Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Geerten Basse
Author: Monteyne, Lode, 1886-1959
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.


*** Start of this LibraryBlog Digital Book "Geerten Basse" ***


GEERTEN BASSE

door

LODE MONTEYNE.



't Werd vinnig koud ...

De trieste Novemberdag verstierf stil-aan ... Aan den horizont
vervloeiden de laatste roode bloedstrepen allengskens in 't eenbarelijk
grijs van den mokerzwaren, looden hemel, laag-koepelend over de
vergrauwende stad.

Hier en daar, in de halve duisternis, wipten de gaspitten aan, weifelend
verlichtend den drabbigen straatweg en de vuile gevels.

Met regelmatig klotsen vloeide de Schelde immer voort, immer voort,
stuwend de eeuwige wiegeling harer donkere baren, waarop met grillige
trillingen en zotte wentelingen dansten de blauwe en groene of felroode
vuurstrepen der kadelichten ... In de langzaam-onzichtbaar wordende
masten stegen sterrekens, zacht-pinkelend in de toenemende donkerte ...
en uit de verte kwamen, klievend het woelig-bollende water, waarover nu
witte schuimstrepen breed-uitwaaierden, stoer-zwarte schimmen van
krachtige sleepbooten aanglijden, meevoerend een vonkelend vuuroogje in
de sprietelende mastspits.

Geerten Basse staarde over 't zwarte water, met aandacht volgend de
loome bewegingen van de aanpaddelende overzetboot, log-draaiend om den
trein van broze lichters, door de flink-forsche sleepers voortgetrokken,
te mijden. Hij ging dicht bij den rand van den kaaimuur, liep er langs
tot aan het ijzeren ladderken dat in het water daalt, bukte zich,
frutselde een oogenblik aan de meerkoord van zijn bootje, dat hij een
eindje verder trok wijl hij vreesde den hoogen golfslag, dien de wielen
van de aanlandende veerboot gewoonlijk deden opkammen. "Br! zei hij ...
zoo'n koû ... Als de Sint-Annekensboot weg is, ga 'k de mijne maar onder
de brug leggen tot morgen" ... Aan een ijzeren hek dat de kade daar
afsloot, maakte hij zijn vaartuigje vast, zag dan hoe het even afdreef,
meegesleept door de tot wit-ziedend en borrelend schuim geslagen baren
door den overzetter opgezwiept, die met een doffen bons tegen de ponton
aanbotste. In 't roode licht van een seinlantaarn, ging hij zijn geld
tellen. Eén voor éen haalde hij de muntstukken uit zijn diepen broekzak,
blies er de aanklevende tabak af, lei ze dan in de zware gebruinde
eeltige hand, met groote diep ingesneden huidplooien, scharrelde wat
rond in zijn vestzakken, overtelde nog eens aandachtig, met klein
lippenbeweeg elk nieuw getal zeggend, het geringe sommetje ... "Twee
frank!... Slecht!... Amper genoeg voor de weekhuur van ons kruipkot" ...
Hij nam een wit-blinkend halffranksken tusschen de gekromde vuil-gele
zwart-gerande nagels van duim en wijsvinger ... "En dat 's voor mij" ...
stak het dan in zijn zak ... Van onder zijn klak, haalde hij een duchtig
beknabbelde pruim te voorschijn, stak ze in den mond, bekauwde ze een
paar maal, lei ze dan met behendige tong-beweging vast tusschen tanden
en linkerkaak, die even uitpuilde. De handen diep in de zakken, het
hoofd gedoken tusschen beide hoog-opgetrokken schouders, wijdbeenend in
de flodderige geribt-fluweelen broek, die hem in eene breede plooi over
de beslijkte schoenblokken viel, ging hij tot bij het luid-pratend
groepje der bootjes-roeiers ... Zij hadden bijna allen een dikke
afgesleten jas over hun blauwe trui of lederen vest getrokken en stonden
nu, hangend tegen de schutting of stampend om warme voeten te krijgen,
in een hoopje bijeen ... pruimend of rookend. Geerten trok de oorlappen
zijner klak omlaag, meesmuilde vergenoegd, spritste vuil-bruin speeksel
vóor zich neer op den grond, begon dan beide armen over elkaar te
zwaaien, met de plat-geopende handpalmen pletsend tegen zijn lijf ...

--"'t Is verdomd koud!... Hedde geen chikske Franske?... 't mijn is
heelemaal afgezabberd ..."--"Arrê, bedelêer ..."--Met behendig-rappe
beweging van den ruigen kop ving Geerten de toegeworpen versnapering op
in zijn wijd-opengespalkten mond. Dat was een kunstje waardoor 't hem
mogelijk werd te pruimen op andermans kosten.--"Kun-de nog wat anders?
vroeg er een spotlachend.--Ja, zei Geerten, "ik kan nog een
halffranksken van mijnen voorkop langs'nen trechter in mijn voorbroek
doen vallen ... Laat de cens maar boven komen!" ... "Stoeffer ...
afluizer ... Ge zijt te begeerlijk," plaag-lachten ze ...

De veerboot toette rauw, dat het tegen de huizen aanbotste en 't uit
verre onzichtbare hoeken weerhelmde, heescher en korter, steeds
verflauwend. Een zwaar geladen verhuiswagen, door een oud paard
voortgetrokken, rolde daverend de hellende brug op. De wielen knarsten,
de remkettingen rammelden. De voerder en een man van goeden wil
hielpen ... 't Magere beest hing, hijgend en snuivend in 't
strak-knellende gareel, omhoog-sleurend den zwaren last.--"Hardi oûwe!
riep Franske ... Hardi!..." 't Dampende dier bleef staan, een oogenblik
pal op de trillende strak-geschoorde pooten ... Haastig werden de
remschoenen aangedraaid.--Langzaam, begon de wagen te dalen, meesleurend
't moede, afgeleefde paard. De voerman rukte aan de teugels, poogde het
dier voort te trekken ...

't Schuim viel uit den muil op zijn kleederen. De zweep klitskletste
klappend op den knokkeligen rug, de groote glanzende oogen puilden uit
dat het wit zichtbaar werd van danige inspanning ...

Geerten, Franske en de anderen lachten, bleven toch dood-rustig en
kalm-lui staan, nu en dan roepend: "Ksch! Ksch! V'ruit knol!...
Vol-houwe!" ... Toen de wagen boven was, schaterden ze 't uit, wringend
hun lenige lijven van groote leute.

"He, baaske, uw knol is half kapot!... Dat is geen peerd! 't Is een
reepenfabriek!" Ze pletsten met de ruwe handen op hun billen van 't
lachen ... "De zeever loopt langs uwen baard," zei Franske tegen
Geerten ...

Een heer kwam haastig-loopend voorbij ... Bijna tegelijk sprongen ze
vooruit, gedienstig en vriendelijk ... "Een bootje meneer ..." "De(n)
overzetter is juist weg," sprak Geerten, half-spottend, onverschillig,
daar hij toch niet meer zinnens was een reisje te doen ...

Als een groote muur, melk-grauw en vast, kwam in de verte de mist
aandrijven over den donkeren stroom ... De mannen zagen hem naderen,
omvoelend met ondoordringbare geheimzinnigheid elk twinkelend
havenlichtje, omdoezelend met onduidelijkheid elke lijn: de mist naderde
stil-zeker als een stoere al-opslorpende macht ... Nog vagelijk somberden
zwarte scheepsrompen en de afbrekende karteling der donkere ijzeren
loodsen, te midden der steeds naderglijdende grijzigheid, tot alles,
door den dikken smorigen nevel opgezogen en omfloersd, verzwond ...

Een kort snokken tokte over het water, het steeds haastiger ontploffen
van een in werking gestelden motor: het puffen en tuffen doorschokte den
mist, echoode sneller en krachtiger terug van uit onzienbare hoeken ...

"Wel Janverdomme," vloekte zwaar en toornig Geertens grof-heesche
baardstem ... "dat 's nu wel den twintigsten keer vandaag dat een van die
stinkende moteurkens overvaart!"--"Dat 's met dien haastigen
keerskensmaker van daar subiet," grapte Franske ... Allen zwegen,
luisterend naar 't geheimzinnig puffen van 't vaartuigje, dat zich
verwijderde achter den mistsluier. Van het Vlaamsche hoofd klonk vaag en
gesmoord door de dik-wattige nevelen, het luiden der seinklok over de
onzichtbare wateren, en beneden, op de vlotbrug, zwierde een brugwachter
met een groote vlammende toorts, een roodgloeienden vuurkring teekenend,
die den traag-nakenden veerboot moest tot baken dienen ...

"'k Ga mijn bootje op 't droog zetten en dan ben 'k schuif!..."
grommelde Geerten, norsch, "met mist, vaar ik niet ..."

't Gesprek werd nu heftiger ... Tegen die vervloekte moteurkens konden ze
niet concurreeren, onmogelijk! Er welden booze vloeken in hun
opstandig-vertoornde borsten. Fransken, jong en levendig van gebaren,
stelde voor een vergadering te houden bij Rosse Lowis, waar ze allemaal
toch dikwijls kwamen borrelen, 's avonds ... Maar wanneer? "Die
onderkruipers!" ... 'k Heb amper 'ne frank of twee gemaakt, zegde
venijnige Charel ... "en mijn wijf moet deez' maand weer 'ne kleine
krijgen ..." Ze schoklachten allemaal, spottend, om zulke
vruchtbaarheid ... Dan viel weer een stilte, zwaar van drift en dreiging.

Sedert de motorbootjes, voor enkele centiemen meer, de menschen veel
sneller naar de overzijde voerden, was 't reeds zoo armelijk
roeiersbedrijf nog moeilijker en veel minder winstgevend geworden. Op de
ernstig-geworden gezichten, waarover een nabije lantaarn, een stillen,
weemoedigen schijn wierp, lag een glimp van onuitgesproken bittere
treurnis of een trek van ingehouden, nauw-bedwongen woede ... De vochtige
koû deed hen bibberen. De schoenblokken of dik-gezoolde en sterk
benagelde laarzen klopperden den slijkerigen grond ... Geerten kwam terug
bij 't groepje, hoorde zwijgend de klachten, beloofde met een norschen
knik morgen-avond naar de vergadering bij Rosse Lowis te komen, ... deed
eenige stappen om heen te gaan, bleef dan even staan om zijn korte
bruin-doorgebrande pijp aan te steken keerde zich plots weer om; zijn
ruw-omlijnde forsche tanige rimpel-kop met den verstreuvelden grijzenden
ringbaard, glom even in den vunzenden schijn der aangetrokken pijp ...
"Gaat-de meê, Franske ..." "Ja!" Samen trokken ze weg: Franske, jong en
slank, fiks-stappend: een beeld van jeugdig-overmoedige kracht en
vreugde; Geerten, kort-breed en ruw, zwalp-wiegend op de wat kromme
beenen als een oud-matroos ... Toen de twee donker omlijnde gestalten in
het purper-doorlichte mistgordijn, onder de verre omfloersde booglampen
aan den straatweg, verdwenen waren, staken de andere bootjesroeiers de
koppen bijeen ... "Zeg, dat moest ge nu niet vragen, jandomme, of Geerten
bij Lowis zou komen ... hij is er gezaaien en gebraaien, hij slaapt er
wel ..." schamperlachte éen luid-op ... "En weet z'n wijf dat?" ...

"Bah, die is tegenwoordig meer zat dan nuchter ... hij laat ze maar
zuipen ..." "Maar als Lowis, schoon Franske wat veel ziet, dan zou de
jannige Geerten wel eens kunnen rijden met zeep aan zijnen buik ..."

--"Dat was rats in mijn voeten!" antwoordde stroef, Venijnige Charel ...

       *       *       *       *       *

Nadat Geerten en schoon Franske, aan den toog van eene vuil-berookte
kroeg, een borreltje in éenen teug met smakkende lippen en tranerige
oogen naar binnen gewipt hadden om zich wat te verwarmen, namen de twee
kameraden afscheid. Zwaar-stappend langs de slijkerige straten, door den
steeds aandikkenden mist, waarin alles wegdoezelde, en die de roode en
witte en blauwe lantaarns aan de schel-kleurige bargevels omvoolde met
stille treurnis, trok Geerten huiswaarts ... Immer dezelfde gedachten
hielden tegenwoordig zijn hoofd bezig ... 't Was een kleine
denkbeeldencirkel, waarin zijn geest voortdurend ronddwaalde: Er was
geen geld meer te verdienen met dien verdoemden stiel!... Een motor
moest hij hebben ... 't Zou een schoon bootje moeten zijn, een flinke
kas, een goeie moteur, bankjes met rood floeren kussentjes en van voor
een lichtje ... Iederen avond, na 't drinken van een dikkop, of twee,
overlegde hij naïef-blij, als een begeerig kind, hoe zijn scheepje zijn
moest, nátellend hoeveel hij per dag méer zou verdienen dan nu, tot, met
een schok, zijn kleine gedachten in-eens stil-stonden ... Nooit zou hij
geld genoeg hebben om een motorboot te koopen, nooit!... nooit!! Dan
verteederde hij zich over zijn eigen bitter lot ... werd plots boos,
raasde inwendig ... vloekte binnensmonds ... Reeds tweemaal had hij bij
zijne welstellende zuster aangeklopt om een voorschot, en bij zijn ouden
vader ook; maar nergens was hij er in geslaagd een duit los te maken,
bang als ze waren nooit meer een centiem van 't geleende terug te zien.
Zijn zuster!... 't Was ook al wat! Omdat ze nu met een stuk water-klerk
getrouwd was, moet ze toch zooveel van heuren neus niet maken ... Ze was
toch maar de dochter uit een bollewinkeltje ... en Moeder-zaliger had de
centjes toch zuur verdiend met koffie opschenken voor de vrouwen uit de
buurt ... O dat geld!... Aan Lowis durfde hij 't niet meer vragen ...
"Een moteur hoort ge te goed 's nachts," had ze gezegd ... In-eens, kwam
in hem opschokken de gedachte aan een tocht, dien hij van avond voor haar
maken moest naar een Spaansch stoombootje, dat op rivier voor anker lag,
om een vaatje gesmokkelden wijn af te halen ... "Vijf frank weeral,"
dacht hij, opgewekt ...

Maar stil aan vloeide zijn hart weer vol galligheid ... "O die vetlappen!
Met hun moteurkens vergallen ze 'nen mensch zijn schoonste plezier" ...
Hierbij dacht hij aan 't genot dat Lowis hem schonk, en 't deed een
deugdelijke kitteling over zijn rug loopen, wijl gulzig flikkerden zijn
beluste oogen ... Door de drabbige nattigheid van den nevel, die
stillekens dreef, wazigen rook gelijk, tusschen de lage vooroverhellende
gevels der binnenstraten, waar elke woning bijna een herberg was,
waaruit gulpte, snerpend-zeurige muziek, dragend zang van zat-gebralde
keelen,--trok Geerten huiswaarts ... Langs hem heen gingen muf-riekende
koffieboon-raapsters, kort-gerokt boven de haastig-drentelende voeten,
en mannen in fluweelen buizen met hoog beslijkte modderbroeken plooiend
op zware schoenen, sloffend over de glimmend-vettige kasseide ... Een
reesem dronken matrozen, het gore flanellen hemd ver-open op de borst,
toog hem voorbij ... Met een zekere vreugde zag hij de hossende bende
voortslieren van d'eene naar de andere zijde ... Waar die binnenvallen is
de avond goed ... en onwillekeurig dacht hij aan zijn Lowis ... Die rosse
had er goddoje de streek van weg om zoo'n labbers uit te zuipen. Even
schoklachte hij in zijn baard.--Zoo peinzend, was hij geraakt op een
groot plein, waar lange platte natiewagens, dicht nevens elkander
gerijd, den langen dissel ten hooge, in de vuile nattigheid van den
slijkbodem, te wachten stonden op 't werk van den volgenden dag ...
Geerten stak het plein dwars over, ging dan de hooge koetspoort, zwart
gapend in vuil okergelen trapgevel, binnen, poosde even voor een deur,
waaruit een lichtstreep op den nattig-glinsterenden gangmuur viel, in
beraad staande of hij nog een snapske pakken zou, stapte dan toch maar
verder, te hongerig om langer te talmen ... Op de voorschoot-smalle
binnenplaats, waar vele huizekens, smoezerig-zwart gesmookt, kouwelijk
bijeenhurkt en--arme, brokkelige, als oude wijvekens voor-overhangende
trapgevelkens, schamel verlicht door een flakkerend olielampeken vóor
een Ons-lievevrouwenbeeldje, stonden stootwagens, in elkander geschoven,
de berries als hulpeloos biddende armen omhoog ... Geerten sakkerde toen
hij op 't nauw-verlichte venstertje van zijn krot toe ging, want hij zag
dat het grauwe waschgoed nog nat hing te flapperen, lijk dezen middag,
aan den langen staak die het heele nauwe binnensteegje overspande.

Geërgerd trad hij binnen, vloeken op de lippen het ruige, diep-doorgroefde
weer-bruine gelaat, vertrokken; onder de norsch-bijeenplooiende stoppelige
wenkbrauwen flikkerden kwaadaardig de staal-grijze oogen, anders klein en
waterig ... Met een smak smeet Geerten de kamerdeur open. In 't vertrek
hing een stinkende rookwalm. De lamp smookte fel, alles hullend in een
halve duisternis, waarin de schrale manke meubels schenen weg te kruipen ...
Uit de alkoof aan de andere zijde der kamer, steeg zacht een ronken ...
Geerten bleef sprakeloos ... Met een zwaren bons plofte zijn
dicht-gebalde knokkelvuist op de krakerige tafel neer, doende rinkelen
de vuile besmeerde borden en tassen, achteloos bijeen-geschoven. Het
snorken hield een oogenblik op, ging over in fel-blazen. Haastig draaide
Geert de lamp omlaag, liep dan op de bedstêe toe, nam zijn slapende
vrouw heftig bij den arm, schudde nijdig. Heur jeneveradem sloeg hem
tegen ... Met een wilden ruk, sleurde hij ze 't bed uit ... "Allez,
zatte teef! Allez-hop!!" ... Zich de rood-beloopen, vies-ontstoken oogen
wrijvend, stond Trees overeind, geeuwde lang met wijd-opengespalkten
mond en traag-strekkende armen bij 't kraken der gewrichten, deed dan
met sleep-zware voeten een loomen stap naar de tafel ... sprakeloos.
Ze wankelde nog even, bewoog moeielijk de dikke tong, wilde de flesch,
waarin kristallig-klaarde den verlokkenden drank, grijpen ... Met
weerlicht-plotsen greep trok Geerten ze uit heur handen, zette ze op
tafel ... Dan, ten einde geduld, inwendig ziedend, langde hij een
blikken schaal van de kast, vulde ze rap met water en kletste dit Trees
in 't koddig-grijnzende gezicht ... Dit hielp, als altijd ... het deed
Geerten stuiplachen en bracht zijn kwade luim tot bedaren: "En, nu
vooruit met den bik!" Traag sleffend over de gespleten, vuile roode
tegels, haalde Trees een haring uit de kast, zette hem op tafel naast
een kom koûwe koffie ... "Eerst mijnen mond wat spoelen," zei Geerten,
zette de jeneverflesch aan den mond, liet den drank wat heen en weer
klokken tusschen zijn bolle kaken, slokte dan smakkend door ... "Geef
mijnen boek! Pruttige!" Nog langzamer, als met looden schoenen, sloefte
Trees door de kamer, naar de deur, waarboven op een plankje smerige
drie-cent afleveringen van bloederige liefde-romans in 't opgehoopte
stof, gestapeld lagen, nam een lijvig deel er-af en reikte het haren man
over ... Den velligen haring in de gekromde dikke vingers, nu en dan met
de vuil-gele nagels een graatje van tusschen zijn tanden verwijderend,
zat hij gretig-peuzelend te lezen hoe de jonge graaf van Salverda de
jeugdige dienstmaagd door mooie beloften en suikerzoete liflafferijen
verleidde, in het eeuwenoude kasteel zijner voorvaderen, juist den avond
van den dag, waarop hij zich met de prachtige bruinoogige Donà Gracia
verloofd had ... Geerten verslikte zich haast in een verraderlijk naar
binnen gewerkte graat, beduimelde de bruine omgekrulde hoeken der gore
naar tabakriekende bladzijden met zijne vette handen, gejaagd om het
vervolg te weten ... Zijn innigste gedachten toch, dreven af naar Lowis.
De lange koudnattige dag, de slokjes jenever, de ophitsende schunnige
prikkellectuur, hadden zijn zinnen opgewekt en hij verlangde naar haar,
vurig-begeerlijk. De hoekige ellebogen op tafel, het loome hoofd in
beide handen waarover slierden de hangende vettig-bruine haren, zat
Pruttige Trees, sprakeloos, met slaperige wateroogen, Geerten
onafgebroken gade te slaan, tot, haar ingedommeld geheugen stil-aan
ontwakend, ze met dikke doddel-tong heur man aansprak: "Geert ... Vader
is slechter ... Sophie, uw zuster, is hier geweest, en dezen avond wordt
"hem" bediend ... 'k ben er geweest ..."--Geerten zag even op,
norsch-onverschillig. Zijn oogen stonden waterig-onnoozel in den door
inspanning-verhitten kop ... "en ge moet eens gaan van avond zulle
..."

--"Nog wat?" snauwde hij bruut.

--"Ja, er is een kaart gekomen van onzen Jef ... 't is een met een aardig
koppeken ... van den Argentien geloof ik ..."

--"Laat zien!..."

Trees haalde de kaart uit een schreewerig vergulden suikerpot op de
kast, reikte ze haren man toe ... "En wat schrijft hem".

Slijmerig-traag vielen de woorden uit haar kwijlenden mond ...

"Hij vraagt of z'n moeder hem nog geern mag" antwoordde Geerten,
gebarend een borrel in één teug naar binnen te wippen ...

Trees zweeg, bleef roerloos staren in de hel-gele vlam der lamp.

Nadat hij gegeten had, richtte hij zich op, smeet zijn klak af, liet
zijn hemd van de schouders glijden. Het sterk-gespierde, forschig-breede
bovenlijf naakt, den ruigen stilaan-grijzenden kop tusschen de wat hooge
schonkige schouders, stond hij voor een emmer water, dien Trees hem
aangereikt had. Plassend in 't van zeep-schuimende nat, schrobde hij
zijn dicht-behaarde borst, en de dik-beaderde pezige armen, dat de
sprinkelingen rondspatten op de armelijke stoelen en tegen de
zurig-riekende eetkast ...

"Ge gaat zeker weer naar uw rosse aanhoudster" smaalde nijdig-spottend
op hoonenden toon Trees ... "moet ge niet wat cosmatique aan uwen
schrobber doen?" ...

Geerten bleef kalm, al die zinspelingen schampten af op zijn taaie
onverschilligheid. Vlug was hij weder aangekleed, voelde zich nu
frisscher en vroolijker ...

Een wijle scharrelde hij met de hand in zijn vestzak, smeet dan twee
frank op tafel ...

"Arrê en zuip het allemaal niet op ... Aperpo hedde (hebt ge) geen vodden
opgekocht vandaag?"

--"'k Ben niet gaan leuren ..."

Geerten stond al in de donkere gang, waar dreef een doffe huislucht, en
de benauwende geur van schimmelende lompen onder 't bouwvallige
zoldertrapken opgestapeld ...

--"Salut en den kost zulle! 'k Ga naar vader" ... en zich plots
herinnerend ... "en haalt uwen wasch binnen!..."

"Ge komt van nacht zeker weer niet naar huis ..." schimpte Trees hem nog
achterna ...

--"Verrekt!" beet hij terug, en met een nijdigen ruk klakte de deur toe,
dat het heele huis schokkend dreunde, en de nog heele ruiten
daverrinkelden ...

       *       *       *       *       *

Op de vitrine van het stamineeken, dat zijne vriendin openhield in een
der zijstraten uitgevend op de kaai, had Geerten voor een paar jaar--'t
was in 't begin zijner verkeering met rosse Lowis--in schreeuwend
oranje-geel, met reuzen-groote vlammend-roode hoofdletters en
gracielijk-buigende krullen er-nevens en er-onder, geschilderd:

/*
    The Joly Boys Bar
    bij de Plezante Bazin.
*/

In dien bijna-schuchteren vrijtijd was Geerten niets anders dan de
buitengooier, de man wegens zijn sterkte gevreesd en betaald om de
zwijn-zatte matrozen, die 't wat te bont maakten of met bazin en
serveuse te vrijpootig werden, aan de deur te werpen ...

Mettertijd was de flinke kerel voor Lowis bijna onmisbaar geworden, want
buiten die onaangename karweitjes, welke hij alleen afhandelde--zonder
dat de nieuwsgierig-lastige politie d'r ooit heur neus in steken
moest--, ging hij, nu en dan, 's nachts er op uit om van pas
binnengeloopen schepen, gesmokkelden wijn of sigaren te halen.

Zoo was hij allengskens in 't kroegsken bijna geworden: de waard, die
wel moest gehoorzamen aan de plezante bazin, doch nu niet meer alleen
met geld betaald werd, maar ook liefdeloon en 's Zondags zakgeld van
haar ontving, ... alzoo verdringend de futlooze fliere-fluiters, die
haar vroeger het jonkvrouwelijk leven minder ondragelijk maakten.

Het kabberdoesken was er op vooruitgegaan en de bootjesroeiers-maatschappij
"De ware Varens-vrienden", waarvan Geerten stichtend lid was, had er haar
spaarkasken hangen aan den wand tusschen een in vergulden kader ingelijsten
Red Star-boot en een bont-gekleurde reklaamplaat van Scotch wisky.

Toen Geerten binnentrad, zaten de roeiers allemaal bij het venster, om
de tafel, waarop--midden groote glimmende bierplasjes--de met kralend
gersten gevulde, schuim-gerande glazen stonden met--bij sommigen--een
potsierlijk-buikend dikkopken ernaast. Hunne ruige gezichten kropen
weg onder ver-vooruitstekende dik-geboorde kleppen, waarop bengelden
zijig-glanzende, kleine kwastjes ... Ze paften uit korte pijpen, dat
de rook, boven hun bijeengestoken koppen opwolkend, de fel-brandende
gloei-gaspitten omfloersde met een nevelig waas ... Anderen zaten
stom-roerloos, de hand aan het bierglas, te luisteren met open-hangenden
mond in 't domme gelaat, waarin de oogen slaperig knipten; vermoeide
lijven, die indutten in de broeierige hitte na den langen dag,
doorgebracht midden de wisselende winden, die opdansen deden de woelige
wateren der Schelde.

Na een kort gesprek met Lowis, zette Geerten zich bij hen, met den rug
naar den toog, juist tegen over Schoon Fransken, die strak voor-zich uit
starend met glunder-gulzige blikken volgde iedere beweging van Lowis'
wel gevulde gestalte, tronend voor den spiegel van 't met veelkleurige
glazen en licht-doortintelde drankflesschen versierde buffet ...

"Awel! Geert? Hoe is 't met uw vader" vraagde Venijnige Charel ...

Bij 't smakkend rooktrekken om zijn korte pijp te doen vunzen,
antwoordde Geerten heel kalm, met zijn gewone heesche baardstem:
"Bah ...den ouwen dag, hé ... vier en negentig zulle!...

--"Is de Heilige Jozef ziek?" kwam Suske van Loock, de oudste der
roeiers, er tusschen--"als die niet naar den hemel gaat weet ik er alles
van ... en gij zult wel een schoon stuiverken trekken" ...

Hij lachte, op voorhand genietend van wat hij zeggen ging ... "Hij 'n
heeft voor niets, vroeger, in geen tien jaar bij zijn vrouw geslapen ...
Ah-ah-ah!... Veel kinderen wilde hij niet!... Ah-ah-ah!... Dien H.
Jozef!... Niet kwaad zijn, zulle Geerten!... 't Is maar bij manier van
spreken!" ...

Dat was 't oude geschiedenisje, dat hij vroeger zoo dikwijls had moeten
slikken en waardoor uitgelegd werd, waarom zijn zuster Sophie, de bloem
van 't kwartier, juist tien jaar jonger was dan hij ...

Wanneer de laatste achterblijver binnen was, begon de beraadslaging ...

Venijnige Charel deed een verwoeden uitval, waarin de motorbootjes
vervloekt werden, en de invoerders voor uitgekochten--een woord, dat
hij op de laatste socialistische meeting gehoord had--van 'nen vuilen
herbergier, gescholden werden ...

Hoe heviger de door jenever en bierdampen opgewonden spreker donderde,
zich heesch schreeuwde, zijn tanig-onbeduidend gezicht waarin de oogen
uitpuilden, rooder werd, hoe meer Geerten bijna-onverschillig luisterend
de noodzakelijkheid begon in te zien, om zelf een motorbootje te
bezitten ...

Zich hullend in dikke rookwolken, peinsde hij, wikte en woog, herkauwend
wat gedurende den heelen dag niet uit zijn kop was geweest, wat hem meer
vervuld had dan de gedachte aan Lowis: hij zou kost wat kost een
moteurken bezitten ... Een teug slurpend aan zijn nog vol glas, mengde
hij zich een oogenblik in 't verwoede, dol rumoerige gesprek ...

"'t Is dien smeerlap van 'nen Rik Schampavie, die 't eerst akkoord heeft
geslagen met den baas uit 't Fleschken aan de Werf ..."

De roeiers luisterden aandachtig, of hun eene openbaring werd gedaan ...
"En die heeft hem 't geld geleend ... en nu moet den Rik, iederen dag een
deel van de winst afstaan tot afkorting ... en daarbij 'nen grooten
percent betalen!" ...

Neen, een eigen bootje wilde Geerten. Nog een beetje geduld maar--innerlijk
jubelde hij--dan zouden ze den sterken Basse hooren tuffen tot over 't
water ... Vader had wel wat geld ... Sophie gaf hem bovendien ieder jaar
een twee honderd frank, rekende hij ... dat kon onmogelijk opgaan ... en ...

--"Nog een pint Geert?" vroeg vriendelijk Käthe de serveuse..

--"Ja, en 'nen beste erbij" ...

... Vader kon toch niet eeuwig leven ... hij was erg ziek ... bediend ...
't winterde fel ... wie weet?...

Terwijl Geerten mijmerend en afgetrokken volgde het razen der anderen,
wier woorden beukten en scholden, als vloeken rolden uit de van
toorn-verhitte, brutaal-stoeregezichten, hield Franske de oogen niet af
van Lowis, die met een dronken Engelschman, hangend tegen den glimmend
koperen toogrand, een sleepend praatje voerde ...

In den anderen hoek der gelagkamer, op een mooi-rood fluweelen zitbank,
was Käthe terug tusschen hare twee klanten gaan zitten--piepjonge,
baard-looze "printers,"[1] die haar met lodderlijkverliefde blikken
begaapten en waartegen zij grapte ...

Noot: [1] Leerling op een schip: "Prentice."

Beide jongens naderden haar dichter, beproevend te zoenen heur frissche
nat-roode, steeds treiterend weggetrokken lippen, tot zij de
ondernemende indringers met klokkenden, hoogen lach op zij duwde hen
aanmanend te betalen ...

Met vollen greep nam een 't geld uit zijn broekzak, liet het rinkelend
tinkelen op de marmeren tafelplaat: ...

"Take what you like". (Pak wat ge wilt).

Franske keek het na ... Een gouden affaire dacht hij ... en weer staarde
hij Lowis vlak in 't volle gezicht, blankend onder 't zware vlam-roode
haar, waarin de valsche steenen der hoornen kammen vonken schietend
flonkerden ...

--Wat 'n wijf! bewonderde hij en spottend-meewarig, viel zijn stralende
blik op zwijgenden Geerten óver hem ... "Geen spek voor zijnen bek" ...

De zatte matroos zwalkte met knikkende knieën naar de deur toe, wierp
dan de bazin eene kus-hand toe ... Geerten zag het en zijn gelaat bleef
onbewegelijk-strak ...

--Niet jaloersch, peinsde Franske, nu, 'k zou het zelfde doen ... zoo'n
schoon affaire!...

Hij pinkte eens naar Lowis, die nevens den "printer" was gaan zitten ...

Ze lonkte terug, heel natuurlijk ... De oogen van Schoon Franske
blinkerden van louter leute ... 't Pakte wat hij sinds dagen als een
vaag, bijna onuitvoerbaar plan in zich omdroeg ...

--"De teerlingen! de teerlingen!" riep Venijnige Charel zenuwachtig-
gehaast.--"We zullen smijten en wie 't minst gooit, moet dezen nacht
't moteurken van Schampavie naar den duvel helpen, gelijk hoe!..."

--"Aangenomen?" vraagde Suske, frutselend aan de gouden oorringen, die
hij droeg als voorbehoedmiddel tegen oogziekten ...

--"Ja! Ja!" Verward schreeuwden ze 't door elkaar.

Geerten, die een oogenblik met verre aandacht de sprekers in hunne
heftige bewijsvoeringen gevolgd had, juichte luide toe, want Schampavie
had hem, lange jaren geleden, eens in 't Schipperspaleis, de danszaal
van 't kwartier, een kermislief gekaapt, en die smaad leefde wrokkend
voort in Geertens borst ...

Heupwiegend kwam Lowis den teerlingenbak brengen. De mannen sprongen
recht, namen plaats om de ronde tafel, juist onder den lichtenden
gasluchter, midden 't vertrek. Lowis bleef staan, nieuwsgierig kijkend,
zijlings-lonkend naar Franske, die heur voortdurend gadesloeg,
bewonderend de gevulde ronding der borst spannend in 't zijden lijfje,
waaruit mollig-gedraaid de wat sproeterig-roode armen staken ...

--"Allô, niet stooten zulle!"

De dobbelsteenen rolden in den bak!... "Negen! voor Suske!" Weer viel de
stilte ...

Heimelijk naderde Franske Lowis, die hem vink-oogend wenkte. Nu stond
hij nevens haar, kittelde even heur arm ... Ze schoklachte ...

"Zes!... Aï mij ... Charel!"

"Stilte!... Sst!..."

Wijl Geerten met gespannen aandacht eenen worp volgde, neep Schoon
Franske, belust, in de malsche heup der deerne. Ze gaf hem een licht
stootje met den voet tegen zijn been ... Zijn hart vloeide vol gloeiende
zaligheid ... Hij moest werpen!... Als 'k 't hoogst smijt!... dan ... Hij
dacht niet verder en gooide ... Twaalf ... Hoerah, Franske!... Overmoedig
gierlachend, greep hij in 't geniept, achter Geertens rug om, de hand
van Lowis, kreeg een fermen druk weerom ... trok snel terug, voelend de
sluw-loerende oogen van Venijnigen Charel op hen gericht ...

Geerten was aan de beurt. Onverschillig bolden de ivoren kubusjes in de
roodbeplakte doos, buitelden zottelijk koppeken over, bleven toen stil
liggen.

"De twee apen!" (de twee eenen.)

Een schaterlachen doorschokte de lichamen der roeiers ...

"Gij moet gaan! Santé zulle," riep Charel hoonend.

"Daar doe 'k het orgel op spelen!" zei Lowis gekscherend, en met een
kort klikje begon de metalen plaat te draaien en de tonen van een
gevoelerig, alom-bekend Engelsch deuntje, trippelden door de kamer,
dom-vroolijk en vuig-dartel, lijk den perelenden lach eener dolle
maagd ...

Käthe zong mee ... De "printers" brulden onverstaanbare woorden, de
roeiers hadden dwaze pret, tot de plezante bazin, met een klein gebaar,
wat stilte verkreeg en Franskens welluidende, sentimenteel-bibberende
neustenor alleen, in gemeen haven-engelsch, 't roerend "Chorus"
voort-zong ...

    Because I love You...
    My only one regret,
    Since then we 've never met
    Because I love you...
    Yes, my heart is yours!...
    Because I love you!...

Hij bezag Lowis, voelde dat hij haar bekoorde, dat ze "zijn" was ...

       *       *       *       *       *

Geerten liep over den slijkerigen steenweg langsheen de eenzame kaden,
nu en dan groote stappen nemend om te mijden de wijde plassen door den
regen achtergelaten ... Een bolle wind woei ... Met schrikkelijk razen
holde hij over de zinken afdaken, deed de flakkerende gasvlammen dansen
achter de driftig rammelende ruiten, huilde woest in het touwwerk der
vast-gemeerde schepen, waarvan de zwiepende masten, nauw zichtbaar in de
duisternis, boven de goederloodsen uitstaken ...

"Wat 'n hondenweer," peinsde Geerten ...

Hoog in de lucht, nu en dan mat-zilvrig beglansd door een ronde maan,
zeilden wild over 't waterig blauw de witte wolken, die de bries
uitrafelde en stuk-scheurde, de flardende brokken met omstuimige vaart
voort-jagend ... Een eenzame locomotief, uitpuffend blanke rookpluimen,
seffens door den gierenden wind tot pluis verstoven, manoeuvreerde, af
en toe luid-gillend ... Geerten hoorde hoe losgelaten wagens donderend
tegen elkander botsten, tot opnieuw weerklonk een eentonig toeten,
gevolgd door rauw fluiten, en de locomotief een nieuwe reek rammelende
wagens voortduwde ...

Geerten maakte de oorlappen van zijn klak los, bond ze onder de kin
vast, want zijn ruige wangen tintelden van kou ...

Loopend langs de huizen, om zich tegen den zoevenden wind te beschutten,
begon hij na te denken over hetgeen hij nu doen ging ... De frissche
nachtlucht verhelderde zijn brein, waarin nog hingen nevels van wisky en
gerstenbier. Hij moest gaan ... maar waarom was 't lot juist op hem
gevallen?... Waaróm?... en wanneer alles nu eens uitkwam? Dan zou hij
niet gemakkelijk uit de handen van 't gerecht blijven ... en de anderen
ook niet ... Ja, ja, ze zouden wel zwijgen ... Kon 'n mensch wel iemand
betrouwen?... Verdomd toch, waaróm was Franske nú juist bij Lowis
gebleven?... Weer hoorde hij zijn eigen woorden van daar straks, toen de
mannen allemaal reeds weg waren en Käthe met één der "printers" ook al
heengegaan was!...

"Gaat-de mee doór, Franske?" ...

Waarom was Franske toch gebleven?... Hij kon er geen kop aan krijgen ...
Nu was hij misschien al naar huis ... Hij trachtte zich die gepeinzen uit
het hoofd te zetten, probeerde te denken aan hetgeen hij nu uitvoeren
moest!...

Ik zal den moteur kapot kloppen, of een stuk er af vijzen ...

Maar onweerstaanbaar kwamen dezelfde gedachtekens, klein en bepaald,
weer in hem optikkelen ... Neen, Franske en Lowis, dat ging niet ... Nen
jongen van twintig en een wijf van in de veertig! Toch wist hij dat zijn
redeneering geen steek hield, dat hij ze enkel wilde aannemen om rustig
te kunnen blijven ... En hij woont zelf met zoo'n net lief ... Als ik er
zulk een vinden kón! frisch en mollig, een bloem op een veld!...

Geerten vond die voorstellingen leutig, ze verdreven de achterdocht, die
hem 't hart verknaagde ... Jaloersch was hij niet, neen ... maar toch ...
Lowis was van hem, ... daar moest Franske zijn pooten afhoûwen of
anders ...

De donkere Scheldebaren, opkammend met schuimende koppen, beukten razend
de vlotbrug, die verlaten lag in den blauwenden maneschijn ... Wat
verder, tegen de kade, donkerden de sombere scheepsrompen, beweegloos op
den woesten, kletsenden golfslag van den door storm ópgezwiepten stroom.
Van uit de onzichtbaarheid der wijdsche duisternissen kwam nu en dan,
bij vlagen aanwaaien het schorre toeten van een aankomend schip ...

Geertens' dikgezoolde schoenen klopperden de houten brug onrustig; hem
beving een gevoel van schrik, niet meer te overmeesteren hoe meer hij
naderde ...

Beneden in het stillere water achter den steenen pier dansten lichtekens
de roeibootjes, bij elken schuimgolf, die klokkend tegen den houten
steiger klotste ... en wat afgezonderd, gansch met zeildoek overspannen,
dicht tegen elkander aangeleund, dobberden die vervloekte moteurkens,
rank en sierlijk in 't nu en dan door wolken verduisterde wijfelschijnen
der maan ...

De stilte was zwaar, soms een korte pooze verbroken door 't heftig
loeien van den wind en 't bulderend rollen der tuimelende baren van den
hollen vloed.

Geertens moed nam af. Hij vond zich-zelven laf, futloos-laf!: een
ongekend gevoel voor hem. In zijn beneveld denken klaarde geen enkel
beeld.

Schuw speurde hij rond, sprong in een bootje, dat vast tegen den steiger
lag: het wiegelde vervaarlijk, schepte wat water. Met een enkelen stap
stond hij wijd-beenend overeind in 't naastbij liggende sloepje, dat hij
zacht afdrijven deed tot het hem mogelijk werd zich vast te klampen aan
den boeg van een ander vaartuigje, gemeerd aan een ijzeren ladder, die
langs den kademuur daalde ... Nu was hij tegen de moteurkens ... Hij zou
toeslaan ... Zijn groote lierenaar had hij reeds geopend om een groot gat
in het over den motor gespannen zeildoek te kerven ...

Sluw-voorzichtig meed hij den vagen schijn van een lantaarn op de
kade ... Kalm wilde hij wezen ... Nu zou hij 't doen; nu ... Als hij maar
eens zoo'n moteurken bezat! Dwars door 't natte strakke zeildoek gaf hij
een groote snee, trok dan gejaagd zijn mes terug. Voetstappen
weerhelmden op de brug, die naar den steiger daalt. Omziende, bemerkte
Geerten een blinkenden politiehelm, die hem ineens alle bezinning
benam ... Vlug richtte hij zich op, het bootje waggelde, dreef wat af ...
in een oogwenk had hij de ijzeren ladder gegrepen, trachtte op de
laagste sport te springen. Zijn eén been plonsde in 't ijskoude water,
maar met een forschen wip zijner sterk-gespierde armen trok hij zijn
geheele lichaam omhoog, klauterde snel naar boven ... dan liep hij
ijlings weg ...

De politieagent zette hem achterná ... Geerten hoorde zijn haastige
passen achter zich, hol klinkend in de nachtstille straat ... De wind
zoefde fluitend langs de huizen ... Daar kwamen matrozen aan ... Die
zouden hem den weg versperren ... Vlugger repten zijn voeten. Een schril
tuiten gierde, lang-gerokken, boven den wind uit ... Geerten wist wat dit
beduidde: nu zou er hulp opdagen voor den agent. De zeelui waren vlak
bij: ze breidden hun armen uit om hem op te vangen. Woester rende hij,
niet voelend de matheid van zijn half-versteven been ... Met een razenden
sprong, en forschen zwaai zijner knoestig-gebalde vuisten sloeg hij zich
door de half-dronken mannen heen ... Dáár was een smal zijstraatje, met
een rappen zij-sprong was hij den hoek om, ademde toen wat rustiger,
liep minder snel, overtuigd dat zijn vervolger hem nu niet meer op de
hielen zat. "Als 'k maar de wijk uitkom, dan zal de sloeber me niet meer
volgen." Met flinken tred hamerde hij de droog-gewaaide gaanpaden, kwam
op de lanen, waar de wind de naakte magere boom-geraamten schudde,
afknakkend de doode takken, die met een doffen smak neerkwakten op den
harden grond. Hoog in de lucht jachtten nog steeds de donker-dreigende
wolken. Uitblazend, liep Geerten na te denken. Mislukt! Hem kon het gaar
niet schelen, maar wat zouden de anderen zeggen! Franske en Venijnige en
Suske en de rest?... en dàn Lowis?... Dat ze verdomme allemaal dachten,
wat ze wilden ... maar Lowis?... bah ... dat zou wel schikken ...

Straat-in, straat-uit stapte hij, recht naar de kroeg zijner vriendin.
Nu stond hij voòr de dichte deur, zwarten rechthoek in den hel-gelen
gevel, waarop amerikaansche en engelsche vlagskens geschilderd waren. De
straat lag eenzaam en verlaten-stil ... Geerten klopte, het klonk dof
door heel het huis.--Geen roering kwam er achter de neergelaten
voorhangen op het eerste, waar Lowis sliep. Met saamgeknepen vuist,
bonkerde hij harder en harder op het nauw-toegevende paneel. Dan ging
hij midden den steenweg staan, strak-starend naar de bovenramen. Niets
bewoog ... Hij merkte, laag, tusschen de franjes der rolgordijnen het
zachte wijfelschijnen van het vet-pitje, dat steeds brandde op de
nachttafel naast hun bed ... Zoo duidelijk zag hij alles vóor zich. Zoo
warm was het nevens heur bloeiende lijf ... De hevige wind deed zijn
losgeknoopte jas opflapperen, versteef zijn nat-koude been. Vloekend,
met krampachtig-gebalde knuisten, begon hij op de deur te beuken,
woester en woester steeds, wijl de toorn in hem vlamde, daar in-eens, in
hem het pijnende vermoeden klaar-geworden was, dat Franske bij Lowis kon
zijn ... ofwel een ander ... zooals vroeger ... een van die jonge
snotneuzen van "printers" ... zij éen en Käthe éen, overlegde hij ...
"Sakkerdomsche ros!" Zenuwachtig-kort bonsde hij op de niet-wijkende
deur, waarachter alles stil bleef en roerloos ... Niets hielp ... "Als dat
moest waar zijn! 'k vermoord ze morgen allebei ... zoo'n smeerlappen!"

Mismoedig, uitgeput, toog hij naar huis, om daar te slapen, wat hem
sinds langen tijd niet meer gebeurd was ... De zware poort van zijn
steegsken stond op een kier ... Hij duwde ze open, liep behoedzaam langs
den muur, voetje voor voetje, bevreesd van tegen een stootwagen te
loopen, stak dan het enge binnenplaatsje over, trad zijn huisje
binnen ... Toen hij de lamp ontstak, na lang scharrelen om stekjes te
vinden, schoot Trees wakker. Ze zette zich in 't bed overeind. In heur
vieselijk gezicht plakten de hangende haren. Ze wreef zich de oogen uit,
wierp het gore deksel wat terug ... keek slaperig-verbaasd ... "Zijt gij
daar?" vraagde ze verwonderd ... "wat 'n eer van u te zien!..."

"Laat me gerust" bromde Geerten, zich uitkleedend.

--"Buitengesmeten" meesmuilde ze nog spot-lachend ...

--"Zwijg, verdjuusche, zatte teef!..." Hij zag de jeneverflesch
half-leeg, op tafel staan, nam ze òp, zette ze aan den mond en met
klokkend geluid slokte hij eenige teugen naar binnen ... Dan kroop hij
bij zijn vrouw, tusschen de vunze lakens ... "Allez, schuif-op, vijf voet
van mijn lijf, Pruttige ..." Trees gehoorzaamde, grommelde tartend: "Bij
Lowis èh, daar is 't schooner ..."

--"Gaat ge zwijgen!" De gedachte aan zijn lief, deed hem pijn ... Toen
hij, door den drank beneveld, reeds half in slaap was, schudde Trees hem
opnieuw wakker ...

--"Geert!... Geert!... vader is slechter. Er moet bij gewaakt worden"
...

--"Laat me gerust, ... 't is goed ..."

Met trage galmen sloeg het vier uur, op de huisklok ...

       *       *       *       *       *

's Anderdaags was het laat vooraleer Geerten op de kaai kwam. Eerst
durfde hij niet gaan, eindelijk had hij zijn schaamte overwonnen: Zouden
die moedige mannen blijven voortwerken, wanneer een polies naderde? Dàt
wist hij wel beter ...

Het weder was opgeklaard. De lage zon wierp op alles een zachten schijn,
deed lichttikkelingen dansen op de nog schuimgekopte golfjes ...

't Zal toch nog regenen, meende Geerten ...

Suske, Venijnige Charel, Domien en heel het zooitje, stonden bijeen,
toen Geerten, de handen diep in de broekzakken, met zwalkenden gang, hen
naderde ...

Seffens vraagden ze hem, nieuwsgierig en drukdoende, naar zijn
wedervaren van den vorigen nacht. De uitslag was hun reeds lang bekend,
want Rik Schampavie en zijn kameraden--de onderkruipers!--waren al een
keer of twee overgevaren met "typen" van de Yachtclub. Tegelijkertijd
brachten ze elkaar op de hoogte van de schade, die de storm van den
nacht aan enkele yachten had aangericht ... Wèl hadden ze den Rik hooren
sakkeren en vloeken alle duivelen uit de hel, bij 't bergen van zijn
zeil, maar hij was toch vertrokken ... dus was alles mislukt ...

Geerten moest bekennen en hij schaamde zich weer ... hij, die doorging
voor den sterksten man van heel den "bassin", was gaan vluchten vòor den
helm van een spichtig-mager politiemanneken.

"Wat 'n vijg!" spotte Venijnige Charel half-luid, "'t was verdomd juist
de Sprot, die hier dezen nacht de wacht had,--zoo'n vijg."

Geerten hoorde het, verkropte zijn spijt, vroeg in-eens naar Franske
dien hij niet ontwaarde, zóo maar om 't gesprek af te leiden ...

"Bij Lowis blijven slapen ... wat nu ..." schamperlachte Charel ...

Geerten stoof op: "Als ge dat nog zegt èh, breek ik U armen en beenen!
Venijnige beest!"

--"'k Zeg de waarheid," snauwde de andere terug.

"Sakkerdju!" vloekte Basse rauw, rood van woede, bijna stikkend ... Met
een forschen zwaai sloeg hij zijn rechterarm om Charels lijf, trachtte
met de linkerhand zijn tegenstrever bij het leelijke hoofd te vatten.

"Hardi," kisten de toegeloopen omstanders, krachtige
buildragersgestalten met bloote borst, tusschen de donker blauwe truien
der bootjesroeiers.

Charel wankelde, viel ... Zijn kop bonsde op de bonkig-puntige kasseide,
bloed sijpelde langs zijn haren ... De twee vechters rolden in 't slijk,
lagen een pooze roerloos, zwaar ademend.

"Hardi!" "Houwen!" "Geeft hem het Geerten!" Basse lag boven, zijn vijand
duchtig stompend, liet wat los ... Met een krachtigen ruk wierp Charel
hem om, zette zijn linkerknie hem op de borst, voelde zich in-eens
sterker, en begon verwoed, met hard-gesloten vuist, te beuken in
Geertens zwellende gezicht, roepend met heesche keel dat allen het
hooren zouden ... "Vijg!... Hoorndrager!!... Vrijwillige hoorndrager!!...
Vijg!!!..." 't Deed hem deugd te kunnen uitbrallen zijn wraak ...
"Hoorndrager!..."

De over de vechters heen-gebogen gezichten straalden van pret ... De
roeiers lieten begaan, schudden de koppen: "Geerten is ver op ... hij
heeft zijnen meester gevonden" ...

--"De garde! De garde!" ... klonk luide en spottend een hooge
jongensstem ... Suske en Domien trokken Charel van Geerten af, die met
moeite overeind kwam ... De diender, spleet door de omstanders, dreef ze
uit-een, liet de vechters aftrekken ...

Geerten toog huiswaarts ... Alles deed hem pijn: zijn neus was
afzichtelijk en zijn blauwe oogen zwollen, hij sleepte zijn gekneusde
been. In dikke korsten droogde het zwart-vettige slijk aan zijn frak ...
Met de mouw veegde hij de sprenkelingen van zijn pijnlijk gezicht. Dat
was de eerste maal dat hij overwonnen werd, de eerste maal; 't smartte
hem innig-diep te weten het afnemen zijner krachten, en meteen werd het
hem duidelijk dat Lowis, Franske verkiezen moest boven hem, den bijna
afgeleefden vent ... Toch wilde hij niet berusten ... Wraak zou hij
nemen ...

Waarom moest het juist Franske zijn die hem bedroog ... Franske die zoo'n
fijn liefje bezat, jong en gezond, veel netter in ieder geval dan die
smerige rosse kloek. Hij vormde het vaste voornemen Fientje te
verwittigen, want twijfelen aan hetgeen Venijnige Charel, zoo driftig en
luide uitgeroepen had, deed hij niet meer ...

       *       *       *       *       *

Gedurende enkele dagen, tot de gezwollenheid van zijn gezicht verdwenen
was, bleef Basse van de kade verwijderd, terend op de luttele centjes,
welke Pruttige Trees won met den verkoop van oude lompen. 's Avonds trok
hij gewoonlijk naar zijn kranken vader, die op een kamerken woonde in
eene niet ver-af gelegen buurt, bracht zoo een nacht of drie wakend door
aan het ziekbed van den "Heiligen Jozef" ... Innig-overtuigd was
Geerten, dat het met den ouden niet lang meer duren kon, en hoe
stelliger zijn meening werd hoe meer het denkbeeld van een eigen
motorbootje te bezitten op den voorgrond trad.

Dàt werd Geertens troostgedachte, waaraan hij zich vastklemde en die hem
over alle geleden smart heenzette. Dàt zou zijn wraak wezen! Bersten
moesten ze! Lowis en Franske en Charel en heel den "bataclan." Maar
Lowis zou hij niet lossen, dat niet! Liever verloor hij zijn rechter
hand ...

De plezante bazin, welke gehoord had van het gevecht door Geerten voor
haar geleverd, was er door gevleid, en wel inziende hoe onmisbaar hij
voor haar bedrijf was, had ze eenigszins berouw gekregen, dat ze hem met
Franske bedrogen had ... Maar den jongen, krachtig-levenslustigen roeier
met het lenige lijf en het mooie haast fijnbesneden nauw-zongebruinde
aangezicht, wilde ze óók niet lossen ... vooral nù niet meer ... Ze
peinsde en herpeinsde, wikte en woog, tot heur breed geweten zich
tevreden stelde met de zoete oplossing, ze alle beî te houden--den
jongeren uit groote verwachtende liefde, en in stilte ... den ouderen om
zijn diensten, en openlijk ... Zoo was het goed want op Franske, kon ze
niet zoo erg rekenen: hij was veel jeugdiger dan zij en vroeg of laat
trouwde hij toch eens met zijn eigen lief, waarmee hij kamerde. Heel
ijverzuchtig was ze niet, wijl ze 't leven nam lijk het komen wilde,
hetgeen heur steeds voordeel gebracht had. Geerten bleef weg ... Ze
besloot ten langen leste hem te schrijven, wel-bewust dat hij gaarne
genoeg terugkomen zou, maar niet durfde ... 't Kostte haar oneindig
groote moeite om met de zwaar geringde vingeren der stramme ongeoefende
hand, zoo delikaat mogelijk, zonder vooral haar eigen waardigheid en
fierheid eraan te wagen, de niet gewillig-opwellende denkbeelden op
papier te brengen ... Käthe moest helpen ...

/*
Liefe geert:
Kompt toch gauw vroem, want we missen uw hard...
Lot de mense mor chouwele en geloofd alleen uw trouwe Lowis...
*/

       *       *       *       *       *

Dienzelfden avond nóg was Geerten terug bij zijn geliefde en liet zich
heur streelingen welgevallen, want ook in zijn gemoed was alles rustig
geworden na lang nadenken. Waarom zou hij jaloersch zijn, waarom als 't
misschien niet eens waar was, wat de babbelkousen rammelden ... en al was
't nu zóo, hém kon 't niet schelen, als hij maar de bovenste bleef ...
Meer mocht hij immers niet verlangen van iemand met een estaminet als
die van Lowis ... Zijn motorboot vulde thans veel meer zijn zinnen, dan
de vleeschelijke vrouw.

Toen Geerten terug aan de ponton verscheen, waar gedienstige tongen
reeds alles aan het klokzeel gehangen hadden, werd hij begroet als de
"Vijg", iets waaraan hij zich niet stoorde, en, om het te toonen, ging
hij met Franske en de anderen om zooals vroeger. Lowis mocht tevreden
zijn over Geerten, want stipt volgde hij haren raad: 't was maar om de
klanten niet te verliezen ...

In zijn hart bleef Geerten Franske haat toedragen, maar hij toonde het
niet, vast besloten in 't geniept wraak te nemen, want dat dien
flierefluiter terug komen zou, wist hij omtrent zeker, vooral wijl de
rosse als vredesvoorwaarde gesteld had, niet elken avond meer te blijven
slapen ... omdat het te ... moeilijk was voor ... 't opstaan, 's morgens,
wanneer Geerten al heel vroeg vertrekken moest, hetgeen de nachtrust der
plezante bazin stoorde, en dan ... de taterende geburen ... en 't belang
der zaak!...

Och, daar maalde hij niet om, vooral nu hij toch om den anderen nacht
bij zijn zieken vader waken zou ...

Op een namiddag, heel onverwacht, ontmoette hij 't lief van Franske,
Fientje, met haren mosselwagen ... Hij groette vriendelijk joviaal, deed
haar stoppen, bestelde voor vijf centjes mosselen ... Met volle handen
grabbelde ze in den hoog-opgetorenden, zwart-slijkerigen stapel, waaruit
hier en daar besmeurd wier-groen opstak, nam eenige schelpen in de
linkerhand, maakte met handige mesbeweging de schalen open ... Geerten
pakte de mosselen aan, slurpte gulzig het vette, witte mollige vleesch
naar binnen ...

"'t Zijn er goeï" lachte hij ...

Met voorzichtige, sluwe woordjes bracht hij 't gesprek op Franske. 't
Mooi-slanke, blonde Fientje, kloeg dat hij zoo weinig geld afgaf, laat
thuis kwam, soms 's nachts in 't geheel niet omzag ... Waarom trouwt ge
niet? vroeg Geert ... 't Meisje gibberde luid-op ... "Zijt ge zot?... Dan
heb ik in 't geheel niets meer aan hem ... nu is hij nog bang, dat ik hem
zal laten stikken, maar dan ben ik gebonden ... 'k zou u bedanken,
zulle ... zoolang er geen kinderen komen, kamer ik liever." Geerten moest
toegeven, met spijt, dat het huwelijk Franske zeker niet verbeteren
zou ... "Hij is te schoon," bemerkte hij, sarcastisch ... "Wat kunt g'er
aan doen," zuchtte Fientje. De roeier had er een heimelijk plezier in
zijn wraak stillekens-aan voor te bereiden ... "Ja, wat kunt g'er aan
doen? 't Is zonde, dat hij niet begrijpt wat 'n lief ding gij zijt ...
enne ... naar ..."

"Wat zegt ge" hijgde 't mosselvrouwken ... "naar?..."

... "een wijf als rosse Lowis ziet," voleindde Geert, traag opslurpend
de laatste vette mossel, die Fientje hem aangeboden had.

De tranen sprongen in haar klare oogen. "Dát had ze nooit gedacht!...
Zonder verder te talen, zette zij zich schrap, stootte heur wagen voort.
Geerten hoorde hoe, na een wijle, haar stem, schor en
tranerig-onduidelijk klonk bij 't roepen van 't gewone "kêpeleê."

"Die heeft beet," grinnikte hij, zeker zijn doel te hebben bereikt ...

's Anderdaags kwam Schoon Franske, tot groote vreugde van al de
bootjesroeiers, met een koppel blauwe oogen, en een gezicht gestriemd
door nijdig-rood-bekorste krabben, naar de vlot-brug ...

--"Dag blauwe-geschelpte," spotte Geerten, uitschaterend zijn dolle
leute ...

--"Vijg!" beet Franske kort-af, terug.

       *       *       *       *       *

Den heelen voor-winter door, sukkelde de H. Jozef, steeds afnemend in
krachten, en nu was elk uur het einde te verwachten. "God zij geloofd"
had Sophie--zijn dochter--gezegd, "want dat lijden is niet meer om ná te
zien," en hierbij dacht ze vooral aan 't geld, dat ze daarná niet meer
hoefde te geven en waardoor reeds zooveel ruzie met haar man in huis
geweest was ..."

"Geerten zal dezen nacht tot twaalf uur waken," had Pruttige Trees
gezegd, ... "dan kom ik zelf, want hij moet van-avond, gelijk alle jaren
met nieuwjaarnacht, naar 't feest van "'t Kasken" in de maatschappij"
... Om zes uur was Geerten zelf gekomen, op zijn paasch-best gekleed.

't Sneeuwde buiten ... De lucht was éene grijsheid van schommelende
donspluisjes en beneden, op de achterplaats, zongen kinderen ...

/*
"Deezeken schudt zijn beddeken uit
en laat zijn pluimekens vliegen" ...
*/

De vlokken plekten tegen de bedompte ruiten der krankenkamer. Een
olielampken brandde zacht-pinkelend op de kale schouw, waarop een gladde
spiegel het twinkelend lichtje weerkaatste. Het vuur in de potkachel
smeulde, nu en dan viel een gloeiende sintel met luid tikken in den
aschbak, wierp even een ras-verstervende oranje-klaarte op den donkeren
vloer ...

--"Niet te hard stoken, fluisterde Trees bezorgd, "ánders heeft hij het
te benauwd" ... en ging dan heen ... De duisterte hing dik in de hoeken,
vulde de gansche kamer, waarin alleen wit-vlekten de lakens op 't
ledikant ... De zieke sluimerde: zijn oude, gele, ingevallen gelaat, met
diepe kuilen aan de slapen en onder de diep-liggende oogen bezijden den
grooten scherp-belijnden arendsneus, scheen klein midden de blanke
bolling van het kussen. Alleen de ring-baard, weeldrig-wit krullend,
leefde nog ... de gerimpelde wassen handen lagen roerloos op het
omgeslagen laken. Beweegloos zat Geerten bij het bed, in kalmte
afwachtend, het gebeuren dat nakend was. De sneeuw geruischloos en zacht
viel steeds in pure blankheid ... De uren gingen voorbij, trage weggetikt
minuut na minuut ... Soms galmde boven 't doffe straat-rumoer uit, de
torenklok, afbrokkelend de laatste stonden van het stervende jaar ...
Dichtbij beierde 't klokje van 't naburige klooster. Dan kwamen alleen
maar de geruchten der straat, dempig en ver-af tot in de kamer
doordringen: het wanluidend gekletter van metalen balken op een
hotsenden wagen, het schelle hoornblazen van een krantenjongen. In 't
aangrenzend kroegje, klonken onophoudend zeurige harmonicadeuntjes.
Geerten trok even een venstervoorhang op: Het sneeuwde niet meer ... Het
kleine achterplaatsje, beneden, lag wit en verlaten in den maneschijn,
die wondere tintelingen leven deed in de kristaliseerende blankheid.
Pelsranden lagen op elk vooruitstekend deel der zilvrig belichte gevels,
en de daken kropen weg onder hermelijnen mantel ... Geerten liet het
rolgordijn terug af: in 't vertrekje werd het donkerder, en op den
neergelaten voorhang, stond klaar afgeteekend het kruishout der ramen.
De zieke bewoog, mompelde iets onverstaanbaars ... Geerten boog zich over
hem heen: "Eens drinken, vader?" ... Hij schonk een glaasje vol van den
wijn, dien Sophie gebracht had, wilde het den kranke geven: hij
weigerde. Dan dronk Geerten het zelf maar uit, tongsmakkend, deed ook
nog een flinken teug aan de flesch! Bah, ze hebben wijn genoeg ...

Ziende dat vader hem toch niet meer herkende, nam Geerten zijn plaats
terug in en wachtte ... Buiten werd het leven woeliger ... Er drongen
gezangen dóor tot in de stille kamer en hij zag, in verbeelding, de
hossende en dansende benden, die nu juichend de straten van 't
Schipperskwartier doorliepen, om hoopvol-feestelijk te begroeten den
nieuwen tijd ... Wellicht zou hij dit jaar zijn droom verwezenlijkt zien
en eindelijk een motorbootje bezitten. Misschien!--Half-soezend zat hij
te tobben.--Veel geluk had hij in de laatste tijden niet gehad. Het
gescharrel van Lowis met Franske, kon hij niet verduwen en steeds ging
hij gedrukt onder dien spotnaam van hoorndrager. Openlijk heette hij
alleen "de vijg," maar hoe gewoon zijn omgang met de overige roeiers ook
was, toch wist hij dat ze hem achterduims bespotten. Hij liet ze begaan,
beloofde zich groote vreugde, wanneer hij een moteurken bezitten zou.
Dat wás zijn levensdoel en éenige bekommering geworden. En, nádenkend,
wikkend en wegend, begon hij uit te cijferen hoeveel vader wel kon
gespaard hebben. Moeder was nu vijf jaar dood en dan had de oûwe 't
kleine snoepwinkeltje en 't koffie opschenken voor een gering sommetje
overgedaan aan een buurvrouw, 't Was juist voldoende geweest om den
doctor te betalen, want Moeders langdurige ziekte had heel wat geld
gekost ... "Ja, ja", overlegde Geerten ... "en toch met het beetje dat
overbleef en met de tweehonderd vijftig frankskens, die Sophie ieder
jaar afdokte, kon zoo'n oud man leven, ... en zelfs wat wegleggen ... of
had hij soms alles opgedaan?... Alles!... 't was onmogelijk: immers
Vader was gierig, dronk weinig, rookte niet meer bijna ... Er moest toch
nog wat overblijven ... al was het maar een honderd frank of twee ..."
Werktuigelijk stond Geerten op ...

't Gewoel in de straten was aangegroeid. Duidelijk klonk het roezemoezen
der stemmen in de aangrenzende kroeg. Met den opstekenden wind, die
buiten de versche sneeuw deed opwirrelen en verstuiven, kwamen bij
vlagen, brokken van zeurige straatliedjes aanwaaien ... Behoedzaam nam
Geerten de lamp van de schouw, hield ze dan een stonde boven 't steeds
meer invallende gelaat van vader ...

... 't Gele doodsgezicht was effen en stil in den zachten lichtgloor, de
oogen waren geloken, de adem reutelde, doende opstreuvelen--heel even
maar--kleine haartjes van den baard ... Alleen de handen, groot en
beenderig, met lange knokkelige vingers en vuil-zwarte nagels, liepen
als spinnen over 't omgevouwen blanke laken, plooiend en herplooiend ...

"'t Zal afloopen" peinsde Geerten kalm, berustend: die dood, waaraan ze
zich allen zoo lang reeds verwachtten, kon hem niet meer schokken. Het
zou enkel zijn de verlossing uit het lijden van een arm-verlaten
grijsaard, en 't ophouden van slapelooze nachten voor den forschen
Geert ... "Ieder moet sterven en als men al meer dan tachtig jaar geleefd
heeft, is men in de wieg niet versmacht" ...

Op de teenen schoof Geerten naar de kleine in eik-geschilderde kast, die
in de donkerte van een hoek, achter 't bed, scheen weg te kruipen, zette
de lamp op het blad, trok een schuif open, en zocht ...

't Sloeg elf uren ... "Trees zal gaan komen," dacht hij. Zijn ruige,
bruine eelthanden scharrelden zenuwachtig rond in den kleinen lichtkring
die van onder de lampkap uitkegelde ... Gejaagd verlegde hij doosjes en
ledigde een ouwe draad-versleten geldbeugel van moeder zaliger ...
"Niks!" Hij doorsnuffelde ijlings elk hoekje, neusde nieuwsgierig
tusschen elk blad ... "Dat 's 't huishuurboekje ... Hier in dien kerkboek"
... Er lagen sokken, met groote gaten, opgerold in de schuif. Geerten
doorzocht ze, trok ze om, drie, vier keer, werd nijdig en vloekte boos,
niet vindend den gewenschten schat. De zieke ademde moeilijk: de lucht
reutelde in zijn keel ... zijn handen bewogen krampig, zijn mond hing
open, schuim-lippend. De lijnen van 't ingevallen gelaat stonden
scherper en hoekiger, de rimpels dieper-gegroefd, de oogleden nauw open
op de reeds gebroken oogen ... Hijgend, jachtend-verlangend, grabbelde
Geerten in de half-neerhangende schuif, alles vergetend in zijn zucht
naar geld. Al wat hem hinderde liet hij ten gronde vallen ... Nu hurkte
hij neder voor de wijd-open deuren. In de duisterste hoeken morrelde hij
met grijp-grage vingers. Zijn oogen brandden onder de borstelige
wenkbrauwen ... Plots, stroomde zijn hart vol warme vreugd, deed het
feller hameren van blijde verwachting: hij had een zakje ontdekt, opende
het ras ... De inhoud rolde met kleine tokkelgeluidjes over den grond,
verspreidde zich ... Geerten vloekte luid: 't waren de lotonummerkens,
die hij gevonden had ...

Zou vader iets gehoord hebben?... Aarzelend trad hij op het bed toe, zag
hoe onbeweeglijk daar neerlag het uitgeleefde lichaam ... bevoelde
haastig de stil-gevallen handen. Geerten schrok hevig ... sprong weg ...
boog zich voorover ... de adem ging niet meer ... 't Ging rauw en snijdend
door zijn brein: hij is dood ... De stilte viel drukkend om hem. Nu
durfde Geerten niet meer zoeken naar geld. Zijn kop werd als voos, bij
't eenvoudig denkbeeld aan vaders toch-nog-onverwachts-gekomen dood, die
hem wonderbaar voorkwam: een vertrek zonder afscheid of tot
weerziens-zeggen, een verraderlijk wegsluipen op onhoorbare voeten ...
Wat kon hij nu doen ... Trees bleef maar weg, en in heel het kleine huis
was geen levende ziel meer ... Mocht hij nu naar Lowis gaan om mede te
feesten?... Alles was betaald ... hij moest ... of Franske zou weer ... Als
Trees nu maar kwam ... misschien was de Pruttige weer zat!...

In-eens, bruusk-geweldig, verscheurend de grootsche stilte, de
plechtig-wachtende geruischloosheid der ijl-wordende minuten, vulde 't
schorre toeten van honderd stoomers, 't hel-metalen galm-tingelen der
jubelende klokken aan boord der zeilers en 't scheurend-gieren van luide
mistseinen, de vorstdoortintelde winterlucht, daverend van geluiden
heenvlagend over de feestvierende stad, aan flarden rukkend de laatste
stonde van 't heen snellende oude-jaar, juichend-begroetend den
jeugdigen, hoop-rijken, nieuwen tijd ... De geruchten werden grooter,
omvangrijker, overal opstijgend, alles door-dringend ... In 't kroegje
brulden dronkaards een gekke "brabançonne", en in de straat joelden en
tierden de pretmakende benden.

En Geerten dacht in eens aan Lowis, die door ieder nu gekust werd in 't
donker, wanneer, klokslag twaalf, de gaspitten uitgedraaid werden. Zijn
bloed liep warm en heftig door zijn lijf ... hij vloekte ... ô die
Trees!...

Hij hoorde stommelen op de trap ... Daar was ze! Ze trad binnen, wierp
haar bont-geruiten sjaal achteloos neer op een stoel ...

--"Ehwel?" ...

--"Dood," zei Geerten ... "Ga roep iemand om hem te lijken ... hij is al
bijkans koud ..."

--"'k Zal 't wel alleen doen ... een ander moet er zijn neus niet
insteken ... en Sophie ook niet ..."

--"Niks gevonden?" vroeg ze ná een poos, naar de in wanorde liggende
kast gaande om de lamp te nemen.

--"Niks," antwoordde Geerten norsch ... "'k trek er uit ... Zijt ge niet
bang?" ...

--"Bang, begod,!" ... schamperde Trees, een slok zuigend uit haar
fleschje, terwijl ze de kachel opkoterde en water opzette ... "Zie, als
de moor maar al kookte, dan was 't gauw gedaan ..."

De deur draaide dicht achter Geerten ...

De straten waren slijkerig. De witte sneeuw van den vooravond was
vertrapt tot vuil-gore massa, waarin de voorbij rijdende karren diepe
sporen hadden gedrukt, glimmend in den blauwen maneschijn. De daken
zilvrig belicht blankten hel tegen de ijl-donkere lucht, waarin de
twinkelende sterren geprikt stonden ... Beenend langs heen de huizen,
spoedde Geerten zich voort ...

Achter de hel-oranje stralende vensters der talrijke drankhuizen klonken
vroolijke stemmen en luidruchtige orgelmuziek, en in 't voorbijgaan
gluurde hij een danszaal binnen, waar in het verblindende licht van
electrische gloeilampen, tusschen de schreeuwerige pracht der
goud-omrande spiegels in de wanden, rondzwierden tollende paren. In de
verte zag hij de opspichtende masten van een zeilschip; fel-wit op de
stalenlucht teekenden de sneeuw-belijnde-ra's. Nog een straatje ... Hoe
meer hij naderde, hoe grooter de drukte werd ... Zingende en zwijmelende
matrozen liepen gearmd met liefde-deernen; pretmakers met volksvrouwen,
dik gerokt en hoog gekapt sprongen in 't opsprinkelende slijk voor de
deur eener herberg.

Aan den hoek der straat, waar Lowis woonde, bespeurde Geerten in de
kringende klaarte van een lantaarn, een blikkerend voorwerp in 't slijk.
Hij bukte zich en vond een hoefijzer ... Dat 's geluk peinsde hij en zijn
mistevreden gezicht verhelderde: hij zou zijn motor hebben dat jaar ...

Bij Lowis waren de rolbeluiken neergelaten. Van wijd reeds, hoorde hij
de luide stemmen der feestvierenden ... De deur stond op een kier.
Geerten wierp ze open, stond in de hel-verlichte zaal ...

Onder 't pletsend licht van den vergulden gas-luchter, juist voor de
schenkbank, stond de groote ronde tafel, waarom al de leden zaten van
het Spaarfonds der Ware Varensvrienden. Lowis troonde nevens Franske.
Geerten deed of hij 't niet merkte ...

--"Ne gelukkige zulle" ... wenschte hij, de uitgestoken handen
schuddend ... Van Lowis kreeg hij een fatsoenlijken zoen op de
stekelig-bebaarde wang ...

--"Zoo laat" zei ze ...

--"Vader is dood" ...

--"Is de H. Jozef dood?" wonderde Suske van Loock.

--Uitgeleefd, antwoordde koel-kalm Geerten ... uitgegaan gelijk een
keersken ... Gulzig begon hij te smikkelen van hetgeen Käthe hem
voorschoof, niet gewaar-wordend hoe de glanzige oogen der plezante bazin
op hem rustten. Al zijn denken concentreerde zich op 't aankoopen van
een moteurken, want nu had hij zekerheid dat vader wèl wat zou
achterlaten ... wat kón dat hoefijzer anders beduiden?...

--Nu gaat ge erven? meesmuilde Franske ...

--Peeschijven, jokte Geerten terug ... Ze zouden 't nooit weten, besloot
hij, Lowis ook niet ... 't Leek hem of hij 't geld al vast had. Al de
teleurstellingen der vorige uren, 't vruchteloos zoeken, scheen hij
vergeten, nu hij het heil-voorspellende hoefijzer in zijn zak droeg.

De luidruchtigheid nam toe ... De oogen der smullers glommen in de
roodgloeiende gezichten. Nog enkelen peuzelden aan 't laatste beetje van
't opgediende konijn.

--"Wat kat, Vijg?" plaagde venijnige Charel, schoof de schaaltjes met
kluifjes toe, deed de moe-gekauwde monden even vertrekken tot een
glimlach.

't Bier klokte in de dorstige kelen ... Käthe deed het orgel spelen, en
weer zong Franske met zijn neus-tenor een sentimenteel
tingel-tangelliedje. Geert knabbelde voort. 't Vet droop hem in den
baard. Met groote teugen spoelde hij 't schuimende dikke gersten naar
binnen: zijn oogen flikkerden genotvol.

--"Alló Geert, laat eens zien wat dat gij kunt of Franske doet u nog den
baard af," gichelde Käthe, wierp hem een stukje koek toe, dat hij in den
wijd-opengespannen mond opving ... "Wat 'n bakoven" schertste Franske.
Toen Geerten nog een konijnenkop had af gekloven, dronken ze allen hun
glas leeg, en werd de tafel op zij gezet, want Lowis en Käthe wilden
dansen.

Franske walste lustig met de plezante bazin ... Geerten zag hoe hij ze
dicht tegen zich aan prangde, en 't liet hem koud. Van heel den nacht,
keek hij naar Lowis niet meer om en dronk lustig al wat men hem
voorzette, trakteerde Käthe, die nevens hem was komen zitten, neep haar
tersluiks in de mollige armen en kriebelde ze onder de oksels dat ze
stuiplachte en de overigen mee kwamen helpen ... De rosse gierde van
pret, liet zich in stilte zoenen door Franske ... Käthe ging van den
eenen naar den anderen, werd door de bedronken mannen op bier en wijn
onthaald ...

Geerten voelde zich moê en ijlhoofdig: hij werd het gewaar dat hij toch
zou moeten heengaan, dat Lowis nu alleen naar Franske verlangde en hem
wegsturen zou ... Kwaadaardig besloot hij het langst mogelijk te toeven.
't Deed hem toch leed, te beseffen hoe heel anders het nu was tegen 't
vorige jaar, toen ná uitbundige uitspattingen, Lowis nog vuriger dan
anders naar hem verlangde en ze heur rond-mollig-, warm lijf tegen 't
zijne vlijen kwam, daarna ... wanneer ze alleen bleven ... Tot den
laatsten roeier, zwijmelend en lallend vertrokken was, talmde Geerten,
en 't werd hem tot een wrang-genot toen hij er in slaagde Franske mee te
troonen ... Ze durfde hem niet openlijk bedriegen!

Vóór hij zich te bed begaf, bestaarde hij nog eens het vuile oude
hoefijzer, en in zijn binnenste bloeide open de blijde hoop ...

       *       *       *       *       *

"De H. Jozef" was begraven. 't Loopen achter de vergulde lijkkoets,
langs de vuile slijkstraten in den vroegen ochtend, had op Geerten een
pijnlijken indruk gemaakt. Op de begraafplaats, wanneer de lange smalle
kist in den verschen kuil, donker-gapend te midden der tintelende
blankheid van de hier nog ongerepte sneeuw, verdween, was zijn
hard-omkorst gemoed volgeschoten en 't schupken beefde in zijn ruwe
eelthanden wanneer de aardklompkens op de kist neerdoften ...

Nadat hij in de tegenover het kerkhof liggende herbergen, met eenige
zeupkens klare zijn emotie doorgespoeld had, toog Geerten te voet naar
de stad terug, heel-alleen, wijl de anderen zich per rijtuig naar het
sterfhuis lieten voeren, waar Sophie en Trees cognac zouden schenken:
hij wilde niet terug naar vaders kamer. De koude lucht deed hem goed,
verfrischte zijn zwoele gedachten. Drie dagen reeds liep hij rond met de
zekerheid dat vader geen duit had nagelaten. Met Nieuwjaarsdag zegde
Trees, dat ze niets gevonden had, ondanks heur lange zoeken en Sophie,
zijn zuster, had schertsend gelachen toen hij naar geld vroeg.

--"Waar zou vader de centjes vandaan gehaald hebben! Had ze hem niet
moeten onderhouden sedert moeders dood?"

Toch was Geerten niet heelemaal overtuigd. Eens toch had vader een
bankje naar Jef, zijn petekind, gestuurd, en dan het hoefijzer! Aan die
geluks-voorspelling klampte hij zich wanhopig vast, en in hem leefde
soms lichtend op het voorgevoel, welhaast de noodige centjes voor een
motorbootje te bezitten.

Vóór hij naar huis ging, wipte hij even bij Lowis binnen. Ze deed heel
vriendelijk want ze behoefde zijne hulp om een mand champagnewijn aan
boord van een Fransch schip te gaan afhalen. Heur frissche
vleeschelijkheid kittelde hem plezierig, zijn onwil bezweek voor de
lieftalligheid van haren blik en 't was laat in den namiddag eer hij
vertrok, met de belofte 's nachts, na 't vervullen der opdracht, bij
haar te komen.

't Donkerde toen Geerten thuis kwam. In de kamer waarin somber hing de
duisterte van den nakenden nacht stapte hij een oogenblik heen en weer.
De geruchten der plaats: het scherpe zware blaffen van een hond, het
kermend schreien van een zuigeling of 't rauwe hoorn-toeten van den
dagbladventer drongen dof tot hem door ... Traag begon hij zich uit te
kleeden, wierp jas en broek wanordelijk-slordig over een stoelleuning,
fluitend een straatdeuntje, trok zijn weeksche kleeren weer aan en zette
zijn verkleurde pet, met het bengelend kwastje op de ver-vooruitstekende
klep, op zijn ruigen kop.

Dan eerst stak hij de smerig-besmeurde olielamp op, die in 't trieste
vertrek zijpelen liet heur gele klaarte, onheimlijk-begloorend, de manke
meubels en de vuile tafel waarop nog glommen bruine koffieplasjes naast
ongewasschen wit-blinkende kopjes van 's morgens. Een nog onaangesneden
brood lag nevens een droge korst ... Geerten grommelde, schonk zich een
bakje koude koffie in, beproefde de korst te breken, smeet ze dan kwaad
op de teil terug; en het versche brood vattend, maakte hij er met de
mespunt machinaal een kruis op, sneed zich een dikke homp.
Koffie-slokkend verduwde hij 't brood met groote brokken, die zijn
wangen uitpuilen deden.

"Verdomme, nu is dat wijf nog niet thuis ... en 't is bij zessen ...
Ongeduldig was hij, nieuwsgierig te weten of er nu toch in 't geheel
geen geld was, want weer hoopte hij, heel vagelijk en onvast ... Zijn
blik boorde in de toekomst, waar op de goudig-doorzonde blauwheid der
golven zijner droomenzee, licht-veerend danste het vurig-begeerde
motorbootje, blank van kiel als een zwaan, met donker-fluweelen
zitbankjes en een mooi-puntig wimpeltje, rood en wit, en op den
stevig-scherpen boeg in gouden letters ... de naam ... ja, wiens naam?...
de zijne?... die van Lowis?... Als ze dan al lang niet met een ander,
met Fransken ...?!... was weggetrokken ... Had hij maar 't geld, dan kon
hij ze vaster aan zich binden, want tegen een motorbootje had ze zich
vroeger alleen gekant uit vrees centen te moeten bijleggen ... en 's
nachts kon het roeibootje nog steeds gebruikt worden als 't noodig
bleek ... wanneer hij 't geld had, zou hij heur een geschenk koopen, een
broche, of eene "brachelet" of ...

Geerten vernam een scharrelen aan de voordeur, een stommelen in den
gang, dan kwam, zwijmelend, met hangende haren en waterige oogen Trees
binnen-zwalken, liet zich neerkwakken, plomp-zwaar op een stoel, de
armen strak langs het lichaam, het hoofd loom-zwaar zakkend op de
borst ... 't Scheen of ze, dood-vermoeid, in eens overvallen werd door
looden slaap, of ze niet meer bij-machte was te beheerschen heur lijf,
dat zakkerig ineen-gedrongen, hing tegen de stoelleuning. Heur trekken
lijnden slap en uit den scheef-getrokken, halfopen mond kwijlde
schuim-speeksel ... Geerten beoogde haar met schamper-lachenden blik ...
"Ge zijt verdomd strontzat, Pruttige!" ... Na een wijle ... "En, is er
geen nieuws over 't geld?..." "Allez toe, verdomd, hangt het kieken niet
uit ... Hop!" ... Met ijzeren vuist omklemde hij haren arm, schudde heftig
het willooze, voddige lichaam ... Geerten was toornig ... Zijn gezicht
werd rood en zijn trekken nijdig-hard. Ruw, vatte hij zijn vrouw bij de
schouders, poogde ze te doen rechtstaan, gaf heur een dof-klinkenden
stomp in de zijde ... Lam-log zeeg 't slappe lijf terug op den stoel,
maar op den grond kletterden neer met helder metaalgeluid twee groote,
blanke vijffrankstukken die wegrolden onder tafel, wat waggelden,
eindelijk met helder kinken omvielen. Vlug bukkend raapte Geerten ze op
met grijp-grage hand ... Hier was geld!... geld!... Er was meer!... Er
moest meer zijn ... Zooveel was er nooit in huis, kon er niet in huis
zijn na drie dagen verlet van hem ... en Trees was al sedert acht dagen
niet meer gaan leuren ... De stinkende lompen onder de trap, bleven het
huis verpesten, werden niet verkocht.--Er was geld! meer geld!... Hij
trok den diepen zak, in 't smoezelige kleed van Trees, om ... vond nog
enkele frankstukken en smerige nikkeltjes, centen en een gedeukte wilde
kastanje ... Er was geld, meer geld! Vloekend en tierend, schudde hij
zijn vrouw, neep heur den neus toe dat haar borst uithijgde den zwaren
jeneverstank, sloeg met vlakke hand haar in 't gezicht, dat zijn ruwe
eeltvingers er hel-rood op afgeteekend stonden ... Dan liep hij naar de
waterkruik en 't oude middel gebruikend, pletste haar een geut in 't
gezicht, dat de vuile vette haarklissen ervan dropen en Trees,
proestend, de oogen opende ...

--"'t Geld! 't Geld! schreeuwde Geerten schor ... 't Geld van vader!"

Verwilderd staarde ze hem aan, poogde te spreken, kon geen woord over de
neerhangende lippen krijgen ... "'t Geld, 't Geld van mij!"

Trees stond nu recht, haalde de schouders op, knikte neen ...

Razend, met een hol-klinkenden vloek, gaf hij zijn wijf een stomp in
volle gelaat, dat het bloed haar uit neus en mond gulpte ... "'t Geld!...
't Geld!..." Heescher gilde hij, moeilijk doorslikkend het overvloedige
speeksel dat op zijn trillende lippen schuimde ... Rood-beloopen stonden
zijn oogen, ver uit hun kassen.--

Het onvoorziene geweld deed Trees tot bezinning komen, ontnuchterde
haar. Nu eerst verstond ze goed wat Geerten begeerde, en nà de
verwondering over de onverwachte, vroeger nooit ondervonden
mishandeling, had de schrik haar bevangen. Terwijl 't bloed in roode
vlekken stolde op heur vet-plekkige kleed, slofte ze schichtig bijna
door de kamer, tot bij het bed, kroop er half onder, pakte een oud
staalzakje van graan beet en zich oprichtend, overreikte het aan
Geerten, die met loerende oogen van wantrouwen gevolgd had elk harer
bewegingen ...

In 't flauwe gloren der lamp, schudde hij 't beursje ledig op de
tafel ... zijn oogen flikkerden, zijn dikke, gele handen scharrelden
koortsig met zwart-gerande nagels in 't geld ... tellend ... briefje voor
briefje--platstrijkend en beduimelend om zeker te zijn dat geen twee
bankjes aan elkaar kleefden ... Hij vergat Trees en Lowis ... en de heele
wereld ... er was geld ... geld ... wel vierhonderd frank ... Er moest méer
zijn ... ze had er veel van opgezopen ...

"Trees ... hoeveel hebt g' er afgenomen?... Met trillende stem bekende ze
vijffrank verteerd te hebben ... Er moest meer zijn, meer ... zei Geerten
weer, hardnekkig ...

Dan, na kort bedenken, brusk: Van wanneer hebt ge 't geld in huis?...

Toen vertelde ze met kort-uitgestooten woorden, nog bangelijk ...

"Met nieuwjaarnacht, wanneer ge weg waart, heb ik gezocht, overal ... en
in de lollepot van moeder zaliger ... heb ik ... in een toegeknoopten
rooien zakdoek van vader ... 't geld gevonden ..."

"Goed, antwoordde Geerten kort ... stak de bankjes en 't zilver terug in
grijze staalzakje, dat hij in zijn binnentasch borg ... en nu Salut!..."

Met groote stappen beende hij naar de deur, wilde weggaan ...

Schuchter, met tranen in de stem en wrang-vertrokken gelaat van bittere
ontgoocheling, smeek-vraagde Trees ...

"Gaat ge nu alles óp-doen, Geerten ...?"

"'t Gaat u niet aan, pruttige zatlap!" beet hij haar bruut terug.

"Laat ons de helft doen," riep ze nog met beef-stem, toen hij reeds in
de gang stond ... òf geef me wat voor 't huishouden" ...

Geertens zware, vierkante, krachtige gestalte verscheen terug in de
deur ...

--"Om op te zuipen zeker ... Niks verdomsche teef!... en smoel toe,
of!..."

Met forschen armzwaai en ballende vuist, deed hij een dreiggebaar ... "of
'k zal u raken!..." Trees kromp in-een van schrik ...

De straatdeur viel klakkend achter Geerten toe ...

Het heele huisje daverde van den schok ...

       *       *       *       *       *

Geerten sprak met niemand over zijn onverwacht geluk, zelfs voor Lowis
bleef hij gesloten en over zijn plan een moteurbootje te koopen, repte
hij geen woord. Trees zou heuren mond wel houden, want elken dag
herhaalde hij als een bruut-kort bevel ... "Smoel toe, of ..."

Weer verscheen hij 's morgens heel vroeg reeds op de kaai, trachtte
zooveel klanten mogelijk te bedienen, was voorkomend en
minzaam-beleefd ... bezield met den vasten wil meer centen te verdienen,
hopend zich stil-aan een vaste klandizie te verwerven ... Met de andere
roeiers hield hij zich nu minder op. Sedert de nederlaag in de
worsteling met venijnigen Charel, was zijn populariteit afgesleten.
Tusschen Franske en hem kwam het stil-aan tot een breuk vooral na de
poets, die hij den jongen met Nieuwjaarnacht bij Lowis gespeeld had. De
veete tegen de motorbootjes verscherpte en nu ging er bijna geen dag
voorbij of er werd eenige schade aan de scheepjes toegebracht, vooral
aan dat van Rik Schampavie.

Nu Geerten er ernstig begon aan te denken zelf een motorken te koopen,
poogde hij zich bij Schampavie en zijn gezellen aan te sluiten ... 's
Avonds, in 't naar huis gaan, bezocht hij meermaals "het Fleschken",
trof er nu en dan den Rik en zijn maten aan, trakteerde soms met een
rondeken dikkoppen. Hij voelde zich nu bijna volmaakt-gelukkig, vooral
wanneer hij bijwijlen na 't avondeten, de hem op aanvraag toegezonden
catalogen met modellen van motorbootjes, zat te bestudeeren, heel
alleen, terwijl Trees de gedurende den dag gekochte lompen bij den
opkooper te gelde maakte ... 't Wijf mocht niets weten, ze zou heur tong
roeren, maar werken moest ze, werken iederen dag en de centen afgeven,
anders sloeg hij heur onbarmhartig ... Hoe lang zou 't nog wel duren eer
hij zijn moteurken aanschaffen kon?... 't Hoefijzer, dat hij tegen den
boeg van zijn roeibootje gespijkerd had, deed hem wel wat meer verdienen
en ook, 't weder was gunstiger dan in 't begin van den winter ... maar
rekenend en herrekenend vond hij dat er nog wel honderd frank
ontbraken ... Geen kleinigheid!... maar komen zouden ze er ... vast en
zeker!...

Kort nà nieuwjaar had hij Lowis eenen geel-satijnen met zwarten kant
bezetten onderrok, dien Käthe op zijn verzoek gekocht had, ten geschenke
gegeven. De plezante bazin had zich dan weer bizonder lief en
inschikkelijk getoond en verscheidene nachten achtereen had hij weer 't
groote geluk gesmaakt nevens zich te voelen haar verleidelijk-weeldrig
vleesch-lichaam, warm van onstuimigen lust. Maar nu slabbakte het weer
en Geerten vermoedde wel, dat Franskens jeugd het op hem steeds winnen
zou ...

Nu zijn wensch ging vervuld worden, wilde hij niet dat Lowis hem
heelemaal ontvallen zou en soms knaagde de jaloerschheid aan het
volle-heerlijke geluk, waarin hij waande te leven. Op een triestigen
regen-morgen, in Februari, stelde Rik Schampavie vast, dat zijn motor
niet meer werkte, wijl kwaadwilligen het schroefje stukgeslagen hadden.
Dan beschuldigde Geerten in 't geniept, Franske, en 't werd hem een
zoete victorie wanneer hij vernam hoe de Rik met zijn vrienden, zijn
medevrijer hadden afgerammeld.

Stil-aan was hij begonnen met Franske te haten, en uit wrok beklapte hij
hem bij Lowis, maakte hem verdacht bij de andere roeiers.

... o Die zouden staan kijken, wanneer Geerten, de Vijg, de Hoorndrager,
hen concurrentie zou aandoen met zijn motorbootje ... Duivelsche pret
lichtte in zijn blik wanneer hij daaraan peinsde.

Het geld, dat hij van Trees afperste en het zijne, scheen niet aan te
groeien: ze konden toch niet leven van den hemelschen dauw! Hij
probeerde nu zooveel mogelijk van de anderen te krijgen, liet zich
trakteeren waar hij maar kon en was innig-verrukt, wanneer Lowis hem 's
avonds met haar eten liet: dat was seffens een half brood gespaard, want
thuis had hij verboden nog toespijs te halen ...

Er ontbraken hem nog meer dan tachtig frank, en indien hij zijn oud
roeibootje nog voor dertig kon verkoopen was 't een buitenkansje.

Waar zou dat briefje van vijftig vandaan komen? Het geduld begon hem te
ontbreken, om te wachten tot hij de rest door bezuinigingen zou bijeen
gegaard hebben ...--

Klaarder en klaarder, al verzinnend, tikkelde in zijn geest òp, de
verlokkende gedachte, die som bij Lowis te stelen ... Een misdaad was dàt
zeker niet ... Aan de kaai robberden ze allemaal, de bazen net zoo goed
als de werklie ... en Lowis had heur geld ook niet eerlijk verdiend ...
Had hij zelf voor haar niet een rond sommeken door smokkelen gewonnen ...
Wat waren in vergelijking daarbij, de arme vijffrankskens die ze hem
betaalde?... niks! niemendál!... Allengskens dacht hij aan niets
anders meer ...

Zooveel hinderpalen waren uit den weg geruimd, met vurigen ijver had hij
nu alles bereid om zijn wenschen vervuld te zien en thans--om 'n arme
vijftig frank, zou hij een half jaar of langer nog tegen hongerloon
moeten zwoegen, eer zijn verlangen voldaan werd ... Verdòmd ... dàt mocht
niet gebeuren!...

Aan Lowis kòn hij dat geld in leen vragen, maar hij zou dan moeten
liegen en Geerten was bewust dat zij hem nog steeds genoeg beheerschte
om hem spoedig den worm uit den neus te halen en dat wilde hij niet ...
òf ... ze zou weigeren, en dan werd het eene onmogelijkheid de som daarna
weg te nemen ... 't Simpelst was nog in-eens te pakken, wat hij krijgen
kon ... Bij dit voornemen bleef hij ...

Wanneer hij nu in 't kabberdoesken aan de tafel tegen den toog zat,
loerde hij immer met begeerige blikken naar de lade, waar de ontvangen
munt met zilvrig-klinken, of doffen smak inviel ... Maar de bazin
verwijderde zich zelden, en gebeurde het soms dat ze nevens een klant
plaats nam, dan hield ze steeds het sleutelken van de op slot-gedraaide
schuif bij ... in haren diepen moederkenszak ... onder haren zijden
bovenrok verborgen ...

't Ving aan Geerten in 't end te vervelen en die wantrouwigheid der
rosse waardin kwetste hem ...

Veertien dagen voór vastenavond verwittigde Lowis hem, dat hij een
tonnetje Sherry van een Engelsch schip moest afhalen ... 't Valt mee, zei
ze ... morgen is 't nieuw-maan ... en er zijn vijf frank voor u bij ...

Toen kreeg Geerten een kostelijken inval, die zijn heele tronie
verhelderde en diepe lachrimpels over zijn bruin-verweerde kaken tot in
de grijzende stoppels van zijn ringbaard deed loopen: Hij zou 't volle
vat verlappen aan 'nen kroegbaas van de kaai en Lowis wijs maken, dat
hij den heelen boel in 't water had moeten werpen, daar hij bijna door
nachtwakers gesnapt werd!... Ze zou hem toch niet durven aanklagen of
ze was zelf bakvisch ... dat was jandòme een goeï lol!...

't Werd een dichte dreigende regennacht, met een zwaar-donker bewolkte
ster-looze lucht: over stad en stroom, één duisternis waarin als
versomberde ...

... Met forsch-breede streken, de riemen geruischloos scherend over de
opkammende baarkens, roeide Geerten terug naar de kade. Achter hem,
log-onbeweeglijk, plompte de zwarte romp van de stoomboot, waarin de
kleine lichtrondekens der kajuitspoortjes gelig glommen. Handig en rap
had een vertrouwd bootsman, het niet heel zware wijnvaatje, zeer
behoedzaam neergelaten in het vaartuigje, dat nu door de dalende en
stijgende waterwemeling heendreef ... Geerten zag vóór zich de stoomers
aan de kade, wier vele lantaarns hem tegenblonken: wit, rood en
purper ... Over den stroom rustte een zware stilte, waarin soms
ópklonken, duidelijk en klaar, de verre kettergeluiden van neerratelende
kraankettingen op een lossend schip ... Breede lichtstroomen vloeiden uit
booglampen aan den oever, doorboorden de ijle duisterte der ruimte,
dansten in krinkelend-uitwijdende vuurstrepen op de golvenwriemeling,
vervloten eindelijk lijze in de eeuwig klotsend-zingende deining ...
Behendig ontweek Geerten de te schelle klaarte, verbreedde zijn
riemslagen, poogde geruchtloos door de waterkabbeling heen te glijden,
voorzichtiger wordend naarmate hij de aanlegplaats naderde ... Nu hij
bijna voor eigen rekening smokkelde beving hem vrees. Hij liet zijn
sloepje drijven met den afvloeienden stroom mee, langsheen den steil uit
den vloed opsteigenden boord van eene postboot, zette zich overeind, de
beenen schraag op de achterste zitbank en flikkerde ... Zoo stuurde
Geerten heel gemakkelijk het vaartuigje tot tegen een ijzeren ladder,
waaraan hij het vastmeerde ... Dan klom hij, vlug-buigend en strekkend
armen en beenen, de sporten op, tot zijn hoofd boven den blauwen steen
uitstak, oogde gespannen-kijkend links en rechts, en, niemand bemerkend,
ging hij een dikke koord van twee haken voorzien, aan beide bodems van
het tonneken vasthechten, klauterde ijlings op de kade, trok voorzichtig
zijn vracht omhoog ... Sterk als hij was, viel de last hem niet zwaar,
doch algaande brak 't koude zweet hem uit. Hij was een oogenblik
beangst ...

Heel levendig beeldde hij zich in wat hij aan Lowis zou voorliegen: hij
zag den blinkenden helm van den agent juist opdagen terwijl hij het vat
omhoog heesch, voelde zich in gevaar, liet het touw los zoodat alles in
't water plofte en hij wegloopen kon ... Hij grinnikte in zich zelven,
toch verschrikt door de fel-scherpe voorstelling. Zonder verontrust te
worden geraakte hij met zijn tonneken, langs een achterpoortje, in 't
bordeeltje "Zum siebensten Himmel", waar de baas den Sherry kocht voor
vijf en zeventig franken ...

Geerts hart popelde van vreugde: nu zou hij zijn motorken kunnen koopen
en comptant betalen! Uit danige blijdschap gaf hij een rondeken bock aan
den baas en de drie bar-meiden, die tot diep in den nacht, achter de
even weggeschoven purperen gordijnen, te vergeefs de klanten hadden
verbeid ...

't Was bijna morgen wanneer Geerten bij Lowis aanklopte ... In haar witte
nachtpon, waarin weeldrig-rondde de molligheid harer vormen en de losse
borsten wibbelden, deed ze open ... Met schijnheilig-ontdane tronie
vertelde hij hoe, ongelukkig-genoeg, dat vervloekt vat was kwijt
gespeeld, en hoe het hem amper gelukt was te gaan reepen snijden. Een
moment bekeek Lowis hem stijl, werd dan boos over 't ondergane
verlies ... Heur mond trilde van ingehouden toorn terwijl Geerten
voortraasde, opgewonden door de ettelijke "bockskens", gedurig
terugkomend op 't geluk dat hij nog had te kunnen gaan vluchten ...

Bruusk-ruw in de gevallen stilte, zei Lowis hoonend en woedend: "Vijg!"
...

"Salut, tot morgen," antwoordde Geerten, niet-eens heel erg getroffen,
maar voelend hare verachting ...

       *       *       *       *       *

De zotte dagen van dolle pret waren in 't land ... Zooals ieder jaar
zouden de "Ware Varensvrienden" den laatsten dag van vastenavond, in
groep uitgaan. Daarvoor spaarden ze sedert nieuwjaar in 't kasken, dat
bij Lowis in de herberg hing, tegen den muur tusschen een in vergulden
kader ingelijsten Red Star-boot en eene hoog-bont gekleurde reklaam van
Scotch Whisky.

De weinig talrijke leden, allemaal roeiers, kwamen tegen den drieën
samen hij de Plezante bazin om 't gespaarde geld te trekken. Ze hadden
een grooten platten natiewagen gehuurd met twee stoere, zwart-glimmende
gek-getooide paarden bespannen ... Op den wagen stond een versch
ontstoken gerstenton en een komfoorken met lange buis, waarop Käthe, bij
't doorrijden der stad, koeken zou bakken ...

Wanneer de Plezante Bazin-zelf, klaar was, kwam heel de groep al zingend
uit de herberg, nam op den wagen plaats ... Heel de buurt stond met
gapenden mond te kijken op het rare gedoe der maskeraden,
elkander-aanwijzend onder luid-proesten de mannen of vrouwen, die ze
herkenden ondanks hun gemaakte stemmen ... Lowis, breed en groot, had een
rose zijden, druk met roode linten versierd bébé-kleed aangetrokken,
zoodat onder 't kanten bezetsel heur mooi-gevormde in vleesch-kleurige
kousen gespannen kuiten, zichtbaar bleven ... Heur vlam-ros haar slierde
los over rug en schouders, en onder de breede kap met vrij wuivende,
zacht-roode binders, donkerde ernstig het zwarte masker met de gloeiende
oogen. Naast haar stond Geerten, in lang wit nachthemd; voor 't
aangezicht een doodskop, schel-geel bij 't smetlooze wit eener
fel-gepinde vrouwenslaapmuts ... Franske was er in clown, veelkleurig en
nauw-sluitend om zijn ranke lichaam en bij hem bevond zich Fientje in
fluweelen jongenscostuum, strak-passend om heur lenden en wel-gevulden
sierlijk-rondenden boezen. Heel de ploeg, ruige roeiers in ouw-wijven
met reuzige hangborsten, en dik geheupte vrouwen in mans-kostuums was
reeds op den wagen. Ze wachtten enkel nog op Käthe ... Venijnige Charel
in bloed-rooden torero uit Carmen, wipte terug binnen, bracht Käthe, in
goudbestikt Tyroler-meisje, mee buiten. Ze droeg een grooten pot met
hoog opgewerkten pannekoeksdeeg. Dan, met een forschen ruk der zich
schrap-zettende, paarden, bolde zwaar de wagen over de bobbelige
kasseide ...

Domien had zijn harmonica meegebracht, begon te spelen, ernstig, bijna
plechtig ... Heel de straat dreunde van 't uitgelaten jubelzingen ...

/*
... Wij zijn hier, wij zijn hier!...
Wij zijn de mannen van het schipperskwartier!...
*/

Hoog-gillende vrouwenstemmen en zwaarder mannengeluiden galmden door
elkaar, overschreeuwden de moeilijk volgende, zeur-zingende en hijgende
harmonica. Het ouwe Suske van Loock sloeg met den koterhaak op het
potdeksel ... Bij elken hotsebots over een hobbeligheid van den steenweg
werden ze door elkaar geschud ... Groepen dansende en zingende kinderen,
hand in hand, volgden hen ... Franske en Vernijnige Charel wierpen centen
te grabbel, die de knapen, malkaar stootend en stampend, trachtten te
bemachtigen, haarkenpluk doende wanneer milde werpers het geboden ...

Op de Meir, kuierde 't volk in dichte drommen over de gaanpaden, wijl de
stofferige confetti, geel en rood en blauw en wit, op de stemmig donkere
kleederen neerwirbelde en de lange veelkleurige linten der slingerende
serpentines met gracielijken zwaai, ál krinkelend, door de gouden
zonnigheid der lichte lucht flitsten en midden de menigte
neerdraaiden ...

... Hier begon de jool voor goed ...

Käthe bakte koeken, wiep ze handig in de hoogte, ving ze weer op, en
zingend en drinkend werden ze half-gaar en zonder suiker binnen
gesneukerd ... Soms door 't schokken van den wagen en 't danige dansen,
viel een koek op 't hoofd der mannen ... Dan gierden ze 't uit van dolle
pret, schreeuwden en schaterden wild en luid ... Welgemikte serpentines
omzwierden Lowis, die te midden der vreugde haast waardig troonde naast
zwelgenden Geerten. Ze voelde hoe de blikken der mannen rustten op heur
vollen boezem, die, wen ze met de anderen moest meespringen, vroolijk
opwipte ...

Haar nabij stond Franske, dien Fientje niet uit het oog verloor ... 't
Meisje bleef ernstig, zag jaloersch naar de flink-gedraaide kuiten en de
weeldrig-lokkende vleeschelijkheid van de rosse. De wagen doorkruiste
heel de rumoerige stad, van tijd tot tijd stilhoudend voor een groot
koffiehuis, waar de linksche roeiers zich op andere Zondagen aan
begaapten ... Daar maakten ze dan een helsch spektakel, renden tusschen
de wit-marmeren tafeltjes door, malkander bij de schouders
vasthoudend ... In de kroegjes waar ze aanlandden, dronken ze, en bralden
schunnige liedjes ... Wanneer de avond gevallen was, werd de wagen naar
huis gezonden. Arm in arm, de mannen reeds zwijmelend, slierden ze door
de straten, baldadig gillend uit heesche kelen ... Domien, met zijn
harmonica, liep met lamme slungelig-buigende beenen en vooroverhellend
lijf, vooróp, trok bij poozen een klagend-snerpenden toon uit zijn nauw
nog plooiend en rekkend speeltuig.

Geerten, verwarmd door den drank, opgehitst door de kittelende bekoring,
die van Lowis uitging, trachtte steeds heur arm te grijpen, wilde ze
ontrukken aan Franskens indringerigheid. Heel de ploeg ging van danszaal
tot danszaal, stil-aan afbrokkelend, wijl hier en daar, enkelen met
vrienden plakken bleven zoodat de joelende hoop staag verminderde ...

Rond middernacht waren ze nog met hun vieren: Geerten, soezerig-zeurend
in zijn bevuild en verfrommeld nachthemd--een bespottelijke dood onder
de half scheef-hangende pijpjesmuts--met 't pipsche Fientje, en Frans,
levendig opgewekt met rosse Lowis, wier lijf hij genot-vol beroerde
wanneer 't gedrang groot was ... Fientje, jaloersch, deed lief tegen
pappig-ongevoeligen Geerten, om heur vrijer te tergen ... Samen trokken
ze naar de Scala ... Geerten, wat suffend, moeilijk ademend langs den
reeds door bier-drinken en sigaren-rooken week-geworden mond van zijn
doodshoofd, liet zich meetroonen, betaalde voor Fientje.

In de groote druk-versierde danszaal, onder de van pijler tot pijler
kartelende arabische spitsbogen, hing een muf-zware grijze lucht
doortrokken van sigarensmook en bedwelmende wijngeuren, als een dichten
nevel omwasemend de duizenden lichtpeertjes, die in vurig-veelkleurige
festoenen langs de bogen slingerden.

Schetterend doordaverde schel-gemeene muziek de dronken-makende
atmosfeer, overschreeuwd door de rumoerende en tierende dansers ... De
hal dreunde van dubbelzinnig-liederlijke zangen stijgend uit heesche
strotten.

Een oogenblik stond Geerten verbijsterd, dan greep Fientje hem beet,
dwong hem mee te springen, want Franske en Lowis waren reeds in den
bak ... Hij bemerkte hoe zijn medevrijer een arm om de lenden der
plezante bazin legde, hij hoorde hoe zij, het zwaar-omlokte hoofd
achterover werpend, klokkend schaterde uit volle keel, wijl Franske heur
kittelde. Om hen wirrelden wriemelende koppels in wilde bacchanale,
elkander omstrengelend en zoenend met vollen mond ... Steeds dreunde de
muziek en lawaaiden de schorre stemmen ... Om de dansruimte stonden
heeren, die de vermomde vrouwkens vastpakten en lijk ballen naar elkaar
overwipten ... De saturnale vierde hooggetij tusschen de dooreenkrielende
verbeeste menigte.

Opeens, slaakte Fientje een kreet, trok heur geleider voort buiten het
gedrang, onder de galerijen waar prieeltjes in vuil-groen loover gebouwd
waren ten gerieve der champagnewijn zuipende wellustelingen.

--"Geert ... Geert ... ze zijn niet meer te zien ... Franske en de rosse."

Geerten verschrikte, kwam plots tot bezinning nu hij zich buiten den
steeds voortjachtenden dans bevond ... Zijn bloed kookte, klopte in zijn
slapen ... Fientje sleurde hem mee naar boven, waar ze zicht hadden op
heel de zaal ...

In den rook en de walgelijk riekende wijn-dampen, tusschen de
fluwijnig-blanke of blakend-verhitte gezichten der vuig-beluste
menschen, trachtten ze de vermisten op te sporen, doch nergens
bespeurden ze 't rose bébé-kleed van Lowis noch den spannenden
veelkleurigen clown van Franske ... De tranen stonden Fientje in de
oogen.

--"Ze zijn wellicht in de priëeltjes gekropen," sprak Geerten schor van
opwinding en jaloerschheid ...

Samen liepen ze langs de groene looverhuisjes, die ook boven op de
gaanderij opgetimmerd waren ... Hier werd botgevierd de zinnelijke
geilheid ... In de armen van bleeke jongens, door traag opgeslurpten
Champagner opgewonden, lagen rookend en drinkend, de ver uitgesneden
kleedjes los-hangend over de losgewoelde borsten, jeugdige meisjes, 't
masker weggetrokken om vrij te laten den wulpschen, karmijn-rooden,
zoen-gragen mond, waarop de nat-bloedlooze lippen der genieters zich
vastzogen.

Gejaagd, nauw-ademend, met loerend-ijverzuchtige blikken liepen Geerten
en Fientje, speurend, langs helsche lust-huisjes, waar door éenzelfde
opgezweepte dierlijke genotzucht gedreven, mannen en vrouwen elkander
omvingen; wijl buiten deinde de menigte der kijkgragen, met
glunder-glinsterende oogen, spotwoorden roepend ...

Nergens was Lowis te zien ... Immer opgewondener drong Geerten verder, op
zijn beurt meesleurend 't walgende Fientje ... Nu nog de benedenpriëelen
langs!

De roeier botste op twee, heel-laag gedecolleteerde lichtekooien, die
hem uitscholden: hij hoorde niets ... 't Zweet gutste hem over 't
lichaam, hij trok het onderdeel van zijn masker stuk, hijgde naar adem.
De haren los, het fluweelen buisje door toetastende handen half van 't
lijf gereten volgde Fientje, gedwee ... Ze vonden niemand ... "Ze zijn
weg," zuchtte ze, begon bijna te weenen ... Geerten vloekte ruw ...

Samen verlieten ze de zaal ... Ontdaan, sprakeloos, doorkruisten ze de
stad, trokken koffiehuizen binnen en uit, in doelloos zoeken. Het
motregende ... Het water sijpelde hun door de kleederen ... Geertens witte
hemd was met slijk besprinkeld ...

Voortdurend vlotte de menigte langs de hel-verlichte straten, en 't leek
hen of er vele dagen verloopen waren sedert hun vroolijken tocht per
natiewagen door de leutig-feestvierende stad ...

Geerten gevoelde dat hij nu overwonnen was, dat de stille strijd
tusschen hem en Franske om 't bezit der plezierige schoonheid van rosse
Lowis nu geëindigd was met zijne neerlaag ... Een oogenblik kwam de
gedachte in hem op zich met Fientje te wreken, doch ze zijlings
beglurend in het smart-verwrongen gelaat, vond hij ze te miezer en niet
begeerlijk genoeg. Thans, na de opwinding van den dag, werd hij intens
bewust hoezeer die vrouw hem diep in 't bloed zat.

Toen de kille morgen naakte en de wandelaars schaarsch werden, liet
Fientje Geerten alleen ...

"Ik ga naar huis zei ze, misschien is Frans dàar, maar 'k denk het
niet ... 't zal wel "af" zijn tusschen ons ..."

Treurig, sukkelde Geerten door verlaten straten van eenzaamheid. De
fijne regen druilde aanhoudend neer, deed spiegelglimmen de steenen ...
Zijn mombakkes hing af, losjes zwierend aan het bindsnoer ... Aan de werf
slenterde hij van kroeg tot kroeg, verstompend zijn denken door borrel
nà borrel, tot het schuimspeeksel de lippen vieselijk bekroesde ... Van
't gaanpad zwijmelend, gleed hij uit en viel, langsheen in 't slijk;
werd door een nachtwaker opgeholpen ... Voort strompelde hij weer, nu
eens schuivend langs vuil-vochtige gevels, dan weer knieënknikkend
zwalkend naar 't straatmidden toe ...

Er begon beweging te geruchten in de loom-ontwakende stad ... De eerste
tram snorde voorbij, werklieden, nog slaperig, togen naar hun arbeid,
bespottend den smerigen maskeraad met de loddelijk-bengelende
doodskop-mom ... Straat-in straat-uit sjokkerde hij, in de triestige
klaarte van den smokkeligen regenmorgen. Het stadsleven ging alweer zijn
gewonen gang. Onbewust was Geerten in 't buurtje gekomen, waar Lowis
woonde ... Langsheen de huizen scherend, door al de buren nageoogd, en
van de joelende straatjeugd gevolgd, geraakte hij voor de deur van 't
kabberdoesken ... Met groote moeite trad hij de stoep op ... stootte de
deur open ... de bel relde ... Zwijmelend, van zich-af spuwend, met
verdwaasde oogen stond hij midden den reeds opgefrischten vloer der
gelagkamer.

Daar verscheen Lowis, in haar nachtjak, ver-open op blooten blanken
boezem en Franske in hemdsmouwen. Nog vóor Geert den tijd had een woord
te bazelen had Fransken hem omvangen, en Lowis de deur wijd-opengegooid.
Met een flukschen duw en een trap van de bazin, vloog Geert de deur uit,
tuimelde zwaar op de slijkerige steenen.

Ontnuchterd richtte hij zich op, en aangehitst door de talrijke kijkers,
wilde hij de deur instampen, gelukte erin ze te ontsluiten, doch werd
door Franske terug gedrongen en met één stomp midden de borst
neergesmakt, wijl Lowis op hoonenden toon, dat allen het hooren konden,
hem achterna riep: "Vijg!!" ...

Grommelend-vloekend, bezag hij woedend de gegrendelde deur ... zwierf dan
voetje voor voetje, machteloos-zwikkend, binnensmonds verwenschingen
lallend, verder in zijn potsierlijk maskeraden-pak.

"Pietje de dood!" huilden gier-lachend de straatjongens en
saamgetroppelde buur-vrouwen spotten plat-weg: "Hoorndrager" ...

Vuistdreigend keerde hij zich om ...

"Worst!..." "Vijg!!..." "Pietje de Dood!!..." brulden de kinders, den
waggelenden roeier steeds dichter naderend om aan zijne fladderende
hemdslippen te snokken ... vluchtend wanneer hij zich omdraaide ... En
"Vijg"-roepend, grabbelden ze in den modder, wierpen met groote klodden,
die uiteenspattend tegen zijn goor plunje pletsten en erop kleven
bleven.

       *       *       *       *       *

Eerst in den morgen van den volgenden dag werd Geerten wakker, zette
zich half recht, voelde zijn dikke tong droog in den papperigen mond,
wreef zich de nog-zwaar neerhangende oogleden en gaapte met vervaarlijke
openspalking der ruig-behaarde lippen ... Stil-aan rees hij uit zijne
verdooving, kwam bewustzijn in zijn kop. In de smerige bedompte kamer
viel schaars het zonnelicht, even beglansend den grauw-rooden
tegelvloer, met kleine vlammetjes fonkelend in de glasstolp van den
kruis-lieven-Heer op de schouw. Op de kachel stond de moor suizend te
stoomen ...

Trees slefte rond in 't keukentje, sloeg haar vent van ter zijde gade,
wachtend op zijn eerste woord. Klappijen hadden haar den vorigen dag,
nadat ze Geerten 't vunzig-besmoezelde pak had uitgetrokken en te bed
geholpen, 't gebeurde in 't lang en breed verteld, haar den wijzen raad
gevend van deze gelegenheid te profiteeren om Geerten thuis te houden ...
Trees had heur beste kleeren aan en heur vuil donker-bestoven haar zat
strakker dan gewoonlijk in twee stijf-weg-gestreken blessen ... Ze schonk
koffie op, onafgebroken sprakeloos loenschend naar Geerten wiens tanige
verwilderde kop, terug neergezakt was in 't kussen ... Eindelijk nam ze
een kop, spoelde ze gauw uit, goot ze boordevol koffie, bracht ze haren
man ... Die ongewone vriendelijkheid verwonderde hem, deed hem zacht-aan
en meesmuilend slurpte hij met groote slokken den drank, die klokkend
spoelde door zijn bier-vuile keel ... Plots Trees aankijkend, taalde hij
verbaasd:

"Hedde-gij, verdraaid uwen besten tenue nu niet aan ... Pruttige?..."

--"Ja, Geerten ..."

--"Wel, God van maranten, zoude niet omvallen en ter eere van wat
Heilige?..."

--"'t Is moeder-zaligers sterfdag en ik moet naar den dienst, in de
Preekheeren ... dat weet ge toch wel ..."

't Leek hem de moeite niet meer waard, daarop te antwoorden. Allemaal
centen weggesmeten, meende hij, en liet Trees betijen zonder naar heur
om te zien, tot ze eindelijk vertrok na lang zoeken in eene half uit-de
kast hangende lade, om heuren paternoster te vinden ...

--"Zijt gij nog thuis, straks, wanneer ik terugkom?" vraagde ze ...

--"'k Weet niet ... 't Gaat u niet aan ... Salut! en den wind ván
achteren!..."

Wanneer zijn vrouw weg was, sprong Geerten 't krakende bed uit, begon
zich te wasschen in een grooten emmer koel water ... 't Was hem een
weelde de frissche nattigheid over rug en harige borst te laten
stroelen, en proestend spoelde hij zijn zeep-schuimenden ruigen kop, dat
de haren recht stonden in dikke klisjes bijeen-geplakt ...

Nu was hij heelemaal opgeknapt en onder het eten der dikke met margarine
besmeerde brood-hompen, kwamen als een martelende obsessie de
herinneringen aan 't gebeurde van den vorigen ochtend in hem opdringen.
Geerten had verdriet, nu hij wist hoe het onvermijdelijke gebeurd was:
tusschen hem en Lowis was alles gebroken en uit.

Kauwend op zijn pruimpje zon hij op wraak, doch het bleek hem weldra
bespottelijk zijn plannen te volvoeren. Het hielp tóch niets dat hij
Fransken paars en blauw sloeg of de ruiten van 't kroegsken ging
ingooien ... Aan zijn vroegere onoverwinnelijke kracht was hij, sedert
het gevecht met venijnigen Charel, allengskens gaan twijfelen. Wat zou
die lachen en leute hebben om zijn ongeluk ... Hij hoorde hoe de anderen
meevooisden: "Dats rats in mijn voeten" ... Franske mocht doen wat hij
verkoos: immers 't was een jongman, en dat hij Fientje Mossel zitten
liet was een dagelijkschheid, waarover na een wijle, de ratelende tongen
wel zouden zwijgen. Zoo redeneerend, besloot Geerten van zich maar in
het ongeluk te schikken. Iets anders nam hem nu heelemaal in en dat zou
worden zijn wraak ... op Lowis en schoon Franske ... den Venijnigen en al
de andere luizen: nu zou hij zijn moteurken welhaast bezitten.

Kort ná 't geval met het in stilte verschacherde vat wijn, was hij in
onderhandeling getreden met een constructeur voor 't bouwen van een
sierlijk bootje, en daags vóór vastenavond-nog, had hij toegeslagen en
een voorschot aan den wantrouwenden handelaar afbetaald ...

Wanneer Geerten aangekleed was, trok hij naar het werkhuis om den bouwer
spoed te doen maken, want hij wist wel dat hij voortaan bij de andere
bootjes-roeiers niet meer in tel zijn zou ...

Iederen morgen bijna, ging hij nu kijken hoever 't met zijn moteurken
stond, en wijl hij nu geen geld thuis bracht, dwong hij Pruttige Trees,
elken dag met haren stootwagen vodden te gaan rondhalen in de stad ... 's
Avonds moest ze 't geld, dat de opkooper haar betaalde voor de vuile
lompen, aan Geerten aftellen en wanneer ze te weinig aanbracht, raasde
hij vloekend en dreigend ...

Op een namiddag deed hij zijne oude roeiboot op een steekkar thuis
brengen, begon ze dan op te schilderen ten-einde ze te kunnen
verkwanselen, want in zijn ijver om 't mooiste moteurken te hebben had
hij er versieringen doen aanbrengen, die den prijs ervan deden stijgen
boven 't bedrag waarover hij beschikte ...

Trees waagde niet uit te vorschen waarom Geerten niet meer roeien ging;
ze meende dat hij zich schaamde over zijn belachelijk avontuur met
Lowis, want voor haar bleef de aankoop van 't moteurken een geheim.

Nu ze 't oude roeibootje liggen zag, op de binnenplaats met de
versch-geteerde zwartglanzende kiel in de lucht, durfde ze eindelijk te
vragen aan Geerten, die ijverig-borstelend de boorden licht-rood
kleurde ...

--"Wat zijt-ge nu van zin, Geert, met uw bootje"?...

--"Verkoopen," snauwde hij norsch ...

--"En dan"?...

--"Verrekt", klonk het nurksch-kort-af ...

"Brengt maar eens thuis," voegde hij er bevelend aan toe, veegde dan
heel voorzichtig de schel-roode verf uit, profijtelijk-kauwend op een
oúwe pruim, speeksel spritsend links en rechts in vuil-donkere vlekken
op de grijs-blauwe steenen ...

Van tijd tot tijd nu, trok Geerten de Schelde over naar Sint Anna, waar
hij den huisbewaarder der Yacht-Club bezocht, met hem hernieuwend de
kennismaking van vroeger toen ze samen als lichte matrozen vaarden op
den "Devonshire" ...

Sluw-royaal trakteerde hij, nam den Bart in vertrouwen, deelde hem mee
hoe hij in 't geniep een motorbootje liet maken, vroeg of hij hem zou
aanbevelen bij de heeren der Club, om hen over te brengen, wanneer zij
in den zomer naar op-stroom-gemeerde zeilscheepjes wilden komen ...
Vreugdevol staarde Geerten nu de toekomst in, die hem tegenlachte, gul
en veelbelovend ...

Op een avond, keerde hij, in-vroolijk, bijna uitgelaten, terug van den
constructeur, die hem 't bootje had laten bekijken ... Kant en klaar was
het, alleen moest het nog wit-geschilderd worden en van rood-fluweelen
zitbankjes voorzien ... Heel helder zag hij de ranke slanke lijnen van
den scherpen boeg, en de fijne buiging van de flink-stevige kiel, waar,
heel van achter, het kleine drie-bladige schroefje aangebracht was. Nog
een week geduld en 't bootje zou door 't Scheldewater klieven ...

Peinzend en zinnend beende hij, door oude gewoonte gedreven, langs de
straat, waarin de Plezante bazin woonde. Vóór het huis was het zwart van
bijeengedromd volk ... Nieuwsgierig naderde Geerten ... Hij hoorde 't door
elkander roepen van twee hoog-schelle vrouwenstemmen, ópjoepend boven 't
gelach der omstanders ... Hij herkende de taal van rosse Lowis, was een
oogenblik ontroerd, naderde toch om te zien.

De plezante bazin, schoor-staande op beide uitgespreide beenen, de armen
wijd-open, versperde met heur zware gestalte de heele deuropening ...

--"En ge zult er niet binnen," krijschte zij, uitdagend ...

--"Smerige rosse hoer"!!...

In de pletsende klaarte der hel verlichte vitrine stond Fientje. Snel
vingerde ze in heur kapsel, dat slierend losgolfde op haren rug, greep
een paar haarspelden, en heesch-vloekend, wipte ze op Lowis af, poogde
haar 't aangezicht van-een te krabben.

De rosse schoot naar heur aanvalster toe, greep ze bij de hangende
haren, trok er-mee, woest sleurend dat het meisje van pijn gilde. Met
brusken armzwaai klauwde Fientje de bazin door 't van inspanning
hoog-paarse gelaat, dat het bloed langs heur kaken biggelde ... "Daar
leelijke smots!" ... "Allemansgerief" ... Lowis wilde de tierende vrouw
omklemmen, doch zij verweerde zich dapper, greep de bazin in 't roode
haar, dat de dikke vlechten uit-een vielen, trok met een sprong de mooie
valsche krullen af, smeet ze op den grond, tot groote jool der gapers ...

--"Wat is hier te doen, baaske?" vroeg een juffrouwtje aan Geerten ...

--"Twee wijven die vechten" ...

--"Waarom?"

Zonder antwoord te geven, bang de aandacht te trekken, nu vooral wijl
hij Fransken uit het portaal der herberg springen zag om de twee
worstelende harpijen te scheiden en partij voor Lowis te kiezen, trok
Geerten voorzichtig af ...

       *       *       *       *       *

Weldra was het overal bekend dat Basse een moteurbootje in de maak had
en er eerstdaags mee op de Schelde verschijnen zou. Dit nieuwsje
verwekte onder de bootjesroeiers een opschudding van belang, vooral toen
ze vernamen dat de "Vijg" op aanraden van Bart van de Yacht-Club in alle
Vlaamsche en Fransche kranten eene advertentie had doen plaatsen,
waardoor hij beleefdelijk verzocht om de gunst van 't publiek, en zich
ter beschikking van ieder stelde voor 't maken van vaartochtjes aan
billijke prijzen, op den stroom. Ze vermoedden wel, dat Geerten den Bart
lekker had mogen betalen voor die hulp, maar 't gaf hun tevens de
zekerheid dat de mededinging nog scherper worden zou.

Rik-Schampavie-zelf, duchtte Geertens concurrentie, het meest wijl hij
nog steeds iedere week geld aan den baas uit 't Feschken afkorten moest.
Er ontstond van lieverlede eene toenadering tusschen de ploeg van Rik en
de gewone roeiers. Geen dag ging voorbij of er werd over Basse gesproken
in dreigende woorden, en iederen morgen verwachtten zij er zich aan het
spik-splinternieuw moteurken te zien wegtuffen, sierlijk snijdend door
't groene Scheldewater.

Vooral schoon Franske smaalde op zijn vroegeren makker, dien hij nu
haatte en vreesde tegelijkertijd, wijl hij hem verdacht Fientje te
hebben opgestookt tot het opstootje, waar de vuurrosse schoonheid der
plezante bazin, zoo deerlijk gehavend was uitgekomen. Hij was ook
naijverig, in stilte bang dat Geerten zijn oude plaats in 't hart der
veranderlijke Lowis, terug innemen zou nu hij met zijn motorken meer
geld verdienen kon ... Vloekend en tierend, zette hij bulderend, de
anderen aan het bootje bij de eerste gelegenheid de beste te
vernielen ...

       *       *       *       *       *

Door de koepeling der doorschijnend-blauwe mei-morgenlucht, waarin
zweefden de roomige wollige wolken-vlokjes, goudomboord en flossig,
vloeide 't heerlijk jeugdige zonnelicht, de heele ruimte doortintelend
met glanzende klaarte, gloeiend op de vergulde tinnen der hooge huizen
en kristallijnig flonkerend in de opsprinkelende waterdroppels boven de
schuimstrepen, die zachtziedend uitlijnden achter de staag-forschig
malende schroef van een wegstevenend stoomschip ...

Rank-wit, sierlijk vlug schoot Geertens moteurken door de opkammende
bobbelbaren beschubd met kwijnend-gouden lichttintelingen, door elkander
wemelende schakeeringen van veranderlijke kleuren: licht zee-groen
vervloeiend tot diep-hemelazuur teer-blank gestreept ... Zijn bootje
huppelde blij en gezwind op de hobbelende golven, die achter den loggen
stoomer uitwaaierden, tegen den oever klotselend verstierven ...
Heerlijk, overmoedig-jong, klonk het doffe tuf-ontploffen over den
wiegelenden vloed, werd door de kaaien teruggekaatst ...

Langs den scherpen boeg sprong het water òp, gleed kabbelend op-zij,
vloeide in gesmijdige lijning terug omlaag, langs de blanke flanken, in
de diepe barenwemeling, werd eindelijk tot wit-opborrelenden
schuim-staart geslagen door 't onzichtbare schroefje ...

Met volle kracht, bij kort klare knallen van den motor, scheerde het
rijzig-lijnende vaartuigje over de deining als een witte meeuw, drijvend
met langs het lichaam gestrekte vlerken, keerend en wendend,
lenig-slank, brekend den opsprinkelenden golf-slag, die het een
oogenblikje, zacht-veerend dansen deed ... Zoetjes dobberend sneed het
door de ruischend-bruisende wriemeling der rolle-bollende baarkens ...

Geerten had daar juist zijn vijfden klant overgebracht, en nu vond hij
er een danig genot in zijn moteurken te doen heen en weer varen, midden
de zon-overgoten rivier ...

Eene overzetboot paddelde voorbij ...

De menschen op het dek oogden het mooie òp wippende scheepje ná, dat
Geerten dwars-door 't vaarwater stuurde ... Traag, onder 't forsche
buigen en strekken van spierig-pezige armen, schoven roeisloepjes over
den stroom, moeilijk vooruitkomend tegen het opkomend tij, dat de
vaartuigjes altijd afdrijven deed.

Schoon Franske, keerde terug van Sint-Anneken. Zijn bootje was leeg ...
Regelmatig plonsden de riemen in 't water, deden duizenden
zon-doortintelde druppels opstuiven bij elken slag ... Zijn plat-bodemig
schuitje was log en zwaar, moeilijk om te besturen.

Tuffend kwam Geerten aandrijven, klievend door de meevloeiende
strooming. Franske stuurde zijne boot dwars voor 't moteurken ...
Plots-opschrikkend, wilde Geerten opzij-wegschieten, doch de vloed
voerde hem mee en met een doffen knots botste hij met groot geweld op
Franskens schuitje, dat koppeken onder deed, weer boven kwam ... De motor
stond stil, pufte niet meer ...

Franske was overeind gesprongen, een riem hoog-opgeheven, vloekend ...
Met een forschen armzwaai bonsde de roeispaan op den half-verdekten boeg
van 't moteurken, sloeg een diep bosselende bluts in 't zink, deed de
afblottende verf in schilfers rondspringen.

Woedend, schor-schreeuwend greep Geerten zijn noodriem, die in 't bootje
lag, zette zich schrap-schrijlings op 't rood-fluweelen zitbankje,
zwierde met uitgestrekten arm zijn riem boven Franskens kop ... Van den
oever kwamen roeibootjes aanvaren, snel voortbewegend onder de
dubbel-krachtige slagen der nieuwsgierige mannen ... "Zóo rap hadden ze't
nu toch niet verwacht" ...

Met een fellen slag verbrijzelde Geerten den riem in Franskens hand ...
De brokken ploften in 't water en van den hevigen schok wiegewaagden en
dobberden de bootjes, wild stijgend en dalend ... Ras vatte Fransken zijn
tweede roeispaan, hakte er geducht mee op 't witte vaartuigje, dat bij
elke wiegeling water schepte.

Al de roeischuitjes lagen samengeschoold om de worstelende mannen, wier
machtige gestalten flink-omlijnd, pezig-stoer, klaar-afgeteekend stonden
op de ijlheid der zon-doorgloeide meilucht. De kampers repten geen
woord, hijgden van inspanning, elk oogenblik vreezend den noodlottigen
houw, die hun deinend bootje zou doen kapseizen ... De kijkers riepen,
hitsten hen op lijk vechtende honden. Op de wandelbruggen, op de dekken
der schepen, aan de kade, verdrongen zich de toeschouwers, staarden met
verwonderd-angstige blikken. De hevelende kranen, stonden een pooze
roerloos met in de lucht den bengelenden last aan den stijf
uitgestrekten arm, en gedurende een oogenblik, hing ongewone stilte
boven den rimpelenden stroom, waarover laaide in slinger-strepen
vloeiend goud, de pure straling van 't zonnelicht.

Geerten bukte zich, den ruig-behaarden kop intrekkend tusschen beide
schouders, wipte dan weer recht, kapte als een bezetene op Franskens
schuitje ...

Plechtig-bijna, hief Franske de zware roeispaan krampachtig met beide
handen omkneld, omhoog, wijl zijn bloeddoorloopen oogen uitpuilden in 't
roodblakende toorngezicht, zijn nekpezen als koorden spanden, en zijn
spieren dik-bolden; liet nu brusk den riem met volle kracht neerbonken
op Geertens schoft. 't Moteurken sloeg op-zij en met een plof plompte
Geerten 't water-in, dat hoog opspatte in iriseerende droppels ...

Basse's kop, kwam even boven ... Uitgestoken armen klampten hem vast,
wierpen hem in een bootje, dat naar de stad terugvoer ... Onderwijl was
't moteurken midden kokende schuimbobbeling van 't hevig woelende en
wentelend-kolkende water, gezonken zonder dat één der roeiers er een
vinger naar uitgestoken had ... Franske bereikte al flikkerend 't
Vlaamsche Hoofd ...

Geerten even tot bewustzijn teruggekeerd, had een wijle de visie eener
groote wit-bepleisterde kamer waar in 't licht-gekleede mannen hem warm
in wollen dekens rolden, dan hem neerlegden onder zwart-linnen kap van
't wiegende wagentje, dat hem naar 't gasthuis vervoerde.

       *       *       *       *       *

Heel lijze sleepten de dagen voorbij en werden tot sleur-gelijke eenzame
weken en eindelooze maanden voor Geerten, lijdzaam-wachtend de talmende
genezing, die hem soms niet-wenschelijk scheen, want 't leven leek hem
nu wreed en somber, weeïg van leegte en liefdeloosheid. Toch kwam de
beternis stillekens-aan ... en toen hij rechtzitten kon en de heele zaal
overkijken, waar nog vele lijders worstelden tegen de krankheid, haakte
hij ernaar hier weg te zijn, uit die mokerzware muffe ziekteatmosfeer.

Regelmatig kwam Trees hem bezoeken en ook soms Sophie, zijn zuster, die
druiven meebracht. Zoo vernam hij dat Lowis op trouwen stond met schoon
Franske, die haar "zoo" gemaakt had ... fluisterde men ... 't Deed hem
geen pijn: zijn geest was dof en voos. Alleen de prediktoon van Sophie,
welke hem berispte om zijn vroeger slecht leven en hem voornemen deed
zich nu eens voor goed te beteren, hinderde hem geweldig ... Zijn
moteurken was verloren ... zijn krachten gebroken, 't roeien zou nu
onmogelijk wezen ... Wrevelig-smartelijk tikkelden die gedachten
voortdurend in hem òp, deden alles donker-dreigend en triestig
schijnen ...

Eindelijk op een mooien Oogst-morgen, daverend van goud-glariënden
zonneschijn, trillend van roerlooze warmte, mocht Geerten 't benauwende
gasthuis verlaten.

       *       *       *       *       *

't Avonde ... De laatste bloedstrepen vergloorden, en over de diep-azuren
lucht kwamen donkere voolen zweven, waarop twinkelden, heel zwakjes nóg,
enkele sterren, goud-sprinkelingen gelijk op zwaar-fluweelen
mantel-sleep ...

Tusschen de boomen der lanen hing de zoelte nog loom en drukkend ... Met
zijn samengerolden mantel over de schouders, zijn dunne kleederen
flodderig-hangend om 't vermagerde lijf, de groot-kleppige klak diep
over den fel-vergrijsden smal-geworden kop, toog Geerten naar het
verre-weg liggende zeilschip, waar hij nacht-waak had gekregen door
tusschenkomst van zijn schoonbroer, den waterklerk ...

Hij klopte zijn vunzende pijp uit tegen zijn schoenzool, stapte dan
verder, de haven toe ... Voor hem, tusschen de donkerte der stofferige
boomkruinen, zag hij vagelijk spitsen hel-gele of blanke masten, waaraan
kruisten de raas, dik van opgerolde zeilen ...

Met tegenzin ging hij naar zijn post ... Nu woonde hij met zijn vrouw,
aan wie hij beterschap beloofd had, op een vlierinkje in eene der
dicht-bevolkte naar gebakken haring en smout stinkende volkswijken der
binnenstad. Dat leven van overdag slapen in een dof kamertje, snikheet
en vuil, en 's nachts waken op een doodstil schip, midden de treurige
eenzaamheid der nachtelijke dokken; dat hondenbestaan vervloekte hij ...
De komende nacht zou zijn 'lijk al de vorige: een gruwel voor hem, een
stille marteling zonder einde, door niets-gestoorde verlatenheid waarin
't harde blaffen van een heeschen hond, 't schorre toeten van een
sleeper, of 't verre ratelen van een kraanketting groeien tot
reusachtige geluiden, galmend over de diepe-donkerheid van 't onbewogen
water waarop strepen, hel-oranje gloeden van gaspitten of krinkelen
rilde lichtlijntjes van twinkelend-sterrende lantaarntjes in onzichtbare
mastspitsen ...

Geerten sufte, had wee naar zonnelicht, spetterend-dansend op de
golvenwiegeling, warm-doorfonkelend de ijlheid der ruimte, kletterend
tegen de vroolijk-wit geschilderde scheepskajuiten en blekkend in de
klare vensterruiten der huizen langs de kade, waar de bries speelsch
voorbij suist licht en blij als een zomerzonnekind; jagend de
goud-omrande, nauw-omkrullende wolkjes door het teer-blauw azuur, van
sparkelend vuur doorgensterd ...

Geerten ging en zijn schreden werden traag en loom ... Hij trok een brug
over, zag de lichters dicht tegen elkander aangedrumd, klaar tot
uitvaren ... In de verte, aan 't einde der breede straat, waarin de
gaspitten één voor één aan-flapten, hoorde hij het zagend-hijgen eener
harmonica, die poogde opgewekt te zijn en te beheerschen het lawaaierig
zingen van mannen en vrouwen ... 't Groepje naderde dansend ... Ze liepen
met koppels ... 't Zal een houwelijk zijn, peinsde Geerten, zich
herinnerend dat het Zaterdag was.

Met een schok, of hij in-eens ontwaakte, herkende hij de tenorstem van
Franske en 't hoog-schelle gil-geluid van Käthe ...

Vandaag waren ze dus getrouwd, Lowis en Franske ... hij zou ze zien, ze
moesten hem voorbij ... hij wilde terugkeeren ... Ze hadden hem reeds
bemerkt ... 't Kon niet anders, want hij bevond zich in 't pletsende
licht der toonraam van een kruidenierswinkel.

Lowis hing aan Franskens arm, ze was dikker geworden, en heur lijf
zichtbaar zwaar ondanks de prangende keurs ... Ze stonden vóor hem,
zwegen ... wijl de harmonicaspeler 't marsch-deuntje deed overgaan in den
tragen rhythmus van een sleependen wals ...

--Dag Geert, taalde Lowis, luchtig, stak hem de hand toe ...

De anderen waren reeds voorbij, bleven wachten en riepen, wenkend met
hoofd en armen:

--Allez mannen! manne-ën!...

--Gaat g'-er mee een snappen, Geert," vraagde Franske meelij-gevoelend
met den slappen man vóor hem ...

--'k Moet gaan waken ...

--Toetoetoet!... Kom-op!...

Geerten ging mee ... Al zijn goede voornemens vielen weg, in zijn
zwakheid dacht hij niet meer aan haat of vijandschap ...

Het gansche troepje trok binnen in het drankhuis op den hoek ... Fransken
betaalde een rondeken, en nog één, en nog één ... Onderwijl walsten
getuigen en bruid de stoelen omver ... Ze werden al lustiger en lustiger:
hunne oogen schitter-straalden van danige jolijt ... willen of niet moest
Geerten omtollen met Käthe ...

"'nen Redowa," kondigde de harmonicaspeler aan ...

Onder 't dansen zwierden de rokken van Lowis, fel-afteekenend de ronding
van heur zwangeren schoot.

Geertens hart werd warm ... 't Was nog beter zoo ... hij was te oud voor
zoo'n flinke deern als de rosse ... toch speet het hem, niet meer te
zullen genieten de zoete innigheid van haar weelderig lichaam ... Met een
stevigen borrel jenever was de emotie ras doorgespoeld ...

Wanneer Franske zijn vrouw op heur plaats bracht, klopte Geerten heel
familiaar en met oolijke oogen, waarin pretglimmingen vonkten, Lowis
eventjes op den ronden buik, spottend roepend:

--"Bedod! voor dien erin zit!"

De heele herberg doorschaterend klonk het dol-uitgelaten lachen der
heele bende--de mannen pletsten op hunne billen met een krakenden vloek
van bijval, de vrouwen gierden hun plezier uit, onbedaarlijk, of
pootig-vrijpostige mannen hen onophoudelijk kriebelden ... en met
toegenepen oogen en wijd-opengespalkten mond in 't van louter leute
stuipachtig vertrokken gezicht, brak de harmonicaspeler den teemenden
redowa af met een oorverscheurenden-wanklankigen kwak ...



EINDE.





*** End of this LibraryBlog Digital Book "Geerten Basse" ***

Copyright 2023 LibraryBlog. All rights reserved.



Home