Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: De zomer in Kaschmir - De Aarde en haar Volken, 1907
Author: Michel, F.
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.


*** Start of this LibraryBlog Digital Book "De zomer in Kaschmir - De Aarde en haar Volken, 1907" ***


                     De zomer in Kaschmir.

             Naar het Fransch van Mevr. F. Michel.



I.

    Van Parijs naar Srinagar.--Van Bombay naar Lahore.--Eerste
    toebereidselen.--Per tonga van Rawal Pindi naar Srinagar.--De
    bewoners van Kaschmir en hun heerschers.--Terugkeer tot het
    nomadenleven.


Brengt u den zomer in Kaschmir door? De vraag is niet zoo dwaas, als ze
aan thuiszittende menschen moet schijnen. Ik ken er, die het doen en er
geen spijt van hebben. De "season" is er alleraardigst. Men vindt er
van alles, en dit gelukkige land bezit dalen als in Touraine, bronnen
en beekjes als in Bretagne, boomen en grasvelden als in Engeland,
bergen als in Zwitserland, ruïnen als in Italië, en als nergens in
de genoemde landen de vrijheid, ik bedoel het recht om te gaan en te
komen, naar het u zelf belieft, als koning in uw boot en heer in uw
eigen tent; volkomen naar uw goedvinden de boot aan den wal brengend
of haar losmakend, de tent opslaand of afbrekend, zonder dat eenige
afsluiting, eenig aanplakbord of eenig veldwachter zich met uw doen
en laten bemoeit. Voeg daar nog bij de groote goedkoopheid van het
leven, en alles bij elkaar genomen, is dus zulk een reis oneindig
veel interessanter, hygiënischer en bovendien veel minder kostbaar
dan een verblijf in de een of andere badplaats, die in de mode is.

Voor wie lust heeft het experiment eens te probeeren, zijn deze
aanteekeningen opgeschreven. Ze hebben geen andere pretensie dan die
eene, dat ze eenige inlichtingen geven, welke men zou kunnen noodig
hebben. Indien er zoo nu en dan enkele indrukken bij worden gegeven,
zal men ze op den koop toe nemen terwille van de inlichtingen.

Om te beginnen, Srinagar is slechts twintig dagen van Parijs verwijderd
en kan voor minder dan 2000 francs worden bereikt. Laat ik het u
voorrekenen: van Marseille zullen de paketbooten van de Messageries
Maritimes u in veertien dagen en voor 1375 francs naar Bombay
brengen. Van die stad voert de exprestrein, en daarbuiten bestaat
er geen heil in Indië, u in vier-en-zestig uren en vijf-en-twintig
minuten naar Rawal Pindi, waarvoor ge in de eerste klasse bij den
tegenwoordigen koers van de roepij ongeveer 160 francs betaalt. Zoo
vlug mogelijk reizend, kunt ge dan binnen twee dagen te Srinagar
wezen. Een plaats in den postwagen kost 45 roepijen, een particulier
rijtuig 130.

Als de toerist niet ook den vorigen winter in Indië is geweest,
zal hij goed doen, te zorgen dat hij in de eerste dagen van Maart
te Bombay aankomt. Later zou hij de warmte reeds al te drukkend
vinden. Op zijn weg naar het Noorden zal hij nog tijd hebben, een
bezoek te brengen aan Ahmedabad en zijn moskeeën; aan den berg Aboe en
zijn heiligdommen vol wonderen van geciseleerd marmer; de rose stad
Djaïpoer, van waar een olifant hem naar Amber brengen zal, de oude
verlaten hoofdstad; dan Agra met het groote wonder van den Tadsj Mahal,
zeker het mooiste monument, dat ooit door de liefde voor de dooden is
opgericht; Mathoera, het vaderland van den god Krisjna, met de kaden,
omzoomd door tempels, waar de apen aan de schildpadden in de rivier
de offeranden der pelgrims betwisten; het keizerlijke Delhi, waar de
omgeving, bezaaid met indrukwekkende ruïnen, zoo ver het oog reikt,
denzelfden indruk van grootheid en verlatenheid maakt als die van
Rome; Amritsar, de heilige stad der Sikhs, dat in een vijver de gouden
koepels spiegelt van zijn te hooggeroemden tempel.... tot eindelijk
hij te Lahore aankomt.

En wat is er daar nog veel te zien! Het mooie museum, de
schilderachtige straten van de stad der inlanders, het fort van Akbar,
de moskee van Aureng Zeb, die van Vazir Khan, geheel bedekt met
prachtige porseleinversieringen; de tuinen van Sjalimar uit den tijd
der Groote Mogols, en aan den overkant der lange schipbrug de tuinen
van Shah Dehra, waar Jehan Guir, bij zijn leven een ongeloovige,
na zijn dood wonderen verricht; verder de tallooze graven, die van
Lahore en omgeving een groote necropool maken en maanden achtereen
doel kunnen wezen van telkens andere avondwandelingen.

Daar trekt de aandacht het graf van de arme Anarkali, wier naam
beteekent Granaatknop en die, naar men zegt, levend begraven werd,
toen nauwelijks haar jeugd in schoonheid was ontloken, omdat zij een
enkele maal haar glimlach had geschonken aan dienzelfden Jehan Guir in
de dagen, toen hij nog niet anders was dan de erfprins Selim. En toch
was ik nog meer ontroerd bij het zien van het huis, waar generaal
Allard woonde, een dier officieren van het groote leger, die bij
wijze van revanche het fortuin van Randjit Singh maakten, en waar hij
gastvrijheid verleende aan Jacquemond; onder een open koepeltje in
den tuin droeg een eenvoudige marmeren steen het fransche opschrift:
"Marie Allard, zes maanden."

Intusschen zal de toerist ook zijn toebereidselen maken voor de reis
als beschaafde nomade. Hij zal beginnen met zich een lichte tent aan te
schaffen, die toch dubbel is, naar het model, dat "Zwitsersch huisje"
heet of Kaboeltent. Dan zal hij meubels voor het kamp aanschaffen,
waaronder een bed dat uit elkander kan worden genomen, benevens tafels,
die toegeslagen en stoelen, die gevouwen kunnen worden; keukengerei,
liefst een reeks aluminiumpannen van verschillende grootte, die in
elkander passen; een veldkachel, geëmailleerd aardewerk en tuinlampen
en dan nog dat betrekkelijk zeer klein aantal dingen, die werkelijk
onmisbaar zijn. Men kan ook gerust met het aanschaffen van een en
ander wachten tot de aankomst in Kaschmir en het gaat ook wel, een
deel der goederen te huren van een der agentschappen te Srinagar.

Maar laat men vooral niet verzuimen, reeds te Lahore twee van die
onwaardeerbare indische bedienden te huren, die zoo goed de kunst
verstaan het gemak en de rust van hun heer te verzekeren te midden
van de vele kwellingen der dagelijksche verplaatsingen. De eene
zal dienst moeten doen als _khitmatgar_ of kamerdienaar, de ander
zal _khansama_ of kok wezen. Hun maandelijksch salaris bedraagt van
twaalf tot zestien roepijen, plus een fooi van acht roepijen, als men
hen ver van hun huis meeneemt en ze voor hun eigen onderhoud moeten
zorgen. Die Mohammedanen uit Pendsjab zijn in den regel betrouwbare
personen en geheelonthouders, wat niet altijd het geval is met de
bedienden, die in de zeehavens op de aankomst van de globetrotters
wachten. Stel u er vooraf van op de hoogte, dat ze van dezelfde secte
zijn, om lastige conflicten te voorkomen. De mijnen hadden het onderweg
best samen kunnen vinden, maar ten slotte kregen ze toch nog herrie.

In den laatsten tijd van mijn verblijf te Srinagar had ik enkele
uitnoodigingen moeten aannemen en eenige malen gasten moeten
ontvangen. Het is dan de gewoonte, dat de bedienden elkander ook
inviteeren, en nu had op een zekeren avond, toen de mijne uit dineeren
waren, de khansama, die een vroom Sunniet was, met schrik vernomen,
dat de khitmatgar tot de Sjiïeten behoorde; zoo ontdekten ze, na een
half jaar in vrede en vriendschap te hebben geleefd, dat ze geslagen
vijanden waren, omdat meer dan duizend jaren geleden khalief Omar
het geslacht van Ali, den schoonzoon van den profeet, uitroeide.

Laat de toerist zich gerust op den khitmatgar verlaten, om elken
morgen op dezelfde plaats op tafel bij zijn bed of in de zakken aan
de tent de zaken te vinden, die hij noodig heeft. Op elk uur van den
dag en den nacht wordt de uitroep Koï hai! die zooveel beteekent als
hei daar! beantwoord en volijverig en verstandig wacht de bediende
bevelen af met de servet over den schouder als het teeken zijner
waardigheid. Zorg er slechts voor, dat hij die vaak verwisselt
voor een schoone! Want hij veegt er niet alleen het bord mee af,
dat hij u brengt; hij stoft er, zoo noodig, ook uw kleeren mee en bij
gelegenheid uw schoenen; hij jaagt er met korte, welwillende tikjes het
ongedierte mee weg, dat, als ge te dicht bij een dorp hebt gekampeerd,
half verdoofd door het insectenpoeder tusschen uw lakens is te vinden;
hij ranselt er de koelies mee, als ze te langzaam naar zijn zin de
tenten opslaan en het kamp in orde brengen, want hij gevoelt zich
als een karavaanbestuurder, en de goede Kaschmireezen, die door mijn
bediende worden uitgescholden, een kereltje, dat ze met een vinger
hadden kunnen omverwerpen, spraken hem altijd eerbiedig met Sirdar aan,
dus met niet minder dan den titel, door lord Kitchener van Khartoem
gedragen, toen hij het bevel over het engelsch-egyptisch leger voerde!

Hij beweerde bovendien met trots, van goede familie te zijn; maar
ongelukken in de familie hadden zijn opleiding in den weg gestaan;
ook maakte hij geen aanspraak op den titel van dichter, zooals de
khitmatgar van een mijner vrienden, die in zijn vrijen tijd zich
amuseerde met het maken van perzische verzen. Hij was ten minste trouw
en eerlijk en waarheidlievend, wel een verschil met anderen, die alle
veertien dagen dezelfde schoonmoeder moeten begraven; hij heeft mij
slechts eenmaal een halven dag verlof gevraagd, en dat was te Lahore,
om te trouwen! En toen ik hem edelmoedig den geheelen dag aanbood,
protesteerde hij en beweerde, dat hij liever op tijd terug wou wezen,
om mij mijn ontbijt voor te zetten.

Wat den khansama betreft, hij zal zijn heer wel een beetje bestelen,
dat brengt het vak zoo mee. Maar daarvoor vindt men ook overal en
altijd, zelfs midden in de jungle zijn maal gereed en volkomen goed
bereid. In regen of wind, aan den hoek van een bosch, op een vuur,
dat tusschen twee steenen is aangelegd, in omstandigheden, waarin
de eerste kok uit Europa onmiddellijk zijn voorschoot af zou doen,
bereiden die indische koks vlug en onberispelijk het klassieke menu
van soep, entrée, gebraad, groente en nagerecht. Toen de mijne op den
eersten dag van zijn indiensttreding mij in zijn anglo-indisch taaltje
kwam vragen, hoe ik het vleesch verlangde, half-paka, three quarters
paka ya bahout paka, dat is halfgebraden, driekwart gebraden of sterk
gebraden wist ik, dat ik een virtuoos had gekregen, die gevoel had
voor fijne onderscheidingen.

Ik moet zeggen, dat hij niet tegenviel; en alles aan het spit,
want ik had hem eens vooral gezegd, dat mijn grondbeginselen zich
ertegen verzetten, vleesch in de pan te braden; en ik zie hem nog
in een plasbui met de parapluie erboven melancholiek de kip voor het
souper aan het braadspit draaien. Roep bij zulke gelegenheden nooit
uw smaak of uw maag te hulp, om iemand uw wensch te verklaren; daar
geven ze niet om. Spreek in vage termen van den ritus of eenvoudig van
het gebruik, dastoer, waaraan ge u graag zoudt houden en ge kunt er
zeker van zijn, gehoorzaamd te worden, terwijl ze u er des te hooger om
zullen stellen, dat ge u houdt aan wat zij voor godsdienstige gebruiken
zullen houden in den geest van hun eigen geloofsvoorschriften.

Enkele fransche gerechten kwamen aldus onder den dekmantel van
"french dastoer" zeer aangenaam eenige afwisseling brengen in de
eeuwige kippeboutjes en de flauwe engelsche groente. Door middel
van breedvoerige uitleggingen en practische aanwijzingen leerde onze
kok die gerechten zoo meesterlijk bereiden, dat toen ik hem aan het
eind van den tocht wegzond, hij van niets minder sprak dan van zich
op grond van zijn vermeerderde kennis in den dienst te stellen van
een onder-gouverneur. In Kaschmir moet de toerist zijn personeel
nog uitbreiden met twee of drie andere bedienden tegen acht of tien
roepijen per maand. Hij zal vooreerst een bhisjti of waterdrager
behoeven, die waarschijnlijk ook de functie van masaltsji of wasscher
van het vaatwerk zal vervullen. Familiën, die wat talrijk zijn, hebben
bovendien nog vaak een dhobi of waschman bij zich, particulier aan hun
dienst gebonden. Verder zal er nog een "huisknecht" moeten wezen, een
man van zoo lage kaste meestal, dat hij ook voor de honden moet zorgen
en door elkaar eet wat van uw tafel overblijft; onnoodig te zeggen,
dat hij in de kleine maatschappij weinig in tel is. En als gij dan,
vermoeid aan het eind der étappe zijt aangekomen en ziet, hoe de kok
van den bhisjti het water krijgt, dat hij aan de kook brengt op het
hout, dat de "huisknecht" hem heeft aangebracht, om u een kopje thee
te bereiden naar den eisch en u dat door den khitmatgar te laten
brengen, zult ge, als uw geduld ten minste nog niet is uitgeput,
deze sierlijke verdeeling van arbeid bewonderen.

Lahore is in April nog vol rozen. Maar als de reiziger zich wil
overtuigen, dat de warmte van Indië geen mythe is, zooals dikwijls
door wintertoeristen wordt beweerd, laat hij dan maar tot Mei blijven
en den eersten stofstorm afwachten bij 117 of 120 graden Fahrenheit,
dat is 48 Celsius in de schaduw, dan zal hij juist als indertijd de
metgezellen van Alexander verklaren, dat de ervaring zeer voldoende
is en dat hij u de rest schenkt.

Met des te meer genoegen zal hij dan naar de bergen vertrekken. Hij
zal reeds ijs moeten meenemen, om zonder bezwaren de negen uren in
den exprestrein door te komen, die hem van Rawal Pindi scheiden. Die
exprestrein van Calcutta komt om twee uur in den morgen te Rawal
Pindi, een der groote militaire stations van Pendsjab. Men doet goed,
vooraf te hebben geschreven aan den onvermijdelijken Dhanjibhoy,
transportondernemer, wiens rijtuigen over alle wegen rollen in
het Noorden van Indië, dat hij u een tonga sture, dat is een klein
rijtuigje op twee wielen, zeer laag en maar matig veêrend, overdekt met
een witte huif. Het is de postkoets van dit land, en hij biedt plaats
aan voor drie personen plus den voerman en de handbagage. De koffers
en kisten komen gewoonlijk in ekka's achteraan, dat zijn vernuftig
ingerichte inlandsche voertuigen, die men voor het vervoer van Rawal
Pindi naar Srinagar huren kan voor 35 of 40 francs en die ook weer met
den inlandschen pony bespannen, de reis in vier of vijf dagen doen. Men
laat ter meerdere veiligheid gewoonlijk een der bedienden meegaan.

Zoodra de bagage aan het station is opgeladen, gaat men op weg onder
het sterrenschijnsel van den onveranderlijk helderen hemel door
de straten van Rawal Pindi en loopt daarbij gevaar, de slapers te
overrijden, die op hun tsjarpaïs voor hun deuren liggen te slapen. De
eerste mijlen worden vlug afgelegd langs den vlakken weg, maar al
spoedig teekenen zich de silhouetten der bergen af tegen den lichten
achtergrond van den dageraad. Met welbehagen ademt men de frissche
lucht in. De weg, die langs de bedding van een stroompje voert, wordt,
al stijgender en schilderachtiger. Op de hellingen vertoonen zich
sparren; er hangen wilde rozen bij neer en tot op den top reiken
de geurige bloemtrossen. In de kloven staat het vol met varens en
bloeiende aardbeien. Er volgen zwaarder stijgingen, en bij de laatste
halten gaat de saïce of palfrenier, die gewoonlijk achter op de trede
staat, naar den voorkant van de tonga en, op den linker disselboom
gezeten, helpt hij den koetsier de paarden met de zweep tot spoed aan
te zetten. Zoo worden meer dan zestig kilometer afgelegd in zes uren
en terzelfdertijd stijgt men tot 2000 meter hoogte.

Mari, het modezomerverblijf voor Pendsjab, ligt over verscheiden
hoogten verspreid met zijn kerkjes, hotels, europeesche winkels,
villa's in het groen en zijn mooie wandelwegen, waar elegante ruiters
en amazonen zich vermeien. Naar het Zuiden weidt de blik over de wijde
vlakte van khakikleur; naar het Noorden over de hooge, besneeuwde
toppen, die den weg naar Kaschmir schijnen af te sluiten. Men voelt
zijn levenskracht toenemen in deze frischheid, die van den Himalaya
komt, waar de eeuwige sneeuw woont, terwijl men den vorigen dag nog
meende te zullen stikken in de kunstmatige koelte van de punka's.

Maar nu moeten wij dalen, na zoo lang gestegen te hebben. Halverwege
de beboschte helling gaat de weg naar beneden langs afgronden, waar
we slechts van gescheiden zijn door een paar steenblokken aan den
weg. Bij elk oponthoud steigeren of vallen de paarden, voor ze weer
verder gaan; daarna draven ze volkomen kalm en rustig, alsof ze, na
voor den vorm te hebben geprotesteerd, zich in hun lot schikten. We
hebben voor de daling maar één paard noodig. Alle paarden zijn in
den drukken tijd bedroevend mager. Maar wij kregen aan de tweede
pleisterplaats na Mari bij toeval een best paard, goed in het vleesch,
met glimmende huid en zonder een enkel wondje. Er waren niet minder
dan vier saïces noodig, om het aan te spannen, waarna het op ieder
tikje van de zweep antwoordde met een dol achteruitschoppen. Daar de
koetsier volhield, moest hij wel van zijn kras middel gebruik maken;
plotseling achteruit gaand, zou hij het rijtuig zoo tegen de steenen
aan den weg stooten, en als het nog twintig pas verder was gebeurd,
zouden wij in het dal getuimeld zijn en ze zouden ons met wapens en
bagage op 500 meter diepte daar beneden hebben gevonden, ons of wat er
van ons over was. De dorpelingen en de leiders van een karavaan, die
haar rust hield, zagen al met belangstelling het ongeluk aankomen. Wij
hebben dadelijk een ander paard verlangd; het ondeugende beest wou
niets liever, en terwijl men een van zijn collega's bracht, die minder
slim en niet zoo kwaadaardig was, ging de deugniet, zoodra hij was
afgespannen, heel alleen weer omhoog en naar zijn gewoon plaatsje in
den stal terug, om zijn afgebroken maaltijd voort te zetten.

Al dalend kwam de weg toch ten slotte in de diepte van het dal der
Djhillam of Vitasta. Tot Kohala toe bij de brug volgt de weg de breede,
witte rivier, die door veel sneeuwwater is gezwollen. Hier is het een
woedende stroom vol draaikolken en versnellingen, bruisend over de
rotsachtige bedding en toch is het dezelfde rivier, die in Kaschmir
zoo kalm is. Zware boomen worden meegesleurd, deelen van de cederwouden
op de bergen; ze draaien in de kolken en moeten mee naar Pendsjab. De
ruïnen van de oude hangende brug, die nu door een steenen is vervangen,
vertellen van de verwoestingen der overstroomingen. Aan de overzijde
van de brug zijn wij in het gebied van den maharadja van Djammoe en
Kaschmir, en als om dat te bewijzen, betalen we aan dezen kant der
rivier een roepij voor het weiderecht aan de engelsche ambtenaren
en aan de andere zijde anderhalve roepij aan de menschen van den
maharadja voor het recht van den weg gebruik te maken en de dieren
te laten grazen. Wat de douanerechten aangaat, ze worden niet geheven
van de Sahibs of heeren, dat zijn de Europeanen.

De weg liep nu verder langs den linkeroever van de Djhilam en volgde
dien steeds; het was een goede weg, als hij in goeden staat wordt
onderhouden, juist als het met de kleinere wegen in Frankrijk het
geval is. Hij ging en corniche even boven de rivier langs, die in
het nauwe dal bruiste en kookte, terwijl er telkens dwarsdalen of
nalla's waren te passeeren. Gewoonlijk waren het liefelijke dalen,
waar het water in watervallen langs de wanden naar beneden kwam en die
alle waard zouden zijn te worden bekeken. Ieder dal heeft zijn brug,
die meestal bij elke plotselinge smelting der sneeuw wordt weggerukt
en met onverstoorbaar geduld steeds weer door de staatsingenieurs
wordt hersteld.

Van tijd tot tijd zagen we een van die aardstortingen, die in den
aanvang van den zomer den weg vaak onbegaanbaar maken. Dan wordt
juist zoo'n plekje opgeruimd, dat het rijtuig erdoor kan, en men
werpt het puin eenvoudig in de rivier. Bijna in het midden van Mei
hebben wij nog tal van koelies bezig gezien aan het herstellen van
den weg; maar als die nog maar even bruikbaar is, vliegt de tonga
er met haastigen spoed over. De eene stoot duwt u in een diepen
kuil en een tweede haalt u er weer uit; de koetsier waarschuwt:
"Khabardar! Pas op!" en klaar is Kees.

Zoo hebben wij den eersten dag 90 K.M. afgelegd met heel wat
Khabardars op den koop toe. Natuurlijk kiest de koetsier juist de
gevaarlijkste punten, om de teugels te laten schieten en op zijn horen
te blazen. Ongelukken komen echter hoogst zelden voor, en men krijgt
op het laatst wel aardigheid aan dat dolle rijden over bruggen zonder
leuningen en aan die vervaarlijke bochten, waar men omheen vliegt. Toch
zullen zenuwachtige menschen goed doen, vooral bij de bochten zich
te verdiepen in de beschouwing van den rechter kant van den weg,
om de Djhilam niet te zien, waar het kleinste ongeluk hen in zou
storten en waarin de groote dennen, die er als stroohalmen in worden
rondgedreven, hun een voorspel zijn van hun eigen lot. Die rechter
kant heeft trouwens ook zijn eigen belangrijkheid; meestal bestaat hij
uit rolsteenen van verschillende kleuren en uit zandsteen en porphyr,
geaderd en gepolijst als onze strandkeien; waarschijnlijk is het de
doorsnede van een oude rivierbedding. Er komen ook dwarstunnels voor,
en dan gaat men met vreeze en beving onder die hangende blokken door,
die maar even in hun laagje aarde zijn vastgehecht.

Ongeveer elke twintig kilometer kunt ge, als ge lust hebt, stil
houden in een bungalow of bangla, zooals de Indiërs zeggen. Sommige
van die logementen, zooals te Domel, Garhi en Oeri, zijn voldoende
voorzien. Men loopt geen gevaar, dat daar zich het geval zal voordoen
van de klassieke indische anecdote, dat de laatste kip juist bij
uw aankomst in de jungle is verdwenen. Hier zet men u stellig en
zeker een déjeuner of een diner voor op zijn Engelsch en schenkt den
liefhebbers buitendien den Kaschmir-Barsac of den Kaschmir-Médoc,
te Srinagar bereid. Wat de kamers aangaat, die zijn vrij zindelijk,
maar spaarzaam gemeubeld.

Het dal, dat eerst na Kohala nog al gesloten is, verbreedt zich
weldra bij de samenvloeiing van de Djhilam met de Kichenganga
bij Domel. Tegelijkertijd gaat men plotseling niet meer van het
Zuiden naar het Noorden, maar slaat af, om naar het Zuidoosten af
te buigen. Een der merkwaardigheden van de etappe van Garhi is de
touwenbrug. Verbeeldt u aan de beide kanten der ongeveer 80 meter
breede rivier twee stevige palen met een dwarsbalk en gesteund door
een groot en hoop van zware steenen. Van den eenen naar den anderen
oever worden die stellages verbonden door twee touwen van lederen
riemen, die om elkaar heen zijn gewonden en voor leuning dienen. Aan
de dwarsbalken hangt een ander gedraaid leer, dat is de weg. De drie
touwen worden op hun plaats gehouden door houten vorken in den vorm
van een V, geplaatst op drie meters van elkander.

Op zoo'n wankel geval loopen de menschen uit Kaschmir met zware bossen
gras of met een melkkan in evenwicht op het hoofd. Wel trekken zij,
die eenig schoeisel dragen, het uit, als ze over het touw stappen
en kunnen dan van hun ongeschoeide voeten op de manier van apen
gebruik maken. Buitendien is er iemand bij de hand, die voor twee
anna's de menschen, die licht duizelig worden, op zijn rug neemt en
diegenen, die verschrikt worden door de bruisende watervallen onder
dien clownsweg, eroverheen draagt. Hij is een soort van Hercules,
een mensch dragend als een veertje; hij bindt zich zijn klant eerst
op den rug met een breede sjerp, waarvan hij de einden op zijn borst
samenknoopt en heeft dan zijn handen vrij voor het balanceeren. Juist
zulk een brug, maar minder lang, ziet men nog weer bij Oeri beneden
het fort van de Sikhs, welke muren van gebakken steenen daar als een
decoratie in het landschap schijnen neergezet.

Maar hoe alle schilderachtige tooneelen te beschrijven, die elk op
hun beurt worden omlijst door de randen van de rijtuigkap en die men
maar even in het voorbijgaan gadeslaat? En evenzoo moeten wij er ook
van afzien, de duizend-en-één incidenten, onderweg voorgevallen, te
vertellen, als daar waren ontmoetingen met ekka's, met ossenkarren of
lange slieren kameelen, die al mummelend met hun lippen, voortsjokken
alsof ze paternosters prevelden.

Dan waren er de dorpen met hun lage hutten, waarvan de veranda's op de
platte daken waren; de bazars, waar nog oude munten gangbaar zijn met
grieksche opschriften; de heiligdommen, aangewezen door driehoekige
vlaggen van verschillende kleuren, om nog niet eens te gewagen van de
drukte op de onderscheiden pleisterplaatsen. Bovendien zag ik onder
een groepje struiken bij hun geiten en hun jongen hond, die tegen de
tonga blafte, twee kleine, mooie herderskinderen, Daphnis en Chloë op
den onschuldsleeftijd, en Chloë leunde teeder met haar zwart lakensch
kapje tegen den vuilen tulband van Daphnis.

Zoo is de weg naar dit paradijs al heerlijk, en van Rampoer af kondigt
alles aan, dat we Kaschmir naderen. De hellingen zijn bedekt met dennen
en ceders, en langs den weg groeien populieren en platanen. Reeds
te Brankoetri gaat men voorbij de ruïnen van een tempel. Die van
Baniyar, die wat beter in stand is gebleven en die nog overeind staat
midden op zijn vierkant plein, geeft een zeer goed denkbeeld van wat
die oude gebouwen zijn geweest. Daar verschijnen ook al de irissen,
die typische bloemen der streek. Plotseling is de rivier verstandig
geworden en doet zich spiegelglad voor, en de lange kloof, waar wij
nu al twee dagen doorrijden, komt op eens uit bij het "gelukkige dal"
en wel door de nauwe poort van Baramoela, tegelijk de eenige uitweg
voor het water van het dal.

Van Mari naar Baramoela heeft men 200 kilometers af te leggen, dus
loopend negen dagreizen, en als men per post gaat, een dertigtal
pleisterplaatsen. De in 1880 begonnen weg was in 1890 voltooid tot
den ingang van het dal, maar het stuk tusschen Baramoela en Srinagar
werd eerst in 1897 opgeleverd.

In 1896 waren de bruggen gereed en de stoomrol, die den weg effent
en een beeld is van onze nivelleerende beschaving, verpletterde
in het op den weg gebrachte puin menigen steen, ontleend aan oude
hindoe-ruïnen. De weg gaat door de alluviale vlakte, waar men inderdaad
geen enkelen steen zou vinden; het bergland is ver verwijderd, en de
ondernemers vonden het gemakkelijker, de oude steden van het land als
steengroeven te bezigen. In dat jaar reden de eerste rijtuigen door
Kaschmir, door de boeren met meer nieuwsgierigheid aangestaard dan bij
ons de automobielen. Thans rijden alle mogelijke soort van voertuigen
naar Srinagar en laten halverwege de oude stad de tempelruïnen van
Patan liggen. Als ge haast hebt, ga dan direct naar de hoofdstad door,
maar houd dan ten minste stil op de brug, waar de weg over de rivier
gaat en blaas een weinig uit.

Die Amira-Kadal is de eerste der zeven bruggen boven Srinagar en de
eenige in europeeschen trant gebouwd; zij is de plaats van samenkomst
geworden voor de nieuwtjesvrienden der stad. Daar behandelen ze de
openbare zaak en verspreiden er alle weken het gerucht, dat de Afghanen
in Lahore zijn binnengevallen en dat de Russen het Pamirplateau hebben
overschreden. Wij zullen er even rondzien.

Er wordt aan beide zijden een markt gehouden, en het is een druk heen
en weer loopen van groote kerels met gebruind gelaat, gekleed in een
wollen kleed, dat zich eenmaal moet herinnerd hebben, wit geweest te
zijn, en met een katoenen tulband. Het zijn brave menschen op de manier
van den globetrotter, wel te verstaan, gezegd, die in een station
van Pendsjab zijn boosheid op een onbeschaamden koelie niet eerder
dorst luchten, vóór hij geïnformeerd had van welk ras de man was.

De Kaschmireezen zijn in dat opzicht van de goede soort; ze kunnen
wat verdragen en buigen hun rug onder zweepslagen. Ze zullen niet
als de Afghanen een slag beantwoorden met een doodelijken steek
met een mes. Omdat de menschen van Kaschmir zoo sterk en zoo goedig
zijn, hebben de Engelschen er het besluit uit getrokken, dat ze laf
waren. Hadden ze misschien liever, dat het moordenaars en roovers
waren? Het is waar, dat de Engelschen de Afghanen, wier dapperheid
niet in twijfel kan worden getrokken, verraders noemen.

Dat voortdurend gebruik van slechtklinkende, afkeurende aanduidingen
toont alleen duidelijk aan, dat de Engelschen niemand goed vinden
dan zichzelven.

Er zijn Kaschmireezen, die, getroffen door dat verwijt van lafheid,
beweren dat hun lang kleed, 't welk hun nationaal costuum is, hun
door de mohammedaansche overheerschers werd voorgeschreven, om ze te
verweekelijken. Dat klinkt wel goed en zou overtuigend zijn, als zij,
die het bedacht hebben, van hun kangri afstand konden doen. De kangri
is de inlandsche warme stoof, een aarden pan, met riet eromheen en
gevuld met kolen en asch, waar de Kaschmirees, zoodra het maar een
beetje koud is, onafscheidelijk van is en die hem als zijn schaduw
altijd vergezelt. Hij brengt heele dagen erop zittend door, houdt
de stoof des nachts bij zich en door die gewoonte ontstaat menige
brand in een woning, terwijl de litteekens van brandwonden er vaak
aan zijn toe te schrijven. Nu heeft de kangri juist behoefte aan
het lange kleed met wijde mouwen, waar men de stoof onder verbergt,
en daar dr. M. A. Stein verzekert, dat er reeds sprake van is in oude
kronieken, moet men afzien van het mooie sprookje van een Kaschmir,
waar oudtijds alleen helden woonden, die allen zoo dapper waren omdat
ze broeken droegen.

Maar ge begint al onder de voorbijgangers verschillende typen en
kleederdrachten te herkennen. Ook als we de sikhs en de menschen uit
Pendsjab er buiten laten en andere immigranten uit Indië, behooren
de Kaschmireezen zelven niet allen tot denzelfden godsdienst, noch
tot dezelfde kaste. In het algemeen kan men zeggen, dat ze Hindoes
of Mohammedanen zijn. De laatsten zijn verreweg het talrijkst;
van de honderd twintig duizend inwoners der hoofdstad zijn meer
dan twee derden aanhangers van den Islam, en buiten de steden is de
verhouding nog meer in het voordeel van de Mohammedanen. Het schijnt,
dat die bekeering van de massa der bevolking, die van niet later dan de
veertiende eeuw dagteekent, zonder eenig geweld is tot stand gekomen en
niet het gevolg is geweest van een inval van veroveraars. De boeren en
de arme menschen, die bij verandering enkel konden winnen, namen den
nieuwen godsdienst aan; de Brahmanen, die er alles bij te verliezen
hadden, hielden zich aan den eeredienst, hun door hun voorvaderen
nagelaten en die de eenige rechtvaardiging hunner voorrechten was.

De Mohammedanen noemen hen afgodendienaars, maar zijn zijzelven
wel zeker ware orthodoxe geloovigen te zijn? Werkelijk hebben ze
alle indisch bijgeloof behouden onder een vernisje van den Islam,
en de geleerden uit Mekka verketteren hen op hun beurt met den
naam heiligenaanbidders. Ofschoon de Brahmanen in de minderheid
zijn, hebben zij verreweg de meeste ontwikkeling en beschaving, al
verdienen waarschijnlijk niet allen den naam van pandit of geletterde,
dien ze elkander algemeen toekennen. Men kan hen dadelijk van hun
muzelmansche landgenooten onderscheiden door het secteteeken dat ze
op het voorhoofd dragen, aan den eigenaardigen vorm van hun tulband,
en aan de sjerp om hun schouders.

Nu ge een eersten indruk hebt gekregen van de Kaschmireezen, zal
het u interesseeren te weten, wie over hen regeert. Kijkt eerst
eens stroomaf en dan stroomop. Daar vlak bij den linkeroever die
opeenhooping van leelijke gebouwen, dat is de Sjer Garhi, zooals
men het paleis van den maharadja betitelt, en ginder, hooger op den
rechteroever, onderscheidt ge tusschen de populieren en platanen de
elegante villa van den engelschen resident. Wie is nu de eigenlijke
vorst in Kaschmir, de resident of de maharadja? Dat weten zelfs de
kleine kinderen, en de grijsaards vergissen er zich niet in. Een
honderdjarige Brahmaan, die ons alle regeeringen opnoemde, die hij
had bijgewoond in zijn leven, gewaagde van de Afghanen, de Sikhs van
Randjit-Singh, de Radjpoeti's van Goelab-Singh ... en de Engelschen
van de koningin. Het is om de volledigheid haast jammer, dat hij er
ook niet nog de Russen heeft zien heerschen.

Het Kaschmir van de Sikhs heeft Jacquemond in 1831 bezocht en het
onderkoningschap werd er hem, naar men zegt, aangeboden. Wees maar
niet bang, dat uw bescheidenheid op een dergelijke proef zal worden
gesteld; die gelukkige tijd is voorbij! Op den heen- en terugweg had
onze landgenoot de gelegenheid gehad een Radjpoet te ontmoeten uit
den stam der Dogra's, die door de gunst van Randjit-Singh het tot
radja van Djammoe had gebracht. Reeds wierp Goelab-Singh, zoo heette
de avonturier, begeerige oogen op Kaschmir. Zoo lang Randjit-Singh
leefde, die den bijnaam had van den leeuw of zooals Jacquemond zegt,
den vos van Pendsjab, ziet men hem er omheen zwerven, zonder dat hij
er binnenkomt. Achter elkander verovert hij de aangrenzende landen,
Kitsjwar, Ladakh, Skardo, en na den dood van den leeuw weet hij slim
zich te handhaven in de gunst van Sikhs en Engelschen beiden. Eindelijk
staat bij een verdrag van 16 Maart 1846 de engelsche regeering aan den
maharadja Goelab-Singh en zijn mannelijke afstammelingen de geheele
bergachtige streek ten oosten van den Indus af en ten westen van de
Ravi..... In ruil betaalde de nieuwe maharadja de som van 75 lakh
roepijen en verbond zich, om jaarlijks een schatting te betalen
in paarden, geiten en shawls. Er wordt beweerd, dat die laatste
nog worden ingeleverd en dat keizerin Victoria er haar niet dure
bruidsgeschenken van maakte. Dat verdrag was van Goelab-Singh een
meesterstuk. Men zegt, dat hij binnen enkele jaren in de opbrengst
van het dal de som terugkreeg, die hij ervoor had uitgegeven.

Nooit praat men den Kaschmireezen uit het hoofd, dat om zulke
voordeelige voorwaarden te bedingen, Goelab-Singh de Engelschen had
doen gelooven, dat al het hem afgestane land niets anders was dan
onvruchtbaar heuvel- en bergland, en de redactie van het tractaat doet
daar wel aan denken. Inderdaad was het hun bedoeling, Goelab-Singh
af te scheiden van de zaak der Sikhs en in hem een bondgenoot tegen
die laatsten te krijgen; drie jaren later, toen in 1849 Pendsjab
definitief werd ingelijfd, bleek het, dat ze vlak naast zich een
bijna onafhankelijk koninkrijk in het leven hadden geroepen, en een,
dat nog wel grensde aan chineesch en russisch grondgebied.

Maar genoeg over politiek. Ge zult een zeer goed onderkomen vinden in
het hotel, dat te Srinagar geopend is ter gelegenheid van de inwijding
van den nieuwen rijweg. Maar men komt niet in Kaschmir, om zich in
een hotel op te houden zooals in Zwitserland, en men kan nooit iets
van het land en zijn bekoorlijkheid te weten komen, als men zich niet
vrij beweegt en overal rondkijkt in dit prachtige hoekje van Hoog-Azië,
zoodat men er min of meer het nomadenleven leidt van onze hypothetische
voorouders, de Ariërs. Dat is, of men het wil bekennen of niet, de
eigenlijke charme van een verblijf in Kaschmir, die onafhankelijkheid
van belachelijke en hinderlijke voorschriften van onze maatschappij,
waar alles tot overtreding wordt, van het houtsprokkelen in het bosch
tot het water putten uit den oceaan. Hier is de verwezenlijking van wat
sinds het Paradijs de roeping en de droom van den mensch is gebleven,
koning te wezen te midden van een bevriende natuur; hier vindt men de
voldoening, uiting te kunnen geven aan dat instinct van vagabondage,
dat in ons allen leeft en ons tot onbewuste nomaden stempelt. Het
teeken en misschien ook het losgeld voor dien terugkeer tot de zeden
der primitieve menschheid is de enorme belangrijkheid, die het probleem
van onderdak en voeding aanneemt, een vraagstuk, dat ons geen oogenblik
bezighoudt in het kunstmatige leven in de beschaafde wereld.

Laat mij daarover nog eenige aanwijzingen geven. Gij zult in de
winkels te Srinagar, gehouden door de onvermijdelijke Parsi's,
alle ingemaakte voedingsmiddelen kunnen krijgen uit Europa; maar
beter doet ge u te voorzien, zooals trouwens de meeste leden der
vlottende vreemdelingenkolonie doen, op de naburige markten van
de brug Amira-Kadal. Natuurlijk vindt ge er geen rundvleesch, noch
voor geld, noch voor goede woorden, tot verdriet der Engelschen, die
zich schadeloos stellen door massa's corned beef te verorberen. Het
verbod van rundvleesch wordt streng gehandhaafd door de regeerende
Hindoedynastie, en het dooden van een koe, dat vroeger met den dood
werd gestraft, zou thans een inboorling nog op een gevangenisstraf
van vijftien jaar komen te staan, terwijl een Europeaan erom uit het
land zou worden gezet.

Maar ook zonder dat vleesch, dat verboden is, omdat het te heilig
is, en varkensvleesch, dat uw mohammedaansche kok met tegenzin voor
u klaar maakt, omdat het niet heilig genoeg of te wel onrein is, zal
uw tafel nog ruim voorzien kunnen zijn van uitmuntend schaapsvleesch,
sappig wild, groenten, eieren en versche boter; dat is alles op den
bazar te krijgen. Wees niet onthutst, als uw kok de etenswaren van de
markt thuis brengt in een stuk berkenschors; dat is het oude papier
van dit land, zooals uit oude manuscripten blijkt, en men maakt er
nog veel gebruik van voor huiselijke dingen.

Wenscht ge ten slotte nog iets van de prijzen te weten, die wel zullen
stijgen, als de stroom van toeristen sterker gaat vloeien, dan zij
gezegd, dat een kip zes of tien stuivers van ons geld kost; een pond
boter of een dozijn eieren vier en de rest naar evenredigheid. En toch
ontmoet men nog menschen, die klagen over de duurte der levensmiddelen
en pochen op den tijd, toen men voor één roepij een heel schaap
kon krijgen.

Ziedaar iets over de tafel. Wat de huisvesting aangaat, als ge niet
vooraf uw maatregelen hebt kunnen treffen te Lahore, doet ge het
best van een der agentschappen te Srinagar te koopen of te huren
de noodige tenten en kampmeubelen. Dan laat ge uw linnen huis, dat
veel geriefelijker is dan ge kunt gelooven, als ge het nooit hebt
geprobeerd, opslaan aan den oever der rivier of in de buurt der
residentie onder de schaduw van de boomen der baghs of parken voor
Europeanen gereserveerd. Daar is de Moensji-Bagh, een boomgaard
aan de Djhilam, bestemd voor gehuwden en dames alleen; verder de
Tsjinar-Bagh, een prachtig bosch van platanen aan den uitgang van
het meer ten gebruike van ongetrouwde mannelijke personen; zoo is het
koren van het kaf gescheiden. Vooral moet ge zorgen de beschikking te
krijgen over een dier inlandsche booten, die doenga's worden genoemd;
die kan u tegelijk als huis en als voertuig dienen bij uw eerste
uitstapjes. Op deze eerste lentedagen, nu het water nog zoo hoog is,
kan de boot u door de rivier en de meren in allerlei richting naar de
interessantste plekken van het dal voeren. Voor wie in de tonga heeft
gereden over den hobbeligen weg en geradbraakt is door schokken,
verdoofd door den hoorn en half gestikt door het stof, is de ruil
niet kwaad van een tonga tegen een doenga.



II.

    Door het "Gelukkige dal" in een doenga.--Roeiers en roeisters.--
    Van Baramoela naar Srinagar.--De hoofdstad van Kaschmir.--Een
    beetje staathuishoudkunde.--Boven Srinagar.


De doenga is een boot, die, plat van onderen, aan beide uiteinden
puntig uitloopt en tien meter lang is, terwijl er een dak van
gevlochten riet over is gespannen. Andere matten, die naar believen
opgerold kunnen worden als stores, sluiten de ruimte aan de kanten af
en vormen ook de deur en de afscheiding tusschen de binnenruimten. Aan
de voorzij bevindt zich een kleine veranda; dan volgt een vertrekje,
dat in mijn boot juist vier meter lang en 1.80 M. breed was, en
eindelijk een hutje, dat als cabinet de toilette dienst doet. Bij den
achtersteven is het gezin van den roeier gehuisvest en slaapt in een
ongeloofelijk kleine ruimte.

Boot en bemanning huurt men per maand voor een twintigtal roepijen,
en men kan het er wel naar zijn zin hebben, als men zorgt, de geheele
ruimte aan boord inderdaad voor zich te hebben en die naar eigen
smaak te kunnen inrichten. De bedienden volgen in een andere boot,
waar gekookt wordt. Als het uur van de maaltijden slaat, komt de
tweede boot op zij, en ge wordt uit uw drijvende keuken bediend,
zonder dat ge u behoeft op te houden.

Een klein, licht bootje, sjikara genoemd, dient voor de jacht op
watervogels en voor snelle tochten en maakt uw vlootje compleet,
waarmee ge u nu kunt bewegen op de rivier en de meren van Kaschmir. De
mode van zulke zware drijvende woningen, die de Engelschen house-boats
noemen, is ook wel van de Theems naar de Djhilam overgebracht, maar,
al kan men ze bij de agentschappen in uitstekenden staat huren, dat
komt veel duurder, en het zijn zulke logge machines, dat als het water
een beetje laag is, men ieder oogenblik gevaar loopt vast te raken;
ook heeft de doenga meer locale kleur, en ontkomen aan de handji's
kan men toch niet.

De handji's zijn de roeiers van Kaschmir; een kaste, die misschien
verachtelijk, maar stellig veracht is, ofschoon ze een groote rol
in het volksleven spelen. Tot in de allerlaatste jaren gaat al het
vervoer te water, en de rivier is steeds vol schepen, van de groote
vrachtbooten af tot de lichte doenga's voor passagiers toe. De handji's
van die laatste slaan in den slechtsten reuk; er wordt veel kwaad
van hun vrouwen gezegd; maar ook haar schoonheid wordt geprezen. Ze
zullen in haar jeugd wel een tijd van frischheid hebben gehad, maar
ik moet zeggen, dat het harde leven haar die fraîcheur dan gauw heeft
ontnomen. Zij roeien altijd door of boomen of trekken aan het touw;
verder moeten ze rijst stampen en maïs in zware houten vijzels, en
dan moeten ze nog een heelen hoop kinderen grootbrengen, allerliefste
kinderen trouwens.

Een heel vertier voor de handji's zijn de kibbelpartijen met collega's
van andere booten; die twisten zijn in Kaschmir spreekwoordelijk
geworden. Het répertoire van scheldwoorden is volgens het zeggen
van diegenen, die ze verstaan, nog veel uitgebreider dan dat van de
parijsche koetsiers. Meestal doen de vrouwen dapper mee of ook wel
is het aan haar alleen overgelaten, terwijl de mannen al rookend
toeluisteren en lachend aanhitsen. Soms valt de avond en duurt de
strijd nog voort; dan werpt ieder der strijdenden een ketel over
boord vóór aan de boot ten teeken, dat de twist daaronder gedurende
den nacht bewaard blijft; des morgens wordt het ding omgekeerd,
en de vrouwen trekken weer van leêr.

Bij Baramoela al heb ik kennis gemaakt met de naïeve opdringerigheid
van die zoo belasterde handji's. Ik moest uit de vloot van aan den
wal vastliggende booten er een paar kiezen. Van alle kanten werden
aan mijn adres smeekbeden en aanroepingen gericht; sommigen wierpen
zich in het stof aan mijn voeten of veegden met hun voorhoofd over
mijn schoeisel, kortom de gansche comedie werd opgevoerd, die ze in
dergelijke gevallen gereed hebben. En altijd klonk één woord boven
de andere uit: "Kiline, Hazoer, kiline!" Dat is hun manier, om het
engelsche woord clean uit te spreken, want zindelijkheid is natuurlijk
het eerste vereischte voor de uit Europa aangekomenen. Toen ik een
keuze had gedaan, staakten de andere bootslui dadelijk hun aandrang;
een anderen keer zouden zij gelukkiger wezen.

Ik heb mij niet over mijn volkje te beklagen gehad, behalve dat ze
als al hun collega's de verfoeilijke gewoonte hadden, dag en nacht
te babbelen en geen notitie te nemen van mijn "tsjoep! tsjoep!" het
hindoesche woord voor "stilte, stilte!" Er waren ook wel oneenigheden
tusschen de vrouwen van de verschillende booten; maar ze durfden
mij daar niet veel van te laten merken, en het was vermakelijk,
soms als ze zich onopgemerkt waanden, de woedende gezichten te zien,
waarmee ze af en toe tegenover elkander op den grond spuwden, om de
wederzijdsche minachting te uiten.

Maar toen ik eenmaal onderweg was, wat was het toen een genot,
des morgens in de doenga te ontwaken, die onmerkbaar over de rivier
glijdt, die mooie rivier met het klare, stille water! Als een enkel
lui uurtje reeds zijn waarde heeft, dan kan men begrijpen, wat het
was, in de vroegte, onder de opgetrokken stores door, de groene
oevers voorbij te zien glijden. Om de waarheid te zeggen, heeft het
landschap niets vreemds, en mogelijk komt de populariteit van deze
reis wel grootendeels doordat ze den Engelschen hun Theems herinnert.

Wij zijn den eersten dag gevaren van Baramoela naar Sopoer in dat
zachte, nevelachtige weer, dat onze noordelijke zomers dikwijls
aanbieden; de verte verdween in witten damp, en dichterbij vormden
de schaduwen, de vette weiden, waar de kudden graasden, de mooie,
goed bebouwde velden en de wijde vergezichten een landschap, dat even
goed in Middel-Europa had kunnen liggen.

Tegen den middag scheurde het waas, dat als een tulen gordijn den
horizon bedekte, en in de nu doorschijnende lucht verschenen, eenig
om te zien, de met sneeuw bedekte toppen, die het dal insluiten, een
smaragd in zilver gevat, en die aanblik was alleen de reis wel waard.

Zonder eenige inspanning kan men op deze reis de merkwaardige
en beroemde ruïnen van Kaschmir bewonderen. Alle oude hoofdsteden
en bijna alle godsdienstige stichtingen der koningen, waarvan de
kronieken gewagen, liggen aan de rivier, die de hoofdader van het
land is, en kunnen dus op de gemakkelijke vaart worden bezichtigd.

Een primitieve brug, kleine hindoesche heiligdommen, een moskee,
een dorpsbazar, zoowat achthonderd huizen met spitse daken en geen
platte, als in Indië, ziedaar Baramoela en ziedaar ook, maar in
kleiner afmeting, Sopoer. Vooral de bruggen trekken door nieuwheid
de aandacht. Ze zijn geheel van hout gemaakt; de pijlers zijn niet
anders dan rijen afwisselend op elkander gestapelde balken in de
lengte en in de breedte. Uit de verte zou men ze kunnen houden voor
een hoop planken, die liggen te drogen.

Beneden aan den kant, van waar de stroom komt, is een soort van
uitsteeksel van stevige planken, bezwaard met dikke steenen, dat
de kracht van den stroom moet breken. Naar boven toe worden de
palen al breeder en breeder, en de daarover geworpen stukken hout
komen al dichter en dichter bijeen, tot ze eindelijk dicht genoeg
elkaar genaderd zijn, dat de dwarsbalken van den vloer der brug er
gemakkelijk over gaan. Zulke holle bruggen hebben buiten het voordeel
van hun goedkoopheid en eenvoudigheid nog het gemak, dat ze tegen de
hooge vloeden kunnen, die door de holten heenstroomen, zonder schade
aan te richten. Vroeger stonden er veel gebouwtjes en winkels op de
bruggen, net als op de Beursbrug in Parijs in den ouden tijd en op
de Ponte Vecchio in Florence; maar overal zijn die bouwsels verbrand
en men is er niet toe overgegaan, ze weer op te bouwen.

Achter Sopoer krijgt men het Voelar, het grootste meer in Kaschmir, te
zien. Als er niet enkele open plekken met mooi helder water waren, zou
men eerder denken aan een onmetelijke weide van vochtminnende grassen,
vol vogels met schitterende vederen. Overal ziet men waternoten,
Trapa natans, daar singhara's genoemd, een der voortbrengselen van het
meer en in tijden van schaarschte door de Kaschmireezen zeer op prijs
gesteld als voedsel. In platboomde booten zamelen de oeverbewoners
ook voedsel in voor hun vee op die reuzenweiden van waterleliën en
lotusbloemen. Zij zingen onder het werk, terwijl ze met hun handen de
natte bladeren afrukken van de met een kleverig vocht gevulde stelen,
en de wind voert de zich eindeloos herhalende, melancholieke hindoesche
liederen zeer ver mee.

De schippers zijn bang voor de Voelar, want het meer wordt dikwijls
bezocht door hevige onweders en stormen, die van de bergen neerdalen en
die zeer gevaarlijk worden voor hun platte en hoog geladen schuiten. Ze
kunnen dan niet anders doen dan maar zoo gauw mogelijk den oever
trachten te bereiken, vóór de golven in de boot slaan. Het heet,
dat Goelab-Singh in zoo'n storm omkwam.

In plaats dan ook van het meer over te steken, om den mond van de
groote rivier te bereiken, haastten mijn handji's zich, om langs
den zuidelijken oever den ingang van het Noroekanaal te halen. En
ze hadden goed gedaan, want in den avond overviel ons de storm,
sloeg onze rieten gordijnen omhoog en dreigde, passagiers en meubels
eraf te strijken. Gelukkig vonden we beschutting van een heuveltje,
en al de handji's gingen ijverig aan het vastsjorren van de touwen en
bevestigen van het rieten dak. Waarna wij niet anders te doen hadden
dan te gaan slapen, wat zeer goed gelukte, beschermd als we waren
tegen regen en wind door ons dak van gevlochten riet.

Die stormen trekken even gauw weer af, als ze komen opzetten. In den
morgen vertrokken wij over het kalme water, dat spiegelglad was. De
gelegenheid was mooi, om door de binnenvijvers tot in de buurt van de
ruïnen van Patan te komen. De doenga's gleden voort over de bloeiende
lelies en door het hooge riet, bevolkt met talings; het water was zoo
doorschijnend, dat men de blaadjes van het mos op den bodem tellen
kon. Een klein kanaaltje voerde naar groote alleenstaande platanen,
die bij het niet op de kaarten aangeduide dorp Panhallan behoorden. De
kampplaats maakte weinig vertooning; maar we genoten er een prachtig
panorama, waar men uitzicht had van den Haramoek tot den Toetakoeti
en van den Kadsjnag tot den Brahma-Sakoel, een onmetelijken kring
van sneeuwbergen.

Eenige kilometers van daar geraken de oude tempels van Patan, die
in 1885 bij de laatste aardbeving zooveel geleden hebben, al meer in
verval. Palhallan, dat prachtig ligt in de schaduw van moerbeiboomen,
notenboomen, eeuwenoude platanen en populieren, waar zich de wingerd
omheen slingert, is in het bezit van een merkwaardigheid, namelijk
zijn reigerbosch. Honderden reigers gaan en komen er, altijd heen en
weer vliegend van de groote meren naar de hooge boomen, waar ze hun
nesten hebben. Het is een dwaas gezicht, als ze met de lange pooten
gaan zitten: andere plukken hun veêren uit of zitten na te denken,
met den hals in de schouders getrokken, op een verdorden tak; want
de kruinen der boomen zien er nog al kaal uit, en schijnen te lijden
onder die al te dichte bevolking.

Men moet zich er wel over verbazen, dat de Kaschmireezen niet van
hun reigers hetzelfde gebruik hebben gemaakt als de Chineezen en
Japanners van hun ooievaars, te meer omdat het een koninklijke vogel
is, waar niet op mag gejaagd worden. Vroeger droegen ook inderdaad
de aanzienlijken een aigrette van reigerveêren, bevestigd aan een
edelgesteente, op hun tulband, en de pacht voor de vergunning tot het
plukken der vogels maakte deel uit van de staatsinkomsten. Nog in de
laatste jaren moest de pachter 268 roepijen betalen en 2999 veeren
buitendien inleveren, geen één meer of minder. Maar het is geen mode
meer, en de aigrettes verschijnen nog alleen bij gelegenheid van een
bruiloft in het mascaradecostuum der bruid.

Ons drijvend huis begeeft zich weer op weg door de heldere vijvers
vol bloemen, om naar het Noeroekanaal terug te gaan, dat te Sjadipoer
uit den hoofdarm van de Vitasta komt; daar juist tegenover vereenigt
de Sindh zich ermee, zoodat het daar een waar kruispunt van rivieren
is. Die samenvloeiing is in de oogen der Brahmanen een even heilige
plaats als de vereeniging van Ganges en Djoemna; op een rond eilandje
staat een kleine plataan, die gelijkt op den eeuwigen boom, welks stam
in de kelders van het fort Allahabad nog door de pelgrims vereerd
wordt. Het heet, dat hij geen ontwikkeling en geen verval kent. Er
wordt daar op die vereerde plek een uitstekende vischsoort gevangen,
de mahsir genoemd.

Als men van daar de groote rivier afvoer, zou men spoedig de
Soembalbrug hebben bereikt en dan door een kort kanaal het groene en
diepe water van het Manusbalmeertje, waar een vervallen kaschmireesche
tempel zijn ondergang vindt in den slijkerigen grond. Indien men
daarentegen de rivier opvaart, doet zich al gauw in de verte het
sikhsche fort Hari-Parvat voor, de citadel van Srinagar. Op den
achtergrond ziet men een hoogen berg, die tot scherm dient voor de
opgaande zon, en waar een brahmaansch heiligdom op is gebouwd, wat
niet verhindert, dat de Mohammedanen het Takht-i-Soeleiman noemen,
dat is Troon van Salomo.

Srinagar wordt door de rivier in twee deelen gescheiden en volgt den
stroom over wel vijf kilometer. Zeven bruggen verbinden de beide
oevers. Ik kreeg er den indruk van te komen in een half in puin
liggende stad. Het is, alsof de huizen, waarvan vele gestut worden,
in den toestand van onstandvastig evenwicht gelaten zijn door de
laatste aardbeving en nu maar wachten, tot de volgende ze geheel
omverwerpt. Ze winnen erdoor in schilderachtigheid met hun kleine
loggia's op de bovenverdieping, de opengewerkte luiken, waarover 's
winters papier wordt geplakt, om de niet aanwezige vensterglazen te
vervangen, en vooral de aarden daken, met frissche bloemen en wilde
grassen begroeid, die bij het minste koeltje wuiven.

Om beurten glijden ons voorbij moskeeën met haar drievoudig, eveneens
bebloemd dak, en Hindoetempels, waarvan de koepels bedekt zijn met
lappen zink, helaas, afkomstig van petroleumblikken. Kaden en groote
trappen, van oude, gebeeldhouwde steenen gemaakt, vertoonen zich aan
de rivier. Vrouwen dalen erheen af, om haar kruiken te vullen van rood
of bronskleurig aardewerk; haar kleine houten sandalen, vastgehouden
door een enkel knopje tusschen den grooten en den volgenden teen,
klappen op de gladde treden, en het mag een wonder heeten, dat ze den
nek niet breken. De lange wollen kleedingstukken hebben soms aardige
fletse tinten van bleekgroen, lichtblauw of donkergranaat. Sjikara's
bevaren in alle richtingen de rivier, even talrijk als de fiacres in
de straten van Parijs.

Links hebben we laten liggen den nieuwen bazar, of Maharadsj-gandsj,
nu nog meer nieuw, daar men bezig is aan het bouwen na een brand,
die onlangs verwoestingen heeft aangericht. Hier is de zetel van al
die groote kooplieden van zilveren bibelots en oud koperwerk en email,
papier maché, houtsnijwerk en borduurwerk, die tot de kunstproducten
van het land behooren. Heb maar geen hoop, dat ge hun ontkomt. Ze
zullen u vervolgen te water en te land; met onuitputtelijk geduld gaan
ze vóór uw boot of uw tent staan, dringen langzamerhand binnen met
hun koopwaar en rusten niet, vóór ge hun een bestelling hebt gegeven,
te leveren aan het einde van het seizoen.

Af en toe komen makelaars van de inlandsche banken u zeer beleefd
vragen of ze uw chéques zullen wisselen, precies zooals de engelsche
bank, en zelfs bieden ze aan, wat die laatste niet kan, u kaschmireesch
geld te bezorgen voor de afgelegen steden van Midden-Azië, waar zij
agenten hebben aangesteld. En dan komen nog de bende van menschen,
die hun diensten komen aanbieden, kleermakers voor heeren en dames,
schoenmakers met schoeisel voor de stad en voor de bergen, bontwerkers,
fabrikanten van reisartikelen en kampbenoodigdheden, die u van top tot
teen willen uitrusten voor toekomstige expedities, u, uw personeel en,
als het noodig is, ook uw honden.

Voor die geheele wereld van handwerkslieden en handelaars was de
dood van de industrie der shawls ongeveer dertig jaar geleden een
verschrikkelijke slag. Zooals men weet, begon de mode zich omstreeks
1870 ervan af te wenden; en daar die handel grootendeels in handen
was van fransche makelaars en de fransch-duitsche oorlog plotseling
aan hun aankoopen een eind maakte, brachten de goede Kaschmireezen
natuurlijk hun ondergang met de rampen der Franschen in verband. Het
nieuws van Sédan werd door het demonstratieve volk met openbaar
geweeklaag ontvangen, dat, hoewel niet belangeloos er niet minder
oprecht om was, en misschien waren deze menschen de eenigen, die
oprecht met ons treurden. Een gedeelte van de wevers van shawls heeft
sedert dien tijd een broodwinning gevonden in twee tapijtfabrieken,
waarvan de eene door een Franschman wordt geleid, den heer Dauvergne.

Die economische crisis is overigens niet meer dan een episode in de
jongste geschiedenis van de ongelukkige hoofdstad in het "Gelukkige
Dal". Men verwacht niet anders dan dat droevig aanzien, als men aan
alle rampen denkt, die de stad in den loop der laatste jaren hebben
geteisterd, hongersnood, cholera, overstrooming en telkens herhaalde
branden, niets is haar bespaard gebleven, en bovendien heeft de stad
te lijden gehad onder de verklaarde vijandigheid der nieuwe engelsche
regeering, die, hoe weldadig ook voor de overige deelen van het land,
voor Srinagar een ongeluk was. Die opeenhooping van 125.000 inwoners,
voor het meerendeel mohammedaansche handwerks- en kooplieden, en voor
het overige Brahmanen, heeft te veel overwicht in een gesloten dal
van 35 mijlen in de lengte en tien in de breedte, en dat overigens
achthonderd zielen telt.

Tot zoowat vijftien jaar geleden was het traditie, dat de provincie
werd geëxploiteerd ten bate van de hoofdstad; maar toen luidde het
bevel tot de ambtenaren, die den maharadja geleend of hem opgedrongen
werden door de engelsche regeering, dat ze de rollen moesten omkeeren
en de stad moesten gebruiken ten voordeele van het platte land. Er
kan geen beter overzicht worden gegeven van de beide richtingen, dan
de heer W. Lawrence heeft gedaan in zijn interessant werk "The Valley
of Kaschmir", Oxford 1895. Hij, die zijn naam heeft verbonden aan de
verandering, zet daarin het verschil uiteen tusschen de oude en de
nieuwe richting. Eigenlijk zette men alles op zijn kop in Kaschmir,
en men moest wel met zulk een zachtzinnige en volgzame bevolking te
doen hebben, dat zoo'n bruuske en radicale verandering in zoo weinig
tijd tot stand kwam; overal elders zou ze onlusten hebben verwekt of
mogelijk een omwenteling, maar hier had ze zonder woelingen plaats,
al was het dan niet zonder leed, althans voor de stedelingen.

Maar mogelijk was nu hun beurt gekomen, want erkend moet worden,
dat het leven van de boeren in Kaschmir zeer hard was. Het was al
een grondbeginsel van de oude indische koningen, dat de landbouwers,
lieden van een lage kaste, niet meer bezit mochten hebben dan wat juist
noodig was, om hun zaaigraan te bezorgen voor den volgenden oogst,
en voedsel in die hoeveelheid, dat ze niet van honger stierven. Hun
overgang in massa tot het Mohammedanisme is zonder invloed gebleven op
hun lot. De koningen of de gouverneurs, die den Islam beleden, gingen
voort, hen te plunderen en de Sikhs volgden dat voorbeeld. Jacquemond
beschrijft den toenmaligen gouverneur als den Sikh, die in zijn domheid
voor het tegenwoordige bij machte is, dit ongelukkige land te berooven,
en die waarschijnlijk bij het neerleggen van zijn functie alles zal
moeten storten in de schatkist van Randjit-Singh.

Wat Goelab-Singh betreft, die heel gewoon zijn audiënties voor een
roepij verkocht, hij verstond geen gekheid in zake zijn inkomsten. In
den tijd van Ranbir-Singh werden er wel enkele pogingen gedaan, om
hervormingen in te voeren, maar ze hebben schipbreuk geleden door de
stelselmatige tegenwerking van de ambtenaren, die, zooals natuurlijk
was onder een indische regeering, brahmanen of pandits waren. Nu waren
alle pandits, vanaf den patwari in een dorp tot den vazir-vazirat
of gouverneur van een provincie met daar tusschen de tahsildars of
districtshoofden, het onderling eens, dat men den muzelmanschen boer
zooveel mogelijk moest uitzuigen. Het grootste deel der belastingen
werd in natura betaald, en de staat, die ongegeneerd den boeren
drie vierden van hun oogst afnam, verkocht dien tegen lagen prijs
aan de stedelingen. In dien tijd, zoo verzekerde men ons, kon een
mensch van een roepij in de maand leven. Het is duidelijk, dat in die
omstandigheden de stedelijke nijverheid een groote vlucht moest nemen,
dank zij de goedkoopheid van den handenarbeid; maar vroolijk was het
niet voor de dorpelingen, dat ze alle dagen het grootste deel van
hun rijst zagen verorberen door de darren van den bijenkorf.

Eindelijk kreeg de heer Lawrence de opdracht, het kadaster te herzien
en de grondbelasting anders te regelen; hij nam den boer onder zijn
bescherming en verklaarde tevens den oorlog aan diegenen, die hij zijn
vijanden noemde, te weten de pandits van de officiëele beambtenklasse;
ten tweede de dorpshoofden en ten derde de stad Srinagar. Sedert
blijkt meer en meer, dat het den boer, den zemindar, goed gaat, en de
andere klassen beweren zelfs, dat hij brutaal vooruitgaat. Hij heeft
van den Settlement Officer voorwaarden verkregen, beter dan hij ooit
heeft gekend, en het is niet zijn schuld, als hij er door list niet
nog zachtere heeft verkregen.

Al zijn er enkele vergissingen begaan, en al zijn eeuwenoude misbruiken
niet met één slag uit den weg geruimd, zoodat bijvoorbeeld de
afpersingen der kleine inlandsche ambtenaren niet hebben opgehouden,
toch is er geen twijfel aan, of de groote meerderheid van de
beschermelingen van den heer Lawrence kunnen terecht verheugd zijn
over een stelsel, dat hun voor de eerste maal vergunt, hun rijst te
behouden en hun belastingen in producten te betalen.

Wat te zeggen van zijn drie vijanden? Met een ervan, de corporatie
van de lambardars of dorpshoofden, heeft hij onderhandelingen moeten
houden en om hen kalm te houden, heeft hij hun vijf procent van de
opbrengst van hun dorpen moeten toestaan. Maar voor de brahmanen
en met hen de rest der inwoners van Srinagar is hij onverbiddelijk
gebleken, en het moet gezegd, dat er voor hen groot gevaar heeft
bestaan, dat zij van honger omkwamen. Zij leven echter nog, zij het
dan ook in ellende. De pandits zullen zich wel redden; zij hebben
het wel uitgehouden onder de onderdrukking der afghaansche gouverneurs.

Net als ze ten tijde der mongoolsche heerschappij Perzisch leerden,
zoo leggen ze zich thans op het Engelsch toe; de jonge lieden doen
examens en krijgen weer betrekkingen. Natuurlijk doet de periode van
overgang zich wel eens lastig gevoelen in de gezinnen; toch zullen
ze ten slotte de regeeringsposten krijgen, waaruit de heer Lawrence
hen had willen weren, en dat wel om de eenvoudige reden, dat zij de
verlichtste en ontwikkeldste klasse der bevolking vormen en dus goed-
of kwaadschiks ook de regeerende klasse zullen zijn.

Het meest zijn voorzeker te beklagen de arme handwerkslieden uit
Srinagar. Een troost is het ten minste, dat de Settlement Officer niet
vastgehouden heeft aan zijn aanvankelijken eisch, dat alle belasting
in geld moest worden opgebracht, en dat de staat niet langer de
groote leverancier van rijst voor de hoofdstad is. Dat werd in 1891
besloten, en het gevolg was zulk een hongersnood in het volgend jaar,
dat men niet ermee durfde voortgaan. In 1893 werd er besloten, nog
weer 300.000 ezelvrachten of kharvars, dat is 177 engelsche ponden
koningsrijst naar Srinagar te zenden; in 1896 werd er nog weer de
helft heengevoerd en de stad was daardoor voor den honger gevrijwaard.

Een nieuwe poging, die drie jaar geleden werd gedaan, is niet beter
geslaagd en zelfs in dit jaar, 1904, heeft men om de verschrikkelijke
duurte der levensmiddelen in twee van de vier districten slechts een
derde van de producten in natura, die verschuldigd waren, geïnd.

Dat de medaille dus haar keerzijde heeft, ligt niet aan den heer
Lawrence, maar aan het stelsel, dat in geheel Indië wordt toegepast. De
grondbelasting is er de hoofdbron van inkomsten. Het ligt niet in
Engelands politiek, de industrie in zijn koloniën aan te moedigen. En
dat is geen wonder. Men heeft het nog onlangs kunnen constateeren,
hoe Manchester zich bezwaard gevoelde over de concurrentie der
engelsch-indische katoenen weefsels. Indië wordt geëxploiteerd als
een groote landbouwkolonie, en men wil het liefst, dat het land van
het moederland alle gemaakte goederen koopt, die het noodig heeft. Dat
is mogelijk niet imperialistisch, maar het is practisch.

De vraag doet zich voor, of de bijzondere omstandigheden in
Kaschmir het niet noodig maakten, van het stelsel daar af te
wijken. Het bebouwbare deel van dat land is niet groot genoeg,
om het een toekomst door den landbouw te waarborgen. Misschien zou
het wijzer zijn geweest, niet alles ondergeschikt te maken aan den
wensch, gemakkelijk groote inkomsten uit den grond te halen. De
handvaardigheid van de Kaschmireezen, hun sinds lang beroemde
bekwaamheid in de versieringskunst zouden een veel betere bron van
inkomsten zijn geweest. Het was nog zoo dom niet van de oude koningen
en gouverneurs, een deel der inkomsten uit den grond op te offeren
voor het onderhoud der handwerkslieden uit de hoofdstad en voor den
bloei van hun handwerk. Alleen de rechten voor den uitvoer van shawls
brachten den staat meer dan zes duizend roepijen op; dus dat kon wel
als vergoeding gelden.

Wat de shawls nu niet meer opbrachten, zou door andere industrieën
kunnen zijn overgenomen. Zullen wij wijzen op die, welke de engelsche
bestuurders hebben trachten te steunen? Dat waren de bierbereiding en
die van confituren, dingen, die zelfs niet kunnen worden uitgevoerd bij
gebrek aan middelen van vervoer. Het is een belachelijke zaak, en men
moet er maar niet bij blijven stilstaan. Toen sultan Zaïn-oel-ab-Din
in het Dal de fabricatie van papier maché en van shawls invoerde,
toonde hij vrij wat meer doorzicht. Het is te vreezen, dat ten gevolge
van het duurder worden van het leven en door de toeneming van het met
koopwaar rondtrekken ten behoeve der toeristen de kunst, die de glorie
van Kaschmir is geweest, verloren zal gaan, zooals de industrieën,
oudtijds in Hindostan wereldberoemd.

Uit dit alles willen wij twee practische besluiten trekken. Het eerste
is dat het verstandig is, in Srinagar zich te voorzien behalve van den
pas, dien ieder Europeaan, Aziaat of Australiër moet hebben, van een
parvana dat is een soort van brief voor benoodigdheden, die men, als
het noodig is, kan gebruiken, hetzij om zich op de al te druk bezochte
wegen van koelies te kunnen voorzien, hetzij om het noodige te krijgen
voor de bedienden in de afgelegen dorpen, waar men veel moeite heeft om
de boeren te bewegen, u wat van hun rijst tegen goed geld af te staan.

De andere raad, dien wij gaarne zouden geven, is, om geen sjikari
te nemen als hoofd van de karavaan, of men moest speciaal om te
jagen naar Kaschmir zijn gekomen. Indien ge een bezoek aan het dal
verkiest boven die verre, vermoeiende, tochten, laat u dan liever
vergezellen door een pandit. Onderwezenheid en goede manieren zijn
op dit oogenblik niet duur in Kaschmir, en ge kunt voor het salaris
van een indischen bediende een welopgevoeden brahmaan bereid vinden,
die Engelsch spreekt en in staat is, u niet alleen tot tolk te dienen,
maar ook als tusschenpersoon in de onderhandelingen met de tahsildars
en lambardars onderweg en tot secretaris in het Kaschmirsch, zoowel
als in het Sanskriet en Perzisch. Natuurlijk zal hij met zijn kennis
van het land telkens uw nieuwsgierigheid kunnen bevredigen, en zoo
zal hij de reis interessanter maken, want ergens te reizen, zonder
te begrijpen, is evengoed als niet te zien.

Toen wij de aantrekkelijkheden van Srinagar hadden gezien, was het half
Juni geworden. Wij zullen er in het najaar terugkeeren, want nu volgt
de heete tijd en daarmee de muggen, soms ook de malaria. Dikwijls is
het klimaat van het lage dal vergeleken met dat van Lombardije.

Door de kronkelingen der rivier, die van de hoogte van den
Takht-i-Soeleiman door het dal de slingeringen teekent, die op de
shawls te zien zijn, wordt eerst Pandrethan bereikt, de oude hoofdstad,
indertijd onttroond door Srinagar. Zij lag op de eerste hellingen der
bergen, veilig voor de overstroomingen der Vitasta. De ruïnen zijn
niet anders dan een chaos van steenen. Alleen een kleine tempel staat
nog overeind op zijn vierkant pleintje, dat overstroomd is door het
water van de naga, zoo noemen de Kaschmireezen de bronnen en fonteinen,
die vaak slangen met menschenhoofden zijn en als beschermgoden worden
beschouwd. Op het zoo ontstane vijvertje dreef een bootje. Toen ik daar
eens in wilde stappen, had ik mijn eerste ontmoeting met een slang,
maar deze had niets mythisch aan zich, evenmin als die, welke een paar
dagen later gevonden werd onder het tentgordijn. Na dien tijd heb ik
ze niet meer gezien en verlangde ook niet naar een volgende ontmoeting.

Toen het beest door stokslagen van de handji's gedood was, vroeg ik
den pandit, die zulk een moord afkeurt, of de slang vergiftig was,
en in plaats van zich te bukken, om na te zien, hoe de vorm was en de
kleur, gaat hij recht overeind staan op zijn pantoffels en met zijn
neus in de lucht, kijkt hij naar het Noordwesten.... Toch was het
een antwoord op mijn vraag, want de goede man moest dat in de wolken
zoeken. Siva resideert namelijk op den Haramoek, draagt als arm-
en halsbanden slangen en heeft in zijn hoedanigheid van beschermgod
beloofd, dat de beet van zulk een dier nooit doodelijk zou zijn op
een plek, waar men den besneeuwden top van zijn woning kon zien. Dus
moest even worden gekeken, of men van hier den Hamaroektop kon
onderscheiden. "Zoolang u dien kunt zien," voegde de pandit erbij,
"kan u gerust wezen; maar anders is er wel gevaar..." Ik zal toch
maar in elk geval op mijn hoede zijn.

Meer stroomop vertoont Pampoer den voet van een Hindoetempel,
een moskee, een brug en velden, waar in het najaar saffraan zal
bloeien. De oogst van deze geliefde lekkernij der Kaschmireezen is
een staatsmonopolie, en men moet het goudpoeder uit de helmknoppen met
zijn gewicht aan zilver betalen. Er worden te Pampoer ook uitstekende
beschuiten gebakken, die op reis zeer te pas komen en naar mijn smaak
met het beste brood kunnen wedijveren.

Ik zal niet alle halten van onze reis kunnen noemen, maar mij tot de
belangwekkendste bepalen. Na Pampoer op den rechtschen oever ging
het naar de zwavelbronnen van Vian en de ruïnen der tempels van
Ladoe. Van Kakapoer op den linkeroever brengen twee uren wandelens
u naar den kleinen tempel van Payech, die goed bewaard is gebleven,
een juweel van de kaschmireesche kunst. Wat de tempels van Narasthan
betreft, er is een goede dagreis noodig, om ze aan den voet der
hooge sneeuwbergen te ontdekken; daarentegen liggen de vele ruïnen
van Avantipoer aan de rivier, ten deele in de aanslibbingen verzonken.

Hooger krijgen wij de samenvloeiing van de Vitasta en de Vesjo, niet
minder heilig in de oogen der Hindoes uit de streek dan die van de
Vitasta en de Sindh. Aan den hoogen kant ziet men een plateau, dat
zonderling door het water is uitgeslepen, en op dien top zou Kacyapa
duizend jaren in overpeinzing hebben doorgebracht, vóór hij het dal
liet verdrogen. Men zou hem intusschen kunnen verwijten, dat hij zijn
werk maar ten halve heeft verricht.

Want als in het begin van den regentijd een hevig onweer komt opzetten,
en zijn waterhoozen naar Kaschmir voert op het oogenblik van het
smelten der sneeuw, wordt het Dal plotseling overstroomd en is dan
bij gebrek aan een voldoend breeden weg van afvoer in gevaar, in
een meer te worden veranderd. De overstroomingen van Juli 1893 waren
noodlottig; die van Juli 1903 waren het niet minder, en men schat het
verlies op een zesde van den oogst. De naga's hadden toen wel dorst,
en ze schenen hun periodieke schadeloosstelling te moeten hebben.

Aan den voet van de kareva, zoo heet een klein plateau, van Tsadakar
in een nu droog geworden vijver, is de plaats, waaraan een der
merkwaardigste legenden van Kaschmir is verbonden en tevens een der
oudste. In dien grijzen voortijd woonde nog een naga in den plas,
en boomen spiegelden zich in het effen water; daar kwam een jonge
Brahmaan op een dag schaduw zoeken en koelte. Toen hij zich gereed
maakte, zijn proviand aan te spreken, zag hij plotseling een jong
meisje voor zich staan, dat zoo mooi was, dat hij vergat te eten. Hij
werd nog verlegener, toen hij bespeurde, dat het mooie kind niet
anders gebruikte dan lotuswortels. Door een teeder gevoel gedreven,
noodigde hij haar uit, zijn rijst met hem te deelen, bracht haar te
drinken in een beker van bladeren en wuifde haar koelte toe, waarna
hij haar smeekte, hem haar geschiedenis te vertellen en hem te zeggen,
hoe het kwam, dat zij, zoo bekoorlijk en aanvallig, het blijkbaar
zoo armoedig had.

Zonder omwegen vertelde hem de nagi, want het was zulk een heilig
wezen, dat het mooiste meisje ter wereld niet anders kan eten,
dan wat zij bezit, en wat de oorzaak van haar armoede aanging, daar
moest hij haar vader maar eens naar vragen. Hij zou hem vinden in
het naastbijzijnde dorp en hij kon hem herkennen aan zijn van water
druipend haar. Zoo gebeurde het ook; de watergod vertrouwde aan den
jongen brahmaan zijn klachten over de hardheid der tijden en vertelde,
dat hij groot gebrek leed, want de onderaardsche goden hebben ook
behoefte aan rijst, even goed als de menschen, en storm en onweer
zijn hun manier om goede oogsten te krijgen.

Nu waren de velden in de buurt gesteld onder de bewaking van een zoo
streng kluizenaar, dat er geen aartje af kon en hij niets van den
nieuwen oogst gebruikte, en zoolang hij niet had gegeten, konden
de naga's er niet aan komen. Zoo leden hij en de zijnen de kwalen
van Tantalus. De verliefde brahmaan had geen rust, vóór hij den
vader van zoo'n mooi meisje had verplicht. Hij bedacht den list, om
eenige rijstkorrels van den nieuwen oogst in de soep van den asceet
te werpen, als deze den rug gekeerd had. Nauwelijks had de grijsaard
er een balletje van in zijn mond gestoken, of een hagelbui viel neer,
en de naga nam den geheelen oogst mee en gaf uit dankbaarheid den
brahmaan zijn dochter tot vrouw.

De echtgenooten leefden gelukkig; maar hun geluk was slechts van korten
duur. Op een dag, dat de nagi op het terras was, zag ze een paard,
dat uit den stal was gevlucht en dat smulde van een hoop rijst, die
er was neergelegd, om te drogen. Zij riep, dat er iemand zou komen,
om het weg te jagen, en toen er niemand antwoordde van de bedienden
liep ze er zelve heen onder het gerinkel van haar zilveren armbanden
en het paard nam op zijn rug een gouden merkteeken mee van de hand,
die het geslagen had. Dat was het begin van de ellende. De aanblik
wekte den hartstocht van den koning van het land. Hij beproefde eerst,
maar te vergeefs, de jonge vrouw te verleiden. Toen probeerde hij, haar
van haar man te koopen, maar de brahmaan wilde er niet van hooren, en
stelde de eer niet op prijs, dien de koning zijn huis wilde bewijzen.

Eindelijk toen de koning, het onderhandelen moede, zijn soldaten
zond, om de nagi met geweld te vermeesteren, riep de brahmaan zijn
schoonvader te hulp. De naga steeg verwoed uit zijn vijver op, en in
minder tijd, dan er noodig is, om het te verhalen, verbrandde hij
den koning, de stad en al haar inwoners. Daarna kreeg hij tegenzin
in de wereld en leed aan wroeging, zoodat hij zich in de eenzaamheid
terugtrok op den weg naar Amarnath, waar hij nog is.

Niet ver van daar op den linkeroever heeft het groote dorp
Vidjabroer, het By-Bihara van de engelsche kaarten een modernen
Hindoetempel, gebouwd door Goelab-Singh, waar allermerkwaardigste
afgodsbeelden worden bewaard en waar men ook in de nabijheid een mooie
mohammedaansche ziarat beeft met drievoudig dak. Bij elke schrede
ontmoet men er trouwens sporen der oudheid, en de bazar is vol met
oude koperen munten. Er werd gekampeerd aan de overzijde van de brug
onder eeuwenoude platanen, niet ver van het huis waar de maharadja komt
uitrusten, als hij een of twee dagen te Srinagar komt. Wij hebben er
het bezoek gehad van een ouden muzelmanschen fakir, die zonder twijfel
in beschaafde landen zou betiteld zijn als vagebond. De bedienden
maakten zich van den man meester en zetten hem een schitterend maal
voor; een ongeloofelijke hoeveelheid rijst, dan tsjapati's, een soort
van broodjes en versche kaas, ruim bestrooid met suiker, alles genoeg
om drie mannen te verzadigen; daarna boden ze hem een hoeka aan.

Terwijl onze kok, een zeer vroom Muzelman, hem aankeek met vereerende
blikken en met het liefdevolle van een moeder voor haar eerstgeborene,
zat de vuile man kalm te rooken; de pijp alleen uit den mond nemende om
eenige verwenschingen te slingeren naar het hoofd van de menschheid,
die hem voedt en kleedt, terwijl hij zich lui in de zon koestert en
zijn ongedierte verschuift. In physiek opzicht heeft hij niets van
den fakir zooals men zich dien voorstelt, en zooals hij ook gewoonlijk
is. Groot en kaal, met woeste wenkbrauwen en onbeschaamde, knippende
kleine oogen, ziet hij er met zijn stompneus en langen, krullenden
baard uit als een oude faun. Als de maharadja te Vidjabroer is, vraagt
hij steeds naar den fakir; maar de oude, die de eerbewijzen minacht,
onttrekt zich aan de hulde en blijft onvindbaar. Ik zeg u zijn naam
niet; ik heb vergeten er naar te vragen en heb hem uit mijzelf maar
Diogenes gedoopt.

Maar reeds wordt de rivier smaller tusschen de met vlas begroeide
oevers en weldra wordt ze ook ondieper, en de stroom neemt in kracht
toe. Dat is het oogenblik voor de handji's om hun schutspatroon aan te
roepen, Dast Guir, hetgeen ze doen onder het boomen of trekken. Op een
gegeven oogenblik moeten ze in het water loopen, de eenen trekkend,
de anderen de boot duwend, tot die eindelijk voor de plek van het
kamp aankomt te Islamabad, een ijver die te lofwaardiger is, daar ze,
nu wij hier eenmaal zijn, worden ontslagen.

Terwijl de tenten worden opgezet, kwamen de gezinshoofden met het
schrift van hun getuigschriften aan, waar wij het onze bij moesten
voegen. Wij zagen zoo terloops curieuse opmerkingen, bijvoorbeeld
die van een heer, verklarend de boot te verlaten, "omdat hij niet
langer kan verdragen, te zien hoe de mooie zuster van den bootsman
altijd paardewerk moet verrichten". Wij voegden onze onderteekeningen
bij die zonderlinge collectie autografen. Waarna de salams volgden,
het bedanken en het air van onderworpenheid, toen ze de roepijen
in ontvangst namen, die welverdiend waren voor twee maanden goeden
trouwen dienst.



III.

    Tentleven.--De kleine dalen in het Zuid-Oosten.--Geschiedenissen
    van dieven en sprookjes.--De ruïnen van Martand.--Brahmanen en
    Mollahs.


Islamabad of, zooals de Hindoes zeggen, Anantnag ligt bijna aan de
samenvloeiing van de vier onbevaarbare rivieren, Sandran, Bringh,
Arpat en Lidar, takken van den waaier, waarvan de Vitasta de steel
is. Het dal van elk dier stroompjes is schilderachtig, het eene nog
meer dan het andere. Dat hun landschappelijk schoon niet dateert van
gisteren of heden, blijkt uit de zomerverblijven, die de Mogols er
hadden gebouwd en waarvan de overblijfselen nog in wezen zijn. Jehan
Guir vooral was er graag in gezelschap van de schoone Noer-Mahal, wier
herinnering, tegelijk idyllisch en tragisch, nog hangt onder de door
haar geplante platanen. En waarlijk, wie in alle hoekjes van dit land
heeft rondgekeken begrijpt, wat Bernier van dien keizer zegt, namelijk,
dat hij er zooveel van hield, dat hij het niet kon verlaten en dat hij
liever zijn heele land zou verliezen dan Kaschmir te moeten opgeven.

Islamabad is het punt van uitgang voor alle uitstapjes, die wel met
tenten moeten worden ondernomen, omdat er bijna nergens bungalows
zijn. Ook is die plaats een markt voor alle producten uit de dorpen,
op Srinagar handel drijvend. De groote boomgaard, die tot kampplaats
dient, is zeer levendig, evenals de oever der rivier, waar veel schepen
liggen. Maar des nachts is het hondengeblaf zeer lastig en het belet
u te slapen, vooral omdat er zich nog andere geluiden bijvoegen,
als jakhalsgehuil en het balken der kleine pakezels. Daarom bepaalde
ik mij tot een kort bezoek aan de heilige bronnen en den bazar van
de stad. Men vindt daar geborduurde stoffen, gaba's genoemd, van
allerlei tinten en allerlei grootte, vanaf de kleinste tafelkleedjes
tot gordijnen en portières. Dat borduurwerk is zeer goedkoop en zeer
decoratief, en de patronen doen denken aan die van de oude shawls. Er
worden ook kleine sierspinnewieltjes gemaakt, die als bruidsgeschenk
gegeven worden aan kaschmireesche bruiden en die mooi ingelegd zijn.

Wij vertrokken na twee dagen. In den morgen werden de tenten opgerold,
waarbij alles door elkander op het gras lag. Het bad verbroedert zich
met de vliegenkast; het braadspit van den khansama sluit vriendschap
met den parapluiezak; het beddegoed met de pannen, het lijkt een echte
trek van een kermistroep aan den grooten weg. En inderdaad gaan ook
wij nu leven dat onbezorgde nomadenleven, dat zij wijselijk hebben
behouden uit den tijd onzer voorhistorische voorvaderen. De groote
moeilijkheid is nu, om al dat goed te verdeelen in pakken van gelijk
gewicht, ongeveer tachtig pond. Als door een toovermiddel wordt
alles geschikt. Het linnen der tenten wordt om stokken gewonden;
het bed, dat uit elkander kan worden genomen, wordt gepakt in het
draagzeel, en het beddegoed wordt gevrijwaard voor stof en vocht in
caoutchouclakens. Vaatwerk, keukengerei, mondvoorraad van allerlei aard
wordt gestopt in de ruimten van groote rieten manden, overtrokken met
leder, en die zeer licht en toch stevig zijn en ondoordringbaar voor
vocht. Ze worden in Kaschmir gemaakt. De vouwstoelen liggen opgehoopt
op de tafels, die eveneens toegeslagen kunnen worden. In het geheel
waren er twintig pakken, dus moeten wij twintig man hebben of tien
ponny's, om in de jungle alle behoeften der beschaving achter ons
aan te sleepen. Het is nog niet veel, als men bedenkt, dat de Groote
Mogol dertig duizend dragers noodig had, als hij zich op reis begaf!

Het merkwaardige is niet, dat men dragers noodig heeft, maar dat men
ze ook krijgen kan. Niet alleen is heel Kaschmir als een groot park,
dat geheel ter beschikking van den bezoeker wordt gesteld, en waar
hij naar believen zijn tent kan opslaan, maar als het hem lust verder
te gaan, dan heeft hij het slechts te zeggen. Des morgens vindt hij
bij de tenten zitten veel brave lieden uit het naastbijzijnde dorp,
die te zijnen behoeve hun huizen en hun velden in den steek hebben
gelaten, alleen om hem van dienst te kunnen zijn. Met hun 80 pond
op den rug, gaan ze, waar hij hen heen brengt. De prijzen zijn vast;
voor de etappe van 20 kilometer vier anna's; voor de halve twee anna's,
dat is veertig of twintig centimes fransch geld. Ten gevolge van een
goeden raad, die mij werd gegeven, had ik een groote hoeveelheid kleine
geldstukjes van 2 en 4 anna's meegenomen. Ik liet de koelies op een
rij stellen en zag erop toe, dat ieder kreeg, wat hem toekwam. Dank
zij dat systeem had ik nooit moeite, dragers te krijgen. Het was
een aardigheid, den glimlachte zien, waarmee ieder zijn geldstukje
in ontvangst nam, terwijl de laatsten met een scheef oog toekeken en
zich het hoofd krabden in hun onrust, of er nog wel genoeg overbleven,
tot de beurt aan hen kwam.

Te Atsjibal voerde ik voor de eerste maal die comedie op. Aan
den voet van den berg ontspringen drie bronnen, die dadelijk tot
drie riviertjes worden, en om er het rechte genot van te hebben,
hebben de Groote Mogols er bekkens laten aanleggen en terrassen
met lustverblijven. Dat alles is nu wel zeer vervallen; maar de drie
watervallen spelen nog, en daar dicht bij wordt ons kamp opgeslagen in
de schaduw van eeuwenoude platanen tusschen vier bruisende stroompjes,
die een heerlijke frischheid onderhouden.

Ook hoorde ik te Atsjibal de eerste en laatste geschiedenis van een
diefstal, die mij in Kaschmir ter oore is gekomen. In dit gelukkige
land is de veiligheid volmaakt, in ieder geval veel grooter dan in
Frankrijk, waar ik niet rustig slapen zou in het open veld onder
een dakje van linnen. Toch is er, een ongehoord feit, den vorigen
nacht een poging gedaan om een koffer te stelen uit een kamp aan den
anderen kant van het dorp. Zulk een aanval op particulier eigendom van
de Sahibs schreeuwde om ernstige wraak; twee inspecteurs van politie
kwamen dadelijk aangereisd van Islamabad. Wij vernamen 's morgens, dat
ze den nacht hadden doorgebracht met aan alle bewoners van het dorp
stokslagen toe te dienen, om hun gauwer de misdaad te doen bekennen,
die ze toch niet allen kunnen hebben bedreven. Dat zijn, naar het
schijnt, de gewone manieren van de politie; kan men zich wel luid
genoeg ertegen verzetten? De lambardar of dorpsburgemeester kwam mij
schreiend vragen, of ik niet tusschenbeide kon komen. Dat beloofde
ik; ik ging eens hooren bij den politiedienaar, wat hij dacht dat de
resident van dit soort van onderzoek wel zou zeggen... Maar ik heb
het verhaal van den man slecht begrepen. Het schijnt dat het bezwaar
elders ligt. De dorpelingen beklagen zich in het minst niet, omdat
ze slagen hebben gekregen. Wie zou dom genoeg wezen, een diefstal te
bekennen anders dan onder stokslagen? Maar nu wil men een waarborgsom
van honderd roepijen van hen vorderen, die zij zeker zijn, nooit terug
te zullen zien. Daartegen komen ze in verzet. Ze willen wel geslagen
worden, maar ze willen de klappen niet ook nog betalen! Zooveel
philosofie aan de zijde der geïnteresseerden werpt een koud bad op
mijn mooie opwelling van verontwaardiging, en ik laat de dorpelingen
en de politie het verder onder elkander uitmaken.

Wat men na de bronnen van Atsjibal vooral moet gaan zien in het
Zuidoosten van Kaschmir, zijn die van Koekar-Nag en Ver-Nag. Wegen
voeren er rechtstreeks heen van Islamabad. Maar het was naar ons
idee beter, den spoorweg te nemen en de groote toer te doen door
het Nauburgdal. Om te beginnen rijden wij ten oosten van de bergen
van Atsjibal langs en maken een eerste uitstapje naar den naga en de
ruïnen van Kothair. De steenen der oude tempels zijn afgesleten door
den tijd, maar het ronde bekken van de bron bevat nog het helderste
water; het lijkt of er een stukje van den hemel in een holte van den
berg is gevallen.

Wij bestijgen thans het pad, dat een zonnige berghelling tusschen twee
dalen beklimt. Boven aan den pas openen zich de dalen, die tot het
gebied van de Bringh behooren. Menschen, die haast hebben, zouden,
door rechtuit te gaan, Koekar-Nag kunnen bereiken over Sop en zijn
ijzermijnen. Wij wenden ons daarentegen naar links, om ons kamp op
te slaan in de schaduw van de populieren van Karpoer. Nog hooger dan
die van Srinagar, vormen ze in het midden van een kleinen kring van
bergen een bouquet van boomen. Er zijn oude, die op het punt zijn
van te bezwijken. Een is over het pad gestort, en daar het onmogelijk
bleek zoo'n massa in beweging te brengen, heeft men er dwars doorheen
een weg gebaand.

Den volgenden dag brengt een andere pas ons in het dal van
Nauburg. Daar zou men alleen aan kunnen verwijten, dat het al
te mooi is. Het lijkt wel een goed onderhouden park. Een helder
riviertje kronkelt over gladgepolijste steenen tusschen rijstvelden
van een onvergelijkelijk mooi groen. Daarboven liggen maïsvelden
tot aan de boomgaarden, die eerst wijken bij de grens der groote
dennenwouden. Maar in de op het Noorden gelegen laagten blijven
kleine sneeuwvelden liggen, en hier en daar heeft men het gezicht
op de besneeuwde toppen, die in het zomerblauw van den hemel de
schittering van hun gletschers naast die der witte wolken brengen.

De beste kampplaats is te Laram boven het dorp onder notenboomen. Het
was er zoo heerlijk koel, dat ik midden in Juli elken avond graag
bij het vuur kroop. Die avonden bij het kampvuur behooren tot mijn
liefste reisherinneringen; soms vlamde in den gloed een heele den,
want er is hout in overvloed. Trouwens we hebben al wat we noodig
hebben, melk, boter, eieren, kippen, alles wordt ons in het kamp
gebracht. De honig is verrukkelijk. En die goede Kaschmireezen zijn op
het snuggere denkbeeld gekomen, heele velden met de fijnste doperwtjes
te bezaaien en zoowat overal snijboonen te laten opklimmen tegen de
maïsstengels. Alleen kost het eenige moeite, hun aan het verstand
te brengen, dat men de erwtjes graag onrijp wil eten en heel jong;
zij meenen, dat er gewacht moet worden, tot ze flink dik zijn. Later
vonden we in het dal der Lidar op veel grooter hoogte en veel later
in den tijd nog heel jonge erwtjes. Dat gaf mij zoo'n verrassing,
dat ik besloot, daar mijn medemenschen van te vertellen, en dat was
de eerste aanleiding tot het plan voor dit reisverhaal.

Enkele mijlen achter Laram bereikt men de oevers der Bringh; de
stroom is ingesloten in een smalle bedding, waar de rotsen dicht
op aan dringen, wat het water een kleur van donker opaal geeft. Aan
den overkant van de brug komt men op den weg, die van Kitsjwar naar
Kaschmir leidt. Op den rechten, zonnigen weg wierpen alleen de boomen
bij de dorpen wat schaduw, die daarom nog des te meer welkom was. Bij
een der dorpen hoorde ik een vreemd gezang. Het was een weemoedig
lied, dat al droeviger en droeviger werd, om eindelijk in een gesnik
te eindigen. Toen ik naar het zingen had geïnformeerd, bleek het de
klacht van een moeder, die drie dagen te voren haar zoon door den dood
had verloren. Voor haar huis gezeten, bij het verlaten spinnewiel,
verheerlijkte zij in een klagende improvisatie de schoonheid en de
uitstekende hoedanigheden van den overledene. Elken morgen, tot er
veertien dagen voorbij waren gegaan, moest zij van zonsopgang af
zoo haar droefheid toonen, tot een andere vrouw, bloedverwante of
buurvrouw, stil haar hand op den mond van de klaagster legde en haar
op die wijze deed begrijpen, dat ze genoeg had geklaagd voor den dag.

Wij sloegen de tenten op dichtbij Vangam in een boomgaard van
abrikozen, om op een klein uur afstands van daar een bezoek te
brengen aan een dier bekoorlijke dalen, waaraan het land zoo rijk
is, en waar de intermitteerende bron Soendbrar werd gevonden. In
Juli is die niet veel meer dan een diep bekken, een waterbak met wat
ruwe steenen eromheen; maar in April en Mei kookt en bruist de bron
driemaal per dag. Dan komen de pelgrims in menigte zich baden in het
heilig geoordeelde water. Op rijen staande om den kuil, wachten ze de
komst af; maar als bij het stijgen van het water een dwaas uitroept:
"Daar is het!" trekt het beleedigde water zich op eens terug,
zoo werd mij met den grootsten ernst verzekerd. Al in den tijd van
Bernier was dit wonder van Kaschmir beroemd. Hij bracht er een bezoek
aan en trachtte het te verklaren. De activiteit van de bron in het
voorjaar bracht hij in verband met het smelten van de sneeuw op de
omringende bergen. In plaats van aan een physische oorzaak te denken,
schrijven de Kaschmireezen de periodieke verschijnselen toe aan een
veel diepere oorzaak. De godin, want natuurlijk is de bron een fee,
heeft tot zich zelve gezegd: "In deze eeuw van ijzer zal niemand op
mij letten, als ik hier altijd ben. Ik zal dus slechts twee maanden
van het jaar mijn aanwezigheid toonen, dan zal ik des te meer worden
geëerd...." En de berekening heeft niet gefaald.

Van Vangam brengt een korte tocht ons naar Koekar-Nag. Maar hier
ontbreken mij inderdaad de woorden, om de bekoorlijkheden van dit
oord te schilderen. Wat zal ik zeggen? Aan den voet van een heuvel,
bedekt met pioenen, die als boomen opschoten, ontsprongen een tiental
bronnen, die samen een helder, klaterend riviertje vormden; aan de
oevers mengden mossen en varens en vergeet-mij-niet en boterbloemen
zich met de hoogere sneeuwballen en rhododendrons. Weer hooger klommen
jasmijn en clematis en rozen tegen de boomen op en hingen in bogen
boven onze hoofden als in berceaux.... Ik weet wel dat zoo iets ook
wel elders te vinden is; maar nergens kan het liefelijker, zangeriger,
geuriger en frisscher wezen. Nu en dan zag ik door het gebladerte den
blauwen kop van een paradijsvogel, om zijn naam waard hier te leven,
want men waant zich werkelijk in het antieke Eden.

Slechts af en toe werden we aan het bestaan van andere menschen
herinnerd. Een grijsaard in lompen, die zijn paard aan den halster
achter zich aan sleepte, hield zich op bij de tent der bedienden en
vertelde de nieuwtjes van den dag. De maharadja is van morgen in het
dal gekomen, en om te beginnen, heeft hij een dracht stokslagen laten
toedienen aan den tahsildar of onderprefect van Ver-Nag. De reden was,
dat er niet genoeg gras voor zijn paarden was.

Ongeveer drie mijlen scheiden ons van de residentie van den
ongelukkigen onderprefect, die, naar gezegd werd, in de herrie
een deel van zijn baard heeft verloren en niet voor den dag wil
komen. Wij moeten alleen nog over het kleine bergland trekken, dat
het dal der Bringh van dat der Sandran scheidt. Op dezen Julidag gaan
we voorbij den kleinen landelijken tempel van Voetanar. In de verte
hoorden we al een onwelluidend gezang tusschen de boomen klinken;
het was de brahmaan van deze plaats, die er knielde voor een zwart
beeld van Vischnoe met drie hoofden, waarvan een de kop van een wild
zwijn was. Hij had het beeld al gewasschen, in een shawl gewikkeld
en het met bloemen behangen. Om hem heen lag al het benoodigde voor
den dienst, de hoorn, om de booze geesten te verjagen; de klok,
om de aandacht van den god te trekken, de waaier, om de vliegen te
verjagen en de cymbalen, om muziek voor hem te maken. Onvermoeid was
de oude priester aan het psalmen zingen... Wie heeft toch beweerd,
dat al die goden dood waren?

Vanaf het bergje, dat zich achter Voetanar verheft, heeft men een
verrassend uitzicht. Aan onze voeten vloeide diep beneden in het
smalle, met dorpen in boombouquetten bespikkelde dal de Sandran
over haar rotsachtig bed, omlijst door bloeiende tamarinden in een
kader van rijstvelden. Midden in een groep populieren, zoo hoog als
scheepsmasten, lag het groote achthoekige meer van Ver-Nag, het bekken
eener beroemde bron. Op den achtergrond verheft zich de dreigende
muur van den Banihal en de beboschte hoogten, die ervoor liggen. Het
smalle lint, dat erdoor loopt, is de weg naar Djammoe, gereserveerd
voor den maharadja. Wij zijn nu aan de zuidgrens van Kaschmir.

Boven de booggalerij, waarmee Jehan Guir de beroemde bron van Ver-Nag
liet omringen, staan aan drie kanten open paviljoens, die als bungalows
gebruikt worden. De schoone Noer Mahal hield er zeker verblijf, en in
ieder geval is het een genot er te vertoeven tusschen het blauwe meer
en den groenen heuvel. Een wirwar van clematis en andere klimplanten is
tegen den steilen berg op gegroeid en omslingert de dennen. Het diepe
azuur van het meer laat visschen bij myriaden zien. De watervlakte
gaat door voor onpeilbaar, ten minste dat beweert de pandit, wat
hem niet belet even stellig te beweren, dat er op den bodem een oude
kluizenaar woont.

Ziehier, hoe men dat te weten is gekomen. In dien ouden tijd leefden
de menschen alleen in Kaschmir in den zomer; zoodra het herfst was
geworden, haastten ze zich te verhuizen, om hun plaats af te staan aan
demonen en kabouters, die den geheelen winter als heeren en meesters
in het dal optraden. Eens lieten de mannen een ouden grijsaard achter,
die de kracht niet meer had, hen op hun zwerftochten te volgen en
die hun de kosten van zijn vervoer niet waard scheen. Kabouters en
demonen gebruikten den indringer als zondebok; maar toen ze eens met
hem bal speelden, lieten ze hem in de bron vallen. Die onhandigheid
zou hun duur te staan komen. Onder in het bekken vond de arme, oude
man een medelijdenden kluizenaar, die hem twee zaken ten geschenke
gaf, een tooverboek, om de duivelen te bannen, en een kangri of
kaschmireesche stoof, om zich tegen de kou te beschutten. Gewapend
met die twee kostbare dingen, bracht de grijsaard een zeer goeden
winter door en in de lente van het volgend jaar vonden de verbaasde
bewoners hem levend terug. Hij vertelde hun zijn geheim en van dien
tijd hebben ze vaste woonplaatsen in het dal.

Door kleine dalen, die al woester werden, kwamen we eindelijk in het
geheel gesloten dal van Rozloe, waarboven de romantische rotsen en
toppen van den Soendrinar opsteken. Het land is een leen of djagir,
vroeger geschonken aan Randjit-Singh. Wij sloegen ons kamp op in het
centrale dorp Kantsjloe, het Kosroe der kaarten, woonplaats van de
grootheden van het district, die er nog rechtspraak uitoefenen. Er
werd ons een kampplaats aangewezen onder notenboomen op een plek,
die veel van een kerkhof had; maar daar werd niet op gelet.

Pas waren de tenten opgeslagen, of daar kwamen de diplomatieke
geschenken al voor den dag, vruchten, groenten, honig. Wat zou men
wel in ruil verwachten of verlangen? Niet veel bijzonders, alleen
een weinig van dat product der beschaving, dat poeder van pyrethrum
heet en in de engelsch-indische wereld niet overbodig is, want al is
men een machtig oostersch vorst, men wordt daar door het ongedierte
niet ontzien.

Het was zeer druk in het dorp. Toen we inlichtingen vroegen, bleek
het, dat het een huwelijk gold, en dat er een optocht zou plaats
hebben. Eerst kwam de bruid, gedragen in een draagstoel, die hermetisch
was gesloten; dan volgden de muzikanten met tamboerijnen en fluiten,
waar ze met veel ambitie op bliezen. Hun gruwelmelodie scheen mij een
verontschuldiging voor het verschrikte gezicht van den bruidegom,
een knaap van twaalf jaar, in gewaden van goud en rood gestoken en
met een tulband op het hoofd, waar de aigrette van reigerveeren op
prijkte. Op een paard gezeten, geleidde hij aldus de jonge vrouw naar
haar ouders terug, in afwachting van den tijd, waarop ze beiden oud
genoeg zullen wezen, om echt een huishouding te beginnen.

Wat hoorde ik hier een plaatselijke legenden! Ik had er vermaak in,
ze uit den mond van den pandit te vernemen. Zoo heet het vooreerst,
dat de hooge toppen, waar nog hier en daar sneeuw op ligt, bewoond
worden door Yogini's, half feeën en half toovenaressen; wee hun,
die in haar betooverde verblijven verdwaalt; hij verliest er op
zijn minst zijn verstand bij. Er werd ons onder andere verteld,
dat ze iets hadden gedaan, dat aan een verhaal van Rudyard Kipling
doet denken, in zijn boek over de jungle. Op een goeden dag in 1894
vond een Goedjar, toen hij zijn kudde op een Alpenweide liet grazen,
een jongen van vijftien jaar naakt en stom op een rots zitten. Hij
bracht hem naar de ziarat van Valtongoe, waar men hem gedurende drie
maanden te eten gaf op kosten van de weldadigheid der geloovigen,
toen iemand uit Shahabad, die een pelgrimstocht kwam doen, zijn zoon
herkende, dien hij sedert twaalf jaren verloren waande. Zonder twijfel
was hij al dien tijd verborgen gehouden door de Yogini's van de bergen.

Ook woont er te Valtongoe in de zes zomermaanden een naga, van wien het
heet, dat hij den winter in Indië doorbrengt. En ten slotte bezochten
wij, voordat we het dal verlieten, den beroemden, waarzeggenden naga
van Rozloe, waar bij de bron van dien stroomgod des nachts de doode
boomstammen aan het vechten zijn. Als een ramp het land bedreigt,
schrijft hij op het droge slijk van de bedding profetische teekens;
een zwaard kondigt oorlog aan, een wan beteekent hongersnood; maar
wat de mahamari aangaat, de groote moordenares de cholera, haar komst
wordt met bloedige letters aangekondigd.

Om van Kantsjloe aan den ingang van het dal der Didar te komen, moet
men Kaschmir in zijn geheele breedte weer door, en men heeft er drie
flinke dagreizen voor noodig en moet vier rivieren oversteken. Ik
passeerde de eerste, de Withavatoer, over dikke steenen; aan den
oever van de tweede gekomen, de Sandran, was ik niet weinig verbaasd,
dat de bedding geheel droog was; toen ik vroeg, waar het water was
gebleven, maakte een Kaschmirees een onduidelijke beweging met de
hand, en ik begreep, dat het juist voor de besproeiing der velden
werd gebruikt. Wat de Bringh betreft, zij was zoo vol, dat ik moest
besluiten van den rug van een koelie gebruik te maken, om er overheen
te komen. Ik ontmoette bij die plaats een vrouw, die geslagen was door
haar buurvrouw en zich bij de politie van Islamabad ging beklagen. Zij
hield als een kostbaar bewijsstuk de drie tanden in de hand, die
de vrouw haar had uitgeslagen. Zoo kwamen wij van Lokabhavan, onze
eerste rustplaats, naar de tweede in de koele omgeving van Atsjibal,
waar wij onze hoofdbagage vonden.

Van Atsjibal naar Martand liep de weg door rijstvelden, besproeid door
de Arpat. Men gaat er over de rivier door middel van een rustieke brug,
bestaande uit twee over den stroom geworpen boomen, die toen bedekt
werden met takken en aarde. Weldra waren wij daarna op de kareva. In
Juli is de graanoogst al voorbij. Groote bergen koren staan bij de
dorpen, en op dorschvloeren trappen ossen de korrels eruit. Op de
velden stonden nog het reeds rijpe vlas en de katoenplant. In de
maïs en de gerst waren een massa grijze duiven aan het pikken, zoo
vertrouwelijk, dat de paartjes niet opvlogen, toen we voorbij gingen.

Niet ver van het dorp Martand staat de tempel, die voor een duizendtal
jaren de mooiste was uit de streek, en waarvan nu nog de ruïnen de
interessantste van Kaschmir zijn. De ligging is prachtig. Het monument
ligt aan den voet van den berg, bij het begin van een dier groote
plateaux van alluviale vorming, die als met een rand van steenen
de hooge bergen omringen, en die wel gelijken op de overblijfselen
der bedding van een vroeger meer. De hoogvlakte is hier driehoekig
en heeft links de uitgetande kam van het gebergte, waar nog sneeuw
ligt; rechts drie of vier hoogten achter elkaar, die in de verte
onduidelijk worden, en vóór ons lag het Gelukkige Dal met de heldere
tinten der rijstvelden, de donkere vlekken van het groen der boomen,
de zilveren kronkelingen der rivieren. Stelt u dat alles voor, badend
in het schoone licht van Kaschmir, dat tegelijk zoo doorschijnend
is en op de hoogten zoo wazig. Hetzij ge des morgens komt, als de
zon achter u opkomt en de nevels uit het dal optrekt, hetzij des
avonds het gouden licht der ondergaande zon den hemel doet tintelen,
ge zult nergens mooier natuurtooneel vinden. Ook zou het moeilijk
wezen, een beter kader voor dit heerlijk schouwspel te bedenken dan
die klavervormige bogen, gebouwd door Lalitaditya ter meerdere glorie
van zijn geliefde godheid, de zon.

Meer dan duizend jaren zijn verloopen, en de indrukwekkende muren staan
nog overeind te midden van een vierkant plein met een zuilengalerij
er omheen en met vier poorten, waarvan de grootste naar het Westen
is gekeerd. Al zijn bij dag de overblijfselen treffend te zien, 's
nachts in den maneschijn krijgen ze, zooals zoo dikwijls met ruïnen
het geval is, een weerglans van hun vroegeren luister.... Dien avond
stond aan het saffierblauw van de lucht de halve maan met haar horens
omhoog; in het zenith was de hemel donkergrijs en aan den horizon
lagen rose strepen. Toen was die oude tempel door de grootschheid van
zijn lijnen als een romeinsch monument uit de oudheid. Twee zuilen,
die afzonderlijk stonden en nog verbonden waren door hun architraaf,
verhoogden de illusie. Het is niet een der minste aantrekkelijkheden
van Kaschmir, dat men er aan Italië wordt herinnerd.

In het dorp Martand waren weinig boomen en dus weinig schaduw. Wij
dachten erover ons kamp op te slaan onder een groepje sparren dichtbij
de ruïnen, maar er was geen drinkbaar water, of wij moesten ons willen
tevreden stellen met het water uit de plassen, dat de vrouwen voor haar
huishoudingen gebruiken en waar ook het vee van drinkt. Wij besloten
dus onze tenten op te slaan te Bhavan, een mijl verder gelegen. Een
weg door een kloof voerde er ons heen, en weldra hadden we een der
mooiste kampen van Kaschmir betrokken.

Bhavan bezat vroeger, evenals Atsjibal en Ver-Nag, een lusthof, dat
blijkt uit enkele overblijfselen. Aan den voet van een bijna kalen
heuvel vormt de sterke bron een eerste bekken, dat zijn water zendt
naar een tweede grooter bassin, waar men onder het kristalheldere
water nog den steenen ondergrond kan onderscheiden. Van daar liet de
naga, of eigenlijk lieten de beide naga's, naar de brahmanen zeggen,
het water door drie granieten kanalen afvloeien, waarvan het middelste
een schoonen waterval vertoonde. Het water heeft thans de in verval
zijnde kanalen verlaten; het verdwaalt tusschen de steenen in een reeks
kleine watervalletjes en ontsnapt door een zelfgegraven tunnel. Daar,
bij het frissche, koele water onder de eeuwenoude platanen, die
gewelven vormen als van een kathedraal, in het gezeefde, zachtgroene
licht was ons kamp gevestigd.

Mijn eerste bezoek gold de bron, waar tallooze visschen leven
van de offeranden der geloovigen. Ook de brahmanen van de plaats
zorgen op die wijze voor hun onderhoud, want Bhavan is een gezochte
bedevaartplaats. Op sommige tijden gaan de Hindoes uit Kaschmir en
zelfs uit Pendsjab er in menigte heen, om lijkdiensten te houden
ter eere van hun gestorven voorouders. De volgende legende werd mij
dienaangaande verteld. In het begin der tijden had Aditi, vrouw van
Kacyapa, reeds twaalf zonen ter wereld gebracht, Aditya's genoemd
naar hun moeder en die twaalf zonnegoden zijn, behoorend bij de
twaalf maanden. Zij dacht, dat er niets goeds te verwachten was
van een dertiende zwangerschap en wierp een laatste ei in het meer,
dat toen nog Kaschmir overdekte. Toch kwam dit geminachte ei uit,
en er kwam uit te voorschijn een klein onvoldragen zonnegodje, dat
den naam Martand ontving. Hoe nietig en onbeduidend hij ook was,
toch ging hij moedig er op uit, om zijn vader en moeder te zoeken,
en zei tot hen: "Gij hebt aan elk van mijn broeders een maand gegeven;
ik wil er ook een voor mij hebben." Het zou een moeilijk geval hebben
kunnen zijn. Maar nu moet men weten, dat de brahmanen behalve den
zonnekalender ook een maankalender hebben. Twaalf maanmaanden vormen
slechts driehonderd vier-en-vijftig dagen, terwijl een zonnejaar
driehonderd vijf-en-zestig dagen en eenige uren telt; daaruit volgt,
dat iedere twee en een half jaar de maankalender een maand bij den
zonnekalender ten achter is. Men komt daaraan tegemoet, door dan
een maanmaand in te lasschen. Die werd nu aan Martand geschonken;
eigenlijk is ze voor hem uitgevonden, en ten slotte werd die ingevoegde
maand gewijd aan den dienst van de pitri's of vaderen, de overleden
voorvaderen. Zoo kan men begrijpen, dat die plechtigheden oneindig
meer indruk maken, als ze plaats hebben op de plek, waar de god van
die maand is geboren.

Het is opmerkelijk, met hoeveel ijver de tweehonderd of
tweehonderd-vijftig dienstdoende brahmanen of poerohita's van
Bhavan de pelgrims uit Indië ontvangen, voorzien van hun boek der
bezoekers. Ze houden namelijk een lijst van al degenen voor wie ze
reeds den dienst hebben verricht, en wie maar in eenigen graad van
bloedverwantschap staat tot een der ingeschreven personen, valt hun in
handen. Zij leggen beslag op hem en de pelgrim komt niet van hen af,
zonder eenige veêren in hun handen te hebben gelaten.

De geheele maand is een tijd van overvloed. Zelfs de visschen uit de
Nag moeten het zoo goed hebben, dat ze de korrels gekookte rijst en
maïs weigeren, die hun worden toegeworpen.

Maar de poerohita's nemen het er niet alleen goed van, maar ze zijn
er ook op verdacht voor de toekomst te zorgen. Ieder van hen rekent
er op, eenige honderden roepijen op zij te kunnen leggen. Gegeven
het feit, dat buiten de tijden van hongersnood twee of drie roepijen
per maand voldoende zijn om in het onderhoud van een man te voorzien,
en vier of vijf per jaar hem zeer voldoende kleeden, zal die som hen
wel in staat stellen, om zonder al te veel ongeduld den volgenden
pelgrimstocht af te wachten.

In het jaar, dat ik er was, gaf een arme, jeugdige weduwe van vijftien
jaar voor het zieleheil van haar overleden man tweehonderd roepijen;
de brahmaan, wien dat buitenkansje te beurt was gevallen, werd mij
aangewezen. Een was er, die mij kwam vertellen, dat hij de poerohita
was voor de Sahibs en vroeg mij te mogen inschrijven op zijn boekje
tegen contant geld. Er zijn inderdaad geen erger bedelaars ter wereld,
en het is merkwaardig, te merken hoe de Hindoes ze verachten tegelijk
met het aannemen van hun diensten. Voor een Brahmaan van goeden huize
is de naam poerohita een beleediging.

Maar ieder moet zien aan den kost te komen, en deze goede menschen
hebben ook weer hun deugden. Zoo was mijn zoogenaamde aalmoezenier
mij een groot gerief; hij deed al mijn boodschappen, zag toe op den
inkoop van levensmiddelen en de herstelling van de kampmeubelen,
zoo lang we te Bhavan waren. Ook wees hij mij den besten bakker aan,
waar we ons gebak konden laten bakken in den oven. Ze gevoelen, naar
het schijnt, de behoefte, aan de goden een gedeelte terug te geven
van wat ze aan de geloovigen hebben afgenomen. Met de ingeschoven
maand was hun seizoen ten einde. Den 28sten Juli 1896 stelden zij
elkaar op schatting, om bij wijze van dankdienst een soort van picnic
te organiseeren. Onder een mooien plataan, aan den oever der rivier,
was een kleine brandstapel opgericht, en elken dag werden in de vlammen
bloemen, vruchten, gesmolten boter, honig, rijst, maïs, kandijsuiker
en dergelijke begeerlijkheden geworpen. Aan den voet van den boom
klonken steeds liederen uit den mond van godsdienstige zangers, en
eentonig stegen de beden omhoog van den dienstdoenden priester. Om de
waarheid te zeggen offerde ik ook mijn penningske, maar had daarvoor
de gelegenheid, kiekjes te nemen van het belangwekkende tooneel.

A propos van poerohita's ben ik te Bhavan getuige geweest van een
amusante geschiedenis. Ik heb gezegd, dat ik de diensten van een
pandit te Srinagar had gehuurd. Op een dag, dat hij een luchtje
schepte bij de tenten in de schaduw der mooie platanen, op zijn gemak
neergedoken in zijn meest geliefden zetel, een ouden scheepsstoel,
die in een veldstoel was herschapen, kwam een brahmaan uit de plaats
toegesneld en wierp zijn tulband aan des pandits voeten. Dat is de
plechtigste manier om iemands liefdadigheid in te roepen en zich met
lijf en ziel onder zijn bescherming te stellen.

Nu leed deze arme man aan zijn ziel. Ziehier zijn geschiedenis, zooals
de pandit ze mij vertelde. Die brahmaan, eigenlijk een domme stumper,
had een zeer mooie vrouw en een ondeugenden buurman, die hem haar
afhandig maakte. Menschen, die de eer der corporatie wilden redden,
zeiden, dat hij haar met melk dronken had gemaakt op een dag, toen
ze naar haar vader op bezoek was gegaan en dat hij haar toen in een
boot had meegenomen naar Srinagar, waar hij haar eenigen tijd bij
zich hield.

Op een goeden dag verscheen de vrouw weer in het dorp en de goede
brahmaan nam haar weer tot zich. Tot zoover is de historie vrij
banaal. Het vermakelijke van de zaak was, dat, daar de buurman
Mohammedaan was, de vrouw haar kaste had verloren, en dat de arme
brahmaan nu ook de zijne verloor, omdat hij de reizigster weer in de
duiventil had toegelaten. Geen zijner collega's wilde meer aan zijn
tafel aanzitten of iets uit zijn hand aannemen. Zijn huiselijke zorgen
waren overweldigend, en hij had wel reden, zijn tulband in het stof
te werpen.

"Gij," zeide hij tot den pandit, "ge zijt een pandit uit de stad, wijs
en geleerd, ge kent de heilige teksten; zeg, welke boete ik moet doen
en wees scheidsrechter. Ik zal alles doen, wat gij mij beveelt." Die
vleierij viel bij den pandit in goede aarde, en dadelijk trok hij zijn
mooiste kleed aan, om aan den overkant der rivier te gaan onderhandelen
met de in volle vergadering bijeengekomen poerohita's.

Daarna bracht hij de rest van den dag door met, nog wel in het
Sanskriet, zijn vonnis op te stellen en er alle noodige consideraties
bij in acht te nemen. Hij was zoo trotsch op de uitspraak, dat hij
mij de primeur van het vonnis gaf met de vereischte uitleggingen.

De vrouw werd veroordeeld tot de pradjapati, dat is een soort van
neuvaine of boetetijd. De drie eerste dagen mag men niet anders eten
dan des avonds; de drie volgende alleen des morgens, en de drie dan
volgende niets anders, dan wat men ten geschenke ontvangt. In het kort
gezegd, men gaat er niet aan dood; maar er staat dan ook geschreven,
dat aan vrouwen, kinderen en grijsaards slechts lichte straffen mogen
worden opgelegd. Voor den echtgenoot was de pandit meedoogenloos. Hij
was te minder geneigd hem te sparen, daar hij het voor zeker hield,
dat zoo'n geval alleen een zot kan overkomen of een slechtaard,
maar daarin overdreef hij. Zeker is het, dat de arme brahmaan drie
dagen lang zonder eten of slapen moest blijven en voortdurend den
gezegenden naam moest herhalen van "Ram! Ram!" waarna hij, gereinigd
door het aanhoudend uitspreken van den heiligen naam, geen andere
verplichtingen meer had, dan het aanbieden van een luisterrijken
maaltijd aan al zijn collega-brahmanen, waaraan de pandit hem de eer
zou aandoen, deel te nemen. Het liep af, zooals het orakel in zijn
wijsheid had beslist, en zoo moest op last van den stadspandit de
dorpspandit boete doen voor de zonden van zijn vrouw.

Vijf mijlen boven Bhavan ligt, tegenover het Gelukkige Dal Eichmakam,
oord der zaligen, op de helling van een heuvel een stadje onder de
oude muren van zijn ziarat of heiligdom. Het lijkt wel wat op een dorp
in Umbrië, en de ziarat met haar loggia verhoogt de gelijkenis met
Italië, welke gelijkenis niet te niet gedaan wordt door de spits van
de pagode. Het is het heiligdom van Zaïn-oed-din, een der discipelen
van den grooten nationalen heilige van Kaschmir, Noer-oed-din. Hij
wordt in hooge eer gehouden, vooral door de bootslieden, die er hun
kinderen heenbrengen als de tijd is gekomen, om hun eerste haarlok
af te knippen. Ze brengen dan tegelijkertijd gevogelte en rammen,
die ze op de plaats zelve dooden en nuttigen. Er werd mij gezegd, dat
meer dan tweehonderd personen zoo leven op kosten der geloovigen. De
wijze van verdeeling is dood eenvoudig; elk der mollahs ontvangt de
recette van een dag en ze wisselen elkaar bij beurten af.

De ziarat zag uit de hoogte neer op de noteboomen, waar we onder
kampeerden. Men volgt, om er te komen, de eenige straat, die steil
en ongemakkelijk omhoog loopt en waar winkeltjes en stalletjes aan
staan. Boven dien dorpsbazar voert een trap naar de poort, waar een
paar oude mollahs bij uw aankomst heen en weer loopen, en de broeder
portier, gezeten naast de gong, waarop hij slaat om de verloopende
uren aan te kondigen, de hand ophoudt precies als een italiaansche
koster. Twee van de zijden van het plein worden ingenomen door het
klooster of de galerijen, de beide andere door gebouwen en den ingang
van het heiligdom. Dat is een zeer kleine grot in de rots, nauwelijks
groot genoeg om vijf of zes personen te bevatten. De priester, wiens
dag het was om de giften te ontvangen, zat gehurkt bij een soort van
groote houten kooi, zwart geverfd onder een katoenen hoes, die er
vuil en onoogelijk uitzag. Het is het ledige graf van den heilige. Na
zijn verdwijning heeft men op die plaats zijn lans, zijn rozenkrans
en zijn brood gevonden.

Voordat de bezoekers de ziarat verlaten, vertoont men hun die relieken
en nog een paar andere; bij de lans behoort een mooie, bewerkte ijzeren
boog; de rozenkrans bestaat uit een tiental kralen ter grootte van
een klein ei; het beroemde brood lijkt op een versteende beschuit,
en dan zijn er nog een houten sandaal en de horens van de geit van
den heilige. Men moet zien, met welk een vuur priesters en pelgrims
er hun lippen op drukken en ze tegen hun oogen wrijven. Nog het meest
verbaasde mij de vrome eerbied, waarmee onze brahmaan die relieken
van een mohammedaanschen heilige vereert.

Hij slikt blijkbaar alle histories, die hem verteld worden, en die
hij bij gelegenheid mij oververtelt. De meeste hebben een veel meer
indischen dan muzelmanschen geur, en het is jammer dat mij de ruimte
ontbreekt, ze hier te noteeren. Laat het genoeg zijn, te zeggen,
dat deze suppoosten van den Islam, van wie sommigen een rembrandtiek
uiterlijk hebben, elkander risji's noemen met een titel uit de
oude geschiedenis van Indië. In werkelijkheid zijn de pandits en de
Mohammedanen van Kaschmir vrijwel met hetzelfde sop overgoten. Van
Bhavan naar Eichmakam gaan is van de pandits in de mollahs vallen.



IV.

    De bedevaart van Amarnath.--Het dal van de Lidar.--De pelgrims
    uit Indië.--Naar de toppen.--De heilige grot.--In de dholi.--De
    goedhars of buffelherders.


Van de vier bergstroomen, die zich bij Anantnag of Islamabad
vereenigen, om de hoofdrivier van Kaschmir te vormen, is zonder twijfel
de Lidar de voornaamste. Haar dal is ook het schilderachtigste en heeft
de meeste aantrekkelijkheden. Vijftien mijlen is het lang en, beginnend
bij de gletschers, eindigt het bij de rijstvelden in de vlakte. Eerst
is de stroom troebel met melkkleurig water en loopt tusschen de kale
bergtoppen, daarna valt hij van rotsplateau op rotsplateau, vloeit
door prachtig beboschte kloven, en is ten slotte in de levendige,
vroolijke vlakte gekomen met een bedding vol steenen en puin.

Veel drukte en veel schuim brengt het riviertje mee, en bij die
decoratie passen de afwisselende spelers op dat tooneel. Honderden
pelgrims uit alle hoeken van Indië doorwandelen telkens in de maand
Augustus het dal van het begin tot het einde, ja tot voorbij de
bronnen, in gezelschap met het verplichte geleide van brahmanen
en kaschmireesche koelies. Hun weg leidt langs veel heiligdommen,
sommige door menschenhanden gebouwd, andere eenvoudige spelingen van de
natuur, in puin liggende tempels, heilige bronnen, goddelijke rotsen
of geheimzinnige meren, die ieder zijn eigen legende heeft en zijn
bijzondere kracht. Zoo heeft het dal van de Lidar voor ieder wat;
er is plaats voor den hengelaar, voor den bewonderaar van ruïnen en
landschappelijk schoon, zoowel als voor den reiziger, die staaltjes
van menschelijkheid wenscht te zien.

Dus is het niet te verwonderen, dat het aantal bezoekers jaar op jaar
toeneemt; enkelen geven er zelfs de sportieve genoegens van Goelmarg
voor op, ofschoon dat het officiëele zomerverblijf is, terwijl anderen,
terugdeinzend voor de lange reis naar Sonamarg, in de buurt van Balgan
blijven, om de groote hitte te laten voorbijgaan. Evenals zij gaf ik
aan het vreedzame dorp der herders de voorkeur boven de "gouden weide"
en zelfs boven "het dal der rozen".

Reeds hebben wij te zamen het geheele lage gedeelte van het dal
bezocht van Bhavan af, waar veel brahmanen zijn, tot Eichmakam met
zijn mollahs. Na dit laatste dorp wordt het dal nauwer en voortaan
volgt de weg den oever van de Lidar. De rivier zelve vormt nu niet meer
een onontwarbaar net van kanalen, waarvan ik er tusschen Eichmakam en
Sallar veertig heb geteld, maar zij heeft voortaan een enkele bedding,
waar in het schuimende water boomen worden meegesleurd.

Wij kwamen te Bhatkote in een harde regenbui. Al wachtend op het
opslaan der tenten, zocht ik een schuilplaats onder de veranda van
een kleine moskee. Dat was, als in alle dorpen, een droevig vervallen
gebouwtje. De mohammedaansche Kaschmirees bekommert zich minder om
Allah dan om de plaatselijke heiligen en gaat in hoofdzaak liever naar
de ziarats dan naar de moskeeën. Ik vond geen andere gelegenheid om
te zitten dan de draagbaar, die alle dooden uit den omtrek grafwaarts
brengt.

In dien tijd had er een episch voorval plaats onder de mooie
notenboomen van het kamp. Bhatkote wordt bewoond door maliks of heeren
van den weg, stellig afstammelingen van den een of anderen kleinen
radja, die vroeger in het dal regeerde. Hoewel ze Mohammedanen zijn,
hebben ze het privilege behouden, om de hindoesche pelgrims naar
Amarnath te geleiden en het vierde deel der offeranden te innen. Een
zeer oud hoofd, misschien de oudste van het dorp, had het weldra aan
den stok met den pandit. Deze eischte rijst, die de ander vastberaden
weigerde, zwerend bij zijn baard en bij den Koran, dat er geen korrel
meer in het dorp was. De pandit, die op dit stuk geen scherts verstaat,
dreigde den grijsaard met zijn stok. De bedreiging was niet ernstig
gemeend, maar de goeie man was er toch zoo verschrikt van, dat hij
bijna een flauwte kreeg en tegen een boom moest leunen, om niet te
vallen, zoo beefde hij, terwijl de veldwachter of tsjankidar den
meer geveinsden dan oprechten toorn van den pandit kalmeerde, door
hem den baard te streelen en hem waarden vader te noemen.

Een uur later kwam de oude malik, die een mooien tulband had opgezet
en een groen kleed had aangetrokken, mij met salams begroeten en
bood mij alles aan, wat we noodig hadden, gevogelte, boter, eieren,
melk en groenten, tegen een goeden prijs, wel te verstaan. Waarna hij
mij vertelde, dat hij een zeer oud man was en dat men getracht had,
hem te vermoorden, toen hij bij onze aankomst gezegd had ons te willen
begroeten.... Het kostte mij moeite, van hem af te komen.

Daar wij te Bhatkote voor goed de rijstvelden vaarwel zeiden, wilden
de mijnen, voor we het bergland ingingen, den reeds grooten voorraad
rijst nog vermeerderen. Door de parvana's of orderbrieven, die we te
Srinagar hadden ontvangen, te vertoonen, kregen ze nog een weinig,
maar tegen een roepij voor de acht sers of ongeveer 800 gram, wat
diefstal leek in de oogen van den pandit, die te Bhavan zestien kreeg
voor denzelfden prijs, en vier-en-twintig te Islamabad.

Na Bhatkote wordt het landschap al woester; op enkele plaatsen
wordt het dal een echte kloof, die enkel ruimte liet voor het pad en
den stroom.

Iets hooger wordt het dal weer breeder, en men komt weldra te
Ganesj-Bal. Het dorpje van dien naam is in twee deelen verdeeld door de
rivier. Op den linkeroever en de eerste hellingen vormen drie huizen
in eenige velden met maïs en zwart koren, het muzelmansche dorp. Aan
den anderen kant ligt het hindoesche dorp vlak aan het water; het
bestaat uit twee huizen voor de poerohita's en enkele planken hutten
voor de pelgrims. De plek is zeer beroemd om het beeld van den god,
waarnaar het dorp is genoemd. Meen nu niet, dat hier een standbeeld
wordt bedoeld, maar ga met de oogen des geloofs zoeken midden tusschen
de versnellingen van de rivier, en ge zult daar een rots aantreffen,
door het water afgeslepen tot iets wat op een olifantskop lijkt. Dat
is Ganesj!

Tegen den tijd van den pelgrimstocht worden er twee zwarte vlekken op
gemaakt, om de oogen te verbeelden, waardoor de gelijkenis treffender
wordt. Dit beeld is een van de vele natuurbeelden, die in Kaschmir
zoo talrijk zijn en er druk vereerd worden. Volgens de brahmanen
hoorde Boet-Sjikan, de beeldenstormer, op zijn verdelgingstocht ook
van dit beeld spreken en besloot, het te vernielen. Dus begaf hij
zich op weg. Bij de eerste halte voor den nacht verscheen hem Ganesj
en sprak: "Ga niet verder; ik raak uw knieën als een teeken. En
als dat u niet voldoende is, zie dan morgen vroeg naar de Lidar;
die rood zal wezen." Zoo was het; maar de ongeloovige minachtte die
waarschuwing des hemels, en voor hij bij de plek van het beeld was
gekomen, stierf hij. Hij kwam met al de zijnen om onder de steken van
een wolk van bijen. Op den tienden dag van de veertien lichte dagen
van Augustus houden de pelgrims op hun weg naar Amarnath er stil. Er
wordt een brug van planken tusschen den oever en het beeld gelegd. De
geloovigen bieden het meelkoeken aan met honig, geven daarvan mee
aan de brahmanen van de plaats en eten zelf de rest op.

Van Ganesj-Bal af ziet men tot Palgam toe een menigte kampen
opgeslagen. Op de vroegere oevers der rivier, nu ver boven de
tegenwoordige bedding gelegen, brengen de tenten der Sahibs tal
van lichte stippen aan tusschen het ernstige groen van dennen en
sparren. Het spreekt vanzelf, dat met een dergelijken toevloed
van Europeanen de hulpmiddelen der naburige dorpen al gauw zijn
uitgeput. Men moet ten minste twee koelies hebben, om voor de fourage
te zorgen en steeds weer heen en weer te gaan tusschen het kamp en
Islamabad of Srinagar.

Palgam heeft zijn houten huisjes verspreid aan den voet van het groote,
met eeuwige sneeuw bedekte gebergte Kolahoi, op de plaats waar de
beide hoofdarmen van de Lidar uiteengaan. De rechtertak gaat naar
het Noorden en is de weg naar Amarnath. Het traditioneele tijdstip
voor het bezoek aan de beroemde grot nadert, en den 17den Augustus
maakten wij onze laatste toebereidselen voor dat uitstapje.

Wij begonnen met aan den lambardar het meeste van onze bagage toe te
vertrouwen, en alleen het allernoodigste bij ons te houden, de tenten
en het ameublement, het keukengerei, proviand voor veertien dagen en
warme kleederen. Alles zoo zuinig mogelijk berekend, waren het er
nog vijftien lasten; dus moesten we vijftien dragers hebben. Al is
het niet moeilijk, koelies te huren, om u van de eene etappe naar
de andere te begeleiden, de zaak wordt heel anders, als men ze bij
zich wil houden gedurende een paar weken en ze ver van hun huis en
hun velden meeneemt. Men moet dan aan de aanlokselen van een goed
loon en een dagelijksche vergoeding voor voedsel nog een zachten
druk toevoegen van een of ander officiëel persoon, om de aarzelenden
over te halen. Alle autoriteiten van het dorp waren op den bewusten
morgen opgeroepen voor dat doel en gingen aan het disputeeren,
dat wil zeggen, aan het schreeuwen. Eindelijk trad de lambardar van
Eichmakam, die tegelijk jelladar is van het geheele dal, en leverde
ons de vijftien koelies, die we noodig hadden. Zijn hulpvaardigheid was
niet volkomen belangeloos, en het hooge personage vroeg als belooning
om ledige flesschen en blikken van conserven. Nu en dan verzendt
hij zijn correspondentie, een stukje papier, zeer smal opgevouwen
en in de spleet van een ring gestopt, dien de onderdanen elkander
overbrengen, tot de brief, van hand tot hand gaande, zijn bestemming
heeft bereikt. Het meest verrassende is, dat zulke brieven aankomen.

Daar het spoedig volle maan zou zijn, zagen wij den geheelen dag
een aantal van die vrome bedelaars voorbijgaan, die sadhoes worden
genoemd en die voor fakirs zouden doorgaan, als het Mohammedanen
waren. Sommigen zijn wat meer of wat minder netjes in oranje katoen
gekleed; anderen hebben zich als harlekijns toegetakeld, en enkelen,
die bijna naakt zijn, hebben hun lichaam met asch ingesmeerd. Allen
dragen een bedelnap, nu eens van koper, dan weer eenvoudig een
kokosnoot of een kalebas. Een had de zijne bij wijze van kapsel op
zijn roode, door asch vaalgetinte haren gezet, hetgeen zoo ongeveer
alles was, wat hij aan kleederen aanhad. Buiten die sadhoes,
die voor het meerendeel uit Indië komen, komen geheele familiën
uit Srinagar, mannen, vrouwen en kinderen, zelfs zuigelingen van
brahmanengezinnen. Al die menschen gaan niet voor na twee dagen weer
uit Palgam weg. Dan zal de politie het sein geven, en een sadhoe met
het vaandel begeeft zich op weg naar Amarnath, waarna alle anderen
volgen.

Zoo lang kampeeren ze op een eiland, gevormd door twee armen van de
rivier. Wij zijn ze natuurlijk gaan zien. Ze hebben allerlei soort
van tenten, de meeste zijn niet anders dan afdakjes van een paar uit
de jungle gehaalde stokken, waar een lap stof over is gehangen. De
eerepalm kwam toe aan een bijna naakten asceet, die onder een parapluie
huisde en een doek erover had gehangen als wand. Een andere, zeer
oude man met een langen, puntigen witten baard en een krijgshaftig
uiterlijk, een drukke prater, stelde ons zijn leerlingen voor en
vertelde, dat hij uit Patiala kwam, een der inlandsche staten van
Pendsjab.



Tannin, 18 Aug.


Daar zijn we te Tannin sinds twee uren, en we hebben nog net tijd, om
uit te blazen en te dineeren. Van Palgam is dit een zware tocht. Wij
zijn heden morgen om zeven uur vertrokken, na onze laatste inkoopen
te hebben gedaan van enkele paren poelahor of sandalen van gevlochten
gras, en eenige kangri's, de kaschmireesche stoven. Twee paren sandalen
en een kangri kosten drie anna's of dertig centimes.

Allen hadden het druk in het kamp der pelgrims. Er waren, die hun
afdakje afbraken, om zich te wikkelen in een doek, die hun bij
nacht tot huis diende. Ook waren sommigen bezig, vuurtjes aan te
leggen. De meest matineusen gingen het hout hakken, dat ze 's avonds
zouden gebruiken.

Toen we de rustieke bruggen over waren, volgden wij langs de helling
van den berg een steil pad, juist breed genoeg voor één persoon. Twee
uren later waren we te Preslang, een ellendig dorp, het laatste aan
dien weg, en waar niets was te krijgen.

Hoe verder men komt, des te woester en mooier wordt het dal. De stroom
vliet snel tusschen hooge rotsen door en vormt op enkele plaatsen drie
verdiepingen van watervallen. Op den linkeroever zijn de hooge, met
sneeuw bedekte bergen met sparren begroeid, terwijl de rechteroever,
naar het zuiden gekeerd, kaal was. Maar de schoonheid lag daar in de
grillige vormen der granietrotsen. Op de eene plaats wees een spitse
naald omhoog en geleek op een klokketoren; op een andere scheen men
een vervallen kasteel te zien of het portiek van een grooten tempel.

Wij hadden ons kamp opgeslagen aan de samenvloeiing van twee
riviertjes, een punt als Palgam in het kleine en woeste; er was een
boschje bij van dennen en berken. De tenten stonden vlak tegen den
berg aan, dien we den volgenden morgen vroeg zouden bestijgen. Vooraf
verlichtte des avonds de maan het landschap, viel op de prachtige
bergwanden en de toppen en straalde op de donkere bosschen daar
beneden.

Na het verlaten van het kamp bestegen we eerst den Pich-Bal,
een minstens vijfhonderd meter hooge rots, die bijna loodrecht
oprees. Het pad ging recht omhoog tusschen de steenen, en het is
tevens de weg dien het water neemt in den tijd van het smelten der
sneeuw. Slechts op enkele punten waren er een paar zigzags, en soms
waren de rotsblokken zoo hoog, dat men er zich met moeite tegen op
moest hijschen. Van boven af gezien, was het om medelijden met onze
arme koelies te krijgen. Naar den grond voorover gebogen, onder den
last der tenten, die op groote bruine of witte schelpen geleken,
sleepten ze zich moeielijk voort als doodzieke slakken. De boomgrens
was al achter ons, en ieder klaagde meer of minder over duizeligheid
of misselijkheid, de eerste verschijnselen der bergziekte.

Maar toen de reuzendrempel overschreden was, wat was het toen
heerlijk, dat de karavaan kon uitrusten en zich neervlijen in het
bloeiende kruid! Wij hadden de marg bereikt, de groote alpenweide,
die op een reuzentuin geleek, waar duizenden van onze wilde bloemen
bloeiden. Een optelling zou geen denkbeeld kunnen geven van de
wondere pracht en frischheid dier kinderen van Flora, daar op de
hoogten slechts bloeiend voor God.

Het pad liep nu ter halver hoogte de grazige helling in een soort van
breed dal. Links boven onze hoofden hingen groote, overhangende rotsen,
die ons schenen te willen verpletteren; rechts beneden ons liep de
rivier onder tunnels van sneeuw door of kwam daar als een waterval
weer uit te voorschijn, vullend de ruimte met rumoer en stuivend
water. Hier en daar hadden enkele berken zich nog weten staande te
houden. Velen lagen bijna op den grond door den druk der sneeuw, en
hun verwrongen stammen en takken lagen ter aarde als zilveren slangen.

Plotseling deed zich een prachtige aanblik voor op de gletschers;
we kampeerden daar juist tegenover op de weide met haar mollig
grastapijt. Maar met den avond kwamen kou en vocht opzetten, en we
hebben niet anders dan een vuur van berkentakken, om ons te verwarmen,
een vuur nog wel, dat telkens in vonken uiteenspat, zonder te vlammen.



                                                    Cecha-Nag, 20 Aug.

Dezen morgen moesten we weer een berg bestijgen, iets minder hoog, maar
niet minder moeilijk. Zoo klimmen wij met een marschdag telkens een
stapje verder als dwergjes, die een trap van reuzen opklauteren. Van
boomen is er geen sprake meer, behalve dat we een paar kromgegroeide
jeneverstruiken zagen in een holte van de rotsen.

Eindelijk bereikten wij den oever van een meer. Het moet de naga wezen,
die vroeger dichtbij Bidsj-Bihara woonde en die zich uit tegenzin tegen
de wereld naar deze onherbergzame wildernis heeft teruggetrokken. Nag
of meer, de aanblik is in elk geval grootsch. Een ovaal bekken is
met het heldere water gevuld en ligt tusschen ruwe rotsen; aan het
boveneind ligt een reuzengletscher, waarboven met zijn sneeuwkap de
zwarte top van den Koh-i-Noer opsteekt.

Ik schrijf, gewikkeld in mijn bont en met de kangri onder mijn voeten;
toch is de zon nog niet ondergegaan. Zij braadt mijn rechterwang,
terwijl de linker bevriest. Ik had iets dergelijks gelezen in
een verhaal van een reis door Thibet, en kon het toen bijna niet
gelooven. Nu is het ervaring, evenals ik nu met kennis van zaken over
de kangri kan praten, maar dat is iets aangenaams. Toen ik de oogen
opsloeg, zag ik slechts rotsen en sneeuw. Alles is woest en verlaten,
en de aanblik doet aan de zee denken. De wolken vullen de smalle kloof,
waardoor we morgen dezen ons omringenden kring van bergen zullen
verlaten; men ziet ze dalen langs de hellingen met het vallen van den
avond. Dadelijk zullen ze ons bereiken. Als de koelies niet praten,
hoort men niets anders dan het ruischen van de beken, die van alle
kanten van de gletschers neerdalen, en alleen het scherpe geluid van
de marmotten doet zich nu en dan hooren. Men krijgt den indruk van een
landschap, dat eeuwig zoo zal blijven tot aan het einde der dingen,
als de aarde niet dan een uitgedoofde ster zal wezen, en het is,
of wij raken aan de reeds afgekoelde oppervlakte onzer planeet.



                                                    Kel-Nar, 21 Aug.

Toen we van morgen wakker werden, droegen alle toppen in onze buurt
versche sneeuw. Een ijskoude regen viel op ons neer. Maar daar komen
toch de pelgrims aan in een ganzenmarsch. Het is om medelijden met
hen te krijgen, half gekleed slechts, en rillend onder hun katoenen
lompen. Zeker had diegene, die het eerst den pelgrimstocht naar
Amarnath in de mode bracht, zin voor het schilderachtige, maar het
ontbrak hem ook niet aan moed. Het is voor die menschen wel iets anders
dan voor verwende stedelingen, maar ze wagen er toch hun leven mee,
en in slechte jaren komen velen van koude om. Het is gelukkig, dat
zij gesteund worden door het geloof en de hoop, Siva van aangezicht
tot aangezicht te zien, een aantrekkelijker motief en meer vergefelijk
dan de nieuwsgierigheid, die mij drijft.

Van een beter oogenblikje gebruik makend, toen het weêr wat helderder
was, besloten wij op onze beurt te vertrekken. Wij moesten al dadelijk
over een rivier, waar een sneeuwbrug over lag, die inderdaad veel
steviger was dan men zou hebben verwacht. Maar daar zijn andere
stroomen, die ons den weg versperren. Het zou vreemd kunnen schijnen,
zooveel water op zulke hoogten te vinden, als niet de onuitputtelijke
gletschers boven ons lagen.

Wanhoopskreten klinken op eens. Het is een koelie, die in de rivier
ligt te spartelen en erbarmelijk gilt, terwijl hij zich aan een steen
vastgrijpt. De kameraden komen hem te hulp en brengen hem naar den
kant. Natuurlijk is het van de vijftien juist degene, die de melk en de
suiker draagt, die dit onvrijwillig bad te beurt valt. Gelukkig sloot
de kist goed en de verdere kruidenierswaren zijn droog gebleven. Wat
de melk aangaat, die hij in de hand had, die is zonder dat we het
wilden, aan de naga's van de streek ten offer gebracht.

Toen dat incident was afgeloopen, ging het hijschen weer aan den
gang. Wij moesten stijgen naar den pas van Mahagoenas of van de Groote
Slang. Er ligt veel sneeuw, wat niet te verwonderen is, want we zijn
op 14000 voet hoogte. Met moeite worstelden we door de losse steenen;
de helft van den berg schijnt in den pas te zijn gevallen, en de pandit
beweert, dat de bliksem dat heeft veroorzaakt. Veel steenen liggen bij
drieën en vieren, als kleine, door kinderen gebouwde huisjes. Ieder
pelgrim richt er zoo een op en plaatst er een stuiver bij, dien de
maliks van Bhatkote dan later inzamelen.

Wij stijgen nog steeds. Hier en daar vertoont zich het edelweiss. Niets
kan een denkbeeld geven van de troostelooze eenzaamheid van den pas,
tusschen de granietmuren onder den grijzen hemel, waar de wind,
die erover heen veegt, ons tot op het gebeente verkilt. Een cairn
of steenhoop staat op de hoogte, en wij volgen het gebruik, door
een steen bij den hoop te voegen. Dan gaat het naar beneden langs
gladde hellingen in een ander dal, waar gras te vinden was, een dal,
dat wel op het vorige geleek, maar op het noorden, zoodat het water
niet naar de Lidar, maar naar de Sind afvloeide.

De regen had ons onderweg ingehaald, en weldra ging hij over in
gesmolten sneeuw, en al spoedig in werkelijke sneeuw. Wij hielden
stil op de eerste plaats, waar men erover denken kon te kampeeren,
namelijk te Kel-Nar in de Ibexkloof. Ik wachtte daar twee lange uren in
de sneeuw op de tenten, die maar niet kwamen. Daar zijn ze eindelijk
en worden zoo spoedig mogelijk opgeslagen. Niets uit de menschen te
krijgen. De hindoesche bedienden, die nog nooit sneeuw hadden zien
vallen, waren verslagen. De koelies, die toch goede wollen dekens
hebben, schreien en zeggen, dat ze allen zullen sterven. Twee van
hen ontbraken op het appel, en de nacht viel. Twee anderen willen
wel tegen een flinke fooi hen gaan zoeken. Tot overmaat van ramp
was er geen hout om vuur aan te maken; hoogstens kan men met een
alcohollamp voor mij een kop thee bereiden. Ik gaf bevel tot een
algemeene verdeeling van de suiker, die hier als een warm voedsel
wordt beschouwd. Daarna liet ik de koelies onder de dubbele tent
gaan, waar ze den heelen nacht bromden en klaagden op den doorweekten
weidegrond. De pooten van mijn veldbed zakten er diep in, terwijl de
steunpalen van de tenten kraakten en bogen onder den last der sneeuw.



                                                Pandjtarni, 22 Aug.

Het bleef nog een gedeelte van den nacht sneeuwen; maar van morgen was
er een prachtige zonneschijn op de versch gevallen sneeuw, en mensch
en dier werd door de warme stralen verkwikt. Dat gaf weer moed, en het
bleek dat niemand van ons, zelfs niet de kippen, die we meesleepen,
is doodgegaan.

De etappe, die nu nog overblijft, is maar kort. Wij blijven dalen
langs dezelfde helling vol immortellen en gentianen, en gaan vijf
keeren over het riviertje, dat in de diepte kronkelt. De marmotten,
gezeten voor hun holen, zien ons voorbijgaan. Tegenover ons, achter
eenige kale bergen, verheft zich de piek van Amarnath, einde van ons
uitstapje en doelwit van de bedevaartgangers. De rots hier naast ons is
geen andere dan de trommel van Siva. De pelgrims zorgen ervoor, dat hij
klinkt, als ze er voorbijgaan, door er met een steen tegen te kloppen.

Kort daarna komt men te Pandjtarni. De "vijf stroomen" vloeien in
een onmetelijke bedding, half rotsgrond, half weide, afdalend van een
tweetal mooie gletschers, die merkwaardige strepen vertoonen. Wij zijn
gelukkig niet verplicht, als de pelgrims, om in elk ervan een bad te
nemen. Wij richten ons kamp op aan het eind der weide, dichtbij de plek
waar de vijf rivieren zich vereenigen, om de Sangam te vormen. Daar
vernauwt zich het dal weer, en door den open ingang van mijn tent, die
op het noorden ligt, zie ik slechts een driehoek van bleeke lucht, de
lucht boven Ladakh of Klein-Thibet. De grens ervan is maar een dagreis
verwijderd; maar we zijn al te ver in het jaargetijde, en de kloof,
die naar Saltal voert, is voor het oogenblik niet over te trekken.

Des avonds waren de bedevaartgangers eindelijk aangekomen. De
ambtenaren van de politie, die door den maharadja tijdelijk in dienst
waren gesteld, hadden in hun zorg voor het welzijn der pelgrims hen in
ons kamp teruggehouden, uit vrees dat ze door den sneeuwstorm werden
overvallen. Nu zijn ze te laat. Tegen het vallen van den avond komen
ze nog langs het pad in lange rijen achter elkaar aanzetten. Ik ging
ze om zes uur zien. Ze bestegen den oever, bibberend van hun vijf
op elkander volgende baden en met het voorhoofd besmeerd met geel en
rood door de poerohita's, die van twee uur in den namiddag af op hen
wachtten, neergehurkt aan den oever van de laatste rivier. Er stonden
al een paar tenten. De kooplui, die de pelgrims volgen, hadden allerlei
te koop voor diegenen, die geen vuur kunnen aanmaken, òf omdat ze geen
hout hebben, òf wel omdat hun gelofte het hun verbiedt. Er waren daar
banketbakkers en kruideniers, die slechte thee en allerlei dingen
te koop aanboden, welke niet onder de vasten vallen, als amandels,
pitten van abrikozen, hennip om te rooken en andere kleinigheden in
zakjes. Onze koelies waren veranderd in kooplieden van hout; zoodra
de tenten waren opgeslagen, waren ze op avontuur uitgegaan en daar
komen ze terug met bundels jeneverbeshout.

Het is een vermakelijke bonte drukte; de menschen slaan de tentpalen
in den grond, anderen halen enorme geelkoperen pannen, waar aanstonds
de rijst in zal koken, en allen woelen door elkaar aan den voet van
den berg, dien ze morgen zullen beklimmen.



                                                   Amarnath, 23 Aug.

Van morgen in de vroegte zijn de pelgrims naar Amarnath vertrokken
langs hun specialen weg; ze lieten alleen sommige koelies achter
voor de bewaking van het kamp. Die weg heeft zijn bijzondere
verdiensten. Vooreerst is hij zeer bezwaarlijk, want men moet een
bergkam van meer dan 5000 meter overgaan en dan aan den anderen kant
naar beneden klimmen, zoo goed als het gaat. Bovendien vervult men zijn
godsdienstplichten op een steile rots, waarvan het heet, dat ze een
beeld is van Bhairava. Er worden meelkoeken aan het beeld aangeboden
en suiker, een gebruik, dat te practischer is, omdat de arme pelgrims
volkomen nuchter naar boven moeten klauteren. Oudtijds beklommen
velen de punt en wierpen zich van boven neer, om naar hun meening
ten hemel te stijgen. Die gevaarlijke sprong naar de andere wereld
is nu door de politie verboden. Laat men thans eens tegenspreken,
dat de beschaving vorderingen maakt!

Op de andere helling ontdekt men in de rotsen een spleet, die een
soort van natuurlijke poort vormt. Wie daar doorheen is gegaan, behoeft
niet meer op aarde terug te keeren, want onder dezen vorm stellen de
Hindoes zich hun eeuwig heil voor. De pandit vertelde, dat diegenen,
die iets ernstigs op hun geweten hebben, er niet door kunnen; een
geheimzinnige macht, die niet te overwinnen is, houdt hen tegen,
en er wordt verzekerd, dat menigeen zich niet zeer rustig voelt,
als hij de geheimzinnige proef moet doorstaan. Maar dan heeft men
ook alleen nog maar de gelukzalige grot te bereiken.

Wat ons, profanen, aangaat, wij volgen op den heenweg het pad, dat de
pelgrims op den terugweg bewandelen; dien volgen ook bij voorkeur de
geloovigen, die zich te zwak voelen, en de zieken, die dwaas genoeg
zijn, hier genezing te komen zoeken. Men moet niet denken, dat die
nu nog al gemakkelijk is; men is al blij, een plaatsje te vinden voor
één voet tegelijk en vaak op een afglijdend stuk steen.

Het ergste is, dat als men boven is, men ook weer naar beneden moet
langs een pad van hetzelfde kaliber, tot men eindelijk de bedding van
de rivier bereikt. Dat is dan de stroom van Amarnath, de Amaravati
geheeten. Men loopt in de diepte van deze sombere doodenvallei, nu
eens over puin, dan over sneeuwtunnels. Aan alle kanten omringen u
kale bergen, welker kruinen even sterk zijn ingesneden als de golven
op een dag van storm op zee. Enkele lijken echt golven, die verstard
zijn, toen ze den hemel bestormden. In een ervan bespeurt men ter
halver hoogte een spleet, waarheen onophoudelijk stroomen menschen
opgaan, terwijl andere ervan afdalen. Dat is de grot van den Heer
der Onsterfelijken.

Op een enkelen dag van het jaar, een dag van volle maan in Augustus,
vullen de bedevaartgangers het dal met hun bonte scharen, waarin de
oranje kleur van het gewaad der sadhoes of bedelaars den boventoon
voert, en met het rumoer van hun uitroepen. Hun eerste daad is
zich te baden in de rivier Amaravati, die links van de grot drie
verdiepingen van watervallen vormt. De benedenste schijnt voor de
vrouwen gereserveerd. De mannen hebben niet anders aan dan een gordel
van berkeschors om de lendenen geslagen met een koord van dezelfde
stof; de vrouwen hebben een lap witte stof omgeslagen en allen uiten
den kreet: "Amarnath-Svani-ki-Jay! Leve de koning der goden!" Met
dien uitroep stormen ze naar de grot.

Men treedt er binnen langs een soort van leuning langs den
linkerwand. De groote gapende boog, wijd als de ingang van een
kathedraal, is rechts half gevuld door puin. De pelgrims smeren
hun gezicht met leem, anderen zelfs hun geheele lichaam met het
gipsstof. Men moet ze zien aan den ingang van het hol, de handen
uitgestrekt, het hoofd achterover, met open mond, in spanning lettend
op de droppels water, die door het gesteente worden gefiltreerd,
om er in het voorbijgaan enkele druppels van op te vangen, want dat
water is niets minder dan ambrozijn. Dan eindelijk zich in hun volle
lengte op den grond werpend, komen ze de grot binnen.

Het hoofddoel van de bedevaart is de aanschouwing der bevroren
bronnen, die Siva moeten voorstellen en zelfs zijn familie. Stelt u
voor in een ruimte, waar de zon nooit binnendringt, soorten van kleine
glazen koepels. De grootste zou niet anders zijn dan een natuurlijke
voorstelling van den god. Sommigen beweren, dat de dikte van het ijs
toeneemt en afneemt met de maan; maar niemand kan het zien. In de ziel
der pelgrims is geen schaduw van twijfel. Met welk een devotie drukken
ze zich tegen het blok ijs, er geestdriftig hun voorhoofden tegen
wrijvend, hun armen, hun naakte bovenlijven; als ze zich aan de eene
zijde hebben gewreven, beginnen ze aan den anderen kant. Vervolgens
houden ze in de kille schaduw van de grot een soort van danspartij,
gewijd door een rhythme van handgeklap.

Onnoodig te zeggen, dat de poerohita's van de party zijn, zij hebben
de ijsblokken met roode vlaggen versierd, met kleine walmende lampen
en hebben er bloemen gestrooid. Twee van hen zitten zoo maar op
Siva; twee anderen houden een touw van gevlochten stroo vast, om
de opdringende menigte op een afstand te houden. Al die menschen,
die zoo dweepziek moeten zijn, ontvangen ons zeer vriendelijk. Men
schijnt het zeer goed te keuren, dat ik mijn onrein lederen schoeisel
door strooien sandalen heb vervangen. Er wordt mij belangstellend
gevraagd, of ik den beroemden gletscher al gezien heb of dat ik er
nog heen ga. Ik zou het in elk opzicht onaangenaam hebben gevonden,
als ik deze brave menschen in hun geloof had moeten kwetsen. Ieder
geloof is heilig, zoo lang het oprecht is.

Om de waarheid te zeggen, maken de poerohita's een onnoodige drukte en
duwen de sadhoes heen en weer; om ruim plaats te maken voor de Sahibs,
die bij gebrek aan geloof roepijen meebrengen. Zij geven mij daarvoor
in ruil een overvloed van kandij, amandelen, bloemen en hechten om
mijn linkerpols een armband van roode wol en gele zijde. Een arme,
oude vrouw vroeg mij een aalmoes en ging dadelijk het ontvangen
zilverstuk brengen aan brahmanen, die bezig waren te offeren bij een
klein vuurtje. Van avond wordt de ontvangst gedeeld; een vierde is
voor de poerohita's van Bhavan, een vierde voor die van Ganesj-Bal,
een derde vierde deel voor de sadhoes, die het vaandel gedragen hebben,
en het laatste voor de maliks van Bhatkote.

Later hebben wij de klachten van den ouden malik vernomen, toen we
weer door dat dorp gingen. Zij hadden voor hun deel maar honderd
roepijen gekregen. Trouwens ze zeggen elk jaar, dat ze zijn gefopt,
en dat is niet onmogelijk, om de eenvoudige reden, dat de toegang tot
de grot, en dus alle toezicht op de financiëele operaties, verboden
is aan de Mohammedanen.

Toen het bezoek aan den gletscher afgeloopen was, konden
wij heengaan. Het was voor al die arme stumpers een treurige
aftocht. Uitgeput door acht dagen van vermoeienis en vasten, waren
ze hier gekomen, en nu werden ze niet meer gesteund door den wil
om het doel te bereiken. Zoolang de weg naar beneden liep door het
dal van Amarnath, ging het nog, want toen had men het gezicht op de
heilige grot, en wij hoorden geestdriftige kreten. Aan den oever van
de rivier zagen we vrouwen zich vooroverbuigen, om water te scheppen
in de holte harer handen en elkander te laten drinken, waarna ze
elkaar tot driemaal toe omhelsden. Zoo sluiten ze een vriendschapsbond.

Zoo'n verbond, vertelde de pandit, heeft den voorrang boven ieder
wereldlijk belang en elken familieband; het geldt voor leven en dood.

Weldra verspreidden zich de groepen en de uitroepen werden niet meer
gehoord. Een der leerlingen van onzen ouden kennis, den sadhoe van
Patiala, was zoo zwak, dat hij er wel blijven moest, omdat hij geen
geld had om zich te laten dragen. Toen de weg ging stijgen, zagen we
niet dan doodvermoeide menschen op de hellingen, zich vasthoudend aan
sprietjes gras, zoo goed als het ging, hijgend en klagend en de hoop
opgevend, dat er ooit een eind aan den klim zou komen.

Aan de andere zijde van den berg was de afdaling naar de vijf rivieren
niet veel beter; velen van hen, die op handen en voeten zoo even
omhoog kropen, lieten zich nu maar op den rug neerglijden. Beneden
wachtte hen een laatste bad, even heilig als het koude bad, genomen
ter eere der voorvaderen, alsof ze den tijd wilden bespoedigen,
waarop ze bij hen zouden wezen.

Ik moet bekennen even vermoeid te zijn als zij, en als zij, sleep
ik mij voort, zoo goed en zoo kwaad als het gaat, naar het kamp te
Pandjtarni. In de achterhoede worden de achterblijvers aangezet tot
spoed door de politie; het zou hun dood zijn, zoo ze alleen achter
werden gelaten in deze troostelooze eenzaamheden, waar alles verijsd
is, tot de goden toe; en nu valt voor een geheel jaar het dal van
Amarnath terug in stilte en verlatenheid.

Den 24sten Aug., 's morgens, was er te Pandjtarni niets meer te zien
dan onze tenten op de van witten ijzel glinsterende weide. Ik had in
zoo ver nog de gevolgen te dragen van mijn vermoeienis van den vorigen
dag, dat ik mijn vertrek een dag uitstelde. Toen de politiebeambte,
die voortging met den optocht tot een goed einde te brengen, vóór
zijn vertrek mij nog zijn diensten kwam aanbieden, vroeg ik hem mij
een dholi te sturen met een dubbele groep dragers. De dholi is een
soort van palankijn of vierkanten draagstoel met een dakje van stof
erover. Veilig hangend tusschen twee lange bamboes, leek het mij nog al
een dragelijk vervoermiddel; het eenige bezwaar is, dat het veel ruimte
inneemt. Maar mijn acht niet gedoopte dragers zijn geoefende luidjes,
en ze brengen mij met de grootste handigheid over de lastigste wegen.

Men volgt op den terugweg hetzelfde pad als in het heengaan, behalve
dat men gewoonlijk iets afsnijdt door een nog veel hoogeren pas over
te gaan als dien van den Mahagoenas en niet minder steenachtig. Op
eens is men dan aan den anderen kant. Aan zijn voeten aanschouwt men
een onmetelijk wijde kloof, met zonderling gevormde toppen eromheen
en meer dan 1000 meter diep. Men zou op het eerste gezicht meenen,
dat het onmogelijk is, zoo steile hellingen af te gaan; men doet het
intusschen, al is het niet zonder moeite en gevaar. Beneden bij een
beek, die plotseling uit den grond te voorschijn komt, vormen de
opnieuw gevonden berken een nestje van groen, dat den naam draagt
van Astan Marg.

Een heele familie van goedjarsche herders is er met de buffels
gevestigd. De oude moeder, een goedig mensch, met het hoofd van
een tooverheks, kwam mij begroeten en bood mij koeken van gestremde
melk aan, mij noodigend in haar hut. Die was niet veel meer dan een
groot afdak, gedragen door enkele boomstammen, een zeer eenvoudig
zomerverblijf; in den winter gaan ze naar beneden naar hun dorpen. Ik
kon in zake meubels niets ontdekken dan de zakken van geitevel,
waarin gesmolten boter wordt bewaard en de aarden of bronzen potten,
waarin ze wordt gesmolten.

In een hoek lag een heel jonge vrouw op een bed van droog gras en
naast haar lag een baby, die den vorigen dag geboren was. Evenals de
andere vrouwen, die ik zag, was ze behangen met sieraden, en ik telde
wel twaalf zilveren ringen in ieder oor. Dus verliest de coquetterie
nimmer haar rechten, en ik begin te twijfelen aan de hooggeroemde
eenvoudigheid van de herderinnetjes.

Maar weten ze wel, hoe gelukkig ze zijn? Graag zou ik voor de rest
van den zomer hun koele, frissche verblijfplaats deelen, die door
een dichter beschreven zou worden als genesteld aan het hart van
den reus Himalaya, als een edelgesteente op de borst van de godin
Parvati. Ongelukkig is onze voorraad niet groot genoeg voor dergelijke
buitensporigheden, en wij moeten ons weer begeven naar streken van
een duizend meter lager, waar men reeds zwaarder lucht inademt. Nog
twee dagen van een daling door een schilderachtige omgeving, en
mijn dragers zetten mij zacht te Palgam neer. Vandaag heb ik nog
alleen maar Kaschmir dwars door te gaan, om dan de bestijging van
den Haramoek te doen.



V.

    De bedevaart naar den Haramoek.--Begrafenis.--Alpinisme
    en godsdienstige hydrotherapie.--De tempels van
    Vangath.--Herfsthuiveringen.--Afscheid van Srinagar.


De achtste dag van de lichte veertien dagen van Bhadrapada, die in
het jaar 1896 op den 14den September viel, is de groote dag der dooden
voor de kaschmireesche pandits. Maar zij brengen dan niet enkel bloemen
naar een kerkhof, dat meer of minder ver uit de buurt is; ze moeten er
meer dan 4000 meter voor stijgen langs ruwe wegen door verlaten passen
naar een meer, omringd door gletschers en steenachtige hellingen aan
den voet van den reus Haramoek. Daar men liever in de Ganges de asch
stort van de Hindoes uit Indië, wordt die der Brahmanen en Sikhs uit
Kaschmir daar gedeponeerd. Zoo is dan ook het meer bij gebrek aan
beter gekozen als een der bronnen van den grooten, heiligen stroom.

De profanen en de kaarten noemen het Gangabal; de brahmanen zeggen
dood-eenvoudig de Ganga of de Moekoeta Ganga, de Ganga van den
diadeem. Het is bekend, dat de groote rivier vloeit van den haardos van
Siva, en nu is de Haramoek, het enorme rotscomplex, met ijs bedekt,
dat vijf dalen beheerscht en zeven hooge toppen ten hemel heft,
niet anders dan de diadeem en tegelijkertijd de woning van den god.

De pandits beweren, zonder te lachen, dat als men de pradakchina,
dat is de toer rondom het meer, doet in den tijd van droogte, dat men
dan de haren kan zien, waar de bron onder uit vloeit! Als de achtste
dag van de lichte veertien dagen van Bhadrapada na het begin van de
najaarsdagen valt, wordt de plechtigheid van het werpen der asch tot
het volgende jaar uitgesteld. Dat jaar had het weinig gescheeld,
of het feest had niet plaats gehad; het najaar begon den negenden
van de veertien dagen.

In alle huizen waar een doode is geweest, moet een der bloedverwanten,
zoo na mogelijk, de bestijging doen. Die pelgrimstocht van Gangabal
heeft dus een zeer bijzonder plaatselijk karakter. Hier komen geen
pelgrims uit Indië, dat wil dus zeggen, geen sadhoes; enkele Sikhs
uitgezonderd, ziet men er slechts kaschmireesche brahmanen; het is
een ware familiebedevaart.

En het is geen kleine zaak voor de pandits. Men weet, hoe vermakelijk
bang de Kaschmireezen zijn voor de prachtige bergen, te midden waarvan
ze leven en die ze het liefst uit de verte bewonderen. De bandobast is
dan ook een ding van belang, en het schijnt alsof men een poolreis gaat
maken. Er moet een tent worden aangeschaft, dan proviand meegenomen,
kleeren en dekens in overvloed; verder moet men zich voorzien van
suiker, peperkorrels en zure vruchten, alles dingen, die in de vasten
mogen worden gebruikt en die men onderweg neemt, om zich op te monteren
of te verfrisschen, en vooral niet te vergeten, een reukwerk, geknoopt
in een punt van het kleed, om bij wijze van opwekkend zout te ruiken,
als men een aanval krijgt van de bergziekte. Ook is het van groot
belang kangri's bij zich te hebben en een aantal sandalen van poelahor,
die zooveel waard zijn voor het loopen op de gladde hellingen.

Eindelijk moeten er koelies worden gehuurd, om dat alles te vervoeren,
en dan nog de quaestie van de asch. Men ontsluit, om haar mee te nemen,
het kastje boven de deur in den buitenmuur, waarin ze was geborgen
vanaf den dag der verbranding van den doode. Het is de gewoonte,
de enkele overblijfselen van beenderen, die men heeft ingezameld
onder de asch van den brandstapel, in een aarden vaas te bergen,
samen met kleine stukjes van de vijf edele dingen, parel, saffier,
koraal, goud en zilver. Ik heb mij laten vertellen, dat men niet
zooveel asch meenam als wel mogelijk zou zijn, uit vrees er last van
te zullen hebben op de dag van de bedevaart, want de dooden kunnen
den levenden hinder veroorzaken.

Eindelijk, daar zijn onze pandits op weg, niet zonder dat de dragers
van asch eerst in hun huis een eersten lijkdienst hebben gevierd. Die
laatste diensten worden trouwens elken dag van den tocht gehouden,
schenkingen van meelkoeken, water en vruchten aan de geesten der
afgestorvenen. Bij de Ganga moeten allen aan zulk een lijkdienst
deelnemen, en zij, die asch hebben heen te brengen, houden er twee. Wij
haalden te Prang, aan den oever van de Sind, de bonte scharen der
pelgrims in, die aan het ontbijt waren na hun offerande of onder de
boomen lagen te rusten. Er waren daar zeer mooie vrouwen van pandits;
zij gaan inderdaad door voor veel mooier dan haar mohammedaansche
landgenooten, en zonder twijfel terecht. Het is misschien niet te
verwonderen, want het waren juist de hoogste klassen, die zich niet
lieten bekeeren tot het Mohammedanisme.

Bevallig in haar levendig gekleurde kleedjes met wijde mouwen, met
een witten gordel om het middel, en om het hoofd een langen, witten
sluier geslagen, die op de schouders afhing, maakten verscheiden van
haar een bijbelschen indruk. Wat de pandits betreft, de meesten van
hen leggen op reis het witte kleed af, dat er met den gordel als
een soort van toga uitziet en hun werkelijk niet kwaad staat; zij
vervangen het door een costuum, dat veel gelijkt op dat van Kisjtwar,
een buis met een korte broek, en banden om de beenen gebonden. Bijna
alle dragen ook nog een groote jas, gevoerd met een voering van
lamsvel uit Ladakh. Enkele knapen geleken met hun geborduurde mutsen
en gekleurde wambuizen boven de nauwsluitende broeken op pages uit de
middeleeuwen. Anderen hadden het betreurenswaardige denkbeeld gehad,
wonderlijke jassen aan te trekken, meesterstukken van kleermakerskunst
uit de hoofdstad; er waren hemelsblauwe, bruine, groene, zelfs enkele
van zwart fluweel, alle van buiten versierd met zakken als die van
jachtbuizen. Die jeugdige pronkers stellen het jonge Kaschmir voor,
dat zich in alles het engelsche volk heeft ten voorbeeld gesteld;
zij begroeten ons in het Bargoensch, dat ze hebben geleerd op de
school van Srinagar en dat ze nu gebruiken in de hoop, een of ander
postje bij de karavaan te krijgen. Intusschen willen ze den tocht
naar Gangabal niet opgeven. Naast hen vervullen de poerohita's hun
plicht als aalmoezeniers. Verderop zit een groep Sikhs vroolijk te
praten. In hun nabijheid hingen, over de vork van de in den grond
gezette stokken, zakjes van verschillende kleuren, bevattend de asch
van hun dooden. Op die manier voeren ze die naar de Ganga; de pandits
hangen de zakjes gewoonlijk om den hals. Enkele hadden er tot drie of
vier; de verschillende kleuren van de zakjes dienen in zulk een geval,
ze uit elkander te houden, want ze moeten den naam van den ex-eigenaar
van de asch uitspreken bij het in het water strooien. Des avonds werden
overal vuren ontstoken, en het kamp had een zoo feestelijk aanzien,
dat het kwalijk strookte met het plechtige doel van de bedevaart.

Den volgenden morgen ging ieder langs een steenachtig voetpaadje naar
het dal Sjittagroel; de terugweg wordt genomen door het Vangathdal. Te
Sjittagroel wonen de maliks, die, zooals de maliks van Bhatkote voor
Amarnath, zorgen voor het tijdelijk welzijn van deze pelgrims en
daarvoor een kleine vergoeding ontvangen. Er werd gekampeerd in het
open veld aan den voet van den berg; er moesten ongeveer 2000 meter
stijgend worden afgelegd. Een hevig onweer, dat des avonds opkwam,
had de tenten en de menschen doornat gemaakt. Het was omstreeks
middernacht een vreemd gezicht, al die bewegende groepen, half in
de schaduw, half in het flikkerende licht der vuren, hun kleeren
nog gauw op het oogenblik van het vertrek drogend. Daarna ging de
processie in ganzenmarsch langs het pad, enkelen met een harsfakkel
in de hand, anderen met een toorts van berkeschors of zelfs met een
gewoon windlampje.

Zou des nachts de bestijging wat korter lijken? Ik weet het niet;
over dag schijnt ze eindeloos. In eens passeert men alle zônes van
den plantengroei. Eerst stijgt het voetpad door een boschrijk dal
of eigenlijk ravijn tusschen hooge groene wanden van noteboomen,
kastanjes, hazelaars en vijgeboomen. Daarna volgen hellingen met
verspreid staande boomen, meest sparren, half ontworteld door de regens
en zich krampachtig met hun wortels vasthoudend op de schuinten. Dan
krijgen we de lijn van de berken, gevolgd door die van het gras,
waarop de streek van de kale rots volgt.

Men vindt hier ook weer, net als aan den kant van Amarnath, die soort
van reuzendrempels, die naar de hoogvlakten leiden of de margs, en
waar nog alleen enkele zeer hooge toppen boven uitsteken. Maar eerst
krijgen we een kloof met loodrechte rotswanden, waar hier en daar
een plekje gras zich vertoont, zooals aan den rand der klippen aan
zee; dat is de Haph-Nar, kloof der spoken. Daar zouden lang geleden
pelgrims gestorven zijn, die verdwaald waren, en ze waren zoo talrijk,
dat men in de diepte van de sombere kloof meer dan tachtig pond touw
van de heilige koorden der brahmanen heeft gevonden! Iets verder gaat
men door een nauwen doorgang in een rots, en daar staan de maliks,
om van elken voorbijganger eenige stuivers te ontvangen.

Vervolgens is ieder deelnemer verheugd, als men te Brahmasar is
aangekomen, de verlangde plek, waar gerust wordt aan den voet van de
hooge, donkere pyramide van den Haramoek, wiens grootheid over het
geheele laatste deel der reis heeft gewaakt.

Wat leven hier nog een legenden en wat is het volksgeloof nog
levendig! Wie twijfelt, of de top bestaat uit een enkelen steen en
of de aanblik iemand tegen den beet van slangen beveiligt, omdat
een van die dieren den halsband vormt van den god Siva! De top heet
onbeklimbaar. In vroeger tijd had een sadhoe twaalf jaren lang zich
tot taak gesteld, hem te beklimmen, om Siva te zien. Dag op dag steeg
hij langs het rotspad omhoog; de nacht overviel hem onderweg, en des
morgens, als hij ontwaakte, bevond hij zich weer op het punt, van waar
hij den vorigen dag was uitgegaan. Zijn geval is tot een spreekwoord
geworden in Kaschmir; als bijvoorbeeld een kind den eenen dag vergeet,
wat hij den vorigen heeft geleerd, dan is het als de bedelmonnik van
den Haramoek.

Er wordt intusschen verteld, dat eens een schaapherder, die naar
een verloren schaapje van zijn kudde zocht, zich zeer hoog op den
berg waagde. Hij bemerkte in een hol in de rots een man en een vrouw,
die tot de meest geminachte kaste behoorden, bezig een wijfjeshond te
melken, om hun dorst te lesschen. De man vroeg den herder, of hij mee
wilde drinken; maar de blinde Mletsja weigerde en ging voorbij. Toch
had de man nog gelegenheid, hem een droppel melk op het voorhoofd
te strijken. Onder het afdalen ontmoette de herder den sadhoe en
vertelde zijn avontuur. Dadelijk sprong de sadhoe op, likte met zijn
tong den droppel van het voorhoofd des herders en ging heen in blijde
verrukking. Diegenen, die door den Mohammedaan voor landloopers waren
gehouden, waren niemand anders geweest dan Siva en zijn vrouw Parvati.

Zou de god werkelijk dit jaar slecht gehumeurd zijn of is Parvati
jaloersch van al de hulde, die gebracht is aan haar mededingster
van de Ganga? De koelies zijn natuurlijk nog een heel eind achter,
en daar breekt een hevig onweer los met hagel; in een oogenblik is
de grond bedekt met een dikke, witte laag; de donderslagen zijn zoo
hevig, dat het is, of ze ons de bergen op het hoofd willen gooien;
tot overmaat van ramp is een ijzige wind opgestoken en loeit door
den pas. Dat treft niet voor de arme brahmanen, die nog een koud
bad moeten nemen in de Naga, want geen bad, geen verdienste van den
pelgrimstocht. Daarbij zijn ze schrikkelijk bang voor zulke onweêren,
die iemand in een oogwenk voeren uit het klimaat van Indië naar dat
van Lapland, en vooral voor dien wind, die als het wat later in het
seizoen is, wel eens noodlottig wordt voor karavanen, overvallen in
den pas. Allen kruipen samen in de tenten, die al bezet zijn vóór
zij nog goed en wel zijn opgeslagen.

Den volgenden morgen brandde de zon weer, en deed verlangen naar
een weinig schaduw tusschen de kale rotsen, tot er 's avonds weer
kou en onweer volgden. Den dag daarop werd eindelijk het doel der
reis bereikt; men was aan den oever van het meer Gangabal. Maar
de bedevaartgangers zijn daarmee nog niet aan het einde van hun
moeite. Zij hebben evenals te Amarnath hun bijzonderen weg, die langer
en moeilijker is, maar die in hun oogen het voordeel oplevert van hen
drie naga's te doen ontmoeten, waardoor ze de gelegenheid krijgen,
drie koude baden extra te nemen. Werkelijk, ze verdienen al het goede,
dat ze zoo hoog en tegen zooveel inspanning komen zoeken; maar als
al die opeenvolgende koude baden op de nuchtere maag hun van veel
nut zijn bij hun toekomstige wedergeboorte, zal dat, dunkt mij, niet
beletten, dat ze er in dit leven een flinke verkoudheid mee opdoen.

Een weinig boven Brahmasar slaan ze rechtsaf door een rotspoort. Van
de drie naga's, waar die heen leidt, zouden twee geboren zijn uit de
tranen van de schoone Parvati. Dat was in den tijd van haar ijverzucht
op haar mededingster de Ganga, die altijd verdwaalde tusschen de
donkere haren van den god. Siva had het verstandigste gedaan, wat er
in zulke omstandigheden te doen is, hij was weggegaan. Parvati ging
hem toen berouwvol zoeken. Onderweg informeerde ze, of men haar man
niet had zien voorbijgaan; hier kreeg ze een ontkennend antwoord,
en een traan van brandende smart ontvloeide aan haar oogen, ginder
was het antwoord bevestigend, en een traan van zalige vreugde vloot
over haar wangen; en zie, daardoor is nu nog de naga van den eersten
traan warm, terwijl de andere koud is. Wat de derde naga betreft,
haar donkere kleur heeft haar den naam van Kal-Sar bezorgd.

Intusschen stijgen koelies en profane bezoekers tot den berg, die
het dal van Sjittagroel op den achtergrond afsluit ter hoogte van
ongeveer 4000 meter. Ongeduldig om alles te zien, ging ik verder
naar den top, die over de meren uitzicht geeft; van daar was het een
wonderschoon landschap. Onder onze voeten aan den voet van den berg
waren de bekkens van het Noen-Kol te zien, half blauw, half groen,
al naar de diepte van het water; meer naar links zag men de gletschers
boven het Gangadal hangen, en van den eenen naar den anderen vloeide
een zilveren waterval.

Reeds zijn brahmanen en brahminen aan hun gewijde therapie bezig. Het
doodenmeer weerspiegelde kalm den hemel in zijn afwisselende tinten. De
harde rotsen, het koude water, de bevroren sneeuw, alles was in den
zonneschijn van een groote plechtige doodschheid. Eenige panditvrouwen
gingen ons voorbij en vergaten, zich het gelaat te bedekken, en ik zag,
dat haar oogen rood waren van het weenen. Dit is inderdaad de plek
van de scheiding voor goed. Hier worden de laatste lotsbeschikkingen
getroffen van hen, die eens waren, en hier zal het lot worden beslist
van hen, die nu nog zijn de Hindoes van Kaschmir. In een kluit aarde,
genomen van den oever van het meer en in de hand gekneed, neemt men
de vijf heilige zaken mee en de overblijfselen van de verbranding,
en het meer omvat het al. Dat duurt nu al eeuwen zoo, en alle dooden
der aarde zullen het meer niet vullen.

Wij lieten die menschen aan hun gedachten over en aan hun plichten,
die met den dood in verband stonden, en we daalden af naar Vangath
bij de daar opgeslagen tenten aan de grens der berken. Tegenover
ons graasde op een begroeide helling een kudde van wel duizend
schapen. Alsof ze door een onoverwinnelijke macht gedreven werden,
liepen ze steeds voort, alleen onder het gaan nu en dan een grasje
afknabbelend. Velen vormden een lange lijn, waar ze in onafgebroken
rij elkander volgden. Memand wees hun den weg, maar als ze in de
eene richting ver genoeg waren gegaan, stuwden de herders ze in een
andere. En dit ziende, begrijpt men de tochten van de karavanen van
lastschapen, die over de hooge steppen van Midden-Azië trekken, elk
met eenige brokken steenthee op den rug. Ze slapen in de open lucht
aan den voet der rotsen.

De gezinnen der herders slaan een soort van schuilhut op met wat takken
van jeneverbesstruiken, opgehoopt tegen den wind en den regen. In ruil
voor een karig loon belasten ze zich ermee, den geheelen zomer zoo de
schapen van een of meer dorpen te laten grazen. De boeren hebben geen
bijzonder hoog idee van hun eerlijkheid, en meer dan een eigenaar gaat
af en toe eens naar boven, om het aantal zijner schapen te tellen,
onder voorwendsel hun als versnapering een kleinen voorraad zout
te brengen.

Ook van dit punt hadden we het uitzicht op veel bergen, als de
golven van de zee een woelige massa vormend en alle met versche sneeuw
bedekt. De terugweg was over golvende terreinen, daarna volgde een klim
over steile rotsen en ten slotte hadden we een daling over paden, die
duizelingwekkend steil waren en vol steenen. Beneden lagen de rivier,
de tempels, de naga, en een kleine mijl verder het dorp Vangath,
het einde voor dien dag.

De bloedverwanten van de pelgrims kwamen in menigte ze daar opwachten,
beladen met allerlei versterkende en verkwikkende middelen voor de
dapperen, die tot het Gangadal gestegen zijn. Die komen terug, volkomen
kaal geschoren, want dat schrijft de dienst voor, en de mohammedaansche
barbiers zorgen wel, die gelegenheid niet te mankeeren. Om daar op die
enorme hoogten hun kunst uit te oefenen, laten ze zich goed betalen,
tot wel acht anna's toe of tachtig centimes! Alle brahmanen moeten
eraan gelooven, behalve zij, wier vader nog leeft en wier vrouw
zwanger is. Ook degenen, die dooden hebben gebracht naar boven,
worden geschoren.

De tien of twaalf tempels verbergen onder het groen hun schilderachtige
ruïnen bij een bron, die verrassend helder is in haar bed van
steenen. Deze zoo rustige plaatsen waren in den tijd van Avantivarman
het tooneel van een merkwaardige tragedie, die het de moeite waard
is, in de vertaling van Dr. Stein te lezen. Die koning was er eens
zijn godsdienstplichten komen verrichten in den grooten tempel,
dien hij meende te hebben verrijkt met zijn geschenken. Dus was hij
zeer verbaasd, te zien, dat de priesters voor het beeld van den god
niets anders legden dan wat bladeren van oepalakh, een in het wild
groeiende plant, soort van witte Scabiosa, waarvan de Kaschmireezen
de bladeren gekookt eten. De vorst kon niet laten, daar een opmerking
over te maken en de reden te vragen van zooveel zuinigheid. Daarop
wachtten de poerohita's slechts, om te spreken.

Zij vertelden dat een zeker edelman uit de buurt zich op de
gunst van den minister had beroepen, om hun de inkomsten van het
dorp afhandig te maken; daardoor werd de karigheid van hun gave
verklaard en de schrielheid tegenover den god. De koning deed,
alsof hij niets had gehoord en ging weg onder voorwendsel van een
plotselinge ongesteldheid, de plechtigheid onvoltooid latend. Daar
was ieder vol van. Het bericht ervan drong door tot den minister,
die er slechts op uit is, zijn plaats te behouden en zich trachtte
te ontdoen van zulk een dommen gunsteling. Hij liet hem dadelijk het
hoofd afslaan en het onthoofde lichaam in het heldere water van de bron
werpen. Waarna hij kalm naar de gezondheid van den koning kwam vragen,
die volkomen hersteld was. "Nooit," zegt dan de kroniekschrijver,
"heeft men stellig zulk een minister gezien!" Dat kan zijn, en men moet
niet overdrijven; maar al zijn de zeden verzacht, te ontkennen is het
niet, dat er tegenwoordig ook nog ministers zijn, wier portefeuilles
aan hun lijf schijnen vastgelijmd.

De nabijheid van den tempel en het schoone landschap hielden mij
terug. Ik bleef eenige dagen in Vangath, en er was daarbij een
zekere luiheid in mij, die mij weerhield, mij te verwijderen van
die bergen, welker bekoring zeker altijd ieder zal bijblijven, die
eens het gras ervan betreden heeft en de zuivere en lichte lucht
heeft ingeademd. Maar toen kwam de herfst, die zich duidelijk liet
kennen aan de vergulde tint, die zich op de hellingen legde, en door
de sneeuw, die op de toppen viel, door de pikante frischheid van de
morgenlucht en de heldere koude van den maneschijn. En daar kwamen,
bij de eerste herfstverschijnselen, alle herders naar beneden, die
zomerbewoners zijn van de hooge weiden; ze komen met hun gezinnen
en kudden. Elken dag was het een optocht door het kleine dorp van
een schilderachtigen, luidruchtigen troep; en die menschen leken
mij even afhankelijk van de seizoenen, als de vluchten trekvogels,
die boven ons hoofd langs trokken.

Eerst kwamen de Goedjars, want hun buffels verdragen niet goed de
koude, zooals ze trouwens ook niet tegen groote warmte kunnen. Daarom
werden ook de open hutten, waar ze daarboven zich in ophouden, het
eerst verlaten. In zakken hun provisie, boter en kaas, meenemend,
trekken ze voort en drijven hun zware, domme beesten voor zich uit,
die toch zulke teêre gestellen hebben en lastig erop gesteld zijn,
zich in iederen plas op den weg te wentelen. Daarginds naar den kant
van het Zuiden wacht hen de een of andere lage woning met plat dak,
staande in een veld van maïs, zooals wij er zooveel hebben gezien,
toen we naar Kaschmir gingen, op de heuvels langs den weg.

Dan brengen de herders aan de boeren van beneden de schapen terug,
die voor den zomer aan hun hoede waren toevertrouwd. Maar hoevelen
zullen er op het appèl ontbreken, die gerekend zullen worden te zijn
verscheurd door beren of in een afgrond te zijn gevallen, terwijl ze
eenvoudig verkocht zijn, zoo duur mogelijk, aan toevallig voorbijgaande
toeristen? Wie zal het zeggen? Het is het geheim van de marg. Er
zal in de dorpen geschreeuw en getwist zijn naar kaschmireeschen
trant; maar dan zal alles weer stil wezen; de herder zal zijn loon
in graan ontvangen en zal tot het volgend voorjaar ontslagen worden;
en dadelijk nadat hij zijn schaapjes gewasschen, gekamd en geschoren
heeft, zal de boer ze in zijn huis opsluiten, om hem als kachels te
dienen, terwijl hij van de wol zeer warme dekens maakt in den loop
van zijn lange winteravonden.

De nieuwste ontmoeting op weg naar de tempels was die met een
gezelschap babarkans of geitenhoeders. Zij waren echte nomaden
en verschenen in Kaschmir slechts als trekvogels, net als de
zomertoeristen. Ze brengen het koude jaargetijde door op de zuidelijke
hellingen van den Himalaya. Het zijn heel andere personnages dan
de gewone herders. Hun geiten zijn hun eigendom, evenals talrijke
pakpaarden, die hun bagage dragen.

Er wordt verteld van een kreupelen barbakan, die voor zich alleen meer
dan dertien duizend geiten zou bezitten. Hij is dus een croesus voor
dat land, want zijn kudde vertegenwoordigt wel een waarde van 50.000
roepijen. Die geiten zijn zeer groot, en hun huid is zeer gezocht
voor het maken van emmers. De emmers, die voor water worden gebruikt,
worden gelooid aan beide kanten, terwijl de voor proviand gebruikte
aan de binnenzij het haar behouden.

Maar meent niet, dat van dit haar de beroemde shawls worden gemaakt. De
echte Kaschmireesche geit is hier onbekend; die komt slechts voor op
de hooge plateaux van Thibet. Daar alleen laat de goede moeder natuur
onder de vacht van het dier een soort van fijn velletje groeien,
juist als het dons groeit onder de veeren van de eidergans. Van die
wol weefde men de shawls en daarvan worden nu nog de zachte en soepele
stoffen geweven, die pasjminah heten. Er zijn wel pogingen gedaan, om
in Kaschmir de wolgeit te acclimatiseeren; maar hoe streng de winter
er ook zij, hij is niet streng genoeg, om de geit er toe te brengen,
met een zacht wollen laagje den mantel van lange haren te voeren. Dus
natuurlijk komt die wol niet voor bij de geiten van de barbakans,
die den kouden tijd in het warmer Indië doorbrengen.

Om op onze herders terug te komen, er waren wel een twintigtal, mannen,
vrouwen en kinderen. Ze hadden ook een groote wijfjesbuffel bij zich,
wier melk met meelkoeken hun ontbijt vormde. De mannen waren in dekens
gehuld op kaschmireeschen trant; de vrouwen droegen alle een kleed
van blauw katoen met roode streepjes. De wijde broek was nauw aan
de enkels, en een soort van blouse bedekte het bovenlijf. Onder het
kleine mutsje, dat ze droegen, kwam het blonde haar uit en viel in
kleine vlechten op haar schouders. Ze waren niet leelijk met de ovale
gezichten en den fijnen neus, kleinen mond en langwerpige oogen. Deze
nomadenvrouwen dragen de kleine kinderen op den rug en niet op de
heup, zooals de vrouwen in Indië en Kaschmir. Ze hebben een soort
van wieg gevormd van een lap stof, dien ze zich eerst stevig om het
middel binden, waarna ze hem met een eind achterom over den schouder
slaan, zoodat in de holte het kind kan liggen en wat er dan nog over
is van de stof wordt bij wijze van tulband om het hoofd gerold van de
moeder, die daar bovenop een aarden of bronzen vaatwerk zet en vlug,
met de handen vrij, zich over den weg kan bewegen.

Eindelijk moesten wij opbreken als de anderen. In het dal der Sind
kwamen we op den muildierweg, die van Srinagar naar Leh voert, en we
hadden nog interessante ontmoetingen. Het waren brave boeddhisten
uit Ladakh, die naar hun land terugkeerden met hun karavanen van
yaks, beladen met graan, rijst, zout en aardewerk; ook soms waren
het Mohammedanen uit Jarkand op weg naar de indische havens, waar
ze voornemens waren, zich naar Mekka in te schepen. Ze zijn allen
ongeveer gelijk uitgedost, een bonten muts, een mantel met lange mouwen
en laarzen van vilt, terwijl altijd dezelfde kleine gesluierde oogen
knippen in hun gele, platte Mongolengezichten. Al die menschen hebben
haast en gaan in tegengestelde richting, om weg te komen, voordat de
sneeuw de passen onbegaanbaar heeft gemaakt en Kaschmir terugvalt in
zijn lethargische winterrust.

Laten wij dus ook haast maken, om van de laatste mooie dagen te
profiteeren. Ik kon mijn intrek nemen met een paar vrienden in de villa
Sjeik-Safaï-Bagh, eigendom van den radja Amar-Singh, een der broeders
van den koning. Het huis was gebouwd in het midden van een groot park
van amandelboomen op een vrij hoog terras, zoodat wij uitzicht hadden
op het wonderschoone meer van Srinagar; de stedelingen praten altijd
van het Dal, dat is het meer, juist als de Parijzenaars van het Bois,
als ze het Bois de Boulogne bedoelen. Het "Dal" dan was prachtig in
dit herfstlicht. De eilandjes en de beroemde drijvende tuinen, echte
vlotten van bloemen, spiegelden zich in het doorschijnende water,
dat op het klaarst de bosschen, de bergen en den hemel weerkaatst. En
het kader is waard, zoo iets schoons te omvatten; men kan zich geen
grootscher amphitheater van bergen denken dan dat, hetwelk van den
Hariparvat, met zijn fort gekroond, gaat naar den Takht-i-Soeleiman
met zijn tempel, terwijl daarachter de witte kegel van den Haramoek
verrijst.

Alleen de roestkleur der naburige hellingen, de bleekgouden bladeren
der populieren en de dunne streep van sneeuw, die al over de bergen
loopt, als om de vormen beter af te teekenen, doen de nadering van
het slechte jaargetijde vermoeden. Het dal wordt met elken dag mooier,
als om zich in een zekere coquetterie meer te doen regretteeren door
diegenen, die ervan moeten scheiden.

De Bagh van Dilavar-Khan, waar Jacquemont verblijf hield, is veel
dichter bij de stad en er is lang niet zulk een mooi uitzicht,
maar niettemin ben ik er heengegaan als voor een pelgrimstocht. Het
hout der veranda is zeer vermolmd, en de vertrekken zijn niet weinig
vervallen; maar weinige jaren geleden leefde nog een oude bewaker, die
"Sjakaman"-Sahib had gekend en die zich herinnerde, dat hij een lange,
magere man was, die de roepijen met handen vol om zich wierp. Het is
waar, dat op bevel van Randjit-Singh zijn voorraad ervan alle morgens
werd vernieuwd; hij zou met de 1200 francs, die hem vanwege het museum
werden uitgekeerd, niet veel dwaasheden hebben kunnen uithalen. Hij
vertelt in zijn brieven, hoe hij meermalen in Sjeik-Safaï-Bagh, waar
wij verbleven, een weinig rust had gezocht en zijn oogen te gast liet
gaan aan het landschap.

Het lijdt geen twijfel, of wij hebben dat huis teruggevonden, zooals
het in 1831 was; maar het is daarna al gevallen onder het houweel der
sloopers. Een jaar maakt tegenwoordig meer verschil in Kaschmir dan
vroeger een eeuw. Niet alleen bestaat niet meer de aardige baraderi,
maar het bosch van amandelboomen is gekapt en in kleine perceelen
gesplitst, juist als in Europa met parken gebeurt, en er zijn villa's
verrezen, die men voor een seizoen kan huren. De radja Amar-Singh
moet in zulke dingen heel snugger wezen, en hij heeft deze soort van
speculatie niet beneden zich geacht. De plek is er uiterst geschikt
voor, en Bernier had reeds op de aanwezigheid van al die goede dingen
gewezen, als de zuivere lucht, het meer, de eilanden en de nabijheid
der stad, alsook op de vele bronnen en rivieren.

Daar ons huis op de zachte hellingen was gelegen, die naar den
zuidelijken oever voeren, was het uitnemend geschikt voor middelpunt
van uitstapjes naar de prachtige tuinen uit den tijd der Groot-Mogols,
verspreid in den omtrek. Het is bekend, dat die parken opmerkelijk
door hun inrichting aan die van Versailles herinneren, met welke ze
ook in den tijd van den aanleg overeenkomen. Op den westelijken oever
ligt Nasim-Bagh, dat geen terrassen of fonteinen meer heeft, maar waar
het bosch van platanen in volle pracht is. Aan den tegenoverliggenden
kant vindt men Nisjat-Bagh, den tuin der vreugde, waar een witte
italiaansche villa op den steilen oever staat en zich in het heldere
water spiegelt.

En achter het wijde bekken, dat meer dan een mijl lang is, omsluit een
natuurlijk dal de koninklijke residentie Sjahlimar, terwijl aan het
eind van lange meren, met veel watervallen en omringd door prachtige
lanen, het liefde-paleisje van Jehan-Guir en Noer-Mahal nog te midden
van watervallen en fonteinen boven zijn vier op elkander volgende
terrassen de marmeren kolommen van zijn paviljoens verheft. Men moet
bij Bernier de enthousiaste beschrijving lezen van al die pracht,
die nu verbleekt of verdwenen is. Men kan niet dwalen tusschen de
overblijfselen, zonder met weemoed te denken aan de personen, die zijn
heengegaan en die er de volle vreugde van het leven hebben genoten,
bladeren van een anderen zomer, vrouwen van een anderen tijd.

Ook moet men erkennen, dat die keizers en die sultanes zin hadden
voor de natuur en voor levensgenot; er zijn zeker nergens ter wereld
beter plaatsen aan te wijzen voor zulke paleizen en siertuinen, als
daar aan den oever van het groote, heldere, hooggelegen meer, waar men
als tusschen twee hemelen het goede der aardsche dingen genoot. Maar
draag er zorg voor, dat ge u alleen aan deze beschouwing wijdt,
als het seizoen der muskieten er nog niet is of er al is geweest;
dus alleen in de lente of in het najaar moet men gaan. Het zou anders
ook al te heerlijk wezen, en de engelen zouden het paradijs verlaten,
om naar Kaschmir te gaan, als men er in den zomer geen rekening moest
honden met dat duivelsgebroed.

Welk een menigte mooie plekjes en monumenten zouden er nog voor ons
te bezoeken zijn! Indien u de bestijging niet afschrikte, zou daar
vooreerst de tempel zijn boven op den Takht-i-Soeleiman, waar men van
het terras een zoo magnifiek uitzicht heeft op de bochten der rivier;
of wel een boot zou ons op een gemakkelijke manier naar de moskee
van Hazarat-Bal kunnen brengen, waar, naar het heet, een haar van
den baard des Profeten wordt bewaard. Daarom hebben er op bepaalde
tijden groote godsdienstige feesten plaats, en veel handelstransacties
worden afgesloten tusschen de uitoefening der godsdienstplichten,
zoodat het er op sommige tijden overweldigend druk kan zijn. Niet
alleen is het een plaats van samenkomst voor kooplieden, bedelaars
en vrome geloovigen, maar ook de elegante dames uit Srinagar komen
er in al de glorie van haar beste gewaden zich vertoonen.

Zal ik u nog half te water, half over land voeren naar de brahmaansche
of mohammedaansche gebouwen der stad, naar den vergulden tempel
van het koninklijk paleis of naar de moskee van Sjah-Hamadan, te
herkennen aan haar drie boven elkander gelegen daken, en naar het
graf van Zaïn-oel ab-Din, waarboven zich een koepel verheft?

Gaan we te zamen een wandeling doen door de voorsteden aan den
rechteroever tot Jamma-Masjid, en zullen we dan in de portieken en
op de muren der naburige ziarats de oude zuilen en het beeldhouwwerk
gaan zien, dat ontleend is aan antieke hindoesche heiligdommen? Of
willen we tevreden zijn integendeel met den loop der verschillende
kanalen te volgen, die elkaar kruisen als een net van waterstraten
door de stad en dan vooral naar het Markanaal gaan, dat soms zoo
leelijk ruiken kan, maar dat altijd zoo schilderachtig is met de
zware steenen bruggen en de hooge huizen, die er aan staan?

Hoop maar niet, dat ge in Srinagar gemakkelijker dan elders ontkomt
aan den last, dat de hoekjes, die het aardigst en interessantst voor
de oogen zijn, het onaangenaamst zijn voor den neus. Dat is nu eenmaal
zoo in alle antieke steden en het is een fatale wet, maar hygiëne
en schilderachtigheid gaan, helaas, niet gemakkelijk samen. Maar, om
kort te gaan, die uitstapjes worden door iedereen en elken dag gedaan,
en men vindt daarover de uitvoerigste inlichtingen in de reisgidsen.

Een ervaring, die misschien wat zeldzamer was en dus eerder waard
is, meegedeeld te worden, is het bezoek, dat ik gelegenheid had te
brengen in het huis van een groot heer in Kaschmir. Wij waren dien
morgen weer op expeditie uitgetogen, want hoe kan men anders zulk
een tocht noemen, met twee of drie booten, waarbij men naar engelsche
mode een heel eetkamer-ameublement en vaatwerk, proviand en bedienden,
keukenapparaat en een kok meesleept? Het was afgesproken dat wij ons,
om te ontbijten, in het park van dat paleis zouden ophouden, een der
weinige prachttuinen, die nog in Srinagar in wezen zijn gebleven,
en waar men van de Djhilam komt langs een breede, steenen trap.

Toen onze maaltijd was afgeloopen, liet de eigenaar, zeer correct op
zijn Europeesch gekleed tusschen zijn muilen en zijn tulband, ons zelf
zijn bezitting zien. Een monumentale poort, gemaakt naar de afmetingen
van olifanten, en met paviljoens erboven voor de gasten, gaf aan den
straatkant toegang tot een eerste binnenplein; twee groote gebouwen,
door een ander plein gescheiden, en waarvan het meest naar binnen
gelegene het zenana of vrouwenverblijf was, vormden het woonhuis;
wij bezochten het eerste. In de kamers voegden zich ongelukkig bij
de weelde van aziatischen aard in tapijten, divans en geborduurde
kussens, ook canapé's en meubels van slechten engelschen smaak. In
een prachtige hooge zaal, met het plafond gedragen door twee rijen
gebeeldhouwde zuilen, was al dat niet bij elkaar behoorende bijeen,
en op een perzisch tapijt, dat alle verzamelaars zou doen watertanden,
lagen tennisbats. Petroleumlampen stonden naast fijn geciseleerde
bronzen antieke lampjes, en terwijl wij bladerden in perzische
manuscripten, met verrukkelijke miniaturen verlucht, keken ons van
de muren in vergulde lijsten afschuwelijke chromo's aan.

En eindelijk was voor ons de tijd van vertrek gekomen. Onze
doenga's werden losgemaakt en brachten ons met den stroom mee
naar Baramoela, het punt van uitgang van het Dal, zooals we er
ook waren binnengegaan. Zachtjes gleden wij door onder de zeven
bruggen van Srinagar, die in dezen tijd van laag water dubbel hoog
schijnen. Tempels, moskeeën en paleizen gingen aan ons voorbij,
en met diepen weemoed namen we van dat alles afscheid.





*** End of this LibraryBlog Digital Book "De zomer in Kaschmir - De Aarde en haar Volken, 1907" ***

Copyright 2023 LibraryBlog. All rights reserved.



Home