Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: De Nederlandsche Nationale Kleederdrachten
Author: Molkenboer, Theodorus Henricus Adolf, 1871-1920
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "De Nederlandsche Nationale Kleederdrachten" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



                        DE NEDERLANDSCHE
                           NATIONALE
                        KLEEDERDRACHTEN

                              DOOR

                         TH. MOLKENBOER


                    MET 81 AFBEELDINGEN NAAR
                    PHOTOGRAPHISCHE OPNAMEN

            UITGEGEVEN DOOR J. M. MEULENHOFF AAN HET
           DAMRAK 88 TE AMSTERDAM IN HET JAAR MCMXVII



VOORWOORD.


Dit boekje bedoelt niets anders dan een kort overzicht te geven
van de nationale Nederlandsche kleederdrachten die heden (1916) nog
in de verschillende provinciën in werkelijkheid door de bevolking
gedragen worden. De hierbij gevoegde plaatjes geven een afbeelding
van de voornaamste dier drachten en de wijze waarop zij gedragen
worden. De hier afgebeelde personen zijn geen aangekleede figuranten,
maar de werkelijke en gewoonlijke dragers van hun costumes, zoodat deze
afbeeldingen derhalve een volkomen indruk van de betreffende nationale
kleedij geven. De bestaande realiteit af te beelden en te beschrijven,
was mijn eenig doel, ik streefde naar een korte inventariseering van
datgene wat er, thans in 1916, nog van die zoo bekende Hollandsche
inheemsche drachten is over gebleven.

Dit is dus een handboekje, waaruit zich landgenoot en vreemdeling
op een makkelijke wijze eenige, zoo noodig gebleken, kennis van
de wel zeer bekende, maar zoo weinig gekende nationale kleedij kan
verschaffen. Uit den aard van dezen opzet volgt dat hier slechts die
drachten besproken worden die heden (in 1916) nog werkelijk gedragen
worden en dat van deze slechts een zeer korte beschrijving zonder meer
gegeven wordt. Alle mededeelingen of bespiegelingen over de historische
wording, blijven hier achterwege. Alleen is van dit plan afgeweken
voor de provincie Friesland, waar de nationale drachten wel niet meer
dagelijks door het volk gedragen worden, maar een zeer belangrijke
rol spelen zoodra de Friezen zich als Friezen willen doen kennen,
en deze kleedij dus nog bij herhaalde gelegenheden gedragen wordt,
zoodat ook deze costumes hier moesten worden besproken en afgebeeld.



De gegevens die in dit boekje zijn bijeengebracht, zijn door mij
sinds 1912 verzameld. De eerste aanleiding tot deze studie gaf het
Feest in Nationale kleederdrachten, dat op den 12 September 1913
te Amsterdam, op mijn initiatief en onder mijn leiding gehouden
werd. Op dat feest waren ongeveer zeshonderd personen in ongeveer
honderd verschillende drachten bijeen. Toen ben ik begonnen de daar
verzamelden te photographeeren, en ik heb de meeste van hen, later, in
herhaalde rondreizen door Nederland in hun eigen woning, bezocht. Uit
hun mond heb ik de verschillende gegevens en wetenswaardigheden omtrent
alle onderdeden van hun costumes vernomen en opgeteekend. De meest
uiteenloopende persoonlijkheden, van elken stand en rang, stonden mij
bij mijn vragen om inlichtingen te woord. Waar ik echter mijn vragen
niet naar mijn wensch of niet duidelijk, volledig of zakelijk genoeg
door de dragers van die nationale drachten zelf beantwoord kreeg, daar
vroeg ik belangstellenden om inlichtingen. En het viel mij daarbij
op hoe velen in den lande, vooral in de provincie, en dat niet alleen
onder den boerenstand, maar onder alle rangen en standen, nog zoo veel
belangstelling in, en kennis van een of andere locale dracht bewaren.

Hier was het een burgemeester, daar de gemeente-secretaris, weer
elders een gewone boer of boerin, soms een heel eenvoudige winkelier,
een schoolmeester of een naaister of mutsenmaakster, die mij te woord
stond. En zij allen wisten zeer veel bijzonderheden van een of andren
dracht te vertellen, die echter in het bestek van dit boekje niet
alle kunnen worden opgenomen. Maar hun kennis pleitte voor de groote
plaats die de nationale kleedij nog in veel streken van ons land in
de volks-psyche inneemt.

Aan allen, die mij bij het kostbare en tijdroovende verzamelen
van deze gegevens hun bereidwillige medewerking verleenden, mijn
bijzonderen dank.

Alles wat ik vernam, kon hier echter niet worden meegedeeld. Dit
boekje beoogt slechts een kort overzicht van heel de Nederlandsche
volks-kleedij te geven. Mochten onnauwkeurigheden of storende
onvolledigheden worden opgemerkt, dan houd ik mij voor verdere
inlichtingen, voor photo's en beschrijvingen, van welken kant ze ook
komen mogen, gaarne aanbevolen. Die nieuwe gegevens zullen het dan
misschien mogelijk maken, later uitvoeriger dit hoogst belangrijke
onderwerp meer volledig te behandelen. Vooral ook omdat de kennis van
onze nationale kleederdrachten een heel nieuw veld van studie is, en
niets in deze door mij, ten behoeve van dit werkje, uit litteratuur
kon worden gecompileerd. Daar dit dus geheel uit eigen onderzoekingen
is saamgesteld, hoop ik dat bij de beoordeeling van dit werk deze
omstandigheden in aanmerking zullen genomen worden.



Nog altijd hebben onze nationale kleederdrachten de bijzondere
belangstelling van ons volk en van het buitenland, ofschoon die
belangstelling zeer verschillend in soort is.

Een deel van de bevolking onzer voornaamste centra van moderne
beschaving, beschouwt die merkwaardige costumes niet anders dan
als verachtelijke overblijfsels van een verouderde, achterlijke
cultuur. Zij ergeren er zich aan, en meenen dat die blijken van
boerschheid en onbeschaafdheid nu maar zoo spoedig mogelijk moeten
verdwijnen, omdat zij landgenoot en vreemdeling niet anders dan het
levende bewijs geven van de inertie van onzen volksgeest. Andere
Nederlanders, die meer gevoel voor het eigendommelijke en
pitoresque hebben, en nog iets eigens weten te waardeeren, en die,
ondanks de alles verpletterende niveleeringswoede van wat men de
hooggeroemde moderne beschaving noemt, nog eenige zelfbewustheid
hebben overgehouden, zien in die nationale kleedij nog de laatste
resten van onze eenmaal zoo groote en eigen Nederlandsche cultuur,
en waarvan zij de laatste manifestatie in deze volks-drachten erkennen.

Voor hen zijn die drachten dan ook een bewijs dat ons volk nog "_iets_"
eigen Hollandsch heeft.

Maar voor vele buitenlanders, die ons land vliegensvlug doorreisden,
en niet anders dan naar oppervlakkige indrukken oordeelen, en dus niet
het "_wezen_" van ons volk, noch van onze nationale kleederdrachten
gezien hebben, zijn die costumes een middel geworden om heel ons
volk belachelijk voor te stellen. Zij verbinden de idee van de
Hollandschheid aan het logge uiterlijk van een grove, wijdgebroekte
visscherskerel, die zij op zijn breede klompen over het asphalt
onzer hoofdsteden zagen stappen, als één logge klos-klomp van
levensdomheid. En veel Hollanders meenen "beschaafd" te zijn door
die buitenlandsche miskenning uit domheid te billijken en na te volgen.

Die verkeerde beoordeeling bij landgenoot en vreemdeling, vindt echter
in hoofdzaak zijn grond in gebrek aan kennis van het wezen zoowel als
van de verschillende vormen van onze nationale kleedij. Bovendien
hebben de verkeerde afbeeldingen en beschrijvingen de waardeering
nog meer geschaadt.

En ... dat is tot op zekere hoogte de schuld van de Hollanders
zelf. Zij hebben de afbeelding en de beschrijving van het nationale
monument dat in hun inheemsche kleederdracht bestaat, voor het
allergrootste deel aan buitenlanders overgelaten, die er niets
anders dan het vreemde, het "rare", dikwijls slechts het belachelijke
in zagen.

Meer en beter kennis van het wezen, van de bedoeling en van den vorm
van onze nationale kleederdrachten zal in het binnen- en buitenland
niet alléén die costumes, maar ook heel Nederland ten goede komen. Die
meerdere en betere kennis is meer dan noodzakelijk.

In deze het mijne bij te dragen is het doel van dit handboekje, dat,
het zij nog eens herhaald, geenszins aanspraak maakt op volledigheid,
maar slechts met de mij hier ten dienste staande middelen een algemeen
en kort overzicht over deze nationale drachten geven wil, maar met
_juiste_ mededeelingen aan de hand van _echte_ en _ware_ afbeeldingen.

Th. MOLKENBOER.

Amsterdam, Juli 1916.



I. INLEIDING.



A. OVER KLEEDERDRACHTEN IN HET ALGEMEEN.


Het moet als een door de anthropologie en de cultuurgeschiedenis
bewezen waarheid gelden dat de redenen, waarom zich den mensch
kleedt, niet gevonden moeten worden in climatologische of zedekundige
gronden, maar in den _wil om zich te onderscheiden_. Versiering
is de eerste grondgedachte van de primitieve menschelijke kleedij
geweest, versiering van zijn eigen lijfelijke persoonlijkheid om
zich van zijn mede-menschen te onderscheiden, versiering als middel
om zijn eigen plaats onder de menschen in te nemen, als middel dus
tot zelfbestaan. De koningsmantel is de uiterste consequentie van
deze eenvoudige grondgedachte.

Later, toen den mensch zich meer en meer van de natuurstaat verwijderde
en de geheele aardbol ging bewonen, hebben zich de wisseling in
temperatuur, de bodemgesteldheid en allerlei andere omstandigheden,
die met de geologie en geographie in verband stonden, den aard van de
kleeding in de verschillende landen bepaald. Rassen-eigenaardigheden,
godsdienstige opvattingen en ten slotte nationale en politieke oorzaken
hebben daarna invloed op den vorm, de kleur en het algemeen aspect van
de kleeding gehad. En zoo ontstonden de nationale kleederdrachten,
die in hun grondgedachte niet anders bedoelen dan de dragers reeds
dadelijk, door hun kleeding, als uit dit of dat land afkomstig, als bij
dit of dat volk behoorende, te doen kennen .... door _onderscheiding_.

Opmerkelijk is daarbij, dat eenzelfde soort kleedingstuk in
verschillende landen, in bijna gelijken vorm voorkomt, omdat het zijn
reden in dezelfde climatologische of gebruiks-gronden vindt. Waar
dan de hoofdvorm overal dezelfde is, zelfs de stof waaruit zoo'n
kleedingstuk in de verschillende landen is gemaakt, dezelfde blijft,
is de kleur en vooral de versiering voor ieder land of streek
verschillend, zoodat het nationale, het eigene, het onderscheidende
nog zeer duidelijk op den voorgrond treedt, ondanks de algeheele
overeenkomst in het wezen en den vorm van zoo'n stuk kleedij.

Als voorbeeld moge de veel gesmade, veel uitgelachen wijde broek van
onze Volendammers gelden, welk oer-type van beenbekleeding voor mannen
in bijna iedere Europeesche, West-Aziatische en Noord-Afrikaansche
volksdracht--ja zelfs in de Chineesche--terug te vinden is. Toch zal
in ieder land dit kleedingstuk, om de eigenaardige kleur of bijzondere
versiering, zijn zeer eigen cachet hebben en den drager al dadelijk
van zijn mede-menschen doen onderscheiden, hem als uit dit of dat
land afkomstig doen kennen.

En zoo is het met ieder onderdeel van de menschelijke kleedij, omdat
ieder dezer deelen tot een paar hoofd-typen terug te voeren zouden
zijn, die overal terug komen, alléén in ieder land op zeer kenmerkende,
onderscheidende wijze vervormd en versierd.



B. OVER NATIONALE KLEEDERDRACHTEN.


Het eerste beginsel van de nationale drachten is dus de
bewoners uit een zeker land van die, uit een ander gewest,
te doen onderscheiden. Het is begrijpelijk, dat daarom het
wezen van de nationale drachten ten nauwste samenhangt met het
nationaliteits-gevoel. Sterker nog. Het vindt zelfs zijn oorsprong in
gewestelijke concentratie, soms zelfs in den wil van een stad of dorp
om zich geheel van de buitenwereld af te scheiden, te onderscheiden.

Het wezen van een nationale kleedij is derhalve geheel tegenovergesteld
aan het wezen van de mode. Want de mode vooronderstelt een
internationale idee, of althans een idee waarin den wil zich als
land of stad in zichzelf te onderscheiden, is opgeheven. De mode
vooronderstelt een gelijkheid in nationaliteiten, steden en bewoners,
en uit zich in gelijkvormigheid. De nationale kleedij bestreeft juist
het tegenovergestelde, de zoo sterk mogelijke individualiseering van
een land, een stad, zijn bewoners, waarvan zij de persoonlijkheid
accentreert.

In zoo verre is ook de idee van een nationale kleedij geheel
tegenovergesteld aan die van het uniform. Want een uniform bedoeld
een uiterlijke gelijkvormig making met de volkomen terzijde zetting
van de persoonlijkheid. In zooverre is dus de idee van een uniform
gelijk aan het wezen van de mode. Maar een uniform wordt gedragen
op bevel, de mode volgt ieder individu uit eigen keuze.... als men
't tenminste zoo noemen mag.

Maar bij de mode is althans nog sprake van persoonlijkheid, te meer
ook daar ieder individu, naar eigen smaak, de mode veranderen kan,
niet alléén voor zoover het zijn eigen kleeding betreft, maar ook
zelfs op de kleeding van anderen invloed kan uitoefenen.

In de nationale kleeding echter treedt de persoonlijkheids-idee van
het volk--als volk--op, ze vormt er het wezen van, d.w.z. ze brengt de
persoonlijkheids-idee van een gemeenschap tot uiting. En aangezien een
gemeenschap niet spoedig nieuwe ideeën, nieuwe uitingsvormen aanneemt,
is het logisch, dat het beginsel van de nationale kleederdrachten
ten nauwste samenhangt met het begrip "_conservatisme_"--maar, in
den goeden zin van dit woord.



C. OVER DE NATIONALE KLEEDERDRACHTEN EN DE VOORUITGAANDE BESCHAVING.


Dát verwijten de zoogenaamde beschaafden de nationale kleederdrachten
het meest, dat ze een kenteeken zouden zijn van achterlijkheid,
van onbeschaafdheid en, deze twee vereenigd, van "boerschheid".

Daar zou iets voor dit argument te zeggen zijn, als datgene, wat
die nieuwlichters voor die oude drachten--die de resultante zijn
van een eeuwenheugende cultuur--in de plaats zouden willen stellen,
zooveel beter was dan die ouderwetsche kleedij. Maar dat is geenzins
het geval. Zij, die deze oude drachten zouden willen doen verdwijnen,
zouden er niets anders voor in de plaats willen, kunnen stellen, dan de
zoogenaamde universeele mode. Behalve, dat dit de aesthetica niet ten
goede zou komen, misschien echter eenigen grond in de gezondheidsleer
zou kunnen vinden, zou die verandering psychologisch noch aan het
geheel, noch aan het individu ten goede komen.

Tenzij--maar dat is voorloopig nog niet mogelijk--in de plaats van
die oude drachten een nieuwe kleedij gesteld kon worden, die in zijn
vormen, kleuren, versieringen en veel-soortige beteekenis even algemeen
waardevol is, als die oude kleedingswijze.

Die nationale kleeding dus met opzet te willen doen verdwijnen, omdat
ze zoogenaamd de uiting is van onbeschaafdheid, zou gelijk staan
zich aan de volkspersoonlijkheid te vergrijpen. En in deze tijd van
algemeene vernivelleering, van gebrek aan persoonlijkheids-gevoel,
zou dat gelijk staan met de werkelijke cultuur aan te randen, door
haar uiterlijk met geweld te willen vernietigen.

De nationale kleederdrachten behooren tot de monumenten die ons het
voorgeslacht liet, als een uiting van haar persoonlijkheids-gevoel,
haar persoonlijkheids-wezen, haar eigen beschaving en idealen. En
al deze monumenten, de oude kasteelen, kathedralen en huizen, de
oude meubelen en ook die oude kleedij, moet men, als een deel van
den geest van het verleden, hun eigen dood doen sterven. "Il faut
laisser mourir les monuments."

Het zou even zoo dwaas zijn die oude kleedij met geweld te willen
verbieden, als ze, daar waar ze uit zich zelf verdwenen is, weer te
willen doen herleven. En dit geldt voor alles wat ons het voorgeslacht
liet. Slechts datgene waarin de algemeene waarheid leeft, blijft,
en krijgt op zijn tijd zijn nieuwe kleed, kan zich, op zijn tijd,
opnieuw verjongen en zich dan weer doen onderscheiden.

De nationale kleederdrachten nu zijn een zeer bijzondere uiting van
het persoonlijkheids-bewustzijn van een land, van een streek, van
een stad. En zoolang dat bewustzijn in de bewoners van dat land leven
blijft, zoolang blijft hun nationale, eigene kleeding bestaan. Zoodra
zij zich echter inter-nationaal, of zonder zelfstandigheid gaan voelen,
verdwijnt hun eigene kleeding.

Als zoodanig ligt er dus wel eenige waarheid in het verwijt van
die zoogenaamd beschaafden, dat in streken waar nog een nationale
kleederdracht gevonden wordt, nog een zekere achterlijkheid
bestaat. Maar dan moet dit aldus verstaan worden, dat onder
achterlijkheid, persoonlijkheid verstaan wordt. Maar sinds wanneer
is dan "persoonlijkheid" gelijk aan "achterlijkheid". Tenzij dat men
in het vasthouden aan die van oudsher overgeleverde vorm-geving,
aan dat persoonlijkheidsgevoel een star en dood vasthechten aan
de uiterlijkheid ziet.--In dat geval is het werkelijk een gebrek
aan vooruitgang, een achterlijkheid.--Maar .... zoo is het in
werkelijkheid niet.



Het is geenszins waar dat die oude kleedij slechts door domme boeren
en onbeschaafde buitenlui gedragen wordt uit sleur, omdat ze niet
beter weten. Moge dit voor den "stads-mensch" zoo schijnen, de
waarheid is anders. Zeker in de streken en bij de "_boeren_" die de
nationale dracht nog in zijn geheel naar het oude model dragen. Dit
getuigt de wijze waarop en de gelegenheid waarbij die "_boeren_"
hun oude kleeding dragen. Zij zien hun eigen ideaal in die bijzondere
kleedij, die kleurige stoffen, linten, strikken, gouden sieraden en
kantwerk. Voor hen is die kleedij werkelijk mooier en beter dan de
"stadskleeding" of de mode. En dit bewijst niet de achterlijkheid
van deze menschen, maar het pleit voor hun onbedorvenheid, voor de
oprechtheid van hun gevoel en hun smaak. En zoo deze dan al niet van
de meest verfijnde soort moge zijn, ze is in ieder geval _"echt"_.

En zij worden in hun voorliefde volkomen in het gelijk gesteld door
kunstenaars en aesthetici, die de typische schoonheid van de ware, nog
intact gebleven oude drachten boven de gemiddelde moderne modekleedij
zullen stellen, er het meerdere karakter, de grooter eigenheid van
erkennen. Is die aanhankelijkheid aan het oude, die zoogenaamde
achterlijkheid, niet heel wat beter dan over te gaan tot een slecht
gedragen moderne kleedij, die in den regel voor de nationale dracht
in de plaats wordt gesteld?

Men kan dus niet zeggen dat het uit sleur is dat die nationale
drachten nog gedragen worden ... of dat hun eigendommelijke schoonheid
niet een nog levende schoonheid zou zijn, die door de dragers niet
duidelijk als zoodanig zou worden gekend. Zelfs de "mode" heeft in die
nationale costumes de eigene schoonheid weten te waardeeren, en veel
motieven en kleur-combinaties zijn aan die drachten door de moderne
vrouwenkleeding ontleend. Zelfs de kanten mutsjes, die men nog voor
kort--door hun overdreven stijfgeplooidheid--nog zoo "grootmoederlijk"
vond, vinden thans bij de moderne dameskapsels navolging.

Zoodat per slot het boersche en het onbeschaafde niet ligt bij die
nationale drachten, maar in de onkunde die er omtrent hen heerscht,
en bij de "moderne modes" die alle goeden smaak bederven, en er
eerder over gedacht zou moeten worden tot de oude volkskleedij terug
te keeren dan ze af te schaffen. Althans als er sprake zou zijn van
"cultuur" en ware goede "smaak" en, indien "terug-gaan" als zoodanig
ooit te verdedigen zou zijn.

Intusschen is noch het een, noch het ander het ware. De tijd zal in
deze ook op het gebied der kleedij een nieuw persoonlijkheids-idee
doen ontstaan, die bij de oude nationale drachten zoo levend en zoo
kenbaar was, en die in de moderne costumeering slechts bij zeer hooge
uitzondering tot uiting komt en bereikt wordt.

En, persoonlijkheid, ook in kleeding, is toch immers slechts het
eenige kenmerk van ware cultuur--dat is, van een van binnen-uit
gekomen zelf-ontwikkeling, zelf-opheffing, zelf-verbetering.



II. DE NEDERLANDSCHE NATIONALE KLEEDERDRACHTEN.



A. ALGEMEEN OVERZICHT.


Thans, in 1916--en reeds in 1912 op het feest in Nationale
kleederdrachten te Amsterdam, moet geconstateerd worden dat van de
Nederlandsche-eigen-volks-kleedij niet veel meer over is, en dat wat
er nog is, zienderoogen en jammerlijk verandert en verdwijnt.

En het gaat met dat verdwijnen ieder jaar sneller.

Op zichzelf zou men hier niet over moeten treuren, omdat met het
verdwijnen van dat, wat afgedaan heeft, de plaats vrij wordt voor nieuw
leven. Maar erger is het dat vele drachten zoo deerlijk veranderd
worden, zoo "verknoeid worden" moet men zeggen, door toevoegsels of
veranderingen die enkele dragers (maar vooral draagsters) aan deze
kleedij aanbrengen.

Dat veranderen heeft er meer toe bijgedragen dat algemeen wanbegrip dat
onder het groote publiek over die costumes heerscht te doen ontstaan,
dan de werkelijke costumes zelf. Aan het origineel erkent men tenminste
het ware, al vindt men het niet mooi. De eigen-gereide verandering
wordt in den regel echter slechts lachwekkend. Ik denk hier aan de
bekende capotte-hoedjes--een overblijfsel van de Fransche-Dames-Modes
van omstreeks 1880--die in het Nederlandsche nationale costume zijn
overgegaan, onder den naam van "de kiep" (West-Friesland). Deze
"kiep" wordt over de boeren-muts gedragen, met banden onder de kin
vastgeknoopt, en is een toonbeeld van verregaande onredelijkheid
en smakeloosheid. Zoo'n toevoegsel maakt het geheele costume en de
draagster zelf werkelijk belachelijk.

Dergelijke veranderingen maakten het nationale costume
bespottelijk. Maar andere wijzigingen kwamen de moderne smaak meer
in het gevlei, ofschoon ze evenzeer tegen het wezen van de nationale
dracht streden.

Zoo dragen de Zeeuwsche vrouwen op Walcheren sinds eenige jaren
een corset, en maken zij hun vele rokken niet meer van zoo dikke
wollen stoffen. Het gevolg is dat er veel meer teekening in hun
figuur kwam, en bijna eenzelfde lijn als de moderne dames-costumes
werd verkregen. Voeg daarbij dat de van nature zoo wel gebouwde
Walcherensche vrouwen al reeds uit zichzelf een meer "moderne"
verschijning hebben dan bijvoorbeeld de Marker vrouwen, dan begrijpt
men hoe op Walcheren de nationale dracht voor de vrouwen zoolang
en zoo algemeen "mode" kon blijven. Ze flatteerde in hooge mate, ze
kwam de lijn van het moderne vrouwen-costume nabij, en ze bleef toch
schijnbaar nationaal zonder dit echter in werkelijkheid geheel te zijn.

Ziedaar een voorbeeld van verandering, die althans niet aesthetisch
storend werkt en daarom het uiterlijk van het nationaal costume als
zoodanig niet geheel ten nadeele komt.



Maar behalve de veranderingen die iedere draagster, naar eigen smaak,
aan haar eigen dracht aanbrengt, zijn er andere factoren die op het
verdwijnen van de nationale costumes van grooten invloed zijn.

Want .... ze verdwijnen langzaam maar zeker--al die bonte, typische,
nationale Nederlandsche-volks-eigen drachten, met zoo eigen schoonheid
en charme. De groote en uitgebreide correspondentie, die ik sinds
1912 met belangstellenden over dit onderwerp voer, bewijst dit.

Gemeentelijke autoriteiten zoowel als privé-personen, uit alle
deelen van ons land, zij allen zijn het er over eens dat die drachten
zienderoogen verminderen. En--komt men ter plaatse zelf--dan zullen
het u alle oude vrouwtjes verhalen hoe in hun jeugd allen minstens nog
mutsen droegen, terwijl thans (1916) de jeugd, in diezelfde streken,
geen enkel spoor van nationale dracht meer in haar kleeding toont.

De ouderen herinneren zich, dat in hun jeugd bijna allen in nationale
kleedij gingen, althans met de muts en de rest van de kleeding was
dan althans van ouderwetsche stof, snit en kleur.

De menschen van middelbaren leeftijd van thans (1916) tooien zich nu
en dan nog met de muts en het oorijzer of de gouden sieraden, die
van de ouders zijn geërfd, en dan nog alléén uit piëteit voor hun
voorzaten. Maar de jeugd van dezen tijd (1916) is volkomen "modern."

Dit geldt voor het allergrootste deel van Nederland, en in de
allereerste plaats de groote steden en hun omgeving, zelfs in streken
als Zeeland, op Marken, Urk en in andere plaatsen, waar de dracht nog
vrij algemeen is, vindt men al huisgezinnen, waar slechts een deel
van de kinderen in nationaal costuum gaan, de anderen "bekeerd" zijn,
zooals ik eens een jong meisje van 13 jaar, (in Huizen) die "modern"
droeg, hoorde zeggen.

De moderne jeugd is zoogenaamd "te verstandig", en na dit geslacht zal
in het volgende wellicht alle herinnering aan de nationale kleedij
in Nederland verloren zijn, met uitzondering van een paar streken,
waar thans nog de oude dracht algemeen en in zijn geheel gedragen
wordt. Maar die streken worden hoe langer hoe kleiner. Want een andere
oorzaak van het veranderen, en daardoor verdwijnen van de nationale
kleedij, is de kostbaarheid van die dracht. En ook vereischen de meeste
van die costumes zeer veel kennis om ze te vervaardigen, ze zijn lastig
in het dragen, en kostbaar in onderhoud, vooral de kanten mutsen en
kappen, die meestal door speciale strijksters moeten behandeld worden.

Ook dit zijn ongemakken, die de moderne jeugd gaarne ontgaan wil,
vooral omdat de nieuwerwetsche kleeding zooveel eenvoudiger en
losser in het dragen is en geheel gereed in winkels kan worden
gekocht. Maar daar staat tegenover, dat vele van die oude drachten
zoozeer flatteeren. En .... welke vrouw zou dat niet zien .... en
waardeeren, en haar veel moeiten doen vergeten. Zoo die ijdelheid
dan--voor zoover de vrouwencostumes betreft--voor een deel oorzaak
zou kunnen zijn, dat enkele van die oude drachten langer zouden kunnen
blijven voortbestaan, niet aldus met de mannendracht. Daar geeft het
practische den doorslag, ofschoon hier en daar nog een klein gevoel
voor de geboorteplaats en een koppig vasthouden aan oude gebruiken tot
de instandhouding van de plaatselijke dracht zal blijven medewerken.

Over het algemeen moet echter vastgesteld worden, dat de nationale
Nederlandsche kleedij langzaam maar zeker verdwijnt, en dat vooral
dit nu levende geslacht (1870-1920), de grootste veranderingen op
dit gebied mee maakt.



B. WAAR WORDEN DE NEDERLANDSCHE NATIONALE KLEEDERDRACHTEN GEDRAGEN?


In ieder van de elf Nederlandsche provinciën wordt de nationale dracht
op zeer verschillende wijze in stand gehouden.

In enkele streken komt ze thans (1916) nog veelvuldig voor en wordt
ze in haar geheel, in onder- en bovenkleeding, zoowel door de mannen
als de vrouwen en de kinderen in eere gehouden.

In andere gedeelten van ons land, en dat is wel het grootste
deel, vindt men er nog slechts de gedeeltelijke overblijfselen
van. Die gedeeltelijke dracht bepaalt zich dan hoofdzakelijk tot de
vrouwen-kleeding, waarbij alleen de kap en het oorijzer en eenige
bijzondere gouden en bloedkoralen lijfsieraden behouden bleven.

Het verdere gedeelte van de kleeding dier vrouwen is dan een soort
stadsdracht, waarin zekere vormen en versieringswijzen van de oude
drachten zijn overgebleven, maar in heel andere stoffen, heel andere
(meestal effen) kleuren zijn uitgevoerd, een en ander vervormd door den
invloed van modedrachten van bijna een generatie terug. Dit "halve"
nationale kleed heeft dus in ieder geval een bijzonder cachet, maar
zij is de bij uitstek smakelooze, boersche en onbeschaafde en is de
ergste vijand van de volledige nationale dracht geworden, omdat ze
zoo voor ieder in het oog vallend dualistisch verkeerd, daardoor zoo
leelijk en daarom zoo belachelijk is.

En in het overige deel van Nederland zijn zelfs alle sporen van de
ouderwetsche dracht verloren gegaan. Dit is vooral zoo in de groote
steden en centra van industrie, en dan voornamelijk onder de bevolking
die van deze industrie leeft. De boeren hebben in die streken soms
nog hun eigen dracht--geheel of gedeeltelijk--behouden.

Een merkwaardig voorbeeld van dien verderfelijken invloed van de
industrie op onze nationale kleederdrachten ziet men in Vlissingen,
dat geheel gemoderniseerd is, terwijl op het overige gedeelte van
het onvolprezen schoone Walcheren, tot zelfs onder de poorten van
Vlissingen zelf, de inheemsche dracht in zoo bijzondere eer wordt
gehouden.



Zoo men de streken waar de nationale kleedij veel, minder of in 't
geheel niet meer gedragen wordt, op de kaart van Nederland aanteekent,
dan zal het opvallen, hoe de volledige kleedij alléén nog maar voorkomt
in twee scherp afgescheiden centra (zie bl. 1).

Het eene omvat Zeeland, en dan nog hoofdzakelijk alleen de eilanden
Walcheren en Zuid-Beveland, en een deel van Staats-Vlaanderen.

Het andere strekt zich uit langs de kust van de Zuiderzee, van
Staphorst (in Overijsel) in het Noorden, tot Huizen (in Noord-Holland)
in het Zuiden. De eilanden Urk, Marken en Volendam (dat zoo goed als
een eiland op het land is) moet men ook tot dat centrum rekenen.

Buiten deze twee zich zeer duidelijk afteekenende streken, wordt het
nationale costuum in Nederland nergens meer compleet gedragen. In alle
andere streken komt het gedeeltelijk voor, zelfs in de dorpen langs
de Noordzee, waar voor Scheveningen, wat de vrouwenkleeding betreft,
een soort uitzondering gemaakt zou kunnen worden.



De streken, waar de nationale dracht gedeeltelijk voorkomt, strekken
zich om deze centra uit, ook in de groote steden zijn de drachten zoo
goed als geheel verdwenen, zoo men tenminste niet de zeer enkele oudere
vrouw die nog alleen een eenvoudige muts (de gewone Hollandsche hulle)
draagt, of enkele weezen-costumes mee wil rekenen.

In het algemeen kan men echter zeggen dat dit gedeeltelijk costume
in het grootste (westelijke) deel van de Provincie Friesland nog
gedragen wordt, op enkele van de Noordzee eilanden, in Noord-Holland
(in hoofdzaak West-Friesland), op het platteland in Zuid-Holland en
Utrecht, de noordelijke Zeeuwsche eilanden, langs der Gelderschen
IJsel in den achterhoek van Gelderland, in het land tusschen Maas
en Waal en in het noordelijk en westelijk deel van Noord-Brabant. In
Groningen, een groot deel van Drenthe en Overijsel, in zuid-oostelijk
Noord-Brabant en in Limburg is echter de dracht geheel verdwenen,
bijna ieder spoor is er van uitgewischt.



De overgangs-periode van heele op gedeeltelijke dracht, die het
geslacht dat thans (1916) ongeveer vijftig jaar is, heeft meegemaakt,
wordt door de jeugd uit dezen tijd (1916) overgeslagen. Zelfs in
centra waar de drachten om veel redenen nog in zeer groote eere
zijn, beginnen enkele jongeren direct met algeheelen afstand van
het nationale costume te doen en kleeden zich, niet alleen "op zijn
stadsch" maar zelfs naar de laatste buitenlandsche mode, nu deze
nieuwere vormen en opvattingen zooveel spoediger tot de landelijke
bevolking doordringen dan dit een geslacht geleden gebeurde.

En, waar deze volledige verandering van costumeering, zoo zonder
overgangsproces, plaats grijpt, is het begrijpelijk dat voor de
nationale drachten het grootste gevaar dreigt om in betrekkelijk zeer
korten tijd volkomen te verdwijnen.



C. OVER DEN INVLOED VAN DEN GODSDIENST, RAS, RANG, STAND EN BEROEP
OP DE NEDERLANDSCHE NATIONALE KLEEDERDRACHTEN.


De invloed van den godsdienst op de nationale drachten is een zeer
bijzondere. Niet alleen dat de vorm van het costume ook zelfs naar
den godsdienst verschillend wordt, zooals dit zeer sterk is op
Zuid-Beveland, maar het blijkt dat de godsdienst ook van invloed
is op het behoud onzer nationale drachten. Over het algemeen heb ik
opgemerkt dat in meer orthodoxe streken--zoowel protestantsche als
roomsch-katholieke--de drachten langer bewaard blijven dan in minder
godsdienstige, zoodat dus de godsdienstige factor als eene ten goede
voor de drachten moet worden aangemerkt.

De invloed van het Ras laat zich ook in den vorm van de costumes
nawijzen zooals ik dat reeds hier en daar in dezen text doe. Hierover
hebben ook Dr. Jos. Schrijnen, in zijn hoogst belangrijk boek over
"Nederlandsche volkskunde", Prof. J. H. Gallee in zijn werk over
"Het boerenhuis in Nederland en zijn bewoners", en Prof. L. Bolk
in zijn verhandeling over "De bevolking van Nederland in haar
anthropologische samenstelling", hun zienswijzen en de resultaten
van hun studiën neergelegd.

De rang en stand in de maatschappij heeft in zooverre ook haar invloed
op de nationale drachten doen gelden, dat de costumeering rijker en
fraaier werd, naarmate de drager in betere sociale omstandigheden
verkeerde. Op den vorm van de dracht had dit slechts weinig invloed,
men was niet gewend bijzondere kenteekenen, om de standen te
onderscheiden, te dragen.

Om deze redenen zijn dus onze nederlandsche nationale drachten echte
_volks-drachten_.

Anders is dit met de gelegenheids-kleedij. Niet alleen dat de
vorm en de kleur van de kleeding der kinderen dikwijls van de
dracht van de volwassenen onderscheiden is, maar voornamelijk
wordt het onderscheid groot tusschen daagsche, feestelijke of
rouw-kleedij. Dit is bij al onze nationale drachten min of meer het
geval, maar--begrijpelijkerwijze--daar het sterkst, waar de drachten
nog volledig door mannen en vrouwen gedragen worden, omdat ook de
oude zeden, met die oude drachten, behouden bleven.

De invloed van die zeden en gebruiken, doet zich dan zeer sterk op
de kleeding gelden, en komt in de verscheidenheid van die kleedij
bij vele gelegenheden tot uiting.

Opmerkelijk is daarbij vooral de bijzondere fraaiheid en
ingewikkeldheid van de trouw-costumes, en--hoe zou het anders
kunnen--vooral van deze gelegenheids-kleeding van de vrouwen.

Overal wordt bij de costumeering van "_de bruid_" een zeer bijzondere
prachtlievendheid, zoowel in kleur als in bewerking van het costume,
ten toon gespreid.

Maar ook het verschil in beroep bracht verschil in kleedij, zonder
dat er echter van een consequent doorgevoerde beroeps-kleeding kan
gesproken worden.

Zoo is er, bijvoorbeeld op Scheveningen, verschil in de kleeding
tusschen de visschers en de dorps-bewoners (die andere bezigheden
hebben). Maar over het algemeen is de afwijking van het algemeene
type der locale kleeding tengevolge van beroep of stand niet zeer
groot. De grootste variatie wordt veroorzaakt door de _gelegenheid_
waarbij het costuum gedragen wordt.



Ten slotte zou nog een afzonderlijk hoofdstuk te wijden zijn aan
de _weezen-costumes_. Ofschoon deze, als uniformen, niet tot de
eigenlijke nationale kleedij gerekend kunnen worden, staat daar
tegenover, dat het wezen en de vorm van vele dezer drachten toch
zoo nauw bij de eigenlijke volksdrachten aansluiten, er zoo zeer uit
voortkomen en er zich zoodanig mee hebben vermengd, dat deze meestal
toch ook ouderwetsche costumeeringen hier noodzakelijk in het kort
besproken moeten worden.

Enkele van deze costumes zijn hier in dit boekje afgebeeld en
beschreven, om toch vooral ook niet deze zoo typeerende kleedij te
vergeten, die door een groot deel van het publiek zoo goed gekend
wordt, en die, naast de werkelijke nationale drachten, toch ook veel
aardigs en eigens aan de lokale kleur van enkele Hollandsche steden
hebben bijgezet. De mooie Amsterdamsche burgerweesjes, die uit Haarlem,
uit Leeuwarden en zoovele andere steden, mochten in dit _bestek ook
niet vergeten_ worden.



D. OVER DE BETEEKENIS VAN ONZE NEDERLANDSCHE NATIONALE KLEEDERDRACHTEN
UIT EEN ETHISCH EN AESTHETISCH OOGPUNT.


Het ware zeer verkeerd onze nationale volks-kleederdrachten de maatstaf
van een hooger schoonheidsbeginsel aan te leggen. Zij behooren, als
een van de vele monumenten van oude geschiedenis en kunst, geheel
gelijk gesteld te worden met de kleinkunst, de gebruikskunst, die
uit het volk, uit zijn aard, zeden en gewoonten voortkwam, zonder in
wezenlijk of direct verband met de hoogste intellectueele waarde en
geestelijke idealen van dat (ons) volk te staan.

En omdat ons Nederlandsche volk zich in haar kunstuitingen,
zelfs in die van haar beste perioden, steeds meer een volk van
particulariseerend gevoel dan van veralgemeenende verstandelijkheid
heeft betoond, moet het ook niet verwonderen dat haar volks-kunst,
waaronder onze nationale kleederdrachten te rekenen zijn, nooit
belangrijker wordt dan wat met wat goede maar boertige smaak, veel
werk-kracht en een vroolijke maar oppervlakkige levensbeschouwing
bereikt kon worden.

Verheffend schoon zijn daarom onze nationale kleederdrachten niet,
maar ze zijn levensvol, soms rijk, soms fijn, maar over 't algemeen
meer aardig, merkwaardig en typeerend dan inspireerend. Zij behooren,
gelijk zoovele opmerkelijke maar anders geen hoogere princiepen
uitdrukkende meubelkunst en klein-architecteur, tot dat zelfde soort
monumenten van onze groote voorgeschiedenis gerekend te worden,
waarvan de overblijfselen nog voor een deel in enkele streken
van ons land te vinden zijn is in oude buurtjes en grachtjes,
huisjes en hoekjes. Als zoodanig hebben zij dus in het werkelijke
hedendaagsche leven van ons volk geen beteekenis meer dan die van
"curieuse bezienswaardigheid". Slechts in die gedeelten van ons land
waar nog oude of ouderwetsche zeden en gewoonten heerschen, hebben
en behouden zij echter alleszins hun reden van bestaan, en .... zijn
zij nog de dragers van het levende volks-ideaal.

De schoonste van deze drachten zijn voornamelijk die welke door den
Frieschen stam gedragen worden, te weten de costumes in Friesland,
Urk, Volendam en in Zeeland. Bij deze alle moet een verfijning van
vorm en kleurenkeus geconstateerd worden, die op iets hoogers dan het
gemiddelde volks-ideaal wijst, die meer geestelijke ontwikkeling en
aspiraties verraadt. Ook de meerdere voortreffelijkheid en schoonheid
van dit ras boven de andere bewoners van Nederland verklaart de
meerdere belangrijkheid en grooter schoonheid van deze drachten boven
de andere.

Behalve de aristocratische allure die vooral het Friesche costume
haar draagsters geeft, het bijzonder groot-burgerlijke van de
Hindelooperdracht, de levens-volheid en natuurkracht, waarvan de
Urker en Volendammer kleedij getuigt, wordt in deze het toppunt
van evenwichtigheid bereikt in het Zeeuwsche costume, dat meer
natuurlijk dan zoovele andere drachten (bijv. Marken, Staphorst
enz.) alle voordeelen van de eigenheid van het volk, van het ras,
op zijn best en het schoonst tot uiting brengt en als onderstreept.

In de Zeeuwsche drachten (vooral die van Zuid-Beveland en van
Walcheren) komt den wil zich van anderen te onderscheiden, hoogere,
meer intellectueele idealen uit te drukken, dieper levenskijk te hebben
zoo volmaakt en zoo harmonieus tot zijn recht in een even smaakvolle
als stijlvolle kleedij, die als geïnspireerd en gecomponeerd schijnt op
de bijzondere lichamelijke schoonheid van dit zeeuwsch-friesche ras,
dat ongetwijfeld het schoonste, en naar den bouw van het lichaam het
meest algemeen-menschelijk-normale deel van het nederlandsche volk is.

Werkt den aanblik van het Nederlandsche nationale costume dan niet
altijd verheffend, is het in zich zelf niet altijd even hygiënisch,
lijkt het soms meer vreemd en gezocht dan origineel, soms meer bont
dan kleur-rijk, soms meer merkwaardig dan mooi, het geeft in zijn
groote verscheidenheid een zeer juisten blik op de Nederlandsche
volkspsyche. De klein-burgerlijkheid, die een hoofdkenmerk van ons
volk is, en die dikwijls tot boerschheid wordt, komt in enkele van
die drachten ten zeerste uit, zooals die van Marken, Gelderland en
Noord-Brabant. Aan den anderen kant echter zijn er elementen in die
volks-kleedij, die zich bijna boven de groot-burgerlijkheid tot een
soort regenten-aristocratie verheffen, zooals de provinciale (oude)
dracht in Friesland en Zeeland, waar door verfijnden smaak in kleuren
en vormen iets hoogers bereikt wordt, al wordt die meer aesthetische
werking van deze drachten dan voor een groot deel veroorzaakt door de
grootere rasschoonheid van de dragers, en--speciaal van de draagsters.

Wil men deze historische drachten, en wat er thans nog van over is,
op deze wijze beschouwen, dan blijken ze even waardevol voor de kennis
van de Nederlandsche volks-ziel als de oude meubelen, architectuur
en het allergrootste deel van onze nationale schilderschool. Ze
zullen altijd hun waarde aan hun oprechtheid en waarheidszin blijven
ontleenen, zoowel aesthetisch als ethisch, ze zullen aldoor als een
werkelijke afspiegeling van den geest en de idealen van ons volk
moeten worden erkend.

En .... staan zij in dat opzicht lager, of zijn zij minder belangrijke
of minder "hooge" kunst dan al het andere, wat ons van het voorgeslacht
bleef? Ik betwijfel het. De beste uitingen van onzen Nederlandschen
volksaard, op het gebied van welke kunst van het verleden of van het
heden men het dan ook neme, zijn en blijven, voorzoover het specifiek
Hollandsche wat er aan is, toch immers niets anders dan uitingen van
"_boeren, burgers en buitenlui_."

En onze nationale kleederdrachten behooren werkelijk niet tot de
minst-belangrijke van die uitingen van "_boeren-kunst"!_--



E. LITTERATUUR OVER DE NEDERLANDSCHE NATIONALE KLEEDERDRACHTEN.


Alvorens tot een korte beschrijving van die nationale drachten, zooals
zij thans (1916) zijn, over te gaan, moge hier een kort overzicht
volgen van de publicaties die--voor dezen--over dit onderwerp zijn
verschenen. Een blik op de goede, of goed bedoelde beschrijvingen
en afbeeldingen van deze drachten, hoe zij waren en zijn, en tevens
een woord over de slechte en niet goede afbeeldingen, kan hier hen,
die omtrent dit onderwerp meer willen weten, een korte leiddraad geven.

Want beide soort publicaties over onze zooveel bewonderde en tegelijk
zoo zeer gesmade en belachelijk gemaakte nationale drachten, moge
hier eenige critiek vinden.

In 't algemeen mag gezegd, dat de goed-bedoelde, zoowel als de slechte
beschrijvingen en afbeeldingen van deze costumes, ieder het hunne
hebben bijgedragen om de kennis en waardeering in de war te brengen.

Enkele goede, en meer wetenschappelijke, d. w. z. meer _juiste_
beschrijvingen daargelaten, moet het meeste van wat over dit hoogst
belangrijke maar uiterst omvangrijke onderwerp werd gepubliceerd,
tot de romantische en lyrische proza en poëzie gerekend worden. Bijna
steeds waren het slechts phantasieën die men gaf, prent-verbeeldingen,
plaatjes, groepjes die wel het schilderachtige, het aardige, lieve
en typeerende van het uiterlijke dezer drachten gaven, maar meer
ook niet. Zoo is een van de eerste publicaties op dit gebied, de
uitgave van J. le Francq van Berkhey uit 1773, meer bezingend dan
beschrijvend. Behalve een zeer objectief boekje over Hindeloopen, dat
in 1855 te Leeuwarden verscheen, zijn de publicaties van E. Maaskamp
uit 1803 en de Karakter-schetsen, kleederdrachten, enz. in 1842
door de Nederlandsche Maatschappij van Schoone Kunsten in Den Haag
gepubliceerd, niet anders dan prentenboeken te noemen, waarbij den
text meer lyrische ontboezemingen zijn, dan beschrijvingen.

Zoo is het ook met de lithographische platen van Valentijn Bing en
Braet von Ueberfeldt, in 1857 uitgegeven, ofschoon hier een paar
prenten met goede détails aan zijn toegevoegd.

De vele atlassen, die in de bibliotheek van het Rijks Museum, en in
de verschillende oudheidkundige genootschappen bijeengebracht zijn,
waaronder de verzameling van F. Muller (Amsterdam 1879) wel een
van de voornaamste is, bevatten slechts losse platen, met geen of te
weinig beschrijvenden text. De voorstellingen uit den tijd vóór dat de
photographie in dienst van deze wetenschappelijke onderzoekingen werd
gesteld, zijn allen te "artistiek", geven te kennelijk slechts den
persoonlijken indruk van den lithograaph of teekenaar weer. De meeste
van deze voorstellingen zijn dan ook geen objectieve afbeeldingen
van bepaalde costumes, het zijn slechts "tafreelen": "een boer",
"een dienstmeid", zonder verder te praeciseeren.

De geschiedenis van de nationale kleederdrachten, die uit _dit_
materiaal alléén zou moeten worden samengesteld, zou derhalve een
zeer twijfelachtige wetenschappelijke waarde krijgen.

Later begon men echter juister beschrijvingen van de nationale drachten
te geven, toen ook de photographische afbeelding bespreking van dit
onderwerp in verschillende tijdschriften toeliet.

Een van de eersten die stelsel-matig in dezen te werk ging, was
Mr. J. E. van Someren Brand. Reeds in 1893 verschenen opstellen
van zijn hand over speciale détails van dit omvangrijke studie-vak,
in Elseviers maandschrift. Bijzonder mooi geïllustreerde opstellen
verschenen later in ditzelfde tijdschrift, in Buiten, en andere
periodieken. Het meest complete en het meest als een wetenschappelijke
verhandeling bedoelde werk, is echter de reeds hierboven genoemde
standaard-uitgave van Professor J. H. Gallée, over "het Boerenhuis
in Nederland en zijn bewoners."

Een geheel zelfstandige serie platen en een opstel van Professor Gallée
zelve, en een over de Anthropologische samenstelling van de bevolking
van Nederland, van de hand van Prof. L. Bolk, is aan deze uitgave--die
eigenlijk in hoofdzaak over de boerenwoningen gaat--toegevoegd.

Hoe voortreffelijk dit werk echter ook moge zijn, moet toch betreurd,
dat Professor Gallée waarschijnlijk niet over de noodige bladzijden
voor text en illustratie kon beschikken, om niet alleen het uiterlijk
aspect van enkele onzer nationale drachten af te beelden en tè
globaal te beschrijven, maar om ook de onderkleeding te hebben kunnen
behandelen. Bovendien missen deze prenten, die alle naar photographie
genomen zijn, de kleur. En, die kleur is een zoo belangrijke factor
in die kleurvolle en kleurige volks-kleedij, dat ze, zonder deze,
niet in afbeeldingen in zwart te begrijpen is.

Voor Zeeland publiceerden Dr. J. C. de Man en J. A. Frederiks in 1894
een beschrijving van de Zeeuwsche drachten. Ook verscheen een plaat in
kleuren waarop alle Zeeuwsche kleederdrachten, tot een schilderachtige
groep vereenigd, staan afgebeeld. Deze plaat werd uitgegeven onder
leiding van Mr. J. E. van Someren Brand, den bijeenbrenger van een
hoogst belangrijke collectie costumepoppen. Ofschoon deze prent, naar
omstandigheden, (lithographie in kleuren naar een kleurlooze photo)
zeer belangrijk is, is ze niet voldoende. Het is ondertusschen
te bejammeren, dat van de andere provincies niet dergelijke
prent-verbeeldingen zijn gemaakt. Deze plaat werd uitgegeven door de
Uitgevers Mij. Elsevier, in 1894.

Een nog altijd niet geschreven standaardwerk over onze nationale
kleederdrachten zal niet alléén de boven, maar ook de onderkleeren
in al haar détails moeten beschrijven en afbeelden, niet alléén in
zwart, maar ook (en vooral) in kleur. En niet alléén zal het "effect"
dat deze drachten op den beschouwer maken, moeten worden weergegeven,
maar vóór alles het wezen, de ware vorm, de constructie van die kleedij
in schematische verbeeldingen moeten worden vastgelegd, ondersteund
door photo's naar de dragers en draagsters zelf, opdat ook de wijze van
dragen, de habitus der bevolking, hun uiterlijke ras-eigenaardigheden
voor het nageslacht duidelijk bewaard mogen blijven.



Tot zoover over de goed-bedoelde en goede publicaties over onze
nationale drachten. Thans over de slechte, de verkeerde, zelfs
de leugenachtige. En tot deze laatste moeten vooral de duizende
prentbriefkaarten gerekend worden die in de laatste tien jaren,
in den handel zijn gebracht. Behalve dat deze prentjes slechts
"kiekjes", "plaatjes" te zien geven, zijn de gekleurde uitgaven, die
in deze bestaan, meestal in het buitenland vervaardigd, en daardoor
in den regel hopeloos verkeerd. Ze accentueeren het bonte, boersche,
onbeschaafde, door foutieve op-kleuring nog meer, zoodat deze verkeerde
series veel misverstand omtrent onze nationale kleedij in de wereld
gebracht hebben.

Maar niet minder zijn daar de vele reclameplaten schuld aan, en de
wijze, waarop zich (vooral de Amerikaansche) reclame van een zoo
dankbaar en "dutchy" (lees: mal) motief heeft meester gemaakt als de
Hollandsche nationale drachten den niet begrijpenden boodt.

Die verkeerde, en dikwijls opzettelijk verkeerdelijk aangedikte
voorstellingen hebben onze nationale kleederdrachten in het oog van
den buitenlander (en--terugwerkend, in het oog van vele Hollanders)
een zeer slechten roep bezorgd. Zelfs ging een deel van deze verkeerde
gedachten op Holland en de Hollanders over.

Dit kon des te makkelijker, omdat de kennis van de algemeene
aardrijkskunde, en speciaal van het kleine Nederland, in de groote
landen (vooral Amerika, Engeland, Frankrijk) onder het "beschaafde
publiek" niet bijzonder ontwikkeld is.

Men is toen, in dat groote buitenland, die boerschheid, onbeschaafdheid
en lachwekkende logheid, die men, door die verkeerde voorstellingen,
gedwongen werd te zien, voor _den geest van Holland en zijn bewoners_
gaan houden. En dit heeft een juist begrip omtrent en kennis van het
ware Holland in de wereld niet bevorderd.

En toch--dit alles had voor een deel vermeden kunnen worden, zoo er
een goed standaardwerk over onze nationale kleederdrachten bestaan
had. Maar tot nog toe hebben onze nationale kleederdrachten, ofschoon
zij evenzeer een levende uiting van den geest der vaderen zijn, nog
niet die aandacht der officieele en wetenschappelijke wereld tot zich
getrokken, die zij om zooveel redenen werkelijk verdienden.



Hier blijft thans nog de collectie aangekleede poppen te vermelden,
die in de verschillende musea in den lande de herinnering aan die
nationale drachten levendig zullen houden, als die drachten zelf
dan niet meer door de bevolking zullen worden gedragen, en .... als
die poppen en hun kleedij tegen dien tijd niet door de mot en andere
oorzaken zullen zijn vergaan.

Reeds in 1898 werd door Mr. J. E. van Someren Brand, toenmaals
Directeur van het Stedelijk Museum te Amsterdam, een verzameling van
ongeveer honderd verschillende nationale costumes tezamen gebracht,
die in hooge mate merkwaardig is. Deze belangrijke collectie, die tot
September 1916 in het Rijks Museum te Amsterdam te zien was en waar
zij, om zooveel redenen, op de _eenige_ haar _toekomende_ plaats was,
is sinds dien, jammer genoeg, naar het openlucht Museum te Arnhem
"uitgewezen."

Behalve deze collectie zijn minder omvangrijke verzamelingen van
meer plaatselijke costumes, op poppen gemonteerd, in de musea van
Middelburg, Leeuwarden, Hindeloopen en andere steden opgesteld.

En behalve deze poppen, worden in menige familie enkele ouderwetsche
drachten in hun geheel of in gedeelten als kostbare--maar
doode--herinneringen aan het voorgeslacht bewaard. Vooral is dit het
geval in Friesland, waar echter nu en dan den gewestelijken geest weer
levend wordt, zoodat bij bijzondere feestelijkheden deze costumes nog
wel voor den dag komen, om te getuigen, dat het gevoel van eigenheid
nu en dan nog wakker kan worden.

Maar behalve deze hier in 't kort opgesomde beschrijvingen en
plaatjesachtige verbeeldingen, deze prent-briefkaarten en poppen in
nationaal costume en die enkele, in oude kasten en stoffige doozen
bewaarde kleedingstukken, is van de nationale drachten in ons land
niets over, dan wat er in de verschillende streken nog gedragen wordt,
heele, halve, veranderde en onjuiste kleeding, die zoo is, omdat ze
zoo is, waar moeielijk eenige juiste en wetenschappelijke critiek op
gegeven kan worden en die de eenige reëele bron is voor onze kennis
van dit bijzondere monument van echt Hollandsche geschiedenis en kunst.

Een korte inventariseering, van dat, wat heden (1916) nog van die
nationale volks-kleedij in werkelijkheid over is, beoogt _dit_ boekje.



F. WAT WERD EN WORDT ER VOOR DE INSTANDHOUDING, DE BELANGEN EN DE
KENNIS VAN DE NEDERLANDSCHE NATIONALE KLEEDERDRACHTEN GEDAAN.


Ten laatste moge hier nog een korte beschouwing volgen over wat er
voor onze zoo beroemde Nederlandsche volksdrachten gedaan werd.

In de meeste landen waar eveneens zoo'n belangrijk monument uit het
verleden, als wij in onze nationale drachten hebben, is overgebleven,
en dat bovendien een monument is, in zich zelf zoo merkwaardig, en dat
zóóveel tot de waardeering van ons Hollandsche land, vooral bij den
vreemdeling, heeft bijgedragen, wordt van overheidswege alles in het
werk gesteld om die volkseigenheid te bestudeeren, te doen voortduren,
en ze op allerlei wijze te beschermen.

In Nederland evenwel, de liberale leuze getrouw van "laisser faire,
laisser aller", een land, waar tengevolge van die idee kunst
geen regeeringszaak is en dus niet beschermd wordt, werd en wordt
"officieel" nog _niets_ voor die nationale kleedij gedaan. Alle
pogingen in deze ten goede, gingen en gaan uit van _particulieren_.

De verzameling poppen, die tot September 1916 in het Rijks Museum
op zijn eigenlijke plaats was, werd door particulier initiatief,
door particulier geld bijeengebracht. Ook was het zoo met de
verzamelingen in de provinciën, waar zich particulieren, vereenigingen
of genootschappen te werk stelden. En deze laatsten hebben zeer goed
werk gedaan. Maar de regeering deed niets. Ook dat moge een van de
vele factoren zijn, dat de nationale drachten in Nederland, om 't zoo
te zeggen, aan zich zelf overgelaten, zoodanig vervormd, veranderd en
"gehavend" werden, en per slot geheel zullen verdwijnen, omdat het
dragen er van niet van hooger hand werd aangemoedigd, of op een of
andere wijze beloond. De pogingen die in dezen van privé-personen
en vereenigingen uitgaan, kunnen echter nooit dat gezag en die
overtuigende ernst hebben, die een lands-bestuur aan zijn verordeningen
of wenschen geven kan. En al deed en doet de vereeniging Nehilennia in
Middelburg ook nog zoo haar best (in een streek trouwens waar 't nog
niet zoo heel erg noodig is) deze en dergelijke vereenigingen zullen
toch niet bij machte zijn met goed gevolg tegen de wassende wansmaak
en vooroordeelen van de zoogenaamde stads-beschaving te strijden.

Een van de beste middelen in deze echter, wordt wel door die Zeeuwsche
vereeniging toegepast. Zij speculeert op de ijdelheid van de dragers
(meer speciaal van de draagsters) van het nationaal costume. Geen
beter middel had zij kunnen bedenken, dan eenige personen in nationale
dracht, en daarna diezelfde personen (eenige kinderen) in stads-kleedij
te laten photographeeren, Het onderscheid is zóó sterk, dat het de
meest van smaak ontbloote mensch treffen moet. Het is, om 't zoo te
noemen, een afschrikwekkend voorbeeld. Zoo aardig en zoo geheel met
een eigen cachet als die kinderen er uit zien in hun nationale dracht,
zoo leelijk, zoo on-eigen, zoo onbeschaafd zien zij er uit in het
"stadsch". Waarlijk, de boerschheid komt in die kinderen dan eerst
werkelijk uit als ze zoogenaamd "beschaafd", dat is: op zijn stadsch,
gekleed zijn, terwijl ze er in hun nationale dracht er heel wat minder
boerachtig, minder onbeschaafd uitzien. Met het veranderen van kleeding
wordt dus door de boerenbevolking juist het tegenovergestelde bereikt
van wat zij bedoelt.

En dàt is het wat van overheidswege aan den volke had moeten en kunnen
gedemonstreerd worden, dat het niet vernederend of verachtelijk is om
de nationale kleedij te dragen, dat ze niet leelijk, niet onbeschaafd
is en niet "achterlijk" maakt, maar dat juist het on-oordeelkundig en
smakeloos dragen van de moderne stads-kleedij de dragers en draagsters
belachelijk en leelijk maakt. Indien dit aan het volk gedemonstreerd
was geworden, zou dit aanschouwelijk onderricht van zeer veel invloed
op de nationale drachten gebleken zijn.

Want, vooral bij de vrouwen is de indruk, die zij in hun costuum maken,
toch nog maar altijd de hoofdzaak. En die ijdelheidsfactor komt de
nationale dracht ten goede. Vooral de mooiste, natuurlijkste en meest
rationeele drachten, zooals de Friesche en de Zeeuwsche. Zoolang de
vrouwen zelf zullen blijven inzien dat die kappen en mutsen van kant,
die gouden sieraden, die keurig geplooide doeken en kleurige beuken,
die korte mouwen en lage-halsjes-dracht haar goed kleedt, flatteert;
.... en zoolang er mannen zullen zijn, die deze schoonheid zullen
opmerken .... en het de vrouwen zullen zeggen .... zal de nationale
dracht in eere blijven.

Het bewijs wordt immers reeds door de praktijk geleverd. Geen dame
die in Middelburg of Goes gaat logeeren verzuimt het zich in de "zoo
flatteerende" Zeeuwsche dracht te doen photographeeren. En, indien
een Friesch meisje al de fijnheid en de ingeboren aristocratische
allure van haar ras op het voordeeligst wil doen uitkomen .... dan
zet ze een oorijzer op, met een fijne kap en de diamanten speld op
het voorhoofd, dan doet ze kleurigzijden jurken aan, het prachtige
kanten schortje voor, en witte kousen met lage schoentjes aan.

De nationale dracht vindt op die wijze een beschermster in zich zelf
en in "_de vrouw_."

Maar wat haar het meest ten nadeel komt, is dat ze kunstmatig in het
leven wordt gehouden ten bate van het vreemdelingenverkeer. Dan
verlaagt ze zich in haar dragers en draagsters tot bedelende
comedianten.

En, omdat dit door buitenlanders reeds zeer duidelijk is opgemerkt,
heeft dit soort propaganda van de nationale kleedij, die nationale
drachten zelf, haar dragers en ook heel Nederland, in het buitenland
zeer veel kwaad gedaan. Er zou van overheidswege tegen geageerd
moeten worden.

Want met de gebruikelijke onkunde omtrent de Nederlandsche
geschiedenis en aardrijkskunde, die in het buitenland zelfs onder de
meest ontwikkelde standen heerscht, heeft deze verkeerde "reclame"
tot de meest onwelwillende uitleggingen aanleiding gegeven.

Zoo werd mij in Amerika's hoofdstad, Washington D. C., door een dame,
een kunst-kritieken-schrijfster, verweten, dat het Nederlandsche volk
het bedel-eiland Marken, tot een schande voor heel de Hollandsche natie
"_in stand hield_". Volgens haar was dat eiland, met huizen, bewoners
en kleedij en al, _opzettelijk_ gemaakt om het den vreemdelingen lastig
te maken met bedelarijen. Men moge, in Nederland, zeggen dat die dame
niet zeer goed op de hoogte was, maar dat verhelpt de zaak niet. Dat
exploiteeren van de nationale kleederdracht als _vreemdelingen
trekkende curiositeit_ kan niet anders dan tot misbruiken, en tot de
daarbij behoorende misvattingen bij den vreemdeling, leiden. En op
die wijze zouden de nationale kleederdrachten een middel worden om
Nederland in het buitenland, evenals Italië, den naam te bezorgen, dat
het zijn oude monumenten alléén exploiteert als middel om "te bedelen".

Maar er is iets anders. Dat wat het meest voor de nationale
kleederdrachten noodig was, nog steeds het meest noodig is, zoowel voor
tijdgenooten, landgenooten, en vreemdelingen, voor heden en vooral voor
de toekomst, dat is een volledige afbeelding en beschrijving van die
drachten. En het blijkt, dat een particulier zich daar niet toe zetten
kan, tenzij hij een klein fortuin en een belangrijk aantal jaren en
zeer veel moeiten aan deze inventariseering ten koste legt. Waar de
regeering, de gemeenschap in dezen niet het initiatief neemt en royaal
(dat is de eenige goede en mogelijke manier) dit werk zelf ter hand
neemt of aan een persoon opdraagt, daar zullen de nationale drachten
tevergeefs op den rijken, maar tegelijk kundigen dolenden ridder
wachten, die zijn geld, tijd en inzicht geven wil om de schoonheid
van deze stervende princes .... zooals men met een beetje goeden wil
de nationale kleederdrachten van Nederland metaphorisch noemen kan,
in woord en beeld aan het nageslacht over te dragen....

Of zal die officieele en particuliere belangstelling en dat initiatief
.... echt Hollandsch, ook weer zoo lang op zich laten wachten, totdat
het te boek stellen van al die gegevens ..... niet meer mogelijk
zal zijn!....



III. DE BESCHRIJVING VAN DE NEDERLANDSCHE NATIONALE KLEEDERDRACHTEN
IN DE VERSCHILLENDE PROVINCIËN.



NOORD-HOLLAND.


Noord-Holland heeft drie centra van nationale kleedij, die geheel van
elkaar gescheiden zijn. Dit zijn: Marken en Volendam, West-Friesland,
en het Gooi.

In het overige deel van deze provincie--en vooral in Amsterdam en
omgeving, is de dracht zoo goed als geheel verdwenen ofschoon men
hier en daar oude vrouwtjes ziet met een kanten-muts, die meestal
de zeer eenvoudige _Hollandsche hul_ is, om enkele weeshuisdrachten
niet te vergeten. Langs de kust van de Noordzee en op de eilanden is
ook niet veel opmerkelijks, behalve op Terschelling.



A. MARKEN.


Van al de nationale kleederdrachten in Nederland, zijn die van Marken
het meest merkwaardig, omdat ze het meest zonderling zijn. Zij vormen
een type op zich zelf, die van al de andere drachten zeer afwijkt,
zooals ook de Hindelooper dracht in Friesland. Maar ze zijn door de
groote verscheidenheid van costumeeringen voor mannen, vrouwen en
kinderen, de meest ingewikkelde kleedij, die men bijna kan denken.

Opmerkelijk is, dat zich deze dracht in al zijn verscheidenheid tot
op onzen tijd zoo volledig heeft kunnen handhaven, en dat op een
eiland, dat zoo zeer van de zee te lijden heeft, uit slechts een
paar buurtjes van houten huisjes bestaat, in zijn geheel even over
de duizend inwoners telt, en dat--'t ergst van al--zoo dicht bij een
groot modern wereld-centrum--als Amsterdam is,--ligt, en dat zooveel
door vreemdelingen wordt bezocht.

Alle drachten die op Marken voorkomen, hier te bespreken, is
onmogelijk. De voornaamste zijn deze:

1. De zuigeling (zie bl. 6) (van beide geslachten) wordt op bijzondere
wijze in hemdjes, jakjes, mutsjes en wollen dekens, als een stijve
pop ingebakerd. De kleuren van deze kleedij zijn zeer levendig,
meest allen met rood tot hoofdkleur. De stoffen zijn van geweven of
gedrukte katoen (sits of cretonne) en de versieringen bestaan uit kant,
(echte of machinale-linnen kant) of uit borduringen in kruissteek.

De mutsen, die deze jonge kinderen worden opgezet, bestaan uit drie
of vier witte en gekleurde kapjes overelkaar, met een bandje onder
de kin vastgehouden.

2. De jongens en meisjes tot zes jaren, zijn hetzelfde gekleed, in
kleurige rokjes, die naar onder wijd uitstaan. Beide dragen mutsen
van gebloemde stof (meest rood) over witte ondermutsen. Het eenige
verschil in de dracht van jongens of meisjes, en waardoor men hen
van elkaar kan onderscheiden, is de vorm van het kleurige overmutsje,
dat bij den jongen meer een rond kalotje is en van boven, op de kruin,
met een rozet is versierd. De mutsen der meisjes zijn uit drie stukken,
één middenbaan met twee zijpanden, en missen de kruin-versiering.

Overigens hebben de jongens zoowel als de meisjes beide gekrulde
haarvlechten langs de slapen en in den nek.

3. De meisjes-dracht blijft aldus tot hun zesde jaar. Dan krijgen zij
een corset of "_rijglijf_", (zooals het op Marken heet) een zeer dik
en stijf kleedingstuk van meestal bruine baai, rijk geborduurd met
bloemen in sterke kleuren (zie bl. 7). Dit rijglijf sluit, met een
lange witte feter van achter. Het is zoo stijf, (door de vele balijnen)
dat de meisjes-figuren (zie bl. 8) er die eigenaardige houterige,
stijve vorm door krijgen, die ook de figuren van de volwassen vrouwen
op Marken kenmerkt.

4. De jongens krijgen op hun zesde jaar een broek, (zie bl. 5) in
plaats van hun rokken. Die broek is van donker blauwe of bruine baai,
in dezelfde wijde vorm als die van de volwassen mannen. Het bovenlijf
van den jongen is echter nog ongeveer gekleed als van het meisje,
en hij draagt nog het mutsje met de lange krullen.

5. Op zevenjarige leeftijd krijgt de jongen volkomen mannenkleeren aan,
bestaande uit een baaitje van blauwe stof, halsdoekje, twee knoopen
in de kraag, en een pet of hoedje op.

6. De jonge meisjes krijgen op hun zestiende jaar de kleeren van
volwassen vrouwen.

De volledige beschrijving van een dagelijksch Marker vrouwencostuum
volgt hier: (zie bl. 2, 3, 4, 5.)

Zij draagt, over het bloote lijf, een linnen (ongebleekt katoenen)
hemd met lange mouwen. Aan den hals is een staande boord, die met
kruissteek in zwarte wol, met geometrische figuren is versierd. Een
dergelijken rand siert ook het eind van de mouwen, om de polsen. Dit
halskraagje heet "_beffie_". (Zie bl. 1.)

Deze ornamenten blijven steeds bij het Marker costume te zien, zelfs
ook als de vrouw geheel aangekleed is. (Zie bl. 1, 2.)

Over het hemd komt de onderbroek met bandjes, van wit katoen, met dikke
(blauwe) wollen kousen, die onder de knie worden opgebonden. Over het
hemd gaat een mouw-vest van wit katoen, even over de taille reikend,
zonder boord, van voren sluitend, met mouwen van gestreept (rood en
wit) katoen. Dit mouwvest heet "_mouwen_".

Over deze "mouwen" komt het "_rijglijf_" (zie fig. 4) of het corset,
althans een kleedingstuk dat de dienst doet van keurs of corset. Het
is van bijzonder zware en dikke constructie, van donker blauwe baai
of wol, gevoerd met witte wollen stof. Tusschen deze voering zijn van
voren en van achter (niet op zij) balijnen aangebracht. De vorm is
die van een keurslijf, het gaat over de schouders, heeft armsgaten,
rijkt even over de taille en is van voren iets uitgesneden. Het
wordt--van voren--dicht gesnoerd met een lange witte feter.

Het opmerkelijke van dit kleedingstuk, is de rijke ornamenteering
met geometrische bloemen in zeer sterke kleuren.

Om de heupen worden "_rollen_" aangebracht, langwerpige kussens, die
de rokken wijd-uit moeten doen staan en het figuur van de draagster
moeten verbreden. (Zie bl. 2.)

Over dit rijglijf komt, van voren, de _borstlap_, een stuk vurig
roode baai, vierkant, dat met spelden wordt vastgezet.

Daarover komen "_de voorpanden_", een soort bolero-vormig jakje, van
voren van vuur-roode baai, terwijl het achterpand van (meest paarsche)
satinet is.

Over de broek heeft de Marker vrouw eerst de onderrok aangelegd, een
zeer dikke rok van ruig (bruin-rood) baai, van onder afgezet met een
gelen band, van voren sluitend, met een grooten zak, rechtsch. Deze
rok heet "_het ruigje_".

Over dit "ruigje" komt "_het schort_", een groote wijde donkerblauwe
rok van baai, laken of serge. Het is zeer dicht-ineen geplooid van
achter, van voren hangt het rechter, zoodat het, naar onder, het
figuur van de draagster zeer omvangrijk maakt.

Over dit schort komt het "_boezel_", de boezelaar, van donkerblauw
katoen, van boven versierd met een "_stuk_" van geweven, geruite
(blauw-witte) katoen.

Over de "voorpanden" komt de "_bouw_", het sieraad van de
Marker-vrouwendracht. Het bestaat uit een vierkant lapje, gebloemde
sits of satinet, en wordt op de onderkleeding vastgespeld. (Zie bl. 1.)

Over de mouwen komen nog halve _overmouwen_, die van den pols tot den
elleboog rijken, van (meestal) paarsche satinet, met gele boordsels.

Om den hals komt dan nog het halsdoekje, een vierkant, van in
blok-versiering geweven (meestal rood) katoenen doekje, dat op
bijzondere wijze wordt geplooid, en aan de punten versierd is, met
zilveren en koralen kwastjes (_akertjes_).

Bij dit costume draagt de Marker vrouw in huis, of zondags, muilen
(van zwart leer), in de week klompen.

Gaat zij met slecht weer (of 's winters) uit, dan heeft zij over dit
costuum nog een jakje van donkerblauw baai of laken, met lange mouwen
en schootje (of taille), aan den hals vierkant uitgesneden.

De hoofdbedekking is niet minder ingewikkeld.

De haren worden van achter afgeknipt, de rest wordt tot twee vlechten
gedraaid, die, langs de slapen, van onder de muts uitkomen. Van voren
draagt zij ponny, gelijk afgeknipt haar, dat met de vingers aldoor naar
boven wordt gekruld, als een luifeltje boven de oogen. (Zie bl. 1.)

Over de haren gaat eerst een wit katoenen muts met platten bol.

Om den bol van die muts wordt een stijve band gelegd om den
vorm te bewaren. Over deze ondermuts worden twee stroken van
rood baai gewikkeld, en een ander lint, waarop zwarte ornamenten
in kruissteek. Die drie stroken moeten ieder op hun juiste plaats
gehouden worden door spelden.

Over deze onderlaag komt de overkap van fijn ballist en (van voren)
een strook van kant, zóó, dat de roode baai en de zwarte ornamenten
door die dunne stoffen heen schijnen.

De geheele vorm van deze muts wordt door de verschillende plooiïngen,
stijve stoffen en spelden in een cilinderachtigen vorm gehouden.

Aldus is, in het kort omschreven, de gewone Marker-vrouwendracht.

De kleur is over het algemeen voor de rokken donkerblauw, het
bovengedeelte van de kleeding, vanaf de heupen, vertoont niet dan
zeer sterke kleuren, waarbij rood in alle nuances de hoofdkleur is.

Bij rouw verdwijnt al dat rood, het wordt paarsch bij lichte rouw
of blauw, en zwart bij zware rouw. De vorm der kleeding blijft in al
zijn onderdeelen evenwel dezelfde.

Bij trouwplechtigheden is het costume van de bruid, wat de vorm
betreft, wèl gelijk aan dat van de gewone vrouwendracht, maar is
de kleur in hoofdzaak gestemd op wit. Wit is de feestkleur bij de
Marker-vrouwendracht, en bij dat alles wordt het bijzondere van die
gelegenheidsdracht nog verhoogd door de bijzondere zorg die er besteed
wordt aan de plooiïngen van de (witte) boezelaar. Die plooiïngen
worden bij de meeste nationale kleederdrachten bijzonder verzorgd,
ook door de Marker-vrouwen. Zelfs in hun gewone daagsche dracht is
de (donkerblauwe) boezel meestal zeer zorgvuldig op de strijkplank
bewerkt.

7. De mannen-dracht op het eiland Marken (zie bl. 5) wijkt in zooverre
van de dracht van het nabije Volendam af, dat, ofschoon het baaitje
ongeveer gelijk is, de das anders is, niet de eigenaardige bonten
muts van de Volendammers gedragen wordt, maar steeds de ronde vilten
hoed, en dat de baaien broek niet zoo wijd (ofschoon toch nog wijd
genoeg) maar niet zoo lang is. Bij de Volendammers vallen de wijde
broekspijpen neer tot bij de grond. Op Marken worden de mans-broeken
bij de knieën nauwer, en rijken niet verder dan even over de knie,
zoodat ze de onderbeenen en de blauwe kousen doen zien.



Het opmerkelijke van deze nationale Marker-dracht is, dat ze over het
algemeen niet den indruk van werkelijke schoonheid maakt, hoofdzakelijk
omdat het menschelijke figuur er in zoo hooge mate in door wordt
ontsteld. Die platte bovenlijven, daardoor lang lijkende armen,
uitermate breede heupen, betrekkelijk korte rokken, en daar onderuit
de dunne beenen..... dat alles werkt niet zeer aesthetisch, maar het
is in hooge mate eigendommelijk en schilderachtig door de kleur.

Daar komt bij, dat het Marker-menschenras niet tot het fraaiste van
Nederland behoort. Het schijnt, dat zij in overdaad van opvallende
kleeding willen goed maken, wat de natuur hen ontzegde.

De kinderen echter zien er zeer pitoresk uit, maar 't is een zeer
vreemd-aandoende, onwezenlijke schilderachtigheid, daar men aan
wennen moet.

Bijzonder is het echter zeer zeker dat deze dracht in heel haar
ingewikkeldheid, lastige snit, moeilijk te verwerken materiaal, en
veelvuldige versiering met borduurwerk geheel door de Marker-vrouwen
zelf vervaardigd wordt, voor zichzelf zoowel als voor haar kinderen.

Die bijzondere moeizaamheid, bij het maken, zal dan ook de reden zijn,
dat zij het eenmaal verkregen resultaat met zooveel zorg bewaren.

In ieder Marker-huisje is een zoogenaamde "_pronkkamer_", waar in
een hoek, meestal boven een laag kastje, een aantal spanen doozen,
met kanten dekkleedjes bedekt, staan opgestapeld, waarin die kleeren
worden bewaard. Ieder kind, ieder meisje, iedere vrouw heeft zoo'n
paar van die doozen, en de huisvrouw houdt alles netjes, door dien
stapel van haar rijkdom soms met koperwerk, doekjes met kant en
bloemen te versieren.

Er spreekt uit die dingen bewijs genoeg, hoe zeer die nationale kleedij
op Marken, zelfs heden ten dage (1916), nog uit den volkswil voortkomt.



B. VOLENDAM.


Tegenover Marken, aan de vasten wal, maar toch zelf zoo goed als een
eiland, ligt Volendam, dat tot vóór vijf-en-twintig jaar weinig bekend,
weinig bezocht en als afgesloten van de buitenwereld was. Opmerkelijk
is dat, ofschoon zoo dicht bij Marken, alles in Volendam anders is,
ook de volksdracht. Voornamelijk zal dit liggen in het verschil
van godsdienst. Op Marken is men protestant, heel Volendam is
roomsch-katholiek. Zelfs wordt het nationale costume in Volendam
uitsluitend door de roomschen gedragen.

Op Marken treft het stijve, bijna fanatieke van het volk en zijn
dracht, in Volendam is het een en al zwierige levenslust, in het volk
zoowel als in zijn kleedij, zeden en gewoonten.

Ongetwijfeld is de Volendammer-dracht het meest van alle Nederlandsche
drachten in het buitenland bekend. (Zie bl. 8-9-10-11.) De
Volendammer-dracht is als het type van den Hollander en de Hollandsche
idee geworden, natuurlijk zeer ten onrechte. Maar de buitengewone
gezonde stoerheid die uit de kleedij spreekt, en vooral ook uit
zijn dragers, de levens-volheid bij de vrouwen, de quasi ironische
ongeneerdheid bij de mannen, hebben misschien in het buitenland tot
die generaliseering aanleiding gegeven.

Hoe het zei, de Volendammer-dracht is heel wat "menschelijker" dan
die van Marken.

En bestaat hier geen, of geen merkbaar verschil tusschen de dracht
der kinderen en die van de volwassenen?

De vrouw is gekleed in lang withemd met korte mouwen. Daarover komt
de wollen half lange borstrok. Daarover het "_rompje_", zonder mouwen,
even over de taille rijkend, van voren sluitend met haak en oogen.

Een corset draagt de Volendamsche niet, en, omdat ze tot een stevig,
gezond ras behoord, blijft haar figuur, de vorm van taille, buste en
heupen normaal, ondanks de (dikwijls) te dikke rokken-tooi.

Over het rompje komt de _kra-lap_ of _krop-lap_. Deze bestaat uit
twee vierkante lappen, met een uitsnijding voor den hals, over de
schouders aan een kant met haak en oogen vastgezet, van onder, door
banden aan de punten, om het lijf vastgebonden.

Deze krop-lap is van gebloemde stof, meest katoen. De ornamentjes zijn
echter zeer klein, meestal kleine bloemetjes op een witten ondergrond.

Over deze krop-lap komt het _kletje_, een kort jakje van donkerblauwe
stof, met half lange mouwen, vierkante uitsnijding aan den hals
(waardoor vóór en achter de krop-lap te zien komt) en van voren
sluitend.

's Zondags wordt het effect nog verhoogd door een _dunnen doek_ van
(witte of gebloemde) tule, die tusschen het kletje en de krop-lap
gestoken wordt. (Zie bl. 11.)

Over het hemd komt de onderbroek, daarover de gestreepte rok (van
gestreept katoen), daarover de donkerblauwe baaiënrok, dan de dikke
wollen _streep-rok_, dan de bovenrok. (Zie bl. 8, 9.)

Deze laatste is 's Zondags van witte, zeer dikke baai, met vertikale
strepen in fel rood en groen versierd. (Zie bl. 9.)

Alle rokken gaan rechts dicht.

Over dit alles komt de boezelaar van dezelfde stof als het kletje,
met een rand van boven, van geruit-geweven katoenen stof, welke
zondags van zijde is en allerlei kleurige versieringen heeft.

Ook dit schort wordt mooi in de plooi gestreken, zooals bij de
Marker vrouwen.

De rokken van de Volendamsche zijn niet zoo kort als die van de Marker
vrouw. Zij loopt in huis (over de matten) op haar donker-blauwe kousen,
op straat (zondags) op muilen van leer, door de week op klompen.

De hoofdbedekking bestaat uit het _hulletje_, van witte kant, dat over
een zwarte onderkap is getrokken. De haren zijn geheel afgeknipt als
bij een jongen. Van achter komt, in den nek, een opkrullend randje
haar onder de muts uit.

Soms draagt de Volendamsche dan nog om den hals een wollen das met
(blauwe) blokken geweven.

Ook de hals-snoer van bloedkoralen met gouden slot, dat van voren
sluit, wordt niet vergeten.

Het Volendamsche vrouwen en meisjes costume is in de week
eenvoudiger. Dan wordt, in de plaats van het kletje, een gestreept
wollen jakje gedragen, meestal grijs-paarsch of blauw van kleur,
met kleine ornamentjes. De boezelaar is dan dikwijls wit .... dit
laatste is reeds een verbastering van de ware dracht.



Het mannen-costume van de Volendamsche visschers (zoowel als van de
eendenfokkers en kaasboeren) bestaat uit een rood baai hemd met mouwen,
tot de knieën rijkend. Van voren heeft dit hemd een boordje, genaamd
"het befje", waarin twee gouden knoopen worden gedragen.

Daarover een gestreept baaitje tot de heupen. Daarover de
"_gezondheid_", een soort buikgordel, die met bretels, genaamd
"_galgen_', wordt opgehouden.

Dit kleedingstuk is meestal van blauwe wol of baai.

Een onderbroek van gekleurd keper, sluitend met knoop, en bandjes
onder de knie, die de zwarte kousen ophouden.

Daarover komt de bovenbroek van zwarte "_pij_", met drie zakken,
en twee groote zilveren knoopen van voren, genaamd _klapstukken_.

Over dit costume draagt hij in de week het _polka-baaitje_, een kort
hesje met mouwen.

's Zondags draagt de Volendammer over de gezondheid de gestreepte baai,
een vest zonder mouwen, met dubbelen overslag. Om den hals een doek,
genaamd _karwas_, (zie bl. 8) die tusschen de gestreepte baai wordt
gestoken. Daaroverheen het "_blempje_", een jas met mouwen, dat van
voren sluit. In den winter gaat daarover de _blauwbaai_, een zwart
jasje met mouwen en dubbelen overslag.

De lapel is blauw, omdat dit de omgeslagen blauwe voering is. Om de
kraag en de lapel is een fluweel boordje, genaamd het _katje_.

Daarbij worden 's zondags schoenen gedragen, door de week klompen.

Op het hoofd een pet of _ruige muts_, met groene lintjes van
achter. (Zie fig. 8, 9.)

Al deze kleedingstukken worden door de Volendammer vrouwen gemaakt.



C. WEST-FRIESLAND.


Van de West-Friesche dracht is niets meer overgebleven, dan de kap
en het oorijzer, en eenige typeerende lijfssieraden, die door de
vrouwen gedragen worden, benevens een algemeene costumeering, die
niet heelemaal stadsch, noch heelemaal boersch is, niet nieuwerwets,
noch werkelijk antiek. Zij levert een van de beste voorbeelden hoe de
nationale kleedij veranderen kan tot iets wat niet te qualificeeren
is, en het werkelijk nationale nog alléén in de hoofdbedekking
bestaat. (Zie bl. 12, 13.)

Deze dracht vindt men in West-Friesland, Drechterland en _de Streek_
tusschen Hoorn en Enkhuizen.

In Zaanland is niets meer van de oude drachten over, daar getuigen
nog slechts de oude houten huisjes en hun bij uitstek merkwaardige
groene kleur van de vroegere eigenheid van dit land.

De kap, genaamd de Noord-Hollandsche (zie pl. 12), wordt gedragen
over het door een bandje bijeengebonden haar. Eerst een zwarte en
dan een witte ondermuts, deze laatste van kant en met zwart lint
geboord. Daarover gaat het oorijzer, een ongeveer vijf-centimeter
breede strook van goud, eindigend in vierkante met filigraan bewerkte
zijstukken, genaamd: "_de pooten_". Daarover komt de bovenmuts,
zeer dikwijls van echte kant, van voren een breede strook, naar
achter een nog breedere, zeer sterk en mooi regelmatig geplooide
"_Kappekant-strook_". De bol wordt gevormd door zeer fijne blauwe tule.

Het oorijzer en de onderkap schijnen dus door de blauwe tule heen,
wat een zeer rijk effect maakt. Het oorijzer wordt vastgehouden, en
aan de bovenmuts gespeld door de _kapspelden_, die achter _de pooten_
zitten. Naast de pooten, op het voorhoofd, komen de _veertjes_,
kromme gouden naalden, die onder de bovenmuts gestoken worden en
gedeeltelijk het voorhoofd bedekken. Naast deze steekt men zwarte
"_toertjes_", valsche, zwarte, kleine krulletjes.

Op het voorhoofd dragen de oudere vrouwen een _voornaald_, van goud,
rijk met diamanten bezet.

Om den hals komt de ketting van zeer dikke bloedkoralen, met
gouden slot van voren. Bij den hals wordt een gouden doekspeld
gedragen en om den hals, naar beneden afhangend met een kruisje,
de _kruize-ketting_. (Zie bl. 12, 13.)

Bovendien dragen velen een gouden horlogeketting die tot aan het
middel rijkt.

Het geheele kapsel is een zeer fijne en ingewikkelde constructie van
kant, naalden en veeren, rijk bezet met diamanten.

In de ooren draagt men gouden hangers _(bagge)_. Deze dracht is
zeer kostbaar.

De eenvoudiger West-Friesche dracht bestaat uit de gewone _Hollandsche
hul_, (zie bl. 13) die over eene zwarte ondermuts wordt gedragen. Deze
muts lijkt veel op de gewone Volendamsche muts, de punten worden
echter naar voren gedragen, in Volendam hangen die meer naar beneden
of naar op zijde.

Over deze Hollandsche hul draagt men in heel West-Friesland de
boeren-hoed, het _schuit-hoedje_. (Zie bl. 13.) Het is van zeer
bijzonder, schuitvormig model, van zeer fijn wit stroo, heeft zondags
een witte (zijden) rand, in de rouw een zwarte, door de week een rand
in alle kleuren (roze).

Deze West-Friesche kap wordt weliswaar thans (1916) nog vrij veel
gedragen, maar de wijze van dragen is verschillend. De oudere vrouwen
laten de achterste strook meer hangen, de jongere zetten deze meer
naar boven, dat staat "vlugger". Vele jonge vrouwen dragen die kap
echter reeds niet meer, of alleen 's zondags.



D. HET GOOI.


Het Gooi vormt, zoowel geographisch als volks-kundig een zeer bijzonder
deel van de provincie Noord-Holland.

Wat de kleederdrachten betreft, sluit het zich niet direct bij
Holland, maar meer bij Gelderland en Utrecht aan, terwijl op de
grens-scheiding tusschen deze verschillende streken, het meer dan
bijzondere visschersdorp Spakenburg een oase op zichzelf is, die tot
geen van deze gewesten te rekenen is.

Het eigenlijke Gooi echter, bestaat, voor zoover de kleederdrachten
betreft, uit de drie dorpen, Laren, Blaricum en Huizen. Hilversum,
dat geographisch wél tot het Gooi behoort, telt in dezen echter niet
mee, omdat men er geen resten van een nationale dracht vindt. Des te
belangrijker zijn de drie eerstgenoemde dorpen.



I. LAREN.

Weinig plekjes van ons land zijn in de internationale artisten-wereld
zoozeer bekend, als Laren. Maar of die vermaardheid, zelfs ook maar
voor een deel, te danken is aan de opmerkelijke kleederdracht en
het eigene van de oorspronkelijke bevolking van dit dorp, zou te
bezien staan.

Zeker is het, dat Antoon Mauve, toen hij om gezondheids-redenen dit
oord van gezonde lucht noodgedwongen "ontdekte", daar niet kwam om
de eigenheid van de bevolking, maar het meest door de schoonheid
van het landschap werd aangetrokken. Zijn nakomelingen en navolgers
zijn--meest allen--even blind voor die volkseigenheid gebleven als
hun grooten meester. Vandaar dat ook in Laren zich het bijzondere
verschijnsel voordeed dat, te midden van een kunstenaarskolonie,
een bevolking leefde waarvan het uiterlijk iedere "_begrijpende_"
kunstenaar zou hebben geïnspireerd. Voor de Laarder artisten bleven de
Laarder inboorlingen echter niets dan "plekken-kleur". Het menschelijke
en de diepere beteekenis, de psychologiesche redenen voor de bijzondere
uiterlijke verschijning van die landelijke bevolking, is blijkbaar
aan deze moderne artisten voorbijgegaan.

En toch, hoe merkwaardig is niet die Laarder inheemsche kleedij,
hoe merkwaardig is niet het ras dat ze draagt, hoe opmerkelijk zijn
niet de typen, en is niet heel dit volk dat zoozeer zijn eigenheid
bleef bewaren, ondanks de steeds sterker wordende overstrooming
van moderne-villabouw, "Sommerfrischler" en "inter-nationalistisch
kunst-snobbisme" met al zijn verderfelijken en onnatuurlijken aankleve.

Dat Laarder volk heeft een zeer bijzonder Hollandsch type. Het paart de
gemoedelijkheid en kracht van het Hollandsche element aan het fiere,
en bijna aristocratische van het Friesche ras. Dat blijkt vooral uit
de burgerlijke voornaamheid van de oudere vrouwen, met hun zielvolle
gezichten, hun hooge gestalte, en de prachtige maar eenvoudige
deftigheid van den vorm en de kleur van hun eigenaardige dracht, de
gouden kettingen, de geplooide doeken, en het geheel bekroond door de
_vierkante muts_, die het eigenaardig ras-type nog te meer accentueert.

En dat bijzondere cachet wordt nog des te meer geconserveerd,
omdat slechts de Roomsche bevolking dit costume draagt. Er is dus
wisselwerking tusschen levensopvatting-uit-geloof en volks-dracht,
zooals dat trouwens bij alle nationale drachten in Nederland en elders
duidelijk op te merken is.

De kleedij van een Laarder vrouw (zie bl. 18, 19) bestaat uit: Een
hemd met heel lange mouwen, daarover borstrok van keper, daarover
_romp_ of _corset_ van blauw-keper, van voren dicht, zonder eenige
verdikking (met kussentjes) aan de heupen. Daarover komt de gewone
krop-lap (kralap). Over de (open) broek met bandjes (onder de knie)
komt de blauw baaienrok, daarover de zwarte (katoen) moiré-rok,
daarover de zwarte bovenrok en het (lange) jak van dezelfde stof,
beide soms van zijde, satijn of thibet, in effen zwart, blauw of bruin.

De rokken zijn alle van voren plat, op zij twee platte plooien, van
achter met _rimpels_. (kleine plooitjes.) Dan komt de boezelaar, die
heelemaal rond het lichaam gaat, van achter tegen elkaar sluit. Ze
is meestal van zijde, aan de kanten geboord met satijnlint.

's Winters en 's zomers is het costume hetzelfde. Het jak is aan den
hals uitgesneden, zoodat de kroplap te zien komt, en de mouwen zijn
wijd, met hooge poffen aan de schouders. Daarover gaat de _overdoek_,
van zwarte of blauwe zijde, met bonte kleuren met franje, netjes
geplooid, van voren en van achter vastgespeld in de taille. Om den hals
komt een ketting van _vier_ rijen bloedkoraal, het gouden vierkante
slot in den nek, van achter.

En dan de muts, bestaande uit zwarte ondermuts over het haar, dat niet
afgeknipt is, maar plat is weggekamd. Daarover het oorijzer van zilver
of goud, in hoofdvorm gelijk aan den oorijzer-vorm van Staphorst tot
Nunspeet, en zóó gedragen dat de "_speld_" onder aan de wang komt,
zijdelings van den mond, zooals op Urk en op Staphorst. Daarover de
vierkante muts, een vergroot-soort Hollandsche hulle, waarvan echter
de punten niet afhangen, maar weer naast het hoofd, naar boven,
zijn opgespeld, waardoor het geheel een vierkanten vorm krijgt,
het geheele hoofd als in een cubus-vorm van kant vervat schijnt,
een zeer mooie en eigenaardige vorm-geving.

's Winters wordt over dit costume een schoudermantel gedragen,
(_schoe-mantel_) van zwart thibet, met blauw baai gevoerd, en een
naar achteruitstaande, stijve kraag, met haak en oog onder de kin,
soms met linten vastgestrikt. De vorm doet aan de schoormantels van
de Scheveningsche vrouwen denken. (Zie aldaar.) Dat is het typische,
echte, Laarder vrouwen-costume, dat in zijn eenvoudige vormen
en meestal op zwart, donker-blauw of paarsch en bruin gekleurde
hoofd-tinten slechts verlevendigd wordt door de gouden (kruize)
ketting, de bloedkoralen om den hals en de eigenaardige vierkante muts.

Maar dat alles verkrijgt eerst zijn ware eigendommelijkheid, door het
bijzondere menschen-ras, dat deze dracht getrouw blijft, een ras dat
niet uitmunt door lichamelijke schoonheid, zooals het Zeeuwsche,
Urker of Friesche, maar dat vooral den indruk van burgerlijke
deugdelijkheid geeft.

Er wordt in Laren nog een ander soort muts gedragen, de meer
nieuwerwetsche, de zoogenaamde _ronde muts_, die niet anders is dan de
Hollandsche hul, waarvan de punten een weinig meer naar boven-voren
steken, en de kromming boven het voorhoofd wat ronder is dan bij de
Hollandsche hul. Overigens is ze van hetzelfde type. Bij de ronde
muts wordt het gewone verboerschte stads-costume gedragen.

De mannen-dracht van Laren heeft niets opmerkelijks.



II. BLARICUM.

Ook in Blaricum is de dracht tweeledig. Enkelen dragen nog het
ouderwetsche jak met de kroplap, zichtbaar op de borst (zie fig. 20)
en de vierkante muts, zooals in Laren. Anderen dragen de stadskleeding
en de "_kap_".

Die kap is bijna van dezelfde constructie als de West-Friesche. (Zie
fig. 12.)

Opmerkelijk is ook weer, dat in Blaricum slechts de Roomschen de
nationale dracht nog dragen, evenals in Laren. In het nabije Huizen
evenwel, dat geheel protestant is, dragen de Roomschen geen nationaal
costume.

Ook in Eemnes, dat protestant is, wordt de ronde muts anders (strakker)
gedragen dan in Blaricum.

De "_kap_" zit aldus in elkaar:

Over het "_gespleten haar_"--d.w.z. het haar dat met een scheiding
in het midden is gekamd, komt de zwart zijden ondermuts. Daarop
worden aan de voorzijde drie zwarte valsche krulletjes (aan iederen
kant) gespeld, aan een elastiek dat om het hoofd gaat en de zwarte
ondermuts vasthoudt. Daarover worden de (gouden) naalden--met een
elastiekje--vastgezet. Dan wordt aan de overmuts (kap) het oorijzer
vastgespeld aan de "boeken", tusschen de muts en de blauw zijden
bol, (zie West-Friesche kap) en dit wordt in zijn geheel zoo op het
hoofd gezet. Dan worden de _naalden_ achter de boeken gestoken en de
_spelden_ er ingezet.

Bijzonder opmerkelijk is bij die dracht al het goud wat erbij
hoort. De kapspelden en naalden en de oorbellen zijn alle zonder
diamanten, alléén van in filigraan bewerkt goud (in tegenstelling met
West-Friesland). Om den hals komt de koralen ketting, bij de vierkante
trek-muts een _vierkant_ slot _(pukkel-slot)_ of _(plaatjes-slot)_,
met vier rijen bloedkoralen, het slot van voren. Bij de kap is
het slot rond. Dan draagt men een broche (van goud), genaamd de
_borst-speld_. Dan een gouden ketting, waaraan gouden kruisje, dat tot
midden op de borst komt, dikwijls met een schuifje, genaamd _boot_. Dan
daarbij nog een lange losse (horloge) ketting van goud, en het horloge
in de ceinture, welke laatste een gesp heeft. Ook op de schoenen zijn
gespen. Deze worden echter thans niet meer in Blaricum gedragen.

Het costume dat, naar den vorm, (bij de kanten kap) verboerschte
stadsdracht is, heeft verschillende kleuren, varieerend tusschen blauw,
bruin, geel en groen, en zwart in de rouw, altijd van effen stof.



III. HUIZEN.


Zeer bijzonder zijn de drachten in het geheel protestantsche Huizen,
het visschersdorp aan de Zuiderzee. (Zie bl. 21, 22, 23.)

Het is zeer zeker een nationale dracht, die in Huizen gedragen wordt,
maar het is er een die niet van ouden vorm of snit is, maar wellicht
nog niet zoolang geleden oudere modellen heeft verdrongen. Daar ze
echter zeer algemeen is, en zeer getrouw wordt in stand gehouden,
is het een nationale dracht, den Huizers (of liever de Huizerinnen)
eigen. Het eenige echte oude van dit costume is echter slechts de
kap, die in wezen en vorm volkomen van alle andere Nederlandsche
mutsen-vormen afwijkt.

Dus ook in Huizen is in hoofdzaak slechts het vrouwen-costume
belangrijk, ofschoon de dracht der Huizer-visschers niet zoo
stads-boersch is als die van de plattelands-boeren, en meer
kenmerkend dan deze. De invloed van Marken, Volendam en Urk is op
die mannendracht merkbaar, ze behoort tot dezelfde familie van deze
visschers-kleedij. Maar de wijde broek ontbreekt tegenwoordig, ze is
meer, wat de pijpen betreft, van het gewone model. Overigens is ze
van den bekenden vorm met een klep, en versierd met zilveren knoopen,
juist zooals de mannen op Urk die dragen. (Zie bl. 23.)

Het vrouwen-costume van Huizen kan aldus beschreven worden: (Zie
bl. 22, 23): Over het hemd komt een borstrok en een lijfje, daarover
een jak, in de laatste twintig jaren met zeer wijde mouwen, die poffen,
boven de schouders uit, hebben. Dat jak is zeer bijzonder van vorm, met
zeer fijne plooitjes in de taille, aan de armsgaten, aan de polsen,
en zeer kort, even over de taille rijkend. (Zie bl. 22, 23.) Het
is van effen kleur in een stof waar bloemetjes in zijn geweven,
meestal bruin, bruin-paarsch of zwart. (Zie bl. 24.) De rokken
bestaan uit: gestreepte onderrok, (soms twee stuks), één witte rok,
een zwarte bovenrok. Alle rokken gaan links dicht; de bovenrok is
van _thibet_ (of: _paramat_), van zeer dunne stof, van voren recht,
van achter met zeer vele (rimpels) plooitjes. Van onder wordt er een
strook van 25 cm. breedte tegengenaaid. Daarover gaat de boezelaar
(_schulk_), van gewoon friesch (blauw) bont, 's zondags paarsch of
andere kleur. Daarover komt een losse ceinture met losse banden,
die van voren over het schulk afhangen. Die ceinture gaat met haak
en oog van voren dicht. (Zie bl. 22, 23.)

Men draagt 's zondags lage verlakte schoenen, en in de week muilen
of klompen.

Door de week worden de mouwen opgestroopt, zoodat de meisjes en
vrouwen bloote armen hebben, 's zondags draagt men de mouwen lang.

Dit costume, dat voor meisjes en vrouwen gelijk is, wordt niet door
de kinderen gedragen.

De meisjes, tot hun vijftiende jaar, dragen jurken met korte mouwen,
die van boven zeer sterk geplooid zijn. Dit noemt men _pijpmouwen_. Tot
aan den hals wordt dan over de kleeding heen een wit boezelaar
gedragen. (Zie bl. 21.) Over de armen, gebreide pols-mouwen.

Om den hals draagt men een slot met 5 rijen granaten-koralen. Het slot
van voren. Soms komt daar nog een gekleurd zijden das bij, dat echter
onder de koralen en het slot gedragen wordt. De uitstekende puntjes,
van voren, zijn dan het voornaamste dat men in 't oog wil doen vallen.

De mutsen van de Huizer kinderen en vrouwen zijn het meest variëerend.

De kinderen dragen, in de week, tot hun 14 of 15de jaar een _pik-muts_,
dat is een soort cornet of tip-muts, die geheel gehaakt of gebreid is
van witte katoen of wol, en van achter over den nek, afhangt. Deze
mutsen worden gestreken, zoodat ze eenigzins stijf staan, en in de
eigenaardige golvende plooiïngen blijven behouden die men hen heeft
gegeven. Het haar wordt daarbij door deze meisjes los gedragen. Ze
dragen 's zondags een rond strooiën (zwart) hoedje, versierd met een
pluim, die als een hane-kam over den bol van de hoed is gelegd. Van
voren twee spelden of broches. (Zie bl. 21.)

Tusschen hun veertiende en achttiende jaar dragen de jonge meisjes
een _plooi-muts_, bestaande uit een bol van witte kant, rings-om
versierd met een rand (van een hand breedte) van plooitjeskant, die
fijn geplooid is om het gezicht, in den nek in grootere plooien
afhangt. Die plooitjeskant omsluit en overhuift het gezicht,
wat nog erger het geval is met de _oorijzer-muts_, die de meisjes
en vrouwen boven de achttien jaar dragen. (Zie bl. 24.) Het haar
wordt "gespleten"--dat is met een scheiding in het midden gekamt,
en bijeengebonden tot een knotje achter in den nek. Daarover gaat een
zwarte ondermuts, daarover de witte over- of oorijzer-muts. Soms wordt
's Zondags een witte ondermuts gedragen, gewerkt met zwarte zijde.

Over de ondermuts komt het oorijzer, van gelijken vorm als langs de
heele Zuiderzee-kust van Staphorst af tot hier (Huizen) toe gedragen
wordt. De spelden komen aan de slapen--dus weer anders dan in Laren,
maar zooals in Nunspeet.

De oorijzer-muts zelf is van witte tulle met randen van kant, en de
lange kanten slippen worden links en rechts aan het oorijzer bij de
slapen opgespeld. Vandaar dat deze muts, van voren gezien, een zeer
bijzondere lijn-vorming geeft, en, van terzijde bekeken, zoo groot
en vooruitstekend is, dat het gezicht van de draagster er als het
ware in wegschuilt. Dit is evenwel van zeer bijzonder aesthetische
werking. (Zie bl. 24.)

Opmerkelijk is nog--vooral voor de zeden en gewoonten van de Huizers,
dat een bruid (zie bl. 22) een japon draagt van bruine stof, maar
dat haar wijde schort van hemelsblauwe fijne wol is, met een lint
van zijde, ook in die kleur. Dit blauwe schort wordt maar éénmaal
gedragen, nl. bij het aanteekenen ten stadhuize. Bij het trouwen is de
bruid geheel in het zwart, ook haar schort is aldus. Maar het blauwe
schort blijft bewaard totdat het eerste kindje geboren is. Dan wordt
het tot een doopjurk gemaakt, waarmede het kind ook nog 's Zondags
ter kerke gaat, of die bij volgende doop-plechtigheden gebruikt wordt.



E. DE NOORDZEE-KUST EN DE EILANDEN.


Veel bijzonders valt er niet op te merken van de visschersdorpen
langs de Noordzee-kust, behalve van Scheveningen. Ook in Zandvoort,
dat een oudere plaats is, bleef een weinig van de nationale dracht
over in de Hollandsche hul, waarvan echter de badgasten een soort
vermoderniseerde imitatie gaan dragen, nu ze door de eigenlijke
visschersbevolking afgeschaft schijnt.

De wereld verandert!!!.....

IJmuiden en Wijk aan Zee, zijn geheel moderne plaatsen. In Egmond en
Bergen draagt men de West-Friesche dracht.

Op Texel is niets van de oude drachten over, zoomin als op Wieringen
of op Vlieland.

Op Terschelling echter bleef een oude dracht gehandhaafd, die nog zeer
merkwaardig is, al bestaat ze bijna uitsluitend uit een hoofdbedekking
van eigenaardigen vorm, met afhangende stroken. (Zie bl. 14.) Die
kap noemt men _zwarte kap_, daaronder draagt men een witte, genaamd:
"_het mutske_". De verdere kleedij bestaat er uit een lijf met schoot
in ouderwetschen vorm, in allerlei kleur, jak genaamd. Daaronder
komt de rok van merinos (vroeger thibet). Het voorschoot noemt men
_scheldoek_. (Zie Hindeloopen).

Deze dracht, die hoofdzakelijk merkwaardig is om haar geheel, wordt
thans nog alleen door de vrouwen van middelbaren leeftijd gedragen;
de jeugd doet dit niet meer.

Vroeger droeg men op dit eiland een zilveren oorijzer, met gouden voor-
en zij-naalden.



F. DE MEEREN EN POLDERS.

In de drooggelegde Meeren en Polders van Noord-Holland, wordt
geen nationaal costume gedragen. Toen na de drooglegging van
de Haarlemmermeer verschillende families uit alle deelen van
Nederland zich daar kwamen vestigen, droegen zij de kleedij van hun
geboortestreek. Thans zijn die--zoo verscheidene--costumes geheel
verdwenen.



G. DE GROOTE STEDEN.

In Haarlem en Amsterdam is het nationale costume geheel verdwenen. Dat
neemt niet weg dat zelfs onder den rook van Amsterdam, aan de
Amstelveenschen Weg, onder Sloten, en aan den overkant van het
IJ, de Hollandsche hul toch nog vrij veel door de oorspronkelijke
boerenbevolking gedragen wordt. Het eenige, wat werkelijk oud is, wat
in de stad, in deze overbleef, nu zelfs ook de ouderwetsche bakers
niet meer bestaan, is het zoo beroemde costume van de Amsterdamsche
burgerweezen. Maar ook die dracht, hoe schilderachtig, hoe verfijnd
en hoe gracieus ook, zal misschien spoedig verdwijnen, daarmede nog
meer Amsterdam's eigen cachet ontnemend.

En niet ten onrechte is die dracht zeer bekend, want ze behoort tot
de mooiste die uit het verleden tot ons kwam. (Zie bl. 16, 17.)

Het costume voor de kinderen, de jongere meisjes, en de volwassenen
(17 jaar) is verschillend, hoofdzakelijk door de kap, die bij de
ouderen van doorzichtige tule of kant is, en het oorijzer (van zilver)
te zien geeft. Verder hebben de ouderen een omslagdoek, waarvan de
eigenaardige plooiïng en wijze van dragen, bijna volkomen overeenkomst
heeft met de doek van de Zeeuwsche drachten.

Als zoodanig kenmerkt dit costume zich dan ook als bij uitstek van
Hollandsch maaksel.

Tot voor kort droegen de meisjes merkwaardige kapjes en omslagdoeken,
die thans door meer moderne, maar minder fraaie capes vervangen
zijn. De kleinere meisjes dragen witte schorten, waarvan het model
in de laatste tijden ook verandering onderging. Die eigen-gereide
vervormingen zijn erger voor een nationale dracht, dan de totale
afschaffing. Daar komt bij, dat de meisjes zelf in de laatste jaren, in
de week, deze dracht niet met de noodige zorg dragen, en zich daardoor
minder aantrekkelijk voordoen dan ze zouden hebben kunnen zijn. Zij
ook hebben meegewerkt deze dracht in discrediet te brengen. De hoogst
onredelijke critiek van buitenstaanders over het "gevangenis-pak van
deze arme kinderen" heeft het andere gedaan. Tegen domheid vechten
zelfs de goden te vergeefs.

Mocht dit zoo bijzonder aantrekkelijke costume echter uit Amsterdam's
straten verdwijnen, dan zullen zij veel missen, die nooit, op een
mooie Zondagmorgen, dat rijtje rood-wit-zwarte meisjes in hun uiterst
aesthetische kleedij, dat typische poortje in dit stukje Oud-Amsterdam
hebben zien uitschreiden.

De jongens-dracht is, half zwart, half rood, door haar snit echter
weinig opmerkelijk.

Ook Haarlem heeft zijn burgerweezen, ook in een oude dracht, ook rood,
zwart en wit, maar ze is niet zoo fraai als de Amsterdamsche, ze is
ietwat stijver, vooral de muts en de omslag-doek van de meisjes. (Zie
bl. 15.)

Behalve het Burgerweeshuis heeft Amsterdam nog een paar andere
weeshuizen, de Oranje-appel, het Maagdenhuis enz., waar de dracht van
de verpleegden een zekere historische oorsprong heeft, maar thans te
veel ontsteld is.



UTRECHT.


In Utrecht is alléén iets van de nationale kleedij over, in de
streken die aan het Gooi en Gelderland grenzen. De groote streek
waar nog de nationale dracht in eere is, en die zich langs de kust
van de Zuiderzee van Staphorst tot Huizen uitstrekt, gaat ook over
de noord-oostelijke hoek van de provincie Utrecht. Daar vindt men
dan ook in Soest en omgeving, Hoogeland, en vooral in Spakenburg en
Bunschoten nog zeer belangrijke resten van de oude kleedij.

Soest en Hoogeland (zie bl. 25) sluiten zich bij Laren aan, en vormen
een groep apart, waar de zoogenaamde vierkante muts (zie bl. 26) het
voornaamste kenmerk van is. Overigens is de kleedij met omslagdoeken
in (soms) kleurige zijden, en de gouden (kruize) kettingen ongeveer
gelijk aan wat men in Laren ziet. Maar opmerkelijk en zeer bijzonder
is de dracht in Spakenburg.



SPAKENBURG.

Die twee dorpen, Bunschoten en Spakenburg, liggen als een eiland in een
wijd plat uitgestrekte landstreek, bijna zonder boomen, zich tusschen
Nijkerk en Eemnes uitstrekkend, de Eem-vlakte, ten noorden begrensd
door de zee, ten zuiden door het land en de bosschen van Baarn, links
door het Gooi en rechts door de zandgronden van Gelderland. In die
kale uitgestrektheid, tegen den zeedijk, ligt het oude visscherdorp
Spakenburg, waar de traditie van de oude kleederdracht nog zoo fraai
is bewaard gebleven.

In hoofdzaak zijn het wèliswaar de vrouwen en kinderen wier kleeding
belangrijk is, maar toch ook hebben de mannen nog niet geheel hun
oude dracht vergeten, welke--wat zeer begrijpelijk is--zeer aan die
van Marken, Urk en Volendam doet denken, ofschoon veel minder dan de
dracht die de mannen van Huizen dragen.

De vrouwen-kleeding geeft, op het eerste gezicht, het meest den
indruk van die van Marken, voornamelijk omdat ze zoo kleurig is. Maar
het blijkt dat ze, wat constructie betreft, zich toch geheel bij de
drachten van de Zuiderzee-kust aansluit, zoowel wat de lijfs-kleeding
als de muts aangaat.

Opgemerkt dient, dat de twee dorpen, Bunschoten en Spakenburg,
één geheel vormen, en dat de drachten en de huizen daar volkomen
gelijk zijn. Spakenburg is het visschersdorp dat met een kanaaltje
van een paar honderd meter met Bunschoten, dat meer in het land ligt,
verbonden is.

De dracht van een Spakenburgsche (of Bunschotensche) kan aldus
omschreven worden: (Zie bl. 27, 28, 29.)

Het haar wordt opgestoken, met een zwart bandje vastgebonden, dat van
boven het voorhoofd tot onder het achterhoofd gaat. Daarover komt de
zwarte ondermuts, daarover de witte gehaakte of gebreide ondermuts,
die plat tegen het hoofd aanligt, en niet uitsteekt. (Zie bl. 28,
29.) Daarover de witte kanten muts, die ietwat naar voren steekt, een
randje van kant heeft, en van onder een weinig wordt omgebogen. (Zie
bl. 27 en 29.) Dit soort muts lijkt op de (oorijzer) mutsen van Huizen,
(zie aldaar) maar is veel kleiner, en ze lijkt eveneens op de muts
van Harderwijk en Nunspeet, maar iets grooter. Het type is bijna
hetzelfde. Oorijzer en belletjes worden niet gedragen. (Zie bl. 27
en 29.)

De lijfs-kleeding bestaat uit een hemd met korte mouwen, een hemdrok
van zelf-gereide stof, (zie Staphorst) zwart met blauwe voering,
rijkend tot het middel. Daarover den _slippen-kolder_, een soort buis
met schootjes, geen mouwen. Onder deze kolder een witte _onderdoek_, om
den hals. De hemdrok is voorzien van half lange mouwen, die van friesch
(rood) bont zijn, en te zien blijven als de kleeding geheel voltooid
is. (Zie bl. 27, 28, 29.) Daarover komt de krap-lap, in Bunschoten die
van zeer bijzonder model is. Ze is korter dan gewoonlijk, gaat niet tot
de taille, zooals gewoon, maar slechts tot halverwege de borst, maar ze
is zeer breed, zoodat ze buiten de schouders uitsteekt, en daardoor als
het ware kappen om de schouders vormt, die het geheele figuur breed en
vierkant maken, en het bijzondere van de geheele dracht vormen, omdat
er de aandacht zoo dadelijk door getrokken wordt. (Zie bl. 27.) Over
die krap-lap, die van witte stof, (katoen) met zeer kleurige (roode)
bloemen versierd, gemaakt is, komt de _roode doek_, de halsdoek,
die niet breed uitgedragen wordt, zooals bij de andere drachten,
maar stijf om den hals zit, en even smal over de borst gaat, en in de
taille wordt vastgezet. Deze doek is _altijd rood_, van friesch bont,
en wordt met spelden vastgezet. Bij de bruid is die doek wit.

De onderkleeding bestaat uit een (open) broek en een onderrok van
gestreept katoen, die door _de heupen_, driekante kussentjes, die in
de taille ter zijde worden gelegd, om de rokken te doen uitstaan,
worden opgehouden. Daarover gaan twee roode baaien rokken en een
gestreepte katoenen rok. 's Zondags komt er nog, over die roode
rokken, een derde bij. Daarover de zwarte plooitjes-rok, van voren
glad, van achter geplooid. Door de week is deze geheel effen, zonder
plooien. Ook deze rokken zijn van zelf-gebreide stof. Daarover komt
de boezelaar--genaamd: de _schulk_, (zie Huizen, Staphorst enz.) van
blauw katoen, met een "_stukje_" van friesch (rood) bont, het patroon
't zelfde als van de halflange mouwen. Dit schort wordt vastgemaakt
met blauwe linten.

Zeer opmerkelijk is bij deze dracht, de wijze, waarop deze rokken
en boezelaar van achter worden vastgemaakt en opgehouden door een
koperen haak, die aan de slippen-kolder is vastgehecht. De rokken
en boezelaar worden allen op die wijze in de hoogte--om 't zoo
te zeggen--opgehangen, zoodat plooien en lijnen van de Bunschoten
vrouwen-dracht, van achter, allen naar één punt (die haak), even
boven de taille te samen komen, even onder de krap-lap.

Die constructie is zeer opmerkelijk.

Zeer bijzonder is ook nog het trouw-costume, dat alle jonge meisjes in
voorraad schijnen te hebben, zelfs reeds vóór dat zij verloofd zijn,
en waarmede zij 's zondags naar de kerk gaan.

Het bestaat in hoofdzaak uit een jak, genaamd: het _brung-jak_, van
meestal bruine stof, versierd met een motief van kleine appeltjes. Die
stof heet dan ook _appeltjes-brung_.

De vorm van dat jak is zoo, dat van voren een lage uitsnijding komt, in
hart-vorm, van achter vele plooien te samen komen onder twee knoopjes,
die even boven de taille (tusschen de schouderbladen) zijn aangebracht.

Dit jak wordt over de gewone kleeding, met krap-lap én al,
aangetrokken.

De krap-lap is dan evenwel niet stijf, en de doek, die anders altijd
rood is, is bij de bruid _wit_.

Over dit jak wordt een zwart zijden schort gedragen, dat van achter
opgebonden wordt, de band over de twee knoopjes (op den rug) gaande.

's Zondags draagt men ook wel dit zelfde jak van koren-blauw, ook
met appeltjes, en dan soms ook een wollen scholk, met bont zijden
stuk en zijden linten. Door de week echter, zijn alle vrouwen (zie
bl. 28) hetzelfde gekleed, met groote, wijde, witte scholk en de
roode halsdoek.

De schoenen zijn zeer breede, zwart leeren pantoffel vormige sloffen,
met groote, breede zilveren gespen. Door de week, draagt men meestal
klompen.

De kinderen zijn eenvoudiger gekleed, ofschoon de kleur even sterk
is--meestal gestemd op rood. Zij dragen een bont rokje (gekleurd
katoen) en daarover een friesch bont (meest rood) scholkje.

De hoofdbedekking bestaat uit een gebreide muts van witte of donkere
wol, met witte mopjes, of uit een zwarte mutse, op de wijze zooals de
kinderen op de Veluwe dragen. (Zie Hierden, Nunspeet, Staphorst.) Ze
heeft dezelfde vorm, bestaat uit een nauw-sluitende muts, met een
dikke rand van voren, genaamd: _de zwarte pluim_. Aan de linkerkant
van het hoofd is een strikje, aan de rechterkant een _goud krapje_,
een gesp of ander soortige versiering.

De bevolking van deze twee dorpen is geheel gereformeerd. Katholieken
of joden zijn er niet. Ook die eenheid van godsdienst--dat
conservatisme--komt het voort-bestaan van deze eigenaardige dracht
ten goede, zooals overal dergelijke eenheids-godsdienst-toestanden
de nationale eigendommelijkheid helpen bewaren.

Bijzonder aesthetisch is deze dracht niet. De vormen die de toch
al niet al te fraaie vrouwenlichamen aannemen, zijn, zooals die van
Marken, houterig en log. Maar het eigendommelijke van de dracht is
des te opmerkelijker.



In de andere deelen van de provincie Utrecht, is de nationale dracht
zoo goed als geheel verdwenen, tenzij dat hier en daar oudere vrouwen
nog een hulle dragen. Die is dan echter meestal niet van specifiek
Utrechtsche vorm.



ZUID-HOLLAND.


In de provincie Zuid-Holland, is niet veel meer van de nationale
drachten overgebleven. Al wordt, door de geheele provincie, vooral in
Schie en Rijnland, de Hollandsche muts nog wel gedragen, en al vindt
men op de eilanden nog overblijfselen van die oude costumes, zooals
ook langs de kust van de Noordzee, toch is er geen enkel centrum waar
de dracht nog zoo compleet gedragen wordt als op Marken, Volendam of
in het Gooi.

Te Katwijk (zie bl. 31) en Noordwijk (zie bl. 30) heeft de
visschersbevolking nog een zeker cachet, vooral de vrouwen, met hun
eigenaardige mutsen en gouden sieraden. Maar 't belangrijkste van
wat in deze provincie gevonden wordt, ziet men in Scheveningen. (Zie
bl. 32, 33.)



SCHEVENINGEN.


Het is alweer zeer opmerkelijk, hoe in een dorp, zoo vlak bij een
groote stad, en naast een steeds grooter wordende internationale
badplaatsbevolking, een andere bevolking haar oude gebruiken zóó
sterk bewaren kan, als bestond die stad en dat internationale verkeer
niet. Twee uitersten leven en bestaan hier naast elkaar, zonder elkaar
te beïnvloeden.

En niet alleen dat de Scheveningsche dracht, vooral onder de vrouwen,
zoo algemeen blijft, het is ook zoo eigenaardig dat ze weinig
verandert. De grootste veranderingen zijn er een geslacht terug al in
aangebracht, in de groote periode, waarin de boeren-bevolking onder
den invloed van de beschaving der steden kwam.

De Scheveningsche vrouwen-dracht is aldus te omschrijven: Zij draagt
vijf rokken over elkaar van verschillende kleur en stof, waarvan
de bovenste van zwart thibet of merinos is. Daarover draagt zij een
zwart schort, des Zondags van zijde. De bekleeding van het bovenlijf
bestaat uit een jak van gewone katoenen stof, grijs van kleur, of
bruin, of blauw. Daarover komt een schouderdoek, vierkant, maar dubbel
gevouwen tot een groote driehoek, en alzoo omgeslagen, en vastgemaakt
in de taille. Deze doek is van wol, en groen, bruin of blauw. Op het
hoofd draagt men de _mop-muts_, genaamd: de "_moppes_", met oorijzer,
waarin de _parel-spelden_, naar boven stekende spelden, van goud:
die aan het Scheveningsche costume zoo bijzonder opmerkelijk zijn. Het
oorijzer eindigd in de _stukken_, mooi bewerkte ovalen gouden sieraden,
in de vorm van een broche. Aan de zijkant van de muts zijn plooien,
genaamd: "_de klappen_". Deze mutsen zijn 's Zondags van kant. Als
men in de rouw is zijn ze van effen battist of van "kamerdoek".

De doek wordt bij den hals, saamgehouden door een gouden broche. Om
den hals komt de halsketting, met gouden slot van voren.

Over dit costume wordt 's winters de _schoor-mantel_ (schouder-mantel)
gedragen, die 's Zondags van allerlei kleuren is, van binnen met witte
baai is gevoerd. De kraag is zeer stijf en versierd met opgeplooid
lint. In de rouw of op gewone werkdagen, is deze schoor-mantel van
zwarte stof, rood gevoerd, met stijve kraag, met fluweel geboord.

Deze dracht wordt door de Protestantsche vrouwen gedragen, en alléén
door de visschersbevolking.

De Roomsche vrouwen dragen om den hals, in plaats van de broche, een
kruisje, en, indien het burgervrouwen zijn, dragen zij aan de muts
niet de rijk bewerkte ovalen "_stukken_", maar "_boeken_", vierkante
gouden plaatjes, die soms eenigszins cilindrisch omgebogen zijn.

Het mannen-costume bestaat uit een blauwe trui van wol, en een wijde
broek, met een pet op.

Als herinnering aan oude tijden wordt, bij gelegenheden, de hooge
hoed gedragen. (Zie bl. 33.)



De kleedij op de Z.-H. eilanden, vooral op Goeree en Overflakkee,
sluit zich bij de drachten van Zeeland aan, speciaal die van
Noord-Beveland. Zij geeft dezelfde lange, wijde muts te zien met
de "kurketrekkers" van goud langs de slapen, die men "_krullen_"
noemt. De wijde floddermutsen van deze Z.-H. eilanden, zijn echter
niet zoolang en groot als die van Noord-Beveland. Bovendien zijn de
gouden sieraden iets anders.



ZEELAND.


Men kan gerust zeggen, dat de Nederlander, die Zeeland nooit bezocht
heeft, niet alleen het mooiste, maar ook het merkwaardigste deel van
zijn land niet kent.

Daar waait in dit eilanden-domijn een heel andere wind dan in het
overige deel van Nederland. Het is alsof men daar in een heel andere
cultuur-staat verplaatst wordt, het is anders dan heel het overige
Holland bij elkaar, het is meer algemeen menschelijk, meer natuurvol,
meer inspireerend, meer tot "den mensch" sprekend dan al het andere,
wat in het feitelijke Holland en in de andere provinciën het eigenlijke
Hollandsche van Holland maakt.

Dat komt door het land, den bodem, door het menschen-ras en door de
kleeding, die alle drie, deze buitengewone sfeer scheppen, die niet
alleen eenig is voor Nederland, maar ook in dit deel van Europa zijns
gelijke niet heeft. Zeeland is nog het Natuur-land in het overigens
geheel "ver-civiliseerde" Holland, het is de tuin van Nederland. En
de bloem uit dien tuin is Walcheren.



A. WALCHEREN.


Welk een schoonheid. Schoonheid van land, bouwland, parken, bosschen,
duinen en zee, schoonheid van oude steden, oude architectuur,
schamele resten van een cultuur, zóó eigen als in geen van de
andere deelen van Holland gevonden wordt, en die nog werkelijk
voortleeft, ondanks de moderne tijden, ondanks dat dwars door dit
eilandenrijk het wereldverkeer voortijlt. Dat is het merkwaardige
van Walcheren, dat is zijn pracht, omdat het zuiver-menschelijk en
natuurlijk-volmaakte wat daar te zien is, tot het gevoel van het
hart, en tot het begrip van de objectieve schoonheid spreekt. En dat
natuur-schoon van land en ras spiegelt zich daar in de kleedij, of
omgekeerd, de bevolking componeerde zich een kleedij, waardoor zijn
eigendommelijke rassenschoon zoozeer uit komt en geäccentueerd wordt.

En dat geldt niet alleen voor de vrouwen en meisjes met hun prachtige
bouw, hun mooie lichaams-lijnen en fijn besneden gezichten, de donkere
oogen, de prachtige armen en de mooie halzen. Maar dat geldt ook
voor de mannen, die typen te zien geven vol van wereldwijsheid en
menschenkennis, alsof een cultuur van geslachten oud al deze gewone
boeren, die in hoofdzaak de landbouw bedrijven, hun interessante
gezichten geteekend heeft.

En de kleedij is er juist op berekend om den opmerker dat alles nog
meer te doen beseffen. Want zoowel de mannen- als de vrouwen-kleeding
op Walcheren is hoogst eenvoudig. Moge ze vroeger rijker, kleuriger
geweest zijn, zooals een paar zeer fraaie voorbeelden in het museum van
Middelburg getuigen, ze was toen toch reeds wat ze nu was, niet anders
dan dat wat een goede, rationeele kleeding uit haar wezen zijn moet,
het middel om de persoonlijke schoonheid van het individu nog meer te
doen uitkomen, te doen opmerken. En waar zou dat meer gerechtvaardigd
zijn, tot mooier geheel hebben kunnen voeren dan juist op Walcheren.

De vrouwen-dracht is voor de kinderen en de volwassenen hetzelfde. Zij
bestaat uit de gewone onderkleeding en een aantal rokken, waarvan de
bovenste, zooals ook het van voren met een "coeurtje" uitgesneden
lijfje, van zwarte stof is. Deze werd in de laatste tijden steeds
dunner, zoodat de figuren van de draagsters slanker werden. Zelfs
werd het corset te hulp genomen om de natuurlijke fraaie lichaamsbouw
nog meer te doen uitkomen. Vroeger werd dit corset natuurlijk niet
gedragen. De armen zijn bloot tot boven den elleboog. Van voren en van
achter iets minder, komt de witte "beuk", het Zeeuwsche kleedingstuk
par excellence, te zien.

Deze is op Walcheren meestal wit, soms met kant en plooien, welke
laatste "verfraaiïngen" toevoegsels en veranderingen van den nieuweren
tijd zijn. (Zie bl. 34.)

De hoofdbedekking bestaat uit een witte ondermuts en witte boven-
of trekmuts, vrij eenvoudig van model, maar bijzonder gemaakt door de
eigenaardige veelvuldige kleine plooitjes, en door de gouden sieraden
die aan de slapen, naast en bijna voor de oogen hangen. Het haar
is op zeer bijzondere wijze gekruld, zóó, dat het van voren met een
zeer regelmatige wrong (of krul) onder de muts uitkomt. (Zie bl. 34,
35, 36, 37, 38.) Om den hals, die dikwijls (vooral in den zomer)
vrij laag geheel bloot is, (als de beuk wat meer naar beneden is
getrokken) wordt een bloedkoralen ketting gedragen van rijen kralen,
met een dikwijls zeer mooi gouden slot (van oude bewerking) van voren.

De schoenen zijn lage muilen, op het land draagt men klompen.

In den winter trotseert de gezonde Zeeuwsche de barre koude, ondanks
haar steeds bloote armen, (die dan echter met zwart-wollen pols-mouwen
zijn bekleed) alléén met een (meest zwart) wollen omslagdoekje van
betrekkelijk zeer geringe afmeting.

Op het hoofd wordt een klein wit strooien hoedje gedragen, geboord
met een kleurig (meest blauw) of zwart lint, dat in zeer bijzondere
plooiïng, van achter, tot een soort roset wordt. Dit lint hangt bij de
vrouwen, uit het Middelburger Ambacht, langs het hoofd, naar voren,
over de borst neer. Dit hoedje verdwijnt echter hoe langer hoe meer,
zooals de groote platte hoeden, die men tot voor een geslacht terug
nog droeg, en die reeds geheel verdwenen zijn.

De kinderen op Walcheren, dragen aan de muts lange kanten stukken,
die tot op den rug afhangen.

Dat is de _kindermuts_, zooals die op heel Walcheren voorkomt. Ze is
ook de dracht van de vrouwen uit het Middelburger Ambacht, dat is de
streek direct om de stad Middelburg heen. Deze muts is veel eenvoudiger
van vorm dan de trek-muts, die de gewone Walcherensche dracht is. Ze is
niet zoo fijn geplooid--kost dus veel minder van "opdoen", maar heeft
een afhangende strook van achter (zie bl. 38)--die bij de kinderen,
vooral als ze klein zijn, soms tot aan het middel valt. (Zie bl. 37.)

De Middelburger-ambacht-muts wordt daarom ook door vele vrouwen uit
het volk gedragen, omdat ze minder kostbaar is. (Zie bl. 38.)

Dit costume wordt op Walcheren nog zeer veel gedragen, zelfs in
de steden, behalve Vlissingen, waar alle herinnering aan het oude,
door de zegeningen (?) van de moderne industrie, zijn gedood.

Niets merkwaardiger dan een marktdag op Donderdag in Middelburg,
voor het mooie Stadhuis of op de schilderachtige Botermarkt, waar
men een gekrioel van de meest verscheidene Zeeuwsche drachten waar
kan nemen. Dit is een werkelijk eenig schouwspel in dit gedeelte
van Europa, omdat het niet alléén zoo bijzonder eigendommelijk is,
maar tegelijk werkelijke schoonheid te zien geeft, schoonheid van
menschen-ras, en buitengewone aesthetische kleedij. (Zie bl. 26.)

Vooral de kinderen zijn een lust der oogen.

Nergens ziet men kinderen met zoo mooi gevormde gestalte, zoo fijn
besneden gezichtjes, zoo stijl-volle allure als op dit merkwaardige
eiland. En waar men, op een of ander afgelegen dorp een school ziet
uitgaan, moet het treffen, dat vele van deze kleintjes, (vooral de
meisjes) een verschijnen hebben alsof het "aangekleede stadskinderen"
zouden zijn, als men die qualificatie althans als een omschrijving van
beschaafdheid zou willen doen gelden. Maar die "_boeren_" kindertjes
van het platteland van Walcheren, hebben meer "cultuur" dan de
stads-kinderen, want ze zijn natuurlijker. Bij hen is de mooie houding,
de vriendelijkheid en de liefheid niet een gevolg van aangeleerdheid,
maar ze zit in het ras, zooals ook hun geheel on-boersche schoonheid
uit hun ras voortkomt. Het zijn gecultiveerde-natuur-menschen.



Walcheren bestaat eigenlijk uit twee deelen, die in de laatste eeuwen
echter slechts één eiland vormen. Het land van Arnemuiden en Nieuwland,
dat ten oosten van het kanaal van Walcheren ligt, heeft daarom ook een
eigen kleederdracht. Deze lijkt in veel opzicht, wat de vorm aangaat,
op de Zuid-Bevelandsche, en sluit zich bij deze aan.

Maar het verschil zit in de muts. (Zie bl. 40, 41.) Die kap is anders
dan de Zuid-Bevelandsche en anders dan de Walcherensche. Ze is niet
zoo groot als de eerste, en grooter dan de laatste, maar van achter
is ze anders geplooid dan een van deze kappen, ook om den hals zit
ze anders. Ze is echter buitengewoon fraai van model, zelfs voor
de kinderen, die haar niet van kant, maar van battist of neteldoek
dragen. (Zie bl. 42.)



Wat de kleedij van de Walcherensche boeren betreft, deze is, zooals
die van de andere deelen van Zeeland nog wel eigenaardig, maar, op
een paar blinkende Zeeuwsche knoopen na, en een beetje eigenaardige
snit, niet veel anders dan alle boeren-drachten. Het merkwaardige
ligt meer in den drager dan in zijn costume, en, door het bijzondere
uiterlijk--den niet te omschrijven wereld-wijzen kop van den Zeeuwschen
boer--verkrijgt zijn heele verschijning iets zeer aparts, dat toch
maar voor een zeer klein deel door het costume veroorzaakt wordt.



B. ZUID-BEVELAND.


Het Zuid-Bevelandsche costume is het rijkste van alle Zeeuwsche
drachten, ofschoon het Axelsche (uit Zeeuwsch-Vlaanderen) het meest
eigenaardige en bijzondere is. Het Walcherensche is ongetwijfeld het
meest natuurlijke en menschelijkste.

Zeer opmerkelijk is het nogal belangrijke onderscheid dat er tusschen
de Roomsche en Protestantsche drachten op het eiland bestaat, (zie
bl. 44, 45), welk onderscheid het meest uit de kleedij van de vrouwen
spreekt. En in hoofdzaak ligt het verschil in de muts.

De Protestanten dragen een ronde muts, d.w.z. eene waarvan de groote
vleugels links en rechts van het hoofd regelmatig rond ombuigen,
en zich van achter in den hals vereenigen. Daardoor moet het slot
van de halsketting van voren gedragen worden.

De Roomsche vrouwen hebben daarentegen een muts, die meer vierkant van
model is, althans van achter op zeer bijzondere wijze in rechthoekigen
vorm bijeen is gebracht. De zij-kanten langs het hoofd vallen niet
naar achter, maar in naar onder recht (vierkant) afgewerkte vleugels
naar voren, zoodat den nek vrij komt en aldaar het gouden slot van
de halsketting gedragen wordt. (Zie bl. 46, 47.)

Bovendien is de _beuk_, "_hèt_" beroemde Zeeuwsche kleedingstuk, bij de
Roomschen rondom den hals versierd met een randje kant en kralen. De
Protestanten hebben dat niet, de beuk is niet versierd. (Vergelijk
bl. 46, 47, 48 met bl. 50, 51.) Een Zuid-Bevelandsch costume kan
alsdus worden omschreven. (Zie bl. 43 tot en met 51.)

Over het algemeen draagt men drie rokken. De rok heet op z'n zeeuwsch
"_keus_", zoodat er gesproken wordt van een _lief-keus_, (lijf-rok),
dat is een rok waaraan een lijfje vast is, en van een _rand-keus_,
een rok waaraan, van onder, een rand bevestigd is.

Die rokken zijn 's winters en 's zomers verschillend van stof en
van kleur.

Over die rokken komt een dof-blinkend zwart _schort_, van zijde
of satinet.

De rokken sluiten aan den zij-kant, met haken en oogen, de plooiïngen
vallen aan den zij-kant en van achter. Van voren zijn geen plooien.

Over het bovenlijf een wit katoenen hemd, daarover een _hemd-rok_
met korten mouwen, van voren sluitend.

Daarover dragen de Protestantsche vrouwen een corset, de Roomsche
daarentegen niet. De Protestantsche dragen bovendien een broek,
de Roomsche vrouwen niet.

Over dit hemd-rok komt de _beuk_.

Dit zoo beroemde en belangrijke kleedingstuk bestaat uit twee bijna
vierkante lappen, ongeveer 35 bij 45 cm. groot. Ze zijn aan den
eenen kant aaneen gehecht, met een uitschulping, om den hals door te
laten. Die twee vierkante stukken bedekken dus, de eene de borst,
de andere den rug, ze worden vastgehouden, op de eene schouder met
haakjes en oogen, van onder met banden.

De "beuk" is een kleedingstuk dat in bijna alle Nederlandsche
nationale drachten een voorname rol speelt. In Zeeland heet het de
"_beuk_", maar in de andere deelen van Nederland waar het voorkomt,
Volendam, Spakenburg, op de Veluwe, Staphorst enz., enz., heet
ditzelfde kleedingstuk de _krap-lap_ of _kra-lap_ of _krop-lap_. De
vorm wijzigt zich soms zeer, (zooals te Spakenburg), maar de idee en
de bedoeling blijft steeds dezelfde.

Deze beuk wordt van gebloemd katoen of zijde gemaakt, ieder jaar van
een andere stof, naar "de mode" en de nieuwe smaak, dat aangeeft,
en deze wordt op den Paaschdag vertoont. Paaschen is de mode-datum
.... en .... niet alléén in Zeeland.

De rijkdom van menig zeeuwsch meisje wordt ook naar het aantal
verschillende beuken en doeken die zij heeft, afgemeten, (afgezien nog
van de _kap_, de "_stukken_" en de halsketting.) Maar menige zeeuwsche
schoone heeft kasten vol beuken en doeken, (soms 30 stuks en meer)
waarvan erbij zijn van zeer groote kostbaarheid, omdat de duurste
zijde er voor gebruikt wordt.

De kleur van deze beuken is niet te bepalen. Alle kleuren worden
gebruikt, en bij de Roomschen wordt het effect nog verhoogd door de
kanten en kraaltjes om den hals. (Zie bl. 46, 47, 48.)

De _doek_ is een vierkante lap (doek), van ongeveer 1.50 meter lengte
en een 1 meter breedte, die diagonaals-gewijze gevouwen wordt, zeer
zorgvuldig wordt geplooid, welke plooien door spelden in bedwang
gehouden worden. Deze doek wordt om de schouders omgeslagen, van
voren over elkaar gelegd, en in de taille wordt ze (met spelden)
vastgemaakt. Deze doek is van allerlei stof en kleur, dikwijls zelfs
van fluweel, soms van zijde, door de week ook wel van katoen. (Zie
bl. 46, 47, 48, 49, 50, 51.)

Aan de voeten draagt men lage schoenen van leer.

De hoofdbedekking is zeer ingewikkeld. Het haar wordt meestal kort
geknipt, behalve van voren om "_de krul_" te maken, de haarkrul
die van voren onder de muts uit, te zien komt. De kinderen dragen
ponny, genaamd: "_de bles_". (Zie bl. 43.) Over het haar gaat de
_gouden beugel_ van zeer bijzonderen vorm, die in twee vierkante
_bladen_ eindigt, die van voren met lijn-ornament zijn begraveerd,
van achter glad. Die heele versiering heet "_de stukken_" en ze is
altijd geheel van goud. Daarover komt de _tip-muts_, een wit mutsje
met een plooi-kantje ringsom, een bol, en met een bandje op het hoofd
gehouden. Van voren een klein kantje.

Over deze tip-muts dragen de Roomsche vrouwen een
_blauw-zijden-mutsje_, dat alleen den bol van het hoofd bedekt. (Zie
bl. 48.)

De Protestantsche hebben dit niet. Daar is dit mutsje wit, of, in
den rouw, zwart.

Daarover komt dan de boven-muts, bij Roomschen zoowel als bij
Protestanten. De vorm is het best op de photographie te zien. (Zie
bl. 46, 51.)

De mutsen der Roomschen worden ietwat met _blauwsel_ gestreken,
die van de Protestantschen zijn wit. De eersten strijken en maken
hun mutsen niet zelf, dat doet de "_mutsen-opdoenster_". De laatsten
strijken de mutsen zelf.

Naast de stukken, die nu onder de boven-muts uitkomen en door "_de
draai_" in de gouden spang die hen vasthoudt, naar links en rechts
van het voorhoofd uitstaan, zijn de _cantille-spelden_ in de tip-muts
gestoken. (Zie bl. 46.) Daarboven steekt men de _boven-spelden_,
kleiner, massiever van vorm dan de opengewerkte cantille-spelden.

Dan komt daar nog de _bloedkoralen halsketting_ en het gouden slot
bij. Men draagt vijf rijen vrij groote koralen, 's zondags zelfs zes
rijen. Het slot (bij de Roomschen van achter, bij de Protestanten van
voren) heeft door de week drie "oogen", 's zondags vijf. (Zie bl. 46,
47, 48 en bl. 50, 51.)

Al deze sieraden vertegenwoordigen dikwijls een heele waarde,
zoodat het begrijpelijk is, dat zij, die eenmaal deze dracht hebben,
ze in eere houden, zij die ze niet hebben, haar niet gemakkelijk
aanschaffen. Maar de meeste Zuid-Bevelandsche vrouwen, zoowel
Protestantschen als Roomschen, blijven die nationale kleedij tot
nogtoe zeer getrouw, wat vooral bewezen wordt door het feit dat zij de
jeugd, zelfs het kleinste kindje, dagelijks in die dracht tooien. (Zie
bl. 43.) En dat zegt wat, als de jeugd er nog aan hecht de nationale
dracht te dragen!... Dan is het voortbestaan van die dracht vooreerst
gewaarborgd.

De bloote armen worden in den winter, zoowel op Walcheren als
op Zuid-Beveland, tegen de koude beschermd door _pols-mouwen_ of
_mitaines_, die de merkwaardige naam van "_Labedisten_" dragen,
afkomstig van den godsdienstigen dweper Jean de la Badie, die in
1666 te Middelburg predikaties hield tegen de in zijn oogen onzedige
gewoonte van de vrouwen, om de armen bloot te dragen.

Zooals gezegd, wordt de Zuid-Bevelandsche dracht reeds door de zeer
jonge kinderen gedragen, ook door de jongentjes. Bij de meisjes zijn
dan de schorten meestal van zoogenaamd _friesch bont_--(met blauwe
ruiten geweven katoen.) (Zie bl. 43.)

In den rouw zijn alle onderdeelen van deze kleedij, ook bij de
kinderen, zwart, de vorm echter blijft steeds hetzelfde.



Ook nog is een zeer bijzondere vrouwen-dracht in Zeeland opmerkelijk,
die in de _oester-putten_ bij Ierseke gedragen wordt. Het costume
bestaat dan, voor het bovenlijf en het hoofd geheel uit de gewone
dracht, alléén de rokken zijn vervangen door een hooge, wijde, leeren
broek met waterlaarzen. Aesthetisch werkt over 't algemeen deze dracht
niet, maar ze ontstond uit de behoeften van het bedrijf. Ze behoort
dus meer tot de beroeps-drachten dan tot de nationale kleeding.



C. ZEEUWSCH-VLAANDEREN.


In Zeeuwsch-Vlaanderen is een streek, die zich tusschen Axel, Zaamslag
en Hulst uitstrekt, waar het Axelsche costume gedragen wordt. Geen
meer bizarre, meer on-Hollandsche dracht dan deze, niettegenstaande
haar eigenlijke constructieve deelen zeer klaarblijkelijk van zuiver
Hollandsch-Zeeuwsche afkomst zijn.

Maar er zijn eenige details dermate in overdreven en geëccentueerd dat
het geheel, op het eerste gezicht, zeer exotisch aandoet, en wellicht
(als ik deze onderstelling wagen mag) is ontstaan onder den invloed
van de madonna-beelden met hun (zie bl. 54, 55) versieringen zooals
die in het nabije Vlaanderen-land in de Roomsche kerken, moge zijn
opgemerkt. Zooveel is zeker, dat den indruk die deze dracht maakt,
vooral als ze door kinderen en half-volwassenen gedragen wordt, die
van een uitheemsch-afgodbeeld maakt, wonderlijk van vorm en kleur,
maar in zeer hooge mate eigendommelijk en zeer zeker van bijzondere
werking op de aesthetische verbeelding.

Deze dracht wordt in die streek nog zeer veel gedragen. De
mannen-dracht is tot de gebruikelijke zwarte boeren-kleedij
teruggebracht, maar die der vrouwen en kinderen is des te
rijker. De algemeene constructie van dit costume komt overeen
met het Zuid-Bevelandsche, dat is, het bestaat uit eenige rokken,
(keuzen) waarvan de onderste twee van baai zijn, dan één van _moiré_,
en daarover een van zwart satijn of fransch _merinos_.

Het bovenlijf is gekleed in het mouw-lijfje, waarvan de korte, even
boven de ellebogen eindigende mouwen, geboord zijn met kant.

Dan volgt de bekende beuk en de doek.

De bijzonderheid bij deze dracht ligt hoofdzakelijk in de zeer rijke
_koralen-versiering_ aan den hals, die op de beuk, zoowel van voren als
van achter is aangebracht. (Zie bl. 54, 55, 56.) Bovendien is de doek,
die steeds van gebloemde, gekleurde zijde is, op zeer eigenaardige
wijze met groote punten op de schouders opgeplooid. Deze punten,
die naast het hoofd naar boven steken, worden in de doek gehouden
door stijfpapieren opvulsels. Daarbij komt, dat de boezelaar eveneens
van kleurige gebloemde zijde is, en bovendien van voren in de taille
een groote strik van breede zijden linten, rijk met kleurige bloemen
versierd, gedragen wordt. (Zie bl. 54, 56.)

Voeg daarbij de koralen ketting met gouden slot (van voren) en
eenige gouden kettingen en broches (spelden) waarvan de voornaamste
de groote zijden strik in de taille vasthecht. Het geheel krijgt
daardoor dat zeer rijke, kleurige en zonderlinge uiterlijk wat de
Axelsche dracht van alle andere nederlandsche drachten onderscheidt,
zoowel door vorm als door kleur. (Zie bl. 54, 55, 56.) Opmerkelijk is,
dat de hoofdbedekking bij zooveel rijkdom van de lichaams-kleeding,
zeer eenvoudig is. Niets dan een witte onder-muts en een kanten over
(trek) muts, en lange gouden spelden en krullen, alles vrij nauw aan
het hoofd aansluitend.

De tegenstelling in deze met het Zuid-Bevelandsche costume is zeer
groot, waar de aandacht vooral getrokken wordt door de groote kanten
kappen, zij het dan ook dat de afmeting van die kappen in de laatste
kwart eeuw aanmerkelijk is toegenomen. Het Axelsche costume wordt
in dit deel van Zeeuwsch-Vlaanderen slechts door de Protestanten
gedragen; de Roomschen gaan in gewone burger-dracht, d.w.z. niet in
nationaal costume.



In het westelijk deel van Zeeuwsch-Vlaanderen, vindt men nog een
merkwaardige rest van een oude dracht, te Breskens, tegenover
Vlissingen. Daar bestaat het costume (van de vrouwen) in een soort
_cornet-muts_ met ornament van bijzonderen aard (roset-vorming). De
rest van het costume is een ouderwetsch _jak_, dat tot aan de knieën
rijkt, over een zeer wijd geplooide rok en schort. Dit _jak_, rok en
schort zijn (meest) allen van dezelfde kleur--bruin, grijs of zwart--en
van een (meest) glimmende stof (zijden, satijn, satinet) of van katoen.

Het geheel van dit costume maakt meer een ouderwetsche (Overijselsche)
indruk, uit de periode 1830-60, dan van een werkelijk nationale
Zeeuwsche dracht.

In de nabije en oud-tijds zoo belangrijke vestingstad Sluis zijn
wel een paar zeer mooie oude gebouwen uit de vervlogen glorie-tijd
overgebleven, maar van een nationale kleedij is er geen spoor.



D. NOORD-BEVELAND.


Ten slotte bieden de Noord-Zeeuwsche eilanden een bijzonder type van
nationale dracht in het Noord-Bevelander costume, dat ook op Tholen,
Schouwen, Duiveland en de Zuid-Hollandsche eilanden nog gedragen wordt,
ofschoon in eenigszins anderen vorm.

De mannen hebben op die eilanden geen eigen dracht meer, en voor
de vrouwen bestaat dat alléén uit een zeer omvangrijke en lange
_flodder-muts_, die over een witte _onder-muts_, soms ook zonder deze,
gedragen wordt, met de bekende gouden kurke-trekkers (_krullen_)
aan de slapen, en een zeer bijzondere wijze van haar-dracht over het
voorhoofd. Twee kunstig gedraaide krullen komen onder de muts uit,
in een vorm, die doet denken aan een slakkenhuis. Deze muts rijkt,
in Noord-Beveland, op den rug, tot in de taille, en plooit direct aan
de slapen breed uit. Ze is voor het grootste deel van zeer fijne tule
of kant, met een breeden geornamenteerden rand.

De mutsen op de andere eilanden hebben ongeveer denzelfden vorm,
maar zijn kleiner. (Zie Zuid-Holland.)



FRIESLAND.


Opmerkelijk is het, dat in Friesland, dat toch met de provinciën
Holland, Zeeland, Utrecht en Gelderland de oude kern van het eigenlijk
Holland uitmaakte, en welks volksstam van zoo overwegenden invloed
op de overige bevolking van ons land was, géén of zeer weinig sporen
van een eigen nationale kleedij gevonden worden, terwijl juist in de
andere deelen van Nederland, de afstammelingen van diezelfde Friezen,
de nationale dracht getrouw bleven. Wat hiervan de oorzaak zij,
dient hier niet te worden onderzocht, slechts als een bijzonderheid
te worden aangewezen. Het zij genoeg te vermelden dat juist dit
volk, dat zich als geen deel van het Nederlandsche volk, zoozeer
een eigen volksstam gevoeld, haar eigen kleedij in de praktijk van
het hedendaagsche leven verloor, maar er tegelijk bijzonder trots op
blijft zich in die kleedij te steken, zoodra zij zich als Friezen in
het openbaar leven wil vertoonen.

Het eigenaardige verschijnsel doet zich hier dus voor dat de oude
dracht, die wel is waar door alle standen, in hooge eere gehouden
wordt..... maar in hun kasten en doozen goed wordt opgeborgen..... maar
zelden wordt gedragen. In de andere provinciën bleef men het oude
costume getrouw..... of ze verdween in haar geheel, zoowel uit het
werkelijke leven als uit de "rommelkamers" en oude koffers. Het
"moderne geslacht" hecht niet meer aan "familie-stukken."

Hoe eigenaardig deze toestand ook is, men vindt ze ook eenigszins
terug in de Zaanstreek.

Maar wat er van de friesche dracht in het werkelijke leven bleef,
was _niets_ dan het beroemde _oorijzer_, waarin echter, in den vorm
waarin het tegenwoordig nog gedragen wordt, moeilijk het oer-type van
de hoofd-versiering te erkennen is, waartoe alle oorijzer-vormen, die
in dezen tijd nog in de verschillende streken van Nederland gedragen
worden, waarschijnlijk terug te brengen zijn.

In het Friesch-museum te Leeuwarden zijn de verschillende
verwordings-vormen van het friesche oorijzer bijeengebracht en in de
catalogus, door den conservator Mr. P. C. J. A. Boeles, (uitgave Meijer
en Schaafsma, Leeuwarden 1909) uitvoerig afgebeeld en omschreven.

Uit deze serie blijkt in ieder geval--om hier zoo min mogelijk op
historisch terrein te komen, dat het friesche oorijzer thans belangrijk
breeder is dan het vroeger was, dan een van de andere oorijzers die
in Nederland ooit geweest zijn. Bovendien is het friesche van goud,
terwijl de (zooveel kleinere) oorijzers in de andere deelen van ons
land (Scheveningen, Staphorst, Zeeland enz.) meestal van zilver
zijn. Dit wijst op grooter rijkdom bij de Friezen, wat eveneens
blijkt uit het nationale costume dat bij het oorijzer hoort, althans,
wat er thans bijgedragen wordt door dames die zich in nationale
kleedij wenschen te steken. Die costumes bestaan in hoofdzaak uit
nogal wijde _jakken_ (tot de knie) en rokken, meestal in zijde van
allerlei kleuren, waarover de doek (op de borst gekruist) en het
schort gedragen worden. (Zie bl. 57, 58, 59.)

Deze doek en schort, zijn evenals de witte _flodder-muts_ van dikwijls
zeer kostbare, sierlijke en fijne kant. (Zie bl. 59.)

De hoofd-tooi, waaruit thans echter het heele friesche nationale
costume bestaat, en die nog in een groot deel van deze provincie
gedragen wordt, (ofschoon steeds minderend), bestaat uit de witte
tip-muts over het haar. Daarover de zwarte muts. Daarover het oorijzer
en daarover de _flodder-muts_, met de twee gouden "_knoppen_"
aan weerszijden van de slapen, boven het kant van de flodder-muts
uitkomend.

Dat, wat men echter thans, bij gelegenheden, als het origineele
friesche nationale costume wil zien aangemerkt, heeft echter
veel overeenkomst met de mode-kleedij van de periode 1830-60,
vermengd met achtiend' eeuwsche herinneringen. De mannen-drachten
die men daarbij rekent, hebben met hun driekante steken en korte
kuitbroekjes te zeer een ietwat achttiend'eeuwsch cachet. Dat neemt
niet weg dat het geheel van dit niet zoo zuiver historische costume,
een bijzonder aesthetischen indruk maakt. Vooral de hoofdversiering is
zeer "charmant" door het bijzondere dat de vrouwen van het friesche
ras eigen is, zoodat het geheel alleszins aan den eisch voldoet die
een werkelijke nationale kleeding gesteld mag worden, en dat is:
dat ze kenmerkend, onderscheidend, voor dàt ras en dat land zij.



HINDELOOPEN.


Een zeer bijzondere groep vormen de Hindeloopen-drachten. (Zie bl. 61,
62, 63.)

Ook deze worden thans niet meer in het werkelijke leven gedragen,
ofschoon eenige personen in die dracht, in de eenige straat van
het oude Hindeloopen gezien, zeer zeker geen oneigenlijke indruk
maken. Alles in dat oude stille plaatsje is nog juist zoo gebleven
als het in de tijden was toen die Hindelooper-dracht nog algemeen
werd gedragen. Dat moet op zijn laatst, ongeveer in het begin van
de negentiende eeuw, geweest zijn. Thans leven er nog ouderen van
dagen, die zich herinneren hoe in hun jeugd enkele personen, uit
gehechtheid aan het oude, die bijzonder schilderachtige kleedij nog
dagelijks droegen. Maar 't waren toen ook reeds zeer weinigen. Thans
ziet men ze in de zoovele Hindelooper binnenkamers die in het midden
van de negentiende eeuw, in de Romantische periode, als "levende
schilderijtjes" in elkaar zijn gezet.

Het Hindelooper costume bestaat, voor zoover de mannen betreft,
uit een zeer sterk achttiend'eeuwsche lange jas met vele knoopen,
korte kuitbroek, lage schoenen en op het hoofd een driesteek. (Zie
bl. 62, 63.)

Belangrijker echter is de kleedij van de vrouwen en van de kinderen,
vooral omdat de constructie van deze dracht, in de verschillende
over elkaar gedragen lagen, en den vorm van de onderdeelen, alsook
hun oud-friesche benamingen een werkelijk volledige nationale en van
oudsher overgeleverde kleedings-wijze zijn.

De Hindelooper-dracht (der vrouwen) bestaat uit een wit linnen hemd
(geen onderbroek) en drie onderrokken. De bovenste rok is zwart en
heet "_de skoote_" en is van harde wollen stof. Over het hemd komt
eerst een keurs-lijf van laken, met schouderbanden.

Over dit keurs-lijf komen twee "_oelofs_" (= over-lijf). Het onderste
van gekleurd laken met mouwen van gebloemde zijde, het bovenste van
zwarte stof. Te zamen heeten deze twee over-lijven "_het geweid_"
(het gewaad).

Dit bovenste oelof (overlijf) wordt van voren met een _veter_, in
de rouw groen of zwart, anders rood, rose of vleeschkleur bijeen
geregen. Die veter is 8 à 10 el lang, de rygpen hangt bij getrouwden
_rechts_, bij ongetrouwden _links_.

De borst wordt bedekt met een vierkant doekje, genaamd
"_voorspeld-doek_", dat onder het oelof wordt gestoken.

Daaroverheen wordt het meest bijzondere Hindelooper kleedingstuk
gedragen "de _wentke_", de lange getailleerde mantel of jak, met
lange mouwen, van gekleurde sits, en welk kleedingstuk de eigenlijke
overkleeding vormt. (Zie bl. 61, 62, 64.)

Is het wat korter van maaksel (tot aan de knieën zooals een jak)
dan heet het "_kassakijntje_".

De kleur van deze wentke is zeer verschillend, men gebruikte
er allerlei soort sits voor, de bekende uit Voor-Indië en Perzië
aangevoerde bedrukte katoen in dikwijls zeer fantastische maar meestal
zeer mooie, kleurige en rijke patronen.

Deze wentke staat van voren open als een jas, zoodat ze de met den
veter dichtgeregen oelof zien laat, en ook het _schort_, dat van
_Oost-Indisch bont_ weefsel is (in vierkante weefpatronen) en meestal
rood is in alle nuances (in den rouw is het soms blauw).

Om den hals komt de zijden doek, ook uit geruit bont weefsel, bij
elkaar gehouden door den _strijker_, een ring of speld van goud.

Deze das wordt door de getrouwde vrouwen _links_ tusschen de oelof
gestoken, door de ongehuwde meisjes _rechts_ (ten teeken dat haar hart
(links) nog vrij is).

Dan siert zich de Hindelooper vrouw, aan haar gordel, links met _de
prak_, bestaande uit naaldenkoker, speldenkussen, schaar en haakpen
(van zilver). Rechts draagt zij de kleurige koralen _beugeltasch_
met slot.

De hoofd-tooi is niet minder ingewikkeld en kleurig.

Eerst wordt het haar bijeengebonden, daarover verschillende ondermutsen
gedaan met een stuk gouddraad-lint over de kruin, welk lint men de
"_de blinker_" noemt.

Daarover komt het eigenaardige, kapvormige, cilindrische hoedje (als
men 't zoo noemen mag) van stijf linnen, overtrokken met andere stof,
gevoerd met rood baai, welk hoogst eigenaardig kleedingstuk de _foar
flechter_ heet (of: _huidje_ = hoedje). Daarover komt "_de flip_" en
de "_zondook_", de eigenlijke groote, vierkante, maar in bijzondere
vorm geplooide en gestreken, doch van (meestal) roode bonte stof,
die van voren tegen de "foar flechter" met een speld bevestigd wordt,
zoodat de vleugels naar achter afhangen en den curieusen vorm aan
den heelen hoofdtooi geven die eenig is onder alle nationale drachten
in Nederland.

Deze "_zondook_" is bij de jongere meisjes anders van vorm dan bij
de vrouwen, te meer omdat deze eersten geen "foar flechter" dragen.

Ook de wentke krijgen de meisjes eerst op hun twintigste jaar.

De bruiden (zie bl. 63) dragen bovendien over dezen reeds zoo
ingewikkelden hoofdtooi--die hier slechts zeer in 't kort is
beschreven--een witten sluier, het "_witmoer_" geheeten, welke
van dunne tulle is en tot aan de taille van achter en aan de zijden
afhangt. Bovendien komt om de foar flechter een _bruids-fristel_, een
van geel, zwart en wit gevlochten wrong van ongeveer een vinger dikte.

Deze buitengewoon sierlijke en rijke dracht heeft, naar men wil,
vooral ook zijn oorzaak gehad in de eenzame ligging van het oude
stadje Hindeloopen. De mannen waren meestentijds op hun reizen,
de vrouwen bleven alleen thuis, werden eenzelvig en zochten hun
afleiding en vermaak in het zoo rijk en bont mogelijk opsieren van
eigen huis en kleedij.

Hoe dit zij, zij verkregen een geheel dat eenig is in zijn soort,
vooral ook omdat men de waarde en de beteekenis van deze zonderlinge
kleederdracht niet overzien kan zonder ze in haar eigen milieu,
het kleurige Hindelooper binnenhuis, te hebben bewonderd.



Verder dient nog de aandacht gevraagd voor de bijzondere dracht van
twee Leeuwarder weeshuizen, welke drachten thans ook reeds--jammer
genoeg--zijn afgeschaft. (Zie bl. 64.)



GRONINGEN.


Ofschoon ook Groningen een oude geschiedenis heeft, is er, zoo goed
als niets van de provinciale en nationale kleedij overgebleven. Op
het feest in nationale kleederdrachten in 1913 te Amsterdam gehouden,
was het mij niet mogelijk ook maar één paar (man en vrouw) in echt,
heden nog gedragen Groninger kleedij te kunnen vinden.

De historische dracht, waarin toen een heer en dame verschenen,
heeft ook bij-lange die beteekenis voor de Groningers niet als de
Friesche dracht voor de Friezen. Het is opmerkelijk dat in een deel
van ons land als Groningen, met haar zoo eigen historie, de traditie
zoo volkomen verloren kon gaan.



DRENTHE.


Ook Drenthe is niet zeer rijk aan nationale drachten. Wat als zoodanig
nog kan gelden is de (Friesche) kap en het oorijzer dat in zekere
streken van deze provincie nog gedragen wordt (zie bl. 65).

De overige kleedij is dat bekende hybridische half ouderwetsche
costume dat in heel ons land onder de platte-lands-bevolking de
werkelijke nationale drachten vervangen heeft. Het is een imitatie
van de stads-dracht, in vorm en versiering tot ongeveer geen enkele
periode te rekenen, in kleur soms nog--als 't op zijn 's Zondags--erg
"mooi" moet zijn, opvallend door persoonlijke wansmaak.

De muts en het oorijzer zijn dan het eenige overgeblevene, maar die
eenige rest van die werkelijk nationale dracht wordt dan niet weinig
ontsierd door de "Kiep" (zooals men het in West-Friesland noemt),
een soort van vrije fantasie door middel van allerlei gitten, bloemen
en strikken op het zoogenaamd capot-hoedje, dat omstreeks 1885 "le
dernier cri" van de Parijsche mode (wansmaak) was.

In de veenstreken vindt men geen nationale dracht, omdat het in later
tijd aangelegde kolonies zijn.



OVERIJSEL.


In Overijsel zijn de tradities beter bewaard, ofschoon in hun volheid
slechts in Staphorst en op Urk. In de rest van de provincie vindt
men veel de halve nationale dracht, hoofdzakelijk de muts, maar de
eigenlijke nationale dracht is verdwenen, vooral hoe meer men naar
het Oosten gaat.



A. HET EILAND URK.


Van zeer bijzondere belangrijkheid is de kleedij en haar dragers en
draagsters op het eiland Urk. Het is niet te zeggen wat van deze
het belangrijkst is, het ras van menschen dat Urk bewoont, of hun
kleeding. Maar beide zijn ze in hooge mate interessant.

Zooals in Zeeland (vooral Walcheren) wonen er op Urk nog ras-menschen,
iets wat men van de andere streken van ons land niet zeggen kan--en
't minst van de groote steden. Maar de Urkers zijn fraai en gezond van
bouw en er zijn bijzonder schoone vrouwentypen (zooals op Walcheren)
en zeer krachtige mannengestalten. Hun kleeding sluit, wat de algemeene
vormen aangaat, bij de gewone Hollandsche nationale drachten aan. Bij
de mannen de wijde broeken en de nauw-aangesloten baaitjes, juist
zooals op Volendam en Marken, ofschoon eenigszins anders van détails,
maar in bedoeling hetzelfde, omdat die kleeding voor een groot deel
bepaald is door de practijk van het visschersbedrijf en het leven op
zee. (Zie bl. 66, 67).

Wat de vrouwen betreft bestaat de dracht uit het noodige aantal rokken
van verschillende stof en kleur, de kroplap, de doek en op het hoofd
de kap of hulle. In zooverre is alles, wat de constructie betreft,
gewoon. Maar het onderscheid in deze dracht met die van dezelfde
soort in de andere deelen van het land ligt in de wijze waarop de
verschillende détails gedragen worden, en.... _wie_ ze draagt. (Zie
bl. 66 en 68).

Dit laatste is, voor zoover de aesthetische werking betreft, bij iedere
kleeding toch maar de hoofdzaak. Want al ligt er veel waarheid in het
oude gezegde "de kleeding maakt den man", de meeste kleeding echter
doet den drager zich slechts van de andere menschen onderscheiden
naar afkomst, rang of positie, niet naar schoonheid of aesthetische
werking. Men moet een kleeding _kunnen_ dragen. En, zoo er vrouwen
zijn die de Hollandsche dracht weten te dragen, dan zijn het die van
Urk.--Dat moet gezegd zijn.

Want de Urker-dracht onderscheidt zich niet door kleur of veel
opschik. Ze is zeer eenvoudig, ze heeft geen on-noodige détails, maar
haar werkelijk aesthetische waarde ligt in het ras dat ze draagt. De
kleuren zijn meest alle donker, gebloemde zijde, donkere wol en laken,
hier en daar slechts met een klein werkje.

De hoofdzaak is echter dat het natuurlijke figuur (van de vrouwen)
zeer door deze dracht tot zijn recht komt, en de Urker-vrouwen alles
doen om hun natuurlijke gaven in deze nog meer te doen uitkomen. Er is
wisselwerking tusschen den vorm van het lichaam dat de kleeding draagt
en den vorm van die kleedij zelf, geleid door het natuurlijk instinct
van de draagster zelf, die ziet _hoe_ ze een costume dragen moet, om de
aandacht door middel van haar costume op zichzelf te doen vallen. Nog
duidelijker blijkt die wil om _zelf_ gezien te worden--en niet hun
kleedij--(die ook zoozeer bij de vrouwen op Walcheren bestaat) uit de
wijze waarop de Urker-vrouw haar kleine maar prachtig hulletje draagt.

De heele hoofd-versiering is zeer nauw aan het hoofd aansluitend,
zoodat het gezicht--dat dikwijls zeer schoon is--duidelijk
uitkomt. Opmerkelijk is daarbij het echt vrouwelijke raffinement
waarmee het oorijzer gedragen wordt. De knop, waar dat nationale
kleinood in eindigt, komt bij de Urker-meisjes midden op de wang,
dicht bij den mond. Maar doordat in het oorijzer zekere veering zit,
drukt die knop kuiltjes in de wang, om op die wijze de natuurlijke
charme van het gezicht nog meer te doen uitkomen.

Men behoeft werkelijk niet naar Parijs te gaan, om zekere geheimen
van het vrouwen-toilet te leeren doorgronden. Een Parisienne zou van
een Urkersch visschers-meisje nog heel wat kunnen leeren.....

Om een korte opsomming te geven van de Urker kleedij van de vrouw,
moge dit hier volgen:

De kap of _hulle_ bestaat uit zwarte ondermuts, daarover het oorijzer
(van zilver), daarover de de hulle (overmuts), van voren met een
(zelfgemaakt) kantje. Van achter versiert een vrouw in den rouw die
hulle met een "_dasje_", dat is een zwart zijden strook, met een bandje
en spelden vastgehouden. Van voren komt onder de hul "_de top_" uit,
zoo heet het haar dat als ponny recht is afgeknipt tot even boven
de oogen.

Om den hals de ketting van roode _granaten_, het gouden slot van
_achter_.

De lijf-kleeding bestaat uit een hemd met korte mouwen, een (open)
onderbroek, zwarte kousen, borstrok van zwarte baai met half lange
mouwen van zijde, fluweel of thibet. Deze mouwen blijven bij de
volledige kleeding te zien.

Daarover komt het _middelde_, een soort corset, eenigszins gelijkend
op het rijglijf wat de Marker-vrouwen dragen. Het is echter niet zoo
versierd met ornamenten, maar van blauw (of rood) damast, van voren
met een veter dicht geregen die door (koperen) ringen gaat. Van onder
(achter) aan de taille zijn eenige "_rollen_" aangebracht, bij wijze
van _queu de Paris_ om de rokken wijder te doen uitstaan. Onder het
corset draagt men de borstlap van roode baai.

Het aantal rokken bestaat uit den _ondersten rok_, een _tusschenrok_,
den _zevenkleurigen rok_ (rood, wit, zwart, groen, ongeveer zooals
die 's Zondags te Volendam wordt gedragen) en daarover de bovenrok,
's winters van baai of duffel, zwart of licht blauw, 's zomers van
thibet, laken of luster.

Dan de kroplap, van voren echter meestal versierd met een ornament
in kruissteek (_het hartje_) dat soms de initialen van de draagster
vertoont. Daarover de borstrok, of het _lijfje_--of "_lifien_", 's
winters van zwarte wollen stof, 's zomers van thibet. Dit "_lifien_" is
een jakje met korte mouwen, laag uitgesneden aan den hals, een schootje
en een "_strik_" van gebloemde zijde, dat is boordsel langs den hals.

Daarover gaat "de doek" van donkerkleurige gebloemde zijde, meestal
donker-rood of paarsachtig van nuance. Deze doek heeft (tegenwoordig)
meestal franje.

Daarover de boezel, of schort, met een "_strik_" van gebloemde zijde,
zijnde een horizontale strook van een handbreedte aan de taille. Dit
boezel is van zwart thibet of zijde.

Merkwaardig is nog dat de Urksche vrouwen wanten of pols-mouwen dragen
over hun van boven den elleboog bloote armen.

Het zijn niet de "labedisten" van de Zeeuwsche schoonen, maar gewone
pols-bedekkingen van gebreide (zwarte) wol.

Verder bestaat het schoeisel uit zwart-leeren muilen.

Opmerkelijk is verder hoe die dracht verandert, niet van vorm maar
van kleur, voor weduwen, bruiden, en voor kinderen. Voor de weduwe is
ze geheel zwart, voor de bruid iets kleuriger, (en nieuwer), voor de
kinderen eenvoudiger, vooral wat het schort en de rokjes aangaat. Veel
wit wordt dan ook door de kinderen gedragen, ofschoon de vorm--van
de dracht--ook voor de kinderen, dezelfde blijft. (Zie bl. 68).



B. STAPHORST.

De Staphorster-dracht onderscheidt zich van de andere drachten
door haar bijzondere compleetheid, zoowel voor mannen, vrouwen
als kinderen. Ze sluit echter, wat haar vormen aangaat, geheel bij
de drachten aan die men aan de kust van de Zuiderzee vindt, vanaf
Staphorst tot aan Huizen in Noord-Holland. Vooral vanaf Harderwijk
tot aan Staphorst onderscheiden zich de drachten (van de vrouw) door
kleine hoofd-tooi, plat-makende borst (en torso) bekleeding en zeer
breed en plat makende heup-bedekking.

De kleuren zijn over 't algemeen zeer sterk, veel rood, bij de
Staphorster-vrouwen ook veel blauw. Zelfs zijn de overmutsen
(in Nunspeet en Oldenbroek) bont, d. w. z. van stof met kleurige
ornamenten versierd.

Het oorijzer, dat in deze heele streek eenzelfde eigenaardige
haak-vormige zilveren beugel is, wordt echter van Huizen naar
Staphorst, oostwaarts gaande, zoo gedragen, dat de knop (krul in den
vorm van een kurketrekker) bij de vrouwen van Harderwijk, Hierden,
Nunspeet, Hulshorst, Elburg en Oldenbroek aan de slapen komt, steeds
meer zakt, totdat ze bij de Staphorster-vrouwen geheel tot de kaak
reikt. (Zie Urk.)

Ook is bij de Staphorster-vrouwen het oorijzer breeder dan bij die in
Gelderland, en het ondersteunt niet meer de haarvlecht achter tegen
het hoofd, maar ligt boven op de kruin, in schuine richting. Ook zijn
er andere afwijkingen in de Staphorster dracht, zoodat de geheele
vorm van de hoofdbedekking anders wordt.



Het Staphorster-vrouwen costume kan aldus worden beschreven: (zie
bl. 72 en 73.)

Over het bloote lijf komt het katoenen hemd, zonder kraag, daarover
de borstrok van "_vijfschaft_", met mouwen tot aan de ellebogen.

Dit vijfschaft of "_viefschaft_" is een wollen stof, gemaakt van het
wol van de schapen, die de Staphorsters zelf teelen. Die wol wordt de
door Staphorster vrouwen zelf gesponnen en in bepaalde kleuren, door
werklieden in de buurt van Staphorst gekleurd, en volgens bepaalde
patronen door een paar hand-wevers tot de stof geweven, waarvan de
kleedij der Staphorster-vrouwen voor een groot deel gemaakt wordt. Het
is in strepen geweven, zwart en donkerblauw, met rood hier en daar,
in bepaalde dessins die ieder hun beteekenis hebben (_wit-streept,
rood-streept,_ enz.).

Over die borstrok komt het lijfje, of de "_kraplap_" zooals die bij
de andere drachten voorkomt. Deze kraplap is van wol of gebloemde
zijde of katoen. Daarover de verschillende rokken (geen onderbroek),
een paar van baai en de bovenste van vijfschaft.

Dan de omslagdoek van geruite (meest roode) katoen of zijde, een schort
(schulk) van donkerblauw wol, dat somtijds eveneens als het vijfschaft
zelf gesponnen en geweven is.

De banden van dit schort zijn altijd hel-blauw, de strik hangt met
lange einden van voren neer.

Nog verdient vermelding dat de rokken opgehouden worden, en breed
gemaakt, door kussentjes die aan de borst-rok bevestigd zijn, maar
welke verdikkingen alleen aan de zijkanten, dus niet van achter,
worden aangebracht. Daardoor heeft het figuur van de Staphorster-vrouw
nog on-gracelijker voorkomen.

De doek wordt wel niet zoo stijf over de borst gesnoerd als in Kampen
en in Nunspeet gewoonte is, maar het figuur wordt stelselmatig plat
en breed gemaakt door die kussentjes. Ook door den eigenaardigen vorm
van de muts wordt het bijzondere van de dracht nog verhoogd.

De heele hoofdtooi wordt gevormd door: een bandje dat het haar
vastbindt, waarover de zwarte onder-muts met "_toet_". Die _toet_
van stijf papier geeft een soort hoorn--boven het voorhoofd. Daarover
komt de muts van gebloemde zijde met zijden boordbanden die onder
de kin in wijd uitstaande, stijve, lange dunne strikken worden
saamgebonden. Daarover gaat het oorijzer, vastgehouden door een
zwarte band.

Daarover de witte _toet-muts_ van kant, die maar zeer zelden gewasschen
wordt, omdat ze anders te spoedig versleten zou zijn. Ook deze muts
wordt onder de kin bevestigd met een bandje. Door de zeer nauwe
aansluiting van de hoofdtooi, en het wijde van de schouders (door
de doek) het saamgenepene van de borstkas, de wijde plooien aan de
heupen, de zeer korte rokken, en daaronder uit de beenen (ongeveer
15 c.M. te zien) en de (nogal) logge sloffen, met zeer breede neuzen
en groote zilveren gespen, dat alles in donkerblauwe en hel-roode
kleuren, met de sterkblauwe lange linten van het schort, geeft die
Staphorster dracht een ietwat boersch uiterlijk, wat toch ook wel zijn
zeer bijzondere eigenheid heeft. In dat boersche, ongracelijke, komt
het overeen met de Marker, Bunschoter en Noord-Veluwsche drachten,
die alle zeer kleur-rijk zijn maar de natuurlijke vormen van het
lichaam geweld aandoen. (Zie bl. 72).

's Winters wordt over die dracht een "_buisje_" met lange mouwen
gedragen, zonder schootje.

's Zondags echter heeft dit kleedingstuk een schootje en is met bont
(blauw en wit geruit) gevoerd, zoogenaamd Friesch bont, dat men echter
in Friesland Oost-Indisch bont noemt.

Dit langere buisje heet _kaschijn_, wat overeen komt met het
Hindelooper "_kassekijntje_", een kleedingstuk van hetzelfde soort.

De kinderen hebben hetzelfde costume, maar vereenvoudigd. De stoffen
zijn niet van molton, baai of laken maar meest van Friesch bont. De
doek is echter steeds rood, zooals bij de volwassen menschen.

Het groote verschil ligt echter in de hoofdtooi. Kinderen beneden de
zes jaar dragen nog geen oorijzer, maar een zwart kapje van voren
met een dikken rand astrakan. Dit kapje heet de _nette_, het is,
behalve de astrakan-strook, van zwarte stof met garneeringen. Links
van het hoofd komt een strik (rozet) van zwart zijden lint, rechts een
"_haak_", een soort gesp van zilver. (Zie ditzelfde kleedingstuk van
de kinderen op de Veluwe waar het _poets_ of _poete_ heet en de _haak_
soms van goud is, het astrakan van "_veertjes_").

Bovendien neemt de Staphorster-vrouw, 's zondags, naar de kerk,
een mooi met zilver beslagen bijbel mee, met kettingen, enz.

De mannen-dracht is zeer eenvoudig, ofschoon meer origineel dan de
boeren-dracht in andere streken. Het bleef meer een echt nationaal
costume, vooral door de korte jekker, genaamd _kamizool_, met twee
rijen knoopen.

Opmerkelijk is ook dat het hemd steeds van boven aan den hals zichtbaar
blijft, met de twee beroemde Staphorster (bolle) gouden knoopen. Kleine
jongens dragen dezelfde dracht als hun volwassen dorps-genooten.

Ten slotte zij nog opgemerkt dat de Staphorster-vrouw buitengewoon
netjes op hare nationale kleedij is, dat deze steeds, als ze niet
gedragen wordt, in altijd dezelfde en zeer mooie plooien wordt
opgeborgen, aan welke plooien steeds bijzondere zorg besteed wordt.

Vergelijk in deze de netheid en nauwkeurigheid waarmede alle nationale
drachten, op Marken, in Zeeland en Hindeloopen behandeld worden.

Overal worden die drachten in mooie, daarvoor speciale gemaakte doozen
opgeborgen. En ... zoolang de Staphorster-vrouwen nog zóó zuinig op
hun bijzondere dracht zijn, zoolang zullen ze deze nog in eere houden.



Verder blijft in de provincie Overijsel de strook, langs de IJssel
en Twenthe.

In Kampen zoowel als in Zwolle is de complete nationale dracht
verdwenen, maar door de vrouwen uit de volks-klassen wordt nog vrij
veel de _neepjes-muts_ en de _plooi-muts_ de "_drie-plooitjes_"
gedragen.

De rest van de costumeering bestaat dan meestal uit het _jak_, een tot
aan de knieën wijd-afhangend kleedingstuk met mouwen, op dezelfde wijze
zooals dat door de vrouwen van Breskens (Zeeuwsch-Vlaanderen, Texel,
enz.--zie aldaar) gedragen wordt. Daarbij behoort dan de zeer wijd
geplooide rok, en het wijde boezelaar, een en ander van zwart thibet,
de boezelaar ook wel van grijze, bruine of groene zijde. (Zie bl. 70.)

Om den hals draagt men daarbij een gestrikt zeer bonten (zijden)
dasje, genaamd "_het knuppeldoekje_". (Zie bl. 69.)

Daarbij komt dan de _neepjes-muts_, met de gouden bellen die in de
fijne plooitjes van de muts gehaakt zijn, en _niet_ in de ooren hangen.

Deze muts wordt over het zwart (satinet) ondermutsje gedragen, en
heeft van achter een ongeveer 20 cm. lange afhangende reeks stijve
plooien, genaamd _de strook_. De muts wordt met een bandje onder de
kin vastgehouden.

Om den hals roode bloedkoralen, vijf streng, met gouden slot van
voren. In den rouw zijn de koralen van git.

Uit deze onderdeelen bestaat het mooie of zondagsche costume. De
algemeene indruk is die van "ouderwetschheid", zonder die van een
werkelijke nationale kleedij te geven. Het is dan ook eigenlijk niet
anders dan een mode-dracht die, denkelijk omstreeks 1860, de werkelijke
oude en nationale dracht vervangen heeft.

Dit geldt niet alléén voor Overijsel of voor de hier besproken dracht,
maar voor heel Nederland. De tweede veranderings-periode zou dan
misschien omstreeks 1890 te stellen kunnen zijn, toen die mode van het
jak vervangen werd door de imitatie van de stads-modes uit dien tijd.

Zoo althans lijkt het, naar wat de dracht van de plattelandsbevolking
in West-Friesland, Drenthe, Overijsel, de Zuid-Hollandsche en Zeeuwsche
eilanden en andere streken te zien geeft.

Daarbij echter is--bij veel vrouwen--de nationale kap of muts (soms
met het oorijzer) bewaard gebleven. De totale afschaffing van die
muts is dan de laatste phase van het verdwijnen van de allerlaatste
overblijfselen van de nationale dracht.



Om na deze kleine historische bespiegeling, die ik gaarne voor beter
geef, tot Overijsel terug te komen, zij opgemerkt dat deze neepjes-muts
ook in de andere deelen van de provincie gedragen wordt, alsook in
een deel van den achterhoek van Gelderland. (Zie bl. 71.)

Opmerkelijk voor Zwolle, Kampen en die streek, is de plooi-muts die de
daagsche dracht uitmaakt. (Zie bl. 69.) Daarbij wordt dan werkelijk de
nationale dracht van krop-lap en doek gedragen, welke laatste, niet
zooals in Zeeland, op Urk en op andere plaatsen van ons land in de
taille wordt vastgehecht, maar in de armsgaten, onder de oksels wordt
gestoken, waardoor die doek een kruis hoog over de borst vormt. (Zie
bl. 74 en 76.)

Deze wijze van den doek te dragen is aan alle drachten gemeen van
Staphorst tot en met Harderwijk. Ze is, ofschoon misschien practisch,
zeer weinig aesthetisch, want ze maakt het effect of de borstkas van
boven--daar waar ze uit de natuur bij een vrouw juist bewelfd behoort
te zijn--met alle geweld in elkaar geknepen wordt. Fraai is het niet,
maar het is zeer "kenmerkend". (Zie bl. 74, 75 en 76.)

Die plooi-muts nu is van zeer bijzonderen vorm, van achter met
een niet naar onder, maar stijf naar achter staande strook van
zware plooien. Een zeer merkwaardig soort muts, eenig in haar soort,
ofschoon bij Nijkerk (Gelderland, zie aldaar) een dergelijk soort muts,
onder den naam van _drie-strook_ of _drie-plooi_ gedragen wordt. (Zie
bl. 69).

Ook draagt de vrouw uit Kampen het oorijzer, maar dan op de wijze van
de Staphorster vrouwen, d. w. z. de krul (kurketrekker) niet naast
de slapen, maar onder aan de wang (kin).

Deze mutsen, plooi-muts zoowel als neepjes-muts, zijn van kant of
(in den rouw) van fijn neteldoek. Ze worden door de draagsters zelf
"opgedaan" ( = gestreken).



GELDERLAND.


In de provincie Gelderland, die het geographische midden van ons land
uitmaakt, worden de nationale kleederdrachten nog in vele streken in
groote eere gehouden.

Men kan deze provincie in drie deelen splitsen: A. De Veluwe. B. De
Achterhoek. C. Het land tusschen Rijn en Maas.



A. DE VELUWE.


Tot de Veluwe moet, althans voorzoover de nationale kleedij betreft,
niet alléén het geographische gebied van dien naam gerekend worden,
maar de heele kuststrook langs de Zuiderzee vanaf Staphorst in
Overijsel tot en met Huizen in het Gooi in Noord-Holland.

Al de drachten in die streek zijn van hetzelfde type, slechts weinig
van elkaar afwijkend, en voorzoover de variaties betreft in elkaar
overgaande.

Zoo lijkt bijvoorbeeld de dracht in Oldenbroek soms op die
van Staphorst, terwijl ze zich echter ook bij die van Nunspeet
aansluit. Het oorijzer wordt echter (in Oldenbroek) soms anders
gedragen, meer op de wijze zooals op Staphorst, dat is, met de krul
beneden aan den wang.

Het opmerkelijke van de Veluwsche drachten is echter dat de doek
niet in de taille bijeen wordt gespeld, zooals dat bij de meeste
Hollandsche drachten het geval is, maar onder de oksels tusschen de
kroplap wordt gestoken. (Zie bl. 74, 75, 76).

Dat geeft aan de figuren die on-aesthetische platheid en houterigheid
die een hoofdkenmerk is van dit minder fraaie ras, waaraan dan de
klederdracht nog de laatste rest van natuurlijkheid ontneemt. Een
goed en normaal gebouwd ras zou uit zichzelf reeds zoôn kleedij,
die de natuur zoo ontstelt, verwerpen. De bewijzen daarvoor vindt
men op Walcheren, Urk en Volendam.

De muts in Nunspeet en Oldenbroek is van een anderen vorm dan die
van Staphorst, zonder de spitse punt boven het voorhoofd, over 't
algemeen meer naar achter dan naar boven zich vormend, met een witte
onderkap, aan de slapen uitgeschulpt, het heele hoofd omvattend,
en geboord met een fijn plooi-randje. Daarover komt de bonte muts,
in sterke kleuren, een soort kalotje dat een deel van de witte muts
laat zien. Daarover het oorijzer, met een bandje vastgehouden en met
de krul aan de slapen. Van het haar komt niets te zien, ook zelfs
niet boven het voorhoofd.

De indruk van deze Nunspeter _bonte-muts_ is zeer fraai. Jammer dat
ze het hoofd zoo klein en nietig maakt boven den plat-genepen romp
en de wijd-uitstaande rokken. (Zie bl. 74 en 75.)

Het mannen-costume in deze streek is zoo goed als geheel "modern". Het
mist alle eigene cachet, zooals de Staphorster mannen-dracht die
nog heeft.

Tot voor zekeren tijd droegen de vrouwen van Hierden nog groote
strooien hoeden (in den zomer) met eigenaardige linten en
boor-garneersels (zooals op bl. 73 te zien is). Ook ziet men bij
begrafenisplechtigheden nog merkwaardige drachten, de mannen in lange
jas en hoogen hoed, zooals dat ook in Staphorst nog het geval is. (Zie
bl. 73.)

Al die groote strooien hoeden die de vrouwen zoowel in Friesland
als in Hierden, Staphorst en op Walcheren tot voor een generatie
terug nog boven hun mutsen en oorijzers droegen zijn "uit de mode"
gegaan. Zoo verandert ... en verdwijnt gaandeweg de Nationale Kleedij.

In Ermelo en Putten is de dracht weer anders. Men draagt er bijna
geen oorijzer meer. Ook geen bonte-muts over de witte ondermuts, de
krop-lap is soms wit, de doek effen (niet bont) de boezelaar zonder
"stuk". Meer westelijk van Putten is van die hierboven omschreven
(Geldersch-Friesche) dracht niets meer te zien en ging ze over in
een ander type, dat van het Utrechtsche en van het Gooi. Bunschoten
en Spakenburg vormen weer een klasse op zich zelf.

In Nijkerk, het oude en merkwaardige stadje, ziet men niets dan mutsen,
de beroemde _cornet-muts_, met de lange achterstrook en de vele kleine
plooitjes die het hoofd omgeven. Dit is de Zondagsche muts, die soms
nog "verfraaid" wordt door een breed (licht blauw) zijden overlint,
dat om den bol en van achter om het achterhoofd gaat, en dat onder
de kin wordt vastgestrikt.

De rest van de kleeding is "ouderwetsch" en stadsch.

Bovendien wordt in Nijkerk nog een daagsche plooi-muts gedragen, van
voren met drie strookjes over elkaar, van achter met een zonderling
geplooide strook.

Deze muts draagt den naam van "_drie strookjes_". Soms draagt men
onder deze muts een zwarte ondermuts, maar meestal zet men ze, direct,
op het bijeen gebonden haar.



B. DE ACHTERHOEK.


In den Achterhoek, in het Graafschap Zutphen en in de Lijmers (het
land rond Zevenaar), is niet veel van een nationale kleederdracht
overgebleven. Wat er nog van te zien is, bestaat uit de neepjes-muts
die de vrouwen dragen, van denzelfden vorm als in Overijsel (zie
bl. 70 en 71) (Zwolle) welk ouderwetsch kleedingstuk zoogenaamd
gemoderniseerd wordt door het kapothoedje, (dat in Friesland "de
kiep" heet), het smakelooze onding van strikken, bloemen en gitten
(alles in het zwart) dat over die muts gedragen wordt.

De kleeding der mannen heeft niets opmerkelijks meer.



C. DE BETUWE, EN HET LAND TUSSCHEN MAAS EN WAAL.


In de Betuwe zelf is de nationale dracht eveneens zoo goed als
verdwenen, althans in het land van Tiel en in de Neder-Betuwe is er
niets van over.

In _het land van Maas en Waal_ echter, in de Bommeler-Waard en in het
land van Nijmegen sluit zich het weinige wat er nog van de nationale
dracht over is aan bij de eigenaardige hoofd-tooi die in Noord-Brabant,
en speciaal in de Meijerei van den Bosch, nog veel voorkomt. (Zie
bl. 78 en 80).

De mannen-dracht in die streken heeft niets wat deze van de gewone
boersche stads-kleeding onderscheidt, maar de vrouwen dragen de
groote, breede, witte mutsen met breede lange linten, en een soort
verstedelijkt niet-oud, niet-moderne costume, waarbij men vele malen
een soort pelerine of cape-vorm ziet toegepast, die in het Noordelijker
deel van Nederland onbekend is, maar in het land van Maas en Waal,
in het land van 's Hertogenbosch, en vooral Zuidelijker (in België)
een merkwaardig cachet aan de bevolking geeft.

Deze capes of pelerines worden alleen door de vrouwen gedragen. Ze
doen denken aan een ouderwetschen mode-vorm en zijn van zwarte stof
gemaakt en gegarneerd met plooien en belegsels. Ze zijn half lang,
maar somtijds ook tot den grond rijkend, met een capuchon over het
hoofd. Van dit laatste type ziet men somtijds nog oudere vormen in
's Hertogenbosch.

De witte muts nu, die men in het land tusschen de Maas en de Waal
draagt heet _knipmuts_. Ze bestaat uit tule-kant, aan de voorzijde
geplooid met behulp van fijn koperdraad, hetwelk met een blauwe stof
omwonden is. Dit is het "_Karekas_".

Bij zware rouw bestaat de muts geheel uit neteldoek, bij lichten rouw
uit tule.

De meer gegoeden dragen over deze knipmuts een krans van gemaakte
bloemen, aan de uiteinden voorzien van breede zijden linten. Deze
bloemen en linten te samen heeten "_de poffer_", en ze geven het
uiterlijk van de draagster een zeer bijzonder cachet omdat de heele
hoofdtooi daardoor zeer breed wordt. (Zie bl. 78).

Bij de rijke boeren wordt de zoogenaamde "_bodem_" van de knipmuts
in plaats van met bloemen gewerkte tule, uit echte kant gemaakt. Dat
zijn dan de "_baan-mutsen_".

Deze mutsen die geheel wit zijn, zijn, door hun grootte en
bewerkelijkheid, soms zeer kostbaar.

Onder de knipmuts wordt een ondermuts van zwart merinos gedragen,
gevoerd en opgevuld met watten. Ook dat draagt er toe bij deze
hoofdtooi buitengewoon breed en zwaar te doen schijnen.

De algemeene indruk heeft dan ook niet veel Hollandsch meer. Een
kennelijk zuidelijker,--Belgische--smaak, heeft blijkbaar deze
hoofdtooi ontworpen.... of: haar vervormd. Ze lijkt althans zeer veel
op wat men in deze in Vlaanderen en het land van Brussel ziet.



NOORD-BRABANT.


De groote provincie Noord-Brabant vormt, in het zuidelijk deel van
ons land een soort geographisch, anthropologisch en cultuur-historisch
overgangs- en grensgebied tusschen Noord en Zuid. Het is het terrein
waar de Noordelijke (Germaansche) en de Zuidelijke (Romaansche en
Gallische) idealen elkaar ontmoeten en in elkaar versmelten. En dat
komt zeer duidelijk in de kleederdrachten uit die in deze streek
gedragen worden.

Wat er van die oude volks-eigen drachten nog over is, is niet veel
meer dan de boeren-muts, zooals die door de plattelands-boerinnen
gedragen wordt. Dat is juist zooals in zooveel andere streken van
ons land, waar die mutsen de eenige resten van de oude drachten zijn.

Maar behalve die mutsen is--in Noord-Brabant--de overige lijfskleeding,
en dan vooral van de vrouwen, meer opmerkelijk dan in eenige andere
Nederlandsche provincie, al moet die lijfs-kleeding, die thans (1916)
onder die boeren-bevolking nog vrij algemeen is, dan niet geheel tot
de eigenlijke historische nationale volksdracht gerekend worden, en
al blijkt ze meer onder de vervormde mode-navolgingen te moeten worden
gerangschikt. Maar ze is er niet minder bijzonder karakteristiek om.

En dit zal voor een groot deel het gevolg zijn van het hierboven
reeds genoemde feit, dat in Noord-Brabant de Noordelijke en
Zuidelijke idealen in elkaar overgaan. En, dat getuigt die kleeding
on-weerlegbaar. Want geheel Hollandsch is die kleeding niet, noch
in haar wezen, noch in vorm, noch in kleur, en ze is ook niet geheel
on-Hollandsch (Belgisch, Vlaamsch, Waalsch of Fransch) maar ze houdt
het midden tusschen deze twee, en ze vertoont de kennelijke invloed
van het Noordelijke zoowel als van het Zuidelijke ideaal.

Reeds bij de bespreking van de andere provinciën had ik de gelegenheid
op te merken hoe groot (dikwijls) die invloed van de Godsdienst op
het voortbestaan van een nationale kleeding is. De gehechtheid aan
een een-maal algemeen beleden Godsdienst waarborgt, in een bepaalde
streek, het voortbestaan van oude zeden en gewoonten, en daardoor
het voortbestaan van de, uit die zeden voortkomende, volkskleeding.

Ook is er wel geen streek in ons land waar de bevolking zóó
conservatief is en zoo gehecht aan haar oude geloof en zeden, als in
Noord-Brabant, welk conservatisme op zich zelf zoo lang stand kan
houden omdat er een bijna absolute eenheid van godsdienst is. Om
deze toestand te helpen bestendigen, moedigt (o.a.) de Roomsche
geestelijkheid de boerenbevolking aan, hun oude kleeding getrouw te
blijven, om zoodoende met de kleeding, de oude zeden, en daardoor de
oude godsdienst te kunnen handhaven.

En uit die wisselwerking tusschen geloof, zeden en kleeding--en uit die
algemeene verspreidheid van die eene Godsdienst, moge het verklaard
worden dat die oude drachten, of liever die ouderwetsche drachten
nog zoo veelvuldig in deze provincie voorkomen en voortbestaan.

Maar een andere, zeer belangrijke factor, voor de verklaring van en het
verkrijgen van een juister kennis en inzicht in die bijzondere--niet
oude, maar ouderwetsche--drachten in deze bijzondere provincie, lijkt
mij den invloed die het ras van menschen, dat Noord-Brabant bewoont,
op haar eigen kleedij had. Hiervoren had ik al gelegenheid op de
wisselwerking te wijzen die er--naar mijn oordeel--bestaat tusschen
de drager en zijn costume, tusschen de lichaamsvorm van den mensch
en zijn kleed.

Nu behooren de bewoners van Noord-Brabant zeer zeker _niet_ tot de
mooiste specimina van het _genus homo_ dat ons land bewoont. Het
lijkt wel of de zware klei en de dorre, drooge zand- en heide-gronden
die--geologisch--deze provincie vormen, de bevolking van die streken
tot dat kleine, breede, schonkige, breedhoofdige ras heeft gemaakt
met dat harde, verbetene en stugge uiterlijk dat den opmerker dadelijk
opvalt.

Omdat de lichaamsbouw van de Noord-Brabanders zoo leelijk is, moet
het niet verwonderen dat die zelfde plompheid en traagheid die uit
hun ongracelijke verschijning spreekt, ook als het hoofdkenmerk van
den vorm, de snit en de kleur van hun kleedij gelden moet. Want deze
is grof van detail, niet oud maar ouderwetsch, zonder phantasie,
zonder uiting van levenslust, maar kleinzielig van gedachte,
zonder vreugde, benepen en boersch. Een dracht van oude mannetjes
en oude vrouwtjes,.... maar met dat al, of liever juist daarom,
zeer interessant voor den student in volkspsyche, zoo dan al minder
aantrekkelijk voor den eclectischen aestheticus.

Ieder volk, ieder ras, ieder mensch heeft de kleeding die hij
verdient.... en die slechts een uiting is van het eigen innigste wezen,
idealen en levensopvatting. Een mooie, aesthetisch werkende kleeding
kan slechts door een mooi, naar geest en lichaam _beide_ harmonisch
ontwikkeld menschenras worden saamgesteld. Getuige de kleeding van de
Grieken. En die kleedij kan slechts _goed_ en _waar_,--dus: aesthetisch
werkend, door personen gedragen worden die niet alleen dezelfde idealen
hebben als het volk (het ras) dat die kleedij samenstelde, maar die
ook de lichaamsvormen hebben waarop deze kleedij is gecomponeerd.

Dan eerst is er harmonie tusschen den drager en zijn costume, dan
eerst kan er werkelijke schoonheid bereikt worden omdat ze op de
werkelijkheid en de waarheid berust. Als een kleedij, die op een
welgebouwd lichaam gecomponeerd is door een mensch gedragen wordt
wiens lichaamsbouw minder harmonisch is, dan wordt zelden een volkomen
aesthetisch geheel verkregen. Soms zelfs is het belachelijk. Het
is niet bij toeval dat de heerenmode in Engeland, het land van de
welgebouwde mannen, wordt ontworpen. En het is niet zonder oorzaak dat
de dames-modes uit Parijs komen, waar de schoongevormde Parisiennes
de aesthetisch aangelegde mode-ontwerpers het best gelegenheid geven
een vrouwen-kleedij te componeeren die het schoone van "_de vrouw_"
doet uitkomen. Ziet maar hoe een slechtgebouwde man of een leelijke
vrouw een goed Londensch of Parijsch toilet staat.... Het is al te
kennelijk niet voor hen gemaakt, dus:... staat het leelijk!--

Er zal altijd een wisselwerking, dus ook een contrasteering tusschen
den mensch en zijn kleedij blijven. Een mooie dracht maakt een mooi
mensch mooier.... maar een leelijk mensch leelijker. Het schoone doet
slechts het schoone uitkomen, recht wedervaren.

Ieder mensch kan slechts de kleedij die hemzelf, zijn eigen innerlijke
en uiterlijke wezen toont, goed dragen. Al het andere is masquerade,
onechtheid, leugen.

Zoo is het ook met de nationale kleederdrachten. Zoo is het met
de Zeeuwsche vrouwen-kleeding, die mooi is en aesthetisch werkt,
omdat ze op een welgebouwd ras is gecomponeerd. Daarom werkt de
dracht van het eiland Marken wèl picturaal, artistiek, maar niet
aesthetisch. Daarom is de werking van de drachten in Noord-Brabant zeer
on-aesthetisch, maar ze wekt de belangstelling, de nieuwsgierigheid,
door het ouderwetsche, boersche, ongewone. Die Brabantsche kleeding
vraagt de aandacht, niet voor en om zich zelf, maar voor de zeden en
gewoonten waar zij de uiting van zijn. En dat is het zeer bijzondere
van de volkskleeding in deze provincie.



Deze kleine uitwijding over de oorzaken, die den aard van de
volkskleedij in Noord-Brabant bepalen, was, tot duidelijker
omschrijving van die kleedij zelf--noodzakelijk. Meer dan bij de
beschrijving van de volkskleedij in andere provinciën. Want de
inventariseering van die volksdrachten in Noord-Brabant zou in
hoofdzaak de beschrijving van de zeden en gewoonten van die streek
moeten zijn. De kleedij zelf is, als kleedij, niet zoo heel belangrijk,
noch om de snit, noch om de stof, vorm of kleur. In hoofdzaak is de
muts van de boerinnen het voornaamste. Die heeft nog de van ouds-her
overgeleverde vormen. Maar de andere lijfs-kleedij is meer curieus
dan fraai. De mannenkleeding heeft niets bijzonders.

Maar vooral de mutsen zijn zeer belangrijk, te meer daar er zooveel
verschillende soorten mutsen gedragen worden. Bijna ieder dorp heeft
haar eigen vorm, en de afwijkingen zijn soms zeer bijzonder. En
die afwijkingen vinden meestal hun grond in plaatselijke zeden en
gewoonten.

Staatkundig bestaat deze provincie uit drie deelen. Ieder van deze
heeft een eigen volks-kleederdracht. Het grootste en belangrijkste
deel vormt het Oostelijk deel van de Provincie, de Meierij van
's-Hertogenbosch. In het midden is de Baronie van Breda. In het Westen
ligt het Markgraafschap van Bergen-op-Zoom. In ieder van deze gewesten
zijn weer afzonderlijke streken aan te wijzen waar de dracht belangrijk
van die van de andere streken afwijkt, maar het hoofd-type blijft,
voor ieder van deze gewesten, binnen haar grenzen, hetzelfde.



A. DE MEIERIJ VAN 's-HERTOGENBOSCH


Vooral ten Zuiden en ten Oosten van 's-Hertogenbosch, en in het Land
van Boxtel, Liempt, Rooy, Vechel, Osch, Rosmalen, Helvoirt en Best
is de Meierij'sche dracht het meest zuiver.

Ze bestaat uit een zeer groote, wijde muts met lange strook of vleugel
die zoowel naar achter als naar de zijkanten (half over de schouder)
breed uitplooit.

Deze muts wordt over een zwarte ondermuts gedragen, over het haar
dat afgeknipt of bijeengebonden is, al naar de persoonlijke smaak.

De groote, eigenlijke _boven-muts_, de eigenlijke Meierij'sche of
oud Noord-Brabantsche muts heeft van voren, boven het voorhoofd, een
aantal vertikale plooitjes, (_kneepjes_) een wijde bol over het hoofd
(de kruin of bodem) en van achter de lange afhangende strook.

Gewoonlijk is deze muts van (echte) kant gemaakt, waardoor ze, ook door
haar grootte, zeer kostbaar wordt. In den rouw is ze van _rouwdoek_,
zoogenaamd _organdine_.

Daaroverheen gaat de _poffer_. Dat is de eigenlijke versiering van de
muts, het hoogst eigenaardig samenstel van uit kant en witte stof,
koralen en franjes gemaakte dikke rand van bloemen, die als een
(arm-dikke) zware wrong over het voorhoofd (op de muts) wordt gelegd
en met een bandje van achter om het hoofd wordt vastgehouden. Aan deze
poffer zijn groote breede (witte) zijden linten bevestigd, die tot
bijna in de taille naar achter afhangen, van franje zijn voorzien en
deze geheele muts met de uitwaaiende strook van achter een zeer wijd
en breed aanzien geven. Het hoofd van de draagster wordt er ongewoon
breed en log door, te meer daar het verdere van de figuur in den
regel gehuld is in een zoogenaamde _kapmantel_, een "_pelerine_" of
"_omhanger_" van ouderwetschen snit, die het lijf tot aan de taille
omsluit, soms zelfs tot de knieën of den grond afhangt. De groote
muts met de pompeuze poffer is dan breeder dan de schouders, en het
lijf lijkt smaller door de kapmantel. Deze poffers zijn dikwijls zeer
verschillend van maaksel, niet alleen naar de verschillende streken
van de Meierij, maar ook naar den rijkdom van de draagster, het min
of meer bijzondere van de gelegenheid waarbij ze wordt gedragen, enz.

Ze is niet altijd geheel wit. Soms zijn de bloemen met blauw doorwerkt,
of de breede linten licht blauw. Het is begrijpelijk dat dit een
zeer dure dracht is, te meer ook daar het opmaken van deze mutsen
door speciale mutsen-maaksters gedaan moet worden.

Niet altijd echter draagt de Noord-Brabantsche vrouw deze bijzondere
muts. Ook wordt ze, in de Meierij slechts op het platte land
gedragen. In de stad 's-Hertogenbosch ziet men slechts de zoogenaamde
Bossche _dienstbodenmuts_, die van zeer eenvoudige constructie is,
van voren drie rijen plooitjes boven het voorhoofd heeft, en met een
lange band en strik onder de kin vastgemaakt wordt. Die tot een dikke
massa saam-gebrachte plooitjes boven het voorhoofd heet "_de tuil_".

Soms draagt de vrouw uit het volk in Den Bosch ook een zwarte muts,
die echter een vervorming moet heeten van het beruchte, hier reeds
meermalen genoemde capot-hoedje.

Op het land, bij de boeren echter dragen de jonge meisjes tot hun
tiende jaar een zwarte wollen muts, met groote, dikke wrong boven
het voorhoofd. Die muts heet "_kaper_."

Na hun tiende jaar, of tegen den tijd dat de kinderen ter eerste
communie gaan (vroeger ongeveer op het twaalfde jaar) krijgen de
meisjes zwarte boeren mutsen, een muts met een vorm, die aan de mutsen
met poffer van de volwassen vrouwen doet denken. Het zijn breede,
zware, zeer rijk en overdadig versierde mutsen met breede strikken
en veeren en gitten en gespen, van achter met twee afhangende breede
linten. Het effect van deze mutsen is dat ze het hoofd van het kind
zeer breed en zwaar doen schijnen.

In deze kindermutsen is in de Meierij zeer veel variatie.

In Vechel maakt men in den rand soms zelfs zwart-glazen belletjes,
die rinkelen als de kinderen loopen. Deze kinder-mutsen worden door
de jonge meisjes tot hun 20e à 23e jaar gedragen, of totdat zij
verloofd zijn. Sommige van haar zetten die muts al vroeger af, om
"ouder" te schijnen. Dan--als zij verloofd of getrouwd zijn--of dit
willen schijnen, zetten zij de groote, witte Noord-Brabantsche muts
op. Bij die muts draagt de Noord-Brabantsche vrouw nog bijzondere
gouden versieringen, maar geen oorijzer.

In de ooren heeft zij bijzonder groote bellen van filigraan-goud met
bloedkoraal versierd, in waaiervorm, zoodat ze _waaierbellen_ heeten.

Om den hals soms een hals-ketting van roode, zwarte of witte
koralen met gouden slot (van voren). Daarover zeer dikwijls een klein
halsdoekje van zeer sterke kleuren, op de wijze als het _knuppeldoekje_
van de vrouwen in Kampen (zie aldaar). De rest van de lijfskleeding is
niet anders dan "ouderwetsch" te noemen. Ze hangt bijzonder smakeloos
van vorm om het dikwijls grof en breed gebouwde lichaam, waarover de
kapmantel of de pelerine, welke een soort vervormd overblijfsel van
een ouderwetsche modedracht van 1880 is.

In Den Bosch ziet men echter nog sporadisch oudere vrouwtjes met
zeer bijzonder soort kapmantels die tot op den grond afhangen, en een
capuchon over het hoofd. Deze dracht, die een zeer oude is, waag ik het
te vooronderstellen dat ze van oude klooster-kleedij, van monnikspij
of nonnen-habijt is afgeleid. In ieder geval is de oorsprong _niet_
Hollandsch, zooals ook de halflange pelerines met franjes en kanten
naar Fransche en Belgische modellen zijn nagevolgd. De smaak en het
ideaal van het Noord-Brabantsche volk betoont zich ook in deze meer
zuidelijk dan noordelijk.

Maar behalve deze worden thans door de boeren-bevolking, en
vooral ten platten lande nog veel de ouderwetsche "_doeken_"
gedragen, de "_Kashmire-shawls_" die onder het tweede Keizerrijk in
Frankrijk zoozeer in de mode waren. Die dracht is thans voor die
Noord-Brabantsche oude boerinnen de gewone, waarbij ze dan de van
ouds-her stammende muts dragen, een hybridisch samenstel van resten van
oude volks-dracht en mode-namaak, dat alles te samen den indruk maakt
van een soms wel schilderachtige en typische, maar zeer achterlijke,
conservatieve en on-aesthetische kleedij.

Er mag hier even worden opgemerkt dat iets wel zeer eigendommelijk,
karakteristiek, en zelfs mooi van kleur combinatie, en daardoor zeer
pittoresk kan zijn, maar dat het geheel dan nog zeer wel tegen de
aesthetica, dat is, tegen de wetten van een objectief schoonheidsbegrip
kan strijden.

Maar er zijn nog meer resten van werkelijk oude drachten in de
Meierij. En daartoe behoort de "_falie_" een langwerpig vierkante doek
van ongeveer drie meter lengte, bij één meter breedte, met franje
aan de smalle einden. Deze, van zwarte stof gemaakte groote lap
(want anders is het niet) wordt over het hoofd gedragen, zoodat de
lange plooien het geheele lichaam van de vrouw inhullen. Een zeer
bijzonder kleedingstuk dat ook al weer alleen zijn behoud aan de
gehechtheid aan oude zeden dankt, want het wordt alleen bij rouw,
kerkgang of doop gedragen.

Maar behalve deze costume-onderdeelen en de genoemde mutsen wordt
in de Meierij een soort muts door de boeren-bevolking gedragen die
het midden houdt tusschen de stads-(dienstboden)muts, en de groote
Noord-Brabantsche muts met poffer. Dat is de "_buiten-muts_".

Dat is een muts die, even als alle mutsen uit de Meierij de tendenz
vertoont van het hoofd breed te willen maken, maar het is een muts
uit één stuk, met niet zoo'n lange kanten strook van achter, maar
met een korter, stijve plooiïng, genaamd "_de luif_". Van voren zijn
drie rijen plooitjes, op de bol; van voren naar achter loopend, aan
iederen kant een "_takje_" met uit neteldoek gemaakte bloemetjes,
en van achter twee breede, witte linten; onder de kin een (vaste)
witte strik.

De muts heet buiten-muts omdat ze door de menschen _van buiten_
gedragen wordt, in tegenstelling met de stads-menschen.



Vervolgens worden in de Meierij (in Helvoirt) nog "_strikke-mutsen_"
door kinderen gedragen, en in Eindhoven nog "_cornetten_", en zouden
er nog vele details mede te deelen zijn over de "poffer" die zoo'n
bijzonder cachet, zoo'n "onhollandsch", zoo'n verbeten, koppig, en
vooral zoo'n boersch uiterlijk aan de Noord-Brabantsch vrouwen van
het land geeft, als ze daar met hun korte breede, lijven, en groote
hoofden, op groote schoenen, met groote passen langs de zonnige,
zandige wegen van het met zwaar hout begroeide landschap of naast een
over de dikke keien rammelende groote boerenwagen sjokken, waarvoor
het zware paard langzaam voortstapt.



B. DE BARONIE VAN BREDA.


Het eerste wat van de mutsen, die door de boeren-vrouwen in de Baronie
van Breda gedragen worden, in tegenstelling met die van de Meierij
van Den Bosch, opvalt, is, dat de afmetingen van die Bredasche
mutsen zooveel kleiner zijn. Maar toch zijn ze nog groot en wijd,
in vergelijking met de mutsen die in de andere deelen van ons land
worden gedragen, vooral groot en wijd en dik boven het voorhoofd. Dat
wordt in Breda niet veroorzaakt door de volumineuze "_poffer_" maar
door "_de kroon_", of "_de kroesel_" of "_de krans_".

De muts van de vrouwen uit de Baronie bestaat uit een rand zeer dun
geplooide of strakke kant, die om het hoofd gaat en langs de ooren
naar achter afbuigt tot in den nek, tot bijna op de schouders. Die
effen kanten strook heeft van achter een _bodem_ of _kruin_, een naar
achter afhangende, opgenomen breede lap kant-stof, tot op schouders
afhangend. Het geheel wordt ingeregen met een bandje tusschen de
voor-strook en de bodem (of kruin) en op die wijze op het hoofd
vastgehouden. Dit is de eenvoudigste soort van het algemeene type van
de muts in de Baronie. Dit is de "_strakke muts_", die van tulle of
gaas is in de rouw en door de week en 's Zondags van kant. Ze wordt
over een zwarte ondermuts gedragen en van voren, op het voorhoofd,
hebben de vrouwen twee kleine krulletjes haar (valsch of echt)
aangebracht, die even onder den rand van de muts uitkomen.

In deze eenvoudigste vorm heeft deze Baronie-muts veel overeenkomst
met de groote floddermutsen die op de Zuid-Hollandschsche eilanden
worden gedragen. Ze is als het ware het overgangs-type tusschen de
Noord-Brabantsche, sterk-Belgische vormen en de zuiver Hollandsche
vormen van Zuid-Holland en Zeeland.

Deze strakke muts wordt echter veelvuldig gevarieerd in een mooier
en rijker bewerking. Dan wordt het de _dubbele muts_. De hoofdvorm
blijft dezelfde. De voorste strook kant, die het gezicht omsluit,
wordt echter dubbel, in twee geledingen over elkaar. In den regel zijn
deze dubbele mutsen steeds van kant en doen alleen 's Zondags dienst.

Behalve dat bestaat er nog een vereenvoudigde soort van deze strakke
mutsen, veel kleiner, minder omvangrijk, zonder afhangende bodem, met
slechts een zeer smal strookje kant rond het gezicht, en met dunne
bandjes onder de kin vastgehouden. Dat is het ouderwetsche mutsje,
genaamd "_het ongelukske_", dat oudere vrouwen thans nog dragen, en
dat alléén bij 't werk dienst doet. Men ziet hieruit, dat ook hier,
evenals in Zeeland, in den laatsten tijd de tendenz bestaat de mutsen
steeds grooter te doen worden.

Over die strakke en dubbele muts komt nu "_de kroon_", of "_de
bloemkrans_" of "_de kroesel_", een dikke wrong van kleine bloemetjes
in tulle uitgevoerd en met kralen opgesierd, meestal geheel wit van
kleur, maar soms ook met blauwe bloemetjes en kralen verfraaid. Deze
kroon ligt vlak op de muts, boven het voorhoofd, en gaat van de eene
slaap naar de andere, en is vastgehecht op een (meestal) lichtblauw
zijden lint dat van achter, onder de afhangende bodem, achter het
hoofd is vastgezet met haak en oog.

Bij deze mutsen behooren, evenals in de Meierij, lange, groote gouden
oorhangers, halskettingen van koraal, en een klein kleurig doekje,
"_cache-nez_" dat met kleine puntjes links en rechts onder de kin
uitstaat, naast de groote witte strikken die de strakke of dubbele
muts onder de kin vasthoudt.

De verdere lijfs-kleeding is, vooral voor de boerinnen van het
platte land, de ook in de Meierij bekende kapmantel, of ook nog zeer
dikwijls de oude "_Kashmire-shawl_". Merkwaardig is in dit deel van
Noord-Brabant de zeer kennelijke invloed van de Belgische nationale
drachten, vooral in de dorpen langs de Belgische grens in het zuiden
van de Baronie en in het land van Bergen-op-Zoom.

In die streken dragen de Brabantsche vrouwen twee soorten mutsen, een
Hollandsche (Bredasche) en een Belgische. Deze laatste als zij over
de Belgische grens (vóór den oorlog) 's Zondags ter kerke gingen. Soms
echter dragen zij die muts ook als ze in Breda naar de markt gaan.

Deze "_Belgische muts_" is betrekkelijk klein, geheel van ineengeplooid
wit lint, min of meer vierkant van hoofdvorm, een weinig naar de
zijkanten en naar achter uitstekend, Maar op die muts zijn groote
strikken van breed, gekleurd lint aangebracht, geel, rood, groen,
paarsch, in alle kleuren. Twee van die lange, breede linten worden
onder de kin vastgestrikt, twee hangen lang af naar achter, op den
rug. Er is geen bijzondere kleur van deze linten voor bijzondere
gelegenheden vastgesteld, tenzij zwart voor den rouw.

Bij deze Belgische mutsen behoort een kapmantel of pelerine van meer
pompeus maaksel dan de gewone, meer kant, tulle, linten en strikken,
ofschoon de hoofdvorm dezelfde is als de andere pelerines. Dit
kleedingstuk is een zeer kennelijke verboerschte imitatie van de
Parijsche mode van omstreeks 1880.

Behalve deze mutsen wordt in de Baronie, naar de kant van Zundert, een
soort muts gedragen die veel overeenkomst heeft met de _buiten-muts_
van de Meierij. In Zevenbergen is de vorm weer anders, daar wordt
de _kroon_ niet meer gedragen, of slechts zeer klein, maar vervangen
door een rijk geplooid breed lint, dat ook naar achter afhangt--zoo
ook in de Zevenbergsche hoek, waar de vorm zich gaandeweg meer bij
de Zuid-Hollandsche mutsen-vormen aansluit.



C. HET MARK-GRAAFSCHAP VAN BERGEN OP ZOOM


Ten slotte de mutsen in het land dat aan Zeeland en Zuid-Holland
grenst. De algemeene vorm is die van de Bredasche muts, maar zonder
de kroon, dus eenvoudiger, smaller, platter.

Verder is in deze streek de invloed van de Belgische en Zeeuwsche
drachten meer kenbaar, en vormt ze een overgangsgebied naar de
eigenlijke Hollandsche drachten. Vandaar dat men slechts weinig van
een eigen dracht in deze streek merkt, althans niet in de steden, De
plattelandsbevolking blijft het langst de "_boerendracht_" getrouw. De
meeste vrouwen dragen reeds hoeden, dat wil zeggen ouderwetsche
hoofddeksels, die tot geen land en geen tijd behooren, en, zooals
gewoonlijk bij dergelijke soort kleedij, zeer smakeloos zijn.



LIMBURG.


In de provincie Limburg zijn slechts weinig sporen van een eigen
nationale kleedij te vinden. In den noord-westelijken hoek, in het
land van de Peel en bij Mook, in Venraaij en in Weert zijn de drachten
aan die van Noord-Brabant verwant.

Behalve deze dracht in het Noorden van de provincie is in de buurten
van Sittard nog eenige resten van een eigen volks-dracht te herkennen.

Oude vrouwen dragen daar nog het halflange jak over een dikke, breede
rok die helder violet is en van zoogenaamd "_tirtei_" is gemaakt--ze
dragen drie van die rokken over elkaar van dezelfde stof maar van
verschillende kleur. Die rokken zijn, aan de taille sterk "_gefronsd_"
(d. w. z. geplooid) waardoor de heupen zeer breed worden. De stof
van die rokken is zeer zwaar. Ze dragen daarbij geen corset, maar
een onderlijfje, en daar over het jak, dat van voren dicht gaat. Ze
loopen op klompen.

De mouwen van het jak zijn wijd, saamgeregen aan de polsen. Het jak
is van satinet ('s zomers) en 's winters van wollen stof, en bruin
van kleur. Dit jak heeft geen halsboordje.

Om de hals wordt dan een vierkante doek geknoopt, die eerst driehoekig
(diagonaal) is gevouwen, op de gewone manier. Die doek, die van met
sterke kleuren bedrukte wol is gemaakt, heet "_de plak_". Nog zoo'n
doek van dezelfde kleur, gaat, eveneens diagonaal gevouwen, over het
hoofd, en wordt onder de kin vastgeknoopt, Om de hals gaat een zwart
lint waaraan een kruisje, dat op de borst hangt.

Het schort, dat deze vrouwen dragen, is 's Zondags als ze naar de
Kerk gaan, zwart. Thuis en in de week is het blauw.

Deze kleeding heeft niets Hollandsch, ofschoon de omslag-doek om de
hals en schouders een wijze van kleeden is, die in de Hollandsche
drachten--maar ook bij zooveele andere costumes--nog al veel
voorkomt. Maar de doek over het hoofd is waarschijnlijk van Duitsche
oorsprong. Ook de kleurigheid van deze doeken doet, zoowel door de
versierings-motieven als door de kleurcombinatie, zelfs aan russische
kleedingswijzen denken.

In Zuid-Limburg, in het land tusschen Maastricht en Kerkrade en Vaals,
is niets van een nationale eigen dracht te bekennen. Het is zeer de
vraag of in die streken ooit een eigen Nederlandsche nationale of
gewestelijke kleedij bestaan heeft, waar dit land altijd zoo direct
onder invloed van Duitsche en Belgische (Waalsche) cultuur geweest is.

De bijzondere drachten van de mijnwerkers uit de buurten van Heerlen
zijn slechts beroepskleedij, en kunnnen dus--ook om hun internationale
gedachte--niet tot de Nederlandsche volkseigen drachten gerekend
worden.



NASCHRIFT.


Ik heb den text voor dit boekje in den zomer van 1916
saamgesteld. Eerst in 1917 kon ik de proeven corrigeeren en meen thans
nog de volgende bemerkingen te mogen maken. De invloed die de oorlog
ook op de Nederlandsche nationale kleederdrachten thans reeds heeft
zal echter pas duidelijk later overzien kunnen worden.

Het bleek mij bij de onderzoekingen die ik in deze laatste jaren deed,
dat ook de grondstoffen waaruit die nationale drachten vervaardigd
worden gaandeweg gaan ontbreken, omdat van deze zooveel uit het
buitenland moet worden aangevoerd.

Zoo vernam ik van een mutsen-maakster in de Meierij dat de bloemen,
die voor de poffers gebruikt worden, niet meer worden ingevoerd. De
echte (Belgische) kant is ook niet meer te krijgen, of ze wordt te
duur. Daardoor wordt de inheemsche dracht een onbereikbare luxe
voor velen die nog gaarne de oude traditie getrouw zouden willen
blijven. Men _moet_ wel tot de gewone stads-kleedij overgaan.

Zoo kwam mij eveneens ter oore dat in de Baronie veel boerinnen te ver
van plaatsen wonen waar mutsen-opdoensters wonen. Ze kunnen hun mutsen
niet meer gestreken krijgen, het loont niet meer dit vak te beoefenen.

Verscheidene geweven stoffen, zooals voor de drachten van Volendam
en Marken worden schaarsch.

Ook heeft de groote watervloed die in het voorjaar van 1916
Noord-Holland, en speciaal Marken en Volendam teisterde, het aspect
van de huizen veranderd, ze meer modern gemaakt, waardoor de oude
dracht niet meer in overeenstemming met de nieuwere woningen is.

En er is een on-miskenbare wisselwerking tusschen de huizen waarin
de menschen wonen en de vorm en kleur van hun kleedij.

Zoo verdwijnt langzaam-aan de volks-eigen dracht door allerlei
oorzaken, en, in deze oorlogstijd zelfs tegen den wil der bevolking
in. Thans, in deze jaren, was het den tijd de complete gegevens omtrent
deze costumes te verzamelen, vóór dat misschien nog erger gevolgen van
den wereldoorlog ons land treffen en er voorshands voor bestudeering
van het oude geen tijd en geld en energie meer beschikbaar zal zijn,
als wellicht de hernieuwing en de omvorming van het heden en het
opbouwen van een ander-soortsche toekomst alle krachten van allen
vergen zal.

Het bleek mij dat deze zeer veel tijd rovende en bijzonder kostbare
studiën niet langer als privaat-onderneming konden worden voortgezet,
en daarom ook meende ik zelfs in deze tijden een poging te mogen wagen
om de belangstelling van 's Rijks Regeering voor de Nederlandsche
nationale kleederdrachten te wekken. In het begin van 1916 richtte
ik een verzoek tot Z. Ex. den Minister van Binnenlandsche Zaken om
het bijeenbrengen van gegevens en afbeeldingen van die drachten te
willen subsidieeren.

De minister vroeg om advies bij de Koninklijke Academie van
wetenschappen. Deze adviseerde gunstig. De Regeering stelde mij daarop
een subsidie in uitzicht en mijn plannen als zoodanig ondervonden
schijnbaar een veelzijdige sympathie.

Toch kwam van al deze goede bedoelingen en goeden wil niets terecht.

Dr. A. Pit, Directeur van het Nederlandsch Museum van Geschiedenis
en Kunst te Amsterdam, onder wiens Directie de zoo fraaie verzameling
van poppen in nationale kleedij uit het Rijksmuseum was uitgewezen, en
die door den minister was opgedragen toezicht op mijn werk te houden,
heeft de uitvoering van deze plannen, nog vóór ze begonnen waren,
langs den bureaucratisch-administratieven weg onmogelijk gemaakt.

Of het later aan iemand anders dan aan mij vergund zal worden deze
studiën, met steun van de Regeering te doen, wil _ik_ thans niet
uitmaken. Maar het is wèl absoluut zeker dat thans een kostbaren tijd
en mogelijkheden verloren gaan, die niet terug te winnen zullen zijn,
zelfs niet met nog zoo veel geld .... om van den goeden wil en zekere
andere voordeelen niet te spreken, die hier te niet gedaan werden.

Ik voor mij ben daarom den uitgever dankbaar--en velen zullen met
mij hem dankbaar zijn--omdat hij mij in de gelegenheid stelde dit
korte overzicht van het materiaal dat ik over de meest belangrijke
van deze drachten verzamelde, op deze wijze te publiceeren.

Dit is lang niet alles, .... en zeer zeker niet compleet .... maar
het is misschien een begin of een aanleiding om later vollediger
beschrijvingen te boek te stellen. Later .... als het dan tenminste
nog kan ....

Want het is thans, op elk gebied, de groote tijd waarin _alles_
veranderd, de tijd, waarin het oude verdwijnt, om in de toekomst
wellicht geen enkel spoor na te laten. Zoodat ieder jaar, dat
de beschrijving en afbeelding van onze Nederlandsche nationale
kleederdrachten, ten pleiziere van welke groep, welk groepje of wiens
persoon, omdat het niet van hen uitgaat, of om welke "_redenen_"
dan ook, vertraagd of onmogelijk gemaakt wordt, _een vergrijp is
tegen de Historie van Nederland, een vergrijp ook tegen een redelijke
wetenschappelijkheid, tegen een werkelijke levende beoefening van
een practische--en daardoor waardevolle--kunsthistorie_.

Juni 1917. Th. MOLKENBOER.



INHOUD


    Voorwoord

I.  Inleiding
    A.  Over kleederdrachten in het algemeen
    B.  Over nationale kleederdrachten
    C.  Over de nationale kleederdrachten en de vooruitgaande
        beschaving

II. De Nederlandsche nationale kleederdrachten
    A.  Algemeen overzicht
    B.  Waar worden de Nederlandsche nationale kleederdrachten
        gedragen
    C.  Over den invloed van den godsdienst, ras, rang, stand en
        beroep op de Nederlandsche nationale kleederdrachten
    D.  Over de beteekenis van onze Nederlandsche nationale
        kleederdrachten uit een ethisch en aesthetisch oogpunt
    E.  Litteratuur over de Nederlandsche nationale kleederdrachten
    F.  Wat werd en wordt er voor de instandhouding, de belangen
        en de kennis van de Nederlandsche nationale kleederdrachten
        gedaan

III. De beschrijving van de Nederlandsche nationale kleederdrachten
     in de verschillende provinciën

        Kaart van Nederland
        Noord-Holland
            A.  Marken
            B.  Volendam
            C.  West-Friesland
            D.  Het Gooi
                I.      Laren
                II.     Blaricum
                III.    Huizen
            E.  De Noordzee-kust en de eilanden
            F.  De Meeren en Polders
            G.  De groote steden
        Utrecht
            Spakenburg
        Zuid-Holland
            Scheveningen
        Zeeland
            A.  Walcheren
            B.  Zuid-Beveland
            C.  Zeeuwsch-Vlaanderen
            D.  Noord-Beveland
        Friesland
             Hindeloopen
        Groningen
        Drenthe
        Overijsel
            A.  Het eiland Urk
            B.  Staphorst
        Gelderland
            A.  De Veluwe
            B.  De Achterhoek
            C.  De Betuwe, en het land tusschen Maas en Waal
        Noord-Brabant
            A.  De Meierij van 's Hertogenbosch
            B.  De Baronie van Breda
            C.  Het Mark-Graafschap van Bergen op Zoom
        Limburg

    Naschrift
    Register
    Inhoud





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "De Nederlandsche Nationale Kleederdrachten" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home