Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: In het gebied van het Tsadmeer met de expeditie Tilho - De Aarde en haar Volken, 1910
Author: Roserot de Melin, L.
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "In het gebied van het Tsadmeer met de expeditie Tilho - De Aarde en haar Volken, 1910" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



In het gebied van het Tsadmeer met de expeditie Tilho

Naar het Fransch van L. Roserot de Melin.


De zending, die in 1906 aan kapitein Tilho van de koloniale infanterie
werd opgedragen, had ten doel, de engelsch-fransche grens tusschen
den Niger en het Tsadmeer vast te stellen in overeenstemming met het
protocol, op 29 Mei 1906 te Londen geteekend door een conferentie,
waarin Frankrijk vertegenwoordigd was door den heer Binger, toenmaals
directeur aan het ministerie van koloniën; door graaf de Manneville,
secretaris van de fransche ambassade en door kapitein Tilho, die ten
tijde van de eerste expeditie Moll gereisd had in het betreffende
gebied. Frankrijk had bij die overeenkomst een groote uitbreiding van
grondgebied verkregen, maar vooral won men erbij, dat de nieuwe grens
een verbinding tot stand bracht tusschen de fransche bezittingen
aan den Niger en het Tsadmeer, den Soedan en het Congogebied, en
dat voor de oude, volkomen kunstmatige grenzen een rationeele grens
in de plaats kwam, die de autonomie eerbiedigde van de verschillende
stammen, behoorende tot de protectoraten van de beide contracteerende
mogendheden. Toen moest nog op de plek zelve de aanwijzing van de
grens plaats hebben, die Noordelijk Nigeria moest scheiden van het
grondgebied van Zinder. Dit was de aanleiding tot de expeditie,
waar ik deel van uitmaakte.

Engeland had vier officieren gezonden onder bevel van majoor
O'Shee. Frankrijk had als vertegenwoordigers, buiten kapitein
Tilho, gekozen den luitenant ter zee Audouin, den luitenant van
de koloniale infanterie Vignon en dokter Gaillard, geneesheer bij
de koloniale troepen. Buitendien had de minister van koloniën als
wetenschappelijken staf bij de expeditie ingedeeld den officier-tolk
eerste klasse Landercin, den geoloog Garde van Clermont, den luitenant
van de koloniale infanterie Lauzanne en mijzelven.

Wanneer de expeditie haar begrenzingswerkzaamheden zou hebben
geëindigd, moest zij beginnen aan de studie van het Tsadmeer en de
in-kaart-brenging ervan, terwijl er tevens allerlei onderzoekingen
moesten worden verricht, zoölogische, mineralogische, ethnologische,
linguïstische, hydrographische, enz. We hadden dus een uitgebreid
programma, en luitenant Mercadier van het derde bataljon jagers was
dan ook door den minister van oorlog ter beschikking gesteld van het
Aardrijkskundig Genootschap, om hem te vergunnen, zijn wetenschappelijk
werk tot Nigeria uit te strekken en tot onze bezittingen tusschen
den Niger en het Tsadmeer. Men had afgesproken, dat de beide
gouvernementen op het einde van den winter zouden wachten, opdat men
met de werkzaamheden zou kunnen beginnen in klimaatsomstandigheden,
die zoo gunstig mogelijk waren. Eerst tegen den 1sten Januari moesten
de beide expedities zich te Gaya aan den Niger vereenigen, om van
daar de nieuwe grenslijn te doen aanvangen.

Inderdaad bereikte de expeditie Tilho, die in het begin van de
maand November 1906 uit Cotonoe was vertrokken en die de Dahomey was
opgegaan, Gaya in Januari 1907 en zette den tocht naar het Tsadmeer
voort door het dal der Dallol Maoeri en der Gober Tibiri. Op dit deel
van haar tocht zullen wij de expeditie vergezellen.

De inwoners van deze streek, die Goberaoea's worden genoemd, beweren,
dat ze uit Egypte afkomstig zijn. "Wij komen", zeggen ze, "uit Gypti,
waar de Pharao's regeerden." Maar niets wijst erop, dat dit werkelijk
hun afkomst is. In ieder geval herinnert niets, noch in hun gewoonten,
noch in hun bouwkunst, noch in hun kleederdrachten, ook maar in de
verte aan de karakteristieke eigenschappen van dat illustre volk. Men
is intusschen verbaasd, als men voor de eerste maal te Tibiri of te
Maradi komt, er een gebruik van mechanische krachten aan te treffen,
dat men nergens elders onder volken van het negerras vindt en dat
overeenkomt met een in Egypte gebruikt toestel. Het is namelijk
een inrichting om water te putten, die merkwaardig veel gelijkt
op de sjadoef van de Egyptenaren. Daardoor kunnen de Goberaoeia's
gemakkelijk hun velden besproeien, waar ze op kleine schaal katoen
en graan verbouwen.

Buiten eenige woningen van leem, die door de sultans en hoofden in
beslag zijn genomen, zijn alle hutten van stroo opgetrokken. De
wand, bestaande uit een grof gevlochten mat, is voorzien van en
stevig gemaakt met korte paaltjes, die het mogelijk maken, de hut
op den grond te zetten, zonder dat het noodig is, palen in den
bodem te slaan. Het dak is iets aparts; het wordt als een domper
erop geplaatst, en door zijn eigen gewicht houdt het de heele hut
stabiel. Zooals te begrijpen is, kan men zulk een woning gemakkelijk
verplaatsen. Daar er geen meubels noodig zijn, daar er water in den
grond wordt aangetroffen op geringe diepte, daar de grond overal even
bruikbaar is vooral voor den verbouw van gierst, worden heele dorpen om
de geringste aanleiding verplaatst. De wegen zijn aan dezelfde snelle
veranderingen onderworpen; nauwelijks aangegeven in het bewegelijke
zand, zijn ze afhankelijk van de willekeur van den eersten den besten
neger, die op het denkbeeld verkiest te komen, zijn koren te planten
op de plek, waar den vorigen dag nog een weg was. En op die manier
bezorgt de topografie van dit land iemand veel verrassingen en een
terreinopneming, die met alle mogelijke zorg is verricht, loopt groot
gevaar, over twee jaren reeds weer foutief te wezen.

Die bewegelijkheid van dorpen en wegen verontschuldigt in zekeren
zin de groote vergissingen, door de gidsen begaan, zoodra ze
zich verder dan een twintigtal kilometers van de plaats, waar ze
wonen, verwijderen; maar kan niet voldoende verklaren, hoe het
komt, dat de europeesche reiziger zoo moeilijk inlichtingen kan
krijgen. Is het vrees, wantrouwen, indolentie of onbegrijpelijke
onverschilligheid? Geheim van de negerziel! Het is intusschen zeker,
dat de bezwaren van den tocht herhaaldelijk worden vergroot door het
bijzonder karakter der bewoners van de streek. Hun handelingen zijn
vaak onbegrijpelijk. Nu eens ziet men drijvers, die, goed gevoed
en zeker van een hoog loon zijn, en die, terwijl ze hebben gezien,
hoe de collega's, voor wie ze in de plaats kwamen, werden betaald,
ineens de vlucht nemen den dag vóór de uitbetaling, en zonder reden
hoegenaamd, de kameelen en hun werk in den steek laten; dan weer
weigeren de bewoners der dorpen iets te verkoopen, zelfs tegen een
betrekkelijk hoogen prijs, al hebben ze de gevraagde levensmiddelen
ook in overvloed.

Zoo kwam ik op een dag tegen tien uur in den morgen in een dorp van nog
al eenige beteekenis. Het hoofd, dat gewaarschuwd was, kwam dadelijk
uit zijn hut aan den kant van den weg bij de velden met reeds bijna
rijpe gierst. Het was een kleine grijsaard met witten baard, wiens
boosaardige oogjes, schitterend in een gelaat met ontelbare rimpels,
mij nieuwsgierig aankeken. Ik liet hem vragen om kippen, eieren, boter
en gepelde gierst voor mijn metgezellen, terwijl ik hem de verzekering
gaf, dat ik hem een goeden prijs zou betalen voor de levensmiddelen,
die hij mij zou verschaffen. De oude zette een bedroefd gezicht:
"Ik heb geen kippen", zei hij. Nu loog hij brutaal, want op datzelfde
oogenblik kraaide een haan victorie, en een kakelende kip vloog
tusschen mijn beenen door.

Wat te doen? Ik kon geen geweld gebruiken, maar daar de kip het
hoofdgerecht moest uitmaken van mijn ontbijt, viel het mij moeilijk,
er afstand van te doen, en ik besloot, ten minste moreele pressie
uit te oefenen. Daar het vernuft van den tandmeester bij mij had
vervangen wat de natuur had verwoest, deel ik met een aantal van
mijn mannelijke en vrouwelijke tijdgenooten in de beschaafde wereld
het vermogen, om een deel van mijn gebit uit den mond te nemen. Met
een gezicht en houding, zoo ernstig, als het mij maar mogelijk was
te zetten, liet ik aan den ouden man uitleggen, dat hij ongelijk had,
mij zoo voor den gek te houden, want ik bezat een machtig toovermiddel,
zooals hij dadelijk zou zien. Toen mijn boy mijn woorden had vertolkt,
maakte ik mijn gebit los en legde het op mijn geopende hand, zonder
een woord te zeggen en plaatste daarna de tanden weer in mijn mond. En
toen verklaarde ik: "Indien in een half uur ik hier geen kip heb en
boter, eieren en gierstmeel, zal ik een der giersthalmen op uw veld
aanraken met mijn tanden, die ik, zooals ge gezien hebt, uit den mond
kan nemen, en gij zult geen oogst binnenhalen."

Het hoofd had het slot van mijn toespraak niet eens afgewacht. De armen
ten hemel heffend, was hij gaan loopen, zoo hard, als zijn oude beenen
het hem vergunden, en te midden der verzamelde notabelen sprak hij
hun dringend en met veel bewegingen toe. "Ik heb", zei hij, met van
schrik wijd geopende oogen, "zijn tanden gezien, zijn eigen tanden,
die hij in den mond heeft, die heb ik in zijn hand gezien." En in zijn
geopende hand gaf de spreker krachtige slagen. Ik begreep het vervolg
niet van de toespraak van het hoofd, maar eenigen tijd later zag ik
hem aankomen met een half dozijn lieden uit zijn dorp. Hij bracht
mij een vijftiental kippen, een mand eieren en een groote kalebas
boter. Er was genoeg, om een heele compagnie te voeden, en ik moest
veel moeite doen, om hem aan het verstand te brengen, dat een enkele
kip en een half dozijn eieren ruim voldoende waren voor mijn behoeften.

Juist als bijna alle omringende sultanaten, worden het sultanaat Cober
en dat van Tessaoea van elkander gescheiden door groote onbewoonde
gedeelten. Dat komt niet, omdat de grond er onvruchtbaarder is
dan elders, noch dat er ten minste op eenige diepte geen water te
krijgen is, maar nog tot in den laatsten tijd was het gevaarlijk
voor grensdorpen, al te dicht in de nabijheid te wezen van vijandige
sultanaten. Die groote uitgestrektheden van dicht bosch dienden maar
al te dikwijls tot schuilplaatsen voor de struikroovers en dieven,
alias de sultans en nog regeerende hoofden in dit deel van Centraal
Afrika. De enkele dorpen, die hier een plaats hadden gekozen, hebben
gastvrijer oorden opgezocht; de putten zijn verstopt geraakt; een
vlugge plantengroei heeft alle sporen  van landbouw overwoekerd en
alleen een paar verkoolde palen op den weg van Tibiri naar Aguié
wijzen nog de plek aan van twee dorpen, die, naar de inboorlingen
beweren, in brand gestoken waren door de blanken. Zijn het Voulet en
Chanoine geweest?

In den tijd, toen wij er waren, had het nog niet genoeg geregend,
dat de kleine laagten met water gevuld waren, en wij stonden toen, in
Juli 1907, vóór een tocht van 60 kilometer zonder water. Die afstand
lijkt niet zoo groot, maar, als men bedenkt, dat de kameelen en de
draagossen gemiddeld drie tot vier kilometer in het uur afleggen,
en dat het zoo goed als onmogelijk is, te marcheeren op het warmst
van den dag, wordt het eind veel grooter.

Het eerste gedeelte van de reis werd opgevroolijkt door de ontmoeting
met Bormoe, sultan van Tessaoea. Dat machtig heer begaf zich naar
Maradi en had voor de reis zijn geheele civiele en militaire huis
gemobiliseerd, zijn vrouwen inbegrepen. Allereerst kwamen de mannen
te voet, sommigen met groote bogen en pijlen gewapend; dan eenige
ruiters in groepjes van twee of drie; iets verder de vrouwen, tusschen
de bagage op kameelen gezeten. De handpaarden van den sultan volgden,
gezadeld en opgetuigd. Het eene droeg een zadel met een pantherhuid
bedekt, wiens pooten langs de flanken vielen aan weerszijden; het zadel
van een ander, fijner en gelijkend op die sierzadels van fluweel met
zilver, die de marokkaansche en tripolitaansche kooplui importeeren
en die de vreugde uitmaken van de groote kinderen, die de negers zijn,
was zorgvuldig ingepakt in een veelkleurig omhulsel.

Al die groepen trokken zonder eenige orde voort, soms op afstanden van
een kilometer van elkander verwijderd. De muzikanten te paard reden
al niet met meer regelmaat en flaneerden maar wat over den weg. Hun
tegenwoordigheid deed echter zien, dat het groote hoofd niet ver meer
was. Inderdaad verschenen eenige minuten later bij een bocht van den
weg een twaalftal gardes te paard, gewapend met Grasgeweren en precies
zoo gekleed als onze portiers in sociëteiten, zoo zelfs, dat ik eerst
meende een blanke den weg te zullen zien opkomen. Dat was de lijfwacht
van Bormoe. Deze verscheen weldra, omringd door zijn getrouwen en
verwanten. Hij was een man in de kracht des levens, wiens gelaat met
den zwarten baard een niet onsnuggeren indruk maakte. Hij liet zijn
paard stilhouden; we wisselden een paar begroetingen en gingen daarna
ieder onzes weegs. Terwijl ik mij verwijderde, kon ik niet nalaten te
denken, dat ik er wel heel armoedig uitzag, gekleed, zooals ik was,
in een bruin flanellen hemd met tot de ellebogen opgeslagen mouwen,
tegenover dien prachtigen heer en zijn talrijk gevolg!

Die ontmoeting was het begin van voor mij lastige incidenten. Vier van
de drijvers, die mij waren bezorgd door het hoofd van Tibiri, maakten
van de wanorde, die, helaas, veroorzaakt werd door het voorbijtrekken
van den optocht over het smalle pad, gebruik, om de vlucht te nemen. Ik
zou er mij gemakkelijk over hebben getroost, als niet een van hen twee
levende schapen had meegenomen, die ik hem gezegd had te drijven en
die het grootste deel uitmaakten van den voorraad voor mijn gevolg
gedurende den dag, dien wij in het bosch zouden doorbrengen. Daarna
kreeg mijn paard, dat al lang geen voldoende rust had genoten, den
volgenden morgen een peeskramp en daar er geen dorp in de buurt was,
moest ik te voet door het zand de dertig kilometer afleggen, die ons
nog van Aguié scheidden.

Maar dat was nog maar het voorspel. Toen we in dat dorp kwamen, liet de
bella's, drijvers van de ossen en kameelen, als gewoonlijk de dieren
brengen naar plaatsen buiten het bebouwde gebied, om te grazen. Ik
deed het zonder onrust, want behalve dat deze menschen, anders dan de
Goberaoea's tot hier toe geen pogingen hadden gedaan, om te vluchten,
scheidde hen voortaan een lange tocht door ongastvrij land van de
streek, waar ze woonden, en hun dieren hadden rust noodig. Hoe groot
was dus mijn verbazing, toen ik hen des avonds niet zag terugkeeren! Ik
dacht eerst, dat ze wat te ver waren gegaan, om weideland te zoeken,
en ik zond hun mannen te paard te gemoet. Verloren moeite! Ik vernam,
dat dadelijk na aankomst de roovers de kameelen hadden bestegen en dat,
de ossen vóór zich uitdrijvend, ze denzelfden weg hadden ingeslagen,
dien wij waren afgekomen, zonder zelfs te wachten op het maal, dat
ik voor hen in gereedheid had laten brengen.

De toestand was kritiek. Mijn karavaan bestond uit veertig lasten, en
er was geen enkel lastdier in het dorp. Ik kon ook niet wachten, want
de instructies, die ik had ontvangen, schreven mij voor, ten spoedigste
naar Zinder te gaan, om er het voor de expeditie bestemde geld te
halen, en kapitein Tilho moest op mij wachten te Düngass. Met tegenzin
en omdat er mij niets anders overbleef, nam ik vijf dragers aan, die
ik de bagage liet dragen, waar ik het onmogelijk buiten kon stellen,
en, het goed achterlatend onder de hoede van twee tirailleurs, zette
ik mijn weg naar Tessaoea en Zinder voort. De schutters voegden zich
tusschen de beide plaatsen weer bij mij met de kisten en de lastdieren,
die ik inderhaast op den post van Tessaoea had gevraagd. Tot overmaat
van ramp was mijn horloge stil gaan staan. Daar ik geen ander middel
had van contrôle bij het opnemen van den weg dan mijn schreden,
waarvan ik de maat kende, moest ik mijn weg te voet vervolgen en
daarbij de passen tellen, vier volle dagen lang...

De weg was nog al eentonig. Zand, altijd zand, in niet sterk
geaccentueerde duinen, waarop een struikgewas groeide van heesters,
die zelden de lengte van een mensch bereikten. In dat doodsche
landschap had het verschrikkelijke drama plaats, waarvan de kolonel
het slachtoffer werd. De graven van de kapiteins Voulet en Chanoine
zijn opgericht op een dagreis afstands van Tessaoea in de vlakte
van Maijir, waar de droeve tragedie werd afgespeeld. Hun lijken, die
eenigen tijd aan zichzelf werden overgelaten, waren elk afzonderlijk
begraven op de plaats zelve, waar ze waren neergevallen. Onlangs zijn
door de zorgen van den sectiecommandant van Tessaoea die stoffelijke
overblijfselen opgegraven en naast elkander gelegd onder den boom,
waar, naar men zegt, Voulet de officieren van zijn expeditie om zich
verzamelde, om hun mededeeling te doen van den moord op kolonel Klobb
en van zijn plan, een midden-afrikaansch rijk te stichten.

De graven bestaan uit twee grafheuvels van aarde, uitgehold door de
winterregens. Ik heb met een der tirailleurs, die bij den troep van
Voulet behoorde, de omstreken van Maijirgui bezocht. Daar, waar nu de
rustplaats voor den troep is, was de expeditie bijeen; hier, op 30O
meter afstands van het dorp, stond de schildwacht, die op kapitein
Voulet schoot; iets verder op een heuvel van zand werd Chanoine
vermoord door zijn tirailleurs, naar wie hij zich begaf, om ze te
verhinderen, weg te loopen met wapens en bagage. Niemand zal eraan
denken, de groote misdaad van de beide officieren te verontschuldigen;
maar als men in aanmerking neemt, welke enorme moeilijkheden ze hadden
overwonnen, eer ze in deze streek kwamen en de bezwaren, waarmee ze
te kampen hadden gehad, gevoelt men bij het denken aan hun tragisch
einde een groot medelijden.

Als men Zinder nadert, krijgt het landschap een ander voorkomen;
blokken graniet komen boven het zand te voorschijn en geven een
schilderachtig aanzien van rotsachtige heuvels. Men is zoo verbaasd,
steenen te zien, nadat men zoo lang heeft gereisd, zonder ze te
ontmoeten, dat het oog er aangenaam door wordt aangedaan.

In een waren chaos van eruptief gesteente is de versterkte stad
Zinder gebouwd, en onze post ziet erop neer van hooge rotsen af, die
moedig ten hemel rijzen. Die post zou alleen al de reis waard zijn,
zoo belangrijk lijkt het werk van dengene, die de zware taak op zich
nam, dit stadje te doen verrijzen. De gebouwen wijzen op een bepaald
streven naar iets architecturaals en bewijzen, dat de inboorlingen uit
deze streek met het materiaal, waarover ze beschikken, veel meer kunnen
uitrichten dan hun buren. Noch te Timboektoe, noch zelfs te Djenné,
waarvan men de bouwwerken heeft geroemd als niet veraf staande van de
egyptische kunst, hebben de zwarte metselaars zulke sierlijke zuilen
weten tot stand te brengen, zulke stoute gewelven, zulk gracieus
beeldhouwwerk, als men in de residentie Zinder kan opmerken.

Daarbij moet erkend, dat de ligging er veel toe bijdraagt, de plaats
bekoorlijk te maken. De hoofdgebouwen worden beheerscht door een soort
van kleinen toren, boven op een hoop rotsen, en het uitzicht, dat men
daar geniet, is niet zonder grootschheid. Aan den eenen kant ziet men
de stad Zinder (Birni n'Damangara), welker indrukwekkende muren tegen
de lucht afsteken; aan den anderen heeft men het groote dorp Zango,
dat belangrijker is dan de stad zelve. Op den achtergrond verflauwen
aan den horizon in een blauw verschiet de rotsachtige heuvels, die
in dit bijzonder vlakke land nog van vrij groote afmeting lijken. In
den winter zijn de duinen begroeid met fijn, hard gras overal, waar de
gierstvelden niet hun halmen doen oprijzen, en niemand zou vermoeden,
dat eenige maanden later dat groen verdwijnen zal en plaats zal maken
voor het bewegelijke zand, dat door het minste windje opstuift en
overal heen waait, door dringend in oogen, ooren en tot in de kast
van het horloge.

Maar als men, door het uiterlijk van Zinder aangelokt, achter de
muren doordringt, ontdekt men een groote, verlaten ruimte, waar eenige
verspreide groepen ellendige hutten staan, met zwart geworden stroo
bedekt, en een tiental leemen bouwsels, waarvan de muren in puin
vallen middenin vuilheden van allerlei soort. De gieren, die nochtans
talrijk zijn, kunnen er niet spoedig genoeg opruiming onder houden in
de straten. Geen drukte of levendigheid; het lijkt wel, of ook de nog
overeindstaande hutten onbewoond zijn. Sinds lang al nam de bevolking
van Zinder telkens af van jaar tot jaar, het vertrek van den sultan
heeft den laatsten slag toegebracht aan het oude Demagherin. Rondom den
voortvluchtigen sultan leefden, net als vroeger om alle negerkoninkjes,
meer of minder groote heeren, cliënten en gevangenen, een niet gering
aantal. De heeren zijn afgereisd, want allen waren gecompromitteerd
en vreesden weerwraak; de bevrijde gevangenen namen de vlucht en de
anderen, die niets meer te winnen hadden, gingen ook heen. Zinder is
voor het oogenblik dood.

Daarentegen neemt de bevolking toe in Zango, en de aanblik van dit niet
versterkte dorp biedt een groote tegenstelling aan met Zinder. Alle
kooplieden hebben er zich gevestigd, de reizigers stappen er af
evenals de Tripolitanen, die de handelshuizen van de Barbarijsche
kust vertegenwoordigen. Er heerscht groote levendigheid bijna den
geheelen dag; de markt is druk, en de winkels der kooplieden zijn
altijd overvol bezoekers, zoo niet van koopers.

Maar om de waarheid te zeggen, is de bloei van de plaats nog maar
betrekkelijk en hij kon vertienvoudigd worden. Zinder en Zango hebben
voor het oogenblik gebrek aan handwerkslieden, want de Haussa's zijn in
de eerste plaats landbouwers. Dat gemis doet zich te sterker gevoelen,
daar op nauwelijks tweehonderd kilometer afstands de stad Kano ligt,
een engelsche stad, de belangrijkste plaats van inboorlingen in geheel
West-Afrika, waar men overvloed van arbeiders heeft. Zoo gaan dan ook
de huiden der schapen, die in grooten getale in de buurt van Zinder
worden gedood, naar Kano, waar ze gelooid worden en van waar ze naar
Marokko en Tripolitanië worden verzonden, om er te dienen voor het
vervaardigen van de voorwerpen van marokijnleder. Ook het in groote
hoeveelheid in die streek verbouwde katoen wordt naar Kano vervoerd,
waar de kooplieden het verven en dan de weefsels voor het dubbele
van den prijs weer verkoopen aan dezelfde personen, die de stof
hebben geleverd. In de laatste jaren tracht men daar wel iets aan te
veranderen, en looiers en ververs worden onder goede voorwaarden naar
Zango gehaald met den steun der commandanten.

Daarentegen is Demagherin weer bevoordeeld in graansoorten, hoewel de
omstandigheden zich tegen de bewoners keeren door hun eigen schuld. Als
de oogst is binnengehaald, houden de inboorlingen maar even zooveel,
als ze voor hun onderhoud noodig hebben en haasten zich naar Kano, om
er hun gierst te ruilen tegen europeesche of inlandsche stoffen, die
hun toelachen. De gierst, die gemakkelijk groeit, kost hun weinig en ze
krijgen er niet veel voor. Ongelukkig strekken de bewaarde voorraden
nooit tot den volgenden oogst, en dan moeten ze zich wenden tot de
slimmerds, die ten tijde van den oogst goedkoop gierst inkoopen en
dan van de schaarschte gebruik maken, om tegen fabelachtige prijzen
te verkoopen.

Men zou licht kunnen denken, dat menschen, die zoo bepaald landbouwers
zijn, zachte zeden zouden hebben. Dat is volstrekt niet het geval. Het
komt niet zelden voor, dat men een inboorling ontmoet, die zijn
rechterhand mist; minder vaak, maar het komt ook voor, dat iemand
twee handen mist. Dat komt, dat vóór onze bezetting de lichamelijke
straffen verschrikkelijk waren. Als een persoon aan diefstal schuldig
was bevonden, sloeg men hem de rechterhand af. In geval van recidive
sloeg men ook de linkerhand af, en de derde maal moest het hoofd eraan.

Het Noorden van de streek Demagherin doet zich voor als een vrij
effen zandvlakte. De boomgroei beteekent er weinig, en de zonderling
gevorkte doempalmen worden talrijker, hoe dichter men Bornoe nadert,
terwijl tegelijkertijd de zoutmeren verschijnen. De grensstreek gelijkt
meer op de omstreken van Sabon-Birni en Sansanné-Aïsa. De plantengroei
is er dichter dan in het Noorden, zonder dat hij nog zeer dicht is,
en van een aangename en koele schaduw is onder de boomen met gedoomde
takken en bladeren geen sprake.

Leeuwen komen nog in vrij grooten getale voor. Ik kreeg zelf niet
anders dan de sporen van die dieren te zien; maar de luitenant ter
zee Audoin had het geluk, een leeuwin te schieten, wat niet zijn
eerste welgelukte schot was. Het gebeurde een weinig ten westen van
Katsena onder de volgende omstandigheden: De heer Audoin, die toen
juist aan de grens voor de plaatsing der grenspalen kapitein Tilho
verving, toen die laatste licht ongesteld was, was vroeg in den morgen
vertrokken door een woestijnachtige streek. Hij reed aan de spits
van zijn karavaan met zijn tolk en zijn lijfknecht, toen ze, aan den
rand van een uitgedroogd moeras gekomen, het karakteristieke gebrom
hoorden van leeuwen, die in hun slaap gestoord worden. Niet wetend,
waar het geluid precies vandaan kwam, reed hij nog iets verder en zag
zich opeens staan tegenover een zeer mooie leeuwin op geen dertig pas
afstands. Het dier was half in de struiken verborgen en liet dreigend
de tanden zien. Met een flinke koelbloedigheid stapte Audoin van het
paard, ging een paar meters naar voren, mat den leeuw met de oogen
en gaf vuur.

Weg was het beest, maar het gebrul nam in hevigheid toe. Op hetzelfde
oogenblik ging een leeuw in pijlsnelle vaart op eenige meters afstands
van de kleine groep voorbij en vluchtte. Het bosch was op die plek
zoo dicht, dat de jager verscheiden vergeefsche pogingen deed, om bij
het punt te komen, waar de leeuwin verdwenen was. Intusschen hield
het gehuil niet op of ten minste het deed zich telkens weer hooren,
als de zeeofficier een beweging maakte, om te naderen.

"Misschien", dacht hij, "heb ik alleen een jong leeuwtje gedood
en is de moeder erbij gebleven." In die omstandigheden zou het
dwaasheid geweest zijn, te trachten dichterbij te komen. Er moest
intusschen een eind aan komen. De tirailleurs van het geleide waren
komen aanloopen met reuzenpassen. Twee van hen werden aan elken kant
van den weg geplaatst, hun geweer gereed houdend met de bajonet erop,
en de luitenant trad moedig vooruit. Een paar meters verder bemerkte
hij het verscheurende dier op de zijde liggend en geen teeken van
leven meer gevend.

Tot overmaat van zekerheid loste hij nog een laatste schot op den,
naar hij meende, dooden leeuw. Of dat ook goed was! Want in een
uiterste poging sprong het dier op, vloog verscheiden meters van
links naar rechts en viel neer op korten afstand van den moedigen
jager. Het was gedaan. De eerste kogel was in het voorhoofd gedrongen
en was dichtbij den staart uitgekomen, na het lichaam in zijn geheele
lengte te zijn doorgegaan.

Verzekerd, dat de leeuwin werkelijk dood was, wierpen de schutters
zich op het lijk en doorstaken het nog met bajonetsteken. De leeuwin
was een der fraaiste exemplaren van de in Centraal Afrika voorkomende
leeuwen. Het was niet minder dan 2.30 M. lang van de punt van den
muil tot die van den staart. Ongelukkig is dit laatste lichaamsdeel
verbazend gezocht bij de zwarten als talisman, en er waren nog geen
twee uren verloopen, of een tirailleur had den staart stilletjes
afgesneden.

Naast de Haussa's wonen in deze streek de Peulhs, nomaden, die in
tijdelijke hutten leven en nu en dan van weideplaatsen veranderen. Ze
zijn het fransche gezag zeer vijandig; ons bestuur kunnen ze niet
verdragen, hoe zachtzinnig het ook tegen hen optreedt. Hun eenige en
voortdurende zorg, is eraan te ontsnappen. Daarom hielden velen van hen
zich bij voorkeur op in de onbepaalde strook, waar de tegenwoordige
grens ten noorden van Katsena en Kano door loopt en die nog weinig
ontgonnen en onbewoond was. Onze aankomst maakte hen onrustig en
ze vreesden zonder twijfel een volkstelling. Daarom toonden ze een
duidelijken afkeer van het geven van inlichtingen, die wij noodig
hadden voor ons werk. Het ongeluk, dat een der onzen overkwam, was
er een duidelijk blijk van.

Het is reeds moeilijk, zonder te verdwalen langs een inlanderspad
te loopen door het bosch; maar het is bijna onmogelijk, zonder een
betrouwbaren gids de paden te volgen, die naar de tijdelijke dorpen
van de Peulhs leiden. Een Peuhl alleen kan daar den weg vinden. Nu
was luitenant Lauzanne op een goeden morgen vooruitgegaan met een gids
van dien stam. Na eenigen tijd bemerkte Lauzanne, die zijn kompas in
de hand hield, dat hij zonder eenigen twijfel op een verkeerden weg
was. Hij dwong zijn gids weer op het rechte pad te gaan en kwam op
de rustplaats aan om twee uur in den namiddag, vermoeid en uitgeput,
daar hij niets had gegeten sinds den morgen. De plek, waar hij was
aangekomen, was verlaten. De weinige hutten, die er rondom een put
stonden, waren onbewoond.

"Komaan," dacht hij, "de karavaan zal wel spoedig komen en bij gebrek
aan iets anders zal ik de conserven aanspreken." Maar de namiddag
verliep, zonder dat de draagossen aan den horizon opdaagden. Vermoeid
van het wachten, begaf hij zich naar het naastbijzijnde dorp, kookte
er zelf een kip in een pan van aardewerk van de inlanders, hulde zich
in zijn mantel en ging op den naakten grond liggen. Er verliepen één en
twee dagen in afwachting en hij zag niets komen. Eerst in den namiddag
van den derden dag konden de zijnen zich weer bij hem voegen. Hun gids
had hen op een verkeerden weg geleid en ze moesten in drie dagen een
geforceerden marsen afleggen van wel 170 kilometers, om hun leider
terug te vinden. Men kan nagaan, met hoeveel vreugde deze eindelijk
weer op zijn veldbed kon slapen en zeep gebruiken bij zijn toilet.

De winter liep op zijn eind. We waren in de maand September, en
de tornado's werden zeldzamer, maar tegelijk met de stortregens
verminderde ook reeds het groen. De Bambara's noemen de maand
September de maand, die steekt, waarmee ze willen uitdrukken, dat het
de gevaarlijkste maand is van het jaar. Door de deprimeerende werking
van den winter op het gestel is het individu vatbaarder voor het opdoen
van ernstige ziekten, vooral omdat de langzaam uitdrogende moerassen
schadelijke dampen doen ontwijken. Maar dat woord zou in plaats van
in figuurlijken ook wel in echten zin kunnen worden opgevat. In twee
maanden, van Juli tot September, hebben de jonge grassoorten, die in
het begin zulk een mooi groen kleed vormden, zich ontwikkeld. Enkele
zijn reeds aan het vergelen en hebben een hoogte van twee of drie
meter verkregen, terwijl hun prikkende kafnaalden zich vasthechten
in het voorbijgaan als de banderillo's aan den stier en den reiziger
doen gelijken op een caricatuur van den Heiligen Sebastiaan.

Andere, die zeer bekend zijn in Afrika onder den naam van cram-cram,
hebben zaadjes voortgebracht, die van steile haren zijn voorzien,
eigenlijk stekels, die zich aan de huid vasthechten op pijnlijke
manier. De gierst is tot drie of vier meter lang geworden en de
zware halmen hangen door elkander op de slecht onderhouden wegen, die
niet behoorlijk zijn afgescheiden en slaan den voorbijganger in het
gezicht. Voeg daarbij de muggen, die om dezen tijd in massa optreden
en ge hebt een niet zeer vriendelijke, maar juiste voorstelling van
de vreugden, die in deze streken den afrikaanschen topograaf wachten.

De vraag van het eten was ook ingewikkelder geworden, want behalve
dat de boter en de melk ondragelijk waren geworden door de walgelijke
gewoonte van de inboorlingen er koeienurine door te mengen, waren
er ook meestal geen kippen en eieren te krijgen. Eenige maanden te
voren had een zwervende maraboet het land bereisd, en had verteld,
dat de blanken zich voor vast in de dorpen zouden komen vestigen
en dat ze belasting kwamen heffen. Hij verzekerde hun bovendien,
dat ze een middel hadden, om die duivels het verblijf onmogelijk te
maken, dat was al hun kippen te offeren, en de lichtgeloovige zwarten
hadden dat mooie werk verricht. Al die kleine ellenden zouden ons goed
humeur niet hebben bedorven, maar wij hadden in dien tijd het ongeluk,
plotseling een onzer kameraden te verliezen, adjudant Roux.

Hij had een paar dagen geleden zijn benoeming tot adjudant
ontvangen. Hij was een oud-Soedanees en op het punt, een welverdiende
rust te nemen. Een hevige galkoorts nam hem in twee dagen weg te Baro,
waar hij vertoefde met luitenant Lauzanne. Men moet in de afrikaansche
wildernis hebben gewerkt, afgezonderd van de andere blanken, te midden
van onwelwillende, zoo niet vijandige inboorlingen, om te weten,
welk een stevige band in zulke gevallen de Europeanen verbindt, die
in een verloren hoekje van Afrika samenzijn. En hoewel de meesten
van ons adjudant Roux nog maar nauwelijks eenige maanden kenden,
was zijn plotselinge dood voor ons allen een groot verdriet. Zijn
stoffelijk overblijfsel, dat tegen het vallen van den avond van
Baro naar Düngass werd overgebracht, werd begraven bij het kamp,
waar kapitein Tilho zijn hoofdkwartier had gevestigd.

Vanaf dit punt, waar ze eenige dagen samen was geweest, ging de
expeditie weer uiteen. Een eerste afdeeling onder de bevelen van
den luitenant ter zee Audoin was den 10den September vertrokken,
om de grens te verkennen en het werk van de commissarissen voor te
bereiden. Tegen het einde der maand verlieten wij, na door het groote
dorp Machena te zijn getrokken, dat schilderachtig gebouwd was tusschen
rotsen, het district Demagherin om in Manga te komen. Nu was het uit
met het Haussaland. Voortaan zouden wij tot het Tsadmeer niet anders
hooren spreken dan die zachte taal, waarin de klemtoon zulk een groote
rol speelt en die de inboorlingen in de buurt van Zinder beriberi
noemen, terwijl ze ons beter bekend is onder den naam van kanoeri. Het
was nu voor eenigen tijd ook uit met den boomgroei, die ons tot hiertoe
had verheugd; we betraden de steppe, de voorloopster van de woestijn.

In tegenstelling met alle dorpen, die wij tot nu toe gelegenheid
hadden gehad, langs de grens te zien, lag het dorp Yamia geheel open,
zonder omringende korenvelden, bijna geheel zonder boomen, te midden
van een zandige vlakte, die in het Noordwesten begrensd werd door
de laatste uitloopers van de granietbergen van Goeré. De boschjes
zetten zich van daar echter naar de andere zijde voort tot in de
onmiddellijke nabijheid van het dorp Karguiri. Van daar af betreedt
men het district Manga.

De weg zet zich steeds zonder afwisseling voort tot Adeboer door een
opeenvolging van zandduinen, waar enkel hoog gras groeide en stekende
cram-crams. Hoe ver men ook moge kunnen zien, men onderscheidt niets
anders dan een gelen oceaan, die in den wind heen en weer golft,
zonder een enkelen boom of eenige hoogte, waar het oog op rusten
kan. Maar dan opeens verspert een spleet den weg; een hoekje groen
breekt de steppe af, en een steile, bijna loodrechte helling voert
naar een zoutmeer, waar men de sodakristallen kan zien in een kom
van vijftien of twintig meters diepte. Het water fonkelt in de zon;
aan den rand van den plas groeit een gordel van doempalmen, waarvan
de waaiervormige bladeren een indruk van frischheid geven.

Doch dat genoegen was van korten duur. Er was geen schaduw, en na een
korte stijging volgde weer een volkomen doodsch landschap. Toen we ons
na een poosje omkeerden, om nog eens naar het hoekje groen te kijken,
was het verdwenen. Men zag, zoo ver het oog reikte, niets anders dan de
golvingen der gele grassen, en het scheen, dat de aarde zich plotseling
had geopend en den plas met zijn palmengordel had verzwolgen.

Er kwamen telkens weer van die natuurlijke zoutpannen, en de
eigenaardige gesteldheid van het terrein had de zeden van het volk
veranderd. Ze hadden alles bij de hand, om gierst te verbouwen
zonder veel moeite; maar als bij alle zwarten is hun het beginsel
van den minsten arbeid lief, en hoewel ze de gierst volstrekt noodig
hebben, verbouwen ze die niet, maar zijn industriëelen geworden. Ik
heb slechts een enkel, niet groot gierstveld aangetroffen in de
omstreken van Goerselik. Hun dorpen zijn in het belang van hun werk
aan de zoutplassen gelegen, waar ze hun levensonderhoud vinden. De
hutten van zwart geworden stroo staan meestal op een door den wind
gezweepte hoogte. Beneden liggen dan de pannen en de waterputten.

In den winter is het de stille tijd, maar dan vervaardigt men de
vormen voor het zout en de leemen ovens. Als de regens dan hebben
opgehouden, verdampt het water onder den invloed der gloeiende zon
met groote snelheid; enkele plassen drogen geheel uit en laten op hun
bodem slechts een dun laagje zout achter, dat de kom er doet uitzien
als een met sneeuw bedekte weide; andere drogen ten deele uit, maar
hun water is dan zeer zout. Op dat tijdstip begint de fabricatie van
de zoutkoeken.

Mannen, vrouwen en kinderen gaan op den bodem van den plas zout
harken en dragen aarde en zout aan in manden, die ze boven gaten
ledigen. Ze storten dan op die aarde water, dat later uitdampt. Toen
wij in Manga waren liep de winter op het eind en er werd nog maar
bij enkele plassen aan zoutwinning gedaan. Een aantal dorpen waren
verlaten voor de grootere plaatsen, waar de karavanen voorraad
komen opdoen. Er kwamen verscheiden, meer of minder groot en van
twintig tot zestig ossen tellende. Bijna alle gingen naar Goerselik,
een kleiner aantal naar Sjeri, en ze gingen terug om zout te brengen
naar Goemmel, Katsena, Kano, Zinder en Tessaoea. De tocht is moeilijk,
het voedsel gering en de weg wordt op droevige wijze aangewezen door
de beenderen of de lijken van de ongelukkige lastdieren. Het gebeurt,
dat men onderweg een stervenden os vindt, die door de karavaandrijvers
is achtergelaten, omdat hij niet meer mee kon. De verschrikkelijke
gieren zijn al gereed voor het te wachten festijn en beginnen soms
reeds te vroeg aan hun maal.

Het belangrijkste centrum van de streek schijnt het dorp Goerselik te
wezen. Een drie tot vier kilometer lang zoutmeer vormt er een halven
kring om heen en is ongeveer 800 meter breed. Aan den rand is op een
zandig duin het dorp gelegen, dat tot verblijf dient voor het hoofd
en zijn gevolg; aan den overkant ligt het veel grooter dorp van de
zoutwinners. Er worden daar jaarlijks meer dan duizend tonnen zout
gemaakt, dat op de plaats zelve voor vijftien tot twintig centimes
het kilo wordt verkocht en dat op de markt te Kano, op 200 kilometers
van daar dertig tot veertig centimes opbrengt.

Buiten dit dorp Goerselik ontmoet men over een afstand van 140
kilometer, van Kargoeï tot Sjeri slechts twee gehuchten, die elk
bestaan uit eenige hutten, verloren in het zand aan den rand van
hun zoutplas. Dagen lang volgt men den eentonigen weg, zonder dat
er eenig ander leven is te bespeuren dan dat van de krokodillen en
nijlpaarden in een paar meren. Maar hoe verlaten ook, toch maakt het
landschap een indruk van grootschheid, alleen te vergelijken met het
beeld van den oceaan.

Luitenant Audoin bracht er eenige ver van aangename dagen door,
want hij werd gekweld door honger en dorst. Het scheen hem van het
hoogste belang voor de plaatsing der grenspalen een karavaanweg te
verkennen, die van Kaderi uitging en naar Zoemba liep en die in 1903
als druk bezocht werd aangewezen. Zonder eenig wantrouwen had hij
onder leiding van een drijver de karavaan achtergelaten, voorzien van
water. Daar echter de Engelschen een belasting hieven van het zout,
dat over de grens ging, hadden de inboorlingen sinds eenigen tijd den
bedoelden weg verlaten, om een omweg te maken meer naar het Westen en
zoo de belasting te ontduiken. De niet meer gevolgde weg was weldra
bijna geheel verdwenen onder de hooge grassen, en de karavaan, die
zich vergiste, sloeg den weg naar Karakoe in en verwijderde zich dus
aanmerkelijk van de route, door den luitenant ingeslagen. Deze had
om elf uur in den morgen stilgehouden in de magere schaduw van een
doempalm en wachtte gerust af, dat de ossen met levensmiddelen en
water komen zouden. Het water uit zijn veldflesch was op en hij had
niets gegeten, toen de avond viel en hij nog maar steeds wachtte. Als
een stoïcijn bond hij zijn gordel vaster en ging slapen tusschen
de struiken.

In den nacht bracht een Peuhl, die voorbijging, hem ongeveer een liter
melk en een beetje meel, dat de heer Audoin, zijn tolk en zijn gids
al spoedig verorberd hadden. Zoodra het dag was, ging het troepje
weer op weg door de steppe, en tegen den middag vonden ze water, om
de veldflesschen te vullen. Terstond trokken ze verder, want ze wilden
zoodra mogelijk Zoemba bereiken, daar de honger dringender werd. Maar
door vermoeienis en omdat de weg in de duisternis onzichtbaar werd,
moesten ze om zeven uur halt houden. Den volgenden morgen bij het
ontwaken deed de luitenant de treurige ontdekking, dat zijn gids
verdwenen was en dat de veldflesch lek was, zoodat de enkele slokken
water, die ze bevatte, waren verdwenen. Hij moest in die omstandigheden
nog bijna den geheelen dag reizen en vond eerst tegen het eind van
den namiddag den kapitein van zijn tirailleurs, die, zeer ongerust en
hem verloren wanende, van Zoemba was vertrokken, om hem te zoeken met
den kok. Ze brachten een gebraden kip mee en een flesch wijn. Het was
tijd, want de heer Audouin had in vijf-en-zestig uren niet gegeten,
afgezien van een handvol gierstmeel.

Zelden zal men twee aaneen grenzende streken vinden, die zooveel
verschillen en waar de overgang zoo bruusk is als bij Manga en
de oevers van de Komadoegoe. Daar duinen en steppe, hier bosch
en weide; daar ver uiteenliggende dorpen op witte zandduinen,
hier aaneensluitende dorpen aan den oever der rivier. Men moet
hiermee rekening houden, als men onze verrukking beoordeelt over de
vriendelijke streek. Van het eene dorp naar het andere kronkelde de
weg door bosch en struiken tot aan de grootere plaats Deoea. Boven de
struiken staken de doempalmen op, die we ook in Manga hadden gezien,
maar die daar met hun magere silhouetten als de eenige boomen niet veel
indruk maakten. Hier echter, aan de Komadoegoe maakten de heesters,
dat men de magere stammen niet zag, en het geheel was bekoorlijk.

Een open gedeelte liet van den weg af de groene oevers der rivier
zien, die wel vijftien meter breed was, de Komadoegoe Yoché. Elke
drie of vier kilometer wees een gierstveld de nabijheid van een dorp
aan, en de zon verguldde dan heerlijk de gelende stengels van het
korenveld. Weldra zag men dan de zwarte daken der hutten, overschaduwd
door mooie tamarinden. Meestal stond een der kanten van het dorp aan
het water; ossen en paarden waren er aan het grazen. Geen booten om
de rivier over te steken, maar een reusachtig vlot, bestaande uit
een houten balk, waar men ledige kalebassen aan had bevestigd. De
reiziger gaat schrijlings op den balk zitten; zijn handen en
voeten doen den dienst van riemen, en hij komt op die manier gauw
aan den overkant. Soms was het systeem wat ingewikkelder. We kregen
te Toerbanguida een vlot te zien, bestaande uit vijf aaneengebonden
kalebassen, waarop een aantal balken een vloer vormden. Maar dat kwam
zelden voor.

Hoewel de rivier rijk is aan visch, schijnen de oeverbewoners zich
niet met veel ijver op de vischvangst toe te leggen. Ze hebben netten,
die ze nu en dan gebruiken, maar als het water gestegen is en ze er
niet in kunnen staan, missen ze elk middel, om zich het goede voedsel
te verschaffen. Gedroogde visch van het Tsadmeer kunnen ze gemakkelijk
en goedkoop krijgen. Koren en zout zijn er handelsartikelen en katoen
groeit aan de rivier, dat tot smalle strooken wordt geweven, zeer
gewaardeerd voor het maken van kleedingstukken. Al die voortbrengselen
worden in groote hoeveelheid op de markt van Kabi gebracht.

Kabi is een gewichtig middelpunt op de grens van Manga en Bornoe,
dichtbij het Tsadmeer en Kanem. De handel is er levendig, want
de karavanen uit Zinder, Kano en Katsena, die zout gaan halen in
Manga, hadden maar een klein eind weegs af te leggen, om daar hun
voorraden aan te vullen. De tegenwoordigheid van het machtige hoofd
sjeik Senoessi, omringd door een talrijk hof en een respectabele
lijfwacht, die met de zijnen veel geld uitgaf, werkte ertoe mee,
kooplieden en koopers aan te trekken. Zijn soldaten hielden de
nomadische Toeboe's in bedwang. De verre afstand van ieder punt, waar
de Europeanen baas waren, maakte een gemakkelijken en winstgevenden
slavenhandel mogelijk. Die bevoorrechte stelling had de aandacht
getrokken van tripolitaansche handelaars, te meer daar Bornoe aan
struisvogelteelt deed en ze dus dadelijk een geschikt artikel in
ruil voor hun goederen konden krijgen. Een dertigtal kooplieden
was zich te Kabi komen vestigen. Ze brachten er engelsche katoen,
goedkoope kleeren met vergulde knoopen, lucifers, kaarsen, tapijten
van Stamboel, suikerbrooden thee enz.

Maar Kabi, dat een twaalftal kilometers van de Komadoegoe verwijderd
is kan geen water krijgen dan door putten. Sjeik Senoesei besloot
den zetel van zijn regeering te verplaatsen en kwam met zijn hof naar
Toerbanguida. Op hetzelfde oogenblik nam die plaats in belangrijkheid
toe ten koste van Kabi. Aan den anderen kant verboden de Engelschen den
slavenhandel en hoewel de verkoop nog werd voortgezet en altijd in het
geheim voortdurend plaats vindt, was het toch een harde slag. Eindelijk
werd sjeik Senoessi verplaatst om te verregaande afpersingen. Zijn
opvolger sjeik Ahmed was niet rijk en hoe geldzuchtig hij ook was, hij
had eenigen tijd noodig, om zijn fortuin op de hoogte te brengen van
dat van zijn voorganger. Hij deed dus minder inkoopen, en de kooplieden
behaalden minder voordeelen. De Tripolitanen verlieten allen het land
behalve drie van hen, die zich te Toerbanguida vestigden. De meesten
gingen naar Dikoa; een enkele trok naar Gueïdam.

Hoe het zij, zoo de markt te Kabi niet meer is wat ze is geweest, toch
is ze nog een der belangrijkste, die ik te zien heb gekregen. Men is
als op een markt in Soedan. De bewoners der dorpen uit den omtrek
zitten er op den grond op de groote open ruimte met kalebassen
vóór zich vol gierst, vezelplanten, zoutbrooden uit Manga of Bornoe,
rijst, koren, katoen, indigo, broodboombladeren. De Dioela's verkoopen
behalve katoenen stoffen en blauwe Haussa-kleeren stukken welriekende
boomschors, antimonium, glazen kralen, leeren en blikken doosjes
en spelden. De omwonenden van het Tsadmeer brengen droge visch. De
kanemboe's komen met vee, ossen, schapen en kameelen.

Gedurende ons kort verblijf te Kabi kwam het hoofd van Toerbanguida
ons een bezoek brengen, omringd door veel ruiters en voorafgegaan
door een troep geweerdragenden te voet, wier costuum op dat van
Rabah's soldaten geleek. Er is een zekere elegantie in die uniform,
die uit een lang wit gewaad bestaat, met zwart omboord, gesloten om
het middel, en tot op den grond neervallend. De mouwen zijn wijd, en
op de borst is aan weerszijden een veelkleurig schild geborduurd. Dan
een roode patroontasch, een muts als het perzische hoofddeksel en
het costuum is compleet.

Sjeik Ahmed had een wel voorziene garderobe en veranderde van uniform
even vaak als Wilhelm II. Hij droeg over elkaar zijden en fluweelen
kleedingstukken, helderblauw, vuurrood, goudgeel, alles den rijkdom van
den drager verkondigend, maar zonderling vermoeiend voor de oogen. Het
was alles nieuw, want het fortuin van sjeik Ahmed dateerde nog van
den laatsten tijd. Hij had niet genoeg prestige, om de menschen,
die hij in naam beheerschte, te doen gehoorzamen, zoodat de zwakste
dorpen over het water trokken, om aan zijn belasting te ontkomen,
terwijl de grootste, Bosso bij voorbeeld, eenvoudig weigerden, aan
hun verplichtingen te voldoen.

Men begrijpt, dat bij zulk een anarchie de Toeboe's vrij spel
hadden. Bewoners van een streek met weinig water en niet aan landbouw,
noch aan veeteelt doende, bovendien nomaden, leven de Toeboe's van
diefstal en kennen geen ander middel van bestaan. In tegenstelling met
de Toearegs of de plunderende Arabieren zijn ze weinig krijgshaftig
en diefstal oefenen ze alleen uit, als het zonder gevaar kan
gebeuren. Twee gewapende mannen zijn veilig onder hen, maar wee den
armen duivel, die zich onbeschermd zou wagen op den weg van Kabi naar
Bosso. Achter elk boschje kan hij een Toeboe verwachten, gereed, om
op den voorbijganger aan te vallen en hem zijn goed te ontstelen. Met
zulke buren hadden de bewoners van de oevers der Komadoegoe de keus, of
ze dieven wilden zijn of bestolenen, behalve natuurlijk in Toerbanguida
en Bosso, die sterk genoeg waren, om zich te verdedigen. Ze hebben
niet geaarzeld en zijn de medeplichtigen van de Toeboe's geworden,
hun diensten bewijzend als aanwijzers en helers. Ook verwaardigden
ze zich wel, op eigen gelegenheid, te werk te gaan.

Kapitein Tilho riep te Toerbanguida de voornaamste hoofden samen en
liet hun weten, dat nu voortaan de Franschen heeren en meesters in het
land waren, ze zich voorstelden, er de stiptste orde te handhaven. De
aanwezige hoofden beloofden, het fransche gezag te erkennen en hun
best te zullen doen, ons te helpen. De Toeboehoofden waren niet
verschenen, wat een onaangenamen indruk maakte op de anderen. Er
werd daarom gepatrouilleerd in het land der Toeboe's met het gevolg,
dat hun hoofd zich melden kwam.

Te Bosso hadden wij een meteorologisch station ingericht, dat voor
de klimatologie van de streek nuttig werk heeft verricht, vooral om
de onmiddellijke nabijheid van het Tsadmeer. Dat hoopten wij nog te
zien te krijgen, nu we aan het eind van onzen arbeid waren gekomen, en
op een goeden morgen ging ik van Bosso, dat maar acht kilometer ervan
verwijderd was, te paard in de richting van het Tsadmeer uit. Na eenige
kilometers begonnen de katoenvelden, maar weldra werd de plantengroei
minder; de bebouwde velden verdwenen en ik kwam op een wijde vlakte,
die zeer ver in het rond met een asclepiadee begroeid was, welker
groote, lichtgroene bladeren een somberen indruk maakten. Toen hielden
ook die planten op en er groeide niets dan hoog gras. Op eens klotste
water onder de pooten van mijn paard, en even daarna stond het reeds
tot de knieën van het dier, en ik kon niet verder gaan. Teleurgesteld
wendde ik mij tot mijn gids.

"Kan ik dan met geen mogelijkheid bij het Tsadmeer komen?"

"Het Tsadmeer?" was zijn antwoord. "Maar daar is u middenin."

Het was inderdaad het Tsadmeer, dit moeras en het hooge gras. Nog
in 1904 kon men hier het water zien glinsteren, maar de uitdroging
gaat zoo snel, dat binnen enkele jaren men er droogvoets zal kunnen
loopen. Tegenwoordig moet men al 150 kilometer ten zuidoosten van
Bosso wezen, om nog open water te vinden in het bekken van de Sjari,
en het Tsadmeer is stervende. De uitdroging, die al lang geleden is
begonnen, gaat thans met snelheid verder, en onze kleinkinderen zullen
als over een oud sprookje praten over den tijd, toen hun grootvaders
water zagen in de dorre laagte.





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "In het gebied van het Tsadmeer met de expeditie Tilho - De Aarde en haar Volken, 1910" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home