Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Liedekens van Bontekoe en vijf novellen - Blaauw bes, blauw bes!—'T is maar een - pennelikker!—Marie—De ezelinnen—Hanna
Author: Potgieter, E.J., 1808-1875
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Liedekens van Bontekoe en vijf novellen - Blaauw bes, blauw bes!—'T is maar een - pennelikker!—Marie—De ezelinnen—Hanna" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



Produced Marc D'Hooghe



LIEDEKENS VAN BONTEKOE

door

E.J. POTGIETER

       *       *       *       *       *

VIJF NOVELLEN:

(BLAAUW BES, BLAAUW BES!--'T IS MAAR EEN PENNELIKKER!--MARIE--DE EZELINNEN
--HANNA)



LIEDEKENS VAN BONTEKOE


Aan de kant van de Revier komende daer de Praeuw lag, stond daer een
hoop Inwoonders; en haperden geweldig tegen elkander; het scheen dat de
eene wilde hebben dat ik voer en de ander niet. Ik greep een of twee uit
den hoop by den arm, en stuwde ze na de Praeuw toe, om te varen gelyk of
ik noch Meester was, en ik was boven half Knechte niet. Sy sagen er soo
vreesselyk uit als Dollemannen, doch lieten haer geseggen: en twee
gingen met my in de Praeuw, de eene ging agter sitten, en de ander voor:
elk met een scheppertjen in de hand, en staken af; sy hadden elk een
Kris op haer syde steken, synde een geweer of het een Ponjaerd was, met
vlammen. Doen wy wat gevaren hadden, kwam de agterste na my toe, want ik
sat midden in de Praeuw, en wees dat hy geld wilde hebben. Ik taste in
myn dief sak, haelde er een kwartjen uit, en gaf het hem. Hy stond en
bekeek het, en wiste niet wat hij doen wilde; doch nam het ten lesten,
en wond het in syn Kleedjen dat hy om syn middel hadde, de voorste
siende dat syn Maet wat gekregen had, kwam mede na my toe, en wees my
dat hy ook wat hebben wilde; ik dat siende, haelde weder een kwartjen
uit myn dief sak: en gaf het hem. Hij stond en bekeek het mede, 't leek
dat hij in twijffel was of hy het geld wilde nemen, dan of hy my wilde
aentasten, 't welk sy ligt souden hebben kunnen doen, want ik hadde geen
geweer, en sy hadden elk een Kris op syde. Daer sat ik als een schaep
tusschen twee Wolven, met duisend vreesen; God weet hoe ik te moede was:
voeren also voor stroom af; omtrent ten halver weeg aan de boot synde,
begonnen sy te tieren en te parlementen, het scheen aen alle teekenen
dat sy my om den hals wilde brengen. Ik dit siende, was soo benauwt dat
mij het hart in mijn lyf trilde en beefde van vreese, keerden my
derhalven tot God: bad hem om genade en dat hy my verstand wilde geven,
wat my best in die gelegenheid stond te doen: en het scheen of mij
inwendig geseid wierd, dat ik singen soude, hetwelk ik dede: hoewel ik
in sulke benauwheid was, en song dat het door de boomen en Bosschagie
klonk, want de Revier was aan beide syden met hooge boomen bewassen. En
als sy dit sagen, begonden te lagchen, gaepten dat men haer in de keel
sien kon, soo dat het leek dat sy meenden, dat ik geen swarigheid van
haer maekte; doch ik was heel anders in myn herte gesteld, als ik
vertrouw dat sy meenden; wy raekten te met soo verre voort dat ik de
boot sag leggen. Doe ging ik staen en wuifden ons volk toe: die my
siende dadelijk na my toe kwamen, by de kant de reivier langs, enz.

   _Gedenkwaardige Beschryving van de Achtjarige en zeer Avontuurlyke
   Reise van Willem IJsbrantsz. Bontekoe van Hoorn, gedaan na
   Oost-Indiën, pag 20_.

      Sumatra dreef in vloeijend goud,
    Dat van de hooge kamferboomen,
      Die heerschers in een Indisch woud,
      Op peperstruik en oobarhout,
    Op beek en mos scheen neêr te stroomen.
      Schoon welkomstgroet en liefdebeê
      Den lichtvorst noodigden in zee,
    Wier golven ruischten van verlangen,
      Eer de oceaanbruid hem gedwee
    In de open armen mogt ontvangen,
      Riep hij een lang, een zoet vaarwel
      U toe, o geurige Archipel!
    En alles baadde zich in luister,
      En alles dronk het vier der min
      Van zon en zee wellustig in;
    De tijger lekte in het scheem'rig duister
      Van 't roode hol zijn bronstig lief,
      Terwijl zich de olifant verhief,
    Om, met van drift gewiekte voeten,
    Zijn gemalinne in 't bosch te ontmoeten,
      Dat louter liefdespelen zag
      In 't uur des echts van nacht en dag.

    Helaas! de mensch voedde and're driften:
      Daar gleed, langs oevers, rijk omzoomd
      Van laag gewas en hoog geboomt',
    Welks schaduw 't vocht van kleur deed schiften
      En 't vonk'lend goud in donker blaauw
      Verkeerde, een ranke, ruwe praauw
      Op breeden vloed vast sneller voort,
      Den haat, welligt den dood aan boord!

    Een drietal mannen mogt ze dragen:
      Twee wilden, naakt en bruin van leên,
    Een witte schort om 't lijf geslagen,
      Waaruit de scherpe kris verscheen;
    Twee wilden, afgerigt op 't jagen,
    Maar die naar 't schuw gediert' niet zagen,
      Dat beurt'lings opsprong en verdween.
    Waarom zij naar den boog niet tastten,
    Wanneer ze een anteloop verrasten,
      Schalk spelende op het oevermos;
      Waarom geen werpspiets stoof in 't bosch,
    Waar casuarissen hun pluimen
    Van vloeib're paarlen deden schuimen,
      Daar gaaikens staarden op hun dos?
    Zij lieten 't, wijl ze een prooi beloerden,
      Die school in 't loof, noch dook in 't nat,
    Een blanke, dien zij met zich voerden,
      Een blanke, die in 't midden zat,
      Die aan zijn heup geen wapen had,
    En, schoon geen banden hem omsnoerden,
      Toch opzag en den Heere bad!

    Wèl mogt hij! Was op Texels reede,
      Toen de oostewind ten leste woei,
      En vlag en zeil zich grootsch verbreedde
      En 't schip geslaakt werd uit zijn boei,
      Het hem voorspeld, hoe ramp bij ramp
      Op reis hem dagen zou ten kamp;
    Hoe wreed de hoop hem zou bedriegen,
      Die hem zoo fier te roer deed staan,
      Als lachte Java reeds hem aan;
      Hoe in den verren oceaan
    Zijn kiel, _'t Nieuw-Hoorn_, in brand zou vliegen,
      Hij, Willem Ysbrandtsz Bontekoe,
      Had omgewend, de zeevaart moê!
    En echter, 't leed was koen gedragen--
      Vergeef dat woord van ijd'len trots;
    In ootmoed schiep zijn ziel behagen--
      Hij droeg het, waard de hoede Gods,
      Die hem beschermde in 't golfgeklots,
    Het laaije vaartuig uitgeslagen,
      Die, voor den ingang van den nacht,
      De scheepsboot tot zijn redding bragt.
    Hij droeg het, zoo als echte vromen
      Het jamm'ren doen,--des Heeren wil
      Eerbiedend, zweeg hij werkzaam stil:
    Des avonds kermende ingenomen
    Viel 's uchtends nieuw gevaar te schromen;
    De hulk was wel aan 't vier ontkomen,
      Maar dreef, ontbloot van naald en zeil,
      Der luimen van de baren veil.
    En zie, hij onderwierp de winden;
      Om 't sprietjen van de veege schuit
    Sloeg 't noodzeil, dat hij zaam deed binden,
      De smalle banen klaat'rend uit;
    't Gestarnt zou hem den weg doen vinden!
      En week de dag en viel de nacht,
    En rees geen land bij 't morgengloren,
    En deed  de hongerkreet zich hooren,
      En stilte niet dan dorst die klagt,
    Slechts hij had moed, had troost voor allen,
      Die zuchten aan het kleene boord,
      En hield op deze reê hun woord.

     Maar nu!

           Zou hij, in gruwb'ren moord,
    Hier weerloos, ongewroken vallen,
      Gescheiden van den trouwen stoet,
    Die met hem, eer nog de uchtend daagde,
    Om lijftogt aan den wal zich waagde,
      De streek, het dorp was ingespoed?
    Ach! geen dier makkers had de wilden
      Mistrouwd als hij, om 't valsch gelach,
      Waarmeê de schaar hun worst'ling zag,
    Toen zij hun kracht den buffel spilden,
      Die 't koord des leiders scheurde als rag;
      Het dier, door hen vooruit betaald,
      Vervolgd, en toch niet ingehaald.
    "Neen, broeders," mogt hij hen bezweren,
      "Blijft zonder buks, blijkt zonder dolk
      Van nacht niet wijlen bij dit volk."
      Zij scholden hem een onheilstolk;
    Zij wilden naar de kust niet keeren.
      Dáár droeg de praauw hem naar de boot;
      Dáár bad hij: "Heere! zie mijn nood!"

    Te regt; want onder 't peinzend staren
      Naar schuinschen stam, naar wond'ren boom[1],
    Die schermen weefde van zijn blâren,
      Wiens bloesem, wuivende op den stroom,
    De sneeuwvlok scheen dier balsemluchten,
      Had hem een bont faizantenpaar,
    In 't loof gedoken, doen verzuchten:
      "Dat ik zoo vrij, zoo veilig Waar!"
    En even of de toon dier klagte
      Zijn lot den roeijers had ontvouwd,
    Werd de een, die straks zijn wenken wachtte,
    Werd de aêr, die eerst hem meester achtte,
      Geblaakt door lust naar bloed en goud.
    Ter sluik was de achterste opgesprongen;
      Hem meldde 't vlijmend tandgesis.
      De voorste zwaaide met den kris,
    En spelde... doch hij was bedwongen.
      Een kleine gift van luttel geld
      Had beide een wijl te vreê gesteld;

    En zwijgend ging 't op gulden baren
      De landstreek uit, der haven toe;--
      Neen, eensklaps kweelde Bontekoe
    Als waar' zijn togt een spelevaren:


Noot 1: De Bombax, of zijde-katoenboom.



I

'T PASSEREN DER LINIE.

        Stem: Wie had op Sinxen nacht
                               Gedacht.
                   _Vlaamsch Liedeken_.


                  _Scheepsvolk._

        Daar rijst de god der zee
                              Alreê,
      Een wierkrans om de lokken;
    Hij brengt zijn holle weêrhelft meê;
    'k Wou dat hij 't wat meerminnen deê,
    Al moest ik er voor dokken.

         Wat vremde stoet heeft hij
                               Op zij,
      Het viertal werelddeelen.
    Die Azië is een oude prij;
    Die Afrika te zwart voor mij;
      Wie drommel zou haar stelen?

                  _Neptunus._

        Wat hebben malle maats
                           Al praats!
      Mijn staf jeukt in mijn ving'ren.
    Wat volkslag ben je? van wat plaats?
    Lieg niet, of jij zult buiten gaats
      De lucht en zee zien sling'ren.

                  _De schipper._

        Wij zagen in Kijkduin,
                          Neptuin!
      Het leste van ons landjen;
    Mijn scheepjen heet,--kijk niet zoo schuin,
    Ons volk zeî jij was in je tuin:
      "Het Amsterdamsche Santjen."

                  _Neptunus_.

        Ik dacht het, toen 'k je vlag
                                Straks zag:
      Ik mag haar kleur wel zetten.
    Maar drokker maak jij 't dan je plag;
    'k Hoor alle week, 'k hoor ieder dag
      't Wilhelmus nou trompetten.

                  _De schipper._

        Wel, Oudjen! 't hartig lied
                               Is niet
      Voor luije Jan geschreven;
    Maar zeg eens of je in jou gebied
    Ons nou van harte welkom hiet,
      Wat offer moet ik geven?

                  _Neptunus._

        Wat offer? Troe, toe, troe
                            Brr, oe!
      Zoo doop ik al mijn hachjens.
    Amerika! spuit harder toe;
    Europe! ben je nou al moê?
      Op, wijf! wat doe je 't zachtjens!

                  _De schipper._

         Hei, hola! oude snaak,
                       't Was raak;
        Wij druipen door ons kleêren,
    't Is maar een kletserig vermaak;
    Ik zal je, mits die regen staak,
      Een mooijen duit vereeren.

                   _Neptunus._

        't Is alleman om poen
                          Te doen;
      Geef op, en 'k zal je sparen.
    Ja, zoo van nacht een Spaansch galjoen
    In 't zog jou volkjen na mogt spoên,
      Niet klappen van je varen.

        Of wil je, dat ik tuig:
                        "'t Was ruig;
      't Had hair tot op de tanden."
    Zoo gun mij 't scheeren met de duig;
    't Volk tart me al met hoezee gejuich;
      Goê reis naar de Oosterlanden!

       *       *       *       *       *

      Aêloudheid! 't was geen ijd'le droom,
      Dat Orpheus, spelende aan den stroom,
    Op forschen klank van stem en snaren
    En aarde en lucht ten rei deed varen;
      Dat hij in weêrgâlooze luit
      Den schepter der natuur omklemde,
      Die leeuwen en die tijgers temde:
      Hier werkte een deuntjen wond'ren uit,
    Een blij gelach, een vrolijk tieren
      Verzelde 't staâg en volgde 't lang;
      Het was of 't schalke beurtgezang
    De woestaards van geneugt' deed gieren,
    Als zagen zij het scheepsfeest vieren,
      Zoo juichten zij uitgelaten toe,
      En ruimer aêmde Bontekoe.
    De veete tusschen werelddeelen
      Trad niet zoo schril als straks aan 't licht;
      De sterkte was opnieuw gezwicht,
    Dewijl 't verstand weêr dorst bevelen;
      Vast minder hach'lijk stond de kans
      Des weereloozen blanken mans!
    Zijn hoofd hing langer niet gebogen,
      Zijn regterhand niet strak op zij;
    Er luchtte een fierheid uit zijn oogen,
      Die aanspraak maakte op heerschappij--
      Hij voelde zich ter helft weêr vrij.

    En toch, schoon 't onbesuisd geschater,
      Om 't wild gebaar verknocht aan 't lied,
      Weêrgalmde langs het bosch van riet,
    Dat spiegelde in het effen water,
      Toch lachte bij van harte niet.
    O, 't was in 't bidden om zijn leven
    Gewis door God hem ingegeven:
      "Het zingen redde u van den dood!"
    En ijlings had hij van zijn lippen
    Het lied, het wijsjen laten glippen,
      Dat, eer hij nadacht, deze ontschoot;
    Maar 't was geen klagt, maar 't was geen bede;--
      't Prees ijd'le vreugd, 't zong wuft gejoel,
    En wroeging trad in plaats van vrede,--
      Aandoenlijk, Christelijk gevoel!

    Wie heeft die teêrheid van geweten
      Des sterken voorgeslachts niet lief?
    Een schakel van de onzigtb're keten,
      Waar langs het zich, tot God verhief!
    Een wijle peinzens,--toen bedaarde
      Het zelfverwijt in 't vroom gemoed,
   't Geen 't luchtig deuntjen zich verklaarde
      Uit d'angst, door schok op schok gevoed,
      Uit koortsig brein, de prooi van 't bloed,
      Dat onbewust is wat het doet.
    Eene and're wijl'--zijn vingers wischten
      Het vocht af, dat in de oogen rees;
      't Was woeste lust noch bloode vrees,
    Die van de keus des lieds beslisten;
      De Heere was 't, die 't spoor hem wees!
    Of viel Zijn vinger niet te aanschouwen
      In d'ommekeer van 't wilde paar?
      Hier voegden klagten, droef noch zwaar,
      Noch psalmen van den Harpenaar,
    Die Isrel stemden tot vertrouwen,
      Die Bontekoe, een hurkjen groot,
      Al opzeî aan zijn moeders schoot.
    Hij moest, zijns ondanks, vrolijk wezen,
    En zuster Roeltjen werd geprezen,
      Zijns vaders hulpe, sinds de dood
      Der brave vrouwe de oogen sloot:



II

ROELTJEN UIT DE BONTEKOE.

        Stem: So haest Gysjen had vernomen.
                                 _Bredero_.


Toelichting.

   Willem IJsbrandtszoon Bontekoe, in 1587 te Hoorn geboren, heette
   eigenlijk Decker, maar werd, daar zijn vader een herberg hield, de
   _Bontekoe_ genoemd, in zijne jeugd meestal Willem _uit de Bontekoe_
   geheeten, en behield later dien naam. "Eene woning bij het Hoofd,"
   zegt de heer C.A. Abbing, in zijne _Beknopte Geschiedenis der stad
   Hoorn, enz_. (Hoorn, Gebr. Vermande, 1839) "vertoont nog in den gevel
   zijn sprekend wapen."

    IJsbrant-baas heeft drokke nering;
      Schoon een man van luttel praats,
      Lokt zijn huis schier alle maats,
    Wordt hij rijk van hun vertering.
      Vraagt ge: waar komt dit bij toe?
      Ga eens naar de Bonte Koe.

    Frisscher krans hangt nergens buiten
      Dan zijn groene wingerdtak;
      Maar zoo daar zijn roem in stak,
    Mogt bij op zijn duim wel fluiten,
      De eene quant riep d' aêr niet toe:
      Gaat ge meê ter Bonte Koe?

    Spieg'len kan er zich een pronker
      In het tin van kroes en kan;
      Maar zoo menig vroeden man,
    Maar zoo menig hoofschen jonker
      Lonkt er zoeter spiegel toe:
      Gaan we naar de Bonte Koe?

    IJsbrant-baas weet wel van wanten;
      Om een flinke, knappe deern
      Loopt de jonkheid ter taveern;
    Mooije schenksters, duizend klanten:
      Dochterlief brengt daar je toe,
      Roeltjen uit de Bonte Koe!

    Noch een fijn mennisten zusjen,
      Noch een bloode pimpelmees,
      Weet zij iets van angst of vrees
    Voor een handdruk, voor een kusjen;
      Toch laat zij niet alles toe,
      Roeltjen uit de Bonte Koe.

    Waaghals wie haar durft omvangen!
      Want haar hand is geen fluweel;
      Schorre strijkstok op de veêl
    Van een paar gebaarde wangen,
      Speelt zij regts en links maar toe,
      Roeltjen uit de Bonte Koe.

    IJsbrant-baas houdt haar in eere:
      Beugel, bouwen, haak en huik,
      Alles draagt zij pronk en puik;
    Vrijers krijgt ze heinde en veere;
      "Maar ik zie voor Roeltjen toe,"
      Zegt de waard der Bonte Koe.

      Als, om 't klappen van zijn schijven,
      Haar een lansk van trouwen praat,
      Of een wulp haar gadeslaat,
    Die zijn boêl in 't riet liet drijven,
      Roept hij: "Duimkruid hoort er toe,
      Voor een waard der Bonte Koe."

    "Vaderlief! wij hebben mony,"
      Zeit ze dan, "in overvloed.
      Zoudt ge zuur zien, zag ik zoet?"
    En zij streelt zijn bolle trony;
      "Roeltjens liefste, stem het toe,
      Wordt de waard der Bonte Koe."

       *       *       *       *       *

      Erinn'ring voerde in haar gebied
    Hem mede, toen hij 't zingen staakte;
    Hij zag den schelmschen vrijer niet,
      Die 't wijsjen in een omzien maakte,
      En 't hartsgeheim van Roeltjen ried;
    Het was of weêr zijn jeugd ontwaakte,
      Een lusthof groende in 't lief verschiet.
    O geur'ge sneeuw der meidoornstruiken!
      Hoe vaak plagt Wim, al kloek van leên,
      Schoon naauw zijn vijftiende ingetreên,
    Des achternoens in u te duiken,
    Om ruikers voor de schouw te pluiken,
    En de oogen maar uit joks te luiken,
      Als Roeltjen kwam met stille schreên.
    Het aardig kind van zeven jaren,
      Een wolk van frisschen levenslust,
      Wou hem verrassen in zijn rust,
    En trok hem bij de blonde haren,
      En werd gegrepen en gekust.
    Dan vroeg ze om op zijn knie te rijden,
      En riep: "Zie zoo, dat gaat te hoof!"
      En scheurde een twijgjen uit het loof,
    En dacht den klepper te kastijden,
      Wijl aan haar voet de bloesem stoof;
    En nu--nu school ze in luwt van blaêren,
      Want gierend aan zijn arm ontglipt,
      Want zwierend van het paard gewipt,
    Was zij de boschjens ingevaren,
      En riep van verre: "'t Is geen kind,
      Die Roeltjen in den donker vindt!"
    Dan rees hij op en zou haar vangen,
    En tilde haar de scheem'ring uit,
      Terwijl zij knorde: "Stoute guit!"
    Of boos hem kneep in beî zijn wangen,
      Of bad, die wilde weelde moê:
    "Ei, kweel eens wat, ik luister toe."
    En lang had Roeltjen niet te dringen,
    Was 't vremd dat de Oost hem 't hoorde zingen?
    't Lief kind scheen aan zijn zij' te springen:



III

LOUW EN DE WAARZEGSTER.

        Stem: Ach, ach, nog eens ach,
              'k Wou, zei Joosjen, dat ik 't zag.


                  _De Waarzegster._

        Louw, Louw, flinke Louw!
      Wel hoe heb ik het met jou?
    Heugt je niet hoe maats we waren,
    Toen je zoudt naar Groenland varen?
      "Moertjen!" zei je, "'k ga naar zee,
      Geef me een amuletties meê!"
    En ik zocht eens in het zootjen
    Dat ik erfde van mijn grootjen;
      Maar het sticht niet hier op straat,
      Ook herken je mij al, maat!
    Ai, hoe ging het met het visschen?
    Greep je een walvisch bij de klissen?
      Heb je er zeven t'huis gebragt?
      Zie ik droomde 't menig nacht.

        Stil, stil! guitjen, stil!
      Scheld het voor geen malle gril,
    Mogt je beeld niet bij me wezen,
    Als ik jou planeet moest lezen,
      Voor je vrijsterken, mooi-Aagt,
      Daar je mij niet eens naar vraagt!
    't Is een jeugdje van een meisjen;
    Zoen je haar nog wel een reisjen?
      Komt er van je hijlik wat?
      'k Wou dat ik haar jaren had,
    Maat! ik bleef al even pover,
    Maar jou diefzak vloeit wis over
      Van dukaten, flinke Louw!
      Wel, hoe heb ik het met jou?

                  _Louw._

        Wijf, wijf! weêrgaasch wijf!
      Te olijk hadt je mij bij 't lijf:
    Toen ik, in de boot gesprongen,
    Beertjen met zijn beide jongen
      Uit de schotsen duiken zag,
      Riep ik: "Komt maar voor den dag!"
    Wou ik haan de voorste wezen,
    Want je zei 'k had niets te vreezen;
      Maar, wat meenje? met zijn klaauw
      Bragt hij deerlijk mij in 't naauw,
    En ik zwoer je zoudt het boeten.
    Hola hei! niet uit de voeten,
      Ik ben nog aan 't einde niet
      Van mijn amuletties-lied.

        Erg, erg, eens zoo erg
      Ging 't me bij den Spitsenberg:
    Kijk, daar kwam een walvisch boven,
    En de twee fonteinen stoven,
      En de harpoenier kreeg prik,
      "Vrij," zoo dacht ik, "vrij loop ik."
    Fut! toen hij zijn staart maar zwaaide,
    Was 't of aarde en hemel draaide;
      Vloekte ik jou niet als de pest,
      Weet, ik lag ook buiten west!
    Maar je vroegt straks naar mooi-Aagtjen:
    Hieldt je dan een oog op 't maagdjen?
      Voor den drommel, weêrgaasch wijf!
      Heb me nou niet weêr bij 't lijf!

                  _De Waarzegster._

        Louw, Louw, flinke Louw!
      Als of ik je foppen zou!
    Wis, was jou de spreuk vergeten,
    Die de kroon zet op de keten:
      "Ebro--flavi--pactolus,
      Dolu--ico--avamus!"
    Hadt je dat er bij gepreveld,
    Beertjen had je niet gekneveld,
      En geen walvisch jou weêrstaan;
      Zie me maar zoo vremd niet aan.
    Vraag het Marten, vraag het Flipjen,
    Nou al reeders op het tipjen,
      Of ooit lanspunt of harpoen
      Meer dan deze spreuk mogt doen.

        Maar, maar, jonge vaêr!
      Een en nog een zijn een paar.
    Hoor, ik zal een an'dre leeren,
    Om je meisjen te bezweren,
      Dat zij je alles klappen zal,
      Wie een zoentjen van haar stal,
    Wie zij streelde met een kusjen...
    Stuif niet op, zij heeft een zusjen.
      Kom van avond bij me, maat!
      Als de star in 't westen staat,
    En mijn keteltjen zal zingen,
    En mijn katertjen zal springen,
      En ik ben wat, flinke Louw!
      Of mooi-Aagtjen blijkt je trouw.--

       *       *       *       *       *

    Ach! spoedig werd het beeld verdrongen
      Der minnelijke onnoozelheid,
    Die hem, den wilden bootmansjongen,
    Zoo dikwerf 't wijsjen werd gezongen,
      Om t'huis te blijven had gevleid;
    Hij zuchtte luid, hij dacht te poozen,--
      Maar 't wachten viel zijn makkers zwaar,
      Onstuimig werd hun handgebaar;
    Wat liedjen moest er nu gekozen?
      Daar schoot een aardig feit hem in,
    Dat Holland in verbazing zette,
      Toen heinde en veer de krijgsgodin
    Den lof van Nieuwpoorts held trompette.
      Een stoffe was 't voor elpen lier!
    Helaas! hem werd zij niet gegeven;
      Die, zonder dichterlijken zwier,
    Voor 't volk het wonder had beschreven...
    Doch reeds was 't wijsjen aangeheven:



IV

DE ZEILWAGEN VAN PRINCE MOURINGH.--1600.

                    Stem: Als't begint.

Toelichting.

   Ik weet niet beter te doen, ten einde ook het gros der lezers de
   toespelingen in dit liedjen versta, dan de volgende plaats uit het
   opstel _Simon Stevin_, in de _Bijdragen tot de Geschiedenis der
   Wetenschappen en Letteren in Nederland_, door J.P. van Cappelle,
   (Amst. van der Hey en Zn. 1821) hier af te schrijven:

   "In het voortreffelijk werk van den onsterfelijken Hugo de Groot
   getiteld: _Vergelijking der Gemeenebesten_, komt de volgende zeer
   opmerkelijke plaats voor: "Onlangs hebben wij ook aangevangen op het
   land te varen; want wij bezitten wagens, die door den wind gedreven
   worden, met zeilen voorzien zijn en viermaal zooveel spoed maken als
   een schip, daar zij met geen baren, die er tegen aan stroomen, te
   worstelen hebben, maar door vlaktens heensnellende, met een
   ongeloof'lijken spoed voortvliegen, en, hetgeen ik vergen mag dat men
   mij als een ooggetuige geloove, de winden, door welke zij in beweging
   geraken, schier ontvlugten. Ik heb het bijgewoond, toen men er binnen
   minder dan twee uren tijds veertien van onze mijlen meê heeft
   afgelegd, waarvan iedere den weg van één uur bevat." De
   aanteekeningen van Meerman op deze plaats, gepaard met hetgene men
   elders aantreft, berigten ons, dat Maurits dezen wagen naar een
   ontwerp van Stevin had doen vervaardigen, aan wien alzoo de eer der
   uitvinding toekomt. Zeer gelukkig viel de proef uit, welke de
   Stadhouder met denzelven nam, zoo men gist in den herfst van het jaar
   1600. Op den wagen bevonden zich acht en twintig personen, waaronder
   Maurits zelf, de broeder van den Koning van Denemarken, Graaf Hendrik
   van Nassau, de Ambassadeur van Frankrijk, en, hetgene opmerking
   verdient, ook de Admirant van Arragon, Franciscus de Mendosa, die in
   den slag bij Nieuwpoort was gevangen. Ook de Groot, toen nog jong,
   woonde dezen togt bij. Men voer met eenen zuid-oostenwind van
   Scheveningen. De Stadhouder nam het roer in de hand en voerde het
   zeil. Toen dreef de wind den wagen met zulk eene snelheid voort, dat
   hij niet scheen te rollen, maar te vliegen, en in twee uren tijds te
   Petten aankwam. Geene paarden konden hem volgen; hij ontging bijna 's
   menschen oog. Eenmaal stuurde Maurits hem uit kortswijl in zee,
   waarover velen zich dapper ontzetteden; doch door eene geringe
   wending van het roer bragt hij hem in zijnen vorigen koers op het
   strand." T.a.p. blz. 21 en 22.

   Men houde het mij ten goede, dat ik mij aan geene vergelijking wage
   met de fraaije verzen, waarin deze togt door de Groot en door Huygens
   is vereeuwigd. Lord Gray, in het 5e couplet, heb ik ontleend aan Van
   Meteren's beschrijving van den slag bij Nieuwpoort: "Milord ofte
   Baroen van Gray--ende meer andere soo Enghelsche, Fransche, als
   Hooghduytsche Heeren van adel, die sonder eenigh bevel Prince Mauritz
   verselschapten." Dat ik Elisabeth een minnaar meer heb gegeven, zal
   men mij niet euvel duiden. Welligt zal men het ergerlijk vinden, dat
   ik Z.K.H. den Hertog van Holstein en broeder des Konings van
   Denemarken, "_Fanden ta dig!_" of "dat de Duivel u hale!" laat
   roepen, en hem bovendien roode knevels heb gegeven; doch het laatste
   scheen mij nog al nationaal toe, en het eerste heeft Mr. de Busenval,
   Ambassadeur van Hendrik IV bij de Staten, waarschijnlijk niet
   verstaan. In een volksliedjen mogt de laatste niet anders dan
   Bulleval heeten. Het slot, "Luctor et Emergo," (ik worstel, maar ik
   drijf boven), de bekende spreuk der Zeeuwen, werd door het onderwerp
   van zelf ingegeven.

     Prince Mouringh reed langs zee
    In zijn wond're koets met masten;
      Half het Haagsche hof was meê;
    Groote cijsen, rare kwasten,
      Nog te noên bij Scheveling
    Snelden ze al vóór twee langs Petten,
      Toen het holdebolder ging
    En de koensten zich ontzetten:
      Flap zei 't zeil en krak het roer;
      's Princen koets te water voer.

      Lijnrecht stoof ze in 't golfgebruis,
    En men staakte 't vleijend prijzen;
      Ieder wenschte zich te huis;
    Ieder vroeg: Zal ze ooit weer rijzen?
      Alle tongslag sloeg een vloek;
    Alle groote banjerts pepen,
      En van angst werd buis en broek
    Stuk gescheurd en kaal geknepen;
      Prince Mouringh zag zoo snip,
      Of hij vreesde voor zijn schip.

      "_Narren!_" riep een Moffenheer,
    "_Wo Hans Michel soll ertrinken,
      Nicht in dieses salzes Meer.
    In ein Weinfasz wirdst du sinken!"
    "Das versprach_..." Daar nam een golf,
    Die aan hem zich wou verwarmen,
      Die hem sissende overdolf,
    Forsch den likkebroêr in de armen.
      Oef! zijn neus, zoo vierig-rood,
      Bleek te bros voor zulk een stoot.

       De Admirant van Arragon
      Zat zijn handschoen los te rijten;
        't Scheen dat zich de quant bezon,
      Of hij blaffen zou of bijten.
        Grimmig sprak hij tot den Prins:
    "Krenkt ge mij een enkel haartjen,"
      En hij streek de sik zijns kins.
    "Zeker heeft die muis een staartjen!"
      Maar zijn bleekheid dacht er bij:
      "_Sante Madré!_" baat dat mij?"

      "_Beautiful!_" begon Lord Gray,
    Toen de zon door 't water straalde:
      "_Lord!_" daar stoof zijn muts in zee,
    Die met blaauwe veêren praalde,
      "_Help, fetch back!_"--"'t Blijve onbeproefd,
      Riep de Prins; "laat gaan die pluimen,
      Daar hij twintig jaar op snoeft:
    Alle wijven hebben luimen;
      Maar Elisabeth was mal,
    Zoo zij kaatste met dien bal."


      "Fanden ta dig!" klonk in 't want,
    En de Deen, met roode knevels,
      Zag hoe Frankrijks afgezant
    Laf zicht vasthield aan zijn stevels.
      "_Ah! ne me refusez pas.
    Prenez moi a la remorque_."--
      "_Non, Monsieur, a vous le pas!_"
    Bulleval had uit met snorken,
      Als een lammetjen gedwee:
      "_Henri Quatre en saura gré_."

      "_Luctor et Emergo!_" riep
    Prince Mouringh, en de wagen
      Eensklaps weêr ter kuste liep,
    Waar men Petten op zag dagen.
    "_Luctor et Emergo!_" klonk
    Uit den mond van al de gasten,
      Toen de Prins er 't welkom dronk,
    En ze in puik van mossels brasten.
      Mouringh zei tot d'Admirant:
      "_Et Emergo_ Volk als Land!"

       *       *       *       *       *

    En nu, wat dacht hij onder 't zingen?
      "Dat liedjen," zei hij, "haal de droes!"
    Hij zag de naakte woestelingen
    Het bruine lijf in bogten wringen,
      Alsof dier talen mengelmoes
      Hun 't hoofd deed draaijen als een roes;
    't Werd schuddend gillen, schaat'rend weenen;
    Zij hingen over 't praauwtjen henen
      Dat schommelde uit den evenaar,
    En 't water stoof hun tot de scheenen;
      Nog duchtten zij geen lijfsgevaar:
      Een oogwenk en den stroom ten buit,
      Had zingen en had lagchen uit!
    Maar neen, zij zagen 't en zij tastten
      Ten scheppertjens,--al wolkend vloog
    Het vocht, waarin hun voeten plasten,
      Van ied're zij der boot omhoog;
      En weêr was ze in een omzien droog,
    Weêr moest hen zijn gezang vergasten.
      Wie zich aan Breêro's deuntjens stiet,
      Hij luist're naar wat volgde niet:



V

MACHTELD.

         Stem: Wijkker Bietje, die bij 't beekje.
                                        _Vondel_.


    Machteld had wel hooren luiden,
    Wat of vensterkens beduiden
      Die des avonds open staan;
    Maar een weinig frissche koelte
    Was zoo welkom na de zoelte,
      En het hare stond maar aan.

    Ook scheen 't zuchtjen louter weelde,
    't Zij het schalk haar bloezem streelde,
      't Zij het suisde in 't blonde haar;
    Echter wuifde 't uit het loover
    IJlings meer dan geuren over,
      Zoet accoord van stem en snaar.

    Als zij 't venster nu ging sluiten,
    Zou de minnezanger buiten,
      Haar in de onderkeurs bespiên;
    En dies zocht zij, schaamrood, schuchter,
    Met de vingers om den luchter,
      Achter 't saai gordijn te vliên.

    Maar al had zij hooren praten,
    Dat hij dra wordt ingelaten
      Die 't ons op zijn luit bediedt,
    Niet te luist'ren naar zijn bede,
    Niet te naad'ren ook geen schrede,
      Dat gedoogde 't hartjen niet.

    Op haar bloote, blanke voetjens,
    Sloop zij zachtjens, sloop zij zoetjens
      Dies naar 't raam: wat fraaijen val!
    Hoor, hij zong niet: Wil mij minnen!
    Hoor, hij bad niet: Laat mij binnen!
      Neen, hij prees haar schoonst van all'

    Was het waarheid wat hij kweelde,
    Dat "de lieve lach,  die speelde
      Om haar lipjens, "kus mij!" riep,
    "Maar dat de opslag van haar oogjens,
    Wacht hield bij die nektartoogjens?"
      Hoe zij naar den luchter liep!

    Zie, al had zij hooren preêken,
    Dat de booze liefst zijn treken
      Uitspeelt achter 't spiegelglas,
    Waarom zou zij, nu slechts muren
    Haar bespiedden, niet eens gluren,
      Of zij de allermooiste was?

    En zij keek eens en zij knikte,
    En zij keek weêr en zij blikte
      Op haar vlugge beentjes neêr;
    En zij danste een passedijsjen,
    Naar een zacht geneuried wijsjen,
      En zij knikte keer op keer.

    Maar het was, terwijl zij zwierde,
    Of het luik op 't hengsel gierde,
      Of... doch langer geen geluid;
    Echter kraakte vast de wingerd,
    Om haar vensterken geslingerd....
      Wie sprong binnen? 't Licht woei uit!

       *       *       *       *       *

    En echter hebt gij 't lied beluisterd?
      Een and're vraag, 'k was dies gewis,
      Vol lachs of vol van ergernis?
    Neen, niet gemeesmuild, niet gefluisterd,
      Getuig wat uw verbeelding is:
    _Of_ schalke als die van vroeger dagen,
      Wier wieken, gift van scherts en lust,
    Op 't feestmaal werden uitgeslagen,
      Haar smetteloosheid zich bewust,--
      Die zonder blaam, die zonder vrees
      Het menschelijke menschlijk prees;
    _Of_... laat mij haar onreine noemen,
      Die onder dubb'len sluijer kleurt,
    Die eischt dat we ied're drift verbloemen,
      Wijl ze elken zegen heeft verbeurd:
      Wit graf waarbij de minne treurt!

    Wat of zich Bontekoe verbeeldde?
      Dat Machtelds minnaar binnen kwam,
    Met zoete woordekens haar streelde,
    En, louter liefde, louter weelde,
      Een kus stal eer hij afscheid nam;
      En... waarlijk verder dacht hij niet;
      't Bosschaadje hoorde een ander lied:



VI

PAPEGAAIJEN-DEUNTJEN.

                    Stem: Lorretjen.


    Wat leide ik toch een leven,
      Het prinsjen van de buurt!
    Mijn stok is bruin gewreven,
      Mijn kooi is glad geschuurd,
    En ik kan klontjens krijgen,
    Voor 't praten en voor 't zwijgen.
          Ai! Lorretjen,
          Kaporretjen,
      Kapoe, kapoe, kapoe,
      Houd mij je bekjen toe!

    En zou ik mij dan storen
      Aan 't smalen van dien knaap,
    Die steeds wat nieuws wil hooren,
      Die me uitscheldt voor een aap,
    En mij zoo graag zou dwingen,
    Een eigen lied te zingen?
          Neen, Lorretjen,
          Kaporretjen,
        Kapoe, kapoe, kapoe,
        Is daar te snugger toe!

    Ik ken wel mijns gelijken,
      Die wand'len over straat,
    Die met een degen prijken,
      Die zitten in den raad;
    Zij kregen 't beste hapjen,
    Door krek te doen als Papjen.
          Een Lorretjen,
          Kaporretjen,
        Kapoe, kapoe, kapoe,
      Waar past die al niet toe?

        *       *       *       *       *

    'k Weet niet of u de les zal smaken;
      De wilden lachten luide er om,
      Terwijl 't refrein op eens een drom
    Van papegaaijen deed ontwaken:
      Daar klonk 't kapoe; daar galmde 't weêr;
    De vogels wisten van geen schuwte;
    De zoelte riep het tot de luwte,
      Het strand den stroom toe keer op keer;
    En Bontekoe dacht onder 't schaat'ren
    Des wilden wouds, der wilde waat'ren:
      "Zing voort, ik ken geen liedje meer."

    En toch, toen 't woest geschreeuw bedaarde,
      Dat zelfs zijn roeijers dra verdroot,
    En 't paar weêr rust'loos op hem staarde,
      En half hem smeekte en half gebood,
    Was hij niet slechts gereed te kweelen,
      Maar werd zijn toon zoo vol, zoo vrij,
      Of 't lief tooneel van vrijerij,
      Dat blanke Maas of gulden IJ
    Op 't marmer van zijn vloed zag spelen,
    Een warmte hem mogt mededeelen,
      Als reed hij schaats, als vrijde hij:



VII

WIJS KLAERTJEN OP 'T IJS.

         Stem: Mijn zoetje!
               Ik moetje (_met variatie_.)
                            Starter.

                      Wijs Klaertjen
                      Zou 't paartjen,
             Liefst zamen alleen,
                      Verzellen
                      Of kwellen,
             't Was moeder schier één,
                      Mits 't zusjen
                      Elk kusjen
             Haar klappen mogt t'huis:
    Op 't ijs met zijn beiden hield de oude niet pluis.

                      Min bloode
                      Dan noode
             Ging 't vrijsterken meê;
                      Te waken,
                      Te laken,
             Voedt vriendschap noch vreê,
                      En Govert,
                      Betooverd
             Door Elze zijn lief,
    De borst gaf den drommel van haar: "houd den dief!"

                      Hoe prachte,
                      Hoe lachte
             Die olijke guit,
                      Bij 't winden
                      En 't binden
             't Wijs zusterken uit!
                      Zij gromde,
                      Zij bromde
             Om 't schalke gezeur,
    Bij 't kitt'len der voetjens voor dooven mans deur.

                      "Mag praten
                      Niet baten,"
             Was moederliefs woord,
                      "Men jage
                      Den trage
             Door voorbeelden voort!"
                      Dies rende
                      In 't ende
             Ons meisken het paar
    Vooruit, naar de baan, in de woelige schaar.

                     Eerst reed zij;
                     Toen gleed zij;
            Straks peinsde ze een poos:
                     "Die terger!
                     Ik erger
            Mij niet aan 't gekoos.
                     Omhelze
                     Hij Elze,
            Mits verre van stad!"--
    Toen keek ze eens, of zus op het stoeltjen nog zat.

                      Waratje,
                      Mijn schatje,
             't Bleek dwaas overleg.
                      Zij blikte,--
                      Zij schrikte,--
             Het paartje was weg!
                      Wat riep zij!
                      Wat liep zij!
             Half spijt en half vrees,
    En luisterde niet, schoon de jonkheid haar prees.

                      Toch staarde,
                      Toch waarde
             Getrouw haar op zij
                      De rapste,
                      De knapste
             Der dartele rij,
                      Noch jonker,
                      Noch pronker,
             Maar geestige guit
    Haar aan,--om haar heen,--en borst eindelijk uit:

                      "Mooi Grietjen!
                      Dat hiet-je,
             Of wel, liefste Leen,
                      Of Antjen,
                      Mijn Santjen!
             Maar dat is al een.
                      Schalk zoetjen
                      Nu moet je
             Met mij op de baan;
    Wij kunnen nooit jonger een flikkertjen slaan."

                      Met greep hij,
                      Met kneep hij
             Haar worst'lende hand,
                      En zeide
                      En beidde:
             "Spreek op,--naar wat kant?"--
                      "Ik heet niet...--
                      Ik weet niet...--
             Ik zoek Elze-zus."--
    "Leg op dan, mooi meisjen! wij vinden haar flus."

                      Zij gluurde eens,
                      Zij tuurde eens
             Wie hij wel geleek;
                      Toen bloosde,
                      Toen poosde,
             Toen werd zij schier bleek;
                      En 't gapen
                      Der knapen,
             Die 't aanzagen, moê,
    Stak Klaertjen haar vingers Flip bevende toe.

                      O Joosjen,
                      Mijn Troosjen,
             Wat reden zij snel!
                      Wat beende,
                      Wat leende
             Zij weelderig wel!
                      De molen,
                      Verscholen
             In 't graauw van de lucht,
    Verrees--was zij op--was--voorbij in hun vlugt.

                     't Ging schriller,
                     't Werd stiller
            Op 't ijs om hen heen.
                     "Dra komen
                     Die boomen,
            Dan zijn wij alleen!"
                     Sprak 't kwantjen
                     Die 't handjen
            Nu vaster nog kneep.
    Wel wilde zij 't ligten, toch bleef zij op sleep.

                      "Daar achter
                      Geen wachter,
             Die nijdig bespiedt;
                      Voor kunstjens
                      Uw gunstjens,
             Dat weigert ge niet!"
                      Met ijlden,
                      Met wijlden
             Ze op de eenzame plek,
    En Flip knoopte teeder zijn doek om haar nek.

                      "Rust, meisjen!
                      Van 't reisjen;
             Ik merk, je bent moê."
                      Hij rende,
                      Hij wendde,
             Zij lachte hem toe;
                      "'k Heb fraaijer
                      Geen draaijer
             Gezien op de baan,
    Dan jij, die tot zesmaal beentje over kunt slaan."

                      Flip keerde;
                      Zij weerde
             Den stoutert wel af,
                      Maar pruilde
                      Noch druilde,
             Wat pas het ook gaf.
                      "Hoe heetje?"--
                      "Dat weetje."--
             "'k Geloof haast van ja,"
    Zoo sprak hij en trok met zijn schaatspunt een K.

                      Eilacie!
                      Tentatie
             Dient ijlings ontsneld;
                      Op dralen
                      Rijmt falen;
             Dra struikelt die helt!
                      Vast sling'ren
                      Zijn ving'ren
             Om 't lijfjen zich heen,
    Hij kust, zij kust weder. Ach! waren ze alleen!

                      Maar gluipen,
                      Maar sluipen
             Die vroolijke twee,
                      Maar rijden,
                      Maar glijden
             Zij niet naar de steê?
                      Zij komen
                      Vernomen
             Door hem noch door haar;
    't Zijn Govert en Elze; hoe schatert het paar!

                      "Wel, zwager!"
                      De plager
             Verrast hen alzoo.
                      "Wel, zoetjen!
                      Ik groetje,
             Ik stoor je maar noô.
                      De vrijheid
                      Is blijheid,
             Is t'huis op het ijs.
    Elk kiest zich een liefjen; zoo wil het 's lands wijs."

                      Luid schreijend,
                      Hen beîend,
             Houdt Klaertjen 't gezigt,
                      Bij 't blozen
                      Om 't kozen
             Op 't ijsvlak gerigt,
                      En zuchtend
                      En duchtend
             Reikt ze Elze de hand,
    "De linke," roept Flip, "want de regte is mijn pand!"

                      "Neen, vrees niet,
                      Neen, wees niet
             Eenkennig, lief kind!
                      Al knort zij,
                      Toch wordt gij
             Opregt'lijk bemind.
                      Ik zocht je,
                      Ik mogt je
             Al lang gaarne zien,
    En 'k vraag je vóór Lichtmis nog van je oude liên."

                      "Ai, Klaertjen!
                      't Is 't aertjen
             Van onz' aller moê;"
                      Spreekt zusjen
                      Na 't kusjen
             't Wijs vrijsterken toe.
                      "'k Betrapje,
                      'k Verklapje
             Dies toch niet te huis.
    Op 't ijs met zijn drieën, dat schat ik een kruis!"

    Al telt gij geeuwend de blaên,
    Verkwist om slechts een schaats te slaan,
    Voor hem school in de eenvoude woorden
    Een tooverspel, dat riep naar 't Noorden!
      Vergeefs was de avondwind belaên
    Met myrrhe en mastik, langs de boorden
      Des vloeds al walmende opgegaan,
      Uit duizend kelken van gebloemt',
      Die 't Oost hare offerschalen noemt.
    Hij walgde van zijn weeklijk wuiven;
      Hem dorstte naar den geest der kracht,
      Die de aard herschept in eenen nacht,
    De graauwe wolken weg doet stuiven,
      De starren oproept tot zijn wacht,
      En, als hem de uchtend tegenlacht,
    Het veld, dat rijm en sneeuw omhuiven,
      Heel 't landschap tint'len ziet van pracht,
      Een vonk'lende juweelenschacht.
    Maar niet alleen het forsche streelen
      Der 't bloed bevleugelende lucht
      Was de oorzaak van zijn diepen zucht:
      Hij droomde van een klein gehucht;
    Hij zag der landjeugd schalke spelen
      In de arresleê, bij 't schaatsgenucht;
      En 't liefste meisjen uit de schaar,
      Dacht zij aan hem als hij aan haar?

    Dáár fluisterden zijn reisgezellen,
      En trager werd de vaart der praauw;
    Wat nieuwe ellend moest hij zich spellen?
      Hen scheen een folt'rende angst te kwellen;
      Maar wat--wat bragt hen dus in 't nauw?
      Al heerschte aan 't strand maar stilte en schaâuw,
    Toch neigden zij ten golven de ooren,
      Toch weêrlichtte op 't verschiet hun blik,--
      Een wijle drijvens--dubb'le schrik!
    Ook hij zag nu het woudvier gloren;
    Ook hem deed zich de krijgszang hooren,
      Wier flaauwe klanken 't paar al ving
      Toen 't nog zoo pijlsnel zeewaart ging;
    En hij verstond uit hun gebaren,
      Hij las het in hun schroom en spijt,
    Dat achter 't rood gordijn dier blaêren
    Tien, vijftig, honderd krijgers waren,
    Met hen en met hun stam in strijd!

      Het strand werd levend wijd en zijd!

    Op eens verkeerden hun gezigten,
      Terwijl de kris des voorsten rees,
    En de and're greep naar boog en schichten,
      En proef nam van de kracht der pees:
      Ze ontveinsden mannelijk de vrees,
    Zoodra der vlammen feller lichten
      Hen d'oversterken vijand wees;
    Zij wilden niet dan strijdend zwichten!
      En leenden naauw den blanke 't oor,
    Die, toen de praauw het strand genaakte,
      't Geen 't wilde volk ten vuurdans koor,
    Een lied zong--dat een heek'laar maakte:



VIII

INKEER.

        Stem: Q. De paai gaf 't voor geen roerdomp op,
              X. Het quantjen zong gelijk een lijster.
                                          _Beurtzang_.


                  De Oom

    De wereld, die in 't booze ligt,
    Verdwijnt als rook uit mijn gezigt;
    'k Heb dies alle ijdelheid verzaakt,
    En straks mijn testament gemaakt.

                  De Neef

    Het lekk're gulden Rhijnsche wijntjen
    Smaakt mij wel eens zoo zoet bij Trijntjen.
    Wat kijk ik graag, bij lange togen,
    Mijn boeltjen door de fluit in de oogen!

                  De Oom

    Wat zou mijn neef met schijven doen?
    At hij zijn korentje niet groen?
    Al wat ik spaarde wierd verkwist;
    Ik wil geen snollen bij mijn kist!

                  De neef

    Zoo oompjen-Grommert zijn dukaten
    Mij dezen avond na mogt laten,
    'k Zou morgen 't meisjen prachtig dossen,
    En kocht een boeijer en twee vossen.

                  De Oom

    Dies maakte ik alles aan de kerk,
    En krijg een lofdicht op mijn zerk.
    En echter, 't is mijn naaste bloed;
    Hij heet toch, als mijn vader, Knoet.

                  De Neef

    Wat zou ik als een banjer pragchen!
    Hoe liefelijk zou Trijntjen lagchen,
    En, arme deern, mij dra verliezen!
    't Had dan uit juffers maar te kiezen.

                  De Oom

    "Het geld," zoo sprak de vrome man,
    "Behoort den regten erven, Jan!
    En wie dies zalig sterven wil...."
    Wel, waarom niet een codicil?

                  De Neef

    Bijlo! wanneer mij dat wou lukken,
    Zei ik; "adie mijn guitentsukken!"
    En zou, wie had het kunnen droomen?
    Door schoonvaêr nog op 't kussen komen.

                  De Oom

    Hoe stel ik best 't legaat op schrift?
    't Legaat? dat ware een halve gift:
    Hij heeft wat noodig naar ik raam;
    Hij is de leste van mijn naam!

                  De Neef

    Het is wel waar wat looze Gijs zeit:
    "De tabbaard, jongen! geeft de wijsheid,"
    Maar 't eischt, voorwaar! al lange mouwen,
    Om er mijn aapjen in te houên.

                  De Oom

    Maar 't lofdicht, dat ik had verwacht,
    Wijl ik de kerk zoo ruim bedacht!
    'k Weet niet hoe 'k uit dien maalstroom kom;
    Roep den Notaris toch weêrom!

                  De Neef

    't Is zonder heksen toch te leeren;
    Ik ken wel erger, die regeeren.
    Staat niet in 't Burgermeesters boekjen:
    "Wijs bij de luî, mal om een hoekjen?"

       *       *       *       *       *

      Een korte wijle zweeg 't getier
    Der uitgelaten rei van wilden,
      Die in een laaije zee van vier
    De spietsen, die hun vingers drilden,
      Nu dompelden ten gloênden doop,
      En fluks in vogelvluggen loop
    Die midden uit de vlammen tilden.
      Een oogwenk zweeg de ruwe hoop,
    Om over 't roode vlak der baren,
    Het praauwtje grimmig aan te staren;
      Maar de invloed van het schalke lied
    Verloochende ook bij hen zich niet!
    Zij deden 't sein des vredes wapp'ren,
    En de ouderdom herriep de dapp'ren,
      Die, om den erfwrok lang gehuisd,
    Vast in den breeden vloed zich waagden,
      En heup en borst van schuim ombruist,
      De waap'nen in de slinke vuist,
    Het roeijerpaar ten kampstrijd daagden.--
      Ach! kind'ren van hetzelfde land,
    Maar die elkanders rust belaagden,
      Om onderscheid in offerrand'!

    Was hun de blanke vreemd'ling heilig,
      Of achtten zij een man zoo koen
    Voor 't kwetsen van hun spietsen veilig?
      Wie lust had om de vraag te doen,
      Niet hij, die wenkte voort te spoên;
    En 't paar weerstreefde hem niet langer.
      De breede stroom, der zee genaakt,
      Scheen uit zijn kronkelboei geslaakt.
    Hoe blij, hoe luchtig zong de zanger:



IX

JAN COMPAGNIE.[2]

         Stem: Speelnootjes heft eens vrolijk an.
                             _Bruiloftsliedeken_.


    De trommel van de Staten werft:
        Lang leev' de Prins, hoezee!
    Maar zoo men in het veld niet sterft,
        Wat brengt men er uit meê?
    Een stijven arm, een houten poot;
        De drommel hale die!
    Is 't geldjen op, en komt de nood,
        Ik ken Jan Compagnie.

    Wat hielp dat brammetje in zijn tijd
        Al meisjens 't hoofd op hol!
    Wat had dat boeijen wijd en zijd
        Den kerfstok spoedig vol!
    "Weg!" riep zijn vaêr, en "wee!" zijn moêr.
        "Mijn rijk is uit, adie!"
    Hoe arm hij naar Oost-Inje voer,
        Hij werd Jan Compagnie.

    't Was in en uit met d'Amboinees;
        Hij prees zijn specerij,
    Maar toffelde den Portugees,
        En had de handen vrij,
    Ter nood verliep nog jaar en dag,
        Daar kwam een vloot in 't Vlie,
    De rijkste, die ooit Holland zag;
        Haar zond Jan Compagnie.

    De wilde snaak werd groot sinjeur;
        Hem huift het zwarte volk
    In wierookwalm en ambergeur;
        Hij lucht er uit een wolk!
    Met vonkelende sluijerkroon
        --Juweelen sieren die--
    Weerspiegelt daar op gouden troon
        Mijnheer Jan Compagnie.

    In 't palmbosch klinkt de schelle luit
        Der Bajaderen-schaar:
    Hij kiest van daag de schoonste er uit,
        En morgen weêr een aêr.
    "Wat baatte me al mijn overvloed,
        Het rijk, dat ik gebiê,
    Ontbrak mij hier 't zoetste zoet
        Omhels Jan Compagnie!"

    Maar 's ochtends kijkt hij uit in zee:
        Oranje blanje bleu!
    Een schip doemt op; hij roeit ter reê,
        Als was hij 't rusten beu:
    "Weest welkom, maats! hoe lang je reis?
        'k Ben blij dat ik je zie.
    Hoe vaart de Prins? Is 't nog geen pais?
        Wie zoekt Jan Compagnie?"

    "Ik!" roept dan menig losse guit,
        Die, baasjen van de baan,
    Vroeg scheidde van zijn mooijen duit;
        Hij spreekt hem vroolijk aan:
    "Heb jij geraasd, mijn eêle vent!
        Wie deed het niet, ai, wie?
    'k Was als de bonte hond bekend;
        'k Wierd toch Jan Compagnie!"

    En, wonder! na een jaar vier, vijf,
        Hijscht elk er 't zeil in top,
    En reedt een schip en neemt een wijf,
        Staat voor een ton niet op;
    'k Staar dies mijn pot niet zuinig aan,
        Schoon ik den boôm al zie,
    En laat der Staten trommel slaan:
        Lang leef Jan Compagnie!--

       *       *       *       *       *

    Wat droeg naar 't suiz'lend bamboesloover
      Het koeltjen, aangesneld uit zee,
    Die ruwe klanken vrolijk over!
      Wat scheen het wilde paar gedwee,
      Toen 't praauwtjen voortstoof naar de reê!
    Zij staarden onder het luchtig ijlen,
      Beheerscht door d' indruk van het lied,
      Nu oost- dan westwaart in 't verschiet,
    Of 't licht, dat aan de kim bleef wijlen,
      Hun nog geen zeekasteel verried;
    Want beide waren ze onder 't schaat'ren
      Der leste wijs van Bontekoe,
      Bij 't luid "Jan Compagnie" te moê,
    Als riep hij uit den schoot der waat'ren
      Den geest op van het verre West,
      Die, d' oorlogsbliksem in de handen,
    Verscheen aan de Indiaansche stranden,
      En fluks zijn troon er had gevest,
    Alreê vermaard in de Oosterlanden,
      Voor leeuwenkuil en arendsnest.

    't Was ijdel duchten, ijdel staren.
      Geen wolk van rook, geen flits van vier
    Schoot over 't zilv'ren vlak der baren;
      Geen schip, op tal van masten fier,
    Viel langs de gansche reê te ontwaren;
      Wat vaartuig bragt den blanke hier?
      De wilden vroegen 't, schoon hij rees
      En 't zeilenpaar der boot hun wees.
    Half duikende onder kokosboomen,
      Ontsnapte ze in de baai 't gezigt.
    Daar gaf hij 't sein--en werd vernomen;
      Daar riep hij luid--zij gleed aan 't licht:
    Helaas! hij zag haar naauw'lijks komen,
      Of hield den blik ter zee gerigt,
      Als greep een feller smart hem aan
      Dan 't man'lijk harte kon weêrstaan.
    O vijftienjarig ijdel streven!
      O hoop, zoo lang vergeefs gevoed!
    Hoe vrolijk had hij van den steven
      Den Ooster-Oceaan begroet,
    Den kijker in de hand geheven,
      En lucht gezien en land vermoed,
      Tot schril de kreet weêrgalmde in 't want:
      "Brand, Schipper! brand, in 't ruim is brand!"
    Weêr dwarrelde alles hem voor de oogen,
      Nu hij dat vrees'lijk uur gedacht,
      De bleeke schrik,--de bange klagt,--
    De flaauwe hoop,--het ijdel pogen,--
      De vlam, die schoot van steê tot steê,
      Het noodgeschrei: "de boot in zee!"
    En toen, het toppunt der ellenden,
    Geen tucht meer--hoe?--geen zelfbedwang,
      Voor sluike vlugt, het wild gedrang
    Van wie geen mensch'lijkheid meer kenden,
      't Gekerm,--'t gebed,--een dof gerucht...
      En schip en manschap in de lucht!

    Toch werd uit die herinneringen
      Van heil en hoop, van vlam en vier,
      De mijmeraar door t' luid getier
    Gewekt, genoopt, voor 't laatst te zingen,
    Wat beeld kon zulk een rouw verdringen?

Noot 2: De O. I. Compagnie werd, zooals men weet, den 20sten April 1602
opgerigt. Zie over haren spoedig toenemenden bloei: "_La Richesse de la
Hollande à Londres aux Dépens de la Compagnie_," pag. 33 etc.



X

DIEUWERTJEN.

         Stem: Klaare, wat heeft er uw hartjen verlept.
                                               Hooft.


      Dieuwertjen! heugt je nog de avond voor Paasch?
      Eer ik je vragen ging, stapte ik mijn plaats,
    Mijn woning, mijn schuren, mijn stal nog eens om,
    Vast peinzend: tot alles is zij wellekom.

      Wit van den hagel, maar warm trots de kou',
      Haalde ik de klink op; je zat bij de schouw;
    Ik ligtte mijn mantel; jij wierpt op het vier
    Een mutserd, en 'k dacht: zij ziet gaarne mij hier.

      Echter was 't later als jeukte mijn scheen,
      Schoof ik je digter, je schooft verder heen,
    En toen 'k, bij de kast, om het jawoord je vroeg,
    Was 't vremd, dat de fluit niet aan diggelen sloeg.

      't Vreezen en beven--het had schier geen end';
      't Huis van je moeder was jij zoo gewend.
    Al droeg ik ten leste in mijn armen je er uit,
    Ons dorpjen zag nimmer een droeviger bruid.

      Dieuwertjen! heugt je nog de avond voor Paasch?
    Onder dat wiegekleed giert onze Claes.
    Ai, kus hem, en zeg, zoo het nog stond te doen,
    Of jij nu wel aarzelen zoudt zoo als toen!

       *       *       *       *       *

        O liefde, die in Hollands streken
        Alom altaren zaagt ontsteken,
          Eer kiesch den voorrang won van kuisch
        En gouden ketens fulpen banden
        Vervingen in de Zeven Landen,
          O liefde! in 't woelig krijgsgedruisch
          Bij onze heldenvad'ren t'huis!
        Wie schetst uw wonder alvermogen
          Op 't onverdorvene geslacht,
        Dat klagt noch knieval wou gedoogen;
        Dat, louter licht en lust in de oogen,
          Het schoon zijn hulde al juichend bragt,
          En toch zijn eerbied voor de vrouw
          Verkondde in echtelijke trouw!
        Wat harte dat gij niet regeerdet,
          Wat harte dat gij niet herschiept,
        Gij, die den vroeden schalkheid leerdet,
          De lachjens tot den stugste riept,
          Beheerscheresse van de jeugd,
          Haar hoogste heil, haar hoogste deugd!

        Hoe 't aardig beeld van huw'lijksweelde,
          Dat aanlokte uit het slechte lied,
        Het droef gemoed des zwervers streelde,--
        Hem deerde, toen hij 't lagchend kweelde,
          Zijn gister en zijn morgen niet!
        Zoo min zijn worst'ling met de golven,
          Waarin hij, na den gruwb'ren slag,
        Een lange wijle was bedolven,
          Waaruit hij, toen hij 't licht herzag,
          Niets hoorde dan het bang geklag
        Van hen, die, 't vlammend graf ontstegen,
        In 't rustelooze nederzegen;
          Als 't stil verzuchten om den dood,
          Toen laaije dorst en wreede nood
        Het scheepsvolk, onder 't angstig varen,
          Ten voedsel dat hen overschoot,
        De jongens vratig aan deed staren,
          't Gebrek dien gruwel schier gebood,
        Wierp langer uit het droef verleden
        Zijn schaduw dreigende over 't heden,
          En zijn verschiet? 't Was of de kust
        Van Java opdoemde uit de baren;
        En bleek door twee en dertig jaren
          Het vuur der jeugd nog niet gebluscht:
        Zijn baard verried reeds graauwe haren;
          Hij had ten verd'ren togt geen lust;[3]
        De kiel, waarmeê hij t'huis zou varen,
          Lag op de reede al uitgerust.

        Eens minnaars hoop heeft aad'laars wieken;
          Hoe schoot hij ze aan! hoe snelde hij
        Van uit het oord van 't uchtendkrieken
          Naar 't avondrijk de Kaap voorbij!
        Daar deed de wind in 't loof der palmen
        Den groet der koop'ren keel weêrgalmen;
          's Lands vlagge wapperde op Guinee!
        Daar tintelden de witte kruinen
        Van Hollands wachtgelijke duinen!
          Hoe seinde hij de Hoornsche reê!
        En nu de huiv'ring, die 't ontmoeten
          Der overwelbeminde kust
          --Waarin misschien de dierste al rust!--
        Voorafgaat,--neen! het wuivend groeten
          Van Guurtjens kleine, blanke hand,
          Wier pink weêrschittert van zijn pand!
        Zie, had de knaap voor jong'lingsdroomen,
          Voor goud of roem uw zegen veil,
          O bruilofsvreugde! o huw'lijksheil!
        De man is wijzer weêrgekomen,
          Een bloeijend kroost, een brave vrouw,--
          Ai, niets en gaat voor de echte trouw!

        "Ha, schipper!"

                Holland was verdwenen!
          Sumatra's kust, het wilde paar,
          Hij werd die ijlings weêr gewaar;
        Hij stuurde 't praauwtjen landwaarts henen
          Ter plek, waarop zijn trouwe schaar
        Hem toefde er met de boot verschenen:
          Hij was ontkomen aan 't gevaar!

        Wie eischt van mij de groep te schetsen
          Van 't scheepsvolk, dat hem blijde ontving?
        Slechts Rembrandts hand zou 't waardig etsen;
          Hij 't lichtpunt van den donk'ren kring,
          Die luist'rende aan zijn lippen hing!
        't Geheim des meesters ging verloren,
          En daarom zij u 't woord genoeg:
          Dat ieder zich nieuwsgierig droeg,
        Om 't lang verhaal ten eind te hooren,
          En elk toch, door verbazingskreet,
          Hem afbrak en herhalen deed.

        "Wat lot onz' makkers is beschoren,
          Helaas! wij zullen 't morgen zien!
          En nu, ik kan niet meer, goê liên!
        Slaapt wel! mijn keel is heesch van 't zingen."
          Dat stiet hij, met een schor geluid,
          In 't eind den moeden gorgel uit.
        "Tot morgen!" zeide zij en gingen
          Naar hunne loovertenten toe.
          Een omtrek nog van Bontekoe:
        Hij boog zich voor den Heere neder
          Vóór dat de slaap zijne oogen look,
        --Een vol gemoed is dubbel teeder--
        En Guurtjens beeld verscheen hem weder,
          En voor zijn Guurtjen bad hij ook!

1840.


Noot 3: Het is bekend dat Bontekoe eerst na lang omzwerven in 1625 in
het Vaderland terugkeerde; de stemming, waarin ik hem aan het einde
mijner vertelling doe verkeeren, schijnt mij gemotiveerd uit eene plaats
in zijn Journaal, bl. 43: "Ik van voornemen synde om mij met de eerste
gelegenheid na Holland te transporteren, bevindende dat het spreekwoord
waer, en uit de ervarentheid bekragtigd is, ieder vogel is gaern daar
hij uitgebroeid is: want wat schoone Landen, Kusten of Rijken dat men
beseild en besiet, wat konditiën, profijten en vermakelykheden dat men
geniet, 't souden ons maer pyn wesen, so die hope ons niet onderhiel,
van dat selfde eens na te vertellen in ons Vaderland, want om die hope
heeten onse Reisen, Reisen, anders souden tusschen de ballingschap, en
sulk hopeloos reisen, niet veel verschil zijn"--De gissing eener liefde
en die van een huwelijk, achtte ik waarschijnlijker, daar het zelfs der
welwillende nasporingen van mijnen oudheidkundigen vriend, den heer Mr.
W.J.C. van Hasselt, niet is mogen gelukken iets van zijn verder
wedervaren te vinden.



       *       *       *       *       *



VERHALEN

Blaauw bes, Blaauw bes!--'t Is maar een pennelikker!--Marie--Ezelinnen
--Hanna


       *       *       *       *       *



BLAAUW BES, BLAAUW BES!

(EEN STUDIEBEELD UIT ONS VOLKSLEVEN)


Bilderdijk wenschte, in een zijner veelvuldige verzuchtingen om den
dood, in het stille graf te liggen, ten einde voor den Haagschen
straatkreet doof te zijn. Ik ben te zeer van muzijkalen zin misdeeld, om
te durven beslissen, of de schreeuwers der hoofdstad het van die, welke
onze hofstad doorkrijschen, in welluidendheid winnen; maar ik mag de
Amsterdamsche keelklanken wel, en verbaas er mij over, hoe het gehoor
van onzen eersten dichter zijner verbeelding zoo zeer de wieken knotten
kon. Verrees er dan, als zijn trommelvlies de pijnlijke aandoening had
doorgestaan, verrees er dan, ten gevolge van dat met weêrzin opgevangen
woord, niet een geheel ander tooneel voor zijnen geest, dan zijn
studeercel aanbood? bragt het hem niet naar buiten, niet over in beemd
of bosch? Ik wil mij eerst op eenen der minst behagelijke kreten
beroepen, om later van diegene te gewagen, welke streelender gedachten
opwekken; Bilderdijk zelf, verbeelde ik mij, zou dien zin voor climax
hebben gewaardeerd. Daar klinkt het: "_Elft as zalm!_" bij voorbeeld,
waaruit de Jordaner in het middelwoord de l weglaat, om u die in de
beide andere zooveel te zwaarder toe te wegen. Het rijst raauw genoeg op
de lucht,--het is eene onwaarheid bovendien, want de eene soort van
visch evenaart de andere nooit,--en echter heb ik er nimmer het
voorhoofd om gefronsd, laat staan er om dood willen zijn; een geheel
ander verlangen wordt er bij mij levendig door. Wie heeft niet hooren
vertellen, dat die visch meest des nachts gevangen wordt, en wie, die
het zoomin als ik ooit zag, onthoudt zich, bij de plotseling opgewekte
gedachte, van den wensch, zulk een vangst bij te wonen? Het schuitje,
--de visschers,--het want, spaarzaam, grillig, afwisselend verlicht;
--om u heen de roerloosheid van den nacht, maar aan boord al de
behendigheid van de winzucht;--en, tegenstelling die boven en beneden
niet onaardig toetst, als gij neêrblikt, de rosse schijn eener lantaarn,
als gij opziet, eene enkele, tien, twintig, duizend, millioenen
sterren, die de duisternis des hemels zwichten doen;--wat dunkt u, zendt
gij den voorbijganger, aan wien gij die afwisseling van ideeën hebt dank
te weten, nog eene verwensching na? Waartoe echter zou ik het voorbeeld
verder uitspinnen, als viel er op uwe fantasie weinig te vertrouwen, als
hadde ik er niet voor het grijpen, waarbij schilderiger stoffaadje past?
Welaan--maar eerst een paar uitzonderingen, ten einde ik in geene
onbedingde lofspraak der straatkreten vervalle. Er zijn ergerlijke onder
die uitroepingen--en och! dat Bilderdijk deze van de Haagsche had
uitgemonsterd!--er zijn er bij de Amsterdamsche, die u de haren te berge
doen rijzen, niet enkel om den klank, maar ook, maar vooral om der
verbeelding wille: "_Beerzen binnen de garneelen!_" krijscht u niet
enkel door merg en been, en "_rapen as kinderhoofies!_" doet u niet
louter om den temerig gerekten uitgang pijnlijk aan; beide
overdrijvingen wekken zoo velerlei weêrzin op, dat ik dien onmogelijk in
éénen volzin uiten kan. Ichtyoloog of niet, u stuit dat dooreenhaspelen
van zout- en zoetwatervisch; het verbijstert schier iedere voorstelling
van het verblijf van den eenen en den anderen gevinde. Rapen zijn een
der oudste geregten ter wereld, en doen u ons bestuur onwillekeurig
mannen toewenschen, als de Romeinsche Republiek er in de dagen van haren
eenvoud en harer grootheid voortbragt, maar hoe vurig ge, bij vrijer
uitstellingen, meer onafhankelijkheid van geest wenscht, die voor minder
behoeften veil is, denk er eens aan, als die ongelukkige vergelijking u
van het kannibalen-maal gruwen doet! Het is wel, zoo gij, onder een van
beide jammeren, den lust overhoudt, om op te merken, dat de proeven,
die ons volk bijwijlen van Oostersche beeldspraak neemt, doorgaans
afgrijsselijk uitvallen. Gij ziet, ik ben billijk, al geldt het ook
mijne gunstelingen; want waarom zou ik schromen, thans dien naam te
geven aan de velerlei verrassingen, die in roep of kreet tot mij komen,
van den bitteren eersteling onzer velden, van het radijsje af, tot de
laatste, scherpe vrucht onzer hoven, de rammenas, toe? Er ligt een zomer
tusschenbeide, de keel des volks zou het u vertellen, zoo gij hem niet
zelf gezien, niet zelf genoten hadt! Naauwelijks mag het een meisjesstem
heeten, dat snerpende geluid, 't welk in 't vroege voorjaar des ochtends
aan het venster door de leden vaart en uit deernis, hoop ik, "een bosje
roode of witte" koopen doet, ware het ook maar om het kind te vergelden,
dat het u de komst der lente geboodschapt heeft. Mild, daarentegen,
schier melodisch, zou ik willen schrijven, klinkt de roep des mans, die,
bij invallenden avond, den herfstwind de a's van zijne _rammenas_ verre
dragen doet,--als de zonneschijn langer geduurd had, ze zouden tot zang
zijn verzacht! En zal ik ze nu optellen, de tallooze verkwikkingen,
welke de arme langs uwe deuren vent, zonder er zich zelfs over te
verbazen, dat gij die in overvloed genieten moogt, terwijl hij ze zoo
schaars smaakt, terwijl zoo vele van deze hem zijn ontzegd: de
welriekende aardbezie, de verfrisschende kers, de druiven, waarop de
dauw nog ligt, de china's-appelen, die het Zuiden ons zendt, de--maar
waar zou ik eindigen, als ik ook slechts een honderdste der tooneelen
voor uwen geest wilde roepen, waarop de gevleugelde verbeelding ons
verplaatst, bij het hooren van eenen der vele klanken op welke de breede
schaal van toonen boogt, die van behoefte tot weelde reikt? Mijne
inleiding zal haar doel hebben bereikt, als zij de ergernis voorkomt die
de titel van mijn opstel geven mogt--maar een straatkreet!


"Blaauw bes, Blaauw bes!"--klonk het langs de ----gracht onzer
hoofdstad, en het geluid, dat eene oude vrouw verried, mogt den jongen
heer van het eene venster niet van zijn duodecimootje op doen zien, en
de beziën, welke het wijfje door dien kreet ventte, der jonge jufvrouw
van het andere raam geenen blik waard zijn, een Rembrandt had hare
gansche mand leêg gekocht, als zij een uur voor hem had willen zitten.
Een sergierok, die de beenen verder blootgaf, dan hunne vormen
wenschelijk maakten, maar wiens kortheid haar in het voortstappen zeer
te stade kwam;--een sergiejak, dat de verbruinde, en van ouderdom vast
verstrammende armen onder geene mouwen in zijne hoede nam; beide
kleedingstukken vielen iederen ledeman om te werpen, en zouden onder de
hand des meesters stellig fraaijer hebben geplooid, dan zij om het lijf
van mijn moedertje deden; maar het zou ook niet om deze zijn geweest,
dat een schilder zich tegenover haar achter den ezel had gezet. Hagelwit
mogt het eenvoudige mutsje zijn, dat de grijze haren bedekte en de
tronie omsloot; hoog van kleur, "in den noode" de doek, die, over het
jak gespeld, de uitstekende schouders en ingevallene borst kwalijk
verborg; ook deze eigenaardige dragt van een geldersch huismanswijf,
zou, zonder haren persoon, binnen het bereik des kunstenaars zijn
geweest, hoezeer die kleeding, het zij in het voorbijgaan opgemerkt, tot
het karakteristieke van haren straatkreet behoort. Al het aantrekkelijke,
dat zij voor Rembrandt zou hebben gehad, school in haar gelaat; waarom is
met hem de kunst verloren gegaan, voor de beeldtenis eener oude vrouw den
blik des eerbieds, het knikje des welgevallens te verwerven? Als hij mijn
blaauwbessenwijfje op het doek had gebragt, hij zou de rimpels niet hebben
verheeld, die haar breed voorhoofd doorploegden; hij zou de jukbeenderen
niet hebben weggedast, die hare wangen zoo hoekig maakten; hij zou om mond
en kin zelfs den zweem van grijzen baard hebben geschilderd, dien hij in
de natuur aanschouwde. Maar zoo gij haar bij den eersten oogopslag hadt
aangezien, dat zij zestig, vijf en zestig lange jaren misschien had
geleefd en geleden, het ware u ook helder geworden, dat zij had liefgehad
en geloofd; het wintersch landschap ware opgeluisterd door van omhoog
invallend zonnelicht! En ge hadt het graauwe dons om kin en lippen
voorbijgezien, in uwe bewondering van de beraden-, van de bedachtzaamheid,
door dien mond geteekend: woorden der wijsheid zouden u van die lippen
niet hebben verbaasd, gij hadt er geene andere van verwacht. En het schier
stramme dier wangen, en het scherpe der beenderen, die er onder uitstaken,
zou opgehouden hebben, u weêrzin in te boezemen, want er had een lachje
over gezweefd, waarbij het u te moede ware geworden als had zij onder
allerlei leed den zin voor schuldelooze vreugde bewaard. En terwijl
iedere rimpel voor u in een teeken ware verkeerd der rampen, die haar
troffen, hadt gij u gebogen voor het geloof, dat u uit hare bruine oogen
toestraalde, hadt gij u verkwikt aan eene gemoedsrust, die het verlies
van jeugd, schoonheid en wereldsche uitzigten overleefde; van eene ziel
die genade had gevonden bij God!

_Une femme qui n'a plus d'âge_ is iets vreeselijk-leelijks, als
Beaumarchais haar ons schetst;--zou het geheim van het innemende, der
oude vrouwen van Rembrandt eigen (het genie des meesters voor het
overige in al zijnen omvang geëerbiedigd), ook aan het onderscheiden
volkskarakter, ook aan dier mannen verschillend begrip over de
bestemming van den mens, zijn toe te schrijven?

"Blaauw bes, blaauw bes!" klonk het, maar zonder den nadruk, dien het
vrouwtje den woorden in eene straat zou hebben bijgezet, maar meer uit
gewoonte, naar het scheen, dan uit hoop de aandacht van koopers te
zullen trekken--in die buurt scholen de liefhebbers harer onaanzienlijke,
harer de lippen blaauw verwende beziën niet. En echter was het blijkbaar,
dat haar des ondanks het voortstappen over de harde straatsteenen niet
verdroot; dat mismoedigheid over het vergeefsche van haren roep verre
van haar was. Vier of vijf jongens stoven haar voor, of sprongen haar
na, om bij beurten haar af te wachten of in te halen, en onder het
huppelen om haar heen eenige bessen uit de mand te grijpen, die door
geen deksel werd beschut; in eene andere stemming zou de baldadige
plagerij, zou het soms van alle kanten eensklaps opgaand: "blaauw bes,
blaauw bes!" haar hebben geërgerd; thans scheen zij even goedwillig de
oorvijgen te geven, als de Janraps zich die voor hunne vruchtelooze
pogingen lieten welgevallen. Intusschen was zij een halve gracht
voortgegaan, en zie, daar stond ze voor het huis, waar zij wezen moest.
Vlug, als een meisje van drie zesjes schier, vlug wipte ze de stoep op,
en de schel ging over, tot twee malen toe.

Een knecht, in geel linnen jas, deed open.

"Is Eefje thuis?" vroeg de blaauwbessen vrouw.

"Eefje?" hernam de borst; "er woont geen Eefje hier; mijne kameraads
heeten Sanne en Saar, en--"

"Eefje heeft toch hier gewoond," zei de vrouw, "of ik moest mij in het
huis hebben vergist,--maar ik ben hier immers bij Mijnheer ----?" (en de
knecht knikte: "jawel") "dan moet zij verhuisd zijn."

"En dat zou geen wonder wezen."--

Een paar kinderen sprongen aan het einde van den gang de deur eener
kamer uit, en eene vrouwenstem mogt de meisjes naroepen: "_Mais attendez
donc!_" zij deden of zij het niet hoorden; zij stonden al aan de deur de
blaauwbessenvrouw aan te zien, die bij den borst vergeefs hare
nasporingen voortzette.

"Jonge jufvrouw!" vroeg de knecht aan eene van de kleuters, die een jaar
of tien wezen kon, "heeft hier een meisje gewoond dat Eefje heette?"

"Ik weet wel, hoeveel jufvrouwen ik gehad heb, maar van de meiden neem
ik geene notitie," was het antwoord.

Ondanks al hare onrust, kon mijn moedertje zich niet weerhouden, de
veelbelovende nuf van het hoofd tot de voeten op te nemen.

"Foei, Emilie!" zeî haar jonge zusje, "heugt je Eefje niet meer? ze was
zoo'n vrolijke, vriendelijke meid."

Het blaauwbessenvrouwtje had het kind wel willen kussen.

"'t Is waar," viel Emilie in: "_je m'en souviens_, toen hadden wij die
nare, norsche jufvrouw, Numero Acht."

"En waar woont Eefje nu?" vroeg de teleurgestelde oude.

"Mama zou het wel weten," hernam het jongste kind goêlijk, "maar die is
buiten."

"_Mesdemoiselles!_" klonk het gebiedende achter uit den gang.
Waarschijnlijk was het jufvrouw Numero Negen, die de kinderen, hoe
schoorvoetende ook, verpligtte, met haar naar boven te gaan.

"Wil je in de keuken niet eens hooren, of eene van je kameraads het
weet?" vroeg de blaauwbessenvrouw aan den knecht.

"Het zal vergeefsche moeite wezen, vrouwtje! we zijn hier allemaal maar
trekvogels."

"Och! doe het," zei ze, "ik ben hare moeder, of je 't niet wist."

Het was een beroep op het harte, dat ijlings verhoord werd.

"Kom binnen, besje!" zei de knecht, "en ga zoo lang op de bank
zitten,"--er stond een geel geschilderde in den gang,--het medegedeelde
gesprek was met geopende deur half op de stoep gehouden. En mijn
blaauwbessenvrouwtje zette zich een omzien neêr; maar of de
oogenblikken, welke zij er verbeidende doorbragt, haar niet lang
duurden, vreesselijk lang, dat beslisse iedere mijner lezeressen--die
nog geene negen jufvrouwen bij haar tienjarig kind heeft gehad.

Eindelijk--daar sprong de knecht de trappen, die naar de keuken leidden,
weêr op--"moedertje!" zei hij, "de keukenmeid meent te weten, dat je
dochter naar de ----gracht is verhuisd--bij Mijnheer ----"

"Dank je, jongelief!--wil je een handvol blaauwbessen?"

Eene weigering ware onheusch geweest; ook kwam zij bij den borst niet
op, al vielen er voor de trekvogels andere kruimels van de tafel. "Het
ga je goed," zei het moedertje, toen de knecht de deur weder geopend
had.

"Van 's gelijke, en zoen Eefje voor me," lachte de schalk.

Eefje verhuisd!--geen wonder dat de tred der oude vrouw trager was bij
het afgaan der gracht, dan bij het opkomen; allerlei gedachten
onderdrukten het verlangen, dat hare voeten straks bevleugelde. Eefje
verhuisd!--het moest haar wel ondragelijk hard zijn gevallen in die
aanzienlijke woning, want zij was altijd een gezeggelijk kind geweest;
en had zij in hare buurt niet drie jaren lang op den Huize ---- tot
genoegen harer meesters gediend?--Eefje verhuisd--zij kon het thans
beter getroffen hebben; maar als het eens het begin van een zwerfziek
wisselen was? Het blaauwbessenvrouwtje stond stil, stond op straat stil,
en de voorbijganger, die haar uit den weg duwde, die haar ontwaken deed,
wist niet wat er omging in haar gemoed. Eefje had in de laatste maanden
niet geschreven; maar er waren haar en haren man toch van tijd tot tijd
groeten, er waren hun later zelfs kleine geschenken, geschenken in geld,
geworden, die slechts van Eefje komen konden. Haar man, haar blinde man,
had bij dat geld, het is waar, bedenkelijk het hoofd geschud, had zelfs
willen weigeren, het aan te nemen, als hij niet weten mogt, wie het
zond; maar de winter was zeer lang, en hare verdiensten waren zoo gering
geweest! O dikwijls had zij vader, wiens zuchten haar niet ontgaan
waren, hoe hard haar spinnewiel snorren mogt, dikwijls had zij hem
getroost, dat Eefje het zeker beter had dan zij in hunne armelijke hut!

Eefje verhuisd,--en dat zonder het hun te schrijven!

"Moedertje! moedertje!" hoorde zij roepen; maar het viel haar niet in,
om te zien, of die kreet ook haar gelden mogt; eerst toen de stem er
"blaauw bes, blaauw bes!" op volgen liet, zag zij waar zij was, en wie
haar wenkte.

"Vrouw Hendriksz! vergeet jij je oude vrienden zoo?" vroeg een aardig
wijfje, in haren winkel aan de deur staande, met een kind op den arm;
het jongsken bukte zich vast naar de mand, om een bezie te grijpen.

"Hoeveel Antje?" was het antwoord; de neering ging een oogenblik boven
de natuur.

"Drie maatjes, vrouw Hendriksz! dat weet je wel--bah Wim! je zult je
vingertjes blaauw verwen;--wat zeg je van mijn' jongen, vrouw Hendriksz?
mijn man is zoo gek met den guit!"--

Het viel der gelukkige moeder te vergeven, dat zij niet opmerkte, hoe
weinig vrouw Hendriksz op haar gemak was; hoe hortend de laatste woorden
van haar antwoord er uitkwamen.

"Je eerste was eene dochter, niet waar?"--In drie jaren een
rijkelui-wensch!--Komt Eefje nog weleens bij je?--Zij is verhuisd, hoor
ik."

"Zoo!" hernam Antje, "neen, ze is in lang niet hier geweest," en de
moeder doldijnde met den knaap: "hoe gaat het met je man, vrouw
Hendriksz?"

"Och, hij kan den lieven dag niet eens meer zien!--Ik geloof, dat je
twee en een' halven cent weêrom krijgt; daar zijn ze--groet den baas van
me, ik kom nog weleens weêr aan."

"Wim! jongen als eene wolk! kraai het blaauwbessenvrouwtje eens goeden
dag."--

Maar vrouw Hendriksz wachtte het niet af; vrouw Hendriksz ging
verder--nog minder opgeruimd, dewijl ze juist getuige was geweest van
dat tooneeltje van geluk. Het aardig wijfje uit den winkel had tot
Eefjes speelmakkertjes behoord; slechts een paar jaren vroeger naar de
hoofdstad vertrokken, had zij er kort gediend, was er gaauw en goed
getrouwd; waarom had Antje haar ook zien voorbijkomen, op het oogenblik,
dat haar die muizenesten over Eefje door het hoofd maalden? En wat was
Antje tevreden geweest, als had zij zich op haren trouwdag te goed
gedaan!--Vrouw Hendriksz werd onbillijk, en gevoelde het naauwelijks, of
had er berouw over; hoe de sloof zich den nijd schaamde! Het had niet
aan het aardige wijfje uit den winkel, het had aan haar gescheeld, dat
de oude mensch haar te sterk was geworden, en zij beloofde in zich zelve
boete en beterschap, zonder te weten hoe spoedig zij op den toets zou
worden gesteld, of dit haar ernst was geweest.

Wie ooit, bij gebrek van eene opgave der nommers, dese of gene gracht
der hoofdstad heeft langs gedwaald, om de woning eens vriends te zoeken,
die zijn' naam niet aan de deur had gezet, hij weet, hoe dikwijls hij in
verzoeking kwam, op goed geluk maar eens aan te schellen; hij houdt het
vrouw Hendriksz ten goede, dat zij het tot drie malen toe te vergeefs
deed; hij stelt zich voor, hoe haar twee keeren van deze op haar: "neem
niet kwalijk!" een graauw werd achterna gezonden; de vierde maal was zij
eindelijk waar zij wezen moest.

"Eefje heeft hier gewoond," zei de heer des huizes, die toevallig zelf
aan de deur verscheen, heuschelijk; "maar zij was niet wel geworden, zij
zou naar huis gaan, geloof ik."

"Ach God!"

En de man schelde aan zijne eigene deur, want vrouw Hendriksz dreigde de
Jobstijding te besterven; zij werd bleek als een lijk.

"Een glas water!" riep hij der dienstbode toe, die verbaasd opzag, dat
mijnheer een blaauwbessenvrouwtje binnenbragt.

Het glas water werd der oude toegereikt. "Ik dacht er niet aan dat gij
hare moeder kondt zijn," sprak de meêwarige man.

"Mijn kind! mijn kind!" snikte de grijze, en toen zij klappertandende
het glas water had leêggedronken, volgde vraag op vraag, maar bleef
ieder antwoord onbevredigend;--Eefje was wat wispelturig van humeur
geweest; Eefje was vertrokken, wegens ongesteldheid; dit was alles, wat
haar te laste werd gelegd; alles, wat men van haar wist. Het was
ongeveer drie maanden geleden!

Vergeleken met Parijs, met Londen zelfs, is Amsterdam, in de oogen van
den wereldburger, wel geene kleine stad; maar trots den vijfdubbelen
ring van grachten, om hare oude burgtwallen geslagen, toch geen doolhof,
waarin het hem onmogelijk zou zijn, den eersten den besten, dien hij
zocht, op het spoor te komen, hoe deze zich ook schuil houden mogt. En
echter, voor mijn arm blaauwbessenvrouwtje was de ruimte, welke zich bij
deze woorden voor haar ontsloot, was het velerlei verschiet, dat zij
beurtelings verpligt zoude zijn in te slaan, schier verbijsterend. Waar
was Eefje? hoe zoude zij haar kind weêrvinden? Slechts één gebouw
teekende zich op ieder tooneel, dat voor hare oogen dwarlde, scherp
tegen de lucht af; het was de huizing, waarin de armoede vergeten
wegsterft; het was de St. Pieterspoort, het was het _Gasthuis_.
Onwillekeurig had vrouw Hendriksz de handen, die in haren schoot lagen,
gevouwen, en zonder dat hare lippen prevelden, zagen de omstanders het
haar aan, dat zij God om sterkte bad; er was niemand onder hen die ze
der moeder niet toewenschte.

"Hebt gij hier geene kennissen, geene vrienden?" vroeg de heer des
huizes, bewogen.

"Onder de mindere menschen wèl; maar die zullen mij weinig kunnen
helpen, als--Ooh, Mijnheer! al ben ik hare moeder, zeg het mij maar
ronduit,--Eefje heeft zich hier immers goed gedragen?"

"Wat wispelturig, zooals ik u zeide ..."

"Maar--toch--eer--lijk?"

"Ja, vrouwtje! ja!"

"Goddank, Mijnheer!" er sprongen tranen uit de oogen der grijze
vrouw,--"en" voer zij voort; doch het woord wilde de keel niet
uit;--"daar valt mij een huis in; Mevrouw van ----," en zij noemde een
bekenden naam--die Mevrouw zal zeker wel weten, waar zij is; als Eefje
niet naar huis komen kon, heeft zij zeker bij haar hulp gezocht--die
Mevrouw is bij ons vandaan, moet u weten."

En zij stond op van den stoel, waarin de heer des huizes haar had
neêrgezet, en met de wellevendheid der natuur verzocht zij hem, haar den
last ten goede te houden, dien zij hem had aangedaan: "maar u heeft
misschien zelf kinders?"

Daarin zijn armen en rijken ten minste gelijk!

De heer des huizes knikte toestemmend,--"en daarom hoop ik, moedertje!
dat Mevrouw van ---- je goed berigt zal hebben te geven van je dochter;
--maar je vergeet je mandje--"

"Och, Mijnheer! Eefje is ons eenig kind!--"

Vrouw Hendriksz was weder op straat; weder op weg; de vraag, die haar op
de lippen lag, maar die zij weêrhield, de vraag, welke op het onderzoek
naar de eerlijkheid harer dochter had moeten volgen, kwam andermaal bij
haar op; zij verweet zichzelve, dat ze ook die niet had gedaan! Welk een
licht werpt het op den toestand onzer armen, dat eene verstandige, dat
eene vrome moeder onder hen, als zich bij de krankte van haar kind
eenige maanden stilzwijgens en eenige kleine geschenken voegen, deze
dadelijk aan diefstal of aan ontucht denkt! Doch ik beproeve maar eene
schets naar de natuur te leveren, en het u overlatende er de opmerkingen
bij te maken, waartoe de stof aanleiding geeft, breng ik u liever de
tuinkamer, waarin Mevrouw Van ---- gezeten was, binnen.

Vrouw Hendriksz was aangediend, en vrouw Hendriksz was toegelaten; al
had de meesteresse der huizinge dien achtermiddag eenen kring van gasten
om haar gezien, zij zou zich, op de dringende bede van het moedertje,
een oogenblik bij haar gezelschap hebben verontschuldigd; het heugde
haar, dat zij Freule--was geweest. Gelukkig gehuwd, genoot zij in de
hoofdstad al de weelde, die de rijkdom haars echtgenoots te harer
beschikking stellen kon, wenschte zij naauwelijks meer weder op het land
te leven, thans des winters aan een uitgebreid gezellig verkeer, thans
des zomers aan telkens verscheidene uitstapjes gewend; en echter kon het
eensklaps gewaar worden van een Geldersch huismanswijf, kon het
onverwacht vernomen geroep van: "blaauw bes, blaauw bes!" het der
schoone vrouw voor de oogen doen schemeren, of er in die kleeding, in
dien kreet, eene tooverkracht school. Weder was zij,--want weder waande
zij te wezen, zou eene te flaauwe uitdrukking zijn,--weder was zij dan
op het landgoed in de buurt van Elburg, waarop zij als kind had
gespeeld, waarop zij als aankomend meisje had gedarteld, waarop zij als
"de freule" was gezegend geworden, waarop zij de lente van haar leven
besloten had met hare hand en haar hart te geven aan den man harer
keuze. Inderdaad, indien eenige herinneringen aan den geboortegrond zoet
mogen heeten, dan zijn het dezulke! en vrouw Hendriksz, opdat wij tot
haar terug keeren, vrouw Hendriksz behoorde tot de lievelingsbeeldjes
uit het landschap harer jeugd: wat had de freule op haren hit dikwijls
voor de woning des daglooners stilgehouden! wat had zij het vrouwtje in
weêrspoed of in winter vaak getroost en geholpen met al die
gemeenzaamheid, waarin de P----t's geen bezwaar zien, wetende, dat
niemand vergeten zal, dat hun naam tot de oudste in onze historie
behoort!

De beangste moeder had haar harte uitgestort; helaas! voor de eerste
maal scheen het Mevrouw Van ---- aan middelen ter hulpe, aan heelenden
balsem te falen! Eefje was ook daar in vele maanden niet geweest; en
geen der dienstboden, die beurtelings werden binnengeroepen, herinnerde
zich, het meisje te hebben ontmoet of gezien, geen hunner heugde het,
dat zij bij afwezigheid hunner meesteresse, vergeefs was gekomen. Stom
van smarte, maar niet minder verslagen, al kwam er geen klagte over hare
lippen, leunde het blaauwbessenvrouwtje over den rug van den stoel, dien
haar Mevrouw Van ---- dadelijk had doen zetten. Als ware zij niet in
staat het lijden, waarvoor zij in den eersten oogenblik geen troost wist
te geven, langer aan te zien, staarde de laatste den tuin in, wiens
deurramen, ik vergat het te zeggen, openstonden;--zag zij onwillekeurig
den jongen tuinier de rozenstruiken opbinden die wat weelderig van
loover waren geworden, door de gloeijende Augustuszon.

"Eefje, Eefje!" kreet de moeder. Want de natuur brak de banden der
onderwerping, waartoe zij getracht had haar gemoed te stemmen, en de
smart, die uit den toon der woorden sprak, drong der aanzienlijke vrouw
door merg en been.

En toch gaf zij er niet fluks antwoord op; toch bleef zij den tuin
instaren: de jongman bij de rozenstruiken had opgezien bij den kreet van
vrouw Hendriksz, opgezien met meer aandoening, dan louter het noemen van
eenen naam scheen te kunnen wekken.

"Ik zal naar het gasthuis gaan, en hooren of zij gestorven is," voer de
jammerende moeder voort.

"Wacht, vrouw Hendriksz, wacht!" fluisterde de vrouw des huizes, zonder
naar de verslagene om te zien: de jongman die het tweede woord even goed
had verstaan als het eerste, was van zins geweest binnen te komen, en
had zijns ondanks, naar het scheen, twee stappen naar de tuinkamer
gedaan. Immers toen had hij zich bedacht; thans scheen hij weêr louter
oog en hand voor de rozenstruiken. Mevrouw Van ---- aarzelde een omzien,
eer zij het ijlings genomen besluit gevolg gaf; een omzien vreesde zij,
zich de deelneming, zich de ontroering des jongmans daarbuiten maar te
hebben verbeeld; doch neen, beide waren te blijkbaar geweest, en wat was
er bij gewaagd de proef te nemen, of hij eenige inlichtingen geven kon?

"Wouter!" riep de meesteresse des huizes.

Een sprong bragt hem op het arduinen bordesje; maar even hartstogtelijk
als die beweging was geweest, even schoorvoetende kwam hij de weinige
trappen, die naar de tuinkamer voerden, op.

Mevrouw Van ---- zag hem zwijgend, maar uitvorschende aan.

"Och, Mevrouw! ik heb haar zoo lief gehad, dat ik luisteren moest, of ik
wilde of niet."

"Eefje!" riep de meesteresse des huizes, over het slagen harer opmerking
verbaasd.

"Eefje!" herhaalde vrouw Hendriksz, als in eenen droom, en werd
eensklaps den derde gewaar, die in het vertrek stond, en sprong op den
jongman toe, en viel hem om den hals. "Leeft zij?" vroeg de moeder,
"leeft mijn kind?" en staarde Wouter met hare bruine oogen in het
gezigt, of zij in zijne ziel lezen wilde.

"Zij leeft, maar--"

"Zij is verleid!" jammerde vrouw Hendriksz, en stiet den jongman van
zich, als ware hij de schuldige geweest.

"Dat heb ik niet aan je verdiend, moedertje! maar je radeloosheid weet
niet, wat ze doet. Ik had Eefje zoo lief, eerlijk lief; je zoudt zoo
droef niet gekreten hebben, als zij "ja" had gezegd, toen ik haar vroeg.
Mijn oog was hier op haar gevallen, Mevrouw! toen ik verleden' herfst
kwam tuinen; zij maakte een praatje met me; ze wist van boomen en
bloemen; zij wist ook, dat ze mooi was, maar het stond haar toen wèl.
Eer zij hare hielen uit den hof had geligt, moest ze mij zeggen, waar ze
woonde, en wanneer ze uitging. "Waratje, daar heb je Wouter!" zei ze den
volgenden Zondag, toen zij de stoep afstoof, en--maar wat heeft Mevrouw
eraan--"

"Ga voort, Wouter! ga voort!" en het was geen ijdele nieuwsgierigheid,
die der meesteresse des huizes het oor deed leenen aan de vrijerij;
Eefjes toestand kon haar slechts door dat verhaal duidelijk worden.
Vrouw Hendriksz zag voor zich heen, of zij er niet bij tegenwoordig was.

"Het leed niet lang, of ik dacht, dat zij me wel zien mogt. "Eefje! hoe
bevalt het je hier?" vroeg ik haar, toen we een keer of wat zamen uit
waren geweest, om eens hoogte te nemen hoe na bij land. "Opperbest!" zei
ze. "Gelderland moet toch mooijer wezen," begon ik weêr, "Veel stiller
ook," was haar woord. "Anders zou het mij wel loenen op het land te
wonen," polste ik alverder, "om Haarlem en bij den Haag" (ik ben nooit
in Gelderland geweest, Mevrouw!) "daar beleeft men plezier aan de
bloemisterij en aan de broeikassen; onze stadstuinen zijn maar
kerkhofjes," (het is de waarheid, Mevrouw!); "wat zeg je ervan, Eefje!
als ik eens bij een groot heerschap mijn eigen huisje had, zou je er met
mij in willen wonen?"--"Malligheid, Wouter!" mogt ze zoo zeggen, maar ik
gaf haar een zoen, die klonk als een klok ... doch ik vergat tot wie ik
spreke--"

Er school te veel poëzij in die schets, dan dat het hart eener vrouw
haar niet meê zou hebben gevoeld, "En evenwel," zei Mevrouw Van ----, "en
evenwel is zij verleid."--

"Omdat ze mooi was, meende ze zoowel mevrouw te kunnen worden, als
menige andere--och die opschik!--schoon ik soms tot mij zelve zegge, dat
zij nooit naar hem zou hebben geluisterd, als zij mij had liefgehad,
zooals ik haar. En dan weêr spijt het mij, spijt het mij, of ik er gek
van worden zal, dat ik mijne vuisten voor me hield, toen ik zag, dat hij
zijn' arm om hare middel had geslagen! Afranselen is alles, wat wij
kunnen, wat wij mogen, als zoo'n wulp zich aan onze zuster of ons meisje
vergrijpt! Waarom ik het niet deed? ik zal het u zeggen, in de
schemering was ik hun op zij eer zij het wisten. "Eefje! heeft hij je
aangerand?" vroeg ik, en hief mijne hand al op, "Neen, Wouter! neen,"
zei ze. "Wat meen je, maat?" vroeg de wulp. "Ik weet wat ik zag,
kwajongen!" gromde ik. Hij ging zijns weegs--dat ik hem liet gaan!--Doch
ik dacht meer aan Eefje, die naast me staan bleef, maar geen woord
sprak. "Eefje!" zei ik ten leste, "wat wou--?" "Hij vroeg me naar eene
jonge jufvrouw, die bij ons logeert." "Lieg niet, Eefje!" bad ik haar;
"mooije kleeren kan ik je niet geven, maar een goed man zou je aan
Wouter gehad hebben, en dat is meer dan die lichtmis me kan nazeggen."
--"Lichtmis! een jonge heer, die bij ons aan huis komt!" was al haar
antwoord, als achtte zij het niet waard, mijne verdenking verder te
weêrleggen,--ik geloofde, dat ik had misgezien."--

En Wouter hield een oogenblik op; de vrouw des huizes was aangedaan; zij
dacht niet aan het belagchelijke, dat men in bedrogen minnaars pleegt te
zien; zij dacht er slechts aan, welke een harte Eefje gekrenkt had, ten
prijs van haar eigen verderf.

"O, dat die oogen liegen konden!" besloot de jongman.

Een smartelijke gil, der oude vrouw ontsnapt, getuigde, dat zij het
gesprek maar al te wel had verstaan.

"Moedertje! ik zeg je, dat Eefje leeft!"

"Maar verleid!--och! dat ook dit nog over het hoofd van haren blinden
vader komen moest!"

En zij zeeg op den stoel neêr.

"Ik heb haar gebeden, ik heb haar gewaarschuwd, tot het leste toe;
"vervolg mij niet meer," zei ze, "want ik haat je wijsheid."--

"Toch blijft ze mijn kind," snikte de oude; "als je weet waar ze woont,
zoo doe een goed werk, en breng mij tot haar!"

Vrouw Hendriksz wilde opstaan; maar zij beefde als een blad, maar zij
viel andermaal in den stoel neêr. Mevrouw Van ---- schelde om spiritus.
"Wat zal het baten?" zeide de moeder, toen zij het glas aan hare bevende
lippen bragt, "de kroon is ons toch van het hoofd gevallen, onze eere is
weg!--Eefje! mijn kind!--waarom moest je dit over ons brengen?"

Een oogenblik stilzwijgens.

"Waarom?" herhaalde de oude vrouw, "waarom? o Heere! houd mij dat woord
ten goede; wat verdienen wij niet voor onze zonden?"

En het schuldbesef stelde het blaauwbessenvrouwtje in staat om te
bidden, ook onder die bittere beproeving.

"Jongman! het deert me, dat ik je verdacht;--wijs me nu den weg; Eefje
moet morgen meê!--God geve, dat hare ziel niet verloren ga als haar
ligchaam!"

Er waren den volgenden avond wandelaars in menigte, die op de hoogte van
den Schreijerstoren, te Amsterdam, een oogenblik stilstonden, om den
schoonen zomeravond ten volle te genieten, door beurtelings regts en
links, om en op te zien. Het goud der ondergaande zon flikkerde nog op
de spitsen van het mast-bosch in het Westerdok, terwijl de volle maan
over dat van het Ooster-vast haar vloeijend zilver stroomen deed. Doch
wie er zich ook verlustigde in het prachtig wolkenschouwspel, dat de
plek te ieder ure schier gelegenheid geeft te zien, maar zelden zoo
verscheiden, zoo rijk aan allerlei toonen en tinten, aanbiedt, als in
dat, 't welk de schemering voorafgaat, één jongman uit den drom had er
blijkbaar geene oogen voor. Zijn blik scheen aan een zeil te hangen, dat
op Pampus in het verschiet verdween,--het was Wouter, die den Elburger
nastaarde, met vrouw Hendriksz en Eefje aan boord.

Mevrouw Van ---- was hij de ontmoeting van moeder en kind, was bij de
verzoening tegenwoordig geweest, wie vraagt mij, of zij verder, ter
verzachting van beider ellende, iets onbeproefd liet?

Wouter--wij keeren nog eens tot hem terug--Wouter had der gevallene in
hare schande het wederzien gespaard; de eenige belooning, met welke hij
er zich voor vlijen mogt, ontging hem niet. Een jaar later bragt de
zomer weder zijne vruchten meê;--Amsterdam gij weet het, is nog niet,
zoo als Bilderdijk misschien zou hebben gewenscht, een ander Bremen
geworden, dat geene stoornis van de doodsche stilte zijner straten
duldt;--de kreet, aan het hoofd van dit stukje geplaatst, heeft Wouter
onlangs verrast. Hij sprong op toen hij dien hoorde; hij zag een bekend
gezigt, waaraan de rouw, dien de grijze droeg, niet misstond; het
blaauwbessenvrouwtje had eene boodschap voor hem:

"Eefje heeft, eer ze stierf, om je vergiffenis gebeden!"

1845.


       *       *       *       *       *



'T IS MAAR EEN PENNELIKKER!


    Steets was hy op 't kantoor en met de neus in 't boeck;
    Sijn mutsjen op sijn hooft, sijn mouwen an voor 't wrijven;
    Want hy was besich staegh met dit of dat te schrijven;
    Dan sloot hy syn ballans, dan sagh hij nae de kas,
    Ja wel, hy had soo veel te doen dattet wonder was!
    Wat het hy in sijn hooft winckeltjes, en kassen,
    En hockels en laedjes, dosynen van Lyassen,
      Vol Assignatie, vol Oblygatie, vol boomery,
      Vol Wissel-brieven, vol Retour, en vol Factory,
    Vol konnossementen, en vol Konvoy-biljetten,
    En Kamers vol Journaels, Schuldt-boeken, Alphabetten,
      En Riemen kladt papiers, van loopende uyt-gift,
      En Tafels vol chijffers, en schalien vol schrift!


Te regt zou men er zich over beklagen, dat de geestige Breêro, welke ons
in deze weinige regelen de stoffaadje van een koopmanskantoor zijner
dagen heeft geschilderd, er geene tekening van de klerken zijns tijds
bijvoegde, als het minder waarschijnlijk was, dat men het beroep,
waarvoor thans een patent van kantoorbediende wordt vereischt, toen
naauwelijks kende. Immers, het valt ligt zich een' zeehandelaar der
zeventiende eeuw voor te stellen, die slechts een factotum voor het
loopende werk nahield, en misschien een' boekhouder bezoldigde welke
wekelijks eenige uren de zaken kwam bijschrijven,--tenzij de zucht voor
geheimhouding, onzen handel eigen, den man aanspoorde, geen derde toe te
vertrouwen, wat niemand behoefde te weten, dan hij en zijne vrouw. Er
zou harmonie zijn geweest tusschen dat vele zelfdoen en de overlevering,
die ons vertelt, dat Jan de Witt maar één' dienaar had.--Ik tart u
echter uit, u de paruik van den kleinzoon diens koopmans voor den geest
te brengen, zonder dat zich, in uwe verbeelding, rondom dat hoofdtooisel
met eene krulbatterij, een aantal jeugdige oude mannetjes groepeert, op
het kantoor te voorschijn geroepen door eene driedubbele behoefte:
de zeden waren weeldiger geworden--de gemeenschap had allerwegen
toegenomen,--de mededinging was bij de naburen ontwaakt. Men kwam er
niet, tenzij men alle zeilen bijzette. Weder valt mij eene historische
bijzonderheid in, welke deze wijze van zien staaft. In de dagen van
Willem IV plagt de handel op ieder slempmaal gedacht te worden, onder
den toast van: "De zieke Bruid!"--Voeg nu bij de eigenaardige
verschijnselen der negentiende eeuw: het verdwijnen van allen afstand,
dat wij aan den stoom te water en te land hebben dank te weten, en de
liefhebberij onzes tijds voor bespiegelingen en voorspellingen, op
statistische tafelen gegrond; voeg bij deze den uit beide geboren'
wedijver, wie den vreemde het eerst, het uitvoerigst, het drokst
berigten zal geven; en gij verbaast u er niet langer over dat de meeste
kantoren van drie tot zes, ja tot tien en twaalf klerken hebben. Alleen
de veilingen der Nederlandsche Handel-Maatschappij veroorzaken iedereen
Duitschen Commissionair grooter uitgaven aan papier, drukloon en porto,
dan een zeehandelaar weleer in een geheel jaar betaalde, en eischen
handen in evenredigheid.

Waarom wordt men klerk? Gij hebt zeker wel eens eene school zien
uitgaan,--eene burgerschool, meen ik, eene armenschool zelfs, en u
vermeid in het weergaloos schouwspel, dat die jeugd aanbood? Welk eene
gelijkheid, en welk eene verscheidenheid tevens! Eene wereld in het
klein! Houd er oogen op, als gij kunt. Soldaatjespelen,--de eerste stok
de beste is een generaalsstaf, voor dien flinken borst;--paardenmennen,
--wie denkt gij dat het spoedigst moê zal zijn, de koetsier of de rossen!
--scheepje zeilen,--de klomp gaat te water, als zij maar een touwtje
vinden om hem aan te vieren,--wij hebben het naauwelijks opgemerkt of de
woeligsten zijn al uit ons gezigt: er schuilen matrozen, voerlieden,
krijgsluî in. Dáár plaagt een krullebol een aardig meisje,--maar dat
zullen zij eens allen doen, dat is het algemeen menschelijke,--ik wilde
u tot den bijzonderen aard, blijkbaar uit de keuze van het een of ander
beroep, bepalen.--Welnu, we zien arbeids-en handwerkslieden in menigte:
--toekomstige metselaars, die naar dat half voltooide gebouw kijken, of
zij de evenredigheid der zwaarte tusschen balken en muren berekenden;
--toekomstige hoveniers, die gadeslaan of de lentezon de knoppen van het
geboomte sedert gisteren verder heeft doen uitbotten;--toekomstige
kastenmakers, die een voorbijgedragen meubel begluren, of het open moest
springen voor hun nieuwsgierigen blik;--maar, er zou geen einde aan zijn,
zoo wij alles wilden bespieden, wat hier in den dop te zien valt.--En
echter, het is aardig naar het gindsche groepje te kijken: een der jongens
heeft een stuk krijt gevonden, en zie eens, hoe hij teekent, hoe hij
karikatureert! Hij hinkt aan het zelfde euvel, waaraan wij allen lijden:
hij overdrijft! Die neus van den meester steekt den draak met alle
proportie. Doch, geen nood, er zijn critici om hem heen, recensenten voor
ieder, die zijn werk der beschouwing van het algemeen prijs geeft; wat is
billijker?--Indien gij uw' aanstaanden timmerman vindt in de drie voet
hooge wijsheid, die dáár een stroowisch tot passer bezigt, vergun mij op
te hebben met den vluggert, welke een' weinig verder een vlinder naloopt:
hij zal blaken van lust om te ondernemen; hij zal koopman worden; hij zal
wagen en winnen. Winkeliers-geest, die te huis blijft zitten en verbeidt,
ik zie hem te over, bij dien knikkerenden hoop. "Valsch doen!" hoor ik
roepen. Arme jongen! die u zoo boos maakt over het gepleegde onregt; die
den kleinen bedrogene de hand boven het hoofd houdt; die, nu gij hem hebt
gewroken, zoo ernstig naar den blaauwen hemel opziet, toekomstige dichter!
wat deed ge bij het spel? Hij geeft geen antwoord, verloren als hij is in
de beschouwing eener bloem, die aan den weg groeit; liefde voor het schoone
bij zin voor het edele, ik mag dien jongen.--Toch verlies ik hem uit het
oog, om den wil van den gindschen manke; gebrekkige jeugd is zulk een
deerniswaardig schouwspel!--Maar ge hebt gelijk, hij kan kleêrenmaker of
schoeneflik worden, en als hij geld en geest heeft, zoo goed een' graad in
eene der drie faculteiten verwerven, als een van deze rechtsgeleerden,
geneesheeren of leeraars _in spe_.--Doch, zeg mij, hebt gij in die bonte
wemeling van standen, in die wereld in het klein, ergens een' toekomstigen
kantoorbediende gezien?

Helaas, neen! Er ligt te weinig poëzij in dien toestand, dan dat hij den
onbevangen blik der jeugd zou kunnen aanlokken. Stel u de jonkheid vóór,
zoo als ge wilt, onder den invloed van begrippen, aan den natuurstaat
verwant, of alreeds beheerscht door den zin, die onze beschaving
kenschetst. Het werktuigelijk beroep belooft zoo min geluk als genot;
het waarborgt even weinig vrijheid, als de schadeloosstellingen voor
deze: weelde, gezag, roem. Denk niet, dat ik der volksjeugd zoo groote
wijsbegeerte toeschrijft, dat zij zich van die oorzaak bewust is, dat
zij er zich reden van geeft. Verre van daar. Maar des ondanks moet gij
als ik dikwijls hebben opgemerkt, dat zij slechts sympathie over heeft
voor alles, waarin kracht schuilt, dat de populairste beelden tevens de
onafhankelijkste zijn. Het is of in den boezem des volks het bewustzijn
der oorspronkelijke bestemming van het mannelijk karakter wordt
omgedragen: ontwikkeling aller krachten, aller gaven.--Knecht--klerk
--hofmeester--hoveling--hebt gij ooit een jongen ontmoet, die u zeide,
dat hij één dier vier dingen worden wilde? Allen leeren spoedig genoeg
--in de laagste kringen het spoedigst,--dat er iets, dat er veel van de
vrijheid moet worden opgeofferd, om den wille van het geld--maar er geheel
afstand van te doen, maar zich zelfverloochening ter taak te stellen, en
dat wel een gansch leven lang, dit is eerst in lateren leeftijd het gevolg
òf van nooddwang, òf van dweeperij, òf, in exceptioneele toestanden, van
deugd.

Als de school echter voor ons niet te vergeefs zal zijn uitgegaan, dan
moet ge mij vergunnen, nog eens naar de jongens terug te keeren: er
waren toekomstige klerken in den hoop, tweeërlei soort zelfs, al was er
niets in hun uiterlijk dat het aanduidde, al wisten zij het zelve nog
niet. De tros des heers, de bedaarde naslenteraars, de bezadigde
jongelui, zullen die waarschijnlijk opleveren. Het zijn òf kinderen van
gemeene lieden, die zich de nering hunner ouders zullen schamen, en, ten
gevolge van het verbeterd onderwijs, ééne sport hooger zullen klimmen op
de ladder des maatschappelijken levens, die klerken zullen worden in
plaats van bazen;--òf het zijn zonen eener weduwe, van goeden, maar
armen huize, telgen, die voor de misslagen hunner ouderen boeten: een
onberaden huwelijk, de oorzaak van achteruitgang en armoede. Ik vrees,
dat het te fijn gesponnen zou zijn, de eersten op school te willen
herkennen aan hun uitmuntend gedrag, dat hen soms tot den
twijfelachtigen rang van kweekelingen verheft; maar ik ben er zeker van,
dat zij de bollen van de bent zijn, in fraai schrijven en vlug rekenen.
En wat de laatsten betreft, wij hebben geene verontschuldiging in te
brengen, dan dat er zóóveel te zien was; maar anders, wij hadden hunne
bestemming moeten gissen uit armen en beenen, die zegevierend door
mouwen en pijpen van hun oud, maar fijn pak staken; uit aangezigten, die
niets beloofden; waarop geene wolk van sluimerend talent rustte, waaruit
geenerlei zielskracht blonk. Het beginsel, dat de ouders van beiden dit
beroep voor hen zal doen kiezen, is hetzelfde: dolende eerzucht, die er
krampachtig naar streeft heer te blijven; dolende eerzucht, die er
krampachtig op uit is, heer te worden. Al het onderscheid tusschen dit
groene koren des kantoors bestaat dáárin, dat de eene soort het voor
een' meelmolen houdt, waarin het heel veel eer is fijn te worden
gemalen, terwijl de andere het niet hooger schat dan een' pelmolen,
waarin zij slechts van den bolster zal worden ontdaan. Eene
verschillende wijze van zien, welke niet belet, dat Piet, die, na een
jaar twee, drie sloovens, zijne eigen zaken dacht te beginnen, zijn
leven lang achter den lessenaar van zijn' patroon blijft zitten, terwijl
Claes, die al overtevreden zou zijn geweest, zoo het hem vergund ware
geworden voort te blijven kruipen, vliegt, vliegt, wat benje me! Geen
wonder--de geblinddoekte fortuin drijft in alle standen hetzelfde spel,
met voornemens en wenschen.

Er is een tijd geweest, waarin men geloofde, dat er, ter voorbereiding
om op een koopmanskantoor te worden geplaatst, niets geschikter was, dan
eenige jaren op dat van een' practizijn door te brengen, des noods bij
een' Advocaat, maar liefst bij een' Notaris. Soms verdwijnen kleine
eigenaardigheden van het volksleven slechts ten gevolge van groote
omwentelingen. Welligt zoude men, als het de moeite van het onderzoek
beloonde, doorgaans tot dezelfde uitkomst komen, waartoe de navorsching
dezer bijzonderheid leidt, namelijk: dat elk begrip, iedere gewoonte
eene schakel is in de groote keten, en dat de schijnbaar onbeduidendste
niet wijken, niet te verwrikken zijn, dan door een volslagen omsmeding,
die het verroeste herblaakt, en louterende vernieuwt. "Bij een'
practizijn leert men stellen," heette het, O genius van ons Proza!
waartoe was het met u gekomen? De protocollen van Jan Borliut, de school
voor de eenvoudigste uitdrukking der wereld, de school ter afsluiting
eener rekening, de school voor koopmans-briefstijl;--Hollandsche Taal!
wie het kernige en korte scheen aangeboren, hoe hieldt gij het uit?
Hooft had ons proza de toga der Romeinen omgehangen, en statig en
sierlijk bewoog het zich in de breede plooijen; maar als hij had kunnen
voorzien, dat men, het spoor bijster geworden in de bewondering van het
Latijn, alle eigenaardigheid zou doen verstikken in het stof van
processtukken en inventarissen, hoe zou hij den ongebonden stijl van de
schoolsche banden hebben bevrijd! Had hij het proza niet vergund langs
straat te slenteren, even als hij zijner schalker muze in het Gooi bij
wijle vrij spel liet? Helaas! zijn aandringen op de ontwikkeling aller
inheemsche gaven en krachten was _vergeefsch_ geweest,--hij voorzag
slechts te juist, dat er een tijdperk van weelde, van traagheid, van
stilzitten, op het woelige, krachtvolle, roemrijke, dat hij beleefde,
volgen zou. Al waarschuwde hij er tegen, wat baatte het? Maar een
verslapping, die onze gedachten, onze letterkunde, onze volksbeschaving
prijs gaf aan het voortdommelen in de éénige slavernij, uit welke onze
vaderen zich niet wisten vrij te maken, de kwalijk begrepen navolging
der ouden;--maar eene verslapping, die eerst alles wat naar het
Latijnsche zweemde, fraai vond, en, weldra in aperij ontaardende, aan
iedere windvlaag, die ons uit den vreemde bastaardklanken overwoei, het
oor leende,--wie zou deze hebben durven voorspellen? Het was of de
woorden allengs hun gehalte verloren. Vervalschte, vermengde munt,
werden er drie geldstukken vereischt, waar weleer één had kunnen
volstaan,--en woog het bekende: "_puur_ zuiver en _innocent_", nog het
goed oud-Hollandsche _onschuldig_ niet op! Wat wonder, dat van Effen,
die den Genius van ons proza als portier van Jan Borliut aantrof, hem
onhandelbaar en onhebbelijk vond; stroef van toon als hij heusch van
geest wilde zijn, verlamd van tong en vereelt van oor, hem, die
geschapen scheen, om voor alles wat kloek en groot, wat lief en schoon
is, uitdrukkingen te smeden, louter nabootsenden klank, louter beeld!
Slechts één schuilhoek was den stakker overgebleven, waarin hij de armen
vrij mogt hebben; slechts één publiek, waartoe het hem vergund was te
spreken, in den schilderijen tongval onzer oude kluchtspelen: zoo "de
Spectator" nog leeft, hij wijt het dank aan het beluisteren van de
lippen des volks. Het volk, het gemeene volk, dat zijne taal niet met
Latijnsche en Fransche bastaardklanken had doorspekt, dat Hollandsch was
blijven praten, kernig als het merg van zijn gebeente,--ruig als zijn
breede borst,--waar als zijn aard. Lees de _Angenietjes_, en verbaas er
u met mij over, dat men de burgervrijaadje zoo lang las en prees, zonder
te beproeven, in schrift en stijl der natuur meer op zijde te streven.
Of werd er een minder geweldige schok dan die der Fransche omwenteling
vereischt, om onze geleerden uit de overpeinzing hunner Ciceroniaansche
phrases wakker te schudden? te schrikken ware juister woord geweest.
Immers, het was deze, welke hen dwong het oor te leenen aan raauwe
kreten, ja, maar die ondanks hun volslagen gebrek aan _numerus_ en
_cadans_ ter harte gingen, die hen verpligtte dragelijk Hollandsch te
leeren schrijven, als zij tot Hollanders het woord wilden rigten!
Dragelijk Hollandsch? Eere twee vrouwen, eere Agatha Deken en Elisabeth
Bekker, die de behoeften des tijds begrepen en bevredigden, toen
hooggeleerden nog een poespas zamenflansten, welks spelling huiveren
doet. Eere den kansel, wiens leeraars eindelijk oor hadden voor den
eisch der beschaving, die invloed zochten door het éénige middel, dat
dien op den duur en eervol verzekert, een' natuurlijken, een levendigen
stijl, welke het ware verzusterd acht met het schoone. Eere aan van der
Palm, die bij ons proza iederen zin, maar vooral dien voor het
eenvoudige, ontwikkelde.

Als er ketterij in deze onwillekeurige uitwijding steekt, zoo wijt haar
aan het boeksken van professor Geel, over: "_Het proza_" en vlei u met
mij, dat hij de gedachten, er in aangegeven, uitvoeriger ontwikkelen
zal. Ik loop, tot dien prijs, gaarne de kans zijner heusche
teregtwijzing.

Jan Borliut--het wordt tijd tot ons onderwerp terug te keeren--Jan
Borliut houdt geene kweekschool van kantoorbedienden meer; hij heeft,
in den geest des tijds, een' knecht om de deur open te doen, of een'
jongen, die aspireert tot eene klerksplaats. De knecht, het spreekt van
zelf, blijft knecht--en de aspirant-klerk ziet met blijdschap den
Nieuwjaarsdag te gemoet, waarop een weêr jonger knaap hem zal vervangen,
en hij bevrijd zijn van het verdrietelijk baantje, kagchelstokken,
boodschappen doen, uitlaten, enz. Hij beklimt op zijne beurt eindelijk
de lang gewenschte kruk, hij schrijft concepten uit het klad in het net,
en dat duurt zóó eenige jaren, in welker loop hij van kruk tot kruk, van
die het digtst bij de deur tot die het digtst bij het venster wordt
bevorderd. "Het is een schrale climax," zegt gij; een oogenblik geduld,
bid ik u! Hij heeft intusschen allengs grooter aandeel in de fooitjes,
alias _cadeaux_ gekregen, die soms aanzienlijk zijn, wanneer de fraai
geschreven acte de opmerkzaamheid van den een' of anderen cliënt tot
zich trekt,--als het onverwachte eener testamentaire dispositie de
mildheid van verraste erfgenamen uitlokt, om de arme drommels te
bedenken,--als het kantoor weken lang geheim heeft gehouden, dat er een
nieuwe naamlooze vennootschap zou worden opgerigt,--die kostbare
liefhebberij onzer dagen.--Waar zijn intusschen de klerken gebleven,
welke vóór hem op die krukjes zaten, en die niet allen jonge heeren
waren, rijk genoeg aan geld en geduld, om eene benoeming tot notaris te
huis af te wachten,--nadat zij ongeveer alles van de praktijk hadden
geleerd, uitgezonderd de beste praktijk, van alle, die--om met menschen
om te gaan. Waar ze gebleven zijn? Jan Borliut heeft voor hen gezorgd.
Hij onderscheidt weldra, wie hunner het lot eersten bediende, wie tot
notaris op een dorp het al dan niet brengen kan,--en wat zou hij er
tegen hebben, dat de stakkers, welke dit niet kunnen, dat zij vrijen en
trouwen, mits men hem maar niet met de zorg voor hun onderhoud en dat
hunner kinderen belaste? Door zijne velerlei relatiën valt er ligt een
baantje op te sporen; niet heel voordeelig, niet weêrgaloos vet, maar
toch mooi genoeg voor een' jongen, die al heel blij was, dat hij op eene
kruk zat. Hoe dan ook, hij plaatst ze. En, schoone evenredigheid
tusschen middel en doel! de burgerknaap, die aan hem verpligt is, dat
hij zijn Maartje of zijn Grietje heeft kunnen huwen, dat hij een klein
ambtje, een' post bij den gouverneur of op het stadhuis heeft gekregen,
hij is hem zijn leven lang dankbaar en vereert hem niet zelden als een'
vader. We kennen een' notaris, die niet weet hoe dikwijls hij gezegend
wordt, door menig' "sukkel van een vent," dien zijn invloed aan de
Nederlandsche Bank of aan het Grootboek der Nationale Schuld heeft
geholpen. Hij is schalk genoeg, om "wanneer er weer een geborgen is,"
zoo dikwijls hij een' der directeuren of ambtenaren dier inrigtingen
ontmoet, deze te plagen met de klagt; "dat zij hem ook al zijne ezels
afnemen!" Waarom zouden wij hem die scherts niet gunnen, gepaard als zij
gaat met waarachtige humaniteit des harten, die bovendien voorkomt, dat
uit zijne school de bent der zaakwaarnemers gerecruteerd wordt?
Stil,--we zijn reeds te uitvoerig geweest over eene wereld zoo wèl
afgerond als deze, en welke ons onderwerp eigenlijk vreemd is, sedert
het proza ontslagen is van den boei van Jan Borliut.

Tot onze eigenlijke kantoorbedienden, als gij wilt. Ziet ge dat paar in
de binnenkamer, van den tweedehands koopman? Staaf, de jongste, is een
burgermanskind, in de hedendaagsche beteekenis van het woord, nu
fruitvrouwen en schoorsteenvegers ook al burgerluî zijn, och ja!
Rivers--de tweede--is een ordentelijke jongen, wiens ouders "aangeziene
menschen" zouden zijn,--hoe waar is die uitdrukking!--wanneer het niet
zoo moeijelijk viel, zijn fatsoen op te houden met eene schrale beurs.
Rivers is eenige jaren ouder dan Staaf, die pas van het Nut van 't
Algemeen komt, en _siegenbeekt_ dat het een' aard heeft, als Rivers zich
aan twijfelaarsgeslachten bezondigt, of _kassa_ met eene c schrijft, of
de tweede lettergreep van _ontvangst_ met eene f begint. En Rivers zou
der menschelijke natuur niet deelachtig moeten zijn, als hij den jongen
voor "al die malligheden" niet strafte, zoo dikwijls het in zijne magt
staat. Of hij het kan!--"Overschrijven,"--"overrekenen,"--heet het om
een haverklap. Zie ik zou de partij van Staaf kiezen, daar mij geen spel
zóó ergert, als dat van dwingelandje, indien Rivers niet beklagelijker
ware dan Staafje,--hij is op zijn beurt het slagtoffer van de luimen
zijns patroons. Een tweedehands-koopman,--geloof het op mijn woord! want
er zou geen einde aan mijne schets zijn, als ik u al de waaroms moest
verklaren--een tweedehands koopman is, bij de rigting, die de handel in
onze dagen neemt, in meer dan de helft aller vakken, een schipper, die
tegen wind en stroom roeit.--"Als het getij verloopen is, moeten de
bakens worden verzet,"--En zoo dikwijls deze overtuiging zich den man
zijns ondanks opdringt, wordt hij boos, en het eerste voorwerp het
beste, dat hem in het oog valt, moet het ontgelden. Het is doorgaans de
arme Rivers, die tegen mijn' koffijkooper overzit. Heden waait de storm
uit dat onnoozel stukje papier, waarop gij een binnenlandsch postmerk
onderscheidt.

"Die verduivelde makelaars-knoeierijen! Eene kwart ceel,--en dat koopt
ook al in de veiling!--Rivers, het is toch alleronpleizierigst, dat--"

Hetzelfde wat, de jongen heeft den graauw beet. Het is hard, want kan
hij het helpen, dat de tijdgeest er naar streeft, alles zoo spoedig
mogelijk van den producent tot den consument te voeren?--Het is hard,
voor drie honderd gulden 's jaars--met het uitzigt het tot vier, vijf,
en mogelijk zes, na nog eenige jaren verduwens, te zullen brengen.
Toch zwijgt Rivers, toch verkropt hij den onbillijken uitval, te
onbarmhartiger, dewijl hij weêrloos is,--maar o, hoe hij Staafje
benijdt, die met wissels wordt uitgezonden, en er een vrij half uur van
nemen zal! Neen, hoe hij den jongen duivel haat, die hem in zijn vuistje
uitlacht!

--Eene verdrietige pauze.

"Manlief!" breekt eensklaps eene vrouwenstem de stilte af, "manlief!"
eene ochtendmuts gluurt even om de deur, "als er nu een handje kon
worden geholpen?" En de aarzeling waarmede de patroon,--nadat hij, op
het verzoek zijner beminnelijke wederhelft, "ja!! ja!" heeft geantwoord
--de twee overgebleven kantoorbedienden aanziet, verraadt--verpligt mij,
eer ik verder ga, te bekennen, dat ik tot nog toe verzuimd heb, den
vierden persoon, op te voeren. Waarom? Hij is _volontair_,--in rang, op
het kantoor altoos, tusschen Staafje en Rivers in. Hij zal hoogstens nog
een paar jaren "bij den baas" blijven, om er de kennis dier artikelen op
te doen, in welke hij later handel denkt te drijven. En nu tot den
patroon terug, wiens schroom verried, hoe zeer hij met de zaak verlegen
was, en die toch eindelijk een besluit neemt, dat weinig tweedehands
kooplieden zouden genomen hebben zoo als hij.

"Hm!--hm!--" zegt hij, "och van den Bergh ge moest eens even een handje
helpen."

En van den Bergh--ik gebruik dien naam, dewijl ik geen' tijd heb, om in
van Leeuwen's "Batavia Illustrata" een uitgestorven familie op te
zoeken,--van den Bergh staat op, of hij oorlog voerde, met zijn
stoeltje, dat bonkt tegen de snipperbak, maar slaat de deur van het
kantoor niet ruw achter zich digt. "Dat doen de dienstbaren," zou hij
zeggen.

Ik bid u, gis nu, waaraan hij verzocht werd een handje te helpen. Wat
kan Mevrouw te doen hebben, waartoe zijn bijstand wordt vereischt? Welke
dienst--maar ge zoudt u vruchteloos het hoofd breken. Het kantoor is aan
eene binnenplaats, heb ik gezegd. Naar Amsterdamsche huisverdeeling hebt
ge dus tegenover het raam, waardoor de kamer haar lieflijk muurlicht
ontvangt, twee vensters, die van de onontbeerlijke zaal, daar boven eene
opkamer, dáár weêr boven een' zolder, en beneden, diep in de diepte, de
keuken; en nu, zie, of liever luister toe.

Roetsch!--daar vliegt een mand met turf het zolderraam uit, opkamer en
zaal langs, snel als een pijl omlaag.

Piep--piep--piep--en de leêge mand is weêr boven; maar zou van den
Bergh--zou hij waarachtig--turf aflaten?...

Kling, kling, er is geen twijfel aan, kling, kling, kling, de tweede
mand, blijkbaar opzettelijk heen en weer geschommeld, levert den ruiten
van de zaal slag, die achteruit deinzen als hazen, terwijl de turven de
bres instormen, of het de verovering eener belegerde stad gold.

"Mijn God!" roept de patroon, "die rakker van een' jongen!"

En Rivers?

Ach, houdt het hem ten goede, dat het hem, spijt de gebroken glazen,
spijt de drift van mijnheer, spijt den angst van mevrouw, spijt de
Babylonische verwarring in het gansche huishouden, te weeg gebragt door
eenige schreeuwende kinders en de meid, die, bleek als een doek, de trap
opvliegt, dat hij, spijt dit alles, zich niet weêrhouden kan te denken:

"Jongens! die zich kon doen gelden als van den Bergh, die mony had als
hij!"

De wraak is hem al op de hielen.

"Rivers! in het vervolg laat jij turf af, je bent bedaarder," zegt de
patroon, die van den Bergh nauwelijks heeft durven bestraffen; hij zou
hem geantwoord hebben, dat het _knechts werk_ was. En Staaf, Staafje die
met de overigen weêr binnen is gekomen, Staafje hoort het, Staafje die
"er vinger en duim naar zou likken" om drie honderd gulden 's jaars te
trekken,--de mededinger in den dop!

Als Rivers weigerde,--er loopen andere Staafs in menigte langs de
straat!--Maar het komt niet bij hem op--hij lachte straks niet bij het
rumoer der gebroken vensterschijven,--hij verkropt nu.

Gelukkige van den Berghs, gelukkige volontairs! had ik moeten zeggen,
die u zelve niet om den wille eener kleine toelage behoeft te
verloochenen, die den handel als eene wetenschap bestudeert, wat zijn
voor u _copij-boek, rekening-courant, journaal, grootboek_, wat zijn ze
voor u andere voorwerpen, dan voor den eigenlijk gezegden bediende! Of
verkeeren in uwe oogen de cijfers niet in zoo vele tooverteekenen, welke
gij magtig moet zijn, om den staf te zwaaijen, die alle geneugten des
levens, alle weelden van den geest ter beschikking van zijnen gelukkigen
eigenaar stelt! "Phoe!" hoor ik uitroepen, "alsof er poëzij in den
handel school, alsof hij iets van philosofie wist!" En men is zeer
beleefd als men het daarbij laat; want het spook der slinksche streken,
der knevelarijen, der volslagene oneerlijkheid, het staat aan de deur
en het klopt. Laat binnen, mijne heeren! er zijn schelmen onder de
kooplieden;--maar eilieve, vergun mij een enkele vraag: is in uwe
kringen, in die der wetenschap en in die der kunst--voor de balie, bij
het ziekbed, op den kansel,--in den raad en aan het hof, is daar alles
goud wat blinkt? Ik eisch niet, dat ge mij de gruwelen biecht, welke
allerlei ijverzucht, van lage broodnijd af, tot geniale jaloezij toe,
ook onder u aanrigt; ik wenschte slechts, dat gij erkendet, dat menschen
menschen blijven, waar gij die ook aantreft. Ik vleide mij dat uwe
studie u ten minste tot de overtuiging zou hebben geleid, dat een gezin,
eene maatschappij, een staat, dat onze handeldrijvende burgerij, zoo zij
door geene andere dan onedele; oneerlijke, onzedelijke beginselen werd
bezield, niet zoo lang zou hebben bestaan, in de orde der dingen niet
denkbaar is.--Poëzij, philosophie, het ligt gelukkig in den aard der
menschelijke natuur, die overal meê te dragen, die onder allerlei
omstandigheden aan te kweeken: wie oogen heeft om te zien, merkt beide
alom op.

Volontairs vallen eigenaardig in twee klassen te verdeelen, _inheemsche_
en _uitheemsche_. De kantoorbediende haat beide met een' fellen haat.
"Het zijn heertjes, die voor een' beenen knoop werken!" Wat wonder, dat
hij de binnenlandsche nog minder kan uitstaan dan de buitenlandsche? Om
de laatste van de hoogte, waarop zij zich boven hem plaatsen, neêr te
trekken, geeft onze volkstrots hem honderd middelen aan de hand. Ten
eerste "zijn het meestal maar moffen"--ten tweede "vreemde vogels,
vreemde veren; wie weet, hoe het er in hun nest uitziet?"--ten derde ...
maar er is geene aardigheid aan de teekening dier magtelooze woede en
even magtelooze wraak. Ook treffen wij bij den tweedehands koopman
slechts den inboorling, slechts een' vrijwilliger van goeden
Hollandschen huize aan. Grooter kwelling dan de trekvogels, die hier
hunnen zomer doorbrengen, en in het volgend saizoen naar Havre of naar
Liverpool, naar Hamburg of naar Londen vliegen, blijft de inheemsche
vrijwilliger onzen klerk eene rots der ergernis, die geenszins uit den
weg wordt geruimd, al stoot hij er telkens morgen op het kantoor zijne
scheenen niet meer aan. Immers, ofschoon de heuschheid des chefs veelal
tegenstellingen als die, welke wij straks omtrokken, voorkomt--de
turfhistorie is exceptioneel, maar schildert er niet minder om!--toch
vallen er op de grenzen gedurig schermutselingen voor. Neem eens beider
uitspanning! Wat de openbare betreft, het verschil is gering, dewijl we
er schier geene hebben: dank zij de ligging onzer koopsteden, dank zij
onzen huiselijken aard! Immers,--wandelingen? geniet de natuur als gij
kunt in den omtrek van Amsterdam of Rotterdam! Gezellige genoegens in
den winter, in ruimeren kring dan die van vertrouwde vrienden? de
laatste stad biedt er weinig aan, tenzij ge het koffijhuis, het biljart,
enz. daaronder betrekt. Concerten? ze zijn in de hoofdstad wat duur voor
kantoorbedienden; maar deze heeft schouwburgen, het is waar, in het
gebouw op het Leijdsche plein--met acteurs, die om een longtering
wedijveren, zoo schreeuwen zij--voor de vrijwilligers; en voor de
anderen de Variétés in de Nes--de kunst en nog iets, eene pijp en een
glaasje.--En toch zult ge mij van geene overdreven kieskeurigheid
beschuldigen, als ik deze en andere plezieren, onzer jeugd uit den
middelstand aangeboden, maar overspring, om van het onderscheid tusschen
beider huiselijke geneugten te gewagen? Stel u van den Bergh voor, als
hij des zomers, 's zaterdagmiddags, na de beurs, in een' omnibus wipt,
om naar het buiten zijner ouders te sporen, of uit het portier eener
diligence, de gansche Kalverstraat door en de Utrechtsche op den koop
toe, op de t'huis blijvende sukkels, Rivers en consorten, nederziet,
hij, die naar de Vecht of naar Zeist moet! En de winter is niet
liefelijker voor den misdeelde dan het schoone saizoen zich jegens hem
betoonde; de vrijwilliger woont in die barre maanden allerlei partijtjes
bij, met wier beschrijving hij misschien den klerk kwelt--dewijl het
hem, in de prettige stemming, eener onbezorgde jeugd eigen, niet invalt
te vermoeden, hoe zeer het verhaal dier geneugten den ontberende ergert
en grieft. Van den Bergh spreekt van zich te vestigen, van den Bergh is
geëngageerd, als Rivers nog aan geen huwelijk, zelfs met een
allerburgerlijkst meisje denken durft. Welk een hatelijk buurman wordt
hij; wat al afgunst wekt hij op! Confraters achter den lessenaar,
herneemt de hoogere stand zijn regt, liever gaapt de maatschappelijke
klove op nieuw tusschen hen, zoodra zij de deur des kantoors achter zich
hebben digtgetrokken. De eene heeft eene toekomst; de ander geen verschiet
dan dezelfde dienstbaarheid. Als de balling van het maatschappelijk
leven er zich niet dood over zal kniezen, rest hem maar één middel om
gelukkig te zijn; het zich te wanen. Andere kapitein Jackson, die zich
in zijn armoede rijk dacht, moet hij zich verbeelden, dat hij er in
zijne bekrompenheid wonder wel aan toe is. Of het bij allen, als bij den
vriend van Lamb, ontstond uit eene speling der natuur, die de oogen des
mans, voor het weinigtje genot hem vergund, de eigenschap van
vergrootglazen bedeelde! Maar bij geen enkele van honderd heb ik de
opgeruimdheid van geest aangetroffen, welke dien sanguinen Brit
onderscheidde; het is meestal een ziekelijk zelfbedrog, dat kwalijk de
innerlijke ontevredenheid vermomt. Als men herwaarts en derwaarts heeft
uitgezien en van deze noch gene zijde hulp, licht, troost ziet opdagen,
dan zet men zich moedeloos ter zijde van den grooten weg neder, dan legt
men de handen in den schoot, en verzekert den eersten voorbijganger den
beste, die ons vraagt, waarom wij dáár blijven mokken: "Wel ik mok niet,
ik zit hier heel goed;" al is de glimlach waarmeê wij het zeggen, ook
zuur als edik.

De billijkheid eischt, dat wij er bijvoegen, dat de middelen, om uit
dien toestand te geraken, soms erger kwalen te weeg brengen.

Het is zomer--het zondag-ochtend--het is zeer vol in het Park (in de
Plantaadje te Amsterdam). Een gesprek over de groote voeten der
Hollandsche vrouwen, in een poespas van allerlei talen, aan een met zes
of zeven jongelui en even zooveel glaasjes bitter bezet tafeltje
luidruchtig gevoerd, ergert al wie in de buurt zit: den heeren, dewijl
zij het ongeveer verstaan; der dames, dewijl ze er meer van begrijpen
dan haar lief is. Eensklaps rijst de drokste babbelaar van allen op:
"_Himmelkreutz element_," roept hij, "een oude kennis!" en stuift naar
een jonkman, die, in een' hoek, tegen het logement aan, bij een kop
koffij zit te mijmeren.

"Wel Vreese, hoe maak jij het?--het is _opvallend_, zoo weinig als jij
veranderd bent, 't is _fameux!_"

De aangesprokene neemt den vreemden snoeshaan van het hoofd tot de
voeten op, "Ik weet waarlijk niet, wien ik de eer heb te zien," zegt
hij, schoon de eer gering is; want, trots de elegante kleeding, trots
den gouden horologieketting, trots den baard _à la jeune France_, en
een' _glacé-handschoen_, die om de lange linkervingers schijnt gegoten,
terwijl de Vreese toegestoken regterhand met een' ring, wat ben je me!
praalt, brengt de oude kennis noch den aanbevelingsbrief van een
fatsoenlijk voorkomen, noch het hooger te waarderen getuigenis van een
zedelijk gedrag mede.

"Hoe heb ik het met je? _Stupéfait_, Vreese, ken je dan waarachtig
Braeuwtje niet meer? De Braeuw, man!"

Vreese herinnert zich, ja. Het is zeven jaren geleden, en toch heugt het
hem, dat er, op een' mooijen Meidag, een flinke borst aan het kantoor
kwam, die er maar een half jaar bleef, en aan wien hij echter dikwijls
heeft gedacht; de jongen had raafzwart haar, en oogen als vuur. Het
eerste is er nog, maar de laatste! Als Vreese dichter was geweest,
hij had er uitgebrande vulkanen in gezien. Herkenning,--herinnering,
--herschepping,--de daad, de gedachte, de opmerking, was het werk van
een oogenblik; eenige onbeduidende vragen en antwoorden volgden,--de
Braeuw was al begonnen aan eene vertelling van zijne historie.

"En ben je nog altoos bij den Oude? Hij was mijne gading niet. Dat had
ik gaauw _gewaarmerkt_, en daarom poetste ik de plaat. Ik heb lang
gezocht, en zal blijven zoeken, tot ik vind wat mij lijkt. "_Toujours
content et sans souci, c'est l'ordre du grand Bamboury!_" als een oude
likkebroêr zei. Laat zien hoe dikwijls ik al _omzadelde. Fameux!_ Van
Effens en Zoon, waar ik je leerde kennen, naar Schnack & Co., maar dat
weet je, toen zagen wij ons nog!--Van Schnack & Co. naar Gebroeders Ter
Sol, te Rotterdam, van die, naar Auf Dem Acker Wittwe & Sn., in Crefeld
en uit dat aardig stadje naar Du Bois, la Riviere & Ce., te Parijs; ik
zou er eerst bij een grooter huis zijn gekomen, maar die _onderbraken_
hunne betalingen: _c'est jouer de malheur, ma foi!_"

"Maar me dunkt," zegt Vreese, om toch iets te zeggen, "ge hebt geene
reden van klagen,--zoo dikwijls buiten betrekking, en toch telkens weer
geplaatst ..."

"O dat is het minste, jongenlief, als men zich presenteert, zooals ik
... _fameux!_ En bovendien er zijn huizen genoeg in Parijs die zich
vleijen met de exploitatie van eene goudmijn, _dans le pays de canaux,
canards, canaille_, als ze maar een hollandschen reiziger hebben. Foei,
wat zie je zuur om die aardigheid van den Heilige van Ferney! Het is een
woord, waarin veel waars steekt, schoon het mij hier zelden _ontsnapt_.
Drommels, neen, men moet in dit land zeer voorzigtig wezen; en toch
knijpen ze hier de kat in den donker. Maar wie zijn leven genieten
wil--_fameux!_"--

"Die moet naar Parijs," valt Vreese, met veelbeteekenenden blik in.

"_J'ai longtemps parcouru le monde_."--neuriet de Braeuw "_Statt Reuter
bin ich nur noch Pferd_, dat is waar; maar toch heb ik andere dagen
beleefd, dan gij ooit bij den oude zien zult. Schnack's reiziger gaf mij
eens een kijkje op zijn leven, en schoon hij maar een apenkind was, en
zijn pret niet de geraffineerdste, dat moet ik van de _gesinnungen_ van
den man zeggen, hij was van de ware leer: _Le jour aux affaires, le soir
au plaisir_--_fameux!_ Er is overal goede wijn, en er zijn overal mooije
meiden--of ben je misschien getrouwd?"

"_Excuseer!_" zegt Vreese,--een mal antwoord op zulk eene vraag.

"_Pas d'offense_; aan een huwelijk valt in onze betrekking niet te denken,
en ook: _Que diable allait-il faire dans cette galère?_ Er zijn zoo weinig
vrouwen, die niet wel eens--_fameux!_ Maar je ziet al weêr zuur, heb je
zusters?"

"Wij hadden eene moeder, de Braeuw!"

"_C'est du sérieux, vraiment!_" maar Vreese lachte niet. "Wat ik maar
zeggen wil," vaart Braeuwtje voort, "dat ik een prettig leven heb
geleid; dat zit er achter den houten bak niet op. "Poot an speulen," zei
Schnack, "dat ist Hollandsch!"--het was al wat hij in dertig jaren hier
had geleerd; maar wien hij er toe kreeg, mij niet. Als ik er langer
gebleven was, dan zou het tusschen mij en den grompot tot
_daadwerkelijkheid_ zijn gekomen, _bei meiner Seele_, dat zou
het--_fameux!_ Maar ik kreeg de reizigersplaats te Rotterdam in 't oog,
in Verfwaren weet je;--in Creveld pakte ik de Linten beet;--nu heb ik
eene heele Galanteriekraam hij me. Kom eens kijken, als je lust hebt; in
de Star, No. 15, _à votre service_, mits ge mij niet alleen laat
babbelen. Adieu, Vreese, _au plaisir!_"

Vreese oogt hem half verbaasd, half verontwaardigd na--en wèl mag hij
het doen! Verbastering van taal en verbastering van zeden, niets
degelijks, niets hollandsch meer!--"Alleen babbelen!"--, wat zou hij hem
hebben toe te vertrouwen? Hoe arm aan gebeurtenissen, aan geneugten
vooral, is zijn leven in die jaren geweest! Wat heugt er hem van dan
ellende? tweeërlei jaloezij! De eene is hij te boven, maar de andere?

Opdat ik niet langer in raadsels spreke, hij heeft bij Effens en Zoon
een' confrater gehad, die het veel verder in de wereld zal brengen dan
hij--het was ook een Oost-Fries. Als gij rondziet, hoe velen van die
natie, neen, van die inboorlingen van Embden, Leer, en meer stadjes van
smokkelige vermaardheid, hier wortel hebben geschoten, dan zult ge het
met mij eens zijn, dat òf ons volk een predilectie voor hen heeft, òf
dat zij met het genie der intrigue zijn begaafd. Gaarne vergun ik u
eenigen van dit dilemma uit te zonderen; ook ik ken er heusche menschen
onder, enkele zelfs reken ik onder mijne vrienden. Maar de
lessenaarmakker van Vreese vertegenwoordigde al de gebreken welke de
soort kenschetsen; hij wist "ieder schoenen naar de voeten te geven,"
dat wil zeggen, beurtelings onbeschaamd en laagzielig, was het hem om
het even, of hij trapte, of dat hij getrapt werd--mits hij maar vooruit
kon komen, vooruitkruipen is het ware woord. Effens en Zoon--brave
kooplui in granen--waren in het eerst zeer met hem gediend;--niets
natuurlijker. Zij eischten slechts het redelijke van hem, maar hij zou
zich zelfs het onredelijke hebben getroost;--het was zijn belang hunne
relatiën zoo spoedig mogelijk te leeren kennen,--en het scheen, dat
hunne zaak hem ter harte ging, als ware ze zijne eigene geweest. Hoe
verschilde het oordeel, over hem uitgebragt, naar het doel dat men hem
toeschreef: Vreese sprak van afneuzen en flikflooijen, terwijl de
patroons hem voorkomend en ijverig prezen. Weldra walgde de eerste van
den gluiper, en werd onaardig, norsch, bar tegen hem; de Oost-Fries
trachtte den steen, dien hij niet uit den weg konde schoppen, op zijde
te schuiven. Hij lasterde Vreese, maar de in het duister afgeschoten
pijl stiet op den schutter terug, en--hij kreeg zijn afscheid. Hoe
Effens en Zoon er voor boetten, dat hun open aard hun niet had vergund,
hem te verhelen, hoezeer zijn karakter hen tegen de borst stiet!
Naauwelijks was hij bij een' hunner niet overkiesche concurrenten
geplaatst, of deze schoten met het kruit, hun door den Oost-Fries
verstrekt, onder hunne duiven. Hij had een hoog salaris bedongen--want
hij kon relatiën aanbrengen van zijn vorige patroons. "Dat gaat zoo,"
zeide deze en gene; maar wie het zeide, Vreese niet. Trots al het geld,
dat zijn voormalige confrater nu verdient, zou hij niet in zijne plaats
willen zijn. Vier of vijf soorten van beroepen in zich vereenigende, en
partij trekkende van elk, bij wie het hem gelukt zich in te dringen, zal
het niet bij den _tilbury_ blijven, waarin hij straks Vreese voorbij
reed, een leelijk gedrogtje, maar dat geld heeft, aan zijne zijde.
Vreese, die zich niet weêrhouden kon haar op te nemen, beantwoordde het
knikje niet, waarmee hij hem groette--zulke Oost-Friezen worden nooit
kwaad, weet ge.

Welligt zou Braeuwtje, ondanks zijne wilde haren "amen!" zeggen op de
voorkeur, die Vreese aan "een' goeden naam boven olie" geeft; maar zijne
tweede confidentie, neen, het viel dezen niet te vergen _hem_ die te
doen. Stel u voor, welke oogen de losbol op zou zetten, bij het verhaal
eener hopelooze liefde!--"_Peut-on être si bête!_" zou hij uitroepen,
"voor deze eene andere!"--Maar Vreese heeft Betsy al drie jaren gekend,
en nog is the _awful question_ niet over zijne lippen gekomen, al is hij
zeker, dat zij hem geen "neen!" zal geven. Hij zou haar vragen--als hij
maar geen kantoorbediende was.

Eenige weken vóór zijn bezoek van het Park zaten zij zamen aan de piano;
hij speelde, zij zong. Ik weet niet, welk teeder liedeke van Heije haar
deed haperen--genoeg, schroom beving haar, zij aarzelde;--o hoe gaarne
had Vreese haar door een' kus gezegd wat zij niet durfde uitbrengen!
Onwillekeurig hief zijne hand zich van de toetsen op, de verzoeking was
hem te sterk,--hij wilde zijnen arm om haar midden slaan.

Helaas!

Betsy begreep en verijdelde het gevaar, waarin zij verkeerde; ze zong
den tekst, smeltend als hij was. "Maar een kantoorbediende!" zuchtte
Vreese, op wien hare zelfoverwinning den invloed uitoefende van een koud
bad. En een derde kwam binnen en de piano ging digt,--Betsy ontving hem
sedert niet weêr alleen.

Ongaarne zou zij hem bedroeven, en echter een blaauwtje moest zijn lot
zijn; want wat zou zij, als ze hem nam, harer kennissen, harer
vriendinnen antwoorden, als zij haar vroegen: "En wat doet Mijnheer?"

Ge zult als ik met Vreese ophebben, wanneer ik u verzeker, dat het hem
nog nooit was ingevallen te wenschen:--"dat Betsy rijk ware!"--dat de
gedachte aan een' _mariage de raison_ hem nog een gruwel was. Het is
waar, hij telde naauwelijks zeven en twintig jaren, maar: "liever naar
de Oost, dan door eene rijke vrouw de man te worden!" Hoe zich de zeden
afspiegelen in de onderscheidene beteekenis in verschillende eeuwen aan
de woorden gehecht! "De man": dat was weleer in hoogen en lagen kring,
de verpersoonlijking van moed en van kracht; dat was hij, bij
uitnemendheid, die de lans het rapste velde, die de bijl het zwaarste
neer deed vallen,--dat is in onze dagen hij vooral, neen, hij alleen,
die het hoogste woord mag voeren, dewijl hij geld heeft. En echter, gij
zult als ik Vreese beklagen, wanneer ik er bijvoeg, dat hij--er zijn
jaren verloopen sedert het oogenblik, 't welk ik schetste,--na vaak,
maar altijd vergeefs naar eene betere betrekking te hebben gestaan, zich
thans te oud acht om naar Nederland's Indië te vertrekken, en die
meening voedsel geeft door de theorie te onzent aan de orde van den dag;
"Eén vogel in de hand is beter dan drie in de lucht!" Van den bedompten
kantoor-dampkring schier geheel doortrokken, is hij allengs meer der
onderdanigheid gewoon geworden, verbaast hij er zich zelfs niet langer
over, dat hij dag aan dag mede aan de beurs figureert: de nul, die de
eenheid vertienvoudt, maar op zich zelve slechts een nul is.
Conservatief _quand-même_ gruwt hij van alle nieuwigheid-zoekers in alle
vakken; zoo de veranderingen, welke die "afbrekers" wenschen, tot stand
kwamen, ze konden hem zijne betrekking kosten; zijne betrekking die zijn
alles is,--sedert Betsy huwde!--Hij leeft immers nu _tevreden_--behalve
wanneer hij haar ontmoet, een jongske van een jaar drie vier, aan de
hand?--

Het deert mij, dat mijn onderwerp er me toe verpligt zoo veel geloof van
u te eischen, en toch zult gij weder op mijn woord moeten aannemen, dat
het nergens moeijelijker valt met een klein fonds zaken te beginnen, dan
in eene der koopsteden van ons vaderland,--dat men aan geen beurs, om
een' technieken term te bezigen, "meer op de tand wordt gevoeld," dan
aan de Amsterdamsche. Ware dit zoo niet, welligt had ik nooit uw geduld
door dit opstel op de proef gesteld; welligt kende onze taal den
smadelijken uitroep niet, aan het hoofd dezer bladen geplaatst. "'t Is
maar een pennelikker!" geldt minder dan veertien-, vijftienjarigen borst
die zich te goed doet op de zaken van zijn patroon, dan den
kantoorbediende van dertig of vijf en dertig jaren, die, trots zijn'
rooden hoed en kalen jas, aanspraak maakt door de heffe des volks
"mijnheer" te worden genoemd. "Foei, van den ziekelijken trots!" wilt ge
uitroepen; of ik u bewegen kon te zeggen: "De arme afhankelijke!" Vergun
mij den toestand andermaal in beelden te brengen, het zal de scherpste
toets van de billijkheid mijns verlangens zijn. Mogt die schets mijner
voorstelling tevens vrijwaren voor al te eenzijdige opvatting! Vreese en
de Braeuw kunnen misduid worden tot een beweren, dat kantoorbedienden
zelden trouwen, dat reizen in den vreemde onze jongeluî bederft. Behoef
ik te verzekeren, dat ik noch het eene, noch het andere bedoelde? dat ik
slechts wilde afschaduwen, hoe de verloochening van zelfgevoel, waarvan
wij in Rivers eene proeve zagen, maar de eerste stap is tot nog zwaarder
ontberingen--Vreese--tenzij de natuur zich door uitspattingen wreke, als
in den verbasterden de Braeuw.

Onze schilders bezitten een eigenaardig talent voor het huiselijke. Ik
heb het hun zelden zoo zeer benijd als in dit oogenblik; want ik moet u
een klein vertrek binnen leiden, zoo klein, dat gij het met een' enkelen
oogopslag kunt overzien. Gelukkig dat het avond is, dat er een tinnen
kapje werd gezet op de kleine lamp die in het midden der kamer op tafel
staat--anders gaf ik dadelijk den wedstrijd met hen op. Maar schort het
geheel aan mijn gebrek aan talent? Staar eens een oogenblik in die
graauwe schemering, buiten den kring des lichts, rond, en ge zult
begrijpen, waarom de heeren van het penseel zoo ongaarne hedendaagsche
binnenhuizen schilderen, waarom zij bij voorkeur de stoffaadje der
zeventiende eeuw kiezen. Of zou het u invallen den weerzin, welken hun
dit vertrek zeker inboezemde, toe te schrijven aan de menigte der
voorwerpen, welke gij allengs ontdekt? Neen, er is geen enkel onder
deze, dat zich opdringt, dat uitsteekt, dat schreeuwt. Er heerscht zelfs
meer orde in hunne plaatsing--lof zij der huisvrouw!--dan een schilder
verlangen, dulden zoude. Maar de lijnen dier meubelen, maar de
vermenging van allerlei stijl, in den vorm dier sieraden; maar het
volslagen ontbreken van een' harmonischen indruk des geheels, ziedaar
zwarigheden, welke moeijelijker zijn te boven te komen, dan dat de kamer
tevens tot huizen en tot slapen dient. Nog eenmaal zij de moeder des
gezins geprezen, er komt desondanks in het vertrek niets aan het licht,
dat der keurigste kieschheid ergeren kan. Doch orde in de schikking, en
zindelijkheid in het gebruik, het zijn wel voorwaarden van schoonheid,
maar zij volstaan voor haar wezen niet, dat eischt meer. Ik zou dan ook
geen woord reppen van dien vierkanten klomp houts, eene _chiffonnière_
geheeten--zijn beslag is nog glanzig of het pas uit den winkel kwam--als
er naast de kleine, heel kleine pendule, op deze geplaatst, niet een
paar jannen van kastanjevazen hadden gestaan. Ik zou mij bij gebreke der
golvende lijnen van een ouderwetsch spiegelkabinet wel wachten, u een
aanregtje, alias _trumeau_, te wijzen, dat ons leelijk schoeisel aan het
licht brengt, als zich daarop niet een hooge pijpenstandaard had
verheven, wiens krullende koperen slang verwaten neerzag op een paar
herders en herderinnetjes van porselein. Ik zou--maar ge schenkt mij de
verdere beschrijving, dewijl ik niet als de schilders stoffeeren mag, _à
fantasie_, en ik maak dankbaar van uw verlof gebruik, na der vrouw des
huizes met een enkel woord te hebben verontschuldigd over de plaatsing
dier kastanjevazen, over die liefhebberij in gebakken beeldjes, na u
tevens te hebben verduidelijkt, waarom ik er van ophaalde. Beide waren
_cadeaux_, het jonge paar bij zijn huwelijk vereerd. De eerste werden
hun te huis gezonden door een' Oom, die het hart te hoog droeg om iets
nuttigs te geven; en de jeugdige echtgenoote, welke hem ontzag, wist
hare dankbaarheid niet beter te bewijzen, dan door een geschenk, waarvan
zij wel nooit gebruik zou maken--te pronk te zetten. De tweede zijn haar
vereerd door eene oude Nicht, "die eindelijk iets had gevonden, waarbij
men haar dagelijks gedenken kon,"--en of men het deed, bij de
porseleinen _sta in den weg's!_

Te over willigt, om u eene burgerlijke bovenvoorkamer voor den geest te
roepen, nu binnen het schijnsel der lamp gezien. Welk eene groep! Eene
moeder met twee kinderen: een jongetje van vijf, een meisje van drie
jaren,--het laatste zit stil op haren schoot, terwijl het eerste aan
hare knieën zijne avondbede opzegt.

"Amen!" fluistert de moeder haar zoontje na.

Maar hoe lief is die kleine in haar wolkje van wit nachtgoed; hoe koost
en streelt ze met hare mollige armpjes de wangen der moeder: zóó iets
laat zich niet beschrijven, het is te zeer natuur.

Geloof mij, dat ik het verder zou brengen in het schetsen van het
jongske, dat niet afgunstig, maar toch benijdend aan hare knie staat,
en--

Dáár legt zij de hand op zijn krullebol.

"Ge zult woord houden, Wim?" vraagt zij.

"Het eene versje kan ik nu al, moederlief!" en waarlijk, daar rolt een
dier gedichtjes van zijn lippen, welke van Alphen een' onsterfelijken
roem waarborgen--die hem bij de zaligen streelen mag!--

"Braaf, Wim!" zegt de moeder, "morgen het andere," en zij brengt Chrisje
naar hare wieg; doch eer zij ter tafel terugkeert, loopt het jongske
haar half ontkleed te gemoet.

"Nu nog een zoentje voor vader,--komt hij haast weer?"

Het knaapje vermoedde weinig, hoe zeer het de wensch zijner bekommerde
moeder ried--haar man was voor het kantoor zijner patroons reeds eenige
weken op reis. Zie, zij zit weder in haren leuningstoel; de weinige
toestel, voor het avondmaal der kinderen vereischt, is al weggeborgen.
IJverig vat zij de naald op, en echter, het is of het werk niet vlotten
wil. "Dat hij weêrom ware!" denkt zij. En ze haalt een klein beursje uit
den zak, en zij telt de weinige guldens, welke er nog zijn, over; en zij
werpt een' blik op de pendule: al digt bij half negen ure? Wis zou zij
nog eenmaal in den almanak kijken, de hoeveelste van de maand het is,
als ze niet reeds lang November had te gemoet gezien, als ze er niet
zeker van was, dat het eergister al de eerste is geweest. "O, als hij
t'huis ware!" dan zou ze reeds toen het vierendeeljarig salaris hebben
ontvangen, en echter, hij had haar zoo stellig verzekerd, dat de heeren
het zenden zouden.

De heeren!--

Honderde gedachten gingen haar door het hoofd; maar geene enkele, die
krenkend was voor haren man--honderde gedachten, in haren toestand, zij
zou eerlang weder moeder worden, dubbel pijnlijk. Wat was waarschijnlijker,
dan dat het op het kantoor vergeten was het haar te brengen; maar, zou
zij dan morgen, overmorgen, in de volgende week--zóó lang zouden hare
guldens niet strekken!--er om gaan vragen?--Slechts met looden schoenen
zou zij den trap opklimmen. Het wijf van een' daglooner eischt, bij
ontstentenis van dezen, zonder omweg, de penningen, die haren man
toekomen; maar zij, die juffrouw heet, die----En echter, de kinderen
hadden kleine behoeften voor den winter, in welke zij nog vóór hare
bevalling voorzien moest, maar niet voorzien kon, als zij geen geld had
... O, indien zij zich dat alles had voorgesteld! indien zij had
begrepen, hoe zij toch altoos niets anders zou zijn, dan te groot voor
een servet en te klein voor een tafellaken, indien zij dat geweten had,
eer zij trouwde--foei! Zij had haren Gerrit immers nog lief, als toen
zij hem nam? En hare kinderen! Zie, al verzwaarde de ongeborene reeds nu
hare zorgen, als zij aan het derde zoo veel genoegen zou mogen beleven
als aan de beide eersten, dan had zij er dit, dan had zij er alles voor
over. Maar--als het Gerrit gegaan ware, zoo als hij zich vleide dat het
hem gaan zou, toen zij huwden, zoo hij een aandeel had gekregen, neen,
dan zou er nu geene glinstering van angstzweet op die fijne, vermagerde
slapen zijn geweest.

Negen ure!

O rijkdom van poëzij die er in het hart eener moeder schuilt! Wat zij
haar zoontje ook zou laten worden, zeî zij in zich zelve, geen
kantoorbediende! en toen dat afgepraat was, liep ze eene reeks van
beroepen door, en hare verbeelding schoot wieken aan, als hij eens een
man in _bonis_ wierd, als oom! Ja, die zou in staat zijn, als hij wilde,
het jongske voort te helpen: was hij niet een oud vrijer, was Wim niet
zijn petekind? Doch, als het hem dan eens goed ging in de wereld, heel
goed, zou hij haar dan nog liefhebben als nu, haar, Chrisje, den
ongeborene, zou hij dan ook smadelijk neerzien op zijnen vader, den
kantoorbediende! God beware hem voor zulk een' rijkdom. Maar neen, Wim
stond haar voor den geest. Wim, wiens oogjes--het waren sprekend die van
haren Gerrit--de verdenking logenstraften; Wim, die zoo veel van zijn
zusje, zooveel van haar hield. Eer zij het wist waren hare handen
gevouwen,--zij bad voor haar gezin, zij bad tot voor het ongeboren kind
toe.

Het sloeg half tien ure!

Helaas, de vraag: "wie weet waarom het geld uitblijft?" kwam weder bij
haar op. Gerrits laatste brief moest uit de plooijen van haar huiskleed
te voorschijn gehaald worden. Rijkdom bewaart ter nood minnebrieven,
--armoede draagt dien van den echtgenoot op het hart. Wat had zij hem
dikwijls gelezen, en telkens met dezelfde belangstelling! Liefde is de
ware lezeres. Dáár stond het immers, dat zijne patroons reden hadden
over zijne reize tevreden te zijn, dáár stond het: "Wijfjelief, het valt
mij hoe langer hoe zuurder van huis te zijn," dat was geluk! Al hadden
zij geen geld--de vrouw zegevierde op de huishoudster.

Maar de moeder zag weder naar de klok.

Bij tienen!

Daar werd gescheld.

Het was een jongman van het kantoor, en hij bragt geld; maar met welk
eene boodschap! Zij blijke uit den volgenden brief, dien Gerrit's vrouw
hem nog denzelfden avond schreef, met tranen in de oogen:


Lieve man!

"Schrik niet, dewijl ge dezen van mij krijgt en wel buiten het kantoor
om. De kinderen zijn wèl, en ik, Goddank! ook, alles gaat zooverre goed.
Maar straks is Wolf hier geweest, met een' kwade tijding. In plaats van
_fl_250, lieten de heeren weten, zoudt gij in het vervolg maar _fl_200
krijgen; de zaken gingen zoo slecht. En Wolf zeî: dat er gemakkelijk
eerste bedienden voor _fl_800 waren te krijgen. Ook liet hij zich
ontvallen, dat de heeren al eens gedacht hadden over een' volontair. Als
het niet anders kan, dan zullen wij de tering naar de nering moeten
zetten; maar het is hard met twee kinderen, en het derde voor de deur.
Ik zeg het niet om het je te verwijten, Gerrit! Lief en leed heb ik
beloofd met je te deelen, en ik zou het nog doen! Minder wonen, dat zal
niet gaan, het is nu al zoo eng; maar een geringer baker, ik zal er
morgen naar hooren. Ook kan ik het zijden kleedje, dat ge mij na mijne
eerste kraam hebt gegeven, wel weer vermaken,--jongens, wat waren we
toen rijkelijk! Maar, Wim zal toch naar school moeten,--het is een slag,
en dat zoo onverwacht! Als gij iets anders vinden kondt, al was het
buiten de stad,--ik zou er wel niet graag uit willen,--wat zouden onze
kennissen zeggen?--maar rondkomen is de eerste pligt. En het overige
laat ik aan God over. Ik had geen rust, Gerrit, vóor ik het je had
geschreven,--het is mij nu of er een pak van mijn hart is. Want ik weet,
manlief, dat gij zelfs in nood en dood, alles voor mij en de kinderen
doen zult. En daarmeê, goeden nacht! Nog eens, Wim en Chrisje zijn wèl,
en ik zal mij opbeuren, tot je weer komt, wees daar gerust op. Het zal
immers niet lang meer duren?

                       "Uwe liefhebbende vrouw
                                       Aagje.--"

P.S. "Wie weet hoe rijk we nog eens worden--want nicht Saartje heeft ons
zeker goed bedacht. Maar foei, ik doe doodslag in mijn hart,--o, dat
leelijke geld!"


Het lijdt geen' twijfel dat het den heeren--vrijstond, het salaris van
hunnen bediende te verminderen; maar dit zijner vrouw, zijner zwangere
vrouw te doen aankondigen, op het oogenblik, dat zij van zijne
afwezigheid bewust waren, is eene wreedheid, welke ik zelf niet gelooven
zou, indien ik haar verdicht had, indien het geen feit was!--Het lijdt
geen' twijfel, dat het niet enkel inhumaniteit, maar ook onverstand in
de heeren--verried; want waartoe zou ik het zedelijk gevoel mijner
lezers op de pijnbank brengen, door hun te verhelen, dat Gerrit op den
brief van Aagje ijlings te huis kwam, en een betere betrekking vond bij
lieden, die zijn' ijver en zijne kennis wisten te schatten? O hoe
wenschte ik er bij te mogen voegen, dat het ook geen twijfel lijdt, dat
allen, die op deze of dergelijke wijze den zwaren strijd tusschen
verdiensten en behoeften zagen beginnen, gered werden zoo als hij!

Hebt gij er geene onder uwe kennissen, die wegkwijnen in den bloei des
mannelijken levens,--bij wie het uiterlijke verarmelijking verraadt,
bij wie het verstandelijke den kreeftengang schijnt te gaan,--eene
vereeniging van moedeloosheid des harten met verstomping des hoofds?
kantoorbedienden, welke beginnen in te zien, dat het hun leven lang
sukkelen zal blijven? Het schort niet aan den aard hunner bezigheden,
al zijn deze waarachtig geen prettige. De eene zou er zich over heen
zetten, dat hij het gansche jaar niets anders te doen heeft, dan een'
onaangenamen briefwissel te voeren:--een correspondent wordt
onwillekeurig een casuïst, of hij bezwijkt onder de chicanes der
Duitschers. De andere zou het zich getroosten dat hij van primo Januarij
tot ultimo December, van den ochtend tot den avond, geen ander werk
heeft, dan te ontvangen en te betalen,--bij een' kashouder ontwikkelt
zich zucht voor numismatiek; immers, hoe houdt men het anders uit, geld
te tellen, dat ons niet behoort? Maar liefhebberij in het stellen van
vinnige brieven; maar liefhebberij in het nazien van allerlei
speciën,--hoe verflauwen zij wanneer men het hoofd vol heeft van de
ellenden van een berooid gezin! Om ernstig te spreken, hoe zwaar wordt
de taak en hoe hard valt de pligt voor de zijnen te zorgen, als het
vooruitzigt op eene verbetering van ons lot met de droomen der jeugd
verdwenen is, als zelfs de flaauwste hoop ons niet meer prikkelt,
schraagt, troost! Het is of de geneugten van den echt, de weelden van
het vaderschap in banden en boeijen verkeeren. Wanneer men niet dus
gekluisterd ware! "Wanneer ik nog alleen in de wereld stond!"

Eer ik u den toestand veraanschouwelijke, moet ik eene dubbele bedenking
weêrleggen, die stellig bij u opkomt, al heb ik u straks met een woord
verzekerd, dat het allermoeijelijkst is te onzent met een klein fonds
zaken te beginnen, en ondoenlijk zonder. "Waarom," hoor ik vragen, nu
wij genaderd zijn tot den leeftijd, waarin dit beroep, waarin dat te
huis om strijd stuiten, "waarom klerk geworden op een koopmans-kantoor,
en niet op dat van een makelaar? die kan zonder fonds vooruitkomen!"
--en--: "Als kennis in handel nog iets waard is: waarom dan geen _associé_
gezocht, die geld heeft? wanneer de eene hand de andere wascht, dan worden
beide schoon."

Dat zij juist ware!

Makelaarsklerken--de tegenwerping verpligt ons, eenige jaren terug te
gaan--makelaarsklerken zijn doorgaans vrijwilligers, zonen, neven,
vrienden, en dus jongeluî, die vermogen genoeg hebben, om uit eigen
beurs niet alleen de leerjaren goed te maken, maar ook de teleurstellingen
te bestrijden, aan het beginnen van elk beroep verknocht. Of wanneer "de
vijanden van het liegen," zoo als Nieuwland de makelaars aardig noemde,
"dewijl het in geen duizend jaren gebeurt, dat zij iemand willens en
wetens bij den neus nemen," wanneer zij salariëren, dan kiezen zij
jongeluî, arm genoeg om afhankelijk te blijven. De eersten nemen zij
slechts, wanneer zij ter uitbreiding hunner zaken, om het klimmen hunner
jaren, of uit welken hoofde dan ook, een' hulp verlangen, of naar een
opvolger omzien;--de laatsten moeten jonge menschen zijn, die hun nooit
in de wielen kunnen rijden; die tot altoosdurende slavernij zijn
gedoemd. Ik wil niet beweren, dat de kring der aspiranten, ten gevolge
dier inlichting, voor uwen blik bekrimpt; maar ge zult mij toestemmen,
dat het getal dergenen, die kans hebben, zich zonder vermogen in deze
loopbaan eene eervolle onafhankelijkheid te verwerven, klein, bitter
klein wordt. Bovendien,--er is in de onderstelling, van welke wij
uitgingen, "dat een makelaar geen fonds behoeft," iets zoo overonnoozels,
dat de broeders van den gilde ons zouden uitlagchen, als wij haar één
oogenblik voor goede munt aannamen. Wie niet durft, wie niet wil, wie
niet kan inkoopen "voor zijn' meester," dat is, eer hij een kooper
heeft,--wie niet "lipt," luidt de technieke term--wat heeft de sukkel
te doen? Hij verliest zijn eerstehandshuizen, die heden aan hunne
buitenlandsche vrienden berigt willen zenden, dat de partij afgedaan
is;--hij moge wroeten en slooven, van den ochtend tot den avond, hij
krijgt geene patroons;--want wat kan hij der tweede hand, den
commissionair aanbieden, dat ieder zijner mededingers niet evenzeer en
met hetzelfde regt veilt? De verbastering der zeden ging in Rome soms
zóó verre, dat de wijsste wetten krachteloos werden, dewijl men door
hare toepassing allen schuldig zou hebben verklaard; ik vrees, dat, met
luttele (doch eervolle) uitzonderingen, de algemeenheid des kwaads de
makelaars onzer dagen zal moeten vrijpleiten van transigeren met hunnen
eed. Het zij verre van mij, het daarom te willen vergoêlijken;
integendeel, het sticht, als alles wat den standaard der zedelijkheid
verlaagt, onberekenbaar veel jammers, en brengt, zoowel voor den handel
in het algemeen, als voor kooplieden en makelaars in het bijzonder,
dikwijls, ik zou schier durven zeggen altijd, zijne straf met zich. De
voorbeelden zouden ligt zijn bij te brengen.

De tweede bedenking heeft meer schijns, en wie zal ontkennen, dat
enkelen hare juistheid door den gelukkigen uitslag hunner pogingen
hebben gestaafd; maar heeft een mijner lezers de verantwoordelijkheid
gewogen, welke de jonkman op zich neemt, die de kans trotseert verliezen
te ondergaan, welke voor hem in persoonlijke schulden aan zijn'
deelgenoot verkeeren? Het is last genoeg om van terug te deinzen, eer
men zich dien op de schouders laadt, zelfs om den wil van een huwelijk.
Ik heb straks van de poëzij van den handel gewaagd, en zeker, het is
streelend, door eigen vlijt, door eigen kracht, een' onbekenden naam bij
zijne medeburgers in aanzien te brengen,--door zijne kennis van zaken en
menschen, het vertrouwen van stad- en landgenooten te verwerven en te
verdienen,--aan zijne allengs uitgebreider betrekking een te huis te
hebben dank te weten, dat voor de zorgen, welke van zaken onafscheidelijk
zijn, schadeloos stelt!--Een te huis lief en waard, dewijl die woning,
ten gevolge van overleg en werkzaamheid, van eene gehuurde in eene
eigene is verkeerd,--een te huis liever en waarder nog, dewijl de
telkens in grooter mate genoten geriefelijkheden des levens de blosjes
lang op de wangen der gade doen wijlen, en er dikwijls in den lach der
vreugde een' zweem van jeugdige aanvalligheid op terugroepen--een te
huis, liefst en waardst bovenal, om het gekeuvel der kleinen, voor welke
zich, hoe rap zij ook opgroeijen, nog sneller uitzigten openen, daar
tien, vijftien, twintig jaren stipte eerlijkheid, in allengs toegenomen
zaken, honderdvoude belooning met zich brengen. Immers, de tijd is
zoowel een woekeraar ten goede als ten kwade! Aan de achting van het
algemeen, aan het vertrouwen, dat de naam des handelaars van beurs tot
beurs wint, paart zich het bewustzijn van een welbesteed leven; het
besef, in zijnen kring geluk te hebben verspreid, in zijnen stand bij
te hebben gedragen tot den vooruitgang van zijn Volk, van zijne Eeuw
misschien! Want, wie onzer acht het mogelijk, dat men het zóó verre zou
brengen, zonder degelijkheid van hart en hoofd, zonder zin voor
wetenschap of kunst, zonder liefde voor alles wat goed en groot is? Of
wat is natuurlijker, dan dat de man, ten gevolge van de inspanning der
helft zijns levens, met een groot vermogen gezegend, naar eene
burgerlijke waardigheid staat--geen ridderlint, bid ik u!--maar eene
plaats in den Raad der stad, tot wier welvaart hij bijdroeg--die hij
lief heeft gekregen, als de getuige van zijnen voorspoed--die hem aan
het harte ligt als de bakermat van zijn kroost?

Er is veel uitlokkends in,--maar de penning heeft toch ook zijne
keerzijde.

Een jaar twee, drie, waren Becker en Haeften geassociëerd geweest,--de
eerste bragt de kennis, de laatste bragt het geld aan, en, zoo er
compagnons zijn, die broederlijke vrienden mogen heeten, deze waren het.
Overmoed en overzorg, de gewone vloek van vennootschappen, uit zoo
ongelijke bestanddeelen zaamgesteld, bleven hun vreemd. Als gij hun
karakter hadt gadegeslagen, dan zoudt gij hebben opgemerkt, dat Becker
de vreesachtigste, Haeften de onbezorgste was, in het geven van crediet.
Beide gehuwd, moet ik mij zelven geweld aandoen, in geene schets van hun
gezellig verkeer uit te weiden. Het was een schoone droom van geluk.
Want, verre van den waan, dat de goede verstandhouding tusschen
compagnons het langst duurt als zij elkander nergens elders zien dan op
het kantoor,--er heerschte tusschen hen noch die ongelijkheid van stand,
noch die ongelijkheid van jaren, welke het opzettelijk vreemd blijven
van de gezinnen van associé's, van beider vrouwen vooral, soms raadzaam
maken--waren zij, zoo als ik zeide, van vennooten vrienden geworden;
geen huisselijk lief of leed van den een', dat den ander niet ter harte
ging. Het was eene dier zeldzame betrekkingen, waarin het bevorderen van
ons eigen belang veredeld wordt, dewijl wij er tevens tot het geluk van
vrienden door bijdragen.--De avonden na het afsluiten eener voordeelige
balance, beurtelings in den schoot van het een of ander gezin
doorgebragt, verkeerden in huiselijke feesten, op welke de vrouw van
Becker zich niet had geërgerd aan de meerdere pracht in de woning van
Haeften, en die van de laatste er zich in verlustigde, dat alles bij den
eersten van welvaart getuigde, schoon zij er, en te regt, niet tot
weelde oversloeg.

Het was in het derde jaar hunner associatie, en de looper reikte op een'
Vrijdagmorgen den patroons de brieven over. Haeften opende er eenen, die
hun eene aanzienlijke order opdroeg. Becker liep een' anderen door, het
schrift danste hem voor het gezigt. O, als de bankbreukige wist, welk
leed hij aanrigt; als hij het bedacht, eer hij, den achteruitgang zijner
zaken onder telkens uitgebreider ondernemingen bemantelende, vermetel de
rust van een tien- of twintigtal huisgezinnen meer op het spel zet,--hij
zou van alle gevoel vervreemd moeten zijn, eer hij _quitte ou double_
waagde, eer hij zichzelven diets maakte, dat het hem _onder nul_ nog
vrij stond te beproeven, of de fortuin voor hem keeren wilde! Het was de
aankondiging van het faillissement van een' hunner grootste debiteuren.
Een huis, dat langer dan eene halve eeuw bestond--een huis, dat, tot op
den dag dat het zijne betalingen schorste, algemeen vertrouwen genoot
--een huis, dat, reeds sedert jaren, zijn crediet in den vreemde
allerhandigst exploiteerde. Wie begrijpt niet, waarom Becker, de
aankondiging inziende, verbleekte? Wie vermoedt niet te gelijk, dat in
het volgende oogenblik _groot houden_, des ondanks, zijne leuze was?
De klerken zaten om hem heen, en er waren onder deze, die zijne
ontsteltenis al hadden opgemerkt.

"Het had erger kunnen zijn," zei Haeften, toen hij op zijne beurt de
jobsmare had doorgeloopen.

--Het had erger kunnen zijn--voor iemand van Becker's gestel, van
Becker's geweten? oordeel zelf! Er kwamen geprotesteerde traittes voor,
door hen op het buitenlandsche huis getrokken, die natuurlijk dadelijk
gerembourseerd werden,--maar wier bedrag Becker voor oogen stond, toen
hij zijne arme vrouw en kinderen aanzag, door wier pas verworven
vermogen eene streep was gehaald, die er nu erger aan toe waren dan het
gezin van menig kantoorbediende--hij was Haeften schuldig!--Er moest
naar de beurs worden gegaan, en het gerucht had hun verlies reeds
verbreid, vergroot, vertienvoud; want de nijd had lang naar eene
gelegenheid uitgezien, het opkomend huis te benadeelen; want de laster
had vrij spel, dewijl zij er inderdaad eene aanzienlijke som bij
verloren. Becker las wantrouwen in de blikken van wie hen groetten, in
de deelneming van wie hen beklaagden. Hij bespeurde het in de opmerking,
welke hun kassier aarzelend maakte, dat hij geloofde, voor hen in
voorschot te zijn,--in de traagheid, waarmede hunne makelaars inkoopen
voor hunne firma schenen te behartigen, eene traagheid, die week, zoodra
zij 1 pCt. contant aanboden,--in de klagte der wisseljoden, dat er
schier geene nemers waren voor papier, zoo min voor kort als op tijd.
--Er school, ondanks zijn ziekelijke kwetsbaarheid, het gevolg van
zijnen toestand, van zijne hoogere vlugt dan zijne vlerken reikten,
waarheid genoeg in zijn vermoeden, om tot dubbele voorzigtigheid te
verpligten in de keuze der maatregelen, om de belemmering te doen
ophouden. Becker bragt nachten door, welke slechts de eerzuchtige, neen,
de gemoedelijke zich voor kan stellen; want zijn gezin had heiliger
regten op hem, op ons mogen toekennen.--Er volgde stilte op den storm.
Toen zij menige proef, welke de zaakkennis van oudere huizen nam,
zegevierend hadden doorgestaan, toen keerde het vertrouwen terug, en
vergat men het verlies, dat zij hadden geleden, ja, veranderde het
schier te hunner gunste, in een blijk, "dat zij toch goed moesten
staan." Maar wie het vergat, Becker niet--wie het voor een bewijs hunner
soliditeit liet gelden, Becker wist dat er slechts vijf ten honderd van
hunne aanzienlijke vordering te wachten viel; werken--werken--werken--werd
zijn pligt. Er bood zich eene gelegenheid aan, hun verlies te herstellen;
--het leed geen' twijfel, dat er nieuwe, voordeelige betrekkingen vielen
aan te knoopen, als men anderen vooruit wist te zijn in ijver, in
schikken naar den geest des tijds, in groote omzettingen voor geringe
winsten misschien. Eene verre reize moest met groote spoed worden
ondernomen; als zij slagen zouden, dan diende een der chefs van het huis
die zelf te doen. Becker ontwierp het plan, Becker ondernam haar, Becker
voerde haar uit,--hij was terug eer het algemeen wist, dat hij weg was
geweest;--hij had orders, groote, solide orders, zij wonnen veel gelds,
zij waren het verlies bijna te boven.--

"Het had erger kunnen zijn," zei Haeften.

En de vrouw van Becker zeide het hem na, maar eens,--het was in den
nawinter, ontwaakte zij midden in den nacht: "Wie kucht daar? Becker!
Becker!"--Hij schonk een glas water in, en leegde het in een paar
teugen. "Wat scheelt er aan?" en, daar zij geen antwoord kreeg, werd zij
eensklaps wakker of het uchtend was; "waarom frommelt gij dien zakdoek
weg?" Helaas, niemand dan hij wist, dat hij reeds meermalen bloed had
opgegeven ten gevolge van de vermoeijenissen der reize, dacht hij,--ten
gevolge van den angst, dien hij maanden lang leed, van de onrust over
het lot van vrouw en kinderen, die hij nog niet te boven was. "Het had
erger kunnen zijn," zeî de arts, die des morgens voor zijne legerstede
stond, en rust aanbeval, en veel van de naderende lente en van eenige
weken verblijfs op het land hoopte; Becker moest zich aan alle
beslommeringen onttrekken; Becker moest de zaken uit het hoofd zetten.
Och, die goede artsen, hoe redelijk eischen zij soms het onredelijke!
Maar waarlijk, het scheen dat het inderdaad erger had kunnen zijn. Eer
de lente kwam, werkte Becker reeds weder in zijne kamer, en toen hij
veertien dagen buiten was geweest, en zich--"beter, o veel beter,"
--gevoelde, hijgde hij naar het kantoor, en de zomer zag hem tot tien
uren des avonds op zijne kruk voor den lessenaar zitten, want hunne
zaken stonden gunstiger dan ooit ...

Echter liep de herfst niet ten einde, of zijne vrouw lag bij zijn
hoofdkussen op de knieën, en hij kuste zijne kinderen goeden nacht.
Haeften beloofde hem, voor deze te zullen zorgen,--en eene diepe stilte
verkondigde, dat het zijne laatste woorden waren geweest.

"Suze ik had u zoo gaarne rijk achtergelaten!"

Was het niet erg genoeg?

Ik heb de voorkeur gegeven aan eene schets naar het leven, boven eene
schepping der fantasie, maar geloof niet dat ik tot de verdichting mijne
toevlugt zou behoeven te nemen, om u somberder tafereel op te hangen,
hoe menig klerk de vermetelheid koopman te spelen heeft geboet. Waarom
zoude ik het verzwijgen, dat de figuur van Haeften mij, om het
harmonische, dat zij den indruk des geheels geeft, beviel? Er is, in de
bescherming, welke hij den kinderen toezegt, iets, dat ons met het lot
des vaders verzoent. En echter, hoe zeldzaam is de afloop van
verbintenissen van dien aard zoo weemoedig-bevredigend! Hoe vele heb ik
er niet gekend, die mij het oude spreekwoord: "alle compagnieschappen
beginnen in den naam des Heeren, maar eindigen in den naam des duivels,"
voor den geest herriepen? Het was altijd de vennoot, die luttel had
ingebragt, aan wien de kwade afloop geweten werd, hij was _te dit of te
dat_; genoeg, een man, die geen geld heeft, en wat dan ook _te_ is, wat
is hij anders dan een verloren man? _Le succes justifie tout_, zegt de
wereld; maar ik beschuldig den armen kantoorbediende niet van gebrek aan
moed, als hij zich laat terughouden van eigen zaken, door een grijnzend
gebouw, dat het verschiet verdonkert, door de _gijzeling_!

Voor haar huivert de klerk van middelbaren leeftijd, wanneer de gedachte
aan een etablissement bij hem opkomt, zoo dikwerf hij zich ergert aan
het vrolijke leven der buitenlandsche volontairs, welke zijn
chef,--commissionair--zeehandelaar--bankier--bijna als zijns gelijken,
als zonen van den huize behandelt. Inderdaad, uitheemsche vrijwilligers
hebben zich slechts fatsoenlijk te gedragen, om in de gezelschapszaal
des patroons als gasten te worden ontvangen; noch in het fransch, noch
in het duitsch, noch in het engelsch, heeten de jonge lieden, die op het
kantoor werkzaam zijn, _bedienden_. Onze patenten zijn in dit opzicht
waar, tot krenkens toe.--Als er iets aardigs of geestigs in die
vreempjes schuilt, zijn zij overal welkom,--als ze vlugge beenen hebben,
introduceert men hen alom, tot op het Casino toe,--en waarom zou men
niet? Eens zullen zij zelve een huis van negotie oprigten, en de
herinneringen uit de jeugd geven aan de handelsbetrekkingen, ten gevolge
van deze aangeknoopt, iets duurzaams, dat latere mededinging tart. Voor
de _gijzeling_, voor den kerker, waarin hij misschien zijnen
ondernemingslust boeten zou, huivert de gesalariëerde kantoorbediende
terug, als hij de uitspanningen zijner kinderen vergelijkt met het geld
stuk slaan der onbezorgde trekvogels. O, geloof niet, dat de schaal
effen hangt, wanneer hij hen voor "een bok op een' ezel" uitscheldt, als
zij hem te paard voorbij rijden en hem noode groeten;--geloof het niet,
als hij u verzekert, dat zij er in hun nieuwe kleêren uitzien "als apen
dat ze zijn," terwijl hij zijn kaalgeschuijerden jas humoristisch digt
heeft geknoopt, om zijn vuil linnen te verbergen. Hoe pijnlijk gaan hem
zijn aardigheden tegen fransche comedie en italiaansche opera af,--als
hij niet te zeer verstompt is om eenigerlei malligheden te bedenken, om
zijn' nijd achter schimp te verbergen, om spijtig te zijn. Immers
uitvallen van dien aard onderstellen nog een besef van vatbaarheid voor
genot,--hoe dikwijls gevoelen de ongelukkigen niets dan het wigt des
juks, dat hunne schouders neerkromt!

"Zoo ik nog vrij man ware!" zeiden wij, "wanneer ik nog alleen in de
wereld stond!" Inderdaad, wie zou dan de afhankelijkheid willen dulden,
in een' leeftijd, die zoo weinig plooibaars meer heeft; wie zou zich op
veertigjarigen ouderdom willen voegen naar de begrippen van nieuw
aankomende chefs, naar de grillen van jongere patroons! En echter--het
gezin, dat zich reeds zoo armelijk behelpen moet, het zou tot den
bedelstaf vervallen--zoo de plaats werd opgezegd. Verwondert het u, dat
de bedaagde bediende slaafscher kruipt dan een dienstbode, dat het
jammer met elk jaar ergerlijker wordt? O graauwende hairen, gebogen om
den wille van een karig loon! De meiden van het huis voeren hooger toon
dan hij. Op het bekende: "er is geene hand vol, maar een land vol," die
naïve verklaring van het beginsel, waarop de wisselzin der vrouwen
steunt, antwoorden de deernen luchtig weg: "Er zijn meer diensten dan
kerken!" Hoe anders ontrust zich de bejaarde klerk over een
onwillekeurig verzuim, over eene vergeeflijke vergissing, dan zij het
zich over het grofste vergrijp doen. Het heugt mij, een' vijftigjarigen
Correspondent te hebben zien beven van verkropte gramschap, toen een
lafbek van een' Associé de pen haalde door een' vier zijdjes langen
brief,--en echter ging de man naar zijnen lessenaar terug en schreef
eenen anderen. Nooit zal ik de dankbaarheid vergeten, waarmede een
Kashouder den eerlijken borst de hand drukte, die hem het geld weêrom
bragt, dat de laatste te veel had ontvangen, dat de eerste hem te veel
had betaald. De tranen stonden den grijskop in de oogen, en toch waren
het maar--vijf en twintig gulden. De volgende morgen zag beide, zoowel
na het eene voorval als na het andere, weder op het kantoor, weder aan
den arbeid, briefschrijvende en geldtellende; maar wat moet er in die
harten zijn omgegaan, toen zij, den avond te voren, in den schoot der
hunnen, ieder het zijne, hun gezin gadesloegen! "Dat leed ik om u,"
dacht de Correspondent; en welligt relde zijne vrouw hem aan de ooren
over een' uitgang voor de kinderen, om het zien van een spel op de
Botermarkt, de bloeden waren nog nergens geweest! "Wanneer er dat eens
bij was gekomen," zei de andere, terwijl hij misschien zuchtende, de
rekening van den schoolmeester wegborg. Verg hem niet, dat hij zijn
kroost op die der armen zende: zijn buurman, de blikslager doet het niet
eens!

"Als de armoede de deur inkomt, dan vliegt de liefde het venster uit,"
zeiden onze vaderen, maar men went niet aan den ruwer toon, dien zij
voert. Maar men komt niet tot de onverschilligheid, die haar dragelijk
maakt; maar men leert het leven niet dulden, ondanks dat het lijden is
geworden, dan door ongevoeligheid, door versteening. Dirk, de kashouder,
of Daan, de correspondent, zijn zoo min dezelfde Daan of Dirk meer,
welke zij vóór twintig jaren zijn geweest, welke zij, behoudens de
natuurlijke overgangen van den leeftijd, beloofden te zullen blijven,
als het paard, dat altoos een paard wordt geheeten, hetzelfde dier is,
wanneer het in jeugdigen overmoed de lucht van gehinnik doet daveren en
heiningen overspringt en stroomen klieft, en als het in een tuig
gespannen, dat het voor jaren zou hebben gescheurd als rag, den molen
rondstrompelt, blind en lam, met den vilder in het verschiet. Het is
even zeldzaam voor een van beide, deernis aan te treffen; maar hoe
verdienstelijk het zijn mag dierenapostel te wezen, menschen hebben
hooger aanspraak op ons mededoogen. En zoo lang ik niet geloof, dat
iemand tot dergelijke bestemming geboren wordt, zoo lang ik niet wankel
in de overtuiging, dat de wijsheid des Scheppers, welke in de Natuur
aller behoeften bevrediging waarborgt, zich af moest spiegelen in onze
beschaafde maatschappij, zoo lang zal ik de ziekelijke verschijnselen
van dezen aard bewijzen eener krankte achten, die genezing eischt.

"Gierige feeks!" mompelde Doorne, in zich zelven, terwijl hij, op een'
zondag-avond in de laten herfst, den trap van zijn bovenhuis
opstommelde, "gierige feeks! het is hier zoo donker, dat men hals en
beenen breken kan!"

Deze liefelijke toespraak gold niemand anders dan zijne vrouw, die toch
eens de liefste zijner jeugd, zijn mooi Kaatje was geweest,--die met
hare drie kinderen had zitten voortschemeren, terwijl hij door een'
zijner confraters van het kantoor--den expediteur--was vrijgehouden op
een heeren-diner;--de man was zoo aardig--buiten 's huis. Ik geloof
niet, dat het zijn doel was haar het verwijt toe te duwen, en echter
hoorde zij het. Op het portaal staande, had zij zelve, door een' ruk aan
het smerige touw, de deur opengetrokken, en zag, trots het duister,
waarover hij zich beklaagde, aan zijn struikelend klimmen slechts te
duidelijk, dat hij meer dan ontnuchterd was. Verwacht dus niet, dat zij
hem verbeidde, dat er eene ontmoeting plaats greep, zoo als
herderszangers er schilderen, bij de tehuiskomst van eenen daglooner,
een vriendelijk welkom, een kus als eene klok. In stilte hare smart
verkroppende, dat wrevel, louter wrevel in zijn gemoed alle vroegere,
zachtere, edelaardige aandoeningen had vervangen, trad zij de kamer
binnen en had licht ontstoken, eer hij over den drempel was gezwaaid.

"Al weêr roode oogen," gromde hij, haar opgewonden aanziende, "al weêr
roode oogen; als je meent dat het grienen je mooi maakt, Kaatje, dan heb
jij het mis, danig mis, kind!"

De vrouw antwoordde niet op den uitval; de beide meisjes, en hun
zoontje, zagen vader vreemd aan.

"Huilen en pruilen," voer hij voort, "men zou waarachtig voor zijn
pleizier t'huis komen. Was ik maar met de jongens meêgegaan--maar me
dacht, dat gaf voor een' getrouwd man geen pas! Hm, een getrouwd man!
Wie een fatsoenlijk meisje neemt, is er toch maar ongelukkig aan toe,
dat moet ik zeggen. Als het hem niet meeloopt in de wereld, als ze een
beetje de handen uit de mouw moet steken, dan zucht zij, dan steent
ze--"

Het verwijt was onbillijk, want het gansche vertrek getuigde, hoe veel
netheid vermag om behoefte te verbergen; en Kaatje--brave vrouw als zij
was--beproefde te verhelen, hoe diep de smadelijke woorden haar
griefden. Zij deed het om der kinderen wil.

"Maar, het is waar," voer hij voort, als tergde hem haar stilzwijgen,
--en toch zou het haar onmogelijk zijn geweest iets uit te brengen, al
had haar leven er aan gehangen,--"het is waar, je was het anders gewend.
Als jonge jufvrouw, hadt je een meid om je aan te kleeden, en schoon er
zie dàt niet bij je oude lui is overgebleven, toch was het Mijnheer en
Mevrouw, ja wel!--"

Hij moest veel gedronken--hij moest, zoo als het gemeen zegt, een'
kwaden dronk hebben, om dien toon aan te slaan; om Kaatje in hare
omstandigheden, in zulk een' oogenblik, aan hare jonkheid te herinneren,
toen betrekkelijke weelde haar deel was geweest, toen zij de poëzij des
levens genoot:--achting, vriendschap, liefde--zij, die nu tot zulk een
laag proza was gedaald:--vergetelheid, armoede, smaad.--

"Gaat naar bed, kinderen!" sprak zij tot de kleinen, zoo bedaard ze zijn
konde,--zij had de oogen een wijle ten hemel geslagen.

"Nacht paatje," mogten de meisjes zeggen; "paatje!" grinnikte hij, "wel
zeker, paatje! het was immers ook grootpapa _von Habernichts!_" Kaatjes
lippen sloten zich krampig;--de jongen was aan de beurt, een borst van
een jaar of tien.

--"Goeden nacht--"

"Haal me eerst mijn pijp, Bram!"

"Ze is stuk, pa!" zei de knaap.

"Stuk!" was het antwoord, "mijn meerschuimen pijp stuk! haal me mijn
pijp, zeg ik, of ik sla je de ribben stuk."

"Doorne!"--viel de moeder in--"de kinderen hebben van middag achter
gespeeld, en het roer gebroken."

"Dat komt er van; dewijl jij ze altoos t'huis houdt;--mijn pijp, jongen!
zeg ik."

"Als wij het ruimer hadden, als we ze konden kleeden--" het was olie in
het vuur,--die laatste hoogmoed van Kaatje, de hoogmoed van eene moeder
op haar kroost!

"Wat ruimer! andere vrouwen kunnen er meer van doen dan jij, maar die
zijn groot gebragt om den pot te koken, om--"

Bram was van de achterkamer weêr gekomen, met het _corpus delicti_ in de
hand: het viel den jongen aan te zien, dat niet hij zich aan den afgod
had vergrepen. De drift, waarmede Doorne de zenuwachtig trillende hand
naar het gebroken roer uitstrekte, onttrok Kaatje aan zijne
opmerkzaamheid; het laatste verwijt was haar te zwaar gevallen.

"O God!" zuchtte zij, terwijl hij bulderde:

"En wie heeft dat gedaan?"

Bram zweeg.

"Spreek op jongen!"

Bram bleef zwijgen.

"Als je niet antwoord, dan houd ik het er voor, dat jij de deugniet
bent.--"

"Houd het er voor, pa!"

Het was zóó ver gekomen in het huiselijk verkeer, dat het kind den vader
trotseerde,--schoon de knaap het uit een edel beginsel deed, dat
vergoêlijkt het niet.

"Doorne!" borst Kaatje uit, terwijl zij hem de hand zag opheffen, om
zijn kind te slaan, "Doorne! ge zijt u zelven niet,--straf Mietje, die
ze gebroken heeft,--maar doe het morgen, niet nu!--"

De laatste woorden voegde ze er bij, dewijl Doorne opwaggelde, om naar
de achterkamer te gaan.

"Er is nog een Goudsche pijp in den bak," zei Bram, instinktmatig naar
een' afleider toekende.

Toen het kind andermaal uit de kamer was, sprak Kaatje, met tranen in de
oogen, en smeekend zaamgevouwen handen: "Doorne! er was een tijd dat ge
mij lief hadt--toen waart ge nooit beschonken,--moeten wij nog
ongelukkiger worden?"

Het werkte.

"Er was een tijd dat ge mij lief hadt!" O grootheid der vrouw die alles
geduldig had gedragen, bekrimping, ontbering, vernedering,--behoefte,
armoede, gebrek,--zoo lang zij aan zijne liefde gelooven mogt,--die ook
thans nog niet bezweek, al kon zij zich naauwelijks langer diets maken,
dat er nog een' vonk van het heilig vuur in de asch gloeide.--"Toen
waart ge nooit beschonken!" Er werd zedelijk verval, verstomping,
versteening toe vereischt, om op zijnen leeftijd de gezochte makker te
worden van een hoop losse jonge lieden, om genoegen te vinden in het
zwelgen met deze, terwijl vrouw en kinderen te huis zaten, en treurden
en teerden op de herinnering van blijder dagen.--"Moeten wij nog
ongelukkiger worden?" Kaatje voorzag slechts te duidelijk, hoe weinig
er in eene stemming, als die van dezen avond, na tooneelen als het
geschetste, toe vereischt zou worden, om hem mede te slepen naar die
plaatsen, waarop ter beschaming onzer hooggeroemde zeden, niet enkel de
weelderige wulpschheid der jeugd hare gezondheid, en in deze haar geluk:
de kracht des ligchaams en de krachten der ziel aan den wellust offert!

Helaas, versteening des harten is zoo naauw verwant met verdierlijking
in genot.

Het werkte, zeide ik; maar of het op den duur zou hebben gebaat, als
Doorne denzelfden slentergang was blijven gaan, aan een kantoor waarop
hij automaat was geworden, naar een te huis, waarin hem slechts
toenemende ellende verbeidde, wie weet het? Welligt ware hij, "om zich
wat op te beuren," al dieper gezonken; doch grooter onheil, dan hij zich
ooit had voorgesteld, trof hem: de Firma, in wier dienst hij arbeidde,
failleerde! Verslagen kwam hij op zekeren ochtend bij Kaatje, vroeger
dan gewoonlijk, te huis, en deelde haar mede, dat het met hem gedaan
was! Op zijnen leeftijd scheen hem het vinden eener andere betrekking
iets onmogelijks; hij was letterlijk wanhopig!

"Een christenmensch wanhoopt nooit," hernam zijne vrouw, in haren
aandoenlijken eenvoud; "en allerminst onder rampen, die ons buiten onze
schuld overkomen."

"Wacht maar tot de raven het u brengen!"

"Foei Doorne! er valt geen muschje op aarde, zonder den wil van onzen
Hemelschen Vader,--als wij de handen aan den ploeg slaan ..."

"Maar ik ben te oud voor de expeditie; maar ik schrijf niet mooi genoeg
voor de boeken; maar--"

"Ik zal toch doen, wat mijne hand vindt om te doen,--niet waar, man?"
vroeg Kaatje.

"Zou het mijn pligt niet zijn?"

"Daar hoor ik mijn ouden Doorne weer," begon zijne vrouw, bemoedigd;
ijlings viel hij haar in de rede:

"Maar het kwartaal is al eenige dagen verstreken--de patroons betaalden
nooit, tenzij men er om vroeg--wie weet hoe lang het duren zal eer wij
het krijgen? Daarbij, in deze kleêren zie ik er zoo schooijerig uit, dat
niemand me nemen zal; en een' hoed en een vest te koopen--crediet heb ik
niet, vrienden die leenen nog minder,--neen met mij is het afgedaan.--Ik
kan bakker noch slager betalen ...

"Als het dáár slechts aan hapert," hernam Kaatje, "dan weet ik raad,
geld zult ge hebben," en zij riep Bram, die op de achterkamer zijn zusje
schrijven leerde. "Jongen!" sprak zij, en met bevende handen sloot zij
eene latafel open, waarin een bijbeltje lag, in vloei gewikkeld--dat
vloei had dertien jaren dienst gedaan, het was een bijbel met een gouden
slot! O! de traan, die er op viel toen zij het nog eens bezag eer zij
het haar zoontje overreikte! "Brammetje?" zei zij, "op de ----gracht,
--het huis van de ----straat, is eene _Bank van Leening_.--"

Zij had die toevlugt zeker menigmaal van verre en in het voorbijgaan
aangestaard, daar zij zoo juist de ligging, daar zij schier het nommer
van het huis wist,--en was er echter tot op dezen dag altoos nog
gekomen, zonder haren bijbel te verpanden.

"Het zal niet gebeuren, Kaatje!" viel Doorne in, "het is het laatste
aandenken aan uwe moeder.--"

"Dank voor het woord," zeide ze en reikte hem hare magere hand; "maar ze
zou me niet anders geleerd hebben, als zij er man en kinderen mee had
kunnen redden. Ge hebt eene ordentelijke plunje noodig en wij allen
moeten _eten!_ Bram! die groene deur ga je in--en--dan zal iemand je
vragen, wat je hebt--"

Kaatje, die van buiten was, zoo als de Amsterdammers zeggen; Kaatje, die
in het hoofdstadje van eene onzer landprovinciën was geboren en opgevoed;
Kaatje wist niet, hoe alles daar stil toegaat, het handuitsteken naar het
voorwerp,--het overreiken van het pand,--het beschouwen--het waardeeren
--heet het, geloof ik, stil, als ware de bank van leening het graf der
bedrogen hoop. Slechts de som, die men eischt, slechts de naam van den
verpander, wordt gefluisterd, of het eene misdaad was.

"Dan vraag je zeventig gulden op het slot, het heeft honderd en vijf
gekost; doch als ze maar zestig of vijftig geven willen, dan neem jij ze
ook.--"

Doorne hield de hand voor het gezigt. Beschaamde hem de moed zijner
vrouw,--kwam hij tot inkeer? Het knaapje zag zijne moeder aan, of het
zijne ooren niet geloofde.

"En als ze vragen van wie je komt, dan zeg je van eene oude jufvrouw
..."

"Een leugen, Maatje?"

"Om best-wil, kind! Van jufvrouw Effen.--"

"Toe jongen, ga dan toch," voer zij voort. Het kind was blijven staan,
vader en moeder beurtelings verbaasd aanziende.

Bram ging met looden schoenen--niet dewijl het kind al wist, welk eene
droevige ervaring er in het woord der behoeftigen schuilt: "het gaat er
heen als eene veêr, het komt weêrom als een steen." neen, dewijl ook hij
een' instinktmatigen afkeer had van de schuine deur, die men niet binnen
gaat, maar insluipt.

"O Doorne!" zei Kaatje, toen de borst de trappen af was,--zoo lang ze
zijne voetjes hoorden, hadden beide gezwegen,--"o Doorne al kwam het ook
nooit weer in mijn handen, zoo noode als ik het zou missen, zoo graag
heb ik het veil, als gij weêr de oude wierdt, als ge mij liefhadt als
weleer, als ge begreept, dat ik maar zuinig was om bestwil!--"

Doorne ware een onmensch geweest, als hij het niet had beloofd;--hij
deed meer, hij hield woord. Zoodra het jongske was teruggekeerd--met
geld;--zoodra de angst voor dadelijk gebrek, tot welken prijs dan
ook--geweken was, zoodra hij zich de vereischte kleinigheden had
aangeschaft, om als sollicitant uit te kunnen gaan--de kleederen maken
ook van den smeekende den man--trok hij de stoute schoenen aan. Hij
beriep zich op zijn ongeluk,--hij sprak van de familie zijner vrouw,
de familie, waarop hij gesmaald had, die schoon geen rijke, echter
fatsoenlijke, eerlijke brave luî waren geweest,--en hij slaagde. Eer
eene halve maand verstreken was, zag hij zich weder geplaatst, en wel
beter dan te voren, bij den echtgenoot eener vroegere, jongere vriendin
van Kaatje. Als deze haar bij wijlen des zondags uit de kerk een bezoek
brengt,--de vriendschapsbetrekking is door de heusche rijker gehuwde
weder aangeknoopt,--als Kaatje te harent komt, het geloste bijbeltje in
de hand, en Amalia dan het slot beziet, waarop zij weleer aan de knie
van Kaatje staande _Mozes_ en _Aäron_ leerde kennen, en haar verzekert,
hoe haar dat alles nog heugt, dan denkt de vrouw van Doorne, en wel mag
zij:

"Als gij eens wist, wat er sedert met dat boek gebeurd is, en hoe veel
ik er aan ben verpligt!"

Gelukkig loopt het geen gevaar, andermaal in den Lombard te komen. De
betere mensch, de mensch, die hoopt, die verwacht, die uitzigt heeft,
en, daardoor geprikkeld, werkt, streeft en zich beijvert, is in Doorne
weder ontwaakt.--

Wat Brammetje in zijn volgend leven vergete, nooit doet hij het de
jufvrouw met mooije linten op de muts, die binnen chocolade zat te
drinken, en hem geene zeventig gulden op het bijbeltje van zijne moeder
wou geven:--"maar vijftig, het is zoo dun!--"

Wie is er die eischt, dat ik nog dieper afdale, dan ik het in het
schetsen van Doorne deed, eer de val van het huis, waaraan hij zijn lot
verbonden waande, het middel tot zijn oprigting werd? Een verwaarloosd
huishouden,--een schot kinderen--als de term is--voor wier
verstandelijke vorming even weinig zorg wordt gedragen als voor hunne
zedelijke;--eene ellende, die overgaat van geslacht op geslacht? Men zou
mij beschuldigen van overdrijving, van zware toetsen naar willekeur
aangebragt. Ik zal er mij voor hoeden, hoe dikwijls dat alles ook het
lot is der ongelukkigen, van welke ik vermogende lieden, die aanspraak
maakten op humaniteit, en wie het in andere opzichten niet ontbrak aan
menschenkennis heb hooren beweren: "Zulke luî zijn er aan gewend, zich
te behelpen,--zij weten niet anders of het hoort zoo." Jammer voor deze
wijsgeeren, dat zij van tijd tot tijd uit hunnen zoeten waan worden
wakker geschrikt door het nieuws, dat een kantoorbediende zich aan het
goed zijns meesters heeft vergrepen, dat een kashouder op de vlugt is
gegaan, dat de verzoeking dezen of genen klerk te zwaar is geweest.
Dagelijks zagen zij weelde, en dagelijks leden zij ellende; geene
heuschheid beurde hen op, geen uitzigt bevredigde hen--en zij vielen!
--Veroordeel,--de maatschappij eischt het, de wet geeft er u het
regt toe,--maar beklaag tevens. Gelukkig zoo gij u zelven bevredigend
kunt antwoorden, als ge u gemoedelijk afvraagt: "Schoot ik niet te kort
in belangstelling in het lot van dien huisvader?--heb ik door het
vertrouwen dat ik in dien _arme_ schonk, hem niet op te zware proef
gesteld, zijne omstandigheden in aanmerking genomen?"

Wie het er op waagde, dat hij in zijn heer en meester zulk een witte
raaf schieten zoude, Hammink wachtte zich wel voor een onberaden
huwelijk, Hammink, de vertegenwoordiger van een talrijke soort
kantoorbedienden, oud vrijër per systema, en egoïst bij gevolg. Maar de
mensch moge eene bijdrage tot de natuurlijke historie leveren, zelfs een
klerkenslag laat zich niet generaliseeren als eene vogelensoort b.v.,
laat zich niet afschepen met enkele trekken, zoo als: zulk een kop,
zulke veêren, zulke pooten en zulk eene vlugt. Hammink behoorde, om
dadelijk een bewijs te leveren, in hoe vele _species_ ook dit _genus_
moet worden verdeeld, Hammink behoorde even weinig tot de overgroote
klasse van hen, die in hunne vrijheid--vergeef mij het woord, het feit
verdient geen beter--verliederlijken, als tot de zeer kleintallige,
welke in hun eentje vergierigaarden--ik vind de uitdrukking eer juist
dan mooi. Ook was hij geen _sentimental bachelor_, in onze tijden meer
in de wereld der verdichting, dan in die der wezenlijkheid aan de orde
van den dag, maar waarvan toch enkele voorbeelden zijn op te duiken. Ge
hadt jaren lang groot gevaar geloopen, hem evenzeer voor den gelukkigste,
als voor den welgedaanste van den gilde te houden. Hij was rond als eene
ton, want hij hield veel van een goed maal en een gullen dronk. Alle
_table-d'hôte_-houders wisten, dat hij geene lijst voor een' maaltijd,
ter viering van wat het zijn mogt, ongeteekend terugzond. Hij wilde voor
eene geboorte, voor een' veldslag, voor een vijfentwintigjarigje; hij
woû voor alles meê eten, al had hij geen plan ooit te trouwen--geen
plan, voor zijn vaderland ooit eene vin te verroeren,--geen plan voor
eenige maatschappij ooit een' driegulden af te schuiven. Ge stemt mij
toe, dat de man in geen' gelukkiger leeftijd dan in den uwen en den
mijnen kon zijn geboren; wat het aantal _diners_ betreft, meen ik.
Behoef ik er bij te voegen, dat hij _habitué_ van elk koffijhuis was, en
nergens minder te huis dan op zijne kamer? Het was er dan ook eene kamer
naar. Doch wat maakte het uit? Vrienden zag hij niet, om de
doodeenvoudige reden, dat "een jonge heer zich met al dat gesnor niet
kan ophouden." En bovendien, man! hij was het zoo veel beter gewend, dan
zijne meeste gehuwde kennissen opdischten. Welk een poespas! Dan at hij
anders in de ---- en bij ---- en aan ----; allemaal middelmatige
logementen, op mijn woord!

Laat mij voorzigtig zijn--ik ga den man in een scheef licht voorstellen;
hij was niet ontbloot van gevoel; hij had eene plaats in den bak van den
(toenmaligen) Stads-schouwburg te Amsterdam.

Vijf en twintig jaren lang was hij er elken Zaterdagavond, zóó trouw met
den klokslag, als de _souffleur_ in zijn hok; vijf en twintig jaren, in
de eerste tien van welke het parterre-publiek, geregeld ééns in de
week,--en wel op zijn' avond--in tranen zwom, bij de vertooning van een
treurspel. Al zijne meêwarigheid, al het vrouwelijke in zijn gemoed, al
de verteedering, waarvoor hij vatbaar was, plagt zich dáár des winters
lucht te geven; het was eene soort van veiligheidspijp voor
aandoeningen, welke hem anders duurder zouden zijn te staan gekomen,
Dries, Jans of Trui--(de heer Snoek en mevrouwen Wattier-Ziesenis en
Grevelink)--ontlokten hem tranen: waarachtig, iets dat naar tranen
zweemde;--hij had er de gansche week geen' last meer van. Vooral wanneer
hij in de pauze een stevig glas punch had gedronken bij Casje, en daarna
een ballet gezien, dan waren alle sporen van verweekeling weer glad
uitgewischt.

_Probatum est!_

Als een arme drommel van een' confrater, met een zwaar huishouden
belast, hem in de volgende week tien gulden ter leen vroeg, dan
antwoordde hij: "Jongen, je weet, dat ik het nooit doe;" en herinnerde
zich te gelijk, hoe het hem, eergisteravond, bij het tooneel tusschen
Ninus en Semiramis, op nieuw gebleken was, dat zijn hart wel op de regte
plaats zat. Zoo iemand, hij trok partij van zijne liefhebberij voor de
kunst!--Als hij in den zomer, op zijn gewoon zondagstogtje naar Haarlem,
eens bij toeval van Piepenbrink was afgedwaald,--hij zag er het bekende
_uitstapje_ zoo gaarne _in natura_--en hem eene arme vrouw in de
Spanjaardslaan verraste, dan zou hij misschien in den zak hebben
gegrepen, als hij er niet juist aan gedacht had, hoe Phedra wenschte in
de lommer van het bosch te zitten, om een' wagen na te oogen, in wolken
stofs gehuld! "Loop naar den drommel!" riep hij der vrouw toe, zij
stoorde zijne illusie.--Eén bewijs nog, en gij schenkt mij de overigen.
Wanneer zijn patroon hem eens wat hard viel--het moest erg zijn eer hij
het voelde,--dan troostte hij er zich mede, hoe diep de man, trots al
zijne schatten, toch nog beneden Augustus stond; Augustus die tot Cinna
zeide:--wie weet niet wat?--Verwondert het u nog, dat het klassieke
treurspel op zoo vele ongeroepen aansprekers bogen mogt?

Ik heb de éénige poëtische zijde van zijn karakter in het licht gesteld,
men vergunne mij te zeggen, de éénige plek aangewezen, waarop eenige
soort van poëzij vat op hem had--behalve het epicurisch genot der tafel.
Ge begrijpt wat hij leed, toen het treurspel uit de mode raakte. Houd
het er echter voor, dat hij het zou zijn overgekomen, als hij niet,
langzamerhand, een dagje ouder geworden, eene kwaal had gekregen, die
hem van tijd tot tijd hulp, toespraak, gezelschap, onontbeerlijk maakte.
_O obstructies! o hemorrhoïdes!_ Hammink--het motief was het vreemdste,
het ongehoordste niet--Hammink dacht inderdaad aan een huwelijk, hij zat
zoo alleen--hij was zoo vlug niet meer--ter been altoos.--Vrienden? hij
had er geene.--Kennissen? die komen naar geen' grommert omzien.--Een
huwelijk dus. Maar wie zoude hij vragen? wie kende hij?

Deze--die--dat--vul al de fraaije benamingen, waarmede een oud vrijer
vrouwen en meisjes bestempelt, zelf in,--neen, het ging niet. De dagen
om er eene speculatie van te maken waren voorbij. Voorbij? had hij er
dan ooit plan op gehad? Kwade tongen relden wel, dat hij in zijne
jeugd--vroeg--heel vroeg--naar een weêuw had gevrijd, die rijk, zeer
rijk was,--maar dat hij er met een blaauwe scheen af was gekomen. Hoe
konden de menschen het zeggen? O logen! Had hij dan niet op hare
bruiloft gedanst, ik meen, gegeten, voor zes? En dan te verspreiden, dat
hij verliefd was geweest,--verliefd--de kwaal, waarvan men bleek ziet,
al is men zwart als Orosman;--verliefd--dat ding waarvan de helden den
mond vol hadden, tot Titus, den zoon van Brutus toe, maar waarvan hij,
ondanks al hunne tirades, nooit het verhevene had begrepen. Het was
laster; schandelijke, zwarte laster. Doch, dat mogt zijn zoo het wilde,
hij had nu behoefte aan oppassing. Hoe dit den kring beperkte, waaruit
hij kiezen kon! Van eischer was hij er waarlijk toe gebragt te
overleggen, welk voordeel een huwelijk met hem, zelfs een burger-, zelfs
een minder meisje aanbood. Een meisje?--ja!--want wat hij over 't hoofd
mogt zien, op twee voorwaarden moest hij aandringen, slechts om deze
huwde hij: zij moest jong, zij moest vlug wezen. Het was ligter die
beide vereischten te vinden dan den steen der wijzen; maar hij had toch
in geen zijner treurspelen ooit iets gezien, ooit iets gehoord, dat naar
een' echt zweemde, als dien, welken hij zat te beramen. Het was iets
ongehoords in de zoogenaamde klassiek, en ook de romantiek leverde er
maar weinig voorbeelden van op. Zelfs de historie van "het Spaansche
Heidinnetje" maakte beter figuur dan de zijne zou doen.

Goden en menschen!--hij trouwde de meid van zijne commensales.

Arme stakker! Op zijn vijfenvijftigste jaar heeft hij het pleizier aan
het wiegetouw te trekken,--en bitter weinig oppassing op den koop
toe;--zelfs de meid vindt niet dat zij fortuin heeft gemaakt met een'
kantoorbediende.

Het valt moeijelijk ernstig te blijven bij eene figuur, bespottelijk als
deze;--en echter was het mijn doel niet, uwen lachlust op te wekken;
echter zijn Hammink's gelijken beklagenswaardiger dan gij gelooft. Van
alle gewaagde echtverbintenissen schijnt mij die van ongelijke
standen--een jammer, waartoe meer klerken vervallen dan onze
tooneelkijker--de meeste kwade kansen te opleveren. Het strijdige der
begrippen van beide echtgenooten over allerlei menschen en allerlei
dingen kweekt een eindeloos verschil van meening. Wat vertrouwelijks,
wat innigs is denkbaar, waar sympathie in wijze van zien faalt? Stel u
een paar voor, bij hetwelk zoo min verstand als gevoel ongeveer in
dezelfde mate zijn ontwikkeld en beschaafd, en zeg mij, of de band niet
los zal springen, zoodra verzadiging op genot volgt? Hebt ge ooit
huiselijk heil benijd of bewonderd, waar de echtgenoot in eene geheel
andere wereld van gedachten en gevoelens leefde, dan de gade, of
omgekeerd? Het is veel, als het bij louter koelheid, louter vervreemding
blijft; als de ongelijkheid geene walging, geen' weêrzin opwekt.
Verscheidenheid moge tot éénheid voeren, van elkander afkeerige
elementen kampen tot het sterkste overwint. Enkele malen, het is waar,
trekt de man zijne vrouw tot zich op, of haalt de vrouw haren man tot
zich neêr; maar gewoonte, die ons van kindsbeen af bootseerde, is eene
onhandige herschepster; zij doet het volwassenen slechts pijnlijk,
stuksgewijze, en niet zonder herhaalde wederinstorting. Liefde is
almagtig;--doch is de liefde van een' klerk voor eene meid, is dat de
hartstogt, die, veredeld, het onmogelijke mogelijk maakt? Helaas, neen,
hoe weinig is zij in harmonie met zijne jeugd, zijne opvoeding, zijne
herinneringen,--hoe wreken deze zich, als hij zijn kroost aanziet!
Kinderen uit zulk eenen echt zijn geene strikken, welke het paar naauwer
aan een sluiten, het zijn struikelblokken, die den dagelijkschen omgang
verzwaren. Hoe verscheiden is het oordeel van zulke ouders over hunne
vorming niet? Wie schetst de ergernis eens vaders, die in zijne dochters
dezelfde onbehouwen stukken vleesch ziet opgroeijen, als waaraan hij
zich verslingerde; wie het leed eener moeder, die zoo gaarne uit hare
jongens iets aêrs zag opwassen, dan het evenbeeld des timmermans, wien
zij in een zwak oogenblik hare hand gaf? Ziedaar de wroeging naar het
ligchamelijke; dat het naar den geest beter ginge! Maar hetzij de man of
de vrouw ophebbe met een weinig meer beschaving, met ietwat opener zin
voor het welvoegelijke, het bevallige, het edelaardige, het verhevene
--het zijn allen zusters van het schoone--hoe dikwijls grieft het hem of
haar, bij melieve, of bij mijnlief, in plaats van eene ijverige hulpe in
de ontwikkeling, onverschilligheid of wederstand aan te treffen! Men
begrijpt elkander niet,--men voelt verschillend,--men doet zeer zonder
het op te merken,--men kwetst eer men het weet,--men ergert elkander,--men
kwijnt weg,--men geeft het op;--arme kinderen, wat wordt er van u?

Vernedering in de jeugd, als bij Rivers; verloochening in de
jongelingsjaren, als bij Vreese; afhankelijkheid in den middelbaren
leeftijd, als bij Gerrit en Aagje; verval naar ligchaam en geest in den
vóórherfst, als bij Doorne; vervreemding van den kring waarin men
geboren, voor wien men gevormd werd, als bij de beteren uit de klasse
van Hammink,--of de avond van het leven van een' kantoorbediende, de
ellende van ochtend en middag opwoog! Vlei er u niet mede, tenzij de
klerk reeds vroeger getracht hebbe boekhouder te worden,--bij een'
komenijsman, bij een' winkelier, bij een tweedehands huis, bij wie hem
nemen wil, in één woord,--de wijssten doen dit het vroegst. Het geeft
aanleiding, met meer menschen in betrekking te komen; het bewaart voor
den vloek, van een' enkele af te hangen. Ik ken er, die zes, zeven pezen
van die soort op hunnen boog hebben, en er hun wit meê beschoten: eenige
huisjes, een effect of wat, en kroost, des noods in minderen, maar toch
degelijken stand geplaatst. Zóó behoort het--genadebrood is altijd hard,
maar hardst uit de handen van jongeren van dagen. Waan daarom niet, dat
allen zóó gelukkig zijn. Al ziet gij zeldzaam een man, die al grootvader
is--en toch nog kantoorbediende--des middags naar de beurs strompelen,
om dezen of genen jongen mensch in een' anderen hoek dan dien van het
huis op te sporen, en hem te verzoeken, eens bij den patroon te komen,
--daar zijn er, voor wie de schaduwen zich verlengen, zonder dat zij hun
ruste aankondigen. Daar zij er, die 's ochtends naar het kantoor sukkelen,
traag van voet en stijf van leden,--die binnenkomen, met het hoedje in
de hand, schoon kaal of grijs van schedel,--die den rok aan den kapstok
hangen, schoon de hand hem naauwelijks meer beuren kan,--die de pen
versnijden met bevende vingers. Aan uwe taak, oude stumper, of gij en uw
besje hebt gebrek! O, hooggeroemde vrijheid onzer instellingen! wat wist
de oude vassal van zulke ellende? Plagt hij niet voor de deur zijner
hut, in de lommer der eiken gezeten, rustig toe te zien, hoe zijne
kinderen en kleinkinderen feest vierden op het groene gras; had hij
geene bete broods en geen glas melk over voor den moeden pelgrim, dien
zijne oogen in het verschiet niet meer konden onderscheiden, maar die
den grijze met een: "de heilige maagd zegene u!" genaderd, door dezen
"welkom!" werd geheeten, onbekommerd welkom? Het is waar, als de trompet
werd gestoken, als het strijdros op het vóórplein van den burg trappelde,
als de ridder, de heer, zich het harnas om de leden gespte, dan moest
zijn zoon, zijn kleinzoon, den ploeg den ploeg laten, om de morgenster
of den strijdakst op te nemen, om te velde te trekken voor, neen! met
zijnen meester; want voor wat anders vochten deze, dan voor het stuk
gronds, dat hunnen oogst droeg, dan voor de kleine woning, wier dak de
grijsheid en de jeugd, het verledene en de toekomst, hunne ouders en
hunne telgen herbergde? De dagen der grafelijkheid leverden geene
wedergade op van het jammer onzer handels-eeuw.

Eene vergelijking uit onzen tijd!

Er gaat in den ganschen lande maar ééne stem op over de bureaucratie,
welke ons uitmergelt; doch schoon de jongste wet op de pensioenen werd
verworpen, hoe luttel leden der Tweede Kamer loochenden de billijkheid
van het beginsel, dat dertig of veertig jaren trouwe dienst aanspraak
geven op een onbezorgden ouden dag! Eere den minister, die menschen-
kennis genoeg had, den staat noch eerlijke, noch ijverige dienaren te
durven beloven, als alle uitzigt op pensioen, den ziekelijken of bedaagden
werd ontnomen. Maar wie waarborgt dit den kantoorbediende, den klerk, die
meer van zijnen patroon inschikt, dan de ambtenaar van zijnen superieur;
den pennelikker, die niet, als de geëmploijeerde, gegronde hoop
koesteren mogt op bevordering? Waarlijk, de laatste valt naauwelijks
onder de automaten te betrekken; want er was een prikkel, die hem
aanvuurde; want, vergelijkender wijze gesproken, had hij veel vrijen
tijd; want er blijft voor hem eene rust over, als de Heer zijne dagen
rekt. In den toestand, dien wij beschouwen, schemert geenerlei licht den
donkeren nacht door, dan de bleeke toorts des medelijdens van een jonger
geslacht; bouw daar uwe hoop eens op! Het is hartverscheurend, dat ik er
bij moet voegen, dat eene kleinigheid, "te veel om van te sterven, te
weinig om van te leven," slechts zelden wordt toegestaan, zeldzamer nog
met die genegenheid, waarop de dienst van een gansch leven regt geeft.

Er is iets verschoonlijks in de aarzeling, waarmede men er toe komt,
eenen ouden klerk van zijne werkzaamheden op het kantoor te ontslaan,
schoon men hem zijne bezoldiging blijft uitbetalen. "Wie weet hoe lang
het met den ouden man nog duren zal?" heet het soms, "in de laatste
jaren hadden wij toch reeds zoo weinig dienst van hem." En echter, och,
dat ge liever bedacht, dat zijne beenen verstramd zijn, door het
opklimmen van uwe trappen,--dat zijne oogen verglaasd zijn, bij het
licht van uwe lamp,--dat zijn hoofd suf is geworden, door het optellen
van uw vermogen--uw vermogen!--Hij heeft stellig dat uws vaders,
misschien dat van uwen grootvader gekend--hij heeft geweten, hoe deze
begon--overlegde--groote winsten had. Al die jaren bleef hij de oude
knecht; of was uw voorganger milder dan gij, zijne kleine douceurs
werden wel vereischt, om zes of zeven kinderen groot te brengen. Hij
heeft meer voor u gedaan, dan al die dagen en maanden en jaren der zaken
uws vaders te wijden--niet meer dan hij schuldig was, als ge wilt, maar
dat u niet minder aan hem verpligt:--hij heeft gezwegen, gezwegen met
voorbeeldige trouw, toen eene onderneming van uwen grootvader faalde,
toen zijn crediet hem staande hield, terwijl de schaal van zijn vermogen
wankelde. Als gij die toen welligt nog in de wieg laagt, of zorgeloos
speeldet en stoeidet, getroeteld kind als gij waart, rijke jongeheer als
gij heettet, wanneer gij er toen begrip van hadt kunnen hebben, hoe uwe
toekomst, hoe de middelen van herstel afhingen van de stilzwijgendheid
van dien eenvoudigen, burgerlijken man, dan hadt gij hem gaarne een'
onbekommerden ouden dag beloofd, ten prijs zijner geheimhouding. Die
oude getrouwe! Als hij voor zich en de zijnen bad, dan bad hij ook voor
u, want het huis uws vaders was schier zijne Voorzienigheid, en hij
wiens naam gij draagt, wiens vermogen gij erfdet, wien gij uwen rang in
de maatschappij verschuldigd zijt, hij had dien eenvoudigen,
burgerlijken man lief!

"Waar blijft Loman toch?" vraagt de nog jeugdige patroon, eene plaats
aan den lessenaar ledig ziende.

En het antwoord is niet: "Loman is ongesteld," want het is ongeveer eene
halve eeuw geleden, dat de man in den leeftijd was, waarin deze of gene
uitspatting op kermis of partij met een' dag te huisblijvens wordt
geboet,--ook is het hem tusschen de twintig en dertig misschien geene
drie malen gebeurd. En het antwoord is nog minder: "Loman heeft verlof
gevraagd, om naar buiten te gaan," want noch zijne betrekking, noch zijn
salaris, hebben hem ooit vergund boven Utrecht te komen, en sedert hij
getrouwd is, heeft hij, even als de aartsvaders naar het paradijs,
dikwijls maar vergeefs, naar Haarlem uitgezien; de slatuintjes en de
Amstelveensche weg,--ziedaar al de schoone natuur, welke hij in twintig
jaren genoot. Sloten of Ouderkerk is zijn _Ultima Thule_ geworden. En
het antwoord is allerminst: "Loman viert de bruiloft van een zijner
kinders," want dat feest zou de man op zondag hebben geschikt, als er
van zijne vier dochters meer dan ééne enkele gehuwd was. Stel u gerust,
de overigen winnen zelve den kost, door mutsen opmaken, door kleedjes
verstellen, enz, enz.--de middelen waardoor eene oude vrijster er ten
minste voor bewaard wordt, van honger om te komen.

Het antwoord is: "Loman heeft de jicht!"

De jicht! Vreeselijke kwaal voor een' geest, die nooit had geleerd in
lectuur afleiding te vinden, door nadenken;--die, in het huiselijk
tooneel om hem heen, niets opbeurends aanschouwde,--die maar wenschte,
dat hij zich op het kantoor weêr van zijn' pligt kwijten kon,--die de
ziekte verergerde door het ongeduld.

"Het is lastig," zegt de patroon. De man meent voor hem, aan den zieke
denkt hij niet.

Er verloopt eene week, en de chef herhaalt de vraag, en het antwoord is
hetzelfde. Jan (de knecht) is in het voorbijgaan bij den oude aangeweest,
--de boodschap blijft "_pijnlijk!_"--Voor twintig, voor tien jaren nog,
toen de man, zoo al niet meer in zijn' fleur, echter nog vrij kras mogt
heeten, zou de patroon zelfs eens hebben gaan zien, hoe hij het maakte,
deels uit belangstelling, deels uit belang. Maar nu! de oude zaak, die
Loman zou napluizen, moet dan maar weêr een veertien dagen rusten;--de
jicht, wat is daartegen te doen? Weleer--ja, toen zond mevrouw eene
flesch wijn voor den herstellende, nadat zij een potje gelei had gestuurd,
om op de bittere medicijnen toe te nemen,--doch thans, er is voor den
ouderdom geen kruid gewassen, het einde is toch de dood.

Duid het menschen van jaren eens ten kwade, dat zij gierig zijn, als ge
zoo vaak ziet, wat grijsheid is zonder geld!

Het eindje was bij Loman niet de dood; op een' maandagmorgen, later dan
anders, maar toch niet over kwartier over tien, kwam Loman, vermagerd en
aêmechtig, zijne plaats achter den lessenaar hernemen, eene schaduw van
hetgeen hij nog voor een jaar was geweest. De jicht heette geweken voor
het zoele weder, voor het roode flanel, dat de knie nog omzwachtelde,
voor--waarom het verzwegen?--voor den ijzeren dwang der behoefte; de man
steende bij iedere beweging, en zijne borst "was niet vrij." Als gij er
aan getwijfeld hadt, dan had zijn kuch er u van overtuigd.

Het werk ging drie dagen lang zoo als het kon.

Den vierden ontmoette mevrouw hem toevallig bij den trap--hij zou haar
voorgaan--ik spaar u het overige.

Den vijfden zei de patroon:

"Je kunt in 't vervolg wel t'huisblijven, Loman, we hebben toch weinig
meer an je."

Het ging mij door de ziel--want de chef liet een paar minuten verloopen,
eer hij er bijvoegde:

"Je salaris blijf je trekken."

O die oogenblikken, eer dat woord het afscheid verzoette, wie schetst
ze? De oude voelt niet vlug meer; het trage bloed sluipt slechts door de
aderen; de verdroogde, gerimpelde huid schijnt aan te kondigen, dat het
tijdvak der gewaarwordingen met dat der driften voorbij is;--maar
wegzinking van oogen en waggeling van knieën, maar beving der handen en
trilling der lippen; vergete haar wie het kan, mij heugt de ergernis of
ze mij heden eerst tegen de borst stiet. De ergernis, zeide ik, het
ergerlijkste volgde eerst. Naauwelijks was de toezegging gegeven, of de
stumper drukte de handen van den patroon, die zich dezer gemeenzaamheid
schaamde. Het was een tooneel, om aan de woorden van Pius VII te denken,
toen ligtzinnige jeugd de handenoplegging weigerde van den naar Parijs
gevoerden vorst der kerke, toen smaad en spot hem ballingschap en kerker
verzwaarde. "Jonkman!" zeide de paus, dat oogenblik grooter dan zijne
voorgangers het mij schijnen, toen keizers hunne muilen kusten,
"jonkman, de zegen eens grijsaards heeft nog niemand geschaad!"

Loman niet aldus; hij bemerkte ter nood den gruwel, hij ging heen,
schreijende heen van het kantoor, waarop hij jeugd, middelbaren
leeftijd, bedaagde jaren en ouderdom ten offer had gebragt voor weinig
loons en veel ondanks.

Welk een leven!

Welligt zal ik, die u in deze schets den ruwen omtrek van het laatste
bedrijf des treurspels leverde, de beschuldiging niet ontgaan, dat
ik eene satyre op den handel heb geschreven, dat ik de klerken
idealiseerde, ten koste der kooplui. Het eene was zoo verre van mijn
doel als het andere,--ik haast mij dien verkeerden indruk vóór te komen.

Ik zou mij kunnen beroepen op de voorgaande bladen; ik heb het regt te
vragen, of ik éénigen patroon met eene zwarte kool heb geteekend, dan
dien van Aagje's echtgenoot. Liever breng ik uit mijne weinige
ondervinding eenige voorbeelden bij, hoe onbillijk de voorstelling zou
zijn, _allen_ in zulk een donker daglicht te stellen. Ik ken huizen--het
zijn meest oud-hollandsche--waarin alles nog iets burgerlijks ademt;
waaruit de vroomheid der vaderen--eene praktikale--nog niet geweken
is;--in welke een band van vertrouwelijkheid den meester en de
leerlingen omsluit. Er wordt den laatsten in deze nog deel gegund aan
een huiselijk feest des patroons. De verjaring van een' der chefs blijft
er geen geheim, dat zij slechts uit den toestel voor een' maaltijd--uit
den geur der spijzen in den hoogen en langen gang--uit de komst der
gasten, gissen. En hetzij gij al of niet gelooft, dat een glas water,
aan een dorstige gereikt, de prijs van het eeuwige leven kan zijn, ik
ben er zeker van, dat ge u als ik zoudt verlustigen, wanneer ge bij
dezen of genen eene verrassende versnapering op het bord van het
twaalfuurtje zaagt, wanneer gij de koffij ietwat sterker rookt dan
gewoonlijk! Het zijn kleine teekenen van groote deugden. Die
aanvullingen slechten de maatschappelijke klove niet, het is waar; doch
wie eischt dit? er heersche onderscheid, afstand, zoo ge wilt, mits men
elkander, mits vooral de mindere den meerdere kunne beroepen, als hij
in nood is! Welnu, die onbeduidendheden waren schier overal zoo vele
waarborgen eener echt menschelijke betrekking. Het was of het hoofd des
huizes, dat zóó zijn' feestdag vierde, de jongeluî van het kantoor tot
zijn gezin betrok, niet alleen als zijne hand de beker der vreugde
ophief, maar ook en vooral wanneer zij den kelk der smarte ledigden.
Er waren onder deze, die toezagen, die voorkwamen, die bijstonden, als
de jongheid van het pad afdwaalde, als de middelbare leeftijd onder
onverwachte slagen schier bezweek, als de ouderdom den last des gezins
verdubbelde. Wie het mij euvel duiden, dat ik er goedrond voor uitkwam,
dat het niet algemeen zoo is, dat te dikwijls louter de band des belangs
partijen verbindt, dat geen inmengsel van heuschheid het straffe der
bevelen tempert,--zeker doen zij het niet. Alleen op hun oordeel stel ik
prijs.

Het verwijt, dat ik af wilde keeren, was tweeledig. "Idealisatie der
klerken!" hoorde ik mij van verre toeroepen. Eilieve, welke dan de
natuurlijkste en meest alledaagsche wenschen heb ik hun toegekend,--eene
niet al te drukkende afhankelijkheid--een huiselijk geluk, zoo matig in
zijne eischen, dat het ten prijs van de eerste behoeften des levens te
smaken valt--een' ouden dag, door geen schrikbeeld van hofje of gebrek
bedreigd? Wat wilt ge redelijkers? Wie is er onder de zes of zeven
klerken, welke ik opvoerde, die geblaakt werd door een' overgrooten zin
voor eenige wetenschap of kunst? Heb ik één hunner een zweem van aanleg
bedeeld, waardoor hun toestand--de bekrompene, de gesmade, de vergetene
--dubbel pijnlijk werd? Schetste ik eene liefde voor natuurschoon, sterk
genoeg om iemand achter den lessenaar en _vis à vis_ brievendekkers en
loketkasjes te verteren, iets gelijkende naar de foltering van een'
landschapschilder in den dop, achter de toonbank of bij de ijzeren kist?
Zaagt gij een' der zeven ter prooi aan kennisdorst, die, door geene studie
beurtelings te leur gesteld en geprikkeld, in den blinde om zich grijpt
naar boeken, en slechts te feller martelt, hoe duidelijker het den arme
wordt, dat al zijne lectuur tijdverlies is, tijdverlies, dewijl hem
opleiding ontbreekt? Ten derde en ten laatste: schilderde ik u een'
Tollens, verzen schrijvende in het hatelijke boek, dwars door de
dwarrelende cijfers heen--een' Vondel eindelijk in de bank van leening?
Het zou onedelmoedig ten opzigte der koopluî, het zou onwaar jegens de
maatschappij zijn geweest. Genie komt aan het licht--òf schitterende als
de zon,--òf kwijnende als de maan,--òf schemerende als eene ster,--òf
--wanneer lot, leven, omstandigheden, gebeurtenissen, wanneer alles zich
vereenigt om het te omhullen, te verbergen, te verstikken,--onverwacht en
bij vlagen als de bliksem uit de zwangere wolk. Dat het in den laatsten
toestand even voorbijgaande, even vlugtig is als deze, behoort thans niet
tot mijn onderwerp,--genoeg,--het was er, en het blonk. Zie, ik ben
slechts bij gewone menschen gebleven, wier bete te vaak bitter, wier dronk
te dikwijls wrang is--of behoeft men tot de milder bedeelden te behooren,
om als knaap uitdooving, om als man vernedering, om als grijze gebrek hard
te vinden, om een leven ondragelijk te achten, doorgebragt onder de dubbele
bedreiging van donkere wolken, een: "ik kan niet helpen dat je op straat
staat!" bij de bankbreuk van het huis;--een: "ga henen en wordt warm!"
als de patroon er zijne zaken aan geeft.

Gij zoudt ondanks deze verdediging regt hebben, u te verbazen, dat ik u
zoolang bij den heloot der handelswereld liet stilstaan, als ik ten
slotte niet anders had te doen, dan voor hem een weinig menschelijkheid
in te roepen. Al geef ik me er door bloot aan den schijn, als twijfelde
ik aan den indruk, dien mijne schetsen en groepen op u hebben gemaakt,
ik doe het en van harte (waarom het verheeld?) voor hen, die zich in
deze betrekking gelukkig zouden achten, als zij allengs een weinig
wierden opgebeurd in de schatting des publieks. Daar zijn menschen,
door de natuur tot bedienden bestemd, bekrompen hoofden, koele harten,
"medeklinkers, niet allen kunnen vokalen zijn," beweert een mijner goede
vrienden. Het zij zoo!--men gebruike er zoovele men behoeft, "slechts
neme men liever de italiaansche dan de russische spelling tot voorbeeld,"
is mijn antwoord. En waar ik vooral op zou willen aandringen,--men
sluite toch niet onbarmhartig in eene kooi, wie in staat zou zijn eigen
wieken te kleppen. Ik moet oppassen of de eene leenspreuk volgt de
andere op, zooals Isaäc Abraham en Jacob Isaäc; en mijn onderwerp eischt
alles behalve oostersche weelderigheid; het geldt eene handelskwestie,
eene geldzaak. "Voedsel en deksel--huis en hof--vrouw en kroost--genoegen
en geneugten voor allen--" zou ik Jan willen toeroepen, "maar voor wie
in staat zouden zijn, zich zelven meer te verschaffen, wanneer allerlei
kleingeestige belemmeringen hen niet verpligtten t'huis te blijven en
stil te zitten, voor hen gelegenheid ter ontwikkeling van wat er goeds
en groots in hen schuilt!--Immers ons volk is er niet te beter aan toe,
dewijl we er thans onder ons zoo velen hebben, die geduldig den schimp:
"'t Is maar een pennelikker!" verduwen--die zich hun leven lang
bekrimpen, omdat men geen: "oude sloffen mag weggooijen eer men nieuwe
schoenen heeft,"--uithoofde dat een groot gedeelte onzer vermogende
lieden zweert bij het woord: "Ver van je goed, digt bij je schade!"
--louter dewijl wij, eer wij ooit den neus buiten de deur staken, al
leerden napraten: "oost west, t'huis best!"

Eén voorbeeld schildert treffender dan tien vertoogen. We hebben op met
den vermogenden handelaar, die voor een vijftiental jaren al zijne
bedienden met de tijding verraste: "Ik schei er uit met mijne zaken;
maar jullie, jonge luî, blijft je jaarwedde behouden tot je dood."

Een _rara avis_ in onze streken;--het zij in het voorbijgaan opgemerkt
--waar een jaar vooruit opzeggens, gepaard aan de waarschuwing: iets
anders te zoeken, in zulk een geval al eene zeldzaamheid is--de man
leeft nog! Welligt heeft hij van al zijne schatten--al zijne weelde--al
zijnen glans, nooit weêr zóó groote voldoening gesmaakt, als op dat
oogenblik, in den zoeten waan, dat hij gelukkigen maakte.

Ik vermeet mij niet te beslissen, of wij regt hebben er ons zóó
onvoorwaardelijk op te goed te doen, dat afkeer van zaken, uit
overdreven mededinging geboren, te onzent meer aan de orde van den dag
is dan halsbrekerij ten gevolge van gewaagde ondernemingen--het is eene
keuze tusschen tweeërlei kwaad, welke eene prijsvraag onzer geleerde
of geletterde maatschappijën verdient uit te lokken: "wat is beter,
_lusteloosheid_ of _overmoed?_"--Maar het acht-of tiental klerken, dat
zich, volgens de overlevering, boog, en verblijdde en heenging, zonder
een' patroon, die zoo groote welwillendheid aan den dag legde, te
verzoeken, hun de behulpzame hand te bieden tot het beginnen van een
eerlijk beroep, liever dan hen door dit genadeblijk te verpligten,
die jongeluî zijn verre van mij levendige sympathie in te boezemen.
Waarschijnlijk waren er eenige bedaagden onder;--maar zij, wier
schouders zich nog niet kromden, wier knieën nog niet knikten, maar
de overigen, die zulk eene gelegenheid niet aangrepen om zich zelve
onafhankelijk te maken, hoe duidelijk bewezen zij het verval van den
volksgeest, die Jan weleer van zijne naburen onderscheidde!

Wij zijn met eene plaats uit een' der dichters van de gulden eeuw onzer
letterkunde begonnen: eene vraag, die ons reeds bij den aanvang van dit
opstel voor den geest zweefde, besluite dit opstel. Onze voorouders
schiepen hunnen handel onder veel ongunstiger omstandigheden, dan die,
waarin wij verkeeren; waarom blijven wij met onze meerdere middelen zoo
verre onder hen? Terwijl het krijgsvuur binnenslands nog niet had
uitgeblaakt, terwijl men den vijand met moeite van de grenzen des jongen
staats keerde, ontwierpen de broeders en de zonen der verdedigers van
het vaderland het plan voor togten door de noordelijke zeeën; in spijt
der natuur, bereidden zij de verovering van een ander werelddeel voor
en voerden die uit. Niemand heeft minder lust dan ik, de gruwelen te
verdedigen, ter oprigting eener factory,--ter aanlegging eener stad,
--ter verwerving van een gebied, onder de mildst bedeelde hemelstreken,
door onze voorzaten gepleegd. Maar wien het voegt, uit dien hoofde den
staf over hen te breken, ons, hunne erfgenamen, wel het minst van allen;
gezwegen, wat er ter verschooning dier onmenschelijkheid zou zijn in te
brengen, de begrippen der eeuw, de gewoonten hunner mededingers in
aanmerking genomen. Wij willen het niet; wij gewagen er slechts van, ten
einde, na dit blijk, dat wij niet blind zijn voor de schaduwzijde van het
tafereel, ons in het licht, dat er ons van toestraalt, te verlustigen,
meent ge, te schamen, zeggen wij.

Wat is er geworden van de zucht tot reizen, die weleer een eigenaardig
hollandsche karaktertrek plagt te zijn? Lust ter koopvaardij te varen,
bij den minderen stand,--lust, ontdekkingstochten te ondernemen, bij
onze rijke kooplieden,--lust, het land der zon te bezoeken, bij de zonen
der kunst,--lust, eenigen tijd aan de beroemdste hoogescholen in den
vreemde te verwijlen, bij onze geleerden,--lust, tusschen de bouwvallen
van oud-Rome rond te dolen, bij onze patriciërs--lust in één woord,
andere landen te zien, andere volken te leeren kennen, anderen tongval
te hooren, andere zeden gade te slaan,--lust den kring zijner
denkbeelden te verruimen, de som zijner kennis te vermeerderen, het
gevoel te verfijnen, den smaak te vormen,--lust, door wrijving te
streven naar licht, hoe is die uitgedoofd en verflaauwd! Roem zoo hoog
gij wilt, de versnelde gemeenschap tusschen, de vlug verbreide berigten
van de afgelegenste deelen der aarde;--"met eigen oogen zien," zeiden
onze vaderen, "gaat voor alles,"--en beweerden het te regt. Wat hebben
wij bij het stilzitten van lateren tijd gewonnen, dan eenzijdige
lofspraken op ons volk, onze instellingen, onze deugden,--zonderling
afstekende bij de onpartijdigheid, waarmede men in de zeventiende eeuw
in Nederland de verdiensten van vreemdelingen erkende en huldigde.
Beweer, dat de algemeene studie van talen, dat de onvermoeibare
drukpers, alles, wat wetenschap of kunst, bij de afgelegenste volken
merkwaardigs opleveren, tot u brengt, zoodra het in het oosten of westen
het licht ziet: "Vreemde oogen maken menschen," zeiden onze vaderen, en
de uitslag bewees, hoe juist zij hadden gezien. Het is of men schroomt,
onze jongelieden den toets te doen doorstaan, waarop het verkeer met
verre vreemden hunne zeden stellen zoude. Waarlijk, de moed van het
voorgeslacht, de jeugd aan die vuur- en waterproef te onderwerpen, pleit
voor de beginselen, welke zij deze inscherpte.

Eene uitweiding over de levensbeschouwing die het vroede en het kloeke
in haar karakter zoo vroeg had ontwikkeld, dat men geene teleurstellingen
duchtte, het gevolg van eigenliefde of zelfbewondering--eene uitweiding
van dien aard zoude hier misplaatst zijn--tot den handel terug, als ge
wilt. Wie er voor vreeze, ik ducht geen oogenblik, dat onze jeugd
ontaard zoude blijken, als haar de middelen ter ontwikkelling niet
faalden, zonder hare schuld en tegen haren wensch. Waardoor ontbreken
deze? Welligt zal eene wedervraag het kortst tot beantwoording leiden:
Wat geeft Engelands handel het overwigt op dien van alle overige
volken?--Koloniën?--we hebben even rijke, zoo niet in evenredigheid nog
rijkere dan _Albion_.--Industrie?--de gevaarlijke boom droeg te onzent
reeds meer vruchten dan wij behoeven.--Landbouw, veeteelt?--wie weigert
hollandsch zuivel den wel verdienden lof?--Vermogen?--we zijn houders
van schuldbrieven van schier alle natiën, en van die der onze niet het
minst.--Hoofden en handen?--we zouden niet klagen, als wij er geene te
over hadden.--Een kreet gaat op tegen de Nederlandsche Handelmaatschappij,
dewijl zij schier de éénige groote zeehandelaar mag heeten onzer beide
koopsteden; doch bedenk, eer gij er mede instemt, wat er van Java zou
geworden zijn, bij de slaperigheid van vóór het jaar 1830, als koning
Willem I den interest der actiën bij de oprichting niet had gegarandeerd,
en jaren lang voorgeschoten. Ik huiver te beslissen, maar ge zult mij
vergunnen de vreeze te opperen, dat het effectenspel den goederenhandel
verstikt, even als de schuldenlast der nieuwere staten het krijgszwaard
der koningen onzer dagen in de scheede houdt: zoo gaan goed en kwaad in
deze wereld hand aan hand. Sir Robert Peel's _Income-Tax_ bedreigt,
treft alreeds de bezittingen en portefeuille;--de hooggeroemde papieren,
welke rente geven, al sluimerende en al nederliggende, die uitvinding
van den nieuweren tijd, welke staatsschuld synoniem acht met volksrijkdom,
--Sir Robert Peel's _Income-Tax_ zal navolging vinden op het vaste land,
en wij zullen zien--doch ik mag niet weêr afdwalen, ik herhaal liever
mijne vraag: wat geeft Engelands handel het overwigt op dien aller volken,
wat heeft hij zigtbaar boven den onzen vooruit?--Wijs mij eene koopstad
in de vijf werelddeelen, zou ik u willen antwoorden, waarin geene Engelsche
huizen gevestigd zijn, jonger zonen, die den vreemde bestudeerden en
doorsnuffelden, en zich de dubbele kennis ten nutte maken!

Er is nog iets.

Engelands handel heeft een tooverwoord, dat al zijne betrekkingen
regelt. _Fair_ heet het. Vertaal het met "billijk" of met "gepast", met
"eerlijk" of met "teregt", het drukt al die gedachten uit; het is eene
lofspraak, het is eene wet. Waar men haar toepast, waar men haar nakomt,
waar zij beginsel is geworden, dáár heerscht verband tusschen het werk,
dat men doet, en het loon, dat men geniet, bij inkoop en verkoop, in
commissie en courtage, in handel en wandel; tusschen de kennis, welke
men zich verwierf en de onderscheiding, waarop zij aanspraak geeft, het
vertrouwen, dat men bewijst waardig te zijn, en de aangelegenheden, wier
behartiging men ons opdraagt. Ik wil Jan niet in de school brengen bij
John Bull; maar hij heeft eenige reminicentiën van de dagen, toen hij
monopolist was,--factors aan de graanmarkt, overdreven makelaars-loon in
aantal van artikelen, refactiemeesters in de tabak b.v.--die hij wèl zou
doen te vergeten; want als men een' mededinger heeft gekregen, is het
wijsheid toe te zien eer het te laat is.

Zonen van goeden huize, vermogende jongeluî, die klaagt over gebrek aan
zaken te onzent, leert den vreemde kennen, vergelijkt, spoort op, wat
belet u? Lokken oude en nieuwe wereld niet om strijd uwe blikken aan?
--het uitstapje, de togt zal u goed doen. Er ligt nog zoo menig veld
braak, er schuilt nog zoo menige mijn onder den grond, er vloeit nog zoo
menige bron vergeefs. Ontdekt ze, en honderdvoudige rente zullen uw loon
zijn. Ge wilt u niet alleen in den vreemde vestigen? welaan, uws gelijken
in aanleg, maar niet in vermogen, vloeijen over in het moederland,
verstikken en kwijnen weg in de bedompte kantoorlucht; waarom zoudt gij
hun aan uwe zijde het spoor niet ontsluiten? Hoeveel edeler zou het
zijn, zoo ge, dus strevende voor Holland nieuwe betrekkingen aan te
knoopen, den overvloed van levensgeesten, der jeugd eigen, ten nutte van
u zelve en anderen besteeddet, dan die te wijden aan dubbelzinnig genot,
aan spel en aan min,--hoeveel edeler dus een flink burger te worden, dan
een vroeg-oude couponnenknipper! Of beschamen Hamburg en Bremen ons niet
reeds in het uitbreiden harer betrekkingen met veel geringer middelen?
--Hoe ons volkskarakter winnen zoude bij dergelijke pogingen, alle
sluimerende krachten op te wekken, vroegere degelijkheid te doen herleven,
nieuwe bronnen van welvaart en glorie te openen voor tijdgenoot en voor
nageslacht! Hoort gij de stemme niet, die er u toe aanmaant, zoo dikwijls
gij u, op de hofsteden uwer ouderen, in het schoon der natuur hebt
verlustigd, en, de duinen opgestegen, de zee vóór u ziet, de zee, waaraan
ons voorgeslacht alles verschuldigd was, zijne vrijheid, zijn' voorspoed,
zijne vroomheid misschien,--want niet te onregt zegt een oud spreekwoord:
Wie wil leeren bidden, die vare ter zee!

Het is in den handel als in alle standen, wie zich de kunst te bevelen
eigen wil maken, die oefene zich eerst in het gehoorzamen! Zoo rampzalig
als het is, altijd op de laagste trap te blijven staan, zoo goed is het
van de eerste sport op te klimmen. Het vormt--het prikkelt--het brengt
alle gaven aan het licht.--Maar de leerjaren moeten eens een einde
nemen; hij moet het vooruitzigt hebben meester te kunnen worden, die
zich deze ten nutte zal maken. Altijd de oude knecht te blijven is een
ondragelijke vloek.--Aldus begrepen het onze vaderen, die hunne jonge
lieden uitzonden in oost en west en in noord en zuid, maar hun na
volbragten togt ook de behulpzame hand boden om zich te vestigen, ten
einde van de verkregen kennis partij te trekken. Aldus begrijpen het nog
de degelijksten onder ons. Waarom mag ik hier geen loffelijk voorbeeld
aanhalen, dat allen, die in de hoofdstad beurs en raad kennen, voor den
geest komt; waarom den man niet noemen, die op zee voor zijn beroep
gevormd, thans een hooger roer heeft aanvaard?

Laat Hooft uitdrukken hoe ik wenschte, dat al onze aanzienlijken ons
vóórgingen, zoo als hij:--de dichter ziet zijne vaderstad ten top van
voorspoed gestegen, ter prooi aan de duizeling, der weelde eigen, en
waarschuwt haar: ach! dat zijne poëzij geene profetie ware geweest:

                              Want nergens is zoo veil
    De niet verwachte val, als op de toppen steil:
    Zoo slibbrigh staan, als op de kruin; zoo te bedinken
    Het gypen, als voor wind, en zoo gereed het zinken.
    Gelijk ik zie, uit wenst tot weelde, te gemoet
    Al wat verbastering der oude zeeden goedt;
    En, om het snood gewin, in last de goede wetten.
    Doch zullen daar de best' hun voorgang tegens zetten.
    Uitblinkendt als in goudt het heldere gesteent.

1842.


       *       *       *       *       *



MARIE


"Marie is alleraardigst," plagt ik uit te roepen, zoo dikwijls ik in den
verleden zomer op den huize Duin en Dal gast was geweest; maar gister
bewaarde ze mij wel voor de verzoeking het nog eens te doen. En echter
ben ik, in den jongsten winter, zoo min een fat als een pruik geworden;
een der beide herscheppingen zou genoeg geweest zijn, om het der lieve
te doen vergeven, zoo ze mij geschuwd had als de pest. _Ik_ bleef
dezelfde;--een jaar meer in de gulden twintig ontwikkelt slechts te
ruimer ieder zin voor genoegen,--maar hoe was _zij_ veranderd! Uit haar
vijftiende trad zij in haar zestiende. Laat mij u waarschuwen voor de
onheilsstar, die

  _En des jours ténébreux a changé ces beaux jours_.

Ik vermoedde geenszins de teleurstelling die mij beidde, toen ik, de
hofstede genaderd, mijn paard liet stappen, en, zoo als ik gewoon was,
ten lommerrijken heuvel opzag, naar de plek, van waar ze mij zoo vaak
begroette. Het was ditmaal echter vergeefs; geen witte doek wuifde mij
er tegen. Traag reed ik onder haar prieel van bloeijende meidoornen
langs, en staarde weder op; doch de slanke leest van het meisje boog
zich niet over hunne twijgen. Ik zag eindelijk nog eens naar omhoog,
half ongerust over haren welstand; neen, geen lief handje repte zich
door het gebladert. Maar de wielen van mijne tilbury rolden stroever
over het zand van eenen bijweg, en Diane stak de ooren op, als hoorde
zij den bekenden vogelvluggen tred over het grasperk, dat er het spoor
omzoomt.

En ik verbeidde.

Dáár plagt Marie mij te gemoet te snellen, naast mij op het rijtuig te
wippen, schier altijd regts, gij zult zien waarom, en, lieve wilde meid
als zij was, de leidsels uit mijne hand te nemen, ja, hare vingeren om
de zweep te slaan, die ik, wanneer Diane mij buiten bragt, slechts
zelden uit den koker nam. "Straks, Marie!" zeide ik dan, en hare donkere
kijkers tintelden van vreugde; ijlings gingen mijne groote handschoenen
aan de blanke dunne vingertjes mijner lievelinge over. Even als had
Diane geweten wie meesteresse was geworden, stapten wij niet langer.
Maar als wij het hek der plaats in het verschiet zagen, en de heerlijke
oprijlaan, die van de huizinge tot den straatweg voert, instoven, dan
werd de dreumis van den tuinman of de deerne des koetsiers, die achter
de traliestijlers in schaduw der oude linde speelden, moedwillig met een
tikje bedreigd, dan kreeg het ros er een, en wij renden! Het vleijend
woord, de belofte eener versnapering, waarmede de beminnelijke
ondeugende den schrik wilde goedmaken, gingen te loor, want Diane
verslond het spoor der laan; wij waren haar reeds ter vierde, wij waren
haar halverwege doorgevlogen. En het gebriesch van mijn paard, of de
wolk van stof, bijwijle ook Marie's luide lach, was het sein tot het
openen der zonneblinden, of het ophalen eener gordijn voor menigen
_logé_. Hoe het lieve kind genoot, als deze zich verbaasde, gene haar
toejuichte, Diane zelve behagen scheen te scheppen in het wilde spel!
Dan gierde Marie hare blijdschap uit,--hief zich van het kussen
op,--stond in de tilbury,--vuurde aan met hand en voet, maar meest met
de oogen. Ik moet bij een dier toertjes onwillekeurig eens een bitter
bang gezigt hebben gezet; immers een beroemd schilder, gast van den
huize, verraste ons een uur later met een _croquis_ van den echt van
statelijken ernst met dartele schalkheid. Behoef ik te zeggen, dat ik,
op het blad, den eersten vertegenwoordigde,--ik, die in pijnlijken angst
den strooijen hoed van Marie onder het afvliegen trachtte te grijpen,
--den strooijen hoed, welks smal, geel lint zich, als een krans van
korenairen, door haar kastanjebruin haar slingerde?

Diane had de ooren gespitst, en ik had gebeid. Maar niet mijne gunstelinge,
slechts een jagthond was te voorschijn gesprongen; en toen ik aan de
trappen der huizinge stilhield, werden bediende noch stalknecht opgeschrikt
door een ongeduldig stampend ros; ik was bedaard doorgereden.

"De familie is op het terras," verzekerde Hendrik mij. Ik wenschte dat
gij hem niet voorbijzaagt, zoo als gij geneigd zijt te doen; er valt in
onzen tijd meer, dikwijls iets anders uit de liverei op te maken, dan
de kleuren van des heeren wapenbord. Wij leven in eene eeuw, die den
eersten rijke den beste vergunt er zijne dienstboden in uit te dossen.
Ik heb er niets tegen. Het spijt mij slechts, dat zij het niet met meer
smaak doen. Of ergert u dat onwaarschijnlijk aantal velden, leeuwen, of
wat het zijn mogen, van _keel_ niet, die door het algemeene rood der
vesten worden verkondigd? Dat men het groen ten minste den jagers
overliet! Ik heb opgemerkt, hoe zich, in omgekeerden zin van den
cameleon, het karakter der bedienden van den nieuwelings aanzienlijke
naar den bonten tooi, met welken zij pralen, wijzigt. Ook valt er nog
iets uit te leeren. "Zoo heer, zoo knecht!" luidt het spreekwoord; maar
als ik, in de voorportalen onzer geld-aristocratie, het gejoel der
jonge, winderige, over-welgedane livereiknechts hoor, verwaand op den
opschik, die hunne lompen van gisteren verving:

 _Beaux parvenus, honteux de leur famille_;

baldadig door den overvloed, waarin zij zich mogen baden, na jaren lang
gebrek te hebben geleden:

    Als nu Jeschurum vet wert, zoo sloeg hy achter uyt;

als ik hen onbescheiden, aanmatigend, onuitstaanbaar vinde, dan zeg ik
in mij zelven: "Zoo knecht, zoo heer!"

Op Duin en Dal--ik verlies inderdaad op mijne beurt onzen gedienstigen
geest uit het oog--op Duin en Dal zou uw blik met welgevallen hebben
gerust op den liverei-bediende van goeden huize. Hendrik is een der
_patterns of fidelity_, die mij minder een aandoenlijk belang inboezemen,
als de laatste, bleeke afschaduwing der leenknechten, welke naar knods
of bijl grepen, wanneer de ridder zich harnaste

    Van top tot teen,

dan als een dagelijks zeldzamer overblijfsel uit den tijd, toen de
betrekking tusschen meester en dienaar door iets hartelijks, iets
vertrouwelijks, iets humaans werd geadeld. Het is bij hem niet louter:
"wiens brood men eet, wiens woord men spreekt;" zijne stemming is eer
gemoedelijk dan wijsgeerig; hij benijdt zijnen heer niet, hij heeft hem
lief. Al glinsterden er geen tranen in zijne oogen, toen de vrouw van
Duin en Dal verleden winter doodelijk krank was, waar baldadige
straatjongens het zand van de steenen hadden gewoeld, overstrooide
Hendrik die zorgvuldig weder, voordat iemand het hem had geboden. En
hoe Marie hem ter harte ging--het is eene lofspraak op den meester,
als zijne dienstbare de kinderen des huizes bemint--dat getuigde zijne
verzekering van haren welstand. Daar stond hij voor mij, gedienstig,
oplettend, eerbiedig, een waarborg van den goeden toon, die op de
hofstede heerschte, der rustige orde, waarmede er de genoegens van het
leven werden aangeboden en gesmaakt; daar stond hij voor mij, in azuur
en zilver, blaauw met wit, als men zegt.

Lach mij uit om de dwaasheid, zoo het u lust; maar het zijn mijne
lievelingskleuren. Ik verbeeldde mij, dat hij, die deze tot wapen durfde
kiezen, zeggen mogt: "Zie, hier ben ik, standvastig en onschuldig!"
Zilver op azuur, leliën en starren op een hemelsblaauw veld, wat is
smaakvoller, wat dichterlijker? Uwe gissing, of deze op het wapen van
mijnen gastheer prijkten, vergunt ge mij gissing te laten; maar
verzekeren mag ik u, dat hij waardig is die te voeren, vertegenwoordiger
van een onzer oudste patricische geslachten. Wilt gij den man kennen?
"Liever eerste der graven, dan laatste der hertogen," zal hij u
antwoorden, zoo gij hem aanraadt, zich in den adelstand te doen
verheffen. Het is een woord uit mijn hart; zulk eene verloochening onzer
historie is mij een gruwel. De baronnen en de ridders, de Wassenaers en
de Brederodes, de Arkels en de Egmonds behooren onzer grafelijke
geschiedenis toe; in het handeldrijvend gemeenebest wiessen, als in een
ander Venetië, nieuwe geslachten met den staat op, welker nakomelingen
geen jonkheerstitel behoeven, om te worden geëerbiedigd, nadat hunne
voorvaderen, twee eeuwen lang aan de beurs als in den raad, over het lot
van werelden beslisten.

Mijne welkomst had zoo min iets opmerkelijks als mijne buiging: de
vrouwe van Duin en Dal was _even lief_ als vroeger, schoon zwak en stil.
Slechts vlugtig merkte ik onder hare gasten de echtgenoote van een
onbekenden staatsraad en de moeder van een wakkeren zeeman op, en zag de
heeren voorbij, om den wil mijner lievelinge. Daar zat zij, in schaduw
van een bonten esch, mijne Marie, die anders rondhuppelde als een
ree;--daar rees zij op en neeg statelijk, mijne Marie, die mij vroeger
hare frissche lippen ten kus aanbood;--daar zeide zij zacht, toonloos,
schroomvallig, ik wist niet wat er van mijne Marie geworden was:

"Mijnheer!"

Ik reikte haar de hand.

Was er eene klove tusschen ons?

Schichtig stak ze mij de toppen harer vingeren toe.

"Het zal u geen zeer doen," schertste de moeder van den wakkeren zeeman.

Het kind zag op, het kind zag rond, het kind zag om; ik bemerkte dat er
digt bij haar een stoeltje ledig stond, 't welk hare aandacht trok.

"Mijnheer!" zeide zij nog eens.

"Wat is zij gracieus!" hoorde ik de gade van den onbekenden staatsraad
zeggen.

De vrouwe van Duin en Dal knikte tevreden.

Er komen oogenblikken in het leven voor, waarin wij naar den indruk
eener bij ons oprijzende gedachte handelen, eer wij de juistheid van
deze hebben overwogen. De mijne deed mij Marie met een vorschenden blik
aanzien. Zij was veranderd. Zij had plaats genomen in den cirkel van
Mama. Waarlijk, zij maakte aanspraak op taille. Zie, de vuile ijzers van
den kapper hadden haar het eerst begrip gegeven van het onderscheid
tusschen de vrijheid der jeugd en den dwang der beschaving. Er viel niet
aan te twijfelen, zij was jonge jufvrouw geworden. En

                                        Zei mama

Staring vergeve mij de mishandeling zijner verzen!

    Dit met de kamenier den spiegel vlijtig na?

Waarschijnlijk; want Marie bloosde bij mijn aanstaren; die blos mishaagde
mij,--Marie werd links; als kind was zij het nooit.

Eensklaps sprong de jagthond die mij herkend had, vertrouwelijk tegen
mij op, en raakte met de voorpooten haar kleed aan.

"_Fi donc, Amy!_" riep zij.

"Heeft het beest Fransch geleerd?" vroeg ik.

"Mijnheer!" zeide Marie voor de derde maal, en zag Mama aan.

Ik had deernis met het arme schepsel, en wendde mij tot de dames over
het weder, het uitzigt, het nieuws van den dag. De vrouwe van Duin en
Dal sprak niet dan juist; een recept voor eene kwijnende conversatie.
De echtgenoote van den onbekenden staatsraad weêrhield door de stijve
houding, waarmede zij de _gants à jour_ voor een oogenblik uittrok, om
een beschuitje in een glas maderawijn te doopen, en die, na volbragte
operatie, weder langzaam, voorzigtig, doods bedaard aan de vingeren te
schuiven, de moeder van den wakkeren zeeman in het kouten over hem, die
haar, ondanks dat hij zich op Java bevond, zoo na aan het harte lag. Een
paar lieve gezigtjes waren figuranten; welk een gesprek! En Marie, die
in vroegere jaren, bij iets zoo vervelends, op den rug van Amy het
heuveltje zou zijn afgeschommeld,--of, door het zand ademloos
opgeklouterd, ons verrast had met een paar frambozen, minder lieflijk
gloeijende dan hare wangen,--Marie zag nu naauwelijks van haren arbeid
op, _et ne fit que tapisserie_. Of zoo zij van tijd tot tijd een woord
mede in de schaal legde, het was zoo onbeduidend, dat het den evenaar
noch ter regter noch ter slinker deed overhellen. Zag ik inderdaad het
meisje voor mij, dat me "gaauw, gaauw, maar heel gaauw," ter hulp plagt
te roepen, om een vlinder te vangen, "mooijer" dan zij er ooit had
gezien? Hoe was de kleine veranderd, die zoo driftig haar vingertje op
den mond legde, om mij te gebieden, het kraken mijner laarzen te smoren,
waar zij de woudduiven op het mos voederde! Waar was de tijd, waarin
hare vragen, onverwachte bewijzen voor de ontwikkeling van haren geest,
mij deden aarzelen, hoe die te beantwoorden? wie er in de zee woonde?
waarom zij niet vliegen kon? wat de wind aan de boomen vertelde? En dan
die lieve vertrouwelijkheid, waarmede zij mij in later dagen influisterde,
pa of ma over te halen, om haar een rijpaard te koopen, omdat zij zoo
gaarne zulk een moedig dier zoude bevelen,--of haar piano aan de boerderij
te doen brengen, opdat zij Arend en Geert de horlepijp mogt leeren dansen!
Al wat zij thans op mijne vragen antwoordde,--zij hield zich, als behoefde
zij zulk eene aanleiding om zich in het gesprek te mengen,--miste beide:
karakter en kleur;--haar geest dartelde niet langer,--hare stem had niets
welluidends meer.

O gemaaktheid!

Vermoedt gij hare oorzaak niet?

Ik weet wel, dat ik slechts eene garstige waarheid verkondig, zoo ik u
zeg, dat er een leelijk Hollandsch is, 't welk wij verpligt zijn soms
aan te hooren, ja, te prijzen; het Hollandsch dat ons te dikwijls wordt
toegegalmd, zoo van den predikstoel als van het tooneel; het eentoonig
Hollandsch onzer dreunende verhandelaars. Vergun mij echter er mijn hart
lucht over te geven, eer ik het ter vergelijking bezig. Het schijnt, dat
velen onzer sprekers de opmerkingsgave ontzegd is, hoe in het openbare
leven, zelfs in gezelligen, beschaafden omgang, de driften heerschappij
uitoefenen over de menschelijke stem. Zij eentoonig? de schaal der
muzijk is bekrompen bij de hare. Verheft zij zich niet bij het geven van
een bevel, als was zij zich van hare koninklijke magt bewust? Zij werpt
zich, onder het voordragen eener bede, als eene slavin die genade
smeekt, in het stof; zoo het vuur der gramschap ons blaakt, gelijkt zij
eene verschroeiende vlam, die zich zelve verteerd; als wij in den
weelderigen schoot der liefde rusten, kwijnt zij weg in zoet gefluister
en verteederend gezucht. Hoe zijn wij dan toch aan bulderende troosters
en galmende verliefden gekomen? Holland en de zee, het is of men van
moeder en dochter spreekt ... maar het voorbeeld van den Griekschen
redenaar, die de wateren beluisterde, schijnt voor de onzen te loor
gegaan. Eilieve, hoe velen kent gij er, die van deze leerden hunnen toon
in harmonie te brengen met het gevoel, dat de toestand eischt of het
onderwerp wekt;--die, als de golven, den God des dags in melodische
klanken eene hymne weten toe te zingen, of, als de zee, uit de kolken
harer diepte, tegen den orkaan een grimmig antwoord durven opdonderen?
Helaas! vreugde, droefheid, wanhoop, verrukking, liefde, haat, alles
wordt te onzent uitgegalmd, uitgeschreeuwd, gedeclameerd, zoo als men
zegt. O, het is een leelijk Hollandsch! En toch is er een nog leelijker:
het is onze moedertaal in den mond van een meisje, dat eene
buitenlandsche gouvernante heeft.

"_Merci, ma chère!_"

Gij ziet _mademoiselle_ bij dat woord voor u, schraal, tenger, scherp,
als allen; zij plaatste zich op het stoeltje dat naast Marie ledig
stond; _arrangeant les plis de sa robe_, viel haar _lorgnon_ in het
zand; Marie raapte het op.

"_Bien obligé, monsieur!_" voegde zij er stijf bij, ook ik had er mij om
gebogen.

En ik leunde half over het stoeltje van Marie, en was plaagziek genoeg,
haar te verzoeken, om mij aan hare gouvernante voor te stellen.

"Hoe, mijnheer?"

"Foei, Marie!" antwoordde ik: "als een oud vriend, zoo gij wilt."

"_Monsieur_ ----, _un vieil ami_," zeide het kind.

"_Vous voulez dire, un de vos anciens, ma chère_," hernam mademoiselle.
Ik vond dat zij mijne gunstelinge wel op liefderijker toon had kunnen te
regt wijzen.

"_Je suis charmée, monsieur_," voer zij tot mij voort.

Maar ik was _à mille lieues de Paris_, ondanks de vleijende verzekering;
want den woorden ontbrak het lachje, waarmede eene _française_ u
betoovert.

En _mademoiselle_ zweeg als Marie; ik waagde eene opmerking over het
eigenaardig schoon der duinlandschappen, dat nergens elders wedergade
heeft.

"_Non, Monsieur_."

"Dus geen gevoel voor natuurschoon," dacht ik.

"_Il est vrai_," zette ik mijne proeve voort; "_il est vrai que notre
paysage n'est que joli, tandis que les Alpes sont sublimes_."

"_Si, monsieur_."

"Dus ook _à sec_ voor het vaderland," zeide ik bij mij zelven.

Er kweelde een vogel in den lommer; ik zag dat Marie luisterde; ik vroeg
haar, of zij de liedjes van Mad. Albert had bestudeerd.

"_Ma grand'mère_," begon ik.

"_Monsieur!_" viel _mademoiselle_ in, met al het hooge-priesterlijke
eener bekrompene zedelijkheid; ik spaar u de diatribe.

Ik begreep alles; de zwakte der vrouwe van Duin en Dal, het levendig
karakter harer dochter, de keuze eener stemmige, overstemmige _Suisse_,
om dat te temperen, hoe logisch! Ik zou slechts voor temperen
"uitdooven" willen zeggen. Eene _Suisse_, zonderling verschijnsel! De
wereld is vol van den lof van Tell, de vrijheid heet te huis op de
bergen, en door geheel Europa ontmoeten wij zijne nakomelingen, die een
geest van knechtsche onderwerping inscherpen, met het zwaard of met de
gard. Doch waartoe de armen hard gevallen? Er is geen verlicht vorst,
die de Zwitsers in onze eeuw niet als eene anomalie afdankt.
Gouvernantes uit alle natiën zijn beklagelijke schepselen; indien één
toestand, de hare is valsch.

Vrees daarom voor geene onvoorwaardelijke lofrede op ons onderwijs. Het
is waar, er waait u uit de scholen onzer dagen eene ongezonde lucht te
gemoet:

    Eerzucht kiest in onschulds dreven
    Vroeg hare arglooze offers uit!

Ik heb kennissen, die op hun drieëntwintigste jaar, in den schoot der
weelde, door ziekelijke wereldbeschouwing, mij, u, zichzelven, alles
moede zijn; maar toch--leve de schoolmeester, de instituteur, de
_professeur de langues_, de taalkunstenaar des noods!--spreek _mij_ van
de matres, niet van de gouvernante. Som alles op, wat gij tegen de
school kunt inbrengen, het gevaarlijke van den omgang, het verleidelijke
van het voorbeeld, het besmettelijke van den geest van wederstand; maar
wat beoogt uwe opvoeding, ontwikkeling of uitdomping--heele of halve
kennis? Een blik op het lot der beide meesters zal u in mijn gevoelen
over de leerlingen doen deelen.

Het monarchale heeft uitgebloeid; het constitutioneele knopt, ontluikt,
tiert overal. Wij hebben elken meester, tot den dorpsdionys toe, van de
teekenen zijner koninklijke waardigheid, de roede en de plak, beroofd.
Wij eischen hem zoozeer doordrongen van den geest zijner grondwet, dat
geene drift hem meer in verzoeking mag brengen, ezelachtige domheid met
een oorvijg te kastijden. Zoo de voorganger van onzen schoolvos zeggen
mogt: "_l'Etat c'est moi_," uw onderwijzer is slechts de eerste dienaar
des staats. Hij, de volwassene, moet omgaan met hen, die tusschen mal en
vroed zijn, en zich redelijk toonen jegens onredelijken, en onwilligen
leiden, en dommen beschaven, stuggen overreden door louter verstand.
"De ongelukkige!" roept gij uit. Ik bid u, doe het niet te voorbarig.
Er komen uren, dagen, weken in zijne jaren voor, die hij _vrije_ mag
noemen; _vrije_, zeg ik, waarin hij den last der verantwoordelijkheid
van zijne schouderen schudt, _vrije_, waarin hij de gulden cijfers van
zijn eigendom, van tien tot honderd, tot duizendtallen aangewassen,
overtelt, en in ieder van deze eenen borg te meer voor de
onafhankelijkheid zijns ouderdoms ziet. Feestdagen af te kondigen en
volksspelen aan te rigten, schijnt mij een der benijdenswaardigste
voorregten, der kroon toegekend; maar welk autocraat geniet den vierdag,
zijnen onderdanen geschonken, als de schoolmeester de uren, waarin zijn
verlof het kleine volkje de wijde wereld inzendt. Dan ziet gij hem
buiten--schaarsche, maar daarom te zoeter weelde--het schoon der natuur
smaken. Dan treft gij hem onder de lieve kennissen zijner jeugd aan,
voor de eerste maal zijns levens verlegen, hoe hij het werkwoord
_beminnen_ vervoegen zal,--de meester door zijne schalke scholiere
beschaamd. Dan verrast gij hem, die zijnen eerstgeborene uit de wieg
neemt, en den Heere voor zijn lot zegent. "De ongelukkige!" zeidet gij.

Het bestier eener gouvernante zweemt naar eene alleenheersching; dienst
der vreeze geldt bij hare kweekelingen: te hooren is te gehoorzamen.
Zie, zij komt, en het kind zit regt; zie, zij wenkt, en het kind buigt;
zie, zij lacht, en het kind waagt het te glimlagchen. Geene oosterse
hulde is zoo vleijend en slaafsch, als die, welke haar wordt toegebragt;
zoo gij hare schaduw tegen den wand onderscheidt, is die harer dienaresse
haar op de hielen, en ijlt en zwenkt en wijlt met haar, als was het hare
eigene. Bittere spot! Hebt gij nooit van de onbeduidende _Durchlauchten_
der kleine duitsche staten gehoord? Zoodra zij hun gebied van slechts
drie of zes of twaalf vierkante mijlen overschrijden, worden zij pijnlijk
gegriefd; ze zijn slechts vorsten voor hunne onderdanen; de beleefdste
postillon ter wereld lacht hen uit, zoodra hij de fooi van den onbekenden
Wij over zijne eeltige hand heeft voelen glijden. Helaas, de arme
gouvernante doet geen tien schreden, zonder dat zij de landpalen van haar
rijk achter zich laat, en ruw, wreed, onbarmhartig uit den droom harer
heerschappij wordt opgewekt! Ik bedoel

    den Ilias van plagen

niet, die ingenomen ouders en ongezeggelijk kroost haar drie maal van
de vier berokkenen. Laat zij vertrouwen winnen zoo als zij verdient,
wanneer zij met hare leerlinge de bovenkamer verlaat, waar een armstoel
haar ten troon strekt; als zij zonder gedruisch--zij gevoelt hoe weinig
zij geldt--de eetzaal inglijdt, dan vindt zij, ja, eene plaats aan den
disch, maar beneden het zout, en de dienstboden verwonderen zich, dat
zij haar moeten bedienen, haar, die eerst na de mannelijke gasten wordt
bediend. Ei, wie is zij toch, dat men haar dus ongestraft honen durft?
Wat misdeed zij, dat de vrouw des huizes, die in haar de sekse, waartoe
zij behoort, moest doen eerbiedigen, dien gruwel ziet en duldt? Welke
uitzigten werden haar geopend, om wier wille zij zich getroost eene zoo
twijfelachtige betrekking te bekleeden? Zij is arm, buiten hare schuld.
Zij bood hare diensten, ter opvoeding aan, dewijl ze slechts te kiezen
had tusschen deze taak en de schande. Zij ontvangt een loon, een-,
twee-, driehonderd gulden 's jaars, boven de gastvrijheid van den huize,
indien hare bete, haar dronk, haar leger dien naam verdienen;--de vossen
die de koets trekken, kostten meer dan twaalf honderd gulden, en hoe
worden zij verpleegd! Te loor gesteld in al hare verwachtingen, telt
zij hare dagen bij hare krenkingen, is een verlaten ouderdom haar
verschiet.... Arme misdeelden! niet u wijt ik den wrevel, die u
kenschetst,--den nijd, die u verteert,--den menschenhaat, waarvan gij
blaakt; de roos der min geurt u niet: wie durft eíschen, dat gij lief,
vrolijk, goedhartig zoudt zijn?

      "_Sad melancholy mark'd you for her own!_"

Ik sloeg Marie eene kleine wandeling voor.

"_Si mademoiselle veut me permettre?_"

"_Oui, ma chère_."

Terwijl het lieve kind mantille en hoed en parasol haalde, maakte de
gade van den onbekenden Staatsraad _mademoiselle_ een compliment over
hare opvoeding: "_elle avait si bien apprivoisée Marie_ ..."

Ik heb een lastig zwak voor een Hollander onzer dagen: onverdiend
toegezwaaide lof maakt mij kregel.

"_Jusqu'à lui faire briser les ailes dans sa cage_," viel ik in, en
voegde er, berouw gevoelende over mijne scherpheid, bij: "_la faute en
est au système et non à vous, mademoiselle!_"

De moeder van den wakkeren zeeman knikte mij goedkeurend toe; haar wilde
jongen was een knap officier geworden.

_Mademoiselle_ had zich zeker met de verdediging van het stelsel belast,
een stelsel, waardoor onze jonge meisjes worden opgevoed, als moesten
zij alle onnoozele nonnekens blijven; maar Marie verscheen. Zij zag er
allerliefst uit; ik bood haar mijnen arm.

"Dadelijk mijnheer!" zeide zij, en wipte naar hare mama, en kuste de
bleeke. Het was hare eerste onwillekeurige beweging, sedert ik haar
weêrzag. "Welk een aanleg gaat hier te loor," dacht ik.

En haar handje gleed over mijnen arm; het rustte naauwelijks.

"Diane heeft u verwacht, Marie," begon ik, toen wij eenige schreden
waren voortgewandeld.

"_Mademoiselle_ vond, dat het niet voegde, mijnheer."

"Lieve Marie, mijnheer me zoo niet!"

Eene pauze.

"Gij hadt vrolijker gouvernante kunnen treffen."

"O, zij is zeer goed!"

"Maar dat is geen Hollandsch, beste meid! O, _elle est très bonne_. Doch
gij spreekt dagelijks Fransch met haar; wat leest gij?"

"Wij lezen veel Engelsch, mijnhe ..."

"Wat, mejufvr ..."

"_Miss_ Hannah More."

"Oef!" dacht ik, en zuchtte; want bij het verderfelijke beginsel der
britsche opvoeding: "_what would people say?_" het gekwezel eener oude
vrijster, de lectuur van een meisje van zestien,--hoe hield het kind het
uit?

"En als gij in de stad zijt, gaat gij zeker bij _the Reverend_ ... ter
kerk?"

"Altijd, mijnheer."

Zie, het past mij niet een vonnis te vellen over het ritueel der
episcopale eeredienst; Walter Scott heeft, met den tact die hem
onderscheid, er al het schoone van doen uitkomen, in de huiselijke
avondbede van _sir_ Henry Lee en zijne beminnelijke dochter; maar woon
eens zeven zondagen achter elkander de voorlezing van dezelfde litaniën
bij, een leer hoe veel uw gevoel aan innigheid verliest, hoe zinledig
vormen zijn!

Er volgde weder eene pauze.

"Welk een oord!" borst ik uit.

Ik waag mij niet aan eene beschrijving; het landschap duldt er geene,
schoon, de stoffaadje niets zeldzaams heeft. Er zijn menschen, die u
zeggen, dat er slechts een vloed door eene weide kronkelt, terwijl er
aan uw eene zijde duinen oprijzen, en aan de andere twee oude boomen
staan. Maar Marie schetste de plek vóór jaren, met een woord.

Mijn rijdpaard was schichtig geworden; het steigerde, en wilde het pad,
dat derwaarts voert, inslaan.

"Niet regts!" riep ze mij van het hare toe: "niet regts! dáár woont de
stilte."

En ik vergat mijn ros te bestraffen, om den gelukkige uitdrukking harer
phantasie te bewonderen.

"Dáár woont de stilte!"

Aarde en hemel was er weder in harmonie, geen wolkje zwierf langs het
zuiver blaauwe luchtruim; de breede stroom deed niets dan dat gewelf
weerkaatsen; de kroonen van het monarchenpaar schenen dubbel statelijk
door hunne roerlooze rust.

Ik zag Marie aan; hare vingeren speelden met een medaillon.

En mijn blik rustte op het verschiet, waar de hellende heesters zoo vele
waaijers schijnen, om het blinkend duinzand uit het oor te keeren. Ik
verbeeldde mij, dat de veldnimfen waren ingesluimerd; immers geene
wuifde; alle blanke armen waren op de mollige heup of op het frissche
gras afgegleden; de zoelte had haar bevangen: ik hoorde de stilte.

Daar ging de veêr van het medaillon; er was een lok blond haar in; Marie
bloosde.

"Van Willem," zeide zij openhartig; "weet gij, of hij al kadet is?"

En zij bloosde sterker.

"Ha! eene eerste liefde," dacht ik.

"Spreek er toch _mademoiselle_ niet van!" ging zij verlegen voort.

O opvoeding!

Ik sloeg het verzoek af, noch stemde het verzoek toe; ik hoorde de
dorpsklok slaan, en wij keerden terug. Het ware u kwellen, zoo ik u alle
pauzes deed medemaken, die er tusschen mijne vraag, of Marie nog veel
naar de natuur schetste? en haar antwoord: "_Mademoiselle_ is niet sterk
in het teekenen," tusschen mijn ongeloovig: "En waarin munt zij dan
uit?" en haar vertrouwend: "O, zij leert mij geographie, mythologie,
historie en handwerken; zij heeft reeds vele educaties geacheveerd,"
verliepen.

Het luiden van den bengel riep ons in de eetzaal.

Marie zat naast _mademoiselle; c'est tout dire_.

En toch heb ik nog iets op het hart.

Ik ben gastronoom noch epicurist; maar ik had liever, dat ge mij voor
één van beide hieldt, dan voor een koud-waterdrinker of pannekoekeneter.
Wie ook naar buiten ga, om zich te behelpen,--wie ook op het land gaarne
het weinige voor lief neme,--ik ben zoo bescheiden niet. Zoo de oude
kloostertucht zich de versterving aller zinnen ter taak stelde, ik word
liefst op het eigen oogenblik overtuigd van de prikkelbaarheid mijner
vijf. Vele spiegels--lichtkleurige wanden,--een zuivere dampkring om mij
heen,--een zonnig landschap in het verschiet, waar het geopend vensterraam
en de half weggeschoven gordijn een koeltje binnenlaten,--overvloed van
schotels voor mij, wier verscheidenheid mij de weelde te kiezen
onbekrompen vergunt--geurige tintelende wijnen in kelken, het edele
vocht waardig,--vooral lieve, vrolijke, mooije aangezigtjes naast en
over mij,--en, wilt gij het geheel volmaken? de malsche, ruischende
toonen eener muzijk, die zich niet oorkwetsend opdringt, die tevreden
is, zoo gij slechts naar haar luistert, als de zoeter stem aan uwe zijde
zwijgt;--ik zie er niets zondigs in, ik acht er mijnen gastheer te
humaner om, naarmate hij voor dat alles opener zin toont. Doch zult ge
mij niet toeroepen:

    "Ah! n'allez pas chercher midi
        A quatorze heures!"

zoo ik u beken, dat ik nog iets meer verlang,--iets, dat niet op den
huize Duin en Dal alleen ontbreekt,--iets, dat in ons vaderland
zeldzamer is dan rijkdom, weelde, overvloed?--eene gastvrouw, die toon
geeft,--die het gesprek levendig houdt,--die ons, door de gaven van
haren geest, de gaven der fortuin vergeten doet.

Veroordeel mij niet, voordat ge mij gehoor hebt verleend.

Wij hebben huiselijke, wij stoffen op vrome, wij zijn mild bedeeld met
deftige vrouwen; ik heb eerbied voor de eerste, de tweede en de derde,
schoon ik wenschte, dat alle een weinig levendiger, beminnelijker,
gezelliger waren. Er is geen onfeilbaarder gids tot onafhankelijkheid,
dan eene spaarzame, overleggende, naauwtoeziende huismoeder; maar het
leven wordt ondragelijk vervelend, wanneer men ons zijne geriefelijkheden
beknibbelt; en zoo gierigheid de wortel van alle kwaad is, zij zie toe
wat zij kweekt, die haar gezin slechts onthaalt op de schrale geneugten
van uit te winnen. Eene ongeloovige vrouw is zelfs den ongeloovige een
gruwel. Ik laak het niet,

    Dat zich door alle weêr en winden.
      Eenvoudige welmeenendheid
    Soms driemaal 's daags ter kerk doe vinden;

de waarlijk vrome is blijmoedig van aard; een heldere geest, een rein
hart looft den Heer in het dankbaar genot Zijner schoone wereld; slechts
zij, die zich in eene wolk van eigen heiligheid hullen, doen afstand van
het zoete voorregt vreugde te verspreiden, gebogenen op te rigten. O, de
mantel der waardigheid plooit zich statelijk om de kloeke gestalten
onzer aanzienlijke vrouwen; waar hij ruischt, deinst de ligtvaardigheid
terug, grijpt der onbedachte jeugd eene huivering van eerbied aan: ik
heb te veel zin voor decorum, om hare poses bij hoogtijden en rouwbeklag
niet te bewonderen. Doch het gaat der deftigheid als alles, wat niet in
de natuur, wat slechts het gevolg van overeenkomst is: in het gezellig
leven, in den dagelijkschen omgang lokt zij ons een "_cui bono?_" af;
wie beklaagt den echtgenoot eener altijd getabbaarde matrone niet?
Waarlijk, mijn eisch heeft minder onredelijks dan gij vermoeddet; in
iederen stand moesten de schoonen der bevalligheden ijveriger offeren.

En zoo ik het der burgerlijke huishoudelijke niet euvel duide, dat zij
_vrieg_ in plaats van _vroeg_ zegt,--dat zij van _profester_ spreekt,
--dat zij _eindelijk_ met _eigenlijk_ verwisselt,--zoo ik niet van haar
eische, dat zij het vervelende "_En toen zei ik_," het langdradige "_Om
kort te gaan_," het babbelzieke "_Onder ons_" afleere,--mits zij van
vliering en zolder naar keuken en kelder dribbele, overal het onordelijke
herstellende.

    Denn ein geschäftiges Weib thut keine Schritte vergebens,

mits er welvaart en voorspoed in hare woning heersche,--ik durf
onbekrompener levensbeschouwing, veelzijdiger beschaving, gezelliger zin
wachten bij haar, die wekelijks onze redenaars hoort,--zij, wier smaak
voor alles, wat goed, edel en schoon is, de lezing van het boek der
boeken verfijnen moest. En indien ik ook deze om het vormelijke, dat
onze leerredenen aankleeft, om den ernst, die op het voorhoofd onzer
sprekers zetelt, om het stellige, dat hun oordeel kenschetst, iets
stijfs, iets ingetogens, iets wrangs ten goede houde,--zoo ik haar niet
verwijte, dat de lachjes vreemdelingen in hare woning zijn,--zoo ik het
haar niet toerekene, dat haar gade de uren, die hem van zijn beroep
overschieten, in het koffijhuis, aan de ombertafel, onder een glas en
eene pijp zoek brengt,--droef bewijs, dat Voss zich juister had kunnen
uitdrukken, dan in zijn hexameter:

    Lieblich und schön seyn ist nichts; ein Gottesfürchtiges Ehweib
        Bringet Lob und Segen!--

ik eisch bij vrouwen van hoogeren stand al de geneugten van hart en
geest, opdat de verveling niet tot _maitresses_ voere.

Hoe zoude ons leven, onze maatschappij, onze letterkunde er bij winnen,
indien vrouwen er eenen meer dan lijdelijken invloed op uitoefenden!

En zij zelve!

Arme Marie! die, in uwe vrijheid, eene duinroos gelijk, uwe geuren ieder
voorbijsuizend windje prijsgaaft, uwe knopjes voor iederen afzwervenden
zonnestraal ontsloot, waarom moest men u in eene broeikast verplaatsen,
uwe weelderigste loten afsnijden, uwen schilderachtigen groei
weêrstreven, uwe aantrekkelijkheid in een nevel van onbeduidende,
vervelende, zoogenaamde bescheidenheid hullen? Uit milde hand deelde
de natuur u drie gaven toe; zij pleegt ze zelden in hare grootste
gunstelingen dus te vereenigen. U schiep zij schoon; u schonk zij geest;
u ontzegde zij geen hart. Ach, hoe ligt kan het eerste en het laatste
geschenk u noodlottig worden, als uwe gouvernante er in slaagt, om u van
het schild, waarmede de welwillendste aller feeën u in het tweede
voorzag, te berooven! U had zij het groote geheim aller conversatie
ingefluisterd: gij luisterdet en gij vroegt; gij hernaamt en gij
verhaaldet; gij luisterdet en gij merktet op. Hadt gij dien krans voort
mogen vlechten, bloem bij bloem ware door uwe fijne vingertoppen
aangeraakt; onwillekeurig hadt gij de verwelkte van de frissche leeren
onderscheiden, de heelende van de vergiftige.

En nu?

Weldra zult gij in onze wereld optreden, bekoorlijk door uwe schoonheid,
moeders zien het hare dochters gaarne;--aanlokkende door uw gevoel, het
hart ligt buiten het bereik eener gouvernante;--begeerenswaard om uwen
rijkdom o, dat gij geen bruidschat hadt! Ik zie hen in het verschiet om
u heenwemelen, de hommels--neen, de gieren onzer zedelijke maatschappij:
den bedaagde, wiens hart lang verstorven is, maar die geen weêrstand kan
bieden aan de verzoeking, om drie winters lang van zich te doen spreken,
als van den gemaal der schoonste van iedere partij, ieder feest, ieder
bal;--den eerzuchtige, die weet, dat in onze dagen slechts vermogen tot
gezag voert, en, mits uw goud hem tot voetstuk strekke, u vergunnen wil
zijnen naam te dragen; elk ander beschermer zoude hem onder duurder
verpligtingen leggen dan gij;--den lichtmis, die zijn erfdeel, zijne
jonkheid, zijne geestkracht heeft verspild, en u ten echt vraagt, opdat
gij, schuldelooze, verkwijnen moogt als hij, die zijne dwaasheid boet.

En gij zult kiezen, zonder oordeel, uit ijdelheid, naar belangzieken
raad, en later zal uw vernuft uit de asch opvlammen, zullen uwe driften
ontwaken, en gij zult strijden of vallen: u toeft een levenslange kamp.

Weleer alleraardigste, nu beklagenswaardige Marie, hoe zou ik mij durven
vleijen, dat gij gelukkig zult zijn?


1839.


       *       *       *       *       *



DE EZELINNEN

(EENE SCHETS UIT MIJN VENSTER)


Een korenveld, eene weide, een bosch leveren zeker streelender verschiet
op, dan eene straat of eene gracht in de stad; maar hoeveel afwisselender
en veelzijdiger poëzy schuilt er in de menigte welke ik binnen de muren
dagelijks mijn venster langs zie gaan, dan in het gelaat van hemel en
aarde, buiten!

Het was in den nazomer van het verleden jaar, dat mijne opmerkzaamheid,
uit het venster de straat op en afdolende, vóór het invallen der
schemering, geboeid werd door een schouwspel, dat mij dikwijls somber
stemde. En echter leverde de groep een vroolijk tooneel op, dat bij
wijlen zelfs dartel werd,--het waren vijf, zes, zeven ezelinnen met
haren drijver.

Vrees niet voor alweder eene beschrijving eener tering; onder de studie,
welke de krankte eischt, zou ik mij welligt verbeelden haar ter prooi
te zijn.--Integendeel, toen ik de graauwtjes vóór de deur van mijnen
overbuurman zag stilhouden,--òverburen, die ik wat meer kende, dan men
het gewoonlijk zijne nááste doet--toen kwam de gedachte: "Wie zou er
krank zijn, _hij_ of _zij_?" naauwelijks bij mij op, of ik zeide in mij
zelven:

"Geen van beide."

Oordeel, of gij een' dier jeugdige echtelingen zoo erg zoudt hebben
geacht, dat zij reeds tot ezelinnemelk hunne toetvlugt moesten nemen;
beslis, dit zeg ik, als gij de volgende bijzonderheden zult hebben
gelezen.

Hij? hm!--Wie, als ik, de drie kruisen achter den rug heeft, smaakt de
twijfelachtige vreugde, allengs de kennissen zijner jeugd gevestigd te
zien. Twijfelachtige vreugde, voorwaar! Want bij die herschepping
verkeeren velen, helaas, van vrienden, dat men hen waande, in kennissen,
als ik ze noemde. Een andere familiekring--hoe vervreemdt die!--Een
vertrek naar elders--hoe kwijnt weldra de briefwissel, welke na verloop
van het eerste jaar geheel ophoudt!--En toch behooren deze nog tot de
minst smartelijke wijzen, waarop men de begoochelingen zijner jonkheid
ziet vervliegen. Sommige banden worden niet langzaam door den tijd los
gestrikt, gebrek aan sympathie in de beschouwing van het werkelijk leven
breekt die wel eens plotseling en voor altijd af, schoon men elkander
blijft zien, schoon men de kennis aanhoudt. Welk eene andere toekomst
achtte ik mijn' overbuurman, achtte ik Pieter beschoren, toen ik,
verscheidene jaren geleden, met hem de duinen opwandelde, en wij, op den
top van dezen of genen blinkert, het dubbele lied hoorden, dat nog
wedergalm vindt in mijn hart,--welk eene andere toekomst, dan zich voor
hem verwezenlijkte? Toen luisterden wij, opgewonden jongeluî als we
waren, beurtelings naar het landschap aan onze slinke, dat ons _ijver_
toesuisde, en naar de zee aan onze regte, die _glorie_ zong--toen
spraken wij van het verleden, van degelijkheid,--toen beloofden wij,
--ja, wat niet al!

Vóór drie, drie en een half jaar misschien, kwam Pieter mijne woning
binnen, stoof zou het woord zijn geweest, als hij mij geruimen tijd
vroeger iets dergelijks had mogen mededeelen, als hij mij op _dat_
oogenblik wilde aankondigen. Lot en leven hadden hem, voor een half
_lustrum_, het is waar, op eene zware proef gesteld. Hij had hopeloos,
hij had vergeefs bemind. Maar de jongeling, die, na eene teleurstelling
van dien aard, niet strenger vasthoudt aan al wat hij vroeger hoog en
heilig achtte, heeft hij waarachtig lief gehad?

"Ik wou je toch eens komen vertellen, dat ik geëngageerd ben," zei hij,
dood bedaard.

En wij waren elkaâr reeds zoo vreemd geworden, dat ik verpligt was te
vragen:

"En met--?"

"De dochter van ----" en eenige kwaliteiten volgden.

Ik was niet genoeg vriend meer,--vergun mij te zeggen: ik heb te strenge
begrippen van vriendschap, om in te houden, wat inij uit het hart op de
tong kwam:

"Dat is anders dan met Elise--"

"Och--wat--ja!" hernam hij, eene phraséologie, waartoe hij reeds
dikwijls zijne toevlugt had genomen, als ik hem sedert zijn blaauwtje,
zijn wankelen, zijn hinken op twee gedachten verweet. Hij was nog niet
zóó ver gekomen, om te beweren: "dat men transigeren moet, om in het
practische leven nuttig te zijn;" enz., enz. Hij begreep, dat hij toch
iets ter gunste van zijn meisje zeggen moest, en liet er zich
verstandiger over uit, dan hij gedaan zou hebben,--ware hij verliefd
geweest.

En voor Pieter, die, een half jaar na zijn engagement getrouwd, mijn
overbuurman was geworden; voor hem zou de drijver daar het balsturigst
paar ezelinnen uit den hoop, ongezeggelijk en zaämgekoppeld als het was,
aan die ijzeren leuning vastbinden? Hij zou krank zijn, hij, wien de
aanstaande schoonpapa eene geschikte partij had gevonden, al dreef hij
een beetje oppositie, "oppositie was immers tegenwoordig de weg om er te
komen?" Pieter, wiens grieven tegen onzen tijd de valkenblik van den
oude teregt niet zoo zwaar had geacht, dat een lucratieve betrekking die
niet zou kunnen genezen; Pieter de tering? bah!

Was _zij_ dan welligt lijdende? wie het geloofde, niet ik. Het toeval,
--waarom het verheeld?--het toeval, dat door mijne nieuwsgierigheid niet
zoo heel toevallig was, had mij spoedig zijne Louise leeren kennen.
Alles wat zijne vroegere en latere geliefde gemeens hadden, was de
uitgang van den naam _en_ ise. Twee meer verscheiden meisjes zijn
naauwelijks denkbaar. Of het onderscheid louter dáárin had bestaan, dat
de eerste eene brunette, de laatste eene blondine was! Maar Elise,
levenslust, plaagzieke dartelheid,--liefde--innige, vurige liefde; maar
Louise, onberispelijke vormen bij volslagen vrijheid van hart, om niet
te zeggen afwezigheid van gevoel! Ik zag haar bij het stilstaan der
graauwtjes vóór mij, zoo als ik haar had gezien den dag, waarop hun
huwelijk werd voltrokken,--den dag, sedert welken ik weinig meer van
haar hield. Pieter had mij verzocht zijn getuige te willen zijn,--zóó
iets weigert men niet.

Er was echter veel, dat haar verontschuldigde, bij de plegtigheid niet
over aangedaan te zijn geweest.--Het ware onbillijk van mij, zoo ik het
verzweeg.

Vóór alles, zij was moederloos: de weeze had de zoetste betrekking
weinig of niet gekend. Op een paar vermaarde pensionnats was zij door
haar koel temperament beveiligd voor--het woord _besmetting_ is wat
hard; en toch geve God, dat wij nooit een zachter leeren gebruiken voor
die ontreiniging der gedachten, welke het gevolg is van overprikkelde,
onmaagdelijke nieuwsgierigheid. Arm kind, dat zij voor die strenge
kuischheid van zin, welke haar van de geheimen harer gespelen afkeerig
maakte, niet in een ander opzigt, niet door de verzuimde ontwikkeling
van haar hart had geboet! Wien konde zij lief hebben, wien leerde zij
beminnen? Een' vader, dien zij zelden zag; die haar, toen zij de school
had verlaten, verzocht bij zijne gastmalen als vrouw des huizes te
ontvangen, en die haar uithuwelijkte--om zelf weêr te trouwen?

En de ceremonie!

Het was eene dubbele, zoo als er bij alle fatsoenlijke huwelijks-
voltrekkingen te onzent plaats grijpen, sedert de invoering van den
burgerlijken stand,--die eene voortreffelijke inrigting zoude zijn,
als wij haar niet zoo _mir nichts, dir nichts_ met huid en haar hadden
geslikt; als wij haar gewijzigd hadden naar onze zeden. Een huwelijk is
in Holland nog niet louter _un contrat civil_, de hemel zij er voor
geloofd! "Dan sukkele de kerk den staat achterna!" schijnt het stelsel;
maar hoe die verdeeling den indruk verzwakt: God, in Christus onze
Vader, volgende op dat heidensche opperwezen, 't welk eigenlijk niemands
God is!

Het formulier naar de wet had echter op Louise, op ons eenigen indruk
kunnen maken, ware het voorgelezen, zoo als onze moedertaal hoogtijden
spreekt, kernig, met nadruk, uit het gemoed. Maar al had een
afstammeling van Oud-Hollandschen huize de voordragt op zich genomen,
het was geen Hollandsch wat wij hoorden. Spreek mij niet van
Gallicismen; de Gallomanie deed de toppen der vingers tintelen van
ergernis; het was of zij ons trok bij de haren.

En de griffier raffelde de acte over--als wenschte hij dat niemand meer
trouwen mogt,--om hem de moeite te besparen.

De inzegening had in de Wale-kerk plaats;--daar bruidegom noch bruid
nazaten van _réfugiés_ waren, vergoedden geene familieherinneringen het
onhartelijke der vreemde taal. Noem dit niet bekrompen, bid ik u. De
mindere innigheid van het Fransch komt doorslaande uit, als gij de
huwelijksformulieren der hervormde gemeenten in beide talen vergelijkt.

Zie, ik vergaf het Louise, dat er ook dáár geene tranen in hare oogen
kwamen. Maar dat zij, na den afloop van het feest, zóó hartstogteloos,
zóó kalm, in het reisrijtuig stapte, als ware zij nogmaals naar het
_pensionnat_ gereden, hadt gij het haar ten goede gehouden? Ik wil uwe
beslissing niet vooruitloopen; maar ik vermoed, dat gij het er met mij
voor hadt gehouden, dat niet ten haren behoeve het graauwtje haren uijer
aan de vingers des drijvers prijs gaf; het graauwtje, welks veulen
intusschen zijn' ruigharigen kop achteloos op haren schouder
neêrvlijdde.

En toch bleef ik met ongeveinsde belangstelling voortstaren; en toch
wenschte ik het glas melk, dat de dienstbode weldra naar binnen bragt,
al de heilzame, al de genezende kracht toe, welke het bleeke vocht der
ezelinnen ooit op een' kranke uitoefende. Want, nog altijd uit het
venster ziende, greep mij eene vrees aan, welke mij huiveren deed.

Ik had Pieter en Louise, sedert zij mijne buren waren geworden, tweemaal
bezocht. Hoe anders had ik hen de eerste dan de laatste maal aangetroffen!

Luttel weken na hunne tehuiskomst van hun speelreisje was ik het paar
gaan zien. De indruk, dien het bezoek bij mij achterliet, was verwant
aan dien, welken de schilderijen van een' negentiende-eeuwschen ter Burg
zouden maken. Het behangsel der kamer, waarin ze mij ontvingen, wedijverde
in helderheid van kleur met de rosetten van het plafond;--het lichtbruine
mahonyhout der huisraden schitterde mij tegen,--de fijngeslepen kerken
kaatsten den fonkelenden morgenwijn in het kristallen blad weder;--Louise
droeg een zijden kleed. Maar de glans der vreugde, die mij uit hare
oogen had moeten toeblinken; maar de blijdschap, welke Pieter had moeten
gevoelen, dús gevestigd, zóó gelukkig te zijn; maar de geestigheid, die
kruiderij des gespreks; maar de lach, dat zout der zamenleving, ik zag
er te hunnen huize even vergeefs naar om, ik hoorde er die even weinig,
ik smaakte ze er zoo min, als gij het op de stukken van onzen eersten
satijnschilder doet. De overeenkomst ging verder; Louise was niet minder
statelijk dan zijne slanke jonkvrouwen; maar gij hadt dat deftige
evenzeer bewonderd, zoo gij slechts haren rug, en niet haar gelaat, hadt
gezien. Pieter staarde in den wijnkelk, met denzelfden ernst, dien zijne
gemusqueerde allonge-paruiken onderscheidt, en van welken ge toch, hoe
lang gij naar de meening gist achter zulke oogen verscholen, niet meer
begrijpt, niet wijzer wordt, dan dat zij den wijn bekijken.

"De mensch en sal by broodt alleen niet leven," zegt de Schrift. Hoe mij
die woorden invielen bij de leêgte van al de pracht, voor welker
verzoeking Pieter was bezweken!

Er waren maanden verloopen, zes, acht maanden welligt: daar verraste mij
eene heugelijke tijding, daar volgde eene uitnoodiging,--ik trad
andermaal de woning van het paar in. Hoe was alles verkeerd! Louise zat
in eene weelderige _chaise longue_; een Dou onzer dagen zou zich vermeid
hebben in de schildering der niet al te breede kant, welke haar bleek
kopje en hare bleeker handen, welke haar mutsje en haar kleed omgolfde;
hij zou regt hebben gedaan aan de stille weelde, waarin hare oogen
dreven, zwommen, zoo gij wilt. Voor het eerst was zij bezield; behoef ik
te zeggen, dat zij voor het eerst schoon was? En ook Pieter leverde eene
figuur op, het penseel van den schilder der _Kraamkamer_ waardig. Er was
niets uitgelatens in zijne verrukking; de zon der vreugde had meer
gedooid dan gezengd--ook de groote Gerard hield van eene waardigheid,
die de grenzen van het stijve naderde. Onder het roeren van den
kandeelstok werd de eerstgeborene binnengebragt; het mogt mij niet van
het hart er voor uit te komen, hoe dikwijls ik den dollen wensch voedde,
dat kinderen zóó ontwikkeld geboren werden, of zij drie jaren oud waren.
Hoe gelukkig was Louise met haren zoon--hoe hechtte zijne hulpeloosheid
haar aan het wicht! Wijze natuur! Ik zag beide trots en schroom in de
zijdelingsche ontblooting haars boezems, toen zij het kind de borst gaf;
hare oogen gingen heen en weder tusschen Pieter en de kleine--en haar
gade knikte haar toe--zij hadden nog kans op geluk.

Ik weet niet, of het u als mij in het scheppingsverhaal van Mozes heeft
getroffen; maar ik las nooit zonder aandoening, hoe de oudervreugde de
uitdrijving uit het paradijs verzoette. Ik dacht er dat uur aan!

Helaas, was het voor hun kind, dat de graauwtjes aan de overzijde stil
stonden?

Den volgenden morgen was ik er zeker van;--het jongsken scheen, sedert
zijne spening, geloof ik, in eene kwijning te vervallen, tegen welke de
arts het gebruik van ezelinnemelk had aanbevolen.

Maar, zoo mijn blik den volgenden avond, en dagen daarna en weken lang
op ongeveer hetzelfde uur getrouw het venster uitzwierf, om den drijver
met zijn zes- of zevental langs te zien komen, getrouwer nog ligtte
Louise in hare zijkamer het gordijntje op, de graauwtjes nu eens
ongeduldig te gemoet starende, dan weder door hunne niet zoo vroeg
gehoopte komst verrast. Hoe wettigde, helaas, de voortdurende
onzekerheid over den toestand haars kinds dien angst en die hoop!

En zie hier de gedachten, door de komst dier ezelinnen opgewekt; de
mijmering, waartoe zij uitlokten:

Een kind!--is er iets ter wereld, waarin meer poëzy schuilt dan in het
van allerlei zorg afhankelijke schepseltje in den wieg,--dat welligt
bestemd is de luister van ons geslacht te worden? Het weet naauwelijks
zijne handjes te gebruiken,--handen, die later misschien het zwaard des
krijgs of de veder des vredes zullen zwaaijen of stieren, met tijdgenoot
en nakomeling verbazende kracht.--Het invallend zonnelicht doet zijne
oogjes zeer;--oogen, die ontwikkeld den afgrond zullen peilen of den
sterrenhemel meten; oogen, die de duisternis noch de schittering van de
wonderen der natuur zal verbijsteren of verblinden. Het eenvoudigst
begrip schijnt te hoog voor die trage hersenen, het instinkt des diers
leidt sneller en wisser dan de zoo hoog geroemde rede; maar wacht, en de
wetenschap zal haren stralenkrans werpen en de kunst haren lauwer vlechten
om dien nu nog naakten, schier nog weeken schedel. Een kind!--het begin
van een leven, door vreugde en smarte bont geschakeerd,--dat beurtelings
zoo groot en zoo klein schijnt,--dat der laagste togten en der edelste
driften om strijd ter prooi zal wezen,--maar dat niet eindigt in het
graf, waaraan de onsterfelijkheid is gewaarborgd, liever nog het eeuwige
leven; opdat onze zwakheid door de negatieve uitdrukking niet heen
schemere waar het onze zoetste hope geldt. Een kind!--laat ons dalen, of
rijzen misschien, want de moeder buigt zich over het wiegje heen, en er
is niets verheveners in de gedachten, welke ons de toekomst van den
jeugdigen mensch straks inboezemde, dan wat wij in deze groep aanschouwen:
liefde, liefde, het uitgedrukte beeld Gods! Zie, er was zelfzucht in de
bekommering, waarmede Louise dat schrale aangezigtje gadesloeg, de
kleine handjes drukte, haar trager dan vroeger te gemoet gestoken;--de
lipjes kuste, bleeker dan weleer;--zij gevoelde, dat met dien band,--als
hij scheuren moest--de éénige, die haar innig aan Pieter hechtte, zou
los springen. Zij had hem nooit bemind, zoo als dat vleesch van haar
vleesch, zoo als dat leven van haar leven. Maar--wordt die opmerking
voor eene mijner lezeressen wel vereischt?--hoe die zelfzucht vergoed
werd en opgewogen door de toewijding van den dag en den nacht, van de
vreugde der openbare vermaken en der gezellige geneugten; door de
volslagen ontzegging van rust zelfs na weken lange oppassing! Hoe
verloochende zij die zelfzucht geheel door de verzuchting, eindelijk aan
haren boezem ontglipt:

"Heere, neem mijn leven in plaats van het zijne!"

Op eenen schoonen herfstmiddag--het heugt mij nog of ik 't straks had
gezien--was het gordijntje ter zijde geschoven--de kleine lijder zat in
zijn' stoel vóór het raam. Daar kwamen de graauwtjes--hoe hij gierde en
sprong, of hij hen te gemoet wou! Eene der ezelinnen, die er met hare
bleekzilverige huid en fijne ooren,--zij stak die op,--waarlijk niet
uitzag of wij regt hadden den naam der dierensoort tot een schimpwoord
te verlagen,--eene der ezelinnen werd een zonnig plekje op de straat
gewaar, wierp er zich neder, rolde er zich om en nog eens om,--het
plaveisel was pas gemaakt, en het zand nog droog. Het jongsken zag van
achter de spiegelruit de speelsche groep, want een veulen had zich bij
het moederdier gevoegd; de kleine werd rusteloos; naar buiten reikten
zijne armpjes, en Louise gaf dien wensch gehoor. Op de stoep verschenen,
daalde zij met haar kind de weinige trappen af, en liet hem zijn' wil in
het streelen der vaalbruine haren van het beest, dat voor hem gemolken
werd, en plaatste hem voor een oogenblik op den rug des diers. O, dat ik
de weelde schilderen kon, waarmede zij hem aan haar harte sloot, toen
hij, een omzien aan zich zelve overgelaten, weder in de beschermende
armen wipte, die boven en beneden hem hadden gewaakt; de weelde, zeide
ik, de huivering had ik moeten zeggen, die haar rank lijf trillen deed!
Of waren hare oogen niet afgedwaald naar de schalke vreugde van ezelinne
en veulen, die zich nog altijd omkantelden in het warme zand; die, aan
hunne weide, aan hun distelveld ontrukt, dien zweem van natuur smaakten
in de steedsche ballingschap, gezond als zij waren?

De moeder benijdde, in den schoot der weelde, het graauwtje, dat eene
wolk van stof deed opgaan. Toen deze was weggewaaid, zag ik vergeefs
naar de overzijde: Louise en haar kind waren verdwenen. Zij was met hare
smarte haar prachtig huis weder ingetreden.

De ezelinnen kwamen den volgenden, kwamen nog menigen avond terug; maar
eer de winter inviel, hadden de plagerijen tusschen den drijver en het
dienstmeisje uit,--want de gordijnen der zijkamer waren opgehaald, de
luiken gesloten. Pieter en Louise beweenden hun éénig kind.

Verg mij niet, dat ik schetse, hoe het paar me bij het rouwbeklag
ontving--Louise, die luttel maanden het leven des harten had gekend,
scheen versteend; slechts van tijd tot tijd gaf zij teeken van
bewustzijn--door op te zien!

En Pieter? Het geviel dit voorjaar, dat hij mij van eene reize naar
Zwitserland sprak; de toestand zijner gade, verzekerde hij mij, eischte
die.

"Ook ik zelf, jongen," zeide hij, "ben niet gelukkig--de hemel heeft mij
gestraft in mijn kind!"

Ik zou hier uitweiden in alles, wat zich tot zulk een' verslagene zeggen
laat,--hoe het mij heugde uit den mond eener waardige oude vrouw te
hebben gehoord: "Toen ik mijn' man nam, had ik hem niet lief, maar dat
kwam later door zijn gedrag,"--met andere woorden, dat Pieter de liefde
van Louise, welke hij had leeren achten, die hij thans schier beminde,
nog verdienen kon;--ik zou er bijvoegen, dat het voor niemand te laat is
zijn levensgeluk te zoeken en te vinden in de betrachting van zijnen
pligt; dat ieder, die wil, een degelijk mensch kan worden, degelijk als
de vaderen het waren in onzen roemrijksten tijd,--ik zou dit alles doen,
als mij plotseling geene vreeze bekroop, welke mij letterlijk doet
aarzelen voort te gaan.

Welke?

Dat gij mij een' onheusch vriend zult noemen, die vroegere innige
betrekking,--later aangehouden kennis,--eindelijk weder toegehaalde
banden prijs geeft, die.... Vaar niet voort met uwe beschuldiging, bid
ik. Ge zoudt gelijk hebben, ware het zoo. Doch als ik u gul uit bekenne,
dat ezelinnen, Pieter, Louise, het kind, nergens zóó bestonden als ik
die schetste, dat ik zelfs geene overburen heb: o, beweer dan toch op uw
beurt niet, dat de gebreken in onzen maatschappelijken en huiselijken
toestand door mij gegispt, dat de verspreide trekken, welke ik zocht te
vereenigen, dat deze niets anders zijn dan _boosheden in de lucht_,
waarvan niemand te onzent hinder heeft!


1842.



       *       *       *       *       *



HANNA

(EEN STUDIE-BEELD UIT HET VOLKSLEVEN)


Het was zaterdagavond vóór Kersttijd, en in eene kleine woning op
Katten-, Oosten- of Wittenburg, te Amsterdam, lag, in een spaarzaam
verlicht slaapvertrek; het woord Gods opgeslagen op de tafel. Eene jonge
vrouw, die er in hare eenzaamheid opbeuring, troost, licht in zocht,
staakte onwillekeurig de lezing, toen haar blik op de woorden rustte:

"Als sy nu de sterre sagen, verheugden sy haar met seer groote vreugde."

Waarom schemerde het der peinzende?

Zie, het was niet, dewijl eene door smaak noch studie bestierde
verbeelding wieken aanschoot, en zich de Oostersche Monarchen voorstelde,
in al de pracht, waarmede de Italiaansche schilderschool hen heeft
uitgedost, verbaasd, dat het schitterend luchtverschijnsel stille
bleef staan boven eene nederige woning. En echter, verre, zeer verre van
haar, èn de zin voor het gemoedelijke, waarmede Bendemann ons met de
Wijzen uit het Oosten in vast vertrouwen voort doet trekken, én de zin
voor het verhevene, waarmede Vondel deze, in zijn bekend meesterstuk,
het goddelijk Kind laat aanbidden. We zijn noodeloos hoog gesteigerd.
Het was iets eenvoudigers, iets vrouwelijks, iets kinderlijks schier,
dat haar schreijen deed; iets, dat u en mij,--laat ons het bekennen--ook
is weêrvaren, wanneer wij, in verslagenheid des harten, der Heilige
Schrift het oor leenden, en een zweem van gelijkenis, eene flaauwe
analogie tusschen beide toestanden, de voorstelling vergeten deed,
dewijl indruk of schok ons onwillekeurig in het tegenwoordige overbragt.
We zagen op, of wij zuchtten,--een oogenblikkelijk gevoel, dat vele
woorden zou hebben vereischt, indien wij het aan een' derde hadden
willen verklaren,--een wensch, dien God verhoorde of vergaf. Om tot onze
lezeres terug te keeren, de verrassing der vreugde, in de aangehaalde
woorden zoo aandoenlijk uitgedrukt, trof haar diep: eensklaps werd zij
te moede, als zag zij, tegen de graauwe winterlucht van den oostelijken
hemel des IJstrooms, een wit zeil opdoemen, en eene diepe ademhaling
vertolkte de bede:

"O, hoe blijde zou ik zijn!"

Moge mijn aanhef u niet allen lust tot verdere kennismaking hebben
benomen! Immers, ik voorzie, dat ik zoo voorhoofdfronsing als
schouderophaling te tarten heb, wanneer ik u die jonge vrouw, wanneer ik
u Hanna vóór twaalf of vijftien jaren voorstelle, Aalmoezeniersweeze als
zij was,--vondelinge, die in haar kleed het bewijs omdroeg, dat hare
moeder haar van zich had gestooten, zoodra zij het licht zag; dat haar
vader er zich welligt nooit over had bekreund, of zij bestond. Waarom
zou ik het uwer kieschheid euvel duiden, dat zij zich aan de figuur
ergert, schoon mij de proefneming aanlacht, u te overtuigen, hoe weinig
wat gij het gemeenste leven heet, het goede, het schoone zelfs buiten
sluit? Slechts nog één trek, welke der afzigtelijke wereld toebehoort,
die mij niet minder walgt dan u; slechts nog één trek, en ik zal uwer
verfijnde zenuwen geen geweld meer aandoen: Hanna was in het Huis
gelukkig, schier bij uitzondering gelukkig te prijzen, daar de onnoozele
ten minste in geen ziekelijk ligchaam de onverdiende straffe droeg der
uitspattingen, der losbandigheid van hen, wier lust, niet wier liefde,
haar in het leven riep. Schoonheid was haar deel. Stellig hebt gij in
dichterlijke droomen dikwijls van de onwederstaanbare heerschappij
gelezen, welke deze uitoefent, maar er in de werkelijke wereld schaars
treffender blijk van gezien, dan dat, waardoor hare lieve heldere
kijkers, haar goêlijk-mooi gezigtje soms voorbijgangers of toeschouwers
verraste. Dáár stoven zij aan, op gracht of plein, de knapen uit het
Diaconie-huis, de knapen, onwillekeurig nog vermetel op hunne betrekking
tot de weleer heerschende kerk;--dáár ontmoetten zij haar, de
burgerweezen, de jongens, die zich thans op hunne broederschap met van
Speyk te goed doen, en wèl mogen zij het;--dáár omringden beiden haar,
de eersten in hunne geestelijke, de laatsten in hunne stedelijke
liverei, en deze als gene, verwaten op dien dos, zoo als alle
onderscheidende kleederdragt het maakt--dáár zagen de wilden de gesmade
Aalmoezeniersweeze vóór zich. Een gejoel ging op, het schimpwoord kwam
op de lippen--maar wat was het? _Hoerenkind! hoerenkind!_--waarom
bestierf het, eer het werd geuit? Geene bedenking, hoe leelijk het hun
zou staan, vader- en moederloozen als zij waren, eene nog ongelukkiger,
verlatener weeze dan zij, te smalen, geene bedenking van dien aard,
welke hen weêrhield. Wat zich ook in onze weeshuizen ontwikkelt, de
kweekelingen uit dezen blijven meestal vreemd aan die teederheid des
harten, den kinderen in de nieuwjaarsversjes onzer poëten toegedicht
--ook valt zij naauwelijks te vergen, waar het lot in de prilste jeugd
zelfstandigheid tot voorwaarde van bestaan maakt. Het was dat echt-
hollandsch-mooije, die blanke wangen, waaraan de roos hare schoonste
tinten schijnt te hebben geleend, die liefelijke oogjes, wier blaauwe
helderheid vrede en vreugde verkondigt, het was de schoonheid, die overwon.

"Eene knappe meid!" zei de oudste.

"Het arme kind!" zei de jongste.

En zij gingen verder,--want ge treft naauwelijks één' schalk aan onder
tien schreeuwers.

En echter, niet minder dan of zij haar wreed hadden uitgescholden en ruw
hadden bejegend, niet minder betrok bij zulke tooneelen dat gezigtje, 't
welk slechts behoefde te zijn gezien om te worden gespaard: die kinders
hadden hunne ouders gekend,--zij wisten ten minste wie zij geweest
waren,--zij konden hunner in liefde gedenken. Zij, daarentegen!...
En waarom ook zij niet?--Voortreffelijke Hanna!--eer de jaren der
huwbaarheid aanbraken, waren de geheimen der kunnen haar ontsluijerd;
maar niet door overprikkelde nieuwsgierigheid, niet door dartelen lust,
niet door wulpschen zin. Smartende distels en weedoende doorns hadden
haar die kennis ingescherpt. Onder de schepselen welke onze beschaving,
onze zedelijkheid, ons christendom op de hoeken onzer straten en stegen
duldt, onder die schepselen kon hare moeder schuilen,--en wie weet, welk
voorbijganger haar vader was?--Voortreffelijke Hanna! herhaal ik. Vraag
mij niet, hoe zij tot die waarlijk menschelijke, tot die echt
kinderlijke, tot die vrome beschouwing van haren toestand en dien harer
moeder gekomen was; maar in het Huis werd de bijbel gelezen, en het
woord van Hem, wiens uitspraken licht en liefje zijn. Het woord: "Wie
van u zonder zonde is, werpe den eersten steen op haar!" was balsem
geweest voor haar gekrenkt gemoed; het bragt verzoening te weeg. En,
zonderlinge zegen in strafheid, in miskenning, in onregtvaardigheid
bedeeld!--de verwijten, bij welke zij de onschuld harer gedachten had
ingeboet, maar door wie zij tevens in de kennis met wapenen was
toegerust--zij behielden haar in de ure der verzoeking, toen zij
dienstbare geworden was in eene aanzienlijke woning, en de verleiding
haar aanlokte, niet slechts in den glans van goud, maar ook in den bloei
der jeugd. Hare moeder stond haar voor den geest;--hare moeder, die eens
onbevlekt was geweest als zij;--hare moeder, die misschien viel, dewijl
ze niet gewaarschuwd was;--hare moeder, die mogelijk op dat oogenblik
een leven van zonde op een leger van smarte boette. Herinnerde deze zich
harer, wenschte zij haar bij zich? O, de tranen, welke er langs Hanna's
wangen vloten, dewijl ze haar in dien jammer niet bij konde staan,
dewijl zij het kussen van de stervende niet zacht mogt schudden, dewijl
ze haar niet zeggen mogt, hoe van harte zij vergaf, dat wieg en kreb, en
bete en dronk, haar zoo hard, haar zoo karig gegund, haar zoo bitter
waren geweest, dewijl ze haar niet goeden nacht mogt kussen en vergeving
afsmeeken van Hem, wiens vergeving wij allen behoeven--die tranen, dat
haar vader ze hadde gezien! Handwerksman--winkelier--ambtenaar--beursganger
--weledelgeborene--of wat hij zij of was--God slechts kent hem--God slechts
weet het--hij had zich voor zijne onechte dochter geschaamd, en hare knieën
aangegrepen, zoo als de schuldige het die des monarchs doet, wiens woord
genade verleent. Ook ik zou wenschen, dat er voor den onmensch geen leven
nà dit leven ware!

Ziedaar, wat er soms onder een kornetje schuilt.

Willen wij Hanna voort laten mijmeren, voort laten lezen? Harer is een
smarte, welke het toch niet in onze magt staat te verzachten. Ook heb ik
haar u als jonge vrouw voorgesteld; ook ben ik u nog de vertelling harer
vrijerij schuldig.

Welaan dan!

Dikwijls ben ik er getuige van geweest, dat menschen van hoogeren stand
er zich over verbaasden, hoe geringe lieden zoo spoedig kennis maken,
en in eenige oogenblikken onder elkander niet slechts gemeenzaam, maar
zelfs vertrouwelijk worden. Eilieve, wat vreemds steekt er in? Verre van
mij ditmaal uit te varen tegen het weinig toeschietelijke der zeden van
onzen fatsoenlijken kring. Het is de schaduwzijde onzer huiselijkheid,
wier zachte glans minder zou uitkomen zonder deze, al gaat het ons soms
bij haar als bij Rembrandt's schilderijen: jammer, dat die groep niet
even mooi zou zijn, zonder dat donker. Stil, geene heiligschennis!
En ten einde wij niet afdwalen, wat wagen dienstbaren met hunne
openhartigheid? armoede is aller lot. Verblijdt er u over, zoo dikwijls
u een trek uit het volksleven verrast, met een blijk, dat wederzijdsche,
belangelooze welwillendheid, onder onze mindere standen, ondanks hunne
behoeften, groot, zeer groot is,--zoo dikwijls hunne onderlinge
hulpvaardigheid mij en u beschaamt--ik heb er de Hollandsche, de
Amsterdamsche gemeente te liever om.

Geen half jaar had Hanna nog op een der grachten van de hoofdstad
gediend, of niet alleen haar groet werd beantwoord, maar hare toespraak
uitgelokt; maar hare geschiedenis, droevig en kort als die was,
meêlijdend aangehoord door eene oudere dienstmaagd, wier portret gij
zelve teekenen moogt.

"Kind," zeî Machteld, "als ge wilt, ik zal de hand aan je houden, of ik
je moeder was."

Dat was een hartelijk woord in haren toestand; Hanna sprongen de tranen
in de oogen. Zoo was er dan iemand, die haar lief had, haar, de
verlatene! Want al was zij de sombere vlagen te boven, in welke zij al
haar godsdienst behoefde, om het lot, haar door den Hemelschen Vader
beschikt, niet hard te vinden, er kwamen oogenblikken, waarin zij
slechts al te zeer gevoelde, wat zij er in miste, "niet van eerlijk
volk" te zijn. Geene jeugd, geen vrouwelijk gemoed, geene edele ziel, of
zij voorgevoelt het geluk bemind te worden, de weelde lief te hebben!

"Als er geene smet op die meid rustte," zeî Jan, de koetsier, "dan zou
zij al lang een' flinken vrijer hebben gehad."

"Ik zal krijgen wat mij opgelegd is," antwoordde Hanna, die de opmerking
hoorde. Maar de predestinatie was kranke troost.

Het is waar, oude Machteld beweerde; "Hanna, ik ben nooit gehijlikt
geweest, en ik heb er nooit over gekniesd; met Mei zal ik op het Hofje
een kippetjes leven leiden, kind! wie wèl doet, wèl ontmoet," maar onze
kennis, zij weêrlegde, noch zij beaamde die woorden. Zij beloofde
slechts hare moederlijke vriendin trouw te zullen bezoeken, als deze op
hare muiltjes zoude gaan.

En woord hield zij, toen de tijd gekomen was, woord, iederen
uitgaansdag. Het was lief te zien, hoe langzaam zij met de vrouw, die
krukte, toen zij uit de drukte was, de binnenplaats van het gesticht om,
en nog eens omwandelde, en stoel en stoof buiten in het zonnetje zette,
den rug naar het licht, en het kussen haalde, en de steken in het
breiwerk opnam, en de luimen vierde, welke de best zoo goed had, als wij
allen die met hare jaren en kwalen hebben zouden.--Hoe wist Hanna zich,
uren lang, in de stille wereld te voegen, die wereld te onzent voor den
ouden dag geschapen: eene lieve, zindelijke woning, een bleekveld en een
tuintje,--geenerlei onbevredigde behoeften, en het genot dier weldaden
verhoogd door storelooze rust--of zoo deze wordt afgewisseld, dan
slechts door die soort van gezelligheid, welke den grijze het liefste
is, een praatje over het verledene, een praatje met een dankbare
betuiging besloten.

Het was avond in den vóórwinter, acht of negen jaren geleden; de kat
bakerde zich bij den kleinen haard, en het bestje mogt zoo zeggen, Hanna
was bij haar:

"Kom, kind, lees mij eens wat goeds voor. Of het aan de letters, of aan
mijn' bril, of aan mijne oogen schort, ik weet het niet, maar als ik het
zelve doe, het gaat niet meer."

En Hanna knikte de zilveren krappen open, en las ...

Maar wie trok daar zoo hevig de klink van de voordeur des gestichts
op?--maar wie stapte daar zoo driftig over de gele klinkers van den
binnenhof?--maar wie ... ja, hij moest aan het huisje van oude Machteld
zijn, zij zelve hoorde het duidelijk, 't was als kende zij die stem!

"Moeije! Moeije!" riep de borst, die al binnen was, eer Machteld haar
vermoeden aan Hanna had medegedeeld, en de armen van zijn kabaaitje om
de smalle schouders der oude sloeg. Poes, die verschrikt onder de
bedstede vlugtte, Poes, die hij zwaaijende langs was gestoven, Poes werd
vergeten: er schoten waterlanders van onder Machteld's grijze wimpers,
bij de tehuiskomst van den zoon eener veel jongere, vroeg verscheidene
zuster. Het bestje--ik zeide het reeds vroeger--het bestje was nooit
getrouwd geweest; zij had, zoo als zij Hanna diets wou maken, zelfs
nooit gevrijd; maar des ondanks had Machteld, zoo als Beets fraai heeft
gezegd, "de melk toch in het bloed," en haar gevoel had hare groene
jeugd overleefd.

"Dag, mooije meid!" voer de pikbroek voort, want dat was hij, en hield
Hanna om haar middel gevat, en gaf haar een' kus, die klonk als eene
klok, eer zij het hoofdje kon alwenden. De Hollandsche jongen had zoo
lang zwarte nikkertjes gezien, dat hij gaarne ieder blank meisje zou
hebben gekust.

"Bart! Bart!" riep Machteld. Het werd eene predicatie, als had zij geen'
zeerob maar een' wever tot neef gehad, Janmaat zou er zich geene zier om
hebben bekreund, was Hanna niet zoo spoedig opgestapt, had Hanna maar
van tehuisbrengen willen hooren!

"Toch niet," zei ze, vrij streng; en toen hij alevel opsprong, oef! toen
had dat mooije gezigtje eene waardigheid--die Bart overtuigde, dat de
gelegenheid voor dolle grappen met de zwarte nikkers vervlogen was.

En echter, lief meisje, dat zulke manieren onbeschaamd vindt, al ergert
gij er u aan tot kleurens toe, echter ging Bart--geen ligt matroos, maar
iemand, die na nog eene reize uitkijk had derde stuurman te worden--echter
ging Bart niet weder naar het zeeregt ter monstering, of, zonder dat
Hanna er een woord van gerept had tegen oude Machteld, werd zij op een'
Zondag avond te huis gebragt door iemand, wiens gang verkondigde, dat
het dek zijn vloer was geweest, wiens hoed op één haartje stond, wiens
halsdoek fladderde.

"Schel nog niet aan!" bad hij; maar het handje was aan den knop, en de
schreeuwleelijkert ging over.

"God zij met je!" snikte Hanna.

Daar deed de kameraad haar open.

"Wel, meid, wat is je muts verfomfaaid en wat zien je oogen rood--waait
het zoo?" vroeg de schalke deern, als had zij niemand gehoord, niemand
gezien, als wendde Hanna niet nog eens het hoofd naar die donkere
gestalte aan de waterzij, als knikte zij niet.

En toch, lief meisje, dat mij leest, toch zoudt gij Hanna ik zeg niet de
zwakheid jegens Bart, maar de onopregtheid tegenover Machteld hebben
vergeven, als ge veertien dagen later haar door de oude de les hadt
hooren lezen over hare geheimhouding. "Waar het hart vol van is, loopt
de mond van over, kind!" zei Machteld; "het was Bart niet mogelijk te
zwijgen, dat je beloofd hebt je vóór zijne terugkomst niet te zullen
verzeggen." En misschien hadt gij Machteld lief gekregen, toen zij Hanna
dochter noemde, bij de verontschuldiging van deze:

"Wist ik dan of gij er niets tegen zoudt hebben? Machteld,--moederlief!
Bart, zeidet gij altoos, Bart had geen matroos behoeven te worden, als
een mensch zijn zin niet een mensch zijn leven was; en ik ben maar--"

Inderdaad, ik had mijn opstel wel _het lezende vrouwtje_ mogen
betitelen, zoo weinig gang is er in--nog altijd brandt de lamp, nog
altijd staart zij voort--maar wees gerust, wij naderen het sombere heden
toch. Een woord slechts over den jongsten Sint Nicolaas, en we zijn er.

O mijne broeders van den gilde, die, op den avond van dat feest, welligt
naar iets piquants, iets nieuws, iets schoons hoop ik gezocht hebt,
hetzij in het gewoel van de Kalverstraat, waar het weder, veroorlooft
mij de uitdrukking, _à pure perte_ een grijnend gezigt zette,--hetzij
in de woning eens vriends, wiens aanvallige kinderen door Ter Haar
verdienden te worden geschetst,--gij die luisterdet en toezaagt, maar
geen treffend onderwerp vondt, neen, alle toestanden behandeld,
versleten, afgezaagd scholdt,--het is mij dikwijls als u gegaan. Dat gij
Hanna hadt ontmoet, dat gij in hare ziel hadt kunnen lezen! Welligt zijt
gij haar roer langs het lijf gesneld, welligt merktet gij haar niet eens
op,--bovendien, wien onzer is de gave bedeeld, onder zoo armelijke
plunje den schat van waarachtig gevoel te zien, welken zij dikwijls
verheelt? Het vrouwtje--gij vermoedt reeds dat zij met Bart trouwde,
_cela va sans dire_,--het vrouwtje zocht haren weg door den mist,
terwijl hare verbeelding de weergalooze helderheid van eenen
keerkringsnacht om zich zag.

De tegenstelling luidt sterk; maar, wat mooijer is, zij is waar ook.

Hoe had Bart haar den luister dier gezegende luchtstreek beschreven,
toen hij, van een' derden togt naar Indië teruggekeerd, haar verraste,
een kind, een knaap aan de borst!

Zie, ik mag haar in dien toestand niet voorbij zien, al ben ik u de
verklaring schuldig, wat hem bewoog van een' nacht onder dien
schitterenden hemel op te halen; waarom zij juist toen dat tooneel
gedacht.--Hoe beminnelijk zag zij er uit, Hanna met lot en leven
verzoend, Hanna de vrouw, Hanna de moeder, Hanna, die nu niet langer
geloofde, dat de hare heur wichtje, haar zelve van zich had gestooten!
Het te vondeling leggen was een gruwel der baker geweest, die de moeder
zeker had diets gemaakt, dat haar kind dood geboren was. En nu Bart, die
schreide, zoo als een man schreijen mag, van weelde, van verrukking, van
zaligheid, bij het zien van zijn evenbeeld, van zijn kind, dat niet bang
scheen voor zijne ruwe handen, dat niet wegkroop voor zijn' harigen kus,
die hem de armpjes toestak!

Hanna's gemoed, zeide ik, was vol van den keerkringsnacht. Of had Bart
haar dien, in zijne kunstelooze, maar waarachtige poëzij des harten,
niet beschreven, zoo als lucht en zee er uitzagen, toen hij met een'
braven ouden matroos aan den steven stond te praten? Deze had afgezien
naar de stille zee, en opgezien naar den stillen hemel, "die zoo wèl bij
elkander pasten," zei Bart, in zijnen eenvoud, "licht beneden, licht
boven, licht rondom ons."

"Stuurman," had Jaap, de oude matroos, gezegd, "is het geen afschaduwing
des hemels? Ik zou niet vreemd opzien, als mijn Guurtje mij in de
eeuwigheid in zulk een licht te gemoet kwam."--

Guurtje was 's mans mooije dochter, aan de tering gestorven.

En Bart--woeste, wilde natuur als hij was, had den oude willen afschepen
met een: "Wat schort je, paai?" maar zijne stem was in zijne keel
blijven steken. Dien ganschen dag, had hij Hanna verzekerd, was hij
reeds angstig te moede geweest, al wist hij niet waarom; immers het
schip liep als een pijl uit een' boog, en aan zijn werk haperde geen
zier. Maar bij die woorden van den oude was hem het hart week in het
lijf geworden; hij had Hanna voor zich meenen te zien, stervende ...

En het eene woord van den ouden matroos had het andere uitgelokt; maar
laat ons Bart zelven laten spreken.

"En ik vertelde hem hoe goed wij het hadden--hoe lief ik jou heb; dat
behoefde ik hem niet te zeggen, hij had het wel gehoord, toen ik zoo
angstig uitriep: "Jaap, als haar uurtje eens geslagen is!"--want ik
maakte er voor hem geen geheim van, dat je mij, vóór ik heenging, zei,
dat je geloofde ... Weet je nog, Hanna, dat de tranen jou in de oogen
kwamen, toen ik bij jou haperen een' voet van den grond sprong, en hoe
je mij zeî, dat ik altijd zou mogen denken, dat ik je gelukkig had
gemaakt, als ik je eens niet weêr zag? Toen wou ik er niet van hooren,
dat je sterven zoudt; toen beloofde ik jou, dat ik je hoornen en
schelpen meê zou brengen voor den kleinen Bart,--den kleinen Bart! daar
is hij waarachtig!--o wat een jongen! hij grijnt niet, als zijn vader
hem zoent! Hier, Hanna! ik moet jou ook eens kussen: het was "man!" toen
ik weg ging, nu is het: "vaêrtje!"--Maar in den nacht, waarvan ik sprak,
toen was die man een kind; zie, de datum heugt mij nog, het was de
vierentwintigste September--"

"Toen ben ik bevallen, Bart!"

"Dach ik het niet al," zei oude Jaap, "dat het bijgeloof was?"
"Stuurman," zei hij, "ik ben geen fijmelaar; maar was ik jou, ik ging
naar mijne kooi, en ik deed een gebed, dat zal je lucht geven." En,
Hanna--gelooven moet jij het, want je weet, ik geef me niet beter dan ik
ben--al kon ik in de kerk den Dominé meestal in het bidden niet volgen,
ook al jookten mij geene wilde haren onder den neus, wijl die mannen
zulk een' schat van mooije woorden hebben, in dat gebed liepen mijne
gedachten mijnen woorden vooruit. "Onze Lieve Heer zal er wel wijs uit
worden," zei ik, toen ik snikkende "Amen!" sprak, "en er voor haar wel
bij zorgen," want ik had Machteld-moei in mijn gebed vergeten, de sloof,
die mij bidden heeft geleerd--ik vergat haar om jou."

Stel u eens voor, hoe Hanna Bart bij die woorden aanzag!

"En de Heer heeft mijn gebed verhoord; dat doet Hij altijd, als wij maar
vurig bidden," voegde de gelukkige echtgenoot en vader er bij; doch hier
ook braken Hanna's herinneringen op dien Sint-Nicolaas-avond af. De
woorden van ouden Jaap, welke Bart er, in den overmoed zijns geluks, zoo
achteloos op had laten volgen: "Tenzij het beter voor ons is, dat Hij
ons de bede weigere,--zoo als Hij mij het sterfbed van mijn Guurtje
deed, die ik niet weêr zal zien, vóór in de eeuwigheid--" die woorden
gingen te loor in een' zucht.

En waarom?

Helaas! door den mist heen zag zij in het dok hier en daar licht op de
schepen,--maar zijn schip, waar was het? Had zij dan niet vurig gebeden?

Foei, dier verbijsterende gedachten mogt zij niet toegeven. Hare
kindertjes,--hun was sedert ook een dochtertje geboren,--hare kindertjes
verbeidden haar te huis; de bloeden moesten toch eene kleinigheid
hebben, al was haar hart meer voor rouw dan voor pret gestemd. Voort
dan, voort! Daar was zij aan het winkeltje, waarin die weeûw Sint
Nicolaasgoed verkocht. Bij wie anders zou zij het halen dan bij die
vrouw, welke zoo sober rondkwam, die weeûw ...

Het schip was al twee maanden over den tijd uitgebleven!

En van Sint-Nicolaas-avond tot den avond vóór Kerstijd zijn negentien
dagen, negentien nachten, wier lengte _zij_ kent, die wacht.

Lees voort, Hanna, lees voort! Wat zoudt gij beter doen?

Een Oost-Indievaarder op de kust is een belangrijk nieuws; want aan
honderd derzulken hangt het lot van duizenden en tienduizenden, hangt
schier het lot van ons volk. Als hij Texel is binnengeloodsd, dan stort
hij zijn' hoorn des overvloeds in den schoot van het dankbare Vaderland
leêg. Welligt brengt hij de laatste vurig verbeide tijdingen uit het
gewest, waarin schier elk tegenwoordig betrekkingen of bloedverwanten
heeft, en zijne lading onderhoudt onze gemeenschap met alle deelen der
wereld. Wees geprezen, eiland der eilanden, dat rijken beschaamt! Of
verdringt niet de Java-koffij alle andere?--de tallooze soorten der
West-lndiën in Europa,--de Mocka bij Tartaar en Turk?--Of kruiden, van
het eene schiereiland tot het andere, kruiden, beide Spanje en Zweden,
hunne geregten niet met onzen nageloogst? Of is er _negus_ voor den
Yankee zonder den geur onzer Molukken?--Laat Duitschland stoffen op
zijne bietekroten, èn Oost-Zee èn Zwarte Zee begroeten om strijd koffen
en brikken met de gelouterde suiker van Java belaân. Willen wij
voortvaren op dien toon? Het tin onzer bezittingen ziedt in al de
smeltkroezen van het vaste land, en de Java-indigo leent zoowel het
gewaad der blanke dochteren van het Noorden als dat der bruine schoonen
van het Zuiden zijne frissche kleur. Doch voltooi zelf de aangelegde
schets: voorzeker, een Oost-Indievaarder, die te huis komt, is een
verheugend, een verheffend schouwspel, door den voorspoed des lands, de
welvaart des volks er aan verknocht!

Helaas, dat ik u de keerzijde van den penning moet laten zien; een schip
van Java verbeid, doch dat uitblijft,--langer dan andere, te gelijk
afgezeilde,--weken, maanden langer dan eenige later vertrokkene en toch
reeds aangekomene bodems,--welke geheel verschillende gewaarwordingen
wekt het op,--welk leed berokkent het! Het onthoudt,--zie eens, hoe
aller belangen zaamgeschakeld zijn in ons burgerlijk landje!--het
onthoudt zoo vele handen der smalle gemeente dagen lang werk, aan zoo
vele monden dagen lang brood! Het schijnt eene streep te zullen maken
door de rekening van de werf, waarop net zou zijn gekalefaterd,--het
dreigt eene winstderving te worden voor makelaars en kooplieden, die de
carga reeds opsomden, ieder voor zich een zóóveelste. Het jaagt de
vreeze voor een aanzienlijk verlies in het hart der verzekeraars, onder
welke er zijn wier evenaar wankel genoeg staat zonder dit gewigt in de
kwade schaal,--en het is een doorn in het vleesch der directeuren van de
Nederlandsche Handel-Maatschappij, wier raming er door gestoord, wier
schikking er door belemmerd wordt. We zijn er nog niet! Het ontrust tot
de ministers van koloniën en van financiën, tot de hoogste ambtenaren
der kroon toe; want wie hunner mag onverschillig zijn voor iets dat op
de kaai, in het dok, aan de beurs, schrik en angst verspreidt? Den
koning der Nederlanden, zou ik schier durven zeggen, gaat het lot van
zulk een' bodem ter harte! Want de wortels der eeuwenheugende eiken,
waaruit hij is opgebouwd, schaduwden, door hun omgrijpen en uitschieten,
in de wouden en op het gebergte, slechts flaauwelijk de duizende
slagaderen des maatschappelijken levens af, waarmeê het in aanraking
kwam, waarin het greep, toen het op het Y vlagge en wimpels zwierde,
--luister onzer handelsvloot, als het was!--die het zal kwetsen en
stremmen, wanneer het nooit uit den schoot der wateren weêr opdaagt,
--beladen als het werd met de weelde van het Oost!

En sla nu dat blad vol onheilspellende cijfers eens digt, en waag een'
blik op het lot van hen, die, droomende van vaderland, vrienden, vrouw
welligt, op dien bodem, onder stormen-zwangeren hemel, in stik donkeren
nacht, misschien eensklaps den dood voor oogen zien,--of uren, dagen
lang, beurtelings door hoop en vrees gefolterd, op eenen oceaan
ronddrijven, slechts verlicht, ten einde ze zijne onmetelijkheid zouden
erkennen, en het wanhopig makende ijdele gevoelen der hersenschim van
redding, waarmede een enkele hunner zich nog vleit. O, de rust in den
schoot der wateren is verkieslijk boven de verlenging van zulken
angst!--en "de barmhartigheden des Heeren gaan over alle Zijne werken!"
op het vuur en in den vloed, voor altijd en eeuwigheid,--dat staat tot
onze vertroosting geschreven. Vertroosting? Ach, hunne betrekkingen,
--ach, mijne Hanna!

Hooger lof heb ik voor onzen volksaard, voor de ontwikkeling der weeze,
voor hare vroomheid niet, dan de betrekkelijke kalmte, waarin ik u haar
schilderen mogt. Hoe verheven schijnt ze mij! Een beeld uit den vreemde
zou de diepte des gevoels aanduiden, door den waanzin, waarin het
onderging,--en echter, hoe hoog Hanna boven die hartstogtelijkheid sta,
het ware der waarheid geweld aandoen, zoo ik het menschelijke verzweeg.
Opgerezen uit haren stoel, heeft zij den Bijbel digtgeslagen, en ging
zij naar het wiegje in gindschen hoek, en ligtte het kleed behoedzaam
ter zijde,--haar dochtertje sliep gerust. "God zal deernis hebben met
hare onschuld!" zeide zij.

En nu, daar leunt zij tegen de kribbe van haren eerstgeborene, van haren
Bart,--wat aarzelt gij?--Eer zij het hoofd op haar slapeloos kussen neêr
kan vleijen, moet zij hem toch even zien, hem, zijn vaders evenbeeld.
Verduisterd door tranen, als ze zijn, laat zij hare oogen lang op hem
rusten. Wraak het, zoo gij durft, dat de wensch haar op de lippen komt:

"Och, dat hij klopte!"

Hoe zij luistert!

Vergeefs!

"Ik zal morgen opgaan,--of God mijn geduld, mijn geloof versterken wil!"

Doe het, Hanna! Martelaresse als ge waart in uwe geboorte, martelaresse
als gij dreigt te worden in den echt, doe het! En welke hoofden er zich
buigen mogen,--aanzienlijken en armen, gevierden en geringen--allen, die
u kennen, zullen bidden, dat op het uwe het eerst het licht dale, dat
van boven is. Want wien onzer zal het zoo zwaar vallen, zich zelven te
verloochenen, als gij het u zult doen in het berustende:

"Uw wille geschiede!"


1843.


       *       *       *       *       *



INHOUD


LIEDEKENS VAN BONTEKOE

     I  't Passeren der Linie
    II  Roeltjen uit de Bontekoe
   III  Louw en de Waarzegster
    IV  De Zeilwagen van Prince Mouringh
     V  Machteld
    VI  Papegaaijen-deuntjen
   VII  Wijs Klaertjen op 't ijs
  VIII  Inkeer
    IX  Jan Compagnie
     X  Dieuwertjen


    VERHALEN:

  Blaauw Bes, Blaauw Bes!
  't Is maar een Pennelikker!
  Marie
  De Ezelinnen
  Hanna

       *       *       *       *       *





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Liedekens van Bontekoe en vijf novellen - Blaauw bes, blauw bes!—'T is maar een - pennelikker!—Marie—De ezelinnen—Hanna" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home