzetten om uit het gezicht van onzen vriend te geraken. Maar deze
scheen alzoo gesteld op ons gezelschap als een boer op een doedelzak, en
hij bleef zoo netjes achter ons voortzeilen als een rijknecht achter
zijn heer. De Don keek mooi zuinig; hij zag wel, dat hij van die
beleefdheid niet verschoond zou blijven en hij keek zijn equipage eens
rond, om te weten of hij staat op hen zou kunnen maken, indien de
vreemdeling eens kwade voornemens had. Toen riep hij mij bij hem, want
ik slenterde ook al wat heen en weer over boord, en hij vroeg mij, wat
ik wel van dat andere schip dacht?--"Wat zal ik zeggen," zei ik in
zoogoed Spaansch als ik spreken kon: "ik hou niet van die nieuwsgierigen
(zooals de bakker zei, toen de broodwegers bij hem aan huis kwamen): ik
geloof, dat die korvet daar meer lust heeft om kennis te maken met ons
dan wij met haar."--"Zoo denk ik er ook over," zei hij, "en ik wou dat
hij zijn eigen weg ging. Maar in allen gevalle zal hij toch aan mijn
dubloenen niet komen, zonder er om te bakkeleien," zei Don Ricardo,
terwijl hij zijn knevels opzette. "Kan je een stuk bedienen?" vroeg hij.
"Dat zou ik hopen," zei ik, "en een handspaak zwaaien ook."--"Best!" zei
hij: "dan zal ik ereis kijken, of je de kost verdient, dien ik je geef."
En met liet hij al het volk op het dek komen en klarigheid maken om te
vechten. De stukken werden geladen, de musketten opgebracht, handspaken
uitgehaald, de kogels bij de mortieren geplaatst en ieder met kortjan in
zijn gordel voorzien. Maar terwijl wij nog bezig waren, daar zagen wij
op het vreemde schip een vlammetje voor den dag komen, en br....r! daar
vloog ons een kogel door het want en viel de heele bramsteng over het
dek. "Dat 's een onbeleefde vent!" zei ik zoo: "maar hij weet ook goed
te mikken."

"Wij kunnen hem toch niet ontzeilen!" zeide Don Ricardo: "maar wij
zullen hem toonen, dat wij ook wat durven."--Met gaf hij last om zeil te
minderen, en dat iedereen zich klaar zou houden. Ondertusschen kwam de
korvet statig aanzeilen en was weldra zoo dicht bij, dat wij de manschap
op het dek konden zien--en onvriendelijk genoeg zagen zij er uit: want
het waren al handspaken en korte pieken en enterbijlen die men blinken
zag. "'t Is een vrijbuiter!" zei ik zoo tegen Don Ricardo, terwijl ik
met de lont in de hand stond. Hij knikte van ja, en wees meteen op een
rooden lap, die op het roofschip in top werd gehaald. Toen liet hijzelf
de koningsvlag van Spanje waaien, en dadelijk bij den wind stekende,
vertoonde ons vaartuig de bakboordzij aan den roover. "Vuur!" zeide toen
Ricardo: en: pan! pan! daar gingen zes schoten achter elkander af, den
vrijbuiter vlak in den boeg, dat de witte splinters uit het zwarte
gangboord vlogen. Maar op hetzelfde oogenblik loefde het roofschip mee
en gaf ons de volle laag. Krak! krak! daar lag onze fokkemast met want
en tuigage en al in zee. Maar door de plotselinge beweging van het
schip, dat niet zoo gauw stoppen kon, waren wij uit elkander geraakt en
wij hadden misschien, daar het nog al hard woei, gelegenheid gehad om te
ontsnappen, indien het tijdig genoeg ons gelukt ware een noodmast op te
krijgen; maar eer wij daarmee klaar waren, liep de roover ons achterom
en herhaalde zijn beleefden groet van daar even, dat de boeilijn over de
nok kwam en niemand zich kon herkennen; terwijl hij nu zijn zeil
geborgen had en de enterhaken bij ons aan boord smeet. Daar zaten wij nu
aan elkander vast en in een oogenblik kwamen er uit den rook en damp wel
vijftig lieve jongens op ons dek te voorschijn, ook met een ander
voornemen als om een pijp met ons te rooken. Nu schaarden wij ons om den
Don, en ik moet zeggen, de Spanjolen hielden zich als wakkere kerels en
lieten de onbeleefdheid niet onbeantwoord: en Sandertje en ik wij
toonden ook, dat wij meer konden doen dan linzen eten, en wij sloegen er
op, dat het een aard had. Maar daar sprong in eens de Kapitein van de
roovers op ons af: en een kerel, die er meer uitzag om bang voor te
worden, heb ik nooit ontmoet."

"Ja!" zeide Henriëtte: "ik geloof dat die Heeren er zelden vriendelijk
uitzien."

"En dan," voegde Suzanna er bij, "als men recht benauwd is voor nommer
één, dan lijkt alles nog leelijker."

"Leelijk was hij juist niet, Juffertje!" hervatte Pulver: "'t was een
groote, schoone vent met een houding als een Admiraal en oogen als
glimmende kolen. "_Caracho_!" zeide hij, dat, geloof ik, in 't Spaansch
zooveel wil zeggen als: "geef u over!"--Nu! hij had niet veel
welsprekendheid noodig om het ons te beduien; want de grootste helft van
onze Senhores lag al met Don Ricardo op het dek naar de wolken te
kijken: en de andere helft was zoo toegetakeld en zoo in de war, dat zij
de maan niet van een Edammerkaas zouden hebben kunnen onderscheiden."

"En waart gij zelf onbeschadigd?" vroeg ik.

"Er was een kogel door mijn hoed gekomen," antwoordde Pulver, "die mij
zoo netjes had doen groeten alsof er een Schout-bij-Nacht monstering
kwam houen; maar anders, wonden had ik niet."

"Wel, dat noem ik zonderling," zeide Suzanna, het dikke lichaam van den
schipper glimlachende aanziende.

"Je wilt zeggen, Juffertje! mijn buik was nogal een mooi wit geweest om
op te mikken? Maar zoo gaat het: er lag een Senhor naast mij, die drie
kogels gekregen had en toch maar een vent was niet veel dikker dan mijn
linkerarm. Maar ieder kogel heeft zijn opschrift, weet je? Nu, om weer
op ons verhaal te komen (zooals mijn eerste stuurman placht te zeggen
als hij 's ochtends zijn oorlam nam), de rooverkapitein was op het dek
gesprongen en zwaaide een blanke sabel in zijn vuist, die niet van stroo
was. Ik dacht bij mijzelven: Pulvertje, mijn man, daar is je leste uur
geslagen: te meer toen ik zoo rondkeek en zag, dat ik op degenen, die
nog leefden al zooveel kon rekenen als op een gekauwden kabel. Wat zou
ik doen? Ik lei mijn handspaak neer, en wachtte af, wat het geven zou.
Maar daar was Sandertje, die had maar in 't geheel geen trek om zich
over te geven, en net zooals een van die ongenoode gasten hem bij de
lurven wou pakken, daar sprong hij als een ondernemende durf-al die hij
was, recht op den rooverkapitein aan en hieuw naar hem als een dolleman!
"Hier weerlichtskind!" zeide hij: "hou daar, beroerde bl....."

"Nu ja!" zeide ik: "wij behoeven die uitdrukkingen zoo nauwkeurig niet
te vernemen."

"Integendeel, Sinjeur!" zeide Pulver: "want zonder die uitdrukkingen zou
het met Sander en mij er slecht hebben uitgezien, gelijk je op zijn tijd
zult hooren (zooals de dief, die zijn vonnis beethad, tegen zijn maat
zei, die het nog krijgen moest). Sander sloeg dan in 't wilde op den
roover; maar daar waren er aanstonds vijf of zes van die lieve jongens
bij, die hem in zijn baaitje namen en hem op het dek haalden: en juist
was er een, die zijn bijl oplichtte om hem met de complimenten naar zijn
grootje te sturen, toen de rooverkapitein in 't Spaansch gelastte, dat
zij hem sparen zouden: en ik, die ook begreep, dat de jongen beter deed
zich stil te houden, ik riep uit al mijn macht: "Sandertje, mijn vriend!
Ben je mal? Wat wil je toch uitvoeren?" En zoo meteen als ik dat zei,
keek de Kapitein mij aan en, naar mij dacht, iets vriendelijker dan de
overigen: en toen fluisterde hij iets in de ooren aan een kameraad van
hem. Sandertje en ik werden aan mekaar gebonden, en zoo werden wij,
namelijk allen die nog leefden, op het roofschip overgebracht en
tusschendeks gesmeten."

"Dat was zeker al heel vriendelijk," merkte Suzanna aan.

"Zooals je zult komen te hooren," vervolgde Pulver: "wij gingen onder
zeil en het duurde zoo wat ongeveer vier of vijf etmalen dat wij in dat
Satansche hok bleven opgesloten zonder zon of maan te zien: alhoewel,
dit moet ik tot eer van den vrijbuiter en van zijn kok zeggen, wij
kregen, ofschoon gevangenen, beter eten dan op het Spaansche schip.
Eindelijk, den zesden dag geloof ik, liet men ons op het dek hijschen.
Ik keek ereis rond om de hoogte te nemen; maar Joost haal me zoo ik de
plaats herkende, waar wij ons bevonden: en dat was nogal natuurlijk,
daar ik er nooit geweest was. Wij lagen voor anker in een zeestraat;
althans voor zooverre ik in dien korten tijd heb kunnen bespeuren: het
was zout water, en zoo helder, dat men het zand van den bodem en al de
visschen, die er heen en weer zwommen, onderscheiden kon. Rechts en
links een muur van rotsen, die naar mijn gissing wel vijfhonderd voet
uit het water oprezen, en zoo steil, dat men zou gedacht hebben, zij
waren den dag te voren van elkander gespleten: overal groeiden er boomen
en struiken op, waar maar een beetje aarde en een scheur in de rots was
om zich op vast te hechten: terwijl het kanaal op sommige plaatsen zoo
smal was, dat de takken van weerskanten elkander ontmoetten bijwijze van
een _berceau_, zoo als men dat op zijn Fransch heet, geloof ik; en dan
had men er vogels in van alle soort, duiven en spechten en eenden, en
nachtegalen, die zongen, dat het een lust was, en witte kraanvogels, en
zwarte kraanvogels, en grijze kraanvogels, die hier en daar stonden te
kijken, met een verwaandheid als een diender voor een Sinterklaaswinkel.
Maar ik had niet lang tijd om alles nauwkeurig op te nemen: wij werden
in de jol neergelaten en een eindweegs van het schip gevoerd, tot wij
ons op een stee bevonden, waar het water een inham in de rotsen maakte.
Hier was een landingsplaats en een natuurlijke trap in de rots, die wij
op moesten: het was er bijwijlen mooi donker: want het hing er zoo dicht
van takken en struiken, dat de zon geen gelegenheid had om er door te
schijnen; en er liepen overal hagedissen, zoo vlug en zoo glinsterend
als ik ze mijn leven niet gezien heb.--Nu! toen wij boven op de hoogte
waren, moesten wij er aan de andere zijde weer af, en kwamen zoodoende
in een vallei, waar dan eigenlijk het ware verblijf van de zeeroovers
was: en een goede schuilplaats was het, want wie den ingang tot de
zeestraat en het pad over de rots niet kende, zou er jaren naar gezocht
hebben. Hier bracht men ons in een groote schuur, waar dag en nacht
schildwachten met geladen vuurroeren voor stonden: 't geen mooi onnoodig
was; want al hadden wij willen en kunnen wegloopen, ik weet niet waar
wij heen waren gegaan. Alle dagen kwam men een van de met ons gevangen
Senhores halen en die kwam dan niet weerom. "Die is er om koud", zei
Sander dan. Maar ik zei: "neen! dan zouden zij ons zoo lang den kost
niet gegeven hebben; maar zij geven hun de keus om gehangen te worden of
dienst bij hen te nemen; dat is zoo zeerooversmanier."--Wij dachten al,
wanneer zal de beurt aan ons komen? toen eens op een dag een allerliefst
Juffertje binnenkwam, een meisje zoo van veertien of vijftien jaren,
naar ik gis, met een recht vriendelijk gezichtje en een heel net kleedje
aan: "zijn er hier geen Hollandsche zeelui?" vroeg zij in zuiver
Nederduitsch. Sander en ik wij keken elkander aan, alsof wij het te
Keulen hadden hooren donderen. "Tot je dienst," zeiden wij allebei: "wat
is er van je believen?"--"Wilt ge zoo goed zijn, mij te volgen?" zei zij
toen weer, met een allerliefst stemmetje. "Niets liever dan dat,"
antwoordden wij; want wij hadden mooi onze bekomst van in die stinkende
schuur te zitten. Zij ging vooruit; de schildwachten presenteerden het
geweer voor haar, krek of zij een prinses ware geweest, en zoo wandelden
wij achter haar over het veld, totdat wij aan een heel aardig zomerhuis
kwamen, dat tusschen hooge kokosboomen gelegen was. Hier stond weer een
kerel op schildwacht, die ons met haar doorliet. Zij stootte een zijdeur
open en wij zagen een man zitten met een sitsen gebloemden japanschen
rok aan zijn bast, druk bezig met schrijven.--"Hier zijn de twee
Hollanders. Papa!" zeide het Juffertje. De vreemde Heer keek op: het was
warentig de rooverkapitein.--"Hoe heet je?" vroeg hij, terwijl hij mij
strak aankeek.

"Harmen Pulver," zei ik:--"Wat duivel spreekt UEd. ook al Duitsch?"

"Gij komt hier om te antwoorden: en niet om vragen te doen," zei hij,
met een barsche stem, terwijl hij de wenkbrauwen samentrok. "Hoe oud
zijt gij?"

"Vijf en veertig jaar," zei ik weer, terwijl ik mijn kop krabde.

"Hoe kwaamt gij op dat Spaansche schip verzeild?" vroeg hij alweer.

"Wel!" zei ik: "dat wil ik wel ereis vertellen:"--en zoo zei ik hem de
gansche waarheid, van stukje tot beetje. Hij luisterde heel aandachtig
toe en vroeg mij vervolgens, hoe lang ik ter zee gevaren had, of ik
vrouw en kinderen te huis had en zoo al meer. Toen draaide hij zich naar
Sandertje, die ook zijn naam en zijn jaren op moest biechten.--"Sander
Gerritz!" zei hij toen, "gij zult vooreerst in mijn dienst blijven, tot
zoolang ik een andere bestemming voor u vinde. Amelia! breng dien knaap
naar achteren en zeg aan Diego, dat hij hem een stel kleederen bezorge
en in zijn werk onderrichte."

Bij dit gedeelte van Pulvers verhaal kon ik niet nalaten, verwonderd op
te zien. "Amelia," herhaalde ik: "heette zijn dochter Amelia?"

"Wel ja, Amelia!" hernam Pulver: "een mooie naam voor de dochter van een
rooverkapitein. Nu, dat is tot daar aan toe. Het meisje was in allen
gevalle een lief en vriendelijk ding: zij wipte de kamer uit en Sander
volgde haar, niet recht zeker of hij wel of kwalijk deed, geloof ik;
want hij keek mij een keer of drie aan in 't heengaan, als een
tolgaarder zou doen, wien ze onzuivere munt in de hand gestopt hebben.
"Nu komt mijne beurt," dacht ik.--"En gij, Harmen Pulver!" zei de
Kapitein, "gij zult Onderstuurman bij mij worden, overmits ik den mijnen
in het laatste gevecht heb verloren."--"Ik bedank u hartelijk," zei
ik.--Toen zette hij een gezicht, alsof hij mij op wou vreten. "Wat," zei
hij, "en waarom niet?" vroeg hij, alsof het een Admiraalsbaantje was,
dat hij mij gepresenteerd had.

"Wel!" zei ik weer: "omdat...." en meteen snuffelde ik in mijn broekzak,
waar ik nog, spijt schipbreuk en roovers en al, een klein zakbijbeltje
had bewaard, en ik sloeg het open: "kijk!" zei ik, en wees hem op het
achtste gebod."

"Dat was braaf gehandeld," zeide Henriëtte: en Suzanna zag den dikken
man met eenigen eerbied aan, alsof zij een innerlijke gelofte deed, van
ten minste de eerste tien minuten den spot niet met hem te drijven.

"En hoe nam de zeeroover dat op?" vroegen wij allen als uit éénen mond.

"Wel dat viel mee (zooals de dronken bottelier zei, toen hij met de
gangtrap in zee rolde).--Hij keek wel eerst wat stuursch, maar het
maakte toch indruk, merkte ik: "ik wil geen theologisch dispuut met u
beginnen," zei hij: "anders zou ik u kunnen overtuigen, dat dit artikel
(hij noemde het een artikel: de man was ook niet vast in de leer!) dat
dit artikel," zeide hij, "op mijn beroep niet toepasselijk is. Ik ben
hier zooveel als Souverein, geloof ik," zei hij: "en in oorlog met alle
natiën: alleen heb ik nog een gekkelijk zwak voor Hollanders, ofschoon
zij het niet aan mij verdiend hebben.--Ik geef u nog een uur om te
bedenken," zei hij; en meteen vouwde hij heel bedaard het papier dat hij
geschreven had, dicht, en stond op om heen te gaan.--"En zoo ik het nu
niet aanneem," zei ik: "wat dan?"

"Dan wordt gij gehangen," zei hij, op denzelfden toon, alsof hij mij de
keus had gelaten tusschen een slok brandewijn of een glas rood, en hij
stapte de deur uit."

"Uw toestand moet alles behalve vroolijk zijn geweest," merkte ik aan.

"Om den drommel niet," zeide Pulver: "maar ik had er mij al zoo half en
half op verwacht en mijn besluit was genomen; want ik dacht: men moet
toch eenmaal dood en dan nog liever als een Christenmensch gestorven.
Zoo ging ik zitten en dacht: ik zal mijn laatste uurtje toch zoo goed
mogelijk besteden en lezen een kapitteltje uit de Schrift: en met dat ik
daaraan bezig was, zoo komt mij dat Juffertje weer binnentrippelen. "Och
Kapitein!" zei ze zoo: "vertel mij toch ereis wat van Holland: ik hoor
zoo graag van Holland spreken."--"Lief Juffertje!" zei ik, "dat zou ik
met plezier doen, waarom niet; maar ik heb nu zoo slecht den tijd, want
over een uur, weet je, moet ik gehangen worden: en daarom dien ik mijn
leste oogenblikken wel te besteden met mijn ziel in een staat van genade
te brengen, en nog eens aan mijn arme vrouw en zes bloeien van kinderen
te denken, die ik ik huis heb gelaten." En met voelde ik dat mijn oogen
overliepen. "Wat!" zei zij: "hebt gij vrouw en kinderen?" en zij begon
ook mee te schreien, de goede medelijdende ziel. "En wie wil u laten
hangen?" vroeg zij: is het Papa?--Ja?--In dat geval, zal ik hem zoo lang
smeeken en bidden, tot hij u genade geeft."--"Juffertje!" zei ik: "het
hangt van mij af, om te blijven leven; maar dan moet ik dienst nemen bij
uw vader; en zie je, dat kan ik nu zoo maar niet met mijn geweten
overeenbrengen."--"En waarom niet?" vroeg zij, met een heel natuurlijk
stemmetje. "Ja!" zei ik zoo, "om dat rooversbedrijf, dat strijdt zoo wat
tegen goddelijke en menschelijke wetten." Toen keek zij mij heel strak
in 't gezicht, omtrent even strak als haar vader gedaan had. "Ik weet
het," zei zij toen, snel sprekende, net alsof zij bang was voor hetgeen
zij zeide: "ik weet het:--spreek daar niet meer over. Gij hebt gelijk:
ik ben het slechts ontwend, dergelijke waarheden te hooren. Lees voort
en ik zal u niet storen: maar ik wil hier blijven: ik moet met mijn
vader spreken: dat zal zoo niet afloopen."

"Zonderling!" zeide Henriëtte, zich een traan uit het oog wisschende:
"en hoe kwam de vader van een meisje, dat zoo sprak, aan het hoofd van
een roofschip?"

"Dat is wat ik ook dikwijls gedacht heb, Juffertje!" zeide Pulver: "maar
UEd. zal nog meer hooren. Juffrouw Amelia dan ging over mij zitten, met
de armen gekruist en terwijl zij stipt voor zich keek. Het uur was
nauwelijks verloopen, of daar stapte haar vader weêr binnen: "Wie heeft
u geheeten, hier te komen?" vroeg hij aan zijn dochter: "laat ons
alleen."--"Neen!" zei zijn dochter: "dat doe ik niet, of gij moet mij
eerst beloven, dien man vrij te laten. Hij heeft vrouw en kinderen," zei
zij, terwijl zij de handen vouwde. "Laat hem gaan, vaderlief, gij zult
het immers aan uwe kleine Amelia niet weigeren?" en zoo ging zij voort,
terwijl ze hem allerlei lieve woordjes gaf, en hij wrevelig voor zich
bleef kijken. Eindelijk scheen hij eenigszins tot andere gedachten te
komen: hij nam haar bij de hand, zei iets tot haar in 't Spaansch, en
bracht haar, half willig, half onwillig de kamer uit. Ik hoorde echter
dat hij haar buiten de deur een zoen gaf: dat dacht mij een goed
voorteeken te zijn. Toen kwam hij weer tot mij: "Wel!" zeide hij: "hebt
gij uw besluit genomen!"--"Ja," zei ik. "En wat is het, kort en goed,
zonder teksten?" vroeg hij, "ja of neen?"--"Neen!" zei ik. "Dus hangen?"
vroeg hij weer.--"Neen! ook niet," zei ik, "immers niet met mijn
wil."--"Gij begrijpt toch," zei hij, "dat er geen derde keus overblijft.
Ik kan toch niet iemand, die eenmaal hier geweest is, levend laten
vertrekken om, als hij te huis is, mijn schuilplaats te
verklikken."--"Hoor, weet je wat, Kapitein!" zei ik: "laat mij gerust
gaan, al ware het op dezelfde manier waar ik op gekomen ben, van mijn
bezoeken zal je geen last meer hebben, dat beloof ik u: en om aan
anderen den weg te wijzen, dan moest ik hem eerst zelf kennen. 't Is
waarachtig beter, dat gij mij het leven schenkt: gij weet niet hoe het u
naderhand nog kan te pas komen: als b.v. de Heeren van de Compagnie u
eens bij de kladden krijgen, dan zal het u meer goed doen, als ik in uw
voordeel spreken kan, dan dat ik nu aan een van die gindsche hoornen
bungelde."--Hij scheen even na te denken: "gij kunt onze levenswijs nog
niet beoordeelen," zei hij: "een man moet weten, wat hij kiest of wat
hij verlaat." Met floot hij en er kwam een aardige jongen in een
matrozenpakje binnen, aan wien hij in 't Spaansch zijn bevelen gaf.
"Volg dien knaap!" zei hij toen: "die zal u brengen, waar gij wezen
moet!" Wat zou ik doen? Ik maakte een strijkage en ging ons maatje
achterna, die mij buitenshuis bracht en naar een ander gebouw, waar de
bende gewoon scheen te zijn haar middagmaal te nemen. Hier kwam er een
hoop bij elkander alsof zij van den toren van Babel gestuurd waren, volk
van alle natiën en tongen: er waren er Portugeezen, Spanjolen,
Engelschen, Italiaanders, Françoisen, Hollanders ook, schande genoeg! En
ik moest mee aanzitten en zien hoe het er toeging. Ik moet zeggen, die
schelmen hadden een tafel of het voor een Burgemeester was: vleesch en
gevogelte van allerlei soort: en wijn, zooveel hun lustte en van den
besten ook. Ik dacht: Pulvertje! dat is allemaal om u te verleien; maar
deze reis zal het hun niet lukken.--Ondertusschen waren er een paar
naast mij gaan zitten, die vertelden mij, hoe goed zij het hadden onder
Don Manoël, zoo noemden zij den Kapitein, en wat een dwaasheid ik doen
zou, indien ik niet met hen bleef: en onderwijl schonken zij mij al in,
den eenen kroes voor, den anderen na. Maar ik lachte in mijn vuist: en
dacht: als het op pooieren aankomt, dan ben ik nog niet bang: ik heb een
bast, die kan er tegen, zooals Thomasvaer in de klucht zeit. En
bovendien had ik van al het praten een keel gekregen, zoo droog of ze
van een weverswammes gemaakt was. En ziet, mijn buren raakten allebei
zoo mooi bezorgd, dat zij van de bank rolden. Toen kwam er een ander,
die wou mij een papier laten teekenen; maar ik smeet het wat deftig over
de tafel heen: waarop er een was, die mij te lijf wou: maar ik gaf hem
een muilpeer, dat hij naar de tweede niet vroeg. Toen vielen zij
allemaal op mij aan; en bonden mij en smeten mij in een hok, waar ik
tijd had om uit te slapen. Den volgenden morgen kwamen er vier kerels
mij halen, en begonnen mij met een doek over mijn kluisgaten te binden,
dat ik niet zien zou wat zij in 't vizier hadden. Ik kreeg slechte
gedachten, toen zij mij naar buiten brachten, en meende, nu was mijn uur
gekomen, en ik moest maar mijn best doen om als een vroom Christenmensch
te sterven; maar jawel! ik had pas een eindweegs opgekuierd, of ze
smeten mij in een sloep, en na een tijdlang roeiens, merkte ik aan den
wind, die op mijn frontwerk speulde, dat wij kort aan zee waren. Opeens
werd ik aan boord van een schip geheeschen: "zouden zij mij nu naar
zeemansmanier aan de ra hangen?" dacht ik; maar ook al niet: ik werd
tusschendeks gelaten, ik hoorde het anker lichten, en wij staken van
wal. Het duurde zeker wel twintig dagen, eer de reis ten einde was, en
ik bleef al dien tijd beneden, zonder eens op het dek te mogen komen, en
zonder dat iemand boe of ba tegen mij zei: gij kunt denken, of ik ook
het land had. Eindelijk liet men het anker vallen: ik werd weer
geblinddoekt, in de sloep gelaten en aan wal gebracht. Toen mij de doek
werd afgenomen, zag ik, dat ik in een klein boschje was, doch waar, wist
Joost. Een van de roovers, die Hollandsch sprak, stond naast mij en
stelde mij een geldzakje ter hand. "Houdaar!" zei hij: "en maak dat je
naar den bl---- komt. Gij hebt slechts het eerste pad het beste te
volgen, om menschen te vinden. Maar zoo gij ons altemet mocht herkennen
t'avond of morgen, draag zorg dan ons niet te verklappen, noch ons na te
volgen, of...," hier maakte hij een beweging, die ik best begreep. "Geen
nood," zei ik, "en goeie reis (zooals de man, die zich baadde, tegen de
haaien zei.)" Weg liepen zij: en ik stond alleen te kijken als malle
Piet. Maar ik dacht, ik zal den anderen weg kiezen: en zoo liep ik dwars
door het boschje heen, mooi nieuwsgierig waar ik zou aanlanden, tot ik
aan een soort van huisje kwam, waar ik een paar negers vond, die mij te
recht hielpen, en mij naar de Havannah brachten, want daar was ik geen
twee geweerschoten van verwijderd. Ik kuierde de stad binnen en vond al
gauw een plaats om onder dak te komen, bij een ouden landsman, dien ik
er wonen wist. "Wel Kapitein Pulver," zei die, toen hij mij zag: "hoe
kom je zoo uit de lucht vallen?" "Patientie!" zei ik, "dat zal ik u
naderhand wel eens vertellen." Den volgenden dag ging ik ereis op mijn
kuier, maar, schoon ik in een paar kooplieden, die ik onderweg
ontmoette, twee van Don Manoëls volk meende te herkennen, en schoon er
een net getuigd en gekoperd brikje onder Portugeesche vlag in de haven
lag, dat al rare vermoedens bij mij deed ontstaan, ik paste wel op, mijn
mond dicht te houden, zoo lang ik er bleef: 't geen gelukkig korter was
dan ik eerst vreesde: want er kwam eenige dagen daarna gelegenheid om
naar Curaçao te varen, waar ik "de Prins te Paard" bij geluk nog vond,
die juist het anker zou lichten, en je kunt denken, hoe zij allen te
kijken stonden, toen zij mij in levenden lijven weerom vonden; want zij
dachten niet anders, of ik had uit de groote spoelkom gedronken. Nu
vraag ik u, of Kapitein Pulver al rare ondervinding heeft opgedaan?"

"Mij dunkt zij hebben nogal wat met u gesold," zeide Suzanna: "doch het
schijnt u geen kwaad gedaan te hebben, en gij zijt tegen de verdrukking
aangegroeid.--En hebt gij naderhand nooit iets van dien rooverkapitein
vernomen?"

"Neen," antwoordde Pulver: "en ik heb ook nooit verlangd de kennis te
hernieuwen (zooals de dief tegen den beulsknecht zei). Maar ik meen dat
hij, zoo wat een jaar nadat ik hem gezien heb, verdwenen is:--althans
later heb ik niet meer van hem hooren spreken, maar wel van een anderen
zeeroover, die onder den naam van Zwarten Piet doorging, en geen haar
beter was dan zijn voorganger."

"Zwarte Piet!" herhaalde Henriëtte: "is dat dezelfde, wien men beweert,
dat hier in den omtrek rondzwerft en de wegen onveilig maakt."

"Foei! laten wij niet over dieven spreken, die zoo in de buurt huizen,"
zeide Suzanna: "dat geeft maar slapelooze nachten. Maar van uw vriend
Sander, hebt gij daar nooit tijding meer van gehad, Kapitein?"

"Neen!" antwoordde hij: "en ik vrees, dat hij smaak in 't rooversleven
gekregen heeft; want hij was altijd een ondernemende gast; 't zou jammer
van den jongen bol geweest zijn; doch het bloed kruipt waar 't niet gaan
kan."

De dames gingen voort, den Kapitein nog over vele bijzonderheden te
ondervragen. Wat mij betreft, ik was stil geworden. Het weinige, dat de
verhaler zoo van het uiterlijke voorkomen als van de handelwijze van Don
Manoël en zijn dochter gezegd had, en de naam van Amelia, aan deze
laatste gegeven, hadden zonderlinge vermoedens bij mij doen ontstaan,
waaraan ik hechten bleef, in weerwil van mijzelven. Wenschende,
hieromtrent nader onderricht te ontvangen, wachtte ik het oogenblik af,
dat de jonge meisjes met haar ondervragingen hadden afgedaan en zich
vermaakten om in de _menagerie_, waar wij waren aangekomen, de
goudlakensche faisanten te voederen, terwijl Pulver zijn versch gestopte
pijp door middel van een brandglas aanstak, om dezen laatste te vragen,
mij nader te beschrijven, hoe die zeeroover er toch wel uitzag.

"Wel! zooals ik UEd. gezegd heb," zeide hij: "een groote forsche kerel
met een _sombrero_ op het hoofd, een plantersbuis en een zeemansbroek,
een koppel pistolen...."

"Ja," viel ik in: "en naderhand een japansche rok; maar zijn gelaat?"

"Een knap slag van een vent: een paar fiksche oogen ... wat zal ik er
meer van zeggen?"

"En zijn dochter?"

"Ja! een aardig meisje, of zij zwart of blond was weet ik niet meer: een
goed gezicht ... en zoo groot als een meisje van veertien, vijftien
jaren."

Met deze opheldering moest ik mij voor het oogenblik wel tevreden
stellen: en de klank van den bengel, die ons de aankomst van nieuwe
gasten verkondigde, deed ons spoedig weder den weg huiswaarts nemen. Wij
vonden den eigenaar van Guldenhof en zijn zoon op de stoep met Tante en
Van Baalen in gesprek. De Heer Blaek was de eerste, die naar ons
toekwam. Zijn kleeding was vrij wat keuriger, zijn gelaat vriendelijker
en zijn toon beleefder, dan toen ik hem in zijn koepel ontmoette. Hij
groette ons op een zeer heusche wijze, zeide iets zeer vleiends aan
Suzanna, kuste Henriëtte, en zich vervolgens tot mij wendende, drukte
hij mij de hand en vroeg mij om verschooning, zoo mijn onthaal op
Guldenhof niet was geweest gelijk het behoorde. "Maar mijn lieve Heer
Huyck!" zeide hij: "alles werkte ook samen om mij verkeerde vermoedens
jegens u te doen opvatten: uw kleeding, de verrassing van het oogenblik,
het verhaal van dieverijen in de buurt gepleegd, en zoo voort. Nu! doe
mij vermaak en toon mij, dat UEd. mij geen kwaad hart toedraagt, door
mij eens te komen bezoeken.--Gij zult mij altijd welkom wezen, en het
zal mijn zoon ongetwijfeld aangenaam zijn, nadere kennis met u te maken.
Sta mij toe, u aan elkanderen voor te stellen. Lodewijk was niet in zijn
schik," vervolgde hij, zich tot Henriëtte wendende, "dat gij, zoo zonder
hem daar iets van te zeggen, herwaarts getrokken waart. Gij weet, dat in
uwe afwezigheid Gildenhof weinig bekoorlijks voor hem oplevert."

"Dat wist ik niet, Oom!" zeide Henriëtte: "en zoo ik hem niet gezegd
heb, dat ik hierheen ging, het is, omdat hij zich in de laatste twee
dagen niet te huis heeft laten zien."

Ondertusschen was Lodewijk op den wenk zijns vaders ons genaderd, echter
niet met die haast, welke de Heer Blaek wilde doen gelooven, dat hem
naar zijn nicht dreef.

"Komaan Lodewijk!" zeide zijn vader: "ik weet, gij zult verlangen om
Jetje wat te beknorren; maar eerst moet ik u aan den Heer Huyck
voorstellen, en u gelegenheid geven, om, evenals ik reeds deed, hem voor
onze misvatting en onbeleefdheid verschooning te vragen."

Lodewijk en ik groetten elkanderen met die uiterlijke beleefdheid, welke
de samenleving voorschrijft ook aan hen, die elkanderen niet lijden
mogen.

"Wij hebben de kennis reeds hernieuwd," zeide ik.

Lodewijk zag mij schuins aan, en vervolgens, zich tot de dames wendende,
begon hij, waarschijnlijk om mij te vermijden, een druk gesprek met
Henriëtte, zoodat zijns vaders gelaat van tevredenheid blonk, en deze
nauwelijks de buigingen opmerkte, waarmede Kapitein Pulver hem
begroette.

Niet lang daarna kwam de boodschap, dat het middagmaal was opgedischt,
en begaven wij ons naar de eetzaal. Tante plaatste zich tusschen de
beide oude Heeren: naast Van Baalen kwam Kapitein Pulver te zitten,
vervolgens mijn onwaardig ik, dan Henriëtte, en Lodewijk werd tusschen
haar en Suzanna geschikt. Ik maakte, gelijk men denken kan, van de
gelegenheid gebruik, om aan mijn buurjuffer alle mogelijke kleine
oplettendheden te bewijzen, zonder juist op te merken, of liever zonder
er mij aan te storen, dat haar oom dit vrij zuur aanzag, en zich
waarschijnlijk reeds beklaagde, dat hij mij den toegang tot zijn huis
had opengezet. De afgetrokkenheid van den Heer Blaek ontsnapte echter
niet aan Suzanna, noch zelfs aan Tante, die hem er over begon te plagen.

"Ach Mevrouw!" fluisterde hij eindelijk, glimlachende: "er was een tijd,
waarin ik niet afgetrokken was in uw bijzijn, en het zoude van u
afhangen, dien tijd te doen herleven."

"Ei kom! Het is een hoofdstuk uit de oude geschiedenis, dat gij
voordreunt," zeide Tante, lachende.

"Hoe maakt UEd. het toch, om zulke heerlijke doperwtjes te bekomen?"
vroeg Van Baalen haar: "uit _mijn_ tuin in den Diemermeer kan ik die
maar zoo smakelijk niet krijgen."

"Zeg dat niet," zeide Tante: "ik herinner mij zeer goed, er bij u tot
laat in September te hebben gegeten, als de mijne reeds lang gedaan
hadden."

"Ja! bij mijn vorigen baas; maar mijn tegenwoordige tuinman heeft er
geen verstand van. 't Is of ik het altijd moet treffen, dat ik mij met
lieden behelpen moet, die geen kennis bezitten van hun vak."

"Hoe bevallen UEd. de bruine langstaarten, die UEd. op de Palmmarkt van
Govert Sperwer gekocht hebt?" vroeg Lodewijk aan Van Baalen.

"Hm!" antwoordde deze, het hoofd schuddende: "wat zal ik UEd. zeggen? De
beesten loopen hard genoeg: maar 't is mij wat moeilijk in 't haar te
blijven. Ik zal er moeten uitscheiden. Op de Palmmarkt waren er nog meer
te krijgen geweest; maar juist toen ik er op afkwam waren zij verkocht.
't Is of ik altijd te laat moet komen. Maar daar bedenk ik iets: het
spannetje dat ik heden hier heb, heeft UEd. dat reeds gezien? Dat was
juist een kolfje naar uw hand."

"Ik dank u," zeide Lodewijk: "ik heb nog paarden genoeg, en dan een
boeier bovendien; maar ik recommandeer mij, om ze straks eens te zien,"
enz.

Het gesprek werd na langzamerhand meer algemeen. Pulver, die niet naliet
den goeden wijn van Tante te prijzen en te betuigen, dat hij zulke waar
niet geproefd had, sedert hij bij de roovers had gevangen gezeten,
vermaakte ons nu en dan met zijn kluchtige uitvallen, en Van Baalen
perste ons menigen glimlach af, door zijn manie van zich over al wat hij
had te beklagen. Hetgeen de oude Heer Blaek zeide, was meestal gepast en
verstandig; en hij beviel mij in alle opzichten beter dan toen ik hem
voor 't eerst zag. Echter was het mij toch, als drukte dien man iets
bezwarends op het hart, dat hem midden onder het vroolijk gesprek zijn
goede stemming ontnemen kwam, en zich tusschen hem en zijn
blijgeestigheid plaatste als een wolk voor een heldere zomerzon. Hij zag
er niet uit als iemand, die iets kwaads in 't zin had of een misdrijf
zou begaan; maar wel als iemand die iets bedreven had, dat hem tot
naberouw verstrekte. Tante praatte wakker door, en maakte allerlei
plannen van vroolijke partijen voor de toekomst. Suzanna wierp er
bijwijlen een grap tusschen in: en Lodewijk scheen meer werk van zijn
nicht te maken dan gewoonlijk.

Wij waren aan 't nagerecht, en de Heer Blaek was juist bezig over de
onbeschaamde diefstallen te spreken, die onlangs in de buurt hadden
plaats gehad, toen de knecht mij in het oor kwam fluisteren, dat er een
Heer buiten stond, die mij wenschte te spreken.

"Een Heer om mij te spreken!" herhaalde ik, met eenige verwondering:
"dat hebt gij zeker verkeerd. Wie kan mij hier iets te zeggen hebben?"

"Er is toch geen zwarigheid?" vroegen de dames, als uit éénen mond.

"Waar komt hij vandaan? Is het iemand uit Amsterdam?" vroeg Tante.

"Ik weet niet," zeide de knecht: "'t Is een Monsieur in 't zwart, en,
zoo ik mij niet bedrieg, dezelfde, die in het huisje van Baas Roggeveld
woont."

"En komt die om mij te spreken?" vroeg ik: "ik kan niet begrijpen...."

"Gij moest toch eens gaan zien," zeide Tante: "en kom ons dan daarna
verslag doen. Joris! laat dien Monsieur in de zijkamer."

"Met het verlof van het gezelschap," zeide ik: en oprijzende begaf ik
mij naar de zijkamer; maar wie schetst mijn verbazing, toen ik zag, dat
de man, die op mij wachtte, niemand anders was dan Zwarte Piet, _in
propria persona_.


       *       *       *       *       *


ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

VERHALENDE, HOE ZWARTE PIET FERDINAND MET EEN COMMISSIE BELASTTE EN HOE
SUZANNA EEN GROOTEN KOEK TROK.


"Hoe!" riep ik uit, terwijl ik den struikroover aanstaarde: gij waagt
het!..."

"Ik waag niets, Mijnheer Huyck!" zeide hij: "want ik weet, dat UEd. de
man niet zijt, die mij verraden zult."

"Maar toch!" hernam ik: "ik kan niet beseffen, wat gij mij kunt te
zeggen hebben."

"In de eerste plaats moet ik mij van mijn schuldigen plicht komen
kwijten en u mijn dank betuigen voor het stilzwijgen, dat UEd. aangaande
onze ontmoeting hebt bewaard."

"En hoe weet gij," vroeg ik, eenigszins verwonderd, "dat ik gezwegen
heb!"

"O ho!" zeide hij met een glimlach: "dat kan ik genoeg uit de gevolgen
opmaken. Zoo UEd. maar een woord gesproken, maar een sein gegeven had,
waren de landhaaien mij reeds aan boord geweest, on zou ik hier thans
niet voor u staan, zoo gerust als een Admiraal op zijn dek; want
ofschoon men altijd nog naar Zwarten Piet zoekt, het is in den blinde en
zonder dat men weet, welken koers te houden. Niettemin! ik wil het
gevaar niet loopen van 't avond of morgen te verzeilen en denk deze
haven te verlaten."

"Gij deedt beter," zeide ik, "uw geheele professie te verlaten, *welke u
toch nooit tot een gelukkig einde brengen zal."

"Helaas, Mijnheer!" hernam hij, met een treurigen blik en een diepe
zucht: "hangt het wel van onszelven af, die met vrijen wil te kiezen?
Kan ik tegen wind en stroom opvaren? en moet men niet, als het tij
verloopt, de bakens verzetten? Hoe zou ik, na al het gebeurde, in staat
zijn, mijn wandel te verbeteren en onder een betere vlag te zeilen dan
die ik tot heden gevolgd ben? Zoo ik b.v. Mijnheer voorstelde, mij als
lakei in zijn dienst te nemen, zou zulks UEd. aanstaan?"

"Gij weet," antwoordde ik, om de veronderstelling glimlachende, "dat men
geen lakei huurt zonder attestatiën van goed gedrag te zien: en ik
twijfel, of de uwe van dien aard zijn, dat zij mij voldoen zouden."

"Daar moest UEd. niet op zweren," hervatte hij, terwijl hij een
zwartlederen _portefeuille_ uit den zak haalde, en daaruit eenige
papieren nam, die hij op de tafel uitspreidde: "ik heb hier een menigte
getuigschriften van de deftigste inwoners van Batavia en de Kaap, alle
bewijzende dat de persoon Joachim Waarglas hen in de betrekking van
kamerdienaar, schrijver en hofmeester met de meeste nauwgezetheid
gediend heeft. Lees ze maar eens, Mijnheer! zij zijn zoo voldoende
als...."

"Als zij valsch zijn," viel ik in: "wat hebt gij te maken met
certificaten van eenen Joachim Weerglas, die wellicht nooit bestaan
heeft?"

"Zeer zeker heeft de man bestaan," antwoordde hij, de papieren wederom
naar zich toestrijkende: "maar de goede ziel heeft die niet meer noodig;
daar hij sedert lang onder de groene baren slaapt, om welke reden ik er
des te minder conscientiewerk van gemaakt heb, mij zijn naam toe te
eigenen, en zijn papieren evenzeer, die toch voor niemand meer waarde
hebben en mij daarentegen zeer nuttig zijn, wanneer deze of gene
hapscheer mij komt praaien en verzoeken mijn kleuren te wijzen.--Maar
ook op mijn eigen naam heb ik zeer goede certificaten, die wellicht
beteren indruk op UEd. zouden maken."

Dit zeggende, opende hij een verborgen gedeelte van zijn brieven-tasch
en haalde daaruit wederom eenige papieren voor den dag.

"Wat dunkt u van dit certificaat?" vroeg hij, mij een der bewijsstukken
overhandigende.

Ik nam het op en las niet zonder verbazing een geschrift in de Spaansche
taal, geteekend door den Graaf van Talavera, en getuigende, dat Sander
Gerritz, geboortig van Amsterdam, hem met onkreukbare trouw en ijver
gediend had.

"Dat kan wel zoo valsch zijn als de rest," zeide ik, het hem
teruggevende.

"Ho! ho! men kent aan onze kantoren zoowel als aan de landssecretarie de
naamteekening van den Graaf van Talavera.--Doch hier zijn nog meer
stukken, alle van bekende en nog levende personen: als hier is de
attestatie van Schipper Slingertouw, met wien ik als halfwassen brasem
drie reizen naar de Oost heb gedaan, van Schipper Blauwketting, bij wien
ik twee jaren stuurmansleerling geweest ben, van Kapitein Wijdwimpel,
daar ik onderstuurman bij was, van Kapitein Pulver, waar...."

"Diens handteekening zouden wij terstond kunnen doen erkennen," zeide
ik: "want de man bevindt zich in de eetzaal."

"De duiker, doet hij," riep Sander, zijn papieren snel verbergende: "ik
zou, wel is waar, den ouden pekbroek nog gaarne eens terugzien; maar
och! door kennis krijgt men kennis en men mocht op zulk een wijze dingen
van mij te weten komen, welke ik liever achterbaks houde."

"Mag ik u eens vragen," hernam ik, "of er onder die certificaten geen is
van zekeren Don Manoël, onder wien gij waarschijnlijk ook gediend hebt?"

Sander zag mij een wijl aan met doordringenden blik: "UEd. vraagt mij
naar den bekenden weg," zeide hij vervolgens, "en weet zoogoed als ik,
dat de man er ook bij is, al luidt zijn naam wat deftiger.--Maar dit
daargelaten, UEd. kan uit dit alles besluiten, dat ik onder mijn eigen
vlag niet durf varen en dus wel valsche kleuren dien te wijzen. Hoe wil
ik nu mijn weg beteren, daar ik, 't ga, hoe 't ga, gedwongen ben de
lieden of te bedriegen, of te bestelen?"

"Mijn vader," zeide ik, "is een rechtschapen man: zoo gij u bij hem
begaaft, hem rondborstig uw levensloop verhaaldet, en hem ware begeerte
toondet om uw doolpad te verlaten, zou hij waarschijnlijk in staat zijn,
u kwijtschelding voor uwe begane misdrijven te bezorgen en een beter
vooruitzicht voor de toekomst te openen."

"Al is," zeide Sander, "het schip nog zoo lek en de branding nog zoo
fel, zoo zal de matroos, om zijn leven te redden, niet overboord
springen, wanneer hij haaien voor den boeg ziet. Ik dank u, Mijnheer
Huyck! maar ik heb mijn nek te lief om uw voorslag aan te nemen. Mijn
oogmerk is naar Rusland of Noorwegen te gaan en te zien, of men mij daar
gebruiken kan: want dat loeren achter de struiken, en dat openveteren
van nachtsloten is geen werk voor iemand, die een korvet gecommandeerd
heeft."

"De hemel geleide u," zeide ik: "maar hebt gij mij nu nog verder iets te
zeggen? Het gezelschap wacht mij, en...."

"En dat van een boef, gelijk ik, begint u lastig te worden: dit begrijp
ik. Ik zal het kort maken. Deze kleinigheid verzoek ik u aan te nemen
als herinnering aan onze ontmoeting en als een bewijs mijner
erkentelijkheid."

Dit zeggende, bood hij mij een ring aan, met fraaie _brillanten_ omzet.

"Ik dank u," antwoordde ik, het geschenk afwijzende: "ik heb geen
waarborg, dat gij recht hebt, dien ring weg te geven, en bovendien
verlang ik geen verplichting aan u te hebben."

"De ring behoort mij," zeide Sander, "ik heb dien met het zwaard genomen
van een kaper, die in onze jacht was komen stroopen en wien wij zijn
buit deden overgeven. Doch, begeert gij hem niet, het is wel, zoo blijf
ik uw schuldenaar. Tweemalen hebt gij mij ontmoet: ook deze reis
vertrouw ik op uwe bescheidenheid te kunnen rekenen."

"Nog vier en twintig uren," zeide ik, "wil ik u die beloven; maar zijn
die verstreken, dan acht ik het mijn plicht als burger, uw verblijf te
ontdekken."

"Over vier en twintig uren moogt gij, wat mij betreft, op de daken
schreeuwen, dat Sander Gerritz, Joachim Weerglas en Zwarte Piet slechts
één persoon zijn."

"'t Is wel! maar maak nu, dat gij voortkomt. Ik hoor de gasten reeds
opstaan."

"Nog één verzoek; misschien kent UEd. in Amsterdam zekeren armen poëet,
Lucas Helding, bij name."

Ik knikte toestemmend.

"Welnu! zou ik u mogen belasten met hem dit geld ter hand te stellen. De
man is behoeftig, en ik weet, dat zulks hem niet te onpas komen zal."

Dit zeggende, haalde hij een geldzakje voor den dag, en stak het mij
toe.

"Wat nu!" riep ik verbaasd. "Behoort Helding ook al tot de bende?"

"Neen Mijnheer!"--Maar ik heb den man vroeger gekend; ik weet, dat hij
broodsgebrek lijdt en leven moet van de brokken, die rijke lieden hem
toewerpen, gelijk zij aan hun hof hond zouden doen. Ik heb genoeg om de
reis te ondernemen. Dit geld kan ik missen."

"Verschoon mij", zeide ik: "maar zoo de goede man den oorsprong van dit
geld kende, zou hij het nimmer willen aannemen."

"De henker hale die nauwgezetheid!" zeide Sander, op de lippen bijtende:
"de man, wien ik dat sommetje afhandig heb gemaakt, was een vreemdeling,
die wellicht te Moskou of te Weenen te huis behoort en wien ik het niet
kan terugzenden. Ik wil er mij van ontdoen: kan ik beter handelen, dan
door het aan aalmoezen te besteden? En heb ik dan geen recht, iemand
daarmede te bevoordeelen, die arm en braaf is?"

"Gij zoudt althans rechtvaardiger handelen," antwoordde ik, "door het
aan de lieden terug te geven, die gij bestolen hebt, en die gij kent.
Vergoeding gaat boven aalmoezen."

"Vergoeding!" riep hij ongeduldig uit: "en wat heb ik hem niet te
vergoeden? Hoor eens, Mijnheer! en beoordeel mij. Zes jaren geleden,
voor ik met Kapitein Pulver uitzeilde, had ik kennis aan de dochter van
Helding: een engel van braafheid, de lust van haar vader en van al wie
haar kende. Wij hadden elkander lief: zij zou mijn vrouw worden, zoodra
ik Stuurman was. 's Avonds voor mijn vertrek, daar wij met ons beiden
alleen waren...." Hier begon Sander te snikken.

"Ik versta u," zeide ik, getroffen over de ontroering van den man, bij
wien in weerwil zijner wanbedrijven het goede zaad nog niet geheel
verstikt scheen te zijn: gij waart ondernemend en zij wellicht te
zwak...."

"Ja Mijnheer!--Ik ging op reis. Wij hadden met tegenspoeden van allerlei
aard te kampen. Wij werden door zeeroovers gevangen: en, door nood
gedwongen, trad ik bij hen in dienst. Ik verwierf mij het vertrouwen en
de gunst van het opperhoofd, die mij al spoedig tot zijn Luitenant
verhief. Hoe hij ons verliet en hoe ikzelf na zijn vertrek het bevel
bekwam, en den naam van Zwarten Piet niet minder beroemd maakte dan die
van Don Manoël geweest was, ware te lang om hier te vertellen. De
fortuin liep ons eindelijk tegen: ik werd gevangengenomen, doch
ontsnapte en kwam op een Hollandsch schip terug. Te Heivoet echter werd
ik herkend door een Kapitein, wiens vaartuig ik geplunderd had: ik
ontsnapte den rakkers, die mij zochten, en leidde sinds een zwervend
leven. Van zeeschuimer werd ik struikroover; maar, zooals ik u zeide,
dit laatste beroep begon mij tegen te staan. Ik trachtte intusschen
narichten in te winnen omtrent Klaartje; want, ofschoon ik in de
West-Indiën, en toen ik geen gedachten had haar ooit weer te zien, haar
beeld zoo wat op den achtergrond had gezet, bij mijn terugkomst in mijn
vaderland was het of mijn liefde met dubbele kracht herleefde;--maar
och, Mijnheer! wat moest ik hooren? Zij was weg, zij had haar vader
verlaten, was van kwaad tot erger geraakt, en leidde nu hier, dan daar,
een ongebonden leven.--Ik weet, het is slechts gedeeltelijk mijne
schuld: en echter is het mij, als had ik al die ellende
veroorzaakt.--Ben ik nu den ouden man vergoeding schuldig of niet?"

De gelaatstrekken van Sander hadden gedurende dit verhaal, hetwelk hij
onder gedurig snikken en met een bevende stem gedaan had, dezelfde
bleekheid en ontroering vertoond, welke mij in de kerk des morgens
getroffen hadden. Ik besefte nu, waarom het tafereel, door den Predikant
gemaald, zulk een indruk op hem gemaakt had.

"Helding zal, indien dit alles waar is, van u althans niets willes
aanvaarden," hernam ik, zelf niet wetende, wat te zeggen.

"Dat behoeft ook niet, Helding weet niet, mag niet weten, van wien dit
komt. Nog eens, wat ik u bidden mag, bezorg dit aan den goeden man."

"Hebt gij geen andere gelegenheid?" vroeg ik, eenigszins bedremmeld;
want ik hoorde het gezelschap, dat door de gang kwam en de stoep aftrad.

"Ik heb," antwoordde hij, "onder mijn kennissen geen eerlijke lieden
genoeg, om hun zulk een boodschap op te dragen:--hier ligt het geld: ik
neem het niet weer op: gij zult--gij moet het bezorgen."

"In waarheid!" hernam ik: "het is een commissie, die ik met mijn geweten
niet kan overeenbrengen. Gij maakt mij tot heler van gestolen goed."

"Uw dienaar, Mijnheer! God zegene u." En zich buigende, opende bij de
deur om te vertrekken, toen hem iemand, die juist binnenkwam, met een
vaart tegen 't lijf kwam aanloopen.

"Vergeving! vergeving!" zeide Kapitein Pulver! want deze was het: "ik
kwam mijn hoed zoeken, dien ik hier gelaten heb....; maar wat deksel! de
droes is zoo niet!" en hij bleef Sander met een open mond aanstaren.
Deze was een oogenblik onthutst; maar, zich herstellende, wendde hij het
gezicht naar mij toe en van Pulver af en wilde het vertrek verlaten.

"Maar voor den duiker!" riep Pulver, die al om hem heen gedraaid had:
"heb ik het mis of heb ik het wis? Is UEd., als ik mag vragen...."

"Uw dienaar, Sinjeur!" zeide Sander, zich haastig door de gang naar de
voordeur begevende.

"Maar met uw verlof! een amerijtje geduld!" riep Pulver, hem navolgende:
"Sander! ben je 't? of ben je 't niet? Sandertje! ken je Kapitein Pulver
niet meer?"

Sander zag waarschijnlijk, dat alleen onbeschaamdheid hem uit dezen pas
kon redden. Hij draaide zich aan de voordeur om, trad met een vasten
stap naar Pulver toe en zag hem stijf in 't gezicht.

"Sinjeur!" zeide hij: "hier heeft een misverstand plaats. UEd. heeft den
verkeerde voor. Mijn naam is Joachim Weerglas. Ik heb de eer u te
groeten."

Dit gezegd hebbende, maakte hij rechtsomkeert, liet Pulver bedremmeld
staan, stapte de stoep af, en, in het voorbijgaan het gezelschap, dat op
het voorplein stond, deftig groetende, wandelde hij zonder overhaasting
de plaats af.

"Nu! ik mag lijden dat mijn fokkemast in een nachtkaars verandert,"
zeide Pulver, hem verbaasd naoogende: "indien ik ooit zulk een
gelijkenis meer gezien heb."

"Ik moet zeggen, "Neef!" zeide Tante, toen ik, na den geldzak op mijn
kamer gebracht te hebben, weder buiten gekomen was; "die Monsieur is
lang van stof. Wat had die met u te verhandelen?"

"O! heel wat," zeide ik: "meer dan ik thans vertellen kan."

"Wie was die Heer?" vroeg Suzanna: "mij dunkt, ik heb hem hedenmorgen in
de kerk gezien."

"Gij hadt beter gedaan," zeide ik, een andere wending aan het gesprek
wenschende te geven, "den Predikant aan te zien, dan de jonge Messieurs
te begluren."

"Kan ik het helpen?" hernam Suzanna: "die man dwong mij wel hem aan te
kijken; want hij snikte zoo luid, dat iedereen het hoorde."

"Inderdaad," zeide Henriëtte: "nu gij 't zegt, herinner ik mij ook, hem
te hebben opgemerkt. Hij scheen zeer getroffen door de predikatie."

"Gekheid!" hernam Suzanna: "hij huilde van verdriet bij de gedachte, dat
hij bij gebrek aan contanten al de kermisvermaken zou moeten missen,
welke Dominee zoo treffend afschilderde, zoodat hij als zijn meisje hem
van avond vraagt:

     Jan! koop mij een kermis,

zal moeten antwoorden:

     Mooi meisje! ik heb er geen geld."

"Nu zijt gij er toch niet achter, Zusje!" zeide ik: "want hij kwam mij
juist verlof verzoeken om met u ter kermis te gaan."

"Zoo! En ik hoop dat gij gezegt hebt; als 't u belieft."

"Ik zeide, wij waren al Heeren genoeg."

"Wel foei! zoo zal ik nooit een vrijer krijgen, als gij die op zulk een
manier afscheept.--Maar, Kapitein Pulver! Hoe is het? Gij kijkt dien
Monsieur nogal na, schoon hij reeds lang uit het gezicht is. Ik heb wel
gehoord, dat de zeelui door oefening een scherp gezicht krijgen! maar
toch! of gij hem zoo door de bladeren heen kunt ontdekken, dat zou mij
verwonderen."

"Kapitein Pulver meende, geloof ik, dat hij den man kende," zeide ik.

"Ja waarlijk!" zeide Pulver, als uit een droom ontwakende: "en ik geloof
het nog."

"Kent gij Monsieur Weerglas?" vroeg Tante, hem naderende: "want ik meen,
dat hij het was."

"Monsieur Weerglas!" herhaalde Pulver: "ik heb nooit een weerglas gekend
dan hetgeen ik aan boord gebruik en gemaakt is door Michiel Blut op den
Zeedijk. De waarheid is, dat de man als twee druppelen water gelijkt op
mijn Onderstuurman Sander Gerritz, daar ik heden van verteld heb."

"De Kapitein," zeide Suzanna tegen Tante, "dacht als Phocas bij
Corneille:

     _Tombai-je dans l'erreur ou si j'en vais sortir?_

"Ja Juffertje! als ik Fransch verstond," zeide Pulver, "dan zou ik dat
misschien gedacht hebben; maar ik heb dien _kornoelje_ nooit gekend."

"Kom!" zeide Tante: "laat ons maar niet meer aan dien man denken, en
onze wandeling voortzetten. Daar is Van Baalen al een eind vooruit met
den Heer Blaek, en zij zijn zoo druk over den wissel op Londen aan den
gang, dat zij niet bespeuren, dat wij achterblijven. En de Heer
Lodewijk, waar is die?"

"Ik geloof naar stal," zeide Henriëtte: "om de paarden van den Heer Van
Baalen te zien."

"Aha! zoo hij die boven ons gezelschap verkiest," zeide Suzanna, "dan
zie ik wel, dat ik op hem ook niet zal moeten rekenen, om mij hedenavond
ter kermis te brengen, en ik zal Kapitein Pulver wel te vriend mogen
houden: anders ben ik geheel zonder vrijer."

"Tante heeft wel gelijk," zeide ik stil tegen Henriëtte: "wanneer zij
zegt, dat wij dien Monsieur Weerglas moeten daarlaten. Hij heeft mij ten
minste lang genoeg onttrokken aan een gezelschap, dat mij boven alles
aangenaam is."

"Mijnheer!" antwoordde Henriëtte: "gij herinnert u onze afspraak op den
koepel wel? Wij zouden alle complimenten daarlaten."

"Ik kan het waarlijk niet helpen," zeide ik, "dat gij geen onderscheid
weet te maken tusschen waarheid en complimenten."

Op deze wijze pratende, wandelden wij voort, terwijl Suzanna den zeeman
had beetgenomen, wien zij allerlei vragen deed, en Tante nu rechts dan
links liep, om bloemen te plukken, welke zij alsdan aan de jonge meisjes
kwam aanbieden. Na eenigen tijd vervoegde zich Lodewijk weder bij ons,
of liever bij Van Baalen, met wien hij, na lang loven en bieden, den
koop eens werd over de harddravers, onder beding, dat hij die nog eens
zoude probeeren.

Te huis gekeerd, vonden wij de theetafel, die ons wachtte: en terwijl
wij het geurige kruid dronken, liet ik, mij van alle onzekerheid
wenschende te ontslaan, het gesprek vallen op de Spaansche
aangelegenheden: waarna ik, bij mijn neus langs, de vraag deed, of
iemand den Graaf van Talavera ooit had hooren noemen.

Het kwam mij voor, of de Heer Blaek bij deze vraag eenigszins van kleur
veranderde: hij hield zich althans, of hij dien nooit geboord had; maar
Van Baalen haastte zich te antwoorden:

"Den Graaf van Talavera! wel zeker! wie kent dien niet? Hij was
Vlies-Ridder, Grande van Spanje, Admiraal van Castilië, gunsteling des
Konings; in één woord, een troetelkind van 't geluk;--maar 't kan
verkeeren, zegt Bredero: en met hem is het ook mal afgeloopen. Hij is in
ongenade geraakt, heeft zich uit de voeten gemaakt en niemand weet, wat
er van hem geworden is."

"'t Is waar ook," hervatte ik: "nu herinner ik mij, vroeger wel van den
man gehoord te hebben."

"Stil! stil toch!" zeide Tante, terwijl zij Van Baalen met den elleboog
aanstootte.

"Ik mag er dan toch wel bij vertellen," vervolgde hij, niets van de
geheime wenken van Tante begrijpende, "dat hij eigenlijk een
Gelderschman van geboorte was en zijn loopbaan in 's lands dienst
begonnen is. De Heer Blaek zal zich Baron Van Lintz wel herinneren?"

"Ik, Mijnheer?" vroeg de Heer Blaek, terwijl hij moeite had, om het
theekopje, dat in zijn hand beefde, aan den mond te brengen: "met uw
verlof ... neen ... ik herinner mij niets van hem."

"Niets! Is dan niet.... O! hoe kan ik zoo dom zijn?" zeide Van Baalen,
terwijl hij zichzelven met de vuist voor het hoofd sloeg: "Ik was
waarlijk uw betrekking tot dien man vergeten. Ik verzoek verschooning:
ik heb mij schandelijk voorbijgepraat. Zoo iets kan slechts mij alleen
gebeuren. Ik ben de ongelukkigste man van de wereld."

Nu was ik nog even wijs. Ik keek rond: de Heer Blaek was van zijn
ontsteltenis nauwelijks teruggekomen. Van Baalen ging voort met
_excuses_ te maken. Henriëtte zag met haar groote en fraaie oogen
iedereen beurtelings aan als om opheldering te vragen. Tante bood
theerandjes en confituren aan, en deed haar best om de aandacht af te
trekken. Lodewijk neuriede een Fransch liedje en Suzanna mompelde in
zich zelve:

     _"Et jamais dans Larisse un lâche ravisseur
     Me vint-il enlever ou ma femme ou ma soeur?"_

Wat Pulver betreft, hij was in zulk een rookwolk gehuld, dat het mij
onmogelijk was zijn gelaat te onderscheiden.

Het gesprek werd nu, zooals meestal het geval is na een dergelijk
_incident_, koud en onbeduidend: ja, het was met een waar genoegen, dat
iedereen het theegoed zag wegnemen, waarna wij gezamenlijk een wandeling
in 't dorp gingen doen. Dewijl de kermisvermakelijkheden, welke wij daar
bijwoonden, niet van dien aard waren, dat de beschrijving daarvan
eenigszins belangrijk voor den lezer zoude zijn, maar slechts dienen
zoude, om mijn verhaal nutteloos te verlengen, zal ik hier alleen
vermelden, dat Suzanna, bij het gooien aan een koekkraam, door de
fortuin begunstigd werd en het geluk had van een grooten koek te
trekken, waarop met gouden letters te lezen stond:

          DIT IS
           VOOR
           MIJN

Wij keerden tegen negen uren huiswaarts, waarna de vier genoodigde
Heeren, wier rijtuigen reeds een poos gewacht hadden, hun afscheid namen
en Heizicht verlieten.


       *       *       *       *       *


ACHTTIENDE HOOFDSTUK,

WAARIN FERDINAND OP ZIJN KANTOOR GEÏNSTALLEERD, EN, ALS KRELIS LOUWEN,
OP EEN POËTENMAAL WORDT GENOODIGD.


Het was met een beklemd hart, dat ik den volgenden morgen de sjees van
Tante zag voorkomen, om mij naar Amsterdam terug te brengen, en mij een
plaats te doen verlaten, waar ik een voorwerp achterliet, dat mij
ondanks onze korte kennismaking, onuitsprekelijk dierbaar geworden was.
Ik mocht echter mijn verblijf niet langer rekken; want ik moest dien dag
bij den Heer Van Baalen zijn om mijn nieuwe betrekking te aanvaarden: en
ik wil niet ontkennen, dat de gedachte mij streelde, van niet langer,
gelijk voor vijf dagen, te Amsterdam aan te komen, als een berooide
straatslijper, die niets te verdienen heeft, maar als medechef van een
geaccrediteerd handelshuis. Deze betrekking gaf mij dan ook tevens
eenigen waarborg om met meer vrijmoedigheid aanzoek te kunnen doen naar
de hand van een meisje, hetwelk ik niet zoude ten huwelijk durven
vragen, zonder het vooruitzicht te hebben, van haar eerlang een
maatschappelijke positie te verschaffen, geëvenredigd aan die, waaraan
zij gewoon was. Deze en dergelijke gedachten beurden mij onderweg
zoodanig op, dat ik in eene recht opgeruimde stemming te huis kwam. Na
mijn moeder omhelsd, en de jonge leden der familie verheugd te hebben
met een grooten koek, dien Suzanna mij voor hen had medegegeven, begaf
ik mij naar het huis van Van Baalen, die mij uiterst minzaam ontving en
terstond naar zijn kantoor geleidde, waar ik met alle behoorlijke
plechtigheid aan de boekhouders, bedienden en loopers werd voorgesteld.

"Ik heb dezen hoek voor u bestemd," zeide Van Baalen: "hopende dat de
plaats en het licht u gevallen--en dien lessenaar geledigd, dien UEd.
gebruiken kan, zoolang er geen nieuwen vervaardigd is.--Wijdveld! haal
de boeken eens, dat Mijnheer Huyck eenig denkbeeld moge bekomen, hoe de
zaken staan en op wat hoogte wij zoo wat zijn.--Zoo UEd. eenige kopieën
of notitie van 't een of 't ander verlangt, heeft UEd. maar te spreken:
en, heeft UEd. eenige inlichtingen noodig, Wijdveld of ikzelf zijn
altijd bereid u die te geven."

Gedurende deze minzame toespraak van mijn nieuwen compagnon, had
Wijdveld, de tweede boekhouder, al de boeken aangebracht, voor mij op de
schrijftafel nedergelegd en aan het laatst beschreven folio opgeslagen,
waarna hij zich weder naar zijn lessenaar begaf. Ik riep nu al mijn
opmerkzaamheid, en hetgeen mij van de theoretische kennis van het
Italiaansch boekhouden uit mijne schooljaren was bijgebleven, te hulp,
om mij met den staat der zaken bekend te maken. Van Baalen had, naar het
mij dien dag voorkwam, overal het oog, en gelijk mij later bleek, ook
liet hoofd in: en, zonder zijn plaats of werk te verlaten, wist hij dat
zijner ondergeschikten zorgvuldig na te gaan, hun zijn bevelen te geven,
hen, waar 't noodig was, te recht te wijzen, en op mijn gezicht te
lezen, wanneer ik hier of daar zwarigheden ontmoette.

"Mijnheer Karelsz!" zeide hij, na eenen der ontvangen brieven gelezen te
hebben, tot den eersten boekhouder: "Heinrich Haspel en Co. te Hamburg
schrijven ons hun te remitteeren a 33 1/2 st. per daalder van 32 ß lubs
of op Frankfort a 85 & per florijn van 65 kreutzers".

"Ik geloof," zeide Karelsz, "dat wij a 84 & op Frankfort kunnen
remitteeren."

"Ja," zeide Van Baalen: "en tot 33 st. op Hamburg, hetgeen hun nog
voordeeliger uitkomt. Laat Pietje Van Lingen het juiste verschil eens
opmaken:--en tevens, hoeveel wij in courant geld moeten uittellen om de
1024000 reis aan Isodore Perez te Lissabon te remitteeren a 110 & per
dukaat, de agio 3 ½ percent. Hier is een advies van John Smith te
Londen, dat hij 480 stuks Blok-tin voor onze rekening heeft ingekocht en
te Cadix geconsigneerd om aldaar voor onze rekening te verkoopen ... die
factuur loopt hoog genoeg: 496 £ sterling; maar de ongelden schijnen
grooter geweest te zijn dan gewoonlijk:--Monsieur Snijders! wanneer gij
er in geslaagd zult zijn, uw pen te vermaken, waaraan gij sedert een
half uur bezig zijt, wees dan zoo goed, deze factuur eens over te
brengen, en te zien hoe onze rekening met dat huis staat:--het
verwondert mij, dat hij niets schrijft over die vier balen Beathilies
Ternatanes, die hem in de vorige week gezonden zijn; het heeft wel is
waar nogal gestormd op zee: en de beurtman kan te laat zijn
aangekomen:--aan die Suiker van Harry Harding op Sint-Christoffel
behoeft geen rekening gegeven te worden, Mijnheer Wijdveld! Ik heb van
dien man geen goed meer te wachten.--Ik zie al, waar UEd. naar zoekt,
Mijnheer Huyck! UEd. is waarschijnlijk verwonderd, dat de agio niet bij
iederen wissel genoteerd staat: maar het is mijne gewoonte, dat op zijn
beloop te laten en bij 't sluiten der rekening het bedrag der agio op
Rekening van Agio te brengen, en de rest op Winst en Verlies.--Mijnheer
Karelsz, hebt gij al een nota van De Wijs over den verkoop van die 36
Ceroenen Indigo Lauro?--Wees anders zoo goed hem daaraan te herinneren:
en zeg hem, dat, zoo hij die niet dadelijk inlevert, ik mij van een
anderen makelaar zal bedienen;--en denk toch, om Van Erkeles te
waarschuwen wegens de assurantie voor de "Fortuin". Pulver heeft zich al
beklaagd, dat men het schip nog niet is komen opnemen. Ziedaar, Mijnheer
Huyck! hier is een circulaire, die ik gesteld heb, om bericht van onze
compagnieschap te geven: UEd. gelieve uw oordeel daarover te zeggen. Nu
zie! dat is mis," vervolgde hij, een anderen brief lezende, en dien aan
Karelsz overreikende, die bleek werd als een doek.

"Hemel!" zeide deze, met een zachte stem, zoodat geen der bedienden het
hooren kon: "dat is een ongeval! wie had dat kunnen droomen?"

"'t Zijn veertig duizend gulden in 't water," zeide Van Baalen, de
schouders ophalende, doch zonder een gezicht te vertrekken.

"Paulus Leyster insolvent!" hernam Karelsz, zuchtende: "ik had zooveel
vertrouwen in zijn soliditeit."

"Stil!" zeide Van Baalen: "men behoeft niet precies te weten, wat wij
daaraan verliezen. Bovendien, zonder schade hier of daar gaat de negotie
nooit. Tracht intusschen berichten in te winnen, of er wat van te recht
komt. Mijnheer Huyck! ik zal u dit later wel vertellen. 't Valt
gelukkig, dat UEd. hier nog niets mede te maken heeft; doch UEd. kan er
uit zien, dat het ons niet altijd voor den wind gaat."

Dit was het eenige beklag, dat hij zich veroorloofde. Ik kon van mijne
verbazing niet terugkomen. Was deze dezelfde man, wien ik den dag te
voren zoo morrende en klagende had leeren kennen. Hij had zich den
ongelukkigsten man der wereld genoemd, omdat zijn tuinbaas hem geen
doperwtjes kon leveren, en hij droeg met gelatenheid een verlies van
veertig duizend gulden. Hoe verkeerd, dacht ik, zijn de oordeelvellingen
der menschen bij een slechts oppervlakkige kennis! Wie den Heer Van
Baalen alleen in de gewone samenleving ontmoet had, zou hem niet anders
hebben beschouwd dan als een verdrietigen, gemelijken, verstrooiden
knorrepot, die zichzelven en anderen tot last leefde;--en ook alzoo had
ik hem beoordeeld, en reeds het denkbeeld mij beangst, van in zijn
gezelschap mijn dagen te moeten slijten. Hoezeer had ik mij bedrogen! en
hoe aangenaam vond ik mij verrast, nu ik hem in zijn waarde leerde
kennen; en, dat ik het hier bijvoege, hoe meer tijd ik in het vervolg
met hem sleet, hoe meer ik zijn rustelooze werkzaamheid, zijn helder
inzicht in de zaken, zijn geest van orde, zijn kordaatheid in 't
handelen en zijn gelijkheid van gemoed bij voor- en tegenspoed leerde
bewonderen. Slechts op ééne wijze heb ik mij dat verschil tusschen Van
Baalen op 't kantoor en Van Baalen in de wereld kunnen verklaren. Hij
was van de natuur tot handelaar bestemd, en door zijn stand in de
maatschappij tot uitgaan gedwongen. In zaken was hij op zijn plaats; in
de wereld speelde hij een rol. Maar zijn ziel was bij zijn _affaire_ en
bleef er bij, al was zijn lichaam in de dagelijksche kringen aanwezig;
hij gevoelde zich aldaar niet op zijn gemak: en verveling, zucht om
zonderling te schijnen, wrevel, of al deze aandoeningen te zamen
genomen, bedierven alsdan zijn luim en vormden hem tot den man, dien ik
vroeger geschilderd heb.

Terwijl ik mij nog op het kantoor bevond, kwam mijn boodschap aan
Helding mij in de gedachten. Ik was eerst voornemens geweest, die aan
Heynsz op te dragen: maar de vrees om vermoedens te wekken had mij dit
plan doen verwerpen: en ik begreep, dat het beter ware en meer
overeenkomstig met het doel des zenders, het geld op een zoodanige wijze
in de handen des dichters te spelen, dat men nimmer kon nagaan van wien
het kwam. Toen dus, bij het sluiten van het kantoor, de bediende kwam
hooren, of de patroon nog iets te zeggen had, verzocht ik verlof aan Van
Baalen, dien man met een commissie te belasten: dit toegestaan zijnde,
nam ik den looper ter zijde, deelde hem mijne instructiën mede, en
stelde hem vervolgens het geld ter hand, dat ik, om op alle gelegenheden
gewapend te zijn, bij 't van huis gaan bij mij had gestoken. Ik bleef
toen nog eenigen tijd met Van Baalen alleen, ten einde al wat onze
compagnieschap betrof op een behoorlijken voet te regelen, en keerde
recht tevreden naar huis.

Op den avond van dien dag zat mijn familie in onze huiskamer vereenigd.
Tante Letje was bij ons te bezoek en ik was naar mijn kamer gegaan om
eenige plaatwerken te krijgen, die ik aan de mijnen wilde laten zien,
toen ik hoorde, dat er iemand aangediend en na eenig toevens
binnengelaten werd. Ik kwam weder beneden, mijn platen onder den arm
houdende, en was niet weinig verbaasd en teleurgesteld, toen ik ontdekte
dat de bezoeker niemand anders was dan vriend Helding, die, zoodra hij
mij zag, naar mij toekwam, en met de meeste eerbiedigheid mij zijn dank
betuigde voor de weldaad, die ik hem bewezen had.

Ik stond als van den donder getroffen en verwenschte het toeval, dat ik
juist uit de kamer was, toen hij zich had laten aandienen: daar ik in
het tegenovergestelde geval naar hem had kunnen gaan en hem afzonderlijk
spreken: en nu, vreesde ik, zou de bommel losbreken.

"Maar mijn waarde Monsieur Helding!" zeide ik eindelijk: "ik weet, niet
waar UEd. van spreekt: ik betuig u, dat uw dankzeggingen mij zoo vreemd
voorkomen...."

"Wel ja!" zeide mijn vader, die van meening was, dat Helding, voor de
twee dukaten bedanken kwam: "UEd. behoefde waarlijk niet de moeite te
doen, van daarvoor hier te komen. Het gedicht, waarmede UEd. ons vereerd
hebt, is slechts weinig betaald met zulk een bagatelletje."

"Een bagatelletje, Ed.-Gestr. Heer!" riep Helding: "waarlijk! zoo UEd.
honderd Zeeuwen een bagatelletje noemt! voor UEd. is 't mogelijk, maar
voor mij waarachtig niet."

"Honderd Zeeuwen!" herhaalde mijn vader: "hier moet een misverstand
plaats hebben: dat geld komt van mij niet: en ik betwijfel, of mijn zoon
ook genoeg bij kas is om zulke _munera_ weg te geven."

"Eilieve, Ed.-Gestr. Heer!" hervatte de poëet: "UEd. drijft het al te
verre. Zulk een edele wijze van schenken verhoogt de waarde van het
geschonkene."

"Dat uw slinkerhand niet wete wat uw rechter geeft," mompelde Tante
Letje.

"Maar het is vruchteloos," vervolgde Helding, "de zaak te willen
verbloemen. Hoe fijn het werk ook bestoken was, ik ben er toch achter
gekomen."

"Eilieve! Geef ons de _historia facti_ eens," zeide mijn vader, "want ik
ben nieuwsgierig te weten hoe de vork in den steel zit."

"Met genoegen, Edel-Gestr. Heer. Ik zat daar op mijn bovenkamer en had
een veldzang ter gelegenheid der verjaring van den Heere Smethof voor
mij, terwijl Heynsz, mijn huisheer, juist bij mij zat en mij een
quitantie schreef voor drie maanden huur, die ik hem voldeed uit de twee
dukaten, die UEd. laatst bij mij gelaten hadt. Daar wordt aan mijn deur
geklopt: ik zeg "binnen!" daar komt een Monsieur binnen: "Monsieur Lucas
Helding"--"Dezelfde," zeg ik. "Dan moet ik u dit zakje overhandigen,"
zegt hij: "wees zoo goed, mij quitantie daarvoor te geven." Met begon
hij het geld op de tafel uit te tellen: alle gerande Zeeuwsche
Rijksdaalders. Ik was zoo buiten mijzelf, dat ik beefde als een rieten
blad. "Maar man!" zeg ik: "UEd. is zeker abuis. Ik ben geen geld te
wachten."--"Geen abuis ter wereld," zegt hij, terwijl hij het geld al
vast voortelde: "zoo UEd. Lucas Helding is: 29, 30, 81."--"Maar van wie
komt het toch?" vroeg ik.--"Ja! dat mag ik niet zeggen: 45, 46,
47."--Het was mij alsof alles mij draaide voor de oogen! zulk een som
gelds te zien.--"Wel!" zeide Heynsz: "ik zou het maar opsteken. Men moet
zoo geen koren van den molen sturen."--zeide ik: "Sinjeur Heynsz! wees
zoo goed en schrijf mij de quitantie eens. Gij zijt nu toch bezig: en ik
zou niet in staat zijn, een letter op 't papier te stellen, zoo confuus
ben ik."--"Daar heb ik niet tegen," zeide hij: "hoe groot is de
som?"--Tweehonderd zestig gulden," zei de vreemde persoon.--Nu, Heynsz
schreef het reçu: ik teekende, en de man kuierde weg. "Begrijp je daar
iets van, Sinjeur Heynsz?" vroeg ik. "Neen," zei hij: "maar 't is een
buitenkansje, daar ik u geluk mee wensch...." "Ken je dien man?" vroeg
ik weer. "Jawel!" zeide hij:"'t is een kantoorknecht bij Van Baalen."

"Dat die drommelsche verklikker ook tegenwoordig moest zijn," dacht ik,
bij dit gedeelte van Heldings verhaal. Deze vervolgde:

"Dat was aan geen doove gezeid. Ik gaf mijn geld aan Heynsz om te bergen
en liep naar den Heer Van Baalen. Maar jawel! Ik had pas een paar
woorden gezegd, of ik merkte, dat het alweer mis was. "Ik geef mijn geld
zoo niet weg," zeide hij, en liet daarop den kantoorknecht roepen, die
juist aan huis was. Toen kwam het hooge woord er uit: hij had het van
UEd. gekregen om het mij te bezorgen."

Hier zette mijn geheele familie groote oogen op en ik sloeg de mijne
neder, mijn noodlottig gesternte verwenschende.

"Ik wist niet, dat uwe middelen zoo ruim waren," zeide mijn vader met
bevreemding.

"Het spijt mij, dat het ontdekt is," hernam ik: "maar ik kan u
verklaren, Monsieur Helding! dat uw dankbetuigingen niet aan mij
behooren gericht te zijn. UEd. is het geld evenmin aan mij verschuldigd
als aan den kantoorknecht, die het u gebracht heeft; want beiden hebben
wij het van een derde ontvangen: en de hand, die 't mij ter hand stelde,
wil niet genoemd zijn."

Mijn toon was zoo ernstig, dat Helding overtuigd scheen. Nu keek hij
mijn vader aan; maar deze schudde het hoofd, en mompelde: "_Etiam per
interpositam personam donatio consummari potest_; maar ik begrijp er
niets van."

"En mag ik er volstrekt niet naar raden, wie de zender is?" vroeg
Helding.

"Ik verzeker u," was mijn antwoord, "dat gij daar vergeefsche moeite toe
zoudt doen. Het is mij bovendien volstrekt verboden u iets dienaangaande
te vertellen."

Helding zuchtte en haalde de schouders op: "in dat geval ben ik UEd.
toch altijd dankbaar voor de bezorging," zeide hij: "en hetzij UEd. de
zender zijt of niet, zoo wil ik toch niet nalaten, UEd. het tweede
oogmerk mijner komst mede te deelen, zijnde om UEd. te noodigen op een
klein partijtje, dat ik sedert lang aan eenige mijner kunstvrienden
schuldig ben en nu eindelijk in staat ben gesteld, hun te geven."

"Mijn waarde Monsieur Helding!" zeide ik: "ik ben volstrekt niet op de
hoogte, om met geleerde lieden om te gaan, en zal bovendien thans
drukten genoeg aan de hand krijgen, die mij dergelijke partijen wel
zullen beletten."

"Ja! dat vind ik ook," zeide mijn moeder, mij met bezorgdheid aanziende:
"dergelijke partijen duren somtijds laat: men gebruikt er meer dan
gewoonlijk, de gezondheid lijdt er door."

"Och! UEd. meent het niet," zeide Helding: "de Jongeheer kan immers naar
huis gaan wanneer hij verkiest, en behoeft niet meer te drinken dan hem
lijkt; een glas roode wijn kan op zijne jaren zooveel kwaad niet: en dan
bovendien, de Jongeheer heeft het mij beloofd."

"Het zij verre van mij, hier, ongeroepen, wijsheid te willen
verschaffen," zeide mijn vader: "maar ik geef u, Monsieur Helding!
vriendschappelijk in bedenking, of gij weldoet de verkregene som zoo
dadelijk te gebruiken om uwe vrienden te trakteeren. Ik weet wel, gij
poëten acht het geld als slijk en denkt met Horatius:

     _Nullus argento color est avaris abdito terris_:

maar toch, ik denk, dat het oogmerk des zenders geweest is, dat gij er
u-zelven mede te goed deedt, en niet, dat anderen het verbrasten."

"UEd.-Gestr. spreekt zeer waar," zeide Helding: "maar wat is het geval?
Ik ben nu al zoovele jaren lid van een vriendenkring ter onderlinge
oefening in de dichtkunst. Volgens de instellingen van ons genootschap
moeten wij maandelijks bij een der leden vergaderen, die de overigen
ontvangt en hun een glas wijn schenkt naar zijn vermogen. En daar zij nu
weten, dat ik geen kelder heb, wisten zij het altijd zóó te schikken,
dat mijne beurt werd overgeslagen. Ik heb nu zoovele jaren altijd op
hunne kosten wijn gedronken, en nu wilde ik wel voor eens in mijn leven
hunne beleefdheid te mijnen opzichte vergelden."

"Dat is edelmoedig gedacht," zeide mijn vader: "maar toch, draag zorg,
dat gij niet alles aan den wijn verdoet: en bepaal u dan bij hen, aan
wien gij een traktement schuldig zijt."

"Nu ja!" zeide Helding: "of er een paar meer of minder zijn, dat zal er
zooveel niet toe doen: en aan den jongen Heer, die mij in staat gesteld
heeft mijn huishuur te voldoen, wilde ik toch ook wel toonen, dat ik
niet ondankbaar ben. 't Is zeker wel wat vermetel van mij, te durven
hopen, dat iemand als de Jongeheer Huyck mij de eer aan zoude doen mijn
arme woning te bezoeken."

"Volstrekt niet," hernam mijn vader: "en ik heb er niet tegen, dat mijn
zoon van uw uitnoodiging gebruik make, indien zijn kantoordrukten het
niet beletten en hij voor dien avond niet verzeid is."

"Maar lieve engel!" zeide mijn moeder, vreemd opziende: "gij; meent het
immers niet?"

"Kom, Keetje-lief!" zeide mijn vader: "wees maar tevreden: _indulge
veniam puero_."

"Ja!" zeide zij, de schouders ophalende: "als ge Latijn begint te
praten, zal ik maar zwijgen," en zij schudde het hoofd, terwijl haar
geheele wezen te kennen gaf, dat zij die partij niet goedkeurde.

"Ziezoo! dat is treffelijk," zeide Helding, terwijl hij zich tot mij
wendde, en de handen wreef: "UEd. zal zien, het zal in orde zijn. Heynsz
heeft mij veroorloofd, de gasten op zijne kamer te ontvangen, dan
behoeven zij zoovele trappen niet te klimmen...."

"En hebben minder gevaar er af te rollen," dacht ik.

"En ik zal de Juffrouw, die beneden mij woont, verzoeken koffie te
schenken: dan heeft het goede mensch ook reis een verzet: want zij zit
den geheelen dag te kniezen en te zuchten."

"En zal die Juffrouw dan alleen met al die Heeren zitten?" vroeg Moeder.

"Wel neen, Mevrouw!" antwoordde Helding, lachende! "zij zal op haar
kamer blijven en ons de koffie sturen.--Och! het is een lief meisje, zoo
vriendelijk, zoo zachtzinnig: nietwaar Mijnheer?" vroeg hij, mij tot
getuige nemende.

"Zoo Ferdinand! Kent gij die Juffrouw ook al?" vroeg mijn moeder, half
schertsend, half bestraffend.

"Dat is te zeggen, ja, ik heb haar in 't voorbijgaan gezien, toen ik
Monsieur Helding bezocht," antwoordde ik.

"Nu ja, gezien," zeide Helding: "en een grooten dienst gedaan
bovendien.--Nu zij is ook altijd recht dankbaar; want zoo dikwijls ik
haar op de trap ontmoet en een praatje met haar maak, vertel ik haar van
UEd. en dan glinsteren haar oogen als twee sterretjes."

"Wat is dat voor een juffer?" vroeg op zijn beurt mijn vader, met een
strakken blik: "en wat zijn dat voor diensten, die Ferdinand haar
bewezen heeft?"

"Och! een zedig meisje," zeide Helding, "die geen Christenziel bij haar
ziet, en nooit uitgaat: en vroom ook;--maar zij woont dan bijster alleen
en verlaten. Daar heb je den Notaris Bouvelt, daar ik geloof dat het een
stuk van een nicht af is, die komt niet eens naar haar omzien. De man is
ziek, dat is mogelijk; maar kon hij niet eene van zijn dochters zenden?
al was het maar om haar naar de kerk te brengen, waar zij nu niet alleen
naar toe durft gaan. Gisteren nog vroeg ik haar, zoo bij manier van
spreken, waar zij ter kerke geweest was: en zij antwoordde mij, dat zij
sedert haar komst te Amsterdam nog geen voet over den drempel heeft
gehad, omdat zij niet alleen durfde uitgaan. En toen vroeg zij mij, of
ik geene zuster of nicht had, die op jaren ware, en haar derwaarts zou
kunnen geleiden."

"Arme ziel!" zeide Tante Letje, met deernis: "zij is gelijk aan den
geraakte, die de genezende wateren van Bethesda niet kon genaken, omdat
er niemand was om hem op te nemen."

"Maar dat heldert nog niet op, wat Ferdinand met haar te maken had,"
zeide mijn vader.

"Anders niet," zeide ik, "dan dat ik haar bevrijd heb van iemand, wiens
bezoek haar lastig was; doch Monsieur Helding weet, dat wij den naam des
onbescheiden indringers niet voegzaam kunnen noemen."

Mijn vader zweeg en nam een snuifje. Ik wist, wat dit beteekende; want
de snuifdoos kwam slechts bij bepaalde gelegenheden uit den zak:
namelijk wanneer hij hoofdpijn had, in de pleitzaal bij lange
pleidooien, in de kerk bij vervelende predikatiën, wanneer hij iets
zwaarwichtigs op te stellen had, of wanneer hij misnoegd was. Hij bleef
echter dien gansenen avond even vriendelijk jegens mij: ik vermoedde
derhalve, dat zijn ontevredenheid alleen op Heynsz zoude nederkomen, die
hem van het voorgevallene tot zijnent onkundig had gelaten.

Na een onbeduidend gesprek nam Helding zijn afscheid van het gezelschap,
mij meldende, dat de bijeenkomst, waarop hij mij genoodigd had, den
volgenden Donderdag te zes uren zoude plaats hebben, terwijl ik van mijn
kant beloofde intijds aanwezig te zullen zijn. Toen ik den man
uitgeleide deed naar de voordeur, vroeg hij mij, of ik reeds, ingevolge
mijn belofte, hem de vriendschap gedaan had van met mijn vader over zijn
dochter te spreken. Ik antwoordde, gelijk de waarheid was, dat ik zulks
terstond had verricht: doch dat er met de verlangde nasporingen wel
eenige tijd zoude verloopen, vermits het verloren schaap zich sedert
lang niet meer in Amsterdam bevond en waarschijnlijk van naam was
veranderd. Helding toonde zich hoogst erkentelijk en maakte nog
verscheidene verschooningen over de moeite, welke hij mijnen vader en
mij veroorzaakte, waarna hij vertrok.

Bij het gezelschap terugkeerende, vond ik mijn moeder bezig mijn vader
minzaam te beknorren, dat hij mij naar dat poëtenmaal liet gaan.

"Ik hoop," zeide mijn vader, "dat Ferdinand oud en wijs genoeg is, en
zich weet te matigen. Gij wilt toch niet, Keetje-lief, dat wij een
knaap, die nu ruim twee jaren op zijn eigen wieken gedreven heeft, weder
als een schooljongen gaan behandelen? En hoewel ik niet verlang, dat hij
Helding tot een huisvriend make, zoo heeft mij de dankbaarheid des mans
toch getroffen en wil ik niet, dat hij ons van hoovaardij beschuldige.
Had ik echter vooraf geweten," voegde hij er glimlachend bij, "dat zich
zulk een innemende koffieschenkster daar bevond, ik had mij nog eens
bedacht."

Men kan zich voorstellen, dat ik bij dit alles niet zeer op mijn gemak
was en met schrik opzag tegen het losbersten der donderbuien, die zich
van alle kanten boven mijn hoofd samenpakten. Maar mijn ongerustheid
moest nog vermeerderd worden. Den volgenden dag kwam er een mand van
Tante Van Bempden, met groenten en vruchten, welke zij aan mijn moeder
stuurde, en een brief er bij van Suzanna aan mij, van den volgenden
inhoud:

"Sinjeur Ferdinand!

Gij hebt voorwaar mooie stukjes uitgevoerd! daar zijn nu al mijne
profetiën uitgekomen, dat gij nooit zoudt deugen. Ja! Ferdinand werd
altijd in de familie als een achtste wonder beschouwd, en ik, die wat
beter inzicht in de zaken had, al zoo weinig geloofd als wijlen
Mejuffrouw Cassandra. Maar zoo gaat het: als de wijsheid op de straten
schreeuwt, blijft ieder thuis; en als de dwaasheid maar even fluit, is
er dadelijk een toeloop. Pas maar op, dat er geen toeloop kome om u te
zien ophangen. Denk eens! de zoon van den Hoofdschout het stadhuisraam
te zien uitsteken: dat zou een aandoenlijk schouwspel wezen. Nu ja! kijk
maar zoo vreemd niet op; de bommel is uitgebroken. Daar komt van morgen
Baas Roggeveld met zijn lakenveldsche koeien aanzetten en vertelt aan
Tante, dat die Monsieur Weerglas, die in zijn huisje woonde, met de
noorderzon vertrokken is, niemand weet waarheen: ofschoon iedereen
gissen kan, dat hij niet spoedig terug zal komen: overmits zich
hedenmorgen de Baljuw in eigen hoogen persoon aan het ledige huisje
vervoegd heeft, bewerende, dat gemelde Monsieur Weerglas niemand anders
was als ... nu raad eens, zoo gij kunt;--of liever, zoo gij 't niet
weet:--niemand anders als Zwarte Piet, en de bedrijver van ettelijke
diefstallen, huisbraken en rooverijen op den publieken weg. Nu behoef je
niet te vragen, hoe of Tante opkijkt, dat gij met den Sinjeur op zulk
een intiemen voet waart, dat hij u visites kwam doen. Zij wilde er eerst
aan Papa over schrijven: maar ik heb haar beduid, dat zij den man maar
verdriet aan zoude doen, en dat het beter ware, dat ik u eerst
kapittelde over het aangaan van dergelijke _liaisons_. Ik kan u zeggen,
dat ik er van ril en beef: en dan, hoor ik, heeft Pulver verteld, dat
gij een zakje met geld van dien fielt hebt ontvangen. Is UEd. altemet
een compagnon van Cartouche en Jaco?

     _On apprent a hurler, dit l'autre avec les loups_.

En ik mag Van Baalen wel waarschuwen; anders gaat gij nog met de kas
strijken, en dan zou hij inderdaad de ongelukkigste man der wereld
worden. Ik heb al aan Jetje Blaek geraden, haar koffertje na te kijken,
om te zien of gij haar niets ontstolen hebt.--Ten haren opzichte zou ik
het u vergeven; want dat ware volgens het recht van wedervergelding
(_jus talionis_, zou Papa zeggen: ja ik weet ook wel een mondvol
Latijn): overmits zij, zoo 't mij voorkomt, zich aan de dieverij van uw
hart heeft schuldig gemaakt.--Nu! op haar hart zult gij wel alle
aanspraak verbeuren, zoo gij er dergelijke kennissen op nahoudt. 't Is
toch jammer! laatstleden Zondag scheen zij u zoo genegen, en toen gij
aan tafel met den Heer Van Baalen aan 't redetwisten waart over het
tarief, keek zij, ofschoon zij er wel niets van begrepen zal hebben, u
met zulke aandachtige oogen aan, dat het mij den schijn had, als had zij
haar toilettafel tegen een gebroken bloempot willen verwedden, dat gij
gelijk hadt.--Nu! rechtvaardig u, zoo gij kunt, want Tante is ernstig
boos: en er is een zilveren suikerstrooier zoek, dien zij zich
verbeeldt, dat door dien vagebond tijdens zijn bezoek is meegepakt: of
hebt gij hem misschien in den lommerd gezet?--Gij zijt er niet te goed
toe; dit, weet gij, is het oordeel van

                                       Uwe Zuster
                                        SUZANNA."

De mededeeling van dit alles was niet geschikt om mij bijzonder gerust
te stellen, en ik had reden genoeg om mijn rassche belofte tot
stilzwijgendheid te verwenschen. Ik kon den brief echter niet
onbeantwoord laten en zag in, hoe noodig het ware, Tante te bevredigen.
Ik schreef derhalve aan Suzanna en dankte haar voor den dienst, dien zij
mij bewezen had, door mij zoo tijdig van het gebeurde te onderrichten,
en vooral, door Tante te doen afzien van haar voornemen om aan mijn
vader te schrijven. Wat de ontmoeting van Zwarten Piet betrof, zoo
verhaalde ik haar alleen, dat de man mij werkelijk geld had gelaten, met
het verzoek het aan een derde over te brengen; doch dat het een geheim
was, waarin personen betrokken waren, die ik niet noemen mocht. "Geloof
mij," dus eindigde ik, "dat ik niet min dan gij verwonderd ben geweest
over de eer van 's mans bezoek, en dat ik wel gewild had, dat hij aan
een ander deze lastige commissie had opgedragen. Ik heb die echter niet
geweigerd, omdat het werkelijk een vergoeding was, welke de man deed, en
dat hij, naar ik mij vleie, op weg is om zijn schandelijk bedrijf te
verlaten. Bidden wij liever voor den ongelukkige, dan dat wij hem
veroordeelen, en vergeten wij niet, dat, welke zijn misdrijven ook
geweest mogen zijn, de poort der genade voor den berouwhebbenden zondaar
nimmer gesloten blijft."

Ik was nog een bezoek schuldig aan Tante Letje en besloot den avond te
baat te nemen om aan deze verplichting te voldoen. Ten haren huize
gekomen, verzuimde ik niet, aan de dienstmaagd, die mij de deur opende,
te vragen, of Tante ook belet had; want ik wist dat zich niet zelden
eenige vromen ter onderlinge stichting ten harent verzamelden, en ik was
niet bijzonder op het gezelschap van de weduwe Knijpduim of den
catechiseermeester Zoutbrand gesteld.

"De Juffrouw is alleen," zeide de meid, "met nog een Juffertje, dat
zooeven met een sleetje hier gekomen is."

Op deze verzekering begaf ik mij naar boven in de verwachting van de
eene of andere mij onbekende neepmuts over Tante te zien zitten, maar
wie schildert mijn verbazing, toen ik, in Tantes achterkamer gekomen,
gewaarwerd, dat de Juffer, die tegenover haar bezig was een kopje thee
te drinken, al te wel bij mij bekend, in één woord niemand anders was
als Amelia Bos! Wat deze betreft, zij was niet minder verrast door mijne
verschijning en het kopje ontgleed bijna haar vingers.

"Zoo Neef!" zeide Tante: "ik was u hedenavond niet te wachten. Gij kent
de Juffer, naar ik meen."

"Ja Tante!" antwoordde ik: "maar ik was er verre af van te denken, dat
de Juffer ook bij u bekend ware."

"Behoeft men dan zijn naaste te kennen, om hem een dienst te bewijzen?"
vroeg Tante: "kende de weduwe van Zarpath den man Gods, dien zij bij
zich ontving? En staat er niet geschreven: vergeet de herbergzaamheid
niet: want hierdoor hebben sommigen onwetend Engelen geherbergd?"

"'t Is verre van mij," zeide ik, "dat ik aan uw goeden wil jegens uwe
naasten zoude twijfelen: maar toch vind ik mij verrast, door Mejuffer
hier te zien, en kan ik niet nagaan, op welke wijze uwe kennismaking
heeft plaats gehad."

"Dit laat zich, dunkt mij, nogal raden," zeide Tante: "de woorden ten
huize uws vaders door den liedjesmaker gesproken, heb ik bewaard, die
overleggende in mijn herte, en het was alsof er een stem in mijn
binnenste sprak: "zie! ik moet handelen met deze maagd gelijk Hanna
handelde met Samuel haren zoon, hem opbrengende tot het huis des
Heeren."--Maar ik zoude toch geene vrijmoedigheid gehad hebben, zoo maar
tot haar te gaan en te zeggen: "zie: hier ben ik," ware het niet, dat
ik, hedenmorgen in den kousenwinkel bij Van Vlerken zijnde, haar aldaar
had aangetroffen met den ouden man, ja, dienzelfden Helding, die haar
geleidde, en haar aan mij voorstelde: en, hebbende bevonden, dat zij is
gelijk eene Maria, en gaarne luistert naar de waarheid, die uit de
godzaligheid is, zoo heb ik haar genoodigd om hedenavond bij mij te
komen en deel te nemen in de stichtelijkt onderwijzing, die ik naar mijn
vermogen poog te geven aan wie dorst heeft naar de wateren des levens."

Ik kon van mijn verbazing niet terugkomen. "Hoe!" dacht ik, "zal ik dan
eeuwig, want ik ga, uit of thuis, aan ontmoetingen worden blootgesteld,
die aanleiding geven tot nieuwe verwarring? Is mijn geboortestad sedert
mijn afwezigheid betooverd geworden of ben ik het zelf? Of is alles een
benauwde droom?--En dan, Amelia is immers den Roomschen godsdienst
toegedaan? Heeft zij Tante Letje, die zoo sterk op haar geloof staat,
opzettelijk misleid? Of heeft hier een misverstand plaats?--En hoe
deerlijk zal dat dan uitkomen!"

Wat Amelia betrof, ofschoon zij in het eerste oogenblik niet minder
verlegen scheen dan ik, herstelde zij zich spoedig: zij had het voordeel
boven mij, dat mijne tegenwoordigheid, als die van een bekende, haar
gerustheid inboezemde, terwijl de hare mij zorg verwekte.

"De Juffrouw heeft mij verteld," zeide Tante, na eenig zwijgen, "dat gij
haar een gewichtigen dienst hebt bewezen."

"Zoo!" antwoordde ik, Amelia eenigszins verwonderd aanziende en
onbewust, hoe verre zich haar mededeelingen hadden uitgestrekt.

"Ja, Mijnheer Huyck!" zeide Amelia, mij uit de verlegenheid helpende:
"ik heb aan Mejuffrouw uw Tante kenbaar gemaakt, dat UEd. zoo
vriendelijk geweest zijt om mij van dien lastigen Heer te ontslaan."

"Ik heb alleen mijn plicht gedaan," zeide ik: "en ieder fatsoenlijk man
zou in mijn plaats evenzoo gehandeld hebben."

"En de Juffrouw heeft u zeker ook verteld," zeide Tante, "hoe het komt,
dat zij dus alleen en verlaten is, gelijk Ruth de Moabitische, zonder
zelfs een schoonmoeder te hebben, tot wie zij zeggen kan: uw volk is
mijn volk en uw God mijn God?"

Ik wist niet, wat te antwoorden: "Wat dunkt u, lieve Tante!" vroeg ik,
om er mij uit te redden: "ziet gij mij aan voor een raadsman, deftig
genoeg om het vertrouwen eener jonge Juffer te verdienen?"

Amelia scheen terstond mijn oogmerk met dit ontwijkend antwoord te
bevroeden, en haastte zich te zeggen: "ja Mejuffer, ik heb aan uw Heer
Neef verhaald, gelijk aan u, dat ik er ongelukkig aan toe ben, daar de
Heer Bouvelt mij niet kon ontvangen, en ik niet terug kan keeren naar
Deventer, uithoofde mijn familie van huis is: zoodat ik mij alleen
bevind."

"Had men u ten minste maar bij een ordentelijke burgervrouw Besteed,"
zeide Tante: "maar, mij dunkt, Amsterdam is groot genoeg, en ik zal
zelve aan dien Sinjeur Bouvelt schrijven, en hem voorstellen, u een
ander logies te bezorgen."

"Santa Maria! doe dat niet," riep Amelia ontsteld uit: "de Heer Bouvelt
ligt ziek te bed en is buiten staat zich met eenige zaken te bemoeien."

"Wat zeidet gij daar voor een vreemd woord?" vroeg Tante, terwijl ik op
mijn lippen beet: "dat luidde even of het een vervloeking ware: en daar
staat geschreven: gij en zult ganschelijk niet vloeken."

Amelia keek eenigszins bedeesd over deze bestraffing: en, naar het hooge
rood te oordeelen, dat haar wangen bedekte, geloof ik, dat zij zich
bovendien verwijtingen deed, van aan de goede vrouw, die haar bij zich
ontving, een sprookje op de mouw gespeld te hebben: want aan die
Deventersche historie begreep ik wel, dat geen woord waar was. Maar nog
grooter werd de verwarring van het arme meisje, toen Tante haar, na een
korte stilte, de vraag deed, welken Predikant te Deventer zij gewoon was
te volgen.

De eene dienst, dacht ik, is den anderen waard: en ik poogde op mijne
beurt Amelia het antwoord te besparen. "Gij maakt misschien, zeide ik,
"geen onderscheid tusschen hen, en hoort allen even gaarne."

"Inderdaad," zeide Amelia: "ik geloof...."

"Hoe!" viel Tante in: "mij dunkt, er is toch nogal onderscheid tusschen
den godvreezenden Klarebron,--die zijn naam te recht draagt; want hij is
als eene fonteijne der hoven, een put der levende wateren,--en den
ijdelen Zevenslinger, die besmet is met Pelagiaanschen zuurdeesem en die
slechts woorden zonder wetenschap voortbrengt, waarmede hij den raad
verduistert en de kortzichtigen verblindt."

"Och Mejuffer!" zeide Amelia, verbaasd over dezen uitval, waar zij niets
van begreep: "ik heb daar zoo weinig verstand van, en...." "Maar bij
wien hebt gij uw belijdenis dan gedaan?" vroeg Tante: "of behoort gij
wellicht tot de zoodanigen, die talmende zijn met die af te leggen, niet
indachtig, dat de tijd voortgaat, en dat wij niet weten, wanneer de ure
des oordeels komen zal."

"Ik weet het niet recht," antwoordde Amelia: "ik was elf jaar oud, toen
ik het sacrament ontving, en ben vergeten welken naam de Priester droeg,
bij wien ik mijn cathechismus geleerd heb."

"O wee! o wee!" dacht ik: "nu is het geheel en al mis."

Maar welke woorden zouden in staat zijn, de verbazing, de ergernis uit
te drukken, welke op het gelaat van Tante Letje te lezen stonden, toen
zij, uit hetgene ter kwader ure aan Amelia ontvallen was, de waarheid
inzag, en ontdekte, wie zij bij zich in huis ontvangen had. Met open
mond staarde zij Amelia aan: zij liet de kous, waar aan zij breide, op
den grond vallen, sloeg de handen in elkander en herhaalde halfluid den
gesprokenen volzin, als wilde zij zich overtuigen, of zij wèl verstaan
had. Wat de arme Amelia betrof, zij begreep niets van het kwaad, dat zij
gesticht had: in den Roomsch-Catholieken Godsdienst opgevoed en in
vreemde landen gewoond hebbende, wist zij, gelijk mij naderhand bleek,
op zijn best, dat hier te lande eene andere wijze van godsvereering, dan
de hare, als de heerschende bestond: haar vader had het hoofd te zeer
vervuld gehad met andere zaken of wellicht de gelegenheid gemist van
haar te onderrichten, hoe zij zich omtrent dat stuk in Holland te
gedragen had. Zij had dan ook al wat Tante vroeger gezegd had, op haar
eigen kerkleer toegepast en die uitdrukkingen, welke haar duister of
ongewoon voorkwamen, daaruit verklaard, dat er wellicht eenig verschil
bestond tusschen den vorm van den eeredienst in dit land en in dat harer
vroegere inwoning; terwijl de verwarring, veroorzaakt door de vragen,
welke Tante haar deed omtrent de plaats, van waar zij voorgaf gekomen te
zijn, haar nog minder had doen nadenken over den vorm, dan over het
zakelijke van haar antwoorden. Ik zag intusschen, dat het zaak werd,
tusschen beiden te treden.

"Tante-lief!" zeide ik: "hier heeft een misverstand plaats. UEd. schijnt
niet begrepen te hebben, en ik heb er u niet van kunnen onderrichten,
dat de juffer tot de Roomsche kerk behoort."

"De Heere beware ons!" zeide Tante, na een diepe zucht haar stem wederom
krijgende, en beurtelings Amelia en mij aanziende: "dat zoo iets
gebeuren moest! Hadde ik dat kunnen vermoeden, zoo bad ik mij wel
gewacht de Juffer te noodigen, indachtig dat de Schrift zegt: indien
iemand dese leere niet en brengt, en ontfangt hem niet in uw huys."

"Tante is Gereformeerd," zeide ik tegen Amelia, die nu begon te
beseffen, waar de schoen wrong.

"Gij zult niet langer last van mij hebben, Mejuffer!" zeide zij met
waardigheid, terwijl zij oprees en haar boeltje bijeenpakte: "ik dank u
voor uw goeden wil, aan mij, verlatene, betoond; en terwijl ik een
erkentelijk aandenken aan uw welwillendheid bewaren zal, zal ik het
steeds betreuren, dat een verschil in de vormen des geloofs u beletten
moest, de opwelling van uw edel hart in te volgen."

Tante trok bij het hooren dezer toespraak een gezicht, alsof zij een
leelijk drankje innam: echter stond zij insgelijks op, en, mij
aanziende, mompelde zij: "Ja! de Juffer kon het niet helpen: 't is een
abuis, 't is een misverstand, zooals Neef wèl zegt."

"Inderdaad" hernam ik: "maar, Tante-lief, hoewel dit nu oorzaak zijn
zal, dat gij uw goede voornemens om met de Juffer naar de kerk te gaan,
niet zult kunnen ten uitvoer brengen, noch haar op uwe oefeningen
noodigen, zoo zie ik niet in, dat gij daarom de inspraak van uw
voortreffelijk hart niet jegens haar zoudt kunnen involgen en haar op
een andere wijs behulpzaam zijn of haar uw gezelschap schenken."

"Er zijn Paapsche vrouwen genoeg in de stad," bromde Tante: "en
bovendien, wat zegt de Apostel: wijckt van desulcke af."

"En wat heeft een nog wijzer mond geantwoord," vroeg ik, "op de vraag,
wie onze naaste was?"

Het was inderdaad opmerkenswaardig, den indruk gade te slaan, dien deze
vraag op het vroom en medelijdend hart mijner goede Tante teweegbracht.
Zij zag mij een wijl verrast en verlegen aan, bekeek toen met aandacht
de toppen van haar vingeren, als overpeinsde zij mijn gezegde,
schommelde een tijdlang zonder spreken in haar zak, om haar neusdoek te
krijgen, veegde een paar tranen weg, die in haar pogen opkwamen, drukte
mij de hand en trad eindelijk naar Amelia, die nog altijd, met haar werk
in de hand, en de oogen op den grond gevestigd, midden in de kamer
stond, als gereed om te vertrekken.

"Neen!" zeide Tante, haar de handen drukkende en op het voorhoofd
kussende: "al waart gij Heidensch of Turksch, men zal niet zeggen, dat
ik u verlaten heb en voorbijgegaan, gelijk de Priester en de Leviet, die
den gewonden reiziger voorbijgingen. Het is toch uwe schuld niet, dat
gij met de afgoderijen van het Pausdom besmet zijt. Waar ik kan, zal ik
u van dienst wezen en u bijstaan in wat zake gij mij zoudt mogen van
doen hebben: en wij zullen over geene punten des geloofs spreken, tenzij
gij opgewekt wordt om naar de leer der waarheid te hooren."

"Helaas! Mejuffrouw!" zeide Amelia, terwijl zij langzaam weder haar
plaats innam, waar Tante haar heen geleidde: "hoe grieft het mij, dat ik
u onwillekeurig dit verdriet, deze ergernis veroorzaakt hebbe. Ik was
zoo blijde met uwe bescherming: want het was zoo lang geleden, dat een
beschaafde eerwaardige vrouw een woord van vriendschap en deelneming tot
mij gesproken had: en ik verheugde mij zoozeer op de gedachte, dat ik
onder uwe schuts weder mijne zoolang verzuimde godsdienstplichten, zoude
kunnen vervullen. "Waarom hebben wij elkanderen niet terstond verstaan?
Waarom heb ik niet dadelijk geweten, dat ik van uwentwege niets hopen of
verwachten kon?--want ach! in geen ander opzicht kunt gij mij, arme
verlatene, troost of hulp verschaffen."

"Niet?" vroeg Tante: "wel dat zou wel ongelukkig zijn. Het is niet
zonder wijze oogmerken, dat God ons tot elkander gevoerd heeft: en, ik
zie het nu duidelijk in, ik mag niet weigeren, den plicht te vervullen,
die mij wordt opgelegd. Zeg mij dan, lief kind! hebt gij raad
noodig?--of wellicht geldgebrek?--Of schroomt gij misschien, u in het
bijzijn van mijn neef te verklaren?"

"Ik geloof, dat ik beter doe u te verlaten," zeide ik, zelf verlangende
buiten deze netelige zaak te blijven.

"Uwe goedheid is grooter dan ik verdien," hernam Amelia, schreiende,
"maar ziedaar juist mijn ongeluk, dat ik niemand, ook u niet Mejuffrouw!
mijn vertrouwen schenken mag, hoe gaarne ik dit wilde. Ik heb u wellicht
reeds te veel gezegd. O! ik had hier niet moeten komen."

Tante Letje zag Amelia met medelijden, doch tevens met bevreemding aan:
en ik kon bespeuren, dat zij verlegen was, hoe verder te handelen. In
haar stille en afgezonderde levenswijze had zij weinig gelegenheid gehad
om menschenkennis te verzamelen: en schoon zij dagelijks ongelukkigen
bezocht en met raad en daad bijstond, waren de rampen die zij lenigde,
doorgaans van meer dagelijkschen aard en had zij zelden zoodanige lieden
aangetroffen, wier leed, evenals dat van Amelia, een meer buitengewonen,
afzonderlijken oorsprong had. Zij zag mij vragend aan; want ondanks mijn
aanbod om te vertrekken, bleef ik nog altijd met den hoed in de hand
staan, onzeker of ik weldeed, beide vrouwen alleen te laten, en te
wagen, dat Amelia haar geheel vertrouwen schonk aan Tante, die het wel
niet verraden zou, maar die mij toch ongeschikt voorkwam om met ware
deelneming naar zulke zaken te luisteren, als de dochter van een buiten
de wet gestelden zwerver ongetwijfeld verhalen zoude, en die haar
althans geen goeden raad zou verschaffen. "Mij dunkt", zeide ik
eindelijk, met een gemaakten glimlach, "dat gij beiden, mijne dames!
beter zoudt doen met een speldje te steken bij het gebeurde en eenvoudig
over kousen en borduurpatronen te spreken.--Zie! ik ben overtuigd, dat
zoo Mejuffer zich in haar eenzaamheid verveelt, het voornamelijk daar
vandaan komt, dat zij niets omhanden heeft; Tante zoude haar stellig
geen grooteren dienst kunnen bewijzen dan door haar wat werk te
verschaffen; en, dank zij den behoeftigen, die hulp vereischen, dat
ontbreekt nooit bij Tante."

"Mijnheer uw neef raadt mijn gedachten," zeide haastig Amelia, die mijn
bedoeling begreep. "O! zoo UEd. mij daaraan helpen konde:--ik zou zoo
gaarne werken voor hen die het behoeven.

"Gij zult werk hebben," zeide Tante: "gij zult mij bijstaan om kleederen
te vervaardigen voor de nooddruftigen:--Neef! wees zoo goed en zeg aan
Truitje, dat zij mij de mand krijgt, die in het zijkamertje staat, waar
die lijst op ligt. Gij zult mij helpen, mijn kind! en wij zullen
arbeiden, gelijk Tabitha, gezegd Dorcas, voor weduwen en weezen."

Ik zag, dat alles nu in 't effen zoude komen, en de boodschap van Tante
aan de meid gedaan hebbende, nam ik afscheid en liet de beide dames aan
haar vrome bezigheid.


       *       *       *       *       *


NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

BEVATTENDE 'T GEEN ER OP DE DICHTERLIJKE SAMENKOMST BIJ HELDING
VERHANDELD WERD.


Het was niet dan met een soort van huivering, dat ik den Donderdag-avond
zag naderen, waarop ik volgens afspraak den vriendenkring van Helding
moest bijwonen; want nadat ik Amelia bij Tante Letje, waar ik verre was
van haar te verwachten, had ontmoet, had ik een voorgevoel, dat ik wel
niet zou kunnen vermijden om haar ten huize van Heynsz tegen te komen,
waar ik ten minste zeker was, dat zij zich bevinden zou. Tienmalen was
ik willens om het een of ander voorwendsel uit te denken en nog voor de
uitnoodiging te bedanken; maar al kon ik Helding met een
schoon-schijnende reden afschepen, ik begreep, dat ik toch ook reden zou
moeten geven aan mijn vader: en ik had reeds genoeg mijn bekomst aan 't
veinzen, dan dat ik nieuwe uitvluchten zoude gaan uitdenken. Bovendien,
en in weerwil van al de onaangenaamheden, welke mijn kennismaking met
den Heer Bos en zijn dochter mij berokkend had en waarschijnlijk nog
berokkenen zoude, er bleef toch altijd een zekere nieuwsgierigheid bij
mij huisvesten, wat er toch eigentlijk van hunne zaak ware en hoe het
met hen af zou loopen: en ik vertrouw, dat mijn lezers die
nieuwsgierigheid niet slechts in mij verschonen, maar ook met mij deelen
zullen; anders deden zij gewis beter dit geschrift maar niet verder door
te lezen. Ik was, men vergeve mij deze platte vergelijking, niet
ongelijk aan een knaap, die in het Oude Doolhof op de Princegracht
rondloopt en die, ofschoon het heen en weer dwalen hem verveelt en hij
zeer wel in staat is over de heggen heen er dadelijk buiten te geraken,
echter op het ingeslagen pad voort blijft draven, in de verwachting dat
hij alzoo eindelijk den waren uittocht zal vinden.

Ik ging dan, ten bepaalden dage en na afloop mijner werkzaamheden aan
het kantoor, naar de Raamgracht, waar ik, overeenkomstig de gemaakte
schikking, in de achterkamer van Heynsz werd binnengelaten. De mij te
gemoet komende tabaksdamp verkondigde mij reeds aan de deur, dat de
vrienden, immers gedeeltelijk, al vergaderd waren: en werkelijk vond ik
er ettelijken aanwezig, aan wie ik nu met alle plechtigheid werd
voorgesteld door Helding, die hen insgelijks bij de rij af aan mij
opnoemde. Heynsz was, gelijk dit trouwens wel behoorde, insgelijks
genoodigd, en zat in een hoek te gluren en allen beurtelings in
oogenschouw te nemen, als ware hij door zijn ambt verplicht geweest ook
deze onschadelijke zielen te bespieden. De overigen, ook zij die na mij
kwamen, waren mij persoonlijk onbekend: alleen herinnerde ik mij de
namen van dezen of genen onder hen wel eens vroeger te hebben ontmoet
aan den voet van een dier lof- of klinkdichten, waarmede het toen smaak
was alle uitkomende werken, vooral dichtbundels, bij wijze van
aanbeveling op te pronken, komplimenten, welke men elkander over en
weder toekaatste en waarvan men zich zoomin ontslaan kon als van het
beantwoorden van een beleefdheidsbezoek.

"Spreek! opdat ik u kenne," zeide de oude Wijsgeer, en zoo begon ik,
toen langzamerhand het onderhoud levendiger werd, van lieverlede te
bespeuren, met welke menschen ik te doen had. Het waren allen lieden van
één slag; want over hunne betrekkelijke waarde als dichters wil ik, die
nog wel eens een manegepaard, maar nimmer den Pegasus bereden heb,
liever geen oordeel vellen: het eenige onderscheid, dat er tusschen hen
scheen te bestaan, was, dat de eene meer in den verhevenen, de andere in
den beschrijvenden, een derde in den boertigen dicht- of rijmtrant
uitblonk:--ten minste zij schroomden niet, elkander den ruimsten wierook
over elkanders talenten in elks bijzonder vak toe te zwaaien, en dat met
zoo weinig terughouding, dat bij mij de gedachte oprees, of zij niet al
hun loftuitingen bij zulke gelegenheden verspilden, om in het tijdvak
tusschen de bijeenkomsten en buiten de tegenwoordigheid van het
geprezene voorwerp er des te kariger mede te kunnen zijn. De eene (de
treurpoëet) werd een _hoogdravende Muzenzoon_, een _sieraad van den
Pindus_ genoemd, die de _Agrippijnsche Zwaan_ (hiermede bedoelden die
Heeren Vondel) _groothartig_ op zijde _streefde_, bijna had men gezegd:
_overtrof_. De tweede was: _sierlijker dan Maro_, en vereenigde de
_liefelijke weelderigheid_ van Flaccus met de _zinrijkheid_ en _kracht_
van Juvenalis. De derde (de boertige dichter) bekwam zulke verhevene
eernamen niet; maar werd met andere titels begiftigd, niet minder
streelend voor zijn eigenliefde. Hij heette een _kluchtige ziel_, een
_koddige duivel_, een _drollige koopman_, een _malle weerga_: en hij kon
de onnoozelste dingen niet voortbrengen, ja nauwlijks zijn mond opendoen
en zijn neus snuiten, of een algemeen gelach, een grinnikend
hoofdknikken, een verdoovend handgeklap, begroette zijn vermeende
geestigheid of bespaarde hem de moeite die uit te kramen. Overigens
muntte ieder van het gezelschap uit door een, mijns bedunkens wat al te
gemaakte nederigheid, die mij deed denken aan de vlucht van een jong
meisje, dat achterhaald wenscht te worden, en die derwijze werd
aangewend, dat zij zelden haar uitwerking miste, maar altijd nieuwe
complimenten afdwong; 't geen ten laatste zoo vervelend en walgelijk
werd, dat ik mij begon te schamen over mannen, die, in leeftijd reeds
gevorderd, de achtbaarheid van hun stand en jaren zoozeer uit het oog
verloren, dat zij een vleitaal uitkraamden en aanhoorden, die zelfs
onder jonge lieden van verschillende kunne ongepast zou zijn geweest. Ik
moet echter een enkelen van dezen hoop uitzonderen: deze was een
jongeling van een schrander, doch eenigszins droefgeestig voorkomen, en
blijkbaar van een zwak en teringachtig gestel. Hij was eerst sedert kort
als medelid in het gezelschap opgenomen, sprak weinig en zelden; doch
wat hij zeide was juist en gepast; en hij onthield zich van aan een der
anderen hoogeren lof te geven dan de burgerlijke beleefdheid vorderde:
't zij dat hij nog te kort met hen had omgegaan om zich de onder hen
gebruikelijke complimenten-kraam eigen te hebben gemaakt, 't zij dat hij
van nature de waarheid te zeer beminde dan dat hij tegen zijn gemoed
zoude spreken. Misschien kwam er ook bij, dat hijzelf, als de jongste
van 't gezelschap, wel aanmoediging, maar minder lof genoot, en dat hij
zijne medeleden met gelijke munt betalen wilde.

Men moet met dat al niet denken, dat Heynsz en ik, ofschoon niet tot de
_offeraars_ op den Pindus behoorende, ons aandeel van den honig misten.
Wat mij betreft, daar ik van den beginne af betuigd had een oningewijde
te zijn, die bovendien, door mijn uitlandigheid, niet op de hoogte was
om den tegenwoordigen stand der dichtkunst in ons vaderland te
beoordeelen, ik werd dadelijk een Mecenas, een Messala gedoopt: en al
die verstandelijke gaven, welke iemand geschikt maken om als
kunstrechter op te treden, werden mij ruimschoots toegekend. Heynsz
verwierf nog hoogeren lof: en, daar hij de eenige schilder in 't
gezelschap was, scheen het aan de overigen een des te geschikter
gelegenheid toe om te zijnen opzichte hun gewoon thema van eerbenamingen
te kunnen variëeren. Hij was een _Duitsche Apelles_: zijn kunstgenooten
waren niets bij hem: de werkjes, die men van hem onder 't oog had (zes
of acht onafgehaalde portretjes, die aan den wand hingen) waren
kunstjuweeltjes, welke Rembrandt noch Van Dijk in staat zouden geweest
zijn te vervaardigen:--NB. dit laatste stemde ik met een gerust geweten
toe.

Heynsz betoonde in 't geheel die valsche nederigheid niet, welke aan de
overigen eigen was: hij wist hoe zwaar die verplichtende uitdrukkingen
wogen, en was, geloof ik, weinig genoeg door de eigenliefde verblind, om
wel te weten, wat er aan de voortbrengselen zijner kunst ontbrak. Hij
hoorde dan ook al die lafheden met een effen gelaat aan, terwijl hij den
spreker met uitroepingen als: "ei! ei!--wel zoo!--nu ja!--" in de rede
viel, totdat hij ten laatste, dat gereutel waarschijnlijk moede, de pijp
uit den mond nam, een dikke rookwolk wegblies en zich aldus uitdrukte in
zijn zonderling Hollandsch:

"'t Is maar jammer, Mijne Heeren! dat al de ingezetenen onzer stad niet
denken over mij zooals gij hebt de goedheid van te doen. Dan zou ik
ongetwijfeld wat meer hebben de occasie van te maken goed geld voor mijn
werken. Want, wat denkt gij wel, dat mij rapporteert het meeste, met den
tijd, die voortgaat?"

De poëten keken elkander aan. "Waarschijnlijk het behangsel-schilderen,"
zeide Velters eindelijk (zoo was de jongste van het gezelschap
geheeten): "want dat is tegenwoordig aan de orde van den dag."

"Niet kwaad gegist," hervatte Heynsz: "maar voor dat moet men zijn een
Lairosse of een Moucheron. Neen, Mijne Heeren! 't is almede een
speculatie op de vaniteit:--ik verdien het meeste geld met te schilderen
wapens op de rijtuigen."

"Dat kan ik getuigen," zeide Helding: "onze vriend Heynsz heeft laatst
al de rijtuigen van den Heer Blaek, mijn hooggeachten patroon, en van
zijn Heer zoon met wapenborden van zijn maaksel verrijkt: men kan
voorwaar niets sierlijkers uitdenken."

"Dat moet zeker nogal wel geven," zeide de beschrijvende dichter:
"want," voer hij declameerende voort:

     "Nooit zag men rijker glans van zilveren blazoenen,
     En gouden wapenen en paarsen, gelen, groenen."

Ik kon mij niet onthouden te meesmuilen over deze twee regels,
die, behalve dat zij vermoedelijk weinig dichterlijke waarde bezaten,
zoo duidelijk bewezen, dat de dichter geen woord van zijn onderwerp
verstond.

"Ja," voegde de treurpoëet er op zijne beurt bij: "althans tegenwoordig,

     Nu elk, gelijk voorheen verwaande Phaëton,
     Die trotsche voerman van de kleppers van de zon,
     Of als Salmoneus, die den Dondergod braveerde,
     De zweep in handen neemt, schoon hij nooit mennen leerde.

"Heerlijk! fraai gezegd!" riepen allen om strijd.

"Nou! 't zel mijn hard ontgaan," zeide de _grappige duivel_, in zijn
plat Amsterdamschen tongval, "of Jaap de aschkarreman zel mettertijd ook
nog een wapen op zijn kar motten hebben."

Deze snedige zet werd met het gewone gejuich ontvangen.

"'t Is juist zooals gij zegt," zeide Heynsz: "de klanten, bij wie ik
verdien het meest, zijn niet de adellijke of patricische familiën, maar
die champignons van fortuin, die, zoodra zij hebben overgewonnen geld
genoeg om te houden rijtuig, zijn van begrip, dat een geschilderd wapen
is even onmisbaar daarop als een L op de deur van een Lidmaat of een
klopper op die van een Haarlemmer kraamvrouw."

"Maar," vroeg Velters: "hebben zij recht, die wapenen te voeren? Ik
dacht dat dit alleen den adel toekwam."

"Wel _mon ami_!" antwoordde Heynsz: "leven wij niet in een vrije
republiek? En wat bekreunen zich daarover de Heeren Staten, of er
inwoners zijn, die gelieven aan te stellen zich als gekken? En dan, men
weet hier in 't generaal zoo weinig af van blazoen" (hier sloeg hij een
zijdelingschen blik op den beschrijvenden dichter), "dat de domme
menigte bewondert en slechts enkele verstandigen ophalen de schouders."

"t Moet ons toch tot spot doen strekken bij den vreemdeling," zeide
Velters: "ik ging van den winter eens op een Zondag met een Franschman
rond, die de handen van verbazing ineensloeg, toen wij den Dam over en
de Nieuwe Kerk voorbijgingen, waar hij al de koetsen zag, die daar
stonden te wachten. "J'avais toujours cru," zeide hij, "que les
Hollandois étaient un peuple de commerçans et de bourgeois; mais, voyant
toutes ces armoiries, je m'aperçois qu'il y a des nobles ici comme à
Venise."--Maar hoe vermeerderde zijn verwondering, toen hij, naderbij
komende, sommige dier wapenen met grafelijke en hertogelijke kronen zag
prijken, en eindelijk zelfs een paar helmen gewaarwerd, met negen
viziergaten, gelijk alleen een Koning die voeren mag. Toen keek hij mij
aan, als wilde hij mij vragen of de menschen hier mal waren geworden: ik
haalde de schouders op. Wat zou ik gezegd hebben?"

"Doet er dat wat toe, hoe zoo'n helm er uitziet?" vroeg de beschrijvende
dichter aan zijn buurman.

"Niet lang geleden," hervatte Heynsz, "kreeg ik een grasmof bij mij, die
met twee zesthalven in zijn zak is gekomen naar dit land en
bijeengeschraapt heeft een fortuin zooals weinige lieden bezitten: die
bestelde mij een wapen op zijn koets: "maar 't zol schön wèzen moeten",
zeide hij: "kijk! zoo in dezen _art_," en meteen rolde bij uit een
perkament, dat hij gevonden had, op de een of andere verkooping, en op
't welk blonk, met al zijn quartieren en ornamenten het wapen des
Konings van Spanje. Ik wilde den man niet geheel laten rijden voor mal,
en zeide hem, dat ik niet volgen kon precies het model dat hij mij gaf,
omdat zulks afbeeldde het wapen van een koninklijk persoon, doch dat hij
zoude zijn content. Ik verhakstukte dan de ruiten en lieren zoo wat en
maakte een wapen, waar Ménetrier niets van zou hebben begrepen. Onze
maat was wonderwel in zijn schik; maar toch had ik vergeten een ding!
"die goldene ketten," zeide hij: "die fehlde daaran." Ik begreep in 't
eerst niet wat hij meende; maar naderhand werd het mij klaar, dat hij
bedoelde de orde van 't Gulden Vlies, die versiert het Spaansche wapen
en welke hij zich voorstelde, te zullen maken op het zijne geen
onaardige uitwerking. Ik had alle moeite om te beduiden aan hem, dat de
Keizerlijke en Spaansche gezanten beiden zouden reclameeren tegen zulk
een aanmatiging, en voldeed hem eindelijk, door hem te beloven, dat ik
zoude vergoeden dit gemis door het bijschilderen van twee wildemannen
als _tenants_, welgewapend met knotsen."

"Je hadt ze liever _zeisen_ in derlui pooten motten geven," zeide de
_koddige snaak_: "dat ware naar den aard geweest."

Onder dit praten was de tijd gekomen, waarop de eigenlijke werkzaamheden
moesten aanvangen. Het bleek mij nu, dat het de gewoonte bij deze Heeren
was, om beurtelings een soort van prijsstof op te geven, welke door
anderen beantwoord werd. De antwoorden werden door den opgever
beoordeeld en daarna door de vergadering onderzocht, geanatomiseerd,
gelikt, beschaafd en ten slotte onkenbaar gemaakt.

De prijsstof, waarover thans geschreven was, luidde als volgt:

     "Wat doet in Hollands tuin het best de boomen groeien?
     Het mesten of het snoeien?"

Ofschoon mij, hoewel geen poëet zijnde, de zin dezer vraag zeer
duidelijk voorkwam, waren er, tot mijn verwondering, slechts twee onder
deze vernuften, die begrepen hadden, dat de opgever door boomen de
ingezetenen van ons Gemeenebest had bedoeld en dat de tweede zin in
denzelfden figuurlijken zin moest worden opgevat. Doch met dat al ware
het nog maar te wenschen geweest, dat deze twee liever de vraag
letterlijk hadden verstaan; want hunne redeneering, in slechte rijmen
vervat, toonde genoegzaam aan, dat de goede lieden geen de minste
denkbeelden hadden van hetgeen tot de huishouding van den Staat behoort.

De opgever had zijn taak insgelijks vervuld, door elke oplossing in een
bijzonder versje te recenseeren; terwijl zijn conclusie was, dat hij,
uithoofde der treffelijke verdiensten, welke al de antwoorden bezaten,
het voorstel deed, den prijs te deelen tusschen de twee medeleden, die
zijn vraag het best begrepen hadden. Dit vond algemeene goedkeuring: te
meer daar de prijs uit een schellingskoek bestond en dus zeer deelbaar
was. Ik was intusschen eenigszins verwonderd, dat Velters, naar het
scheen, niet medegedongen had; maar hij gaf kort daarna te kennen, dat
hij zich met zulke fijne dichtgeesten niet in een wedstrijd had durven
wagen en dus eerst nu, na de bekroning, voor den dag zoude komen met
zijn beantwoording. Hij las ons hierop een stukje voor, hetwelk mij
althans beter beviel dan al wat ik van de overigen gehoord had. Hij gaf
bij den aanhef te kennen, dat hij den zin der vraag wel verstaan, doch
het eenigszins ongepast geoordeeld had, met zijn weinige ondervinding,
over politieke zaken te schrijven, en dus verkozen had, de vraag in dien
geest op te vatten, als ware die op de dichtkunst toepasselijk: in
welken zin hij een, naar mijn oordeel, zeer aardige uitwijding had
gemaakt, waarin hij de dichters bij boomen vergeleek, die gemest en
gevoed moeten worden met kennis en studie, en slechts dan gesnoeid
moeten worden, wanneer hun al te groote weelderigheid aan het behoorlijk
rijpen hunner dichtvruchten nadeel sticht, of wanneer zij anderen in hun
groei of wasdom hinderlijk zijn, enz. Het werk van Velters werd echter,
misschien omdat het veel beter was dan de rest, minder toegejuicht en
alleen met een soort van aanmoediging beloond, welke in mijn oog iets
vernederends had.

Vervolgens ging men aan het beoordeelen en schiften der uitdrukkingen,
in de voorgedragen verzen gebezigd: elk gezegde werd op drie of vier
wijzen omgezet en bijna elk bijvoeglijk naamwoord door een ander
vervangen, totdat langzamerhand alle zweem van oorspronkelijkheid
verdwenen was. Ik kon mij niet onthouden bij deze gelegenheid gedurig te
denken aan het briefje in den _Bourgeois gentilhomme_, en ik kwam,
evenals deze, tot de slotsom _que la première façon de dire est sans
contredit toujours la meileure_.

Daarna werd er gevraagd, of geen der aanwezigen iets bij zich had, waar
hij het gezelschap op vergasten kon. Deze vraag was overbodig, want
ieder had de zakken vol en zat slechts op een gunstig sein te wachten om
zijn kinderen aan 't licht te brengen, schoon zelfs dan niet als
schoorvoetende en onder herhaalde betuigingen, dat het niet de moeite
waardig ware er de aandacht van zulke fijne vernuften mede te vermoeien.
Het eerst was onze heldendichter aan de beurt, die, na de pijp
neergelegd, gehoest en zich gesnoten te hebben, eenige vrij groote
vellen uit zijn zak haalde, en aan de vergadering mededeelde, dat hij
een lijkzang zoude voordragen, "op het noodlottig verscheiden van
zekeren krijgsoverste, die kort te voren (schoon niet op het veld van
eer, want het was aan een maaltijd) het offer van den dood geworden
was." Na een vrij lange voorafspraak, ving hij aan. In zijn gedicht, dat
ongemeen hoogdravend was, versierde hij zijn held, die, zooverre ik
weet, nooit kruit geroken had, maar zijn rang alleen door _ancienneteit_
verworven had, met alle militaire verdiensten, en stelde hem met
Turenne, Marlborough en Prins Eugenius gelijk.

Na dit fraaie stuk, hetwelk de algemeene goedkeuring verwierf, brak de
stroom los, en regende het van alle zijden lijk-, geboorte-, huwelijks-
en verjaardichten; terwijl onze boertige poëet mede niet achterbleef,
maar ons nu en dan een epigram van zijn maaksel opdischte, waar men al
om lachte eer hij nog iets gezegd had, ofschoon er niets aan ontbrak als
de punt, welke hij echter vergoedde, door op de plaats, waar die
behoorde te vallen, zelf in een schaterend gelach uit te barsten. Een
staaltje van deze voortbrengselen zij hier genoeg om de rest te
beoordeelen.

     _Aan een Burgemeester_.

     Al wordt gij _achtbaar_, ja ook _zestienbaar_ geheeten,
     Toch wordt u, zijt gij dood, slechts _ééne baar_ gemeten.

Toen elk zijn beurt had gehad, werden Heynsz en ik evenzeer uitgenoodigd
om tot het algemeen genoegen bij te dragen. Vergeefs verschoonde ik mij:
men stond er op: ik moest mijn gelag betalen zoowel als de anderen: ik
zoude ongetwijfeld ook wel eenmaal in mijn leven aan de Zanggodinnen
geofferd hebben, enz. Terwijl ik, met de zaak verlegen, niet wist, hoe
ik er mij uit redden zoude, schoot mij een vierregelig versje te binnen,
dat ik in een Hoog-duitsch boek gelezen had, en waaraan zin noch slot
was. Ik weet niet welke goede of booze geest mij inblies, dat dit stukje
een goede uitwerking zou doen, en na het, met verbazing over mijn eigen
vlugheid, bij mijzelf in 't Nederduitsch vertaald te hebben (waartoe het
zich gereedelijk voegde) dreunde ik het op:

     _Snedig antwoord:_

     "Zeg Piet, hebt gij dat nieuwe werk gelezen
     Van Bonifaas? Men zegt het wordt geprezen."
     Dus vroeg eens Hein. Toen sprak de spotter Piet:
     "Neen beste Hein! gelezen heb ik 't niet."

"Dat is verduiveld aardig!--wat is dat fijn!--daar zit wat in!--nu, die
kan menigeen in zijn zak steken!"--en honderd andere loftuitingen meer
begroetten dit epigram, waarin ieder overtuigd was, dat een bijtende
satyre lag opgesloten; ofschoon geen van allen natuurlijk wist waar,
maar elk hield zich, of hij die begreep. Alleen de _drollige kwant_, 't
zij uit jaloezie, 't zij dat hij gemerkt had, dat ik spotte, voegde zijn
lof niet bij die der overigen, maar zag mij aan of hij mij had willen
verslinden.

Wat Heynsz betrof, deze bleef ernstig volhouden, dat hij geene verzen
kon voordragen; doch, zoo men zich daarmede tevreden wilde stellen, wel
een avontuur uit zijn merkwaardigen levensloop kon mededeelen. Dit
voorstel werd aangenomen en nu deed hij de vraag:

"Hebben de Heeren wel ooit gehoord van mijn zonderlinge ontmoeting met
den beroemden Cartouche?"

"Neen! neen!" klonk het als uit éénen mond: en allen zwegen en schoven
hunne stoelen bij en zagen met aandachtige belangstelling naar den man,
die op het voorrecht bogen mocht, van Cartouche te hebben gezien.

"Wel!" zeide Heynsz: "het is nu een goede dertig jaar geleden, ik reisde
van Lyon naar Parijs, in vrij berooid equipage en met schraal voorziene
beurs of liever met in 't geheel geen beurs en levende van hetgeen de
goede lieden mij schonken om Gods wille, etende (als de papa van
Uilenspiegel) als ik wat had en vastende als ik net niet had: en
meestentijds slapende onder den blauwen hemel. Eens op een nacht
gebeurde het, ik weet niet in welk dorp, dat ik genomen had mijn
legerstede op een mesthoop aan den weg, (hetgeen in _parenthése_ gezegd,
het warmste bed is, dat men hebben kan), en dat ik sliep heel gerust,
toen ik wakker werd van een groot licht, dat mij scheen in de oogen, en
recht over mij zag ik een huis staan in brand, een groot huis voor een
dorp: ik geloof, dat daarin woonde de Notaris of de Schout:--nu dat's
_égal_. Ik stond op: er was al volk op de been: en spoedig bood iedereen
hulp met water dragen, met brandspuiten, etcetera. De bewoner van het
huis zat al op straat met een gebranden voet, in zijn nachtjak en zonder
dat hij had gehad den tijd te redden een kleinigheid of zelfs meer
aandoen dan een oude pantoffel ... nu, 't was zomernacht en het vuur
maakte ons heet genoeg: hij zal niet gevat hebben kou, hoewel hij beefde
als een juffershondje. Bij hem stond zijn vrouw, of liever lag zijn
vrouw; want zij kreeg gedurig toevallen. 't Eene was pas over of 't
andere kwam op. De man deed niets als te wringen zijn handen en te
roepen_ mon Dieu! mes enfans!_--want zijn kinderen waren nog in het
brandende huis; maar zoowel hij als zijn vrouw waren te veel in de war
om te zeggen waar zich de arme wichten bevonden, en niemand had de
courage om te gaan in het groote huis en te zoeken daar in den blinde.
Terwijl wij daar waren bezig, daar komt een Heer, welgekleed met een
karmozijnen rok aan, en berijdende een fraai zwart paard, en hoorde den
papa, en ook de mama, zoo dikwijls zij weer bijkwam, schreeuwen om haar
arme kinderen. "Allons!" riep hij: "twintig _louis d'or_ voor dengenen,
die toont de courage en redt die arme kinderen."--Er waren er terstond
een stuk vijf zes, die wilden naar binnen; maar de vlam sloeg er uit met
zulk een geweld, dat zij terugsprongen van schrik. Toen vroeg de vreemde
Heer weder aan den kermenden papa: "zeg eens," zeide hij: "is er geene
andere deur en waar zitten die kinderen ergens?"--"_Ah ma foi!_" zeide
de arme vader, die weer bij zijn positieven kwam: "er is de tuindeur;
maar die is gesloten van binnen: en nu ik mij bezin, _pauvre malheureux
que je suis!_ ik heb ook opgesloten die arme schapen in hun kamer: omdat
de eene is _somnambule_,"... slaapwandelaar, zeggen wij, geloof
ik.--_N'est-ce que ça?_" vraagt de vreemdeling. "_Qui m'aime me suive_."
En klets! springt hij met paard en al over de hegge in den tuin: en ik
hem achterna, met wel tien anderen. Maar daar stort een brandende balk
en een stuk van het dak tusschen ons naar beneden, dat de meesten het
opgaven, althans ik was de eenige, die met den ruiter aan 't achterhuis
bij de tuindeur kwam. "_Vous êtes un brave_," zeide hij: "zult gij mij
assisteeren?"--zal ik," zeide ik: "maar hoe zullen wij openkrijgen die
huisdeur, die van binnen gesloten is?"--"Bah!" zeide hij: en hij keek
mij aan, alsof ik gedaan had de onnoozelste vraag van de wereld, terwijl
hij meteen tastte in zijn zak en daaruit waarschijnlijk haalde een
breekijzer: althans in een oogenblik waren de hengsels uit de deur en de
deur omgehaald. Toen sprong hij van 't paard, trok uit rok en vest en
liep naar binnen en ik hem achterna. Dit gedeelte van 't huis was nog
ongedeerd door het vuur; maar er was rook genoeg om gevaar te loopen van
te stikken: en wij zouden niet geweten hebben waarheen ons te wenden,
hadden wij niet gehoord de stem van een kind, dat huilde en om hulp
schreeuwde: "_C'est ici!_" zeide de vreemdeling en één, twee drie had
hij opengeveterd eene kamerdeur: wij traden binnen en al tastende in het
donker op het geluid af vonden wij eerst een jongetje: en toen werd het
vertrek verlicht door de vlam en zagen wij ook een meisje, dat half
gestikt op den grond lag. Maar nu moesten wij terug en dat was een
moeielijker geval. De tocht, die woei door de opene achterdeur, had
weder erger gemaakt den brand en de toegang was ons versperd van dien
kant. Nu haastten wij ons open te maken het raam: ik sprong er uit en
mijn kameraad gooide mij eerst de kinderen één voor één toe en volgde
toen mijn voorbeeld. Ik dacht, wij zouden nu terugkeeren bij de ouders;
maar de vreemdeling hield mij staande en vroeg wie ik was. "Een arme
drommel," zeide ik, "een vreemde zwerver, die niets bezit."--"_Tant
mieux_," zeide hij: "haast u, eer iemand komt: ik moet vluchten om een
_affaire d'honneur_. Trek mijne kleederen aan en geef mij uw kiel. In
mijn zakken vindt gij geld genoeg." En zonder er iets bij te voegen, had
hij mij mijn kiel van 't lijf gehaald, vlugger dan zoude doen de beste
kamerdienaar, die aan zijn lijf getrokken, was op het paard gesprongen,
en voort, den tuin door, en weg. Wat zou ik doen? Ik trok rok en vest
aan; en pas had ik dat gedaan of er kwam een geheele zwerm menschen
opdagen: zij hadden uit den weg geruimd het gevallen puin en een vrijen
doortocht tot ons verkregen. Ik bracht de kinderen bij papa en mama: zij
zagen mij allen aan voor den vreemden Cavalier: niemand kende mij, en ik
hield mij goed en lamenteerde slechts, dat mijn paard mij ontstolen was,
terwijl ik mij bevond in het brandende huis. Terwijl wij daar bezig
waren, kwamen er een stuk of zes dienaars van de wacht aan te paard van
Lyon en in vollen draf. "Aha!" zeide de voorste, zoodra hij mij in 't
oog kreeg: "daar hebben wij onzen maat. Nu zult gij ons niet ontsnappen,
monsieur Cartouche!"--Met pakten zij mij aan, maar een hunner, die
Cartouche waarschijnlijk kende, zeide, toen hij mij nader aanschouwde,
dat zij zich bedrogen en dat Cartouche veel ouder was:--Ik was toen even
over de twintig. Zij wilden mij echter meepakken, onder voorwendsel dat
ik bij mij had geene papieren; maar ik zeide, die waren in mijn
_portemanteau_ met mijn paard voort: en al de dorpelingen namen mijn
partij, omdat ik mij zoo goed had geweerd: en 't scheelde niet veel of
de dienaars hadden gekregen braaf slaag.--De pastoor van 't dorp kwam
mij vragen bij hem te blijven dien nacht: ik nam aan en toen ik mij
uitkleedde vond ik in mijn karmozijnen rok een beurs met tweehonderd
_louis d'or_. Ik verstopte mijn broek, die niet _à l'unisson_ was, met
de rest van mijn toilet, leende een andere van den pastoor, onder
voorgeven dat de mijne was gezengd en vol gaten en verliet het dorp den
volgenden dag, nagevolgd door de zegeningen van iedereen."

Ik dacht, dat Heynsz er nog bij zou voegen, hoe diezelfde beurs (gelijk
ik hooger verhaald heb) hem naderhand noodlottig werd; doch hij hield
hier op, keek op zijn horloge en sloop, zoodra het gesprek weder
algemeen werd, schier onopgemerkt uit het vertrek.

Intusschen was de koffie, die eerst rondgediend was geweest, sedert lang
door den wijn vervangen; en onder de gasten begon een vroolijkheid te
heerschen, welke hoe langer hoe luidruchtiger werd. Alle aanmatiging
zoowel als valsche zedigheid was geweken, ieder schertste en spotte
zonder zich meer te bedwingen; er werden vroolijke liedjes gezongen; de
rokken gingen uit: de bedaardsten werden snapachtig en de druksten
werden stil: in 't kort, het druivennat begon zijn invloed uit te
oefenen, en ik te denken dat het voor mij ook welhaast zaak zou worden,
het voorbeeld van Heynsz te volgen en mij stil te verwijderen, toen
Helding, die een oogenblik naar buiten was geweest om wijn te halen,
weder binnenkwam met het bericht, dat er een Heer in 't portaal was om
Heynsz te spreken. Deze was echter zoek: en de meid, geroepen zijnde,
verklaarde niet te weten, waar Sinjeur gestoven of gevlogen was. Haar
verlegen toon bij dit bescheid, deed mij echter vermoeden, dat de Heer
des huizes niet verre af was, maar wellicht met dezen of genen over
politie-zaken redeneerde.

"Wij kunnen dien Heer toch niet op de trap laten staan", zeide Helding:
"'t schijnt een deftig man: en Heynsz zal wel terugkomen. Wat dunkt u,
dat ik hem binnenroepe?"

"Wel ja!" zei de treurpoëet, met de vuist op de tafel slaande, dat al de
roemers er van dansten: "hoe meer zielen, hoe meer vreugd."--Ook de
overigen keurden goed wat de traktant voorstelde, die dan ook vertrok en
na een kort vertoeven terugkeerde, een vreemdeling inleidende met een
karmozijnen rok, een zwaar gepoederde pruik, een bril met groote glazen,
een stok met een amberen knop en een deftig voorkomen.

"Kom binnen, mijn waarde Heer!" zeide Helding, hem als 't ware
binnendringende met een ongemeene drukte: "'t is immers beter in een
warme kamer te wachten dan op een tochtig portaal. Een stoel voor
Mijnheer. Wees zoo goed en neem plaats. Maak, bid ik u, geen
complimenten. Hier! een pijp voor Mijnheer! en een schoonen roemer."

De onbekende beantwoordde al deze beleefdheden met stille buigingen;
doch sprak zoo weinig of hij stom ware. Hij vlijde zich in den
leunstoel, die hem werd aangeschoven, sloeg beleefdelijk met een
beweging der hand de aangeboden pijp af, zag met een vluchtigen blik het
gezelschap rond, en haalde toen een zijden doek uit, die waarschijnlijk
met welriekende wateren doortrokken was; want hij bracht dien dadelijk
voor 't gezicht en berook hem met zooveel welbehagen, dat het wel te
bespeuren was, dat hij geen liefhebber was van den tabakswalm.

Zijn komst en nog meer de weinige voorkomendheid van zijn manieren
brachten die stilte te-weeg, welke doorgaans op dergelijke bezoeken
volgt en niet ongelijk is aan die, welke op een school, waar alles
lustig en vrolijk toegaat, bij de komst des meesters ontstaat. Helding
bespeurde deze onwelkome stemming, en, als een plichtmatig traktant,
deed hij zijn best om de vreugd weder aan te wakkeren.

"Komaan, mijn Heer!" zeide hij, den roemer des onbekenden boordevol
schenkende: "sta mij toe, dat ik uwe gezondheid drinke. Misschien is
UEd. beteren wijn gewend dan deze; maar wij burgerlui doen het ermede,
en wij kunnen u niet meer aanbieden dan wij hebben."

"Dat zei Lys Morsebel ook," zeide de _poëta comicus_, "en zij smeet haar
buurvrouw een handvol vlooien naar 't hoofd."

"Uwe gezondheid, Messieurs!" zeide de vreemdeling, met een schorre stem,
zich buigende en zijn glas naar de hoogte brengende, dat hij vervolgens
bij kleine tusschenpoozen ledigde.

"Wel!" zeide de _grappige duivel_, met die gemeenzaamheid, welke onzen
burgerstand veelal eigen is: "mijn Heer is, geloof ik, ook bang, dat er
hoorntjes en schelpen in zitten."--En, om te toonen, dat hij dezelfde
vrees niet koesterde, ledigde hij zijn glas in ééne teug.

"Komt!" zeide Helding: "hoe zit gijlieden allen zoo stil? mijn Heer
Huyck! laat ik u eens inschenken. Waar waren wij ook gebleven? Komt!
lustig aan en leve de pret!"

Maar de pret laat zich niet gebieden: en allen bleven even stemmig
kijken, alsof de glazen voor des vreemdelings oogen de uitwerking van
Medusaas hoofd bezaten.

"'t Is of wij hier bij de Kwakers zitten," zeide de _drollige vent_:
"hoe is het? getuigt de geest niet, Pietje?" (dit was de voornaam van
den _tragicus_) "Je zoudt een liedje zingen."

"Wel ja! komaan! een liedje!" zeide Helding;--maar de Treurpoëet was
schor of verklaarde althans het te zijn.

"Kom!" zeide eindelijk de _koddige kwant_: "'t is of gijlieden bang
zijt, dat mijn Heer u op zal eten: mijn Heer is geen bullebak. Jelui
kijkt hem aan, of het Cartouche was, daar Heynsz zoo even van vertelde
... en pots seldrementen! dat is nog al grappig! mijn Heer heeft ook een
karmozijnen rok aan."

Deze onhebbelijke uitdrukking, in stede van, gelijk anders de
kwinkslagen des _geestigen duivels_, de vreugd te doen herleven, maakte
op de aanwezigen een onaangename uitwerking: en velen, wier gedachten
niet meer helder waren, keken den vreemdeling zoo angstig aan, als of
zij werkelijk meenden, dat Cartouche uit de andere waereld onder die
gedaante te voorschijn kwam. Wat den man zelf betrof, ik zag dat zijn
voorhoofd zich fronste: maar hij zeide niets. Ik begreep inmiddels, dat
het meer dan ooit tijd voor mij werd om af te trekken; doch wenschte een
tijdstip af te wachten, dat mijn vertrek niet bemerkt zoude worden: en
daartoe moest het onderhoud weder levendig worden: ik bood derhalve aan,
zelf een liedje te zingen, daar al de overigen dit weigerden: en dit met
gretigheid aangenomen zijnde, dreunde ik een barcerolla op, die ik te
Venetië van de Gondeliers had gehoord en waarvan ik verzocht, dat men
het refrein in koor herhalen zou. Dit had de gewenschte uitwerking: nu
raakten de tongen weer los: de een zong voor, de andere na en eindelijk
zong alles door elkander, behalve alleen de karmozijngekleede Heer, die,
gelijk de _malle weerga_ het uitdrukte, er bij bleef zitten als
_Ducdalf_ in 't _Doolhof_. Ik maakte van de drukte gebruik en sloop
onopgemerkt de deur uit


       *       *       *       *       *


TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

WAARIN VERHAALD WORDT, WIE DE HEER IN 'T KARMOZIJN WAS, EN HOE DEERLIJK
FERDINAND ER ZICH IN WERKTE.


Terwijl ik, in mijn zak schommelende, de meid riep om haar een fooi te
geven, hoorde ik mij zachtjes bij mijn naam noemen. Ik keerde mij om en
zag Amelia op de trap staan, die naar haar kamer geleidde.

"Hebt gij een oogenblik tijd voor mij?" vroeg zij, met een gesmoorde,
eenigszins bevende stem.

"Kan ik u van dienst zijn?" stamelde ik, insgelijks onthutst en kwalijk
tevreden van opnieuw in hare zaken bemoeid te worden.

"Volg mij!" zeide zij, op een toon, die meer gebiedend dan smeekend was:
en mij bij de mouw vattende, als wilde zij mij den weg wijzen op de
donkere trap, ging zij mij voor naar boven. Ik volgde werktuiglijk: en
de Hemel vergeve mij de dwaze gedachten, die op dat oogenblik mijn brein
vervulden, en den verkeerden dunk, dien ik van hare voornemens opvatte.

Wij kwamen in haar kamer, waar een licht op de tafel brandde. Zij zette
de deur aan, zonder echter de kruk om te draaien, nam toen achter de
tafel plaats en wenkte mij tegenover haar te gaan zitten, terwijl zij
een stoel, die bij haar stond, wegschoof, als wilde zij zorg dragen dat
ik niet naast haar zou komen. Deze voorzorgen en nog meer de
waardigheid, over haar geheele wezen, in weerwil van haar blijkbare
ontsteltenis verspreid, deden mij blozen over mijn ongepaste vermoedens.

"Ik ben recht verheugd," zeide zij op een haastigen toon, "dat ik u nog
aantref. Ik had al een poos op de trap vertoefd en vreesde zoo dat er
een ander kwame. En ik moet u zoo noodwendig spreken: ik heb hier toch
niemand buiten u in de geheele stad, waar ik op vertrouwen kan."

"Ik hoop," zeide ik, met de meeste koelheid, die ik voor kon wenden: "ik
hoop, dat ik in staat zal zijn, uw bezwaren weg te ruimen; maar uw
toestand is van zulk een ingewikkelden aard...."

"Om u niet op te houden dan.... Ik moet van hier. Ik kan niet langer in
dit huis blijven."

"En welke reden noopt u tot dat besluit?"

"Hoor toe: ik begin te vreezen, dat het een afgesproken werk is ... dat
mij hier een strik wordt gespannen ... dat men mij met opzet hierheen
gebracht heeft. Die Heynsz ... o, 't is afschuwelijk...! Hij is een
verklikker: een geheime dienaar der Justitie."

"Dat wist ik," zeide ik, "maar ik wilde u door de mededeeling daarvan
geene ongerustheid baren."

"Hoe! gij wist dit? Hebt gij dan zelf misschien?... maar neen! uw
aangezicht is te eerlijk ... foei mij, dat ik zulke gedachten van u
voeden zou!--Maar hoor verder en oordeel over mijn angsten. Ik was
straks op de trap, om...." hier kleurde zij hevig en zweeg plotseling
stil.

"Welnu? om...."

"Niets.--Ik hoorde u juist zingen.--In 't kort, ik was op de trap: daar
is een reet in 't beschot:--ik keek er door--en ziet: in een vertrekje,
waarvan ik het bestaan niet kende, stond de huisheer, die Heynsz, in
gesprek met denzelfden Jood, die mij hier bracht."

"Dien Simon?--Gelukkig kent hij u niet, en weet alleen, dat gij met mij
hier gekomen zijt. Hij heeft u niet met uw vader gezien."

"Ach! Gij zoekt mij gerust te stellen," zeide zij, het hoofd schuddende:
"maar luister verder: in den beginne verstond ik niets van hun discours;
maar langzamerhand merkte ik, dat de Jood aan Heynsz berichten gaf
omtrent zekere dievenbende, die zich te Naarden heeft opgehouden. Dit
ontstelde mij reeds; maar verbeeld u mijn schrik, toen de Jood, op een
vraag, hem door Heynsz gedaan, hem vertelde, dat iemand, wien zij alle
moeite deden om te ontdekken, en dien ik aan de beschrijving voor mijn
vader herkennen moest, in Zuid-Holland had rondgezworven, zich in
's-Hage had opgehouden en morgen, volgens zijne berichten, met de schuit
van Utrecht hier te Amsterdam moest komen."

"Hier! in den muil des leeuws?"

"Oordeel, hoe ik te moede was? Ik hoop nog, dat het niet waar moge zijn:
want o! mijn vader is verloren, zoo hij herwaarts komt. Alleen uit zijn
bezorgdheid omtrent mij zou ik een zoo onvoorzichtigen stap in hem
kunnen verklaren. Doch, hoe dit zij, heb ik niet te vreezen, dat men hem
naar dit huis wil lokken om hem in de gespreide netten te vangen? Moet
ik mij niet uit deze gevaarlijke plaats verwijderen?"

"Met uw verlof?" vroeg ik, na een oogenblik te hebben nagedacht: "hebt
gij voor u-zelve iets te vreezen voor de nasporingen der Justitie?"

"Ik!" antwoordde zij, blijkbaar verwonderd: "wat zou ik met haar hebben
uit te staan? of strekt men in dit land vijandschap tegen den vader tot
zijn kinderen uit."

"Dat juist niet," hernam ik: "maar er worden soms maatregelen van
voorzorg genomen.... Ik zou u afraden, deze kamer vooralsnog te
verlaten. Weet men nog niets, dan zou dit alleen argwaan wekken en
oorzaak zijn, dat men uwe gangen bespiedde:--is men reeds achter de
waarheid gekomen, dan is het toch een onnutte voorzorg en geen
verwijdering kan u meer baten. Bovendien: gij schijnt zelve onbewust,
waar zich uw vader bevindt. Zoudt gij, ingeval gij van hier gaat, hem
kunnen verwittigen, waarheen gij u begeeft? De Heer Bouvelt, die de
eenige tusschenkomst schijnt te zijn, is ongesteld: zóó zelfs, dat hij
voor niemand te spreken is;--ik weet u geen anderen raad te geven, dan
de toekomst met gelatenheid af te wachten."

"Met gelatenheid!" herhaalde zij, oprijzende, en de kamer op en neer
gaande: "God! Is dat een mogelijkheid in mijn toestand?--o! het ergste
lot ware minder onlijdelijk dan deze verschrikkelijke onzekerheid.--En
dat is de eenige troost, dien gij mij bieden kunt?"

"Helaas!" zeide ik, zuchtende: "wat wilt gij, dat ik voor u doe? Wanneer
zelfs mijn betrekking als zoon van den Hoofdschout mij niet verbood,
krachtdadig voor u werkzaam te zijn, zou niet de zorg voor ons beider
goeden naam mij van alle dadelijke bemoeiingen in deze moeten doen
afzien, ten einde den laster geen stof te geven om iets schuldigs in
mijn deelneming te vinden?"

Dit gezegde van mij was hard en zij gevoelde het diep; want, opeens
stilstaande, zag zij mij aan met oogen, waarin zich bij eene hevige
verontwaardiging eene diepe smart liet lezen.

"Men had het mij voorspeld," zeide zij met bitterheid, "dat ik in dit
land slechts koele harten vinden zou. De laster ... ja voorzeker!
--Ziedaar de voorwendselen, waarachter men zich verschuilt, wanneer het
er op aankomt zijn naasten een dienst te bewijzen; men zou een mensch
zien verdrinken, eer men een vooroordeel opofferde.--Is het niet, omdat
de Godsdiensten verschillen, dan is het omdat men voor zijn reputatie
vreest.--Maar ik zal u niet langer lastig vallen, Mijnheer Huyck. Ik
vraag u om verschooning voor de moeite, die ik u veroorzaakt heb."

"Mejuffrouw!" zeide ik, niet zonder verlegenheid: "ik heb u onwillig
beleedigd:--en, God weet het, dat was verre van mijn voornemen.--Gij
hebt, en hier in dit vertrek, en ten huize mijner tante, naar ik geloof,
kunnen bespeuren, dat ik, zoodra het in mijn vermogen stond, bereid was
u van dienst te zijn. Waarlijk ik heb een innig medelijden met uw
toestand en wenschte slechts, dat iemand mij kon zeggen, wat mijn plicht
ware, en hoe ik tot uw voordeel handelen kan?"

"Gij hebt gelijk," zeide zij, zich een traan uit de oogen wisschende:
"en ik ben het, die onbillijk en ondankbaar ben. Gij hadt, na al wat gij
voor mij gedaan hebt, iets beter dan verwijtingen van mij verdiend. En
uw tante ook, zij is zoo goed, zoo minzaam jegens mij geweest.--Ach! zoo
mijn vader het mij slechts veroorloofde ... hoe gaarne zou ik haar de
vertrouwde van mijn lijden maken.--Zij zou mij bijstaan, daar ben ik
zeker van, mij uit dit huis helpen, waar alles mij doet beven: mij
verlossen van de onbescheidene aanzoeken van den Heer Blaek, die mij
geen oogenblik met rust laat."

"Hoe!" riep ik uit: "heeft hij opnieuw pogingen gedaan om u te spreken?"

"'t Is vruchteloos," zeide zij, "of ik hem zijne brieven en geschenken
terugzend: den volgenden dag vind ik die weder op mijne kamer liggen:
hij moet hier in huis medeplichtigen hebben. Zie wat hij mij durft
zenden."

Dit zeggende, rukte zij met drift een lade open en haalde er een fraai
garnituur uit, hetwelk zij voor mij op tafel neerlei: "En dan zijne
brieven," vervolgde zij, "waarin hij mij voorslagen doet, die ik mij
schamen zou te herhalen! O! ik ben diep ongelukkig."

Hier zegevierde de droefheid over haar kracht van geest: zij bracht den
zakdoek voor de oogen en snikte luide. Ik was opgestaan om de juweelen
te bezichtigen. Zij stond naast mij en boog onwillekeurig het hoofd
voorover, zoodat het op mijn schouder te rusten kwam. Mijn toestand werd
netelig: en ik wist niet, hoe ik best daar vandaan zoude geraken, toen
wij opeens menschen de trap hoorden opkomen.

Amelia trad sidderend ter zijde. "Mijn God!" riep zij: "zou men hier
komen? op dit uur!"

"Hierheen, Mijnheer Van Beveren!" zeide de stem van Heynsz; de deur ging
open en de gepoeierde Heer met den karmozijnen rok trad binnen, door
Heynsz gevolgd.

"Ik ben het, Amelia!" zeide de Heer Bos (want hij was het zelf): "ik
wist niet," voegde hij er op een gestrengen toon bij: "dat gij
gezelschap hadt."

Amelia stond als verplet. Zij wrong de handen en zag haar vader aan, met
oogen, waarin een onbeschrijfelijke angst was uitgedrukt. Wat Heynsz
betrof, hij meesmuilde achter den rug van den Heer Bos en hief
spotachtig dreigend den vinger tegen mij op; maar ik was onzeker, of de
vroolijke uitdrukking van zijn gelaat teweeggebracht was door zijn
blijdschap, dat hij den man, dien hij zocht, in de knip had, of wel
alleen uit zekere schalksche vreugde ontstond, dat ik door Amelia's
vader zoo te onpas verrast werd.

"Ja mijn kind!" vervolgde de Heer Bos, waarschijnlijk om haar gerust te
stellen: "gij hadt mij zoo vroeg niet verwacht; maar ik heb mijn zaken
spoediger gedaan gekregen dan ik gehoopt had: en daarenboven is mij,
gelijk ik den Heer Heynsz verteld heb, een onaangenaam avontuur
overkomen, dat mij wel noodzaakte mijn komst alhier niet langer uit te
stellen. Ik merk ook," vervolgde hij met een verheffing van stem en
terwijl hij mij scherp aanzag, "dat het tijd werd dat ik kwame."

"Met uw verlof," zeide Heynsz, tusschen beiden tredende: "deze Heer is
de Heer Huyck, zoon van onzen achtbaren Hoofdofficier en een eerlijk
cavalier, wien Mejuffer zich niet behoeft te schamen van te kennen."

"Met uw verlof," zeide Bos, zich naar Heynsz keerende en op een hoogen
toon sprekende, welke mij vreemd genoeg voorkwam jegens iemand, van wien
hij zooveel te duchten kon nebben: "ik ben zelf de beste beoordeelaar
der kennissen, welke het mijne dochter betaamt te onderhouden: en,
terwijl hetgene ik deswege met haar te spreken heb best zonder getuigen
wordt afgehandeld, zal ik de vrijheid nemen u te verzoeken...." hier
wees hij op de deur met een gebiedenden wenk.

"Niets is billijker," zeide Heynsz, eenigszins overbluft: "ik zal u niet
storen:" en meteen verliet hij het vertrek. Ik stond onzeker of ik hem
volgen of blijven zoude.

"Blijf Mijnheer!" zeide Bos: "ik heb een woord met u te spreken."

"O God! mijn vader!" zeide Amelia, met een gesmoorde stem, terwijl zij
hem omklemde: "wat hebt gij verricht? Weet gij welke onvoorzichtigheid
gij begaat? wie de man is, die de kamer daar verlaten heeft?"

"Ik weet alles," antwoordde Bos: "en ik geloof, dat ik niet de
onvoorzichtigste ben van ons drieën. Slechts toen was ik het, toen ik op
het eerlijke gelaat van Mijnheer vertrouwde." Hier zag hij mij ernstig
aan.

"Mijnheer!" zeide ik, geraakt: "ik heb uwe geheimen bewaard, zelfs ten
koste van mijne rust. Maar spreek zacht, bid ik u. Men kon ons
beluisteren, en...."

"En men zou nog niets verstaan," viel Bos in, "zoolang de vrienden
beneden zoo luidruchtig blijven, dat onze woorden door hun gezang
gesmoord worden. Ik spreek niet van het bewaren mijner geheimen;--ik
vraag, wat uw bezoek op een zoo ongelegen uur, wat de juweelen te
beduiden hebben, die ik op de tafel zie?"

"De Heer Huyck is onschuldig, mijn vader!" zeide Amelia, eer ik
antwoorden kon: "hij is hier op mijn verzoek gekomen ... hij heeft met
deze juweelen niets te maken."

"Hoe!" herhaalde de vader, meer en meer verstoord: "op uw verzoek? En
waart gij dan...? o ik onnoozele!" riep hij, zich voor het hoofd
slaande.

"De geheele toedracht der zaak is doodeenvoudig," zeide ik, op een toon,
zoo kalm als mij maar eenigszins mogelijk was aan te nemen: "indien UEd.
aan Mejuffer of mij vergunt, u te verhalen al wat sedert onze komst te
Amsterdam heeft plaats gehad, zal het u niet bevreemden dat zij, door
den uitersten angst gedreven, mijn raad heeft ingenomen, als van den
eenigste, op wien zij wist te kunnen vertrouwen. Door eenige andere
uitlegging aan mijne tegenwoordigheid te geven, zou UEd. en haar en mij
onbillijk beoordeelen."

"Welaan!" zeide de Heer Bos, terwijl hij plaats nam: "ik luister: het
zou mij al te veel kosten, mijn achting en liefde te moeten verliezen
voor het eenige voorwerp, dat mij nog aan het leven hechtte."

Hier stak hij de hand aan zijn dochter toe, die ze met vurigheid kuste.
Daarop gaven wij hem een beknopt verslag van het voorgevallene. Hij
maakte niet een enkele aanmerking, noch gedurende, noch na den afloop
van het verhaal, maar vergenoegde zich met nu en dan bedenkelijk het
hoofd te schudden en zich het poeder van den rok te schuieren. Hij
eindigde met de hand zijner dochter, die nog altijd in de zijne lag,
minzaam te drukken; hetgeen mij ten bewijze strekte, dat hij met de
gegeven opheldering voldaan was.

"En thans, Mijnheer!" hervatte ik na een korte pauze; "thans moet ik u
bekennen, dat de Juffer zich mijns inziens niet zonder recht ongerust
maakt, en dat uwe komst alhier niet wel geschikt is, die ongerustheid te
doen ophouden."

"Ik ben er zelf evenzeer over verwonderd van mij hier te zien,"
antwoordde hij, "als de Doge was, toen hij zich aan het hof van Lodewijk
XIV bevond: maar ik heb door de ondervinding geleerd, dat onbeschaamde
stoutheid soms beter in staat is, de menschen te bedriegen, dan de
fijnst gesponnen list. Ik was, Amelia! sedert uw vertrek, hoogst
ongerust, geen brief van u te ontvangen, vooral nadat ik reeds een paar
reizen onder couvert van den Notaris Bouvelt geschreven had, dat ik mij
in 's-Hage bij den Russischen Gezant ophield...."

"Welke brieven," zeide ik, "waarschijnlijk nog ongeopend bij Bouvelt
liggen, die gevaarlijk ziek is."

"Ik had intusschen bemerkt," vervolgde de Heer Bos, "dat mijn gangen
gevolgd werden door datzelfde Joodje, hetwelk te Soest zoo ongenadig
door mij begroet werd. Bekommering over uw lot kwelde mij: ik kon niet
langer aan de begeerte weerstaan om iets van u te vernemen. Aan Mijnheer
dorst ik niet schrijven: hij had reeds last genoeg van ons gehad: en ik
wilde hem geen nieuwe onaangenaamheden veroorzaken. Eindelijk kon ik
mijn geduld niet langer bedwingen en ik besloot hierheen te reizen. Maar
ik moest eerst mijn lastigen verspieder verschalken. Gisteren was ik te
Utrecht: daar zat hij mij weder op te hielen. Ik had mijn plan gevormd
en toen ik hem op de straat tegenkwam, vroeg ik hem, of hij een
boodschap voor mij wilde doen. Ik zag zijne oogen van blijdschap
fonkelen. Toen gaf ik hem geld om de roef af te huren naar Amsterdam
voor de schuit van morgenmiddag, niet twijfelende of hij zou de
heuglijke tijding van mijn overkomst dadelijk aan zijn betaalmeester
overbrengen. Hem dus van 't spoor geleid hebbende, wandelde ik de poort
uit, nam te Zeist een rijtuig, dat mij naar Amersfoort bracht, en
wachtte daar de komst van den Deventerschen wagen, die mij hier voerde.
Onderweg had ik mijn kleeding stuk voor stuk veranderd, mijn haar
gepoederd en mij door het opzetten van een bril nog meer onkenbaar
gemaakt. Hier gekomen, nam ik mijn intrek in het beste logement, onder
den naam van Van Beveren, begaf mij dadelijk naar Bouvelt en vernam daar
uw verblijf. Zoodra ik den naam van Heynsz hoorde, was mijn besluit
gevormd. Ik kende, om 't even hoe, de geheime betrekkingen, die deze
Sinjeur vervult: en wetende, dat niets beter in staat is om ook de
schranderste personen te misleiden, dan het streelen hunner ijdelheid,
begaf ik mij naar hem toe. Reeds hier beneden had ik aanvankelijk het
genoegen van te zien, dat mijn vermomming gelukt was, daar zelfs de Heer
Huyck mij niet herkende. Kort na uw vertrek, Mijnheer Huyck! kwam Heynsz
binnen. Ik verzocht hem alleen te spreken. Ik meldde hem dadelijk, dat
ik de vader was van Amelia, de Overijselsche koopman, waar hem Bouvelt
over gesproken had. Voorts verhaalde ik hem, dat ik opgelicht was door
zekeren schelm, wien ik zoo juist beschreef, dat zijn portret volkomen
overeenkwam met dat van den man, die u bij Naarden heeft aangerand: en
zeide, dat hij, Heynsz, mij was aan de hand gedaan als de bekwaamste man
om dergelijke fielten te doen opsporen. Ik eindigde mijn verhaal met een
fatsoenlijk present en oordeel nu den man gewonnen te hebben. Dat hij
mij met dat al te slim is, is mogelijk; doch, naar zijn houding te
oordeelen, geloof ik, dat hij niets vermoedt."

"Maar Papa!" zeide Amelia: "al misleidt gij Heynsz, zijt gij niet
beducht, dat er hier te Amsterdam nog vele lieden zijn, die u herkennen
zullen?"

"En wie zou thans in mij den cadet der marine herkennen, die voor vijf
en twintig jaren hier over straat slenterde of den galant speelde bij de
jonge schoonen?"

"Bij den eersten opslag niet;--maar, wanneer men weet dat gij u hier in
de buurt bevindt?--En dan, vloeit deze stad niet over van vreemdelingen,
die u vroeger, in andere landen, hebben kunnen ontmoeten?"

"Ook denk ik mij niet meer dan noodig is op straat te vertoonen. In
allen gevalle, ik heb besloten, het te wagen. Hier is toch eene betere
gelegenheid dan elders, om mij naar de plaats onzer bestemming in te
schepen. Bovendien, ook buiten deze stad was ik niet langer veilig: want
ik weet, dat de Spaansche Ambassadeur op mijn uitlevering aandringt, en
dat de Staten-Generaal, die anders zoo prat zijn om de vrijheden des
lands te bewaren, in dat geval hunnen bondgenoot ter wille zullen
zijn.--Wij moeten dus voort: en wel zoodra ik in het bezit ben dier
noodlottige papieren."

"En zal ik hier blijven?" vroeg Amelia.

"Ik zie daarin geene zwarigheid. Integendeel, ik heb Heynsz gevraagd of
hij mij insgelijks huisvesting verleenen kan: en daar er, zoo hij zegt,
bij deze kamer nog een kabinetje is, waar een ledikant gezet kan worden,
zal zich dit zeer goed schikken. Voor dezen nacht keer ik naar mijn
logement. Wat die juweelen betreft, berg die maar weer: ik zal voor de
terugzending zorg dragen."

Ik wilde nu mijn afscheid nemen. De Heer Bos verzocht mij, daar hij toch
éénen weg met mij op moest, hem mijn gezelschap te schenken; waarop wij,
na Amelia vaarwel gezegd te hebben, het huis verlieten.

Wij gingen eenige oogenblikken zwijgend naast elkanderen. De Heer Bos
was de eerste, die het gesprek aanving:

"Ik ben u groote dankbaarheid verschuldigd," zeide hij: "maar ik wensch
mijn schuld niet te vermeerderen. Of liever--ik zal u nog erkentelijker
zijn, indien UEd. voor het vervolg uwe bezoeken staken wilt."

"Mijnheer!" antwoordde ik, op een koelen toon: "ofschoon ik medelijden
met u en met uwe dochter heb, verlang ik niets liever, dan dat ik niets
meer van u hoore: de zaak heeft mij reeds kwelling genoeg veroorzaakt."

"Dan verstaan wij elkander volkomen.--Intusschen, wij scheiden in
vriendschap. Ik ben u de betuiging schuldig, dat mijn vermoedens mij
leed zijn, en dat ik u voor een eerlijk man houde. Het is alleen, omdat
ik weet hoe gevaarlijk het is, wanneer jonge lieden elkander vaak,
vooral op zulk een geheimzinnige wijze, spreken, dat ik als vader eenige
zorg gevoel."

.Mijnheer! Ik schroom niet, u te zeggen, dat mijne affecties elders
geplaatst zijn."

"'t Is mogelijk," zeide hij: "maar het hart mijner dochter is nog vrij:
en--zonder u een compliment te willen maken--het is niet voor u, het is
voor haar, dat ik mij bekommer, en dat ik een dergelijke gemeenzaamheid
noodlottig zou achten."

"Mijnheer!" hernam ik: "uw dochter is een beminnenswaardige Juffer, aan
wie ik het hoogste geluk toewensch; doch zoo weinig verlang ik, eenige
genegenheid voor mij onwaardige bij haar op te wekken, dat ik het als
een der aangenaamste tijdingen zal rekenen, wanneer ik verneem, dat zij
met u in veiligheid van hier is."

Dit gezegde was niet beleefd, maar het scheen hem echter tevreden te
stellen: en hij sprak niet weder, tot wij de deur van de herberg
genaderd waren. Toen zeide hij, terwijl hij mij de hand op den schouder
legde, op een plechtigen toon: "jongeling! mijn leven ia tot nog toe een
afwisseling geweest van hoogheid en tegenspoeden, van macht en
vernedering, van weelde en gebrek; maar mocht ik mij ooit weder in de
gelegenheid bevinden wèl te doen aan anderen, wees dan verzekerd, dat
mijne dankbaarheid jegens u zich met meer dan ijdele woorden toonen zal,
en dat ik u door daden het verdriet zal pogen te vergoeden, dat ik u
thans onwillig veroorzaakt heb."

Met deze woorden verliet hij mij, en ik vervolgde mijn weg, door deze
nieuwe ontmoeting in een vrij onaangename stemming gebracht, mijn
gesternte verwenschende, dat mij met dien Bos, Van Beveren, of wat namen
hij verder voeren mocht, in kennis gebracht had; en toch begeerig te
weten, hoe het met hem en zijn beminnelijke dochter zoude afloopen. Wat
mij het meest kwelde, was de valsche stelling, waarin mij deze lastige
historie tegenover mijn ouderen geplaatst had. Ik was bijna zeker, dat
mijn vader reeds vermoedens koesterde en dat het tot een onderhoud zoude
moeten komen, waaruit ik niet wist, hoe mij te redden, daar het aan de
eene zijde tegen mijn gemoed en kinderplicht streed, de waarheid voor
hem te verbergen, en aan de andere zijde mijn belofte mij het zwijgen
opleide. O! hoe folterde mij de gedachte, dat het onderling vertrouwen,
hetwelk altijd tusschen mijn ouders en mij had geheerscht, en waar ik
zoo grooten prijs op stelde, wellicht voor langdurigen tijd stond
verbroken te worden: en dat, al werd mijn gedrag later eenigszins
gerechtvaardigd, de eens gegeven indruk niet zoo ras zoude worden
uitgewischt. Had iemand mij veertien dagen vroeger gezegd, dat ik, eene
week na mijn terugkomst in het ouderlijke huis, met looden schoenen zou
derwaarts gaan en zelfs opzien tegen een ontmoeting met mijn vader, hoe
buitensporig, ja onmogelijk zoude mij de vervulling eener dergelijke
voorspelling zijn voorgekomen. En echter: zoo stonden thans de
zaken!--Ik trok met een bevende hand aan de huisschel: ik wenschte, dat
mijn ouders, daar het reeds laat was, zich ter ruste mochten begeven
hebben, en ik gevoelde een angstige gewaarwording, toen de dienstbode
mijn vraag, of mijn ouders nog op waren, toestemmend beantwoordde.

Met een kloppend hart trad ik de eetzaal in, waar de goede lieden mij
wachtende waren, beiden in hun nachtgewaad, bij het licht van een paar
kaarsen, die reeds dreigden in de pijp te branden. Het gewone avondmaal,
brood, kaas en vruchten, stond nog op de tafel: en mijn zorgvolle moeder
had een waterkaraf voor zich, met een fleschje _spiritus_, voor het
geval dat ik te veel gebruikt mocht hebben.

"Zoo Ferdinand! ben je eindelijk daar?" vroeg mijn moeder, terwijl ik
haar omhelsde: "is dat nu vroeg te huis komen, gelijk gij beloofd hadt?
Hoe is het, ben je nuchteren of niet? Laat ik u eens in de pogen zien.
Ja: uw oogen staan goed; maar anders zie je er geweldig ontdaan uit. 't
Is goed voor eens; anders deugen u die slemppartijen en dat nachtbraken
niets."

"Ik hoop," zeide mijn vader, mij bij de hand nemende, en mij insgelijks,
doch met een ernstigen blik, aanziende, "dat de slemppartijen en het
nachtbraken nog maar de eenige redenen zijn van uw verbleekte kleur en
ontstemde pols. Maar mag ik u vragen, is Helding verhuisd? of zijt gij
de nachthuizen nog rondgeloopen met uw poëten? Ik weet, dat zulks wel
eens de gewoonte is ... een gewoonte, die de zoon van den Hoofdofficier
niet moest navolgen."

"Hoe meent UEd. dat?" vroeg ik, niet weinig verlegen: "ik begrijp
niet...."

"Reeds eens uur geleden heb ik, op aandrijven uwer moeder, die bezorgd
was dat gij de gracht voor den wal zoudt aanzien, Joris met de lantaren
naar het huis van Heynsz gezonden: en hij is teruggekomen met de
boodschap, dat de Jongeheer reeds vertrokken was."

Ik begreep terstond, dat de knecht daar gekomen was toen ik mij bij
Amelia bevond en toen ieder beneden mij vertrokken waande.

"Ik heb," zeide ik stamelend, "een der gasten, met wien ik een zeer
belangrijk gesprek voerde, te huis gebracht en ben wat lang met hem
blijven staan praten. Maar ik kan u verklaren, dat ik niets gedaan heb,
waarover ik mij behoef te schamen."

"Dan behoeft gij ook niet te kleuren," zeide mijn vader: "hoe heette die
nieuwe vriend, die zoo belangrijk sprak?"

Deze vraag bracht mij deerlijk in 't nauw; want, in omstandigheden als
de mijne waren, zijn de eenvoudigste doorgaans het moeilijkst te
beantwoorden. Nu moest de draaierij wel een logen worden: "Velters," zei
ik, bevende.

"Velters?--Nu ja, wat schort er aan, dat gij zulk een moeite schijnt te
hebben om een zoo eenvoudigen naam uit te spreken? Ik ken Velters bij
reputatie. Hij is een braaf jong mensch, die vlijtig oppast, en wel
voort zal komen, indien zijn gezondheid zijn goeden wil evenaart. Maar
het belangrijkste gesprek had u niet moeten doen vergeten, dat uw moeder
ongerust was en gij haar wakende hieldt."

"Nu," zeide die goede moeder: "wij moeten ook denken, Ferdinand is zoo
lange jaren buitenshuis geweest en de gewone sleur wat ontwend. Hij zal
vergeten hebben, dat wij lieden van de klok zijn. Ik hoop maar, dat
dergelijke invitaties niet te dikwijls zullen komen.--Nu! Ik ga naar
bed: want ik heb werk dat ik uit mijn oogen zie. Blijft gijlieden nu ook
niet langer plakken."

Dit zeggende kuste zij ons goeden nacht en verliet de kamer. Mijn vader
rees ook op, en, zich tot mij wendende: "slaap wel!" zeide hij: "maar
voor gij u ter ruste begeeft, bid God, dat Hij u vertrouwen inboezeme in
een vader, die u liefheeft."

De tranen ontsprongen mijn oogen op het hooren dezer toespraak: "Lieve
vader!" riep ik, de hand des braven mans tusschen de mijne drukkende en
die aan mijn mond brengende: "God weet het, ik zou niets liever
verlangen, dan dat ik spreken mocht; maar...."

"Ik zal geduld hebben en de ure des vertrouwens afwachten," zeide mijn
vader, bedaard: "Gij zijt geen kind meer en ik wil u niet tot spreken
dwingen, wanneer gij beter acht te zwijgen. Dit slechts wensch ik, dat
de Alwijze uw geest verlichte en u leere wat uw plicht medebrengt."--Met
deze woorden drukte hij mij nogmaals de hand en vertrok, terwijl ik mij
zuchtende naar mijn slaapkamer begaf. Zoo had ik dan voor 't eerst mijn
ouderen VOORGELOGEN!--Ach! ik gevoelde te wel de behoefte, om het
voorschrift mijns vaders na te volgen: en in angstige verzuchtingen
smeekte ik den Almachtige, mijn gangen te bestieren en mij licht te
geven op mijn donkeren weg. Dit besluit nam ik echter, om, wat er ook de
gevolgen van wezen moesten, mijn vader te overtuigen, dat ik, hoezeer
misschien verkeerdelijk mijn woord gegeven hebbende, door hem zelfs niet
van mijn belofte ontslagen kon worden.

Het was dan ook met dit oogmerk, dat ik den volgenden dag na den eten,
en toen ik wist, dat Heynsz zich verwijderd had, mijn vader kwam
opzoeken. Ik had dit oogenblik verkozen, omdat ik wenschte uit te
vorschen, of Heynsz den Heer Bos ook verklapt had, in welk geval mijn
verplichting tot geheimhouding ophield en ik, door voor de zaak uit te
komen, dezen laatste misschien dienst kon doen. Mijn vader bespeurde wel
aan mijn houding, dat ik iets op het hart had, en, zijn papieren ter
zijde schuivende, vroeg hij met een ongemeene vriendelijkheid:

"Hebt gij iets met mij te spreken? Dan zal ik die stukken wel even laten
rusten. Echter heb ik niet lang tijd," vervolgde hij, op zijn uurwerk
ziende: "want waarschijnlijk zal er straks een bezoek komen."

"Ik heb u slechts weinige woorden te zeggen, Vader!" zeide ik, "maar ik
wenschte wel, dat ons gesprek langdurig zijn kon."

"Wat meent gij? Dat klinkt eenigszins raadselachtig en duister. _Fallax
sollertia nobis_."

"Helaas!" zeide ik. "UEd. heeft te recht opgemerkt, dat er iets is,
hetwelk mij als een pak op het hart ligt. Ik ben soms afgetrokken,
verstrooid: mijn gangen, zoo UEd. die had doen nasporen, zouden wellicht
zonderlinge vermoedens bij u hebben doen ontstaan: ik heb, zeer mijns
ondanks, vreemde avonturen gehad sedert ik terug ben:--en hetgeen mij
het meest nog hindert, is, dat ik de reden van dat alles aan u niet
ontdekken mag."

"Ik kan," zeide mijn vader, de schouders ophalende, "niet oordeelen over
uw verplichting tot zwijgen, daar ik de aanleiding niet ken, welke u die
heeft doen aangaan. Alleen zoude ik u, in 't afgetrokkene, willen
oplettend maken op het gevaarlijke om zich tot iets dergelijks te
verbinden. Er zijn slechts weinige zaken, welke een kind aan zijn
ouderen niet zoude mogen openbaren. Dan alleen, wanneer het geheimen van
derden geldt, kan er een uitzondering bestaan; doch een geheim, dat u
niet persoonlijk betreft, kan, dunkt mij, zulk een invloed niet op u
gehad hebben, gelijk aan dien, welken uw houding en gedrag mij doen zien
dat bij u is teweeggebracht."

"Het is een geheim van derden," zeide ik, niet weinig verheugd, dat mijn
vader zelf mij alzoo vrijheid tot zwijgen gaf: "maar een geheim, waar ik
door een samenloop van omstandigheden ben ingewikkeld."

"En...." vroeg mijn vader, na zich een wijl bedacht te hebben: "betreft
dit geheim ook zekeren Zwarten Piet? Ik vraag u dit als vader, niet als
Hoofdschout."

"Slechts zeer zijdelings," antwoordde ik, uit deze vraag de
gevolgtrekking makende, dat mijn vader omtrent de wezenlijke oorzaak nog
niets wist: "doch, vergun mij ook een vraag, mijn vader! indien deze
Zwarte Piet mij het leven gered had en ik zijn verblijf kende, zoude
UEd. dan oordeelen, dat ik verplicht ware, het aan den Hoofdschout te
openbaren, bijaldien deze er naar vroeg?"

"Gij weet waar Zwarte Piet is?" vroeg mijn vader met drift.

"Neen", antwoordde ik, glimlachende: "en ik heb ook aan hem geene
verplichting; maar ik stel dit slechts als een voorbeeld."

"Gij weet te goed," zeide mijn vader, "dat, ofschoon de dankbaarheid
slechts een _officium inperfectum_ is, en het inlichten der Justitie een
_officium perfectum_, als zijnde dit laatste bij Keuren en Ordonnantiën
voorgeschreven, de tweede plicht in dezen voor den eersten zoude moeten
wijken, aangezien de dankbaarheid door een hoogere dan de aardsche
wetgeving is voorgeschreven. Dan, dit daargelaten: zoo gij een geheim
bezit, hetwelk gij mij niet vertrouwen moogt, waarom er mij dan over
gesproken? want nu kan ik niet nalaten, te gaan gissen en raden."

"Slechts daarom, mijn vader! omdat mij het denkbeeld onverdraaglijk is,
dat gij mij van gebrek aan vertrouwen beschuldigen zoudt: omdat ik u
smeeken wilde, uw oordeel over mij slechts zoolang op te schorten, tot
ik in staat zal wezen, u de noodige opheldering van mijn gedrag te geven
en te openbaren wat u thans onverklaarbaar moet voorkomen?"

"Gij hebt welgedaan, mijn zoon! En ik zou een slecht rechter zijn,
indien ik u condemneerde, zonder u den tijd te laten om aan te voeren,
wat tot uwe defensie dienende kan zijn. Dit slechts moet gij mij
verzekeren, dat gij niets hebt beloofd, wat tot nadeel van dezen lande
zoude kunnen strekken. Gij weet, dat wanneer het de veiligheid van den
Staat geldt, het _crimen reticentiae_ hem, die het begaat, tot
medeplichtige maakt aan het gesmede landverraad."

"De veiligheid van dezen lande loopt zoo weinig gevaar," zeide ik
glimlachende, "dat UEd. zelf mijn stilzwijgen zult billijken."

"Dan ben ik tevreden," zeide mijn vader.

Op dit oogenblik werd hard aan de voordeur gebeld en hield er een
rijtuig stil.

"Is het reeds zoo laat?" vroeg mijn vader, op zijn horloge ziende: "ja
waarlijk! nu moet gij voort, want ik verwacht een deftig bezoek: of
blijf hier: ik zal in de zijkamer gaan: hij, wien ik verbeid, is een man
van gewicht en dient als zoodanig ontvangen te worden."

Dit zeggende, haastte hij zich naar de zijkamer; maar de persoon, dien
hij verwachtte, verscheen niet: en, gelijk mij later bleek, was het
alleen de Onderschout, die met een koets aan de Beerebijt de aankomst
der Utrechtsche schuit had staan wachten, ten einde den Heer Bos bij het
uitstappen te knippen. Daar deze niet was komen opdagen, en de schipper
verklaarde, dat de gehuurde roef ledig gebleven was, kwam de Onderschout
alsnu eenvoudig verslag geven van het mislukken der hem opgedragen
commissie, en de zaak liep voor 't oogenblik af met een schrobbeering,
die Simon ontving, omdat hij zich had laten verschalken.


       *       *       *       *       *


EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

WAARIN EENIGE OUDE KENNISSEN WEDER OP HET TOONEEL VERSCHIJNEN EN EEN
PAAR NIEUWE WORDEN INGEVOERD.


Den volgenden morgen (Zaterdag) begaf ik mij, volgens de met Tante
gemaakte afspraak, weder naar Heizicht, waar ik met een kloppend hart
mijn Dulcinea terugvond en door Tante ter verantwoording werd geroepen
over mijn ontmoeting met Zwarten Piet. Dewijl ik op haar vragen
voorbereid was, kostte het mij minder moeite, die te beantwoorden: en
zonder haar de geheele waarheid te vertellen, wist ik haar omtrent de
reden van het bezoek des roovers zoodanige opheldering te geven, dat ik
haar tevreden stelde en haar ongerustheid wijken deed. Wij aten dien dag
zeer vroeg en zeer overhaast, vermits het oogmerk van Tante was, met ons
naar een boerderij te rijden, welke zij eenigen tijd geleden in de
omstreken van Oud-Naarden gekocht had, om daar met wandelen en
koffiedrinken den avond door te brengen. Wij reden tegen twee uren af:
trokken over de heide naar Laren en van daar over Blarikum den Tafelberg
langs, waar wij een zijweg insloegen, die ons in korten tijd aan het
doel van onzen tocht voerde. Hier hielden wij voor een schuur stil,
welke tot stalling diende, stapten af, en wandelden naar het woonhuis;
en niet weinig keek ik op, toen de vrouw, welke ons aan de deur
verwelkomde, niemand anders bleek te zijn dan de oude Martha, en haar
woning dezelfde, waarin mij de Heer Bos ontvangen had. Zoo ik de
gelegenheid niet dadelijk herkend had, het was omdat wij deze reis langs
een anderen weg waren gekomen. Nu werd mij duidelijk, waarom de oude
vrouw mij op dien noodlottigen avond zoo had aangekeken: en ik
verwonderde mij, haar toen reeds niet herkend te hebben, daar zij
vroeger tuinvrouw bij mijn Oom Van Bempden geweest was.

De oude vrouw ontving Tante met de gebruikelijke _formules_ van:

"Wel Mevrouw? hoe vaart Mevrouw? Mevrouw is hier in lange niet 'eweest.
Ik kan niet zeggen, dat Mevrouw 'er uitzien er op 'ebeterd is!"--een
compliment, waar schier alle lieden van die klasse gewoon zijn hunne
meesters op te vergasten, als ware het de uitgezochtste vleierij. Mij
herkennende, geraakte zij min of meer in verlegenheid en zocht mijn blik
te vermijden. "Ik heb het koffiegoed boven klaar gezet," ging zij voort.

"Ja! dat is wel," zeide Tante: "maar het is zulk mooi weer. Wat zeggen
de meisjes er van? Zonden wij de koffie niet liever buiten de deur
gebruiken?"

Dit voorstel werd toegejuicht en de bevelen dienvolgens gegeven.

"Is uw zoon niet hier?" vroeg Tante, ziende, dat Martha zelve met een
tafel en stoelen kwam aandragen.

De oude vrouw zuchtte en haalde de schouders op: "och Mevrouw!" zeide
zij, "men zoon is men kruis: sedert acht dagen heb ik hem niet 'ezien:
waar hij zit, God weet het."

Ik kan niet ontkennen, dat deze gemankte of schijnbare ongerustheid der
moeder mij genoegen deed, want ik beschouwde de tegenwoordigheid van
Andries aan de hoeve niet slechts als hoogst gevaarlijk voor de
nabuurschap, maar ook als zeer schadelijk voor de belangen mijner Tante;
en ik nam voor, om, het mocht kosten wat het wilde, haar in te lichten
omtrent de hoedanigheid van dien persoon. Intusschen, onder den schijn
van de vrouw te willen helpen in het aandragen der benoodigdheden,
volgde ik haar naar binnen. Zoodra wij in de keuken waren, tikte ik haar
op den schouder: "Is het stellig waar," vroeg ik, "dat uw zoon verdwenen
is?"

"Zoo waar ik leef Meneer!" zeide zij, al bevende: "om Gods wil! maak ons
niet ongelukkig."

"Ik geloof ook," vervolgde ik, "dat het raadzaam voor hem zijn zal, zich
niet weer hier te vertoonen: want het is genoegzaam bekend bij de
Justitie, dat hij met Zwarten Piet en zijn makkers heult, en, zoo men
hem krijgt, zal hij den dans van de ladder niet ontspringen."

"O, Meneer Huyck!" zeide zij: "je weet niet, wat ik van den jongen te
lijen heb. Och! hij heit nooit willen deugen; maar ik kan het warentig
niet helpen: ik heb hem vermaningen genoeg 'egeven."--Vervolgens den
toon latende zakken: "UEd. heit toch niet 'esproken met Tante, van dat
UEd. hier laatst 'eslapen heit, en van de menschen, die UEd. hier heit
'ezien?"

"Volstrekt niet," antwoordde ik: "maar zeg mij, hoe kent gij die
lieden?"

"Hoe ik hen ken?" vroeg zij: "heb ik den jonker niet an men aigen borst
'evoed?--en toen Kapitein Reefzeil op 's-Gravenland weunde, was het toen
niet bij mijn an huis, dat hij altijd met Keetje Reefzeil, dat zoete
hartje, spreken kwam? Maar kom an, ik mot het theewater buiten brengen,"
en meteen zich omwendende ging zij naar voren. Ik wilde haar volgen,
toen toevallig mijn blik in den tuin viel en ik twee oogen ontmoette,
die op mij gevestigd waren.

Ik heb vroeger gezegd, dat de achterdeur, door welke ik de eerste reis
in deze woning gekomen was, in de keuken opende en op den tuin uitkwam.
Naast deze achterdeur was een openstaand raam: en voor dat raam, op het
tuinpad, stond een man, in havelooze lompen gekleed, mij aan te gluren.
Zoodra hij merkte, dat ik hem van mijnen kant gezien had, begon hij op
een smeekenden toon:

"Meneertje! zoo waar God leeft, gheen dijt rijk! Hik 'eb nog gheen
'andgift gead van dhaag: geen dijt rijk, zoowaar zei je ghezond
blijven."

"Gij hier Simon!" riep ik, den man herkennende: "wat komt gij hier
zoeken? En waar is de negotie?"

"Neghoossie? Och! was ik mhaar zoo gelikkig, dat hik een klein beetje
neghoossie thoen kon:--mhaar een vrouw met zeuven kinderen! Je mot
dhenken, dat kan wat an:--gheen dijt rijk...."

"Foei!" zeide ik: "is het geld al op, dat de Jongeheer Blaek u gegeven
heeft om de gangen van eerlijke meisjes te bespieden?"

"Heerlijke meissies! Na doch!" zeide Simon, het hoofd schuddende.

"Ja zeker eerlijk! En zoo ik mijn vader dergelijke stukjes van u
verhaal, zal hij u afleeren, u met zulke knoeierij op te houden."

"Khom! word dan thoch maar niet boos. Khan ik 't 'elpen? Een bhoodschap
is een bhoodschap! As Meneer Blaek theugens me zeit: "Shimon: ga en
khijk waar die Jiffrouw blijft: je zelt een ghilden van mier 'ebben--nou
khijk! wat mot Shimon dan doen? der steekt gheen kwaad hin, dat Meneer
Blaek weet, waar die Jiffrouw whoont, en der stheekt veul goeds hin, dat
Shimon voor een dhag of wat den kost heit mit zen hijshouwen.--Maar je
vraagt men of het vertheerd is sinds dien thijd?--Och! hik eb sedert
gheen dijt verdiend: gheen penning! khan men dhaar van leven hacht
dhagen mit 'en hijshouwen? zoowaar zei je ghezond blijven."

"Misschien zult gij mij ook zoeken wijs te maken, dat Heynsz u de reis
niet betaalt, die gij heden doet."

"Nou khijk Meneer Hijk! 't Ishomdat je de zeun van dan Oofd-hoffiesier
bent--God zegen hem--'t is een schraal loon dat hik van 'Eynsz
ontvang.--Hik khan er waarachtig niet van bestaan.--En hik 'eb ommers
gheen woord er van ghesproken, dat je met die Jiffrouw in de Naarder
schijt 'eb gheseten?"

"Denkt gij," zeide ik wrevelig, "dat ik mij bekommer over hetgeen gij
van mij vertelt? Maar wat doet gij nu hier? Wie valt hier bespieden? Het
is hier geen publieke grond; en zoo Tante hoort, dat gij op haar erf
zijt, zou zij er u wel eens door den koetsier kunnen doen afjagen."

"Na doch! je weet wel, wien hik ier zoeken khom: 't his ommers je papha,
die 'et ghelast 'eeft, Shimon is ommers gheen dhief, die wat wegnemen
zal."

"Ik geloof, dat gij vergeefsche moeite doet," zeide ik, wel gissende
wien hij zocht: "maar wees gewaarschuwd, en pak u weg; want zoo iemand
anders u ziet, gij zult niet vriendelijk ontvangen worden."

Met deze woorden wendde ik mij van hem af en keerde terug bij de dames,
die reeds onder de breede takken der eiken om de theetafel gezeten
waren.--"Wel!" zeide Suzanna, zoodra zij mij zag: "waar heb je nu weer
gestoken? Ik dacht, gij waart uitgegaan om de oude Martha te helpen, en
gij komt met ledige handen weer. Gij slacht de poes wat, die men naar
Rome zendt en die _miaauw_ zeit, als zij terugkomt. Nu! daar hebben wij
ook veel aan, aan zoo'n cavalier, die ons alleen laat zitten: en dat nog
wel in een tijd, dat het van dieven en struikroovers grimmelt. Maar
zeker! aan uwe hulp zouden wij weinig hebben, daar gij toch ook maatjes
zijt met de bende."

"Ik dacht, Santje! wij zouden daar niet meer over spreken," zeide Tante,
die niet hield van scherts over zulk een onderwerp.

"Gij ziet hoe mijn lot is," zeide ik tegen Henriëtte, "en hoe ik door
mijn zuster behandeld word. Gij, die zoo goed zijt, zoo gij een broeder
hadt, zoudt hem zeker niet zoo kwellen."

"Hoe weet gij, of ik goed ben," zeide zij lachende: "vraag maar aan
Lodewijk, hij zal u wel zeggen, dat ik er hem ook van langs kan geven."

"Ja kom!" zeide Suzanna; "maar daar heb je geen pleizier van; want
Lodewijk wordt boos als men hem kwelt: en dat moet ik tot eere van mijn
broeder zeggen, hij neemt het altijd nogal wel op." Hier klopte zij mij
op den schouder.

"Dat is nu het beste, dat gij in lang gezegd hebt," zeide ik: "daarvoor
moet ik u omhelzen."

"Weg! weg!" zeide Suzanna, mij afwerende: "_jeux de mains, jeux de
vilains_. Gebruik uw mond en niet uw handen."

"Wel, 't is ook juist mijn mond, dien ik gebruiken wil," zeide ik, haar
kussende.

"Och Jetje! help mij toch!" zeide Suzanna: "gij blijft daar maar zitten
en trekt u het lot niet aan van uw mishandelde vriendin."

"Ik zal wel deugdelijk oppassen, van er mij mede te bemoeien," zeide
Henriëtte.

"Integendeel!" zeide ik: "Santje heeft gelijk: en gij zoudt mij een
bijzonder genoegen doen, zoo gij er u mede wildet bemoeien."

"Wat is het toch, kinderen?" vroeg Tante, die intusschen met Martha
geredeneerd had: "op deze wijze krijgen wij geen koffie."

"Och! 't is Ferdinand, die mij plaagt," zeide Suzanna.

"Men plaagt wie men liefheeft," zeide Tante.

"Zoo dat waar is, dames!" zeide ik, terwijl ik, hoewel in 't algemeen
sprekende, het oog bepaaldelijk op Henriëtte gevestigd hield, "hoe meer
gij mij dan plaagt, hoe aangenamer het mij zijn zal."

Met deze en dergelijke praatjes, welke toen voor de belanghebbenden
vermakelijk waren, maar wier mededeeling den lezer vervelen zoude,
hielden wij ons bezig gedurende het koffiedrinken, waarna Tante een
wandeling voorsloeg, bij welke gelegenheid ik niet verzuimde alle
pogingen aan te wenden om meer en meer de gunst mijner schoone te
verwerven. Eindelijk maakte ik het zoo bont, dat zij den arm van Suzanna
nam en vooruitholde, bewerende niet meer naar mij te willen luisteren.

Ik was zelf bang wellicht te ver te zijn gegaan, en bleef dus een wijl
met Tante achter, aan wie ik, zoowel bijwijze van gesprek als uit
nieuwsgierigheid, de vraag deed, of de oude Martha niet vroeger
tuinvrouw op Heizicht geweest was.

"Ja!" antwoordde zij: "tot den dood van haren man. Toen heeft zij een
woning op het dorp gehad: en naderhand, toen ik deze hoeve kocht, heb ik
haar daarop gezet,"

"Heeft zij," vervolgde ik, "niet eerst bij Kapitein Reefzeil gewoond?"
--Ik wist wel beter, doch wilde zoodoende het gesprek op die familie
brengen.

"Dat geloof ik niet," antwoordde Tante: "het is echter mogelijk; want
toen ik met uw oom Van Bempden trouwde, was zij reeds op Heizicht; maar
hoe vraagt gij dat zoo?"

Daar zat ik vast. "Och! dat weet ik zelf niet," zeide ik: "daar lag mij
iets in 't hoofd, betreffende die Reefzeils."

"De moeder van Jetje was een Reefzeil," zeide Tante: "was het dat, wat
gij meendet?"

"Inderdaad?" zeide ik: "neen, dat wist ik niet. Maar was er met nog een
zuster?"

"Ja voorzeker!--Keetje Reefzeil! zij waren beiden mooi. Keetje en Letje:
de eene was een blonde en de andere een bruinet. Jetje, de blonde,
trouwde met den Heer Hendrik Blaek: en de goede man had er niet veel
pleizier van; want zij stierf in 't kraambed. Keetje, ja, die heeft het
niet best laten liggen: zij is het pad opgegaan met den Baron Van Lintz.
Dat is indertijd een fameuze historie geweest."

"Mochten zij dan niet trouwen?" vroeg ik, meer en meer belang stellende
in het verhaal.

"Zij had, geloof ik, weinig of niets," zeide Tante: "en Van Lintz ook
niet veel meer dan zijn gage als Luitenant bij de Marine. Bovendien was
hij Roomsch; maar dat alles hielp niet: hij wist haar te bepraten en
trok met haar het land uit. De familie zoude wel weer bijgedraaid zijn;
maar hij was deserteur: en dat was erger. Hij heeft zich een poos
sobertjes moeten generen, nu hier, dan daar--en vervolgens maar dat weet
gij zoogoed als ik--vervolgens is hij in Spaanschen zeedienst gekomen en
een groot Heer geworden: en nu is hij, geloof ik, dood of weg: althans
men heeft rare dingen van hem verteld. Hij is in ongenade vervallen, dat
is zeker, en toen verdwenen. De hemel weet: hij is misschien Turksch
geworden en Pacha met een half dozijn paardenstaarten; want ik geloof
dat hem de godsdienst ook wel om 't even zijn zoude, mits hij maar
voortkwame. Ik had laatst werk genoeg, om Van Baalen te beletten van
door te slaan, toen hij in tegenwoordigheid van den Heer Blaek en Jetje
over dat onderwerp begon. Zij heeft met de _folies_ van haar Tante niet
noodig. 't Was anders een aangenaam mensch, die Van Lintz: ik herinner
mij nog zeer goed, met hem menigmalen gedanst te hebben. Hij was _la
pluie et le beau temps_ in zijn tijd."

"Zijn dwaze stap verdient, dunkt mij, eenige verschooning," merkte ik
aan. "Er zijn zoovele van die adellijke Heeren uit de land-provinciën,
die alleen te Amsterdam komen om een rijk huwelijk te doen, en enkel op
geld zien. Hij werd ten minste door liefde gedreven en niet door zucht
naar schatten."

"Neen! die waren bij de Reefzeiltjes niet te zoeken," hernam Tante: "nu,
Hendrik Blaek is er ook om gebrouilleerd geraakt met zijn familie; want
hij was ook slecht bij kas en is te Cadix, of te Lissabon, weet ik het,
arm gestorven. Gij weet zeker, dat Henriëtte geheel afhangt van de
goedheid van haar oom ... en zij heeft wel reden om dankbaar jegens hem
te zijn; want al ware zij zijn eigene dochter, hij kon haar niet
teederder liefhebben en beter behandelen. Zij zal ook wel eindigen, denk
ik, van zijn wensch te vervullen en met haar neef te trouwen.--Waarom
zegt gij _hm_?"

"Heb ik _hm_ gezegd, Tante?"

"Ja neef! _Gij_ hebt gezegd _hm_! En waarom? Zoudt gij het zoo
bespottelijk vinden, dat zij Lodewijk nam of Lodewijk haar?"

"Wat zal ik u zeggen? Ik bespeur niet, dat zij veel werks van elkander
maken: en ik weet althans wel iemand, aan wien ik haar liever zoude
gunnen."

"_Quel est donc ce héros ou bien ce téméraire?_" vroeg Tante, mij scherp
aanziende: "gijzelf toch niet, hoop ik?"

"En al ware ik het zelf, Tante? Wat zou UEd. daartegen hebben?"

"Ferdinand!" zeide Tante: "gij jaagt mij een schrik op het lijf.--Niet,
of het is een lief meisje, maar wat zouden uw vader en moeder wel van
mij denken:--alsof ik u beiden had samen willen brengen. En uw vader zou
het zeker maar half goedkeuren; want zij heeft niets. Neen! dat zou ik
vooralsnog maar uit mijn hoofd stellen."

Hier werd ons onderhoud, hetwelk voor mij geene zeer troostrijke wending
begon te nemen, afgebroken door Suzanna, die van een hoogte, welke zij
met Henriëtte beklommen had, ons toeriep:

"Komt toch hier; men heeft hier zulk een heerlijk uitzicht."

Wij versnelden onzen tred en stonden welhaast bij de jonge dames, om met
haar het bevallige natuurtooneel te bewonderen, dat zich beneden ons
vertoonde. Aan de eene zijde strekte zich, zoover het oog kon reiken,
als een gebloemd tapijt, de golvende vlakte uit, waarvan de eentonigheid
werd afgebroken door enkele partijen eikenhakhout, dat reeds hier en
daar de gele najaarskleur bij net malsche groen van het Augustusloof
vertoonde. Ten Zuidwesten vertoonden zich de torens van Naarden, en
verder op die van Weesp en Muiden; terwijl Amsterdam slechts even door
een grauwen nevel zichtbaar was. Oostwaarts lag het bevallige Huizen en
daarachter het netgebouwde Blarikum; en ten Noorden liep de heuvel
glooiend af tot de plek, waar de Zuiderzee zijn voet kwam bespoelen:
verscheidene vaartuigen van allerlei grootte en soort kruisten
elkanderen en in de verte over de stille oppervlakte der wateren:
naderbij lagen eenige visschersbooten en kon men de visschers
onderscheiden, die hun netten in zee wierpen. Eindelijk, kort aan den
wal, lag een rijk verguld en nieuw opgeschilderd speeljacht ten anker,
waarvan de rijzige mast en de nette tuigage zich scherp en luchtig
afteekenden tegen het groene water en de heldere lucht daarachter.

"Ik geloof waarlijk, dat daar het jacht van Lodewijk is," zeide
Henriëtte, na eenigen tijd daarop gestaard te hebben.

"Is hij een liefhebber van zeilen?" vroeg ik.

"O! Lodewijk heeft alle liefhebberijen van dien aard," antwoordde zij:
"maar het zeilen is een hartstocht bij hem. Hij blijft somwijlen dagen
achtereen op het water."

"Het schijnt een aardig gebouwd vaartuig," zeide ik: "zeker gaat het er
goed door."

"O! het moet een eerste snelzeiler zijn: althans volgens het zeggen van
Lodewijk."

"Hoe! Zijt gij er zelve nooit op geweest?--Of houdt gij niet van
zeilen?"

"Hij heeft mij nooit verzocht om mede te gaan."

"Dat geloof ik wel," zeide Suzanna: "die Heeren hebben veel te veel pret
onder elkander, dan dat zij er dames zouden bij vragen."

"Het schijnt, dat hijzelf aanboord is," hernam ik: "althans daar komt
iemand op het dek."

"Inderdaad! ik herken hem," zeide Henriëtte; "maar hij heeft nog een
paar Heeren bij zich. Zie eens: zij richten hun kijker op ons."

"Wel! dat is niet het gekste, dat zij doen kunnen," zeide ik.

"Wat gaan zij nu uitrichten?" vroeg Tante, een groote drukte aan boord
gewaarwordende.

"Zij maken de sloep los," zeide ik: "pas op! zij komen ons nog
verrassen."--En inderdaad, wij zagen drie personen achtereen in de sloep
springen en met kracht naar wal roeien.

"Kijk! zou Lodewijk waarlijk eens galant worden en ons komen verzoeken,
zijn bodem te bezichtigen?" vroeg Henriëtte.

"Inderdaad!" zeide Suzanna:

    _".... et jusqu' aux bords que la mer vient laver
    Sur son vaisseau tout pret il vient nous retrouver;_


Ik herken uw neef; maar wie zijn die twee andere Heeren?"

"Ik weet het waarlijk niet," antwoordde Henriëtte: "hij heeft somtijds
zulke rare kennissen. Maar ja: de een is, geloof ik, de Heer Weinstübe,
een associé van een Duitsch kantoor: den anderen ken ik niet."

Wij waren intusschen den heuvel afgegaan en naar de zeezijde
opgewandeld. De drie Heeren sprongen op het strand, maakten hun sloep
vast en kwamen met haastige schreden naar ons toegetreden.

"Hoe, zijt gij het?" riep Lodewijk, toen hij, dichterbij gekomen, ons
herkende.

"Zoo! Het is dan geen bezoek, dat gij ons kwaamt geven?" vroeg
Henriëtte.

"Wij hadden dames gezien," antwoordde Lodewijk, "en kwamen hooren, of
zij ook lust hadden eens aan boord te komen."

"Gij zult zien," zeide Suzanna zachtjes, "dat zij ons onbekend zouden
verzocht hebben, en ons niet willen hebben, nu zij weten wie wij zijn."

"Maar was hiendert das?" vroeg een van Lodewijks kameraden in zijn
platduitschen tongval, terwijl hij de jonge meisjes beurtelings op een
vrij onbescheiden wijze aanzag: "zoo je ze kent, kottorie! tes te peter,
dan oef je te kennisch niet te machen."

"Stil, zeide Lodewijk, hem aanstootende: "Mevrouw Van Bempden, uw
dienaar: ik stel u den Heer Weinstübe voor, en den Heer Reynhove.--Mijne
Heeren! Mevrouw Van Bempden, mijn nicht Blaek, Mejuffrouw Huyck."

"Mefrouw fon Pempten!" herhaalde Weinstübe, terwijl hij dadelijk een
zeer nederigen toon aannam en een menigte strijkages maakte: "ick pin
zeer verheugd, die eere te heppen. Wie faart de familie?"

"Ik hoop," zeide Reynhove, terwijl hij insgelijks, doch op een meer
hoffelijke wijze zijn compliment maakte, "dat de dames ons toilet zullen
excuseeren. Wij konden ons op deze charmante rencontre niet verwachten.
Ik ben waarlijk gedesespereerd er zoo genegligeerd uit te zien."--Onder
het uiten dezer laatste woorden maakte hij de bovenste knoopen los van
zijn net gemaakte visscherskiel en vertoonde daardoor een keurig hemd,
met prachtige kanten gegarneerd; terwijl hij de andere hand aan zijn das
bracht, als wilde hij de aandacht vestigen op een kostbaren ring, die
zijn vinger versierde, en op den juweelen gesp, waarmede de strop was
vastgemaakt.

"Ach noe ja!" zeide Weinstübe: "die dames sollen ons kenadik bardon
schenken wollen: 't is waraftig onze schuld nicht. Herr Plaek sagte: "da
sind tamen: wollen wir ons combliment machen kaan." Aber wier woesten
nicht, dat er eine so achtbare keselschaft da ware."

"Dat valt u dan tegen," zeide Suzanna.

"Hoe vaart uw vader, Mijnheer Blaek?" vroeg Tante.

"Klagend en hypochonder, Mevrouw! de oude deun. Hebben de dames ook
trek, om mijn vaartuig eens te zien?" vroeg hij vervolgens, op een toon,
die wel te kennen gaf, dat hij deze uitnoodiging alleen deed, omdat hij
niet wel anders kon.

"Dat zal ons wat lang ophouden, vrees ik," zeide Tante: "wij moeten naar
de boerderij terug en dan naar huis."

"Wel Mevrouw!" zeide Reynhove: "'t zou immers een al te groote cruauteit
in u zijn, ons niet te permitteeren van zulk een aangename sociëteit te
profiteeren."

"'t Is solk aen schones wetter," zeide Weinstübe: "en Plaek kan oe
immers weer afzetten waar je woelt. We motten toch weer nach Amsterdam
mit ten abend."

"Welnu! wat zeggen de jonge dames er van?" vroeg Tante: "ik ben wit
papier."

Ik vleide mij, dat zij bedanken zouden; maar het scheen, dat beiden een
groot verlangen hadden om het jacht te zien (een begeerte, die ik toen
allerbespottelijkst vond) en na elkander een wijl aangekeken en met de
oogen geraadpleegd te hebben, gaven, eerst Henriëtte en toen Suzanna te
kennen, dat zij niet ongenegen waren, om van het vriendelijk aanbod van
den Heer Blaek gebruik te maken.

"Komaan dan maar, hoe eer hoe beter," zeide Lodewijk, terwijl hij den
arm aan Tante Van Bempden bood; en eer ik nog gereed was, het voorbeeld
te volgen, had zich die hatelijke Mof van Henriëtte, en Reynhove van
Suzanna meester gemaakt, terwijl ik volgde, het jacht en zijn geheele
equipage voor Sint-Felten wenschende.

Wij stapten in de sloep, die ternauwernood groot genoeg was, om ons
allen te bevatten, en werden door Lodewijk en Reynhove met kracht naar
het vaartuig geroeid. Alvorens wij dit echter betreden, zij mij een
korte uitweiding vergund over de twee nieuwe personages, met wie ik bij
deze gelegenheid kennis maakte.

Caspar Weinstübe was, gelijk ik naderhand kwam te weten, een gelukzoeker
geweest, gelijk Westfalen die jaarlijks overzendt naar Amsterdam. Hij
had die groote stad als een knaap van vijftien jaren betreden met een
schraal voorziene beurs, maar met het onverzettelijk voornemen, om die
te vullen: en hij had zijn doel bereikt langs die middelen, welke,
ofschoon toen meer zeldzaam, thans helaas! van jaar tot jaar meer
algemeen worden. Vijf jaar lang had hij op een klein kantoor gewerkt,
gekropen en honger geleden. Toen was hem een gering deel in de winsten
toegekend geworden en weldra bekwam hij, als loon voor zijn onvermoeiden
arbeid, de teekening _per procuratie_. Van deze had hij zich bediend om
zaken voor zichzelven te beginnen; de actiehandel was hem te stade
gekomen: het huis, waar hij deelgenoot in was, had tot tweemalen toe
moeten ophouden met betalen: maar hij zelf was na elk bankroet rijker
voor den dag gekomen, en bevond zich nu aan het hoofd van een
aanzienlijk vermogen en van een winstgevende zaak. Maar het was hem niet
genoeg, zijne wenschen bereikt en schatten verworven te hebben: hij
verlangde nu ook in de groote wereld ontvangen te worden: en dit was
voor hem te Amsterdam, waar de lijn van afscheiding tusschen de
verschillende kringen misschien scherper afgeteekend is dan in eenige
stad ter wereld, geen gemakkelijke zaak. Hij vond zich dan ook overal
teruggedrongen, zoo vaak hij het beproefde, de uitsluitende
gezelschappen der patriciërs binnen te dringen; maar hij gaf daarom den
moed niet verloren. Het spreekwoord zegt, dat de Arragoneezen, om een
spijker te slaan, geen hamer behoeven, maar hun hoofd gebruiken: en
Caspar Weinstübe deed voor de Arragoneezen niet onder. Hij wist zich aan
te sluiten bij jonge lieden, die, zooals Lodewijk Blaek, er minder op
zagen, met wie zij omgingen, mits het slechts liefhebbers waren van
rijden, rossen en geld verteren: en door middel van dezulken hoopte onze
Westfalinger langzamerhand met hooger standen in betrekking te geraken.
Dit middel was hem wel is waar vrij kostbaar; doch hij had sinds lang
vaarwelgezegd aan die taaie zuinigheid en ontbering, die hem tot ladders
hadden verstrekt om tot de fortuin te geraken: en hij wist thans zijn
geld even schoon te verkwisten, alsof hij het van zijn vader geërfd had.
Ofschoon niet misdeeld van eenige schranderheid, en zelfs vlug van
geest, zoo vaak het zijn geldelijk belang betrof, was hij in alle andere
zaken dom en onkundig gebleven, bezat geen manieren ter wereld, en was,
gelijk de meeste gelukzoekers, even trotsch en lomp tegen hen, die hij
als beneden zich beschouwde, als laag en kruipend tegen zijn
meerderen.--Het was voor hem om dit in 't voorbijgaan aan te merken, dat
Heynsz dat fraaie blazoen geschilderd had, waarvan vroeger gesproken is.

Wat den Heer Reynhove betreft, hoewel zijn onderhoud wat veel doorspekt
was met Fransche woorden, zijn toon en manieren waren echter die van een
fatsoenlijk man: en hetgeen hij zeide, zoo niet altijd even belangrijk,
was echter nooit dom of ongepast: ja, schoon hij vaak over beuzelingen
sprak, wel voorgedragen beuzelingen zijn, gelijk men weet, door de bank,
meer dan gesprekken over gewichtige onderwerpen geschikt, om in gemengde
gezelschappen aan iemand den naam van een aangenaam mensch te doen
verwerven. Hij was bovendien welgemaakt van persoon, keurig op zijn
kleeding, en dus in vele opzichten welkom bij de schoone kunne. Wat zijn
maatschappelijke positie betrof, hij had noch beroep noch affaire: doch
het had slechts van hem afgehangen in deze of gene politieke betrekking
geplaatst te wezen; daar zijn vader in zijne woonplaats 's-Gravenhage
een der hoogste ambten van de Republiek bekleedde. Hij had Lodewijk op
de paardenmarkten leeren kennen, waarvan beiden trouwe bezoekers waren,
en was op de uitnoodiging van dezen eenige dagen bij hem komen
doorbrengen.


       *       *       *       *       *


TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

HETWELK AANTOONT, DAT MEN NIET NAAR DE OOST-INDIEN BEHOEFT TE VAREN, OM
SCHIPBREUK TE LIJDEN.


Zoodra wij het jacht hadden bestegen, liet Lodewijk het anker lichten en
alle zeilen bijzetten, ten einde gebruik te maken van een flauw zuchtje,
dat uit het zuiden woei en ons langzaam de kust langs tegen den stroom
opdreef. Lodewijk, die recht als een schipper uitgedost en met een kort
pijpje in den mond aan het roer post hield, scheen zich weinig over onze
tegenwoordigheid te bekreunen en liet aan zijn vrienden de zorg over om
ons de _honneurs_ van zijn vaartuig te doen. Reynhove had dadelijk met
voorkomende beleefdheid al de vouwstoelen uit de kajuit gehaald en zette
die op het dek neder, ten einde de dames plaats konden nemen, terwijl
Klaas, de schippersknecht, een tafel aanbracht en Weinstübe een paar
flesschen opentrok en de glazen inschonk. Waarschijnlijk wist hij niet
hoe anders het gesprek op een betamelijke manier aan te vangen en
begreep hij, dat het aanbod van een glas wijn daartoe de geschiktste
gelegenheid zoude verschaffen.

"Wol de Jiffrouw nicht een klaasje nemen?" vroeg hij aan Henriëtte, die
in stille aandacht de kust zat te beschouwen, die langzaam voorbijgleed:
"ik kan 't wel anpefielen: ofschoon ik an Plaek kezegd ep, dat hij nicht
aan 't peste gandoor isch. Niet of die witwe Pieter Plutz en Soonen
iesch ein gnappe fent; maar ie heeft keen koete gorrespondens: en wie
wil er nou mienderen wein trinken, as men de peste kriegen kan? Da iest
Peter Trauketropf, die hat koeten wein: und nicht meliert:--wel tierder,
ja!--dat ist waar; aber was kan das schelen, wie tier die wein iest as
tie maar goet iest?--fooral foor soon reike blitz als Plaek iest."

"Ik bid u, accepteer toch een glaasje, Mevrouw!" zeide Reynhove, zich
overeenkomstig de betamelijkheid eerst tot Tante wendende: "aan boord
mag zulk een offerte niet gerefuseerd worden; wanneer men zooveel water
om zich heen ziet, mag men wel wat wijn gebruiken om een _contrepoids_
te geven."

"Mijnheer schijnt wel te huis in de gewoonten aan boord," zeide Suzanna.

"Ja! ik heb altijd, van mijne jeugd af, veel van de marine gehouden, en
was er eigenlijk voor gedestineerd; maar ik had er dit tegen, dat de
meeste zeelieden zoo ruw en ongemanierd zijn, en het zou mij wat al te
veel gegeneerd hebben, mij naar hunne vormen te pliëeren."

"Maar dat zie ik volstrekt niet in," zeide Tante: "het is toch niet
noodzakelijk, dat men juist de manieren van het scheepsvolk aanneemt: ik
herinner mij zeer goed den Graaf Tromp, onzen gewezen buurman op
's-Gravenland: die had zeer beschaafde en hoffelijke manieren: en zooals
ik van mijn vader dikwijls gehoord heb, de Admiraal De Ruyter, die toch
uit een minderen stand was, had insgelijks een zeer ordentelijken toon
en was een vijand van vloeken en drinken."

"Tante heeft gelijk," zeide ik: "ik heb veel bulderbasten gekend, onder
de zeelieden; maar ook anderen, die tot een voorbeeld van; wellevendheid
hadden kunnen verstrekken en op wie het pek geen smet had
achtergelaten."

"O! dat wil ik niet niëeren," hernam Reynhove: "maar UEd. gevoelt, als
eenige stamhouder van mijn familie...."

"O! nu vat ik het," hernam Suzanna: "UEd. was van te goeden huize
misschien om met Jan en alleman om te gaan. Maar, om niet van zoovele
anderen te spreken, daar hadt gij b.v. den Heer Van Obdam, die was nogal
van een redelijk goede familie."

"Mejuffer schept er behagen in, mij niet te willen verstaan," zeide
Reynhove: "ik bedoel mijn stand niet, maar mijn betrekking als eenigen
zoon. Het zou een te groot _chagrin_ voor mijn ouders geweest zijn,
indien ik mij aan de gevaren van den zeedienst had geëxposeerd."

"Ja, dat is zeker waar," hernam Suzanna: "maar gelooft UEd. niet, dat
men op het land evenveel gevaar kan loopen, van 't hoekje om te gaan?
b.v. bij slempmalen, harddraverijen, en andere vermakelijkheden?"

Ik zag, dat Reynhove een kleur kreeg. Suzanna had juister getroffen, dan
zijzelve wist.

"En dan," vervolgde zij: "sterft men aan een galziekte tengevolge van
het lekker eten of drinken of breekt men zijn nek door van zijn
harddraver af te tuimelen, er is niemand die u beklaagt: maar dan is het
_tu l'as voulu George Dandin_: boontje komt om zijn loontje, enz;
terwijl men, in een zeeslag sneuvelende, ten minste sterft met het
bewustzijn van nuttig geweest te zijn en nog een lofspraak in de courant
bekomt bovendien."

"Dat is zeker zeer troostrijk voor de erfgenamen," zeide Reynhove,
lachende: "ik moet echter avoueeren, dat UEd. volkomen waarheid spreekt;
doch UEd. zult mij toestaan te observeeren, dat men ook op andere wijzen
zijn Vaderland dienen kan, en dat, wanneer men, zooals ik, eenige zoon
is, men beter doet een betrekking te kiezen, welke ons niet obligeert
onze familie gedurig en soms voor zeer langen tijd te quiteeren."

"En in welke betrekking dient UEd. het Vaderland dan?" vroeg Suzanna.

"Tot nog toe in geene," antwoordde hij, half lachende, half beschaamd:
"maar ik zal met genoegen de carrière volgen, welke gij mij aan wilt
wijzen."

"Ik vrees, dat ik een slechte raadgeefster zoude zijn," zeide Suzanna:
"en ik zou u beklagen, zoo UEd. in dezen den raad van een ander noodig
had."

Terwijl zij aldus voortging met hem tot het doel te nemen van haar
plagerijen, welke hij echter wel opnam, ja, waarin hij zelfs behagen
scheen te scheppen, overlaadde Weinstübe Henriëtte met een vloed van
zoutelooze vleierijen, waar ik bijna tevergeefs een woordje poogde
tusschen te voegen. Tante, die ongaarne een gelegenheid liet voorbijgaan
om zich te onderrichten, had zich bij Lodewijk gevoegd, wien zij met
hare gewone levendigheid allerlei vragen deed betreffende de zeevaart en
stuurmanskunst, welke hij nu en dan beantwoordde, zoo dikwijls hij zijn
pijpje uit den mond nam, om een teug uit de nevens hem staande flesch te
nemen.

Wij waren onder dit alles een goed eind verder gekomen en bevonden ons
reeds op de hoogte van Muiderberg, toen Tante, die al pratende niet
vergat dat de tijd voortging, aan Lodewijk vroeg, of hij niet welhaast
terug zoude keeren, en haar, volgens belofte, aan de hoeve afzetten.
Niettegenstaande het beklag van Reynhove en van Weinstübe, dat de dames
hen zoo spoedig weder verlaten wilden, begon Lodewijk, die misschien in
zijn hart wel van ons ontslagen wenschte te zijn, bereids klarigheid te
maken om den steven te wenden, toen Henriëtte hem een vraag deed, welke,
hoe onschuldig ook, de gewichtigste gevolgen had.

"Aan wien behoort die fraaie boeier," vroeg zij, "die daar achter ons
komt aanzetten?"

"Te deksel ja!" zeide Lodewijk: "aan wien behoort die boeier, Klaas?"

"Dat is de nieuwe boeier van Jan Pergens," antwoordde de knecht: "die
ons vooruit wil: hij heit er al 'ang op 'eloerd."

"Ons vooruit!" riep Lodewijk: "neen voor den d.....! dat zullen wij hem
anders leeren. Je mot het mij niet kwalijk nemen, Mevrouw! maar dat laat
ik mij niet doen."

"Maar Mijnbeer Blaek!" zeide ik: "het wordt laat en de dames wenschten
wel, aan wal te zijn. Wat gaat het u aan, of hij vooruit komt, daar hij
toch op de stad aanzeilt, en wij op Oud-Naarden moeten aanhouden?"

"Wat het mij aangaat?" herhaalde Lodewijk, met het geheele gewicht van
zijn lichaam over het roer buigende: "Klaas! man! pas op je tellen.--Wat
het mij aangaat?--Zet het zwaard nog wat neer, Klaas!--Wat het mij
aangaat?--Wel! zoo ik op den wal aanhield, zou hij denken, dat ik voor
hem loopen ging."

"Maar Mijnheer Blaek!" zeide Tante, na mij eenigszins verlegen te hebben
aangezien; "wij wenschten gaarne te huis te wezen: en UEd. is te beleefd
om aan het verzoek van dames geen gehoor te geven."

"'t Is waarachtig mijn eer te na, Mevrouw!--Klaas! haal de fokkeschoot
nog wat aan." Hier zag hij achter zich om, met een angst op het gelaat,
als ware de boeier een roofschip geweest: "'t Is maar voor tien minuten,
Mevrouw! om hem mijn meerderheid te toonen; en dan zeilen wij in een
ommezien weer terug naar de hoeve."

"O! nu gaat het recht pleizierig, Mevrouw! Dat mag zeilen heeten,
Tante!" zeiden Henriëtte en Suzanna, die er juist zooveel kwaads niet in
zagen of zij een uurtje later te huis waren, en er beiden vermaak in
schepten, om te zien, met welk een snelheid het vaartuig, daar de wind
nu was aangewakkerd, de golven kliefde.

Wat mij betreft, ik was minder voldaan met het antwoord van Lodewijk;
want ik berekende, dat, hoe meer de wind thans in ons voordeel was, hoe
meer moeite wij zouden hebben om weer naar de hoeve te zeilen: en mijn
ongerustheid werd niet verminderd door een leelijke wolk, die uit het
noordwesten tegen den wind kwam opzetten.

"Ziet gij die bui daar opkomen?" vroeg ik, zoo zachtjes mogelijk, om de
dames niet te verontrusten, aan den schippersknecht: "het zou mij
ontgaan, indien wij daar geen regen uit kregen."

"Wij zullen geducht sop hebben," antwoordde Klaas: "maar wat wil je der
an doen? Meneer kan den boeier toch niet laten voorbijzeilen?"

"Mijnheer Reynhove!" zeide ik, den Hagenaar naderende: "heeft UEd. ook
invloed genoeg op den Heer Blaek, om hem te beduiden, dat hij aan het
verlangen der dames gehoor geve?"

"_Comment_!" vroeg hij: "UEd. heeft zelf gehoord, dat het zeilen de
dames amuseert en dat zij prefereeren, nog niet aan wal te gaan."

"Wel mogelijk! maar," beet ik hem in 't oor: "daar is zwaar weer
ophanden: en wij zeilen de bui vlak in 't vizier."

"_Vous croyez?_" vroeg hij, eenigszins van zijn stuk geraakt; "_ja en
effect!_ maar wij kunnen immers terstond ergens binnenloopen:
--intusschen! ik zal het hem vragen.--Zeg eens, Blaek!"

"Uit den weg!" riep Lodewijk, zonder op zijn woorden acht te slaan: "sta
mij niet in 't gezicht."

"Maar kijk dan voor u," zeide Reynhove, knorrig: "zie je de bui niet,
die daar aankomt?"

Maar Lodewijk, in stede van naar de bui te kijken, wendde keer op keer
het oog naar het andere vaartuig, dat, hetzij het scherper zeilde,
hetzij het beter bestuurd werd, ons meer en meer naderkwam.

"Is het waar? Vreest UEd. een bui, Mijnheer?" vroeg Tante, met
bezorgdheid, aan Reynhove: "ik smeek u, Mijnheer Blaek: laat ons dan
terugkeeren."

Maar Lodewijk antwoordde niets. Hij stond, bleek van spijt, op den
boeier te turen, die hem reeds op zijde was. Eenige jonge lieden, daarop
gezeten, wuifden met de hoeden ten teeken van overwinning, en de
eigenaar, die aan het roer stond, hief een glas wijn op en dronk
spottenderwijze onze gezondheid.

"Wacht! Ik zal u weerom salueeren met een flesch," schreeuwde Lodewijk,
woedend, en, naast zich tastende, greep hij de ledige wijnflesch en
smeet die met kracht naar het zegevierende vaartuig. Het werptuig
bereikte echter zijn bestemming niet; maar viel halverwegen in het
water; terwijl een schaterend gelach van den anderen boeier oprees en
deze mislukte poging eener machtelooze woede bespotte: al hetwelk
Lodewijk nog gramstoriger maakte.

"Foei Lodewijk!" zeide Henriëtte: "is dit nu handelen gelijk een
fatsoenlijk man betaamt?"

"Zij moeten niet denken, dat zij 't gewonnen hebben," zeide Lodewijk,
zonder acht te slaan op de afkeuring, welke zijn gedrag bij ons allen
gevonden had: "zie eens! zij minderen al zeil. Klaas! hou je goed! Wij
zullen hen wel weer voorbijraken."

"Zij minderen zeil," zeide ik: "en zij hebben gelijk ook; want zij
willen niet door de bui verrast worden. Het is onvergeeflijk van u,
Mijnheer Blaek! de dames aldus bloot te stellen om doornat te worden."

"Gekheid!--Wij keeren terstond terug.--Klaas! haal de kluiffok nog wat
aan. Hoezee! Wij halen hen in! Wij halen hen in, zeg ik. Hij heeft er
niet op gelet dat de wind gekrompen is.--Ja, voor-de-wind kan hij
zeilen; maar hij verstaat er niets van om met halvewind vooruit te
komen. Is dat een zeiler? Kijk, wat doet hij nu? Hij gaat ver... nog een
zeil strijken!--Hoezee! Wij zijn hem al voorbij!--Hij erkent zijn
minderheid! Lacht hem uit vrienden! nu is het onze beurt."

Vreemd genoeg, hoe weinig de jonge meisjes ook met Lodewijk ophadden, en
hoe ontrust zij een oogenblik te voren waren, scheen haar echter de nu
behaalde zegepraal te streelen, als deelden zij daarin: en zij schreven
aan Lodewijks bekwaamheid een overwinning toe, welke alleen aan de
meerdere voorzichtigheid van den bestuurder des boeiers te danken was.
Het was mij duidelijk, dat deze, tevreden met het bewijs zijner
meerderheid gegeven te hebben, en de bui ziende aankomen, zijn
voorzorgen genomen had: en de schippersknecht versterkte mij in deze
opvatting, door mij te verklaren, dat, zoo zijn Heer niet spoedig alles
bergen liet, het te laat zou zijn.

"En waarom zegt gij het niet?" vroeg ik, niet zonder ontsteltenis over
dit bericht.

"Wel ja!" zeide hij: "dan was mijn paspoort geschreven: je kent Meneer
niet."

"Dan zal ik het zeggen," zeide ik: "Mijnheer Blaek! ik weet niet, of gij
al dan niet een weerkenner zijt; maar ik vraag u nogmaals, of gij die
opkomende bui niet bemerkt? Laat toch strijken. Wilt gij de dames aan
gevaar blootstellen?"

"Gevaar!" riepen allen, onthutst zich naar achteren dringende.

"Och! wat gevaar!" zeide Lodewijk: "wij zullen eenvoudig terugkeeren:
en, voor de bui er is, zijt gij aan de hoeve terug.--Wenden Klaas!"

Maar het was te laat! Toen hij wenden wilde, weigerde het vaartuig aan
de beweging van het roer te gehoorzamen en bij-de-wind te draaien. Op
ditzelfde oogenblik deed zich een dof gegons hooren over de oppervlakte
van het water: de zee, nog kort te voren zoo helder, werd zwart en vuil
van kleur, alsof een onderaardsche beweging het water beroerd had:
donkere, laaghangende wolken sloten zich aan het zwerk ineen, en de
beide oevers waren in een oogenblik achter een dicht gordijn van regen
verborgen, terwijl de wind, plotseling omschietende, met zulk een geweld
in de zeilen voer, dat het vaartuig over één kant ging en stellig zou
omgeslagen zijn, indien niet de sterk gespannen touwen aan stukken waren
gesprongen. Een algemeene kreet van ontsteltenis deed zich hooren.
Lodewijk werd bleek als een laken en een krachtige vloek bestierf op
zijn lippen.

"Ach! mein Kot!" zeide Weinstübe: "set mihr aus: ich wil er aus. Ich wil
nicht langer hier pleiben."

"'t Is niets!" zeide ik, de dames wenschende gerust te stellen; "wij
hebben het ergste al geleden. Alle man aan 't werk: dames! gaat in de
kajuit!"--En, te gelijk mijn best doende, hielp ik Klaas om de einden
touw te kappen waar de gescheurde zeilen in smalle reepen en strooken
nog aan bleven fladderen. Reynhove, die bij ongeluk een verkeerd touw
had aangegrepen, werd door den schippersknecht op zijde gestooten en
liep heen en weder, met de verlegen houding van iemand, die gaarne van
dienst wil zijn, maar niet weet op welke wijze.

De bui was intusschen meer en meer genaderd, en weldra viel de
stortregen op het dek. De dames, hoewel in de kajuit geborgen, waren ook
daar niet veilig voor het water, dat als een cascade de trappen
afstroomde. Weinstübe was insgelijks naar binnen gevlucht en prevelde al
de gebeden, die hij in zijn leven geleerd had. Lodewijk stond in sombere
verslagenheid bij het roer en Reynhove zag mij aan alsof ik er wat aan
doen kon. Wij waren allen tot het hemd toe nat; ofschoon Lodewijk het
voordeel had van een duffelsche jas, die hij dadelijk had aangeschoten.

"Wat zoudt gij nu denken, dat het beste ware?" vroeg ik aan Klaas, op
wiens doorzicht ik in dit geval meer vertrouwen stelde dan op dat van
zijn meester.

"Ja!" zeide bij, om zich heenziende: "te Muiden kunnen wij niet komen.
't Zal best wezen, dat wij aan de overzij een opperwal zoeken en daar
ten anker blijven tot het opklaart."

Tot mijn genoegen keurde Lodewijk het voorstel goed. Wij heeschen een
fokje op, en het gelukte ons, na een paar gangen te hebben gedaan, een
goede ligplaats te bereiken, waar wij het anker uitwierpen en nu aan het
eind van onzen kabel slingerden, dat het een lust was om te zien.

Dit alzoo geschikt zijnde, ging ik naar de deur der kajuit, om te
vernemen, hoe de dames het maakten: "hoe is het daar binnen gesteld?"
vroeg ik.

"Kom in," riep Suzanna: "'t is hier een lief huishouentje."

Ik trad af. Een akelig en tevens walgelijk schouwspel wachtte mij. De
tafel was omgeworpen met alles wat er opstond, en de vloer met pot- en
glasscherven bedekt. Tante zat, of liever lag op den grond uitgestrekt,
bleek als een doek van zeeziekte, met de kleederen bemorst door het
instroomende water. Henriëtte zat naast haar op een voetenbankje en
ondersteunde haar het hoofd, terwijl Suzanna een paar servetten had
samengefrommeld, die zij als een dweil bezigde om den vloer wat te
boenen. Wat den Duitscher betrof, deze had, sedert wij ten anker lagen
en dus oogenschijnlijk buiten gevaar waren, met bidden opgehouden en lag
zoolang hij was op de rustbank, met het gezicht in een stapel kussens
gedompeld.

"Wat zou onze Aagt wel zeggen, als zij mij zoo aan 't werk zag?" vroeg
Suzanna: "maar hoe is het? liggen wij ten anker? En waar ergens zijn
wij?"

"Wij liggen bezuiden Durgerdam, kort bij den dijk," antwoordde ik: "is
Tante niet wel?"

"Tante mag wel zeggen: _Qu' allais-je faire dans cette galère?_" zeide
Suzanna: "en dat nog wel om onzentwil."

"Welk een ongelukkige reis!" zeide Henriëtte: "is UEd. niet doornat,
Mijnheer Huyck?"

"Zooals UEd. ziet, Mejuffer!" zeide ik: "en ik ben waarlijk eenigszins
beschaamd, mij aldus aan u te vertoonen."

"Net alsof het de eerste reis ware, dat Jetje u met een nat pak ziet,"
zeide Suzanna. Henriëtte glimlachte even: maar haar lach had iets
droefgeestigs en de blik, dien zij op mijn zuster wierp, scheen aan deze
te verwijten, dat zij in zulk een oogenblik schertsen kon.

"Maar lieve Ferdinand!" vervolgde Suzanna, bij wie de spotzucht geen
hartelijkheid uitsloot: "gij zult waarlijk ziek worden. Moet gij nu in
die doornatte kleederen blijven?"

"_Comme c'est malheureux!_" zeide Reynhove, die nu insgelijks
binnentrad: "en dat wij de dames zulk een fataal moment geprecupeerd
hebben."

"Mijnheer Blaek weet allerliefste partijtjes te geven," zeide Suzanna:
"jammer maar, dat zij zoolang duren."

"Maar wat doet gij dan toch, Mejuffrouw?" vroeg Reynhove. "Permitteer
mij, dat ik den knecht roepe om den boel hier wat in orde te
brengen."--En weg was hij.

"Die is ten minste beleefd," zeide Suzanna, en wierp een zijdelingschen
blik op Weinstübe.

"Ja! dat is ook waar," zeide ik, den onbeschoften knoet naderende:
"Mijnheer!" zeide ik, hem op den schouder tikkende: "zoudt gij zoo goed
willen zijn, uwe plaats aan de dames af te staan?--Mijnheer!"

Eerst op de tweede uitnoodiging gaf Weinstübe teekenen van leven. Hij
lichtte even het hoofd op en zag mij aan met een versuften blik en een
open mond.

"Kom Mijnheer!" zeide ik: "als er dames in 't gezelschap zijn, zult gij
toch wel de beleefdheid hebben, de rustbank niet voor u alleen te
nemen."

"Ach Kot! ich pin so krank," zuchtte hij, met de oogen draaiende als een
schelvisch, die op het strand ligt.

"Dat is wel mogelijk, zeide ik: "maar die dames zijn ook niet wel:" en
zonder meer plichtplegingen te maken, nam ik hem bij de kraag met de
eene en om het midden met de andere hand en wentelde hem van de bank af;
waarna ik, mijn natten rok uittrekkende en mijn mouwen opstroopende,
Tante optilde en op de ontruimde plaats nederleide, nadat de jonge
meisjes de kussens weer wat hadden opgeschud. Beiden namen nu naast haar
plaats en poogden haar toestand zoo gemakkelijk mogelijk te maken. Wat
Weinstübe betrof, hij bleef liggen waar hij neergekomen was, met de
ongevoeligheid van een zeeziek mensch. Weldra keerde Reynhove met Klaas
terug, welke laatste nu knaphandig den boel opredderde.

"Waar is de Heer Blaek?" vroeg ik, eenigzins verwonderd, dat Lodewijk
niet opdaagde.

"Die zit in 't vooronder," antwoordde Reynhove, "zijn pijp te rooken en
een glaasje brandewijn te drinken: en, in 't passant gezegd, wij mochten
ook wel iets nemen tegen de nattigheid. Ik geloof, dat onze vriend wat
confuus is over hetgene gearriveerd is en zich niet aan de dames durft
presenteeren."

"Hoelang zullen wij hier nog moeten blijven?" vroeg Suzanna.

Ik haalde de schouders op: "zoolang de storm duurt, kunnen wij hier niet
vandaan," zeide ik: "en vooreerst schijnt het weer niet te zullen
bedaren."

"Neen," zeide Klaas: "en als wij hier vroeger vandaan kwamen, zou het
fout wezen; want dan gingen wij zoo zeker tegen den overkant als
tweemaal twee vier is: en dan bleef er geen spaander van het heele jacht
over. Ja! Ja! daar zijnder hier wel met een minder windje naar den
kelder 'egaan."

"Een aangename consolatie," zeide Reynhove.

"Ziezoo!" vervolgde Klaas tegen de dames: "nou doe jelui zelvers k
'ereis ondervinding op, dat het niet allemaal pleizier is aan boord. Nou
dat's tot daaraantoe.--Ja, nou wou jelui wel een zoopie brandewijn
hebben (dit tegen ons:) Ik 'loof dat er nog wel wat in 't
lakkeurkeldertje wezen zei."

Dit zeggende haalde hij een fleschje voor den dag: en Reynhove en ik
verkwikten ons met een paar goede teugen.

"Mot je ook niet wat hebben, Sinjeur!" vroeg Klaas, Weinstübe
schuddende: "of ben je er vies van?"

Weinstübe poogde op te staan; maar nauwelijks had hij zich half
opgericht, of het vaartuig onderging zulk een schok, dat hij weder
achterover tuimelde; terwijl Klaas, onder den uitroep van: "God help
ons! het anker:" de kajuit uitvloog. Reynhove en ik snelden hem na. Het
was maar al te waar: wij waren van ons anker geslagen en dreven nu voort
waar de wind en de golven ons heenvoerden.

Op het dek ontmoette ik Lodewijk: en nooit zal ik de uitdrukking
vergeten, welke zijn verwilderde oogen en bleeke gelaatstrekken in dit
oogenblik vertoonden: "vervloekte boeier!" riep hij: "wij zijn naar de
w....!" En staroogende bleef hij vooruit zien, zonder eenig bevel te
geven.

Op dit oogenblik voelde ik een hand, die mij op den schouder gelegd
werd. Ik keerde mij om. Het was Suzanna, die met Henriëtte de kajuit had
verlaten: en sprakeloos van angst schenen zij mij met de oogen omtrent
de hoegrootheid van het gevaar te ondervragen. Ik drukte aan beiden de
handen: mijn antwoord bestond uit een schouderophalen: waarna ik mij tot
Klaas wendde, die tegen zijn Heer stond te spreken, zonder dat deze
eenige acht op zijn woorden scheen te geven.

"Klaas!" riep ik: "wat moet er gedaan worden?"

"Lensen op 't fokje," antwoordde hij: "en zooveel mogelijk van wal houen
en in 't open vaarwater trachten te komen."

"Welnu! doe dat," zeide ik: "en ik zal terwijl op het roer passen."

Maar het was te laat: de wind had ons reeds te dicht op de kust
gedrongen: nauwelijks had Klaas de fok geheschen en ik de roerpen
losgemaakt, of het vaartuig raakte grond, en het roer, de zandbank
ontmoetende, gaf mij een slag tegen de beenen, dat ik op het dek
nederkwam.

"Ferdinand! Mijnheer Huyck!" riepen de beide meisjes, met een angstigen
gil toeschietende; en ik voelde vier zachte handjes, die mij poogden op
te helpen.

"Hebt gij u bezeerd?" was beider gelijktijdige vraag.

"'t Is niets," zeide ik, opkrabbelende: "maar ik houd het ervoor, dat
wij aan den grond zitten."

"Vier voet!" zeide Klaas, den peilstok uitwerpende: "wij zitten secuur
vast ook: Mijnheer Blaek! zouden wij niet een schot doen?"

Lodewijk gaf geen antwoord; maar in zijn zakken tastende, scheen hij den
sleutel van de kruitkast te zoeken. Eindelijk, na eenige oogenblikken,
welke zoovele uren schenen, bracht hij een sleutelring te voorschijn en
begon, met bevende handen, sleutel voor sleutel te hanteeren. Ik zag,
dat het hem nooit zoude gelukken, dien, dien hij hebben moest, van de
overige te onderscheiden, en, hem den geheelen bos uit de handen
rukkende, zeide ik tegen Klaas: "volg mij! waar bewaart Mijnheer zijn
kruit?"

Klaas bracht mij in de kajuit. "Het kruit zit in het kastje onder die
bank," zei hij.

"Tante!" zeide ik: "het spijt mij, dat ik u moet lastig vallen; maar wij
moeten hier binnen wezen:" en meteen lichtte ik Tante met kussens en al
op en ontsloot het kastje.

"Zijn wij aan wal?" vroeg zij met een flauwe stem.

"Ach! jounge! kellner!" riep Weinstübe, die weder wat bijgekomen zijnde,
in een hoek tegen den wand aanzat: "pring mij wat matera en een
pescheitje. Ich pin zoo vlauw."

"Wij hebben wel tijd, om Mijnheer madera en beschuitjes te bezorgen,"
zeide ik, wrevelig, terwijl ik de ammunitie voor den dag kreeg. Van het
noodige voorzien, keerde ik met Klaas op het dek terug, die zich hierop
met Reynhove (welke laatste daarvoor beter berekend was dan ik) met het
laden van het geschut belastte. Toen verzocht ik de meisjes dringend,
weder naar binnen te gaan, daar zij onnoodig in den weg stonden en zij
bij Tante meer van dienst konden zijn dan op het dek. "Ikzelf zal u het
voorbeeld geven," zeide ik: "mijne hulp zoude hier toch niets baten en
ik moet Tante waarschuwen tegen hetgeen er gebeuren zal."

Wij keerden dan terug in de kajuit. "Tante!" zeide ik, haar weder op de
rustbank helpende: "schrik niet: er zal meteen geschoten worden; wij
moeten een sein geven, dat wij aan den grond zitten."

"O God!" zeide zij, even het hoofd oplichtende: "moeten wij hier
omkomen?"

"Ik hoop voorwaar van neen," antwoordde ik, mijn best doende om een
opgeruimd gezicht te zetten: "wij bevinden ons hier niet op een
onbekende kust noch bij een onbewoond land. Er zwerven hier altijd
zooveel visschers rond, dat het wel wonder zoude zijn, indien men ons
niet bespeurde."

"Ach Kot! 't zal wel de laatste maal seijn, dat ich op 't water kom,"
zeide Weinstübe.

"Kom," zeide ik: "Sinjeur Weinstübe! Wees een man. Wat drommel! als het
niet was om het ongerief, dat zulks aan de dames veroorzaakt, zoude ik
mij, wat mijzelven betreft, niet verlegen maken."

"Vloek maar niet," zeide Suzanna: "daar is het nu geen tijd toe."

"Meent gij dat oprecht, hetgeen gij zegt, Mijnheer Huyck!" fluisterde
Henriëtte, terwijl zij mij ernstig aanzag: "meent gij stellig, dat er
geen gevaar is?"

Ik werd rood en sloeg de pogen neder, terwijl ik op Tante wees.

"Er is gevaar," ging zij voort, altijd op denzelfden toon sprekende, "en
gij wilt het maar verbloemen om ons niet ongerust te maken. Maar!" en
hier blonk een traan in haar oog: "wanneer een oogenblik ons de
eeuwigheid kan doen ingaan, is het dan geoorloofd een ijdele gerustheid
voor te wenden, en ons af te trekken van die gedachten, welke ons op
zulk een gewichtig tijdstip betamen."

Ik gevoelde mij beschaamd en diep getroffen. "Mejuffrouw!" zeide ik,
haar bij de hand nemende: "ik handelde om bestwil. Maar gij doet mij
mijn ongelijk gevoelen. Wat er ook gebeure, laat mij ten minste dezen
troost, dat gij niet ontevreden op mij zijt."

Zij antwoordde mij niet, maar drukte mij met aandoening de hand, en
toen, de hare wegtrekkende, veegde zij zich de oogen af en wendde het
gelaat om.

Op dit oogenblik ging het schot af.

"Mein Kot!" riep Weinstübe, opspringende: "Was ist das?"

"Dames!" zeide Reynhove, die terstond daarna binnentrad: "ik kom u
vragen, of gij ook prefereert in 't vooronder te zitten: niet, omdat het
_séjour_ daar zeer gerechercheerd is, maar omdat aldaar vuur aan ligt,
en gij er u warmer zult bevinden dan hier."

De dames zagen elkander aan: "wij danken u wel voor uwe attentie," zeide
eindelijk Suzanna: "maar wij zullen liever bij Tante blijven."

"Is er vuur aan?" vroeg Tante, met vaardigheid opstaande: "dan ga ik er
stellig heen, want ik verga hier van de koude."

"Ja!" zeide Weinstübe: "dan ka ich er auch heen: denn ich pin sehr
kaut."

"Met verlof," zeide ik tegen Tante: "dan moeten wij zien, dat wij u
tegen den regen beveiligen. De overtocht is wel kort; maar toch lang
genoeg om nat te worden."

Dit zeggende nam ik de tafellakens en hing die aan de dames als
regenschermen om. Weinstübe liep vooruit, zeker met het oogmerk om de
beste plaats voor zich te nemen. Reynhove en Suzanna ondersteunden Tante
en ik volgde met Henriëtte. Dan nauwelijks waren wij op het dek, of een
windvlaag kwam met zooveel geweld tegen ons aan, dat wij werk hadden om
ons op de been te houden. Te gelijk bespeurden wij dat het vaartuig op
zijde ging.

"O God!" zeide ik, Henriëtte aan mij vastklemmende: "indien ik u slechts
kon redden."

"Wij zijn in Gods hand," zeide zij met een onbeschrijfelijke
uitdrukking: "en toch," voegde zij er fluisterend bij: "het is mij,
alsof ik, met u zijnde, niets te vreezen had."

Een nooit te voren gekend gevoel doorstroomde mijn aderen op het hooren
dier woorden en vooral van den toon, waarop die werden uitgesproken: en,
midden in het ijselijke van onzen toestand, gevoelde ik mij gelukkig,
bij de gedachte dat ik weder bemind werd. En toch--want tot langdurige
overdenkingen bestond thans geen tijd--toch verzuimde ik tevens niet,
voor onze veiligheid te zorgen en klemde mij, op het voorbeeld der
anderen, aan het gangboord vast; in sprakelooze verwachting bleven wij
allen een oogenblik staan, en staarden op een geweldige golf, die op ons
afkwam als wilde zij het geheele vaartuig overstelpen. De uitwerking was
echter anders. De golf lichtte het jacht, als ware het een stuk kurk
geweest, van de zandbank af: wij werden bespat en gedurende eenige
seconden verblind van het schuimende water; en toen wij onze oogen weder
konden openen en voor ons uitzagen, bespeurden wij den dijk op geen
twintig voet afstand.

"'t is gedaan!" riep een stem uit ons midden.

Suzanna scheurde zich los van Tante en viel mij om den hals: ik drukte
haar en Henriëtte tegen mij aan. Een nieuwe golf nam ons op. Er was
weder een oogenblik, dat wij niets als water zagen.

Toen voelden wij, dat het vaartuig een beweging onderging, als werd het
door een weeke zelfstandigheid heengevoerd: en plotselings hield het
stil, met een schok, die ons allen op het dek wierp. Wij hoorden het
zeenat als grommende van rondom wegloopen;--maar toen wij, wanende dat
ons laatste uur gekomen was, weder oprezen, zagen wij nergens water
meer.

Het jacht was over den dijk heengeslagen en lag tegen de binnenste
helling in het slijk vast.


       *       *       *       *       *


DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

VERMELDENDE HOE DAMES VOOR SPOKEN WORDEN AANGEZIEN, EN WAT DE
SCHIPBREUKELINGEN AL ZOO VERDER DEDEN OM EEN VERKOUDHEID TE VOORKOMEN.


Het gadeslaan der verschillende aandoeningen, welke ons na een zoo
wonderbare redding bezielden, zou aan den zoodanige, die, zonder in onze
gevaren gedeeld te hebben, eensklaps in het gestrande vaartuig
verplaatst ware geweest, een niet onbelangrijk schouwspel hebben
opgeleverd. In de eerste oogenblikken, en wel voordat men recht wist,
hoe men het had, heerschte er een soort van verbijstering, en waren wij
gelijk aan lieden, die, op een vreemde plaats geslapen hebbende, bij hun
ontwaken in de war zijn en eenig herinneringsvermogen moeten aanwenden,
alvorens zij zich kunnen bezinnen, waar zij eigenlijk zijn. Daarbij, het
was avond geworden: de wind en regen bleven aanhouden, en alles om ons
heen was in nevel en duisternis gehuld.

Voor zooverre ik mij herinner, was ik de eerste, die sprak: en de oogen
om mij slaande, om de dames te zoeken, die door den schok van mij
afgeraakt waren, riep ik in vervoering uit: "God lof! wij zijn gered!"

"Dat mag wel 'ezeid worden, bij 't walletje langs," zeide Klaas: "op
zoo'n rare manier ben ik nooit aan wal 'ekomen."

"Goddank! dat was boven verwachting!" riep Lodewijk; maar met deze
uitboezeming scheen hij zijn geheelen voorraad dankbaarheid te hebben
uitgeput; want, op het dek heen en weer loopende, begon hij bij
zichzelven te mompelen: "'t is een mooie winkel! hoe d.... krijgen wij
het jacht hier weer vandaan?"

De drie dames zeiden niets. Henriëtte en Suzanna hielden Tante omvat en
alle drie schenen in stille, eerbiedige overpeinzing verzonken.

Wat Reynhove betrof, zijn blijdschap was de luidruchtigste. Hij sprong
en danste over het dek rond, drukte Lodewijk, mij, de dames, zelfs den
schippersknecht, de handen, beurtelings lachende, zingende en weenende,
tot eindelijk zijn voet op de natte planken uitgleed en hij achterover
rolde, "'t Is niets," zeide hij, terstond weder opspringende: "het
gevaar is voorbij en wij zijn allen gesauveerd:" en hij begon van voren
af aan handjes te geven en elk in 't bijzonder geluk te wenschen met een
hartelijkheid en een uitbundigheid, welke merkelijk afstaken bij zijn
gewone geaffecteerde vormen, en bewezen, hoeveel guller en beter hij in
den grond zijns harten was dan hij oppervlakkig scheen te zijn.

"Maar waar zijn wij toch eigenlijk?" vroeg Tante.

"Op een veilige plaats, Tante-lief!" was mijn antwoord: "en waar wij op
de vreemdste manier ter wereld zijn aangekomen."

"Nu zal ik nooit meer lachen over den vreemden Jood, die zich
verbeeldde, dat hij met trekschuit en al over de brug heen getrokken zou
worden", zeide Suzanna, die haar vroolijkheid terugbekomen had.

"Mevrouw," zeide Lodewijk, die toch scheen te gevoelen, dat hij eenige
apologie noodig had, terwijl hij zich bij Tante vervoegde, "dat is
waarlijk gelukkig afgeloopen. Het doet mij recht leed, dat UEd. er zoo
ongelukkig bij te pas zijt gekomen."

"Ja Mijnheer!" zeide Suzanna: "Tante mocht u wel toevoegen, gelijk
Athalia tot Abner:

     dans quel piège as-tu conduit mes pas?"

"Het schijnt," zeide Tante, met reden eenigszins gevoelig over de
handelwijze van Lodewijk, "het schijnt, dat Mijnheer Blaek weinig gewend
is dames aan boord te hebben."

"Ja Mevrouw!" vervolgde Lodewijk, eenigszins verlegen: "tegen 't weer
kan niemand; en wie had zich op zulk een onvoorzienen en geweldigen
storm kunnen verwachten?--Al had ik niet met dien boeier om 't hardst
gezeild, wij waren toch niet vrijgekomen."

"Mocht de drommel!" zeide Klaas, wiens zeemansrondheid deze logenachtige
verontschuldiging niet verdragen kon: "Jan Pergens lag warm en wel
binnen Muiden, toen het zware weer begon: en dat hadden wij ook kunnen
doen."

"Wat reutel je Klaas?" zeide Lodewijk, zich omkeerende, op een barschen
toon: "bemoei je met je werk en niet met ons discours, of je krijgt je
paspoort op staanden voet."

"Mijn paspoort!" herhaalde Klaas, zich ter zijde begevende: "hm! er zal
op 't jacht in de eerste weken toch niet veul te verdienen vallen."

"Nu Mijnheer Blaek!" zeide Tante: "gedane zaken hebben geen keer, en het
beste is, dat wij alle verwijtingen maar daarlaten."

"Te meer," zeide Henriëtte, "daar Lodewijk al genoeg gestraft is: want
hij zal zijn jacht ook niet even gemakkelijk aan de overzijde van den
dijk krijgen als het aan deze zijde gekomen is."

"Neen!" zeide Reynhove: "tenzij er een aardbeving kome, die het weder
teruglanceert."

"Ja!" bromde Lodewijk: "jelui hebt goed spotten. Hoe ik het hier vandaan
krijg, weet Joost."

"Mij dunkt," zeide ik: "wij moesten liever zien, hoe wij zelf hier
vandaan komen. Op wat hoogte zijn wij zoowat?"

"Wij zullen een heel eind beoosten Muiden zijn," zeide Lodewijk: "wij
konden verd.... nergens ongelukkiger te land komen: wij zijn een half
uur van alle bewoonde plaatsen af: en het wordt zoo donker, dat men niet
zien kan welken weg men op moet."

"Dat is zeker ongelukkig," zeide ik: "maar wij kunnen toch niet hier
blijven: en ik geloof zelfs, dat eenige beweging goed zal doen aan de
dames en de slechte gevolgen voorkomen, die koude en nattigheid
teweegbrengen."

"Ik zal gaarne de dames accompagneeren," zeide Reynhove: "maar ik moet
alleen remarqueeren, dat het in de kajuit droog is, en dat zij buiten
geëxponeerd worden om nog meer doornat te worden."

"Ja dat mag zoo zijn," zeide Henriëtte: "maar ik voor mij zal van harte
gaarne loopen:--indien echter Mevrouw Van Bempden het afkeurt...."

"Ik doe alles liever, dan langer in dit noodlottige jacht te blijven,"
zeide Tante: "Kom! terstond maar opgewandeld! Wij zullen toch wel ergens
te land komen."

"Vergezelt gij ons?" vroeg ik aan Lodewijk, "of blijft gij aan boord?"

"Ik heb altijd gehoord," zeide Lodewijk, "dat de kapitein het laatst aan
boord moet blijven; maar zoo gijlieden ergens aankomt, stuur mij dan in
's hemels naam wat vertrouwd volk, om hier den boel te bewaken."

"Ik zou u gaarne van dienst zijn," zeide ik: "maar gij gevoelt, dat ik
de dames niet verlaten kan."

"En ik evenmin," zeide Reynhove: "eerst moeten de dames en _lieu de
sureté_ zijn: zij hebben waarlijk bij nacht niet te veel aan de
assistentie van ons beiden: en zoo gij ons Klaas met de lantaren wildet
medegeven, ware zulks, geloof ik, niet te veel geëxigeerd."

"En wie zal mij dan volk gaan halen en hier brengen?"

"Wel, stuur Weinstübe op kondschap uit," zeide Reynhove: "maar dat is
waar ook:_ où diantre est-il?_"

"Ja! waar is Weinstübe?" riepen wij allen, onszelven het verwijt doende,
dat wij hem niet eerder gemist hadden.

"De hemel beware ons!" zeide Tante: "ik hoop niet dat hij overboord is
gevallen!"

Weinstübe werd overal gezocht: doch vruchteloos: nergens, noch in de
kajuit, noch in 't vooronder was hij te ontdekken. Sommige onder ons
meenden zich te herinneren, dat zij hem, een oogenblik voordat wij over
den dijk geraakten, nog aan de voorplecht hadden zien staan: en wij
konden niet nalaten de gevolgtrekking op te maken, dat hij te dier
gelegenheid over boord was geslagen en zijn dood in de golven gevonden
had. Hoe gek en lastig de vent ook ware, het was toch een schrikkelijke
gedachte, onzen reisgenoot verloren te hebben door een zoo noodlottig
toeval, hetwelk evenzeer elk onzer had kunnen treffen. Er was echter
niets aan te herstellen: en deze gebeurtenis versterkte zelfs de
begeerte der dames om hoe eerder hoe beter het tooneel van zooveel
treurigs te verlaten. Ten einde zij echter een geschikte plaats zouden
vinden om af te stappen, liet ik mij overboord glijden en zocht nu welke
plek de droogste ware en tevens de naastgelegene om den weg te bereiken,
die beneden langs den dok liep. Nauwelijks echter had ik een oogenblik
rondgeloopen, of ik hoorde een flauwe stem kort bij mij, die
erbarmelijke klaagtonen aanhief, welke ons de wind en de regen tot nog
toe waarschijnlijk hadden belet te hooren.

"Wie is daar?" riep ik, zonder in de duisternis eenig voorwerp te kunnen
onderscheiden: "Klaas! licht eens bij. Hier in de buurt is iemand, die
angstig kermt."

"God beware ons!" riep Klaas, die niet geheel vrij was van bijgeloovige
denkbeelden: "als het de geest maar niet is van dien armen mof."

"Om 't even!" zeide ik: "wij moeten het toch onderzoeken."

Klaas vatte echter moed en, met een brandende lantaren gewapend, liet
hij zich naast mij afzakken. Wij vernamen nu nog duidelijker het gesteen
en een flauwe stem liet deze woorden kort bij ons hooren:

"Ach lieber Gott! zum hulfe! Iek pin todt."

"'t Is wel Weinstübe zelf en niet zijn geest," zeide ik, op het geluid
afgaande: en weldra ontdekten wij, met behulp der lantaren, den armen
Duitscher in eigen persoon, die ongeveer tien passen van het vaartuig af
tot aan den hals toe in een moddersloot was gezakt en ontwijfelbaar
gestikt ware bij gebrek aan spoedige hulp. Hoe hij daar kwam was ons een
raadsel; maar dewijl het niet te vergen was, dat hij ons in zijn
tegenwoordigen toestand daarvan de oplossing geven zoude, staken wij hem
een roeispaan toe en trokken wij hem uit de sloot, waaruit hij deerlijk
toegetakeld voor den dag kwam en nu aan den kant te beven stond als een
juffershondje, buiten staat om eenig antwoord te geven. Wij raadden hem,
zoo het hem zijn krachten toelieten, met ons mede te gaan en zich warm
te loopen, daar er toch aan boord geen gelegenheid was, om hem van
andere kleederen te voorzien.

Nu werd de trap uitgezet op de geschikst bevondene plaats: en de dames
verlieten het vaartuig; waarna wij Lodewijk, hoezeer tegen zijn zin,
alleenlatende, ons gezamenlijk op weg begaven, vooruitgelicht door
Klaas, die in de eene hand de lantaren droeg, en in de andere een
roeispaan om den grond te polsen en te zorgen, dat wij niet van den weg
afdwaalden. Na hem volgden Henriëtte en Suzanna: dan ik, Tante
geleidende: en vervolgens Reynhove met een tweede lantaren: terwijl
Weinstübe hompelend en strompelend zich achterna sleepte. Het was geen
gemakkelijk noch aangenaam werk, alzoo door de modder te ploeteren,
ofschoon de wind tot ons geluk merkelijk verminderd was en de dijk ons
eenigszins beschutte; maar het was stikdonker; terwijl een fijne regen
den grond zoowel als onze kleederen doorweekte.

Wij hadden ongeveer een kwartieruurs voortgesukkeld, en ik bemerkte, dat
Tante, hoe goed zij zich ook poogde te houden, hoe langer hoe minder in
staat was om voort te gaan en al zwaarder op mijn arm leunde. Zij was
uitgeput van angst en vermoeidheid en liep slechts werktuiglijk voort.
Eindelijk bleef zij geheel staan met den uitroep: "o wee! daar verlies
ik mijn schoen!"

"Hou op!" riep ik, tot hen die voor mij waren:--en de trein stond stil.

"Tante is haar schoen kwijt," zeide ik: "waarachtig, de weg is al te
slecht. Is er hier geen woning in de nabijheid?"

"Als je nog een amerijtje geduld heit," zeide Klaas: "daar gunter aan
den weg zie ik een lichtje."

"Is 't nog ver?" vroeg Tante: "ik kan waarachtig niet verder voort en ik
zal u liever hier tegen den dijk blijven wachten."

"Dat zal ik nooit dulden," zeide ik: "'t ware om te besterven. Maar zoo
de Heer Reynhove mij zijn rotting wil toesteken, zie ik wel kans om u
voort te helpen."

Reynhove was dadelijk bereid en gaf zijn licht aan Weinstübe, waarop
wij, ieder een einde van den rotting nemende, Tante verzochten daarop te
gaan zitten en haar armen om onze schouders te slaan. Op deze
geïmproviseerde draagbaar, die zeker niet van de gemakkelijkste was,
droegen wij haar verder voort, niet zonder vrij wat te struikelen en
dikwijls op te houden. Nog kan ik het mijzelf niet verklaren, hoe het
mogelijk was, dat wij op den smallen weg, waar wij telkens tot de enkels
toe inzakten en gedurig uitgleden of afweken, niet honderdmalen met onze
vracht zijn omgerold: en ik beken, dat ik recht in mijn schik was, toen
wij eindelijk voor een boerenhek stonden, hetwelk naar een boerderij
geleidde, en dat ik het ongastvrij hondengeblaf met welgevallen
begroette.

Nu hielden wij allen stil voor het geslotene hek, en Klaas, een
stentorstem opzettende, begon uit al zijn macht te schreeuwen: "heidaar!
boer! boer!"

Wij ontvingen echter op dit eerste geroep geen ander antwoord dan een
nog gevaarlijker gehuil en gejank van de honden. Wij begonnen dus allen
eenparig mede te schreeuwen, elk zijn best, en de honden des te harder
te blaffen, alsof wij wedijverden, wie hei meeste leven kon maken: en
het was een geweld, dat men op een uur afstands had kunnen hooren.

Eindelijk werd er een deur in de boerenwoning ontsloten en zagen wij
licht door de opening schemeren. Wij zwegen allen, als door een
gelijktijdig gevoel van hoop en verwachting overvallen,

"Wat wil jelui? Wat is er?" vroeg een stem.

"Schipbreukelingen!" riep de een. "Kunnen wij opkomen?" vroeg een ander.
"Eilieve hoor eens!" schreeuwde een derde. "Goed volk!" riepen wij
eindelijk, allen te gelijk.

De persoon, die in de deur stond en wiens donkeren omtrek alleen wij
tegen den verlichten muur achter hem konden onderscheiden, deed geene
beweging om te naderen en scheen besluiteloos. Toen verzocht ik mijn
tochtgenooten wat stil te wezen, en, mijn stem verheffende: "kom eens
hier, goede vriend!" riep ik: "gij kunt een goede fooi verdienen, zoo
gij ons helpen wilt."

Het woord fooi maakte blijkbaar indruk: de persoon kwam naar buiten, en,
ofschoon wij hem door de duisternis weder uit het oog verloren, hoorden
wij aan het geklos zijner klompen, dat hij ons naderde. Maar toen hij,
naar onze gissing, halverwegen den afstand tot het hek gekomen was,
bemerkten wij, tot onze bittere teleurstelling, dat hij eensklaps met
een vervaarlijken kreet terugkeerde en vrij wat sneller dan bij zijn
aankomst den weg naar huis nam, en de deur achter zich toesmeet.

"Dat zal hem de duivel leeren," zeide Klaas: "wij motten er toch
binnen."

"Kan dit hek niet geforceerd worden?" vroeg Reynhove.

Het hek was wel voorzien en de sloot te breed om er over te springen;
maar bij onderzoek bemerkten wij, dat er kans was om op zijde van het
hek om te klimmen en ik stelde voor aan Klaas, dit gezamenlijk te doen.

"Om Gods wil, doe het niet, Ferdinand!" zeide Tante: "zoo de honden u
eens aanvielen."

"Geen nood Tante! zoo wij in Friesland waren, waar de honden altijd
losloopen op de werf, dan zou ik weinig zin in de expeditie hebben; maar
in dit gewest liggen zij meestal vast."

Dit zeggende, was ik reeds aan de andere zijde, en, door Klaas gevolgd,
wandelde ik op het woonhuis aan; doch nauwelijks hadden wij eenige
schreden gedaan, of het bleek ons, dat men van binnenshuis deze schennis
van het grondgebied had bespeurd; want een raam werd opengeslagen en een
hoofd kwam voor den dag.

"As jelui niet gauw maakt, dat je wegkomt," werd ons toegeschreeuwd,
"zel ik er op losbranden, in dat geval!"

"Maar hoor dan toch eens!" riep ik: "wij zijn geen dieven: wij...."

Hier werd mijn rede op een zeer onaangename wijze afgebroken door het
afgaan van een vuurroer, dat de man aan het venster in de hand hield.
Gelukkig trof het schot geen van ons beiden; maar het baarde niettemin
een grooten schrik bij ons gezelschap, dat een angstig gegil aanhief. Ik
besloot echter nog eene poging te doen, en, mij achter een boom
stellende, waar ik schootvrij meende te zijn, riep ik wederom:

"Wees toch voorzichtig. Het is Mevrouw Van Bempden van Heizicht, die aan
het hek staat: en ik ben Huyck van Amsterdam."

"Wat zeg je?" hernam de stem van boven: "Mevrouw Van Bempden! scheer je
ze wat? ja, in dat geval, wil ik ereis zeggen...."

"Ken je mij niet, Roggeveld!" riep ik; want ik herkende nu duidelijk de
stem, die mij al in den beginne niet vreemd was voorgekomen: "ik ben
Huyck! geloof mij toch: Mevrouw Van Bempden staat daar buiten."

"Wel, wie heit van zijn leven!" riep hij "verakskeseer mijn
onbeleefdheid. Ik kom zoo bij je."

"'t Is warempel 'elukkig ook, dat de man je kent," zeide Klaas: "aêrs
hadden wij nog werk 'ehad het hum aan zijn domme verstand te brengen."

Ondertusschen riep ik hun die buiten stonden toe, dat zij maar gerust
zouden wezen en dat er hulp zoude komen opdagen. Niet lang duurde het
ook of de voordeur ging weder open en Roggeveld trad te voorschijn en
kwam naar ons toe, terwijl zijn vrouw, zijn knecht en een paar meiden
nieuwsgierig aan de deur hieven staan.

"Wel wie heit van zijn leven!" herhaalde Roggeveld, naar ons toekomende,
"ik heb jelui ummers niet 'eraekt?--Nou! 't was maer los kruit, wil ik
ereis zeggen; maer ik dacht niet aêrs, of het dieven waren, in dat
geval."

"Dat had uw knecht wel anders kunnen gewaarworden, indien hij niet was
gaan loopen."

"Jae! Kees dacht, 'et waren spoeken: en jelui ziet er ook al pover uit,
hoor."

Ik kon den man geen ongelijk geven; want op den afstand, waarop wij ons
bevonden, leverden zij, die buiten stonden, vooral de dames, die, zooals
ik vroeger verhaald heb, tafellakens hadden omgeslagen, bij het
twijfelachtige licht der lantaren een vrij kluchtige vertooning op, en
de schrik van Kees kwam mij vrij natuurlijk en verschoonhaar voor.

Het hek werd ontsloten, en terwijl wij ons ongeval in korte bewoordingen
aan Roggeveld mededeelden, bracht deze ons naar zijn woning. Ik laat aan
mijn lezers over zich de uitroepen voor te stellen van: "wel kijk ereis:
Heere bewaar ons! lieve tijd! wel jemenie! wie heit zoo iets meer
beleefd!" en diergelijke, die het Roggeveldsche gezin deed hooren bij
het vernemen dezer wederwaardigheden.

"Nou vraag ik je reis," zeide de vrouw van den huize, terwijl zij haar
best deed om een goed vuur aan den gang te krijgen, "wat of die rijke
lui zich al in gevaar begeven, en op zee gaan uit plezier, wanneer zij
warm en wel te huis kunnen zitten."

Intusschen werd de breede raad gespannen, wat er te doen stond. Ik
stelde voor, dat, indien Roggeveld de noodige ligging bezorgen kon, de
dames zich hoe eerder hoe beter te bedde zouden begeven, terwijl wij
Heeren den nacht bij het vuur zouden doorbrengen. Tante had niets in te
brengen tegen het eerste gedeelte van mijn voorstel; maar vroeg of er
intusschen niet iemand zoude kunnen gaan naar Heizicht of naar de hoeve
van de oude Martha, om haar rijtuig te zoeken en te zeggen dat men haar
afhalen kwam.

"O!" zeide ik, "er valt nog veel bovendien te beredderen: maak maar
eerst, dat gij in bed komt: dat is nu het voornaamste."

De dames begrepen, dat dit inderdaad de verkieslijkste partij was en
verwijderden zich met de vrouw en de dochters van den huize: terwijl wij
ons, zoodra het vuur goed brandde, om den haard sloten en op Engelsche
wijze, naar een recept van Reynhove, die er zich goed op verstond, van
brandewijn, water en suiker ons een verwarmenden drank bereidden,
terwijl wij ons langzamerhand van schoenen en bovenkleederen ontdeden en
die op de warme plaat voor het vuur lieten drogen.

"Nu hebt gij ons nog niet verhaald, Weinstübe!" zeide Reynhove, toen wij
een poos gezeten hadden, "hoe gij daar in die sloot zijt gearriveerd."

"Wat sol ich er lang ofer braten?" zeide Weinstübe: "ich stond an de
foorblecht, und da kingen wir den dijk ober: und ich dacht zo, wir
kingen nach de blitz: und ich fiel und ich hield mihr selbst an ein tauw
fest: und die tauw schlingerde mit mir, und ich fiel pijten poord: und
ich dacht das ich versaufen waar: aber nein: ich lag in 't gras. Und ich
stund op und ich dacht: dat tijfelsche schip komt ofer mich hin, und so
lief ich voraus, und ich sakte bis de oren in eine modderschloot und da
lag ich zu sportelen, und zu dreien, und zu schreien; aber da waar
niemand, die mihr achtte."

"Ik geloof inderdaad," zeide Reynhove, "dat uw positie verre van amusant
was; maar laat u raden, Weinstübe, en vertel dat gedeelte uwer
lotgevallen aan niemand over. Het is waarlijk al te vernederend, om,
wanneer men zulk een schoone kans heeft geloopen in de open zee te
verdrinken, slechts in een stinksloot te land te komen."

Terwijl Reynhove op deze wijze voortging met Weinstübe te plagen, wendde
ik mij naar Roggeveld, en vernam of er ook gelegenheid ware, iemand,
zoowel naar het gestrande vaartuig, als naar Oud-Naarden of
's-Gravenland te zenden: en op deze punten ingelicht zijnde, vroeg ik
aan de beide Heeren, wat hunne verdere voornemens waren. Nadat ieder
zijn meening en verlangen geuit had, werd alles dienovereenkomstig
geregeld en bepaald, en ik wilde juist de vrouw van Roggeveld roepen om
van het afgesprokene aan de dames kennis te geven, toen zij de keuken
binnenkwam en mij berichtte dat Tante mij wenschte te spreken. Ik volgde
haar naar een opkamertje met twee bedsteden: in de eene zag ik Tante
zitten, die het nachtgewaad der boerin aan 't lijf had en bezig was een
kandeeltje te drinken. Op de andere bedstede, waarvan de gordijnen waren
dichtgeschoven, durfde ik slechts een zijdelingschen blik te slaan.

"Hoe bevindt gij u, Tante?" vroeg ik, mij tot haar begevende.

"Dat schikt wel," antwoordde zij: "en ik ben blijde, dat ik in bed lig.
Maar hoor eens, Ferdinand! Ik vrees, dat men op Heizicht doodelijk
ongerust zal wezen."

"Dat vrees ik ook, Tante!"

"En ik ben bang, dat men boodschappen naar Amsterdam en naar Guldenhof
en de Hemel weet waar verder zal sturen, en overal alles in rep en roer
brengen."

"Dat is niet onwaarschijnlijk."

"Ik wenschte daarom wel," vervolgde Tante, "dat Baas Roggeveld of iemand
van zijnentwege kon gaan zeggen, dat wij ons allen wel bevinden."

"Ik ben bereid er heen te rijden," zeide ik.

"Neen! dat wil ik volstrekt niet: gij behoeft u niet op nieuw aan
nattigheid en koude bloot te stellen."

"Laat dat aan mij over, lieve Tante! Gij zult toch niet langer verkiezen
hier te blijven dan tot morgenochtend, en wel eenig schoon goed willen
hebben, om behoorlijk gekleed te huis te komen."

"'t Is gelukkig juist Zaterdagavond," zeide de stem van Suzanna van uit
de andere bedstede: en zij liet er een half gesmoord gelach op volgen,
terwijl een ander stemmetje "st! stil!" fluisterde.

"Stil wat, meisjes!" zeide Tante: "wel foei!"

"Wilt gij eens weten, wat wij hebben afgesproken, onder uw welnemen,"
zeide ik: "Roggeveld zal zijn boerewagen inspannen, en daarmede zullen
Reynhove, Weinstübe en ik naar Muiden vertrekken."

"_Beau trio de baudets_," mompelde Suzanna.

"De Heeren zullen van daar hun weg wel vinden naar Amsterdam: en ik den
mijnen naar 's-Gravenland, vanwaar ik iemand naar de hoeve zal sturen,
om te zien of uw rijtuig zich daar nog bevindt."

"Goed overlegd," zeide Tante.

"En wat Klaas betreft, die zal, met al wie hier in de buurt kan
opgeloopen worden, naar zijn meester terugkeeren, ten einde hem de hulp
te bewijzen, die hij noodig mocht hebben."

"'t Zou ook jammer zijn, dat zij den armen jongen wegstalen," zeide
Suzanna.

"Nu! ik vind alles zeer goed geschikt," zeide Tante, "als gij dan maar
met Kaatje de kamenier overlegt: die weet, wat ons gezonden moet
worden."

"Dit zoo zijnde, wensch ik u een goeden nacht," hernam ik. Ik bleef
echter nog een oogenblik staan, en vroeg met een bevende stem:

"Hebben de jonge dames ook nog iets te gelasten?"

Ik bekwam in het eerst geen antwoord; maar er was eenige beweging, en
een dof gemompel achter de bedgordijnen. Ik stond zelf eenigszins
verlegen, niet wetende of ik gaan of blijven zoude. Opeens vertoonde
zich net hoofd van Suzanna tusschen de gordijnen door.

"Henriëtte vraagt, of gij niet een boodschap aan haar oom zoudt kunnen
zenden, die anders in ongerustheid zou wezen over zijn lieve zoontje."

"Ik was bevreesd om onbescheiden te wezen," fluisterde het lieve
stemmetje van Henriëtte: "maar UEd. zou mij zeer verplichten, Mijnheer
Huyck, indien het in uw vermogen ware."

"Ik neem dit stellig op mij," zeide ik, mij buigende.

"En dan verder," vervolgde Suzanna, "verzoekt Henriëtte, dat gij aan
Kaatje haar kapsel met rozeroode strikken vraagt, en haar kleed met de
fontanges en haar zijden keurs, en haar Brusselsche schoenen en...."

"Ik verzoek om verschooning, Mijnheer Huyck," zeide Henriëtte: "ik heb
niets van dat alles gezegd; zooals Kaatje 't schikt, is 't mij wel. Foei
Santje...."

"Foei Santje!" zeide ik op mijne beurt: en het schelmachtige gelaat
mijner zuster verdween weder achter de gordijnen;--waarop ik, de dames
nogmaals een goede nachtrust wenschende, mij naar beneden begaf.
Welhaast was nu de boerewagen ingespannen en schokten en hotsten wij
naar Muiden, waar wij de halve stad in opschudding brachten. Ik zond
eenig volk aan Lodewijk tot bewaking van het gestrande vaartuig, en een
man te paard naar de hoeve van de oude Martha: ik nam afscheid van mijn
reisgenooten, terwijl Reynhove op zich nam mijne familie te Amsterdam
gerust te stellen, en, een fourgon nemende, reed ik naar 's-Gravenland,
waar, als men denken kan, niemand te bed was gegaan. Ik deelde aan de
kamenier de bevelen van Tante mede, schreef een briefje aan den Heer
Blaek, om hem in korte woorden met de toedracht der zaken bekend te
maken, en begaf mij vervolgens ter ruste. Ofschoon het gebeurde van den
avond wel geschikt was geweest, om mijn ziel te ontstemmen, en mij, in
het begin, de beeltenis van de verbolgen zee en het geteisterde vaartuig
en daartusschen dat van de beminnelijke Henriëtte gedurig voor de oogen
speelden, en hare liefdevolle woorden mij tusschen het geruisch der
golven en het gegier der winden in de ooren suisden, zoo zegevierde toch
eindelijk de vermoeidheid over deze kinderen van het brein en viel ik in
een diepen slaap, waaruit ik niet eerder ontwaakte, dat toen de bediende
mij kwam waarschuwen, dat het rijtuig van Heizicht teruggekomen en weder
met versche paarden bespannen was. Ik kleedde mij spoedig aan, ging naar
beneden, en vond de kamenier reeds met een half dozijn doozen, gereed om
mij te vergezellen. Wij begaven ons terstond op weg naar de boerderij
van Roggeveld: van waar de dames, na een haastig toilet, met ons
terugkeerden. Alle drie waren naar tijdsomstandigheden vrij welvarende,
alleen Tante klaagde over hoofdpijn, en ging dus, zoodra zij op Heizicht
kwam, weder naar bed; terwijl wij jonge lieden onze krachten poogden
terug te bekomen door het gebruik van een stevig ontbijt.


       *       *       *       *       *


VIER-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

HETWELK OVER 'T GEHEEL VAN EEN VRIJ SENTIMENTEELEN AARD IS; DOCH VRIJ
SLAPERIG EINDIGT.


"Ik hoop," zeide Henriëtte tegen Suzanna: "dat de gezondheid van die
goede Mevrouw Van Bempden maar geen slechte gevolgen moge ondervinden
van dezen ongelukkigen tocht."

"Ik hoop het met u," zeide ik: "maar ik durf denzelfden wensch koesteren
met betrekking tot allen, die van de partij zijn geweest."

"Wel ja!" zeide mijn zuster: "neem den wensch zoo algemeen mogelijk: 't
zou jammer zijn u-zelf te vergeten. Gij doet zooals nicht Bender, die,
als zij gasten heeft, nooit zegt; "ik hoop dat het den vrienden," maar:
"ik hoop dat het ons wel zal smaken."

"Wat mij betreft," zeide ik, "ik ben niet van zout of van kraak
porselein en zal aan een nat pak of aan een weinigje vermoeienis niet
sterven."

"Ei kom!" zeide Suzanna: "gij praat als een held, en ondertusschen,
laatst, toen gij terugkwaamt van de reis, waart gij ook mooi ziek van de
bui, die gij op uw dak hadt gehad."

"Inderdaad?" vroeg Henriëtte, op een toon van bezorgdheid, die mij
verrukte: "dan zou het u toch waarlijk wel kwaad kunnen doen, Mijnheer
Huyck! van zoo kort daarna opnieuw aan zulk een weer te zijn
blootgesteld."

"Het zou hem kwaad doen," zeide Suzanna, haar napratende: "wel Jetje!
gij zoudt mijn broeder in den grond bederven. 't Is goed, dat gij mijn
zuster niet zijt."

"Dat zeg ik ook," zeide ik, Henriëtte aanstarende met een
veelbeteekenenden blik, die haar de oogen neer deed slaan.

"Ik moet zeggen, 't is al zeer beleefd," hernam Suzanna: "waar heb je
die fraaie complimenten leeren maken?"

"O!" zeide ik: "Mejuffrouw Blaek houdt niet van complimenten: en ik durf
hetgeen ik zeg staande houden, zonder wegens onwellevendheid veroordeeld
te worden."

"Dat loopt mij te hoog," zeide Suzanna.

"Ja, mij ook," zeide Henriëtte: "en wij zullen Mijnheer de verklaring
zijner woorden maar niet afvergen. Zie!" zeide zij, na eenige
oogenblikken zwijgens en met het blijkbaar inzicht om van gesprek te
veranderen: "'t is mij nog even of ik de beweging van het vaartuig
voel."

"Een gewone sensatie wanneer men op het water is geweest," zeide ik: "en
die van zelve wel slijten zal."

"Nu!" zeide Suzanna: "ik begeer die van mijn leven, noch in schijn, noch
inderdaad weder te ondervinden: ik denk als Poot: 't Is _varen_, maar
met groot _gevaar_: en zoo ik ooit trouw, zal ik de voorwaarde maken,
dat mijn man er geen boeier op nahoude. Ik zou geen oogenblik gerust
zijn."

"Dan moogt gij evenzeer de voorwaarde maken," zeide ik, "dat hij geen
rijtuig houde; want ik geloof, dat men, alles bijeenrekenende, meer
ongelukken met rij- dan wel met vaartuigen tellen zal."

"Dat leert mijne ondervinding niet," zeide Suzanna: "want ik heb wel
honderdmalen in een rijtuig gezeten en nog nooit eenig ongeluk gehad: en
voor de eerste reis dat ik op het water ben, loopt het zoo deerlijk af."

"Lodewijk zou u een tegenovergestelde ondervinding voorwerpen," zeide
Henriëtte: "hij is wel twintigmaal van 't paard gevallen en heeft, de
hemel weet hoe dikwijls, met de sjees omgelegen; terwijl deze rampspoed
de eerste is, die zijn jacht overkomt."

"'t Is dan zeer gracieux van zijnentwege," zeide Suzanna: "dat hij die
juist voor ons bewaard heeft."

Op dit oogenblik kwam de kamenier van Tante binnen, en verzocht, of
Mejuffrouw Suzanna even bij Mevrouw wilde komen.

"Ohé!" zeide Suzanna: "ik voorzie het al: de beschikkingen van den
maaltijd zullen mij worden opgedragen. Wat eet gij liefst, Jetje?--En
gij, Ferdinand?"

"Kom!" zeide ik: "maak maar dat gij boven komt: Tante wacht u immers."

"Aha!--Mijnheer wil gaarne van mij ontslagen worden! Nu! ik zal u
verlossen van mijn overtollig gezelschap: ik ga al."--En, een
spotachtigen blik op ons slaande, verliet zij het vertrek en liet ons
samen.

Wij bleven, gelijk veelal in dergelijke gevallen plaats heeft, een
geruimen tijd zwijgende over elkander zitten: ik, vast besloten
hebbende, mijn zielsverlangen te uiten, maar verlegen, hoe best het
onderhoud aan te vangen: zij, ten gevolge van dat fijne voorgevoel,
hetwelk aan alle vrouwen eigen is, vermoedende wat er in mij omging, en
ijverig voortwerkende met het hoofd voorovergebogen en de oogen stijf op
haar borduurwerk gevestigd; terwijl echter haar kleursverandering en het
zwoegen van haar boezem de onrust van haar gemoed verrieden.

Ik wilde beginnen mijn hartsgeheim te ontdekken, maar wist niet hoe: mij
dacht, ik kon toch niet zoo plompweg met de deur in huis vallen en in de
plaats van: "'t is mooi weer," tegen haar zeggen: "ik bemin u." Ik
vergat, dat tusschen twee gelieven, al spreekt men geen woord, het
onderhoud zijn loop vervolgt, de geest dezelfde gedachtenreeks bij
beiden doorloopt en langs dezelfde schakels voortgaat, zoodat indien
beiden na een uur zwijgens den mond opendeden, men tien tegen één zou
kunnen wedden, dat beiden hetzelfde woord zouden uitspreken; evenals
twee gelijkgestemde harpen, die hetzelfde akkoord uitslaan.

Eindelijk, toen de pauze een geruimen tijd had geduurd, en ik reeds
bedacht begon te worden dat Suzanna terug zou komen eer ik nog een woord
gesproken had, hervatte ik het gesprek daar, waar wij het gelaten
hadden.

"Wij spraken daar van ongelukken met rijtuigen en schepen.--Daar ligt al
een zeer troostrijk denkbeeld voor mij in opgesloten."

"Voor u? en hoe dat?" vroeg zij, zonder de oogen op te slaan, terwijl
mijn onbeduidend gezegde haar een kleur als bloed aanjoeg.

"Omdat," zeide ik, "ik geen rij- noch voertuig houd, en dus minder dan
anderen in de gelegenheid ben om ongelukken daarmede te krijgen."

Nu had die fraaie, zoogenaamde troostgrond, wel beschouwd, noch zin noch
slot: want, ofschoon geen speeljacht hebbende, had ik niettemin den
vorigen avond tot het getal der schipbreukelingen behoord; en ik reed
dikwijls genoeg, zoo niet in mijn eigen, dan toch in eens anders
rijtuig; maar het ging mij, zooals het zelfs verstandiger lieden bij
dergelijke gelegenheden gaat, ik sprak, zonder dat het mij schelen
konde, wat ik zeide, mits ik maar aanleiding vond om tot het punt te
komen waar ik wezen wilde: en deed evenals de jager, die, het wild
navolgende, er weinig om geeft, of hij een gebaand pad inslaat en
veeltijds door heggen en struiken kruipt of over slooten en dammen
springt om zijn doel te bereiken. Henriëtte nam dan ook de moeite niet,
mijn argument tegen te spreken; maar deed er het zwijgen toe: zoodat ik
mij genoodzaakt zag, op denzelfden toon voort te gaan.

"En ik geloof niet, dat ik ooit een speeljacht of een rijtuig bezitten
zal."

Dezelfde stilte.

"Ik geloof, dat men zeer gelukkig kan zijn zonder een van beide."

Dezelfde stilte: maar haar lieve vingertjes begonnen te beven, alsof zij
bespeurde, dat ik weldra duidelijker spreken zoude.

"En gij, Mejuffer!" vervolgde ik, niet minder bevend: "gelooft gij
insgelijks ... ik meen: zoudt gij gelukkig kunnen zijn ... zonder
rijtuig ... zonder al die gemakken, waaraan gij thans ... aan het huis
van uw oom ... gewoon zijt geraakt?"

Dit was een vraag: en hier diende een antwoord op. Dit antwoord was
echter datgene, hetwelk altijd gegeven wordt, wanneer men schroomt of
zich ongehouden acht, rechtstreeks of onbewimpeld te antwoorden.

"Dat weet ik niet ... dat is _betrekkelijk_."

"Vergeef mij," zeide ik: "mijn vraag was misschien onbescheiden. Maar,"
vervolgde ik, opstaande, en mij nevens haar plaatsende, met de eene hand
op de tafel en de andere op den rug van haar stoel: "indien ik die vraag
doe, 't is omdat bijaldien uw hart gehecht ware aan die genoegens, welke
de rijkdom alleen kan verschaffen, ik schromen zoude, u een verklaring
te doen, die...." hier zweeg ik een oogenblik en begon nog harder te
beven. Zij bleef stip op haar werk zien, beurtelings, rood en bleek
wordende.

"Gij hebt mij gisteren," vervolgde ik, "toen wij ons in levensgevaar
bevonden, eenige woorden toegesproken, welke ik nimmer vergeten zal en
die mij ook thans nog als hemelmuziek in de ooren ruischen. Ik zou
echter geene gevolgtrekkingen durven maken uit hetgeen wellicht
aanleiding vond in de ontroering van het oogenblik en in den staat van
opgewondenheid, waarin wij toen verkeerden. Maar zoudt gij thans, bij
bedaarder zinnen, mij vergunnen, aan die woorden een uitlegging te
geven, welke mij voordeelig ware?"

Hier lichtte Henriëtte de oogen op en zag mij aan met een engelachtigen
blik, maar terstond weder voor zich ziende: "ik durf mij vleien," zeide
zij, "dat ik toen bedaard was en geen bewijs van opgewondenheid gegeven
heb. Wat ik dus toen zeide...."

"Blijft gij dat ook thans gestand doen?" vroeg ik, in verrukking, haar
bij de hand vattende en mij over haar schouders neerbuigende.

Zij beantwoordde mijn handdruk en liet terzelfder tijd het hoofd tegen
mijn arm nedervallen. Maar weldra richtte zij zich weder op, en, het
hoofd schuddende, zeide zij met een weemoedigen blik: "Kom! ik ben een
zottin. Verschoon mij, Mijnheer Huyck! Het is beter, dat wij dit
onderwerp niet verder aanroeren ... en zelfs, dat wij elkanders
gezelschap vermijden."

"Hoe!" riep ik uit, verbaasd en terneergeslagen: "gij geeft mij de
zoetste hoop en tegelijker tijd, in één adem, wilt gij mij die weer
ontnemen.

"Ik gevoel dat ik verkeerd heb gehandeld," zeide zij: "maar ik beschouw
u als edelmoedig genoeg om geen misbruik te maken van een oogenblik van
zwakheid. Uw woorden hadden mij verrast...." (Met allen eerbied
gesproken, ik geloof dat dit een weinig bezijden de waarheid was) "en ik
heb niet welgedaan die zoo onbedachtzaam te beantwoorden."

"Niet welgedaan," herhaalde ik: "door aan de inspraak van uw gevoel
gehoor te geven liever dan aan die van de koele rede? Doch, ik zie niet
in, waarom deze beide in dit geval in tegenspraak behoeven te zijn. Zoo
uw hart, door de beantwoording mijner liefde, mij tot den gelukkigsten
der stervelingen maken wil, begrijp ik niet, welke gewichtige gronden de
rede daartegen kan inbrengen."

"Ik ken u nog sinds zeer kort," zeide zij: "en niet genoeg, om te weten
of het gevoel van ... voorkeur, dat ik u toedraag, behoorlijk te
rechtvaardigen is!"

"Indien dit zoo is, wil ik de hoop niet opgeven," zeide ik: "want ik ben
overtuigd, dat de narichten, die men over mij zoude willen inwinnen,
niet zoo geheel tot mijn nadeel kunnen uitloopen."

"Ik geloof u, Mijnheer!" hernam zij, het hoofd schuddende, met een
droefgeestige uitdrukking op het gelaat, die mij bewees, dat zij de ware
reden van haar terughouding niet vermeldde: "maar toch!..."

"Welnu!" wat kan er meer zijn? Ik bid u, verzwijg uwe zwarigheden niet:
ik vlei mij, dat, zoo gij mij slechts wederliefde schenken wilt, ik in
staat zal zijn alle andere bedenkingen te overwinnen."

"Ik hang van mijn oom af," zeide zij, de oogen nederslaande: "en ik
twijfel, of hij...."

"Hoe!" zeide ik: "zou hij iets tegen mijn persoon of familie kunnen in
te brengen hebben? Of is het mijn gebrek aan fortuin, dat mij in den weg
zoude staan? 't Is waar, rijk ben ik niet; maar ik ben thans deelgenoot
eener bloeiende firma en hoop weldra in staat te zijn, eene vrouw, wel
niet op een weelderigen, maar toch op een ordentelijken voet te kunnen
onderhouden."

"Mijn oom zal dat nimmer willen," herhaalde zij: "en ook dan zelfs,
wanneer ik mondig en mijn eigen meesteresse ware, zou ik nimmer iets
doen, hetgeen hem mishagen kon, hem aan wien ik alles verschuldigd ben
en dien ik eeren moet als een vader, ja meer dan een vader: want hij
heeft mij welgedaan, zonder daartoe gehouden te zijn."

"Men kan het hem ten minste vragen," zeide ik: "geef mij slechts uwe
toestemming om mijn vader te verzoeken met den Heer Blaek te spreken:
dat is al wat ik verlang."

"Hoor! ik wil oprecht met u zijn," zeide zij, "en u niets verzwijgen.
Mijn oom heeft zich vast in 't hoofd gezet, dat Lodewijk mij trouwen
moet. Tot nog toe (moet ik zeggen gelukkig voor mij?) stemmen vader en
zoon niet overeen in hun wenschen: anders weet ik waarlijk niet, wat ik
zou moeten doen. Zoolang Lodewijk dus nog ongehuwd blijft, zal mijn oom
zijn hoop niet laten varen, en ieder aanzoek afwijzen, dat hem om mijn
hand gedaan wordt."

"Dus zou ik dan moeten wachten, tot Mijnheer Lodewijk goedvindt, zich in
den echten staat te begeven, of op te stappen?--Mij dunkt toch, dat uw
oom, bespeurende, dat gij over en weer geen geneigdheid gevoelt om zijn
plannen te bevorderen, niet dwaas genoeg zal zijn, om die vol te willen
houden. Hij heeft u en zijn zoon beiden lief: en zal uw beider ongeluk
toch niet willen. Mij dunkt, ik zou mij sterk maken, hem zulks aan zijn
verstand te brengen."

"Ik vrees, ik vrees," zeide Henriëtte; "maar ik heb er in zooverre niets
tegen, dat gij het beproeft," voegde zij er bij met een betooverenden
lach.

"Heb dank voor deze vergunning," zeide ik, haar hand met vurigheid aan
mijn lippen brengende: "laat nu gebeuren wat wil, eenmaal toch zullen
wij vereenigd zijn."

Op dit oogenblik ging de deur open. Wij stoven verschrikt uit elkander
en zagen, tot onze niet geringe ontsteltenis, de Heeren Blaek, vader en
zoon, binnentreden. De eerstgemelde scheen onze verwarring niet te
bespeuren; althans hij toonde daar niets van: maar terstond naar
Henriëtte toegaande, omhelsde hij haar hartelijk en vroeg haar of zij
reeds van den schrik bekomen was, en of zij zich niet ongesteld
gevoelde.

"O!" zeide zij: "ik ben zoo wel, of er niets gebeurd was."

"Ik weet niet, Nichtje!" zeide Lodewijk, die intusschen ons beiden met
een spotachtigen blik beschouwd had; "maar mij dunkt als men u wel
aankijkt, gij ziet er toch wel wat ontdaan uit. Laat eens zien,"
vervolgde hij, haar hand nemende: "gij beeft er waarlijk nog van."

"In allen gevalle," zeide ik, niet zonder eenige verontwaardiging: "zou
het geen wonder zijn, indien Mejuffrouw de gevolgen van dien
noodlottigen avond nog ondervond."

"Zoo, vriend Huyck," zeide Lodewijk, als zag hij mij eerst nu: "wel
gerust?--Ja! 't was een ongelukkig geval. Maar wie drommel kan het
helpen? Ik lij er het meest bij! En hoe heeft die stoffel van een
Weinstübe het toch gemaakt? Jongens! wat zat de vent in de benauwdheid!"

"Ik ben uw dienaar, Mijnheer!" zeide de oude Heer Blaek zich buigende:
"wij waren eens komen vernemen naar de gezondheid van de dames: en
tevens moet ik u mijn dank betuigen voor de spoedige mededeeling.
Lodewijk dient ook zijne verontschuldigingen te maken:--hij heeft gewis
wat onvoorzichtig gehandeld; doch, zooals hij zegt, hij lijdt er het
meeste bij: want het zal geen kleintje kosten om het jacht weer in 't
water te krijgen:--en er zullen wel wat reparatiën aan moeten gedaan
worden ook."

"En verhaal ons eens," zeide Henriëtte, "hoe is het u verder gegaan?"

"O!" antwoordde Lodewijk: "men heeft mij wel lang genoeg laten wachten;
maar eindelijk kwam er toch volk opdagen, en toen heb ik Klaas bij 't
jacht gelaten en ben naar Guldenhof getrokken en terstond, zoodra ik
gekleed was, was het wederom inspannen om hierheen te rijden."

"Gij gevoelt," zeide de Heer Blaek tegen Henriëtte, "dat Lodewijk zich
geen oogenblik rust wilde gunnen, voor hij vernomen had, hoe het met
zijn lieve nicht was gesteld."

Onder dit praten kwam Suzanna weder binnen, met de boodschap aan de
Heeren, dat Tante eenigszins vermoeid was, doch meende op te staan om
hen te ontvangen. Het ontbrak nu niet aan stof tot gesprek, waartoe al
de gebeurtenissen van den vorigen avond weder werden opgehaald. Na
verloop van eenigen tijd kwam Tante ook beneden, en kort daarna reden
mijn ouders, die vroeg in den morgen door Reynhove bericht van het
gebeurde bekomen, en, niet weinig bekommerd, dadelijk rijtuig besteld
hadden, Heizicht binnen. Ik zal hier van de blijdschap des wederziens
niet gewagen, die men zich licht kan voorstellen: en even van de
gesprekken, welke dien dag gevoerd werden en waarvan de reeds verhaalde
gebeurtenis het hoofdonderwerp uitmaakte. Ik was vermoeid en verveeld
van zoo dikwijls over hetzelfde te hooren praten, en bovendien belette
mij de verliefde stemming, waarin ik mij bevond, behoorlijk aandacht te
schenken aan hetgeen er gesproken werd.

Het was mijn oogmerk geweest, met Suzanna den volgenden morgen
vroegtijdig weder naar Amsterdam te vertrekken: de komst mijner ouders
bracht echter eenige verandering in ons plan teweeg: en, daar zij twee
plaatsen in hun rijtuig open hadden, werd er goedgevonden dat wij beiden
na den eten met hen zouden terugkeeren; een schikking, waar niet veel
tegen in te brengen viel; hoezeer Tante zich bitter beklaagde, dat men
haar juist nu, nadat zij zulk een schrik had gehad, zoo alleen liet
(want Henriëtte zoude ook den volgenden dag vertrekken); dat dit niet
vriendelijk of beleefd was, enz. Intusschen wisten wij allen zeer goed,
dat zij van den schrik reeds genoeg bekomen was, en inderdaad liever
alleen wenschte te zijn, om op haar gemak al de toebereidselen te kunnen
maken voor de feestviering, welke zij voornemens was, veertien dagen
later ter gelegenheid van den jaardag mijner moeder, op Heizicht te
geven, en waarmede haar levendige verbeelding reeds sedert lang werkzaam
was geweest.--De tweede persoon, die reden had om zich over de
bespoediging van ons vertrek te beklagen, was ikzelf: want ik zag mij
daardoor teleurgesteld in het aangenaam vooruitzicht om nog dien avond
in het gezelschap door te brengen van haar die ik liefhad. Men begrijpt
echter, dat ik mijn verlangen om te blijven niet aan den dag dorst
brengen, vreezende, zoo ik daarvan sprak, mijn zielsgeheim te verraden,
hetwelk ik, gelijk verliefden gewoonlijk doen, mij verbeeldde, dat ieder
reeds in mijn oogen lezen kon. Alleen een droevige blik, op Henriëtte
geworpen, en een handdruk, die meer dan gewoonlijk beteekende, bij ons
vertrek, moesten haar doen weten, hoeveel mij dit afscheid kostte:--en
ik geloof mij niet bedrogen te hebben, zoo ik, toen wij reeds in het
rijtuig gezeten waren en het laatst vaarwel over en weder klonk, een
traan in hare oogen meende te zien glinsteren.

In het naar huis gaan was ik stil en afgetrokken, zoo zelfs dat Suzanna
mij daarover bespotte; ik had echter twee zeer goede verschooningen
gereed, namelijk: slaap en vermoeienis, welke mijn goede moeder
alleszins geldig vond: en ik bekwam alzoo verlof om niet te spreken en
mij tot slapen te zetten. Suzanna, die, niettegenstaande zij er mij mede
gebruid had, zelve toch eenigszins de uitwerking der doorgestane
vermoeienissen voelde, begon weldra te gapen en te knikkebollen, en
raakte, zoodra het donker was, in een diepe rust; zoodat ik nu volle
vrijheid bekwam, om, met geslotene oogen en in een hoek van het rijtuig
gedoken, mij over te geven aan mijn verliefde droomen, welke
langzamerhand in werkelijke droomen overgingen; zoodat ik, toen wij de
Weesperpoort binnenreden, in een gerusten slaap lag gedompeld.


       *       *       *       *       *


VIJF-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

HETWELK EEN VERVOLG IS OP HET VIER-EN-TWINTIGSTE.


"Dat zijt gij gelukkig ontkomen," zeide de Heer Van Baalen, toen hij mij
den volgenden morgen op het kantoor begroette: "gij hadt waarlijk tot
spijs voor de visschen kunnen verstrekken;--belieft het u dezen brief in
te zien, die gisteren met de Hamburger post is aangekomen."

"In waarheid," antwoordde ik, den brief aannemende: "het is eene
bijzondere bewaring Gods!" en ik doorliep vluchtig het blad, dat ik in
handen had.

"Men wil wel zeggen," vervolgde hij, "dat die Jongeheer Blaek de rechte
man niet is, om een jacht te besturen!--Is UEd. niet van oordeel, dat
wij die commissie zeer goed kunnen volbrengen?"

"Mij dunkt, dat de risico niet groot is," antwoordde ik op de laatste
vraag. "Ja Mijnheer! Het is eigenlijk een gewaagde onderneming, met hem
te gaan zeilen," was mijn bescheid op de eerste.

"Neen voorwaar!" hernam hij: "ik heb ook in mijn jongen tijd een boeier
gehad; maar ik ben er vroeg mede uitgescheiden: ik trof nooit goed weer:
de spullen waren altijd onklaar: ik kon nooit een geschikten helper
krijgen: ik was altijd ongelukkig in al dat soort van ondernemingen.
Maar, om die commissie te volvoeren, wenschte ik gaarne een meer
ijverigen makelaar te nemen dan die De Wijs is:--ik heb nogal die nota
niet ontvangen, waar ik laatst over sprak.--Bovendien ben ik stellig
onderricht, dat hij somtijds zaken voor zichzelf doet: en de zoodanigen
wil ik niet gebruiken. Zij, die zaken voor zich doen, moeten die van hun
patroon noodwendig verwaarloozen."

"Wat dunkt UEd.," zeide ik, mij mijn vriend van de dichteren-vereeniging
herinnerende: "zoo wij Velters gebruikten?"

"Hm! hm! Hij is niet onknap, en heeft een goeden wil, maar hij is wat
jong."

"Des te ijveriger zal hij zijn en des te minder eigenwijs."

"Dat moet ik u toegeven;--maar er is nog iets anders:--hij rijdt te
paard:--en ziedaar iets ongehoords voor een makelaar."

"Niet anders als zeer vroeg in den morgen," zeide ik: "en op voorschrift
van zijn dokter;--maar ik geloof niet, dat iemand hem ooit in gezelschap
met anderen heeft zien rijden."

"En dan," vervolgde Van Baalen: "wat het ergst van alles is, hij maakt
rijmpjes.--Hoe wil er nu ooit een degelijk en bruikbaar mensch van
groeien?"

"Wel!" zeide ik: "dat bewijst alleen, dat hij te veel ledigen tijd
heeft. Hij is waarlijk niet onknap: en, zoo ik er eenigszins over durf
oordeelen, dan heeft hij veel kennis van zaken en een helder, gezond
verstand. Verschaffen wij hem werk, dan zal hij dat rijmen vanzelf wel
laten varen."

"Nu, _fiat_! UEd. heeft zijn zaak zoowel bepleit, dat ik er niets verder
tegen kan inbrengen. Zijn vader was bovendien een braaf man, aan wien ik
veel verplichting heb gehad.--Wij kunnen het beproeven.--Zien wij
verder: Willem Bartelsz. en Co. te Enkhuizen schrijven, dat zij op ons
trekken zullen. Eilieve! Mijnheer Wijdveld! Hoe staat onze rekening met
dat huis?--Mij dunkt, wij moeten reeds in avans voor hen zijn."

"Zoo is het, Mijnheer!" zeide de Boekhouder, het folio opslaande.

"Daar zal over geschreven dienen te worden," zeide Van Baalen: "dat kan
zoo niet gaan."

"Heeft UEd. geen vertrouwen op de lieden?" vroeg ik.

"Hoor, mijn waarde Heer Huyck! Vertrouwen is een goede zaak en buiten
die kan men geen handel drijven: maar _ne quid nimis_! zooals wij op de
school plachten te zeggen. In de negotie moet men zelfs zijn eigen vader
niet te veel vertrouwen schenken: dat is een vaste regel: hou u daaraan.
Niet of de firma Willem Bartelsz en Co. staat ter goeder naam en faam:
en ik zou gaarne een dik pak wissels op haar bezitten, door een solide
huis getrokken;--maar alles kan mee- en tegenloopen: en ik heb er
zoovelen in mijn leven zien vallen, die zoo vast schenen te staan als
het stadhuis.--Monsieur Snijders! zijt gij bij den Notaris Bouvelt
geweest?--En hoe luidde de boodschap?"

"Ja, Mijnheer!" antwoordde de kantoorbediende: "En het briefje was meer
geruststellend: de patiënt heeft een redelijken nacht gehad en bevindt
zich iets beter."

"Nu! dat verheugt mij," zeide Van Baalen: "zou hij er waarlijk bovenop
komen? Er zou ook veel aan den man verloren zijn geweest.--Hij bezit het
vertrouwen van de halve stad, ja van menigeen buiten de stad:--ik geloof
zelfs, dat men weinig handelskantoren zoude vinden, die zulke
uitgebreide relatiën hebben als hij."

"De Hemel geve dat hij spoedig herstelle!" dacht ik bij mijzelf: "dan is
het te verwachten, dat mijn geheimzinnige vriend Bos ook spoedig klaar
komt en opdrost."

Die naam van Bouvelt had intusschen opnieuw een snaar aangeroerd, welke
een reeks van herinneringen deed ontstaan, en ik had werk om behoorlijke
aandacht te schenken aan hetgeen mijn Compagnon mij verder mededeelde.
En toen ik eindelijk, aan mijn lessenaar gezeten, mij tot den arbeid
zoude begeven, zag ik mij opnieuw buiten staat om een behoorlijke
oplettendheid te wijden aan datgene, waar ik mij mede bezig moest
houden, en schenen de letters, die ik voor mij had, zich telkens te
vereenigen om geen anderen naam aan mijn oogen voor te stellen, dan dien
van Henriëtte Blaek.

Ik schaamde mij echter, niet over mijn liefde, maar over den invloed,
dien een hartstocht over mij uitoefende: en ik vormde het besluit om
niet langer uit te stellen mijn ouders met het gebeurde bekend te maken.
"Het is," dacht ik, "alleen de onzekerheid, welke mij het werk moeielijk
maakt. Is eens mijn lot op deze of gene wijze beslist, dan zal ik kalmer
zijn en weer in staat mijn plichten naar behooren te vervullen."

Hoe zegende ik het geluk, een moeder te bezitten. Want men gevoelt het,
het was voor haar, dat ik in de eerste plaats mijn hart wenschte te
ontboezemen. Zij, dit wist ik, zou mij met verschoonende deelneming
aanhooren; zij zou wat in mijn hart omging op rechten prijs stellen: zij
zou mij ten voorspraak strekken bij een vader, dien ik liefhad en eerde,
maar die wellicht mijn liefde af zou keuren, of als een voorbijgaande
neiging aanzien, bestemd om even spoedig te verdwijnen als zij was
opgekomen.

Ik nam dan ook nog dienzelfden middag de gelegenheid waar, dat mijn
vader in zijn kamer aan 't werk zat, en dat Suzanna met de jongere
kinderen een grachtje rondging, om de lieve vrouw over mijn
huwelijksplannen te onderhouden, en haar te bidden, mijn vader te
bewegen, om een bezoek bij den Heer Blaek af te leggen en hem voor mij
de hand zijner nicht te vragen. Mijn moeder luisterde naar mij met de
belangstelling, waarop ik wist te kunnen rekenen: maar toch kon ik aan
de eenigszins ontevredene uitdrukking van haar gelaat bemerken, dat het
medegedeelde haar niet volkomen welkom was. Ik was echter op zwarigheden
voorbereid en wist met de welsprekendheid eens verliefden al de
bedenkingen op te lossen, welke zij, zoowel uit de kortstondigheid
mijner kennismaking met Henriëtte, als uit ons gebrek aan fortuin wist
te putten. Het viel mij echter zwaarder dan ik gedacht had, haar te
overreden om mij haar hulp te beloven ter bereiking van een oogmerk,
dat, naar ik duidelijk gewaar werd, hare meer verhevene verwachtingen
teleurstelde. Want, welke moeder, zij moge overigens de nederigste en
verstandigste vrouw zijn, koestert geen inzichten en wenschen omtrent
haar kinderen, hooger en grootscher dan de wezenlijkheid kan
teweegbrengen? Eindelijk echter, toen zij vernam, dat ik mijn liefde
reeds verklaard had, en dat de zaak tusschen Henriëtte en mij zoo goed
als beklonken was, deed zij, zooals alle moeders zouden gedaan hebben:
zij omhelsde mij, en beloofde, mijn belangen te zullen voorstaan en bij
mijn vader bepleiten.

Den volgenden namiddag riep mijn vader, die aan tafel buitengewoon stil
en afgetrokken was geweest, mij met hem naar zijn kamer. Ik volgde
bevende als een misdadiger, die in het verhoor zal gaan; want zijn
gelaat stond strak en ernstig en voorspelde weinig goeds. Hij wees mij
zwijgend een stoel aan en zette zich over mij. Na een snuifje te hebben
genomen, begon hij aldus:

"Uw moeder heeft mij gezegd dat gij huwelijksplannen in 't hoofd hebt."

"Inderdaad, Vaderlief! En ik zou mij hoogstgelukkig achten, indien zij
uwe goedkeuring konden wegdragen."

"Gij hebt altijd een bedaard oordeel gehad, Ferdinand! en waart nooit
gewoon u te overijlen. Des te meer bevreemdt het mij, dat gij, nu het
den gewichtigsten stap uws levens geldt, u blootstelt, wegens
onberadenheid veroordeeld te worden."

"Ik hoop," zeide ik, "dat mijn keus mij voor een dergelijk vonnis
vrijwaart.

"Rechtuit gesproken, dat doet zij niet. Ik heb altijd veel goeds van de
bedoelde Juffer gehoord:" ('t is zonderling, dat vaders in een dergelijk
geval nooit den naam uitspreken, als waren zij bang dat daarin een
mystieke kracht lag opgesloten), "zij ziet er lief uit, en ik kan klaar
begrijpen, dat een jongmensch haar naar zijn zin vindt;--maar toch! een
meisje, dat gij nog den tijd niet hebt gehad te leeren kennen, zoo
opeens tot de gezellin uws levens te kiezen, dat is wat vlug, wat wild
geprocedeerd, en, zooals ik zeide, dat had ik niet van u verwacht."

"Ik moet bekennen," zeide ik, "dat uw beschuldiging veel grond heeft;
maar ik neem de vrijheid, u te doen opmerken, dat ik, door een samenloop
van toevallige omstandigheden, gelegenheid heb gehad, haar karakter te
leeren kennen en waardeeren. Toen ik haar voor het eerst ontmoette op
den koepel van Guldenhof, trof mij haar beschaafde toon, haar
ingetogenheid en minzaamheid: later op Heizicht vond ik een nieuw
behagen in haar ongedwongen en toch recht fatsoenlijken omgang:--en op
het jacht, in de ure des gevaars, kreeg ik eerbied voor haar
beradenheid, haar kalmte van geest en godsdienstzin. UEd. zult mij
toestemmen, dat die weinige dagen mij beter hebben in staat gesteld, een
oordeel over haar te vellen, dan dat ik haar jaren lang op gastmalen en
danspartijen ontmoet had."

"Daar is wat van aan:--en met welk oog ziet zij u aan?"

Ik verhaalde aan mijn vader de omstandigheden van mijn onderhoud met
Henriëtte.

"Ik had niet verwacht," hernam hij, "dat gij een dergelijken stap zoudt
doen, alvorens uwe ouders daarover te raadplegen."

"Ik betuig u, mijn vader!" zeide ik, "dat het volstrekt mijn voornemen
niet was, toen ik naar Heizicht vertrok, mijn liefde te verklaren; doch
na hetgeen op het jacht was voorgevallen, kon ik niet nalaten te
spreken."

"Intusschen zie ik niet, dat gij nog ver gevorderd zijt."

"Niet!--daar ik de zekerheid heb, dat mijn aanzoek aan Henriëtte niet
onverschillig is?"

"Goed! maar zij heeft u te kennen gegeven, dat haar oom zijn toestemming
waarschijnlijk zal terughouden:--en ik moet u betuigen dat ik niet
anders zeggen kan, of de man zal gelijk hebben ook. Zoolang zij nog
minderjarig is, zou hij zeer verkeerd handelen, alle meer schitterende
uitzichten, die zich voor haar zouden kunnen opdoen, te vernietigen,
door haar weg te geven aan iemand, wiens fortuin slechts in
verwachtingen bestaat;--want gij weet het, wat ik u kan medegeven is
weinig of niets."

"Ik verlang ook niet," zeide ik, "dat de Heer Blaek terstond in een
huwelijk toestemme. Zoo hij slechts verlof geeft, dat ik zijn nicht
oppasse, en zoo 't heet, nadere kennis met haar make: ziedaar alles, wat
ik voor het oogenblik vergen kan."

Mijn vader haalde de schouders op. "Na hetgeen gij met de Juffer
gesproken hebt," zeide hij, "hebt gij mij in een zekeren zin wel in de
noodzakelijkheid gebracht om acces voor u te verzoeken. Ik zal den Heer
Blaek belet doen vragen."

"Vader!" riep ik, uitgelaten van blijdschap: "uw goedheid is grooter dan
ik verdien. Hoe zal ik dat vergelden?"

"Stil," zeide hij: "verheug u niet te spoedig en bouw geen
luchtkasteelen; want het antwoord van den Heer Blaek kon die wel opeens
vernietigen.--Intusschen, ik moet het u zeggen, de mededeeling van uw
liefde heeft mij in zeker opzicht genoegen gedaan. Ik was inderdaad
bezorgd, dat gij andere dingen in uw schild voerdet, en dat uw
afgetrokkenheid in de voorgaande week een andere, min verschoonbare
oorzaak had.--Doch ik hoor Heynsz de trap opkomen:--_ianitor ante
fores_: ga nu heen:--ik beloof u, hedenavond nog zal ik aan den Heer
Blaek schrijven."

Ik kuste vurig de hand mijns goeden vaders, en na aan mijn moeder en
Suzanna den stand van zaken te hebben medegedeeld, snelde ik met een
opgeruimd gemoed naar het kantoor. Bij mijn terugkomst in den
familiekring, verhaalde mijn vader mij, dat hij aan den Heer Blaek had
geschreven, en dat deze geantwoord had, hem den volgenden avond te
zullen afwachten.

"Nu hoop ik, Papa!" zeide Suzanna, "dat UEd. toch niet vergeten zult, al
de goede hoedanigheden van Ferdinand op te tellen, ten einde den Heer
Blaek te overtuigen, dat hij aan niemand anders zijn nicht beter kan
besteden, dan aan hem."

"Gij zoudt weldoen, mij die op een lijstje te geven," zeide mijn vader:
"misschien mocht ik er sommige vergeten."

"UEd. zoudt kunnen beginnen, hem het lofdicht van Helding te laten
lezen," zeide Suzanna."

"_Carminibus confide bonis_," zeide mijn vader: "maar Ovidius *beweert
nergens, dat men ook op prulverzen vertrouwen moet."

"Nu!" hernam Suzanna: "dan most UEd. het over een anderen boeg wenden en
vooreerst hem prijzen wegens het buitengewoon doorzicht, dat hij aan den
dag legt door zoo, in vier of vijf dagen, welke hij met haar heeft
doorgebracht, zich in staat te bevinden om al de voortreffelijke
hoedanigheden te ontdekken, waarmede Jetje Blaek begiftigd is."

"Ik zou die snaar maar niet aanroeren," zeide mijn moeder, het hoofd
schuddende: "ik vrees, dat de Heer Blaek al wel uit zichzelven de
opmerking zal maken, dat die liefde al vrij spoedig is opgekomen."

"In de tweede plaats," vervolgde Suzanna: "moet UEd. hoog opgeven van
Ferdinands zelfvertrouwen, hetwelk hem vrijmoedigheid geeft om, hoewel
hijzelf niets bezit, een Juffer te vragen, die ook niets heeft, in de
vaste overtuiging, dat hij spoedig fortuin zal maken."

"Och, gij maakt weer paskwillen," zeide mijn moeder, "maar al heeft
Ferdinand nu niet veel, hij is toch niet geheel zonder vooruitzichten:
en, zooals ik mijn schoonzusters ken, vlei ik mij, dat zij wel iets
zullen bijbrengen, om hem in staat te stellen, zijn huishouding te
beginnen."

"Wel ja!" zeide Suzanna: "wat zou men niet voor zulk een lief neefje
doen?--Nu! ik zal eens zien, of ze in de bos voor hem blazen; want zij
zullen voor mij vast niet minder doen, en dan weet ik, ingeval ik eens
gevraagd worde, waar ik op rekenen kan;--maar laten wij niet
afdwalen:--UEd. moet verder zijn standvastigheid roemen in het bewaren
van 't geheim, 't geen zich daaruit bewijzen laat, dat hij aan niemand,
zelfs aan mij niet, die hem toch nog met goeden raad had kunnen dienen,
iets van zijne liefde heeft laten blijken."

"Dat was juist zoo lofwaardig niet," zeide mijn moeder.

"Ga maar voort," zeide ik tot Suzanna: "ik ben nu best gestemd om
geplaagd te worden."

"Wel, gij zoudt mij haast doen zwijgen," hernam zij: "want in dat geval
heb ik er weinig eer van.--Voorts moet Papa breed uitweiden over de
welsprekendheid, die gij bezit, en waarmede gij zoo in een wip het hart
van een onschuldig maagdelijn veroverd hebt, zoodat gij zeggen kunt als
César: ik kwam, zag en overwon."

"Ik weet niet," zeide mijn vader: "of het juist veel voor het oordeel
van de Juffer bewijst, dat zij haar jawoord zoo spoedig aan dien Sinjeur
gegeven heeft."

"Foei Willem!" zeide mijn moeder: "hoe kunt gij zoo iets zeggen."

"Och! 't is maar één paar bedorven," zeide Suzanna: "maar gij moet
denken, Papa, dat Jetje ook niet te streng veroordeeld moet worden. Zij
kan haar vrijers wel tellen: en dewijl haar neef, die bullebak, haar
toch niet hebben wil, doet zij zoo mal niet, de gelegenheid bij de haren
te pakken. Ik weet, helaas! zelve bij ondervinding, dat de liefste,
beminnelijkste, aardigste, geestigste meisjes, zonder geld, vruchteloos
op den uitkijk zitten, en als Mevrouw Blauwbaard roepen: Anna! zuster
Anna! ziet gij niets komen?"

"Ei zoo, Santje!" zeide ik: "ik wist niet dat gij er zoo over dacht.
Hebt gij zulk een haast om getrouwd te zijn?"

"Oho! hadt gij hoop, mij als een oude vrijster te zien sterven, en
rekent gij al op mijn erfenis voor uwe kinderen?

     Op potgeld, rente, kustinghbrieven;
     En schimmelpenningh, lang vergaert,
     En spaerpot uyt myn mont gespaert?--

zooals Vondel zegt:--Och jongenlief! Stel dat maar uit uw zinnen: het
zou de bloeien toch uit de hand vallen: en ze zouden hun vingers aan
Tantes geld wel niet blauw tellen. Maar Vaderlief! zeg mij toch eens,
wij hebben er laatst ook over gesproken, Ferdinand en ik: hoe komt de
oude Heer Blaek toch zoo schrikkelijk en geweldig rijk en zijn nichtje
zoo arm?--heeft Jetjes vader er den boel wezenlijk doorgelapt, gelijk
men verhaalt?"

"Gij vraagt mij meer dan ik u zeggen kan," antwoordde mijn vader: "Ik
ben ambtshalve genoeg gedwongen om in de geheimen van anderen te
dringen, zoodat ik mij daar uit nieuwsgierigheid zelden over bekommer.
Wel weet ik, dat zoowel Jacobus als Hendrik Blaek weinig vermogen
bezaten: zoo zelfs, dat zij beiden, eens weduwnaars zijnde, het
vaderland hebben verlaten om hun fortuin elders te beproeven. Den eenen
is dit gelukt: de andere is gestorven eer hij tijd had gehad, iets te
vergaderen."

"Hij moet wel schrikkelijk veel geld hebben, die oom Blaek," zeide
Suzanna: "althans zijn zoontje maakt nogal vertering, zonder dat het hem
schijnt te hinderen."

"Lodewijk Blaek heeft geld van zijn eigen," zeide mijn moeder "maar wat
bekommert ge u daarover kinderen! het geld maakt iemand immers niet
gelukkiger: uw vader en ik zijn nooit lieden van vermogen geweest en wij
hebben toch genoeglijke dagen te zamen gesleten. Ik heb, dat beken ik,
wel eens gewenscht, dat uw vader niet verplicht ware, een zoo drukke
bediening waar te nemen als hij doet, en dat hij wat meer tijd overhad;
maar zonder werkzaamheden zou hij zich ook ongelukkig voelen."

De komst van mijn jongere broeders en zusters, die zooeven door den
cijfermeester verlaten waren en nu het vertrek binnenstoven, deed het
gesprek hier afbreken, en er werd dien avond over dat onderwerp niet
meer gerept.

Men kan licht beseffen, dat ik den daaropvolgenden dag weinig rust of
duur had en den Hemel dankte, toen de werkzaamheden aan het kantoor des
avonds waren afgeloopen, en ik, hoewel met een beklemd gemoed, mij naar
huis kon spoeden, alwaar ik mijn moeder en zuster, benevens tante Letje,
die mede in 't geheim was, gezeten vond, insgelijks in pijnlijke
verwachting de terugkomst mijns vaders verbeidende.

Er verliep echter nog een goed half uur, alvorens wij de bekende schel
hoorden overgaan. Ons aller hart klopte hevig bij zijn binnentreden;
maar toen wij hem aanzagen, stond zijn gelaat zoo strak, dat de vraag:
"wel! hoe is het afgeloopen?" ons op de lippen bestierf en wij elkander
zuchtend aankeken.

Mijn vader plaatste zijn hoed op de tafel en nam zwijgend plaats.

"Ik zie het al," zeide ik: "het aanzoek is niet gunstig opgenomen."

"Ziehier in substantie waarop het antwoord is nedergekomen. De Heer
Blaek heeft mij zeer beleefd ontvangen, en betuigd, dat een verbintenis
met onze familie hem zeer zou vereeren. Maar, volgens zijne meening
rustte er, ten opzichte zijner nicht, een nog zwaardere verantwoording
op hem dan er bestaan zoude, ingeval de Juffer zijn dochter geweest
ware.--Zoolang zij nog minderjarig was, kon hij, als haar voogd, zijn
toestemming niet geven tot een huwelijk met iemand zonder middelen: zij
was nog te jong en te onbedreven om zelve te kiezen: hij kende u
volstrekt niet;--en hij moest u dus verzoeken alle verdere pogingen om
zijn nicht te zien of te spreken te laten varen, tot zij meerderjarig
was en zelve gerechtigd een keus te doen."

"Hoe! mag ik zelfs de kennis niet onderhouden?--Dat is toch wat hard en
onbillijk."

"Veroordeel den Heer Blaek niet," zeide mijn vader: "ik kan hem zoo
groot ongelijk niet geven: hij is aan God verantwoording schuldig van
het lot zijner nicht, en hij behoort voor haar te waken. Gij hebt haar
reeds alleen gesproken, uw liefde verklaard en antwoord van haar
ontvangen; hij mag, nu hij het aanzoek afslaat, de hernieuwing van
dergelijke pogingen niet toestaan."

"Hij bewaart haar zeker voor zijn lieven Lodewijk," zeide Suzanna
wrevelig: "maar zoo zij dien neemt, wil ik haar nooit meer zien."

"Kom! omhels mij, Ferdinand! en troost u," zeide mijn goede moeder: "de
tijd baart rozen: zoo gij haar wezenlijk blijft liefhebben en gij haar
mede niet onverschillig zijt, kan alles nog terecht komen."

"Rechtuit gezegd," zeide mijn vader: "is het misschien beter zoo:--gij
zult nu gelegenheid hebben om uw hart te beproeven en te ontdekken of
het alleen een voorbijgaande neiging dan wel een duurzame, oprechte
liefde is, die u bezielt. Het is voor u, ik beken het, een
teleurstelling; maar het is nuttig en heilzaam voor ons, zwakke
stervelingen, beproevingen te ondervinden en die standvastig te leeren
dragen."

Ik zweeg en zag voor mij; want hoe waar en verstandig ook de woorden
mijns vaders waren, het was van mij toch op het oogenblik niet te
vergen, dat ik er mede instemde. Ik zette mij mistroostig neder: ook de
overigen waren weinig tot vroolijkheid gestemd: en de avond zou vrij
treurig zijn afgeloopen, had niet een onvoorzien bezoek ons eenige
afleiding geschonken.

Het was namelijk Reynhove, die zich liet aandienen: wij konden niet
nalaten, hem te ontvangen, daar men hem reeds gezegd had, dat wij te
huis waren; ofschoon wij, althans in de eerste oogenblikken van
gedachten waren, dat hij zijn tijd al zeer verkeerd uitkoos. Hij werd
dan binnengelaten, en zijn ongedwongen, vroolijke zwier leverde een zoo
sterk contrast op met de donkere, betrokkene gezichten der aanwezigen,
dat hij in het eerst geen aangenaam denkbeeld van onzen huiselijken
kring kan hebben opgevat.

"Ik kan niet mankeeren," zeide hij, na eenige strijkages, mij te komen
informeeren naar de gezondheid van Mejuffrouw Huyck. Ik hoop, dat UEd.
geene _suites_ van die fatale historie hebt ondervonden.

"Volstrekt geene," antwoordde Suzanna: "en het eenige, wat er mij van
bijblijft, is een vast voornemen om niet weder met zulke wilde zeilers
scheep te gaan."

"En tevens kwam ik mij de eer procureeren," vervolgde Reynhove, "van
kennis te formeeren met den Heer en Mevrouw Huyck: een satisfactie,
welke ik mij tot nog toe had moeten refuseeren, en welke het gunstigste
resultaat is van dat facheus geval."

"Wij zijn zeer verplicht voor uwe goedheid," zeide mijn vader,
glimlachende: "het doet ons echter leed, dat er een zoo gewichtig
voorval noodig was, om ons de eer van uw bezoek te verschaften."

"De Heer Reynhove," merkte Suzanna aan, "kan met recht zeggen, dat hij
hier is komen aanwaaien; vermits hij zonder den storm niet hier zou
geweest zijn."

"Mejuffrouw drijft er den spot mede," zeide Reynhove, een weinig
verlegen: "en ik beken, dat ik mij verkeerd exprimeerde. Ik heb tegen
mijn eigen belang gehandeld, dat ik hier niet vroeger een visite ben
komen brengen; maar, ik declareer oprecht, dat zoodra ik aan Mejuffrouw
Huyck gepresenteerd was, ik het project geformeerd had, dat ik thans
effectueer." Dit zeggende, keek hij Suzanna zoo veelbeteekenend aan, dat
zij een kleur kreeg en dat mijn moeder enigszins bezorgd opzag.

"Men kan wel zien, dat Mijnheer uit Den Haag komt," zeide Suzanna, en
zag te gelijk haar moeder aan, als wilde zij zeggen: "heb geen
zorg."--"Wat mij betreft," vervolgde zij tot Reynhove: "ik blijf nooit
achterlijk, wanneer ik complimenten ontvang, en ik zal op mijne beurt
avoueeren, dat ik, hoewel eerst na den storm, het plan geformeerd had,
Mijnheer te bedanken voor de attenties, ons bij gelegenheid van het
ongeval getemoigneerd."

"Foei Santje!" zeide mijn moeder: "gij moet dit niet als een compliment
doen voorkomen. Het is niet meer dan plichtmatig dat gij Mijnheer
bedankt, en wij, als ouders, doen hetzelfde."

"Het weinige, dat ik verrichtte, meriteert geen _eloges_," zeide
Reynhove: "ik ben te gelukkig van in de occasie te zijn geweest, om de
dames eenige geringe diensten te kunnen bewijzen, en heb niets gedaan
als hetgeen ieder, die eenig gevoel van compassie en betamelijkheid
bezit, in mijne plaats zoude verricht hebben."

"Dat is een mooi compliment voor Weinstübe," zeide Suzanna.

"Ik kan het niet helpen," zeide Reynhove, "zoo hij geen beter
meriteert."

"Nu!" zeide mijn moeder, altijd geneigd om alles van de beste zijde te
zien: "hij is verschoonbaar: ik kan nog al vergeven, dat men bij een
storm anderen vergeet en alleen om zich zelven denkt. Aan wal zou hij
waarschijnlijk beleefder geweest zijn."

"Ik twijfel er aan," zeide Suzanna, het hoofd schuddende.

"En dan," voegde Tante Letje er bij: "ik ken den mensche niet; maar, een
zondaar zijnde, gelijk wij allen, zal hij misschien, toen hij de stemme
Gods hoorde spreken op de wateren, gedacht hebben, dat de ure des
oordeels over hem gekomen was, en zijn ziele hebben gewend tot boete en
bekeering."

"Dat is wel mogelijk," zeide Reynhove: "want hij heeft dien avond meer
gebeden gereciteerd, dan hij anders, geloof ik, in een jaar doet."

"Welnu," hernam Tante: "UEd. ziet, dat ik gelijk heb:"--en alzoo acht ik
het vergeeflijk niet alleen, maar zelfs betamelijk en lofwaardig in dien
Weinstübe, dat hij, vervuld zijnde van die dingen, welke dienstig zijn
tot de zaligheid, zich alleen bezighield met het noodige, en die
kleinigheden verwaarloosde, welke de wereld voorschrijft, maar die in
een zoo plechtig oogenblik niet meer zijn dan asch en drek."

Reynhove keek eenigszins zuinig bij het aanhooren van deze taal; maar
hij was te wellevend om er iets op te antwoorden; Suzanna beet zich op
de lippen, als wilde zij het stekelige antwoord bedwingen, dat haar op
de tong zweefde. Wat mij betreft, ofschoon hulde doende aan de
gevoelens, welke de woorden mijner Tante hadden ingegeven, ik kon niet
verdragen, dat Weinstübes gedrag op het jacht als lofwaardig voorgesteld
of ten koste van dat van Reynhove geprezen zoude worden, en vatte daarom
het woord op.

"Tante!" zeide ik: "neem mij niet kwalijk; maar ik moet een opmerking
maken. UEd. hebt menigmalen, in mijn bijzijn, die kluizenaars
veroordeeld, die wanen den hemel te zullen winnen, door zich af te
zonderen en hun leven met bidden te slijten, zonder van eenig nut voor
hun medemenschen te zijn."

"Dat heb ik," zeide Tante: "want er staat geschreven: Niet zij, die
roepen: "Heere: Heere!" maar zij die den wille des Vaders doen, zullen
het koninkrijk Gods beerven.

"Welnu," vervolgde ik: "op de groote levensreis zijn wij verplicht ons
leven zoodanig in te richten, dat het niet slechts tot onze heiligmaking
strekke, maar ook aan den naaste nut en voordeel aanbrenge. Is dit in
het algemeen waar, zoo is het zulks ook in bijzondere gevallen als op
onzen tocht met het jacht, dien ik een afschaduwing der levensreis durf
noemen, in zooverre als wij, reisgenooten zijnde, met moeilijkheden en
wederwaardigheden te kampen hadden. Nu, op dien kleinen tocht handelde
Weinstübe juist zoo, als de kluizenaars, die UEd. veroordeelt. Hij
vergat, dat er anderen met hem waren, zwakker en meer hulpbehoevend dan
hij, en in de plaats van hun nood te verlichten, bemoeide hij zich niet
met hen, maar strekte hun tot last en maakte hun toestand nog moeilijker
en onaangenamer. De Heer Reynhove daarentegen, die voorzeker, zoowel als
ik, met ernstige gedachten bezig was, bleef echter in het oog houden,
dat zijn welbegrepen plicht niet medebracht om op een bank te liggen
zuchten, maar wel om zijn reisgenooten te ondersteunen en op te beuren:
en zoo wij in die ure vergaan waren, zou hij met de zelfvoldoening
gestorven wezen, dat hij bij het opontbod werkzaam gevonden was."

"Zoo gij het op die wijze beschouwt, Neef!" zeide Tante, "dan hebt gij
gelijk: en dan had zeker die Duitsche Heer beter gedaan, zoo hij niet
alleen zelf gebeden had, maar ook de overigen in een lofwaardige
stemming had pogen te brengen."

"Mijnheer!" zeide Reynhove, mij met warmte de hand drukkende: "ik
declareer u op mijn eer, dat UEd. een perfect Advocaat zoudt zijn! maar
waarlijk! ik meriteer niet, dat UEd. met zulken lof spreekt van de
stemming, welke mij toen bezielde. Ik had een pressentiment, dat wij er
wel zouden afkomen; en dacht daardoor zeer weinig aan die zaken,
waarover ik had moeten denken, gelijk Mejuffrouw mij zeer juist doet
inzien. Ik schaam mij wel een weinig, dat te avoueeren; maar ik begeer
geene louanges, die mij niet toekomen."

"Dat is braaf van u gedacht, Mijnheer Reynhove!" zeide mijn vader, "en
doet u in mijne opinie rijzen. UEd. zal het misschien onbeleefd vinden,
dat ik u de eerste reis, dat UEd. ons met een bezoek vereert, zoo
onbewimpeld de waarheid zeg; maar ik moet u ronduit verklaren, naar het
weinigje, dat ik van u gezien heb, oordeelende, dat het van u afhangt,
een voortreffelijk mensch, en wat meer zegt, een godvreezend Christen te
worden."

"En ik, Mijnheer!" zeide Reynhove, "kan u van mijne zijde declareeren,
dat ik niets meer ambitionneer dan uwe goede opinie te meriteeren."

"Is UEd. niet een zoon van den Heer Ambrosius Reynhove, die lid is van
HH. Hoogmogenden?" vroeg mijn vader.--Reynhove boog.

"Wel! dat verheugt mij. Wij zijn nog te zamen aan de academie geweest.
Hij was een mijner beste vrienden."

"Hij heeft mij ook met hooge achting over UEd. gesproken," zeide
Reynhove, "en mij gechargeerd, UEd. zijne complimenten te brengen."

"Wij zeiden dikwijls onder ons," vervolgde mijn vader: "Reynhove zal nog
eens een aanzienlijk persoon worden; want toen reeds was hij de _primus
inter pares_ en de geboren Voorzitter van alle mogelijke
Studenten-commissiën.--En UEd., Mijnheer Reynhove! bekleedt zeker ook
reeds deze of gene betrekking?"

"Tot nog toe niet. Ik kan niet zeggen, dat ik die ooit zeer
geambitionneerd heb."

"Des te erger, Mijnheer!--Iemand van uwe jaren, die niet geheel van
bekwaamheden ontbloot is, behoort werkzaam te zijn, en niet te vergeten,
dat de Staat recht heeft op zijn arbeid en talenten:

     _Hos ante effigies maiorum pone tuorum,_

Bovendien, de ledigheid is een duivelsoorkussen."

"Spreek toch niet zoo, Papa!" zeide Suzanna, die ik alreeds wegens haar
langdurig stilzwijgen bewonderd had: "'t Is uit klinkklare
edelmoedigheid, dat Mijnheer niets uitvoert."

"Uit edelmoedigheid, Mejuffrouw!" herhaalde Reynhove verbaasd.

"Wel ja," hernam zij: "er zijn zoovele arme slokkers, die niets bezitten
en naar een postje hunkeren, om er van te bestaan, dat de Heer Reynhove,
die rijk genoeg is, geen hunner daarvan berooven wil."

"UEd. is te goed, Mejuffrouw!" zeide Reynhove: "maar ook dezen lof moet
ik refuseeren; want ik beken, dat mij dit excuus nimmer voor den geest
is gekomen."

"Het zou bovendien geene verschooning zijn," zeide mijn vader: "zoolang
er eereposten genoeg zijn, die werk verschaffen en die men zonder
bezoldiging waarneemt. Ik ben overtuigd, Mijnheer Reynhove! dat uw vader
er over denkt gelijk ik."

Reynhove boog, niet wel wetende wat hij zeggen zoude.

"Maar ik vergeet," vervolgde mijn vader, "dat UEd. mij niet zonder reden
zoudt kunnen betichten mij te bemoeien met hetgeen mij niet aangaat.
Schrijf dit toe aan mijn post van Hoofdschout, die mij in de
noodzakelijkheid brengt van mij met eens andermans zaken te bemoeien."

"Ik schrijf," zeide Reynhove, "dit liever toe aan UEd. belangstellende
vriendschap en neem in die suppositie uwe raadgevingen met dankbaarheid
aan, gepersuadeerd, dat UEd. mij niets kunt zeggen dan hetgeen door mij
verdient gemoditeerd en betracht te worden."

"UEd. neemt het recht heuschelijk op," zeide mijn moeder: "mag ik
vragen, waar UEd. gelogeerd is?"

"Bij den Heer Blaek," antwoordde Reynhove: "ik heb zijn zoon op de
paardenmarkt leeren kennen en heb niet kunnen weerstaan aan zijn
pressante invitatie, om eenigen tijd bij hem te komen passeeren."

Mijn vader keek eenigszins strak; maar hervatte spoedig met minzaamheid:
"ik twijfel niet, Mijnheer! of uw verblijf bij den Heer Blaek is genoeg
berekend om u allerlei genoegens te doen smaken: ook wil ik hem zijn
gasten niet aftroggelen. Intusschen, zoo UEd. eens een dag vrij zijt en
den gewonen pot bij ons voor lief wilt nemen, wees dan zoo goed daarvan
gebruik te maken. UEd. zult ons altijd welkom zijn."

"O ja, Mijnheer!" zeide mijn moeder: "maar vergeet niet, dat het geen
Haagsche festijnen zijn, welke wij u kunnen verschaffen."

"UEd. heeft te veel goedheid," zeide Reynhove: "zijt geassureerd dat ik
er met het grootste plaisir van profiteeren zal, en mij feliciteer, van
zoo wèl in eene estimabele familie als deze geaccueilleerd te zijn."

Na eenig verder onderhoud stond Reynhove op en nam afscheid. Toen hij
vertrok, deed ik hem uitgeleide. Zoodra wij in de gang waren, nam hij
mij bij de hand: "Ik had nog een verzoek aan u," zeide hij: "maar ik
dorst er daarbinnen niet mede voor den dag komen: uw ouders zijn zulke
deftige lieden: ik was bang, dat zij mij railleeren zouden. Ik zal u
zeggen, wat het geval is. Ik beweerde gisteren tegen Blaek, dat ik met
mijn Engelschman naar Haarlem en terug zoude rijden in zeven kwartier;
hij pretendeert hetzelfde te kunnen doen met de harddravers, die hij van
den Heer Van Baalen gekocht heeft: en daaruit is een pari ontstaan, wie
onzer het eerst den weg heen en weder zoude afgelegd hebben. Wij moeten
dit morgennamiddag beslissen: te vijf uren rijden wij af aan de
_Tweehonderd Roe_. Hebt gij lust om het te komen zien en naderhand een
glas wijn te blijven drinken?"

"Ik dank u," antwoordde ik, "ik moet aan 't kantoor zijn. Er is een
schip van ons, dat op zijn vertrek staat, en dat geeft mij veel
drukten."

"Het spijt mij," zeide hij: "nu, _au revoir_ dan."

Hij vertrok en ik keerde in de huiskamer terug, bij mijzelven denkende
dat Reynhove wel gedaan had, zijn voorstel niet te doen in
tegenwoordigheid mijner ouders, bij wie een harddraverij contrabande
was. Toen ik binnentrad was mijn moeder bezig, mijn vader in 't
vriendelijke te beknorren, dat hij dien vreemden Heer, bij zijn eerste
bezoek, zoo de les gelezen had.

"Kom! kom!" zeide mijn vader: "ik zou het niet gedaan hebben, indien ik
niet de overtuiging bezat, dat bij dien knaap een goede grond ligt en
dat de kern beter is dan de schil. 't Is maar jammer, dat hij met dien
Lodewijk Blaek omgaat."

"En dat hij zooveel Fransche woorden bezigt," zeide mijn moeder.

"Dat is Haagsche stijl," zeide ik: "en hij doet het niet erger dan
anderen."

"Hij zal nog veel te leeren hebben, eer hij de tale Kanaäns spreekt,"
zeide Tante Letje.

"En gij Santje! Hoe denkt gij over onzen nieuwen kennis?" vroeg ik,
bemerkende dat Suzanna, tegen haar gewoonte, stil was: "hoe bevalt hij
u?"

"O! ik vind hem zeer naar mijn zin," antwoordde zij: "gij weet, ik hou
veel van kapellen, en duizendschoonen, en gouden torren, en palmpaschen-
en pinksterbloemen en al wat blinkt en sierlijk is."

"Dat is geen bepaald antwoord op mijn vraag," zeide ik: "hij verdient
volgens de getuigenis van vader, niet verward te worden met die
pronkers, wier eenige verdiensten in hun mooien rok bestaat."

"Volstrekt niet," hernam zij: "want hij draagt bovendien een bijzonder
nette pruik en keurige lubben en een schitterenden diamant aan zijn
das.--Het portret van den saletjonker uit den _Verliefden Poëet_ van
Buysero is volkomen op hem toepasselijk:

                     'k Zag nooit netter van mijn leven:
     Wel driemaal op een dag werd hem schoon goed gegeven.
     Geen kreukje zag men in zijn kleeren, en, om recht
     Te gaan, 't was in dien tijd een keuning van een knecht.
     Hij wou zijn handen maar in rozewater wasschen.
     Men heeft zijn leven zoo geen man een pruik zien passen.
     En zijn handschoenen, ho! die waren klaar Jasmijn."

"Santje! Santje!" zeide ik: "biecht zuiver op; want ik bedrieg mij zeer,
of die Hagenaar heeft een goed oog op u; en zoo gij iets tegen hem hebt,
is het beter, dat hij maar spoedig daarvan kennis bekome; anders zal hij
het u nog lastig genoeg maken."

"Santje heeft volkomen gelijk, dat zij het met een Jantje van Leiden
afmaakt," zeide mijn moeder: "een jong meisje moet zich nooit uitlaten
over een Heer: het mocht haar naderhand berouwen."

"Juist zoo!" voegde mijn vader er bij: "want de oude spreuk zegt
terecht, dat men met zijn spot naar bed gaat."

Met deze grap was het onderhoud over Reynhove besloten en wij vervielen
langzamerhand weder tot de zwaarmoedige stemming en de stilte, waaruit
zijn bezoek ons voor een poos gered had.--Mijn zuster zelfs, anders zoo
levendig en opgeruimd, deed geen moeite om het gesprek gaande te houden,
en zat in gepeinzen verdiept: 't zij dat haar genegenheid voor mij haar
de slechte uitkomst van mijns vaders pogingen evendiep had doen gevoelen
alsof het haar eigene zaak geweest ware: 't zij dat werkelijk het bezoek
van Reynhove een bijkomende aanleiding tot overdenking had opgeleverd.
Eindelijk vroeg mijn moeder, onder andere onverschillige zaken, aan
Tante Letje, of zij de Juffer nog gezien had, die bij Heynsz aan huis
woonde?

"Wel ja!" antwoordde Tante: "heeft Neef u niet verhaald, dat hij haar
tot mijnent ontmoet heeft?"

Allen zagen mij aan en mijn vader zelfs met een ernstigen blik. Ik
gevoelde terstond, hoe verkeerd ik gedaan had, van deze toevallige
ontmoeting niet te reppen; daar ik nu van achteren den schijn op mij
laadde, als had ik die opzettelijk verzwegen.

"'t Is waar!" zeide ik: "ik had het vergeten ... ik had het hoofd zoo
vol. Ook heb ik niet gedacht, dat er iemand belang in stelde."

"Nu! die jonge Juffer stelt dan wel belang in u," zeide Tante in haren
eenvoud des harten: "zij is nog tweemalen sedert dien tijd bij mij
geweest, en heeft mij telkens naar u gevraagd, Neef!--Een zoet meisje,
dat moet ik zeggen: jammer maar, dat zij Roomsch is. Haar vader had mij
heden ook bezocht, om mij te bedanken voor de vriendelijkheid, die ik,
zoo hij zeide, voor zijn dochter gehad had. Een beleefd mensch die Heer
Van Beveren, dat moet ik zeggen."

"Van Beveren!" herhaalde mijn vader, die met aandacht naar de woorden
zijner zuster geluisterd had: "waar hoort die man te huis?"

"Te Deventer!" antwoordde Tante: "doch hij schijnt hier welbekend;
althans hij heeft mij over vele lieden gesproken en wist bijna aller
betrekkingen."

"Te Deventer! zoo!" herhaalde mijn vader, nadenkend: "en heeft u die
Heer Van Beveren geen geld ter leen gevraagd?"

"Neen Broeder! En hij zag er ook niet uit als iemand, die geld behoefde.
Hij was goed gekleed en had het geheele voorkomen van een man, die in de
groote wereld leeft."

"Ik behoef u niet te vertellen, Zuster?" zeide mijn vader, "dat de
duivel zich somtijds in een engel des lichts verkleedt, om zijn
oogmerken te bereiken. Ik zou u aanraden, wat voorzichtig met die lieden
te zijn."

"Hoe dan: weet gij eenig kwaad van hen, Broeder?" vroeg Tante, met
eenige bezorgdheid.

"Niet het minste; maar ik wil dat toch eens onderzoeken ... er is toch
iets, dat mij vreemd voorkomt."

"Gij zult toch niet denken, Willem!" zeide mijn moeder: "dat Heynsz
verdachte lieden zal herbergen?"

"'t Is zeker, dat zulks nogal grappig zoude wezen," hernam mijn vader:
"maar gij hebt gelijk en uw aanmerking is juist.--En Zuster! sprak de
dochter van dien Heer zoo belangstellend over Ferdinand?"

"Och Vader!" zeide ik, alle vermoedens wenschende af te wenden: "Tante
zal de zaak waarschijnlijk een weinig vergrooten. Zij en ik zijn
misschien de eenigen, die Amelia behalve haar huisgenooten kent."

"Ei! heet zij Amelia?" vroeg mijn vader: "gij schijnt reeds vrij
familiaar met haar te zijn, om haar zoo bij haar doopnaam te noemen!"

Ik zag, dat Suzanna bleek werd en ik merkte dat ikzelf een kleur over
mijn onvoorzichtige uitdrukking kreeg. Mijn Zuster, waarschijnlijk om
mij uit de verlegenheid te redden, zei met een gemaakten lach:

"'t Zal een prinses zijn, die incognito reist; en prinsessen worden
nooit anders als bij haar voornamen genoemd."

"Dat is zeker," zeide ik, moed vattende, "dat ik haar doopnaam beter
weet, dan haar familienaam; maar overigens is onze kennis al zeer gering
en ik verlang die niet nader aan te knoopen, hoe lief zij ook wezen
moge."

"Niet?" zeide Tante: "en gijzelf, Neef! hebt haar zoozeer tot voorspraak
gestrekt, toen ik haar wilde verstooten."

"Wel Tante! Wat zal ik u zeggen? Uw goedheid spoorde u aan, haar, die u
onbekend was, bij u te ontvangen: en mijn hart zeide mij dat de leer,
die zij beleed, haar aanspraak op uwe bescherming niet verminderde. Dat
is alles."

Mijn vader zag mij aan, schudde bedenkelijk het hoofd, nam een snuifje
en verwijderde zich om in zijn vertrek te gaan arbeiden: zoodat, zeer
tot mijn genoegen, het gesprek over Amelia en haren vader hierbij rusten
bleef.


       *       *       *       *       *


ZES-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

WAARIN GELEERD WORDT, HOE MEN BEST OUDE PAARDEN VERKOOPT, EN JONGE
BEDERFT.


Het was gelukkig voor mij, bij de stemming, waarin ik mij bevond, dat
het ophanden zijnde vertrek van Kapitein Pulver mij vrij wat bezigheid
aan 't kantoor verschafte en daardoor buiten de mogelijkheid stelde om
mij over te geven aan mijn leedwezen over de ondervonden teleurstelling.
Al had de arbeid geene andere nuttigheid als deze, dat hij den geest
bezig houdt en belet het verdriet te gevoelen, dan nog zou hij als een
weldaad voor het menschdom moeten beschouwd worden. En boven alle andere
zijn, in gevallen, wanneer de ziel ontroerd en geschokt is, de
zoogenaamde dorre eentonige werkzaamheden, welke ons beroep verschaft,
verkieslijk boven die, welke een meer aanlokkende zijde hebben en
waarbij de verbeelding mede in 't spel gebracht wordt. Wijsbegeerte en
fraaie letteren mogen op den duur kalmte en vertroosting aan den geest
bieden: haar beoefening zoude ik vergelijken bij die van de
gezondheidskuur, waarvan de invloed, hoe heilzaam ook, eerst later
gevoeld wordt; beroepsbezigheden zijn als de pijnstillende opium of de
blaartrekkende pleister, welke de kwaal niet wegnemen, maar ons beletten
die te gevoelen.

Maar toen ik, na afloop van het kantoor, weder te huis kwam, en de avond
te schoon was, om dien op mijn kamer door te brengen, terwijl de dames
uit waren, keerde mijn zwaarmoedigheid. "Kom!" dacht ik, na een wijl
gepeinsd te hebben: "ik heb op dit oogenblik geen grooter vijand dan mij
zelf en mijn gedachten: ik moet of werk hebben of bezigheid zoeken.
Waarom zou ik niet naar den Haarlemmerweg gaan en zien hoe de
weddenschap is afgeloopen?"

Dit besluit gevormd hebbende, begaf ik mij dadelijk op weg, wandelde de
singels om naar de Haarlemmerpoort en kwam ongeveer tegen half zeven ure
aan de Tweehonderd Roe; waar ik weldra vernam, dat de beide wedders te
vijf uren precies waren afgereden, en dus, bijaldien er geen ongeluk had
plaats gehad, welhaast moesten terug wezen. Een vrij talrijk gezelschap
zat in den tuin en voor de deur der herberg bijeen, met de wijnflesch of
bierkan voor zich, naarmate de staat hunner geldbeurs meerdere of
mindere uitgaven gedoogde: anderen wandelden langzaam den weg op en
neder, blijkbaar den uitslag des wedrens verbeidende; terwijl enkelen,
te paard of in hun chaisen gezeten, met hetzelfde oogmerk stapvoets op
en neder reden. Daar waren, onder dien toevloed van menschen, lieden van
elken rang of stand, vermogende renteniers, deftige kooplieden,
beunhazen, pikeurs, stalhouders en voerlieden; doch allen, op weinige
uitzonderingen na, _ridders van de zweep_: en de onderscheidene
gesprekken, welke hier en daar gevoerd werden, hadden overal slechts één
onderwerp, de edele rijkunst. De verdiensten der paarden van Lodewijk
Blaek, die bij allen bekend waren, werden overwogen: de groote feiten,
door hen verricht, in ai hun kleuren opgevijzeld; hun betrekkelijke
waarde vergeleken: de prijs, dien zij gegolden hadden, genoemd, enz.
enz. Wat het paard van Reynhove betrof, daarover dorst men een minder
beslissend oordeel vellen, vermits het slechts aan weinigen bekend was;
doch men was van gedachten, dat het, ofschoon uiterlijk van weinig
apparentie, echter droog en fraai was, en tot die soort van paarden
behoorde, welke niet bij uitstek snel loopen, maar een gestadigen gang
hebben en het lang uithouden zonder zich te vermoeien.

Ik keek ondertusschen rond, of ik niet hier en daar onder de menigte een
gezicht van een kennis zoude aantreffen; maar ofschoon ik met dezen en
genen, die mij van de beurs of van elders bekend was, een groet, of een
kort: "hoe vaart Mijnheer?" wisselde, zag ik niemand, met wien ik het de
moeite waardig achtte, een bepaald gesprek aan te knoopen. Daar ik eerst
aan de Academie, en toen buitenslands geweest was, had ik weinig
bekenden, althans onder dat slag van lieden, hetwelk zich hier
bevond.--Eindelijk, mij langs een hoopje begevende, dat nog
luidruchtiger en drukker was dan de rest, hoorde ik mij eensklaps bij
mijn naam noemen: en, mij omwendende, herkende ik Weinstübe, die met een
grooten roemer in de eene en een zweep in de andere hand, den redetwist,
waarin hij gewikkeld was, afbrak om mij aan te spreken.

"Huyck" riep hij: "foor wien wed jij?"

"Voor geen van beiden," antwoordde ik, mijn hoed even aflichtende, als
wilde ik mijn wandeling vervolgen.

"Nein! Pots tit und tat! Je komt er zoo nicht af! Je solt seggen voor
wien je pint. Wed jij tegen mich. Ik heb een sakkie sesthalven kewed op
de plessen van Plaeck: en er is niemand, die meer dan een sakkie
toepeltjes teugen houdt. Toe jij me nou de frundschap und neemt de
rest."

"Ik zou u gaarne dat genoegen doen," zeide ik: "maar ik wed niet zoo
maar in den wilde: de blessen van Blaek ken ik ternauwernood en het
paard van Reynhove in 't geheel niet: zoodat ik over hunne vergelijkende
waarde niet kan oordeelen."

Ik dacht er hiermede af te zijn; maar weldra had ik berouw, van maar
niet ronduit verklaard te hebben, dat ik in 't geheel niet wedde; want
nu kreeg ik terstond het loon voor mijne valsche schaamte.

"Laat je dat niet afschrikken, Mijnheer!" zeide een dikke vent, wien ik
naderhand vernam, dat een kastelein van den Overtoom, en een beroemd
paardenkenner was: die beestjes van Blaek loopen drommels goed, dat 's
waar; 't bennen poppetjes, daar niks aan mankeert: zoo rond as appeltjes
en as een zij zoo zacht in den bek, daarom niet; maar kijk! daar hebje
dien anderen: heb ik jou daar? het biest mag zoo mager wezen as het wil:
des te minder zit hem zijn vet in den weg:--en as je 't zoo ziet
afrijen, je zoudt zeggen: het slaat zien beenen deur mekaêr of het mal
was;--maar laat hem gerust zijn gang gaan: hij zal het uithouen op den
langen weg--en ze alle achter hem laten. Kijk!--het zakkie dubbeltjes
durf ik op hem resikeeren; en het past mijn en mijns gelijken niet om
meer te doen;--maar hou jij gerust de rest: 't zei je geen schaê doen;
zoowaar ik Krijn Jaspersz hiet."

"Ik wil het best gelooven," zeide ik: "maar in zoodanige gevallen ga ik
niet op goed geloof af, en dat zult gij mij niet kwalijk nemen. Gij
zoudt ook niet gaarne een paard koopen of er op wedden, zonder het
alvorens gezien te hebben."

"Nou, dat 's waar ook," zeide hij: "maar anders!... Ik heb de eer niet,
van Meneer parteklier te kennen, en ik weet niet, of Meneer verstand van
paarden heit; want anders ben je nog niet sekuur al heb je ze gezien:
dat heit die makelaar ondervonden, die laatst bij ons was, daar Blaek
die ouwe knol van hem an verkocht heit."

"Ja!" zeide Weinstübe, grinnikende: "dien heeft hij oud peet kehad."

"Zoo! heb je ook al gehoord van den moord van Parijs?--Nou! die goeie
man had het paard ook gezien en geprobeerd: en hij docht, dat hij wonder
wat kocht; maar jawel!--hij liet zich royaal weg een ouwen blinden knol
in de handen stoppen en mag den hemel danken, zoo hij er den volgenden
dag den nek niet mee gebroken heeft."

"Maar dat is niet veel beter dan stelen," zeide ik: "op deze wijze van
eens anders onnoozelheid partij te trekken."

"Hei ho! daar komen zij! daar komen zij!" riepen eenige stemmen. Alles
stoof op en keek den weg op; hoewel er nog niets te zien was, dan een
stofwolk, die aan deze zijde van het tolhek opsteeg.

Ongeduld, verwachting, hoop en vrees, waren op de aangezichten te lezen,
en men staroogde, alsof men den blik door het stof heen had willen laten
dringen, om te ontdekken, wie de overhand had. Het duurde echter niet
lang, of beide rijtuigen waren naast elkander zichtbaar, zonder dat men
nog door den afstand kon onderscheiden welk het eerste was.

"Zij zijn er waarachtig allebei!" riep de een,--"zij hebben mekaar goed
bijgehouen!" riep een ander.--"Nou! wat braatje nou van uithouen?" vroeg
Weinstübe aan Krijn Jaspersz.: "je ziet immers, dat de peesten an mekaar
kewaagd zijn. Heb je ook perauw? Sol je 't afmaken wille voor de helft."

"Patientie!" zei de kastelein: "de laatste loodjes wegen het zwaarst."

"De ruin is voor!" riep opeens een stem.

"Neen! neen!" zeide een ander: "de blessen winnen het."

"De blessen winnen het!" riepen onderscheidene stemmen. En inderdaad zag
ik nu ook, dat de twee paarden een eind dichter bij waren dan het eene;
ofschoon het rijtuig, dat door de eerstgemelden getrokken werd, wild
over den weg heen en weder slingerde, terwijl de sjees van Reynhove met
een gelijken gang vorderde.

"Hoera!" riep Weinstübe, met den hoed zwaaiende: "had je nu mijn
foorschtel maar aannemen willen. Het sakkie toeppeltjes is mein."

"Hoezee!" riep de menigte, en opende zich voor het rijtuig van Blaek,
die, met purper aangezicht, schreeuwende en juichende kwam aangereden.
Maar nauwelijks had hij de plek bereikt, als de uiterste grens van den
wedren bepaald, of een zijner paarden stortte en hij zelf tuimelde uit
de sjees. Hij was echter dadelijk weder op de been en werd nu door de
toestroomende liefhebbers met luid gegalm als overwinnaar begroet.
Reynhove was intusschen insgelijks aangekomen, mede vrij verhit en
ontdaan; doch zijn paard toonde slechts weinige blijken van vermoeidheid
en wettigde daardoor de lofspraak, daaraan door Krijn Jaspersz gegeven.
Alleen het schuim, waarmede het bedekt was, een korte hoest en een
trillende beweging van het lichaam, toen het stilstond, gaven bewijs dat
het hard geloopen had. Een lakei van Reynhove schoot dadelijk toe, dekte
het met een warm kleed en bracht het op stal met behulp van den
kastelein der _Tweehonderd Roe_. Ofschoon nu onze Hagenaar het onderspit
gedolven had, bleek mij echter dat de oordeelvelling van den
Overtoomschen kastelein juist geweest was; want de paarden van Blaek
hadden zich overloopen: het eene lag, zooals ik gezegd heb, op den grond
en scheen meer dood dan levend; het andere stond nog, doch hijgende als
een juffershondje en zoo onvast op de beenen, als ware het op het punt
van neer te storten. Met veel moeite deed men het gevallene opstaan, en
bracht men beide opstal.

"Jongen! dat is jammer!--Ik hoop, dat het den beestjes geen kwaad zal
doen! Zij hadden zich zoo mooi gekweten!--Je bent den ander toch
vooruitgebleven!--'t Mag wezen hoe 't wil: 't is beter, dat ze
crepeeren, dan dat die magere knol je voorbij ware gereden, enz.
enz."--Zoo klonken de troostredenen, die nu in ruime mate aan Lodewijk
werden toegevoegd; maar waar hij geen oor naar had, zoo grootsch was hij
op zijn overwinning; ofschoon hem die waarlijk een paar goede paarden
kosten zoude.

"Ik ben toch de baas gebleven!" riep hij Reynhove toe, met een
zegevierenden blik.

"Dat geloof ik wel," zeide deze, met spijtige bedaardheid: "gij waart
schier aan 't hollen geslagen: en ware uw paard niet gestort, dan zoudt
gij ze niet gearrêteerd hebben. Op zoo'n wijze zoude ik niet willen
triomfeeren."

"Heb ik het niet gezeid?" zeide Krijn Jaspersz: "'t is een bloot toeval
en meer niet, zoo de blessen eerst an zijn; maar ik vraag maar an
iedereen, of die prijs mooi gewonnen is? Ik heb gezeid, en ik blijf er
bij, dat de ruin op den langen weg beter loopt: en as Meneer hem niet
had willen sparen, was hij nog de baas gebleven."

"As! As!" herhaalde Weinstübe: "asch is verbrante tourf: en je pint toch
je toeppeltjes kwijt, man."

"Dat ben ik," zeide Krijn: "heb daarover geen zorg; maar dat belet niet,
dat ik op zoo'n manier geen weddenschap zou willen winnen."

Onder dit praten waren Reynhove en Lodewijk, door de omstanders heen, de
herberg binnengedrongen: en geen trek hebbende, om mij in dien wilden
boel te mengen, noch om langer naar de klaagliederen van Krijn Jaspersz
te luisteren, begaf ik mij naar den tuin, zette mij neder en bestelde
een roemer wijn, met oogmerk om na het gebruik daarvan huiswaarts te
keeren. Ik had nauwelijks eenige minuten gezeten en was, bij de algemeen
heerschende drukte, nog niet geholpen geworden, toen de waard in persoon
naar mij toekwam en mij uit naam van Reynhove vroeg, of ik hem en aan de
overige Heeren de eer aan wilde doen, mij bij hen te vervoegen.

"Ik bedank Mijnheer wel voor zijn beleefdheid," antwoordde ik: "het is
mij daarbinnen te vol en ik ga zoo aanstonds heen."

"Vol! Mijnheer!" herhaalde de waard: "wel neen! zij zitten maar metter
zessen daar gunter in den koepel: 't is zeker anders wel de gewoonte,
datter meer van de partij zijn, maar die Heer uit Den Haag valt nogal
grootsch en wil niet graag met anderen als met zijns gelijken
converseeren. Nou! 't is mij wel wat scha; maar wat zal ik zeggen?"

Ik keek in de richting, welke hij mij aanwees, en zag inderdaad, dat
Reynhove, Blaek, Weinstübe en een drietal Officieren, zich in een der
bij de herberg behoorende koepeltjes bevonden, dat voor hen was
vrijgehouden: en het gaf mij juist geen kwaden dunk van Reynhove, dat
hij niet verlangde met Jan en alleman te zitten.

"Nou, wat mot ik zeggen?" vervolgde de waard.

Ik had voorzeker wijzer gedaan, en mij vrij wat verdriet bespaard,
indien ik bij mijn voornemen gebleven ware en de Heeren alleen had
gelaten; maar eensdeels deed een misschien kwalijk gepaste schaamte mij
vreezen, dat Reynhove het euvel zoude opnemen, indien ik het voorstel
afsloeg; te meer, daar ik mij den vorigen dag verschoond had en nu toch
was komen kijken: en daarbij dreef een dwaze ijdelheid mij aan, om mij
geroepen te wanen, ten einde aan die liefhebbers een nuttige les te
geven. Kortom, ik stond op en volgde den waard naar het koepeltje, waar
onze Heeren onder de flesch bijeenzaten.

"Wel! ik moet zeggen," zeide Reynhove. toen hij mij zag: "het kost niet
weinig moeite de eer van Mijnheers gezelschap te bekomen. Gisteravond
verzoek ik u, en gij refuseert: vandaag verandert gij van idee, en dan
laat gij u nog bij de ooren trekken, om ons uw sociëteit te schenken."

"Ik houd niet van mij in te dringen," zeide ik: "en blijf slechts een
oogenblik."

"Wel, ik hoop van beter," hernam hij: "maar neem plaats: ik weet niet of
gij deze Cavaliers kent: de Heeren Contour, Reekalf Van Ranst,
officieren te Naarden in garnizoen." '

Ik boog mij en nam plaats.

"Wat is dat voor een bocht van wijn?" riep Lodewijk, die mij slechts
even met een hoofdknik had begroet: "Jan! haal anderen wijn: denk je,
dat wij zulke vergifte kost willen zuipen? Haal van den Klooster
Baserac: immers zoo de baas er nog van dezelfde heeft als laatst."

"Het heeft weinig gescheeld," zeide ik tegen Reynhove, "of gij hadt den
prijs behaald."

"'t Heeft genoeg gescheeld," zeide Lodewijk: "ja! laten zij maar komen,
die het tegen de blessen uithouden."

"Nu ja," zeide Reynhove, niet zonder wrevel over het bluffen van
Lodewijk: "indien ik mijn paard had willen ambimeeren, zooals gij uwe
beesten gedaan hebt, dan had ik u op Halfweg al vooruit kunnen zijn."

"Nu vraag ik aan elk verstandig mensch," zeide Lodewijk, met een luiden
lach, "of zulk een verschooning wel iets anders als een uitvlucht
is?--Wat duivel! die zijn paarden sparen wil moet niet wedden.--Wat zegt
gij er van, Weinstübe?..."

"Das ist recht," antwoordde deze: "onze freund Reynhove sol het auch
gaar nicht meinen wollen. Maar met dat al, zijn rein is ein gnap peestje
und loopt blaisierig: ich sol hum er nog een sakkie koeltens voor pieten
wollen."

"Wacht eerst, tot het te koop is," zeide Reynhove; "intusschen ben ik
gereed, zoo vriend Blaek wil, morgen weer tegen hem te rijden, tot aan
Guldenhof toe: en voor het dubbele geld."

"Of ik mal ware," zeide Lodewijk: "kom over veertien dagen eens weer,
dan zullen wij er nader over spreken."

"Over veertien dagen," zeide Reynhove: "zullen de blessen wel denzelfden
weg zijn opgegaan als de witvoet."

"Dat ware altijd een laatste uitkomst," zeide Lodewijk, lachende: "ja!
van dat ouwe dier ben ik zeker wél afgekomen."

"Van den witvoet?" herhaalde Reynhove, met verbazing.

"Wat was dat?--Eilieve vertel eens!" vroegen de Officiers: "heb je nog
geld aan dat oude beest verdiend?"

"Ja kottorie!" zeide Weinstübe: "laat Plaek dat eens vertellen: je houdt
waaraftig je pijk fast fan 't lachen, as je 't hoort."

"Wel, luistert dan," zeide Lodewijk, zijn glas inschenkende, waarna hij
zich, met de handen in de vestzakken, achterover in zijn stoel wierp en
de houding aannam van een ouden gediende, die een treffelijke krijgsdaad
gaat verhalen: "Gijlieden kent Jan Velters van de Leliegracht, die in de
wandeling Jan Rijstenbrij wordt genoemd?"

"Een best goed kalf van een jongen," zeide Contour: "'t is nog zoowat
een brok van een neef van mij: wij plachten hem altijd te foppen, toen
hij klein was: maar er was geen eer met hem te behalen; de sul liet zich
alles doen."

"Ik heb hem een paar reizen ontmoet," zeide ik: "hij kwam mij voor een
beleefd, werkzaam mensch te zijn, wien niets ontbreekt als een betere
gezondheid en wat ruimer middelen."

"Ja!" zeide Weinstübe: "recht zoo! 't is een khale rot; maar hij werkt
koet: hij petient ons wel als makelaar: en ik moet zeggen, hij is altijd
bront en oblizant."

"Juist zoo!" zeide Lodewijk: "welnu!--Gij hebt allen dien witvoet van
mij gekend: een goed en deugdzaam paard in zijn tijd; maar die nu mooi
oud, gebroken en hardademig was, en zoo blind, dat ik al last had
gegeven om hem dood te schieten.--Maar of ik blij ben, dat ik het niet
gedaan heb.--Verleden week, moet gij weten, zit ik bij den ouwe in zijn
kamer; daar komt mij die Jan Rijstenbrij met zijn bleeke tronie
aangewandeld, met een pak papieren onder den arm, van een graf, dat de
ouwe in de Westerkerk voor zich had laten koopen."

"Jongen!" viel de luitenant Reekalf in: "heeft de ouwe plan om op te
stappen? Dat zou je goed komen, vriendje?"

"Dat zou het net," zeide Lodewijk, terwijl Reynhove een blik van
verontwaardiging op den Officier wierp: "nu:--de knaap zag er zoo
ontdaan uit van de kleine wandeling, die hij gemaakt had, dat de ouwe
hem verzocht te gaan zitten en hem vroeg, hoe hij het al zoo maakte:
"niet te best," was het antwoord: "ik ben verleden week naar Leiden
geweest om Professor Boerhave te raadplegen: en die heeft mij het
paardrijden aanbevolen."--"Zoo!" zeide mijn vader: "en heb je zijn raad
al gevolgd?"--"Ja Mijnheer!" was het antwoord van Velters: "ik heb al
een tochtje of wat gedaan met paarden uit de rijschool: ik wenschte wel,
dat ik een goed mak beestje in eigendom kon krijgen; doch ik weet niet
hoe er aan te komen. Veel geld er voor uit te geven schikt mij niet: en
ik ben bang, dat zij mij in den nek zullen zien; want ik heb er geen
verstand van."--Toen kwam mij de witvoet voor den geest: ik trok af,
liet onzen maat zijn zaakjes met den ouwe af handelen en wachtte hem aan
de voordeur af: "Zeg eens, Sinjeur Velters!" zeide ik, toen hij aftrok:
"jij woudt gaarne een mak beestje hebben, nietwaar?"--"Jawel, Mijnheer
Blaek!" zeide hij.--"Nu man! zoo weet ik er een voor je," zeide ik. "Er
staat er nog een bij Jaspersz op stal: dat is net je gading. Zij zullen
er misschien wat veel voor vragen; maar met loven en bieden komt men
ver: en ik zal je de vriendschap doen, en gaan met je om te zorgen, dat
je niet beetgenomen wordt.--Daar was onze man over de huizen, gelijk gij
denken kunt. Wel tienmalen zeide hij, hij wist niet, waar hu zooveel
beleefdheid aan verdiend had: _enfin_! 't was aandoenlijk om zijn
dankbaarheid te zien.--Ik sprak met hem af, hij zou den volgenden morgen
tegen zeven uren bij Jaspersz op stal komen, om het beestje te zien, en
dan zou ik er ook wezen. Nu! gij kunt denken, wat er gebeurde: ik
dadelijk naar stal, stuur den witvoet bij Jaspersz, ga zelf den man
spreken en zeg hem zijn les voor. Den volgenden morgen kom ik met opzet
wat later: daar stond onze maat al sedert een kwartier bij het beest,
met Jaspersz, die hem er al de fraaie hoedanigheden van aanprees, alsof
er nooit een beter een zadel op den rug had gedragen. Jongens! ons
Veltersje was zoo blij, dat ik kwam; want hij wist niet meer wat te
zeggen.--"Zoo!" zeide ik: "vriend Velters! heb je den knol al eens
geprobeerd?"--"Neen Mijnheer!" antwoordde hij: "en ik weet niet, of hij
mij wel lijken zou; want, naar Jaspersz zegt, moet het beest al mooi
wild en vurig wezen: en dat lijkt mij niet; maar Mijnheer!" vervolgde
hij, terwijl hij mij zachtjes ter zijde trok' "heeft het paard niet een
ingezonken rug? dat is immers een gebrek?"--"Hm!" zeide ik: "dat
hindert, niet, wanneer het gezadeld is; anders, mooi staat het niet,
daar hebt gij gelijk in;--maar wij zullen eens zien. Haal het beestje
maar eens uit, Jaspersz!--Jongens!" fluisterde ik Velters in, terwijl
Jaspersz het beest liet opzadelen: "zie je wel hoe zuur of Jaspersz
kijkt, dat ik meegekomen ben? hij weet wel, dat hij je nu niet kan
foppen, al wou hij."--Dat alles slikte vriend Rijstenbrij op als zoeten
koek. Toen het paard nu buiten stond, ik er op en reed er wat mede de
laan op en neder, nu stappende, en dan weer op een hand galopje:--want
ik was bang dat hij er in 't geheel niet mede voort zou komen, zoo ik
het hem eerst berijden liet. Toen het beest wat los en lenig was
geworden, verzocht ik hem mijn plaats te nemen. "Wel! wat zeg je er
van?" vroeg ik, toen hij een keer of wat heen en weer was geweest. "Mij
dunkt, het loopt vrij aardig," zeide hij: "maar zou het niet wat te gauw
moe zijn? Het zweet staat hem een duim dik op het lijf."--"Ja!" zeide
ik, "dat dunkt mij ook, Jaspersz!"--"Och Mijnheer!" zeide deze, terwijl
hij een groote pruim tabak in den mond stak, om niet te lachen: "dat is
van de heetigheid; het beest is in geen zes dagen van stal
geweest."--"Maar!" zei Velters wederom, die toch minder onnoozel was dan
ik dacht: "struikelt het niet nu en dan wel eens?"--"Dan heb je hem niet
goed op den toom gehouden," zeide ik: "toen ik hem reed heeft hij niet
gestruikeld."--"En hoe oud is het beest wel?" vroeg hij alweer. "Ja,"
zei Jaspersz: "piepjong is hij niet meer; maar Monsieur Velters verkiest
ook geen heel jong beestje; meer dan een jaar of acht zal hij toen wel
niet halen."--"En," vroeg ik, "wat moet dat juweel nu gelden?"--"Honderd
dukaten," antwoordde Jaspersz: "en daar valt niets af te dingen. Ik heb
er nog gisteren vijfhonderd gulden voor geweigerd aan Mijnheer
Zadelhoff, dien Mijnheer kent."--"Honderd dukaten!" herhaalde ik op een
toon van verontwaardiging, terwijl ik bij mijzelven lachen moest om het
scheef gezicht, dat Velters zette: "wel dat zou de duivel!--Neen man!
mij dunkt fl 400 is een mooi bod--of althans--Monsieur Velters moet het
weten: maar ik voor mij zoude niet gaarne meer geven."--"Neen zeker!"
zei Velters, die bleek van angst was: "en zelfs fl 400 is wel een
honderd gulden boven mijn prik; ik ben geen man van de Nieuwe
Heerengracht, zooals Mijnheer Blaek." Toen trok ik hem op zij; "hoor,"
zeide ik, "'t is wel wat duur; maar in uwe plaats betaalde ik liever wat
meer voor een goed paard, dan dat je een knol koopt, die u in den steek
laat." Hij zat er deerlijk in, maar dorst niet teruggaan:--en om het
maar in korte woorden te vertellen, na veel over en weer praten werd de
koop voor fl 450 gesloten: en onze vriend trok af, na herhaalde
dankbetuigingen voor al de moeite, die ik mij gegeven had; terwijl
Jaspersz hem achternariep, dat hij nu een beest had, waar hij de wereld
mee uit zou rijden. 't Kan wel waar zijn ook; want vandaag of morgen
rijdt de blinde knol den Amstel met hem in."

"Nu! die was heerlijk!" riepen de Officieren; "vierhonderd vijftig
gulden voor een knol, die het doodschieten nauwelijks waard is.--Nu! dat
verdient zoo'n beunhaas. Wat behoeft hij ook te rijden? Je hebt je dan
recht dapper gehouden."

Ik zag met genoegen, dat Reynhove niet instemde met den lof, welken de
overigen Lodewijk toezwaaiden; maar, evenals ik, stilzweeg en het hoofd
schudde. Wat mij betrof, ik was verontwaardigd over een zoo schandelijk
bedrog, te minder verschoonbaar, omdat het gepleegd was tegen iemand,
die er zich bij geen mogelijkheid tegen hoeden kon: en, wat mij nog meer
ergerde, was de onbeschaamde wijze, waarop men zich nog dorst
verhoovaardigen en lofspraak vergen op een daad, die mijns oordeels een
geeseling waardig geweest ware. Ik kon mij eindelijk ook niet meer
bedwingen; maar, niet gezind mijn gedachten ongevergd te uiten, bij
lieden, die mij niet verstaan zouden, vergenoegde ik mij met de vraag,
wat de arme Velters toch wel gezegd had, toen hij naderhand ontdekte,
hoe deerlijk hij bedrogen was geworden.

"Bedrogen!" herhaalde Lodewijk, mij schuins aanziende: "vergun mij u te
zeggen, Mijnheer Huyck! dat dit een uitdrukking is, welke ten dezen niet
te pas komt. Gij meent ongetwijfeld--toen hij bemerkte, dat ik hem bij
den neus had gehad."

"Indien gij oordeelt, dat deze laatste uitdrukking zachter is," zeide
ik, koeltjes, "dan heb ik er vrede mee: de beteekenis blijft toch
dezelfde."

"Toen hij het bemerkte," vervolgde Lodewijk, zonder schijnbaar aan mijn
woorden te hechten, "toen zag hij, dat hij zijn geld kwijt was, en daar
bleef het bij. Denk je, dat hij zoo gek is, zich te beroemen, dat men
hem beet heeft gehad?--Of dat hij zou durven klagen over mij? en gevaar
loopen mijns vaders gunst en de mijne te verbeuren?"

"Des te erger," zeide Reynhove, met warmte: "ik zou het u pardonneeren,
indien gij dezen of genen maquignon had gedupeerd, of wel een cavalier,
gelijk gij zijt, die u satisfactie kon vragen; maar dat gij abuseert van
de goede trouw eens mans, die van de affaire geheel ignorant is en
bovendien van u dependeert, dit is geen nobele manier van ageeren."

Ik knikte goedkeurend bij deze redeneering, die mij zeer behaagde, al
was zij in onzuivere taal gesproken. Wat Lodewijk betrof, hij toonde
zich ten hoogste gebelgd over hetgeen hij een beleediging noemde: en er
zou twist ontstaan zijn, indien de overigen er zien niet tusschen
gevoegd hadden en verzocht, het onderwerp daar te laten.

"Hei ho!" riep nu opeens Lodewijk: "wie komt daar aan?--Lucas Helding,
zoo waar ik leef! blazend en zweetend als een narrepaard. Hier!"
schreeuwde hij, tegen de ruiten tikkende: "hier vriend Helding! hier
moet gij wezen! Toe vrienden! ziedaar een heerlijk voorwerp om ons mede
te vermaken. Wij moeten hem binnenroepen en besissen."

Ik keek uit! en inderdaad, daar kwam Helding voorbij, met den hoed in de
hand, en het gezicht zoo rood als een kalkoensche haan, terwijl hem het
zweet tappelings langs de wangen droop. Zoodra hij hoorde dat er getikt
werd, draaide hij het hoofd om, en zijn gelaat helderde op, bij den
aanblik van een volgeschonken roemer, dien Lodewijk hem voorhield. Ik
had den goeden man wel willen waarschuwen, tegen het gevaar, dat hem
bedreigde, maar het was te laat: hij was den tuin ingewandeld en stond
reeds op den drempel van den koepel te buigen.

"Wel poëet, kom binnen!" riep Lodewijk: "waar komt dat zoo vandaan? Maar
drink, eer gij antwoordt. Gij schijnt warm en hebt wat verfrissching
noodig."

"Veels te veel goedheid," zeide Helding, nadertredende en het hem
aangeboden glas met nieuwe buigingen aannemende: "uwe gezondheid
Heeren!--Ik was de slatuintjes eens rondgekuierd; ik dacht niet, dat ik
op weg naar huis nog kennissen zoude vinden."

"_Allons_! ga zitten," zeide Lodewijk, hem bij de schouders vattende en
op een stoel plakkende: "en drink nog reis. Zeker ben je weer aan 't
verzenmaken geweest onderweg. Toe! laat hooren; wat heb je bij je?"

"Is Mijnheer een dichter?" vroeg Contour, een blij gezicht zettende.

"Een dichter!" herhaalde Lodewijk: "_puf nou poëetjes! 't is de baas van
't gansche land!_ Is dat een vraag, of Lucas Helding een dichter is?"

"Is UEd. waarlijk die vermaarde Lucas Helding, wiens verzen mij zoovele
aangename uren hebben doen doorbrengen?" vroeg Contour, met een gemaakte
verbazing: "wel, ik had nooit durven droomen, dat ik het geluk ooit zou
hebben mogen smaken, van uwe kennis te maken. Gun mij, uwe gezondheid te
drinken."

"Te veel goedheid," zeide Helding, zijn glas op nieuw ledigende: "maar
hoe kan Mijnheer zoo bekend zijn met mijne gedichten, als ik vragen mag?
want ik heb nog nooit iets laten drukken, als eenige...."

"O Mijnheer!" zeide Reekalf, zijn kameraad in verlegenheid ziende:
"alsof wij geen kopieën van uw werken hadden;--maar mijn vriend is mij
vooruit geweest: gun mij thans ook de eer...." En er werd op nieuw
geklonken.

"Ik ben niet minder gecharmeerd van uwe kennis te maken," zeide
Reynhove. "Ich wil auch een klaasje wein mit UEd. trinken," zeide
Weinstübe. "Ik mag mij mede dat genoegen niet ontzeggen," riep Van
Ranst:--en Helding, hoezeer zich tegen die al te groote eer verzettende,
zag zich genoodzaakt met elk afzonderlijk een glas te ledigen. Zeker
deed hem de wijn naar meer smaken; want toen hij de ronde gedaan had,
verzocht hij mij uit zichzelven, de eer te mogen hebben, van ook met mij
te klinken.

"Ik kan u zeggen, mijn waarde Monsieur Helding!" zeide Contour, "dat er
geen dichter is, wiens verzen meer bij ons regiment bewonderd worden,
dan de uwe."

"Het gaat zooverre," zeide Reekalf, "dat twee Luitenants, een Vendrig en
drie Kornetten in arrest zijn gezonden, omdat het lezen uwer gedichten
hen het parade-uur had doen verzuimen."

"Wat praat gij van arrest," zeide Van Ranst: "ik ken er verscheidenen,
die zich moedwillig naar de provoost laten brengen, om op hun gemak uw
voortreffelijke dichtwerken te kunnen bestudeeren.

"'t Gaat zooverre," hernam Contour, "dat onze Kolonel laatst, in stede
van het commando te geven, een regel uit een uwer werken opzeide."

"Wij hadden bij ons een Cadet," zeide Reekalf, "wiens dood gij op uwe
rekening hebt."

"Zijn dood!" riep Helding in verbazing uit: "UEd. spot er mee."

"Volstrekt niet: hij wilde uw schrijftrant navolgen en heeft zich, uit
wanhoop over het mislukken zijner pogingen, een kogel door 't hoofd
gejaagd."

"Wel! is het mogelijk?" hernam Helding, de handen van verbazing in
elkaar slaande: "ik ben er waarachtig van ontsteld."

"Toe geschwind! trink tan tegen den schrik," zeide Weinstübe, hem
inschenkende.

"Voor den drommel," zeide Van Ranst: "ik, die hier zit, heb al zes
officieren van de Garde in tweegevecht overhoop gestoken, omdat zij
ontkenden, dat Helding de eerste dichter van het gemeenebest was."

"Hemel beware ons!" riep de goede Helding uit, verschrikt op zijde
schuivende; want Van Ranst, die een groote zwaarlijvige kerel was met
dikke knevels en bakkebaarden, zag er inderdaad vervaarlijk uit.

"UEd. is immers," hervatte Contour, "de maker van dat lieve dichtstukje
op ... hoe heet het ook?... "Eilieve, Reekalf! help mij eens op den
weg."

"Wel ja! van dat geestige gedichtje, dat wij te zamen lazen," zeide
deze.

"Welk bedoelt UEd.?" vroeg Helding, zijn oogen beurtelings van den eenen
naar den anderen kant wendende: "ik kan niet nagaan...."

"Wel! dat verliefde stukje," zeide Van Ranst: "ik heb het den vijfden
van mijn weerpartijders nog in de ooren geschreeuwd, toen ik hem den kop
gekloofd had: maar nu ben ik het waarachtig vergeten."

"Dat waar eine frolijke manier om hum naar de eeuwigkeit te promenieren
laten," zeide Weinstübe.

"Misschien," zeide Helding, "meent UEd. dat gedichtje op het kuiltje in
het kinnetje van Phyllis!"

"Juist!" antwoordde Contour: "'t geen aldus begint ... och! hoe begint
het ook weer?"

"Lief kuiltje!..." hief Helding aan.

"Juist: lief kuiltje.... Stilte, Mijne Heeren! Ga voort, mijn waarde
Heer Helding!"

"Ja! maak dat wij uit dat kuiltje komen," zeide Lodewijk.--En Helding,
die alles voor goede munt opnam, hief op deze wijze aan:

     "Lief Kuiltje! waar de God der liefde in ligt verscholen,
            Als in een zacht satijnen bed!...."

"Een satijnen bed.--Juist! recht poëtisch!"--viel Reekalf in.

     "Van waar hij pijltjens schiet, die in het wilde dolen,
     Maar treffen steeds, en gloeiend zijn als kolen,
            Wier vier elk hart in vlammen zet."

"Precies!" zeide Contour: "er kwam van kolen in."

"Die kolen maken een _lumineux_ effect," zeide Reynhove.

     "Wier vier het hart in vlammen zet."

herhaalde Reekalf: "wat is het aardig uitgedacht en geestig volgehouden:
_gloeiende kolen_ en _een vlammend hart_! Laten wij eens drinken, om
dien geweldigen brand te blusschen. Uwe gezondheid, Monsieur Helding!"

"Om u te bedanken, Mijne Heeren!" vervolgde hij: "maar het zal mijn tijd
worden, om huiswaarts te keeren."

"Ja!" zeide ik: "ik begin ook te vinden, dat het laat genoeg wordt. Wij
zullen een eindweegs samen gaan, vriend Helding!"

"Wel ja! Waarom niet den geheelen weg," zeide Lodewijk, mij spottend
aanziende: "dan kunt gij nog in 't voorbijgaan een bezoek afleggen bij
uw Dulcinea, die beneden hem woont.--Neen, neen! Wij gaan allen samen
heen."

"Ik heb geen Dulcinea, die beneden Helding woont," zeide ik, op een
ernstigen toon: "en gij, mijnheer Blaek! weet dat zoogoed als iemand."

"Nu! wij blijven ook niet lang meer," zeide Reynhove: "en wij gaan samen
heen; maar wij moeten toch het vervolg van het gedicht hooren."

"Kottorie neen!" zeide Weinstübe: "wou je nu al opkrassen? het mooie
moet nog ankomen."

"Wel, het zij zoo!" hernam ik: "maar dan gaan wij ook."

"Als de Heeren het dan zoo verkiezen," zeide Helding: en hij vervolgde
aldus met zijn gedicht:

     "Lief Kuiltje! zeg mij toch, indien gij 't kunt verhalen,
                  En prent het mij ter dege in,
     Hoe zijt gij toch ontstaan? en wat toch deed u pralen,
     Zoo schoon, als geen Apèl het beter konde malen,
                  In 't midden van die ronde kin?"

"Bravo! bravo!--Maar drink eens, Helding! dat opzeggen moet u vermoeien
na een zoo lange wandeling."

"In 't minste niet:--nu antwoordt het Kuiltje, Mijne Héeren!"

"Een sprekend Kuiltje! hoe geestig!"

     "Toen Venus zelf 't gelaat, waarin men mij ziet prijken,
             Door hare gunst te voorschijn bracht,
     Deed zij haar eigen merk in alle trekken blijken.
     Zij schiep die schoone verf, waarvoor de roos moet wijken,
             Die oogen, vol van tooverkracht."

"'t Is onnavolgbaar!" galmde Reekalf uit.

     "Dat geestig kopje, rijk versierd met blonde lokken,
              Dien fijnen neus, zoo wel besneên,
     Dien wenkbrauwboog, om 't oog zoo zuiver heengetrokken,
     Dat mondje, slechts bestemd tot kussen en tot jokken."

"Foei! Jokte Phyllis?" merkte Reynhove binnensmonds aan.

"'t Komt zoo in 't rijm te pas," fluisterde ik hem toe.

"Jokken beteekent hier zooveel als schertsen," zeide Helding, aan wiens
nauwluisterend oor de aanmerking niet ontsnapt was. Hij vervolgde:

                  "Die tandjes, wit als elpenbeen,"
     Toen zei zij: "aan mijn werk mag heden niets ontbreken.
                  En, als de moeder van de min,
     Wil ik, hetgeen ik schiep, doen prijken met het teeken,
     Dat elk herken." Zoo sprak ze, en drukte, al onder 't spreken,
                  Haar duimpjen in de kin."

Hier werd dit kreupele rijm vervangen door een algemeen concert van
toejuichingen, en zoovele gezondheden den maker gebracht, dat ik berouw
begon te gevoelen, van hem niet vóór het einde van het gedicht te hebben
medegevoerd, daar ik wel voorzag, dat hij den hem gespreiden strik niet
ontgaan zou. Vreezende bovendien, dat ook de overigen, terwijl zij hem
de laag gaven, zelven mede hun bekomst zouden krijgen, rees ik op en
wenschte nu de eerste gelegenheid te baat te nemen om te vertrekken, en,
zoo mogelijk, Helding mede te krijgen, toen het gesprek opeens een
wending begon te nemen, welke mij blijven deed.

"Wat ik bovenal admireer," zeide Reynhove, terwijl hij den dichter bij
zijn knoopsgat hield, "is de variëteit, respireerende in de differente
poësies, die gij aan Mejuffrouw Blaek hebt gedediëerd. Zeker heeft u het
sujet geïnspireerd."

"Ongetwijfeld, Mijnheer!" zeide Helding: "wie zou niet in heilig vuur
ontstoken raken, wanneer hij zulk een engel moet bezingen? Zouden wij
hare gezondheid niet eens drinken, Mijne Héeren?"

Ik gevoelde een hoogst onaangename gewaarwording, en het was mij, of de
naam van Henriëtte ontheiligd werd, dat men dien bij een gelegenheid als
deze dorst uitspreken. Dan ik had spoedig meer gegronde reden tot
ontevredenheid.

De gezondheid van Mejuffrouw Blaek werd gedronken, en die ellendige
Weinstübe voegde er bij: "dat is een gonditie, die onze frund Plaek zich
vooral wel zal aantrekken wollen. Immers; hoe staat es? Pin je al
keënkacheerd met haar? En wanneer sollen wir op je prijloft tansen?"

"Niet zoo mal," antwoordde Lodewijk: "zij is geen onaardig bekje en zou
wel willen, geloof ik; maar wij zullen er niet aan doen."

Ik gevoelde een innigen trek, om den pochhans op zijn gezicht te
trommelen--en bedwong slechts met moeite mijn toorn.

"Maar toch, Plaek!" zeide Weinstübe: "man sagt, der Her papa wil mit
alle kraft und keweld, dat je haar trauwen solt."

"Ja! dat heeft de ouwe zich in 't hoofd gezet, Joost weet waarom!
althans hij gunt haar aan geen andere."--Hier zag hij mij aan met een
schampere uitdrukking, die mij het bloed in 't gezicht deed stijgen:
"doch," vervolgde hij: "als ik ooit zoo gek worde om mijn vrijheid te
verkoopen, zal ik ten minste een half millioentje in ruil moeten hebben,
en geen kale rot, die op haar best," enz. Hier bezigde hij eenige
uitdrukkingen, te gemeen om herhaald te worden, maar die door Weinstübe
en de officieren met een luid gelach werden aangehoord.

Er had een hevige strijd in mijn binnenste plaats. Ik had te veel
eerbied voor Henriëtte, om haar op zulk een tijd en plaats en in een
dergelijk gezelschap tot onderwerp van een twist te doen strekken, en
haar partij te trekken tegen haar eigen bloedverwant: maar aan een
anderen kant was het in mijn oogen een ellendige laagheid, te dulden,
dat zij in mijn bijzijn tot onderwerp moest strekken van zulk
nietswaardig gesnap. Terwijl ik mijn denkbeelden zocht in orde te
schikken, ten einde aan Blaek mijn ongenoegen op een betamende wijze te
kennen te geven, kwam Reynhove mij voor en gaf mij daardoor de gezochte
aanleiding, om mij, zonder stof tot opspraak te geven, in het onderhoud
te mengen.

"Vriend Blaek!" zeide Reynhove: "gij doet verkeerd, aldus over uw
cousine te spreken: zij is een charmant meisje, en zou ook zonder geld
in staat zijn, iemand gelukkig te maken, die haar wist te appreciëeren:
en daar zijt gij de man niet naar."

"Dunkt u dat?" vroeg Lodewijk: "welnu! trouw haar dan zelf: en geluk er
mede."

"Het verwondert mij," sprak ik nu op mijn beurt, "dat de Heer Blaek op
een zoo losse wijze spreekt van een naastbestaande, die wellicht door
geene onzer jonge dames overtroffen wordt, en wier zedigheid althans
boven alle lofspraak verheven is."

"Wat weet gij daarvan?" vroeg Lodewijk: "omdat gij een paar keeren
alleen met de meid geweest zijt, en zij tegen u misschien de preutsche
gespeeld heeft, denkt gij, dat zij tegen een iegelijk zoo zijn moet.
Loop heen! wij weten, wat wij weten."

"Ik weet," zeide ik, "dat ik in twijfel sta, of ik uwe taal met den naam
van laster of met dien van kinderpraat moet bestempelen."

"Wat!" riep Lodewijk uit, terwijl hij opstoof van zijn stoel: "weet gij
wel wat gij zegt?"

"Niet alleen, dat ik het weet; maar ik ben bereid, het te herhalen, en
geen woord meer te verdragen ten nadeele van Mejuffrouw uwe nicht."

"En wie duivel heeft u opgedragen haar ridder te zijn?" vroeg Lodewijk:
"maar dat is hetzelfde: wij zullen elkander nader spreken, Mijnheer
Huyck!"

"Ik ben uw seconde, Blaek!" zeide Van Ranst, zich oprichtende, en de
breede borst omhoogzettende.

"Ja kottorie! dat kun je niet onder je laten, Plaek!" zeide Weinstübe.

"Wees toch zoo dwaas niet, Blaek! zeide Reynhove, tusschen beiden
tredende: "onze vriend Huyck heeft perfect gelijk. Gij hebt op een
impardonnable wijze van uwe nicht gesproken: en gij zoudt de zaak niet
amelioreeren, door er verdere suites aan te geven. Laat alles liever en
_état_ blijven, haar naam niet meer geprononceerd, en de quaestie
afgedronken worden."

"Ja!" mompelde Heldring: "dat is naar mijn hart gesproken, laat de
quaestie afgedronken worden."

"De Heer Reynhove heeft volmaakt gelijk," zeide Contour tegen Lodewijk:
"gij kunt niet vechten tegen iemand, die het opneemt voor uwe eigene
nicht."

"Ja! das ist auch waar," zeide Weinstübe: laten wij er maar nicht meer
over spreken und ein klaasje von frundschap trinken."

"Met genoegen," zeide Lodewijk: "indien Huyck mij naar behooren excuus
wil vragen voor de onbehoorlijke taal, die hij zich tegen mij heeft
veroorloofd."

"Ik geloof," zeide ik, "dat mijne uitdrukkingen gematigd genoeg zijn
geweest, en kan geene verschooning vragen voor hetgeen ik op goede
gronden gezegd heb. Dit alleen wil ik verklaren, dat ik geen oogmerk
had, u te beleedigen, maar alleen de eer van Mejuffrouw uwe nicht tegen
alle blaam te handhaven."

"Die reparatie moet u genoeg wezen, Blaek!" zeide Reynhove: "kom! wees
geen kind en begin geen dispuut, waardoor gij u-zelf een ridicule zoudt
geven.--De eer van een jong meisje is een teeder punt en behoort niet
zoo lichtvaardig onder een glas wijn gecompromitteerd te worden."

"Ach ja!" zeide Helding, terwijl Lodewijk, hoezeer onwillig, het glas
aannam, dat Contour hem opdrong: "de eer van een meisje is een teeder
punt. Och! mijn Klaartje! mijn Klaartje! wanneer men zoo los over u
sprak, niemand zou het voor u willen opnemen!"--Hier liepen de tranen
den man, wien de wijn in een aandoenlijke stemming gebracht had, langs
de wangen.

"Wat ist das!" vroeg Weinstübe: "wat hebje te hijlen und te lamenteeren?
Trink liever een schlok, dan dat je zoo staat te balken."

"Och! mijn waarde Heer!" zeide Helding, terwijl hij den aangeboden
roemer al snikkend ledigde: "Ik kan nooit over een lief meisje hooren
spreken, of ik denk om mijn arme dochter, die ook eens zoo braaf en goed
was, en thans ... och! och!--Mijnheer Lodewijk zal zich wel herinneren,
welk een braaf, beminnelijk schepseltje het was, alvorens een schelm
haar ... och! och!"

"Ik!" zeide Lodewijk, terwijl hij bleek werd, hetzij door de uitwerking
van den wijn, of uit eenige andere oorzaak: "wat weet ik van uw dochter
af?... Doch ja!... ik herinner mij ... zij is het pad opgegaan,
nietwaar?"

"Ja Mijnheer!" antwoordde Helding, blijkbaar door de woorden van
Lodewijk beleedigd, en hem aanziende met een vrijmoedigen blik; want de
kracht des wijns had de afstanden tusschen hen gelijkgemaakt: "zij is
het pad opgegaan: en ik kan het zonder blozen zeggen; want ik heb haar
altijd het goede voorgehouden en liefgehad:--en haar schande komt
alleen op den schelm neer, die haar bedorven heeft. Ziet Mijne Heeren!
ik ben maar een oude, afgeleefde vent; maar indien ik den verleider
wist, die mijn geluk verstoord heeft: ik zou hem opzoeken en in 't
aangezicht slaan. Neemt het mij niet kwalijk, Mijne Heeren! Gij zijt
allen nog jong en neemt het misschien zoo nauw niet; maar indien gij
nadacht, hoe uwe onbezonnenheid iemands geluk voor eeuwig kunnen
verstoren, gij zoudt over zulke onderwerpen niet schertsen. Och! Ik zou
al die verzen, welke UEd. geprezen hebt, met vermaak op het vuur gooien,
indien ik daardoor slechts mijne arme dochter terughad."

Helding had op dit oogenblik iets ernstigs, iets waardigs in zijn
houding: het gevoel van eigenwaarde, dat anders bij hem sluimerde en hem
elken hoon lafhartig deed slikken, was opgewekt geworden nu het zijne
dochter gold: de wijn had hem vrijmoedigheid geschonken om zich te
uiten, en de beschroomde, laffe, kruipende tafelschuimer had in mijn oog
iets eerbiedwekkends verkregen.--Het was echter niet meer dan een
flikkervlam, bestemd om even spoedig te zijn uitgedoofd als zij ontstaan
was.

Het scheen, dat zijn zedenpreek Lodewijk en zijn vrienden weinig
aanstond; althans de eerste deed weldra het voorstel, om de paarden te
gaan zoeken: en ik nam deze gelegenheid waar, om den dichter te
beduiden, dat wij nu lang genoeg gebleven waren en het tijd werd om naar
huis te gaan. Na een korte tegenstribbeling liet hij zich gezeggen, en,
afscheid van het gezelschap genomen hebbende, verlieten wij de herberg.


       *       *       *       *       *


ZEVEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

WAARIN ONZE HELD IN NIEUWE ONAANGENAAMHEDEN WORDT GEWIKKELD.


Ik had nog nauwelijks twintig stappen stadwaarts gedaan, toen die zelfde
Helding, die even te voren zoo verstandig gesproken had, mij plotseling
bij den arm nam: "het is toch zonde en jammer," zeide hij: "te moeten
aftrekken, zoolang er nog zulke goede wijn in de flesch is."

Ik zag hem aan: de oogen puilden hem uit het hoofd: en een misstap, dien
hij op dat oogenblik deed, en waardoor hij bijkans tegen mij
aantuimelde, deed mij overtuigend zien, dat hij dronken was, althans
door den plotselingen overgang uit den warmen koepel in de lucht,
bevangen geraakt.

"Hou u maar bedaard, vriend Helding!" zeide ik: "en laat ons
voortstappen, zonder de menschen te dwingen van naar ons te kijken."

Wij wandelden verder op, en ik deed mijn best, den sukkel voort te
krijgen, die bij elken stap tegen mij aankwakte en met de beenen al de
bewegingen maakte van een schaatsenrijder. Het begon gelukkig al te
schemeren, en er waren weinig menschen meer voor de herbergen; maar ik
schaamde mij toch om met een dronken man de poort in te komen. Reeds had
ik een paar keeren stilgestaan en rondgezien naar iemand om een rijtuig
te bestellen, toen tot mijn blijdschap Reynhove met twee der Officieren
ons achterop kwam geloopen. Ik wenkte hen toe en zij hadden niet veel
moeite om te zien hoe de zaak geschapen stond. De Hagenaar bood mij
terstond zijn hulp aan; doch de beide anderen, die waarschijnlijk haast
hadden, wenschten ons in 't voorbijgaan pleizierige wandeling en stapten
voort, zonder zich wijders over ons te bekommeren. Reynhove nam nu
Helding bij den anderen arm en op die wijze gelukte het ons, hem tot in
de poort te krijgen. Op het Haarlemmerplein gekomen, bestelden wij een
slede en pakten onzen maat, die zoo gedwee als een schaap was en nergens
meer besef van had, daarin, terwijl wij gearmd naast het voertuig voort
bleven wandelen. Ik vroeg aan Reynhove, hoe het met zijn paard gesteld
was.

"O!" zeide Reynhove: "het is zoo gezond als een visch. Ik laat het uit
precautie op stal staan; moest hij morgen weer aan den gang, hij zou aan
de blessen van Blaek desnoods een zeshonderd roe vooruit geven; want,
wat die betreft, ik geloof niet, dat hij er ooit weer mede zal kunnen
rijden."

"Dit is dan," zeide ik, "een weddenschap geweest, waar niemand bij
gewonnen heeft: gij zijt het geld kwijt, en Blaek een paar brave
paarden."

"Hij verliest er meer bij dan ik," zeide Reynhove, lachende.

"Ik zie niet, dat zulks u eenigen troost kan geven, dat twee edele
schepselen buiten gebruik raken en het wellicht met den dood bekoopen;
terwijl zij buiten deze dwaasheden den eigenaar tot nut en genoegen
hadden kunnen strekken."

"_Ma foi!_ het is hun lot! waar zijn de harddravers voor, anders als om
te loopen? Gij zult toch een echt nationale gewoonte als de
harddraverijen niet willen condemneeren?"

"Volstrekt niet," hernam ik: "maar de paarden, welke men daartoe bezigt,
worden er uitdrukkelijk toe bestemd, en door een gestadige oefening
bekwaam gemaakt om het lang uit te houden en sterke beweging te doen
zonder nadeel voor hun gezondheid: en bovendien bereden door lieden, die
de noodige zorg dragen, dat zij zich niet boven hunne krachten
inspannen. Wat ik veroordeel, zijn die bijzondere weddenschappen,
waarbij welopgevoede lieden zich met rostuischers gelijk stellen, hun
paarden slaan, mishandelen en bederven, en per slot slechts een schralen
roem inoogsten. Ik geloof, dat ik mij des te vrijer jegens u aldus mag
uitlaten, omdat ik bespeurd heb, dat gij, uit liefde voor uw beest, en
om het niet te bederven, de kans der overwinning verspeeld hebt. Doch
juist dit toont aan, dat gij althans voor dergelijke grappen de man niet
zijt. Om die mede te doen, moet men beginnen met alle gevoel van deernis
uit te schudden."

"Ik geloof, dat gij gelijk hebt," zeide Reynhove: "_mais que
voulez-vous_?"

"Gij althans," vervolgde ik, "zoudt niet handelen, gelijk Blaek gedaan
heeft ten opzichte van Velters. Gij ziet waar die
paardekoopers-zedenkunde toe brengt."

"Ik verzeker u," zeide Reynhove, "dat, toen ik kennis maakte met
Lodewijk, ik hem voor een bon _compagnon_ aanzag, die wellicht zijn
gebreken had, maar rond en voor de vuist was;--maar hij is mij erg
tegengevallen:--en dan de manier, waarop hij over zijne _cousine_
spreekt!--foei!--_Apropos_! is het een indiscretie, u te vragen, of gij
_vues_ op haar hebt?"

"'t Is nu de tijd niet, daarover te spreken," antwoordde ik, ongenegen
hem tot mijn vertrouweling te maken.

"Integendeel!" hernam hij: "en gij behoeft voor mij niet te vreezen:--er
zal tusschen ons geen rivaliteit bestaan.--Maar wat kan de reden zijn,
dat haar oom zoo geweldig op een huwelijk tusschen haar en Lodewijk
gesteld is, en zich daar zoo zonderling en dringend over uitlaat?"

"Heeft hij dat in uw bijzijn gedaan?" vroeg ik, verrast.

"Aha!--die vraag is een antwoord op hetgeen ik zooeven vroeg:--In mijn
bijzijn? _mieux que ça_, tegen mijzelven, vriendlief!"

"Hoe dat?"

"Luister eens. In den gepasseerden nacht lag ik gerust op mijn bed, toen
opeens de deur van mijn slaapkamer wordt opengedaan: "wie is daar?"
vraag; ik.--Geen antwoord.--Ik ga overeind in mijn bed zitten, en zie:
daar nadert mij een lange gestalte, blootsvoets en 't lijf in een
nachtjapon gewikkeld, met een slaapmuts op au een kaars in de hand, die
naar mij toetreedt. Het was de oude Heer Blaek."

"Inderdaad! En wat kwam die u vertellen?"

"Daarnaar was ik niet minder nieuwsgierig dan gij. "Mijn God! Mijnheer
Blaek! Wat is er gebeurd?" vroeg ik.--Maar hij, zonder mij te
antwoorden, zette de kaars op de tafel, en, een stoel nemende, plaatste
hij zich aan het hoofdeneind van mijn bed. Toen bemerkte ik eerst, dat
hij een slaapwandelaar was."

"En hij sprak met u?"

"Hij nam mijne hand tusschen de zijne, en toen, mij met een gelaat vol
angst aanziende: "om Gods wil, Lodewijk!" zeide hij: "maak uw ouden
vader niet ongelukkig. Heb medelijden met mij. Geef mij de rust mijner
ziel weer en neem Henriëtte tot vrouw. Ik heb heden weer een aanzoek
voor haar afgeslagen.""

"Hij zeide dit?"

"Ik herhaal u zijn eigen woorden: "O! Wist gij," vervolgde hij, "wat het
zegt, jaren lang de folteringen des gewetens te gevoelen, en slechts één
middel tot herstel van het misdrijf te kennen. Het is in uwe macht mijn
Lodewijk! mij de rust terug te geven. Ik heb u altijd uwen wil laten
doen;--ik heb u wellicht te veel liefgehad: ja! God weet het: veel te
veel:--doe gij dan het eenige, wat gij voor mij doen kunt.""

"Onbegrijpelijk! En welk geheim kan het zijn, dat hem zoo zwaar op het
hart ligt?"

"Ik weet het niet; en ik was liever de kamer uitgeloopen dan op een
zoodanige wijze de confident te worden van iemand, aan wiens huis ik
hospitaliteit geniet.--De slapende vervolgde: ""gij weet het niet,
waarom ik zoo sterk op dat huwelijk insisteer. En gij zult het ook nooit
weten dan in de ure mijns doods. En die zal niet ver meer verwijderd
zijn, indien gij aldus voortgaat, mijn beden te weerstreven.""

"Schrikkelijk! En wat toch kan het zijn, dat hier achter schuilt."

"Het tooneel begon mij te vervelen. Ik trok mijn hand los, en kroop zoo
dicht tegen den wand, dat ik buiten zijn bereik lag. Hij tastte nog
eenige oogenblikken naar mij, zuchtte toen diep, rees op, nam den
kandelaar en trok af gelijk hij gekomen was."

"Ik zou dit geval maar niet rondvertellen," zeide ik: "hetgeen u gezegd
is, was niet voor uwe ooren bestemd, en openhartig gezegd, steekt er
niet een soort van misbruik van vertrouwen in, het aan derden mede te
deelen?"

"Dat zegt gij nu gij 't weet," zeide Reynhove, lachende: "maar gij hebt
gelijk, en ik zou het u ook niet verhaald hebben, dacht ik niet, dat het
u interesseeren kon en u den sleutel geven van het refus, dat gij
geleden hebt. Aan Lodewijk echter heb ik gemeend het te moeten zeggen,
die er hartelijk om heeft gelachen, en gezegd, dat hem dergelijke
bezoeken zoo dikwijls gebeurden, tot hij eindelijk de resolutie had
genomen, van zijn deur te sluiten, wanneer hij naar bed ging. Ik geloof,
dat ik zijn voorbeeld volgen zal voor de weinige dagen, die ik nog denk
te blijven; want ik ben niet op de herhaling dier visites gesteld en zou
wellicht meer hooren dan mij aangenaam was."

"Denkt gij spoedig weer naar Den Haag te gaan?"

"Ik geloof van ja: ik verlang met die Blaeken niet intiem te worden: en
bovendien, uw vader heeft mij een goeden raad gegeven: en het zal den
mijnen aangenaam zijn, indien ik mij in deze of gene carrière begeef.
Voor mijn vertrek echter, kom ik stellig nog eens ten uwent aan."

Wij spraken nu over onverschillige zaken, totdat wij ons aan de deur der
woning van Heynsz bevonden. Mijn oogmerk was om, ten einde de
gelegenheid te vermijden van Amelia opnieuw te ontmoeten, onzen patiënt
aan Heynsz over te leveren, en dezen de verdere bezorging op te dragen.
Doch de huisheer was uit: en daar de meid natuurlijk geen kans zag, om
Helding, die gevoelloos als een blok in de slede lag, naar de derde
verdieping te sjouwen, zagen wij ons wel genoodzaakt deze taak zelven te
aanvaarden. Juist op het oogenblik, dat wij den poëet uit de slede
tilden, kwam Lodewijk aangeloopen, gevolgd van zijn bediende. "Zoo!"
zeide hij: "zijt gij daar eindelijk? Ik heb mij in 't zweet geloopen, om
u in te halen. Gij vergeet, dat ik ook bij de grap hoor."

Dit zeggende, pakte hij mede een been van Helding aan; doch ik bemerkte
dadelijk, dat zijne hulp ons weinig baten zoude, want hij waggelde zelf,
en had allen schijn van onder den invloed van den wijn te handelen. Ook
liet hij, zoodra wij den beschonkene de benedentrappen opgesjouwd
hadden, dezen los, en ging op het portaal zitten. Intusschen sleepten
wij Helding hooger op; maar ik had in 't voorbijgaan gemerkt, dat de
deur van Amelia's kamer even was geopend geworden, en dat haar vader,
waarschijnlijk ongerust over het buitengewoon gedruisch, om het hoekje
gekeken had. Lodewijk, die misschien ook niet zonder doel was
achtergebleven, had hem ook bespeurd, was weder opgestaan en de kamer
van Amelia binnengetreden. Ik zag dit met een zwenk.

"O wee!" zeide ik tegen Reynhove: "laten wij ons haasten: anders komt er
gekheid daar beneden."

Wij legden dan ook, zonder verderen omslag te maken, den snorkenden
Helding op zijn bed, en stoven de trappen weer af. De deur van Amelia's
kamer stond open: zijzelve zat aan haar werktafel, bleek van schrik en
met de handen krampachtig saamgevouwen. Haar vader stond midden in het
vertrek, met de armen over elkander geslagen, en staarde Lodewijk aan,
die nauwelijks op de beenen staan kon en al vloekende uitriep:

"Nu zie ik het eindelijk, Juffertje!--Al wil je mij niet tot galant, gij
ontvangt toch visites van Heeren.--Voor Huyck blijft de deur niet
gesloten, en wie is deze snaak? Zeker de betaalmeester en chef! He?"

"Blaek!" riepen Reynhove en ik, hem van weerszijden bij de hand nemende:
"Stel u toch zoo niet aan.--Ga met ons!"

"Met uw verlof!" zeide Bos: "is deze de Heer Blaek, die de
onbeschaamdheid heeft gehad, aan mijne dochter schandelijke voorstellen
te doen?"

"Uw dochter!" herhaalde Lodewijk, een oogenblik verrast: "nu ja! wat
doet het er toe?" vervolgde hij met zijne gewone onbeschaamdheid: "ik
heb haar rijk willen maken: en zoo gij een verstandig man zijt, zul je
er niets tegen hebben. Er steekt immers geen kwaad in, op een mooi
meisje te verlieven?--En zij neemt ook presenten aan, al houdt zij zich
fijn."

"Wacht!" zeide Bos: en meteen, een lade openhalende, kreeg hij het
doosje met juweelen voor den dag en stak het Lodewijk tusschen vest en
hemd; waarna hij, zonder er een woord bij te voegen, hem met de andere
hand een heftigen slag in 't aangezicht gaf.

"Mijnheer!" zeide Reynhove, onthutst: "wij zullen wel zorgen, dat hij u
niet incommodeert: maar zoo gij hem slaat, laten wij hem los."

"Mijne Heeren!" zeide Bos, op een bedaarden toon: "hij bekomt niet als
het honderdste deel van hetgeen hij verdient; en het is hoog noodig, dat
hij eens leere, hoe hij hier in 't vervolg ontvangen zal worden."

"Gij zult het mij betalen," brulde Lodewijk, pogingen aanwendende om
zich los te rukken: "houdt mij niet vast, lamme, valsche vrienden die
gij zijt! Pieter! mijn zweep! ik wil dien schoft mores leeren."

En Pieter, die geen haar beter was dan zijn Heer, stormde binnen en kwam
met opgeheven zweep op Bos aan. Ik sprong tusschen beiden; maar zag mij
hierdoor genoodzaakt, Lodewijk los te laten, die, zich nu ook van
Reynhove bevrijdende, als een razende Roeland op Bos toeschoot. Maar
deze, hem zonder schroom afwachtende, greep hem met de eene hand in de
das en met de andere in den gordel, droeg hem, ondanks zijn
tegenspartelen, de deur uit en smeet hem toen van al de trappen af.

"O God! wat zal het gevolg van dit alles zijn?" riep Amelia: "Mijnheer
Huyck! in 's Hemelsnaam!--Help hem toch aan 't bedaren."

"Ga uw Heer oprapen," zeide Bos, terugkeerende, tegen Pieter: "of ik zal
u denzelfden weg wijzen."

Pieter, hoewel anders een onbeschofte, ruwe kerel, en voor geen kleintje
vervaard, scheen echter ongenegen een nieuw bewijs uit te lokken van de
kracht des forschgespierden mans, die voor hem stond, en begaf zich,
zonder een tweede bevel af te wachten, naar beneden. Reynhove trad
nader: "is dit niet wat hard geprocedeerd, Mijnheer?" vroeg hij: "onze
vriend is een weinig beschonken, en...."

"En ik behandel hem als zoodanig," zeide Bos: "gij zult mij genoegen
doen, hem te volgen: ik verlang vrij op mijne kamer te zijn en van
bezoeken verschoond te blijven.--Mijnheer Huyck! een woord met u eer gij
gaat."

"Ik verlaat u, Mijnheer!" zeide Reynhove: "want ik erken, dat gij hier
meester zijt: maar permitteer mij om u te zeggen, dat ik hier toevallig
ben ingekomen, en wel, om een dispuut, dat ik vreesde, te preveniëeren:
en dat ik uwe forsche manier van ageeren jegens iemand, die zich niet
wel defendeeren kan, nimmer zal approbeeren."

"Al genoeg!" hernam Bos, met een beweging van ongeduld, en terwijl hij
hem de deur wees. Reynhove haalde de schouders op, boog zich voor
Amelia, gaf Bos zijn trotschen blik terug en vertrok.

"Wat is de aanleiding van dit tooneel?" vroeg Bos, zoodra hij weg was:
"ik had niet verwacht dat dergelijke onaangenaamheden herhaald zouden
worden."

Ik gaf hem een kort verslag van de oorzaak onzer komst en betuigde,
hoezeer het mijzelf speet, zonder opzet opnieuw in een geschil als dit
gewikkeld te zijn geweest.

"'t Is wel!" zeide hij: "ik geloof u: en ik ben overtuigd, dat ik niets
van den Heer Huyck te wachten had, als wat betamelijk en voegzaam is."

"De Hemel geve," zeide Amelia, "dat deze ontmoeting geene onaangename
gevolgen voor u hebbe."

"Dat ware van weinig aanbelang," zeide ik: "maar zij kan de aandacht der
Justitie trekken: en zoo Blaek, om zich te wreken, een beklag inlevert,
vrees ik, dat UEd. wellicht niet langer hier veilig zult zijn."

"Het is zeker, dat ons alles te duchten staat," zeide Bos: "maar het
baat mij niet, of ik angstig de toekomst inzie; ik heb mij in erger
gevaren bevonden, en mijn gestarnte heeft mij immer daaruit gered. Tot
nog toe schijnt men geen achterdocht tegen mij te voeden: en wellicht
heb ik slechts twee dagen meer noodig, om mijn zaken hier af te doen en
voor altijd dit land te verlaten."

"Vlei u niet te veel," zeide ik, het hoofd schuddende: "UEd. begaat
onvoorzichtigheden.--Of is het geene onvoorzichtigheid, aan de zuster
van den Hoofdschout een bezoek te geven?"

"Integendeel!" zeide hij: "niets is meer geschikt, om de vermoedens af
te wenden;--maar ik wil u niet langer ophouden. Vaarwel! En dat de Hemel
met u zij."

Ik vertrok. Op straat gekomen, zag ik de slede vertrekken, met den
bediende van Lodewijk er naast, terwijl Reynhove mij nog stond af te
wachten.

"Ik heb Blaek aangeraden, om van die équipage gebruik te maken," zeide
hij: "maar verhaal mij, bid ik u, wie is toch die Sinjeur daarboven, die
een paar vuisten heeft als een smidsgezel, en een houding als een
Burgemeester? Gij schijnt hem te kennen."

Ik was op deze vraag voorbereid, en antwoordde zonder aarzelen: "dien
Heer heb ik laatst op een dichterskrans bij Helding ontmoet: zijn
rechten naam weet ik u niet te zeggen."

"_Ma foi!_ hij heeft een schoone dochter, en ik begrijp licht, dat
Lodewijk er een kansje op wagen wilde;--maar in allen gevalle heeft de
oude Heer het toch wat erg gemaakt en ik zal het Lodewijk niet kwalijk
nemen, indien hij hem satisfactie vraagt wegens de geledene
injurie;--zoo namelijk die heer een man is, aan wien men, zonder zich te
compromitteeren, een uitdaging zenden kan."

"Lodewijk zal, hoop ik, verstandiger zijn," zeide ik, beschroomd over de
gevolgen, welke een zoodanige handelwijze, ook voor mij, zoude kunnen
met zich brengen: "hij is de oorspronkelijke beleediger geweest: en
niemand zou het toch kunnen goedkeuren, dat hij den vader voor den degen
eischte, omdat deze het voor zijn verongelijkte dochter had opgenomen."

"Dat is waar ook," zeide Reynhove: "en gij moet niet denken, dat ik het
gedrag van Lodewijk approuveer;--maar die andere, met zijn rooden rok,
heeft het toch ook wat erg gemaakt.... Enfin! het is zooals het is:--en
nu zult gij mij niet kwalijk nemen, dat ik u verlaat en naar mijn logies
ga: Lodewijk zou anders met reden klagen, dat ik hem geheel aan zijn lot
abandonneer: en ik zal toch al werks genoeg hebben, om hem te
apaiseeren.--Vaarwel!"

Wij namen afscheid: Reynhove volgde den weg, dien de slede gegaan was,
en ik trok naar huis. Waarschijnlijk droeg mijn gelaat eenige blijken
van de gemoedsaandoeningen, door het gebeurde bij mij verwekt; althans
mijn vader zag mij ernstig en mijn moeder enigszins bezorgd aan, terwijl
Suzanna, toen ik, zonder van de laatste ontmoeting te reppen, in korte
woorden verhaalde, dat ik in gezelschap met Blaek, Reynhove enz. geweest
was, mij verklaarde, dat zij mij op mijn verjaardag een zweepje en een
bokaaltje zoude present doen, aangezien ik bij mijn overige beminnelijke
hoedanigheden die van een rostuischer en een drinker scheen te willen
voegen. Mijn moeder zuchtte, en mijn vader zeide bij het scheiden:
"Ferdinand! teleurgestelde liefde kan somtijds tot dwaze stappen
vervoeren. Neem u in acht!"


       *       *       *       *       *


ACHT-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

WAARIN LEELIJKE DONDERBUIEN BOVEN HET HOOFD VAN FERDINAND SAMENPAKKEN.


Den volgenden dag op de beurs zijnde, werd ik aangesproken door den
makelaar Velters, die, na met mij eenige woorden gewisseld te hebben
over de commissies, welke hij voor ons kantoor te verrichten had, mij
vergunning verzocht, mij een eind weegs huiswaarts te vergezellen. Ik
verbeeldde mij, dat er deze of gene verkooping ophanden was, waarbij hij
in aanmerking wenschte te komen en deswege mijn voorspraak verlangde: en
ik was niet weinig verwonderd toen hij, zoodra wij de beurs verlaten
hadden, mij vroeg of het mij hetzelfde was, de Pijpenmarkt om te loopen,
dewijl wij daar minder gedrang zouden vinden en meer ongestoord kunnen
spreken, dan op het Rokin of in de Kalverstraat.

"Is het zoo belangrijk?" vroeg ik, verwonderd over deze geheimzinnige
handelwijze: "waarom komt UEd. dan niet liever bij mij aan huis?"

"Verschoon mij," was zijn antwoord: "maar het is beter, dat ik met UEd.
spreek, voordat UEd. te huis zijt."

"Er is toch geen samenzwering ophanden," vroeg ik lachende, terwijl ik
aan zijn verzoek voldeed en met hem den stillen weg ging, dien hij
verkozen had. Nauwelijks waren wij op de Pijpenmarkt, of hij ving het
gesprek aan door mij met warmte te danken, voor hetgeen ik ten zijnen
behoeve gedaan had.

"Gij meent mijn voorspraak bij den Heer Van Baalen," zeide ik: "maar
lieve vriend! daarvoor hebt gij mij gisteren immers reeds aan de beurs
uw dank betuigd."

"Daarvoor kan ik nooit dankbaar genoeg zijn," zeide hij: "maar ik bedoel
een dienst van een anderen aard ... in die zaak over dat paard van den
Heer Blaek:--niemand als UEd. kan mij die hebben bewezen."

"Gij zijt misleid," zeide ik, "of ik begrijp u niet. Ik verklaar u, dat
ik eerst gisteravond kennis ontvangen heb van de geheele geschiedenis."

"Nu! dat is om 't even," zeide hij: "dat bewijst mij alleen, dat UEd.
niet rust, zoodra UEd. het onrecht verneemt, om het ook te herstellen."

"Gij spreekt raadsels," hernam ik, "en wekt mijn nieuwsgierigheid op.
Wat is er dan gebeurd? En welk onrecht is er hersteld?--In allen gevalle
is het buiten mijn toedoen geschied."

"Wel!" zeide Velters: "UEd. weet dan, op welke lage wijze de Heer
Lodewijk Blaek mij misleid heeft. Hij dacht voorzeker, dat, omdat ik in
zekere opzichten van zijn vader afhankelijk ben, hij met mij zou kunnen
handelen gelijk de leeuw met zijne jachtgezellen; maar, toen ik de ware
toedracht der zaak vernam, zegevierde mijn verontwaardiging boven alle
andere bedenkingen en liep ik naar een Advocaat om raad te vragen. Deze
stelde mij voor oogen, hoe dwaas het zou zijn tegen een vermogend man te
procedeeren, ik, de aarden pot tegen den ijzeren. Zijn taal overreedde
mij: ik besloot, hoe ongaarne ook, mijn wraakzucht op te geven, en dacht
aan de zaak niet meer; dan, hedenmorgen vroeg ontving ik een
uitnoodiging om mij aan het kantoor van den Heer Hoofdschout te
vervoegen. Ik kwam daar op den bepaalden tijd, meldde mij aan en werd
terstond bij uw Heer vader binnengelaten, waar ik ook den schelmschen
Jaspersz vond, die nu, door de scherpe ondervragingen van den Heer
Hoofdschout gedrongen, alles moest opbiechten. Uw Heer Vader vroeg mij
toen, of ik mijn geld terugbegeerde, dan of ik vreesde, dat zulks mij
nadeel in mijne betrekking zoude doen. Ik aarzelde een oogenblik; doch
de zucht om te toonen, dat geene vrees voor geldelijke schade mij
verhinderde mijn recht te zoeken, en de hoop, dat alle eerlijke lieden
mijne partij nemen, en mij daarom hunne klandizie niet ontzeggen zouden,
deden mij besluiten, aan Z.-Ed.-Gestr. te antwoorden, dat ik mijn geld
gaarne terug zou bekomen. Toen Z.-Ed.-Gestr. dit hoorde, gelastte hij,
dat de Heer Lodewijk, die mede ontboden was en in een ander vertrek
toefde, zou worden binnengeroepen. Hij kwam en stond eenigszins
beteuterd geloof ik, van mij en Jaspersz daar te zien. Uw Heer vader
stelde hem op een treffende wijze het schandelijke van zijn gedrag voor
oogen en besloot met hem te zeggen, dat hij de som terug moest geven of
de gevolgen van een proces wegens oplichterij afwachten. De jonge Heer
bromde en pruttelde wel wat; doch beloofde eindelijk zulks te doen. Hij
liet zich bij die gelegenheid ontvallen, dat UEd. het zeker waart, die
den Heer Hoofdschout tegen hem had opgezet door de zaak te
verdraaien.--Daaruit nam ik aanleiding om UEd. te houden voor dengenen,
die mijne voorspraak bij Z.-Ed.-Gestr. waart."

"Gij hadt het beiden mis," zeide ik: "de Hoofdschout behoeft niet door
zijn zoon onderricht te worden, om te weten, wat er omgaat: en er is
geene voorspraak bij hem noodig om hem rechtvaardig te doen handelen."

"Maar dit is niet alles," vervolgde Velters: "in 't heengaan herhaalde
de Heer Lodewijk, dat hij zeer wel wist, aan wien hij dit alles te
danken had, en dat niets dergelijks hem verwonderde van iemand, die hem
in een vreemd huis lokte, om hem te mishandelen."

"Hoe! meende hij mij?" riep ik uit, ontsteld en verontwaardigd tevens.

"De Heer Hoofdschout vroeg hem terstond, wat die woorden te beduiden
hadden, en zeide, dat, zoo hij een klacht had in te brengen, al ware die
tegen zijn eigen zoon gericht, hij daarmede dan terstond voor den dag
moest komen. De Heer Blaek scheen zich nu een wijl te bedenken, en zeide
vervolgens, dat hij de zaak liever blauw blauw zoude laten."

"Dat geloof ik wel," hernam ik: "hij kan door laster mij meer nadeel
doen dan door een loyale aanklacht."

"Vervolgens," zeide Velters: "vroeg hem Z.-Ed.-Gestr., wie hem
gisteravond, ten huize van den Portretteur Heynsz van de trappen
gesmeten had, en of UEd. dat gedaan had."

"Hoe mijn vader wist dit reeds?----maar waarover verwonder ik mij?"

"Mijnheer!" zeide Blaek toen: "ik beschuldig voor alsnog niemand; maar
uw zoon heeft zich niet zoo gedragen, gelijk ik van een fatsoenlijk man
verwachtende was. Zoo UEd. mijn knecht verkiest te hooren, zal deze u
zeggen, dat uw zoon hem verhinderde mij ter hulpe te komen, terwijl een
ander mij in de borst greep en mishandelde."

"Die ellendige!" riep ik: "voorzeker, als de zaak op die wijze wordt
voorgedragen, moet mijn handelwijze vreemd en berispelijk schijnen."

"Z.-Ed.-Gestr. antwoordde niet; maar, na zich een korten tijd bedacht te
hebben, zeide hij: "Mijnheer Blaek! wij zullen deze zaak nader
onderzoeken: en hoe dat onderzoek afloope, wees verzekerd, dat wij UEd.
recht zullen doen wedervaren."--Daarmede kreeg de Jongeheer zijn
afscheid.--Maar toen kwam er nog wat, en ik vrees daarbij verkeerd
gehandeld te hebben. Uw Heer vader vroeg mij, zoodra wij alleen waren,
of ik UEd. kende. Ik antwoordde toestemmend." "Ja!" zeide Z.-Ed.-Gestr.:
"ik weet, gij hebt te zamen een avond bij Monsieur Helding doorgebracht.
Vergun mij, u eene vraag te doen. Is UEd. het niet, dien hij naar huis
heeft gebracht?"--"Ed.-Gestrenge!" antwoordde ik, eenigszins verwonderd;
"die eer heb ik niet gehad: uw zoon is vroeger vertrokken."

"Ach!" zeide ik: "daar begint de straf van mijn logen."

"Het ernstig gelaat van uw Heer vader," vervolgde Velters, "liet geen de
minste verandering bespeuren: en toch was het mij, toen hij mij zeide,
dat ik afgedaan had, alsof zijne stem mij te kennen gaf, dat hij
ontevreden was: en ik gevoelde, dat ik UEd. een kwaden dienst gedaan
had, door de waarheid te spreken. Dit smertte mij:--maar ik mocht toch
niet liegen:--en nu meende ik, ware het best, UEd. vooraf te waarschuwen
van het voorgevallene, ten einde UEd. in staat te stellen, van naar
bevind van zaken te handelen."

"Het is waar," zeide ik, na eenig stilzwijgen, "gij hebt mij een
slechten dienst gedaan; maar God beware mij van te wenschen, dat gij om
mijnentwille aan de waarheid zoudt hebben te kort gedaan. Ik heb,
ofschoon om bestwil, mij met een logen moeten behelpen, en dien er thans
de gevolgen van te dragen.--Maar wij naderen ons huis! laten wij hier
afscheid nemen: het zou ook u in onaangenaamheden kunnen wikkelen, zoo
men ons thans bijeen zag. Geloof, dat ik u dankbaar blijf voor den
dienst, mij door u bewezen:--al is die dienst genoegzaam geweest, om mij
mijn eetlust voor dezen middag te benemen."

Velters verliet mij en ik kwam in een vrij onaangename stemming te huis.
Nauwelijks dorst ik de oogen opslaan toen ik binnentrad: mijn vader was
ernstig en sprak weinig: mijn moeder zuchtte, zag mij nu en dan met een
weemoedigen blik aan, en ik kon duidelijk aan haar gezwollen oogen
bemerken, dat zij geweend had. Mijn zuster Suzanna deed in den beginne
eenige pogingen om het gesprek gaande te houden; doch zij bemerkte
alras, dat zij zich vruchtelooze moeite gaf, en onze afgetrokkenheid,
althans die van mijn moeder en de mijne, waarschijnlijk toeschrijvende
aan verdriet over het mislukken mijner vrijage, hield zij af en zweeg;
zoodat ons middagmaal, zonder de kinderen, die nu en dan hun stem
verhieven, veel op een Trappisten-vergadering zoude geleken
hebben.--Zoodra het nagebed was gedaan, rees mijn vader op en zeide tot
mij, dat het hem aangenaam zoude zijn, mij een oogenblik te spreken,
indien namelijk mijn kantoorzaken--"of andere bezigheden," voegde hij er
op een schamperen toon bij, "mij den tijd tot een kort onderhoud
vergunden."

Ik betuigde, dat ik tot zijn dienst was en volgde hem met een kloppend
hart naar zijn studeervertrek. Aldaar gekomen, nam hij plaats en
verzocht mij te gaan zitten, met een plechtigheid, die mij tot een
slecht voorteeken strekte van hetgeen volgen zoude. Zijn gelaat stond
strak als gewoonlijk: maar, behalve dien trek van ernst, was er in de
bijna onmerkbare beweging van het oog en in de opgetrokken hoeken van
den mond een uitdrukking van droefheid te lezen, die getuigde, dat zijn
ziel meer leed, dan hij verlangde dat zou opgemerkt worden.

"Mijnheer!" zeide hij, na mij gedurende eenige oogenblikken te hebben
aangezien, als had hij in het diepste mijns gemoeds willen lezen: "ik
begin zeer goed te begrijpen, dat de Heer Blaek uwe verdere kennismaking
met zijn pupil niet heeft willen toelaten: en het doet mij leed, dat ik
mij door de gebeden uwer goede moeder tot den dwazen stap, dien ik deed,
heb laten bepraten."

"Hoe dat, Vader?" vroeg ik, bevende: "een dwaze stap!... Ik begrijp u
niet."

"Ik prijs den voorzichtigen man," vervolgde mijn vader, "die het hem
toevertrouwde pand niet wil overgeven aan iemand, wiens gedrag niets dan
ongunstige waarborgen oplevert voor het toekomstig geluk zijner gade."

"Mijn gedrag!" herhaalde ik, verblijd over de gedachte, dat ik mij ten
minste van die zijde onschuldig gevoelde: "wat kan de Heer Blaek mij te
verwijten hebben?"

"Hoe, Mijnheer!--Iemand, die zich niet schaamt, op den dag zijner
terugkomst bij zijn ouderen, den dag, waarop zijn hart alleen vervuld
behoorde te zijn met reine en betamende gedachten aan het geluk, dat hem
te beurt viel, van zijns vaders huis en zijne betrekkingen in gezondheid
terug te zien, die, zeg ik, op zulk een dag zich niet schaamt, een
_maitres_ met zich te brengen en te kameren! die gedoogt, dat zijn vrome
en niet ergdenkende Tante in kennis komt met een slecht voorwerp: die,
om zijn bezoeken bij haar te bewimpelen, mij wijs maakt, dat hij
nachtwandelingen met Velters doet: die, van een dronkenmanspartij
terugkeerende, een mede-vrijer van de trappen laat smijten!...

             quem frangere postes
     Non pudet, et rixas inseruisse iuvat.

Gij ziet dat ik van alles onderricht ben... en die, onder de bedrijven,
zich nog inbeeldt, dat hij aanspraak op de hand van een fatsoenlijk
meisje kan maken!--Ferdinand! Ferdinand! hoe diep zijt gij gevallen!

     Tantane te, fallax! cepere oblivia nostri?"

"Vader!" zeide ik, met zooveel bedaardheid als ik machtig kon blijven:
"Van al wat UEd. daar opnoemt is er slechts ééne aantijging, waarop ik
schuld bekennen moet:--namelijk, dat ik u voorgelogen heb betreffende
mijn wandeling met Velters.--Wat mijn kennis betreft aan de Juffer, die
bij Heynsz logeert,--deze schaam ik mij niet. UEd. hadt mij beloofd,
daarnaar niet meer te vragen."

"Dit had ik gedaan, omdat ik een vast vertrouwen stelde in uw
oprechtheid en in uw godsdienstig gevoel.--Maar nu gij eenmaal, en gij
bekent het zelf, mij bedrogen hebt in één punt, hoe wilt gij dan, dat
ik, in het overige, staat make op de woorden van iemand, _quem non
periuria terrent_? Is het nu mijn plicht niet, als vader, die zijn zoon
moet terughouden, wanneer hij hem met rassche schreden den weg ten
verderve ziet inslaan, en als Hoofdschout, die voor de goede orde in de
stad moet waken, een perk te stellen aan dergelijke ongeregeldheden?"

"Ik ben wel te beklagen," zeide ik: "te meer, omdat mijn verdediging zoo
gemakkelijk mogelijk zou zijn, indien mij niet een heilige, maar
noodlottige plicht het spreken verbood."

"Het is genoeg, Mijnheer!" zeide mijn vader, oprijzende: "ik weet
dergelijken kinderpraat op zijn waarde te schatten. Voortaan zullen uwe
gangen worden nagegaan, daar kunt gij op rekenen. Als vader zal ik zorg
dragen, dat gij mijn eerlijken naam geen verdere schande aandoet: als
Hoofdschout zal ik waken, dat gij de goede orde in deze stad niet weder
verstoort.--Gij hebt afgedaan: ik wil u niet langer ophouden."

"Neen, mijn vader!" riep ik uit, oprijzende en hem de hand drukkende,
die hij niet gaf noch terugtrok, maar bewegingloos in de mijne liet:
"zoo kunnen wij niet scheiden: ik moet ten minste de hoop medenemen, dat
UEd. eenmaal mijn gedrag beter beoordeelen zult."

Hier werd aan de geheime deur getikt: het was het sein van Heynsz.

"Wacht een oogenblik!" riep mijn vader, snel het hoofd omwendende: "maar
neen!" vervolgde hij, zich bezinnende: "het is beter zoo!--binnen!"

Hij ging weer zitten. Heynsz trad de kamer in en zag mij eenigszins
verwonderd aan.

"Ga gerust uw gang," zeide mijn vader: "gij kent mijn zoon. Welk nieuws
is er?"

Heynsz nam zijn boekje en begon te lezen:

"N°. 1. De zielverkoopers op den Zeedijk hebben opgelicht twee knapen,
die bezopen kwamen uit een nachthuis. Het zijn lichtmissen, daar niets
aan is bedorven en die geteekend zijn met een zwarte kool."

"Om 't even!" zeide mijn vader: "er moet huiszoeking gedaan worden bij
dat volkje, en de beide knapen zoowel als de zielverkoopers morgen voor
mij gebracht worden.--Verder!"

"N°. 2. De zoon van de Weduwe Lette is geprest door de zielverkoopers
van de O.-I. Compagnie. 't Is wel jammer! Zulk een oppassende
jongen:--de eenige kostwinner zijner moeder!"

"'t Is jammer!" herhaalde mijn vader, het hoofd schuddende: "maar hier
valt niets aan te doen. Zorg mij de woonplaats der Weduwe en hare
bestaansmiddelen te doen weten. Het is niet meer dan billijk, dat de
O.-I. Compagnie haar onderhoude, nu zij haar haren zoon neemt."

Ondanks de kwellingen, die mij bezig hielden, kon ik niet nalaten, een
onaangename gewaarwording te gevoelen bij de gedachte, dat gewone
zielverkoopers streng gestraft werden, terwijl de menschenroof, voor
rekening der Compagnie gepleegd, onverhinderd zijn gang mocht gaan: en
ik had een zucht over voor de arme Weduwe, aan wie men het verlies van
een zoon met een geldelijke schadeloosstelling zoude denken te
vergoeden.--En dan nog was ik verzekerd, dat het niet de Compagnie, maar
mijn vader zoude zijn, van wien zij die aalmoes zoude bekomen.

Heynsz vervolgde zijn lijst:

"N°. 3. Men is voornemens te bestelen hedenavond het pakhuis van de Wed.
Pietersz en Comp. Een der dieven heeft zich laten opsluiten daarin, en
zal de klokke 12 uren zijn makkers daar binnenlaten."

"Wij zullen zorgen," zeide mijn vader, "dat zij er niet alleen hun maat,
maar ook nog een behoorlijk aantal dienaars in vinden."

"N°. 4. Het gouden horloge van den slachter Fleischhauer is terugbekomen
bij Mozes Nathans. Hij had het van Fleischhauers eigen zoon gekocht, die
van zijn vader zeker te weinig ontvangt om te verslempen."

"De Jood en de jongeling beiden zullen een plaats in 't Spinhuis
bekomen. Geen genade voor een zoon, die zijn vader bedriegt.--Is er
niets meer?--Niets van den Vliesridder?"

"Niets: ofschoon hij zich naar alle gedachten nog hier, of in de buurt
moet ophouden; want er is weer geld voor hem uit de Bank gelicht, gelijk
onze spion bij de Bank mij verteld heeft. Het is onbegrijpelijk, dat wij
hem niet op het spoor komen."

"Vrij onhandig zeker: en zoo ik u niet beter kende, Heynsz, zou ik
waarachtig denken, dat de Vliesridder u omgekocht heeft.--Is er niets
meer?"

"Niets, Ed.-Gestrenge! buiten eenige zakkenrollerijen op den
Haarlemmerweg gisteravond gepleegd, bij gelegenheid eener harddraverij."

"Niets anders?"

"Waarlijk niets," antwoordde Heynsz, zijn zakboekje naziende.

"Niets?--Ei! Ei! dan is het mijne beurt," zeide mijn vader, hem scherp
aanziende: "N°. 1. Er heeft gisteravond ten huize van Zacharias Heynsz
een twist plaats gehad, ten gevolge waarvan de Heer Lodewijk Blaek van
al de trappen is gesmeten.--Monsieur Heynsz, die zoo goed bekend is met
al wat in de stad omgaat, schijnt dus niet te weten, wat er in zijn
eigen huis gebeurt."

"Edel-Gestrenge!" stamelde Heynsz, terwijl hij mij verlegen aanzag: "met
uw permissie. Die zaak heeft gehad geen gevolgen. Ik achtte het niet
waardig de moeite, daarvan te spreken."

"Dat staat u niet te beoordeelen. Wie heeft aanleiding tot dat rumoer
gegeven? Nu! kijk mijn zoon maar niet aan.--Antwoord zonder omwegen."

"Edel Gestrenge! Ik weet waarachtig weinig of niets van de zaak af. Ik
was niet te huis, en dacht, toen ik vernam wat er had plaats gehad, het
ware best, dergelijke gevalletjes, waar jongelieden van de eerste
familiën in betrokken zijn, maar niet te fijn uit te pluizen."

"Zoo! dus denkt uwe wijsheid, dat er een andere schaal bestaat, waarin
de eerste, als waarin de mindere klasse behoort gewogen te worden?--Maar
ik ben nog niet ten einde.--N°. 2. De gezegde Zacharias Heynsz geeft
huisvesting aan verdachte personen, en schaamt zich niet oogluikend te
dulden, dat zekere Juffer, die een kamer tot zijnent betrokken heeft,
bezoeken ontvangt van jonge losbollen."--Hier zag mijn vader mij
veelbeteekenend aan.

"Met uw verlof, Edel-Gestrenge! kan ik kwaad denken van een Juffer, die
is vereerd geworden door UEd. Gestrengen zoon met zijn bezoeken, en
bekend is bij Mejuffer uwe zuster? En bovendien, wat heb ik er mede te
maken, sedert haar eigen vader gekomen is en mede bij mij inwoont? Laat
elk zorgen voor de zijnen. Ik kan den man geven geen ongelijk, zoo hij
gooit den Heer Blaek van de trappen, omdat die dringt in zijne kamer.
Elk moet wezen vrij in zijn huis."

"Voorzeker!" zeide mijn vader. "Hoe heet uw logeergast ook?"

"De Heer Van Beveren uit Deventer."

"N°. 3. Zacharias Heynsz huist iemand, die zich Van Beveren uit Deventer
noemt, zonder te onderzoeken, of er een zoodanige persoon bestaat.
Intusschen kan ik hem verzekeren, dat, volgens mijn berichten, zoodanige
naam en zoodanige persoon te Deventer onbekend zijn."

"Onbekend!" herhaalde Heynsz, met verbazing: "en de Notaris Bouvelt
heeft mij nog wel aanbevolen die lieden."

"Pas maar op," zeide mijn vader: "is, _qui fugitivum celavit, fur est_.
Maar misschien zal mijn zoon u den waren naam van die personen wel
kunnen aan de hand doen."

"Ik ben geen verklikker," zeide ik, wrevelig: "en al wist ik de geheimen
van dien vreemdeling, het zou een laagheid zijn, die te openbaren. Dit
kunt gij niet eischen, mijn vader!"

Mijn vader zag mij lang en scherp in 't gezicht;--maar omtrent dit punt
althans was mijn geweten zuiver en wist ik, dat ik naar behooren
handelde en de oogen niet behoefde neder te slaan. Na een langdurig
stilzwijgen hervatte hij:

"Er schuilt hier iets achter, dat ik niet begrijp.--Intusschen,
Ferdinand! ofschoon ik vooralsnog wil gelooven, dat gij minder schuldig
zijt, dan ik waande, mag ik niet nalaten, zoodanige maatregelen te nemen
als de omstandigheden vorderen. Heynsz! gij zorgt, dat ik in alles van
de gangen uwer huisgenooten onderricht worde, en tevens houdt gij ook
mijn zoon in 't oog. Zoodra gij iets bespeurt, dat u verdacht voorkomt,
zult gij er mij van onderrichten. Bemerk ik, dat gij voor mij de minste
kleinigheid verzwijgt, dan heb ik voor 't vervolg uwe diensten niet meer
noodig."

"Hoe, mijn vader!" riep ik uit: "het is op een blooten schijn, dat UEd.
mij gelijkstelt met misdadigers, waarvan het ergste te wachten is. Ik
bid u, laat Heynsz nog een oogenblik blijven. Hij kan getuigen, of ik
meer dan driemalen te zijnen huize ben geweest, en of niet telken reize
Helding de oorzaak mijner komst was, terwijl slechts toevallige
omstandigheden mij met dien vreemdeling of zijn dochter in betrekking
gebracht hebben."

"Ik heb u reeds te kennen gegeven, dat ik mijn oordeel wederom
opschort," zeide mijn vader: "zoo gij onschuldig zijt, hebt gij niets
van een onderzoek uwer daden te vreezen: en zoo gij verkeerd gehandeld
hebt, welnu! gij zijt gewaarschuwd voor het vervolg.--Maar ik houd u
niet langer op: men zal u reeds wachten aan het kantoor."

Hier viel niets op te antwoorden: ik groette, verwijderde mij met een
beklemd hart en ging naar het kantoor.

"Aha!" zeide de Heer Van Baalen, zoodra hij mij gewaarwerd: "ik wachtte
u reeds met ongeduld. Gij moet mij en u zelf een dienst bewijzen, en
even naar den Notaris Bouvelt wandelen. Hij is beter, en ik weet, dat
hij reeds menschen gesproken heeft. Gij moet u niet laten afschrikken
door een afwijzende boodschap en u vooral niet tevreden stellen, zoo men
u zegt, dat de eerste Klerk u wel helpen zal."

"Naar den Notaris Bouvelt!" herhaalde ik: "en wat moet ik hem
vertellen?"

"Ziehier de zaak: hij heeft altijd onze volmachten opgemaakt op onze
vrienden van over zee. Heden heb ik die wederom als naar gewoonte
ontvangen: maar zoo het mij voorkomt zijn er abuizen in, en is men
althans, ik weet niet om welke reden, van het gewone formulier
afgeweken. Ziehier de stukken. Gij, die gestudeerd hebt, zult mij wel
kunnen zeggen, of ik gelijk heb."

"Dat is nog niet zeker," antwoordde ik: "want tusschen theoretische en
practische kennis bestaat een groot verschil. Een rechtsgeleerde, al is
hij een Bijnckershoeck, zal somtijds in dergelijke stukken een flater
over 't hoofd zien, die een kantoorklerk ontdekken zal.--Maar laten wij
de volmachten eens doorloopen."

Ik zette mij naast Van Baalen neder, terwijl deze mij, onder 't lezen,
de verkeerdheden aanwees, welke hij in de opgemaakte stukken meende te
vinden. Ik kon niet nalaten, mij, in de meeste opzichten, met zijn
gevoelen te vereenigen.

"Ik begrijp zeer goed, waaraan die abuizen moeten worden toegeschreven,"
zeide Van Baalen: "gedurende de ziekte van den Notaris heeft zijn eerste
Klerk die stukken gesteld, en Bouvelt, te zwak van hoofd om dat alles
over te lezen, heeft maar op goed geloof geteekend. Intusschen moet dit
geredresseerd, en wel spoedig; want Pulver wacht er op en kan zonder dat
niet vertrekken. Eilieve! wees dus zoo goed, en ga zelf naar den
Notaris. Het is beter dat UEd. er heengaat, dan ik of een ander; want uw
titel als Meester in de Rechten zal nog eenigen invloed bij hem hebben,
ingeval hij eens koppig ware en geen ongelijk wilde erkennen."

"Ik ga," zeide ik, "ofschoon ik geloof, dat hij nog meer deferentie
zoude hebben voor uwe opinie dan voor de mijne.--Maar UEd. zal mij een
parapluie moeten leenen: want ik zie, dat het frisch is begonnen te
regenen, sedert ik hier ben."

"Van harte gaarne.--Wil ik anders de koets ook laten inspannen."

"Ik dank u wel," zeide ik: "dat houdt maar op.--Tot straks; want ik zal
u bescheid komen brengen."

Ik ging dan op weg, bij mijzelven de zonderlinge grillen van mijn lot
overdenkende, waardoor alles, wat ik hoorde of verrichten moest, zich op
deze of gene wijze in verband stelde met den Heer Bos of zijne dochter.
Ik was niet ongelijk aan iemand, die zich in een sterrebosch bevindt,
en, welke laan hij ook insla, altijd den grooten boom of het standbeeld
voor oogen heeft, waar al de lanen op uit loopen. Met dat al gevoelde ik
eene zekere nieuwsgierigheid, om dien Notaris te zien, wiens naam ik in
de laatste dagen zoo dikwerf had hooren noemen, en aan wien ik niet
denken kon, zonder mij een machtigen toovenaar voor te stellen, die den
sleutel bezat der ingewikkelde geheimenissen, welke mij zooveel kwelling
veroorzaakten, en door zijn wil in staat zoude zijn, de ontknooping te
bewerken dier voor mij zoo lastige raadsels. Want dat dit bezoek,
hoezeer ten gevolge van zeer prozaïsche en alledaagsche
beroepsbezigheden afgelegd, wederom aanleiding zoude geven tot nieuwe
verwarring in het drama, 't welk ik onwillig medespeelde, daar aan
twijfelde ik geen oogenblik: en de uitkomst deed zien dat mijn
voorgevoel mij niet bedroog.


       *       *       *       *       *


NEGEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

VERMELDENDE WAT ER TEN HUIZE VAN DEN NOTARIS BOUVELT VOORVIEL.


De kantoorbediende van den Notaris, die mij de deur opendeed, liet mij,
nadat ik mijn naam en betrekking genoemd, en hem verklaard had, dat ik
zijn Patroon persoonlijk spreken moest, een zijvertrek binnen, hetwelk
tot spreekkamertje diende, en waar hij mij verzocht mijne beurt af te
wachten. Ik vond aldaar slechts één persoon aanwezig, wien ik aan zijn
duffelsch gewaad, aan zijn vierkanten lichaamsbouw, aan de stevige
wijze, waarop hij met de knieën wijd van elkander en de handen op de
knieën gezeten was, en vooral aan het in een bont geruiten doek geknoopt
pakje, dat tusschen zijn beenen lag, voor een Zaankanter, althans voor
iemand van de overzijde van het IJ herkende. Hij beantwoordde mijn groet
als een Chineesche Mandarijn, namelijk met een hoofdknik: en
vermoedende, dat er geen heil uit een onderhoud met dit lomp stuk
vleesch te halen ware, ging ik voor het raam staan, en keek, zooveel de
tegen de ruiten kletterende regen zulks gedoogde, naar de
voorbijgangers. Nauwelijks had ik eenige minuten aldaar doorgebracht, of
een rijtuig hield voor de deur stil, waarvan ik de kleur en livrei
spoedig genoeg herkende. Ik zag, nadat er gebeld en opengedaan was, den
Heer Jacobus Blaek uit het portier stijgen en een oogenblik later het
vertrek binnentreden.

Er zijn weinige ontmoetingen lastiger, dan die tusschen twee personen,
waarvan de een kort te voren den anderen een gewichtig verzoek heeft
afgeslagen. Beiden maken bij die gelegenheid een gek figuur, vooral
wanneer zij overigens van denzelfden stand in de maatschappij zijn en
elkander vroeger op een gemeenzamen voet gezien hebben, zoodat er
althans eenige woorden van beleefdheid gewisseld moeten worden. De een
is dan bang, dat er op het verzoek zal teruggekomen, en dat hem
verklaring of uitlegging zijner handelwijze zal afgevergd worden: hij
vreest, zoo hij te beleefd is, bij den anderen hoop te verwekken op
iets, dat toch niet verwezenlijkt kan worden, en hij wil toch niet, door
lomp te zijn, nieuwe en onnoodige reden tot misnoegdheid verwekken:--de
ander is evenmin op zijn gemak; want bij den wrevel, dien men in hem
over de geleden weigering veronderstellen moet, wil hij niet te beleefd
zijn, uit angst dat men hem van laagheid verdenken zal, en toch wil hij
ook niet, door gebrek aan beleefdheid, de goede kansen, die hij
misschien nog hebben mocht, ten eenenmale verspelen. In mijn geval kwam
hier nog de onaangename omstandigheid bij, dat ik niet wist, of den Heer
Blaek het geval met zijn zoon ten huize van Heynsz bewust was, en zoo
ja, op welke wijze hem zulks voorgesteld was en of ik mij deswege al of
niet moest verontschuldigen.

Hoe dit ware, het bleek mij duidelijk, dat mijn tegenwoordigheid hem
alles behalve aangenaam was. Hij beantwoordde mijn groet met een stijve
buiging, nam geen notitie van den Zaankanter, zette zich, haalde een
zakboekje voor den dag en doorliep eenige papieren, welke hij daaruit
nam. Dit gold zooveel als een wenk, dat hij in geen onderhoud verlangde
te treden: en ik hervatte dus mijn vorige houding, zonder acht op hem te
slaan.

Op deze wijze verliep er een vrij onaangenaam kwartieruurs, en ik
voorzag, dat mijn toestand nog lastiger zou worden, wanneer de derde
man, die zich in 't vertrek bevond, en wiens tegenwoordigheid ons
wederzijdsch stilzwijgen nog eenigszins wettigde, zou binnengeroepen
worden, en ik mij alzoo met den Heer Blaek alleen bevinden. Weldra
scheen dat oogenblik te zullen komen. Ik hoorde de schel van den Notaris
klingelen, den Klerk de trappen ophollen en kort daarop weder beneden
komen, om dengenen, wiens audiëntie was afgeloopen, uitgeleide te doen,
en een nieuwen bezoeker op te roepen. Werkelijk werd de deur van het
vertrek geopend en de stem van den Klerk noodigde Kneel Poppes uit, hem
te volgen.

De Zaankanter rees op, mompelde een goeden avond tegen ons en volgde den
Klerk naar boven. Terzelfder tijd hoorde ik den man, die van boven
gekomen was, zeggen: "met uw verlof! ik heb mijn parapluie in de
zijkamer laten staan."--De spreker trad binnen: en tot mijn spijt
herkende ik in hem niemand anders dan Amelia's vader, met zijn
scharlaken rok en zijn bril.

Hij herkende mij insgelijks, gelijk ik uit een schier onmerkbaar
gefronsel zijner wenkbrauwen opmaakte. Om zijn parapluie te krijgen, die
in een hoek van het vertrek stond, moest hij den Heer Blaek voorbij, die
nog altijd in dezelfde houding was blijven zitten en geen acht op hem
scheen te slaan. Voor hem gekomen, bleef de Heer Bos even staan, hield
het oog op hem gevestigd, deed een stap achteruit en zeide toen met een
duidelijke, doch zachte stem:

"Jacobus Blaek!"

"Frederik Van Lintz!" riep deze, verbleekende, terwijl hij opsprong en
zijn bekende van vroegere jaren met een blik van verbazing en schrik
aanstaarde.

"Ikzelf!" zeide Van Lintz: "ik zie dat gij, in spijt mijner vermomming,
mijn stem nog herkent."

"Maar hoe durft gij...? Lieve God!... bedenk toch...." en de Heer Blaek
scheen hem door een zijdelingschen blik te willen doen opmerken, dat zij
zich niet alleen bevonden.

"O! dat is niets!" zeide Van Lintz, met een glimlach: "de Heer Huyck zal
mij niet verklappen:--en bovendien, ik heb geene keuze en moet de
gelegenheid, nu zij zich voordoet, bij de haren vatten. Er kon voor mij
geene gelukkiger ontmoeting zijn dan deze; want ik had al op de middelen
gepeinsd om een onderhoud met u te hebben."

"Met mij! en wat kunt gij mij toch te zeggen hebben?... Maar spreek toch
zacht om 's Hemels wil! Bedenk, dat uwe veiligheid...."

"Die hangt van u af. Gij alleen kunt mij helpen: gij zult dit doen om
onzer oude vriendschaps wille: om den wille van onzen braven broeder,
die in den Hemel is."

Ik zag, dat de Heer Blaek opnieuw van kleur verschoot. "Zwijg toch, bid
ik u," fluisterde hij: "ik wil u immers gaarne helpen; maar laten wij
ergens anders gaan dan hier!" En hij haalde zijn zakdoek voor den dag om
de zweetdroppelen af te vegen, die langs zijn voorhoofd dropen.

Ik trad nader. "Vergeeft mij, Mijne Heeren!" zeide ik: "ik wil niet
onbescheiden zijn. Ik zal wel even in het voorhuis gaan en u gelegenheid
geven, te zamen te praten. Men zal mij wel zoo aanstonds roepen."

"Ach! wat helpt dat?" vroeg de Heer Blaek, terwijl hij zijn angstige
blikken beurtelings van mij op Van Lintz liet wandelen: "Mijnheer Huyck
heeft toch reeds te veel gehoord!--Hoe kan men zoo onvoorzichtig zijn!"

"En wat is er toch," vroeg Van Lintz, terwijl hij met gekruiste armen
tegen den wand stond, "waarover gij u bekommert? Wie toch in de wereld
kan het u kwalijk nemen, dat gij eenige woorden wisselt met een ouden
kennis, met den zwager van uw broeder? De Heer Huyck weet, zoogoed als
gij, dat ik vogelvrij verklaard ben: en het had slechts van hem
afgehangen, het had hem slechts één woord gekost, om mij mijn vrijheid,
en bijgevolg mijn leven te doen verliezen: maar hij heeft dat woord niet
gesproken, en zal het ook niet spreken.--Van zijnentwege heb ik dus
niets te vreezen: en ik vertrouw, dat hij het u ook niet kwalijk zal
nemen, indien gij mij hoe eerder hoe beter hier vandaan helpt."

"Integendeel!" zeide ik, met overhaasting--"het verblijf van den Heer
Van Lintz, of zooals Mijnheer heeten mag, en dat vervloekte geheim,
hebben mij reeds last en onaangenaamheden genoeg veroorzaakt, en ik zal
den Heer Blaek uiterst dankbaar zijn, indien zijne bemoeiingen daar een
einde aan maken."

"Alzoo," zeide Van Lintz, glimlachende: "zoudt gij u van het bewaren van
ons geheim ontslagen rekenen, wanneer ik eens van hier ware."

"Ongetwijfeld!" antwoordde ik: "dat was immers de afspraak?"

"Voorzeker!" zeide Van Lintz: "maar het zou den Heer Blaek wellicht
onaangenaam zijn, indien men wist, dat hij eenig aandeel in mijn
ontkoming had."

"Waarom zou ik dit uitbrengen?" vroeg ik: "ik hoop, dat de Heer Blaek te
goede gedachten van mij heeft, dan dat hij mij voor een verklikker zoude
aanzien."

"Voorzeker!" zeide Blaek, in blijkbare verwarring: "ik heb uitmuntende,
ik heb de beste gedachten ter wereld van den Heer Huyck; maar,"
vervolgde hij tegen Van Lintz: "is het hier een plaats, om over uwe
zaken te spreken? Kom met mij, naar mijn huis, of...."

"Naar uw huis?" herhaalde Van Lintz: "neen dat niet! Het zou wellicht uw
zoon niet zeer aangenaam zijn, mij te ontmoeten, na de les, die ik hem
gisteravond gegeven heb."

"Hoe! wat!--Zijt gij die Heer Van Beveren, met wien hij die affaire
gehad heeft?... doch gij hebt gelijk; mijn huis is ongeschikt;... maar
ga toch met mij: ik zal een veilige schuilplaats voor u uitdenken. Wij
zullen dat in het rijtuig overleggen. Mijnheer Huyck zal wel zoo goed
willen zijn, mij bij den Notaris te willen verontschuldigen, door hem te
zeggen, dat ik geen tijd had ... of wat hij verkiest."

"Wel! het zij zoo!" hernam Van Lintz: "Mijnheer Huyck! Ik zeg u nog geen
vaarwel; want het schijnt, dat ons noodlot ons, 't zij wij willen of
niet, telkens weder in aanraking wil brengen: en wij zullen elkander
waarschijnlijk nog wel eens ontmoeten."

"Nog slechts één raad neb ik u te geven," zeide ik: "haast u! want een
uur verwijl kan u noodlottig zijn: en daarvan althans kan ik u de
verzekering geven, dat het huis van Heynsz voor u tegenwoordig een
onveilige schuilplaats is."

"En UEd. belooft mij, van deze ontmoeting niet te zullen spreken," zeide
Blaek, zich naar mij toewendende en mij de hand krampachtig drukkende,
terwijl Van Lintz mij met een hoofdknik voor mijn raad bedankte.

"Ik heb u reeds gezegd, dat ik geen verklikker ben," antwoordde ik met
eenigen trots: "en ik herhaal u, wat ik eenmaal aan den Heer Van Lintz
zeide, dat ik slechts dan zal spreken, wanneer mijn plicht het gebiedt."

Ik weet niet of de Heer Blaek zich met deze belofte volkomen tevreden
stelde; doch hij diende er wel genoegen mede te nemen: de beide Heeren
vertrokken en ik zag hen een oogenblik daarna gezamenlijk wegrijden:
waarheen, was mij onbewust.

Weinige oogenblikken daarna kwam de Zaankanter de trappen weder af en
werd ik bij den Notaris binnengelaten.

Ik zal mijn geschrijf niet nutteloos vermeerderen met een verslag te
geven van hetgeen ik met den Heer Bouvelt verhandelde: want hoe dikwijls
zijn naam ook in den loop mijns verhaal genoemd is, en welken invloed
hij onwetend en middellijk uitoefende op de gebeurtenissen, welke ik te
boek stel, zijn deel daaraan was echter van een ondergeschikten of
liever van een verwijderden aard, en hij was in zekere opzichten te
vergelijken met den kaarsenmaker van den Schouwburg, die de verlichting
bezorgt en zonder wien het spel niet vertoond, althans niet gezien zoude
worden; maar die zelf nimmer ten tooneele treedt.--Voor hen echter, wier
nieuwsgierigheid eenigszins door het voorafgaande geprikkeld en thans
teleurgesteld is, wil ik er wel bijvoegen, dat de Notaris Bouvelt een
klein, schraal ineengedrongen ventje was van ongeveer zestig jaren, met
een ziekelijke, saffraangele tronie, een baard van zes dagen en een
knijpbril op den neus, een slaapmuts op het hoofd en een servet daarover
heen; een gebloemde japon met een roode sjerp aan 't lijf, dat lijf
gedoken in een met sits bekleeden leunstoel en de in pantoffels gestoken
voeten rustende op een koperen stoof: dat hij gezeten was achter een
breede tafel, vol schrifturen, akten, drankfleschjes, contracten,
cachoutdoosjes, schepenkennissen en likkepotjes: en dat hij na een vrij
langdurig gesprek, hetwelk hij door herhaalde hoestbuien meer dan eens
gedwongen was af te breken, erkende, dat zijn oudste klerk gedwaald had,
en de akten naar mijn zin of liever naar dien van den Heer Van Baalen
veranderde.


       *       *       *       *       *


DERTIGSTE HOOFDSTUK.

HETGEEN LANGER DAN HET VOORGAANDE, EN NIET MEER OF MINDER BELANGRIJK
WEZEN ZAL.


Ik was met een eenigszins luchtiger gemoed van den Notaris teruggekeerd
dan ik bij het heengaan bezat; want de aanwezigheid van Van Lintz daar
ter plaatse had mij doen vermoeden, dat hij de papieren, in welke hij
zooveel belang scheen te stellen, en waarom hij eerst zijn dochter naar
Amsterdam gezonden had en vervolgens zelf gekomen was, eindelijk had
ontvangen en dus geene reden meer bezat om langer in een stad te
vertoeven, waar zijn verblijf hem aan gevaar blootstelde; terwijl aan
een anderen kant de weinige woorden, tusschen hem en den Heer Blaek
gewisseld, mij alle hoop gaven, dat deze zich het lot zijns voormaligen
bekenden zou aantrekken en de noodige middelen in het werk stellen, om
hem over de grenzen te helpen: en, hetzij dit gelukte, hetzij Van Lintz
betrapt werd, ik voorzag, dat in beide gevallen het oogenblik niet verre
meer af was, waarop het mij vergund zou zijn te spreken. Hierbij nog
kwam, dat, even gelijk een minnaar in de kleinste zwarigheid reden vindt
tot bittere ongerustheid en angst, zoo ook de geringste straal van hoop
door hem als de morgenstond eener blijde toekomst verwelkomd wordt: en
de omstandigheid alleen, dat de Heer Blaek mij om geheimhouding verzocht
had van hetgeen er tusschen hem en Van Lintz was voorgevallen, een
omstandigheid, welke hem alzoo in zekere opzichten aan mij verplichtte,
was genoegzaam om mij met de hoop te streelen, dat hij goede gedachten
van mij opvatten zoude, en zich, ingevalle Lodewijk en Henriëtte
afkeerig bleven van het door hem gewenschte huwelijk, niet langer
ongenegen zoude toonen, mijn zielswensch te vervullen. De ondervinding
had mij toen nog niet geleerd, dat verplichtingen van dien aard bij hem,
die ze aangaat, geene genegenheid, maar enkel vrees en zelfs een zekere
afkeerigheid ten opzichte van den verplichter doen ontstaan.

Den achtermiddag van den volgenden dag zat ik op mijn kamer te werken,
toen Helding bij mij werd aangediend. Wrevelig, dat opnieuw iemand uit
dat noodlottige huis van Heynsz zich bij mij vervoegde en door zijn
komst versche aanleiding tot vermoedens wekken kon, beknorde ik de meid,
die hem gezegd had, dat ik thuis was, en stond een oogenblik in beraad,
haar met de boodschap weg te sturen, dat ik bezigheden had en niemand
kon afwachten. Bij eenig verder nadenken echter en gedreven door de
hoop, dat Helding wellicht een welkome tijding zoude brengen, veranderde
ik van besluit en gaf last, hem bij mij te laten.

Hij verscheen dan ook weldra, nam, na eenige buigingen, plaats, en
verhaalde mij, dat hij, vernomen hebbende op welke wijze ik hem thuis
had gebracht, mij daarvoor zijn dank kwam betuigen.

"Wat zal ik u zeggen, Mijnheer Huyck!" zeide hij, eenigszins verlegen en
zijn hoed tusschen de handen draaiende: "ik had wat diep in 't glaasje
gekeken; maar _insanivimus omnes_, gelijk wij op de Latijnsche school
zeiden. Intusschen, ik kan het haast niet verklaren, hoe ik zoo weinig
_compos mentis_ was. 't Is waar, ik had wat hard geloopen: en dan wil
men wel zeggen, dat men daardoor vatbaarder is voor den invloed van
Bacchus.--En dus: van den wijn alleen kan het niet gekomen zijn."

Ik kon niet nalaten, te glimlachen, want ik kende de waardij van
dergelijke verschooningen. Aan welke reden men ook de dronkenschap,
waarin men verkeert, toeschrijve, de wijn heeft er nooit geen schuld
aan.

"Troost u, Monsieur Helding!" zeide ik: "wij waren allen min of meer
onder den invloed van Bacchus."

"Ja," hernam hij: "dat is wel mogelijk: 't was anders goede wijn:
misschien wel wat sterker dan ik gewoon ben. Het spijt mij intusschen
recht; want ik heb daardoor wellicht aanleiding gegeven, dat het
gezelschap spoediger opgebroken is, dan anders het geval zou geweest
zijn. Het was jammer! wij zaten zoo genoeglijk bij elkaar, en die
Officieren waren aardige Heeren en schenen vrij wat kennis en smaak te
hebben in de poëzie.--Zij wisten wat iemand toekwam."

"Dat hebben zij ten uwen opzichte getoond," zeide ik.

Hij zag dit als een compliment aan en lachte witjes--"O verblinding der
vleierij!" dacht ik bij mijzelven.

"Maar," vervolgde hij: "ik heb tot mijn leedwezen gehoord, dat de Heer
Lodewijk bij ons aan huis zoo leelijk is te pas gekomen!"

"Dat is hij," antwoordde ik: "maar het zal beter zijn, dat onderwerp
maar niet aan te roeren."

"UEd. heeft gelijk," zeide hij: "ja, het is wat onbegrijpelijk: er
gebeuren buitendien meer rare dingen bij ons aan huis. Wie had het ooit
kunnen denken? Die Heer Van Beveren...."

"Welnu?" vroeg ik, nieuwsgierig om te vernemen, wat er nu weer gebeurd
was.

"Wel," vervolgde hij: "om met Vader Vondel te spreken:

     Hy trock al heimlijck af en zonder eenigh teecken
     Van wapen of trompet."--

"Hij trok weg!" riep ik: "Goddank!"

"Met de noorderzon verhuisd," hernam hij, eenigszins verwonderd over den
uitroep van blijdschap.

"En zijn dochter?"

"Neen die is er nog," antwoordde hij: "maar zij zal niet lang meer
blijven: althans Heynsz wil haar niet in huis houden."

"Niet? En wat is er dan voorgevallen?" vroeg ik, eenigszins minder in
mijn schik met dit tweede bericht.

"Dat zal ik UEd. verhalen. Ik was gisteravond bij mijn buurjuffer op een
kommetje koffie genoodigd; want UEd. moet weten, zij verzoekt mij nog
wel eens 's avonds ... en ik heb er altijd vrij entrée ... een eer, die
aan alle Heeren niet gegund wordt. He! he! he!"

"Ja!" zeide ik: "ik begrijp, dat zij zwak voor u heeft."

"Nu! dat is tot daar aan toe," hernam hij: "maar het is in allegevalle
niet in haar te misprijzen, dat zij niet te ijdel is om met een oud man,
als ik ben, wat te keuvelen en zij vindt er smaak in, als ik haar nu en
dan eens een versje voorlees."

Ik was eenigszins verwonderd over dezen smaak van Amelia: maar bij
verder nadenken begreep ik, dat zij, in de afwezigheid haars vaders, na
het voorgevallene liever niet alleen was, en dat het gezelschap van
Helding, al was het niet onder de belangrijkste te stellen, haar toch
altijd eenige gerustheid moest inboezemen.

"En was haar vader niet te huis?" vroeg ik.

"Dat is het mooie," antwoordde hij, glimlachende: "ik zat moerziel
alleen met haar, in _viezevie_, zooals de Franschen zeggen, en ik had
een pijp opgestoken:--ik zou haar juist mijn gedichtje op het Kuiltje
gaan voorlezen, dat aan de Messieurs zoo beviel, weet UEd.?"

"Ik weet al?--En toen?"

"Daar kwam net haar Papa thuis. "Wel Papa!" vroeg zij zoo: "is UEd.
geslaagd in uw bezoek?"--"Ja!" zeide hij: en toen haalde hij een dik pak
pampieren uit zijn rokzak en lei het op tafel. "Ik begon al ongerust te
worden over uw lang wegblijven," zei zij. "Ja!" zei hij, "ik heb nog een
ontmoeting gehad."--En toen keek hij mij zoo schuins aan van onder zijn
bril, alsof hij wilde zeggen: "pak je biezen."--"Ik was juist
voornemens," zeide ik, "aan de Juffer een gedichtje te gaan
voorlezen."--"Ga uw gang," zeide hij. "Monsieur Helding! en laat ik u
niet storen." Ik dacht, de man wil het toch eens hooren; maar daar kwam
niet van: hij haalde een _cassette_ voor den dag, opende het pak, dat
hij medegebracht had, nam eenige pampieren daaruit, die hij weder bij
zich stak, en verborg de rest in de _cassette_, zonder bij dat alles de
minste acht te geven op hetgeen ik voorlas."

"Dat was niet beleefd," zeide ik: "maar inderdaad, het scheen mij dien
avond op uw kransje reeds toe, dat die Heer geen rechten smaak vond in
de poëzie."

"Allesbehalve!--En toen ik gedaan had, in de plaats van toen het een of
ander te zeggen over mijn werk, of mij ten minste voor de genomene
moeite te bedanken, daar draait hij zich op eenmaal naar mij toe, en
zegt: "Monsieur Helding! als UEd. nog van een kommetje koffie gediend
blieft, zoo is het u gegund; maar drink het dan spoedig op: want ik heb
het een en ander met mijn dochter te onderhandelen."--"Och!" zeide ik:
"ik ben niet gaarne tot overlast; dan ga ik liever direct heen.--Want ik
was knorrig. Zie, ik ben doodgoed, maar ik heb niet graag, dat iemand
mij affronteert."

"En ging UEd. toen heen?"

"Nog niet: als UEd. hooren zal. Het mooiste moet nog komen. Terwijl ik
mij gereed maakte om te vertrekken en nog een kommetje aannam, dat
Mejuffrouw Amelia, die het, geloof ik, weer goed wou maken, mij
toereikte, daar komt Heynsz binnen en begint een praatje. "Zoo, Sinjeur
Heynsz!" zei de Heer Van Beveren: "UEd. komt juist van pas: ik moet
hedenavond nog de stad uit," ("ei! ei!" dacht ik) "en wilde u betalen,
hetgeen ik u tot heden schuldig ben, en u meteen verzoeken, zorg te
dragen, dat mijn dochter geene bezoeken meer tegen haar zin
ontvangt."--"Wel! wel!" zei Heynsz: "gaat UEd. heden nog op reis? Zeker
naar Deventer?" voegde hij er bij, met een spotachtig gezicht. De Heer
Van Beveren keek hem aan, als wilde hij zeggen: "dat zijn uwe zaken
niet."--"Wees maar zoo goed," zei hij: "mij uw briefje van verschotten
te geven: dan zal ik u betalen en de maand uit meteen."--"Hm! hm!"zeide
Heynsz: "mag ik u vragen of er nog meer Heeren van uw naam te Deventer
zijn?"--"Gij zijt nieuwsgierig van avond, Sinjeur Heynsz!" zeide de Heer
Van Beveren, met een gezicht alsof hij hem van de trappen wilde gooien,
"'t Is maar," vervolgde Heynsz: "omdat er lieden zijn, die beweren, dat
er nooit iemand van dien naam binnen Deventer bestaan heeft."--"Dat zou
al toevallig zijn," zei de andere: "men vindt die anders overal. Maar
Sinjeur Heynsz! wacht tot gij ten minste Onderschout geworden zijt,
alvorens mij met dergelijke onbescheidene vragen lastig te
vallen."--Daar had UEd. het gezicht van Mejuffer Amelia moeten zien: het
arme schaap werd zoo bleek als een doek. En Heynsz keek ook zuur, dat
beloof ik u; "Mijnheer!" zei hij: "gij moogt dan Van Beveren heeten of
niet, maar al ben ik geen Onderschout, zoo zou er toch een Onderschout
kunnen komen en u vragen doen, die u niet aangenaam waren."--"Sinjeur!"
zei de ander: "als er een Onderschout komt, zal ik hem antwoorden. Aan u
ben ik geen rekenschap verschuldigd. Indien gij werkelijk een zoo knap
verklikker waart als gij voorgeeft te zijn, zoudt gij mij terugbezorgd
hebben hetgeen Zwarte Piet mij ontstolen heeft, of mij althans
aanwijzing daarvan gedaan hebben." Ik sloeg de handen in elkander.
"Heynsz een verklikker!" dacht ik. "Hadt UEd. daar ooit gedachten op
gehad, Mijnheer Huyck?"

"Zoo eenigszins," antwoordde ik glimlachende: "en hoe liep dit af?"

"Wel! Heynsz werd zoo rood als een kalkoensche haan en antwoordde vrij
vinnig, en ik voorzag nog het oogenblik, dat Van Beveren, of zooals de
man dan heeten mag, hem bij de kladden zou krijgen. Maar hij scheen
opeens te bedaren, ging zitten, haalde een schuiertje uit den zak en
begon zich het poeier van den rok te borstelen of er niets gebeurd ware,
zonder verder eenig antwoord te geven. Toen zag Heynsz in, dat hij met
zijn drift niets won en begon een toontje lager: "hoor Mijnheer!" zeide
hij: "ik moet u waarschuwen dat gij een verdacht persoon zijt: en
daarom, zeg mij oprecht, wat gij hier verrichten komt. Als eigenaar van
dit huis, heb ik toch wel eenig recht, dit te vragen."--"Hoor, Monsieur
Heynsz!" zeide de andere: "ik betaal u als een eerlijk man de huur uwer
kamers, en ik weet niet, dat er iets tot mijn last is: en aangezien wij
in een vrij land leven, zoo zie ik niet, dat gij recht hebt, mij te
beletten te gaan, waar ik wil. Bovendien, mijn dochter blijft hier,
althans zoolang zij niet beter vinden kan. Ik ga dus hedenavond heen, en
gij kunt gerust uw spionnen uitzetten en mijn gangen laten nagaan; maar
thans, verzoek ik, van uw verder bijzijn ontslagen te worden. Gij zult
dan wel met mijn dochter afrekenen."--Heynsz scheen nu te begrijpen, dat
hij niet verder komen zou, mompelde wat binnensmonds en ging heen,
zoowel als ik:--en, zooveel als ik hedenmorgen vernomen heb, is die Van
Beveren met de nachtschuit naar Utrecht vertrokken."

"Ik wensch hem goede reis," zeide ik, eenigszins verbaasd over de
stoutheid en ondoorzichtigheid van Van Lintz, dat hij aldus vertrokken
was, met een gelegenheid, waarbij hij niet kon missen bespied en
achtervolgd te worden.

Het overige van ons gesprek was onbeduidend; althans het verdient hier
niet opgeteekend te worden. Voor Helding vertrok, bad hij mij, mijn
vader nog eens te willen herinneren aan de hem beloofde nasporingen
omtrent het lot zijner ongelukkige dochter.

"Dat wil ik gaarne doen," zeide ik: "maar het behoeft niet. Wat mijn
vader eens voorneemt en belooft, dat vergeet hij niet: heb dus maar
geduld, vriend Helding! gij zult de verlangde narichten bekomen. God
geve, dat zij tot een gelukkig einde mogen strekken."

Nauwelijks had Helding mij verlaten, en nog zat ik te peinzen over het
medegedeelde nieuws, toen de deur mijner kamer zachtjes openging en ik
in den tegenover mij geplaatsten spiegel mijn moeder herkende, die bleek
en bezorgd van uitzien, met langzame schreden naar mij toekwam.

"Was het Monsieur Helding niet, die daar uitging?" vroeg zij, terwijl
zij met de eene hand, waarin zij een open brief hield, op den rug van
mijn stoel leunde, en met de andere zich een traan uit het oog wischte.

"Dezelfde, Moederlief!" zeide ik, rood wordende.

"Wat had die nu weer te vertellen?" vroeg zij, met een ontevreden blik.

"Hij kwam mij bedanken, omdat ik hem laatst te huis gebracht heb, toen
hij te veel gedronken had."

"En was deze de eenige reden zijner komst?" vroeg zij, het hoofd
langzaam buigende: "Ferdinand! Ferdinand! wat hebben uw ouders u gedaan,
om hen zoo te misleiden? wat beteekenen die gestadige gangen en
boodschappen naar en van dat huis van Heynsz? O! zoo gij wist, hoeveel
tranen gij mij kost, en hoe ik om uwentwille reeds twee nachten
slapeloos heb doorgebracht! zoo gij wist, hoe uw brave vader zijn leed
verkropt, en, wanneer ik vraag, wat hem deert, het hoofd schudt, en
alleen met een zucht antwoordt. Hoe zijt gij veranderd, Ferdinand! gij,
wien wij eens oprecht en vroom gekend hebben! Ach! het was niet zonder
reden dat ik opzag tegen die verre reize, die gij nog zoo jong en zonder
opzicht ondernomen hebt. Wij steunden op de vastheid van karakter en de
brave grondbeginselen, die wij, in onzen ouderlijken hoogmoed, ons
verbeeldden dat gij bezat. Maar bitter zijn wij voor onzen eigenwaan
gestraft. Helaas! gij waart nog te jong en onervaren! en gij zijt tegen
de verleiding niet bestand geweest. Het gebed, dat ik dagelijks tot God
voor u opzond, is niet verhoord geworden. Zeg mij, Ferdinand! zeg mij
toch, heb ik mijn zoon verloren?--Ach! ik was zoo innig verblijd over
uwe terugkomst: ik had mij zooveel genoegen van u voorgesteld:--en thans
zie ik, dat mijn blijdschap droefheid had moeten zijn."--Onder het uiten
dezer laatste woorden boog zij haar hoofd op mijn schouder neder en
weende bitterlijk.

Haar innige smart verscheurde mij de ziel, en ik was zelfs zoo onthutst
en ontroerd, dat ik in de eerste oogenblikken vruchteloos naar woorden
zocht, en niet anders doen kon, dan haar koude hand in de mijne te
klemmen, den arm om haren hals te slaan, haar bleek gelaat te kussen en
tranen van weemoed aan haar boezem te schreien. "Moeder!" zeide ik
eindelijk: "lieve moeder! matig uw verdriet."

"Ik zie ten minste," zeide zij, terwijl zij zich langzaam uit mijn
omhelzing losmaakte en zich naast mij nederzette: "ik zie, dat gij nog
niet geheel verdorven zijt, dat er nog hoop is op uw behoud; want uw
hart is nog vatbaar om getroffen te worden. O! beloof mij, dat gij den
verkeerden weg zult verlaten, dien gij zijt ingeslagen, dat gij alle
banden, die u aan dat slechte voorwerp verbinden, zult losscheuren: en
alles, alles zal vergeven en vergeten zijn: ik zal juichen en zeggen met
den vader uit de gelijkenis: "ziet! mijn zoon was verloren en hij is
wedergevonden."

"Maar," zeide ik: "ik betuig u, dat er geene banden te verbreken vallen:
dat ik door u, door mijn vader verkeerd word beoordeeld: dat...."

"En waarom dan uw gedrag niet opgehelderd? Wie heeft recht op uw
vertrouwen, op uw openhartigheid, zoo uw vader dit niet heeft? Hoe kunt
gij vergen, dat hij of ik geloof zouden slaan aan de ongerijmde en
nietige uitvluchten, waarmede gij uwe verkeerdheden poogt te bemantelen.
Ferdinand! wees niet verstokt in het kwade. Een gulle bekentenis, een
oprecht berouw zouden uws vaders rechtmatigen toorn ontwapenen; maar een
hardnekkigheid als de uwe moet hem verbitteren."

"Maar vader," zeide ik, "had mij beloofd zijn oordeel te zullen
opschorten, tot zich het oogenblik zoude opdoen, waarin ik hem een
volkomene, geheel voldoende opheldering zoude kunnen geven. Dat
oogenblik nadert met rassche schreden. En dan, geloof mij, dan zal mijn
gedrag u in een ander licht voorkomen, dan het thans doet. Waarom dan
ook niet een weinig op mij vertrouwd, wanneer ik u mijn onschuld betuig
en u verzeker, dat gij zonder billijke oorzaak tranen stort?"

"Is dat geheim dan zoo diep, zoo vreeselijk," vroeg mijn moeder, "dat
gij het ook aan mijnen boezem niet kunt uitstorten? Ach! het zou u
goeddoen, en mij ook, Ferdinand! want, hoe fraai uw woorden ook zijn, ik
ben nog niet gerust. Misschien misleidt gij uzelf: er moet stellig eenig
kwaad, iets verkeerds zijn bij een geheimenis, die men aan eene moeder
niet kan openbaren."

"Lieve moeder!" zeide ik, de hand drukkende, die zij mij vleiende
toestak: "geloof mij, mijn vurigste wensch op dit oogenblik zoude wezen,
om mij aan uw hart te storten en u alles te ontdekken.--Ja, ik gevoel,
dat zoo gij langer bleeft aandringen, ik de kracht niet zoude hebben, u
weerstand te bieden: dat ik, tot welken prijs dan ook, de bron uwer
tranen zoude willen drogen. Maar zoo ik nu sprak, zou ik een
woordbreker, en bijgevolg een schurk zijn;--en dat toch wilt gij van uw
zoon niet maken?"

"Het kan dan niet anders," zuchtte mijn moeder: "neen, een woordbreker
moet gij niet worden:--alleen maar begrijp ik niet, waartoe dergelijke
dwaze geheimen dienen. Ik zie niet, dat iets, dat goed en ordentelijk
is, behoeft verborgen te blijven. Misschien dwaal ik, en heb ik geen
ondervinding genoeg, maar ik kan het mij maar niet voorstellen."

Zij sprak wel waarheid, die goede moeder, want nooit had haar geest of
haar verbeelding eene gedachte gekoesterd, welke zij niet zou hebben
durven openbaren; en haar reine ziel was een spiegel, waarin zij ieder
vergunde te lezen.

"In allen gevalle," vervolgde zij, "hoop ik, dat die oplossing spoedig
moge plaats hebben; want ik zou ziek worden van die onzekerheid; en
dan," terwijl zij mij den brief toereikte, "hier is een uitnoodiging van
uw Tante Van Bempden tegen Zaterdag over acht dagen, om mijn verjaardag
op Heizicht te komen vieren: ik had mij veel genoegen van die partij
voorgesteld;--maar nu weet ik waarachtig niet of ik het wel aanneem; ik
kan met geen opgeruimd hart aan tafel zitten en de gelukwenschingen der
gasten ontvangen, zoolang dit geval niet is opgehelderd."

"Gij zijt onbillijk, lieve moeder!" zeide ik: "waarlijk, gij zijt
onbillijk tegen mij. Ik kan beseffen, dat deze zaak u hindert; maar
dewijl ik u mijn woord heb gegeven, dat uw bezorgdheid ijdel is, mocht
ik toch hopen, dat gij nog vertrouwen genoeg in mij zoudt bezeten
hebben, om met eenige kalmte den loop der gebeurtenissen af te
wachten.--Voorheen, lieve Moeder! was het genoeg, dat ik u eenmaal iets
verzekerde, om er u de vaste overtuiging van te geven. Heugt het u nog,
toen eens de _girandolle_ in de zaal aan gruis was gevallen, en iedereen
beweerde, ik moest het gedaan hebben; want ik had den ganschen morgen in
de kamer gezeten en niemand buiten mij was er geweest, dat gij toen
zeidet: "neen! Ferdinand heeft het niet gedaan; hij zegt het zelf"--En
zou ik sedert dien tijd zoo veranderd zijn, dat er op mijn woord geheel
niet meer te bouwen ware?"

"Ja Ferdinand!" zeide, zij, mij met aandoening omhelzende: "ik geloof u;
want het zou al te afschuwelijk zijn, indien ook deze betuigingen valsch
waren: en echter," vervolgde zij, mij met een weemoedigen blik
aanziende: "gij hebt onlangs een weinig ... gedraaid." Het goede mensch
wilde niet zeggen: _gelogen_. "Maar spreken wij daar niet over," voegde
zij er bij, ziende, dat ik rood werd en haar smeekend aanzag: "dat was
voor het eerst en voor het laatst, nietwaar? O! zeg mij, dat het voor 't
eerst en voor 't laatst was: ik heb er behoefte aan, dit te
gelooven.--Ach! zonder die noodlottige misleiding had ik u nooit
verdacht."

"Moeder!" zeide ik: "gij beschaamt mij te recht: ja! dat was voor 't
eerst, en, God is mijn getuige, het zal ook voor 't laatst zijn. Daar!
deze kus moge u tot bevestiging strekken dat ik deze belofte heilig
houden zal."

"Dat wensen ik," zeide zij: "nu, wij zullen dan het geval laten zooals
het is, en ik zal trachten, mijne bekommernissen te overwinnen. Zoo ik u
verkeerd beoordeeld heb, gij zult het mij niet kwalijk nemen, nietwaar?
Ach! gij weet niet, hoe teeder een moeder aan haar kind gehecht is, en
hoe vele angsten haar hart benauwen, wanneer zij slechts veronderstelt,
dat het van den rechten weg zoude kunnen afwijken."

Hier droogde de beste vrouw haar tranen af, en verliet mij, meer gerust
te mijnen opzichte, dan toen zij gekomen was.

Dienzelfden avond ontvingen wij een afscheidsbezoek van Reynhove, die
aan mijn vader meer omstandig kwam mededeelen hetgeen hij mij reeds met
een paar woorden gezegd had, dat hij naar Den Haag ging en moeite zoude
doen om _geëmployeerd_ te worden.

Er was, had hij gehoord, een bediening opengekomen, waaraan geen
onbelangrijke werkzaamheden verbonden waren, en hij hield zich
overtuigd, dat zijn vader, zijn besluit vernemende, zich daarover
verheugen zou en alle pogingen in het werk stellen, om hem zijn doel te
doen bereiken. "Ik heb," zoo eindigde Reynhoves verhaal, "lang genoeg
als een _oiseux_ meubel rondgeslenterd en UEd. heeft mij doen zien dat
het tijd wordt, iets degelijks bij de hand te nemen."

Het behoeft niet vermeld te worden, dat het voornemen van Reynhove door
mijn vader hoogelijk goedgekeurd werd: mijn moeder wenschte hem
insgelijks allen voorspoed op zijne voornemens: Suzanna zeide lachende:

"Ik weet niet, Mijnheer Reynhove! maar mij dunkt, het zal u vreemd
voorkomen, den dag op een bureau door te brengen met over allerlei
vervelende schrifturen te gapen, en

     Omschanst te zitten met papieren,
     Die door de slaafsche zinnen zwieren.

Mij dunkt ik zie u daar zitten met een groote pen achter 't oor, een
morslap vol inktvlakken op de rechtermouw, en een aschgrauwen overrok
aan, waar de kantoorlucht niet meer uit te kloppen is."

"Ik zie wel, dat gij nooit naar Den Haag geweest zijt, Santje!" zeide
ik: "gij stelt u de kantoren aldaar voor, gelijk dat van een
Amsterdamsen koopman, waar het licht door de lantaren van de
binnenplaats invalt en men te drie uren al bij de kaars moet zitten.
Neen! ginds gaat het vroolijker toe: men zit in ruime, luchtige kamers,
en de groote bezigheid bestaat er, in de courant te lezen, en te praten
over de nieuwtjes van den dag en om het uur eens een pen te versnijden."

"Wel! hoor mij dat jongmensch eens aan," zeide Suzanna: "die praat over
kantoren en maakt vergelijkingen, en denkt, dat hij het recht heeft om
aardigheden te zeggen, omdat hij een blauwen Maandag in den handel is.
Denk je dan, Ferdinand! dat men in Den Haag niets uitvoert, omdat men er
juist niet den geheelen dag lettertjes zit te kladden en sommetjes zit
te maken, trots den besten schooljongen?"

"Mejuffrouw neemt het zoo goed voor Den Haag op," zeide Reynhove, "dat
ik er niets weet bij te voegen. Maar is het mogelijk, dat UEd. daar
nooit geweest is?--Mij dunkt, de familie moest daar eens eenige dagen
komen passeeren: het zoude mij een innige volupteit zijn, u rond te
leiden en het interessantste te laten zien."

"Ja, indien UEd. dat van papa gedaan kon krijgen," zeide Suzanna, "dan
zou ik u voor den welsprekendsten man uit de Zeven Provinciën houden:
maar daar is geen kijk naar."

"Wacht maar," zeide mijn vader: "als ik eens oud word, en op mijn
muiltjes ga leven, dan zullen wij eens zien wat wij doen."

"Ja!" hernam Suzanna: "als ik zoo lang moet wachten, dan zal ik zelve al
wel te hokvast geworden zijn, om nog uit te vliegen. Wat zijn de mans
toch gelukkig! daar heb je Ferdinand, die is half Europa al rond
geweest, en ik, die evenzoo goed recht had iets anders te zien, ik zal
misschien mijn leven ten einde zien loopen, zonder ooit in Den Haag te
zijn geweest."

"Den Haag zou er het meeste bij verliezen," zeide Reynhove, "maar, als
ik vragen mag: waarom zoude uw broeder u daar niet heenbrengen? dan had
UEd. een Mentor van ondervinding bij u."

"Een mooie Mentor!" riep Suzanna uit: "ik bedank u hartelijk. Wel ja!
met een Broeder te reizen is ook wel een laatste toevlucht! Weet UEd.
dan niet, Mijnheer Reynhove! dat van al de meisjes op den aardbodem er
geene is, waarover men zich minder bekommert, dan over eene zuster?"

"Daar laat gij u onvoorzichtig uit, Santje!" zeide ik; "ik wilde u juist
voorstellen, u in het volgende voorjaar eens derwaarts te brengen; maar,
nu ik dat hoor, zal ik er wel deugdelijk op passen."

"O! Mejuffrouw meent het niet," zeide Reynhove: "ik recommandeer u
ernstig aan, bij die goede intentie te volharden. Het zal u wel
bevallen, en wij zullen alles in 't werk stellen om u een goed accueil
te procureeren."

"Gij ziet, Mijnheer wil ons volstrekt in Den Haag hebben," zeide ik.

"Dat wil ik," zeide Reynhove: "of liever, want het zoude inconvenant
zijn, van mijn wil te praten, ik wensch het vurig."

"Ja," zeide Suzanna: "om als een berenleider met ons rond te loopen en
ons aan de menschen te toonen als iets nieuws, al roepende: "_kijkt!_
menschen! _kijkt!_ Hier heb je den nieuwbakken Amsterdamschen koopman
van het mannelijk geslacht, met zijn zusje, een onnoozel ding, dat nog
van geen toeten of blazen weet. Ja! denk je, dat ik niet weet, hoe men
ginds met onze kleeding en manieren den spot drijft?"

"UEd. is het toch niet, die voor spotternij beducht kan zijn?" vroeg
Reynhove.

"Die kan je in uw zak steken, Santje!" zeide ik.

"Volstrekt niet," zeide Reynhove, eenigszins verlegen over de
uitlegging, die ik aan zijn woorden gaf, "ik bedoelde alleen te zeggen,
dat Mejuffrouw boven alle bespotting verheven is."

"Wat zeggen de Heeren Blaek toch wel over uw spoedig vertrek?" vroeg
mijn moeder, een andere wending aan het gesprek willende geven.

"O!" antwoordde Reynhove: "den ouden Heer heb ik weinig gezien, en die
zal over mijne absentie niet treuren:--en wat Lodewijk betreft...." hier
zweeg hij opeens, en zag mij zijdelings aan.

"Wel!" zeide mijn vader: "ik hoop toch niet, dat gij kwade vrienden
scheidt?--ofschoon ik erken, dat gij beter gezelschap kunt kiezen."

"Neen," antwoordde Reynhove: "'t is maar: ik dacht, dat ik hem goed
kende, en ik zie alweder, dat ik mij in hem bedrogen heb.... ofschoon
deze reis strekt het niet tot zijn schande:--maar ik wil daar liever
hier over zwijgen.--Heeft UEd. al gehoord, dat zijn jacht weer in 't
water is gewerkt, ik zoude het voor een mirakel gehouden hebben; er zijn
toch knappe werklieden hier ter stede:--er is bijna niets aan het
vaartuig beschadigd en het zal met een kleine reparatie weer zoo goed
wezen, als ware er niets gebeurd".

"Er zijn lieden, wien alles medeloopt, tot zij eindelijk het lid op den
neus krijgen," zeide mijn vader.

Na nog een wijl gezeten te hebben, vertrok Reynhove. "Ik weet niet,"
zeide hij, toen ik hem uitliet, "wat ik van Lodewijk denken moet. Hij
was dezen middag louter attentie en beleefdheid jegens zijn cousine, die
heden voor een paar dagen in de stad is, en zeide haar meer _douceurs_,
dan zij anders in een jaar van hem hoort. Zij scheen er zelve verbaasd
over: wat dit voorspelt, weet ik niet; maar het zou mij niet
verwonderen, indien hij eens begon te beseffen, dat het tijd werd, wijs
te worden.--Men bemerkt de waarde van een schat ook nooit beter, dan
wanneer men gevaar geloopen heeft, dien te verliezen."

"In waarheid!" zeide ik: "wat gij mij daar vertelt bevreemdt mij. Ik kan
toch niet denken, dat hij inderdaad oogmerken op haar heeft."

"Noch ik," hernam Reynhove: "maar de zaak is waar en gij kunt er uw
profijt mede doen. Adieu."

Den volgenden dag had ik toevallig, door het afspringen eener
comparitie, welke ik had moeten bijwonen, een uurtje voor den eten vrij,
en Suzanna, die zich reeds menigmalen beklaagd had, dat zij niets aan
mij had, nam die gelegenheid waar om mij met haar naar Tante Letje te
tronen.

"Wel!" zeide deze, toen ze mij zag: "het is goed, dat gij komt, Neef! Ik
had u anders al een boodschap willen sturen. Ik wenschte u eens onder
vier oogen te spreken, wanneer het u gelegen komt."

"Ei! ei!" zeide Suzanna: "mag ik er niet bij wezen? "Nu! dan zal ik zoo
aanstonds maar optrekken: 't is toch hard, dat ik mijn cavalier zoo
spoedig weder verliezen moet: men heeft al moeite genoeg om hem te
krijgen."

"Neen! dat is juist de bedoeling niet," zeide Tante: "maar van avond of
morgen, als 't u belieft."--En zij zette daarbij zulk een statig gezicht
tegen mij, dat ik alweder ook van dien kant een donderbui voorzag.--Ik
was echter gedwongen mijn nieuwsgierigheid op te schorten, en wij zaten,
na eenig onderhoud over verschillende zaken, te luisteren naar het
verslag dat Tante ons gaf van een dierbare predikatie, welke zij in de
weekbeurt een paar dagen te voren gehoord had, toen wij een koets
hoorden stilhouden. Er werd aan de huisdeur gescheld: er kwam iemand de
trappen op: de deur ging open:--en Henriëtte Blaek stond voor onze
oogen. Zij was bevallig gelijk altijd: maar zag toch eenigszins
betrokken van uitzicht, en bleef, toen zij ons bemerkte, onthutst en
verlegen aan de deur staan.

"Kom binnen, Jetje-lief!" zeide Tante Letje: "daar doet gij wel aan,
kind! van mij eens te komen opzoeken."

"Uw dienaresse, Juffrouw Huyck!" zeide Henriëtte, terwijl zij nader trad
met het voorkomen van iemand, die een kloekhartig besluit neemt:
"verschoon mijn vrijpostigheid: de meid zeide, ik zou maar boven gaan:
ik wist niet, dat UEd. bezoek had. Ik kwam u het boek terugbrengen, dat
UEd. mij geleend heeft. Goeden morgen, lieve Santje! hoe gaat het u?" En
zij drukte met minzaamheid de hand van Suzanna. Wat mij betrof, ik
bekwam geen enkel woord: een nijging, zoo stijf en afgepast alsof zij
een onbekende gold, was alles, waarmede zij te kennen gaf, mijne
tegenwoordigheid te hebben opgemerkt: en hoewel een lichte blos haar
wangen kleurde, haar oogen teekenden koele onverschilligheid en geen
trek in haar gelaat veranderde. Suzanna en ik keken elkander aan: wij
wisten niet, waaraan die stijfheid toe te schrijven.

Ik ging een stoel voor haar krijgen; maar zij hield zich, of zij zulks
niet opmerkte en nam plaats op een anderen, die nevens haar stond.

"En hebt gij er smaak in gevonden?" vroeg Tante, het boek aannemende:
"heeft u de lezing nogal gesticht?"--Het waren predikatiën, ik weet niet
meer van wien.

"O ja! mijn waarde Juffrouw!" antwoordde zij: "het is een uitnemend
schoon werk: en mijn oom heeft de goedheid gehad er een exemplaar van
voor mij te koopen."

"Zoo! dat is goed. En hoe maakt het uw Heer oom?--Wèl?--Dat verblijdt
mij hartelijk. En hoe maakt gij het zelve, lieve Jetje? Mij dunkt, niet
zoo wel, als toen ik u de laatste reize zag."

"Integendeel, Mejuffrouw!" antwoordde zij: "ik ben wel, volkomen wel!"
en zij beet zich op de lippen.

"Neen waarlijk!" vervolgde Tante: "UEd. ziet er niet te best uit. Ik kan
het nogal begrijpen: de schrik van dat ongeval op zee bij dien storm zal
u nog door de leden zitten.--Nu! dat is al een gezegende bewaring
geweest! En wel mocht gij zeggen: "laet mij de watervloet ende laet de
diepte mij niet verslinden.""

"Gij hebt er toch geen nadeelige gevolgen van gehad, Mejuffrouw?" vroeg
ik.

"Neen Mijnheer!" antwoordde zij, op een koelen toon: "en ik doe mijn
best, om die gebeurtenis met al haar gevolgen uit mijn geheugen te
wisschen."

Ik was geheel uit de lijken geslagen door deze verklaring, waarvan ik
den zin maar al te wel begreep; en Suzanna keek haar vriendin aan, als
wilde zij zeggen: "hoe heb ik het met u?"--doch Tante, die de bedoeling
van Henriëttes woorden niet opmerkte, nam weder het woord:

"Dat is niet goed, Jetje-lief! Een zoo verschrikkelijke gebeurtenis en
welke zoo duidelijk aantoont, dat de Heere hen niet verlaat, die in nood
tot Hem roepen, moet gij niet moedwillig vergeten; maar zij moet u tot
een spoorslag strekken om uw leven toe te wijden aan Hem, die u behouden
heeft."

"UEd. heeft volkomen gelijk, Mejuffrouw!" zeide Henriëtte: "ik heb mij
slechts verkeerd uitgedrukt: ik gevoel zeer wel, welk een plicht van
dankbaarheid op mij rust en hoop dat nimmer te vergeten."

"Ja!" vervolgde Tante: "dat zware weer heeft al wat schade gedaan: daar
is, hoor ik, bij Colhorn een gat in den dijk geslagen en ik weet niet,
hoe vele duizenden dat aan herstellen kosten zal. Wel is dit wederom een
bezoeking des Heeren en een straf der ontrouwe gemeente, dat zij zulke
ongeloovige en bedrieglijke leeraars en herders beroept, gelijk nog
onlangs heeft plaats gehad in de verkiezing van den Sociniaanschen
Boterbloem, die mede een van dezulken is, "die ydelheyt spreecken ende
leugen sien, ende seggen: de Heere heeft gesproken; daer de Heere haer
niet gesonden en heeft: en daarom zeyt de Heere: ik zal hen door eenen
grooten stormwint in mijne grimmigheyt splijten ende daer sal een
overstelpende plasregen zijn in mijnen toorn, ende groote hagelsteenen
in mijne grimmigheyt, om dien te verdoen.""

"Heden Tante!" zeide Suzanna, met een onnoozel gezicht: "is het de
schuld van Ds. Boterbloem, dat de dijk doorgebroken is? Vader zeide, het
was de schuld van het Dijkcollege, dat met de Vijf Steden overhoop lag."

"En wat is dit anders," vroeg Tante, het gezegde mijner zuster ernstiger
opnemende dan het verdiende: "dan een bevestiging van hetgeen ik zeide?
Zijn dezen niet de mannen, "die ongerechtigheyt bedengken, en die quaden
raet raden in de stadt?--En zijn zij geen blinde leidslieden der
blinden, die de gemeente is haar afval voorgaan?"

"Ik geloof wel, dat UEd. gelijk heeft," zeide Suzanna: "want daar is de
Dijkgraaf Mr. Coenraad van Vlingerhoed, die draagt een bril: de
Secretaris, Jonker van Bitterenvleugel, is zoo bijziende, dat hij mij
laatst op een salet voor Tante Van Bempden aanzag: van de Heemraden
heeft er een de grauwe staar, de tweede is eenoogig, de derde is scheel,
en nummer vier is alle namiddagen zoo dronken, dat hij den weg naar zijn
huis niet alleen kan vinden.--UEd. zegt dus wel te recht, dat het een
blind college is."

"Nichtje!" zeide Tante, eenigszins geraakt: "hoe lange sult gij de
slechtigheyt beminnen, ende de spotterye begeeren." Wat gij zegt, is
bijwijlen zeer aardig; maar wanneer men ernstig spreekt, is het
gekscheren ongepast en onwelvoeglijk. Gij weet zeer wel, dat ik
geestelijke blindheid bedoel en met geene lichaamsgebreken spot, zooals
gij doet."

Suzanna keek eenige oogenblikken vrij zuur: ik zelf was een weinig
verwonderd geweest over haar uitdrukkingen; want, hoe geneigd ook om met
alles te schertsen, was zij nooit gewoon den spot te drijven met
ernstige zaken, of door hare gezegden iemand te ergeren en te
ontstichten. Ik schreef dan ook haar woorden aan de ware oorzaak toe:
namelijk aan wrevel over de koele handelwijze van Henriëtte jegens mij,
dien zij achter een voorgewende luchthartigheid wilde verbergen: en
waardoor zij, gelijk doorgaans in diergelijke gevallen plaats heeft,
scherp in stede van geestig werd. Zij gevoelde echter haar ongelijk:
"Tante!" zeide zij, na een oogenblik zwijgens opstaande en haar een kus
gevende: "vergeef mij: ik sprak zonder nadenken, gelijk mij wel meer
gebeurt. Ik ben ... ik heb iets dat mij hindert."--Hier begon zij te
schreien en zag Henriëtte aan met een verwijtenden blik.

"Neen!" zeide Tante, haar omhelzing beantwoordende: "ik weet het ook
wel, gij behoort niet tot de "spotters onreyne," waarvan in den eersten
Psalm gesproken wordt, noch ook tot de zoodanigen, die de bestraffinge
niet hooren."

"Zullen wij den Heer Blaek ook op het feest bij Tante Van Bempden zien?"
vroeg ik aan Henriëtte: ik dorst haar niet vragen, of zijzelve komen
zoude.

"Ik weet het niet, Mijnheer!" antwoordde zij, op de klok ziende, als
iemand, die vertrekken wil, maar het bezoek toch niet korter wil maken
dan de betamelijkheid vordert.

"UEd. komt toch, Tante?" vroeg Suzanna.

"Ik heb de noodiging aangenomen," antwoordde Tante, "ofschoon ik wel
gewenscht had, dat zuster Van Bempden een anderen dan den dag van
Zaterdag tot deze feestviering had uitgekozen. Het wordt somtijds laat:
en dan is men minder gestemd, den dag des Heeren behoorlijk te vieren."

"Ja! lieve Tante!" zeide ik: "dat is waar; maar UEd. zal met mij
instemmen, dat Mama niet wel haar verjaardag verzetten kon, en dat Tante
bovendien gebruik maakt van de gelegenheid, dat Papa eens uit kan gaan,
daar hij altijd in het midden van de week zoo bezet is."

"Ja dat weet ik," hernam Tante: "maar, naar mijn begrip ware het
voegzamer geweest, dat de plechtigheid ten huize uwer ouders had plaats
gehad; er zouden dan wel zooveel gasten niet hebben kunnen zijn; maar
mij dunkt, op een verjaarfeest behoort ook niemand buiten de naaste
bloedverwanten: en die had moeder wel kunnen bergen."

"Zeg dat maar niet, dat Mama het hoort," zeide Suzanna: "het goede
mensch treurt er al genoeg over, dat er om harentwille zooveel omslag
gemaakt wordt; maar Tante was er zoo op gesteld: en men begreep, dat de
groote en kleine kinderen zich buiten meer dan in de stad zouden
vermaken, enz."

Hier stond Henriëtte op. "Mejuffrouw Huyck!" zeide zij, na een wijl te
hebben geaarzeld, "UEd. zal mij verschoonen; maar ik mag niet langer
blijven: het is later dan ik dacht, en...."

"Wel heden! wilt gij nu reeds vertrekken?" vroeg Tante: "gij zit pas."

"Mijn oom wacht mij: wij eten vroeg, en na den middag weder naar buiten
te rijden: ik durf niet vertoeven."

"Rijdt gij naar huis, Jetje?" vroeg mijn zuster, opstaande, met de
houding van iemand, die een besluit neemt.

"Ja lieve!" antwoordde Henriëtte: "het is wat laat en uit den weg:
anders zou ik u voorstellen om u te huis te brengen; maar ik durf aan de
paarden van oom zulk een omweg niet te laten doen."

"Neen! dat behoeft ook niet," hernam Suzanna: "maar ik wil toch gaarne
een eind met u rijden: ik moet bij Carlin wezen om lint te koopen: dat
is toch in uw weg en gij kunt mij daar afzetten."

"O! zeer gaarne!" zeide Henriëtte, op een toon, die aanduidde, dat zij
het gezelschap van haar boezemvriendin voor deze reis wel zou kunnen
gemist hebben.

"Gij blijft toch nog wat, Neef!" zeide Tante: "dan kan ik u dadelijk
zeggen wat mij op het hart ligt."

"Ik ben tot uw dienst," zeide ik, terwijl Henriëtte afscheid nam en
Suzanna mij in 't heengaan een blik toewierp, die zooveel zeggen wilde,
als dat zij voor mijn belangen zoude waken. Met een zucht zag ik beiden
vertrekken.

"Wel neef! dat trof ongelukkig," zeide Tante, toen wij alleen waren:
"maar verbeeld u, daar dacht ik in het eerst geheel niet aan uw mislukt
aanzoek bij den Heer Blaek. Ik verwonderde mij reeds, dat gij alle drie
zoo stil en zoo zonderling waart. Maar om u de waarheid te zeggen, ik
zou haast denken, dat zij nogal instemt met de meening van haar oom:
want ik kan niet vinden, dat zij u bijzonder voorkomend behandelde."

"Dat heeft mij ook getroffen," zeide ik: "en ik was er verre af, mij op
zulk een koelheid te verwachten. Ik weet niet, waarmede ik haar
welwillendheid zoo op eenmaal verbeurd heb; en dat kwelt mij."

"Ik wil het wel gelooven," hernam zij: "maar gij moet u in deze
beproeving troosten met de gedachte, dat alles naar Gods wijzen wil
geschiedt en dat elke kleine teleurstelling tot bevordering van uw
eeuwig heil moet strekken. Maar om te komen tot hetgeen ik u zeggen
wilde: uw vader is gisteren bij mij geweest en heeft mij gewaarschuwd
tegen die lieden, die bij Heynsz wonen. Hij zegt, dat de man onder een
valschen naam bij mij gekomen is: en de dochter is, naar hij gelooft,
ook van dezulken, tegen wie ik op mijn hoede moet wezen. Het rechte
wilde hij niet zeggen; maar hij verwees mij tot u om nadere uitlegging
van zijn woorden. Wat is daarvan? Is dat Juffertje wezenlijk zoo slecht?
dan heb ik mij in haar bedrogen; want ik zag haar aan voor zulk eene
"die rein van harte was ende yverig in alle goede wercken.""

"Ik weet van haar niets kwaads," antwoordde ik, verheugd van te
ontwaren, dat mijn vader zijn vermoeden omtrent mij ten minste niet aan
Tante had medegedeeld: "en wat haar vader betreft," vervolgde ik,
"Helding heeft mij verhaald, dat hij vertrokken is."

"Ja," hernam zij: "dat heeft mij uw vader ook verteld: doch dat is ook
al wonderlijk in zijn werk gegaan; want hij is, volgens het zeggen van
uw vader, eergisteravond met de nachtschuit heengegaan en te
Nieuwersluis er uitgestapt en er niet weder ingekomen: maar verdwenen,
niemand weet waarheen.--Dus wil ik maar zeggen, ofschoon ik mijn naaste
niet veroordeelen mag, dat daar toch iets achter schuilt. 't Is een
wonder, zooals uw moeder laatst aanmerkte, dat Heynsz zulke lieden bij
zich heeft ontvangen."

"Inderdaad!" zeide ik: "maar zooals ik zeide: ik weet van beiden geen
kwaad: ofschoon ik beken, dat het mij aangenaam zijn zal, niets meer van
hen te hooren; want sedert mijn terugkomst alhier kan ik mij niet
bewegen of ik ben gedwongen, over hen te hooren spreken; het is of zij
mijn booze geesten zijn, die mij in wezenlijkheid of in verbeelding
altijd en overal vervolgen."

Ik had deze woorden nauwelijks geuit, of zij werden bevestigd. De deur
ging open, en Amelia trad binnen.--Men moet weten, zoo men het niet
reeds heeft opgemerkt, dat mijn goede Tante altijd voor iedereen te huis
was: en dat haar meiden dus nooit iemand aandienden; maar elk, wiens
gezicht zij eenmaal gezien hadden, dadelijk naar boven stuurden.

Wij waren alle drie onthutst. Amelia was echter de eerste, die de
verrassing te boven kwam: en zelfs geloof ik, dat mijne tegenwoordigheid
haar bemoedigde.

"Mejuffrouw!" zeide zij, zich tot Tante wendende, eer deze nog het
vermogen had van haar toe te spreken: "ik kom als smeekeling tot u. Ik
heb, in deze groote volkrijke stad, niemand op wiens goedwilligheid ik
staat kan maken, buiten u--en uw Heer Neef," voegde zij er blozende bij:
"ik weet, dat mijn komst en mijn verzoek onbescheiden zijn:--en ik zal
het u niet euvel duiden, zoo UEd. mij ongetroost terugzendt; maar u
niettemin dankbaar blijven voor het goede, mij bewezen."

"Ga zitten, Juffertje!" zeide Tante, die aan de buitengewone ontroering,
welke op Amelia's wezenstrekken zichtbaar was, wel bespeurde, dat zij
door geen onbeduidende oorzaak tot haar gedreven werd: "ik help gaarne,
wie ik kan: want dat is ons voorgeschreven: maar wilt gij ook iets
drinken? Gij ziet er zoo ontdaan uit. Is u een ongeluk overkomen?"

"Wil ik mij niet liever verwijderen?" vroeg ik, weinig trek gevoelende
van opnieuw in Amelia's belangen gemoeid te worden: "Mejuffrouw heeft u
wellicht iets in 't geheim te zeggen."

"Neen, blijf nog wat hier, Neef!" zeide Tante, die, geloof ik, bevreesd
werd om zich met Amelia alleen te bevinden: "en krijg dat fleschje met
die droppeltjes eens uit het hoekkastje, en de waterkaraf.--Toe! drink
eens, arme ziel! gij zijt waarlijk geheel van uw stuk."

"Ik dacht niet, dat ik nog vatbaar was voor een diergelijke ontroering,"
zeide Amelia: "ik heb grootere tegenspoeden en bekommernissen, dan die
ik heden ondervind, moedig doorgestaan; maar nooit ook, neen, nooit te
voren had ik een vernedering ondergaan als deze. Ik heb de
wederwaardigheden der wereld met gelatenheid gedragen;--maar ik was niet
geboren om mij door een ellendige spion te zien beleedigen, als ware ik
een schandvlek mijner kunne."

"Wat is er gebeurd?--Wie heeft u beleedigd?" vroegen Tante en ik, bijna
gelijktijdig.

"Wat hij gezegd heeft," zeide Amelia, "doet er niets toe: zijne
uitdrukkingen zijn misschien te verschoonen: hij is niet gewend met
beschaafde lieden om te gaan: hij kon mij zijn huis uitzetten: hij is er
meester in en heeft daar het recht toe; maar het is laag en
onverschoonlijk van hem mij te beleedigen, op een oogenblik, dat ik
alleen en van elk verlaten ben.--Ik kan, ik mag niet langer onder zijn
dak blijven;--maar waarheen zal ik mij wenden?--Gij alleen Mejuffrouw,
gij kunt mij helpen. O! ik bid u, wijs mij een wijkplaats aan bij
eerlijke lieden, waar ik mijn intrek nemen kan. Ik zal er niet lang
vertoeven, ik beloof het u.--Geld ontbreekt mij niet: ik verlang niet
als een verblijf, hoe klein ook, waar ik rust kan vinden en voor alle
bezoeken veilig mag zijn."

"Ja!" zeide Tante: "dat is nu goed en wel; maar er worden zooveel rare
dingen van uw vader en u verteld, dat ik eerst nog wel wat naders van u
dien te vernemen, eer ik u bij anderen recommandeer."

"Daar zult gij gelijk aan hebben, Zuster!" zeide een stem achter ons.
Wij wendden alle drie het hoofd om:--en mijn vader trad de geopende deur
binnen. Hij was, gelijk ik naderhand vernam, naar de woning van Heynsz
gegaan om met Amelia te spreken; doch, daar zij juist vertrokken was,
haar op den voet gevolgd, en kort na haar de opene voordeur bij Tante
ingetreden.

Geheel verschillend was de indruk, welke zijn plotselinge verschijning
op ons waakte. Tantes gelaat helderde op: en het was te zien, dat de
komst van haar broeder haar uit een machtige verlegenheid redde: Amelia
zag hem aan zonder schrik, maar met verwondering en ongerustheid, en als
vermoedde zij, dat het van dien man afhing hoe haar lot zou beslist
worden. Wat mijzelf betreft, ik was geheel uit het veld geslagen; want
ik voorzag niet slechts nieuwe onaangenaamheden voor mij, en verkeerde
uitleggingen van mijn tegenwoordigheid daar ter plaatse; maar ook beefde
ik voor Amelia; en alleen de kennis, die ik van mijns vaders strikte
eerlijkheid bezat, boezemde mij eenige hoop in.

Mijn vader zag eerst Amelia, en vervolgens mij met een navorschenden
blik aan. Zij sloeg de oogen niet neder; maar rees op, en haar gelaat
nam die uitdrukking van hoogmoed aan, welke haren vader zoo eigen was en
die ik ook vroeger in haar had opgemerkt. Zij was blijkbaar geraakt over
hetgeen zij als een onbeleefdheid beschouwde. Tante was de eerste, die
het stilzwijgen brak: "Gij komt juist bijtijds, Broeder!" zeide zij:
"deze is de Juffer, waarover ik u gesproken heb."

"Ik zie het," zeide mijn vader: "jonge dochter!" vervolgde hij, zich tot
Amelia wendende: "het smart mij, in iemand van uw jaren en voorkomen
zooveel verstoktheid te vinden. Hoe hebt gij u kunnen verstouten, u in
te dringen bij een eerbiedwaardige Juffer, terwijl gij bij u zelve
bewust moest zijn, dat uw ware plaats in het spinhuis is."

"Mijnheer!" riep Amelia, op een toon van hevige verontwaardiging,
terwijl zij het hoofd ophield met een waardigheid, die een koningin eer
zoude hebben aangedaan: en toen, zich naar mij toekeerende: "wie is die
man?" vroeg zij.

"Het is mijn vader!" fluisterde ik: "om Godswil...."

"Welnu!" ging zij voort: "zeg dan aan uwen vader, dat ik van zijnentwege
een andere behandeling had verwacht. Zoo iemand zonder opvoeding, gelijk
Heynsz, mij beleedigde, ik dacht niet, dat de Heer Huyck een dergelijke
handelwijze zou navolgen."

"Ik zoude u aanraden, een toon lager te zingen," hernam mijn vader: "ik
ben heusch jegens een met lompen bedekte vrouw, wanneer haar gedrag
betamelijk is; maar ik zou ook aan een Vorstin mijn verachting toonen,
wanneer zij handelde zooals gij."

"Vaarwel Mejuffrouw!" zeide Amelia, even met het hoofd buigende en zich
willende verwijderen.

"Blijf!" zeide mijn vader, op dien toon van gezag, dien elk wie hem
hoorde gedwongen was te eerbiedigen: "en wees liever dankbaar jegens
mij, dat ik u niet door mijn dienaars voor mij op het Stadhuis heb laten
brengen, maar hier ben gekomen om u te ondervragen: en bedenk, dat een
rondborstige bekentenis u meer nut zal doen dan het aannemen eener
ongepaste fierheid."

Amelia bleef midden in het vertrek staan, de armen over elkander
geslagen, de oogen vlammende van spijt en de lippen stijf gesloten;
terwijl haar geheele houding aanduidde, dat zij alleen toegaf aan dwang,
maar besloten had, geen antwoord op de tot haar gerichte vragen te
geven.

"Ik weet zelfs niet," vervolgde mijn vader, eenigszins verwonderd over
een dergelijke minachting van zijn gezag, waaraan hij weinig gewend was,
"of ik nog wel zooveel inschikkelijkheid jegens u betoond zoude hebben,
indien het niet ware geweest om den wille van dien onrechtvaardige
daar!" (hier wees hij op mij:) "ik moet bekennen, hij heeft zijn
affecties wèl geplaatst."

"Hoe!" riep Amelia uit, terwijl de uitdrukking van haar wezen opeens
veranderde en zij mij met een blik van verwondering aanzag.

"Ik versta u niet," vervolgde zij, mijn vader met angstvalligheid
aanziende.

"Gij verstaat mij niet?" vroeg mijn vader, zelf verwonderd over de
plotselinge verandering in haar gelaat.

Ik achtte het oogenblik geschikt om er tusschen in te komen: "Mejuffrouw
kan u niet verstaan," zeide ik: "want er is hier geen quaestie
hoegenaamd van affecties."

"Wacht tot men u het woord geeft, eer gij u in het gesprek mengt," zeide
mijn vader, met een gestrengen blik: "is uw samenkomst hier ook
toevallig, evenals al het vroegere? Gij hebt voor altijd mijn vertrouwen
verbeurd."

"Vader!" zeide ik: "ik verzeker u...."

"Vertrek!" zeide hij: "ik wil niets meer hooren."

Ik zuchtte en maakte mij gereed om aan dit bevel te gehoorzamen; toen
Amelia, die, gedurende deze woordenwisseling, ten prooi was geweest aan
eene hevige gemoedsbeweging en beurtelings rood en bleek geworden was,
zich tusschen mij en de deur in plaatste: "Toef een oogenblik!" zeide
zij; "Ik weet niet," vervolgde zij, tot mijn vader sprekende: "waar ik
van beschuldigd worde; maar slechts dit moet ik voor den alwetenden God
betuigen, dat uw zoon zich de geringe kennis, die hij aan mij heeft,
noch de diensten, welke hij mij bewees, behoeft te schamen: dat zijn
handelwijze edel, menschlievend en onberispelijk was, en dat alleen
vuige laster een valsche uitlegging aan zijn gedrag kan geven."

Er lag zulk een toon van waarheid in de woorden, die zij gesproken had:
het geluid van haar stem, thans ontdaan van die bitterheid, welke er te
voren in lag, had iets zoo treffends en overtuigends: een zoodanige
edelaardigheid was over haar wezen verspreid, dat mijn vader er van
getroffen werd. Gewoon, om in de geheime plooien door te dringen,
waarachter het bedrog zich verbergt, en het ware van het valsche te
onderscheiden, twijfelde hij niet, of Amelia, al ware zij dan in zekere
opzichten schuldig, was echter niet de vrouw, welke men had
afgeschilderd. Hij dacht een oogenblik na, wenkte mij toe, dat ik
blijven kon, en vroeg toen snel aan Amelia:

"Hoe is uw naam?"

"Amelia," antwoordde zij, haar vorige houding van behoedzamen argwaan
hernemende.

"Uw familienaam?"

"Voor het oogenblik draag ik geen anderen naam dan Amelia."

"En uw vader dan?--Hij heeft zich Van Beveren doen noemen; maar dat is
zijn naam niet: hoe heet hij?"

"Hijzelf zal best in staat zijn u daarop te antwoorden."

"Goed! Maar hij is hier niet. Waar bevindt hij zich thans?"

"Ik heb mij altijd gewacht zijne gangen na te gaan," antwoordde Amelia:
"ik laat zulks aan anderen over," voegde zij er bij op een scherpen
toon.

"Gij schijnt dit onderwerp niet te willen behandelen," zeide mijn vader:
"en ik kan het in u niet misprijzen, dat gij uw vader niet verraden
wilt. Maar gij zult niet aarzelen, hoop ik, mij te antwoorden
betreffende hetgene u-zelve aangaat. Waar hebt gij mijn zoon leeren
kennen?"

Amelia zag mij even zijdelings aan, en antwoordde toen op een bedaarden
toon: "hij zal het u waarschijnlijk zelf verhaald hebben."

Ik dacht één oogenblik, maar ook slechts één oogenblik, dat mijn vader
het gewone hulpmiddel zoude bezigen om aan beschuldigden een _confessie_
af te dwingen; namelijk: door hen te doen gelooven, dat hun
medeplichtige reeds bekend heeft. Maar, hetzij dat hij te oprecht van
harte was, om tot dergelijke listen zijn toevlucht te nemen, hetzij dat
hij begreep er geen baat bij te zullen vinden, na de gevatheid, waarvan
Amelia reeds blijken gegeven had, hij schudde het hoofd en zeide:

"Jonge dochter! Ik moet u vaderlijk en met nadruk tevens herhalen, dat
gij uw zaak slechts verergert door uw hardnekkigheid. Gij komt met mijn
zoon, niemand weet van waar, in de Naarderschuit: gij verlaat hem te
Amsterdam: doch ontvangt later herhaaldelijk bezoeken van hem: uw vader
komt en verdwijnt weder van hier gelijk een schim, en draagt een naam,
die blijkbaar valsch is. Er hebben ten uwent onbetamelijke tooneelen
plaats:--moet dit niet geschikt zijn, om vermoedens tegen u op te
wekken?"

Van deze gansche toespraak had Amelia blijkbaar slechts één punt met
opmerkzaamheid aangehoord, namelijk: dat ik haars vaders geheim had
bewaard,

"O!" zeide zij: "Mijnheer! uw zoon heeft edel, heeft braaf gehandeld!
Hoe! Hij heeft zich aan verdenking blootgesteld! Hij heeft zich het
misnoegen der zijnen op den hals gehaald! Hij heeft zich den laster
prijsgesteld om onzentwille!--Ach!" vervolgde zij, zich tot mij
wendende: "beschuldig mij niet van onedelmoedigheid, van ondankbaarheid,
zoo ik in mijn zwijgen volharde en u niet zuivere van de blaam, die men
op u ... en ook op mij geworpen heeft. Maar God weet het--ik mag niet
spreken."

"Gij zult des Heeren naam niet ijdelyck misbruycken!" mompelde Tante
Letje, het hoofd schuddende.

"En nu, Mijnheer!" zeide Amelia tot mijn vader: "laat mij naar de
gevangenis, naar het spinhuis brengen: gij hebt er de macht toe en ik
ben buiten staat u te weerstaan. Maar ik verklaar het u, ik heb geen
kwaad bedreven; en het zal u eenmaal, als gij later van mijne onschuld
overtuigd zult zijn, in de ziel grieven, dat gij mij hard en
onrechtvaardig behandeld hebt. Ziedaar dan die Nederlanden, die
gewesten, geheel de wereld door als de zetel der Burgervrijheid beroemd.
Men vervolgt, men bespiedt, men vonnist zonder reden een onschuldig
meisje, wier eenige misdaad is, dat zij haar ongelukkigen vader
liefheeft en niet aan zijn vijanden verraden wil."

"Neen Mejuffer!" zeide mijn vader op een zachten toon: "zoo gij
onschuldig zijt, hebt gij ook voor geen straf te schromen. Ik zal u geen
vragen meer doen. Verre zij het van mij, een dochter te willen gebruiken
tot werktuig om haar vader in de handen der Justitie te leveren. Maar
zulke vreemde en geheimzinnige omstandigheden hechten zich aan uw
verblijf alhier, dat ik u niet kan vergunnen, deze stad te verlaten,
alvorens die zijn opgehelderd. Gij kunt zelve uw verblijf kiezen en zult
daar tegen alle u onaangename bezoeken beveiligd worden. Het zal dus van
uw vader zelf afhangen, den duur van dat verblijf te verlengen of te
verkorten."

Op dit oogenblik trad de dienstmaagd binnen en gaf mijn vader een
briefje, hetwelk een onbekende gebracht had, met last om het
onmiddellijk aan Z.-Ed.-Gestr. te overhandigen. Hij las het: zijn gelaat
teekende verwondering; hij zag Amelia oplettend aan en zeide toen op
halfluiden toon:

"Hoe is het mogelijk, dat ik niet vroeger op dat denkbeeld gekomen ben?
Zij is haars vaders evenbeeld. Lees dit briefje, Ferdinand! Misschien
zult gij, na de inzage daarvan, u onbezwaard vinden van te spreken."

Ik las het briefje, dat van den volgenden inhoud was:

"Wel-Edel-Gestrenge Heer: zooeven geeft kleine Simon mij de stellige
verzekering, dat de Heer Van Beveren niemand anders is als de Graaf van
Talavera, dien wij zochten. Te denken, dat die persoon zoolang bij mij
aan huis gewoond heeft, zonder dat ik vermoeden op hem had! Hij moet
echter in 't net loopen; want er zijn overal wakers uitgezet.--Ik
verblijve met diepen eerbied

                                 Uw Ed.-Gestr. Nederige Dienaar
                                           HEYNSZ."

"Ik vermoedde dit," zeide ik, hem het geschrift teruggevende: "maar ook
deze mededeeling verleent mij nog geene vrijheid, om u de aanleiding
onzer kennismaking te verhalen. Eerst als hij of gevangen, of in
veiligheid is, zal ik mogen spreken."

"Zoo!" zeide mijn vader op een koelen toon: en toen zich omwendende, nam
hij Amelia opeen hoffelijke wijze bij de hand.

"Zuster!" zeide hij tegen Tante Letje: "ik stel u de Freule Van Lintz
voor, de dochter van Keetje Reefzeil, die gij u herinneren zult."

"Mijnheer!" riep Amelia uit, verbleekende en mijn vader vol angst
aanziende.

"Verschoon mij," vervolgde mijn vader: ik had wellicht moeten zeggen:
Donna Amelia de Talavera.--Het smart mij, dat ik gedwongen ben, uw
vader, aan wiens groote verdiensten ik in vele opzichten hulde doe, te
moeten vervolgen. Maar de plicht, dien ik jegens hem te vervullen heb,
zal mij niet beletten, jegens u die menschlievendheid in acht te nemen,
waarop uw ongeluk aanspraak heeft. Waarin kan ik u van dienst zijn? Gij
hebt hier nog bloedverwanten van moeders zijde? Begeert gij dat ik u bij
hen breng en u aan hunne bescherming vertrouwe?

"Helaas!" zeide Amelia: "wie hunner zou zich willen ontfermen over de
rampzalige dochter des zwervers?--Neen! het is niet bij hen, die
wellicht mijn vader haten of verachten, dat ik een toevlucht zoeken zal.
Wijs mij een afgelegene, een veilige woonplaats aan, het zal slechts
voor weinig tijds zijn ... aan geld ontbreekt het mij niet:--en ik zal u
danken, Mijnheer!--maar niet bij bloedverwanten, die mij een genade
zouden meenen te doen."

"Hoor!" zeide Tante Letje, terwijl zij Amelia bij de hand nam: "gij zult
niet bij vreemden gaan, en ook niet bij Heynsz terugkeeren. Ik heb nog
plaats in huis: blijf bij mij inwonen: "gy sult bevinden, dat mijne
tente in vrede is:" gij kunt hier zoo stil leven als gij wilt en op uw
eigen kamer blijven, waar gij zon noch maan behoeft te zien, als gij
niet verkiest. Ik zal het aan de meiden zeggen, dat zij niemand bij u
laten, zonder hem aan te dienen."

"Bij u, mijn goede Juffrouw," zeide Amelia, zich schreiende over Tante
heenbuigende en haar omhelzende: "Ach! waaraan heb ik zooveel goedheid
verdiend?"

"Wel!" zeide Tante: "staat er niet geschreven: "ik was vreemdeling en
gij hebt mij geherbergd?" Gij neemt dus aan, nietwaar?"

"Bij wie zou ik liever komen, dan bij u, Mejuffrouw!" hernam Amelia:
"zijt gij de eenige niet, die u mijner hebt aangetrokken?"

"Dat is te zeggen," zeide Tante: "daar komt Neef de meeste eer van toe:
heugt het u nog, Neef?"

"Maar neen!" zeide Amelia, zich opeens bezinnende: "neen! dat kan toch
niet. In een onbedachte opwelling van erkentenis vergat ik, dat uwe
familie reeds onaangenaamheden genoeg om mijnentwille heeft gehad.
Neen!--dat kan waarlijk niet."

"En waarom dat niet?"--vroeg Tante: "van de familie zult gij geen last
hebben, noch de familie van u: ik heb u immers gezegd dat gij stil op uw
kamer kunt blijven."

"Ik eerbiedig de nauwgezetheid van de Freule," zeide mijn vader: "en
toch geloof ik, dat zij niet beter kan doen, dan uw voorstel aan te
nemen.--De wereld zal daaruit kunnen opmaken, dat de nadeelige
geruchten, die omtrent haar geloopen hebben en waaraan ikzelf geloof
hechtte, logenachtig zijn.--Voor 't overige zult gij Freule! hier geheel
vrij leven en niemand zal u kwellen met vragen of bezoeken."

"Neen!" zeide Amelia: "ook om uwentwille, Mijnheer Huyck! moet ik niet
bij uwe zuster blijven.--Zouden de menschen, die altijd liefst genegen
zijn het ergste te denken, u niet beschuldigen van te heulen met iemand,
dien gij vervolgen moet, door aan zijne dochter huisvesting bij uwe
naastbestaande te verleenen?"

"Uwe bedenking is vol juistheid," antwoordde mijn vader: "en zij doet
mijn achting voor u rijzen; want na de wijze, waarop ik u behandeld heb,
is het meer dan grootmoedig in u, bezorgdheid voor mijnen goeden naam te
toonen. Maar in dit geval zal ik de lieden, laten spreken en mij niet
storen aan wat zij verhalen. Uw goede naam is van niet minder gewicht
dan de mijne; en ik zie geen beter middel om dien te herstellen en alle
zotte praatjes te doen zwijgen, dan door het aannemen van het voorstel
mijner zuster."

Ofschoon met moeite, gaf Amelia eindelijk toe, en Tante gaf terstond
last, dat haar goed zoude gehaald worden; terwijl mijn vader een briefje
aan Heynsz schreef, met machtiging om het te laten volgen. Daarna namen
wij ons afscheid en lieten de beide dames alleen.

"Zij bezit denzelfden onafhankelijken geest, die haar vader altijd!
gekenmerkt heeft," zeide mijn vader, nadat wij een wijl zwijgend! over
de straat hadden geloopen: "ik beklaag haar; want, de Graaf moge zich
nog een wijl aan onze nasporingen onttrekken: hij moet toch eindelijk in
de val loopen: en wat zal dan haar lot zijn?"

"Gij zijt niet meer ontevreden op mij, Vader!" zeide ik, hem bij de hand
vattende.

"Ik begin te begrijpen, dat gij in een moeielijk praedicament hebt
gezeten; maar nog vat ik niet recht, waarom gij in uw zwijgen volharden
blijft, nu alles toch ontdekt is."

"Verschoon mij," zeide ik: "maar, zoo ik u zeide, hoe en waar ik met den
Graaf heb kennis gemaakt, zoude UEd. dan ook niet weten, hoe en waar hem
te vinden?"

"Daar is wat aan," antwoordde mijn vader, lachende: "welnu! ik zie uw
nadere ophelderingen te gemoet. Het doet mij in allen gevalle genoegen,
dat gij niet op dit meisje verliefd zijt."


       *       *       *       *       *


EEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

WAARIN HET GEDRAG VAN MEJUFFROUW BLAEK TEN OPZICHTE VAN FERDINAND WORDT
VERKLAARD EN DE VADER VAN AMELIA WEDER OP DE PROPPEN KOMT.


Na het middagmaal riep ik Suzanna ter zijde: "wel!" vroeg ik: "zijt gij
iets te weten gekomen?"

"Ja voorzeker!" antwoordde zij: "ik heb schoone dingen van u gehoord,
Sinjeur! waarlijk, mijn vriendschap voor u heeft mij een zotte rol laten
spelen."

"Namelijk!"

"'t Lijkt zeker wel goed om twee koorden aan zijn boog te hebben; maar
in sommige gevallen is 't noch voorzichtig, noch verstandig; en zooals
Cats zegt:

     "Twee op eenen tyt te vryen
     Siet men selden wel gedyen."

"Wat wilt gij zeggen? Kom toch ter hoofdzaak!"

"En vertel mij eens, Ferdinand! die mamsel, die gij van uw reizen hebt
medegebracht, is zij een Hoogduitsche of een Italiaansche? Zij zingt
zeker heel fraai? En wat kost haar toilet u wel in de maand?"

"Oho!" zeide ik: "ik zie al, waar de knoop ligt. De laster is aan 't
werk geweest en heeft waar en valsch zoo fijn dooreengeklutst, dat zelfs
de Engelen aan het twijfelen zouden raken."

"Nu, antwoord dan!" zeide Suzanna: "ik, die een onnoozele Amsterdamsche
burgerdochter ben, heb geen verstand van die nieuwerwetsche Fransche
beschaafdheid. Zeg mij toch, hoe zoudt gij, indien de oude Heer Blaek uw
aanzoek had aangenomen, het hebben aangelegd, om zonder fortuin twee
huishoudens te verzorgen?"

"En hebt gij ook al aan die dwaasheden geloofd?" vroeg ik.

"Welke gronden zou ik kunnen aanvoeren, om het tegen te spreken.--Wat
deedt gij in dat huis?

     _Prince, quelques raisons que vous me puissiez dire_,
     _Votre devoir làbas n'a point du vous conduire_.

Maar het ergst van alles is, dat gij de onbeschaamdheid hebt gehad, dat
schepsel met een vroom onschuldig mensch als Tante Letje in kennis te
brengen: zoo die eens hoort, welk een lief persoontje zij aangehaald
heeft, dan geef ik geen duit voor uw aandeel in de erfenis."

"Dat zal zulk een vaart niet loopen," zeide ik glimlachende: "Tante weet
alles wat haar betreft en is best met haar tevreden."

"Dan heeft zij plan om haar te bekeeren," zeide Suzanna: "anders vat ik
het niet.--Foei! dat gij zoo slecht zijt geworden! Het spijt mij, dat ik
mij om uwentwille heb boos gemaakt op Henriëtte, die toch wel degelijk
gelijk had, dat zij u schuins aanzag."

"Maar wat heeft zij u dan gezegd?"

"Ik weet haast niet, waarom ik mij de moeite geve van het u over te
vertellen; want zij heeft mij niets gezegd dan hetgeen gij zeker zoogoed
weet als iemand. Ja! ik heb moeite genoeg gehad, om haar de woorden uit
de keel te halen: en toen zij eens sprak, had ik haar wel willen doen
zwijgen. Wel! zij heeft mij verteld, hoe gij bezoeken aflegt bij een
jonge juffer, die bij Heynsz woont, en die gij van uw reis hebt
medegebracht.--(Zij zou het zelve nooit geloofd hebben, indien zij u
niet te Muiden gearmd met die Juffer had zien loopen:) en hoe gij haar
daaromtrent met mooie praatjes gepaaid had:--en hoe Lodewijk van de
trappen gesmeten was en gij zijn knecht belet hadt hem bij te staan--en
nog heel veel, te lang om te vertellen: zoodat ik met een mond vol
tanden ben blijven zitten en de koets heb verlaten, zonder een woord ter
uwer verdediging te hebben kunnen uitbrengen."

"Het is gelijk ik dacht," zeide ik: "nu! de tijd zal mij wel
rechtvaardigen, al ben ik daar thans niet toe in staat."

"Ja! maar intusschen gaat Lodewijk met haar strijken en dan helpt u uwe
rechtvaardiging wat!"

"Dat is ook waar!" zeide ik, nadenkend: "en het is gek genoeg!--Want wat
baat het, of ik haar slechts een gedeeltelijke opheldering geef, en of
ik haar al vertelle, dat die Juffer, waarover zij zich bekommert, haar
eigen nicht is, en zoo weinig een ergerlijk gedrag leidt, dat mijn
godvreezende Tante zelve haar, met voorkennis mijns vaders, huisvesting
verleent?"

"Wat vertel je daar?" vroeg Suzanna, ten toppunt van verbazing.

"De loutere waarheid."

"Nu! dat gaat mijn begrip te boven: heb je nu niet alleen Tante, maar
ook Papa zelf een rad voor de oogen weten te draaien?"

"Waarlijk niet," antwoordde ik: en ik gaf haar een kort verslag van de
zaak, zooals die zich had toegedragen, alleen voor haar, gelijk voor
mijn vader, de aanleiding mijner kennismaking met den Heer Van Lintz
verbergende, daar ik die niet kon openbaren zonder te spreken van zijn
verblijf in de boerderij, die ik van gedachte was, dat hem wellicht
nogmaals tot toevlucht verstrekken kon.

"'t Is een raar avontuur," hervatte zij: "'t lijkt wel een roman. Maar
met dat al weet ik niet, of Henriëtte er wel volkomen door tevreden
gesteld zoude worden. Al is die Juffer haar nicht en de dochter van een
Graaf, daarom kon zij wel uw liefste zijn: 't is misschien een reden te
meer om haar jaloezie op te wekken. Ferdinand--man! ik kan u maar
slechten troost geven.--Ik wilde gaarne het zesdubbele parelsnoer, dat
ik van Grootje geërfd heb, tegen een streng breikatoen verruilen, dat
gij u niet in die malle historie gemengd hadt, die ons niets dan
verdriet veroorzaakt heeft. Papa heeft er al een week zoo zwart van
gekeken als de Reus in 't Doolhof: Mama is er ziek van: mijn geheel
humeur is er door bedorven: want wie heeft het hart om te schertsen met
zielsbedroefde lieden: gijzelf hebt een gezicht van een el lang en
Henriëtte zal misschien uit _desperatie_ met haar neef trouwen en haar
leven lang ongelukkig zijn.--Ik wenschte dat die Heer Van Lintz of van
Talavera, zooals hij heeten mag, op den heeten rooster zat."

"Dat juist niet," zeide ik: "ik ware dubbel tevreden, zoo hij maar
Staatsminister in Spanje gebleven ware, zoodat ik nooit van den man
gehoord had als uit de couranten. Gij hebt gelijk intusschen; maar het
is niet genoeg te weten, hoe mal het er voor mij uitziet, wij dienen ook
op een middel te peinzen, om de kwade gedachten weg te nemen, die men
van mij heeft. Met Vader en Moeder zal dit wel schikken: gij hebt kunnen
zien dat zij mij over tafel weder vriendelijk behandelden, als
vanouds;--maar hoe of ik Henriëtte van mijn onschuld overtuig, weet ik
waarachtig niet. Ik ben bij haar belasterd: en de laster is als de
houtskool; verbrandt hij niet, hij maakt toch zwart.--Alleen spreken kan
ik haar niet en zoo ik haar schrijf, ben ik niet zeker, dat mijn brief
in hare handen komt:--en al kon ik haar spreken of schrijven, hoe zal ik
mijn gedrag kunnen rechtvaardigen, zoolang ik haar de drijfveeren mijner
handelingen niet geheel kan blootleggen?--'t Is voorwaar om ...
tureluursch te worden: Ik weet niet waarom ik, die alles behalve
_singulier_ of _excentriek_ verlang te schijnen, en nooit eenigen smaak
in romans heb gehad, tot mijn beproeving in zulk een maalstroom van
avonturen moet geslingerd worden, die zoo romanesk zijn en zoo verward
door elkander woelen, dat ik er mij op 't laatst niet meer weet uit te
helpen, en somtijds denk, dat alles maar een benauwde droom is, waaruit
ik t' avond of morgen ontwaken zal."

"Ja! dat is alles heel onaangenaam," zeide Suzanna: "maar het baat niets
of gij daar over redeneert en gij verspilt alzoo den kostelijken tijd
althans tegen mij, die toch niet kan beoordeelen of het al dan niet uw
schuld is, dat gij er zoo in zit.--Wat nu Henriëtte betreft, ik zou haar
wel kunnen schrijven;--maar gij dient mij voor te zeggen, wat.--Of nog
beter, schrijf gij haar:--dan zal ik het adres op den brief zetten;
anders loopt gij nog gevaar, dat hij u ongeopend terug wordt gezonden."

"Ja! zeide ik: "gij hebt gelijk: schrijven moet ik: en waarom zoude ik
er tegen opzien? Ik heb mij niets te verwijten en behoef slechts tijd te
vragen om mij te verantwoorden. Men weigert dit aan een misdadiger voor
de rechtbank niet: en waarom zou mij dit verzoek worden afgeslagen?--Ik
weet wat ik te schrijven heb."

"Zoudt gij niet eerst een kladje maken," vroeg Suzanna: "eer gij Mama's
beste papier gebruikt?" (zij zag, dat ik een voor mij staande
portefeuille opnam) "en wil ik ook heen gaan?"

"Neen Santje! blijf maar;--wanneer men een minnebrief te schrijven
heeft, dan zal men dralen en peinzen en kladjes maken en vreezen nog,
dat stijl en uitdrukking ongenoegzaam zullen zijn om de liefde te
schetsen, die men gevoelt, en het hart der beminde te vermurwen; maar
wanneer het er op aankomt, zijn naam als eerlijk man te handhaven, dan
behoeft men slechts ronde, onbewimpelde waarheid: dan heeft men geen
fraaie keus van woorden, geen sieraden noodig. Geef mij dat papier; ik
zal u laten lezen, wat ik geschreven heb."

Ik plaatste mij aan de tafel en schreef den navolgenden brief, waar ik
geen woord van veranderde:

"Mejuffrouw! uwe meening was gegrond, en uw oom heeft mijn aanzoek om
uwe hand afgeslagen. Het voegt mij niet de redenen zijner handelwijs te
onderzoeken; maar zoo deze mij getroffen heeft, nog sterker trof mij
hedenmorgen uwe koele houding te mijwaarts, welke ik, vergeef mij mijn
openhartigheid, verre was van te verwachten, omdat ik weet, die niet te
verdienen. Toen ik op Heizicht afscheid van u nam, streelde ik mij met
de gedachte, dat UEd. mijn oprechte liefde niet hadt versmaad; deze
gedachte maakte mijn hoogste geluk uit en deed mij ook het antwoord van
den Heer Blaek met meer gelatenheid dragen; daar ik mij troostte met het
denkbeeld, dat de tijd en mijn standvastige trouw eenmaal over zijne
weigering zouden zegevieren, wanneer UEd. bij dezelfde gevoelens bleeft,
welke UEd. omtrent mij koesterdet. Thans echter vind ik u geheel te
mijnen opzichte veranderd: en wel, gelijk ik van mijn zuster verneem,
ten gevolge van omtrent mij loopende geruchten, welke UEd. voor waarheid
aanneemt. Uw oom zou het mij ten kwade duiden, indien ik tegen zijn wil
u over mijn liefde onderhield; doch hij kan nimmer wraken, dat ik de pen
opneme ter verdediging van mijn goeden naam. Ik mag vooralsnog, daar het
mij niet vrijstaat, geheimen van derden te openbaren, u de aanleiding
niet ontvouwen mijner kennismaking met zekere Juffer, met welke UEd. mij
eens te Muiden gezien hebt: ik kan u alleen herhalen, dat mijn
betrekking met haar geheel onschuldig is, en dat ik voor haar geen ander
gevoel heb, dan achting voor haar zielshoedanigheden en medelijden met
haar ongeluk. Die Juffer is thans, met voorkennis mijns vaders, bij mijn
Tante Huyck gehuisvest, die stellig geene lieden bij zich zoude
ontvangen, wier gedrag berispelijk was.--Wat verder den laster betreft,
dien men omtrent mij heeft geuit, ik weet, aan wien ik dien moet
toeschrijven, en tevens, dat alleen de eer van uw naastbestaande te
zijn, den lasteraar beveiligt voor de welverdiende straf, welke ik hem
anders had toegedacht.

"Nog eene vraag, Mejuffrouw! Zoo UEd. nog argwaan tegen mij mocht
voeden, schort, bid ik u, slechts veertien dagen lang uw oordeel op: als
die verstreken zijn, houd ik mij overtuigd, dat het mij licht zal
vallen, mij van alle blaam te zuiveren, en u te overtuigen, dat ik niet
onwaardig ben mij te noemen enz."

"En denk je, dat dit stuk veel zal uitwerken?" vroeg Suzanna, toen ik
haar den brief had laten lezen: "mij dunkt in hare plaats zoude ik niet
bijzonder gesticht wezen met die achting en dat medelijden, die gij voor
uwe _protégé_ gevoelt. Dat is wel geen liefde; maar het grenst er toch
machtig na aan."

"Aan u zou ik misschien anders schrijven," zeide ik, lachende: "maar
Henriëtte zal, naar ik vertrouw, het op zijn waren prijs weten te
stellen, dat ik de _reputatie_ van een onschuldig meisje zoowel als de
mijne verdedig.--Heeft zij mij lief, dan zal zij mij gelooven en nadere
ophelderingen afwachten: doet zij dit niet, dan is het ook een teeken,
dat zij mij niet bemint:--en dan zal ik haar miskenning met meerdere
gelatenheid dragen."

Suzanna nam nu de verzending van den brief op zich, en ik begaf mij naar
het kantoor.

In de dagen, welke er tusschen dit gesprek en den jaardag mijner moeder
verliepen, viel niet veel voor, dat des lezers belangstelling waardig
is. Van drie omstandigheden echter moet ik melding maken: de eerste was,
dat de Kapitein Pulver uitzeilde en mij door zijn vertrek wat meer
ruimen tijd liet: de tweede, dat Heynsz, wiens betrekking tot de
Justitie nu door het babbelen van Helding spoedig algemeen bekend was
geworden, en die alzoo niet langer in 't geheim van dienst kon zijn, een
openbare bediening verkreeg. Een der Onderschouten was kort te voren
gepensionneerd geworden en Heynsz werd benoemd om dien post voorloopig
te vervullen, met toezegging, dat hem een dadelijke aanstelling geworden
zoude, zoodra het hem gelukt zoude zijn den zich nog altijd
schuilhoudenden Graaf van Talavera aan de Justitie over te leveren.
Eindelijk, ten derde, Suzanna ontving een briefje van haar vriendin,
waarin deze, in zeer korte bewoordingen, te kennen gaf, dat zij mijn
brief ontvangen had, en wel gelooven wilde, dat men mijn gedrag in een
ongunstiger licht stelde dan het verdiende; doch dat, wetende hoezeer
haar oom, wien zij alles verschuldigd was, tegen onze nadere
kennismaking was, plichtmatig begreep te moeten handelen door mij te
doen verzoeken, alle verdere moeite ten haren opzichte te staken en mij
mijn woord teruggaf. Deze harde taal sloeg mij geheel ter neder; maar ik
begreep, dat er voor 't oogenblik niets tegen te doen was: en dat ik
moest afwachten of wellicht de tijd in de gezindheid van den Heer Blaek,
om mij zijn nicht te ontzeggen, of in hare gezindheid om zijn wil op te
volgen, eenige verandering teweeg mocht brengen.

Een dag vroeger dan dien, waarop het verjaarfeest te Heizicht zou
gevierd worden, vertrok ik derwaarts, ten einde mijn Tante Van Bempden,
op haar verzoek, in het maken van eenige voorloopige schikkingen
behulpzaam te zijn.--Ik vond Tante in blakenden welstand, en, als naar
gewoonte, het zeer volhandig hebbende. Nauwelijks gunde zij zich den
tijd mij welkom te heeten, maar liep het huis op en neder en in en uit,
en riep, nu de keukenmeid, om nog eenige veranderingen in de ordonnantie
van het maal te maken: dan weder de linnenmeid, om met haar de
benoodigde tafellakens en servetten te krijgen en af te tellen: dan de
kamenier, om haar de bloemen te helpen schikken, die hijgende
tuinknechts rusteloos in potten en manden aanbrachten: dan weder de
werkmeid, om de stoeptrappen nog eens over te doen, die de tuinknechts
met hun beslikte schoenen hadden vuilgemaakt. En dan liep zij weder naar
den moestuin om den tuinman te zoeken, en hem nog eenige bevelen te
geven of te vernieuwen: er moest nog hulst wezen voor guirlandes, en nog
spergetakken voor de vazen, en nog ijs uit den ijskelder: en er moesten
paden geschoffeld, waar het gezelschap door wandelen zou: en het plein
moest opgeharkt worden: en de haag van de groote allee gesnoeid, en het
water van den achthoekigen vijver schoongemaakt:--en dan ging zij naar
den stal en onderzocht of de leidsels wel wit en de paarden wel gerost
en het koper en zilver der tuigen wel glanzend waren: en of er niets aan
de rijtuigen haperde, en of de zadelmaker de kussens der zittingen nieuw
opgevuld en de nieuwe zweepen had gezonden: en of het galon om de hoeden
der koetsiers en der palfreniers was vernieuwd:--en dan werd zij weder
binnengeroepen om een twist te beslechten tusschen haar tegenwoordigen
knecht en haar vroegeren, die getrouwd, maar voor dit feest overgekomen
was om zijn hulp te verleenen: en waarvan de eene beweerde, dat het oude
olie- en azijnstel met de drakenkoppen, en de andere, dat het nieuwe met
de laurierbladen moest gebruikt worden: en dan was het weer wat anders,
dat haar tegenwoordigheid vereischte.

"Wel Neef!" zeide zij, toen zij eindelijk een weinig door de drukte heen
was, of liever, toen het koffie-uur der boeren en de schofttijd der
werklieden, een _parenthesis_ in de beslommeringen van den dag
daarstelden: "het verheugt mij dat gij komt. Mijn hoofd loopt om: en ik
weet niet hoe ik met alles nog klaarkomen zal. Wat hebben wij een weer
gehad in den verloopen nacht. Ik heb geen oog toegedaan en dacht, dat
het heele huis omwoei. Het is dan vrij buiig en onstuimig van 't jaar:
gelukkig, dat het nu wat bedaard is, anders zou de partij geheel
mislukken! want uw ouders komen zoo zelden buiten, dat, als zij mij eens
de eer aandoen van op Heizicht te verschijnen, het ook niet is om den
geheelen dag in huis te zitten."

"Ja lieve Tante!" zeide ik: "het heeft boos gewaaid: het ziet er erg
genoeg uit voor Pulver, die pas is uitgezeild: en hij kon wel een
geduchte averij krijgen."

"Spreek daar niet van," hernam Tante: "gij zoudt mij al het genoegen,
dat mij dit feest belooft, gansch en gaar bederven:--niet, dat ik over
de schade zoozeer treuren zoude; maar te denken, dat wij hier warm en
wel zitten en ons vermaken, terwijl die arme zeelieden, die hun leven
wagen om ons schatten te bezorgen, met stormen en golven kampen! Sedert
dien akeligen tocht met Blaek heb ik een dubbel medelijden met die arme
zielen.--Maar met dat al moeten wij onzen tijd niet verwaarloozen. Gij
kunt, als gij eerst koffie met mij gedronken hebt, mij een groot
genoegen doen; zoo het namelijk niet te veel van u gevergd is."

"Ik kom hier om u behulpzaam te zijn," zeide ik: "en het spreekt dus
vanzelf dat UEd. vrijelijk over mij kunt beschikken."

"Best!" zeide zij: "Welnu: mijn plan was, het gezelschap hier te
ontvangen en dan terstond met ons allen naar de hoeve bij de oude Martha
te rijden, aldaar een _collation_ te gebruiken en voorts hier terug te
komen om te eten."

"Ziedaar een zeer goed plan," zeide ik: "en dat gehos heen en weder over
de heide zal het best geschikt zijn om aan het gezelschap een goede
digestie van het ontbijt en een vernieuwden appetijt voor het middagmaal
te geven."

"Juist! nu wenschte ik wel, dat gij eens naar de hoeve reedt en een oog
liet gaan over de daar gemaakte toebereidselen: want de timmerman, die
het bezorgen zoude, is een wijsneus, die alles zeker naar zijn kop en
niet naar mijne verkiezing zal willen doen."

"Naar de hoeve!" herhaalde ik, met een gevoel van onaangename
teleurstelling.

"Ja Neef!" hervatte zij, zonder zulks te bemerken: "gij kunt het bruine
sjeespaard nemen: dat is _à deux mains_; ik zou u wel laten brengen;
maar ik kan niemand missen. Gij zijt toch niet bang voor struikroovers?
Het is tegenwoordig hier volkomen veilig, heeft de Schout mij verzekerd:
en bovendien," voegde zij er schertsende bij: "de Kapitein van de bende
is immers een intieme van u?--Het verwondert mij nog, dat die vent niets
uit de zijkamer heeft medegenomen, toen hij u dat bezoek kwam geven, dat
gij mij nooit geheel hebt opgehelderd."

"En wat moet ik aan de hoeve verrichten?" vroeg ik, om Tante maar
spoedig van het onderwerp, dat zij aanroerde, af te brengen.

"O! heel wat. Ik heb het alles opgeschreven, vooreerst opdat ik, en ten
tweede opdat gij het niet vergeten zoudt. Ziehier de lijst. Ik hoop dat
er niets aan ontbreken zal.--Maar zeg mij toch even, wat is dat voor een
geschiedenis met dat Juffertje, dat Tante Letje bij zich aan huis heeft
genomen? Is dat werkelijk een Freule van Lintz?"

"O Tante-lief!" antwoordde ik: "dat is een geschiedenis, veel te lang om
u thans te verhalen: vraag mij daar eens over, als wij geheel op ons
gemak zijn."

"Ook al goed! dan zal ik geduld hebben.--Maar Ferdinand-lief! wat hebt
gij u gehaast met die vrijerij met Jetje Blaek. Ik had u immers ook
gezegd, dat daar nooit iets van zou komen.--Hadt gij mijn raad maar
gevolgd en haar intijds uit uw zinnen gezet, dan hadt gij u die
onaangename teleurstelling bespaard. Het spijt mij wel van achteren, dat
ik u te zamen in kennis gebracht heb.

"Ik herinner mij niets van uwe waarschuwingen, Tante-lief!"

"Niet! weet gij ons gesprek niet meer op het strand, eer wij Lodewijk
Blaek ontmoetten? Toen zeide ik immers reeds: zet dat uit uwe gedachten.
Maar goeden raad vergeet men gauw."

Nu herinnerde ik mij dit gesprek zeer wel; ofschoon ik die enkele
woorden, bij die gelegenheid aan Tante ontvallen, niet zwaar geteld had;
dewijl zij geene redenen ter wereld had aangevoerd, om aan haar advies
eenige klem bij te zetten. Ik vond echter beter, ook dit punt te laten
rusten, en na een haastig ontbijt gebruikt te hebben, spoedde ik mij
naar stal, zadelde den bruin en draafde de heide over en den weg op naar
de mij te welbekende boerderij.

Ik vond ook daar geene geringe drukte. Overeenkomstig de bevelen van
Tante was men er bezig met latten te slaan, die van boom tot boom liepen
en waarover zeildoek gespannen moest worden om een tent te vormen, in
welke het gezelschap den volgenden dag zou onthaald worden en tegen de
ongestadige luimen van het najaarsweer beveiligd zijn. Na aan den
opzichter over dit werk den wil van Tante, gelijk ik dien op de
medegebrachte lijst vond uitgedrukt, nogmaals herhaald, en mij overtuigd
te hebben, dat de man haar bedoelingen volkomen begrepen had en geheel
niet van plan was om, gelijk zij vreesde, alleen zijn eigen hoofd te
volgen, zag ik het tweede artikel na, dat ik te volbrengen had. Het
luidde, dat ik aan de oude Martha moest vragen, of de stal genoeg
opgeruimd was om al de paarden in te bergen, die er den volgenden dag
zouden komen. Ik riep de oude vrouw dus, die al dadelijk met een
bedremmeld gelaat naar mij toe kwam geloopen, en mij blijkbaar onthutst
vroeg wat er van mijn dienst was.

"O!" zeide zij, zoo ras zij verstaan had, wat ik van haar verlangde:
"daar kan Mevrouw gerust op wezen: de stal is kant en klaar: en ik heb
schelen Thijs en Peer Govertz al besproken om een handje te kommen
helpen, want nou men zeun weg is en weg blijft, zit ik, och arm!
allienig voor het werk.--Heit Meneer nog wat te belasten?"

"Wacht!" zeide ik, mijn lijst bij de hand nemende: "nummer drie: zien of
de tafels en de banken gekomen zijn.--Ja! die staan ginder
reeds:--_nummer vier: vragen aan Martha, wie haar helpen zal, koeken te
bakken?_--Ja wie zal dat doen?"

"O! heere men tijd! maakt Mevrouw zich daar ook al verlegen om? Wel! dat
zou ik allienig wel of kennen, al kwam jelui met je vijftigen. Maar daar
is rooie Els van Crailo en 'er zuster, die hebben men al beloofd, als
dat ze kommen zellen. O! an hulp zel het niet ontbreken, er zel volks
'enoeg wezen. Als er zoo wat rijkdom bij mekaar is, hoeft men nooit om
menschen verlegen te zijn.--En kostelijke koeken zel ik bakken, dat
beloof ik je."

"Dat behoeft gij mij niet te verzekeren," zeide ik, lachende: "ik heb
die immers al eens bij u geproefd en weet hoe ze smaken."

"'t Is waar ook," zeide zij met een bezorgd gelaat: "Meneer heit men
toch niet verklapt, hoop ik?"

"Wees niet bang,"--zeide ik: "mits het maar niet weder gebeure.
--_Nummer vijf: nazien hoeveel stoelen er op de boerderij zijn, en of
die nog bruikbaar zijn._--Dat zullen wij eens gauw gaan kijken," zeide
ik, naar de woning snellende, terwijl ik in mijzelf lachte om de tot in
alle kleinigheden afdalende voorzorgen van Tante. Nauwelijks was ik
echter in de keuken, of Martha kwam mij, met zooveel snelheid als haar
oude beenen het haar vergunden, achterop geloopen:

"Wat wil Meneer?" vroeg zij: en zij sloeg onwillekeurig een angstigen
blik naar het trapje, dat naar het opkamertje leidde.

"Juist!" zeide ik, haar blik volgende: "daar boven moet ik wezen. Ik
meen, dat daar stoelen staan."

"Om Gods wille: Meneer! maak mij niet ongelukkig!" zeide zij, met een
gesmoorde stem en de handen wringende: "hij is weer hier."

"Wat!" mompelde ik: "is hij dan dwaas?"--En, schier onwillekeurig, maar
toch met behoedzaamheid, besteeg ik het trapje en zag door het
sleutelgat naar binnen, waar ik niet slechts Van Lintz, maar nevens hem
den ouden Heer Blaek herkende.

"Ik weet er waarachtig geen ander middel op om u hier ongemerkt vandaan
te krijgen," zeide de laatstgenoemde.

"Wij zullen er dan toe moeten besluiten," zeide Van Lintz: "in de hoop,
dat men mij voor dien tijd niet gevangenneemt."

"En gij belooft mij," hernam de Heer Blaek, "dat, ook al mocht dit
gebeuren, gij ...die ... de zaak ... niet zult uitbrengen."

"En waarom zou ik dat? Gij zegt immers, dat uw zoon en uw nicht elkaar
beminnen."

Ik had mijn hoofd reeds terug willen trekken; want ik schaamde mij den
luistervink te spelen; maar deze laatste vraag prikkelde mijn
nieuwsgierigheid te zeer, dan dat ik den trek kou weerstaan om het
antwoord af te wachten.

"Zij beminnen elkaar ... zij zullen een paar worden," zeide de Heer
Blaek: "gij zijt aan niets verbonden, zoo ik u bedrieg. Ik verzeker het
u. Vernietig toch dat ... dat noodlottige stuk.--Het kon in vreemde
handen komen ... geef het mij liever ... ik zal...."

"Neen! dat niet, Jacobus Blaek!" zeide Van Lintz, met een spotachtigen
lach: "als ik in veiligheid ben--en niet eer--zult gij het bekomen--en
het zelf kunnen verbranden. Ik weet, waaraan ik de hulp, die gij mij
bewijzen zult, dank moet weten--en ken mijn voordeel te goed om er
afstand van te doen, nu het mij dienen kan."

"Ach!" hernam Blaek: "gij zult er geen misbruik van maken: gij zult mij
niet met schande ten grave doen dalen. Ik help u immers zooveel in mijn
vermogen is ... ik heb zelfs meer gedaan dan ik u beloofd had: ik heb
naar Den Haag geschreven ... al mijn invloed zal ik aanwenden om de
vervolgingen te doen staken ... om onzer oude vriendschaps wille, maak
mij niet ongelukkig."

"Gij hebt mijn woord," zeide Van Lintz: "en dat moet u genoeg wezen:
morgen zal ik u verwachten. Tracht nu ongemerkt van hier te komen en de
plaats te bereiken, waar uw rijtuig u wacht. Ik zal Martha bellen om te
hooren of de uittocht veilig is."

Na het uiten dezer woorden verhief hij zijne stem om Martha te roepen:
ik aarzelde een oogenblik; doch bedenkende, dat Van Lintz toch van haar
zoude vernemen, dat ik er geweest was, besloot ik, zelf binnen te gaan,
wenkte der oude vrouw, die bevende achter mij stond, toe, dat zij wel
terug kon blijven, en opende de deur.

"De Heer Huyck!" riepen beiden, de een op een toon van verwondering, de
andere met een uitdrukking van schrik.

"Vergeeft mij, Mijne Heeren!" zeide ik, glimlachende: "zoo ik uw
bijeenkomst stoor. Maar ik ben hier door Mevrouw Van Bempden gezonden om
eenige toebereidselen te maken voor het feest van morgen, en ik had ook
in dit vertrekje iets te doen:--weinig dacht ik, dat het bewoond was."

"Ik beken," zeide Van Lintz, "dat ik mijn tijd slecht gekozen heb."

"Zoo de Heer Blaek," vervolgde ik, dezen aanziende, die vast beefde,
"zich wenscht te verwijderen, zonder dat het opzien bare, zal ik hem
gaarne een eindweegs vergezellen."

"UEd. is al te goed. Mijnheer Huyck," zeide Blaek, stotterende: "ik neem
uw vriendelijk aanbod dankbaar aan."

"Ik hoop u nog te zien als gij terugkomt," zeide Van Lintz, mij met zijn
doordringende oogen aanstarende.

Ik boog en verliet het vertrek. De Heer Blaek volgde mij, en beiden
traden wij de achterdeur uit, den tuin door, waar zich niemand bevond,
en het boschpad op. Ik bemerkte, dat mijn tochtgenoot moeite had om
voort te wandelen, zoozeer was hij van zijn stuk, en bood hem
dienvolgens mijn arm aan, in mijzelven lachende om het zonderlinge spel
des noodlots, dat mij tot den geleider maakte van iemand, die aan mijn
vurigste wenschen den bodem had willen inslaan.

Gaarne had ik hem nadere uitlegging gevraagd van de woorden, die mij het
toeval had doen hooren; maar de zaak was van een te teederen aard, dan
dat ik die snaar dorst aanroeren, zonder daartoe een voegzame aanleiding
te hebben. Ik bemerkte, dat hij van zijn kant iets op het hart had, maar
niet wist, hoe het gesprek aan te vangen. Ettelijke reizen opende hij
den mond als om mij een vraag te doen: maar de woorden bleven hem in de
keel steken. Eindelijk scheen hij moed te vatten: en na een zwaren
zucht, bracht hij met een flauwe stem en nedergeslagen oogen het
navolgende uit:

"Ik kan niet van mijn verwondering terugkomen, dat ik den Heer Huyck,
den zoon van den Heer Hoofdofficier ... in betrekking zie met iemand,
die ... die...." hier scheen hij naar zijn woorden te zoeken.

"Onze verwondering is wederkeerig, Mijnheer!" zeide ik met een glimlach.

"O!" zeide hij, mij zijdelings aanziende, alsof hij op mijn gelaat wilde
uitvorschen of ik geloof hechtte aan zijne woorden: "met mij is het een
geheel ander geval. Ik heb ... hem vroeger gekend ... en zaken met hem
uitstaande gehad."

"Mijne kennis aan hem is niet van een oude dagteekening," zeide ik: "hij
kan echter gerust zijn wat mij betreft: ik zal hem niet verraden ... en
ook niet ongevraagd van uw bezoek spreken, indien UEd. dit eenige
gerustheid kan verschaffen."

"Neen! dat is ook beter," zeide hij, blijkbaar opgeruimd door mijne
betuiging: "ik heb deze _démarche_ om bestwil moeten doen.--Ik blijf
UEd. intusschen zeer verplicht:--het doet mij recht leed, dat ik mij in
de noodzakelijkheid gezien heb ... het vereerend aanzoek van Mijnheer
... af te slaan ... maar ... het geluk mijner nicht ... UEd.
gevoelt...."

"UEd. zal niet vergen," onderbrak ik hem, "dat ik juist de man zal zijn,
die gevoelen moet, dat uw nicht met een ander gelukkiger zal zijn dan
met mij."

"Geenszins," hervatte hij: "ik bedoelde maar ... ziet UEd ... ik kan mij
vooralsnog moeielijk over dit onderwerp uitlaten.--Over een paar jaren,
als zij mondig zijn zal, en dan nog vrij is, zal ik zeer gaarne uw
voorspraak bij haar zijn; maar vooralsnog...."

"Ik wil u niet verbergen," zeide ik, "dat ik zooeven in het opkamertje
hoorende spreken, een oogenblik aan de deur heb geluisterd en UEd. bij
die gelegenheid heb hooren zinspelen op een huwelijk tusschen uw zoon en
uw nicht."

"Gij hebt ons beluisterd!" zeide hij, sidderende en bleek van toorn
zoowel als van angst: "dat was zeer verkeerd van u, Mijnheer! ofschoon,"
voegde hij er bij, waarschijnlijk bedenkende dat ik meer kon gehoord
hebben dan hem lief was, en dat hij mij dus te vriend moest houden: "ik
kan het u niet kwalijk nemen; want UEd. hadt recht een weinig verwonderd
te zijn van ons daar te vinden. Nu ja! 't Is waar! Ik wilde u zulks
zooeven niet zeggen, om u niet te bedroeven. Dat huwelijk is altijd mijn
vurigste wensch geweest: en het zal, vleie ik mij, weldra voortgaan."

"Onmogelijk!" riep ik uit, geheel ternedergeslagen door deze
mededeeling.

"'t Is stellig waar: de jonge lieden beminnen elkander: en ik verlang
niets zoozeer als hun beider geluk. Geloof mij, mijn waarde Heer Huyck!
stel die neiging uit uw hoofd. Er zijn genoeg schoone meisjes in onze
Nederlanden, en die beter door de fortuin bedeeld zijn dan mijn
nicht.--Maar ik bid u, doe geen verdere moeite: ik zal nu zelf mijn weg
wel vinden."

Wij waren op dit oogenblik het hakhout uit en aan een binnenweg gekomen,
waar ik op eenigen afstand het rijtuig van den Heer Blaek zag staan: en,
zelf oordeelende dat hij mijn geleide niet verder noodig had, keerde ik,
na wederzijdsche groete, langs den weg terug dien ik gekomen was.

"Gij ziet," zeide Van Lintz, toen ik bij hem in het opkamertje was
teruggekeerd, "dat ik, bij gebrek aan een betere, mijn oude schuilplaats
weder heb moeten opzoeken."

"Ik zie het," antwoordde ik, het hoofd schuddende: "maar ik vrees, dat
zij niet lang meer veilig zijn zal. Gij behoeft het hoofd aan de andere
zijde slechts buiten te steken, om u te overtuigen dat het hier geen
eenzame plaats meer is: en morgen komen hier nog meer gasten."

"Ik zal hunne komst niet afwachten," zeide Van Lintz.

"En hoopt gij waarlijk ongemerkt te ontkomen?" vroeg ik: "Heynsz heeft
ongetwijfeld uw gangen laten nagaan: en zoo hij u niet eerder heeft doen
vasthouden, is het, omdat hem nog onbekend was, dat de Heer Van Beveren
en de Graaf Van Talavera één persoon waren; maar thans weet hij dit: en
ik twijfel er niet aan, of hij zal zijn onbedachtzaamheid hersteld
hebben en geene middelen verwaarloozen om u niet weder te laten
ontsnappen."

"Ik weet het," hernam hij somber: "ik speel een schaakpartij met tien
kansen tegen ééne, dat ik mat gezet worde; en toch, zoolang mijn Koning
nog één vak open vindt, zal ik het spel niet gewonnen geven. Zoo echter
mijn vervolgers niet voor morgen hier zijn, loopen zij groote kans van
het nest ledig te vinden:--en dan tart ik hunne nasporingen."

"Gij verlaat dus dit land?"

"Voor altijd, zoo ik hoop. Ik heb er waarlijk geen genoegzame
verplichtingen aan om het te betreuren."

"En uw dochter?"

"Zij zal ... mij volgen, hoop ik," antwoordde hij zuchtende.

"Weet gij, waar zij zich tegenwoordig ophoudt?"

"Ik weet dit; en, wanneer gij het eenmaal oorbaar vinden zult, dank dan
uw waardige tante uit mijnen naam voor hetgeen zij aan een ongelukkige,
verlatene wees heeft gedaan.--Wat u betreft, Mijnheer Huyck! ik ben u
ook grooten dank verschuldigd, want ik weet het, mijn verblijf, en dat
mijner dochter vooral is u de bron geweest van vele onaangenaamheden. Ik
wenschte ook eenmaal iets voor u te kunnen doen."

Ik zweeg eenige oogenblikken. Ik had hem willen vragen, welk groot
belang hij toch stelde in het huwelijk van Henriëtte met haar neef,
welke laatste hem toch geene redenen had gegeven om zijne partij te
nemen; maar een gevoel van bescheidenheid weerhield mij. Ik begreep dat
er onder dit alles een geheimenis school, waar Henriëtte in gemoeid was,
maar tevens dat ik daarmede niets te maken had. Terwijl ik aldus stond
te peinzen, hielp Van Lintz zelf mij op den weg:

"Gij hebt ongetwijfeld zooeven het een en ander van ons gesprek
gehoord?"

"Dat heb ik," antwoordde ik: "ik beken het tot mijn schande; maar ik was
zoo verbaasd van u te zien; dat...."

"Gij behoeft u niet te verschoonen: vromer lieden dan gij zijt zouden de
verzoeking niet weerstaan hebben. En wat hebt gij vernomen?"

"Niet veel," antwoordde ik: "het was mij omtrent, of gij Chaldeeuwsch
spraakt, zoo geheimzinnig waren uw woorden."

"Niet veel, maar toch wat, nietwaar?"

Ik was op het punt van hem mijn verwondering te kennen te geven over
hetgene Blaek hem verteld had nopens de wederzijdsche liefde van
Lodewijk en Henriëtte: maar eene bedenking wederhield mij. Zooveel had
ik uit het gesprek opgemaakt, dat daarvan het stilzwijgen scheen te
zullen afhangen van Van Lintz omtrent iets, hetwelk Blaek bedreven had
en dat het licht niet zien mocht: en met dat stilzwijgen moest weder de
hulp gekocht worden, die Blaek hem bewees. Ik achtte dus mij zelven
ongeroepen, mijne meening omtrent die voorgewende _inclinatie_ der
jongelieden te uiten en daardoor de bedoelingen van Blaek bij Van Lintz
verdacht te maken, en misschien aanleiding te geven tot een twist, die
voor beiden noodlottig zijn konde. Dit stilzwijgen van mijne zijde,
hoewel het uit een edelmoedige oorzaak voortsproot (want ik behoefde
noch Blaek noch zijn zoon te ontzien), was echter in het vervolg de
middellijke oorzaak van het verlies van twee menschenlevens.

"Ik herhaal u," zeide ik, "dat ik niets van ulieder gesprek heb
begrepen. Alleen heeft het mij verwonderd, den anders vrij hooghartigen
Heer Blaek zoo beangst te zien."

"Nietwaar?" vroeg Van Lintz: "Ja voorwaar! het moet al een vreemd
schouwspel zijn geweest voor een derde, den rijken Heer van Guldenhof,
den trotschen Amsterdamschen koopman, wiens woord meer gewicht heeft dan
de manifesten van een half dozijn Duitsche Mogendheden, te zien blozen
en sidderen voor den blik van een armen zwerver, die reeds in zes of
zeven Staten ter dood veroordeeld is, wien de speurhonden der Justitie
nazitten, of hij een huisbreker ware, en die nauwelijks een plek kan
vinden, waar hij het hoofd ter ruste kan leggen. Maar hij weet het, de
rijke man, dat ik slechts één woord heb te spreken om hem ellendiger te
maken dan de arme zwerver ooit worden kan.--Genoeg hiervan: het is niet
mijne hand, die zonder noodzaak het gordijn zal opentrekken wanneer
alles tot nog toe samengeloopen heeft om het dichtgeschoven te houden.
Daarom, mijn jonge vriend! vergeet wat gij gezien--en ook wat gij mocht
gehoord hebben."

"Ik wilde, dat ik alles kon vergeten, wat mij in de laatste weken
gebeurd is," zeide ik zuchtende: "maar het wordt laat: ik moet
vertrekken, mijne tegenwoordigheid alhier zoude tot vermoedens kunnen
aanleiding geven:... vertoon u toch niet buiten--en hou zelfs, zoo ik u
raad schuldig ben, u ver van het raam: er kon zoo licht een oog van uit
dien tuin naar binnen dringen.--Wat zeide ik u?"

Beiden hadden wij gelijktijdig in den tuin gekeken: en beiden hadden wij
de gluipende oogjes van Simon den marskramer op ons gevestigd gezien van
achter de heining, waar hij tegen leunde. Wij traden terug en zagen
elkanderen aan. Toen ik nogmaals aan 't raam kwam, was hij verdwenen.

"Gij behoeft er niet meer aan te twijfelen," zeide ik: "morgen, wellicht
dezen avond nog is het huis omringd."

"Ik heb hem herkend," zeide Van Lintz: "het is dezelfde Jood, die mij
vroeger te Utrecht achtervolgd heeft en wien ik toen verschalkt heb.
Welnu! waarom zoude het wij thans niet weer gelukken?--Dan ik ben wars
van nieuwe listen in 't werk te stellen. Ware het niet om mijn dochter,
ik had mij reeds overgeleverd aan hen, die mij zoeken."

"Ik kan u," zeide ik, "bij ons afscheid dan niets beters toewenschen,
dan dat ik u morgen hier niet meer vinden moge."

"Het zal zijn, gelijk het noodlot over mij beschikt heeft," antwoordde
hij, de schouders ophalende, en mij hartelijk de hand schuddende, knikte
hij mij een vriendelijk vaarwel toe, zonder er een woord meer bij te
voegen. Waarschijnlijk begreep of voorzag hij, dat wij ook thans niet
voor het laatst zouden afscheid nemen. Ik beantwoordde zijn handdruk,
en, de woning daarop verlatende, zette ik mij weder te paard en draafde
met dubbelen spoed naar Heizicht terug.


       *       *       *       *       *


TWEE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

WAARIN OVERTUIGEND BEWEZEN WORDT, DAT DE BEHENDIGSTE VOGELAAR OOK WEL
EENS VOGELS LAAT ONTSNAPPEN.


De gasten, die Tante Van Bempden verwachtte, waren den volgenden morgen
op hun tijd aanwezig: het waren, behalve mijn ouders met al hun kroost,
Tante Letje en een half dozijn neven en nichten uit de stad, waarvan het
onnoodig zou zijn hier de afbeeldingen te geven, daar zij op alle
mogelijke neven en nichten geleken. De Heer Blaek (wiens nicht mede
genoodigd was, maar zich wegens onpasselijkheid had laten verschoonen),
Lodewijk Blaek, Van Baalen en eenige andere bijzondere vrienden van
Tante, zoo uit de stad als uit de nabuurschap, zouden onmiddellijk aan
de hoeve komen, zonder alvorens Heizicht aan te doen. Na de gewone
plichtplegingen en gelukwenschingen, welke de lezer zich best zal kunnen
voorstellen, kwamen de noodige rijtuigen voor. Aan elk werd volgens de
vooraf gemaakte regeling onzer gastvrouw, zijn plaats aangewezen, en zoo
begaven wij ons te gader naar de hoeve, waar wij, onder begunstiging van
een uitmuntend weer, ongeveer tegen twaalf uren met vrij hongerige magen
aankwamen. De Heer Blaek was bereids verschenen en wandelde in een
blijkbaar vrij onrustige gemoedsbeweging onder de eikeboomen op en
neder. Mijn vader bejegende hem zeer beleefdelijk; waarschijnlijk wilde
hij de koelheid goedmaken mijner moeder, die hem nog de slechte
ontvangst van mijn aanzoek niet wel vergeven kon. Terwijl men aan de
plichtplegingen bezig was, kon ik niet nalaten den blik nu en dan op de
woning te slaan, alsof ik op de muren lezen kon, of het den vervolgden
zwerver reeds gelukt ware te ontsnappen. Het was echter niet wel
doenlijk daaruit iets op te maken en het gelukte mij evenmin, uit de
gelaatstrekken van de oude Martha, die ik met twee meehelpsters door de
keuken op en neder zag trekken, iets anders te lezen, als dat zij het
zeer druk had met het bakken der beloofde koeken en het aanbrengen van
hetgeen verder noodig was voor het ontbijt.

"Ik heb u het leedwezen mijner nicht te betuigen, dat zij door een
lichte ongesteldheid verhinderd wordt, hier te verschijnen," zeide de
Heer Blaek tegen Tante Van Bempden, terwijl mijn ouders zich met eenige
nieuw aangekomene gasten onderhielden.

"Ik hoop dat die geene gevolgen zal hebben," antwoordde Tante, die zeer
wel begreep, hoe het met die voorgewende ongesteldheid gelegen was:
"maar mijn waarde Heer Blaek! ik hoor daar van; mijn koetsier, dat UEd.
uw rijtuig teruggezonden hebt. Het had immers hier zeer goed kunnen
blijven. Ik heb met opzet mijn neef gisteren nog hierheen gezonden, om
te zorgen dat er plaats gemaakt werd voor al de paarden, die er te
wachten waren."

"Ik wilde niet onbescheiden zijn," zeide Blaek, op halfluiden toon, als
vreesde hij, dat deze op zichzelf weinig beteekenende woorden zouden
verstaan worden: "ik heb het rijtuig naar ... Huizen gezonden: het is
daar ook zeer goed...." en tevens wierp hij mij een smeekenden blik toe,
die mij bevroeden deed, dat er meer achter deze schijnbaar nietige
omstandigheden zat en dat hij mijne hulp wenschte om hem uit de
verlegenheid to redden.

"Wel Tante!" zeide ik: "hoe staat het er mede? Ik geloof, wanneer ik de
aangezichten van uw jongere gasten aanzie, dat zij zeer verlangende
zijn, om zich te overtuigen of de smaak uwer Gooische koeken beantwoordt
aan den aangenamen reuk, die uit gindsche keuken tot ons overwaait."

"Ja! ik wensch niets liever dan te beginnen," zeide Tante: "maar al de
gasten zijn nog niet aangekomen. Ik mis den jongen Blaek nog en den
vriend Van Baalen."

"O! wat mijn zoon betreft," zeide Blaek: "ik bid, dat UEd. om hem geen
complimenten maakt. 't Is zijn eigen schuld, indien hij niet op zijn
tijd past; en al komt hij wat later, er zal nog wel altijd iets voor hem
overschieten."

"Nu ja!--maar Van Baalen!" zeide Tante: "UEd. weet, dat indien wij
begonnen eer hij er was, hij zich den ongelukkigsten man van de wereld
zoude vinden."

"O!" zeide Suzanna, naderende: "dat zal hij in allen gevalle, 't zij gij
op hem wacht of niet."

"Het zou mij slecht staan het hem kwalijk te nemen, zoo hij wat later
kwam," zeide ik: "want er kunnen zoo licht kantoorzaken opgekomen zijn,
die hem beletten, zoo vroeg te vertrekken als hij had voorgenomen, en ik
heb hem vandaag alleen aan 't werk laten zitten."

"In dat geval," zeide Tante, "ware het misschien best, hem maar te
wachten, als de koetjes in de wei, etende en drinkende:--te meer, daar
ik den Heer Lodewijk ook zie aankomen."

Lodewijk reed inderdaad op dit oogenblik de werf op en trad ons weldra
met zijn gewone onbeschroomdheid nader. Hij bloosde niet, toen hij mijn
vader groette, maakte slechts een flauwe verontschuldiging bij Tante,
dat hij zoo laat kwam, sprak terloops een paar woorden met Suzanna, en
zeide mij vrij koeltjes goeden dag. Ik beken, dat mijn wedergroet ook
allesbehalve beleefd was; doch ik kon niet veinzen tegen iemand, die mij
zooveel verdriet berokkend had en wiens tegenwoordigheid mij al de
genoegens van het feest vergalde.

Daar de tijd van vertrek bepaald was en men niet om éénen genoodigde al
de overige kon laten wachten, liet Tante nu de koeken en het verdere
gedeelte van het ontbijt op tafel brengen. Wij namen onze zitplaatsen
onder het zeil en begonnen met graagte de smakelijke voortbrengselen van
Gooiland te betwisten aan de vliegen, die, door de strooplucht verlokt,
als echte tafelschuimers haar aandeel in ons maal kwamen opeischen. En
het waren niet alleen de vliegen; maar weldra kwamen ook de meer
gevaarlijke wespen, als de Harpijen vanouds, schrik en angst onder de
aanwezigen verspreiden: vooral hadden zij het op een mijner nichten
voorzien, die, van natuur van alle insecten afkeerig, elk oogenblik,
wanneer slechts eene dier onwelkome gasten haar bord of wijnglas
genaakte, gillende opsprong en zich vergeefs met haar servet van de
vervolging dier lastige wezens zocht te ontslaan. Suzanna zocht haar te
troosten, en beweerde, dat Tante die lieve diertjes alleen besteld had
om aan te toonen, dat de buitenvermakelijkheden ook haar schaduwzijde
hadden, en om aan de zoodanigen, die door de omstandigheden genoodzaakt
waren in de stad te leven, tevredenheid met hun lot in te boezemen. Op
deze kleine onaangenaamheden na, ging het maal vroolijk zijn gang en was
het gesprek vrij levendig geworden, toen een der bedienden mijn vader
naderde en hem zachtjes iets in het oor fluisterde, bij het vernemen
waarvan deze eenigszins donker keek, gelijk men doorgaans doet, wanneer
men uit een aangenaam gezelschap wordt opgeroepen tot de lastige
beslommeringen, die ambtsbetrekkingen met zich brengen.

"Is er eenige zwarigheid?" vroeg Tante Van Bempden, terwijl mijn moeder
angstig mijn vader aanzag, die oprees om zich te verwijderen.

"Ik ben dadelijk terug," antwoordde hij: "ik bid u, laat niemand zich
over mij bekommeren."--En hij ging naar den kant van de schuur.

Ik oogde hem bekommerd na; want een geheim voorgevoel, of liever de
opsomming van het vroeger voorgevallene, zeide mij, dat het opontbod
mijns vaders in verband stond met het opsporen van Van Lintz. En ik werd
niet weinig in mijn vermoedens versterkt toen dezelfde bediende mij een
oogenblik later kwam zeggen, dat mijn vader mij liet roepen.

"Wel zoo! vertrekt gij ook al?" vroeg Tante Van Bempden.

     "_Le combat finira faute de combattans_,"

voegde Suzanna er bij: "de Heeren willen ons zeker een verrassing
bezorgen."

"'t Zou mij niet verwonderen," zeide ik, "indien er werkelijk een
verrassing plaats had." En ik wierp in 't heengaan een blik op den Heer
Blaek, die, met een gelaat zoo bleek als een doek, onbeweeglijk op zijn
plaats zat en de eene teug water voor, de andere na opdronk.

Ik vond mijn vader in de schuur, en bij hem een ander Heer, die mij
naderhand bleek Onderschout van Naarden te zijn: tegen over hen stond
Heynsz, die aan een hevige gemoedsbeweging ten prooi scheen.

"Mijnheer!" zeide mijn vader, zoodra hij mij zag, op een gestrengen
toon: "kunt gij mij ook zeggen, waar zich de persoon bevindt, met wien
gij gisteren in de boerenwoning een geheim onderhoud hebt gehad?"

"Neen, vader!" antwoordde ik: "ik heb den man, dien UEd. waarschijnlijk
bedoelt, bij toeval hier ontmoet, daar ik een boodschap voor Tante
verrichtte, en weet niet waar hij gebleven is."

"Ik zeg Uw Ed.-Gestr., dat hij nog moet zijn hier," zeide Heynsz: "al
mijn maats, die hier in den omtrek de wacht hebben gehouden,
declareeren, dat zij hem niet hebben zien uitgaan: en de dienaars van
Gooiland declareeren het ook ... had ik maar kunnen vermoeden, wie die
Heer Van Beveren was!... maar wie kon ook veronderstellen, zoo iets?--Te
denken, dat de man, dien wij zochten, heeft gewoond veertien dagen lang
te mijnen huize! 't Is om te worden ijlhoofdig!--Maar hij moet gevonden
worden!"--En de goede man liep stampvoetende heen en weder, beurtelings
gekweld door de gedachte, dat men hem zoo had beetgenomen, en bemoedigd
door de hoop van den zwerver in zijn macht te krijgen.

"Juist! indien hij niet van hier is, moet hij zich hier nog bevinden,"
zeide de Naarder Onderschout, deze alleszins logische redeneering met
een veelbeteekenend hoofdknikken verzeld doende gaan: "wat dunkt u er
van, Heer Hoofdschout?"

"Ik ben het volkomen met u eens," antwoordde mijn vader: "en wij zullen,
geloof ik, best doen, het huis en de aanhoorigheden nog eens te
onderzoeken, terwijl de dienaars al de uitgangen blijven bewaken."

"_Hunc procul obscura latitantem parte videbis_. Wat u betreft," zeide
hij, mij aanziende: "gij zult ons vergezellen. Wij kunnen beginnen met
deze schuur."

De schuur werd van alle kanten doorsnuffeld: er was aldaar weinig
gelegenheid om iemand te verbergen. De ronde hield ons dus niet lang
bezig.--Van daar gingen wij de woning binnen. Martha, die voor het vuur
tusschen haar medehelpsters zat neergehurkt, liet van ontsteltenis den
inhoud van haar koekenpan over de plaat druipen, toen zij den
Onderschout met een barsche stem hoorde roepen: "waar heb je dien vent
verstopt, die hier dezer dagen gehuisd heeft?"

"Ik Meneer!" antwoordde zij, bevende: "ach God! ik ben een arme
weduwvrouw en leef hier eenzaam en alleenig, sinds men zeun mij verlaten
heit: zou ik hier iemand in huis 'ehad hebben?"

"Wij zullen deze trap op moeten," zeide, zonder zich aan haar taal te
bekreunen, mijn vader, die mij al dien tijd in 't oog gehouden had en
bespeurd, dat ik bij 't binnenkomen een blik naar dien hoek had
geslagen.--Wij liepen allen naar boven; maar het opkamertje was ledig.

"Doorzoekt de bedsteden!" zeide mijn vader.

Heynsz ontsloot de deuren; maar daar achter was niemand te einden. Het
beddegoed was opgerold en de kussens in 't midden er boven op gelegd,
gelijk gewoonlijk geschiedt, wanneer men van de slaapplaats geen gebruik
maakt. Met dit oppervlakkig onderzoek echter niet voldaan, haalde Heynsz
den ganschen toestel over den vloer.

"'t Is een mooie boel, dien je maakt," zeide Martha, die ons gevolgd
was: "als je 't maar allemaal weer in orde brengt. Ik heb vandaag
warentig al drukten genoeg."

"Deze lakens hebben gediend," zeide Heynsz, met een zegevierenden blik,
terwijl hij aan de beide hoofdbeambten de kreukels deed opmerken.

"Nou jae," zeide Martha: "wat zou dat? Die lakens zijn ook 'ebruikt
'eweest; niet lang 'eleden, met kermis, heit men zuster in 't iene bed
'eslapen en men zusters zeun in het aere. Maar vertel het toch niet an
Mevrouw; ze mocht het temet kwalijk nemen."

Ondertusschen had Heynsz, al snuffelende onder de dekens, een
geëmailleerden gesp opgeraapt, gelijk die bij een stropdas gebruikt
worden.

"En deze gesp," vroeg hij: "behoort die ook al aan uw zuster?"

"Neen, an men zuster niet, maar an der zeun," antwoordde Martha, die
niet licht van haar stuk te brengen was: "die heittie op de Uitersche
kermis 'ekocht. Wat zel ie blij wezen as ie hem weerom heit."--En zij
stak de hand uit om dien terug te nemen.

"Hei! hei wat! dat gaat zoo niet," zeide Heynsz, terwijl hij den gesp
nader beschouwde: "dat is geen versiersel voor een boerenknaap. Wat zegt
Uw Ed.-Gestr. er van?"

"Het is als gij zegt," zeide mijn vader: "de boerenknapen zijn meer op
plomper fatsoen gesteld.--Intusschen, hier is de man niet, dien wij
zoeken. Zijn hier geen andere vertrekken in huis?"

Wij begaven ons verder. Alle kamers, zolders, kelders en hokken, zelfs
de hooibergen en houtstapels werden doorzocht; maar alles vruchteloos:
en wij bevonden ons weder op het plein, met de overtuiging, dat het
voorwerp der nasporing ontsnapt was.

"Ik dacht, dat uw dienaars beter wacht zouden gehouden hebben," zeide
mijn vader tegen zijn ambtgenoot.

"Sapperloot!" zeide deze: "Mijnheer Huyck! zij hebben het werk gedeeld
met uw eigen volk: en wie zijn plicht heeft verzuimd is moeilijk uit te
maken. En was die Jood, die hem gisteren hier zag, het mij maar terstond
komen zeggen, in de plaats van naar Amsterdam te gaan om het den Heer
Heynsz te vertellen, dan had ik hem gisteravond reeds laten pakken. Maar
dat helpt nu niet.--Jij, vrouwtje! hoor eens. Biecht nu eens oprecht,
anders zul je kennis met de boeien maken. Waar is de vent gebleven?"

"Och, mijn goeie Heer! Wat zal ik zeggen? Ik ben een arme weduwvrouw en
weet niets van 't geval af."

"Je kunt toch niet ontkennen, dat die Heer Van Lintz, of zooals hij
heeten mag, bij u gehuisvest heeft."

"Wat zou het mij baten," hernam zij: "al wou ik het ontkennen? Uw
Ed.-Gestr. gelooft mij toch niet. Maar al zei ik nou: ze binnen naar
Amsterdam: dan zou Uw Ed.-Gestr. ommers toch denken dat ik je foppen
wou."

"Zij heeft gelijk, collega!" zeide mijn vader: "maar gij, Ferdinand!
zult ge mij nu nog niet verklaren, welk belang gij stelt in den Graaf
Van Talavera, waarom gij u gestadig met hem in gezelschap bevindt, en of
gij niet wellicht ook thans zijn vlucht begunstigd hebt?"

Ik oordeelde, dat de tijd tot spreken gekomen was, en dat een
rondborstig verhaal van de toedracht der zaak den Graaf niet meer
schaden, maar wellicht van dienst kon zijn. "Onze ontmoetingen," zeide
ik, "zijn altijd toevallig geweest; maar Vader kon toch niet verlangen,
dat ik den man verraden zou, die mij het leven gered heeft?"

"Het leven! En wanneer?"

"Ziedaar, wat ik u thans kan openbaren."--En ik was op het punt van een
verslag van het gebeurde te geven, toen Tante, gevolgd van de overige
gasten, naar ons toekwam, ongerust over ons lang wegblijven en over het
zien der gerechtsdienaars, die zich van tijd tot tijd op verschillende
punten vertoonden.

"Wat is er toch aan de hand?" vroeg Suzanna: "Tante klaagt al:

     _d'armes et d'ennemis je suis environnée_."

"Wat wil men?" vroeg Tante: "wie van het gezelschap moet er gepakt
worden."

"Van het gezelschap niemand," antwoordde de Naarder Onderschout: "maar
het zal UEd. niet weinig bevreemden van te vernemen, dat die vrouw daar
goedvindt uw hoeve tot een logies voor verdachte lieden te bezigen.

"Het is zoo, Zuster!" zeide mijn vader: "de Baron Van Lintz, dien gij u
nog wel herinneren zult, heeft hier gisteren, en zoo ik mij niet
bedrieg, ook vroeger nog, zijn intrek gehad."

"Nu ja!" zeide Martha, de zwijgende ondervraging van Tantes blik
beantwoordende: "hij is hier 'eweest, en zijn dochter ook: en nou