Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Jack Rustig
Author: Marryat, Frederick, 1792-1848
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Jack Rustig" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



                              Jack Rustig

                                  Door

                            Kapitein Marryat

                          Opnieuw bewerkt door

                            A. J. van Dragt



Eerste hoofdstuk.

    Eerste levensjaren van Jack. Hoe hij al spoedig den baas
    speelt.


Meneer Nicodemus Rustig leefde als welgesteld man op zijn buitengoed
Boschlust in het Engelsche graafschap Hampshire. Dolgraag zou hij
zoo'n paar kleine kleuters om zich heen hebben zien springen; maar,
ofschoon reeds tien jaar getrouwd, nog altijd bleef hij met zijn
vrouwtje alleen. Om zich te troosten over de verijdeling van zijn hoop,
meende hij niet beter te kunnen doen dan zich op de wijsbegeerte toe
te leggen, en weldra waren de gelijkheid en de rechten van de mensch
zijn stokpaardje geworden. Niemand luisterde echter naar zijn betoogen,
en hoe meer meneer Rustig doorsloeg, des te beter lieten de bezoekers
zich zijn portwijn smaken; want al sneden 's mans beweringen geen hout,
zijn wijn was uitstekend.

Terwijl meneer Rustig zich in zijn studiën verdiepte, zocht mevrouw
ontspanning in het patience-spel, en zoo leefde het echtpaar heel
kalmpjes voort. Meneer wist, dat vrouwlief zijn redeneeringen niet
kon begrijpen en eischte daarom ook niet, dat ze aandachtig naar hem
luisterde; mevrouw van haar kant stoorde zich weinig aan het gepraat
van haar echtgenoot en was tevreden als ze maar bij haar spelletje
kon blijven. Die wederzijdsche inschikkelijkheid maakte den grondslag
uit voor hun huiselijk geluk.

Ook bestond er nog een andere reden, waarom zij 't zoo goed met elkaar
konden vinden. Moest er iets besproken worden, dan begon meneer Rustig
altijd met te zeggen, dat vrouwlief haar zin zou hebben,--en dat
vond ze heel pleizierig; daar echter manlief, als 't er op aankwam,
steeds zijn eigen zin volgde, was hij evenzeer in zijn schik. Wel had
mevrouw sinds lang begrepen, dat zij haar zin toch niet kreeg, maar ze
was erg meegaande, en omdat 't in negen van de tien gevallen toch heel
weinig verschil maakte wat er gedaan werd, stelde zij zich volkomen
tevreden met zijn toeschietelijkheid bij het overleggen. Meneer Rustig
had erkend, dat zij gelijk had, en al volgde hij nu bij de uitvoering
een anderen weg, wat kon zij, als zwakke vrouw, daartegen doen?

Op het einde van het elfde huwelijksjaar kwam er evenwel een groote
verandering in het tot dusver zoo kalme huishouden; want mevrouw
Rustig verblijdde op een goeden dag haar echtgenoot met een stamhouder,
dien we als den held van ons verhaal zullen leeren kennen.

Er werd heel wat geredeneerd en betoogd eer meneer en mevrouw het
eens waren over den naam, dien de jonge wereldburger dragen zou, maar
het einde van de geschiedenis was, dat men hem Jack zou doopen. Het
jongske groeide als kool, raakte na zes maanden uit de lange kleeren,
en begon al spoedig over den vloer rond te kruipen en naar alles
te grijpen, wat maar onder zijn bereik kwam. Hij solde met de kat,
krabde zijn moeder in 't gezicht, en vond er volstrekt geen been
in, zijn vader duchtig aan zijn kuif te trekken; maar toch werd
hij door al de huisgenooten voor het mooiste en liefste kind van de
wereld versleten. Als we alles wilden opschrijven wat Saar, de meid,
van Jack's eerste kinderjaren wist te vertellen, zouden we wel drie
boekdeelen vullen; we zullen 't echter maar laten bij de vermelding,
dat men hem, als zoo menig eenig kind, in alles zijn eigen hoofdje
liet volgen. Daardoor kreeg hij weldra zooveel noten op zijn zang,
dat dokter Middleton, die als huisvriend dikwijls op Boschlust kwam,
er soms bedenkelijk het hoofd over schudde en begon te vreezen,
dat de al te toegeeflijke ouders het ventje glad zouden bederven.

Op zekeren dag kwam een knecht van meneer Rustig te paard bij dokter
Middleton aanrennen, met de boodschap of de dokter onmiddellijk
op Boschlust zou willen komen. De man voldeed aan dit verzoek en
vond bij zijn komst het heele huis in rep en roer--meneer liep erg
onrustig heen en weer, mevrouw had maar werk om niet flauw te vallen
en al de meiden verdrongen elkaar zenuwachtig om haar stoel. Iedereen
was danig van streek, behalve de kleine Jack, die, met een lompje om
zijn vinger en eenige bloedvlekken op zijn kiel, heel kalmpjes met
kersen zat te spelen en zich aan niets stoorde.

"O dokter!" riep mevrouw Rustig den geneesheer bij diens binnentreden
als in wanhoop toe, "Jack heeft zich zoo vreeselijk in zijn hand
gesneden; stellig is er een zenuw geraakt en dan...."

De dokter gaf er geen antwoord op, maar onderzocht de gewonde hand,
terwijl Jack met de andere bleef doorspelen.

"'t Is nog al goed afgeloopen, mevrouw," zei de dokter, toen hij
gezien had, dat de jongen zich maar even aan den vinger had gewond.

"Heeft u soms ook een stukje hechtpleister in huis?"

"O ja; gauw Marie,--loop Saar!" In een oogwenk waren de twee meiden
terug; Saar met de hechtpleister en Marie er achteraan met de schaar.

"Stel u maar gerust, mevrouw," zei dokter Middleton, nadat hij een
pleister op de wond had gelegd, "kwaad kan 't volstrekt niet."

"Maar zou 't niet beter zijn als we hem boven brachten en wat te bed
legden?" hernam mevrouw.

"Bepaald noodig is 't niet, mevrouw, maar in elk geval blijft hij
dan gevrijwaard voor verdere ongelukken."

"Kom, mijn lieve jongen, je hoort wat dokter Middleton zegt."

"Ja, ik hoor 't wel," antwoordde Jack, "maar ik ga niet."

"Maar Jaapjelief, doe 't nu toch, mijn ventje."

Jaapje bleef doorspelen en gaf geen antwoord.

"Kom, Jaapje," zei Saar.

"Ga weg, Saar," zei het driftige manneke, en weerde haar met de
hand af.

"O foei, Jaapje!" zei Marie.

"Kom, mijn hartedief!" zei mevrouw op overredenden toon, "kom,--wil
je nu niet?"

"Ik wil naar den tuin nog wat kersen plukken," antwoordde Jaapje.

"Kom dan maar, lievert, dan gaan we naar den tuin."

Jaapje wipte van zijn stoel en vatte mama bij de hand.

"Wat een braaf, gehoorzaam kind is 't toch!" riep mevrouw uit,
"je kunt hem aan een zijden draadje leiden."

"Ja wel, als 't om kersen te doen is," dacht Dr. Middleton.

Mevrouw Rustig, Jack, Saar en Marie gingen nu naar den tuin, zoodat
de dokter alleen bleef met meneer, die gedurende de stribbeling geen
woord gezegd had.

Bij zijn veelvuldige bezoeken op Boschlust had dokter Middleton
opgemerkt, dat de kleine Jack uit zijn aard wel een flinke, kordate
jongen was, maar alle kans liep door de dwaze inzichten van zijn
vader en de overdreven toegevendheid van zijn moeder bedorven te
worden. Zoodra nu mevrouw de kamer verlaten had nam hij een stoel en
richtte tot den heer des huizes de vraag:

"Heeft u geen plan uw jongen school te leggen, meneer Rustig?"

Meneer Rustig sloeg de beenen over elkaar en vouwde zijn handen om
de knieën samen, wat hij altijd deed zoodra hij iets wilde betoogen.

"Het groote bezwaar, dokter, dat ik heb tegen het naar school zenden
van een kind, is dat er te veel dwang wordt uitgeoefend; en dat strijdt
niet alleen tegen de rechten van den mensch, maar ook tegen alle gezond
oordeel. Men zendt een jongen naar school, in de hoop dat er door leer
en voorbeeld goede hoedanigheden in hem zullen gekweekt worden, niet
waar? Maar hoe zal hij nu welwillendheid leeren, als hij telkens de
dreigende gard ziet zwaaien, of geduld, als zijn leermeesters bijna uit
hun vel springen van kwaadheid? Welk onderscheid bestaat er tusschen
hem, die de kastijdingen toedient, en dengene, die ze ondergaat? Zijn
ze niet beiden met rede begaafde schepselen, die evenveel recht hebben
op hetgeen de wereld biedt? Door gewetenlooze dwingelandij hebben
weinigen zich toegeëigend wat voor allen bestemd was, en al heeft
men zich door langdurige gewoonte en valsche voorschriften daarin
leeren schikken, 't is de plicht van een vader er voor te waken,
dat zijn eenige zoon niet zulke verlagende dwaalbegrippen inzuigt,
waardoor hij zich later alles zou laten welgevallen, zoolang men hem
maar het leven liet. En worden zulke dwalingen niet op school door de
gard verkeerdelijk ingeprent in het jeugdig gemoed? Reeds de eerste
les in het ABC is tevens een les in slavernij en leert al aanstonds
de geheiligde gelijkheid verzaken, die ons geboorterecht is. Neen,
meneer, zoolang ze niet kunnen onderwijzen zonder de ergerlijke
toepassing van de gard, zal mijn jongen nooit op school."

Hier wierp meneer Rustig zich achterover in zijn armstoel, in de
verbeelding dat hij al heel wat verstandigs had te berde gebracht.

Dokter Middleton kende zijn man, en had hem maar stilletjes uit
laten praten.

"Ik moet toegeven," zei de dokter ten laatste, "dat er in al wat gij
daar zegt misschien veel waars is; maar zou u niet denken, meneer
Rustig, dat men, juist door te verhinderen dat een jongen onderricht
kreeg, hem des te vatbaarder maakte voor de dwalingen waarover gij
spreekt? Alleen de opvoeding kan vooroordeelen uit den weg ruimen,
en iemand geschikt maken om de kluisters van den ouden sleur te
verbreken. Toegegeven al dat er van de gard gebruik wordt gemaakt,
't gebeurt toch enkel op een leeftijd, waarin het jonge gemoed zoo
kneedbaar is, dat 't er spoedig onverschillig onder wordt; en zijn
eenmaal de gebruikelijke grondslagen der opvoeding gelegd, dan zult
gij uw zoon genoegzaam voorbereid vinden tot het ontvangen der lessen,
die gij zelf hem wenscht in te prenten."

"Zelf zal ik hem alles leeren," antwoordde meneer Rustig en vouwde
de armen over elkaar, als of hij zeggen wilde: "daar gaat niets af."

"Ik twijfel geen oogenblik aan uw bekwaamheid, maar ongelukkig zult
gij steeds met een onoverkomelijke zwarigheid te kampen hebben. Neem
me niet kwalijk, ik weet waartoe gij in staat zijt, en de jongen
zou zich inderdaad geluk mogen wenschen met zulk een onderwijzer,
maar--openhartig gesproken--het kan u evenmin als mij ontgaan, dat
de moederlijke toegeeflijkheid van mevrouw een leelijke hinderpaal
voor uw goede bedoeling zal wezen. De jongen is nu al zóó door haar
verwend, dat hij niet zal gehoorzamen, en zonder gehoorzaamheid kunt
gij hem niets inprenten."

"Ik erken, mijn waarde heer, de zwarigheid, die daarin gelegen is;
maar moederlijke zwakheid dient dan overwonnen door vaderlijke
gestrengheid."

"Mag ik weten hoe? want dat schijnt me onmogelijk."

"Onmogelijk! Wel drommels, ik zal hem leeren gehoorzamen, of anders
zal ik hem...."

Hier brak meneer Rustig plotseling af eer het woord "ranselen" aan
zijn lippen kon ontsnappen.

Dokter Middleton had moeite een glimlach te onderdrukken, toen hij
antwoordde: "Dat gij wel een middel zoudt vinden om hem de baas
te worden, daarvan ben ik ten volle overtuigd; maar wat zal er het
gevolg van zijn? De jongen zal zijn moeder als een beschermster en
u als een dwingeland beschouwen. Hij zal een hekel aan u krijgen en
dientengevolge nooit de vereischte aandacht wijden aan uw hoog te
waardeeren voorschriften, als hij eenmaal oud genoeg zal geworden
zijn om ze te begrijpen. Het komt me voor, dat het door u opgeworpen
bezwaar uit den weg te ruimen is. Ik ken een zeer achtenswaardig
kostschoolhouder, die geen gebruik maakt van de gard--ten overvloede
zal ik er hem uitdrukkelijk over schrijven--en als de jongen dan
gevrijwaard is voor het gevaar, waarmee de te groote toegeeflijkheid
van mevrouw hem bedreigt, zal hij binnen kort rijp zijn om onder uw
meer gewichtige leiding te komen."

"Wat gij daar zegt, dokter," antwoordde meneer Rustig na een poos,
"verdient, dunkt me, alle aandacht. Ik heb heel goed opgemerkt, dat
de onzinnige toegeeflijkheid mijner vrouw den jongen ongezeggelijk
heeft gemaakt, zoodat hij me tegenwoordig niet wil gehoorzamen,
en als uw vriend geen gebruik maakt van de gard, denk ik er ernstig
over hem mijn Jack te zenden, om hem de eerste gronden te leeren."

De dokter had het pleit gewonnen door den wijsgeer te vleien.

Den volgenden dag kwam hij terug met een brief van den paedagoog,
waarin deze met verontwaardiging sprak over het gebruiken van de gard,
en meneer Rustig deelde nu onder het theedrinken aan zijn vrouw mede,
welke plannen hij ten oprichte van zijn zoon Jack had.

"Naar school? Jaapje naar school? de jongen is nog heelemaal een kind!"

"Alles goed en wel, beste, maar vergeet niet, dat hij zeven jaar is en
't dus hoog tijd wordt, dat hij leert lezen."

"O, lezen kan hij al; ja, ja, dat heb ik hem zelf geleerd. Niet waar,
Saartje?"

"Gunst ja, mevrouw, eergisteren heeft hij nog de letters opgezegd."

"Maar, Rustig, wat heb je toch voor malligheid in je hoofd
gehaald? Jaapjelief, kom eens hier als een brave jongen, zeg nu eens,
wat is de letter A? Je hebt 't van morgen nog in den tuin gezongen."

"Suiker moet ik hebben!" antwoordde Jack, en reikte zoo ver mogelijk
met zijn arm over tafel om bij den suikerpot te komen, wat hem niet
gelukte.

"Nu ja, lievert, je zult een groote klont hebben, als je eerst maar
zegt wat de letter A is."

"A is een aapje, dat eet uit zijn poot," antwoordde Jack op een
vervelenden dreun.

"Zie je nu wel, Rustig; en zoo kent hij het geheele alphabet--is
't niet, Saar?"

"Dat kan hij, de zoete jongen,--kun je niet, Jaapjelief?"

"Nee!" antwoordde Jaapje.

"Ja, ja, je kunt 't wel, mijn hartje, je weet best wat de letter B
is. Weet je 't niet?"

"Jawel," antwoordde Jaapje.

"Daar nu, Rustig, je ziet wat de jongen al kent, en hoe gehoorzaam
hij is bovendien. Kom, Jaapjelief, zeg nu eens, wat is de letter B?"

"Nee ik wil niet," antwoordde Jaapje. "Ik moet nog meer suiker
hebben!" En Jaapje, die op een stoel geklommen was, ging nu met zijn
geheele lijf over tafel hangen om bij den pot te komen.

"Mijn hemel! Saar, houd hem tegen, hij zal den theepot nog
omgooien!" riep mevrouw Rustig. Saar pakte Jaapje beet om hem terug te
trekken, maar, op die tusschenkomst niet gesteld, draaide de bengel
zich om, zoodat hij met zijn rug op tafel kwam te liggen, en schopte
Saar in het gezicht, juist toen ze een tweede greep naar hem wilde
doen. Van den weeromstuit gleed Jaapje een eind over de gladde tafel
en kwam met zijn hoofd tegen de theepot terecht. Wel greep mevrouw er
schielijk naar, maar toch kreeg haar man een flinken scheut van het
kokende vocht over zijn beenen; zoodat hij opsprong en al stampvoetend
alles behalve wijsgeerig uitviel. Intusschen hadden Saar en mevrouw
Jaapje verwijderd en susten hem om het zeerst met zoete woordjes van
beklag. De pijn der brandwonden en de omstandigheid, dat men volstrekt
niet naar hem omzag, brachten meneer Rustig in een bui van woede. Hij
rukte Jaapje uit de armen der vrouwen, en in 't minst niet denkend
aan zijn gelijkheid en zijn rechten van den mensch, sloeg hij er
zonder genade op los. Saar vloog tusschenbeide en liep een veeg op,
die haar duizende sterretjes voor de oogen tooverde en over de vloer
deed tuimelen. Mevrouw kreeg 't op haar zenuwen en Jaapje zette een
keel op, dat men hem wel een kwartier ver kon hooren.

Hoe lang meneer Rustig aan 't ranselen gebleven zou zijn, valt
moeilijk te zeggen; maar de deur ging open, en toen de man onder
de strafoefening even opkeek, zag hij dokter Middleton in stomme
verbazing staan. Hij had beloofd op de thee te zullen komen, en zoo
noodig meneer Rustig een handje te helpen om mevrouw met diens plannen
te doen instemmen; maar blijkens vond hij, dat meneer bij het betoog,
dat hij op dit oogenblik hield, volstrekt geen hulp behoefde. Bij het
binnentreden van dokter Middleton werd Jaapje evenwel losgelaten en
bleef al schreeuwend op den grond liggen; ook Saar, mevrouw en de
theepot lagen over den vloer, en al was meneer overeind gebleven,
staan kon hij toch niet, maar sprong aanhoudend van het eene been op
het andere.

Nooit kwam een geneesheer beter van pas. Meneer Rustig was eerst
stellig van die meening, maar zijn beenen begonnen zoo hevig pijn te
doen, tot hij weldra tot andere gedachten kwam.

Zooals de hoffelijkheid meebracht, tilde dokter Middleton eerst
mevrouw van den grond en vlijde haar neer op de sofa. Saar sprong
overeind, greep Jaapje op en droeg den luid schreeuwenden, om zich
heen schoppenden bengel de kamer uit; voor welken bewezen dienst zij
verscheidene beten kreeg. De huisknecht, die den dokter aangediend
had, raapte den theepot op, als zijnde dat voorwerp het eenige waarmee
hij krachtens zijn betrekking te maken had. Meneer Rustig wierp zich
al hijgend en kreunend op een tweede sofa en dokter Middleton wist
letterlijk niet wat hij doen moest. Hij zag, dat meneer zijn hulp
noodig had en dat mevrouw die best kon missen; maar zich af te maken
van een dame die elk oogenblik dreigde te bezwijmen, was lang niet
gemakkelijk; want telkens als hij van haar vandaan wilde gaan, begon
zij vervaarlijk om zich heen te slaan en te gillen. Eindelijk gelukte
het den dokter een ruk aan den schel te geven, wat den huisknecht deed
verschijnen, die nu de meiden riep om mevrouw naar boven te dragen. Zoo
kreeg onze aesculaap ten laatste de handen vrij, om zich te bemoeien
met den eenigen patiënt, die werkelijk zijn hulp behoefde. Meneer
Rustig gaf met een paar woorden, telkens afgebroken door uitroepen van
pijn, opheldering van het voorgevallene en intusschen was de dokter
bezig hem de kousen uit te trekken. De behandeling van den geneesheer
gaf den gewonde spoedig leniging van pijn. Maar wat hem vrij wat meer
hinderde dan de brandwonden aan zijn beenen, was de omstandigheid,
dat dokter Middleton er getuige van was geweest, hoe hij inbreuk had
gemaakt op de gelijkheid en de rechten van den mensch. De geneesheer,
wien dit niet ontging, wist ook op deze wonde een pleister te leggen.

"Mijn waarde meneer Rustig, ik betreur zeer het ongeval, dat gij
aan de dwaze toegeeflijkheid van mevrouw tegenover den jongen te
danken hebt; maar toch doet het me genoegen, dat gij zulk een juist
begrip toont te hebben van Salomo's uitspraak: 'Wie de roede spaart,
bederft het kind.' Hiermede geeft de wijze koning te kennen, dat het
de plicht van een vader is zijn kinderen te kastijden, wat volstrekt
niet in tegenspraak komt met de rechten van den mensch of met eenige
natuurlijke gelijkheid, want de zoon is een deel des vaders, zoodat
deze eigenlijk slechts zichzelven kastijdt. Het bewijs daarvan
is hierin gelegen, dat een vader bij het bestraffen van zijn zoon
evenveel smart gevoelt alsof hij zelf de straf onderging. De geheele
zaak komt dus op zelfkastijding neer."

"Ik denk er precies zoo over," antwoordde meneer Rustig, blij dat de
dokter hem zoo netjes uit het nauw had geholpen. "Maar--morgen moet
hij op school, daar helpt niets aan."

"Dat zal hij aan mevrouw te danken hebben," hernam de dokter.

"Juist.--O dokter, mijn beenen beginnen weer zoo vreeselijk te gloeien
en te steken."

"Maar voortdurend nat houden met azijn en water, meneer, tot ik u een
zalfje zend, dat onmiddelijk verlichting zal schenken. Morgen kom ik
nog eens aan. A propos, een van de leerlingen van meneer Bonnycastle
is onder mijn behandeling; als ik er u genoegen mee kan doen, wil ik
uw zoon gaarne meenemen."

"O, dat zou me veel pleizier doen, dokter," antwoordde meneer Rustig.

"Welnu, mijn waarde, ik zal nog even naar boven gaan, om te zien hoe
't met mevrouw gesteld is, en morgen tegen tienen ben ik weer hier. Ik
heb dan een uur den tijd. Goedenavond meneer Rustig."

"Goedenavond, dokter."

De dokter moest nu nog mevrouw zien te winnen. Hij stelde het ongeval,
dat meneer getroffen had, veel erger voor dan het was, maakte grooten
ophef van diens verbolgenheid en raadde haar ten sterkste maar stil
te zwijgen, tot hij weer geheel tot bedaren zou zijn gekomen.



Tweede hoofdstuk.

    Jaapje wordt op kostschool gelegd, waar hij een toontje lager
    leert zingen.


Den volgenden dag hamerde dokter Middleton nog eens op hetzelfde
aanbeeld en in weerwil van Sara's weeklachten en de tranen van mevrouw,
die geen enkel woord in het midden durfde brengen, in weerwil van
den heftigen tegenstand van Jaapje zelf, die een soort van voorgevoel
scheen te hebben van wat hem boven het hoofd hing, werd onze held in
dokter Middleton's koetsje gestopt. Wel trapte hij onder de bedrijven
een ruit van het portierraampje in, maar de dokter, die den jongen
nu geheel in zijn macht had, wiesch hem daarvoor eens duchtig de
ooren. Zonder verder ongeval bereikte men weldra het huis van meneer
Bonnycastle, en Jaapje werd door den knecht van den dokter naar de
spreekkamer gedragen en in een stoel neergekwakt. Nauwelijks was de man
den bengel kwijt, of hij bekeek eerst zijn handen, die op verschillende
plaatsen bloedden, en wierp vervolgens met op elkaar geklemde tanden
en saamgeknepen lippen een blik op Jack, als wilde hij zeggen: "Als
ik maar dorst, dan zou ik je wel leeren!" Daarna verliet hij de kamer
en begaf zich weer naar de voordeur, waar hij zijn toegetakelde handen
aan den koetsier liet zien, die er van zijn bok een meewarigen blik op
wierp en volkomen instemde met de verontwaardiging van zijn kameraad.

Maar we moeten weer naar de spreekkamer. Dokter Middleton neusde in
een krant, terwijl Jack heel in elkaar gedoken op zijn stoel zat,
met zijn voeten op de bovenste sport, zoodat zijn neus bijna zijn
knieën raakte. Waarlijk een veelbelovend leerling, die Jack.

Meneer Bonnycastle trad binnen. Hij was een slank, flink gebouwd man,
van een gunstig voorkomen; bij zijn netjes gepoederd haar droeg hij een
deftig zwart pak, waartegen zijn keurig linnengoed helder afstak. Als
hij glimlachte, vertoonde zich een rij hagelwitte tanden en zijn
zachtblauwe oogen getuigden van de grootste welwillendheid. Dat was
eerst het ideaal van een onderwijzer, en onmogelijk kon iemand hem
aanzien en naar zijn zoet vleiende, aangename stem luisteren, zonder
al zijn zonen onder 's mans hoede te wenschen. Hij was een kundig en
degelijk man, aan wiens zorgen, op het oogenblik waarvan wij spreken,
meer dan honderd jongens waren toevertrouwd. Hij stond bekend als een
uitstekend opvoeder en velen van zijn leerlingen hadden het tot hooge
ambten en betrekkingen gebracht en zich daarin gunstig onderscheiden.

Dokter Middleton, die met meneer Bonnycastle op zeer vertrouwelijken
voet stond, rees bij diens binnentreden op en zij schudden elkaar de
hand. Middleton wendde zich vervolgens in de richting waar Jack zat en
met den vinger naar hem wijzende, zei hij: "Zie me dat daar nu eens."

Bonnycastle glimlachte. "Ik kan niet zeggen, dat ik er erger gehad
heb, maar toch wel van hetzelfde slag. Ik zal echter spoedig genoeg
wat leven brengen in dien vormeloozen klomp. Komaan, Middleton,
ga nu eens zitten."

"Maar Bonnycastle," zei de dokter, toen hij zijn plaats weer ingenomen
had, "je moest me toch eens zeggen, hoe het mogelijk is zoo'n bengel
in zijn fatsoen te krijgen, zonder de toevlucht te nemen tot de gard."

"Van het gebruik der gard verwacht ik niet de minste vrucht en daarom
pas ik ze ook niet toe. Ik heb zelf te Harrow school gelegen en was
toen een hachje. Evenals de meeste jongens werd ik nog al eens uit
de bank geroepen en ik herinner me zeer goed, dat ik spoedig om een
bestraffing met de gard niets gaf. Ik was er tegen gehard geraakt. Die
wijze van straffen laat niets achter, dat de herinnering er aan
levendig houdt."

"Dat had ik me geheel anders voorgesteld."

"Mijn waarde Middleton, met éénmaal den stok te gebruiken werk ik
meer uit dan door twintig bestraffingen met de gard. Ga maar eens
na, de gard treft alleen de minst gevoelige plek; maar de stok komt
overal neer, van het hoofd tot de voeten. Zoodra de eerste tinteling,
door de gard teweeggebracht, over is, volgt er een verdooving van het
gevoel in het getroffen lichaamsdeel, en de pijn heeft dan verder
niets te beteekenen; een flink pak met den stok daarentegen laat
hevige pijnen en kneuzingen achter op allerlei lichaamsdeelen, die
bij spierbewegingen dienst moeten doen. Na een kastijding met de gard
kan een jongen best meeravotten in de speeluren, maar na een duchtig
pak met den stok is 't heel wat anders; dagen lang kan hij geen lid
verroeren zonder door de pijn herinnerd te worden aan de straf, die
hij heeft ondergaan, en hij past wel degelijk op, dat hij niet voor
de tweede maal uit de bank wordt geroepen."

"Beste vriend, ik verkeerde werkelijk in de meening, dat ge uitermate
zachtzinnig waart," antwoordde Middleton lachend, "maar het doet me
pleizier, dat ik me vergist heb."

"Zie me daar nu zoo'n figuur eens zitten dokter, 't heeft meer van
een stom dier dan van een redelijk wezen; zoudt ge soms denken, dat
het ooit gelukken kon daar zonder krasse maatregelen eenig fatsoen
in te brengen? Laat ik u tevens zeggen, dat ik mijn stelregel als
verreweg de beste beschouw. Op sommige scholen zijn de straffen zoo
licht, dat de jongens er eenvoudig niets om geven; bij mij echter
mag elke bestraffing waarlijk dien naam dragen en het gevolg is,
dat het toepassen er van maar hoogst zelden noodig is."

"Gij brengt er dus den schrik in, Bonnycastle."

"De twee machtigste drijfveeren in ons zijn vrees en liefde. In theorie
is het veel mooier op de laatste te werken; maar in de praktijk
heb ik er nooit de gewenschte uitkomsten van gezien,--en dat ligt
eenvoudig hieraan, dat onze eigenliefde sterker is dan onze liefde
tot anderen. In de uitwerking van de vrees daarentegen heb ik me nog
nooit bedrogen, en alweer om dezelfde reden; immers door vrees werken
we op de eigenliefde en anders niet."

"Toch zijn er velen, die beweren dat lichaamsstraffen verlagend werken
en ze daarom van de scholen willen weren."

"Och dokter, er zijn zoo'n boel gekken in de wereld."

"Dat doet me denken aan den vader van dien jongen daar," hernam
dokter Middleton. En nu begon hij den opvoeder de dwaze denkbeelden
van meneer Rustig te ontwikkelen en de omstandigheden mee te deelen,
die tot het naar school zenden van Jack hadden geleid.

"Dan mag er geen oogenblik verzuimd worden, dokter. Ik moet dat
jongemensch geheel onder den duim hebben, eer zijn ouders hem komen
bezoeken. Reken er op, binnen een week zal hij zoo volgzaam zijn als
een lammetje."

Dokter Middleton nam nu afscheid van Jack en zei hem, dat hij maar
goed moest oppassen. Jack verroerde geen vin en gaf geen antwoord.

"Stoor u daar maar niet aan, dokter, als ge weer eens komt zal hij
wel beleefder wezen, reken daar gerust op." En de dokter vertrok.

Ofschoon meneer Bonnycastle streng was, ging hij toch steeds met
oordeel te werk. Op het bedrijven van een of ander kattekwaad volgde
slechts geringe straf, zooals in school blijven tijdens de speeluren
en dergelijke; ook kwam hij zelden tusschenbeiden als de jongens met
elkaar vochten, ofschoon hij er een stokje voor stak als er een den
baas wilde spelen. Waar het bij hem vooral op aankwam was attentie
bij het werk. Spoedig was hij er achter, waartoe zijn leerlingen in
staat waren; en naar die mate werden hun ook eischen gesteld; voor een
luiaard, die wel kon maar niet woû, kende hij geen genade. Het gevolg
er van was, dat hij de knapste jongens afleverde. Ook bleef hij in
de behandeling zijner leerlingen zoo gelijkmatig en onveranderlijk,
dat, al vreesden zij hem zoolang ze onder zijn toezicht stonden,
toch allen, die zijn onderricht genoten hadden, veel van hem hielden
en in hun later leven zijn vrienden bleven.

Meneer Bonnycastle zag terstond in, dat er met overreding bij onzen
held niets te beginnen zou zijn, en dat vrees het eenige middel was
om hem tot rede te brengen. Zoodra dus dokter Middleton de kamer
verlaten had, sprak hij hem op gebiedenden toon toe: "Wel, jongen,
hoe is je naam?"

Jack schrikte op; hij gluurde naar zijn meester, zag hoe diens oogen
strak op hem gericht waren, en begreep uit de geheele houding van
den man, dat er niet met hem te spotten viel. Jack was lang niet
gek en ook de kastijding, die zijn vader hem had toegediend, deed
hem wel een beetje huiveren voor hetgeen er komen zou. Dus vond hij
't geraden zich tot een antwoord te verwaardigen en zei met zijn
wijsvinger in den mond:

"Jaapie."

"En hoe heet je verder?"

Jack, die al berouw scheen te hebben over zijn inschikkelijkheid,
gaf eerst geen antwoord, maar keek meneer Bonnycastle weer even in het
gezicht en vervolgens de kamer rond: er was niemand die hem helpen kon,
en zelf wist hij ook geen raad, daarom antwoordde hij maar: "Rustig."

"Weet je, waarom je naar school bent gezonden?"

"Omdat ik vader gebrand heb."

"Neen, je bent hierheen gezonden om te leeren lezen en schrijven."

"Ik wil niet leeren lezen en schrijven," antwoordde Jack druilig.

"Dat zul je toch; en je begint nu maar eens dadelijk de letters op
te noemen."

Jack zei niets. Meneer Bonnycastle opende een soort van boekenkast
en gunde ons verbaasde Jaapje een kijkje op een reeks van stokken,
die evenals biljart-queues netjes op een rij stonden.

"Weet je waar die voor dienen?"

Met een benauwd gezicht tuurde Jack er naar; hij had een flauw besef,
dat hij er stellig nader kennis mee zou maken, maar antwoorden deed
hij niet.

"Ze dienen om kleine jongens te leeren lezen en schrijven, en nu zal
ik eens met dat onderricht beginnen. Je zult wel spoedig leeren. Kijk
eens hier," vervolgde meneer Bonnycastle terwijl hij een boek met
groote letters opensloeg en aan het begin van een hoofdstuk op een
letter wees van wel een halven duim groot.

"Zie je die letter?"

"Ja," antwoordde Jaapje, wendde zijn oogen af en wriemelde met zijn
vingers.

"Nu, dat is de letter B. Zie je 't? Kijk er nu goed naar, opdat je 't
straks ook weet. Dat is de letter B. Zeg me nu eens, welke letter is
't?"

Jack besloot nu koppig te wezen, en gaf geen antwoord.

"Je weet 't dus niet? Welnu, dan zullen we eens zien, wat een van
deze kleine vrienden er van weet te maken," zei meneer Bonnycastle
en kreeg een stok. "Let wel, Jaapje, dat is de letter B. Nu, hoe heet
die letter? Antwoord me onmiddellijk."

"Ik wil niet leeren lezen en schrijven."

Flap! kwam de stok neer op de schouders van Jaapje, die een luiden
schreeuw liet en ineenkromp van de pijn.

Meneer Bonnycastle wachtte een paar seconden. "Dat is de letter B. Zeg
me nu eens onmiddellijk, ventje, hoe heet die letter?"

"Ik zal 't aan ma zeggen!"--Flap!--"O jé! o jé!"

"Hoe heet die letter?"

Met open mond, hijgend en terwijl de tranen hem langs de wangen
biggelden, riep Jaapje nijdig uit. "Houd op! Ik zal 't aan Saar
zeggen!"

Flap! ging 't opnieuw en Jaapje gilde 't weer uit.

"Hoe heet die letter?"

"Ik zeg 't niet," griende Jaapje; "ik zeg 't niet--ik doe 't niet."

Flap--flap--flap! en daarop volgde een poos stilte. "Ik heb je
zooeven gezegd, dat 't de letter B is. Hoe heet nu die letter? Zeg
't zonder dralen."

Bij wijze van antwoord deed Jaapje een greep naar den stok. Au! daar
had hij 'm, welzeker, maar niet precies zooals hij 't gewild
had. Jaapje greep nu het boek en smeet het in een hoek van de
kamer. Flap, flap! Jaapje trachtte meneer Bonnycastle te bijten. Flap,
flap, flap, flap! en Jaapje viel op het vloerkleed en brulde van
de pijn. Meneer Bonnycastle liet hem toen een poos ongemoeid om hem
gelegenheid te geven weer op zijn verhaal te komen.

Toen eindelijk het gegil van Jaapje in een zacht snikken overgegaan
was, zei meneer Bonnycastle tot hem: "Je zult nu wel begrepen hebben,
Jaapje, dat het geraden is te doen wat ik je vraag, want dat er anders
klappen vallen. Kom, sta eens gauw op. Versta je me niet?"

Eer Jaapje het zelf wist, stond hij weer op zijn beenen.

"Zoo, dat is eerst een brave jongen; je ziet nu wel, dat je geen
slaag krijgt, als je maar doet wat ik je vraag. Komaan, Jaapje,
je moest het boek eens gaan oprapen, dat je daar ginds neergesmeten
hebt. Gauw hoor, breng 't onmiddellijk hier!"

Jaapje wierp een steelschen blik naar meneer Bonnycastle en naar den
stok. Al had hij ook nog zooveel lust om te weigeren, hij raapte het
boek op en lei het op tafel.

"Goed zoo, mijn jongen; nu zullen we de letter B eens opzoeken. Hier
is ze: wel, Jaapje, hoe heet die letter nu?"

Geen antwoord.

"Zeg 't me terstond," zei meneer Bonnycastle en hief den stok hoog
op. Die aanmaning was Jaapje te machtig. Hij gluurde angstig naar
den stok; ze kwam in beweging en daalde al. Buiten adem schreeuwde
hij haastig: "B!"

"Juist zoo, Jaapje, heel goed. De eerste les is nu afgeloopen, en je
gaat thans naar bed. Je hebt meer geleerd dan je zelf vermoedt. Morgen
beginnen we opnieuw. We zullen den stok nu maar wegzetten."

Meneer Bonnycastle schelde en gaf last, dat men den jongenheer Jack
naar bed zou brengen, en wel in een afzonderlijk kamertje. Avondeten
mocht hij niet hebben, want een beetje honger zou morgen het leeren
des te gemakkelijker maken. Alleen met pijn en honger kan men wilde
dieren temmen, en dezelfde middelen moeten toegepast worden tot
het onderdrukken van die hartstochten in den mensch, waardoor hij
aan een redeloos dier gelijk wordt. Jaapje werd naar bed gebracht,
ofschoon het pas zes uur was. Hij leed niet enkel pijn, maar ook
zijn hoofd was geheel in de war; en geen wonder, al zijn leven had
men hem zijn eigen zin laten volgen en tot op gisteren had hij nooit
eenige kastijding ondergaan. Na al de liefkoozingen van zijn moeder
en van Saar, die hij nooit naar waarde had weten te schatten--na het
dagelijksch zich volstoppen en maar dooreten tot hij er van begon
te walgen, zag hij zich nu ineens zonder moeder, zonder Saar, zonder
avondmaaltijd, overdekt met builen, en, wat nog het ergst van alles
was, zonder dat hij zijn eigen zin kon volgen.

Geen wonder dus dat Jaapje niet goed wist hoe hij 't had; ineens was
hij gedwee geworden en meneer Bonnycastle had volkomen gelijk, toen hij
tot hem zei, dat hij al meer geleerd had, dan hij zelf vermoedde. Wat
zou mevrouw Rustig wel gezegd hebben als ze alles geweten had--en
Saar? En meneer Rustig, met zijn rechten van den mensch? Terzelfder
tijd dat bij Jaapje het duiveltje der koppigheid uitgedreven werd,
zaten zij zich te troosten met het denkbeeld, dat er in elk geval
op de school van meneer Bonnycastle niet van de gard gebruik werd
gemaakt, en zij verloren geheel uit het oog, dat evengoed als men
een hond nog wel op een andere wijze van kant kan maken dan door
hem te verdrinken, er ook verschillende manieren bestaan om jongens
te kastijden. Gelukkig in hun onwetendheid, sliepen allen rustig in
zonder er in 't minst van te droomen, dat Jaapje al genoeg kennis had
opgedaan om een vrij voldoend begrip te hebben omtrent het geheim
van den stok. Wat Jaapje zelf betrof, hij schreide zich in slaap,
minstens zes uren vroeger dan zij.



Derde hoofdstuk.

    Jack neemt de proef van zijns vaders grondbeginselen en komt
    ten slotte dicht bij de waarheid.


Den volgenden morgen was Jack niet alleen erg pijnlijk, maar ook vrij
hongerig, en toen meneer Bonnycastle hem mededeelde, dat hem in plaats
van een ontbijt een vernieuwde kennismaking met den stok te wachten
stond, toonde Jaapje zich verstandig genoeg om het heele alphabet op te
zeggen. Hiervoor werd hij zeer geprezen, en al maakten de loftuitingen
weinig indruk op hem, in elk geval was hij er toch oneindig veel liever
van gediend dan van een dracht slagen. Meneer Bonnycastle zag in, dat
hij met één uur van gestrengheid op zijn pas den jongen volkomen onder
den duim had gekregen. Hij liet hem nu over aan de hulponderwijzers
zijner school en daar ook deze gerechtigd waren tot het toedienen van
een gevoelige aansporing, werd Jaapje al spoedig een handelbaar ventje.

Misschien denkt men dat zijn gemis thuis bijzonder sterk werd gevoeld,
maar dat was niet het geval. Vooreerst had dokter Middleton er
mevrouw Rustig nadrukkelijk op gewezen, dat op school de gard niet
werd gebruikt, terwijl er alle kans bestond dat de bestraffing,
die de jongen van zijn vader had ondergaan, nog wel eens zou
herhaald worden--en in de tweede plaats, al meende mevrouw eerst,
dat zij de scheiding van haar lieveling nooit zou kunnen overleven,
spoedig begreep ze toch, dat zij zonder hem vrij wat gelukkiger
was. Een bedorven kind is altijd een bron van kommer en verdriet,
en na Jaapje's vertrek genoot mama eerst de rust en de kalmte,
waarop zij zoo bijzonder gesteld was. Langzamerhand ontwende zij
van hem, en tevreden met nu en dan een bezoek aan de kostschool en
met de rapporten van dokter Middleton, was zij er ten slotte geheel
mee verzoend, dat de jongen school lag en enkel in de vacantie thuis
kwam. Jack maakte groote vorderingen; hij had heel veel aanleg en als
zijn vader den dokter ontmoette, wreef hij in de handen en zei: "Ja,
laat ze hem nog maar een jaartje of twee houden, dan zal ik er zelf
wel de laatste hand aan leggen." Elke vacantie had hij gepoogd Jaapje
de gelijke rechten van den mensch in te prenten. De jongen scheen erg
weinig te letten op vaders betoogen, maar gaf toch duidelijk blijk,
dat al die wijsheid niet geheel aan hem verspild was, want zonder
vragen eigende hij zich alles toe waar hij lust in had. Onder deze
manier van opvoeden bereikte onze held zijn veertiende jaar en was toen
een flinke, ferme jongen en lang niet op zijn mondje gevallen--ja als
't er op aan kwam, kon hij zelfs zijn vader van z'n stoel praten.

In niets had meneer Rustig zooveel plezier als in Jack's
welbespraaktheid. "Goed zoo, mijn jongen, altijd maar redeneeren
en de zaken duidelijk uiteenzetten," zei hij gewoonlijk, als Jack
met zijn moeder aan het redetwisten was. En in zijn handen wrijvend
keerde hij zich dan tot den dokter met de opmerking: "Let eens op,
Jack zal nog een groot man worden, een zeer groot man." Meestal riep
hij dan Jack bij zich en gaf hem een goudstuk voor zijn knapheid,
zoodat zoonlief weldra zelden een gelegenheid liet ontglippen om
aan 't redeneeren te slaan. Tegenover meneer Bonnycastle hield hij
zijn praatjes stilletjes voor zich, want hij wist maar al te goed,
dat diens bewijsgronden hem te sterk waren. Wel echter redetwistte
hij met al de jongens, wat gewoonlijk op een kloppartij uitdraaide;
soms zelfs nam hij het op tegen de hulponderwijzers.

Toen nu de groote zomervacantie aanbrak, had Jack zijn hoofd vol
van allerlei betoogen en liet er zich niet weinig op voorstaan. Hij
wist alles zoo haarfijn te beredeneeren en spon alles zoo breed uit,
dat men ten slotte geheel van de wijs raakte en er eigenlijk niets
meer van begreep.

Eens was Jack in de rivier gaan visschen, maar een heele morgen was
voorbijgegaan en nog had hij niets gevangen. Daar viel zijn oog op den
grooten vijver, die hem voorkwam nog al goed voorzien te zijn. Hij klom
zonder complimenten over de heining van het buiten en lag zijn hengel
in den vijver. Toen hij al verscheiden mooie visschen opgehaald had,
werd hij aangeklampt door den eigenaar, die een paar parkopzichters
bij zich had.

"Mag ik uw naam ook weten, jongeheer?" vroeg de eigenaar aan Jack.

Nu moet gezegd worden, dat Jack altijd even hoffelijk en beleefd
was. Hij antwoordde dan ook:

"Met genoegen, meneer; ik heet Rustig, om u te dienen."

"Gij schijnt 't nog al luchtigjes op te nemen," hernam het heerschap;
"maar gij zult toch zeker wel begrijpen, dat ge u aan een overtreding
schuldig maakt?"

"Over dat woord overtreding", antwoordde Jack, "valt heel wat te
redeneeren, meneer. Vooreerst wordt 't gewoonlijk als een overtreding
beschouwd, als iemand zonder verlof op een anders land of erf
komt. Maar nu vraag ik u toch, meneer, is niet de aarde voor allen
geschapen? Heeft een enkel bewoner er van, desnoods in vereeniging
met anderen, wel het recht een gedeelte als zijn uitsluitend eigendom
aan te merken? Me dunkt, ik stel de vraag nog al duidelijk. Laten we
er nu eens over gaan redeneeren."

De heer, door wien Jack aangesproken was, had wel eens over meneer
Rustig en diens liefhebberij in het betoogen hooren praten; hij was
een luimig man, die veel meer hield van lachen dan van zich boos te
maken, en bovendien vond hij het noodig Jack te doen inzien, dat zijn
begrippen onder de gegeven omstandigheden niet houdbaar waren.

"Maar, meneer Rustig, aangenomen al dat het betreden van mijn grond
verschoonbaar is, dan zult ge toch niet willen beweren, dat gij
recht hebt mijn visschen te vangen; ik heb ze gekocht, ze in den
vijver gepoot en vervolgens steeds voedsel gegeven. Gij kunt toch
niet ontkennen, dat die beesten mijn bijzonder eigendom zijn en dat
het wegnemen er van diefstal is?"

"Daar valt nog heel wat op aan te merken, mijn waarde heer," hernam
Jack; "maar--met uw verlof, ik heb juist beet." Jack sloeg "en fermen
karper op, tot groote ergernis van de opzichters en tot vermaak van hun
meester. Hij deed den visch van den angel, wierp hem in zijn mandje,
vernieuwde doodbedaard het aas, en hervatte, terwijl hij weer inlei,
het gesprek.

"Zooals ik u deed opmerken, mijn waarde heer, is dat voor heel wat
weerlegging vatbaar. Alle schepselen der aarde werden den mensch
gegeven tot zijn gebruik--met mensch wordt bedoeld de menschheid.--Ook
het water is een gave des hemels en tot aller gebruik bestemd. Nu
komen we tot de vraag, in hoe ver de visschen uw eigendom zijn. Als
de visschen alleen voortteelden om u plezier te doen en u hun kroost
ten geschenke te geven, dan zou 't een heel ander geval zijn; maar
nu dat zoo niet is, betwijfel ik zeer of gij kunt bewijzen, dat die
visschen u meer toebehooren dan mij. Bovendien--maar daar heb ik weer
beet--met uw verlof, meneer--ai, hij gaat er van door.--

"Dus zijt gij van meening, dat de wereld en al wat zij bevat voor
allen geschapen is?"

"Juist, meneer; zoo denkt mijn vader er over, en die is een groot
wijsgeer."

"Maar waaruit verklaart uw vader dan, dat sommigen eigendommen bezitten
en anderen weer niet?"

"Daaruit, dat de sterkeren de zwakkeren hebben beroofd."

"Maar zou dat riet altijd het geval zijn, ook al konden we allen
gelijke aanspraken doen gelden, zooals gij vooronderstelt? Laten we
bijvoorbeeld eens aannemen dat twee menschen jacht maken op hetzelfde
dier en het beiden te gelijker tijd machtig worden, zal dan niet de
sterkste er mee naar huis gaan?"

"Dat stem ik toe, meneer?"

"Nu, waar blijft ge dan met uw gelijkheid?"

"Daaruit volgt nog niet, dat het de bedoeling niet is geweest de
menschen gelijk te doen wezen; het bewijst enkel dat ze het niet
zijn. Ook vervalt daarmede niet de bewering dat alles tot aller nut
is geschapen, maar het toont alleen dat de sterke tegenover den zwakke
zijn meerdere kracht doet gelden, wat zeer natuurlijk is."

"Ei zoo, gij vindt dat dus zeer natuurlijk. Nu, meneer Rustig, ik
bemerk tot mijn genoegen dat we het volkomen eens zijn, en we zullen
dat wel blijven, vertrouw ik. Vergeet niet op te merken, dat ik en mijn
twee opzichters er drie zijn, wij vormen dus de sterke partij in dit
geval, en al nemen we nu uw stelling aan, dat de visschen evengoed u
als mij toebehooren, toch maak ik nu gebruik van mijn meerdere kracht
om opnieuw in het bezit er van te komen, wat, zooals gijzelf zegt,
zeer natuurlijk is.--Jakob, pak die visschen op."

"Met uw verlof." viel Jack hem in de rede, "laten we dat eerst eens
beredeneeren."--

"Volstrekt niet; ik zal handelen volgens uw eigen stelregels--de
visschen heb ik, maar ik verlang nog meer--die hengelroe is evengoed
van mij als van u, en daar ik de sterkste ben eigen ik ze mij
toe. Jakob, Willem, neem die hengelroe,--ze behoort ons."

"U zult me toch eerst wel de opmerking veroorloven," hernam Jack,
"dat, al heb ik mijn meening te kennen gegeven, dat de aarde en
de daarop levende dieren voor ons allen geschapen zijn, ik toch
volstrekt niet beweerd heb, dat niet wat iemand zelf vervaardigt,
zijn deugdelijk eigendom is."

"Met uw verlof; de boom, waarvan gij die hengelroe gesneden hebt,
was voor ons allen bestemd, en als gij goed gevonden hebt er een
hengelroe van te maken, kan ik dat evenmin helpen als dat ik de
visschen gevoed heb in de ondersteling dat ze mij toebehoorden. Daar
alles gemeengoed is en het niet meer dan natuurlijk is dat de sterke
van zijn kracht gebruik maakt tegenover den zwakke, moet ik me die
hengelroe toeëigenen, tot ze me weer door een sterkere afhandig wordt
gemaakt. Bovendien zal ik als de sterkere partij en als bezitter van
dit land, dat volgens u niet meer aan mij dan aan u behoort, mijn
opzichters last geven u van mijn grondgebied te verwijderen. Jakob,
neem die hengelroe en zet meneer Rustig eventjes over de heining. Dag,
meneer Rustig, goedenmorgen?"

"Meneer, ik vraag u wel verschooning, maar gij hebt al mijn
bewijsgronden nog niet aangehoord," begon Jack weer, die het volstrekt
niet eens was met de gemaakte gevolgtrekkingen.

"Ik heb geen tijd om nog langer naar u te luisteren, meneer Rustig;
goedenmorgen." En de eigenaar vertrok en liet Jack in gezelschap van
de twee opzichters achter.

"Ik zal je moeten lastig vallen om die hengelroe, heerschap, zei
Willem. Jakob was intusschen druk bezig met de visschen een eind bies
onder de kiewen door te halen.

"In elk geval zult gij toch naar rede hooren," zei Jack. "Ik kan
u bewijzen...."

"Nog nooit heb ik een goed bewijs gehoord, dat het stroopen geoorloofd
is," viel de opzichter hem in de rede.

"Je bent een onbeschaamde vlerk," antwoordde Jack. "Door zulk slag van
volk als jullie te betalen, zijn sommige menschen in staat allerlei
ongerechtigheid te bedrijven."

"Door ons te betalen weert men de stroopers--en al is er verschooning
te vinden voor een armen drommel zonder werk, voor jou, die nog wel
een heer wilt wezen, stellig niet."

"Als we op zijn eigen praatjes afgaan, is hij geen steek meer dan wij."

"Zwijg, kerel, ik zal me niet vernederen tegen jou te redeneeren;
als ik dat wou, kon ik je gemakkelijk bewijzen, dat jullie een paar
laaghartige slaven bent, die evenveel recht hebt op dit landgoed als
je meester of ik."

"Als jij, dat wil ik waarachtig wel gelooven."

"Ja, als ik, vlegel; deze vijver en de visschen er in behooren
evengoed aan mij als aan je meester, die ze zich wederrechtelijk
beeft toegeëigend."

"Wel, Jacob, wat zou je er van denken, als we dien jongenheer eens
in het bezit stelden van zijn eigendom?" zei Willem met een knipoogje
tot zijn kameraad.

Willem begreep den wenk en eensklaps werd Jack bij armen en beenen
opgegrepen en in den vijver gesmeten. Na een flinke onderdompeling
kwam hij weer boven en wist al snuivend en proestend weer naar den
kant te scharrelen.

Intusschen verwijderden zich de opzichters onder luid gelach over
de poets, die zij onzen held gespeeld hadden. Hengelroe, visch en
blikken pierenbak namen ze mee.

"Er moet toch zeker," dacht Jack, "aan die wijsbegeerte van vader iets
niet in den haak zijn, of anders is de wereld al erg verdorven. Ik
zal er eens met hem over spreken."

Het antwoord, dat Jack op zijn vraag kreeg, luidde aldus:

"Ik heb je vroeger al eens gezegd, dat de groote waarheden nog niet
genoeg ingang hebben gevonden; maar daaruit volgt volstrekt niet
dat ze minder deugdelijk zijn. We leven in de ijzeren eeuw, waarin
macht voor recht wordt gehouden, maar er zal een tijd komen dat mijne
stellingen worden erkend, en dan zal je vaders naam beroemder worden
dan die van eenig wijsgeer der oudheid. Denk er om, Jack, al heb je
bij de bestrijding van het verkeerde en het verdedigen der rechten
van den mensch nog zooveel te lijden, toch moet je volharden in je
plicht, en nooit het pleit gewonnen geven."

"Dat nooit," antwoordde Jack; "maar als ik weer eens aan 't betoogen
ga, zal ik zien de macht op mijn zijde te krijgen en liefst een plek
uitzoeken, wat minder dicht bij een vijver."

"Mij dunkt toch," zei mevrouw Rustig, die stil toegeluisterd had,
"dat Jack maar liever in de rivier moest gaan visschen; al vangt hij
er weinig, in elk geval zal hij dan niet in het water geworpen worden
en op die manier zijn kleeren bederven."

Maar mevrouw Rustig was geen wijsgeer.

Eenige dagen later kreeg Jack op een mooien morgen aan den anderen
kant van een heining, een appelboom met verlokkende vruchten in het
oog. Onmiddelijk kroop hij door de heining, klom in den boom, zocht
de lekkerste appels uit en ging zitten eten.

"Heila mannetje, wat doe je daar?" riep een barsche stem.

Jack keek naar omlaag en zag beneden een stevigen boer staan.

"Wat ik hier doe, kunt ge, dunkt me, wel zien," antwoordde Jack;
"ik ben aan 't appels eten--zal ik er u ook een paar toegooien?"

"Dank je vriendelijk, hoe minder er afgeplukt worden hoe beter,
maar denk je soms, dat ze jou toebehooren, dat je er zoo vrijgevig
mee bent?"

"Ze behooren mij evengoed als u, waarde vriend."

"Dat zul je toch wel mis hebben, ventje; die appels zijn van mij, en ik
raad je om maar drommels gauw uit den boom te komen. Als je beneden,
bent kunnen we er verder over praten, en je zult dan ruimschoots je
deel hebben, voegde hij er bij met een veelbelovende beweging van
zijn dikken stok."

Dit deed Jack niet veel goeds verwachten.

"Mijn beste man," zei hij, "'t is bepaald een vooroordeel van u,
te meenen dat appels niet, evengoed als ander fruit, ten nutte van
ons allen gegeven zijn--ze zijn algemeen eigendom, geloof me toch."

Dat mag jij misschien meenen, kereltje, maar ik denk er heel anders
over. Ik heb er al lang op geloerd, wie toch mijn appels stal, en nu ik
een van de dieven gesnapt heb, zal hij er niet zonder een behoorlijke
kastijding afkomen. Er uit dus, jou kleine rakker, en gauw wat ook,
of anders zal 't slecht met je afloopen."

"Dank u wel," zei Jack, "ik zit hier heel best. Maar, als u 't goed
vindt, wil ik gaarne het geval met u nader beredeneeren."

"Daar heb ik geen tijd voor; ik heb nog heel wat te doen, maar je
hoeft niet te denken, dat ik je zal laten ontsnappen. Heb je geen lust
om naar beneden te komen, welnu, dan blijf je maar stilletjes boven,
maar ik verzeker je, dat ik je na afloop van mijn werk hier nog goed
en wel vinden zal."

"Wat aan te vangen met iemand die naar geen redeneering wil
luisteren?" dacht Jack. "Wat een verdorven wereld toch! Maar dat weet
ik wel, als hij terugkomt, zal hij me hier niet vinden."

Daarin vergiste Jack zich echter. De boer deed een paar stappen naar de
heining, riep een jongen wat toe en deze ijlde naar de hofstede. Eenige
oogenblikken later zag men een groote bulhond door den boomgaard heen
op zijn meester losstuiven. "Pas op, Caesar," zei de boer tot de hond,
"pas op!" De hond vleide zich neer op het gras, gluurde met opgeheven
kop onafgewend naar Jack en liet daarbij een paar rijen tanden zien,
die onzen held voor het oogenblik al zijn wijsgeerige denkbeelden
deden vergeten.

"Al kan ik niet wachten, Caesar wel, en ik verzeker je in gemoede dat
er geen stuk van je heel blijft, als hij je bij de kladden krijgt. Als
ik met mijn werk klaar ben, kom ik terug." Dit zeggende verwijderde
zich den boer en liet het aan Jack en aan den hond over om de kwestie
uit te maken, als ze er lust in hadden.

Na een poos liet de hond zijn kop zakken en sloot de oogen, alsof hij
sliep, maar niet zoodra bewoog Jack zich even, of een er van werd een
weinig geopend. Jack vond het dus maar geraden om te blijven waar
hij was. Hij plukte nog een paar appels, want 't was tijd voor het
middagmaal, en begon al etende te overpeinzen.

Nog niet lang was hij daarmee bezig, toen hij gestoord werd door een
stier, die al brullende den boomgaard doorrende en op het gezicht
van Caesar den kop naar omlaag boog. Caesar vloog overeind en
vatte den stier in het oog, die met zijn staart in de lucht op hem
losstoof. Vlakbij gekomen deed de stier een aanval op den hond; maar
deze ontweek den stoot en vloog op zijn beurt op zijn tegenstander
aan. Deze schermutseling duurde voort, tot de vechtende partijen een
heel eind van den appelboom verwijderd waren geraakt. Jack dacht nu
zijn kans waar te nemen om te ontsnappen, maar ongelukkig werd het
gevecht juist gevoerd aan dien kant van den boomgaard waar de heining
was, die Jack weer over moest. Dat hindert niet, dacht onze held, dan
neem ik den anderen kant maar, al moet ik dicht langs den boerenwoning,
er valt nu eenmaal niet te kiezen. Terwijl Jack zich uit den boom liet
zakken, hoorde hij opeens een vervaarlijk gebrul; de hond was door den
stier op de horens genomen en in de lucht geslingerd, en Jack zag hem
aan den overkant der heining neersmakken; het gebrul was de zegekreet
van den overwinnaar. Toen Jack nu bemerkte dat hij van zijn bewaker
verlost was liet hij zich in een wip verder naar omlaag glijden en
zette het op een loopen. Ongelukkig kreeg de stier hem in het oog en
stoof in den zwijmel der overwinning met een vernieuwd gebrul onzen
vriend achterna. Jack bespeurde het gevaar dat hem dreigde, en de
angst gaf hem vleugelen; hij vloog niet alleen door den boomgaard,
maar ook over de heining, die bijna vijf voet hoog was en wel juist
toen de stier er met zijn kop tegenaan rende. Kijk waar je loopt,
leert een oud spreekwoord. Als Jack daarna gehandeld had, zou hij
't er beter afgebracht hebben; maar nu er in dit geval nog al eenige
verschooning voor hem kan ingebracht worden, zullen we enkel maar
zeggen, dat hij zich aan den anderen kant van de heining in een kleinen
bijenstal beland zag. Twee korven had hij in zijn vaart omgeworpen
en eer hij goed en wel weer op de been was, waren de verontwaardigde
bijen al druk bezig hem van alle kanten te steken. Het eenige wat Jack
doen kon was weer aan den haal gaan, maar de bijen vlogen sneller dan
hij loopen kon en de arme jongen was dol van de pijn, toen hij half
verblind struikelde over het steenen ringmuurtje van een put. Zijn val
in den put kon Jack niet stuiten, maar hij greep de ijzeren ketting,
die hem in het gezicht sloeg. Het windas liep af--en daar ging 't
met de grootste snelheid naar beneden. Na een daling van een voet of
veertig zat hij geheel onder water en had nu geen last meer van de
bijen. Jack werkte zich aan den ketting, die geheel afgeloopen was
weer wat omhoog en voelde nu iets tegen zijn beenen slingeren. Het
was de emmer, die ongeveer twee voet onder water zat; Jack zette er
zijn beenen in en voelde zich nu vrij behaaglijk; want na de steken
der bijen en de verhitting van zijn wedloop met den stier, bracht
het water hem een heerlijke verfrissching aan.

"In elk geval," dacht Jack, "als de stier er niet geweest was, zou de
hond op me zijn blijven passen en had ik later een pak ransel gekregen
van den boer; maar aan den anderen kant zou ik, als de stier er niet
geweest was, niet onder de bijen terecht zijn gekomen, en als de bijen
er niet geweest waren, zou ik niet in den put getuimeld zijn; en als
die ketting er niet geweest was, zou ik verdronken zijn. Wat een reeks
van gebeurtenissen, enkel omdat ik lust had een appeltje te eten!"

"Hoe het zij, van den boer, den hond, den stier en de bijen ben ik af;
maar hoe kom ik nu hier uit dezen put? Het schijnt wel, of de geheele
schepping tegen de rechten van de mensch heeft samengespannen. Zooals
mijn vader zegt, leven we in een ijzeren eeuw en hier hang ik nu te
bengelen aan een ijzeren ketting."



Vierde hoofdstuk.

    Jack begint vrij verstandig te overleggen, maar komt toch
    tot een erg onverstandig besluit.


Nadat Jack ongeveer een kwartier in zijn zonderlinge positie had
doorgebracht, begonnen zijn tanden te klapperen en zijn lippen
te trillen; hij voelde een dofheid in al zijn ledematen en achtte
het hoog tijd om hulp te roepen. In het eerst durfde bij wel niet
goed, uit vrees dat hij dan weer zou blootgesteld raken aan de
verontwaardiging van den boer en diens gezin, maar hij kon hier toch
niet blijven. Juist sperde Jack zijn mond open om een schreeuw te
geven, toen er beweging in den ketting kwam en hij langzaam omhoog
ging. Eerst hoorde hij klachten over de zwaarte van den emmer, wat hem
volstrekt niet verwonderde; daarna hoorde hij gegrinnik en gelach van
twee personen en weldra ging het vrij vlug naar boven. Ten slotte kwam
zijn hoofd boven het lage muurtje uit en juist wilde hij zijn eene
arm uitsteken om zich vast te grijpen, toen de twee aan het windas
hem in de gaten kregen. Het waren een stevige boerenknecht en een meid.

"Dank u," zei Jack.

Maar men moet nooit te vlug zijn met bedanken. De meid gaf een gil en
liet den draaier los, de knecht schrikte en kon het windas ook niet
meer houden; de draaier ontglipte aan zijn handen, sloeg hem tegen
de kin, zoodat hij languit op den grond rolde en eer het "dank u"
goed en wel over Jack's lippen was gekomen, ging hij weer als een
pijl uit den boog naar omlaag. Gelukkig had hij den ketting nog niet
losgelaten, anders zou hij tegen den kant geslagen zijn en er stellig
het hachje bij ingeschoten hebben; hij kwam er nu af met een tweede
onderdompeling en bevond zich weldra weer in zijn vorigen toestand.

"Dat is me ook wat moois," dacht Jack, terwijl hij zijn pet wat
vaster op het hoofd drukte, "maar ze kunnen zich nu ten minste niet
meer houden, alsof ze niet wisten dat ik hier was."

Intusschen stoof de meid de keuken binnen, liet zich op een stoel
vallen, maar gleed er onmiddellijk weer af en kwam terecht op eenige
opgemaakte brooden, die nog gebakken moesten worden en op den grond
bij het vuur gezet waren om wat te rijzen.

"Hemeltje lief! wat is er met Suze aan de hand?" riep de pachtersvrouw
uit. "Heidaar,--Marie--Jan--waar zit je? Och, och, al mijn brooden
zoo plat als een koek!"

Jan kwam spoedig daarop, met zijn hand aan zijn onderkaak. Hij zag
er ontdaan en verschrikt uit, wat geen wonder was; want vooreerst
dacht hij dat zijn onderkaak gebroken was en bovendien geloofde hij
stellig en vast, dat hij den duivel gezien had.

"Goeie genadigheid! wat is er toch gaande!" riep de pachtersvrouw
alweer. "Marie, Marie?" schreeuwde ze en begon nu zelf ook angstig
te worden, want hoe ze ook alle krachten inspande, ze kon maar geen
beweging krijgen in Suze, die als een klomp lood op haar bed van deeg
lag. Marie gaf gehoor aan het luid geroep harer meesteres en met haar
hulp gelukte het Suze van den grond te tillen; maar de brooden weer
in hun fatsoen te brengen, daar was geen denken aan.

"Waarom help jij dan ook eens niet een handje, Jan? snauwde Marie
hem toe.

"Au-au-au!" was al wat ze ten antwoord kreeg van Jan, die van dat
helpen van Suze al plezier genoeg had gehad, en maar steeds zijn hand
aan de wang hield.

"Wat is er toch te doen, vrouw?" riep de pachter onder het
binnentreden. "Wel verdraaid, wat scheelt Suze toch? En wat scheelt
jou?" vervolgde hij, zich nu tot Jan wendend. "Duivels, het schijnt
wel dat de heele boel in de war loopt vandaag. Om te beginnen worden
mijn appels gestolen--dan vind ik in den tuin al mijn bijenkorven
omvergesmeten--de stier heeft Caesar leelijk toegetakeld, is vervolgens
door de heining gebroken en daarna in den zaagkuil gevallen--en nu
ik hier hulp kom halen om er hem weer uit te krijgen, vind ik de
meid meer dood dan levend en Jan met een gezicht alsof de booze hem
verschenen was."

"Au-au-au!" antwoordde Jan met een veelbeteekend hoofdknikken.

"Je zoudt waarachtig gaan denken, dat de duivel vandaag losgebroken
was. Wat is er toch, Jan? Heb jij hem soms gezien, of Suze?"

"Au-au!"

"Loop heen met je au! Met jou valt niets te beginnen. Is dat schepsel
weer bij haar positieven gekomen!"

"Ja, ja, ze is weer beter.--Suze, wat is er gebeurd?"

"O, o, juffrouw! de put, de put."--

"De put! Daar is 't zeker niet in den haak; ik zal eens gauw gaan
kijken."

De boer haastte zich naar den put. Hij zag dat de emmer naar omlaag en
de ketting geheel afgeloopen was; hij boog zich wat over den rand en
keek in den put. Jack, die vrij ongeduldig geworden was en al telkens
opgekeken had of er nog geen hulp kwam opdagen, zag nauwelijks het
vollemaansgezicht van den boer of hij riep:

"Hier ben ik, haal me spoedig op, of ik zal 't besterven." Die
bewering was niet zoo ver buiten de waarheid, want de jongen was
doodaf, ofschoon hij nog altijd moed had gehouden.

"Verduiveld, daar is er eentje in den put gevallen!" riep de boer uit;
"er komt vandaag geen eind aan de ongelukken. Ja, een christenmensch
gaat toch altijd boven een stier; dus eerst hem uit den put gehaald
en dan mijn beest uit den kuil geholpen."

Fluks riep hij eenige arbeiders en nu zou het reddingswerk beginnen.

"Opgepast daar beneden, hou je stevig vast."

"Ga je gang maar!" riep Jack.

Het windas werd in beweging gebracht en weldra kwam Jack opnieuw over
den rand kijken. Een paar handen werden hem toegestoken en spoedig was
hij uit zijn benarden toestand gered. Ze moesten hem echter languit
op den grond leggen, want zijn krachten hadden hem begeven.

"Wel verdraaid! 't is dezelfde jongen, die bezig was mijn appels te
stelen," riep de boer uit--"maar toch, het kapen van een paar appels
mag hem den dood niet kosten; alloo, jongens, opgepakt en hem naar
binnen gedragen--hij is heel verkleumd van de kou--en geen wonder."

De pachter liep vooruit en zijn arbeiders droegen Jack in huis, waar
hij een glas brandewijn te drinken kreeg. Dit wekte de levensgeesten
weer op en spoedig was de jongen weer aardig opgeknapt.

Nadat Jack verteld had hoe alles zich had toegedragen, vroeg de boer
hem, hoe hij heette.

"Mijn naam is Rustig," antwoordde Jack.

"Hoe! ben je de zoon van meneer Rustig van Boschlust?"

"Ja."

"Alle drommels! dat is mijn pachtheer, en wat een goede, hoor!--Waarom
heb je dat niet gezegd, toen je in den appelboom zat? Voor mijn part
hadt je dan den heelen boomgaard kunnen plunderen."

"Beste vriend," hernam Jack, die na een tweede glas brandewijn weer
erg spraakzaam was geworden, "laat het u een les zijn, om voortaan
altijd te luisteren, als iemand u iets uiteen wil zetten. Als gij
maar geduld hadt gehad, zou ik u onweerlegbaar bewezen hebben, dat
gij niet meer recht op die appels hebt dan ik; maar gij verkoost
niet te luisteren naar mijn betoog, en zonder redeneering kunnen
we nooit achter de waarheid komen. Gij hebt er uw hond bijgehaald
en nu ligt hij met een opengescheurd lijf--uw stier heeft zijn poot
gebroken in den zaagkuil--uw bijenkorven liggen overhoop, zoodat al
de honig verloren is--uw knecht heeft zijn onderkaak gebroken--uw
meid heeft al uw brood bedorven--en waarom? Enkel en alleen omdat
gij mijn redeneering niet hebt willen aanhooren."

"Ja, zie je, jongenheer, 't mag waar zijn, dat al die ongelukken
gebeurd zijn omdat ik u niet hebt laten uitpraten, maar als ik nu toch
den boomgaard van uw vader gepacht heb, dan begrijp ik me niet, hoe
gij me zoudt kunnen bewijzen dat de appels mij niet toebehooren. Maar
al bekijken we het geval op uw manier, dan zie ik nog niet in, dat
gij er zooveel beter af zijt gekomen: gij klimt in een boom om een
paar appels, terwijl gij meer dan genoeg geld in uw zak heb om ze te
koopen als ge er lust in hebt--een hond belet u weer naar beneden te
komen--een stier gaat u bijna met zijn horens te lijf--de bijen steken
u erbarmelijk en gij tuimelt in een put; ja, 't is een duizend lukje,
dat gij er het hachje niet bij ingeschoten hebt--en dat enkel om een
paar appels, die nog geen dubbeltje waard zijn."

"Dat is alles zeer waar, mijn goede man," hervatte Jack, "maar gij
vergeet, dat ik, als wijsgeer, bezig was met de rechten van den mensch
te verdedigen."

"Zoo? Ik heb nog nooit geweten, dat een jongen, die appels stal, een
wijsgeer genoemd werd; wij noemen zoo eentje een kleine gauwdief. En
wat die rechten van den mensch betreft, ik zie niet in hoe men die
kan verdedigen door verkeerde dingen te doen."

"Gij begrijpt niet hoe de zaak in elkaar zit, pachter."

"Neen, dat doe ik ook niet--en ik ben te oud geworden om het nog te
leeren, jongeheer. Al wat ik er van zeggen kan is dit, dat gij altijd
welkom zijt in den boomgaard als ge lust hebt in een paar appels, en
als gij, in de vooronderstelling dat gestolen vruchten het lekkerst
smaken, ze liever wilt stelen, welnu, dan zal ik last geven, dat men
u stil uw gang moet laten gaan. Maar, jongenheer, mijn sjees staat
voor de deur en mijn knecht zal u naar huis rijden. Doe alsjeblieft
mijn groeten aan uw vader en zeg hem, dat 't me erg spijt, dat gij
in onzen put zijt gevallen."

Daar Jack op het oogenblik veel meer lust had om in zijn bed te kruipen
dan om aan 't betoogen te gaan, wenschte hij den pachter goedenavond,
en liet zich naar huis rijden.

De pijn, die de steken der bijen hem veroorzaakten, was intusschen
zoo hevig geworden, dat hij heel blij was dokter Middleton bij zijn
vader en moeder aan de theetafel te vinden. Jack vertelde enkel,
dat hij het ongeluk had gehad onder een zwerm bijen verzeild te
raken en hevig gestoken was. Hij gaf aan het heele geval een anderen
draai. Toen de dokter hem de pols voelde, bemerkte hij, dat de jongen
een hevige koorts had, wat na al hetgeen er dien dag met hem gebeurd
was, niet te verwonderen viel. Een week lang moest hij het bed houden,
gedurende welken tijd hij allerlei dingen door zijn hoofd haalde en
een plan maakte.

Maar we moeten een omstandigheid vermelden, die misschien wel de
oorzaak was van Jack's besluit. Toen hij op dien bewusten avond thuis
kwam, trof hij er behalve dokter Middleton ook een zekeren kapitein
Wilson aan, een verren neef die slechts zelden Boschlust bezocht,
omdat hij nog al veraf woonde. Bovendien had de man vrij wat moeite
om in het onderhoud van zijn groot gezin te voorzien, zoodat er van
snoepreisjes niet veel sprake kon zijn. Het bezoek van kapitein Wilson
gold thans een poging om van meneer Rustig geldelijken bijstand te
krijgen. Hij was pas aangesteld als gezagvoerder over een oorlogschip,
en daar zijn uitrusting nog al veel kostte, kon hij zijn vrouw geen
voldoende som tot onderhoud van het gezin achterlaten. Daarom verzocht
hij nu meneer Rustig hem eenige honderden guldens te leenen, die hij
zoodra mogelijk zou terugbetalen. Meneer Rustig was er de man niet naar
om zoo iets te weigeren en daar hij altijd een aanzienlijk bedrag bij
zijn kassier had uitstaan, trok hij op dezen een wissel van duizend
gulden en gaf dien aan kapitein Wilson, met de bijvoeging dat hij het
bedrag maar terugbetalen moest, als het hem gelegen kwam. Juist was
deze zaak bedisseld en kapitein Wilson weer met meneer Rustig in de
huiskamer gekomen, toen Jack van zijn uitstapje terugkeerde.

Jack groette kapitein Wilson, dien hij sinds lang kende; maar, zooals
wij reeds opmerkten, leed hij zooveel pijn, dat hij al spoedig zich
met dokter Middleton verwijderde en naar bed ging.

Een week geeft heel wat gelegenheid tot overdenken, zelfs aan een
jongen van veertien, al is die leeftijd niet bijzonder geneigd tot
overpeinzingen. Maar Jack lag te bed; van de steken der bijen waren
zijn oogleden zoo gezwollen, dat hij volstrekt niet lezen kon of zich
op eenige wijze bezig houden waarbij zijn gezicht te pas kwam. Te
luisteren naar het gebabbel van Saar, die hem oppaste, beviel hem
ook niet erg; zoodat hij zich maar met zijn eigen gedachten den tijd
zocht te verdrijven.

Nadat hij acht dagen te bed had gelegen, verscheen hij eindelijk weer
in de huiskamer, en deed nu aan zijn vader een uitvoerig verhaal van
de omstandigheden, die hem genoodzaakt hadden het bed te houden.

"Zie je wel, Jack", antwoordde zijn vader, "'t is precies zooals ik
je gezegd heb: de wereld is in merg en been verdorven door wat ze
maatschappelijke instellingen gelieven te noemen, en ieder die zich
tegen die ordeningen verzet, bemerkt telkens dat hij aan het kortste
eindje trekt. Maar geen moed verloren, de waarheid moeten we blijven
voorstaan, als zou 't onze ondergang zijn."

Alles goed en wel, papa, maar bij het betrachten van die wijsbegeerte
ben ik nu, in den korten tijd van twee dagen, beroofd van de visschen,
die ik gevangen had, en van hengelroe en tuig bovendien--ze hebben me
in een vischvijver gegooid--een bulhond heeft me een doodsangst op het
lijf gejaagd--'t scheelde niet veel of een stier had me gedood--bijen
hebben me allerjammerlijkst toegetakeld, en tweemaal ben ik in een
put gevallen. Als dat nu in twee dagen gebeurt, wat staat me dan
niet in een heel jaar te wachten? Het lijkt me onverstandig hier
nog verdere pogingen te doen, want het schijnt dat de menschen
te land voor geen rede vatbaar zijn. Maar al is de grond ook zoo
schandelijk onder weinigen verdeeld, het water is ten minste algemeen
eigendom. Niemand maakt aanspraak op een deel er van, ieder kan het
naar hartelust doorkruisen, zonder dat een ander dit als overtreding
beschouwt. Alleen op zee denk ik de gelijkheid en de rechten van den
mensch erkend te zien, en daarom ben ik besloten niet naar school
terug te keeren, waar ik erg een hekel aan heb, maar op zee te gaan
en daar zooveel mogelijk onze denkbeelden te verbreiden."

"Daar heb ik geen ooren naar, Jack. In de eerste plaats moet je weer
naar school, en in de tweede plaats mag je niet naar zee."

"En toch verklaar ik bij de rechten van den mensch, dat ik niet weer
naar school wil, maar naar zee. Wie en wat zou me verhinderen? Heb
ik niet evenveel recht op mijn deel van de zee als ieder ander
sterveling? Ik dring aan op de volkomen gelijkheid," voegde hij er
bij en stampte op den grond.

Wat kon meneer Rustig hierop antwoorden? Hij moest òf als wijsgeer
zijn stellingen opgeven, òf als vader zijn zoon laten varen. Als
alle wijsgeeren, koos hij wat hem het minst gewichtig toescheen,
hij bracht zijn zoon ten offer; maar, we moeten tot zijn eer zeggen,
hij deed 't met een zucht.

"Nu, Jack, als je er op staat, zul je naar zee."

"Natuurlijk," antwoordde Jack met den glans der overwinning op het
gelaat: de vraag is maar, met wien? Ik meen gehoord te hebben, dat
kapitein Wilson spoedig zee zal kiezen en met hem zou ik graag onder
zeil gaan."

"Ik zal hem schrijven," zei meneer Rustig op droeven toon; en hiermee
was de zaak beklonken.

Kapitein Wilson's antwoord luidde natuurlijk toestemmend, en hij
beloofde, dat hij Jack als zijn eigen zoon zou behandelen.

Onze held reed dienzelfden middag op zijn vaders paard naar meneer
Bonnycastle.

"Ik ga naar zee, meneer."

"Dat is heel goed voor je," antwoordde deze.

Onze held begaf zich naar dokter Middleton.

"Ik ga naar zee, dokter."

"Je kunt niet beter doen," luidde het antwoord.

"Ik ga naar zee, moeder," zei Jack.

"Naar zee. Jaapje, naar zee, zeg je? o neen, neen, Jaapjelief, niet
naar zee!" riep mevrouw Rustig met afgrijzen uit.

"Jawel, moe, pa heeft 't goed gevonden en me gezegd, dat hij ook uwe
toestemming zal weten te krijgen."

"Mijne toestemming! Och, mijn lieve, lieve jongen!"--en mevrouw Rustig
weende bitter.



Vijfde hoofdstuk.

    De jongenheer rustig krijgt zijn eerste les over dienstijver.


Er viel niet veel tijd te verliezen, onze held moest de ouderlijke
woning spoedig vaarwel zeggen, en zat al gauw te Portsmouth. Daar
Jack volop geld had en het heel prettig vond zijn eigen meester
te wezen, maakte hij volstrekt geen haast om zich op het schip aan
te melden, en vijf of zes jongelui van niet al te best allooi, met
wie hij onderweg in kennis was gekomen en die op zijn zak teerden,
raadden hem ten sterkste het aan boord gaan zoo lang mogelijk uit
te stellen. Toevallig stemde die raad volkomen overeen met Jack's
eigen meening, zoodat onze held bijna drie weken in Portsmouth was,
eer iemand iets van zijn komst had vernomen. Maar ten slotte ontving
kapitein Wilson een brief van meneer Rustig, waarin onder anderen
gemeld werd, wanneer Jack van huis was vertrokken. De kapitein verzocht
nu den eersten luitenant eens onderzoek te doen, daar hij vreesde dat
den jongen eenig ongeluk overkomen mocht zijn. Daar meneer Sawbridge,
de eerste luitenant, dienzelfden avond toch naar den wal moest,
misschien wel de laatste maal vóór het uitzeilen van het schip,
liep hij bij verschillende logementen aan, om te hooren of er ook
een zekere meneer Rustig zijn intrek genomen had.

"O ja," antwoordde de bediende uit de Fontein, "meneer Rustig is hier
al drie weken gelogeerd."

"Wel verduiveld," bromde Sawbridge met al de verontwaardiging van een
eersten luitenant, die bemerkt dat hij gedurende drie weken door een
adelborst is misleid.

"Waar is hij; in de gelagkamer?"

"O neen, meneer," antwoordde de bediende, "meneer Rustig heeft de
voorkamers der eerste verdieping betrokken."

"Nu, wijs me die dan maar."

"Mag ik ook zoo vrij wezen uw naam te vragen, meneer?" zei de bediende.

"Eerste luitenants laten zich niet vooraf aandienen bij adelborsten,"
antwoordde Sawbridge; "hij zal spoedig genoeg te weten komen wie
ik ben."

Op dit bescheid, liep de bediende, gevolgd door Sawbridge, de trap
op en deed de deur open.

"Daar is een heer om u te spreken, meneer," zei de bediende.

"Verzoek hem binnen te komen," zei Jack; "en hoor eens: zorg dat de
punsch wat beter is dan gisteren; ik heb nog twee heeren meer ten
eten gevraagd."

Intusschen was meneer Sawbridge, die zijn uniform niet aanhad,
binnengetreden, en zag nu Jack alleen zitten bij een keurig aangerichte
tafel, waarop voor acht personen gedekt was. Zoowel het diner als het
vertrek zelf zou, volgens Sawbridge's meening, veeleer gepast hebben
voor een kommandant dan voor een adelborst van een oorlogsschip.

Sawbridge was een flink officier, iemand die zichzelf tot luitenant
opgewerkt had, en niets bezat dan zijn tractement. In zijn zeven
en twintig jaren dienst had hij iets stroefs over zich gekregen, en
vooral jongelui van aanzienlijke familie, wier getal steeds toenam
op de schepen, kon hij niet uitstaan. Geheel zonder reden was dit
niet, want hij bemerkte dat door dien toevloed zijn eigen kansen op
bevordering verminderden. Volgens zijn oordeel werden de adelborsten
des te onbruikbaarder naarmate ze meer het heertje uithingen, geen
wonder dus dat hem de gal overliep bij het aanschouwen van al de
vertooning en drukte gemaakt door een jongmensch, dat weldra op
een zuur gezicht van hem zou ineenkrimpen, en zulks al drie weken
geleden had moeten doen. Toch was Sawbridge een rechtschapen mensch,
al bleek hij soms wat naijverig op degenen, die zich meer weelde
konden veroorloven dan hij.

"Mag ik vragen, meneer," zei Jack, die altijd buitengewoon beleefd was,
"waarmede ik u van dienst kan zijn?"

"Jawel, meneer,--met onmiddellijk naar uw schip te gaan. En mag ik
op mijn beurt eens vragen, wat de reden is, dat gij al drie weken
hier aan wal zijt zonder u te komen aanmelden?"

Jack, die volslrekt niet gesticht was over Sawbridge's bevelenden
toon en intusschen plaats had genomen, sloeg de beenen over elkaar,
speelde achteloos met zijn gouden horlogeketting en antwoordde na
een poos vrij koel:

"Maar, meneer, wie zijt gij dan toch?"

"Wie ik ben, meneer?" hernam de bezoeker van zijn stoel opspringende,
"mijn naam is Sawbridge, meneer, en ik ben de eerste luitenant van de
'Harpij.' Ziedaar het antwoord op uw vraag."

Sawbridge, die zich verbeeldde, dat het noemen zijner waardigheid
van eersten luitenant den adelborst een schrik om het hart zou doen
slaan, liet zich weer op zijn stoel vallen en nam een air van groot
gewicht aan.

"Inderdaad, meneer," antwoordde Jack, ik moet erkennen, datik uit
onbekendheid met den dienst weinig besef heb van uw eigenlijke positie
aan boord, maar uit uw gedrag zou ik opmaken, dat u een niet geringen
dunk van uzelven heeft."

"Hoor eens, jongmensch, ik wil aannemen, dat ge niet weet wat een
eerste luitenant is--uw houding tegenover mij geeft er duidelijk
blijk van--maar reken er gerust op, dat ik het u spoedig zal laten
merken. Tevens sta ik er op; dat ge onmiddellijk mee naar boord gaat."

"Het spijt me, meneer," antwoordde Jack doodbedaard, "maar ik kan aan
uw hoogst bescheiden verlangen niet voldoen. Ik zal aan boord komen,
zoodra mij dat goeddunkt, en u zult mij verplichten met u verder niet
over mij te bekommeren."

Jack trok aan het schelkoord; de bediende, die aan de deur had staan
luisteren, trad onmiddellijk binnen en eer Sawbridge, verbluft door
zoo'n verregaande brutaliteit, iets zeggen kon, gaf Jack den bediende
last meneer even uit te laten.

"Alle donders!" riep de eerste luitenant uit. "Wacht maar, ventje;
heb ik je eenmaal goed en wel aan boord, dan zal ik je het verschil
tusschen een adelborst en een eersten luitenant terdege duidelijk
maken."

"Ik erken alleen gelijkheid, meneer," antwoordde Jack; "als gelijken
zijn wij allen geboren, dat zult gij toch toestemmen, hoop ik."

"Gelijkheid--wel verdraaid! wou je soms ook het bevel over het
schip op je nemen? We zullen je spoedig uit den droom helpen. Ik
ga nu aan kapitein Wilson rapport uitbrengen over uw gedrag en dit
verzeker ik je, als ge niet nog hedenavond aan boord zijt, dan zend
ik morgenochtend met het krieken van den dag een sergeant met eenige
mariniers om je in te rekenen."

"Wees verzekerd, meneer," antwoordde Jack, "dat ook ik niet in gebreke
zal blijven aan kapitein Wilson mede te deelen, dat ik u als een
onhebbelijken ruziemaker beschouw en hem raad u niet langer aan boord
te dulden. Met zulk een ongelikten beer op een zelfde schip te wezen,
is niet om uit te houden."

"Hij moet gek zijn--stapelgek," riep Sawbridge uit, wiens verbazing
de overhand kreeg over zijn verontwaardiging.

"Neen, meneer," antwoordde Jack, "een gek ben ik niet, maar een
wijsgeer.

"Wat voor een ding?" riep Sawbridge uit, "Wacht maar, grappenmaker,
we zullen de wijsbegeerte van je wel op de proef stellen."

"Juist daarom heb ik besloten op zee te gaan, meneer," hernam Jack;
"en als gij aan boord blijft, hoop ik met u eens te redeneeren, en u te
bekeeren tot erkenning der gelijkheid en der rechten van den mensch."

"Wees er maar zeker van, dat ik je spoedig tot onderwerping aan
de krijgsartikelen zal bekeeren, als je tenminste ooit aan boord
komt. Voorloopig ga ik nu den kapitein rapport maken over uw gedrag,
en laat u bij uw diner als ge nog eetlust overgehouden mocht hebben."

"Ten zeerste verplicht, meneer, maar over mijn eetlust behoeft ge
u volstrekt niet bezorgd te maken. Het eenige wat me spijt, is dat
ik, met het oog op het nette gezelschap dat ik wacht, u niet durf
uitnoodigen onzen dischgenoot te zijn. Ik zou dat anders gaarne gedaan
hebben, nu het blijkt dat we tot hetzelfde schip behooren. Ik wensch
u goedendag, meneer."

"Twintig jaren ben ik in dienst," bulderde Sawbridge, "en nu zou me
daar zoo'n.... maar hij is gek, stapelgek." En de eerste luitenant
stormde de kamer uit.

Jack was zelf ook wat verbluft. Had Sawbridge zijn uniform aangehad,
dan was 't nog wat anders geweest, maar dat zoo'n alles behalve
indrukwekkend persoon met zwarte bakkebaarden, slordig onderhouden
haar, een ouden blauwen rok en een geel kaschmiren vest, het durfde
wagen hem op zoo'n manier toe te spreken, dat was onbegrijpelijk. Hij
noemt me een gek, dacht Jack, maar ik zal kapitein Wilson eens
netjes vertellen, hoe ik over zijn luitenant denk. Een oogenblik
later verschenen de gasten en spoedig was Jack het geheele geval
weer vergeten.

Intusschen begaf Sawbridge zich naar den kapitein en vond hem thuis. Na
een omstandig verhaal van wat er had plaats gehad, eindigde hij zijn
rapport met in drift te eischen, dat Jack onmiddellijk ontslagen of
anders voorbeeldig gestraft zou worden.

"Nu, nu, meneer Sawbridge," antwoordde kapitein Wilson, "komaan, neem
plaats, en laten we er eens over redeneeren, zooals meneer Rustig
zegt; ik wed, dat ik u tot betere gedachten breng. Wat dat straffen
betreft, ja, zie je, dat is een lastig geval, want vooreerst heeft
meneer Rustig zich nog niet op zijn schip aangemeld, en ten tweede
kon hij immers niet weten dat gij de eerste luitenant waart, want ge
hadt uw uniform niet aan."

"Dat is waar meneer," antwoordde Sawbridge, "daar had ik niet aan
gedacht."

"En wat dat ontslaan of liever niet toelaten op het schip aangaat,
meneer Rustig is aan den wal grootgebracht en heeft mogelijk zijn
heele leven geen grootere uitgestrektheid water gezien dan een
vischvijver. Van zeedienst of van wat er aan vast is, zal hij wel
evenveel begrip hebben als een kind van nog geen jaar. Ik wed dat hij
niet eens weet wat een luitenant is, en stellig heeft hij geen flauw
idee van de macht van een eersten luitenant, dat blijkt duidelijk
uit de manier waarop hij zich tegenover u gedragen heeft."

"Dat moet ik ook gelooven," antwoordde Sawbridge droogjes.

"En daar nu zijn gedrag het uitvloeisel moet zijn van volkomen
onwetendheid, mag hij, dunkt me, niet al te streng gestraft worden. Ga
't zelf maar eens na, Sawbridge."

"Misschien hebt gij gelijk, meneer, maar hij noemde zich toch een
wijsgeer en sprak over de gelijkheid en de rechten van den mensch. Hij
zei, dat hij alleen gelijkheid tusschen ons kon aannemen en wilde
dat nader uiteenzetten. Nu vraag ik u toch, meneer, wat moet er van
den dienst terechtkomen, als zoo'n adelborst over elk bevel, dat er
gegeven wordt aan 't redeneeren slaat?"

"Die opmerking is zeer juist, Sawbridge; daaraan heb ik in 't
geheel niet aan gedacht, toen ik beloofde den jongen Rustig aan
boord te zullen nemen. Ik herinner me nu dat zijn vader, die een
verre neef van me is, eenige vrij dwaze denkbeelden in zijn hoofd
had, precies dezelfde die zijn zoon bij zijn ontmoeting met u te
berde heeft gebracht. Toen ik eens bij meneer Rustig ten eten was,
had hij 't maar steeds over de beginselen der natuurlijke gelijkheid
en der rechten van den mensch, tot groot vermaak van zijn gasten en
ook van mij, moet ik bekennen. Ik maakte nog de opmerking, dat die
denkbeelden onmogelijk toe te passen waren op den dienst, want dat
't dan gedaan zou zijn met alle tucht. Hoe weinig vermoedde ik toen,
dat zijn eenige zoon, voor wien niet de minste aanleiding bestond om
het zeeleven te kiezen--want zijn vader is een rijk grondbezitter--nog
ooit met mij onder zeil zou gaan en die denkbeelden op mijn schip
komen brengen. 't Is jammer, erg jammer."

"Maar Meneer," zei Sawbridge, "als 't mij geoorloofd is mijn meening
over het geval te zeggen--zou 't niet het best zijn, zoowel voor
hemzelf als voor den dienst, dat hij maar weer naar huis werd
gezonden? Als officier zal hij enkel zichzelven en anderen last
bezorgen."

"Mijn waarde Sawbridge," hernam kapitein Wilson, nadat hij de kamer
een paar malen op en neer was gestapt, "we zijn te gelijk in dienst
gekomen, hebben verscheidene jaren aan denzelfden disch gegeten
en niet enkel langdurige vriendschap, maar ook vertrouwen op uw
degelijke kennis hebben er mij toegebracht u voor te stellen mijn
eersten luitenant te worden. Nu zal ik u eens een geval ter beslissing
voorleggen, en wat meer is, ik zal me aan uw uitspraak onderwerpen.

"Neem eens aan, dat gij evenals ik scheepskommandant waart met een
vrouw en zeven kinderen, en dat ge na jarenlang getob om in hun
onderhoud te voorzien, in weerwil van de grootste spaarzaamheid
in schulden waart geraakt. Nu gelukt het u eindelijk een flinke
aanstelling te krijgen, waardoor ge u uit alle ongelegenheden zult
kunnen redden. Maar al uw hoop dreigt in rook te vervliegen, omdat
ge geen geld hebt voor een uitrusting en voor het afdoen der meest
dringende schulden. Als nu in zulk een benarden toestand een verre
bloedverwant, dien ge ternauwernood kent, zoo edelmoedig is u duizend
gulden te leenen, zonder daarvan rente te vorderen en het geheel aan
u overlaat wanneer ge de som wenscht terug te betalen, dan vraag ik u,
Sawbridge, wat zoudt gij voor zoo iemand gevoelen?"

"Ik zou mijn leven voor hem wagen," antwoordde Sawbridge getroffen.

"Vooronderstel nu dat, louter bij toeval of door een samenloop van
omstandigheden, de zoon van dien man onder uw bescherming werd gesteld;
wat dan?"

"Ik zou als een vader voor hem zorgen."

"Maar laten we toch eens verder gaan en vooronderstellen, dat
ge niet in alle opzichten met den jongen ingenomen zijt, dat hij
dwaalbegrippen heeft ingezogen, die, als ze niet uitgeroeid worden,
verderfelijk voor hem kunnen worden. Zoudt ge hem dan om die reden
uw bescherming onttrekken en hem aan zijn lot overlaten?"

"Volstrekt niet, meneer," antwoordde Sawbridge; "integendeel, ik
zou hem zoo lang bij me houden, tot ik hem, hoe dan ook, van zijn
verkeerdheden had genezen, en op die wijze zooveel mogelijk de schuld
der dankbaarheid aan den edelmoedigen vader had betaald."

"Na al wat er gebeurd is behoef ik u wel niet te zeggen, Sawbridge,
dat het jongmensch, met wien ge in aanraking zijt geweest, de zoon
is en meneer Rustig van Boschlust de vader."

"Het eenige wat ik zeggen kan, meneer, is dat ik, niet enkel om u
genoegen te doen, maar ook uit eerbied voor iemand, die u zooveel
welwillendheid heeft betoond, het jongmensch volgaarne vergeef
wat er tusschen hem en mij is voorgevallen en bovendien al wat er
waarschijnlijk nog gebeuren zal, eer we hem in het rechten spoor
hebben."

"Hartelijk dank, Sawbridge, ik had niet anders van u verwacht, en ik
heb me in die verwachting niet bedrogen."

"Maar wat moet er nu gedaan worden, kapitein?"

"We moeten hem aan boord zien te krijgen, maar niet met een
escorte mariniers--dat zou meer kwaad dan goed doen. Ik zal hem een
uitnoodiging zenden om morgenochtend bij me te komen ontbijten en
het een en ander te bepraten. Ik wil hem geen schrik aanjagen; hij
moest anders eens hals over kop naar Boschlust terugkeeren."

"Dat mag in geen geval, want zijn vader schijnt zijn grootste vijand
te zijn. Hoe jammer dat iemand met zulk een goed hart zoo'n zwakhoofd
kan wezen!"

Meneer Sawbridge verwijderde zich en kapitein Wilson zond aan onzen
held een schriftelijke uitnoodiging om den volgenden morgen te negen
uur bij hem te komen ontbijten. Het antwoord luidde bevestigend,
maar werd mondeling overgebracht, want Jack had te veel champagne
gedronken dan dat hij een pen op het papier durfde zetten.



Zesde hoofdstuk.

    Aan boord en onder zeil.


Den volgenden morgen zou Jack stellig de invitatie van den kapitein
glad vergeten geweest zijn, als niet de bediende van het logement
begrepen had, dat, na de vreemde manier waarop onze held den eersten
luitenant had ontvangen, het niet raadzaam zou wezen ook nog in
eerbied voor den kapitein te kort te schieten.

Tot dusver had Jack zijn uniform nog niet aangehad, en hij vond 't
nu een geschikte gelegenheid, te meer daar de bediende beweerde dat
hij in tenu behoorde te verschijnen. Of het soms een voorgevoel was
van wat hem te wachten stond, maar Jack voelde zich niets prettig in
zijn nieuwe plunje. Het kwam hem voor, dat hij zijn onafhankelijkheid
prijs gaf en hij kreeg grooten lust het pak met de glimmende knoopen
weer uit te smijten. Daartoe kwam het echter niet, en na zijn hoed
opgezet te hebben, begaf hij zich naar het logement van kapitein
Wilson. Deze ontving hem zeer heusch en hield zich alsof hij niets
wist van Jack's verzuim om zich tijdig aan boord aan te melden of
van diens ontmoeting met den eersten luitenant; maar eer het ontbijt
afgeloopen was, had Jack zelf het geval reeds met enkele woorden
verteld. Kapitein Wilson begon nu uit te weiden over de plichten
en den rang der verschillende personen aan boord van een schip, en
betoogde Jack hoe 't met het oog op de tucht onmogelijk was, dat er
meer dan één persoon het kommando voerde. Die eene was de kapitein,
in wiens persoon koning en vaderland vertegenwoordigd werden. Daar nu
de kapitein zijn bevelen gaf aan den luitenant en deze ze overdroeg op
de adelborsten, die ze op hunne beurt weer aan de overige bemanning
overbrachten, was 't inderdaad alleen de kapitein, die de bevelen
uitdeelde en was iedereen gelijkelijk tot gehoorzaamheid verplicht. Ja,
de kapitein zelf volgde weer de orders van zijne superieuren, den
admiraal en de admiraliteit; men kon dus met recht zeggen, dat aan
boord allen gelijkelijk tot gehoorzaamheid verplicht waren. Door
telkens op het woord _gelijkelijk_ veel nadruk te leggen, diende hij
zijn eerste les met de noodige omzichtigheid toe. Zijn geheele betoog
geleek veel op een handige pleitrede, want terwijl hij Jack duidelijk
zocht te maken dat in dienst gelijkheid volstrekt onbestaanbaar was,
trachtte hij tevens aan te toonen dat alle rangen volkomen gelijk
stonden, in zoover allen evenzeer hun plicht tegenover het vaderland
hadden te vervullen; en of nu een matroos zijne bevelen gehoorzaamde,
dan of hijzelf die van een hooger officier opvolgde, alles kwam ten
slotte daarop neer, dat ze het vaderland dienden.

Met die manier van beschouwen was Jack het vrij wel eens, en de
kapitein zorgde wel, dat hij er niet te lang bij bleef stilstaan,
maar ging spoedig tot ten ander onderwerp over, dat hij voor Jack
aangenamer achtte. Hij zette uiteen, dat de krijgsartikelen de wetten
waren volgens welke de dienst werd geregeld, en dat iedereen, van den
kapitein tot den minsten jongen aan boord, er gelijke gehoorzaamheid
aan verplicht was; dat ieder een vast rantsoen kreeg, wat voor
allen gelijk was, zoowel in hoeveelheid als in hoedanigheid; dat al
moesten er noodzakelijk rangen zijn en al moesten de bevelen van den
kapitein door allen opgevolgd worden, toch elk officier, van welken
rang ook, als een beschaafd man beschouwd werd. Kortom, kapitein
Wilson wist het zoo ver te brengen, dat Jack begon te gelooven, dat
hij de te land vergeefs gezochte gelijkheid nu eindelijk gevonden
had. Maar daar herinnerde hij zich ongelukkig de ruwheid, waarmede
meneer Sawbridge hem den vorigen avond bejegend had en hij vroeg
den kapitein, hoe die man daartoe had kunnen komen. Nu deed de taal
door den luitenant gebruikt al heel weinig aan gelijkheid denken, en
kapitein Wilson zat er wel een beetje over in. Hij betoogde echter dat
volgens de krijgsartikelen ieder, die zich van het schip verwijderde,
een vergrijp beging tegen die artikelen. Werd nu zulk een vergrijp
begaan door iemand van de bemanning, dan moest de oudste officier
daar rapport van maken, of anders was hij zelf strafbaar. Zijn eigen
verantwoordelijkheid noodzaakte hem dus wel zulk een overtreding
niet door de vingers te zien, en als hij er den schuldige in wat
al te krasse bewoordingen op wees, dan toonde hij daarmede slechts
zijn dienstijver.

"Aan zijn dienstijver valt dan stellig niet te twijfelen," antwoordde
Jack, want als het gansche vaderland op het spel had gestaan, kon
hij niet erger hebben uitgevaren."

"Hij deed dus zijn plicht; maar reken er op, dat hij 't zelf niet
aangenaam heeft gevonden. Ik sta er voor in, dat, als gij hem aan boord
ontmoet, hij even vriendelijk zal wezen alsof er niets gebeurd was."

"Hij zou me anders eens laten zien wat een eerste luitenant was. Wat
kan hij daarmee bedoeld hebben?" vroeg Jack.

"Niets dan dienstijver."

"Ja, maar zoodra ik aan boord kwam, zou hij me het verschil toonen
tusschen een eersten luitenant en een adelborst."

"Dienstijver, anders niet."

"Ook zou hij mijn verstand wel een beetje opfrisschen."

"Alles dienstijver."

"En hij zou me door een sergeant en eenige mariniers laten halen."

"Alles dienstijver."

"Ook zou hij mijn wijsbegeerte eens op de proef stellen."

"Alles dienstijver, meneer Rustig. Die ijver kan zich soms wat
overdreven uiten, maar we zouden het in den dienst niet zonder kunnen
stellen. Ik hoop en vertrouw mettertijd in u een even volijverig
officier te hebben."

Hier zette Jack een bedenkelijk gezicht, en gaf geen antwoord.

"Ik ben er zeker van," vervolgde kapitein Wilson, "dat gij in meneer
Sawbridge een uwer beste vrienden zult vinden."

"Misschien wel," antwoordde Jack, "maar onze eerste kennismaking,
beloofde niet veel."

"Dat is wel jammer. Maar wat ik u zeggen wilde, we zullen morgen
uitzeilen. Van avond komt de sloep mijn goed halen, dat is een mooie
gelegenheid om ook het uwe mee te geven. Om acht uur ga ik aan boord,
we kunnen dan van dezelfde boot gebruik maken."

Jack had daar volstrekt geen bezwaar tegen. Na zijn rekening in de
Fontein betaald te hebben, liet hij zijn koffer naar de sloep brengen
en wachtte voor zijn eigen vertrek de boodschap van den kapitein
af. Tegen negen uur in den avond bevond Jack Rustig zich goed en wel
aan boord van Zijner Majesteits fregat de Harpij.

Toen Jack aan boord kwam was het reeds donker en hij wist niet goed wat
hij zou aanvangen. De kapitein werd op het dek door de officieren in
allen vorm ontvangen, en eerbiedig gegroet. Hij beantwoordde dien
groet en Jack volgde dat voorbeeld zoo beleefd mogelijk; daarna
knoopte meneer Wilson een onderhoud aan met den eersten luitenant,
zoodat Jack voor een oogenblik aan zichzelven overgelaten was. Het
was te donker om de gezichten te onderscheiden, en voor iemand die
nog nooit aan boord van een schip was geweest, zelfs te donker om een
voet te verzetten, zoodat Jack maar stilletjes bleef waar hij was,
namelijk niet ver van de betinghouten. Maar dat duurde niet lang; de
sloep was aan de groote davits vastgehaakt en de bootsman had geroepen:

"Aanhalen, jongens!"

Op een schel gefluit en het kommando: "Op!" kwamen de matrozen
met de takels aangerend en gesprongen. In de duisternis werd Jack
omvergeloopen en een half dozijn kerels rolde over hem heen. De
matrozen, die niet wisten dat er onder anderen ook een officier
van de been was geraakt, hadden schik in de grap en bleven maar
voortwippen over degenen die gevallen waren, totdat ze eindelijk zelven
neerkwakten. Jack, die er niets van begreep, kwam leelijk te land,
en eerst nadat het sein tot vastjorren was gegeven, geraakte hij weer
overeind, nadat de halve stuurboordwacht over hem heengegaan was en
de adem hem bijna begeven had. Jack strompelde naar een der stukken
geschut, toen de officieren, die even goed als de manschappen over
de fopperij gelachen had, zijn toestand opmerkten, onder anderen ook
Sawbridge, de eerste luitenant.

"Hebt ge u bezeerd, meneer Rustig?" zei hij vriendelijk.

"Een beetje," antwoordde Jack, weer bij adem gekomen.

"Dat was een wel wat ruwe welkomstgroet," hernam de eerste luitenant,
"maar op sommige tijden heet 't aan boord: ieder voor zich en God
voor ons allen. Harpur," vervolgde hij tot den dokter, "neem meneer
Rustig mee naar de konstabelkamer, ik kom zoo spoedig mogelijk zelf
ook beneden. Waar is meneer Jolliffe?"

"Hier, meneer," antwoordde Jolliffe, een stuurmansmaat en kwam van
achter de leizeilspieren te voorschijn.

"Er is met den kapitein een nieuwe adelborst mee aan boord
gekomen. Laat een van de kwartiermeesters zorgen voor een hangmat."

Intusschen ging Jack naar de konstabelkamer, waar een glas wijn hem
weer wat opkwikte. Lang bleef hij er niet en tot veel praten bad
hij ook geen lust. Zoodra zijn hangmat klaar was, haastte hij zich
om te bed te komen en daar hij doodaf was, werd het den volgenden
morgen over negenen eer hij ontwaakte. Hij kleedde zich aan, ging
op het dek en bespeurde dat het schip al in volle zee was. Spoedig
begon hij zich onwel, ja zelfs ziek te gevoelen, zoodat een der
matrozen hem naar beneden brengen en in zijn hangmat leggen moest,
waar hij onder een hevigen wind drie dagen doorbracht, versuft door
het schokken en slingeren, terwijl hij elk oogenblik met het hoofd
tegen de scheepsbalken sloeg.

"Noemen ze dat na op zee gaan?" dacht Jack. "Geen wonder dat ze zich
hier zoo weinig om elkaar bekommeren; maar dit weet ik wel, als ik
ooit weer voet aan wal zet, dan gun ik den drommel mijn portie van
de zee, ik heb er al meer dan genoeg van."

Kapitein Wilson en meneer Sawbridge hadden beiden aan Jack gedurende
zijn ziekte meer rust gegund dan gewoonlijk aan adelborsten werd
toegestaan. Toen de storm tot bedaren was gekomen, had het schip de
hoogte van kaap Finisterre bereikt. Den volgenden morgen was de zee
volkomen rustig en er lag slechts een flauw briesje op het water.

De betrekkelijke kalmte van den afgeloopen nacht had onzen held weer
vrij wel op zijn verhaal doen komen, en toen een stoot op de fluit
het sein gaf tot het optrekken der hangmatten, kwam meneer Jolliffe,
de stuurmansmaat, hem vragen of hij er niet eens over zou denken op
te staan en zich in de kleeren te steken, dan of hij van plan was
onder de dekens naar Gibraltar te zeilen.

Jack, die zich een heel ander mensen gevoelde, wipte uit zijn hangmat
en kleedde zich aan. Volgens bevel van den kapitein had een matroos
Jack tijdens zijn ongesteldheid opgepast en deze man was hem ook nu
behulpzaam; hij opende Jacks kist en bracht hem al wat hij verlangde.

Toen hij gereed was vroeg Jack waar hij heen moest gaan, want ofschoon
al vijf dagen aan boord, toch had hij nog geen kijkje genomen in de
adelborstenkajuit. De matroos duidde hem den weg er heen uit, en Jack,
die een geweldigen honger had, klauterde over kisten en koffers tot
hij eindelijk terechtkwam in een vertrek, dat er vrij wat slechter
uitzag dan de hondenhokken bij zijn vader thuis.

"Niet alleen mijn portie van de zee," dacht Jack, "maar ook mijn
deel in de Harpij wil ik dolgraag overdoen aan ieder die er maar naar
taalt. Gelijkheid is er genoeg hier! want ik verbeeld me dat iedereen
er even slecht aan toe is."

Na aldus aan zijn gedachten lucht gegeven te hebben, bespeurde hij
dat er nog iemand in de kajuit was, en wel de stuurmansmaat Jolliffe,
die Jack eens goed stond op te nemen, wat dezen noopte tegenover
hem hetzelfde te doen. Het eerste wat Jack opmerkte was dat Jolliffe
erg van de pokken geschonden was en maar één oog had; dat ééne oog
glinsterde echter zoo fel, dat het een kooltje vuur geleek en meer
licht scheen te geven dan een gewone kaars.

"Die manier van kijken bevalt me niet", dacht Jack--"we zullen nooit
vrienden worden."

Maar Jack oordeelde hierin enkel naar den schijn, en--zooals later
zal blijken--hij vergiste zich.

"Het doet me plezier dat ik je weer op de been zie, jongmensch,"
zei Jolliffe; "je hebt langer plat op den rug gelegen dan gewoonlijk
met anderen het geval is, maar, zie je, juist de sterksten hebben
't het zwaarst te verantwoorden. Het plan om op zee te gaan is
vrij laat bij je opgekomen, doch 'beter laat dan nooit', zooals het
spreekwoord zegt."

"Ik voel heel veel lust om over de juistheid van dat gezegde eens nader
te praten," antwoordde Jack, "maar 't zou op dit oogenbik toch weinig
helpen. Ik heb een verbazenden honger, wanneer gaan we ontbijten?"

"Morgenochtend om half negen;" antwoordde Jolliffe. "Voor vandaag is
't al twee uur over den tijd."

"Moet ik 't dan maar zonder iets stellen?"

"Dat wil ik nu juist niet zeggen, want we dienen rekening te houden
met je ziekte; maar toch, een ontbijt zal 't niet wezen."

"Noem 't zooals ge wilt," hernam Jack, "maar doe me het genoegen en
laat de bediende me wat eten geven. Geroosterd brood of zoo iets,
't komt er minder op aan wat; maar het liefst zou ik er een kop koffie
bij hebben."

"Gij vergeet dat we op de hoogte van Finisterre zijn en nog wel in
een adelborstenkajuit. Koffie is er niet, en van geroosterd brood
kan geen sprake zijn, om de eenvoudige reden dat we in 't geheel geen
brood hebben; maar wel kan ik den hofmeester verzoeken een kop thee
met wat scheepsbeschuit en boter voor je klaar te zetten."

"Welnu," hernam Jack, "gij zult me verplichten met me dat te bezorgen."

"Hei daar!" riep Jolliffe een matroos toe, "laat Mesty eens hier
komen."

De toegesprokene droeg het bevel aan een volgenden matroos over,
deze weer aan een derde en zoo ging 't van mond tot mond, tot het
eindelijk vooruit op den bak den bedoelden persoon bereikte.

Deze was een neger, indertijd naar Amerika overgebracht en daar als
slaaf verkocht. Ofschoon zeer lang en schraal, teekende het lichaam
toch groote spierkracht en het gelaat week geheel en al af van den
gewonen vorm bij zijn ras. Het hoofd was lang en smal, met uitstekende
jukbeenderen, zoodat het gezicht naar de kin als in een punt uitliep;
de neus was zeer klein, maar recht en van Romeinschen vorm; ook de mond
was buitengewoon klein en de lippen veel te dun voor een Afrikaan;
de tanden waren hagelwit en scherp gepunt. Of zijn bewering, dat hij
in zijn eigen land den rang van vorst had bekleed, waarheid bevatte,
viel natuurlijk niet uit te maken. Zijn meester was met hem naar
New-York getrokken en daar had Mesty Engelsch geleerd, als men ten
minste zijn broddeltaal dien naam wilde geven.

Daar men hem had verteld, dat er in Engeland geen slavernij bestond,
had Mesty zich aan boord van een Engelsch koopvaardijschip verscholen
en was op die manier ontvlucht. Bij zijn aankomst in Engeland nam hij
dienst op een oorlogschip. De eerste luitenant, die hem aangemonsterd
had, gaf hem om zijn vreemd uiterlijk den naam van Mephistopheles,
wat al spoedig verkort werd tot Mesty. In vele opzichten was die
Mesty een zonderling persoontje. Kwam hij soms te praten over zijn
stamboom, dan was hij het eene oogenblik uitermate trotsch, en dan
weer zwaarmoedig, ja gemelijk zelfs, maar in gewone omstandigheden,
als niets hem in den weg zat, kon hij vermakelijk en grappig wezen.

Al spoedig kwam de geroepene opdagen, waarbij hij zich nagenoeg dubbel
vouwde om onder de dwarsbalken door te komen en vervaarlijke stappen
nam met zijn bloote voeten.

"Maar, Massa Jolliffe, hoe kunt u me nu laten roepen, terwijl juist
mijn grauwe erwten staan te koken, en er hier en daar al zoo'n
verwenschte rakker van een jongen op den loer ligt om er een handje
vol uit den pot te pikken."

"Je weet wel, Mesty, dat ik je nooit laat roepen, of 't moet bepaald
noodig zijn," antwoordde Jolliffe; "maar deze arme jongen heeft sinds
hij aan boord is nog niets te eten gehad en hij is erg hongerig--je
moest hem wat thee geven."

"Thee bedoelt u, meneer? Wel om thee te krijgen, dien ik toch in
de eerste plaats water te hebben en vervolgens ruimte in de kombuis
om een ketel te vuur te zetten. Maar waarachtig, meneer, al zou je
maar enkel de top van uw pink willen branden, dan nog zou je er in
de heele kombuis geen warm water genoeg voor vinden. Warm water om
dezen tijd! Dat is immers totaal onmogelijk!"

"Hij zal toch het een of ander moeten hebben, Mesty."

"'t Behoeft ook juist geen thee te wezen," zei Jack, "melk is ook
goed."

"Melk? Spreek je van melk, Massa? Van de groenvrouw soms aan den wal?"

"We hebben geen melk, meneer Rustig; gij vergeet dat we in volle zee
zijn," hernam Jolliffe; "ik begin waarlijk te vreezen, dat ge tot
het middagmaal zult moeten wachten. Wat Mesty zegt, is de waarheid."

"Ik zal u wat zeggen, Massa Jolliffe, als ik den jongenheer eens in
plaats van thee wat uit den ketel gaf, misschien zou hij daar genoegen
mee nemen. Thee of nat van grauwe erwten, dat verschil is zoo groot
niet. Zoo'n kom vol, met wat beschuit er bij en een scheut peper er
in, zal hem goed doen."

"Misschien is dat nog het beste, Mesty; ga 't maar gauw halen."

Na eenige oogenblikken kwam de neger terug met een kom soep, waarin
heele erwten rondzwommen; ook zette hij een tinnen bord met kleine
beschuiten en een peperbus voor onzen held neer. Op het gezicht van
dit gerecht vervlogen Jacks visioenen van thee, koffie, geroosterd
brood en melk; maar hij had een verbazenden honger, en toen hij aan 't
proeven ging viel 't hem nog bijzonder mee; zoo zelfs, dat hij niets
van het maal overliet en zich na het gebruik er van veel prettiger
gevoelde. Dra klonken er zeven slagen aan de klok en hij volgde nu
meneer Jolliffe naar het dek.



Zevende hoofdstuk.

    Hoe Jack in tegenspraak komt met zijn eigen wijsbegeerte.


Op het dek gekomen, zag Jack de zon vroolijk schijnen, een zachte
koelte blies van de landzijde en overal in het want wapperden hemden,
broeken en buizen van de zeelui, die gedurende den storm gewasschen
waren en nu te drogen hingen; ook de zeilen lagen over de spieren
uitgespreid of waren in het want opgehangen, en het schip liep met een
geringe vaart door de blauwe golven. De kapitein en de eerste luitenant
stonden aan gangboord te praten en het meerendeel der officieren was
bezig met hun quadranten en sextanten de middagbreedte te bepalen. Het
dek zag er helder en netjes uit, want er was juist schoon schip
gemaakt, en de matrozen waren druk in de weer met het opschieten der
kabels. Het was een tafereel van blijmoedige bedrijvigheid en strikte
orde, dat op het gemoed van Jack verlichtend werkte na de vier dagen
van ellende, die hij in bedompte lucht en in afzondering had doorstaan.

Zoodra de kapitein hem in het oog kreeg, vroeg hij hem vriendelijk hoe
't met hem ging; ook de eerste luitenant lachtte hem vertrouwelijk
toe en verscheidene officieren, zoowel als zijn baksmaats wenschten
hem geluk met zijn herstel.

De hofmeester kwam naar hem toe, en sloeg aan en noodigde hem uit tot
het middagmaal in de hut. Jack, die uiterst beleefd was, lichtte zijn
hoed, en nam de uitnoodiging aan. Hij stond toevallig op een kabel, die
juist door een matroos opgeschoten werd; de man sloeg aan en verzocht
hem vriendelijk of hij zoo goed zou willen wezen met zijn voet van
het touw te gaan. Op zijn beurt aanslaande trok hij onmiddellijk
zijn voet terug. De stuurman sloeg aan en rapporteerde twaalf uur
aan den eersten luitenant,--de eerste luitenant sloeg aan en bracht
dat rapport over aan den kapitein,--de kapitein sloeg aan en zei tot
den eersten luitenant dat hij zijn gang maar moest gaan. De officier
van de wacht sloeg aan en vroeg den kapitein of hij maar het sein
voor het middagmaal zou laten geven,--de kapitein sloeg aan en zei:
"Als 't u belieft."

De adelborst kreeg nu de noodige orders en bracht ze, met de hand aan
den hoed, aan den opperbootsmansmaat over, die eveneens aansloeg en
terstond daarop een paar stooten op de fluit liet hooren.

"Ei," dacht Jack, "beleefdheid schijnt hier aan de orde van den dag
en allen hebben evenveel eerbied voor elkaar."

Jack drentelde eens rond over het dek; gluurde door de geschutspoorten
die open stonden en keek naar omlaag in de donkerblauwe golven;
hij sloeg de oogen op, en lette op het heen en weer zwiepen der
lange sprieten, die bij het volgen der beweging van het schip met
haar punten als het ware een klein gedeelte van de heldere lucht
afteekenden; hij liet den blik gaan langs de rij kanonnen, die aan
beide zijden van het dek geschaard stonden en eindigde met op een
der stukken geschut te klauteren en over de verschansing leunend naar
den verwijderden wal te turen.

"Ga van die verschansing af, jongenheer!" riep de stuurman, die
officier van de wacht was, op norschen toon.

Jack keek eens rond.

"Hoor je me niet, meneer? Ik spreek tot u." zei de stuurman opnieuw.

Jack was erg verontwaardigd, en vond toch de beleefdheid niet zoo
algemeen als hij vermoed had.

Toevallig was kapitein Wilson op het dek.

"Kom hier, meneer Rustig," zei de kapitein; 't is een vaste bepaling
in den dienst, dat niemand op de verschansing mag komen, tenzij in
geval van nood. Ik doe 't nooit, de eerste luitenant niet en geen van
de officieren of van de manschappen; dus, uit beginsel van gelijkheid,
moogt gij 't ook niet doen.

"Stellig niet, meneer," antwoordde Jack, "maar ik zie toch niet in
waarom die officier met zijn glimmenden hoed zoo boos behoeft te wezen,
en mij toespreekt op een toon alsof ik niet even goed was als hijzelf."

"Dat heb ik u al uitgelegd, meneer Rustig."

"O ja, nu herinner ik 't me, 't is dienstijver; maar ik vind dien
overmatigen ijver iets heel onaangenaams in den dienst. Jammer maar
dat, zooals gij zegt, de dienst er niet buiten kan."

Kapitein Wilson glimlachte en verwijderde zich. Toen hij een oogenblik
later met den stuurman het dek op en neer liep, gaf hij hem een wenk,
dat hij niet zulke harde woorden moest gebruiken tegen den knaap,
die alleen uit onwetendheid zulk een klein vergrijp had begaan. Nu
was meneer Smallsole, de stuurman, een gemelijk persoon, die niet
hield van aanmerkingen op zijn gedrag, al stoorde hij zich weinig aan
de gevoeligheid van anderen, en daarom besloot hij het Jack bij de
eerste de beste gelegenheid betaald te zetten. Jack dineerde in de
kajuit en was bijzonder in zijn schik dat iedereen met hem klonk en
dat aan de tafel van den kapitein allen op gelijken voet schenen te
staan. Eer het dessert vijf minuten op tafel was, raakte Jack op zijn
praatstoel over zijn geliefkoosd onderwerp. Het gansche gezelschap
keek verbaasd op nu zij zulke ongehoorde stellingen aan boord van een
oorlogsschip hoorden verkondigen, maar de kapitein deed al zijn best
om Jacks opmerkingen te weerleggen zonder hem te veel te kwetsen,
en gedurende het geheele gesprek week de glimlach niet van zijn gelaat.

Deze dag kon eigenlijk aangemerkt worden als de eerste waarop Jack
in werkelijkheid zijn verschijning aan boord maakte en aan tafel
bij den kapitein kwam hij ook voor het eerst op de proppen met
zijn eigenaardige inzichten. Waren de dischgenooten, bestaande
uit den tweeden luitenant, den victualiemeester, meneer Jolliffe
en een der adelborsten, verwonderd, dat zulke afwijkende meeningen
in tegenwoordigheid van den kapitein te berde werden gebracht, nog
sterker trof hen de kalmte en luchthartigheid, waarmee kapitein Wilson
ze opnam. Jacks gewaagde beweringen deden dien avond, natuurlijk
met de noodige toevoegsels, over het geheele schip de ronde. In de
konstabelkamer plozen de officieren ze uit, de adelborsten schetterden
er over terwijl zij het dek op en neer wandelen; de kapiteinshofmeester
hield een soort van bijeenkomst achter de kombuis, en deelde de nieuwe
leer mede. De sergeant van de mariniers gaf in zijn kring als zijn
meening te kennen, dat het vervloekte onzin was. De bootsman besprak
het geval met de overige onderofficieren totdat al de grog op was en
stapte er toen van af, omdat hij het onderwerp veel te droog vond. Over
het algemeen was de gansche bemanning het er over eens, dat, zoodra ze
te Gibraltar binnen liepen, onze held den dienst zou vaarwel zeggen,
hetzij dan dat hij door den krijgsraad ter dood veroordeeld werd of
ontslagen en aan wal gezet om daar zijn geluk te zoeken. Anderen die
meer geslepenheid bezaten en er achter gekomen waren dat onze held
een jongen was, die later heel wat te erven zou krijgen, spraken er
heel anders over en hielden 't er voor, dat de kapitein wel goede
redenen zou hebben om zoo toegeeflijk te zijn--en onder degenen, die
zoo oordeelen, behoorde de tweede luitenant. Slechts vier personen
waren Jack welgezind, te weten de kapitein, de eerste luitenant,
meneer Jolliffe, de éénoogige stuurmansmaat, en Mephistopheles, de
neger, die Jack met hart en ziel begon aan te hangen, zoodra hij van
diens meeningen had gehoord.

We hebben melding gemaakt van den tweeden luitenant, meneer
Asper. Deze jonge man had een diepen eerbied voor geboorte en vooral
voor geld, waarmee hijzelf maar zeer karig bedeeld was. Als zoon van
een aanzienlijk koopman, had hij tijdens zijn adelborstjaren over
vrij wat meer middelen te beschikken gehad dan noodig of wenschelijk
was, en zijn welgevulde beurs bezorgden hem tal van vrienden, niet
alleen onder zijn eigen bakmaats, maar ook onder de officieren
van het schip, waarop hij voer. Iemand die in staat en gezind is
een hooge koffiehuisrekening te betalen, vindt altijd volgers--ten
minste naar het koffiehuis; en sommige luitenants zagen er geen
been in te dineeren, arm in arm te wandelen en frère-compagnon te
spelen met een adelborst, op wiens zak zij teerden zoolang ze aan wal
waren. Meneer Asper had juist zijn aanstelling als officier gekregen,
toen zijn vader bankroet sloeg, waarmede tevens de bron opdroogde,
waaruit hij zoo rijkelijk had geput. Sedert dien tijd had meneer
Asper gevoeld, dat het uitraakte met zijn invloed; hij kon nu niet
langer van den dienst spreken als van een last, of dat hij zijn
baantje er aan zou geven; ook was het gedaan met de onderscheiding,
die men aan zijn beurs en niet aan hemzelf had bewezen. Het ergste was
nog, dat hij allerlei gewoonten had aangenomen, die veel kostten, en
waaraan hij nu uit gebrek aan middelen niet langer kon toegeven. Geen
wonder dus dat hij met een grooten eerbied voor geld behebt raakte;
en daar hij niet langer zelf middelen kon vinden, was hij blij als
hij ergers iemand wist op te diepen op wiens kosten hij het lekkere
leventje kon lijden, waaraan hij zich zoo langen tijd gewend had
en dat hem zoo aantrok. Nu wist meneer Asper, dat onze held ruim in
zijn geld zat, want de bediende uit de Fontein had hem het bedrag der
betaalde rekening genoemd, en daarom zag hij reikhalzend uit naar de
verschijning van Jack, die zijn beste en meest vertrouwde vriend moest
worden. Het gesprek in de kajuit had hem de overtuiging geschonken,
dat Jack dankbaar zou zijn voor iederen steun, en hij had van de
gelegenheid, dat hij even met meneer Sawbridge liep te wandelen,
gebruik gemaakt, om aan dezen voor te stellen Jack op zijn wacht te
nemen. Of nu meneer Sawbridge de bedoeling van meneer Asper doorzag,
dan of hij zich verbeeldde dat onze held meer gediend zou wezen met den
tweeden luitenant dan met den stuurman, die zoo ruw uit kon vallen,
of met hemzelf, die als eerste luitenant geen enkele plichtverzaking
door de vingers mocht zien, het aanbod werd aangenomen en Jack Rustig
kreeg last om wacht te houden onder luitenant Asper.

Die eerste dag van Jack's in dienst treden was ook tevens de eerste,
waarop hij de adelborstenkajuit betrad en kennis maakte met zijn
bakmaats.

We hebben al gesproken van meneer Jolliffe, den stuurmansmaat, maar
we moeten hem nog wat nader leeren kennen. De natuur gaat soms al
erg willekeurig te werk en zij had 't er nu eenmaal op gezet, dat
meneer Jolliffe zulk een isegrimmig gezicht zou hebben als maar ooit
gezien was.

Hij had allerhevigst te lijden gehad van de kinderpokken en
waarschijnlijk waren daardoor zijn gelaatstrekken zoo verwrongen: de
ziekte had hem niet alleen erg pokdalig gemaakt maar ook zijn gezicht
met diepe groeven doorploegd. Eén oog was hij kwijt en wenkbrauwen
had hij in 't geheel niet meer; het doffe, blinde oog vormde een
schrikwekkende tegenstelling met het fel schitterende balletje aan den
anderen kant van zijn neus, waarvan ook al niet veel meer overgebleven
was dan een spitse onregelmatige punt; en de spieren van zijn kin waren
zoo samengetrokken, dat deze niet veel meer dan een aaneenschakeling
van naden en rimpels vertoonde. Hij was lang, schaal en mager, lachte
zelden en als hij 't deed, werd hij nog leelijker om aan te zien.

Meneer Jolliffe was de zoon van een deurwaarder. De ziekte had hem
aangetast in West-indië, waar ze honderden wegrukte. Hij was na al
langen tijd in dienst, met weinig of geen vooruitzicht op bevordering,
en hij had zwaar te kampen gehad met armoede, toespelingen op zijn
geringe afkomst en hatelijkheden op zijn leelijk uiterlijk. Geen smaad
was hem bespaard gebleven op de schepen, waarop hij gediend had; onder
een groote menigte voelde hij zich in 't geheel niet op zijn gemak en,
ofschoon ze hem nu niet meer lomp durfden behandelen, hij werd toch
in dienst enkel geeerbiedigd uit erkenning van zijn bruikbaarheid en
voorbeeldige plichtsbetrachting--vrienden of kameraads had hij echter
niet. Al sinds jaren was hij in zichzelf gekeerd, legde zich met ijver
toe op de studie en was jegens iedereen uiterst welwillend. Stil
en teruggetrokken van aard, sprak hij zelden in de kajuit, of
zijn kwaliteit van proviandmeester moest het vereischen. Iedereen
had eerbied voor meneer Jolliffe, maar niemand was gesteld op een
kameraad, die er uitzag om de honden aan 't blaffen te maken. Toch
erkenden allen zijn onberispelijke houding in ieder opzicht, zijn
rechtvaardigheidsgevoel, zijn verdraagzaamheid, zijn voorkomendheid
en zijn gezond oordeel. Het leven was voor hem inderdaad een last,
dien hij met geduldige onderwerping droeg.

In alle gezelschappen als ze maar minstens een half dozijn personen
tellen, kan men een praatsmaker aantreffen, en even algemeen is er
ook steeds een van het gezelschap min of meer de zondenbok. Zelfs bij
toevallige bijeenkomsten valt dit op te merken, zoo bijvoorbeeld op
een diner, waarvan de meesten der genoodigden elkaar te voren nooit
ontmoet hebben.

De praatsmaker in de adelborstenkajuit van Harer Majesteits fregat de
Harpij was een jongmensch van omstreeks zeventien, met licht krullend
haar en een blozend uiterlijk. Hij was de zoon van een schrijver aan
de werf te Plymouth en heette Vigors.

De zondebok was een vijftienjarige jongen met een bleek, pafferig
gezicht. Al kon hij niet bepaald knap genoemd worden, toch wist hij
heel wat; maar ongelukkig had hij alle zelfvertrouwen verloren door
de voortdurende schimpscheuten en spotternijen van anderen, die wel
meer radheid van tong bezaten, maar in wezenlijke kennis waarschijnlijk
niet tegen hem opgewassen waren. Hij leerde niet gemakkelijk, maar wat
hij eenmaal wist onthield hij voorgoed. Deze jongen droeg den naam
van Gossett. Zijn vader was een rijke grondeigenaar uit Lynn in het
graafschap Norfolk. Er waren destijds nog maar drie andere adelborsten
aan boord, van wie men alleen kan zeggen dat ze in niets van de gewone
afweken, dus in leeren weinig lust toonden, maar bij iederen maaltijd
een goeden eetlust meebrachten, een hekel hadden aan al wat op werken
geleek, maar steeds klaar waren voor een grap of voor een vechtpartij
"op leven of dood" om het volgende oogenblik weer dikke vrienden
te worden; vervuld van algemeene begrijpen van eer en billijkheid,
zonder er zich echter aan te storen als 't hun minder te pas kwam;
bedeeld met zulk een mengelmoes van deugden en gebreken, dat het
dikwijls onmogelijk was de ware drijfveer van een of andere daad aan
te wijzen en te bepalen in hoever een kwade eigenschap tot een goede
verzacht en een goede door louter overdrijving tot een kwade ontaard
was. De namen van dit drietal waren O'Connor, Mills en Gascoigne. De
overige kameraads van onzen held zullen we te gelegener tijd wel op
het tapijt brengen.

Na het middagmaal in de kajuit volgde Jack zijn baksmaaks Jolliffe
en Gascoigne naar het verblijf der adelborsten.

"Ik moet zeggen, Rustig," merkte Gascoigne op, dat je een verduiveld
vrijpostig heertje bent, om zoo maar tegenover den kapitein te beweren
dat ge uzelf als niets minder beschouwdet dan hem."

"Met uw verlof," antwoordde Jack, "ik doelde daarmee niet op den
kapitein persoonlijk, maar sprak in 't algemeen over de rechten van
den mensch."

"Nu," hernam Gascoigne, "'t is het eerst van mijn leven, dat ik een
adelborst zoo kras voor den dag heb hooren komen, pas maar op met je
rechten van den mensch, ze zouden je nog wel eens in de doos kunnen
helpen--er valt aan boord van een oorlogschip niets te betoogen. De
kapitein nam het verbazend luchtig op, maar je moest dat onderwerp in
't vervolg liever niet aanroeren."

"Gascoigne geeft u een goeden raad, meneer Rustig" merkte Jolliffe
op. "Aangenomen al dat uw denkbeelden juist zijn--wat ik nog niet kan
toegeven, omdat de toepassing er van mij onmogelijk schijnt--dan nog
dient de voorzichtigheid niet uit het oog verloren. Laat ze die kwestie
op den vasten wal zooveel uitpluizen als ze willen, in landsdienst
is het gevaarlijk en zou je in een leelijk parket kunnen brengen."

"Een mensch is vrij in zijn doen en laten," zei Rustig.

"Mijn kop af als dat met een adelborst het geval is," riep Gascoigne
lachend uit, "je zult 't spoedig genoeg ondervinden."

"En toch ben ik juist op zee gegaan, in de verwachting dat ik er die
gelijkheid zou vinden."

"Stellig op den eersten April!" hernam Gascoigne. "Maar spreek je
werkelijk in ernst?"

Hierop ving Jack een lang betoog aan, waarbij Jolliffe en Gascoigne
hem ongestoord lieten doorslaan, terwijl Mesty met bewondering
toeluisterde. Toen het afgeloopen was, barstte Gascoigne in een
hartelijk gelach uit en Jolliffe zuchtte.

"Waar hebt ge toch al die wijsheid vandaan?" vroeg Jolliffe.

"Van mijn vader die een groot denker is, en die stellingen voortdurend
verdedigt."

"En was 't uw vaders wensch dat ge op zee zoudt gaan?"

"Neen, hij was er volstrekt niet opgesteld, maar natuurlijk wilde
hij zich niet verzetten tegen mijn rechten en mijn vrijen wil."

"Meneer Rustig," hernam Jolliffe, "als vriend raad ik u ten stelligste
uw meeningen zooveel mogelijk voor u te houden; ik zal later wel
gelegenheid vinden er nader met u over te spreken, en u dan mijn
redenen uiteenzetten."

Nauwelijks had meneer Jolliffe uitgesproken, of Vigors en O'Connor,
die het nieuwtje van Jack's ketterij gehoord hadden, kwamen beneden.

"Gij kent de heeren Vigors en O'Connor nog niet," zei Jolliffe
tot Rustig.

Jack, die een toonbeeld van beleefdheid was, stond op en maakte
een buiging, waarop de anderen plaats namen, zonder zijn groet te
beantwoorden. Naar hetgeen Vigors van Rustig gehoord en nu gezien had,
meende hij in hem een nieuw slachtoffer gevonden te hebben om op den
kop te zitten, en hij begon er zonder complimenten maar dadelijk mee.

"Zoo, ventje, ben je aan boord gekomen om met je gelijkheid den boel
in de war te schoppen? Bij den kapitein aan tafel heb je 't er zonder
kleerscheuren afgebracht, maar dat gaat hier in de adelborstenkajuit
zoo niet, dat verzeker ik je; sommigen moeten er onder door, en dat
is met jou ook het geval."

"Als gij," antwoordde Rustig, "met dat 'er onder door moeten'
bedoelt, dat ik me moet onderwerpen, kan ik u verzekeren dat ge
u vergist. Op grond van hetzelfde beginsel, waarom ik nooit den
dwingeland zoo willen spelen over zwakkeren dan ik zelf ben, zal ik
geen onderdrukking dulden."

"Wel verdraaid! 't lijkt precies een advocaat ter zee; wacht maar,
baasje, we zullen je wijsheid spoedig genoeg op de proef stellen."

"Moet ik dan soms aannemen, dat ik niet op gelijken voet sta met mijn
baksmaats?" hernam Jack met een blik op Jolliffe. Deze wilde juist
antwoorden, maar Vigors was hem voor:

"Ja, je bent hier op voet van gelijkheid, dat wil zeggen: je hebt
een gelijk recht in de kajuit, zoolang je er niet uitgesmeten wordt
wegens onbeschaamdheid tegenover je meerderen; je hebt een gelijk
aandeel te betalen in de dingen die voor den bak gekocht worden, en
een gelijk recht om er je portie van op te schranzen, als je ze maar
krijgen kunt; je hebt een gelijk recht van spreken, zoolang je niet
gezegd wordt je mond te houden. Hierop komt 't neer, dat je gelijk
recht hebt als ieder ander om te doen wat je kunt, te nemen wat je
kunt, en te zeggen wat je kunt, dat _kunnen_ is enkel maar de vraag;
de zwakste moet hier het loodje leggen, ziedaar nu de gelijkheid in
een adelborstenkajuit. Hebt je 't nu begrepen; of verlang je soms
nog een voelbare verduidelijking?"

"Dus moet ik aannemen, dat van gelijkheid hier al even weinig sprake is
als onder de wilden, bij wie de sterkere den zwakkere onderdrukt, en
het vuistrecht het eenige recht is? Nu, zoo gaat 't op een kostschool
aan den vasten wal ook."

"Voor dit maal heb je het bij 't rechte eind. Ben je op een kostschool
geweest? Hoe ging 't daar toe?"

"Precies zooals gij 't hier wilt hebben: de zwaksten moesten het
loodje leggen."

"Welnu, voor een blind paard is een wenk evengoed als een knipoogje,
dat is 't maar, mijn waarde," zei Vigors.

Opeens werd het kommando "zeilen reven" gehoord en dit maakte voor
ditmaal een eind aan het twistgesprek.

Daar onze held nog geen orders had gekregen wat hij eigenlijk moest
uitvoeren, bleef hij met Mesty beneden.

"O, Massa Rustig, wat houd ik toch veel van u!" zei Mesty. "Dat
was eerst goed gesproken, Massa Rustig; en wat dien meneer Vigors
betreft--wees maar niet bang, dat je hem niet aan zoudt kunnen, dat
kun je stellig," vervolgde de neger, terwijl hij de spieren van Jacks
armen betastte, "ik durf er een heele week loon onder verwedden."

"Bang ben ik niet," antwoordde Jack, "ik heb wel grootere jongens dan
hij is onder de knie gekregen." En die verzekering was waar. Meneer
Bonnycastle kwam nooit tusschenbeide bij een eerlijke kloppartij, en
lette niet op een paar blauwe oogen, als de lessen maar goed gekend
werden. Jack had herhaalde malen gevochten, zoodat hij ten slotte
een goed bokser was geworden, en ofschoon niet zoo groot als Vigors,
toch was hij voor het worstelen veel beter gebouwd.

De voortdurende gevechten, waartoe Jack zich op school genoodzaakt
had gezien, waren door hem aangevoerd als bewijzen tegen de
gelijkheidstheorieën van zijn vader, maar deze had hem weten te
overtuigen, dat gevechten onder jongens niets te maken hadden met de
rechten van den mensch.

Zoodra de wacht was opgeroepen, kwamen Vigors, O'Connor, Gossett en
Gascoigne beneden in de kajuit. Vigors, die, met uitzondering van
Jolliffe de sterkste was, had langzamerhand zijn meerderheid erkend
gezien en op dek gesproken over Rustig's onbeschaamdheid en over zijn
plan om hem mores te leeren. De anderen kwamen dus mee naar beneden
om de grap bij te wonen.

"Wel, meneer Rustig," merkte Vigors op, bij het binnenkomen in de
kajuit, "je doet je naam waarlijk alle eer aan. Ben je soms van plan
je rantsoen op te eten, zonder er een hand voor uit te steken?"

Jack's geduld was reeds uitgeput en daarom antwoordde hij: "Wees zoo
goed, meneer, u met uw eigen zaken te bemoeien."

"Jouw onbeschaamde vlegel! als je nog één woord durft zeggen, zal ik je
eens een ferm pak slaag geven en er wat van die gelijkheid uitkloppen."

"Zoo?" antwoordde Jack, die zich een oogenblik weer op de school van
meneer Bonnycastle verplaatst dacht; "dat zullen we nog eens zien."

Daarop ontdeed Jack zich doodbedaard van jas en vest, tot niet geringe
verwondering van Vigors, die zulk een bewijs van vastberadenheid
en zelfvertrouwen niet verwacht had, en nog meer tot genoegen van
de overige adelborsten, die in stilte hoopten dat Vigors er eens
duchtig van langs zou krijgen. Vigors begreep echter, dat hij te
ver was gegaan om terug te treden en bereidde zich dus voor op den
strijd. Zoodra hij gereed was begaf zich het heele gezelschap naar
het ruim om het zaakje uit te maken.

Vigors had zijn gezag meer te danken aan zijn grooten mond dan wel
aan zijn vuisten; want de anderen hadden hem als hun meerdere erkend
zonder voldoende proefneming; Jack echter, had op school heel wat
bedrevenheid in het vechten opgedaan, en men kan zich dus gemakkelijk
voorstellen hoe de strijd afliep. In minder dan een kwartier lag Vigors
doodaf op den grond, met een paar gezwollen oogen en drie tanden uit
zijn mond; terwijl Jack, na zich eens flink gewasschen te hebben,
uitgenomen een paar schrammen, er even frisch uitzag als te voren.

De tijding der overwinning was spoedig over het schip verbreid, en
eer Jack goed en wel weer in zijn kleeren stak had Sawbridge ze al
in vertrouwen meegedeeld aan den kapitein.

"Al zoo spoedig!" zei kapitein Wilson lachend; ik verwachtte wel dat
de adelborstenkajuit wonderen zou doen, maar toch niet met zoo'n
vaart. Deze overwinning is de eerste duchtige knak voor Rustig's
gelijkheid, en zal meer dienst doen dan twintig nederlagen. Laat hem
nu aan zijn werk gaan, hij zal weldra zijn richtsnoer vinden.



Achtste hoofdstuk.

    Onze held bewijst dat allen aan boord evenzeer fatsoen aan
    plicht dienen op te offeren.


Of een jongmensch in zijn beroep slaagt, hangt voor een groot deel af
van de omstandigheden bij het begin van zijn loopbaan, want daarnaar
beoordeelt men zijn karakter en behandelt men hem. Jack had eerst
veel later dan dat met de meeste knapen het geval is, zijn keus tot
den zeedienst bepaald. Hij was flink opgeschoten en krachtig voor zijn
jaren, en al kon men niet bepaald zeggen dat hij een knap gezicht had,
er lag toch een uitdrukking van eerlijkheid en vrijmoedigheid in,
die aangenaam aandeed. De geestkracht, waarmee hij geweigerd had
naar Vigors' pijpen te dansen en tegen dezen was opgekomen, toen
hij nog ternauwernood hersteld was van zijn hevige zeeziekte, had
hem veler eerbied bezorgd, en de genegenheid verworven van allen,
behalve zijn tegenpartij en meneer Smallsole. In plaats dat zijn
baksmaats den gek met hem staken, haalden zij hem aan; Jolliffe
glimlachte over zijn onzinnigheden en trachtte hem die uit het hoofd
te praten, en de anderen mochten Jack gaarne lijden om hemzelf en om
zijn edelmoedigheid, en vooral omdat ze in hem een beschermer zagen
tegen Vigors, die hen allen ringeloorde. Jack had immers verklaard,
dat als macht recht was in een adelborstenkajuit, hij althans in zoover
de gelijkheid zou herstellen, dat hij steeds de zwakken zou beschermen
en niet zou dulden dat iemand, wie ook, in de adelborstenkajuit den
baas speelde over degenen, die niet tegen hem opgewassen waren.

Op die manier maakte Jack het best mogelijke gebruik van zijn kracht
en werd als het ware de kampioen en beveiliger van hen, die ofschoon
veel langer op zee en meer ervaren dan hij, blij waren zich te kunnen
plaatsen onder de hoede van zijn moed en zijn strijdvaardigheid, welke
laatste eigenschap vooral de bewondering had gewekt van den slachter
aan boord, die een vuistvechter van beroep was geweest. Zoo kreeg Jack
opeens den rang van een oudste, en werd weldra de toongever. Als onze
held het tegenover Vigors had moeten afleggen, zou het geval juist
omgekeerd geweest zijn. Hij zou dan hetzelfde te lijden hebben gehad,
waaraan de meeste nieuwelingen in den zeedienst zijn blootgesteld.

Meneer Asper had goede redenen om hem tot zijn kameraad te maken;
zij betrokken zamen de hondenwacht en hij luisterde geduldig naar als
den onzin, dien Jack over de rechten van den mensch uitkraamde. Toch
deed meneer Asper, zonder het te weten, veel goeds, want terwijl hij
om Jack's genegenheid te winnen, zich hield alsof hij 't volkomen met
hem eens was, waarschuwde hij evenwel en toonde aan waarom gelijkheid
aan boord van een oorlogsschip onbestaanbaar was.

Wat hemzelf betrof, zoo beweerde hij, zag hij geen verschil tusschen
een luitenant, of zelfs een kapitein, en een adelborst, aangenomen
dat hij een beschaafd mensch is; hij zou zijn vrienden kiezen waar hem
dat goeddacht en versmaadde de door den dienst verleende macht om het
anderen onaangenaam te maken. Natuurlijk werden Jack en meneer Asper
goede vrienden, vooral daar Asper Jack, toen de wacht half verstreken
was, naar kooi liet gaan, waardoor hij niet alleen diens genegenheid
won, maar ook bevrijd raakte van het eeuwige geredeneer.

Weldra zouden ze de straat van Gibraltar binnenzeilen en hoopten
den volgenden dag voor de stad te ankeren. Jack zat voor op den
bak met Mesty te praten, die een groote vriendschap voor hem had
opgevat. Ofschoon onze held nog slechts drie weken aan boord was,
zou Mesty toch alles voor hem gedaan hebben, en bij nader inzien is
dit toch eigenlijk licht verklaarbaar.

Mesty was in zijn eigen land iemand van veel beteekenis geweest;
hij had al de ellende van een overtocht op een slavenschip te
verduren gehad, was tweemaal als slaaf verkocht, was vervolgens wel
ontvlucht--maar had toch ondervonden, dat de meening van het gros
sterk gekant was tegen zijn huidskleur en dat hij, ofschoon vrij,
aan boord van een oorlogsschip tot de nederigste diensten werd gedoemd.

Nooit had hij iemand de gevoelens hooren verkondigen, die nu in zijn
eigen boezem leefden, namelijk die van vrijheid en gelijkheid. Wij
zeggen nú, omdat hij vóór zijn gevangenschap, toen hij nog in zijn
eigen land den baas kon spelen, geen oogenblik aan gelijkheid
dacht. Dat gaat meer zoo met menschen die de macht in handen
hebben. Maar hij had een harde leerschool doorloopen; en ofschoon
iedereen te New-York den mond vol had van vrijheid en gelijkheid,
bemerkte hij dat ze die wel voor zichzelf preekten, maar ten opzichte
van anderen niet in toepassing brachten, en dat, onder al die vrijheid
en gelijkheid, hij en duizenden met hem als nietswaardige wezens
werden beschouwd.

Naar Engeland ontvlucht, had hij zijn vrijheid herkregen, maar van
gelijkheid was geen sprake; daarbij stond zijn kleur hem in den
weg, en hij verkeerde in de meening dat de geheele wereld tegen
hem samenspande, totdat hij vol verbazing van Jack's lippen boutweg
dezelfde denkbeelden hoorde verkondigen, en dat nog wel in den dienst,
waar het ongeveer gelijk stond met muiterij. Dit maakte Mesty terstond
aan onzen held verknocht, en hij toonde zijn gehechtheid op alle
mogelijke manieren. Ook Jack mocht Mesty goed lijden en praatte graag
met hem, zoodat zij, na het gevecht met Vigors, elkaar gewoonlijk
iederen avond op den bak ontmoetten om de beginselen van gelijkheid
en de rechten van den mensch te bespreken.

De bootsman, Biggs geheeten, was een vlug, bedrijvig manneke, dat eens
bij een orkaan als opperste van de fokkemars zich zoo buitengewoon
kordaat had gehouden, dat hij bij den admiraal tot bevordering
werd voorgedragen. Hij werd dan ook bootsman, en nadat de equipage,
waartoe hij behoord had, afbetaald was, vond hij plaatsing op Harer
Majesteits fregat de Harpij. Jack's onderhoud met Mesty werd gestoord
door de stem van den bootsman, die zijn jongen een standje maakte. "'t
Is nu volgens mijn repetitie-horloge al tien minuten geleden, dat ik
je heb laten roepen," zei de bootsman, en haalde bij die woorden een
ouden zilveren knol voor den dag, die hem eens door een schacheraar
voor een repetitie-horloge was aangesmeerd.

"Met uw verlof, meneer," zei de jongen, toen u me liet roepen was ik
juist bezig een andere broek aan te trekken en daarna moest ik mijn
kist weer opbergen."

"Zwijg maar liever; je moest weten dat je, broek of geen broek,
onmiddellijk behoort te komen, als je meerdere je laat roepen."

"Ook zonder broek aan, meneer?" hernam de jongen.

"Wel stellig, ook zonder broek. Als de kapitein mij liet roepen,
zou ik onmiddellijk gaan al was het desnoods zonder hemd. Plicht gaat
boven fatsoen." Dit zeggende pakte de bootsman den jongen beet.

"Maar, meneer Biggs," zei Jack, "u zult toch den jongen niet straffen,
omdat hij zonder broek aan niet gekomen is?"

"Dat zal ik wel, meneer Rustig--ik zal hem eens een lesje geven. Nu er
zulke nieuwmodische begrippen aan boord van het schip gebracht zijn,
moeten we ons dubbel verplicht gevoelen om de waardigheid van den
dienst op te houden, en de bevelen van een meerdere mogen niet tien
minuten en twintig seconden onuitgevoerd blijven, omdat een jongen
zijn broek niet aanheeft." Daarop gaf de bootsman den jongen een paar
fiksche halen met zijn rotting, en bracht hem daardoor tot het besef
hoe gelukkig het was, dat hij zijn broek aangetrokken had alvorens op
het dek te verschijnen. "Ziedaar," zei meneer Biggs, "dat is een les
voor je, deugniet--en 't is er tevens een voor u, meneer Rustig." liet
hij er op volgen en verwijderde zich met een air van zelfvoldoening.

"Zoo'n moorddadige Ier!" zei Mesty, "wat heeft hij dien armen stakker
geranseld."

Den volgenden dag lag de Harpij in de baai van Gibraltar voor anker. De
kapitein ging aan wal, en gaf last dat men hem vóór negenen met de
sloep moest komen afhalen, want na dien tijd wordt de vestingspoort
alleen op bijzondere vergunning geopend. Toevallig werd er dien avond
door de officieren van het garnizoen een bal gegeven en nu kregen
de officieren van de Harpij een beleefde uitnoodiging om dat bij te
wonen. Voor degenen, die van de uitnoodiging gebruik maakten, zou
het te laat worden dan dat ze nog de poort uit konden en daarom gaf
de kapitein hun verlof om aan den wal te blijven tot den volgenden
morgen zeven uur. Omdat ze nog al sterk in getal waren, zouden er
tegen dien tijd twee sloepen uitgezonden worden om hen af te halen.

Meneer Asper kreeg verlof en verzocht of hij onze held mee mocht
nemen, wat hem door meneer Sawbridge werd toegestaan. Er kregen
nog verscheidene andere officieren verlof, zoo ook de bootsman,
die, in het besef dat zijn diensten vereischt zouden worden zoodra
de uitrusting begon, enkel verlof vroeg voor dien avond, en meneer
Sawbridge, die begreep dat hij thans beter gemist kon worden dan op een
anderen tijd, stemde er in toe. Asper en Jack begaven zich naar een
logement, dineerden en bespraken logies, en kleedden zich vervolgens
voor het bal, dat zeer schitterend was, en wegens het gezelschap
der officieren bijzonder prettig. Kapitein Wilson nam bij het begin
even een kijkje en keerde toen weer naar boord terug. Jack ging met
zijn gewone welgemanierdheid te werk, danste tot twee uur, en toen de
bezoekers van het bal begonnen te dunnen, stelde Asper voor om ook maar
heen te gaan. Na nog even in het locaal voor ververschingen vertoefd
te hebben, werden hun hoeden en jassen gebracht en juist wilden ze
opstappen, toen een der garnizoensofficieren aan Jack vroeg of hij
ook lust had een baviaan te zien, die eerst onlangs van de rots was
overgebracht. Voorzien van eenige stukken koek begaven zij zich na
naar de binnenplaats, waar het dier dicht bij een kleine waterbak
vastgeketend lag. Jack voerde het beest tot al zijn koek op was, en
toen hij niets meer te geven had, vloog de baviaan op hem los. Jack
deed haastig een paar stappen achteruit, maar tuimelde daardoor
achterover in den waterbak, die ongeveer twee voet diep was. Dat was
me een grap! Nadat er hartelijk gelachen was, wenschten onze vrienden
den officier goedennacht en begaven zich naar hun logement.

Nu hadden de officieren, die van de Harpij aan wal waren gegaan,
allen hun intrek genomen in hetzelfde logement en daar er ook nog
andere gasten waren, was de waard niet in staat ieder zijner logeées
een afzonderlijke kamer te geven. Hiertegen werd echter geen bezwaar
gemaakt en Jack kwam onder dak in een vertrek met twee bedden,
waarvan het eene reeds in beslag genomen was, zooals hij opmaakte
uit het geluid van zware ademhalingen, dat zijn oor trof.

Onder het ontkleeden bespeurde Jack dat zijn broek erg nat was. Ten
einde ze te drogen hing hij ze buiten het raam, en schoof dit
vervolgens weer dicht, om te beletten dat het kleedingstuk er uit
mocht vallen. Daarna kroop hij onder de dekens en was spoedig in
diepe rust. Zooals hij besteld had, werd hij om zes uur geroepen,
maar toen hij zich wilde aankleeden, bemerkte hij tot zijn schrik
dat het raam open en zijn broek naar de maan was. Blijkbaar had zijn
kamergenoot gedurende den nacht het venster geopend, zoodat de broek
op straat gevallen en door den een of ander meegepakt was. Jack keek
nog eens naar omlaag en ontdekte dat zijn buurman dien nacht onwel
moest geworden zijn. 't Is wat moois, zoo'n dronken kameraad, dacht
Jack; maar wat valt er aan te doen? Dit zeggende, stapte hij naar het
andere bed en bespeurde dat het ingenomen was door den bootsman. Wel,
dacht Jack, als die Biggs goedvindt mijn broek naar de maan te helpen,
dan heb ik toch ook het recht om de zijne te nemen of ten minste te
gebruiken om er mee naar boord te gaan. Gisteravond nog heeft hij
verklaard dat plicht boven fatsoen gaat en dat de bevelen van een
hoogergeplaatste gehoorzaamd moet worden, desnoods zonder kleeren
aan. Ik weet dat hij noodzakelijk naar boord moet en nu wil ik toch
eens zien hoe 't hem aanstaat in zijn hemdsslippen bevelen op te
volgen. Dit overwegende nam Jack de broek van den bootsman, die nog lag
te snorken, ofschoon hij al geroepen was. Jack trok het ding aan, stak
zich verder in de kleeren en verliet de kamer. Hij ging naar die van
meneer Asper, dien hij juist gereed vond en na de rekening betaald te
hebben--want Asper had ongelukkig zijn beurs vergeten--begaven ze zich
naar de vestingpoort, waar ze reeds een aantal officieren wachtende
vonden, genoeg om de eerste sloep te bezetten, die dan ook spoedig
van wal stak. Aan boord gekomen, haastte Jack zich een andere broek
aan te trekken en die van Biggs op een stoel in diens hut te leggen,
en nadat hij Mesty in vertrouwen had meegedeeld wat er aan de hand was,
begaf hij zich weer naar het dek om te zien hoe het geval zoo afloopen.

Alvorens het logement te verlaten had Jack aan den bediende gezegd,
dat er boven nog een bootsman in diepen slaap lag, die onmiddelijk
gewekt moest worden, en aan dien last was gehoor gegeven. De bootsman,
die den vorigen avond te diep in het glas had gekeken, en zooals Jack
terecht vermoedde het raam geopend had, omdat hij zich onpasselijk
gevoelde, werd wakker gemaakt en sprong, toen hij hoorde hoe laat
het al was, ijlings uit bed om zoo spoedig mogelijk zijn kleeren
aan te schieten. Daar hij zijn broek niet vond, schelde hij, in de
vooronderstelling dat ze weggenomen was om uitgeborsteld te worden,
en om geen tijd te verliezen trok hij zijn overige kleedingstukken
maar vast aan. De bediende, die op het geschel verscheen, zei dat hij
de broek niet uit de kamer had gehaald en de arme Biggs zat nu leelijk
in de klem. Wat er met zijn broek gebeurd kon zijn, begreep hij maar
volstrekt niet; hij had zelfs geen flauwe herinnering er van hoe hij
in zijn bed gekomen was; en toen hij er den bediende naar vroeg, wist
deze alleen te vertellen, dat meneer leelijk aangeschoten thuis was
gekomen en dat hij, toen hij meneer kwam wekken, het raam open had
gevonden, zoodat hij vooronderstelde, dat meneer zijn broek op straat
had gesmeten. De tijd drong, en de bootsman wist geen raad. "Maar
zouden ze hem niet een broek kunnen leenen?"

"Dat zou hij eens aan den hôtelhouder vragen."

De eigenaar van het logement wist terdege goed onderscheid te maken
tusschen de officieren van verschillende rang en begreep opperbest aan
wie hij crediet kon verleenen en aan wien niet. Hij zond den bediende
met de rekening naar boven en gaf hem de boodschap mee, dat meneer,
als hij een onderpand gaf, wel een broek kon krijgen. De bootsman
voelde al zijn zakken na, en herinnerde zich nu dat hij al zijn geld
in den zak van zijn broek had gehad. Hij kon dus niet alleen geen
onderpand geven, maar zelfs zijn rekening niet betalen. De hôtelhouder
was onverbiddelijk. 't Was al erg dat hij naar zijn geld moet fluiten,
meer kon hij er niet aan wagen.

"Ze zullen me nog voor den krijgsraad brengen!" riep de bootsman
uit. "Komaan, de vestingpoort is niet ver af, laat ik 't op een loopen
zetten en schielijk in een der sloepen wippen; ik kan dan nog wel een
andere broek aanschieten voor ik aan boord op het rapport kom." Na dat
besluit genomen te hebben ging de bootsman aan den haal, zoodat zijn
hemdsslippen in de wind fladderden, en bereikte buiten adem de plek,
waar de boot nog op hem lag te wachten. Met een wip was hij er in en
hurkte bij de stuurrepen neer, tot groote verbazing van de officieren
en de matrozen, die meende dat hij gek geworden was. Met weinig woorden
vertelde hij, dat de een of ander des nachts zijn broek had gestolen;
en daar het al laat was zette de matrozen af, terwijl matrozen zoowel
als officieren meenden te stikken van het lachen.

"Heeft er ook een van jullie een pijjekker?" vroeg de bootsman aan
de matrozen; maar het was zulk warm weer, dat niemand hunner er een
bij zich had. Biggs keek eens rond en zag dat de officieren op een
zeejekker zaten.

"Van wien is die zeejekker?" vroeg hij.

"Van mij," antwoordde Gascoigne.

"Och meneer Gascoigne, u zal wel zoo vriendelijk willen zijn me hem
even te leenen tot ik aan boord ben."

"Wel waarachtig niet!" antwoordde Gascoigne, die het ding nog liever
over boord zou gesmeten hebben, dan de grap te bederven; "toen we
een tijd geleden met windstilte bij Kaap St. Vincent lagen en ik
je om een vischsnoer vroeg, heb je gezegd dat ik naar de maan kon
loopen. Nu gaat het leer om leer en mijn jekker krijg je niet."

"Och toe, meneer Gascoigne, zoodra we aan boord zijn, zal ik u drie
vischsnoeren geven."

"Dat kan me allemaal niets schelen," antwoordde Gascoigne, die aan
het roer zat, omdat hij naar den wal gezonden was om de anderen af te
halen. "Allen aan de riemen!" kommandeerde hij nu, en weldra lagen
ze op zij van het schip. Toen de officieren opgestaan waren, rolde
Gascoigne, in spijt van Biggs dringend smeeken, zijn jekker op en smeet
hem den man toe, die den achtermeertros uitgeworpen had. Wat Biggs
toestand nog des te beklagenswaardiger maakte, was de omstandigheid
dat de eerste luitenant over de verschansing in de boot stond te
kijken en kapitein Wilson op het halfdek heen en weer wandelde.

"Komaan, meneer Biggs, ik had u al met de eerste boot verwacht,"
riep meneer Sawbridge hem toe "vlug wat, asjeblieft, want de ra's
zijn nog niet gebrast."

Biggs wist nog altijd niet hoe hij het maken zou om geen al te gek
figuur te slaan en bleef dralen, totdat de eerste luitenant driftig
uitriep: "Wat duivel, meneer Biggs, wat treuzel je toch?--ge zult
me verplichten met wat meer ijver te toonen of anders wil ik u wel
verzekeren, dat ge u in 't vervolg de moeite kunt sparen van verlof
te vragen om naar den wal te gaan. Ben je soms dronken, meneer?"

Deze laatste opmerking bracht Biggs tot een besluit. Hij sprong op en
was in een oogwenk uit de boot op het dek, waar hij voor den luitenant
aansloeg en zeide:

"Broodnuchter, meneer, maar ik ben mijn broek kwijt."

"Dat schijnt wel," antwoordde meneer Sawbridge, terwijl Biggs, wiens
hemdslippen nog maar steeds in den zeewind fladderden in deemoedige
houding voor hem stond. Maar nu kon meneer Sawbridge zich niet langer
goedhouden; schuddend van het lachen stormde hij de scheepstrap af
naar het halfdek. Meneer Biggs kon eerst na meneer Sawbridge naar
beneden gaan en het gesprek had aller aandacht getrokken, zoodat
iedereen het oog op hem richtte.

"Wat beteekent dat?" zei kapitein Wilson naar het gangboord komend.

"Plicht gaat boven fatsoen," antwoordde Jack, die veel pret had in
de grap.

Meneer Biggs herinnerde zich den dag van gisteren. Terwijl hij voor
den kapitein aansloeg, wierp hij een nijdigen blik op Jack, en pakte
zich weg naar het benedendek.

Wat de verontwaardiging van den bootsman nog verhoogde, was
de ontdekking dat zijn broek eerder aan boord gekomen was dan
hijzelf. Daaruit begreep hij, dat men hem een poets gespeeld had
en hij twijfelde geen oogenblik er aan, of onze held had 't hem
gebakken. Bewijzen kon hij dat echter niet, want hij wist niet eens
wie met hem de kamer gedeeld had. Toen Jack naar bed ging, lag hij
al in diepen slaap en bij diens vertrek was hij nog niet wakker.

Het fijne van het geval raakte op het schip spoedig algemeen
bekend en "plicht gaat boven fatsoen" werd een spreekwoord. De
bootsman stelde alles in het werk om zich op den armen jongen te
wreken, zoodat Gascoigne en Jack nooit meer een vischsnoer van hem
kregen. Het scheepsvolk had evenveel hekel aan den bootsman als aan
Vigors, terwijl Jack, zoowel om zijn stellingen over de rechten van
den mensch als om zijn ringelooren van hun twee grootste vijanden,
de gunsteling werd van de zeelui, en daar zulke gunstelingen steeds
met een bijnaam vereerd worden, noemden ze onzen held Jack Gelijkheid.



Negende hoofdstuk.

    Onze held wil liever naar beneden dan naar boven gaan;
    een keus, waarvan hij, naar we hopen in meer gewichtige
    omstandigheden zal terugkomen.


Den volgenden dag was het Zondag en, daar het weer ongunstig was,
kwam er niets van het dienst doen, maar werden de krijgsartikelen
met den daaraan verschuldigden eerbied voorgelezen, terwijl kapitein,
officieren en manschappen met hun hoeden af in een motregen stonden
te luisteren. Jack, die van den kapitein gehoord had, dat die
krijgsartikelen de wetten en voorschriften van den dienst waren,
waaraan kapitein, officieren en scheepsvolk allen gelijkelijk
onderworpen waren, volgde met gespannen aandacht de voorlezing van
den schrijver. Weinig vermoedde hij, dat er hun door de admiraliteit
ongeveer vijfhonderd verordeningen op den hals waren geschoven, die
bijna alles omvatten en in zeker opzicht den persoonlijken wil alle
beteekenis ontnamen.

Jack luisterde nauwlettend. Van de meeste artikelen begreep hij, dat
hij er nooit mee in botsing zou komen, en wat hem vooral verwonderde,
was het stellige verbod tegen het vloeken, dat toch aan boord als
een doode letter werd beschouwd. Over het geheel genomen meende hij
nu vrij wel te weten, waar hij zich aan te houden had, maar voor
alle zekerheid verzocht hij, zoodra de manschappen door een stoot
op de fluit naar beneden gekommandeerd waren, den schrijver om een
afschrift van de artikelen.

Nu had de schrijver er wel drie, maar maakte toch bezwaar er een
af te staan. Ten laatste beloofde hij, dat Jack een der copieën zou
krijgen, als hij hem daarvoor een tandenborstel wilde geven, want de
zijne was door den een of anderen gauwdief gekaapt. Jack antwoordde,
dat de door hem gebruikte al tamelijk versleten was en hij maar één
nieuwen had, dien hij onmogelijk missen kon. Daarop zei de schrijver,
die heel netjes was, en een afschuw had van vuile tanden, dat als
Jack van den nieuwen borstel geen afstand wilde doen, hij zich
tevreden zou stellen met den gebruikten. De ruil geschiedde en Jack
las nu de krijgsartikelen zoo dikwijls over, tot hij ze nagenoeg van
buiten kende.

"Zie zoo", zei Jack, "nu weet ik wat me te doen staat en waar ik me
voor te wachten heb. Zoolang ik in dienst blijf, zal ik die artikelen
steeds in mijn zak dragen, als ze het ten minste zoolang uithouden; en
al doen ze dat niet--allicht heb ik dan weer een ouden tandenborstel
om er tegen in te ruilen, want dat schijnt nu eenmaal de prijs er
van te zijn."

De Harpij bleef veertien dagen in de baai van Gibraltar liggen. Jack
had nog al eens gelegenheid om aan wal te gaan en daarbij vergezelde
meneer Asper hem geregeld.

Op een morgen kwam Jack beneden in de kajuit en vond er den jongen
Gossett huilende.

Wat scheelt er aan, mijn beste Gossett? vroeg Jack.

"Vigors heeft me met een eind touw afgerost," antwoordde Gossett,
terwijl hij zijn arm en zijn schouders wreef.

"Waarom?" vroeg Jack.

"Wel, hij beweert, dat de dienst heel in de war loopt--waaraan ik
toch geen schuld heb--en dat het gedaan is met alle gezag, nu er
nieuwelingen aan boord komen, die, omdat ze een paar tientjes op zak
hebben, maar alles mogen doen wat ze willen. Maar hij zou er eens de
hand aan houden, en bij die verklaring heeft hij me tegen den grond
gesmeten--en toen ik weer op de been was, moest ik blijven staan--en
toen haalde hij zijn eind touw voor den dag en zei, dat bij van plan
was zich eens duchtig te laten gelden en dat het maar uit moest wezen
met dien Jack zijn Gelijkheid.

"Zoo!" antwoordde Jack.

"En toen heeft hij me een half uur geranseld."

"Zoo waar als ik leef, Massa Rustig, 't is precies zoo gebeurd. Stellig
moet hij erg zwak van geheugen zijn," vervolgde Mesty, "en weer een
lesje noodig hebben van Jack Gelijkheid."

"En daar zal hij niet van vrijloopen ook," antwoordde onze held,
"hoewel het strijdt tegen het artikel dat luidt: 'alle twist en
vechterij enz.' Gossett, heb je een beetje meer begrip dan een
garnaal?"

"Jawel," antwoordde Gossett.

"Nu, wil je dan een volgenden keer doen wat ik je zeg, en op mijn
bescherming rekenen?"

"'t Kan me niet schelen wat ik doe," hernam de jongen, als gij me
maar helpt tegen dien laffen dwingeland."

"Bedoel je daar mij soms mee?" beet Vigors hem toe, die juist in de
deur van de kajuit verscheen.

"Zeg ja," fluisterde Jack.

"Ja, jou!" riep Gossett uit.

"Ei zoo, mannetje, dan zal ik je nog een beetje er van langs moeten
geven," zei Vigors en haalde zijn eind touw voor den dag.

"Je deed beter met dat te laten, meneer Vigors," merkte Jack op.

"Bemoei je alsjeblieft met je eigen zaken," antwoordde Vigors,
die volstrekt niet op zoo'n tusschenkomst gesteld was. "Ik heb
't niet tegen jou, en het zal me pleizier doen als je je niet met
mij inlaat. Ik heb, dunkt me, alle recht om zelf mijn kennissen te
kiezen, en den omgang van een gelijkheidskramer zoek ik niet, reken
daar gerust op."

"Zooals je verkiest, meneer Vigors," antwoordde Jack, "'t staat u vrij
uw eigen kennissen te kiezen, maar ik heb evengoed dat recht en zal
mijn vrienden bijstaan ook. Deze jongen is mijn vriend, meneer Vigors."

Zelfs op gevaar af van een tweede gevecht met Jack, kon Vigors toch
zijn grootspreken niet laten en hernam: "Dan zal ik zoo vrij zijn uw
vriend een pak slaag te geven," terwijl hij onmiddellijk de daad bij
het woord voegde.

"Dan zal ik zoo vrij zijn mijn vriend te verdedigen," antwoordde Jack;
"en daar gij mij een gelijkheidskramer hebt genoemd, zal ik trachten
dien naam niet te verliezen,"--en bij die woorden gaf Jack hem zulk
een peuter onder zijn oor, dat hij over het dek rolde en niet in
staat was zich weer op te richten. Jack wrong hem nu het eind touw
uit de hand en zei toen tot Gossett: "Nu geef jij hem hiermee maar
eens een duchtig pak, of anders krijg je zelf van mij er langs."

Gossett liet zich dat geen tweemaal zeggen; het genot zijn vijand
te kunnen afranselen, al was het ook maar voor eens, was al te
verleidelijk--en hij spaarde zijn krachten niet. Met gebalde vuisten
stond Jack klaar om bij het minste verzet zijn vriend te verdedigen;
maar Vigors was half versuft van den ontvangen opstopper en verroerde
geen vin, hij liet zich gedwee afrossen.

"Zoo is 't genoeg," zei Jack eindelijk; "en wees nu maar niet bang,
Gossett; den eersten den besten keer dat hij je aanraakt als ik er
niet bij mocht zijn, zal ik 't hem betaald zetten, zoodra jij 't me
verteld hebt. Ik wil niet voor niets Jack Gelijkheid genoemd worden."

Toen Jolliffe, die van het geval hoorde, onzen held weer eens alleen
aantrof, zei hij tot hem: "Neem een goede raad van mij aan, vriend,
en steek je knuisten niet telkens uit ter wille van anderen, je zult
spoedig ondervinden, dat er voor jezelven al genoeg te vechten valt."

Jack sloeg daarop een halfuur lang aan 't redeneeren, waarna ze
afscheid van elkaar namen. Maar Jolliffe had gelijk. Jack had elk
oogenblik stribbelingen, en ofschoon de kapitein en de eerste luitenant
hem hun bescherming niet onthielden, begonnen zij 't toch hoog tijd te
vinden, dat Jack tot inzicht kwam, hoe aan boord van een oorlogsschip
iedereen en alles zich aan de voorschriften te houden had.

Aan boord van Zijner Majesteit fregat Harpij was ook iemand die
Easthupp heette en den post van onderbetaalmeester bekleedde. Hoe
hij eigenlijk aan dat baantje gekomen was viel moeilijk te verklaren,
want hij had vroeger wegens dieverij op minder aangename manier met
den strafrechter kennis gemaakt. Lezen en schrijven had hij in het
werkhuis geleerd en nadat hij daaruit ontsnapt was, sloot hij zich in
Londen bij een bende jeugdige dieven aan om ten slotte zakkeroller
te worden. Zijn uiterlijk was vrij gunstig en met zijn onbeschaamde
grootspraak wist hij velen zand in de oogen te strooien; ook stak hij
altijd netjes in de kleeren en op zijn manieren viel niet veel aan
te merken. Ofschoon hij de taal deerlijk havende, was hij toch rad
van tong, en daar hij herhaalde malen met het gerecht in aanraking
was geweest, viel het niet te verwonderen, dat hij zich door en door
radikaal noemde.

Toen nu Easthupp van Jack's denkbeelden hoorde, wilde hij dadelijk
kennis met hem aanknoopen en nog eer ze Gibraltar bereikten, kwam
hij zichzelf met veel strijkages voorstellen. Onze held kon den kerel
echter al dadelijk niet uitstaan om zijn overmatige en onbeschaamde
gemeenzaamheid.

Als Jack iemand ontmoette, merkte hij aanstonds of hij met een
beschaafd man te doen had, en hij verkoos zich niet in te laten met
personen, die hij te ver beneden zich achtte. Zóó ver ging Jack's
gelijkheid niet; in theorie was alles goed en wel, maar in de practijk
lette hij er wel degelijk op, of iets in zijn kraam te pas kwam.

Maar de onderbetaalmeester was niet zoo gemakkelijk af te schepen; en
al liet Jack hem duidelijk merken, dat zijn gezelschap hem volstrekt
niet aanstond, toch klampte Easthupp hem telkens op gemeenzame wijze
aan. Ten slotte zei Jack hem ronduit, dat hij niets met hem te maken
wou hebben, waaruit een woordentwist onstond, die zóó hoog liep, dat
Jack den ander een schop gaf, die hem door het luik van het achterdek
naar beneden deed tuimelen. Dit was al een heel bedenkelijk bewijs van
Jack's gelijkheid--en Easthupp, zich in zijn eer gekrenkt achtende,
diende zijn beklag in bij den kapitein, die nu onzen Rustig bij zich
liet komen.

Niet zoodra was Jack verschenen of kapitein Wilson riep ook Easthupp.

"Wel, onderbetaalmeester, wat heb je nu eigenlijk in te brengen?"

"Met uw verlof, kapitein Wilson, het is me hoogst onaangenaam, dat
ik verplicht ben mij over iemand te beklagen, maar hier meneer Rustig
heeft goed gevonden uitdrukkingen tegen mij te bezigen, die voor een
fatsoenlijk mensch in 't geheel niet passen en bovendien heeft hij
me een schop gegeven, zoodat ik door het luik ben getuimeld."

"Is dat waar, meneer Rustig?"

"Ja, meneer," antwoordde Jack. "Herhaalde malen heb ik den kerel
gezegd, dat hij zich niet met mij bemoeien moest, en toch laat hij
't niet. Ik heb hem een radikalen ellendeling genoemd en hem een
schop gegeven."

"Heb je hem een radikalen ellendeling genoemd, meneer Rustig?"

"Ja, meneer, want hij relt me altijd aan de ooren over zijn republiek,
en beweert dat we geen koning en geen aristocratie noodig hebben."

Kapitein Wilson wisselde een veelbeteekenden blik met meneer Sawbridge.

"Ik heb inderdaad mijn politieke gevoelens kenbaar gemaakt,
kapitein Wilson, maar u gelieve niet te vergeten, dat wij allen
een gelijk aandeel in het land hebben--dat is het geboorterecht van
een Engelschman.

"Welk aandeel gij in het land hebt, begrijp ik niet goed, meneer
Easthupp," merkte kapitein Wilson op, "maar, me dunkt, als gij
dergelijke uitdrukkingen gebruiktet, had meneer Rustig ook alle recht
u zijne meening te kennen te geven."

"Ik ben volkomen bereid, kapitein Wilson, dit toe te geven voor zoo ver
het staatkundige gesprekken geldt--en dat is 't ook volstrekt niet,
waarover ik mij beklaag. Maar meneer Rustig heeft zich vermeten mij
een bedrieger en een leugenaar te noemen."

"Hebt gij die uitdrukkingen gebruikt, meneer Rustig?"

"Ja, meneer, dat heeft hij," hernam de onderbetaalmeester; "en hij
heeft er nog bijgevoegd, dat ik de manschappen en mijn patroon, den
betaalmeester, niet moest bedriegen. Wordt mij op die manier niet een
leelijke klad aangewreven, kapitein? Maar ik durf me vleien dat ik
een goede opvoeding heb genoten en vroeger verkeerde ik in deftige
kringen. Iedereen kan echter in het ongeluk geraken, en ik voel me
diep gekrenkt door die schandelijke aantijgingen." Hierop haalde
meneer Easthupp zijn zakdoek voor den dag en snoot met veel drukte
zijn neus. "Ik heb meneer Rustig gezegd, dat ik me even fatsoenlijk
achtte als hij, en in elk geval niet omging met zwarte kerels, waarop
hij goed vond me een schop te geven, zoodat ik door het luik naar
beneden tuimelde."

"Al genoeg, betaalmeester, ik heb uw klacht gehoord en gij kunt
nu gaan."

Meneer Easthupp nam met veel zwier zijn hoed af, maakte een buiging
en begaf zich langs de groote trap naar beneden.

"Meneer Rustig," zei kapitein Wilson, "gij moet weten, dat de
voorschriften van den dienst, waaraan wij allen gelijkelijk gebonden
zijn, niet veroorloven dat een officier zich op eigen hand recht
verschaft. Ofschoon ik er nu geen aanmerkingen op wil maken, dat gij
den man een radikalen ellendeling hebt genoemd, want hij verdiende
dat door het onbeschaamd opdringen van zijn meeningen, toch hebt
gij geen recht zonder reden iemands karakter aan te vallen--en daar
de man een post van vertrouwen bekleedt, stond het u volstrekt niet
vrij hem voor een bedrieger uit te maken. Wilt u me eens verklaren,
waarom ge die uitdrukking hebt gebruikt?"

Nu had onze held geen eigenlijke bewijzen tegen den man en wist
tot zijn verontschuldiging niets deugdelijks in te brengen; doch
opeens schoot hem de reden te binnen, die de kapitein zelf indertijd
tot vergoelijking der onbehoorlijke taal van meneer Sawbridge had
aangevoerd. Jack was slim genoeg om te begrijpen, dat hij doel zou
treffen, en antwoordde dus doodbedaard en eerbiedig:

"Met uw verlof, kapitein Wilson, 't was enkel dienstijver."

"Dienstijver, meneer Rustig? Dat lijkt me maar een zwakke
verontschuldiging. Maar waarom toch hebt ge den man geschopt? Dat
zoo iets in strijd was met de verordeningen, moest ge immers weten."

"Jawel, meneer," antwoordde Jack weifelend, "maar ik heb 't toch
enkel uit dienstijver gedaan."

"Vergun me dan op te merken," hernam kapitein Wilson, terwijl hij
zich op de lippen beet, "dat uw ijver in dit geval erg misplaatst was,
en zich naar ik hoop, niet weer, op die wijze zal uiten."

"En toch, meneer," zoo begon Jack weer, die begreep dat hij den
kapitein een steek onder water gaf en daarom een vrij bedeesd
gezicht zette, "toch zouden we 't in den dienst zonder ijver niet
ver brengen--en ik hoop nog eens, volgens uw eigen zeggen een zeer
ijverig officier te worden."

"Dat hoop ik ook, meneer Rustig," antwoordde de kapitein. "Doch ga
nu maar heen, en laat me niet weer hooren van schoppen, Zoo'n ijver
is totaal misplaatst."

"Waarschijnlijk meer dan mijn voet," mompelde Jack onder het heengaan.

Zoodra onze held zich verwijderd had begon kapitein Wilson hartelijk te
lachen en vertelde aan meneer Sawbridge, hoe hij indertijd diens taal
tegenover onze held voor een uitvloeisel van louter dienstijver had
verklaard, maar nu zijn troeven dubbel en dwars weer thuis gekregen
had. "Inderdaad, meneer Sawbridge, nu blijkt eerst, hoe zwak mijn
verdediging van u was, doe dus uw voordeel met het lesje."

Sawbridge vond dat ook--maar toch waren beiden 't er over eens,
dat Jack's rechten van den mensch groot gevaar begonnen te loopen.

Den dag voordat het schip weer uitzeilde, dineerde de kapitein en
meneer Asper bij den gouverneur; en daar er weinig meer te doen viel,
droeg meneer Sawbridge, die sedert het binnenloopen van de haven
nog niet van boord geweest was, voor den namiddag het bevel aan
meneer Smallsole, den stuurman, over en begaf zich aan wal om eenige
inkoopen te doen. Nu hebben we reeds opgemerkt, dat die stuurman Jack's
gezworen vijand was.--Jack lag er al met drie overhoop: met Smallsole,
met Biggs, den bootsman, en Easthupp, den onderbetaalmeester. Meneer
Smallsole was wat blij, dat hij eens het commando had en hoopte nu
gelegenheid te vinden tot het straffen van onzen held, die zich al
licht bloot zou geven.

Evenals de meeste menschen, die zelden wat te bevelen hebben, was de
stuurman overdreven lastig en bazig. Hij vloekte tegen de matrozen,
liet ze hun werk twee, driemaal overdoen, onder voorwendsel, dat het
niet vlug genoeg ging, en had op iedereen, die aan boord gebleven was,
wat aan te merken.

"'t Schijnt wel, meneer Biggs, of jullie daar vooruit allen in den dut
zijt geraakt. Denk je soms dat er niets uitgevoerd behoeft te worden,
nu de eerste luitenant niet aan boord is? Hoe lang moet 't nog duren
eer dat hijschen gedaan is?"

De nijdigheid van meneer Smallsole sloeg op meneer Biggs over, en
van den weeromstuit raakten ook de bootmansmaat en de bakmeester van
het hondje gebeten, en als meneer Smallsole begon te vloeken, liet
ook de bootsman zich niet onbetuigd. Zelfs bij den bootsmansmaat,
de baksmeester en al de matrozen vond dat voorbeeld navolging.

Meneer Smallsole kwam vooruit.

"Verduiveld, meneer Biggs, wat scheelt er toch aan? Kunnen jullie
niet wat beter aanpakken?"

"We doen ons best al, meneer," antwoordde de bootsman, "maar die
nietsdoeners op den bak staan ons in den weg." Bij die woorden wierp
meneer Biggs een blik op onzen held en Mesty, die tegen de verschansing
geleund stonden.

"Wat voer je hier uit, meneer?" riep Smallsole onzen held toe.

"Niets meneer," antwoordde Jack.

"Dan zal ik je wat te doen geven. Den mast in, en blijf daar tot
ik je weer beneden roep. Kom mee, meneer, ik zal je den weg wijzen,
vervolgde de stuurman en begaf zich achteruit. Jack volgde hem tot
op het halfdek:

"En nu naar boven, meneer."

"Waarom moet ik naar boven, meneer?" vroeg Jack.

"Voor straf, meneer," luidde het antwoord.

"Wat heb ik dan gedaan?"

"Geen praatjes meer--vooruit, naar boven!"

"Met uw verlof, meneer," hernam Jack, "ik zou de zaak eerst nog wel
willen beredeneeren."

"Wat redeneeren!" bulderde meneer Smallsole. "Naar boven voor den
donder!"

"Met uw verlof, meneer," vervolgde Jack, "de kapitein heeft me
meegedeeld, dat de krijgsartikelen de voorschriften waren, waaraan
iedereen in dienst gebonden was. Nu heb ik ze zoo dikwijls overgelezen,
dat ik ze haast van buiten ken, en er staat geen woord in over dat
den mast inzenden." Jack haalde meteen de krijgsartikelen uit zijn
zak en sloeg ze op.

"Wil je den mast in gaan, meneer, of niet?" zei Smallsole.

"Wilt u me eens wijzen, wat daarvan in de krijgsartikelen staat? Hier
zijn ze, meneer."

"Ik zeg je nog eens, meneer, den mast in, of anders zal ik je in een
broodzak laten ophijschen."

"Van broodzakken komt niets in de krijgsartikelen voor, meneer,
maar ik zal u zeggen wat er wél in staat." En nu begon Jack te lezen:

"Alle vlagofficieren, en alle personen behoorende tot de bemanning
van Zijner Majesteits oorlogschepen, zullen, indien zij zich schuldig
maken aan vloeken, dronkenschap, of andere schandelijke handelingen,
gestraft worden als volgt:--"

"Wel vervloekt!" riep de stuurman dol van woede uit, nu hij de geheele
equipage hoorde grinniken. "Wil je nu naar boven gaan, of niet?"

"Met uw verlof, liever niet."

"Dan hebt ge u als in arrest te beschouwen--ik zal je, zoo waar ik
leef, voor den krijgsraad brengen. Naar beneden, meneer."

"Met alle genoegen, meneer," hernam Jack, "dat komt volkomen overeen
met de krijgsartikelen, waaraan we ons te houden hebben." Jack stak
nu zijn afschrift weer in den zak en begaf zich naar beneden naar
de voorlongroom.

Spoedig daarop volgde hem Jolliffe, die het heele standje had
aangehoord. "Beste jongen," zei hij, "dat is een leelijk geval;
je had den mast in moeten gaan."

"Ik had er eerst eens nader over willen praten," antwoordde Jack.

"Ja, dat zou iedereen wel willen; maar als dat mocht, zou de dienst
telkens belemmerd worden--en dat gaat niet. Je hebt te beginnen met
aan het bevel te gehoorzamen; is het bevel onrechtvaardig, dan kun
je later je beklag indienen."

"Zoo staat 't niet in de krijgsartikelen."

"Maar in den dienst is het toch zoo."

"De kapitein heeft me gezegd, dat de krijgsartikelen het richtsnoer
waren voor den dienst, en dat we er allen gelijkelijk aan te
gehoorzamen hadden."

"Alles goed en wel, maar toch geloof ik niet, dat de krijgsartikelen
je veel baten zullen. Er wordt in gezegd, ieder officier, matroos,
enz. die zich schuldig maakt aan ongehoorzaamheid ten opzichte van
een wettig bevel, enz.--Welnu, valt gij niet onder de termen van
dat artikel?"

"Dat staat nog te bewijzen," antwoordde Jack. "Met een wettig bevel
wordt bedoeld een bevel, dat steunt op een wet; en waar is nu die
wet?--Bovendien heeft de kapitein me, toen ik dien lammeling een schop
had gegeven, gezegd, dat alleen de kapitein tot straffen bevoegd was,
en dat officieren niet op hun eigen handje gerechtigheid mochten
uitoefenen; hoe kan de stuurman het dan?"

"Al zou hij als bevelhebber verkeerd gehandeld hebben, dan is dat voor
u, als mindere in rang, nog geen reden om hem niet te gehoorzamen. Als
dat geoorloofd was, als elk bevel moest gewikt en gewogen worden of
het al of niet rechtvaardig was, dan zou 't met alle tucht gedaan
zijn. Vergeet ook niet, dat in den dienst het gebruik nagenoeg met
de wet gelijk staat."

"Daar valt nog al een en ander tegen in te brengen."

"In den dienst niet, beste jongen. Bedenk maar eens, dat er ook aan den
vasten wal twee wetten bestaan; de geschrevene en de ongeschrevene,
dat is: het gebruik. Natuurlijk is dat in den zeedienst ook zoo,
want men kan niet alles onder artikelen brengen."

"Maar een krijgsraad kan toch in alles voorzien," hernam Jack.

"Den dood of ontslag uit den dienst hebt gij er van te wachten--en
geen van beide is bijzonder aangenaam. Gij hebt uzelven leelijk in
de klem gebracht, en al is de kapitein u blijkbaar genegen, hij mag
het nu gebeurde niet onopgemerkt laten. Gelukkig is 't maar met den
stuurman en niet met een van de andere officieren, maar toch zult ge
moeten toestemmen, dat de kapitein het niet door de vingers kan zien."

"Ik zal u eens wat zeggen, Jolliffe," begon Jack weer, "mijn oogen
beginnen voor vele dingen open te gaan. Toen ik vreemd opkeek van een
lompe bejegening, zei de kapitein me, dat ze enkel aan dienstijver toe
te schrijven was; en nu bemerk ik, dat wat van een meerdere tegenover
een mindere dienstijver is, in het omgekeerde geval onbeschaamdheid
wordt. De krijgsartikelen heeten een richtsnoer voor allen zonder
onderscheid--maar de stuurman vergrijpt zich bij herhaling aan
artikel twee en loopt vrij, terwijl ik gestraft moet worden, omdat
ik iets weiger te doen wat niet in de artikelen wordt vermeld. Hoe
kon ik weten, dat ik voor straf den mast in moest! te meer daar
de kapitein beweerd heeft, dat hij alleen tot straffen gerechtigd
is. Als ik gehoorzaam aan een bevel, dat lijnrecht in strijd is met
dat van den kapitein, is zoo iets dan niet even erg alsof ik hem
ongehoorzaam was? Ik geloof niet dat mijn zaak zoo slecht staat,
en mijn bewijsgronden zijn niet te weerleggen."

"Toch vrees ik, dat er weinig acht op zal geslagen worden en dat de
stuurman het pleit winnen zal."

"Dat zou immers tegen alle recht en billijkheid strijden!"

"Maar volkomen overeenstemmen met de gebruiken in den dienst."

"Ik geloof, dat ik een groote dwaas ben," merkte Jack na een poos
op. "Raad eens, Jolliffe, waarom ik op zee gegaan ben."

"Omdat je niet besefte hoe goed je 't thuis had."

"Daar is veel van aan; maar toch mijn eigenlijke reden was, dat ik hier
de gelijkheid hoopte vinden, die ik aan wal tevergeefs had gezocht."

Jolliffe keek gek op.

"Beste jongen, heb ik je niet hooren zeggen, dat je die denkbeelden
van uw vader hebt overgenomen? Zonder oneerbiedig tegenover hem te
willen wezen, mag ik toch niet verzwijgen, dat hij òf een gek òf een
zonderling moet zijn, als hij op zijne jaren nog niet heeft ingezien,
dat zoo iets als gelijkheid onbestaanbaar is."

"Dat begin ik ook te denken," antwoordde Jack; "maar het is nog geen
bewijs dat 't niet zoo diende te wezen."

"Neem me niet kwalijk, maar het niet-bestaan er van bewijst op zichzelf
al genoeg. Je zoudt evengoed volmaakt geluk kunnen verwachten. Uw
vader schept zich hersenschimmen."

"'t Zal maar het beste wezen, dat ik weer naar huis ga."

"Neen, mijn waarde Rustig, het best wat je doen kunt is in dienst
blijven, want dat zal een eind maken aan al dergelijke onzinnige
denkbeelden, en je zult er een ferme, flinke kerel door worden. De
dienst is een harde, maar een goede leerschool; alles is er wel niet
onberispelijk, maar wat is er in de wereld zonder gebreken? Maar om
nog eens op het geval met Smallsole terug te komen ik geloof stellig,
dat je morgen den mast in zult moeten."

"We zullen zien," antwoordde Jack. "Ik ga nu voorloopig maar naar
kooi."



Tiende hoofdstuk.

    Onze held begint zelfstandig te handelen en te oordeelen.


Wat ook Jacks gedachten mogen geweest zijn, in elk geval werd zijn
rust er niet door gestoord. Jolliffe's beweringen, hoe gegrond ook,
hadden weinig vat op hem. "Nu," dacht Jack, "al moet ik ook den mast
in, dan bewijst dat nog niet, dat mijne bewijsgronden niet deugen,
maar enkel dat er geen gehoor aan gegeven wordt." En bij die gedachte
sloot hij de oogen en was weldra in diepe rust.

De stuurman rapporteerde het gebeurde aan den eersten luitenant en
deze aan den kapitein, zoodra die den volgenden morgen aan boord
kwam. Rustig werd nu in de kajuit ontboden om te hooren of hij ook
iets te zijner verontschuldiging had in te brengen. Jack bleef wel een
half uur lang aan het redeneeren en zette al de bewijsgronden, die hij
reeds tegen Jolliffe had ontvouwd, in het breede uiteen. Daarop werd
meneer Jolliffe gehoord en eindelijk ook meneer Smallsole ondervraagd,
waarna de kapitein en de eerste luitenant alleen gelaten werden.

"'t Is toch maar waar, Sawbridge," zei kapitein Wilson, "dat elke
afwijking van den rechten weg ons onherroepelijk in de klem brengt. Ik
heb verkeerd gehandeld. Uit zucht om den jongen aan zijn vaders
leiding te onttrekken en uit vrees dat ik hem anders niet aan boord
zou krijgen, heb ik hem den dienst veel mooier voorgespiegeld dan
ik had moeten doen. Al wat hij zegt, heb ik hem zelf voorgepraat en
zoodoende ben ik eigenlijk dengene, die hem op een dwaalspoor heeft
gebracht. Meneer Smallsole heeft zich eigenmachtig en onrechtvaardig
gedragen; hij strafte den jongen zonder dat deze iets misdreven had,
en met dat al kom ik nu maar in een leelijk parket. Straf ik den
knaap, dan doe ik dat meer om mijn eigen fout en die van anderen, dan
om de zijne. Straf ik hem niet, dan laat ik toe, dat een ernstige,
openlijke schending der krijgstucht ongewroken blijft, wat hoogst
nadeelig zou zijn voor den dienst."

"Hij moet noodzakelijk gestraft worden, meneer," antwoordde Sawbridge.

"Laat hem eens hier komen," zei kapitein Wilson.

Jack verscheen en maakte een zeer beleefde buiging.

Meneer Rustig, daar gij in de meening verkeert dat de krijgsartikelen
al de wetten en voorschriften van den dienst behelzen, wil ik
aannemen dat gij uit onwetendheid gedwaald hebt. Maar al is dit zoo,
toch zult ge wel inzien, dat zulk een schending van de tucht niet
onopgemerkt voorbij kan gaan zonder een hoogst schadelijken invloed
uit te oefenen op de manschappen, wier gehoorzaamheid gesterkt
wordt door het voorbeeld der officieren. Ik ben stellig overtuigd
van uw dienstijver, dien gij nog gisteren heb getoond in het geval
met Easthupp, en ik twijfel geen oogenblik of gij zult inzien hoe
noodzakelijk het voor mij is, door u te straffen aan de bemanning
blijk te geven, dat de tucht gehandhaafd moet worden. Daarom zal ik
u op het halfdek ontbieden en last geven in den mast te klimmen en
wel in tegenwoordigheid van de gansche equipage, want uw weigering
is ook in aller tegenwoordigheid geschied."

"Met het grootste genoegen, kapitein Wilson," antwoordde Jack.

"En in het vervolg verzoek ik u er aan te denken, meneer Rustig, dat
als een meerdere u straft, en gij u verbeeldt onrechtmatig behandeld
te worden, gij u eerst aan de straf hebt te onderwerpen, en u daarna
tot mij kunt wenden om herstel van geleden onrecht."

"Zeer zeker zal ik dat, meneer," antwoordde Jack, "nu ik maar eenmaal
weet wat uw verlangen is."

"Gij zult me verplichten met naar het halfdek te gaan en daar te
blijven tot ik kom, meneer Rustig."

Jack boog zoo diep mogelijk en verwijderde zich.

"Die goede Jolliffe heeft me wel gezegd, dat ik er aan zou moeten
gelooven," zei Jack bij zichzelf, "en hij heeft 't geraden; maar ik
laat me hangen als ik niet volkomen gelijk had, en verder kan 't me
niet schelen."

Kapitein Wilson liet den stuurman roepen en gaf hem een uitbrander
over zijn baasspelen, daar er blijkbaar geen enkele reden voor straf
was geweest. Nooit mocht hij weer een adelborst den mast inzenden,
maar hij moest van wat hij een vergrijp achtte rapport doen aan den
eersten luitenant of aan hemzelf. Vervolgens begaf hij zich naar het
halfdek, liet Rustig bij zich komen en deelde hem naar het scheen
een duchtige berisping toe, waarbij Jack echter een vrij kalm gezicht
zette, omdat hij wel wist dat de kapitein alleen uit dienstijver hem
een standje maakte. Daarna kreeg onze held bevel den mast in te gaan.

Jack nam zijn hoed af en deed drie of vier stappen om aan het bevel
gevolg te geven, maar keerde toen eensklaps terug en vroeg met een
allerbeleefdste buiging of het kapitein Wilsons bedoeling was dat
hij in den fokkemast, of wel dat hij in den grooten mast zou klimmen.

"In den grooten, meneer Rustig," antwoordde de kapitein en beet zich
op de lippen. Jack klauterde een sport of drie den Jacobsladder op,
maar hield toen opnieuw stil en nam zijn hoed af.

"Verschoon me, kapitein Wilson--gij hebt me niet gezegd of het uw
wensch was dat ik tot de steng of tot de bramdwarszalings....

"Tot de bramdwarszalings, meneer Rustig," viel de kapitein haastig in.

Jack klom nu op zijn gemak naar boven, hield bij de groote mars
even stil om adem te scheppen, wat verderop om eens rond te kijken
en kwam ten slotte op de bedoelde plek, waar hij zitten ging en zijn
krijgsartikelen voor den dag haalde om ze nogmaals te doorlezen, ten
einde te zien of bij aan zijn betoog soms nog meer kracht had kunnen
bijzetten. Nog nauwelijks had hij 't tot het zevende artikel gebracht
of er werd geroepen: "Anker op!" en meneer Sawbridge kommandeerde:
"Alle hens beneden!"

Jack vouwde nu zijn afschrift op en kwam even langzaam naar omlaag
als hij naar boven geklauterd was. Hij was een veel beter wijsgeer
dan zijn vader.

Weldra was de Harpij onder zeil en richtte den steven naar Kaap de
Gata, waar kapitein Wilson een paar Spaansche schepen hoopte in te
rekenen, om daarna koers te zetten naar Toulon, waar hij bevelen van
den admiraal zou ontvangen.

Zwakke briesjes en windstilten wisselden elkaar af, zoodat de vaart
erg vervelend was; maar de booten werden telkens uitgezet om langs
de kust jacht te maken op schepen. Meestal verzocht Jack om daarbij
dienst te mogen doen, en ofschoon hij nog maar kort op zee was, kon
hij toch om zijn leeftijd en kracht tot de meest bruikbare adelborsten
gerekend worden, zoolang hem niet een of andere gril in het hoofd
kwam. Jack had dan ook tot nog toe al die tochten meegemaakt en zich
daarbij steeds voorbeeldig gedragen.

Toen de Harpij op de hoogte van Tarragona was, deden er zich aan boord
verscheidene gevallen van buikloop voor; ook Asper en Jolliffe waren
onder de lijders. Hierdoor werd het aantal der officieren beperkt
en juist in die dagen had de bemanning van een visschersboot,
in de hoop van daardoor zelf vrij te komen, medegedeeld dat er,
zoodra de wind gunstig zou zijn, van den kant van Rosas een klein
konvooi koopvaardijschepen zou opkomen onder bedekking van twee
kanonneerbooten.

Kapitein Wilson hield behoorlijk uit den wal, totdat de wind
veranderde en, nadat hij aan de schepen den tijd had gegund om den
afstand tusschen Tarragona en Rosas af te leggen, legde hij 't er in
den avond op aan om ze weer in te halen. Maar de wind ging opnieuw
liggen en nu werden de sloepen uitgezet met het doel om langs de
kust te varen, want men veronderstelde dat de vaartuigen niet veraf
konden zijn. Meneer Sawbridge voerde in de pinas de expeditie aan;
de eerste kotter stond onder bevel van den konstabel Minus; en, daar
de andere officieren ziek waren, gaf Sawbridge aan Jack, met wien hij
dagelijks meer ophad, op zijn verzoek het kommando over den tweeden
kotter. Zoodra Mesty dat hoorde, gaf hij aan onzen held te kennen,
dat hij mee wenschte te gaan. Jack wist nu te bewerken, dat Mesty mee
mocht als plaatsvervanger van een der mariniers, die onder de lijders
aan buikloop behoorde, en de eerste luitenant vond daar geen bezwaar
in, vooral daar Mesty als een handige kerel bekend stond.

Om tien uur in den avond verlieten de booten het schip; en daar zij
misschien eerst laat op den volgenden dag zouden terugkeeren, werd
er voor één dag beschuit en rum mee aan boord genomen, opdat er geen
gebrek zou geleden worden. De booten hielden op den wal aan en voeren
drie uren langs de kust zonder iets te zien; 't was een heldere avond,
maar zonder maanlicht. De windstilte duurde voort en reeds begonnen
de roeiers vermoeid te worden, toen zij opeens bij een landtong het
konvooi onder een lichten bries met gebraste zeilen zagen naderen.

Onmiddellijk beval meneer Sawbridge het roeien te staken en zich
onder afwachting voor den aanval gereed te maken.

De witte zeilen van de kanonneerboot vooraan waren nu duidelijk te
onderscheiden van de andere vaartuigen, die alle zonder eenige orde
in haar zog voeren. Als een fiere zwaan gleed zij over het water,
de zeilen stonden gespannen en ze had een vaart van drie knoopen in
het uur.

Sawbridge liet de booten met de koppen recht op haar aanhouden en,
eer ze er op verdacht was, bevond ze zich tusschen de barkas aan
den eenen en de twee kotters aan den anderen kant; de tegenstand was
gering, maar toch werden er eenige geweer- en pistoolschoten gelost,
waardoor alarm werd gemaakt. Meneer Sawbridge vermeesterde ze met de
bemanning van de barkas, terwijl hij de kotters op de grootste schepen,
van het konvooi afzond. Maar nu kwam de tweede kanonneerboot, die tot
nog toe niet gezien was, plotseling opdagen om haar kameraad te hulp
te schieten.

Sawbridge kommandeerde de helft van zijn manschappen in de barkas,
die van een stuk zwaar geschut voorzien was en zond haar aan de kotters
te hulp, die recht op de kanonneerboot aanstevenden. Er werd tegen de
naderende booten een hevig vuur geopend, maar daar de bevelvoerende
officier van de kanonneerboot geen hulp kreeg van de andere, begon
hij te meenen dat ze al prijs gemaakt was, loefde bij den wind op en
koos de volle zee. Onze held zette haar na, ofschoon hij de andere
booten uit het gezicht had verloren; maar de wind werd aangewakkerd en
alle vervolging werd vruchteloos. Daarom richtte hij zijn koers naar
het konvooi en na ingespannen roeien klampte hij een eenmaster van
ongeveer vijftig ton aan boord. Metsy, wiens oogen zoo scherp waren
als die van een valk, had opgemerkt dat, toen er alarm werd gemaakt,
verscheidene van het konvooi nog niet den hoek om waren en daarom
stelde hij voor met dit vaartuig, dat zeer licht was, korte gangen te
maken, de landtong om te zeilen, alsof ze op de vlucht waren, en op
die wijze gelegenheid te vinden nog eenige andere buit te maken. Het
konvooi, dat de hoek reeds om was, had met de kanonneerboot onder
een stevige bries het ruime sop gekozen. Het achterna te zetten was
dus nutteloos; en enkel het voorstel van Mesty bood eenige kans aan.

Zoo was hij met een gang of drie, vier ongeveer zes of zeven mijlen
verder gekomen, toen hij aan lij seinen tot terugroeping bespeurde,
waaraan het geschut kracht bijzette.

"Meneer Sawbridge verlangt, dat we terug zullen komen, Mesty."

"Laat meneer Sawbridge zich met zijn eigen zaken bemoeien." antwoordde
Mesty, wij hebben toch al die moeite van het laveeren niet voor
niet gedaan."

"Maar Mesty, we moeten de bevelen gehoorzamen."

"Jawel, zoolang ze ons onder den duim hebben; maar nu moeten we
doen wat we zelf willen. Als hij me terug wil zien, moet hij me
maar vangen."

"Maar wij zullen van het schip afdwalen."

"Dat vinden we wel terug, Massa Rustig."

"Maar ze zullen denken, dat we verongelukt zijn."

"Des te beter, we moeten niet achter ons zien, Massa Rustig; we kunnen
nu eens een prachtigen tocht hebben. Morgen nemen we een groot schip,
gaan onder zeil, nemen er nog meer, en gaan dan naar Toulon."

"Maar ik weet den weg niet naar Toulon; ik weet alleen dat het dien
kant uit ligt, en meer niet."

"Dat is genoeg, wat behoeven we meer te weten? Vooronderstel eens,
Massa Rustig, dat wij de vloot niet vinden, dan zal de vloot ons
spoedig vinden. Er is hier nog nooit iemand verloren geraakt. Laat in
't vervolg een ander beschuit roosteren en den ketel te vuur zetten
voor de heeren. Zoo'n moorddadige Ier! als ik er nog aan denk, Massa
Rustig--ik pot koken, ik, die in mijn eigen land een vorst was!"

Rustig was het vrij wel met Mesty eens; "want," zoo redeneerde hij,
"als ik nu terugkeer breng ik enkel een klein vaartuig half vol boonen
mee en ik zou me schamen me te vertoonen. Nu zullen ze wel vermoeden,
dat de kanonneerboot ons in den grond heeft geboord, maar ze kunnen dan
ook wijzen op een gevecht met een kanonneerboot. Het zal den schijn
hebben, alsof er veel feller gestreden is dan werkelijk het geval
was, en dat kan meneer Sawbridge tot voordeel strekken. En wat een
blijdschap, als ze later ontdekken dat we niet om zeep zijn geraakt,
te meer als we bovendien buit mee brengen--wat stellig gebeuren moet,
of anders ga ik niet terug. 't Komt niet dikwijls voor, dat iemand
een kommando krijgt als hij pas twee maanden op zee is en nu ik er
eenmaal een heb, wil ik 't niet weer afstaan. Meneer Smallsole moet
maar een ander zien te vinden om den mast in te zenden. Het spijt me
alleen voor dien armen Gossett; houdt Vigors mij voor dood, wat zal hij
't dien armen stakker dan benauwd maken--maar als ik terugkom zal hij
er van lusten. In elk geval wil ik van mijn kruistocht niet afzien."

"Ik heb er de manschappen over gesproken, Massa, en ze zeggen allen,
dat ze als een klis zullen aanhangen. Nu dat in orde is, moesten we
maar niet langer talmen."

Korten tijd na deze beslissing van den kant van onzen held, brak de
dag aan. Jack keek eerst aan lij en bespeurde dat de kanonneerboot
en het konvooi ongeveer tien mijlen verder met volle zeilen op de
kust aanhielden, achtervolgd door de Harpij. Hij kon ook waarnemen,
dat de veroverde kanonneerboot hun 't ontsnappen poogde te beletten.

"De Harpij zal ze gauw ingerekend hebben!" riep Mesty uit.

Zij hadden 't zoo druk met naar de Harpij en het konvooi te kijken,
dat ze een tijd lang geheel en al vergaten op de loefzijde te
letten. Eindelijk wendde Mesty de oogen dien kant uit.

"Te deksel! ik heb toch wel goed gezien gisterennacht; kijk maar,
Massa Rustig--een brik en twee schoeners--die zijn ons. We zullen
vannacht goeden buit maken."

De door Mesty ontdekte schepen waren niet meer dan drie mijlen te
loevert op verwijderd en hadden alle zeilen bijgezet om spoedig onder
bescherming van een nabijgelegen batterij te komen.

"Nu moeten we vooral zorgen, Massa, dat ze onze boot niet in de
gaten krijgen; laten we liever wat meer afhouden, totdat zij voor
den nacht het anker laten vallen; als het dan donker is geworden,
pakken wij ze in."

Mesty's raad was goed, behalve dat hij onzen held niet tot
ongehoorzaamheid aan de bevelen had moeten aanzetten. Zij deden al hun
best om te zorgen, dat het schip niet te dicht bij de anderen kwam,
en sloegen de bewegingen van de Harpij nauwkeurig gade.

De afstand was te groot om duidelijk te kunnen onderscheiden, maar
Mesty klom in den mast van het schip en hield Jack geregeld op
de hoogte.

"Daar valt een schot--al weer een. Dat is onze kanonneerboot--neen toch
niet. Wacht, daar heb je ze. Jongens, wat geven ze vuur! Bom, bom,
bom! De Spanjaard krijgt 't leelijk te kwaad, hij houdt op met vuren
en strijkt de vlag al. De Harpij rekent ze allen in. Laten we ons nu
maar niet te veel vertoonen; enkel twee man aan dek en de jekkers uit,
dat ze ons niet herkennen."

Mesty had goed gezien; de Harpij had de andere kanonneerboot en
het heele convooi vermeesterd. Het eenige, waarover ze zich bij dat
buitenkansje te beklagen hadden, was de verdwijning van meneer Rustig
en den kotter; zeker was hij door een schot van de kanonneerboot in den
grond geboord en de gansche bemanning verdronken. Kapitein Wilson en
meneer Sawbridge betreurden het verlies van onzen held innig, omdat ze,
als eenmaal de wilde haren er uit zouden zijn, veel van hem verwacht
hadden, Ook meneer Asper speet het zeer, vooral omdat met Jack ook
zijn beurs verdwenen was, en de kleine Gossett beklaagde zich het
meest, omdat hij nu van Vigors geen genade meer te wachten had. Enkele
echter waren blij, dat hij weg was. Vier en twintig uren werden de
verloren gewaanden betreurd, wat voor een oorlogsschip al heel lang
is, en daarna dacht niemand meer aan hen. We laten nu de Harpij haar
weg naar Toulon voortzetten en zullen zelf onzen held volgen.

De bemanning van den kotter begreep zeer goed, dat Jack tegen de
bevelen handelde, maar iedere afwisseling van het eentonige leven op
een oorlogsschip was hun welkom.

Er moest echter spoedig wat gedaan worden, want ze hadden maar voor
één dag proviand bij zich en ook op het Spaansche schip vonden ze haast
niets dan boonen. Een deel er van werd in een ketel gedaan om er soep
van te koken en nu was het dien eersten dag boonensoep voor ontbijt,
boonensoep voor het middagmaal en altijd maar weer boonensoep, wat
Jack lang niet beviel.

Door een der matrozen, die wat Spaansch verstond, werden nu de drie
gevangenen, die op het schip waren, ondervraagd naar de vaartuigen te
loevert, maar zij wisten niet meer te vertellen, dan dat ze waarde
inhadden en dat het eene van geschut voorzien was. Zoodra de zon
onderging, lieten de schepen op de hoogte van de batterij de ankers
vallen. Er bleef een flauw briesje waaien en het schip, waarop Jack
zich bevond, was omstreeks vier mijlen aan lij. De Harpij was geheel
uit het gezicht geraakt, en 't werd nu tijd te beslissen wat men doen
zou. Zoodra het donker geworden was, liet Jack al de manschappen
bijeenkomen en hield een vrij lange toespraak. Hij wees er op, hoe
zijn ijver er hem toe gebracht had niet naar de Harpij terug te keeren,
voordat hij iets mee kon brengen wat de moeite waard was; het eten van
altijd maar boonen en nog eens boonen was verre van pleizierig en hun
toestand eischte noodzakelijk verbetering; op nog geen vier mijlen
afstand lag een groot schip, dat hij van plan was te vermeesteren;
hadden ze dat eenmaal dan zouden ze er nog meer nemen; hij rekende op
hun dapperheid en stelde zich van den kruistocht heel wat voor. Zij
moesten zich beschouwen als aan boord van een oorlogsschip, zoodat ze
gebonden waren door de krijgsartikelen, die voor allen evenzeer golden,
en in geval zij ze vergeten mochten zijn, had hij een afschrift in
zijn zak, dat hij morgenochtend zou voorlezen, zoodra zij aan boord
van het schip goed op orde waren. Daarna benoemde hij Mesty tot eersten
luitenant, den marinier tot sergeant, den kwartiermeester tot bootsman;
twee matrozen tot adelborsten om wacht te houden; twee anderen tot
bootsmansmaats en de twee, die nog overbleven, werden aangewezen tot
stuurboord- en bakboord-wacht. De bemanning van den kotter was zeer
tevreden met Jacks toespraak en met hun bevordering en nu volgde er een
gewichtige beraadslaging hoe men het moest aanleggen om het vreemde
schip te veroveren. Naar Mesty's raad besloot men niet ver voor het
schip te ankeren, tot twee uur in den morgenstond te wachten, en het
dan met den kotter zoo stil mogelijk te naderen en te vermeesteren.

Tegen negen uur ankerden zij en Jack bemerkte tot zijn verwondering,
dat het schip vrij wat grooter was dan hij vermoed had. De Spaansche
gevangenen werden aan handen en voeten gebonden en men zorgde er voor
dat ze geen geluid konden geven; de zeilen werden geborgen en alles
was doodstil.

Aan boord van het Spaansche schip daarentegen heerschte veel drukte
en leven, en omstreeks half elf zagen ze een boot afzetten en naar
de wal roeien; daarna hield het rumoer langzamerhand op. de lichten
gingen een voor een uit en toen was alles stil.

"Wat dunkt je, Mesty?" zei Jack; "zouden we het nemen?"

"Of we het nemen zullen? Zeker zullen we dat, wacht maar even, laat
ze eerst maar in vasten slaap zijn."

Tegen twaalven begon het te motregenen, wat de plannen van onzen
held zeer te stade kwam. Daar het echter te voorzien was dat de
lucht spoedig weer zou ophelderen, raadde Mesty aan nu niet langer
te dralen. Zij kropen zoo stil mogelijk in de boot, roeiden slechts
met twee riemen, lagen weldra onder den boeg van het schip en klommen
langs de ankerkettingen op het dek, waar ze niemand vonden. "Pas op,
niet schieten!" zei Mesty tegen de manschappen die boven kwamen en lei
hun daarbij den vinger op de lippen, om tot stilte aan te manen. Toen
allen op het dek waren en de boot vastgelegd was, gingen ze onder
geleide van Jack en Mesty behoedzaam rond, zonder een levende ziel
te ontdekken. De luiken waren allen zorgvuldig gesloten, maar in het
kompashuisje brandde een licht. Twee man werden naar voren gezonden
om daar de wacht te houden en nu werd er bij het stuurrad overlegd
wat er gedaan moest worden.

"Het schip is ons!" zei Mesty, "maar we moeten heel voorzichtig te werk
gaan. Daar ligt er geloof ik eentje tusschen de kanonnen te slapen. Als
de regen even vermindert, kunnen we beter zien. Stil allemaal."

"Er moeten heel wat manschappen op dit schip zijn," merkte onze held
op; "het is vrij groot en voert twaalf of veertien stukken geschut--hoe
zullen we er ons meester van maken?

"Dat komt in orde, zoodra 't maar wat lichter wordt," antwoordde Mesty.

"De regen heeft al opgehouden," zei Rustig. "Als we die lantaren eens
uit het kompashuisje namen en rondlichten?"

Dit geschiedde en weldra vonden ze tusschen twee van de kanonnen een
hoop onder eenige dekens liggen. "Daar heb je de wacht," fluisterde
Mesty; "geduld even--we zijn noch niet klaar."

Mesty blies het licht uit en allen keerden terug naar het
kompashuisje. Dicht bij den bezaansmast vond onze neger een kabel,
waarvan hij eenige stukken afsneed en die hij aan de anderen te
splitsen gaf. In een oogenblik waren er nu een menigte einden touw
om de manschappen mee te binden.

"Nu de lantaren weer opgestoken, dan zullen we die luie honden eens
inrekenen. Stop hun vooral den mond, dat ze geen kik kunnen geven."

"Maar als ze nu eens den mond vrij krijgen en een schreeuw
laten?" vroeg Jack.

"Dan geen pardon meer?" antwoordde Mesty met een bijna duivelsche
uitdrukking op zijn gelaat en liet het mes zien, dat hij in de
rechterhand hield.

"O neen, geen moord!"

"Als het anders kan, dan zeker niet, Massa. Maar wat zal er van ons
worden als zij de overhand krijgen? De Spanjaarden hebben ook messen
en maken er duchtig gebruik van."

Zij slopen nu behoedzaam naar de plek waar de Spanjaards lagen. De
maatregelen waren goed genomen. Twee man moesten proppen in de monden
stoppen en de anderen handen en voeten binden. Mesty en Rustig knielden
bij het kaarslicht naast hen neer en hielden de messen opgeheven om
hen het zwijgen op te leggen, of toe te stooten, als hun eigen behoud
dat vereischte.

De dekens werden van den eersten man afgelicht; hij sloeg de oogen
op, maar de bootsman had hem de hand al op den mond--en hij werd
zonder gerucht geboeid. De beide anderen werden wakker en wierpen
hun bedekking af, maar ook zij werden ingerekend, zonder dat er bloed
behoefde gestort te worden.

"Wat nu gedaan, Mesty."

"Nu het achterluik opengezet en opgepast--zoodra er een boven komt
wordt hij gekneveld; komen er geen meer boven, dan wachten we tot de
dag aanbreekt en zien hoe het er mee staat."

Mesty ging eens op den bak kijken of er wel goed wacht gehouden werd,
en na het heele dek rondgeweest te zijn blies hij de kaars uit en
vatte met de overigen post bij het achterluik.

Met het aanbreken van den dag ontwaakten de Spanjaarden, die de wacht
moesten overnemen, kleedden zich en kwamen aan dek zonder een flauw
vermoeden, dat de Engelschen er meester zouden zijn. Mesty en de
overigen hielden zich terug en lieten allen boven komen zonder dat
zijzelf opgemerkt werden. Er waren er vier, die slaperig rondkeken,
waar hun kameraads toch wel wezen mochten.

Het luik werd door Jack weer gesloten, en eer zij goed wisten wat
hun overkwam, waren allen vier stevig geboeid, zonder dat er een kik
was gelaten.

Intusschen begon het vrij licht te worden en zij bespeurden nu
dat ze een flink schip vermeesterd hadden--maar er viel nog meer
te doen. Natuurlijk bevonden zich een aantal manschappen op het
schip en bovendien waren ze geen mijl verwijderd van de batterij
op de kust. Mesty liet nu boven het rooster van het voorluik een
flinken kabel opschieten, zoodat de zwaarte daarvan het openen van
den binnenkant belette.

"De hoofdzaak is nu, meneer Rustig, dat we den kapitein in onze macht
krijgen; we moeten hem op het dek lokken. Zet het kajuitsluik open en
houd het achterluik goed gesloten. Laat er twee man bij post vatten
en de overigen naar achteren komen."

"Ja," antwoordde Jack, "'t zal heel wat moeite in hebben ons van den
kapitein te verzekeren. Hoe krijgen we hem boven?"

"Hem boven krijgen? O, dat zal best gaan."

Mesty begon nu met een opgerolden kabel een vreeselijk misbaar op het
dek te maken. Kort daarop hoorde men een driftig schellen van uit de
kajuit en een oogenblik later kwam er een man de kajuitstrap ophollen,
doch werd onmiddelijk ingerekend.

"Dat is de oppasser maar," zei Mesty, "hij komt vertellen, dat we
niet zoo'n verduiveld leven moeten maken. Wacht even--we zullen den
kapitein zoo kwaad maken, dat hij zelf voor den dag komt."

Mesty hervatte nu het leven maken met den kabel, en het gevolg was
zooals hij voorspeld had. Binnen weinige minuten kwam de kapitein
zelf woedend naar boven stuiven. Zoodra zij de kajuitsdeur hoorden
opensmijten verscholen zich de matrozen en onze held achter de vrij
hooge kap van het luik, ten einde den kapitein gelegenheid te geven om
geheel en al op het dek te komen. De manschappen, die reeds gekneveld
waren, lagen onder de dekens. De kapitein was een forschgebouwd man
en het kostte heel wat moeite hem meester te worden.

"Nu zijn we klaar," zei Mesty, "het schip is ons; maar ik moet hem
angst aanjagen."

De kapitein was op het dek tegen een der kanonnen gezeten en Mesty
hield met zijn langen, gespierden arm zijn scherp mes dreigend
boven hem opgeheven, alsof hij elk oogenblik gereed stond hem in het
hart te treffen. De Spaansche kapitein vond zijn toestand verre van
aangenaam. Hij werd nu ondervraagd omtrent het getal der manschappen
en officieren en beantwoordde alle vragen naar waarheid. Strak hield
hij den blik gericht op het onheilspellende gelaat van Mesty, die
slechts op een wenk scheen te wachten.

"De zaak is nu bijna gezond," zei Mesty. "We moeten nu naar beneden
en de overige manschappen inrekenen."

Dit voorstel werd door onzen held goedgekeurd. Na hunne pistolen van
de gangspil genomen te hebben, snelden ze met getrokken messen naar
beneden en vonden er allen ontkleed in de hangmatten liggen. Ofschoon
hun getal het dubbele bedroeg van dat der Engelschen, had toch
de weerstand niet veel te beduiden. In weinige minuten waren de
Spanjaarden in het scheepsruim gesmeten en de luiken boven hen
gesloten. Alle gedeelten van het schip waren thans in hun macht behalve
de kajuit. Zij vonden er de deur gesloten en moesten die met geweld
openstooten, waarop ze ontvangen werden met luide angstkreten van den
eenen kant der kajuit en van den anderen met een paar pistoolschoten,
gelost door een man op jaren en een jongmensch van ongeveer den
leeftijd van onzen held. Beiden werden spoedig overweldigd en
gekneveld. De kajuit werd nagezocht, en niets er in gevonden dan
drie vrouwen; een oude, gerimpelde dame en twee mooie jonge meisjes,
wier gelaatstrekken echter op dit oogenblik door angst verwrongen
waren. Jack groette met een beleefde buiging en deelde haar mede,
dat zij niets te vreezen zouden hebben. Daar zij evenwel geen Engelsch
verstonden, kreeg hij geen antwoord.

Mesty maakte een eind aan Jacks complimenten, door hem er op te wijzen,
dat ze allen naar dek moesten. Jack nam nu nogmaals zijn hoed af,
boog en verliet met zijn manschappen en de beide gevangen heeren de
kajuit. Het was nu vijf uur in den morgen en er kwam beweging aan boord
van de andere schepen, die niet ver van het veroverde verwijderd lagen.

"Wat nu met de gevangenen gedaan?" zei Jack. "Als we eens ons eigen
schip langs zij lieten komen, en ze er allen gekneveld en wel op
overbrachten? Dan waren we van hen af."

"Dat is een goed denkbeeld, Massa Rustig. Maar als we onze eigen
sloep uitzenden, wat zullen ze dan aan boord van de andere schepen
denken? Laten we liever de kleine boot strijken en met vier man ons
vaartuig ongemerkt langs zij zien te brengen."

Dit geschiedde; de kotter lag aan de buitenzijde van het schip,
dat het meest uit den wal lag, en kon dus voor de overige Spaansche
schepen en voor de kustbatterij licht verborgen blijven. Spoedig was
het vaartuig langs zij gebracht en waren de zeven gevangenen, die
op het dek gekneveld lagen, in het ruim neergelaten, behalve echter
de kapitein, de twee gevangenen uit de kajuit en de oppasser van den
kapitein. Vervolgens gingen ze naar beneden, zetten het luik half open
en bevalen de Spanjaards naar boven te komen; zoodra ze aan dek waren,
werden ze op dezelfde wijze behandeld. Mesty en de matrozen gingen
beneden onderzoeken of er soms nog verscholen gebleven waren, maar
zagen spoedig dat dit niet het geval was en kwamen weer boven. In het
geheel waren er nu dertig gevangenen. Zoodra die allen in de schebek
waren overgeladen, verwijderde deze zich en ankerde wat verder in zee,
en Jack zag zich nu in het bezit van een uitmuntend schip met veertien
stukken, terwijl hij bovendien drie mannelijke en drie vrouwelijke
gevangenen had gemaakt.

Nadat de matrozen met de boot teruggekomen waren van het vaartuig,
waarin de gevangenen in verzekerde bewaring waren gebracht, vermomden
allen zich op raad van Mesty als Spaansche zeelieden, waartoe de in
overvloed voorhanden kleedingstukken ruimschoots gelegenheid boden.

"Wat nu gedaan, Mesty?" vroeg Jack.

Nu moeten er een paar man omhoog om de zeilen in orde te brengen
en intusschen zal ik dezen knaap--hij wees op den bediende van den
kapitein--ontboeien en hem een ontbijt klaar laten maken, want hij
weet waar de boel te vinden is."

"Opperbest, Mesty, want van die boonensoep heb ik meer dan genoeg. Ik
zal intusschen naar beneden gaan om de dames mijn compliment te maken."

Mesty keek over de verschansing.

"Doe dat maar heel gauw, meneer Rustig, want dat verduivelde vrouwvolk
is daar waarachtig bezig om met zakdoeken de aandacht van de batterij
te trekken. Gauw, meneer Rustig!"

Mesty had gelijk. De Spaansche meisjes wuifden met haar zakdoeken om
hulp; en dat was ook al wat de arme schepsels doen konden. Jack haastte
zich naar de kajuit, drong de jonge dames zoo beleefd mogelijk van de
raampjes terug en verzocht haar zich niet zooveel moeite te geven. De
meisjes keken erg onthutst en nu ze niet langer met de zakdoeken wuiven
konden, brachten zij die aan de oogen en begonnen te schreien, terwijl
de oude dame op de knieën viel en de handen smeekend ophief. Jack
richtte haar op en geleidde haar beleefd naar een der banken.

Intusschen had Mesty met het glinsteren van zijn mes en het grijnzen
van zijn gezicht wonderen gedaan bij den hofmeester, want dat was de
man. Een ontbijt van chocolade, gezouten vleesch, ham en worst, met
beschuit en rooden wijn stond op het halfdek gereed. De matrozen waren
uit het want gekomen en Jack werd naar het dek geroepen. Hij bood aan
ieder der jonge dames een hand en verzocht de oude dame hem te volgen;
deze begreep dat weigeren niet raadzaam zou zijn en vergezelde hem dus.

Zoodra de vrouwen aan dek de twee gevangenen uit de kajuit gekneveld
zagen, snelden zij op hen toe en omhelsden hen onder tranen. Jacks
hart werd week en daar er nu niets meer te vreezen viel, vroeg hij
Mesty om zijn mes en sneed de twee Spanjaarden los, waarna hij op het
ontbijt wees, ten einde hen daartoe uit te noodigen. De Spanjaards
maakten een buiging en de dames bedankten Jack met een lieven glimlach;
en de kapitein van het schip, die nog altijd geboeid tegen een kanon
lag, keek alsof hij zeggen wou: Wat duivel, waarom vraag je mij ook
niet? Maar ze hadden zooveel moeite gehad om hem meester te worden,
dat Jack er niet bijzonder op gesteld was hem weer vrij te laten. Onze
held en de matrozen begonnen aan het ontbijt en daar de gevangenen geen
trek in eten schenen te hebben, werd hun portie ook maar verorberd. De
oudachtige heer vroeg intusschen aan Jack of hij Fransch kon spreken.

Met een mond vol worst antwoordde Jack dat hij die taal verstond en
nu begon een onderhoud, waaruit hij het volgende te weten kwam:

De oudachtige heer was op reis naar Tarragona. De jonge man was
zijn zoon en de dames waren zijn vrouw en zijn beide dochters. Jack
beantwoordde die mededeeling met een beleefde buiging, waarop de
heer, wiens naam Don Cordova de Rimarosa luidde, verzocht te mogen
weten wat Jack met hen voornemens was te doen, terwijl hij van hem
hoopte, dat hij hen als niet-strijders met hun have en goed aan wal
zou laten zetten. Jack deelde dit alles aan Mesty en de overigen
mede en at vervolgens zijn worst verder op. Na eenig over en weer
gepraat beweerde Mesty, dat vrouwen op een schip maar last was en ook
de bootsman vond dat er altijd ruzie uit voortkwam. Jack haalde nu de
"krijgsartikelen" voor den dag en daar er niets over vrouwen in stond,
gaf hij te kennen dat ze onmogelijk aan boord konden blijven.

Nu moest er nog uitgemaakt worden of ze hun bagage zouden mogen
meenemen; en dit werd ten slotte toegestaan. Jack gelastte
den hofmeester zijn kapitein wat eten te geven en deelde aan den
Spaanschen Don den uitslag van het beraad mede, er bij voegende,
dat hij, zoodra de duisternis gevallen was, allen aan boord van het
kleine vaartuig zou overbrengen, waar zij de manschappen loslaten en
naar believen handelen konden. De Don en de dames betuigden hun dank,
en gingen naar beneden om hun boeltje te pakken; Mesty wees twee man
aan om hen te helpen en er op te letten, dat ze zich niet bezwaarden
met klinkende munt, zoo die aan boord gevonden mocht worden.

Gedurende den dag maakte de bemanning toebereidselen om onder zeil
te gaan. De hofmeester had de bottelarij van het schip onderzocht en
bevonden dat er voor minstens drie maanden genoeg was aan water,
wijn en mondbehoeften, behalve nog de versnaperingen voor de
kajuitstafel. Van het bemachtigen van nog meer schepen werd geheel
afgezien, omdat de bemanning al genoeg te doen had met het eene, dat in
hun handen was gevallen. Er stak een frissche bries op en ze zetten hun
fokkemarszeilen bij, juist toen een boot van wal stak; maar deze keerde
terug, zoodra zij zag, dat de fokkemarszeilen bijgezet waren. Dit
was een geluk, want anders zou alles ontdekt zijn. De overige schepen
gingen nu ook onder zeil en men hoorde overal de ankers lichten.

Maar de Nostra Senora del Carmen, die door Jack was buitgemaakt,
verroerde zich niet. Eindelijk ging de zon onder, de bagage werd
in den kotter geplaatst, de dames en verdere passagiers stapten in
de boot onder dankbetuiging aan Jack, die de hand op zijn borst
lei en een buiging maakte; het laatst van allen werd de kapitein
ingelaten. Vier wel gewapende matrozen brachten hen met hun goed aan
boord van de schebek en keerden vervolgens naar het schip terug. De
kotter werd nu opgeheschen; daar het anker te zwaar was om te lichten,
kapten ze den kabel en gingen onder zeil. De andere schepen volgden hun
voorbeeld. Mesty en de matrozen sloegen er begeerige blikken op, maar
dat hielp niet. Zoo zeilden ze omstreeks een uur lang in gezelschap
en toen stak Jack bij den wind op om zijn tocht te ondernemen.



Elfde hoofdstuk.

    Onze held ondervindt dat zoo'n tocht ook zijn onaangename
    zijde kan hebben.


Zoodra het schip den wind vlak achter had, schenen Jacks schepelingen
te denken, dat er nu niets meer te doen viel dan pret te maken; zij
brachten dus eenige kruiken wijn boven, en ledigden die zoo vlug,
dat ze weldra allen op het dek lagen te slapen, behalve de man aan
het roer, die in plaats van twee en dertig, vier en zestig punten
op het kompas kon onderscheiden en nu natuurlijk met te grooter
nauwkeurigheid kon sturen. Gelukkig was het mooi weer, want toen de
man aan het roer zoo lang gestuurd had tot hij niets meer zien kon en
afgelost wilde worden, vond hij al zijn scheepskameraads zoozeer door
vermoeienis overmand, dat er geen mogelijkheid bestond om ze wakker te
krijgen. Hij stompte ze een voor een ongenadig in de ribben, maar 't
gaf niets. Onder die omstandigheden deed hij evenals zij; hij ging bij
hen liggen en na tien minuten zou men hem, om hem wakker te krijgen,
al even hard hebben moeten stompen als hij zijn maats gedaan had.

Het schip volgde intusschen zijn eigen gang en zonder zich om richting
te bekommeren, draaide het gedurende het grootste gedeelte van den
nacht door bijna alle windstreken van het kompas. Mesty had de wachten
aangewezen, Jack een toespraak gehouden en de matrozen hadden alles
beloofd wat verlangd werd, maar de wijn was hun naar het hoofd gestegen
en bij die gelegenheid had hun geheugen een slipper gemaakt. Mesty
en Jack hadden bij het doorzoeken van de kajuit in de kapiteinshut
veertien duizend dollars in zakken gevonden. Zij besloten daarvan
niets aan de manschappen te zeggen, maar borgen het geld en wat er
verder van waarde was achter slot. Daarna bleven ze in de kajuit zitten
overleggen en praten, zoodat het niet te verwonderen viel, dat Jack,
die den vorigen nacht geen oog dicht had gedaan, het hoofd op tafel
liet zakken en in een vasten slaap raakte. Mesty hield de oogen nog
een poos open, maar ten laatste liet ook hij het hoofd op een kist
zakken en sluimerde in. Omstreeks één uur in den morgenstond was het
dus met de waakzaamheid aan boord van de Nostra Senora del Carmen al
zeer slecht gesteld.

Tegen vier uur in den morgen kreeg Mesty een schok, stootte het hoofd
tegen de tafel en werd daardoor gewekt.

"Verduiveld, daar was ik waarlijk in slaap gevallen," riep hij
uit. Hij trad aan het kajuitsraampje dat open gelaten was en bemerkte
dat een stevige bries er vlak in woei. "Te deksel! we hebben den
wind vlak achter gekregen," zei Mesty, "waarom hebben ze me niet
gewaarschuwd?" Hij haastte zich aan dek en vond het roer verlaten;
iedereen was dronken en het schip liep op goed geluk af met gebraste
ra's voor den wind op. Mesty gromde van nijdigheid, maar er viel geen
tijd te verliezen. Enkel de marszeilen waren bijgezet; hij streek ze,
duwde het roer aan lij en sjorde het vast, om onzen held te hulp te
gaan roepen. Jack sprong met schrik op en snelde naar boven.

"'t Is wat moois, meneer Rustig, we gaan allen naar den kelder met
die vervloekte dronken zwijnen; maar wacht, ik zal ze een beetje
opfrisschen." Hij schepte eenige putsen water, die hij over de
scheepsbemanning uitsmeet en dat scheen hen weer bij zinnen te brengen.

"Een vergrijp tegen de krijgsartikelen," zei Jack; "ik zal ze die
morgenochtend weer eens voorlezen."

"Weet je wat beter is, meneer Rustig? We bergen al den wijn achter
slot en deelen telkens niet meer dan mondjesmaat uit. Dat moet maar
dadelijk gebeuren, eer zij wakker worden."

Mesty ging naar beneden en liet Jack aan zijn overpeinzingen over.

"Ik weet niet," dacht Jack, "of ik wel een bijzonder slimme streek heb
uitgehaald. Hier zit ik me nu met een zootje kerels die geen eerbied
hebben voor de krijgsartikelen en allen smoordronken zijn. Ik heb een
groot schip, maar weinig manschappen; en als er slecht weer komt,
wat dan? want ik weet ternauwernood hoe een zeil geborgen moet
worden. Waarheen en hoe ik sturen moet weet ik ook niet en mijn
matrozen zijn evenmin op de hoogte. Maar toen we door de zeeëngte
de Middellandsche Zee binnenstevenden, vond ik 't er vrij nauw en we
kunnen er moeilijk weer doorheenraken zonder het te merken; bovendien
zou ik de rotsen van Gibraltar wel herkennen als ik ze opnieuw te
zien kreeg. Ik moest er Mesty eens over spreken."

Deze kwam spoedig terug met de sleutels van de bottelarij aan zijn
gordel.

"Nu zullen ze niet zoo gemakkelijk weer dronken worden," zei hij.

Nog een paar putsjes water brachten de matrozen verder bij hun
verstand; zij stonden weer op hun beenen en kwamen langzamerhand
weer op hun verhaal. De dag begon aan te breken en zij bespeurden,
dat het schip regelrecht op de Spaansche kust aanliep en er maar
een mijl van verwijderd was, en wel vlak tegenover een groote
kustbatterij. Gelukkig hadden ze nog tijd om vierkant te brassen,
en het schip onder de marszeilen langs den wal op te sturen, eer
zij opgemerkt werden. Waren zij bij daglicht in den toestand gezien,
waarin ze dien nacht hadden verkeerd, dan zouden de Spanjaarden kwaad
vermoeden hebben gekregen en als er een boot was afgezonden, zouden
ze, terwijl alle dronken waren, stellig op hun beurt ingerekend zijn.

De matrozen, die beseften in welk een gevaar zij hadden verkeerd,
luisterden deemoedig naar de verwijten van Jack en om des te meer op
hun gemoed te werken, haalde hij de krijgsartikelen voor den dag en
las hun al wat op dronkenschap betrekking had van het begin tot het
einde voor; maar zij hadden 't aan gangboord al zoo dikwijls hooren
voorlezen, dat het niet den vereischten indruk maakte. Mesty had wel
gelijk, toen hij beweerde dat zijn plan beter was; want niet zoodra
had Jack gedaan of de matrozen gingen naar beneden om nog een vaatje
wijn te halen, maar tot hun teleurstelling vonden ze alles achter
slot en grendel.

Intusschen riep Jack Mesty bij zich achteruit en vroeg hem of hij den
weg naar Toulon wist, waarop deze verklaarde dat hij er geen flauw
idee van had.

"Maar Mesty, dan hebben we misschien meer kans om den weg naar
Gibraltar terug te vinden, want, zooals je weet, hebben we bij het
binnenzeilen van de Middellandsche Zee het land steeds links gehad;
als we het nu rechts nemen, moeten we langs de kust weer terugkomen."

Mesty was 't met Jack eens, dat dit het toppunt van zeevaartkunst was,
en dat Smallsole met al zijn wijsheid en zijn kompassen er niets
aan zou verbeteren. Zij namen een rit uit de marszeilen, zetten
de bramzeilen bij en lieten het vaartuig van punt tot punt lang de
kust oploopen, waarbij ze voortdurend een mijl of vijf uit den wal
hielden. De matrozen maakten een flink maal gereed; Mesty gaf hun
den noodigen wijn en wel tweemaal zooveel als ze aan boord van de
Harpij gewoon waren, zoodat ze weldra tevreden schenen. Een hunner
echter voerde een hoog woord en beweerde bij kris en kras dat, als
de anderen hem maar wilden bijstaan, zij spoedig volop drank zouden
hebben. Maar Mesty keek hem eens scherp aan, trok zijn mes en zwoer
dat hij hem wel mores zou leeren; en Jack sloeg hem met een handspaak
tegen het dek zoodat de kerel tot het besef kwam, dat hij 't met de
ontvangen kastijding en met wat hem was toegezegd voorloopig best kon
doen. Als de vrees voor Mesty hen niet had teruggehouden zouden hoogst
waarschijnlijk al de andere matrozen zich even onbehoorlijk hebben
gedragen, maar toch moet erkend worden, dat ze wel wat beteuterd keken,
nu ze Jack zoo vaardig met de handspaak zagen manoeuvreeren.

Na dezen nacht hielden Jack en Mesty om beurten wacht en alles ging
zeer goed tot zij op de hoogte van Carthagena kwamen, waar zij door
een windvlaag uit het noorden uit het gezicht van de kust gedreven
werden. Zeil na zeil werd geminderd, wat bij gebrek aan handen heel
wat moeite kostte, en drie dagen lang stormde het hevig. De matrozen
waren doodop en ontevreden. Het was Jacks ongeluk, dat hij maar één
flinken kerel bij zich had: zelfs de onderofficier van de sloep, die
op het oog heel wat mans scheen, was niets waard: Mesty was Jacks
plechtanker. Den vierden dag bedaarde de storm, maar zij wisten op
geen voeten of famen na waar ze waren; dat zij afgedreven waren was
duidelijk, maar hoe ver, daar konden ze niets van zeggen en Jack begon
te beseffen dat zoo'n zeetochtje zonder de noodige stuurmanskunst een
zenuwachtiger iets was dan hij zich had voorgesteld. Maar er viel nu
eenmaal niets aan te veranderen. Dien nacht wendden zij den steven
en hielden 't over den anderen boeg, en bij het aanbreken van den
dag bemerkten zij, dat ze vlak bij eenige eilandjes waren en nog
dichter bij eenige groote rotsen, waartegen de zee hoog opspatte,
ofschoon de wind was gaan liggen. Opnieuw werd het roer omgesmeten
en zij ontsnapten het gevaar nog juist bijtijds. Zoodra de zeilen in
orde gebracht waren, kwamen de matrozen achteruit en stelden voor,
dat er uitgezien zou worden naar een geschikte ankerplaats waar
ze konden binnenloopen, want ze waren doodaf. Dit was zoo, en Jack
overlegde met Mesty, die het raadzaam oordeelde het verzoek in te
willigen. Dat de eilanden onbewoond waren bleek duidelijk genoeg;
het eenige waaromtrent men zich diende te vergewissen, was of er
een goede ankerplaats te vinden zou zijn. De onderofficier van de
sloep bood aan dit te gaan onderzoeken; hij zette met vier man van
boord af en keerde na ongeveer een uur terug met de verzekering dat
er genoeg water stond en het er zoo kalm was als op een molenvijver,
want de plek werd van alle kant en door land ingesloten. Daar zij het
boeganker niet konden lichten, bedienden zij zich van het werpanker
en, zonder ongelukken binnenloopende, kwamen zij tusschen de eilanden
in een kleine baai met zeven vademen water. De zeilen werden geborgen
en alles in orde gebracht door de matrozen, die daarop de boot namen
en aan wal roeiden. "Ze hadden eerst wel verlof kunnen vragen," dacht
Jack. Een uur later keerden zij terug en na wat gepraat onder elkaar
kwamen ze allen gezamenlijk achteruit bij onzen held.

De onderofficier was woordvoerder. Hij zei dat ze zulk een zwaar werk
hadden gehad en nu wat rust verlangden;--er was voor drie maanden
proviand aan boord, zoodat er volstrekt geen haast bestond en zij
best op den vasten wal een tent konden opslaan om daar eenigen tijd
te blijven; en daar het er niet op aankwam of ze aan den wal dronken
werden, verwachtten zij dat hun zou worden toegestaan mondbehoeften
en een goeden voorraad wijn mee te nemen. De anderen hadden hem
opgedragen verlof te vragen, maar ze waren besloten ook bij weigering
toch te gaan. Jack kreeg veel lust om met de handspaak te antwoorden,
maar hij zag dat al de matrozen hun messen en pistolen in den gordel
hadden steken en vond het dus verstandiger Mesty te raadplegen, die,
om het nuttelooze van den weerstand, Jack aanried toe te geven, en er
bijvoegde, dat de wijn maar hoe eer hoe beter opmoest, want zoolang
die strekte zou er niets uitgericht worden. Jack deelde nu heel genadig
mee, dat ze hun zin zouden hebben en hij hier zou blijven zoo lang zij
verkozen. Mesty gaf hun de sleutels van de bottelarij en zei met een
grijnslach dat ze zichzelven maar moesten voorzien. De matrozen gaven
nu aan Jack te kennen, dat hij en Mesty aan boord dienden te blijven,
om op het schip te passen, en dat zij den Spanjaard mee naar den wal
zouden nemen om voor hen te koken. Maar daartegen merkte Jack op, dat
hij zonder twee helpers onmogelijk aan hun opdracht kon voldoen, als
zij soms wenschten dat hij bij hen aan den wal zou komen. De matrozen
vonden die opmerking gegrond en lieten daarom Jack den Spanjaard bij
zich houden, opdat hij te vlugger gehoor zou geven aan hun roepstem
van het strand. Zij wenschten hem nu goedendag en hoopten dat hij
zich zou vermaken met de krijgsartikelen.

Zoodra zij een reserve-zeil in de boot hadden gesmeten, benevens eenige
sparren om een tent op te slaan en wat dekens, gingen zij naar beneden,
heschen twee van de drie vaatjes wijn, een paar zakken beschuit,
wapenen en ammunitie op, en zooveel zout als zij meenden noodig te
hebben. Toen de boot vol was stooten zij af onder een spotachtig,
driewerf herhaald hoezee. Jack was gevoelig voor dit huldeblijk;
hij stond aan gangboord, nam zijn hoed af en maakte een diepe buiging.

Zoodra zij weg waren, liet Mesty grijnzend zijn scherpgepunte tanden
blinken en onzen held aanziende zei hij:

"Wacht maar, ik zal ze dat wel betaald zetten, onze beurt komt
ook nog."

Jack zei niets, maar dacht des te meer. Na ongeveer een uur keerden de
matrozen in de boot terug: zij hadden allerlei dingen vergeten--hout
om een vuur aan te leggen en allerlei gereedschap. Zij voorzagen zich
onbeschroomd van het noodige en zoodra ze alles bijeen hadden wat ze
maar konden bedenken, begaven zij zich weer aan wal.

"Wat een geluk, dat we hun niets gezegd hebben van die dollars,"
zei Mesty tot Jack, die de beredderingen der matrozen stond gade
te slaan. "Dat is 't stellig," antwoordde Jack; "hoewel ze er hier
weinig aan zouden hebben."

"O neen, meneer Rustig, maar gesteld dat zij al het geld mochten
vinden, dan zouden zij de booten nemen er mee van doorgaan. Nu echter
heb ik ze in de val, wacht maar eens."

Er was een klein stukje spek op de loopplank blijven liggen. Jack
smeet het zonder erg over boord en daar het zeer vet was, zonk het
vrij langzaam weg. Jack keek het na en Mesty ook, en terwijl ze
daar zoo in gedachten staan, zien ze een donker voorwerp oprijzen:
't was een haai, die het spek ophapte en weer in de diepte verdween.

"Wat is dat?" riep Jack uit.

"Een haai, Massa Rustig--en wel een van de kwaadaardigste soort;
als je ze ziet, hebben ze je meteen beet ook", en Mesty's oogen
glinsterden van de pret. "Zoo waar ik leef, die beestjes zullen aan
de muiterij een einde maken; nu ben ik er achter."

Jack huiverde en verwijderde zich.

Den ganschen dag zag men de matrozen op het strand druk in de weer
met het maken van allerlei toebereidselen eer zij zich overgaven
aan onmatigheid. De tent werd opgeslagen, vuur aangelegd, al het
van boord meegenomene aan wal gerold en behoorlijk opgeborgen. Later
zag men ze zitten middagmalen en toen werd een van de vaatjes wijn
aangesproken. Te zelfder tijd had de Spanjaard, die een bedaarde
jongen was, voor Rustig en zijn nu eenigen kameraad het middagmaal
bereid. De avond viel en nu werd het aan wal een drukte en rumoer van
belang; onder zingen en dansen zag men bij het licht van het vuur de
wijnkannen zwaaien en toen zij begonnen te razen en te tieren en hoe
langer hoe meer beneveld raakten, wendde Mesty zich met een bitteren
lach tot Jack en zei enkel; "Wacht maar eens."

Ten laatste begon het rumoer te verflauwen, het vuur stierf uit en
langzamerhand werd alles stil. Jack leunde nog over het gangboord,
toen Mesty naar hem toe kwam. De nieuwe maan was juist opgekomen en
Jack hield er zijn blikken strak op gericht.

"Nu, Massa Rustig, kom nu alsjeblieft eens mee achteruit en laten
we de kleine boot strijken; steek uw pistolen bij u, dan gaan we aan
wal en brengen den kotter hierheen; ze slapen op het oogenblik allen."

"Maar waarom zouden we hen zonder boot laten, Mesty?" want Jack
dacht aan de haaien en aan de waarschijnlijkheid, dat de matrozen
naar boord zouden willen zwemmen.

"Ik zeg u, meneer, van nacht zijn ze dronken geworden, morgen gebeurt
dat weer, en dronken lui kunnen nooit hun gemak houden. Als er nu maar
een het in zijn hoofd krijgt om te zeggen: 'Laten we aan boord gaan
en den officier van kant maken, dan kunnen we doen wat we willen,'
dan zeggen de anderen ja, en ze komen hier en doen 't. Dus, meneer,
we moeten de boot hebben, is het niet om u, dan om mij, voor het
behoud van mijn leven, want aan mij hebben ze een grooten hekel en
mij zullen ze het eerst dooden. Maar wacht even."

Jack gevoelde de waarheid van Mesty's opmerking; hij ging met
hem achteruit, waar ze de kleine boot streken en die langs zij
brachten. Vervolgens haaiden zij uit de kajuit hun pistolen. "Kunnen
we den Spanjaard alleen aan boord laten, Mesty?"

"Jawel, meneer, wapens heeft hij niet en al kon hij er hier of
daar vinden, hij zou er toch niets mee durven doen--ik ken den man
al genoeg."

Onze held en Mesty stapten in de boot, duwden af en roeiden behoedzaam
naar den wal. De matrozen waren in zulk een staat van beneveling, dat
ze ze zich niet verroeren konden, nog veel minder iets hooren. Zij
gooiden den kotter, los, sleepten hem naar boord en legden hem met
de andere boot aan den achtersteven vast.

"Ziezoo, meneer, nu kunnen we naar bed gaan, morgenochtend zul je
grappen beleven."

"Ze hebben aan den wal alles wat ze noodig hebben," antwoordde Rustig;
"den kotter zullen ze alleen missen, als ze 't ons soms lastig zouden
willen maken."

"Wacht maar," zei Mesty.

Jack en Mesty begaven zich te bed, en, uit vrij overbodige voorzorg
tegenover den Spanjaard, sloot Mesty de kajuitsdeur.

Jack sliep dien nacht weinig, hij had aanvallen van zwaarmoedigheid,
die hij maar niet van zich af kon zetten. Sedert het verlaten van de
Harpij, had Jack veel overdacht en voor veel dingen waren hem de oogen
opengegaan. Hij begon in te zien welk een verantwoordelijkheid hij op
zich geladen had door toe te geven aan een gril van het oogenblik, en
men kon gerust zeggen, dat hij in het korte tijdsbestek van veertien
dagen opeens van een jongen tot een man geworden was. Hij voelde zich
gekweld en was hoofdzakelijk boos op zichzelven.

Met het krieken van den dag stond Mesty op en Jack volgde hem spoedig;
zij keken uit naar het gezelschap aan den wal, dat zich nog niet
buiten de tent vertoonde. Eindelijk, toen Jack juist klaar was met
zijn ontbijt, kwamen er een paar te voorschijn. Ze keken rond alsof
ze ergens naar zochten en liepen vervolgens naar de plek, waar de
boot had vastgelegen. Jack keek Mesty eens aan, die met een grijnzend
gezicht zijn stopwoord; "Wacht maar!" uitbracht.

De matrozen liepen daarna het strand langs tot ze vlak tegenover het
schip gekomen waren.

"Hallo!" riepen ze.

"Hallo!" antwoordde Mesty.

"Breng onmiddelijk den boot aan den wal, met een emmertje water."

"Dat kennen we," juichte Mesty zijn handen wrijvend van plezier. "Gij
moet zeggen van neen, Massa Rustig."

"Waarom zouden we hun geen water geven, Mesty?"

"Omdat ze dan de boot nemen."

"Dat is waar," antwoordde Rustig.

"Hoor je niet, daar aan boord?" schreeuwde de onderofficier opnieuw,
"onmiddelijk de boot gezonden, of we snijden je den hals af!"

"Ik zal de boot niet zenden," antwoordde Jack, die nu begreep dat
Mesty gelijk had gehad.

"Wil je niet?--niet?--dan is je doodvonnis geteekend," hernam de vent
en stapte met zijn kameraad naar de tent terug. In een oogwenk kwamen
nu al de matrozen opdagen, met vier geweren bij zich, die ze mee naar
den wal genomen hadden.

"Goede hemel! ze zullen toch niet op ons schieten, Mesty?"

"Wacht maar."

De kerels kwamen nu tot vlak tegenover het schip en de onderofficier
riep weer en vroeg nogmaals of ze de boot aan wal verkozen te brengen.

"Gij moet neen zeggen, meneer," spoorde Mesty aan.

"Ik zie in dat het noodzakelijk is," antwoordde Jack; en hij antwoordde
den onderofficier: "Neen."

De slimme neger had het plan der muitelingen voorzien, dat ze namelijk
naar de booten aan den achtersteven zwemmen zouden en op hem en Jack
schieten, zoodra ze mochten trachten die langs zij te brengen en
te verdedigen. Om uit het water in de booten te klimmen, vooral in
de kleine, was gemakkelijk genoeg. Een paar matrozen keken naar het
kruit op de pan en hielden de geweren gereed, met de trompen op het
schip gericht, terwijl de onderofficier en twee anderen zich begonnen
te ontkleeden.

"Ga in Godsnaam niet te water?" riep Jack. "De haven zit vol
haaien--zoo waar als ik leef!"

"Denk je ons met je haaien bang te maken?" schreeuwde de onderofficier
terug; "leg aan, jongens! laat hem eens een blauwe boon proeven,
dan kan hij zien dat 't ons ernst is, en telkens als hij of die neger
den kop vertoont maar weer schieten, hoor!"

"Om Godswil, probeer toch niet te zwemmen!" riep Jack in doodsangst;
"ik zal mijn best doen om je water te bezorgen."

"'t Is nu te laat--je bent gevonnisd," en de onderofficier sprong van
de rots in zee, gevolgd door twee anderen; op hetzelfde oogenblik werd
er een geweer afgeschoten en de kogel floot onzen held langs het oor.

Mesty trok hem met een ruk van het gangboord terug. Bijna overweldigd
door angst over het lot, dat den onvoorzichtigen wachtte, zakte Jack
een oogenblik op het dek neer, maar sprong fluks weer op en snelde naar
een geschutspoort om naar de mannen in het water te kijken. Hij kwam
juist bijtijds om te zien hoe de onderofficier zich met een luiden
gil uit zee ophief en daarna in een wieling verdween, die hij met
zijn bloed roodverfde.

Mesty, die al eenige geweren geladen had, voor het geval dat de
matrozen de booten mochten bereiken, wierp dat, waarmee hij juist
bezig was, van zich af, met den uitroep: "Verduiveld! nu is 't niet
meer noodig!"

Jack had de handen voor het aangezicht geslagen. Maar het afgrijselijk
tooneel was nog niet ten einde: de andere mannen in het water hadden
onmiddellijk rechtsomkeert gemaakt en haastten zich om den wal te
bereiken; maar eer zij zoover waren, schoten twee andere vraatzuchtige
monsters, gelokt door het bloed van den onderofficier toe en vochten
om hun prooi.

Mesty, die alles nauwkeurig had gadeslagen, wendde zijn oog naar
onzen held, die nog altijd zijn gelaat bedekt hield.

"Ik ben maar blij, dat hij dit ten minste niet gezien heeft,"
mompelde Mesty.

"Wat gezien?" riep Jack uit.

"Dat de haaien ze allen opgegeten hebben."

"O 't is vreeselijk, 't is gruwelijk!" kreunde onze held.

"Ja zeker vreeselijk," hernam Mesty, "maar die kogel langs uw hoofd
was ook vreeselijk. En als de haaien hen niet hadden verslonden, wat
dan? Zij zouden dan ons gedood hebben en onze lijken waren een prooi
van de haaien geworden. Dat vind ik nog vrij wat verschrikkelijker.

"Mesty," riep Jack uit en greep den neger zenuwachtig bij den arm,
"niet de haaien, maar ik heb die mannen vermoord."

Mesty keek met verwondering op.

"Hoe is dat mogelijk?"

"Als ik niet ongehoorzaam was geweest aan de bevelen," hernam onze held
naar adem hijgend, "als ik niet het voorbeeld van ongehoorzaamheid
gegeven had, zou dit niet gebeurd zijn. Hoe kon ik onderdanigheid
van hen verwachten? 't Is alles mijn schuld--dat zie ik nu in, en,
o God, wanneer zal dat afgrijselijk gezicht uit mijn geheugen worden
gewischt?"

"Massa Rustig, ik begrijp u niet," antwoordde Mesty. "Die redeneering
is geheel verkeerd. Op die manier zou ik ook wel kunnen zeggen,
dat het kwam van den oorlog der Ashantijnen; want als ze daar niet
aan het vechten waren gegaan, zou ik nooit slaaf geworden, nooit
weggeloopen, nooit aan boord van de Harpij gekomen, nooit met u in
een boot gegaan zijn--ik zou nooit de matrozen belet hebben zich te
bedrinken, zij zouden geen muiterij bedreven en de haaien hen niet
te pakken gekregen hebben."

Jack antwoordde niet, maar dit tegenbetoog van den neger schonk hem
toch eenigen troost.

De afgrijselijke dood van de drie muitelingen scheen een krachtdadige
uitwerking te hebben op hun makkers, die met hangende hoofden en
loomen tred van het strand terugliepen. Men zag hen nu over het
eiland ronddwalen, waarschijnlijk om water te zoeken. Omstreeks den
middag keerden ze naar hun tent terug en waren spoedig daarop in een
staat van beneveling, waarbij ze even hard schreeuwden en tierden
als den vorigen dag. Tegen den avond kwamen ze weer op de hoogte van
het schip, ieder met een beker in de hand, en zoodra ze bemerkten,
dat ze de aandacht van onzen held en van Mesty getrokken hadden,
wierpen zij den inhoud van hun bekers de lucht in, om te toonen dat
zij water hadden gevonden, en daarop keerden zij jouwend en spottend,
dansend en springend en onder allerlei bokkesprongen terug om hun
drinkgelag te hernieuwen, dat tot na middernacht duurde, waarop allen
verstomden evenals te voren.

Den volgenden dag was Jack hersteld van den eersten schok door het
gruwelijk tooneel op hem teweeggebracht en riep hij Mesty in de kajuit
om met hem te beraadslagen.

"Wat zal het einde zijn, Mesty?"

"Hoe bedoelt u, meneer? het einde hier of aan boord van de Harpij?"

"De Harpij--er bestaat weinig kans, dat we die ooit terugzien; we
zijn op een onbewoond eiland, of iets wat niet veel minder is. Maar
al mogen we blijven hopen, hoe zal die muiterij eindigen?"

"Massa Rustig, als ik wil, kan ik er tamelijk spoedig een eind aan
maken, maar niet opeens."

"Hoe bedoel je dat, Mesty, niet opeens?"

"Kijk, Massa Rustig; gij wenscht een tocht te ondernemen en ik
evenzeer; en om die muiterij zoudt ge nu wel terug willen--maar denkt
gij dat ik, die in mijn eigen land een vorst ben geweest, lust gevoel
om opnieuw voor de jongeheeren den pot te gaan koken?"

"Maar hoe wou je dan een eind maken aan de muiterij?" vroeg Jack.

"Door te zorgen dat de wijn opkomt. Als ik eens naar den wal ging,
zoodra ze weer allen dronken zijn, en op drie of vier plaatsen een
gat in de vaten boorde, dan zou 's morgens al de wijn weggevloeid
zijn. Dan worden ze nuchter en vragen om vergiffenis; we nemen hen
aan boord, bergen alle wapens weg, behalve de uwe en de mijne, en
dan wil ik wel eens zien wat er van de muiterij nog overblijft. Alle
donders! ik zal ze wel leeren."

"Een goed denkbeeld, Mesty,--waarom zouden we 't niet in toepassing
brengen?"

"Omdat ik geen lust heb mij op den wal aan gevaar bloot te
stellen--en waarvoor? om terug te keeren en weer den pot te koken
voor de heeren. Ik voel me hier gelukkig, Massa." zei Mesty op
onverschilligen toon.

"En ik mij diep ellendig," hernam Jack, "maar ik ben geheel in uw
macht, Mesty, en ik zal me moeten onderwerpen."

"Wat is dat nu, Massa Rustig,--onderwerpen aan mij? neen,
meneer, als officier aan boord van de Harpij, hebt gij me als een
vriend toegesproken en me volstrekt niet als een zwarten knecht
behandeld. Massa Rustig, ik voel--ik voel wat ik ben," vervolgde Mesty
en sloeg zich op de borst, "hier voel ik 't--voor het eerst sinds ik
mijn vaderland verliet, voel ik dat ik iets ben; maar Massa Rustig,
ik koester evenveel liefde voor mijn vriend als haat tegenover mijn
vijand--en nooit zult gij u aan mij onderwerpen--ik ben te trotsch om
dat te dulden, omdat, Massa Rustig,--omdat ik een man ben en eertijds
een vorst ben geweest."

Ofschoon Mesty zijn bedoeling niet half zoo duidelijk in zijn woorden
uitdrukte als in zijn gebaren, begreep Jack hem toch ten volle en
hem de hand toestekende zei hij:

"Dat ge een vorst geweest zijt, Mesty, tel ik weinig, ofschoon ik
er niet aan twijfel, omdat gij niet liegen kunt; maar gij zijt een
mensch, en ik eerbiedig u, ja, ik heb u lief als een vriend--en als
het van mij afhangt, zullen we nooit weer scheiden."

Mesty vatte de aangeboden hand en drukte die zwijgend, want spreken
kon hij niet. Toen hij de hand weer losliet, was hij zoo door zijn
gevoel overstelpt, dat hij het gesprek niet kon voortzetten en zich
in de kajuit afzonderde.

Den volgenden morgen kwam Jack op de muiterij terug en vroeg opnieuw
aan Mesty wat hij er van dacht.

We moeten afwachten, meneer, tot zij uit zichzelven vragen om weer aan
boord te mogen komen; en daar zij vijf in getal zijn, tegen wij twee,
moeten ze eerst al hun proviand opgegeten hebben. Laat ze een beetje
hongerlijden, dan komen ze des te makker aan boord."

"In elk geval," hernam Jack, "moeten de eerste aanbiedingen, van
welken aard ook, van hun kant komen. Had ik nu maar iets te doen--dat
aan boord hangen bevalt me ook niet bijster."

"Wel, meneer, waarom niet wat gepraat met Predo?"

"Omdat ik geen Spaansch ken."

"Dat weet ik en daarom vroeg ik 't ook juist. Bij de ontmoeting met
die twee lieve meisjes speet 't u zoo, dat ge niet in staat waart
met haar te spreken."

"Ja zeker speet me dat," antwoordde Jack.

"Welnu, Massa Rustig, we zullen nog wel meer Spaansche meisjes
ontmoeten. Als ge nu dagelijks met Pedro praat, zult u spoedig genoeg
het Spaansch leeren."

"Ik wist niet, Mesty, dat je zoo slim was. Ik zal al mijn best doen
om Spaansch te leeren," hernam Jack, blij dat hij eenige bezigheid
gevonden had, want van de krijgsartikelen had hij genoeg gekregen.



Twaalfde hoofdstuk.

    De muiterij loopt op een eind uit gebrek aan brandstof en
    aan water. Jack vindt de Harpij terug.


Bij de muitelingen aan den wal ging het dagelijks hetzelfde gangetje,
maar toch werd er minder dikwijls een vuur aangelegd, zeker omdat
de brandstof opraakte, wat bij het afnemen der warmte--'t was reeds
October--slecht gelegen kwam. Een maand lang hield Jack, die in geen
geval wilde toegeven, zich zoo goed en zoo kwaad als het ging bezig
met Spaansch te leeren van Pedro en te luisteren naar Mesty's verhalen
uit zijn vroeger leven.

"Wat is dat?" riep Mesty op zekeren morgen midden in een verhaal
uit. "Daar steken me die dronken zwijnen de tent in brand!"

Jack keek om en zag dat de tent aan den wal werkelijk in vlammen stond.

"De koude nachten zullen hun moed wel doen bekoelen," merkte Mesty
op. "Je zult eens zien, Massa Rustig, hoe gauw ze zullen soebatten
om aan boord te komen."

Dat dacht Jack ook en hij verlangde sterk om weer onder zeil te
gaan. In een der laden van de kleine kajuit had hij een kaart van de
Middellandsche zee gevonden en die met ijver bestudeerd. "Kijk," zei
hij tot Mesty, "hier heb je het eiland waar we ons op dit oogenblik
bevinden, de weg naar Gibraltar loopt zóó, en zoodra de muiterij
gedaan en de wind gunstig is, zetten we koers daarheen."

Nog eenige dagen verliepen er en toen konden de muitelingen het
niet langer uithouden. Vooreerst hadden ze in hun dronkenschap de
stop van hun laatste vat er zoo slecht ingeslagen, dat die er weer
uitgeschoten en bijna al de wijn verloren gegaan was, bovendien hadden
ze geen brandstof meer en daardoor de laatste dagen hun vleesch rauw
moeten eten, en tot overmaat van ramp bleef het, nadat ze uit gebrek
aan hout hun tent verstookt hadden, vier dagen en nachten aan één
stuk regenen. Alles was doornat en zij bibberden van de koude. Ze
wilden nog liever gehangen worden dan van gebrek en ellende langzaam
wegsterven, en door honger gedreven begaven ze zich naar het strand
vlak tegenover het schip en vielen op de knieën.

"Heb ik 't niet gezegd, massa Rustig?" zei Mesty, daar heb je nu die
vervloekte kerels, die ons gedurig met het geweer durfden bedreigen."

"Hallo!" riep er een van den wal.

"Wat wou je?" antwoordde Jack.

"Heb medelijden met ons, meneer,--genade!" jammerden de anderen,
"we willen tot onzen plicht terugkeeren."

"Wat moet ik zeggen, Mesty?"

"Antwoord eerst van neen, massa Rustig--zeg dat ze maar van honger
moeten omkomen."

"Ik kan geen muitelingen aan boord nemen," riep Jack.

"Dan kome ons bloed over uw hoofd, meneer Rustig," hernam de man,
die het eerst gesproken had. "Als we toch moeten sterven, dan maar
liever spoedig; wilt gij ons niet opnemen, de haaien wel. Wat dunkt je,
jongens? Laten we allen te tegelijk in zee loopen. Vaarwel, meneer
Rustig, vergeef ons als we dood zijn; 't was enkel die dolleman van
een Johnson, die ons bepraat heeft. Komt, jongens, dralen helpt niet,
hoe eer hoe liever maar--laten we elkaar de hand geven en dan in zee."

Het scheen dat de arme kerels dit werkelijk van plan waren, als
onze held, op aandrijven van Mesty, bleef weigeren hen aan boord
te nemen. Allen schudden elkaar de hand, gingen op een rij staan en
daarop volgde een sein van een--twee--."

"Halt!" riep Jack, wien het vreeselijke tooneel met de haaien nog
niet uit het geheugen was,--"halt?"

De mannen bleven staan.

"Wat wilt ge belooven, als ik jullie weer aan boord neem?"

"Dat we stipt onzen plicht zullen doen, totdat we weer op de Harpij
zijn, om daar als een waarschuwend voorbeeld voor alle muitelingen
gehangen te worden," antwoordde een der mannen.

"Dat is al heel mooi," zei Mesty; "houdt ze aan hun woord; massa
Rustig."

"Heel goed," hernam Jack, "ik neem de voorwaarden aan, en we zullen
je komen halen."

Jack en Mesty staken hun pistolen bij zich en roeiden met de boot naar
den wal. Bij het instappen sloegen de matrozen eerbiedig voor onzen
held aan, maar spraken geen woord. Aan boord gekomen las Jack hun
de artikelen betreffende muiterij voor, waardoor hun herinnerd werd
"dat zij des doods schuldig waren," en hield vervolgens een toespraak,
die den uitgehongerden kerels eindeloos toescheen. Maar aan alles komt
een eind en dus ook aan Jack's rede. Mesty gaf hun nu wat beschuit,
die zij dankbaar verslonden, tot zij iets beters zouden krijgen. Den
volgenden morgen was de wind gunstig; met eenige moeite lichtten zij
het anker en verlieten de reede. De afgematte matrozen verrichtten
zwijgend hun werk, want hunne vooruitzichten waren alles behalve
prettig; maar altijd blijft er eenige hoop leven en ofschoon ieder
overtuigd was, dat de overigen zouden gehangen worden, hoopte hij
toch zelf met een flink pak slaag er af te komen.

De wind belette hun echter recht op het doel af te sturen en eer
de avond viel waren ze al drie streken noordwaarts afgeweken. "We
zullen toch wel langs de Spaansche kust komen," merkte Jack op,
"en dan moeten we zuidwaarts vanzelf Gibraltar bereiken, daar ben
ik niets bang voor, want ik raak al veel beter vertrouwd met de
zeevaartkunst." Den volgenden morgen bevonden ze zich met een zwakke
bries onder een hooge kaap en toen de zon opkwam, zagen ze onder den
wal een groot schip, omstreeks twee mijlen westelijk, en meer zee in
een ander op een afstand van een mijl of vier. Mesty nam den kijker
en richtte dien op het buitenste schip, dat opeens al zijn zeilen
gestreken had en nu met een vaart op den wal aanliep, juist in de
richting van de kaap, waaronder Jack's vaartuig lag.

"Massa Rustig,--dat is, geloof ik, de Harpij," zei Mesty terwijl hij
den kijker neerlei.

Een der zeelui nam nu den kijker, terwijl de anderen, die er bij
stonden, van groote ontsteltenis blijk gaven.

"Ja, 't is de Harpij," zei de matroos. "O, meneer Rustig, kunt gij
ons niet vergeven?" vervolgde de man, terwijl hij met de overigen op
de knieën viel. "Vertel om Godswil niet alles, meneer Rustig."

Jack's gemoed werd week; hij zag om naar Mesty.

"Mij dunkt," fluisterde deze onzen held toe, "dat bij al wat ze reeds
doorstaan hebben, een twaalftal per man wel genoeg zal zijn."

Jack vond de helft dier straf al voldoende, en dus deelde hij hun
mede, dat ofschoon hij het gebeurde niet mocht verzwijgen, hij toch
niet alles zeggen en zooveel mogelijk vergoeilijken zou. Hij wilde
juist weer een toespraak houden, toen een schot van de Harpij, die
intusschen op dezelfde hoogte gekomen was, hem dit tot geschikter
gelegenheid deed uitstellen. Te zelfder tijd heesch het vaartuig
onder den wal de Spaansche vlag en loste een schot.

"Verduiveld, we zitten er juist tusschen in," riep Mesty uit. "De
Harpij houdt ons voor een Spanjaard. Komaan, jongens, de kanonnen
gericht en kruit en lood bijgebracht. Massa, nu moeten wij op den
Spanjaard vuren, anders laat de Harpij ons niet met rust, want we
hebben geen Engelsche vlag aan boord."

Spoedig waren de kanonnen geladen en kruit op de pan gedaan, onder
welke bedrijven de wind ging liggen, zoodat de zeilen van al de drie
schepen tegen de masten sloegen. De Harpij was nu omstreeks twee mijlen
van Jack's schip verwijderd en de Spanjaard ongeveer een mijl. Mesty
nam het Spaansche schip eens goed op.

"Dat is een oorlogschip, massa,--maar hoe komen we nu aan een vlag? We
dienen er toch een te hijschen."

Haastig snelde de neger naar beneden, want hij herinnerde zich een
vrij mooien vrouwenrok, achtergelaten door de oude dame, die op het
schip was, toen het buit gemaakt werd. Het was er een van groene zijde
met gele en blauwe bloemen, maar vrij versleten. Mesty had het ding
onder de matras van een der bedden gevonden en in zijn kist gestopt,
misschien wel om er een paar vesten van te maken. Spoedig kwam hij
er mee aandragen, bevestigde het aan den dirk en heesch het op.

"Ziezoo, massa, dat is voldoende,--dat is nu de zoogenaamde
aller-natiënvlag! Iedereen strijkt er de zijne voor en nooit wordt
ze naar beneden gehaald," zei Mesty. "Komaan, nu we de vlag geheschen
hebben, gaan we vuren--maar denk er om, één voor één en terdege goed
mikken, dan hebben we tijd om weer te laden."

"Ze hebben de vlag geheschen, kapitein." zei Sawbridge aan boord
van de Harpij; "maar wat 't er voor een is, kan ik onmogelijk
onderscheiden. Hoor, daar valt een schot."

"'t Is niet op ons gemikt, meneer," zei Gascoigne, "maar op het
Spaansche schip; ik zag den kogel vlak voor den boeg neerslaan."

"'t Moet een kaper wezen," zei kapitein Wilson; "in alle geval komt
hij juist van pas, want anders zou de korvet te Carthagena zijn
binnengeloopen. Al weer een schot, en goed gemikt ook; dat kleine
ding voert zwaar geschut, 't is stellig een Malthezer kaper."

"Dat wil zooveel zeggen als een zeeroover," hernam Sawbridge: "ik kan
uit de vlag niet wijs worden--het lijkt wel groen--zeker een Turk. Al
weer een schot; drommels, een der uitgezette booten van den Spanjaard
is getroffen."

"Ja, kijk ze eens in verwarring raken; als er nu maar een aasje wind
komt is hij ons. Daar komt een briesje uit zee op. Zeilen bijgezet,
meneer Sawbridge."

Er werd vierkant gebrast en spoedig had de Harpij stuur. Intusschen
onderhield Jack met zijn weinige manschappen een wel zwak, maar
geregeld en goed gericht vuur op de Spaansche korvet, waarvan al twee
booten in het ongereede waren geraakt. De Harpij stak voor den wind
op en was spoedig in de nabijheid; met het vuur uit haar boegjagers
trachtte zij de korvet den pas af te snijden.

"We hebben ze," riep Mesty; "losgebrand, jongens, en goed gemikt. Daar
komt meer wind; één man aan het roer. Te deksel, wat is dat?"

Deze uitroep van Mesty werd veroorzaakt door een schot, dat den romp
van het schip aan stuurboord trof. Jack en hij snelden naar den anderen
kant en bemerkten dat drie Spaansche kanonneerbooten juist den hoek
waren komen omzetten en hen aangevallen hadden. Even voorbij de kaap
lagen namelijk de haven en de stad Carthagena en vandaar waren de
kanonneerbooten aan de korvet te hulp gezonden. Gelukkig voor Jack,
had de wind nu vat op zijn schip gekregen, anders zou hij misschien
naar Carthagena gesleept zijn; en de korvet, die zich zoowel door de
Harpij als door Jack's vaartuig den pas afgesneden zag, wendde haastig
den steven en trachtte te ontkomen door westwaarts zoo kort mogelijk
onder den wal te houden. Nog een schot en al weer een doorboorde den
romp van het schip en wondde twee van Jack's matrozen; maar zoodra
de korvet den steven gewend had, en de Harpij haar volgde, deed
Jack natuurlijk hetzelfde en was in tien minuten buiten bereik der
kannonneerbooten, die hem niet durfden nazetten. De wind stak meer
en meer op en deed den groenen rok lustig wapperen, doch de Harpij
en de korvet gaven elkaar nog steeds de volle laag en hadden geen
gelegenheid om op Jack's vlag te letten. De Spanjaard verdedigde
zich flink en werd gesteund door de batterijen aan den wal, maar
eerst eenige mijlen verder was er een geschikte ankerplaats. Tegen
den middag ging de wind liggen en om één uur was het bijna bladstil;
maar de Harpij was haar tegenstander nu op drie kabellengten genaderd
en nam hem zoo duchtig onder handen, dat de Spanjaard ofschoon gesteund
door een batterij van vier kanonnen, omstreeks drie uur de vlag moest
strijken. De Harpij zond nu een boot aan boord om het schip in bezit
te nemen en richtte vervolgens al zijn vuur op de batterij, die ook
spoedig tot zwijgen werd gebracht.

De windstilte hield aan en de Harpij had het druk genoeg met haar
buitgemaakt vaartuig, met het schiften der gevangenen en het oplappen
der beide schepen, die aan zeilen en tuigage veel geleden hadden. Aan
boord van de Harpij kon men nog maar steeds niet begrijpen wat het
toch voor een vreemd vaartuig wezen mocht, dat de korvet van koers
had doen veranderen en hen in staat had gesteld ze te nemen; maar
door de drukte was er geen tijd voor gissingen.

Jack's bemanning bestond, met hemzelf meegerekend uit acht personen,
waarvan één een Spanjaard en twee gewonden. Er bleven hem dus maar
vier man over en hij had de handen vol met het bijstaan der gewonden
en het bedienen der kanonnen. Bovendien achtte Mesty het niet geraden
het schip op een mijl van de Harpij met enkel twee man aan boord
achter te laten. Ook bedacht Jack, dat hij nog geen middagmaal had
gehad en misschien in de adelborstenkajuit niet veel te bikken zou
vinden; daarom wilde hij eerst wat eten eer hij aan boord van de
Harpij ging. Jack nam de dingen altijd vrij luchtig op en besloot nu
zich tegen zonsondergang aan te melden. Er waren nog andere redenen,
die Jack weerhielden veel haast te maken met aan boord te gaan;
hij moest nog overleggen, wat hij wel in zou brengen om zichzelven
te verontschuldigen en zijn bemanning zooveel mogelijk vrij te
pleiten. Zijn aangeboren oprechtheid noopte hem eerst om de volle
waarheid te zeggen, maar hij bedacht toch dat het beter was er slechts
een gedeelte van op te biechten. Eigenlijk hal hij zooveel zwarigheid
niet behoeven te maken, want de veertien duizend aan klinkende munt uit
de kleine kajuit zou voor hemzelf voldoende verontschuldiging zijn en,
om hun dappere houding tegenover den vijand, zou aan de manschappen
hun muiterij wel vergeven worden. Onder al dat overpeinzen viel Jack,
die doodmoe was van al de inspanning, in slaap en inplaats van tegen
zonsondergang te ontwaken, gebeurde dit eerst twee uren later. Mesty
had hem niet wakker geroepen, omdat hijzelf volstrekt geen haast had
om aan boord te komen en weer "den pot te koken voor de jongeheeren."

Bij zijn ontwaken verbaasde Jack er zich over, dat hij zoo lang
geslapen had. Aan dek gekomen, vond hij het donker en stil, maar kon
gemakkelijk waarnemen, dat de Harpij en de korvet bijgedraaid waren en
bezig met de geleden schade te herstellen. Hij gaf last om den kleine
sloep te strijken en, het commando aan Mesty overlatende, roeide hij
met twee riemen naar de Harpij. Door de gewonden, de gevangenen en
het heen- en weervaren der booten tusschen de beide schepen, was de
aandacht van allen aan boord der Harpij zoozeer in beslag genomen,
dat Jack's kleine sloep onopgemerkt langs zij kwam. Dit had eigenlijk
niet mogelijk moeten wezen, maar 't was nu eenmaal zoo en er viel wel
eenige verontschuldiging voor bij te brengen. Jack klom aan boord en
werkte zich tusschen de gevangenen door die juist gemonsterd werden
voor de uitdeeling van levensmiddelen. Hij was in een mantel gewikkeld,
zooals de meeste gevangenen er ook een droegen.

Jack had er schik in, dat hij niet herkend werd; hij sloop de
groote trap af en moest zich bukken om onder de hangmatten der
gewonden door te komen, juist wilde hij zich achteruit in de kajuit
bij den kapitein aanmelden, toen hij den jongen Gossett hoorde
schreeuwen. "Ik wed, dat die ellendige Vigors weer bezig is dien
armen Gossett af te rossen," dacht Jack. "De stakker zal er danig
van gelust hebben in mijn afwezigheid, licht dat ik hem tenminste
voor ditmaal verlos." Jack wikkelde zich in zijn mantel, gluurde
door het raampje van de voorlongroom naar binnen, en zag dat het
juist zoo was als hij gedacht had. Met een verbolgen stem bulderde
hij: "Meneer Vigors, je zoudt me verplichten met Gossett te laten
gaan." Op den klank van die stem, keerde Vigors zich met zijn eind
touw in de hand haastig om, zag Jack's gelaat voor het raampje en
in de meening dat het een spookverschijning was, gaf hij een gil
en viel als in een stuip neer. Ook de kleine Gossett beefde over
al zijn leden en staarde hem met open mond aan. Jack was voldaan,
en verdween onmiddelijk weer. Daarop begaf hij zich naar de kajuit,
waar hij den kapitein in gezelschap van twee Spaansche officieren
aantrof. Hij nam zijn hoed af en zei:

"Zooeven aan boord gekomen, kapitein Wilson."

Kapitein Wilson kreeg geen stuip, maar sprong van zijn stoel op en
gooide daarbij zijn glas om.

"Mijn hemel, meneer Rustig, waar komt gij vandaan?"

"Van dat schip daar achteruit, meneer," antwoordde Jack.

"Dat schip achteruit! Wat is dat voor een schip?--waar zijt ge zoo
lang geweest?"

"Dat is een heele geschiedenis, meneer," hernam Jack.

Kapitein Wilson stak hem de hand toe en Jack schudde die hartelijk.

"In elk geval ben ik blij je weer te zien, mijn jongen; ga zitten en
vertel me met een paar woorden hoe het je gegaan is; de bijzonderheden
hooren we later wel."

"Met genoegen, meneer," zei Jack; "we hebben den nacht, nadat we
weg zijn geraakt, met den kotter dat schip prijs gemaakt. In de
zeevaartkunde heb ik 't nog niet ver gebracht en belaadde bij de
Zaffarine-eilanden, waar ik uit gebrek aan manschappen twee maanden
moest blijven. Zoodra ik weer voldoende bemanning had, ben ik onder
zeil gegaan. Drie man verloor ik door de haaien, twee werden er
gewond in het gevecht van heden. Het schip voert twaalf stukken,
is half met lood en bedrukt katoen geladen, heeft veertien duizend
dollars in de kajuit en drie kogelgaten dwars door--zoodat het zaak
is er zoo spoedig mogelijk wat manschappen aan boord te zenden."

Dit verhaal was niet bijzonder begrijpelijk, maar dat er veertien
duizend dollar waren en er manschappen aan boord vereischt werden,
was duidelijk genoeg te kennen gegeven. Kapitein Wilson liet meneer
Asper roepen, die op het gezicht van onzen held achteruitstoof,
en droeg hem op Jolliffe te gelasten met een der kotters aan boord
van het vreemde schip te gaan, de gewonden over te brengen en zelf
het kommando over het vaartuig op zich te nemen. Jack moest Jolliffe
vergezellen, om hem de noodige inlichtingen te geven.



Dertiende hoofdstuk.

    Onze held komt tot de wetenschap, dat driehoeksmeting niet
    enkel noodig is voor de scheepvaart, maar ook kan dienen tot
    vereffening van eerezaken.


Kapitein Wilson had te recht gezegd, dat hij 't te druk had om dien
avond naar Jack's verhaal te luisteren, want zij moesten zich haasten
om beide schepen zoo spoedig mogelijk zeilree te maken. De Spanjaarden
hadden namelijk op nog geen tien mijlen afstand te Carthagena
oorlogsschepen liggen, die met den uitslag van het treffen bekend
waren geworden. Meneer Sawbridge was aan boord van het buitgemaakte
schip, een korvet, die twee stukken meer voerde dan de Harpij en de
Cacafuogo heette.

Het onbesuisd optreden van Jack had veel tot de vermeestering er van
bijgedragen, zoodat kapitein Wilson en meneer Sawbridge, die beiden
bevorderd werden, de een tot postkapitein, de ander tot kommandant,
dit eigenlijk aan Jack te danken hadden. De Harpij had aan dooden
en gewonden negentien man verloren en de Spaansche korvet zeven
en veertig.

Tegen twee uur in den morgen waren de schepen gereed en gingen
onder zeil naar Gibraltar, terwijl de Nostra Signora del Carmen,
onder bevel van Jolliffe, hen vergezelde. Jolliffe genoot het eerst
het verhaal van Jack's avonturen, en luisterde er met verbazing
naar. Omstreeks negen uur draaide de Harpij bij en zond een sloep
aan boord om onzen held en de manschappen, die zoolang met hem op het
buitgemaakte schip waren geweest, af te halen en tevens de aanwezige
dollars over te brengen. Toen Jack afscheid nam van Jolliffe haalde
hij zijn krijgsartikelen voor den dag en gaf ze hem ten geschenke
met den wensch, dat ze hem evenveel dienst mochten bewijzen, als ze
hemzelf hadden gedaan. De matrozen waren al in de sloep en wierpen
smeekende blikken op Jack, ten einde zijn medelijden op te wekken,
en Mesty ging vrij gemelijk naast onzen held zitten, waarschijnlijk
omdat 't hem maar half beviel, dat hij weer "den pot zou moeten
koken voor de jongeheeren." Ook Jack was niet prettig gestemd nu
hij zijn kommando moest laten varen, en hij wierp nog eens een blik
op den groenen vrouwenrok, die maar steeds aan den mast wapperde,
want Jolliffe had de vlag, waaronder Jack zoo gelukkig gestreden had,
niet willen neerhalen.

Zooals te begrijpen valt, nam het verhaal van Jack een groot deel
van den morgen in beslag, en ofschoon onze held niet trachtte te
verbloemen, dat hij meneer Sawbridge's terugroepingssignaal wel
gezien had, wekte toch het overige zoozeer de belangstelling van den
kapitein, dat hij geheel verzuimde Jack een berisping toe te dienen
over het in den wind slaan der bevelen. Hij prees Jack's houding en
was ook bijzonder tevreden over Mesty. De gelegenheid was te schoon,
om niet melding te maken van Mesty's tegenzin in zijn tegenwoordige
bediening en Jack's aanbeveling werd gunstig opgenomen. Ook wist hij
vergiffenis te verkrijgen voor de manschappen, maar toch moesten ze
voor het oogenblik in boeien geslagen worden. Jack liet hun echter
door middel van Mesty mede deelen, dat ze weer vrijgelaten zouden
worden, zoodra ze te Gibraltar aankwamen, zoodat een gunstige wind
het eenige was wat er nog te wenschen overbleef.

Kapitein Wilson deelde aan Jack mede, hoe hij in de vooronderstelling
dat de kotter gezonken was, aan zijn vader had geschreven, om hem
den dood van zijn zoon te melden. Dit speet onzen held zeer, vooral
om het verdriet dat zijn arme moeder er over hebben zou. "Maar och,"
dacht Jack, "al gevoelt ze zich een paar maanden ongelukkig, des te
blijder zal ze zijn, als ze hoort dat ik nog in leven ben. Zoodra
we te Gibraltar binnenvallen, zal ik schrijven en bij gunstigen wind
kan dat morgen of overmorgen zijn."

Het langdurig onderhoud met Jack had kapitein Wilson tot de overtuiging
gebracht, dat er een flink officier uit hem zou groeien en dat de
malligheden van de gelijkheid en de rechten van den mensch al vergeten
waren; maar in dit opzicht vergiste hij zich--het in een kinderziel
gezaaide onkruid wordt niet zoo spoedig uitgeroeid.

Zoodra de kommandant hem had laten gaan, begaf Jack zich aan dek, waar
hij den kapitein en de officieren van de Spaansche korvet aantrof,
die peinzend naar de Nostra Signora del Carmen stonden te turen. Toen
zij onzen held in het oog kregen, van wien ze door kapitein Wilson
wisten, dat hij hun het binnenloopen in de haven van Carthagena had
belet, sloegen zij wrevelige blikken op hem.

Jack groette echter met zijn gewone beleefdheid en was blij dat hij
wat van zijn Spaansch kon luchten. Ofschoon de Spaansche kapitein
alle reden had om Jack naar de maan te wenschen, nam hij toch de
vormen behoorlijk in acht en vroeg hem onder anderen wat hij toch
wel voor een vlag gevoerd had.

"Ja, meneer Rustig," zoo sloot kapitein Wilson zich bij die vraag aan,
"dat moet je ons eens vertellen. We konden er geen van allen wijs
uit worden. Ik zie daar, dat meneer Jolliffe ze nog altijd in top
laat wapperen."

Jack wist niet goed wat hij er van maken moest, maar antwoordde ten
laatste: "Dat was de banier van de gelijkheid en de rechten van den
mensch, meneer."

Kapitein Wilson fronsde de wenkbrauwen en Jack, die zijn misnoegen
bespeurde, vertelde nu het heele geval, waarop de ander begon te
lachen, Jack deelde het ook in het Spaansch aan de officieren der
korvet mede en deze merkten op, dat het wel niet de eerste en ook niet
de laatste maal zou zijn, dat mannen in verlegenheid waren geraakt
door een vrouwenrok.

Bij de geheele bemanning van het schip stond Jack in hooge gunst,
behalve bij zijn vier vijanden--den stuurman, Vigors, den bootsman en
den onderbetaalmeester. Vigors had de wijste partij gekozen en zijn
eindje touw in zijn kist geborgen tot Jack weer eens een tocht mocht
ondernemen. De kleine Gossett wees, als Vigors eenige beleedigende
aanmerking op hem maakte, grinnikend naar het raampje van de kajuit en
alleen de herinnering deed Vigors verbleeken en bracht hem tot zwijgen.

Binnen twee dagen bereikten zij Gibraltar, waar meneer Sawbridge en ook
Jolliffe weer aan boord van de Harpij kwamen. Gedurende de veertien
dagen, die ze voor anker lagen, mocht Jack aan wal blijven. Meneer
Asper vergezelde hem en Jack trok een flinken wissel op zijn vader
om hem goed duidelijk te maken, dat hij nog in leven was.

Toen Jack zijn avonturen aan meneer Sawbridge verteld had, zei deze:
"Mij dunkt, meneer Rustig, als ge zoo verzot zijt op kruistochten,
diendet ge u wat toe te leggen op de zeevaartkunde."

"Ja," antwoordde Jack bescheiden, "in dat opzicht ontbreekt me nog
heel wat."

"Welnu, meneer Jolliffe zal u zeker gaarne onderrichten; hij is er
ook het best toe geschikt, en als ge er even vlug mee vordert als
met het Spaansch, kan het u niet veel moeite kosten."

Jack vond dat een goeden raad. Reeds den volgenden dag was hij met zijn
vriend Jolliffe druk aan den gang en kwam tot de gewichtige ontdekking,
dat twee evenwijdige lijnen, tot in het oneindige verlengd, elkaar
nooit snijden.

Tijdens Jack's afwezigheid van een maand of vijf, zes, was het op de
Harpij bij het oude gebleven, alleen de konstabel Minus, die bij het
afschieten van een slecht geladen geweer zijn rechterhand verspeeld had
en op pensioen was gesteld, had een plaatsvervanger gekregen in meneer
Tallboys, een stevig gebouwden, ineengedrongen kerel met rood haar, een
rood gezicht en nog rooder handen. Deze beschouwde een konstabel als
de meest gewichtige persoon aan boord van een schip en meende, dat zoo
iemand van al wat de zeevaartkunde betrof op de hoogte moest wezen. Hij
wist minstens tien gevallen bij te brengen van bloedige gevechten,
waarin de kapitein en al de officieren gedood of gewond waren, zoodat
het bevel over het schip op den konstabel neer was gekomen.

"Nu begrijp je wel", placht hij dan te zeggen, "dat zoo'n konstabel
een zeevaartkundige moet wezen, wel degelijk een wetenschappelijk man."

In die overtuiging bleef hij steeds studeeren, maar daar zijn hersens
slechts weinig konden bevatten, warde hij alles dooreen en zijn hoofd
zat zoo volgepropt met technische termen dat hij zijn mond niet kon
open doen zonder er eenige te pas te brengen."

"Ik vind 't heel verstandig, meneer Rustig", zei de konstabel op
zekeren dag, terwijl ze naar Malta onder zeil waren, "dat gij de
wetenschap der zeevaartkunde onderhanden hebt genomen; op uw leeftijd
werd dat hoog tijd."

"Ja," antwoordde Jack, "ik kan al een loodlijn trekken en, als het
noodig is, de verschillende streken van het kompas opnoemen."

"Ja, maar aan de afwijking van het kompas zijt ge nog niet gekomen."

"Neen, nog niet," antwoordde Jack.

"Weet ge wel, dat een zeilend schip een parabool beschrijft om den
aardbol?"

"Zoover ben ik nog niet."

"Hebt ge al iets gehad over de driehoeksmeting?"

"Nog niet."

"Nu, die vereischt heel wat oplettendheid."

"Dat wil ik graag gelooven," antwoordde Jack.

Dergelijke praatjes knoopte de konstabel telkens aan maar gelukkig
stoorde Jack zich weinig aan de dikwijls averechtsche beweringen, en
hield zich alleen aan de lessen van Jolliffe, zoodat hij, eer ze Malta
bereikten, al een heelen bluf wist te slaan met zijn verkregen kennis.

Op Malta kwam hij weer in ongelegenheid. Ofschoon meneer Smallsole hem
ongemoeid liet, bleef die toch zijn vijand, en Vigors hield zich koest,
al zon hij op wraak; maar in het bedoelde geval kreeg hij 't met den
bootsman en den onderbetaalmeester te kwaad. Terwijl Jack weer eens,
zooals hij dikwijls placht, vooruit op den bak een praatje maakte met
Mesty, liepen de bootsman en de onderbetaalmeester het dek op en neer
en verzuimden geen gelegenheid om onzen held, telkens als ze in zijn
buurt kwamen, steken onder water te geven.

"Het is mijn bepaalde meening," zei Easthupp, terwijl hij aan zijn
boord trok, "dat een heer zich als een heer behoort te gedragen en
als zoo iemand met denkbeelden van gelijkheid en zulke vrijzinnige
gevoelens voor den dag komt, dient hij er zich ook aan te houden."

"Zeer zeker, meneer Easthupp, dat moet hij ook; en als iemand, die
even goed een heer is als hij, toevallig niet tot het halfdek behoort,
behoeft hij hem daarom niet te beleedigen enkel omdat hij dezelfde
denkbeelden verkondigt."

Daarop sloeg meneer Biggs met zijn rotting tegen de schoorsteenkap
van de kombuis en wierp een zijdelingschen blik op onzen held.

"Ja," vervolgde de onderbetaalmeester, "ik zou wel eens willen zien dat
iemand aan den wal zoo handelde; maar de tijd zal nog wel eens komen,
dat ik de ondergane beleediging in bloed kan afwasschen, meneer Biggs."

"En ik mag vervloekt zijn, als ik niet op een goeden dag een lesje
zal geven aan den vlegel, die indertijd mijn broek gestolen heeft."

"Kwam 't met het geld uit, meneer Biggs?" vroeg de onderbetaalmeester.

"Ik heb 't niet nageteld," luidde het onverschillige antwoord.

"Neen--fatsoenlijke lui zijn daarboven verheven", hernam Easthupp;
"maar er loopt anders wel volk rond met lange vingers. 't Is
ongelooflijk zoo'n menigte verloren geraakte horloges en voorwerpen
van waarde ik vroeger in Londen gezien heb."

"Ik durf gerust zeggen," zei de bootsman weer; "dat ik niet zou
aarzelen voldoening te geven aan iemand beneden mijn rang, als ik zelf
hem te voren beleedigd had. Ik sta niet zoo op mijn rang al praat ik
niet over gelijkheid en al ben ik geen goede maatjes met negers."

Dit alles was te duidelijk, dan dat onze held het niet zou begrijpen;
jack trad dus op den bootsman toe, groette beleefd en zei:

"Als ik me niet vergis, meneer Biggs, dan heeft uw gesprek betrekking
op mij."

"Best mogelijk", antwoordde de bootsman. "Luistervinken hooren zelden
veel goeds van zichzelven."

"Het schijnt wel, dat fatsoenlijke lui niet zamen kunnen praten zonder
beluisterd te worden," liet Easthupp er op volgen, met een ruk aan
zijn halsboord.

"Het is niet de eerste maal, dat gij goed gevonden hebt beleedigende
aanmerkingen te maken, meneer Biggs; en daar gij dat geval met uw
broek niet schijnt te kunnen verkroppen, zal ik u maar ronduit zeggen,
dat ik ze mee naar boord genomen heb. Als gij er soms voldoening voor
verlangt, dan ben ik volkomen bereid die te geven."

"Ik ben uw meerdere in rang, meneer Rustig," antwoordde de bootsman.

"Volgens de regeling van den dienst, ja; maar zooeven hebt ge beweerd
niet veel aan rang te hechten en bovendien--ik behoor tot het halfdek
en gij niet."

"Hier is een fatsoenlijk man, dien gij beleedigd hebt, meneer Rustig,"
zei de bootsman op den onderbetaalmeester wijzende.

"Ja, meneer Rustig, even fatsoenlijk als gij, al is 't me
tegengeloopen; ik behoor tot een van de oudste geslachten van
het land," voegde Easthupp er bij, die zich nu door den bootsman
gesteund zag.

"Gij hebt dien heer grof beleedigd," vervolgde meneer Biggs, en al
hebt ge den mond vol van gelijkheid, toch durft ge hem geen voldoening
geven en verschuilt ge u achter uw halfdek."

"Meneer Biggs," hervatte onze held, die nu kregel was geworden, "zoodra
we te Malta binnenloopen zal ik aan wal gaan. Als gij en die man daar
u dan wat netjes in de kleeren steekt, zal ik me met u beiden meten,
en toonen of ik bang ben voldoening te geven."

"Een voor een," zei de bootsman.

"Neen, meneer, niet een voor een maar beiden te gelijk of anders in
't geheel niet. Als gij mijn meerdere zijt, moet gij tot mij afdalen,"
hernam Jack met bijtenden spot, "of anders daal ik niet af tot dien
kerel daar, dien ik weinig beter acht dan een zakkenroller."

Deze uitval van Jack deed den onderbetaalmeester verbleeken en daarna
weder rood worden. Hij stampvoette en snoof, maar durfde toch Jack
niet onder de oogen zien.

"Nu, meneer Biggs, hebt gij me goed begrepen, of verschuilt ge u soms
achter uw bak?"

"Ik zoek geen uitvluchten," antwoordde de bootsman, "en op Malta
zullen we de zaak vereffenen."

Na dit antwoord begaf Jack zich weer naar Mesty.

"Massa Rustig, het gezicht van dien Easthupp bevalt me niet. Ik ga
mee aan wal, om te zien of het wel eerlijk toegaat."

Nu Biggs verklaard had dat hij zou vechten, moest hij natuurlijk naar
een secondant omzien en hij koos daartoe den konstabel Tallboys. Deze
had zich in den laatsten tijd meer en meer geërgerd, dat Jack hem in
de wetenschap der zeevaartkunde de baas werd, en kon hem daarom niet
goed meer zetten; hij kon echter maar niet vatten hoe zoo'n duel van
drie personen geregeld moest worden en ging dus in zijn hut aan het
napluizen van zijn boeken.

Jack durfde Jolliffe niet over het geval spreken en eigenlijk was er
op het schip maar één aan wien hij het kon toevertrouwen, namelijk
Gascoigne. Deze nu vond het wel beneden Jack's waardigheid zich met
den bootsman te meten, maar nu de uitdaging eenmaal geschied was,
viel er niets meer aan te veranderen; hij stemde er dus in toe Jack's
secondant te wezen, zonder zich verder over de gevolgen te bekommeren.

Den tweeden dag, nadat ze in de haven van Valette waren binnengeloopen,
kregen de bootsman, de konstabel, Jack en Gascoigne verlof om aan
wal te gaan. Meneer Easthupp, de onderbetaalmeester, trok zijn besten
blauwen jas met koperen knoopen en fluweelen kraag aan, begaf zich naar
het halfdek en vroeg eveneens verlof, maar meneer Sawbridge weigerde
het hem, omdat zijn diensten vereischt werden bij het overbrengen van
duigen en hoepels naar de kuiperij. Ook Mesty kon tot zijn grooten
spijt niet gemist worden.

Dit trof ongelukkig, maar er werd nu overeengekomen, dat de ontmoeting
plaats zou hebben achter de kuiperij. Easthupp moest er dan maar een
deel van zijn diensttijd afnemen, om de breuk in zijn gekwetste eer
te herstellen. De partijen gingen allen aan wal en trokken regelrecht
naar een der kleine herbergen om de noodige toebereidselen te maken.

Meneer Tallboys nam meneer Gascoigne ter zijde, terwijl de bootsman
zijn troost zocht bij een glas grog en onze held zich buiten vermaakte
met een aap te plagen.

"Meneer Gascoigne," zei de konstabel, "ik heb er erg over ingezeten,
hoe 't met dat duel gaan moet, maar nu ben ik er achter. 't Is met
die drie partijen, weet je; waren er twee of vier, dan gaf dat geen
moeilijkheid; de rechte lijn of het vierkant zouden ons in dat geval
te pas komen; maar nu moeten we het in een driehoek opstellen."

Gascoigne keek verbaasd op, hij begreep maar niet, waar dat op neer
zou komen.

"Zijt ge op de hoogte, meneer Gascoigne, van de eigenschappen van
een gelijkzijdigen driehoek?"

"Jawel," antwoordde de adelborst, "dat ze drie gelijke zijden
heeft--maar wat drommel heeft dat met het duel te maken?"

"Heel veel, meneer Gascoigne," hernam de konstabel; "de moeilijkheid
wordt er door opgelost: werkelijk, een duel met z'n drieën kan enkel
naar dat grondbeginsel plaats hebben. Zie maar eens hier," zei de
konstabel, terwijl hij een stuk krijt uit zijn zak haalde en een
driehoek op de tafel teekende, "in deze figuur hebben we drie punten,
op gelijken afstand van elkaar en ook hebben we drie strijders;
plaatsen we er op ieder punt één, dan is de zaak in orde: hier
bijvoorbeeld meneer Rustig, de bootsman daar en de onderbetaalmeester
op den derden hoek."

"Maar hoe moet er dan geschoten worden?" vroeg Gascoigne, die schik
in de grap kreeg.

"Dat komt er minder op aan," hernam de konstabel, "maar voor zeelui
dient 't wel met de zon om te gaan; dat wil zeggen meneer Rustig
schiet op meneer Biggs, meneer Biggs op meneer Easthupp en meneer
Easthupp weer op meneer Rustig; op die manier krijgt ieder zijn schot
en dient tevens tot mikpunt voor een ander."

Gascoigne was in de wolken over die nieuwe vinding, te meer daar hij
begreep, dat ze voor Rustig groot voordeel opleverde.

"Op mijn woord, meneer Tallboys! ik maak u mijn compliment; wat zijt
ge toch een wiskundige kop, ik ben niet uw schikking ten hoogste
ingenomen. Natuurlijk hebben in dergelijke zaken de partijen zich
te houden aan de voorschriften der secondanten, en ik zal er wel
voor zorgen, dat meneer Rustig met uw uitnemend en wetenschappelijk
voorstel genoegen neemt."

Gascoigne begaf zich naar buiten, waar Jack nog met den aap bezig was,
deelde hem de door den konstabel voorgestelde regeling mee en beiden
lachten er hartelijk over.

De konstabel stelde er den bootsman mee in kennis, en ofschoon deze
er zoo goed als niets van begreep, zei hij toch:

"Voor mijn part, ik vind 't best--schot om schot, en geen begunstiging
van den een boven den ander."

De partijen verschenen nu op de aangewezen plaats met twee paar
scheepspistolen, die meneer Tallboys stil van boord meegesmokkeld
had, en de konstabel ging nu meneer Easthupp uit de kuiperij
roepen. Intusschen had Gascoigne een gelijkzijdigen driehoek van
twaalf pas per zijde uitgemeten, die door Tallboys bij zijn terugkeer
goedgekeurd werd. Rustig nam zijn plaats in, de bootsman werd op
de zijne gezet en Easthupp, die beteuterd stond te kijken, door den
konstabel naar de derde plaats geleid.

"Maar meneer Tallboys," zei de onderbetaalmeester, "ik begrijp er
niets van. Meneer Rustig moet toch eerst met meneer Biggs vechten,
is 't niet?"

"Wel neen," antwoordde de konstabel, "'t is een duel met z'n
drieën. Gij schiet op meneer Rustig, meneer Rustig op meneer Biggs
en meneer Biggs op u. Zoo is 't geregeld, meneer Easthupp."

"Maar," zei meneer Easthupp, "dat vat ik niet. Waarom moet meneer
Biggs op mij schieten? Met hem heb ik geen twist."

"Omdat meneer Rustig op meneer Biggs schiet, en meneer Biggs moet
immers evengoed zijn schot hebben."

"Meneer Easthupp," merkte Gascoigne op, "als gij ooit in fatsoenlijk
gezelschap hebt verkeerd, dient ge eenig begrip te hebben van
duelleeren."

"In de fijnste gezelschappen heb ik verkeerd, meneer Gascoigne,
en ik weet iemand voldoening te geven; maar...."

"In dat geval, meneer, behoort gij te weten dat uw eer in handen van
uw secondant is en dat geen fatsoenlijk man van diens schikking in
appél komt."

"Dat weet ik ook wel, meneer Gascoigne; maar ik heb geen ruzie met
meneer Biggs, en daarom zal meneer Biggs stellig niet op mij willen
mikken."

"Zou je soms denken dat ik voor niets op me liet schieten?" viel de
bootsman uit. "Waarachtig niet ik wil ook mijn schot hebben."

"Maar op uw vriend, meneer Biggs!"

"Dat kan me niet schelen, ik zal schieten op wie dan ook; schot om
schot, en ik zal zoo goed mogelijk raken."

"Neen, heeren, daar tegen teeken ik protest aan," riep Easthupp;
"ik ben hier gekomen om voldoening te eischen van meneer Rustig en
niet om meneer Biggs op me te laten schieten."

"Gij krijgt immers voldoening door op meneer Rustig te mogen schieten,
wat wilt ge nog meer?" antwoordde de konstabel.

"Maar ik protesteer tegen het schieten van meneer Biggs op mij."

"Zoo, wou je soms wel een schot lossen maar er geen ontvangen?" snauwde
Gascoigne hem toe, "je bent een vervloekte lafaard en moest eigenlijk
weer in de kuiperij gesmeten worden."

Die beleedigende uitdrukking maakte het bloed van Easthupp gaande en
hij nam het pistool aan, dat de konstabel hem voorhield.

"Onthoud die woorden goed, meneer Biggs; wat een taal tegenover een
fatsoenlijk man! Gij zult van me hooren, meneer, zoodra het schip
afbetaald is. Ik verzet me niet langer, meneer Tallboys; liever dood
dan eerloos. Ik ben een man van fatsoen, voor den donder!"

Blijkbaar was de bluffer alles behalve dapper, want hij beefde sterk
toen hij aanlegde.

De konstabel gaf het teeken, met een omhaal alsof hij aan
boord de oefeningen met de kanonnen leidde. Nauwelijks had hij
"vuur!" gekommandeerd of meneer Easthupp gaf een luiden gil, sloeg de
hand achter tegen zijn broek en viel neer; de kogel had den zetel van
zijn eer getroffen, daar hij bij het mikken op onzen held den bootsman
zijn rug had toegekeerd. Ook Jack's schot had doel getroffen; de kogel
was dwars door de wangen van den bootsman gegaan had een paar van
zijn beste boventanden meegenomen en bovendien zijn tabakspruim. De
kogel van Easthupp echter was geheel uit den koers gevlogen, want
bij het afvuren had hij de oogen dichtgeknepen.

De onderbetaalmeester lag op den grond te kermen--de bootsman spoog
met zijn paar tanden een mondje twee, drie bloed uit en wierp zijn
pistool nijdig van zich af.

"'t Is waarachtig wat moois," bromde hij tusschen het spuwen door;
"hoe moet ik nu voortaan het sein voor het middagmaal geven? Als
ik op de fluit wil blazen zal de wind ontsnappen door de gaatjes in
mijn wangen."

Intusschen waren de anderen begonnen hulp te verleenen aan den
onderbetaalmeester, die maar aldoor aan het jammeren bleef. Zij
onderzochten de wond en bevonden dat ze niet gevaarlijk was.

"Houd toch op met dat verwenschte geschreeuw," riep de konstabel uit,
"je zult nog maken dat de wacht er op af komt; je bent niet getroffen."

"Niet?" kermde de betaalmeester. "O, laat me maar sterven, laat me
maar sterven; raak me toch niet aan!"

"Malligheid!" riep de konstabel uit, "je moet opstaan en naar de boot
loopen; als je 't niet doet, laten we je hier liggen--houd je mond
toch, kerel! Zul je? of je krijgt een opstopper van me."

"Hij zal niet kunnen loopen, meneer Tallboys," zei Gascoigne; "het
best zal wezen dat we een paar man uit de kuiperij roepen en hem naar
het hospitaal laten dragen."

Terwijl de konstabel aan dien wenk gehoor gaf, kwam meneer Biggs,
met een doek om zijn gezicht alsof hij kiespijn had, op den
onderbetaalmeester af.

"Wat duivel maak jij toch voor een erbarmelijk leven? Kijk mij eens,
ik heb twee gaten dwars door mijn facie, en jij enkel een in je
achtersteven. Ik wou maar dat ik in jouw plaats was, dan kon ik
ten minste nog op de fluit blazen. Dat was een verwenscht schot,
meneer Rustig."

"Het spijt me waarlijk," antwoordde Jack met een beleefde buiging;
"ik verzoek u wel verschooning."

Onder dit gesprek raakte de onderbetaalmeester zoo'n beetje buiten
westen en dacht dat hij sterven zou.

"Och hemeltje, wat was ik een dwaas! Nooit ben ik een heer
geweest--enkel een bluffer: ik zal sterven; nooit zal ik meer
zakkenrollen--nooit--nooit!"

"Jou vervloekte kerel!" riep Gascoigne uit. "Dus ben je toch werkelijk
een zakkenroller geweest?"

"Ik zal er me nooit weer mee inlaten," kreunde de vent. "Voortaan
zal ik een deugdzaam leven leiden--water, water, alsjeblieft! O, o!"

Daarop viel de arme stakker in zwijm, en meneer Tallboys, die juist
met een paar man terugkeerde, liet hem nu naar het hospitaal brengen,
waarheen ook de bootsman hem vergezelde, in de meening dat hij wel
eenige geneeskundige hulp kon gebruiken, eer hij weer naar boord ging.

"Wel, Rustig," zei Gascoigne, terwijl hij de pistolen opraapte en in
zijn zakdoek wikkelde, "dat is de mooiste grap geweest, die ik ooit
heb bijgewoond." En bij de herinnering er aan, barstte hij in lachen
uit, zoodat de tranen hem over de wangen liepen. Jack echter vond het
geval lang zoo prettig niet, want hij vreesde dat de onderbetaalmeester
ernstig gewond zou zijn en gaf zijn bezorgdheid daarover te kennen.

"In elk geval hebt gij hem niet getroffen," hernam Gascoigne; "het
eenige wat op uw rekening komt is het geschonden gezicht van den
bootsman,--je zult hem nu wel voor goed den mond gestopt hebben."

"Ik vrees, dat het voortaan met ons verlof krijgen uit zal zijn,"
antwoordde Jack.

"Daar kunnen we wel zeker van zijn," stemde Gascoigne in.

"Hoor eens hier," zei Rustig; ik heb een aardig sommetje dollars bij
me--als we eens niet naar boord teruggingen?"

"Sawbridge zal ons door de wacht laten inrekenen," luidde het antwoord;
"maar daartoe moeten ze ons eerst vinden."

"Dat kan zoo lang niet duren, ze zullen ons gauw genoeg bij de kladden
hebben en dan gaan we voor een paar dagen de doos in."

"'t Zou toch een verduiveld werk zijn, als we al de zes weken, die
het schip hier blijft liggen, bij zoo'n brandende zonnehitte aan
boord moesten hokken, met geen andere bezigheid dan naar het spelen
der loodsmannetjes om het roer te kijken en slechte abrikozen te
verorberen. Heb je veel geld bij je, Jack?"

"Twintig dubloenen en nog wat dollars," antwoordde Jack.

"Laten we ons dan houden, Jack, alsof we ons doodelijk ongerust maken
over de gevolgen van het duel en ons niet durven vertoonen uit vrees
van gehangen te zullen worden. Ik zal Jolliffe een brief zenden, dat
we ons schuil houden tot onze zaak afgehandeld is en hem verzoeken
bij den kapitein en den eersten luitenant een goed woord voor ons te
doen. Ik zal hem alles in bijzonderheden vertellen en mij voor de
waarheid er van op den konstabel beroepen; dan weet ik zeker, dat,
al worden wij gestraft, zij toch om het geval zullen lachen. Maar ik
zal 't laten voorkomen, alsof Easthupp gedood is, en wij bang zijn
voor ons leven. Als we dan aan boord gaan van een der marktschuiten,
die met fruit van Sicilië hier komen en van avond naar Palermo zeilen,
kunnen we een tocht van veertien dagen maken en, als ons geld op is,
weer terugkeeren."

"Dat is een prachtig idee, Ned, en hoe eer we het ten uitvoer brengen
hoe beter. Ik zal den kapitein schrijven om hem te smeeken ons van
het ophangen te verschoonen en hem te melden, waar we heen gevlucht
zijn. Die brief moet hem overhandigd worden, nadat we onder zeil
zijn gegaan."



Veertiende hoofdstuk.

    Onze held onderneemt een nieuwen tocht en schiet er bijna
    het hachje bij in.


Gascoigne en onze held, die geen van beiden in uniform waren, hadden
spoedig den eigenaar van een marktschuit opgediept. Zij troonden de
man mee naar een kroeg, waar ze, met behulp van een Malthezer jongen,
die wat Engelsch verstond, met hem overeenkwamen, dat hij voor de som
van twee dubloenen nog dienzelfden avond onder zeil zou gaan en hen
bij een of andere stad van Sicilië aan wal zou zetten. Het bezorgen
van wat eetbaars en van een paar mantels om in te slapen was onder
den koop begrepen.

Onze beide adelborsten keerden nu weer terug naar de herberg, waar ze
vóór het duel vertoefd hadden en bestelden een flink maal. Terwijl ze
in een achterkamer daarop zaten te wachten, verdreven ze zich den tijd
met vliegen vangen en het praten over de gebeurtenissen van dien dag.

Daar meneer Tallboys het niet geraden achtte vóór den avond naar boord
terug te keeren en ook meneer Biggs het liever eerst donker wilde laten
worden, lekte er vóór den volgenden morgen niets van het duel uit. Ook
toen nog werd het niet bekend door den bootsman of den konstabel,
maar door een hospitaalknecht, die den scheepsdokter kwam verwittigen,
dat een van de manschappen gewond bij hen was binnengebracht, maar
het heel goed maakte.

Meneer Biggs was met een doek om zijn gezicht langs de valreep
opgeklommen.

"Die verduivelde Jack Rustig," mompelde hij, "sedert we van Portsmouth
uitgezeild zijn, ben ik nog maar tweemaal met verlof geweest. De
eerste maal moest ik ten spot van de heele bemanning zonder broek
naar boord terug en nu durf ik mijn gezicht niet vertoonen." Hij
meldde zich bij den officier van de wacht en haastte zich naar de
kooi, waar hij den ganschen nacht wakker lag van de pijn, en op een
uitvlucht zon om den volgenden morgen niet aan dek te komen.

Die moeite had hij zich echter kunnen besparen, want meneer Jolliffe
bracht den brief van Gascoigne aan meneer Sawbridge, en die van onzen
held werd aan den kapitein overhandigd.

Kapitein Wilson kwam aan boord en hoorde nu van Sawbridge al de
bijzonderheden die Jack onvermeld had gelaten; en nadat zij den brief
van Gascoigne in de kajuit nog eens overgelezen hadden en meneer
Tallboys in verhoor genomen en in arrest gezonden was, maakten zij
zich vroolijk over het gebeurde.

"Er komt maar geen einde aan de dwaasheden van dien Rustig," zei
de kapitein. "Ik moet lachen om dat duel, want eigenlijk heeft 't
niets te beduiden en hij zou er met een flinke schobbeering afgekomen
zijn. Maar die malle jongens zijn nu met een marktschuit naar Sicilië
en hoe duivel krijgen we ze weer hier?"

"Zoodra hun geld op is, zullen ze wel vanzelf terugkomen," antwoordde
Sawbridge.

"Ja, als ze ten minste niet in andere ongelegenheden geraken. Die
Gascoigne is al net zoo'n hachje als Rustig, en nu die twee bij elkaar
zijn, valt er geen pijl op te trekken waar het op uit zal draaien. Van
middag ga ik bij den goeverneur ten eten, wat zal die lachen als ik
hem van de nieuwe manier van duelleeren vertel!"

"Ja, meneer, dat is juist een kolfje naar zijn hand."

"We dienen toch te onderzoeken, Sawbridge, of ze het eiland al verlaten
hebben; me dunkt, dat zullen ze nog niet."

Maar het was wel zoo. Jack en Gascoigne hadden een flink maal genuttigd
en vervolgens bedaard gewacht, tot de marktschipper hen kwam halen.

"Wat zullen we met de pistolen doen, Jack?"

"Meenemen en laden voordat we vertrekken--we kunnen ze soms noodig
hebben. Wie weet of er aan boord van de marktschuit geen muiterij
uitbreekt. Hadden we Mesty maar bij ons."

Zij laadden de pistolen, namen er ieder een paar en borgen die onder
hun vest, verdeelden kruit en lood onder elkaar en weldra kwam de
schipper hun zeggen, dat alles gereed was.

Gascoigne en Rustig betaalden nu hun rekening en wilden vertrekken,
maar de schipper gaf hun te kennen, dat hij klinkende munt wilde
zien eer hij hen aan boord liet. Jack raakte daarover zoo verbolgen,
dat hij een handvol dubloenen uit zijn zak greep en er den schipper
twee van toewierp met de vraag of dat genoeg was.

De schipper trok zijn beurs, deed het geld er in en verzocht de
jongelieden onder allerlei verontschuldigingen hem te volgen. Dit
deden zij en niet lang daarna voeren ze vlak langs de Harpij de haven
van Vallette uit.

Het was een heldere avond en onder het flikkeren der sterren en de
zachte stralen der maan gleed het lichte vaartuig over het water. De
onoverdekte schuit lag vol vaten en kisten, waarin druiven en allerlei
vruchten geweest waren en de bemanning bestond, behalve uit den
schipper zelf, uit twee man en een jongen, welke laatste drie zich
vooruit bij het zeil ophielden.

De schipper zat aan het roer en was zeer beleefd tegenover de twee
jongelui, die maar liever ongemoeid gelaten werden. Ten slotte vroegen
zij om een paar mantels, daar ze wilden gaan slapen. De schipper
riep nu den jongen om het roer van hem over te nemen, haalde wat zij
verlangd hadden en ging vervolgens naar voren. Onze beide adelborsten
lagen een poos naar de sterren te kijken, zonder een woord te spreken,
doch eindelijk begon Jack:

"Zoo'n vaart vind ik heel prettig, Gascoigne. Wat danst zoo'n scheepje
luchtig over de golven."

"Dat vind ik ook, je zoudt je zoo heerlijk in slaap kunnen laten
wiegelen; maar wat dunk je, zou 't ook zaak zijn wacht te houden?"

"Om de waarheid te zeggen, daar heb ik ook al over gedacht. De oogen
van den schipper bevallen me niet best--hij kijkt scheel."

"Dat doet er eigenlijk minder toe, Jack, maar ik geloof dat hij
verlekkerd is geraakt op je dubloenen; je hadt eens moeten zien hoe
zijn oogen begonnen te glinsteren, toen je zooveel geld voor den
dag haalde."

"Ja, dat was een domme streek van me."

"Je hadt hem liever de pistolen dan je dubloenen moeten laten zien."

"Nu, als hij lust krijgt zich toe te eigenen wat hij gezien heeft,
zal hij kennis maken met wat hij niet onder de oogen heeft gehad."

"O, bang ben ik niet, maar we zullen toch verstandig doen met een
half oog open te houden."

"Wanneer zouden we aan land komen?"

"Morgenavond als de wind zoo blijft, en daar is veel kans op. Als
we eens om beurten waakten en onze pistolen onder de mantels gereed
hielden?"

"Best--'t is nu ongeveer twaalf uur--wie zal de hondenwacht op
zich nemen?"

"Ik, Jack, als je 't goed vind."

"Goedennacht dan en kijk maar goed uit de oogen. Geef me maar een
fermen stomp als ik je moet aflossen, want ik slaap verduiveld vast."

Binnen weinige minuten lag Jack in diepe rust, terwijl Gascoigne plat
in de schuit zat met naast iedere hand een pistool.

De eigenaar van het scheepje was zoo verlekkerd geraakt op de
dubloenen, die Jack zoo ondoordacht had laten zien, dat hij besloot er
zich meester van te maken. Terwijl onze beide vrienden zamen zaten te
praten, was de schipper met de twee mannen vooruit aan het overleggen,
en er werd afgesproken, dat zij de beide passagiers zouden vermoorden,
plunderen en vervolgens over boord werpen.

Tegen twee uur in den morgen kwam de schipper eens kijken of ze
sliepen, maar vond Gascoigne wakker. Telkens en telkens keerde
hij nog eens terug, maar steeds vond hij den jongen man overeind
zitten. Ongeduldig geworden, vol begeerte naar het geld en niet
vermoedende dat zijn passagiers gewapend waren, begaf hij zich nogmaals
vooruit om met de twee anderen te beraadslagen. Gascoigne had zijn
bewegingen nauwlettend nagegaan; hij vond het vreemd, dat het roer
aan den jongen werd toevertrouwd, terwijl er toch drie volwassen
mannen aan boord waren, en ten laatste merkte hij op, dat ze hun
messen trokken. Hij gaf Jack een peuter, zoodat deze onmiddellijk
ontwaakte. Gascoigne hield jack de hand voor den mond, opdat hij geen
geluid zou geven en fluisterde hem toe welke vermoedens hij had. Jack
greep zijn pistolen; beiden spanden zoo voorzichtig mogelijk den
haan en wachtten in stilte wat er gebeuren zou, Jack, nog liggende,
terwijl Gascoigne plat op den bodem der schuit bleef zitten. Eindelijk
zag Cascoigne de drie mannen naar achter komen--voor een oogenblik lei
hij een zijner pistolen neer om Jack een handdruk te geven, die door
dezen beantwoord werd. Terwijl Gascoigne de kerels, die tusschen de
leege vaten door naderden, strak in het oog hield, bleef Jack languit
liggen en deed alsof hij sliep. Dichtbij gekomen hieven de schipper en
zijn beide helpers hun messen op, doch nu losten de slapend gewaande
adelborsten opeens hun pistolen, en troffen den schipper en een der
knechts vlak in den borst, zoodat ze beiden neerstortten. De derde
aanvaller deinsde af. Jack, die niet op kon staan, omdat het lichaam
van den schipper hem dwars over de beenen was gevallen, lei met
het tweede pistool haastig op den derden man aan en ook deze plofte
neer. De jongen aan het roer, die misschien wist waar het op aangelegd
was, of wel eenvoudig het voorbeeld der anderen volgde, trok nu ook
zijn mes en viel Gascoigne van achteren aan. Gelukkig schampte het mes
af, zoodat Gascoigne slechts een lichte verwonding aan den schouder
bekwam. Toen hij zich schielijk omwendde om den jongen neerschieten,
verloor deze bij het terugdeinzen zijn evenwicht en sloeg over boord.

Onze beide adelborsten schepten nu even adem.

"Wel, Jack." zei Gascoigne ten laatste, "had je ooit...."

"Neen, nooit."--antwoordde Jack.

"Wat nu gedaan?"

"Om te beginnen, Ned, dienen we een van beiden aan het roer te gaan,
want de schuit dobbert al aardig op goed geluk rond."

"Je hebt gelijk," antwoordde Gascoigne, "en daar ik beter sturen kan
dan jij, zal ik dat maar op me nemen."

Gascoigne vatte nu de roerpen ter hand, loefde bij den wind op en
hervatte het gesprek.

"Die ellendige jongen heeft me een duivelschen veeg over den schouder
gegeven; of hij me erg gewond heeft, weet ik niet, maar 't is gelukkig
mijn linkerschouder, zoodat ik toch evengoed sturen kan. Zouden de
kerels alle drie dood zijn?"

"De schipper in elk geval," antwoordde Jack. "Ik had heel wat werk
om mijn beenen onder hem vandaan te krijgen. Maar we zullen met
het onderzoek wachten tot de dag aangebroken is en intusschen mijn
pistolen weer laden."

"Het wordt in het oosten al helderder--over een half uur zal 't wel
licht zijn. Wat een drommelsche herrie, Jack!"

"Ja, wie kan dat helpen? We gingen aan den haal omdat twee menschen
gewond waren,--en nu zijn we verplicht geweest uit zelfverdediging
vier personen te dooden."

"En daarmee is het nog niet afgeloopen. Wat moeten we aanvangen als
we op Sicilië komen? De overheid zal ons gevangen nemen--misschien
wel laten ophangen."

"Dat zullen we toch eerst eens nader beredeneeren," zei Jack.

"We moesten 't maar liever onder ons beiden uitmaken, Jack, en
overleggen hoe ons het best uit de verlegenheid te redden."

"Me dunkt, dat we er juist al heel aardig aan zijn ontsnapt; wees
maar niet bezorgd, we zullen een volgenden keer ook wel weer uit
de klem raken. 't Is toch gek, dat er bij al wat ik doe, zooveel
overhoop raakt."

"Ja, dat is 't wel, Jack. Maar hoor je daar niet een van die arme
kerels kreunen?"

"Dat zou niet onmogelijk wezen."

"Wat moeten we met hen aanvangen?"

"We zullen de lijken bij ons moeten houden, of ze over boord werpen;
het geheele geval vertellen precies zooals het geloopen is, of er
geen woord over reppen."

"Dat is vrij duidelijk. Maar er dient gehandeld te worden, want met
praatjes komen we niet verder."

"Stel, dat we de lijken aan boord houden, een zeehaven binnenloopen,
ons bij de overheid aanmelden en meedeelen wat er gebeurd is, wat dan?"

"Dan zullen we stellig bewijzen, dat we drie man gedood hebben,
maar niet, dat we er toe gedwongen waren Jack. Ze zullen ons dus in
de gevangenis zetten, tot we onze onschuld hebben bewezen, wat niet
zoo gemakkelijk gaan zal."

"Dat is verre van plezierig," antwoordde Jack. Maar laten we nu de
zaak eens van den anderen kant bekijken."

"Als we de lijken en ook de leege vaten over boord werpen, de schuit
reinigen en de eerste haven de beste binnenloopen, hebben we alle kans,
juist op dezelfde plaats te komen, vanwaar de schuit uitgezeild is. Dan
krijgen we een hoop vrouwen en kinderen en met messen gewapende kerels
aan den hals, die ons zullen vragen waar de bemanning van het vaartuig
gebleven is."

"Dat zou me volstrekt niet bevallen," zei Jack.

"En al loopt 't niet zoo erg, in elk geval zullen ze vragen wie wij
zijn en waar we vandaan komen."

"Alweer een moeilijkheid," zei Jack. "We moesten maar zeggen, dat
we er op uit waren gegaan, om met het pistool zeemeeuwen te schieten
en door een stormwind naar Sicilië zijn afgedreven--dat wekt meteen
belangstelling."

"Misschien is dat nog maar het beste, Jack. In elk geval dienen we
eerst die lijken op te ruimen; maar als de kerels eens niet dood
zijn?--We kunnen ze toch niet levend over boord smijten--dat zou een
moord wezen."

"Ja, juist," antwoordde Jack, "dus eerst ze doodgeschoten en dan
overboord er mee."

"Je bent toch een rare, Jack. Maar kom laten we eerst de kerels
onderzoeken en dan beslissen. Houdt je pistool gereed, ze mochten
eens enkel een schampschot gekregen hebben."

"Deze heeft stellig zijn portie," hernam Jack met een ruk aan het
lijk van den schipper, "en de kerel, dien jij geraakt hebt, heeft
een gat in zijn borst als een vuist. Nu de derde," vervolgde hij,
terwijl hij over den dwarsbalk stapte--"die is zeker ook om zeep. Wel
vriend, ben je dood?" vroeg Jack en bekrachtigde zijn vraag met een
schop tegen de ribben. De man kreunde. "Dat is jammer, Gascoigne,
maar mijn pistool zal er gauw een eind aan maken."

"Halt! Jack," riep Gascoigne uit, "dat zou immers een moord zijn."

"In het onderhavige geval niet," beweerde Jack. "Iemand die een
aanslag doet op het leven van een ander, heeft het zijne verbeurd."

Gascoigne kon echter nog niet toegeven, dat Jack daarom recht had
om met nummer drie korte metten te maken en er volgde eenig gehaspel
tusschen onze beide vrienden, waaraan eindelijk de persoon in kwestie
zelf een einde maakte door met een zwaren zucht den laatsten adem uit
te blazen. Nu talmden zij niet langer en spoedig waren de lijken in
de golven verdwenen. Nadat ook de schuit schoongeveegd was, zochten
ze naar wat eten en vonden in een kist brood, worst en een kruik wijn.

"De schipper heeft toch woord gehouden en voor een maal gezorgd,"
zei Jack.

"Ja, en als het gezicht van al dat goud hem niet verlokt had, zou
hij nog in leven zijn."

"Als jij niet aangeraden had op de vlucht te gaan met een marktschuit,
evengoed."

"En als jij geen duel had gehad, zou ik dien raad niet gegeven hebben."

"En als de stuurman niet genoodzaakt was geweest te Gibraltar zonder
broek aan boord te komen, zou ik niet geduelleerd hebben."

"En als jij niet aan boord gekomen waart, zou de bootsman zijn broek
aan gehad hebben."

"En als mijn vader geen wijsgeer was geweest, zou ik niet op zee gegaan
zijn; zoodat eigenlijk mijn vader van alles de schuld draagt en, zonder
het zelf te weten, heel op de kust van Sicilië vier menschen gedood
heeft--daar heb je nu oorzaak en gevolg. Kortom, niets gaat boven
redeneeren; nu dat uitgemaakt is, kunnen we wel aan ons maal beginnen."

Nadat dit afgeloopen was, ging Jack naar voren en kreeg land in
't zicht; drie of vier uren stuurden zij nu denzelfden koers.

"We moeten meer bij den wind opsteken," zei Gascoigne; "bij een kleine
stad aan te leggen, zal niet geraden zijn; we hebben te kiezen of
we ergens op de kust zullen landen en de schuit laten zinken, of bij
een of andere groote stad binnenloopen."

"Dat moeten we nog eens in 't breede beredeneeren," zei Jack.

"Neem jij dan intusschen het roer over, want mijn arm wordt me zoo
moe; je kunt goed genoeg sturen en 't is tijd, dat ik eens naar mijn
schouder kijk, want hij is me heelemaal stijf geworden." Gascoigne
trok zijn jas uit en bemerkte nu dat zijn hemd van bloed doortrokken
was en op de wond vastgeplakt zat. Hij nam zoolang het roer over,
tot Jack hem den schouder gewasschen en verbonden had.

"Neem jij het roer nu maar weer voor je rekening," zei Gascoigne,
"want ik sta op de ziekenlijst."

"Als heelmeester ben ik niets waard," hernam Jack; "maar wat nu
begonnen? Zullen we van avond aan wal gaan en de schuit laten zinken
of een stadshaven binnenloopen?"

"Wil je wel gelooven, Jack, dat ik wou dat we weer op de Harpij
zaten? Ik heb al genoeg van den tocht."

"'t Loopt met mijn tochten ook zoo ongelukkig," antwoordde Jack,
"ze zijn al te avontuurlijk; maar aan den wal ben ik nog nooit aan
't ronddolen geweest. Me dunkt, als we Palermo maar konden bereiken,
zouden we alle moeilijkheden te boven zijn."

"De wind wakkert aan, Jack," zei Gascoigne; "en 't begint er te
loevert vrij smerig uit te zien. Ik vrees dat we storm krijgen."

"Dat belooft weinig goeds--ik weet wat het zegt bij een storm gebrek
aan handen te hebben; één ding is echter gelukkig, we zullen ditmaal
niet uit den wal gedreven worden."

"Neen, maar wel op de klippen schipbreuk lijden. Er staat te veel
zeil bij, Rustig, we zullen wat moeten strijken en een rif leggen,
en hoe eer hoe liever maar, want over een uur zal het donker zijn. Ga
vooruit het zeil maar strijken, dan zal ik je helpen."

Jack deed dit, maar het zeil zakte in het water en hij kon 't niet
binnen boord krijgen.

"Zet 't aan de spil vast," zei Gascoigne, "dan zal ik er de wind uit
laten loopen."

Dit gebeurde; zij reefden het zeil, maar konden het niet meer omhoog
krijgen: telkens als Gascoigne den helmstok losliet om Jack te helpen,
schoot de wind in het zeil, en als hij dan naar het roer ging om den
wind weer uit het zeil te krijgen, was Jack alleen niet sterk genoeg
om het op te hijschen.

De wind werd hand over hand sterker en de zee onstuimiger; de zon
school weg en met het halverwege geheschen zeil konden ze niet bij den
wind houden, maar waren verplicht recht op de kust aan te varen. De
schuit vloog vooruit over de koppen der golven en de kiel stond half
blank van het water; de maan was al opgekomen en gaf licht genoeg om
te doen zien, dat zij niet meer dan vijf mijlen van de kust verwijderd
waren, waar een breede strook schuim een hevige branding verried.

"In elk geval kunnen ze ons niet beschuldigen, dat wij er met de
schuit van door zijn," merkte Jack op; "zij is integendeel met ons
aan den haal."

"Ja," stemde Gascoigne toe, die al zijn kracht noodig had om de
roerpen te regeeren; "zij heeft het bit tusschen de tanden genomen."

"Ik wou, dat ik ook maar wat tusschen de tanden had," zei Jack,
"want ik heb een verduivelden honger; en jij, Ned?"

"Ik niet minder," antwoordde Gascoigne; "maar, weet je, Jack, 't kon
best ons galgemaal wezen."

"Dan mag 't wel bijzonder goed zijn.--Maar hoe denk je dat zoo, Ned?"

"Over een half uur zitten we op het strand."

"Daar moeten we immers juist wezen."

"Ja, maar er staat een hooge zee en ons vaartuig kon wel eens tegen
de rotsen stuk geslagen worden."

"Nu, dan zal ons daar ten minste niet meer naar gevraagd worden."

"Dat is wel waar, maar met die klippen is 't geen gekscheren; we zullen
't er zelf niet beter afbrengen dan de schuit en zwemmen helpt ook
niet. Konden we maar een inham of een zandbank vinden, dan zou het
misschien nog gelukken om aan wal te komen."

"Ja," hernam Jack, "ik ben nog niet lang op zee en weet natuurlijk nog
weinig van al die dingen. Je zult wel gelijk hebben, maar ik zie het
groote gevaar niet in--laten we de schuit hier maar dadelijk recht
op het strand laten loopen."

"Dat zal ik ten minste beproeven," antwoordde Gascoigne, die al vier
jaar ter zee voer en vrij goed wist wat er gedaan diende te worden.

Jack reikte hem een flink stuk brood met worst toe.

"Dank je, ik kan nu niet eten."

"Ik wel," antwoordde Jack, met een vollen mond.

Jack at en Gascoigne stuurde; de snelheid waarmee de marktschuit op
de kust aanstoof was werkelijk onrustbarend. Als een pijl vloog ze
van golf op golf en scheen er den spot mee te drijven, als deze haar
toppen over den smallen achtersteven deden krullen. Geen mijl waren
ze meer van het strand, toen Jack, die intusschen met zijn avondmaal
klaar was en naar het bruischend schuim langs de kust zag, uitriep:

"Dat is heerlijk--prachtig!"

"Hij bekommert zich ook nergens om," dacht Gascoigne; "'t schijnt wel
dat hij geen flauw begrip heeft van het gevaar waarin we verkeeren."

"Wacht maar, mijn beste jongen," zei Gascoigne, "binnen weinige minuten
zitten we op de klippen. Ik kan onmogelijk van het roer weg, maar
als we elkaar niet mochten terugzien, vaarwel dan, Jack, God zegen je."

"Gascoigne," zei Jack, "jij bent gewond, en ik niet; je schouder is
stijf en je kunt den linkerarm ternauwernood bewegen. Als het toch
op de klippen uitdraaien moet, kan ik evengoed sturen als jij. Ga
jij voor naar den boeg, daar zul je een betere kans hebben." En
de pistolen tusschen zijn vest stekende, liet hij er op volgen:
"ik wil die dingen toch niet achterlaten, ze hebben ons te goede
diensten bewezen. Komaan, Gascoigne, laat mij nu aan het roer."

"Neen, neen, Rustig."

"Ik zeg van ja," hernam Jack, op luiden, gebiedenden toon, "en
wat meer is, ik wil gehoorzaamd worden, Gascoigne. Al heb ik geen
voldoende kennis, spierkracht heb ik toch, en op de kust kan ik al
licht aansturen. Kom, laat mij aan het roer. Als je dan niet goedschiks
wilt, zal ik er me met geweld van meester maken."

Rustig wrong Gascoigne den helmstok uit de hand, en gaf hem een duw.

"Ga nu vooruit en zeg me hoe ik sturen moet."

Hoe Gascoigne ook gestemd was over Jack's manier van handelen, toch
begreep hij onmiddellijk, dat er niets beters op zat dan de schuit
op de minst onveilige plek te laten loopen, en hij dus waarschijnlijk
vooruit nog betere diensten zou kunnen bewijzen dan aan het roer. Hij
tuurde strak naar de klippen, waar de golven telkens als schuimend
bovenuit sloegen, om dan als watervallen weer langs de kanten er
van neer te stroomen. Wat rechtsaf bespeurde hij een gaping; als
het vaartuig daarop aangehouden werd, meende hij, zou het zóó hoog
opgeworpen worden, dat er voor hen kans zou zijn er uit te komen. Dit
was nog de eenige manier om aan den dood te ontsnappen.

"Een beetje stuurboord--zoo is 't genoeg. Recht zoo--bakboord
nu--bakboord? Pas op dat de ra je niet tegen het hoofd
slaat--vasthouden!"

Op dit oogenblik werd de marktschuit in een breede kloof van een rots
gesmeten, waarvan de zijden bijna loodrecht stonden; dit was het
eenige wat hen kon redden, want als ze van den buitenkant tegen de
klip aangekomen waren zou de schuit aan splinters geslagen zijn. De
kloof was nog geen vier voet breeder dan de schuit, en daar dezen
door de golven omhoog geslingerd werd, sloeg de ra met groot geweld
heen en weer. Jack zou stellig over boord geworpen zijn, als hij niet
gewaarschuwd was geworden; maar nu dook hij neer, zoodat de ra over
hem heen ging. Toen het water terugweek, bleef de schuit tusschen
de rotswanden hangen, maar een tweede golf stuwde ze nog hooger op
en vulde ze tegelijkertijd met water. De boeg stond nu verscheidene
voeten hooger dan de achtersteven, waar Jack zich bevond; en het
gewicht van het water, vereenigd met de kracht der terugslaande golven,
deed het vaartuig vlak achter den mast vaneensplijten. Jack bemerkte,
dat het achtergedeelte van het schip weggeslagen werd; hij greep de ra,
die nog heen en weer slingerde en terwijl hij zich daaraan vastklemde,
zag hij het gedeelte van de schuit, waar hij zooeven nog gestaan had,
onder zich in de golven verzinken.

Jack moest al zijn krachten inspannen om niet door de telkens
opgezweepte golven weggerukt te worden; maar hij wist dat zijn leven
van het vasthouden der ra afhing en ofschoon het water gedurig over
hem heen sloeg, liet hij niet los. Eindelijk wist hij vasten voet te
krijgen op de klip en kroop naar het voorstuk van de schuit, dat heel
wat hoogerop tusschen een nauwer gedeelte van de kloof vastgeklemd
zat. Opziende zag hij boven zich op een rotspunt Gascoigne staan,
die hem nu de hand toestak en omhoog hielp.

"Ziezoo," zei Jack, terwijl hij het water afschudde, "hier zijn we
tenminste aan wal--zoo iets had ik me toch niet kunnen voorstellen. De
drang van het terugstroomende water was zoo groot, dat mijn arm er
bijna door uit het lid getrokken zou zijn. Hoe gelukkig, dat ik jou met
je gewonden schouder naar voren heb laten gaan! Nu alles voorbij is,
en je gezien hebt dat ik toch gelijk had, zul je mijn ruwe bejegening
wel niet kwalijk nemen."

"Je behoeft geen verschooning te vragen, dat je me het leven gered
hebt, Jack," antwoordde Gascoigne, bibberend van koude.

"Ik moet eens zien of onze ammunitie droog gebleven is," zei Jack;
"ik heb ze in mijn hoed geborgen."

Jack zette zijn hoed af en bevond, dat de patronen niets geleden
hadden.

"Wat nu begonnen, Gascoigne?"

"Ik weet 't waarlijk niet."

"Laten we dan hier gaan zitten, om het eens goed te overleggen."

"Dank je wel, er zou te veel koud water over onze redeneeringen
loopen--ik ben halfdood; laten we opstappen."

"Met alle genoegen," zei Jack, "al loopt 't hier alles behalve
gemakkelijk."



Vijftiende hoofdstuk.

    Onze held volgt zijn noodlot en ontmoet oude bekenden.


Onze beide vrienden klauterden nu verder over de klippen en hadden
weldra den steilen oever bereikt, waar ze gingen zitten rusten. De
lucht was helder, ofschoon er een sterke wind woei. Zij hadden een ruim
uitzicht over de kust, die door de onstuimige golven gezweept werd.

"Als ik zoo naar die woeste baren zie, Ned, ben ik toch maar blij
dat we er uit zijn."

"Dat ben ik volkomen met je eens, Jack, maar hier vandaan zou ik ook
wel willen, want de wind blaast me door merg en been. Laten we wat
landwaarts in gaan en zien of we eenige beschutting kunnen vinden
tot de dag aanbreekt."

"'t Is haast te donker om iets te vinden," antwoordde onze held;
"maar toch zoo'n stevige bries uit het westen boven op een heuveltop
en dan met doornatte kleeren midden in den nacht, zonder iets te eten
of te drinken, is geen bijzonder begeerlijke toestand en licht tegen
een beteren te ruilen."

Zij liepen een honderd el verder en daalden toen af, wat hen terstond
in een veel zachter atmosfeer bracht. Bij het voortzetten van hun tocht
landwaarts in, kwamen ze op een weg, die evenwijdig scheen te loopen
met de kust en volgden dien; want, zooals Jack te recht opmerkte,
een weg voert altijd ergens heen. Na een wandeling van een kwartier,
hoorden zij het rollen van de branding en bespeurden de witte muren
van huizen.

"Eindelijk zijn we er," zei Jack. "Zou er iemand naar buiten komen en
ons binnenlaten, of zouden we voor den nacht een schuilplaats moeten
zoeken op een van de vaartuigen, die hier aan den wal liggen?"

"Denk er nu vooral om, Rustig, dat ge uw geld niet laat zien; dat wil
zeggen, kom hoogstens met een dollar voor den dag en zeg dat je niet
meer hebt; of beloof, dat we betalen zullen, zoodra we te Palermo
komen; en als ze ons niet vertrouwen of ons niets willen geven,
moeten we nader zien hoe we het maken zullen."

"Wat gaan die vervloekte honden te keer! Ditmaal zullen we 't er
wel goed afbrengen, Gascoigne; we zien er waarlijk niet uit, alsof
't de moeite waard was ons te plunderen, en bij een aanval hebben
we pistolen om ons te verdedigen. Reken er gerust op, dat ik geen
goud meer vertoonen zal. En nu afgesproken hoe we doen zullen. Neem
jij één pistool en de helft van het goud--'t zit alles in mijn
rechterzak--mijn dollars en klein geld in mijn linker. Ook daarvan
krijg je de helft. Totdat we in een veilig oord gekomen zijn, hebben
we zilver genoeg."

Jack verdeelde nu in het donker het geld en gaf Gascoigne ook een
pistool.

"Zullen we aankloppen om een onderkomen?--Laten we liever eerst het
dorp doorwandelen en zien of er ergens een herberg te vinden is. Dat
keffend hondegoed zal ons spoedig op de hielen zitten, ze komen
al nader en nader. Daar staat een kar vol stroo--als we daar eens
inkropen tot den morgen--we kunnen er ons in elk geval in verwarmen."

"Ja," antwoordde Gascoigne, "en veel beter slapen dan in een van
de schamele woningen. Ik ben vroeger eens op Sicilië geweest; maar
'n vlooien dat je daar hadt!"

Onze beide adelborsten klommen in de kar, kropen lekker onder het
stroo en waren spoedig in diepe rust. Daar ze in twee nachten geen
oog hadden dichtgedaan, valt 't niet te verwonderen dat ze vast
sliepen--zoo vast zelfs, dat, toen twee uren later de boer, die eenige
vaten wijn naar het dorp had gebracht, zijn ossen inspande en, zonder
iets van zijn vracht te bemerken, wegreed, zij volstrekt niet in hun
rust werden gestoord, ofschoon de wegen op Sicilië nog al heel wat
te wenschen overlaten.

Door het hobbelige van den weg werd de slaap van onze avonturiers
nog eer versterkt dan gestoord; en al kregen ze nu en dan hevige
schokken, dit werkte slechts uit, dat ze zich in hun droomen weer op
de omstuimige golven en tusschen de klippen aan boord waanden. Na
omstreeks twee uren bereikten de kar haar bestemming; de boer
spande zijn ossen uit en leidde ze weg. Dezelfde oorzaak heeft soms
tegengestelde gevolgen: nu de beweging van de kar ophield werd de
rust van onze beide adelborsten verstoord; zij draaiden zich in het
stroo om, gaapten, rekten de armen uit en werden wakker. Gascoigne,
die een hevige pijn in den schouder voelde, was de eerste, die zijn
verwarde zinnen weer goed bij elkaar kreeg.

"Rustig." riep hij, terwijl hij overeind ging zitten en zich de
stroosmelen van het lijf schudde.

"Bakboord!" zei Jack half droomend.

"Kom, Rustig, we zijn nu niet aan boord. Word wakker!"

Jack richtte zich op en toen hij zich eindelijk genoeg uit het stroo
omhoog gewerkt had om Gascoigne te kunnen zien, zei hij:

"Sla je geloof aan droomen, Ned? Ik heb namelijk gedroomd, dat we
wakker werden en bij dezelfde stad aangeland bleken, waar vandaan de
marktschuit uitgezeild was. Ze hadden het wrak tusschen de klippen
ontdekt en herkend en een van onze pistolen gevonden. Wij werden
ingerekend en in verhoor genomen omtrent het lot van de bemanning
der schuit; en juist toen ze ons wilden knevelen, werd ik wakker."

"Heel gek, Jack. Toch moesten we hier maar niet langer toeven en
ook verbeeld ik me, dat 't niet kwaad zoo zijn, als we onze kleeren
noch wat meer havenden. Vooreerst zien we er dan wat schooieriger
uit en in de tweede plaats kunnen we dan onze plunje lichter tegen
de landsdracht verwisselen en verder trekken, zonder dat het kwade
vermoedens wekt. Je weet, dat ik vrij goed Italiaansch spreek."

"Ik heb er niets tegen mijn kleeren nog wat meer te havenen,"
antwoordde Jack. "Maar geef me jouw pistool ook eens; de nat geworden
lading moet er uit en ik zal beide opnieuw laden."

Nadat dit geschied was, kropen onze adelborsten uit de kar en keken
om zich heen.

"Wat is dat, Gascoigne? van nacht waren we vlak bij de kust en tusschen
huizen in en waar zitten we nu?"

"We hebben zeker geslapen als ossen," antwoordde Gascoigne, "maar we
kunnen toch nog niet veel verder zijn."

"We zijn hier van alle kanten door heuvels omringd over een
uitgestrektheid van minstens twee mijlen. De een of andere goede geest
moet ons landwaarts in gebracht hebben, om ons te vrijwaren voor de
vervolgingen der familiebetrekkingen van de bemanning, waarvan ik
gedroomd heb," zei Jack.

Zooals hun later bleek, was de marktschuit werkelijk uit dezelfde
zeehaven uitgezeild, die zij 's nachts bereikt hadden. Het wrak
was gevonden en herkend en de inwoners hadden 't er voor gehouden,
dat de schipper met zijn volk in den storm omgekomen was. Hadden ze
onze beide adelborsten aangetroffen en ondervraagd, dan waren deze
waarschijnlijk leelijk in de klem geraakt.

Na een poos nauwlettend rondgekeken te hebben, zagen ze, dat ze zich
op een open veld bevonden, waar blijkbaar maïs afgedorscht en opgewand
was, en dat de kar, die hen vervoerd had, in de schaduw van een groep
boomen stond.

"Er moet toch ergens in de buurt een huis wezen," zei Gascoigne,
"misschien hier achter die boomen. Komaan, Jack, je hebt stellig
evenveel honger als ik, we moeten naar een ontbijt omzien."

Zij werkten zich nu door het vrij dichte boschage en ontdekten spoedig
den muur van een groot huis.

"Al klaar," zei Jack; "maar eerst het terrein verkennen. Een
boerenwoning is 't niet; het huis moet aan iemand van eenig aanzien
behooren. Nu, des te beter--ze zullen dan te eer fatsoenlijke lui in
ons herkennen, al steken we allerellendigst in de kleeren. We moeten
ons maar houden aan dat praatje over de zeemeeuwenjacht, dunkt je
ook niet?"

"Ja," antwoordde Gascoigne; ik weet er niets beters op. Maar ik bedenk
daar, dat onze kansen niet zoo slecht staan, want de Engelschen hebben
bezetting op Palermo."

"Zoo? Nu, ik wou maar dat ik vast aan de garnizoenstafel
zat.--Maar wat hoor ik daar? Roept daar niet een vrouw om hulp? Ja,
waarachtig! Vooruit, Ned!" En gevolgd door Gascoigne stormde Jack op
het huis aan. Hoe meer zij naderden des te luider werden de kreten,
en toen zij het vertrek binnenstoven, waaruit het geroep tot hen
doordrong, vonden zij er een bejaard heer, die zich verdedigde tegen
twee jongelieden, terwijl een bedaagde dame en een jong meisje
de aanvallers trachten terug te houden. Fluks sprongen de beide
adelborsten toe, grepen ieder een der onverlaten aan en hielden hun
de pistolen voor. Schrik en verbazing over het onverwachts optreden
onzer beide vrienden veroorzaakten eenige oogenblikken van stilte.

"Ned," zei Jack ten laatste, "zeg aan die twee, dat we afvuren,
als ze niet onmiddelijk hun degens overgeven."

Gascoigne bracht dit bevel in het Italiaansch over en toen er aan
voldaan was, lieten onze adelborsten de jongelieden los, die nu door
den ouden heer aldus werden toegesproken:

"Tegen uw wil zijt gij beiden verhinderd een ondoordachten,
onrechtvaardigen moord te begaan. Wie degenen zijn, die mij zoo te
juister tijd redding hebben aangebracht, weet ik niet, maar ik ben
hun innig dankbaar, en zoodra gij tot bezinning zijt gekomen zult ge
dat ook zijn, daar ze u belet hebben u te bezoedelen met een daad,
die uw verder leven door wroeging zou hebben vergald. Gij zijt vrij,
om te gaan waarheen ge wilt; in u, Don Silvio, heb ik me zeer bedrogen;
de dankbaarheid, die ge mij verschuldigd zijt, had u van zulk een
schandelijke handeling moeten terughouden, wat u betreft Don Scipio,
gij zijt zeer misleid geworden; maar in één opzicht, hebt gij beiden
het slecht getroffen. Tien dagen geleden waren mijn beide zoons hier,
en bij het koelen van uw wrok tegen mij, zoudt ge me niet zwaarder
hebben kunnen treffen dan in mijn kinderen, terwijl ge nu als laffe
moordenaars op een oud man zijt aangevallen. Neemt uwe degens en maakt
er in het vervolg een beter gebruik van. Tegen verdere aanvallen zal
ik op mijn hoede zijn."

Gascoigne, die alles verstond wat er gezegd werd, reikte nu aan de
beide jongelieden hun degens, waarna zij zonder een woord te zeggen
de kamer verlieten.

"Wie gij ook zijn moogt, ontvangt mijn dank voor de redding van mijn
leven," zei de oude heer, terwijl hij met eenige bevreemding het
uiterlijk voorkomen van de adelborsten opnam.

"Wij zijn officieren van een Engelsch vaartuig," antwoordde Gascoigne
ter verklaring. "Onze boot leed den vorigen nacht schipbreuk, en we
hebben in het donker getracht bijstand en voedsel te vinden. Indien
we maar te Palermo kunnen komen, zullen we daar stellig vrienden
aantreffen en in de gelegenheid gesteld worden ons van behoorlijke
kleeding te voorzien."

"Is uw schip vergaan, heeren?" vroeg de Siciliaan, "en zijn er velen
bij omgekomen?"

"Neen, ons schip ligt voor Malta; maar op een pleziertocht met een
der booten werden we door een stormwind overvallen en naar de kust
gedreven. Ten einde u van de waarheid er van te overtuigen, kunnen
onze pistolen dienen, die het koningsmerk dragen, en ten bewijze dat
we geen fortuinzoekers zijn, zullen we u ons goud toonen."

Gascoigne haalde nu zijn dubloenen voor den dag en Jack deed hetzelfde,
waarbij hij langs zijn neus weg opmerkte:

"Ik dacht, dat we alleen ons zilver zouden laten zien, Ned!"

"Dat alles is overbodig," antwoordde de edelman; "uw houding in deze
zaak, uw manieren en beschaafde taal doen u reeds als fatsoenlijke
lieden kennen; en al waart gij ook van de nederigste afkomst, in elk
geval ben ik u mijn leven schuldig en gij hebt slechts te zeggen,
waarmede ik u van dienst kan zijn."

"Met ons wat te eten te geven, want we hebben sedert verscheidene uren
niets genuttigd. Misschien zullen we daarna nog een nader beroep doen
op uw welwillendheid."

"Gij zult u over het hier voorgevallene wel zeer verbazen," zei de
edelman; "zoodra gij op uw verhaal zijt gekomen zal ik er u het een
en ander van meedeelen, vergun me intusschen mijzelven aan u voor te
stellen als Don Rebiera de Silva."

"Ik wou maar," zei Jack, die door zijn kennis van het Spaansch een
gedeelte van het gesprokene had opgevangen, "dat hij ons aan het
ontbijt noodigde."

"Ik ook," zei Gascoigne; "maar we moeten nog een beetje geduld
hebben--hij heeft de dames opgedragen onmiddellijk iets gereed
te maken."

"Uw vriend schijnt geen Italiaansch te spreken," zei Don Rebiera.

"Neen, meneer, maar wel Fransch en Spaansch."

"Als hij Spaansch verstaat, kan mijn dochter met hem praten, zij is
eerst onlangs uit Spanje teruggekeerd."

Don Rebiera geleide hem nu naar een andere kamer, waar weldra een
ontbijt werd opgedragen, dat onze adelborsten zich terdege lieten
smaken.

Toen zij verzadigd waren, wilde de Don hun de noodige ophelderingen
geven omtrent de aanleiding tot de geweldadigheden, die door hun
tusschenkomst gelukkig waren verhinderd. Maar bedenkende dat Jack er
slechts de helft van zou verstaan, liet hij eerst zijn vrouw en zijn
dochter roepen, opdat deze zich intusschen in het Spaansch met onzen
held zouden onderhouden.

Zoodra Donna Clara en Donna Agnes binnengekomen en voorgesteld waren,
zei Jack, die te voren niet veel acht op haar geslagen had, bij
zichzelven: "Zoo'n gezicht als van dat meisje heb ik meer gezien." Of
hij zich nu hierin vergiste of niet, stellig had hij maar zelden een
mooiere brunette onder de oogen gehad dan de vijftienjarige Agnes.

Donna Clara was uiterst voorkomend en om haar echtgenoot niet in zijn
verhaal te storen, stelde zij onzen held een wandeling in den tuin
voor, waar ze al spoedig in een priëel plaats namen. Veel Spaansch
kende de oude dame niet, maar al liet ze er nu en dan een Italiaansche
woord tusschen vloeien, Jack verstond haar toch heel goed. Zij
vertelde onder anderen, dat zij met echtgenoot en dochter een paar
jaar geleden haar getrouwde zuster in Spanje was gaan bezoeken, en
bij het terugkeeren Agnes, die pas van een zware ziekte was hersteld,
had moeten achterlaten. Het meisje bleef toevertrouwd aan de zorgen
harer tante, die een dochter van ongeveer gelijken leeftijd had,
en was nu twee maanden geleden teruggekomen. Het vaartuig waarmede
zij in gezelschap van oom, tante en neven den overtocht had gemaakt,
was in handen gevallen van een Engelsch schip; maar de kommandant
er van was hoogst beleefd geweest en had hen reeds den volgenden dag
vrijgelaten en vergund al hun goed mee te nemen.

"Ei zoo," dacht Jack, "ik wist wel, dat ik dat gezichtje meer gezien
had; dus was zij een van de meisjes in den hoek van de kajuit.--Daar
wil ik eens een grap mee hebben."

Toen mama uitgepraat was, richtte Jack zich uiterst beleefd tot
de dochter.

"Ik schaam me, Donna Agnes, dat ik in zulk een gehavende plunje naast
u zit--maar de klippen op de kust storen zich aan niets."

"Wij hebben de grootste verplichtingen aan u, meneer, en letten niet
op zulke kleinigheden."

"Dat is wel vriendelijk van u, Signora," hernam Jack. "Weinig vermoedde
ik van morgen, dat de fortuin mij zoo gunstig zou zijn--want wel kan
ik anderen de toekomst voorspellen, maar mijzelven niet."

"Kunt gij in de toekomst lezen?" riep de oude dame uit.

"Ja, mevrouw, daar heb ik 't vrij ver in gebracht. Mag ik uw dochter
eens waarzeggen?"

Donna Agnes keek onzen held eens aan en glimlachte.

"Ik bemerk al, dat de jonge dame er weinig geloof aan hecht; ik dien
dus een bewijs te leveren van mijn kunst, door haar te vertellen
wat haar reeds overkomen is. De signora zal dan meer vertrouwen in
mij stellen."

"Zeker zal ik dat."

"Wees dan zoo goed, mij de palm van uw hand te laten zien."

Agnes stak haar hand uit; Jack vatte die, om de lijnen er van na
te gaan.

"Dat gij in Spanje opgevoed, voor twee maanden uit dat land
teruggekeerd, door de Engelschen gevangen genomen en weer vrijgelaten
zijt, heeft uw moeder reeds verteld; maar om te bewijzen, dat ik van
dat alles volkomen op de hoogte ben, zal ik meer in bijzonderheden
treden. Gij waart op een schip dat veertien stukken geschut voerde,--is
't niet zoo?"

Donna Agnes knikte toestemmend.

"Dat heb ik toch niet aan meneer verteld," riep Donna Clara uit.

"Het vaartuig werd 'n nachts overrompeld, zonder dat er een gevecht
plaats had. Den volgenden morgen braken de Engelschen met geweld de
kajuitdeur open; uw oom en uw neven vuurden hunne pistolen af."

"Lieve hemel?" riep Agnes verbaasd uit.

"De Engelsche officier was een jongmensch van een vrij onaangenaam
uiterlijk."

"Nu hebt u 't mis, Signor,--hij had integendeel een zeer gunstig
voorkomen."

"Over den smaak valt niet te twisten, Signora. Gij wist van angst
haast niet wat ge deedt, en waart in een hoek van de kajuit gekropen."

Agnes, die zich al meer en meer verwonderde, keek eensklaps onzen
held strak aan en riep uit:

"O moeder, hij is 't--nu herken ik hem, hij is 't?"

"Wie, kindlief?" vroeg Donna Clara, die een en al verbazing was over
Jack's waarzeggerskunst.

"Wel, de officier die ons gevangen nam en zoo vriendelijk was."

Jack schoot in een luiden lach en erkende toen, dat zij goed gezien
had.

Fluks sprong Agnes op om haar vader te gaan meedeelen, wie eigenlijk
zijn gast was.

Ofschoon Don Rebiera zijn verhaal nog niet geëndigd had, bracht
toch deze mededeeling van Agnes weer allen bijeen en Jack werd met
dankbetuigingen overstelpt.

"Hoe kon ik vermoeden," zei de Don, "dat ik u zoo dubbel verplicht
zou zijn, meneer. Zeg slechts waarmede ik u beiden van dienst kan
wezen. Mijn zoons zijn te Palermo, en zullen de kennismaking met u
stellig op hoogen prijs stellen; zoodra dus het verblijf hier bij
ons u mocht gaan vervelen...."

Jack maakte een beleefde buiging en zei, met een blik op zijn gehavend
plunje. "We zijn niet in een staat, dat we hier lang kunnen vertoeven."

"De kleeren van mijn broers zullen hun wel passen, dunkt me," zei
Agnes tot haar vader; "en er zijn nog al heel wat kleedingstukken
hier achtergelaten."

"Als de heeren zich daarmee zouden willen behelpen."

Het duurde nu niet lang, of onze adelborsten zagen er weer
behoorlijk gekleed uit en de wederzijdsche verhouding werd gaandeweg
vertrouwelijker.

Na het diner werd er siësta gehouden, maar Jack en Gascoigne, die in
de kar wel voor een halve week genoeg geslapen hadden, gingen zamen
in den tuin wandelen.

"Wel, Ned," zei Jack, "verlang je alweer naar de Harpij?"

"Neen," antwoordde Gascoigne, "we zijn mooi op onze pootjes
terechtgekomen, al zijn we ook eerst duchtig door elkaar geschud.--Maar
wat is die Agnes een lief schepseltje! Hoe toevallig, dat je ze hier
weer moet aantreffen!"

"Dat is 't wel, Ned. Maar kom, laten we in dit priëel gaan zitten
en vertel me dan eens wat Rebiera al zoo van zijn lotgevallen heeft
meegedeeld."

We zullen dit verhaal niet in al zijn bijzonderheden volgen,
maar er enkel uit vermelden, dat een oude familieveete Don Rebiera
herhaaldelijk blootstelde aan de vervolging van een paar verre neven,
die geen middelen ontzagen om hem het leven te verbitteren, ja zelfs
hem meermalen met den dood hadden bedreigd.

Gedurende de veertien dagen, die Jack en Gascoigne bij de
Siciliaansche familie doorbrachten, werden zij als zoons van den
huize beschouwd. Agnes voelde zich het meest aangetrokken tot Jack,
met wien ze erg druk was en dikwijls wandeltochtjes maakte, zoodat
onze held spoedig tot de overtuiging kwam, dat er geen aardiger en
liever meisje op de wereld te vinden was.

Bij het afscheid kregen onze beide adelborsten aanbevelingsbrieven
mee aan de voornaamste families van Palermo en aanvaardden, op keurig
opgetuigde muilezels gezeten, hun tocht.

Nauwelijks hadden ze de plaats hunner bestemming bereikt en in een
hôtel hun intrek genomen, of Gascoigne vatte de pen op om Don Rebiera
van hun gelukkige aankomst te verwittigen en Jack nam de gelegenheid
waar, om er een briefje voor Agnes bij te voegen.

Hun eerste werk was nu nieuwe kleeren aan te schaffen en zich bij den
door Don Rebiera aangewezen bankier van het noodige geld te voorzien.

In hun logement teruggekeerd, troffen zij er Don Philip en Don Martin,
de zonen van Don Rebiera, aan, met wie zij spoedige beste maatjes
waren en die hen overal rondgeleidden. In een wip waren er drie weken
vervlogen en Jack en Gascoigne dachten nog niet aan heengaan.

Op een partij bij den hertog van Pentaro kwamen zij in aanraking met
den kapitein van het Engelsch fregat, de Aurora, die er pas voor anker
was gekomen. Onze adelborsten waren in burgerkleeding en werden door
kapitein Tartar voor Engelsche jongelieden van fortuin aangezien,
die een pleziertocht maakten. Daarom behandelde hij hen met de
meeste voorkomendheid, wat Jack zóó voor den man innam, dat hij
hem beleefd verzocht voor den volgenden middag zijn gast te willen
zijn. Kapitein Tartar nam de uitnoodiging aan en bij het afscheid
drukten zij elkaar hartelijk de hand, beiden ten zeerste ingenomen
met de nieuwe kennismaking.

Jack liet den volgenden dag terdege opdisschen en aan wijn ontbrak
het niet. Toen de andere gasten zich naar een bal begaven, waarop ze
genoodigd waren, bleef kapitein Tartar, die wel van een glaasje hield,
nog zitten plakken, en Jack achtte zich beleefdheidshalve verplicht
hem gezelschap te houden. Gascoigne bleef ook, om op te passen dat
Jack zich niet zou verpraten.

De kapitein was bijzonder onderhoudend en begon een beetje tegen
Jack op te zien, toen hij ontdekte dat deze de eenige zoon van een
schatrijken vader was. Onder het gesprek vroeg de kapitein Jack wat
hem herwaarts gebracht had, en Jack vertelde dat hij met de Harpij
gekomen was. Gascoigne waarschuwde hem met een duw, maar 't hielp niet,
want de wijn was onzen Jack naar het hoofd gestegen.

"Ei zoo! dus met kapitein Wilson? Dat is nog een oud vriend van me."

"Van ons ook," antwoordde Jack; "'t is een verduiveld beste kerel,
die Wilson."

"Maar waar zijt ge later geweest?" vroeg kapitein Tartar.

"Wel, op de Harpij, ik behoor tot de bemanning."

"Tot de bemanning? In welke kwaliteit, als ik vragen mag?" hernam
kapitein Tartar op vrij wat minder beleefden en vertrouwelijken toon.

"Als adelborst," antwoordde Jack; "en Gascoigne ook."

"Zoo! dus zijt ge met verlof?"

"Och neen, dat niet; maar ik zal je vertellen, ouwe jongen, hoe
't ermee gelegen is."

"Een oogenblikje, alsjeblieft," viel kapitein Tartar hem in de rede
en stond op; "ik moet even mijn oppasser een paar orders geven,
die ik verzuimd heb."

Gascoigne maakte van de gelegenheid gebruik om Jack op zijn
onvoorzichtigheid te wijzen, maar deze stoorde er zich niet aan, en
toen de kapitein zijn plaats aan tafel weer ingenomen had, vertelde
Jack hem al wat er voorgevallen was. Toen hij geëindigd had, zei hij
heel familiaar:

"Toe, Tartar, je hebt daar de flesch bij je staan, laat ik je een
handje helpen."

Kapitein Tartar wierp zich in zijn stoel achterover en scheen zich
nauwelijks te kunnen inhouden.

"Heb je genoeg van den wijn?" zei Jack. "Dan kunnen we, dunk me,
ook wel naar het bal gaan."

Op dit oogenblik verscheen een sergeant van de mariniers aan de deur,
sloeg aan en keek met een blik van verstandhouding naar den kapitein.

"Wel zoo, meneer," riep kapitein Tartar, van zijn stoel opspringende,
met donderende stem, "gij zijt dus een gedeserteerde adelborst,
en hebt nog wel de onbeschaamdheid hier in Palermo goeden sier te
maken en zelfs een postkapitein ten eten te vragen! Zoo'n duivelsche
rekel durft me kortweg 'Tartar' en 'ouwe jongen' noemen!" vervolgde
de kapitein, die nu kookte van woede en met de vuist op tafel sloeg,
zoodat de glazen er van rinkelden.

"Veroorloof me op te merken, meneer," zei Jack, die bij dien uitval
ineens weer nuchter werd, "dat wij niet tot uw schip behooren, en
dat we in burgerkleeding zijn."

"In burgerkleeding--zoo'n paar bedriegers, zonder een cent op zak,
die zich als heele heeren voordoen, en met de noorderzon vertrekken
zonder hun rekening te betalen."

"Noemt gij mij een bedrieger, meneer?" vroeg Jack.

"Ja, meneer, gij...."

"Dan liegt gij!" riep onze held in drift uit. "Ik ben een fatsoenlijk
man, meneer, en het spijt me, dat ik niet hetzelfde van u kan
getuigen."

Verbazing en woede beletten kapitein Tartar te spreken. Vergeefs
opende hij den mond, doch viel weer op zijn stoel neer. Eindelijk,
nadat hij zich wat hersteld had, gelukte 't hem uit te roepen:

"Matthews--Matthews!"

"Present, meneer!" antwoordde de sergeant, die bij de deur was
blijven staan.

"Laat je mariniers binnenkomen en neem die twee in verzekerde
bewaring. Onmiddellijk er mee naar boord en ze in de boeien geslagen."

"Misschien zult ge ons wel willen veroorloven, meneer," zei Jack,
die nu geheel bedaard was, "dat we alvorens naar boord te gaan
onze rekening betalen. Wij zijn geen bedriegers, maar daar gij de
hand hebt gelegd op onze personen, zult gij u wellicht zelf met de
betaling willen belasten;" en Jack wierp een zware beurs met dollars
op tafel. "Vooral wenschte ik u te verzoeken, ten opzichte van de
bedienden niet karig te wezen."

"Sergeant, geef hun gelegenheid om hun rekening te betalen," zei
kapitein Tartar op wat minder hoogen toon en verliet de kamer.

"Goede hemel, Jack, wat ben je begonnen?--je zult nog voor den
krijgsraad gebracht en uit den dienst ontslagen worden."

"Dat hoop ik maar," antwoordde Jack, "ik was een gek, dat ik op zee
ging. Maar hij heeft me een bedrieger genoemd, en dat laat ik er
niet bij."

"Als gij klaar zijt, heeren," zei de sergeant, die lang genoeg onder
kapitein Tartar gediend had om te weten, dat een door hem opgelegde
straf nog geen bewijs was van een begaan vergrijp.

"Betaal jij de rekening, Rustig, dan ga ik ons boeltje halen,"
zei Gascoigne.

Binnen een half uur zaten onze beide vrienden in plaats van op het bal,
onder het halfdek van de Aurora in boeien.

Intusschen was kapitein Tartar naar het bal gegaan, waarop ook hij
uitgenoodigd was. Bij zijn binnenkomen werd hij aangesproken door Don
Martin en Don Philip, die hem vroegen, waar onze held en diens vriend
bleven. Kapitein Tartar was alles behalve goed geluimd en zei kortaf,
dat ze aan boord van zijn schip in de boeien zaten.

"In de boeien! hoedat zoo?" riep Don Philip uit.

"Wel, meneer, omdat ze een paar jonge deugnieten blijken te wezen,
die zich bij de deftigste gezelschappen hebben ingedrongen, terwijl
ze niet meer zijn dan een paar van hun schip gedroste adelborsten."

Nu wisten de Rebiera's heel goed, dat Jack en zijn vriend adelborsten
waren, maar zij vonden dat geen reden om hen niet als fatsoenlijke
lui te beschouwen en als zoodanig te behandelen.

"Hebt gij, meneer," zei Don Philip, "die hun gastvrijheid genoten,
met hen gelachen, gepraat en arm in arm gewandeld hebt, u verstout
hen in de boeien te slaan?"

"Ja, meneer, dat heb ik."

"Dan zijt ge een ellendeling en daag ik u uit!" riep Don Philip,
de oudste broeder.

"En ik doe hetzelfde," voegde de ander er bij.

De beide broeders hadden zich zoo gehecht aan onzen held, die zulke
belangrijke diensten aan hun familie bewezen had, dat hun ergernis
geen grenzen kende. Zij vertelden aan al hun aanwezige vrienden wat er
voorgevallen was, zoodat het nieuwtje weldra door de geheele balzaal
verbreid raakte en zooveel verontwaardiging wekte, dat iedereen
kapitein Tartar den rug toekeerde. Deze verliet dan ook spoedig de
balzaal en begaf zich naar zijn logement, waar den volgenden morgen
de secondant van Don Philip de uitdaging in allen vorm kwam herhalen.

Lafhartig was Kapitein Tartar volstrekt niet; hij nam dus de uitdaging
aan, maar daar hij op den degen niet geoefend was, stelde hij als
voorwaarde, dat er met pistolen zou gevochten worden. Hiertegen werd
geen bezwaar gemaakt. De ontmoeting had plaats en reeds het eerste
schot van Don Philip ging kapitein Tartar dwars door het hoofd,
zoodat hij onmiddellijk dood neerstortte.

Don Philip en zijn broeder begaven zich al spoedig aan boord van de
Aurora om onzen held te bezoeken. De eerste luitenant, die in 't geheel
geen vriend van den kapitein was geweest, ontving hen zeer beleefd
en verklaarde, dat kapitein Tartar hem volstrekt niet had medegedeeld
op welken grond de twee jongelui in boeien waren geslagen. Hij achtte
zich dus niet gerechtigd tegen hen op te treden en zou last geven hen
in vrijheid te stellen. Daar hij echter vernomen had, dat ze tot de
equipage behoorden van een der oorlogsschepen, die bij Malta lagen,
voelde hij zich verplicht hen mee te nemen en aan boord van hun eigen
schip te brengen.

Jack en Gascoigne werden nu van hun boeien bevrijd en vernamen van
Don Philip, hoe deze de hun aangedane beleediging gewroken had. Na
een onderhoud van ruim een uur namen Don Philip en diens broeder onder
de hartelijkste betuigingen van vriendschap afscheid en roeiden weer
naar den wal.



Zestiende hoofdstuk.

    Onze held krijgt een hekel aan den dienst, maar raakt er ook
    weer mee verzoend. Hij neemt wakker deel aan de bemachtiging
    van een Franschen kaper.


Daags na de begrafenis van kapitein Tartar zeilde de Aurora naar Malta
en werden onze beide adelborsten aan boord van de Harpij gezonden.

Meneer James, de eerste luitenant van de Aurora, die na Tartar's
dood het kommando over het schip voerde, was verlangend zich bij den
admiraal te Toulon te vervoegen en wilde daarom reeds den volgenden
dag de reis voortzetten. Aan tafel bij den gouverneur ontmoette hij
kapitein Wilson en vertelde, dat Jack en Gascoigne op last van kapitein
Tartar in boeien geslagen waren. Ook deelde hij zijn vermoedens
mede omtrent de aanleiding er toe en het duel dat er het gevolg van
geweest was. Het geheele geval bleef echter zeer raadselachtig, daar
Jack en Gascoigne zich tegenover niemand aan boord der Aurora over
hun avonturen op Sicilië hadden uitgelaten.

"Ik zou omtrent dat duel wel eens het naadje van de kous willen
weten," zei de gouverneur; "och, Wilson, breng Rustig morgenochtend
mee hierheen, dan kan hij ons zijn verhaal opdisschen."

Ik vrees dat we hem te veel aanmoedigen, Sir Thomas, hij maakt 't al
erg genoeg. Er komt maar geen einde aan zijn avonturen en 't loopt
altijd goed af."

"Nu ja, maar je kunt hem immers hier ontbieden en duchtig onder handen
nemen, evengoed als in uw eigen kajuit; we zullen dan de waarheid
wel uit hem krijgen."

"Dat is stellig," antwoordde kapitein Wilson, "want hij komt er altijd
rond voor uit."

"Nu, doe me dan het genoegen hem te laten halen. Ik vind 't zoo
verschrikkelijk niet, dat hij zich schuil gehouden heeft, want
hij schijnt in de meening verkeerd te hebben, dat hij zou gehangen
worden. Ik moet den jongen noodzakelijk zien."

"Welaan, gouverneur, als dat uw wensch is," antwoordde kapitein Wilson,
en schreef een paar woorden om meneer Sawbridge te verzoeken, meneer
Rustig tegen tien uur in den morgen ten huize van den gouverneur bij
hem te zenden.

Jack verscheen in uniform. Over hetgeen hem zou gezegd worden
bekreunde hij zich niet veel, want hij was toch besloten den dienst te
verlaten. Dat hij in boeien was geslagen, kon hij maar niet verkroppen.

Toen Jack bij den kapitein werd toegelaten, vond hij dezen met den
gouverneur aan het ontbijt. Onverschrokken, maar met den noodigen
eerbied, stapte hij naar binnen. Kapitein Wilson sprak hem toe en
bracht hem onder het oog, dat hij met dat duel, en meer nog met het van
het schip wegloopen, een groote fout begaan had. Jack keek deemoedig
naar kapitein Wilson op, erkende het verkeerde zijner handeling en
beloofde in het vervolg beter te zullen oppassen, als kapitein Wilson
het ditmaal door de vingers wilde zien.

"Vergun me, kapitein, dat ik een woordje ten gunste van het jongemensch
in het midden breng," zei de gouverneur; ik ben overtuigd dat het
enkel een gevolg is geweest van gebrek aan oordeel."

"Nu, meneer Rustig, daar gij berouw toont en de gouverneur het voor
u opneemt, zal ik de zaak maar laten rusten. Maar vergeet niet,
dat ge mij met uw dolle streken heel wat ongerustheid hebt bezorgd,
en bedenk steeds, dat ik veel te veel belang stel in uw welzijn, om
niet angstig te zijn als gij u aan zulke gevaren blootstelt. Ga nu
maar weer aan boord aan uw bezigheid en laat Gascoigne hetzelfde doen;
maar laat me alsjeblieft niet meer hooren van duels en van wegloopen."

Jack was door die vriendelijke bejegening zoo getroffen, dat hij geen
woord kon uitbrengen; hij maakte een buiging en wilde juist de kamer
verlaten toen de gouverneur zei:

"Meneer Rustig, hebt ge al ontbeten?"

"Ja, meneer," antwooordde Jack, "eer ik aan wal ging."

"Kom, een adelborst ziet er niet tegen op tweemaal te ontbijten;
schuif maar bij--alles is nu toch vergeten."

Jack boog, nam een stoel, en bewees dat zijn eetlust niet veel
schade geleden had door het standje. Toen het ontbijt afgeloopen,
was, merkte kapitein Wilson op:

"Mijnheer Rustig, gewoonlijk hebt ge bij uw terugkomst eenige avonturen
te verhalen, zoudt ge den gouverneur en mij niet het een en ander
willen meedeelen van wat er op uw laatsten tocht is voorgevallen?"

"Welzeker, meneer," antwoordde Jack; "maar ik moet om geheimhouding
verzoeken, want die is voor Gascoigne en mij van het grootste belang."

"Met genoegen als geheimhouding noodig is, mijn jongen; maar daarover
kan ik zelf het best oordeelen," zei de gouverneur.

Jack begon nu te verhalen wat wij reeds weten en besloot met de
mededeeling, dat hij den dienst wenschte te verlaten, Hij hoopte dat
kapitein Wilson hem zou ontslaan en naar huis zenden.

"Och wat, onzin!" riep den gouverneur uit, en kapitein Wilson ging
aan 't betoogen om hem van zijn voornemen terug te brengen, wat dan
ook gelukte.

"Als gij er niets tegen hebt, kapitein, dan noodig ik meneer Rustig van
middag bij ons ten eten en verzoek hem Gascoigne mee te brengen. Gij
kunt hem dan eerst duchtig het jak uitvegen en ik hem vervolgens
troosten met een flink diner."

Toen Jack vertrokken was, zei de gouverneur: "De jongen moet
zachtzinnig behandeld worden, kapitein Wilson; 't zou een verlies
zijn, als hij den dienst verliet. Lieve hemel, wat al avonturen en
hoe aardig weet hij ze te vertellen! Als gij 't goedvindt, vraag ik
hem al den tijd, dien gij hier blijft, bij me te logeeren; ik moet
goede maatjes met hem worden en hij mag den dienst niet verlaten."

Kapitein Wilson, die ook begreep dat onze held met zachtheid het
best te regeeren was, gaf zijn toestemming op het voorstel van den
gouverneur. Jack at dus aan tafel bij den gouverneur en nam les in
het Spaansch en Italiaansch, zoolang de Harpij opgelapt werd. Nog
eer het schip klaar was, kwam er een vaartuig van de vloot met last
aan kapitein Wilson om zich naar Mahon te begeven en een transport,
dat daar lag, uit te zenden, ten einde de vloot van levende ossen te
voorzien. Jack keerde wel niet met veel lust naar zijn schip terug,
maar hij had den gouverneur beloofd, dat hij in dienst zou blijven
en begaf zich dus den avond vóór het onder zeil gaan aan boord. Hij
had dus een lekker leventje geleid, dat de scheepskost hem eerst
tegenstond, maar spoedig herkreeg hij zijn eetlust.

Den volgenden dag ging de Harpij onder zeil en Jack vatte zijn gewone
bezigheden weer op. Meneer Asper leende tien pond van hem en onze
held hield zooveel wacht als hij verkoos, wat al bijster weinig was,
daar hij aan het wacht houden een broertje dood had.

De Harpij hield onder voortdurenden tegenwind koers langs de
Afrikaansche kust en gedurende verscheidene dagen ondervonden ze
niets dan teleurstelling. Eindelijk ontdekten ze onder den wal,
op ongeveer zestien mijlen afstand, een brik. Naar uiterlijk en
tuigage hield kapitein Wilson het schip voor een of anderen kaper,
maar het was stil weer en ze konden het niet naderen. Toch achtte de
kapitein zich tot een onderzoek verplicht, en daarom werden om tien
uur 's avonds de booten uitgezet. Daar het enkel om een verkenning
te doen was, ging meneer Sawbridge niet mee. Meneer Asper stond op
de ziekenlijst, zoodat de stuurman Smallsole het kommando over de
expeditie kreeg. Jack verzocht meneer Sawbridge om het bevel over
een der booten. Meneer Jolliffe en meneer Vigors gingen bij den
stuurman in de sloep. De konstabel was bevelvoerder over den eenen
kotter en onze held over den tweeden. Ofschoon eerst zeventien jaar,
was Jack toch sterk en groot voor zijne leeftijd en kon gerust een
volwassen man genoemd worden. Mesty was bij hem en juist toen de
boot afzette, liet ook Gascoigne zich er in glijden. De opdracht
aan den stuurman was vrij bepaald; hij moest het schip verkennen,
en als het flink bewapend bleek niet aanvallen, want het lag dicht
onder den wal en kon, zoodra de wind opzette, toch niet aan de Harpij
ontsnappen. Voerde het geen geschut dan moest hij het aanklampen,
maar niet voordat de morgen was aangebroken. Dat de booten reeds
's avonds werden uitgezonden, was om geen hinder te hebben van de
zonnehitte, die overdag buitengewoon groot was en al menigeen op de
ziekenlijst had gebracht. Ze moesten de baai inroeien, maar zorgen
niet ontdekt te worden en niet al te dicht bij het vreemde schip de
ankers uitwerpen om het aanbreken van den dag af te wachten. Opdat er
geen misverstand zou plaats hebben, had meneer Smallsole zijn bevelen
gekregen in tegenwoordigheid van de andere officieren, die over de
booten waren gesteld. Na drie uren roeien bereikten zij de plaats
waar de brik lag, en daar ze aan boord geen lichten zagen bewegen,
meenden zij niet opgemerkt te zijn. Zij lieten de ankers vallen in
omstreeks zeven vademen water en wachtten het daglicht af. Toen Jack
kapitein Wilson's bevel hoorde om tot het aanbreken van den dag voor
anker te gaan liggen, had hij Mesty beneden vischsnoeren laten halen,
want versche visch is altijd een versnapering voor adelborsten. Onder
het visschen raakten Jack en Gascoigne aan het praten over de beste
manier van aanval met booten. Gascoigne was er voor, dat alle booten
te gelijk het schip zouden aanklampen, terwijl Jack het beter vond,
dat ze dit een voor een deden.

"Wil jullie wel eens stil wezen, daar in je boot!" riep de
stuurman. "Jullie zijn er altijd op uit om den boel in de war te
sturen."

"Dank je wel, meneer," mompelde Jack. "Ik heb weer beet, Ned."

Jack en zijn vriend bleven aan het visschen tot de dag aanbrak. De
mist trok op, zoodat de brik zichtbaar werd, en ternauwernood bespeurde
zij de sloepen, of ze heesch de Fransche vlag en loste een kanonschot
ter uitdaging.

Meneer Smallsole wist niet goed wat hij doen zou, het geloste
schot verried geen zwaar geschut, dat vond meneer Jolliffe ook. De
manschappen, als gewoonlijk tuk op den aanval, beweerden hetzelfde,
en daar meneer Smallsole niet voor den vijand durfde wijken, uit
vrees van door de bemanning van zijn schip later met een scheel oog
te worden aangezien, gaf hij bevel de ankers te lichten.

"Wacht nog even, jongens," zei Jack tot de manschappen van zijn boot,
"ik heb daar juist beet." Zij lachten, dat Jack 't zoo luchtig opnam,
en gaven hem gelegenheid eerst zijn visch op te halen; met wat forscher
roeien zouden ze in een paar seconden wel weer met de andere booten
gelijk komen.

"Hij is binnen," riep Jack; "licht nu het anker maar." Door het
oponthoud waren de anderen booten zulk een eind voor, dat ze niet
zoo gemakkelijk meer in te halen waren.

"Ze zullen vóór ons aan boord zijn." zei Gascoigne.

"Wat hindert dat?" antwoordde Jack; "één moet er toch de laatste
wezen."

"Best mogelijk, maar niet de boot waar ik in ben."

"Och kom, wij zullen het reservekorps vormen en de eer genieten van
de kans te onzen gunste te doen keeren."

"Allen gelijk, jongens!" riep Gascoigne, bemerkende dat de overige
sloepen nog steeds een kabellengte voorbleven.

"Hoor eens, Gascoigne, ik heb het kommando over de sloep," zei Jack,
"en ik verkies niet dat mijn manschappen buiten adem enteren--dat zou
al te dom wezen. Geregeld en bedaard, jongens, maar niet te haastig."

"Maar zij zullen het schip veroveren eer wij langs zij komen!"

"Al was dat zoo, dan zoo ik nog gelijk hebben, nietwaar Mesty?"

"Zeker, Massa Rustig, gelijk heeft u--want stel dat ze het schip
nemen zonder u, dan hebben ze u niet noodig--en hebben ze u noodig,
dan komt gij." En de neger, die zijn buis uitgegooid had, stroopte
zijn hemdsmouwen op, alsof hij niet veel goeds verwachtte.

De eerste kotter, onder bevel van den konstabel, sneed de barkas
voorbij en was drie bootslengten voor, toen zij langs zij van het schip
kwam. De brik gaf haar de volle laag en de boot verdween in de golven.

"De kotter zinkt!" riep Gascoigne uit; "roei op toch, jongens!"

"Zie je nu wel, dat als we alle drie gelijk gebleven waren, die volle
laag ook ons om zeep zou gebracht hebben?" zei Jack bedaard.

"Kijk de barkas eens vooruitschieten! Zet aan, jongens, zet aan!" riep
Gascoigne stampvoetend van ongeduld.

"De ontvangst was blijkbaar zeer warm; terwijl de manschappen uit de
barkas aan boord klauterden, was de kotter onder den achtersteven
van de brik gekomen--nog een paar slagen en hij zou langs zij
wezen. Opeens had er aan dek van het schip een vreeselijke ontploffing
plaats en brokstukken van lichamen en voorwerpen werden door de lucht
geslingerd. De uitbarsting was zoo hevig, dat de manschappen van den
tweeden kotter, als van schrik verlamd, eensklaps het roeien staakten;
strak staarde ze naar de opstijgende rookkolommen, die masten en
tuigage van het schip onzichtbaar maakten.

"Nu is 't tijd, jongens, vooruit nu!" riep onze held.

Door zijn stem weer tot bezinning gebracht, gehoorzaamden de
manschappen--maar de boot had reeds genoeg vaart en eer zij weer een
ruk aan de riemen konden doen, bonsden zij al tegen het schip aan en,
Jack volgende, waren ze in een paar seconden op het halfdek van de
brik. Hier was 't een verschrikkelijk gezicht--het heele dek was zwart
en lag bezaaid met lijken; vele kleeren branden nog en verscheidene
lichamen waren vaneengerukt.

De gangspil was gelicht en over één kant geslagen--het kompashuisje
lag in gruizelementen en verscheidene touwen brandden. Geen levende
ziel was aan dek te bekennen.

Zooals zij later vernamen van de manschappen, die hun leven gered
hadden door beneden te blijven, had de Fransche kapitein de sloepen
al in het oog gehad eer zij ankerden, en zich op alles voorbereid;
voor het handiger laden der kanonnen, had hij een groote ammunitiekist
met kardoezen op het dek laten plaatsen. Nu was het gevecht tusschen
de bemanning van de sloep en die van het schip vlak bij de ganspil
gevoerd, en een pistoolschot was bij ongeluk tusschen de kardoezen
te land gekomen en had de vreeselijke verwoesting veroorzaakt.

Het eerste werk was den brand te blusschen, die zich over het schip
uitbreidde. Zoodra men de vlammen meester was, ging onze held naar
het achterschip en keek over de verschansing naar den gezonken kotter
om.--"Gascoigne, ga met vier man in de boot--ik zie daar op een
kwartmijl afstand den kotter drijven: misschien valt er nog iemand
te redden; me dunkt, ik zie een paar hoofden."

Gascoigne haastte zich weg en keerde spoedig terug met drie man van
den kotter; de overigen waren weggezonken, waarschijnlijk gedood of
gewond, toen ze van de brik de volle laag kregen.

"Goddank, ten minste drie gered!" zei Jack. We moeten nu zien of er
hier op dek nog enkele van die arme drommels in leven zijn gebleven,
en dan de rest maar over boord gooien. Wel, Ned, wat zou er van ons
geworden zijn, als we de brik te gelijk met de sloep hadden geënterd?"

"Ja, jij komt altijd op je beenen te recht, Jack," antwoordde
Gascoigne; "maar dat bewijst nog niet dat je gelijk hebt."

"Jij bent niet te overtuigen, Ned; maar 't is nu geen tijd van lange
redeneeringen, we moeten naar die arme kerels omzien; enkelen leven
er nog."

Bij het nagaan der lijken bleek, dat ook Vigors onder de verongelukten
behoorde, en in een gelaat, dat bijna geheel zwart gebrand was,
herkenden zij den armen Jolliffe. Drie vingers van de linkerhand was
hij ook kwijt, maar zoodra hij aan dek gebracht was, scheen hij weer
te herleven en wees naar zijn mond om water, dat hem oogenblikkelijk
gebracht werd.

"Mesty," zei Jack, "zorg jij zoo goed mogelijk voor meneer Jolliffe
tot ik terugkom."

Het onderzoek werd nu voortgezet en men vond vier Engelsche matrozen
en evenveel Franschen, die er waarschijnlijk het leven nog zouden
afbrengen. De overige lijken werden over boord gesmeten. Van den
stuurman vonden ze tusschen de kanonnen enkel het hoofd en beneden
waren maar elf Franschen.

Het schip was een Fransche kaper met tien stukken en vijf en zestig
koppen, waarvan er acht op buit uit waren. De bemanning van het schip
leed een verlies van zes en veertig aan dooden en gewonden. Van
de Harpij waren er vijf van den kotter verdronken en achttien met
de sloep in de lucht gevlogen; van de drie en twintig, die aan de
expeditie deelnamen, hadden alleen meneer Jolliffe en vijf matrozen
er het leven afgebracht.

"Daar komt de Harpij aan," zei Gascoigne tot Rustig.

"Des te beter, Ned, want 't is hier een allerellendigst tooneel
en ik wou dat ik maar weer aan boord was. Ik ben daar juist bij
Jolliffe geweest; hij kan een beetje spreken; denkelijk zal hij nog
herstellen. Ik hoop 't voor den armen kerel, hij heeft dan alle kans
eindelijk eens bevorderd te worden."

Spoedig lag de Harpij naast de brik bijgedraaid en Jack ging
met den kotter aan boord om rapport uit te brengen omtrent het
gebeurde. Kapitein Wilson gevoelde grooten spijt over het verlies
van zooveel manschappen, en begaf zich met Sawbridge aan boord van
de brik om de verschikkelijke uitwerking der ontploffing persoonlijk
in oogenschouw te nemen.

Jolliffe en de overige gewonden werden aan boord van de Harpij
gebracht, en allen herstelden. Tengevolge der brandwonden vervelde
Jolliffe's pokdalig gelaat geheel en al en het leek wel of het daardoor
een beetje opgeknapt was. Hij werd echter niet alleen bevorderd,
maar ook op pensioen gesteld en trad dus uit den dienst.



Zeventiende hoofdstuk.

    Jack gaat uit fourageeren en speelt den vice-consul van Tetuan
    een leelijken poets. Ook schipper Hogg komt er vrij bekaaid af.


De Harpij zette met haar buit koers naar Mahon, waar ze weinige
dagen na haar aankomst dépéches van den admiraal ontving. Daarbij
zag kapitein Wilson zich overgeplaatst op de Aurora, om er de
kommandantsplaats te vervullen, die door kapitein Tartars dood
opengevallen was, terwijl meneer Sawbridge tot den rang van
gezagvoerder bevorderd werd en het bevel kreeg over de Harpij.

De admiraal liet kapitein Wilson weten, dat de Aurora nog de komst
van een ander fregat, dat elk oogenblik kon binnenloopen, moest
afwachten en daarna onmiddelijk naar Mahon gezonden en onder zijn
kommando gesteld zou worden. Ook gaf hij kennis, dat de vloot gebrek
kreeg aan slachtvee, waarom hij verzocht, dat er zonder uitstel naar
Tetuan zou gezonden worden.

Kapitein Wilson had zooveel officieren verloren, dat hij niet wist,
wien hij met die zending belasten zou. Eigenlijk was hij nu niet
langer kommandant van de Harpij en er schoot maar één luitenant over
en geen stuurman of stuurmansmaat. Gascoigne en Jack waren de eenige
bruikbare adelborsten en hen durfde hij niet goed belasten met iets
waar zooveel haast bij was.

"Wat zullen we doen, Sawbridge? zullen we Rustig zenden of Gascoigne
of beiden, of geen van beiden? Als zij het slachtvee niet spoedig
bezorgen, zullen zij er bij den admiraal niet zoo gemakkelijk afkomen
als bij ons."

"Er moet toch iemand heen, Wilson," antwoordde Sawbridge, "en het is
gewoonte twee officieren te zenden, zoodat de een het vee aan boord
ontvangt, terwijl de andere het toezicht houdt op de inscheping."

"Nu dan moeten ze er beiden maar heen. Sawbridge, maar lees hen eerst
goed de les."

"Ik geloof niet dat er veel bij gewaagd is," antwoordde Sawbridge,
"want Tetuan is zulk een ellendig gat, dat ze er hoe eer hoe liever
vandaan zullen gaan."

Rustig en Gascoigne werden ontboden; zij luisterden met allen eerbied
naar hetgeen kapitein Sawbridge hun voorhield, beloofden dat zij
zich strikt aan de opdracht zouden houden, kregen een brief voor den
vice-consul mee en werden met het noodige aan boord der brik Mary
Anna gebracht, waar de stuurman en de bemanning reeds bezig waren
met het winden der ankers.

De schipper van het transport, een roodharige kerel met een
vollemaansgezicht, een mopneus en handen als presenteerblaadjes, kwam
naar het achterschip om hen te verwelkomen en niet zoodra waren de
kisten en hangmatten aan dek, of het anker werd gelicht en de zeilen
geheschen. Met schipper Hogg stond Jack spoedig op een goeden voet,
vooral omdat hij hem kapitein noemde en alle extraatjes van eten en
drinken voor zijn rekening nam.

Te Tetuan aangekomen, gingen Jack en Gascoigne aan wal om vergezeld van
kapitein Hogg den vice-consul een bezoek te brengen. Zij vertoonden hun
papieren en verzochten om slachtvee. De vice-consul was een schraal,
onbeduidend manneke, die de opvolger van zijn vader was geworden,
omdat niemand anders het de moeite waard had geacht naar den slecht
bezoldigden post te dingen. Toch hechtte meneer Hicks heel wat gewicht
aan zijn ambt en zijn zuster, de eenige Engelsche jonge dame van de
plaats, zocht vooral de aandacht te trekken der heeren zeeofficieren,
die er soms om ossen kwamen. Heel gauw tevreden was ze echter niet,
en had al achtereenvolgens de aanzoeken van drie adelborsten, een
stuurmansmaat en een betaalmeester van de hand gewezen.

Zoodra de schikkingen op het kantoor van den heer Hicks getroffen
waren, werden de bezoekers in de ontvangkamer genoodigd en aan de
zuster van den vice-consul voorgesteld. Miss Hicks trok den neus op
voor de beide adelborsten, maar lachte kapitein Hogg allervriendelijkst
toe. Deze werd zelfs tegen den volgenden middag ten eten gevraagd en
raakte al spoedig op de gastvrouw verliefd, wat eenige stribbeling gaf
tusschen Miss Julia en haar broer den vice-consul, die verklaarde nooit
zijn toestemming te zullen geven tot een huwelijk met meneer Hogg. Miss
Hicks verkoos echter niet zich aan haar broer te storen; zij was baas
over zichzelve, verklaarde zij, en zou doen wat haar goeddacht.

Toen eindelijk de lading ingenomen was en er aan vertrekken diende
gedacht te worden, besloot kapitein Hogg allen tegenstand van den
vice-consul te verijdelen, door Julia eenvoudig te schaken en op zijn
schip mee te nemen naar Toulon. Jack, die er de lucht van gekregen had,
hield zich alsof hij Hogg een handje wilde helpen en waarschuwde hem,
dat Hicks vermoedde wat er gebeuren zou en, zoolang Hogg nog niet
aan boord was, zijn zuster voortdurend in het oog zou houden. "Ga
dus zelf aan boord, en onder zeil, meneer Hogg," zei Jack, "en laat
het aan mij over Miss Hicks bij u te brengen, zoodra haar broer alle
gevaar geweken zal achten."

"Hartelijk dank, meneer Rustig," antwoordde kapitein Hogg; "dat is
een uitmuntend plan; wat zijt ge toch vriendelijk!"

Nauwelijks had meneer Hicks de gelden voor de geleverde ossen ontvangen
of zijn houding ook tegenover onzen held veranderde geheel. Dit stond
Jack lang niet aan, maar hij hield zich alsof hij niets bespeurde,
bleef den vice-consul de warmste vriendschap betoonen en nam de
gelegenheid te baat hem te zeggen, dat hij zijn voorkomendheid niet
beter kon beantwoorden, dan door hem in te lichten omtrent de plannen,
die er tegen hem gesmeed werden. Hij vertelde hem nu de beraamde
vlucht van zijn zuster en dat hij zelf de aangewezen persoon was om
haar te ontvoeren.

"Welk een gruwel!" riep de vice-consul uit; "ik zal er me over beklagen
bij de regeering."

"Zou 't niet beter zijn," zei Jack, "als we 't zoo aanlegden, dat
het geval voor onszelf met een pretje afliep en kapitein Hogg gefopt
werd? Trek uw zusters kleeren aan, dan zal ik u in plaats van haar
aan boord brengen. Ik zal u in de kajuit brengen en daar moet ge
dan uzelf opsluiten. Zonder mijn toestemming kan hij niet uitzeilen;
den volgenden morgen openen we de deur van de kajuit en lachen Hogg
eens terdege uit. Zorg dat uw boot tegen het aanbreken van den dag
u weer van boord komt halen, ik zal dan maken, dat Hogg onverwijld
naar Toulon vertrekt. 't Zal een kostelijke grap wezen."

Dat vond de vice-consul ook. Hij drukte Jack de hand en was weer even
voorkomend als te voren.

Even vóór donker werd van de brik, die reeds onder zeil was gegaan,
een sloep aan den wal gezonden, en, zooals afgesproken was, gaf meneer
Hicks voor, dat hij naar zijn kantoor ging om de scheepspapieren
in orde te maken--terwijl zijn eigenlijk doel was, zijn zusters
kleeren aan te trekken. Miss Hicks stond onmiddellijk op, wenschte
onzen held een aangename reis en zei, ook al weer zooals afgesproken
was, dat ze met zware hoofdpijn naar bed moest. Zij wenschte haar
broeder goedennacht, en begaf zich naar haar kamer waar ze nog een
uur zou wachten, waarna Jack haar in den tuin zou vinden en naar den
brik brengen. Onze held ging mede het kantoor binnen en hielp den
vice-consul, die al zijn eigen bovenkleeren uittrok en in een doek
knoopte ten einde ze, als hij eenmaal aan boord in de hut zou wezen,
weer aan te trekken.

Zoodra Hicks klaar was, nam Jack het bundeltje kleeren op en
geleidde de gewaande Miss naar de sloep. Haastig zetten zij af en
bij die gelegenheid liet Jack ongemerkt meneer Hicks' bundeltje te
water vallen. Spoedig waren ze aan boord van het schip, waar Jack
den verkleeden consul naar de hut bracht, die deze niet achter zich
sloot, dan na eerst Jack onder een handdruk toegefluisterd te hebben:
"Wat zullen we morgen lachen!"

Niet zoodra was de boot weer opgeheschen of kapitein Hogg kwam naar
onzen held toe, schudde hem de hand en zei ook: "Wel, meneer Rustig,
wat zullen we morgen lachen!"

"Die 't laatst lacht, lacht 't best," dacht Jack.

Er woei een flinke bries, en die de wacht te kooi hadden, kropen in
hun hangmatten. Ook meneer Hicks wist niets beters te doen dan te gaan
slapen en bij het aanbreken van den dag was de Mary Anna al meer dan
honderd mijlen van de Afrikaansche kust.

Wat zetten meneer Hicks en de kapitein nijdige gezichten toen zij zich
den volgenden morgen beiden gefopt zagen? Zij waren zoo boos als een
spin, maar Jack deed niets dan lachen. De kapitein wilde terug om Miss
Hicks te halen, en de vice-consul verlangde zijn vrijheid weer, maar de
wind woei fel en Jack wist den kapitein tot bedaren te brengen, door er
op te wijzen dat bij het rekken van den tocht, er licht ossen konden
sterven en hij die zou moeten vergoeden. Ook kon hij Miss Hicks later
immers huwen, zonder dat haar broer er iets tegen zou kunnen doen. De
onder- en bovenlijzeilen werden dus bijgezet en de reis vervolgd tot
groote ergernis van meneer Hicks, die den kapitein en Jack met een
aanklacht bij de regeering bedreigde. Hij eischte zijn kleeren terug,
maar Jack antwoordde dat ze bij het van wal steken uit de sloep waren
gevallen. Van niemand kon hij kleeren geleend krijgen, zoodat hij
ten spot van allen in vrouwenrokken rondliep. Door het belachelijke
van het geval vergat de kapitein zijn eigen leed; hij werd weer goede
vrienden met Jack, en al weigerde meneer Hicks dien middag met hen mee
te eten, zij lieten zich door zijn kwaadheid hun eetlust niet benemen.

Na een voorspoedige vaart van tien dagen bereikten ze 's morgens van
den elfden dag de Toulonsche vloot. Jack meldde zich terstond bij
den admiraal en rapporteerde het meegebrachte slachtvee, en spoedig
kwamen nu van al de schepen sloepen aanzetten om haar deel van de
lading der Mary Anna in te nemen. Terwijl men hiermee bezig was,
richtte de vlaggekapitein van het admiraalsschip zijn kijker naar het
transportvaartuig en bespeurde daar aan dek een vrouwelijke gedaante.

"Is dat soms de vrouw van den stuurman?" vroeg hij aan Jack, die met
den admiraal dicht bij hem stond.

"Neen, meneer," antwoordde Jack, dat is de vice-consul."

"Wat! een vice-consul in vrouwenrokken?"

"Ja, de vice-consul van Tetuan. Hij is in die kleeding aan boord
gekomen, toen de brik al onder zeil was, en ik achtte het plicht geen
oogenblik te vertragen, omdat ik wist hoe dringend de vloot om versch
vleesch verlegen was."

"Wat beteekent dat, meneer Rustig?" zei de admiraal; "daar steekt
zeker iets achter. Kom even beneden alsjeblieft."

Jack volgde nu den admiraal en den vlaggekapitein naar de kajuit
en vertelde daar zonder omwegen het heele geval, wat een hartelijk
gelach verwekte.

"Meneer Rustig." zei de admiraal toen zijn lachbui over was, "ik wil
er u geen verwijt van maken, maar 't was toch dunkt mij niet noodig
geweest dien vice-consul in vrouwenkleeren te steken."

"Ik heb naar mijn beste weten gehandeld, admiraal," antwoordde Jack
heel onderdanig.

"Nu, over het geheel genomen, ben ik tevreden met wat gij gedaan
hebt. Kapitein Malcolm, zend alsjeblieft een sloep uit om den
vice-consul te halen."

Meneer Hicks hunkerde er zoo naar om over al zijn leed beklag te
doen, dat hij zich niet stoorde aan zijn vrouwenkleeren. Wel werd er
druk gegicheld toen hij aan boord kwam, maar dat zou spoedig genoeg
ophouden, dacht hij, zoodra ze maar te weten kwamen wie hij eigenlijk
was. Hij droeg zijn geval aan den admiraal voor, maar vond bij dezen
slechten troost.

"Hoor eens, meneer Hicks," zei de admiraal, "al wat u daar vertelt,
zijn familie-aangelegenheden, waarmee ik volstrekt niets te maken
heb. Uit eigen beweging zijt gij in vrouwenkleeren aan boord gekomen,
en meneer Rustig had bepaald bevel gekregen onder zeil te gaan, zoodra
het transport gereed was, en geen oogenblik te toeven. Nu kunt ge u
wel beklagen bij de Regeering, maar als vriend raad ik het u af. Ze
houden daar niet van dergelijke grappen en het kon u uw betrekking
wel eens kosten. Wees maar blij dat ge weer zoo spoedig naar Tetuan
kunt, want het transportschip gaat er, na Mahon aangedaan te hebben,
onmiddellijk heen. En nu, meneer, vaarwel, de sloep wacht u."

Meneer Hicks was verbaasd over den weinigen eerbied aan een vice-consul
betoond en droop af onder het gelach der gansche bemanning.

Zoodra de geheele lading ontscheept was, heesch de Mary Anna de vlag,
ging onder zeil en bereikte in twee dagen Mahon, waar zij de Aurora
reeds onder kommando van kapitein Wilson vonden.

Meneer Hicks had eindelijk kapitein Hogg weten te bewegen hem
manskleeren te bezorgen, maar nu hij met zijn klacht bij den admiraal
zoo slecht gevaren was, zag hij er geen heil in, er nog eens bij een
kapitein mee aan te komen; hij bleef dus stilletjes bij kapitein Hogg
aan boord en werd gedurende de thuisvaart beste maatjes met hem.



Achttiende hoofdstuk.

    Jack gaat over op de Aurora. Hij redt een oude dame uit
    roovershanden. Storm op zee en brand aan boord.


Kapitein Wilson was zeer tevreden over de wijze waarop Jack zijn
bevelen had uitgevoerd, en vroeg hem, wat hij liever deed, op de
Harpij blijven of met hem op de Aurora overgaan.

Jack aarzelde.

"Zeg 't maar vrij uit, meneer Rustig; als ge soms kapitein Sawbridge
de voorkeur geeft boven mij, zal ik er me niet door beleedigd achten."

"Neen, meneer," antwoordde Jack, "ik geef niet de voorkeur aan kapitein
Sawbridge boven u; beiden hebt gij me even voorkomend behandeld, maar
toch bekleedt gij de eerste plaats bij mij. Het geval is eigenlijk,
dat ik niet gaarne scheiden zou van Gascoigne of van...."

"Of van wien?" zei de kapitein glimlachend.

"Van Mesty, meneer; 't is misschien dwaas van me, maar zonder hem
zou ik nu niet meer in leven zijn."

"Dankbaarheid is volstrekt geen dwaasheid, meneer Rustig," antwoordde
kapitein Wilson. "Gascoigne denk ik bij mij te nemen, als hij 't ten
minste goedvindt, want ik heb bijzonder veel eerbied voor zijn vader
en in hemzelf geen gebreken van eenig aanbelang gevonden. Wat Mesty
betreft--hij is een flinke kerel en voor hem zal ook wel een plaatsje
te vinden zijn, hoop ik."

Den volgenden dag werd Mesty onder het scheepsvolk, dat kapitein
Wilson zich uitgekozen had, opgenomen en wel in zijn zelfden rang
onder den konstabel der Aurora. Ook Gascoigne en onze held werden op
de rol van de fregat gebracht.

Daar de Aurora nog eenige dagen voor anker bleef liggen, vroegen
Jack en Gascoigne verlof die aan den wal door te mogen brengen, wat
hun werd toegestaan, omdat ze pas zoo'n tijd op het transportschip
hadden gezeten. Jack nam zijn intrek in het eenige flinke hotel van
de stad en noodigde dikwijls officieren van de Aurora bij zich aan
tafel. Alle pretjes woonde hij bij en zou onder anderen op een avond
ook met eenige vrienden deelnemen aan een gemaskerd bal.

Hij had zijn keus laten vallen op kostuum als duivel en zoo vermomd
reed hij op een ezel naar de plaats van samenkomst. Juist toen
hij binnen wilde gaan, hield er een gele koets met twee lakeien in
prachtige livrei voor het gebouw stil. Zoodra het portier geopend was,
bood Jack met zijn gewone beleefdheid zijn arm aan een oude, dikke,
met diamanten bezaaide dame. Zij keek op en nauwelijks kreeg ze den
behaarden Jack met zijn drietand, horens en staart in het oog, of ze
gaf een, luiden gil en zou stellig gevallen zijn, als niet kapitein
Wilson juist bij de hand was geweest om haar in zijn armen op te
vangen. Terwijl de oude dame haar dank betuigde aan kapitein Wilson,
schoof Jack stilletjes het gebouw binnen. In de feestzaal vond hij
't zoo overmatig druk, dat men zich ternauwernood bewegen kon, en
het duurde dan ook niet lang of hij had genoeg van het rondspringen.

"Dat is al te gek." dacht Jack, "laat ik maar liever zien of ik me
in de open lucht niet beter kan vermaken." Hij trok zijn wijden jas
over zijn maskeradepak en wandelde in den heerlijken maneschijn
naar buiten. Allerlei gedachten dwarrelden hem door het hoofd en
ongemerkt was hij wel een uur lang aan het ronddolen geweest, toen
hij bij een heuvel kwam en dien besteeg om eens te zien, hoe hij het
best den terugweg zou nemen. Terwijl hij zoo stond rond te kijken,
zag hij opeens beneden op den weg langs den voet van den steilen
heuvel een rijtuig naderen. "Wel verdraaid!" riep hij uit, "dat is
dezelfde gele koets van die oude dame met haar diamanten en de twee
opgeprikte lakeien!"

Nauwelijks had hij dit gezegd of eensklaps stormden uit het houtgewas
een zestal kerels te voorschijn en grepen de paarden bij den kop; er
vielen een paar schoten, de koetsier tuimelde van den bok en de twee
lakeien achter van het rijtuig. De roovers rukten het portier open en
begonnen de oude dikke dame met de diamanten er uit te werken. Jack
begreep, dat hij tegen zulk een overmacht niets zou kunnen uitrichten,
maar misschien kon hij hun toch een schrik op het lijf jagen. Juist
rolde de oude dame als een welgevulde waschzak het rijtuig uit, toen
Jack, die zijn overjas uitgesmeten had, zich in zijn duivelspak op
den top van den heuvel vertoonde en in het volle licht der maan zijn
drietand zwaaiend een afgrijselijk "ha, ha, ha, ha!" liet hooren, op
hetzelfde oogenblik, dat de roovers hun messen ophieven. De onverlaten
werden op het zien van de huiveringwekkende gedaante, die den spotlach
had aangeheven, door zulk een hevige ontsteltenis aangegrepen, dat zij
het uit alle macht op een loopen zetten. Jack snelde nu haastig den
heuvel af, wist met veel inspanning de flauwgevallen dame de koets
binnen te loodsen, greep de teugels, sprong op den bok en joeg in
vollen ren voort.

Zoodra hij ver genoeg voortgehold was, om geen vernieuwing van den
aanval te vreezen te hebben, toomde hij de paarden wat in, maar liet
ze toch hun eigen weg kiezen, want hij zelf wist niet welken kant hij
op moest. Dicht bij de stad sloegen de dieren zijwaarts af en hielden
weldra stil voor een prachtig buitenverblijf. Om de menschen niet
te doen schrikken, had Jack zijn overjas weer aangetrokken en zijn
masker afgezet en toen nu op het geratel der rijtuigwielen eenige
bedienden naar buiten kwamen schieten, vertelde hij hun in weinige
woorden wat er gebeurd was. Dadelijk werden er nu handen uitgestoken
om de dame uit de koets te helpen. Voor veel complimenten had Jack,
toen hij de dikkert in het rijtuig stopte, geen tijd gehad, en men
vond ze nu ook in een vrij benauwde positie tusschen de beide banken
ingezakt en met de beenen in de lucht.

Zoodra de dame in huis gebracht was, toefde Jack nog slechts een
oogenblik en ze kwamen niet meer omtrent hem te weten, dan dat hij
een Engelsch officier was van een fregat, dat in de haven lag. Na
een wandeling van ruim een half uur bereikte hij zijn logement weer,
maar vertelde aan de kennissen, die hij er aantrof, niets van het
gebeurde en ging spoedig naar bed.

Juist had hij den volgenden morgen zijn rekening betaald en stond
op het punt te vertrekken, toen er iemand kwam hooren of er ook een
officier gelogeerd was, die gisteravond op het gemaskerd bal als
duivel verkleed was geweest.

Jack maakte zich als den bedoelden persoon bekend en gaf louter voor
de aardigheid als zijn naam op: Henry Wilson, kapitein van Zijner
Majesteits fregat de Aurora.

De vreemde verwijderde zich met een beleefde buiging; Jack stopte den
hotelbediende een flinke fooi in de hand en begaf zich weer aan boord.

De eerste luitenant van de Aurora was in menig opzicht een zeer goed
officier, maar reeds als adelborst had hij de gewoonte aangenomen
om zijn handen in zijn zakken te steken, en daar raakten ze niet
licht uit, ook al woei er een stormwind, waarbij de handen zoo
opperbest te pas komen. Meer dan eens had hij bij zoo'n gelegenheid
een leelijken val gedaan en een schram opgeloopen, maar de gewoonte
was hem te machtig. Een tweede eigenaardigheid van hem was, dat hij
een onbeperkt vertrouwen stelde in een zeker kwakzalversmiddel,
dat naar het heette tegen alle kwalen hielp. Naar zijne meening
was geen ziekte er tegen bestand en hij besteedde jaarlijks wel
drie maanden tractement aan dat lorregoed; want hij gebruikte het
niet alleen als hij zich niet wel gevoelde, maar ook bijwijze van
voorbehoedmiddel als hij volkomen gezond was. Iedereen raadde hij
het aan, en men kon hem geen grooter genoegen doen dan zich te laten
overreden het te slikken. De officieren lachten hem uit, maar meestal
achter zijn rug, want hij werd erg boos als men hem op dit eene punt
tegensprak. Onverdroten maakte hij bekeerlingen voor zijn geloof en
wijdde soms uren lang uit over de voortreffelijke eigenschappen van
het geneesmiddel, terwijl hij de waarheid zijner beweringen staafde
met een klein vlugschrift, dat hij steeds bij zich droeg.

Jack meldde zich aan boord en meneer Pottyfar, die juist op het
halfdek stond, gaf de hoop te kennen, dat Jack met te meer ijver zijn
plicht zou betrachten, nu hij zoo geruimen tijd aan den vasten wal
had mogen doorbrengen. Jack stemde daarmee in en ging naar beneden,
waar hij Gascoigne en zijn nieuwe baksmaats vond, met wie hij voor
het grootste gedeelte reeds kennis had gemaakt.

"Wel Rustig," zei Gascoigne, "heb je nu genoeg van den wal?"

"Meer dan genoeg," antwoordde Jack; "ik denk nu geen verlof meer
te vragen."

"Dat is maar goed ook, want meneer Pottyfar is er niet erg scheutig
mee, dat verzeker ik je; er is maar één middel om verlof van hem
te krijgen."

"Zoo! en wat is dat dan?"

"Je moet je ziek houden en wat van zijn kwakzalversmiddeltjes innemen,
dan stuurt hij je naar den wal om het uit te laten werken."

"Is het dat? nu, dan zal ik zoodra we te Vallette ankeren een heele
kuur doormaken, maar niet eer."

"Jij dient er wel mee ingenomen te zijn, Jack, 't is een
gelijkheidsmiddel, het geneest de eene kwaal zoo goed als de andere."

"Of helpt de patiënten om zeep--wat hen ook op gelijken voet
brengt. Jongens ja, Gascoigne, dat middel moet ik voorstaan, om meer
dan ééne reden.--Maar zeg eens, wanneer gaan we onder zeil?"

"Overmorgen."

"Naar de vloot bij Toulon?"

"Ja; maar we zullen onderweg wel naar de Spaansche kust afzakken,
dat gebeurt met alle oorlogschepen."

"Dat komt, omdat de wind geregeld uit het zuiden blaast."

"Als je soms weer buit gaat maken, Jack, vergeet dan vooral je
krijgsartikelen niet."

"Als het aan mij ligt, ga ik er niet meer op uit zonder Mesty. Mijn
hemel wat is zoo'n adelborstenkajuit vervelend na zoo'n prettigen
tijd aan den wal! Ik zal van armoe maar aan dek gaan om naar de kust
te turen."

"En tien minuten geleden nog hadt je er meer dan genoeg van!"

"Ja, maar die tien minuten hebben me heel van streek gebracht. Ik
zal den eersten luitenant om een dosis van zijn middel gaan vragen."

"Hoor eens, Jack, we moeten ons beiden te gelijk onder zijn behandeling
stellen."

"Zeker, maar daarmee wachten we tot Malta bereikt is."

Jack ging aan dek, maakte kennis met de enkele officieren, die hij nog
niet ontmoet had, en klom vervolgens in de mars van den grooten mast,
waar hij al mijmerend naar den wal ging zitten kijken.

Den volgenden dag ging de Aurora onder een stevige bries uit het
zuidwesten onder zeil, en op een mooien morgen zagen ze de Spaansche
kust nog eer ze de Toulonsche vloot in het oog kregen. Meneer Pottyfar
haalde zijn handen uit zijn zakken, omdat hij anders geen kans zag
door de teleskoop de kust op te nemen. Kapitein Wilson en velen van
de officieren en adelborsten hadden ook hun kijkers ter hand genomen
en de matrozen in den top gebruikten hun oogen: maar er viel niets
anders te zien dan eenige kleine visschersbooten. Allen begaven zich
dus naar beneden aan het ontbijt, terwijl het schip dicht langs de
kust bijlegde.

"Wat verwed je er onder, Rustig," zei een der adelborsten, "dat we
vandaag geen buit zullen maken?"

"Dat we in 't geheel geen schip in zicht zullen krijgen, wil ik niet
wedden, maar ik doe 't om al wat je wilt, dat 't niet vóór middernacht
gebeuren zal."

"Ik zou je danken; stuur liever den theepot eens dezen kant op,
want ik heb de voormiddagwacht."

"Een prachtige morgen," merkte een der overige kameraden, Martin
geheeten, op; "maar ik heb zoo'n vermoeden, dat 't er van avond niet
zoo goed uit zal zien."

"Waarom niet?" vroeg een ander.

"Ik vaar nu al acht jaar op de Middellandsche zee en heb zoo'n beetje
verstand van het weer. Er zit regen in de lucht en 't is een gestadige
wind. Als we van avond niet onder dubbel gereefde marszeilen liggen,
mag ik ik weet niet wat wezen."

"Klaar aan de zeilen!" klonk het opeens van den kant van het luik.

"Daar heb je 't al," riep Gascoigne en stormde naar boven, gevolgd
door al de anderen behalve Martin, die pas afgelost was, en meende
dat hij nu wel een poosje gemist kon worden, en er ten minste den
tijd van mocht nemen om op zijn gemak zijn kop thee op te lepperen.

't Was werkelijk zoo; een galjoot en vier koopvaardijschepen waren
juist de meest oostelijke punt om komen zetten, en bij den wind
opgestoken, zoodra ze het fregat in het oog kregen. In een oogenblik
was de Aurora onder volle zeilen en de kijkers werden alle op de
schepen gericht.

"Alle zwaargeladen, meneer," merkte de eerste luitenant op; "kijk
dat marszeil van de galjoot eens ingehaald zijn!"

"Ja, ze hebben ook geen gebrek aan wind," zei kapitein Wilson.

De hoop op een flinken buit deed alle krachten inspannen en weldra
had het fregat een heel eind gewonnen op de schepen, die al bijzetten
wat ze maar aan zeil hadden en korte gangen in den wal maakten. De
Aurora werd regelrecht op hen afgestuurd en ze waren geen twee streken
aan lij. De lucht, 's morgens zoo helder, was nu geheel bewolkt,
de zon ging schuil en de zee werd hand over hand onstuimiger. Nog
tien minuten en ze lagen onder dubbel gereefde marszeilen en bij de
windvlagen voegde zich een zware regen. Het fregat sneed met strak
gespannen zeilen door de schuimende golven en aan den horizon werd
het zoo donker, dat de schepen voor hen uit niet langer te zien waren.

"We zullen er van lusten, verwacht ik," zei de kapitein Wilson.

"Heb ik 't niet gezegd?" merkte Martin tot Gascoigne op. "We maken
vandaag geen buit, reken daar gerust op."

Meneer Pottyfar stond, als gewoonlijk met zijn handen in de zakken,
bij de gangspil.

"We zullen er, vrees ik, het grootzeil niet langer op kunnen houden,
meneer."

"Kapitein Wilson, we zijn vrij kort onder den wal," zei de stuurman;
"zou u 't goed vinden wat te wenden?"

"Jawel, meneer Jones. Voorschoten los, aan lij het roer! en--ja,
het moet maar,--weg het grootzeil!"

Het grootzeil werd geborgen en het fregat scheen zich onmiddelijk op
te richten. Het stootte en slingerde nu niet meer zooals te voren.

"We zijn erg dicht bij de kust, kapitein Wilson; ik kan er zelfs bij
dit smerige donkere weer een schijntje van zien--zullen we wenden,
meneer?" vervolgde stuurman.

"Ja--klaar om te wenden--op het roer!"

't Was juist bijtijds, want toen het fregat in een halven cirkel
rondzwaaide, konden ze, op geen twee kabellengten afstand, de branding
tegen de klippen van de kust zien slaan.

"Ik dacht niet dat 't er zoo na aan toe was," zei de kapitein en
kneep de lippen op elkaar--"is er nog iets van de schepen te zien?"

"Al in geen kwartier heb ik er iets van bespeurd, meneer," antwoordde
de uitkijk, terwijl hij met een pand van zijn jekker zijn kijker
tegen den regen beschutte.

"Wat ligt nu voor, kwartiermeester?"

"Zuid-zuidoost, meneer."

De lucht begon er heel anders uit te zien--de witte wolken werden
vervangen door zwarte, de wind loeide met rukken, en de regen stortte
bij stroomen neer. Kapitein Wilson ging naar beneden in de kajuit om
op den barometer te kijken.

"De barometer is gerezen," zei hij bij zijn terugkomst aan dek.

"Is de wind gestadig?"

"Neen, meneer, ze is drie streken geruimd."

"'t Zal op een zuidwester uitdraaien."

De natte, zware zeilen sloegen bij elken uitschieter van den wind.

"Op het roer, kwartiermeester."

De wind bedaarde, de regen viel bij stroomen--voor een oogenblik was
het volkomen stil, zoodat het fregat volstrekt niet meer overhelde.

"Aan de brassen! Reken er op, dat we terstond zullen afdrijven."

De brassen waren nauwelijks gespannen, of het was al zoo. De wind
schoot met een woest gehuil om naar het zuidwesten, maar gelukkig
waren ze er op voorbereid--de ra's stonden rondgebrast en de stuurman
vroeg de kapitein welke koers hij moest sturen.

"We moeten de vervolging opgeven," zei kapitein Wilson. "Richt den
steven maar op Kaap Sicie, meneer Jones."

En de Aurora vloog met gereefde stagfok en marszeilen op den stormwind
voort. Het weer was nu zoo smerig, dat men geen twintig el van zich
af kon zien, de donder rolde en bliksemstralen schoten van alle kanten
door het donker bewolkt zwerk. Zoodra de zeilen naar den wind gebrast
stonden, werd de wacht opgeroepen, en allen, die aan dek gemist konden
worden, gingen nat en teleurgesteld als ze waren naar beneden.

"Wat een oude Jonas ben jij toch, Martin," zei Gascoigne.

"Dat kan wel wezen," luidde het antwoord, "maar het ergste moet nog
komen, naar mijn gedachte. Ik herinner me net zoo'n storm als deze,
op nog geen tweehonderd mijlen van de plek waar we nu zijn. Ik voer
toen op de Favorite en we gingen bijna naar den kelder toen...."

Op dit oogenblik hoorde men boven een vervaarlijk geraas; er voer
een schok door het geheele schip, dat schudde alsof het vaneen zou
splijten; luide kreten werden gevolgd door klaagtonen, het benedendek
was vol rook en het fregat helde sterk over. Zonder dat er één woord
gezegd werd, stoven allen, die zich in de adelborstenkajuit bevonden,
naar boven, niet wetende wat er van te denken, maar overtuigd dat er
een groot ongeluk was gebeurd.

Aan dek gekomen werd hun alles duidelijk; de fokkemast was, door
den bliksem getroffen, voorover aan lij in zee gevallen en had de
groote streng en het kluifhout meegenomen. De afgebroken stomp van de
fokkemast brandde fel, in weerwil van den stortregen. Zoodra fokkemast
en groote streng over boord waren, draaide het schip met een ruk bij,
zoodat de matrozen aan het stuurrad er overheen geslingerd en tegen
de verschansing gekwakt werden; op den bak, het voorste gedeelte
van het bovendek en zelf op het benedendek lagen overal mannen die
gedood of ernstig gewond, of door den schok versuft waren. Het fregat
helde sterk over en zware zeeën sloegen er overheen; overal was het
pikdonker en het licht der brandende stomp van de fokkemast geleek
wel een toorts, die door woeste stormduivels werd opgehouden. Voor een
paar minuten was alles in verwarring, eindelijk riep kapitein Wilson,
die zelf voor een oogenblik verblind was geweest, om den timmerman
en de bijlen. Binnen weinige minuten was de bezaanmast afgehouwen
en stortte over het achterschip, het fregat viel af en richtte zich
langzaam op. Maar het schrikkelijk tooneel was nog niet ten einde. De
bootsman, die op den bak had gestaan, was voor altijd zijn gezicht
kwijt en werd naar beneden gedragen. Terwijl de dokter bezig was ook
de andere gewonden te onderzoeken en bij te staan, weerklonk opeens
de kreet: "Brand!" van uit het benedendek. Het schip had vuur gevat
in het kolenhok en de timmerkamer en er steeg een dikke rook op.

"Ieder op zijn post; laat de pompen werken en de putsen
doorgegeven! Meneer Pottyfar let er op, dat het werk geregeld
gaat. Meneer Jones, neem gij de zorg voor het schip op u. Ik ga zelf
naar het benedendek.

"Dat ziet er heel anders uit dan van morgen, Jack," merkte Gascoigne
op.

"Ja," antwoordde Jack; "maar wat nu het best gedaan? Als er aan den
wal brand in een schoorsteen is hangen ze er een natten deken over."

"Ja," zei Gascoigne; maar dat zou hier, nu het kolenhok in brand staat,
weinig helpen."

"In elk geval zijn natte dekens een goed ding, Ned, kom mee naar
de hangmatten en de dekens er uit gehaald. Helpt 't niet voldoende,
dan hebben we ten minste onzen ijver betoond."

De beide adelborsten riepen nu nog een paar man en in een oogenblik
hadden ze meer dekens dan ze dragen konden. Ze nat te krijgen was
geen kunst, want het bovendek dreef van al het water.

"Uitmuntend, meneer Rustig, uitmuntend, meneer Gascoigne!" zei kapitein
Wilson, toen hij hen aan zag komen. "Hier, jongens, gooi ze er hier
maar op en dan flink er op gestampt."

Rustig riep de andere adelborsten toe, dat ze nog meer dekens zouden
halen, maar 't hoefde niet, het vuur was al gebluscht. Onder al die
bedrijven slingerde het fregat zoo geweldig, dat de verschansing
onder water kwam. Toen eindelijk alle gevaar, wat den brand aanging,
geweken was, en de manschappen weer naar hun kwartieren gecommandeerd
werden, miste men drie officieren en zeven en veertig man, waarvan
er zeven dood en de anderen grootendeels reeds onder behandeling van
den dokter waren.

Boven gekomen vond Jack den kapitein met de officieren op het halfdek.

"Meneer Rustig," zei kapitein Wilson, "ik moet u en meneer Gascoigne
mijn dank betuigen voor de betoonde kordaatheid en tegenwoordigheid
van geest."

Jack maakte een buiging en wilde juist weer naar de adelborstenkajuit
gaan, toen er een hevige stortzee over het fregat sloeg, zoodat allen,
die zich niet gauw konden vastgrijpen, van de been raakten.

Ze krabbelden weer overeind en gingen terstond in de konstabelkamer
een glas grog drinken om den zilten smaak van het zeewater uit den
mond te spoelen.

Intusschen werden de zeilen geminderd om te voorkomen, dat het dek
nogmaals onder water raakte.

Eer de morgen aanbrak was het schip droog gepompt en al wat er in het
ongereede was geraakt weer zooveel mogelijk op orde gebracht; maar de
storm bleef nog even fel voortwoeden en 't was geen hapje nu aan boord
te wezen. Na vier en twintig uren kwam echter de zee tot bedaren, en
na een vaart van nog drie dagen bereikte de Aurora de vloot bij Toulon.



Negentiende hoofdstuk.

    Jack neemt de proef van meneer Pottyfars universeel
    geneesmiddel. Een verrassing voor kapitein Wilson.


Op het eerste gezicht hielden ze het aan boord der andere schepen
er voor, dat de Aurora slaags geweest was, maar spoedig begrepen ze
dat het ruwe weer het vaartuig zoo ontredderd had. Kapitein Wilson
maakte zijn opwachting bij den admiraal en kreeg natuurlijk order
zijn schip onmiddellijk op te laten lappen. Binnen weinige uren
stuurde de Aurora nu koers naar Malta en tegen zonsondergang was
er van de Toulonsche vloot niets meer te zien. Toen ze na een vrij
vervelenden tocht de haven van Malta waren binnengeloopen, begaf de
kapitein zich onmiddelijk naar den goeverneur en Jack, die onderweg
al met Gascoigne afgesproken had, dat ze vrij zouden zien te krijgen,
ging tegen den avond aan den eersten luitenant verlof vragen om naar
den goeverneur te gaan. Nu was ongelukkig meneer Pottyfar in een booze
luim en toen Jack hem met zijn verzoek aanklampte, draaide hij zich
driftig om, zette de beenen wijd van elkaar, begroef zijn handen zoo
diep mogelijk in zijn zakken en zei vrij bits:

"Meneer Rustig, gij weet hoe 't met het schip gesteld is. Er valt
een massa te doen--nieuwe masten, nieuwe tuigage, alles moet hersteld
worden--en nu komt gij vragen om aan wal te gaan! U kunt, dunkt me,
zelf wel het antwoord op uw vraag geven en begrijpen dat er, zoolang
niet alles weer kant en klaar is, niemand van de adelborsten een voet
aan wal zal zetten.

"Mag ik u doen opmerken, meneer," zei onze held, "dat het op dit
oogenblik Zaterdagavond is en morgen Zondag; het werk op het fregat
zal eerst Maandag beginnen en daarom had ik gemeend, dat ik tot
zoolang wel verlof zou kunnen krijgen."

"Ik ben van een geheel ander gevoelen, meneer," antwoordde de eerste
luitenant en liet Jack duidelijk genoeg blijken, dat hij zijn zin
niet zou krijgen.

Jack kon die weigering maar niet verkroppen en was gedurende zijn
eerste wacht ongenietbaar; hij vatte dan ook het besluit op, om den
dienst zoodra mogelijk te verlaten.

Den volgenden morgen kwam kapitein Wilson het scheepsvolk monsteren en
Jack wilde den kapitein juist gaan aanspreken, toen deze tot hem zei:

"Meneer Rustig, de goeverneur heeft me verzocht u mee aan wal te
brengen om bij hem te dineeren, voor logies is ook gezorgd."

Jack sloeg aan en snelde naar beneden om de noodige toebereidselen
te maken. Weer aan dek gekomen, vond hij kapitein Wilson nog niet
gereed. Hij ging nu aan meneer Pottyfar zeggen, dat de kapitein hem
gelast had met hem aan wal te gaan; en meneer Pottyfar, wiens kwade
bui weer overgewaaid was, zei:

"Heel goed," meneer Rustig--ik wensch u veel plezier."

"Dat klinkt heel anders dan gisteren," dacht Jack: "als ik nu eens
een proefje nam van zijn medicijnen?"

"Ik voel me niet wel, meneer Pottyfar, en de pillen van den dokter
helpen me niet--ik ben altijd ziek als ik lang de noodige lucht en
beweging heb moeten missen."

"Ja," zei de eerste luitenant, "lucht en beweging zijn een
voornaam ding. In die middeltjes van den dokter stel ik ook niet
veel vertrouwen; het eenige wat iets waard is, is mijn universeel
geneesmiddel."

"Ik zou er zoo graag een proef van nemen, meneer," antwoordde Jack;
"ik heb uw boekje eens gelezen, en daarin gevonden dat het middel
onfeilbaar werkt, als het gedurende veertien dagen of drie weken
geregeld wordt ingenomen met volop vrije lucht en beweging."

"Zeker is dat zoo," antwoordde meneer Pottyfar; "en als gij lust
hebt er de proef van te nemen, kan ik u wel een dosis geven, ik heb
toch genoeg."

"Heel graag, meneer," antwoordde Jack; "en hoe dikwijls moet ik er
van gebruiken tegen de hoofdpijn, die me dagelijks kwelt?"

Meneer Pottyfar nam Jack mee naar beneden, stopte hem drie of vier
fleschjes met het heilmiddel in de hand en zei hem, dat hij 's avonds,
tegen het naar bed gaan, dertig droppels moest innemen, niet meer
dan twee glazen wijn mocht drinken en de felle zon moest vermijden.

"Maar, meneer," hernam Jack, die de fleschjes in zijn zak had gestoken,
"ik vrees dat het te lang duren zal; want nu het schip op de helling
komt, zal ik dagelijks aan de zon worden blootgesteld."

"Ja, als gij niet gemist kondt worden, meneer Rustig; maar we hebben
manschappen genoeg; en zoolang gij ziek zijt, mag er geen werk van
u gevorderd worden. Draag vooral zorg voor uw gezondheid; ik ben
er stellig van overtuigd, dat gij van dit middel een wonderdadige
werking zult ondervinden."

"Van avond zal ik er mee beginnen, meneer," antwoordde Jack, "ik
dank u zeer. Ik logeer bij den gouverneur--moet ik morgen vroeg aan
boord komen?"

"O neen, wees vooral voorzichtig en neem u in acht; met genoegen zal
ik hooren dat ge wat beter zijt. Laat me weten hoe 't er mee gaat."

"Dagelijks zal ik u met de boot bericht zenden, meneer," antwoordde
Jack met een verlicht hart; "ik ben u ten zeerste dankbaar. Gascoigne
en ik hadden er al over gedacht er u naar te vragen, maar we zagen
er wat tegen op: de arme jongen heeft bijna geregeld hoofdpijn,
nog erger dan ik, en de pillen van den dokter helpen hem ook niets."

"Hij zal ook een paar fleschjes hebben, meneer Rustig; ik vond al dat
hij er bleek uitzag. Let nu vooral op matige beweging, meneer Rustig,
en vermijd de middagzon."

"Ja, meneer," antwoordde Jack, "ik zal er om denken," en innig
verblijd ging hij heen. Hij gaf Mesty last zijn goed in de boot te
brengen en was spoedig met den kapitein aan wal, waar ze door den
goeverneur hartelijk werden ontvangen.

"Wel, Jack, mijn jongen heb je weer het een en ander te
verhalen?" vroeg de goeverneur.

"Ja, meneer," antwoordde Jack, "ik weet een paar heel aardige
gevallen."

"Best, na tafel zullen we er wel van hooren," hernam de goeverneur. "Ga
nu eerst maar eens kijken of je kamer je aanstaat, en of je 't er
een poos zult kunnen uithouden."

"Dat kan niet lang wezen, goeverneur," merkte kapitein Wilson
op. "Meneer Rustig dient zijn plicht te leeren, en daarvoor is nu
een goede gelegenheid."

"Ja maar, met uw verlof, kapitein," antwoordde Jack, "ik sta op
de ziekenlijst."

"Ziekenlijst?" vroeg kapitein Wilson, "van morgen stond uw naam toch
niet op het rapport."

"Neen, maar ik sta op de lijst van meneer Pottyfar en ik moet een
kuur met zijn universeel geneesmiddel doormaken."

"Wat is dat nu weer, Jack? Zeker de een of andere grap," zei de
goeverneur.

Jack vertelde hoe de eerste luitenant hem den vorigen avond verlof had
geweigerd, maar hem nu vergund had aan wal te blijven, om de proef te
nemen met het universeele middel, waarover de goeverneur zoo hartelijk
lachte, dat kapitein Wilson er zijns ondanks mee moest instemmen.

"Hoor eens, meneer Rustig," zei de kapitein na een poos, "al heeft
meneer Pottyfar u toegestaan aan wal te blijven, ik kan dit niet--gij
moet Uw plicht leeren vervullen. De gelegenheid daartoe is nu veel
te mooi en doet zich niet alle dagen op, dat zult ge zelf begrijpen."

"Ja, meneer, dat zie ik in," antwoordde Jack, en bij die woorden
stond hij op, maakte een buiging en verliet de warande, waarin ze
hadden zitten praten.

"Och kom, kapitein," zei de gouverneur toen Jack weg was, "je moet
't niet zoo nauw met hem nemen; met een zacht lijntje is hij 't best
te regeeren."

"Wel mogelijk maar hij moet zijn plicht doen, evengoed als de anderen."

"Dat valt niet tegen te spreken, maar er is wel een mouw aan te passen,
zoodat hij niet voortdurend aan boord behoeft te blijven. Stel hem
aan tot uw ordonnans, tot het overbrengen van berichten van en naar
het schip; bij dat baantje kan hij 's avonds en 's nachts geregeld
hier blijven."

"Op die manier zou 't te vinden zijn," hernam kapitein Wilson
peinzend. Ik ben maar bang dat hij te ruim bij kas is, om met
het scheepsleven vrede te hebben; al dat geld is voor zoo'n jong
officiertje glad verkeerd."

"Kom, kom, 't kan lang duren eer hij zich in de grond werkt, en als uw
eerste luitenant zoo bespottelijk hoog wegloopt met zijn universeel
geneesmiddel, is 't dan wonder dat een adelborst er profijt van ziet
te trekken?"

"Dat niet, maar ik mag me niet met open oogen laten beetnemen."

"Hij heeft het heele geval zoo openhartig verteld, maak dus geen
gebruik van die vertrouwelijke mededeeling. Werkelijk, wat ik daareven
voorstelde zal nog het beste wezen en alle partijen bevredigen; want
gij hebt dan uw zin omdat hij dienst doet, de eerste luitenant omdat
Jack zijn geneesmiddel gebruikt, en Jack zelfs, omdat hij iederen
dag bij mij kan eten."

"Nu, dan moet 't maar zoo geschikt worden," antwoordde kapitein
Wilson lachend.

Na afloop van 't diner, waarbij heel wat gasten genoodigd waren, vroeg
de gouverneur Jack, of hij niets iets te vertellen had en onze held
dischte nu het verhaal op van kapitein Hogg's liefdesgeschiedenis met
Miss Hicks en hoe hij haar broer den vice-consul had beetgenomen. De
goeverneur had er machtig veel schik in en kapitein Wilson gaf zijn
verwondering te kennen, dat hij er eerst nu iets van hoorde.

"Je heb een groote dwaasheid voorkomen, meneer Rustig, en daar deed
je wel aan," merkte de kapitein lachend op, "maar hoe komt 't, dat
je er mij nooit iets van verteld hebt?"

"Och, meneer," antwoordde Jack, "ik heb mijn verhalen altijd maar
bewaard voor de goeverneurstafel, waar ik u toch stellig ook zou
aantreffen; ik behoefde dan niet tweemaal hetzelfde te vertellen."

Jack gedroeg zich uitstekend, en bleef uit eigen beweging het
grootste gedeelte van den dag aan boord om zijn plicht te leeren,
zoodat kapitein Wilson geen berouw behoefde te hebben over zijn
toegeeflijkheid tegenover hem. Met Jacks gezondheid ging het dagelijks
beter, wat veel voldoening schonk aan meneer Pottyfar, die in de
meening verkeerde, dat zijn universeel geneesmiddel geregeld gebruikt
werd. Gascoigne, die ook onder behandeling van den eersten luitenant
was, ging dikwijls met onzen held aan wal en dacht er niet meer over
om zijn ontslag uit den dienst te nemen.

Zeven weken hadden ze al in de haven gelegen, want er was heel wat te
herstellen geweest, toen kapitein Wilson op een morgen bij het ontbijt
een brief ontving, welks inhoud hem ten hoogste verbaasde. "Mijn
hemel! wat moet dat beteekenen?" riep hij uit.

"Wat is er, Wilson?" vroeg de goeverneur.

"Hoor nu eens aan, Sir Thomas." En de kapitein las:



    "Hooggeachte Heer!


    Het is mijn plicht u mede te deelen, dat de onlangs overledene
    Lady Signora Alfergas de Guzman, in haar testament een som van
    duizend dubloenen in goud aan u vermaakt heeft, als een blijk
    van erkentelijkheid voor de goede diensten haar bewezen op den
    avond van den 12_den_ Augustus. Indien gij iemand machtigen
    wilt tot inning van genoemd bedrag, zal het onmiddellijk
    uitbetaald worden. Moge een lang leven uw deel zijn!


    Uw onderdanige dienaar,
    ALFONZO XEREZ."



Onder het lezen van dien brief, sloop Jack stilletjes de kamer uit,
zonder dat de goeverneur of de kapitein er acht op sloegen.

"Wat kan dat beteekenen?" vroeg de kapitein. "Ik herinner me niets
van diensten op 12 Augustus of daar omtrent aan den een of ander
bewezen. 't Moet een verrassing wezen--12 Augustus--dat was de dag
van het groote gemaskerd bal."

"'t Is in elk geval een buitenkansje voor u, want--vergissing of
niet--niemand anders dan gij kan aan het legaat raken."

"Ik heb niet gehoord van iets bijzonders, dat op het gemaskerd bal
zou zijn voorgevallen; ik ben er wel geweest, maar vroeg heengegaan,
omdat ik me niet prettig gevoelde. Meneer Rustig," zei de kapitein
en wendde zich om, maar Jack was weg.

"Is hij er ook geweest?" vroeg de gouverneur.

"Ja, dat weet ik zeker, want de eerste luitenant heeft me gezegd,
dat hij verlof had gevraagd om eerst den volgenden morgen aan boord
terug te komen."

"Reken er dan maar vast op, dat hij er achter steekt," hernam de
gouverneur en sloeg met de vuist op tafel.

"'t Zou me niet verwonderen," antwoordde kapitein Wilson, lachend.

"Laat 't maar aan mij over, Wilson, ik zal wel uitvisschen hoe de
vork aan den steel zit."

Na nog een poosje praten, begaf kapitein Wilson zich naar boord, in de
hoop dat de gouverneur Jack uit zou hooren. Daartoe kreeg Sir Thomas
echter geen gelegenheid, want Jack had al bij zichzelven besloten den
gouverneur tot zijn vertrouwde te maken en begon uit eigen beweging
het heele geval met de dikke dame te vertellen.

"Houd op, Jack, want ik zou me ziek lachen," zei de vroolijke oude
heer ten laatste; "maar wat dient er nu gedaan?"

Onze held werd nu ernstig en betoogde den gouverneur, dat hij zelf
overvloed van geld had, terwijl kapitein Wilson arm was en een groot
gezin moest onderhouden. Daarom hoopte hij, dat alles in het werk zou
gesteld worden om kapitein Wilson tot het aanvaarden van het legaat
te bewegen.

"Goed zoo, mijn jongen, zoo mag ik 't hooren," hernam de gouverneur;
"maar 't zal misschien niet zoo gemakkelijk gaan, want Wilson staat
erg op zijn eer. Je hebt immers niemand iets van het geval verteld?"

"Geen sterveling behalve u, Sir Thomas."

"Hij zelf mag de eigenlijke toedracht ook niet vernemen, want dan
zou hij eerst recht het legaat weigeren."

"Ik heb er al iets op gevonden, meneer," zei Jack. "Toen ik voor het
feestgebouw aan die oude dame mijn geleide aan bood en zij van mijn
duivelskostuum zoo'n schrik kreeg, is ze in de armen van kapitein
Wilson gevallen en was hem zeer dankbaar, dat hij haar voor een
leelijke tuimeling had behoed."

"Daar hebben we 't, Jack," antwoordde de gouverneur, "daar moeten we
't maar op gooien. Ik heb wel beweerd dat gij er achter zoudt steken,
maar ik zal hem nu wel wat anders op den mouw spelden; laat dat maar
gerust aan mij over."

Toen kapitein Wilson des namiddags terugkwam, vond hij den gouverneur
in de waranda.

"Ik heb eens met den jongen Rustig gesproken," zei de goeverneur,
"maar van dat legaat weet hij niets. Toch heeft hij een verklaring
aan de hand gedaan. Toen hij namelijk als duivel de oude dame zulk
een schrik op het lijf joeg, hebt gij het zwaarlijvige schepsel in
uw armen opgevangen en daardoor voor een gevaarlijken val behoed."

"Ik herinner me niets van de heele geschiedenis; en dan, duizend
dubloenen voor het oprapen van een oude dame!"

"Waarom niet? Ik ken die familie als onnoemelijk rijk, en als het
arme schepsel gevallen was, zou 't haar misschien den dood hebben
gekost. Heel begrijpelijk dus, dat ze haar redder ruim wenschte
beloonen. Uw naam uit te visschen was ook zoo moeilijk niet, want
gij waart in uniform."

"Ja," antwoordde kapitein Wilson, "ik weet er ook geen andere
verklaring aan te geven en zal 't er dus maar voor houden, dat de uwe
de juiste is. Toch vind ik het wel wat kras duizend dubloenen aan te
nemen voor een eenvoudige beleefdheid."

"Och wat! zoo'n bedrag heeft voor die familie niets te beteekenen,
terwijl het voor u met uw groot gezin een aardig buitenkansje
is. Geloof me, al had de val haar het leven niet gekost, een been
zou ze al licht gebroken hebben."

"Op die veronderstelling zal ik het legaat dan in 's hemelsnaam maar
aannemen," antwoordde kapitein Wilson lachend.

"Wel natuurlijk, zend er terstond iemand op uit. De wisselkoers staat
op dit oogenblik juist zeer hoog en gij zult voor de duizend dubloenen
nu bijna vier duizend pond krijgen."

"Vier duizend pond voor het op de been houden van een oud wijf!" riep
Wilson uit.

"Ja, 't is verduiveld goed betaald, Wilson, ik wensch je geluk."

"Wat ben ik den vader van onzen Rustig toch veel dank
verschuldigd!" merkte de kapitein na eenig zwijgen op. "Als hij me
niet door zijn geldelijken steun aan een schip geholpen had, zou
ik niet bevorderd zijn, geen drie duizend pond als aandeel in den
gemaakten buit ontvangen hebben, niet het kommando hebben gekregen
over een mooi fregat en nu nog in een ommezien vierduizend pond."

De gouverneur dacht bij zichzelf, dat voor dit alles aan Jack meer
dank toekwam dan aan diens vader, maar hij was verstandig genoeg om
daarover te zwijgen.

"'t Is waar," zei de goeverneur, "de hulp van den ouden heer Rustig
mag niet voorbijgezien worden, maar het meest hebt ge toch aan uw
eigen flinkheid te danken."



Twintigste hoofdstuk.

    Jack ontvangt een brief van zijn vader. Don Silvio weet zich
    onder een valschen naam bij den goeverneur in te dringen.


Hier werd het gesprek gestoord door de aankomst van een bezending
brieven uit Engeland. Kapitein Wilson begaf zich met de voor hem
bestemde naar zijn kamer, de goeverneur hield zich bezig met de zijne
en onze held kreeg voor het eerst een schrijven van zijn vader. Het
luidde als volgt:


    "Waarde zoon.

    Al menigmaal heb ik het plan opgevat u te laten weten hoe
    't hier in deze streken geschapen staat. Maar daar ik om mij
    heen niets dan ellende bespeur, heb ik telkens de pen weer
    neergelegd, ten einde u niet te bedroeven met de mededeeling
    er van.

    De tijding van uw dood en ook het latere bericht, dat gij
    onverhoopt voor ons gespaard waart gebleven, zijn in orde
    ontvangen en ik houd me overtuigd, dat ik zoowel de smart
    als de vreugde met de voor een wijsgeer passende kalmte
    heb gedragen. In het eerste geval troostte ik mij met de
    overweging, dat de door u verlaten wereld in een staat
    van slavernij verkeerde en gebukt ging onder den druk der
    geweldenarij zoodat te sterven slechts onze vrijheid ten goede
    kon komen; en in het tweede geval matigde ik mijn blijdschap
    om dezelfde redenen, vast besloten als ik ben om zoowel
    in leven als in sterven mij een waar wijsgeer te betoonen,
    wat Dr. Middleton er ook van moge zeggen.

    Hoe meer ik er over nadenk, hoe meer ik overtuigd word, dat
    niets de wereld gelukkig kan maken dan gelijkheid en zuivere
    inachtneming van de rechten van den mensch--kortom dat alles
    en iedereen op één zelfde peil diende gebracht te worden.

    Ja, mijn zoon, als ik niet bleef hopen, dat de zon der
    gerechtigheid zal verrijzen, om al de donkere wolken, die
    het land verduisteren, te verdrijven--als ik niet bleef
    hopen nog eenmaal een gelijke verdeeling van alle eigendom
    te beleven--dan zou ik er me niet om bekommeren, hoe eer hoe
    liever dit tranendal vol dwingelandij en ongerechtigheid te
    verlaten. Doch het groote werk der bevrijding van het menschdom
    zal volbracht worden, in weerwil van het schouderophalen en
    hoofdschudden van zulk een koppigen, eigenwijzen kerel als
    Dr. Middleton.

    Uw moeder leeft heel stilletjes voort; werken of lezen
    doet ze niet meer, ja zelfs haar breikous heeft ze er aan
    gegeven; zij zit nu maar den ganschen dag in een hoekje
    van den haard met haar duimen te spelen in afwachting van
    het duizendjarig rijk. Arm schepsel! wat ze daar al niet
    voor onzin over uitkraamt! Doch ik laat haar stil begaan,
    en volg het voorbeeld van den griekschen wijsgeer Socrates,
    die met zijn Xantippe ook heel wat te stellen had.

    Ik hoop, waarde zoon, dat met de jaren uwe beginselen in
    vastheid zullen gewonnen hebben en dat gij, indien zulks
    noodig is, alles zult opofferen ter bereiking van datgene wat
    in mijne oogen het duizendjarig rijk is. Zie zooveel mogelijk
    aanhangers voor onze denkbeelden te winnen en geloof mij


    Uw toegenegen vader en trouwen gids
    NICODEMUS RUSTIG."



Jack schudde het hoofd en lei den brief met een zucht neer, ontevreden
over zijn vader en over zichzelf. Het liep echter tegen etenstijd en
dus ging hij zich kleeden voor het diner bij den goeverneur, waarop
ook Gascoigne genoodigd was. Nauwelijks waren ze in de ontvangkamer
gekomen, of Sir Thomas trad op hen toe:

"Gij beiden verstaat Italiaansch, heeren, doe me dus het genoegen
u van middag bezig te houden met een Siciliaansch officier, die mij
zeer aanbevolen is."

Zij werden nu voorgesteld aan een slank jongmensch van een kaap
uiterlijk, maar die toch iets onaangenaams in zijn blik had. Aan
tafel werd Don Matthias, zoo luidde zijn naam, tusschen onze beide
adelborsten geplaatst en deze begonnen terstond een gesprek met hem,
begeerig als ze waren om iets te vernemen omtrent hun vrienden te
Palermo. Zoo onder het praten vroeg Jack of hij ook kennis had aan
Don Rebiera, waarop de Siciliaan bevestigend antwoordde, en weldra
hadden ze 't heel druk over de verschillende leden der familie. Tegen
het einde van het diner vroeg Don Matthias onzen held hoe hij met
Don Rebiera in kennis was gekomen en Jack vertelde nu hoe hij en
zijn vriend Gascoigne den man gered hadden uit de handen van twee
schurken. Na deze mededeeling scheen het opeens uit te raken met
de spraakzaamheid van den jongen officier, maar toch gaf hij bij
het afscheid nemen zijn hoop te kennen onze adelborsten nog nader
te ontmoeten. Nauwelijks was hij vertrokken of Gascoigne merkte op:
"Me dunkt, ik heb dat gezicht meer gezien, maar waar, dat wil me niet
te binnen schieten."

"Ik kan me niet herinneren hem ooit ontmoet te hebben," antwoordde
onze held, "maar in dergelijke opzichten is jouw geheugen heel wat
beter dan het mijne."

Er werd niet verder over gesproken en Jack was al weer aan het
luisteren naar den goeverneur en kapitein Wilson, die nog alleen van
de partij over waren, toen Gascoigne, nadat hij geruimen tijd had
zitten soezen, opeens van zijn stoel opsprong en uitriep:

"Nu ben ik er achter!"

"Waar achter?" vroeg kapitein Wilson.

"Achter den naam van dien Siciliaanschen officier--ik wist ook wel,
dat ik hem meer gezien had."

"Dien Don Matthias?"

"Neen, Sir Thomas! Niet Don Matthias! Hij is niemand anders dan Don
Silvio, die op het punt stond Don Rebiera te vermoorden, toen wij te
hulp schoten en den man redden."

"Ik geloof waarlijk dat je gelijk hebt, Gascoigne."

"Stellig heb ik dat," hernam Gascoigne; "nog nooit heb ik me in zoo
iets vergist."

"Reik me die brieven eens aan, Rustig," zei de goeverneur, "dan zullen
we eens zien hoe hij genoemd wordt. Hier heb ik 't--Don Matthias de
Alayeres. Je hebt 't zeker mis, Gascoigne; bedenk wel, dat ge een
zware beschuldiging tegen dien jongen man inbrengt."

"Dat weet ik, Sir Thomas, maar ik zou er mijn heele traktement onder
durven verwedden, dat 't Don Silvio is. Ook heb ik wel degelijk
opgemerkt, dat hij van kleur verschoot, toen Jack hem verhaalde,
dat wij beiden het geweest waren, die Don Rebiera te hulp waren
gekomen. 't Is jou toch zeker ook niet ontgaan, Jack, dat hij later
haast geen woord meer gesproken heeft."

"Dat is zoo," antwoordde Jack.

"Dan zullen we aan 't onderzoeken moeten," merkte de goeverneur op;
"want in dat geval is de aanbevelingsbrief bedriegerij."

Allen begaven zich nu naar bed, en terwijl Rustig en Gascoigne den
volgenden morgen nog eens hun vermoedens bespraken, werden er brieven
uit Palermo voor hen gebracht. Zij dienden ter beantwoording van
Jack's schrijven bij hun aankomst op Malta; eenige regels van Don
Rebiera, een klein briefje van Agnes, en een uitvoerig schrijven van
zijn vriend Don Philip, waarin onder anderen ook voorkwam, dat Don
Silvio opnieuw een aanslag gewaagd had op hun vaders leven, welke
toeleg gelukkig verijdeld was. Waarschijnlijk was de ellendeling met
een der marktschuiten naar Malta ontsnapt.

Dit nieuws werd bij het ontbijt terstond aan den gouverneur en aan
kapitein Wilson medegedeeld.

"We zullen dat eens onderzoeken," merkte de gouverneur op, die nu
ook naar den verderen inhoud der brief vroeg.

Jack en Gascoigne hadden rust noch duur aan het ontbijt en niet
zoodra was dit afgeloopen, of zij pakten zich stilletjes weg. Toen
kapitein Wilson eenige oogenblikken later opstond om naar boord te
gaan, waren de beide adelborsten nergens te vinden.

"Ik begrijp 't al, Wilson," zei de gouverneur; "laat ze maar aan mij
over, en ga zelf gerust naar boord."

Intusschen hadden onze beide vrienden een eenzamen vestingwal
opgezocht, waar ze niet licht gestoord zouden worden, "Je vermoedt
zeker wel wat ik van plan ben, Gascoigne," zei Jack. "Ik wil dien
ellendeling nog dezen morgen een kogel door den kop jagen."

"Alles goed en wel, Jack, maar dat is eigenlijk mijn werk en niet
het jouwe; ik heb hem ontdekt, dus behoort hij mij."

"Dat staat nog te bezien," hernam Jack; "hij heeft 't toegelegd op
het leven van den man, dien ik eens mijn schoonvader hoop te noemen,
en dus heb ik het meeste recht op hem."

"Bedenk wel, Jack, dat hij een aanverwant van Agnes is; jij mag je dus
niet met zijn bloed bezoedelen, want dat zou later voor je huwelijk
een groot bezwaar kunnen opleveren."

Dit bracht Jack tot nadenken en na nog wat gehaspel werd er bepaald,
dat Gascoigne met Don Silvio zou vechten, terwijl Jack de uitdaging
zou overbrengen. Zij lieten er geen gras over groeien en Jack begaf
zich onmiddellijk naar het logement, waar de Siciliaan zijn intrek
genomen had.

Bij Don Silvio binnen gelaten, vond hij hem bezig met het wetten
van een tweesnijdenden dolk. De Siciliaan trad hem te gemoet en stak
hem met voorgewende hartelijkheid de hand toe, maar Jack zei met een
uitdagenden blik: "Don Silvio, wij kennen u; ik kom hier alleen om
namens mijn vriend voldoening van u te vragen. En waarlijk, gij moogt
nog van geluk spreken, want het is toch vrij wat verkieselijker te
sterven door de hand van een fatsoenlijk man dan aan de galg."

Don Silvio werd opeens doodsbleek--zijn hand deed een greep naar zijn
dolk, maar deze was op tafel blijven liggen; ten slotte antwoordde hij:
"'t Is goed, meneer, over een uur zal ik mij met hem meten, waar gij
maar verkiest."

Jack gaf op waar de ontmoeting zou plaats hebben en ging heen. Hij
spoedde zich met Gascoigne naar de woning van een officier met wien
ze bevriend waren, en, na zich bij deze van de noodige vuurwapenen
voorzien te hebben, kwamen zij nog vóór den bepaalden tijd op de
aangeduide plek. Zij wachtten geruimen tijd, maar wie er verscheen--Don
Silvio niet.

"Hij heeft de plaat gepoetst," merkte Gascoigne op; "de schurk is
ons ontsnapt."

Reeds was er een half uur na het vastgestelde tijdstip verstreken
en nog altijd was er geen spoor te zien van Gascoigne's tegenpartij;
maar wel kwam een der adjudanten van den gouverneur op hen af.

"Daar heb je Atkins," zei Jack; "dat treft ongelukkig, maar hij zal
wel geen bezwaar maken."

"Heeren," zei Atkins, heel deftig groetende, "de gouverneur wenscht
dringend u beiden te spieken."

"Op dit oogenblik kunnen we onmogelijk komen, maar over een half uur
zullen we er wezen."

"Gij moet er echter binnen drie minuten zijn. Neem me niet kwalijk,
maar ik heb uitdrukkelijke bevelen en om ze stipt te kunnen uitvoeren,
staat er een korporaal met eenige manschappen achter den vestingwal
geposteerd--maar natuurlijk, als gij gewillig meegaat is die hulp
overbodig."

"Dat is een vervloekte dwingelandij," riep Jack uit. Er bleef hun
echter geen keus over, en daarom volgden zij meneer Atkins naar het
gouvernements gebouw, waar zij Sir Thomas aantroffen onder de waranda,
die het uitzicht gaf op de haven en de open zee.

"Kom eens hier, heeren." zei de gouverneur op strengen toon; "ziet ge
daar ginds op twee mijlen van de kust dat schip wel? Daarmede wordt
Don Silvio gevankelijk naar Sicilië overgebracht. En onthoudt nu wel
den levensregel, dien ik u zal aangeven: Vecht als het noodig is met
fatsoenlijke menschen, maar nooit met schurken en moordenaars. Een
tweegevecht met een ellendeling aan te nemen, is even onteerend als
een fatsoenlijk man voldoening te weigeren. Gaat nu heen, want ik
ben boos op u, en komt niet meer onder mijn oogen vóór etenstijd."



Een-en-twintigste hoofdstuk.

    de Aurora raakt slaags met een Russisch fregat. Luitenant
    Pottyfar zoekt vergeefs baat bij zijn universeel geneesmiddel.


Maar eer zij den gouverneur aan tafel ontmoetten, was er van de vloot
een sloep aangekomen met depêches van den opperbevelhebber. Daarbij
werd onder anderen aan kapitein Wilson gelast, zooveel mogelijk haast
te maken met het uitrusten van zijn schip en dan te gaan kruisen in
de buurt van Corsica, waar hij een Russisch fregat moest aanklampen;
vond hij 't daar niet, dan moest hij inlichtingen inwinnen en het
overal nazetten, waar het te vinden mocht zijn.

Alles aan boord van de Aurora raakte nu druk in de weer. Kapitein
Wilson verliet met onzen held en Gascoigne de woning van den gouverneur
en begaf zich weer aan boord, waar zij dag en nacht bleven. Op den
derden dag was de Aurora geheel gereed om in zee te steken en omstreeks
den middag zeilde zij de haven van Valette uit.

Binnen een week was de Corsikaansche kust bereikt en men behoefte
geen uitkijk in den mast te zenden, want een der officieren of de
adelborsten was er voortdurend van het aanbreken van den dag tot
donker. Van het schip, waarop ze jacht maakten, was echter nog steeds
niets te bespeuren.

Windstilte gaf eenige dagen vertraging, maar eindelijk maakte een
stevige bries uit het noorden het mogelijk langs den oostkant van
het eiland zuidelijk koers te zetten. Op den achttienden dag na het
verlaten van Malta, kregen zij omstreeks zestien mijlen voor zich uit
een groot schip in 't zicht. De manschappen zaten op dat oogenblik
juist aan het ontbijt:

"Een fregat, kapitein Wilson, ik ben er zeker van," zei de eerste
luitenant.

"Welken koers heeft het?"

"Denzelfden als wij."

De Aurora had alle zeilen bijgezet, en toen het volk ging schaften
had ze al ongeveer twee mijlen gewonnen op het achtervolgde vaartuig.

"Dat zal een langdurige jacht zijn, nu we beiden denzelfden koers
hebben," merkte Martin tegen Gascoigne op.

"Ja, dat vrees ik ook--maar het ergste is nog, dat het misschien
zal ontsnappen."

"Daar is ook wel kans op," antwoordde zijn kameraad.

"Och wat, jij altijd met je Jobsgedachten!" viel Gascoigne uit.

"Ja, maar ik heb 't toch niet zoo dikwijls mis;" herman Martin. "Twee
dingen zijn maar de vraag: vooreerst, zullen we het schip inhalen of
niet--en dan als we het inhalen, is 't wel het vaartuig, waarop wij
't gemunt hebben."

"'t Schijnt jou al heel weinig te kunnen schelen."

"Dat is volstrekt het geval niet; reken maar eens aan, ik ben
de oudste adelborst hier aan boord; als ik het bemachtigen van het
fregat overleef, zal ik eindelijk eens bevorderd worden, en schiet ik
er het hachje bij in, welnu dan is de bevordering overbodig. Maar ik
ben al zoo dikwijls teleurgesteld, dat ik maar nergens meer op reken,
zoolang ik 't niet goed en deugdelijk heb."

"Nu, om jou mag ik maar lijden, Martin, dat het gindsche schip
hetzelfde is dat we zoeken, dat we er het leven afbrengen, en dat
jij bevorderd wordt."

"Dankje, Rustig--ik wou dat ik er ook op durfde hopen."

"Ze hebben bij den wind gebrast, kapitein," riep de tweede luitenant
uit de stengedwarszalings.

"Wat dunk jou er van, Martin?" vroeg Jack.

"Dat 't een Engelsch fregat is, of dat het schip een flinke bemanning
heeft en een dapperen kerel tot kommandant."

De zon begon onder te gaan eer de Aurora het schip tot op twee mijlen
genaderd was. Er was geseind, maar dit bleef onbeantwoord, hetzij dat
het te donker was om de kleuren van de seinvlaggen te onderscheiden,
hetzij de vijand die niet kende. De vreemdeling had de Engelsche vlag
geheschen, maar dat kon nog niet gelden voor een afdoend bewijs,
dat hij tot een bevriende natie behoorde; en even vóór donker had
hij den steven naar de Aurora gewend, die nu recht op hem aan was
gekomen. Van de bemanning der Aurora was ieder op zijn post, want
binnen weinige minuten zou het beslist zijn, of ze met een vriend of
met een vijand te doen hadden.

Nu is er haast geen lastiger geval denkbaar, dan zoo'n ontmoeting:
met een schip, waarvan men niet weet, wat men er aan heeft. Men moet
zich geheel tot den aanval gereed houden en zorgen dat de vijand,
als het er een is, geen voordeel trekke uit uw dralen met handelend
op te treden; en aan de anderen kant dient de grootste voorzichtigheid
in acht genomen, opdat ge niet op een vriend en landgenoot losbrandt.

Kapitein Wilson had het nachtsignaal geheschen, maar met al de zeilen
zou 't voor het andere schip moeielijk zijn het op te merken. Om nu
dit bezwaar uit den weg te ruimen en alle vergissing te voorkomen,
liet kapitein Wilson, toen de twee fregatten elkaar tot op drie
kabellengten genaderd waren, de bezaan opgeien, zoodat het seinlicht
duidelijk zichtbaar werd.

Er kwamen op het andere schip wel lichten in beweging, alsof ze van
plan waren te antwoorden, doch ze bleven maar steeds de Aurora aan lij
houden tot op ongeveer een halve kabellengte, en toen de schepen elkaar
bijna vlak op zij waren gekomen, werd er in het Engelsch geroepen:

"Schip ahoy! wat voor schip is dat?"

"Zijner Majesteits fregat Aurora," riep kapitein Wilson, die boven
op de verschansing stond. "En wat voor schip is het uwe?"

In plaats van het verwachte antwoord "zijner Majesteits schip ----"
hoorden zij opeens de kanonnen losbranden en kreeg de Aurora de volle
laag op zulk een geringen afstand, dat de uitwerking geducht was. De
bemanning van de Aurora was, toen er in het Engelsch gepraaid werd, in
de meening geraakt, dat het een van hun eigen kruisers zou zijn. Zij,
die de stukken bedienden, hadden teleurgesteld de talierepen laten
vallen en de stilte, die er geheerscht had, zou juist afgebroken
worden door uitingen van ontevredenheid over zoo'n tegenvaller,
toen het gedonder van het geschut hun opeens in de ooren klonk, en
het splijten en scheuren van balken en planken hen voor een oogenblik
deed versuffen. Menigeen moest naar beneden gedragen worden, maar het
viel moeilijk te zeggen wat er bovendreef, de verontwaardiging over
den verraderlijken aanval of de voldoening, nu het bleek dat ze niet
voor niets op hun post waren geroepen. In elk geval weerklonk er een
driewerf hoera! waardoor het gekreun en gekerm dergenen, die naar de
ziekenboeg werden gesjouwd, overstemd werd.

"Volk aan de bakboordsstukken en klaar om te wenden!" bulderde kapitein
Wilson en haastte zich van de verschansing. "Terdege uitkijken,
jongens, en goed gemikt, hoor! We zullen ze die aardigheid eens flink
betaald zetten."

De Aurora was gewend en loste de volle laag op het achterschip van
het Russische fregat. Het was bijna donker, maar de vijand scheen al
even verlangend naar den strijd als de Aurora. Binnen vijf minuten
waren de twee schepen elkaar op zij gekomen en openden op weinig meer
dan een pistoolschot afstand een moorddadig vuur.

Na een verwoed gevecht van een half uur, ging kapitein Wilson van
beneden naar het bovendek en richtte zelf stuk voor stuk de geladen
kanonnen, de midscheepsche op de groote rust van den vijand, en ook die
van het voor- en van het achterschip zóó, dat al de schoten ongeveer
op de zelfde hoogte moesten treffen. Vervolgens gaf hij bevel dat op
het gegeven kommando alle tegelijk moesten afgevuurd worden. De vijand
begreep niet waarom er zoo gedraald werd met schieten en verbeelde
zich al, dat de Aurora het vuren opgaf. Maar opeens kreeg hij de
volle laag en, hoe donker het ook was, toch kon men de uitwerking
waarnemen. Er was een geducht gat in het schip geslagen en de groote
mast tuimelde over boord. De Aurora maakte nu, dat ze dwars voor den
Rus kwam te liggen, en begon uit de bovendeksstukken met schroot te
schieten, om den vijand alle werkzaamheid aan dek te verhinderen,
terwijl de batterij van het hoofddek een vernielend vuur op den romp
bleef onderhouden.

De maan brak door de wolken en stelde hen in staat met meer juistheid
te werk te gaan. In een kwartier was het Russische schip al zijn masten
kwijt en kon kapitein Wilson de helft van zijn manschappen aan het
herstellen der geleden schade zetten. De vijand bleef nog met vier
stukken het vuur beantwoorden, maar het duurde niet lang of ook deze
vier waren tot zwijgen gebracht. De Aurora staakte nu den strijd en de
tweede luitenant werd met een der sloepen, die ongehavend was gebleven,
afgezonden om zich te vergewissen of het fregat zich gewonnen gaf.

De heldere maan wierp een zilverachtig licht over het water, toen
de boot afzette; kapitein Wilson en de officieren, die niet gewond
waren, leunden over de deerlijk gehavende verschansing van de Aurora
en wachtten het antwoord af. Op eens werd de stilte van den nacht
verbroken door een vervaarlijk geraas van den kant van het Russisch
fregat, op dat oogenblik ongeveer drie kabellengten van hen verwijderd.

"Wat zou dat zijn?" riep kapitein Wilson uit. "Het anker hebben ze
vroeger al laten vallen, dat kan 't dus niet wezen. Je moest eens
loden, meneer Jones, en zien hoeveel water we hebben."

Meneer Jones was al lang doodelijk gewond naar beneden gedragen,
maar een ander wierp het lood uit en peilde zeven vademen.

"Dan zal hij 't ons, vrees ik, nog lastig genoeg maken," merkte Wilson
op; en dat bleek ook spoedig, want de Russische kapitein had den
tweeden luitenant in het Engelsch toegeroepen, "dat hij zijn vraag
met het geschut beantwoorden zou" en was bijna onmiddellijk daarop
weer begonnen te vuren op de Aurora.

Kapitein Wilson maakte zeil en voer aanhoudend om het geankerde schip
heen, zoodat hij het bij beurten rechts en links de volle laag kon
geven. De hardnekkigheid, waarmee de dappere Rus den strijd volhield,
gaf kapitein Wilson de overtuiging, dat de man liever zou blijven
doorvechten tot zijn schip zonk dan de vlag te strijken; en in dit
geval zou de Aurora niet alleen nog verscheidene manschappen moeten
verliezen, maar ook het Russische schip niet buit kunnen maken. Daarom
besloot kapitein Wilson tot een beslissenden stap. Na een kort overleg
met zijn officieren klampte hij den Rus aan boord, en sprong aan het
hoofd zijner manschappen op het vijandelijk dek over.

Er volgde nu een allerhevigst gevecht van man tegen man, waarbij de
Russische kapitein en het gering getal manschappen, dat hij nog over
had, zich dapper verweerden. Lang kon echter de tegenstand niet duren
en weldra was het Russisch fregat in handen der Engelschen.

Zoodra het dek opgeruimd was, liet kapitein Wilson de luiken sluiten en
gaf aan een deel zijner manschappen last aan boord van het veroverde
vaartuig te blijven, terwijl hij zelf zich haastte onderzoek te gaan
doen naar den toestand van zijn eigen schip.

De dag was al aangebroken eer aan boord der Aurora de boel weer zoo
wat op orde was gebracht. De meeste gewonden waren intusschen in de
hangmatten gelegd, terwijl er ook enkelen waren, die een amputatie
moesten ondergaan.

De timmerman had al de geschoten gaten onder of dicht bij de waterlijn
hersteld en was daarna begonnen het lek van het buitgemaakte vaartuig
te stoppen. Ofschoon aan het bovengedeelte erg gehavend, was er toch
geen aanleiding om te veronderstellen dat het ook beneden de waterlijn
ernstige schade had beloopen en daarom bleven de luiken gesloten,
ofschoon eenige manschappen aan de pompen werden gesteld om te zien of
het schip ook water maakte. Zoodra de Aurora er weer wat behoorlijk
uit begon te zien, ging kapitein Wilson opnieuw aan boord van het
veroverde schip, waar het dek, nu het helder licht geworden was,
een vreeselijk bloedbad te aanschouwen gaf. Lijk na lijk werd over
boord geworpen en aan de gewonden zoodra mogelijk hulp verleend;
de luiken werden afgenomen en het overschot der bemanning aan dek
gekommandeerd; ongeveer tweehonderd gaven gehoor aan dat bevel, maar
het zag er beneden, wat dooden en gewonden betrof, al even ellendig
uit als boven. De gevangenen werden op de Aurora overgebracht en daarna
begon het schiften van dooden en levenden. Vervolgens werden de meest
noodige herstellingen gedaan en een deel der bemanning van de Aurora,
onder bevel van den tweeden luitenant, er aan boord gezonden. Den
ganschen nacht werd er doorgewerkt en eerst den volgenden morgen
kon de Aurora, met de Drietand, zoo heette het Russische fregat,
op sleeptouw, onder zeil gaan.

In dat moorddadig gevecht had de Drietand meer dan tweehonderd man
aan dooden en gewonden. Het verlies der Aurora was niet zoo groot,
maar toch belangrijk genoeg, namelijk zes en vijftig manschappen en
officieren. Onder de gesneuvelden behoorden de stuurman Jones, de derde
luitenant en twee adelborsten. Meneer Pottyfar, de eerste luitenant,
was al bij het begin van den strijd zwaar gewond. De stuurmansmaat
Martin en Gascoigne waren ook beiden getroffen, de eerste doodelijk,
de tweede vrij ernstig. Onze held had een jaap met een sabel gekregen,
zoodat hij zijn arm een tijdlang in een doek moest dragen.

Nog voordat de Drietand geënterd werd, was Mesty door een splinter
geraakt, maar hij was aan dek gebleven om als een vader over Jack te
waken en hem te beschermen. Ja, hij had nog meer gedaan; want toen
kapitein Wilson met het plat van een sabel een slag kreeg, die hem
deed suizebollen en op de knieën schieten, had hij zich met Jack vóór
hem geworpen. En Jack had gezorgd, dat kapitein Wilson niet onbekend
bleef met den grooten dienst, hem door Mesty bewezen.

"Maar je zult wel bij Mesty geweest zijn, toen hij me het leven redde,"
merkte kapitein Wilson op."

"Dat was ik ook, meneer," antwoordde Jack bescheiden, "maar zonder
dat ik zelf veel kon uitrichten."

"Hoe gaat 't van avond met uw vriend Gascoigne!"

"O, lang niet slecht, meneer; hij krijgt trek in een glas grog."

"En met Martin?"

Jack schudde bedenkelijk het hoofd.

"De dokter is toch van oordeel, dat hij weer zal beteren."

"Ja, meneer, dat heb ik Martin ook verteld; hij vond 't heel goed,
dat men hem hoop gaf--maar zelf dacht hij er anders over."

"Je moet hem wat opmonteren, meneer Rustig; zeg hem, dat hij vast op
bevordering kan rekenen."

"Dat heb ik hem al gezegd, meneer, maar hij wil 't niet gelooven. Hij
zal er geen geloof aan slaan, zoolang hij niet de geteekende
aanstelling onder zijn oogen krijgt. Ik denk bepaald, dat zoo'n stuk
nog gunstiger op hem zou werken dan de dokter."

"Nu, meneer Rustig, morgenochtend zal hij 't hebben. Hebt ge meneer
Pottyfar ook bezocht? Ik vrees, dat het slecht met hem zal afloopen."

"Dat vrees ik ook, meneer; hij wordt iederen dag erger, ofschoon toch
de wond gunstig staat."

Zoo praatte Jack met zijn kapitein, toen zij den derden morgen na
het gevecht aan het ontbijt zaten.

Den dag daarna bracht Rustig een voorloopige aanstelling voor Martin
beneden en stelde hem die ter hand. De arme stakker, die in een
verband in zijn hangmat lag, doorlas het stuk nauwkeurig.

"'t Is maar een voorloopige aanstelling, Jack," zei hij; "misschien
wordt ze niet bekrachtigd."

Jack zwoer bij al de krijgsartikelen, dat 't wel degelijk gebeuren zou;
maar Martin bleef volhouden, dat 't nooit zoo ver zou komen.

"Neen, neen," zei hij, "ik wist wel, dat ik 't nooit tot stuurman zou
brengen. Wordt de aanstelling niet bekrachtigd, dan zal ik in leven
blijven, maar gebeurt dat wel, dan sterf ik stellig."

Iedereen, die Martin in zijn hangmat kwam opzoeken, wenschte hem geluk
met zijn bevordering, maar zes dagen na het treffen met den vijand,
werd het stoffelijk overschot van den armen Martin aan de golven
prijs gegeven.

Het spoedigst volgde hem de eerste luitenant Pottyfar, die, gewond als
hij was, een pakje van zijn universeel geneesmiddel had weten machtig
te worden, en er zooveel fleschjes van geledigd had, dat hij op een
goeden morgen dood in zijn hangmat werd bevonden, met meer dan twee
dozijn leege fleschjes onder zijn hoofdkussen en naast zijn matras.



Twee-en-twintigste hoofdstuk.

    Menschlievendheid met ondank beloond. Jack en zijn vrienden
    in levensgevaar, maar nog intijds van den dood gered.


Binnen drie weken liep de Aurora, met haar buit op sleeptouw, de
haven van Malta binnen, maar een lange rust werd haar niet gegund,
want er waren dringende tijdingen naar de overheid van Palermo over
te brengen. Hiermede nu werd kapitein Wilson belast. Na ontvangen
antwoord moest hij naar Malta terugkeeren, degenen van zijn manschappen
opnemen, die intusschen genoegzaam hersteld waren om het hospitaal
te kunnen verlaten, en vervolgens zich bij de vloot voor Toulon gaan
voegen. Jack was buiten zichzelven van blijdschap nu hij gelegenheid
zou krijgen om Agnes en haar broeders weer te ontmoeten.

Opnieuw verliet de Aurora de hooge klippen van Valette en doorkliefde
onder een flinke bries de donkerblauwe golven. Maar tegen den avond
begon de wind weer op te steken, zoodat ze de marszeilen dubbel
moesten reven. Den tweeden dag voeren ze langs de kust van Sicilë,
niet ver van de plek, waar Rustig en Gascoigne aan den wal gedreven
waren. Het weer was intusschen veel kalmer geworden en de zee tot
bedaren gekomen. Daarom stuurden ze dicht onder de kust, wijl de wind
niet gunstig was voor de vaart naar Palermo. Als gewoonlijk werden
nu de kijkers naar land gericht, naar de villa's, waarmee de heuvels
en dalen bezaaid waren.

"Wat is dat, Gascoigne," zei Rustig, "daar onder die overhellende
rots?--'t lijkt wel een schip."

Gascoigne bracht zijn kijker in de aangewezen richting.--"Ja, 't is
een schip, dat op de klippen zit: naar den voorsteven te oordeelen is
't een galei."

"Dat is 't ook," riep de uitkijk, "ik kan de roeibanken duidelijk
onderscheiden."

Dit werd aan kapitein Wilson meegedeeld, die nu zelf een onderzoek
instelde.

"Ze zit op de rotsen, dat is zeker," merkte hij op, "en ik verbeeld me
ook, dat ik volk aan boord zie. Eén streek afhouden, kwartiermeester!"

De Aurora werd nu recht op het schip aangestuurd, en na een uur was
ze niet meer dan een mijl er van verwijderd. Hun vermoedens waren
juist geweest--'t bleek een van de Siciliaansche goevernementsgaleien
te zijn, die op de klippen gesmeten was, en ze zagen nu ook, dat er
menschen aan boord waren, die met stukken linnengoed seinen gaven.

"'t Zijn stellig galeislaven; want ik bemerk, dat ze geen van allen
van plaats veranderen. De officieren en matrozen moeten de galei
verlaten en de slaven aan hun lot overgelaten hebben."

"Dat is wreed," zei Jack tot Gascoigne; "de kerels waren wel tot de
galeien veroordeeld, maar niet ter dood."

"Van de golven hebben ze niet veel genade te verwachten," antwoordde
Gascoigne; "als de wind wat meer landwaarts-in omloopt, zijn ze er
morgen ochtend om koud."

Ofschoon kapitein Wilson zich niet met dit gesprek inliet, hoorde hij
toch wat er gezegd werd en stemde er volkomen mee in; maar hij kon 't
met zichzelf nog niet eens worden wat hij doen moest; al die menschen
ellendig laten omkomen, of zoo'n bende schurken tegen de maatschappij
los te laten. Na eenige overweging besloot hij tot het laatste. De
Aurora draaide bij en de twee kotters werden afgelaten en bemand.

"Meneer Rustig, neem gij in den eenen kotter de wapensmeden mee,
roei naar boord van de galei, ontboei die kerels, en breng ze bij
kleine afdeelingen aan land. Meneer Gascoigne, gij vergezelt meneer
Rustig met den anderen kotter, en houd u gereed tot handelen, als soms
de schurken onder het overbrengen een vijandelijke houding mochten
aannemen; want op dankbaarheid valt bij hen niet te rekenen."

Ingevolge die bevelen, zetten onze beide adelborsten van boord
af. Zij vonden de galei tusschen de rotsen geklemd, terwijl er een
gat in de kiel gestooten was, en, zooals zij reeds vermoed hadden,
was de kommandant met de bemanning in de booten gegaan en had de
slaven aan hun lot overgelaten.

"Viva los Inglesos!" riepen de kerels, toen Rustig bij hen aan
boord klom.

"Wel, Ned, heb je ooit zoo'n kostelijk zoodje schurken bijeen
gezien?" merkte Rustig op, toen hij zijn oog had laten gaan over de
tronies der geketenden.

"Neen," antwoordde Gascoigne; "en, me dunkt, de kapitein zou, als
hij hier eerst een kijkje had genomen, zich wel tweemaal bedenken,
eer hij die bende losliet."

"Wel mogelijk--maar wij hebben bepaalde bevelen. Sla al de sloten
los, smid, van achteren te beginnen; zoodra we een lading hebben,
zetten we die aan wal."

"Hoeveel zijn er?--twaalf dozijn.--Twaalf dozijn boosdoeners los te
laten tegen de maatschappij! Ik heb heel veel lust eerst nog eens naar
boord terug te keeren, om er den kapitein over te spreken--honderd
vier en veertig onverlaten, die allen gehangen dienden te worden--want
verdrinken is nog te goed voor hen."

"We hebben order gekregen hen te bevrijden, Jack."

"Jawel; maar ik zou er toch eerst wel eens met kapitein Wilson over
willen redeneeren."

"Ze zullen hen gauw genoeg achter de vodden zitten, Jack, en in een
ommezien zijn ze allen weer ingepikt," hernam Gascoigne.

"Nu, dan moeten we maar aan de orders gehoorzamen; maar 't stuit me
toch tegen de borst. Sla los, smid!"

De wapensmid, die evenals de matrozen het met Jack eens scheen te
zijn en nog niet aan het werk gegaan was, begon nu met zijn hamer de
sloten één voor één los te slaan. Telkens als er een slaaf ontboeid
was, moest hij in den kotter; zoodra die voldoende aangeladen was,
voer Jack af, gevolgd door Gascoigne met zijn manschappen, en zette
de kerels op ongeveer een kabellengte afstand aan wal.

Ze moesten zes gangen maken eer allen aan land waren. Toen de laatste
vracht was afgezet en Jack juist bevel wilde geven om weer van wal te
steken, keerde een der galeiboeven zich om en riep Jack op spottenden
toon toe: "Addio, signor, tot weerziens!" Jack keek verbaasd op
en herkende nu in het morsige, halfnaakte wezen, dat hem toesprak,
Don Silvio!

"Ik zal Don Rebiera vast van uw komst verwittigen, Signor!" riep de
ellendeling, sprong op de klippen en mengde zich onder de overigen,
die nu hun redders begonnen uit te jouwen en uit te lachen.

"Ned," zei Rustig tot Gascoigne, "daar hebben we dien schurk ook
losgelaten."

"Jammer genoeg," antwoordde Gascoigne; "maar wat konden wij er aan
doen? We hebben eenvoudig de gegeven orders uitgevoerd."

"Ik zal er toch met den kapitein over spreken, zoodra we weer aan
boord zijn," hernam Jack.

"Te laat, vriend."

"Je heb gelijk," zuchtte Jack met een uitdrukking van wanhoop op
het gelaat.

"Zet aan, jongens, zet aan!"

Jack keerde aan boord terug en rapporteerde wat hij gedaan had;
ook dat Don Silvio onder de bevrijden behoorde. Hij nam tevens de
gelegenheid te baat om zijn bezorgdheid daarover te kennen te geven,
wegens de nabijheid van Don Rebiera's woning. Kapitein Wilson beet
zich op de lippen; hij zag in, dat zijn menschlievendheid hem zijn
gewone voorzichtigheid uit het oog had doen verliezen.

"Ik heb, vrees ik, een overijlden stap gedaan, meneer Rustig. Ik had de
kerels aan boord moeten nemen en aan de overheid in handen leveren. Had
ik daar maar eer aan gedacht! We moeten zoo spoedig mogelijk naar
Palermo stevenen en zorgen, dat de schurken met een afdeeling soldaten
worden nagezet. Klaar om te wenden, volbrassen de groote ra!"

Reeds de volgenden morgen ankerden wij voor Palermo, gaven van het
gebeurde kennis aan de overheid, die kapitein Wilson's misplaatste
menschlievendheid naar den duivel wenschte, maar toch onmiddelijk
een sterke troepenmacht afzond, om de losgelaten boosdoeners op te
sporen. Kapitein Wilson, die Jack's bezorgdheid over zijn vrienden
ten volle begreep, riep hem bij zich aan dek, en gaf hem en Gascoigne
verlof om aan wal te gaan.

"Zou u me willen toestaan, Mesty mee te nemen, meneer?" vroeg Jack.

"Jawel, meneer Rustig; maar bedenk dat ge, zelfs met Mesty bij u, geen
partij zijt voor een honderd en vijftig man; wees dus voorzichtig. Ik
laat u gaan om uw bezorgheid wat te doen verminderen, maar niet opdat
ge u in gevaar zoudt begeven."

"Natuurlijk, meneer," antwoordde Jack, sloeg aan en verwijderde zich
heel bedaard. Zoodra hij echter bij het luik gekomen was, schoot hij
ijlings naar beneden en ging onmiddellijk toebereidselen maken voor
zijn vertrek.

Een half uur later waren onze beide adelborsten en Mesty reeds aan
wal en begaven zich naar het logement, waar zij ook vroeger hun intrek
hadden genomen. Hun eerste vraag was naar Don Philip en diens broeder.

"Beiden met verlof," antwoordde de herbergier; "ze logeeren bij
Don Rebiera."

"Dat is ten minste één geluk," dacht Jack. "We moeten zoo spoedig
mogelijk er heen."

Weldra was er voor paarden en voor een gids gezorgd en om acht uur
in den morgen begaven ze zich op weg in de richting van Don Rebiera's
landhoeve.

Zij hadden nog geen zes mijlen afgelegd, toen ze een van de
detachementen ontmoetten, die ter vervolging van de losgelaten boeven
waren afgezonden. Onze held herkende in den bevelvoerenden officier
een oude kennis, deelde hem mee, dat ook Don Silvio op vrije voeten
was en verzocht hem zijn richting te nemen naar het verblijf van Don
Rebiera, wien stellig gevaar dreigde.

"Gij hebt gelijk, Signor," antwoordde de officier; "ik geloof anders,
dat Don Philip er is en ook zijn broeder. Maar in elk geval zal ik
er morgenochtend tegen tien uur wezen; we zullen den ganschen nacht
doormarcheeren."

"Wapens hebben ze niet," merkte Rustig op.

"Neen maar die zullen ze spoedig weten te krijgen; zij zullen de een
of andere kleine stad plunderen en dan hun toevlucht zoeken in het
gebergte. Uw kapitein heeft ons een mooi koopje bezorgd."

Jack wisselde nog een paar woorden met den officier en gaf vervolgens
zijn paard de sporen om zich weer bij zijn gezelschap te voegen.

Tegen vijf uur in de namiddag bereikten zij het verblijf van Don
Rebiera. Jack wipte uit den zadel en snelde, gevolgd door Gascoigne,
naar binnen. Zij vonden het heele gezin in de ruime huiskamer bijeen,
volkomen onbewust van het gevaar dat hen dreigde en tegelijkertijd
verbaasd en verheugd over de komst hunner oude vrienden. Jack draalde
niet lang met de reden van zijn overhaaste verschijning te melden.

"Don Silvio met honderd vijftig galeiboeven gisternamiddag op de kust
losgelaten!" riep Don Rebiera uit; "gij hebt gelijk, 't is wonder dat
ze niet reeds den vorigen nacht hier zijn gekomen. Maar ik verwacht
elk oogenblik Pedro terug, die met een lading wijn naar de stad is;
hij zal ons wel nadere tijding brengen."

"In elk geval moeten we ons op een aanval voorbereiden," zei Don
Philip; "zooals gij zegt, zullen de troepen morgenochtend hier zijn."

"Hoeveel man kunnen we bijeenbrengen?" vroeg Gascoigne.

"Wij hebben hier vijf flinke kerels," antwoordde Don Philip, "en dan
mijn vader, mijn broeder en ik zelf."

"Wij zijn met ons drieën; of er op den gids te rekenen valt, weet
ik niet."

"Dus alles bijeen twaalf man--dat is niet te veel; maar nu we
voorbereid zijn, zullen we, dunkt me, den aanval wel kunnen weerstaan
tot aan den morgen."

"Zouden we de dames niet liever wegbrengen?" opperde Jack.

"En wie zou ze geleiden?" bracht Don Philip daar tegen in; "we zouden
alleen onze krachten versnipperen en bovendien zouden ze in handen
der schurken kunnen vallen."

"Als we eens allen gezamenlijk het huis verlieten?" gaf Don Rebiera
in bedenking; "ze kunnen niet meer doen dan de woning plunderen."

"Maar we zouden door hen opgevangen kunnen worden, en tegen zulk een
overmacht beteekent ons aantal niets," merkte Don Philip op. "Hier
hebben we ten minste het voordeel, dat het huis zelf als middel van
bescherming dient."

"Dat is waar," antwoordde Don Rebiera, "laten we ons derhalve
toerusten, want reken er maar op, dat Don Silvio zulk een mooie
gelegenheid om wraak te oefenen niet zal laten voorbijgaan. Hij zal
nog hedennacht hier zijn; het verwondert me zelfs, dat hij niet reeds
met zijn bende gekomen is."

"Nu dienen we na te gaan wat voor middelen tot verdediging we hebben,"
zei Philip. "Kom, broeder; gaan de heeren ook mee?"

Jack liet de anderen vast voorgaan en nam de gelegenheid waar, om
in der haast eenige woorden met Agnes te wisselen, maar het gevaar,
dat allen te duchten stond, gunde hem geen rust en spoedig had hij
zich weer bij de overigen gevoegd.

"Wij hebben genoeg wapens," merkte Don Philip op, "om al onze mannen
behoorlijk te voorzien."

"En wij zijn ook goed toegerust," verklaarde Jack, die zich weer van
Agnes verwijderd had. "Wat zijn nu uw plannen?"

"Dat moeten we nog eens zamen overleggen. Het schijnt ----" doch
op dit oogenblik werd het gesprek plotseling gestoord door Pedro,
die met zijn roode muts in de hand kwam binnenstuiven.

"Hoe nu, Pedro, al zoo vroeg terug?"

"O signor!" riep de man klagend uit--"ze hebben mijn wagen en wijn
afgenomen en zijn er mee de bergen ingetrokken."

"Wie?" vroeg Don Rebiera.

"De losgelaten galeiboeven. De schurken hebben al heel wat
kwaad uitgericht--ze hebben in de huizen ingebroken en alles
weggeroofd--verscheiden menschen vermoord--de beste kleeren, die ze
vonden aangetrokken--wat er aan wapens, mondvoorraad en wijn bijeen te
krijgen was, ingepalmd en zijn er mee in het gebergte gevlucht. Dit
is in den afgeloopen nacht gebeurd. Toen ik nog ongeveer een mijl
van de stad was, hebben ze mij met mijn geladen kar overvallen,
de ossen doen omkeeren en ze mee weggedreven. De kerels zijn met
bloed bemorst, maar 't is niet allemaal menschenbloed, want ze hebben
eenige van de geroofde ossen geslacht, zooals een herder mij vertelde,
maar de man maakte in zijn angst zoo'n haast om weg te komen, dat ik
niets anders van hem te weten kwam. Ach, signor, ik heb ze uw naam
ook hooren noemers."

"Daar twijfel ik geen oogenblik aan," antwoordde Don Rebiera. "Wat
den wijn aangaat, ik hoop maar dat ze er van avond te veel van zullen
drinken. Maar Pedro, ze komen stellig hierheen, we moeten ons dus
verdedigen--roep jij de anderen eens hier; ik moet ze spreken."

"Ach, ach, we zullen onze ossen nooit terugzien!" riep Pedro klagend
uit.

"Neen, maar we zullen ook elkander niet lang meer zien, als we niet
terdege op onze hoede zijn. Er is mij meegedeeld, dat ze nog hedennacht
hier zullen komen."

"Bij alle heiligen! en ze zijn wel duizend man sterk, wordt er gezegd."

"Nu, zoo groot is hun getal niet, zoover ik weet," merkte Jack op.

"Er moeten er heel wat gedood zijn bij hun aanval op de stad."

"Des te beter. Kom, ga nu, Pedro, drink een glas wijn, en roep dan
de anderen."

Het huis werd zoo goed mogelijk gebarricadeerd; de eerste verdieping
werd tot een vesting gemaakt door de toegangen met kisten en kasten
te versperren. De bovenverdieping brachten ze op dezelfde manier in
staat van verdediging, opdat ze daarheen zouden kunnen terugtrekken,
als soms de benedendeuren werden stuk gerammeid.

Het werd acht uur in den avond eer alles klaar was, en ze waren nog
bezig met er de laatste hand aan te leggen, onder opperleiding van
Mesty, die in dat werk van groote bedrevenheid blijk gaf, toen zij
het geluid hoorden van een naderende menigte. Ze keken uit een der
vensters, en zagen het geheele huis omringd door slaven, op het oog
ongeveer honderd in getal. Allen waren op de meest grillige manier
gekleed en hadden blijkbaar maar aangetrokken wat hun voor de hand
was gekomen: sommigen hadden vuurwapens, maar de meesten waren enkel
voorzien van sabels en messen. Een gansche stoet van geroofde dingen
volgde hen: karren met allerlei soort van levensmiddelen en wijn;
zeilen van schepen en sloepen, die in de bergen tot dekking moesten
dienen, hooi en stroo en matrassen. Ook hadden ze een menigte van
allerlei vee bij zich. Zij schenen te staan onder een leider, die
juist bezig was zijn bevelen uit te deelen, en in wien Jack spoedig
Don Silvio herkende.

"Massa Rustig, wijs me alsjeblieft dien man eens," zei Mesty, "opdat
ik hem goed ken."

"Zie je daar niet iemand met een geweer in zijn hand voor het front
van die kerels heen en weer loopen? Dat is Don Silvio. Hij heeft een
buis met zilveren knoopen en een witte broek aan."

"Jawel, Massa Rustig, ik zie hem--laat ik hem nog eens goed
opnemen--ziezoo, nu is 't genoeg."

De galeiboeven schenen er vooral op uit, het huis zoo te omsingelen,
dat er niemand uit kon ontsnappen, en Don Silvio wees ieder zijn
plaats aan.

"Ned," zei Jack, "laten we hem toonen dat wij hier zijn. Hij zei
immers, dat hij Don Rebiera van onze komst zou verwittigen--nu moeten
we hem het bewijs leveren, dat hij te laat komt."

"Dat is geen kwaad idee," antwoordde Gascoigne; "als soms die kerels
nog voor eenig gevoel van dankbaarheid vatbaar mochten zijn, zouden
misschien sommigen hunner terugdeinzen voor een aanval op degenen,
die hen gered hebben."

"Daar is geen denken aan; maar zij zullen er uit merken, dat er
meer in huis zijn dan zij vermoeden; en we kunnen mogelijk enkelen
schrik aanjagen door de mededeeling, dat de soldaten elk oogenblik
kunnen komen."

Jack wierp onmiddellijk een venster open, en riep met luide stem naar
buiten: "Don Silvio! galeiboef! Don Silvio!"

De toegeroepene keerde zich om en zag opeens Jack, Gascoigne en Mesty
voor het venster van de bovenverdieping staan.

"Wij hebben u de moeite van ons aan te melden bespaard," riep
Gascoigne. "Wij zijn hier om u te ontvangen."

"En binnen drie uren zullen de troepen ook hier zijn; haast je dus
maar wat, Don Silvio", voegde Jack er bij.

"Tot weerzien!" vervolgde Gascoigne, en vuurde zijn pistool op Don
Silvio af.

Het venster werd onmiddelijk daarop weer gesloten. De verschijning
van onze helden en hun aankondiging van de spoedig te verwachten
troepen, bleef niet zonder gevolg. De misdadigers beefden bij de
gedachte daaraan; Don Silvio werd compleet dol--hij betoogde aan
zijn bende de noodzakelijkheid van een onmiddellijken aanval--het
onwaarschijnlijke dat de troepen al zoo spoedig zouden komen, en
gaf hoog op van de schatten, die in Don Rebiera's woning te vinden
moesten zijn. Dit laatste vooral gaf hun weer moed en zij stormden op
de deuren los, die zij trachtten open te loopen; doch dit gelukte niet
en verscheidenen hunner vielen onder de schoten, door de bezetting van
het huis gelost. Na een half uur zagen zij het wanhopige van hun pogen
in en trokken af, maar keerden weldra terug met een langen boom door
zestig man gedragen, om daarmee de deur open te rammeien. Hiertegen
bleek deze niet bestand en vloog al gauw uit de hengsels, zoodat er
nu een toegang gemaakt was. Intusschen was het donker geworden, de
benedenverdieping werd prijs gegeven, maar de versperringen boven aan
de trap beletten de onverlaten verder door de dringen. De verdedigers
hadden behoorlijk schietgaten gemaakt, waardoor ze nu een geregeld
vuur openden tegen de aanvallers, die niet in staat waren dat te
beantwoorden. Zelfs al hadden ze ammunitie gehad voor hun geweren,
wat gelukkig niet het geval was, zou het hun toch onmogelijk geweest
zijn. Het gevecht werd nu hevig, en gedurende het verloop van twee uren
werden de galeislaven herhaaldelijk met groot verlies teruggedreven;
maar aangemoedigd door Don Silvio en opgewekt door bekers wijn,
hernieuwden zij telkens den aanval en wisten langzamerhand veel van
wat hen belemmerde, uit den weg te ruimen.

"We zullen moeten terugtrekken," riep Don Rebiera uit; "over een poos
hebben ze alles neergerukt. Wat dunkt u er van, signor Rustig?"

"Dat we zoo lang mogelijk moeten standhouden. Hoe is 't met de
ammunitie gesteld?"

"Die hebben we nog in overvloed--we kunnen er stellig nog zes uren
mee toe, zou ik denken."

"Wat zeg jij er van, Mesty?"

"Hier blijven, zeg ik. Vuurwapens hebben zij niet--en zoo dicht als
ze nu bij ons zijn, is elk van onze schoten doodelijk."

Dit gaf den doorslag en de verdediging werd nu nog twee uur langer
volgehouden, dan anders het geval zou geweest zijn. Ook gaf het
een niet onwelkome verademing, dat de misdadigers naar de overdekte
karren terugtrokken.

Ten slotte bleek de barricade niet langer houdbaar, want de zware
stukken huisraad, die zij als versperring opeengestapeld hadden, waren
kort en klein gestooten met de als stormrammen gebruikte palen. Er werd
dus tot terugtrekking besloten; allen haastten zich naar de volgende
verdieping, waar de dames al gebracht waren, en spoedig hadden de
galeislaven de eerste verdieping vermeesterd. Ze waren geprikkeld door
den weerstand, opgewonden door wijn en overwinning, maar vonden niets.

Nu begon de aanval op de tweede verdieping; maar daar de trap
hier nauwer was en de verdediging er van naar verhouding des te
gemakkelijker, duurde het geruimen tijd eer ze een voet breed wonnen,
terwijl verscheidenen hunner gewond raakten en naar beneden gedragen
moesten worden.

De duisternis van den nacht belette beide partijen iets
nauwkeurig te onderscheiden en dit was het meest in het voordeel
der aanvallers. Verscheidenen klommen over de verschansing van
opeengestapeld huisraad, en werden gedood zoodra zij zich aan den
anderen kant vertoonden; ja, er werd op het laatst nog enkel geschoten
op degenen, die dergelijke gewaagde pogingen deden. Langer dan vier
uren werden aanval en verdediging op die wijze voorgezet, tot het
daglicht aanbrak en het plan van aanval gewijzigd werd: zij brachten
weer palen aan, rammeiden de stukken huisraad aan gruizelementen en
wonnen grond. De verdedigers waren doodaf, maar gaven het niet op;
zij wisten dat hun eigen behoud en de levens dergenen, die hun het
dierbaarst waren, op het spel stonden en verslapten dus niet in hun
hardnekkigen weerstand. Toch kregen de misdadigers, met Silvio aan
hun hoofd, meer en meer voet, de afstand tusschen de beide partijen
werd hand over hand geringer; er was nog maar één groote kleerkast
die hen scheidde en daaroverheen werden aanhoudend slagen met lange
stokken en sabels uitgedeeld, beantwoord met pistoolkogels.

"We moeten nu vechten op leven en dood," riep Gascoigne Rustig toe,
"er schiet geen andere keus over."

"Maar we kunnen toch nog naar den zolder en daar vechten," antwoordde
Jack.

"Wel dat is goed bedacht, Jack," zei Gascoigne. "Mesty, gauw naar
boven om te zien of er gelegenheid is in geval van nood daarheen
terug te trekken."

Mesty haastte zich te gehoorzamen en kwam weldra terug met het bericht,
dat ze door een valdeur op zolder konden komen en de ladder achter
zich optrekken.

"Dan kunnen we hen nog uitlachen," riep Jack. "Mesty, blijf jij hier,
terwijl Gascoigne en ik de dames naar boven helpen," liet hij er op
volgen en verklaarde aan de Rebiera's wat er gebeuren moet.

Zoodra de signora en Agnes goed en wel boven waren, haastten Rustig
en Gascoigne zich weer naar hun vrienden, die al meer en meer in het
nauw raakten. Lang zou de trap niet meer te verdedigen zijn, vooral
nu de versperringen voor het grootste gedeelte vernield waren en de
aanvallers met groote steenen begonnen te werpen, waardoor twee van
Don Rebiera's bedienden en ook Don Martin getroffen en buiten gevecht
gesteld werden.

"We moesten terugtrekken," zei Gascoigne; "zijn we eenmaal op zolder,
dan kunnen de steenen ons geen kwaad meer doen. Wat dunkt u, Don
Philip?"

"Ik ben 't met u eens; laten we eerst de gewonden naar boven dragen
en dan zelf volgen."

Aan dien raad werd gehoor gegeven en nauwelijks hadden ze de ladder
achter zich opgetrokken, of de galeiboeven, die de laatste hindernissen
overgeklommen waren, stormden hen onder een luid geschreeuw na,
in de meening dat ze nu zeker waren van hun prooi; maar zij vonden
zich erg teleurgesteld, nu het bleek, dat de bestookten nog veiliger
zaten dan te voren.

Niets kon de woede van Don Silvio zoo tot het uiterste drijven,
als de hardnekkige weerstand der tegenpartij en de veiligheid van
hun toevluchtsoord. Hen te bereiken was onmogelijk, derhalve besloot
hij den boel in brand te steken en hen te doen stikken, als 't niet
anders kon. Hiertoe gaf hij aan zijn volgelingen de noodige bevelen,
maar hij verloor daarbij de voorzichtigheid uit het oog, en toen hij
zich onder de valdeur waagde, liet Mesty een der zware steenen, die
hij mee naar boven genomen had, op Don Silvio's hoofd vallen, zoodat
deze onmiddellijk neerstortte. Zwaar gewond werd hij weggedragen,
maar zijn gegeven bevelen werden toch ten uitvoer gebracht; de kamer
was spoedig gevuld met hooi en stroo en dit in brand gestoken. De
uitwerking er van liet zich weldra gevoelen: wel was de valdeur
dichtgedaan, maar hitte en rook drongen door de reten; na eenigen
tijd begonnen planken en balken vuur te vatten en de toestand werd
allerverschrikkelijkst. Een klein dakvenster werd opengestooten en
gaf althans tijdelijk eenige verademing, maar de rookkolommen werden
aanhoudend dikker. Zij konden niet van zich af zien en ternauwernood
ademhalen. Donna Rebiera zakte als levenloos in de armen van haar
echtgenoot en Agnes in die van onzen held.

"Massa Rustig, help eens een handje--Massa Gascoigne, kom ook hier. Nu
uit alle macht duwen, als we er één afkrijgen, volgen er meer."

Op Mesty's aanwijzing zetten Jack en Gascoigne de schouders tegen een
van de benedenste leien van het dak; ze week, raakte los en schoot met
veel geraas naar omlaag. De dames werden nu bij de gemaakte opening
gebracht en kwamen spoedig weer bij kennis. Nu er ééne lei los was,
kostte het weinig moeite er meer los te krijgen en binnen weinige
minuten hadden ze gelegenheid om weer versche lucht te happen. Maar
nog altijd brandde het huis beneden hen en aan ontkomen viel niet
te denken. Terwijl zij hun uiterst geringe kans op behoud bespraken,
dreef een windvlaag de uit het dak opstijgende rookwolken uiteen en
nu zagen zij een afdeeling troepen op het huis aanrukken. Een luide
kreet van blijdschap trok de aandacht der soldaten. Zij bespeurden
Rustig en zijn lotgenooten; in een oogwenk hadden zij de woning
omsingeld en waren er in binnengedrongen.

De galeislaven, die in huis waren, om naar de door Don Silvio
voorgespiegelde schatten te zoeken, werden gevangen genomen of gedood
en binnen vijf minuten waren de troepen meester. De moeilijkheid was
nu, hoe de menschen boven te redden. Ladders, die zoo hoog reikten,
waren er niet. De kommandant gaf van beneden allerlei teekens om te
vragen wat hij doen moest.

"Ik zie geen uitkomst," zei Don Philip met een zucht. "Wat te doen?"

"Ik weet 't niet," antwoordde Jack. "Als we nog maar touwen hadden."

"Is 't zeker, Massa Rustig, dat al die boeven beneden weg zijn?" vroeg
Mesty.

"Ja," antwoordde Rustig, "kijk maar; ze liggen daar allen gekneveld
onder bewaking der soldaten."

"Dan is 't hoog tijd dat we wegkomen."

"Dat vind ik ook, Mesty; maar hoe?"

"Hoe? Wacht maar. Help eens, Massa Rustig; deze plank van den vloer
ligt los; komaan, allen geholpen."

Met vereende krachten werd de plank losgerukt.

"Nu er als de drommel op losgebeukt en een gat in het plafond
gestooten," zei Mesty, die er al vast mee begon.

Binnen weinige oogenblikken hadden ze een opening boven een der kamers,
die nog niet door het vuur was aangetast, en Mesty liet er gauw de
ladder door zakken. Allen kwamen behouden naar omlaag en traden, tot
verbazing van den kommandant der troepen, ongedeerd de huisdeur uit.

Met een luid hoera werden zij ontvangen, en nu er geen menschenlevens
meer te redden vielen, werden alle krachten ingespannen om de vlammen
te blusschen, maar tevergeefs. Het geheele huis brandde uit en slechts
weinig van het huisraad bleef behouden; trouwens het meeste daarvan
was bij de bestorming door Don Silvio en de zijnen toch al vernield.

Nadat aan Pedro en de overige bedienden orders waren gegeven om al het
door de misdadigers bijeengestolene weer aan de rechtmatige eigenaars
terug te bezorgen, liet Don Rebiera de paarden zadelen en het heele
gezelschap trok onder de hoede der troepen, die intusschen weer
verkwikt en uitgerust waren, den weg op naar Palermo. De galeislaven
volgden geboeid en aan elkaar gekneveld in een lange dubbele rij
onder flinke bewaking.

Halverwege maakten zij halt, en sloegen voor den nacht hun bivouack
op. Den volgenden dag, tegen den middag zaten Don Rebiera en zijn
gezin alweer in hun paleis en onze beide adelborsten en Mesty namen
afscheid om zich weer naar boord te begeven.

Jack bracht bij kapitein Wilson zijn rapport uit en begaf zich daarop
naar beneden, heel blij dat alles zoo goed afgeloopen was en ook dat
hij bij zijn terugkeer op Malta weer een verhaal in petto had voor
den gouverneur.

Drie weken lang bleef de Aurora te Palermo voor anker. Intusschen
werd de vervolging der galeislaven, die nog op vrije voeten waren,
ijverig voortgezet en verscheidenen hunner vielen opnieuw in handen
der overheid. Men kwam nu tevens te weten, dat hun aanvoerder Don
Silvio gestorven was aan de gevolgen der zware verwonding, hem door
Mesty's steenworp toegebracht.

Jack maakte druk gebruik van de gelegenheid om bij de Rebiera's
bezoeken af te leggen en werd er weldra als een lid van het gezin
beschouwd. Zijn verhouding tot Agnes werd steeds vertrouwelijker
en eindelijk waagde hij het, bij Don Rebiera aanzoek te doen om de
hand zijner dochter. De oude heer was Jack bijzonder genegen en de
verplichting, die hij tegenover onzen held gevoelde, noopte hem te
meer om diens verlangen in te willigen. Alvorens echter toe te slaan,
bedong hij dat Jack zijn vader met zijn plannen bekend maken en zich
van diens toestemming verzekeren zou.

Jack beloofde dit, en hoe prettig het leventje te Palermo ook voor
hem was, nu begon hij erg naar huis te verlangen en was maar blij,
toen de Aurora eindelijk het anker lichtte en naar Malta koers zette.

Reeds na een reis van vier dagen liepen zij de haven van Valette
binnen en Jack was niet zoodra aan wal of hij spoedde zich naar het
gouvernementsgebouw, waar Sir Thomas hem met zijn gewone hartelijkheid
ontving en terstond een kamer voor hem in gereedheid liet brengen.



Drie-en-twintigste hoofdstuk.

    Ongunstige berichten van huis dwingen Jack overijld naar
    Engeland terug te keeren.


Den volgenden morgen, bij het ontbijt, werden de brieven uit Engeland
binnengebracht en onder het schiften zei de gouverneur:

"Meneer Rustig, hier zijn er twee voor u; ik vrees, dat ze geen
aangename tijding zullen bevatten, want ze zijn met zwart lak
verzegeld."

Jack nam met een beleefde buiging de beide brieven in ontvangst en
begaf zich naar zijn kamer. De eerste, dien hij opende, was van zijn
vader en luidde als volgt:



    "Mijn beste Jack!


    Het zal u zeker leed doen te vernemen dat uw arme moeder,
    na bijna twee jaren lang in het hoekje van den haard op het
    duizendjarig rijk gewacht te hebben, uit dit leven verscheiden
    is. Zij was een goede vrouw, en altijd heb ik haar heur eigen
    zin maar laten volgen. Haar hoofd heb ik nauwkeurig onderzocht
    en de uitkomst van dat onderzoek heeft de betrouwbaarheid
    van mijn ontdekking op phrenologisch gebied opnieuw glansrijk
    gestaafd. Het arme schepsel is heengegaan en een betere vrouw
    en moeder heeft er nooit bestaan. Mijn beste jongen, ik moet er
    nu bij u op aandringen, dat ge uw ontslag uit den zeedienst
    neemt en zoo spoedig mogelijk huiswaarts keert. Zonder u
    kan ik niet leven, en ik heb bovendien uw hulp noodig bij
    het grootsche werk, dat ik ga ondernemen. De tijden zijn
    aanstaande, dat de zaak der gelijkheid zal triomfeeren; de
    vertrapte slaven steken de hoofden reeds op; met mijn gloeiende
    toespraken heb ik hen opgewekt en aangevuurd, maar ik begin
    oud te worden. U, mijn zoon, vraag ik mijn profetenmantel op
    te nemen en dan zal ik glorievol deze aarde verlaten.


    Uw toegenegen vader,
    NICODEMUS RUSTIG."



"Hieruit moet ik begrijpen," dacht Jack, "dat mijn moeder gestorven
en mijn vader gek geworden is." Geruimen tijd bleef onze held in droef
gepeins verzonken; hij wijdde menigen traan aan de nagedachtenis zijner
moeder, die hij wel nooit geëerbiedigd, maar toch liefgehad had. Er
verliep wel een half uur, eer hij den tweeden brief opende. Deze was
van dokter Middleton.



    "Mijn waarde vriend!


    Ofschoon ik nooit briefwisseling met u heb gehouden, meen
    ik toch in uw kinderjaren genoeg met u in aanraking te zijn
    geweest, om in de gegeven omstandigheden eenige regels tot
    u te mogen richten. Dat gij tegenwoordig wel genezen zult
    zijn van uw vaders dwaze en onzinnige wijsbegeerte, lijdt
    bij mij geen twijfel. Ik was 't, die indertijd, juist met
    die bedoeling, uw van-huis-zenden heb aangeraden, en ik ben
    er zeker van, dat gij als jongmensch met gezond verstand en
    erfgenaam van een groot vermogen, reeds lang het valsche van
    uw vaders stellingen hebt ingezien. Uw vader deelt me mede,
    dat hij u dringend verzocht heeft naar huis te komen, en
    als soms mijn oordeel eenig gewicht in de schaal kan leggen,
    vergun mij dan u de inwilliging van dat verzoek ten sterkste
    aan te raden. Als gij niet spoedig terugkeert, zult gij nog
    tot een bedelaar gemaakt worden, want 't is niet te zeggen wat
    al schulden uw vader zich in zijn krankzinnigheid op den hals
    kan halen. Zijn voordurend opruien der ontevreden boeren, is
    hem al duur te staan gekomen. Hij heeft al zijn boschwachters
    ontslagen, en laat de stroopers maar vrij op zijn landgoed
    toe. Kortom, hij heeft zijn verstand verloren, en al zou ik
    niet gaarne dwangmaatregelen aanraden, toch beschouw ik 't
    als hoogst noodzakelijk, dat gij onverwijld huiswaarts keert,
    om hier orde op de zaken te stellen.

    In de hoop u spoedig de hand te kunnen drukken, blijf ik


    Uw welmeenende vriend,
    G. MIDDLETON."



Die twee brieven gaven veel stof tot ernstige overweging, en nog
nooit had Jack de dwalingen van zijn vader zoo goed ingezien. Wel was
hij langzamerhand grootendeels teruggekomen van diens denkbeelden,
maar toch bleef hij er in zekere mate nog aan gehecht, als aan een
oude gewoonte; nu echter gingen de oogen hem opeens open. Langen
tijd zat hij als versuft, en toen hij eindelijk op zijn horloge keek,
bemerkte hij dat het bijna etenstijd was. Hij kleedde zich dus haastig
voor het diner, en ging naar beneden. Aan tafel sprak hij weinig,
en verwijderde zich zoodra het maal was afgeloopen, terwijl hij de
twee brieven in handen van den gouverneur achterliet, met verzoek hem
morgen van raad te willen dienen. Gascoigne volgde hem en aan dezen
vertrouwde hij zijn smart toe. Ned troostte zijn vriend zooveel in
zijn vermogen was en nadat zij den avond zamen hadden doorgebracht
met allerlei overleggingen, begaven beiden zich te bed en waren weldra
in vasten slaap.

"Één ding is zeker, mijn beste jongen," merkte de goeverneur den
volgenden morgen op, toen hij aan het ontbijt onzen held de brieven
teruggaf, "namelijk, dat uw vader stapelgek is. Met dokter Middleton,
die een verstandig man schijnt, ben ik 't volkomen eens, dat gij zoo
spoedig mogelijk naar huis dient te gaan."

"En den zeedienst voorgoed verlaten, meneer?" vroeg Jack.

"Nu, eerlijk gezegd, geloof ik niet, dat gij er bijzonder voor geschikt
zijt. Mij zal 't spijten als ik je kwijt raak, omdat je zoo machtig
aardig weet te vertellen, maar als ik kapitein Wilson goed begrepen
heb, dan ben je alleen op zee gedaan, omdat hij in den dienst een
geschikt middel meende te zien, om allerlei dwaze begrippen bij
je uit te roeien. De bedoeling, dat gij bij het vak zoudt blijven,
schijnt nooit bestaan te hebben."

"Ik vermoed ook dat 't zoo is toegegaan," antwoordde Jack; "wat mijzelf
ten minste betreft, ik zou moeilijk kunnen zeggen, waarom ik eigenlijk
in dienst trad."

"Nu, dat doet er ook niet toe; de zaak is thans maar er zoo spoedig
mogelijk af te raken. Jammer maar dat kapitein Wilson nu juist voor
een paar dagen afwezig is, maar ik zal bij hem wel alles voor je in
orde brengen. Ik stel me voor je aansprakelijk, en gij gaat met de
pakketboot, die morgenochtend uitzeilt, naar Engeland, en neemt voor
alle zekerheid Mesty mee."

"Hartelijk dank, Sir Thomas, ik ben u ten zeerste verplicht,"
antwoordde Jack.



Vier-en-twintigste hoofdstuk.

    Meneer Rustig's wonderbaarlijke uitvinding door hemzelven
    verklaard, tot groote voldoening van onzen held, en naar wij
    hopen ook tot bevrediging van den lezer.


Eindelijk wierp de pakketboot bij Falmouth het anker uit. Jack gevolgd
door Mesty, was spoedig met zijn bagage aan wal. De postwagen bracht
hem weldra in Londen en na daar een paar dagen vertoefd te hebben om
zich weer behoorlijk in de kleeren te laten steken, bestelde hij een
rijtuig, dat hem naar Boschlust moest brengen. Hij had zijn vader
niets van zijn aanstaande overkomst gemeld en het was laat in den
voormiddag, toen de sjees voor de ouderlijke woning stilhield.

Jack stapte uit en trok aan de schel. De knechts, die open deden,
kenden hem niet; het waren niet dezelfden als toen hij van huis
was gegaan.

"Is meneer Rustig thuis?" vroeg Jack.

"Wie ben jij?" was de lompe wedervraag van een der knechts.

"Je zult, voor den donder, gauw genoeg ondervinden wie hij is,"
bromde Mesty.

"Blijf hier even staan, dan zal ik zien of hij thuis is."

"Staan blijven? Hier in de gang blijven staan als een schooier? Wat
denk jij wel uilskuiken?" riep Jack uit en trachtte den kerel op zij
te duwen.

"Ho wat, dat gaat maar zoo niet, heerschap; 't is hier Gelijkheidshof;
de een is hier even goed als de ander."

"Toch niet in alle opzichten," antwoordde Jack en sloeg den kerel
tegen den grond. "Daar heb je wat voor je onbeschaamdheid; pak je
rommel bijeen en morgenochtend de deur uit."

Tezelfdertijd had Mesty nummer twee bij de keel gegrepen.

"Wat moet ik den vent doen, Massa Rustig?"

"Laat hem nu maar los, Mesty; we zullen morgenochtend wel met hen
afrekenen. Mijn vader zal denkelijk wel in de bibliotheekkamer te
vinden zijn."

"Zijn vader!" zei een der kerels tot den ander: "hij schijnt niet
precies van 't zelfde hout als de oude paai."

"'t Zal hier een heele verandering geven, verwacht ik," antwoordde
de ander, terwijl zij zich zamen verwijderden.

"Mesty," riep Jack op bevelenden toon, "roep die twee lummels eens
terug en laat ze de bagage uit de sjees dragen; betaal den koetsier
en verzoek de huishoudster je mijn kamer te wijzen. Zoodra je daarmee
klaar bent, kom je weer bij me."

"Best, meneer," antwoordde Mesty. "Kom nu eens hier schavuiten,
en haal me die dingen uit den wagen, of anders zal ik jullie beiden
eens terdege wakker schudden."

Het blikkeren van Mesty's tanden, zijn woeste blik en zijn kordaat
optreden hadden de gewenschte uitwerking. De twee knechts kwamen
gemelijk terug en ontpakten den wagen. Intusschen begaf Jack zich naar
zijn vaders studeerkamer; hij vond er hem, maar keek heel verbaasd
over den toestand van het vertrek, dat door zilveren lampen verlicht
werd. Meneer Rustig was zoo druk bezig met een pleisterafgietsel van
een menschenhoofd van alle kanten te bekijken, dat hij het binnentreden
van zijn zoon niet bespeurde. Het afgietsel van den schedel was in tal
van vakjes verdeeld, op ieder van welke iets geschreven stond; maar wat
onzen held het meest verstomd deed staan, was de verandering die er in
de kamer had plaats gehad. Boekenkasten en boeken waren verwijderd en
midden in zag men van de zoldering een toestel afhangen, dat ieders
scherpzinnigheid op een zware proef zou gesteld hebben. Het bestond
uit een reeks van staafjes in allerlei richtingen, met schroeven aan
de uiteinden en een even groot aantal buisjes, elk afzonderlijk in
verband met een groote luchtpomp, die op tafel stond. Jack keek eens
goed overal rond, trad vervolgens op zijn vader toe en sprak hem aan.

"Hoe!" riep meneer Rustig uit, "is het mogelijk?--ja waarlijk, 't is
mijn zoon Jack! Wat ben ik blij, nu ik je weer zie, Jack--wezenlijk
heel blij," vervolgde de oude man en greep beide zijn handen--"heel
blij dat je thuis gekomen bent. Ik verlangde zoo naar je; ik heb je
hulp noodig bij de uitvoering van mijn grootsch en roemrijk plan,
dat nu, den hemel zij dank, met spoed zijn voltooiing nadert. Weldra
zullen de gelijkheid en de rechten van den mensch overal afgekondigd
worden. De drang van buitenaf is ontzaglijk, en de bolwerken onzer
belachelijke maatschappelijk en staatkundige inrichting zullen
vallen. Spoedig zal de gouden eeuw aanbreken, het ware duizendjarig
rijk--en niet dat, waarover je moeder het altijd had. Ik sta aan het
hoofd van negen-en-twintig vereenigingen, en als mijn gezondheid mij
bijblijft, zul je zien wat ik tot stand breng, nu ik ook op jouw hulp
rekenen kan, Jack." En meneer Rustig's oogen begonnen te glinsteren,
als die van een overspannen krankzinnige.

Jack zuchtte en om het gesprek een andere wending te geven merkte
hij op:

"Wat heeft hier een groote verandering plaats gehad, vader! Waar
dient dat alles voor? Is dat soms een werktuig om er de gelijkheid
en de rechten van den mensch mee af te meten?"

"Mijn waarde zoon," hernam meneer Rustig, terwijl hij op zijn gemak
ging zitten en de beenen over elkaar sloeg--"ja, zie je, mijn waarde
zoon, dat is 't eigenlijk niet precies, maar toch verraadt uw gissing
eenig helder inzicht, want als mijn uitvinding bijval vindt (en daar
twijfel ik geen oogenblik aan), zal ik de groote kunst ontdekt hebben
om alle onvolkomenheden van de natuur te verhelpen en aan het gansche
menschengeslacht een gelijkheid van organisatie te bezorgen, door het
aanbrengen der edeler organen van menschelijkheid en het vernietigen
der lagere. 't Is een prachtige uitvinding, Jack, allerprachtigst. Ze
spreken wel van Gall en Spurzheim, en dergelijken, maar wat hebben
die gedaan? Niets anders dan de hersenmassa afgedeeld, de organen
tot klassen gebracht en aangewezen waar ze hun zetel hebben; maar wat
heeft dat alles geholpen? De moordenaar van nature is een moordenaar
gebleven, de goedhartige goedhartig; van verandering van inborst was
geen sprake, en het middel daartoe heb ik nu juist gevonden."

"Maar, vader, het orgaan der goedhartigheid zult ge toch stellig niet
willen wijzigen?"

"Zeker wel, Jack. Ikzelf, bijvoorbeeld, lijd aan te sterke ontwikkeling
van dat orgaan; heb ik 't maar eerst wat beperkt, dan zal ik in staat
zijn tot groote dingen, dan zal ik me niet meer laten afschrikken door
moeilijkheden, zal alle bezwaren weten te overwinnen en enkel het
oog gericht houden op het groote vraagstuk der algemeene gelijkheid
en der hoogste rechten van den mensch. De laatste drie maanden stop
ik mijn hoofd elken morgen twee uren lang in de machine, en ik kan
goed merken dat 't dagelijks al beter met me wordt."

"Zou u me die buitengewone uitvinding niet eens wilien uitleggen,
vader?" zei onze held.

"Welzeker, mijn jongen, met alle genoegen. Zooals je ziet is er
midden-in een vorm, die een manshoofd kan bevatten--natuurlijk
een beetje ruim--en daar onderaan een soort van ijzeren halsband,
waarop het hoofd rust. Is nu het hoofd behoorlijk daarin bevestigd,
en moet de afmeting van een of ander orgaan beperkt worden, dan neem
ik het knopje, dat correspondeert met de plek waar dat orgaan in het
cranium zetelt, en bevestig het er op. Want je zult wel opmerken,
dat al de knopjes aan de binnenzijde van den vorm correspondeeren
met de organen, zooals die beschreven staan in dit pleisterafgietsel
op tafel. Ik schroef dan de knop flink aan, en verhoog de drukking
dagelijks, totdat het orgaan geheel en al verdwijnt of teruggebracht
is tot den vereischten omvang."

"Dat begrijp ik volkomen, vader," antwoordde Jack; "maar verklaar me
nu ook eens, hoe gij het aanlegt om een orgaan, dat niet aanwezig is,
te doen ontstaan."

"Dat is nu juist de grootste volmaaktheid van de heele uitvinding,"
antwoordde meneer Rustig, "want zonder dat zou ze weinig waard zijn. Ik
ben stellig overtuigd, dat mijn ontdekking mij vereeuwigen zal. Let
maar eens op al deze kleine glazen klokjes, die in verbinding staan
met de luchtpomp. Ik scheer mijn patiënt het hoofd kaal, smeer dat een
weinig met vet in, en plaats er het glazen klokje op, dat precies den
vorm heeft, die het orgaan in lengte en breedte krijgen moet. Ik laat
de luchtpomp werken en ontwikkel het orgaan door zuiging. Missen kan 't
niet. Daar heb je, bijvoorbeeld, mijn bottelier, een man die verleden
voorjaar een moord begaan heeft en ternauwernood aan de galg ontsnapt
is. Hem heb ik met opzet gekozen; het orgaan voor moord heb ik geheel
en al weggedrukt en dat voor goedhartigheid zoo sterk ontwikkeld,
dat 't haast zoo groot is als een duivenei."

"Nu, vader, als het opgang maakt, zal 't een winstgevende uitvinding
zijn."

"Opgang maken!--wel, dat kan immers niet missen. Het heeft me bijna
twee duizend pond gekost. In 't voorbijgaan gezegd, Jack, je hebt
't wat erg rijkelijk aangelegd, en bij mijn eigen uitgaven heeft
't me wel eens moeite gekost je wissels te betalen. Niet dat ik er
aanmerking op wil maken--maar met al die genootschappen, mijn machine,
de weigering van mijn pachters om de huurpenningen te betalen, op
grond dat de hofsteden even goed van hen als van mij zijn--wat ik
niet tegen kan spreken--ben ik soms in geldverlegenheid geraakt."

"De gouverneur heeft wel gelijk gehad," dacht Jack, en vroeg, om het
gesprek op iets anders te brengen, naar dokter Middleton.

"Die arme kerel! Hij is nog in leven--ik geloof zelfs, dat hij zich
heel wel gevoelt. Dat is nu iemand, die altijd zijn neus in een ander
mans zaken wil steken, en zich onder anderen ook over mijn bedienden
beklaagt--maar ik laat den onnoozelen hals stilletjes praten. Zoo
deed ik met je moeder ook, dat arme schaap."

"Met uw verlof, vader, ik heb me ook te beklagen over de
onbeschaamdheid van uw bedienden; maar als u 't goed vindt, zullen
we daar later overspreken, want op het oogenblik heb ik behoefte aan
wat eten."

"Welzeker, Jack, als je zoo'n honger hebt--ik ga met je mee. Te
klagen over mijn bedienden, zeg je?--Dat moet stellig een vergissing
zijn--iederen morgen krijg ik ze onder mijn machine; maar ik moet
ook nog een kleine verbetering aanbrengen. Je begrijpt, Jack, dat er
iets indrukwekkends aan verbonden dient te zijn: het geheele toestel
moet een voet of wat hooger komen, bij wijze van een troon, want het
is de troon der rede, de overwinning van den geest over de natuur."

"Alles goed en wel, vader; maar ik heb een verbazenden honger."

Jack en zijn vader gingen naar de huiskamer en er werd gescheld;
er kwam evenwel niemand, en Jack stond op om nogmaals te schellen.

"Mijn beste jongen," merkte meneer Rustig op, "wees toch niet zoo
haastig: iedereen zorgt natuurlijk eerst voor hetgeen hij zelf noodig
heeft, en daarna voor een ander. Mijn bedienden nu...."

"Zijn een troep onbeschaamde vlegels, en onbeschaamdheid heb ik nooit
kunnen verdragen. Toen ik hier in huis kwam, heb ik er al één een
peuter gegeven, en als gij 't goedvindt, zal ik er morgen minstens
twee wegzenden."

"Mijn waarde zoon," riep meneer Rustig uit, "gij een van mijn
bedienden slaan!--maar beseft ge dan niet, dat volgens de wetten
der gelijkheid...."

"Wat ik besef is dit, vader," antwoordde Jack, "dat, volgens
alle maatschappelijke wetten, wij het recht hebben beleefdheid en
gehoorzaamheid te verwachten van degenen, die door ons betaald en
gevoed worden."

"Betaald en gevoed! Maar, mijn waarde zoon,--mijn beste Jack.--bedenk
toch...."

"Ik bedenk alles heel goed, vader; maar als uw bedienden niet heel
gauw tot bezinning komen, moeten zij of ik de deur uit."

"Maar, mijn beste jongen, ben je dan de beginselen, die ik je
ingeprent heb, heelemaal vergeten? Was je naar-zee-gaan niet juist een
zoeken naar de gelijkheid, die hier aan den wal door dwingelandij
en overheersching te niet gedaan wordt? Erken en steun je mijn
wijsbegeerte niet langer?"

"We zullen daar morgen eens uitvoerig over praten, vader,--voor het
oogenblik verlang ik naar wat eten," en Jack gaf driftig een ruk aan
de schel.

Op die laatste aanmaning verscheen de bottelier, gevolgd door Mesty,
die er van kwaadheid als een duivel uitzag.

"Lieve hemel, wat is er dat voor een?"

"Mijn bediende, vader," riep Jack opspringend; "iemand op wien ik
vertrouwen kan en die mij gehoorzaamt. Mesty, laat me onmiddellijk
wat eten en wat wijn brengen--zorg dat die schobbejak het in een wip
klaar heeft. Maakt hij niet voort, gooi hem dan de deur uit en sluit
hem er buiten. Begrepen?"

"Jawel, Massa," grijnsde Mesty; "u zult gauw genoeg een maal voor
u hebben, of anders.... Volg me," snauwde hij den bottelier toe;
"vlug wat, of ik zal je laten merken met wie je te doen hebt."

"Breng onmiddellijk avondeten en wijn," zei meneer Rustig op een
bevelenden toon, dien zijn bottelier nog nooit van hem gehoord had.

De bottelier verliet de kamer, gevolgd door den neger.

"Mijn beste jongen,--mijn Jack--aan den honger kan ik veel vergeven,
maar waarlijk je bent veel te heftig. De beginselen...."

"Och wat, met uw beginselen, 't is onzin anders niet, vader!" riep
Jack driftig uit.

"Hoe, Jack!--mijn zoon--wat moet ik hooren? En nog wel van
jou--onzin! Maar, Jack, wat heeft kapitein Wilson toch wel met je
uitgevoerd?"

"Mij weer bij mijn verstand gebracht."

"O hemeltje! mijn dierbare Jack, je zult me het mijne nog doen
verliezen."

"Dat is al niet meer noodig," dacht Jack.

"Dat gij, mijn zoon, zoo zorgvuldig opgevoed in de groote,
roemvolle school der wijsbegeerte, zoo moest afdwalen--zoo
gewelddadig worden--dat gij uw verheven wijsbegeerte, en alles
moest vergeten--evenals Ezau, die zijn eerstgeboorterecht voor een
maal linzen verkocht! O, Jack, gij doet mij den dood aan! En toch
heb ik u lief, Jack,--want wien heb ik anders op de wereld? Doch
geduld maar, wij zullen er over redeneeren, mijn jongen--ik zal je
overtuigen--binnen een week zal alles weer in orde zijn."

"Dat zal 't, als ik er iets aan doen kan," antwoordde Jack.

"Zoo mag ik 't hooren,--dat geeft troost, veel troost--maar ik begin
nu te gelooven, dat ik verkeerd gedaan heb met je op zee te laten
gaan, Jack."

"Volstrekt niet, vader."

"Nu, het doet me genoegen, dat je zoo spreekt; ik dacht anders,
dat ze je te gronde hadden gericht, dat ze al je wijsbegeerte hadden
te niet gedaan--maar het zal wel weer te recht komen--je zult onze
vergaderingen bijwonen, Jack,--ik ben er president van--je zult me
hooren spreken, Jack,--je zult me hooren donderen als Demosthenes--maar
daar komt het eten."

De bottelier, gevolgd door Mesty, die hem als een gevangene bewaakte,
verscheen nu met spijzen, zette die gemelijk neer en ging heen. Jack
beval Mesty te blijven.

"Wel, Mesty, hoe is het in de bodenkamer gesteld?"

"'t Is er kompleet oproer, meneer,--ze hebben gezworen, dat ze zich
niet door ons zullen laten ringelooren, en dat wij beiden morgen de
deur uit moeten."

"Mijn huis verlaten, Jack, en dat na vier jaren afwezigheid!--neen,
neen! Ik zal eens met hen gaan praten, hen tot rede brengen. Je weet
niet hoe welbespraakt ik ben, Jack."

"Hoor eens, vader, dat mag ik niet toestaan, een van beiden: geef
me onbeperkte volmacht om de huishouding hier op orde te brengen,
of ik ga morgen hier vandaan."

"Heengaan, Jack! neen, neen--geef hun de hand en wordt weer goede
maatjes met hen, wees beleefd en zij zullen u dienen--maar je weet,
volgens de beginselen...."

"Beginselen van den duivel!" schreeuwde Jack woedend.

"Van den duivel, Jack? Och, was je maar nooit op zee gegaan!"

"Kort en goed, vader, stemt ge toe, of moet ik het huis verlaten?"

"Het huis verlaten! O neen; niet heengaan, Jack. Je bent mijn eenige
zoon. Doe dan maar liever al wat je goedvindt--maar zend toch dien
moordenaar niet weg, want ik moet hem volkomen genezen, en in hem de
deugdelijkheid van mijn bewonderenswaardige uitvinding bewijzen."

"Mesty, breng mijn pistolen in gereedheid voor morgenochtend, en de
jouwe ook--begrepen?"

"Jawel, Massa," antwoordde Mesty. "Die maatregel is hoog noodig."

"Noodig!--pistolen, Jack? Wat beteekent dat toch?"

"'t Is mogelijk, vader, dat gij uw moordenaar nog niet geheel genezen
hebt, en daarom is het goed op zijn hoede te zijn. Voor het oogenblik
wensch ik u goedennacht; maar doe me, eer ik ga, het genoegen, een
der bedienden hier te roepen om hem op te dragen aan de anderen mee
te deelen, dat de huishouding voortaan onder mijn toezicht komt."

Er werd opnieuw gescheld, en ditmaal werd er spoediger gehoor
aangegeven. Jack zei nu den bediende, dat hij, met toestemming van
zijn vader, voortaan het geheele beheer op zich zou nemen, en dat het
dienstpersoneel de orders van Mesty had op te volgen. De man staarde
hem een tijd lang verwezen aan, sloeg daarna een vragenden blik op
meneer Rustig, die aarzelde, maar ten laatste zei:

"Ja, Willem; je zult me wel bij allen verontschuldigen en zeggen,
dat ik 't zoo geregeld heb."

"Geen verontschuldigingen, tegenover niemand," riep Jack uit; "maar
zeg hun, dat ik morgenochtend, den heelen boel regelen zal. Laat de
huisknecht hier komen om me mijn slaapkamer te wijzen. Mesty ga je
avondmaal gebruiken en kom daarna bij me; als er een durft weigeren,
onthoud hem dan goed, en wijs me hem morgenochtend. Nu weet je hoe
het staat," vervolgde hij tot den bediende; "ingerukt, en breng me
een kandelaar."



Vijf-en-twintigste hoofdstuk.

    Jack brengt orde in den warboel ten huize zijns vaders en
    ondervindt daarbij veel steun van dokter Middleton.


We kunnen ons nu eenigszins voorstellen, hoe het bij de aankomst
van onzen held in de huishouding van Meneer Rustig toeging. De arme
maanzieke, want zoo kunnen we hem gerust noemen, was overgeleverd aan
de willekeur zijner bedienden, die hem bestalen, veronachtzaamden en
den spot met hem dreven. De verkwisting in de uitgaven bereikte een
ongewone hoogte. Onze held, die zag hoe het geschapen stond, ging
naar bed en lag het grootste gedeelte van den nacht te overpeinzen
wat hij doen moest. Hij besloot eindelijk dokter Middleton te laten
halen en met hem in overleg te treden.

Den volgenden morgen stond Jack vroegtijdig op; zoodra hij schelde,
kwam Mesty met warm water aandragen.

"Drommels, Massa Rustig, wat een vreemde ouwe heer is uw vader. 't Is
daarboven niet recht pluis met hem." liet hij er op volgen en tikte
ter verduidelijking tegen zijn voorhoofd.

Jack zuchtte en gelastte Mesty om een der stalknechts bij hem te
zenden. Toen de geroepene verscheen, beval hij hem naar dokter
Middleton te rijden en dien te verzoeken zoo spoedig mogelijk op
Boschlust te komen.

De man, die werkelijk een goede bediende was, antwoordde beleefd:
"Om u te dienen, meneer!" en haastte zich om den ontvangen last
te volbrengen.

Jack ging naar beneden en vond het ontbijt al gereed, maar zijn vader
was niet in de kamer, hij begaf zich nu naar diens studeervertrek
en trof hem bezig met den timmerman, die aan het maken was van een
soort van podium of verhooging, waarop de wonderdadige uitvinding
geplaatst zou worden. Meneer Rustig had 't zoo druk, dat hij niet
aan het ontbijt kon komen, en dus begon Jack er alleen maar aan. Een
uur later hield dokter Middleton's rijtuig aan de voordeur stil. De
dokter begroette onzen held hartelijk.

"Mijn waarde heer,--want ik dien u nu wel meneer te noemen--ik ben
hoogst verblijd, dat gij terug zijt gekomen. Ik kan u verzekeren,
dat het geen oogenblik te vroeg is."

"Dat heb ik ook begrepen," antwoordde Jack. "Neem plaats, alsjeblieft,
dokter; heeft u al ontbeten?"

"Neen, eigenlijk niet; want ik was zóó verlangend om hier te komen,
dat ik onmiddellijk heb laten inspannen."

"Zit dan mee aan, dokter, we kunnen dan meteen op ons gemak het
noodige bespreken."

"Natuurlijk heb gij al opgemerkt hoe 't met uw vader gesteld is. Hij
is volkomen buiten staat om langer zijn eigen zaken te beheeren."

"Dat vrees ik ook."

"Hoe denkt gij te handelen,--ze misschien in handen van gevolmachtigden
te stellen?"

"Ik zal mijn eigen gevolmachtigde zijn, dokter Middleton. Geef ik de
zaken aan anderen in handen, dan moet ik noodzakelijk den toestand
van mijn vader bloot leggen en dat stuit me te veel tegen de borst."

"Ik kan dat heel goed begrijpen; 't is ook voldoende, als hij er maar
toe te brengen is, het beheer geheel en al aan u over te laten."

"We zullen er ook wat politie bij moeten halen," hernam Jack, "want
dat spitsboevenrommeltje hier in huis, verkeert in een toestand van
openbare muiterij."

"Gij zult er nog heel wat last mee hebben," zei de dokter. "Weet ge
al wat die bottelier voor slag van een kerel is?"

"Ja, dat weet ik uit vaders eigen mond. Ik zou 't waarlijk als een
groote gunst beschouwen, dokter, als u een paar dagen hier zoudt
willen blijven, nu gij naar ik hoor de praktijk hebt neergelegd."

"Ik had al plan u dat voor te stellen, mijn jonge vriend. Ik zal met
twee van mijn bedienden hier komen; want die nu in huis zijn moet
ge ontslaan."

"Zelf heb ik er een, die zijn gewicht in goud waard is, dus dat zal wel
voldoende wezen. Ik zal iedereen wegzenden, van wien gij dat noodig
oordeelt, het vrouwelijk personeel kunnen we voorloopig waarschuwen
en langzamerhand door anderen vervangen."

"Zoo zou ik ook voorgesteld hebben," antwoordde de dokter. "Als gij 't
goedvindt, zal ik nu de hulp van een paar politieagenten gaan inroepen
en mij ook bij uw vaders vroegeren rechtsgeleerden raadsman vervoegen."

"Zeer goed," zei Jack, "en dan moeten we ook uit visschen wie van de
pachters, op grond der beginselen van gelijkheid, de pacht weigeren
te betalen, en hen duchtig achter de vodden zitten."

"Tot mijn groote blijdschap bespeur ik, mijn jonge vriend, dat uw
vaders onzinnige denkbeelden geen wortel bij u geschoten hebben."

"Toch merk ik er soms nog een staartje van, dokter," antwoordde
Jack glimlachend.

"Komaan, nu moet ik u voor een paar uren verlaten, en daarna zal ik,
als gij 't goedvindt, hier mijn kwartier opslaan zoo lang als gij
het wenschelijk acht."

Nog vóór den middag was dokter Middleton al weer terug, vergezeld van
meneer Hanson, den zaakwaarnemer; ook bracht hij zijn valies en twee
knechts mee. Meneer Rustig was in de huiskamer gekomen en zat aan
zijn ontbijt, toen zij binnentraden. Hij ontving hen vrij stroef;
maar toen zij zich een paar woorden van lof over zijn verrassende
uitvinding lieten ontvallen, veranderde zijn houding geheel. Nadat Jack
hem herinnerd had aan zijn belofte, dat hij in 't vervolg het beheer
over de zaken zou hebben, werd de oude heer gemakkelijk overgehaald om
de daartoe vereischte verklaring te onderteekenen. Meneer Rustig gaf
nu aan Jack den sleutel van zijn schrijflessenaar en meneer Hanson
begon de boeken en papieren te doorsnuffelen, om zich behoorlijk op
de hoogte te stellen van den staat van zaken. Intusschen kwamen ook
de politieagenten opdagen. Al de bedienden werden binnengeroepen;
meneer Hanson liet hun het stuk zien, waarbij aan Jack volmacht werd
verleend om in naam zijns vaders te handelen, en binnen een half uur
was het heele mannelijke dienstpersoneel ontslagen, op twee stalknechts
na. De aanwezigheid der politie en van Mesty voorkwam elk verzet,
maar toch kon de bottelier niet laten eenige verwenschingen uit te
stooten. Zoo had dan Jack in vier-en-twintig uren tijds een totale
ommekeer in de huishouding teweeggebracht.

Meneer Rustig bemoeide er zich volstrekt niet mee; hij ging weer naar
zijn studeerkamer bij zijn wonderbaarlijke uitvinding. Mesty had de
sleutels van den kelder onder zijn berusting en kreeg het oppertoezicht
over het personeel, dat nog gebleven was. Dokter Middleton, meneer
Hanson, meneer Rustig en Jack zetten zich aan het middagmaal, en in
alles heerschte de beste orde. Meneer Rustig at met smaak, maar zei
niets zoolang het diner duurde. Nauwelijks was dit echter afgeloopen,
of hij sloeg als gewoonlijk aan 't redeneeren over de waarheid en
deugdelijkheid zijner wijsbegeerte.

"Wat ik zeggen wil, mijn zoon, als ik me wel herinner, heb je me
gisteravond verteld, dat je niet langer mijn gevoelen deelde. Laten
we dat nu eens grondig bespreken."

"Met alle genoegen, vader," antwoordde Jack. "Wilt u maar beginnen?"

"Eerst de glazen gevuld," riep meneer Rustig uit; de glazen gevuld,
en dan zal ik Jack tot mijn denkwijze terugbrengen. Nu dan, mijn
zoon, gij zult, hoop ik, niet ontkennen, dat wij door geboorte allen
gelijk zijn."

"Dat ontken ik wel degelijk," antwoordde Jack. "Te onderstellen dat
alle menschen door geboorte gelijk zijn, is vooronderstellen dat allen
begaafd zijn met dezelfde lichaamskracht, en dezelfde vatbaarheid
van geest, wat, zooals we weten, niet het geval is."

"Best mogelijk," hernam meneer Rustig; "maar dat bewijst nog niet,
dat de aarde er niet op aangelegd is, om onder allen gelijkelijk
verdeeld te worden."

"Met uw verlof, dat dit de bedoeling niet geweest is, wordt voldoende
bewezen door de omstandigheid, dat zulk een gelijkheid,--aangenomen
dat ze in praktijk kon gebracht worden--nooit te handhaven zou zijn."

"Niet te handhaven!--ja, omdat de sterkeren de zwakkeren onderdrukken,
omdat sommige menschen zich vereenigen om kwaad te doen."

"Daarom niet vader, maar omdat vooraf al de verschillende personen
in karakter en neigingen gelijk gemaakt en er bovendien nog tal van
punten geregeld dienden te worden. Laat bijvoorbeeld aan ieder een
stuk grond van dezelfde grootte toegewezen worden, dan zal degene,
die het sterkst en het bekwaamst is, al spoedig van het zijne meer
voordeel trekken dan anderen van het hunne, en de gelijkheid is al
dadelijk verbroken. Krijgt verder het eene echtpaar geen kinderen
en het andere er tien, dan loopt het weer in de war; het stuk land,
dat in het eene geval slechts twee personen behoeft te voeden, moet
in het andere twaalf monden te eten geven. U begrijpt dus wel, dat
zonder roof of onrecht uw gelijkheid niet zou kunnen duren."

"Maar, Jack, aangenomen dat dergelijke oorzaken eenig verschil konden
te weeg brengen, het onderscheid zou toch nooit zoo monsterachtig
zijn als in de tegenwoordige maatschappij, waarin de een zich in
weelde baadt en de ander in de grootste armoede verkeert."

"Dat er zooveel ellende geleden wordt is stellig zeer te betreuren
en men dient op de leniging daarvan bedacht te zijn, maar volkomen
gelijkheid blijft een onmogelijkheid, en kan op aarde niet bestaan. Ga
maar eens na wat het gevolg er van zou zijn. Was alles even schoon,
dan bestond er geen schoonheid meer, want die berust juist op
vergelijking--waren allen even sterk, dan kwam er nooit een eind
aan oneenigheden,--waren allen gelijk in rang, macht en vermogen,
de grootste bekoring van het menschelijk bestaan zou gemist
worden--grootmoedigheid, dankbaarheid en meer edele eigenschappen
zouden ongekend zijn. Goedhartigheid, uw zoo sterk ontwikkeld orgaan,
zou geheel nutteloos zijn, en zelfverloochening een ijdele klank. Waren
allen even bekwaam, dan kon er van geleerdheid, talent, genie geen
sprake zijn, er zou niets te bewonderen, niets na te volgen of te
eerbiedigen vallen--niets zou tot wedijver of tot lofwaardige eerzucht
prikkelen. Mijn beste vader, wat zou dat een erbarmelijk vervelende
wereld zijn!"

Nog een tijdlang blijven vader en zoon aan het redetwisten, maar de
ontdekking, dat Jack het bijna in geen enkel opzicht meer met hem
eens was, maakte den ouden heer korzelig, zoodat hij ten slotte het
dispuut afbrak met de woorden:

"Nu heb ik geen tijd meer, de heeren zullen me wel willen
verontschuldigen, want ik moet gaan zien hoe de timmerman met zijn werk
staat en daarna moet ik in de vergadering het woord gaan voeren. Kom
je niet eens naar mijn redevoering luisteren, Jack?"

"Dank u wel, vader, ik mag mijn vrienden niet alleen laten."

Meneer Rustig verwijderde zich nu.

"Weet gij wel, waarde heer, dat uw vader op zijn wildbanen de stroopers
vrij spel laat?" vroeg meneer Hanson.

"Ja," vulde dokter Middleton aan, "hij heeft aan verscheiden benden
landloopers verlof gegeven in zijn bosschen hun tenten op te slaan,
tot groot ongerief van de buren, die heel wat te lijden hebben van
hun rooverijen."

"Ik vind in de boeken, dat er van de boerderijen nog ongeveer twee jaar
pacht te innen valt; sommige pachters hebben geregeld betaald, anderen
in geen vier jaar. Naar mijn berekening, bedraagt het achterstallige
veertien honderd pond."

"U zult me verplichten, meneer Hanson, met onmiddellijk de noodige
stappen te doen, om de verschuldigde bedragen in te vorderen."

"Zeer zeker zal ik dat, meneer."

Toen allen opstonden om naar hun kamers te gaan, vatte dokter Middleton
onzen held bij de hand. Gij kunt niet gelooven, mijn waarde vriend,
hoeveel genoegen het mij doet, dat ge weer hier teruggekeerd zijt
en u zoo verstandig betoont. Uw komst was hoog noodig. Den zeedienst
zult ge nu stellig wel opgeven."

"Dat heb ik al gedaan, dokter."



Zes-en-twintigste hoofdstuk.

    De oude heer rustig raakt door zijn wonderbaarlijke uitvinding
    vereeuwigd, maar niet precies zooals hij dat bedoeld had. Jack
    besluit tot een laatsten tocht.


Den volgenden morgen, bij het ontbijt, kwam meneer Rustig maar niet
opdagen en eindelijk vroeg Jack aan Mesty waar zijn vader toch was.

"Beneden zeggen ze, dat de oude heer gisterenavond niet thuis
gekomen is."

"Niet thuis gekomen?" riep dokter Middleton uit; "dat moeten we
eens onderzoeken."

"Die bottelier is een groote schurk," zei Mesty tot Jack; "de oude
heer slaapt niet in zijn bed, dat is zeker."

"Ga eens navragen, wanneer hij uitgegaan is," zei Jack.

"Als hem maar geen ongeluk overkomen is," merkte meneer Hanson op;
"het was vreemd gezelschap, waarin hij den laatsten tijd verkeerde."

"Niemand heeft hem gisteravond zien uitgaan, meneer," zoo luidde
Mesty's rapport.

"Mogelijk is hij wel op zijn studeerkamer," bracht dokter Middleton
in het midden; "'t kan best zijn, dat hij bij zijn wonderbaarlijke
uitvinding in slaap geraakt en er den geheelen nacht gebleven is."

"Ik zal eens gaan kijken," antwoordde Jack.

Dokter Middleton vergezelde hem en Mesty volgde. Zij openden de
deur, en kregen nu een schouwspel te zien, dat hen met schrik deed
terugdeinzen. Meneer Rustig stak met zijn hoofd in de machine, het
bankje was hem onder de voeten uit geschoven, zoodat hij hing en
maar even met de teenen den grond kon raken. Dokter Middleton schoot
ijlings toe en geholpen door Mesty en onzen held, gelukte het hem den
ongelukkige los te maken uit den stalen band, die zijn hals omsloten
hield; het leven was echter al sinds eenige uren uit het lichaam
geweken en bij nader onderzoek bleek, dat de nekwervel gebroken was.

Er werd vermoed, dat het ongeval den vorigen avond moest hebben plaats
gehad, en dit liet zich ook heel goed verklaren. Meneer Rustig had
de machine vier voet hooger laten stellen, omdat er een verhooging
onder aangebracht moest worden. Daartoe had de timmerman bij wijze
van model een paar plankjes los in elkaar geslagen en meneer Rustig
was onvoorzichtig genoeg geweest om zich daarop te wagen, ten einde
zijn hoofd in den toestel te steken. Het zwakke timmerwerk was echter
spoedig onder het gewicht van 's mans lichaam bezweken en door den
schok van den val moest de nek gebroken zijn.

Meneer Hanson wist onzen held, die hevig ontdaan was over het
jammerlijk uiteinde van zijn armen vader, met zich mee te tronen,
terwijl dokter Middleton intusschen last gaf het lijk naar de
slaapkamer te dragen. Nog geen vollen dag geleden had de arme meneer
Rustig aan zijn zoon verklaard, dat zijn bewonderenswaardige uitvinding
hem zou vereeuwigen, en nu was 't er al toe gekomen, ofschoon niet
precies in den zin dien hij bedoeld had.

We gaan eenige dagen van treurigheid voorbij. De begrafenis had
plaats gehad, de luiken werden weer ontsloten en het daglicht opnieuw
toegelaten. Jack's gemoed was tot rust en kalmte gekomen; hij zag
zich nu in het bezit der uitgebreide goederen zijns vaders en was
zijn eigen meester.

Wel moesten er nog eenige maanden verloopen eer hij meerderjarig werd,
maar bij de opening van het testament zijns vaders bleek, dat dokter
Middleton tot zijn eenigen voogd was aangewezen. Bij het nazien
en bijeenbrengen der papieren, die in de grootste wanorde waren,
ontdekte meneer Hanson in verschillende hoeken en gaten banknoten,
wissels en schuldbekentenissen, tot een gezamenlijk bedrag van wel
tweeduizend pond, onder anderen ook een door kapitein Wilson op
zijn kassier afgegeven wissel, ter voldoening van de duizend pond,
hem voor meer dan tien maanden door meneer Rustig geleend.

Dokter Middleton schreef aan de admiraliteit en verzocht, onder
uiteenzetting der aanleidende omstandigheden, om ontslag uit den
zeedienst voor meneer Jack Rustig. Het gevraagde ontslag werd verleend
en de admiraliteit maakte ook geen bezwaar om Mesty te ontslaan tegen
de daarvoor aangeboden schadevergoeding.

De landloopersbenden werden van het landgoed verjaagd, de boschwachters
opnieuw aangesteld, de stroopers duchtig achter de vodden gezeten,
en allen uit den omtrek waren zoo ingenomen met de manier waarop Jack
te werk ging, dat ze in stilte wenschten: had meneer Rustig nog maar
wat vroeger zijn nek gebroken.

Intusschen had Jack aan dokter Middleton zijn liefde voor Agnes
medegedeeld en zijn bepaald plan te kennen gegeven om haar tot vrouw
te nemen. Dokter Middleton vond daar geen bezwaar in, daar hij zag
dat het oprecht gemeend was, en Jack vroeg nu al dadelijk, wanneer
er een pakketboot naar Malta zou varen.

Mesty, die toevallig achter den stoel van zijn jongen meester stond,
merkte op:

"Een ellendig vaartuig, zoo'n pakketboot, Massa Rustig. Waarom neemt
u niet liever een oorlogsschip?"

"Dat is waar ook," antwoordde Jack; "maar weet je, Mesty, dat gaat
zoo gemakkelijk niet."

"En hoe dan thuis te komen, meneer? Als ze u en Miss Agnes eens
gevangen nemen en in het cachot stoppen?"

"Ja maar," hernam Jack, "de grootste moeilijkheid is om als passagier
plaats te krijgen op een oorlogsschip."

"Wel, Massa, koop zelf een schip met een goed getal stukken en een
flinke bemanning, dan kunt gij kapitein wezen over uw eigen schip en
zoo Miss Agnes hierheen halen."

"Dat moet ik nog eens in overweging nemen, Mesty," antwoordde Jack. Hij
peinsde er den ganschen nacht over en stond den volgenden morgen op
met het besluit om Mesty's raad te volgen. Bij het ontbijt de krant
lezend, viel zijn oog juist op een advertentie, waarbij de verkoop
van een buitgemaakte Fransche brik van 278 ton werd aangekondigd. De
veiling zou aanstaanden Woensdag plaats hebben te Portsmouth, waar
het schip in de haven lag.

Jack gaf een ruk aan de schel en bestelde postpaarden.

"Waar ga je heen, mijn beste jongen?" vroeg dokter Middleton.

"Naar Portsmouth, dokter."

"En waarvoor? als 't niet onbescheiden is dat te vragen,"

Jack legde nu zijn plan bloot en verzocht de toestemming van zijn
voogd, daar het toch aan gereed geld niet ontbrak.

"Maar 't zal een verbazend groote uitgave zijn."

Dat ze belangrijk zal wezen, stem ik toe; maar ik heb uitgerekend,
dat ze bij mijn inkomen wel te dragen zal zijn. Bovendien als ik een
kaperbrief kan krijgen, is er nog uitzicht op een buitenkansje."

"Maar je zult toch niet te lang blijven kruisen?"

"Wel neen; binnen zes maanden ben ik stellig weer terug; maar nu moet
ik weg om te gaan zien, of dat schip aan het doel zal beantwoorden."

Jack wipte in den wagen en Mesty klom op het achtbankje. Twee uren
later waren ze te Portsmouth en gingen het schip bezichtigen, dat
een mooi, snelzeilend vaartuig bleek te zijn, met aan weerskanten
zes koperen kanonnen.

"Uitstekend," dacht Jack; "nu een man of veertig en een jongen
of zes aan boord en de boel is kant en klaar." Hij ging met Mesty
weer aan wal en keerde naar Boschlust terug. Aan meneer Hanson werd
opgedragen zich met den aankoop te belasten en op den veilingdag werd
Jack eigenaar van het schip voor een prijs, die niet veel meer dan
de halve waarde vertegenwoordigde.

Dokter Middleton had intusschen Jack's plannen nog eens rijpelijk
overwogen. Bezwaar kon hij er niet in vinden, maar hij achtte het
toch raadzaam naar een flink zeeofficier om te zien en er op aan
dringen, dat het kommando over het vaartuig aan dezen zou opgedragen
worden. Jack berustte terstond in die schikking.

"Laat hem vooral ook een goed zeevaartkundige zijn, dokter, want
ofschoon ik van het dagelijksch werk tamelijk goed op de hoogte ben,
dient er toch in aanmerking genomen, dat ik er in den laatsten tijd
niets aan gedaan heb."

Spoedig had dokter Middleton met de hulp van een bevriend
oud-zeekapitein in een zekeren meneer Oxbelly een geschikt persoon
gevonden om Jack ter zijde te staan.

Ongeveer zes weken gingen er heen met al de toebereidselen en toen
verliet de brik, in de Rebiera herdoopt, de haven.



Zeven-en-twintigste hoofdstuk.

    Onverhoopte ontmoeting van oude vrienden.


Op den elfden dag stevende de Rebiera de straat van Gibraltar binnen en
tegen zonsondergang kregen ze de rotsen voor de stad in het gezicht. De
wind werd al flauwer en tegen middernacht was het zoo stil, dat ze
maar langzaam voortdreven. Tegen zonsopgang werden ze gewekt door
het gebulder van zwaar geschut, en bespeurden omstreeks acht mijlen
verderop, wat meer midden in de zeeëngte een Engelsch fregat, dat
slaags was geraakt met negen of tien Spaansche kanonneerbooten. Het
daveren van de zware schoten over de kalme oppervlakte van het
water, de witte rook tegen het licht der prachtig verrijzende zon,
de verwijderde echo's door de hooge heuvels teruggekaatst--dit alles
maakte een indrukwekkend en schilderachtig effect. Doch Jack vond
het raadzaam zich maar liever strijdvaardig te maken in plaats van
zijn tijd zoek te brengen met het bewonderen der kleurenpracht,
en in korten tijd was ook alles gereed.

"Zoolang ze nog op het fregat los te branden hebben, zullen ze ons
wel ongemoeid laten, meneer Rustig," zei kapitein Oxbelly; "maar we
dienen toch op alles voorbereid te wezen, want we kunnen er moeilijk
voorbijkomen zonder een paar schoten op te loopen."

"Kijk eens, meneer Oxbelly, daar ginds in het westen komt een briesje
opzetten," zei Jack.

"Ja waarlijk; nu, des te beter voor het fregat, want het zal met dit
gevecht weinig eer inleggen en er vrij gehavend afkomen ook."

"Desnoods kunnen wij 't op sleeptouw nemen," merkte Jack op; "hoever
rekent gij, dat de kanonneerbooten uit den wal liggen?"

"Ik zou denken ongeveer vijf mijlen of iets minder."

"Zeilen kant zetten, meneer Oxbelly--misschien kunnen we er dan een
paar van den wal afsnijden."

"Juist. Omhoog, jongens, boven bramzeilen bijgezet, lijzeilspieren
uit--zelfden koers gehouden, roerganger--we zullen ze van den wal
afsnijden en toch buiten schot van de kustbatterijen blijven."

De wind wakkerde aan en deed de Rebiera met volle zeilen
voortstuiven. De kanonneerbooten waren nog druk in gevecht met
het fregat en schenen volstrekt niet te letten op de nadering der
Rebiera. Ten laatste kreeg de wind ook vat op de kanonneerbooten
en het fregat, eerst flauwtjes maar gaandeweg meer, terwijl de
Rebiera het water al schuimend deed opspatten en de kans schoon
zag om eenige der kanonneerbooten af te snijden. Het fregrat braste
zijn zeilen naar den wind en stuurde op het smaldeel aan, dat het
nu geraden achtte den steven te wenden en recht op de kust aan te
houden, gevolgd door het fregat dat uit zijn boegjagers vuur begon
te geven. Maar de Rebiera was thans op een half schot afstand van de
kust gekomen en trachtte de vluchtende booten te onderscheppen. Daar
zij met een snelle vaart naderde wist het smaldeel haast niet wat
het beginnen zou; aanvallen zou maar tijdverlies zijn, waarbij het
fregat gelegenheid zou krijgen om ze in te halen en zij zelf gevaar
liepen genomen te worden; zij vergenoegden zich dus met op de Rebiera
te vuren, terwijl deze voortging zich tusschen haar en het land in
te dringen. Zoodra zij dichtbij genoeg waren, opende Jack zijn vuur
uit de achttienponders. De kanonneerbooten bleven het antwoord niet
schuldig en ze waren geen kwart mijl meer van elkaar, toen Jack zeil
minderde en een heet gevecht zich ontwikkelde, waarvan het einde was,
dat binnen weinige minuten de masten van de kanonneerbooten over boord
sloegen. Het fregat naderde schielijk onder volle zeilen en begon er
geducht op los te schieten. Het smaldeel staakte het vuren, streek op
ongeveer twee kabellengten langs den voorsteven van de Rebiera voorbij
en maakte zooveel mogelijk haast om onder den wal te komen. Onder
het voorbijzeilen van het smaldeel gaf Jack het van bakboordzijde de
volle laag, terwijl hij van stuurboord een levendig vuur onderhield
tegen de ongelukkige, ontmaste kanonnerboot, die ook spoedig de vlag
streek. Binnen weinige minuten waren de overigen buiten schot gekomen
en daar zij niet vuurden, liet Jack ze verder ongemoeid en wijdde nu
zijn aandacht aan het in-bezit-nemen van zijn buit, door een sloep
met tien man aan boord te zenden, bij te draaien en het veroverde
schip op sleeptouw te nemen. Tien minuten daarna was ook het fregat
de Rebiera op een kabellengte genaderd en onze held liet een tweede
sloep strijken om aan boord te gaan.

"Hebben we gewonden, meneer Oxbelly?" vroeg Jack.

"Maar twee; een is zijn duim kwijt geraakt en een ander heeft een
zware wond aan de dij."

"Dan zal ik meteen den dokter verzoeken bij ons aan boord te komen."

Jack stiet af, klom aan boord van het fregat, en werd door een
adelborst naar den anderen kant van het schip geleid, waar de
kapitein stond.

"Meneer Rustig!" riep deze uit.

"Kapitein Sawbridge!" klonk het verrast uit den mond van onzen held.

"Wel allemachtig! Hoe komt gij hier?" vroeg de kapitein; "en wat is
dat voor een schip?"

"De Rebiera, onder kommando van den eigenaar, meneer Rustig,"
antwoordde Jack lachend.

Kapitein Sawbridge drukte hem de hand. "Kom met me mee naar de kajuit,
meneer Rustig; want ik ben blij, dat ik u weerzie. Ik maak u mijn
compliment over uw houding en ben dol nieuwsgierig wat u toch bewogen
heeft opnieuw zee te kiezen; want ik wist, dat gij uw ontslag uit
den dienst genomen hadt."

Jack vertelde met weinige woorden wat het doel van zijn tocht was;
"maar," vervolgde hij, "vergun me dat ik u gelukwensch met uw
bevordering, waarvan ik nog geen kennis droeg. Mag ik vragen, waar
gij de Harpij gelaten hebt en hoe de naam van uw fregat is?"

"De Latona. Eerst een maand geleden ben ik er op overgeplaatst, na een
gevecht, waarin de Harpij een groote korvet bemachtigde; ik ben belast
met dépéches voor Engeland. Gisteravond zeilden we van Gibraltar uit,
moesten uit gebrek aan wind den geheelen nacht stilliggen en werden
van morgen door die kanonneerbooten aangevallen."

"Hoe gaat 't kapitein Wilson?"

"Heel goed, geloof ik, maar ik heb hem in langen tijd niet gezien."

"Hoe wist u dan, dat ik den dienst verlaten had, kapitein Sawbridge?"

"Wel, van Gascoigne, die hier aan boord is."

"Gascoigne!" riep onze held uit; "maar laat ik hem toch dadelijk
de hand gaan drukken! Wees intusschen zoo goed, kapitein Sawbridge,
uw dokter aan boord van de Rebiera te zenden, want ik heb een paar
gewonden."

Gascoigne wachtte onder het halfdek zijn vriend al op, want hij had hem
van zijn post op den bak aan boord zien komen. Zij raakten zoo druk aan
het praten, dat ze elkaar haast geen tijd gaven tot antwoorden. Toen
Jack weer aan dek ging, beloofde hij Gascoigne, dat zij den volgenden
dag in elkaars gezelschap zouden doorbrengen, hetzij aan den wal of
aan boord van de Rebiera. Eer Jack echter weer vertrekken kon, hield
kapitein Sawbridge hem in zijn kajuit nog geruimen tijd aan de praat.

"Toen gij voor het eerst op zee kwaamt, Rustig," zei kapitein
Sawbridge, "dacht ik dat 't voor den dienst het best zou zijn, als we
u maar hoe eer hoe liever weer kwijt raakten; doch nu ge uw ontslag
genomen hebt, gevoel ik eerst, dat we in u iemand verloren hebben, die
naar alle waarschijnlijkheid den dienst tot eer zou hebben verstrekt."

"Hartelijk dank voor uw gunstig oordeel," antwoordde Jack. "Maar bij
den toestand waarin mijn vader verkeerde, kon ik immers onmogelijk
op zee blijven."

"Dat geef ik volkomen toe:--maar komaan, de tafel is gedekt, laten
we den maaltijd niet vergeten."

Aan tafel, waarbij ook Gascoigne aanzat, ging het hoogst gezellig toe
en wie weet hoe lang ze hadden blijven napraten, als niet kort na den
eigenlijken maaltijd de eerste luitenant was komen rapporteeren, dat
alle hens aan dek noodig waren, daar ze vlak bij de ankerplaats waren
gekomen. De dischgenooten rezen nu spoediger op dan anders het geval
zou geweest zijn; en zoodra op de Latona, de zeilen geborgen waren,
begaf kapitein Sawbridge zich aan wal om den goeverneur mededeeling te
doen omtrent den uitslag van het geleverd gevecht. Hij vroeg Jack of
hij hem wilde vergezellen, maar onze held verkoos liever bij Gascoigne
te blijven, en verontschuldigde zich dus tot den volgende dag.

"Hoor eens, Rustig," zei Gascoigne zoodra de kapitein vertrokken was,
"ik zal verlof vragen om bij jouw aan boord te gaan--of wil jij
't soms liever vragen?"

"Ik zal 't wel vragen," antwoordde Jack; "nu ik zelfs het kommando
over een schip heb, leg ik bij een eersten luitenant wat meer gewicht
in de schaal dan een gewoon adelborst."

Jack ging nu naar den eersten luitenant en gaf met een beleefde buiging
zijn hoop te kennen, dat, als de dienst het veroorloofde, hij hem de
eer zou willen aandoen dien avond met eenige zijner officieren aan
boord van de Rebiera een glas wijn te komen drinken.

De eerste luitenant antwoordde, dat hij gaarne van de uitnoodiging
gebruik zou maken, zoodra de gevangenen overgebracht waren en de
kanonneerboot geen zorg meer vereischte. Ook drie of vier der overige
officieren sloegen toe, waarop Jack als een gunst verzocht, dat zijn
oude vriend Gascoigne nu dadelijk met hem zoo mogen meegaan, daar hij
verschillende pakketjes van waarde, voor Engeland bestemd, aan zijn
zorg wilde toevertrouwen. De eerste luitenant was zeer inschikkelijk
en Gascoigne en onze held sprongen in de boot en waren nu als oude
vrienden weer eens recht gezellig met hun beidjes.

"Jack, ik heb nog eens goed overlegd en ben nu tot een besluit
gekomen," zei Gascoigne. "Of ik al naar huis ga, dat zal voor mijn
bevordering ook weinig helpen; ik kan evengoed hier blijven, want
mijn diensttijd is bijna om en mijn bezoldiging heeft niet veel te
beteekenen. Zou jij me niet mee willen nemen?"

"Dat is juist wat ik van plan was je te vragen, Ned. Zou kapitein
Sawbridge er in toestemmen?"

"Dat denk ik wel, want hij is volkomen op de hoogte van mijn
omstandigheden."

"Dan zullen we 't hem zamen vragen," hernam Jack.

De eerste luitenant en de andere officieren kwamen aan boord der
Rebiera en brachten er een prettigen avond door, wat voor levenslustige
jongelui onder gezelligen kout en een goed glas wijn niet zoo heel
moeilijk is.



Acht-en-twintigste hoofdstuk.

    Jack bereikt het toppunt zijner wenschen.


Daar kapitein Sawbridge dien avond niet naar boord terugkeerde, ging
Rustig aan wal en bracht hem een bezoek ten huize van den gouverneur,
door wien hij al dadelijk te dineeren genoodigd werd. Gascoigne kon
niet aan wal komen en onze held maakte van de gelegenheid gebruik om
kapitein Sawbridge aan te klampen met het verzoek om zijn vriend bij
zich aan boord te krijgen. Kapitein Sawbridge had er eerst geen ooren
naar, maar door al het redeneeren van Jack, begon hij toch eindelijk te
begrijpen, dat het voor Gascoigne een buitenkansje was, en deze nooit
een betere gelegenheid zou vinden om zijn toekomst te verzekeren. Hij
willigde dus den wensch van onzen held in, die zich onmiddelijk aan
boord van de Latona begaf om de beslissing van kapitein Sawbridge aan
Gascoigne en aan den eersten luitenant over te brengen. Vervolgens
voer hij naar boord der Rebiera en gelastte Mesty zijn koffertje naar
het logement aan den wal te brengen, opdat hij zich voor het diner
zou kunnen kleeden. Gascoigne, die nu niet langer tot de equipage
der Latona gerekend werd, kreeg verlof om hem te vergezellen.

Met de herstellingen aan de Latona was men spoedig gereed, zoodat
kapitein Sawbridge reeds den volgenden dag weer zee kon kiezen;
echter zonder Gascoigne, die nu zijn formeel ontslag had gekregen
en op de Rebiera overging. Spoedig daarop lichtte ook onze held het
anker en liep na een gelukkige reis van zestien dagen de haven van
Palermo binnen, waar Don Philip en Don Martin al spoedig onzen held
aan boord kwamen begroeten. Jack haastte zich om met hen aan wal te
gaan en bevond zich weldra in gezelschap van zijn Agnes.

Nog heel veel viel er te praten, eer Jack 't bij Don Rebiera en diens
vrouw zoo ver gebracht had, dat ze in een spoedig huwelijk met hun
dochter Agnes toestemden. Vooral de moeder maakte veel bezwaar om
van haar lieveling afstand te doen. Onze held wist echter zijn zaak
zoo goed te bepleiten, dat de ouders zich eindelijk gewonnen gaven,
en eer er een maand na zijn aankomst verstreken was, zag Jack zich
getrouwd en achtte zich den hemel te rijk.

Don Rebiera en zijn vrouw wisten gedaan te krijgen, dat het jonge paar
nog een maand lang in Palermo zou blijven, en toen het eindelijk op
een scheiden aankwam, was er aan tranen geen gebrek. Ten laatste stak
de Rebiera van wal en zette koers naar Malta, waar Jack den goeverneur
volgens belofte een bezoek wilde brengen.

Na vier dagen wierpen zij in de haven van Valette het anker uit en
Jack liet zijn aankomst terstond aan den goeverneur melden. Deze
was zeer in zijn schik en zond zijn eigen pleizierjacht om meneer
en mevrouw Rustig van boord te halen, terwijl hij onmiddelijk zijn
logeerkamers voor hun ontvangst in orde liet brengen. Als gewoonlijk
had onze held weer heel wat te vertellen en de goeverneur luisterde
met de grootste aandacht naar hem; vooral omdat hij begreep, dat
't de laatste maal zou wezen, dat hij van Jack's verhalen kon genieten.

Veertien dagen lang vertoefde Jack op Malta en scheepte zich daarna
weer met zijn vrouwtje in.

"Vaarwel, mijn jonge vriend," zei de goeverneur toen hij Jack ten
afscheid de hand drukte, "voor zoover ik uw vrouwtje heb leeren kennen,
zal het uwe schuld zijn als ge in haar niet het toppunt uwer wenschen
bereikt hebt. Als ik ooit in Engeland mocht komen, zal mijn eerste
bezoek Boschlust gelden. Vaarwel en leef gelukkig!"

Maar Sir Thomas is nooit weer in Engeland gekomen, het was zijn
laatste groet. Opnieuw ging de Rebiera onder zeil, deed Gibraltar
even aan en zette daarna de reis voort naar Engeland waar ze na drie
weken behouden en wel aan wal stapten, hartelijk verwelkomd door dokter
Middleton en meneer Hanson, die van hun aankomst verwittigd waren. Nog
dienzelfden avond reden zij gezamelijk naar Boschlust, waar alles op
de feestelijke ontvangst van het jonge paar was ingericht.

Er volgde nu in de eerste dagen een reeks van diners en partijen en
Jack leefde voortaan gelukkig en tevreden aan de zijde van zijn lief
vrouwtje, dat hem volstrekt geen reden gaf tot allerlei breedvoerige
betoogen.

De bemanning der Rebiera werd afgemonsterd en de meesten vonden
spoedig weer plaatsing op verschillende oorlogsschepen.

Mesty bleef het toezicht over het dienstpersoneel houden en betoonde de
grootste trouw en eerlijkheid in de waarneming van zijn ambt. Gascoigne
wist het spoedig te brengen tot den rang van postkapitein en bleef
steeds Jack's oprechte vriend.





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Jack Rustig" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home