Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: In Luxemburg's Gutland - De Aarde en haar Volken, 1907
Author: Perk, M. A.
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.


*** Start of this LibraryBlog Digital Book "In Luxemburg's Gutland - De Aarde en haar Volken, 1907" ***


                    In Luxemburg's Gutland.

                        Door M. A. Perk.

     Met photographieën van den heer _Walter Knapp_ Jr. [1]


"Les grands états auraient tort de mépriser les avertissements qu'ils
reçoivent des petits pays: il appartient quelquefois aux petits de
donner de grands exemples."

Geen land ter wereld ongetwijfeld waarop men met meer recht dit
zoo juiste woord van den Franschen schrijver G. Valbert [2] mag
toepassen dan op het groothertogdom Luxemburg, welks zoo verlichte
regeering al den tijd dat zij aan het bewind is,--en dat is al heel
wat jaren!--zoo'n warm hart en open oog toonde te bezitten voor de
sociale behoeften des volks en de bevordering van diens geestelijk
en stoffelijk welzijn. En dank zij de krachtige medewerking van de
Kamer der afgevaardigden, is haar het voorrecht beschoren geweest haar
streven in dat opzicht met schitterenden uitslag bekroond te zien. Om
die reden alleen reeds zou het voormalige graafschap der Ardennen
aanspraak mogen maken op onze hartelijke sympathie en een persoonlijke
kennismaking overwaard kunnen geacht worden, al is tegenwoordig onder
den zooveel weidscher naam van Groothertogdom, zijn grondgebied met
een bevolking van niet meer dan 235,000 zielen, beperkt tot nauwelijks
het vijfde gedeelte van zijn vroegere oppervlakte, en al moet het
ook alle staatkundige beteekenis derven.

Het is hier niet de plaats om zijn grootsch verleden in herinnering
te brengen, noch om zijn economischen toestand, zijn staatswezen
of staatsinrichtingen, de bronnen van zijn welvaart, de geestelijke
stroomingen, die er zich vertoonen, of zijn beteekenis op het gebied
van kunst en wetenschap in het licht te stellen. Ik deed dit trouwens
reeds elders en kan daarnaar verwijzen. [3]

Maar in niet mindere mate moet, mijns erachtens, dit kleine land
de belangstelling van de bezoekers wekken door de indrukwekkende
bouwvallen van middeleeuwsche ridderburchten, die daar vele hoogten
bekransen, door het rijke en dankbare onderzoekingsveld, dat het
oudheidkundigen, botanisten en mineralogen aanbiedt, bovenal door
zijn trotsche wouden van eiken, sparren of beuken, zijn liefelijke
valleien en de haar bezoomende heuvelruggen, zijn steile rotsgevaarten,
stoute bergkloven en huiveringwekkende afgronden, zijn kabbelende
beekjes en snelvlietende rivieren, in één woord zijn afwisselend
natuurschoon. Dit kan in verhevenheid wedijveren soms met dat van
Zwitserland, dikwerf met dat van de Saksische Schweiz of den Hartz.

De roep van dat natuurschoon, vroeger slechts bekend hoofdzakelijk
aan Duitschers en Belgen, drong eindelijk tot ons vaderland door. En
sedert een veertig jaren ongeveer neemt in Luxemburg het bezoek van
onze landgenooten gestadig toe.

Verschillende omstandigheden, voor den lezer zonder belang, noopten
in 1878 ook mij naar het Groothertogdom mijn schreden te richten,
om daar eenige weken door te brengen.

En het ging mij als zoo velen anderen.

Wie eens het voorrecht heeft gehad met land en volk kennis te maken--en
ze kennen is ze liefhebben--verzuimt niet licht de gelegenheid tot
een nieuw bezoek. Herhaaldelijk, bijna jaarlijks kan ik wel zeggen,
keerde ik er voor korteren of langeren tijd terug, totdat het klimmen
mijner jaren mij tegen de vermoeienissen, onafscheidelijk van de reis
en het verblijf in dat Hoogland, deden opzien.

Onvergetelijke dagen bracht ik er door. En een aantal hartelijke en
blijvende vriendschapsbanden knoopte ik er aan, waarvan, helaas! reeds
verscheidene door den dood zijn verbroken.



En hoe dikwijls, wanneer ik ter verfrissching van geest en lichaam er
met volle teugen de heerlijke stalende berglucht ging inademen en de
schoone natuur bewonderen, hoe dikwijls zag ik mij verrast door nieuwe
schoonheden, schoonheden die ik vroeger niet had kunnen aanschouwen
om de eenvoudige reden, dat zij nog niet toegankelijk waren.

't Is toch pas sedert ruim een kwart eeuw, dat, vooral op aanstichting
van den toenmaligen directeur-generaal van Justitie en Openbare
Werken, die sedert geruimen tijd de hooge waardigheid van Ministre
d'État et Président du Gouvernement met zooveel eere bekleedt, den
kunstlievenden en smaakvollen Dr. P. Eyschen, men zich beijvert de
schilderachtigste, te voren niet gemakkelijk of in het geheel niet
te genaken punten onder het bereik van ieders blik te brengen of
toegankelijk te maken. Jaarlijks worden er aanzienlijke sommen, ten
minste in verhouding tot de geheele staatsbegrooting, besteed om in
den winter tegen de hellingen paden aan te leggen, hinderpalen uit
den weg te ruimen, doorgangen in gevaarten van graniet te banen,
trappen in rotsen uit te houwen, bruggen te slaan over beken
en stroompjes of bergkloven. Jaarlijks wordt ook een belangrijk
krediet aan de Kamer aangevraagd ter ondersteuning van plaatselijke
Verfraaiings-vereenigingen, die in grooten getale verrezen, en ter
bevordering van het toeristenverkeer. De bedoelingen der regeering zijn
voor niemand een geheim en verdienen allen lof. Zij wil naar Luxemburg
de buitenlanders lokken, die anders elders ontspanning van den
dagelijkschen arbeid en nieuwe krachten daarvoor gaan zoeken. Doch zij
doet dit niet door sterk-prikkelende vermaken of door, uit een zedelijk
oogpunt beschouwd, minder aanbevelenswaardige middelen. Herhaaldelijk
doch vruchteloos kwamen wel met de verleidelijkste aanbiedingen bij de
Regeering aanvragen in van avonturiers om verlof tot oprichting van een
speelbank. Deze wil slechts partij trekken van wat het land in kwistige
mate en rijke verscheidenheid aanbiedt: een merkwaardig natuurschoon.



En niet onvruchtbaar is haar streven geweest.

Van jaar tot jaar stijgt het aantal bezoekers, ook onder onze
landgenooten.

Velen dezer meen ik een dienst te hebben bewezen door de uitgave
van mijne hierboven reeds vermelde Schetsen, waarvan de derde druk
in 1892 verscheen, vermeerderd met een aanhangsel, aanwijzende de
voornaamste wandeltochten in de buurt van Diekirch en de uitstapjes,
van daar in een halven dag en op een geheelen dag te ondernemen.

Moge het mij nu maar door de volgende bladzijden gelukken, bij
vernieuwing de aandacht te vestigen op dat merkwaardige Hoogland
en eenige lezers van dit tijdschrift, zoo mogelijk vele, te bewegen
in den aanstaanden zomer enkele vacantiedagen aan een kennismaking
daarmede te wijden! Zeker zou ik dan, wat hen betreft, geen ondankbare
taak op mij hebben genomen, toen ik de uitnoodiging aanvaardde om,
ter toelichting der Gezichten uit Luxemburg, welke in dit tijdschrift
zouden worden opgenomen, eenige mededeelingen te voegen. Uiteraard
moest ik mij wel herhaaldelijk genoopt voelen daarin naar de meer
uitvoerige beschrijving in mijn bovenvermelde Schetsen te verwijzen.



II


De eerste maal, dat ik het Groothertogdom bezocht, sloeg ik, naar
aanleiding eener aanbeveling van vrienden, mijn tent op in het stadje
Diekirch. En nooit heb ik daarvan spijt gehad. Zoo dikwijls ik later
in het Hoogland terugkeerde, bleef Diekirch mijn hoofdkwartier.

Wel ontken ik niet, dat b.v. de naaste omtrek van Echternach
veel stouter en schilderachtiger is en rijker aan indrukwekkende
natuurtafereelen, die hem aanspraak geven op den naam van _Petite
Suisse Luxembourgeoise_. Maar op grond van mijne ervaring durf ik
gerust verklaren, dat wie met het geheele land, het noorden zoo
goed als andere gedeelten, wil kennis maken, niet beter kan doen
dan te Diekirch zijn intrek nemen, om dit als uitgangspunt voor
zijn tochtjes te kiezen. Van daar kan men die in alle richtingen
gemakkelijk maken en, behoudens een enkele uitzondering, op den
zelfden dag thuiskomen. Dit is met de hoofdstad, Echternach of een
andere plaats als hoofdverblijf, niet altoos het geval.



Niet onmogelijk is het, uit het hart van Nederland op één dag den tocht
naar Diekirch, ook over Brussel en verder over de stad Luxemburg,
af te leggen. Doch hij is wel wat vermoeiend. Men loopt gevaar,
als men Namen achter den rug heeft, na zoovele uren sporens, door
afmatting onvatbaar te worden voor het genot van het natuurschoon,
dat het verdere gedeelte der reis zoo kwistig aanbiedt. Ook van het
goede kan men soms te veel krijgen!

Over Luik en Ettelbrück is de afstand korter, de weg nog prachtiger
en zijn de kosten ook geringer, zoowel wanneer men van Luik met
de Ourthe-baan tot Rivage, en van daar door het heerlijke dal der
Amblève de reis maakt, als wanneer men de voorkeur geeft aan de iets
langere, maar niet minder belangwekkende lijn Luik-Pepinster-Spa-Trois
Vierges-Luxemburg, door het Vesdre-dal met zijn talrijke kunstwerken,
die het kronkelen van dat bergstroompje noodig heeft gemaakt, en
voorts door de valleien van den Hoëgne, den Wayay, en het eerste
gedeelte van het dal der Amblève. Bij den ingang van dat der Salm,
aan het station Trois Ponts, waar de Amblève rechts afslaat, om bij
Rivage in de Ourthe uit te loopen, ontmoeten de in beide richtingen,
met een tijdsverschil van drie kwartier uur, uit Luik vertrokken
treinen elkander om te worden aaneengekoppeld en vereenigd verder
te sporen, tot zij op een kleinen afstand van de grensplaats Gouvy
het Belgische grondgebied verlaten en door een langen tunnel dat
van Luxemburg betreden. Bij het eerstvolgende station Trois Vierges
bereiken zij de vallei der Woltz of Clerf en spoeden straks in die der
Wiltz zich voort. Te Trois Vierges, ook wel naar het bloeiende dorp in
zijn nabijheid Ufflingen geheeten, zijn de bureelen der Luxemburgsche
douane gevestigd of liever die van het Duitsche Tolverbond, waarin
het Groothertogdom ten jare 1867 is opgenomen.

Van hier tot Ettelbrück heeft men het indrukwekkendste gedeelte van
de gansche lijn. De spoortrein loopt er door het hart der Ardennen,
die, gelijk men weet, zich uitstrekken over het Fransche departement
der Ardennen, de Belgische provinciën Luxemburg, Namen, Luik,
de noordelijke helft van het Groothertogdom en over de pruisische
grenzen in de richting van Aken en Keulen. Aschgrauwe rotsgevaarten,
op elkander gestapeld, verheffen zich aan de eene zijde der baan,
aan de andere liefelijke beemden met talrijke boomgaarden beplant
en door snelvlietende stroompjes besproeid. Doch een tunnel brengt u
telkens eensklaps met donderend geraas aan den anderen kant van den,
u den weg versperrenden bergrug en doet het tooneel geheel veranderen.

Op vele punten, waar men tusschen de muren van graniet een doorgang
heeft moeten banen, schijnen de bijna loodrecht zich in de lucht
verheffende steenen kolossen elkander grimmig te willen naderen,
om den voorbijratelenden trein in hun omarmingen te verpletteren. De
langste tunnel, die van Michelau, de voorlaatste dien men doorgaat, is
bekranst met de trotsche bouwvallen van Bourscheid. Het is of deze van
verre den bezoeker van het Groothertogdom het dreigend protest in de
ooren wil donderen van den krijgshaftigen geest der middeleeuwen tegen
de overweldigingen der vredelievende industrie van de moderne tijden!

Na het dal der Wiltz doorgespoord te hebben, komt men bij Goebelsmühle
in de vallei der Sûre, in wier wateren genoemd riviertje zich uitstort,
en die, ontsprongen in de Belgische provincie Luxemburg nabij het
plaatsje Sûre, waaraan zij waarschijnlijk haar naam dankt, niet ver
van Martelange als hoofdrivier het Groothertogdom betreedt. Als kostte
het haar moeite zich tusschen de haar bezoomende rotspartijen een
weg te banen, doorsnijdt zij het van het westen naar het oosten en
splitst het in twee zeer ongelijksoortige deelen: het noordelijke,
_Oesling_ of _Esling_ geheeten, en het zuidelijke _Gutland_, goed
voor den landbouw namelijk. Van den naam _Oesling_ kan men niet met
zekerheid de afleiding en beteekenis vaststellen, daar er verschillende
verklaringen van in omloop zijn. Het is een zeer boschrijk Hoogland,
dat een verhevenheid bereikt van 552 meter. De valleien, die het
doorsnijden, zijn diep en schilderachtig en met steile rotsgevaarten
ommuurd.

Van Michelau bereikt men in weinige minuten Ettelbrück, waar de
Alzette zich in de Sûre stort en de wateren van deze doet zwellen.

In het Sûredal, dat men, gelijk wij opmerkten, bij Goebelsmühle
betreedt, wordt het oog aanvankelijk geboeid door soortgelijke
natuurtafereelen als in de andere dalen: groene, lachende weiden en
stoute rotspartijen. Deze worden door een paar tunnels en bruggen
afgewisseld, tot men Ettelbrück nadert en het dal plotseling zich
ziet verwijden.

Hier, de voornaamste marktplaats der gansche streek, heeft men het
middelpunt der spoorbanen, die het land in verschillende richtingen
doorkruisen. Oostwaarts loopt de lijn der Prins-Hendrik-maatschappij,
voorbij Diekirch en Echternach, altoos de schilderachtige
oevers der Sûre volgende, tot Wasserbillig, waar zij zich met de
lijn Guillaume-Luxembourg vereenigt, die, met Trois Vierges als
uitgangspunt, over Ettelbrück de hoofdstad in een uur bereikt en deze
met Trier verbindt.

Van Ettelbrück brengt u de trein in een klein kwartier te Diekirch.



III


Toen ik voor het eerst het station Ettelbrück verliet, kon ik een
gevoel van teleurstelling niet verkroppen. Onze trein scheen zich
hoe langer zoo meer van het gebergte te verwijderen. Had men mij dan
verkeerd ingelicht? En zou Diekirch in een vlakte liggen? Dat ware
ons, mij en mijn gezin, die zoo naar de berglucht snakten, bitter
tegengevallen. Gelukkig werd onze vrees spoedig beschaamd. Zij week
allengs naarmate wij onze bestemmingsplaats meer naderden. Een zucht
van verluchting ontsnapte onze borst, toen wij daar aankwamen en
ons rekenschap gaven van de ligging der stad. Een gevoel van blijde
ingenomenheid volgde daarop, toen wij het terras achter ons hotel
betraden, waarheen de aan het station gereed staande omnibus ons in
eenige minuten bracht.

Niet licht vergeet ik den indruk, dien ik ontving, toen ik voor
het eerst van de tweede verdieping uit onze kamer den blik over het
liefelijke landschap liet waren. Op een kleinen afstand zag ik de Sûre
zich kronkelen als een breed zilveren lint. Aan den rechteroever op
eenigen afstand het gebergte, den Ban van Gilsdorf, en een gedeelte
van den Haart. Tegen hun hellingen bouwland, rijk geschakeerd van tint
door de verschillende graansoorten, die er op geteeld worden. Aan hun
voet weiland, door de baan der Prins-Hendrik-Spoorwegmaatschappij of
door een laan populieren doorsneden. Tot stoffeering een pachthoeve. In
het verschiet, het aan de Sûre gelegen dorp Gilsdorf.

Links, over de huizen van den straatweg naar Vianden, viel mijn oog
op den met houtgewas bekleeden rug van den Herrenberg, aan wiens voet
het stadje zich amphitheatersgewijze uitstrekt. Het geheele landschap
was door de ondergaande zon zacht getint en ademde een rust, die mij
weldadig aandeed.

Het in de laatste jaren aanzienlijk vergroote Grand hotel des Ardennes,
prop. Alexis Heck, waar ik sedert mijn eerste bezoek altoos mijn
intrek nam, en dat ik--al wil ik niets ten nadeele zeggen der andere
hotels, die men te Diekirch aantreft--ook om het matige, hoewel altoos
toch nog hoogere tarief dan in de andere, zoowel als om de goede
verzorging gaarne aanbeveel, het hotel des Ardennes ligt in een der
hoofdstraten, een zoogenaamden boulevard, de Rue du Pont. Van voren
en van achteren heeft het uit schier alle logeerkamers een schoon
uitzicht. Alleen voor een enkel vertrek op de eerste verdieping,
aan de straatzijde, wordt dit belemmerd door een in gothischen stijl
opgetrokken kasteeltje, ongeveer een halve eeuw geleden gebouwd en door
den eigenaar, den heer Wirtgen, aan zijne geboortestad vermaakt, en na
diens dood, in Sept. 1889, tot gemeentehuis ingericht. De voormalige
tuin, tusschen het slot en de straat aangelegd, is tot een soort van
"Square" hervormd, naar den milden erflater Place Wirtgen gedoopt. Dit
plekje lokt menigen logé uit, van tijd tot tijd daar te vertoeven. Er
is veel lommer. Een vijvertje, waarin de waterstraal van een midden
daaruit opspringende fontein kletterend nederstort, doet daar in de
warmste dagen van den zomer zekere frischheid heerschen.

Uit de kleine eet- of ontbijtzaal aan de straat komt men van
achteren op een overdekt terras, dat ook toegang verleent tot de
groote eetzaal en daaraan grenzende conversatiezalen. Van dit terras
geleidt een steenen trap naar een fraai aangelegden, met een rijken
bloemenschat prijkenden tuin, waar ook de jeugd gelegenheid heeft zich
met verschillende spelen te vermeien. Uit dien tuin geleidt, langs
den moeshof, een pad naar de rivier, waarin ten gerieve der logé's
des zomers een badhuisje gemeerd ligt, voorzien van twee vertrekjes,
één voor heeren en één voor dames.



Diekirch spreidt zich in de lachende en vruchtbare vallei der Sûre
uit, aan den voet van den Herrenberg, die, 433 meter hoog boven de
oppervlakte der zee, zich verheffende, haar tegen de noordenwinden
beschut.

Twee bruggen verbinden daar de rivieroevers.

Over de eene, geheel van ijzer, loopt de Prins Hendriklijn naar
Echternach en Wasserbillig. De andere, van een nette ijzeren leuning
voorzien doch uit steen opgetrokken, is bestemd voor rijtuigen
en voetgangers en voert hen links langs den oever naar Gilsdorf,
rechts voorbij een paar landelijke woningen naar een sterk rijzenden
straatweg, over de bergtoppen van den Hart of Haart naar La Rochette
of Fels.

Oppervlakkig beschouwd, lijken die beide bruggen met hare zware
pijlers, evenals de meeste andere, elders over de rivier geslagen,
wat al te kolossaal. Vooral omdat de Sûre hier zeer ondiep is en
zelfs vele droge plekken vertoont. Maar het verschijnsel werd mij
zeer verklaarbaar, toen ik vernam dat na ettelijke regendagen de
stroom, die in gewone tijden reeds zoo snel vloeit, sterk zwelt en
in onstuimige vaart zijne wateren voortzweept. Om zijn geweld te
wederstaan, moeten de bruggen wel bijzonder stevig zijn.

Gedurende een deel des jaars, van November tot Mei, is de rivier
bevaarbaar. Waarschijnlijk diende zij in de middeleeuwen tusschen
Diekirch, Echternach en Trier als gemeenschapsweg, tot het vervoer
van goederen. Een vijftigtal jaren geleden werden er nog vele
houtvlotten op gezien, die haar afzakten om in Rijn of Moezel bij
soortgelijke verzamelingen boomstammen, uit het Schwarzwald of de
Vogeezen afkomstig, te worden aangehecht. Sedert den aanleg van
den Prins-Hendrik-spoorweg is echter de scheepvaart op de Sûre van
schier geen de minste beteekenis. Enkele platboomde vaartuigen kan
men met den stroom laten afdrijven of voortstuwen en moeten dan nog
vaak over de ondiepten worden gelicht. Een tochtje daarmede bij warm
zomerweder, ook al stort men bij het stooten op een steenklomp hals
over kop in het water, een ongeval, waaraan geen het minste gevaar
verbonden is,--zoo'n tochtje durf ik wel aanbevelen.

Vooral het gedeelte van Reisdorf tot Wasserbillig, inzonderheid in
de buurt van Echternach, staat in liefelijkheid en pracht volstrekt
niet achter bij de Rijnoevers.

De niet zeer breede zoom, waarlangs het stoompaard al snuivend en
dampend u voortsleurt, strekt zich uit aan den voet der bergen. Uit de
wagens valt de blik op den steilen, kalmen, zachtkens voortkabbelenden
stroom, en aan de overzijde op de glooiende oevers, beplant met donkere
groene elzen en esschen, door vruchtboomen en oude eiken afgewisseld,
waarboven populieren hun kruin fier verheffen. De kronkelingen der
rivier dragen veel bij tot verhooging der schoonheid van het landschap,
eene schoonheid, verhoogd vooral door de heerlijke lijnen en kleuren,
die het oog treffen. Tal van beekjes ontlasten zich aan beide zijden
in de Sûre.



Vruchtbaar is het Sûredal en uiterst geschikt voor den landbouw. Het
rijpende graan ziet men des zomers golven aan den voet en tegen de
helling der bergen. Trouwens groote rijkdom kenmerkt den bodem van
het gansche zuidelijk gedeelte, dat dan ook terecht Gutland genoemd
wordt. Wel droeg Luxemburg tijdens de fransche overheersching den naam
van _Département des forêts_,--naar de bosschen, die de bergtoppen zoo
weelderig tooien,--en zal men wellicht daaruit opmaken, dat de grond
weinig geschikt moet zijn voor den akkerbouw. Men zou zich evenwel
hierin bedriegen. Met uitzondering van het kale, woeste Oesling,
ten noordoosten van Diekirch, ontmoet men overal welige landouwen
en rijke boomgaarden, vruchtbare akkers, mildelijk door beekjes
besproeide weiden, hier en daar omgeven door schilderachtige, met
dicht houtgewas beplante rotsen of vriendelijke dalen met lachende
dorpen en breede straatwegen berg-op, berg-af, waar steeds leven en
beweging is, het teeken van een goed bevolkte streek.

Ook de hellingen van de bergen in den naasten omtrek van Diekirch
waren vroeger met bosschen bedekt. Deze zijn gerooid en hebben
tot aan den voet plaats gemaakt voor bouwland. Hoogerop zijn de
steenbeddingen zichtbaar, die onder de eerste aardlaag verborgen,
er dikwijls doorheengluren en hier en daar ontgonnen worden.

Na de hoofdstad bekleedt Diekirch, niettegenstaande haar bevolking
van nog geen 4000 zielen, een eersten rang onder de Luxemburgsche
steden. Zij is de hoofdplaats van een der drie distrikten, waarin
het Groothertogdom verdeeld werd en heeft het voorrecht de zetel te
zijn van een der twee arrondissements-rechtbanken des lands en van een
kantongerecht en de standplaats van een distriktcommissaris, en onder
hare inrichtingen van onderwijs ook een bloeiend gymnasium te bezitten.

Daar zijn er, die hare stichting willen laten opklimmen tot den
tijd, toen de Romeinen het land bezet hielden. En de vele romeinsche
oudheden, die in den omtrek opgegraven zijn, schijnen wel eenigszins
dit gevoelen te bevestigen. Doch als die vondst iets bewees voor de
oudheid der plaats, dan moet men ook uit de ontdekking van gallische
en keltische voorwerpen: munten, wapens, huishoudelijke gereedschappen
enz. besluiten tot een nog veel ouderen oorsprong.

Ons bestek gedoogt niet over dezen oorsprong in bijzonderheden te
treden, evenmin om de voornaamste feiten van hare belangwekkende
geschiedenis in herinnering te brengen. Wij veroorloven ons te dien
aanzien te verwijzen naar onze Schetsen uit Luxemburg. Ook ten opzichte
der voornaamste gebouwen, hotels, de plaatselijke industrie enz. zij
ons vergund dezelfde opmerking te maken.

Een enkel woord slechts over de beide kerken, die de belangstelling
van den bezoeker bijzonder waard zijn, voegen wij hier nog bij.

De oude, aan St. Lourens gewijd, is niet meer in gebruik. Zij
staat dicht bij het hotel, van waar men den lagen toren kan
zien. Afgekeurd omdat zij te klein was geworden, is zij langzamerhand
geheel vervallen. Het voorportaal dient tot bergplaats van allerlei
voorwerpen. Het schip is daarvan gescheiden door een deur. Deze is
afgesloten. De heer Coster, die er naast woont en wien het daar
gelegen erf toebehoort, haalt voor u evenwel, op uw verzoek, met
groote bereidwilligheid den sleutel.

Duidelijk zijn de sporen zichtbaar van de ophooging, die de grond,
met de geheele binnenstad, in 1765 heeft ondergaan. Hoe gedrukt
is alles!--Geen wonder. Graaft men langs de pilaren, dan kan men
wel tien voet diep de aarde weghalen, zonder aan de voetstukken
te komen. De stijl, waarin het gebouwtje werd opgetrokken, is de
byzantijnsche. De wapens der stad, uit steen gehouwen, waren in den
muur aan de linkerhand aangebracht. De preekstoel, het hoofdaltaar
en een zijaltaar, benevens een in den muur gemetselde lijksteen
van wit marmer, met een zwarten rand omlijst en ter nagedachtenis
van Dom François Emanuël Goethals, in leven Markies van Diekirch
opgericht, een paar schilderijen van zeer geringe waarde en eenige erg
verweerde of geschonden beelden, die ik er herhaaldelijk heb gezien,
zijn sedert een kleine twintig jaar verdwenen. De lijksteen is in
het bezit gekomen van den Baron Goethals te Brussel, nazaat van den
bovengenoemden Markies van Diekirch. De geschilderde ruiten echter
zijn grootendeels stuk. Wat er goeds was in het gebouw, werd bij de
stichting der nieuwe kerk medegenomen en daarheen overgebracht.

Die Nieuwe kerk, welke tegenover de _Esplanade_ zich verheft, is
nog niet lang geleden gesticht. Even als de oude aan St. Lourens
gewijd, werd zij opgetrokken in 1868 ter plaatse, waar de kapel
stond van het thans tot school ingerichte en in de dagen der
Fransche staatsomwenteling opgeheven, ten jare 1671 gestichte
Franciskanerklooster. Zij wordt bediend door een pastoor-deken en
drie kapelaans. In romaansch-byzantijnschen stijl, met twee torens
gebouwd, heeft zij behalve een fraaie, wit marmeren Mater Dolorosa,
het werk van den beeldhouwer Achterman, niets merkwaardigs.



IV


Mag Diekirch op zichzelf in menig opzicht een belangstellend bezoek
overwaard geacht worden, nog in hoogere mate is dit het geval, wanneer
men het kiest tot hoofdverblijf om te voet, per as of per spoor van
daar uit aantrekkelijke uitstapjes te ondernemen.

In den naasten omtrek reeds kan men, zonder buitengewone vermoeienis
of krachtsinspanning een aantal aangename wandeltochten maken, die
een rijke bron van genot opleveren voor hen, wier gemoed waarachtig
natuurschoon weet te waardeeren. Zij beginnen reeds zoodra men de
stad verlaat en bieden zich van zelf aan. Uitgezonderd die over
den Kaleberg, moet men de andere beginnen met eerst een eind den
weinig belommerden straatweg te volgen. De krachtige, schaduwrijke
boomen, die hem weleer bezoomden, zijn geruimen tijd geleden door
het gemeentebestuur omgehouwen en door jeugdig plantsoen vervangen,
en de voet van het gebergte is bekleed met korenvelden. Eerst hoogerop
beginnen de bosschen. Daarenboven, tenzij men den straatweg langs de
Sûre, westwaarts naar Ettelbrück of oostwaarts naar Bettendorf volgt,
moet men niet tegen een beetje klimmen opzien. Die bergpaden evenwel
behoeven u niet af te schrikken. Zij zijn in den regel niet steil,
maar voeren geleidelijk _en zigzag_ naar den top. Wel kan men dien
in korteren tijd bereiken, doch dan heeft men smalle, sterk-hellende
laantjes te bestijgen. De moeite wordt echter rijkelijk beloond, als
men het doel heeft bereikt. Te bejammeren is het--misschien is hierin
verandering gekomen--dat er nergens banken worden aangetroffen. Die
ontbreken ten eenenmale. Er blijft geen andere keus over om de
vermoeide ledematen uit te strekken, dan op het gras aan den zoom van
het bosch of op een rotsblok. Het gemeentebestuur zal een goed werk
doen en de vreemdelingen, die de stad bezoeken en wier aantal jaarlijks
toeneemt, zeer aan zich verplichten door hier en daar eenvoudige,
uit boomtakken vervaardigde zetels te plaatsen, zooals op den Kaleberg
reeds is geschied. Evenzoo zullen de wandeltochten nog veraangenaamd
worden, wanneer in de bosschen betere paden zijn gebaand. Een genoegen
is het mij thans te kunnen mededeelen, dat in dit opzicht een krachtige
hand geslagen werd aan eene verbetering van den toestand. De ettelijke
jaren geleden te Diekirch opgerichte Verschönerungs-verein, door het
landsbestuur en de stedelijke regeering gesteund, beijvert zich, ook
met hulp der vrijwillige bijdragen van de ingezetenen, den omtrek te
verfraaien en de schoonste punten toegankelijk te maken. Aan haar heeft
men, gelijk ik reeds mededeelde, de zoo aanbevelenswaardige wandeling
naar den Haart te danken. De aanleg van den reeds hierboven genoemden
Kaleberg (koude-berg) mag als een proeve van wat zij in staat is tot
stand te brengen, worden beschouwd.

Voor die wandeling behoeft men de brandende zonnestralen niet te
trotseeren. Zij begint aan het einde der zoogenaamde Esplanade, die
naar de Place Guillaume voert. Men slaat daar den zoogenaamden hollen
weg, _chemin creux_, achter de Bierbrouwerij in, tegen de helling
van den Seitert, links van den weg naar Stavelot. Onder het toezicht
en naar de plannen van wijlen den districts-ingenieur Hartmann is
daar, gedeeltelijk voor rekening van den Staat, gedeeltelijk voor
die van de Gemeente, in 1880 een groot stuk van de berghelling tot
een prettig wandeloord gemaakt. Een pad is er in het bosch aangelegd
van één tot twee meters breedte, langzaam rijzend, nu eens glooiend,
dan langs trappen uit boomstammen vervaardigd naar boven voerend
tot op den top van den Seitert. Hier en daar heeft men met veel takt
openingen gemaakt tusschen het geboomte om een vergezicht te hebben
op de naburige bergen. Men vindt er ook rustieke banken en zetels,
zelfs tafels met leunstoelen. Uitnemende plekjes voor dames, om
daar met haar handwerkje den ochtend door te brengen. Houten bruggen
geleiden over de door bergstroompjes gegraven ravijnen. Halverwege
is een in rustieken stijl gebouwde kiosk, die als muziektent moet
dienen. Daar hebben van tijd tot tijd ook uitvoeringen der stedelijke
kapel plaats. Het is een uitnemend terrein voor een bal champêtre.

Wil men de wandeling voortzetten en een genotvol uurtje doorbrengen in
een wezenlijk bosch, waarin pijn en den en spar met hun verfrisschende
geuren de lucht bezwangeren, dan volgt men het middenpad van den
Kaleberg, dat uitloopt op een kleine hoogvlakte. Deze steekt men over,
recht uit, en komt dan binnen weinige minuten in het Friedbusch. Dit
wordt door verschillende voetpaden doorsneden. Rechts afslaande
bereikt men de bovengenoemde heirbaan naar Stavelot. Links af, die naar
Erpeldange of Erpeldingen. Wil men, na den Kaleberg te hebben bezocht,
dadelijk stadwaarts keeren langs een anderen weg, dan slaat men het
pad in, dat in linksche richting is aangelegd en om den berg heenloopt,
en betreedt Diekirch weder langs de Flossbach en den Flossweg.

Van den Herrenberg, op welks top een groote landhoeve, de Schwartzhof
zich uitstrekt, heeft men een heerlijk gezicht op de stad en het
gansche dal van de Sûre. Die berg verheft zich aan een hoek van het
schiereiland, door de Blèze of Blees en de Sûre gevormd, en ligt
geheel op zich zelf aan de noord- oost- en zuidzijden. Het riviertje,
dat tusschen groene weiden en met goudgeel graan beladen akkers
voortkronkelt en dat men over een groote uitgestrektheid met het oog
volgen kan; het stedeke, dat u zoo vriendelijk toelacht, als noodde het
u binnen zijne muren terug te keeren; het gebergte aan de overzijde met
de boschrijke hellingen en de valleien, die de verschillende deelen,
waaruit het samengesteld is, scheiden; het op een kleinen afstand
gelegen dorpje Gilsdorf met zijn witte huizen en zijn kerkje, dat zoo
scherp uitkomt tusschen de populieren, die het omgeven en tegen den
achtergrond, gevormd door de hoogten van den Grilsdorfer-Ban.... alles
is even liefelijk en trekt onwederstaanbaar het oog tot zich.

Ook het doorkruisen der kleine valleien tusschen de bergen, die den
achtergrond vormen van het landschap, waarvan Diekirch het middelpunt
is: de Herrenberg, de Seitert, de Schützenberg en de Goldknap,
verschaft een groot genot, niet minder dan het dwalen langs hun
flanken en over hun toppen.



Het verblijf te Diekirch wordt aanmerkelijk veraangenaamd, wanneer
men goed ter been is. Men kan dan te voet allerlei uitstapjes doen en
op de schoonste punten zoolang men wil vertoeven, terwijl men, in een
rijtuig gezeten, door het rijzen of dalen van den weg gedwongen wordt
steeds voort te gaan. Trouwens, de afstanden zijn niet groot. Een
gemak is het daarenboven, dat men dezen per kilometer op steenen
palen langs de straatwegen aangeduid vindt, terwijl op de kruispunten
der heirbanen overal wegwijzers zijn opgericht. Men weet dus altoos
of men de goede richting volgt. Ook heeft men geen vergissingen of
teleurstellingen te duchten en blijft gevrijwaard voor de onaangename
ervaring, welke men zoo vaak ten onzent op het platteland ontmoet,
wanneer men hoort spreken van "een goed kwartiertje", terwijl men
soms een uur heeft af te leggen.



Een alleraangenaamste wandeling vindt men aan de overzijde der rivier
langs de Sasselbach, beek der Saksen, die, na een uitgestrektheid van
zes à zeven kilometers te hebben doorloopen, zich tusschen Gilsdorf
en Diekirch in de Sûre stort. Volgt men stroomopwaarts de smalle
vallei waarin zij zich voortspoedt, dan komt men eindelijk in de
nabijheid van een meelfabriek en brandewijnstokerij, verscholen in de
diepte aan den straatweg naar La Rochette tusschen weelderig groen,
waaruit het geklik-klak van het molenrad u tegenklinkt. Een landhoeve
is er aan verbonden. Uitgestrekte korenakkers en aardappelenvelden
strekken zich aan de andere zijde uit. Nijverheid, landbouw en
veeteelt te gader hebben daar hun zetel opgeslagen. De inrichting,
Moulin-Tschiderer geheeten, is een bezoek overwaard. Met welgevallen
zal men de zware ossen en stevige schapen aanschouwen, die men hier
fokt om ze later ter markt te brengen of uit te voeren naar België en
Duitschland. De melk der koeien wordt in de stad uitgevent. De afval
der fabriek dient tot voedsel voor het vee. Niets gaat verloren,
terwijl de grondstoffen in de nabijheid worden verbouwd.

Dicht bij die fabriek, vormt de Sasselbach drie watervalletjes,
als ten minste de droogte des zomers niet te lang heeft
aangehouden. Onwillekeurig wordt men daar uitgelokt zich in de schaduw
van het zwaar geboomte aan den oever neêr te vlijen en, luisterende
naar het geklots en gekletter der schuimende golven, zich in zoete
mijmeringen te verdiepen. Van hier keert men naar Diekirch langs den
straatweg terug. De geheele wandeling duurt een anderhalf uur. Men kan
die ook ondernemen van Gilsdorf over Folkingen, dat een oud kasteel
bezit, thans in een pachthoeve hervormd. Op een half uur afstand ten
zuidoosten van dit dorp, in het bosch tusschen Medernach en Stegen,
ontspringt de Sasselbach.

Wat Diekirch als hoofdverblijf bovenal aanbeveelt, is dat het
door zijne ligging beter dan eenige stad van het groothertogdom
geschikt blijkt voor langere uitstapjes, per spoortrein of rijtuig te
maken. Een volledig programma wordt u daarvoor aangeboden en is ook
in een aanhangsel achter mijn Schetsen opgenomen. Naar gelang van den
tijd, waarover gij te beschikken hebt, kan dit worden ingekrompen
of uitgebreid: in noordelijke richting naar Vianden, Clairvaux,
Bourscheid, Wiltz, Esch-le-Trou; oostelijk naar Beaufort, Echternach,
het Müllerthal; zuidwaarts naar La Rochette, Meysemburg, Mersch en
haar omtrek, de vallei der Alzette en de hoofdstad. In de stad zijn
uitnemende rijtuigen verkrijgbaar: landauers, omnibussen, victoria's,
breaks, chars-à-bancs, open en gesloten. Bij heele of halve dagen en
naar het aantal paarden, dat men noodig heeft, worden de prijzen van
een rijtoer berekend. Een wagen met twee paarden kost voor een geheelen
dag 20 fr., voor een halven 12 fr.; met één paard 7.50 fr. voor een
halven en 12 fr. voor een geheelen dag. Toch kan de toestand van den
weg wel eens een verhooging van den prijs noodzakelijk maken.



V


Onder de uitstapjes, die bij een eerste, zelfs kort verblijf te
Diekirch worden aanbevolen, behoort dat aan de ruïnen van Bourscheid,
anderhalve kilometer van het dorp van dien naam gelegen op den top van
een hoogen berg, wiens voet door de Sûre wordt gekust en waaronder
men bij Michelau in een langen tunnel voortspoort. Ik wees reeds
in mijn inleiding op de stoute en verheven tooneelen, die de oevers
der Boven-Sûre aanbiedt, eer zij bij Ettelbrück de Alzette in haren
schoot opneemt.

Die ruïnen, een der schoonste proeven van militaire architektuur uit
de middeleeuwen, zijn de overblijfselen van een kasteel, dat aan het
gevaar ontkwam van, als zoovele andere burchten door een Fransch leger
onder den maarschalk de Boufflers, die als een geesel het hertogdom
doortrok, te worden verwoest, toen het bij de eerste opeisching
zich haastte zijn poorten te openen. Een eeuw later werd het door
de Fransche republikeinen geplunderd en ontmanteld. Langzamerhand in
een bouwval herschapen, tot staatseigendom verklaard en ten verkoop
aangeslagen, kwam het in het bezit der familie Vannérus. Was de
burcht voorheen de trots van den ganschen omtrek, thans wekt de
verhevenheid der ruïne, die de vallei bestrijkt en van verre den blik
onweêrstaanbaar tot zich trekt, de bewondering van den toerist. Te
midden eener indrukwekkende en woeste natuur is zij als neêrgeworpen
op een soort van voorgebergte, dat, vierhonderd meters hoog, aan
drie zijden door de wateren der zich er omheen kronkelende Sûre
wordt omspoeld. Die dubbele rij wallen, kolossale torens, gescheurde
muren en steenklompen, waarheen een steil pad u voert, geven een hoog
denkbeeld van de macht der voormalige bewoners, die van de 9de tot
de 13de eeuw een groote rol speelden in het gewest. In de 16de eeuw
stierf hun huis uit en kwam de baronnie aan de Heeren van Metternich,
die het tot aan de fransche revolutie behielden. De laatste baron
verliet toen het land en liet zijn bezittingen in den steek, die dan
ook verbeurd werden verklaard.

Op verschillende wijzen kan men den bouwval bereiken. Ten eerste per
spoortrein van Diekirch en verder langs de lijn Ettelbrück-Pepinster
tot de eerste halt, Michelau, het dorpje, dat zich langs de Sûre aan
den voet van een hooge heuvelenrij, met zijn vriendelijke landouwen,
boomgaarden en tuinen uitstrekt. Daar gaat men de rivier over en
bestijgt den berg, wiens beklimming een 25-tal minuten duurt, om hem
iets verder, tegenover het dorpje Goebelsmühle, af te dalen en van daar
per spoor terug keeren. Doch ik geloof niet dat de tocht, op die wijze
gemaakt, al het genot oplevert, 't welk men smaken kan. Klimmen blijft
altoos vermoeiend, en men is te veel aan den tijd gebonden. Daarenboven
mist men de heerlijke gezichten, die men heeft als men over Ettelbrück,
Warcke en Buerden per as zich er heen begeeft, om dan aan de zijde van
Michelau af te dalen en verder den straatweg naar Diekirch te volgen.

Op die wijze begaf ook ik mij de eerste maal daarheen.



Wij sloegen te Ettelbrück rechtsaf eene zijstraat in, die
langzamerhand rees, reden het reeds veel hooger gelegen dorp Warcke
door, en stegen steeds tusschen graanvelden, afgewisseld door
hellingen, met kort eikenhout beplant. Merkwaardig was het verschil
tusschen de natuur aan gindsche zijde van het dal, dat wij hadden
doorgereden, en die welke ons omringde. Wij waren op de grens van
het barre Oesling. Welk een tegenstelling tusschen de dorheid en de
schraalheid van den rotsachtigen bodem ginds, en de weelderigheid
beneden! Daar onvruchtbaarheid en grauwe steenklompen, hier rijkdom
en verscheidenheid van voortbrengselen van den grond. Hoe hooger
wij stegen, des te meer begon ook onze omgeving het karakter van
het Oesling te vertoonen. Het loofhout verdween weldra. Enkele
dennen vertoonden zich nog. Alleen heidebloempjes of boekweit
zagen wij den bergrug tooien. Het was spoedig gedaan met allen
plantengroei. Geen heester, geen kruidje, geen bloem kon ons oog
meer ontdekken. Het rijtuig hadden wij wegens het sterke stijgen van
den weg verlaten. Eindelijk bereikten wij eene hoogvlakte. Overal,
in alle richtingen, aanschouwden wij nieuwe bergen, wier omtrekken
minder scherp werden en wier tinten ineensmolten. Achter ons, in het
verschiet, de hoogten tegenover Diekirch. Eenige meters beneden ons,
aan onze rechterhand, verhief zich de spits van een dorpskerkje. Het
was de toren van Buerden.

Treffend schoon is vooral het panorama, u even voorbij Buerden
aangeboden, wanneer gij de bergvlakte, waarop het dorp ligt, bereikt.
Bij het zwenken van den weg ziet gij de ruime bergkloof liggen,
terwijl aan de andere zijde de gemeente Heiderscheid in de diepte
zich schijnt te willen verbergen, en een kerktoren en eenige huizen,
die van het dorp Welscheid, zich op grooten afstand tegen den horizon
scherp afteekenen.

Wij reden verder door, steeds klimmende. Na in het dorp wat te hebben
gepleisterd, daalden wij gedurende een kwartier ongeveer, naar een
lager gelegen bergtop af, en bezochten de ruïnen. Aan de zijde van
Michelau verlieten wij den bouwval. Wij bleven steeds dalen. De weg
levert wel eenige bezwaren op.

Het pad is langs die zijde in den berg, den hoogsten van het geheele
groothertogdom, zigzagsgewijze uitgehouwen. De helling is steil. Men
ziet dus altoos aan zijn linker- of rechterzijde het naar beneden
voerende, als een breed lint zich slingerende pad. Het gezicht van
dien gapenden afgrond is voor velen ijzingwekkend. Een zijsprong van
een der paarden.... en gij loopt gevaar naar beneden te tuimelen en
in de rivier terecht te komen.

Nochtans is die angst overdreven, gelijk ik uit eigen ervaring kan
getuigen. Al zit men niet volkomen op zijn gemak, toch moet men uit
vrees voor een beetje ongerustheid niet het heerlijke schouwspel
prijs geven, dat de rit naar Bourscheid over Ettelbrück schenkt. De
paarden zijn aan dien tocht gewoon. En nooit of nimmer heeft men
van een ongeluk gehoord, een toerist overkomen. Trouwens, men kan
denzelfden weg, waarlangs men gekomen is, terug nemen.



Eene zeer loonende rijtoer is ook naar La Rochette of Fels.

Bij de brug, die de beide oevers der Sûre verbindt, aan
de overzijde der rivier, begint een langzaam rijzende breede
straatweg. Zigzagsgewijze voert deze in zuidelijke richting naar den
top van den Haart en geleidt verder naar La Rochette. De afstand
bedraagt twaalf kilometers. Aanvankelijk blijft Diekirch in het
gezicht, en kan men eenigen tijd den loop van den stroom volgen. Een
steil voetpad brengt evenwel veel spoediger en in rechte lijn naar
het punt, waar het Sûredal zich aan uw blik onttrekt. Daar verbreedt
zich ook de vallei aan uwe linkerhand, en ontwaart gij in de diepte
de reeds vroeger besproken fabriek, naar den eigenaar _le moulin
Tschiderer_ geheeten.

Hier begint de weg sterk te rijzen. De paarden kunnen niet dan
stapvoets voort. Gij nadert allengs het hoogste punt, en snel gaat
het dan naar beneden. Tot tweemalen toe evenwel moet gij een bergrug
beklimmen, en staart gij van den top in een eerbiedwaardige diepte
neder. Vlak tegenover u verrijst dan een andere berg, naar wiens
spits een sterk hellend, bijna loodrecht pad voert. De bestijging
daarvan schijnt voor de paarden van het rijtuig bijna een volslagen
onmogelijkheid. Die wegen zijn evenwel in werkelijkheid veel
minder steil dan ze op eenigen afstand lijken. Geleidelijk is
hun glooiing. Hier en daar, bij verbreeding van het dal, waarin
zij aangelegd zijn en waar het uitzicht ruimer is, geven zij u de
liefelijkste natuurtooneelen te bewonderen. Maar ook wederom verder,
als zij u langs dichte bosschen of voorbij rotsachtige, met wild gewas
beplante hellingen voeren, komen ze u somber en eenzaam voor. De
rotsen zijn echter hier, evenmin als elders in het groothertogdom,
geheel onvruchtbaar. Gij ziet ze met graan of met klein laag hout
begroeid en hooger op met forsche boomen getooid. Hunne toppen alleen
zijn kaal. Daar vertoont zich de schraalheid van den bodem, die zulk
een contrast vormt met den rijkdom en de welvaart aan den voet.

Men rijdt het dorp Medernach door, waar eenigen tijd geleden
een prachtig mozaïek is gevonden, thans in het museum te
Luxemburg geplaatst, en voortdurend munten en oudheden worden
opgedolven. Altemaal getuigenissen ter versterking van het vermoeden,
dat hier een Romeinsche nederzetting is geweest. Eindelijk komt men
in het dal, waarin het plaatsje aan de Erenz ligt, hier de Erenz
Blanche of Haute Erenz geheeten, ter onderscheiding van een anderen,
daarmede evenwijdig loopenden tak, de Erenz Noire. Beide ontspringen
op den Grünewald en storten zich, gelijk ik reeds vroeger opmerkte,
in de Sûre, de eerste bij Reisdorf, de tweede bij Grundhof. Tweemaal
doorsnijdt het riviertje den straatweg, eer deze La Rochette
bereikt. Nu eens heeft men het links, dan weder rechts. Fraai is vooral
het laatste gedeelte van den weg. Met ingenomenheid rust het oog aan
wêerskanten op de bergruggen. 't Is een der meest romantische dalen
van het zoo schilderachtige land. Het vlek strekt zich als het ware
in twee verdiepingen aan den voet van den berg uit, aan alle kanten
ingesloten door torenhooge rotsen in de schilderachtigste vormen
en groepeeringen. Het marktplein wordt besproeid door de rivier en
bestreken door de bovenstad en een om zijn uitgestrektheid en hoogte
indrukwekkend rotsgevaarte, dat achter haar verrijst en aan de noord-
en westzijde om de steilte zijner wanden ontoegankelijk is. Op den top
van dat gevaarte, waarnaar het vlek den naam van La Rochette of Fels
heeft ontvangen, verheffen zich, scherp afstekend tegen het blauwe
hemelgewelf, de indrukwekkende bouwvallen van een middeleeuwschen
ridderburcht, te midden en boven allerlei heestergewas en hoog opgaand
geboomte, dat een schaduwrijk, met lanen doorsneden park vormt. Het
zijn brokken van torens en muren, met weelderig groen getooid. Ook kan
men nog de overblijfselen onderscheiden der wallen, die het stedeke,
na zijne vrijverklaring, tegen elke vijandelijke aanranding moesten
beschutten.

Op die rotsachtige hoogvlakte, die een door de natuur zelve gebouwde
forteres gelijkt, is het tusschen de ruïnen stil en eenzaam. Een
huivering moet, dunkt mij, ieder bevangen, die er bij het vallen van
den avond ronddoolt.



De bouwvallen bieden op zich zelve weinig merkwaardigs aan, dat tot
een bezoek uitlokt. Maar het uitzicht, dat men van daar heeft op de
omringende heuvelen, het pittoreske plaatsje en het dal, waarvan het
als het ware het middelpunt vormt, beloont ruimschoots de moeite van
de zeer lastige beklimming. Deze is echter door de zorgen van den
plaatselijken Verschönerungs-Verein wat gemakkelijker geworden. Tien
minuten ongeveer voorbij het marktplein bereikt men het pad, dat
naar boven voert. Links en rechts van den ingang verheffen zich als
schildwachten twee rotsblokken, waarin kelders zijn uitgehouwen, de
eene bestemd voor de bewaring van de schatten van Bacchus, de andere
voor die van Cambrinus.  Tusschen die reuzen van graniet stijgt men
langzaam op naar de rotskruin, onder het loof van beuken en dennen,
terwijl een verkwikkende koelte u te gemoet stroomt. Deze kruin draagt
den naam van Scheffendelchen en is bekroond met het overschot van
een voormaligen slottoren, "Verloren kost" geheeten. Hier en daar
maken trappen de  opklimming lichter. Op  gevaarlijke punten zijn
hekken geplaatst en daar, waar een  schoon uitzicht zich voordoet,
banken. In afwachting van de dingen die komen  zullen, wandelt men
voort. Op de rotsvlakte aangeland, ontwaart men aan zijn voet, in de
gapende diepte, waarin een stevig ijzeren hek u belet neêr te storten,
het pad, langs hetwelk men gekomen is. Een heerlijk schouwspel biedt
de tegen u overliggende ruïne met het schilderachtige landschap,
dat zij bestrijkt. Op deze wandeling wijst men u ook het punt, waar
indertijd de veldstukjes geplaatst werden, uit welke het kasteel door
Boufflers beschoten is geworden.

Over de stad en het geslacht, dat tot de beroemdste van Luxemburg
behoorde en van wier Heerlijkheid zij de hoofdplaats en het middelpunt
was, handelde ik in mijn Schetsen.



VI


Wie evenwel slechts een enkelen dag te Diekirch vertoeft, blijve
niet in gebreke eenige uren af te zonderen voor een bezoek aan het,
op twaalf kilometers ten N. O. van Diekirch gelegen Vianden.

Het romantische natuurschoon, dat de weg derwaarts oplevert; de
pittoreske ligging van het stadje; de indrukwekkende bouwvallen, die
het bestrijken en in uitgestrektheid en schoonheid de ruïnen van de
Rijnoevers verre overtreffen; de geschiedkundige herinneringen, aan
dit oord vastgeknoopt, noodigen als om strijd den toerist dien tocht
te aanvaarden. Voor den Nederlander heeft deze een aantrekkelijkheid
te meer. Die klassieke plek immers was de bakermat van dien tak der
Nassau's, die zich in de Nederlanden vestigde, met opoffering van
goed en bloed ons  vaderland aan het Spaansche dwangjuk zich  hielp
ontworstelen en, na met eer en roem zich te hebben overdekt, er in
1815 de koninklijke waardigheid verwierf. Daar droegen de stamhouders
van ons Oranjehuis, vóór eeuwen reeds, de grafelijke kroon en waren
zij met souvereine macht bekleed.

Geen landgenoot dan ook "wien Neêrlandsch bloed in de aderen vloeit",
die deze streek bezoekt en niet in bedevaart zijne schreden richt naar
den alouden stamburcht, waar het eerst in de Nederlanden de banieren
van de Nassau's wapperden.

't Is een heerlijke tocht, dien men meestal met de stoomtram, in
het Groothertogdom Secundär-Bahne geheeten, onderneemt, of wel, wat
mij verkieslijker voorkomt, per rijtuig. Men kan echter ook gebruik
maken van den postwagen, die des morgens van Diekirch vertrekt en
's avonds terugkeert. Den afstand per as legt men in anderhalf
uur af. Wie echter niet opziet tegen een paar uurtjes geleidelijk
klimmen, moet te voet er heen gaan. Het genot is des te grooter;
want de weg is vol afwisseling. Men volgt eerst de Sûre, totdat men,
aan de linkerhand een flinken breeden straatweg bereikt, halverwege
Bettendorf bij Bleesbrück of de Bleesbrug, waar ook een halt is van de
stoomtram naar Vianden. Deze heirbaan slaat men in. Zij is bezoomd met
lindeboomen, hier en daar door sparren, eiken of platanen vervangen.

Spoedig begint gij te stijgen. Slechts langzaam gaat   het voort, maar
de schoone omgeving doet den tijd kort vallen. Welige landouwen, hooi-
en bouwland met bosschen op den achtergrond, spreiden zich aan de eene
zijde uit. Aan de andere verheffen zich berghellingen met hoog hout
getooid. Een reeks van natuurtooneelen, nu eens liefelijk, dan weder
stout, boeit uw oog. Maar hooger en hooger rijst de weg, die u voorbij
de zoo pittoresk tegen de helling gelegen dorpjes Fouhren en Tandel
voert. In de diepte aanschouwt gij de vallei, waar alles u spreekt
van vruchtbaarheid en welvaart: die boomgaarden, dat volle koren,
die nette huisjes. Daarachter, met bosschen omkranste bergtoppen, als
gesteund, omstrengeld en opgehouden door een gordel van grazige weiden.

Eindelijk komt gij op eene hoogvlakte. En bij het kronkelen van den
aan weêrskanten met ooftboomen beplanten weg, ziet! daar vertoont zich
eensklaps op een afstand de iets lager gelegen trotsche ruïne. Welk
een tooneel! Van welken kant men Vianden nadert, altoos blijft
dit even indrukwekkend. Gij begint te dalen; doch den bouwval,
die u zoo dreigend aangrimt, verliest gij geen oogenblik uit het
gezicht. Onmogelijk het oog er van af te wenden. In snelle vaart
gaat het echter naar beneden en nadert ge het in een diepe en enge
bergkloof aan de romantische oevers der Our gelegen stadje, niet veel
meer dan een op elkander gedrongen groep huizen.

Boven de stad, op een steile, ongeveer 150 meters hooge rots, wier
voet door de zacht kabbelende golfjes der Our gekust wordt, ontdekt
gij thans weer de voor een oogenblik aan uw gezicht onttrokken
overblijfselen van den burcht, die eens den machtigen graven van
Vianden tot residentie verstrekte. 't Is of die overblijfselen u
toeroepen, dat hun voormalige bewoners, die, vermaagschapt aan de
eerste vorstenhuizen in Europa, langen tijd geen ander gezag boven zich
erkenden dan dat des Duitschen keizers en door de sires van Bettendorf,
Brandenburg, Clervaux, Esch, Erpeldange, Meysemburg en anderen als
leenheer gehuldigd werden, dat zij niet verdacht wilden worden van iets
gemeen te hebben met wie daar beneden hunne tenten hadden opgeslagen
in de nederige woningen, rondom hun slot gegroepeerd! Toch zou men
zich bedriegen, als men dit geloofde. De graven van Vianden hadden
hun onderzaten lief en lieten niets onbeproefd om het welzijn van
dezen te bevorderen.



Vianden maakt den indruk van vervallen grootheid, hoe kwistig ook de
natuur hier hare bekoorlijkheden tentoonspreidt. Wisten de bewoners
van de stulpen, die zich in de bergkloof om den burcht groepeerden,
dank zij de vrijgevigheid en genegenheid hunner graven, hun gehucht uit
te breiden tot eene stad, waar kunst en wetenschap beoefend werden en
het fabriekswezen bloeide,--alles herinnert u dat die schoone dagen
voorbij zijn. Zij, die eens de hoofdstad was van een graafschap, de
zetel van een schitterend hof, is thans niets meer dan een eenvoudige
gemeente van omstreeks 1500 zielen. De nijverheid en handel, die er
vroeger welig tierden, kwijnen sinds lang. Eenige welvaart wordt er
nog verspreid door het bezoek van vreemdelingen. Want schilders,
dichters en oudheidkundigen, zoowel als de bewonderaars eener
romantische natuur, worden als om strijd erheen getrokken, terwijl
zij, die niet zoozeer voedsel voor hun hoofd of hart als wel een
aangename ontspanning zoeken, in de vischvangst en de jacht hiertoe
ruimschoots gelegenheid vinden. Voor de geschiedenis der stad en een
nadere kennismaking met haar en hare prachtige omstreken, verwijzen
we naar onze Schetsen uit Luxemburg.



De overblijfselen van den alouden burcht, wiens kapel door de zorgen
des toenmaligen Stedehouders van den Koning-groothertog Willem III,
Prins Hendrik der Nederlanden in haar indrukwekkenden oorspronkelijken
stijl hersteld werd, zijn thans het eigendom van den regeerenden
Groothertog, wiens Vader ze met de vele andere domeinen van wijlen
koning Willem III, van diens hooge Erven aankocht--die overblijfselen
zijn een der schoonste monumenten uit de middeleeuwen, voor den
oudheidkundige inzonderheid in de hoogste mate belangwekkend. Ten
dage zijner grootheid was de burcht, na Luxemburg, de sterkste vesting
van het hertogdom en misschien van al de zuidelijke Nederlanden. Zijn
stichting klimt op tot de negende of tiende eeuw; uit dien tijd zijn
dan ook de bouwvallen afkomstig. Een breede weg, die allengs overgaat
in een hobbelig pad, leidt uit het noordelijk gedeelte der stad
daarheen. Een driedubbele rij ringmuren bevestigde het eigenlijke
kasteel. Een diepe, thans gedempte gracht verleende daarheên den
toegang door middel van een ophaalbrug, wier plaats thans is ingenomen
door een rijzend pad. Aan de eene zijde sloten die muren zich tegen
de stad aan; aan de andere strekten zij zich uit tot de loodrechte,
schier ongenaakbare rots, waarop het slot zich verhief. Van dat
oude slot zijn de bouwvallen, die men ziet, het overschot. Langs
den eersten ringmuur, waarachter men, ter plaatse waar vroeger
de hoofdpoort was, de ruïne betreedt, en uit wiens schietgaten
men tal van schoone panorama's aanschouwt, bereikt men een klein,
in gothischen stijl opgetrokken gebouwtje, waar de toerist zijne
handteekening in het daarvoor bestemde boek zet. Naar het aantal
namen te oordeelen, is het bezoek zeer druk. Naast dit gebouwtje
ligt de woning van den bewaarder, wiens vrouw of kind u op uw tocht
vergezelt. In hun volksdialect beproeven zij al wat uwe aandacht wekt,
te verklaren. Dit was mij hinderlijk. Zoo gaarne had ik daar alleen
rond gedoold, mij aan mijne gepeinzen overgevende en luisterende
naar de stemmen, die uit de eerbiedwaardige steenklompen tot mij
kwamen. Dit geleide is echter noodig om u te beletten te verdwalen,
of te verhoeden dat gij u op gevaarlijke punten zoudt begeven.

Wel bood het geheel een tooneel van verwoesting aan, dat mij het hart
met diepen weemoed vervulde. Wat spraken die ingevallen torens, brokken
muur, vermolmde balken van een onherstelbaar verloren grootheid! Doch
niet veel inspanning kostte het, mij eenigszins voor te stellen hoe het
kasteel in de dagen van zijn glorievol verleden was ingericht, met zijn
voor- en binnenhof en het buitenhof, waar het lagere dienstpersoneel
woonde. Phantastisch zag ik het door mijne geschiedkundige verbeelding
verlicht. De gleuven in het muurwerk wijzen nog de scheidingen
der verschillende verdiepingen aan. De gemetselde zitbanken aan de
voormalige kruisramen toonen de plaats, waar men koutende samen zat,
met het uitzicht op het heerlijke landschap, dat den burcht aan alle
zijden omgaf. En in mijne gedachte zag ik het bevolkt door zijne
doorluchtige bewoners. De ridderzaal, de vestibule met hare pilaren
en kapiteelen, de gevangenissen, de kelders en sombere gewelven,
de oubliëtte, de steenen kogels of ballen, die blijkbaar eens voor de
lepels der blijden, het middeleeuwsch geschut, bestemd waren en hier en
daar verspreid lagen, dit alles tooverde mij het grijs verleden voor
den geest. Bovenal deed dit de zoo heerlijk herstelde kapel, waarvan
het middelste gedeelte niet bevloerd is, maar een, door een steenen
balustrade omgeven cirkelvormige opening aanbiedt. Hierdoor konden,
volgens de overlevering, de gevangenen, die daar onder in den kerker
zuchtten, de mis bijwonen, en waren zij dus door 's graven goedheid
niet van den troost van hun godsdienst verstoken.

Door huwelijk in 1407 aan de Nassau's vervallen, bleef het graafschap
aan dit doorluchtige huis behooren, ook nadat Reinier van Nassau,
die zijn vader Hendrik IV in het graafschap Vianden en al de
overige nederlandsche domeinen opvolgde, van Philibert, zijn oom
van moederszijde, het prinsdom Oranje erfde. Van dezen Reinier,
den eersten prins uit het huis Oranje-Nassau, was de groote Vader
des vaderlands, de onsterfelijke Willem de Zwijger, de volle neef en
erfgenaam. Beiden hadden denzelfden grootvader, Johan V van Nassau.

Zoo kwam Vianden aan het Vorstenhuis, dat drie eeuwen lang met
Nederland lief en leed getrouwelijk deelde en zich onvergankelijke
aanspraak verworven heeft op de dankbaarheid van ons volk. En al
werden ook de meeste der 52 dorpen en andere domeinen, waaruit
het graafschap eertijds bestond, in 1815 door het Weener-congres
aan Pruisen geschonken, het oude stamslot verbleef in eigendom den
nazaten van hen, die er vroeger resideerden. "Daarom ook beschouwt
de Luxemburger dien stamburg als een der meest klassieke plekken van
zijn schilderachtige landouwen, en met trots wijst hij er op, dat het
huis der Nassau's vóór meer dan vijfdehalve eeuw in zijn vaderland
het bewind voerde over een uitgestrekte landstreek en daar zegen en
voorspoed verspreidde" [4].



Wie daartoe eenigszins de gelegenheid heeft, mag niet verzuimen ook
de hoofdstad te bezoeken.

Van Ettelbrück loopt de spoorbaan der maatschappij
Guillaume-Luxembourg, die, gelijk wij reeds opmerkten te Trois-Vierges
haar uitgangspunt heeft, door de uiterst vruchtbare en poëtische
vallei der steeds kronkelende Alzette. Nauwelijks heeft men het laatste
station bij het bloeiend fabrieksplaatsje Eich verlaten, of men ziet
het voormalige "Gibraltar van het noorden", zooals het vroeger als
een schier onneembare vesting beschouwde Luxemburg genoemd werd,
verrijzen. Hoe dichter men de stad nadert, tot wier ontmanteling
in 1867, na den Pruisisch-Oostenrijkschen oorlog van 1866, en haar
opheffing als bondsvesting van den Duitschen Bond door het congres
van Londen werd besloten, des te meer vernauwt zich het dal, des
te hooger en indrukwekkender worden de rotsen, die in natuurlijke
verdedigingswerken werden herschapen. Gedurende drie eeuwen arbeidden
daaraan achtereenvolgens Luxemburgers, en na hen de volken, in wier
bezit de stad kwam: Spanjaarden, Oostenrijkers, Franschen en ook
Nederlanders, nadat bet groothertogdom in 1815 aan Koning Willem I
was afgestaan, en het laatst, sedert 1839, de Duitsche Bond, waarin
het was opgenomen.

Nog in den trein gezeten, heeft men reeds gelegenheid zich een
denkbeeld te vormen van de sterkte, welke de muren vroeger hadden,
en die het bezit der vesting uit een strategisch oogpunt voor meer
dan ééne mogendheid zoo begeerlijk maakte, en haar door andere deed
misgunnen. Eerst aanschouwt men aan zijne rechterhand in het hart der
vallei, eene der drie beneden- of voorsteden, die aan den voet der
rots, waarop de bovenstad zich uitstrekt, gelegen, aan het geheel
zulk een schilderachtig aanzien geven. 't Is Pfaffenthal met zijne
dicht opeengedrongen huizen, zijne voormalige, thans tot fabrieken
ingerichte of voor den openbaren dienst bestemde kazernes, die voorheen
een deel van het Pruisische bezettingsleger herbergden.

Daarachter, aan de overzijde van het dal, de veelkleurig getinte
reuzen van graniet, als met guirlandes van groen getooid door de
afhangende twijgen van het heestergewas en van de slingerplanten,
die in hun spleten zoo welig tieren.

En op hun top, in al hare bekoorlijkheid opdoemend, de bovenstad met
hare kerkspitsen en oude gevels, met hare sierlijke terrassen en op
de fundamenten der gesloopte bolwerken verrezen nieuwe landhuizen,
benevens het schilderachtige park. Iets lager de fraai aangelegde
Boulevard de Ceinture, zich als een gordel halverwege de rotsen,
om haar heen slingerend. Beiden, Park en Boulevard, scheppingen der
laatste jaren, tot stand gekomen op het bezielend initiatief van
den minister Paul Eyschen en aangelegd volgens de plannen, door een
Parijschen architecte-paysagiste, den heer André, ontworpen.

Doch eer men nog Pfaffenthal geheel voorbij is, ontwaart men aan
zijne linkerhand in de diepte, de lachende tuinen van Clausen, de
tweede voorstad. Met haar in eene lijst van groen gevat kerkje en hare
vriendelijke vallei, en met den achtergrond van indrukwekkende rotsen,
hier en daar met laag geboomte getooid, vormt zij een allerbevalligst
geheel.

Aan de grens van Pfaffenthal, en dit scheidende van de derde
benedenstad, Grund, wekt een trotsche, over de vallei geslagen
uit de bovenstad naar Clausen voerende boogbrug, de Schlossbrücke
geheeten, de aandacht vooral door den poëtischen bouwval, die zich
er midden op verheft: het overschot van een verdedigingswerk, Le
Bouc, de Bok, geheeten. Dit is het eenige brokstuk dat nog bestaat
van den Lützelburg, kleine Burcht, die zijn naam aan de thans zoo
bloeiende stad heeft geschonken, en waarvan de grondslagen aan den
oever der Alzette, op een rotsachtig, door dien stroom omkronkeld
schiereiland, ter plaatse waar de Pétruse [5] zich in haar stort,
in de 10e eeuw gelegd zijn door den toenmaligen graaf der Ardennen
Siegfried. Deze koos het kasteel tot residentie. Later is dit in
een geducht verdedigingswerk herschapen. Als gedenkteeken aan een
roemrijk verleden wordt die bouwval onderhouden. De kazematten
daaronder kunnen bezichtigd worden. Uit hun schietgaten heeft men
heerlijke vergezichten te bewonderen.

Doch nauwelijks heeft men den tijd gehad even den blik te laten waren
over dien verwonderlijk romantischen Grund met zijn doolhof van enge
straten, kronkelende, glooiende steegjes en onregelmatig verspreide
huizen, welke zich zoo schilderachtig weêrspiegelen in de door de
wateren der Petrusbeek gezwollen Alzette, of het landschap wordt
eensklaps aan uw oog onttrokken door een bocht, die de spoorwegbaan
beschrijft. En aan weêrskanten aanschouwt men slechts wanden van
graniet, tusschen welke de trein al ratelend doorloopt, tot men een
paar minuten later het station bereikt.



Hier wachten thans den reiziger, behalve de omnibussen der hotels, een
paar tramwagens, die hem langs een reusachtige viadukt, geslagen over
de Pétrusse, naar een nieuw aangelegde, met vele winkels bezette straat
voeren. Aan haar uiteinde, ter plaatse waar men de stad betreedt,
verheft zich de Caserne du St. Esprit, Deze is in gebruik bij de
gewapende macht, die, volgens het besluit der Londensche conferentie
van 1867, waarbij ook de onafhankelijkheid en onzijdigheid van het
Groothertogdom door de gezamenlijke groote mogendheden gewaarborgd
werd, niet sterker mag zijn dan voor de handhaving der binnenlandsche
rust en orde noodzakelijk wordt geacht. Laat men van die prachtige
viadukt den blik gaan rechtsaf, over den omtrek, den Boulevard de
ceinture en de beneden-steden met de haar doorkronkelende Petrusbeek
en Alzette, dan aanschouwt men een panorama, dat zich onwischbaar in
het geheugen prent.

Achter zich, in de verte, aanschouwt men de over eerstgenoemd stroompje
geslagen Adolfsbrug, aldus genoemd naar den vorigen Groothertog. Het
is een allermerkwaardigst massief bouwwerk, den 24 Juli 1903 voltooid:
een brug, die met een enkelen boog, breeder dan die van welke andere
brug ook ter wereld, het geheele dal overspant en daar de oevers
verbindt ten behoeve van den spoorweg naar Echternach, waarvan het
station paalt aan het Centraalstation.

De geheele omgeving maakt een gansch eigenaardigen, stouten
indruk. Weinig steden kunnen in dit opzicht op één lijn met Luxemburg
gesteld worden. Een woeste natuur heeft zich hier gehuwd aan de
kunst. Grootsche en toch liefelijke tooneelen verrijzen er voor den
blik. Eene prachtige en onvergetelijke wandeling vooral kan men maken,
als men te voet of per rijtuig over de viadukt langs de genoemde
kazerne, en dan over den Breitenweg naar de brug van het kasteel gaat
en van daar in Pfaffenthal afdaalt en zoo naar den Boulevard of La
Place du Théâtre zich begeeft. Hier en daar wijzen bakens de hoogten
aan, tot welke vroeger de vestingwerken reikten, en vervullen u met
verbazing over den reuzenarbeid, die vereischt werd om ze te slechten.



Met een verwijzing naar mijne Schetsen uit Luxemburg meen ik ter
toelichting der hier opgenomen. Gezichten uit de schilderachtige
hoofdstad te kunnen volstaan. Ik wijdde daar aan hare merkwaardigheden
en geschiedenis, aan hare instellingen op het gebied van onderwijs,
wetenschap en kunst een afzonderlijk hoofdstuk. Doch daarin kon ik
toen, evenmin als van de Adolfsbrug nog melding maken van het monument
op de Place d'Armes, pas een paar jaar geleden verrezen ter eere der
nationale dichters Dicks (schuilnaam van Edm. de la Fontaine) en Michel
Lentz, die ik beiden nog het voorrecht heb gehad persoonlijk te kennen.

Wat den welwillenden lezer in de bovenstaande bladen werd medegedeeld
of onder de oogen gebracht, zal,--mag ik met een herhaling van dien
wensch besluiten?--bij hem het verlangen wekken om eens, mocht hij
daartoe de gelegenheid krijgen, in dit kleine maar in vele opzichten
zoo merkwaardig landje een poosje de versterkende berglucht te gaan
inademen en tevens hoofd en hart te verfrisschen door de kennismaking
met wat het op velerlei gebied voor merkwaardigs oplevert. Hij zal
daarvan geen berouw hebben!



AANTEEKENINGEN


[1] Deze photografieën werden bij het ten vorige jaren gehouden
photografisch concours van _De Aarde en haar Volken_ met den vierden
prijs bekroond.

[2] Revue des deux mondes, Année 1878 no 21, p. 227.

[3] M. A. Perk. Schetsen uit Luxemburg. Derde, herziene en vermeerderde
druk, met een schetskaart van het groothertogdom en een wandelkaart
van Diekirch en omstreken. Haarlem 1892.

[4] Witkamp in zijne belangrijke studie: De Nassau's en hun oudste
burg in de Nederlanden (1874).

[5] Petrussa of Petressa, aldus geheeten naar den rotsachtigen bodem,
over welken zij zich een weg baant.





*** End of this LibraryBlog Digital Book "In Luxemburg's Gutland - De Aarde en haar Volken, 1907" ***

Copyright 2023 LibraryBlog. All rights reserved.



Home