Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Ivanhoe
Author: Scott, Walter, Sir, 1771-1832
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Ivanhoe" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



                 Nieuwe Geïllustreerde Uitgave.

                       Meesterwerken van

                       Sir Walter Scott.

                            Ivanhoe.


       Met gebruikmaking van de voortreffelijke vertaling

                              Van

                        Dr. M. P. Lindo.

                      Herzien en ingeleid

                              Door

                       Dr Jan ten Brink.


                     Rotterdam.--D. Bolle.



INLEIDING.


Dat een meesterstuk van Sir Walter Scott opnieuw in het Nederlandsch
wordt uitgegeven, schijnt mij een heugelijk teeken des tijds. Het
eigenaardig kenmerk der laatste jaren dezer eeuw--de steeds toenemende
dorst naar wijziging van het bestaande, naar het nog nooit vertoonde,
naar heropwekking van het reeds verouderde--heeft in de anders zoo
rustige republiek der letteren reeds onheils genoeg gebrouwen. De
herinnering aan een fraai letterkundig kunstwerk, voor driekwart
eeuw in het licht verschenen, doet nu bijna de uitwerking van een
heilzaam geneesmiddel. Van harte gaarne verleende ik mijne hulp bij
deze hernieuwde uitgaaf van den _Ivanhoe_ in onze taal.

Kunstenaars als Walter Scott laten een diepen indruk na op tijdgenoot
en nageslacht. De _historische roman_ in proza--als men pleegt te
spreken--werd door hem in het leven geroepen, en vond bijval in geheel
Europa. In Frankrijk, Duitschland, Nederland en Engeland staat na
Walter Scott een heirleger van historische romanschrijvers op.

Het gaat evenwel niet aan den grooten Schotsen verteller voor
den schepper van een nieuw letterkundig genre te houden. Epische
behandeling van historische stof is zoo oud als de beschaving. Het
heldendicht is in zijn gebonden vorm, reeds een soort van historischen
roman. Geschiedschrijvers als Thucydides en Xenophon, chroniqueurs als
Ville-Hardouin en Froissart, maken door den levendigen dramatischen
vorm van het verhaal, door de ingevlochten redevoeringen der
aanvoerders, denzelfden indruk, als de historische-romanschrijvers uit
de school van Walter Scott. Men zou kunnen beweren, dat de historische
roman reeds in de XVIIe eeuw heeft bestaan, daar Mlle Madeleine de
Scudéry in 1649 haar grooten heroïschen roman, _Le grand Cyrus_,
begon, op welk boek Sir Walter Scott een beroep doet in het 31ste
hoofdstuk van zijn _Ivanhoe_.

Het ongemeene, het nieuwe in zijne _Waverley-Novels_ is, dat hij,
_voor het eerst_ met wetenschappelijken ijver voor historie en
archaeologie bezield, zich de taak oplegt een vervlogen tijdvak te
doen herleven met al de kleuren van het oogenblik, met geschiedkundige
juistheid van kostuum, architectuur, huisraad, zeden en gebruiken,
maar vooral met historische juistheid in de voorstelling van
karakters en denkbeelden, die in het gekozen tijdvak de maatschappij
beheerschten. In dit opzicht schiep hij iets nieuws, en bezielde
eene groote menigte van navolgers. In Engeland kwam Lord Lytton
hem het dichtst nabij, in Frankrijk Alfred de Vigny en Victor Hugo
(_Nôtre-Dame_, en _Quatrevingt-Treize_), in Duitschland Felix Dahn,
George Ebers en Robert Hamerling, ten onzent mevrouw Bosboom-Toussaint,
Mr. J. van Lennep, J. F. Oltmans en H. J. Schimmel. Denkt men bij de
lezing van _Ivanhoe_ aan de beide laatsten, dan schijnt bij Oltmans
de belegering van Loevestein eene verre navolging te leveren der
belegering van Torquilstone, den geduchten burcht van Front-de-Boeuf,
en bij Schimmel de heks op den toren van het Stichtsche kasteel aan
het slot der eerste afdeeling van _Sinjeur Semeyns_, eenigermate te
herinneren aan Ulrica, de Saksische heks, op de torens van Torquilstone
luid juichend over den door haar gestichten brand.

Walter Scott voltooide zijn _Ivanhoe_ in 1819, tijdens zijn 48ste
levensjaar, terwijl hij aan een sleepende ongesteldheid leed, en
een groot deel van dezen roman moest dicteeren. In Engeland overtrof
de bijval, aan _Ivanhoe_ geschonken, al wat vroeger tot lof zijner
voorafgaande kunstwerken gezegd was. Van de eerste editie, een
prachtuitgaaf met vele illustratiën, die meer dan een pond sterling
kostte, werden in zeer korten tijd 12000 exemplaren verkocht. (Zie
Dr. Felix Eberty, _Walter Scott, Ein Lebensbild_. (1860) I. 343).

Sedert 1819 tot heden is van de _Waverley-Novels_, van den _Ivanhoe_,
een niet te tellen aantal drukken verschenen. Amerikaansche nadrukken
voor 20 Amerikaansche centen, of Engelsche uitgaven voor een sixpence
het deel, hebben Walter Scott toegang gegeven tot de onaanzienlijkste
woningen--hij heeft in de beide halfronden ettelijken millioenen
lezers het hart veroverd.

De _Ivanhoe_ is zeer zeker eene zijner gelukkigste scheppingen. De stof
is bij uitstek geschikt tot eene episch-dichterlijke behandeling. Het
eind der XIIe eeuw in Engeland, tijdens de afwezigheid van den
ridderkoning Richard Leeuwenhart, die ter kruisvaart is getogen,
en heimelijk terugkeert--tijdens de samenzwering van Jan zonder
Land, en de meer en meer verwilderende plattelandsbevolking, die,
uitsluitend van Saksisch bloed, zich in de wouden als stroopers en
wilddieven terugtrekt--dit alles bood de stof voor een epos in proza.

Zij, die _Ivanhoe_ in de zorgelooze jongelingsjaren lazen, zullen voor
hun leven eene onvergetelijke herinnering behouden hebben--zullen
nimmer den statigen, epischen gang van het verhaal hebben vergeten,
waarin tal van echt epische personen in den vollen glans der
Normandische ridderlijke dapperheid te voorschijn treden.

Voor _Ivanhoe_ heeft de auteur zich zeer degelijke historische studiën
getroost. Hij kent vooral de middeleeuwsche chronijkschrijvers,
en al de middeleeuwsche volkszangen door Bisschop Percy in zijne
"_Reliques of English Poetry_" bijeengebracht. Hij doet het verschil
der onderdrukte Saksische landbevolking en van den heerschenden
Normandischen adel scherp uitkomen, en vermeit zich in het contrast van
beider beschavingstoestanden. Aan de zijde van den valschen regent,
later King John, teekent hij verschillende typen van Normandische
edelen: Reginald Front-de-Boeuf, den ruwen geweldenaar, die voor
geene gruwelen terugdeinst, als zij zijne hartstochten en zijne
inhaligheid kunnen dienen,--Brian de Bois-Guilbert, den sceptischen
Tempelier, die uit Palestina eene groote minachting voor de kerk
en de geestelijkheid heeft medegebracht,--en Maurice de Bracy, den
aanvoerder van eene bende lansknechten, die voor niets terugdeinzen,
als de woeste huurlingen, welke Oltmans onder de vanen van Perrol
met de roode hand in zijn _Schaapherder_ doet ten tooneele komen.

Naast deze Normandische wereld staat de Saksische, die zich beweegt
op het landgoed van Cedric, gezegd de Sakser, waar men kennis maakt
met de laatste afstammelinge der Saksische koningen, Lady Rowena,
met den geestigen nar Wamba, en den dienstman Gurth, Cedric's zoon
Wilfrid,--die met Richard Leeuwenhart naar Palestina trok, en daarom
door zijn vader als een slaaf der Normandische ridderidealen wordt
afgesneden uit de familie--speelt als heer van Ivanhoe de hoofdrol
in de tallooze tournooien en _joutes_, die het verhaal de hoogste
levendigheid bijzetten.

Juist hierin openbaart zich de nationaliteit van den
auteur. Niet in Schotland speelt in _Ivanhoe_ de handeling,
als elders bij Walter Scott, maar in Engeland, in de omstreken
van York en Ashby-de-la-Zouche. Toch is het echt Schotsch-Engelsch
levenselement--de strijd van man tegen man, de strijd, waarbij het op
de oefening van spieren, op de kracht van den arm en de vlugheid van
het geheele lichaam aankomt--voortdurend het hoofdonderwerp van het
verhaal. _Ivanhoe_ is de aaneengeschakelde beschrijving van allerlei
ridderlijke _sport_,--eerst het tournooi van Ashby-de-la-Zouche,
dan de belegering van den burcht van Reginald Front-de-Boeuf, dan
het godsgericht door de Tempeliers over de edele Jodin Rebekka,
dochter van Izaäk van York gehouden.

Het optreden van Richard Leeuwenhart, als Zwarte Ridder, zijne
persoonlijke heldendaden en ongeloofelijke spierkracht in het hanteeren
van zwaard, lans of strijdbijl--maken een boeienden epischen indruk,
verhoogd door het waas van geheimzinnigheid, dat geruimen tijd den
koning blijft omzweven. De Zwarte Ridder en zijne avonturen in het
woud met de vrijbuiters van Robin Hood behooren tot de amusantste
deelen der vertelling.

Het eenige wat ons nu als verouderd zou kunnen voorkomen, zijn de vrij
uitvoerige gesprekken, die tusschen de handelende personen dikwijls
moeten dienen, om historische feiten of maatschappelijke toestanden
uit het eind der XIIe eeuw in een helder licht te plaatsen. Maar juist
in deze uitvoerigheid, in den breeden, langzamen gang van handeling en
vertelling, schuilt de eigenaardigheid van Walter Scott's schrijftrant,
die ten slotte zijne lezers in triomf meesleept naar het welvoorbereide
slot.

De tegenwoordige uitgaaf volgt de Nederlandsche vertaling van
Dr. M. P. Lindo, die in 1872 te Leiden en Delft bij S. C. van
Doesburgh en Joh. Ykema het licht zag. Hier en daar zijn noodzakelijke
wijzigingen aangebracht, taal en stijl zijn doorgaande herzien. Een
enkele maal is aan den voet der bladzijde eene kleine historische
opheldering geplaatst.

Het schijnt mij, dat er gerust eene proeve kan genomen worden met het
opnieuw popularizeeren van Walter Scott voor Nederlandsche lezers. In
Engeland blijkt de belangstelling in den auteur der _Waverley-Novels_
uit de vele geschriften, die nog telkens aan zijn leven en geschriften
worden gewijd. In 1878 verscheen de monographie van Hutton, _Sir Walter
Scott_, in de verzameling onder den titel van _English men of Letters_
bekend; in 1884 schreef een Schotsch geleerde, Gilfillan, een nieuw
_Life of Sir Walter Scott_. In Duitschland werd zijn leven geschreven
door Dr. Felix Eberty (1860) en door Elze (1864)--en nog niet lang
geleden (1884) gaf een Schotsch predikant (Dickson) een boek uit over
het gebruik, dat Walter Scott van den Bijbel heeft gemaakt. (_The
Bible in Waverley or Sir Walter Scott's use of the Sacred Scriptures_).

In dit opzicht deelt Walter Scott het lot van groote auteurs--men heeft
betoogd, dat Shakespeare een bijzonder scherpzinnig botanist was,
en van Cervantes beweerde nog in 1842 een bekend Spaansch medicus,
Don Antonio Hernandez Morejon, dat hij een doorkneed patholoog en
psychiatricus geweest was, daar hij anders zijn held Don Quixote niet
zoo wetenschappelijk juist had kunnen schilderen.



EERSTE HOOFDSTUK.


        Zoo spraken ze, onderwijl de herder voor den nacht
        Het vette zwijnenheir van 't veld weer huiswaarts bracht,
        Dat, onder luid geschreeuw en lastig tegenstreven,
        Een ieder naar zijn kot, met moeite werd gedreven.

                                                        Odyssee.


In die aangename streken van het schoone Engeland, welke door de
rivier de Don bespoeld worden, strekte zich in vroegere tijden een
woud uit, dat het grootste gedeelte van de schoone bergen en dalen
bedekte, die tusschen Sheffield en de bekoorlijke stad Doncaster
liggen. De overblijfselen van dit uitgestrekte bosch zijn nog te
zien rondom de prachtige kasteelen van Wentworth, Warncliffe-Park
en Rotherham. Dáár spookte, in de aloude tijden, de fabelachtige
"Draak van Wantley"; dáár werden vele van de wanhopigste gevechten
geleverd, gedurende de burgeroorlogen tusschen de Witte en de Roode
Roos; en daar bloeiden ook oudtijds die benden dappere vrijbuiters,
wier daden in de Engelsche liederen zoo algemeen beroemd geworden zijn.

Dit is het hoofdtooneel van onze geschiedenis; de tijd, waarin dit
voorvalt, is tegen het einde van de Regeering van Richard I, toen
zijn terugkomst uit eene langdurige gevangenschap eerder gewenscht
dan verwacht werd door zijne wanhopige onderdanen, die intusschen aan
allerhande afpersingen van ondergeschikte dwingelanden blootgesteld
waren. De edelen, wier macht uitermate groot geworden was onder het
bewind van Steffen, en welke het beleid van Hendrik II slechts in
zekere mate aan de kroon onderworpen had, leverden zich nu weder, met
de grootste stoutheid, aan hunne vorige losbandigheid over; de zwakke
pogingen van den Engelschen Raad van Staat verachtende, versterkten
zij hunne kasteelen, vermeerderden het getal hunner afhangelingen,
maakten allen in het rond tot hunne vasallen, en spanden alle krachten
in, om zich aan het hoofd eener macht te plaatsen, die hen in staat
zou stellen, eene rol te spelen in de volksonlusten, welke men scheen
te moeten duchten.

De toestand van den minderen adel, of der _Franklins_, zooals zij
genoemd werden, welke, door de wet en den geest der Engelsche
staatsinrichting, het recht hadden bevrijd te blijven van de
dwingelandij der leenheeren, werd thans bijzonder hachelijk. Zoo
zij zich onder de bescherming van één der kleine koningen in
hunne nabuurschap stelden, eenigen leendienst bij hem aannamen,
of wederzijdsche overeenkomsten van bondgenootschap en bescherming
sloten, en hem in zijn ondernemingen ondersteunden,--hetgeen zij vrij
algemeen deden--konden zij, op deze wijze, inderdaad eene korte rust
koopen. Maar dit geschiedde ten koste van die onafhankelijkheid,
welke zoo dierbaar is aan ieder Engelsch hart, en met het zekere
vooruitzicht, om als strijdmakker in iederen vermetelen tocht gewikkeld
te worden, welken de eerzucht van hun beschermer hen mocht doen
ondernemen. Van den anderen kant waren de middelen tot knevelarij en
onderdrukking, welke de groote edelen bezaten, van zulk een aard en
zoo talrijk, dat hun nooit een voorwendsel, en zelden de wil ontbrak,
om hunne minder machtige naburen, die zich aan hun gezag te onttrekken
trachtten, en voor hun bescherming, in tijden van gevaar, op eigen
vreedzaam gedrag en de wetten des lands vertrouwden, te kwellen en
zelfs tot het uiterste te vervolgen.

Één omstandigheid, die grootendeels strekte om de dwingelandij der
edelen en het lijden der mindere standen te verergeren, ontsproot uit
de gevolgen van de Verovering, door Willem, Hertog van Normandië. Vier
geslachten waren niet voldoende geweest om het bloed der Normandiërs
en Angelsaksers te vermengen, of door een gemeenschappelijke taal
en belangen twee vijandige stammen te vereenigen, waarvan de één nog
steeds met den hoogmoed des zegepraals bezield was, terwijl de andere
onder al de gevolgen der nederlaag zuchtte. Door den slag bij Hastings
was de macht volkomen in de handen der Normandische edelen geraakt,
en, zooals onze geschiedschrijvers verzekeren, gebruikten zij die met
geen groote gematigdheid. Het geheele geslacht der Saksische vorsten
en edelen was, met weinige of geene uitzonderingen, uitgeroeid,
of van hun erfdeel beroofd; ook was het getal gering van hen, die
nog erven bezaten in het land hunner voorvaderen, en die geteld
konden worden onder de grondbezitters van de tweede, of van eene
nog mindere klasse. De koninklijke staatkunde werkte sedert lang,
om door alle, zoowel wettige als onwettige, middelen de kracht te
fnuiken van een gedeelte der bevolking, hetwelk te recht geoordeeld
werd, den meest ingewortelden haat tegen zijne overwinnaars te
koesteren. Alle vorsten van den Normandischen stam hadden de grootste
partijdigheid voor hunne Normandische onderdanen aan den dag gelegd:
de jacht wetten en vele andere, die geheel onbekend waren bij den
zachteren en vrijeren geest der Saksische staatsinrichting, waren den
onderworpen inwoners opgelegd, als het ware om gewicht te geven aan
de boeien, waarin zij door het leenstelsel geklonken waren. Aan het
Hof, en in de kasteelen der groote edelen, waar men de pracht en de
weelde van het Hof navolgde, was het Normandisch-Fransch de eenige
gebruikelijke taal, welke ook in de pleitreden en vonnissen bij de
gerechtshoven gebezigd werd. In het kort, het Fransch was de taal der
eer, der ridderschap, en zelfs der gerechtigheid, terwijl het veel
meer manhaftige en krachtige Angelsaksisch aan de landlieden en het
gemeen, die geen anderen tongval kenden, overgelaten werd. Intusschen
werd door het noodzakelijke verkeer tusschen de grondeigenaars en hun
minderen, welke den grond bebouwden, langzamerhand een tongval gevormd,
die het midden uitmaakte tusschen het Fransch en het Angelsaksisch,
en in welken zij zich wederkeerig verstaanbaar konden maken; hieruit
ontstond trapsgewijs de tegenwoordige Engelsche taal, waarin de spraak
der overwinnaars en die der overwonnenen zoo schoon ineen gesmolten
zijn, en welke later zoo rijkelijk vermeerderd werd door alles wat
men aan de klassieke talen, en aan die, welke de zuidelijke natiën van
Europa spreken, ontleend heeft. Ik heb het noodig geoordeeld, dit kort
overzicht te geven van den toenmaligen staat van zaken, ter algemeene
onderrichting van den lezer, die anders wellicht zou vergeten, dat,
ofschoon geen groote geschiedkundige gebeurtenissen, zooals oorlog
of opstand, het bestaan van de Angelsaksers als een afzonderlijk
volk, na de regeering van Willem II kenmerken, de groote nationale
geschillen evenwel, tusschen hen en hun overwinnaars, de herinnering
aan hetgeen zij vroeger geweest, en waartoe zij nu gebracht waren,
de wonden openhielden, welke de verovering geslagen had, tot onder de
regeering van Eduard III, en een scheidsmuur oprichtten tusschen de
afstammelingen van de Normandische overwinnaars en van de overwonnen
Saksers.

De ondergaande zon bestraalde een van de grasrijke, opene plekken
van het woud, waarvan wij in het begin van dit hoofdstuk gesproken
hebben. Honderden van breede, kortstammige eiken, die wellicht
den deftigen optocht der Romeinsche legioenen aanschouwd hadden,
strekten hunne breede, knoestige takken uit boven een zacht tapijt
van het heerlijkste groen. Op sommige plaatsen waren ze afgewisseld
door beuken, hulst en kreupelhout van verschillende soorten, zoo
dicht, dat ze de schuinsche stralen der ondergaande zon geheel
onderschepten. Op andere plekken waren openingen in het hout, die
vergezichten opleverden, in welker kronkelpaden het oog zich gaarne
verdiepte, terwijl de verbeelding ze beschouwde als de wegen, die tot
nog wildere tooneelen in het eenzame woud leidden. Hier flikkerden
de roode stralen der zon met een gebroken en flauwer licht, dat
gedeeltelijk de dorre takken en bemoste stammen der boomen, en ginds,
meer schitterend, de open plekken bescheen. Een groote ruimte, in het
midden van dit grasplein, scheen vroeger toegewijd te zijn geweest aan
de godsdienstplechtigheden der Druïden; want op den top van een heuvel,
die zoo regelmatig van vorm was, dat hij door kunst opgericht scheen,
stond nog een gedeelte van een kring van ruwe, onbewerkte, ontzaglijk
groote steenen. Zeven er van waren overeind; de overigen, van hunne
plaatsen verwijderd, waarschijnlijk door den ijver van eenige nieuw
bekeerde Christenen, lagen gedeeltelijk omvergeworpen in het rond,
en gedeeltelijk op de helling van den heuvel. Slechts één groote
steen had zijn weg tot den voet er van gevonden, en, door den loop
van een kleine beek te stremmen, welke langzaam in de diepte rondom
de hoogte kronkelde, verwekte hij een zacht gemurmel in het vreedzame
en anders stille water.

Twee gedaanten verlevendigden dit landschap; zij hadden in hunne
kleeding en in hun uiterlijk dat wilde en ruwe voorkomen, hetwelk in
die vroege tijden eigen was aan de boschbewoners van het westelijk
gedeelte van het graafschap York. De oudste dier mannen had een stroef,
woest en norsch gelaat. Zijn kleeding was zoo eenvoudig mogelijk;
zij bestond uit een nauw wambuis met mouwen, gemaakt uit de gelooide
huid van een dier, waarop men het haar gelaten had, dat echter op
zoo vele plaatsen was afgesleten, dat het moeielijk zou geweest zijn
uit het weinige overgeblevene te onderscheiden, aan welk soort van
dier het behoord had. Dit eenvoudige kleed reikte van de keel tot
op de knieën, en was de eenige dekking van het geheele lichaam; er
was aan den kraag geen ruimere opening dan noodig was om het hoofd
door te steken, waaruit men besluiten kan, dat het aangetrokken
werd door het over het hoofd en de schouders te halen, op de wijze
van een hedendaagsch hemd, of een oude maliënkolder. Sandalen, met
riemen van wildzwijnsleer vastgebonden, beschermden de voeten, en een
soort van rol van dun leder was kunstig om de beenen geslingerd tot
boven de kuit, de knieën bloot latende, gelijk die van een Schotschen
bergbewoner. Om het wambuis nog nauwer om het lichaam te doen sluiten,
was het om het middel door een breeden lederen gordel vastgebonden, met
een metalen gesp bevestigd; aan de eene zijde daarvan hing een soort
van zak, en aan de andere een ramshoren, met een mondstuk voorzien,
om op te blazen. In denzelfden gordel hing een van die lange, breede,
scherp gepunte en tweesnijdende messen, met een hoornen hecht, die in
de nabuurschap gemaakt werden, en die, zelfs in deze vroege tijden,
den naam van Sheffieldmessen droegen. Zijn hoofd was ongedekt en alleen
beschermd door zijn eigen dik haar, ongekamd en woest, en door de zon
donkerrood verbrand, eene tegenstelling opleverende met zijn baard,
die de wangen bedekte, en licht geel van kleur was. Er is nog slechts
één gedeelte van zijne kleeding over, dat te merkwaardig was om met
stilzwijgen voorbij gegaan te worden; het was een metalen ring, op
den halsband van een hond gelijkende, maar zonder eenige opening,
en om zijn hals vastgeklonken, los genoeg, dat de ademhaling niet
belemmerd werd, en toch zoo vast, dat hij niet anders dan met behulp
van de vijl kon afgenomen worden. Op dezen zonderlingen halsband
was met Saksische letters het volgende opschrift gesneden: "Gurth,
de zoon van Beowulf, geboren lijfeigene van Cedric van Rotherwood."

Naast dezen zwijnenhoeder, want dit was het beroep van Gurth, zat
op een der omgevallen gedenkteekenen der Druïden een man, die tien
jaren jonger scheen, en wiens kleeding, schoon nagenoeg van hetzelfde
maaksel als die van zijn makker, uit betere stoffen vervaardigd was,
en een zonderlinger voorkomen had. Zijn buis was purperkleurig,
en men had beproefd om wonderbaarlijke sieraden in verschillende
kleuren er op te schilderen. Behalve dit buis droeg hij een korten
mantel, die hem nauwelijks tot op de helft van het bovenbeen hing; dit
kleedingstuk was van karmozijnrood laken, vrij bemorst, met hooggeel
omzet; en daar hij het, naar verkiezing, van den eenen schouder op
den anderen, of geheel om zich heenslaan kon, zoo maakte de wijdte,
bij de lengte vergeleken, dat het er wonderlijk uitzag. Hij had dunne
zilveren armbanden, en een halsband van hetzelfde metaal, met het
opschrift: "Wamba, de zoon van Weetniet, lijfeigene van Cedric van
Rotherwood." Deze man droeg dezelfde soort van sandalen als zijn
makker; maar, in plaats van met lederen riemen, waren zijn beenen
bedekt met een soort van slobkousen, waarvan de eene rood en de andere
geel was. Hij was ook voorzien van een kap, met schelletjes behangen,
omtrent zoo groot als die, welke men de valken aandoet; ze klonken
zoo dikwijls hij liet hoofd draaide, en daar hij zelden één minuut in
dezelfde houding bleef, was het geluid bijna onophoudelijk. Rondom
de kap was een stijve lederen band, van boven uitgesneden in den
vorm eener kroon, terwijl er een lange puntige zak uit verrees,
en op den schouder nederviel, gelijk een ouderwetsche slaapmuts, of
de hoofdbedekking onzer huzaren. Aan dit gedeelte der kap waren de
belletjes bevestigd, die bij den aard van zijn hoofdsieraad, en de
half domme, half schrandere uitdrukking van zijn gelaat, genoegzaam
aanduidden, dat hij tot die narren of potsenmakers behoorde, welke
in de woningen der rijken gehouden werden, om de verveling van de
langdurige uren te verkorten, welke men verplicht was binnenshuis
door te brengen. Hij droeg, evenals zijn makker, een zak, aan den
gordel vastgemaakt, maar hij had noch horen noch mes, daar men hem
waarschijnlijk beschouwde als behoorende tot een klasse, aan welke het
gevaarlijk is, scherpe werktuigen toe te vertrouwen. Inplaats daarvan
was hij met een houten zwaard voorzien, op het wapen gelijkende,
waarmede Harlekijn zijn wonderen op het hedendaagsche tooneel verricht.

Het uiterlijk voorkomen van deze twee mannen vormde nauwelijks een
sterker contrast dan hun gelaat en gedrag. Dat van den lijfeigene
was treurig en stug; zijn blikken waren naar den grond geslagen,
met een uitdrukking van groote moedeloosheid, welke men bijna voor
wezenloosheid zou gehouden hebben, had niet het vuur, hetwelk van tot
tijd tot tijd in zijn beloopen oog schitterde, getoond, dat er onder
den schijn van sombere neerslachtigheid het besef schuilde van zijn
slaafschen stand en het verlangen, om zich daaraan te onttrekken. De
blikken van Wamba daarentegen duidden, zooals gewoonlijk bij menschen
van zijn aard, een soort van ledige nieuwsgierigheid en eene rustelooze
beweeglijkheid aan, te gelijk met de uiterste zelfvoldoening over zijn
stand en uiterlijk. Hun gesprek werd in het Angelsaksisch gevoerd,
hetwelk, zooals wij gezegd hebben, algemeen door de geringere klassen
gesproken werd, met uitzondering van de Normandische soldaten en de
afhangelingen, welke de groote leenheeren onmiddellijk omringden. Maar,
daar hun gesprek in het oorspronkelijke den lezer niet zeer
verstaanbaar zou zijn, geven wij hem daarvan de volgende vertaling:

"Dat de vloek van St. Withold die helsche zwijnen treffe!" bromde
de zwijnenhoeder, nadat hij uit al zijn macht op zijn horen geblazen
had, om de verstrooide kudde te verzamelen, welke, ofschoon ze zijn
geroep met even welluidende tonen beantwoordde, zich echter in het
geheel niet haastte om zich van het heerlijkste gastmaal van beuken
en eikels, waarvan ze vet werd, te verwijderen, of om de moerassige
oevers van de beek te verlaten, waar eenigen, half in modder gedompeld,
op hun gemak uitgestrekt lagen, zonder zich in het minste om de stem
van den herder te bekreunen. "De vloek van St. Withold treffe hen en
mij!" zeide Gurth; "zoo de tweebeenige wolf er vóór het vallen van
den nacht niet eenigen van wegpakt, dan heet ik geen Gurth! Hier,
Fangs! Fangs!" riep hij met alle geweld een ruigharigen wolfachtigen
hond toe, een soort van kreupele basterd, half bul- half windhond,
die rondliep alsof hij zijn meester bijstaan wilde, om de weêrspannige
varkens bijeen te verzamelen; maar welke inderdaad, hetzij dat hij
de teekens van den zwijnenhoeder verkeerdelijk begreep, hetzij uit
onkunde, of uit moedwillige boosaardigheid, ze slechts van den éénen
kant naar den anderen dreef, en het kwaad verergerde, dat hij had
moeten verhelpen. "Dat de duivel u de tanden uitrukke," riep Gurth,
"en dat de booze den boschwachter hale, die onzen honden de voorste
klauwen afsnijdt, en ze voor hun werk ongeschikt maakt [1]. Wamba! sta
op en help me, als gij een brave kerel zijt, loop om den berg heen,
om hun den wind af te winnen, en als gij dat gedaan hebt, kunt ge ze
even gemakkelijk voor u uitdrijven als onschuldige lammeren."

"Waarachtig," zei Wamba, zonder van de plaats te gaan, "ik heb mijn
beenen geraadpleegd, en ze zijn volkomen van gevoelen, dat het een
daad van hoogverraad, zoowel tegen mijn hoogen persoon als tegen mijn
koninklijke kleeding zou zijn, mijn bont pak door deze moerassen te
sleepen; daarom, Gurth, raad ik je, Fangs terug te roepen, en de kudde
aan het noodlot over te laten, want, als ze een troep rondtrekkende
soldaten, vrijbuiters of pelgrims ontmoet, kan het niet missen of
ze is vóór den morgen in Normandiërs veranderd, tot uw groot gemak
en verlichting."

"De zwijnen in Normandiërs veranderd, tot mijne verlichting!" hervatte
Gurth; "verklaar me dat, Wamba, want mijn brein is te suf en mijn
geest te geplaagd, om raadsels op te lossen."

"Wel, hoe noemt ge die knorrende beesten, die dáár op vier pooten
rondloopen?" vroeg Wamba.

"Zwijnen, nar, zwijnen," antwoordde de hoeder: "ieder gek weet dat."

"En zwijn is goed Saksisch," zei de nar; "maar hoe noemen de groote
lui het zwijn als het geslacht, gevild, afgehouwen en aan de pooten
opgehangen is, evenals een landsverrader?"

"_Porc!_ hernam de zwijnenhoeder.

"Ik ben blij, dat ieder gek dat ook weet," zei Wamba, "en _porc_, denk
ik, is goed Normandisch-Fransch. Zoolang het beest leeft, en door een
Saksischen lijfeigene gehoed wordt, heeft het een Saksischen naam;
maar liet wordt een Normandiër en _porc_ genoemd, zoodra het in het
kasteel gebracht wordt, om den edelen tot een maaltijd te dienen. Hoe
vindt ge dat, vriend Gurth?"

"Het is maar al te waar, vriend Wamba," hernam Gurth, "hoewel het in
uw zotshoofd is opgekomen."

"Wel, ik kan je nog meer zeggen," vervolgde Wamba op denzelfden toon;
"daar is de oude, deftige Stier, die houdt zijn Saksischen naam,
zoolang hij onder de zorg van lijfeigenen staat, maar hij wordt een
_Boeuf_, een volbloed Fransch heer, als hij voor de hoogaanzienlijke
kinnebakken komt, die hem moeten verteren. Mijnheer Kalf wordt op
deze wijze _Monsieur le Veau_; hij is een Sakser, als hij oppassing
noodig heeft, en wordt een Normandiër, zoodra hij een voorwerp van
genot wordt."

"Bij St. Dunstan," antwoordde Gurth, "ge spreekt droevige waarheid; er
is ons weinig meer overgelaten dan de lucht, die wij inademen, en deze
zelfs schijnt men ons nauwelijks te gunnen, en alleen om ons in staat
te stellen den arbeid, welken zij ons opleggen, te verrichten. Het
schoonste en vetste is voor hunne tafel; de beminnelijkste wordt hunne
bruid; de besten en braafsten moeten strijden voor vreemde meesters,
en hun gebeente verbleekt in verafgelegen landen, terwijl slechts
weinigen te huis overblijven, die den wil of de macht hebben den
ongelukkigen Sakser te beschermen. God zegene onzen heer Cedric; hij
heeft gehandeld als iemand, die zijn man staan durft; maar Reginald
Front-de-Boeuf komt zelf in deze streken, en wij zullen weldra zien,
hoe weinig Cedric's moeite baten zal.--Hier, hier!" riep hij weder,
de stem verheffende; "pak aan! pak aan! goed zoo! goed zoo! Fangs! je
hebt ze nu allen voor je; drijf ze maar voort, jongen!"

"Gurth," zei de nar, "ik geloof, dat gij mij voor een gek houdt,
anders zoudt gij niet zoo vermetel het hoofd in mijn mond steken. Één
wenk aan Reginald Front-de-Boeuf, of Filips de Malvoisin, dat ge
kwaad van de Normandiërs gesproken hebt, en ge zijt een verloren
zwijnenhoeder,--zij hangen u op aan den eersten besten boom, als een
schrikbeeld voor alle lasteraars van groote heeren."

"Hond, dat ge zijt, ge zoudt mij toch niet willen verraden," hernam
Gurth, "na mij verleid te hebben, zulke onvoorzichtige dingen te
zeggen?"

"Je verraden!" antwoordde de nar; "neen, dat ware een wijze streek;
een gek weet zich niet half zoo goed te redden;--maar stil, wie komt
daar?" zeide hij, naar een getrappel als van verscheidene paarden
luisterende, hetwelk hoorbaar begon te worden.

"Wat is er ons aan gelegen?" hervatte Gurth, die nu zijn kudde vóór
zich gekregen had, en ze met behulp van Fangs langs een van die lange
donkere lanen dreef, welke wij reeds getracht hebben te beschrijven.

"Maar ik moet de ruiters zien," antwoordde Wamba; "misschien komen
zij uit het land der Feeën, met een boodschap van koning Oberon."

"Verwenschte nar!" riep de zwijnenhoeder uit, "hoe durft gij van
dergelijke dingen spreken, terwijl een verschrikkelijk onweder in
de nabijheid woedt? Hoor, hoe de donder rommelt! En nooit zag ik in
den zomer den regen in zulke dikke, zware druppelen uit de wolken
vallen. De eiken kraken ook, niettegenstaande de windstilte, met
hun groote takken, alsof zij een storm verkondigden. Ge kunt wel
verstandig zijn, zoo ge maar wilt; geloof mij nu, en laten we ons
naar huis spoeden, voordat de storm begint te woeden, want het zal
een verschrikkelijke nacht worden!"

Wamba scheen de kracht van deze redeneering te beseffen, en volgde zijn
makker, die zijn tocht begon na een grooten stok opgenomen te hebben,
die op het gras naast hem lag. Deze tweede Eumaeus [2] haastte zich nu
door de laan te komen, met behulp van Fangs, de geheele luidruchtige
kudde vóór zich heen drijvende.



TWEEDE HOOFDSTUK.


            Toen kwam er een monnik, een heer zeer geprezen,
            Een vriend van de jacht en van 't horengeschal,
            Zoo kloek en ervaren, een abt kon hij wezen;
            Ook hield hij veel kostbare paarden op stal;
            En gaf hij zijn moedigen klepper de sporen,
            Men kon op de winden het zweepgeklap hooren,
            Zoo duidelijk en klaar als de klok der kapel,
            Waarbij hij vertoefde in zijn eenzame cel.

                                                        Chaucer.


In weerwil van het herhaalde vermanen en knorren van zijn makker,
kon Wamba, die de ruiters hoorde naderen, niet nalaten bij ieder
geschikt voorwendsel onderweg stil te staan; nu eens plukte hij van
een hazelnotenstruik eenige der halfrijpe vruchten, dan keerde hij
zich om, ten einde het een of ander boerenmeisje, dat hen tegenkwam,
na te zien. De ruiters haalden hen derhalve spoedig in. Zij waren
tien in getal van welken de beide voorsten mannen van aanzien, en de
anderen hun volgelingen schenen te zijn. Het was niet moeielijk het
karakter en den stand van één dezer mannen te onderscheiden. Hij was
klaarblijkelijk een geestelijke van hoogen rang; zijne kleeding was
die van een Cisterciënser monnik, maar uit veel fijner stof gemaakt,
dan die, welke zijne orde gebruiken mocht. Mantel en kap waren van
het beste Vlaamsche laken, en vielen in ruime en bevallige plooien
rondom een schoone, hoewel eenigszins zwaarlijvige, gestalte. Zijn
gelaat droeg evenmin den stempel van zelfverloochening, als zijn kleed
minachting aanduidde van wereldsche pracht. Zijn trekken hadden mooi
kunnen genoemd worden, had niet, onder zijne neerhangende oogleden,
die gedempte, zinnelijke gloed geschitterd, welke den voorzichtigen
wellusteling doet kennen. In andere opzichten hadden ambt en stand hem
eene gemakkelijke heerschappij over zijn gelaat geleerd, hetwelk hij
naar welgevallen een plechtigen ernst kon doen aannemen, ofschoon
zijne natuurlijke uitdrukking goedaardig, gezellig en toegevend
was. Ten spijt van kloosterregels, en de bevelen van pausen en
kerkvergaderingen, waren de mouwen van dezen prelaat gevoerd en omzet
met rijk bont; zijn mantel was om den hals met een gouden gespje
vastgemaakt, en de geheele kleeding, eigen aan zijne orde, evenzeer
verfraaid en opgesierd, als die eener schoone kwakersvrouw van onze
dagen, die de gewone kleederdracht van hare sekte behoudende, aan de
eenvoudigheid daarvan, door de keus der stoffen en door de wijze van
ze te schikken, een zekeren schijn van aanlokkelijke coquetterie geeft,
welke maar al te veel van wereldsche ijdelheid getuigt.

Deze waardige dienaar der kerk reed op een makken, welgemesten
muilezel, welks tuig zeer prachtig, en welks toom, volgens de gewoonte
van dien tijd, met zilveren schelletjes versierd was. Hierop zat
hij geenszins met de linkschheid van den kloosterbroeder, maar met
al de gemakkelijke losheid van een geoefenden ruiter. Het scheen,
inderdaad, dat een zoo nederig dier als een muilezel, hoe mooi
ook en hoe goed gewend aan een aangenamen en gemakkelijken gang,
door den dapperen monnik alleen op reis gebruikt werd; want een
leekebroeder, die onder zijn gevolg was, leidde tot zijn gebruik
bij andere gelegenheden een van de schoonste Andalusische hengsten,
welke de kooplieden in dien tijd met groote moeite en veel gevaar,
ten behoeve der rijken en aanzienlijken, overbrachten. De zadel en
het tuig van dit prachtige rijpaard waren bedekt met een lange deken,
die bijna op den grond hing, en waarop mijters, kruisen en andere
kerkelijke sieraden prachtig geborduurd waren. Een ander leekebroeder
leidde een tweeden gewonen muilezel, waarschijnlijk met het goed van
zijn meester beladen; en daarachter reden twee monniken van dezelfde
orde, maar van minderen rang, te zamen schertsende en pratende,
zonder zich veel aan de andere leden van het reisgezelschap te storen.

De reismakker van den prelaat was een man van over de veertig jaren,
rank, mager, maar sterk, groot en gespierd; eene athletische gedaante,
aan welke lange vermoeienissen en aanhoudende oefeningen geene
van de tengere deelen van het menschelijke lichaam overgelaten,
maar het geheel in vel, beenderen en spieren herschapen hadden,
die duizenden moeilijkheden reeds doorstaan hadden, en in staat
waren er nog duizenden anderen te ondergaan. Zijn hoofd was bedekt
met een fluweelen muts, met bont omzet, van het fatsoen door de
Franschen _mortier_ genoemd, wegens de overeenkomst met den vorm
van een omgekeerden vijzel. Zijn gelaat was dus geheel zichtbaar,
en de uitdrukking er van wel berekend om een zeker ontzag, zoo niet
vrees, aan vreemden in te boezemen. Zijn van natuur sterk geteekende
gelaatstrekken waren bijna zwart gebrand als die van een neger,
door gedurig aan de hitte van een brandende zon blootgesteld te
zijn, en schenen gewoonlijk te sluimeren, als het ware, nadat de
storm der driften uitgewoed had; maar de opgezwollen aderen op het
voorhoofd, de snelheid waarmede de bovenlip en de dikke zwarte
knevels bij de geringste aandoening trilden, gaven duidelijk te
kennen, dat het onweder gemakkelijk weder opgewekt kon worden. Zijne
stoute, doordringende, donkere oogen verrieden bij iederen blik de
geschiedenis van overwonnen moeielijkheden en getrotseerde gevaren,
en schenen tegenstand aan zijn wenschen uit te lokken, om zich het
genot te verschaffen dien door geoefenden moed en vasten wil uit den
weg te ruimen. Een diep litteeken, boven de wenkbrauw, vergrootte nog
de strengheid van zijn gelaat, en verleende een dreigende uitdrukking
aan een zijner oogen, hetwelk bij dezelfde gelegenheid licht gekwetst
werd, en waarmede hij nu, schoon goed, toch een weinig scheel zag.

Het bovenkleed van dezen ruiter was, wat de snede betreft, gelijk aan
dat van zijn reisgezel: een lange kloostermantel; maar de scharlaken
kleur toonde, dat hij niet tot een der vier gewone monnikenorden
behoorde. Op den rechter schouder van den mantel was een kruis van
bijzonderen vorm met wit laken geborduurd. Dit opperkleed bedekte iets,
dat op het eerste gezicht niet daarmede in overeenstemming scheen,
namelijk een maliënkolder met mouwen en handschoenen van denzelfden
aard, zeer kunstig bewerkt en gevlochten, en even zoo buigzaam aan
het lichaam als die, welke op den weefstoel uit zachtere stoffen
gemaakt worden. Het bovenste gedeelte zijner dijen, zoo ver de
plooien van zijn mantel ze bloot lieten, was ook daarmede bedekt;
de knieën en voeten waren beschermd door dunne stalen plaatjes,
netjes in elkander gevoegd; en dergelijke schenen, welke van den
enkel tot de knie reikten, beschermden voortreffelijk de beenen,
en voltooiden des ruiters wapenrusting. In den gordel droeg hij een
langen, tweesnijdenden dolk, welke zijn eenig wapen was.

Hij reed niet op een muilezel, gelijk zijn reisgenoot, maar op
een sterk reispaard, om zijn schoon strijdros te sparen, dat een
schildknaap leidde, geheel voor den slag toegerust, met een beschermend
metalen hoofdstel, waarvan een korte stalen punt vooruit stak. Aan de
eene zijde van den zadel hing een korte strijdbijl, rijk gedamasceerd;
aan de andere des ruiters gepluimde helm en stormkap met een lang
slagzwaard, zooals de ridders toen algemeen gebruikten. Een tweede
schildknaap droeg zijns meesters lans, aan welker punt een vlagje
fladderde, waarop een kruis van denzelfden vorm als dat op zijn
mantel geborduurd was. Hij droeg ook zijn klein driehoekig schild,
breed genoeg van boven om de borst te beschermen, en van daar spits
toeloopende. Het was met een scharlaken kleed bedekt, dat verhinderde
de daarop staande spreuk te lezen.

Deze twee schildknapen werden gevolgd door twee bedienden, wier
bruine gezichten, witte tulbanden en Oostersche kleeding toonden,
dat zij inboorlingen waren van eenig ver afgelegen Oostersch land
[3]. Het geheele voorkomen van dezen krijgsman en zijn gevolg was
woest en vreemd, de kleeding van zijne schildknapen was buitengewoon
prachtig, en zijne Oostersche bedienden droegen zilveren halsbanden,
en ringen van hetzelfde metaal om hunne zwartbruine armen en beenen;
de eerste waren naakt van den elleboog af, en de laatste van de kuit
tot aan den enkel. Hunne kleederen waren van geborduurde zijde en
gaven den rijkdom en het aanzien van hun meester te kennen; te gelijk
leverden zij een treffend contrast met den krijgshaftigen eenvoud van
zijne eigene kleeding op. Zij waren gewapend met kromme sabels, wier
gevest en scheede met goud ingelegd waren, terwijl Turksche dolken
van een prachtiger maaksel daarnaast hingen. Ieder van hen had vóór
zich op den zadel een bundel pijlen, of werpspiesen, omtrent vier
voet lang, met scherpe stalen punten, een wapen dat zeer gebruikelijk
was bij de Saracenen en dat nog herdacht wordt in de krijgsoefening
"_El Djerid_" genoemd, die nog in eenige Oostersche landen in zwang is.

De paarden van deze bedienden waren in voorkomen even vreemd als
hunne ruiters; ze waren van Saraceenschen oorsprong, en dus van
Arabisch ras, en hunne fijne, tengere leden, dunne manen en lichte,
vrije bewegingen waren in sterke tegenstelling met de groote, zware
paarden, die in Vlaanderen en Normandië gefokt werden, om de van top
tot teen zwaar gewapende krijgslieden te dragen, en welke, naast deze
Oostersche paarden, als lichaam en schaduw bij elkander stonden.

Het zonderlinge voorkomen van deze ruiters verwekte niet alleen de
nieuwsgierigheid van Wamba, maar zelfs die van zijn minder levendigen
metgezel. Den monnik herkende hij terstond voor den Prior van de
Abdij van Jorvaulx, overal in het rond welbekend als een liefhebber
van de jacht, van goede sier, en, zoo de faam hem geen onrecht deed,
van andere wereldsche vermaken, die nog minder bestaanbaar waren met
zijne kloostergeloften.

Zoo los waren evenwel de begrippen in die tijden, ten opzichte van het
gedrag der wereldlijke zoowel als der klooster-geestelijkheid, dat de
Prior Aymer een goeden naam had in de nabuurschap zijner abdij. Zijn
open en vroolijk karakter, en de gereedheid, met welke hij den aflaat
voor alle kleinere zonden schonk, maakte hem tot een gunsteling bij den
adel en de overige aanzienlijken, met velen van welke hij vermaagschapt
was, daar hij van een aanzienlijk Normandisch geslacht afstamde. De
vrouwen, in het bijzonder, waren niet geneigd al te nauwgezet het
gedrag van een man na te gaan, die een verklaarde bewonderaar van
haar geslacht was, en die vele middelen bezat om de verveling te
verdrijven, welke zoo gemakkelijk in de zalen en priëelen van een oud
ridderkasteel insloop. De Prior gaf zich over aan het jachtvermaak
met meer dan gewonen ijver, en men erkende algemeen, dat hij de best
afgerichte valken en de snelste windhonden van het _North-Riding_
bezat; een omstandigheid, die hem tot een groote aanbeveling bij den
jongen adel strekte. Bij oudere menschen had hij eene andere rol te
spelen, welke hij in geval van nood met groote deftigheid te vervullen
wist. Zijn kennis van boeken, hoe oppervlakkig ook, was voldoende
om hunne onwetendheid achting voor zijne gewaande geleerdheid in te
boezemen; en de ernst van zijne houding en taal, met den hoogen toon,
waarop hij van het gezag der kerk en harer priesters sprak, gaf hun
geen mindere overtuiging van zijne heiligheid. Zelfs de geringere
klassen, de strengste vitters van het gedrag hunner meerderen, waren
toegevend voor de zwakheden van Prior Aymer. Hij was mild van aard;
en de liefdadigheid, zoo als men weet, bedekt eene menigte van zonden,
ook in een anderen zin dan dien, in welken de Heilige Schrift dit
verkondigt. De inkomsten van het klooster, waarvan een groot gedeelte
te zijner beschikking stond, terwijl zij hem middelen verschaften
voor zijn eigene, zeer aanmerkelijke uitgaven, vergunden hem tevens
geschenken onder de boeren uit te deelen, waarmede hij dikwijls de
behoeften der onderdrukten te hulp kwam. Zoo Prior Aymer al te grooten
ijver voor de jacht toonde, en te lang aan tafel zat,--zoo men Prior
Aymer met het krieken van den dag de achterdeur van de abdij zag
inkomen, naar huis sluipende van de eene of andere bijeenkomst, welke
in de uren der duisternis had plaats gehad, dan haalde men slechts
de schouders op, en verzoende zich met zijn ongeregeld gedrag door de
overweging, dat vele zijner makkers hetzelfde deden, en volstrekt geene
goede hoedanigheden bezaten, om daartegen op te wegen. Prior Aymer en
zijn karakter waren dus aan onze twee lijfeigenen wel bekend, die hem
met linkschen eerbied groetten en daarentegen met zijn "_Benedecite,
mes fils_," vereerd werden.

Maar het zonderlinge voorkomen van zijn reisgenoot en diens
bedienden trok hunne aandacht, en verwekte hunne verwondering zoo,
dat ze nauwelijks de vraag van den Prior van Jorvaulx hoorden:
"of ze eenige herberg in de nabuurschap kenden;" zoo zeer waren zij
verrast door het half kloosterlijk en half krijgshaftig uiterlijk
van den zwartverbranden vreemdeling, en door de zonderlinge kleeding
en wapenen van zijn Oostersche bedienden. Het is ook waarschijnlijk,
dat de taal, in welke de zegen uitgedeeld en de vraag gedaan werd,
onaangenaam, schoon vermoedelijk niet onverstaanbaar, in de ooren
der Saksische boeren klonk.

"Ik vroeg u, mijne kinderen," zei de Prior, zijn stem verheffende,
en de _lingua Franca_, of gemengde taal, gebruikende, in welke
de Normandiërs en Saksers met elkander spraken, "of er hier in de
nabijheid eenig goed mensch woont, die voor Godsloon, en uit eerbied
voor de heilige moederkerk, twee van haar nederigste dienaren met hun
gevolg, voor een enkelen nacht zou willen opnemen en verkwikken?" Dit
zeide hij op een toon van gewicht, die slecht overeenkwam met de
nederige woorden, welke hij goedvond te gebruiken.

"Twee der nederigste dienaren der heilige moederkerk!" herhaalde Wamba
bij zichzelven,--maar hoewel een nar, droeg hij zorg, zijn aanmerking
niet te doen hooren,--"dan zou ik wel eens willen zien hoe hare
kasteleinen, keldermeesters en voornaamste dienaren er uitzien!" Na
deze stille aanmerking op des Priors gezegde, sloeg hij de oogen
op en antwoordde op de gedane vraag: "Zoo de eerwaarde vaders een
goed onthaal en een zacht bed begeeren, kunnen ze, in een paar uren,
naar de abdij van Brinxworth komen, waar hun rang hun de eervolste
ontvangst verzekert; of zoo ze liever den avond in boetedoeningen
willen doorbrengen, kunnen ze gindsche woeste laan afrijden, welke
naar de kluis van Copmanhurst leidt, waar een vroom kluizenaar zeker
gaarne zijn hut en zijn gebeden met hen zal deelen."

"Goede vriend," zeide de Prior, het hoofd over beide voorstellen
schuddende, "zoo het eindeloos geluid uwer schelletjes uw verstand niet
verward had, zoudt gij wel weten, dat _Clericus clericum non decimat_,
dat wil zeggen: wij geestelijken verlangen geene gastvrijheid van
onze gelijken, maar zoeken liever die der leeken op, om hun dus de
gelegenheid te geven God te vereeren door zijn uitverkoren dienaren
te helpen en te ondersteunen."

"'t Is waar," hervatte Wamba, "dat, ofschoon ik maar een ezel ben, ik
de eer geniet schellen te dragen, even goed als uw muilezel, eerwaarde
heer; ik dacht echter, dat de liefdadigheid van de moederkerk en hare
dienaren bij zich zelve moest beginnen, evenals andere liefdadigheid."

"Zwijg met uwe onbeschaamdheid, kerel!" viel de gewapende ruiter
in, Wamba's gesnap op een trotschen en gebiedenden toon afbrekende,
"en zeg ons, of gij den weg weet naar--hoe noemt ge uw _Franklin_,
Prior Aymer?"

"Cedric," hernam deze; "Cedric den Sakser.--Zeg mij, vriend, zijn we
dicht bij zijn woning, en kunt ge ons den weg wijzen?"

"De weg zal moeielijk te vinden zijn," antwoordde Gurth, die nu voor
het eerst sprak, "en Cedric's huisgezin begeeft zich vroeg ter ruste."

"Bah! spreek mij daar niet van!" zei de krijgsman; "ze kunnen
gemakkelijk weer opstaan om in de behoeften te voorzien van reizigers
als wij, die ons niet zullen vernederen om de gastvrijheid af te
smeeken, die wij het recht hebben te vorderen."

"Ik weet niet," hernam Gurth op een knorrigen toon, "of ik den
weg naar het huis van mijn meester wijzen moet aan lieden, die de
gastvrijheid, welke de meesten gaarne als een gunst aannemen, als
een recht vorderen."

"Durft gij mij tegenspreken, slaaf!" riep de krijgsman; en zijn paard
de sporen gevende, liet hij het een sprong over den weg maken, terwijl
hij de zweep ophief om de onbeschaamdheid van den boer te kastijden.

Gurth wierp hem een woesten en wraakgierigen blik toe, en sloeg met
een woedende, schoon aarzelende, beweging de hand aan het hecht van
zijn mes; maar Prior Aymer, die zijn muilezel tusschen zijn reisgenoot
en den zwijnenhoeder dreef, belette de voorgenomen gewelddadigheid.

"Neen, bij de heilige Maria, broeder Brian! ge moet niet denken,
dat ge thans in Palestina zijt, heerschende over heidensche Turken
en ongeloovige Saraceenen; wij, eilanders, houden niet van slagen,
behalve van die der heilige moederkerk, welke de kinderen kastijdt,
die ze lief heeft. Wijs mij, goede vriend," zeide hij tot Wamba,
zijn verzoek door een kleine zilveren munt ondersteunende, "den weg
naar de woning van Cedric den Sakser; gij kent hem voorzeker, en het
is uw plicht den reiziger terecht te helpen, zelfs al ware zijn stand
minder heilig dan de onze."

"Waarlijk, eerwaarde vader!" antwoordde de nar, "het Saraceensche
hoofd van uwen zeer eerbiedwaardigen reisgezel heeft mij van schrik
den weg naar huis doen vergeten.--Ik ben er niet eens zeker van,
of ik er heden avond zelf wel komen zal."

"Kom, kom," zei de Abt, "gij kunt het ons wijzen, als gij maar
wilt. Deze eerwaarde broeder is zijn geheele leven bezig geweest met
tegen de Saraceenen ter verlossing van het Heilige Graf te vechten;
hij is van de orde der Tempelridders, van welke gij misschien wel
zult gehoord hebben; hij is half monnik en half soldaat."

"Als hij maar half monnik is," zei de nar, "moest hij niet geheel
en al onredelijk zijn tegenover degenen, welke hij op weg ontmoet,
al haasten zij zich ook niet om vragen te beantwoorden, die hen in
het geheel niet raken."

"Ik vergeef u uwe geestigheid," hervatte de Abt, "op voorwaarde,
dat gij mij den weg naar Cedric's huis toont."

"Nu dan," antwoordde Wamba, "de eerwaarde heeren moeten dit pad houden,
tot ze aan het vervallen kruis komen, dat nauwelijks ter lengte van een
el boven den grond uitsteekt; draait dan links om, want daar kruisen
zich vier paden, en ik hoop, dat ge een schuilplaats zult vinden,
eer de storm opkomt."

De Abt bedankte zijn wijzen raadgever; en de ruiters, hun paarden de
sporen gevende, ijlden voort als menschen, die verlangen de herberg
te bereiken, voor het uitbarsten van een nachtelijk onweder. Toen
het paardengetrappel verstomde, zeide Gurth tot zijn makker: "als de
eerwaarde vaders den weg volgen, dien gij hun zoo wijselijk aangewezen
hebt, zullen ze heden avond moeielijk Rotherwood bereiken."

"Neen," zei de nar grijnzende, "maar ze kunnen, als het goed gaat,
Sheffield bereiken, en dat is een even geschikte plaats voor hen. Ik
ben zulk een slecht jager niet, dat ik den hond zou wijzen, waar het
wild ligt, als ik niet wil, dat hij er jacht op maakt."

"Ge hebt gelijk," zeide Gurth; "het zou verkeerd zijn, als Aymer
jonkvrouw Rowena zag; en het ware mogelijk nog erger, als Cedric,
gelijk zeer waarschijnlijk is, met dezen krijgshaftigen monnik in
twist geraakte. Maar laten wij, als trouwe dienaren, hooren, zien
en zwijgen."

Wij keeren tot de ruiters terug, die weldra de lijfeigenen verre
achter zich gelaten hadden, en het volgende gesprek hielden in de
Normandisch-Fransche taal, waarvan zich de hoogere standen algemeen
bedienden, met uitzondering van die weinigen, welke nog op hunne
Saksische afkomst roem droegen.

"Wat verbeelden zich toch die kerels met hunne halsstarrige
onbeschaamdheid," zei de Tempelier tot den Cisterciënser, "en waarom
weerhieldt ge mij, toen ik ze kastijden wilde?"

"Waarlijk, broeder Brian," hernam de Prior, "wat den één aangaat,
kan ik moeielijk de reden opgeven, waarom een nar niet als een gek zou
praten; en de andere boer is van dat woeste, ruwe, ongetemde geslacht,
waarvan men nog velen vindt, zooals ik u dikwerf gezegd heb, onder de
afstammelingen der overwonnen Saksers, en die er het grootste behagen
in scheppen, op alle mogelijke wijze hun afkeer van de overwinnaars
te toonen."

"Ik zou hun de beleefdheid wel schielijk met slagen geleerd hebben,"
merkte Brian aan; "ik ben gewoon met zulk volk om te gaan: onze
Turksche gevangenen zijn trotsch en onbuigzaam als Odin zelf; maar
een verblijf van twee maanden in mijn huis, onder de tucht van mijn
opziener, maakt hen nederig, ootmoedig, gedienstig en gehoorzaam. Maar,
Heer Prior, men moet zich voor vergif en dolk bij hen wachten, want
als men hun er de minste gelegenheid toe geeft gebruiken zij beiden
zonder omslag."

"Goed," hernam Prior Aymer, "ieder land heeft zijn gewoonten en zeden;
en behalve dat wij, door dezen kerel te slaan, den weg naar Cedric's
woning niet zouden vernomen hebben, zou het zeker een twist tusschen
u en hem veroorzaakt hebben, zoodra wij bij hem aankwamen. Herinner
u, wat ik u gezegd heb: deze rijke _Franklin_ is trotsch, stout,
achterdochtig en oploopend, een tegenstander van den adel, en zelfs van
zijn buren, Reginald Front-de-Boeuf en Philip de Malvoisin, die toch
waarlijk geen kinderen zijn, om het er tegen op te nemen. Hij verdedigt
de voorrechten van zijn stam zoo stoutmoedig, en is zoo trotsch op
zijne lijnrechte afkomst van Hereward, een beroemd voorvechter der
_Heptarchie_, dat hij algemeen Cedric _de Sakser_ genoemd wordt; en
hij stelt er roem in tot dit volk te behooren, terwijl vele anderen
trachten hunne afkomst te verbergen, uit vrees van het _vae victis_,
dat is, van het lot der overwonnenen, te moeten ondergaan."

"Prior Aymer," zei de Tempelier, "gij zijt een man van de wereld, een
kenner van echte schoonheid, en even ervaren als een minnezanger in
alle zaken de liefde betreffende; maar ik moet al eene buitengewone
schoonheid in die beroemde Rowena verwachten, om op te wegen tegen
de zelfverloochening en het geduld, die ik noodig heb, om zulk een
oproerigen boer te vleien, als gij haren vader Cedric beschreven hebt."

"Cedric is haar vader niet," hervatte de Prior; "hij is slechts
een verre bloedverwant van haar; zij stamt van hooger bloed af, dan
zelfs dat, waarop hij aanspraak maakt. Tot haren voogd heeft hij zich,
naar ik meen, zelf aangesteld; maar zijne pupil is hem even dierbaar,
als een eigen kind. Over hare schoonheid zult gij weldra oordeelen;
en wanneer de blankheid van haar kleur en de gebiedende, maar zachte
uitdrukking van een teeder blauw oog de zwartgelokte meisjes van
Palestina, ja zelfs de _houris_ uit het paradijs van den ouden Mahomed,
niet uit uw geheugen verdrijven, zoo ben ik een ongeloovige en geen
echte zoon der Kerk."

"Wordt uwe geroemde schoonheid," zei de Tempelier, "te licht in de
schaal bevonden, dan weet gij onze weddenschap!"

"Mijn gouden halsketen tegen tien vaten Chios-wijn!" hernam de Prior;
"ze zijn de mijne, even zeker, alsof ze reeds in de gewelven van het
klooster lagen, onder bewaring van den ouden keldermeester Dennis."

"En ik zal zelf rechter zijn," zei de Tempelier, "en alleen veroordeeld
worden als ik beken, dat ik sedert Pinkster een jaar zulk een mooi
meisje niet gezien heb. Zoo luidt onze overeenkomst, niet waar?--Prior,
uw halsketen loopt gevaar; ik zal ze over mijn ringkraag dragen bij
het tournooi te Ashby-de-la-Zouche."

"Win ze eerlijk," antwoordde de Prior, "en draag ze wanneer ge
wilt. Ik zal uw uitspraak vertrouwen, op uw woord als ridder en
geestelijke. Maar, broeder! volg mijn raad: gewen u aan wat meer
beleefdheid, dan die waaraan gij tot hiertoe bij het heerschen over
ongeloovige gevangenen en Oostersche slaven gewoon zijt. Als Cedric
de Sakser zich beleedigd voelt,--en hij is zeer licht geraakt;--dan is
hij er de man naar, om ons, zonder eerbied voor uwe ridderschap, voor
mijn hoog ambt en de heiligheid van beiden, het huis uit te zetten,
en ons op het veld bij de leeuweriken te laten slapen, al ware het
ook middernacht. Pas ook op, met welke oogen gij Rowena aanziet; hij
bewaakt haar met angstige zorg en als hij daaromtrent den minsten
argwaan opvat, zijn wij verloren. Men zegt, dat hij zijn eenigen
zoon uit zijn huis verbannen heeft, omdat hij met verliefde oogen
deze schoone durfde aanzien, die, naar het schijnt, op een afstand
mag vereerd, maar niet anders genaderd worden, dan met de gedachten,
welke wij bij het altaar der Moeder Gods medebrengen."

"Nu, gij hebt al genoeg gezegd," hernam de Tempelier; "ik zal mij voor
één avond inhouden, en mij zoo zachtzinnig als een meisje gedragen,
waar wat de vrees betreft, dat hij ons met geweld verjagen zou;
voor dergelijke beleediging zullen ik zelf, mijn schildknapen, en
Abdalla en Hamet u beschermen. Vrees niet, wij zijn sterk genoeg,
om ons met geweld kwartier te verschaffen!"

"Wij moeten het zoo ver niet laten komen," antwoordde de Prior;
"maar hier is het vervallen kruis, waarvan de nar gesproken heeft,
en de nacht is zoo duister, dat wij nauwelijks zien kunnen, welken
weg te volgen. Hij heeft ons, meen ik, gezegd, wij moesten links gaan?"

"Rechts," zeide Brian, "voor zoo ver ik mij herinneren kan."

"Links--zeker links; ik herinner mij, dat hij met zijn houten zwaard
daarheen wees."

"Ja! maar hij hield het zwaard in de linker hand, en wees over zijn
lichaam heen," hervatte de Tempelier.

Ieder bleef hardnekkig bij zijn meening, gelijk meestal gebeurt in
dergelijke gevallen. Men beriep zich op het gevolg; maar de bedienden
waren te ver af geweest, om Wamba's aanwijzingen te hooren. Eindelijk
bespeurde Brian iets, hetwelk hem eerst in de schemering ontgaan
was. "Hier ligt aan den voet van het kruis iemand die slaapt, of dood
is.--Hugo, stoot hem aan met uwe lans." Nauwelijks was dit geschied,
of de gedaante rees op, in goed Fransch uitroepende: "Wie gij ook
zijn moogt, het is onbeleefd mij in mijne overpeinzingen te storen."

"Wij wilden u slechts den weg naar Rotherwood, de woonplaats van
Cedric den Sakser vragen," zei de Prior.

"Ik ga er zelf heen," hernam de vreemdeling; "en als ik een paard
had, zou ik uw gids zijn; want de weg is wat moeielijk te vinden,
schoon mij volkomen bekend."

"Gij zult dank en belooning verdienen," hervatte de Prior, "zoo
gij ons veilig bij Cedric brengt." Hierop deed hij een van zijne
bedienden zijn eigen ros, dat tot hiertoe gemend werd, bestijgen,
en liet het paard waarop deze gereden had, aan den vreemdeling geven,
die tot gids dienen wilde.

Hun leidsman sloeg een anderen weg in, dan dien, welken Wamba
hun had aangewezen, om hen op het dwaalspoor te brengen. Het pad
leidde weldra dieper door het woud, en over menige beek, die door
de omringende moerassen dikwerf moeielijk te naderen was; maar de
vreemdeling scheen, als door instinkt, den veiligsten grond en de
beste plaatsen tot den overtocht te kennen; en, door voorzichtigheid
en oplettendheid, bracht hij het reisgezelschap in een breedere laan,
dan ze nog gezien hadden; en op een groot, laag, onregelmatig gebouw
wijzende, dat aan het einde daarvan stond, zeide hij tot den Prior:
"Ginds is Rotherwood, de woning van Cedric den Sakser."

Dit was eene blijde tijding voor Aymer, wiens zenuwen niet van
de sterkste waren, en die zooveel angst en onrust op den weg door
de gevaarlijke moerassen doorstaan had, dat hij nog niet eens de
gelegenheid had gehad, eene enkele vraag aan zijn gids te doen. Zich
nu weder verlicht, en dicht bij een schuilplaats ziende, begon zijn
nieuwsgierigheid te ontwaken, en hij vroeg den leidsman, wie en wat
hij was?

"Een pelgrim, zoo even uit het Heilige Land teruggekeerd!" was het
antwoord.

"Ge hadt daar liever moeten blijven, om voor het Heilige Graf te
strijden!" zei de Tempelier.

"Zeker, eerwaarde heer ridder," hervatte de pelgrim, wien het voorkomen
van den Tempelier geheel niet vreemd scheen; "maar wanneer zij, die
door hun eed verplicht zijn, de Heilige Stad te veroveren, zoo ver van
het tooneel hunner plichten rondreizen, kunt gij u dan verwonderen,
dat een vreedzame landman, zooals ik, een voornemen opgaf, waarvan
zij afgezien hebben?"

De Tempelier wilde een toornig antwoord geven, maar de Prior viel
hem in de rede, en betuigde opnieuw zijne verbazing, dat hun gids,
na eene lange afwezigheid, zoo goed den weg door het woud kende.

"Ik ben in deze streken geboren!" antwoordde hij; en reeds stonden zij
voor Cedric's woning;--een laag, onregelmatig gebouw, verscheidene
plaatsen, of omheiningen, omvattende, en zich over een groote
ruimte uitstrekkende. Schoon de grootte daarvan den rijkdom van den
bezitter bewees, verschilde het zeer van de hooge, met torens bezette,
kasteelachtige gebouwen, door de Normandische edelen bewoond; welke
bouworde toen in geheel Engeland algemeen was geworden. Rotherwood
was intusschen niet zonder verdedigingsmiddelen: geen gebouw kon
die ook in deze onrustige tijden missen, zonder gevaar te loopen op
een schoonen morgen uitgeplunderd en verbrand te worden. Een diepe
gracht omringde het geheele huis, en werd door een naburigen stroom
met water voorzien. Dubbele palissaden van puntige balken, welke het
nabij gelegen woud opleverde, verdedigden den buiten- en binnenkant der
gracht. Er was een ingang, ten westen, door de buitenste palissaden,
welke door een ophaalbrug met een soortgelijke opening aan den
binnenkant in gemeenschap stond. Men had nog daarenboven deze ingangen
door vooruitspringende hoeken beschermd, van welke zij, in geval van
nood, door boogschutters en slingeraars konden bestreken worden.

Vóór dezen ingang blies de Tempelier luid op zijn horen, want de regen,
die lang gedreigd had, begon nu met geweld te vallen.



DERDE HOOFDSTUK.


                Toen (droevige hulp), is de Sakser gekomen
                Van Duitschlands verwijderde kusten en stroomen,
                Roodwangig, blondharig, blauwoogig en sterk.--

                                                Thomson's "Vrijheid."


In eene zaal, wier hoogte volstrekt niet in evenredigheid was met haar
buitengewone lengte en breedte, stond een lange, eikenhouten tafel, uit
ruw behouwen planken gemaakt, die nauwelijks eenigszins afgeschaafd
waren, gereed voor het avondmaal van Cedric den Sakser. Het dak,
bestaande uit balken en dwarshouten, beschermde alleen door een laag
planken en stroo dit vertrek voor de buitenlucht. Er was aan iedere
zijde van de zaal een groote stookplaats; maar daar de schoorsteenen
op zeer lompe wijze gebouwd waren, kwam er ten minste evenveel rook
in het vertrek, als er uit. De gedurige damp, hierdoor veroorzaakt,
had de dwarshouten en balken van de lage zaal met een zwart vernis
van roet overtrokken. Langs de muren van de kamer hingen jacht-
en krijgsgereedschappen en aan iederen hoek waren vleugeldeuren,
welke toegang tot andere deelen van het uitgestrekte gebouw verleenden.

Het overige van het huis getuigde van de ruwe eenvoudigheid van den
Saksentijd, die Cedric ijverig trachtte staande te houden. De vloer
bestond uit aarde, met kalk vermengd, vast gestampt, evenals onze
hedendaagsche dorschvloeren. Omtrent een vierde van de lengte van
het vertrek was de vloer één voet verhoogd, en deze ruimte, welke
men _daïs_ noemde, werd alleen door de hoofdleden van het gezin en
de aanzienlijke bezoekers betreden.

Voor hen bestemd, was een tafel met een scharlaken kleed bedekt, dwars
op dezen _daïs_ geplaatst; van welker midden de langere en lagere
tafel uitging, aan welke de bedienden en minderen beneden in de zaal
zaten. Het geheel had de gedaante van een T., of van een dier oude
eettafels, welke, naar hetzelfde plan gemaakt, nog in de oude Collegiën
van Oxford en Cambridge te zien zijn. Zware stoelen en zetels van
uitgesneden eikenhout stonden op de hoogte, en boven deze zitplaatsen
en de tafel, was een verhemelte van linnenstof uitgespannen, dat
diende om de aanzienlijke personen, welke deze eereplaats bekleedden,
eenigszins tegen het weder en den regen te beschermen, die op sommige
plekken zich een weg baande door het slecht gebouwde dak.

De muren van dit bovenste gedeelte der zaal, zoo ver zich de _daïs_
uitstrekte, waren met tapijten of gordijnen bedekt, en op den vloer lag
een kleed; deze waren met proeven van weef- en borduurkunst versierd,
in schitterende, of liever bonte kleuren. Boven de lagere rij tafels,
was het dak, zooals reeds gezegd is, niet bedekt; de grof bepleisterde
muren waren naakt gelaten, en de ruwe aarden vloer was zonder kleed;
de tafel was ongedekt, en lompe, zware banken bekleedden de plaats
van stoelen.

Aan het midden van de bovenste tafel stonden twee stoelen, hooger dan
de anderen, voor den meester en de meesteres van het gezin, welke
het voorzitterschap bij de maaltijden bekleedden, en hiervan hun
Saksischen eeretitel ontleenden van: "de Brooduitdeelers." Bij ieder
van deze stoelen behoorde een voetenbankje, fraai uitgesneden en met
ivoor ingelegd, een blijk van onderscheiding, die hun toekwam. Een
dezer zitplaatsen was bezet door Cedric den Sakser, die, schoon in
rang slechts een _Thane_, of, zooals de Normandiërs hem noemden, een
_Franklin_, bij het vertragen van zijn avondeten een driftig ongeduld
toonde, hetwelk een Londenschen raadsheer van den ouderen of lateren
tijd eer zou aangedaan hebben. Men kon inderdaad uit de gelaatstrekken
van den huisheer opmaken, dat hij van oprechten maar driftigen en
opvliegenden aard was. Hij was niet boven de middelmatige grootte,
maar hij had breede schouders, lange armen, en was sterk gebouwd,
als een man, gewoon aan de vermoeienissen van den strijd en van de
jacht; zijn gezicht was fraai gevormd, breed, met groote blauwe oogen,
opene en oprechte trekken en mooie tanden, en drukte tegelijk die soort
van goede luim uit, welke dikwijls met een oploopend, driftig gemoed
gepaard gaat. Hoogmoed en ijverzucht waren in zijn oog te lezen; want
hij had zijn leven doorgebracht met rechten te handhaven, die gedurig
werden aangevallen; en zijn vurige, moedige en standvastige aard was
altijd door de bijzondere tijdsomstandigheden wakker gehouden. Zijn
lang, geel haar was gescheiden midden op het voorhoofd, en aan beide
zijden tot over de schouders neergekamd; het was nog weinig grijs,
ofschoon Cedric reeds zijn zestigste jaar naderde.

Zijn kleeding bestond uit een gewaad van donkergroene kleur, aan den
hals en de opslagen bezet met een zekere soort van bont, _minever_
genoemd, dat niet zoo kostbaar was als het hermelijn, en, naar
men meent uit grijze konijnevellen gemaakt werd. Dit gewaad hing,
zonder toegeknoopt te zijn, over een nauwen scharlaken lijfrok, die
dicht om het lichaam sloot; hij droeg een broek van dezelfde kleur,
die echter niet verder dan boven de knie ging, welke bloot was. Zijn
voeten waren met sandalen bedekt, van vorm dezelfde als die der boeren,
maar van fijner maaksel, en van voren met gouden haken vastgemaakt. Hij
droeg gouden armbanden en een breede halsketen van hetzelfde kostbare
metaal. Om zijn middel sloot een rijk versierde gordel, waarin een
kort, recht, tweesnijdend zwaard, met scherpe punt, bijna loodrecht
aan zijn zijde hing. Achter zijn stoel hing een scharlaken mantel met
pels gevoerd, en een rijk geborduurde muts van dezelfde stof, die de
kleeding van den rijken landheer voltooiden, als hij uitging. Een
korte jachtspies, met een breede, scherpe stalen punt, leunde ook
tegen den rug van zijn stoel, welke hem, naar omstandigheden, tot
wandelstaf, of wapen diende. Verscheidene bedienden, wier kleeding
trapsgewijs afdaalde van de rijke kleeding van den meester tot de grove
en eenvoudige dracht van Gurth, den zwijnenhoeder, volgden de wenken
van den Saksischen heer en wachtten op zijne bevelen. Twee of drie
dienaren van hoogeren rang stonden achter hun meester op den _daïs_;
de overigen waren in het benedenste gedeelte van de zaal. Nog waren er
onderdanen van anderen aard; namelijk eenige groote, ruige windhonden,
zooals men toen op de wolven- en hertenjacht gebruikte; even zoovele
groote honden van sterk, gespierd ras, met dikke halzen, groote
koppen en lange ooren; en een paar van die kleinere dieren, welke men
dashonden noemt. Allen keken met ongeduld uit naar het avondeten,
maar met de aan hun ras eigene gelaatkunde, wachtten zij zich wel
het knorrige stilzwijgen van hun meester te storen, waarschijnlijk
uit vrees voor een wit knuppeltje, hetwelk naast Cedric's bord lag,
om zijn viervoetige lijfeigenen in orde te houden. Slechts een oude,
grijze wolfhond had zich, met de vermetelheid van een gunsteling,
dicht bij den stoel van Cedric nedergelegd, en zocht van tijd tot
tijd zijn opmerkzaamheid te trekken, door zijn grooten ruigen kop
op zijns meesters knie, of zijn neus in diens hand te leggen. Maar
zelfs deze werd teruggedreven met het strenge bevel: "Weg, Balder,
weg! ik ben in geene stemming voor gekheden!"

Cedric was werkelijk, gelijk reeds aangemerkt is, niet in de beste
luim. Jonkvrouw Rowena, die naar den avonddienst in een verafgelegen
kerk geweest was, keerde zooeven terug en verkleedde zich, daar zij
door den regen overvallen was. Er was nog geen bericht van Gurth en
zijn kudde, welke reeds lang uit het bosch hadden moeten terug zijn; en
zoo groot was de onveiligheid van allen eigendom, dat hun wegblijven
zeer goed veroorzaakt kon zijn door een aanval der vrijbuiters,
waarvan het naburige bosch wemelde, of door de gewelddadigheid van
den een of anderen naburigen edele, die, van zijne macht bewust, de
wetten van eigendom even weinig achtte. Het verlies zou van belang
geweest zijn, daar een groot gedeelte van den huiselijken rijkdom
der Saksische eigenaars uit talrijke kudden varkens bestond, vooral
in de boschstreken, waar deze dieren gemakkelijk voedsel vonden.

Behalve deze redenen tot bezorgdheid, verlangde de Saksische _Thane_
ook naar de tegenwoordigheid van zijn gunsteling Wamba, wiens grappen,
hoe slecht die ook waren, als een soort van prikkel dienden bij zijn
avondmaal en bij de lange teugen wijn, die hij daarbij gebruikte. Voeg
bij dit alles, dat Cedric sedert den middag niet gegeten had, en dat
het gewoon uur voor het avondmaal reeds lang voorbij was,--op zich
zelf reeds eene reden tot toorn voor landjonkers van ouden en lateren
tijd. Zijn ongenoegen uitte zich door enkele afgebrokene woorden,
deels in zich zelven geprutteld, en deels tegen de bedienden, die
rondom hem stonden, en bijzonder tegen zijn schenker, die hem van
tijd tot tijd, om hem bedaard te houden, een zilveren beker, met wijn
gevuld, aanbood. "Waar blijft Jonkvrouw Rowena?" vroeg hij.

"Zij verandert alleen van hoofdtooi," antwoordde eene vrouwelijke
bediende, met al het zelfvertrouwen, waarmede de kamenier van de
lievelingsdochter gewoonlijk den vader van een hedendaagsch gezin
antwoordt: "Gij zoudt toch niet willen, dat zij met kap en mantel
aan tafel kwam? En geene dame in het geheele graafschap is vlugger
bij het kleeden dan mijne meesteres."

Dit ontegensprekelijke gezegde lokte een soort van toestemmend
"hm!" van den kant des Saksers uit, met het bijvoegsel: "Ik hoop,
dat zij mooi weer zal kiezen, den eersten keer, dat zij weder in de
St. Janskerk wil gaan bidden;--maar wat, in 's duivels," vervolgde
hij tot den schenker, de stem verheffende, alsof hij gelukkig was eene
afleiding voor zijn ontevredenheid te vinden, zonder dat hij behoefde
te vreezen tegengesproken te worden, "wat houdt, in 's duivels naam,
Gurth zoo lang in het veld op? Ik vrees, dat wij slechte tijding van
de kudde zullen krijgen; hij was anders een getrouwe en voorzichtige
herder, en ik had hem tot iets beters bestemd: misschien zou ik hem
tot een mijner knechts [4] gemaakt hebben."

Oswald, de schenker, hernam bescheiden, "dat het nauwelijks een uur
geleden was, dat de klok het sein voor het uitdoen van het licht
geluid had;" een slecht gekozene verontschuldiging, daar zij gewag
maakte van een onderwerp, dat zoo onaangenaam voor Saksische ooren was.

"De duivel hale de klok," riep Cedric uit, "en den wreeden bastaard,
die het ingevoerd heeft, en den lagen slaaf, die het met een Saksische
tong aan een Saksisch oor noemt! De klok!" ging hij na eene stilte
voort, "ja, de klok, welke brave menschen verplicht het licht uit
te blusschen, opdat dieven en roovers hunne daden in het duistere
verrichten kunnen! Ja, die klok;--Reginald Front-de-Boeuf en Phillippe
de Malvoisin kennen het gebruik er van even goed, als Willem de
Bastaard zelf, of eenig ander Normandisch gelukzoeker, die bij Hastings
vocht. Ik zal vermoedelijk hooren, dat mijn eigendom is weggevoerd,
om de uitgehongerde bandieten, die zij alleen door roof en diefstal
kunnen onderhouden, van den hongerdood te redden; dat mijn getrouwe
slaaf vermoord is, en mijne kudden gestolen zijn;--en Wamba--waar is
Wamba? Heeft niet iemand gezegd, dat hij met Gurth was uitgegaan?"

Oswald beantwoordde deze vraag toestemmend.

"Wel--het wordt hoe langer hoe mooier! Hij is weggekaapt--de Saksische
nar--om den Normandischen heer te dienen. Gekken zijn wij inderdaad
allen, dat wij hun onderworpen zijn, en geschiktere voorwerpen voor
hunne verachting en hun spot, dan zij, die maar met een half verstand
geboren waren. Maar ik zal mij wreken," voegde hij er bij, toornig
over het veronderstelde onrecht, terwijl hij van zijn stoel opsprong
en zijn jachtspies greep: "ik zal mijne klachten voor den grooten raad
brengen, ik heb vrienden, ik heb aanhangers--man tegen man zal ik den
Normandiër in het strijdperk roepen; laat hem komen in staal en harnas,
en al wat den lafhartigen moed kan inboezemen; ik heb zulk een spies,
als deze, wel door een borstwering heen geworpen, driemaal zoo dik als
hunne schilden!--Misschien houden zij mij voor oud, maar zij zullen
ondervinden, dat, ofschoon ik alleen en kinderloos ben, het bloed van
Hereward nog door Cedric's aderen stroomt.--Ach Wilfrid! Wilfrid!" riep
hij op zachteren toon, "hadt gij uw onverstandigen hartstocht kunnen
beheerschen, dan stond uw vader niet in zijn ouderdom verlaten daar,
gelijk de eenzame eik, die zijn geknakte en onbeschermde takken tegen
de volle woede van den storm uitbreidt!" Deze herinnering scheen
zijn toorn in droefheid te veranderen. Zijn jachtspies neêrzettende,
nam hij weder plaats, sloeg de oogen naar den grond, en scheen geheel
in zwaarmoedige gedachten verzonken.

Uit deze overpeinzing werd Cedric plotseling gewekt door het geluid
van een horen, hetwelk beantwoord werd door het luidruchtig gehuil en
geblaf van alle honden in de zaal, en wel twintig of dertig anderen
in het overige gedeelte van het gebouw. Met behulp van den witten
stok, en van de bedienden, werd er spoedig een einde gemaakt aan
dit hondengeschreeuw.

"Naar de poort, knapen!" zeide de Sakser haastig, zoodra het gedruisch
in zoo verre bedaard was, dat de bedienden zijn stem verstaan
konden. "Gaat hooren, welke tijding ons die horen brengt;--denkelijk
verkondigt men ons de eene of andere gewelddadigheid en rooverij op
mijn gebied."

Een der bedienden, die in minder dan drie minuten teruggekeerd was,
meldde "dat de Prior Aymer van Jorvaulx, en de edele Ridder Brian de
Bois-Guilbert, Kommandeur van de krijgshaftige en eerwaardige orde der
Tempelieren, met een klein gevolg, gastvrijheid en huisvesting voor
den nacht verzochten, daar zij op weg waren naar een tournooi, dat
over twee dagen niet ver van Ashby-de-la-Zouche gehouden zou worden.

"Aymer, Prior Aymer? Brian de Bois-Guilbert?" bromde Cedric; "beide
Normandiërs; maar Normandiër of Sakser, de gastvrijheid van Rotherwood
moet niet geschonden worden; zij zijn welkom, daar zij goed gevonden
hebben hier aan te kloppen,--maar het zou mij nog meer welkom geweest
zijn, als zij verder gereden waren. Het zou echter beneden mij zijn,
over huisvesting voor een enkelen nacht en een avondmaal te morren; als
gasten zullen zelfs Normandiërs hun onbeschaamdheid beteugelen.--Ga,
Hundebert," zei hij tot een soort van _Major-domus_, die achter
hem stond met een witten staf; "ga, neem zes der bedienden mede,
en breng de vreemdelingen in het gastenvertrek. Zie naar hun paarden
en muilezels, en zorg, dat het hun gevolg aan niets ontbreke. Geef
hun andere kleederen, als zij die begeeren, vuur, en water om zich
te wasschen, en wijn en bier. Zeg aan de koks, dat zij schielijk
nog iets bij ons avondeten gereed moeten maken; en opdoen, wanneer
die vreemdelingen gereed zijn om er aan deel te nemen. Zeg hun,
Hundebert, dat Cedric zelf hen verwelkomen zou, zoo hij niet eene
gelofte gedaan had nooit verder dan drie stappen van den _daïs_
van zijn zaal iemand te gemoet te gaan, die niet van het koninklijk
Saksische bloed is. Ga heen! Verzorg hen goed; laten wij hen niet
in hun hoogmoed doen zeggen: de Saksische boer heeft tegelijk zijne
armoede en zijne gierigheid getoond."

De _Major-domus_ vertrok met verscheidene bedienden, om de bevelen van
zijn meester ten uitvoer te brengen. "Prior Aymer?" herhaalde Cedric,
Oswald aanziende: "de broeder, zoo ik mij niet vergis, van Giles de
Mauleverer, thans heer van Middleham?"

Oswald bevestigde dit eerbiedig.

"Zijn broeder woont op het landgoed, en heeft het vaderlijke erfdeel
vermeesterd van een beter geslacht, dan dat van Ulfgar van Middleham;
maar welk Normandisch edele doet dat niet? De prior is, zegt men,
een vrije en vroolijke priester, die meer van den wijnbeker en den
jachthoren, dan van het kerkklokje en het misboek houdt. Goed, laat
hem komen, hij zal welkom zijn. Hoe noemdet gij den Tempelier?"

"Brian de Bois-Guilbert."

"Bois-Guilbert," zeide Cedric, altijd in zich zelven brommende, iets
dat hij zich aangewend had door altijd onder zijn minderen te leven,
zoodat hij meer met zich zelven sprak, dan met de menschen rondom
hem.--"Bois-Guilbert? Die naam is wijd en zijd bekend--ten goede en
ten kwade. Men zegt, dat hij niet onderdoet in dapperheid voor de
heldhaftigsten van zijn orde; maar dat hij met hunne gewone ondeugden,
hoogmoed, verwaandheid, wreedheid en wellust is bevlekt; dat hij een
hardvochtig man is, zonder vrees voor de wereld, en zonder ontzag voor
den hemel. Dit zeggen de weinige krijgslieden, welke van Palestina zijn
teruggekeerd.--Goed; het is maar voor één nacht; hij zal ook welkom
zijn.--Oswald, tap van den oudsten wijn; zet de beste mee, den meest
schuimenden appelwijn, het dikste _morat_, het welriekendste _pigment_
[5] op tafel; vul de grootste drinkhorens. Tempelieren en Abten houden
van goeden wijn en goede maat. Elgitha, zeg aan Jonkvrouw Rowena,
dat wij haar dezen avond niet in de zaal zullen verwachten, tenzij
het haar bijzonder verlangen zij, hier te komen."

"Maar het zal haar bijzonder verlangen zijn," hernam Elgitha vlug,
"want zij is er altijd op gesteld het laatste nieuws uit Palestina
te vernemen."

Cedric wierp het neuswijze meisje een blik toe, die een snel opkomende
drift verried, maar Rowena, en allen, die haar toebehoorden, waren
veilig voor zijn toorn. Hij antwoordde dus slechts: "Stil, meisje, uw
tong is te voorbarig! Geef mijne boodschap aan uw meesteres, en laat
haar doen, zooals zij verkiest. Hier, tenminste, zal de afstammelinge
van Alfred nog als vorstin heerschen." Elgitha verliet het vertrek.

"Palestina!" herhaalde Cedric, "Palestina! hoe velen luisteren naar de
verhalen, welke losbandige kruisvaarders, of schijnheilige pelgrims uit
dat ongelukkig land medebrengen! Ik zou ook wel willen vragen--ook wel
onderzoeken, ook wel met een kloppend hart luisteren naar sprookjes,
waardoor listige reizigers onze gastvrijheid afbedelen;--maar
neen!--de zoon, die mij ongehoorzaam is geweest, is mijn zoon niet
meer; ook wil ik niet meer belang in zijn lot stellen, dan in dat
van den onwaardigsten onder de millioenen, die ooit het kruis op den
schouder droegen, zich in buitensporigheden en bloedschuld stortten,
en dit noemden: "Gods wil doen!""

Hij fronste de wenkbrauwen en sloeg de oogen voor een oogenblik op
den grond; toen hij weder opkeek, werden de vleugeldeuren aan het
benedeneinde van de zaal wijd opengeworpen, en, voorafgegaan door den
_Major-domus_ met zijn staf en vier bedienden met brandende fakkels,
traden de gasten het vertrek binnen.



VIERDE HOOFDSTUK.


        Ter feestdisch werd gebracht het vleesch van runder, geit,
        Van 't vette zwijn en schaap, behoorlijk toebereid;
        Het brood werd rondgedeeld; de bekers volgeschonken,
        En allen zaten aan en aten zaâm en dronken.
        . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
        . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
        Verwijderd zat alleen Ulysses, lager af,
        Op nederiger plaats, die hem met voordacht gaf
        Telemachus.

                                                _Odyssee_, Boek XXI.


Prior Aymer had van de aangeboden gelegenheid gebruik gemaakt, om
zijn rijkleed tegen een van nog kostbaarder stof te verwisselen, over
hetwelk hij een schoon geborduurden priestermantel droeg. Behalve
den grooten, gouden zegelring, welke zijn geestelijke waardigheid
aanduidde, waren zijn vingers, ofschoon strijdig met de kerkelijke
wet, met edelgesteenten versierd; zijn sandalen waren van het fijnste
leder, dat uit Spanje ingevoerd werd; zijn baard was zoo kort gesneden,
als de regels van zijn orde maar toelieten; en zijn geschoren kruin
was verborgen onder een rijk scharlaken kapje.

De kleeding van den Tempelier had ook een verandering ondergaan,
en, schoon met minder zorg versierd, was ze even rijk, en zijn
voorkomen meer indrukwekkend, dan dat van zijn metgezel. Hij had zijn
maliënkolder verwisseld tegen een onderkleed van donker purper zijde,
met bont omzet, waarover zijn lang, vlekkeloos wit bovenkleed in ruime
plooien hing. Het achthoekige kruis van zijn orde was op den schouder
van zijn mantel in zwart fluweel opgelegd. De hooge muts bedekte zijn
voorhoofd niet meer, dat alleen door zijn kort, dik gekruld, pikzwart
haar, dat overeenkwam met zijn buitengewoon donkere gelaatskleur,
overschaduwd was. Niets zou de bevalligheid en deftigheid van zijn
gang en zijn manieren overtroffen hebben, als deze niet ontsierd
waren geweest door een in het oog vallenden schijn van hoogmoed,
die zoo licht verkregen wordt door het uitoefenen van onbeperkt gezag.

Deze beide aanzienlijke mannen werden gevolgd door hunne bedienden,
en op een eerbiedigen afstand door hun gids, wiens persoon verder
niets belangwekkends had, dan de gewone kleeding van een pelgrim. Een
mantel van grof, zwart laken bedekte zijn geheele lichaam, en
geleek in snede op een hedendaagschen huzaren-mantel, met dezelfde
slippen tot bedekking der armen: deze droeg den naam van _Sclaveyn_,
of _Sclavoniër_. Grove sandalen, met riemen vastgebonden, aan zijn
bloote voeten, een hoed met breeden rand, met schelpen omzoomd, en
een lange staf met ijzer beslagen, aan welks boveneinde een palmtak
was vastgemaakt, voltooiden de kleeding van den pelgrim. Hij hield
zich zedig achter de laatsten van het gevolg, en bespeurende, dat
de benedenste tafel nauwelijks ruim genoeg was voor de bedienden van
Cedric en zijn gasten, ging hij op een bankje zitten, dat naast, of
bijna onder een breeden schoorsteen stond, en scheen zich te willen
bezighouden met zijn kleederen te drogen, tot het vertrek van den een
of ander ruimte aan de tafel zou maken, of tot de gastvrije hofmeester
hem op de plaats waar hij nu zat, met ververschingen zou voorzien.

Cedric stond op, ontving de vreemdelingen met eene waardige
gastvrijheid, en van het hoogere gedeelte van de zaal afstappende,
deed hij drie schreden naar hen toe, en wachtte toen, tot zij naderden.

"Het spijt mij, eerwaardige Prior," zeide hij, "dat mijne gelofte
mij verbiedt, om iemand in het huis mijner vaderen verder tegemoet
te gaan,--zelfs om zulke gasten als u en dezen dapperen Tempelier te
ontvangen. Maar mijn hofmeester heeft u de reden mijner schijnbare
onbeleefdheid verklaard. Laat mij ook om verschooning bidden, dat ik
in mijne moedertaal tot u spreek, en u tevens verzoeken mij daarin
te antwoorden, als gij er zoo veel van verstaat; zoo niet, ken ik
Normandisch genoeg, om uw gesprek te volgen."

"Geloften," hernam de Abt, "moeten ongeschonden blijven, waardige
_Franklin_, of vergun mij liever te zeggen, waardige _Thane_, ofschoon
deze titel verouderd is. Geloften zijn de banden, welke ons met den
hemel vereenigen, en die het offer aan het altaar binden; daarom
moeten zij--zooals ik reeds zeide--ongeschonden blijven, tenzij
onze heilige moeder, de kerk, het tegendeel beslisse. En wat de taal
betreft--ik gebruik gaarne die taal, welke mijn geëerde grootmoeder,
Hilda van Middleham, sprak, die in den reuk van heiligheid stierf,
weinig onder doende, naar ik geloof, voor haar roemrijke naamgenoote,
de heilige Hilda van Whitby, God zij harer ziel genadig!"

Toen de Prior deze, naar hij meende, verzoenende woorden had gesproken,
zeide zijn metgezel kort en nadrukkelijk: "Ik spreek altijd Fransch,
de taal van koning Richard en zijn edelen; maar ik versta de volkstaal
genoeg, om mij met de inboorlingen te kunnen onderhouden."

Cedric wierp den spreker een van die driftige, ongeduldige blikken toe,
welke vergelijkingen tusschen de beiden om den voorrang strijdende
natiën meestal bij hem uitlokten; maar, zich de plichten der
gastvrijheid herinnerende, onderdrukte hij ieder verder teeken van
ongenoegen, en een wenk met de hand gevende, liet hij zijn gasten
twee plaatsen dicht bij de zijne, maar een weinig lager, innemen,
en gaf een teeken, om het avondeten op te dragen.

Terwijl de bedienden zich haastten zijne bevelen ten uitvoer
te brengen, ontwaarde hij Gurth, den zwijnenhoeder, die zoo even
met zijn makker Wamba de zaal was binnen getreden. "Laat die trage
kerels hier komen!" riep de Sakser ongeduldig, en toen de schuldigen
voor den _daïs_ kwamen, duwde hij hun toe: "Hoe komt het, schelmen,
dat gij zoo lang daar buiten rond geslenterd hebt? Hebt gij uwe
kudde naar huis gebracht, Gurth, of is zij een buit der stroopers en
vrijbuiters geworden?"

"De kudde is in veiligheid, om u te dienen!" zeide Gurth.

"Maar het diende mij in het geheel niet," riep Cedric uit, "twee
uren lang het tegendeel te moeten gelooven, en hier op wraak te
zitten zinnen tegen mijn buren wegens een onrecht, dat zij mij niet
aangedaan hebben. Ik zeg het u, stokslagen en gevangenis zullen de
eerste overtreding van dien aard, die gij weder begaat, straffen!"

Gurth, die zijns meesters driftigen aard kende, waagde geene
verontschuldiging; maar de nar, die, uit kracht van zijn voorrecht als
potsenmaker, op Cedric's toegevendheid kon rekenen, antwoordde voor
hen beiden: "Waarlijk, oom Cedric, gij zijt heden avond verstandig
noch redelijk."

"Hoe!" zeide zijn meester; "gij zult naar de poortierswoning gezonden
worden en daar tucht leeren, als gij uw gekheid den teugel viert op
die manier."

"Eerst onderrichte mij uwe wijsheid!" hernam Wamba. "Is het billijk
en redelijk den één voor den misslag des anderen te straffen?"

"Zeker niet, nar!" antwoordde Cedric.

"Waarom wilt gij dan den armen Gurth laten slaan, oom, wegens de
schuld van zijn hond Fangs? Want ik kan er op zweren, dat wij op weg
geen minuut tijds verloren hebben, nadat wij onze kudde bij elkander
hadden; wat Fangs niet ten einde bracht voor Vespertijd."

"Hang Fangs dan op," zeide Cedric, zich haastig tot den zwijnenhoeder
wendende, "als het zijn schuld is; en maak dat gij een anderen hond
krijgt."

"Met verlof, oom," hervatte de nar; "dat zou weder geene stipte
rechtvaardigheid zijn; want het is de schuld van Fangs niet, dat hij
lam is, en de kudde niet bij elkander kon krijgen; maar de schuld
van hen, die zijn beide klauwen afgesneden hebben, waartoe de arme
drommel zeker zijne toestemming niet zou gegeven hebben, zoo men hem
geraadpleegd had."

"En wie heeft het gewaagd, een dier te verminken, dat aan mijn
lijfeigene toebehoort?" vroeg de Sakser, in toorn ontstekende.

"Wel, dat deed de oude Huib," zeide Wamba, "de jachtopziener van
den ridder Philippe de Malvoisin. Hij betrapte Fangs, terwijl hij
door het bosch dwaalde, en zeide, dat hij jacht op het wild maakte,
strijdig met het recht van zijn meester, als houtvester."

"De duivel hale Malvoisin," hervatte de Sakser, "en zijn opziener
daarbij! Ik zal hun leeren, dat het woud, volgens de boschwet, in
't geheel geen bosch meer is. Maar genoeg hiervan--Nar, ga op uwe
plaats--en gij, Gurth, neem een anderen hond, en zoo de opziener dien
durft aanraken, dan zal ik hem het boogschieten verleeren; men schelde
mij voor een lafaard uit, zoo ik hem niet den voorsten vinger van
de rechterhand afhouw--hij zal geen boog meer spannen.--Ik verzoek
u vergiffenis, waardige gasten; ik ben hier door buren omgeven,
die niet beter zijn dan de ongeloovigen in het Heilige Land, heer
Ridder. Maar uw geringe maaltijd staat gereed; bedient er u van,
en laat de goede wil de slechte kost verschoonen."

De maaltijd, intusschen, welke op tafel stond, behoefde geene
verontschuldigingen van den kant van den gastheer. Varkensvleesch,
op verschillende wijzen toebereid, stond op het benedeneinde der
tafel; alsook gevogelte, hertenvleesch, hazen- en geitengebraad
en verscheidene soorten van visch, met groote brooden, koeken, en
vruchten in honig ingelegd. De kleiner soorten van wild gevogelte,
dat er in overvloed was, werden niet in schotels voorgediend,
maar op kleine houten braadspitten, en door de pages en knechts,
die ze droegen, aan alle gasten aangeboden, die naar welgevallen
ervan afsneden. Naast ieder persoon van rang stond een zilveren
beker, en aan het benedeneinde der tafel groote drinkhorens. Toen de
maaltijd op het punt was van te beginnen, riep de _Major domus_, of
huishofmeester, eensklaps zijn staf verheffende, met luider stemme:
"Plaats voor Jonkvrouw Rowena!" Eene zijdeur aan het boveneinde der
zaal achter de eettafel ging open, en Rowena, door vier harer vrouwen
gevolgd, trad binnen. Cedric, ofschoon niet aangenaam verrast door de
verschijning van zijne pupil bij deze gelegenheid, ijlde haar tegemoet,
en geleidde haar met eerbiedige plechtigheid naar de verhevene plaats
aan zijne rechterhand, bestemd voor de vrouw des huizes. Allen stonden
op om haar te ontvangen; en, hunne begroeting met eene stomme buiging
beantwoordende, nam zij bevallig hare plaats aan de tafel in. Vóórdat
zij tijd had dit te doen, fluisterde echter de Tempelier den Prior toe:
"Ik zal bij het toernooi geen gouden ketting van u dragen. Gij hebt
den Chioswijn gewonnen!"

"Heb ik het niet gezegd?" antwoordde de Prior. "Maar matig uwe
verrukking, de _Franklin_ slaat u gade."

Zonder op deze waarschuwing te letten, en gewoon slechts naar de
ingeving van zijne wenschen te luisteren, hield Brian de Bois-Guilbert
het oog gevestigd op de Saksische schoonheid, die misschien des
te meer zijne verbeelding trof, omdat ze zoozeer van de Oostersche
Sultanes verschilde.

Geene vrouwelijke gestalte kon heerlijker zijn dan die van Rowena,
die, hoe rank ze ook was, door buitengewone grootte toch niet de
aandacht tot zich trok. Hare gelaatskleur was buitengemeen blank,
maar de edele vorm van haar hoofd en van haar trekken bewaarde voor
het gebrek aan uitdrukking, dat soms aan zeer blanke schoonheden
eigen is. Haar helderblauw oog, schitterend onder schoon geteekende,
bruine wenkbrauwen, die donker genoeg waren om het voorhoofd te doen
uitkomen, scheen even vurig als teeder, even gebiedend als smeekend
te zijn. Ofschoon zachtmoedigheid de gewone uitdrukking harer trekken
was, had het gevoel van meerderheid en de algemeene hulde, die men haar
bewees, blijkbaar aan de Saksische jonkvrouw iets hoogmoedigs gegeven,
dat met haar natuurlijken aanleg ineengesmolten was. Haar schoon haar,
tusschen bruin en blond in, was op grillige, doch bevallige wijze,
in talrijke krullen opgemaakt, waarbij de kunst waarschijnlijk de
natuur had bijgestaan. Deze lokken waren met edelgesteenten versierd,
en hingen in hun volle lengte neder, waaruit men de edele afkomst
en den vrijgeboren stand der maagd kon opmaken. Een gouden ketting,
waaraan een kleine reliquie van hetzelfde metaal was vastgemaakt,
hing om haar hals. Zij droeg armbanden om de bloote armen. Haar
kleeding bestond uit een onderkleed en lijfje van lichtgroene zijde,
waarover een lang, ruim gewaad hing, dat tot op den grond reikte en
wijde mouwen had, die ongeveer tot den elleboog gingen. Dit kleed was
karmozijnrood, en uit de allerfijnste wol gemaakt. Een zijden sluier,
met goud doorweven, was aan het bovenste gedeelte daarvan bevestigd,
welke, naar verkiezing, volgens de Spaansche mode over het gezicht en
den boezem kon getrokken worden, of als een draperie om de schouders
geslingerd.

Toen Rowena bespeurde, dat de oogen van den Tempelridder op haar
gevestigd waren, met een vuur, dat, vergeleken met de donkere holten
waarin zij zich bewogen, hun het voorkomen van gloeiende kolen gaf,
sloeg zij den sluier met waardigheid over het gelaat, als een teeken,
dat de stoute vrijheid van zijn blik haar mishaagde. Cedric zag de
beweging en begreep de oorzaak er van. "Heer Tempelier," zeide hij,
"de wangen van onze Saksische meisjes zijn nog niet genoeg aan de zon
gewend, om den stouten blik van een kruisvaarder te kunnen verdragen."

"Zoo ik beleedigd heb," hernam Brian, "dan verzoek ik vergiffenis,--dat
wil zeggen, ik vraag vergiffenis aan Jonkvrouw Rowena,--want de mate
mijner nederigheid laat niet toe, dat ik die elders inroep."

"Jonkvrouw Rowena," zeide de Prior, "heeft ons allen gestraft, door
de stoutheid van mijn vriend te kastijden. Ik wil hopen dat zij minder
wreed zal zijn voor den schitterenden stoet bij het toernooi."

"Het is nog onzeker of wij er heen gaan," zeide Cedric. "Ik ben geen
vriend van die ijdele vertooningen, die aan mijne voorouders onbekend
waren, toen Engeland vrij was."

"Laat ons evenwel hopen," hernam de Prior, "dat ons gezelschap u
moge overhalen om er heen te reizen; als de wegen zoo onveilig zijn,
is het geleide van Sir Brian de Bois-Guilbert niet te verachten."

"Heer Prior," antwoordde de Sakser, "waar ik ook in dit land gereisd
heb, tot hiertoe, heb ik, met behulp van mijn goed zwaard en van
mijn getrouwe dienaars, nog nooit vreemde hulp noodig gehad. Zoo
wij nu nog naar Ashby-de-la-Zouche gaan, dan doen wij dat met mijn
edelen buur en landsman Athelstane van Coningsburgh, en met een
gevolg, dat ons zoowel tegen vrijbuiters, als vijanden van hoogeren
stand zal beschermen.--Ik breng u dezen beker wijn toe, heer Prior,
welken gij, hoop ik, naar uw smaak zult vinden, en ik dank u voor uw
beleefdheid.--Maar zoo gij streng aan uw kloosterregel gehecht zijt,
en aan een dronk zure melk de voorkeur geeft, laat dan de beleefdheid
u niet dwingen, mij bescheid te doen."

"Neen," zei de Priester lachende, "het is alleen in onze abdij, dat
wij ons bij het _lac dulce_ of _lac acidum_ bepalen. Als wij met de
wereld verkeeren, volgen wij de gebruiken der wereld, en derhalve doe
ik u in dezen heerlijken wijn bescheid, en laat den zwakkeren drank
aan mijn leekebroeder over."

"En ik," zei de Tempelier, zijn beker met _Wassail_ [6] vullende, "ik
breng dezen dronk aan de schoone Rowena; want sedert haar naamgenoot,
lang geleden, dit gebruik in Engeland invoerde, is er nooit iemand deze
eer waardiger geweest dan zij. Op mijn woord, de ongelukkige Vortigern
verdiende vergiffenis, indien zijn eer en zijn koninklijk half zoo
veel in gevaar waren om schipbreuk te lijden, als zij nu zouden zijn."

"Spaar uw beleefdheid, heer Ridder!" hernam Rowena met waardigheid, en
zonder zich te ontsluieren; "of liever laat mij daarvan gebruik maken,
u te verzoeken mij het laatste nieuws uit Palestina te verhalen; een
onderwerp veel aangenamer voor Saksische ooren dan de complimenten,
welke de Fransche gewoonten medebrengen."

"Ik heb weinig belangrijks te verhalen," antwoordde Sir Brian de
Bois-Guilbert, "behalve de zekere tijding van een wapenstilstand
met Saladin."

Wamba, die zijne gewone plaats had ingenomen op een stoel, die met twee
ezelsooren versierd was, omtrent twee stappen achter den zetel van zijn
meester, die hem van tijd tot tijd spijzen van zijn eigen bord gaf,
een gunst echter, welke de nar met de lievelingshonden deelde--waarvan,
zooals wij reeds gezegd hebben, verscheidene tegenwoordig waren--viel
hem hier in de rede. Dáár zat Wamba, met een tafeltje voor zich,
de beenen onder den stoel gestoken, zijn gezicht vertrekkende als
een notenkraker, en de oogen half gesloten, evenwel oplettend iedere
gelegenheid bespiedende, om van zijn vrijheid als nar gebruik te maken.

"Deze wapenstilstanden met de ongeloovigen," riep hij uit, zonder er
zich aan te storen, hoe onverwacht hij den trotschen Tempelier in de
rede viel, "maken mij tot een oud man."

"Hoe zoo, schelm?" vroeg Cedric, terwijl zijn blikken toonden, dat
hij bereid was om de verwachte aardigheid gunstig op te nemen.

"Omdat ik," hernam Wamba, "mij herinner, dat er drie gedurende mijn
leven zijn gesloten, waarvan ieder vijftig jaren moest duren; zoodat,
bij elkander gerekend, ik ten minste honderd en vijftig jaren oud
moet zijn!"

"Ik wil er u echter borg voor staan, dat gij niet van ouderdom zult
sterven," zei de Tempelier, die nu zijn vriend uit het woud herkende;
"als gij voortgaat, zulke aanwijzingen aan reizigers te geven, als
gij dezen avond aan den Prior en mij gegeven hebt."

"Hoe, schurk!" stoof Cedric op; "reizigers den verkeerden weg
wijzen? Gij moet wat met de zweep hebben; gij zijt ten minste even
ondeugend als gek."

"Ik bid u, oom," antwoordde de nar, "laat mijne gekheid ditmaal mijn
schelmstuk verontschuldigen. Ik heb mij slechts tusschen mijne rechter-
en linkerhand vergist; en hij, die een nar tot raadsman en wegwijzer
neemt, moet eene kleine dwaling over het hoofd zien!"

Hier werd het gesprek afgebroken door het binnenkomen van den
poortierspage, die meldde, dat er een vreemdeling aan de poort was,
die toelating en gastvrijheid verzocht.

"Laat hem binnen," zeide Cedric, "wie hij ook zij;--een nacht, zooals
die, welke buiten woedt, dwingt zelfs wilde dieren bij de tammen
te schuilen, en bescherming te zoeken bij den mensch, hun vijand,
liever dan door het geweld der elementen om te komen. Laat in al
zijn behoeften voorzien--zorg gij er voor, Oswald!" En de hofmeester
verliet de eetzaal, om de bevelen van zijn meester te doen uitvoeren.



VIJFDE HOOFDSTUK.


    Heeft een Jood geen oogen? Heeft een Jood geen handen,
    zintuigen, gevoelens, zinnen, neigingen, hartstochten? Wordt
    hij niet met hetzelfde voedsel gevoed, met dezelfde wapenen
    gekwetst? Is hij niet aan dezelfde ziekten onderhevig? Wordt
    hij niet door dezelfde geneesmiddelen genezen, door denzelfden
    zomer en winter warm en koud gemaakt, als een Christen?

                                                Koopman van Venetië.


Oswald fluisterde bij zijn terugkomst zijn meester in het oor: "Het
is een Jood, die zich Izaäk van York noemt; past het, dat wij hem in
de zaal brengen?"

"Laat Gurth uw ambt verrichten, Oswald," zei Wamba met zijn gewone
stoutheid: "de zwijnenhoeder is een geschikt geleider voor den Jood."

"Heilige Maria!" riep de Abt, het teeken van het kruis makende,
"zal een ongeloovige Jood in dit gezelschap toegelaten worden?"

"Een hond van een Jood," schreeuwde de Tempelier, "zou een verdediger
van het Heilige Graf naderen!"

"Op mijn woord," zei Wamba, "de Tempeliers zijn meer op de erfenis
der Joden dan op hun gezelschap gesteld!"

"Bedaard, waarde gasten," zeide Cedric; "mijne gastvrijheid mag niet
door uwe ontevredenheid belemmerd worden. Zoo de Hemel de geheele
natie van stijfhoofdige ongeloovigen sedert meer jaren geduld heeft,
dan een leek tellen kan, kunnen wij de tegenwoordigheid van één Jood
wel voor eenige uren verdragen. Maar ik dwing niemand met hem te
spreken of te eten.--Geeft hem een tafel en een schotel voor zich,
tenzij," zeide hij glimlachende, "deze getulbande vreemdelingen hem
in hun gezelschap willen opnemen."

"Edele Sakser," antwoordde de Tempelier, "mijne Saraceensche slaven
zijn echte Mohammedanen, en verachten zoo goed als een Christen de
gemeenschap met een Jood."

"Wel, waarlijk," zeide Wamba, "ik begrijp niet, waarom de vereerders
van Mohammed en den duivel zoo vele voorrechten zouden hebben, boven
het vroeger door den Hemel uitverkoren volk."

"Hij zal bij u zitten, Wamba," zeide Cedric; "de nar en de schelm
passen goed bij elkander."

"De nar," antwoordde Wamba, de overblijfselen van een ham in de
hoogte houdende, "zal zorg dragen, een bolwerk tegen den schelm op
te richten."

"Stil," zeide Cedric; "daar komt hij!"

Met weinig plechtigheid binnengeleid, vol vrees en aarzeling en
met vele ootmoedige buigingen binnentredende, naderde een lange,
magere grijsaard, die echter door de gewoonte van krom te gaan,
veel van zijn wezenlijke grootte verloren had, het benedeneinde der
tafel. Zijn scherpe en regelmatige trekken, zijn haviksneus, zijn
doordringende zwarte oogen, zijn hoog, gerimpelde voorhoofd, zijn
lang, grijs haar en lange baard hadden voor schoon kunnen doorgaan,
indien ze niet de onderscheidende kenteekens gedragen hadden van een
geslacht, dat in die onbeschaafde eeuwen evenzeer verfoeid werd door
het lichtgeloovige en bevooroordeelde gemeen, als vervolgd door den
inhaligen, roofzuchtigen adel, en dat, misschien door dezen haat
en die vervolging, over het algemeen een karakter had verkregen,
waarin, om het op het zachtst uit te drukken, tenminste veel laags
en onaangenaams was.

De kleeding van den Jood, die geweldig van den storm scheen geleden te
hebben, bestond uit een eenvoudig somber gewaad met vele plooien, en
een donker purperkleurig kleed er onder. Hij had wijde laarzen aan, met
bont gevoerd, en om zijn middel een gordel, waarin een klein mes hing
en een koker met schrijfgereedschappen, maar geen wapenen. Hij droeg
een hooge, vierkante, gele muts van zonderling maaksel, die aan zijn
natie was voorgeschreven, om die van de Christenen te onderscheiden,
en welke hij met groote nederigheid bij de deur van de zaal afnam.

De ontvangst van dezen man in de zaal van Cedric den Sakser had zelfs
den meest bevooroordeelden vijand van den Israëlitischen stam moeten
bevredigen. Cedric zelf knikte hem op zijn herhaald groeten slechts
koel toe, en gaf hem een wenk om aan het benedenste einde van de
tafel plaats te nemen, waar echter niemand geneigd scheen ruimte
voor hem te maken. Integendeel, terwijl hij de rij langs ging, een
vreesachtigen, smeekenden blik op iedereen werpende, die het lagere
einde der tafel bezette, haalden de Saksische bedienden de schouders
op, en gingen voort hun avondeten met grooten ijver te verslinden,
zonder in het minste acht te slaan op de behoeften van den nieuwen
gast. De bedienden van den Abt maakten een kruis, met teekens van
vromen afkeer, en zelfs streken de heidensche Saracenen, toen Izaäk
naderde, verontwaardigd de knevels op, en sloegen de hand aan den dolk,
alsof zij gereed waren, zich met geweld voor de gevreesde bezoedeling
zijner aanraking te vrijwaren.

Mogelijk zouden dezelfde beweegredenen, die Cedric aangezet hadden,
zijn zaal voor dezen zoon van een verstooten volk te openen, hem ook
bewogen hebben, zijn bedienden een meerdere vriendelijkheid jegens
Izaäk aan te bevelen, had niet de Abt hem juist op dit oogenblik in
een belangrijk gesprek gewikkeld, over het ras en den aard zijner
lievelingshonden, hetwelk hij niet zou afgebroken hebben voor zaken
van veel grooter gewicht, dan dat een Jood zich zonder eten te slapen
moest leggen. Terwijl Izaäk dus van het gezelschap uitgestooten stond,
evenals zijn volk onder de natiën, te vergeefs naar een welkomstgroet
en een rustplaatsje omziende, kreeg de pelgrim, die bij den haard zat,
medelijden met hem, en stond hem zijn stoel af, deze paar woordjes
zeggende: "Oude man, mijn kleederen zijn droog, mijn honger is
gestild; gij zijt nog nat en hongerig." Dit zeggende, legde hij de
op den grooten haard verstrooide stukken hout bij elkander, en blies
het vuur aan; hij nam van de groote tafel een schotel met soep en
gekookt geitenvleesch, zette dien op de kleine tafel, aan welke hij
zelf gegeten had, en zonder den dank van den Jood af te wachten, ging
hij naar de andere zijde van de zaal. Of dit geschiedde, omdat hij
niet in nader gesprek wilde treden met het voorwerp zijner mildheid,
of omdat hij wenschte bij het boveneinde der tafel te komen, scheen
niet duidelijk.

Waren er in die dagen schilders geweest, in staat om zoo iets voor te
stellen, dan zou de Jood, terwijl hij zijn magere gedaante voorover
boog, en zijn verkleumde en bevende handen boven het vuur hield, geen
slecht voorbeeld eener verpersoonlijking van den Winter opgeleverd
hebben. Na zich verwarmd te hebben, keerde hij zich begeerig naar den
rookenden schotel, die hem was voorgezet, en at met een haast en een
zichtbaar genoegen, die schenen aan te duiden, dat hij in lang niets
genoten had.

Intusschen zetten de Abt en Cedric hun gesprek over de jacht
voort. Jonkvrouw Rowena scheen verdiept in een gesprek met een harer
vrouwen; en de trotsche Tempelier, wiens oog beurtelings op den Jood
en op de Saksische schoone scheen gevestigd te zijn, was blijkbaar
in diep gepeins verzonken.

"Het verwondert mij, waardige Cedric," zei de Abt, "dat gij,
niettegenstaande uwe groote vooringenomenheid met uwe eigene krachtige
taal, niet het Normandisch-Fransch tenminste uwe gunst waardig keurt,
voor zoo verre dit het jachtwezen betreft. Er is zeker geene taal, die
zoo rijk is in de verschillende spreekwijzen, welke het jachtvermaak
vordert, of die aan den ervaren jager meerdere middelen aan de hand
geeft, om zijn heerlijke kunst te beschrijven."

"Eerwaarde vader," hernam de Sakser, "ik moet u zeggen, dat ik weinig
werk maak van die overzeesche verfijningen, zonder welke ik mij zeer
goed in het bosch vermaken kan. Ik kan op mijn horen blazen, zonder
het geluid òf _recheate_ òf _morte_ te noemen. Ik kan mijn honden op
het wild aandrijven, en ik kan het vel van een hert aftrekken en het
dier uithalen als het gedood is, zonder de nieuwmodische wartaal van
_curée_, _arbor_, _nombles_, die van den fabelachtigen Sir Tristram
afstamt, te gebruiken." [7]

"Het Fransch," zei de Tempelier, zijne stem verheffende, op den
verwaanden en gebiedenden toon, die hem bij alle gelegenheden eigen
was, "is niet alleen de natuurlijke taal van de jacht, maar die van
de liefde en van den oorlog, waarmede men de vrouwen moet overwinnen
en de vijanden verslaan."

"Doe mij bescheid in een beker wijn, heer Tempelier," zeide Cedric,
"en schenk den Abt ook in, terwijl ik een dertig jaren achteruit
zal gaan, om u iets anders te verhalen. Zooals Cedric de Sakser
toen was, behoefde zijn eenvoudige Saksische taal niet door Fransche
minnezangers opgesmukt te worden, als hij die in het oor eener schoone
wilde fluisteren; en het veld van Northallerton, bij den slag van den
Heiligen Standaard, kan getuigen, of het Saksische krijgsgeschreeuw
niet even ver in de gelederen van het Schotsche leger gehoord werd,
als de _cri de guerre_ van de stoutmoedige Normandische edelen. De
nagedachtenis van de dapperen, die daar gevochten hebben! Doet mij
bescheid, mijn gasten!" Hij nam een fiksche teug, en vervolgde met
toenemend vuur: "Ha! dat was een dag! Toen werden er wat schilden
gespleten; honderd banieren wapperden boven het hoofd der dapperen;
het bloed stroomde als water, en men wilde liever sterven dan
vluchten. Een Saksische _Bard_ zou dien dag een feest der zwaarden
genoemd hebben--eene vergadering der arenden over den buit--een
geklater van schilden en helmen; een veldgeschrei, vroolijker dan
het gejuich eener bruiloft. Maar onze _Barden_ zijn verdwenen; onze
daden worden vergeten bij die van een anderen stam; onze taal, zelfs
onze naam snelt ten ondergang, en niemand treurt er om behalve een
eenzame grijsaard. Schenker, jongen! vul de bekers--op het welzijn
der dappersten, heer Tempelier, van welken stam ze ook zijn, en welke
taal ze ook spreken mogen, die thans met het meeste vuur in Palestina
voor het heilige kruis strijden!"

"Het betaamt geen Ridder, die dit kruis draagt, hierop te antwoorden,"
zeide Sir Brian de Bois-Guilbert; "maar aan wien, behalve de gezworen
kampvechters van het Heilige Graf, kan de palm toegewezen worden
onder de strijders voor het kruis?"

"Aan de Hospitaal-Ridders," zei de Abt; "ik heb daar een broeder
onder."

"Ik wil hun roem niet te kort doen," zei de Tempelier, "maar--"

"Mij dunkt, vriend Cedric," zeide Wamba, hem in de rede vallende, "dat,
als Koning Richard Leeuwenhart de wijsheid had gehad, den raad van een
nar te volgen, hij met zijn dappere Normandiërs te huis zou gebleven
zijn, en de herovering van Jeruzalem aan diezelfde ridders overgelaten
hebben, die de meeste schuld aan het verlies daarvan hadden."

"Waren er geenen in des Konings leger," zeide Rowena, "wier namen
waardig zijn, naast de Ridders van den Tempel en van St. Johannes
genoemd te worden?"

"Vergeef mij, Jonkvrouw," antwoordde de Bois-Guilbert, "de Koning
heeft, inderdaad, een schaar dappere krijgslieden naar Palestina
gebracht, die alléén behoeven onder te doen voor hen, die altijd het
bolwerk van het Heilige Land geweest zijn."

"Ze behoeven voor _niemand_ onder te doen," zei de pelgrim, die er
dicht genoeg bij gestaan had, om te kunnen hooren, en met blijkbaar
ongeduld naar het gesprek geluisterd had. Allen keerden zich naar
hem, van wien deze onverwachte verzekering kwam. "Ik zeg," herhaalde
de pelgrim op vasten toon, "dat onze ridders voor niemand behoeven
onder te doen, die ooit het zwaard tot verdediging van het Heilige
Land getrokken heeft. Ik zeg ook nog, want ik heb het gezien, dat
Koning Richard zelf en vijf van zijn ridders een toernooi hielden na
de inneming van St. Jean d'Acre, tegen ieder, die in het strijdperk
durfde treden. Ik zeg, dat op dezen dag ieder ridder driemaal streed,
en drie vijanden ten onderen bracht. Ik voeg er bij, dat zeven dezer
aanvallers Tempeliers waren--en Ridder Brian de Bois-Guilbert is zeer
wel overtuigd van de waarheid van hetgeen ik u vertel."

Het is onmogelijk de woede te schilderen, welke het zwartbruine
gezicht van den Tempelier nog donkerder kleurde. In de overmaat van
zijn toorn en zijn beschaming, tastten zijn bevende vingers naar het
gevest van zijn zwaard, en misschien werden ze alleen teruggehouden
door de gedachte, dat er geen daad van geweld in die plaats en in
zulk gezelschap veilig kon gepleegd worden. Cedric, wiens gedachten
zonder argwaan waren en zelden door meer dan één voorwerp tegelijk
bezig gehouden werden, lette bij de vreugde, waarmede hij van den roem
zijner landslieden hoorde spreken, niet op de toornige verlegenheid van
zijn gast. "Ik zal u dezen gouden armband geven, Pelgrim," zeide hij,
"zoo gij mij de namen opnoemt van de ridders, die zoo heldhaftig den
roem van het schoone Engeland opgehouden hebben."

"Dat zal ik van ganscher harte doen," hernam de pelgrim, "en zonder
loon; daar mijne gelofte mij verbiedt, gedurende een zekeren tijd
goud aan te raken."

"Ik zal den armband voor u dragen, zoo gij wilt, vriend Pelgrim,"
zeide Wamba.

"De eerste in eer en in de wapenen, in roem en in stand," zei de
pelgrim, "was de dappere Richard, Koning van Engeland."

"Ik vergeef hem!" riep Cedric, "ik vergeef hem zijne afkomst van den
dwingeland Willem!"

"De Graaf van Leicester was de tweede," ging de pelgrim voort;
"Sir Thomas Multon van Gilsland was de derde."

"Die is tenminste van Saksische afkomst," riep Cedric met vreugde uit.

"Sir Foulk Doilly, de vierde," zei de pelgrim.

"Ook een Sakser, tenminste van moeders zijde," hernam Cedric, die met
de grootste oplettendheid luisterde, en zijn haat tegen de Normandiërs
voor het oogenblik vergat, in de vreugde over de zegepraal van den
Koning van Engeland en zijn Saksische onderdanen. "En wie was de
vijfde?" vroeg hij.

"De vijfde was Sir Edwin Turneham."

"Een echte Sakser, bij de ziel van Hengist!" riep Cedric uit. "En de
zesde?" ging hij met drift voort; "hoe heet de zesde?"

"De zesde," hervatte de pelgrim na een oogenblik zwijgens, terwijl
hij iets scheen te bedenken, "was een jonge ridder van minderen
roem en stand; in dat eervolle gezelschap opgenomen, minder om de
onderneming te steunen, dan wel om het getal vol te maken--zijn naam
is mij ontgaan."

"Heer Pelgrim," zei Sir Brian de Bois-Guilbert verachtelijk, "deze
geveinsde vergetelheid, nadat gij u zoo veel hebt te binnen gebracht,
komt te laat, om aan uw doel te beantwoorden. Ik zelf zal u den naam
noemen van den ridder, voor wiens lans het noodlot en de schuld van
mijn paard mij deden bukken--het was de ridder van Ivanhoe: ook was
er onder de zes niet één, die, zijn jaren in aanmerking genomen, meer
roem in de wapenen verworven had.--Maar dit wil ik luide zeggen, dat,
als hij in Engeland was, en bij het toernooi deze week de uitdaging
van St. Jean d'Acre durfde herhalen, ik hem met het paard dat ik hier
heb, en gewapend zooals ik thans ben, ieder voordeel der wapenen zou
toestaan, en dan den uitslag afwachten."

"Als uwe tegenpartij hier ware, zou uwe uitdaging weldra beantwoord
worden," hernam de pelgrim. "Zooals de zaak echter staat, behoeft
gij deze vreedzame zaal niet te verontrusten met uwe snoeverij, over
den uitslag van een gevecht, hetwelk gij wel weet, dat geen plaats
kan vinden. Zoo Ivanhoe ooit uit Palestina terugkomt, wil ik er borg
voor staan, dat hij het tweegevecht niet afslaat."

"Een fraaie borg!" zei de Tempelier, "en wat kunt gij tot pand geven?"

"Deze reliquie," antwoordde de pelgrim, een ivoren doosje uit den
boezem trekkende, en een kruis makende; "die een stuk van het ware
kruis bevat, en die ik medegebracht heb uit het klooster van den
berg Carmel."

De Prior van Jorvaulx maakte een kruis, en zeide een _paternoster_ op,
waaraan allen eerbiedig deel namen, behalve de Jood, de Mohammedanen,
en de Tempelier, welke laatste, zonder zijn hoofd te ontblooten,
of eenigen eerbied voor de heiligheid der reliquie te toonen,
een gouden keten van den hals nam, welke hij op de tafel wierp,
terwijl hij uitriep: "Laat Prior Aymer mijn pand en dat van dien
naamloozen landlooper bewaren, als een teeken, dat, als de Ridder
van Ivanhoe binnen de Britsche zeeën komt, hij op de uitdaging van
Brian de Bois-Guilbert moet antwoorden; en, zoo hij ze niet aanneemt,
zal ik hem voor een lafaard bij alle Tempeliers van Europa uitmaken."

"Dat zal niet noodig zijn," zei Jonkvrouw Rowena, haar stilzwijgen
brekende; "mijn stem zal gehoord worden, zoo geen andere in deze zaal
zich ten voordeele van den afwezigen Ivanhoe verheft. Ik verzeker,
dat hij iedere eervolle uitdaging ridderlijk zal aannemen. Kon mijn
geringe borgtocht eenige meerdere waarde geven aan het onschatbare
woord van den heiligen pelgrim, zoo zou ik naam en eer verpanden,
dat Ivanhoe dezen trotschen ridder de gevraagde voldoening geeft."

Een menigte tegenstrijdige gevoelens scheen gedurende dit gesprek
Cedric vervuld en zwijgende gehouden te hebben. Gestreelde hoogmoed,
toorn, verlegenheid, verjaagden elkander op zijn breed, open voorhoofd,
gelijk de schaduw der wolken, die over een korenveld drijven, terwijl
zijne bedienden, op welken de naam van den zesden ridder een bijna
tooverachtige uitwerking scheen te hebben, vol verwachting op het
gelaat van hun meester staarden. Maar toen Rowena sprak, scheen de
klank van haar stem hem uit zijn gepeins te wekken.

"Rowena," zeide Cedric, "dat past niet; ware een verder pand noodig,
dan zou ik zelf, hoe beleedigd, en zwaar beleedigd, ik door hem ben,
evenwel met mijn eer voor die van Ivanhoe instaan. Maar het onderpand
voor den strijd is voldoende, zelfs volgens de zonderlinge gebruiken
van de Normandische ridderschap;--niet waar, eerwaarde vader Aymer?"

"Zoo is het," hernam de Prior, "en de heilige reliquie en de kostbare
keten zal ik veilig in de schatkist van het klooster bewaren, tot de
kampstrijd beslist is."

Na deze woorden maakte hij verscheidene malen het teeken van het kruis,
en na vele kniebuigingen en geprevelde gebeden, gaf hij de reliquie
aan broeder Ambrosius, zijn dienstbaren monnik over, terwijl hij zelf
met mindere plechtigheden, maar misschien met niet minder inwendig
genoegen, den gouden ketting nam, en in een met welriekend leêr
gevoerden zak deed, die onder zijn arm hing. "En nu, Sir Cedric," zeide
hij, "de kracht van uw goeden wijn doet mij de slaapklok hooren. Sta
ons toe, nog één beker op het welzijn der schoone Rowena te ledigen,
en veroorloof dan dat wij ons ter rust begeven."

"Bij het kruis van Bromholme," zei de Sakser, "gij doet uw roem
weinig eer aan, heer Prior! De faam noemt u een dapperen monnik,
die de vroegmis hoort luiden, eer hij zijn beker verlaat; en ik
vreesde dat gij mij op mijn ouden dag zoudt beschaamd maken. Maar,
op mijn woord, een twaalfjarige Saksische knaap zou, in mijn tijd,
zijn beker niet zoo vroeg verlaten hebben."

De Prior had evenwel bijzondere redenen om matig te blijven. Hij was
niet alleen van beroep een vredemaker, maar van aard een vijand van
alle twisten en geschillen. Dit was niet geheel uit liefde voor
zijn naasten, en ook niet geheel uit eigenliefde, maar uit een
mengeling van beide. Bij de tegenwoordige gelegenheid vreesde hij
het driftig karakter van den Sakser, en voorzag het gevaar, dat de
onbuigzame en trotsche geest, waarvan zijn metgezel reeds zoo vele
blijken had gegeven, eindelijk eene onaangename uitbarsting zou kunnen
veroorzaken. Hij gaf derhalve beleefd te kennen, dat ieder inboorling
van een ander land buiten staat was, den feestelijken kampstrijd in
het drinken tegen een geharden en sterkhoofdigen Sakser vol te houden;
hij maakte met een enkel woord gewag van zijn geestelijken stand, en
eindigde met op zijn voorstel, om ter rust te begeven, aan te dringen.

De afscheidsbeker werd dus rondgegeven, en, na een diepe buiging
voor hun gastheer en Rowena, stonden de gasten op en vervoegden zich
bij de anderen in de zaal, terwijl de hoofden der familie zich door
onderscheidene deuren met hun bedienden verwijderden.

"Ongeloovige hond," zei de Tempelier tot den Jood Izaäk, terwijl hij
hem in het gedrang voorbijging, "reist gij ook naar het toernooi?"

"Dat is mijn voornemen," hernam Izaäk, eene allernederigste buiging
makende, "als de zeer gestrenge en eerwaardige heer Ridder dit
vergunt."

"Ha!" zei de Ridder, "om aan de ingewanden van onze ridderschap met
uw woeker te knagen, en vrouwen en kinderen met opschik en speelgoed
te bedriegen.--Ik beloof u een vetten buit in uw Jodenzak."

"Geen zilveren penning, geen stuiver, geen duit--zoo waar mij de God
Abrahams helpe!" zei de Jood, de handen ineen slaande; "ik ga daar
slechts heen om den bijstand van eenigen van mijn volk te zoeken, om
de boete te betalen, welke de Schatmeester der Joden [8] mij opgelegd
heeft.--Vader Jacob sta mij bij!--Ik ben een arme Jood--zelfs de rok,
dien ik draag, is geleend van Ruben van Tadcaster."

"Vervloekte, valsche leugenaar!" antwoordde de Tempelier met een
schamperen glimlach, en verder gaande, alsof hij zich niet verwaardigde
langer met hem te spreken, praatte hij met zijn Turksche slaven
in een taal, welke de omstanders niet verstonden. De arme Israëliet
scheen zoo verschrikt over de toespraak van den krijgshaftigen monnik,
dat de Tempelier aan het einde van de zaal was gekomen, eer hij het
hoofd weder ophief uit zijne ootmoedige houding, en diens vertrek
bespeurde. Toen hij weder rondzag, was het met het verbaasde gelaat
van een mensch, voor wiens oogen de bliksem is ingeslagen, en dien
nog het schrikkelijk geraas van den donder in de ooren weergalmt.

De Tempelier en de Prior werden kort daarna naar hun slaapvertrekken
geleid door den huishofmeester en den schenker, ieder van twee
fakkeldragers en twee bedienden met ververschingen vergezeld,
terwijl mindere bedienden aan hun gevolg en aan de overige gasten de
slaapplaatsen aanwezen.



ZESDE HOOFDSTUK.


        Ik bewijs hem dezen dienst alleen uit vriendschap,
        En neemt hij ze aan, 't is goed--zoo niet, vaarwel;
        Maar doet mij daarom, bid ik u, geen onrecht aan.

                                            Koopman van Venetië.


Terwijl de pelgrim, voorgelicht door een fakkeldrager, door de
ineenloopende vertrekken van het groote en onregelmatige gebouw ging,
kwam de schenker hem achterna, en fluisterde hem in het oor, dat,
zoo hij er niet tegen had een beker in zijn kamer meê te drinken,
er een groot aantal bedienden van het huis waren, die gaarne het
nieuws wilden hooren, dat hij uit het Heilige Land had medegebracht,
en voornamelijk dat, hetwelk den ridder van Ivanhoe betrof. Om
het voorstel aannemelijker te maken, zeide Wamba dat één beker na
middernacht zoo goed was, als drie na het avondklokje. Zonder eene
stelling te betwisten, die op zulk gezag berustte, dankte de pelgrim
voor hunne beleefdheid, maar merkte aan, dat hij bij zijne heilige
gelofte de verplichting had op zich genomen, om nooit in de keuken
van zaken te spreken, die in de zaal verboden waren. "Die gelofte,"
zeide Wamba tot den schenker, "zou een bediende slecht te pas komen."

De schenker haalde verdrietig de schouders op. "Ik was van plan
hem eene mooie kamer aan te wijzen," zeide hij: "maar, daar hij zoo
ongezellig jegens Christenen is, moet hij het eerste gat naast Izaäk
den Jood maar innemen.--Anwold," zei hij tot den fakkeldrager, "breng
den pelgrim naar de zuider cel.--Ik wensch u goeden nacht," ging hij
voort, "heer pelgrim, met weinig dank voor uwe geringe beleefdheid!"

"Goeden nacht en onze Lieve Vrouw zegene u!" antwoordde de pelgrim
bedaard, en volgde zijn leidsman.

In eene kleine voorkamer, waarin zich verscheidene deuren bevonden en
welke door een kleine ijzeren lamp verlicht werd, werden zij weder
opgehouden door eene kamenier van Jonkvrouw Rowena, die op een toon
van gezag zeide, dat hare meesteres den pelgrim wenschte te spreken,
de toorts uit Anwolds handen nam, en, na hem bevolen te hebben op
hare terugkomst te wachten, den vreemdeling een wenk gaf haar te
volgen. Waarschijnlijk hield hij het niet voor gepast dit verzoek,
evenals het vorige, te weigeren; want, ofschoon zijne houding eenige
verwondering over de uitnoodiging te kennen gaf, gehoorzaamde hij
zonder antwoord of tegenwerping. Een korte gang en zeven trappen
opwaarts, waarvan ieder uit een sterken eiken balk bestond, brachten
hem bij Jonkvrouw Rowena in een vertrek, welks pracht van de achting,
die haar de heer des huizes bewees, getuigde. De muren waren met
geborduurd behangsel bekleed, waarop in bonte zijde, met goud-
en zilverdraad doorweven, de vermaken der valkenjacht afgebeeld
waren; zoo kunstig als men dat in die eeuwen vermocht. Het bed was
met hetzelfde rijke behangsel versierd, en door purperen gordijnen
omgeven. De stoelen hadden bonte zittingen, en één er van, hooger
dan de overigen, was voorzien van een voetenbankje van schoon bewerkt
ivoor. Niet minder dan vier zilveren kandelaars, met groote waskaarsen,
dienden ter verlichting van het vertrek. Geen hedendaagsche schoone
behoeft echter de pracht eener Saksische Prinses te benijden. De
muren der kamer waren zoo slecht gemaakt, en zoo vol scheuren, dat
het rijke behangsel met den nachtwind golfde, en in weerwil van een
soort van scherm, flikkerde de vlam der kaarsen onophoudelijk in
den tocht. Pracht heerschte er met eenig ruw streven naar smaak,
maar weinig gemak, dat, daar men het niet kende, ook niet gemist werd.

Rowena zat op de reeds genoemde soort van troon, terwijl drie van
haar dienaressen daarachter stonden, en haar het haar opmaakten, voor
dat zij ter ruste ging. Zij scheen geboren om de algemeene hulde te
ontvangen, en de pelgrim betuigde de zijne door eene diepe kniebuiging.

"Sta op, pelgrim!" zeide zij vriendelijk. "De verdediger van een
afwezige heeft recht op eene gunstige ontvangst van allen, die de
waarheid achten, en de dapperheid vereeren." Hierop zeide zij tot
haar gevolg: "Verwijdert u allen, behalve Elgitha; ik wil met dezen
heiligen pelgrim spreken."

De meisjes begaven zich, zonder het vertrek te verlaten, naar het
uiterste einde daarvan, en gingen op een lage bank tegen den muur
zitten, waar zij sprakeloos als beelden bleven zitten, ofschoon zij
op zulk een afstand waren, dat haar gefluister het gesprek van haar
meesteres niet zou gestoord hebben.

"Pelgrim," zei de Jonkvrouw na eene korte stilte, waarin zij onzeker
scheen, hoe zij hem zou aanspreken; "gij hebt heden avond een naam
genoemd--ik meen," ging zij met eene zekere inspanning voort, "den
naam van Ivanhoe, in zalen, waar hij door het recht der geboorte en
der bloedverwantschap zeer gewenscht had moeten klinken; en toch,
zoo vijandig is het noodlot, dat ik alleen onder zoo velen, wier
hart bij dezen naam van vreugde trillen moest, het waag te vragen,
waar en in welken toestand gij hem gelaten hebt, van wien er sprake
was? Wij hebben gehoord, dat hij, wegens verzwakte gezondheid in
Palestina achter gebleven, na het vertrek van het Engelsche leger,
aan de vervolgingen der Fransche partij was blootgesteld, waaraan de
Tempeliers, zooals bekend is, toegedaan zijn."

"Ik weet weinig van den Ridder Ivanhoe!" antwoordde de pelgrim met
ontroerde stem. "Ik zou wel wenschen hem beter te kennen, daar gij,
edele Jonkvrouw, belang in zijn lot stelt. Hij is, naar ik meen,
aan de vervolgingen zijner vijanden in Palestina ontkomen, en staat
op het punt naar Engeland terug te keeren, en gij, Jonkvrouw, zult
beter weten dan ik, welk lot hem hier wacht."

Rowena zuchtte diep, en vroeg meer bijzonder, wanneer Ridder Ivanhoe
in zijn vaderland mocht verwacht worden, en of hij op weg niet aan
groote gevaren zou blootgesteld zijn. Wat het eerste punt aangaat
betuigde de pelgrim volstrekt niet onderricht te wezen; op het tweede
antwoordde hij, dat de reis veilig kon gedaan worden over Venetië en
Genua, en van daar over Frankrijk naar Engeland. "Ivanhoe," zeide hij,
"is zoo goed bekend met de taal en zeden der Franschen, dat er niet de
minste vrees voor eenig ongeluk op dat gedeelte zijner reis bestaat."

"Gave de Hemel," zeide Rowena, "dat hij hier veilig aangekomen ware,
en in staat om aan het naderend toernooi deel te nemen, waarin
men verwacht, dat de ridderschap van ons land haar behendigheid en
dapperheid ten toon zal spreiden. Indien Athelstane van Coningsburgh
den prijs behaalt, zal Ivanhoe waarschijnlijk slechte tijdingen bij
zijn aankomst in Engeland vernemen. Hoe zag hij er uit, vreemdeling,
toen gij hem voor het laatst gezien hebt? Heeft de ziekte zijne
krachten en kloekheid verminderd?"

"Hij was donkerder en tengerder geworden," antwoordde de pelgrim, "dan
toen hij in het gevolg van Richard Leeuwenhart van Cyprus aankwam,
en op zijn voorhoofd was zware zorg te lezen, maar ik kwam niet in
zijne nabijheid, daar ik hem niet ken."

"Ik vrees," hernam de Jonkvrouw, "dat hij in zijn vaderland weinig
zal vinden, om die wolken van zijn gelaat te verdrijven. Ik dank
u, goede pelgrim, voor uwe tijding, omtrent den makker mijner
kindsheid. Meisjes," riep zij, "nadert--biedt dezen heiligen man,
dien ik niet langer van zijn rust berooven wil, den slaapdrank aan."

Een der vrouwen bood een zilveren beker aan, met een kostbaren drank
van wijn en specerij vervaardigd, gevuld, dien Rowena eventjes aan
de lippen zette. Daarop werd hij den pelgrim toegereikt, die na een
diepe buiging er eenige druppelen van proefde.

"Neem deze gift aan, vriend," vervolgde de Jonkvrouw, hem een goudstuk
aanbiedende; "uit erkentelijkheid voor uwe moeielijke reis en uit
eerbied voor de heiligdommen, die gij bezocht hebt."

De pelgrim nam het geschenk met eene tweede nederige buiging aan,
en verliet toen met Elgitha het vertrek.

In de zijkamer vond hij zijn leidsman, Anwold, die de fakkel uit
de hand der kamenier nemende, hem met meer haast dan beleefdheid
naar een belendend, slecht gedeelte van het huis geleidde, waar een
aantal kleine vertrekken, of veeleer cellen, tot slaapplaatsen voor
de mindere bedienden en vreemdelingen van lagen rang ingericht waren.

"Waar slaapt de Jood?" vroeg de pelgrim.

"Die ongeloovige hond," antwoordde Anwold, "ligt in de cel naast uwe
heiligheid. Bij St. Dunstan! wat moet ze schoongemaakt en gezuiverd
worden, eer ze weder goed genoeg voor een Christenmensch is!"

"En waar slaapt Gurth, de zwijnenhoeder?" zeide hij.

"Gurth," hernam de lijfeigene, "slaapt in de cel aan uwe rechterhand,
zooals de Jood aan uwe linker; gij dient, om den zoon Israëls
van hetgeen zijn stam verafschuwt, te scheiden. Zoo gij Oswalds
uitnoodiging hadt aangenomen, zou u eene meer eervolle plaats te
beurt gevallen zijn."

"Het is zóó goed," zeide de pelgrim; "het gezelschap zelfs van een
Jood kan door een eiken beschot heen niet verontreinigen."

Met deze woorden ging hij in het hem aangewezen verblijf, en, de fakkel
uit de hand van den bediende nemende, bedankte hij, en wenschte hem
goeden nacht. Na de deur van zijn cel gesloten te hebben, plaatste
hij de fakkel in een houten kandelaar, en zag in zijn slaapvertrek
rond, welks huisraad van de eenvoudigste soort was. Het bestond uit
een ruwen houten stoel en een nog ruwere bedstede, met stroo gevuld,
waarop twee of drie schapenvellen in plaats van dekens lagen.

Nadat hij de fakkel uitgebluscht had, wierp zich de pelgrim zonder
zijn kleederen af te leggen, op zijn hard leger, en sliep, of bleef
tenminste in zijn liggende houding, tot de eerste zonnestralen den weg
vonden door het kleine tralievenster, dat tegelijk diende om lucht
en licht in dit ellendig vertrek door te laten. Hij sprong toen op,
en na zijn morgengebed gedaan, en zijne kleeding in orde gebracht
te hebben, verliet hij zijn cel en trad in die van den Jood Izaäk,
de klink zoo zacht mogelijk oplichtende.

De Jood lag in onrustigen slaap op een soortgelijk bed als dat,
waarop de pelgrim den nacht had doorgebracht. De kleedingstukken,
die hij den vorigen avond had afgelegd, lagen dicht bij hem,
alsof hij wilde voorkomen, dat ze gedurende zijn slaap gestolen
werden. Zijn gelaat drukte een ongerustheid uit, die bijna aan
doodsangst grensde. Handen en armen bewogen zich krampachtig, als
wilde hij de nachtmerrie afweren; en behalve vele uitroepingen in
het Hebreeuwsch, waren de volgende in het Normandisch-Saksisch, of de
gemengde landstaal, duidelijk hoorbaar: "In naam van den God Abrahams,
hebt medelijden met een ongelukkigen grijsaard! Ik ben arm, ik bezit
geen penning--en al rekten uw ijzers mijn ledematen uit elkander, ik
kon u toch niet voldoen!" De pelgrim wachtte het einde van den droom
des Joods niet af, maar stootte hem met zijn pelgrimsstaf aan. Deze
aanraking vermeerderde, zooals gewoonlijk in den droom het geval is,
zijne vrees; want de oude man sprong op, zijn grijs haar rees ten
berge, en eenige van zijn kleêren om zich heen slingerende, terwijl
hij de overigen met den greep van een roofvogel vasthield, vestigde
hij zijn doordringende, schitterende zwarte oogen met wilden schrik
en angstige vrees op den pelgrim.

"Vrees niets van mij, Izaäk," zei de pelgrim; "ik kom tot u als
vriend."

"De God van Israël vergelde het u!" hernam de Jood, zeer verlicht;
"ik droomde--maar vader Abraham zij geloofd! het was slechts een
droom!" Hierop tot zich zelven komende, voegde hij er op zijn gewonen
toon bij: "en wat begeert gij zoo vroeg van den armen Jood?"

"Ik kwam u zeggen," antwoordde de pelgrim, "dat, zoo gij dit huis
niet oogenblikkelijk verlaat, en met spoed reist, uw tocht gevaarlijk
kan worden."

"Heilige vader," zei de Jood, "wie zou er belang bij hebben, zulk
een armen ellendeling, als ik ben, in gevaar te brengen?"

"De reden zult gij zelf best weten," hernam de pelgrim; "maar laat
ik u zeggen, dat, toen de Tempelier gisteren avond door de zaal ging,
hij met zijn Turksche slaven in de Saraceensche taal sprak, die ik wel
versta, en hun beval dezen morgen den Jood op weg op te wachten, hem
op een geschikten afstand van dit huis te vatten, en naar het kasteel
van Philip de Malvoisin, of van Reginald Front-de-Boeuf te brengen."

Het is onmogelijk, den schrik te schilderen, die den Jood op
dit bericht overviel en in eens al zijne krachten scheen te
verlammen. Zijne armen zakten machteloos neer, en zijn hoofd hing op
zijne borst; zijne knieën knikten onder zijn gewicht, iedere zenuw en
spier van zijn lichaam scheen ineen te krimpen en alle veerkracht te
verliezen, en hij viel voor des pelgrims voeten neder, niet als iemand
die zich vernedert, die nederknielt, of zich nederwerpt om medelijden
in te roepen, maar als door onzichtbaar geweld ter neder geslagen,
zonder dat hij eenigen tegenstand kan bieden.

"Heilige God Abrahams!" was zijn eerste uitroep, terwijl hij de
gerimpelde handen ineen sloeg en ophief, maar zonder zijn grijs hoofd
van den grond op te beuren; "O heilige Mozes! o gezegende Aäron! ik
heb dien droom niet tevergeefs gehad! Ik gevoel hunne ijzers reeds
mijne zenuwen uittrekken! Ik gevoel hunne pijnigingen reeds door mijn
geheele lichaam woelen, evenals de zagen en ijzeren eggen en bijlen
de mannen van Rabbah en van de steden der kinderen Ammon's vernielden!"

"Sta op, Izaäk, en luister naar mij," zei de pelgrim, die zijn
overdrevene droefheid met een medelijdenden blik aanschouwde;
die echter met verachting vermengd was; "gij hebt wel reden om te
schrikken, als gij bedenkt, hoe uwe broeders behandeld zijn, zoowel
door vorsten als edelen, om hun schatten af te persen; maar sta op,
zeg ik, en ik zal u de middelen ter ontkoming aan de hand geven;
verlaat dit huis oogenblikkelijk, terwijl de bewoners nog rustig
slapen na het feest van gisteren avond. Ik zal u langs geheime paden
in het bosch geleiden, die mij even goed bekend zijn als den besten
jager, die ze doorkruist, en ik zal u niet verlaten, voordat gij
onder bescherming van den een of anderen ridder of edele zijt, die
naar het toernooi reist; en gij hebt waarschijnlijk wel de middelen,
om welwillendheid te verwerven."

Toen Izaäk de hoop hoorde uiten, dat hij zou kunnen ontsnappen,
begon hij langzamerhand, als het ware duim voor duim van den grond
op te rijzen, tot hij op de knieën lag, zijn lang grijs haar en zijn
baard terug strijkende, en zijn doordringend zwart oog op den pelgrim
vestigende, met een blik, die tegelijk hoop, vrees en ook eenigen
achterdocht uitdrukte. Maar, zoodra hij het einde van de aanspraak
hoorde, scheen zijn eerste schrik in volle kracht te herleven, en hij
viel nog eens op de knieën, uitroepende: "_Ik_ de middelen bezitten,
om welwillendheid te verwerven! Helaas! er is maar één weg, om de gunst
van een Christen te verkrijgen; en hoe kan de arme Jood dien vinden,
als hij reeds door afpersing zoo arm geworden is als Lazarus?" Hierop,
alsof de achterdocht de overhand kreeg op zijne andere gewaarwordingen,
riep hij plotseling uit: "Om Gods wil, jongeling, verraad mij niet--ter
liefde van den grooten Vader, die ons allen geschapen heeft, Jood en
Heiden, Israëliet en Ismaëliet--pleeg geen verraad aan mij! Ik bezit
de middelen niet, om de welwillendheid van een Christen bedelaar
te verwerven, al wilde hij mij die voor één penning schenken." Na
deze woorden stond hij op, en vatte den mantel des pelgrims met een
ernstig smeekenden blik. De pelgrim maakte zich los, alsof hij door
de aanraking besmet werd.

"En al waart gij met al den rijkdom van uw stam beladen," zeide hij,
"waarom zou ik u leed doen?--in dit gewaad ben ik aan de armoede
gewend, en wilde ze tegen niets ruilen, dan tegen een paard en een
wapenrusting. Denk echter niet, dat ik om uw gezelschap verlegen ben,
of mij er eenig voordeel van beloof; blijf hier, zoo gij wilt--Cedric
de Sakser zal u beschermen."

"Ach!" zei de Jood, "hij zal mij niet onder zijn gevolg laten
medereizen--de Sakser en de Normandiër schamen zich beiden voor den
armen Israëliet; en alleen te reizen door het gebied van Philip de
Malvoisin en Reginald Front-de-Boeuf.... Goede jongeling, ik wil
met u gaan!--Laten wij ons haasten--onze lendenen omgorden--laat ons
vluchten!--Hier is uw staf, waarom draalt gij?"

"Ik draal niet," antwoordde de pelgrim, toegevende aan de dringende
beden van zijn makker; "maar ik moet middelen vinden, om deze plaats
te verlaten--volg mij."

Hij ging vooruit naar de naaste cel, die, zooals de lezer weet, door
Gurth den zwijnenhoeder bezet was.--"Sta op, Gurth," riep de pelgrim,
"open de achterpoort, en laat den Jood en mij er uit!"

Gurth, wiens bezigheid, schoon thans zoo veracht, hem evenveel
gewicht gaf in het Saksische Engeland, als aan Eumaeus [9] in
Ithaka, was beleedigd door den gemeenzamen en gebiedenden toon van
den pelgrim. "Den Jood uit Rotherwood uitlaten," zeide hij, op den
elleboog leunende en hem vol argwaan aanziende, zonder zijn strooleger
te verlaten, "en hij wil met den pelgrim verder reizen?"

"Eerder had ik kunnen droomen," zeide Wamba, die op dit oogenblik
binnentrad, "dat hij zich met een zijde spek zou wegpakken."

"Wel," zeide Gurth, zijn hoofd weder op het houten blok leggende,
dat hem tot kussen diende, "Jood en Heiden moeten wachten, totdat de
groote poort opengaat--wij laten geene gasten op zulke ongeschikte
uren steelsgewijs vertrekken."

"En toch," hervatte de pelgrim op gebiedenden toon, "zult gij mij,
denk ik, deze gunst niet weigeren."

Bij deze woorden boog hij zich over het bed van den liggenden
zwijnenhoeder, en fluisterde hem iets in de Saksische taal in het
oor. Gurth vloog op als betooverd. De pelgrim gaf hem een wenk met
den vinger, voorzichtig te zijn, en voegde er bij: "Gurth, pas op, gij
placht vroeger voorzichtig te wezen.--Ik herhaal, doe het achterpoortje
open--weldra zult gij meer vernemen!"

Gurth gehoorzaamde met de meeste gedienstigheid, terwijl Wamba en de
Jood volgden, beiden even verbaasd over de plotselinge verandering
in het gedrag van den zwijnenhoeder.

"Mijn muilezel, mijn muilezel!" riep de Jood, zoodra ze buiten stonden.

"Haal hem zijn muilezel," zei de pelgrim, "en, hoor--bezorg mij
er ook één,--zoodat ik hem gezelschap houden kan tot hij uit deze
streken is. Ik zal het dier aan iemand uit Cedric's gevolg te Ashby
teruggeven. En gij"--het overige fluisterde hij Gurth in het oor.

"Dadelijk, dadelijk,--het zal geschieden!" antwoordde Gurth, en
vertrok onmiddellijk om den last te volbrengen.

"Ik wenschte wel te weten," zeide Wamba, toen zijn makker vertrokken
was, "wat gij, pelgrims, in het Heilige Land leert?"

"Onze gebeden opzeggen, nar," antwoordde de pelgrim, "onze zonden
betreuren, en onze lichamen kastijden door vasten, waken en lange
gebeden."

"En nog iets daarenboven," hernam de nar; "want hoe zouden boete en
gebed Gurth er toe kunnen bewegen, u eene beleefdheid te bewijzen;
of vasten en waken hem overhalen u een muilezel te leenen?--Gij
hadt even goed zijn zwarten, geliefkoosden beer van uw waken en
uw boetedoeningen kunnen vertellen, en gij zoudt een even beleefd
antwoord gekregen hebben."

"Loop, loop;" zei de pelgrim; "gij zijt maar een Saksische nar."

"Gij hebt gelijk," hervatte de nar; "het zou mijn geluk zijn als ik
een geboren Normandiër was, waarvoor ik u houd, en het zou weinig
schelen of ik werd een wijs man."

Intusschen verscheen Gurth met de muilezels aan de overzijde van de
gracht. De reizigers gingen die over door middel van een ophaalbrug van
slechts twee planken, wier breedte overeenkwam met die der achterpoort
en een opening in de buitenste palissade, welke toegang tot het bosch
verschafte. Nauwelijks hadden zij de muilezels bereikt, of de Jood
bevestigde met haastige en bevende handen achter op den zadel een
kleinen zak van blauw laken, dien hij onder den mantel uithaalde, en
die, zoo als hij bromde: "Kleeren, niets dan kleeren!" bevatte. Daarna
het dier met meer vlugheid en haast bestijgende, dan men van iemand
van zijn jaren zou verwacht hebben, verloor hij geen tijd, met de
slippen van zijn reismantel zóó te schikken, dat zij den last, welken
hij dus _en croupe_ met zich voerde, geheel en al bedekten.

De pelgrim steeg bedaarder op, en stak Gurth de hand tot afscheid toe,
welke hij met den grootsten eerbied kuste. De zwijnenhoeder staarde
de reizigers na, tot zij onder de boomen van het bosch verdwenen,
toen hij, door Wamba's stem, uit zijn gepeins opgewekt werd. "Weet
gij wel," zeide hij, "vriend Gurth, dat gij heden morgen bijzonder
beleefd en buitengemeen vroom zijt?--Ik wenschte, dat ik een deftige
Prior of barrevoetsche pelgrim ware, om gebruik te kunnen maken van
zulk een ongewonen ijver en beleefdheid;--zeker, ik zou mij met een
handkus niet tevreden stellen."

"Gij zijt toch zoo geheel gek niet, Wamba," antwoordde Gurth; "gij
oordeelt naar den schijn, wat de wijste van ons ook doet.--Maar het
is tijd naar onze bezigheden om te zien."

Dit zeggende, ging hij met den nar naar huis.

Intusschen vervolgden de reizigers hun weg met een haast, die een
gevolg was van de buitengemeene vrees van den Jood; menschen van zijn
jaren houden anders zelden veel van snelle beweging. De pelgrim,
wien ieder pad en uitweg van het bosch bekend schenen, geleidde
hem langs de afgelegenste wegen, en verwekte meer dan eens opnieuw
den achterdocht bij den Israëliet, dat hij hem in de eene of andere
hinderlaag van zijn vijanden wilde voeren.

Zijne vrees was ook inderdaad te verontschuldigen, want, den
vliegenden visch misschien uitgezonderd, was er geen geslacht op
aarde, in de lucht, of in het water, dat zoo het voorwerp bleef van
een onophoudelijke, algemeene en rustelooze vervolging, als de Joden,
in dit tijdvak. Onder de geringste en onredelijkste voorwendsels,
zoowel als op de meest ongerijmde en ongegronde beschuldigingen, werden
hunne personen en goederen bij iedere gelegenheid, der openlijke
woede prijs gegeven; want Normandiërs, Saksers, Denen en Britten,
hoezeer zij elkander onderling haatten, schenen er om te strijden,
wie met de meeste verachting op dit volk zou neerzien, dat het een
punt van godsdienst was, te haten, te onderdrukken, te verachten, te
plunderen en te vervolgen. De koningen van den Normandischen stam en de
onafhankelijke edelen, die hun voorbeeld in alle daden van dwingelandij
volgden, kwelden dit verdrukte volk op een meer geregelde, overlegde en
baatzuchtige wijze. Het is een wèlbekende geschiedenis van Koning Jan,
dat hij een rijken Jood in een der koninklijke kasteelen opsloot, en
hem alle dagen een tand liet uittrekken, totdat toen de kinnebakken van
den ongelukkigen Jood half ledig waren, hij er in toestemde, een groote
som te betalen, die de dwingeland van hem wilde afpersen. Het weinige
gereede geld, dat in het land was, bevond zich hoofdzakelijk in handen
van dit vervolgde volk, en de adel aarzelde niet het voorbeeld van den
Vorst te volgen, om het door allerlei onderdrukkingen en zelfs door
lichamelijke folteringen in zijn bezit te krijgen. Maar de volhardende
moed, door de hoop op winst ingegeven, spoorde de Joden aan, om de
veelvuldige kwellingen, waaraan zij blootgesteld waren, te verduren,
om de ontzaglijke schatten, die zij in een van natuur zoo rijk land als
Engeland, konden bijeen verzamelen. In weerwil van alle hinderpalen,
en zelfs van een hof van taxatie, de Joden-schatkamer genoemd,
alleen opgericht met oogmerk om hen te plunderen en te verdrukken,
stapelden de Joden onmetelijke sommen op, welke zij van de eene hand
in de andere lieten gaan door wisselbrieven, eene uitvinding, welke,
naar men zegt, de koophandel hun te danken heeft, en die hen in staat
stelde, hun rijkdommen van land tot land over te brengen; zoodat,
wanneer zij op de ééne plaats door de onderdrukking bedreigd werden,
zij hun schatten op een andere in veiligheid konden bergen.

De hardnekkigheid en gierigheid der Joden dus, in tegenoverstelling
van de dweepzucht en de dwingelandij van hen, onder wie zij leefden,
schenen, zoo te zeggen, te vermeerderen in evenredigheid met de
vervolging, waaraan zij blootgesteld werden; en terwijl de ontzaglijke
rijkdom, welken zij gewoonlijk in den handel verwierven, hen dikwijls
in gevaar bracht, werd die op andere tijden gebruikt, om hun invloed
uit te breiden, en hun een zekere mate van bescherming te bezorgen. Op
dezen voet leefden zij, en hun karakter, hiernaar gewijzigd, was
waakzaam, achterdochtig en vreesachtig--maar ook hardnekkig, slim en
behendig in het vermijden der gevaren, waaraan zij blootgesteld waren.

Nadat de reizigers door verscheidene zijpaden met de grootste
snelheid voortgereden waren, brak de pelgrim eindelijk het stilzwijgen
af. "Die groote vervallen eik," zeide hij, "maakt de grenspaal uit
van hetgeen Front-de-Boeuf zijn gebied noemt;--wij zijn verre van
dat van Malvoisin. Er is nu geen vervolging meer te duchten."

"Mogen de wielen van hun wagens afvallen," zei de Jood, "zooals die
van Farao's leger, opdat zij langzaam mogen rijden!--Maar verlaat mij
niet, goede pelgrim,--denk maar aan dien trotschen, wilden Tempelier
met zijne Saraceensche slaven;--zij zullen noch voor gebied, noch
voor heerlijkheid, noch voor heeren-rechten, eerbied hebben."

"Onze weg," hernam de pelgrim, "moet hier uiteen loopen; want het
past niet voor mannen van mijn stand en van den uwe, om langer samen
te reizen, dan noodig is. Buitendien, wat hulp zoudt gij van mij, een
vreedzamen pelgrim, tegen twee gewapende Heidenen kunnen verwachten?"

"O goede jongeling," antwoordde de Jood, "gij kunt mij verdedigen en
ik weet ook wel, dat gij zulks wilt. Hoe arm ik ook ben, zal ik het
u vergelden--niet met geld; want geld, zoo waar mij vader Abraham
helpen zal, heb ik niet--maar--"

"Ik heb u reeds gezegd," viel hem de pelgrim in de rede, "dat ik
geld, noch belooning van u begeer. Ik zal u geleiden en zelfs wel
verdedigen, dewijl het een Christen niet onwaardig kan gerekend worden,
een Jood tegen een Saraceen te beschermen. Derhalve, Jood, zal ik u,
eer ik u verlaat, onder veilige geleide zien. Wij zijn nu niet ver
van de stad Sheffield, waar gij licht velen van uw stam vinden zult,
bij wie gij toevlucht nemen kunt."

"Vader Jacob zegene u, goede jongeling!" zei de Jood; "in Sheffield
kan ik bij mijn bloedverwant Zareth eene schuilplaats vinden, en naar
middelen uitzien, om in veiligheid verder te reizen."

"Het zij zoo," hervatte de pelgrim; "te Sheffield zullen wij dus van
elkander scheiden, en na een half uur rijdens zullen wij de plaats
in het gezicht krijgen."

Dit half uur werd van beide zijden in volkomen stilte doorgebracht;
de pelgrim, het misschien beneden zich rekenende, om den Jood aan te
spreken, behalve in geval van volstrekte noodzakelijkheid; en de Jood
het niet wagende een man, wiens reis naar het Heilige Graf hem eene
zekere eerwaardigheid gaf, tot een gesprek te dwingen. Zij hielden
op den top van een zacht hellenden heuvel stil, en de pelgrim, op de
stad Sheffield wijzende, welke onder hen lag, herhaalde de woorden:
"Hier scheiden wij dus!"

"Niet, eer gij den dank van den armen Jood ontvangen hebt," zeide
Izaäk; "want ik durf u niet vragen, met mij bij mijn neef Zareth
te gaan, die mij misschien zou kunnen behulpzaam zijn, om uwe goede
diensten te beloonen."

"Ik heb u reeds gezegd," antwoordde de pelgrim, "dat ik geene belooning
begeer. Zoo gij onder de menigte uwer schuldenaars om mijnentwille de
gevangenis en boeien besparen wilt aan den een of anderen ongelukkigen
Christen, die in uw macht is, dan zal ik den dienst van dezen morgen
rijkelijk beloond rekenen."

"Wacht--wacht!" zeide de Jood, hem bij het kleed vattende, "ik wilde
gaarne iets meer doen, iets voor u zelven.--God weet het, dat ik een
arme Jood ben--ja, Izaäk is de bedelaar van zijn stam--maar vergeef
mij, als ik geraden heb, wat gij op dit oogenblik het vurigst begeert."

"Zoo gij goed raadt," hervatte de pelgrim, "dan kunt gij het mij toch
niet verschaffen; al waart gij zoo rijk, als gij zegt arm te zijn."

"Als ik zeg?" riep de Jood; "O! geloof mij, ik zeg niets dan de
zuivere waarheid; ik ben een uitgeplunderd, ongelukkig mensch, vol
schulden. Hardvochtige menschen hebben mij alles ontroofd; mijne
goederen, mijne schepen, mijn geld en alles, wat ik bezat.--En
toch kan ik u zeggen, wat gij wenscht, en mogelijk kan ik het u
ook verschaffen. Gij wenscht op dit oogenblik een paard en eene
wapenrusting."

De pelgrim schrikte en keerde zich plotseling tot den Jood. "Welke
booze geest heeft u dit doen raden?" vroeg hij haastig.

"Dat is onverschillig," antwoordde de Jood glimlachende, "maar
evengoed, als ik uwe begeerte kan raden, kan ik er aan voldoen."

"Maar bedenk," zeide de pelgrim, "mijn stand, mijn kleeding, mijne
gelofte."

"Ik ken u, Christenen," hervatte de Jood; "en ik weet, dat de edelsten
onder u den staf en de sandalen wel eens nemen, tot bijgeloovige boete,
en te voet gaan, om de graven van doode menschen te bezoeken."

"Laster niet, Jood!" zei de pelgrim streng.

"Vergeef mij!" hernam de Jood; "ik heb onbedachtzaam gesproken. Maar er
zijn u gisterenavond en hedenmorgen woorden ontvallen, die, evenals de
vonken uit een keisteen, het metaal, dat er binnen schuilt, verraden;
en in uw boezem zijn onder het pelgrimskleed een ridderketen en gouden
sporen verborgen. Zij glinsterden mij tegemoet, toen gij u hedenmorgen
over mijn bed boogt."

De pelgrim kon een glimlach niet bedwingen en zeide: "Zoo uw
kleederen door een even nieuwsgierig oog doorzocht werden, Izaäk,
welke ontdekkingen zou men dan niet kunnen doen?"

"Hier niet meer van!" hervatte de Jood, verbleekende; en schielijk zijn
schrijfgereedschap voor den dag halende, alsof hij het gesprek wilde
afbreken, begon hij iets op een stukje papier te schrijven, dat hij
op zijn gele muts legde, zonder van den muilezel af te stijgen. Toen
hij gedaan had, gaf hij het briefje, dat in het Hebreeuwsch geschreven
was, aan den pelgrim, en zeide: "In de stad Leicester kent ieder den
rijken Jood Kirjath Jairam uit Lombardije; geef hem dit briefje--hij
heeft zes Milaneesche wapenrustingen te koop; de minste daarvan zou
een gekroond hoofd waardig zijn--tien schoone paarden, waarvan het
slechtste goed genoeg ware voor een koning, al moest hij om zijn
troon strijden. Hieruit zal hij u de keur geven--met alles wat gij
voor het toernooi noodig hebt; als alles afgeloopen is, zult ge het
hem in goeden staat teruggeven--zoo gij geen geld genoeg hebt, om de
waarde daarvan aan den eigenaar te betalen."

"Maar Izaäk," zei de pelgrim glimlachende, "weet gij wel, dat in
die wapenspelen de wapenen en het paard van den ridder, die uit den
zadel gelicht wordt, het eigendom van den overwinnaar worden? En
ik kan ongelukkig zijn, en dus verliezen, wat ik teruggeven, noch
betalen kan."

De Jood scheen een weinig verschrikt over deze mogelijkheid, maar
weder moed vattende, hernam hij haastig: "Neen--neen--neen--het is
onmogelijk--ik kan dat niet denken. De zegen van onzen Vader zal op
u rusten. Uw lans zal machtig zijn, als de staf van Mozes!"

Na deze woorden wendde de Jood den kop van zijn muilezel om; toen de
pelgrim op zijn beurt hem bij den mantel vast hield en hem zeide: "Maar
waarlijk, Izaäk, ge kent al het gevaar niet. Het paard kan gedood,
en de wapenrusting beschadigd worden--want ik zal noch mijn paard,
noch mijn persoon sparen. Buitendien geven de lieden van uw stam
niets voor niet; er moet dus iets voor het gebruik betaald worden."

De Jood kromp op zijn zadel inéén, als iemand die een aanval van koliek
heeft; maar zijn beter gevoel zegevierde over de hem natuurlijke
denkwijze. "Het kan mij niet schelen," zeide hij, "het kan mij niet
schelen--laat mij gaan! Als er schade aan komt, zal het u niets
kosten--als er huurgeld voor wezen moet, zal Kirjath Jaïram u zulks
schenken ter liefde van zijn bloedverwant Izaäk.--Vaarwel!--Maar hoor
eens, goede jongeling," zeide hij, zich omkeerende, "waag u niet te
veel in het ijdele gewoel;--ik spreek niet uit vrees, dat het paard
of de wapenrusting letsel krijgen, maar om uw eigen leven en lichaam."

"Hartelijk dank voor uw zorg," hernam de pelgrim, weder glimlachende:
"Ik zal van uw dienstvaardigheid gebruik maken, en het moet erg met
mij afloopen, zoo ik die niet beloon."

Zij scheidden en namen verschillende wegen naar de stad Sheffield.



ZEVENDE HOOFDSTUK.


        De ridders togen op, gehuld in 't sierlijk wapen,
        Omringd door heel een stoet van dienende edelknapen;
        De één bond het helmsnoer vast; een ander hield de lans;
        Een derde bracht het schild, dat blonk van wondren glans.
        Het ros, vol ongeduld, aan 't brieschen, stampen, snuiven,
        Beschuimde 't fraai gebit en deed den bodem stuiven;
        De hoef- en wapensmids te paard, van hamers, leêr,
        Van vijlen rijk voorzien en spijkers, volgden 't heir;
        De schutters stonden voort gereed met boog en pijlen,
        Terwijl het boerenvolk met knuppels aan kwam ijlen.

                                                   Palamon en Arcite.


De toestand van het Engelsche [10] volk was in dit tijdperk vrij
ellendig. Koning Richard was afwezig en gevangen, in de macht van den
trouweloozen en wreeden Hertog van Oostenrijk. Zelfs was de plaats
van zijn gevangenschap, evenals zijn lot, onbekend aan de meesten
zijner onderdanen, die intusschen aan onderdrukkingen van allerlei
aard ten prooi waren.

Prins Jan, in verbond met Filips van Frankrijk, Richard's doodvijand,
gebruikte al zijn invloed bij den Hertog van Oostenrijk, om de
gevangenschap van zijn broeder Richard, wien hij zooveel verschuldigd
was, te verlengen. Intusschen versterkte hij zijn aanhang in het
koninkrijk, waarvan hij de troonsopvolging, in geval van des konings
dood, wilde betwisten aan den rechtmatigen erfgenaam, Arthur, Hertog
van Bretagne, zoon van Geoffroi Plantagenet, zijn ouderen broeder. Deze
overweldiging, gelijk bekend is, gelukte hem ook werkelijk op den
duur. Daar zijn eigen karakter sluw, slecht en trouweloos was, verbond
Jan gemakkelijk aan zijn persoon en aan zijne partij niet alleen hen,
die reden hadden Richard's toorn te vreezen, wegens hun gedrag in
zijne afwezigheid; maar ook de talrijke dappere vrijbuiters, welke van
de kruistochten in hun vaderland waren teruggekeerd, volleerd in de
ondeugden van het Oosten, arm aan goederen, verhard van karakter, en
die hunne hoop stelden op een nieuwen oogst in de burgerlijke onlusten.

Bij deze bronnen van algemeene ellende en vrees moet nog gevoegd
worden het groot getal van vogelvrijverklaarden, die, tot wanhoop
gedreven door de onderdrukking van den hoogen adel, en door de strenge
uitvoering der jachtwetten, zich in groote benden vereenigden, en,
bezit nemende van de bosschen en woeste streken, de gerechtigheid
en overheid van het land trotseerden. De edelen zelven, ieder binnen
zijn eigen kasteel verschanst, en den kleinen vorst over zijn gebied
spelende, waren de aanvoerders van benden, die nauwelijks minder
ongebonden, en tegelijk ergere onderdrukkers waren, dan de roovers van
beroep. Om deze volgelingen te onderhouden, met de buitensporigheid en
pracht, waartoe zij door hoogmoed gedreven werden, leende de adel geld
van de Joden op de meest woekerachtige renten, die aan hun goederen
knaagden, als een verterende kanker, die slechts dan te genezen was,
als zich de gelegenheid opdeed, om door de een of andere daad van
geweld zich van hunne schuldeischers te bevrijden.

Onder de verschillende soorten van rampen, uit dezen ongelukkigen
staat van zaken voortspruitende, leed het Engelsche volk toenmaals
veel, en had reden de toekomst nog meer te vreezen. Om de ellende
nog te vermeerderen, verspreidde zich eene besmettelijke ziekte van
gevaarlijken aard door het land; en, nog verergerd door de morsigheid,
het slechte voedsel en de ellendige woningen der geringere klassen,
maaide zij er duizenden van weg, wier lot de overlevenden benijdden,
daar het hen van verderen nood verloste.

Te midden echter van al deze rampen, gevoelden armen en rijken, het
gemeen en de adel, bij een toernooi, het groote volksfeest van dien
tijd, evenveel belangstelling, als de half uitgehongerde burger van
Madrid, die geen _reaal_ over heeft om brood voor zijn huisgezin te
koopen, gevoelt in den uitslag van een stieren-gevecht. Plicht noch
zwakheid konden jong en oud van zulke vertooningen terug houden. De
wapengang, zooals men het noemde, die plaats zou hebben te Ashby,
in het graafschap Leicester, had de algemeene aandacht getrokken,
daar kampvechters van den hoogsten roem, in tegenwoordigheid van
Prins Jan zelven, in het strijdperk zouden treden; en een ontzaglijke
toevloed van menschen van alle rangen spoedde zich op den bepaalden
morgen naar de plaats van den strijd.

Het tooneel was bijzonder schilderachtig. Op de grenzen van een bosch,
dat slechts een groot kwartier gaans van de stad Ashby verwijderd was,
bevond zich een uitgestrekte, schoone, groene weide, aan de eene
zijde door het woud, aan de andere door verspreid staande eiken,
waarvan eenigen ontzaglijk hoog waren, omgeven. De grond helde van
beide kanten langzaam af naar een vlakte, als voor het krijgsspel,
dat dáár plaats zou hebben, gemaakt. Het strijdperk was met sterke
palissaden ingesloten,--een vierde mijl lang, en half zoo breed. De
vorm was langwerpig vierkant, behalve de hoeken, die afgerond
waren, tot grooter gemak van de aanschouwers. De toegangen voor de
kampvechters waren aan het noorder en zuider einde van het strijdperk;
ze waren gesloten met sterke houten deuren, wijd genoeg om twee ruiters
naast elkander door te laten. Bij elke dezer poorten stonden twee
herauten en zes trompetters, evenzoo vele wapenboden, en een sterke,
gewapende wacht om de orde te houden, en om den rang der ridders te
onderzoeken, die aan dit krijgshaftig spel wilden deelnemen.

Op eene vlakte buiten den zuider ingang, gevormd door een natuurlijke
verhevenheid van den grond, waren vijf prachtige tenten opgeslagen,
versierd met donker roode en zwarte wimpels, de kleuren, welke de
vijf uitdagende ridders gekozen hadden. De touwen der tenten waren
van dezelfde kleur. Vóór iedere tent hing het schild van den ridder,
aan wien ze behoorde, en daarnaast stond zijn schildknaap, vermomd
als een wilde, of boschman, of in eenige andere zonderlinge kleeding,
volgens den smaak van zijn meester en de rol welke deze gedurende het
spel wilde aannemen [11]. De middelste tent, als de eereplaats, was
toegewezen aan Brian de Bois-Guilbert, wiens naam in alle ridderspelen,
niet minder dan zijne betrekking tot de ridders, welke dezen wapengang
ondernomen hadden, hem gereedelijk onder het getal der uitdagers,
en zelfs tot aanvoerder had doen aannemen, hoewel hij slechts sedert
korten tijd zich bij hen gevoegd had. Aan één kant van zijn tent was
die van Reginald Front-de-Boeuf en van Richard de Malvoisin, en aan den
anderen was de tent van Hugo de Grantmesnil, een edele uit de buurt,
wiens voorvader Opper-Ceremoniemeester van Engeland geweest was, ten
tijde van den Veroveraar en van zijn zoon, den Rooden Willem. Ralph de
Vipont, een ridder van St. Jan van Jeruzalem, die eenige bezittingen
had te Heather, nabij Ashby-de-la-Zouche, bezette de vijfde tent. Van
den ingang in het strijdperk leidde een langzaam oploopende weg,
tien el breed, naar de hooge vlakte, waarop de tenten stonden. Deze
was van beide kanten met palissaden omgeven, evenals de ruimte vóór
de tenten, en het geheel werd door gewapenden bewaakt.

De noordelijke toegang tot het strijdperk was een soortgelijke gang,
dertig voet breed, aan welks einde eene groote afgesloten plaats
was voor die ridders, die geneigd mochten zijn den strijd tegen de
uitdagers te wagen; dáár stonden ook tenten, met ververschingen van
allerlei aard gereed; met wapen- en hoefsmeden en andere bedienden,
bereid om hun diensten te bewijzen, overal waar ze noodzakelijk
mochten zijn.

De buitenkant van het strijdperk was gedeeltelijk bezet met galerijen,
voorzien met tapijten en zittingen voor die dames, ridders en edelen,
welke bij het toernooi verwacht werden. Eene kleine ruimte tusschen
deze galerijen en het strijdperk was bestemd voor de pachters en
landlieden en de toeschouwers, die niet geheel tot het gemeen
behoorden, en welke met de "_parterre_" in onze hedendaagsche
schouwburgen kunnen vergeleken worden. De groote menigte zette zich
op groote zodenbanken, die voor dat doel waren opgericht, en die door
de natuurlijke verhevenheid van den grond hen in staat stelden, over
de galerijen heen te zien, en een goed gezicht op het strijdperk te
krijgen. Behalve deze plaatsen, hadden reeds honderden op de takken
der boomen, welke de weide omringden, plaats genomen, en zelfs de
toren van een niet ver afgelegen dorpskerk was met toeschouwers bezet.

Er blijft nog slechts over, ten opzichte van de geheele inrichting
op te merken, dat eene hoogere galerij in het middelpunt van de
oostelijke zijde van het strijdperk, en dus vlak tegenover de plaats,
waar de strijders elkander ontmoeten moesten, opgericht was, die rijker
versierd, en onderscheiden was door een soort van troonhemel, waarop
het koninklijke wapen prijkte. Schildknapen, pages en trawanten in
rijke kleeding stonden rondom die eereplaats, welke bestemd was voor
Prins Jan en zijn gevolg. Tegenover deze koninklijke galerij, aan den
westkant, bevond zich eene andere, even hoog, en bonter, schoon minder
prachtig versierd, dan die van den Prins zelven. Een menigte pages
en jonge meisjes van uitstekende schoonheid, groen en rood gekleed,
omringden dien troon welke met dezelfde kleuren versierd was.

Onder de wimpels en vlaggen, beschilderd met gewonde, brandende en
bloedende harten, bogen en pijlkokers en al de bekende zinnebeelden
van de zegepralen van Cupido, viel een opschrift in het oog, dat de
toeschouwers onderrichtte, dat deze de eereplaats was van _La Royne de
la Beautté et des Amours_. Maar wie dit zijn zou, kon niemand gissen.

Langzamerhand stroomden toeschouwers van allen aard toe, om hunne
verschillende plaatsen in te nemen, niet zonder vele twisten over die,
waarop zij recht hadden. Eenige van deze geschillen werden zonder
veel omslag door de gewapenden beslist, daar zij de grepen van hunne
heirbijlen en de gevesten van hunne sabels vaardig gebruikten, als
bewijsredenen, om de hardnekkigsten te overtuigen. Andere twisten,
die tusschen personen van hoogeren rang bestonden, werden beslist door
de herauten, of door de twee Wapen-Maarschalken, Willem de Wyvil en
Steven de Martival, die gewapend in het strijdperk op en neder reden,
om de goede orde onder de toeschouwers te bewaren.

Allengs vulden zich de galerijen met ridders en edelen in feestgewaad;
hunne lange en rijk gekleurde mantels staken zeer af bij de meer bonte
en prachtige kleeding der vrouwen, die, zelfs in grooter getal dan de
mannen, elkander verdrongen, om een schouwspel te zien, dat te bloedig
en te gevaarlijk scheen, om haar veel genoegen te kunnen verschaffen.

De benedenste en binnenste ruimte was weldra opgevuld met
gegoede landlieden, burgers en diegenen van minderen adel, die uit
bescheidenheid, armoede, of wegens betwiste rechten, geene hoogere
plaats durfden innemen. Het is natuurlijk, dat onder deze klasse de
meeste oneenigheid over den voorrang plaats had.

"Ongeloovige hond!" riep een oud man, wiens versleten mantel zijn
armoede te kennen gaf, terwijl zijn zwaard, zijn dolk en zijn gouden
ketting zijn aanspraak op hoogen rang bewezen;--"Roofdier! durft gij
tegen een Christen aandringen, en nog wel tegen een Normandischen
edelman van het geslacht der Montdidiers?"

Deze ruwe aanspraak was tot niemand anders gericht dan tot onzen
kennis Izaäk, die, rijk en zelfs prachtig gekleed, in een mantel
met kant omzet en met bont gevoerd, trachtte plaats te maken in de
voorste rij onder de galerij voor zijne dochter, de schoone Rebekka,
die te Ashby bij hem gekomen was, en nu aan den arm van haren vader
hing, niet weinig verschrikt over het misnoegen, dat algemeen door
haar vaders vermetelheid verwekt werd. Maar Izaäk, dien wij bij
een andere gelegenheid zoo vreesachtig gezien hebben, wist wel, dat
hij nu niets te duchten had. Het was niet op plaatsen van openbare
vermakelijkheden, of waar huns gelijken vergaderd waren, dat eenig
geldgierige of kwaadaardige edelman hem durfde aanvallen. Bij zulke
gelegenheden waren de Joden onder de bescherming van de algemeene
wet; en al was deze maar zwak, dan waren er gewoonlijk onder den
vergaderden hoop eenige edelen, die uit eigenbelang gereed waren,
als hun beschermers op te treden. Bij de tegenwoordige gelegenheid
gevoelde Izaäk zich meer dan gewoon gerust, daar hij wist, dat Prins
Jan bezig was eene groote leening bij de Joden van York te heffen,
door het verpanden van zekere juweelen en landerijen. Izaäk's eigen
deel in dezen handel was groot; en hij wist wel, dat de Prins, die
vurig verlangde, de zaak ten einde te brengen, hem zijne bescherming
zou verleenen in de verlegenheid, waarin hij zich nu bevond.

Overmoedig door deze overweging, vervolgde de Jood zijn doel, en
stiet den Normandischen Christen op zijde, zonder achting voor zijne
afkomst, zijn rang of zijn godsdienst. De klachten van den ouden man
verwekten intusschen de verontwaardiging der menschen. Één daarvan,
een sterk, gespierd jager, donker groen gekleed, met twaalf pijlen
in den koker, met een zilveren koppel en een zes voet langen boog in
de hand, keerde zich om; en terwijl zijn gelaat, dat door gedurig aan
het weêr blootgesteld te zijn, bruin geworden was als een hazelnoot,
van toorn gloeide, ried hij den Jood aan, zich te herinneren, dat
al de rijkdom, welken hij door het uitzuigen van zijn ongelukkige
slachtoffers verworven had, hem slechts als een kruisspin had doen
opzwellen, welke men over het hoofd zou kunnen zien, zoolang ze in
een hoek schuilde, maar die verpletterd zou worden, zoodra zij waagde
voor den dag te komen. Dit verwijt in het Normandisch-Saksisch, met
vaste stem en ernstigen blik gedaan, deed den Jood achteruit deinzen,
en hij zou zich waarschijnlijk geheel uit eene zoo gevaarlijke buurt
verwijderd hebben, ware niet plotseling ieders aandacht gevestigd
geworden op de verschijning van Prins Jan, die op dit oogenblik het
strijdperk binnen reed, vergezeld van een talrijk en bont gevolg,
gedeeltelijk uit leeken, gedeeltelijk uit geestelijken bestaande;
dezen even wereldsch in hunne kleeding en luchtig in hun gedrag,
als hunne metgezellen. Onder de laatsten bevond zich de Prior van
Jorvaulx, in het prachtigste gewaad, dat zijn geestelijke waardigheid
toeliet. Bontwerk en goud waren niet aan zijn kleederen gespaard;
en de punten van zijn laarzen, de bespottelijke mode van den tijd
overdrijvende, staken zoo hoog naar boven, dat zij niet slechts
tot aan de knieën, maar zelfs tot aan den gordel kwamen, en hem
inderdaad beletten, den voet in den stijgbeugel te zetten. Dit was
echter slechts een gering ongemak voor den dapperen abt, die zich
misschien verheugde gelegenheid te hebben, zijne kunst in het rijden,
voor zoo vele toeschouwers, en voornamelijk voor zoo vele van het
schoone geslacht, ten toon te spreiden. Het overige gevolg van Prins
Jan bestond uit de begunstigde aanvoerders van zijne huurlingen,
eenige van roof levende edelen en ledigloopende hovelingen, met
verscheidene Tempeliers en Johanniter-ridders.

Men moet hier opmerken, dat de ridders van deze orden voor vijanden
van Koning Richard gehouden werden, daar zij de partij van Filips van
Frankrijk gekozen hadden, in de lange twisten tusschen dezen vorst en
Richard Leeuwenhart. Het is bekend, dat door deze tweedracht Richard's
herhaalde overwinningen verijdeld, zijne avontuurlijke pogingen om
Jeruzalem te belegeren, teleurgesteld werden, en dat de vrucht van
al den roem, dien hij verworven had, zich bepaalde tot eene onzekere
wapenstilstand met den Sultan Saladin. Uit dezelfde staatkunde, welke
het gedrag hunner broederen in het Heilige Land bestierd had, verbonden
zich de Tempeliers en Hospitaalridders in Engeland en Normandië met de
partij van Prins Jan, daar zij weinig reden hadden te verlangen naar
Richard's terugkomst, of naar de opvolging van Arthur, zijn wettigen
erfgenaam. Daarentegen haatte en verachtte Prins Jan de weinige
aanzienlijke Saksische geslachten, die nog in Engeland bestonden, en
hij liet geene gelegenheid voorbijgaan, ze te kwetsen en te hoonen,
omdat het hem bewust was, dat zijn persoon en zijne eischen hun
mishaagden, zoowel als aan het grootste gedeelte van het Engelsche
volk, dat verdere inbreuken op zijne rechten en vrijheden vreesde
van een vorst met zulk een losbandig en tiranniek karakter als Jan.

Vergezeld van zijn bont gevolg, en zelf prachtig in karmozijn en goud
gekleed, een valk op de hand dragende, het hoofd bedekt met een rijke
muts van bont, versierd met een rand van edelgesteenten, waaronder
zijn lang gekruld haar te voorschijn kwam, dat tot op zijn schouders
hing, galoppeerde Prins Jan op een schimmel door het strijdperk aan
het hoofd van den bonten stoet, met zijne vrienden lachende, en met
al de stoutheid van een koninklijken kenner de schoonen beschouwende,
welke de hooge galerijen bezetten.

Zij, die in het gelaat van den Prins eene losbandige stoutheid,
met overdreven hoogmoed en onverschilligheid voor de gevoelens van
anderen vermengd, bespeurden, konden echter niet ontkennen, dat er
een zekere aanvalligheid op lag, die, eigen aan open, welgevormde
trekken, kunstmatig aan de regels van uiterlijke beleefdheid gewend,
echter in zooverre edel en oprecht zijn, dat zij buiten staat
schijnen, de natuurlijke gemoedsaandoeningen te verbergen. Zulk eene
gelaatsuitdrukking wordt dikwijls verkeerd voor manhaftig vrijmoedig
gehouden, daar ze, inderdaad, slechts voortspruit uit de zorgelooze
onverschilligheid van een losbandig karakter, uit de bewustheid van
hooge geboorte, van rijkdom, of eenige andere toevallige voordeelen,
die in het geheel niet van persoonlijke verdiensten afhangen. Voor
hen, die niet zoo diep dachten, en niet één uit honderd deed dit, was
de pracht van des Prinsen _rheno_ (d. i. pelskraag), van zijn mantel
met het kostbaarste hermelijn omzet, van zijn marokijnen laarzen en
gouden sporen, tegelijk met de bevalligheid, waarmede hij zijn paard
in bedwang hield, voldoende, om hem met een luid vreugdegejuich te
doen ontvangen.

Gedurende zijn feestelijken tocht door het strijdperk, werd de
aandacht van den Prins getrokken door de opschudding, welke het
eerzuchtige streven van den Jood Izaäk naar eene hoogere zitplaats
veroorzaakte. Het scherpe oog van Prins Jan herkende den Jood terstond,
maar werd veel aangenamer aangetrokken door de schoone dochter van
Sion, die, verschrikt door het oproer, zich dicht aan haar ouden
vader klemde.

De gedaante van Rebekka kon werkelijk vergeleken worden bij de eerste
schoonheden van Engeland, zelfs als die had moeten beoordeeld worden
door een zoo fijnen kenner als Prins Jan. Haar leest was buitengemeen
schoon, en kwam op het voordeeligst uit door een soort van Oostersche
kleeding, die zij volgens het gebruik der vrouwen van haar natie
droeg. Haar tulband, van gele zijde, paste goed bij haar donkere
gelaatskleur. Het vuur harer oogen, de heerlijk gebogen wenkbrauwen, de
fijn gevormde haviksneus, parelwitte tanden, en zwaar zwart haar, dat
in fijne, krullende lokken op den blanken hals en boezem vielen, voor
zooverre een doek van de kostbaarste Perzische zijde, met bloemen in
natuurlijke kleuren op een purpergrond gewerkt, ze niet bedekte,--dit
alles verhoogde de bekoorlijkheden, welke niet overtroffen werden
door die der schoonste meisjes, welke haar omringden. Het moet gezegd
worden dat de drie bovenste gouden en met paarlen bezette lissen, die
haar kleed van den hals tot aan den gordel sloten, wegens de groote
warmte waren opengelaten, hetgeen haar schoone gestalte des te meer
zichtbaar maakte. Een diamanten halssnoer van onschatbare waarde
viel op deze wijze ook in 't oog. Een struisveder, aan den tulband
vastgemaakt met een diamanten haak, was nog een onderscheidingsteeken
der schoone Jodin, waarover de trotsche dames, die boven haar zaten,
spotten en lachten, terwijl zij haar in stilte benijdden.

"Bij den kalen schedel van Abraham," zei Prins Jan, "die Jodin dáár is
waarlijk het model van die volmaakte schoonheid, wier bekoorlijkheden
den wijsten Koning, die ooit geleefd heeft, tot waanzin brachten. Wat
zegt gij er van, Prior Aymer?--Bij den Tempel, welken mijn wijze
broeder Richard niet in staat was te herwinnen, zij is de ware bruid
uit het Hooge Lied!"

"De roos van Saron en de lelie der dalen," antwoordde de Prior
fluisterend; "maar uw Hoogheid moet niet vergeten, dat het slechts
eene Jodin is!"

"Ach!" voegde Prins Jan er bij, zonder op dezen raad te letten,
"en daar is mijn zondige Mammon ook;--de Markies van de Goudmijn,
Baron van de Beurs, die met arme duivels, wier afgesleten mantels
toonen, dat zij geen penning in den zak dragen, om hun lompen bij
elkander te houden, om een plaats twist. Bij den heiligen Markus, mijn
woekervorst zal met zijne bekoorlijke Jodin eene plaats in de galerij
hebben.--Izaäk! wie is die Oostersche Houri, die gij even vast onder uw
arm houdt, alsof zij eene geldkist was;--is het uw vrouw of dochter?"

"Mijne dochter Rebekka, tot uwer Hoogheids dienst," antwoordde
Izaäk, met eene diepe buiging, geheel niet verlegen over den groet
van den Prins, ofschoon daarin evenveel spotternij als beleefdheid
lag opgesloten.

"Des te beter voor u!" riep Jan met een schaterend gelach, dat bij zijn
vroolijk gevolg in alle onderdanigheid aanstekelijk scheen. "Maar,
dochter of vrouw, aan haar moet de voorrang gegeven worden, die aan
hare schoonheid en uwe verdiensten toekomt.--Wie zit daar boven?" ging
hij voort, zijn oog op de galerij richtende. "Saksische boeren op
hun gemak uitgestrekt;--weg met hen!--laat ze maar wat opschikken, en
ruimte maken voor mijn woekervorst en zijne beminnelijke dochter. Ik
zal hun leeren, de eerste plaatsen der Synagoge te deelen met hen,
aan wie de Synagoge eigenlijk behoort."

Zij, die de galerij bezetten, en tot wie deze onbeleefde en
beleedigende taal gericht was, waren het gezin van Cedric den
Sakser, met dat van zijn bloedverwant Athelstane van Coningsburgh,
een man, die, wegens zijne afkomst van den laatsten Saksischen vorst
in Engeland, bij alle Saksische inboorlingen van het noorden van
Engeland in de grootste achting stond. Maar met het bloed van dezen
ouden koninklijken stam waren vele van diens zwakheden op Athelstane
overgegaan. Hij had een schoon gelaat, was zwaar en sterk van lichaam,
en in den bloei zijner jaren, maar had geene levendigheid in zijn
uiterlijk; zijne oogen waren zonder uitdrukking; hij was langzaam in
zijne bewegingen, en zoo traag in zijne besluiten, dat men hem den
scheldnaam van een zijner voorouders gaf, en hij dikwijls Athelstane
de Besluitelooze genoemd werd. Zijne vrienden,--en hij had er velen,
die, evenals Cedric, vurig aan hem verkleefd waren,--geloofden,
dat dit traag karakter niet uit gebrek aan moed, maar uit loutere
besluiteloosheid voortsproot; anderen beweerden, dat de geërfde ondeugd
der dronkenschap zijn bovendien niet zeer scherp vernuft verstompt had,
en dat de geduldige moed en zachte goedaardigheid, welke overbleven,
slechts de overblijfsels van een karakter waren, dat uitstekend had
kunnen worden, maar waarvan alle degelijke eigenschappen in een lange
reeks der ergste uitspattingen waren verloren geraakt.

Het was tot dezen man, dien wij nu beschreven hebben, dat de
Prins het stoute bevel richtte, om plaats te maken voor Izaäk en
Rebekka. Athelstane, geheel uit het veld geslagen door een bevel,
dat volgens de zeden en gevoelens dier tijden zeer beleedigend was,
wilde niet gehoorzamen; maar niet wetende hoe zich te houden, verzette
hij zich slechts door de _vis inertiae_, tegen den wil van den Prins;
en zonder de minste beweging te maken, om hem te gehoorzamen, opende
hij de groote grauwe oogen, en staarde den Prins aan met een verbazing,
die iets zeer belachelijks had. Maar de ongeduldige Prins beschouwde
het niet uit dit oogpunt. "Het Saksische zwijn," zeide hij, "slaapt,
of stoort zich niet aan hetgeen ik zeg.--Geef hem eventjes een prik
met uw lans, De Bracy," vervolgde hij tot een ridder, die naast
hem reed en die aanvoerder was van een hoop Condottieri, dat is,
huurlingen, die tot geen bijzondere natie behoorden, maar aan iederen
vorst gehecht waren, die hen betalen wilde. Er ontstond een gemor,
zelfs onder het gevolg van Prins Jan; maar De Bracy, wiens beroep
hem voor alle schroomvalligheid bewaarde, strekte zijn lange lans
uit over de ruimte, die de galerij van het strijdperk scheidde,
en zou het bevel van den Prins ten uitvoer gebracht hebben, zelfs
eer Athelstane de Besluitelooze genoeg tegenwoordigheid van geest
gevonden had, om voor den stoot te wijken, had niet Cedric, die even
vurig als zijn metgezel traag was, met de snelheid van den bliksem
zijn kort zwaard getrokken, en met één slag de punt van de lans er
afgeslagen. De toorn kleurde de wangen van Prins Jan; hij uitte een
geweldigen vloek, en was op het punt eene even geweldige bedreiging
te laten volgen, toen hij in zijn voornemen belet werd, gedeeltelijk
door zijn eigen gevolg, dat zich rond hem verdrong en hem smeekte te
bedaren, gedeeltelijk door de algemeene, luide toejuiching van het
volk, over het moedige gedrag van Cedric. De Prins sloeg de oogen
vol verontwaardiging in het rond, alsof hij een zeker en gemakkelijk
slachtoffer zoeken wilde; en bij toeval den vasten blik van den reeds
gemelden boogschutter ontmoetende, die in zijn goedkeurende houding
scheen te willen volharden, in weerwil van den toornigen blik van
den Prins, vroeg hij hem de reden van zijn luid gejuich.

"Ik roep altijd bravo," zei de schutter, "als ik een goed schot of
een krachtigen houw zie!"

"Zoo?" antwoordde de Prins; "dan kunt gij zeker het wit ook wel
treffen, wed ik?"

"Ja," hervatte de schutter, "jagers wit op jagers afstand kan ik
treffen."

"En Tyrrels wit op honderd el afstand!" [12] riep eene stem achter hem,
zonder dat men onderscheiden kon, van wien die kwam.

Deze toespeling op het lot van den Rooden Willem, een zijner
voorouders, vertoornde en verontrustte Prins Jan te gelijk. Hij
vergenoegde zich echter met den gewapenden, die het strijdperk
omringden te bevelen, een wakend oog te houden op dezen snoever,
zooals hij den schutter noemde. "Bij St. Griselda," voegde hij er bij,
"wij zullen de bekwaamheid van hem beproeven, die zoo bij de hand is,
om de daden van anderen te prijzen."

"Ik zal mij niet aan de proef onttrekken!" hernam de schutter met
een bedaardheid, die zijn vast karakter te kennen gaf.

"Intusschen staat op, gij Saksische boeren," riep de driftige Prins;
"want bij het licht des hemels, zoo waar ik het gezegd heb, zal ook
de Jood bij u zitten!"

"Geenszins, met verlof van uw Hoogheid; het past voor onzes gelijken
niet, onder de beheerschers van het land te zitten!" zei de Jood,
wiens eerzucht hem den voorrang wel deed betwisten aan den uitgeteerden
en verarmden afstammeling der Montdidiers, maar die het niet waagde,
zich aan de rijke Saksers op te dringen.

"Naar boven, ongeloovige hond, als ik het u beveel!" zeide Prins Jan,
"of ik laat uw zwarte huid afvillen en tot een zadeldek bereiden."

Dus voortgedreven, begon de Jood de steile en nauwe trap op te klimmen,
die naar de galerij geleidde.

"Laat mij zien, wie hem durft tegenhouden," zei de Prins, het oog op
Cedric vestigende, wiens houding te kennen gaf, dat hij voornemens
was den Jood hals over kop naar beneden te werpen.

Dit werd verhinderd door Wamba, die tusschen zijn meester en Izaäk
sprong, en tot antwoord op des Prinsen uitdaging uitriep: "Voorwaar,
dat zal ik doen!" Hierop hield hij den Jood een stuk gerookt spek
als een schild tegemoet, dat hij van onder den mantel uit haalde,
en waarmede hij zich zonder twijfel voorzien had, uit vrees, dat
het toernooi langer mocht duren, dan zijn honger hem vergunde te
wachten. Den afschrik van zijn stam zoo dicht bij zijn neus ruikende,
terwijl de nar te gelijk zijn houten zwaard boven zijn hoofd zwaaide,
week de Jood achteruit, gleed en viel den trap af, tot groot vermaak
der toeschouwers, die in een luid gelach uitbarstten, waaraan Prins
Jan en zijn gevolg hartelijk deel namen.

"Geef mij den prijs, neef Prins," zeide Wamba; "ik heb mijn vijand in
den eerlijken strijd met schild en zwaard overwonnen!" Dit zeggende,
zwaaide hij het spek met de eene hand en het houten zwaard met
de andere.

"Wie en van waar zijt gij, edele strijder?" vroeg Prins Jan, steeds
lachende.

"Een nar van afkomst," antwoordde Wamba. "Ik ben Wamba, de zoon
van Weetniet, die de zoon was van Warhoofd, die de zoon was van
een Raadsheer."

"Maakt plaats voor den Jood in de voorste rij van den ondersten kring,"
zei Prins Jan, niet ontevreden misschien, een voorwendsel te vinden,
om van zijn eerste voornemen te kunnen afzien; "den overwonnene naast
den overwinnaar te plaatsen, ware tegen de wetten der ridderschap!"

"De schelm naast den nar zou nog erger zijn," hernam Wamba, "en de
Jood naast den ham het ergste van alles."

"Gij hebt gelijk, vriend!" riep Prins Jan; "gij bevalt mij.--Hier,
Izaäk! leen mij een handvol daalders."

Terwijl de Jood, verschrikt over dezen eisch, niet durvende weigeren
en ongaarne gehoorzamende, in den pelszak tastte, welke aan zijn
gordel hing, en misschien onderzocht, hoe weinig stuks voor een
handvol zouden kunnen doorgaan, bukte zich de Prins naar hem toe,
en maakte een einde aan Izaäk's onzekerheid, door den zak van zijn
zijde te scheuren; en Wamba een paar van de goudstukken, die er zich
in bevonden, toewerpende, galoppeerde hij het strijdperk rond, den
Jood aan het gelach der omstanders prijs gevende, terwijl hij zelf
evenzeer door de aanschouwers toegejuicht werd, alsof hij een edele,
eervolle daad verricht had.



ACHTSTE HOOFDSTUK.


        Het luid trompetgeschal heeft strijders uitgedaagd,
        Beantwoord weêr door hen, dien d' eedle kamp behaagt.
        De daverende klank vervult de lucht en dreven;
        En 't ros gespoord, 't vizier gesloten, rukken ze aan
        Van d' open slagboom naar het midden van de baan,
        Met uitgestrekte lans, of helmwaarts opgeheven.

                                                Palamon en Arcite.


Midden in zijn rit hield Prins Jan op eens stil en, den Prior van
Jorvaulx roepende, verklaarde hij, de voornaamste zaak van den dag
verzuimd te hebben.

"Zoo waar ik leef, Prior!" zeide hij, "wij hebben vergeten de Koningin
der Liefde en Schoonheid te benoemen, door wier blanke hand de prijs
der overwinning moet uitgedeeld worden. Wat mij betreft, ik ben niet
bekrompen in mijne wijze van denken, en maak geene zwarigheid mijn
stem aan de zwart-oogige Rebekka te geven."

"Heilige Maagd!" antwoordde de Prior, de oogen met afschrik afkeerende,
"eene Jodin!--Wij verdienden uit het strijdperk gesteenigd te worden,
en ik ben nog niet oud genoeg, om een martelaar te worden. Buitendien
zweer ik bij mijn beschermheilige, dat zij in schoonheid voor de
beminnelijke Saksische Jonkvrouw Rowena verre moet onderdoen."

"Sakser of Jood, hond of zwijn," hervatte de Prins, "wat verschil
is daar tusschen? Ik herhaal het, ik benoem Rebekka, al ware het ook
alleen, om die Saksische lummels te ergeren!"

Er verhief zich een gemor, zelfs onder diegenen, die hem onmiddellijk
omringden.

"Dit heet de scherts te ver drijven, Heer!" zeide De Bracy. "Geen
ridder zal hier een lans breken, als men de vergadering zulk een
schimp aandoet."

"Het zou eene moedwillige beleediging zijn," zeide Waldemar Fitzurse,
een der oudsten uit het gevolg van Prins Jan, "en zoo uwe Hoogheid
daarbij volhardt, kan het niet anders dan schadelijk voor uwe
ontwerpen zijn."

"Mijnheer, ik hield u voor mijn volgeling en niet voor mijn raadsman,"
zei Jan, trotsch zijn paard doende stil staan.

"Zij, die uw Hoogheid op de paden volgen, welke zij bewandelt," zeide
Waldemar op zachten toon, "verkrijgen het recht van raadslieden;
want uw belang en uw veiligheid zijn er niet meer mede gemoeid,
dan de hunne!"

Uit den toon, waarop dit gezegd werd, zag Jan de noodzakelijkheid
in van te moeten toegeven. "Ik schertste slechts," hernam hij, "en
gij valt op mij aan, als even zoovele adders. Noemt wie gij wilt, in
's duivels naam, en volgt uw eigen zin."

"Neen, neen," zei de Bracy, "laat den troon der Koningin onbezet,
totdat de overwinnaar zal benoemd worden, en laat hem dan de dame
kiezen, welke dien zal beklimmen. Dit zal aan zijn zegepraal eene
dubbele waarde geven, en de schoone vrouwen leeren, de liefde der
dappere ridders op prijs te stellen, die haar tot zulk eene eereplaats
verheffen kunnen."

"Als Brian de Bois-Guilbert den prijs wint," zei de Prior, "dan wil ik
mijn rozekrans verwedden, dat ik de Koningin van Liefde en Schoonheid
noemen kan."

"De Bois-Guilbert," antwoordde De Bracy, "is een dapper ridder; maar
er zijn anderen in dit strijdperk, Heer Prior, die niet vreezen,
de kans tegen hem te wagen."

"Stil, Heeren," zeide Waldemar, "en laat den Prins zijne plaats
innemen. De ridders en toeschouwers zijn even ongeduldig; het is hoog
tijd, dat het spel een aanvang neme."

Ofschoon Prins Jan nog geen koning was, zoo had hij toch van Waldemar
Fitzurse al den last van een eersten minister, die zijn vorst altijd
op zijne eigene wijze dienen moet. De Prins gaf ook nu toe, schoon
hij van karakter eigenzinnig was in kleinigheden; en, nadat hij zijn
troon had ingenomen en zijn gevolg zich om hem geschaard had, gaf
hij een teeken aan de herauten om de toernooiwetten te verkondigen,
die in 't kort van den volgenden inhoud waren:

_Vooreerst_: de vijf uitdagers namen het tegen allen op, die zich
aanboden.

_Ten tweede_: ieder ridder, die begeerde te strijden, kon, als hij
wilde, eene bijzondere tegenpartij onder de uitdagers uitkiezen,
door zijn schild met de lans aan te raken. Indien hij zulks met de
omgekeerde lans deed, dan moest het gevecht plaats hebben met de
wapenen van _courtoisie_, dat is, met lansen, aan welker einde een
rond stuk hout bevestigd was, zoodat er geen gevaar bij was, behalve
door den schok der paarden en ruiters. Maar zoo het schild aangeraakt
werd met de scherpe punt der lans, dan moest het gevecht _à outrance_
plaats hebben, dat is, de ridders moesten met scherpe wapenen strijden,
evenals in een wezenlijk gevecht.

_Ten derde_: wanneer de tegenwoordig zijnde ridders hunne gelofte
volbracht hadden, om ieder vijf lansen te breken, zou de Prins
den overwinnaar op den eersten toernooidag benoemen, die tot prijs
een strijdpaard van uitgezochte schoonheid en weergalooze sterkte
zou hebben; en tot bijgift bij deze belooning van zijn dapperheid,
zou hij nog de bijzondere eer genieten, de Koningin der Liefde en
Schoonheid te benoemen, die den volgenden dag den prijs zou uitdeelen.

_Ten vierde_: werd er bekend gemaakt, dat er op den tweeden dag
een algemeen toernooi zou plaats hebben, waaraan alle tegenwoordig
zijnde ridders, welke begeerig mochten zijn een prijs te winnen, deel
konden nemen. Zij zouden in twee gelijke partijen verdeeld worden en
manhaftig strijden, totdat Prins Jan een teeken zou geven, om het
gevecht te eindigen. De verkozen Koningin der Liefde en Schoonheid
zou dan den ridder, welken de Prins zou aanwijzen, als zich op dezen
tweeden dag het dapperste te hebben gedragen, beloonen met een kroon
van dunne goudplaten, in den vorm van een lauwerkrans. Op dezen
tweeden dag eindigden de ridderspelen; maar den daarop volgenden,
zouden er schijfschieten, stierengevechten en andere volksvermaken
voor de onmiddellijke deelneming van het gemeen plaats hebben. Op
deze wijze poogde Prins Jan den grond te leggen tot een volksgunst,
welke hij altijd weder verspeelde door eenigen onbezonnen aanval op
de gevoelens en vooroordeelen van de menigte.

Het strijdperk vertoonde nu een allerprachtigst schouwspel. De zich
langzaam verheffende galerijen waren opgevuld met al wat edel,
groot, rijk en schoon was in het noorden en midden van Engeland;
en het contrast van de verschillende kleedingen der aanzienlijke
toeschouwers maakte het tooneel even bont als rijk: terwijl de
binnenste en lagere ruimte, met de gegoede burgers en landlieden van
het gelukkige Engeland gevuld, in hunne eenvoudige kleederdracht,
een donkeren rand rondom dat prachtige borduursel vormden, terwijl
zij de pracht daarvan te gelijk afwisselden en verhoogden.

De herauten eindigden hun afkondiging met hun gewoon geroep van:
"_Largesse_, _largesse_, dappere ridders!" en goud- en zilverstukken
werden hun van de galerijen toegeworpen, daar het een voornaam punt
der ridderschap was, milddadigheid te toonen jegens hen, welke
men toen tegelijk voor de verkondigers en geschiedschrijvers der
eer hield. De mildheid der toeschouwers werd erkend door het gewoon
geschreeuw van: "Liefde der dames!--Dood van de strijders!--Eer voor
de edelmoedigen!--Roem voor de dapperen!" waarbij de groote menigte
haar gejuich, en een talrijke hoop trompetters het geschal van hun
instrumenten voegden. Toen dit gedruisch gedaan was, verwijderden de
herauten zich in bonten en schitterenden optocht uit het strijdperk,
waarin geen mensch bleef dan de beide maarschalken, die, van
top tot teen gewapend, en onbeweeglijk als standbeelden, aan de
tegenovergestelde einden van het strijdperk te paard zaten. Intusschen
was de geheele afgesloten ruimte aan het noordereinde van het
strijdperk, hoe groot die ook was, met ridders opgevuld, die hun
geluk tegen de uitdagers wenschten te beproeven, en van de galerijen
gezien, hadden zij het voorkomen van een zee van golvende vederbossen,
vermengd met glinsterende helmen en lange lansen, aan welker punt
veelal vlagjes omtrent een span breed waren vastgebonden, welke,
in den wind fladderende, zich met de rustelooze beweging der pluimen
vereenigden, om levendigheid aan het tooneel bij te zetten.

Eindelijk gingen de slagboomen open, en vijf ridders door het lot
gekozen, reden langzaam in het strijdperk, één kampvechter aan het
hoofd en de vier anderen paarsgewijze volgende. Allen waren prachtig
gewapend, en mijn Saksische oorkonde (het Wardour handschrift),
beschrijft lang en breed hunne deviezen, hunne kleuren en het
borduursel van hunne paardendekens. Het is onnoodig hieromtrent in
bijzonderheden te treden; want om de regels van een nog levenden
dichter te gebruiken, die maar al te weinig geschreven heeft:


    De Ridders worden stof, hun zwaard den roest ten roof;
    Doch zalig is hun' ziel, naar de uitspraak van 't geloof. [13]


Hun wapenschilden zijn sedert lang vermolmd van de muren hunner
kasteelen gevallen; de kasteelen zelve zijn niets meer, dan groene
heuvels en verspreide puinhoopen;--de plaats, waar zij eens stonden,
is zelfs niet meer bekend;--menig geslacht is reeds uitgestorven
en vergeten in het land zelf, dat zij bewoonden, evenals het gezag
der leenheeren en edelen. Waartoe zou het dus dienen, hun namen te
vermelden; of de vergankelijke teekens op hun wapenschilden!

Maar nu,--zonder aan de vergetelheid te denken, die hun namen en
daden te wachten stond,--reden de kampvechters in het strijdperk,
hunne vurige paarden terughoudende, en dwingende om langzaam voort
te stappen, ten einde tegelijk hunne vlugheid en de behendigheid
hunner ruiters te kunnen toonen. Toen zij in optocht het strijdperk
binnen reden, deed zich eene Oostersche muziek van achter de tenten
der uitdagers hooren, waar de uitvoerders verborgen waren. Deze was
wezenlijk van Oosterschen oorsprong, daar zij uit het Heilige Land
was medegebracht; en het vereenigde geluid der cymbalen en der klokjes
scheen de aankomende ridders tegelijk te verwelkomen en uit te dagen.

Onder de oogen van eene ontelbare menigte toeschouwers reden de vijf
ridders naar de hoogte, op welke de tenten der uitdagers stonden, en
zich daar verspreidende, raakte ieder zachtjes, met omgekeerde lans,
het schild van de tegenpartij aan, tegen welke hij zijn geluk wilde
beproeven. De toeschouwers der mindere klasse, zelfs velen van de
hoogere, en naar men zegt ook verscheidene der dames waren ontevreden,
dat de strijders de wapenen van _courtoisie_ kozen. Want dezelfde
soort van menschen, welke heden ten dage de ijselijkste treurspelen het
meest toejuichen, stelden in dien tijd te meer belang in een toernooi,
naarmate de kampvechters gevaar liepen.

De ridders, hun vreedzaam voornemen hebbende te kennen gegeven, trokken
zich naar het uiterste einde van het strijdperk terug, waar zij op
eene rij bleven staan, terwijl de uitdagers, uit hun onderscheidene
tenten te voorschijn snellende, hun paarden bestegen, en aangevoerd
door Brian de Bois-Guilbert van de hoogte afdaalden, en ieder zich
tegenover den ridder plaatste, die zijn schild had aangeraakt.

Onder hoorn- en trompetgeschal renden zij in vollen galop op elkander
aan, en zoo groot was de meerdere behendigheid of het meerdere geluk
der uitdagers, dat de tegenstanders van Bois-Guilbert, Malvoisin en
Front-de-Boeuf op den grond rolden. De tegenpartij van Grantmesnil,
in plaats van de punt zijner lans recht tegen den helm of het schild
van zijn vijand aan te houden, week zoo ver van de rechte lijn af,
dat hij zijn lans dwars over het lijf van den aankomenden ridder
brak--een omstandigheid, die voor schandelijker gehouden werd, dan
geheel van het paard geworpen te worden; dewijl het ééne door een
toeval kon geschieden, en het andere lompheid en onbehendigheid in
het gebruik van wapens en paard aanduidde. De vijfde ridder alleen
hield de eer zijner partij staande, en vocht met gelijken uitslag
tegen den Johanniter Ridder, daar beide hunne lansen braken zonder
eenig voordeel te behalen.

Het geschreeuw der menigte kondigde, tegelijk met de toejuichingen
der herauten en het trompetgeschal, de zegepraal der overwinnaars
en de nederlaag der overwonnenen aan. De eersten begaven zich naar
hun tenten terug, en de laatsten, zoo goed zij konden, opstaande,
verlieten beschaamd en verlegen het strijdperk, om met de overwinnaars
omtrent het losgeld van hunne wapens en paarden overeen te komen,
die volgens de toernooiwetten verbeurd waren. De vijfde ridder
bleef alleen lang genoeg in het strijdperk om de toejuichingen der
aanwezigen te ontvangen, waaronder hij zich verwijderde, zonder
twijfel tot verhooging van de smart zijner metgezellen.

Een tweede en derde schaar ridders verschenen in het strijdperk,
en, ofschoon zij met verschillenden uitslag vochten, bleef echter
over het geheel het voordeel onvoorwaardelijk op de zijde der
uitdagers, waarvan niet één uit den zadel gelicht werd of misgestooten
had,--ongelukken, die aan een of twee hunner tegenpartij bij iederen
strijd overkwamen. Ook scheen de moed hunner bestrijders door hun
gedurig geluk merkelijk verflauwd te zijn. Bij den vierden kamp daagden
er slechts drie ridders op, welke, de schilden van Bois-Guilbert
en Front-de-Boeuf vermijdende, zich vergenoegden met die der andere
drie ridders aan te raken, die niet zooveel kracht en behendigheid
hadden doen blijken. Deze voorzichtige keus veranderde echter het
geluk van den strijd niet; de uitdagers overwonnen opnieuw;--één van
hunne tegenpartij werd uit den zadel gelicht, en de beide overigen
misten den aanval; dat is, zij troffen den helm en het schild van hun
tegenpartij niet zoo geweldig met de recht uitgestrekte lans, dat het
wapen breken moest, als de aangevallene niet voor den schok bezweek.

Na dezen vierden kampstrijd had er eene lange pauze plaats, en het
scheen, dat niemand meer verlangde het gevecht te vernieuwen. De
toeschouwers morden onder elkander: want onder de uitdagers waren
Malvoisin en Front-de-Boeuf niet bij het volk bemind, en de anderen
evenmin, omdat zij allen, behalve Grantmesnil, vreemdelingen en
buitenlanders waren.

Maar niemand gevoelde grooter misnoegen, dan Cedric de Sakser, die in
ieder voordeel, dat door de Normandische uitdagers behaald werd, een
nieuwe zegepraal op de eer van Engeland zag. Zijne eigene opvoeding
had hem niet in de ridderspelen bedreven gemaakt, ofschoon hij zich
met de wapens van zijne Saksische voorouders bij menige gelegenheid
als een dapperen en moedigen strijder betoond had. Hij zag verlangend
naar Athelstane, die alle kunsten van dien tijd geleerd had, alsof hij
wenschte, dat hij een persoonlijke poging zou doen, om den Tempelier
en zijn metgezellen de overwinning weder te ontweldigen, die zij op
het punt waren te behalen. Maar, schoon Athelstane moedig en sterk
was, had hij echter een te traag en te weinig eerzuchtig karakter,
om de proef te doen, welke Cedric van hem verwachtte.

"Het geluk is tegen Engeland, Milord," zeide Cedric met nadruk;
"wilt gij ook niet een lans breken?"

"Ik zal mij morgen in de _mêlée_ mengen!" antwoordde Athelstane. "Het
is niet de moeite waard, mij heden te wapenen."

Twee dingen mishaagden Cedric in dit antwoord. Vooreerst, het
bevatte het Normandische woord _mêlée_ (om het algemeene gevecht
aan te duiden), en ten tweede, toonde het eenige onverschilligheid
voor de eer van zijn vaderland; maar het was Athelstane, die het
uitgesproken had, en hij koesterde zulk een grooten eerbied voor hem,
dat hij het niet zou gewaagd hebben, zijne beweegredenen of zwakheden
te berispen. Daarenboven had hij geen tijd om eenige aanmerking te
maken, want Wamba viel hem in de rede met de aanmerking: "Het is beter,
hoewel niet gemakkelijker, de eerste van honderd dan van twee te zijn."

Athelstane nam dit voor een ernstig compliment op; maar Cedric,
die de bedoeling van den nar beter begreep, wierp hem een strengen
en dreigenden blik toe; en het was misschien gelukkig voor hem,
dat tijd en plaats beletten, dat hij, in weerwil van zijn ambt,
nog gevoeliger bewijzen van het ongenoegen zijns meesters ontving.

De stilte in het toernooi was nog onafgebroken, behalve door de
stemmen der herauten, die uitriepen: "Liefde tot de dames! Breekt een
lans! Daagt op, dappere ridders! Schoone oogen aanschouwen uw daden!"

De schelle muziek der uitdagers liet zich van tijd tot tijd in
wilde tonen hooren, zegepraal en uitdaging verkondigende, terwijl de
landlieden over een feestdag morden, die in werkeloosheid scheen te
zullen voorbijgaan. De oude ridders en edelen fluisterden elkander hun
klachten toe over het verval van den krijgshaftigen geest, spraken van
de zegepralen in hunne jonge dagen behaald, en kwamen overeen, dat het
land thans geene vrouwen van zoo uitstekende schoonheid opleverde,
als die, welke de feesten van vorige tijden opgesierd hadden. Prins
Jan begon met zijn gevolg te spreken over den maaltijd, en over de
noodzakelijkheid om aan Brian de Bois-Guilbert den prijs toe te kennen,
daar hij met ééne enkele lans twee ridders uit den zadel had gelicht,
en den aanval van een derde had verijdeld.

Eindelijk, toen de Saraceensche muziek van de uitdagers eene van die
lange en forsche _fanfaren_ geëindigd had, met welke zij de stilte in
het strijdperk afwisselde, werd die beantwoord door een enkele trompet,
welke aan het noordelijke eind eene uitdaging verkondigde. Aller oogen
waren naar dien kant gericht, om den nieuwen kampvechter te zien,
die zich nu aanmeldde, en nauwelijks waren de slagboomen geopend,
of hij reed in het strijdperk. Voor zoover men uit zijne wapenrusting
beoordeelen kon, scheen de nieuw aangekomene van middelmatige grootte,
en eer rank dan sterk van gestalte te zijn. Zijne wapenrusting was
van staal, rijk met goud ingelegd, en het devies op zijn schild was
een jonge eik met den wortel uit den grond gerukt, met het Spaansche
woord "_Desdichado_", dat is, "Onterfd."

Hij zat op een schoon zwart strijdros, en terwijl hij door het
strijdperk reed, groette hij den Prins en de dames beleefd met zijn
lans. De behendigheid, met welke hij zijn paard regeerde, en een
zekere jeugdige bevalligheid van houding verwierven hem de gunst der
menigte, welke eenigen uit de mindere klasse luidkeels uitten door
het geschreeuw van: "Raak het schild aan van Ralph de Vipont;--raak
het schild van den Hospitaal Ridder aan; hij zit het minste vast;
hij is de gemakkelijkste partij!"

De kampvechter, voortrijdende onder deze welgemeende wenken, bereikte
de hoogte door de schuins oploopende laan, welke van het strijdperk
daarheen leidde, en tot verwondering van alle aanschouwers recht op de
middelste tent aanrijdende, sloeg hij met de scherpe punt van zijn lans
tegen het schild van Brian de Bois-Guilbert, dat het weergalmde. Allen
stonden verbaasd over deze stoutheid, maar niemand meer dan de geduchte
strijder, dien hij dus op leven en dood had uitgedaagd.

"Hebt gij gebiecht, broeder," zei de Tempelier, "en hebt gij heden
morgen de mis gehoord, daar gij uw leven zoo roekeloos waagt?"

"Ik ben beter voorbereid den dood onder de oogen te zien dan gij,"
antwoordde de Onterfde Ridder, want onder dezen naam had zich de
vreemde in het toernooiboek laten inschrijven.

"Neem dan plaats in het strijdperk," zei de Bois-Guilbert, "en
aanschouw de zon nog eens voor het laatst; want heden nacht zult gij
in het Paradijs slapen."

"Grooten dank voor uw beleefdheid," hervatte de Onterfde Ridder,
"en om die te vergelden, raad ik u een versch paard en een nieuwe
lans te nemen; want, bij mijn eer, gij zult beiden noodig hebben!"

Na dit bewijs van zelfvertrouwen te hebben gegeven, dreef hij zijn
paard de helling, die hij bestegen had, af, en dwong het op deze wijze
achterwaarts door het strijdperk te gaan tot aan het noordelijke einde,
waar hij stil bleef staan, om zijn vijand af te wachten. Dit bewijs
van zijn rijkunst verwierf hem weder de toejuiching der menigte.

Hoe verstoord ook Brian de Bois-Guilbert op zijn vijand was wegens de
maatregelen van voorzichtigheid, die deze hem aanbevolen had, sloeg
hij echter zijn raad niet in den wind; want zijn eer was er te nauw
in betrokken, om toe te laten, dat hij eenig middel zou verzuimen,
zich de overwinning op zijn vermetele tegenpartij te verschaffen. Hij
verwisselde zijn paard tegen een ander van groote kracht, en vol
vuur. Hij koos een nieuwe, sterke lans, uit vrees dat het hout van de
vorige in de reeds geleverde gevechten mocht verzwakt zijn. Eindelijk
legde hij ook zijn schild ter zijde, dat eenigszins was beschadigd, en
nam een ander van zijne schildknapen. Het eerste schild droeg slechts
het algemeene devies van de orde waartoe hij behoorde, namelijk twee
ruiters op één paard, om de oorspronkelijke nederigheid en armoede
der Tempeliers uit te drukken; hoedanigheden, die zij later tegen
verwaandheid en rijkdom verwisselden, welke eindelijk hun ondergang
te weeg brachten. Het nieuwe schild van Bois-Guilbert vertoonde een
vliegende raaf, in de klauwen een doodshoofd houdende, met het motto
"_Gare le corbeau!_"

Toen de twee kampvechters aan de beide einden van het strijdperk
tegenover elkander stonden, was de algemeene verwachting ten toppunt
gestegen. Weinigen geloofden aan de mogelijkheid, dat de strijd ten
gunste van den Onterfde kon uitvallen, evenwel hadden zijn moed en
beleid hem de belangstelling van de aanschouwers verworven.

De trompetten hadden nauwelijks het teeken gegeven, of de kampvechters
vlogen, snel als de wind, van hunne plaatsen, en stieten in het
midden van het strijdperk met het geweld van den donderslag, tegen
elkander. De lansen vlogen aan splinters tot aan de greep, en het
scheen op dat oogenblik, alsof de beide ridders gevallen waren, want
de schok had beide paarden achteruit doen tuimelen. De behendigheid
der ruiters bracht hen door toom en sporen weder te recht, en na
elkander een oogenblik beschouwd te hebben, met oogen, welke door de
openingen van het vizier vonkelden, maakte ieder een _demi-volte_
met zijn paard en reed naar het einde van het strijdperk, waar zij
nieuwe lansen van hunne schildknapen ontvingen.

Een luid vreugdegeschreeuw, het waaien met sjerpen en doeken, en
algemeene toejuichingen toonden de belangstelling der aanwezigen
in den meest gelijken en verbitterden strijd van dien dag. Maar
nauwelijks hadden de ridders hunne standplaats weder ingenomen,
of het gejuich veranderde in een zoo diepe en doodelijke stilte,
dat de menigte nauwelijks scheen adem te halen.

Eenige minuten rust werden er verleend, opdat de strijders en hun
paarden een weinig mochten uitrusten, waarop Prins Jan met zijn
staf een teeken aan de trompetters gaf, om den aanval te blazen. De
kampvechters vlogen nog eens van hunne standplaats, en stieten in
het midden van het strijdperk tegen elkander, met dezelfde snelheid,
dezelfde behendigheid en hetzelfde geweld; maar niet met hetzelfde
gevolg als te voren.

Bij dezen tweeden aanval mikte de Tempelier op het middelpunt van
het schild van zijn tegenpartij, en raakte het zoo vast en sterk,
dat zijn lans in splinters vloog, en de Onterfde Ridder in den zadel
wankelde. Van den anderen kant, had deze kampvechter in het begin
de punt van zijn lans op Bois-Guilbert's schild gericht; maar zijn
mikpunt bijna op het oogenblik, dat hij hem bereikte, veranderende,
richtte hij dit op den helm, iets dat veel moeielijker te treffen
was, maar waarop de schok veel onwederstaanbaarder werd. Hij trof den
Normandiër juist midden op het vizier en de punt van zijn lans bleef
er vast in zitten. Zelfs in dit groot gevaar handhaafde de Tempelier
zijn roem nog: en ware niet de singel van zijn zadel gebroken, zoo
had hij zich waarschijnlijk staande gehouden; door dit toeval echter
rolden zadel, paard en man onder een wolk van stof ter aarde.

Zich van de stijgbeugels en het gevallen paard los te maken, was
voor den Tempelier nauwelijks het werk van één oogenblik; en woedend
gemaakt door zijn ongeluk en door de toejuichingen der aanwezigen,
trok hij zijn zwaard, en zwaaide het, om den overwinnaar uit te dagen.

De Onterfde Ridder sprong van het paard, en ontblootte insgelijks
zijn zwaard. De maarschalken echter, kwamen met hunne paarden tusschen
beiden, en herinnerden hen, dat de toernooiwetten, bij de tegenwoordige
gelegenheid, deze soort van strijd niet veroorloofden.

"Wij zullen elkander wel weder ontmoeten, denk ik," zei de Tempelier,
een vreeselijken blik op zijn vijand werpende, "en wel op eene plaats
waar ons niemand scheiden kan!"

"Het zal mijn schuld niet zijn, als het niet geschiedt!" antwoordde
de Onterfde Ridder. "Te voet of te paard, met lans, bijl of zwaard,
ben ik altijd gereed tegen u te strijden!"

Zij zouden nog meer en heviger woorden gewisseld hebben, zoo de
maarschalken hen niet gedwongen hadden te scheiden, door hun lansen
tusschen beiden te kruisen. De Onterfde Ridder keerde naar zijne
eerste standplaats terug, en Bois-Guilbert naar zijne tent, waar hij
het overige van den dag in wanhopige woede doorbracht.

Zonder van het paard te stijgen, vroeg de overwinnaar om een beker
wijn, en het onderste gedeelte van zijn vizier openende, riep hij:
"Ik drink op het welzijn van alle oprechte Britsche harten, en op
den ondergang van alle vreemde dwingelanden!"

Daarop beval hij zijn trompetter, eene uitdaging aan de kampvechters
te blazen, en liet hun door een heraut aanzeggen, dat hij geen keus
wilde doen, maar dat hij tegen hen strijden zou, in welke orde zij
zelven zouden verkiezen.

De reusachtige Front-de-Boeuf, in eene zwarte wapenrusting gedost, was
de eerste, die in het strijdperk verscheen. Hij droeg op een wit schild
een zwarten stierenkop, half uitgewischt in de talrijke gevechten,
die hij geleverd had, en het verwaande motto: "_Cave, adsum!_" (Wacht
u, ik ben er). Op dezen kampvechter behaalde de Onterfde Ridder eene
geringe maar beslissende overwinning. Beide strijders braken hunne
lansen behoorlijk, maar Front-de-Boeuf, die een stijgbeugel in den
schok verloren had, werd voor overwonnen verklaard.

In den derden strijd was de vreemdeling even gelukkig tegen Philip
de Malvoisin; daar hij dezen ridder zoo geweldig op den helm trof,
dat de banden er van braken; en Malvoisin, die slechts door het
afvallen van den helm zelf gered werd, bekende zich, evenals zijn
metgezellen, overwonnen.

In den vierden strijd, met de Grantmesnil, toonde de Onterfde Ridder
even veel hoffelijkheid, als hij tot hiertoe moed en vlugheid had
doen blijken. Het paard van de Grantmesnil, dat jong en vurig was,
geraakte onder het loopen aan het hollen, zoodat de ruiter zijn doel
miste, en de vreemdeling, geen gebruik willende maken van het voordeel,
dat dit toeval hem aan de hand gaf, hield zijn lans in de hoogte, en
voorbij zijn tegenpartij rijdende, zonder hem aan te raken, wendde hij
zijn paard, en reed naar zijn plaats terug. Hij liet door den heraut
zijn vijand de kans van een tweede gevecht aanbieden. Maar dit wees
de Grantmesnil van de hand, en bekende zich overwonnen, zoowel door
de beleefdheid, als door de behendigheid van zijne tegenpartij.

Ralph de Vipont maakte de lijst der zegepralen van den vreemdeling
voltallig; hij werd met zooveel geweld tegen den grond gesmeten,
dat het bloed hem uit neus en mond sprong, en hij bewusteloos uit
het strijdperk gedragen werd.

Het vreugdegeschreeuw van duizenden juichte de eenstemmige verklaring
van den Prins en de maarschalken toe, die de eer van den dag aan den
Onterfden Ridder toekenden.



NEGENDE HOOFDSTUK.


        --In 't midden stond een vrouw.
        Men kon aan 't schoon gelaat en d' eedler wezenstrekken
        Weldra in haar de koningin ontdekken.
        . . . . . . . . . . . . . . . . . .
        Gelijk haar schoonheid aller glans verdooft,
        Zoo was haar tooisel ook meer uitgelezen;
        Haar sierde een diadeem van goud het hoofd,
        Eenvoudig, rijk, maar zonder pronk te wezen;
        Zij droeg een Agnus-Castus tak daarbij,
        En hield omhoog het beeld der heerschappij.

                                             De bloem en het blad.


William de Wyvil en Steven de Martival, de maarschalken, brachten het
eerst den overwinnaar hunne gelukwenschen, en verzochten hem tevens
zijn helm te laten losmaken, of ten minste zijn vizier te openen,
voordat zij hem naar Prins Jan geleidden, om uit diens handen den
prijs voor dezen dag van het toernooi te ontvangen.

De Onterfde Ridder weigerde aan hun verzoek te voldoen, terwijl
hij met ridderlijke beleefdheid te kennen gaf, dat hij voor het
oogenblik zijn gezicht niet kon laten zien, om redenen, die hij aan de
herauten, bij zijn verschijning in het strijdperk, opgegeven had. De
maarschalken waren volkomen tevreden met dit antwoord; want onder de
grillige geloften, waardoor de ridders in die tijden gewoon waren
zich te verbinden, was er geen meer algemeen dan die, om onbekend
te blijven gedurende een zekeren tijd, of tot het einde van het een
of ander avontuur. De maarschalken drongen dus niet verder in het
geheim van den Onterfden Ridder; maar aan Prins Jan het verlangen van
den overwinnaar, om onbekend te blijven, mededeelende, verzochten
zij verlof, hem voor zijn Hoogheid te mogen brengen, ten einde de
belooning zijner dapperheid te ontvangen.

De nieuwsgierigheid van den prins werd door de geheimzinnigheid van
den vreemdeling opgewekt; en reeds ontevreden over den uitslag van het
toernooi, waarin de door hem begunstigde uitdagers achtereenvolgens
door één ridder waren overwonnen, antwoordde hij de maarschalken op
trotschen toon: "Bij het licht der oogen van de Heilige Maagd, deze
ridder is onterfd zoo wel van beleefdheid, als van zijne bezittingen,
daar hij voor ons begeert te verschijnen, zonder zijn gelaat te
ontblooten.--Weet gij misschien ook, mijne heeren," zeide hij,
zich naar zijn gevolg keerende, "wie die jongeling is, die zich zoo
trotsch gedraagt?"

"Ik kan het niet gissen;" antwoordde De Bracy, "en ik had ook niet
gedacht, dat er tusschen de vier zeeën, welke Brittanje omringen,
één kampvechter te vinden zou zijn, die deze vijf ridders op één
dag overwinnen kon. Op mijn eer, ik zal nooit het geweld vergeten,
waarmede hij tegen De Vipont stiet. De arme ridder werd uit den zadel
geworpen, als een steen uit een slinger!"

"Beroem u daar niet op," zeide een Johanniter, die tegenwoordig was;
"uw Tempelier ging het niet beter. Ik zag Bois-Guilbert drie maal
over het hoofd tuimelen, en ieder keer de handen vol zand krijgen."

De Bracy, die den Tempeliers toegedaan was, wilde antwoorden; maar
Prins Jan belette hem door uit te roepen: "Stilte, heeren! waartoe
deze nuttelooze twist?"

"De overwinnaar," zei de Wyvil, "wacht nog op de bevelen van uwe
Hoogheid."

"Wij veroorloven hem te wachten," hernam de Prins, "totdat wij
vernemen, of er niemand is, die ten minste zijn naam en stand kan
gissen. Al moest hij ook tot den avond wachten, het schaadt hem niet:
hij heeft werk genoeg gehad, om zich warm te houden."

"Uw Hoogheid," zeide Waldemar Fitzurse, "doet den overwinnaar minder
dan de verschuldigde eer aan, als gij hem dwingt te wachten, tot
wij uw Hoogheid zeggen, wat wij niet weten.--Ik ten minste kan het
niet raden,--of het moest een van de dappere strijders zijn, welke
koning Richard vergezelden, en die nu, één voor één, uit het Heilige
Land terugkeeren."

"Het kan de graaf van Salisbury zijn," zei De Bracy; "hij is omtrent
van dezelfde grootte."

"'t Is eerder Thomas De Multon, de ridder van Gilsland," hervatte
Fitzurse, "Salisbury is een veel zwaarder man."--Er ontstond een
gefluister onder het gevolg, zonder dat men ontdekken kon bij wien
het begon: "Het kon de Koning,--het kon Richard Leeuwenhart zelf zijn!"

"God beware!" riep Prins Jan, op hetzelfde oogenblik doodsbleek
wordende, en sidderende, alsof hij door den bliksem getroffen werd;
"Waldemar! De Bracy!--dappere ridders en heeren, herinnert u uwe
beloften, en staat mij getrouw bij!"

"Er is nog geen gevaar!" zei Waldemar Fitzurse. "Kent gij zoo weinig de
reusachtige leden van uw vaders zoon, dat gij u verbeeldt, dat ze in
gindsche wapenrusting kunnen besloten worden?--De Wyvil en Martival,
gij bewijst den Prins den besten dienst, wanneer gij den overwinnaar
bij den troon brengt, en een einde maakt aan eene dwaling, die al
het bloed van zijne wangen gejaagd heeft.--Beschouw hem oplettender,"
ging hij voort, "uwe Hoogheid zal zien, dat hij drie duim kleiner is,
dan koning Richard, en zes duim smaller over de schouders. Het paard,
dat hij berijdt, zou koning Richard niet in één enkelen strijd hebben
kunnen dragen."

Terwijl hij nog sprak, leidden de maarschalken den Onterfden Ridder
naar den voet van een houten trap, welke van het strijdperk naar den
troon van Prins Jan liep. Nog onthutst door de gedachte, dat zijn
broeder, wien hij zoo veel verplicht was, en dien hij zoo zwaar
beleedigd had, plotseling in zijn koninkrijk was teruggekeerd,
verbande zelfs het in het oog vallende onderscheid, dat Fitzurse
aangewezen had, de vrees des Prinsen niet geheel; en terwijl hij,
met een korte en verlegene lofspraak op zijne dapperheid, beval,
hem het strijdpaard, dat als prijs was uitgeloofd, over te geven,
sidderde hij van angst, dat misschien van achter het gesloten vizier
een antwoord mocht komen, in de zware, vreeselijke stem van Richard
Leeuwenhart. Maar de Onterfde Ridder antwoordde op het compliment
van den Prins alleen met eene diepe buiging.

Het paard werd door twee rijkgekleede stalknechts in het strijdperk
geleid; het dier zelf was met het kostbaarste tuig uitgerust, dat
echter nauwelijks zijne waarde in de oogen der kenners verhoogde. Eén
hand op den zadelknop leggende, sprong de Onterfde Ridder op het paard,
zonder den stijgbeugel te gebruiken, en zijn lans zwaaiende, reed
hij tweemaal het strijdperk rond, het dier met de behendigheid van
een volmaakten ruiter al zijne kunsten latende verrichten. De schijn
van ijdelheid, dien men anders aan dezen rit had kunnen toeschrijven,
werd weggenomen door de noodzakelijkheid, om de vorstelijke belooning,
waarmede hij zoo even vereerd was, in het voordeeligste licht aan het
volk te toonen, en de ridder werd weder begroet door de toejuichingen
van alle aanschouwers.

Intusschen had de woelige Prior van Jorvaulx Prins Jan toegefluisterd,
dat de overwinnaar nu zijn goeden smaak in plaats van zijn dapperheid
moest toonen, door onder de schoonheden, welke de galerijen versierden,
eene dame te kiezen, die den troon der Koningin der Schoonheid
en Liefde zou bekleeden, en den volgenden dag den prijs van het
toernooi uitdeelen. De Prins gaf dus een teeken met zijn staf, terwijl
de ridder hem, in zijn tweeden rit rondom het strijdperk, voorbij
kwam. De ridder wendde zich naar den troon, en de lans latende zinken
tot op een voet van den grond, bleef hij onbeweeglijk staan, om het
bevel van den Prins af te wachten. Allen bewonderden de behendigheid,
met welke hij in een oogenblik zijn vurig paard uit den snellen ren
bewegingloos als een standbeeld had doen staan.

"Heer Onterfde Ridder," zei Prins Jan, "daar dit de eenige naam
is, dien wij u geven kunnen, het is thans uw plicht zoowel als uw
voorrecht, de schoone dame uit te zoeken, die als Koningin der
Eer en der Liefde bij het feest van morgen het voorzitterschap
bekleeden zal. Indien gij, als vreemdeling in ons land, de hulp
van het oordeel van anderen verlangt, zoo kan ik u alleen zeggen,
dat Alicia, de dochter van onzen dapperen Ridder Waldemar Fitzurse,
sedert lang voor de eerste in schoonheid en rang aan het hof gehouden
wordt. Niettemin is het uw onbetwistbaar recht, deze kroon te reiken,
aan wie gij wilt,--door welke overhandiging de verkiezing der Koningin
voor den dag van morgen volbracht zal zijn. Verhef uw lans!"

De ridder gehoorzaamde, en Prins Jan plaatste op de punt daarvan
een kroon van groen satijn, versierd met een gouden rand van pijlen
en harten, die elkander afwisselden, gelijk de aardbeziënbladen en
kogels op een hertogs-kroon.

Bij den duidelijken wenk, welken hij ten opzichte van Waldemar
Fitzurse's dochter gaf, had Prins Jan meer dan één beweegreden, hem
ingegeven door een gemoed, hetwelk een vreemde vermenging was van
zorgeloosheid en verwaandheid, met lage list en loosheid gepaard. Hij
wenschte uit de herinnering der ridders, die hem omringden, zijn
eigene onbetamelijke en onaangename scherts omtrent de Jodin Rebekka
te verbannen; hij wilde zich Alicia's vader, Waldemar Fitzurse,
dien hij vreesde, genegen maken, vooral daar deze zich over het
gedrag van den Prins in den loop van den dag meer dan eens misnoegd
getoond had. Hij wilde ook zelf de gunst der dame verwerven; want
Jan was ten minste even losbandig in zijn vermaken, als toomeloos in
zijne eerzucht. Bovendien wilde hij tegen den Onterfden Ridder (voor
wien hij reeds een hevigen afkeer had opgevat), een machtigen vijand
opstoken in den persoon van Waldemar Fitzurse, die, zoo als hij dacht,
de beleediging zijner dochter aangedaan, ten hoogste kwalijk zou nemen,
in geval, zooals niet onwaarschijnlijk was, de overwinnaar eene andere
keuze deed.

En dit geschiedde ook werkelijk. Want de Onterfde Ridder reed de
galerij, dicht naast die van den Prins, voorbij, waar Jonkvrouw
Alicia zat in den vollen hoogmoed van haar trotsche schoonheid, en
zoo langzaam voortrijdende, als hij tot hiertoe snel gejaagd had,
scheen hij zijn recht uit te willen oefenen, om de talrijke schoone
gezichten te aanschouwen, welke den bekoorlijken kring versierden.

Het was de moeite waard, de verschillende houding der schoonen gade
te slaan, die dit onderzoek ondergingen. Eenigen bloosden: anderen
namen eene trotsche houding aan; sommigen zagen strak voor zich
heen, als of zij geheel niets wisten van hetgeen er voorviel: anderen
poogden een glimlach te bedwingen, en twee of drie lachten hard op. Er
waren ook eenigen, die den sluier over haar bekoorlijkheden trokken:
maar, daar het Wardour-handschrift zegt, dat het schoonheden waren,
die reeds tien jaar lang bekend waren, kan men veronderstellen dat,
daar zij haar deel aan zulke ijdelheden reeds vroeger gehad hadden,
zij nu van haar recht wilden afzien, om een grootere kans aan de
opkomende schoonen te laten.

Eindelijk hield de kampvechter stil voor het balkon waar Jonkvrouw
Rowena zat, en de verwachting der toeschouwers steeg ten top.

Men moet bekennen, dat, als belangstelling in den goeden uitslag
van zijn wapenfeiten den Onterfden Ridder had kunnen omkoopen, dat
gedeelte van het strijdperk, voor hetwelk hij stil gehouden had,
zijn voorkeur verdiende. Cedric de Sakser, verheugd over de nederlaag
van den Tempelier, en nog meer over die van zijn twee kwalijkgezinde
naburen, Front-de-Boeuf en Malvoisin, was, met het halve lichaam over
het balkon liggende, den overwinnaar bij iederen strijd nagegaan, niet
alleen met de oogen, maar met hart en ziel. Rowena had den uitslag van
den strijd met groote oplettendheid gezien, ofschoon zij niet eene even
groote belangstelling getoond had. Zelfs de onverschillige Athelstane
scheen zijne wezenloosheid te vergeten; want hij liet zich een grooten
beker wijn geven, en dronk op de gezondheid van den Onterfden Ridder.

Eene andere groep, onder de galerij door de Saksers bezet, had niet
minder deelneming in den uitslag van den strijd laten blijken.

"Vader Abraham!" zei Izaäk van York, toen de eerste strijd tusschen
den Tempelier en den Onterfden Ridder voorbij was, "hoe stout rijdt
de ongeloovige! Ach! hij spaart het goede paard, dat den verren
weg uit Barbarije heeft afgelegd, niet meer dan alsof het een wild
ezelsveulen ware; en de schoone wapenrusting, die zoo vele _zechinen_
gekost heeft bij Jozef Pareira, den Milaneeschen wapensmid, benevens
zeventig ten honderd winst,--hij zorgt er zoo weinig voor, alsof hij
ze op den straatweg gevonden had!"

"Als hij zijn eigen leven en leden waagt, vader," zei Rebekka, "in
een zoo schrikkelijken strijd, kan men kwalijk van hem verwachten,
dat hij paard en wapenrusting zou sparen."

"Kind!" hernam Izaäk, eenigszins driftig, "gij weet niet wat gij
zegt--zijn hals en zijn ledematen zijn zijn eigendom, maar zijn paard
en zijn wapenrusting behooren aan--vader Jacob! wat had ik haast
gezegd!--En toch, het is een brave jongeling.--Zie Rebekka! zie,
hij gaat al weder ten strijd tegen den Philistijn!--Bid kind--bid
voor het behoud van den goeden jongeling,--en van het vlugge paard
en de rijke wapenrusting.--God mijner vaderen!" riep hij weder,
"hij heeft weer overwonnen, en de onbesnedene Philistijn is voor zijn
lans bezweken,--even als Og, de Koning van Bazan, en Cihon, de Koning
der Amorieten, onder het zwaard onzer vaderen vielen!--Zeker krijgt
hij hun goud en zilver en hun strijdrossen en hun wapenrustingen van
erts en staal, tot buit en roof!"

Denzelfden angst betoonde de waardige Jood bij iederen strijd,
terwijl hij zelden daarbij naliet een oppervlakkige berekening
te maken van de waarde van het paard en de wapenrusting, die bij
iedere nieuwe zegepraal den overwinnaar te beurt vielen. Zij dus,
die dat gedeelte van het strijdperk bezetten, waarvoor de Onterfde
Ridder nu stil hield, hadden juist de meeste belangstelling in zijn
welslagen betoond. Hetzij uit besluiteloosheid, of om eenige andere
reden aarzelende, bleef de kampvechter meer dan een minuut stil staan,
terwijl de oogen der zwijgende aanschouwers op zijn bewegingen gericht
waren; en daarop, met bevalligheid de punt van zijn lans langzaam
latende zakken, legde hij de kroon, welke er op hing, voor de voeten
van de schoone Rowena. De trompetten weergalmden oogenblikkelijk,
terwijl de herauten Rowena als Koningin der Schoonheid en Liefde
voor den volgenden dag uitriepen, hen, die zich aan haar gezag niet
mochten onderwerpen, met gepaste straffen dreigende. Zij herhaalden
hierop hun geschreeuw van "_Largesse!_" waarop de gelukkige Cedric
door een ruime gift antwoordde, bij welke Athelstane, schoon minder
vlug, een gave van even groote waarde voegde.

Er ontstond eenig gemor onder de dames van Normandische afkomst, die
even weinig gewoon waren, eene Saksische schoone voorgetrokken te zien,
als de edelen, een nederlaag te ondervinden in de ridderspelen, die
zij zelven hadden ingevoerd. Maar deze ontevredenheid bleef onopgemerkt
bij de kreten van: "Lang leve Rowena, de verkorene en wettige Koningin
der Liefde en Schoonheid!" waarbij velen voegden: "Leve de Saksische
Prinses! Leve het geslacht van den onsterfelijken Alfred!"

Hoe onaangenaam deze klanken ook waren voor Prins Jan en degenen,
die hem omringden, zag hij zich echter verplicht de benoeming van
den overwinnaar te bekrachtigen, en daarom bevelende, dat men zijn
paard zou brengen, verliet hij den troon, en reed, door zijn gevolg
vergezeld, in het strijdperk rond. De Prins hield een oogenblik stil
onder de galerij van Jonkvrouw Alicia, die hij groette, terwijl hij
tot zijn gevolg zeide: "Op mijn eer, mijne heeren! zoo de wapenfeiten
van den ridder getoond hebben, dat hij sterke leden en spierkracht
heeft, zoo toont hij door zijne keuze, dat zijn oogen niet van de
heldersten zijn!"

Bij deze gelegenheid, zooals in zijn geheele leven, had Prins Jan
het ongeluk, het karakter niet te begrijpen, van hen wier gunst
hij wenschte te winnen. Waldemar Fitzurse was eerder beleedigd dan
gevleid, dat de Prins in 't openbaar te kennen gaf, dat zijne dochter
niet naar verdienste was behandeld.

"Ik ken," zeide hij, "geen dierbaarder en onschendbaarder recht der
ridderschap, dan dat van iederen vrijen ridder, om de dame zijner
liefde naar eigen oordeel te kiezen. Mijne dochter streeft naar geene
onderscheiding, en het zal haar in haar eigen kring nooit ontbreken
aan alle verschuldigde eerbewijzen."

Prins Jan antwoordde niet, maar zijn paard aansporende, alsof hij
aan zijn toorn lucht wilde geven, galoppeerde hij naar de galerij,
waar Rowena zat, nog altijd met de kroon voor de voeten.

"Ontvang, schoone Jonkvrouw," zeide hij, "het teeken uwer heerschappij,
waaraan niemand oprechter hulde bewijst, dan ik zelf, Jan van
Anjou,--en zoo het u, uwen edelen vader en uwe vrienden behaagt,
ons gastmaal in het kasteel van Ashby met uw tegenwoordigheid te
vereeren, dan zullen wij de Vorstin leeren kennen, aan wie wij morgen
onze hulde zullen bewijzen."

Rowena zweeg, en Cedric antwoordde voor haar in zijne Saksische
moedertaal: "Jonkvrouw Rowena verstaat uwe taal niet genoeg, om deze
beleefdheid te beantwoorden zooals het behoort,--of om deel aan uw
feest te nemen. Ook ik en de edele Athelstane van Coningsburgh spreken
slechts de taal, en huldigen alleen de zeden onzer voorouders. Wij
danken dus ootmoedig voor uwer Hoogheid vriendelijke uitnoodiging
voor het gastmaal. Morgen zal Jonkvrouw Rowena de plaats innemen,
waartoe zij geroepen is door de vrije keuze van den overwinnenden
ridder, bevestigd door de toejuichingen van het volk." Dit zeggende,
nam hij de kroon op, en zette die op Rowena's hoofd, als een teeken,
dat zij de haar opgedragen waardigheid aanvaardde.

"Wat zegt hij?" zei Prins Jan, veinzende de Saksische taal niet te
verstaan, waarin hij echter zeer bedreven was. De beteekenis van
Cedric's gezegde werd hem in het Fransch herhaald. "Het is wel,"
zeide hij; "morgen zullen wij zelven deze sprakelooze Koningin naar den
troon geleiden.--Gij ten minste, heer Ridder," voegde hij er bij, zich
tot den overwinnaar wendende, die bij de galerij was blijven staan,
"zult heden mijn gast zijn?"

De ridder, voor de eerste maal sprekende, verontschuldigde zich op
zachten, haastigen toon, wegens vermoeidheid en de noodzakelijkheid,
om zich voor den strijd van den volgenden dag voor te bereiden.

"Het is wel," zei weer Prins Jan, op trotschen toon; "ofschoon ik niet
gewoon ben aan zulke weigeringen, zullen wij trachtten onzen maaltijd
zoo goed mogelijk te gebruiken, hoewel die niet versierd wordt door
den dappersten ridder en zijn uitverkorene Koningin der Schoonheid."

Dit zeggende, verliet hij het strijdperk met zijn schitterend gevolg,
en zijn vertrek was het teeken voor het uiteengaan der toeschouwers.

Evenwel, met al de wraakzucht, aan beleedigden hoogmoed eigen,
voornamelijk wanneer die met de bewustheid van eigen onwaardigheid
gepaard gaat, was Jan nauwelijks drie schreden voortgereden, of zich
omkeerende, vestigde hij een vertoornden blik op den schutter, die hem
's morgens vroeg mishaagd had, en gaf zijn bevelen aan de gewapenden,
die in de nabijheid stonden.--"Gij staat mij er met uw leven borg voor,
dat die boer niet ontsnapt!"

De schutter verduurde den toornigen blik van den Prins met dezelfde
onwrikbare standvastigheid, welke zijn gedrag van het begin af
gekenmerkt had, en zei glimlachend: "Ik ben niet van plan, Ashby vóór
overmorgen te verlaten. Ik moet zien, hoe de mannen van Staffordshire
en Leicestershire de bogen weten te gebruiken. De bossen van Needwood
en Charnwood moeten goede schutters leveren."

"Ik zal zien," zei Prins Jan tot zijn gevolg, zonder rechtstreeks
te antwoorden, "hoe hij zijn eigen boog spannen kan; en wee hem,
zoo zijne behendigheid zijne onbeschaamdheid niet vergoedt!"

"Het is hoog tijd," zei de Bracy, "dat de _outrecuidance_ [14] dezer
boeren door een treffend voorbeeld beteugeld worde!"

Waldemar Fitzurse, die waarschijnlijk dacht, dat zijn begunstiger niet
den besten weg insloeg, om de genegenheid van het volk te winnen,
haalde de schouders op, en zweeg. Prins Jan echter reed nu uit het
strijdperk, en de menigte ging daarop dadelijk uiteen.

Men zag de toeschouwers zich over de vlakte verwijderen, naar de
verschillende streken, vanwaar zij gekomen waren, in meer of minder
talrijke groepen. Verreweg het grootste gedeelte stroomde naar de stad
Ashby, waar verscheidene van de aanzienlijkste personen in het kasteel
gehuisvest werden, en weer andere in de stad zelve bleven. Onder dezen
waren de meeste ridders, die reeds in het toernooi opgetreden waren,
of voornemens waren den volgenden dag te strijden, en die, terwijl ze
langzaam voortreden, over de gebeurtenissen van den dag sprekende,
met luid gejuich door het volk begroet werden, evenals Prins Jan,
ofschoon hij dat eerder te danken had aan den glans van zijn stoet
en aan zijn gevolg, dan aan de beminnelijkheid van zijn karakter.

Een oprechter, algemeener, en ook beter verdiend gejuich vergezelde
den overwinnaar in den strijd, totdat hij, begeerig om zich aan de
aandacht der menigte te onttrekken, zich in een dier tenten begaf,
welke aan het einde van het strijdperk opgericht waren, en wier
gebruik hem beleefdelijk door de maarschalken aangeboden werd. Zoodra
hij zich daarin begeven had, verstrooiden zich ook diegenen, welke
in het strijdperk getoefd hadden, om hem in oogenschouw te nemen,
en gissingen omtrent zijn persoon te maken.

Het gewoel en het geraas van een drukke menigte op één plaats
vergaderd, en met hetzelfde doel bezield, werd nu vervangen door
de minder luide stemmen van de talrijke groepen, die zich in alle
richtingen verwijderden, waarop spoedig volkomen stilte volgde.

Men hoorde geen ander geluid meer, dan de stemmen der bedienden,
die de galerijen van kussens en behangsel ontdeden, om ze gedurende
den nacht in veiligheid te bergen, en onder elkander twistten om de
half geleêgde wijnflesschen en de overblijfselen der ververschingen,
welke de toeschouwers hadden achtergelaten.

Buiten het strijdperk waren verscheidene smederijen opgericht, en
deze begonnen nu in de schemering te glimmen, de werkzaamheid der
wapensmeden aankondigende, welke den geheelen nacht moest voortgezet
worden, om de wapenrustingen voor het gebruik van den volgenden dag
weder in orde te brengen, of te veranderen.

Een sterk gewapende wacht, die alle twee uren afgelost werd, omringde
het strijdperk en waakte voor de veiligheid gedurende den nacht.



TIENDE HOOFDSTUK.


                    Gelijk een raaf, wiens aaklig schor gekras,
                    Den veegen kranke 't naadrend eind voorspelt,
                    En in de schaduw van den stillen nacht
                    Besmetting van de vale vlerken schudt;
                    Zoo snelt ook de arme Barrabas getergd,
                    Met helsche vloeken op dees Christen aan.

                                                De Jood van Malta.


De Onterfde Ridder had nauwelijks zijne tent bereikt, of eene menigte
schildknapen en pages boden hun dienst aan, om hem te ontwapenen,
versche kleederen te brengen, en de verkwikking van een bad te
verschaffen. Hun ijver bij deze gelegenheid werd misschien aangevuurd
door nieuwsgierigheid, daar ieder wenschte te weten, wie de ridder was,
die zoo vele lauweren geplukt, en toch geweigerd had, zelfs op verzoek
van Prins Jan, zijn vizier te openen, of zijn naam te noemen. Maar
aan hun dienstvaardige nieuwsgierigheid werd niet voldaan. De Onterfde
Ridder weigerde iedere andere hulp, dan die van zijn eigen schildknaap,
of liever dienstbare, een man van een boersch uitzicht, die gewikkeld
in een mantel van donkerkleurig vilt, en zijn gezicht en hoofd half
begraven in een Normandische muts van zwart bont, even onbekend
scheen te willen blijven als zijn meester. Alle anderen uit de tent
verwijderd zijnde, bevrijdde deze dienaar zijn heer van de zwaardere
deelen zijner wapenrusting, en zette hem voedsel en wijn voor, welke
de uitgestane vermoeienissen van den dag zeer gewenscht maakten.

Hij had nauwelijks een haastigen maaltijd geëindigd, of zijn
bediende kondigde hem aan, dat vijf mannen, ieder een opgetoomd
paard leidende, hem wenschten te spreken. De Onterfde Ridder had zijn
wapenrusting verwisseld tegen het lange gewaad, dat lieden van zijn
stand gewoonlijk droegen. Daar het van een kap voorzien was, verborg
het de gelaatstrekken, wanneer men zulks verkoos, bijna even goed,
als het vizier van den helm zelf, maar het schemerlicht, dat nu sterk
begon te vallen, zou reeds een vermomming onnoodig gemaakt hebben,
behalve voor hen, die zijn gezicht bijzonder goed kenden.

De Onterfde Ridder trad dus stoutmoedig voor zijne tent, en vond daar
de schildknapen der uitdagers, die hij gemakkelijk herkende aan hun
roode en zwarte kleederen; ieder van hen leidde het strijdpaard van
zijn meester, beladen met de wapenrusting, in welke hij dien dag
gevochten had.

"Volgens de wetten der ridderschap," zei de eerste dezer mannen,
"bied ik, Boudewijn De Oyley, schildknaap van den geduchten ridder
Brian de Bois-Guilbert, u die u "de Onterfde Ridder" noemt, het paard
en de wapenrusting aan, welke gezegde Brian de Bois-Guilbert in het
gevecht van heden gedragen heeft, en laat het aan uw ridderlijkheid
over, om ze te houden, of een losgeld daarvoor te bepalen;--want
zulks eischt de toernooiwet."

De andere schildknapen herhaalden bijna hetzelfde formulier, en bleven
toen staan, om de beslissing van den Onterfden Ridder af te wachten.

"Aan u, vier knapen," hernam de ridder, zich tot hen richtende, die
het laatst gesproken hadden, "aan uw edele en dappere meesters, heb
ik hetzelfde antwoord te geven. Brengt mijn groet over aan de edele
ridders, uw heeren, en zegt hun, dat ik verkeerd zou handelen, door
hen van paard en wapenen te berooven, die nooit door betere ridders
kunnen gevoerd worden.--Ik wenschte hiermede mijn boodschap aan deze
dappere heeren te kunnen eindigen; maar, daar ik in goeden ernst
en waarheid ben wat ik mij noem: Onterfde, moet ik het aanbod uwer
meesters aannemen, om met ridderlijke beleefdheid hun wapenrustingen
te lossen, daar ik die, welke ik zelf draag, nauwelijks mijn eigen
kan noemen."

"Wij zijn gelast," antwoordde de schildknaap van Reginald
Front-de-Boeuf, "ieder honderd _zechinen_, als losgeld, voor deze
wapenrustingen en paarden te bieden."

"Dat is voldoende," hervatte de Onterfde Ridder. "Mijn tegenwoordige
behoeften noodzaken mij de helft aan te nemen; verdeelt de overige
helft in twee gelijke deelen; het ééne kunt gij voor u zelven behouden,
heeren schildknapen, en deelt het andere onder de herauten, wapenboden,
minnezangers en dienaren uit."

De schildknapen betuigden, met ontbloote hoofden en met diepe
buigingen, hun erkentelijkheid voor eene beleefdheid en mildheid,
die zelden, tenminste in zoo hoogen graad, uitgeoefend werden. Daarop
keerde de Onterfde Ridder zich tot Boudewijn, den schildknaap van
Brian de Bois-Guilbert. "Van uw meester," zeide hij, "zal ik wapenen
noch losgeld aannemen. Zeg hem uit mijn naam, dat onze strijd nog
niet ten einde is:--neen, niet voordat wij zoowel met zwaarden,
als met lansen, zoowel te voet, als te paard gevochten hebben. Hij
zelf heeft mij tot dezen strijd op leven en dood uitgedaagd, en ik
zal zijne uitdaging niet vergeten.--Intusschen, hij verbeelde zich
niet, dat ik hem gelijk stel met zijne strijdmakkers, jegens welke
ik ridderlijke beleefdheid kan betuigen; maar dat ik mij beschouw,
als met hem in doodelijke veete levende!"

"Mijn heer," antwoordde Boudewijn, "weet verachting met verachting,
en slagen met slagen te vergelden, zoowel als beleefdheid met
beleefdheid. Daar gij weigert van hem eenig deel van het losgeld aan
te nemen, waarop gij de wapenen der overige ridders geschat hebt,
moet ik zijn wapenrusting en zijn paard hier laten, wel overtuigd,
dat hij noch het ééne zou willen berijden, noch de andere dragen."

"Gij spreekt stoute taal, goede knaap," zei de Onterfde Ridder;
"gij weet te antwoorden voor uw afwezigen meester. Laat evenwel het
paard en de wapenrusting niet hier. Breng ze aan uw heer terug;
of zoo hij ze niet verkiest aan te nemen, behoud gij ze, vriend,
tot eigen gebruik. Voor zooverre ze mij behooren, schenk ik ze u."

Boudewijn maakte eene diepe buiging, en vertrok met zijn makkers;
de Onterfde Ridder ging in zijn tent terug.

"Tot hiertoe, Gurth," zei hij, zich tot zijn dienaar wendende,
"heeft de eer der Britsche ridderschap in mijne handen niet geleden."

"En ik," zei Gurth, "ik heb, voor een Saksischen zwijnenhoeder,
de rol van een Normandischen schildknaap niet slecht gespeeld."

"Ja maar," antwoordde de Onterfde Ridder; "ik was toch in gedurige
vrees, dat uwe boersche manieren u zouden verraden."

"Neen," hernam Gurth, "ik vrees niet door iemand ontdekt te worden,
dan door mijn speelmakker, Wamba, den nar, aan wien ik nooit heb kunnen
merken, of hij een schelm of een gek is. Maar ik kon mij nauwelijks
van lachen onthouden, toen mijn oude meester zoo dicht langs mij
voorbij ging, in de stellige verbeelding, dat Gurth verscheidene
mijlen van hier zijn zwijnen hoedde, in de bosschen en moerassen van
Rotherwood. Zoo ik ontdekt word,--"

"Genoeg," zei de Onterfde Ridder, "gij kent mijn belofte."

"Ach, wat dat betreft," hervatte Gurth, "ik zal een vriend nooit
verlaten uit vrees voor stokslagen. Ik heb een taaie huid, die
zweepslagen en messteken evengoed kan verdragen, als de dikste
zwijnenhuid onder mijn kudde dat kan."

"Vertrouw er op, ik zal u voor het gevaar, dat ge om mijnentwille
loopt, beloonen!" hernam de ridder. "Intusschen verzoek ik u deze
tien goudstukken aan te nemen."

"Ik ben rijker," zeide Gurth, ze in den zak stekende, "dan ooit eenig
zwijnenhoeder of lijfeigene, vóór mij."

"Breng deze goudbeurs naar Ashby," vervolgde zijn meester, "zoek
Izaäk den Jood van York op, en laat hij zich daaruit betalen voor
het paard en de wapens, die hij mij door zijn krediet verschaft heeft."

"Neen, bij St. Dunstan!" hernam Gurth, "dat doe ik niet."

"Hoe, schelm," hervatte zijn meester, "wilt gij mijn bevelen niet
gehoorzamen?"

"Zoolang ze eerlijk, verstandig en christelijk zijn, zal ik
ze volvoeren," antwoordde Gurth; "maar dit bevel heeft er niets
van. Een Jood zich zelven te laten betalen, zou oneerlijk zijn;
want hij zou mijn meester bedriegen, en onverstandig, want het ware
gek en onchristelijk gehandeld, een geloovige te berooven, om een
ongeloovige te verrijken."

"Stel gij hem dan zelf tevreden!" zei de Onterfde Ridder.

"Dat zal ik," hernam Gurth, de beurs onder zijn mantel nemende,
en de tent verlatende; "en het zal erg moeten loopen," bromde hij,
"zoo ik hem niet met de helft van zijn eisch bevredig." Dit zeggende,
vertrok hij, en liet den Onterfde Ridder aan zijne sombere overwegingen
over, die om meer redenen, dan het tegenwoordig mogelijk is den lezer
mede te deelen, van bijzonder pijnlijken en kwellenden aard waren.

Wij moeten nu het tooneel verplaatsen naar het dorp Ashby, of liever
naar een landhuis in de nabijheid daarvan, dat aan een rijken Israëliet
toebehoorde, waar Izaäk, zijne dochter en zijne bedienden hun intrek
genomen hadden; de Joden toch, zooals bekend is, zijn even mild en
gastvrij jegens hunne eigene natie, als ze vroeger gerekend werden,
onwillig en stuursch tegen anderen te zijn.

In een vertrek, wel is waar klein, maar rijkelijk voorzien met
Oostersche sieraden, zat Rebekka op geborduurde kussens, die op
een kleine verhevenheid lagen, welke rondom de kamer gemaakt was,
gelijk de _estrada_ der Spanjaarden, en die de plaats van stoelen
verving. Zij sloeg de bewegingen van haren vader met een blik van
angstige, kinderlijke liefde gade, terwijl hij met een moedeloos
gelaat en ongeregelde schreden in het vertrek op en neder ging; soms
de handen ineen of de oogen omhoog slaande, als een mensch die grooten
zielsangst lijdt. "O, Jakob!" riep hij uit.--"Ach, alle twaalf heilige
stamvaders van onze natie! Welk een verlies is dat voor een man, die
nooit tittel of jota van Mozes' wet verzuimd heeft! Vijftig _zechinen_
mij op eens ontroofd, en dat door de klauwen van een tiran!"

"Maar, vader!" zei Rebekka, "het scheen mij toe, dat gij Prins Jan
het geld vrijwillig gaaft."

"Vrijwillig? Dat de plagen van Egypte hem treffen! Vrijwillig zeg
je?--Ja, zoo vrijwillig, als ik in de golf van Lyon mijn waren over
boord wierp, om het schip te verlichten, toen het tegen den storm
worstelde,--toen ik de schuimende baren met mijn schoonste zijde
kleedde,--toen ik myrrhe en aloë in het zoute zeewater mengde,--toen
ik de diepte van den Oceaan met goud en zilverwerk verrijkte! En was
dat niet een uur van onuitsprekelijke ellende, hoewel mijn eigene
handen de offerande verrichtten?"

"Maar het was een offer door den hemel gevorderd, om ons leven te
redden," antwoordde Rebekka, "en de God onzer vaderen heeft sedert
dien tijd uw handel en rijkdom gezegend."

"Ach," antwoordde Izaäk, "maar waartoe, als de dwingeland er zoo
beslag op legt als heden, en mij dwingt nog te lachen, terwijl hij
mij uitplundert?--O, dochter! onterfd en zwervende, zooals wij zijn,
is dit wel het grootste ongeluk, dat ons geslacht kan overkomen,
dat wanneer wij onder den voet getrapt en uitgeplunderd worden,
iedereen ons uitlacht; en wij verplicht zijn, onze gevoeligheid over
de beleediging te onderdrukken, en gedwee te glimlachen in plaats
van ons dapper te wreken!"

"Denk er zoo niet over, vader," zei Rebekka; "wij hebben van onze
zijde ook vele voordeelen. Deze Heidenen, welke wreede onderdrukkers
ze ook zijn, hangen van den anderen kant ook af van de kinderen van
Sion, die zij verachten en vervolgen. Zonder onzen rijkdom, zouden
zij noch in den oorlog hun legers, noch bij den vrede hun zegepralen
kunnen betalen, en het goud, dat wij hun leenen, keert vermeerderd
in onze geldkisten terug. Wij zijn gelijk het gras, dat te weliger
opschiet, hoe meer het vertrapt wordt. Zelfs het feest van heden kon
niet plaats gehad hebben, zonder de toestemming van den verachten Jood,
die er de middelen toe verschaft heeft."

"Dochter," hernam Izaäk, "gij hebt een andere snaar van mijne smart
aangeroerd. Het schoone paard en de rijke wapenrusting zullen al
het voordeel verslinden van mijn handel met onzen Kirjath Jairam van
Leicester;--dat zou een verschrikkelijk verlies zijn;--de winst van
eene geheele week, van den geheelen tijd tusschen twee sabbaths;--en
echter kan het nog beter afloopen, dan ik nu denk; want het is een
brave jongeling."

"Zeker," zei Rebekka, "en ik vertrouw, dat het u niet berouwen zal,
den goeden dienst te hebben vergolden, dien u de vreemde ridder
bewezen heeft."

"Ik vertrouw er ook op, dochter," zei Izaäk, "en ik vertrouw ook op
het herbouwen van Sion; maar ik heb evenveel hoop met eigene oogen de
muren en torens van den nieuwen tempel te zien, als ik hopen kan, dat
een Christen, ja, de allerbeste der Christenen, aan een Jood een schuld
zou betalen, anders dan uit vrees voor den rechter en de gevangenis."

Dit zeggende, hervatte hij zijn onrustige wandeling door de kamer;
en Rebekka, bespeurende, dat alle pogingen om haar vader te troosten,
alleen dienden, om nieuwe klachten uit te lokken, zag wijselijk
van hare onnutte moeite af;--een voorzichtig gedrag, dat wij allen
troosters en raadgevers in soortgelijke gevallen ter navolging
aanbevelen.

De avond begon juist te vallen, toen een Joodsche bediende de
kamer binnentrad, en twee zilveren lampen op tafel zette, gevuld met
welriekende olie;--de heerlijkste wijnen en de keurigste ververschingen
werden tevens door een anderen Joodschen dienaar, op een kleine
ebbenhouten tafel, met zilver ingelegd, gezet; want in hunne huizen
ontzeiden de Joden zich geene kostbare weelde. Te gelijker tijd
meldde de bediende, dat een Nazareër (zoo noemden zij de Christenen,
als zij onder elkander spraken), Izaäk begeerde te spreken. Hij,
die van den koophandel wil leven, moet gereed staan voor ieder,
die zaken met hem heeft. Izaäk zette schielijk het glas Griekschen
wijn, dat hij aan de lippen had, zonder er van te proeven neder, en
haastig tot zijn dochter zeggende: "Rebekka, laat den sluier vallen,"
beval hij den vreemdeling binnen te laten. Juist, toen Rebekka over
haar schoone trekken een sluier van zilvergaas geslagen had, die
haar tot de knieën reikte, ging de deur open, en Gurth trad binnen,
in zijn wijden Normandischen mantel gewikkeld. Zijn voorkomen wekte
eerder achterdocht dan dat het innemend was, voornamelijk daar hij,
in plaats van zijn kap af te nemen, deze nog dieper over zijn verbrand
voorhoofd trok.

"Zijt gij Izaäk, de Jood van York?" zeide Gurth in het Saksisch.

"Die ben ik," hernam Izaäk in dezelfde taal (want zijn handel had
hem met iederen tongval, die in Engeland gesproken werd, gemeenzaam
gemaakt); "en wie zijt gij?"

"Dat doet niets ter zaak," antwoordde Gurth.

"Dit raakt mij zoowel als mijn naam u," hervatte Izaäk; "want, hoe
kan ik verkeer met u houden, zonder uw naam te weten?"

"Zeer gemakkelijk," zeide Gurth; "daar ik u geld te betalen heb, moet
ik weten, of ik het aan den rechten man geef; gij, die het ontvangen
moet, zult er u weinig om bekommeren, door wiens handen het u toekomt."

"O," zei de Jood, "gij zijt gekomen om geld te betalen.--Heilige
vader Abraham!--dat verandert onze betrekking tot elkander. En van
wien brengt gij het?"

"Van den Onterfden Ridder," antwoordde Gurth, "den overwinnaar in het
toernooi van heden. Het is de prijs van de wapenrusting, die Kirjath
Jairam van Leicester hem op uw aanbeveling heeft verschaft. Het paard
staat weder in uw stal. Ik wenschte nu wel te weten, hoe groot de
som is, die ik voor de wapenrusting betalen moet?"

"Ik heb gezegd, dat het een brave jongeling was!" riep Izaäk, verrukt
van blijdschap. "Een beker wijn zal u geen kwaad doen," voegde hij
er bij, den zwijnenhoeder een beker inschenkende en overhandigende,
gevuld met kostelijker wijn, dan hij ooit te voren geproefd had. "En
hoeveel geld hebt gij medegebracht?"

"Heilige Maagd!" riep Gurth, den beker nederzettende, "welken nektar
drinken die ongeloovige honden, terwijl geloovige Christenen tevreden
moeten zijn met bier, zoo dik en troebel, als de draf, dien wij aan
de zwijnen geven!--Hoeveel geld ik medegebracht heb?" ging de Sakser
voort, na deze onbeleefde uitroeping; "slechts een klein sommetje,
maar toch iets in de hand. Wel, Izaäk, gij moet een geweten hebben,
al is het ook maar een Jodengeweten."

"Nu ja," hernam Izaäk; "maar uw meester heeft schoone paarden en
rijke wapenrustingen gewonnen door de kracht zijner lans en zijner
rechterhand,--maar het is een brave jongeling;--de Jood zal ze in
plaats van betaling aannemen, en hem het overschot terug geven."

"Mijn meester heeft reeds daarover beschikt," zei Gurth.

"Ach! dat was verkeerd," antwoordde de Jood, "dat was een gekke
streek. Geen Christen hier kon zoovele paarden en wapenrustingen
koopen;--geen Jood buiten mij, kon hem meer dan de helft van de waarde
geven. Maar gij hebt honderd _zechinen_ bij u in die beurs." zeide
Izaäk, onder den mantel van Gurth tastende, "ze is zwaar."

"Ik heb er punten voor pijlen in," zei Gurth, zonder zich te bedenken.

"Wel nu," zei Izaäk zuchtende, en aarzelende tusschen zijn gewone
geldzucht en het pas opgekomen verlangen, om in het tegenwoordig geval
edelmoedig te zijn, "als ik zei, dat ik tachtig _zechinen_ wilde
nemen voor het goede paard en de rijke wapenrusting, dat mij geen
gulden winst zou geven, hebt gij dan geld genoeg om mij te betalen?"

"Nauwelijks," antwoordde Gurth, hoewel de gevraagde som minder was,
dan hij verwacht had, "en mijn meester blijft dan niets over. Echter,
zoo dit uw laatste woord is, moet ik er mede tevreden zijn."

"Schenk u nog een beker wijn in," zei de Jood. "Ach! tachtig _zechinen_
is te weinig! Het laat geen interest van het geld over; en buitendien,
kan het paard geleden hebben in den strijd. O, het was een zwaar en
gevaarlijk gevecht; man en paard tegen elkander vliegende, als de
wilde stieren van Basan. Het paard heeft zeer geleden!"

"En ik zeg," hervatte Gurth, "dat het gezond is aan lijf en leden,
gij kunt het nu in den stal zien. En ik zeg bovendien, dat zeventig
_zechinen_ genoeg is voor de wapenrusting, en ik hoop, dat het woord
van een Christen even goed is, als dat van een Jood. Als gij geen
zeventig nemen wilt, zal ik deze beurs aan mijn meester terug brengen;"
en hij liet het geld klinken.

"Neen, neen!" riep Izaäk, "leg de talenten, de sjekels,--de tachtig
_zechinen_ neer, en gij zult zien, dat ik u ruim bedenken zal."

Gurth gaf toe, en tachtig _zechinen_ op de tafel tellende, gaf de
Jood hem een kwitantie voor het paard en de wapenrusting. Des Joden
hand sidderde van vreugde, terwijl hij de eerste zeventig goudstukken
opstreek. De tien laatsten telde hij met veel bedaardheid na, stil
houdende en iets mompelende, telkens als hij een stuk van de tafel
opnam, en het in de beurs stak. Het scheen, alsof zijn gierigheid
met zijn beteren aard in strijd was, en hem dwong de eene _zechine_
na de andere op te strijken, terwijl zijn edelmoedigheid hem aandreef,
om tenminste een gedeelte aan zijn weldoener terug te geven, in den
vorm eener gift aan zijn dienaar. Zijn geheel gesprek luidde ten
naastenbij aldus:--

"Een en zeventig,--twee en zeventig; uw meester is een brave
jongeling;--drie en zeventig,--een voortreffelijk jongeling,--vier
en zeventig, dit stuk is besneden,--vijf en zeventig, en dit schijnt
te licht,--zes en zeventig,--als uw meester geld noodig heeft, laat
hij dan bij Izaäk van York komen;--zeven en zeventig,--te weten
onder goed onderpand." Hier hield hij geruimen tijd stil, en Gurth
had goede hoop, dat de drie laatste stukken het lot van hun makkers
zouden ontgaan; maar de telling ging voort.--"Acht en zeventig,--gij
zijt een goede jongen,--negen en zeventig,--en verdient iets voor u
zelven."--Hier hield de Jood weder op, en zag de laatste _zechine_
aan, zonder twijfel met voornemen om ze aan Gurth te schenken. Hij
woog ze op den top van den vinger, en liet ze op de tafel vallen,
om den klank te hooren. Ware ze maar één haar te licht, of de
klank niet zuiver geweest, dan had de edelmoedigheid gezegepraald;
maar ongelukkig voor Gurth was de klank vol en zuiver, de _zechine_
dik, nieuw geslagen en een grein boven het gewicht. Izaäk kon niet
van zich verkrijgen om er van te scheiden, dus liet hij ze, als uit
verstrooidheid, in de beurs vallen met de woorden: "Tachtig maakt de
som vol, en ik vertrouw, dat uw meester u goed zal beloonen. Zeker,"
voegde hij er bij, ernstig naar de beurs loerende, "gij hebt meer
geld in dien zak?" Gurth grijnsde, zijn eenige wijze van lachen, en
hernam: "Omtrent dezelfde som, als die gij daar zoo zorgvuldig geteld
hebt." Hierop vouwde hij de kwitantie op, en stak ze onder zijn kap,
zeggende: "Bij uw baard, Jood, pas op, dat de kwitantie goed en echt
zij!" Hij vulde, zonder er toe verzocht te zijn, een derden beker wijn,
en verliet de kamer zonder te groeten.

"Rebekka," zei de Jood, "die Ismaëliet is mij een weinig te slim
geweest. Toch is zijn heer een brave jongeling;--ja, en ik ben
verheugd, dat hij sjekels van goud en zilver gewonnen heeft, door
zijn vlug paard en zijn sterke lans, die, evenals die van Goliath
den Philistijn, met een wevers-boom kon vergeleken worden."

Toen hij zich omkeerde om een antwoord van Rebekka te ontvangen,
bespeurde hij, dat zij, onder zijn gesprek met Gurth, de kamer
verlaten had.

Intusschen was Gurth de trappen afgegaan, en na een duistere voorkamer,
of gang bereikt te hebben, tastte hij rond om den uitgang te vinden,
toen een witte gedaante, verlicht door een kleine zilveren lamp,
die zij in de hand hield, hem een wenk gaf haar in een zijvertrek te
volgen. Gurth was hiertoe niet zeer geneigd. Ruw en onstuimig als een
wild everzwijn, waar hij niets dan geweld te duchten had, bezat hij
al de karakteristieke bevreesdheid van de Saksers ten opzichte van
weerwolven, boschmannen, witte vrouwen en al de spoken, die zij uit
de wildernissen van Duitschland hadden medegebracht. Hij herinnerde
zich daarenboven, dat hij in het huis van een Jood was, een volk, dat,
behalve de andere hatelijke eigenschappen, welke het volksbijgeloof
hun toeschreef, voor groote toovenaars en heksenmeesters gehouden
werd. Echter gehoorzaamde hij, na zich een oogenblik bedacht te hebben,
aan het verzoek van de verschijning, en volgde haar in de kamer, die
zij hem aanwees, waar hij tot zijne verwondering en vreugde ontdekte,
dat zijn leidster de schoone Jodin was, die hij eerst op het toernooi,
en vóór eenige oogenblikken in haars vaders vertrek gezien had.

Zij vroeg hem naar zijn onderhoud met Izaäk, dat hij nauwkeurig
mededeelde.

"Mijn vader heeft slechts met u geschertst, vriend," zeide Rebekka;
"hij is uw meester meer dank verschuldigd, dan deze wapenen en dit
paard kunnen vergelden, al waren zij tienmaal meer waard. Hoeveel
hebt gij mijn vader betaald?"

"Tachtig _zechinen_," zei Gurth, verrast door de vraag.

"In deze beurs," vervolgde Rebekka, "zult gij er honderd
vinden. Geef uw meester zijn eigendom terug, en behoud het overige
voor u. Ga,--haast u,--houd u niet op met dankbetuigingen, en neem u
in acht, als gij door deze drukke stad gaat, waar gij licht uw last
en uw leven kunt verliezen.--Ruben!" voegde zij er bij, in de handen
klappende, "licht dezen vreemdeling voor, en vergeet niet de deur
met slot en grendel achter hem te sluiten."

Ruben, een zwartoogige en zwartgebaarde Israëliet, gehoorzaamde aan
haar bevelen met een fakkel in de hand; hij opende de buitendeur
van het huis, en Gurth over een geplaveid hof geleidende, liet hij
hem door een deurtje in de poort uit, dat hij achter hem sloot met
grendels en ketenen, die voor een gevangenis waren.

"Bij den heiligen Dunstan," zei Gurth, terwijl hij door de donkere gang
voortstrompelde, "dit is geene Jodin, maar een engel des hemels! Tien
_zechinen_ van mijn dapperen jongen meester,--twintig van deze parel
van Sion--gelukkige dag!--Nog één dag van dien aard, Gurth, en gij kunt
u loskoopen van de lijfeigenschap, en zoo vrij wezen als de beste. En
dan leg ik terstond mijn zwijnenhoedershoren en staf neder, neem het
zwaard en het schild van een vrijen man op, en volg mijn jongen meester
tot in den dood, zonder meer mijn gezicht of naam te verbergen."



ELFDE HOOFDSTUK.


    1ste Struikr.   Sta, Heer! geef af hetgeen gij bij u draagt,
                    Of anders pakken we u en plunderen u.
         Spion.     Wij zijn verloren, Heer! ziedaar de schurken,
                    Voor wie steeds alle reizigers bevreesd zijn.
         Val.       Mijn vrienden . . . . . . . . .
    1ste Struikr.   Toch niet, wij zijn uw vijanden.
    2de  Struikr.   Stil, stil, hem aangehoord!
    3de  Struikr.   Ja, bij mijn baard, dat willen wij;
                    't Is toch een deftig man.

                                        De twee Edellieden van Verona.


Gurt's nachtelijke avonturen waren nog niet ten einde; deze gedachte
kwam bij hem zelf op, toen hij zich, na tusschen een paar eenzame
huizen, die aan het einde van het dorp lagen, te zijn doorgegaan,
in een diepen, hollen weg bevond, die tusschen twee dijken doorliep,
welke met hulst en hazelstruiken bezet waren, terwijl hier en daar
een dwergeik zijn takken geheel over het pad uitstrekte. De weg
was daarenboven bedorven door de wagens, die nog niet lang geleden
allerhande behoeften voor het toernooi hadden aangebracht, en het
was donker, want de dijken en struiken onderschepten het licht van
de schoone najaars-maan.

Uit het dorp hoorde men het verwijderde geluid der uitgelatenste
vroolijkheid, soms met gelach vermengd, soms door een gil afgebroken,
en dan weer door wilde muziek afgewisseld. Al deze klanken, welke
van de ongeregeldheid in de stad getuigden, die opgevuld was met
de krijgshaftige edelen en hun losbandig gevolg, verwekten eenige
ongerustheid bij Gurth. "De Jodin had gelijk," zei hij bij zich
zelven. "Bij den Hemel en St. Dunstan, ik wenschte, dat ik de reis met
mijn schat veilig achter den rug had! Hier zijn zoo vele, ik wil niet
zeggen zwervende dieven, maar zwervende ridders en knapen, zwervende
monniken en minnezangers, zwervende goochelaars en potsenmakers, dat
een mensch met een enkele mark op zak, in gevaar zou zijn,--hoeveel
meer dus een arme zwijnenhoeder met een geheele beurs vol _zechinen_;
was ik maar eerst uit de schaduw van die verwenschte struiken, dan
kon ik tenminste de volgelingen van St. Nikolaas [15] zien, eer ze
mij op den hals vallen."

Gurth verhaastte dus zijne schreden, om de open heidevlakte te
bereiken, waarheen de holle weg leidde, maar dit gelukte hem
niet. Juist toen hij aan het einde van den weg gekomen was, dáár
waar het kreupelhout het dichtste was, sprongen er vier mannen op
hem aan, zooals zijn angstig voorgevoel hem voorspeld had, van iedere
zijde van den weg twee, en grepen hem zoo vast, dat alle weerstand,
al ware die mogelijk geweest, te vergeefs zou geweest zijn.

"Geef uw last over!" zei er een van; "wij zijn de ontvangers van het
rijk, die ieder van zijn last verlichten."

"Gij zoudt mij van den mijnen niet zoo gemakkelijk verlichten," morde
Gurth, wiens norsche eerlijkheid zelfs niet door geweld kon gebogen
worden,--"als ik het maar in mijne macht had, u een paar slagen te
geven om mij te redden."

"Dat zullen wij straks zien," zei de roover, en zich tot zijn
makkers wendende, sprak hij: "brengt hem mede; ik zie, dat hij zich
de hersenen wil laten inslaan, zoowel als zijne beurs opensnijden,
en zoo aan twee aderen tegelijk bloed gelaten worden."

Gurth werd volgens dit bevel voortgesleept, en nadat hij eenigszins
ruw over den dijk aan de linker zijde van den weg getrokken was,
bevond hij zich in een eenzaam boschje, dat tusschen den hollen weg
en de open heivlakte lag. Hij werd gedwongen zijn woeste leidslieden
tot in de diepte van het bosch te volgen, waar zij plotseling op een
boomvrije plek bleven staan, waarop de stralen van de maan ongehinderd
door takken of struiken vielen. Hier voegden zich nog bij de roovers,
die waarschijnlijk tot de bende behoorden, twee andere mannen. Zij
hadden korte zwaarden op zijde en groote knuppels in de handen, en
Gurth bespeurde nu, dat zij allen maskers droegen, wat hun beroep
verraadde, al had hun vorige handelwijze ook nog eenige onzekerheid
dienaangaande overgelaten.

"Hoeveel geld hebt gij bij u?" vroeg een van de dieven.

"Dertig _zechinen_, die mij toebehooren," hernam Gurth kort af.

"Verbeurd, verbeurd!" riepen de roovers; "een Sakser heeft
dertig _zechinen_, en keert nuchter uit een dorp terug! Zij zijn
onherroepelijk en zeker aan ons vervallen, met alles, wat hij bij
zich heeft."

"Ik heb ze bijeen gespaard, om mijn vrijheid daarmede te koopen,"
antwoordde Gurth.

"Gij zijt een ezel," hernam een van de dieven; "drie flesschen sterk
bier hadden u even vrij gemaakt als uw meester, en zelfs vrijer,
als hij een Sakser is, evenals gij."

"Eene droeve waarheid," hervatte Gurth; "maar als de dertig _zechinen_
mij van u vrijkoopen kunnen, zoo maakt mij de handen los, en ik zal
ze u uitbetalen."

"Holla!" zei de een, die bij de anderen in aanzien scheen te staan,
"de beurs, die gij daar draagt, voor zoover ik door uw mantel voelen
kan, bevat meer geld dan gij zegt."

"Het behoort aan den dapperen ridder, mijn meester!" antwoordde Gurth;
"ik zou er zeker geen woord van gesproken hebben, zoo gij u met mijn
eigendom hadt tevreden gesteld."

"Gij zijt een eerlijke jongen," hernam de roover, "dat verzeker ik u;
en wij vereeren St. Nikolaas niet zoo oprecht, of uw dertig _zechinen_
kunnen nog gered worden, als gij openhartig met ons handelt. Geef
ons intusschen uw aanvertrouwd goed over." Dit zeggende, nam hij van
onder Gurth's mantel den lederen zak, waarin de beurs, die Rebekka
hem gegeven had, zoowel als de overige _zechinen_ zich bevonden,
en daarop ging hij voort met zijn ondervraging.--"Wie is uw meester?"

"De Onterfde Ridder," zei Gurth.

"Wiens goede lans den prijs in het toernooi van heden behaald
heeft?" hervatte de roover. "Hoe is zijn naam en wat zijne afkomst?"

"Hij verkiest beiden verborgen te houden," antwoordde Gurth, "en van
mij zult gij zeker niets daaromtrent vernemen."

"Wat is uw eigen naam en afkomst?"

"Als ik u dat zeide," hernam Gurth, "zou het die van mijn meester
kunnen verraden."

"Gij zijt een stoute kerel," zei de roover, "maar straks nader
daarover! Van waar krijgt uw meester dat goud? Heeft hij het geërfd,
of op welke wijze heeft hij het verworven?"

"Door zijn goede lans," antwoordde Gurth. "Deze beurzen bevatten het
losgeld van vier schoone paarden en wapenrustingen."

"Hoeveel is er in?" vraagde de roover.

"Twee honderd _zechinen_."

"Maar twee honderd _zechinen_?" zei de bandiet; "uw meester heeft mild
met de overwonnenen gehandeld, en hun een gering losgeld opgelegd. Noem
diegenen op, welke het goud betaald hebben." Gurth gehoorzaamde.

"Welk losgeld hebben de wapenrusting en het paard van den Tempelier
Brian de Bois-Guilbert opgebracht?--Gij ziet, dat gij mij niet kunt
bedriegen."

"Mijn meester," hernam Gurth, "wil van den Tempelier niets dan zijn
bloed aannemen. Zij hebben elkander op leven en dood uitgedaagd,
en kunnen niets in der minne afmaken."

"Wezenlijk!" riep de roover, en hield na dezen uitroep een oogenblik
stil. "En wat hebt gij te Ashby gedaan, met zulk een som in uw
bewaring?"

"Ik ben er heen geweest," antwoordde Gurth, "om aan Izaäk den Jood
van York den prijs terug te geven voor eene wapenrusting, welke hij
aan mijn meester voor het toernooi geleverd had."

"En hoeveel hebt gij Izaäk betaald?--Mij dunkt, naar het gewicht te
oordeelen, dat er nog wel twee honderd _zechinen_ in deze beurs zijn."

"Ik heb aan Izaäk," zeide de Sakser, "tachtig _zechinen_ betaald,
en hij heeft er mij honderd in de plaats gegeven."

"Hoe! wat!" riepen alle roovers tegelijk; "durft gij met ons spotten,
dat gij ons zulke onbeschaamde leugens vertelt?"

"Wat ik u zeg," zeide Gurth, "is even waar, als dat de maan aan den
hemel staat. Gij zult de geheele som in een zijden beurs vinden,
van het overige goud afgescheiden."

"Bedenk u, vriend," zei de kapitein; "gij spreekt van een Jood, van
een Israëliet, die even weinig gewillig is goud terug te geven, als
het dorre zand van de woestijn, om een beker water terug te geven,
dien de pelgrim er op uitgiet."

"Zij bezitten niet meer barmhartigheid," zei een ander van de
bandieten, "dan een onomgekochte gerechtsdienaar."

"Het is echter zooals ik zeg," antwoordde Gurth.

"Maakt oogenblikkelijk licht," zei de kapitein; "ik wil deze
beurs onderzoeken; en als deze man de waarheid spreekt, dan is de
milddadigheid van den Jood bijna even wonderbaar als de stroom,
welke zijn voorouders in de woestijn verkwikte."

Er werd licht gebracht, en de roover begon de beurs te onderzoeken. De
anderen verzamelden zich om hem heen, en zelfs de twee, die Gurth
vasthielden, lieten hem bijna los, terwijl zij de halzen uitstrekten,
om den uitslag van het onderzoek te zien. Van hunne achteloosheid
gebruik makende, rukte zich Gurth door eene plotselinge inspanning van
krachten en vlugheid geheel los, en had mogen ontsnappen, als hij had
kunnen besluiten, zijns meesters eigendom achter te laten. Maar dit
was geenszins zijn bedoeling. Hij ontrukte aan een der dieven zijn
knuppel, sloeg den kapitein ter neder, die daarop in het geheel niet
voorbereid was, en had bijna den zak en den schat weder bemachtigd. De
roovers waren hem echter te vlug, en maakten zich weder meester van
de beurs en van den getrouwen Gurth.

"Schurk!" zei de kapitein, weder opstaande, "gij hebt mij een gat
in het hoofd geslagen, en bij anderen van onzes gelijken zou uwe
onbeschaamdheid u duur te staan komen. Maar gij zult dadelijk uw
lot vernemen. Laten wij eerst over uw meester spreken; de zaken van
den ridder gaan vóór die van den schildknaap, volgens de wetten der
ridderschap. Blijf intusschen stil staan;--als gij u weêr verroert,
zult gij voor uw leven lang tot rust gebracht worden!--Kameraden,"
zei hij vervolgens, zich tot zijne bende keerende, "deze beurs is met
Hebreeuwsche letters geborduurd, en ik moet gelooven, dat het verhaal
van den dienaar waarheid is. De dolende ridder, zijn meester, moet er
noodzakelijk bij ons tolvrij afkomen. Hij heeft al te veel overeenkomst
met ons, om hem iets af te nemen: de honden verscheuren elkander niet,
zoolang er nog vossen en wolven in overvloed te vinden zijn."

"Overeenkomst met ons?" antwoordde een van de bende: "Ik zou dat wel
eens willen hooren bewijzen!"

"Wel," hernam de kapitein, "is hij niet arm en onterfd, evenals
wij?--Verdient hij niet den kost met de scherpte van zijn zwaard,
zooals wij?--Heeft hij niet Front-de-Boeuf en Malvoisin geslagen,
zooals wij hen zouden slaan, als wij maar konden? Is hij niet de
doodvijand van Brian de Bois-Guilbert, dien wij zoo vele redenen
hebben te vreezen? En al ware dit ook niet, zoudt gij willen, dat
wij minder barmhartig waren, dan een ongeloovige, Hebreeuwsche Jood?"

"Neen, dat ware schande," bromde de andere; "en toch, toen ik onder
de bende van den dapperen ouden Gandelyn diende, kenden wij zulke
gewetensbezwaren niet. En deze onbeschaamde boer,--die komt er zeker
ook nog heelshuids af,--daar sta ik borg voor!"

"Niet, als _gij_ het hem beletten kunt," hernam de kapitein. "Kom
hier, kerel!" ging hij voort, zich tot Gurth wendende: "weet gij den
knuppel te hanteeren, daar gij er zoo vlug naar grijpt?"

"Mij dunkt," antwoordde Gurth, "dat gij best zelf in staat zijt,
die vraag te beantwoorden."

"Nu, op mijn woord, ge hebt mij een fikschen slag gegeven;" hervatte
de kapitein; "geef er dezen jongen net zoo een flinken, en gij zult
er tolvrij afkomen; en als gij dat niet doet, welnu, daar gij zulk een
kerel zijt, denk ik, dat ik uw losgeld zelf zal moeten betalen.--Neem
uw knuppel, Mulder, en pas op uw hoofd; en gij anderen laat den boer
los, en geeft hem een stok;--het is licht genoeg, om elkander aan
te pakken."

Beide kampvechters, met knuppels gewapend, traden voorwaarts,
in het midden van de open plek, om het volle maanlicht te hebben;
terwijl de roovers hun makker lachend toeriepen: "Mulder! neem uw
tolstok in acht!" De Mulder, van den anderen kant, den stok in het
midden vasthoudende, en over zijn hoofd zwaaiende, op de wijze,
die de Franschen _faire le moulinet_ noemen, riep pochende uit:
"Kom maar, boer, als gij durft; gij zult de kracht van een Mulders
vuist gevoelen!"

"Zoo gij een Mulder zijt," antwoordde Gurth onverschrokken, zijn
wapen met even groote vlugheid om het hoofd zwaaiende, "dan zijt gij
een dubbele dief, en ik, als eerlijk man, trotseer u!"

Hierop vielen de kampvechters elkander aan, en gedurende eenige
minuten toonden zij groote gelijkheid in kracht, moed en behendigheid,
terwijl zij de slagen van hun tegenpartij opvingen en teruggaven,
zoodat men, uit het onophoudelijk gekletter, op een afstand zou
verondersteld hebben, dat er van iederen kant ten minste zes man aan
het vechten waren.

Minder hardnekkige, en zelfs minder gevaarlijke strijden, zijn in
schoone heldenverzen bezongen; maar de strijd tusschen Gurth en den
Mulder moet onbeschreven blijven, uit gebrek aan een gewijden dichter,
om recht te wedervaren aan die gewichtige gebeurtenis. Maar, ofschoon
dit vechten met knuppels lang uit de mode is, zullen wij in proza
voor deze stoute kampvechters ons best doen.

Lang vochten zij met gelijken uitslag, totdat de Mulder het geduld
verloor, omdat hij een zoo moedigen tegenstander vond, en het gelach
zijner makkers hoorde, die, zooals gewoonlijk bij zulke gelegenheden,
met zijn spijt den spot dreven. Hij was dus in geene gunstige
gemoedsgesteldheid voor den edelen tweestrijd met knuppels, waarbij,
evenals bij den gewonen kamp met stokken, de grootste koelbloedigheid
vereischt wordt; en dit gaf aan Gurth, wiens aard, hoe toornig ook,
toch bedaard was, gelegenheid, om een beslissend voordeel te behalen,
waarvan hij meesterlijk gebruik maakte.

De Mulder drong woedend op hem aan, beurtelings met beide einden van
zijn wapen slagen uitdeelende, en trachtende op halve stoks lengte te
komen, terwijl Gurth zich tegen den aanval verdedigde, door de handen
omtrent een el van elkander af te houden, en zich te dekken door zijn
wapen telkens met groote snelheid uit de eene hand in de andere te
werpen, om zijn hoofd en lichaam te beschermen. Zoo hield hij zich
verdedigender wijze staande, met oogen, voeten en handen behoorlijk
wachtende, tot hij bespeurde, dat zijn tegenpartij den adem verloor;
toen sloeg hij met de linkerhand naar zijn gezicht; en, terwijl de
Mulder poogde, den slag af te weren, liet Gurth de rechter- tot de
linkerhand zakken, en trof met volle kracht zijn tegenpartij aan de
linkerzijde van het hoofd, zoodat deze oogenblikkelijk lang uit op
den grond lag.

"Goed,--en als een dapper landsmans gedaan!" schreeuwden de
roovers. "Leve de eerlijke strijd en oud Brittanje! De Sakser heeft
beurs en huid gered, en de Mulder heeft zijn man gevonden."

"Gij kunt heengaan, vriend," zei de kapitein, zich tot Gurth wendende,
om de algemeene stem te bevestigen, "en ik zal u door twee van mijn
kameraden den besten weg naar de tent van uw meester laten wijzen,
om u tegen andere nachtwandelaars te beschermen, die een minder teeder
geweten zouden hebben, dan wij; want er zijn velen op de been in een
nacht, als dezen. Pas evenwel op!" voegde hij er op strengen toon
bij. "Herinner u, dat gij geweigerd hebt uw naam te zeggen;--vraag
niet naar den onzen, en tracht niet te ontdekken, wie of wat wij zijn;
want als gij dat doet zal het u erger gaan, dan ge wel denkt!"

Gurth dankte den kapitein voor zijne beleefdheid, en beloofde zijn
raad niet te vergeten. Twee der vrijbuiters namen hunne stokken,
en Gurth bevelende hen kort op de hielen te volgen, gingen zij met
vlugge schreden vooruit, langs een voetpad, dat door het bosch en
de woeste vlakte in de nabijheid liep. Aan het einde van het bosch
spraken twee mannen zijn geleiders aan, en, nadat deze hun een antwoord
toegefluisterd hadden, begaven zij zich in het woud terug, en lieten
hen ongehinderd verder gaan. Deze omstandigheid deed Gurth gelooven,
dat de bende talrijk was, en dat zij geregelde wachten rondom hun
verzamelplaats hadden.

Toen zij op de open heide kwamen, waar Gurth het eenigszins moeielijk
zou gevallen zijn, den weg te vinden, geleidden de roovers hem recht
naar den top van een kleinen heuvel, van waar hij, in den maneschijn,
de palen van het strijdperk, en de schitterende tenten met haar
wapperende vlaggetjes, die aan ieder uiteinde er van bevestigd waren,
zien kon, en het gezang hooren, waarmede de schildwachten den tijd
zochten te korten.

Hier bleven de dieven staan.

"Wij gaan niet verder," zeiden zij; "het zou niet veilig voor ons
zijn.--Herinner u de waarschuwing, die ge ontvangen hebt:--houd geheim,
wat u dezen nacht is overkomen, en het zal u niet berouwen;--zoo gij
verzuimt, wat men u gezegd heeft, zou de _Tower_ te Londen u niet
tegen onze wraak beschermen."

"Goeden nacht, vrienden," zei Gurth. "Ik zal uw bevelen opvolgen,
en ik vertrouw geen kwaad te doen, met u een veiliger en eerlijker
beroep toe te wenschen!"

Zoo scheidden zij; de vrijbuiters keerden langs denzelfden weg terug,
dien zij gekomen waren, en Gurth ging naar de tent van zijn meester,
dien hij, in weerwil van het gegeven bevel, alle voorvallen van dien
nacht mededeelde.

De Onterfde Ridder was vervuld met verbazing, zoowel over de
edelmoedigheid van Rebekka, waarvan hij echter besloot geen voordeel
te trekken, als over die van de roovers, aan wier beroep zulk eene
deugd geheel vreemd scheen. Zijn gepeins over deze zonderlinge
omstandigheden, werd evenwel gestoord door de noodzakelijkheid, om
de rust te nemen, die de vermoeienissen van den vorigen dag en de
noodwendigheid, om zich tegen het gevecht van den aanstaanden morgen
te versterken, onmisbaar maakten.

De ridder legde zich dus op een zacht bed, waarmede de tent voorzien
was, neder, en de getrouwe Gurth strekte zijn verharde leden op
een berenvel, dat tot kleed op den grond diende, uit, dwars voor
de opening van de tent, zoodat niemand binnenkomen kon, zonder hem
wakker te maken.



TWAALFDE HOOFDSTUK.


    Gij hieldt, Herauten, op, met heen en weer te draven,
    Terwijl trompet, klaroen het sein tot d' aanval gaven:
    't Is nauwlijks nog gehoord, of weerzijds van de baan,
    Ziet ge allen vaardig met gevelde lansen staan,
    De scherpe spoor gedrukt in 't ros aan beide zijden;
    Daar stuiven ze ijlings voorwaarts, rennen, worstlen, strijden;
    De spietsen dringen door het dikke en harde schild
    Den hartkuil in: de ridder wankelt, trilt;
    Zij vliegen door de lucht, de lange, lange lansen;
    De ontbloote zwaarden in de zon, als zilver glanzen;
    Alom wordt helm bij helm gebeukt, verplet, doorboord,
    En 't bloed stroomt langs den grond in roode plassen voort.

                                                            Chaucer.


De morgen daagde in onbewolkte helderheid op, en eer de zon ver boven
den gezichteinder verscheen, zag men de traagsten, of ijverigsten
der toeschouwers op weg naar het strijdperk, om zich eene gunstige
plaats te verschaffen, bij de verwachte spelen.

De maarschalken en hunne volgelingen verschenen ook op het veld,
tegelijk met de herauten, om de namen van de ridders op te teekenen,
die begeerden mede te strijden, zoowel als de partij, welke zij
wenschten te kiezen. Dit was een noodzakelijke voorzorg, om eenige
gelijkheid te bewaren tusschen de twee afdeelingen, die tegen elkander
strijden zouden.

Volgens het gebruik was de Onterfde Ridder aanvoerder van de eene
partij, terwijl Brian de Bois-Guilbert, die voor den tweeden op den
vorigen dag gerekend werd, tot eersten kampvechter van de andere
partij benoemd was. Zij, die deel aan de uitdaging genomen hadden,
waren natuurlijk van zijne partij, met uitzondering van Ralph de
Vipont, dien zijn val buiten staat gesteld had, om zoo schielijk
weder een wapenrusting aan te doen. Het ontbrak niet aan uitstekende
en edele kandidaten, om de gelederen aan beide zijden te versterken.

Inderdaad, ofschoon het algemeen toernooi, waarin alle ridders tegelijk
vochten, gevaarlijker was dan de tweegevechten, zoo werd het toch meer
gezocht en beoefend door de ridderschap van die eeuw. Vele ridders,
die geen vertrouwen genoeg op hunne eigene behendigheid stelden,
om een enkelen vijand van grooten naam uit te dagen, verlangden
echter hunne dapperheid in het algemeen gevecht te toonen, waar zij
anderen konden ontmoeten, met wie zij meer gelijk stonden. Bij de
tegenwoordige gelegenheid werden omtrent vijftig ridders aan beide
kanten ingeschreven, toen de maarschalken verklaarden, dat er geen
meer konden aangenomen worden, tot groote teleurstelling van velen,
die te laat kwamen, om toegelaten te worden.

Tegen tien uur was de geheele vlakte bedekt met mannen en vrouwen
te paard, en te voet, die allen naar het toernooi gingen; en kort
daarop kondigde een luid trompetgeschal Prins Jan en zijn gevolg aan,
vergezeld van velen der ridders, die deel wilden nemen aan het gevecht,
zoowel als van anderen, die dit voornemen niet hadden.

Omtrent denzelfden tijd verscheen Cedric de Sakser met jonkvrouw
Rowena, maar zonder Athelstane. Deze edele Sakser had zijn groot en
sterk lichaam in eene wapenrusting gestoken, om plaats te nemen onder
de strijders, en zeer tot verwondering van Cedric, had hij de partij
van den Tempelier gekozen. De Sakser had zijn vriend, wel is waar,
sterke vertoogen gedaan over deze onverstandige keus; maar hij had
slechts het antwoord gekregen, dat gewoonlijk diegenen geven, welke
hardnekkiger zijn in het opvolgen van hun eigen wil, dan zij sterk zijn
om dien te rechtvaardigen. Zijn beste, zoo niet zijn eenige reden,
om de partij van Brian de Bois-Guilbert te kiezen, was Athelstane
voorzichtig genoeg voor zichzelven te houden. Schoon zijne trage
inborst hem verhinderde, eenige moeite aan te wenden, om zich in de
gunst van Rowena in te dringen, was hij echter geenszins ongevoelig
voor haar bekoorlijkheden, en beschouwde hij eene verbintenis met haar,
als eene reeds geheel zekere zaak, door de toestemming van Cedric en
haar overige vrienden. Dus had de hoogmoedige, hoewel trage Heer van
Coningsburgh met heimelijk ongenoegen gezien, dat de overwinnaar van
den vorigen dag, Rowena gekozen had, als het voorwerp der eer, welke
hij zelf het zijn voorrecht achtte, haar te schenken. Om hem alzoo
wegens eene voorkeur te straffen, die zijn eigen aanzoek in den weg
scheen te staan, had Athelstane, vol vertrouwen op zijne krachten
en groote behendigheid in het gebruik der wapenen, die hem zijn
vleiers tenminste toeschreven, besloten, niet alleen den Onterfden
Ridder van zijn machtigen bijstand te berooven, maar zelfs, als er
zich eene gelegenheid opdeed, hem de zwaarte van zijn strijdbijl te
doen gevoelen.

De Bracy en andere ridders, die aan Prins Jan verkleefd waren,
hadden op een wenk van hem de partij der uitdagers genomen, daar de
Prins verlangde, zoo mogelijk, de overwinning naar dien kant te doen
overhellen. Daarentegen namen vele andere ridders, zoowel Saksers als
Normandiërs, inboorlingen en vreemden, des te gereeder partij tegen de
uitdagers, daar de andere schaar door een zoo uitstekenden kampvechter
aangevoerd zou worden, als de Onterfde Ridder zich betoond had.

Zoodra Prins Jan bespeurde, dat de uitverkoren Koningin van den dag
in het strijdperk was aangekomen, reed hij haar tegemoet, met die
hoffelijkheid, welke hem zoo goed stond, nam de baret af, en van het
paard springende, hielp hij Rowena afstijgen, terwijl zijn gevolg
tegelijk de hoofden ontblootten en een der aanzienlijksten daaronder
afsteeg, om haar paard te houden.

"Zoo is het," zei Prins Jan, "dat wij het verschuldigde voorbeeld van
getrouwheid aan de Koningin der Liefde en Schoonheid geven, en haar
zelf naar den troon geleiden, dien zij heden moet beklimmen.--Schoone
Dames," zeide hij, "volgt uwe Koningin, zoo gij wenscht op uwe beurt
gelijke eer te genieten."

Dit zeggende, geleidde de Prins Rowena naar de eereplaats, tegenover
die waar hij zat, terwijl de schoonste en aanzienlijkste vrouwen achter
haar aandrongen, om zoo dicht mogelijk bij haar Vorstin te zitten.

Nauwelijks zat Rowena, of de muziek, half verdoofd door het gejuich
der menigte, begroette haar in haar nieuwe waardigheid. Intusschen
scheen de zon sterk en helder op de schitterende wapens van de ridders
der beide partijen, welke de uiteinden van het strijdperk opvulden,
en ijverig met elkander de beste wijze overlegden, om hun slagorde
te schikken, en den strijd te voeren.

De herauten geboden nu stilzwijgen, totdat de wetten van het toernooi
voorgelezen waren. Deze waren eenigermate berekend, om de gevaren van
den dag te verminderen; een voorzorg, die des te noodiger was, omdat
de strijd met scherpe zwaarden en puntige lansen zou plaats hebben.

Er werd dus aan de kampvechters verboden met het zwaard te steken,
en hun werd alleen geoorloofd te houwen. De ridder kon een strijdbijl
of knots gebruiken; maar de dolk was een verboden wapen. Een van het
paard geworpen ridder mocht het gevecht hernieuwen met een ridder
van de tegenpartij, die zich in hetzelfde geval bevond; maar aan
de ruiters was het verboden hen aan te vallen. Wanneer een ridder
zijn tegenpartij tot aan het einde van het strijdperk kon drijven,
zoodat hij de palen met zijn paard of zijn wapenrusting aanraakte,
dan moest deze zich overwonnen bekennen, en zijn paard en zijn wapenen
stonden ter beschikking van den overwinnaar. Een aldus overwonnen
ridder mocht geen verder deel aan den strijd nemen. Wanneer een
op den grond geworpen ridder niet in staat was, weder op te staan,
mocht zijn schildknaap, of page, in het strijdperk komen, en zijn
meester uit het gedrang slepen; maar in dit geval werd de ridder voor
overwonnen gehouden, en zijne wapenen en zijn paard werden verbeurd
verklaard. Het gevecht moest ophouden, zoodra Prins Jan zijn staf zou
neder werpen; eene laatste voorzorg, die gewoonlijk genomen werd,
om onnoodig bloedvergieten bij het te lang aanhouden van zulk een
gevaarlijk spel te beletten. Ieder ridder, die de toernooiwetten
schond, of op andere wijze de wetten der eerzame ridderschap overtrad,
zou van zijne wapenen beroofd, met omgekeerd schild op den top der
palissaden geplaatst, en aan het algemeen gelach blootgesteld worden,
wegens zijn onridderlijk gedrag.

Nadat deze maatregelen waren bekend gemaakt, besloten de herauten
met eene vermaning aan iederen goeden ridder, om zijn plicht te doen,
en de gunst van de Koningin der Liefde en Schoonheid te verdienen.

Toen deze afkondiging gedaan was, begaven zich de herauten naar
hunne standplaats. De ridders, van beide zijden van het strijdperk
in een lange rij binnenkomende, schaarden zich in twee gelederen,
vlak tegenover elkaar. De aanvoerder van iedere partij bevond zich
in het midden van het voorste gelid; eene plaats, die hij niet innam,
voordat hij de gelederen zorgvuldig in slagorde gesteld, en aan ieder
zijne plaats gewezen had.

Het was een schoon, maar tevens angstverwekkend schouwspel, zoo
vele dappere strijders, in het rijden geoefend, en rijk gewapend,
gereed te zien staan voor een zoo vreeselijk gevecht,--als ijzeren
standbeelden in hun zadels zittende, en het teeken tot den aanval met
even groot verlangen afwachtende, als hunne moedige rossen, die door
brieschen en stampen hun ongeduld te kennen gaven.

Nog hielden de ridders hun lange lansen omhoog, terwijl de blinkende
spitsen in de zon glinsterden, en de vaandeltjes, waarmede zij versierd
waren, boven de pluimen der helmen fladderden. Zoo bleven zij staan,
terwijl de maarschalken hun gelederen met de uiterste nauwkeurigheid
onderzochten, of niet de eene of andere partij meer of minder sterk
was, dan het bepaald getal. Dit werd in orde bevonden. Daarop verlieten
de maarschalken het strijdperk, en Willem de Wyvil gaf met donderende
stem het teeken tot den aanval met de woorden: _Laissez aller!_ De
trompetten lieten zich nu hooren,--de speren der kampvechters zakten op
eens,--de paarden werden aangespoord, en de voorste gelederen vlogen
op elkander aan, en stietten in het midden van het strijdperk met een
schok tegen elkander, die men op een mijl afstands kon hooren. Het
achterste gelid volgde langzamer, om de overwonnenen te helpen,
en de overwinnaars van hun eigene partij te ondersteunen.

Men kon de gevolgen van deze botsing niet dadelijk zien, want het stof,
door het stampen van zoo vele paarden veroorzaakt, verduisterde de
lucht, en er verliep wel een minuut, eer de ongeduldige toeschouwers
den uitslag daarvan konden zien. Toen alles zichtbaar werd, was de
helft der ridders van iederen kant van het paard geworpen; eenigen
door het behendig gebruik van de lans hunner tegenpartij,--sommigen
door het overwicht, dat man en paard had ter neder gestort,--anderen
lagen op den grond, alsof zij nooit weder opstaan zouden;--nog anderen
waren reeds weder op de been, en handgemeen geworden met die hunner
vijanden, welke zich in denzelfden toestand bevonden,--en twee of drie,
die wonden gekregen hadden, welke hen verder onbekwaam maakten tot
het gevecht, stelpten het bloed met hun sjerpen, en trachtten zich
uit het gedrang te redden. De ridders, die in den zadel gebleven
waren, en wier lansen bijna alle door de hevigheid van den schok
gebroken werden, streden nu man tegen man met het zwaard, onder een
luid krijgsgeschreeuw, en deelden elkander slagen toe, alsof eer en
leven van den uitslag des gevechts afhingen.

Het gedruisch nam toe, door het aanrukken van het tweede gelid van
iederen kant, dat tot hulpbende diende, en nu voorwaarts stoof,
om hun vrienden te ondersteunen. De aanhangers van Brian de
Bois-Guilbert riepen: "_Ha! Beau Séant! Beau Séant_ [16]--_Voor
den Tempel! Voor den Tempel!_" De tegenpartij riep daarentegen:
"_Desdichado! Desdichado!_"--een krijgsgeschreeuw, dat zij ontleenden
aan het devies op het schild van hun aanvoerder.

De kampvechters dus met de grootste woede en met afwisselend geluk
tegen elkander strijdende, scheen de overwinning dan eens naar het
zuidelijk, dan weder naar het noordelijk einde van het strijdperk
over te hellen, naarmate de een of andere partij voor het oogenblik
zegevierde. Intusschen vermengde zich het gekletter der zwaarden
en het geschreeuw der vechtenden op een verschrikkelijke wijze met
het geschal der trompetten, en verdoofde het gekerm der vallenden,
die hulpeloos onder de hoeven der paarden lagen. De schitterende
wapenrustingen der strijders waren nu bezoedeld met stof en bloed,
en bezweken voor iederen slag van het zwaard en de strijdbijl. De
bonte pluimen, van de helmen afgemaaid, dreven als sneeuwvlokken
voor den wind af. Alles, wat schoon en bevallig in de krijgshaftige
vertooning geweest was, verdween, en hetgeen nu nog te zien was,
diende slechts om schrik of medelijden te verwekken.

Zoo sterk is echter de kracht der gewoonte, dat niet alleen de gemeene
toeschouwers, die natuurlijk door schrikwekkende tooneelen worden
vermaakt, maar zelfs de dames, die de galerijen vulden, den kamp
beschouwden, wel is waar met angstige belangstelling, maar zonder
begeerte, om de oogen van een zoo schrikkelijk schouwspel af te
wenden. Hier en daar verbleekte wel een schoone wang, of liet zich
een gil hooren, wanneer een minnaar, broeder of echtgenoot van het
paard geworpen werd. Maar, over het algemeen, moedigden de dames de
strijders aan niet alleen door handgeklap, en door wuiven met doeken
en sluiers, maar ook door het geroep: "Dappere lans! Goed zwaard!" als
zij een gelukkigen slag of stoot opmerkten.

Daar het schoone geslacht zooveel belang stelde in dit bloedige
gevecht, kan men zich dat der mannen licht verbeelden. Het openbaarde
zich in luide juichtonen bij iedere verandering van de kansen,
terwijl aller oogen zoo op het strijdperk gericht waren, dat de
toeschouwers zelven de slagen schenen uit te deelen en te ontvangen,
welke zoo ruimschoots vielen. Bij iedere stilte hoorde men de stem der
herauten uitroepen: "Vecht, dappere ridders! De mensch sterft, maar
de roem leeft!--Strijdt,--de dood is beter dan de nederlaag!--Kampt,
dappere ridders! schoone oogen aanschouwen uw heldendaden!"

Onder al de gebeurtenissen van den strijd, trachtten aller oogen
de aanvoerders van iedere partij te ontdekken, die, zich in het
heetste van het gevecht mengende, hun makkers door stem en voorbeeld
aanmoedigden. Beiden verrichtten groote en dappere daden, en noch
Bois-Guilbert, noch de Onterfde Ridder vonden in de vijandelijke
gelederen een kampvechter, die volkomen tegen hen bestand was. Zij
trachtten wederzijds elkander te ontmoeten, aangespoord door
wederkeerigen haat, en overtuigd, dat de val van een der aanvoerders
beschouwd kon worden, als beslissend voor de overwinning. Zoo groot
echter was het gedrang en de verwarring, dat in het begin van het
gevecht hun pogingen om elkander te ontmoeten, vruchteloos waren, en
zij herhaalde malen gescheiden werden door den ijver hunner aanhangers,
waarvan ieder begeerig was eer in te oogsten, door zijne kracht te
beproeven tegen den aanvoerder der tegenpartij.

Maar toen de rijen aan beide zijden dunner begonnen te worden, door
het getal van hen, die zich overwonnen verklaard hadden, of naar
de uiteinden van het strijdperk waren gedreven, of anders onbekwaam
gemaakt waren om den strijd voort te zetten, werden de Tempelier en de
Onterfde ridder handgemeen, met al die woede, dien doodelijken haat,
welke de strijd om de eer hun konden inboezemen. Zoo groot was beider
behendigheid in den aanval en in de verdediging, dat de toeschouwers
in een eenstemmig en onwillekeurig gejuich uitbarstten, waardoor zij
hunne vreugde en bewondering uitdrukten.

Maar op dit oogenblik was het met de partij van den Onterfden
Ridder slecht gesteld; de reuzenarm van Front-de-Boeuf op den eenen
vleugel, en de reuzenkracht van Athelstane op den anderen, hadden
degenen, die onmiddellijk tegenover hen stonden, ter neer geslagen
en verstrooid. Zich bevrijd ziende van hun tegenstanders, scheen het
beiden ridders op hetzelfde oogenblik in te vallen, dat zij hun partij
het beslissendste voordeel zouden bezorgen, door den Tempelier in zijn
strijd met zijn mededinger bij te staan. Hun paarden dus tegelijk
wendende, joeg de Normandiër van de eene zijde op hem los, en de
Sakser van de andere. Het ware volstrekt onmogelijk geweest, dat het
voorwerp van dezen ongelijken en onverwachten aanval dien had kunnen
weerstaan, zoo hij niet door het algemeen geroep der toeschouwers
gewaarschuwd was, die niet nalaten konden belang te stellen in een
ridder, die aan zulk een ongelijken strijd blootgesteld was.

"Wees op uw hoede! wees op uw hoede! Heer Onterfde!" werd zoo
algemeen geroepen, dat de ridder zijn gevaar bespeurde, en een
geweldigen slag naar den Tempelier doende, haalde hij zijn paard
tegelijkertijd achteruit, zoodat hij aan den schok van Athelstane
en Front-de-Boeuf ontging; dezen dus, hun doel verijdeld ziende,
renden van beide zijden tusschen het voorwerp van hun aanval en den
Tempelier door, terwijl zij met de paarden tegen elkander stootten,
voordat zij hun loop konden tegenhouden. Hun rossen echter nog
intoomende en ronddraaiende, vervolgden alle drie hun voornemen,
om den Onterfden Ridder ter neder te vellen.

Niets kon hem gered hebben, dan de bijzondere sterkte en vlugheid van
het edele paard, dat hij den vorigen dag gewonnen had. Dit kwam hem te
meer te pas, dat het paard van Bois-Guilbert gewond was, en die van
Athelstane en Front-de-Boeuf beiden vermoeid waren, door het gewicht
hunner reusachtige meesters in volle wapenrusting, en door de vroegere
inspanning van den strijd. De verwonderlijke rijkunst van den Onterfden
Ridder en de vlugheid van het edele dier, dat hij bereed, stelden hem,
gedurende eenige oogenblikken, in staat, om zijn drie aanvallers van
zich af te houden, terwijl hij, zich draaiende en keerende evenals een
valk in de lucht, zijn vijanden zoo ver mogelijk van elkander hield,
en nu den een, dan den andere zelf aanvallende, met zijn zwaard slagen
uitdeelde, zonder die af te wachten, welke men op hem muntte.

Maar schoon het strijdperk van toejuichingen over zijn behendigheid
weergalmde, was het duidelijk, dat hij ten laatste voor de overmacht
zou moeten zwichten; en zij, die Prins Jan omgaven, smeekten hem
eenstemmig zijn staf neder te werpen, en een zoo dapperen ridder den
smaad eener onverdiende nederlaag te besparen.

"Ik niet, bij het licht des Hemels!", antwoordde Prins Jan; "deze
bastaard, die zijn naam verbergt, en onze aangeboden gastvrijheid
versmaadt, heeft reeds één prijs weggedragen, en kan nu aan anderen
een beurt laten." Terwijl hij zoo sprak, veranderde een onvoorzien
toeval den uitslag van den kamp.

Er was onder de gelederen van den Onterfden Ridder één kampvechter
op een zwart paard, in zwarte wapenrusting, breed van schouders,
groot, en naar allen schijn krachtig en sterk. Deze ridder, die in 't
geheel geen devies op zijn schild voerde, had tot nu toe zeer weinig
belangstelling in den uitslag van het gevecht getoond, met groot gemak,
zooals het scheen, de ridders die hem aanvielen, afwerende, maar zonder
van zijn voordeel gebruik te maken, of iemand aan te tasten. Kortom,
hij speelde eerder de rol van een toeschouwer dan van een deelnemer
in het toernooi,--een omstandigheid, welke hem bij de aanwezigen den
naam van "_Le Noir Fainéant_," of "de zwarte luiaard," verschafte.

Op eens scheen de ridder zijn onverschilligheid te vergeten, toen hij
den aanvoerder van zijn partij zoo hard bestookt zag; want zijn paard,
dat nog geheel frisch was, de sporen gevende, vloog hij pijlsnel ter
zijner hulp, terwijl hij met een stem, luid als het trompetgeschal,
riep: "_Desdichado_, ter hulp!" Het was hoog tijd; want, terwijl
de Onterfde Ridder op den Tempelier indrong, was Front-de-Boeuf met
opgeheven zwaard tot dicht bij hem genaderd; maar eer de slag viel,
bracht de Zwarte Ridder hem een houw op het hoofd toe, die, van den
gepolijsten helm afglijdende, met weinig verminderde kracht op het
_chamfron_ van het paard nederkwam, en deed Front-de-Boeuf met zijn ros
op den grond rollen, waar zij beiden bewegingloos bleven liggen. Hierop
wendde _Le Noir Fainéant_ zijn paard tegen Athelstane van Coningsburgh;
en daar zijn eigen zwaard in den strijd met Front-de-Boeuf gebroken
was, rukte hij den forschen Sakser de strijdbijl uit de hand, en
het wapen als een geoefend krijgsman zwaaiende, gaf hij Athelstane
daarmede zulk een geweldigen slag op den helm, dat ook deze bewusteloos
ter aarde zonk. Na deze daad verricht te hebben, die des te luider
toegejuicht werd, daar ze van zijn kant geheel onverwacht kwam,
scheen de ridder weder door zijn natuurlijke traagheid overvallen te
worden; want bedaard naar het noordelijke uiteinde van het strijdperk
terugkeerende, liet hij het aan zijn aanvoerder over, om den strijd
met Brian de Bois-Guilbert, zoo goed hij kon, te eindigen. Dit was
op verre na zoo moeielijk niet meer als te voren. Het paard van den
Tempelier had veel bloed verloren, en zeeg bij den aanval van den
Onterfden Ridder ter neder. Brian de Bois-Guilbert rolde op den grond,
terwijl zijn voet in den stijgbeugel hangen bleef, waaruit hij zich
niet los kon maken. Zijn vijand sprong van het paard, zwaaide zijn
overwinnend zwaard over zijn hoofd, en beval hem zich over te geven,
toen Prins Jan, meer bewogen door den gevaarlijken toestand van
den Tempelier, dan hij door dien van zijn tegenpartij geweest was,
hem den schimp bespaarde van zich overwonnen te bekennen, door zijn
staf naar beneden te werpen, en dus een einde aan het gevecht te
maken. Het waren inderdaad ook slechts de laatste vonken en spranken
van het vuur die nog brandden; want het grootste gedeelte der ridders,
die nog in het strijdperk waren, hadden het gevecht voor een poos
geschorst, om de beslissing er van aan hun aanvoerders over te laten.

De schildknapen, die het gevaarlijk en moeilijk gevonden hadden, hun
meesters gedurende het gevecht bij te staan, drongen nu bij menigte
in het strijdperk, om den gekwetsten de noodige hulp toe te brengen,
welke met de uiterste zorg en oplettendheid naar de naburige tenten,
of naar de verblijven gebracht werden, die in het naaste dorp voor
hen bereid waren.

Zoo eindigde het gedenkwaardige toernooi te Ashby-de-la-Zouche,
een der geduchtste wapenfeesten van dien tijd; want, ofschoon er
maar vier ridders, waaronder een, die door de zwaarte van zijne
wapenrusting gesmoord werd, op het slagveld sneuvelden, zoo waren er
toch meer dan dertig gevaarlijk gekwetst, waarvan vier of vijf nooit
herstelden. Verscheidene anderen werden voor hun leven verlamd; en zij,
die er het best afkwamen, droegen de lidteekenen van den strijd tot
aan het graf. Daarom spreekt men steeds in de oude jaarboeken van:
"De edele en schoone wapenstrijd te Ashby."

Daar het nu de plicht van Prins Jan was den ridder te noemen, die
het best gestreden had, besliste hij, dat de eer van den dag toekwam
aan hem, dien men _Le Noir Fainéant_ genoemd had. Men gaf den Prins
daartegen te kennen, dat de overwinning inderdaad behaald was door den
Onterfden Ridder, die in den loop van den strijd met eigene hand zes
kampvechters overwonnen, en ten laatste den aanvoerder der tegenpartij
bedwongen had. Maar Prins Jan volhardde bij zijn uitspraak, op grond,
dat de Onterfde Ridder en zijne partij de overwinning zouden verbeurd
hebben, zonder den krachtigen bijstand van den Zwarten Ridder, aan
wien hij derhalve volstrekt den prijs toekennen wilde.

Tot verbazing van alle toeschouwers echter, was de dus bevoorrechte
ridder nergens te vinden. Hij had het strijdperk dadelijk na het einde
van het gevecht verlaten, en eenige der aanwezigen hadden hem langs
een van de boschlanen zien rijden, met denzelfden langzamen stap
en met dezelfde onverschillige houding, aan welke hij den bijnaam
van "den zwarten luiaard" te danken had. Nadat hij tweemaal door
trompetgeschal en door de stem der herauten was opgeroepen, werd het
noodzakelijk een anderen te benoemen, om de hem toegedachte eer te
ontvangen. Prins Jan had nu geen verontschuldiging meer, om het recht
van den Onterfden Ridder te betwisten, dien hij dus als overwinnaar
uitriep. Over een veld, dat door het vergoten bloed glibberig geworden,
en met gebroken wapens en lichamen van gedoode en gewonde paarden
bedekt was, geleidden de maarschalken den overwinnaar ten tweeden
maal voor den troon van Prins Jan.

"Heer Onterfde Ridder," zei Prins Jan, "daar gij alleen onder dezen
naam bij ons verkiest bekend te zijn, wij geven u voor de tweede maal
de eer van dit toernooi, en kennen u het recht toe, uit de handen
der Koningin der Liefde en Schoonheid den eerekrans te eischen en te
ontvangen, welke uw dapperheid waardiglijk verdiend heeft." De ridder
boog diep en bevallig, maar antwoordde niet.

Terwijl de trompetten weergalmden, de herauten de stem verhieven,
om den dapperen eer en den overwinnaar roem toe te zwaaien,--terwijl
de dames met zijden doeken en geborduurde sluiers wuifden, en alle
toeschouwers een luidruchtig vreugdegejuich verhieven, geleidden de
maarschalken den Onterfden Ridder dwars door het strijdperk naar den
eeretroon, dien Rowena bezette. Op de laagste trappen daarvan deed men
den kampvechter nederknielen. Zijn geheel gedrag, sedert het einde van
het gevecht, scheen inderdaad eerder bestuurd te wezen door hen, die
bij hem waren, dan door zijn eigen vrijen wil; en men zag zelfs, dat
hij struikelde, toen men hem voor de tweede maal door het strijdperk
voerde. Rowena, zich met een aanvallige en deftige houding van haar
zetel verheffende, was op het punt den krans, welken zij in de hand
hield, op den helm des overwinnaars te zetten, toen de maarschalken
eenstemmig uitriepen: "Dat mag zoo niet; zijn hoofd moet ontbloot
zijn." De ridder sprak flauw eenige woorden, welke in de holte van
den helm verloren gingen, maar de inhoud scheen een verlangen aan
te duiden, dat zijn helm niet mocht worden afgenomen. Het zij uit
verkleefdheid aan het gebruik, of uit nieuwsgierigheid, de maarschalken
sloegen geen acht op zijn wenschen, maar ontblootten zijn hoofd,
door de helmbanden en halsriemen los te maken. Daar ontwaarde men
de schoone, door de zon verbrande gelaatstrekken, en het dik, kort
blond haar van een jongeling van vijf en twintig jaren. Zijn gelaat
was doodsbleek en op eenige plaatsen met bloed bevlekt.

Nauwelijks had Rowena hem gezien, of zij gaf een luiden gil; maar
in eens alle krachten inspannende, en zich, als het ware, dwingende
om voort te gaan, terwijl haar geheele lichaam nog sidderde door de
hevigheid eener plotselinge aandoening, zette zij op het nedergebogen
hoofd van den overwinnaar den kostbaren krans, de bepaalde belooning
van dien dag, en sprak met heldere, duidelijke stem deze woorden:
"Heer ridder, ik schenk u dezen krans, als den prijs der dapperheid,
heden toegewezen aan den overwinnaar." Hier hield zij een oogenblik
stil, en voegde er toen met vaste stem bij: "En nooit heeft de
ridderkrans een waardiger hoofd versierd!"

De ridder boog het hoofd en kuste de hand der schoone Koningin,
door welke zijn dapperheid beloond was; en toen voorover zakkende,
viel hij voor haar voeten neder.

Dit veroorzaakte een algemeenen schrik. Cedric, die verstomd gestaan
had bij de onverwachte verschijning van zijn verbannen zoon, kwam in
haast toeschieten, alsof hij hem van Rowena wilde scheiden. Maar dit
was reeds door de maarschalken geschied, die, de reden van Ivanhoe's
bezwijming gissende, zich gehaast hadden hem te ontwapenen, en
ontdekten, dat een lans door zijn borstharnas gedrongen was, en hem
een wonde in de zijde toegebracht had.



DERTIENDE HOOFDSTUK.


    En Agamemnon riep met luider stem: treedt voort,
    O Helden! uit den kring, dien deze kamp bekoort;
    Gij, die door meerdre kunde en kracht u durft verheffen,
    Uw mededingers in vermaardheid te overtreffen,
    Een maagd, de waarde wel van twintig ossen, wordt
    De prijs voor hem, wiens pijl het verst door 't luchtruim
        snort.

                                                            Ilias.


Nauwelijks was de naam van Ivanhoe uitgesproken, of hij vloog van
mond tot mond met al de snelheid, welke belangstelling, door de
nieuwsgierigheid geprikkeld, er aan geven kon. Het duurde ook niet
lang, eer deze tijding den kring van den Prins bereikte, wiens gelaat
bij dit nieuws eene sombere uitdrukking aannam. Hij zag intusschen
spotachtig rond, en zeide: "Wel, mijn heeren, en gij vooral, heer
Prior, wat denkt gij van de leer der geleerden over de sympathie
en antipathie? Mij dunkt ik bespeurde de tegenwoordigheid van den
gunsteling mijns broeders, zelfs eer ik nog gissen kon, wie onder
die wapenrusting schuilde."

"Front-de-Boeuf moet zich gereed maken, zijn leengoed aan Ivanhoe terug
te geven," zei De Bracy, die, na een eervol deel aan het toernooi
te hebben genomen, schild en helm afgelegd, en zich weder onder het
gevolg van den Prins gemengd had.

"Ja," antwoordde Waldemar Fitzurse, "deze knaap zal waarschijnlijk het
kasteel en het leen terug eischen, die Richard hem geschonken heeft,
en die uw Hoogheid sedert dien tijd de grootmoedigheid heeft gehad
aan Front-de-Boeuf te geven."

"Front-de-Boeuf," hernam de Prins, "zou liever drie leengoederen,
zooals dat van Ivanhoe, onder zich behouden, dan één er van
teruggeven. Voor het overige, mijne heeren, hoop ik, dat niemand
uwer mij het recht zal betwisten, de leengoederen der kroon aan die
trouwe dienaren te schenken, welke mij omringen, en gereed zijn den
gevergden krijgsdienst te verrichten, in plaats van hen, die naar
vreemde landen trekken, en hulde noch dienst kunnen bewijzen, als
zij opgeroepen worden."

De toehoorders hadden al te veel belang bij deze vraag, om des
Prinsen recht niet voor onbetwistbaar te verklaren. "Een edelmoedige
Vorst!--een edele meester, die zich dus belast met de zorg om zijne
getrouwe dienaren te beloonen!"

Dit waren de woorden van zijn gevolg, daar zij allen soortgelijke
geschenken ten koste van Koning Richard's vrienden en gunstelingen
verwachtten;--zoo zij die niet reeds in bezit hadden. Prior Aymer
zelf keurde dit over het algemeen goed, en maakte geene andere
aanmerking dan: "Het heilige Jeruzalem kan toch geen vreemd land
genoemd worden. Het is de _communis mater_,--de moeder van alle
Christenen. Maar ik begrijp niet," voegde hij er bij, "hoe Ivanhoe
zich daarop beroepen kan, daar men mij verzekert, dat de kruisvaarders
onder Richard nooit veel verder gekomen zijn dan Askalon, dat, zooals
ieder weet, een stad der Philistijnen is, en op geen der voorrechten
van de Heilige Stad aanspraak kan maken."

Waldemar, wiens nieuwsgierigheid hem naar de plaats gevoerd had, waar
Ivanhoe ter aarde was gevallen, keerde nu terug. "De dappere ridder,"
zeide hij, "zal denkelijk uwe Hoogheid niet veel ongerustheid baren,
en Front-de-Boeuf in het ongestoord bezit van zijn leen laten:--hij
is zwaar gekwetst."

"Wat er ook van worden moge," zei Prins Jan, "hij is heden overwinnaar;
en al is hij tienmaal onze vijand, of de getrouwste vriend van mijn
broeder, hetgeen misschien hetzelfde is, zijne wonden moeten toch
verbonden worden;--onze eigene heelmeester zal hem bezoeken."

Een bittere glimlach vergezelde deze woorden. Waldemar Fitzurse haastte
zich te antwoorden, dat Ivanhoe reeds uit het strijdperk gebracht,
en in handen van zijne vrienden was.

"Ik was eenigszins aangedaan," zeide hij, "over de smart van de
Koningin der Schoonheid en der Liefde, wier ééndaagsche heerschappij
door dit voorval in rouw gedompeld is. Ik ben er de man niet naar,
om door de weeklachten eener vrouw over haar minnaar getroffen te
worden: maar deze Jonkvrouw Rowena onderdrukte haar smart met zooveel
waardigheid, dat men die alleen aan het beven van haar gevouwen handen
kon zien, terwijl haar oog zonder tranen op den bewusteloozen ridder
voor haar voeten staarde."

"Wie is die Jonkvrouw Rowena," vroeg Prins Jan, "van wie wij zooveel
gehoord hebben?"

"Een Saksische erfdochter, met groote bezittingen," hernam Prior
Aymer; "eene roos in beminnelijkheid, en een juweel in rijkdom, de
schoonste onder duizenden, kostbaar als de kostbaarste reukwerken
van het Oosten."

"Wij zullen hare droefheid verzachten," zei Prins Jan, "en haar bloed
veredelen door haar aan een Normandiër uit te huwen. Zij schijnt
minderjarig te zijn, en moet dus, wat haar huwelijk aangaat, ter
onzer beschikking staan.--Wat zegt gij er van, De Bracy? Zou het u
bevallen, door een huwelijk met dit Saksisch meisje schoone landerijen
en inkomsten te verkrijgen, volgens de gewoonte der aanhangers van
den Veroveraar?"

"Als de landerijen mij bevallen," antwoordde De Bracy, "dan zal de
bruid mij niet licht mishagen; en ik zal mij ten hoogste verplicht
achten jegens uw Hoogheid voor eene weldaad, welke alle beloften zal
vervullen, die gij uw dienaar en leenman gedaan hebt."

"Wij zullen het niet vergeten," zei Prins Jan; "en om dadelijk een
begin te maken, bevelen wij onzen seneschal, om Jonkvrouw Rowena
en haar gezelschap te weten: den lompen boer, haar voogd, en den
Saksischen stier, welken de Zwarte Ridder in het toernooi ter
nedervelde, op het feest van dezen avond te noodigen."

"De Bigot," voegde hij er bij, zich tot zijn seneschal wendende,
"gij zult deze tweede uitnoodiging zoo beleefd doen, dat gij den
hoogmoed van deze Saksers niet kwetst, en het hun onmogelijk wordt
nog eens te weigeren; ofschoon, bij Beckets beenderen, hun beleefdheid
te bewijzen, hetzelfde is als paarlen voor de zwijnen te werpen!"

Prins Jan had zoo ver gesproken, en was op het punt, om het teeken
tot het verlaten van het strijdperk te geven, toen hem een klein
briefje in de hand gegeven werd.

"Van waar?" zei Prins Jan, den man aanziende, die het overhandigde.

"Uit vreemde landen, mijn vorst, maar van waar, dat weet ik niet,"
hernam de dienaar. "Een Franschman heeft het gebracht, zeggende,
dat hij dag en nacht doorgereisd had, om het briefje in handen uwer
Hoogheid te bezorgen."

De Prins zag nauwkeurig naar het opschrift en toen naar het zegel,
hetwelk er op gedrukt was, dat het den zijden draad vasthield,
waarmede het papier omwonden was: er stonden drie leliën op. De Prins
opende hierop het briefje met blijkbare ontroering, die merkelijk
vermeerderde, toen hij den inhoud gelezen had, welke aldus luidde:

"_Neem u in acht; want de Duivel zelf is los!_"

De Prins werd doodsbleek, zag eerst naar den grond, en toen naar den
hemel, als iemand, die zijn doodvonnis gehoord heeft. Van de eerste
ontroering herstellende, nam hij Waldemar Fitzurse en De Bracy ter
zijde, en stelde hun het briefje beurtelings ter hand.

"Het kan een valsch gerucht zijn,--of een valsche brief!" zei De Bracy.

"Het is hand en zegel van den Franschen Koning!" hernam Prins Jan.

"Dan wordt het tijd," zei Fitzurse, "onze vrienden te verzamelen,
hetzij te York of op een andere plaats. Een paar dagen later zou
het wezenlijk te laat zijn. Uwe Hoogheid moet aan het tegenwoordig
vreugdebedrijf spoedig een einde maken."

"Het volk en de landlieden," zei de Bracy, "moeten niet ontevreden naar
huis gezonden worden; zij hebben nog geen deel aan het feest gehad."

"De dag," zeide Waldemar, "is nog niet zeer ver gevorderd--laat de
schutters eenige malen naar de schijf schieten, en de prijs uitgedeeld
worden. Dat zal toereikend zijn om de beloften van den Prins te
vervullen voor zoo verre deze Saksische boeren er mede gemoeid zijn."

"Ik dank u, Waldemar," hervatte de Prins; "gij herinnert mij ook,
dat ik een schuld te betalen heb aan den onbeschaamden boer, die mij
gisteren persoonlijk beleedigde. Onze maaltijd zal heden avond plaats
hebben, zooals wij van plan waren. Al was dit het laatste uur mijner
macht, dan zou het gewijd zijn aan wraak en vermaak!--De nieuwe morgen
brengt nieuwe zorgen."

Trompetgeschal riep spoedig de toeschouwers terug, die reeds begonnen
waren het veld te ontruimen:--er werd afgekondigd, dat Prins Jan,
plotseling door gewichtige en dringende zaken geroepen, het feest
van den volgenden dag niet vieren kon; dat echter,--daar hij niet
wilde, dat zoo vele goede schutters zouden vertrekken, zonder een
bewijs van hunne behendigheid te geven,--het hem behaagde, het tegen
den volgenden dag bepaalde boogschieten op heden te stellen. Voor
den besten schutter werd een prijs uitgeloofd, bestaande uit een
jachthoorn, met zilver beslagen, en een zijden rijk versierde sjerp,
met een medaillon van St. Hubertus, den beschermheilige der jagers.

Er boden zich eerst meer dan dertig schutters als mededingers aan,
waaronder verscheidene houtvesters en onderopzichters in de koninklijke
bosschen van Needwood en Charnwood. Toen de boogschutters echter
vernamen met wie zij den kampstrijd moesten wagen, zagen ruim twintig
er weder van af, om de schande van een bijna zekere nederlaag te
ontgaan. Want in die dagen was de behendigheid van iederen beroemden
schutter even goed verscheidene mijlen in het rond bekend, als heden
ten dage de eigenschappen van een paard, dat te Newmarket gefokt is,
bekend zijn aan hen, die deze beroemde renbaan bezoeken.

De verminderde lijst der mededingers om den prijs, bevatte nog
acht namen. Prins Jan stapte van zijn koninklijken zetel af, om deze
uitgelezen schutters van naderbij te beschouwen, van welke verscheidene
de koninklijke livrei droegen. Zijn nieuwsgierigheid door dit onderzoek
bevredigd hebbende, zag hij naar het voorwerp van zijn toorn rond,
dat hij op dezelfde plaats zag staan en met hetzelfde bedaarde gelaat,
dat hij den vorigen dag getoond had.

"Vriend," zei Prins Jan, "ik bespeurde reeds gisteren aan uw
onbeschaamd gesnap, dat gij eigenlijk geen echte liefhebber van den
boog waart, en ik zie, dat gij het niet durft wagen uwe kunst te
toonen tegen de fiksche mannen, die hier staan."

"Met verlof, mijn Vorst!" hernam de schutter. "Ik heb een geheel
andere reden om niet te willen schieten, dan vrees voor de schande
van overwonnen te worden."

"En welke is die andere reden?" vroeg Prins Jan, die, om de eene of
andere oorzaak, welke hij mogelijk zelf niet had kunnen verklaren,
een angstige nieuwsgierigheid ten opzichte van dezen man gevoelde.

"Omdat ik niet weet," hernam de jager, "of deze schutters en ik gewoon
zijn naar hetzelfde wit te schieten;--en te meer, daar ik niet weet,
hoe uw Hoogheid het zou opnemen, wanneer een derde prijs door iemand
gewonnen werd, die buiten zijn schuld bij u in ongenade gevallen is."

Prins Jan kleurde, terwijl hij vroeg: "Hoe is uw naam, schutter?"

"Locksley," antwoordde deze.

"Welaan dan, Locksley," zei Prins Jan, "gij zult op uwe beurt schieten,
als deze schutters hunne kunst getoond hebben. Als gij den prijs wint,
zal ik er twintig _Nobles_ bij doen; maar als gij verliest, dan zal
uw groene rok u worden uitgetrokken, en gij zult met boogpezen, als
een praatzieke en onbeschaamde pochhans, in het strijdperk gegeeseld
worden."

"En als ik nu weigerde zulke voorwaarden aan te nemen?" zei de
schutter. "Uwe Hoogheid kan mij gemakkelijk laten uitkleeden en
geeselen, daar uwe macht door zoo vele gewapenden wordt ondersteund;
maar gij kunt mij niet dwingen mijn boog te spannen."

"Als gij mijn billijk aanbod afslaat," zei de Prins, "dan zal de
Provoost van het strijdperk uw boogpees doorsnijden, uw boog en uw
pijlen breken, en u zelven als een lafaard wegjagen."

"Dat is een mooie kans, die gij mij overlaat, verhevene Prins," zei de
schutter, "mij te dwingen, het tegen de beste schutters van Leicester
en Staffordshire op te nemen, onder bedreiging van schimp en schande
als zij mij overwinnen. Evenwel, ik zal aan uw bevel gehoorzamen."

"Slaat hem nauwkeurig gade," zei Prins Jan tot de gewapenden,
"de moed ontzinkt hem; ik vrees dat hij trachten zal aan de proef
te ontsnappen.--En gij, brave jongens, schiet moedig; een reebok
en een vat wijn zijn in gindsche tent ter uwer verversching gereed,
zoodra de prijs gewonnen is."

Aan het einde van de zuidelijke laan, die naar het strijdperk
leidde, werd een schijf opgericht. De mededingende boogschutters
namen beurtelings plaats aan den zuidelijken toegang; de afstand
tusschen deze plaats en het wit was groot genoeg voor hetgeen men
een jagersschot noemde. De schutters, na vooraf door het lot de
orde, in welke zij schieten zouden, bepaald te hebben, moesten ieder
drie pijlen achtereen afschieten. Dit alles werd geregeld door een
officier van minderen rang: de Provoost der Spelen genoemd; want
de hooge rang der maarschalken van het strijdperk gedoogde niet,
dat zij het opzicht hadden over de spelen der burgers.

De schutters, voorwaarts tredende, schoten hunne pijlen stout en flink,
één voor één af. Van vierentwintig pijlen zaten tien in de schijf,
en de anderen vielen zoo dicht er bij, dat, naar den afstand te
rekenen, het voor goede schoten gelden konden. Van de tien pijlen,
die de schijf getroffen hadden, waren twee in den binnensten ring
geschoten door Hubert, een houtvester in dienst van Malvoisin, die
dus als overwinnaar uitgeroepen werd.

"Wel nu, Locksley," zei Prins Jan met een bitteren glimlach tot den
gehaten schutter, "wilt gij het met Hubert opnemen, of boog, sjerp
en pijlkoker aan den Provoost der Spelen overgeven?"

"Daar het niet anders kan," hernam Locksley, "wil ik mijn geluk wel
beproeven, onder voorwaarde, dat wanneer ik twee pijlen op dezelfde
schijf als Hubert geschoten heb, hij gehouden zal zijn er één te
schieten op een wit, dat ik zal aanwijzen."

"Dat is niet meer dan billijk," antwoordde Prins Jan, "en het zal
u niet geweigerd worden.--Als gij dien snoever overwint, Hubert,
zal ik den horen met zilveren penningen voor u vullen."

"Een man kan niet meer dan zijn best doen," hernam Hubert; "maar
mijn grootvader voerde een goeden boog bij Hastings, en ik vertrouw,
dat ik zijne nagedachtenis niet zal onteeren."

De vorige schijf werd weggenomen, en een andere van dezelfde grootte
opgezet. Hubert, die als overwinnaar in den eersten strijd, het recht
had, het eerst te schieten, mikte met groote bedaardheid, den afstand
lang met de oogen metende; terwijl hij zijn gespannen boog in de
hand hield, met den pijl op het koord geplaatst. Eindelijk deed hij
een schrede voorwaarts, en den boog met den uitgestrekten linkerarm
oplichtende, tot het middelpunt er van bijna op gelijke hoogte met
zijn gezicht kwam, trok hij de pees van den boog tot aan het oor. De
pijl snorde door de lucht, en trof den binnensten ring op de schijf,
maar niet juist in het midden.

"Gij hebt aan den wind niet gedacht, Hubert," zei zijn tegenpartij,
den boog spannende, "anders zou het een beter schot geweest zijn."

Dit zeggende, en zonder zich de minste moeite te geven om vooraf op
het wit te staren, ging Locksley naar de aangewezen standplaats, en
schoot zijn pijl even zorgeloos af, alsof hij niet eens naar het wit
gezien had. Hij sprak nog bijna op het oogenblik, dat de pijl wegvloog,
en toch trof die twee duim dichter bij de witte plek op het middelpunt,
dan die van Hubert.

"Bij het licht des hemels!" riep Prins Jan tegen Hubert, "zoo gij
duldt, dat deze landlooper u de loef afsteekt, dan verdient gij
de galg!"

Hubert had maar ééne vaste spreekwijze bij alle gelegenheden. "En al
liet uw Hoogheid mij ophangen, een man kan niet meer dan zijn best
doen. Echter was mijn grootvader met den boog--"

"De duivel hale uw grootvader en zijn geheele geslacht!" viel de
Prins hem in de rede. "Schiet, ongelukkige, en schiet goed, of het
zal u kwalijk bekomen!"

Zoo aangespoord, trad Hubert weder voor, en den raad niet verzuimende,
dien zijne tegenpartij hem had gegeven, maakte hij het noodige gebruik
van een zeer licht opkomend windje, en schoot zoo gelukkig, dat zijn
pijl juist in het middelpunt van het wit trof.

"Hubert leve! Leve Hubert!" riep het volk, dat meer belang stelde
in een bekende dan in een vreemdeling. "In het midden!--in het
midden! Leve Hubert!"

"Gij kunt dat schot niet overtreffen, Locksley," zei de Prins met
een spotachtigen glimlach.

"Ik zal echter zijn pijl raken," hervatte Locksley. En zijn pijl met
meer voorzichtigheid dan te voren afschietende, trof hij juist dien
van zijn mededinger, die in splinters vloog. Het volk in het rond was
zoo verbaasd over zijne verwonderlijke behendigheid, dat het zijne
verrassing zelfs niet op de gewone luidruchtige wijze kon uitdrukken.

"Dit moet de duivel zijn en geen mensch van vleesch en bloed,"
fluisterden de schutters elkander toe. "Zulk schieten is nog nooit
gezien, zoo lang men een boog in Groot-Brittanje gespannen heeft."

"En nu," zei Locksley, "vraag ik uwe Hoogheid verlof om een wit op
te richten, dat in de noordelijke gewesten gebruikt wordt,--en welkom
ieder brave schutter, die er een schot op wagen wil, om een glimlach
te verdienen van het meisje dat hij lief heeft!"

Hij draaide zich om, ten einde het strijdperk te verlaten. "Laten uw
wachters mij vergezellen," zei hij, "zoo gij verkiest.--Ik wil maar
even een tak van gindschen wilgenboom afsnijden."

Prins Jan gaf een teeken, dat eenige wachters hem volgen
zouden, ingeval hij ontsnappen wilde; maar het geschreeuw van:
"Schande! Schande!" dat de menigte verhief, deed hem van zijn
onedelmoedig voornemen afzien.

Locksley kwam dadelijk terug met een wilgentak omtrent zes voet lang,
volkomen recht en van de dikte van eens menschen duim. Hij schilde dien
met veel bedaardheid af, tegelijk aanmerkende, dat het schande voor
een goeden schutter was, naar een wit te schieten zoo breed als dat,
hetwelk men tot hiertoe gebruikt had. "Wat hem betrof," voegde hij er
bij, "en in het land, waar hij was opgevoed, zou men even gaarne Koning
Arthurs ronde tafel, waaraan zestig ridders konden zitten, tot schijf
nemen. Een kind van zeven jaren kon zoo iets met een pijl zonder kop
treffen; maar," ging hij voort, bedaard naar het andere einde van het
strijdperk gaande, en het wilgenstokje recht in den grond zettende,
"hem, die deze roede op honderd ellen afstands treft, noem ik een
schutter, waardig om boog en pijlkoker te dragen voor een Koning,
al ware het ook de dappere Koning Richard zelf!"

"Mijn grootvader," zei Hubert, "spande een goeden boog bij den slag
van Hastings, en heeft nooit van zijn leven naar zulk wit geschoten,
en dat doe ik ook niet. Als deze schutter dien stok kan klieven, dan
beken ik mij door hem, of liever door den duivel, die in zijn wambuis
zit, en niet door menschelijke behendigheid, overwonnen; een mensch kan
niet meer dan zijn best doen, en ik wil niet schieten, waar ik zeker
ben te missen. Ik kon even goed schieten naar de snede van het lange
mes van den Pastoor, of naar een stroohalm, of naar een zonnestraal,
als naar een dunne witte streep, die ik nauwelijks zien kan."

"Lafhartige hond!" riep Prins Jan uit. "Locksley, schiet gij maar;
en als gij zulk een wit raakt, dan zal ik zeggen, dat gij de eerste
schutter zijt, die het ooit gedaan heeft. Maar hoe het ook zij,
gij zult geen koning kraaien door slechts te pochen op behendigheid."

"Ik zal mijn best doen, zooals Hubert zegt," antwoordde Locksley;
"niemand kan meer."

Dit zeggende, spande hij weder den boog, maar bij deze gelegenheid
zag hij aandachtig naar zijn wapen en veranderde de pees, die niet
meer zuiver rond was, daar zij door de twee vorige schoten een weinig
gescheurd was. Hij mikte toen met eenig overleg, en de menigte wachtte
de uitkomst in doodelijke stilte af. De schutter beantwoordde aan hun
verwachting van zijn behendigheid: zijn pijl spleet de wilgenroede,
tegen welke hij gericht was. Een luid vreugdegejuich volgde, en zelfs
Prins Jan verloor uit bewondering voor Locksley's behendigheid zijn
afkeer tegen zijn persoon.

"Deze twintig _Nobles_," zei hij, "welke gij met den hoorn eerlijk
gewonnen hebt, behooren u toe; wij zullen er vijftig van maken,
zoo gij onze livrei wilt dragen, en dienst nemen als schutter bij
de lijfwacht, die steeds in mijne onmiddellijke nabijheid is. Want
nooit heeft een zoo sterke hand een boog gespannen, of een zoo vast
oog een pijl gericht."

"Vergeef mij, edele Prins," zei Locksley; "maar ik heb een gelofte
gedaan, dat, zoo ik ooit dienst nam, het bij uw koninklijken broeder
Richard zou zijn. Deze twintig _Nobles_ laat ik aan Hubert over,
die heden een even goeden boog gespannen heeft, als zijn grootvader
bij Hastings. Zoo zijne zedigheid de proef niet geweigerd had, zou
hij het stokje even goed geraakt hebben, als ik."

Hubert schudde het hoofd, terwijl hij de milde gave van den vreemdeling
aarzelend aannam; en Locksley, begeerig om verdere nasporing te
ontgaan, begaf zich onder de menigte, en liet zich niet meer zien.

De zegepralende boogschutter zou misschien niet zoo gemakkelijk aan
des Prinsen opmerkzaamheid ontsnapt zijn, indien niet vele angstige
en gewichtige overdenkingen op dit oogenblik zijn gemoed verontrust
hadden. Hij riep zijn kamerheer, terwijl hij het teeken tot het
verlaten van het strijdperk gaf, en beval hem oogenblikkelijk naar
Ashby te jagen en den Jood Izaäk op te zoeken. "Zeg den hond," zei hij,
"mij morgen vóór zonsondergang twee duizend kronen te zenden. Hij kent
het onderpand; maar gij kunt hem dezen ring tot teeken toonen. Het
overige geld moet binnen zes dagen te York betaald worden. Indien hij
het verzuimt, zal ik den ongeloovigen hond het hoofd laten afslaan. Pas
op, dat gij hem onderweg niet voorbijrijdt; want de ellendige slaaf was
hier, om zijn gestolen rijkdommen zelfs onder mijn oogen te vertoonen."

Met deze woorden steeg de Prins weder te paard, en keerde naar Ashby
terug, terwijl de geheele menigte bij zijn vertrek uiteen ging en
zich overal verspreidde.



VEERTIENDE HOOFDSTUK.


                                    In de hooggewelfde zaal
                                      Van de burgtkasteelen,
                                    Kon men de oude Ridderpraal
                                      Van hun helden-spelen,--
                                    't Uitgedoste strijdrental,
                                      d'Eedle stoet van vrouwen,
                                    Bij het luid trompetgeschal,
                                      Menigwerf aanschouwen.

                                                            Warton.


Prins Jan hield zijn feestelijken maaltijd in het kasteel van
Ashby. Dit was niet hetzelfde gebouw, welks trotsche puinhoopen
den reiziger nog belang inboezemen, en dat in lateren tijd werd
opgericht door Lord Hastings, Groot Kamerheer van Engeland, een der
eerste slachtoffers van de dwingelandij van Richard III, en nog beter
bekend als een van Shakespeare's personaadjes, dan door zijn naam in
de geschiedenis. Het kasteel en de stad Ashby behoorden in dien tijd
aan Roger de Quincy, Graaf van Winchester, die, gedurende den tijd
van ons verhaal, in het Heilige land toefde. Prins Jan had intusschen
bezit van zijn kasteel genomen, en beschikte naar goedvinden over zijn
goederen; en daar hij thans de oogen der wereld door zijne gastvrijheid
en pracht trachtte te verblinden, had hij bevel gegeven tot groote
toebereidselen, om het feest zoo schitterend mogelijk te maken.

De Hoffouriers van den Prins, die bij deze en andere gelegenheden het
volle koninklijke gezag uitoefenden, hadden al, wat zij voor de tafel
van hun meester geschikt oordeelden, uit de omstreken geroofd. Er
was ook een groote menigte gasten genoodigd; en Prins Jan, zich in
de noodzakelijkheid bevindende, om de volksgunst te zoeken, had deze
uitnoodigingen tot eenige aanzienlijke Saksische en Deensche familiën
uitgestrekt, zoowel als tot de Normandische edelen en heeren uit
den omtrek. Hoewel de Angel-Saksers bij gewone gelegenheden veracht
en vernederd werden, moest hun groot getal hen natuurlijk geducht
maken in de burgerlijke onlusten, die ophanden schenen, en het was
noodzakelijk, om de gunst van de voornaamsten onder hen te verwerven.

Het was dus de bedoeling van den Prins, aan welke hij ook gedurende
eenigen tijd getrouw bleef, om deze ongewone gasten met eene
beleefdheid te behandelen, die zij zelden ondervonden. Maar ofschoon
niemand met mindere schroomvalligheid zijne gewoonten en gevoelens
naar zijn belang wist te plooien, was het echter het ongeluk van
dezen Prins, dat zijne lichtzinnigheid en moedwilligheid gedurig
weder boven kwamen, en aan alles weder den bodem insloegen, wat hij
door vroegere veinzerij gewonnen had.

Van dezen lichtzinnigen aard gaf hij een merkwaardig bewijs in
Ierland, toen hij door zijn vader, Hendrik II, daarheen gezonden
werd, om de genegenheid der inwoners van deze nieuwe en gewichtige
bezitting der Normandische kroon te winnen. Bij deze gelegenheid
wedijverden de Iersche opperhoofden met elkander, om den jongen
Prins hun eerbiedige hulde en den vredekus aan te bieden. Maar,
in plaats van hunne begroeting met beleefdheid aan te nemen, konden
Jan en zijn moedwillig gevolg de verzoeking niet wederstaan, om de
Iersche edelen bij hunne lange baarden te trekken, een gedrag, dat,
zooals men verwachten kon, de hoogste verontwaardiging wekte bij de
beleedigde Ieren, en noodlottige gevolgen had voor de Normandische
heerschappij in dat land. Het is noodig, deze wispelturigheid van
Jan's karakter in het oog te houden, om zijn gedrag gedurende den
avond, waarvan nu sprake is, verstaanbaar te maken.

Zooals hij zich in meer bedaarder oogenblikken voorgenomen had, ontving
Prins Jan Cedric en Athelstane met uitstekende vriendelijkheid,
en betuigde zonder eenigen wrevel, zijne teleurstelling, toen
de ongesteldheid van Rowena door den eerste als de reden werd
opgegeven, waarom zij aan zijne eervolle uitnoodiging niet had kunnen
voldoen. Cedric en Athelstane droegen beiden de Saksische kleeding,
die, ofschoon op zich zelve niet smakeloos en bij deze gelegenheid
uit kostbare stoffen bestaande, zoo zeer in maaksel en voorkomen van
die der overige gasten verschilde, dat Prins Jan het zich tot geene
geringe verdienste bij Waldemar Fitzurse aanrekende, dat hij niet
lachte, bij een gezicht, dat de mode van dien tijd zoo bespottelijk
maakte. Evenwel, met het oog van het gezond verstand gezien, was
de korte, nauwe _tunica_ en de lange mantel der Saksers bevalliger
en gemakkelijker, dan het kostuum der Normandiërs, wier onderkleed
uit een lang wambuis bestond, zoo wijd, dat het op een hemd of een
voermanskiel geleek, en daarover een nauwe mantel, die noch tegen de
koude noch tegen den regen beschermde, en welks eenige doel scheen te
zijn, zoo veel bontwerk, borduursel en juweelen ten toon te spreiden,
als het vernuft van den kleermaker er met mogelijkheid aan te pas
kon brengen. Karel de Groote, onder wiens regeering ze het eerst
werd ingevoerd, schijnt de ondoelmatigheid van deze kleeding zeer
wel gevoeld te hebben. "In 's hemels naam," zeide hij, "waartoe
dienen deze korte mantels? Als wij te bed liggen, dekken zij ons
niet; te paard geven zij geen bescherming tegen wind en regen; en
als wij zitten, beschutten zij onze beenen niet tegen vochtigheid of
koude." In weerwil echter van deze keizerlijke afkeuring, bleven de
korte mantels in zwang tot den tijd waarvan wij spreken, en bijzonder
onder de Vorsten uit het huis van Anjou. Ze waren dus algemeen in
gebruik onder de hovelingen van Prins Jan; en de lange mantel der
Saksers werd bijgevolg door hen bespot.

De gasten zaten aan eene tafel, die bijna boog onder de menigte der
lekkernijen. De talrijke koks, die den Prins op zijne reis vergezelden,
hadden al hunne kunst ingespannen, om de vormen, waarin de gewone
spijzen voorgediend werden, te veranderen, en waren er bijna even goed,
als de hedendaagsche beoefenaren der kookkunst, in geslaagd, ze geheel
onkenbaar te maken. Behalve de schotels van inlandschen oorsprong,
waren er verschillende lekkernijen uit vreemde landen aangebracht, en
eene weelde van pasteien, taarten en gebak, welke alleen aan de tafels
van den hoogsten adel gebruikt werden. De maaltijd werd insgelijks
verheerlijkt door de kostelijkste, zoowel in- als uitheemsche wijnen.

Maar de Normandische edelen, hoe weelderig ook, waren over het
algemeen niet onmatig. Zij zochten de genoegens der tafel in de keur
der spijzen, maar vermeden de overdaad, en plachten den overwonnen
Saksers gulzigheid en dronkenschap te verwijten, als ondeugden aan hun
minderen stand eigen. Prins Jan, wel is waar, en zij, die zijn gunst
bejoegen door zijne zwakheden na te bootsen, waren aan de genoegens der
tafel verslaafd, en het is wel bekend, dat zijn dood veroorzaakt werd
door het onmatig gebruik van perziken en versch bier. Zijn gedrag was
echter eene uitzondering op de algemeene gewoonten zijner landgenooten.

Met geveinsde deftigheid, die alleen afgewisseld werd door stille
wenken tegen elkander, aanschouwden de Normandische Ridders en edelen
het ruwe gedrag van Athelstane en Cedric bij den maaltijd, aan welks
gebruiken en vorm zij niet gewend waren. En terwijl hun gedrag dus
het voorwerp der bespotting werd, zondigden de onkundige Saksers,
onwetend, tegen verscheidene der willekeurig vastgestelde wetten en
regels der welvoegelijkheid.

Het is echter wel bekend, dat een man zich eerder schuldig mag
maken aan eene wezenlijke schennis der regels van de beschaving
of van de goede zeden, dan onkundig schijnen in het geringste punt
der etiquette van de groote wereld. Daarom maakte Cedric, die zich
de handen aan een doek afveegde, in plaats van ze te drogen door ze
met bevalligheid in de lucht te bewegen, zich belachelijker dan zijn
metgezel Athelstane, die alléén een geheele, groote pastei verslond,
gevuld met de meest uitgezochte vreemde lekkernijen, een _Karum-pastei_
genoemd. Maar toen men door ernstig heen en weer vragen bevond, dat
de heer van Coningsburgh (of de _Franklin_, zooals de Normandiërs
hem noemden) geen begrip had van hetgeen hij verslonden had; en
den inhoud van de _Karum-pastei_ voor leeuweriken en duiven hield,
terwijl het _beccaficos_ en nachtegalen waren, werd zijne onkunde
veel meer bespot dan zijne gulzigheid, die het meer verdiend had.

Het lange feestmaal was eindelijk afgeloopen; en terwijl de beker vrij
rond ging, sprak men over de daden van het toernooi--over den Zwarten
Ridder, wiens zelfverloochening hem aan de verdiende eer onttrokken
had--en over den dapperen Ivanhoe, die de eer van den dag zoo duur
gekocht had. Deze onderwerpen werden met de vrijmoedigheid van een
krijgsman behandeld, en scherts en gelach vervulden de zaal. Het
voorhoofd van Prins Jan alleen was onder deze gesprekken bewolkt;
de een of andere zware zorg scheen op zijn gemoed te drukken, en het
was slechts na een wenk van zijne vrienden, dat hij belang scheen te
stellen in wat rondom hem voorviel. Bij zulke gelegenheden schrikte
hij op, ledigde een beker wijn, alsof hij zijn moed daardoor wilde
verlevendigen, en mengde zich in het gesprek door eenige afgebroken
of zonder samenhang aangebrachte opmerking.

"Wij ledigen dezen beker," zei hij, "op het welzijn van Wilfrid van
Ivanhoe, den overwinnaar in het toernooi, en het spijt ons, dat zijn
wond hem van onze tafel afhoudt.--Dat allen op zijne gezondheid de
bekers vullen, en vooral Cedric van Rotherwood, de waardige vader
van een zoo veel belovenden zoon."

"Neen, mijn Vorst," hernam Cedric, opstaande, en zijn beker
onaangeroerd op de tafel plaatsende, "ik geef den naam van zoon
niet aan den ongehoorzamen jongeling, die mijne bevelen veracht,
en de zeden en gewoonten zijner voorvaderen verzaakt."

"Het is onmogelijk," riep Prins Jan, met geveinsde verbazing, "dat een
zoo dapper ridder een onwaardig of ongehoorzaam zoon zou kunnen zijn!"

"En toch is dit het geval met Wilfrid, mijn Vorst," hernam Cedric. "Hij
heeft mijne vreedzame woning verlaten, om zich onder de weelderige
edelen aan het hof uws broeders te mengen, waar hij de ridderkunsten
geleerd heeft, waarop gij zoo hoogen prijs stelt. Hij heeft mij tegen
mijn wil en mijne bevelen verlaten; en in de dagen van Alfred zou
men zooiets ongehoorzaamheid--ja, zelfs een zeer strafbare misdaad
genoemd hebben."

"Ach!" hervatte Prins Jan, met een diepen zucht van geveinsde
deelneming; "daar uw zoon mijn ongelukkigen broeder is gevolgd,
behoeft men niet te vragen, van waar, of van wien hij de les van
kinderlijke ongehoorzaamheid geleerd heeft."

Zoo sprak Prins Jan, vergetende dat onder alle zonen van Hendrik II,
schoon geen van hen vrij van deze misdaad was, hij zich het meest,
door oproer en ondankbaarheid tegen zijn vader, onderscheiden had.

"Ik meende," zei hij na eene korte stilte, "dat mijn broeder voornemens
was, zijn gunsteling met de rijke heerlijkheid Ivanhoe te beleenen."

"Hij heeft hem die geschonken," antwoordde Cedric, "en het is niet
de minste reden die ik heb, om ontevreden te zijn op mijn zoon, dat
hij zich verlaagde, om als leenroerig vasal, dezelfde goederen aan te
nemen, welke zijne voorvaderen vrij en onafhankelijk bezeten hebben."

"Wij zullen dus uwe toestemming verkrijgen, geachte Cedric," zei Prins
Jan, "om dit leen aan een persoon te schenken, wiens waardigheid niet
zal vernederd zijn, door land van de Britsche kroon te bezitten. Ridder
Reginald Front-de-Boeuf," zei hij, zich tot dien edele wendende,
"ik vertrouw, dat gij de schoone heerlijkheid Ivanhoe zóó zult weten
te behouden, dat Wilfrid zich zijns vaders ongenoegen niet op den
hals zal halen, door ze terug te krijgen!"

"Bij den heiligen Anthonius!" antwoordde de sombere reus, "ik sta toe,
dat uwe Hoogheid mij voor een Sakser houde, zoo Cedric, of Wilfrid,
of de beste, die ooit Saksisch bloed in de adren had, mij de gift
ontwringt, waarmede uwe Hoogheid mij vereerd heeft."

"Wie u Sakser noemt, ridder," hernam Cedric, beleedigd door een
spreekwijze, waarmede de Normandiërs dikwijls hun gewone verachting
jegens de Engelschen uitdrukten, "zal u een even groote als onverdiende
eer aandoen."

Front-de-Boeuf wilde antwoorden; maar de moedwilligheid en
lichtzinnigheid van Prins Jan kwamen hem voor.

"Voorzeker, mijn heeren," zei hij, "de edele Cedric spreekt de
waarheid, en zijn geslacht kan den voorrang boven ons eischen, zoo
wel om de lengte van hun stamboom, als om die hunner mantels."

"Zij gaan ons, inderdaad, in het veld vóór,--evenals het wild de
honden!" zei Malvoisin.

"En zij hebben groot recht ons voor te gaan," zei Prior Aymer--"vergeet
niet hun meerdere welvoegelijkheid en de bevalligheid hunner manieren!"

"En hun zeldzame onthouding en matigheid!" zei De Bracy, het plan
vergetende, dat hem een Saksische bruid beloofde.

"En dan den moed en het beleid," zei Brian de Bois-Guilbert, "waardoor
zij zich te Hastings en elders onderscheidden."

Terwijl de hovelingen, beurtelings, met een effen en lachend gelaat het
voorbeeld van hun Prins volgden, en hun pijlen op Cedric afschoten,
werd het gezicht van den Sakser vuurrood van toorn; hij wierp zijn
woesten blik van den één op den anderen, alsof de schielijke opvolging
van zoo vele beleedigingen hem belette ze dadelijk te beantwoorden;
of gelijk een getergde stier, die, door zijne pijnigers omringd,
verlegen is, wie onder hen tot het onmiddellijke doel van zijn wraak
uit te kiezen.

Eindelijk zich tot Prins Jan wendende, als het hoofd, en de oorzaak der
hem aangedane beleediging, zei hij, met een stem, die half door drift
gesmoord was: "Welke ook de zwakheden en gebreken van onzen stam mogen
geweest zijn, een Sakser zou voor een _Niddering_ [17]" (de krachtigste
uitdrukking voor de uiterste nietswaardigheid), "gehouden zijn, zoo
hij in zijne eigene zaal, en terwijl zijn eigen beker rondging, een
onschuldigen gast behandeld had, zooals uwe Hoogheid mij heden heeft
laten behandelen; en welke ook de ongelukken onzer voorvaderen op het
slagveld bij Hastings mogen geweest zijn, moesten zij er tenminste
van zwijgen"--en hier zag hij op Front-de-Boeuf en den Tempelier--"die
voor weinige uren meer dan éénmaal zadel en stijgbeugel door de lans
van een Sakser verloren hebben."

"Op mijn eer, een bijtende scherts!" zei Prins Jan. "Hoe vindt gij ze,
mijn heeren?--Onze Saksische onderdanen nemen toe in geest en moed;
zij worden scherp van vernuft en trotsch van gedrag in deze onrustige
tijden.--Wat zegt gij, mijn heeren?--Bij het licht des hemels,
ik houd het voor het best, dat wij onze galeien weder bestijgen,
en bij tijds naar Normandië terugkeeren!"

"Uit vrees voor de Saksers?" zei de Bracy lachende. "Wij zouden
geen ander wapen, dan onze jachtsperen noodig hebben, om zulk wild
te jagen!"

"Houdt op met uwe scherts, heeren ridders," zei Fitzurse, "en het
ware goed," voegde hij er bij, zich tot den Prins wendende, "dat uw
Hoogheid den waardigen Cedric verzekerde, dat er geen beleedigende
bedoeling is in spotternijen, die in het oor van een vreemdeling zeer
onaangenaam moeten klinken."

"Beleediging?" antwoordde Prins Jan, terwijl hij zijn beleefde
houding weder aannam; "ik verzeker dat ik er nooit een bedoeld heb,
of in mijn tegenwoordigheid toelaten zou.--Hier! ik ledig mijn beker
op het welzijn van Cedric zelven, daar hij niet op de gezondheid van
zijn zoon wil drinken."

De beker ging rond, onder de geveinsde toejuiching der hovelingen,
welke echter de gewenschte uitwerking op het gemoed des Saksers
misten. Hij was van natuur niet scherpzinnig, maar zij, die meenden,
dat dit vleiend compliment zijne gevoeligheid over de hem pas
aangedane beleediging zou uitwisschen, rekenden zijn verstand toch al
te min. Hij zweeg echter, toen de koninklijke beker weder rondging:
"Op het welzijn van den ridder Athelstane van Coningsburgh."

De ridder maakte een buiging, en toonde, dat hij niet ongevoelig was
voor die eer, door een grooten beker te ledigen.

"En nu, mijn heeren," zei Prins Jan, die verhit begon te worden
door den wijn, dien hij gedronken had, "daar wij recht hebben laten
wedervaren aan onze Saksische gasten, willen wij hen verzoeken, onze
beleefdheid te beantwoorden. Waardige Sakser," ging hij voort, zich
tot Cedric wendende, "mag ik u verzoeken ons een Normandiër te noemen,
wiens naam uw lippen het minst zal bezoedelen, en met een beker wijn
alle bitterheid af te spoelen, welke de klank nog zou achterlaten?"

Terwijl Prins Jan sprak, stond Fitzurse op, en zachtjes achter den
stoel van den Sakser tredende, fluisterde hij hem toe, dat hij de
gelegenheid niet moest laten voorbijgaan, om een einde te maken aan de
vijandigheid tusschen de twee stammen, door Prins Jan zelven te noemen.

De Sakser antwoordde niet op dezen listigen raad, maar opstaande, en
den beker tot den rand toe vullende, sprak hij Prins Jan aldus aan:
"Uwe Hoogheid heeft begeerd, dat ik een Normandiër zou noemen, die
verdiende, dat wij bij ons feest aan hem dachten. Dit is, waarlijk,
een zware taak, daar ze den slaaf oplegt om den lof van zijn meester te
verkondigen;--den overwonnene om zijn overwinnaar te prijzen. Echter
_zal_ ik een Normandiër noemen,--den eersten in de wapenen en in
stand,--den besten en edelsten van zijn stam. En de lippen, die
weigeren mij op zijn welverkregen roem bescheid te doen, noem ik
valsch en eerloos, en dat wil ik met mijn leven staande houden!--Ik
ledig dezen beker op het welzijn van Richard Leeuwenhart!"

Prins Jan, die verwacht had, dat zijn eigen naam de rede van den
Sakser zou besluiten, schrikte toen die van zijn beleedigden broeder
zoo onverwacht genoemd werd. Hij bracht den beker werktuigelijk naar
de lippen, en zette dien dadelijk weder neer, om het gedrag van het
gezelschap bij dezen onverwachten feestdronk gade te slaan, daar
velen der aanwezigen gevoelden, dat het even gevaarlijk was er aan
te voldoen, als het te weigeren. Eenige oude, ervarene hovelingen,
volgden getrouw het voorbeeld van den Prins zelven, door den beker
naar de lippen te brengen en dien weder voor zich neder te zetten. Er
waren echter velen, die door een edelmoediger opwelling medegesleept,
uitriepen: "Lang leve Koning Richard! Moge hij ons weldra weder gegeven
worden!" Eenige weinigen, waaronder Front-de-Boeuf en de Tempelier,
lieten in sombere verachting hun bekers onaangeroerd staan. Maar
niemand waagde het rechtstreeks den beker te weigeren, die ter eere
van den regeerenden Vorst geledigd moest worden.

Nadat Cedric voor een oogenblik zijn zegepraal genoten had, zei hij
tot zijn metgezel: "Kom, edele Athelstane! wij zijn lang genoeg hier
gebleven, nu wij de gastvrije beleefdheid van Prins Jan vergolden
hebben. Zij, die in het vervolg meer van onze ruwe Saksische manieren
willen weten, moeten ons in de huizen onzer vaderen opzoeken;
want wij hebben genoeg van koninklijke gastmalen en Normandische
wellevendheid gezien."

Dit zeggende, stond hij op, en verliet de eetzaal, gevolgd door
Athelstane en verscheidene andere gasten, die met de Saksers
vermaagschapt, zich beleedigd gevoelden door de spotternijen van
Prins Jan en zijn hovelingen.

"Bij het gebeente van St. Thomas!" riep Prins Jan, toen zij zich
verwijderd hadden, "de Saksische boeren hebben ons de nederlaag
gegeven, en zijn zegevierende afgetrokken."

"_Conclamatum est, poculatum est_," zei Prior Aymer, "wij hebben
gedronken en zijn luidruchtig geweest;--het wordt tijd, dat wij de
wijnflesschen verlaten."

"De monnik heeft de eene of andere schoone boetvaardige, die heden
avond bij hem biechten moet, daar hij zooveel haast maakt!" zei
de Bracy.

"Dat niet, heer ridder," hernam de abt; "maar ik moet dezen avond
nog eenige mijlen van mijne terugreis afleggen."

"Zij gaan al weg," fluisterde de Prins Fitzurse toe; "hun vrees loopt
de gebeurtenissen vooruit, en deze lafhartige Prior is de eerste,
die mij verlaat."

"Vrees niet, mijn Vorst," zei Waldemar; "ik zal hun redenen geven,
die hen zullen nopen bij onze bijeenkomst te York tegenwoordig te
zijn.--Heer Prior," zei hij, "ik moet u alléén spreken, voordat gij
te paard stijgt."

De andere gasten gingen nu spoedig uiteen, behalve zij, die
onmiddellijk tot de partij, of tot het gevolg van Prins Jan behoorden.

"Dit is dan de uitslag van uw raad," zei de Prins, een vertoornden
blik op Fitzurse werpende, "dat een dronken Saksische boer mij op
mijn eigen gastmaal trotseert, en dat, bij den enkelen naam van mijn
broeder, de menschen van mij afvallen, als van een melaatsche."

"Geduld, mijn Vorst," hernam zijn raadgever; "ik zou u ook kunnen
beschuldigen, en de lichtzinnigheid en onbedachtzaamheid berispen,
welke mijn plan hebben doen mislukken, en uw eigen beter oordeel op
het dwaalspoor hebben geleid; maar dit is geen tijd, om elkander
verwijten te doen. De Bracy en ik zullen ons dadelijk onder deze
lafaards begeven, en hen overtuigen, dat zij te ver zijn gegaan,
om terug te treden."

"Het zal vruchteloos zijn," zei Prins Jan, terwijl hij met ongelijke
schreden door het vertrek stapte, en met eene hevigheid sprak, waartoe
de wijn, dien hij gedronken had, gedeeltelijk bijdroeg.--"Het zal
vruchteloos zijn;--ze hebben het schrift aan den muur gezien;--ze
hebben de voetstappen van den leeuw in het zand bespeurd;--ze hebben
zijn naderend gebrul door het woud hooren weergalmen;--niets zal hun
moed weder verlevendigen!"

"Gave God!" zei Fitzurse tot De Bracy, "dat iets zijn moed
verlevendigen kon! De enkele naam van zijn broeder jaagt hem de koorts
op het lijf. Ongelukkig de raadslieden van een Vorst, wien moed en
volharding geheel ontbreken, zoowel ten goede als ten kwade!"



VIJFTIENDE HOOFDSTUK.


                Voorwaar, hij denkt--ha, ha, ha, ha,--hij denkt,
                Ik ben zijn werktuig, dienaar van zijn wil,
                Wel, laat het wezen, 'k wil uit dit doolhof,
                Dat zijn vervloekte list en heerschzucht schiep,
                Mij zelf een weg tot hooger dingen banen;
                En wie zal zeggen: 't is verkeerd?

                                                Basil, een Treurspel.


Geen spin herstelde ooit met meer zorg de beschadigde draden
van haar web, dan Waldemar Fitzurse besteedde, om de verstrooide
leden der partij van Prins Jan te verzamelen, en weder onderling
te verbinden. Weinigen waren hem uit genegenheid, en geene uit
persoonlijke gehechtheid toegedaan. Het was daarom noodig, dat
Fitzurse hun nieuwe, voordeelige uitzichten opende, en hen aan de
voordeelen herinnerde, welke zij thans genoten. Den jongen, onbezonnen
edellieden schilderde hij het vooruitzicht op ongestrafte losbandigheid
en op onbeperkt zinnelijk genot; de eerzuchtigen wees hij op gezag,
en de gierigen op vermeerdering hunner rijkdommen en de uitbreiding
hunner bezittingen. De hoofden der huurlingen ontvingen een geschenk
in goud, het beste overtuigingsmiddel voor hun verstand,--daar al
het overige vruchteloos zoude geweest zijn. Beloften werden door
dezen werkzamen agent met eene nog mildere hand uitgedeeld dan geld;
in het kort, niets werd verzuimd, dat dienen kon, om den weifelende
tot een besluit te brengen, en den lafhartige te bemoedigen. Over
de terugkomst van Koning Richard sprak hij als eene gebeurtenis,
die geheel buiten de perken der waarschijnlijkheid lag, bespeurde
hij echter, uit de twijfelende blikken, en de onzekere antwoorden,
die hij ontving, dat voornamelijk deze terugkeer de gemoederen
zijner medeplichtigen verontrustte, dan behandelde hij die als eene
gebeurtenis, die, wanneer zij werkelijk mocht plaats vinden, hunne
staatkundige plannen niet behoorde te veranderen.

"Indien Richard terugkeert," zeide Fitzurse, "dan is het om zijn
behoeftige en bij den kruistocht verarmde metgezellen te verrijken,
ten koste van diegenen, die hem niet gevolgd zijn naar het Heilige
Land. Hij keert terug, om eene schrikkelijke rekenschap te vorderen
van hen, die gedurende zijne afwezigheid iets gedaan hebben, dat als
eene schennis der wetten, of eene inbreuk op de voorrechten der kroon,
kan worden aangemerkt. Hij keert terug, om zich te wreken op de orde
der Tempelieren en der Hospitaalridders, wegens de voorkeur, welke zij,
gedurende de oorlogen in het Heilige Land, aan Filips van Frankrijk
betoond hebben. Hij keert eindelijk terug, om alle aanhangers van zijn
broeder, Prins Jan, als oproerlingen te straffen. Vreest gij zijne
macht?" ging de sluwe vertrouweling van dezen Prins voort. "Wij stemmen
toe, dat hij een sterk en dapper ridder is; maar wij zijn niet in de
dagen van Koning Arthur, toen één kampvechter tegen een heel leger kon
strijden. Als Richard werkelijk terugkeert, moet hij alléén komen,
zonder gevolg,--zonder vrienden. De beenderen van zijn dapper leger
zijn op de zandwoestijnen van Palestina gebleekt. De weinigen van zijn
gevolg, die teruggekeerd zijn, zijn herwaarts gedwaald,--zooals deze
Wilfrid van Ivanhoe,--als bedelaars en landloopers. En wat spreekt
gij van Richards geboorterecht?" ging hij voort, tegen degenen,
die zwarigheden over dit punt inbrachten. "Is Richards recht van
eerstgeboorte zekerder dan dat van Hertog Robert van Normandië, des
Veroveraars oudsten zoon? En echter werden Willem de Roodharige en
Hendrik de Tweede, en Derde, zijne broeders, hem achtereenvolgens,
door de stem des volks voorgetrokken; Robert bezat iedere verdienste,
die voor Richard pleit; hij was een dapper ridder, een goed veldheer,
edelmoedig jegens zijne vrienden en de kerk, en om het geheel te
kroonen, een kruisvaarder en veroveraar van het Heilige Graf; en toch
stierf hij, als een blinde en ellendige gevangene, in het kasteel
van Cardiff, omdat hij zich tegen den wil des volks aankantte, dat
niet door hem wilde beheerscht worden. Wij hebben het recht," voer
hij voort, "uit het koninklijk geslacht dien Vorst te kiezen, die het
best in staat is, het hoogste gezag te bekleeden:--dat is," zei hij,
zijn woorden verbeterende, "wiens verkiezing de belangen der edelen
het best bevordert. In persoonlijke hoedanigheden," vervolgde hij,
"doet misschien Prins Jan voor zijn broeder onder; maar wanneer men
bedenkt, dat deze, met het zwaard der wraak in handen terugkeert,
terwijl gene, belooningen, vrijheden, voorrechten, rijkdom en eer
aanbiedt, dan is het niet twijfelachtig, welken koning, de adel,
als deze verstandig handelt, geroepen is te ondersteunen!"

Deze en vele andere bewijsgronden, sommige toepasselijk op de
bijzondere omstandigheden van hen aan wie ze gericht werden, hadden
de verwachte uitwerking bij de edelen van de partij van Prins Jan. De
meesten stemden er in toe, bij de voorgestelde vergadering te York
tegenwoordig te zijn, ten einde algemeene maatregelen te beramen,
om Prins Jan de kroon op het hoofd te plaatsen.

Het was laat in den avond, toen Fitzurse naar het kasteel van Ashby
terugkeerde, afgemat door de menigte zijner bezigheden, maar voldaan
over zijn goed gevolg, en De Bracy ontmoette, die zijne feestkleeding
tegen een soort van groene kiel verwisseld had, met een broek van
dezelfde stof en kleur, een lederen kap, of _baret_, een kort zwaard,
een horen over den schouder, een langen boog in de hand, en een bundel
pijlen in zijn draagband gestoken. Indien Fitzurse dezen persoon in
een buitenvertrek ontmoet had, zou hij voorbijgegaan zijn, zonder er
acht op te slaan, en hem voor een der lijfwachten aangezien hebben,
maar nu hij hem in de binnenzaal ontmoette, beschouwde hij hem met
meer oplettendheid, en herkende den Normandischen ridder, in het
gewaad van een Engelschen boogschutter.

"Waartoe deze vermomming, De Bracy?" vroeg Fitzurse, eenigszins
bitter. "Is het nu een tijd voor kermis-grappen en galante maskeraden,
terwijl het lot van onzen meester, Prins Jan, op het punt is beslist te
worden? Waarom hebt gij u niet, evenals ik, onder die laffe bloodaards
begeven, welken de bloote naam van Koning Richard evenveel schrik
aanjaagt, als men zegt, dat hij de kinderen der Saracenen doet?"

"Ik heb voor mijne eigene belangen gezorgd," zei De Bracy koel;
"evenals gij voor de uwe, Fitzurse."

"Ik voor mijne eigene belangen gezorgd!" herhaalde Waldemar. "Ik heb
mij bezig gehouden met die van Prins Jan, onzen gemeenschappelijken
beschermer."

"Alsof gij hiertoe eenige andere reden hadt, Waldemar," zei De Bracy,
"dan de bevordering uwer eigene individueele belangen! Kom kom,
Fitzurse, wij kennen elkander; eerzucht is uw doel, vermaak het
mijne, en dit uiteenloopende doel past aan onzen uiteenloopenden
ouderdom. Over Prins Jan denkt gij evenals ik; hij is te zwak om een
standvastig, te heerschzuchtig om een gemakkelijk, te trotsch en te
achterdochtig om een aan het volk aangenaam, en te onbestendig en te
beschroomd, om lang een Vorst, van welken aard ook, te zijn. Maar hij
is een Vorst, door wien Fitzurse en De Bracy zich hopen te verheffen
en fortuin te maken; en daarom helpt gij hem met uw staatkunde,
en ik met de lansen mijner huurlingen."

"Een veelbelovende hulp!" riep Fitzurse ongeduldig. "Voor gek te
spelen in het oogenblik van den uitersten nood! Wat stelt gij u
toch ter wereld voor met deze bespottelijke vermomming, in een zoo
dringend oogenblik?"

"Mij eene vrouw te verschaffen," antwoordde De Bracy koel, "op de
wijze van den stam van Benjamin."

"De stam van Benjamin!" zei Fitzurse. "Ik begrijp u niet."

"Waart gij niet tegenwoordig gisteren avond," zei De Bracy, "toen
Prior Aymer ons een vertelling deed, als antwoord op de Romance, die
de minnezanger voordroeg?--Hij vertelde, hoe langen tijd geleden,
in Palestina, een doodelijke veete ontstond, tusschen den stam van
Benjamin en het overige van het Israëlitische volk; en hoe bijna de
geheele ridderschap van dien stam verslagen werd; en hoe het volk bij
de Heilige Maagd zwoer, niet te willen toestaan, dat de overgeblevenen
in hun maagschap huwelijkten; en hoe zij berouw kregen over hun eed,
en zijne Heiligheid den Paus raadpleegden, hoe zij daarvan konden
ontslagen worden, en hoe, op raad van den Heiligen Vader, de jeugd van
Benjamins stam, op een prachtig toernooi, al de tegenwoordig zijnde
dames wegroofde, en zich dus vrouwen verschafte, zonder toestemming
der bruiden, of harer familiën."

"Ik heb het verhaal gehoord," zei Fitzurse, "ofschoon gij, of de
Prior, eenige zonderlinge veranderingen in tijd en omstandigheden
gemaakt hebt."

"Ik zeg u," hernam De Bracy, "dat ik mij een vrouw wil verschaffen naar
de manier van den stam van Benjamin, wat zeggen wil, dat ik in deze
zelfde toerusting, de kudde Saksische boeren zal aanvallen, die heden
avond het kasteel verlaten hebben, en de schoone Rowena ontvoeren."

"Zijt gij waanzinnig, De Bracy?" zei Fitzurse. "Bedenk dat zij,
ofschoon Saksers, rijk en machtig zijn, en door hunne landslieden te
meer geëerbiedigd worden, daar rijkdom en eer slechts het deel zijn
van weinigen van Saksische afkomst."

"En het deel van geen hunner zijn moesten," zei De Bracy; "het
veroveringswerk moest volmaakt worden."

"Het is nu althans geen tijd daartoe," zeide Fitzurse; "de naderende
beslissing maakt de hulp der menigte onontbeerlijk, en Prins Jan kan
niet weigeren recht uit te oefenen tegen iemand, die de gunstelingen
er van beleedigt."

"Laat hij hen verdedigen, als hij durft," antwoordde De Bracy; "hij
zal spoedig het onderscheid zien tusschen den onderstand van een
troep dappere lansen zooals de mijnen, en een hoop gemeene Saksische
boeren. Ik ben echter niet voornemens, mij zelven rechtstreeks
bloot te geven. Ben ik in dezen dos niet zulk een dapper jager,
als er ooit een op den jachthoren blies? De blaam der schaking zal
op de vrijbuiters der wouden van Yorkshire rusten. Ik heb getrouwe
bespieders, die op de bewegingen der Saksers letten. Heden nacht
slapen zij in het klooster van St. Wittol, of Withold, of hoe zij
dien lomperd van een Saksischen heilige noemen, te _Burton-Trent_. De
volgende dagreis brengt hen onder ons bereik, en als valken grijpen
wij hen allen in onze klauwen. Terstond daarop zal ik in mijne eigene
gedaante verschijnen, den dapperen ridder spelen, de ongelukkige en
bedrukte schoone uit de handen harer woeste roovers verlossen, haar
naar Front-de-Boeuf's kasteel, of, indien het noodig is, naar Normandië
voeren, en haar niet aan haar bloedverwanten teruggeven, voordat zij
de bruid en de echtgenoote van Maurice de Bracy is geworden."

"Een bewonderenswaardig wijs plan!" zei Fitzurse, "en naar mijn oordeel
niet geheel uw eigene uitvinding.--Kom, wees openhartig, De Bracy,
wie hielp u het bedenken, en wie zal u bijstaan in de uitvoering,
want, naar ik meen, ligt uw bende te York?"

"Daar gij het dan volstrekt weten wilt"--zei De Bracy--"de Tempelier
Brian de Bois-Guilbert regelde de onderneming, waarvan het gebeurde
met de kinderen Benjamins bij mij de gedachte had doen ontstaan. Hij
wil mij helpen bij den aanval, en zijn gevolg zal de vrijbuiters
voorstellen, uit wier hand mijn moedige arm de Jonkvrouw zal verlossen
nadat ik van kleeding veranderd heb."

"Bij mijn eer," zei Fitzurse, "dit plan was uw beider wijsheid waardig:
en uwe voorzichtigheid openbaart zich bijzonder in het ontwerp, om de
Jonkvrouw in de handen van uw waardigen bondgenoot te laten. Mijns
bedunkens, kan het u gelukken, haar aan haar Saksische vrienden te
ontvoeren, maar of gij haar naderhand uit de klauwen van Bois-Guilbert
zult kunnen redden, schijnt mij vrij wat twijfelachtiger.--Hij is
een valk, die gewoon is een vogel te grijpen, en zijn prooi vast
te houden."

"Hij is een Tempelier," zei De Bracy, "en kan mij dus niet in den weg
staan in mijn plan om deze erfdochter te trouwen;--en iets oneerbaars
met de aanstaande bruid van De Bracy te beproeven,--bij den hemel! al
was een geheel kapittel van zijn orde in zijn persoon vereenigd,
zou hij mij zulk eene beleediging toch niet durven aandoen!"

"Daar dan niets, wat ik ook zeggen mag, u deze zotheid uit het hoofd
verdrijven kan," zei Fitzurse; "want ik ken uw halsstarrigheid, verspil
zoo weinig tijd mogelijk,--opdat uw dwaasheid niet even langdurig,
als ontijdig zij."

"Ik zeg u," antwoordde De Bracy, "het zal slechts het werk van eenige
uren zijn, en spoedig bevind ik mij te York, aan het hoofd van mijne
stoute en dappere bende, even bereidvaardig om eenig krachtig besluit
uit te voeren, als uwe staatkunde zijn kan om het te smeden.--Maar
ik hoor, dat mijn makkers zich verzamelen, en dat de paarden op het
voorplein stampen en brieschen.--Vaarwel!--Ik ga als een echte ridder,
om de liefde der schoone te verdienen."

"Als een echte ridder!" hernam Fitzurse, hem naziende, "als een echte
dwaas, zou ik zeggen, of als een kind, dat de ernstige en noodigste
bezigheid verzuimt, om het distelzaad na te loopen, dat de wind voor
hem heen drijft. Maar met zulke werktuigen moet ik arbeiden;--en tot
wiens voordeel?--Voor een Prins, die even onverstandig als losbandig
is, die een even ondankbaar meester schijnt te willen wezen, als hij
reeds getoond heeft, een oproerige zoon en een ontaarde broeder te
zijn.--Maar ook hij is slechts één mijner werktuigen, en hoe trotsch
hij ook zij, zal hij dat spoedig ondervinden, als hij zich voorstelt
zijn belangen van de mijne te kunnen scheiden."

Hier werden de overdenkingen van den staatsman afgebroken door de
stem van Prins Jan, die uit een binnenvertrek riep: "Edele Waldemar
Fitzurse, kom bij mij!" en het hoofd ontblootende, haastte zich
de aanstaande Grootkanselier (want op dezen hoogen post hoopte de
sluwe Normandiër), om de bevelen van zijn aanstaanden koning te
gaan vernemen.



ZESTIENDE HOOFDSTUK.


        Er leefde onopgemerkt en eenzaam, jaar aan jaar,
        In ver verwijderd oord een vrome kluizenaar,
        In de enge cel;--hij rustte op 't bed van mos; genoot
        Wat fruit zijn disch voorzag; de bron hem laafnis bood;
        Hij sleet, der wereld vreemd, zijn leven door met God,
        Zijn dagboek was 't gebed, de lofzang zijn genot.

                                                            Parnell.


De lezer zal niet vergeten hebben, dat de uitkomst van het toernooi
beslist werd door de heldendaden van een onbekenden ridder, dien de
toeschouwers, wegens het lijdelijke en onverschillige van zijn gedrag,
gedurende het eerste gedeelte van den dag, met den naam van _Le Noir
Fainéant_ bestempeld hadden. Deze ridder had het strijdperk verlaten,
zoodra de overwinning behaald was; en toen hij opgeroepen werd, om het
loon zijner dapperheid te ontvangen, was hij nergens te vinden. Terwijl
hij door de herauten en trompetters ingedaagd werd, richtte hij zijn
koers noordwaarts, alle begane paden vermijdende, en den kortsten
weg door de boschlanden nemende. Hij rustte des nachts in een kleine
herberg op eenigen afstand van den straatweg, waar hij echter, van een
rondtrekkenden speelman, tijding kreeg van den afloop van het toernooi.

Den volgenden morgen vertrok de ridder vroegtijdig, met het voornemen
om eene groote dagreis te maken, daar zijn paard, dat hij den vorigen
morgen zorgvuldig gespaard had, in staat was, een langen tocht te doen,
zonder veel te rusten. Zijn voornemen werd echter verijdeld door de
onbekende wegen, die hij nam; zoodat, toen de avond hem overviel,
hij zich slechts op de grenzen van het _West-Riding_ van Yorkshire
bevond. Nu hadden man en paard behoefte aan verkwikking, en het was
bovendien, noodig naar een plaats uit te zien, om den snel naderenden
nacht door te brengen.

De plek, waar de reiziger zich bevond, scheen noch eene schuilplaats
noch voedsel op te leveren, en hij liep gevaar genoodzaakt te zijn,
den gewonen leefregel der dolende ridders te volgen, die, bij zulke
gelegenheden, hun paarden lieten grazen, en zich nedervlijden
aan den voet van een eik om aan hunne jonkvrouw te denken. Maar
de Zwarte Ridder had geene jonkvrouw, aan welke hij denken kon,
of even onverschillig in de liefde, als hij in den oorlog scheen
te zijn, was hij niet hartstochtelijk genoeg met hare schoonheid en
wreedheid bezield, om de uitwerkselen van vermoeidheid en honger niet
te gevoelen, en de liefde als plaatsvervangster te laten optreden
voor de krachtige versterkingen van slaap en maaltijd. Hij was
daarom eenigszins verdrietig, toen hij, rondziende, bevond, dat hij
in het dichte woud verdwaald was, waarin wel vele opene plaatsen en
eenige paden waren, maar die slechts gebaand schenen te zijn door
de menigvuldige kudden hoornvee, of door het wild en de jagers,
die het vervolgden.

De zon, naar welke de ridder voornamelijk zijn koers gericht had, was
nu achter de heuvels van Derbyshire, die aan zijn linkerhand lagen,
ondergegaan, en elke poging om zijne reis te vervolgen, kon hem even
gemakkelijk van den weg verwijderen als nader brengen. Na vruchteloos
getracht te hebben, het meest gebaande pad uit te zoeken, in de hoop,
dat het hem naar de hut van eenig herder, of het verblijf van den
een of anderen houtvester zou voeren, en bij herhaling besluiteloos
te zijn gebleven in zijne keus, nam hij zich voor, alles aan het
instinkt van zijn paard over te laten, daar de ondervinding, bij
vroegere gelegenheden, hem de verwonderlijke gave dezer dieren, om
zich zelven en hun ruiters uit dergelijke moeielijkheden te redden,
had leeren kennen.

Uitgeput door zulk een lange reis, onder een gewapenden en geharnasten
ruiter, had het schoone paard nauwelijks aan den slappen teugel
gevoeld, dat het aan zijn eigen leiding was overgelaten, of het
scheen nieuwe kracht en moed te verkrijgen; en terwijl het te voren
bijna niet anders dan door steunen den spoorslag beantwoord had,
spitste het nu de ooren, alsof het trotsch was op het vertrouwen,
dat men het schonk, en verhaastte uit vrijen wil zijn gang. De weg,
welken het dier insloeg, week af van dien, welken de ridder gedurende
den dag gevolgd had; maar daar het paard vol vertrouwen deze keuze
scheen te doen, liet de ridder zich geheel en al aan zijn ros over.

De uitkomst rechtvaardigde zijne verwachting; spoedig scheen de weg
iets breeder en meer begaanbaar te worden, en het luiden van een
klokje onderrichtte den ridder, dat hij zich in de nabijheid van een
kapel of kluizenaarshut bevond.

Hij bereikte ook spoedig een open grasplein, aan welks overkant zich
een steile rots verhief op een zacht hellende vlakte, en den reiziger
een grijzen en verweerden kruin vertoonde. Op sommige plaatsen was ze
met klimop bekleed; elders hingen eiken- en hulststruiken, wier wortels
in de spleten der rots voedsel vonden, over den grond, evenals de
vederbos eens krijgsmans over zijn stormhoed, bevalligheid verleenende
aan een tooneel, dat anders schrikwekkend geweest ware. Aan den voet
der rots was een ruwe hut gebouwd, die als het ware er tegen leunde,
en voornamelijk bestond uit stammen van boomen, in het naburige woud
geveld, en tegen het weder beschut door mos, met klei doormengd,
in de reten te stoppen. De stam van een jongen denneboom, van de
takken beroofd, waaraan, bij den top, kruiselings een stuk hout was
gebonden, was voor de deur opgericht, als een ruw zinnebeeld van het
heilige kruis.

Op een kleinen afstand, aan de rechterhand, ruischte uit de rots eene
beek van het zuiverste water, dat opgevangen werd in een hollen steen,
tot eene ruwe kom uitgehouwen. Uit deze kom murmelde de beek naar
beneden over een bedding, die ze sedert lang uitgehold had, kronkelde
verder door het kleine dal, en verdween in het aangrenzende woud.

Ter zijde van deze beek stonden de bouwvallen van een zeer kleine
kapel, waarvan het dak gedeeltelijk ingevallen was. In zijn geheel
was het gebouw niet meer dan zestien voet lang en twaalf voet breed,
en het dak, dat naar evenredigheid laag was, rustte op vier boven
samenloopende bogen, die zich uit de vier hoeken van het gebouw
verhieven, ieder ondersteund door eene korte dikke zuil. De zijden van
twee dezer bogen waren blijven staan, ofschoon het dak tusschen beide
was ingestort: over de beide andere bestond het nog in zijn geheel. De
ingang tot deze overoude plaats van godsvereering was door een zeer
lagen boog, versierd met verscheidene rijen van dat gevlamd loofwerk,
op haaientanden gelijkende, dat men dikwijls nog in oude Saksische
gebouwen ziet. Een torentje verhief zich boven den ingang op vier
dunne pilaren, en daarin hing de oude en verweerde klok, wier zwakke
tonen door den Zwarten Ridder eenigen tijd geleden gehoord waren.

Het vreedzame en stille tooneel vertoonde zich in het zwakke
schemerlicht aan de oogen des reizigers, en voorspelde hem een goed
nachtverblijf, daar het vooral de plicht der kluizenaars was, die in
de wouden leefden, herbergzaamheid uit te oefenen jegens reizigers,
die door den nacht overvallen en verdwaald waren.

Derhalve gaf de ridder zich geen tijd om de bijzonderheden, die wij
beschreven hebben, nauwkeurig op te nemen, maar den heiligen Julianus
(den beschermheilige der reizigers) dankende, dat hij hem in een
veilige haven gebracht had, sprong hij van zijn paard en klopte tegen
de deur der kluizenaarshut met zijn lans, om zich aan te melden,
en binnen gelaten te worden.

Het duurde vrij lang, eer hij eenig antwoord kreeg; en het bescheid,
toen het eindelijk kwam, was ongunstig.

"Ga voorbij, wie gij ook zijn moogt," klonk het antwoord, uitgesproken
met een diepe, schorre stem binnen in de hut, "en stoor den dienaar
van God en van den heiligen Dunstan niet in zijn avondgebed."

"Eerwaarde vader," antwoordde de ridder, "hier is een arm reiziger,
die in het bosch verdwaald, u gelegenheid geeft, uwe menschlievendheid
en herbergzaamheid uit te oefenen."

"Broeder," hernam de bewoner der kluis, "het heeft der Heilige Maagd
en den heiligen Dunstan behaagd, mij tot een voorwerp dezer deugden,
in plaats van tot een beoefenaar er van te bestemmen. Ik heb hier
geen levensmiddelen, welke zelfs een hond met mij zou willen deelen,
en een paard, aan eenige zorg en verpleging gewoon, zou mijn strooleger
verachten: zet daarom uw reis voort, en God geleide u!"

"Maar," zei de ridder, "hoe is het mij mogelijk den weg te vinden door
zulk een bosch, in de naderende duisternis? Ik bid u, eerwaarde vader,
zoo gij een Christen zijt, uwe deur te openen, en mij ten minste den
weg te wijzen."

"En ik bid u, lieve mede-Christen," hernam de kluizenaar, "mij niet
verder te storen. Gij hebt mij reeds belet één _pater_, twee _ave's_
en een _credo_ te spreken, welke ik, ellendige zondaar, die ik ben,
volgens mijn gelofte moest hebben opgezegd, vóór het opkomen der maan."

"Wijs mij den weg!--den weg!" schreeuwde de ridder, "indien ik dan
anders niet van u verkrijgen kan."

"De weg," hernam de heremiet, "is gemakkelijk te vinden. Uit het
woud geleidt het pad naar een moeras, van daar naar een doorwaadbare
plaats, die misschien thans begaanbaar is, daar het weinig geregend
heeft. Als gij deze plaats doorwaad hebt, moet gij voorzichtig te voet
gaan langs den linker oever, wijl die op sommige plaatsen vrij steil
is, en het pad, dat boven de rivier hangt, is, naar ik gehoord heb
(want ik verlaat zelden mijne kapel), op sommige plekken, onlangs
ingezakt. Van hier gaat gij rechtuit tot--"

"Een ingezakt pad--een afgrond--een doorwaadbare rivier, en een
moeras!" riep de ridder hem in de rede vallende.--"Heer kluizenaar,
al zijt ge de heiligste van allen, die ooit een baard droegen,
of een rozekrans baden, zult gij mij toch niet overhalen, om heden
dezen weg te volgen. Ik zeg u, dat gij, die van de liefdadigheid in
het land leeft, en naar ik veronderstel van eene slecht verdiende
liefdadigheid,--geen recht hebt een reiziger in den nood eene
schuilplaats te weigeren. Doe uwe deur spoedig open, of--bij het
Kruis,--ik sla ze in, en verschaf mij zelf ingang!"

"Vriend reiziger," hernam de heremiet, "wees niet lastig; als
ge mij noodzaakt een vleeschelijk wapen te gebruiken te mijner
verdediging,--des te erger voor u!"

Op dit oogenblik werd een dof geknor en geblaf, dat de reiziger reeds
eenigen tijd gehoord had, luid en hevig, en hieruit veronderstelde
de ridder, dat de kluizenaar, verontrust door zijn bedreiging van
zich met geweld een toegang te banen, de honden geroepen had uit het
binnenste van het hol, waarin zij opgesloten geweest waren, om hem
in zijne verdediging bij te staan.

Verstoord over des kluizenaars voorbereiding ter handhaving van zijn
ongastvrijheid, schopte de ridder zoo geweldig tegen de deur, dat de
posten zoowel als de hengsels begonnen te wankelen.

De kluizenaar, die zijn deur niet opnieuw aan een dergelijken aanval
wilde blootstellen, riep hard op: "Geduld, geduld!--spaar uwe krachten,
goede reiziger, en ik zal de deur dadelijk openen, ofschoon het u
misschien weinig genoegen verschaffen zal."

De deur werd dus geopend en de heremiet, een groot, forsch man,
stond voor den ridder in een haren kleed en kap, met een biezen touw
vastgemaakt. In de eene hand hield hij een brandende fakkel, en in
de andere een knuppel van een wilden appelboom, zoo dik en zwaar,
dat men die met recht een knots had kunnen noemen. Twee groote, ruige
honden, half windhond, half bulhond, stonden gereed om den reiziger
aan te vallen, zoodra de deur open was. Maar, toen de fakkel op den
hoogen helm en gouden sporen des ridders flikkerde, die nog buiten
stond, beteugelde de heremiet,--waarschijnlijk zijn eerste voornemen
opgevende,--de woede zijner honden, en met een boersche hoffelijkheid,
noodigde hij den ridder uit, zijne woning binnen te treden, en haalde
als verontschuldiging voor zijne onwilligheid om na zonsondergang te
openen, de menigte roovers en vrijbuiters aan, die zich in het bosch
bevonden, en geen eer bewezen aan de Heilige Maagd, aan St. Dunstan,
of aan de heilige mannen, die hun leven in hunnen dienst sleten.

"De armoede uwer cel, goede vader," zei de ridder, rondziende en
niets bespeurende dan een bed van bladeren, een crucifix, ruw uit
eikenhout gesneden, een misboek, een lompe tafel, twee stoelen,
en een paar grove stukken huisraad,--"de armoede uwer cel schijnt
een genoegzame waarborg tegen eenig gevaar van dieven, om niet te
spreken van de hulp van twee getrouwe honden, sterk genoeg, naar het
mij toeschijnt, om een hert ter neder te werpen, en bijgevolg ook,
om hun krachten tegen een mensch te beproeven."

"De brave houtvester van dit woud," zei de heremiet, "heeft mij
het gebruik dezer dieren toegestaan, om mij in mijne eenzaamheid te
verdedigen, tot de tijden veiliger worden."

Na dit gezegd te hebben, plaatste hij de fakkel in een krom gebogen
stuk ijzer, dat hem tot kandelaar diende, en den eiken drievoet voor
de asch van het vuur zettende, dat hij met wat droog hout opwakkerde,
zette hij een stoel aan één kant der tafel en verzocht zijn gast er
een aan den anderen kant te plaatsen.

Zij gingen zitten, en staarden elkander zeer ernstig aan; terwijl
ieder bij zich zelven dacht, dat hij zelden een sterkere en meer
gespierde gestalte gezien had, dan die welke nu tegenover hem zat.

"Eerwaarde heremiet," zei de ridder, nadat hij zijn gastheer een
tijd lang, strak aangezien had, "indien ik niet vreesde, uwe heilige
overdenkingen te storen, zou ik gaarne drie dingen van uwe heiligheid
willen weten: ten eerste, waar moet ik mijn paard laten?--ten tweede,
wat kan ik tot mijn avondmaal bekomen?--ten derde, waar zal ik mij
nederleggen van nacht?"

"Ik zal het u met mijn vinger beantwoorden," zei de kluizenaar,
"want het is tegen mijn regel, woorden te gebruiken, als teekens
voldoende zijn ter bereiking van mijn oogmerk." Dit zeggende wees
hij naar twee hoeken der hut. "Uw stal," zei hij, "is dáár--uw bed
dáár," en hem een houten schotel met een paar handen vol droge erwten,
over de tafel toereikende, voegde hij er bij: "uw avondmaal is hier."

De ridder haalde de schouders op, en de hut verlatende, haalde hij zijn
paard, dat hij aan een boom had vastgebonden, naar binnen, ontzadelde
het zorgvuldig en spreidde zijn eigen mantel op den vermoeiden rug
van het dier uit.

De heremiet scheen eenigszins getroffen door de zorgvuldigheid
en handigheid, die den vreemdeling toonde in de behandeling van
zijn paard; want, terwijl hij iets mompelde over voeder, voor des
houtvesters paard achtergelaten, haalde hij uit een donkeren hoek
een bundel hooi, dat hij des ridders strijdros voorwierp, en terstond
daarop spreidde hij een menigte droog varenkruid in den hoek, dien hij
tot slaapplaats voor zijn gast bestemd had. Deze bedankte hem voor
zijne beleefdheid; en beide namen weder plaats aan de tafel, waarop
de houten schotel met erwten tusschen hen stond. Nadat de heremiet
een lang gebed had uitgesproken, dat eens Latijn geweest was, maar
waarin van de oorspronkelijke taal, behalve een paar deftige uitgangen
van een woord en volzin, weinige sporen waren overgebleven, gaf hij
zijn gast een voorbeeld, door in een zeer grooten mond, met tanden
voorzien, welke met die van een everzwijn in scherpte en witheid konden
wedijveren, zediglijk drie of vier droge erwten te steken, een ellendig
maalsel, naar het scheen, voor een zoo grooten en stevigen molen.

Om een zoo loffelijk voorbeeld te volgen, legde de ridder zijn helm,
zijn borstharnas en het grootste gedeelte zijner wapenrusting af,
en de heremiet zag een hoofd voorzien met zware, blonde lokken,
sprekende gelaatstrekken, blauwe, zeer helder schitterende oogen,
een welgevormden mond, welks bovenlip met een knevel prijkte, van
donkerder kleur dan het hoofdhaar;--in één woord een man wiens geheele
gelaat een stoutheid, onversaagdheid en ondernemenden geest aan den
dag legde, waarmede zijn forsche gedaante zeer goed overeenstemde.

Alsof hij het vertrouwen van zijn gast wilde beantwoorden, schoof
de kluizenaar zijn kap terug, en vertoonde het kogelrond hoofd van
een man in den bloei des levens. Zijn kaal geschoren kruin, door
een krans van stijf zwart haar omgeven, geleek eenigszins op eene
ronde schapenkooi, met een hooge heg. De gelaatstrekken getuigden
noch van kloosterlijke gestrengheid noch van lange ontbering:
het was integendeel een stout, vrijpostig gelaat, met groote,
zwarte wenkbrauwen, een welgevormd voorhoofd, en wangen--zoo bol
en rood als die van een trompetter--waaraan een lange zware baard
nederhing. Zulk een gelaat en de gespierde gestalte des heiligen mans
spraken eerder van vet gebraad, dan van droge erwten en boonen. Deze
tegenstrijdigheid ontging den gast niet. Nadat hij met groote
moeite een mondvol droge erwten gekauwd had, vond hij het volstrekt
noodzakelijk, zijn heiligen gastheer te verzoeken hem eenigen drank
te verschaffen; deze beantwoordde aan zijn bede, door een groote kan,
met het zuiverste bronwater gevuld, voor hem te plaatsen.

"Het is uit St. Dunstans bron," zei hij, "in welke hij tusschen
zons op- en ondergang vijfhonderd heidensche Denen en Britten
doopte,--gezegend zij zijn naam!" Zijn zwarten baard hierop tegen
de kruik drukkende, nam hij een veel matiger teug, dan zijn lofrede
scheen te voorspellen.

"Het schijnt mij toe, eerwaarde vader!" zei de ridder, "dat het
weinige, dat gij eet, met den heiligen, maar eenigszins dunnen drank,
u verwonderlijk wel bekomt. Gij schijnt geschikter om den prijs te
winnen in het worstelperk, of met knuppel of zwaard, dan om uw tijd
te slijten in deze eenzame wildernis, met het opzeggen van missen,--en
om van droge erwten en koud water te leven."

"Heer ridder," antwoordde de kluizenaar, "uwe gedachten zijn die
van een onkundigen leek, die naar den vleesche oordeelt. Het heeft
der Heilige Maagd en mijn beschermheilige behaagd, het geringe,
waartoe ik mij zelven bepaal, te zegenen, evenals de vruchten en
het water gezegend werden bij de jongelingen Sadrach, Mesach en
Abednego, die zich met deze spijzen liever vergenoegen wilden, dan
zich bezoedelen met de wijnen en het vleesch, hun door den koning
der Saracenen toegedeeld."

"Heilige man," zei de ridder, "op wiens gelaat het den hemel behaagd
heeft zulk een wonder te verrichten, sta een armen, zondigen leek toe,
naar uw naam te vragen?"

"Gij kunt mij den geestelijke van Copmanshurst noemen," antwoordde de
heremiet; "want onder dezen naam ben ik in deze streken bekend.--Men
voegt er wel is waar, den bijnaam van _heilig_ bij, maar hierop ben ik
niet gesteld, want ik ben dezen eeretitel onwaardig.--En nu, dappere
ridder, mag ik u verzoeken, mij ook den naam van mijn geëerden gast
te zeggen?"

"Waarlijk," zei de ridder, "heilige heer van Copmanshurst, men noemt
mij in deze streken den Zwarten Ridder,--en velen voegen er den
bijnaam van den Luiaard bij; maar ik ben er ook niet erg op gesteld,
om aldus onderscheiden te worden."

De heremiet kon zich nauwelijks van een glimlach onthouden over het
antwoord van zijn gast.

"Ik zie," zei hij, "mijnheer de ridder, dat gij een bedachtzaam en
voorzichtig man zijt, en bovendien zie ik, dat mijn arm, kloosterlijk
onthaal u niet behaagt, daar gij aan de losbandigheid der hoven en
legerplaatsen, en aan de weelde der steden gewend zijt; en nu schiet
het mij te binnen, mijnheer de Luiaard, dat, toen de liefdadige
houtvester van dit woud, tot mijne bescherming, deze honden met dezen
bundel voêr hier liet, hij ook eenig voedsel heeft achtergelaten; maar,
daar het tot mijn gebruik ongeschikt is, was mij zelfs de herinnering
er aan, onder overdenkingen van meer ernstigen aard ontschoten."

"Ik had er een eed op durven doen," zei de ridder; "sedert gij uw kap
aflegdet, eerwaarde vader, was ik overtuigd, dat er beter voedsel in uw
cel was.--Een boschwachter is altijd een vroolijke gast; en niemand die
uwe kiezen worstelen zag tegen deze erwten, terwijl uw keel afgespoeld
werd door dit weinig bekoorlijk element, zou u veroordeeld kunnen
zien tot dit paardenvoedsel en dezen paardendrank,"--(op den voorraad
op tafel wijzende)--"en zich onthouden van uw lof te verbeteren.--Kom
aan, toon ons dus zonder uitstel wat de goede boschwachter u verschaft
heeft!"

De kluizenaar wierp een veelbeteekenenden blik op den ridder, waarin
een komieke uitdrukking van twijfeling lag, alsof hij onzeker was,
in hoever het voorzichtig zou wezen zijn gast te vertrouwen. Er
lag, echter, op des ridders trekken zooveel gulle openhartigheid,
als men bij mogelijkheid kon begeeren. Zelfs zijn glimlach had
iets onwederstaanbaar opgeruimds, en gaf blijken van trouw en
rechtschapenheid, die zijn gastheer niet nalaten kon op te merken.

Nadat zij, zonder te spreken, een paar blikken gewisseld hadden, ging
de heremiet naar het voorste gedeelte der hut, en opende een deurtje,
dat met veel zorg en eenigszins kunstig verborgen was. Uit de hoeken
van een donker kastje, waartoe deze opening toegang verschafte, haalde
hij een groote pastei, op een tinnen bord, van buitengewone grootte,
te voorschijn. Dezen ontzaggelijken schotel plaatste hij voor zijn
gast, die, zich van zijn dolk bedienende, om de korst open te snijden,
geen oogenblik verzuimde om zich met den inhoud bekend te maken.

"Hoe lang is het geleden, dat de goede boschwachter hier geweest
is?" zei de ridder, nadat hij gretig verscheidene brokken van deze
vermeerdering van het gastmaal had verslonden.

"Omtrent twee maanden," antwoordde de kluizenaar dadelijk.

"Bij den Hemel," antwoordde de ridder, "alles in uw kluis is vol
wonderen, heilige man; want ik zou er een eed op hebben gedaan, dat
de vette reebok, die dit wildbraad heeft opgeleverd, deze week nog
door het woud geloopen heeft."

De heremiet was eenigermate uit het veld geslagen door deze aanmerking,
en hij zette een bedroefd gelaat, terwijl hij op de vermindering van
de pastei staarde, waarin de ridder verschrikkelijke verwoestingen
aanrichtte; een heldendaad, die zijn gastheer, wegens zijn vorige
belijdenis van onthouding, geen voorwendsel had om hem na te volgen.

"Ik ben in Palestina geweest, eerwaarde vader," zei de ridder,
eensklaps ophoudende, "en ik herinner mij, dat het dáár de gewoonte
is, dat ieder, die een gast onthaalt, hem van de degelijkheid zijner
spijzen overtuigt, door ze met hem te deelen. Verre zij het van mij,
van zulk een heilig man als gij zijt, iets te vermoeden, dat met de
gastvrijheid strijdig ware; gij zoudt mij echter zeer verplichten,
door u naar deze Oostersche gewoonte te schikken."

"Om uw onnoodige ongerustheid te verdrijven, heer ridder, wil ik
ditmaal van mijn regel afwijken," zei de kluizenaar. En daar men in die
tijden nog geen vorken had, greep hij met de vingers oogenblikkelijk
in de ingewanden der pastei.

Nu het ijs der plichtplegingen eenmaal gebroken was, scheen het een
tweestrijd tusschen den gast en den gastheer, wie van beiden den besten
eetlust zou toonen; en ofschoon de eerste waarschijnlijk langer gevast
had, liet de heremiet hem evenwel ver achter zich.

"Heilige man," zei de ridder, toen zijn honger gestild was, "ik zou
mijn goed paard, dat ginds staat, tegen een _zechien_ durven zetten,
dat dezelfde beleefde boschwachter, aan wien wij dit wildbraad te
danken hebben, u een slok wijn, of een vaatje sek, of eene kleinigheid
van dien aard achtergelaten heeft, om deze pastei af te spoelen. Deze
omstandigheid zou zonder twijfel niet waard zijn in het geheugen
van een zoo strengen kluizenaar bewaard te worden; echter denk ik,
dat gij zien zult, dat ik in mijn vermoeden niet dwaal, indien gij
gindsche geheime bergplaats nog eens doorsnuffelen wildet."

De kluizenaar antwoordde slechts met een glimlach, en naar het kastje
terugkeerende, haalde hij een lederen wijnzak te voorschijn, die
ongeveer driemaal zoo groot was als een gewone kruik. Hij kreeg ook
twee groote drinkbekers, uit de horens van een wilden stier gemaakt,
en met zilver beslagen. Nadat hij dezen schoonen voorraad voor den
dag gehaald had, scheen hij van zijn kant geene plichtplegingen meer
noodig te achten; maar, nadat hij de beide bekers gevuld had, zeide
hij, naar de Saksische wijze: "_Waes hael_, (op uw welzijn!) heer
ridder!" en ledigde zijn glas in eene teug.

"_Drink hael_, heilige man van Copmanshurst!" antwoordde de krijgsman,
zijn gastheer met een even vollen beker bescheid doende.

"Eerwaarde heer," zei de vreemdeling, na den eersten beker geledigd
te hebben, "het verwondert mij ten hoogste, dat een man, die zulke
kracht en spieren bezit als gij, en die daarenboven zulk een vriend
van goede sier schijnt, er behagen in schept, zich in deze wildernis
af te zonderen. Volgens mijn oordeel, zijt gij geschikter een kasteel
of een sterkte te helpen bezetten,--van het vette des lands te eten
en te drinken, dan om hier van groenten en water, of zelfs van de
liefdadigheid des boschwachters te leven. In uwe plaats, zou ik mij ten
minste zoowel tijdverdrijf als overvloed verschaffen met des Konings
wild. In deze bosschen zijn vele schoone herten; en eene enkele ree,
ten gebruike van St. Dunstans volgeling, zou niet gemist worden."

"Mijnheer de ridder," hernam de geestelijke, "dit zijn gevaarlijke
woorden en ik bid u, onthoud u er van. Ik ben een heremiet, een
getrouwe dienaar van den Koning en van de wetten, en indien ik mijns
Vorsten wild roofde, zou ik zeker in de gevangenis komen, en, als mijn
geestelijk gewaad mij niet redde, zou ik zelfs in gevaar verkeeren
van opgehangen te worden."

"En toch, zou ik, in uwe plaats," zei de ridder, "eene wandeling in
het maanlicht doen, als de houtvesters en boschwachters warm te bed
liggen; en terwijl ik mijn gebeden prevelde,--zou ik een pijl tusschen
de kudden wild laten vliegen, die op de open plaatsen weiden.--Zeg
mij de waarheid, heilige man, hebt gij dit genoegen nooit gesmaakt?"

"Vriend ridder," antwoordde de heremiet, "gij hebt alles van mijne
huishouding gezien, wat u kan aangaan, en zelfs iets meer dan een
man verdient te zien, die zich met geweld opgedrongen heeft. Geloof
mij, het is beter, het goede te genieten, dat God u zendt, dan met
onbeschaamde nieuwsgierigheid te vragen, vanwaar het komt. Vul uw
beker, en wees welkom; en noodzaak mij niet, bid ik u, door verdere
onbeschaamde vragen, om u te toonen, dat het u moeielijk zou gevallen
zijn hier een verblijf te vinden, als ik mij er ernstig tegen had
willen verzetten."

"Op mijn woord," zei de ridder, "gij maakt mij nieuwsgieriger dan
ooit! Gij zijt de geheimzinnigste kluizenaar, dien ik ooit ontmoette;
en ik moet u nader leeren kennen, eer wij scheiden. Wat uw bedreigingen
aangaat, heilige man, verneem, dat gij met iemand spreekt, die er zijn
beroep van maakt, het gevaar te zoeken, overal waar het te vinden is."

"Mijnheer de Luiaard, ik drink u toe," zei de heremiet, "met veel
eerbied voor uw dapperheid, maar met bedroefd weinig achting voor uwe
bescheidenheid. Als gij het met gelijke wapenen tegen mij opnemen
wilt, zal ik u in alle vriendschap en broederlijke liefde een zoo
voldoende boete opleggen, en zoo volkomen absolutie geven, dat gij
in de eerste twaalf maanden niet weder zult bezondigen aan overdreven
nieuwsgierigheid."

De ridder deed hem bescheid, en verzocht hem te zeggen, welk wapen
hij verkoos te gebruiken.

"Er zijn er geene," hernam de heremiet, "van Delila's schaar en Jaëls
tienduims spijker, tot aan Goliaths slagzwaard toe, waarmede ik niet
tegen u bestand ben;--maar dewijl gij mij de keus laat, wat dunkt u,
vriend, van dit speelgoed?"

Dit zeggende, opende hij een ander hok, en nam er twee zwaarden
en twee schilden uit, van de soort, die toen bij de landlieden in
gebruik waren. De ridder, die zijne bewegingen bespiedde, bespeurde,
dat deze tweede bergplaats voorzien was van twee of drie goede bogen,
een handboog, een bundel lange pijlen voor de eersten, en een half
dozijn bundels kleinere pijlen voor den laatste. Een harp, en andere
zaken van zeer wereldsch aanzien, werden insgelijks zichtbaar, toen
deze duistere hoek geopend werd.

"Ik beloof u, heilige man," zei de ridder, "dat ik u geene beleedigende
vragen meer zal doen. De inhoud van deze kast is een voldoend antwoord
op al mijne vragen; en hier zie ik een wapen," (zich bukkende om
de harp op te nemen), "waarmede ik liever mijn kracht tegen u wil
beproeven, dan met zwaard en schild."

"Ik hoop, heer ridder," zei de kluizenaar, "dat gij geene gegronde
reden hebt gegeven tot uw bijnaam van Luiaard? Ik verzeker u, dat
ik u zeer sterk verdenk. Maar gij zijt mijn gast, en tegen wil en
dank, wil ik uwe dapperheid niet op de proef stellen. Ga dus zitten,
en vul uw beker; laat ons drinken, zingen en vroolijk zijn. Als gij
maar een mooi liedje kent, zult gij te Copmanshurst welkom zijn op een
stuk pastei, zoo lang ik in de kapel van St. Dunstan dienst doe, dat,
indien het God behaagt, zoolang zal zijn, tot ik mijn grijs gewaad met
een dekmantel van groene zoden verwissel. Maar komaan, vul den beker;
want er zal eenige tijd toe vereischt worden om de harp te stemmen;
en niets smeert de keel en scherpt het gehoor zoo goed, als een teug
wijn. Wat mij aangaat, ik houd er veel van, om het druivensap tot in
de toppen mijner vingers te gevoelen, eer ze de snaren aanraken."



ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.


                        'k Ontsluit in gindschen stillen hoek
                        Des avonds 't zwaar gekoperd boek,
                        Waarin zoo menig heilge daad
                        Van vrome martelaren staat;
                        En dreigt mijn lamplicht uit te gaan,
                        'k Hef, voor ik slaap een lofzang aan.
                        . . . . . . . . . . . . . . .
                        Wie legt ook voor mijn kleed en staf
                        Niet gaarne 's wereld glorie af,
                        En geeft niet ver mijn stille kluis
                        De voorkeur, boven 't aardsch gedruisch?

                                                            Warton.


Niettegenstaande het voorschrift van den vroolijken kluizenaar,
waarmede zijn gast van harte instemde, vond deze het geen gemakkelijke
taak, om de harp te stemmen.

"Het komt mij voor, eerwaarde vader," zei hij, "dat er ééne snaar aan
het instrument ontbreekt, en dat de overigen eenigszins bedorven zijn
door een slecht spel."

"Ei, ei, merkt gij dat nu al?" hernam de heremiet; "dat verraadt
den meester in de kunst. Wijn en goede sier!" voegde hij er ernstig
bij, de oogen opslaande:--"Dit alles is de schuld van den wijn! Ik
waarschuwde Allen-a-Dale, den noordschen speelman, dat hij de harp zou
beschadigen, indien hij ze na den zevenden beker aanraakte; maar hij
wilde zich niet laten gezeggen:--Vriend, op uw gelukkige uitvoering!"

Dit zeggende, ledigde hij den beker met veel deftigheid, tevens het
hoofd schuddende over de onmatigheid van den Schotschen speelman.

Intusschen had de ridder de snaren zoowat gestemd, en na een kort
voorspel, vroeg hij zijn gastheer of hij een _sirvente_ in de taal
van _Oc_, of een _Lai_ in de taal van _Oui_, of een _Ballade_, in
gewoon Saksisch, verlangde? [18]

"Een ballade, een ballade," zei de heremiet, "boven al de _Ocs_
en _Ouis_ van Frankrijk. Ik ben een oprecht Brit, heer ridder! en
oprecht Engelsch was mijn patroon St. Dunstan, en hij verachtte _Oc_
en _Oui_ evenzeer als hij den afval van des duivels hoef zou veracht
hebben;--oprecht Saksisch alleen zal in mijn cel gezongen worden."

"Dan zal ik," zei de ridder, "een ballade beproeven, door een
Saksischen zanger, dien ik in het Heilige Land kende, gedicht."

Het bleek weldra, dat, ofschoon de ridder geen volkomen meester was
in de toonkunst, zijn smaak ten minste door een goeden leeraar was
aangekweekt. Zijn stem, die van weinig omvang was, en van natuur
eerder ruw dan zacht, was door oefening buigzaam en welluidend
geworden,--kortom, de kunst had alles aangewend, om in de gebreken
der natuur te voorzien. Zijn uitvoering had dus door meer bevoegde
rechters dan de kluizenaar kunnen geprezen worden, te meer daar de
ridder beurtelings met een geestdrift en een gevoel zong, die den
verzen, die hij voordroeg, kracht en nadruk bijzetten.


    DES KRUISRIDDERS TERUGKOMST.

    De ridder was beroemd, vereerd,
    Uit Palestina weergekeerd;
    Het kruisbeeld raakte in storm en strijd
    Op d' armband glans en luister kwijt;
    Zijn schild getuigde in beuk en bocht
    Hoe menig vijand hij bevocht;
    Hij zong voor Tekla's venster thans
    Dit minnelied bij d' avondglans:--

    Gegroet, o Schoone! aanschouw uw held,
    Van 't Heilig Land tot u gesneld;
    Hij brengt geen rijkdom, hem niets waard;
    Alleen zijn wapens, spoor en paard,
    Om naar den vijand heen te snellen,
    Zijn lans en zwaard, hem neer te vellen,
    Zijn de eereteekens van zijn moed,
    En o!--de hoop op Tekla's gloed.

    Gegroet, o Schoone! uw gunstig woord
    Heeft steeds uw ridder aangespoord;
    Zij dan uw naam alom vermaard,
    Waar 't puik der vrouwen ook vergaart;
    Heraut en 's minnezangers lied
    Vraagt: Ziet ge gindsche Schoone niet?
    De zege is t' Askalon behaald,
    Voor 't licht, dat uit haar oogen straalt.

    Het staal, eens door haar lach gewet,
    Heeft ook, in spijt van Mahomet,
    Iconiums Sultan neergehouwen,
    Verweduwd meer dan vijftig vrouwen;
    Van 't goudgeel haar geen enkel, neen!
    Hoe 't golft, in weeldrigen overvloed,
    Om 't zilver van haar boezem heen,
    Waarvoor geen heiden heeft gebloed.

    Gegroet, o Schoone! U dank ik naam,
    En elke daad van roem en faam:
    Ontsluit de poort, 't is laat, 't is guur,
    De nevel valt in 't nachtlijk uur,
    Mijn lijf door Syrië's zon verbrand,
    Weerstaat geen kou van 't Noorderland;
    Ik breng u roem, verzacht uw zin,
    Verblijd mijn hart door wedermin.


Onder de uitvoering van dit stuk gedroeg zich de kluizenaar vrij wel
als een hedendaagsche _criticus_ van den eersten rang bij eene nieuwe
opera. Hij legde zich achterover op zijn stoel, met halfgesloten oogen:
nu eens de handen vouwende en de duimen tegen elkander wrijvende,
scheen hij in aandacht verzonken, en dan weer, de uitgestrekte
handen bewegende, sloeg hij zachtjes de maat der muziek. Bij een of
twee schoone passages verleende hij zelf een weinig hulp, waar des
ridders stem niet krachtig genoeg scheen, om de hooge tonen zoo uit
te brengen, als volgens zijn wijs oordeel noodig was. Toen de ridder
zweeg, verklaarde de heremiet nadrukkelijk, dat hij schoon en goed
gezongen had.

"En echter," zei hij, "komt het mij voor, dat mijn Saksische
landsman lang genoeg onder de Normandiërs heeft verkeerd, om in den
zwaarmoedigen toon hunner liederen te vallen. Wat riep den eerlijken
ridder van huis? En wat kon hij anders verwachten, dan bij zijne
terugkomst zijn jonkvrouw gelukkig met een mededinger verbonden, en
zijne _serenade_ even weinig geëerbiedigd te zien, als het geschreeuw
eener kat op het huisdak? Evenwel, Heer ridder! ik breng u dezen beker
toe, op den goeden uitslag van alle trouwe minnaars;--ik vrees, dat
gij daar niet onder behoort!" voegde hij er bij, toen hij zag dat de
ridder (wiens brein door de herhaalde teugen begon verhit te worden),
zijn beker uit de waterkruik aanvulde.

"Waarom?" zei de ridder; "Hebt gij mij niet gezegd, dat dit water
uit de bron van uwen beschermheilige, St. Dunstan, was?"

"Wel zeker," hernam de kluizenaar, "en eenige honderd heidenen heeft
hij er in gedoopt; maar ik heb nooit gehoord, dat hij er van gedronken
heeft. Ieder ding in de wereld heeft zijn nut. St. Dunstan kende,
zoo goed als iemand, de voorrechten van een lustigen monnik."

En dit zeggende, nam hij de harp, en onthaalde zijn gast op het
volgende karakteristieke lied, op de wijze van een oud Engelsch gezang,
met een soort van _derrydown_ koor. [19]


    DE BARREVOETER MONNIK.

    Ik geef u, mijn vriend! twalef maanden ten beste,
    Doorzoek heel Europa van het Oost tot het Westen,
    Neen, niemand vindt elders, hij zoek wat hij kan,
    Dan den Barvoeter Monnik gelukkiger man.

    Getogen ten strijd voor geliefde en voor de eer,
    Keert 's avonds uw ridder verwond door de speer,
    Dan haastig gebiecht; voor hem vindt zijn getrouwe
    Bij den Barvoeter Monnik slechts heul in haar rouwe.

    Uw koning? O he!--van zoo menig ik weet,
    Die 't purper verruilde voor 't harige kleed;
    Maar 'k vraag u, wie hoorde het ooit in zijn leven,
    Dat een Monnik zijn kap voor een kroon heeft gegeven?

    De wereld doorkruist hij, en waar hij verschijne,
    Het vette der aarde blijft immer het zijne,
    Zoo doolt hij naar lust en vermoeit hem de reis,
    Voor den Barvoeter openen zich hut en paleis.

    Ter maaltijd verwacht, zal geen bengel het wagen,
    Zijn armstoel te ontwijden, naar het beste te vragen,
    De hoofdschotel blijft en de plaats bij den haard
    Onbetwist, voor den Barvoeter Monnik bewaard.

    Des avonds te gast, haalt de vrouw de pastei
    En vult hem de bierkruik en schotel daarbij,
    En, moest ook haar man in de modder zich keeren,
    Zal de Barvoeter Monnik geen peluw ontberen.

    Sandaal dan en koord en kap ga het wel;
    't Geloof aan den Paus en de vrees voor de Hel;
    Want rozen op aard, zonder doornen te plukken,
    Mag alleen aan den Barvoeter Monnik gelukken.


"Op mijn woord," zei de ridder, "goed en krachtig gezongen, en zeer
tot roem van uw orde. Maar, van den duivel gesproken, heilige man,
vreest gij niet, dat hij eens een bezoek bij u zal afleggen, te midden
uwer zeer wereldsche vermaken?"

"Ik wereldsch!" antwoordde de heremiet; "ik ontken het,--ik
loochen het geheel en al! Ik doe behoorlijk en trouw dienst in mijne
kapel. Dagelijks twee missen; 's morgens en 's avonds,--vroegdienst,
namiddagdienst en vesper, _ave's_, _credo's_, _pater's_."

"Uitgezonderd in de maanlichte nachten, in den jachttijd," zei
zijn gast.

"_Exceptis excipiendis_," hernam de heremiet, "zooals onze oude abt
mij leerde zeggen, als de een of andere onbeschaamde leek mij vroeg,
of ik alle plichten mijner orde vervulde."

"Goed zoo, eerwaarde vader," zei de ridder, "maar de duivel is in
staat, een oog te houden op zulke uitzonderingen; hij gaat rond,
gelijk gij weet, als een brieschende leeuw."

"Laat hem maar hier komen, als hij durft," zei de monnik, "één
slag met mijn touw zal hem even luid doen brullen, als de tang
van St. Dunstan zelven. Ik vreesde nooit een menschelijk wezen,
en even weinig vrees ik den duivel en zijn makkers.--Met behulp van
St. Dunstan, St. Dubric, St. Winibald, St. Winifred, St. Swibert,
St. Willick, St. Thomas-a-Kent niet te vergeten, en mijn eigene
geringe verdiensten, daag ik alle duivels uit, met of zonder staart,
laat ze maar vrij komen!--Maar om u een geheim te zeggen, vriend,
ik spreek nooit over zulke onderwerpen dan na den vroegdienst."

Hij bracht het gesprek op een ander onderwerp; de vreugde werd
luidruchtig en onstuimig, en menig liedje werd beurtelings door hen
gezongen, tot hunne nachtelijke uitspanning gestoord werd door een
hard geklop aan de deur van de kluis.

De oorzaak dezer stoornis kunnen wij niet anders verklaren, dan door
het verhaal der lotgevallen van eenige andere onzer personaadjes
weder op te vatten; want wij stellen er geen eer in, evenmin als de
oude Ariosto, om steeds dezelfde personen van ons drama gezelschap
te houden.



ACHTTIENDE HOOFDSTUK.


            Nu slingert onze tocht door diepe kloof en dalen,
            Waar reeën dartelend' bij haar schuwe moeders dwalen,
              De hooge en statige eik zijn takken overhangt,
              Wiens breed gevormde kruin het daglicht ondervangt.
            Kom haastig, haastig voort: 't zijn liefelijke wegen
            Zoo lang de lieve zon is op haar troon gestegen;
              Maar minder aangenaam en veilig, als de maan
              Haar twijfelachtig licht werpt door de donkre blaân.

                                                Het Woud van Ettrick.


Toen Cedric de Sakser zijn zoon bewusteloos in het strijdperk
te Ashby zag nedervallen, was zijn eerste natuurlijke opwelling,
hem der oppassing en zorg zijner bedienden aan te bevelen; maar de
woorden bleven hem in de keel. Hij kon er niet toe besluiten, om in
tegenwoordigheid van zulk gezelschap, zijn zoon, dien hij verstooten
en onterfd had, weder aan te nemen. Echter beval hij Oswald hem in
het oog te houden en zond den schenker met twee zijner lijfeigenen
om Ivanhoe naar Ashby te brengen, zoodra de menigte verstrooid zou
zijn. Maar iemand anders was Oswald in deze zorg voor geweest. De
menigte ging wel uiteen; maar de ridder was nergens te zien.

Te vergeefs zocht Cedric's schenker naar zijn jongen meester:--hij
zag de bebloede plek, waar hij kort te voren was nedergezonken, maar
hij zelf was niet meer te vinden; het was alsof men hem door tooverij
had weggevoerd. Misschien zou Oswald zoo iets verondersteld hebben
(want de Saksers waren zeer bijgeloovig), om Ivanhoe's verdwijning te
verklaren, ware niet plotseling zijn oog gevallen op iemand, in de
kleeding van een schildknaap, in wien hij weldra zijn dienstmakker
Gurth herkende. Vol zorg over het lot van zijn meester, en wanhopig
over zijne plotselinge verdwijning, zocht hem de vermomde zwijnenhoeder
overal, en had dus de geheimhouding van zijne rol, waaraan zijn eigene
veiligheid afhing, uit het oog verloren. Oswald achtte het zijn
plicht Gurth in verzekerde bewaring te nemen, als een vluchteling,
over wiens lot zijn meester beslissen moest.

Zijne nasporingen aangaande Ivanhoe's lot vervolgende, kon de schenker
geen ander bericht dienaangaande van de omstanders verkrijgen, dan
dat de ridder door zekere welgekleede bedienden zorgvuldig opgenomen,
op een draagbaar geplaatst, die aan eene dame onder de toeschouwers
toebehoorde, en oogenblikkelijk uit het gedrang weggevoerd was. Na deze
opheldering ontvangen te hebben, besloot Oswald tot zijn meester terug
te keeren, om hem zelf verdere nasporingen te laten doen, terwijl
hij Gurth, dien hij als overlooper uit Cedric's dienst beschouwde,
medevoerde.

De Sakser was in grooten angst over het lot van zijn zoon geweest;
want de natuur had hare rechten, in weerwil van het stoïcisme,
hetwelk die verloochenen wilde, gehandhaafd. Maar nauwelijks had hij
vernomen dat Ivanhoe in goede handen was,--en waarschijnlijk in die
van vrienden,--of de vaderlijke angst, door het onzekere van zijn
lot opgewekt, week voor het gevoel van beleedigden hoogmoed, en voor
de herinnering aan hetgeen hij Wilfrids kinderlijke ongehoorzaamheid
noemde. "Men late hem aan zijn lot over," zei hij; "mogen diegenen
zijne wonden genezen, voor wie hij ze ontvangen heeft. Hij is beter
geschikt, om de dwaasheden der Normandische ridderschap na te volgen,
dan om den roem en de eer zijner Saksische voorouders met het zwaard
en den knots, de goede oude wapens van zijn vaderland, te handhaven."

"Als het genoeg is," zei Rowena, die tegenwoordig was, "de eer zijner
voorouders te handhaven, door wijs te zijn in raad, en moedig in
de daad,--door de stoutste onder de stouten, en de edelste onder de
edelen te zijn; dan ken ik niemand, behalve zijn vader"--

"Stil, Rowena!--over dit onderwerp alleen, wil ik u niet
aanhooren. Maak u gereed voor het feest van den Prins; wij zijn
genoodigd met buitengewone bewijzen van eer en hoffelijkheid,--die de
hooghartige Normandiërs, sedert den noodlottigen slag bij Hastings,
zelden jegens ons geslacht bezigden. Ik zal gaan, al ware het slechts
om de trotsche Normandiërs te toonen, hoe weinig het lot van een zoon,
die de dappersten hunner kan verslaan, den Sakser kan aandoen."

"Ik ga niet daarheen," zei Rowena; "en ik bid u neem u in acht, opdat,
wat gij moed en standvastigheid noemt, u niet als ongevoeligheid van
hart worde toegerekend."

"Blijf dan te huis, ondankbare," antwoordde Cedric; "gij hebt een
ongevoelig hart, dat het welzijn van een onderdrukt volk aan eene
ijdele en onverstandige liefde kan opofferen. Ik wil mij bij den
edelen Athelstane vervoegen, en met hem het gastmaal van Jan van
Anjou bijwonen."

Hij ging dus naar het feest, waarvan wij de voornaamste gebeurtenissen
hebben vermeld. Zoodra zij het kasteel verlaten hadden, stegen
de Saksische _Thanes_ met hun gevolg te paard en onder de drukte,
die hiermede gepaard ging, viel Cedric's oog voor het eerst op den
overlooper Gurth. De edele Sakser had, gelijk wij gezien hebben, in
geen zeer zachte gemoedsstemming het feest verlaten, en het ontbrak hem
slechts aan een voorwendsel, om zijn verdriet op iemand uit te storten.

"De boeien!" riep hij uit, "de boeien!--Oswald!--Hundibert!--Honden
en schurken! waarom laat gij den schelm ongeketend?"

Gurths makkers bonden hem met een halster, het eerste, wat zij bij
de hand hadden, zonder dat iemand het waagde een woord voor hem in te
brengen. Hij onderwierp zich zonder tegenstand; maar een verwijtenden
blik op zijn meester vestigende, zei hij: "Dat komt er van, dat ik
uw vleesch en bloed liever heb dan het mijne."

"Te paard en voorwaarts!" zei Cedric.

"Het wordt waarlijk hoog tijd!" zei de edele Athelstane; "want indien
wij niet vlug aanrijden, zullen de toebereidselen van den eerwaarden
abt Waltheoff voor een na-avondmaaltijd [20] vergeefs zijn."

Onze reizigers maakten echter zoo veel spoed, dat zij St. Withold's
klooster bereikten, eer de gevreesde ramp plaats had. De abt, die
zelf uit een oud Saksisch geslacht sproot, ontving den edelen Sakser
met de gulle en kwistige gastvrijheid aan dit volk eigen, die hen
tot laat in den nacht, of liever tot den vroegen morgen ophield,
en zij namen zelfs toen geen afscheid van hun eerwaarden gastheer,
voordat zij nog een prachtig ontbijt met hem gebruikt hadden.

Juist toen de stoet de plaats van het klooster verliet, gebeurde
er iets, dat de Saksers eenigszins verontrustte; want, onder alle
Europeesche volken, waren zij het sterkste gehecht aan een bijgeloovig
vertrouwen op voorteekens; en de meeste trekken van dien aard, die
onder onze volks-oudheden overgebleven zijn, kunnen tot op hun tijd
nagespoord worden; daar de Normandiërs, die een vermengd volk waren, en
reeds in die tijden beter onderricht, vele der vooroordeelen afgelegd
hadden, die hun voorouders uit Scandinavië hadden medegebracht,
en dus ook beweerden, op dergelijke punten groote vrijgeesten te zijn.

In het tegenwoordig geval werd de vrees voor eenig naderend gevaar
ingeboezemd door een eerbiedwaardigen profeet in de gestalte van een
grooten, mageren, zwarten hond, die op zijne achterpooten zittende,
jammerlijk huilde, toen de eerste ruiters de poort uitreden, en
vervolgens met woest geblaf heen en weer sprong, voornemens naar het
scheen het gezelschap te volgen.

"Die muziek behaagt mij niet, vader Cedric," zei Athelstane; want
met dezen eeretitel was hij gewoon hem aan te spreken.

"En mij even weinig, oom," zei Wamba, "ik vrees dat wij--"

"Naar mijn oordeel," zei Athelstane, op wiens geheugen het goede
bier van den abt een aangenamen indruk had gemaakt (want Burton was
reeds beroemd voor dezen drank), "zouden wij beter doen, als wij
terugkeerden, en tot den namiddag bij den abt bleven:--men reist
ongelukkig, wanneer men zijn tocht vóór den volgenden maaltijd
voortzet, indien men een monnik, een haas, of een huilenden hond
heeft ontmoet."

"Voorwaarts maar!" riep Cedric ongeduldig. "De dag is nu al te kort
voor de reis. Wat den hond betreft, ik herken hem voor dien van
den weggeloopen slaaf Gurth, een ondeugende vluchteling, evenals
zijn meester."

Dit zeggende, verhief hij zich in de stijgbeugels, en ongeduldig over
het oponthoud, wierp hij zijn spies naar den armen Fangs;--want Fangs
was het, die, zijn meester tot dusver op zijn tocht gevolgd hebbende,
hem hier verloren had, en nu op zijne ruwe manier zijn blijdschap over
zijn bijzijn te kennen gaf. De spies wondde het dier in den schouder
en had het bijna aan den grond genageld. Fangs ontvluchtte huilende de
tegenwoordigheid van den woedenden _Thane_. Gurths hart kromp ineen;
want hij was gevoeliger over dezen voorgenomen moord van zijn getrouwen
makker, dan over de wreede behandeling, die hij zelf ondergaan had. Na
te vergeefs beproefd te hebben zijn hand aan de oogen te brengen,
zei hij tot Wamba, die zoodra hij de slechte luim van zijn meester
ontwaarde, zich voorzichtig bij de achterhoede gevoegd had: "Ik bid
u, wees zoo goed en veeg mij de oogen af met de slip van uw mantel;
het stof hindert mij, en deze banden veroorlooven mij niet mij zelven,
op de eene of andere manier, te helpen."

Wamba bewees hem den gevraagden dienst, en zij reden eenigen tijd naast
elkander, terwijl Gurth een somber stilzwijgen bewaarde. Eindelijk
kon hij zijn gevoeligheid niet langer onderdrukken.

"Vriend Wamba," zei hij; "onder al degenen, die dwaas genoeg zijn
om Cedric te dienen, kent gij alleen de kunst, om hem uw dwaasheid
aangenaam te maken. Ga dus naar hem toe, en zeg hem, dat Gurth hem
niet langer wil dienen, noch uit liefde, noch uit vrees. Hij mag
mij het hoofd afslaan,--hij mag mij laten geeselen,--hij mag mij met
ketenen beladen;--maar, van heden af, zal hij mij nooit kunnen dwingen,
hem te beminnen, of te gehoorzamen. Ga dus naar hem toe, en zeg hem,
dat Gurth, de zoon van Beowolf, zijn dienst verzaakt."

"Waarachtig," zei Wamba, "in weerwil van al mijne dwaasheid, zal ik
uwe dwaze boodschap niet doen. Cedric heeft nog eene werpspies in
den gordel, en gij weet, hij mist niet altijd het doel!"

"Het is mij onverschillig," hernam Gurth, "hoe spoedig hij mij tot
zijn doelwit verkiest te maken. Gisteren liet hij Wilfrid, mijn
jongen meester, in zijn bloed liggen. Heden heeft hij gepoogd het
éénige levend wezen, dat mij ooit vriendschap betoonde, voor mijn
aangezicht te dooden. Bij St. Edmond, St. Dunstan, St. Withold,
St. Eduard den Martelaar, en alle Saksische heiligen ter wereld,"
(want Cedric zwoer nooit bij een heilige, die niet van Saksischen
oorsprong was, en zijn geheele huisgezin volgde zijn voorbeeld):
"ik vergeef het hem nooit!"

"Naar het mij toescheen," zei de nar, die dikwijls als vredemaker in
de familie handelde, "was het de bedoeling van onzen heer niet, om
Fangs te raken, maar alleen om hem te verschrikken. Want, misschien
hebt ge ook opgemerkt, dat hij zich in de stijgbeugels verhief omdat
hij voornemens was over den hond heen te werpen; en dat zou hij ook
gedaan hebben; maar, daar Fangs op hetzelfde oogenblik opsprong,
kreeg hij een schram, die ik met niet meer pik, dan men op een duit
leggen kan, aanneem dadelijk te genezen."

"Dacht ik er maar zóó over," zeide Gurth;--"konde ik er slechts zóó
over denken;--maar neen;--ik zag dat de spies wèl gemikt was;--ik
hoorde ze door de lucht suizen, met al de vertoornde kwaadwilligheid
van hem, die ze wierp, en ze trilde nadat ze in den grond geboord was,
als uit nijd dat ze haar doel gemist had. Bij het varken, zoo dierbaar
aan St. Anthonius, ik verzaak hem!"

De verontwaardigde zwijnenhoeder verviel hierop weder in een norsch
stilzwijgen, dat geene pogingen van den nar hem overhalen konden
te verbreken.

Intusschen spraken Cedric en Athelstane, de aanvoerders van den
stoet, te zamen over den staat van het land, over de oneenigheden
der koninklijke familie, over de veeten en twisten der Normandische
edelen, en over de kans, die de onderdrukte Saksers hadden, om zich van
het Normandische juk te bevrijden, of zich ten minste tot een staat
van aanzien en onafhankelijkheid gedurende de burgeroorlogen, die
waarschijnlijk zouden uitbreken, te verheffen. Bij de behandeling van
dit onderwerp was Cedric vol vuur. De herstelling der onafhankelijkheid
van zijn geslacht was de afgod van zijn hart, waaraan hij gaarne
zijn geheel huiselijk geluk en de belangen van zijn eigen zoon
opgeofferd had. Maar om deze omwenteling ten voordeele van de Britsche
inboorlingen te bewerken, moest men noodzakelijk onderling vereenigd
zijn, en onder één erkend opperhoofd handelen. De noodzakelijkheid om
een opperhoofd uit het Saksische koninklijke huis te kiezen, was niet
slechts in zich zelve duidelijk, maar was tevens als eene plechtige
voorwaarde aangenomen door hen, aan wie Cedric zijn geheime plannen en
zijne hoop had medegedeeld. Athelstane bekleedde ten minste dezen rang:
en ofschoon hij weinig verstandelijke vermogens en talenten bezat,
die hem als aanvoerder aanbevalen, had hij echter een indrukwekkend
uiterlijk, was geen lafaard, aan krijgsoefeningen gewoon, en wel
gezind, naar het scheen, om het oor te leenen aan raadgevers, die
verstandiger waren dan hij zelf. Bovenal, kende men hem als mild en
gastvrij, en men geloofde, dat hij ook zeer goedaardig was. Maar welke
aanspraken Athelstane ook bezat, om als het hoofd van het Saksisch
verbond te worden aangemerkt, waren echter velen dier natie geneigd,
om het recht der Jonkvrouw Rowena boven het zijne te stellen; want zij
stamde van Alfred af; haar vader was een opperhoofd geweest, wegens
wijsheid, moed en zijn edel karakter beroemd, en zijne nagedachtenis
werd door zijne onderdrukte landgenooten zeer vereerd.

Het ware niet moeielijk voor Cedric geweest, indien hij het gewild
had, om zich aan het hoofd eener derde partij te plaatsen, welke
ten minste even geducht was, als ééne der beide anderen. Om tegen
de koninklijke afkomst op te wegen, bezat hij moed, werkzaamheid,
geestkracht, en bovenal een vurige verknochtheid aan de zaak,
waardoor hij den eernaam van "_de Sakser_" verworven had, en wat
geboorte betrof, behoefde hij op dat punt voor niemand onder te doen,
dan voor Athelstane en zijne pupil. Deze edele hoedanigheden waren
echter niet door den minsten zweem van baatzucht ontsierd; en, in
plaats van zijne reeds zwakke natie nog meer te verdeelen, door eene
partij voor zichzelven te vormen, was het Cedric's hoofddoel, de reeds
bestaande partijen door een huwelijk tusschen Rowena en Athelstane te
vereenigen. Er ontstond eene zwarigheid tegen dit, zijn geliefkoosd
voornemen, in de wederkeerige liefde van zijne pupil en zijn zoon,
en dit was de eerste aanleiding tot de verbanning van Wilfrid uit
het vaderlijke huis geweest.

Dezen gestrengen maatregel had Cedric genomen in de hoop, dat,
gedurende Wilfrids afwezigheid, Rowena hare genegenheid zou
vergeten; maar in deze hoop werd hij bedrogen, eene teleurstelling,
die gedeeltelijk kon worden toegeschreven aan de wijze, waarop het
meisje was opgevoed. Cedric, voor wien de naam van Alfred die eener
godheid was, had de eenig overblijvende spruit van dien grooten vorst
met een vereering behandeld, welke in die dagen nauwelijks aan eene
erkende prinses betoond werd. Rowena's wil was, in bijna alle gevallen,
een wet bij hem in huis geweest; en Cedric zelf, alsof hij besloten
had, dat hare oppermacht, ten minste in dien kleinen kring, volkomen
erkend zou worden, scheen er trotsch op te zijn, als de eerste harer
onderdanen op te treden. Rowena, dus niet alleen aan een vrijen wil,
maar ook aan een willekeurig gezag gewend, was door hare vroegere
opvoeding geneigd iedere poging te weêrstaan, om hare neiging tegen
te werken, of om tegen haren zin over hare hand te beschikken; en
scheen besloten hare onafhankelijkheid te handhaven in een geval,
waarin zelfs vrouwen, die aan gehoorzaamheid en onderwerping gewoon
zijn, aan voogden en ouders zoo dikwerf hun gezag betwisten. Zij kwam
rond voor de gevoelens uit, die ze zoo vurig koesterde, en Cedric,
die zich niet kon vrij maken van zijn gewone inschikkelijkheid jegens
haar, was verlegen, hoe hij zijn invloed als voogd zou doen gelden.

Het was te vergeefs, dat hij beproefde haar te overreden door het
vooruitzicht op een toekomstigen troon. Rowena, die veel gezond
verstand bezat, beschouwde zijn plan noch als mogelijk, noch als
wenschelijk, voor zoover ze er in betrokken was, al had het overigens
ook tot stand kunnen gebracht worden. Zonder te trachten hare erkende
liefde tot Wilfrid van Ivanhoe te verbergen, verklaarde zij, dat, al
bleef haar beminde ridder van haar gescheiden, ze liever toevlucht
in een klooster wilde nemen, dan een troon met Athelstane deelen,
dien ze altijd veracht had, en nu oprecht begon te haten, wegens het
verdriet, dat ze om zijnentwille moest uitstaan.

In weerwil van dit alles volhardde Cedric, die geen hoog denkbeeld
van vrouwelijke standvastigheid koesterde, in het beproeven van
alle middelen, om het voorgenomen huwelijk, waardoor hij begreep
een gewichtigen dienst aan de zaak der Saksers te doen, tot stand
te brengen. De plotselinge, avontuurlijke verschijning van zijn
zoon in het strijdperk te Ashby, had hij terecht beschouwd, als
bijna den doodsteek voor zijne hoop. Zijn vaderlijke liefde had,
wel is waar, voor één oogenblik de overhand gekregen op hoogmoed
en vaderlandsliefde; maar beiden waren nu weder ontwaakt, en hij was
voornemens eene beslissende poging tot de verbintenis van Athelstane en
Rowena te doen, en tegelijk alle andere maatregelen te bevorderen, die
noodzakelijk schenen, om de Saksische onafhankelijkheid te herstellen.

Over dit laatste onderwerp sprak hij nu met Athelstane, van
tijd tot tijd, even als Hotspur, het bejammerende, dat "zulk een
schotel vol water en melk" tot zulk een eervol werk moest gebezigd
worden. Athelstane was, wel is waar, ijdel genoeg, en liet gaarne
zijne ooren streelen met verhalen van zijne hooge afkomst, en van
zijn erfelijk recht op hulde en oppermacht. Maar zijne kleingeestige
ijdelheid was voldaan, indien hij deze hulde van zijne onmiddellijke
onderhoorigen en van de Saksers, die hem naderden, ontving. Al had
hij ook den moed om het gevaar te trotseeren, zoo vreesde hij toch de
moeite, om het te gaan opzoeken; en terwijl hij de algemeene stellingen
van Cedric, omtrent de aanspraken der Saksers op onafhankelijkheid,
toestemde, en nog meer overtuigd was van zijn eigen recht om hen
te beheerschen, in geval ze deze onafhankelijkheid verwierven,
bleef hij toch altijd, wanneer men over de middelen beraadslaagde
om deze eischen te handhaven, "Athelstane de Besluitelooze,"--traag,
aarzelend, dralend en weifelachtig. De vurige en driftige vermaningen
van Cedric hadden even weinig uitwerking op zijn ongevoelig karakter,
als gloeiende kogels, die in het water vallende, een weinig gedruisch
en rook voortbrengen, en oogenblikkelijk uitgebluscht worden.

Toen Cedric deze taak,--die veel op het aansporen van een vermoeid
ros, of het smeden van koud ijzer geleek,--liet varen, en zich tot
zijn pupil Rowena wendde, vond hij weinig meer voldoening in het
onderhoud met haar; want, daar zijne tegenwoordigheid het gesprek
afbrak tusschen de Jonkvrouw en haar vertrouwde over de dapperheid en
het lot van Wilfrid, liet Elgitha niet na, hare meesteres en zich zelve
te wreken, door over het bezwijken van Athelstane in het strijdperk
te spreken, het onaangenaamste onderwerp, dat Cedric's ooren treffen
kon. Voor dezen koppigen Sakser werd dus de reis op alle mogelijke
wijze verbitterd; zoodat hij, meer dan eens, inwendig het toernooi,
hem, die het ingesteld had, en zijne eigene dwaasheid, dat hij er
heen gegaan was, verwenschte.

Tegen den middag hielden de reizigers, op voorstel van Athelstane,
bij een bron, in den lommer van het woud stil, om hunne paarden
te laten rusten, en om zelve eenige ververschingen te gebruiken,
waarmede de gastvrije abt een muilezel beladen had. Hun maaltijd
duurde vrij lang, en deze verschillende oponthouden maakten het hun
onmogelijk, Rotherwood te bereiken, zonder den geheelen nacht door te
reizen;--eene omstandigheid, die hen aanspoorde om hun weg schielijker,
dan tot dusver, voort te zetten.



NEGENTIENDE HOOFDSTUK.


                    Een bende krijgsvolk, dat een eedle Jonkvrouwe
                    Bewaakt, gelijk ik daar vernomen heb,
                    Terwijl ik de achterhoede heimlijk volgde,
                    Is ginds in aantocht naar dit burgslot,
                    Om te overnachten.

                                                    Orra, een Treurspel.


De reizigers hadden nu de grenzen van het woud bereikt, en waren op het
punt zich in het dichtste gedeelte er van te begeven, dat op dien tijd
voor gevaarlijk gehouden werd wegens het groote aantal vrijbuiters,
welke onderdrukking en armoede tot wanhoop gedreven hadden, en die
de bosschen in zulke groote benden bezetten, dat zij gemakkelijk de
zwakke rustbewaarders van die dagen konden trotseeren. Tegen deze
roovers echter rekenden Cedric en Athelstane zich bestand, in weerwil
van het late uur, daar zij tien bedienden in hun gevolg hadden,
behalve Wamba en Gurth, op wier hulp men geen staat kon maken, daar
de één een nar en de andere een gevangene was. Men kan er bijvoegen,
dat, zoo laat door het woud reizende, Cedric en Athelstane niet
minder op hunne afkomst en hun naam steunden, dan op hun moed. De
vogelvrij-verklaarden, die de gestrengheid der jachtwetten tot dit
wanhopige rooversleven gebracht had, waren voornamelijk boeren en
pachters van Saksischen stam, en men geloofde in het algemeen, dat
zij de personen en het eigendom hunner landslieden eerbiedigden.

Terwijl de reizigers hun weg voortzetten, werden zij door een herhaald
geroep om hulp verschrikt; en naar de plaats rijdende, van waar het
kwam, zagen zij, tot hunne verbazing, een draagkoets op den grond
staan, waarnaast een jong meisje zat, dat rijk, op Joodsche wijze
gekleed was, terwijl een oud man, wiens gele muts aanduidde, dat hij
tot dezelfde natie behoorde, op en neder ging, met gebaren van de
grootste wanhoop, en de handen wrong, alsof hem een groot ongeluk
was overkomen.

Op de vragen van Athelstane en Cedric kon de oude Jood gedurende
eenigen tijd alleen antwoorden door de bescherming van alle aartsvaders
van het Oude Testament, na elkander aan te roepen, tegen de zonen van
Ismaël, die gekomen waren, om hem aan de scherpte van het zwaard over
te leveren. Toen hij van zijn overmatigen schrik begon te herstellen,
was Izaäk van York (want het was onze oude vriend), eindelijk in staat
te vertellen, dat hij te Ashby eene lijfwacht van zes man gehuurd had,
met muilezels, om de draagkoets van een zieken vriend te geleiden. Deze
troep had aangenomen hem tot Doncaster te vergezellen. Zij waren tot
zoover veilig gekomen; maar door een houthakker onderricht zijnde,
dat er eene sterke bende vrijbuiters in het bosch vóór hen op de
loer lag, hadden Izaäks huurlingen niet alleen de vlucht genomen,
maar ook de ezels medegenomen, welke de draagkoets droegen, en den
Jood en zijne dochter zonder middelen gelaten, om zich te verdedigen
of om weg te komen, zoodat zij waarschijnlijk geplunderd en vermoord
zouden worden door de bandieten, die, zooals ze verwachtten, ieder
oogenblik op hen aanvallen zouden. "Zoo het den heeren ridders maar
behaagde," voegde Izaäk er bij, op een toon van groote nederigheid,
"den armen Joden te vergunnen, onder hunne vrijgeleide te reizen,
zoo zweer ik bij de twaalf tafels onzer wet, dat er aan een kind van
Israël sedert de dagen der ballingschap, nooit een gunst bewezen is,
welke met meer dank beloond werd."

"Hond van een Jood!" zei Athelstane, wiens geheugen van dien
kleingeestigen aard was, dat het alle kleinigheden en vooral
beuzelachtige beleedigingen onthield, "herinnert gij u niet, hoe gij
ons in de galerij bij het toernooi getrotseerd hebt? Vecht of vlucht,
of maak een overeenkomst met de vrijbuiters, zoo goed gij kunt;--vraag
ons niet om gezelschap of hulp; en indien zij alleen zulke menschen
berooven, als gij zijt, die de geheele wereld bestelen, dan zal ik
hen voor zeer eerlijke lieden houden."

Cedric stemde niet in met het harde oordeel van zijn makker. "Wij
zullen beter doen," zei hij, "met hun twee van onze bedienden en
een paar paarden te geven, om hen naar het naaste dorp terug te
brengen. Dat zal onze macht slechts weinig verzwakken; en met uw goed
zwaard, edele Athelstane, en met behulp van de overblijvenden, zal
het ons licht vallen, twintig van deze landloopers de spits te bieden."

Rowena, eenigszins verontrust, toen ze hoorde, dat er een zoo groot
getal vrijbuiters in de nabijheid was, ondersteunde met kracht het
voorstel van haar voogd. Maar Rebekka, plotseling de plaats, waar
ze zat, verlatende, en zich een weg door het gevolg heen naar het
paard der Saksische dame banende, knielde neder, en kuste, volgens
de Oostersche gewoonte, als men zijn meerderen aanspreekt, de slip
van Rowena's gewaad. Toen opstaande, en haar sluier terugslaande,
smeekte zij haar, in den naam van dien grooten God, welken zij
beiden aanbaden, en bij de openbaring van die wet, aan welke ze
beiden geloofden, medelijden met hen te hebben, en hun te vergunnen,
onder hun geleide verder te reizen. "Het is niet voor mij zelve,
dat ik deze gunst verzoek," zei Rebekka; "en niet eens voor dezen
armen grijsaard. Ik weet, dat het bij de Christenen eene geringe
misdaad, zoo niet eene verdienste is, om ons volk te onderdrukken
en te plunderen; en wat kan het ons schelen, of het in de stad,
in de woestijn, of in het veld gebeurt? Maar het is in den naam
van iemand, die dierbaar is aan velen, en zelfs dierbaar aan u,
dat ik u smeek, om dezen zieke met zorg en oplettendheid onder uwe
bescherming te laten vervoeren. Want, zoo hem eenig ongeluk overkwam,
zou het laatste oogenblik van uw leven nog verbitterd worden, door
het berouw van mij mijne bede geweigerd te hebben."

De edele en plechtige houding, waarmede Rebekka dit verzoek deed,
gaf er dubbel gewicht aan bij de Saksische schoone.

"De man is oud en zwak," zei zij tot haar voogd, "het meisje is
jong en schoon; hun vriend ziek en in levensgevaar; hoewel het Joden
zijn, kunnen wij, als Christenen, hen in dezen uitersten nood niet
verlaten. Men moet twee pakezels ontladen, en de bagaadje aan twee der
lijfeigenen geven. De muilezels kunnen voor de draagkoets geplaatst
worden, en wij hebben paarden voor den grijsaard en zijne dochter."

Cedric stemde gereedelijk in haar voorstel toe, en Athelstane voegde
er slechts de woorden bij: "Dat zij bij de achterhoede moesten reizen,
waar Wamba hen met zijn schild van hout kon beschermen."

"Ik heb mijn schild op het toernooiveld verloren," hervatte de nar,
"evenals menig ander en beter ridder dan ik."

Athelstane werd vuurrood, want dit was het geval met hem geweest op den
laatsten dag van het toernooi, terwijl Rowena, aan wie deze spotternij
goed beviel, en als het ware om de lompe scherts van haar ongevoeligen
minnaar weder goed te maken, Rebekka verzocht, naast haar te rijden.

"Dat zou mij niet passen," antwoordde Rebekka met trotsche nederigheid,
"daar mijn gezelschap mijne beschermster tot schande zou kunnen
aangerekend worden."

Intusschen was de bagaadje reeds overgepakt, want het bloote woord
"vrijbuiters" maakte iedereen bijzonder vlug, en het naderen der
schemering vermeerderde nog den schrik. Onder het gewoel werd Gurth
van het paard genomen, en hij verzocht den nar hem een weinig losser
te binden. Het touw werd, misschien voorbedacht, zoo slecht door
Wamba weder vastgemaakt, dat Gurth er geen zwarigheid in vond, om
zijn armen geheel vrij te maken, en hierop in het bosch sluipende,
ontsnapte hij uit het gezelschap.

De drukte was groot geweest, en het duurde eenigen tijd eer Gurth
gemist werd; want daar hij, gedurende het overige van de reis,
achter een knecht zou rijden, veronderstelde ieder, dat een of ander
zijner makkers hem in bewaring had, en toen zij eindelijk elkander
toefluisterden, dat Gurth wezenlijk verdwenen was, waren zij in de
verwachting van zoo spoedig door de roovers aangevallen te worden,
dat men niet veel acht sloeg op dit voorval.

Het pad, waarlangs de troep voortreisde, was thans zoo smal, dat er
niet veel meer dan twee ruiters naast elkander konden rijden, en het
daalde in een nauw dal neder, dat van een beek doorsneden werd, wier
oevers afgespoeld, moerassig, en met kleine wilgenboomen bewassen
waren. Cedric en Athelstane, die aan het hoofd van den stoet waren,
begrepen, hoe groot het gevaar was, als zij in dezen nauwen pas
aangevallen werden; maar daar geen van beiden veel ervaring in den
oorlog had, kenden zij geen beter middel om het gevaar te voorkomen,
dan zoo schielijk mogelijk voort te rijden. Daarom, zonder veel orde
voorwaarts trekkende, waren zij juist met een gedeelte van hun gevolg
over de beek gegaan, toen zij tegelijk van voren, van achteren en
van beide zijden, met een geweld aangevallen werden, waaraan zij in
hun verwarden en slecht voorbereiden toestand onmogelijk krachtigen
weerstand konden bieden. Het geroep van: "Een witte draak!--Een
witte draak! Sint Georg en oud Engeland!" een krijgsgeschreeuw door
de aanvallers aangenomen, als behoorende tot hun aangenomen karakter
van Saksische vogelvrij verklaarden, werd van alle kanten gehoord,
en van alle kanten verschenen vijanden met eene snelheid, welke hun
getal scheen te vermenigvuldigen.

De beide Saksische opperhoofden werden op hetzelfde oogenblik gevangen
gemaakt, en ieder onder omstandigheden, die volkomen met zijn karakter
overeenstemden. Cedric wierp, zoodra een vijand verscheen, zijn nog
overgebleven werpspies op hem, welke, een krachtigere uitwerking
hebbende, dan die, welke hij op Fangs gericht had, den man tegen een
eikenboom, die toevallig achter hem stond, vastprikte. Tot zoover
gelukkig, spoorde Cedric zijn paard, tegen een tweeden vijand, terwijl
hij zijn zwaard trok, en met zulke onbedachtzame woede toesloeg,
dat zijn kling in een dikken, boven hem hangenden tak zitten bleef,
zoodat hij door het geweld van zijn eigen slag ontwapend werd. Hij
werd dus dadelijk gevangen genomen, en van zijn paard getrokken door
eenige bandieten, die zich om hem heen drongen. Athelstane deelde
zijn gevangenschap, daar men de teugels uit zijn hand gerukt had,
en hij met geweld van zijn paard gesleept was, lang voordat hij zijn
zwaard kon trekken, of eenigen krachtdadigen tegenstand bieden. De
bedienden, belemmerd door de bagaadje, en verrast en verschrikt door
het lot hunner meesters, werden een gemakkelijke prooi der aanvallers,
terwijl Rowena, in het midden van het gezelschap, en de Jood en zijn
dochter in de achterhoede, hetzelfde lot ondervonden.

Van den geheelen stoet ontsnapte niemand dan Wamba, die bij deze
gelegenheid veel meer moed betoonde, dan zij, die aanspraak maakten op
een grooter verstand. Hij greep een zwaard, dat aan een der bedienden
behoorde, die het juist met een trage en besluitelooze hand uittrekken
wilde, sloeg om zich heen als een leeuw, dreef verscheidenen terug, die
hem te nabij kwamen, en deed een dappere, schoon vruchtelooze poging,
om zijn meester te redden. Zich overmand ziende, wierp de nar zich
eindelijk van het paard, drong in het dichte bosch, en ontsnapte,
door de algemeene verwarring begunstigd, van het tooneel van het
gevecht. Evenwel weifelde de dappere nar, zoodra hij zich in veiligheid
bevond, een tijdlang, of hij niet zou terugkeeren en de gevangenschap
van een meester deelen, aan wien hij hartelijk verkleefd was.

"Ik heb de menschen van de zegeningen der vrijheid hooren spreken,"
zei hij bij zich zelven; "maar ik wenschte wel, dat de een of ander
verstandig man mij wilde onderrichten, wat gebruik ik er van maken
moet, nu ik ze bezit."

Terwijl hij deze woorden luide uitsprak, riep een stem zeer dicht
bij hem, op zachten en voorzichtigen toon: "Wamba!" en te gelijker
tijd sprong een hond, in welken hij Fangs herkende, tegen hem op en
liefkoosde hem. "Gurth!" antwoordde Wamba met dezelfde voorzichtigheid,
en in denzelfden oogenblik stond de zwijnenhoeder voor hem.

"Wat is er te doen?" vroeg hij angstig; "wat beduidt dat geschreeuw
en dat zwaardgekletter?"

"'t Is niets ongewoons in onze tijden," hernam Wamba; "ze zijn allen
gevangen."

"Wie is gevangen?" riep Gurth ongeduldig.

"Onze heer, en de Jonkvrouw, en Athelstane, en Hundebert, en Oswald."

"In 's hemels naam!" zei Gurth, "hoe zijn ze gevangen geraakt?--En
in wiens handen?"

"Onze meester was al te gereed om te vechten," zei de nar; "en
Athelstane was niet gereed genoeg, en de anderen waren in het geheel
niet gereed. Ze zijn gevangen genomen door menschen in groene rokken,
met zwarte maskers. En ze liggen nu allen op het gras, evenals de wilde
appels, die gij voor uw zwijnen afschudt. En ik zou er om lachen,"
zei de eerlijke nar, "als ik maar kon, in plaats van te schreien." En
daarbij stortte hij tranen van ongeveinsde droefheid.

Gurth's gelaat gloeide.--"Wamba," zei hij, "gij hebt een wapen, en
uw moed was altijd grooter, dan uw verstand;--wij zijn maar met ons
beiden, maar een onverwachte aanval van kloekmoedige mannen kan veel
afdoen:--volg mij!"

"Waarheen?--en wat wilt ge?" vroeg de nar.

"Cedric bevrijden!"

"Maar gij hebt u eerst eenige oogenblikken geleden aan zijn dienst
onttrokken," zei Wamba.

"Dat was maar," antwoordde Gurth, "zoo lang hij gelukkig was:--volg
mij."

Toen de nar op het punt was van te gehoorzamen, verscheen er eensklaps
een derde, die aan beiden beval te blijven staan. Naar zijn kleeding
en wapenen zou Wamba hem voor een der roovers gehouden hebben, die
zoo even zijn meester aangevallen hadden; maar behalve dat hij geen
masker droeg, deed de glinsterende draagband over zijn schouders,
aan welke een schoone jachthoorn hing, zoowel als de kalme en
gebiedende uitdrukking zijner stem en gebaren, hem, in weerwil van
het schemerlicht, erkennen als Locksley, den schutter, die onder
zulke ongunstige omstandigheden, den prijs bij het boogschieten
weggedragen had.

"Wat beduidt dit alles?" vroeg hij. "Wie plundert, rooft en maakt
gevangenen in dit woud?"

"Gij kunt ze hier dichtbij aan hunne rokken herkennen," zei Wamba,
"en zien, of het uwer kinderen kleêren zijn, of niet.--Want ze gelijken
op de uwen even sterk, als het eene ei op het andere."

"Ik zal het dadelijk onderzoeken," antwoordde Locksley; "en ik beveel
u, om uw leven, geen voet van de plaats te verzetten, eer ik terug
kom. Gehoorzaamt mij, en het zal des te beter zijn voor u en uw
meesters.--Maar wacht, ik moet er zooveel mogelijk, als een dezer
mannen uitzien."

Dit zeggende, nam hij den draagband met den jachthoorn af, nam de
pluim van zijn muts, en gaf ze aan Wamba te bewaren: daarop haalde
hij een masker uit den zak en, zijn bevel om stil te staan herhalende,
ging hij heen, om zijne verkenning te doen.

"Zullen wij blijven staan, Gurth?" vroeg Wamba, "of hem den
rug toekeeren? Naar mijn onnoozel begrip, had hij al te veel
dievengereedschappen bij de hand, om een eerlijk man te zijn."

"En al ware hij de duivel in eigen persoon," antwoordde Gurth, "wij
verliezen niets door op hem te wachten. Als hij tot dien hoop behoort,
heeft hij hun reeds een teeken gegeven, en vluchten noch vechten zal
ons meer baten. Buitendien heb ik sedert kort ondervonden, dat de
grootste dieven niet altijd de slechtste menschen zijn, met wie men
te doen heeft."

De schutter kwam binnen weinige minuten terug. "Vriend Gurth," zei
hij, "ik heb mij onder die kerels gemengd, en vernomen, aan wien zij
behooren, en waar hun reis heen gaat. Er is, dunkt mij, geen gevaar,
dat zij hun gevangenen dadelijk eenig geweld aandoen. Het zou een
dwaasheid van ons zijn, zoo wij hen met ons drieën aanvallen wilden;
want het zijn ervarene krijgslieden, en zij hebben dus wachten
uitgezet, om hen te waarschuwen, zoodra iemand nadert. Maar ik
vertrouw, dat ik weldra zulk eene macht bijeen zal brengen, dat ik
al hunne voorzorgen kan verijdelen; gij zijt beide dienaars, en,
naar ik meen, trouwe dienaars van Cedric den Sakser, den beschermer
van de rechten der Engelschen. Het zal hem niet aan Engelsche handen
ontbreken in dezen nood. Gaat dan met mij, om meer hulp te zoeken."

Dit zeggende, stapte hij met rassche schreden door het woud, gevolgd
door den nar en den zwijnenhoeder. Het was onmogelijk voor Wamba,
om lang te zwijgen.

"Mij dunkt," zei hij, naar den draagband en den hoorn, welke hij nog
altijd droeg, ziende, "dat ik den pijl heb zien afschieten, welke dezen
schoonen prijs gewonnen heeft, en dat is nog niet zoo lang geleden,
als Kerstmis."

"En ik," zei Gurth, "zou er op willen zweren, dat ik de stem van den
dapperen schutter, die dien gewonnen heeft, zoo wel bij nacht als bij
dag gehoord heb, en dat de maan, sedert ik die vernam, nog geen drie
dagen ouder is geworden.

"Mijn vrienden," hervatte de schutter, "wie, of wat ik ben, kan thans
weinig schelen; zoo ik uw meester bevrijd, zult gij redenen hebben, mij
voor den besten vriend te houden, dien gij ooit in uw leven hadt. En
of ik onder dezen of genen naam bekend ben,--en of ik een boog even
goed, of beter dan een koeherder kan afschieten,--en of ik verkies
in den zonneschijn of bij maanlicht te wandelen,--dit zijn dingen,
aan welke gij u niet behoeft te storen, daar zij u niet raken."

"Onze hoofden zijn in des leeuwen muil," fluisterde Wamba Gurth toe,
"laten wij ze er uittrekken, als wij kunnen."

"Stil," zei Gurth; "wees stil; beleedig hem niet door uw gekheden,
en ik vertrouw er vast op, dat alles goed zal gaan."



TWINTIGSTE HOOFDSTUK.


                        Als in den herfstnacht koud en lang,
                          Zijn eenzaam pad verduistert,
                        't Is naar des kluiz'naars lofgezang,
                          Dat liefst de pelgrim luistert.

                        Het lied verheft het vroom gemoed,
                        De vroomheid geeft de hymne gloed;
                          Zij stijgen onder 't loven,
                        Gelijk de vogel 't zonlicht groet,
                          Al zingend' zaam naar boven.

                                de kluizenaar van St. Clements bron.


Eerst na drie uren wandelens was het, dat de volgelingen van Cedric,
met hun geheimzinnigen leidsman, eene kleine opening in het woud
bereikten, in wier midden een eik van ontzachelijke grootte groeide,
welke de kromme takken naar alle kanten uitspreidde. Onder dezen boom
lagen vier of vijf schutters op den grond uitgestrekt, terwijl een
ander, als schildwacht, in den maneschijn heen en weder ging. Zoodra
deze de naderende voetstappen hoorde, gaf hij een teeken, en de slapers
sprongen dadelijk op en spanden hun bogen. Zes pijlen werden gericht
naar den kant, van waar de reizigers kwamen, tot hun geleider, herkend
zijnde, met alle blijken van achting en liefde verwelkomd werd, en
alle teekens van en alle vrees voor een vijandige ontvangst verdwenen.

"Waar is de Molenaar?" was zijn eerste vraag.

"Op weg naar Rotherham."

"Met hoeveel man?" vroeg de aanvoerder, want dat scheen hij te zijn.

"Met zes man, en goede hoop op buit, als het St. Nicolaas behaagt."

"Vroom gesproken," zei Locksley; "en waar is Allen-a-Dale?"

"Op weg naar Watling, om op den Prior van Jorvaulx te wachten."

"Ook goed," hernam de kapitein.

"En waar is de monnik?"

"In zijn cel."

"Daar ga ik heen," zei Locksley. "Verstrooit u en zoekt uwe
makkers op. Verzamelt een zoo groote macht mogelijk; want er is
wild opgespoord, dat hard vervolgd moet worden en dat zich krachtig
verdedigen zal. Komt tegen het aanbreken van den dag hier bij mij
terug. Wacht," voegde hij er bij; "ik heb het noodzakelijkste van
alles vergeten; twee van u moeten spoedig den weg naar Torquilstone,
het kasteel van Front-de-Boeuf, inslaan. Eene bende schurken,
die zich in eene kleeding, als de onze, vermomd hebben, brengen er
een hoop gevangenen heen.--Slaat hen nauwkeurig gade; want zelfs,
al bereikten zij het kasteel, vóór dat wij onze macht bijéénhebben,
is onze eer er toch in betrokken, om hen te bestraffen, en wij zullen
een middel vinden, om dat te doen.--Houdt hen dus goed in het oog;
en zendt één uwer makkers, den besten looper, om aan de landlieden
in de buurt bericht er van te brengen."

Zij beloofden stipte gehoorzaamheid, en vertrokken oogenblikkelijk, om
hunne verschillende boodschappen te verrichten. Intusschen vervolgde
hun aanvoerder met zijn twee metgezellen, die hem nu met grooten
eerbied, zoowel als met eenige vrees beschouwden, hun weg naar de
kapel van Copmanshurst.

Toen zij de vrije, door de maan verlichte plaats in het bosch bereikt,
en de eerbiedwekkende, schoon vervallen kapel, en de ruwe kluis,
die zoo goed voor de zelfverloochenende vroomheid geschikt was, vóór
zich hadden, fluisterde Wamba Gurth toe: "Als dit de woning van een
dief is, dan wordt het oude spreekwoord bevestigd: hoe dichter bij
de kerk hoe verder van God.--En bij mijn zotskap," voegde hij er
bij, "ik geloof, dat het wezenlijk zóó is;--luister maar naar den
wonderlijken _Sanctus_, welken zij in de kluis zingen!"

Wezenlijk zongen de kluizenaar en zijn gast, met alle kracht van hun
sterke longen, een oud drinklied, waarvan dit het slot was:


    Kom, reik mij 't bruine bier terstond,
      Blijde jongen, blijde jongen!
    Kom, reik mij 't bruine bier terstond,
    Ha! lustig jongen! 'k tart een' schelm in 't drinken.
    Kom, reik mij 't bruine bier terstond!


"Wel, dat is niet kwaad," zei Wamba, die in koor mede gezongen
had. "Maar bij alle heiligen, wie zou ooit verwacht hebben, zulk een
vroolijk gezang, te middernacht, uit eene kluis te hooren dreunen?"

"Wel, dat zou ik voorzeker verwachten," antwoordde Gurth; "want de
vroolijke monnik van Copmanshurst is bekend, en doodt de helft van het
wild, dat in dit bosch gestolen wordt. Men zegt, dat de boschwachter
bij den abt over hem geklaagd heeft, en dat hem zijn monnikskleed
zal uitgetrokken worden, als hij zich niet beter gedraagt."

Terwijl zij dus spraken, had Locksley's herhaald geklop ten laatste
den kluizenaar en zijn gast gestoord. "Bij mijn rozenkrans," riep de
heremiet, midden in het gezang ophoudende, "hier komen meer gasten,
die door den nacht overvallen zijn. Ik wilde niet, om mijn kap, dat
ze mij bij deze vrome bezigheid vonden. Iedereen heeft zijn vijanden,
goede heer Luiaard; en er zijn er, die boosaardig genoeg zijn, om de
gastvrije verversching, welke ik u, een vermoeiden reiziger, gedurende
een paar uurtjes, aangeboden heb, ronduit dronkenschap en zwelgerij te
noemen; ondeugden, even vreemd aan mijn beroep als aan mijn karakter."

"Lage lasteraars!" hernam de ridder; "ik wilde, dat ik hen kastijden
mocht. Niettemin is het waar, heilige man, dat iedereen zijne vijanden
heeft; en er zijn er in dit land, die ik liever door het vizier van
mijn helm, dan met ontbloot gezicht spreken wilde."

"Zet dan uw ijzeren pot op het hoofd, vriend Luiaard, zoo schielijk
als uw aard zulks toelaat," zei de kluizenaar, "terwijl ik deze
flesschen weg zet, welker inhoud in mijne hersenen spookt; en om het
gekletter te verdooven,--want, op mijn woord, ik gevoel, dat ik een
weinig wankel,--stem in met het gezang, dat gij mij hoort zingen;--op
de woorden komt het niet aan, ik ken ze zelf nauwelijks."

Dit zeggende, hief hij een donderend _de profundis clamavi_ aan,
en ruimde hun maaltijd weg; terwijl de ridder hartelijk lachende,
zich intusschen wapende, en zijn gastheer van tijd tot tijd met zijne
stem ondersteunde, als zijn gelach het toeliet.

"Wat voor duivelsmetten worden hier op dit uur gezongen?" riep een
stem van buiten.

"De hemel vergeve het u, heer reiziger!" zei de heremiet, wien het
gedruisch, dat hij zelf maakte, en misschien zijn drinken, belette,
een stem te herkennen, die hem anders vrij wel bekend was; "vervolg
uw weg, in God en St. Dunstan's naam, en stoor mij en mijn vromen
broeder niet in onze aandacht."

"Dolle priester," antwoordde de stem van buiten, "doe open voor
Locksley."

"Alles is veilig,--alles is in orde!" zei de kluizenaar tot zijn
metgezel.

"Maar wie is het?" vroeg de Zwarte Ridder. "Er is mij veel aan gelegen,
dit te weten."

"Wie of het is!" antwoordde de kluizenaar. "Ik zeg u, dat het een
vriend is!"

"Maar wat voor een vriend?" antwoordde de ridder. "Want hij kan uw
vriend zijn, en toch in het geheel niet de mijne."

"Wat voor een vriend?" hernam de monnik; "dat is een vraag, die
lichter te doen, dan te beantwoorden is. Wat voor een vriend?--Wel,
hij is, nu schiet het mij te binnen, juist die eerlijke boschwachter,
van welken ik u straks gesproken heb."

"Wel ja, een even eerlijke boschwachter, als gij een vroom kluizenaar
zijt!" hervatte de ridder; "daar twijfel ik niet aan. Maar doe hem
de deur open, vóórdat hij ze uit de hengels slaat."

De honden, welke in het begin geweldig geblaft hadden, schenen nu
de stem van hem, die buiten stond, te herkennen; want, geheel van
houding veranderende, krabden en jankten zij aan de deur, alsof om
zijn toelating te smeeken. De heremiet opende schielijk de deur,
en liet Locksley met zijn twee metgezellen binnen.

"Wel heremiet," was des schutters eerste vraag, zoodra hij den ridder
zag: "Welken lustigen broeder hebt gij daar?"

"Een broeder van onze orde," hernam de monnik, het hoofd
schuddende. "Wij hebben den geheelen nacht door gebeden."

"Hij is een monnik van de strijdende kerk, denk ik," antwoordde
Locksley; "er dolen velen van dien aard door het land. Ik zeg u,
monnik, gij moet den rozenkrans afleggen, en den knots opnemen; wij
hebben alle onze brave makkers noodig, geestelijken, of leeken. Maar,"
voegde hij er bij, hem even ter zijde nemende, "zijt gij gek?--Een
ridder binnen te laten, dien gij niet kent! Hebt gij onze overeenkomst
vergeten?"

"Hem niet kennen!" antwoordde de monnik stout; "ik ken hem even goed,
als de bedelaar zijn schotel kent."

"En hoe heet hij dan?" vroeg Locksley.

"Hoe hij heet?" zei de heremiet; "wel!--het is de ridder Anthonius
van Scrablestone,--alsof ik met een mensch zou willen drinken, zonder
zijn naam te weten!"

"Gij hebt meer dan genoeg gedronken," zei de schutter, "en ik vrees,
ook meer dan genoeg gebabbeld."

"Vriend," zei de ridder, vóórtredende, "wees niet boos op mijn
vroolijken gastheer. Hij heeft mij slechts de gastvrijheid geschonken,
welke ik hem zou afgedwongen hebben, zoo hij ze geweigerd had."

"Gij mij dwingen!" riep de monnik; "wacht maar, tot ik dit grijs
monnikskleed tegen een groen buis verruild heb, en als ik u niet met
mijn knuppel een tik op het hoofd geef, dan ben ik noch een echte
monnik, noch een goed jager."

Dit zeggende, trok hij zijn monnikskleed uit, en verscheen in een nauw
zwart linnen wambuis en broek, waarover hij spoedig een groenen rok en
broek aantrok. "Ik bid u, maak de strikken vast," zei hij tegen Wamba,
"en gij zult een glas wijn ter belooning hebben."

"Ik heb niets tegen den wijn," antwoordde Wamba; "maar denkt gij, dat
het geen gewetenszaak voor mij is, de hand te leenen om een heiligen
heremiet in een zondigen jager te veranderen?"

"Vrees niets," zei de kluizenaar, "ik behoef de zonden van mijn
groenen rok slechts aan mijn grijs monnikskleed te biechten, en alles
is weer goed."

"Amen!" hervatte de nar: "Een in fijn laken gekleed boeteling moet
een in grof linnen gekleeden biechtvader hebben, en uw monnikskleed
kan mijn bonte pak op den koop toe de absolutie geven."

Intusschen had Wamba den monnik geholpen, om de talrijke banden vast
te maken, waarmede de broek aan het wambuis gebonden werd.

Terwijl ze dus bezig waren, nam Locksley den ridder een weinig ter
zijde, en sprak hem dus aan: "Ontken het niet, heer ridder; gij zijt
het die op den tweeden dag van het toernooi te Ashby, de overwinning
der Engelschen tegen de vreemdelingen beslist hebt."

"En wat volgt daaruit, zoo uw gissing gegrond is, vriend?" hernam
de ridder.

"Ik houd u dan voor een vriend van de zwakken!" hernam de schutter.

"Dat te zijn is ten minste de plicht van een goed ridder," antwoordde
de zwarte kampvechter, "en ik zou niet gaarne willen, dat er redenen
waren, om anders van mij te denken."

"Maar om mij te helpen," zei de andere, "moet gij een even goed
Engelschman, als ridder zijn: want hetgeen ik te zeggen heb, betreft,
wel is waar, den plicht van ieder eerlijk man, maar meer bijzonder
dien van een rechtgeaarden inboorling van Engeland."

"Gij kunt tot niemand spreken," hervatte de ridder, "wien Engeland,
en het leven van ieder Engelschman, dierbaarder kan zijn dan mij."

"Ik wil het gaarne gelooven," zei de jager, "want nooit heeft dit land
meer noodig gehad, om door diegenen ondersteund te worden, die het
liefhebben. Hoor naar mij, en ik zal u eene onderneming openbaren,
in welke gij, zoo gij wezenlijk zijt, wat gij schijnt, een eervol
deel kunt nemen. Eene bende booswichten, verkleed als betere menschen,
dan zij zelve zijn, hebben een edelen Engelschman, Cedric, de Sakser
genaamd, met zijn dochter en zijn vriend, Athelstane van Coningsburgh,
gevangen genomen, en hen naar een kasteel in dit woud, Torquilstone
genoemd, gevoerd. Ik vraag u, als goeden ridder en echten Engelschman,
wilt gij hen helpen bevrijden?"

"Ik ben door mijn gelofte verplicht dat te doen," hernam de ridder,
"maar ik wilde gaarne weten, wie gij zijt, die mijne hulp ten hunnen
behoeve inroept?"

"Ik ben," zei de jager, "een onbekend man; maar ik ben de vriend van
mijn vaderland, en van de vrienden er van.--Met dit bericht moet
gij u voor het tegenwoordige tevreden stellen, te meer, daar gij
zelf wenscht onbekend te blijven.--Geloof echter, dat mijn woord,
als ik het geef, even veilig is, alsof ik gouden sporen droeg."

"Ik geloof het gaarne," zei de ridder, "ik ben gewoon op het gelaat der
menschen te lezen, en ik kan op het uwe eerlijkheid en moed zien. Ik
zal u dus verder geene vragen doen, maar u helpen, om die onderdrukte
gevangenen in vrijheid te stellen, en als dit volbracht is, vertrouw
ik, dat wij beter bekend en weltevreden van elkander zullen scheiden."

"Dus," zei Wamba tegen Gurth,--want daar de monnik nu geheel toegerust
was, had de nar, die naar den anderen kant der hut gekomen was,
het einde van het gesprek gehoord,--"dus hebben wij een nieuwen
bondgenoot gekregen. Ik vertrouw, dat de dapperheid van den ridder
van beteren aard zal zijn, dan de godsdienst van den heremiet, of
de eerlijkheid van den schutter; want deze Locksley ziet er uit,
als een geboren wilddief, en de priester, als een listige huichelaar."

"Houd u stil, Wamba," zei Gurth, "het kan zijn, zooals gij
vermoedt;--maar al kwam de gehoornde duivel in eigen persoon, en bood
mij zijn bijstand aan, om Cedric en Jonkvrouw Rowena te bevrijden,
dan vrees ik, nauwelijks vroom genoeg te zijn, om het aanbod af te
slaan, en hem te verzoeken zich weg te pakken."

De monnik was nu geheel toegerust, met zwaard en schild, boog en
pijlkoker, en een zware strijdbijl op de schouders. Hij verliet zijn
cel aan het hoofd van de bende, en na de deur zorgvuldig gesloten te
hebben, legde hij den sleutel onder den drempel.

"Zijt gij in staat, om goeden dienst te doen, monnik," vroeg Locksley,
"of is de wijn u in het hoofd gestegen?"

"Niet meer, dan één slok uit St. Dunstans bron verdrijven zal,"
antwoordde de priester, "het suist mij een weinig in de ooren,
en mijn beenen wankelen iets; maar gij zult zien, dat dit alles
dadelijk overgaat."

Dit zeggende, ging hij naar het steenen bekken, waarin het water van
de fontein onder het vallen bellen vormde, die in het witte maanlicht
dansten, en hij nam een zoo geweldige teug, alsof hij de bron had
willen ledigen.

"Wanneer hebt gij meer zulk eene groote teug water gedronken, heilige
monnik van Copmanshurst?" vroeg de Zwarte Ridder.

"Niet sedert mijn wijnvat lekte, en de drank door een verkeerde
opening er uit liep, en mij niets overbleef, dan de bron van mijn
beschermheilige hier!" hervatte de monnik.

Hierop handen en hoofd in de fontein dompelende, wiesch hij er alle
teekenen van den nachtelijken roes af.

Aldus ververscht en ontnuchterd, zwaaide de vroolijke priester zijn
zware strijdbijl met drie vingers rondom het hoofd, alsof hij met een
riet speelde, terwijl hij riep: "Waar zijn die schandelijke roovers,
welke meisjes tegen haar wil schaken? De duivel zal mij halen, als
ik er niet een dozijn van sta!"

"Ha! vloekt gij, heilige monnik?" zei de Zwarte Ridder.

"Noem mij geen monnik," hernam de van gedaante veranderde priester;
"bij St. Joris en den Draak, ik ben die niet meer, als mijn
monnikskleed niet om mijn rug zit.--Als ik mijn groenen rok aan
heb, wil ik drinken, vloeken en vrijen tegen den besten jager in
het _West-Riding_."

"Kom, dwaze priester," zei Locksley, "wees stil; gij zijt zoo
luidruchtig, als een geheel klooster op Vasten-avond, als de Prior
naar bed is. Komt gij ook, vrienden;--houdt u niet op met praten.--Ik
zeg, gaat onverwijld mede, wij moeten onze geheele macht verzamelen,
en deze zal klein genoeg zijn, als wij het kasteel van Reginald
Front-de-Boeuf moeten bestormen."

"Hoe!" riep de Zwarte Ridder, "is het Front-de-Boeuf, die op 's heeren
wegen des Konings getrouwe onderdanen aangevallen heeft?--Is hij een
roover en een onderdrukker geworden?"

"Een onderdrukker was hij altijd!" antwoordde Locksley.

"En wat den roover betreft," zei de priester, "ik twijfel, of hij
half zoo eerlijk is, als menig roover dien ik ken."

"Voorwaarts, priester, en houd u stil," zei de schutter, "het ware
beter, dat gij den weg weest naar de vergaderplaats, dan dat gij
zegt, wat zoowel uit betamelijkheid als voorzichtigheid, verzwegen
moest blijven!"



EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.


                Helaas! hoe menig uur en jaar vervloog
                Sinds aan deez' disch een mensch'lijk wezen zat,
                En op zijn vlak het lamp- of kaarslicht gloorde!
                Mij dunkt, ik hoor 't geluid van vroeger dagen
                Nog wederklinken door het hol en hoog gewelf
                Der duistere bogen, evenals de stemmen
                Der dooden lang verwijlen bij hun graven.

                                                Orra, een Treurspel.


Terwijl deze maatregelen ten behoeve van Cedric en zijn metgezellen
genomen werden, dreven de gewapenden, welke hen gevangen genomen
hadden, hen voort naar de veste, waar zij hen wilden opsluiten. Maar
het werd spoedig duister, en de boschpaden schenen slecht aan de
stroopers bekend te zijn. Zij moesten herhaaldelijk lang stilhouden, en
zelfs een paar maal op hun pad terugkeeren, om weder op den rechten weg
te komen. De zomermorgen brak aan, eer zij met de volkomene bewustheid,
dat zij op het rechte spoor waren, konden verder gaan. Maar het
vertrouwen keerde met den dag terug, en de ruiters joegen nu ijlings
voorwaarts. Intusschen viel het volgende gesprek tusschen de twee
aanvoerders der bandieten voor.

"Het is tijd, dat gij ons verlaat, ridder Maurice," zei de Tempelier
tegen De Bracy, "om het tweede bedrijf van uw mysterie op het tooneel
te brengen. Gij weet, dat gij nu den bevrijder moet spelen."

"Ik heb mij bedacht," antwoordde De Bracy; "ik zal u niet verlaten,
eer de prijs behoorlijk in Front-de-Boeuf's kasteel in veiligheid
is. Dáár zal ik in mijne eigene gedaante voor de Jonkvrouw Rowena
verschijnen, en vertrouw, dat zij de gewelddadigheid, waaraan ik mij
schuldig gemaakt heb, om den wille mijner hevige liefde zal vergeven."

"En wat heeft u van plan doen veranderen, De Bracy?" vroeg de
Tempelier.

"Dat raakt u niet!" antwoordde zijn makker.

"Ik wil evenwel hopen, heer ridder," zei de Tempelier, "dat deze
verandering van maatregel niet aan achterdocht omtrent mijne
eerlijkheid, welke Fitzurse getracht heeft in te boezemen, toe te
schrijven zij?"

"Mijne gedachten zijn vrij," antwoordde De Bracy; "de booze lacht,
zegt men, wanneer een dief den anderen besteelt, en wij weten, dat
al spuwde hij ook wezenlijk vuur en zwavel, het nooit een tempelier
zou afschrikken, om zijne lusten niet te volgen."

"Of den aanvoerder van een vrijbende," hervatte de Tempelier, "om
van zijn makker en vriend het onrecht te vreezen, dat hij tegen alle
menschen uitoefent."

"Dit is nutteloos en gevaarlijk twisten," hernam De Bracy; "het zij
genoeg, dat ik de zeden der Tempeliers ken, en ik wil u de macht niet
geven, om den schoonen buit te kapen, voor welken ik zoo groot gevaar
geloopen heb."

"Bah!" zei de Tempelier. "Wat hebt gij te vreezen?--Gij kent immers
de geloften mijner orde."

"Zeer goed," hernam De Bracy, "en ik weet ook, hoe ze nagekomen
worden. Kom, kom, heer Tempelier, de wetten der galanterie worden
in Palestina zeer vrij uitgelegd, en dit is een geval, in hetwelk ik
volstrekt niet op uw geweten vertrouwen zal."

"Hoor dan de waarheid," hervatte de Tempelier. "Ik bekommer mij niet
om uwe blauwoogige schoonheid. Er is ééne bij den hoop, die mij veel
beter bevalt."

"Hoe! zoudt gij u tot eene dienstbare verlagen?" zei De Bracy.

"Neen, heer ridder;" zei de Tempelier, op trotschen toon; "tot
eene dienstbare zal ik mij niet verlagen. Ik heb een prijs onder de
gevangenen, even schoon, als de uwe."

"Bij de heilige mis, gij meent de schoone Jodin!" zei De Bracy.

"En wat dan?" hernam De Bois-Guilbert. "Wie zal mij tegenhouden?"

"Niemand en niets, voor zoover ik weet," hernam De Bracy, "zoo het niet
uwe gelofte is, of dat uw geweten zich verzet tegen een liefdehandel
met eene Jodin."

"Van mijne gelofte," zei de Tempelier, "heeft onze Grootmeester
mij dispensatie verleend. En wat mijn geweten betreft, een man, die
driehonderd Saracenen verslagen heeft, behoeft niet iederen misstap
op te rekenen, evenals een dorpsmeisje bij haar biecht op den Goeden
Vrijdag."

"Gij kent het best uwe eigene voorrechten," hervatte De Bracy. "Ik
had echter willen zweren, dat gij meer gedacht hadt om de geldzakken
van den ouden woekeraar, dan om de zwarte oogen zijner dochter."

"Ik weet beiden te waardeeren," antwoordde de Tempelier; "en
buitendien is de oude Jood maar een halve prijs. Ik moet zijn buit
met Front-de-Boeuf deelen, die ons het gebruik van zijn kasteel niet
om niets zal geven. Ik moet iets hebben, dat ik bij uitsluiting mijn
eigendom kan noemen bij deze onze dolle onderneming, en ik heb de
bekoorlijke Jodin tot mijn bijzonder loon uitverkoren. Maar nu gij
mijn doel weet, zult gij uw eigen oorspronkelijk plan weder volgen,
niet waar?--Gij hebt, zooals gij ziet, niets van mijne tusschenkomst
te vreezen."

"Neen," hernam De Bracy, "ik wil bij mijn buit blijven; wat gij
zegt, kan waar zijn; maar ik houd niet van die voorrechten, die door
dispensatie van den Grootmeester verkregen zijn, en van de verdienste,
door de slachting van driehonderd Saracenen verworven. Gij hebt te veel
recht op vergiffenis, om zeer nauwgezet te zijn omtrent kleine zonden."

Onder dit gesprek poogde Cedric aan zijne wachters eene bekentenis van
hun stand en hunne bedoeling te ontwringen. "Gij moet Engelschen zijn,"
zei hij; "en echter, heilige Hemel! valt gij op uwe landslieden aan,
alsof gij echte Normandiërs waart. Gij moet mijne buren zijn, en
dus mijne vrienden; want wie van mijne Engelsche buren heeft reden,
om dat niet te zijn? Ik zeg u, vrienden, dat zelfs zij, die met
vogelvrijverklaring gebrandmerkt zijn, door mij beschermd worden, want
ik heb medelijden gehad met hun ongeluk, en de onderdrukking hunner
dwingelanden, de edelen, vervloekt. Wat wilt gij dus van mij?--Of wat
kan u dit stilzwijgen baten?--Gij zijt slechter, dan wilde dieren in
uwe daden en wilt gij hen nog in hunne sprakeloosheid evenaren?"

Te vergeefs sprak Cedric aldus met zijne wachters, die al te vele en
al te goede redenen voor hun stilzwijgen hadden; om hetzij door zijn
toorn of door zijn vertoogen, er toe gebracht te worden, om dat af
te breken. Zij dreven hem maar steeds voort, totdat, aan het einde
van een laan van ontzachelijke boomen, zich Torquilstone opdeed, het
grijze, oude kasteel van Reginald Front-de-Boeuf. Het was eene sterkte
van geringen omvang, bestaande uit een grooten, hoogen, vierhoekigen
toren, omringd door gebouwen van mindere hoogte, die door eene plaats
omgeven waren. Rondom den buitenmuur was een diepe gracht, welke
door een naburig riviertje met water voorzien werd. Front-de-Boeuf,
wiens karakter hem dikwijls in veeten met zijne vijanden bracht,
had aanmerkelijke verbeteringen aan de vestingwerken gemaakt, door
torens op den buitensten muur te bouwen, zoodat die aan iederen hoek
bestreken werd. De toegang, zooals gewoonlijk bij kasteelen van dat
tijdvak, was door een versterkt bruggehoofd, of buitenwerk, dat aan
iederen hoek met een toren eindigde, die het verdedigde.

Nauwelijks zag Cedric de torens van het kasteel van Front-de-Boeuf
met hunne grijze met mos begroeide tinnen te voorschijn komen, die
in de morgenzon glinsterden, en boven het bosch, dat ze omringden
uitstaken, of hij besefte oogenblikkelijk de ware reden van zijne ramp.

"Ik heb onrecht gedaan," zei hij, "aan de dieven en roovers van deze
wouden, toen ik meende, dat zulke bandieten daaronder behoorden: ik
had evengoed de vossen van deze bosschen met de verscheurende wolven
van Frankrijk kunnen verwarren. Zegt mij, honden, die gij zijt,
is het mijn leven of mijn rijkdom, waarnaar uw meester streeft? Is
het te veel, dat twee Saksers, ik en de edele Athelstane, eigendom
bezitten in een land, dat eens het vaderlijk erfgoed van onzen stam
was?--Brengt ons dan ter dood, en voltooit uwe dwingelandij, door
ons van het leven te berooven, na ons onze vrijheid ontnomen te
hebben. Zoo Cedric de Sakser Engeland niet kan bevrijden, dan wil
hij gaarne daarvoor sterven. Zegt aan den dwingeland, uw meester,
dat ik hem alleen smeek, om de Jonkvrouw Rowena in eer en veiligheid
te ontslaan. Zij is eene vrouw; hij behoeft haar niet te vreezen; en
met ons zullen allen uitsterven, die voor hare zaak durven strijden."

De volgelingen bleven even stom bij deze aanspraak als bij de vorige,
en nu stonden zij voor de poort van het kasteel. De Bracy blies
driemaal op den horen, en de boogschutters, die den muur bezet hadden
bij de aankomst van den stoet, haastten zich de ophaalbrug neder en
hen binnen te laten. De gevangenen door hunne wachters gedwongen om
af te stijgen, werden naar een vertrek geleid, waar hun in haast eenig
eten werd voorgezet, waarin niemand trek gevoelde, dan Athelstane. De
afstammeling van Eduard den Belijder had echter geen tijd, om recht
te doen wedervaren aan den maaltijd, die hem voorgezet was, want de
wachters gaven hem en Cedric te kennen, dat zij in eene afzonderlijke
kamer, gescheiden van Rowena, zouden opgesloten worden. Tegenstand
was nutteloos, en ze werden gedwongen, hen naar een groot vertrek te
volgen, welks zoldering door ruwe Saksische pilaren gedragen werd,
en op die eetzalen en kapittelvertrekken geleek, welke men nog wel
eens in de oudste gedeelten van onze oudste kloosters vindt.

Rowena werd vervolgens van haar gevolg gescheiden, en, ofschoon
met beleefdheid, toch zonder haar wil te raadplegen, naar eene
verafgelegene kamer gebracht. Dezelfde verontrustende onderscheiding
viel ook Rebekka te beurt, in weerwil van haars vaders smeeken, die,
in dezen uitersten nood, zelfs geld bood, om verlof te krijgen, dat ze
bij hem mocht blijven. "Ongeloovige heiden," antwoordde een van zijne
wachten, "als gij uwe rustplaats gezien hebt, zult gij niet begeeren,
dat uw dochter die met u deelt." En zonder verder dralen werd de oude
Jood met geweld in een andere richting dan de overige gevangenen
voortgesleept. De bedienden, na zorgvuldig doorzocht en ontwapend
te zijn, werden in een ander gedeelte van het kasteel opgesloten,
en men weigerde zelfs aan Rowena den troost, welken haar het bijzijn
van hare kamenier Elgitha zou verschaft hebben.

Het vertrek, waarin de Saksische opperhoofden opgesloten werden,--want
op hen vestigen wij eerst onze aandacht,--ofschoon het thans als
een soort van wachtkamer gebruikt werd, was vroeger de groote zaal
van het kasteel geweest. Het diende nu slechts tot minder gewichtige
doeleinden, omdat de tegenwoordige eigenaar onder andere bijvoegselen
voor het gemak, de veiligheid en de schoonheid van zijn vrijheerlijke
verblijfplaats, eene nieuwe schoone zaal gebouwd had, welker gewelfd
dak door lichtere en meer sierlijke pilaren ondersteund, en op
die wijze versierd werd, welke reeds bij de Normandische bouwkunst
gebruikelijk was.

Cedric stapte in de kamer op en neder, vol toornige overwegingen over
het verledene en het tegenwoordige, terwijl de onverschilligheid
van zijn makker aan dezen den zelfden dienst bewees als geduld en
wijsbegeerte, en was hij dus tegen alles gewapend, uitgezonderd tegen
de ongemakken van het oogenblik; en zelfs gevoelde hij deze laatsten
zoo weinig, dat hij slechts van tijd tot tijd tot een antwoord werd
genoopt door Cedric's driftige en hevige uitroepingen.

"Ja," zei Cedric, half tot zich zelven en half tot Athelstane
sprekende, "het was in deze zelfde zaal, dat mijn vader een
feestelijken maaltijd hield met Torquil Wolfganger, toen hij den
dapperen en ongelukkigen Harald onthaalde, die tegen de Noorwegers
optrok, welke zich met den oproerling Tosti vereenigd hadden.--Het was
in deze zaal, dat Harald zijn edelmoedig antwoord gaf aan den gezant
van zijn muitzieken broeder. Dikwijls zag ik mijn vader ontgloeien,
wanneer hij er van sprak. De gezant van Tosti werd toegelaten, terwijl
deze ruime zaal nauwelijks den drom van Saksische opperhoofden kon
bevatten, die zich, met hun vorst, op den bloedrooden wijn vergastten."

"Ik hoop," zei Athelstane, eenigszins opgewekt door de laatste woorden
van zijn vriend, "dat zij niet vergeten zullen om ons tegen den
middag wat wijn en ververschingen te zenden;--ons werd nauwelijks één
oogenblik voor het ontbijt vergund, en het eten bekomt mij nooit goed,
als ik zoo van het paard kom, ofschoon de geneesheeren dit aanbevelen."

Cedric vervolgde zijn verhaal, zonder op dezen inval van zijn vriend
te letten.

"De gezant van Tosti," zei hij, "ging door de zaal zonder te schrikken
over de gefronste gezichten van allen, die hem omringden, en boog
voor Haralds troon ter aarde."

""Welke voorwaarden, heer Koning," zei hij, "heeft uw broeder Tosti te
verwachten, zoo hij de wapenen nederlegt, en u om den vrede verzoekt?""

""De liefde eens broeders," riep de edelmoedige Harald, "en het
schoone graafschap Northumberland.""

""Maar zoo Tosti deze voorwaarden aanneemt," vervolgde de afgezant,
"welke landen zullen aangewezen worden aan zijn getrouwen bondgenoot,
Hardrada, Koning van Noorwegen?""

""Zeven voet Engelschen grond," antwoordde Harald opstuivende, "of,
daar men zegt, dat Hardrada een reus is, zullen wij hem mogelijk
twaalf duim meer geven.""

"De zaal weergalmde van gejuich, en beker en drinkhoorn werden er op
geledigd, dat de Noorweger weldra in het bezit mocht zijn van zijn
Engelsch grondgebied."

"Ik zou van ganscher harte mede gedronken hebben," zei Athelstane,
"want de tong kleeft mij aan het verhemelte."

"De verlegen gezant," ging Cedric voort, zijn verhaal met vuur
vervolgende, ofschoon het bij zijn toehoorder geene belangstelling
verwekte, "begaf zich op weg, om aan Tosti en zijn bondgenoot het
onheil voorspellende antwoord van zijn beleedigden broeder over te
brengen. Toen was het, dat de muren van Stamford en de bloedige stroom
van de Welland, in de voorspellingen beroemd, [21] dat verschrikkelijke
gevecht aanschouwden, in hetwelk èn de Koning van Noorwegen èn
Tosti sneuvelden, na onversaagden moed ten toon gespreid te hebben,
met tien duizend hunner dappere volgelingen. Wie zou gedacht hebben,
dat op den dag zelven van die stoute overwinning, dezelfde wind, in
welken de zegepralende Saksische banieren wapperden, de Normandische
zeilen vulde, en naar de noodlottige stranden van Sussex dreef?--Wie
zou gedacht hebben, dat Harald, binnen weinige dagen, zelf niet meer
van zijn koninkrijk zou bezitten, dan wat hij in zijn toorn, aan den
Noorweegschen overweldiger toegekend had?--Wie zou gedacht hebben, dat
gij, edele Athelstane, die uit Haralds bloed afstamt en dat ik, wiens
vader niet de geringste onder de verdedigers van den Saksischen troon
was, de gevangenen van een ellendigen Normandiër zouden worden, in
dezelfde zaal, waar onze voorouders een zoo groot feestgelag vierden?"

"Het is treurig genoeg," hernam Athelstane; "maar ik hoop, dat ze
ons voor een matig losgeld zullen vrijlaten.--Hoe het ook zij, het
kan toch nooit hun voornemen zijn ons zoo maar te laten doodhongeren;
en toch, schoon het reeds middag is, zie ik geene toebereidselen voor
het middagmaal.--Zie eens uit het venster, edele Cedric, en oordeel
naar de zonnestralen, of het niet bijna middag is."

"Het is wel mogelijk," antwoordde Cedric; "maar ik kan niet door deze
geverfde ruiten zien, zonder dat ze andere overdenkingen verwekken
dan die, welke het voorbijsnellend oogenblik, of onze ontberingen
betreffen. Toen dit venster gemaakt werd, edele vriend, kenden onze
kloeke vaders de kunst niet, om glas te vervaardigen, of om het
te verven.--Wolfgangers hoogmoedige vader deed een kunstenaar uit
Normandië komen, om zijn zaal met deze nieuwe soort van sieraden
op te schikken, welke het gouden licht van Gods gezegenden dag in
zoovele wonderlijke kleuren vertoonen. De vreemdeling kwam hier, arm,
bedelende, kruipende en onderdanig; gereed om het hoofd voor den
geringsten huisbediende te ontblooten. Trotsch en welvarend keerde
hij terug om aan zijne landgenooten den rijkdom en de eenvoudigheid
der Saksische edelen te beschrijven;--het was eene dwaasheid,
Athelstane, voorzien en voorspeld door die afstammelingen van
Hengist en van zijn geharden stam, welke de eenvoudigheid hunner
zeden bewaard hadden. Wij maakten deze vreemdelingen tot onze
boezemvrienden, tot onze vertrouwelingen; wij benijdden hen om hunne
kunsten en kunstenaars, en verachtten de eerlijke eenvoudigheid en
gehardheid, waardoor onze brave voorouders zich staande hielden,
en wij werden ontzenuwd door de Normandische kunsten, lang eer wij
vóór de Normandische wapens bezweken. Veel beter was onze matige
kost, in vrede en vrijheid genoten, dan de weelderige lekkernijen,
welke ons tot lijfeigenen van den vreemden veroveraar gemaakt hebben!"

"Ik zou voor het oogenblik de eenvoudigste kost voor eene lekkernij
houden," hernam Athelstane; "en het verwondert mij, edele Cedric,
dat gij u de oude daden zoo goed herinnert, terwijl gij het etensuur
schijnt te vergeten."

"Het is vergeefsche moeite," bromde Cedric ongeduldig ter zijde,
"van iets anders tegen hem te spreken, dan van hetgeen zijn eetlust
betreft! De ziel van Hardicanute is in hem gevaren, en hij kent
geen ander genoegen, dan te eten, te verslinden, en om meer te
roepen.--Helaas!" zei hij, Athelstane met medelijden beschouwende,
"wat is het jammer, dat een zoo stompe geest in een zoo schoon
lichaam huisvest! Ach! dat zulk eene onderneming, als de bevrijding
van Engeland, op zulk een steun rusten moet. Met Rowena gehuwd, zou
inderdaad haar edele en grootmoedige ziel de betere natuur, welke
in hem sluimert, opwekken. Maar hoe kan dit zijn, zoolang Rowena,
Athelstane en ik zelf de gevangenen zijn van dezen onbeschaamden
roover, en dat misschien alleen wegens het gevaar, hetwelk onze
vrijheid aan de overweldigers kon berokkenen?"

Terwijl de Sakser in deze smartelijke overwegingen verdiept was, ging
de deur van hunne gevangenis open en er trad een huishofmeester binnen,
met den witten staf van zijn ambt in de hand. Deze gewichtige man
trad in de kamer met deftige schreden, gevolgd door vier bedienden,
die een gedekte tafel binnenbrachten, welker gezicht en geuren voor
Athelstane een oogenblikkelijke vergoeding schenen voor het geleden
ongemak. De menschen, welke den maaltijd opdroegen, waren gemaskerd
en in mantels gehuld.

"Waartoe dient deze vermomming?" zei Cedric; "denkt gij, dat
wij niet weten, wiens gevangenen wij zijn, hier in het kasteel
van uw meester? Zegt hem," ging hij voort, van deze gelegenheid
gebruik makende, om een onderhandeling over zijn bevrijding aan te
knoopen,--"zegt aan uw meester, Reginald Front-de-Boeuf, dat wij
geene reden weten, waarom hij ons van onze vrijheid berooft, behalve
onwettige begeerte, om zich op onze kosten te verrijken. Zegt hem,
dat wij zijne roofzucht zullen bevredigen, evenals in zulk een geval,
die van een roover van beroep. Laat hem het losgeld voor onze vrijheid
noemen, en het zal uitbetaald worden, mits de eisch onze middelen
niet te boven ga."

De hofmeester gaf geen antwoord, maar boog diep. "En zegt aan Reginald
Front-de-Boeuf," zei Athelstane, "dat ik hem op leven en dood uitdaag,
te voet, of te paard, op de een of andere veilige plaats, binnen
acht dagen na onze bevrijding, en, zoo hij een echte ridder is, zal
hij deze uitdaging onder zulke omstandigheden niet durven weigeren
of uitstellen."

"Ik zal den ridder uw uitdaging overbrengen," antwoordde de hofmeester;
"intusschen laat ik u aan uw maaltijd over."

Athelstane's uitdaging werd niet met de grootste waardigheid geuit;
want een groote mondvol, die het gebruik van beide kakebeenen tegelijk
vorderde, gevoegd bij zijn stotteren, benadeelde aanmerkelijk de
deftigheid van zijn stoute woorden. Desniettemin hield Cedric ze voor
een onbetwistbaar teeken van den weder ontwakenden moed zijns makkers,
wiens vroegere onverschilligheid, in weerwil van de achting, welke hij
voor zijn afkomst koesterde, zijn geduld op een harde proef gesteld
had. Maar hij drukte hem nu hartelijk de hand, als een teeken van zijn
goedkeuring, en was eenigszins teleurgesteld toen Athelstane aanmerkte:
"Dat hij het met een dozijn van zulke menschen, als Front-de-Boeuf,
wilde opnemen, als hij daardoor zijn vertrek uit eene gevangenschap
kon bespoedigen, waar men zoo veel knoflook in de soep deed." Maar
in weerwil van dit voorteeken van den terugkeer zijner zinnelijkheid,
plaatste zich Cedric tegenover Athelstane, en toonde weldra, dat zoo
de rampen van zijn vaderland de gedachte aan te eten en drinken uit
zijn gemoed konden verdrijven, zoolang de tafel niet gedekt was,
de spijzen toch nauwelijks opgedragen konden zijn, zonder dat hij
bewees, dat de eetlust zijner Saksische voorouders met hun overige
hoedanigheden op hem overgegaan was.

De gevangenen hadden echter nog niet lang begonnen hun ververschingen
te nuttigen, toen hunne aandacht van deze uiterst gewichtige bezigheid
afgetrokken werd, door den klank van een horen buiten de poort. Het
geluid werd driemaal herhaald, met een geweld, alsof de uitverkoren
ridder voor een betooverd kasteel geblazen had, op wiens opeisching
zalen en torens, bolwerken en borstweringen zouden verdwijnen als een
morgen-nevel. De Saksers vlogen van de tafel op naar het venster. Maar
hun nieuwsgierigheid werd te leur gesteld; want deze vensters zagen
alleen op de plaats van het kasteel uit, en het horengeschal kwam van
buiten. Het geluid bleek echter de aandacht getrokken te hebben; want
er scheen oogenblikkelijk een groot gewoel in het kasteel te ontstaan.



TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.


            Mijn dochter,--o mijn dukaten, o mijn dochter!
                            O mijn christelijke dukaten!
            Het gerecht,--de wet,--mijn dukaten en mijn dochter!

                                                  Koopman van Venetië.


Aan de Saksische edelen het overlatende, tot hun maaltijd terug
te keeren, zoodra hunne onbevredigde nieuwsgierigheid duldde, dat
zij aan hun half verzadigden eetlust gehoor gaven, moeten wij een
blik werpen op de nog strengere gevangenschap van Izaäk van York. De
arme Jood was dadelijk in een keldergewelf van het kasteel geworpen,
waarvan de vloer diep onder den grond en zeer vochtig was, daar die
nog lager dan de gracht lag. Het weinige licht kwam uit een paar zeer
hoog geplaatste schietgaten, zoodat de gevangene er op verre na niet
bijkomen kon. Deze openingen verschaften zelfs op den middag slechts
een flauw schemerlicht, dat in duisternis overging, lang eer het
overige gedeelte van het kasteel den zegen van het daglicht verloren
had. Ketenen en boeien, welke vroegere gevangenen gedragen hadden,
wier pogingen tot ontvluchten men gevreesd had, hingen verroest aan
de muren der gevangenis; en in de ringen van één er van zag men twee
vermolmde beenderen, welke voorheen naar het scheen aan een mensch
behoord hadden, dien men niet alleen daar als gevangene had laten
omkomen, maar ook tot een geraamte laten vergaan. Aan het ééne einde
van dit akelig verblijf was een groot rooster, waarover eenige ijzeren
staven lagen, die half door den roest verteerd waren.

Het geheele voorkomen der gevangenis had een stouter hart, dan
dat van Izaäk, kunnen doen beven, die evenwel in het gevaar zelf
veel bedaarder was, dan hij geschenen had, zoolang hij door een
vrees gekweld werd, welker oorzaak nog verborgen en onzeker was. De
liefhebbers der jacht zeggen, dat de haas meer angst gevoelt onder
het vervolgen der windhonden, dan wanneer hij onder hunne klauwen
is. En dus is het waarschijnlijk, dat de Joden, door hun gedurige
schrik bij alle gelegenheden, eenigszins voorbereid waren op iedere
kwelling der dwingelandij, die op hen kon worden uitgeoefend;
zoodat geene verdrukking, die wezenlijk plaats vond, die verrassing
kon te weeg brengen, welke de meest verlammende uitwerking van
den schrik is. Ook was het niet voor de eerste maal, dat Izaäk in
zulk gevaar verkeerde. Hij bezat dus ervaring, om zich er naar te
gedragen, en de hoop, om evenals te voren, uit de handen der roovers
te ontsnappen. Vooral bezat hij die ontoegeeflijke hardnekkigheid
zijner natie, en dien onverzettelijken moed, met welken zij zich
dikwijls onderworpen heeft aan de uiterste rampen, welke macht en
geweld haar konden opleggen, eerder dan een Jood te kunnen dwingen
zijn onderdrukkers te voldoen, door in hun eischen toe te stemmen.

In deze gemoedsstemming dan, en met zijne kleederen onder zich
uitgespreid, om zijn leden tegen den vochtigen vloer te beschermen,
zat Izaäk in een hoek van zijne gevangenis, waar zijne gevouwen handen,
zijn loshangend haar en zijne lange baard, zijn met bont bezette mantel
en zijne hooge muts, in een flauw gebroken licht, eene studie voor
een Rembrandt zouden opgeleverd hebben, zoo die beroemde schilder in
dien tijd geleefd had. De Jood bleef omtrent drie uren onveranderd in
dezelfde houding, toen men voetstappen hoorde op de trap, die naar de
gevangenis leidde. De grendels kraakten, de hengsels knarsten bij het
openen, en Reginald Front-de-Boeuf trad in de gevangenis, door de twee
Saraceensche slaven des Tempeliers gevolgd. Front-de-Boeuf, een groot,
forsch mensch, die zijn leven in openlijken oorlog, of in bijzondere
veeten doorgebracht, en nooit eenige middelen geschuwd had, om zijne
willekeurige macht uit te breiden, had gelaatstrekken, die volkomen
met zijn karakter overeenstemden, en welke de woeste en boosaardige
driften zijner ziel uitdrukten. De litteekens, waarmede zijn gezicht
bedekt was, zouden bij beter gevormde trekken, de belangstelling
en den eerbied verwekt hebben, welke men verschuldigd is aan de
eervolle dapperheid; maar, in het bijzonder geval van Front-de-Boeuf,
vermeerderden zij slechts de woestheid van zijn gelaat, en de ijzing,
welke zijne tegenwoordigheid inboezemde. Deze schrikbarende edelman was
gekleed in een lederen wambuis, dat nauw om het lijf sloot, en hier en
daar door vlekken van zijn wapenrusting bezoedeld was. Hij droeg geen
wapen, behalve een dolk in den gordel, die als een tegenwicht diende
voor den bundel verroeste sleutels, welke aan zijne rechterzijde hing.

De zwarte slaven, welke Front-de-Boeuf vergezelden, hadden hun
prachtige kleeding afgelegd, en wambuizen en broeken van grof
linnen aangetrokken; hunne mouwen waren tot boven aan den elleboog
opgestroopt, gelijk die van slagers, als zij hun beroep in het
slachthuis willen verrichten. Ieder had een korfje in de hand en
toen zij in de gevangenis traden, bleven zij aan de deur staan tot
Front-de-Boeuf ze zelf zorgvuldig gegrendeld en dubbel gesloten
had. Na deze voorzorg genomen te hebben, ging hij langzaam door
het vertrek op den Jood toe, op wien hij zijn oog gevestigd hield,
alsof hij hem door zijn blik verlammen wilde, evenals men zegt, dat
zekere dieren hun prooi betooveren. Het scheen, inderdaad, alsof het
sombere, boosaardige oog van Front-de-Boeuf iets van die macht over
zijn ongelukkigen gevangene had. De Jood opende den mond en vestigde
de oogen op den woesten edelman met zulk een hevigen schrik, dat
zijn lichaam letterlijk scheen ineen te krimpen en te vergaan onder
dien vasten en ijselijken blik. De ongelukkige Jood was niet alleen
buiten machte, om op te staan, om de nederige buiging te maken, welke
zijne vrees hem voorschreef, maar hij kon niet eens de muts afnemen,
of eenig smeekend woord uitbrengen, zoo sterk was hij getroffen door
de overtuiging, dat pijniging en dood hem boven het hoofd hingen.

Van den anderen kant, scheen de reusachtige gestalte van den
Normandiër in grootte toe te nemen, gelijk die van een adelaar, die
zijn vederen opzet, als hij op het punt is, op zijn weerlooze prooi
neer te storten. Hij bleef drie pas van den hoek staan, waarin de arme
Jood nu, als het ware in de kleinst mogelijke ruimte gekropen was,
en gaf een teeken aan een der slaven om te naderen. De zwarte trawant
trad vóór, en uit zijn korfje een groote schaal en verscheidene
gewichten te voorschijn halende, legde hij ze voor de voeten van
Front-de-Boeuf neder, en begaf zich weder op den eerbiedigen afstand,
waar zijn makker was blijven staan. De bewegingen dezer mannen waren
langzaam en statig, alsof een voorgevoel van iets ijselijks en wreeds
hunne zielen drukte. Front-de-Boeuf opende zelf het tooneel, door
zijn rampzaligen gevangene aldus aan te spreken:

"Vervloekte hond, van een vervloekten stam," zei hij, met zijn diepe,
holle stem den somberen weerklank in het gewelf doende ontwaken;
"ziet gij deze schaal?"

De ongelukkige Jood beantwoordde dit met een zacht: "Ja."

"Op deze schaal," vervolgde de onbarmhartige edele, "zult gij
mij duizend pond zilver uitwegen, maat en gewicht van den _Tower_
van Londen."

"Heilige Abraham!" hernam de Jood, die nu woorden vond: "heeft men
ooit zulk een eisch gehoord? Wie heeft ooit, zelfs in een minnezangers
verhaal, van zulk een som, als duizend pond zilver gehoord? Welk een
menschelijk oog werd ooit gezegend met de aanschouwing van zulk een
schat! Zelfs binnen de muren van York, al haalt gij mijn huis en de
huizen van mijn geheelen stam omver, zult gij het tiende gedeelte
van de ongehoorde som zilver, waarvan gij spreekt, niet vinden."

"Ik ben redelijk," antwoordde Front-de-Boeuf, "en zoo het zilver
schaarsch is, weiger ik geen goud; één mark goud tegen zes pond
zilver gerekend. Daardoor kunt gij uw ongeloovig lichaam van eene
straf bevrijden, waarvan uwe ziel nooit eenig denkbeeld gehad heeft."

"Heb medelijden met mij, edele ridder!" riep Izaäk. "Ik ben oud,
arm en hulpeloos. Het ware onwaardig, over mij te zegepralen.--Het
is eene armzalige daad, een worm te verpletteren!"

"Oud moogt gij zijn," hernam de ridder, "te meer schande voor de
dwaasheid van hen, welke u bij woeker en schelmerij hebben laten
grijs worden.--Zwak moogt gij ook zijn, want wanneer had ooit een
Jood hart of hand?--Maar rijk zijt gij, dat is wel bekend!"

"Ik zweer u, edele ridder," hervatte de Jood, "bij alles, waaraan ik
geloof, en bij alles, waaraan wij gemeenschappelijk gelooven--"

"Word niet meineedig," zei de Normandiër, hem in de rede vallende,
"en haal u het ongeluk niet op den hals door uwe halsstarrigheid, vóór
dat gij het lot, hetwelk u te wachten staat, hebt leeren kennen, en
het wel overwogen hebt. Denk niet, dat ik alleen tegen u spreek, om u
schrik aan te jagen, en om gebruik te maken van de lage lafhartigheid,
welke gij van uw stam geërfd hebt.--Ik zweer u bij datgene, waaraan
gij niet gelooft, bij het Evangelie, hetwelk onze kerk verkondigt,
en bij de macht die haar gegeven is, om te binden en te ontbinden,
dat mijn voornemen vast en onwrikbaar is. Deze kerker is geene plaats
om er in te schertsen. Gevangenen, die tienduizendmaal meer waard
waren dan gij, zijn binnen deze muren omgekomen, zonder dat hun lot
ooit bekend is geworden. Maar voor u is een langzame kwijnende dood
bespaard, waartegen de hunne zaligheid was."

Hij gaf den slaven weder een teeken om te naderen, en sprak ter zijde
met hen in hun eigene taal; want hij was ook in Palestina geweest,
waar hij misschien zijne wreedheid geleerd had. De Saraceenen haalden
uit hun korf een menigte houtskolen, een blaasbalk, en een flesch
met olie te voorschijn. Terwijl de één vuur sloeg, legde de ander
de houtskool op den grooten verroesten rooster, waarvan wij reeds
gesproken hebben, en blies het vuur aan, tot de kolen gloeiden.

"Ziet gij, Izaäk," zei Front-de-Boeuf, "de rij ijzeren staven boven
die gloeiende houtskolen? [22] Op dat heete bed zult gij liggen,
van al uw kleederen ontbloot, alsof gij op een bed van dons moest
liggen. Één van deze slaven zal het vuur onder u aanhouden, terwijl de
andere uwe ellendige leden met olie zal begieten, opdat het gebraad
niet aanbrande.--Kies nu tusschen zulk een warm bed en het betalen
van duizend pond zilver; want, bij het hoofd mijns vaders, gij hebt
geen andere keuze."

"Het is onmogelijk," zei de ongelukkige Jood, "het is onmogelijk,
dat dit wezenlijk uw voornemen zou zijn! De algoede Vader der natuur
heeft nooit een hart geschapen, dat in staat was zulk eene wreedheid
te begaan."

"Vertrouw daar niet op, Izaäk," zei Front-de-Boeuf; "dat zou eene
noodlottige dwaling zijn. Denkt gij, dat ik, die eene stad heb zien
uitplunderen, in welke duizenden Christenen, mijn landslieden, door het
zwaard, vuur en water zijn omgekomen, van mijn voornemen zal afzien,
om het geschreeuw en gesteun van één ellendigen Jood?--Of meent gij,
dat deze zwarte slaven, die wet, noch vaderland, noch geweten kennen,
behalve huns meesters wil,--die, op zijn eersten wenk, vergif, dolk,
paal of koord gebruiken,--denkt gij, dat ze medelijden zullen hebben,
daar ze niet eens de taal verstaan, in welke gij er om smeekt?--Wees
verstandig, oude man, ontdoe u van een gedeelte van uw overtolligen
rijkdom, betaal in handen van een Christen een gedeelte van hetgeen gij
verworven hebt door den woeker, welken gij tegen zijne geloofsgenooten
uitgeoefend hebt. Uw list kan spoedig uwe ledige en ingekrompen beurs
weder vullen; maar geen arts en geene artsenij kan uw gebraden vel en
vleesch herstellen, als gij eens op deze staven gelegen hebt. Tel uw
losgeld maar neer, zeg ik, en verheug u, dat gij u tot zulk een prijs
uit een kerker kunt vrijkoopen, waaruit weinigen zijn teruggekeerd,
om de geheimen er van over te vertellen. Ik verspil geene woorden
meer;--kies tusschen geld en vleesch en bloed, en zooals gij
kiest,--zoo zal het zijn!"

"Dan mogen Abraham, Jakob en alle vaders van ons volk mij bijstaan,"
zei Izaäk; "ik kan geene keus doen, dewijl ik de middelen niet bezit,
om aan uw buitensporigen eisch te voldoen."

"Grijpt en ontkleedt hem, slaven!" riep de ridder. "En mogen de
vaderen van zijn stam hem bijstaan, zoo zij kunnen!"

De bedienden, zich meer naar de oogen en de wenken van hun heer, dan
naar zijne woorden richtende, traden andermaal voorwaarts, legden
de handen aan den ongelukkigen Izaäk, rukten hem van den grond op,
en hem tusschen zich houdende, wachtten zij op een verder teeken van
den hardvochtigen edelman. De ellendige Jood vestigde zijn oogen op
hun gelaat en op dat van Front-de-Boeuf, in de hoop van eenig teeken
van medelijden te bespeuren; maar het gelaat des Barons vertoonde
denzelfden kouden, half kwaadaardigen, half spottenden glimlach,
die de voorbode van zijne wreedheid geweest was; en de woeste oogen
der Saraceenen, somber onder hun zwarte wenkbrauwen rollende, en een
nog akeliger uitdrukking ontleenende aan de witheid van den kring
rondom den oogappel, gaven veeleer het geheim vermaak te kennen, dat
zij van het aanstaande tooneel verwachtten, dan eenigen tegenzin,
om daarbij deelgenooten en medehelpers te zijn. Hierop zag de Jood
naar den gloeienden rooster, waarop hij uitgestrekt zou worden,
en geen kans ziende, dat zijn pijniger toegeven zou, bezweek zijn moed.

"Ik zal de duizend pond zilver betalen," riep hij.--"Dat is," voegde
hij er na een oogenblik zwijgens bij, "ik zal ze betalen met behulp
mijner broeders, want ik moet als een bedelaar, aan de deur van onze
Synagoge smeeken, vóór dat ik een zoo ongehoorde som bijeen krijgen
kan.--Wanneer en waar moeten ze uitbetaald worden?"

"Hier," hernam Front-de-Boeuf, "hier moeten ze worden uitbetaald en
gewogen,--gewogen en uitgeteld op den vloer van dezen kerker. Denkt
gij, dat ik u zou loslaten, vóór dat het losgeld uitgekeerd is?"

"En wie zal mij borg zijn," zei de Jood, "dat ik in vrijheid zal
worden gesteld, als dit losgeld betaald is?"

"Het woord van een Normandischen edelman, woekerende slaaf," antwoordde
Front-de-Boeuf; "het woord van een Normandischen edelman, dat meer
waard is dan al het goud en zilver van u en van uw geheelen stam."

"Vergeef mij, edele heer," zei Izaäk vreesachtig; "maar waarom zou
ik geheel op het woord vertrouwen van iemand, die niet op het mijne
vertrouwen wil?"

"Omdat gij het niet laten kunt, Jood!" hernam de ridder
minachtend. "Zoo gij thans in uwe schatkamer te York waart, en ik
geld van u leenen wilde, dan zou het u passen, om den betaaltijd te
bepalen, en een onderpand te vragen. Dit is _mijn_ schatkamer. Hier
heb ik u in mijne macht, en ik zal mij niet weder verwaardigen,
de voorwaarden te herhalen, op welke ik u de vrijheid schenk."

De Jood zuchtte diep.--"Schenk mij ten minste," zei hij, "met mijn
vrijheid, ook die van mijn reisgezellen! Zij verachten mij, als Jood;
echter hadden zij medelijden met mijn ongeluk, en door zich op weg op
te houden, om mij te helpen, is hun gedeeltelijk deze ramp overkomen;
buitendien kunnen zij ook een gedeelte van mijn losgeld dragen."

"Zoo gij die Saksische boeren meent," zei Front-de-Boeuf, "hun losgeld
zal van andere voorwaarden afhangen. Bekommer u niet om de zaken van
anderen, Jood, ik waarschuw u, maar alleen om uw eigene."

"Ik zal dus," zei Izaäk, "alleen in vrijheid gesteld worden met mijn
gekwetsten vriend?"

"Moet ik een zoon van Israël tweemalen aanbevelen," hernam
Front-de-Boeuf, "om zich met zijne eigene zaken te bemoeien, en aan
anderen de hunne over te laten?--Daar gij uwe keus gedaan hebt, blijft
er niets over, dan dat gij uw losgeld binnen den kortst mogelijken
tijd bijeen brengt."

"Maar hoor mij aan," zei de Jood,--"om den wille van denzelfden
rijkdom, welken gij verwerven wilt ten koste van uw--" Hier bleef
hij steken, uit vrees van den woesten Normandiër te vertoornen. Maar
Front-de-Boeuf glimlachte slechts, en hij vulde zelf het ontbrekende
in des Joods gezegde aan.

"Ten koste van mijn geweten, wildet gij zeggen, Izaäk; zeg het maar
ronduit.--Ik zeg u, ik ben redelijk. Ik kan de verwijten van hem,
die verliest, verdragen, al zijn die ook van een Jood. Gij waart
zoo geduldig niet, Izaäk, toen gij het gerecht inriept tegen Jacques
Fitzdotterel, omdat hij u een onmeedoogenden woekeraar noemde, nadat
uwe afpersingen zijn vaderlijk erfgoed verslonden hadden."

"Ik zweer op den Talmud," hervatte de Jood, "dat men u in die zaak
verkeerd onderricht heeft. Fitzdotterel trok den dolk tegen mij in
mijn eigen kamer, omdat ik hem om mijn eigen geld vroeg. De tijd tot
betaling was op het Paaschfeest verschenen."

"Het is mij onverschillig, wat hij deed," zei Front-de-Boeuf; "de
vraag is, wanneer zal ik mijn loon krijgen? Wanneer zal ik mijn geld
hebben, Izaäk?"

"Laat mijn dochter Rebekka naar York gaan, met een vrijgeleide van u,
edele ridder," antwoordde Izaäk, "en zoo spoedig man en paard terug
keeren kan, zal u de schat--" hier slaakte hij een diepen zucht,
maar voegde er na een oogenblik zwijgens bij,--"zal u de schat hier
uitbetaald worden."

"Uw dochter!" zei Front-de-Boeuf, met een schijn van
verwondering.--"Bij den Hemel, Izaäk, ik wenschte, dat ik dit
geweten had. Ik dacht, dat het zwartoogige meisje uw bijzit was,
en gaf haar, als dienstbare, aan den ridder Brian de Bois-Guilbert,
naar de gewoonte van de aartsvaders en helden van den ouden tijd,
welke ons hierin met een goed voorbeeld zijn voorgegaan."

De gil, welken Izaäk bij deze ongevoelige mededeeling gaf, deed
het gewelf weergalmen, en verraste de twee Saraceenen zoo zeer,
dat zij den Jood loslieten. Hij maakte gebruik van deze vrijheid,
om zich neder te werpen, en Front-de-Boeuf's knieën te omvatten.

"Neem alles, wat gij geëischt hebt," riep hij. "Heer ridder;--neem
tienmaal meer;--breng mij tot den bedelstaf, zoo gij wilt;--doorboor
mij met dien dolk, leg mij op dien rooster, maar spaar mijn dochter,
laat haar in eer en deugd vertrekken!--Bij de moeder, welke u het
leven schonk, smeek ik u, spaar de eer van een hulpeloos meisje.--Zij
is het evenbeeld van mijne overledene Rachel; zij is het laatste
van zes panden harer liefde.--Wilt gij een ongelukkigen weduwnaar
van zijn eenigen overgebleven troost berooven?--Wilt gij een vader
dwingen, om te wenschen, dat zijn eenig in het leven gebleven kind,
naast haar moeder in het graf onzer vaderen lag?"

"Ik wilde," zei de Normandiër, een weinig aangedaan, "dat ik dit
vooraf geweten had. Ik meende, dat uw stam niets beminde, dan zijne
geldzakken?"

"Denk niet zoo slecht van ons," zei Izaäk, begeerig om van dit
oogenblik van schijnbare gevoeligheid gebruik te maken: "de vervolgde
vos, de gekwelde wilde kat beminnen hun kroost.--Het verachte en
vervolgde nageslacht van Abraham bemint ook zijne kinderen."

"Het is zoo," zei Front-de-Boeuf; "ik wil het in het vervolg gelooven,
Izaäk, om uwentwille;--maar dit baat ons nu niet. Ik kan niet weder
goed maken hetgeen geschied is, en hetgeen nog geschieden kan; ik heb
mijn wapenbroeder mijn woord gegeven, en ik zou het niet om tien Joden
en Jodinnen willen breken. Buitendien, waarom denkt gij, dat het meisje
kwaad zal overkomen, al valt zij zelfs in de handen van Bois-Guilbert?"

"Er zal, er moet haar kwaad overkomen!" riep Izaäk, de handen angstig
wringende. "Wanneer hebben de Tempeliers ooit iets anders bedacht
dan de wreedheid tegen mannen en oneer tegen vrouwen?"

"Ongeloovige hond!" riep Front-de-Boeuf, met vonkelende oogen, en
misschien niet ontevreden, dat hij een voorwendsel gevonden had,
om in drift te geraken: "Laster de heilige orde van den Tempel van
Sion niet; maar denk er liever aan mij het losgeld te betalen, dat
gij mij beloofd hebt, of wee u!"

"Roover en booswicht!" riep de Jood, de beleedigingen van zijn
onderdrukker met eene drift beantwoordende, welke, hoe onmachtig
ook, hij nu niet meer beteugelen kon. "Ik wil niets betalen;--geen
penning zal ik u geven, zoo mijne dochter in eer en deugd, mij niet
teruggegeven wordt."

"Zijt gij bij zinnen, Jood?" vroeg de Normandiër barsch.--"Is uw
vleesch en bloed bestand tegen heet ijzer en kokende olie?"

"Ik geef er niet om," zei de Jood, wanhopig geworden door vaderlijke
liefde; "doe het ergste! Mijne dochter is mijn vleesch en bloed,
duizendmaal dierbaarder voor mij dan het lichaam door uwe wreedheid
bedreigd. Ik wil u geen zilver geven, tenzij ik het u gesmolten in
de gierige keel kan gieten,--geen penning wil ik u geven, Nazarener,
al kon die u van de zware verdoemenis redden, welke uw geheel leven
verdiend heeft! Neem mijn leven, zoo gij wilt, en zeg, dat de Jood,
te midden zijner martelingen, den Christen wist te leur te stellen."

"Wij zullen dat eens zien," hernam Front-de-Boeuf, "want bij het
heilige kruis, dat de afschuw van uw vervloekten stam is, gij zult
het uiterste van vuur en staal gevoelen.--Ontkleedt hem, slaven,
en bindt hem op de ijzeren stangen."

In weerwil van den zwakken tegenstand van den grijsaard, hadden de
Saraceenen hem reeds de bovenkleederen afgescheurd, en wilden hem
geheel ontkleeden, toen de klank van een horen zich tweemaal buiten
het kasteel liet hooren, en zelfs tot in den kerker doordrong: en
onmiddellijk daarna, hoorde men stemmen, die om den ridder Reginald
Front-de-Boeuf riepen. Daar de woeste edelman niet gaarne in deze
helsche bezigheid wilde gevonden worden, gaf hij een teeken aan de
slaven, om aan Izaäk zijne kleederen terug te geven, en, de gevangenis
met zijn dienaars verlatende, liet hij den Jood achter, om God voor
zijn redding te danken, of om de gevangenschap zijner dochter, en haar
lot te beklagen, naarmate zijn persoonlijke of vaderlijke gevoelens
de overhand kregen.



DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.


                        Indien mijn vriendlijk woord niet baat,
                        Uw stuurschen zin niet om kan zetten,
                        Ik dwing tot liefde u als soldaat,
                        En min u strijdig met haar wetten.

                                        De twee Edelen van Verona.


De kamer, waarin de Jonkvrouw Rowena gebracht was, vertoonde eenige
ruwe versiering en opschik, en men kon hare opsluiting aldaar als
een bijzonder blijk van hoogachting beschouwen, die aan de overige
gevangenen niet bewezen werd. Maar de echtgenoote van Front-de-Boeuf,
voor wie het vertrek oorspronkelijk ingericht werd, was sedert lang
overleden, en verval en verwaarloozing hadden de weinige sieraden
verminkt, waarmede haar smaak de kamer opgesmukt had. Het behangsel
hing, op vele plaatsen, bij den muur neer, en op andere was het door
de kracht der zon verbleekt, of vergaan, of door ouderdom verscheurd
en verwoest. Hoe vervallen dan ook de kamer scheen, was het toch die,
welke men in het kasteel voor het gemak der Saksische erfdochter het
geschiktst geoordeeld had; en daar liet men haar, om over haar lot
na te denken, tot de handelende personen, in dit schandelijk bedrijf,
de verscheidene rollen verdeeld hadden, welke zij spelen zouden. Dit
was bepaald in een raad, gehouden door Front-de-Boeuf, De Bracy en
den Tempelier, in welken zij, na eene lange en driftige beraadslaging
over de verschillende voordeelen, welke ieder, voor zijn eigen aandeel,
uit deze stoute onderneming wilde trekken, ten laatste het lot hunner
ongelukkige gevangenen beslist hadden.

Het was dus omtrent den middag, toen De Bracy, door wien de onderneming
eigenlijk beraamd was, verscheen, om zijne plannen op de hand en de
goederen van Rowena door te zetten. Den tusschentijd had hij niet
geheel en al besteed, om te raadplegen met zijne bondgenooten; maar
hij had zich met al de pracht van die tijden opgesmukt. Zijn groen
wambuis en masker waren afgelegd. Zijn lang, schoon haar hing in zware
krullen over zijnen met rijk bont bezetten mantel. Zijn baard was
kort geschoren, zijn wambuis hing tot op het midden van zijn been,
en de gordel, welke het vasthield, en tegelijk zijn groot zwaard
droeg, was geborduurd en bezet met goud. Wij hebben reeds van de
buitensporige mode der schoenen van dien tijd gesproken, en de punten
van die van Maurice De Bracy konden aan de schoonsten van dien aard
den prijs betwisten, daar ze gedraaid en opgekruld waren als de horens
van een ram. Zoo was de kleeding van een hofjonker van dit tijdvak;
en in het tegenwoordige geval werd de uitwerking daarvan bevorderd
door het schoone voorkomen en de beschaafde manieren van den ridder,
wiens houding de bevalligheid van den hoveling met het ongedwongene
van den krijgsman vereenigde.

Hij groette Rowena, door zijn fluweelen _baret_ af te nemen, die met
een gouden speld versierd was, verbeeldende St. Michiel, den Satan
onder de voeten tredende. Hierna wees hij de dame vriendelijk een
stoel aan, en daar ze er geen gebruik van scheen te willen maken
trok de ridder den handschoen van de rechterhand uit, en bood
haar die aan, om haar naar den stoel te geleiden. Maar Rowena wees
zwijgend de aangebodene beleefdheid van de hand, en zei: "Zoo ik in
tegenwoordigheid van mijn bewaarder ben, heer ridder, zooals alle
omstandigheden mij overtuigen, dan betaamt het zijne gevangene te
blijven staan, tot ze haar vonnis vernomen heeft."

"Ach! schoone Rowena," hernam De Bracy, "gij zijt in tegenwoordigheid
van uw gevangene, en niet van uw bewaarder, en het is van uwe schoone
oogen, dat De Bracy dat vonnis moet ontvangen, hetwelk gij te vergeefs
van hem verwacht."

"Ik ken u niet, ridder,"--zei de Jonkvrouw, zich verheffende met al
de trotschheid van beleedigden rang en schoonheid;--"ik ken u niet;
en de onbeschaamde gemeenzaamheid, waarmede gij mij in de wartaal der
troubadours aanspreekt, is geene verontschuldiging voor het geweld
van den roover."

"Aan u zelve, schoone dame," antwoordde De Bracy op zijn vorigen
toon,--"aan uwe eigene bekoorlijkheden moet gij alles wijten, wat ik
strijdig gedaan heb met den eerbied jegens haar, die ik tot koningin
van mijn hart en leidstar van mijne oogen gekozen heb."

"Ik herhaal het, heer ridder, dat ik u niet ken, en dat geen man,
die ridderketen en sporen draagt, zich aldus bij eene weerlooze vrouw
moest opdringen."

"Dat ik onbekend bij u ben," zei De Bracy, "is inderdaad mijn ongeluk;
laat mij, evenwel, hopen, dat De Bracy's naam niet altijd ongenoemd is
gebleven, als minnezangers en herauten de heldendaden der ridderschap,
in het strijdperk en op het slagveld, geprezen hebben."

"Laat dan, heer ridder," hernam Rowena, "uw lof over aan de lofspraak
van herauten en minnezangers, daar die beter in hun mond past, dan in
den uwe, en zeg mij, wie van hen, in een gezang of toernooiboek, de
merkwaardige zegepraal van dezen nacht zal verhalen, een zegepraal, die
gij behaald hebt op een ouden man, vergezeld door eenige vreesachtige
dienstbaren, en waarvan de buit bestaat in een ongelukkig meisje, dat
men tegen wil en dank naar het kasteel van een roover gevoerd heeft."

"Gij zijt onbillijk, Jonkvrouw," zei de ridder, zich verlegen op de
lippen bijtende, en een toon aannemende, die hem natuurlijker was,
dan de gemaakte hoffelijkheid, die hij eerst gebruikt had; "daar gij
zelve door geen hartstocht bezield zijt, kunt gij de razernij van een
ander niet verontschuldigen, schoon die door uwe eigene schoonheid
veroorzaakt is."

"Ik bid u, heer ridder," hervatte Rowena, "niet voort te gaan met
een taal, die zoo afgesleten is door rondreizende minnezangers, dat
ze niet in den mond van ridders of edelen past. Waarlijk, gij dwingt
mij, te gaan zitten, daar gij zulke afgezaagde uitdrukkingen gebruikt,
waarvan ieder gemeene speelman een voorraad heeft, waarmede hij van
heden tot Kerstmis uitkomen kon."

"Hoogmoedige Jonkvrouw," zei De Bracy vertoornd, daar hij zag,
dat zijn hoogdravende stijl hem niets dan verachting op den hals
haalde;--"hoogmoedige Jonkvrouw, gij zult met gelijken hoogmoed
behandeld worden. Verneem dan, dat ik mijn aanzoek om uwe hand op
de meest met mijn karakter overeenstemmende wijze heb gedaan. Het
past beter voor uwe inborst met geweld gevrijd te worden, dan met
smeekende woorden en hoffelijke taal."

"Hoffelijke taal," hernam Rowena, "gebruikt om eene lage daad te
verbergen, is niets dan een riddergordel om het lichaam van een lagen
boer. Het verwondert mij niet, dat de terughouding u zwaar valt;--het
zou u meer tot eer verstrekken, zoo gij de kleeding en de taal van
een roover hadt behouden, dan diens daden onder eene aangenomen edele
taal en houding te verbergen."

"Gij geeft mij daar een goeden raad," zei De Bracy; "en in de stoute
taal, welke het best aan stoute daden betaamt, zeg ik u, dat gij
dit kasteel nooit anders zult verlaten, dan als de echtgenoote van
De Bracy. Ik ben niet gewoon, in mijne ondernemingen gedwarsboomd
te worden; en een Normandisch edelman behoeft niet eens zijn gedrag
angstig te rechtvaardigen voor het Saksische meisje, dat hij met het
aanbod zijner hand vereert. Gij zijt trotsch, Rowena; wel nu, des te
geschikter zijt gij, om mijne echtgenoote te worden. Door welk ander
middel, dan door eene verbintenis met mij, kunt gij tot hooge eer en
tot een vorstelijken stand verheven worden? Hoe wilt gij anders uit
de benauwde vertrekken van eene boerenwoning verlost worden, waar de
Saksers zich opsluiten met de zwijnen, welke hun rijkdom uitmaken,
om uw plaats in te nemen, geëerd zooals het betaamt, onder alles, wat
in Engeland door schoonheid uitmunt, of door macht verheerlijkt is?"

"Heer ridder," hernam Rowena, "de woning, welke gij veracht, is van
mijne kindsheid af mijne schuilplaats geweest; en geloof mij, als
ik ze verlaat,--zoo die dag ooit verschijnt,--dan zal het zijn met
een man, die niet geleerd heeft de woning en de zeden te verachten,
in welke ik opgevoed ben."

"Ik gis uwe meening, Jonkvrouw," zei De Bracy, "schoon ge u verbeelden
moogt, dat ze te diep ligt voor mijn begrip. Maar droom niet, dat
Richard Leeuwenhart ooit zijn troon weder zal bestijgen, noch veel
minder, dat zijn gunsteling, Wilfrid van Ivanhoe, u ooit naar den
voet van dien troon zal geleiden, om daar, als de bruid van des
Konings gunsteling, verwelkomd te worden. Een ander minnaar zou
jaloersch kunnen worden bij het aanraken van deze snaar; maar mijn
vast voornemen kan niet veranderd worden door een zoo kinderachtigen
en hopeloozen hartstocht. Verneem, Jonkvrouw, dat deze medeminnaar
in mijn macht is, en dat het alleen van mij afhangt, om het geheim
van zijne tegenwoordigheid in het kasteel Front-de-Boeuf te verraden,
wiens ijverzucht noodlottiger zou zijn, dan de mijne."

"Wilfrid hier?" zei Rowena met verachting. "Het is even waar als dat
Front-de-Boeuf zijn medeminnaar is."

De Bracy zag haar een oogenblik strak aan. "Waart gij hiervan werkelijk
onkundig?" zei hij. "Wist gij niet, dat hij in den draagstoel
van den Jood reisde?--Een schoon geleide voor den kruisvaarder,
wiens machtige arm het Heilig Graf moest veroveren!" voegde hij,
verachtelijk lachende, er bij.

"En al is hij hier," zei Rowena, met geveinsde onverschilligheid,
schoon sidderende met een angstig gevoel, dat zij niet kon
onderdrukken, "waarin zou hij Front-de-Boeufs mededinger zijn? Of
wat heeft hij te vreezen, behalve eene korte gevangenschap, en een
eervol losgeld, volgens het gebruik der ridderschap?"

"Rowena," hervatte De Bracy, "deelt gij ook in den gewonen waan
van uw geslacht, dat er geen andere naijver kan zijn, dan om uwe
bekoorlijkheden? Weet gij niet, dat er jaloezie is om eerzucht en
rijkdom, zoowel als om liefde; en dat onze gastheer Front-de-Boeuf
iedereen uit den weg zal ruimen, die zijn eisch op de schoone baronie
van Ivanhoe tegengaat, even gereedelijk en hartstochtelijk, en met even
weinig nauwgezetheid, alsof zijn mededinger hem door een blauwoogig
meisje werd voorgetrokken? Maar verhoor mijn aanzoek, Jonkvrouw, en
de gekwetste ridder zal niets te vreezen hebben van Front-de-Boeuf,
terwijl gij anders om hem treuren kunt, daar hij zich in de handen
van een man bevindt, die nog nooit medelijden getoond heeft."

"Red hem, om des Hemels wil!" riep Rowena, wier standvastigheid bezweek
onder den angst over het lot, dat haren minnaar boven het hoofd hing.

"Ik kan het,--ik wil het,--dit is mijn voornemen," hernam De Bracy:
"want, als Rowena er in toestemt, om De Bracy's bruid te worden,
wie zal dan de hand durven slaan aan haar bloedverwant,--den zoon van
haar voogd,--den speelmakker harer jeugd. Maar door uwe liefde moet
gij zijne bescherming koopen. Ik ben niet romantisch of gek genoeg,
om het geluk te bevorderen, of den dood af te wenden van een man,
die mij waarschijnlijk in mijne wenschen dwarsboomen zou. Gebruik
uw invloed op mij tot zijn voordeel, en hij is gered; weiger dit:
Wilfrid sterft, en gij zijt geen stap nader bij de vrijheid!"

"Uw taal," antwoordde Rowena, "heeft in haar onverschillige lompheid
iets, dat niet kan overeen gebracht worden met de ijselijkheden,
welke ze schijnt uit te drukken. Ik geloof niet, dat uw voornemen
zoo boosaardig, of uwe macht zoo groot is!"

"Vlei u dan maar met dit geloof," hervatte De Bracy, "tot de tijd zal
toonen, dat het valsch is. Uw minnaar ligt gewond in dit kasteel;--uw
begunstigde minnaar! Hij is een hinderpaal tusschen Front-de-Boeuf en
hetgeen bij hem hooger staat dan eerzucht of schoonheid. Het zou niet
meer kosten dan één dolksteek, of een stoot met een spies, om hem voor
altijd tot zwijgen te brengen. Stel zelfs, dat Front-de-Boeuf eene zoo
in het oog loopende misdaad niet durfde verrichten; laat de arts zijn
patient maar een verkeerd geneesmiddel geven;--laat de kamerdienaar,
of de oppasser, die hem bedient, hem slechts onzacht de peluw van
onder het hoofd rukken, en Wilfrid is, in zijn tegenwoordigen toestand,
zonder bloedstorting, uit den weg geruimd. Cedric ook--"

"En Cedric ook," zuchtte Rowena, zijne woorden herhalende; "mijn edele,
grootmoedige voogd! Ik verdien de ramp, die mij getroffen heeft,
daar ik zijn lot om dat van zijn zoon vergeten heb."

"Cedric's lot hangt ook van uw besluit af," zei De Bracy; "en ik
verlaat u, om er over na te denken."

Tot hiertoe had Rowena hare rol in deze beproeving met onverschrokken
moed volgehouden, maar alleen omdat zij het gevaar noch als ernstig,
noch als dringend beschouwde. Haar karakter was van natuur dat, hetwelk
de gelaatkundigen als eigenaardig aan blonde vrouwen toekennen; zacht,
vreesachtig en goedig; maar het was gewijzigd, en als het ware verhard
geworden, door de omstandigheden van hare opvoeding. Gewoon om den
wil van allen, zelfs van Cedric, die voor het overige vrij onbuigzaam
was jegens anderen, voor hare wenschen te zien onderdoen, had zij
die soort van moed en zelfvertrouwen verworven, welke voortspruit
uit de gedurige inschikkelijkheid der menschen, in wier kring wij ons
bewegen. Zij kon nauwelijks aan de mogelijkheid denken, dat men zich
tegen haar wil zou verzetten, veel minder, dat men er in het geheel
geen acht op zou slaan.

Haar trotschheid en hoogmoed waren dus slechts aangenomen
hoedanigheden, welke diegene, die haar aangeboren waren, verdrongen
hadden, en ze verlieten haar zoodra haar de oogen geopend werden voor
haar eigen gevaar en voor dat van haar minnaar en van haar voogd,
en zoodra zij bevond, dat haar wil, welken zij gewoon was geëerd en
opgevolgd te zien, aan dien van een sterk, trotsch en vast mannelijk
gemoed tegenover stond, dat bovendien de overmacht reeds bezat,
en besloten had er gebruik van te maken.

Nadat zij de oogen in het rond geslagen had, als om hulp te zoeken,
welke nergens te vinden was, en na eenige onsamenhangende uitroepingen,
hief zij de ineengeslagen handen ten hemel, en barstte uit in tranen
van onmatige droefheid en smart.

Het was onmogelijk zulk een schoon wezen in zooveel ellende te zien,
zonder medelijden te gevoelen, en De Bracy bleef niet onaangedaan,
ofschoon hij eerder verlegen dan verteederd werd. Hij was inderdaad te
ver gegaan, om weder terug te treden; en evenwel kon hij, in Rowena's
tegenwoordige gemoedsgesteldheid, noch met bewijsgronden, noch met
bedreigingen op haar werken. Hij liep in het vertrek heen en weer,
nu eens te vergeefs het verschrikte meisje vermanende, om te bedaren,
dan weder aarzelende ten opzichte van zijne eigene verdere houding.

"Zoo ik door de tranen en de smart van dit troostelooze meisje bewogen
werd," dacht hij, "wat zou ik anders inoogsten dan het verlies van de
schoone hoop, voor welke ik zooveel gewaagd heb, en de spotternijen van
Prins Jan en zijne lustige makkers? En toch," zei hij in zich zelven,
"gevoel ik mij slecht geschikt voor de rol, die ik speel. Ik kan dat
schoon gezicht, door smart ontsteld, en die in tranen zwemmende oogen
niet langer aanschouwen! Ik wilde, dat ze haar eerste trotschheid van
karakter behouden had, of dat ik meer van de onwrikbare hardvochtigheid
van Front-de-Boeuf bezat."

Verontrust door deze gedachten, kon hij niets anders doen, dan de
ongelukkige Rowena bidden zich te troosten, en haar verzekeren, dat ze
vooralsnog geene reden had tot de vlaag van wanhoop, waaraan zij zich
overgaf. Maar in deze taak van vertroosting werd De Bracy gestoord
door den horen, die "schor, ver en luid weergalmende" tegelijk de
overige bewoners van het kasteel verschrikt en de uitvoering van hun
verschillende plannen van geldzucht of losbandigheid gestoord had. De
Bracy was misschien van allen het minst over deze stoornis ontevreden;
want zijn gesprek met de Jonkvrouw Rowena was tot die hoogte gekomen,
dat hij het even moeielijk vond, zijne onderneming door te drijven,
als ze op te geven.

En hier oordeelen wij het niet onnoodig, eenige krachtiger bewijzen te
geven, dan de voorvallen van een verdicht verhaal om de waarheid van
het tafereel, dat wij van de bedorvenheid der zeden opgehangen hebben,
te staven. Het is een pijnlijke gedachte, dat die dappere baronnen,
aan wier wederstand tegen de kroon, Engeland zijn vrijheden te
danken heeft, zelven verschrikkelijke geweldenaars waren, in staat
tot buitensporigheden, strijdig niet alleen met de wetten van het
rijk, maar zelfs met die der natuur en der menschelijkheid. Maar,
helaas, wij behoeven slechts uit den vlijtigen Henry een dier talrijke
bladzijden af te schrijven, welke hij uit schrijvers van dien tijd
heeft verzameld, om te bewijzen, dat de verdichting zelve nauwelijks de
droevige wezenlijkheid der ijselijkheden van dit tijdvak kan evenaren.

De schilderij, welke de schrijver van de Saksische Kroniek ophangt van
de wreedheden onder de regeering van Koning Steven, uitgeoefend door
de groote baronnen en heeren van kasteelen, welke allen Normandiërs
waren, levert een sterk bewijs op van de buitensporigheden, waartoe
zij in staat waren, als hunne driften gaande gemaakt werden. "Zij
onderdrukten het arme volk geweldig, door het bouwen van kasteelen;
en als deze voltooid waren, bezetten zij ze met goddelooze mannen,
of liever duivels, welke alle mannen en vrouwen grepen, die zij
waanden eenig geld te bezitten, hen in de gevangenis wierpen, en
hun wreeder kwellingen aandeden, dan ooit de martelaars ondergaan
hebben. Sommigen deden zij stikken in de modder, anderen hingen zij
bij de voeten, het hoofd, of de duimen op, en staken vuur onder hen
aan. Zij bonden sommigen met touwen vol knoopen het hoofd, totdat zij
hun de hersens indrukten, terwijl zij anderen in kerkers wierpen, vol
slangen, adders en padden." [23] Maar het zou wreed zijn om den lezer
de straf op te leggen, het overige van deze beschrijving te doorlezen.

Als een ander voorbeeld van de bittere vruchten der verovering,
en misschien het sterkste, dat kan worden aangehaald, kunnen wij
melden, dat de Keizerin Mathilde, ofschoon een dochter van den Koning
van Schotland, en naderhand Koningin van Engeland en Keizerin van
Duitschland, de dochter, gemalin en moeder van Vorsten, verplicht
was, gedurende haar verblijf in Engeland, waar zij hare opvoeding
zou ontvangen, den sluier aan te nemen, als het eenige middel, om aan
de losbandige vervolgingen der Normandische edelen te ontkomen. Deze
verontschuldiging gebruikte zij voor een grooten raad van de Engelsche
geestelijkheid als de eenige reden, om welke zij het geestelijk gewaad
had aangenomen. De vergaderde geestelijkheid vergenoegde zich met deze
verschooning, steunende op de bekendheid der omstandigheden, waarop
ze gegrond was, en gaf dus eene ontwijfelbaar en allermerkwaardigst
getuigenis van het bestaan dier schandelijke losbandigheid, welke
die eeuw bevlekte. "Het was algemeen bekend," zeide zij, "dat, na de
verovering van Koning Willem, zijn Normandische volgelingen, trotsch
geworden door eene zoo groote overwinning, geen andere wet erkenden,
dan hun eigen, goddeloozen wil, en de overwonnen Saksers niet alleen
van land en goed beroofden, maar de eer hunner vrouwen en dochters
met de meest teugellooze ongebondenheid schonden; en van daar was
het de gewoonte van vrouwen en meisjes van adellijke familie, den
sluier aan te nemen, en in de kloosters eene schuilplaats te zoeken,
niet als geroepen door de stem van God, maar alleen om haar eer tegen
de toomelooze slechtheid der mannen te bewaren."

Zoodanig en zoo losbandig waren die tijden, volgens de openlijke
verklaring van de vergaderde geestelijkheid, zoo als Eadmer die
geboekt heeft; en wij behoeven er niets meer bij te voegen, om de
waarschijnlijkheid der tooneelen te rechtvaardigen, die wij reeds
beschreven hebben en nog beschrijven zullen, op het meer apocrief
gezag van het Wardour Handschrift.



VIER-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.


                Ik wil haar vrijen, zooals de leeuw zijn bruid.

                                                            Douglas.


Terwijl de door ons beschreven tooneelen in andere gedeelten van
het kasteel voorvielen, wachtte de Jodin Rebekka haar lot af, in een
verafgelegen en afgezonderden toren. Derwaarts werd zij gebracht door
twee van de vermomde roovers, en nadat zij in een klein vertrekje was
geschoven, bevond zij zich in de tegenwoordigheid van een oude vrouw,
die een Saksisch liedje neuriede, alsof zij de maat wilde houden bij
het draaien van haar spinnewiel. De oude vrouw verhief het hoofd
bij het binnenkomen van Rebekka, en gluurde naar de schoone Jodin
met dien boosaardigen nijd, waarmede de ouderdom en de leelijkheid,
gepaard met het ongeluk, gewoon zijn jeugd en schoonheid te beschouwen.

"Gij moet opstaan en van hier weggaan, oude," zei een der mannen;
"onze edele meester beveelt het. Gij moet deze kamer aan een schooner
overlaten."

"Ach," bromde de oude, "zoo worden mijne diensten beloond! Ik heb den
dag beleefd, dat alleen mijn woord den besten krijgsman onder u uit
den zadel en den dienst zou geworpen hebben; en nu moet ik op en weg,
op bevel van een stalknecht, zooals gij!"

"Goede vrouw Urfried," zei de andere, "houd u niet met redeneeren
op, maar sta op en pak u weg. Aan des meesters bevelen moet men
vlug gehoorzamen. Gij hebt uw dag gehad, oude dame, maar uwe zon is
reeds lang ondergegaan. Gij zijt nu het ware zinnebeeld van een oud
krijgspaard, dat men op de dorre heide jaagt;--gij hebt in uw tijd
ook doorgedraafd, maar nu is een langzame sukkelgang al wat voor u
is overgebleven. Kom, sukkel weg van hier!"

"Moge de booze u vervolgen!" riep de oude, "en het galgenveld uwe
begraafplaats zijn! moge de duivel Zernebock mij verscheuren, als
ik mijn kamertje verlaat, voor dat ik het vlas van mijn spinrokken
afgesponnen heb."

"Verantwoord dat bij onzen meester, oud spook," zei de man heengaande,
en Rebekka in het gezelschap van de oude latende, in wier bijzijn
men haar zoo tegen wil en dank gebracht had.

"Welke duivelsche daad hebben zij nu in den zin?" zei de oude heks,
in zichzelve brommende, terwijl zij van tijd tot tijd een slinkschen
en boosaardigen blik op Rebekka wierp; "maar het is gemakkelijk te
raden.--Glinsterende oogen, zwarte lokken, en een vel zoo wit als
papier, voordat de priester het met zijn zwarten inkt besmet.--Ach,
het is zoo gemakkelijk te raden, waarom zij haar naar dat eenzaam
torentje zenden, waaruit men het geschreeuw evenmin kan hooren, alsof
het van vijfhonderd vademen onder den grond kwam. Gij zult uilen tot
buren hebben, meisje, en hun gekras zal even ver als het uwe gehoord,
en even zooveel opgemerkt worden. Ook nog eene buitenlandsche,"
zei zij, de kleeding en den tulband van Rebekka opmerkend.--"Uit
welk land zijt gij?--Een Saraceensche? of een Egyptische?--Waarom
antwoordt gij niet?--Gij kunt weenen; kunt gij dan ook niet spreken?"

"Wees niet boos, moeder!" smeekte Rebekka.

"Gij behoeft geen woord meer te zeggen," hernam Urfried: "men kent
den vos aan zijn staart, en een Jodin aan hare spraak."

"Om Gods wil," zei Rebekka, "wat moet ik verwachten na het geweld,
waarmede men mij hierheen heeft gesleept? Is het mijn leven, dat
zij zoeken, om voor mijn godsdienst te boeten? Ik wil het gaarne
daarvoor opofferen."

"Uw leven, zottinnetje?" antwoordde de oude, "wat vermaak zouden
zij er in vinden, om u het leven te benemen?--Geloof mij, uw leven
is niet in het minste gevaar. U is dezelfde behandeling toegedacht,
die men eens goed genoeg rekende voor een edel Saksisch meisje. En
zal eene Jodin, zooals gij, morren, dat zij niet beter dan deze
behandeld wordt? Zie mij maar aan.--Ik was jong en tweemaal zoo
schoon als gij, toen Front-de-Boeuf, de vader van dezen Reginald,
en zijn Normandiërs dit kasteel bestormden. Mijn vader en zijne zeven
zonen verdedigden hun vaderlijk erf van verdieping tot verdieping, van
kamer tot kamer.--Er was geen vertrek, geen trap, die niet glibberig
was van hun bloed. Zij stierven:--zij stierven tot den laatsten man;
en nog eer hun lichamen koud waren, eer hun bloed opgedroogd was,
werd ik de buit en het verachte slachtoffer van den overwinnaar!"

"Is er geene hulp?--Zijn er geene middelen om te ontvluchten?" riep
Rebekka. "Rijkelijk, rijkelijk zou ik uw bijstand vergelden!"

"Denk daar niet aan," zei de oude; "uit deze plaats is er geen andere
uitweg, dan door de poorten des doods; en het wordt laat, zeer laat,"
voegde zij er bij, het grijze hoofd schuddende, "eer die zich voor
ons openen.--Het is echter een troost te denken, dat wij menschen op
aarde teruglaten, die even ellendig zijn als wij. Vaarwel, Jodin!--Jood
of Heiden, uw lot zou hetzelfde zijn; want gij hebt met menschen te
doen, die medelijden noch vrees kennen. Vaarwel, zeg ik. Mijn draad
is afgesponnen;--uwe taak moet eerst beginnen."

"Blijf! blijf! om Gods wil!" riep Rebekka; "Blijf, al is het ook om
mij te beschimpen en mij te vervloeken.--Uwe tegenwoordigheid is toch
nog eenige bescherming."

"De tegenwoordigheid van de Moeder Gods zou geene bescherming voor u
zijn!" antwoordde de oude. "Daar staat ze," op een ruw beeld van de
Heilige Maagd wijzende, "zie of zij het lot, dat u te wachten staat,
kan afwenden!"

Dit zeggende verliet zij de kamer, terwijl haar gelaat zich tot
een honenden lach vertrok, die nog leelijker was, dan haar gewone
boosaardige uitdrukking. Zij sloot de deur achter zich, en Rebekka
kon haar verwenschingen bij iedere schrede hooren, over de steilheid
van de toren-trap, welke zij langzaam en met moeite afklom.

Rebekka had nu een nog verschrikkelijker lot te duchten dan
Rowena; want welke waarschijnlijkheid was er, dat men zachtheid of
toegevendheid ten opzichte eener vrouw van haren onderdrukten stam
zou gebruiken, hoewel men den schijn daarvan ook nog tegenover een
Saksische erfdochter bewaarde? De Jodin had evenwel dit voordeel,
dat zij beter door de gewoonte van na te denken, en door natuurlijke
sterkte van geest was voorbereid, de gevaren tegemoet te zien,
waaraan zij blootgesteld was. Daar zij van haar teederste jaren
krachtig en opmerkzaam van aard was, hadden de pracht en de rijkdom,
welke haar vader binnen zijne muren ten toon spreidde of welke ze
in de huizen van andere vermogende Hebreërs zag, haar niet verblind
voor de onveiligheid, in welke zij die genoten. Even als Damocles bij
zijn beroemd gastmaal, zag Rebekka gedurig, midden onder die pracht,
het zwaard, dat aan een enkel haar boven het hoofd van haar volk
hing. Deze overwegingen hadden een karakter bezadigd en verstandig
gemaakt, dat, onder andere omstandigheden, trotsch, overmoedig en
eigenzinnig had kunnen worden.

Uit haars vaders voorbeeld en voorschriften had Rebekka geleerd zich
beleefd te gedragen jegens allen, die in hare nabijheid kwamen. Zij
kon, wel is waar, zijne overdrevene onderdanigheid niet navolgen,
omdat de laagheid van ziel en de aanhoudende vrees, door welke die
veroorzaakt werd, haar vreemd waren; maar zij gedroeg zich met eene
trotsche nederigheid, alsof ze zich onderwierp aan de ongelukkige
omstandigheden, waarin zij geplaatst was, als de dochter van een
verachten stam, terwijl zij in haar hart de bewustheid gevoelde,
dat zij door haar verdiensten het recht had, een hoogeren rang te
bekleeden, dan die naar welke de willekeurige dwinglandij van het
godsdienstig vooroordeel haar vergunde te streven.

Aldus voorbereid om rampen tegemoet te zien, had zij de noodige
standvastigheid verkregen, om te handelen. Haar toestand vorderde al
hare tegenwoordigheid van geest, en zij bereidde zich derhalve voor.

Haar eerste zorg was het vertrek te onderzoeken; maar dit leverde
weinig hoop op redding of bescherming. Het bevatte noch verborgen
uitgang, noch valdeur, en scheen, op de deur na, waardoor zij binnen
gekomen was, en welke het met het hoofdgebouw vereenigde, door den
ronden buitenmuur van het torentje omgeven te zijn. De deur had van
binnen slot noch grendel. Het eenige venster zag uit op een kleine
ruimte met eene borstwering, die Rebekka, op het eerste gezicht,
eenige hoop op redding gaf; maar zij bevond weldra, dat die in geene
verbinding stond met eenig ander gedeelte der vestingwerken, daar het
een soort van balkon was, door een muurtje met schietgaten versterkt,
waarop eenige boogschutters konden geplaatst worden, om het torentje
te verdedigen, en den muur aan dien kant van het kasteel te bestrijken.

Er was dus geen andere hoop, dan in lijdzamen moed, en in dat sterke
vertrouwen op den Hemel, hetwelk aan groote en edelmoedige karakters
eigen is. Hoe zonderling Rebekka de beloften der Heilige Schrift
aan het uitverkoren volk des Hemels ook had leeren uitleggen, zoo
dwaalde ze toch hierin niet, dat het tegenwoordige uur, het uur der
beproeving was, en dat zij vast geloofde, dat de kinderen van Sion
eens met de Heidenen tot het heil zouden geroepen worden. Intusschen
bleek uit alles, wat haar omgaf, dat hun tegenwoordige staat die
van straf en beproeving was, en dat het hun bijzondere plicht was
te lijden, zonder te zondigen. Aldus, gereed om zich te beschouwen
als het slachtoffer van het ongeluk, had Rebekka vroeg over haar
toestand leeren nadenken, en de gevaren tegemoet gezien, die haar
waarschijnlijk te wachten stonden.

De gevangene beefde evenwel, en verbleekte, toen zij een voetstap op
de trap hoorde, de deur van het torentje langzaam geopend werd, en een
groot man, gekleed als een dier bandieten, aan wie zij hun ongeluk
te wijten hadden, zachtjes binnentrad, en de deur achter zich toe
deed. Zijne muts, welke hij over het voorhoofd getrokken had, verborg
het bovenste gedeelte van zijn gelaat, en het overige er van was in
zijn mantel gehuld. In deze vermomming stond hij voor de verschrikte
gevangene, alsof hij bereid was tot de uitvoering eener daad, waarover
hij zich schaamde; maar hoezeer hem zijne kleeding ook als een schurk
kenmerkte, scheen hij toch verlegen te zijn, om te verklaren welk
oogmerk hem derwaarts gevoerd had; zoodat Rebekka, zich zelve geweld
aandoende, tijd had zijne verklaring te voorkomen. Zij had reeds
twee kostelijke armbanden en een halssnoer losgemaakt, die ze zich
haastte den gewaanden roover aan te bieden, natuurlijk besluitende,
dat, om zijne gunst te winnen, ze zijne hebzucht bevredigen moest.

"Neem dit, goede vriend," zei ze, "en wees om Gods wil barmhartig
jegens mij en mijn ouden vader! Deze sieraden zijn van groote
waarde, en toch zijn zij slechts eene kleinigheid bij wat wij u
zouden schenken, als gij ons vrij en ongeschonden uit dit kasteel
ontslaan wildet."

"Schoone bloem van Palestina," hernam de roover, "deze paarlen zijn
Oostersche; maar ze moeten in witheid voor uw tanden onderdoen,
de diamanten zijn schitterend, maar zij kunnen niet met uw oogen
wedijveren; en toen ik dit woeste beroep opvatte, heb ik eene gelofte
gedaan, aan de schoonheid den voorrang boven den rijkdom te geven."

"Doe u zelven dit ongelijk niet aan," zei Rebekka; "neem het
losgeld, en heb medelijden!--Voor goud kunt gij alles koopen;--ons te
mishandelen zou u alleen wroeging verschaffen. Mijn vader zal gaarne
uw overdrevenste wenschen bevredigen; en zoo ge verstandig wilt
handelen, kunt gij u met ons geld weder toegang tot de maatschappij
koopen, vergiffenis voor vorige misdaden verkrijgen, en buiten de
noodzakelijkheid geraken, om er nieuwe te begaan."

"Gij hebt goed gesproken," hervatte de roover in het Fransch, daar
hij het waarschijnlijk moeielijk vond, een gesprek in het Saksisch
vol te houden, dat Rebekka in die taal begonnen was; "maar weet,
schoone lelie van het dal Baca, dat uw vader reeds in handen is van
een machtigen alchymist, die het geheim kent, om zelfs de verroeste
staven van een gevangenis-haard in goud en zilver te veranderen. De
eerwaardige Izaäk is in handen van iemand, die hem alles afpersen zal,
wat hem dierbaar is, zonder mijn bijstand of uw smeeken er bij noodig
te hebben. Uw losgeld moet betaald worden door liefde en schoonheid,
en ik zal geene andere munt aannemen."

"Gij zijt geen roover," hernam Rebekka, in dezelfde taal, waarin
hij haar aansprak; "geen roover zou zulke aanbiedingen van de hand
gewezen hebben! Geen roover in dit land kent den tongval, in welken
gij gesproken hebt. Gij zijt geen roover, maar een Normandiër;
misschien edel van geboorte;--o, wees dat ook in uwe daden, en werp
dit schrikkelijke masker van misdaad en geweld af!"

"En gij, die zoo waar kunt gissen," zei Brian de Bois-Guilbert,
den mantel voor zijn gezicht weg doende, "zijt geene ware dochter
van Israël, maar in alles, behalve in jeugd en schoonheid, een echte
tooveres van Endor. Ik ben geen roover, schoone roos van Saron. Ik
ben een man, die uwe armen en hals eerder met paarlen en diamanten
behangen, dan u van deze sieraden berooven zal."

"Wat wilt gij dan van mij," vroeg Rebekka, "zoo het mijn rijkdom
niet is?--Wij kunnen niets met elkander gemeen hebben; gij zijt een
Christen, ik een Jodin. Onze vereeniging zou strijdig zijn met de
wetten van de Kerk zoowel als met die van de Synagoge."

"Dat zou ze wezenlijk zijn," hernam de Tempelier lachende; "eene
Jodin trouwen? _Despardieux!_--Neen, al was zij ook de Koningin van
Scheba. En verneem buitendien, schoone dochter van Sion, dat, al bood
de Allerchristelijkste Koning mij zijne allerchristelijkste dochter,
met Languedoc tot bruidschat aan, ik haar niet trouwen kon. Het is
tegen mijne gelofte, eenig meisje anders te beminnen, dan _par amours_,
zooals ik u bemin. Ik ben een Tempelier. Ziedaar het kruis van mijn
heilige orde."

"Durft gij u daarop beroepen," zei Rebekka, "bij eene gelegenheid
als deze?"

"En indien ik het doe," zei de Tempelier, "raakt het u niet; daar
gij niet gelooft aan het heilige teeken onzer verlossing."

"Ik geloof, hetgeen mijne vaders leerden," zei Rebekka, "en God moge
mij mijn geloof vergeven, zoo ik dwaal. Maar gij, heer ridder, wat
is uw geloof, als gij zonder schromen u beroept op hetgeen gij voor
het heiligste houdt, terwijl gij voornemens zijt, de plechtigste uwer
geloften als ridder en als geestelijke, te schenden?"

"Dat is stichtelijk en goed gepreekt, dochter van Sirach!" antwoordde
de Tempelier; "maar, schoone predikster, uwe bekrompen Joodsche
begrippen verblinden u voor onze hooge voorrechten. Het huwelijk
ware eene onvergeeflijke misdaad in een Tempelier: maar voor elke
mindere dwaling, die ik bega, zal ik gemakkelijk aflaat krijgen bij
de eerste vergadering van onze orde. Noch de wijste der koningen
noch zijn vader, wier voorbeelden gij natuurlijk bekennen moet ook
voor u waarde te hebben, eischten grootere voorrechten, dan wij arme
soldaten van den Tempel van Sion gewonnen hebben, door onzen ijver in
diens bescherming. De verdedigers van Salomo's Tempel kunnen vrijheden
vergen op voorbeeld van Salomo."

"Zoo gij de Schrift en het leven der heiligen alleen leest, om uwe
eigene losbandigheid en ongebondenheid te rechtvaardigen," zei de
Jodin, "dan evenaart uwe misdaad die van hem, die vergif haalt uit
de gezondste en meest onmisbare planten."

De oogen van den Tempelier vonkelden bij dit verwijt.--"Luister,"
zei hij, "Rebekka! ik heb tot dusver zacht met u gesproken; maar nu
zal ik de taal des overwinnaars gebruiken: Gij zijt mijne gevangene
door mijn boog en speer,--onderworpen aan mijn wil volgens het recht
van alle volken, en ik zal geen haar breedte van mijn recht afstaan,
noch mij ontzien, om met geweld dat te nemen, hetwelk gij aan mijn
verzoek, of aan de noodzakelijkheid weigert."

"Terug," riep Rebekka, "terug!--en hoor mij, voor dat gij eene zoo
doodelijke zonde begaat! Gij kunt, wel is waar, over mijne krachten
zegevieren, want God heeft de vrouw zwak gemaakt, en hare bescherming
aan de edelmoedigheid des mans toevertrouwd. Maar Tempelier, ik
zal uwe schanddaad van het eene einde van Europa tot het andere
uitbazuinen. Ik wil aan het bijgeloof uwer broederen te danken
hebben, wat hun medelijden mij zou weigeren. Iedere vergadering,
ieder kapittel van uw orde zal vernemen, dat gij, als ketter, met
eene Jodin gezondigd hebt. Zij, die niet voor uwe misdaad sidderen,
zullen u voor vervloekt houden, omdat gij het kruis, dat gij draagt,
onteerd hebt, door een dochter van mijn volk te volgen."

"Gij zijt sluw, Jodin," hernam de Tempelier, die de waarheid van
hetgeen zij zeide zeer goed gevoelde, en tevens wist, dat de regels
van zijne orde op de stelligste wijze, en onder zware straffen,
soortgelijke minnarijen verboden, en dat, in sommige gevallen, er
zelfs de verdrijving uit de orde op gevolgd was,--"ge zijt sluw;
maar uwe klachten moeten zeer luid zijn, zoo men ze buiten de dikke
muren van dit kasteel zal hooren; daar binnen verstommen klachten,
zuchten, het inroepen der gerechtigheid en hulpgeschreeuw. Slechts
één ding kan u redden, Rebekka! onderwerp u aan uw lot, omhels
onzen godsdienst, en gij zult in zulke pracht te voorschijn treden,
dat menige Normandische vrouw zoowel in weelde als in schoonheid zal
moeten onderdoen voor de begunstigde beminde van den dappersten ridder
onder de verdedigers van den Tempel."

"Mij aan mijn lot onderwerpen!" riep Rebekka,--"Heilige Hemel! aan
welk lot? uw godsdienst omhelzen!.... en welke godsdienst kan het zijn,
dien zulk een booswicht in zijn hart koestert?--Gij, de dapperste der
Tempeliers!--Valsche ridder!--Meineedige Priester! Ik veracht u,--ik
trotseer u!--De God van Abraham heeft één uitweg voor Zijn dochter
geopend,--zelfs uit dezen doolhof van schande!"

Dit zeggende, smeet zij het tralievenster open, dat naar de
borstwering leidde, en een oogenblik daarna stond zij op den rand van
de borstwering, zonder iets tusschen haar en de verschrikkelijke diepte
beneden te hebben. Onvoorbereid op zulk eene wanhopige poging, daar
zij tot hiertoe volkomen onbeweeglijk gestaan had, vond Bois-Guilbert
den tijd niet om haar te voorkomen, of haar tegen te houden. Zoodra
hij voorwaarts wilde treden, riep zij: "Blijf waar gij zijt, trotsche
Tempelier,--of nader, zoo gij verkiest!--één stap slechts, en ik stort
mij in den afgrond; mijn lichaam zal verpletterd en onkenbaar worden,
eer het aan uwe misdadige begeerten opgeofferd wordt!"

Dit zeggende, vouwde zij de handen, en hief ze ten hemel, als
om genade voor hare ziel te smeeken, eer zij den laatsten sprong
deed. De Tempelier aarzelde, en zijne standvastigheid, die nooit voor
medelijden of ellende geweken was, bezweek nu onder de bewondering
van haar moed. "Kom naar beneden," riep hij, "vermetele!--Ik zweer
bij aarde, zee en hemel, u niet het minste geweld aan te doen!"

"Ik vertrouw u niet, Tempelier," antwoordde Rebekka; "gij hebt mij
reeds geleerd, hoe ik de deugden uwer orde moet eerbiedigen. Het
eerste kapittel zou u aflaat schenken van een eed, die slechts de
eer of schande van een ellendig Jodenmeisje betrof."

"Gij zijt onrechtvaardig," hernam de Tempelier; "ik zweer u bij den
naam, welken ik draag,--bij het kruis op mijn borst,--bij het zwaard
aan mijn zijde, bij het aloude wapen mijner voorvaderen, u niet het
minste leed aan te doen. Zoo niet om uwentwille, dan ter liefde van
uw vader, wees bedaard! Ik wil zijn vriend zijn, en in dit kasteel
heeft hij zeker een machtigen vriend noodig."

"Helaas!" zei Rebekka, "dat weet ik maar al te goed;--maar kan ik
u vertrouwen?"

"Moge mijn wapen geschandvlekt, en mijn naam onteerd worden," zei
Brian de Bois-Guilbert, "zoo gij reden hebt, over mij te klagen. Menige
wet, menig gebod heb ik overtreden, maar mijn woord heb ik nog nooit
geschonden."

"Ik zal u dan vertrouwen," hervatte Rebekka, "tot zoo verre;" en
zij trad van den rand der borstwering af, maar bleef dicht bij een
der schietgaten of _machicolles_, zooals ze toen genoemd werden,
staan.--"Hier," zei ze, "zal ik blijven. Blijf ook waar gij zijt,
en zoo gij tracht, den afstand tusschen ons één stap te verminderen,
zult gij zien, dat het Jodenmeisje eerder haar ziel aan God, dan haar
eer aan den Tempelier zal toevertrouwen."

Terwijl Rebekka aldus sprak, gaf haar stout en vast besluit, dat zoo
goed strookte met de gebiedende schoonheid van haar gelaat, aan haar
blikken, houding en gebaren eene waardigheid, die bovenmenschelijk
scheen. Haar blik verflauwde niet, haar wang verbleekte niet door
vrees voor het ijselijk lot, hetwelk haar boven het hoofd hing;
integendeel, verleende de gedachte, dat zij haar lot in handen had,
en de schande door den dood ontgaan kon, een nog hooger rood aan haar
wangen, en een nog schitterender vuur aan hare oogen. Bois-Guilbert,
die zelf trotsch en hooghartig was, meende nooit een zoo levendige
en gebiedende schoonheid gezien te hebben.

"Laten wij vrede met elkander sluiten, Rebekka!" zei hij.

"Vrede, zoo gij wilt," antwoordde ze, "vrede, maar met dezen afstand
tusschen ons."

"Gij behoeft mij niet meer te vreezen!" zei Bois-Guilbert.

"Ik vrees u niet," hervatte zij; "dank zij hem, die dezen trotschen
toren zoo hoog heeft gebouwd, dat er niemand af kan vallen, en in het
leven blijven;--dank zij hem en den God van Israël,--ik vrees u niet!"

"Gij doet mij onrecht," zei de Tempelier; "bij aarde, zee en hemel,
gij doet mij onrecht! Ik ben niet zooals gij mij gezien hebt; hard,
baatzuchtig en onmeêdoogend. Eene vrouw was het, die mij wreedheid
leerde, en tegen de vrouwen heb ik die ook uitgeoefend; maar niet
tegen zulke vrouwen als gij zijt. Hoor mij aan, Rebekka.--Nooit heeft
een ridder de lans in de hand genomen, met een hart meer toegedaan
aan de dame zijner liefde, dan Bois-Guilbert. Zij,--dochter van een
geringen edelman, die op geen andere goederen kon roemen, dan op een
vervallen toren, een slechten wijngaard, en eenige bunders van de
woeste landen om Bordeaux,--zij was bekend overal, waar wapenfeiten
verricht werden, verder bekend, dan menige dame, die een graafschap
tot bruidschat medebracht.--Ja," ging hij voort, op de kleine opene
ruimte op- en neergaande, met een drift, in welke hij alle bewustheid
van Rebekka's tegenwoordigheid scheen te verliezen.--"Ja, mijne daden,
mijne gevaren, mijn bloed maakten den naam van Adelaïde De Montemare
bekend, van het hof van Castilië tot aan dat van Byzantium. En
hoe werd ik beloond?--Toen ik met mijne duur verkregen eer, met
moeite en bloed gekocht, terugkeerde, vond ik haar gehuwd met een
Gasconjer, wiens naam nooit gehoord was buiten de grenzen van zijn
eigen armzalig gebied! Ik beminde haar oprecht, en bitter wreekte
ik mij wegens hare geschondene trouw! Maar mijne wraak is op mij
zelven teruggevallen. Sedert dien dag heb ik mij losgescheurd van
het leven en zijne banden.--Mijn mannelijke leeftijd mag geen eigen
haard kennen,--mag door geene liefderijke vrouw gelukkig gemaakt
worden.--Mijn ouderdom zal geene koesterende schuilplaats vinden.--Mijn
graf moet eenzaam zijn, en mij mogen geene nakomelingen overleven, om
den alouden naam van Bois-Guilbert te dragen. Aan de voeten van mijn
bevelhebber heb ik het recht, om zelf te handelen,--het voorrecht der
onafhankelijkheid,--neêrgelegd. De Tempelier, een lijfeigene in alles,
behalve den naam, kan land noch goed bezitten, en leeft, beweegt zich,
en ademt alleen volgens den wil en het goedvinden van een ander."

"Helaas," zei Rebekka, "welke voordeelen konden tegen zulk een
opoffering opwegen?"

"De macht tot wraak, Rebekka!" hernam de Tempelier, "en de
vooruitzichten der eerzucht."

"Eene slechte vergoeding," hervatte Rebekka, "voor het afstaan van
al die rechten, welke der menschheid het dierbaarste zijn."

"Zeg dat niet, meisje!" antwoordde de Tempelier; "de wraak is een
feest voor de Goden! En als zij, zooals de priesters ons zeggen,
zich die voorbehouden hebben, dan is het, omdat zij ze voor een te
kostbaar genot voor bloote stervelingen houden. En de eerzucht? Zij
is een verzoeking, welke de zaligheid des hemels zelve kon doen
vergeten."--Hij hield een oogenblik op, en daarop voegde hij er bij:
"Rebekka! zij die den dood boven de schande kon verkiezen, moet eene
trotsche en krachtige ziel bezitten. De mijne moet gij worden!--Neen,
schrik niet," vervolgde hij: "het moet met uwe eigene toestemming,
en op uwe eigene voorwaarden zijn. Gij moet er in bewilligen,
een vooruitzicht met mij te deelen, uitgebreider dan men het op den
troon van een vorst kan hebben. Hoor mij, eer gij antwoordt, oordeel,
eer gij weigert! De Tempelier verliest, zooals gij gezegd hebt, zijne
maatschappelijke rechten, de macht om vrij te handelen; maar hij wordt
lid en onderdeel van een machtig lichaam, voor hetwelk de tronen reeds
sidderen;--evenals de enkele regendroppel, welke met de zee vermengd
wordt, een deel wordt van dien onweêrstaanbaren oceaan, welke rotsen
ondermijnt, en koninklijke vloten vernietigt. Zulk een wassende vloed
is ons sterk verbond. Van deze machtige orde ben ik geen gering lid,
maar reeds een der hoofdaanvoerders, en kan er wel naar dingen, om eens
den staf van Grootmeester te voeren. De arme krijgslieden des Tempels
zullen niet alleen hun voet op de nekken der Koningen zetten,--een
ellendige monnik vermag dat ook. Maar onze geharnaste voet zal hunnen
troon beklimmen, onze ijzeren handschoen zal den schepter uit hunne
handen rukken. De regeering van uw te vergeefs verwachten Messias
biedt uw verstrooide stammen geen zoodanige macht aan, als die, naar
welke mijn eerzucht streven kan. Ik had slechts een met mij verwanten
geest gezocht, om ze met mij te deelen, en ik heb u gevonden!"

"Zegt gij dit aan iemand van mijn volk?" antwoordde Rebekka. "Bedenk--"

"Antwoord mij niet," hernam de Tempelier, "met het verschil van ons
geloof aan te halen; in onze geheime conciliën spotten wij met deze
kinderverhalen. Denk niet, dat wij lang blind gebleven zijn voor de
dolzinnige dwaasheid van onze stichters, die alle genoegens van het
leven afzwoeren voor het genot, om als martelaars van honger of dorst,
door de pest, of de zwaarden der wilden te sterven, terwijl zij te
vergeefs trachtten, een dorre woestijn te verdedigen, die alleen
waarde heeft in het oog van het bijgeloof. Onze orde smeedde spoedig
stoutere en grootere ontwerpen, en vond eene betere schadeloosstelling
voor onze opofferingen. Onze onmetelijke bezittingen in ieder rijk
van Europa, onze groote krijgsroem, welke de bloem der ridderschap
uit alle christelijke landen in onzen kring brengt,--deze zijn tot
doeleinden bestemd, waarvan onze vrome stichters niet droomden,
en welke evenzeer verborgen gehouden worden voor die zwakke geesten,
welke onze orde wegens hare oude beginselen omhelzen, en wier bijgeloof
hen tot onze geduldige werktuigen maakt. Maar ik mag den sluier van
onze geheimen niet verder oplichten. Dat horengeschal verkondigt iets,
hetwelk misschien mijne tegenwoordigheid vereischt. Denk aan hetgeen ik
u gezegd heb. Vaarwel!--Ik zeg niet, vergeef mij het geweld, waarmede
ik u bedreigd heb, want dat was noodzakelijk, om uw karakter te doen
kennen. Men kan het goud alleen erkennen, door het op den toetssteen
te leggen. Ik zal spoedig terugkomen en verder met u spreken."

Hij ging terug in het torenkamertje, en de trap af, Rebekka verlatende,
die nauwelijks meer verschrikt was door het vooruitzicht van den dood,
waaraan zij zoo kort te voren was blootgesteld geweest, dan door de
woedende eerzucht van den stouten en slechten man, in wiens macht
ze zich zoo ongelukkig bevond. Toen ze in de torenkamer trad, was
haar eerste werk, den God van Jakob te danken voor de bescherming,
welke Hij haar verleend had, en om die bij voortduring voor haar en
haar vader af te smeeken. Een andere naam sloop in haar gebed;--het
was die van den gewonden Christen, dien het lot in de handen van
bloeddorstige menschen, zijne doodvijanden, geleverd had. Haar
hart verweet haar wel is waar, dat zij zelfs in het gebed tot den
Almachtige de herinnering aan een man mengde, met wiens lot het hare
in geene gemeenschap kon komen;--van een Nazarener en een vijand van
haar geloof; maar de bede was reeds gedaan, en zelfs alle bekrompen
vooroordeelen van haar godsdienst konden Rebekka niet overhalen,
om te wenschen, dat het niet gebeurd ware.



VIJF-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.


                  Een zoo vervloekt lastige hand om te lezen,
                als ik ooit van mijn leven gezien heb!

                                                        Goldsmith.


De Tempelier ging naar de zaal van het kasteel terug en vond De Bracy
reeds daar aanwezig. "Uwe vrijerij," zei deze, "is waarschijnlijk,
evenals de mijne, door dit luidruchtige trompetgeschal gestoord. Maar
gij zijt later en met meer tegenzin gekomen, en dus veronderstel ik,
dat uwe ontvangst gunstiger is geweest, dan de mijne."

"Is uw aanzoek bij de Saksische erfdochter vruchteloos geweest?" vroeg
de Tempelier.

"Bij het gebeente van Thomas-à-Becket," antwoordde De Bracy,
"Rowena moet gehoord hebben, dat ik het gezicht van vrouwentranen
niet verdragen kan."

"Kom!" zei de Tempelier; "gij, de aanvoerder van eene vrij-bende,
stoort u aan de tranen eener vrouw! Eenige droppels, op de liefdetoorts
gesprengd, doen de vlam des te feller branden."

"Grooten dank voor eenige droppels," hernam De Bracy; "maar dit
meisje heeft genoeg geweend, om het licht van een vuurbaak uit te
blusschen. Nooit is er zulk een handenwringen en tranenvloed geweest
sedert de dagen van St. Niobe, [24] waarvan Prior Aymer ons verteld
heeft. Een watergeest is in de Saksische schoone gevaren."

"De Jodin is door een legioen booze geesten bezield," hervatte de
Tempelier; "want ik geloof niet, dat één enkele, al ware het Apollyon
[25] in eigen persoon, zulken ontembaren hoogmoed en standvastigheid
kon inboezemen. Maar waar is Front-de-Boeuf? Dit horengeschal doet
zich hoe langer hoe harder vernemen!"

"Hij onderhandelt met den Jood, denk ik," hernam De Bracy
onverschillig; "waarschijnlijk heeft het gehuil van Izaäk den klank
van den horen verdoofd. Gij zult bij ondervinding weten, ridder Brian,
dat een Jood, die zijn geld af moet staan op voorwaarden, zooals onze
vriend Front-de-Boeuf vermoedelijk voorschrijft, een geschreeuw zal
maken, luid genoeg om boven twintig horens en trompetten uit gehoord
te worden. Maar wij zullen hem laten roepen."

Een oogenblik daarna kwam Front-de-Boeuf, die in zijne onmenschelijke
wreedheid op de reeds verhaalde wijze gestoord was, en zich slechts
met het geven van eenige noodige bevelen had opgehouden.

"Laat ons zien wat de oorzaak is van dit vervloekt geraas," zei
Front-de-Boeuf; "hier is een brief, en zoo ik mij niet vergis, dan
is die in het Saksisch geschreven."

Hij bekeek dien van alle kanten, alsof hij wezenlijk eenige hoop had
den inhoud te zullen raden door het papier rond te draaien, en daarop
overhandigde hij den brief aan De Bracy.

"Het kan wel een tooverbrief zijn, wat weet ik er van," zei De Bracy,
die zijne volle maat bezat van de onkunde, welke de ridders van dit
tijdperk onderscheidde. "Onze Kapelaan heeft beproefd mij schrijven
te leeren," vervolgde hij, "maar al mijne letters kregen den vorm
van lanspunten en zwaard-klingen, en dus gaf de oude kaalkop het op."

"Geef mij den brief," zei de Tempelier. "Dit hebben wij van den
priesterstand gekregen, dat wij eenige kennis bezitten, om onzen moed
voor te lichten."

"Laten wij dan gebruik maken van uwe eerbiedwaardige kennis," zei De
Bracy; "wat zegt de brief?"

"Het is een plechtige uitdaging," antwoordde de Tempelier; "maar,
bij de Heilige Maagd, als het geen zotte scherts is, dan is het
de zonderlingste uitdaging, die ooit over de ophaalbrug van een
ridderkasteel gezonden is."

"Scherts!" zei Front-de-Boeuf; "Ik wilde wel eens weten, wie in zulk
een zaak met mij zou durven schertsen!--Lees op, Ridder Brian!"

De Tempelier begon aldus te lezen: "Ik, Wamba, de zoon van Weetniet,
hofnar van een edel en vrijgeboren man, Cedric van Rotherwood,
bijgenaamd, de Sakser,--en ik, Gurth, de zoon van Beowolf,
zwijnenhoeder--"

"Gij zijt waanzinnig geworden," zei Front-de-Boeuf, den lezer in de
rede vallende.

"Bij St. Lucas, het staat er," antwoordde de Tempelier. Hierop
zijne taak hervattende, vervolgde hij: "Ik, Gurth, de zoon van
Beowolf, zwijnenhoeder van genoemden Cedric, ondersteund door
onze bondgenooten, die gemeene zaak met ons in dezen strijd maken,
zijnde deze bondgenooten, de dappere ridder, voor het tegenwoordige
_Le Noir Fainéant_ genoemd en de geduchte boogschutter Robert
Locksley, Tref-het-wit genoemd, doen u, Reginald Front-de-Boeuf,
en uw bondgenooten en medeplichtigen, wie het ook zijn, weten, dat,
daar gij, zonder aanleidende oorzaak of verklaarden oorlog, u van den
persoon van onzen heer en meester, genoemden Cedric, tegen recht en
billijkheid en door list hebt meester gemaakt; alsook van de persoon
van eene edele en vrijgeborene Jonkvrouw, de Jonkvrouwe Rowena van
Hargottstandstede, alsook van den persoon van een edel en vrijgeboren
man, Athelstane van Coningsburgh; alsook van de personen van zekere
vrijgeboren mannen, hun knechts, alsook van zekere mannen, hun geboren
lijfeigenen, alsook van een zekeren Jood, genaamd Izaäk van York, te
gelijk met zijne dochter, eene Jodin, en zekere paarden en muilezels:
welke edele personen, met hunne knechts en lijfeigenen, en ook met
de paarden en muilezels, den Jood en de Jodin, hierboven genoemd,
allen in vrede waren met Zijne Majesteit, en als getrouwe onderdanen
op des Konings heirwegen reisden; daarom eischen en vergen wij, dat
genoemde edele personen, namelijk, Cedric van Rotherwood, Rowena van
Hargottstandstede, Athelstane van Coningsburgh, met hunne bedienden,
knechts, en gevolg, alsook de paarden en muilezels, de Jood en de
Jodin, hierboven genoemd, te gader met alle have en goed, dat hun
toekomt, een uur na de overgifte dezes aan ons overgegeven worden,
of aan hen, die wij zullen benoemen om hen te ontvangen, ongedeerd en
ongeschonden in lichaam en goederen. Bij gebreke van dien, verklaren
wij u, dat wij u houden voor roovers en verraders, en dat wij onze
lichamen tegen u in den slag, bij de belegering, of anders zullen
wagen, en ons best doen tot uwe vernieling en ondergang. Inmiddels
moge God u in Zijne hoede en bescherming nemen!--Door ons geteekend
op den avond voor St. Witholds dag, onder den ouden eik in de laan
van Hart-hill; het bovenstaande geschreven zijnde door een heilig
man, een dienaar van God, van de Heilige Maagd, en St. Dunstan,
in de kapel van Copmanshurst."

Onder dit geschrift bevond zich vooreerst een ruwe schets van een
hanekop en kam, met een opschrift, hetwelk verklaarde, dat dit
het teeken was van Wamba, den zoon van Weetniet. Onder dit schoone
zinnebeeld stond een kruis, als het teeken van Gurth, den zoon van
Beowolf. Daaronder stonden in stoute, fiksche letters de woorden:
"_Le Noir Fainéant_;" en eindelijk een vrij net geteekende pijl,
als het teeken van den schutter Locksley.

De ridders hoorden dit vreemd document van begin tot einde, en zagen
toen elkander in stille verbazing aan, alsof zij geheel niet in staat
waren, de beteekenis er van te begrijpen. De Bracy verbrak het eerst
het stilzwijgen door een schaterend gelach, waarin hem de Tempelier
volgde, schoon met meer gematigdheid. Front-de-Boeuf, daarentegen,
scheen misnoegd over hunne ontijdige vroolijkheid.

"Ik verzeker u, mijne Heeren," zei hij; "dat gij beter zoudt doen,
met te overleggen, hoe wij in deze omstandigheden moeten handelen,
dan met u aan zulk een ongepast gelach over te geven."

"Front-de-Boeuf is sedert zijn laatsten val nog niet weder bij goede
luim," zei De Bracy tot den Tempelier: "hij schrikt bij het bloote
denkbeeld van eene uitdaging, al komt die ook maar van een nar en
een zwijnenhoeder."

"Bij St. Michiel!" antwoordde Front-de-Boeuf; "ik wilde, De Bracy,
dat gij het avontuur geheel alleen moest doorstaan. Deze schurken
zouden niet met zulke onbegrijpelijke onbeschaamdheid hebben durven
handelen, zoo zij niet door sterke benden ondersteund werden. Er zijn
vogelvrijverklaarden genoeg in dit bosch, om zich te wreken over de
bescherming, die ik aan het wild schenk. Ik heb slechts één kerel,
die met bebloede handen op heeter daad gevat werd, aan de horens van
een wild hert laten binden, dat hem in vijf minuten dood boorde en
er werden even zoo vele pijlen op mij afgeschoten, als op het wit
te Ashby.--Hoor eens," vervolgde hij tegen een zijner bedienden,
"hebt gij iemand uitgezonden, om te zien, door welke macht deze
kostelijke uitdaging zal ondersteund worden?"

"Er zijn ten minste tweehonderd man in het bosch verzameld," antwoordde
een schildknaap, die tegenwoordig was.

"Bij den hemel!" zei Front-de-Boeuf; "dat komt er van, dat ik u het
gebruik van mijn kasteel toegestaan heb,--u, die geene onderneming in
stilte kunt uitvoeren, maar mij dit wespennest op den hals moet halen."

"Wespen?" hernam De Bracy; "zeg toch liever angellooze hommels,--eene
bende luie schurken, die zich liever in het bosch ophouden, en het
wild stelen, dan voor den kost werken."

"Angelloos!" hervatte Front-de-Boeuf. "Scherpe pijlen, een el lang,
en die ieder wit treffen, al is het maar zoo groot als een Fransch
kroonstuk, zijn, dunkt mij, vrij gevaarlijke angels."

"Schaam u, heer ridder!" zei de Tempelier. "Laten wij ons volk bij
elkander roepen, en een uitval doen. Één ridder,--ja, één gewapend man,
neemt twintig zulke boeren voor zijne rekening."

"Twintig en nog meer," zei De Bracy; "ik zou mij schamen, mijn lans
tegen hen te gebruiken."

"Voorzeker," antwoordde Front-de-Boeuf, "zoo het zwarte Turken
of Mooren waren, heer Tempelier, of laffe Fransche boeren, zeer
dappere De Bracy; maar dit zijn Engelsche boogschutters, op wie wij
geen voordeel zullen hebben, behalve onze wapens en paarden, welke
ons in de nauwe wegen van het bosch weinig zullen baten. Een uitval
doen, zeidet gij? Wij hebben nauwelijks manschappen genoeg, om het
kasteel te verdedigen. De besten mijner lieden zijn te York, evenals
uwe geheele bende, De Bracy; en wij hebben nauwelijks twintig man,
buiten hen, die deze dolzinnige onderneming mede uitgevoerd hebben."

"Gij vreest toch niet," vroeg de Tempelier; "dat zij eene macht
verzamelen kunnen, die sterk genoeg zou zijn, om het kasteel te
bestormen?"

"Dat niet, ridder Brian," antwoordde Front-de-Boeuf, "deze
roovers hebben, wel is waar, een stouten aanvoerder; maar zonder
krijgswerktuigen, stormladders, en ervaren opperhoofden, kan mijn
kasteel hen trotseeren."

"Zend naar uwe buren," zei de Tempelier; "laten zij hunne lieden bijeen
brengen, en drie ridders ter hulp snellen, die door een nar en een
zwijnenhoeder in het kasteel van den baron Reginald Front-de-Boeuf
belegerd zijn."

"Gij schertst, heer ridder," hernam de baron; "maar naar wien zal
ik zenden?--Malvoisin is op dit oogenblik met zijn gevolg te York,
evenals mijne andere bondgenooten; en daar had ik ook moeten zijn,
als deze vervloekte onderneming niet tusschenbeide was gekomen."

"Zend dan naar York, en laat onze lieden terugroepen," zei De
Bracy. "Indien zij het gezicht van mijn standaard en van mijn
vrijcompagnie verdragen, dan zal ik hen voor de stoutste roovers
houden, die ooit een boog in het bosch gespannen hebben."

"Maar wie zal de boodschap overbrengen?" vroeg Front-de-Boeuf. "Zij
zullen alle paden bezetten, en den bode zijn last uit het hart
scheuren.--Ik weet er iets op," ging hij voort, na een oogenblik
bedenkens.--"Heer Tempelier, gij kunt even goed schrijven als lezen,
en zoo wij slechts de schrijf-materialen kunnen vinden van mijn
Kapelaan, die een jaar geleden gedurende de feestgelagen in de
Kerstdagen gestorven is--"

"Met uw verlof," zei de schildknaap, die nog altijd gereed stond,
"ik geloof, dat de oude Urfried die ergens bewaard heeft, ter liefde
van den biechtvader. Hij was de laatste man, zooals ik haar heb hooren
zeggen, die ooit zoo tot haar gesproken heeft, als een beleefd man
tot een meisje, of eene vrouw, spreken moet."

"Loop en zoek ze op, Engelred; en dan zult gij, heer Tempelier,
een antwoord op deze stoute uitdaging schrijven."

"Ik wilde het liever met de punt van mijn zwaard doen, dan met de pen,"
zei Bois-Guilbert; "maar zooals gij verkiest."

Hij ging derhalve zitten, en schreef een Franschen brief van den
volgenden inhoud:

"De Ridder Reginald Front-de-Boeuf en zijn edele en ridderlijke
bondgenooten nemen geene uitdaging aan van slaven, lijfeigenen,
of vluchtelingen. Zoo hij, die zich "de Zwarte Ridder" noemt,
inderdaad aanspraak heeft op de eer der ridderschap, dan moet hij
weten, dat hij onteerd wordt door zijne tegenwoordige verbintenis,
en geen recht heeft om rekenschap te vragen van dappere mannen van
edel bloed. Ten opzichte der gevangenen, die wij gemaakt hebben,
verzoeken wij u uit Christelijke liefde een geestelijke te zenden,
om hunne biecht aan te hooren, en hen met God te verzoenen; daar het
ons vast voornemen is, hen heden morgen, vóór den middag, ter dood
te brengen, opdat hun hoofden, op onze bolwerken tentoongesteld, aan
alle menschen mogen bewijzen, hoe gering wij diegenen achten, welke
zich met hunne bevrijding bemoeien. Derhalve verzoeken wij u nog eens,
als boven, een Priester te zenden, om hen op den dood voor te bereiden;
dit doende zult gij hun den laatsten aardschen dienst bewijzen."

Zoodra deze brief dichtgevouwen was, werd hij aan den schildknaap
overhandigd, en door dezen aan den bode, die buiten wachtte, op het
antwoord op den brief, door hem gebracht.

De schutter, na zijn boodschap verricht te hebben, keerde naar het
hoofdkwartier der bondgenooten terug, dat voor het tegenwoordige onder
een eerwaardigen eik opgeslagen was, omtrent drie pijlschoten ver van
het kasteel. Hier wachtten Wamba en Gurth, benevens hunne bondgenooten,
de Zwarte Ridder, Locksley en de vroolijke kluizenaar, met ongeduld
een antwoord op hunne opeisching. Rondom en op een afstand, zag men
eene menigte dappere schutters, wier jagerskleeding en door het weêr
verbrand gelaat den gewonen aard hunner bezigheden aantoonden. Meer dan
tweehonderd waren reeds vergaderd, en er kwamen ieder oogenblik nog
andere aan. Zij, die als aanvoerders het bevel voerden, waren alleen
van de anderen onderscheiden door een pluim op de muts; hun kleeding,
wapens en voorkomen waren voor het overige in alle opzichten dezelfde.

Behalve deze bende, was reeds een minder ordelijke en slechter
gewapende troep aangekomen, bestaande uit de Saksische inwoners van
de naaste buurtschappen, zoowel als vele lijfeigenen en bedienden
van Cedric's uitgestrekte landgoederen, om tot zijne verlossing
mede te werken. Weinigen van hen hadden andere wapens dan die,
welke de nood in krijgswerktuigen herschapen had. Jachtsperen,
zeisen, dorschvlegels en dergelijke waren hunne voornaamste wapens;
want de Normandiërs hadden, overeenkomstig de gewone staatkunde der
veroveraars, den overwonnen Saksers het bezit en het gebruik der
wapens ontzegd. Deze omstandigheid maakte hun bijstand op verre na
niet zoo geducht voor de belegerden, als de kracht der mannen zelven,
hun groot getal, en de moed, dien eene rechtvaardige zaak inboezemt,
hen anders hadden kunnen maken. Het was aan de aanvoerders van dezen
bonten hoop, dat de brief van den Tempelier thans werd overhandigd. De
Kapelaan werd eerst verzocht, den inhoud daarvan mede te deelen.

"Bij den herdersstaf van St. Dunstan," zei die waardige geestelijke,
"welke meer schapen in de schaapskooi gebracht heeft, dan die van
eenig heilige in het Paradijs, zweer ik, dat ik u deze wartaal niet
kan uitleggen, daar ik niet gissen kan of het Fransch of Arabisch is."

Hij gaf den brief daarop aan Gurth over, die brommende het hoofd
schudde en dien weêr aan Wamba overhandigde. De nar bekeek alle vier
hoeken van het papier met een glimlach van gemaakte geleerdheid,
zooals een aap bij dergelijke gelegenheden aanneemt, maakte hierop
een sprong in de lucht, en gaf den brief aan Locksley.

"Als de groote letters bogen, en de korten pijlen waren, dan zou ik
iets van de zaak begrijpen," zei de eerlijke schutter, "maar zooals
de zaak nu staat, is de meening evengoed voor mij verborgen, als het
hert, dat twaalf mijlen verwijderd is."

"Dan moet ik maar voorlezer zijn," zei de Zwarte Ridder, en den brief
van Locksley nemende, las hij dien eerst zachtjes over, en verklaarde
toen den inhoud in het Saksisch aan zijn bondgenooten.

"Den edelen Cedric ter dood brengen!" riep Wamba; "bij het heilige
kruis, gij moet u vergissen, heer Ridder!"

"Zeker niet, waarde vriend," hernam de ridder, "ik heb u den zin der
woorden medegedeeld, zooals ze hier staan."

"Dan bij St. Thomas van Canterbury moeten wij het kasteel hebben,"
hervatte Gurth, "al moesten wij het ook met de handen omverhalen."

"Wij hebben niets anders, waarmede het omver te halen," hernam Wamba;
"maar de mijne zijn niet zeer geschikt, om steenen en kalk te breken."

"Het is slechts eene uitvlucht om tijd te winnen," zei Locksley,
"zij durven geene daad verrichten, waarvoor ik een schrikkelijke
wraak kon vorderen."

"Ik wenschte, dat er één van ons toegang tot het kasteel kon
verkrijgen," zei de Zwarte Ridder, "en ontdekken, hoe het met de
belegerden gesteld is. Mij dunkt, daar zij een biechtvader willen
hebben, zou deze heilige kluizenaar tegelijk zijn vroom beroep kunnen
uitoefenen, en ons de gewenschte berichten bezorgen."

"De drommel hale u en uw raad," hernam de brave heremiet; "ik zeg
u, heer Luiaard, dat, wanneer ik mijn monnikskleed uittrek, mijn
priesterschap, mijne heiligheid, zelfs mijn Latijn, mij tegelijk
verlaten; en in mijn groen buis kan ik beter twintig herten
doodschieten dan één Christen de biecht afnemen."

"Ik vrees," zei de Zwarte Ridder, "ik vrees zeer, dat hier niemand
is, die geschikt is, om tot ons doel de rol van biechtvader op zich
te nemen."

Allen zagen elkander zwijgende aan.

"Ik zie," zei Wamba, na eene korte stilte, "dat de nar al weêr
de nar moet zijn, en zijn hals er aan wagen, waar wijze menschen
terugdeinzen. Gij moet weten, waarde makkers en landslieden, dat ik
een monnikskleed gedragen heb, eer ik de narrekap opzette, en dat ik
voor monnik werd opgevoed, eer eene zenuwkoorts mij slechts verstand
genoeg overliet, om een nar te zijn. Ik vertrouw, dat ik, met behulp
van het gewaad van den vromen heremiet, en met het priesterschap,
de heiligheid, en de geleerdheid, welke in die kap zitten, bekwaam
zal zijn, om wereldschen en geestelijken troost toe te deelen aan
onzen waardigen meester Cedric, en zijne lotgenooten in het ongeluk."

"Denkt gij, dat hij daartoe verstand genoeg heeft?" vroeg de Zwarte
Ridder aan Gurth.

"Ik weet het niet," hernam Gurth; "maar zoo hij het niet heeft, dan
zal het de eerste keer zijn, dat het hem aan vernuft ontbroken heeft,
om van zijne gekheid voordeel te trekken."

"Trek dan het monniksgewaad maar aan, vriend," zei de ridder, "en laat
uw meester ons bericht zenden van den toestand van het kasteel. Hun
getal moet klein zijn, en het is vijf tegen één, dat men hen door
een plotselingen en stouten aanval overrompelen kan. De tijd eischt
spoed,--ga!"

"Intusschen," zei Locksley, "zullen wij de plaats zoo nauw insluiten,
dat er zelfs geen vlieg eenig bericht uit zou kunnen brengen. Zoodat
gij, goede vriend," vervolgde hij, zich tot Wamba wendende, "deze
dwingelanden kunt verzekeren, dat elke daad van geweld, die zij tegen
hun gevangenen plegen, hun zwaar zal vergolden worden."

"_Pax vobiscum!_" zei Wamba, die nu in zijn geestelijke vermomming
gehuld was. En dit zeggende, nam hij den plechtigen en statigen gang
van een monnik aan, en vertrok, om zijne zending te volbrengen.



ZES-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.


                            Men ziet het vurigst paard in stap,
                              Het traagste ook soms in galop:
                            Vaak zet de nar een monnikskap,
                              De monnik 'n zotskap op.

                                                        Oud Lied.


Toen de nar, in de kap en het gewaad van den heremiet, en zijn koord
met knoopen om het lijf geslingerd, voor de poort van Front-de-Boeuf's
kasteel stond, vroeg hem de wachter naar zijn naam en zijn boodschap.

"_Pax vobiscum!_" antwoordde de nar, "ik ben een arme broeder van de
orde van St. Franciscus, en ik kom hier om mijn dienst te doen bij
zekere ongelukkige gevangenen, die in dit kasteel zijn."

"Gij zijt een stoute monnik," hernam de wachter, "dat gij hier heen
durft komen, waar, behalve onze dronken biechtvader, geen vogel van
uwe kleur sedert twintig jaren zich vertoond heeft."

"Evenwel bid ik u, mijne boodschap aan den heer van het kasteel te
doen," antwoordde de gewaande monnik; "geloof mij, ze zal door hem
goed opgenomen worden, en de vogel zal zingen, dat het geheele kasteel
hem hooren zal."

"Het zij zoo," zei de wachter; "maar zoo ik beknord word, omdat ik
mijn post wegens uwe boodschap verlaten heb, dan zal ik beproeven,
of het grijze monnikskleed bestand is tegen een grijsgevederden pijl."

Met deze bedreiging verliet hij den toren en bracht in de zaal van
het kasteel het vreemde bericht, dat een kloosterling voor de poort
stond, en dadelijk wilde binnengelaten worden. Tot zijn niet geringe
verwondering ontving hij bevel van zijn meester, om den geestelijke
oogenblikkelijk binnen te laten; en, nadat hij den ingang met wachten
voorzien had, om eene overrompeling te verhinderen, gehoorzaamde
hij, zonder verder dralen, aan het ontvangen bevel. Het vermetele
zelfvertrouwen, dat Wamba de stoutheid gegeven had, om zich met deze
gevaarlijke zending te belasten, was nauwelijks voldoende om hem
moed te geven, toen hij zich in de tegenwoordigheid bevond van een
zoo vreeselijken en zoo gevreesden man, als Reginald Front-de-Boeuf,
en hij bracht zijn _Pax vobiscum_, waarop hij grootendeels vertrouwde,
om zijne rol vol te houden, met meer angst en bedeesdheid uit, dan
tot hiertoe het geval geweest was. Maar Front-de-Boeuf was gewoon om
menschen van iederen stand in zijne tegenwoordigheid te zien sidderen,
zoodat de vreesachtigheid van den gewaanden priester niet de minste
achterdocht bij hem verwekte.

"Wie en vanwaar zijt gij, priester?" vroeg hij.

"_Pax vobiscum!_" herhaalde de nar, "ik ben een arm dienaar van
St. Franciscus, en, ik ben, terwijl ik door deze wildernis reisde,
onder dieven gevallen (zooals in de Heilige Schrift staat), _quidam
viator incidit in latrones_, welke dieven mij naar het kasteel
gezonden hebben, ten einde mijn geestelijk ambt uit te oefenen bij
twee menschen, die door uwe eerbiedwaardige rechtvaardigheid ter dood
veroordeeld zijn."

"Ja, dat is zoo," antwoordde Front-de-Boeuf; "en kunt gij mij zeggen,
eerwaarde man, hoe groot het getal der bandieten is?"

"Dappere ridder," hernam de nar, "_nomen illis legio_, hun naam
is legioen."

"Zeg mij in duidelijke woorden, hoe groot hun getal is,--of, priester,
uw mantel en gordel zullen u niet beschermen!"

"Helaas!" zei de gewaande monnik; "_cor meum eruclavit_, dat wil
zeggen, ik was bijna van schrik gebarsten! Maar mij dunkt, er zullen
schutters en boeren bij elkander, ten minste vijfhonderd man bijeen
zijn."

"Hoe!" zei de Tempelier, die op dit oogenblik binnentrad, "zijn de
wespen zoo groot in aantal? Het is tijd, om zulk een kwaadaardig
geslacht uit te roeien." Hierop Front-de-Boeuf ter zijde nemende,
vroeg hij: "Kent gij dien priester?"

"Hij is een vreemdeling uit een afgelegen klooster," zei
Front-de-Boeuf; "ik ken hem niet."

"Vertrouw hem dan uw boodschap niet mondeling," antwoordde de
Tempelier. "Laat hem een geschreven bevel brengen aan De Bracy's
vrijcompagnie, om dadelijk tot hulp van hun meester op te dagen. Opdat
intusschen de kaalkop niets moge vermoeden, vergun hem vrij aan
zijn werk te gaan, om deze Saksische zwijnen voor de slachtbank voor
te bereiden."

"Het zij zoo," zei Front-de-Boeuf. En hij liet dadelijk Wamba door een
dienaar naar de kamer brengen, waar Cedric en Athelstane opgesloten
waren.

Cedric's ongeduld was eerder vermeerderd dan verminderd door zijn
gevangenschap. Hij wandelde van den eenen hoek der kamer naar den
anderen, met de houding van iemand, die op een vijand losgaat, of
de bres van eene belegerde plaats wil bestormen, soms in zichzelven
sprekende, soms het woord tot Athelstane richtende, die met den moed
van een Stoïcijn den uitslag van het avontuur afwachtte, intusschen
met groote bedaardheid den ruimen maaltijd verterende, dien hij des
middags gebruikt had, en zich niet veel storende aan de langdurigheid
zijner gevangenschap, welke hij besloot, dat, evenals alle aardsche
rampen, met den tijd een einde zou hebben.

"_Pax vobiscum_," zei de nar, binnentredende, "de zegen van St. Duthoc,
en alle andere heiligen zij op en met u!"

"Treed binnen," antwoordde Cedric tot den gewaanden monnik, "met wat
oogmerk zijt gij hier?"

"Om u te verzoeken, u tot den dood te bereiden," hernam de nar.

"Het is onmogelijk," hervatte Cedric, opspringende. "Hoe vermetel en
boosaardig ze ook zijn, durven ze zulk een openlijke en noodelooze
wreedheid niet begaan."

"Helaas!" zei de nar, "hen door een gevoel van menschelijkheid te
willen betoomen, is hetzelfde, als een hollend paard, met een teugel
van zijden draad te willen tegenhouden. Bedenk u derhalve, edele
Cedric, en ook gij, dappere Athelstane, welke misdaden gij begaan
hebt; want nog eer deze dag ten einde is, zult gij geroepen worden,
om voor een hoogeren Rechter rekenschap te geven."

"Hoort gij het, Athelstane?" zei Cedric, "wij moeten onzen moed bewaren
voor dezen laatsten stap;--het is toch beter, als mannen te sterven,
dan als slaven te leven."

"Ik ben gereed," antwoordde Athelstane, "om het ergste van hunne
boosheid te verduren; en ik zal naar den dood gaan met evenveel
bedaardheid, als ik ooit aan tafel gegaan ben."

"Laat ons dan tot onze heilige versterking overgaan, vader!" zei
Cedric.

"Wacht nog een oogenblik, oomlief," zei de nar, op zijn natuurlijken
toon, "het is niet goed in het donker een sprong te wagen, eer men
weet waarheen."

"Hoe!" riep Cedric, "mij dunkt, ik ken die stem!"

"Het is die van uw getrouwen slaaf en nar," antwoordde Wamba, de kap
terugslaande. "Hadt gij vroeger naar den raad van een nar geluisterd,
dan zoudt gij nu niet hier zijn. Neem nu den raad van een nar aan en
gij zult niet lang meer hier blijven."

"Hoe meent gij dat, schelm?" antwoordde de Sakser.

"Neem dit kleed en het koord," hernam Wamba, "in welke al mijn
heiligheid bestaat, en ga gerust uit het kasteel, terwijl ge mij uw
mantel en gordel laat, om den sprong in de lucht in uwe plaats te doen.

"U hier in mijne plaats laten!" riep Cedric, verwonderd over het
voorstel; "wel, zij zouden u ophangen, arme jongen."

"Laat hen doen, wat zij durven," zei Wamba, "mij dunkt,--zonder uwe
afkomst te kort te doen,--dat de zoon van Weetniet met even veel
deftigheid in ketens kan hangen, als de keten op zijn voorvader,
den raadsheer hing."

"Wel, Wamba," antwoordde Cedric, "onder één voorwaarde, neem ik uw
verzoek aan; namelijk, dat gij met Athelstane van kleêren verwisselt,
in plaats van met mij."

"Neen, bij St. Dunstan," antwoordde Wamba, "dat zou al te dwaas
zijn. Er zijn gegronde redenen, waarom de zoon van Weetniet voor
den zoon van Hereward sterft; maar er zou weinig wijsheid in steken,
om te sterven voor iemand, wiens vader hem vreemd was."

"Schurk," zei Cedric, "de voorouders van Athelstane waren Koningen
van Engeland!'

"Dat is wel mogelijk," hervatte Wamba; "maar mijn hals zit te
makkelijk tusschen mijne schouders, om dien om hunnentwille te laten
toesnoeren. Daarom, goede heer, neem mijn aanbod voor u zelven aan, of
laat mij even vrij uit deze gevangenis gaan, als ik er in gekomen ben."

"Laat den ouden boom vergaan," ging Cedric voort, "zoo de statige
eik in het woud behouden blijft. Red den edelen Athelstane, mijn
getrouwe Wamba! het is de plicht van elk, in wiens aderen Saksisch
bloed vloeit. Gij en ik, zullen samen de uiterste woede van onze
onrechtvaardige onderdrukkers afwachten, terwijl hij, in vrijheid
en veiligheid gesteld, den ontwaakten moed onzer landslieden zal
aanwakkeren, om ons te wreken."

"Dat niet, vader Cedric," zei Athelstane, zijne hand vattende,
want wanneer hij tot denken en handelen aangedreven werd, waren zijn
gevoelens en daden zijner hooge geboorte niet onwaardig,--"dat niet;
ik wil liever eene week zonder ander voedsel in deze zaal blijven dan
het droge brood des gevangenen, en zonder anderen drank, dan een beker
water, dan van de gelegenheid tot ontsnappen gebruik maken, welke de
ongekunstelde liefde van dezen slaaf voor zijn meester bezorgd heeft."

"Ge heet wijze mannen, mijn heeren," zei de nar, "en ik een gek,
maar oom Cedric, en neef Athelstane, de nar zal dezen strijd voor u
beslissen, en u de moeite besparen, om verder complimenten met elkander
te maken. Ik ben evenals het ros van den boer, dat geen mensch op zijn
rug kan velen dan den boer zelven. Ik kwam, om mijn meester te redden,
en als hij niet wil--_basta_;--dan heb ik verder niets te doen, dan
weder op te stappen. Een liefdedienst kan niet van de eene hand in
de andere overgaan, als een bal of een stuk speelgoed. Ik wil voor
geen mensch opgehangen worden, dan voor mijn aangeboren heer."

"Ga dan, edele Cedric," zei Athelstane, "verzuim deze gelegenheid
niet. Uw tegenwoordigheid daar buiten kan onze vrienden tot onze
verlossing aanmoedigen;--uw hier blijven zou ons allen ongelukkig
maken."

"En is er dan eenig vooruitzicht op verlossing van buiten?" vroeg
Cedric, den nar aanziende.

"Vooruitzicht, inderdaad!" hernam Wamba; "ik zeg u, als ge mijn
gewaad aantrekt, zijt ge in een veldheersrok gestoken. Daar
buiten zijn vijfhonderd man, en ik was heden morgen een van hun
voornaamste aanvoerders. Mijn zotskap was een helm, en mijn stok een
veldheersstaf. Wel,--wij zullen zien, wat ze er bij winnen, door een
nar tegen een wijs man te verruilen! Waarlijk, ik vrees, dat ze aan
dapperheid verliezen, wat ze aan wijsheid winnen. Nu vaarwel, meester,
en wees goed jegens den armen Gurth en zijn hond Fangs; en laat mijn
zotskap in de zaal van Rotherwood ophangen, ter gedachtenis, dat ik
mijn leven voor mijn meester gegeven heb--als eene getrouwe--nar."

Dit laatste woord kwam er uit met eene weifelende uitdrukking,
tusschen scherts en ernst in. De tranen stonden in Cedric's oogen.

"Uwe gedachtenis zal bewaard blijven", zei hij, "zoo lang trouw en
liefde nog op aarde geëerd worden. Maar ik hoop middelen te vinden,
om Rowena, en u, Athelstane, en ook u, mijn armen Wamba, te redden;
gij zult mij in dit opzicht niet overtreffen."

De kleederenverwisseling was nu geschied, toen een plotselinge twijfel
bij Cedric opkwam.

"Ik versta geen andere taal," zei hij, "dan mijn eigene, en een paar
woorden van hun laf Normandisch! Hoe zal ik mij als een eerwaarde
vader gedragen?"

"De kunst ligt in twee woorden," hernam Wamba: "_Pax vobiscum_
beantwoordt alle vragen. Of ge gaat, of komt, eet of drinkt, zegent
of vloekt, _Pax vobiscum_ helpt u overal door. Het is even nuttig
voor een monnik, als een bezemstok voor eene heks, of een staf voor
een toovenaar. Spreek het maar dus uit, op een indrukwekkenden,
ernstigen toon,--_Pax vobiscum!_--het is onwederstaanbaar;--op
wachters en oppassers, ridders en knapen, ruiters en voetgangers;
op allen werkt het als eene betoovering. Ik geloof, dat zoo ze mij
morgen ophangen willen, waaraan ik in het geheel niet twijfel, ik de
kracht er van op den voltrekker van het vonnis zal beproeven."

"In dit geval," hervatte zijn meester, "kan ik mijn priesterambt
spoedig aanvaarden;--_Pax vobiscum!_ Ik vertrouw, dat ik deze paar
woorden zal onthouden.--Edele Athelstane, vaarwel! en ook gij, mijn
arme jongen, vaarwel! gij, wiens hart een nog zwakker hoofd zou
vergoeden.--Ik zal u redden, of terugkeeren en met u sterven. Het
bloed van onze Saksische koningen zal niet vergoten worden, zoolang
er nog één droppel van het mijne in mijn aderen vloeit; en er zal
geen haar gekrenkt worden van het hoofd van den braven kerel, die
zijn leven voor zijn heer waagt, zoo Cedric door zich in gevaar te
begeven het beletten kan.--Vaarwel!"

"Vaarwel, edele Cedric," zei Athelstane; "herinner u, dat het de
natuurlijke rol van een monnik is, ververschingen aan te nemen,
overal waar zij hem aangeboden worden."

"Vaarwel, oom!" voegde Wamba er bij, "en denk aan het _Pax vobiscum!_"

Aldus vermaand, ging Cedric op zijn onderneming uit; en het duurde
niet lang of hij had gelegenheid, om de kracht van de tooverspreuk
te beproeven, welke de nar als alvermogend had aanbevolen. In een
lage, gewelfde en donkere gang, waardoor hij trachtte naar de zaal
van het kasteel te dringen, werd hij door een vrouwelijke gedaante
opgehouden. "_Pax vobiscum!_" zei de gewaande monnik, en wilde
schielijk voorbij sluipen, toen een zachte stem antwoordde: "_Et
vobis--quaeso, domine reverendissime pro misericordia vestra._"--Ik
ben wat doof," hernam Cedric in goed Saksisch, en tegelijk bromde
hij in zichzelven: "Verwenscht zij de nar en zijn _Pax vobiscum!_
Ik heb mijn wapen bij den eersten slag gebroken!"

Het was echter niets ongewoons bij een priester van die dagen doof
te zijn, als men hem in het Latijn aansprak, en dit wist zij, die
Cedric thans ophield, zeer wel.

"Ik bid u, om 's hemels wille, eerwaarde vader," hernam ze in zijn
eigene taal, "met uw geestelijken troost een gekwetsten gevangene in
dit kasteel te bezoeken, en hem en ons dat medelijden te betoonen,
hetwelk uwe heilige stand u voorschrijft.--Nooit zal eene goede daad
uw klooster zooveel voordeel aangebracht hebben."

"Dochter," antwoordde Cedric, zeer verlegen, "mijn kort verblijf in dit
kasteel vergunt mij niet, de plichten van mijn ambt te verrichten.--Ik
moet dadelijk weg--er hangt leven en dood van mijn spoed af."

"En evenwel, vader, bid ik u, bij de gelofte, welke gij gedaan hebt,"
hernam de smeekende, "de onderdrukten en ellendigen niet zonder raad
of bijstand te laten!"

"Moge de duivel met mij wegvliegen, en mij in Ifrin laten met de zielen
van Odin en Thor!" riep Cedric ongeduldig, en hij zou waarschijnlijk
zoo voortgegaan zijn, zonder in het minst aan zijn heiligen stand te
denken, als niet het gesprek afgebroken was geweest door de heesche
stem van Urfried, de oude vrouw van den toren.

"Hoe ellendige!" zei zij tegen de vrouw, welke gesproken had;
"Is het op deze wijze, dat gij de goedheid vergeldt, waarmede ik u
vergunde, uw gevangenis te verlaten?--Dwingt gij den eerwaarden man,
een onvriendelijke taal te gebruiken, om zich van de onbeschaamdheid
eener Jodin te bevrijden?"

"Eene Jodin!" riep Cedric, zich van deze gelegenheid bedienende om
zich van haar te ontslaan, "Laat mij voorbij, vrouw! houd mij niet op,
zoo u het leven lief is! Ik kom zoo regelrecht van mijn heilig ambt,
en wenschte bezoedeling te vermijden."

"Volg mij maar, vader," zei de oude heks, "gij zijt vreemd in dit
kasteel, en kunt er zonder gids niet uitkomen.--Kom hierheen, want
ik moet u spreken.--En gij, kind van een vervloekten stam, ga naar
de kamer van den zieke, en verpleeg hem tot mijne terugkomst; het zal
u duur te staan komen, zoo gij hem weder zonder mijn verlof verlaat!"

Rebekka vertrok. Hare dringende gebeden hadden Urfried overgehaald
haar te vergunnen, den toren te verlaten, en Urfried had haar gebruikt
om den gewonden Ivanhoe op te passen, wien zij nu van ganscher harte
haar dienst bewees. Met een verstand, dat hun gevaarlijken toestand
goed begreep, en zich vaardig van ieder middel tot redding wist te
bedienen, had Rebekka iets goeds gehoopt van de tegenwoordigheid van
een geestelijke, die, zooals zij van Urfried gehoord had, in dit
goddeloos kasteel doorgedrongen was. Zij wachtte op de terugkomst
van den monnik, met het voornemen, om hem aan te spreken, en bij hem
belangstelling voor de gevangenen te verwekken. De lezer heeft zoo
even vernomen, hoe slecht zij slaagde.



ZEVEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.


                        Wat weegt, Ellendige! u op 't hart,
                        Dan euveldaân, berouw en smart?
                        Gij kent uw lot, uw schuld is klaar,
                        Maar kom, 't verhaal, begin het maar!
                        -- -- -- -- -- -- -- -- --
                        Mij snijden andre bitterheên
                          En wreeder smart de ziele door,
                        Tot haar vertroosting, 'k bid u, leen
                          Mijn droefheid een gewillig oor;
                        En zoo me in u geen vriend verscheen,
                          Die hulpe biedt, ten minste hoor!

                                                            Crabbe.


Nadat Urfried door geschreeuw en bedreigingen Rebekka naar de kamer
terug gedreven had, welke pas door haar verlaten was, geleidde zij
Cedric, tegen wil en dank, in een klein vertrek, waarvan zij de
deur zorgvuldig achter zich toesloot. Hierop, na uit een kast een
wijnbeker en twee flesschen gekregen te hebben, zette zij ze op tafel,
en zei op vasten, volstrekt niet vragenden toon: "Gij zijt een Sakser,
vader! Ontken het niet," ging zij voort, bespeurende, dat Cedric zich
niet haastte om te antwoorden; "de klanken mijner moedertaal zijn
mij aangenaam, ofschoon ik ze zelden anders hoor, dan uit den mond
van de ellendige, verachtelijke slaven, wien de trotsche Normandiërs
het zwaarste en laagste werk in dit kasteel opleggen. Gij zijt een
Sakser, vader,--een Sakser, en bovendien een dienaar Gods, een vrij
man--Uw woorden klinken aangenaam in mijn ooren!"

"Bezoeken dan geen Saksische priesters dit kasteel?" hernam Cedric;
"Het ware, dunkt mij, hunne plicht, de verworpelingen en onderdrukten
onder de kinderen des lands te troosten."

"Zij komen niet,--of zoo zij komen, zwelgen zij liever aan de tafels
hunner onderdrukkers," antwoordde Urfried, "dan het gezucht hunner
landslieden aan te hooren; zoo luidt ten minste het gerucht; ik,
voor mij, weet er weinig van. Dit kasteel heeft, sedert tien jaren,
alleen opengestaan voor den losbandigen Normandischen kapelaan, die
de nachtelijke zwelgerijen van Front-de-Boeuf deelde, en hij is reeds
lang heengegaan, om rekenschap van zijn ambt te geven. Maar gij zijt
een Sakser,--een Saksisch priester, en ik heb u eene vraag te doen."

"Ik ben een Sakser," antwoordde Cedric, "maar den naam van priester
geheel en al onwaardig. Laat mij gaan.--Ik zweer u, dat ik terug zal
komen, of een van onze priesters zenden, die waardiger is dan ik,
om uwe biecht aan te hooren."

"Wacht nog een oogenblik," zei Urfried, "de stem, welke gij nu hoort,
zal weldra onder de koude aarde verstommen, en ik wilde niet gaarne
in het graf nederdalen in den dierlijken toestand, waarin ik geleefd
heb. Maar wijn moet mij de kracht geven, om mijn ijselijk verhaal
te doen."

Zij schonk een beker vol, en ledigde dien met een walgelijke
gulzigheid, alsof zij er geen droppel in wilde overlaten. "Dit
verstompt het gevoel", zei zij, opziende, toen zij den beker
geledigd had; "maar het kan mij niet opvroolijken.--Drink met mij,
vader, zoo gij mijn verhaal wilt hooren, zonder daarbij in onmacht
te zinken." Cedric zou er zich gaarne van hebben willen ontslaan,
om haar bescheid te doen bij deze onheilspellende gastvrijheid;
maar de wenk, dien zij hem gaf, drukte ongeduld en wanhoop uit. Hij
bewilligde in haar verzoek, en beantwoordde hare uitnoodiging door
een vollen beker te ledigen. Hierop begon zij haar verhaal, alsof
zijne inschikkelijkheid haar bevredigd had.

"Ik ben niet zulk een rampzalig schepsel geboren, als gij mij thans
ziet, eerwaarde vader," zei zij. "Ik was vrij, gelukkig, geëerd;--ik
beminde, en werd weder bemind. Ik ben nu een slavin, ellendig en
ontaard,--de speelbal der driften mijner meesters, toen ik nog
schoonheid bezat,--het voorwerp hunner verachting en van hun smaad
en haat, sedert mijne bekoorlijkheden verdwenen zijn.--Verwondert
het u, vader, dat ik het menschdom haat, en bovenal het ras, dat
deze verandering in mij heeft te weeg gebracht? Kan het gerimpeld,
vernederd wezen, dat vóór u staat, welks woede zich in onmachtige
vervloekingen ontlast, vergeten, dat zij de dochter is van den edelen
_Thane_ van Torquilstone, voor wiens macht duizend vazallen sidderden?"

"Gij de dochter van Torquil Wolfganger!" riep Cedric, terugdeinzende,
"gij,--gij,--de dochter van dien edelen Sakser, mijns vaders vriend
en wapenbroeder!"

"Uws vaders vriend!" herhaalde Urfried; "dan staat Cedric,
bijgenaamd de Sakser, vóór mij, want de edele Hereward van Rotherwood
had maar één zoon, wiens naam onder zijn landgenooten wèlbekend
is. Maar zoo gij Cedric van Rotherwood zijt, waartoe dit geestelijk
gewaad?--Wanhoopt gij ook al aan de verlossing van uw vaderland,
en hebt gij in de schuilhoeken van een klooster bescherming gezocht
tegen de onderdrukking?"

"Het is onverschillig, wie ik ben," hernam Cedric; "ga voort,
ongelukkige, met uw verhaal van gruwelen en schuld.--Want schuld moet
er onder begrepen zijn;--het is eene misdaad reeds, dat gij nog leeft,
om het te verhalen!"

"Zoo is het!--Zoo is het!" antwoordde de ellendige: "eene diepe,
zwarte, verdoemelijke misdaad;--eene misdaad van welke het vagevuur
hiernamaals mij niet zuiveren kan.--Ja, in deze zalen, bevlekt met
het edele bloed van mijn vader en van mijne broeders;--in deze zelfde
vertrekken, als de bijzit van hun moordenaar, als zijne slavin en
tegelijk als de deelgenoote zijner vermaken geleefd te hebben, moest
iederen ademtocht voor mij tot eene misdaad en een vloek maken."

"Ellendige!" riep Cedric. "En terwijl uws vaders vrienden--want
ieder oprecht Saksisch hart, als het voor de rust van zijne ziel en
die zijner dappere zonen bad, vergat in zijn gebeden ook de vermoorde
Ulrica niet,--terwijl allen de doode betreurden en vereerden, hebt gij
geleefd, om onzen haat en onze verachting te verdienen,--geleefd, om u
met den verraderlijken tiran te verbinden, die alles vermoord had, wat
u het naaste en dierbaarste was;--die het bloed van kinderen vergoot,
liever dan één mannelijken erfgenaam van het edele huis van Torquil
Wolfganger in het leven te laten;--met hem hebt gij u vereenigd,--met
hem in de banden van onwettige liefde geleefd!"

"In onwettige banden wel, maar niet in die der liefde," antwoordde
de oude; "de liefde zal eerder de verblijven der eeuwige verdoemenis
bezoeken, dan dit goddelooze kasteel.--Neen, dat behoef ik mij ten
minste niet te verwijten;--haat tegen Front-de-Boeuf en zijn geslacht
heerschte steeds in mijne ziel, zelfs te midden zijner misdadige
liefkoozingen!"

"Gij haattet hem, en toch bleeft gij leven!" hernam
Cedric. "Ellendige! was er geen dolk,--geen mes,--geen
haarnaald? Gelukkig voor u, daar gij zulk een bestaan op prijs steldet,
dat de geheimen van een Normandisch kasteel even verborgen zijn,
als die van het graf. Want, had ik slechts kunnen droomen, dat de
dochter van Torquil in schandelijke gemeenschap met den moordenaar
van haar vader leefde, dan zou het staal van een oprechten Sakser u
zelfs in de armen van uw minnaar getroffen hebben!"

"Zoudt gij inderdaad deze gerechtigheid aan Torquils naam hebben laten
wedervaren?" zei Ulrica; want wij behoeven nu haar aangenomen naam van
Urfried niet meer te gebruiken; "dan zijt gij inderdaad de oprechte
Sakser, voor wien men u houdt; want zelfs binnen deze vervloekte muren,
waar, zooals ge terecht zegt, de misdaad achter een ondoordringbaren
sluier verborgen is, zelfs hier heeft de naam van Cedric weêrgalmd,--en
ik, hoe ellendig en verlaagd, heb mij verheugd in de gedachte, dat
er nog één wreker van ons ongelukkig volk leefde.--Ik heb ook mijne
ure van wraak gehad.--Ik heb de twisten onzer vijanden aangestookt,
en dronkenschap en zwelgerij in woedenden moordlust doen overgaan.--Ik
heb hun bloed zien stroomen.--Ik heb hun stervend gerochel gehoord! Zie
mij aan, Cedric.--Zijn er op dit verwelkt, verbleekt aangezicht niet
eenige sporen van Torquils gelaatstrekken achtergebleven?"

"Vraag mij daarnaar niet, Ulrica," hervatte Cedric, op een toon,
waarin smart met afschuw vermengd was; "deze sporen laten zulk een
overeenkomst over, als die van iemand, die uit het graf verrezen is,
als een booze geest het doode lichaam bezield heeft."

"Het zij zoo!" antwoordde Ulrica; "En evenwel droegen deze sombere
trekken het masker van een geest des lichts, toen ze in staat waren,
den ouden Front-de-Boeuf en zijn zoon Reginald op te hitsen. De
duisternis der hel moest verbergen, wat er nu volgt; maar de wraak
moet den sluier oplichten, en datgene in het verborgen fluisteren, wat
de dooden uit het graf zou halen, als het met luide stem geopenbaard
werd!--Lang had het vuur der oneenigheid tusschen den wreeden vader
en zijn woesten zoon onder de asch gesmeuld,--lang had ik, in het
geheim, den onnatuurlijken haat aangestookt;--hij ontvlamde eindelijk
in een uur van woeste dronkenschap, en aan zijn eigene tafel viel mijn
onderdrukker door de hand van zijn eigen zoon! Dit zijn de geheimen,
welke deze gewelven verbergen!--Stort in, vervloekte bogen," voegde
ze er bij, naar boven ziende, "en begraaft onder uw puin allen,
die het afschuwelijk geheim kennen!"

"En gij, misdadig en ellendig wezen," zei Cedric, "wat werd uw lot
na den dood van den roover uwer eer?"

"Gis daarnaar, maar vraag het mij niet.--Hier,--hier woonde ik, totdat
de ouderdom, een vroegtijdige ouderdom, zijne ijselijke sporen op mij
drukte,--veracht en beschimpt, waar ik eens heerschte,--en gedwongen,
om de wraak, welke eens een zoo ruim veld had, te bepalen tot het
bestraffen der verachtelijke boosaardigheid van een ontevreden
huisbediende, of tot de ijdele en nietsbeteekenende vervloekingen
eener onmachtige oude vrouw;--veroordeeld, om van mijn eenzaam torentje
het geraas der zwelgerij aan te hooren, waarin ik eens deelde, of het
geschreeuw en het gekerm van nieuwe slachtoffers der onderdrukking."

"Ulrica," zei Cedric, "hoe durfdet ge, met een hart, dat, zooals ik
vrees, het verloren loon zijner misdaden evenzeer betreurt als de
schande, door welke het verkregen werd, u tot een man wenden, die dit
kleed draagt? Bedenk, ongelukkige, wat zou de heilige Eduard zelf voor
u kunnen doen, zoo hij in eigen persoon hier ware? De Koninklijke
Belijder was door den Hemel begaafd met het vermogen om de zweren
des lichaams te heelen, maar God alleen kan de melaatschheid der
ziel genezen!"

"Ik bid u, wend u niet van mij af, strenge profeet des toorns,"
riep ze uit: "maar zeg mij, zoo ge kunt, wat beteekenen de nieuwe
en ijzingwekkende gevoelens, welke in mijne eenzaamheid zich aan mij
opdringen?--Waarom verrijzen daden, die sinds lang gepleegd zijn, met
nieuwen en onweêrstaanbaren schrik voor mijn oogen? Welk lot verbeidt
aan de overzijde des grafs haar, aan wie God hier op aarde een lot van
zulke onuitsprekelijke ellende heeft opgelegd? Beter wendde ik mij tot
Wodan, Hertha, en Zernebock,--tot Misto en Skogula, de Goden onzer
nog ongedoopte voorvaders, dan de schrikkelijke angsten te lijden,
welke mij sedert kort wakend en slapend vervolgd hebben."

"Ik ben geen priester," zei Cedric, zich met walging afkeerende van
dit ellendige slachtoffer van schuld, ellende en wanhoop. "Ik ben
geen priester, schoon ik het gewaad eens priesters draag."

"Priester, of leek," antwoordde Ulrica, "ge zijt de eerste, dien
ik sedert twintig jaren zie, welke God vreest, of den mensch acht,
en wilt ge mij aan de wanhoop overlaten?"

"Heb berouw," hernam Cedric. "Bid en doe boete, en ge zult gehoor
vinden. Maar ik kan, ik wil niet langer bij u blijven."

"Toef nog één oogenblik," zei Ulrica; "verlaat mij thans niet;
zoon van mijns vaders vriend, uit vrees, dat de booze geest, die
mijn leven bestuurd heeft, mij mocht aandrijven, om mij over uw
hardvochtigen smaad te wreken.--Denkt ge, dat, zoo Front-de-Boeuf
Cedric den Sakser, in zulk eene vermomming, in zijn kasteel vond,
uw leven van langen duur zou zijn? Reeds lang heeft hij het oog op
u gehad, evenals een valk op zijn prooi."

"En al ware het zoo," zei Cedric, "dan verscheure hij mij met bek en
klauwen, eer mijn mond één woord zegt, dat mijn hart niet waarborgt. Ik
wil als Sakser sterven;--waar in woorden, open in daden.--Ik bid u,
ga weg van mij!--Raak mij niet aan, houd mij niet op! Het gezicht
van Front-de-Boeuf zelven is minder hatelijk voor mij, dan het uwe,
vernederd en ontaard, gelijk ge zijt."

"Het zij zoo," hervatte Ulrica, hem niet langer ophoudende; "ga,
en vergeet, in den hoogmoed van uwe meerderheid, dat het ellendige
schepsel, dat voor u staat, de dochter van den vriend uws vaders
is! Ga;--zoo mijn lijden mij van het menschdom scheidt,--mij scheidt
van hen, wier hulp ik met recht kon verwachten:--dan zal mijne wraak
mij niet minder van hen scheiden!--Geen mensch zal mij helpen; maar de
ooren van alle menschen zullen weêrgalmen van de daad, die ik begaan
zal!--Vaarwel!--Uwe verachting heeft den laatsten band verbroken,
welke mij nog aan mijn evenmenschen scheen te verbinden:--de gedachte,
dat mijn rampen medelijden bij mijn volk konden verwekken."

"Ulrica," zei Cedric, getroffen door deze woorden, "hebt gij den last
des levens onder zoo vele misdaden en ellende gedragen, en wilt gij
u nu aan de wanhoop overgeven, nu, dat uw oogen voor uwe misdaden
geopend zijn, en dat het berouw uw hart alléén moest vervullen?"

"Cedric!" antwoordde Ulrica, "gij kent het menschelijk hart slecht. Om
te handelen, gelijk ik gehandeld heb, om te denken, zooals ik gedacht
heb, moet men bezield zijn met de tot razernij brengende liefde voor
het genot, vermengd met een felle zucht naar wraak, en de trotsche
bewustheid van macht; al te bedwelmende hartstochten, dan dat het
menschelijke hart er weerstand aan zou kunnen bieden. Maar hun
kracht is lang voorbij. De ouderdom heeft geene vermaken;--rimpels
hebben geene macht;--de wraak zelve geeft zich lucht in ijdele
verwenschingen. Dan komt de gewetensangst, met scherpen angel, vermengd
met een ijdel verlangen naar het verledene, en met de wanhoop aan
de toekomst! Dan, als alle andere machtige stemmen zwijgen, worden
wij gelijk aan de booze geesten in de hel, die wel knaging van het
geweten, maar nooit berouw kunnen gevoelen.--Maar uwe woorden hebben
een nieuwen geest in mij doen ontwaken.--Terecht hebt gij gezegd, alles
is mogelijk voor hen die sterven durven!--Gij hebt mij de middelen
ter wraak aangewezen;--wees verzekerd, dat ik ze gebruiken zal. Deze
drift heeft tot hiertoe de heerschappij in dit hart met andere even
sterke driften gedeeld; van nu zal zij mij geheel bezielen, en gij
zelf zult zeggen, dat, hoe ook het leven van Ulrica geweest zij, haar
dood de dochter van den edelen Torquil waardig was. Er is onder de
muren eene krijgsmacht, die dit vervloekt kasteel belegert,--haast u,
ze ten aanval aan te voeren, en als gij een roode vlag ziet waaien
van het torentje, op den oostelijken hoek van dezen kerker, val dan
hevig op de Normandiërs aan;--dan zullen zij genoeg van binnen te doen
hebben, en dan kunt gij de muren bestormen in weerwil van vijandigen
boog en slinger.--Ga, bid ik u;--volg uw eigen lot, en laat mij aan
het mijne over!"

Cedric wilde nader vernemen wat het oogmerk was, waarop zij zoo duister
zinspeelde, maar hij hoorde de donderende stem van Front-de-Boeuf, die
uitriep: "Waar blijft die trage priester? Bij den heiligen Jacobus van
Compostella, ik zal hem tot een martelaar maken, zoo hij hier toeft,
om verraad te stoken onder mijne bedienden."

"Welk een waar profeet is een boos geweten!" riep Ulrica. "Maar
vrees niet:--snel naar buiten, naar uw volk.--Laat het Saksische
veldgeschreeuw weêrgalmen, en laten zij hun krijgslied van Rollo
zingen, als zij durven; de wraak zal er mede instemmen!"

Aldus sprekende, verdween ze door een geheime deur, en Reginald
Front-de-Boeuf trad in het vertrek. Cedric dwong zich met eenige
moeite, om een buiging voor den trotschen Baron te maken, die zijne
begroeting met een knikje beantwoordde.

"Uwe boetelingen hebben veel te biechten gehad, vader,--des te beter
voor hen; daar het de laatste maal is, dat ze er de gelegenheid toe
zullen hebben. Hebt gij hen tot den dood voorbereid?"

"Ik vond hen," zeide Cedric, zoo goed als hij kon in het Fransch
sprekende, "het ergste verwachtende, van het oogenblik af, dat ze
wisten, in wiens macht ze gevallen waren."

"Hoe, heer monnik?" hernam Front-de-Boeuf, "uwe spraak, dunkt mij,
verraadt een Saksische afkomst."

"Ik ben opgevoed in het klooster van St. Withold te Burton,"
antwoordde Cedric.

"Zoo?" zei de Baron; "Het ware beter voor u, zoo gij een Normandiër
waart, en ook beter voor mijn oogmerk, maar in den nood moet men met
iederen bode tevreden zijn. Dat klooster van St. Withold te Burton
is een wespennest, dat gesloopt moest worden. Er zal weldra een tijd
komen, dat het monniksgewaad den Sakser even weinig zal beschermen,
als het harnas."

"Gods wil geschiede!" zei Cedric, met een stem bevende van toorn,
hetgeen Front-de-Boeuf aan vrees toeschreef.

"Ik zie," zeide hij, "dat gij u reeds verbeeldt, dat onze gewapenden in
uwe spijskamer en in uw bierkelder zijn. Maar bewijs mij een dienst,
heilige man, en wat ook anderen moge overkomen, gij zult even veilig
slapen in uw cel, als een slak in haar huisje."

"Beveel maar!" hernam Cedric met onderdrukte woede.

"Volg mij dan door deze gang, opdat ik u door het achterpoortje
kan uitlaten."

En terwijl Front-de-Boeuf dus den gewaanden monnik vooruit ging,
gaf hij hem te kennen welke rol hij spelen moest.

"Gij ziet, heer monnik, gindsche kudden Saksische zwijnen, die het
gewaagd hebben dit kasteel van Torquilstone te omsingelen.--Zeg hun
wat gij wilt van de zwakheid van deze vesting, of alles, wat hen
gedurende vierentwintig uren hier kan ophouden. Breng intusschen dit
briefje;--maar wacht eens:--kunt gij lezen, heer priester?"

"Geen letter," antwoordde Cedric, "behalve mijn gebeden; en de letters
daarvan ken ik allen van buiten, geloofd zij de Heilige Maagd en
St. Withold!"

"Een des te geschikter bode in dit geval!--Breng dit briefje naar
het kasteel van Philip de Malvoisin, zeg, dat het van mij komt, en
geschreven is door den Tempelier Brian De Bois-Guilbert, en dat ik
hem verzoek het naar York te zenden, zoo schielijk als man en paard
voort komen kunnen. Verzeker intusschen hem, dat hij ons gezond en wel
achter onze verschansingen zal vinden.--Het is schande, dat wij aldus
gedwongen zijn, ons schuil te houden voor een bende landloopers, die
gewoon zijn reeds op het gezicht onzer banieren, of bij het gestamp
onzer paarden, te vluchten! Ik zeg u, priester, bedenk eenige list,
om die schurken te houden, waar zij nu zijn, tot onze vrienden hun
manschappen bijeen hebben. Mijne wraakzucht is opgewekt, en evenals
een valk, rust zij niet zonder verzadigd te zijn."

"Bij mijn beschermheilige," zei Cedric, met meer kracht dan aan zijn
rol paste, "en bij alle heiligen, die ooit in Engeland geleefd hebben
en gestorven zijn, uw bevelen zal men gehoorzamen! Geen Sakser zal
van deze wallen wijken, zoo ik macht en invloed genoeg heb om hen
daar te houden."

"Ha!" riep Front-de-Boeuf, "gij verandert van toon, heer priester,
en spreekt kort en stout, alsof uw hart vreugde zou scheppen in de
slachting van die Saksische kudde; en echter zijt gij een stamgenoot
dier zwijnen." Cedric was niet geoefend in de kunst van veinzen, en
een wenk van Wamba's vruchtbaarder brein zou hem op dit oogenblik
zeer gewenscht zijn geweest. Maar de nood scherpt het verstand,
gelijk het oude spreekwoord zegt, en hij pruttelde iets onder zijn
kap, dat die mannen daar buiten door kerk en staat in den ban gedaan
en vogelvrij verklaard waren.

"_Despardieux!_" antwoordde Front-de-Boeuf, "gij hebt de waarheid
gesproken--Ik vergat, dat die schurken een vetten abt evengoed
uitkleeden, alsof zij ten zuiden van gindsche zee geboren waren. Was
het niet de abt van St. Ives, dien zij aan een eik bonden, en
dwongen, een mis te zingen, terwijl ze zijne koffers en valiezen
uitplunderden?--Neen, bij onze Heilige Maagd, die grap was van Walter
Middleton, en van onze eigene wapenbroeders. Maar het waren Saksers,
die uit de kapel te St. Bees den kelk, de kandelaars en het bekken
roofden, niet waar?"

"Het waren goddelooze menschen!" antwoordde Cedric.

"Jawel,--en zij dronken al den goeden wijn en het lekkere bier op, dat
in voorraad lag voor menige geheime smulpartij,--als gij voorgeeft,
met nachtwaken en vroegmissen bezig te zijn!--Priester, gij zijt
verplicht, zulk een heiligschennis te wreken."

"Ik ben inderdaad verplicht mij te wreken!" bromde Cedric, "St. Withold
kent mijn hart."

Front-de-Boeuf geleidde hem intusschen naar eene achterpoort, vanwaar
zij op een smalle plank over de gracht gingen, en een klein buitenwerk
bereikten, dat door een goed verschanste poort met het open veld in
gemeenschap stond.

"Ga dan, en zoo gij mijn boodschap wilt doen, en hierheen terugkeert,
na ze volbracht te hebben, dan zult gij het Saksische vleesch even
goedkoop zien, als ooit het varkensvleesch in de slachterswinkels van
Sheffield. En, luister, gij schijnt een lustige broeder,--kom na den
slag hier, en gij zult zoo veel Malvoizei hebben, dat gij uw geheel
klooster er mede dronken kunt maken."

"Zeker, zullen wij elkander weder zien!" hernam Cedric.

"Hier hebt gij intusschen handgeld," ging de Normandiër voort; en toen
zij aan de achterdeur scheidden, stopte hij in Cedric's onwillige hand
een gouden munt, terwijl hij er bij voegde: "Bedenk, dat ik u de kap
en het vel zal afstroopen, zoo gij uwe boodschap niet goed verricht!"

"En ik geef u vrijheid tot alles," antwoordde Cedric, de achterdeur
verlatende en met een verlicht hart door het vrije veld heenstappende,
"als ik bij onze eerste ontmoeting niets meer van u verdien!"--Zich
daarop naar het kasteel omkeerende, wierp hij den gever het goudstuk
weder toe, terwijl hij uitriep: "Valsche Normandiër! moge uw geld
met u vergaan!"

Front-de-Boeuf hoorde de woorden onduidelijk, maar de handelwijze
scheen hem verdacht.--"Schutters!" riep hij de wachten op de
buitenwerken toe, "zend dien monnik een pijl achterna;--maar
neen!" vervolgde hij, toen zijn lieden de bogen spanden; "Het kan
niet baten;--wij moeten hem in zoover vertrouwen, daar wij geene
andere keuze hebben. Mij dunkt, hij durft mij niet verraden;--in
het ergste geval kan ik nog met de Saksische honden onderhandelen,
die ik veilig in de kooi heb.--Hola! Gilles, cipier, laat Cedric van
Rotherwood voor mij brengen, en den anderen boer, zijn makker,--ik
meen Coningsburgh,--Athelstane, of hoe hij heet; zelfs hunne namen zijn
lastig voor den mond van een Normandischen ridder, en zij ruiken, als
het ware, naar spek. Geef mij eene flesch wijn, om, zooals onze goede
Prins Jan zei, den smaak af te spoelen,--zet er een in de wapenkamer,
en breng de gevangenen er ook heen."

Men gehoorzaamde aan zijne bevelen, en, toen hij in het Gothische
vertrek trad, dat behangen was met een menigte tropeeën, door zijne
eigene dapperheid en die zijns vaders veroverd, vond hij een beker
wijn op de zwarte eiken tafel, en de twee Saksische gevangenen bewaakt
door vier zijner vazallen. Front-de-Boeuf nam eene groote teug wijns,
en wendde zich hierop tot zijne gevangenen. Want de wijze, waarop Wamba
de kap over zijn gezicht getrokken had, de verandering van kleeding,
het sombere, flauwe licht, en de oppervlakkige kennis, die de Baron
van Cedric's gelaatstrekken had (want deze vermeed zijne Normandische
naburen en kwam zelden buiten de grenzen van zijn eigen gebied),
beletten hem te ontdekken, dat de voornaamste zijner gevangenen
ontsnapt was.

"Welnu, gij Engelsche helden," zei Front-de-Boeuf, "hoe bevalt u het
onthaal te Torquilstone?--Ziet gij nu in, wat de onbeschaamdheid en
verwaandheid van spotternijen te verkoopen op een maaltijd bij een
vorst uit het huis van Anjou, u op den hals hebben gehaald?--Hebt gij
vergeten, hoe gij de onverdiende gastvrijheid van den koninklijken
Prins Jan vergolden hebt? Bij God en St. Denis! zoo gij niet
een zwaar losgeld betaalt, zal ik u bij de voeten ophangen aan de
ijzeren staven dezer vensters, tot de gieren en raven u tot geraamten
gemaakt hebben! Spreekt, gij Saksische honden,--wat biedt gij voor
uw nietswaardig leven?--Wat zegt gij, Rotherwood?"

"Geen duit, voor mijn deel," antwoordde de arme Wamba,--"en wat
het ophangen bij de voeten betreft, mijn hoofd is, zooals men zegt,
reeds ten onderste boven gekeerd, sedert ik de eerste kindermuts op
kreeg; dus zal het misschien weder terecht komen, als men mij bij de
beenen ophangt."

"Heilige Genoveva!" riep Front-de-Boeuf, "wie is dat?"

En met den rug zijner hand sloeg hij den nar Cedric's kap van het
hoofd, en zijn kraag openende, zag hij het noodlottig teeken der
slavernij, den koperen halsband.

"Gillis,--Clement,--honden, slaven!" schreeuwde de woedende Normandiër,
"wien hebt gij mij hier gebracht?"

"Ik geloof, dat ik het u zeggen kan!" zei De Bracy, die juist
binnentrad. "Dit is Cedric's nar, die eene zoo dappere schermutseling
had met Izaäk van York, over den voorrang."

"Ik zal het voor beiden vereffenen," hernam Front-de-Boeuf; "zij
zullen aan dezelfde galg hangen, tenzij zijn meester en dit wild
zwijn van Coningsburgh terdege voor hun leven betalen. Hun rijkdom
is het minste, dat zij kunnen afstaan; zij moeten ook dien zwerm
wegvoeren, welke het kasteel omringt, een gerechtelijken afstand
van hunne vrijheden onderteekenen, en als leenmannen en vazallen
onder ons leven; gelukkig nog mogen zij zich heeten, zoo wij hen,
in den nieuwen staat van zaken, die nu begint, het vrije ademhalen
vergunnen.--Gaat," zei hij tot twee der wachters, "haalt den echten
Cedric, en ik vergeef u uwe dwaling voor ditmaal, te eerder, omdat het
niet onnatuurlijk is een gek voor een Saksischen _Franklin_ te houden."

"Och!" zei Wamba, "de edele heer zal ondervinden, dat er meer gekken
dan _Franklins_ onder ons zijn."

"Wat meent die schurk?" zei Front-de-Boeuf, zijne lieden aanziende,
die dralende en stamelende te kennen gaven, dat zoo dit Cedric niet
was, die voor hem stond, zij niet wisten wat er van hem geworden was.

"Bij alle heiligen des hemels!" riep De Bracy uit: "hij moet in het
monniksgewaad ontsnapt zijn!"

"Bij alle duivels der hel!" schreeuwde Front-de-Boeuf, "het was dus
het zwijn van Rotherwood, dat ik naar de achterpoort heb gebracht
en met eigene hand uitgelaten! En gij," zei hij tot Wamba, "wiens
gekheid de wijsheid van nog grootere domkoppen, dan gij zelf zijt,
gefopt heeft,--ik zal u tot priester wijden.--Ik zal u de kruin
doen scheren.--Hier, scheurt hem het vel van het hoofd, en smijt
hem dan boven van de muren af.--Het schertsen is uw ambt; kunt gij
nu schertsen?"

"Gij behandelt mij beter, dan gij beloofdet, edele ridder," stamelde
de arme Wamba, wiens gewoonte van schertsen zelfs niet door het
onmiddellijke vooruitzicht van den dood kon overwonnen worden. "Zoo
gij mij de roode muts geeft, die gij mij belooft, zult gij mij van
een eenvoudigen monnik tot den rang van kardinaal verheffen."

"De arme schelm," zei De Bracy, "heeft besloten, tot het laatste
toe zijne rol vol te houden. Front-de-Boeuf, gij zult hem niet
dooden. Schenk hem aan mij, om mijne krijgsbende te vermaken.--Wat
zegt gij, schurk? Wilt gij pardon hebben en met mij te velde trekken?"

"Ja, met mijns meesters verlof; want ziet gij, ik kan mijn halsband
zonder zijne toestemming niet afdoen," antwoordde Wamba.

"O, een Normandische zaag zal weldra een Saksischen halsband losgemaakt
hebben!" zei De Bracy.

"Ja, edele heer," hernam Wamba, "en van daar komt het spreekwoord:


    Normandische zegen op Engelands boom,
    Om Engelands hals een Normandische toom,
    Normandische lepels in Engelsche spijs,
    En Eng'land beheerscht op Normandische wijs;--
    Geen vreugde bestaat meer in Eng'land gewis,
    Vóórdat dit viertal verdwenen is."


"Gij doet wel, De Bracy," zei Front-de-Boeuf; "met hier naar het
gesnap van een nar te luisteren, terwijl de ondergang ons van buiten
dreigt. Ziet gij niet, dat men ons gefopt heeft, en dat ons plan om
onze vrienden met onzen toestand bekend te maken, juist door dezen
nar verijdeld is, dien gij zoo broederlijk behandelt? Wat hebben wij
anders te verwachten, dan eene oogenblikkelijke bestorming?"

"Naar de muren dan," riep De Bracy; "wanneer hebt gij mij ooit
ernstig gestemd gezien door de verwachting van een gevecht? Roep den
Tempelier, en laat hem maar half zoo goed voor zijn leven vechten,
als hij voor zijn orde gedaan heeft;--snel zelf naar de muren, met
uw reusachtig lichaam; ik zal ook mijn best doen, en ik zeg u, dat
die Saksische roovers evengoed beproeven konden de wolken, als het
kasteel van Torquilstone te bestormen. Zoo gij echter met de bandieten
in onderhandeling wilt treden, waarom gebruikt gij daartoe niet de
bemiddeling van dezen waardigen _Franklin_, die in een zoo ernstige
beschouwing der wijnflesch verdiept staat? Hier, Sakser," vervolgde
hij, zich tot Athelstane wendende, en hem den beker overhandigende,
"spoel u de keel eens af met dezen edelen drank, en wek uwe ziel op,
om te zeggen, wat gij voor uwe vrijheid over hebt."

"Alles waarover een sterveling beschikken kan," antwoordde Athelstane,
"alles, dat een man van eer past! Laat mij met mijne makkers aftrekken,
en ik zal een losgeld van duizend mark betalen."

"En gij zult ons daarenboven instaan voor den aftocht van dat
uitvaagsel des menschdoms, dat rondom het kasteel zwerft, evenzeer
tegen God als den Prins zondigende!" zei Front-de-Boeuf.

"Voor zoover ik kan," hernam Athelstane, "zal ik hen doen vertrekken;
en ik twijfel niet, of vader Cedric zal zijn best doen, om mij bij
te staan."

"Wij zijn het dus eens," zei Front-de-Boeuf,--"gij zult met hen in
vrijheid gesteld worden, en er zal van weerskanten vrede zijn, tegen
uitbetaling van duizend mark. Het is een gering losgeld, Sakser, en
gij moet dankbaar zijn, voor mijne gematigdheid, daar ik zoo weinig
voor uw bevrijding aanneem. Maar let wel op, dit strekt zich niet
uit tot den Jood Izaäk."

"Noch tot de dochter van den Jood Izaäk!" zei de Tempelier, die zich
nu bij hen gevoegd had.

"Geen van beiden," zei Front-de-Boeuf, "behoort tot het gezelschap
van dezen Sakser."

"Ik ware onwaardig een Christen genoemd te worden, zoo dat het
geval was," hernam Athelstane; "handel met die ongeloovigen, naar
verkiezing."

"Evenmin is Jonkvrouw Rowena onder dit losgeld begrepen," zei De
Bracy. "Men zal nooit zeggen, dat men mij mijnen schoonen buit,
zonder slag of stoot, ontnomen heeft."

"Ook betreft onze overeenkomst dezen ellendigen nar niet, dien ik
terughoud, om hem tot voorbeeld te doen strekken voor iederen schelm,
die uit scherts ernst wil maken," zei Front-de-Boeuf.

"Jonkvrouw Rowena," antwoordde Athelstane, met een onverschrokken
gelaat, "is mijne verloofde bruid. Ik zal mij eerder door wilde paarden
vaneen laten scheuren, dan er in toestemmen van haar te scheiden. De
slaaf Wamba heeft heden het leven van vader Cedric gered.--Ik wil
het mijne verliezen, eer een haar van heur hoofd te laten krenken."

"Uwe verloofde bruid?--Jonkvrouw Rowena de verloofde bruid van een
vazal, zooals gij?" riep De Bracy uit. "Sakser, gij verbeeldt u,
dat de dagen der zeven koninkrijken teruggekeerd zijn. Ik zeg u,
de vorsten van het huis van Anjou schenken hunne pupillen niet aan
mannen van uwe afkomst."

"Mijne afkomst, trotsche Normandiër," hernam Athelstane, "spruit uit
een zuiverder en edeler bron, dan die van een Franschen bedelaar,
die zijn leven onderhoudt door het bloed der schelmen te verkoopen,
die hij onder zijn armzalig vaandel verzamelt. Mijne voorouders waren
koningen, dapper in den strijd, en wijs in den raad, die iederen
dag meer menschen in hunne zalen hadden, dan gij aanhangers telt;
wier namen door minnezangers zijn vereeuwigd, en wier wetten door
_Wittenagemotes_ aangenomen zijn;--wier gebeente onder het gebed van
heiligen is begraven, en boven wier graven kerken gebouwd zijn."

"Daar hebt gij het, De Bracy," zei Front-de-Boeuf, zeer tevreden
over het trotsche antwoord, dat zijn makker ontvangen had; "de Sakser
heeft u geraakt."

"Dat staat een gevangene vrij," zei De Bracy, met schijnbare
onverschilligheid; "want hij, wiens handen gebonden zijn, moet ten
minste zijn tong kunnen roeren.--Maar uw hoogmoedige taal, kameraad,"
voegde hij er bij, zich tot Athelstane keerende, "zal Rowena's
bevrijding niet bewerken."

Hierop gaf Athelstane, die reeds langer gesproken had, dan zijn
gewoonte was, al ware het ook over het belangrijkste onderwerp, geen
antwoord. Het gesprek werd afgebroken door de komst van een dienaar,
die meldde, dat een monnik aan de achterpoort stond, en wenschte
binnengelaten te worden.

"In den naam van den heiligen Benedictus, den vorst van deze
bedelaars," riep Front-de-Boeuf uit, "is dit nu een echte monnik, of
weder een bedrieger? Doorzoekt hem, slaven; want zoo gij u weer een
valschen priester laat opdringen, zal ik u de oogen laten uitsteken,
en gloeiende kolen in de holten doen!"

"Ik onderwerp mij aan uw toorn, gestrenge heer," zei Gilles, "als
dit geen echte kaalkop is. Uw schildknaap Jocelijn kent hem wel,
en wil er voor instaan, dat het broeder Ambrosius is, een monnik uit
het gevolg van den Prior van Jorvaulx."

"Laat hem binnen," zei Front-de-Boeuf, "waarschijnlijk brengt hij ons
tijding van zijn gelukkigen meester. Zeker viert de duivel kermis,
en zijn de priesters vrij van dienst, dat zij zoo in het wild door
het land zwerven. Breng deze gevangenen weg; en Sakser, overweeg,
wat gij gehoord hebt."

"Ik eisch," hernam Athelstane, "eene eervolle gevangenschap, met
behoorlijke zorg voor tafel en bed, zooals mijn rang en een ridder
toekomt, die omtrent zijn losgeld onderhandelt. Daarenboven houd ik
dengene, die zich voor den besten van ulieden houdt, voor verplicht,
om mij later rekenschap te geven voor deze aanranding mijner
vrijheid. Deze uitdaging is u reeds door den huis-hofmeester
toegezonden; gij hebt ze ontvangen, en gij moet mij er op
antwoorden. Daar ligt mijn handschoen!"

"Ik beantwoord de uitdaging van mijn gevangene niet," hernam
Front-de-Boeuf, "en gij zult dit evenmin doen, Maurice De
Bracy. Gilles," ging hij voort; "hang des _Franklins_ handschoen
op de takken van gindschen hoorn; daar zal hij blijven hangen, tot
zijn eigenaar in vrijheid is. Als hij dien dan durft terugeischen,
of zeggen, dat hij op een onwettige wijze mijn gevangene geworden
is, bij den gordel van St. Christophorus, hij zal met iemand te doen
krijgen, die nooit geaarzeld heeft een vijand onder de oogen te zien,
hetzij te voet, of te paard, alleen of met zijne vazallen!"

De Saksische gevangenen werden nu weggebracht, juist toen men den
monnik Ambrosius binnenliet, die zeer ontsteld scheen te zijn.

"Dit is de ware _Deus vobiscum_," zei Wamba, toen hij den eerwaarden
broeder voorbij ging, "de anderen waren slechts namaaksels."

"Heilige Moeder!" riep de monnik, de vergaderde ridders aansprekende,
"eindelijk ben ik in veiligheid!--onder Christelijke bescherming!"

"Veilig zijt ge," hervatte De Bracy, "en wat het Christelijke uwer
bescherming betreft, hier staat de dappere Reginald Front-de-Boeuf,
wiens grootste afschrik een Jood is, en de heldhaftige ridder en
Tempelier, Brian De Bois-Guilbert, wiens roeping het is, Saracenen
om te brengen.--Zoo dit geen voldoende blijken van Christendom zijn,
dan ken ik er geen andere, waarop ze aanspraak kunnen maken."

"Ge zijt vrienden en bondgenooten van onzen eerwaarden vader
in God, Aymer, Prior van Jorvaulx," hernam de monnik, zonder
acht te slaan op den toon van De Bracy's antwoord; "ge zijt hem
hulp verschuldigd, zoowel wegens uw gelofte als ridders, als uit
Christelijke liefde.--Want wat zegt de gezegende St. Augustinus in
zijn verhandeling _De Civitate Dei_,--"

"Wat zegt de duivel!" viel Front-de-Boeuf hem in de rede, "of liever,
wat zegt ge, heer priester? Wij hebben weinig tijd, om teksten uit
de heilige Kerkvaders te hooren."

"_Sancta Maria!_" riep vader Ambrosius, "hoe doldriftig zijn deze
onheilige leeken!--Maar verneemt, dappere ridders, dat zekere
moorddadige schurken, alle vrees voor God, en allen eerbied voor de
Kerk verzakende, en zonder acht te geven op de bul van den heiligen
Vader, _Si quis suadente Diabolo_,--"

"Priester," zei de Tempelier, "dit alles weten wij, of kunnen het wel
raden.--Zeg ons ronduit, is uw meester, de Prior, gevangen genomen
en door wien?"

"Voorzeker," antwoordde Ambrosius, "hij is in handen der
Belials-kinderen, der roovers in deze bosschen en der overtreders
van den heiligen tekst: "slaat de handen niet aan mijn gezalfden,
en doet mijn profeten geen leed!"

"Hier is eene nieuwe opwekking tot den strijd, Heeren," zei
Front-de-Boeuf, zich tot zijn makkers wendende; "dus, in plaats van
ons hulp te bieden, vraagt de Prior van Jorvaulx bijstand van ons? Zoo
wordt men door deze luie geestelijken geholpen, als men hen het meest
noodig heeft! Maar zeg, priester, wat verwacht uw heer van ons?"

"Och!" zei Ambrosius, "men heeft de hand aan den eerwaarden Prior
geslagen, strijdig met het heilig gebod, dat ik reeds aangehaald heb,
en die Belials-kinderen hebben zijn valiezen en bagage uitgeplunderd,
en van tweehonderd mark fijn goud beroofd, daarenboven, vorderen ze
nog eene aanzienlijke som, eer ze hem uit hun onheilige handen willen
ontslaan. Daarom smeekt u de eerwaarde vader in God, als zijne dierbare
vrienden, om hem te verlossen, hetzij door het losgeld te betalen,
dat voor hem geëischt wordt, hetzij door hem met geweld te bevrijden,
zooals ge verkiest."

"De duivel hale den Prior!" riep Front-de-Boeuf; "hij moet heden reeds
menigen beker geledigd hebben. Wanneer heeft uw meester ooit van een
Normandischen Baron hooren spreken, die zijne beurs opende om een
priester te helpen, daar de geldzakken der geestelijkheid tienmaal zoo
zwaar zijn als de onzen? En hoe zouden wij hem met geweld bevrijden,
daar wij hier door een getal, tienmaal grooter dan het onze, zijn
ingesloten, en ieder oogenblik de bestorming verwachten?"

"En dit wilde ik u juist zeggen," zei de monnik, "indien gij mij in
uwe drift hadt laten uitspreken. Maar, God sta mij bij!--ik ben een
grijsaard, en dit schandelijk krijgsgewoel verwart het verstand van
een oud man. Niettemin is het waar, dat ze een kamp opslaan, en een
wal oprichten onder de muren van dit kasteel."

"Naar de wallen dan!" riep De Bracy, "en laat ons zien, wat de schurken
doen!" en dit zeggende opende hij een tralie-venster, dat naar een
soort van vooruitstekend balkon leidde, en riep oogenblikkelijk hen,
die in de kamer waren, toe: "Bij St. Denis! de oude monnik spreekt de
waarheid! Ze brengen schermdaken en breede schilden aan; de schutters
vergaderen langs den zoom van het bosch; als zwarte wolken voor
een hagelbui."

Reginald Front-de-Boeuf keek ook naar buiten, en greep naar zijn horen:
en na lang en luid geblazen te hebben, beval hij zijne manschappen,
om hun posten op de wallen te bezetten. "De Bracy, zie gij toe op den
oostkant, waar de muur het laagste is.--Edele Bois-Guilbert, uw beroep
heeft u wel geleerd, hoe ge aanvallen en verdedigen moet; blijf gij aan
den westkant.--Ik zelf zal op het bruggenhoofd post vatten. Evenwel
bepaalt uwe werkzaamheid niet tot één punt, edele vrienden! wij
moeten heden overal zijn, en ons als het ware vermenigvuldigen,
om door onze alomtegenwoordigheid hulp en ondersteuning te bieden,
daar waar de aanval het heetste is. Ons getal is klein, maar ijver
en moed kunnen in dit gebrek voorzien, daar wij slechts met schurken
en boeren te doen hebben."

"Maar, edele ridders," riep vader Ambrosius tusschen het gedruisch en
de verwarring, welke de toebereidselen ter verdediging veroorzaakten,
"wil geen uwer op de boodschap antwoorden van den eerwaarden vader
in God, Aymer, Prior van Jorvaulx?--Ik bid u, mij aan te hooren,
edele ridders!"

"Ga, wend u met uw verzoek tot den hemel," hernam de woeste
Normandiër, "want wij, hier op aarde, hebben geen tijd om naar u
te luisteren.--Hola, Anselmus! zorg, dat er kokende pik en olie in
gereedheid zijn, om op de hoofden van die vermetele verraders te
gieten. Zie toe, dat de arm-boogschutters geen gebrek aan schichten
hebben.--Laat mijne oude banier met den stierenkop hijschen;--die
schurken zullen weldra zien met wien ze heden te doen hebben!"

"Maar, edele Heer," vervolgde de monnik, volhardende in zijne pogingen
om gehoor te vinden; "denk aan mijne gelofte van gehoorzaamheid,
en laat mij de bevelen van mijn overheid volvoeren!"

"Weg met dezen praatzieken domoor!" zei Front-de-Boeuf; "sluit hem in
de kapel op, om zijn rozekrans te bidden, totdat het gevecht gedaan
is. Het zal iets nieuws voor de heiligen in Torquilstone zijn, om
_ave's_ en _paternosters_ te hooren; ze zijn, naar ik weet, niet zoo
vereerd geworden, sedert ze uit steen gehouwen zijn."

"Laster de heiligen niet, ridder," zei De Bracy, "wij zullen heden
hunne hulp noodig hebben, eer die rooverbende verdreven is."

"Ik verwacht weinig hulp van dien kant," hernam Front-de-Boeuf, "tenzij
wij hen van de borstwering op de hoofden dier schelmen neêrwerpen. Er
is een reusachtige St. Christophorus bij, zwaar genoeg om een geheele
compagnie te verpletteren."

De Tempelier had intusschen uitgezien naar de bewegingen der
belegeraars, met wat meer oplettendheid dan de woeste Front-de-Boeuf en
zijn luchtige makker. "Op mijn woord," zei hij, "deze kerels naderen
met meer verstand, dan men zou verwacht hebben, hoe ze er dan ook
aankomen. Zie, hoe behendig ze van iederen boom en struik gebruik
maken, om zich te dekken, en zich wachten, zich aan onze schutters
bloot te geven! Ik zie banier noch vaandel onder hen, en toch wil
ik mijn gouden keten verwedden, dat ze aangevoerd worden door eenig
edelen ridder, of heer, die in de krijgskunst ervaren is."

"Ik zie hem reeds," riep De Bracy uit, "ik zie een vederbos van een
ridder wapperen, en zijn glinsterende wapenrusting. Zie ginds dien
grooten man, in het zwarte harnas, die het achterste gelid van die
schurken opstelt.--Bij St. Denis, ik geloof, dat het dezelfde is,
dien wij _Le Noir Fainéant_ noemden, en die u, Front-de-Boeuf, in
het strijdperk van Ashby, ter neder sloeg."

"Des te beter," hernam Front-de-Boeuf, "dat hij hier komt, om mij
gelegenheid tot wraak te geven. Het moet de een of ander misdadige
zijn, daar hij den toernooiprijs, welken het toeval hem geschonken had,
niet durfde vorderen. Ik zou hem zeker te vergeefs gezocht hebben,
waar ridders en edelen hunne vijanden zoeken, en ik ben blijde,
dat hij zich hier onder het gemeene volk vertoont."

De bewegingen van den vijand, die een onmiddellijken aanval deden
vooruit zien, braken het gesprek af. Ieder ridder begaf zich op
zijn post, en aan het hoofd van het klein getal volgelingen, die ze
bijeen konden brengen, en welke niet toereikend waren, om de geheele
uitgestrektheid der muren te bezetten, wachtten ze, met bedaarde
vastberadenheid, de dreigende bestorming af.



ACHT-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.


                    Dit zwervend volk, van andren afgezonderd,
                    Stoft op zijn dieper kennis der natuur;
                    De zeeën, wouden, velden, waar zij toeven,
                    Zien hen bekend met hun verborgen schatten:
                    Geringe kruiden, bloemen, bloesems spreiden,
                    Door hen verzameld, ongekende krachten.

                                                            De Jood.


Onze geschiedenis moet noodzakelijk eenige bladzijden terug gaan,
om den lezer van zekere voorvallen te onderrichten, welker kennis
vereischt is tot het verder begrijpen van dit belangrijk verhaal. Hij
zal wel van zelf begrepen hebben, dat, toen Ivanhoe in zwijm viel en
door iedereen verlaten scheen, Rebekka door haar dringende beden haar
vader overhaalde den dapperen jongen krijgsman uit het strijdperk
naar het huis te laten brengen, dat de Joden tijdelijk in een der
voorsteden van Ashby bewoonden. Het zou ook in andere omstandigheden
niet moeielijk geweest zijn, om Izaäk tot dezen stap te overreden,
want hij was van inborst goedaardig en dankbaar. Maar hij bezat ook
de vooroordeelen en schroomvallige vreesachtigheid aan zijn vervolgd
volk eigen, en deze moesten overwonnen worden.

"Heilige Abraham!" riep hij uit, "het is een goed jongeling, het
snijdt mij door het hart, als ik zie, hoe het bloed over zijn rijk
geborduurde kraag en zijne kostbare wapenrusting vloeit.--Maar hem in
ons huis te brengen, meisje, hebt gij daar wel over nagedacht?--Hij
is een Christen, en naar onze wet mogen wij met den vreemdeling en
den Heiden niet anders verkeeren, dan om den wille van den handel."

"Zeg dat niet, lieve vader," hernam Rebekka; "wij mogen ons, wel is
waar, niet onder hen mengen bij gastmalen en vroolijkheid; maar in
ongeluk en ellende wordt de Heiden des Joden broeder."

"Ik zou wel eens willen weten, wat de Rabbi Jacob Ben Tudela er van
zeggen zou?" hervatte Izaäk;--"echter moet de goede jongeling niet
dood bloeden. Seth en Ruben kunnen hem naar Ashby dragen."

"Neen," zei Rebekka; "laten zij hem in mijn draagstoel leggen; ik
zal een der rijpaarden bestijgen."

"Dan zoudt gij u immers blootstellen aan de onbeschaamde oogen van die
honden van Ismaël en Edom," fluisterde Izaäk, met een achterdochtigen
blik op de menigte ridders en knapen. Maar Rebekka was reeds bezig,
met haar liefderijk voornemen ten uitvoer te brengen, en luisterde
niet naar hetgeen hij zei, totdat Izaäk, haar bij den slip van den
mantel grijpende, weder met een benauwde stem uitriep: "Bij Aärons
baard!--als de jongeling sterft--als hij in onze bewaring sterft,
zullen wij dan niet voor schuldig aan zijn dood gehouden, en door de
menigte verscheurd worden?"

"Hij zal niet sterven, vader," zei Rebekka, zich zachtjes van Izaäk
losmakende; "hij zal niet sterven, als wij hem niet verlaten, en als
wij dat doen, dan zijn wij inderdaad aan God en de menschen rekenschap
voor zijn bloed verschuldigd."

"Wel," antwoordde Izaäk, terwijl hij haar losliet, "het spijt mij
evenzeer, zijn bloed te zien stroomen, alsof het gouden byzantijnen
uit mijn beurs waren; en ik weet wel, dat de lessen van Mirjam,
de dochter van den Rabbi Manasse van Byzantium, wiens ziel in het
Paradijs is, u in de heelkunst ervaren gemaakt hebben, en dat gij
krachtige kruiden en versterkende elixers kent. Doe dus, wat uw
hart u ingeeft;--gij zijt een goed meisje, een zegen, en eene kroon,
en de trots van mij en mijn huis, en van het volk mijner vaderen."

De vrees van Izaäk was intusschen niet ongegrond; en de edelmoedige
menschlievendheid zijner dochter stelde haar, gedurende de terugreis
naar Ashby bloot aan de stoute blikken van Brian de Bois-Guilbert. De
Tempelier reed hen tweemalen voorbij om zijn onbeschaamd en vurig
oog op de schoone Jodin te vestigen; en wij hebben reeds de gevolgen
gezien van zijne bewondering voor hare bekoorlijkheden, toen het
toeval haar in de macht van dezen woesten wellusteling geleverd had.

Rebekka verloor geen tijd met den patient naar hunne tijdelijke woning
te laten brengen, en ging toen zelve aan het werk, om zijne wonden
te onderzoeken en te verbinden.

De meest onervaren lezer van romans en romantische balladen zal zich
herinneren, hoe dikwijls de vrouwen, gedurende de middeleeuwen, in
de geheimen der heelkunst waren ingewijd, en hoe dikwerf de dappere
ridder zijne wonden juist aan haar ter genezing toevertrouwde, wier
oogen zijn hart nog dieper gewond hadden.

Maar de Joden, zoowel mannen als vrouwen, verstonden en beoefenden alle
takken der geneeskunst, en de vorsten en machtige Baronnen van dien
tijd vertrouwden zich dikwijls aan de behandeling van menigen ervaren
geleerde onder dit verachte volk, wanneer ze gekwetst of ziek waren. De
hulp der Joodsche geneesheeren werd niet minder ijverig gezocht,
ofschoon het geloof algemeen onder de Christenen heerschte, dat de
Joodsche Rabbijnen zeer bedreven waren in de geheime wetenschappen, en
vooral in de kabbalistische kunsten, welke haar naam en oorsprong aan
de wijzen van Israël te danken hebben. Ook loochenden de rabbijnen zulk
eene kennis der bovennatuurlijke kunsten niet, hetgeen volstrekt niet
den haat vergrootte (want hoe kon die ook vergroot worden?) waarmede
men hun volk beschouwde, terwijl daardoor de verachting verminderd
werd, waarmede deze afkeer gepaard ging. Een Joodsche toovenaar mocht
even erg verfoeid worden als een Joodsche woekeraar, maar hij kon
nooit zoo veracht worden. Het is bovendien waarschijnlijk, als men
de verwonderlijke genezingen in aanmerking neemt, welke men gelooft,
dat ze verricht hebben, dat de Joden eenige geheimen in de geneeskunst
kenden, die hun eigen waren, en welke ze met den achterhoudenden geest,
door hun maatschappelijken toestand aangekweekt, met groote zorg voor
de Christenen, onder wie ze leefden, verborgen hielden.

De schoone Rebekka was zorgvuldig opgevoed in al de wetenschappen aan
haar volk eigen, en haar vlug en groot verstand had alles onthouden,
geschikt en ontwikkeld, op eene wijze die hare jaren, haar geslacht
en zelfs hare eeuw ver vooruit was. Hare kennis der genees- en
heelkunst had ze verkregen van eene oude Jodin, de dochter van
een der beroemdste Joodsche doctoren, welke Rebekka als haar eigen
kind beminde, en die, naar men geloofde, aan deze de geheimen had
medegedeeld, welke haar wijze vader had nagelaten in denzelfden tijd
en onder dezelfde omstandigheden.

Het was het lot van Mirjam geweest, om als slachtoffer van de
dweepzucht dier tijden te vallen; maar hare geheimen hadden haar in
de persoon harer begaafde leerling overleefd.

Rebekka, dus met kunde en schoonheid bedeeld, werd algemeen geëerd en
bewonderd door haar eigen stam, welke haar bijna beschouwde als eene
dier bevoorrechte vrouwen, die in de Heilige Schrift vermeld worden.

Haar vader zelf, uit eerbied voor hare bekwaamheden, gepaard met zijn
onbegrensde liefde, liet het meisje meer vrijheid dan de gewoonten
van haar volk anders aan haar geslacht vergunden, en hij werd, zooals
wij reeds gezien hebben, dikwijls door haar gevoelen bestierd, al
was het ook lijnrecht in strijd met het zijne.

Toen Ivanhoe Izaäks woning bereikte, was hij nog steeds in een staat
van bewusteloosheid, veroorzaakt door het geweldige bloedverlies,
dat hij in het strijdperk geleden had. Rebekka onderzocht de wond,
en na die verbonden te hebben met de heelmiddelen, welke haar kennis
voorschreef, gaf ze haar vader te kennen, dat, zoo de koorts gestuit
werd, wat ze wegens het sterke bloedverlies verwachtte, en indien de
heelende balsem van Mirjam zijn kracht niet verloren had, er niets
voor het leven van hun gast te vreezen was, en dat hij den volgenden
dag veilig met hen naar York zou kunnen reizen. Izaäk ontstelde een
weinig bij dit bericht. Zijne menschlievendheid had zich gaarne bepaald
bij hetgeen hij te Ashby gedaan had, of, op zijn best, zou hij den
gekwetsten Christen hebben willen achterlaten, om opgepast te worden
in het huis, waar ze thans woonden, met verzekering aan den Jood,
wien het toebehoorde, dat alle onkosten behoorlijk zouden worden
vergoed. Hiertegen bracht Rebekka echter verscheidene bezwaren in,
waarvan wij slechts twee zullen aanhalen, daar ze van bijzonder veel
gewicht bij Izaäk waren. Het ééne was, dat zij in geen geval haar
fleschje met kostbaren balsem, zelfs in handen van een geneesheer
van hare eigen natie geven wilde, uit vrees, dat het onwaardeerbaar
geheim ontdekt mocht worden; het andere was, dat deze gekwetste
ridder, Wilfrid van Ivanhoe, een vertrouwde en gunsteling was van
Richard Leeuwenhart, en dat, ingeval die vorst terugkeerde, Izaäk,
die aan zijn broeder Jan geld verschaft had om zijn oproerige plannen
te bevorderen, een machtigen beschermer, die Richards gunst genoot,
hoog noodig zou hebben.

"Gij zegt de zuivere waarheid, Rebekka," zei Izaäk, voor deze
gewichtige gronden zwichtende,--"het ware heiligschennis, om de
geheimen der gezegende Mirjam te verraden; want het goede, dat de Hemel
geeft, moet niet roekeloos aan anderen verkwist worden, het mogen dan
gouden talenten of zilveren _sjekels_, of de geheimen van een wijzen
geneesheer zijn;--zeker moeten ze bewaard worden door hen, aan welke
de Voorzienigheid ze heeft geschonken. En als _hij_ eens weder terug
kwam, dien de Nazareërs van Engeland Leeuwenhart noemen, dan ware
het waarlijk beter voor mij in de klauwen van een sterken leeuw van
Idumea te vallen, dan in de zijnen, als hij lucht krijgt van mijne
handelingen met zijn broeder. Dus wil ik gehoor geven aan uw raad,
en deze jongeling zal met ons naar York reizen, en ons huis zal het
zijne wezen, tot zijne wonden genezen zijn. En als deze Leeuwenhart in
het land terugkeert, zooals het gerucht loopt, dan zal deze Wilfrid
van Ivanhoe mij verdedigen, wanneer des Konings toorn tegen uw vader
ontbrandt. En als hij niet terugkeert, dan kan deze Wilfrid ons onze
kosten vergoeden, als hij schatten verdient door de kracht van zijn
speer en zijn zwaard, zooals hij gisteren en heden gedaan heeft. Want
de jongeling is een braaf jongeling, en houdt woord, en geeft terug,
wat hij leent, en helpt den Israëliet, zelfs den zoon mijns vaders,
als hij door dieven en kinderen Belials omsingeld is."

Het was eerst laat in den avond, toen Ivanhoe zijn bewustheid
terugkreeg. Hij ontwaakte uit eene onrustige sluimering, met de
verwarde indrukken, natuurlijk aan het bijkomen uit een staat van
bewusteloosheid. Het was hem gedurende eenigen tijd onmogelijk,
zich de omstandigheden, welke zijne bezwijming in het strijdperk
vooraf waren gegaan, nauwkeurig te herinneren of de voorvallen van
den vorigen dag aaneen te schakelen. Het bewustzijn van verwonding
en pijn, gevoegd bij groote zwakheid en afmatting, ging gepaard met
de herinnering aan gegeven en ontvangen slagen en houwen, van tegen
elkander stootende paarden, van overwinnaars en overwonnenen,--van
geschreeuw en wapengekletter, en al het verwarde gedruisch van een heet
gevecht. Eene poging, om de gordijn van zijn bed te openen, gelukte
hem gedeeltelijk, ofschoon de pijn zijner wonde dit moeielijk maakte.

Tot zijne groote verwondering zag hij zich in eene rijk gestoffeerde
kamer, maar met kussens voorzien, in plaats van met stoelen, en in
andere opzichten zooveel overeenkomende met de Oostersche gebruiken,
dat hij begon te twijfelen, of hij niet gedurende zijn slaap naar
Palestina was teruggevoerd. De indruk werd vermeerderd, toen eene
deur in het behang open ging, en eene vrouwelijke gedaante, rijk
en meer naar den Oosterschen dan den Europeeschen smaak gekleed,
gevolgd door een zwarten dienaar, binnensloop.

Toen de gekwetste ridder deze schoone verschijning wilde aanspreken,
gebood zij hem stil te zwijgen, door den vinger op de rozenroode
lippen te leggen, terwijl de bediende, nader komende, Ivanhoe's
zijde ontblootte, en de beminnelijke Jodin zich overtuigde, dat
het verband op zijn plaats zat, en het met de wond goed stond. Zij
volbracht haar taak met een aanvallige en waardige eenvoudigheid en
zedigheid, welke, zelfs in beschaafdere tijden had moeten strekken,
om alles, wat de vrouwelijke kieschheid had kunnen kwetsen, te doen
vergeten. Het denkbeeld van een zoo jonge en schoone vrouw bezig te
zien om een zieke op te passen, of de wonden van een man te verbinden,
maakte plaats voor dat van een weldadig wezen, dat zijne krachtige
hulp verleende om de smart te verzachten, en den pijl des doods af te
wenden. Rebekka gaf haar weinige en korte bevelen in het Hebreeuwsch
aan den ouden dienaar en deze, die haar dikwijls in soortgelijke
gevallen had bijgestaan, gehoorzaamde zonder te antwoorden.

De klank eener onbekende taal, hoe onaangenaam die ook in een
anderen mond zou geweest zijn, had in dien van de schoone Rebekka
die romantische en aangename uitwerking, die de verbeelding aan de
eene of andere weldadige toovergodin toeschrijft, welke, wel is waar,
onverstaanbaar blijft voor het oor, maar door de zachte uitdrukking
en den goedaardigen blik het hart roert en treft. Zonder te beproeven
naar iets te vragen, liet Ivanhoe haar in stilte die maatregelen
nemen, welke zij voor zijne beterschap het noodigst oordeelde, en
eerst toen zij gedaan had, en zijne behulpzame vriendin op het punt
stond om heen te gaan, kon hij zijne nieuwsgierigheid niet langer
onderdrukken.--"Bekoorlijk meisje," begon hij in het Arabisch, welke
taal hem gedurende zijn reizen in het Oosten gemeenzaam geworden was,
en die hij zich verbeeldde dat het met tulband en kaftan gesmukte
meisje, dat voor hem stond, het best zou verstaan, "ik bid u,
bekoorlijk meisje,--uwe goedheid--"

Maar hier viel zijn schoone arts hem in de rede; een glimlach, welken
zij nauwelijks onderdrukken kon, zweefde over een gelaat, waarop
gewoonlijk eene uitdrukking rustte van peinzende zwaarmoedigheid:
"Ik ben uit Engeland, heer ridder, en spreek de Saksische taal,
ofschoon mijne kleeding en mijn stam onder een andere hemelstreek te
huis behooren."

"Edele Jonkvrouw,"--begon de ridder van Ivanhoe opnieuw, en wederom
haastte zich Rebekka hem in de rede te vallen.

"Geef mij dien eeretitel niet, heer ridder," zei zij. "Het is goed,
dat gij dadelijk verneemt, dat uwe verzorgster eene arme Jodin is,
de dochter van Izaäk van York, dien gij onlangs zoo liefderijk en
vriendelijk behandeld hebt. Het is zijn plicht en die van zijne
huisgenooten om u die zorgvuldige verpleging te verschaffen, welke
uw tegenwoordige toestand zoo gebiedend eischt."

Ik weet niet, of de schoone Rowena wel tevreden zou geweest zijn over
de bewondering, waarmede haar ridder tot dusverre de schoone trekken,
de rijzige gestalte en de schitterende oogen van de beminnelijke
Rebekka aanschouwd had; oogen, wier glans overschaduwd en als het
ware verzacht werd door lange wimpers, welke een dichter vergeleken
zou hebben bij de avondster, die haar stralen door een priëel
van jasmijn schiet. Maar Ivanhoe was te goed katholiek om deze
gevoelens voor een Jodin te koesteren. Dit had Rebekka voorzien en
daarom had zij zich gehaast om haars vaders naam en stam te noemen,
evenwel,--want de schoone en wijze dochter van Izaäk was niet zonder
een kleinen zweem van vrouwelijke zwakheid,--kon zij niet nalaten in
haar hart te zuchten, toen de blik van eerbiedige bewondering, niet
geheel onvermengd met teederheid, waarmede Ivanhoe tot hiertoe zijne
onbekende weldoenster aanschouwd had, eensklaps veranderde in een koel,
bedaard en terughoudend gedrag, waarin geen dieper gevoel te zien was,
dan dat van dankbaarheid voor een dienst, welken men onverwacht van
een persoon van minderen stand ontvangt. Niet dat Ivanhoe's vroegere
houding meer uitdrukte, dan die algemeene, eerbiedige hulde, welke de
jeugd altijd aan de schoonheid betoont; maar toch was het pijnlijk,
dat een enkel woord genoeg was, om als met een tooverslag, de arme
Rebekka, die niet geheel onbewust kon zijn, van haar recht op zulke
hulde, tot eene verachte klasse te doen nederdalen, aan welke ze niet
met eer kon bewezen worden.

Maar de zachtaardige, edele Rebekka rekende het Ivanhoe tot geen
misdaad, dat hij in de algemeene vooroordeelen van zijne eeuw en van
zijne geloofsgenooten deelde. Integendeel hield de schoone Jodin,
ofschoon zij gevoelde, dat haar patient haar als een spruit van
een verworpen stam beschouwde, met welke het niet eervol was, meer
dan het noodzakelijkste verkeer te houden, niet op, hem dezelfde
geduldige en zorgvuldige oplettendheid te betoonen. Zij onderrichtte
hem van de noodzakelijkheid om naar York te vertrekken en van haars
vaders besluit, om hem daarheen te vervoeren en in zijn eigen huis
te verzorgen, tot zijn genezing volmaakt was. Ivanhoe legde grooten
tegenzin in dit plan aan den dag, terwijl hij voorwendde dat hij niet
geneigd was zijne weldoeners verder tot last te strekken.

"Is er niet," zei hij, "te Ashby, of in de nabijheid, de een of ander
Saksische _Franklin_, of zelfs eenige rijke boer, die op zich zou
willen nemen om een gekwetsten landsman bij zich te ontvangen, tot hij
weder in staat is de wapens te dragen? Is er geen Saksisch klooster,
waar hij kan aankloppen?--Of kan hij niet naar Burton vervoerd worden,
waar hij verzekerd is, gastvrijheid te vinden bij Waltheoff, den Abt
van Sint Withold, zijn bloedverwant?"

"Iedere, zelfs de nederigste dezer schuilplaatsen," zei Rebekka,
met een zwaarmoedigen glimlach, "zou zonder twijfel geschikter zijn
voor u dan de woning van een verachten Jood; maar, heer ridder,
zoo gij uw geneesheer niet wilt missen, moet gij niet van verblijf
veranderen. Ons volk, zooals gij wel weet, kan wonden genezen, ofschoon
wij er geen mogen toebrengen; en bij mijn geslacht in het bijzonder,
berusten geheimen, welke sedert Salomo's tijd zijn overgebracht, en
waarvan gij het heil reeds ondervonden hebt.--Geen Nazareër--ik smeek
u om verschooning, heer ridder,--geen Christen wondarts in Brittanje
zou u in staat kunnen stellen, uwe wapenrusting in minder dan eene
maand te dragen."

"En hoe spoedig zult gij mij in staat stellen, dat te doen?" vroeg
Ivanhoe ongeduldig.

"Binnen acht dagen, als gij geduldig wilt zijn en naar mijn
voorschriften luisteren," hernam Rebekka.

"Bij de Heilige Maagd," zei Wilfrid, "indien het geene zonde is haar
hier te noemen, het is geen tijd voor mij, of voor eenigen echten
ridder bedlegerig te zijn; en als gij uwe belofte houdt, meisje, zal
ik u beloonen met mijn helm vol goud, vanwaar het dan ook komen moge!"

"Ik zal mijne belofte houden," hernam Rebekka, "en gij zult uwe
wapenrusting heden over acht dagen weder kunnen dragen, als gij mij
slechts eene bede wilt vergunnen, in plaats van het geld, dat ge
mij belooft."

"Zoo het in mijne macht staat,--en een goed Christen ridder het aan
iemand van uw volk mag toestaan," hervatte Ivanhoe, "dan zal ik aan
uw verzoek gaarne en dankbaar voldoen."

"Welnu," antwoordde Rebekka, "ik wilde u slechts bidden, om voortaan
te gelooven, dat een Jood aan een Christen een dienst kan doen zonder
andere belooning dan de zegen van den Grooten Vader, die Jood en
Heiden geschapen heeft."

"Het ware zonde hieraan te twijfelen, meisje," hernam Ivanhoe,
"en ik vertrouw mij aan uwe kunde toe, zonder verderen twijfel of
ongerustheid, maar ik reken er op, dat gij mij in staat zult stellen,
mijne wapenrusting op den achtsten dag na heden te dragen. En nu moet
ik u naar het nieuws van buiten vragen. Wat weet gij van den edelen
Sakser, Cedric en zijn gezin?--Wat van de schoone Jonkvrouw,"--hij
hield op, alsof hij Rowena's naam niet in het huis van een Jood
uitspreken wilde,--"van haar, meen ik, die tot Koningin van het
toernooi benoemd werd?"

"En die door u, heer ridder, uitgekozen werd om die waardigheid
te bekleeden, met een oordeel, dat evenzeer bewonderd werd als uwe
dapperheid," hervatte Rebekka.

Het bloed dat Ivanhoe verloren had, belette niet dat een blos
zijn wangen kleurde, toen hij begreep, dat hij onvoorzichtig de
belangstelling, welke hij voor Rowena gevoelde, verraden had door
zijne onhandige poging om die te verbergen.

"Het was minder van haar dat ik spreken wilde," zei hij, "dan van Prins
Jan, en ik wilde gaarne iets weten van mijn getrouwen schildknaap,
en waarom hij mij niet oppast?"

"Laat ik mijn gezag als wondarts gebruiken," antwoordde Rebekka,
"en u het stilzwijgen en het vermijden van alle ontroering opleggen,
terwijl ik u onderricht van hetgeen gij wenscht te weten. Prins Jan
heeft het toernooi plotseling afgebroken en is in groote haast naar
York vertrokken met de edelen, ridders en geestelijken van zijne
partij, na al het geld dat zij door billijke of onbillijke middelen
afpersen konden van hen, die voor de rijken des lands gehouden worden,
medegenomen te hebben. Men zegt dat hij voornemens is, zich de kroon
zijns broeders op te zetten."

"Niet zonder dat er menige slag ter verdediging er van gedaan wordt,"
zei Ivanhoe, zich in zijn bed oprichtende, "al was er ook maar
één getrouwe onderdaan in Engeland! Ik wil met den besten hunner
om Richards recht strijden,--ja, zelfs één tegen twee in zijne
rechtvaardige zaak."

"Maar om dit te kunnen doen," zei Rebekka, hem met haar hand zacht
op den schouder aanrakende, "moet gij thans mijne bevelen volgen,
en u rustig houden."

"Gij hebt gelijk, meisje," hernam Ivanhoe, "zoo rustig als deze
onrustige tijden toelaten.--En wat nu van Cedric en zijn gezin?"

"Zijn huishofmeester is een oogenblik geleden hier geweest," hervatte
de Jodin, "buiten adem van haast, om van mijn vader eenig geld te
halen voor wol, welke hij van Cedric's kudden verkregen had; en van
hem vernam ik, dat Cedric en Athelstane van Coningsburgh de woning
van den Prins in groot ongenoegen verlaten hadden en op het punt
waren om weder naar huis te reizen."

"Is er ook eene dame met hen op het feest geweest?" vroeg Wilfrid.

"Jonkvrouw Rowena," antwoordde Rebekka, den naam vermeldende, dien
hij verzwegen had,--"Jonkvrouw Rowena, is niet naar des Prinsen feest
geweest, en, zooals de huishofmeester ons gezegd heeft, is zij thans
op de terugreis naar Rotherwood met haar voogd Cedric. En wat uw
getrouwen schildknaap Gurth--"

"Ha!" riep de ridder, "kent gij zijn naam?--Maar zeker," voegde hij
er haastig bij, "zeker kent gij hem, want het was uit uwe hand, en,
zooals ik vermoed, door uw edelmoedigheid, dat hij gisteren honderd
_zechinen_ ontvangen heeft."

"Spreek daar niet van," zei Rebekka blozende, "ik merk, hoe gemakkelijk
het is met den mond te verraden wat het hart gaarne zou verbergen."

"Maar," zei Ivanhoe ernstig, "mijne eer is er mede gemoeid, om uw
vader deze som te betalen."

"Volg uw eigen zin," zei Rebekka, "als acht dagen verloopen zijn;
maar denk nu, bid ik u, aan niets, en spreek van niets, dat uwe
herstelling zou kunnen vertragen."

"Het zij zoo, meisje," hernam Ivanhoe; "het zou zeer ondankbaar zijn,
mij tegen uwe verordeningen te verzetten. Maar één woord over Gurth's
lot, en ik heb gedaan met vragen."

"Het spijt mij u te moeten zeggen," antwoordde de Jodin, "dat hij op
bevel van Cedric gevangen is!"--En toen zij de droefheid bespeurde,
welke hare mededeeling bij Wilfrid verwekte, voegde zij er dadelijk
bij: "maar de huishofmeester Oswald zei, dat als er niets voorviel om
zijns meesters ongenoegen tegen hem te vermeerderen, hij zeker wist,
dat Cedric Gurth zou vergeven, daar hij een getrouw lijfeigene was,
hoog in gunst stond, en dezen misstap slechts begaan had uit liefde
voor Cedric's zoon. En hij zeide daarenboven, dat hij en zijne makkers,
en bijzonder de nar Wamba, besloten hadden om Gurth onderweg te helpen
ontvluchten, in geval de toorn van Cedric tegen hem niet verzacht
kon worden."

"God geve, dat zij hun voornemen ten uitvoer brengen!" zei Ivanhoe;
"maar het schijnt dat ik geboren ben, om allen, die mij liefde betoond
hebben, ongelukkig te maken!--Mijn koning eerde en onderscheidde mij,
en gij ziet, dat de broeder, die hem het meeste verschuldigd is, de
wapens opneemt om hem de kroon te ontrukken;--mijne liefde heeft de
schoonste van haar geslacht aan dwang en onrust onderworpen, en nu
zal mijn vader wellicht in zijn toorn dezen armen lijfeigene om het
leven brengen, alleen om zijne liefde en getrouwheid voor mij!--Gij
ziet, meisje, welk een ongelukskind gij bijstaat; wees verstandig,
en laat mij gaan eer mijn rampen, welke mij als speurhonden vervolgen,
ook u medesleepen."

"Wel," zei Rebekka, "uwe zwakheid en uwe smart, heer ridder, doen u de
bedoelingen des Hemels verkeerd uitleggen! Gij zijt aan uw vaderland
teruggegeven, toen het den bijstand van eene sterke hand en een
getrouw hart noodig had, en hebt den hoogmoed van uw en uws konings
vijanden vernederd, op een oogenblik, dat die ten toppunt gestegen
was;--en wat uw ongeluk betreft, ziet gij niet, dat de Hemel u hulp
en een arts gezonden heeft, zelfs onder de meest verachte bewoners des
lands?--Houd dus goeden moed en vertrouw er op, dat gij gespaard zijt
voor eenig wonder, dat uw arm voor dit volk zal verrichten. Vaarwel,
en begeef u, zoodra gij den drank ingenomen hebt, welken ik u door
Ruben zal zenden, weder ter rust, om des te beter in staat te zijn
morgen de vermoeienissen van de reis door te staan."

Ivanhoe liet zich door Rebekka's woorden overreden, en gehoorzaamde
aan hare bevelen. De drank, welken Ruben hem toediende, was van een
bedarenden en slaapwekkenden aard en verschafte den zieken een vasten
en ongestoorden sluimer. Den volgenden morgen vond zijn vriendelijke
arts hem geheel vrij van koortsachtige aandoening en in staat om de
vermoeienis der reis te verdragen.

Hij werd in den draagstoel geplaatst, waarin hij uit het strijdperk
gebracht was, en welke door paarden gedragen werd, en men nam alle
voorzorgen om hem met gemak te doen reizen. In één opzicht slechts
konden zelfs de beden van Rebekka geene genoegzame oplettendheid voor
het gemak van den gewonden ridder bezorgen. Izaäk zag, evenals de rijk
geworden reiziger, in de satire van Juvenalis, in zijne verbeelding
overal roovers, daar hij overtuigd was dat de stroopende Normandische
edelman en de Saksische vrijbuiter beiden hem als wettigen buit
zouden beschouwen. Hij reisde dus met den meesten spoed, en hield
slechts korte rust en nog kortere maaltijden, zoodat hij Cedric en
Athelstane voorbij reisde, die verscheidene uren vóór hem vertrokken,
maar opgehouden waren door hun langgerekt gastmaal in het klooster
van St. Withold. Zóó groot was echter de kracht van Mirjams balsem,
of van Ivanhoe's gestel, dat hij door de overhaaste reis het ongemak
niet leed, dat Rebekka voor hem gevreesd had.

In een ander opzicht echter, had de haast van den Jood geen gelukkige
gevolgen. De spoed, waarop hij onder het reizen aandrong, verwekte veel
oneenigheid tusschen hem en de lieden, die hij tot zijn bescherming
gehuurd had. Deze waren Saksers en geenszins vrij van die aangeboren
zucht naar gemak en goede sier, welke de Normandiërs met den naam van
luiheid en gulzigheid bestempelden. Shylock's stelling omkeerende,
hadden zij dezen last op zich genomen, in de hoop van zich op kosten
van den rijken Jood te mesten, en ze waren zeer ontevreden, toen
ze zich bedrogen vonden door de snelheid, waarop hij aandrong. Zij
verzekerden hem dan ook, dat hunne paarden daardoor ongewoon gevaar
liepen. Ten laatste ontstond er tusschen Izaäk en zijne wachten een
doodelijke veete over de hoeveelheid wijn en bier, welke bij iederen
maaltijd mocht gebruikt worden. En zoo kwam het, dat toen het gevaar
naderde, en hetgeen Izaäk gevreesd had, hem wezenlijk overkwam,
de ontevredene huurlingen, op wier bescherming hij vertrouwd had,
hem verlieten, daar hij de noodige middelen niet gebruikt had, om
zich van hunne verkleefdheid te verzekeren.

In dezen hulpeloozen toestand werd de Jood met zijne dochter en
hun gekwetsten gast door Cedric gevonden, zooals wij reeds gemeld
hebben en kort daarna vielen ze in de macht van De Bracy en zijne
bondgenooten. Men sloeg eerst weinig acht op den draagstoel, die
achtergebleven zou zijn zonder de nieuwsgierigheid van De Bracy, die er
in keek, daar hij dacht, dat wellicht het voorwerp van zijn onderneming
er in schuilde, want Rowena had zich nog niet ontsluierd. Maar groot
was De Bracy's verbazing, toen hij bespeurde dat de draagstoel een
gekwetsten krijgsman bevatte, die in het denkbeeld, dat hij in de
macht van Saksische roovers gevallen was, bij wie zijn naam een
bescherming voor hem en zijn vrienden kon zijn, openhartig bekende,
dat hij Wilfrid van Ivanhoe was.

De begrippen van riddereer, welke De Bracy, te midden van zijne
woestheid en lichtvaardigheid, nooit geheel en al verzaakt had,
beletten hem, om den ridder in zijn hulpeloozen toestand eenig leed
aan te doen, en verhinderden insgelijks, dat hij hem aan Front-de-Boeuf
verraadde, die er volstrekt geene gewetenszaak van zou gemaakt hebben,
om zijn mededinger naar het leen Ivanhoe ter dood te brengen, in
welke omstandigheden hij hem ook gevonden had. Van den anderen kant
was het eene daad, ver boven de edelmoedigheid van De Bracy verheven
om een medeminnaar in vrijheid te stellen, aan wien door Jonkvrouw
Rowena de voorkeur gegeven werd, zooals de gebeurtenissen bij het
toernooi en Wilfrids vroegere verbanning uit het vaderlijke huis
reeds genoegzaam te kennen gegeven hadden. Een middenweg tusschen goed
en kwaad was alles waartoe hij zich in staat gevoelde, en hij beval
aan twee zijner schildknapen dicht bij den draagstoel te blijven, en
niemand er bij te laten. Zoo men hen ondervroeg, beval hun meester te
zeggen, dat het de ledige draagstoel der Jonkvrouw Rowena was, welke
gebruikt werd om een makker, die in de schermutseling gekwetst werd,
te vervoeren. Bij hunne aankomst te Torquilstone, terwijl de Tempelier
en de heer van het kasteel ieder met zijn eigen ontwerp vervuld was,
de een met den schat van den Jood, en de andere met zijne dochter,
brachten De Bracy's schildknapen Ivanhoe, nog altijd onder den naam
van een gewonden makker, in een afgelegen vertrek. Dit zeiden ook De
Bracy's knapen aan Front-de-Boeuf, toen deze hun vroeg, waarom ze,
toen er alarm geblazen werd, zich niet naar de wallen begeven hadden.

"Een gekwetste makker!" hernam hij in groote drift en verbazing;
"geen wonder, dat boeren en landlieden zich verstouten, om zelfs
kasteelen te belegeren, en dat narren en zwijnenhoeders uitdagingen
aan edellieden zenden, daar krijgers in ziekenoppassers veranderen,
en huurlingen wachters bij een sterfbed geworden zijn, als zelfs het
kasteel op het punt is, van bestormd te worden.--Naar de wallen, gij
trage schurken!" riep hij, zijne forsche stem verheffende, zoodat de
gewelven er van weêrgalmden, "naar de wallen, of ik zal er u met deze
knots heen jagen!"

De lieden antwoordden hem op stuggen toon, "dat ze niets beters
verlangden dan naar de wallen te gaan, mits Front-de-Boeuf het bij
hun meester verantwoorden wilde, die hun bevolen had, den stervende
op te passen."

"Den stervende, schelmen!" hervatte de Baron, "ik beloof u, dat
wij allen weldra stervenden zullen zijn, als wij ons niet dapper
houden. Maar ik zal de wacht bij dezen uwen ellendigen makker
aflossen.--Hier, Urfried,--duivelsche Saksische heks,--hoort ge mij
niet?--pas op dien bedlegerigen kerel, daar hij toch opgepast moet
worden, terwijl deze schelmen hunne wapens gebruiken. Hier, kameraden,
zijn twee armbogen, met pijlen er bij--voort, naar het buitenwerk,
en ieder schot van u treffe den schedel van een Sakser!"

De mannen, die, gelijk de meesten van huns gelijken, het gevaar
beminden, en de werkeloosheid verfoeiden, gingen blijmoedig naar de
gevaarlijke plaats waarheen men hen gezonden had, en dus werd de
zorg voor Ivanhoe aan Urfried, of Ulrica, opgedrongen. Maar deze,
wier hoofd vervuld was met de herinnering aan smaad en met de hoop
op wraak, liet gaarne de oppassing van den zieke aan Rebekka over.



NEGEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.


            Beklim den wachttoren ginds,
            Beschouw het slagveld: beschrijf ons het gevecht!

                                        Schiller's Maagd van Orleans.


Een oogenblik van gevaar is dikwijls ook het oogenblik van openhartige
genegenheid en liefde. Wij vergeten onze voorzichtigheid in de hevige
ontroering onzer gevoelens, en wij verraden dan dikwijls aandoeningen,
welke, in kalme oogenblikken, de bedaardheid ons doet verbergen,
zoo niet geheel en al onderdrukken. Toen Rebekka zich weder naast
het bed van Ivanhoe bevond, was zij zelve verwonderd over het geluk
dat zij smaakte, op een oogenblik, dat beiden in gevaar, zoo niet
reddeloos verloren waren. Toen zij hem den pols voelde, en naar
zijne gezondheid vroeg, lag er in hare aanraking en in hare stem
eene teederheid, welke eene grootere belangstelling te kennen gaf,
dan zij zelve zou gewenscht hebben uit te drukken. Hare stem beefde,
zij zelve sidderde, en het was slechts de koele vraag van Ivanhoe:
"Zijt gij het, mijne vriendin?" welke hare bedaardheid terugriep, en
haar herinnerde, dat de gevoelens, die zij koesterde, niet wederkeerig
waren en zulks ook niet worden konden. Een zucht ontsnapte haar, maar
een zucht, die nauwelijks hoorbaar was, en de vragen, welke zij den
ridder omtrent zijn toestand deed, waren in den toon der bedaardste
vriendschap. Ivanhoe antwoordde dadelijk, dat hij, ten opzichte
der gezondheid, zoo wel was, en zelfs beter, dan hij verwacht kon
hebben.--"Dank," zei hij, "uw kundige hulp, waarde Rebekka."

"Hij noemt mij waarde Rebekka," zei het meisje in zich zelve, "maar
op een kouden en onverschilligen toon, welke slecht met het woord
overeenkomt. Zijn strijdpaard,--zijn jachthond zijn hem liever dan
de verachte Jodin."

"Mijn gemoed wordt meer door angst gekweld, meisje," ging Ivanhoe
voort, "dan mijn lichaam door pijn. Uit het gesprek der mannen, die
mij zooeven oppasten, verneem ik, dat ik een gevangene ben, en, zoo
ik mij niet vergis, naar de harde, gebiedende stem te oordeelen welke
hen van hier riep, om den een of anderen krijgsdienst te verrichten,
dan ben ik in het kasteel van Front-de-Boeuf.--Zoo ja, hoe zal dit
afloopen,--en hoe zal ik Rowena en mijn vader beschermen?"

"Hij noemt den Jood en de Jodin in het geheel niet," zei Rebekka in
zich zelve; "maar wat is hem aan ons gelegen,--en hoe rechtvaardig
word ik door den Hemel gestraft, omdat mijne gedachten met hem vervuld
zijn!" Zij haastte zich na deze korte zelfbeschuldiging, om Ivanhoe
alles mede te deelen wat zij wist; maar het kwam slechts hier op neêr,
dat de Tempelier, Bois-Guilbert en Front-de-Boeuf in het kasteel
het bevel voerden; dat het van buiten belegerd werd, maar door wien,
wist zij niet. Zij voegde er bij, dat er een Christenpriester in het
kasteel was, die hun misschien nader bericht kon geven.

"Een Christenpriester?" zei de ridder met blijdschap; "breng hem
hierheen, Rebekka, zoo gij kunt,--zeg, dat een zieke zijne geestelijke
hulp begeert,--zeg, wat gij wilt; maar breng hem hier;--ik moet iets
doen of ondernemen; maar hoe kan ik tot iets besluiten, eer ik weet
hoe de zaken buiten staan?"

Rebekka deed die poging, volgens Ivanhoe's wensch, om Cedric te
halen, die, zooals wij reeds gezien hebben door de tusschenkomst
van Urfried werd teleurgesteld, die ook op den loer gestaan had,
om den gewaanden monnik te spreken. Rebekka keerde terug, om Ivanhoe
den ongelukkigen afloop van hare boodschap te melden. Zij hadden niet
veel tijd om dit te betreuren, of te overleggen door welk middel men
iets vernemen kon; want de onrust in het kasteel, veroorzaakt door
de voorbereidingen tot verdediging, welke een tijdlang geduurd had,
ging nu in een tienmaal sterker geraas en geschreeuw over. De zware
en haastige stap der krijgslieden liet zich op de muren hooren, of
weergalmde in de nauwe, kronkelende gangen en op de trappen, welke naar
de verschillende buitenwerken en versterkte wallen leidden. Men hoorde
de stemmen der ridders, die hunne manschappen aanvuurden, of middelen
van verdediging beraamden, terwijl hunne bevelen dikwijls verloren
gingen onder het gekletter der wapens, of het geschreeuw van hen,
tot welke ze gericht werden. Hoe schrikbarend ook deze klanken waren,
die nog ijselijker gemaakt werden door hetgeen ze voorspelden, ging er
een zekere grootschheid mede gepaard, voor welke Rebekka's hoogmoedige
geest, zelfs in dat oogenblik van gevaar, niet ongevoelig bleef. Haar
oog glinsterde, ofschoon het bloed hare wangen verliet, en er was eene
vermenging van vrees en van een treffend gevoel van het verhevene
in haar ziel, toen ze, half tegen den gewonden ridder sprekende,
deze woorden uit de Heilige Schrift herhaalde: "De pijlkoker ratelt,
de glinsterende speer en het schild,--het geroep der aanvoerders en
het krijgsgeschreeuw."

Maar Ivanhoe was, als het strijdpaard, in die verhevene plaats vermeld,
brandende van ongeduld over zijne werkeloosheid en met het vurig
verlangen om aan den strijd deel te nemen, welken al deze drukten
verkondigden. "Zoo ik maar naar gindsch venster kon sluipen," zei hij,
"om te zien, hoe die edele kamp afloopen zal. Als ik maar een boog
had, om een pijl af te schieten, of een strijdbijl, om slechts één
enkelen slag voor onze bevrijding te doen!--Het is vergeefs, het is
vergeefs. Ik lig hier zonder kracht of wapens!"

"Kwel u niet, edele ridder," antwoordde Rebekka, "het geraas heeft
eensklaps opgehouden;--het is mogelijk, dat ze niet handgemeen worden."

"Gij begrijpt het niet," riep Wilfrid ongeduldig; "deze doodelijke
stilte bewijst slechts, dat de krijgslieden op hun post zijn, en
een onmiddellijken aanval verwachten. Hetgeen wij gehoord hebben,
was slechts het verwijderd dreigen van den storm,--die dadelijk in
volle woede uitbarsten zal.--Kon ik slechts gindsch venster bereiken!"

"Ge zoudt u daardoor zelf benadeelen, edele ridder," hernam Rebekka;
en zijn vurig verlangen begrijpende, voegde ze er op vasten toon bij:
"Ik zelf zal achter de traliën gaan staan, en u, zoo goed ik kan,
verhalen wat er buiten omgaat."

"Gij moet niet,--gij zult niet!" riep Ivanhoe; "iedere tralie, iedere
opening zal weldra een mikpunt voor de boogschutters zijn;--een of
ander op goed geluk afgeschoten pijl zou--"

"Welkom zijn," zei Rebekka in zich zelve, terwijl ze met vasten
tred een paar trapjes besteeg, die naar het venster leidden, waarvan
ze spraken.

"Rebekka, waarde Rebekka!" riep Ivanhoe, "dit is geene zaak voor
vrouwen;--stel u niet aan wonden en dood bloot, en maak mij niet
voor altijd ongelukkig door het denkbeeld, dat ik daartoe aanleiding
gegeven heb; bedek u ten minste met gindsch oud schild, en vertoon
u zoo weinig mogelijk aan het venster."

Rebekka volgde met verwonderlijke gevatheid Ivanhoe's voorschriften;
en daar ze zich met het breede, oude schild bedekte, dat ze tegen
den rand van het venster plaatste, kon ze met vrij groote veiligheid
gedeeltelijk zien wat er buiten het kasteel voorviel, en Ivanhoe
van de toebereidselen onderrichten, welke de belegeraars tot den
storm maakten. Wezenlijk was de plaats, welke ze dus innam, bijzonder
geschikt tot dit oogmerk, daar ze, uit dezen hoek van het hoofdgebouw,
niet alleen zien kon wat er in den omtrek van het kasteel omging,
maar ook het buitenwerk in het gezicht had, dat waarschijnlijk
het eerste punt van den voorgenomen aanval zijn zou. Dit was een
vestingwerk van geringe hoogte en sterkte, bestemd om het poortje
te dekken, waardoor Front-de-Boeuf kort te voren Cedric uitgelaten
had. De gracht van het kasteel scheidde deze soort van bruggenhoofd
van het overige der vesting, zoodat, als het ingenomen werd, men
gemakkelijk alle gemeenschap met het hoofdgebouw kon afsnijden door
de brug af te breken. In het buitenwerk was een deur voor den uitval,
vlak tegenover het poortje, en het geheel was omgeven door sterke
palissaden. Rebekka kon uit het aantal manschappen, welke opgesteld
waren om dezen post te verdedigen, opmerken, dat de belegerden voor de
veiligheid er van bevreesd waren; en daar de belegeraars zich bijna
vlak tegenover de poort schaarden, scheen het niet minder duidelijk,
dat ze die als een zwak punt beschouwden.

Deze opmerkingen deelde zij haastig aan Ivanhoe mede, en voegde er
bij: "De zoom van het bosch schijnt met boogschutters bezet te zijn,
ofschoon er maar weinigen uit het dichte lommer te voorschijn gekomen
zijn."

"Onder welke banier?" vroeg Ivanhoe.

"Onder geen banier, voor zoover ik ontdekken kan," antwoordde Rebekka.

"Een zonderlinge verschijning," prevelde de ridder, "zulk een kasteel
te bestormen, zonder vaandel of banier te toonen.--Ziet gij ook wie
de aanvoerders zijn?"

"Een ridder in eene zwarte wapenrusting valt het meest in het oog,"
zei de Jodin; "hij alleen is van top tot teen gewapend, en schijnt
het bevel over allen, die hem omringen, te voeren."

"Welk devies voert hij op zijn schild?" ging Ivanhoe voort.

"Iets, dat naar een ijzeren staf gelijkt, en een hangslot, dat in
blauwe kleuren op het zwarte schild glinstert." [26]

"Een slot en boeien op een blauw veld," zei Ivanhoe; "ik weet niet,
wie dit wapen draagt; maar ik weet wel dat het thans het mijne kon
zijn. Kunt gij het devies niet onderscheiden?"

"Nauwelijks het wapen zelf op dezen afstand," hernam Rebekka; "maar
als de zon helder op zijn schild schijnt, dan ziet het er uit, zooals
ik gezegd heb."

"Vertoonen er zich geen andere aanvoerders?" riep de ongeduldige
ridder.

"Geen van hoogen rang, of die zich uiterlijk onderscheiden, voor zoover
ik van deze standplaats zien kan," hernam Rebekka; "maar zonder twijfel
wordt de andere zijde van het kasteel ook aangevallen. Zij schijnen
nu gereed om voorwaarts te trekken.--God van Sion, bescherm ons!--Welk
een verschrikkelijk gezicht!--Zij, die het eerst vooruitdringen, dragen
groote schilden en schermdaken, uit planken gemaakt; en anderen volgen,
terwijl zij hun bogen spannen. Zij verheffen de bogen!--God van Mozes,
vergeef het den schepselen, die Gij geschapen hebt!"

Hier werd haar beschrijving plotseling afgebroken door het teeken
tot de bestorming, dat door een schellen horen gegeven, en dadelijk
beantwoord werd door het geschal der Normandische trompetten
van de wallen, hetwelk, vermengd met het dof en hol geluid der
_mossels_ (een soort van pauken) trots de uitdaging van den vijand
beantwoordde. Het geschreeuw van beide partijen vermeerderde het
gedruisch, daar de aanvallers riepen: "St. George voor Engeland!" en
de Normandiërs antwoordden met het geroep van: "_En avant De
Bracy! Beauséant! Beau-Séant! Front-de-Boeuf à la rescousse!_"--de
onderscheidene oorlogskreten van hunne verschillende aanvoerders.

Het was echter niet door geschreeuw, dat de strijd te beslissen was,
en de wanhopige pogingen der aanvallers werden door een even krachtige
verdediging van den kant der belegerden ontmoet. De boogschutters,
door lange oefening in hun landelijke vermaken reeds zeer goed
aan het gebruik van den boog gewend, schoten zoo volmaakt juist,
dat geen punt, waar een verdediger het geringste gedeelte van zijn
lichaam vertoonde, aan hun lange pijlen ontging. Door dezen hagelbui
van pijlen,--waarvan echter ieder zijn bijzonder wit had,--die met
dozijnen tegelijk tegen alle schietgaten en openingen in de muren
vlogen, zoowel als tegen ieder venster, waar toevallig een verdediger
geplaatst was, of verondersteld werd te staan;--door dezen hagelbui
van pijlen werden een paar van het garnizoen gedood, en verscheidene
anderen gekwetst. Maar, vertrouwende op hunne goede wapenrusting en
op de bescherming, welke hunne standplaats hun verschafte, toonden de
lieden van Front-de-Boeuf en zijne bondgenooten eene hardnekkigheid in
de verdediging, welke geëvenredigd was aan de woede van den aanval,
en beantwoordden de pijlschoten der aanvallers met hunne handbogen,
lange bogen, slingers, en werpspiesen; en daar de belegeraars meestal
slecht beschermd waren, zoo leden zij een grooter verlies dan zij den
belegerden konden toebrengen. Het fluiten der pijlen en spiesen van
beide zijden werd alleen afgebroken door het geschreeuw, dat ontstond,
als een van beide partijen een aanmerkelijk voordeel behaalde, of
nadeel leed.--

"En ik moet hier liggen als een zieke monnik," riep Ivanhoe uit,
"terwijl andere handen het spel uitspelen, dat mij de vrijheid of den
dood moet geven!--Zie nog eens uit het venster, meisje; maar pas op,
dat de boogschutters beneden u niet opmerken.--Zie nog eens en zeg mij,
of zij tot den storm voorwaarts trekken."

Met een geduldigen moed, die versterkt was geworden door den
tusschentijd, welken zij in stille aandacht had doorgebracht, vatte
Rebekka weder post bij het venster, maar verborg zich echter zoo,
dat zij van beneden niet zichtbaar was. "Wat ziet gij, Rebekka?" vroeg
weder de gewonde ridder.

"Niets dan een hagelbui van pijlen, zoo dicht, dat zij mij de oogen
verblinden, en de schutters verbergen, die ze afschieten."

"Dat kan zoo niet voortduren," zei Ivanhoe; "als zij het kasteel niet
met geweld aantasten, dan zal het pijlschieten maar weinig baten
tegen steenen muren en bolwerken. Zie eens naar den ridder met het
wapenschild, schoone Rebekka, en zeg mij, hoe hij zich gedraagt;
want zooals de aanvoerder is, zoo zullen zijn lieden zijn."

"Ik zie hem niet," antwoordde Rebekka.

"O die lafaard!" riep Ivanhoe, "wijkt hij van het roer, als de wind
het hevigst waait?"

"Hij wijkt niet! hij wijkt niet!" hernam Rebekka, "ik zie hem
nu; hij brengt een troep dicht onder de buitenste _barrière_ van
het bruggenhoofd [27].--Zij halen de palen omver, zij hakken de
_barrières_ met bijlen om,--zijn hooge zwarte vederbos fladdert over
de menigte heen, gelijk een raaf over het slagveld;--zij hebben eene
opening in de _barrière_ gemaakt--zij stormen er in;--zij worden
teruggeworpen!--Front-de-Boeuf is aan het hoofd der belegerden; ik
zie zijn reusachtige gedaante boven den hoop uitsteken. Zij dringen
wederom naar de opening, en de doortocht wordt hand tegen hand en man
tegen man betwist. God van Jakob! zoo ontmoeten elkander twee woedende
stroomen,--zoo bruisen twee door winden bewogen zeeën tegen elkander."

Zij wendde het hoofd van het venster weg, alsof zij niet meer in
staat was zulk een verschrikkelijk gezicht te verdragen.

"Zie nog eens naar buiten, Rebekka," zei Ivanhoe, die de reden waarom
zij hare plaats verlaten had, verkeerd uitlegde; "het schieten moet
eenigszins opgehouden hebben, daar zij nu handgemeen zijn.--Zie nog
eens naar buiten;--er is nu minder gevaar bij."

Rebekka zag weder naar buiten, en riep bijna onmiddellijk: "Heilige
Profeten! Front-de-Boeuf en de Zwarte Ridder zijn handgemeen in de
bres, onder het geschreeuw hunner soldaten, die den uitslag van het
gevecht gadeslaan.--Hemel, sta de zaak der onderdrukten en gevangenen
bij!" Hierop gaf ze een luiden gil, en riep uit: "Hij valt!--hij valt!"

"Wie valt?" riep Ivanhoe, "in naam der Heilige Maagd, zeg mij, wie
is gevallen?"

"De Zwarte Ridder," antwoordde Rebekka half onmachtig, maar terstond
daarna riep ze weder met blijde drift: "Maar neen,--maar neen,--maar
neen--de naam van den Heer der heirscharen zij geloofd!--hij
staat weder, en vecht alsof hij de kracht van twintig man in zijn
enkelen arm had;--zijn zwaard is gebroken;--hij grijpt de bijl
van een schutter;--hij dringt op Front-de-Boeuf aan, met slag en
stoot.--De reus wijkt en wankelt, gelijk een eik onder de bijl van
den houthakker;--hij valt--hij valt!"

"Front-de-Boeuf?" riep Ivanhoe.

"Front-de-Boeuf," antwoordde de Jodin; "zijne manschappen snellen
hem ter hulp, onder aanvoering van den trotschen Tempelier;--hunne
vereenigde krachten verhinderen den ridder verder te dringen;--zij
sleepen Front-de-Boeuf binnen de muren."

"De bestormers hebben de _barrières_ toch ingenomen, niet waar?" vroeg
Ivanhoe.

"Wel zeker,--wel zeker,--en ze maken een hevigen aanval op den
buitenwal; eenigen zetten ladders, anderen zwermen gelijk bijen,
en trachten op elkanders schouders te stijgen.--Steenen, balken en
boomstammen vallen naar beneden op hun hoofden, en zoodra zij de
gekwetsten naar de achterhoede brengen, nemen nieuwe strijders hun
plaats in.--Groote God! hebt Gij den mensch daarom naar Uw evenbeeld
geschapen, opdat hij aldus wreedelijk door de handen zijner broeders
misvormd zou worden!"

"Denk daar niet aan," hernam Ivanhoe; "dit is geen tijd voor zulke
gedachten.--Wie wijkt?--wie dringt vooruit?"

"De ladders worden omvergeworpen," hernam Rebekka, ijzende; "de
soldaten liggen er onder gelijk verpletterde wormen.--De belegerden
hebben de overhand!"

"St. George sta ons bij!" zei de ridder; "wijken die valsche
schutters?"

"Neen!" riep Rebekka, "zij houden zich dapper; de Zwarte Ridder nadert
het poortje met zijne ontzaglijke bijl;--de donderende slagen, welke
hij er aan toebrengt, kunt gij boven al het gedruisch en geschreeuw
van het gevecht uit hooren.--Steenen en balken worden op den stouten
strijder neêrgestort;--hij let er niet meer op, dan of het vederen
waren!"

"Bij St. Jean d'Acre!" zei Ivanhoe, zich verheugd op zijne legerstede
verheffende, "ik dacht, dat er slechts één man in Engeland was,
die zoo iets zou kunnen verrichten!"

"De poort bezwijkt," ging Rebekka voort; "zij kraakt,--zij wordt
verbrijzeld door zijn slagen;--zij stormen er in;--het buitenwerk
is veroverd;--o God!--zij werpen de verdedigers van den wal naar
beneden;--zij storten hen in de gracht;--o menschen, zoo gij inderdaad
menschen zijt, spaart hen, die niet langer weerstand kunnen bieden!"

"De brug,--de brug, die gemeenschap heeft met het kasteel,--hebben
zij die bezet?" riep Ivanhoe uit.

"Neen!" hervatte Rebekka, "de Tempelier heeft de plank, waarop hij
zich terugtrok, vernield;--weinigen der verdedigers zijn met hem
in het kasteel ontkomen;--het geschreeuw en gekerm, dat gij hoort,
onderricht u van het lot der overigen. Helaas! ik zie, dat het nog
moeielijker is naar de overwinning, dan naar den strijd te zien."

"Wat doen ze nu, meisje?" vroeg Ivanhoe; "zie nog eens uit;--dit is
geen tijd om voor bloedvergieten te schrikken."

"Het is vooreerst gedaan," antwoordde Rebekka; "onze vrienden
versterken zich in het buitenwerk, dat zij veroverd hebben, en het
verschaft hun eene zoo volkomene bescherming tegen de pijlen der
vijanden, dat de bezetting slechts eenige schichten op hen afschiet,
als het ware meer om hen te verontrusten, dan om hen wezenlijk te
benadeelen."

"Onze vrienden," zei Wilfrid, "zullen zeker eene onderneming niet
opgeven, die zoo roemrijk begonnen en tot dusver zoo wel geslaagd
is.--Zeker niet! ik vertrouw op den dapperen ridder, wiens bijl eiken
balken en ijzeren staven vernield heeft.--Zonderling," prevelde hij
bij zich zelven, "dat er twee menschen zouden zijn, die zulk een stout
waagstuk ondernemen;--een slot en boeien op een blauw veld;--wat moet
dat beduiden? Ziet ge niets anders, Rebekka, waardoor de Zwarte Ridder
zich onderscheidt?"

"Niets," zei de Jodin; "alles wat hij aan heeft is zwart, als de
vleugel van de raaf. Ik kan verder niets ontdekken dat hem kenmerkt,
maar, nadat ik hem eenmaal zijne kracht in den slag heb zien ten toon
spreiden, dunkt mij, dat ik hem onder duizend andere krijgslieden zou
herkennen. Hij vliegt ten strijde als tot een feest. Het is meer dan
bloote kracht; het schijnt, alsof de geheele ziel en het geheele hart
van den kampvechter bij iederen slag waren, welken hij zijn vijanden
toebrengt. God vergeve hem de zonde van het bloedvergieten! O, het
is ijselijk, en toch heerlijk te zien, hoe de arm en de moed van één
man over honderden kunnen zegepralen."

"Rebekka," zei Ivanhoe, "gij hebt een held geschilderd;--zeker rusten
zij slechts uit, om nieuwe krachten te verzamelen, of om middelen tot
den overtocht van de gracht te beramen. Onder een aanvoerder, als dezen
ridder, bestaat er geene laffe vrees, geen flauw uitstel, geen opgeven
van eene stoute onderneming, welke juist door de zwarigheden, die ze
oplevert, des te roemrijker wordt. Ik zweer bij de eer van mijn huis,
bij den naam mijner schoone, ik zou tien jaren gevangenschap willen
verduren, als ik één dag aan de zijde van dezen dapperen ridder in
zulk een strijd als dezen vechten kon!"

"Helaas!" zei Rebekka, haar plaats aan het venster verlatende, en
het bed van den gewonden ridder naderende, "dit ongelukkig verlangen
naar den strijd;--dit worstelen met, en klagen over uw tegenwoordige
zwakheid zal zonder twijfel uwe terugkeerende gezondheid schaden.--Hoe
kunt gij wenschen anderen wonden toe te brengen, eer gij van die
genezen zijt, welke gij zelf ontvangen hebt?"

"Rebekka," hernam hij, "gij weet niet, hoe onmogelijk het is voor een
man, die opgevoed is voor het ridderleven, om lijdelijk te blijven
als een priester, of eene vrouw, wanneer roemrijke daden rondom hem
verricht worden. De liefde voor den strijd is de spijs waarvan wij
leven; het stof van het slagveld is de lucht, die wij inademen! Wij
leven niet,--wij wenschen niet langer te leven, dan zoolang wij
overwinnaars en beroemd zijn.--Dit, meisje, zijn de wetten der
ridderschap, die wij bezworen hebben, en waaraan wij alles opofferen,
wat ons dierbaar is!"

"Ach," hervatte de schoone Jodin, "en wat is dit anders, dappere
ridder, dan het op te offeren aan den duivel der ijdele roemzucht,
en geworpen te worden in het vuur van Moloch?--Wat blijft u over,
tot belooning voor al het bloed, dat gij vergoten hebt,--voor al de
moeite en al het lijden, dat gij doorgestaan hebt,--voor al de tranen,
welke uw daden hebben doen storten, als de dood den speer der dapperen
gebroken en het snelle strijdros ingehaald heeft?"

"Wat ons overblijft?" riep Ivanhoe; "de roem, meisje, de roem! die
onze grafzerk verguldt en onzen naam vereeuwigt."

"De roem?" ging Rebekka voort; "helaas, is de verroeste wapenrusting,
die boven het somber en vermolmd graf des strijders hangt,--is het
spoedig uitgewischte opschrift, dat de onwetende monnik nauwelijks voor
den nieuwsgierigen pelgrim ontcijferen kan,--is dit alles een voldoende
vergelding voor de opoffering van iedere teedere genegenheid, voor een
leven, in ellende doorgebracht, om anderen ellendig te maken?--Of is
er zooveel kracht in de ijdele rijmen van een rondtrekkenden zanger,
dat huiselijke liefde, teederheid, vrede en geluk roekeloos veracht
worden, om eens de held te worden van de balladen, die zwervende
minnezangers dronken boeren bij hun avonddrank voorzingen?"

"Bij de ziel van Hereward!" hernam de ridder ongeduldig, "gij spreekt
van iets, meisje, waarvan gij niets begrijpt. Gij zoudt het zuivere
licht der ridderschap willen uitdooven, dat alleen den edele van
den gemeenen man, den ridder van den boer en den wilde onderscheidt;
dat ons het leven verre, verre beneden de eer doet stellen; ons doet
zegepralen over smart, ontbering en lijden, en ons leert geen ander
kwaad te vreezen, dan de schande. Gij zijt geene Christin, Rebekka,
en u zijn die verhevene gevoelens onbekend, die het hart van eene
edele jonkvrouw doen kloppen, als haar minnaar eenige stoute daad
verricht heeft, welke zijne liefde heiligt. De ridderschap!--meisje,
zij is de kweekster der zuivere en verhevene genegenheid, de steun der
onderdrukten, de wreekster van onrecht,--een breidel voor de macht
der tirannen. De adel ware zonder haar slechts een ijdele naam, en
de vrijheid vindt de beste bescherming door haar lans en haar zwaard!"

"Inderdaad," zei Rebekka, "ik stam van een geslacht af, dat zich
door zijn moed in het verdedigen van zijn vaderland onderscheiden
heeft; maar dat, zelfs als natie, geen oorlog voerde, dan op bevel des
Heeren, of om zijn land tegen onderdrukking te beschermen. De klank der
bazuinen wekt Juda niet meer op, en zijne verachte kinderen zijn thans
niets meer dan weerlooze slachtoffers van hunne krijgshaftige vijanden
en onderdrukkers. Te recht hebt gij gesproken, heer ridder,--vóór
dat de God van Jakob een tweeden Gideon, of een anderen Maccabeër
voor zijn volk doet verrijzen, past het de Jodin niet van strijd of
oorlog te spreken."

Het hooghartige meisje besloot hare rede op een smartelijken toon, die
bewees hoe diep zij de vernedering van haar volk besefte, terwijl zij
misschien eenigszins verbitterd was door het denkbeeld, dat Ivanhoe
haar het recht niet toekende, om in eene zaak van eer een oordeel
te vellen, en haar voor buiten staat hield om edele en grootmoedige
gevoelens te koesteren.

"Hoe weinig kent hij dit hart," dacht zij, "als hij zich verbeeldt,
dat er lafhartigheid, of laagheid van ziel in wonen moeten, omdat ik
de fantastische ridderschap der Nazareërs berispt heb!--Gave de Hemel,
dat het vergieten van mijn eigen bloed, droppel voor droppel, Juda
uit de ballingschap redden kon! Ach! konde ik daardoor slechts mijn
vader en dezen zijn weldoener uit de ketenen van den onderdrukker
verlossen! De trotsche Christen zou dan zien, of de dochter van
Gods uitverkoren volk niet even moedig zou durven sterven, als het
hooghartigste Nazareensche meisje, dat zich op hare afkomst van het een
of ander onbekend opperhoofd van het ruwe en koude Noorden beroemt!"

Hierop zag ze weder naar het bed van den gekwetsten ridder.

"Hij slaapt," zei zij; "de natuur is uitgeput door smart en
gemoedsaandoening, en zijn vermoeid lichaam maakt het eerste oogenblik
van schijnbare rust ten nutte, om in te sluimeren. Helaas! is het
een misdaad voor mij, naar hem te zien, mogelijk voor den laatsten
keer?--Nog korten tijd slechts, en deze schoone trekken zullen
misschien niet langer bezield worden door den stouten, onrustigen
geest, welke hem zelfs niet in den slaap begeeft!--Misschien zal
weldra deze mond opengespalkt, de oogen verglaasd en gesloten zijn,
en de trotsche, edele ridder door den laagsten slaaf van dit vervloekt
kasteel vertrapt worden, zonder dat hij zich verroert, als hem de
voet op het hoofd gezet wordt!--En mijn vader!--o mijn vader! het
staat slecht met uwe dochter, daar zij niet aan uwe grijze haren,
maar aan de blonde lokken der jeugd denkt!--Wie weet of deze rampen
geene voorboden zijn van Jehova's toorn tegen het ontaarde kind,
dat eerder aan de gevangenschap van een vreemde, dan aan die van haar
vader denkt!--dat Juda's ellende vergeet, en op de schoonheid van een
heiden en vreemdeling staart!--Maar ik wil dezen hartstocht uit mijn
hart rukken, al moest het daarbij ook doodbloeden!"

Zij wikkelde zich dicht in haar sluier, en ging op eenigen afstand
van de legerstede des gewonden ridders zitten, met den rug naar hem
toe gekeerd, terwijl zij hare ziel versterkte, of trachtte die te
versterken, niet alleen tegen de ongelukken, die haar van buiten
dreigden, maar ook tegen de verraderlijke gevoelens, welke haar
hart bestormden.



DERTIGSTE HOOFDSTUK.


                Treê binnen dit vertrek, aanschouw zijn bed.
                Hij ging niet heen gelijk de kalme ziel,
                Die, even als de leeuwrik naar de wolken
                Des morgens stijgt bij 't lieflijkst windgesuis,
                Zoo ook ten Hemel vaart, betreurd, beweend!--
                Zoo was Aselmo's uitvaart niet.--

                                                Uit een oud Drama.


Gedurende het oogenblik van rust, na het eerste voordeel door de
belegeraars behaald, terwijl de eene partij zich bereidde om het te
vervolgen, en de andere om haar verdedigingsmiddelen te versterken,
hielden de Tempelier en De Bracy een korte beraadslaging in de zaal
van het kasteel.

"Waar is Front-de-Boeuf?" vroeg de laatste, die de verdediging van
het achterste gedeelte van de sterkte bestuurd had; "men zegt dat
hij gesneuveld is."

"Hij leeft," antwoordde de Tempelier koeltjes, "hij leeft nog; maar
al had hij ook het stierenhoofd gehad, waarvan hij den naam draagt,
en tien ijzeren platen daarenboven, om het te beschermen, dan moest
hij nog onder die schrikkelijke strijdbijl gevallen zijn. Nog weinige
uren en Front-de-Boeuf is bij zijn vaderen:--een groot verlies voor
de partij van Prins Jan!"

"En een schoone aanwinst voor het rijk van Satan," zei De Bracy;
"dat komt van het verachten van heiligen en engelen, en van het
werpen van heilige beelden en voorwerpen op de hoofden dier schurken
van boogschutters."

"Loop heen,--gij zijt dwaas!" zei de Tempelier. "Uw bijgeloof staat
gelijk met Front-de-Boeuf's ongeloof; geen van u beiden kan eene
reden daarvoor geven."

"_Benedicite_, heer Tempelier!" hernam De Bracy; "ik verzoek u uw taal
meer te matigen als ge van mij spreekt. Bij de Heilige Moeder Gods! ik
ben een beter Christen dan gij en uws gelijken; want het gerucht loopt,
dat de zeer Heilige Orde van den Tempel van Sion niet weinig ketters
in haren boezem voedt, en dat de ridder Brian de Bois-Guilbert onder
dat getal behoort."

"Stoor u niet aan zulke geruchten," hernam de Tempelier; "maar laat
ons er aan denken, hoe het kasteel te verdedigen.--Hoe hebben de
schelmen van schutters, tegenover welken gij waart, gevochten?"

"Als duivels in menschelijke gedaante," antwoordde De Bracy. "Ze
drongen dicht onder de wallen, aangevoerd, naar het mij voorkwam,
door den schelm, die den prijs bij het schijfschieten behaalde,
want ik herkende zijn horen en bandelier. En dit komt van de zoo
zeer geroemde staatkunde van den ouden Fitzurse, die deze moedwillige
schurken tegen ons ophitst! Zonder mijne goede wapenrusting, zou de
schurk mij zeven malen ter neêr geschoten hebben; hij ontzag mij even
weinig, alsof ik een vette reebok geweest ware. Hij heeft iedere plaat
van mijn wapenrusting met een pijl gemerkt, welke tegen mijn ribben
aansloeg, alsof hij dacht dat mijn beenderen ook van ijzer waren.--Zoo
ik niet een Spaansch maliënkolder onder mijn wapenrusting gedragen had,
ware het met mij gedaan geweest."

"Maar ge hebt uw post behouden?" zei de Tempelier. "Wij hebben het
buitenwerk aan onzen kant verloren."

"Dat is een zwaar verlies," zei De Bracy; "die schurken zullen
dáár bescherming vinden om het kasteel van naderbij te bespringen,
en ze kunnen, als men er geene zorg voor draagt, licht eenigen
onbewaakten hoek van een toren, of een vergeten venster bereiken, en
er zoo inbreken. Ons getal is te gering voor de verdediging van alle
punten, en de mannen klagen al, dat ze zich nergens kunnen vertoonen,
of ze strekken tot mikpunt voor even vele pijlen, als een schijf op
een feestdag. Front-de-Boeuf ligt ook op sterven, zoodat wij geene
hulp meer krijgen zullen van zijn stierenkop en zijne ontzaglijke
kracht. Wat denkt ge er van, ridder Brian, zou het niet beter voor
ons zijn, voor den nood te wijken, een verdrag met die schurken aan
te gaan, en onze gevangenen uit te leveren?"

"Hoe!" riep de Tempelier: "Onze gevangenen in vrijheid stellen,
en bespot en veracht worden, als de dappere ridders, die zich door
een nachtelijken aanval van eenige hulpelooze reizigers meester
maakten, maar een sterk kasteel niet konden verdedigen tegen een
ongeregelde rooverbende, aangevoerd door zwijnenhoeders, narren, en
het uitvaagsel van het menschdom?--Schaam u over uw raad, Maurice
De Bracy.--De puinhoopen van het kasteel zullen mijn lichaam en
mijne schande bedelven, eer ik mijn toestemming tot zulk een laag,
onteerend verdrag geef!"

"Naar de wallen dan," zei De Bracy onverschillig; "er is nooit iemand
geweest, Turk of Tempelier die het leven minder op prijs stelde dan
ik. Maar ik vertrouw, dat het geene schande is te wenschen, dat ik
hier een vijftigtal van mijne dappere krijgslieden had?--O, mijne
dappere lansen! Zoo ge maar wist, hoe uw aanvoerder heden in nood zit,
hoe spoedig zou ik mijne banier zien wapperen boven uw speren! En
hoe kort zouden deze schurken onzen aanval wederstand bieden!"

"Wensch naar wien ge verkiest," hernam de Tempelier; "maar laten
wij ons zoo goed mogelijk verdedigen met de soldaten, die ons nog
overblijven. Het zijn meestal bedienden van Front-de-Boeuf, die gehaat
zijn bij de Engelschen wegens duizenderlei daden van roekeloosheid
en onderdrukking."

"Des te beter," zei De Bracy; "de woeste slaven zullen zich tot den
laatsten droppel bloeds verdedigen, liever dan zich aan de wraak
der boeren daarbuiten bloot te stellen. Aan het werk dus, Brian De
Bois-Guilbert; en levend of dood, ge zult zien, dat Maurice De Bracy
zich heden als een man van edel bloed en edelen stam gedragen zal."

"Naar de wallen dan!" antwoordde de Tempelier, en ze bestegen den muur
om alles te doen, wat de krijgskunde hun voorschreef en de dapperheid
ten uitvoer brengen kon, om het kasteel te verdedigen. Ze begrepen
beiden dadelijk, dat het gevaarlijkste punt tegenover het buitenwerk
was, waarvan de aanvallers zich meester gemaakt hadden. Het kasteel
was, wel is waar, daarvan gescheiden door de gracht, en het was
onmogelijk voor de belegeraars om de poort, waarmede het buitenwerk
in verband stond, aan te vallen zonder over het water te komen; maar
de Tempelier zoowel als De Bracy, begrepen dat de vijanden trachten
zouden, als hun aanvoerder aan zijne taktiek getrouw bleef, door een
hevigen aanval de aandacht der verdedigers op dit punt te vestigen, en
inmiddels maatregelen nemen, om van ieder verzuim gebruik te maken, dat
ze ergens anders mochten ontdekken. Tegen dit gevaar konden de ridders,
wegens hun gering getal, geen anderen maatregel nemen dan hier en daar
op de wallen schildwachten te plaatsen, die met elkander in gemeenschap
stonden, en een teeken konden geven als er gevaar dreigde. Intusschen
kwamen ze overeen, dat De Bracy het bevel zou voeren bij de poort,
en dat de Tempelier een twintig man bij zich houden zou als eene
hulpbende, gereed om naar ieder punt te snellen, dat onverwacht
bedreigd werd. Het verlies van het buitenwerk had ook dit nadeelig
gevolg, dat de belegerden, in weerwil van de grootere hoogte der muren,
de bewegingen van den vijand niet meer zoo nauwkeurig waarnemen konden
als te voren; want eenig dicht kreupelhout stond zoo dicht bij de
poort van het buitenwerk, dat de aanvallers zooveel manschappen als ze
verkozen, er in konden brengen, niet alleen in volkomene veiligheid,
maar zelfs zonder kennis der verdedigers. Daar De Bracy en zijn makker
dus geheel onzeker waren op welk punt de storm losbarsten zou, waren
ze in de noodzakelijkheid om voor ieder mogelijk geval te waken; en
hunne lieden, hoe dapper ook, ondervonden de moedeloosheid, eigen aan
mannen, die door vijanden ingesloten zijn, welke de macht bezitten,
om zelven den tijd en de wijze van hun aanval te kiezen.

Intusschen lag de heer van het belegerde en zoo zwaar bedreigde kasteel
op zijn bed, gefolterd door lichamelijke pijn en zieleangst. Hij had
de gewone toevlucht niet der bijgeloovigen van dien tijd, die meestal
gewoon waren de misdaden, welke zij gepleegd hadden, door milddadigheid
jegens de Kerk te boeten, en hunne wroegingen op deze wijze door
het denkbeeld van boeten en vergiffenis te bedwelmen; en ofschoon
de door dit middel gekochte rust niet meer op de bedaardheid geleek,
welke op oprecht berouw volgt, dan de koortsachtige bedwelming, welke
men door opium te weeg brengt, op een gezonden natuurlijken slaap,
zoo was deze gemoedstoestand toch nog verkieslijk boven de wanhopige
wroegingen van een ontwaakt geweten.

Maar onder de ondeugden van Front-de-Boeuf, een harden, hebzuchtigen
man, was gierigheid een der voornaamste, en hij wilde liever de Kerk en
hare dienaren trotseeren dan voor schatten en landerijen vergiffenis
en absolutie koopen; zoodat de Tempelier, die een ongeloovige van
een anderen stempel was, zijn bondgenoot niet juist afteekende, toen
hij zeide, dat Front-de-Boeuf geen reden voor zijn ongeloof en zijn
verachting voor den ingevoerden Godsdienst kon opgeven: want de Baron
zou hem geantwoord hebben, dat de Kerk haar waar te duur verkocht,
dat de geestelijke vrijheid, welke zij veil had, slechts te koop was,
gelijk die van het opperhoofd van Jeruzalem, voor eene groote som, en
Front-de-Boeuf wilde liever de kracht van het geneesmiddel loochenen,
dan den duren arts te betalen. Maar thans was het oogenblik gekomen,
waarop de aarde met al hare schatten voor zijne oogen verdween,
en zijn tot dusver ongevoelig hart sidderde, toen hij zijn blikken
op de dreigende duisternis der toekomst vestigen wilde. De koorts,
welke zijn lichaam verteerde, vermeerderde het ongeduld en den
angst van zijne ziel, en zijn sterfbed vertoonde eene vermenging
van het pas ontwaakte gevoel van wroeging, worstelende met de vaste
en ingekankerde hardvochtigheid van zijn gemoed;--een schrikbarende
toestand der ziel, die slechts met dien te vergelijken is, welke in
die verschrikkelijke plaats heerscht, waar klachten zullen zijn zonder
hoop, wroeging zonder berouw, een wanhopige angst met een voorgevoel,
dat die nooit zal ophouden of verminderen!

"Waar blijven nu de honden van priesters," steunde de lijder, "die
hunne geestelijke vertooningen op zulk een hoogen prijs stellen?--Waar
zijn al die Karmeliter-monniken, voor wie de oude Front-de-Boeuf
het klooster van St. Anne stichtte, terwijl hij zijn erfgenaam van
menige schoone weide en menigen vetten akker beroofde;--waar zijn die
gierige honden nu?--Zij zitten zeker bij de wijnkruik, of vertoonen
hun goochelkunsten bij het bed van den een of anderen ellendigen
boer!--Mij, den erfgenaam van den stichter van hun klooster,--mij,
voor wien zij verplicht zijn te bidden,--mij,--ondankbare schurken,
die zij zijn!--mij laten zij sterven als den ellendigen hond op straat,
zonder biecht en aflaat!--Laat den Tempelier hier komen;--hij is een
priester, en kan mij misschien helpen.--Maar neen!--even goed kan
ik bij den duivel biechten, als bij Brian de Bois-Guilbert, die aan
hemel noch hel gelooft.--Ik heb oude lieden van bidden met eigen mond
hooren spreken, die behoeven den valschen priester niet te vleien en
om te koopen.--Maar ik,--ik durf niet!"

"Leeft Reginald Front-de-Boeuf," vroeg eene bevende, krassende stem,
dicht naast zijn bed, "om te zeggen, dat er iets is, hetwelk hij niet
durft doen?"

Het kwade geweten en de geschokte zenuwen van Front-de-Boeuf deden
hem in deze zonderlinge vraag de stem hooren van een dier booze
geesten, welke, volgens het toen heerschende bijgeloof, de bedden der
stervenden omringden, om hunne gedachten af te leiden en het nadenken
over hun eeuwig heil te beletten. Hij schrikte en kromp ineen; maar
oogenblikkelijk zijne gewone stoutheid terugroepende, riep hij uit:
"Wie zijt gij?--Wat zijt gij, die het waagt, om mijne woorden te
herhalen; met een stem gelijk aan die van de krassende raaf? Kom voor
mijn bed staan, opdat ik u zien kan."

"Ik ben uw booze engel, Reginald Front-de-Boeuf!" hernam de stem.

"Vertoon u dan aan mij in lichamelijke gedaante, zoo gij inderdaad
een booze geest zijt," hervatte de ridder; "denk niet mij te
verschrikken!--Bij het eeuwige vuur! zoo ik slechts kampen kon met de
verschrikkelijkheden, welke mij nu omgeven, zooals ik met menschelijke
gevaren geworsteld heb, dan zou hemel noch hel zeggen, dat ik voor
den strijd beefde!"

"Denk aan uwe zonden, Reginald Front-de-Boeuf,--aan oproer, roof en
moord!--Wie stookte den losbandigen Prins Jan op tot den oorlog tegen
zijn grijzen vader en thans tegen zijn grootmoedigen broeder?" vroeg
dezelfde grafstem.

"Booze geest, priester of duivel, wie gij ook zijn moogt,"
hernam Front-de-Boeuf, "gij liegt!--Niet ik spoorde Jan tot oproer
aan,--niet ik alleen,--er waren vijftig ridders en baronnen, de bloem
der binnenlandsche graafschappen; geen dapperder mannen voerden
ooit de lans.--En moet ik alleen de zonde, door vijftig gepleegd,
verantwoorden?--Valsche geest, ik trotseer u! Weg en verontrust niet
langer mijne legerstede;--laat mij in vrede sterven, zoo gij een
sterveling zijt,--en zijt gij een duivel, dan komt gij te vroeg!"

"In rust zult gij niet sterven," hervatte de stem; "zelfs in den
dood zult gij aan uwe moorddaden denken;--aan de zuchten, waarvan
dit kasteel weergalmd heeft;--aan het bloed, dat over den drempel
stroomde!"

"Gij kunt mij niet door verachtelijke boosaardigheid bevreesd maken,"
antwoordde Front-de-Boeuf rillend, doch met een gedwongen lach. "De
ongeloovige Jood,--het was een verdienstelijke daad in het oog
des hemels, hem te behandelen, zooals ik gedaan heb; waarom worden
anders menschen heilig gesproken, die hun handen in het bloed van
Saracenen gedompeld hebben? De Saksische zwijnen, die ik geslacht heb,
zij waren de vijanden van mijn vaderland, van mijn stam en van mijn
leenheer.--Ho! ho! gij ziet, er is geen scheur in mijn harnas.--Zijt
gij gebannen?--Zijt gij tot stilte gebracht?"

"Neen, schandelijke vadermoorder!" hervatte de stem, "denk aan uw
vader!--denk aan de feestzaal, stroomende van zijn bloed, door de
hand eens zoons vergoten!"

"Ha!" antwoordde de baron, na eene lange poos, "als gij dit weet, dan
zijt gij wezenlijk de booze geest, en even alwetend als de monniken
zeggen! Dit geheim meende ik opgesloten in mijne eigene borst, en in
die van nog één wezen, de verleidster tot, en de deelgenoote van mijne
misdaad! Ga, verlaat mij, Satan! en zoek de Saksische heks Ulrica,
die u alleen zeggen kon, wat niemand dan zij en ik gezien hebben.--Ga,
zeg ik, tot haar, die de wonden afwiesch, en het lichaam uitstrekte,
en den doode het voorkomen gaf van iemand, die op zijn tijd een
natuurlijken dood gestorven was.--Ga tot haar!--Zij verleidde mij,
hitste mij schandelijk aan, en schonk mij voor de daad een nog
schandelijker loon;--laat haar, evenals ik, de kwellingen smaken,
die een voorgevoel van de hel geven!"

"Zij smaakt die reeds," antwoordde Ulrica, voor het bed van
Front-de-Boeuf tredende; "zij heeft lang uit dezen beker gedronken,
en de bitterheid er van wordt verzoet door de zekerheid, dat die
ook aan uw lippen niet vreemd is gebleven.--Knars niet met de tanden,
Front-de-Boeuf, rol niet met de oogen;--bal uw vuist niet, en dreig mij
niet meer!--De hand, welke eens, gelijk die van uw beroemden stamvader,
wiens naam gij draagt, met één slag den kop van den wilden stier kon
verpletteren, is nu ontzenuwd en machteloos, gelijk de mijne!"

"Afgrijselijke moordenares!" hernam Front-de-Boeuf, "afschuwelijk
wezen! gij zijt het dus, die gekomen zijt, om over de rampen te
spotten, welke gij bewerkt hebt?"

"Ja, Reginald Front-de-Boeuf," antwoordde zij, "het is Ulrica!--het is
de dochter van den vermoorden Torquil Wolfganger!--het is de zuster
van zijne gewurgde zonen!--zij is het, die van u en uws vaders stam,
en bloedverwanten, naam en faam terugvraagt,--wat zij door het
geslacht van Front-de-Boeuf verloren heeft! Denk aan het onrecht,
dat ik geleden heb, Front-de-Boeuf! en zeg of ik niet de waarheid
spreek? Gij zijt mijn booze engel geweest, en ik wil de uwe zijn;--ik
zal u kwellen tot gij den laatsten adem uitblaast!"

"Afschuwelijke furie!" hernam Front-de-Boeuf, "van dat oogenblik
zult gij nooit getuige zijn.--Ho, Gilles, Clement en Eustace! Saint
Maur! Steven! grijpt deze vervloekte heks, en werpt haar hals over
kop van de wallen;--zij heeft ons aan den Sakser verraden!--Ho,
Saint Maur! Clement! schurken, waarom draalt gij?"

"Roep maar, dappere ridder!" zei de oude, grijnzende; "roep uw
vazallen om u heen, veroordeel hen, die niet schielijk genoeg komen,
tot zweepslagen en gevangenis!--Maar weet, machtige heer!" vervolgde
zij, plotseling van toon veranderende, "zij zullen u nooit weder
antwoord, hulp of gehoorzaamheid bewijzen. Luister naar die vreeselijke
geluiden,"--want het gedruisch van de opnieuw begonnen bestorming
weergalmde thans van de muren des kasteels;--"dat krijgsgeschreeuw
verkondigt den val van uw huis!--Het met bloed opgemetseld gebouw
van Front-de-Boeuf's macht wordt geschokt in zijne grondvesten, en
juist door de vijanden, welke hij het meest verachtte!--De Sakser,
Reginald!--de verachte Sakser bestormt uwe vesting! Waarom blijft gij
als een lafhartige boer liggen, terwijl de Sakser uw sterk kasteel
bestormt?"

"Helsche kwelling!" riep de gewonde ridder. "O! had ik slechts één
oogenblik de kracht, om mij naar het gevecht te sleepen, en te sterven,
zooals het mijn naam betaamt!"

"Denk daaraan niet, dappere ridder!" hernam zij; "Gij zult den dood
van den krijgsman niet sterven, maar omkomen, gelijk de vos in zijn
hol, wanneer de boeren het kreupelhout in het rond in brand gestoken
hebben."

"Vervloekte heks, gij liegt!" riep Front-de-Boeuf uit; "mijne
lieden houden zich dapper,--mijne muren zijn sterk en hoog,--mijne
wapenbroeders vreezen een geheel leger Saksers niet, al werden
zij door Hengist en Horsa zelven aangevoerd!--Het krijgsgeschreeuw
van den Tempelier en De Bracy en zijne makkers verheft zich boven
het gedruisch van het gevecht!--En bij mijn eer, wanneer wij een
vreugdevuur aansteken, om onze gelukkige verdediging te vieren,
zal het u en uw gebeente verslinden; en ik zal leven om te hooren,
dat gij uit het aardsche vuur in dat der hel zijt overgegaan, die
nooit een ergeren duivel dan gij zijt, heeft voortgebracht."

"Blijf bij uw geloof," hernam Ulrica, "tot gij van het tegendeel
overtuigd zijt.--Maar neen!" zei zij, zich bedenkende, "gij zult
nu reeds het lot vernemen, waarvan al uwe macht, sterkte en moed,
niet in staat zijn u te redden, schoon het u door deze zwakke hand
is voorbereid.--Bespeurt gij den smeulenden en verstikkenden damp,
welke reeds in zwarte wolken in de kamer dringt?--Meendet gij,
dat het slechts de duisternis was, die uw stervend oog omhulde;--de
benauwdheid van uw belemmerde ademhaling? Neen Front-de-Boeuf, er is
daarvoor een andere reden.--Herinnert gij u den voorraad brandstoffen,
onder dit vertrek opeengestapeld?"

"Vrouw!" riep hij wanhopig, "gij hebt ze toch niet in brand
gestoken?--Bij den hemel, gij hebt het gedaan, en het kasteel staat
in vlammen!"

"De vlammen stijgen ten minste snel," antwoordde Ulrica met
verschrikkelijke bedaardheid, "en weldra zal er een teeken wapperen,
om de belegeraars te waarschuwen, dat zij met geweld aandringen op hen,
die ze willen uitblusschen.--Vaarwel! Front-de-Boeuf!--Mogen Nista,
Skogula en Zernebock, de Goden der oude Saksers,--duivels, zooals de
priesters hen nu noemen,--de plaats van troosters bekleeden bij uw
sterfbed, dat Ulrica thans verlaat!--Maar weet, zoo dit u troost kan
verschaffen, dat Ulrica naar dezelfde sombere oorden moet trekken,
waarheen gij gaat, daar zij de deelgenoote is uwer straf, zoowel als
die uwer misdaden.--En nu, vadermoorder, vaarwel voor altijd!--Moge
iedere steen van dit gewelf de gave der spraak bezitten, om u dezen
naam in het oor te gillen!"

Met deze woorden verliet zij het vertrek en Front-de-Boeuf kon het
geknars van den zwaren sleutel hooren, terwijl zij de deur achter
zich sloot en grendelde, om dus de laatste kans van redding te
verijdelen. In zijn uitersten doodsangst riep hij zijn bedienden
en bondgenooten: "Steven en Saint Maur!--Clement en Gilles!--Ik
verbrand hier hulpeloos!--Helpt, helpt, stoute Bois-Guilbert, dappere
De Bracy,--het is Front-de-Boeuf, die roept!--Mogen alle vloeken,
die verraders verdienen, op uwe hoofden nederkomen! Laat gij mij op
deze ellendige wijze omkomen. Zij hooren mij niet;--zij kunnen mij
niet hooren;--mijne stem wordt niet gehoord in het gedruisch van den
strijd!--De rook wordt hoe langer hoe dikker;--het vuur heeft den vloer
bereikt. O, slechts een ademtocht van de hemelsche lucht, al moest ik
dien koopen met oogenblikkelijke vernietiging!" En in de dolzinnige
ijlhoofdigheid van zijne wanhoop, schreeuwde de rampzalige nu eens
met de vechtenden, dan weder braakte hij vervloekingen uit tegen zich
zelven, het menschdom en den Hemel zelven.--"De roode vlam gloeit
reeds door den zwarten rook heen!" riep hij uit; "de duivel trekt
tegen mij op onder de banier van zijn eigen element.--Booze geest,
wijk!--Ik ga niet met u zonder mijne makkers;--allen, allen behooren u,
deze bezetting,--dit kasteel!--Denkt gij, dat Front-de-Boeuf alleen wil
uitverkoren worden?--Neen,--de ongeloovige Tempelier;--de lichtzinnige
De Bracy;--Ulrica, die schandelijke, wulpsche moordenares;--de mannen,
die mij in mijne ondernemingen bijgestaan hebben;--de Saksische
honden en die vervloekte Joden, die mijne gevangenen zijn;--allen,
allen zullen mij vergezellen!--Een schooner gezelschap, dan ooit den
weg der onderwereld bewandelde!--Ha, ha, ha!" en hij lachte in zijn
waanzin, tot het gewelf er van weergalmde. "Wie lachte daar?" riep
hij op een anderen toon; want het geraas van den strijd belette niet,
dat de weerklank van zijn eigen vreeselijk gelach zijn oor trof.--"Wie
lachte daar?--Ulrica, waart gij het?--Spreek, heks, en ik vergeef
u;--want gij alleen, of de duivel zelf kondet in zulk een oogenblik
lachen. Wijk, wijk!"



EEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.


            Nog eens den storm gewaagd, geliefde vrienden!
            Nog eens, of anders vult de bres met lijken.
            -- -- -- -- --En gij, braaf landvolk,
            In Eng'land groot geworden, toon ons hier
            De kracht van deeglijk voedsel, laat ons zweren,
            Dat ge uw verpleging waardig zijt!

                                    Shakespeare's Koning Hendrik V.


Ofschoon Cedric niet veel vertrouwen stelde op Ulrica's belofte,
deelde hij die toch aan den Zwarten Ridder en Locksley mede. Het was
hun aangenaam eene vriendin in de plaats te hebben, die in geval van
nood hun het binnenkomen gemakkelijker kon maken; en zij waren het
met den Sakser volkomen eens, dat een bestorming, hoe ongunstig ook de
omstandigheden waren, gewaagd moest worden, als het eenige middel om de
gevangenen uit de handen van den wreeden Front-de-Boeuf te bevrijden.

"Het koninklijke bloed van Alfred is in gevaar!" zei Cedric.

"De eer eener edele Jonkvrouw wordt bedreigd!" zei de Zwarte Ridder.

"En bij den heiligen Christophorus op mijn bandelier," riep de dappere
schutter, "indien er geen andere reden ware dan de redding van den
armen, getrouwen nar Wamba, dan zou ik mijn leven er aan wagen,
om te verhinderen, dat één haar van zijn hoofd gekrenkt zou worden."

"Ik ook," zei de monnik. "Hoe mijn heeren! Ik hoop dat een nar,--ik
meen, ziet gij, mijn heeren, een nar, die van het gild is, en zijn
handwerk verstaat, en die een beker wijn even smakelijk en aangenaam
kan maken als een stuk spek;--ik zeg, broeders, zoolang ik een mis
kan lezen en een strijdbijl voeren, zal zulk een nar nooit gebrek
hebben aan een wijzen geestelijke, om in geval van nood voor hem te
bidden of te vechten."

En hierop zwaaide hij zijn zwaren hellebaard om het hoofd, alsof het
een licht herderstafje geweest ware.--

"'t Is waar, heilige man," zei de Zwarte Ridder; "even waar alsof
St. Dunstan zelf het gezegd had!--En zou het nu niet goed zijn, dappere
Locksley, dat de edele Cedric de leiding van den aanval op zich nam?"

"Ik niet," hernam Cedric; "ik ken de middelen niet om deze vestingen
der tirannij, die de Normandiërs in dit ongelukkig land hebben
gesticht, te veroveren of te verdedigen. Ik wil mede vechten in het
voorste gelid; maar mijn eerlijke buren weten wel, dat ik niet ervaren
ben in krijgstucht, noch in het aanvallen van sterkten."

"Als het dus gesteld is met den edelen Cedric," zei Locksley, "ben ik
volkomen bereid om het bestuur der boogschutters op mij te nemen; en
ge moogt mij aan een mijner eigene boomen ophangen, als de verdedigers
hun hoofd over de muren steken zonder met even veel pijlen doorboord
te worden, als er kruidnagels in een kermisham zijn."

"Goed zoo, dappere schutter!" zei de Zwarte Ridder, "en als men mij de
eer waardig keurt, om een bevel in den strijd te voeren, en er onder
deze dapperen, mannen gevonden worden, die bereid zijn om een echt
Engelschen ridder te volgen,--want zóó durf ik mij noemen,--dan ben
ik gereed, om den storm tegen deze muren aan te voeren, met zooveel
bekwaamheid als de ondervinding mij geleerd heeft."

Toen de aanvoerders het bevel op deze wijze onderling verdeeld hadden,
begon men den eersten aanval, welks uitkomst de lezer reeds vernomen
heeft.

Zoodra het buitenwerk ingenomen was, zond de Zwarte Ridder tijding
van dit gelukkig voorval aan Locksley, hem tevens verzoekende, zoo
nauwkeurig het kasteel te bewaken, dat de verdedigers hunne macht
niet konden vereenigen, om door een plotselingen uitval het verloren
buitenwerk te heroveren. Dit wilde de ridder vooral verhinderen,
omdat hij verzekerd was, dat de lieden, die hij aanvoerde, als
driftige en ongeoefende vrijwilligers, slecht gewapend en niet aan
krijgstucht gewoon, in een plotselingen aanval met groot nadeel
zouden vechten tegen de geoefende soldaten der Normandische ridders,
die goed voorzien waren met wapens zoowel voor de verdediging als
voor den aanval; en die volkomen vertrouwen stelden op de kracht,
die volmaakte krijgstucht en gedurige oefening verleenden in den
strijd tegen de ijverige en vurige belegeraars.

Intusschen had de ridder een soort van schipbrug, of lang vlot laten
vervaardigen, waarmede hij over de gracht hoopte te komen in weerwil
van den tegenstand des vijands. Dit werk vorderde eenigen tijd,
welken de aanvoerders te minder verloren achtten, omdat Ulrica
hierdoor gelegenheid kreeg om haar plan, welk het ook zijn mocht,
ten hunnen voordeele uit te voeren. Toen het vlot echter gereed was,
zei de Zwarte Ridder: "Nu is hier geen tijd meer te verspillen; de
zon zinkt reeds in het westen,--en gewichtige redenen veroorloven
mij niet nog een enkelen dag bij u te blijven. Het zou bovendien een
wonder zijn indien ons geene ruiters uit York overvielen, als wij ons
voornemen niet met spoed volbrengen.--Een uwer ga dus bij Locksley,
en verzoeke hem een hagelbui van pijlen af te schieten op de andere
zijde van het kasteel, en voorwaarts te trekken, alsof hij voornemens
was een aanval te wagen; en gij, getrouwe Engelsche mannen, staat mij
bij, en houdt u gereed om het vlot dadelijk over de gracht te stooten,
zoodra de poort van onze zijde geopend wordt. Volgt mij stoutmoedig
over de gracht heen, en helpt mij gindsche valpoort in den hoofdmuur
van het kasteel open breken. Zij wien deze dienst niet toelacht, of
die te slecht gewapend zijn tot dezen strijd, moeten het buitenwerk
bezetten; trekt de boogpeezen tot aan uw ooren, en bestookt ieder,
die op het bolwerk durft verschijnen, met uw pijlen.--Edele Cedric,
wilt gij het bevel op u nemen over degenen, die achter blijven?"

"Neen, bij de ziel van Hereward!" zei de Sakser. "Aanvoeren kan ik
niet; maar dat het nageslacht mij in mijn graf vervloeke, als ik niet
voorop ben, overal waar gij den weg wijst.--De twist gaat mij aan,
en het is mijne zaak, de eerste in het heetst van het gevecht te zijn."

Maar, edele Sakser!" hernam de ridder, "gij hebt pantser noch
borstharnas;--niets dan een lichte helm, schild en zwaard."

"Des te beter!" antwoordde Cedric; "Ik zal te gemakkelijker de wallen
beklimmen. Verschoon mijn snoeven, heer ridder! Heden zult gij de
naakte borst van een Sakser even onverschrokken aan het gevaar zien
blootgesteld, als ooit het stalen harnas van een Normandiër."

"In Gods naam dan," zei de ridder; "werpt de poort open, en voorwaarts
met het vlot!"

De poort, die toegang verschafte van den wal des buitenwerks naar de
gracht, en die met de poort in den hoofdmuur gemeenschap had, werd nu
plotseling geopend; de in haast vervaardigde brug werd al voorwaarts
geduwd, en plofte weldra in het water; zij strekte zich in lengte van
het buitenwerk tot aan het kasteel uit, en vormde zoo een glibberigen
en onveiligen weg, waarop twee mannen naast elkander over de gracht
konden gaan. Overtuigd van het belang dat zij er bij hadden om den
vijand te overrompelen, sprong de Zwarte Ridder, door Cedric gevolgd,
op de brug, en bereikte de overzijde. Hier begon hij met zijne bijl
tegen de poort van het kasteel te donderen, gedeeltelijk beschermd
tegen het schieten en de steenen, die de verdedigers van boven wierpen,
door de overblijfselen der vorige ophaalbrug, welke de Tempelier
bij zijn aftocht uit het buitenwerk had afgebroken, en waarvan het
trekwerk aan het bovenste gedeelte der poort was blijven zitten. Zij,
die den ridder volgden, waren niet zoo gedekt; twee er van werden
oogenblikkelijk met pijlen neêrgeschoten, en buitendien vielen er nog
twee in de gracht; de anderen trokken zich terug naar het buitenwerk.

De toestand van Cedric en den Zwarten Ridder was nu werkelijk
gevaarlijk, en zou nog gevaarlijker geweest zijn, zonder den
standvastigen moed van de boogschutters in het buitenwerk, die
onophoudelijk hun pijlen op de wallen richtten, de aandacht dergenen,
die ze bezetten afleidden, en hun aanvoerders dus een verademing
verschaften tegen een hagelbui van pijlen, waarmede men hen anders
zou overstelpt hebben. Maar hun toestand werd van oogenblik tot
oogenblik wanhopiger.

"Schaamt u!" schreeuwde De Bracy den soldaten toe, die hem omringden;
"Noemt gij u boogschutters, en gij laat deze beide honden hunne
plaats houden onder de wallen van het kasteel? Werpt de steenen van de
borstwering op hen neder, zoo het niet anders kan;--haalt houweelen
en koevoeten, en naar beneden met dien zwaren brok," op een groot
stuk steenen snijwerk wijzende, dat buiten de borstwering uitstak.

Op dit oogenblik viel den belegeraars de roode vlag in het oog,
op den hoek van den toren, dien Ulrica Cedric had aangewezen. De
dappere Locksley was de eerste, die ze ontwaarde, toen hij naar het
buitenwerk ijlde, ongeduldig om den afloop van den aanval te zien.

"St. George!" riep hij, "_St. George voor Engeland!_ valt aan,
dappere schutters! hoe! laat gij den braven ridder en den edelen
Cedric den toegang alleen bestormen?--Dring binnen, dolle priester,
toon dat gij voor uw rozenkrans vechten kunt.--Dringt binnen, brave
schutters!--het kasteel is het onze, wij hebben vrienden binnen de
wallen;--ziet gindsche vlag, het afgesproken teeken!--Torquilstone
is het onze!--weest uwe eer indachtig, denkt aan den buit!--nog één
oogenblik en wij zijn meester van de plaats!"

Hierop spande hij zijn boog, en joeg een pijl door het hart van een der
gewapenden, die op De Bracy's bevel een stuk van den muur losmaakten,
om het Cedric en den Zwarten Ridder op het hoofd te storten. Een
tweede krijgsman nam den stervende den ijzeren koevoet uit de hand,
waarmede hij den steen had losgewerkt, maar op hetzelfde oogenblik
kreeg hij een pijl door zijn helm en stortte dood van den muur in
de gracht. De gewapenden werden verschrikt, want geen wapenrusting
scheen bestand tegen de pijlen van den geduchten schutter.

"Wijkt gij, laffe schelmen?" schreeuwde De Bracy; "_Montjoye Saint
Dénis!_--Geeft mij den koevoet!"

Hij nam het ijzer op, en lichtte opnieuw den losgemaakten brok, welke,
als die naar beneden geworpen werd, zwaar genoeg was, om niet slechts
de overblijfsels van de ophaalbrug, welke de beide voorste belegeraars
beschermden, te verpletteren, maar ook om het vlot, waarop ze over de
gracht gekomen waren, in den grond te boren. Allen begrepen het gevaar,
en de stoutsten, zelfs de moedige priester, waagden het niet den voet
op het vlot te zetten. Driemaal spande Locksley zijn boog tegen De
Bracy, en driemaal stuitte zijn pijl op des ridders wapenrusting af.

"Dat verwenschte Spaansche stalen harnas!" zei Locksley. "Als een
Engelsche smid het gemaakt had, zouden deze pijlen er doorgedrongen
zijn als door zijde of taf." Hierop begon hij te roepen: "Terug,
kameraden! vrienden! edele Cedric! terug, en laat den steen vallen!"

Zijn waarschuwing werd niet gehoord, want het geraas, dat de ridder
zelf maakte met zijn slagen op de poort, zou het geluid van twintig
krijgstrompetten verdoofd hebben. De getrouwe Gurth sprong werkelijk
voorwaarts op de met planken belegde brug, om Cedric te redden van het
lot, dat hem boven het hoofd ging, of om het met hem te deelen. Maar
zijne waarschuwing zou te laat gekomen zijn; de zware brok wankelde
reeds, en De Bracy zou zijn voornemen volbracht hebben, indien de
stem van den Tempelier hem niet in de ooren geklonken had.

"Alles is verloren, De Bracy, het kasteel brandt!"

"Gij raast!" hernam de ridder.

"Het staat aan de westzijde in lichter laaie. Ik heb te vergeefs
getracht ze te blusschen!"

Met onverschrokken koelbloedigheid, de hoofdtrek van zijn karakter,
deelde Brian De Bois-Guilbert dit ijselijke nieuws mede, dat niet
zoo kalm door zijn verbaasden strijdmakker werd aangehoord.

"Alle heiligen uit het Paradijs!" riep De Bracy; "wat nu? Ik beloof
den heiligen Nicolaas van Limoges een kandelaar van zuiver goud---"

"Spaar uwe gelofte," hernam de Tempelier, "en luister naar mij. Breng
uwe mannen naar beneden, alsof gij een uitval wildet doen. Er zijn
slechts twee mannen op het vlot, werpt hen in de gracht, en snel
er over heen naar het buitenwerk. Ik zal een uitval doen door de
hoofdpoort en het buitenwerk van den anderen kant bestormen; en als wij
dezen post herwinnen, kunnen wij ons verdedigen tot wij hulp krijgen,
of ten minste, tot men ons gunstige voorwaarden toestaat."

"Goed bedacht," zei De Bracy; "ik zal mijne rol spelen.--Tempelier,
gij zult mij niet in den steek laten!"

"Op mijn woord en riddereer, zal ik u bijstaan!" zei
Bois-Guilbert. "Maar in Gods naam, haast u!"

IJlings verzamelde De Bracy zijne manschappen en vloog naar de poort,
die hij oogenblikkelijk liet openen. Maar nauwelijks was dit geschied
of de Zwarte Ridder drong met een onweerstaanbare kracht binnen, in
weerwil van De Bracy en zijn volgelingen. Twee der voorsten vielen
oogenblikkelijk, en de overigen weken, niettegenstaande hun aanvoerder
zich alle moeite gaf om hen tot staan te brengen.

"Honden!" riep De Bracy, "zult gij u door twee mannen den eenigen
weg ter redding laten afsnijden?"

"Het is de duivel!" riep een veteraan, voor de slagen van den Zwarten
Ridder wijkende.

"En al is het de duivel," hernam De Bracy, "wilt gij van hem weg in
de hel vluchten?--Het kasteel brandt achter ons, lafaards!--laat de
wanhoop u moed geven, of laat mij vooruit, ik zelf zal het met dezen
vijand opnemen."

Ridderlijk handhaafde De Bracy op dien dag den roem, dien hij in de
burgeroorlogen dezer gevaarvolle tijden verworven had. De gewelfde
gang, waarheen de sluippoort leidde, en waarin deze beide geduchte
kampvechters nu man tegen man streden, weêrgalmde van de geweldige
slagen, die ze elkander toebrachten, De Bracy met zijn zwaard en de
Zwarte Ridder met zijn zware bijl. Eindelijk kreeg de Normandiër
een slag, die, ofschoon het geweld er van gedeeltelijk door zijn
schild werd afgeweerd, want anders zou De Bracy nimmer weder een lid
verroerd hebben, zoo hevig zijn helm trof, dat hij lang uit op de
aarde nederstortte.

"Geef u over, De Bracy," zei de Zwarte Ridder, terwijl hij zich
over hem heenbukte en den noodlottigen dolk, waarmede de ridders hun
vijanden afmaakten en welken men den genadedolk heette, op het vizier
van zijn helm zette, "geef u over, Maurice De Bracy, op genade of
ongenade, of gij zijt des doods!"

"Ik geef mij aan geen onbekenden overwinnaar over," zei De Bracy met
zwakke stem. "Zeg mij uw naam, of doe met mij wat gij wilt;--men zal
nimmer kunnen zeggen, dat De Bracy zich overgaf aan een naamloozen
landlooper!"

De Zwarte Ridder fluisterde den overwonnene iets in het oor.

"Ik geef mij over als uw gevangene, op genade of ongenade," antwoordde
de Normandiër, wiens vastberadene hardnekkigheid plotseling in de
volmaaktste maar ongewilligste onderwerping veranderd was.

"Ga naar het bruggenhoofd," zei de overwinnaar op gebiedenden toon,
"om daar mijn verdere bevelen af te wachten."

"Vergun mij u eerst iets te zeggen," hernam De Bracy, "waarbij gij
belang hebt:--Wilfrid van Ivanhoe is gewond en gevangen in dit kasteel,
en zonder oogenblikkelijke hulp komt hij in de vlammen om."

"Wilfrid van Ivanhoe!" riep de Zwarte Ridder uit; "gevangen en in
gevaar van om te komen!--iedereen in het kasteel zal er met zijn
leven verantwoordelijk voor zijn, als er een haar op zijn hoofd
gezengd wordt.--Wijs mij zijn kamer!"

"Klim gindsche wenteltrap op,--die voert u naar zijn vertrek.--Wilt
ge mijn geleide aannemen?"

"Neen; naar het bruggenhoofd, en wacht daar op mijne bevelen. Ik
vertrouw u niet, De Bracy."

Gedurende dit gevecht en het korte gesprek, dat er op volgde,
drong Cedric aan het hoofd van een bende, waaronder de monnik zich
onderscheidde, over de brug zoodra hij de sluippoort open zag, en dreef
de ontmoedigde en hopelooze volgelingen van De Bracy terug, van welken
sommigen genade smeekten, anderen een vruchteloozen tegenstand boden,
en de meesten naar het binnenplein vluchtten. De Bracy zelf stond
op en wierp zijn overwinnaar een bedroefden blik achterna. "Hij
vertrouwt mij niet," herhaalde hij; "maar heb ik zijn vertrouwen
verdiend?" Hij nam zijn zwaard van den grond, zette zijn helm af,
als teeken van onderwerping, en, naar het bruggenhoofd gaande, gaf
hij zijn zwaard over aan Locksley, dien hij daar ontmoette.

Zoodra de brand de overhand verkreeg, ontwaarde men er ook teekenen
van in de kamer, waar Ivanhoe door de Jodin Rebekka opgepast en
verpleegd werd. Hij werd uit zijne korte sluimering gewekt door
het geraas van den slag, en zijne bewaakster, die zich op zijn
dringende bede weder aan het venster geplaatst had om den loop van
den aanval te bespieden en te beschrijven, werd gedurende eenigen
tijd verhinderd in haar waarnemingen door een steeds toenemenden,
verstikkenden damp. Eindelijk werden ze opmerkzaam gemaakt op het
klimmende gevaar door de rookwolken, die in de kamer rolden,--door
het geschreeuw om water, dat men boven het krijgsrumoer uit kon hooren.

"Het kasteel staat in brand!" zei Rebekka; "het staat in vlammen!--Hoe
redden wij ons?"

"Vlucht, Rebekka, en red uw eigen leven," zei Ivanhoe, "want geene
menschelijke hulp kan mij van dienst zijn."

"Ik wil niet vluchten," zei Rebekka, "wij zullen te zamen omkomen of
gered worden.--En echter, groote God! Mijn vader, mijn vader,--wat
zal zijn lot zijn!"

Op dit oogenblik vloog de deur van het vertrek open, en de Tempelier
vertoonde zich;--het was een verschrikkelijke verschijning, want
zijn vergulde wapenrusting was gedeukt en bebloed, en de pluim van
zijn helm was gedeeltelijk afgerukt, gedeeltelijk verbrand. "Ik heb
u gevonden," zei hij tot Rebekka; "ge zult ondervinden, dat ik woord
houd, en lief en leed met u wil deelen.--Er is slechts één weg ter
redding over, door honderderlei gevaren heb ik mij een weg gebaand,
om u dien aan te wijzen. Volg mij oogenblikkelijk!" [28]

"Alleen," antwoordde Rebekka, "zal ik u niet volgen. Indien gij uit
eene vrouw geboren zijt,--indien gij slechts één vonkje menschelijkheid
bezit;--indien uw hart niet zoo hard is als uw borstharnas,--red mijn
ouden vader,--red dezen gewonden ridder!"

"Een ridder," antwoordde de Tempelier, met de hem eigene
koelbloedigheid, "een ridder, Rebekka, moet den dood in de oogen zien;
hetzij hij hem in den strijd, of in het vuur ontmoet,--en wie bekommert
zich om het lot van een Jood?"

"Woeste krijgsman," zei Rebekka, "liever wil ik in de vlammen omkomen,
dan mijn behoud aan u te danken hebben!"

"Gij zult geene keus hebben, Rebekka;--éénmaal hebt gij mij
teleurgesteld; maar geen sterveling heeft zulks ooit ten tweedenmaal
gedaan."

Dit zeggende, greep hij de verschrikte maagd, die het kasteel met haar
gegil vervulde, en droeg haar uit de kamer, in weerwil van haar angst,
en zonder te letten op de bedreigingen, en de uitdaging, die Ivanhoe
hem achterna bulderde.

"Hond van een Tempelier,--schandvlek uwer orde!--stel het meisje in
vrijheid! Verraderlijke Bois-Guilbert, Ivanhoe beveelt het u!--Schurk,
ik zal u het hart met mijn staal doorboren!"

"Ik zou u niet gevonden hebben, Wilfrid," riep de Zwarte Ridder, die op
dit oogenblik binnentrad, "indien gij niet zoo hard geschreeuwd hadt."

"Als gij een echte ridder zijt," hernam Wilfrid, "denk dan niet aan
mij;--vervolg gindschen roover,--red Jonkvrouw Rowena;--zoek naar
den edelen Cedric!"

"Ieder zijne beurt," antwoordde de ridder; "maar eerst is de beurt
aan u!"

Hij nam Ivanhoe op, en droeg hem even gemakkelijk weg als de Tempelier
Rebekka had gedragen; vloog door de poort, en nadat hij hier zijn
last aan de zorg van twee schutters had toevertrouwd, ging hij weder
in het kasteel om de andere gevangenen te helpen verlossen.

Een der torens stond nu in lichter laaie, die met geweld uit de
vensters en schietgaten sloegen; maar op andere plaatsen weerstonden
die dikke muren en gewelfde daken de macht van het vuur, en hier
heerschte nog de woede der menschen, terwijl elders het nauwelijks
verschrikkelijker element meester was; Want de belegeraars vervolgden
de verdedigers van het kasteel van kamer tot kamer, en stilden in
hun bloed de wraak, die hen al lang tegen de krijgslieden van den
wreeden Front-de-Boeuf bezield had. Het grootste gedeelte van de
bezetting verdedigde zich tot het uiterste, eenige weinigen vroegen
om genade, die echter niemand verkreeg. Het gesteun der gekwetsten en
het gekletter der wapenen vervulde de lucht;--de grond was glibberig
van het bloed van wanhopige en stervende menschen.

Midden door dit tooneel van verwarring drong Cedric, om Rowena te
zoeken, terwijl de getrouwe Gurth, die hem van nabij door het gedrang
volgde, zijne eigene veiligheid verwaarloosde, om de slagen af te
weren, die tegen zijn meester gericht werden. De edele Sakser was
gelukkig genoeg het vertrek zijner pupil te bereiken, toen ze reeds
alle hoop op redding had opgegeven, en in doodsbenauwdheid een crucifix
op haar hart drukkende, een oogenblikkelijken dood verwachtte. Hij
gaf haar aan Gurth over, die haar in veiligheid naar het bruggenhoofd
zou geleiden, werwaarts de weg nu van vijanden gezuiverd, en nog niet
door de vlammen afgesneden was. Toen dit volbracht was, haastte de
getrouwe Cedric zich om zijn vriend Athelstane te zoeken, vast besloten
om den laatsten telg van den Saksischen koninklijken stam te redden,
aan welk gevaar hij zichzelven ook zou moeten blootstellen. Maar eer
Cedric tot aan de oude zaal, waar hij zelf gevangen was geweest,
doordrong, had de vindingrijke geest van Wamba zichzelven en zijn
lotgenoot de vrijheid weder verschaft.

Toen het geraas aankondigde dat de slag op het heetst was, begon de nar
te schreeuwen, zoo hard hij kon: "St. George en de draak!--St. George
met het schoone Engeland!--Het kasteel is overwonnen!" En dit
geschreeuw maakte hij nog schrikbarender, door eenige verroeste wapens,
die in de zaal verspreid lagen, tegen elkander te slaan.

Eenige wachters, in het buiten- of voorvertrek geplaatst, en die te
voren reeds door den angst overvallen waren, werden nu verschrikt
door Wamba's geschreeuw, en de deur open latende, liepen ze naar den
Tempelier om hem te vertellen, dat de vijanden tot in de oude zaal
doorgedrongen waren. In dien tusschentijd vonden de gevangenen er
geen zwarigheid in, om in de voorkamer te ontsnappen, en vandaar
op de plaats van het kasteel te komen, het laatste tooneel van
het gevecht. Hier zat de trotsche Tempelier te paard, omringd door
verscheidene van de bezetting, zoowel te voet als te paard, die hun
krachten met die van dezen beroemden aanvoerder vereenigd hadden,
om de laatste kans op behoud te wagen en den eenigen weg, die hun
tot den aftocht overbleef, meester te blijven. De ophaalbrug was
op zijn bevel nedergelaten, maar de doorgang was bezet, want de
boogschutters, die tot dusver het kasteel slechts van die zijde met
hunne pijlen bestookt hadden, zagen nauwelijks de vlammen uitbarsten
en de ophaalbrug neêrlaten, of zij drongen naar den ingang, zoowel om
het garnizoen het ontkomen te beletten, als om zich van hun deel van
den buit te verzekeren, eer het kasteel afbrandde. Van den anderen
kant waren zij, die door de sluippoort waren binnen gekomen, nu tot
op het plein doorgedrongen, en vielen woedend op het overschot der
verdedigers aan, die dus van weêrskanten tegelijk bestormd werden.

Door wanhoop bezield en door het voorbeeld van hun onwrikbaren
aanvoerder aangespoord, vochten de overgeblevene krijgslieden van
het kasteel met den uitersten moed, en daar ze goed gewapend waren,
gelukte het hun meer dan eens de aanvallers terug te drijven,
ofschoon ze veel geringer in aantal waren. Rebekka, vóór een van
des Tempeliers Saraceensche slaven op het paard geplaatst, was in
het midden der kleine bende,--en niettegenstaande de verwarring der
bloedige schermutseling, droeg Bois-Guilbert alle mogelijke zorg
voor hare veiligheid. Hij was bestendig aan hare zijde,--en terwijl
hij verzuimde zichzelven te verdedigen, beschermde hij haar met zijn
driehoekig stalen schild; dan, plotseling van haar zijde vliegende,
liet hij zijn veldgeschreeuw hooren, drong voorwaarts, sloeg den
voorsten zijner aanvallers ter aarde, en was oogenblikkelijk weder
naast haar paard.

Athelstane, die, zooals de lezer weet, traag maar niet lafhartig
was, zag de vrouwelijke gedaante, welke de Tempelier zoo zorgvuldig
verdedigde, en twijfelde er niet aan, dat het Rowena was, die de
ridder schaakte, in weerwil van allen tegenstand, dien men hem bood.

"Bij de ziel van den heiligen Eduard!" riep hij, "ik wil haar uit
de macht van gindschen overmoedigen ridder redden, en door mijn hand
zal hij sterven!"

"Bedenk wat gij doet," zei Wamba; "de haastige hand vangt een
kikvorsch in plaats van een visch.--Bij mijn zotskap, die dame
ginds is Jonkvrouw Rowena niet,--zie maar naar haar lange, zwarte
lokken!--Maar, als gij geen zwart van wit onderscheiden wilt, moogt
gij aanvoerder zijn, zoo gij verkiest; maar ik zal u niet volgen;--ik
laat mijn beenderen niet breken, of ik moet weten voor wien.--En gij
ook zonder wapenrusting!--Bedenk toch, een zijden muts staat nooit
voor een stalen kling.--Nu, wie van zelf in het water loopt, die moet
ook gaarne verdrinken.--_Deus vobiscum_, dappere Athelstane!" riep
hij uit, terwijl hij des Saksers wambuis losliet, waarbij hij hem
tot dusver vastgehouden had.

Een strijdbijl van den grond op te nemen, die naast een man lag,
wiens stervende hand ze juist had laten vallen,--op des Tempeliers
bende aan te vallen, met de grootste snelheid rechts en links slagen
uit te deelen, en bij iederen slag een vijand ter neder te vellen, was
voor Athelstane's groote kracht, thans door ongewone woede bezield,
slechts het werk van één oogenblik, en hij was weldra op eenige
schreden afstands van Bois-Guilbert, dien hij met luide stem uitdaagde.

"Hierheen, valsche Tempelier!--Laat haar los, die gij niet waardig
zijt aan te raken;--hierheen, gij waardig lid eener bende roovers
en huichelaars!"

"Hond!" riep de Tempelier, de tanden knarsende, "ik zal u leeren, de
heilige orde van den Tempel van Sion te lasteren!" en met deze woorden,
zijn steigerend paard wendende, ging hij op Athelstane los, en zich
in de stijgbeugels verheffende, om met zooveel geweld mogelijk neer
te komen, bracht hij Athelstane een geweldigen slag op het hoofd toe.

Te recht had Wamba gezegd, dat eene zijden muts geen stalen kling kon
weêrstaan. Zoo scherp was des Tempeliers zwaard, dat het de met ijzer
beslagen greep van de knots, welke de ongelukkige Sakser zwaaide,
om den slag af te wenden, als een wilgen tak doorkliefde, en op zijn
hoofd neêrkomende, hem ter aarde deed storten.

"_Hah! Beauséant!_" riep Bois-Guilbert. "Zoo ga het alle tegenstanders
der Tempelieren!" En toen gebruik makende van den schrik, welken
Athelstane's val veroorzaakt had, riep hij luid: "Dat zij, die
zich redden willen, mij volgen!" Zoo drong hij over de ophaalbrug,
de boogschutters uiteenjagende, welke hem tegenhouden wilden. Hij
werd gevolgd door zijne Saracenen en een zestal krijgslieden,
die hun paarden bestegen hadden. Des Tempeliers terugtocht werd
gevaarlijk gemaakt door de menigte pijlen, welke op hem en zijn
lieden afgeschoten werden, maar dit belette hem niet, om naar het
bruggenhoofd te rennen, waarvan hij, volgens hun vroeger plan, De
Bracy meester hoopte te vinden.

"De Bracy! De Bracy!" schreeuwde hij, "Zijt gij daar?"

"Ik ben hier," hernam De Bracy; "maar ik ben gevangen."

"Kan ik u verlossen?" riep Bois-Guilbert.

"Neen," hervatte De Bracy; "ik heb mij op genade of ongenade
overgegeven, en ik zal woord houden. Red u;--er broeit onheil;--maak
dat de zee tusschen u en Engeland ligt.--Meer durf ik niet zeggen!"

"Goed," antwoordde de Tempelier; "zoo gij hier wilt blijven, dan
bedenk, dat ik aan mijn woord en riddereer getrouw ben gebleven. Wat
er ook voor onheil dreige, mij dunkt, dat de muren van Templestowe
eene veilige schuilplaats zullen zijn; en daarheen zal ik als een
vogel naar zijn nest vluchten."

Met deze woorden, reed hij met de zijnen weg.

De lieden uit het kasteel, welke niet te paard waren, zetten den
strijd nog met de belegeraars wanhopig voort, na het vertrek van den
Tempelier, maar meer omdat zij geen genade verwachten konden, dan wel
uit hoop om zich te redden. Het vuur verspreidde zich snel door het
kasteel, toen Ulrica, die het ontstoken had, op een torentje verscheen,
volkomen gelijk aan eene furie der ouden, en een krijgszang aanhief,
zooals eertijds de _Skalden_ bij de nog heidensche Saksers op het
slagveld gewoon waren te zingen. Haar lang, loshangend grijs haar
viel van haar onbedekt hoofd neder; de woeste vreugde van verzadigde
wraak schitterde uit haar oogen met het vuur der zinneloosheid,
en zij zwaaide het spinrokken, hetwelk zij in de hand hield, alsof
zij eene der noodlottige zusters geweest ware, die den draad van des
menschen leven spinnen en afsnijden. De overlevering heeft eenige
ruwe strophen van het barbaarsch gezang bewaard, dat zij onder dat
tooneel van brand en slachting met woeste stem uitgilde.


    1

    Wet nu het glinst'rend staal,
    Zoon van den schitterenden draak!
    Ontsteek nu de fakkel,
    Gij dochter van Hengist!
    Niet voor het vreugdemaal glinstert het staal;
    Hard is het, breed en verschriklijk gepunt.
    Niet naar de bruidskamer gaat nu het toortslicht;
    't Schittert en flikkert, van zwaveldamp blauw.
    Wet dan het staal;--ha, hoe krassen de raven!
    Ontsteek dan het fakkellicht; Zernebock huilt!
    Wet dan het staal, o gij zoon van den draak!
    Ontsteek dan het fakkellicht, dochter van Hengist!

    2

    --Zwart hangt de wolk op des Heeren kasteel;
    De adelaar schreeuwt er; hij rijdt er op trotsch.--
    Schreeuw niet, gij grijze berijder der wolken,--
    Bereid is uw gastmaal!
    Walhalla, uw maagden zien neêr,--
    De stamme van Hengist zendt gasten.
    Schud uw donkere lokken, gij maagd van Walhalla;
    Roer uw trommels van vreugde!
    Menige stap richt zich straks naar uw wallen,
    Menig gehelmde kruin!

    3

    De avond rust donker op des edelen kasteel,
    Dáár pakken de duistere wolken zich samen;
    Ras zijn zij rood als het bloed van de dapp'ren!
    De woudenvernieler schudt herwaarts zijn helmbosch;
    Hij, de vernieler der trotsche paleizen,
    En zwaait met zijn somb're banier,
    Bloedrood, en duister, en wijd,
    Over den strijd van de dapp'ren.
    Hem verheugt gekletter der zwaarden, het breken der schilden,
    't Drinken van 't kokende bloed, dat spat uit de wonden
    der strijders.

    4

    Allen vergaan!
    't Zwaard klieft den helm;
    De lansen doorboren en harnas en schilden,
    Vlammen verteren de woning der vorsten,
    Stormrammen breken de borstwering af.
    Allen vergaan!
    Hengist, uw stam is daarheen--
    Horsa, uw naam is niet meer!--

    5

    Siddert dan niet voor het graf, o gij zonen van 't zwaard!
    Laten uw zwaarden den bloedstroom nu zwelgen als wijn!
    Vergast u aan 't feestmaal der slachting,
    Bij 't licht van de brandende hallen!
    Sterk zij uw zwaard, nu u 't bloed nog ontvlamd is;
    Spaart niets uit deernis, spaart niets uit vrees;
    Dit is het oogenblik der wrake gegund,
    Want ook het vuur van den haat zal vergaan--
    Ook mij wacht de dood! [29]


De zich hoe langer hoe sterker verheffende vlammen waren nu alle
hinderpalen te boven gekomen en stegen naar de wolken op als één
ontzaglijke vuurkolom, welke men wijd en zijd kon zien. Toren op
toren stortte in, met brandende daken en balken, en de strijders
werden van de plaats verjaagd. De overwonnenen, van wie er maar
zeer weinigen overbleven, verstrooiden zich en ontsnapten in het
nabijgelegen woud. De overwinnaars, zich in groote benden verzamelende,
staarden met verbazing en niet zonder vrees, op de vlammen, waarin
hun eigene rijen en wapenen donkerrood glinsterden. De gedaante van
de waanzinnige Ulrica was lang zichtbaar op de hooge standplaats,
die zij uitgekozen had, en zij strekte de armen met woeste drift uit,
alsof zij de leidster van den door haar ontstoken brand ware. Eindelijk
stortte met een verschrikkelijk gekraak de geheele toren in, en zij
kwam in dezelfde vlammen om, die haar tiran verteerd hadden. Een
oogenblik van vreeselijke ijzing deed de gewapende aanschouwers
verstommen, die gedurende eenige minuten geen vinger verroerden anders
dan om zich te kruisen. Het eerst liet Locksley zijn stem hooren:
"Verheugt u, schutters! het nest der tirannen is uitgeroeid! Laat
ieder zijn buit naar onze verzamelplaats bij den grooten eik in de
Harthill-laan brengen; want daar zullen wij bij het aanbreken van den
dag een billijke verdeeling maken tusschen onze eigene bende en onze
waardige bondgenooten in deze groote daad van vergelding!"



TWEE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.


            Geloof mij, iedere staat heeft behoefte aan wetten;
            De rijken hebben hun edicten, steden
            Haar charters; zelfs bandieten in hun wouden
            Bewaren nog een zweem van burgertucht;
            Want sedert Adam 't groene voorschoot droeg
            Zag men den mensch maatschappelijk vereenigd,
            En steeds dien band door wet en recht versterken.

                                                    Oud Tooneelstuk.


Door de lanen van het eikenwoud schemerde het daglicht. De groene
takken glinsterden met de paarlen van den dauw. De hinde geleidde
haar jong uit de schuilplaats van hoog varenkruid naar de meer opene
plekken van het groene bosch, en er was geen jager dáár, om het
statige hert, aan het hoofd van zijne gehoornde kudde op te wachten,
of af te snijden.

De vogelvrijverklaarden waren allen vergaderd om den grooten
gerechtseik in de Harthill-laan, waar zij den nacht hadden
doorgebracht, met zich van de vermoeienissen van het beleg te
herstellen, eenigen door wijn, anderen door slaap, velen door de
gebeurtenissen van den strijd aan te hooren of te verhalen, terwijl
zij den buit berekenden, welken hun overwinning ter beschikking van
hun opperhoofd gesteld had. Deze buit was inderdaad aanzienlijk,
want ofschoon veel door het vuur vernield werd, zoo was er toch een
groote menigte zilverwerk, rijke wapenrustingen en prachtige kleederen
door de onverschrokken roovers gered, die door geen gevaar konden
afgeschrikt worden, als zij zulke belooningen te wachten hadden. Zoo
streng waren echter de wetten hunner vereeniging, dat niemand het
waagde zich slechts het geringste gedeelte van den buit toe te
eigenen, welke men op eene algemeene verzamelplaats gebracht had,
om ter beschikking van hun aanvoerder te blijven.

De vergaderplaats was bij een ouden eik; niet dezelfde, waarheen
Locksley vroeger Gurth en Wamba gevoerd had, maar een andere, welke
het middelpunt was van een boomvrijen kring, een halve mijl van het
vernielde kasteel van Torquilstone verwijderd. Hier nam Locksley zijn
plaats in, op een troon van zoden, opgericht onder de overhangende
takken van den ontzaglijken eik, en zijne onderdanen van het bosch
stonden in het rond. Hij wees den Zwarten Ridder eene plaats aan zijn
rechter en Cedric eene aan zijne linkerhand aan.

"Vergeeft mijne vrijheid, edele heeren," zei hij; "maar in
deze bosschen ben ik koning;--het is mijn rijk, en deze, mijne
woeste onderdanen, zouden weinig ontzag voor mijne macht hebben,
als ik mijne plaats aan een anderen sterveling, wien het ook zij,
afstond.--Nu, heeren, wie heeft onzen kapelaan gezien? Waar is onze
dappere monnik? Een mis is onder Christenen het beste begin van het
dagwerk."--Niemand had den kluizenaar van Copmanshurst gezien.

"Waarlijk," vervolgde de roover-kapitein, "ik hoop, dat het niets
anders is, dan dat de vroolijke priester een weinig te lang bij
de wijnflesch gezeten heeft. Wie heeft hem na de inneming van het
kasteel gezien?"

"Ik heb hem gezien," zeide Mulder, "bezig met eene kelderdeur open
te breken, bij alle heiligen uit den almanak zwerende, dat hij
Front-de-Boeuf's Gasconjer-wijn eens proeven wilde."

"Nu, dan mogen alle heiligen verhinderd hebben," zei de aanvoerder,
"dat hij te diep in het glas gezien heeft, en, bij den val van
het kasteel is omgekomen!--Ga, Mulder!--Neem mannen genoeg met u,
doorzoek de plaats waar gij hem het laatst gezien hebt;--werp water
uit de gracht over de brandende puinhoopen. Ik zal ze steen voor
steen laten wegnemen, liever dan mijn braven monnik te verliezen."

De vele mannen, die zich haastten, om dezen plicht te vervullen,
ofschoon er eene belangrijke verdeeling van buit zou plaats hebben,
bewees hoezeer de veiligheid van den geestelijken vader de bende ter
harte ging.

"Laten wij intusschen voortgaan," zei Locksley; "want zoodra deze
daad ruchtbaar wordt, zullen de troepen van De Bracy, Malvoisin en
andere bondgenooten van Front-de-Boeuf tegen ons optrekken, en dus
is het goed, bijtijds voor onze veiligheid te zorgen, en deze buurt
te verlaten. Edele Cedric," zei hij, zich tot den Sakser wendende,
"de buit is in twee deelen verdeeld; kies dat, hetwelk u het best
aanstaat, om uw lieden te beloonen, die onze deelgenooten in deze
onderneming geweest zijn."

"Dappere schutter," antwoordde Cedric, "mijn hart is overstelpt van
droefheid. De edele Athelstane van Coningsburgh is niet meer,--de
laatste spruit van den Heiligen Belijder! Er is met hem eene hoop
te gronde gegaan, die nooit meer verwezenlijkt kan worden.--Er is
in zijn bloed eene vonk uitgebluscht, welke geen menschelijke adem
weder aanblazen kan! Mijne lieden, behalve de weinigen, die nu bij
mij zijn, wachten slechts op mijne tegenwoordigheid, om zijn geëerde
overblijfsels naar hun laatste rustplaats over te brengen. Jonkvrouw
Rowena verlangt naar Rotherwood terug te keeren en moet door eene
voldoende macht begeleid worden. Ik zou dus reeds vroeger deze plaats
verlaten hebben, ware het niet, dat ik gewacht had,--niet om den buit
te deelen;--want, zoo waarlijk helpe mij God en St. Withold! ik noch
één der mijnen zal er een penning van nemen,--maar om u en uw dappere
volgelingen mijn dank te betuigen voor mijn leven en mijne eer,
die gij gered hebt!"

"Maar," zei de aanvoerder, "wij hebben op zijn best slechts het halve
werk gedaan; neem van den buit zoo veel, dat ge uwe naburen en uwe
lieden beloonen kunt."

"Ik ben rijk genoeg om hen zelf te beloonen," antwoordde Cedric.

"En eenigen," zei Wamba, "zijn wijs genoeg geweest om zich zelven te
beloonen. Ze gaan niet allen met ledige handen weg. Wij dragen niet
allen zotskappen."

"Dat staat hun vrij," hernam Locksley; "onze wetten zijn alleen van
kracht voor ons zelven."

"Maar gij, mijn goede jongen," zei Cedric, zich omkeerende, en den
nar omhelzende, "hoe zal ik u beloonen, daar ge niet geaarzeld hebt
u zelven in mijne plaats aan gevangenschap en den dood bloot te
stellen!--Allen verlieten mij, terwijl de arme nar getrouw bleef!"

Een traan stond in de oogen van den ruwen _Thane_, terwijl hij dus
sprak,--een blijk van aandoening, hetwelk zelfs Athelstane's dood niet
van hem afgeperst had; maar er was iets in de half instinctmatige
verkleefdheid van zijn nar, dat zijn gemoed sterker trof, dan de
smart zelve.

"Neen!" hernam de nar, zich aan zijne omhelzing onttrekkende,
"zoo ge mijn dienst met het water uwer oogen betaalt, dan moet de
nar mede weenen, en wat wordt er dan van zijn beroep?--Maar, oom,
als ge mij inderdaad eene gunst wilt bewijzen, dan verzoek ik u mijn
makker Gurth te vergeven, die eene week aan uw dienst ontstolen heeft,
om die aan uw zoon toe te wijden."

"Hem vergeven," riep Cedric; "Ik wil hem vergeven en beloonen.--Kniel
neder, Gurth." Oogenblikkelijk lag de zwijnenhoeder aan de voeten
zijns meesters.--"Sta op! Niet langer als een lijfeigene!" vervolgde
Cedric, hem met een stok aanrakende: "Een vrij man zijt gij in de
stad, in het woud en in het veld. Ik schenk u een stuk land in mijn
gebied van Walburgham voor u en uwe nakomelingen ten eeuwigen dage,
en Gods vloek treffe hem, die zich hiertegen durft verzetten!"

Niet langer een slaaf, maar een vrij man en landeigenaar, deed
Gurth twee sprongen bijna zoo hoog als hij zelf was, uitroepende:
"Een smid en een vijl, hier! om den halsband van een vrij man los
te maken!--Edele meester, mijne krachten zijn verdubbeld door uwe
gift, en dubbel zal ik voor u vechten!--Er is een vrije geest in
mijne borst.--Ik ben een geheel ander man voor mij zelven en allen
rondom mij.--Ha, Fangs!" ging hij voort, want de getrouwe hond, toen
hij zijn meester zoo verheugd zag, begon tegen hem op te springen en
zijn deelneming uit te drukken, "kent ge uw meester nog?"

"Ja," zei Wamba, "Fangs en ik kennen u nog, Gurth, schoon wij
den halsband vooralsnog zullen moeten dragen; maar ge zult ons
waarschijnlijk vergeten!"

"Ik zal mij zelven eerder vergeten, dan u, trouwe makker," zei Gurth;
"en zoo de vrijheid voor u geschikt ware, Wamba, dan zou uw meester
u die zeker ook schenken."

"Neen, broeder Gurth," hernam Wamba, "denk niet, dat ik u benijd:
de lijfeigene zit bij het vuur in de zaal, terwijl de vrije man naar
buiten in het veld moet.--En wat zegt Oldhelm van Malmsbury:--"Beter
een nar bij het feest, dan een wijs man in den strijd."

Nu hoorde men het getrappel van paarden, en Jonkvrouw Rowena
verscheen, omringd door verscheidene ruiters en eene nog grootere
troep voetvolk, welke vroolijk met hunne pieken tegen de schilden
sloegen, uit vreugde over hare bevrijding. Zij zelve, rijk gekleed
en op een donker bruin paard zittende, had al de waardigheid harer
houding hernomen, en slechts eene ongewone bleekheid toonde wat ze
uitgestaan had. Haar schoon voorhoofd, hoewel bewolkt, blonk echter
met een straal van herlevende hoop voor de toekomst, zoowel als
van dankbare erkentenis voor hare verlossing.--Ze wist, dat Ivanhoe
in veiligheid, en ook dat Athelstane dood was. Het eerste vervulde
haar met oprechte dankbaarheid; en al verheugde zij zich ook juist
niet over het laatste, zoo kon men haar vergeven, dat ze het geluk
besefte van bevrijd te zijn van verdere aanzoeken in de eenige zaak,
waarin ze altijd door haar voogd Cedric was tegengegaan.

Toen Rowena haar paard naar Locksley's zitplaats wendde, stonden
de dappere schutter en al zijne onderhoorigen met natuurlijke,
ongemaakte hoffelijkheid op, om haar te begroeten. Het bloed
kleurde haar wangen toen zij, vriendelijk met de hand groetende,
en zoo diep buigende, dat haar schoone, loshangende vlechten voor
een oogenblik met de lange manen van haar paard vermengd werden, in
weinige maar passende woorden, hare verplichting en haar dank jegens
Locksley en hare overige bevrijders uitdrukte.--"God zegene u, brave
mannen!" besloot zij, "God en de Heilige Maagd zegenen en beloonen u,
dat gij zoo dapper het gevaar getrotseerd hebt om de onderdrukten te
helpen!--Zoo één uwer honger mocht lijden, dan herinnert u, dat Rowena
voedsel heeft;--zoo gij dorst hebt, dan heeft ze menig vat wijn en
bier;--en zoo de Normandiërs u uit deze bosschen verjagen, dan heeft
Rowena bosschen genoeg in eigendom, waar hare dappere bevrijders in
volle vrijheid kunnen rondzwerven, zonder aan den houtvester voor
elken afgeschoten pijl rekenschap te moeten geven!"

"Ik dank u, edele Jonkvrouw!" hervatte Locksley, "voor mijn
volgelingen en voor mij zelven. Maar u gered te hebben is reeds
belooning genoeg. Wij, die in de groene bosschen rondzwerven, hebben
menige woeste daad te verantwoorden, en de bevrijding van Jonkvrouw
Rowena zal mogelijk als vergoeding daarvoor gelden."

Nog eens diep buigende, maakte Rowena zich gereed om te vertrekken;
maar toen ze een oogenblik stil hield, terwijl Cedric, die haar
vergezellen zou, insgelijks afscheid nam, bevond zij zich onverwachts
dicht bij den gevangen De Bracy. Hij stond onder een boom in diep
gepeins, met de armen over elkander geslagen, en Rowena hoopte, dat
zij onopgemerkt hem zou kunnen voorbijrijden. Hij keek evenwel op, en
toen hij haar blik ontmoette, verspreidde zich een blos van schaamte
over zijn schoon gelaat. Hij stond een oogenblik besluiteloos; hierop,
vooruit tredende, vatte hij haar paard bij den teugel, en boog de
knie voor haar, zeggende: "Wil de Jonkvrouw Rowena zich verwaardigen
een blik te slaan op een gevangen ridder,--op een onteerden krijgsman?"

"Heer ridder," antwoordde Rowena, "in ondernemingen, als de uwe, ligt
de ware schande, niet in overwonnen te zijn, maar in de overwinning."

"De zegepraal, Jonkvrouw, moest het hart verzachten," hernam De Bracy;
"laat mij slechts vernemen, dat Jonkvrouw Rowena het geweld vergeeft,
door ongelukkigen hartstocht veroorzaakt, en zij zal weldra zien,
dat De Bracy haar op een edeler wijze weet te dienen."

"Ik schenk u, heer ridder, Christelijke vergiffenis!" zei Rowena.

"Dat wil zeggen," zei Wamba, "dat ze hem in het geheel niet vergeeft."

"Maar ik kan nooit de ellende en verwoesting vergeten, die uwe razernij
heeft veroorzaakt!" vervolgde Rowena.

"Laat den teugel los," riep Cedric, nader tredende. "Bij de heldere
zon boven ons hoofd, indien ik mij niet schaamde, zou ik u met mijn
werpspies aan den grond vastboren; maar wees verzekerd, Maurice De
Bracy, dat uw deel in deze schanddaad u duur te staan zal komen!"

"Wie een gevangene dreigt, die dreigt veilig," hervatte De Bracy;
"maar wanneer had een Sakser ooit eenig besef van ridderlijkheid?" en
hierop een paar schreden achteruit tredende, liet hij de Jonkvrouw
voortrijden.

Eer zij vertrokken, gaf Cedric zijne bijzondere dankbaarheid te kennen
aan den Zwarten Ridder en verzocht hem dringend, hem naar Rotherwood
te vergezellen.

"Ik weet," zei hij, "dat gij, dolende ridders, uw fortuin het liefst
zoekt met de punt uwer lansen, en u weinig om land of rijkdom stoort;
maar de oorlogskans is wisselvallig, en zelfs de zwervende kampioen
verlangt weleens naar eene rustige verblijfplaats. Gij hebt er een
verdiend te Rotherwood, edele ridder; Cedric bezit genoeg om de
onrechtvaardigheid van het geluk te herstellen, en alles, wat hij
heeft, behoort aan zijn verlosser.--Kom derhalve naar Rotherwood,
niet als gast, maar als zoon, of als broeder."

"Cedric heeft mij reeds rijk gemaakt," hernam de ridder; "hij heeft
mij de waarde der Saksische deugd geleerd. Naar Rotherwood zal ik
komen, brave Sakser, en dat spoedig; maar voor het oogenblik beletten
mij gewichtige en dringende bezigheden een bezoek in uw huis af te
leggen. Zoo ik er kom, zal ik mogelijk eene gunst van u vorderen,
welke zelfs uwe edelmoedigheid op de proef zal stellen."

"Zij is reeds toegestaan, eer gij er om vraagt," zei Cedric, terwijl
hij zijne hand in die des ridders legde, welke met den ijzeren
handschoen bedekt was,--"zij is reeds toegestaan, al moest het mijn
half vermogen kosten."

"Beloof niet zoo schielijk," hervatte de ridder; "ik hoop echter de
belooning, die ik vragen zal, te verkrijgen. Intusschen vaarwel!"

"Ik heb nog maar te zeggen," voegde de Sakser er bij, "dat gedurende
de begrafenisplechtigheden van den edelen Athelstane, ik zijn kasteel
Coningsburgh zal betrekken.--Het zal openstaan voor allen, die aan de
plechtigheden willen deelnemen; en ik spreek in den naam van de edele
Edith, de moeder van den gesneuvelden vorst;--haar woning zal nooit
gesloten zijn voor hem, die zoo dapper, schoon te vergeefs medegewerkt
heeft, om Athelstane van Normandische ketenen en Normandisch staal
te redden."

"Ach ja," zei Wamba, die was begonnen zijne rol weder bij zijn heer
te spelen, "goede sier zal er zijn:--het is jammer, dat de edele
Athelstane bij zijn eigen lijkmaal niet smullen kan.--Maar hij,"
vervolgde de nar, zijne oogen ernstig ten hemel slaande, "zit in het
paradijs, en doet zonder twijfel den maaltijd eere aan!"

"Zwijg,--en voorwaarts!" zei Cedric, wiens toorn over deze ontijdige
scherts door de herinnering aan Wamba's onlangs bewezene diensten
gematigd werd. Rowena maakte eene beleefde buiging voor den Zwarten
Ridder; de Sakser beval hem in Gods hoede, en ze reden door eene
breede laan van het bosch weg.

Nauwelijks waren zij vertrokken, of er kwam plotseling een stoet van
onder de groene takken te voorschijn, die langzaam over de vlakte trok
en dezelfde richting nam, als Rowena en haar geleiders. De priesters
van een naburig klooster vergezelden, in de verwachting van een rijke
begiftiging, door Cedric beloofd, de baar waarop Athelstane's lijk
lag, en hieven gezangen aan terwijl het droevig en langzaam, op de
schouders zijner vazallen, naar het kasteel van Coningsburgh gedragen
werd, om daar in het graf van Hengist nedergelegd te worden, van wien
de overledene afstamde. Vele zijner vazallen waren op de tijding van
zijn dood vergaderd, en volgden de baar, met ten minste uiterlijke
teekens van neêrslachtigheid en rouw. De vrijbuiters stonden andermaal
op, en bewezen aan den dood dezelfde ongemaakte en vrijwillige hulde,
die ze zoo kort te voren aan de schoonheid bewezen hadden; de lijkzang
en de langzame tred der priesters herinnerden hen aan diegenen hunner
makkers, die den vorigen dag in den strijd gesneuveld waren. Maar zulke
herinneringen duren niet lang bij menschen, die een leven vol gevaren
en avonturen leiden, en nog eer de klank van het lijkgezang uit het
gehoor was, waren de schutters reeds weder bezig met de verdeeling
van hun buit.

"Dappere ridder," zei Locksley tot den zwarten kampvechter, "zonder
wiens moed en machtigen arm onze onderneming ten eenenmale had moeten
mislukken, wilt gij van dien buit nemen wat u het meest behaagt,
als een herinnering aan dezen mijn gerechts-eik?"

"Ik neem het aanbod aan," antwoordde de ridder, "even gul als het
gedaan wordt, en ik vraag verlof, om naar welgevallen over den ridder
Maurice De Bracy te mogen beschikken."

"Hij is reeds tot uw beschikking," hernam Locksley; "en het is een
geluk voor hem, anders had die tiran den hoogsten tak van dezen eik
versierd, met zoovelen van zijne vrijbende, als wij hadden kunnen
bijeen brengen, om hem heen.--Maar hij is uw gevangene, en hij is
veilig, al had hij mijn eigen vader vermoord."

"De Bracy," zei de ridder, "ge zijt vrij:--vertrek van hier. Hij,
wiens gevangene gij zijt, rekent het beneden zich eene lage wraak te
nemen voor wat reeds voorgevallen is. Maar wacht u in de toekomst;
anders zal het u kwalijk gaan. Maurice De Bracy, ik zeg u, wees in
de toekomst op uw hoede!"

De Bracy maakte eene diepe, sprakelooze buiging, en was op het punt van
zich op weg te begeven, toen de schutters eensklaps een geschreeuw,
dat hun afschuw en bespotting te kennen gaf, aanhieven. De trotsche
ridder bleef oogenblikkelijk staan, keerde zich om, sloeg de armen over
elkander, richtte zich op, en riep: "Zwijgt, gij blaffende honden! die
een geschreeuw maakt, dat ge niet durfdet aanheffen, toen het wild zich
verdedigde.--De Bracy veracht uw spot zoowel als uwe goedkeuring. Voort
naar uwe bosschen en holen, gij vogelvrijverklaarde dieven! en
zwijgt stil, wanneer er een mijl afstands van uwe vossenholen van
iets ridderlijks en edels gesproken wordt!"

Deze ontijdige terging zou De Bracy een hagelbui van pijlen bezorgd
hebben, zoo de aanvoerder niet haastig tusschenbeide gekomen
ware. Inmiddels greep de ridder een paard bij den teugel; want
verscheidene, die uit Front-de-Boeuf's stallen genomen waren, stonden
opgetoomd in de nabijheid, en maakten een aanzienlijk gedeelte van
den buit uit. Hij wierp zich in den zadel, en reed door het bosch weg.

Toen de verwarring door dit voorval veroorzaakt, eenigszins bedaard
was, nam de rooverkapitein van zijn eigen hals den schoonen horen
en draagband, welke hij kort te voren te Ashby bij het boogschieten
gewonnen had.

"Edele heer," zei hij tegen den Zwarten Ridder, "indien gij het niet
beneden u acht een horen aan te nemen, dien ik eens gedragen heb,
dan bid ik u, dezen te bewaren, ter gedachtenis aan uw dapperen
bijstand,--en zoo ge iets te doen hebt, en (zooals het dikwijls een
dapperen gaat), in het nauw gebracht wordt in een of ander bosch
tusschen de Trent en de Tees, dan blaas deze drie _mots_ [30] op den
horen aldus; _Wa-sa-hoa!_ en ge zult wellicht helpers en verlossers
vinden."

Hierop blies hij nog eens dezelfde noten op den horen tot de ridder
ze gevat had.

"Grooten dank voor uw gift, dappere schutter," zei de ridder;
"betere hulp dan de uwe en die van uwe lieden zou ik nooit zoeken,
al ware ik ook in den uitersten nood." En hierop blies hij, dat het
geheele bosch er van weêrgalmde.

"Goed en zuiver geblazen," zei de schutter; "bij mijn ziel, ge verstaat
evenveel van de jacht als van den oorlog!--ge zult in uw tijd menig
hert geveld hebben, daar sta ik voor in.--Kameraden, let op deze
drie klanken;--het is het teeken van den Zwarten Ridder, en hij,
die het hoort, en zich niet haast om hem in zijn nood bij te staan,
dien laat ik met zijne eigene boogpees uit onze bende weggeeselen."

"Leve onze aanvoerder!" schreeuwden de schutters, "en leve de Zwarte
Ridder!--Moge hij weldra onze hulp noodig hebben, opdat wij hem
bewijzen kunnen, hoe genegen wij hem zijn!"

Locksley ging nu over tot het verdeelen van den buit, dat hij met de
lofwaardigste onpartijdigheid deed. Een tiende gedeelte werd voor de
Kerk en tot godsdienstige doeleinden ter zijde gelegd; vervolgens
werd een gedeelte afgezonderd voor een soort van algemeenen schat;
een gedeelte werd gegeven aan de weduwen en kinderen van hen die
gevallen waren, of besteed aan missen voor de zielen van hen, die
geen familie hadden nagelaten. Het overige werd verdeeld onder de
vogelvrijverklaarden, volgens hun rang en hunne verdiensten; en het
oordeel van den aanvoerder werd bij alle twijfelachtige gevallen
met groote scherpzinnigheid gegeven en met volkomen onderwerping
ontvangen. De Zwarte Ridder was niet weinig verbaasd te zien,
dat menschen, die zoo in strijd met de wet leefden, onder elkander
zoo geregeld en rechtvaardig bestierd werden, en alles wat hij zag
verhoogde zijne gunstige meening omtrent de rechtvaardigheid en
schranderheid van hun aanvoerder.

Toen ieder zijn eigen aandeel van den buit weggenomen had, en terwijl
de schatmeester, vergezeld door vier sterke schutters, het gedeelte
aan het algemeen fonds toebehoorende naar een verborgene en veilige
plaats bracht, lag het voor de Kerk bestemde gedeelte nog onaangeroerd.

"Ik wenschte," zei de kapitein, "dat wij tijding konden krijgen van
onzen vroolijken kapelaan;--hij placht nooit afwezig te zijn, als de
spijzen gezegend, of de buit verdeeld moest worden, en het is zijn
plicht om zorg te dragen voor deze tienden van onze welgeslaagde
onderneming. Het is mogelijk, dat deze aan de Kerk bewezene dienst
eenige zijner ongeregeldheden doet vergeven. Ik heb echter ook een
anderen heiligen broeder in de nabijheid gevangen, en ik wilde gaarne,
dat de monnik mij hielp naar behooren met hem te onderhandelen.--Ik
twijfel echter zeer aan de veiligheid van den dapperen kluizenaar."

"Dat zou mij zeer spijten," hernam de Zwarte Ridder, "want ik ben
hem voor zijn gulle gastvrijheid en den vroolijken nacht in zijn cel,
veel verschuldigd. Laat ons naar de puinhoopen van het kasteel gaan,
mogelijk vernemen wij daar iets van hem."

Terwijl ze dus spraken, kondigde een luid gejuich der schutters de
aankomst van hem aan, voor wien ze bezorgd waren; en zij hoorden
de harde stem van den monnik zelven, lang eer zij zijn gespierde
gedaante zagen.

"Plaats, vroolijke makkers!" riep hij; "plaats voor uw geestelijken
vader en zijn gevangene.--Roept nog eens welkom!--Ik kom, edele
kapitein, gelijk een arend, met mijn prooi in de klauwen."--En zich
onder het gelach van alle omstanders een weg door den kring banende,
verscheen hij zegepralende, met zijn zware strijdknots in de eene hand,
en in de andere een touw, waarvan het eene einde om den hals van den
ongelukkigen Izaäk van York geslagen was, die gebukt onder leed en
schrik, door den overmoedigen priester werd voortgetrokken.--"Waar is
Allen-a-Dale, om mij in eene ballade of een lied te vereeuwigen?--Bij
de heilige Hermangilde! die gekke speelman is altijd afwezig, als er
een geschikte gelegenheid is om de dapperheid te bezingen."

"Vroolijke priester," zei de aanvoerder, "gij zijt heden morgen bij
een natte mis geweest, hoe vroeg het ook nog is. In den naam van
St. Nikolaas, wien hebt gij daar?"

"Een gevangene van mijn zwaard, en mijne lans, edele kapitein," hernam
de kluizenaar van Copmanshurst; "van mijn boog en mijne knots, moest
ik liever zeggen; en echter heb ik hem door mijne heiligheid uit een
nog ergere gevangenschap gered. Spreek, Jood, heb ik u niet uw geloof,
uw _Pater_ en uw _Ave Maria_ geleerd?--Heb ik niet den geheelen nacht
besteed, om u toe te drinken en u in de mysteriën in te wijden?"

"Om Gods wil!" riep de arme Jood, "wil niemand mij verlossen uit de
macht van dezen dollen,--ik wilde zeggen, van dezen heiligen man?"

"Hoe is het, Jood!" zei de monnik op dreigenden toon; "herroept gij,
Jood?--Bedenk u, zoo gij in uw ongeloof terugvalt, dan zijt gij,
ofschoon niet zoo malsch als een speenvarken,--ik zou willen dat
ik er een voor mijn ontbijt had,--toch niet te taai om gebraden te
worden.--Wees verstandig, Jood, en zeg mijn woorden na: _Ave Maria_--"

"Neen, wij willen geene heiligschennis, dolle priester," zei Locksley;
"laat ons liever hooren, waar gij uw gevangene gevonden hebt."

"Bij St. Dunstan," hervatte de monnik, "ik vond hem op eene plaats,
waar ik naar betere waar zocht. Ik ging in den kelder, om te zien
wat men dáár redden kon; want ofschoon een beker warmen wijn, met
specerijen er in, een avonddrankje is voor een keizer, scheen het
mij toch toe, dat het overdaad was zoo veel van dien goeden drank in
eens te doen opkoken; ik had één vaatje wijn opgenomen en wilde om
meer hulp roepen bij die luie kerels, welke altijd te zoek zijn als
er eene goede daad te verrichten is, toen ik eene zware gesloten deur
bespeurde.--Ha, ha! dacht ik, het uitgezochtste druivensap is in deze
geheime bewaarplaats te vinden, en die schelm van een keldermeester,
in zijn beroep gestoord, heeft den sleutel in de deur laten zitten.--Ik
ging er dus in, maar vond juist niets dan een partij verroeste ketenen
en dezen hond van een Jood, die zich terstond op genade en ongenade
aan mij overgaf. Ik verkwikte mij slechts na de vermoeienis van
den strijd tegen den ongeloovige met een schuimenden beker wijn, en
wilde mijn gevangene voortleiden, toen de steenen van een buitentoren,
met een vreeselijk gekraak, alsof het een donderslag was, instortten,
(verwenscht zijn de handen, die hem gebouwd hebben!) en den uitgang
belemmerden. Het geraas van den eenen vallenden toren volgde op dat
van den ander;--ik gaf alle hoop op om mijn leven te redden; en daar
ik het voor schade hield voor een man van mijn beroep, in gezelschap
van een Jood uit deze wereld te gaan, nam ik mijne knots ter hand,
om hem de hersens in te slaan, maar ik had medelijden met zijn grijze
haren, en oordeelde het beter mijn wapen weder neer te leggen en mijne
geestelijke kracht te zijner bekeering te gebruiken. En wezenlijk, met
den zegen van den heiligen Dunstan, is het zaad in een goeden grond
gevallen, ware het niet dat, door den geheelen nacht over de heilige
mysteriën met hem te spreken bij eene leege maag, (want de weinige
druppels wijn, die ik gebruikt heb om mijn verstand te scherpen, komen
niet in aanmerking), mijn hoofd wat duizelig geworden was.--Maar ik
was geheel uitgeput,--Gilbert en Willibald weten, in welken toestand
ze mij gevonden hebben:--geheel en al uitgeput!"

"Wij kunnen het getuigen," zei Gilbert, "want toen wij het puin hadden
weggeruimd, en met de hulp van St. Dunstan, de trap der gevangenis
ontdekt hadden, vonden wij het vaatje half ledig, den Jood half dood,
en den monnik meer dan half uitgeput, zooals hij het noemt."

"Gij liegt, schelm!" hervatte de vertoornde priester; "gij en
uw gulzige makkers hebt den wijn uitgedronken, en noemdet het uw
morgenslok.--Ik ben een Heiden, zoo ik den wijn niet voor onzen
kapitein bewaard had. Maar wat kan het schelen? De Jood is bekeerd,
en begrijpt alles wat ik hem gezegd heb, bijna even goed, zoo niet
volkomen zoo goed, als ik zelf."

"Jood," zei Locksley, "is dat waar? Hebt gij uw ongeloof afgezworen?"

"Mocht ik zoo zeker zijn genade in uwe oogen te vinden," antwoordde
de Jood, "als ik zeker niets weet van al wat de eerwaarde priester in
dezen verschrikkelijken nacht tegen mij gesproken heeft. Helaas! ik
was zoo verward door doodsangst, schrik en pijn, dat al ware onze
heilige vader Abraham gekomen, om voor mij te preeken, hij maar een
dooven toehoorder gevonden zou hebben."

"Gij liegt, Jood, en dat weet gij ook," zei de monnik; "ik zal u
slechts één woord van ons gesprek herinneren;--gij hebt beloofd om
uw geheel vermogen aan onze heilige Orde af te staan!'

"Zoo waar mij het Woord Gods helpe, mijne heeren," riep Izaäk, nog
ongeruster dan te voren, "geen woord van dien aard is over mijne
lippen gekomen! Helaas! ik ben een oud, doodarm man,--en daarenboven,
vrees ik, ook kinderloos;--hebt medelijden met mij en laat mij gaan!"

"Neen," zei de monnik, "als gij geloften intrekt, die gij ten voordeele
der Heilige Kerk gedaan hebt, dan moet gij boete doen!"

Hij hief zijne knots op, en zou krachtig op de schouders van den Jood
toegeslagen hebben, zoo niet de Zwarte Ridder den slag tegengehouden en
daardoor den toorn van den heiligen monnik tot zich zelven getrokken
had.

"Bij St. Thomas van Kent," riep hij, "wie houdt mij tegen? Ik zal
u leeren om u met uwe eigene zaken te bemoeien, in weerwil van uw
ijzeren pot!"

"Och, wees niet boos op mij!" hernam de ridder; "gij weet, dat ik uw
gezworen vriend en makker ben."

"Daar weet ik niets van," antwoordde de monnik; "en ik verklaar u
voor een neuswijzen kwast."

"Ja, maar," hervatte de ridder, die er genoegen in scheen te scheppen,
zijn voormaligen gastheer te plagen, "hebt gij vergeten hoe gij,
om mijnentwille, uwe geloften van vasten en waken verbroken hebt,
want ik zeg niets van de verleiding der flesch en der pastei?"

"Waarachtig, vriend!" zei de monnik, hem met zijn groote gebalde
vuist dreigende, "ik zal u een klap geven!"

"Ik neem zulke geschenken niet aan," [31] hernam de ridder, "ik zal
u met even grooten woeker terugbetalen, als ooit uw gevangene daar
in zijn handel geëischt heeft."

"Dat zal ik zien!" zei de monnik.

"Hola!" riep de kapitein, "wat wilt gij, gekke priester? Wilt ge
twist maken onder mijn gerechtsboom?"

"Geen twist," zei de ridder, "het is slechts eene vriendelijke
beleefdheidswisseling.--Monnik, sla toe, als gij durft.--Ik zal uw
slag afwachten, zoo gij den mijne wilt ontvangen."

"Gij hebt het voordeel van dien ijzeren pot op uw hoofd," zei de
geestelijke; "maar op den grond moet gij; al waart gij Goliath van
Gath, in zijn metalen helm."

De monnik ontblootte zijn gespierden arm tot aan den elleboog, en
gaf den ridder uit al zijn macht een slag, welke een os zou geveld
hebben. Maar zijn tegenpartij stond zoo vast als een rots. De hem
omringende schutters hieven een luid gejuich aan.

"Nu, priester," zei de ridder, zijn ijzeren handschoen uittrekkende,
"zoo ik voordeel had boven u in mijn hoofd, dan zal ik er geen hebben
in mijne hand;--sta vast!"

"_Genam meam dedi vapulatori._--Ik heb mijn wang aan mijn vijand
blootgegeven," hernam de priester, "als gij mij van de plaats kunt
brengen, dan schenk ik u het losgeld van den Jood."

Zoo sprak de dappere priester, terwijl hij eene fiere houding
aannam. Maar wie kan het noodlot weêrstaan? De slag van den ridder
viel met zooveel kracht en juistheid, dat de monnik hals over kop
over den grond rolde, tot groote verbazing van alle toeschouwers. Maar
hij stond weder op, zonder vertoornd of ontmoedigd te zijn.

"Broeder," zei hij tegen den ridder, "gij hadt uwe kracht met wat
meer bescheidenheid moeten gebruiken. Ik zou een slechte mis-lezer
geworden zijn, als gij mij de kinnebak stuk geslagen hadt, want de
pijper blaast slecht, als hij geene tanden in den mond heeft. Evenwel,
daar hebt ge mijne hand tot een vriendschapspand, dat ik geen klappen
meer met u wisselen wil; daar ik bij den handel verloren heb. Maak
nu een einde aan alle vijandschap. Laat ons het losgeld van den Jood
bepalen, daar het luipaard zijn vlekken niet afleggen kan, en hij
een Jood blijven wil."

"De priester," zei Clement, "is niet half zoo zeker van de bekeering
des Joods, sinds hij dien klap om de ooren gekregen heeft."

"Loop, schelm, wat praat gij van bekeering?--Hoe! hebt gij geene
achting voor mij?--Zijn allen heeren en geen knechts?--Ik zeg u, kerel,
ik was een weinig duizelig, toen ik den slag van den braven ridder
ontving, anders was ik blijven staan. Maar zoo gij er nog langer over
babbelt, dan zult gij leeren, dat ik zoowel geven als ontvangen kan."

"Stilte!" riep de kapitein.--"En gij, Jood, denk aan uw losgeld;
ik behoef u niet te zeggen, dat uw stam bij alle Christelijke
gemeenten voor vervloekt gehouden wordt; en wees verzekerd, dat wij
uwe tegenwoordigheid onder ons niet dulden kunnen. Denk dus aan een
bod, terwijl ik een gevangene van eene andere soort ondervraag."

"Zijn er veel van Front-de-Boeuf's lieden gevangen?" vroeg de Zwarte
Ridder.

"Geen enkele, die gewichtig genoeg is, om losgeld te laten betalen,"
antwoordde de kapitein. "Het waren eenige ellendelingen, die wij
losgelaten hebben, om een nieuwen meester te zoeken;--er was genoeg
gedaan tot wraak en voordeel; de overigen waren niets waard. De
gevangene, van wien ik spreek, is een betere buit;--een vroolijke
monnik, die naar zijn liefje reed, zooals ik uit zijn prachtig
paardentuig en zijn kleeding opmaak. Daar komt de waardige prelaat aan,
zoo trotsch als een pauw."

En tusschen twee schutters in, werd onze oude kennis, de Prior van
Jorvaulx, voor den troon van den aanvoerder der schutters gebracht.



DRIE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.


            ------Gij, dapperste der krijgers,
              Hoe staat het thans met Titus Lartius?
            Marcius. Hij is met veel besluiten bezig;
              Deez' doemt hij tot den dood, dien tot verbanning,
              Vergeeft den eenen, en bedreigt den and'ren.

                                                        Coriolanus.


De gelaatstrekken en manieren van den gevangen Prior toonden een
zonderling mengsel van beleedigden hoogmoed, verlegene gemaaktheid,
en angst voor lichamelijke kwelling.

"Hoe, mijne heeren!" zei hij met eene stem, welke deze drie
aandoeningen verried, "wat beteekent dit alles? Zijt gij Turken
of Christenen, daar gij de handen slaat aan een dienaar der
Kerk?--Weet gij, wat het is _manus imponere in servos Domini_? Gij
hebt mijne valiezen uitgeplunderd; mijn schoonen kanten mantel, die
een kardinaal waardig was, verscheurd.--In mijn plaats zou een ander
zijn _excommunicabo vos_ gebruiken; maar ik ben vreedzaam van aard, en
als gij mijne paarden en valiezen teruggeeft, mijne broederen loslaat,
hier op de plaats honderd kronen uitbetaalt, om missen te laten lezen
voor het groote altaar der Abdij van Jorvaulx, en eene gelofte doet,
vóór eerstkomende Pinksteren geen wild te eten, dan zou het kunnen
gebeuren dat gij verder niets van dezen dollen streek hoort."

"Eerwaarde vader," zei de aanvoerder, "het spijt mij te vernemen,
dat gij door mijne lieden zoo behandeld zijt, dat zij uwe vaderlijke
afkeuring verdienen."

"Behandeld!" riep de priester, aangemoedigd door den zachten
toon van den aanvoerder;--"men moest geen hond van goed ras
zoo behandelen,--veel minder een Christen,--nog veel minder een
priester,--en het allerminst den Prior van de heilige broederschap
van Jorvaulx. Hier is een goddelooze en beschonken minnezanger
Allen-a-Dale,--_nebule quidam_,--die mij met pijnlijke mishandeling
bedreigd heeft,--ja, met den dood zelven, zoo ik niet vierhonderd
kronen losgeld betaal, boven al de schatten, waarvan hij mij beroofd
heeft;--gouden ketenen en juweelen ringen van onschatbare waarde,
behalve wat er gebroken en bedorven is door ruwe handen, zooals mijn
poederdoos en mijn zilveren krultang."

"Het is onmogelijk, dat Allen-a-Dale een man van uw stand aldus kan
mishandeld hebben!" hernam de aanvoerder.

"Het is zoo waar, als het Evangelie van St. Nicodemus," antwoordde
de Prior; "hij zwoer met menigen schrikkelijken Noordschen eed,
dat hij mij aan den hoogsten boom in het bosch zou ophangen."

"Heeft hij dat wezenlijk gedaan? Ja dan, eerwaarde vader, moest gij,
naar mijn inzien, zijn eischen maar inwilligen;--want Allen-a-Dale
is juist de man, om woord te houden, als hij het op eene plechtige
wijze gegeven heeft."

"Gij schertst," hervatte de verschrikte Prior, met een gedwongen
lach; "en ik houd veel van scherts. Maar, ha! ha! ha! als de grap
den geheelen nacht geduurd heeft, dan wordt het tijd, om des morgens
ernstig te worden."

"En ik ben ernstig als een biechtvader," hernam de aanvoerder;
"gij moet een goed losgeld betalen, heer Prior, of uw klooster zal
waarschijnlijk tot eene nieuwe verkiezing moeten overgaan, want men
zal u er niet wederzien!"

"Zijt gij Christenen!" riep de Prior, "en spreekt gij zulke taal
tegen een geestelijke?"

"Christenen! Ja, waarachtig dat zijn wij, en wij hebben ook op den
koop toe godgeleerden onder ons," antwoordde de kapitein. "Laat onze
vroolijke kapelaan vóórtreden, en dezen eerwaarden vader de op deze
zaak toepasselijke teksten verklaren."

De kluizenaar, half dronken en half nuchter, had schielijk een
monniksgewaad over zijn groen buis aangetrokken, en nu alle geleerde
brokken bij elkander halende, welke hij in vroegere tijden van
buiten geleerd had, zei hij: "Eerwaarde vader, _Deus faciat salvam
benignitaten vestram!_--Welkom in het groene woud!"

"Welke schandelijke vermomming is dit?" vroeg de Prior. "Vriend,
indien gij waarlijk tot de Kerk behoort, zoudt gij beter doen met
mij te wijzen, hoe ik uit de handen van deze menschen ontsnappen kan,
dan daar te staan buigen en grijnzen als een hansworst."

"Waarlijk, eerwaarde vader," zei de monnik, "ik ken slechts één
middel om te ontsnappen. Dit is voor ons een St. Andreas-dag, wij
nemen onze tienden."

"Maar toch niet van de Kerk, wil ik hopen, waarde broeder?" hernam
de Prior.

"Van geestelijken en leeken," hernam de monnik; "en derhalve, heer
Prior, _facite vobis amicos de Mammone iniquitatis_,--maakt u vrienden
uit den Mammon der ongerechtigheid, want geen andere vriendschap kan
u hier baten."

"Ik houd veel van een vroolijken jager," zei de Prior; "kom, gij
moet mij niet te streng behandelen.--Ik versta het jagerswerk, en kan
helder en lustig op den jachthoren blazen, zoodat alle eiken in het
woud er van weêrgalmen;--kom, gij moet mij niet te streng behandelen."

"Geeft hem een horen," zei de aanvoerder, "wij willen de kunst,
waarop hij zich beroemt, op de proef stellen."

De Prior Aymer blies op den horen, en de kapitein schudde het hoofd.

"Heer Prior," zei hij, "dit kan u niet verlossen--wij kunnen u
niet voor een klank vrij geven,--zooals het devies op het schild
van zekeren goeden ridder zegt. Buitendien heb ik ontdekt, dat gij
een van hen zijt, die door nieuwe Fransche kunsten en _Tra-li-ras_
de oude Engelsche klanken doet vergeten.--Prior, dit geblaas heeft
uw losgeld met vijftig kronen verhoogd, omdat gij het oude, echte,
manhaftige jagerslied bedorven hebt."

"Vriend," zei de Prior, benauwd, "uwe jachtkennis is zwaar te
voldoen. Ik bid u wat toegevender te zijn ten opzichte van mijn
losgeld. In één woord,--daar de nood mij dwingt voor ditmaal bij den
duivel te biecht te gaan, welk losgeld moet ik betalen, omdat ik den
weg naar Watling opging, zonder een bedekking van vijftig man bij
mij te hebben?"

"Zou het niet goed zijn," zei de luitenant der bende ter zijde tegen
den kapitein, "dat de Prior het losgeld van den Jood bepaalde, en de
Jood dat van den Prior?"

"Gij zijt een dolle vent," antwoordde de kapitein; "maar uw plan
is heerlijk!--Hier Jood!--kom hier.--Beschouw dien eerwaarden vader
Aymer, Prior van de rijke Abdij van Jorvaulx, en zeg ons, hoe hoog
wij zijn losgeld stellen kunnen?--Gij kent zeker de inkomsten van
zijn klooster?"

"O voorzeker," zei Izaäk, "ik heb handel gedreven met de goede vaders,
en tarwe en gerst en vruchten en ook veel wol van hen gekocht. O,
het is eene rijke Abdij, en zij leven van het vette der aarde en
drinken de lekkerste wijnen, die goede vaders van Jorvaulx. Och,
als een arm verstooten man, als ik, zulk een huis had, en zulk een
inkomen in het jaar en in de maand, dan zou ik veel goud en zilver
betalen, om mij uit de gevangenschap los te koopen."

"Hond van een Jood!" riep de Prior; "geen mensch weet beter dan gij,
dat ons heilig huis wegens het bouwen van een kansel schulden heeft."

"En wegens het vullen van uw kelders verleden jaar met de behoorlijke
hoeveelheid Gasconjer wijn," viel de Jood hem in de rede; "maar dat,
dat is eene kleinigheid."

"Hoort dien ongeloovigen hond!" riep de Prior; "hij praat, alsof
onze heilige broederschap in schulden geraakt ware voor den wijn,
welken wij verlof hebben te drinken, _propter necessitatem et ad
frigus depellendum_. De besneden hond lastert de heilige Kerk, en
Christenen luisteren naar hem en tuchtigen hem niet!"

"Dat baat alles niet;" zei de aanvoerder.--"Izaäk, zeg, wat kan hij
betalen, zonder hem het vel over de ooren te halen?"

"Zeshonderd kronen," antwoordde Izaäk, "kan de goede Prior wel betalen,
en hij zal er geene koude om lijden."

"Zeshonderd kronen," herhaalde de kapitein ernstig: "ik ben
tevreden;--gij hebt goed gesproken, Izaäk;--zeshonderd kronen,--het
vonnis is geveld, heer Prior."

"Een vonnis!--een vonnis!" riep de bende; "Salomo kon het niet beter
overlegd hebben."

"Gij hoort uw vonnis, Prior," zei de kapitein.

"Gij raast, vrienden," hernam de Prior; "waar zal ik zulk een som
vinden? Al verkocht ik de hostiekast en kandelaars van het altaar van
Jorvaulx, dan zou ik nauwelijks de helft bij elkander kunnen brengen,
en daarom zal ik zelf naar Jorvaulx moeten gaan; gij kunt mijne beide
priesters als borgen houden."

"Dat zou een slecht onderpand zijn," hervatte de kapitein, "wij zullen
u houden, Prior, en hen er heenzenden, om uw losgeld te halen. Het
zal u intusschen niet aan een beker wijn en een stuk wild ontbreken;
en als gij een vriend van de jacht zijt, dan zult gij hier iets zien,
dat gij in uwe noordsche streken nooit gezien hebt."

"Als het u behaagt," zei Izaäk, die zich gaarne de gunst der roovers
wilde verwerven, "kan ik naar York zenden, om de zeshonderd kronen te
laten halen, uit zekere gelden, die ik in handen heb, als de eerwaarde
Prior mij een schuldbekentenis daarvoor geven wil."

"Hij zal u alles geven wat gij verkiest, Izaäk," zei de kapitein;
"en gij zult het losgeld betalen voor den Prior Aymer zoowel als voor
u zelven."

"Voor mij zelven! Ach, dappere heeren!" smeekte de Jood, "ik ben een
arm, te gronde gericht man; en ik zou den bedelstaf moeten opvatten,
al moest ik maar vijftig kronen betalen."

"Hierover zal de Prior oordeelen," hernam de kapitein; "wat zegt gij
er van, vader Aymer?--Kan de Jood een goed losgeld betalen?"

"Of hij een losgeld kan betalen?" antwoordde de Prior.--"Is hij niet
Izaäk van York, rijk genoeg om de tien stammen Israëls, die naar
Assyrië gevoerd werden, uit de gevangenschap vrij te koopen?--Ik voor
mij, heb maar weinig van hem gezien, maar onze keldermeester en onze
schatmeester hebben veel met hem te doen gehad, en het gerucht zegt,
dat zijn huis te York zoo vol goud en zilver is, dat het schande is
in een Christenland. Iedere Christenziel moet verbaasd staan, dat
zulke vergiftigde adders geduld worden, die aan de ingewanden van den
staat, en zelfs van de heilige Kerk knagen door schandelijken woeker
en afpersingen."

"Ik bid u, eerwaarde vader," zei de Jood, "matig en bedaar uw toorn. Ik
bid u, bedenk dat ik mijn geld aan niemand opdring. Maar wanneer
geestelijken en leeken, vorsten en abten, ridders en priesters aan
Izaäks deur kloppen, dan leenen zij zijn _sjekels_ niet met onbeleefde
woorden. Dan luidt het: "Vriend Izaäk, wilt gij ons in deze zaak
een dienst doen, en wij zullen stiptelijk op den dag af betalen, zoo
waar God ons helpe!--Goede Izaäk, zoo gij ooit iemand dienst gedaan
hebt, zoo betoon u mijn vriend in dezen nood!" Maar als de dag komt,
en ik mijn geld vraag, wat hoor ik anders dan: "Vervloekte Jood,
de vloek van Egypte treffe uw stam!" en dergelijk meer, om het ruwe,
onbeschaafde gemeen tegen den armen vreemdeling op te hitsen."

"Prior," zei de kapitein, "ofschoon hij een Jood is, heeft hij nu
toch waarheid gesproken. Noem dus zijn losgeld, zooals hij het uwe
genoemd heeft, zonder verdere scheldwoorden."

"Niemand dan een _latro famosus_," hernam de Prior, "waarvan
ik u de beteekenis op een anderen tijd, en een andere plaats zal
zeggen,--zou een Christen-prelaat en een ongedoopten Jood op dezelfde
bank zetten.--Maar daar gij nu eenmaal wilt, dat ik het losgeld van
dezen ellendeling bepalen zal, zeg ik u ronduit, dat gij u zelven
benadeelen zoudt indien gij één penning beneden de duizend kronen
aannemen wildet."

"Een vonnis!--een vonnis!" zei de kapitein.

"Een vonnis!--een goed vonnis!" schreeuwden zijn makkers; "de Christen
heeft zijne goede opvoeding getoond, en is ons gunstiger geweest dan
de Jood."

"De God mijner vaderen sta mij bij!" zei de Jood; "wilt gij een armen
man geheel te gronde richten?--Ik ben reeds kinderloos, en wilt gij
mij nu nog van alle middelen van bestaan berooven?"

"Als gij kinderloos zijt, Jood, zult gij des te minder te zorgen
hebben," zei Aymer.

"Helaas, heer!" hernam Izaäk; "uwe wet laat niet toe, dat gij
ondervinden zoudt, hoe zeer het kind onzer liefde ons ter harte
gaat.--O Rebekka, dochter mijner beminde Rachel! Al ware ieder blad
van dien boom een _zechin_, en iedere _zechin_ behoorde mij toe, dien
geheelen schat zou ik er voor geven, om te weten of gij nog leeft,
en aan de handen van den Nazareër ontsnapt zijt!"

"Had uwe dochter geen zwart haar?" vroeg een der roovers; "en droeg
zij niet een sluier van zijden gaas met zilver geborduurd?"

"Ja!--ja!" riep de oude man, sidderende van hoop en angst. "Jacobs
zegen ruste op u! Kunt gij mij zeggen, of zij in veiligheid is?"

"Zij was het dus," antwoordde de schutter, "die de trotsche Tempelier
heeft medegevoerd, toen hij gisteren avond door onze rijen heen
brak. Ik had mijn boog reeds gespannen, om hem een pijl achterna
te zenden, maar ik spaarde hem om den wille van het meisje, daar ik
vreesde haar te kwetsen."

"Och!" hernam de Jood, "gave God, dat gij geschoten hadt, al
moest de pijl ook haar boezem doorboord hebben;--beter het graf
harer vaderen, dan het onteerende bed van den losbandigen, woesten
Tempelier. Ichabod! Ichabod! de eer van mijn huis is geschandvlekt."

"Vrienden," zei de aanvoerder, rondziende, "de grijsaard is maar een
Jood; toch treft mij zijn leed.--Wees eerlijk, Izaäk;--zult gij na dit
losgeld van duizend kronen betaald te hebben niets meer overhouden?"

Izaäk, dus aan zijne wereldsche goederen herinnerd, voor welke zijne
diep gewortelde liefde, zelfs met zijne vaderliefde in strijd was,
verbleekte, stamelde, en kon niet ontkennen, dat er nog wel een klein
overschot zou zijn.

"Goed," zei de kapitein, "laat dat zoo zijn; wij willen niet te nauw
met u rekenen. Zonder geld kunt gij even weinig hopen uw kind uit
de klauwen van den ridder Brian De Bois-Guilbert te verlossen, als
men hopen kan om een hert met een pijl zonder kop te dooden.--Wij
zullen u voor hetzelfde losgeld als de Prior Aymer, of liever voor
honderd kronen minder vrijlaten, en deze honderd kronen zal ik zelf
betalen; en zoo zullen wij den schimp vermijden van een Joodschen
koopman even hoog te schatten als een Christenprelaat; en gij zult
nog vierhonderd kronen overhouden, om over de vrijheid uwer dochter te
onderhandelen. De Tempelieren houden evenveel van het glinsteren van
zilveren _sjekels_ als van het schitteren van zwarte oogen.--Haast u,
om uw kronen in het oor van Bois-Guilbert te doen klinken eer het te
laat is. Gij zult hem, zooals onze verspieders bericht hebben, in de
naaste _Preceptory_ zijner orde vinden.--Is het zoo goed, makkers?"

De schutters gaven als gewoonlijk hun bijval over de uitspraak van hun
aanvoerder te kennen; en Izaäk, van de helft van zijn angst ontheven,
door de zekerheid, dat zijne dochter leefde, en misschien vrijgekocht
kon worden, wierp zich voor de voeten van den grootmoedigen roover,
en met zijn baard diens voeten rakende, beproefde hij om de slip
van zijn groen gewaad te kussen. De kapitein trad echter achteruit,
en maakte zich uit de handen van den Jood los, niet zonder eenige
teekens van verachting.

"Foei, man, schaam u, sta op! ik ben een geboren Engelschman, en
houd niet van zulke Oostersche kniebuigingen; kniel neder voor God,
en niet voor een armen zondaar, als ik ben."

"Ja, Jood," zei de Prior Aymer; "kniel neder voor God, die door den
dienaar van Zijn altaar hier wordt vertegenwoordigd; en wie weet, welke
genade gij door oprecht berouw en behoorlijke giften op het altaar van
St. Robert voor u zelven en uwe dochter Rebekka kunt verkrijgen? Het
spijt mij om het meisje, want zij is schoon en liefelijk; ik heb haar
in het strijdperk te Ashby gezien. Brian De Bois-Guilbert is een man,
bij wien ik veel vermag;--bedenk, hoe gij het verdienen kunt, dat ik
bij hem een goed woord voor u doe!"

"Helaas, helaas!" schreeuwde de Jood, "van alle kanten komen er
roovers tegen mij op; ik ben ten prooi gegeven aan den Assyriër en
den Egyptenaar!"

"En wat moest ook het lot van uw vervloekten stam zijn?" antwoordde de
Prior, "want wat zegt de Heilige Schrift, _verbum Domini projecerunt,
et sapientia est nulla in eis_:--zij hebben het Woord Gods verworpen,
en er is geen wijsheid in hen; _propterea dabo mulieres eorum
exteris_:--ik zal hun vrouwen aan vreemdelingen geven;--dat is, aan
den Tempelier, gelijk in het tegenwoordige geval; _et thesauros eorum
heredibus alienis_,--en hun schatten aan vreemde erven."

Izaäk slaakte een diepen zucht, en begon de handen te wringen en
zich weder aan neerslachtigheid en wanhoop over te geven. Maar de
aanvoerder der schutters nam hem ter zijde. "Bedenk wel, Izaäk, wat
gij in deze zaak doen wilt: mijn raad is, dat gij u dezen geestelijke
tot vriend maakt. Hij is ijdel, Izaäk, en gierig; ten minste hij
heeft geld noodig, om in zijne verspillingen te voorzien. Gij kunt
zijne hebzucht licht bevredigen; want denk niet, dat ik verblind
ben door uwe voorgewende armoede. Ik ken zelfs de ijzeren kist,
Izaäk, waarin gij uwe geldzakken bewaart. Hoe? zou ik den grooten
steen niet kennen onder den appelboom, welke toegang verschaft
tot de gewelfde kamer onder uw tuin, te York?" De Jood werd bleek
als de dood.--"Maar vrees niets van mij," ging de schutter voort:
"want wij zijn oude kennissen. Herinnert gij u den zieken jager niet,
dien uw schoone dochter Rebekka te York uit de gevangenis vrijkocht,
en in huis hield, totdat hij hersteld was, en dien gij toen heenzondt,
met een stuk geld; hoe groot een woekeraar gij ook zijt, gij hebt
nooit geld op betere renten uitgezet dan dat kleine zilverstuk;
want het heeft u heden vijfhonderd kronen bespaard."

"Zijt gij de man, dien wij Diccon de schutter noemden?" zei Izaäk;
"uw stem kwam mij terstond bekend voor."

"Ik ben die Diccon," zei de kapitein, "en Locksley, en heb nog één
naam bovendien."

"Maar gij vergist u, goede schutter, ten opzichte van de gewelfde
kamer. Zoo waar mij de hemel helpe, er is daar niets in dan
eenige goederen, die ik gaarne met u deelen wil:--honderd ellen
groen Lincolnsch om wambuizen voor uw manschappen te maken, en
honderd stuks Spaansche ijpentakken voor bogen, en honderd sterke,
ronde en schoone zijden boogstrengen;--dit alles zal ik u voor uwe
welwillendheid zenden, eerlijke Diccon, als gij van het gewelf zwijgen
wilt, goede Diccon!"

"Stil als het graf!" zei de roover; "maar geloof mij, het spijt mij
om uwe dochter. Ik kan er echter niets aan doen:--de lansen van den
Tempelier zijn te sterk voor mijne schutters.--Zij zouden ons als
stof doen uiteenvliegen. Had ik maar geweten, dat het Rebekka was,
die hij schaakte, dan had ik nog iets kunnen doen; maar nu moet gij
met list te werk gaan. Kom, zal ik voor u met den Prior onderhandelen?"

"In Gods naam, Diccon, als gij mij niet kunt helpen om het kind mijner
liefde terug te bekomen."

"Hinder mij niet door uwe ontijdige gierigheid," zei de kapitein,
"en ik zal met hem spreken."

Hierop verliet hij den Jood, die hem evenwel als zijne schim volgde.

"Prior Aymer," zei de kapitein, "kom met mij ter zijde, onder dezen
boom. Men zegt, dat gij van den wijn en den glimlach eener vrouw
meer houdt, dan uwe orde betaamt, heer priester; maar dat raakt
mij niet. Ik heb ook gehoord, dat gij een liefhebber zijt van een
koppel goede honden en van een vlug paard, en mogelijk, daar gij
een vriend zijt van kostbare dingen, zijt gij ook geen vijand van
een beurs vol goud. Maar nimmer hoorde ik, dat gij een vriend waart
van onderdrukking of wreedheid.--Welnu, hier staat Izaäk, die u de
middelen van vermaak en tijdverdrijf wil verschaffen door een beurs
met honderd mark zilver, indien uwe voorspraak bij uw bondgenoot,
den Tempelier, de vrijheid zijner dochter bewerkt."

"In tucht en eerbaarheid, zooals ze mij ontroofd is," zei de Jood,
"anders geldt de koop niet!"

"Stil, Izaäk," zei de roover, "of ik bemoei mij niet meer met uw
zaken. Wat zegt gij van dezen voorslag, Prior Aymer?"

"De zaak," antwoordde de Prior, "kan van twee kanten beschouwd worden;
want zoo ik van den éénen kant eene goede daad verricht, zoo is die van
den anderen kant ten voordeele van een Jood, en in zoover in strijd
met mijn geweten. Maar als de Israëliet der Kerk voordeel aanbrengen
wil, door mij iets te geven tot het opbouwen onzer slaapzalen, dan
wil ik het op mijn geweten nemen om hem in de zaak met zijne dochter
te helpen."

"Om een twintig mark voor de slaapzalen," zei de kapitein;--"zwijg,
Izaäk, zeg ik u!--of om een paar zilveren kandelaars op het altaar,
zullen wij niet met u twisten."

"Ja, maar, goede Diccon," zei Izaäk, trachtende hem in de rede
te vallen.

"Goede Jood,--goed dier,--goede worm!" hernam de schutter, alle geduld
verliezende; "zoo gij voortgaat met uw verachtelijke gierigheid
tegen het leven en de eer uwer dochter in de weegschaal te leggen,
bij den hemel, dan zal ik u, eer drie dagen verloopen zijn, van
iederen penning berooven, dien gij in de wereld bezit!"

Izaäk kromp van schrik ineen, en zweeg.

"En welk onderpand krijg ik?" vroeg de Prior.

"Als Izaäk door uwe bemiddeling slaagt," hervatte de kapitein,
"dan zweer ik bij St. Hubertus, dat ik er voor zorgen zal, dat hij
u het geld baar uitbetaalt; of ik zal zoodanig met hem afrekenen,
dat hij beter gedaan had twintig zulke sommen uit te betalen."

"Welaan dan, Jood," zei Aymer; "daar ik mij volstrekt met die zaak
moet bemoeien, leen mij uwe schrijftafels;--maar wacht,--neen, ik zou
liever vierentwintig uren vasten, dan uwe pen gebruiken, en waar zal
ik er eene andere vinden?"

"Indien uwe heilige nauwgezetheid u niet veroorlooft de schrijftafels
van den Jood te gebruiken, dan kan ik wel eene pen vinden," zei
de schutter, en, zijn boog spannende, mikte hij op een wilde gans,
welke boven hem zweefde, in de voorhoede van eene vlucht vogels, op
weg naar de afgelegen en eenzame moerassen van Holderness. De vogel
fladderde, door den pijl getroffen, naar beneden.

"Daar, Prior," zei de kapitein, "zijn pennen genoeg voor alle monniken
van Jorvaulx gedurende de eerste honderd jaren, als ze niet beginnen
kronieken te schrijven."

De Prior zette zich neder, en schreef zeer langzaam een brief aan
Brian De Bois-Guilbert, en dien zorgvuldig verzegeld hebbende,
gaf hij hem aan den Jood, zeggende: "Dit zal uw vrijgeleide naar
de _Preceptory_ van Templestowe zijn, en zal waarschijnlijk de
vrijstelling uwer dochter bewerken, zoo ge er kracht bijzet door
aanbiedingen van voordeel van uw kant; want, geloof mij, de goede
ridder De Bois-Guilbert is van de broederschap van hen, die niets om
niet doen."

"Wel, Prior," zei de roover, "ik wil u niet langer ophouden, dan om
den Jood eene schuldbekentenis voor de vijfhonderd kronen, waarop
uw losgeld bepaald is, te geven.--Ik neem hem tot betaalmeester aan;
en zoo ik hoor, dat ge zwarigheid maakt om hem de som, die hij voor
u uitbetaalde, terug te geven, dan zweer ik bij de Heilige Maria,
dat ik de Abdij boven uw hoofd in brand zal steken, al moet ik daarom
ook tien jaren vroeger hangen!"

Met veel minder bereidwilligheid, dan aan den Tempelier, schreef de
Prior eene schuldbekentenis van vijfhonderd kronen, hem in zijn nood
voorgeschoten door Izaäk van York, ter afdoening van zijn losgeld,
en beloofde getrouw en eerlijk deze som terug te betalen.

"En nu," zei Aymer, "verzoek ik u om teruggave van mijne muilezels en
paarden, en om de vrijheid der eerwaarde broeders, die mij vergezellen;
en ook om de teruggave der juweelen, ringen, kleinoodiën, en prachtige
kleedingstukken, welke men mij ontroofd heeft, daar ik u mijn losgeld
als gevangene voldaan heb."

"Wat uwe geestelijke broeders betreft, heer Prior," antwoordde
Locksley, "ze zullen dadelijk in vrijheid worden gesteld, daar het
onrechtvaardig zou zijn hen nog gevangen te houden; wat uwe paarden en
muilezels betreft, die zullen ook teruggegeven worden, met reisgeld
genoeg om uwe vertering tot York te betalen; want het zou wreed zijn
u de middelen om te reizen te benemen. Maar wat de ringen, juweelen,
ketenen en dergelijke dingen aangaat, moet ge weten, dat wij een fijn
geweten hebben, en dat wij een eerwaarden heer, zooals gij zijt, die
voor de ijdelheden der wereld afgestorven moest zijn, niet in de zware
verzoeking willen brengen, om den regel zijner instellingen door het
dragen van ringen, ketenen of dergelijke ijdele pracht te schenden."

"Bedenkt wat ge doet, mijn heeren," riep de Prior, "eer ge de handen
aan kerkelijk goed slaat.--Deze dingen behooren _inter res sacras_,
en wie weet, welk oordeel u treft, als ze in ongewijde handen blijven."

"Daarvoor zal ik zorgen, eerwaarde Prior," zei de kluizenaar van
Copmanshurst, "want ik zal ze zelf dragen."

"Vriend, of broeder," antwoordde de Prior op deze oplossing van zijne
zwarigheden, "als gij waarlijk tot een heilige orde behoort, zoo bid
ik u toe te zien, hoe ge aan uw bisschop wegens uwe deelneming aan
hetgeen heden gebeurd is, rekenschap zult geven!"

"Vriend Prior," hernam de heremiet, "ge moet weten, dat ik tot een
klein bisdom behoor, waar ik mijn eigen bisschop ben, en dat ik mij
even weinig om den bisschop van York als om den Abt van Jorvaulx,
den Prior en het geheele klooster bekommer."

"Gij zijt geheel en al buiten den regel," zei de Prior; "een dier
losbandige menschen, die zich den heiligen stand, zonder er eenig
recht op te hebben, aanmatigen; de heilige plechtigheid ontwijden,
en de zielen van diegenen in gevaar brengen, welke hun raad vragen:
_lapides, pro pane condonantes iis_,--hun steenen in plaats van brood
gevende, zooals de _Vulgata_ zegt."

"Wel!" hervatte de monnik; "zoo mijn hersenpan door Latijn had kunnen
gebroken worden, had ze het zoo lang niet uitgehouden. Ik zeg, dat
zulke ijdele priesters, als gij zijt, van hunne juweelen en hun goud
te berooven, eene wettige plundering der Egyptenaren is."

"Gij zijt een verloopen priester," [32] zei de Prior, in grooten toorn,
"_excommunicabo vos_!"

"Gij zijt zelf een ketter en dief!" hernam de monnik, even verbitterd;
"ik zal in tegenwoordigheid van mijne kudde zulk een schimp niet
verdragen, als gij het waagt mij aan te doen: ofschoon ik uwe eerwaarde
broeder ben; _ossa eius perfringam_, ik zal u de beenderen stuk slaan,
zooals de _Vulgata_ zegt!"

"Hola!" riep de kapitein, "gebruiken de eerwaarde broeders zulke
uitdrukkingen?--Vrede, monnik!--Prior: als gij uwe rekening met den
hemel niet gesloten hebt, terg dan den monnik niet verder! Heremiet,
laat den eerwaarden vader in vrede vertrekken, als een man, die zijn
losgeld betaald heeft!"

De schutters scheidden de verbitterde priesters, die voortgingen
hun stemmen te verheffen, terwijl zij elkander uitscholden in
slecht Latijn, dat de Prior zeer vlug, en de kluizenaar met des te
grooter hevigheid sprak. De Prior bedacht eindelijk, dat hij zijne
waardigheid vergat door te twisten met zulk een geestelijke, als
den rooverkapelaan, en zijne dienaren verzameld hebbende, reed hij
weg met veel minder deftigheid, en wat den uiterlijken vorm betrof,
op eene veel meer apostolische wijze, dan die waarop hij gekomen was.

Nu moest de Jood nog eenig onderpand geven voor het losgeld, dat hij
voor den Prior en zichzelven zou betalen. Hij gaf dus een met zijn
zegel voorzien briefje voor een geloofsgenoot te York, hem gelastende
aan toonder de som van duizend kronen te betalen, en hem zeker genoemde
waren over te geven.

"Mijn broeder Sheva," zei hij met een diepen zucht, "heeft den sleutel
van mijne magazijnen."

"En van de gewelfde kamer?" fluisterde Locksley hem toe.

"Neen, neen, de Hemel beware mij!" riep Izaäk. "Vervloekt zij het uur,
waarop iemand dit geheim vernam!"

"Het is bij mij wel bewaard," zei de kapitein, "als mij dit briefje
de daarin genoemde som verschaft.--Maar hoe is het, Izaäk? Zijt gij
dood? Zijt gij verstomd? Heeft de betaling van duizend kronen u het
gevaar uwer dochter uit den zin gebracht?"

De Jood sprong op.--"Neen, Diccon, neen!--ik zal dadelijk
vertrekken.--Vaarwel, gij, dien ik niet voor goed kan, en niet voor
kwaad zou durven, of willen houden!"

Eer Izaäk vertrok, gaf de roover-kapitein hem nog den volgenden
raad tot afscheid:--"Wees mild met uw aanbiedingen, Izaäk, en spaar
uwe beurs niet, om uwe dochter te bevrijden. Geloof mij, het goud,
dat gij in deze zaak spaart, zal u in het vervolg evenveel kwelling
veroorzaken, alsof het gesmolten in uw keel gegoten ware."

Izaäk stemde er met een diepen zucht in toe, en begaf zich op reis,
vergezeld van twee forsche jagers, om hem tot gidsen en tegelijk tot
beschermers in het bosch te dienen.

De Zwarte Ridder, die met niet weinig belangstelling deze verschillende
tooneelen bijgewoond had, nam nu op zijne beurt afscheid van den
vogelvrijverklaarde, en kon niet nalaten zijne verbazing te kennen
te geven, dat hij zooveel orde vond onder menschen, die van alle
geregelde bescherming en alle hulp der wet verstoken waren.

"Er groeien soms goede vruchten aan een slechten boom," zei de
schutter, "en slechte tijden brengen niet altijd alleen en onvermengd
kwaad voort. Onder hen, die tot dezen wetteloozen staat vervallen
zijn, vindt men zonder twijfel velen, die hunne vrijheid met eenige
gematigdheid gebruiken, en eenigen, die zich wellicht beklagen,
dat zij verplicht zijn zulk een leven te leiden."

"En tot een der laatsten spreek ik nu, gelijk ik vermoed?" vroeg
de ridder.

"Heer ridder," antwoordde de roover; "wij hebben ieder ons geheim. Gij
hebt vrijheid om over mij te denken zooals gij verkiest; en ik mag
mijn gissingen omtrent u maken, ofschoon wij het misschien beiden
mis hebben. Maar daar ik niet begeer in uw geheim te dringen, neem
mij niet kwalijk, dat ik het mijne bewaar."

"Ik verzoek verschooning," hernam de ridder, "uw verwijt is
billijk. Maar mogelijk ontmoeten wij elkander in het vervolg met
minder geheimzinnigheid van weerskanten.--Intusschen scheiden wij
als goede vrienden, niet waar?"

"Daar hebt gij er mijn hand op," hervatte Locksley, "en ze is die van
een oprechten Engelschman, ofschoon ik thans een vogelvrijverklaarde
ben."

"En daar hebt gij de mijne," zei de ridder, "en ik beschouw het als
eene eer, dat ze door de uwe gedrukt wordt; want hij, die goed doet,
terwijl hij de onbepaalde macht heeft om kwaad te doen, verdient niet
alleen lof voor het goede, dat hij verricht, maar ook voor het kwaad,
dat hij voorkomt.--Vaarwel, dappere vriend!"

Zoo scheidden de beiden; en, na zijn moedig strijdros bestegen te
hebben, reed de ridder door het woud weg.



VIER-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.


            Koning Jan.--'k Wil u iets zeggen, vriend:
            Het is een echte slang op mijn weg;
            Want waar ik ooit mijn voeten zetten mag,
            Dáár ligt hij voor mijn schreên.--Verstaat ge mij?

                                                        Koning Jan.


Er was een groot feest in het kasteel van York, waarop Prins
Jan die edelen, prelaten en aanvoerders genoodigd had, met wier
behulp hij zijn eerzuchtige plannen op den troon van zijn broeder
hoopte door te zetten. Waldemar Fitzurse, zijn bekwame en listige
raadgever, werkte in het geheim om den moed bij hen aan te wakkeren,
om openlijk voor hun voornemen uit te komen. Maar hunne onderneming
werd vertraagd door de afwezigheid van meer dan één voornaam lid van
het eedgenootschap. De hardnekkige en stoute, ofschoon ruwe moed van
Front-de-Boeuf, de opgeruimde en ondernemende geest van De Bracy,
de schranderheid, de krijgskundige ervaring en de beroemde dapperheid
van Brian De Bois-Guilbert waren onmisbaar voor den goeden uitslag der
samenzwering; en terwijl Prins Jan en zijn raadsman heimelijk hunne
onnoodige en ontijdige afwezigheid verwenschten, durfden zij evenwel
niets zonder hen beginnen. De Jood Izaäk scheen ook verdwenen te zijn,
en met hem de hoop op zekere sommen eener leening, voor welke Prins Jan
met dezen Israëliet en zijne broederen een contract had aangegaan. Dit
gemis kon gevaarlijk worden bij eene zoo gewichtige onderneming.

Het was op den morgen na den val van Torquilstone, dat een verward
gerucht zich in de stad York begon te verspreiden, dat De Bracy en
De Bois-Guilbert, met hun bondgenoot Front-de-Boeuf, gevangen of
gedood waren. Waldemar verhaalde dit aan Prins Jan, en voegde er
bij, dat hij te meer vreesde, dat het waar moest zijn, daar zij met
een klein gevolg op weg gegaan waren, om een aanval te doen op den
Sakser Cedric en zijne reisgenooten. Op een anderen tijd zou Prins
Jan deze daad van geweld als een aardige grap beschouwd hebben, maar
nu, daar ze tegen zijne eigene plannen inliep, en deze belemmerde,
voer hij uit tegen de ondernemers, en sprak van geschonden wetten
en het aanranden der openlijke orde en van het bijzonder eigendom op
een toon, die Koning Alfred gepast zou hebben.

"Die wet-schendende roovers!" zei hij; "zoo ik ooit Koning van Engeland
word, zal ik zulke overtreders aan de ophaalbruggen van hun eigene
kasteelen laten ophangen!"

"Maar om Koning van Engeland te worden," antwoordde zijn Achitophel
koeltjes, "is het niet alleen noodig, dat Uw Hoogheid de overtredingen
van deze wet-schendende roovers verdraagt, maar ook, dat gij hun
uwe bescherming verleent, in weerwil van uw loffelijken ijver voor
de wetten, die zij gewoon zijn te overtreden. Het zou ons heerlijk
vooruit helpen, indien die Saksische boeren het denkbeeld van Uwe
Hoogheid verwezenlijkten om ophaalbruggen in galgen te veranderen;
en die stoute Cedric schijnt mij juist de man om zoo iets in het
hoofd te krijgen. Uw Hoogheid ziet toch wel in, dat het gevaarlijk
zou zijn zonder Front-de-Boeuf, De Bracy en den Tempelier te handelen;
en wij zijn reeds te ver gegaan om veilig te kunnen terugtreden."

Prins Jan sloeg zich ongeduldig voor het voorhoofd en stapte toen in
het vertrek op en neder.

"Die schurken," zei hij, "die lage, verraderlijke schurken!--mij in
dezen nood te verlaten!"

"Zeg liever, die onbedachtzame, kinderachtige dwazen!" zei Waldemar,
"welke gekheden gaan verrichten, terwijl er zulke gewichtige zaken
op handen zijn."

"Wat moeten wij nu doen?" vroeg de Prins, vlak voor Waldemar blijvende
staan.

"Ik weet niet, wat meer gedaan kan worden," antwoordde zijn raadgever,
"dan hetgeen door mijne zorgen reeds geschied is.--Ik ben niet gekomen,
om over deze ramp bij Uwe Hoogheid te klagen, zonder vooraf mijn best
gedaan te hebben, om ze te verhelpen."

"Gij zijt altijd mijn goede engel, Waldemar," hernam de Prins; "en
als ik zulk een kanselier tot raadgever heb, dan zal de regeering
van Koning Jan in onze jaarboeken beroemd worden.--Welke bevelen hebt
gij gegeven?"

"Ik heb aan Lodewijk Winkelbrand, De Bracy's luitenant, bevolen,
zijn volk te doen opzitten, zijne banier te ontrollen, en dadelijk
naar het kasteel van Front-de-Boeuf te jagen, om te beproeven, wat
er nog voor onze vrienden te doen valt."

Het gelaat van Prins Jan gloeide als dat van een bedorven kind,
dat meent beleedigd te zijn.

"Bij den Hemel!" zei hij, "Waldemar Fitzurse, gij hebt veel gewaagd,
en het was meer dan vermetel, om zonder uitdrukkelijk bevel de trompet
te laten blazen, of eene banier te doen ontrollen in eene stad waar
wij zelven tegenwoordig zijn!"

"Ik vraag vergiffenis, Hoogheid," hernam Fitzurse, inwendig de laffe
ijdelheid van zijn heer verwenschende; "maar daar de tijd drong,
en zelfs het verlies van één oogenblik gevaarlijk kon zijn, vond ik
best, om dit op mij te nemen, in eene zaak van zooveel gewicht."

"Ik vergeef u uwe roekeloosheid, Fitzurse!" zei de Prins deftig.--"Maar
wie komt daar?--De Bracy zelf, bij het heilige kruis!--en in welk
een zonderlingen toestand verschijnt hij voor ons!"

Het was inderdaad De Bracy, bloedig door het sporen, en vuurrood
door spoed!--Zijne wapenrusting droeg alle kenteekens van den pas
doorgestanen hevigen strijd, daar ze gebroken, op verscheidene plaatsen
met bloed bevlekt en van boven tot beneden met modder en stof bedekt
was. Na zijn helm losgemaakt te hebben, zette hij dien op de tafel,
en stond een oogenblik, alsof hij zich bezon, eer hij zijn nieuws
verhaalde.

"De Bracy," zei Prins Jan, "wat beteekent dit?--Spreek, ik beveel
het u!--Zijn de Saksers oproerig?"

"Spreek, De Bracy," riep Fitzurse bijna tegelijk met zijn meester; "gij
waart altijd een man;--waar is de Tempelier?--waar is Front-de-Boeuf?"

"De Tempelier is gevlucht," antwoordde De Bracy; "Front-de-Boeuf
zult gij nimmer wederzien. Hij heeft een bloedig graf gevonden onder
de gloeiende puinhoopen van zijn eigen kasteel, en ik ben alleen
overgebleven om het u te verhalen!"

"Een huiveringwekkend nieuws voor ons," zei Waldemar, "hoewel gij
van vuur en brand spreekt."

"De ergste tijding heb ik nog niet overgebracht," antwoordde De Bracy;
en op Prins Jan toetredende, zei hij op zachten, nadrukkelijken toon:
"Richard is in Engeland.--Ik heb hem gezien en gesproken!"

Prins Jan verbleekte, beefde en moest zich aan den rug van een eiken
stoel vasthouden, evenals iemand, die door een pijl in het hart
getroffen wordt.

"Gij raast, De Bracy," zei Fitzurse; "het kan niet zijn!"

"Het is toch eene zekere waarheid," hernam De Bracy; "ik ben zijn
gevangene geweest en heb met hem gesproken."

"Met Richard Plantagenet, zegt gij?" vervolgde Fitzurse.

"Met Richard Plantagenet," hervatte De Bracy, "met Richard
Leeuwenhart,--met Richard van Engeland!"

"En gij waart zijn gevangene?" vroeg Waldemar, "was hij dus aan het
hoofd van eene gewapende macht?"

"Neen;--er waren slechts eenige vogelvrijverklaarde landlieden om
hem heen, en aan dezen is hij onbekend. Ik hoorde hem zeggen, dat
hij op het punt stond hen te verlaten. Hij had zich slechts met hen
vereenigd, om hen in het bestormen van Torquilstone bij te staan."

"Ja!" zei Fitzurse, "dit is inderdaad in den geest van Richard;--hij
is een echte dolende ridder; hij trekt rond om avonturen te zoeken,
op de sterkte van zijn eigen arm vertrouwende, terwijl de gewichtigste
belangen van zijn koninkrijk vergeten worden en hij zelf in gevaar
verkeert.--Wat zijt gij voornemens te doen, De Bracy?"

"Ik?--Ik bood Richard den dienst van mijne vrijcompagnie aan, en
hij weigerde ze.--Ik zal ze thans naar Hull voeren, mij inschepen,
en naar Vlaanderen zeilen; dank zij deze onrustige tijden, een man
van moed vindt overal wat te doen. En gij, Waldemar, wilt gij lans en
schild nemen, uwe staatkundige plannen vaarwel zeggen, met mij gaan,
en het lot deelen, dat God ons beschikt?"

"Ik ben te oud, Maurice, en ik heb eene dochter," antwoordde Waldemar.

"Geef haar aan mij, Fitzurse, en ik zal haar met behulp van lans en
paard onderhouden, zooals haar rang betaamt," hervatte De Bracy.

"Neen," hernam Fitzurse; "ik zal eene schuilplaats zoeken hier in de
St. Pieterskerk;--de aartsbisschop is mijn gezworen vriend."

Onder dit gesprek was Prins Jan langzamerhand hersteld van den schrik,
dien dit onverwachte bericht hem veroorzaakt had, en het onderhoud van
zijne aanhangers had zijne ooren bereikt. "Ze vallen mij af," zei hij
in zich zelven, "evenals een verwelkt blad van den boom, zoodra zich
een windje verheft! Hel en duivel! Kan ik geen hulpmiddelen bij mij
zelven vinden, als deze lafaards mij verlaten?"--Hij zweeg eene poos,
en met eene uitdrukking van duivelschen haat in zijn gedwongen lach,
brak hij eindelijk hun gesprek af. "Ha, ha, ha! mijn heeren, bij het
licht der oogen van onze Lieve Vrouw, ik hield u voor wijze, stoute en
verstandige mannen; en evenwel verwerpt gij rijkdom, eer, genoegen,
alles, wat onze edele onderneming u beloofde, op het oogenblik,
dat die door één stouten slag kon volbracht worden!"

"Ik begrijp u niet," zei De Bracy; "zoodra Richard's terugkomst bekend
wordt, zal hij aan het hoofd van een leger staan, en dan is alles uit
met ons. Ik zou u raden, mijn vorst, òf naar Frankrijk te vluchten,
òf bescherming bij de Koningin-Moeder te zoeken."

"Ik zoek geene veiligheid voor mij zelven," hervatte Prins Jan op
trotschen toon; "_die_ kan ik door één enkel woord bij mijn broeder
verkrijgen. Maar ofschoon gij, De Bracy, en gij, Waldemar Fitzurse,
zoo gereed zijt om mij te verlaten, zou ik er mij niet over verheugen,
als ik uwe hoofden ginds op de Cliffords-poort zag prijken. Denkt
gij, Waldemar, dat de listige aartsbisschop u niet van het altaar
zelf zal laten afrukken, zoo hij zich daardoor met Koning Richard kan
verzoenen? En vergeet gij, De Bracy, dat Robert Estoteville met zijne
geheele macht tusschen u en Hull ligt, en dat de Graaf van Essex zijne
mannen vergadert? Indien wij redenen hadden, om deze lichtingen zelfs
vóór Richard's terugkomst te vreezen, meent gij, dat er nu eenige
twijfel is, welke partij hun aanvoerders kiezen zullen? Geloof mij,
Estoteville alleen heeft macht genoeg, om geheel uwe vrijcompagnie
in de Humber te jagen!"

Waldemar Fitzurse en De Bracy keken elkander verlegen aan.--"Er is nog
maar één weg tot veiligheid!" vervolgde de Prins, en zijn blik werd
somber als de middernacht; "hij, dien wij vreezen, reist alleen.--Men
moet hem hier of daar te gemoet gaan."

"Ik niet," zei De Bracy haastig; "ik was zijn gevangene, en hij schonk
mij genade,--ik wil geen haar van zijn hoofd krenken!"

"Wie sprak er van, om hem kwaad te doen?" hernam Prins Jan met een
gedwongen lach; "gij zult misschien nog wel zeggen, dat ik hem wilde
laten dooden!--Neen, een gevangenis ware beter; en in Engeland of
in Oostenrijk, wat kan dat schelen?--De zaken zullen dan slechts op
denzelfden voet zijn, als toen wij onze onderneming begonnen.--Die
was gegrond op de hoop, dat Richard in Duitschland gevangen zou
blijven.--Onze oom Robert leefde, en stierf in het kasteel van
Cardiffe."

"Ja maar," zei Waldemar, "uw vader Hendrik zat vaster op zijn troon,
dan Uwe Hoogheid zulks doen kan. Ik zeg, de beste gevangenis is die,
welke de doodgraver gemaakt heeft;--er haalt geen kerker bij een
grafkelder! Ik heb gezegd."

"Kerker of graf," zei De Bracy, "ik wil niets met de zaak te maken
hebben."

"Schurk!" hernam Prins Jan, "gij zoudt ons genomen besluit toch niet
willen verraden!"

"Nog nooit heb ik zoo iets gedaan," antwoordde De Bracy trotsch,
"en de naam van schurk moet niet met den mijne verbonden worden!"

"Bedaar, heer ridder!" zei Waldemar,--"en gij, mijn Vorst, vergeef
de schroomvalligheid van den dapperen De Bracy; ik ben zeker, dat ik
die weldra uit den weg zal ruimen."

"Dat gaat uwe welsprekendheid te boven, Fitzurse," hernam de ridder.

"Wel, goede Maurice," hervatte de listige staatsman, "deins niet
achteruit als een schichtig paard, zonder vooraf het voorwerp van uw
schrik wat van naderbij te beschouwen.--Nog maar één dag geleden,
en het was uw vurigste wensch, om dezen Richard, man tegen man, in
het gevecht te ontmoeten;--honderdmaal heb ik u dat hooren wenschen!"

"Ja," antwoordde De Bracy;--"maar dat was, gelijk gij zeidet, man
tegen man, en in den slag. Gij hebt mij nooit hooren zeggen, dat ik
hem alleen in een bosch wilde overvallen!"

"Gij zijt geen echte ridder, als gij hierin zwarigheid vindt,"
hervatte Waldemar. "Was het in den slag, dat Lancelot du Lac en de
ridder Tristram hun roem verwierven? Of was het door reuzen onder
het lommer van dichte en ongebaande bosschen aan te vallen?"

"Ja, maar ik verzeker u," zei De Bracy, "dat Tristram noch Lancelot,
man tegen man, tegen Richard Plantagenet opgewassen zouden geweest
zijn; en ik geloof tevens, dat het hunne gewoonte niet was, om met
overmacht tegen een enkelen man op te trekken."

"Gij raaskalt, De Bracy;--wat stellen wij u dan voor, u, die een
huurling zijt, de aanvoerder van eene vrijcompagnie, wier zwaarden voor
den dienst van Prins Jan gekocht zijn? Gij kent onzen vijand, en toch
maakt gij zwarigheid, ofschoon het geluk van uw heer, van uw makkers,
van u zelven, en het leven en de eer van ons allen op het spel staan!"

"Ik zeg u," zei De Bracy wrevelig, "dat hij mij het leven geschonken
heeft. Het is waar, hij zond mij uit zijne tegenwoordigheid weg en
weigerde mijne hulde;--in zooverre ben ik hem gehoorzaamheid noch
trouw verschuldigd;--maar ik wil geen hand aan hem slaan."

"Dat behoeft niet;--zend Lodewijk Winkelbrand met een twintigtal van
uwe lansen."

"Gij hebt sluipmoordenaars genoeg onder uwe eigen lieden," hervatte
De Bracy; "geen der mijnen zal zulk een last op zich nemen."

"Zijt gij zoo hardnekkig, De Bracy," zei Prins Jan; "en wilt gij mij
verlaten, na zooveel betuigingen van ijver voor mijn dienst?"

"Dat is mijne bedoeling niet," antwoordde De Bracy; "ik wil u bijstaan
in alles, wat een ridder betaamt, zoowel in het strijdperk als op
het slagveld; maar dezen sluipmoordenaarsdienst kan men niet van
mij vergen."

"Kom, Waldemar," zei Prins Jan, "ik ben een ongelukkig vorst. Mijn
vader, Koning Hendrik, had getrouwer dienaars.--Hij behoefde slechts
te zeggen, dat hij door een oproerigen priester gekweld werd, en het
bloed van Thomas-à-Becket, ofschoon een heilige, werd gestort op de
trappen van zijn eigen altaar.--Tracy, Morville, Brito, [33] getrouwe
en moedige onderdanen, uwe namen en uw geest zijn uitgestorven!--en
ofschoon Riginald Fitzurse een zoon heeft nagelaten, zoo heeft deze
zijn vaders getrouwheid en moed vergeten; hij is ontaard."

"Hij is niet ontaard," hernam Waldemar Fitzurse; "en daar het niet
anders kan, zal ik zelf de uitvoering van deze gevaarlijke zaak op
mij nemen. Duur betaalde evenwel mijn vader den naam van een ijverig
vriend; en toch was zijn bewijs van getrouwheid aan Hendrik op verre
na niet te vergelijken bij dat, hetwelk ik op het punt ben om u te
geven; want liever wilde ik een geheel heir van heiligen aanvallen,
dan mijne lans tegen Leeuwenhart richten.--De Bracy, aan u moet ik de
zorg toevertrouwen, om den moed van de weifelenden op te houden,--voor
de veiligheid van Prins Jan te waken. Indien gij de tijding ontvangt,
die ik zeker u zal kunnen zenden, dan zal het gelukken van onze
onderneming niet langer twijfelachtig zijn.--Page!" riep hij,
"spoed u naar huis en zeg aan mijn wapenmeester, zich gereed te
houden; en beveel Steven Wetheral, Thoresby en de drie lansknechten
van Spyinglaw, zich dadelijk bij mij te vervoegen; ook Hugo Bardon,
de hoofdspion moet dadelijk komen.--Vaarwel, mijn Prins, tot betere
tijden!" En met deze woorden verliet hij het vertrek.

"Hij gaat om mijn broeder gevangen te nemen," zei Prins Jan tegen
De Bracy, "met even weinig wroeging, alsof het slechts de vrijheid
van een Saksischen _Franklin_ gold. Ik denk toch, dat hij mijne
bevelen nakomen, en den persoon van onzen dierbaren Richard met allen
verschuldigden eerbied behandelen zal?" De Bracy antwoordde slechts
met een glimlach.

"Bij het licht der oogen van onze Lieve Vrouw," zei Prins Jan,
"ons bevel daaromtrent was allerstelligst, schoon gij het mogelijk
niet gehoord hebt, daar wij te zamen bij het venster in den muur
stonden.--Allerduidelijkst en zeer bepaald was onze last, om voor
Richard's veiligheid te zorgen, en wee Waldemars hoofd, als hij mij
niet gehoorzaamt!"

"Dan ware het beter, dat ik naar zijn huis ging," zei De Bracy,
"om hem den wil van Uwe Hoogheid goed aan het verstand te brengen;
want daar mijn oor er volstrekt niets van vernomen heeft, is het zeer
wel mogelijk, dat het ook Waldemars oor ontgaan is."

"Neen, neen!" hernam Prins Jan ongeduldig; "ik verzeker u, dat hij
mij gehoord heeft; en buitendien heb ik andere bezigheden voor u,
Maurice; kom hier, laat mij op uw arm leunen."

Ze liepen in deze vertrouwelijke houding de zaal op en neder, en Prins
Jan vervolgde op een toon van groote vertrouwelijkheid: "Wat denkt
gij van dezen Waldemar Fitzurse, mijn waarde De Bracy?--Hij verbeeldt
zich onze kanselier te worden. Zeker zullen wij ons moeten bedenken,
eer wij een zoo hoog ambt aan een man geven, die duidelijk toont,
hoe weinig hij ons bloed eerbiedigt, door deze onderneming tegen
Richard zoo gereedelijk op zich te nemen. Gij gelooft misschien,
dat gij iets van onze achting verloren hebt, door deze onaangename
taak zoo rondborstig te weigeren.--Maar neen, Maurice! ik acht u te
meer om uw deugdzame standvastigheid. Er zijn zeer noodige dingen te
verrichten, welker uitvoerders wij beminnen noch achten; en er kunnen
weigeringen zijn om ons te dienen, welke hen, die ons verzoek van
de hand wijzen, in onze achting doen rijzen. De gevangenneming van
mijn ongelukkigen broeder geeft niet zooveel aanspraak op de hooge
waardigheid van kanselier, als uwe ridderlijke en moedige weigering
u verschaft op den staf van grootmaarschalk. Denk daaraan, De Bracy,
en doe uw plicht!"

"Trouwelooze tiran!" fluisterde De Bracy, terwijl hij den Prins
verliet; "wie op u vertrouwt is er ongelukkig aan toe! Uw kanselier,
voorwaar!--Hij, die uw geweten te bewaken heeft, zal waarlijk een
gemakkelijk ambt hebben. Maar grootmaarschalk van Engeland! dat," zei
hij, den arm uitstrekkende, alsof hij den staf reeds grijpen wilde,
en met trotschere schreden door de zaal stappende, "dat is inderdaad
een prijs, die de moeite waard is!"

De Bracy had nauwelijks de kamer verlaten, of Prins Jan riep een
bediende, en zei tot hem: "Beveel Hugo Bardon, onzen spion, hier te
komen, zoodra hij met Waldemar Fitzurse gesproken heeft."

Bardon kwam spoedig, terwijl de Prins met ongelijke en wankelende
schreden door het vertrek stapte.

"Bardon, wat begeerde Waldemar van u?" vroeg hij.

"Twee moedige mannen, goed met deze Noordsche wildernissen bekend,
en geoefend in het volgen van het spoor van menschen en paarden."

"En hebt gij hem die verschaft?"

"Uwe Hoogheid moge mij anders nooit weer vertrouwen," antwoordde de
aanvoerder der spionnen. "De één is uit Hexhamshire; hij is gewoon
dieven in Tynedale en Teviotdale op te sporen, gelijk een bloedhond
het gekwetste wild. De andere is uit Yorkshire, en heeft menigmaal
den boog in het woud van Sherwood gespannen; hij kent elke grasvlakte,
kreupelhout en bosch tusschen hier en Richmond."

"Goed!" zei de Prins. "Vertrekt Waldemar met hen?"

"Dadelijk," antwoordde Bardon.

"Met wat gevolg?" vroeg Jan onverschillig.

"Thoresby gaat met hem, en Wetheral, dien men om zijne wreedheid
Steven Steen-hart noemt; en drie noordsche krijgslieden, die tot den
troep van Rolf Middleton behoord hebben; men noemt hen de lansknechten
van Spyinglaw."

"Goed," hernam weder Prins Jan; en na een oogenblik zwijgens voegde
hij er bij: "Bardon, het is noodig, dat gij een waakzaam oog houdt
op Maurice de Bracy,--zóó echter, dat hij er niets van merkt;--en
onderricht mij van tijd tot tijd van zijne bewegingen,--met
wien hij spreekt, en wat hij doet. Verzuim dit niet; gij zijt er
verantwoordelijk voor."

Hugo Bardon boog en vertrok.

"Als Maurice mij verraadt," zei Prins Jan--"als hij mij verraadt,
zooals zijn gedrag mij doet vreezen, dan zal ik zijn hoofd hebben,
al raasde Richard zelfs voor de poorten van York!"



VIJF-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.


                Wek in Hircaniës woestijn den tijger,
                Ontruk den hongerigen leeuw zijn prooi;
                't Is min gevaarlijk, dan het smeulend vuur
                Der dweepzucht aan te blazen!

                                                        Anonymus.


Ons verhaal keert thans tot Izaäk van York terug.--Gezeten op
een muilezel, welken de vrijbuiter hem geschonken had, door twee
krachtige schutters vergezeld, die hem tot lijfwacht dienden, was de
Jood op reis gegaan naar de Preceptory van Templestowe, om over het
losgeld zijner dochter te onderhandelen. De Preceptory was maar ééne
dagreis van het vernielde kasteel van Torquilstone verwijderd, en
de Jood had gehoopt, die vóór het vallen van den nacht te bereiken;
na zijne leidslieden dus bij het einde van het bosch ontslagen en
hen met een stuk zilver beloond te hebben, haastte hij zich, zooveel
zijne vermoeidheid hem vergunde. Maar de krachten begaven hem geheel,
toen hij nog vier mijlen van het hof der Tempeliers was; hevige pijnen
voeren hem door den rug en de leden, en zijn knagende zielsangst, nu
door lichamelijk lijden vergroot, maakte het hem volstrekt onmogelijk
om verder te gaan, dan tot een klein vlekje waar een Joodsche Rabbijn
woonde, die zeer ervaren was in de geneeskunde en dien Izaäk goed
kende. Nathan Ben Israël ontving zijn lijdenden landsman met die
gastvrijheid, welke de wet voorschreef, en welke de Joden jegens
elkander uitoefenden. Hij stond er op, dat hij zich ter rust zou
begeven, en diende hem die geneesmiddelen toe, welke toen de besten
gerekend werden om de koorts te stuiten, welke schrik, vermoeienissen
en verdriet den armen ouden Jood op den hals gehaald hadden. Des
morgens, toen Izaäk opstaan en zijne reis vervolgen wilde, verzette
Nathan zich tegen zijn voornemen, zoowel in zijne hoedanigheid van
gastheer als in die van geneesheer. Het kon hem het leven kosten,
zei hij. Maar Izaäk gaf hem tot antwoord, dat er meer dan leven en
dood met zijne reis naar Templestowe gemoeid was.

"Naar Templestowe!" zei zijn gastheer met verbazing; voelde hem
nog eens den pols, en pruttelde toen in zich zelven; "De koorts is
afgenomen, maar toch schijnt zijn geest eenigszins verward."

"En waarom niet naar Templestowe?" antwoordde zijn patient. "Ik
geef u toe, Nathan, dat het eene woning is van mannen, voor welke
de verachte kinderen Israëls een steen des aanstoots en een afschuw
zijn; maar ge weet, dat dringende handelszaken ons soms onder deze
bloeddorstige Nazareensche soldaten voeren, en dat wij de Preceptorijen
der Tempeliers, zoowel als de Commanderijen der Hospitaal-ridders,
gelijk men ze noemt, bezoeken." [34]

"Dat weet ik wel," hernam Nathan; "maar weet ge wel, dat Lucas de
Beaumanoir, het opperhoofd van hunne Orde, en dien ze Grootmeester
noemen, nu zelf te Templestowe is?"

"Dat wist ik niet," hervatte Izaäk; "de laatste brieven van onze
broeders te Parijs berichtten ons, dat hij zich in die stad bevond,
om Filips hulp tegen den Sultan Saladin te vragen."

"Hij is sedert naar Engeland overgekomen, zonder dat zijne broeders hem
in het minst verwachtten, en hij komt met een sterken en uitgestrekten
arm, om hen te verbeteren en te bestraffen; zijn aangezicht is in toorn
ontstoken tegen hen, die van hunne gedane geloften zijn afgeweken,
en groot is de schrik onder die zonen van Belial. Ge hebt hem toch
zeker wel hooren noemen?"

"Ja zeker," antwoordde Izaäk; "de Heidenen schilderen dezen Lucas
Beaumanoir af, als een vurigen ijveraar voor ieder punt van de
Nazareensche wet; en onze broeders noemen hem een wreeden vernieler der
Saracenen, en een hardvochtigen dwingeland voor de kinderen Israëls."

"En zoo noemen zij hem met recht," hernam Nathan de geneesheer. "Andere
Tempeliers kunnen van hun voornemen worden afgebracht door vermaak,
of omgekocht worden door goud en zilver; maar Beaumanoir is van
verschillenden stempel;--hij veracht de zinnelijkheid, veracht den
rijkdom, en streeft naar hetgeen ze de martelaarskroon noemen.--De
God van Jakob schenke ze weldra aan hem en hen allen!--Vooral heeft
deze trotsche man zijne hand uitgestrekt tegen de kinderen van Juda,
evenals de heilige David tegen Edom, en hij houdt het vermoorden
van een Jood voor eene even aangename offerande, als de dood van een
Saraceen. Goddelooze en valsche dingen heeft hij gezegd, zelfs van
de krachten van onze geneesmiddelen, alsof het ingevingen van den
Satan waren.--De Heer straffe hem daarvoor!"

"En toch," hernam Izaäk, "moet ik mij naar Templestowe begeven,
al ware ook zijn aangezicht gelijk een vurig brandende oven."

Hierop verklaarde hij aan Nathan de dringende reden van zijne reis.--De
Rabbijn luisterde met belangstelling, en betuigde zijne deelneming
naar de wijze van zijn volk, zijn kleederen scheurende en uitroepende:
"Ach, mijne dochter!--Ach, mijne dochter!--Wee over de dochter van
Sion!--Wee over de gevangenschap van Israël!"

"Ge ziet," zei Izaäk, "hoe de zaken met mij staan, en dat ik niet
dralen mag. Misschien verhindert de tegenwoordigheid van dezen Lucas
Beaumanoir, die hun opperhoofd is, Brian De Bois-Guilbert in het
kwaad, dat hij in den zin heeft, en dan zal hij mij mijne beminde
dochter Rebekka teruggeven."

"Ga dan," zei Nathan Ben Israël; "en wees wijs; want wijsheid redde
Daniël in den leeuwenkuil, waarin hij geworpen was; en het ga u naar
den wensch uws harten. Maar zoo ge kunt, ontwijk de tegenwoordigheid
van den Grootmeester, want het is zijn dagelijksch vermaak ons volk
door verachting te krenken. Mogelijk zult ge beter bij Bois-Guilbert
slagen, zoo ge hem in het geheim kunt spreken; want men zegt, dat deze
verwenschte Nazareërs in de Preceptorij niet al te eenig zijn.--Mogen
hunne beraadslagingen tot schande gemaakt worden!--Maar, broeder,
keer tot mij terug, als tot het huis van uw vader, en breng bericht,
hoe het u gegaan is; en ik hoop, dat ge Rebekka mede zult brengen,
de leerling der wijze Mirjam, wier genezingen de Heidenen lasterden,
alsof ze het werk des Satans waren."

Izaäk zei zijn vriend vaarwel, en na omtrent een uur gereden te hebben,
kwam hij vóór de Preceptorij van Templestowe. Deze stichting der
Tempeliers lag tusschen schoone, vette weiden, welke de vorige vrome
Preceptor aan de Orde ten geschenke gegeven had. Het gebouw was goed
versterkt; iets dat deze ridders nooit verzuimden, en dat de onveilige
toestand van Engeland noodig maakte. Twee zwartgekleede hellebaardiers
bewaakten de ophaalbrug, en anderen in dezelfde sombere liverei, slopen
heen en weer op de muren met een doodschen tred, meer op spoken dan op
soldaten gelijkende. De mindere dienaren van de orde waren in het zwart
gekleed, sedert het gebruik van witte kleederen, gelijk aan die van
de ridders en knapen, in de gebergten van Palestina eene vereeniging
van zekere valsche broeders had doen ontstaan, die zich Tempelridders
noemden, en der Orde groote schande berokkend hadden. Men zag nu en
dan een ridder in zijn langen witten mantel, met neergebogen hoofd,
en gekruiste armen over de plaats gaan. Ze gingen elkander voorbij
met een langzamen, plechtstatigen en stommen groet, volgens den regel
van hunne Orde, zich op de woorden der heilige Schrift beroepende:
"Door vele woorden ontgaat gij de zonde niet," en "Leven en dood
zijn in de macht der tong." In één woord, de sombere monnikachtige
gestrengheid van de tucht der Tempeliers, welke ze sedert lang tegen
verkwisting en losbandigheid verruild hadden, scheen eensklaps te
Templestowe onder het waakzame oog van Lucas Beaumanoir te herleven.

Izaäk bleef voor de poort staan, om te overwegen op welke wijze hij
zich het best eene gunstige ontvangst verzekeren zou; want hij begreep
wel, dat voor zijn ongelukkigen stam de herlevende dweepzucht van
de Orde niet minder gevaarlijk was dan haar grootste losbandigheid;
en dat zijn godsdienst het voorwerp van haat en vervolging in het
ééne geval zou zijn, gelijk zijn rijkdom hem in het andere aan de
knevelarijen van onbarmhartige onderdrukking zou blootgesteld hebben.

Intusschen wandelde Lucas Beaumanoir in een kleinen tuin, die tot de
Preceptorij behoorde, en door de buitenste vestingwerken ingesloten
was, in somber en vertrouwelijk gesprek met een broeder van de Orde,
die met hem uit Palestina was teruggekomen.

De Grootmeester was een man van reeds gevorderden leeftijd,
zooals zijn lange, grijze baard en zijn zware, grijze wenkbrauwen
getuigden, welken over oogen hingen, wier vuur de ouderdom niet had
kunnen blusschen. Zijn magere, strenge gelaatstrekken toonden, dat
hij een geduchte krijgsman geweest was, en hadden steeds nog eene
krijgshaftige, trotsche uitdrukking; niet minder bewees hunne door
onthouding veroorzaakte magerheid, dat hij een bijgeloovig boetedoener
en een hoogmoedig met zichzelven tevreden dweper was. Evenwel was
er op deze harde gelaatstrekken iets treffends en edels, dat zonder
twijfel toe te schrijven was aan de groote rol, welke zijn aanzienlijk
ambt hem verplichtte onder koningen en vorsten te spelen, en aan de
gewone uitoefening van gezag over de vele dappere en edele ridders,
die door de regels der Orde vereenigd waren. Zijne gestalte was groot
en zijne houding recht en statig, zonder door ouderdom en uitgestane
vermoeienissen gedrukt te zijn. Zijn witte mantel was stipt naar het
voorschrift van St. Bernardus zelven gemaakt, bestaande uit hetgeen
men toen _Burrel_-laken noemde. Deze mantel paste volkomen aan zijne
gestalte, en vertoonde op den linker schouder het achthoekige kruis van
de Orde in rood laken. Geen bont of hermelijn versierde zijn kleeding;
maar uit aanmerking van zijne hooge jaren was des Grootmeesters
wambuis, zooals de regels vergunden, met het fijnste lamsvel bezet,
met de wol naar buiten gekeerd,--hetwelk het dichtste bij bont
kwam,--de grootste weelde van dien tijd. In zijn hand droeg hij dien
eenvoudigen _abacus_ of ambtsstaf, waarmede de Tempeliers dikwijls
afgebeeld worden, aan het bovenste einde met een knop, waarop het kruis
van de Orde gegraveerd was, door een kring, of parelsnoer zooals de
herauten zulks noemen, omgeven. De man, welke deze hooge personaadje
vergezelde, droeg bijna in alle opzichten dezelfde kleeding, maar zijne
bijzondere onderdanigheid jegens zijn opperste toonde, dat er verder
geene gelijkheid tusschen hen bestond. De Preceptor, want dit was zijn
titel, ging niet vlak naast den Grootmeester, maar even achter hem,
zoodat Beaumanoir met hem spreken kon, zonder het hoofd om te draaien.

"Koenraad," zei de Grootmeester, "dierbare deelgenoot mijner veldslagen
en werken, in uw getrouwen boezem alleen kan mijn hart zijn verdriet
uitstorten. U kan ik zeggen, hoe dikwijls ik sedert mijne aankomst
in dit koninkrijk gewenscht heb verlost te worden en in te gaan in
de woningen der rechtvaardigen. Geen enkel voorwerp heeft zich in
Engeland aan mijne oogen opgedaan, waarop ze met welgevallen konden
rusten, behalve de graven onzer broeders, onder het grootsche gewelf
van onze tempelkerk in gindsche trotsche hoofdstad. O dappere Robert
de Ros! riep ik in mij zelven uit, terwijl ik op de strijders van
het kruis staarde, zooals ze daar op hunne graftomben afgebeeld
zijn;--o waardige Willem de Mareschal! opent uwe marmeren cellen, en
neemt in uwe rustplaats een vermoeiden broeder op, die liever tegen
honderdduizend Heidenen zou willen strijden dan het verval van onze
heilige Orde aanschouwen!"

"Het is maar al te waar," antwoordde Koenraad Mont-Fitchet; "en de
ongebondenheid onzer broeders in Engeland is zelfs nog erger dan
in Frankrijk."

"Omdat ze rijker zijn," hernam de Grootmeester. "Verschoon mij,
broeder, als ik mij zelven een weinig prijzen moet; gij kent het leven,
dat ik geleid heb; iederen regel van onze Orde heb ik gevolgd, ik heb
vleeschelijke en geestelijke duivels bestreden; ik heb den brieschenden
leeuw, die rondgaat om te zoeken, wien hij verslinden zal, als een
dapper ridder en vroom priester geveld, overal waar ik hem vinden
kon,--zooals de gezegende St. Bernardus ons heeft voorgeschreven in het
vijfenveertigste hoofdstuk onzer regels, _Ut leo semper feriatur_. [35]

Maar, bij den heiligen Tempel! bij den ijver, welke mijne kracht
en mijn leven, ja, de zenuwen en het merg mijner beenderen verteerd
heeft,--bij dienzelfden heiligen Tempel zweer ik u, dat behalve u en
nog een, welke de oude, strenge tucht van onze Orde nog handhaven,
ik geen broeder ken, die ik in mijn hart dien naam waardig keur. Wat
zeggen onze wetten, en hoe volgen onze broeders die op? Ze mogen geen
ijdel of wereldsch sieraad dragen, geen helmteeken, geen goud aan
stijgbeugels of toom; maar wie vertoont thans meer pracht en weelde,
dan de arme krijgslieden van den Tempel? Het is hun verboden, op de
valkenjacht te gaan, dieren met den pijl te vellen; op den jachthoren
te blazen, en hun paard voor de jacht te gebruiken, maar wie is nu zoo
bedreven als zij in alle ijdele vermaken van wild- en valkenjacht, en
in alle genoegens, die bosch en rivier opleveren?--Het is hun verboden
iets te lezen, zonder verlof van hunne meerderen; of naar iets te
luisteren, behalve de Heilige Schriften, die in het Refectorium
voorgelezen worden, en zie, ze geven gehoor aan minnezangers en
vermaken zich met dwaze romances. Zij moesten tooverij en ketterij
uitroeien,--en zie! thans zijn zij ijverig bezig, om de verwenschte
kabbalistische geheimen der Joden en de tooverij der Heidensche
Saracenen te beoefenen. Eenvoudige kost is hun voorgeschreven; wortels,
kruiden, gerstenat, en slechts driemaal in de week vleesch, omdat het
dagelijksch gebruik er van een schandelijk bederf voor het lichaam
is, en zie! hun tafels bezwijken onder het gewicht der lekkerste
spijzen.--Hun drank moest water zijn; en thans beroemt zich ieder
vroolijke gast, dat hij drinkt als een tempelier! Deze tuin zelf,
gevuld met kruiden en boomen, die uit het Oosten zijn overgebracht,
paste beter voor den _Harem_ van een ongeloovigen Emir, dan voor
de plek, welke Christenmonniken moesten gebruiken voor het planten
hunner keuken-groenten.--En, o Koenraad! welk een geluk zou het nog
zijn, indien de vergetelheid der tucht niet verder ging!--Het is u
bekend, dat men ons verboden heeft die vrome vrouwen te ontvangen,
welke in den beginne als zusters bij onze Orde ingelijfd waren,
omdat, zooals het zes-en-veertigste hoofdstuk zegt, de Satan,
door vrouwelijk gezelschap, menigeen van het rechte pad der
zaligheid heeft afgetrokken. Ja, zelfs in het laatste hoofdstuk,
(als het ware de slotsom van de zuivere, onbevlekte leer van onzen
gezegenden stichter), is het ons verboden, zelfs aan onze moeders en
zusters den kus der liefde te geven, _ut ommium mulierum fugiantur
oscula!_--Ik schaam mij over de verdorvenheid, die onder ons heerscht,
te spreken,--ja zelfs er aan te denken! De zielen onzer deugdzame
stichters, de schimmen van Hugo de Payen en Godfried de Saint Omer,
en van de zalige Zeven, die zich het eerst vereenigden, om hun leven
aan den dienst van den Tempel te wijden, worden in de zaligheid,
welke zij in het Paradijs genieten, gestoord. Ik heb hen gezien,
Koenraad, in nachtelijke droomen;--hunne heilige oogen stortten tranen
over de zonden en dwaasheden hunner broeders, en de schandelijke
losbandigheden, waarin zij zich dompelen. Beaumanoir! riepen zij;
gij slaapt,--ontwaak! Er ligt een schandvlek op het huis des Tempels,
schandelijk en groot, als het teeken, dat oudtijds op de huizen,
waar de melaatschheid geheerscht had, gemaakt werd. [36] De soldaten
van het kruis, die den blik der vrouwen, gelijk het oog der basilisken
moesten vermijden, leven in openlijke zonde, niet alleen met de vrouwen
van hun eigen stam, maar met de dochters der vervloekte Heidenen,
en nog erger vervloekte Joden. Beaumanoir, gij slaapt; op! en wreek
ons!--Verdelg de zondaars, mannen en vrouwen!--Grijp het zwaard van
Phineas!--De verschijning verdween, Koenraad, maar toen ik ontwaakte,
kon ik nog het gekletter der wapenrustingen hooren, en het golven
der witte mantels zien.--En ik wil naar hun bevel handelen, ik _wil_
den Tempel zuiveren, en de onreine steenen, waarin de pest zit,
zal ik wegnemen en uit het gebouw werpen!"

"Maar bedenk, eerwaarde vader," zei Mont-Fitchet, "dat de smet door
tijd en gewoonte ingevreten is: laat de hervorming voorzichtig zijn,
zoowel als billijk en wijs."

"Neen, Mont-Fitchet;--ze moet streng en plotseling zijn:--de Orde is op
het keerpunt van haar lot. De matigheid, zelfopoffering en vroomheid
van onze voorgangers hebben ons machtige vrienden verschaft;--onze
verwaandheid, rijkdom en weelde hebben ons geduchte vijanden op
den hals gehaald.--Wij moeten deze schatten wegwerpen, welke eene
verzoeking zijn voor de vorsten;--wij moeten die verwaandheid afleggen,
welke eene beleediging voor hen is;--wij moeten de losbandigheid
onzer zeden verbeteren, welke eene ergernis is voor de geheele
Christen-wereld!--of,--let wel op mijn woorden,--de Orde van den
Tempel zal geheel worden vernietigd, en hare plaats zal niet meer
onder de volkeren bekend zijn."

"God wende deze ramp van ons af!" riep de Preceptor.

"Amen!" zei de Grootmeester plechtig; "maar wij moeten Zijne hulp
verdienen. Ik zeg u, Koenraad, dat noch de machten des Hemels, noch
die der aarde de verdorvenheid van het tegenwoordig geslacht kunnen
verdragen. Mijne berichten zijn zeker;--de grond, waarop ons gebouw
staat, is reeds ondermijnd en iedere vermeerdering van grootheid
zal het slechts te eerder doen instorten. Wij moeten onze schreden
achterwaarts wenden, en ons als getrouwe strijders voor het kruis
gedragen, aan onze roeping niet alleen ons bloed en leven, niet
alleen onze lusten en ondeugden, maar ons gemak, onze levensvreugd,
onze neigingen en menig vermaak opofferen, dat geoorloofd kan zijn
aan anderen, maar verboden is aan den heiligen krijgsman des Tempels."

Op dit oogenblik kwam een schildknaap in een afgesleten kleed (want
de candidaten tot deze heilige Orde droegen gedurende hun noviciaat de
kleederen, welke de ridders afgelegd hadden,) in den tuin, maakte een
diepe buiging voor den Grootmeester, en bleef stilstaan, daar hij zijn
boodschap niet verrichten durfde, eer hij verlof daartoe bekomen had.

"Is het niet passender," zei de Grootmeester, "dezen Damian in het
kleed van Christelijke nederigheid in eerbiedige stilte voor zijn
opperste te zien verschijnen, dan zooals hij voor twee dagen rondliep,
als een nar in een bont wambuis, terwijl hij trotsch en ijdel als
een papegaai snapte?--Spreek, Damian, wij veroorloven het u;--wat is
uwe boodschap?"

"Een Jood staat buiten de poort, edele en eerwaarde vader, en verzoekt
broeder Brian De Bois-Guilbert te spreken."

"Gij doet wel mij hiervan kennis te geven," zei de Grootmeester;
"in onze tegenwoordigheid is een Preceptor slechts een gewoon lid
van onze Orde, die niet naar zijn eigen wil mag handelen, maar naar
dien van zijn Meester,--volgens den tekst: "Zoodra hij mij hoorde,
gehoorzaamde hij!"--Er is ons bijzonder veel aan gelegen, om iets van
het gedrag van dezen Bois-Guilbert te hooren," zei hij, zich tot zijn
makker wendende.

"Het gerucht noemt hem stout en dapper," zei Koenraad.

"En met recht noemt men hem zoo," hernam de Grootmeester; "in onze
dapperheid alleen zijn wij van onze voorgangers, de helden van het
kruis, niet ontaard. Maar broeder Brian trad in onze Orde als een
somber, ontevreden mensch; zonder twijfel aangespoord om onze gelofte
aan te nemen en de wereld vaarwel te zeggen, niet uit oprechtheid der
ziel, maar als een man, dien eenig gering ongeluk tot ontevredenheid en
berouw had gebracht. Sedert is hij een ijverig en ernstig onruststoker,
een ontevreden woelgeest, en een aanvoerder van hen geworden, die zich
tegen ons gezag verzetten, zonder te overwegen, dat aan den meester de
macht gegeven is, zelfs door het teeken van den staf en der roede,--den
staf om de zwakken te ondersteunen;--de roede om de misdadigers te
straffen.--Damian," vervolgde hij, "breng den Jood voor ons."

De knaap vertrok met eene diepe buiging, en keerde binnen weinige
minuten terug, Izaäk van York binnen leidende. Geen hulpelooze slaaf,
die in de tegenwoordigheid van eenig machtig vorst gebracht wordt,
kan diens rechterstoel met dieper eerbied en schrik naderen. Toen hij
op een afstand van drie ellen gekomen was, gaf Beaumanoir een teeken
met zijn staf, dat hij niet nader zou komen. De Jood knielde op den
grond neder, welken hij als een teeken van eerbied kuste; hierna
oprijzende, bleef hij voor de Tempeliers staan, met de handen op de
borst gevouwen, en het hoofd voorovergebogen, als een Oostersche slaaf.

"Damian," zei de Grootmeester, "vertrek, en houd een wacht gereed,
om dadelijk op ons bevel te verschijnen; en laat niemand in den tuin
komen, eer wij dien verlaten hebben."--De schildknaap boog diep en
vertrok.--"Jood," vervolgde de trotsche grijsaard, "let op! Het past
onzen stand niet, om lang met u te spreken, en het is onze gewoonte
niet, met wien het ook zij, woorden of tijd te verspillen. Wees
dus kort in uw antwoorden op hetgeen ik u vragen zal, en spreek de
waarheid; want zoo uw tong mij bedriegt, zal ik ze uit uw ongeloovigen
hals laten scheuren."

De Jood wilde antwoorden, maar de Grootmeester ging voort:

"Zwijg, ongeloovige!--Geen woord in onze tegenwoordigheid, dan in
antwoord op onze vragen.--Wat hebt gij met onzen broeder Brian de
Bois-Guilbert te doen?"

Izaäk beefde van schrik en onzekerheid. Zoo hij zijne geschiedenis
verhaalde, kon die als eene lastering van de Orde beschouwd worden; en
indien hij daarentegen ze niet verhaalde, wat hoop kon hij dan hebben,
om de verlossing zijner dochter te bewerken? Beaumanoir zag zijn
doodsangst, en verwaardigde zich, om hem een weinig gerust te stellen.

"Vrees niets," zei hij, "voor uw ellendig leven, Jood, indien gij
oprecht in deze zaak te werk gaat.--Ik vraag nog eens, wat hebt gij
met Brian de Bois-Guilbert te doen?"

"Ik ben de overbrenger van een brief," stamelde de Jood, "met uw
verlof, hoogeerwaarde en gestrenge heer, voor dezen dapperen ridder
van den Prior Aymer, van de Abdij van Jorvaulx."

"Zei ik niet, dat het booze tijden waren, Koenraad?" zei de
Grootmeester. "Een Cisterciënser Prior zendt een brief aan een soldaat
van den Tempel, en kan geen geschikter bode vinden dan een ongeloovigen
Jood.--Geef mij den brief!"

De Jood maakte met bevende handen de plooien van zijn Armenische
kap los, waarin hij des Priors schrijftafel tot grootere veiligheid
verborgen had, en wilde met uitgestrekte hand en gebogen lichaam
naderen, om die aan zijn strengen rechter over te geven. "Terug,
hond!" riep de Grootmeester. "Ik raak geen ongeloovige aan, behalve met
het zwaard.--Koenraad, neem den brief aan, en geef hem aan mij over."

Beaumanoir, thans in het bezit van de schrijftafel, bekeek den
buitenkant nauwkeurig, en wilde toen het garen losmaken, waarmede
die toegemaakt was. "Eerwaarde vader," zei Koenraad met eerbied,
"zult gij het zegel openbreken?"

"Zou ik niet?" hervatte Beaumanoir met gefronst voorhoofd. "Staat er
niet in het tweeënveertigste hoofdstuk, _De lectione literarum_, dat
een Tempelier geen brief mag ontvangen, zelfs van zijn vader, zonder
dien aan den Grootmeester over te geven, en in zijne tegenwoordigheid
te lezen?"

Hierop keek hij haastig den brief door, en met eene uitdrukking van
verbazing en afgrijzen, las hij dien nog eenmaal langzamer over;
vervolgens het papier aan Koenraad met de eene hand toehoudende en
er met de andere licht op slaande, riep hij uit: "Dat is eene schoone
zaak voor een Christen, om aan een ander Christen over te schrijven,
en beiden zijn leden, en geen onaanzienlijke leden, van heilige
broederschappen! Wanneer," zei hij plechtig met ten hemel geslagene
oogen, "zult Gij, o Heer! met Uw wan komen, om den dorschvloer te
zuiveren?"

Mont-Fitchet nam den brief van zijn opperste, en wilde hem
doorlezen. "Lees hard op, Koenraad," zei de Grootmeester, "en gij"
(tegen Izaäk), "luister naar den inhoud, want wij zullen u daarover
ondervragen!"

Koenraad las den brief, welke aldus luidde:


    "Aymer, door Gods genade, Prior van het huis der Cisterciënsers
    van de Heilige Maria van Jorvaulx, wenscht den Ridder Brian de
    Bois-Guilbert, van de heilige Orde des Tempels, gezondheid,
    met de gunst van God Bacchus en van Vrouw Venus. Wat onzen
    tegenwoordigen toestand betreft, waarde broeder, wij zijn
    een gevangene in de handen van zekere wetschendende en
    goddelooze mannen, die niet gevreesd hebben onzen persoon aan
    te houden en ons losgeld af te dwingen, waardoor wij ook van
    Front-de-Boeuf's ongeluk zijn onderricht geworden, en dat
    gij met die schoone Joodsche tooveres ontsnapt zijt, wier
    zwarte oogen u bekoord hebben. Wij zijn hartelijk verblijd,
    dat ge in veiligheid zijt; evenwel bidden wij u, op uwe
    hoede te zijn ten opzichte van deze tweede heks van Endor;
    want wij zijn in het geheim verzekerd, dat uw Grootmeester,
    die zich niet in het minste aan roode wangen en zwarte oogen
    stoort, uit Normandië komt, om uwe genoegens te beperken, en
    uwe misstappen te bestraffen. Derhalve bidden wij u hartelijk
    op uwe hoede te zijn en wakende gevonden te worden, zooals
    de heilige tekst zegt: _Invenientur vigilantes!_ En de rijke
    Jood, haar vader, Izaäk van York, mij om een brief ter haren
    voordeele verzocht hebbende, zoo heb ik hem dezen gegeven, u
    ernstig aanradende om het meisje tegen losgeld vrij te geven,
    daar hij uit zijne geldzakken gemakkelijk genoeg geven kan,
    om vijftig andere vrouwen los te koopen en van dit geld hoop
    ik mijn deel te krijgen, als wij ons samen verlustigen zullen,
    gelijk getrouwe broeders, den wijnbeker niet te vergeten;
    want, wat zegt de tekst? _Vinum lactificat cor hominis_;
    en verder: _Rex delectabitur pulchritudine tua_.

    Wij wenschen u wel te leven tot aan onze eerste
    bijeenkomst! Gegeven uit dit roovershol, tegen het uur van
    het morgengebed.

                                    Aymer, Pr. S. M. Jorvolciensis.

    "_Postscriptum._ Waarachtig, uw gouden ketting is niet lang
    bij mij gebleven, en daaraan hangt thans, om den hals van een
    vogelvrijverklaarden wilddief, het fluitje, waarmede hij zijn
    jachthonden roept!"


"Wat zegt ge hiervan, Koenraad?" zei de
Grootmeester. "Roovershol! waarlijk een geschikt verblijf voor zulk
een Prior! Geen wonder, dat Gods hand zwaar op ons ligt, en dat wij
in het heilige Land stad op stad, voet voor voet, op de ongeloovigen
verliezen, daar wij zulke geestelijken, als dezen Aymer, hebben!--En
wat meent hij toch met die tweede heks van Endor?" vroeg hij zijn
vertrouweling ter zijde.

Koenraad was (misschien uit ondervinding) beter bekend met de taal der
galanterie, dan zijn opperste; en hij verklaarde den Grootmeester,
dat dit eene uitdrukking was, in gebruik bij wereldsgezinde mannen
jegens degenen, welken ze _par amours_ beminden; maar deze verklaring
voldeed den bijgeloovigen Beaumanoir niet.

"Daar schuilt meer achter dan ge wel denkt, Koenraad; uwe eenvoudigheid
kan dezen afgrond van goddeloosheid niet peilen. Deze Rebekka van York
was eene leerlinge van Mirjam, van wie ge hebt hooren spreken. Ge
zult zien; de Jood zelf zal het bekennen." Voorts zich tot Izaäk
wendende, zei hij luide: "Uw dochter is dus de gevangene van Brian
De Bois-Guilbert?"

"Ja, eerwaarde en dappere heer, en al wat een arm man voor haar
bevrijding betalen kan--"

"Stil!" zei de Grootmeester. "Deze uw dochter heeft de heelkunde
beoefend, niet waar?"

"Ja, genadige heer;" antwoordde de Jood met herlevenden moed, "en
ridder en knecht, vasal en heer zegenen de gaven, welke de Hemel haar
geschonken heeft. Menigeen kan getuigen, dat ze hem door hare kunst
genezen heeft, toen alle andere menschelijke hulp vruchteloos was;
maar de zegen van den God van Jakob rustte op haar."

Beaumanoir wendde zich tot Mont-Fitchet met een sarkastischen lach:
"Zie, broeder," zei hij, "de verleidingen van den aartsvijand der
menschen! Zie het lokaas, waarmede hij naar zielen vischt, daar hij een
korte span aardsch leven voor de eeuwige zaligheid schenkt! Wat zegt
onze heilige regel: _Semper percutiatur leo vorans_.--Val aan op den
leeuw! Vel den vernieler!" riep hij, zijn symbolieken staf zwaaiende,
alsof hij de machten der duisternis uitdaagde. "Uwe dochter werkt dus,"
ging hij voort tegen den Jood, "door woorden, zegels, amuletten en
andere kabbalistische geheimen?"

"Neen, eerwaarde en dappere ridder," antwoordde Izaäk, "maar
hoofdzakelijk door een balsem van wonderdadige kracht."

"Van wien heeft ze dit geheim?" vroeg Beaumanoir.

"Het werd haar geopenbaard door Mirjam, eene wijze vrouw uit onzen
stam," antwoordde Izaäk aarzelende.

"Ha, valsche Jood! was het die heks Mirjam, wier afschuwelijke
toovenarijen in ieder Christelijk land bekend zijn?" riep de
Grootmeester, een kruis slaande. "Haar lichaam is op een brandstapel
verbrand, en hare asch door de winden verstrooid; en zoo ga het mij
en mijne Orde, zoo ik niet hetzelfde en nog meer aan haar leerling
doe! Ik zal haar leeren de soldaten van den Heiligen Tempel te
betooveren!--Hier, Damian! werp dezen Jood buiten de poort!--Schiet
hem dood, zoo hij zich verzet of terugkeert! Met zijne dochter zullen
wij handelen, zooals de Christelijke wet en ons heilig ambt vorderen!"

De arme Izaäk werd dus weggesleept en naar buiten geworpen, zonder
dat men de minste acht sloeg op zijn smeekingen, of zelfs op zijn
aanbiedingen. Hij kon dus niets beters doen, dan naar het huis
van den Rabbijn terug te keeren, en te trachten, door middel van
dezen gewaar te worden, wat het lot zijner dochter zijn zou. Hij
had tot hiertoe voor haar eer gevreesd, en nu moest hij voor haar
leven sidderen. Intusschen liet de Grootmeester den Preceptor van
Templestowe bij zich komen.



ZES-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.


            Zeg niet, mijn kunst is slechts bedrog;--alles leeft
            Door schijn; hij is het, die den beed'laar voedt,
            Den hov'ling land en rang en tit'len schenkt.
            De geestelijke en de moedige soldaat
            Verheft zich door den schijn;--elk huldigt hem,
            En hij, voorwaar, die steeds zich hier vertoont
            Gelijk hij is, heeft weinig roem te wachten,
            In 't veld, in staat, of kerk. Zoo is de wereld!

                                                    Oud Toneelstuk.


Albert Malvoisin, President, of in de taal der Orde, Preceptor der
stichting te Templestowe, was de broeder van dien Philip Malvoisin,
van wien wij reeds vroeger in dit verhaal melding hebben gemaakt,
en evenals deze baron, was hij ook nauw met Brian De Bois-Guilbert
verbonden.

Onder de losbandige en ongeregelde mannen, die bij de Orde der
Tempeliers zoo talrijk waren, was Albert van Templestowe geen der
minsten; maar met dit verschil van den stouten Bois-Guilbert, dat hij
zijne ondeugden en eerzucht onder den sluier van schijnheiligheid
wist te bedekken, en uiterlijk de dweepzucht te veinzen, welke hij
inwendig verachtte. Ware de aankomst van den Grootmeester niet zoo
geheel onverwacht geweest, dan zou hij te Templestowe niets gezien
hebben, dat eenige verslapping van tucht kon verraden. En ofschoon
Albert Malvoisin door de verrassing eenigszins overrompeld werd,
luisterde hij met zooveel eerbied en schijnbaar berouw naar de
berispingen van zijn opperste, en haastte zich zoo zeer om alles
wat deze afkeurde, te hervormen, en slaagde kortom zoo wel, om den
schijn van klooster-vroomheid aan een gesticht te geven, dat nog
kort te voren aan losbandigheid en vermaak was toegewijd geweest,
dat Lukas Beaumanoir eene betere meening van de zeden des Preceptors
begon te koesteren, dan het eerste voorkomen der stichting hem had
doen opvatten.

Maar deze gunstige meening van den Grootmeester werd zeer verminderd
door het bericht, dat Albert een Joodsche gevangene in het heilige
huis had opgenomen, en wel, zooals te vreezen was, de beminde van
een broeder der Orde; en toen Albert voor hem verscheen, werd hij
met ongewone gestrengheid behandeld.

"Er is in dit gebouw, toegewijd aan de heilige Orde des Tempels," zei
de Grootmeester op ernstigen toon, "eene Joodsche vrouw, die door een
broeder der Orde met uw weten, heer Preceptor, hierheen gebracht werd."

Albert Malvoisin werd in de grootste verlegenheid gebracht; want de
ongelukkige Rebekka was in een afgelegen en geheim gedeelte van het
gebouw opgesloten, en hij had alle voorzorgen genomen om te beletten
dat haar verblijf aldaar bekend werd. Hij las in de blikken van
Beaumanoir verderf voor Bois-Guilbert en voor zich zelven, zoo het
hem niet gelukte den dreigenden storm af te wenden.

"Waarom blijft gij sprakeloos?" vervolgde de Grootmeester.

"Is het mij vergund te spreken?" hervatte de Preceptor op een toon
der diepste onderdanigheid, ofschoon hij door deze vraag slechts een
oogenblik tijd wilde winnen, om zijne gedachten te verzamelen.

"Spreek; het is u geoorloofd," zei de Grootmeester;--"Spreek, en zeg,
kent gij het hoofdstuk onzer heilige regels,--_De commilitonibus
Templi in sancta civitate, qui cum miserrimis mulieribus versantur,
propter oblectationem carnis?_--over den omgang der Tempelridders
met lichte vrouwen?"

"Voorzeker, zeer eerwaarde vader," antwoordde de Preceptor, "ik ben
niet tot deze waardigheid in de Orde opgeklommen, zonder een der
voornaamste geboden er van te kennen."

"Hoe komt het dan, vraag ik u nog eens, dat gij geduld hebt, dat
een broeder zijne bijzit, en nog wel eene Joodsche tooveres, in deze
heilige plaats, tot hare schande en bezoedeling gebracht heeft?"

"Eene Joodsche tooveres!" riep Albert Malvoisin; "alle goede engelen
mogen ons daarvoor bewaren!"

"Ja, broeder, eene Joodsche tooveres!--Durft gij ontkennen, dat deze
Rebekka, de dochter van dien ellendigen woekeraar, Izaäk van York,
en de leerling dier schandelijke heks Mirjam, thans,--het is schande
daarvan te spreken en er aan te denken!--binnen deze uwe Preceptorij
gehuisvest is?"

"Uwe wijsheid, eerwaarde vader," hernam de Preceptor, "heeft den nevel
voor mijn verstand verdreven. Ik verwonderde mij zeer, hoe zulk een
dapper ridder als Brian De Bois-Guilbert zoo onbegrijpelijk verzot
kon wezen op de schoonheid dezer vrouw, die ik in dit huis opgenomen
heb om een hinderpaal tegen eene aangroeiende vertrouwelijkheid op
te richten, welke anders had kunnen aangekweekt worden ten koste van
onzen dapperen en vromen broeder."

"Is er dan nog niets tusschen hen voorgevallen, waardoor zijne gelofte
geschonden wordt?" vroeg de Grootmeester.

"Hoe! onder dit dak?" riep de Preceptor, een kruis makende; "Dat
verhoede de Heilige Magdalena en de tienduizend maagden.--Neen! zoo
ik eene zonde begaan heb door haar hier op te nemen, dan was het
door het dwaalbegrip, dat ik op deze wijze de dwaze liefde van onzen
broeder voor deze Jodin kon verijdelen, welke mij zoo hartstochtelijk
en onnatuurlijk voorkwam, dat ik ze niet anders dan als een soort van
krankzinnigheid moest beschouwen, die eerder medelijden dan berisping
verdiende. Maar daar uwe eerwaarde's wijsheid ontdekt heeft, dat deze
Joodsche vrouw eene tooveres is, zal dit wel den waanzin des ridders
voldoende verklaren."

"Zoo is het!--zoo is het!" zei Beaumanoir; "zie, broeder Koenraad, hoe
gevaarlijk het is zich aan de eerste inblazingen en verlokkingen van
den Satan over te geven. Wij zien de vrouwen slechts aan, om den lust
der oogen te bevredigen, en genoegen te scheppen in hetgeen de mannen
hare schoonheid noemen, en de erfvijand krijgt macht over ons, om door
talisman en betoovering een werk te voltooien, dat uit ijdelheid en
dwaasheid begonnen was. Het is mogelijk, dat onze broeder Bois-Guilbert
in dit geval eerder medelijden dan strenge kastijding verdient,
eerder de ondersteuning van den staf, dan de slagen der roede, en
dat onze vermaningen en gebeden hem aan zijn broeders teruggeven."

"Het zou zeer jammer zijn," zei Koenraad Mont-Fitchet, "een der
beste krijgslieden van de Orde te verliezen, op het oogenblik dat
de heilige broederschap den bijstand harer zonen het meest noodig
heeft. Driehonderd Saracenen heeft deze Brian De Bois-Guilbert met
eigen hand verslagen!"

"Het bloed van deze vervloekte honden," zei de Grootmeester,
"zal een aangenaam en welgevallig offer zijn voor de heiligen en
engelen, die zij verachten en lasteren; en door hunne hulp zullen
wij de betooveringen tegenwerken, door welke onze broeder als in een
net verstrikt is. Hij zal de banden dezer Delila verbreken, gelijk
Simson de twee nieuwe koorden verscheurde, waarmede de Philistijnen
hem gebonden hadden, en hij zal nieuwe drommen ongeloovigen ter
nedervellen. Maar wat deze schandelijke heks betreft, die een broeder
van den Heiligen Tempel betooverd heeft, zij zal sterven!"

"Maar de wetten van Engeland,"--zei de Preceptor, die, ofschoon hij
zich verheugde, dat de toorn van den Grootmeester zoo gelukkig van
hem zelven en Bois-Guilbert afgeleid was, en een andere richting
genomen had, nu begon te vreezen, dat hij het te ver gedreven had.

"De wetten van Engeland," hervatte Beaumanoir, "vergunnen en bevelen
iederen rechter, om in zijn eigen gebied recht te spreken. De kleinste
baron kan in zijn gebied eene heks in hechtenis nemen, haar een
proces aandoen, en veroordeelen. En zou men deze macht weigeren aan
den Grootmeester van den Tempel, binnen een Preceptorij van zijne
Orde?--Neen!--wij zullen oordeelen en vonnissen. De heks zal van de
aarde verdwijnen, en onze zonden zullen ons vergeven worden. Laat
de zaal van het kasteel voor het proces der tooveres in gereedheid
brengen."

Albert Malvoisin boog diep en vertrok,--niet, om bevelen te geven tot
het gereed maken van de zaal, maar om Brian De Bois-Guilbert op te
zoeken en hem mede te deelen, hoe de zaak waarschijnlijk eindigen
zou. Hij vond hem weldra, schuimende van woede over eene nieuwe
afwijzing van de schoone Jodin. "Die onbezonnene," riep hij, "die
ondankbare! Een man te minachten, die midden door bloed en vlammen
haar leven met gevaar van het zijne gered heeft! Bij den Hemel,
Malvoisin! Ik bleef er, tot dak en pilaren om mij heen kraakten en
instortten. Honderd pijlen werden tegen mij gericht; ze ratelden
tegen mijn wapenrusting, evenals hagelsteenen op getraliede vensters,
en het eenige gebruik, dat ik van mijn schild maakte, was om haar
te verdedigen. Dit heb ik voor haar gedaan, en nu verwijt mij het
eigenzinnige meisje, dat ik haar niet heb laten omkomen, en weigert
mij niet alleen het geringste bewijs van dankbaarheid, maar zelfs de
verste hoop, dat ze mij die ooit betoonen zal. De duivel, die haar
geslacht met hardnekkigheid bezielt, heeft alle kracht daarvan in
hare persoon alleen vereenigd!"

"De duivel," zei de Preceptor, "heeft u, geloof ik, beiden bezeten. Hoe
dikwijls heb ik u voorzichtigheid, zoo niet onthouding gepredikt? Heb
ik u niet gezegd, dat er gewillige Christen-meisjes genoeg te vinden
waren, die het voor zonde zouden houden een zoo dapperen ridder het
minneloon te weigeren? En ge moet uwe genegenheid op eene eigenzinnige,
stijfhoofdige Jodin vestigen! Waarachtig, ik geloof, dat de oude
Lucas Beaumanoir te recht gist, dat ze u betooverd heeft."

"Lucas Beaumanoir?" zei Bois-Guilbert.--"Zijn dit uwe voorzorgen,
Malvoisin? hebt ge den ouden man laten vernemen, dat Rebekka in de
Preceptorij is?"

"Hoe kon ik het verhinderen?" antwoordde de Preceptor. "Ik heb niets
verzuimd om uw geheim verborgen te houden; maar het is verraden, en
de duivel alleen kan u zeggen door wien. Ik heb echter de zaak eene
zoo goede wending mogelijk gegeven; ge zijt veilig, als ge van Rebekka
afziet. Men beklaagt u, als het slachtoffer van tooverkunsten. Ze is
eene tooveres en moet als zoodanig sterven."

"Bij den Hemel, dat zal ze niet!" riep Bois-Guilbert.

"Bij den Hemel, ze zal en moet!" hervatte Malvoisin. "Noch gij,
noch iemand anders kan haar redden. Lucas Beaumanoir heeft bepaald,
dat de dood dezer Jodin een voldoend zoenoffer zal zijn voor alle
verliefde zonden der Tempelridders; en ge weet, dat hij zoowel de
macht als den wil heeft, om een zoo redelijk en vroom voornemen ten
uitvoer te brengen."

"Zullen toekomende eeuwen gelooven, dat er ooit zulk een dom bijgeloof
bestaan heeft?" riep Bois-Guilbert, met groote schreden in het vertrek
heen en weêr gaande.

"Wat men gelooven zal, weet ik niet," hernam Malvoisin bedaard;
"maar ik weet wel, dat in onze dagen negen en negentig van de honderd
geestelijken en leeken _Amen!_ zullen roepen bij het vonnis van den
Grootmeester."

"Ik heb het gevonden," zei Bois-Guilbert; "Albert, ge zijt mijn
vriend. Gij moet haar laten ontvluchten, Malvoisin, en ik zal haar
naar een meer geheime plaats brengen."

"Dat kan ik niet, al wilde ik het ook," hervatte de Preceptor,
"het huis is gevuld met de volgelingen des Grootmeesters, en van
anderen, die hem toegedaan zijn. En om oprecht jegens u te zijn,
broeder, ik zou mij met die zaak niet willen bemoeien, zelfs zoo
ik hopen kon ze gelukkig ten einde te brengen. Ik heb reeds genoeg
om uwentwil gewaagd. Ik heb geen lust om geschorst te worden, of
zelfs mijn Preceptorij te verliezen, om den wil van een opgeschikt
Jodenmeisje. En als ge mijn raad wilt volgen, dan geeft ge die dolle
jacht op, en laat uw valk op ander wild los. Bedenk, Bois-Guilbert,--uw
tegenwoordige rang, uw toekomstige roem, alles hangt van uw naam
bij de Orde af. Blijft ge bij uwe onzinnige liefde voor deze Rebekka
volharden, dan zult ge Beaumanoir eene gelegenheid geven, om u ten val
te brengen; en hij zal ze niet verzuimen. Hij is bang voor den staf,
welken hij in zijne bevende vingers houdt; en hij weet, dat gij de
handen stout daarnaar uitstrekt. Twijfel er niet aan, hij bewerkt uw
val, indien ge hem een zoo schoon voorwendsel, als de bescherming
van eene Joodsche tooveres, verschaft. Geef toe in deze zaak, want
gij kunt hem niet weêrstaan. Als gij den staf in uwe eigene krachtige
vuist hebt, dan kunt ge de dochters van Juda liefkoozen of verbranden,
naar verkiezing."

"Malvoisin," zei Bois-Guilbert, "ge zijt een koelbloedige--"

"Vriend," hervatte de Preceptor, zich haastende om het ontbrekende
met een woord aan te vullen, waarvoor Bois-Guilbert waarschijnlijk
een beleedigende uitdrukking zou gebruikt hebben,--"een koelbloedige
vriend ben ik, en derhalve te beter geschikt om u raad te geven. Ik
zeg u nog eens, dat ge Rebekka niet redden kunt. Ik herhaal het: ge
kunt alleen met haar sterven. Ga, vlieg naar den Grootmeester,--werp
u aan zijne voeten, en zeg hem--"

"Bij den Hemel! niet aan zijne voeten, maar ik wil den dweper in zijn
gezicht zeggen--"

"Zeg het hem dan in het gezicht," vervolgde Malvoisin koeltjes,
"dat ge deze gevangen Jodin tot razernij toe bemint; en hoe meer ge
uw hartstocht overdrijft, hoe meer zal hij zich haasten om er een
einde aan te maken door den dood van de schoone tooveres; terwijl
ge, op de daad betrapt door de bekentenis van eene misdaad in strijd
met uw eed, geen hulp van uwe broeders kunt verwachten, en dan moet
ge al uwe schitterende vooruitzichten op eer en macht opgeven en uwe
lans gebruiken als huurling, in eene of andere nietige twist tusschen
Vlaanderen en Bourgondië."

"Ge spreekt waarheid, Malvoisin," zei Brian De Bois-Guilbert, na
een oogenblik bedenkens. "Ik wil den bijgeloovigen grijsaard geen
voordeel over mij geven; en wat Rebekka betreft, ze heeft aan mij
niet verdiend, dat ik rang en eer om harentwil zou prijs geven. Ik
zal haar opgeven!--ik wil haar aan haar lot overlaten, zoo niet--"

"Beperk uw wijs en noodzakelijk besluit niet," viel Malvoisin hem in
de rede; "vrouwen zijn slechts het speelgoed, waarmede wij onze ledige
uren aanvullen;--eerzucht is het ernstige doel des levens. Laat duizend
zulke broze poppen als deze Jodin vernietigen, eer uw mannelijke voet
stilstaat op de schitterende loopbaan, die zich voor u opent! Voor het
oogenblik scheiden wij; want men moet ons niet in een vertrouwelijk
gesprek aantreffen.--Ik moet de zaal voor het gerecht in orde laten
brengen."

"Hoe!" riep Bois-Guilbert, "zoo spoedig?"

"Ja," antwoordde de Preceptor; "het proces gaat schielijk door,
als de rechter het vonnis reeds vooraf bepaald heeft."

"Rebekka," zei Bois-Guilbert, toen hij alleen was, "ge zult
mij waarschijnlijk duur te staan komen;--waarom kan ik u niet
aan uw lot overlaten, zooals deze koelbloedige schijnheilige mij
aanbeveelt?--Ééne poging wil ik doen, om u te redden; maar wacht u
voor ondankbaarheid! want, zoo ik nog eens afgewezen word, dan zal
mijne wraak mijn liefde evenaren. Het leven en de eer van Bois-Guilbert
zullen niet in de weegschaal gelegd worden, als verachting en verwijten
zijne eenige belooning zijn!"

De Preceptor had nauwelijks de noodige bevelen gegeven, of Koenraad
Mont-Fitchet vervoegde zich bij hem, en onderrichtte hem van het
besluit des Grootmeesters om de Jodin oogenblikkelijk wegens tooverij
terecht te stellen.

"Het is voorzeker een droom," zei de Preceptor; "wij hebben vele
Joodsche geneesheeren, en wij noemen hen geene toovenaars, ofschoon
ze wonderbaarlijke genezingen verrichten."

"De Grootmeester denkt er anders over," zei Mont-Fitchet; "en Albert,
ik wil oprecht met u zijn;--tooveres of niet, het is beter, dat
dit ellendig meisje sterve, dan dat Brian De Bois-Guilbert voor de
Orde verloren ga, of dat de Orde door inwendige verdeeldheid geschokt
worde. Ge kent zijn hoogen rang, zijn krijgsroem;--ge kent den eerbied,
welken velen onzer broeders hem betoonen;--maar dit alles zal hem
bij onzen Grootmeester niets baten, zoo hij Brian als medeplichtige
en niet als slachtoffer van deze Jodin beschouwt. Al waren de zielen
van al de twaalf stammen in haar lichaam vereenigd, dan ware het beter
dat zij alléén leed, dan dat Bois-Guilbert in haar ondergang deelde."

"Ik heb hem zoo even nog aangezet, om haar op te geven," zei Malvoisin;
"maar nog eens,--zijn er gronden genoeg om deze Rebekka wegens tooverij
aan te klagen?--Zal niet de Grootmeester van gevoelen veranderen,
als hij ziet, dat de bewijzen zoo zwak zijn?"

"Die moeten versterkt worden, Albert!" hernam Mont-Fitchet; "die
moeten versterkt worden. Verstaat ge mij?"

"Ja," antwoordde de Preceptor; "ik aarzel ook niet, om iets tot het
welzijn der Orde te doen;--maar er is weinig tijd over om geschikte
werktuigen te vinden."

"Malvoisin, die _moeten_ gevonden worden," hervatte Koenraad; "het
zal u en de Orde groot voordeel aanbrengen. Dit Templestowe is een
arme Preceptorij,--die van Maison-Dieu is nog eens zoo rijk;--ge kent
mijn invloed bij onzen grijzen aanvoerder;--vind menschen, die deze
zaak kunnen doorzetten, en ge wordt Preceptor van Maison-Dieu in het
vruchtbare Kent.--Wat zegt ge daarvan?"

"Er zijn," hernam Malvoisin, "onder de lieden, die met Bois-Guilbert
hier gekomen zijn, twee menschen, die ik goed ken; ze zijn bedienden
van mijn broeder Philip de Malvoisin geweest; en zijn uit zijn dienst
in dien van Front-de-Boeuf overgegaan.--Misschien weten ze iets van
de tooverij dezer vrouw."

"Ga, en zoek hen dadelijk op,--en hoor eens; als een paar _byzantijnen_
hun geheugen versterken kunnen, laat het dan daaraan niet ontbreken."

"Ze zouden voor een _zechin_ zweren, dat de moeder, die hun het leven
geschonken heeft, eene tooveres was," zei de Preceptor.

"Ga dan," zei Mont-Fitchet; "tegen den middag zal de zaak voortgang
hebben. Ik heb onzen chef in geene zoo ernstige stemming gezien,
sedert hij Hamet Alfagi, een bekeerde, die weder tot den Turkschen
godsdienst afviel, tot den brandstapel veroordeelde."

De zware klok van het kasteel had het middaguur verkondigd, toen
Rebekka voetstappen op de trap hoorde, welke naar hare gevangenis
leidde. Het geraas kondigde de aankomst van verscheidene personen
aan, en deze omstandigheid was haar een troost; want zij vreesde de
bezoeken van den trotschen en driftigen Bois-Guilbert meer dan eenig
ander kwaad, dat haar overkomen kon. De deur van het vertrek werd
geopend, en Koenraad trad met den Preceptor Malvoisin en vier in het
zwart gekleede wachters, met hellebaarden gewapend, binnen.

"Dochter van een vervloekten stam," zei de Preceptor, "sta op en
volg ons!"

"Waarheen?" vroeg Rebekka, "en waartoe?"

"Meisje," antwoordde Koenraad, "het past u niet te vragen; maar te
gehoorzamen. Evenwel moogt gij vernemen, dat gij voor de vierschaar
van den Grootmeester van onze Heilige Orde zult gebracht worden,
om daar rekenschap van uwe zonde te geven."

"De God Abrahams zij geloofd," riep Rebekka, de handen dankbaar
ineenslaande; "de naam van een rechter, ofschoon een vijand van ons
volk, klinkt in mijn ooren als die van een beschermer. Gaarne volg
ik u;--vergun mij slechts mijn sluier om mijn hoofd te slaan."

Zij gingen de trap met langzame en plechtige schreden af, door een
lange galerij, en traden door een vleugeldeur aan het eene einde
in de groote zaal, waarin de Grootmeester voor het oogenblik zijn
gerechtshof had opgeslagen.

Het benedenste gedeelte van dit ruim vertrek was opgevuld met
gewapenden en landslieden, die niet zonder zwarigheid plaats voor
Rebekka maakten, die, begeleid door den Preceptor en Mont-Fitchet
en gevolgd door de hellebaardiers, zich naar de aangewezen plaats
begaf. Terwijl zij, met gevouwen handen en voorover gebogen hoofd,
door den hoop ging, werd haar een stukje papier in de hand gestopt;
zij ontving het bijna zonder het te weten, en hield het vast zonder
naar den inhoud te zien. De verzekering echter, dat zij een vriend
in deze verschrikkelijke vergadering had, gaf haar moed om rond te
zien, en op te merken in wiens tegenwoordigheid zij zich bevond. Zij
ontwaarde een tooneel, dat wij trachten zullen in het volgende
hoofdstuk te beschrijven.



ZEVEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.


        Streng was de wet, die haar dienaars dwong, het hart
        Te sluiten voor 't gevoel van aardsch' ellende en smart,
        Streng was de wet voorwaar, die menschen dorst bevelen,
        Om nimmer in de vreugd, hoe schuldloos ook, te deelen:
        Maar eindloos strenger nog de wet, die d'ijzren staf
        Der dwinglandij aanvaardde, alsof haar God dien gaf.

                                                    De Middeleeuwen.


De rechtbank, opgericht voor het proces der onschuldige en ongelukkige
Rebekka, besloeg het hoogere of bovenste einde van de groote zaal,
dat wij reeds als de eereplaats beschreven hebben, bestemd om de
aanzienlijkste bewoners of gasten te ontvangen.

Op een verheven gestoelte, vlak voor de aangeklaagde, zat de
Grootmeester der Tempeliers, in een wijd, ruim, wit kleed, vol plooien,
in zijn hand den mystieken staf houdende, waarop het zinnebeeld der
Orde prijkte. Vóór hem stond eene tafel, waaraan twee schrijvers
zaten, de kapelanen der Orde, wier plicht het was om hetgeen voorviel
behoorlijk ten protocol te brengen. De zwarte kleeding, de geschoren
kruinen en het nederig voorkomen van deze geestelijken, vormde een
sterke tegenstelling met de krijgshaftige houding van de aanwezige
ridders, die of in de Preceptorij huisvestten, of in gezelschap van
hun Grootmeester daarheen gekomen waren. De Preceptoren, ten getale
van vier, bezetten de zitplaatsen, welke minder hoog en wat verder
naar achteren waren, dan die van hun opperhoofd, en de ridders,
die geen hoogeren rang in de Orde bekleedden, zaten op nog lager
banken, op denzelfden afstand van de Preceptoren, als dezen van den
Grootmeester. Achter hen, maar nog altijd op het verhevene gedeelte
der zaal, stonden de schildknapen der Orde, in witte kleederen van
mindere fijnheid. De geheele vergadering had een deftig voorkomen,
en op het gelaat der ridders bespeurde men blijken van krijgshaftigen
moed, vereenigd met al den ernst, die mannen van geestelijken stand
past, en dien geen van hen in tegenwoordigheid van hun Grootmeester
verzuimde aan te nemen.

Het overige, lagere gedeelte van de zaal was gevuld met wachten,
die gewapend waren met hellebaarden, en met andere lieden, welke de
nieuwsgierigheid daarheen gelokt had, om tegelijk een Grootmeester
en eene Joodsche tooveres te zien. Verreweg de meerderheid dezer
mindere personen was door de een of andere ambtsbetrekking met
de Orde verbonden en onderscheidden zich dus door eene zwarte
kleeding. Maar men had ook de boeren uit de omliggende streken
toegelaten; want Beaumanoir stelde er roem in, om het stichtelijk
tooneel van de gerechtigheid, die hij uitoefende, zoo openbaar
mogelijk te maken. Zijne groote blauwe oogen schenen grooter te
worden, terwijl hij de vergadering overzag, en zijn gelaat scheen te
stralen met de overtuiging van zijne waardigheid en met de ingebeelde
verdienstelijkheid van de rol, welke hij speelde. Een psalm, dien
hij zelf met een diepe, zachte stem, welke de ouderdom nog niet van
hare kracht beroofd had, medezong, was het begin van den dag: en de
plechtige tonen: _Venite, exsultemus Domino_, welke de Tempeliers
zoo dikwijls aanhieven, eer ze ten strijde gingen tegen aardsche
vijanden, werden door Lucas voor het geschiktst geoordeeld, om tot
inleiding te dienen voor de naderende zegepraal van het licht over
de duisternis, zooals hij het noemde. De lang aangehouden noten, door
een honderdtal mannenstemmen, in het koorgezang geoefend, aangeheven,
weêrgalmden tot aan de gewelfde zoldering van de zaal, en weêrklonken
tusschen de pilaren met een aangenaam en toch plechtig geluid, als
het golven van een machtigen stroom. Toen het gezang ophield, overzag
de Grootmeester langzaam den kring en bespeurde, dat de zitplaats van
één der Preceptoren ledig gebleven was. Brian De Bois-Guilbert, wien
die toekwam, had zijne plaats verlaten, en stond nu aan het uiterste
einde van een der banken, welke de gewone ridders des Tempels bezetten,
met de eene hand zijn langen mantel ophoudende, zoodat hij eenigermate
zijn gezicht bedekte, terwijl hij in de andere zijn zwaard hield,
welks gevest den vorm van een kruis had, en met de punt van hetwelk hij
zonder het uit te trekken, langzaam lijnen op den eiken vloer teekende.

"Ongelukkige!" zei de Grootmeester, na een medelijdenden blik op hem
geslagen te hebben. "Gij ziet, Koenraad, hoe dit heilige werk hem
kwelt. Zoo ver kan de lichtzinnige blik eener vrouw, door de macht van
den vorst der duisternis ondersteund, een dapperen en waardigen ridder
brengen!--Zie, hij kan ons niet aanzien, en haar evenmin; en wie weet
door welke macht van den boozen geest door wien hij bezeten is, zijne
hand deze kabbalistische lijnen op den vloer trekt? Mogelijk wordt
ons leven en onze veiligheid daardoor bedreigd; maar wij trotseeren en
dagen den boozen geest uit--_Semper leo perculiatur!_" Dit fluisterde
hij heimelijk zijn vertrouweling Koenraad Mont-Fitchet toe. Hierop
verhief hij de stem en wendde zich aldus tot de vergadering.

"Eerwaarde en dappere mannen, Ridders, Preceptoren, en Leden van
deze Heilige Orde, mijn broeders en mijn kinderen!--gij ook edele
en vrome schildknapen, die er naar streeft om eens dit heilige kruis
te dragen!--en gij ook, Christenbroeders van allen rang!--verneemt,
dat het geen gebrek aan macht is, welke de bijeenroeping dezer
vergadering veroorzaakt heeft, want, hoe onwaardig onze persoon ook
zij, is ons evenwel met dezen staf volmacht gegeven, om alles wat
het welzijn van deze onze heilige Orde betreft, te beoordeelen en te
vonnissen. St. Bernardus heeft in den regel van onzen ridderlijken en
godsdienstigen stand gezegd, in het negen-en-vijftigste Hoofdstuk [37],
dat hij niet wilde, dat de broeders in een raad zouden bijeengeroepen
worden, dan met den wil en op bevel van den Grootmeester; terwijl hij
het ons overlaat, zooals aan die waardige vaders, welke ons in deze
onze heilige bediening zijn voorafgegaan, om de gelegenheid, den tijd
en de plaats te bepalen, wanneer een kapittel van de geheele Orde, of
eenig gedeelte er van zal worden gehouden. Ook is het in al zoodanige
zaken onze plicht den raad onzer broeders te hooren, en voorts naar
ons eigen goeddunken te handelen. Zoodra echter de woedende wolf
op onze kudde aanvalt en een lid er van heeft weggesleept, dan is
het de plicht van den goeden herder, om zijne makkers bijeen te
roepen, opdat ze met bogen en slingers den aanvaller verdrijven,
volgens onzen welbekenden regel, dat de leeuw altijd moet worden
verslagen. Wij hebben derhalve in onze tegenwoordigheid gedagvaard
eene Joodsche vrouw, met name Rebekka, dochter van Izaäk van York,
eene vrouw, berucht door haar hekserijen en tooverijen, waardoor ze
het bloed en het brein heeft betooverd niet van een boer, maar van
een ridder,--niet van een wereldlijken ridder, maar van een ridder,
aan den dienst des Tempels toegewijd;--niet van een eenvoudig ridder,
maar van een Preceptor van onze Orde, den eerste in roem, zoowel als
in rang. Onze broeder Brian De Bois-Guilbert is ons en allen, die
mij hooren, wel bekend als een waardig en ijverig kampvechter van het
kruis, wiens arm menige dappere daad in het Heilige Land verricht, en
de heilige oorden door het bloed der ongeloovigen, die ze bewoonden,
van bezoedeling gezuiverd heeft. Niet minder dan zijne dapperheid en
krijgskunde is de schranderheid en voorzichtigheid van onzen broeder
aan zijn medebroeders gebleken; in zooverre, dat ridders, zoowel in het
Oosten als in het Westen, Bois-Guilbert een man genoemd hebben, die
wèl als onze opvolger in het voeren van dezen staf in aanmerking zou
kunnen komen, wanneer het den Hemel behagen zal, ons te verlossen van
den last, dien te dragen. Indien men ons zeide, dat zulk een man, zóó
geëerd en zóó eerwaardig, plotseling alle achting voor zijn karakter,
zijne gelofte, zijne broeders, zijne vooruitzichten verwerpende,
een Joodsch meisje tot zich genomen, en in dit schandelijk gezelschap
eenzame plaatsen bezocht had; hare persoon, ten koste van de zijne,
verdedigd had, en kortom zoodanig verblind en verzot was, dat hij
haar zelfs in een van onze Preceptorijen gebracht had; wat zouden
wij dan anders zeggen, dan dat de edele ridder door eenigen boozen
geest bezeten, of door eenige boosaardige betoovering verstrikt
was?--Indien wij het anders konden veronderstellen, denkt dan niet,
dat rang, moed, vermaardheid, of eenige aardsche bedenking ons zou
weerhouden om hem met straf te bezoeken, opdat de booze mocht worden
uitgedreven, volgens den tekst: _Auferte malum ex vobis_.

"Want menigvuldig en ergerlijk zijn de overtredingen tegen de
regels van onze gezegende Orde in deze droevige zaak. 1°. Hij
is naar zijn eigen vrijen wil rondgetrokken, strijdig met het
drie-en-dertigste hoofdstuk: _Quod nullus iuxta propriam voluntatem
incedat_. 2°. Hij heeft verkeering gehouden met een van de Kerk
uitgesloten persoon,--zeven-en-vijftigste hoofdstuk: _Ut fratres
non participent cum excommunicatis_; en derhalve is hij onderhevig
aan het _Anathema Maranatha_. 3°. Hij heeft met vreemde vrouwen
verkeerd, strijdig met het hoofdstuk: _Ut fratres non conversentur
cum extraneis mulieribus_. 4°. Hij heeft niet alleen den kus eener
vrouw niet vermeden, maar zooals ik vreezen moet, er om aangezocht;
waardoor, gelijk de laatste regel van onze beroemde Orde zegt, _ut
fugiantur osculo_, de soldaten van het kruis in een valstrik gelokt
worden. Voor deze schandelijke en menigvuldige misdaden moest Brian De
Bois-Guilbert uit onze broederschap worden afgesneden en uitgeworpen,
al ware hij er de rechterhand en het rechteroog van!"

Hij zweeg. Een zacht gefluister verspreidde zich door de
vergadering. Eenige van de jonge ridders, die genegen schenen om te
glimlachen over de wet: _De osculis fugiendis_, werden thans ernstig
genoeg en wachtten met ongeduld op hetgeen de Grootmeester verder
zou voordragen.

"Zoodanig," vervolgde hij, "en zoo streng moest inderdaad de straf van
een Tempelridder zijn, die de regels zijner Orde op zulke gewichtige
punten willens en wetens overtrad. Maar wanneer door middel van
tooverkunsten de Satan macht over den ridder verkregen heeft,
misschien omdat hij zijn oog te lichtvaardig op de schoonheid van
een meisje wierp, dan moeten wij zijne dwaling eerder beklagen dan
bestraffen, en hem slechts een straf opleggen, welke hem van zijne
zonden kan reinigen, het geheele gewicht van onzen toorn wenden
tegen het vervloekte werktuig, dat bijna zijn geheelen val had teweeg
gebracht. Treedt voor, derhalve, en getuigt, gij, die deze ongelukkige
gebeurtenissen bijgewoond hebt, opdat wij de bewijzen mogen onderzoeken
en oordeelen, of onze gerechtigheid zich kan tevreden stellen met de
bestraffing van deze ongeloovige vrouw, dan of wij met een bloedend
hart tot verdere vervolging tegen onzen broeder moeten overgaan."

Er werden verscheidene getuigen geroepen, om het gevaar te bewijzen,
waaraan Bois-Guilbert zich had blootgesteld, toen hij Rebekka uit het
brandend kasteel redde, en haar met minachting zijner eigene veiligheid
beschermd had. De menschen deden dit verhaal met de overdrijving
eigen aan gemeene lieden, die sterk door de eene of andere bijzondere
gebeurtenis getroffen zijn; en hunne natuurlijke neiging voor het
wonderbare werd zeer verhoogd door het genoegen, dat hunne getuigenis
den aanzienlijken man scheen te verschaffen, voor wien ze afgelegd
werd. Dus waren de gevaren, welke Bois-Guilbert te boven gekomen was,
hoewel op zichzelve groot genoeg, volgens hun verhaal ongelooflijk. De
ijver des ridders in de verdediging van Rebekka werd overdreven,
niet alleen boven de grenzen van het gezond verstand, maar zelfs van
den dolzinnigsten riddermoed; en zijne onderworpenheid voor hetgeen
ze zeide, schoon ze dikwijls op een strengen, verwijtenden toon tot
hem sprak, werd afgeschilderd als zoo slaafsch, dat ze bij een man
van een zoo trotsch karakter onnatuurlijk moest schijnen.

Daarna werd de Preceptor van Templestowe geroepen, om de wijze te
beschrijven, waarop Bois-Guilbert en de Jodin bij de Preceptorij
waren aangekomen. De getuigenis van Malvoisin werd met de uiterste
voorzichtigheid gegeven. Maar terwijl hij zich er schijnbaar op
toelegde, om het gevoel van Bois-Guilbert te sparen, liet hij van tijd
tot tijd eenige wenken vallen, welke schenen aan te duiden, dat hij
onder eenige verstandsverbijstering leed, daar hij zoo innig gehecht
scheen aan het meisje, dat hij medebracht. Met teekenen van berouw
bekende de Preceptor de zonde, die hij begaan had door Rebekka en haar
ridder binnen de Preceptorij te ontvangen.--"Maar mijne verdediging,"
zoo besloot hij, "heb ik aan onzen Grootmeester voorgedragen; hij weet,
dat mijne beweegredenen niet slecht waren, al strijdt ook mijn gedrag
tegen den regel. Goedwillig zal ik mij aan iedere boete onderwerpen,
welke hij mij opleggen zal."

"Gij hebt goed gesproken, broeder Albert," zei Beaumanoir; "uwe
beweegredenen waren goed, dewijl gij daarin gelijk hadt, dat gij uw
dwalenden broeder op zijne dolzinnige loopbaan wildet stuiten. Maar
uwe handelwijze was verkeerd:--gelijk hij, die een hollend paard wil
tegenhouden en het bij den stijgbeugel in plaats van bij den toom
vat, zelf beschadigd wordt, in plaats van nut te stichten. Onze vrome
stichter heeft dertien _paternosters_ bepaald voor den morgendienst en
negen voor den avonddienst; gij moet dit getal verdubbelen. Driemaal
in de week is het den Tempelier vergund vleesch te nuttigen; gij moet
de geheele week vasten. Als gij dit zes weken lang volgehouden hebt,
is uw boete volbracht."

Met een schijnheiligen blik der diepste onderwerping, boog de Preceptor
van Templestowe tot den grond voor zijn Grootmeester, en begaf zich
weder op zijne plaats.

"Zou het niet goed zijn, broeders," vervolgde de Grootmeester,
"dat wij eenig onderzoek deden naar het vroeger leven en verkeer
van deze vrouw, vooral om te ontdekken, of het waarschijnlijk is,
dat zij van hekserijen en tooverkunsten gebruik gemaakt heeft, daar
de waarheden, die wij gehoord hebben, ons wel zouden doen gelooven,
dat onze dwalende broeder in deze ongelukkige onderneming door eenige
helsche verleidingen en bedriegerijen aangedreven is?"

Herman Van Goodalricke was de vierde Preceptor, die tegenwoordig was;
de drie anderen waren Koenraad, Malvoisin en Bois-Guilbert zelf. Herman
was een oud krijgsman, wiens gezicht bedekt was met litteekens van
de sabelhouwen der Muzelmannen, en die in groote achting stond en
veel gezag had onder zijn broeders. Hij stond op en boog diep voor
den Grootmeester, die hem dadelijk verlof gaf om te spreken. "Ik
zou gaarne, eerwaarde vader, van onzen dapperen broeder Brian De
Bois-Guilbert zelven, willen vernemen wat hij op deze wonderbare
beschuldigingen zegt, en met welk oog hij thans zelf zijne onzalige
verkeering met dit Joodsche meisje aanschouwt?"

"Brian De Bois-Guilbert," zei de Grootmeester, "gij hoort de vraag,
waarop onze broeder van Goodalricke begeert, dat gij antwoorden
zult. Ik beveel u hem bescheid te geven."

Bois-Guilbert wendde het hoofd naar den Grootmeester, toen hij dus
aangesproken werd, en bewaarde het stilzwijgen!

"Hij is door den duivel der sprakeloosheid bezeten!" zei de
Grootmeester. "Wijk, Satanas!--Brian De Bois-Guilbert, ik bezweer u
bij dit teeken van onze heilige Orde!"

Bois-Guilbert deed eene poging, om zijne klimmende minachting en
verontwaardiging te onderdrukken, daar hij wel begreep, dat eene
uitbarsting hem weinig zou geholpen hebben.

"Brian De Bois-Guilbert," hernam hij, "antwoordt niet, eerwaarde
vader, op zulke onbepaalde en ijdele aanklachten. Indien zijne eer
aangetast wordt, dan zal hij die met zijn lichaam en met zijn zwaard,
dat zoo dikwijls voor het Christendom gestreden heeft, verdedigen."

"Wij vergeven u, broeder Brian," zei de Grootmeester, "dat gij in
onze tegenwoordigheid op uw krijgsdaden roemt, want dit komt van den
booze, die ons in de verzoeking brengt, om onze eigene verdiensten te
vergrooten. Maar gij hebt onze vergiffenis, daar ik begrijp, dat gij
minder uit uw eigen mond spreekt dan uit dien van hem, welken wij,
met Gods hulp, uit deze vergadering denken te verdrijven."

Een blik van verachting vlamde in het zwarte, dreigende oog van
Bois-Guilbert, maar hij antwoordde niet.--"En nu," vervolgde de
Grootmeester, "daar de vraag van onzen broeder van Goodalricke
zoo onvolledig beantwoord is, willen wij ons onderzoek vervolgen,
broeders, en, met behulp van onzen beschermheilige, dit goddeloos
geheim tot op den grond toe nasporen. Laten zij, die iets te getuigen
hebben aangaande het leven en het verkeer dezer Jodin, te voorschijn
treden." Er ontstond een gedruisch in het benedenste gedeelte van
de zaal, en toen de Grootmeester naar de reden vroeg, antwoordde
men hem, dat er zich onder den hoop een man bevond, die bedlegerig
geweest was, en dien de gevangene door een wonderdadigen balsem het
volkomen gebruik van zijne ledematen teruggegeven had.

De arme boer, een Sakser van geboorte, werd naar voren gesleept,
sidderend voor de straf, welke hem zou kunnen treffen, omdat hij door
een Jodenmeisje van de gevolgen eener beroerte genezen was. Volkomen
genezen was hij zeker niet, want hij steunde nog op zijn krukken,
terwijl hij zijne getuigenis aflegde. Zeer ongaarne en met veel
tranen verhaalde hij, dat hij twee jaren te voren, te York wonende,
door eene zware ziekte werd aangetast, terwijl hij in zijn beroep
van schrijnwerker voor Izaäk, den rijken Jood werkte; dat hij
buiten staat geweest was, om van het bed op te staan, voordat de
geneesmiddelen, welke hij op Rebekka's aanwijzing gebruikt had,
en vooral een verwarmende en geurige balsem, hem eenigermate het
gebruik zijner ledematen teruggegeven hadden. Daarenboven zei hij,
dat zij hem een potje met die kostelijke zalf gegeven en nog een stuk
geld geschonken had, om naar het huis van zijn vader in de nabijheid
van Templestowe terug te keeren. "En met uw eerwaarde's verlof," zei
de man, "ik kan niet gelooven, dat het meisje mij kwaad doen wilde,
ofschoon zij het ongeluk heeft eene Jodin te zijn; want zelfs toen
ik haar middel gebruikte, zeide ik het _pater_ en _credo_ op, en het
werkte toch niet minder heilzaam."

"Zwijg, slaaf," zei de Grootmeester, "en vertrek! Het past wel aan
honden, gelijk gij zijt, om zich met helsche genezingen in te laten,
en bij de zonen des ongeloofs te werken. Ik zeg u, de booze kan ziekten
opleggen alleen om ze te genezen, en daardoor eenig helsch geneesmiddel
in aanzien te brengen. Hebt gij de zalf nog, waarvan gij spreekt?"

Na met eene bevende hand in den boezem getast te hebben, haalde
de boer een kleine doos te voorschijn, op welker deksel eenige
Hebreeuwsche letters stonden, wat bij het grootste gedeelte der
toehoorders een zeker bewijs was, dat de duivel voor apotheker
gespeeld had. Beaumanoir nam, na een kruis gemaakt te hebben, de
doos in de hand, en, daar hij de meeste Oostersche talen verstond,
las hij gemakkelijk het opschrift: _de leeuw van den stam van Juda
heeft verwonnen_. "Wonderbare macht des Satans!" riep hij, "welke de
Heilige Schrift in godslastering kan veranderen, en vergif onder ons
noodzakelijk voedsel mengt!--Is er hier geen geneeskundige, die ons
de bestanddeelen van deze geheimzinnige zalf zeggen kan?"

Twee geneesmeesters, zooals ze zich noemden, de een een monnik en de
andere een barbier, verschenen, en verklaarden, dat ze niets van de
bestanddeelen wisten; behalve dat ze naar myrrhe en kamfer roken,
welke zij voor Oostersche kruiden hielden. Maar met den echten
broodnijd bezield tegen een gelukkigen beoefenaar van hunne kunst,
gaven zij te kennen, dat, nu het geneesmiddel hunne kennis te boven
ging, het noodzakelijk uit ongeoorloofde, betooverde bestanddeelen
moest bereid zijn, daar zij, ofschoon geen toovenaars, iederen tak
van hunne kunst verstonden, voor zoover ze een goed Christen op een
eerlijke wijze kon beoefenen. Toen dit geneeskundig onderzoek gedaan
was, verzocht de Saksische boer nederig, dat men hem het geneesmiddel
zou teruggeven, dat hij zoo heilzaam bevonden had, maar de Grootmeester
fronste de wenkbrauwen bij dit verzoek. "Hoe heet gij, mensch?" vroeg
hij den kreupele.

"Higg, de zoon van Snell," antwoordde de boer.

"Dan zeg ik u, Higg, zoon van Snell," zei de Grootmeester, "dat het is
beter bedlegerig te zijn, dan artsenij van ongeloovigen aan te nemen,
om te kunnen opstaan en wandelen;--dat het beter is de ongeloovigen
met geweld van hunne schatten te berooven, dan weldaden van hen aan te
nemen, of hen voor loon te dienen. Ga heen, en doe wat ik gezegd heb!"

"Och," zuchtte de boer, "met uw eerwaarde's verlof, die les komt nu
te laat voor mij; want ik ben maar een kreupel mensch, maar ik zal
aan mijn twee broeders, die bij den rijken Rabbijn Nathan Ben Samuel
dienen, zeggen, dat de Grootmeester het voor eerlijker houdt hem te
bestelen, dan hem trouw te dienen."

"Voort met dien praatzieken dwaas!" riep Beaumanoir, die er niet op
gevat was om deze practische toepassing van zijn algemeenen regel
te beantwoorden.

Higg, de zoon van Snell, trok zich onder de menigte terug; maar,
daar hij in het lot zijner weldoenster belang stelde, toefde hij
om haar vonnis te vernemen, zelfs op gevaar om nog eens den blik
van dien strengen rechter te moeten verdragen, die hem van angst had
doen ineenkrimpen. Thans beval de Grootmeester aan Rebekka om zich te
ontsluieren. Haar lippen voor de eerste maal openende, antwoordde zij,
"dat het niet de gewoonte was van de vrouwen van haar stam, het gelaat
te ontblooten, wanneer zij alléén in gezelschap van vreemdelingen
waren." De zoete klank van haar stem en de zachtheid van haar antwoord
boezemden den toehoorders medelijden en belangstelling in. Maar
Beaumanoir, in wiens gemoed het onderdrukken van elk menschelijk
gevoel, dat hem belemmeren kon in hetgeen hij voor plicht hield,
eene deugd was, herhaalde zijn bevel, dat zijn slachtoffer zich
ontsluieren moest. De wachten wilden dus haar sluier wegrukken, toen
zij oprees en tot den Grootmeester zei: "Ach, bij de liefde voor uwe
eigene dochters!--Helaas!" vervolgde zij, zich bedenkende, "gij hebt
geene dochters,--bij de liefde voor uwe zusters en voor vrouwelijke
zedigheid, laat mij niet in uw tegenwoordigheid zoo ruw behandeld
worden; het betaamt niet, dat een meisje door zulke handen aangeraakt
worde. Ik zal u gehoorzamen," voegde zij er bij, met eene uitdrukking
van geduldige smart in hare stem, welke bijna het hart van Beaumanoir
zelven verteederd had. "Gij zijt de ouderlingen van uw volk, en op uw
bevel zal ik u de gelaatstrekken van een rampzalig meisje vertoonen."

Zij sloeg den sluier terug, en zag hen aan met een blik, waarin
beschroomdheid met waardigheid streed. Hare buitengewone schoonheid
verwekte een gefluister van verbazing, en de jongere ridders zeiden
elkander door hun blikken, dat Brian's beste verontschuldiging eerder
in de kracht van hare wezenlijke bekoorlijkheden, dan aan haar
gewaande tooverij lag. Maar Higg, de zoon van Snell, gevoelde het
diepst de uitwerking, welke het gelaat van zijn weldoenster teweeg
bracht. "Laat mij heengaan!" riep hij de wachten aan de deur van
de zaal toe:--"Laat mij vertrekken!--nog één blik zal mij dooden,
want ik heb deel aan hare vermoording!"

"Stil, vriend," zei Rebekka, toen ze deze klachten hoorde, "gij hebt
mij geen kwaad gedaan door de waarheid te spreken;--gij kunt mij door
uwe klachten, of berouw niet helpen. Wees stil, bid ik u;--ga naar
huis en zorg voor uwe eigene veiligheid."

Higg was op het punt, om door de medelijdende wachters naar buiten
gezonden te worden, daar zij vreesden, dat zijne luidruchtige smart
hun verwijten en hem straf op den hals zou halen. Maar hij beloofde
stil te zijn, en kreeg verlof om te blijven. De twee krijgslieden, met
welken Albert Malvoisin niet verzuimd had, over hunne getuigenis te
spreken, werden nu te voorschijn geroepen. Ofschoon beiden verharde
en verstokte booswichten waren, scheen evenwel de aanblik van de
gevangene en haar uitstekende schoonheid hen een weinig te verwarren;
maar een veelbeteekenende blik van den Preceptor van Templestowe
gaf hun hunne ongevoelige verstoktheid terug, en ze verhaalden met
eene nauwkeurigheid, welke aan minder partijdige rechters verdacht
zou zijn geweest, omstandigheden, welke òf geheel verzonnen, òf
nietsbeteekenend en eenvoudig in zich zelve waren, maar die ongunstig
werkten door de vergrooting en de verkeerde uitlegging, welke de
getuigen aan de daadzaken gaven. De punten waarover hun getuigenis
liep, zouden in nieuwere tijden in twee klassen verdeeld geworden
zijn,--die, welke niet belangrijk en die welke physiek onmogelijk
waren. Maar ze werden beide in die tijden van onkunde en bijgeloof
gereedelijk voor bewijzen van schuld aangenomen.--De eerste klasse
behelsde, dat men Rebekka in eene onbekende taal in zich zelve had
hooren praten,--dat de liederen, welke zij van tijd tot tijd zong,
een bijzonder zachten toon hadden, welke de ooren boeide en het hart
trof;--dat ze soms met zich zelve sprak, en naar boven keek, alsof ze
antwoord wachtte,--dat hare kleeding wonderbaarlijk en vreemd was,
geheel ongelijk aan die van eerbare vrouwen;--dat ze ringen had,
waarop kabbalistische spreuken stonden, en dat er vreemde letters op
haren sluier geborduurd waren. Al deze omstandigheden, hoe natuurlijk
en onbeduidend ook, werden ernstig aangehoord, als bewijzen, dat
Rebekka eene ongeoorloofde verkeering met booze geesten had.

Maar er waren minder dubbelzinnige bewijzen, welke de lichtgeloovigen
in de vergadering gretig aanhoorden, hoe onwaarschijnlijk ze ook
waren. Een der soldaten had haar eene genezing zien verrichten aan een
gekwetste, die met hen naar Torquilstone gebracht was. Zij maakte, zei
hij, zekere teekens over de wond, en herhaalde zekere geheimzinnige
woorden, welke hij God dankte, dat hij niet verstond, en dadelijk
ging de ijzeren punt van den schicht van een armboog uit de wond los;
het bloeden werd gestild; de wond sloot zich, en de stervende liep
binnen een kwartier weder gezond op de wallen, en hielp den getuige
een steenslinger besturen. Dit verhaal was waarschijnlijk op de
daadzaak gegrond, dat Rebekka den gekwetsten Ivanhoe had opgepast,
toen hij in het kasteel van Torquilstone gevangen was. Maar het was
des te moeielijker om de nauwkeurigheid van den getuige te betwisten;
daar hij, om een zichtbaar bewijs bij zijne mondelinge getuigenis te
voegen, uit zijn zak de punt van den schicht haalde, welke, volgens
zijn verhaal, zoo wonderdadig uit de wond getrokken was; en daar
het ijzer een vol ons woog, bevestigde dit volkomen het verhaal,
hoe wonderbaar het ook klonk.

Zijn makker was van een naburig bolwerk getuige geweest van het
tooneel tusschen Rebekka en Bois-Guilbert, toen zij op het punt was,
om zich boven van den toren neder te storten. Om niet minder dan
zijn kameraad te zijn, verhaalde hij, dat hij Rebekka had gezien,
toen zij zich op de borstwering van den toren neêrzette, waar zij de
gedaante van eene witte zwaan had aangenomen, en zoo driemaal om het
kasteel van Torquilstone gefladderd had; dat zij hierop zich weder
op den toren neêrgelaten en haar menschelijke gedaante hernomen had.

Minder dan de helft van deze zwaarwichtige getuigenis zou voldoende
geweest zijn om elke arme en leelijke oude vrouw, al ware zij geen
Jodin geweest, van tooverij te overtuigen. Daarenboven, waren
de bewijzen bezwaard door Rebekka's jeugd, en hare betooverende
schoonheid.

De Grootmeester had de stemmen opgenomen, en vroeg thans op plechtigen
toon aan Rebekka, wat zij te zeggen had tegen het vonnis, dat hij op
het punt stond van uit te spreken.

"Uw medelijden in te roepen," zei de bekoorlijke Jodin, met eene stem,
die van aandoening beefde, "zou, dat begrijp ik, even nutteloos,
als verachtelijk zijn. Te beweren, dat het ondersteunen van zieken
en gewonden van een anderen godsdienst aan den erkenden Stichter van
ons beider godsdienst niet ongevallig zijn kan, zou even vruchteloos
zijn; staande te houden, dat vele dingen, welke deze mannen (de Hemel
vergeve het hun!) tegen mij verklaard hebben, onmogelijk zijn, zou
mij weinig baten, daar gijlieden aan de mogelijkheid ervan gelooft, en
nog minder zou het mij helpen, te verklaren, dat de bijzonderheden van
mijne kleeding, taal en zeden, aan mijn volk eigen zijn,--bijna had ik
gezegd aan mijn vaderland: maar helaas! wij hebben geen vaderland. Ik
wil mij niet eens verdedigen ten koste van mijn onderdrukker, die
dáár staat en naar de verdichtselen en overdrijvingen luistert,
welke den dwingeland in het slachtoffer schijnen te veranderen. De
Hemel beslisse tusschen hem en mij! maar liever wilde ik tienmaal den
dood ondergaan, welken gij goedvinden kunt over mij uit te spreken,
dan aan de aanzoeken gehoor geven, welke deze zoon Belial's mij
gedaan heeft,--mij, die zonder vriend of beschermer, en zijn gevangene
was. Maar hij behoort tot uw geloof, en zijn geringste woord zou tegen
de plechtigste betuigingen der ongelukkige Jodin opwegen. Ik wil dus
de tegen mij gedane beschuldiging niet op hem terug werpen; maar op
hem zelven,--ja, Brian De Bois-Guilbert, op u zelven beroep ik mij,
of deze beschuldigingen niet even valsch, gruwelijk en lasterlijk
als schandelijk zijn?"

Er ontstond een plechtige stilte; aller oogen vestigden zich op Brian
De Bois-Guilbert. Hij zweeg.

"Spreek!" zei ze, "zoo gij een man zijt,--zoo gij een Christen zijt,
spreek!--Ik bezweer u bij het kleed, dat gij draagt,--bij den naam,
dien gij geërfd hebt,--bij de ridderschap waarop gij u beroemt,--bij
de eer uwer moeder,--bij het graf en het gebeente van uw vader;--ik
bezweer u te zeggen, zijn deze dingen waar?"

"Antwoord haar, broeder," zei de Grootmeester, "als de vijand, met
welken gij worstelt, u zulks vergunt."

Inderdaad scheen Bois-Guilbert door tegenstrijdige aandoeningen
bewogen, welke zijne gelaatstrekken misvormden, en met groote
inspanning antwoordde hij eindelijk, op Rebekka ziende,--"het
blad! het blad!"

"Waarachtig," riep Beaumanoir, "dat is een getuigenis!--Het slachtoffer
van haar tooverkunsten kan alleen het noodlottige blad noemen,--en
de tooverteekens, die er op geschreven staan, zijn zonder twijfel de
reden van zijn stilzwijgen."

Maar Rebekka gaf eene andere uitlegging aan de woorden, welke aan
Bois-Guilbert als het ware afgeperst waren, en haar oog slaande op het
stukje perkament, dat zij nog altijd in de hand hield, las zij daarop,
in Arabische letters: "Vraag een kampvechter!"--Het gemor, dat zich
over het zonderlinge antwoord van Bois-Guilbert door de vergadering
verspreidde, gaf Rebekka den tijd, om het blad onopgemerkt te lezen
en te vernielen, zooals zij geloofde. Toen het gedruisch ophield,
vatte de Grootmeester het woord op. "Rebekka, gij kunt geen voordeel
trekken uit de getuigenis van dezen ongelukkigen ridder, over wien,
zooals wij wel bespeuren, de booze geest nog te machtig is. Hebt gij
nog iets anders te zeggen?"

"Er is mij nog ééne kans over om mijn leven te redden," antwoordde
Rebekka, "zelfs volgens uwe wreede wetten. Mijn leven is ellendig
geweest,--ten minste sedert eenigen tijd;--maar ik wil het geschenk
Gods niet wegwerpen, zoolang Hij mij middelen aan de hand geeft,
om het te verdedigen. Ik loochen deze beschuldigingen;--ik houd mijn
onschuld staande, en ik verklaar de aanklacht voor valsch.--Ik vorder
het voorrecht van een Godsoordeel, en zal vertegenwoordigd worden
door mijn kampvechter!"

"En wie, Rebekka," vroeg de Grootmeester, "zal de lans voor een
tooveres opnemen?--Wie zal de kampvechter van een Jodin willen zijn?"

"God zal mij een kampvechter zenden," hernam Rebekka. "Het is
onmogelijk, dat er in het schoone, herbergzame, edelmoedige, vrije
Engeland, waar zoo velen gereed zijn, om hun leven voor de eer
in de waagschaal te stellen, niemand gevonden worde, die voor het
recht strijden wil. Maar het is voldoende, dat ik een Godsgericht
vorder:--daar ligt mijn pand!" Zij trok haar geborduurden handschoen
uit, en wierp dien voor de voeten van den Grootmeester, met een
uitdrukking op haar gelaat, waar zooveel eenvoudigheid met waardigheid
gepaard ging, dat zij algemeene verbazing en verwondering verwekte.



ACHT-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.


                                Hier ligt mijn pand;
                        Ik houd het vol tot aan het uiterste,
                        Met krijgsmans moed!

                                                        Richard II.


Lucas Beaumanoir zelfs werd door het voorkomen van Rebekka
getroffen. Hij was van natuur geen wreed of hardvochtig mensch, maar
met eene van natuur koude geaardheid, en met een verheven, schoon
verkeerd begrip van plicht, was zijn hart langzamerhand verhard
geworden door zijn kloosterleven, door de hooge macht, welke hij
uitoefende en door de gewaande noodzakelijkheid om het ongeloof ten
onder te brengen, en de ketterij uit te roeien, welke verplichting naar
hij meende, bijzonder op hem rustte. Zijn trekken verloren iets van
hunne gewone strengheid toen hij het schoone wezen, dat voor hem stond,
aanschouwde, alleen, zonder een enkelen vriend, en zich met zooveel
verstand en moed verdedigende. Hij maakte tweemaal het teeken van het
kruis, alsof hij de oorzaak wantrouwde van die ongewone weekheid van
een hart, dat bij zulke gelegenheden gewoon was het staal van zijn
zwaard in hardheid te overtreffen. Eindelijk zei hij:

"Meisje, zoo het medelijden dat ik voor u gevoel, ontstaat uit
het gebruik van uwe booze kunsten, dan is uw schuld groot. Maar ik
geloof eerder, dat het de zachtere gewaarwordingen der natuur zijn,
die zich bedroeft, dat een zoo schoon uiterlijk zooveel slechtheid
verbergt. Heb berouw, mijne dochter,--beken uwe tooverijen,--verzaak
uw ongeloof,--omhels dit heilige teeken, en alles zal u nog hier
en in de toekomst wèl gaan. In een klooster van de strengste orde,
zult gij tijd hebben, om te bidden en boete te doen, en over zulk
berouw beklaagt men zich nooit. Doe dit en leef;--wat heeft Mozes'
wet voor u gedaan, dat gij er voor zoudt sterven?"

"Het is de wet mijner vaderen," zei Rebekka, "welke onder donder en
storm, in wolken en vuur op den berg Sinaï gegeven werd. Dit gelooft
gij, zoo gij Christen zijt;--gij zegt, dat die wet herroepen is;
maar dit hebben mijne leermeesters mij niet geleerd."

"Laat onze kapelaan," zei Beaumanoir, "voortreden en deze hardnekkige
ongeloovige zeggen,--"

"Vergeef, dat ik u in de rede val;" zei Rebekka zachtjes; "ik ben een
meisje, niet geleerd genoeg om over mijn godsdienst te redetwisten,
maar daarvoor sterven kan ik wel, zoo het Gods wil is.--Heb de
goedheid mij te antwoorden op mijn verzoek, om een kampvechter te
mogen stellen."

"Geef mij haar handschoen," zei Beaumanoir: "Dit is waarlijk,"
vervolgde hij, terwijl hij de zachte stof en de kleine vingers
beschouwde, "een licht en teeder pand voor eene zoo doodelijke
onderneming. Ziet gij, Rebekka, wat deze uw dunne en kleine handschoen
tegen een van onze zware stalen handschoenen is, dat is ook uwe zaak
tegen die van den Tempel; want het is onze Orde, die gij uitgedaagd
hebt."

"Werp mijne onschuld mede in de schaal," antwoordde Rebekka, "en de
zijden handschoen zal zwaarder wegen, dan de ijzeren."

"Dus volhardt gij bij uwe weigering om uwe schuld te bekennen, en
bij de stoute uitdaging, welke gij gedaan hebt?"

"Ik volhard daarbij, edele heer," antwoordde Rebekka.

"Het zij zoo, in naam des Heeren!" zei de Grootmeester, "en moge God
het recht doen zegepralen!"

"Amen!" riepen de Preceptoren rondom hem, en het woord werd zachtjes
herhaald door de geheele vergadering.

"Broeders," zei Beaumanoir, "gij gevoelt wel, dat wij aan deze vrouw
het voorrecht van een Godsgericht wel hadden kunnen weigeren;--maar
ofschoon zij eene Jodin en eene ongeloovige is, is zij toch vreemd en
zonder bescherming, en God verhoede, dat zij de hulp van onze zachte
wetten zou inroepen, en dat wij haar die zouden weigeren. Daarenboven
zijn wij ridders en soldaten, zoowel als geestelijken, en het ware eene
schande voor ons, om onder eenig voorwendsel eene uitdaging van de hand
te wijzen. Zoo staan de zaken thans: Rebekka, de dochter van Izaäk van
York, is ten gevolge van veelvuldige verdachte omstandigheden wegens
tooverij, uitgeoefend tegen den persoon van een edelen ridder van onze
heilige Orde veroordeeld, en zij heeft een Godsgericht gevorderd ten
bewijze van haar onschuld. Aan wien meent gij, mijne broeders, dat
wij het pand van den strijd moeten overgeven, en hem dus tot onzen
kampvechter benoemen?"

"Aan Brian De Bois-Guilbert, die er hoofdzakelijk in betrokken is,"
zei de Preceptor Van Goodalricke, "en die bovendien het best weet,
hoe het met de waarheid in deze zaak staat."

"Maar als onze broeder Brian," hervatte de Grootmeester, "onder den
invloed staat van eene betoovering?--Wij spreken slechts uit voorzorg;
want aan geen lid van de heilige Orde zouden wij liever deze, of een
nog gewichtiger zaak toevertrouwen."

"Eerwaarde vader," antwoordde de Preceptor Van Goodalricke, "geene
betoovering heeft invloed op den kampvechter, die optreedt om in een
Godsgericht te strijden."

"Gij hebt gelijk, broeder," hernam de Grootmeester. "Albert Malvoisin,
geef dit onderpand van den strijd aan Brian De Bois-Guilbert.--Ik
gelast u, broeder," vervolgde hij, zich tot Bois-Guilbert wendende,
"om manmoedig te strijden, niet twijfelende, of de goede zaak zal
zegepralen.--Voor u, Rebekka, bepalen wij den derden dag na dezen,
opdat gij een kampvechter moogt stellen."

"Dat is een korte tijd," antwoordde Rebekka, "voor een vreemdeling,
die niet van uw geloof is, om iemand te vinden, die leven en eer om
harentwille in den strijd zou willen wagen."

"Wij kunnen den tijd niet verlengen," hernam de Grootmeester;
"de strijd moet in onze eigene tegenwoordigheid plaats hebben,
en verscheidene gewichtige redenen roepen ons op den vierden dag
van hier."

"Gods wil geschiede!" riep Rebekka uit; "ik stel mijn vertrouwen in
Hem, voor Wien één oogenblik even voldoende ter redding is, als eene
geheele eeuw."

"Gij hebt goed gesproken, meisje," zei de Grootmeester; "maar wij
weten ook zeer goed, wie zich als een Engel des lichts vertoonen
kan. Nu blijft er slechts nog over, om eene plaats te bepalen voor
den strijd, en, zoo het noodig mocht zijn, voor de volvoering der
straf.--Waar is de Preceptor van dit huis?"

Albert Malvoisin, steeds Rebekka's handschoen in de hand houdende,
sprak zeer ernstig maar zacht met Bois-Guilbert.

"Hoe!" riep de Grootmeester, "wil hij het pand niet aannemen?"

"Hij wil het wèl,--hij heeft het reeds aangenomen, zeer eerwaarde
vader," antwoordde Malvoisin, den handschoen onder zijn eigen mantel
stekende. "En voor de plaats van het gevecht, houd ik het strijdperk
van St. George voor het geschiktst, daar het tot deze Preceptorij
behoort, en wij het veelal voor krijgsoefeningen gebruiken."

"Het is wèl," zei de Grootmeester. "Rebekka, in dit strijdperk zult
gij uw kampvechter stellen, en zoo gij zulks niet doet, of indien
hij in het Godsgericht overwonnen wordt, dan zult gij, volgens uw
vonnis, den dood eener tooveres sterven. Laat dit ons vonnis in het
boek opgeteekend en luid voorgelezen worden, opdat niemand onkunde
daarvan voorwende."

Een der kapelanen, die den dienst van schrijvers bij het Kapittel
waarnamen, schreef dadelijk het vonnis in een groot boek, de
handelingen der Tempelridders bevattende, wanneer zij bij plechtige
gelegenheden vergaderd waren; en toen hij met schrijven gedaan had,
las een tweede met luider stem het vonnis van den Grootmeester,
dat uit het Normandisch-Fransch vertaald, aldus luidde, voor:

"Rebekka, eene Jodin, de dochter van Izaäk van York, beschuldigd
van tooverij, verleiding, en andere verdoemelijke kunsten, die zij
op een ridder van de zeer Heilige Orde van den Tempel van Sion heeft
uitgeoefend, loochent dit, en zegt, dat de heden tegen haar afgelegde
getuigenissen valsch, boosaardig en onwaar zijn; en dat zij, wettig
verhinderd door haar geslacht, in hare plaats een kampvechter stellen
zal, om hare zaak te verdedigen, die zijn ridderlijken plicht vervullen
zal met zoodanige wapens, als een gevecht vordert, en dat op hare
kosten en gevaar. En hierop gaf zij haar pand, dat overgegeven werd aan
den edelen Heer en Ridder Brian De Bois-Guilbert van de Heilige Orde
van den Tempel van Sion; deze werd benoemd om dien strijd te voeren
voor zijne Orde en zich zelven, als beleedigd en benadeeld zijnde door
de tooverijen der aangeklaagde. Derhalve heeft de Zeer Eerwaarde Vader
en machtige Heer Lucas, Markies van Beaumanoir, genoemde uitdaging
en de verschooning der aangeklaagde wegens haar geslacht aangenomen,
en den derden dag van heden tot genoemd gevecht bepaald, en daartoe
aangewezen de omheinde plaats, genoemd het strijdperk van St. George,
nabij de Preceptorij van Templestowe. En de Grootmeester roept dus
de beschuldigde op, om aldaar door haar kampvechter te verschijnen,
onder doodstraf, als van tooverij en verleiding overtuigd; als ook
den aanklager om te verschijnen, onder straf van voor een lafaard
verklaard te worden, in geval hij niet mocht verschijnen, en de edele
Heer en Zeer Eerwaarde Vader voornoemd, bepaalt, dat het gevecht in
zijne tegenwoordigheid zal plaats hebben, met inachtneming van alle
in zulke zaken heerschende gebruiken. En moge God de rechtvaardige
zaak bijstaan!"

"Amen!" riep de Grootmeester; en de menigte herhaalde het
woord. Rebekka sprak niet; maar zij zag ten hemel, en haar handen
vouwende, bleef zij eene minuut lang in dezelfde houding. Zij bracht
hierop den Grootmeester op een bescheiden toon te binnen, dat zij
eenige vrijheid moest hebben, om haar vrienden bericht van haar
toestand te geven, opdat men, indien het mogelijk was, een kampvechter
voor haar zou zoeken.

"Dat is recht en billijk," zei de Grootmeester; "kies welken bode
gij wilt, en hij zal vrij in uwe gevangenis komen."

"Is er iemand hier," zei Rebekka, "die hetzij uit liefde voor de
goede zaak, of voor een mild loon, een boodschap voor een ongelukkig
schepsel doen wil?"

Allen zwegen; want niemand waagde in de tegenwoordigheid van den
Grootmeester eenige belangstelling voor de gelasterde gevangene te
betoonen, uit vrees van voor Joodschgezind gehouden te worden. Niet
eens het vooruitzicht op belooning en veel minder het gevoel van
medelijden alleen kon deze vrees te boven komen.

Rebekka bleef eenige oogenblikken in onbeschrijfelijken angst en
toen riep zij uit: "Is het wezenlijk zoo?--En moet ik in Engeland
van de geringe kans van redding, die mij overblijft, beroofd worden,
omdat niemand een liefdedienst voor mij verrichten wil, welken men
den ergsten misdadiger niet zou weigeren?"

Higg, de zoon van Snell, antwoordde eindelijk: "Ik ben maar een
kreupel man, maar aan hare liefderijke hulp heb ik het te danken,
dat ik mij nog verroeren en bewegen kan.--Ik wil uwe boodschap
verrichten," voegde hij er bij, zich tot Rebekka wendende, "zoo goed
als een verlamd schepsel het kan; en gelukkig zou ik zijn, als mijne
beenen vlug genoeg waren om het kwaad, dat mijne tong gedaan heeft,
weder goed te maken. Helaas! toen ik uwe liefdadigheid roemde, dacht
ik niet, dat ik u daardoor in gevaar bracht!"

"God," zei Rebekka, "beschikt alles. Hij kan Juda's gevangenschap zelfs
door het zwakste werktuig doen eindigen. Om Zijn last te volbrengen, is
de slak een even zekere bode als de valk. Zoek Izaäk van York op;--zie,
hier is geld, daar kunt gij een paard voor nemen,--en overhandig hem
dit briefje.--Ik weet niet, of het de Hemel is, welke mij bezielt;
maar ik ben vast overtuigd, dat ik dezen dood niet zal sterven,
en dat er zich een kampioen voor mij zal opdoen. Vaarwel!--leven en
dood hangen van uw spoed af."

De boer nam het briefje, dat slechts eenige woorden in het Hebreeuwsch
bevatte. Velen der toeschouwers wilden hem afraden, om een zoo
verdacht geschrift aan te raken; maar Higg had vast besloten om zijne
weldoenster te dienen. "Zij heeft mijn lichaam gered," zei hij; "en
ik ben verzekerd, dat zij mijne ziel niet in gevaar zal brengen. Ik
zal het flinke paard van buurman Buthan huren, en te York zijn zoo
spoedig man en beest er maar komen kunnen."

Maar gelukkig, behoefde hij zoo ver niet te gaan, want ongeveer een
kwartier van de poort der Preceptorij ontmoette hij twee ruiters,
die hij aan hunne kleeding en groote gele mutsen voor Joden erkende;
en naderbij komende ontdekte hij, dat een van hen Izaäk van York was;
bij wien hij vroeger gewerkt had. De andere was de Rabbijn Ben Samuel;
beiden waren zoo dicht bij de Preceptorij gekomen als zij durfden,
toen zij hoorden dat de Grootmeester een Kapittel voor het proces
van eene tooveres bijeen geroepen had.

"Broeder Ben Samuel," zei Izaäk, "mijn ziel is ongerust en ik weet
niet waarom. Dit voorwendsel van hekserij wordt dikwijls gebruikt om
ons volk te kwellen."

"Wees getroost, broeder," zei de geneesheer; "gij kunt immers met de
Nazareners handelen als een man, die den Mammon der ongerechtigheid
bezit, en dus gemakkelijk vrijstelling van alle straf verkrijgen.--Het
goud beheerscht de woeste gemoederen van deze goddelooze menschen,
zooals men zegt, dat het zegel van den machtigen Salomo de booze
geesten beheerscht.--Maar welke ongelukkige op krukken komt daar aan,
begeerig naar het schijnt, om mij te spreken?--Vriend," vervolgde de
geneesheer, zich tot Higg, den zoon van Snell wendende, "ik weiger
u de hulp van mijne kunst niet, maar help hen, die op den grooten
weg bedelen, met geen penning. Vertrek!--Hebt gij de jicht in de
beenen? werk dan met de handen voor de kost; want al zijt gij ook
ongeschikt tot bode, of tot een zorgvuldigen herder, of tot den oorlog,
of tot den dienst van een driftigen meester, zoo is er toch nog wel wat
te doen.--Hoe nu, broeder," zei hij, zijn rede afbrekende om naar Izaäk
te zien, die nauwelijks het briefje, dat Higg hem ter hand stelde,
had ingezien, of hij viel met een luiden gil, als een stervende van
zijn muilezel, en bleef een oogenblik bewusteloos liggen. De Rabbijn
steeg verschrikt af, en diende hem haastig de middelen toe, welke
zijn kennis hem tot herstel van zijn vriend aan de hand gaf. Hij
haalde zelfs zijn gereedschap tot aderlaten uit den zak en wilde het
juist gebruiken, toen het voorwerp van zijn angstige zorg plotseling
herleefde, maar alleen om zijne muts van het hoofd te trekken en zijn
grijze haren met stof te bestrooien. De geneesheer was eerst geneigd
om deze plotselinge en hevige aandoening aan zinneloosheid toe te
schrijven, en bij zijn eerste voornemen blijvende, begon hij weder
zijn instrumenten te hanteeren. Maar Izaäk overtuigde hem weldra van
zijn dwaling. "Kind mijner smarte!" riep hij: "Wel moest gij Ben-Oni
in plaats van Rebekka genoemd worden! Waarom moet uw dood mijne grijze
haren naar het graf brengen, zoodat ik in de bitterheid van mijn hart
God vervloek en sterf?"

"Broeder," riep de Rabbijn verbaasd, "zijt gij een vader in Israël,
en uit gij zulke woorden?--Het kind van uw huis leeft toch zeker nog?"

"Zij leeft," antwoordde Izaäk; "maar het is als Daniël, die Beltsazar
genoemd werd, toen hij in den leeuwenkuil was. Ze is gevangen bij
deze mannen Belials, en ze willen hunne wreedheid op haar uitoefenen,
zonder medelijden te hebben met hare jeugd en haar schoonheid. O! ze
was een krans van groene palmen voor mijne grijze lokken; en ze moet
in één nacht verwelken, gelijk de wonderboom van Jonas!--Kind mijner
liefde!--Kind mijns ouderdoms!--O Rebekka, dochter van Rachel! de
donkere schaduw des doods overvalt u!"

"Lees het briefje nog eens," zei de Rabbijn, "mogelijk vinden wij
nog een weg tot redding."

"Lees gij, broeder," antwoordde Izaäk; "want mijne oogen zijn als
waterfonteinen."

De geneesheer las, in hunne moedertaal, de volgende woorden: "Aan
Izaäk, den zoon van Adonikam, welken de Heidenen Izaäk van York
noemen.--Dat vrede en de zegen der belofte u geschonken worden!--Mijn
vader, ik ben ter dood veroordeeld wegens eene misdaad, van welke
mijn ziel niets weet, namelijk die der tooverij. Mijn vader, indien
er een dapper man kan gevonden worden, om voor mij te strijden met
zwaard en lans, volgens de gewoonte der Nazareners, in het strijdperk
van Templestowe, den derden dag na dezen, dan zal misschien de God
onzer vaderen hem kracht geven, om de onschuldige en hulpelooze te
verdedigen. Maar zoo dat niet gebeurt, laat dan de maagden van ons
volk om mij rouwen als om eene afgestorvene, als om het hert, dat de
jager velt, en de bloem, welke de maaier met zijn zeisen afmaait. Zie
dus toe, waar er hulp te vinden is. Één Nazareensch krijgsman zou
inderdaad voor mij in het strijdperk treden; het is Wilfrid, de zoon
van Cedric, dien de Heidenen Ivanhoe noemen. Maar hij kan het gewicht
zijner wapenrusting nog niet dragen. Zend hem desniettegenstaande
bericht, vader, want hij staat in aanzien bij de dappere mannen van
zijn volk; en daar hij onze gevangenschap deelde, zal hij misschien
iemand kunnen vinden, die voor mij strijdt. Maar zeg hem, aan hem
zelven, aan Wilfrid, den zoon van Cedric, dat Rebekka leve of sterve,
ze geheel vrij van de haar toegeschreven misdaad leeft en sterft. En
zoo het de wil van God is, dat ge van uwe dochter beroofd moet worden,
toef dan niet langer in dit land van bloedvergieten en wreedheid,
oude man! maar begeef u naar Cordova, waar uw broeder in veiligheid
woont onder den schepter, ja, zelfs onder den schepter van Boabdil,
den Saraceen; want minder wreed zijn de gruwelen der Mooren tegen
de kinderen van den stam Jacobs, dan de gruwelen der Nazareners
van Engeland."

Izaäk luisterde vrij bedaard terwijl Ben Samuël dezen brief voorlas,
maar daarop toonde hij weder door Oostersche gebaren en uitroepingen
zijne droefheid; hij verscheurde zijne kleederen, bestrooide zijn
hoofd met stof en riep uit: "Mijne dochter! mijne dochter! vleesch
van mijn vleesch en been van mijn been!"

"Kom aan, schep moed!" sprak de Rabbijn; "deze droefheid kan u
niets helpen. Omgord uwe lendenen, en zoek dezen Wilfrid, den zoon
van Cedric op. Hij kan u wellicht helpen met raad en daad; want de
jongeling staat in gunst bij Richard, dien de Nazereners Leeuwenhart
noemen, en het gerucht, dat deze teruggekeerd is, verspreidt zich in
het land. Misschien kan hij brief en zegel van hem krijgen, om deze
bloeddorstige menschen, die hun naam ontleenen aan den Tempel, dien
ze onteeren, te bevelen, dat ze niet in dit hun goddeloos voornemen
volharden."

"Ik zal hem opzoeken," antwoordde Izaäk, "want hij is een goede
jongeling en heeft medelijden met de gevangenschap van Jacob. Maar
hij kan zijne wapenrusting niet dragen, en welk ander Christen zal
voor de onderdrukte dochter Sions strijden?"

"Wel," zei de Rabbijn, "ge spreekt als een man, die de Heidenen niet
kent. Met goud zult gij hunne dapperheid koopen, evenals gij met goud
uw eigene veiligheid koopt. Wees goedsmoeds, en haast u dezen Wilfrid
van Ivanhoe op te zoeken. Ik wil ook op weg gaan en werkzaam zijn, want
het zou eene zware zonde wezen u in uw ongeluk te verlaten. Ik wil mij
naar de stad York begeven, waar eene menigte krijgslieden en dappere
mannen vergaderd zijn, en ik twijfel niet of ik zal iemand er vinden,
die voor uwe dochter zal willen strijden; want goud is hun afgod,
en voor geld zullen ze hun leven geven zoowel als hun land.--Zult
gij alle beloften, die ik hun in uw naam doe, vervullen, broeder?"

"Voorzeker, broeder," antwoordde Izaäk, "en de Hemel zij geloofd,
dat hij mij een trooster in mijne ellende heeft gezonden. Hoe het
ook zij, sta hunne eischen niet op eens toe; want ge zult vinden, dat
het dezen menschen eigen is, ponden te vragen en met oncen tevreden
te zijn.--Evenwel doe wat gij wilt, want ik ben buiten mij zelven,
en hoe zou goud mij baten, als het kind mijner liefde verloren ging?"

"Vaarwel," zei de geneesheer, "en mogen uwe wenschen vervuld worden!"

Zij omhelsden elkander en sloegen verschillende wegen in. De kreupele
boer bleef eenigen tijd staan en zag hen na.

"Die honden van Joden!" riep hij; "ze storen zich niet meer aan een
vrijen gildebroeder, dan alsof ik een geboren slaaf, een Turk, of een
besneden Hebreër, gelijk zij zelven ware! Ze hadden mij toch wel een
paar zilverstukken kunnen toewerpen. Ik was niet verplicht, om hun
onheilig gekrabbel over te brengen en gevaar te loopen van betooverd
te worden, zooals men mij zeide. En wat helpt mij het stukje goud,
dat het meisje mij gegeven heeft, zoo de priester mij daarom bij de
biecht op aanstaanden Paschen bestraft, en ik hem tweemaal zooveel moet
geven om het weder goed te maken, en dan nog wellicht op den koop toe
mijn leven lang de Joodsche bode heeten! Ik geloof, dat ik in ernst
betooverd was, toen ik naast het meisje stond!--Maar dit was altijd
het geval met Jood of Heiden, die in hare nabijheid kwam;--niemand
kon blijven staan als ze een boodschap te doen had,--en toch, als ik
aan haar denk, dan wilde ik wel mijn werkplaats en werktuigen er bij
geven, om haar het leven te redden!"



NEGEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.


                        O meisje, koud en onverbid'lijk!
                        Mijn' ziel is even trotsch als de uwe!

                                                            Seward.


De avond schemerde op denzelfden dag, waarop Rebekka's proces,
als men het zoo noemen kan, had plaats gehad, toen er zachtjes aan
de deur van hare gevangenis getikt werd. Dit stoorde de bewoonster
niet, die juist bezig was met het avondgebed te verrichten, dat haar
godsdienst voorschreef, en dat met een lofzang eindigde, welken wij
gewaagd hebben aldus te vertalen:


    Toen 't uitverkoren volk weleer
      Egypte's slavernij ontkwam,
    Verscheen der vaadren God, de Heer,
      Aan Israël in rook en vlam.
    Des daags, geleidde een wolkkolom
      Hen door Arabiëns zandwoestijn;
    Terwijl, des nachts, een vuurzuil glom,
      Om hun een trouwe gids te zijn.

    De blijde koorzang werd gehoord,
      En Sions dochtren stemden 't lied,
    Bij cymbaalspel en harp-accoord,
      Te zaam met krijgsheld en Leviet.
    Helaas! geen wonderwerken meer
      Beschermen Abrahams geslacht;
    't Viel van Uw wegen af, o Heer!
      En 't werd verlaten door Uw macht.

    Maar schoon onzichtbaar voor Uw volk,
      Verschijne aan ons verheugd gemoed
    In voorspoed, nog gelijk een wolk,
      Die voor bedrieglijk licht ons hoedt;
    En als op 't rampvol Isrel weer
      Een nacht, door storm verduisterd, daalt,
    Zij ons altijd barmhartig, Heer!
      Een vuurzuil, die ons pad bestraalt.

    Wij lieten binnen Babels stad
      De harpen, 's vijands schimp en spot.
    Geen hand ontsteekt het wierookvat,
      Bazuin noch citer looft u, God!
    Maar Gij beloofdet Juda's stam
      Dat U, het hart in boete en rouw,
    Nog meer, dan 't bloed van geit of ram
      Een welkom offer wezen zou.


Toen de klanken van Rebekka's godsdienstig gezang weggestorven waren,
werd het zachte getik aan de deur hervat. "Treed binnen," zei ze,
"als gij een vriend zijt, en indien gij een vijand zijt, heb ik de
macht niet, om u het binnenkomen te beletten."

"Ik ben," zei Brian De Bois-Guilbert, in het vertrek tredende,
"vriend of vijand, Rebekka, volgens den afloop van dit gesprek."

Verschrikt op het gezicht van dezen man, wiens losbandige drift zij
als de bron van al hare rampen beschouwde, trad Rebekka achteruit, op
een wel voorzichtige en bedeesde, maar geenszins vreesachtige wijze,
tot in den uitersten hoek van de kamer, alsof zij besloten had zich
zoo ver mogelijk terug te trekken, maar wederstand te bieden als de
terugtocht niet meer doenlijk was. Zij nam dus een niet trotseerende,
maar moedige houding aan, alsof ze geen aanval wilde uitdagen, en
zich toch tot het uiterste toe verdedigen zou.

"Gij hebt geen reden om mij te vreezen, Rebekka," zei de Tempelier,
"of, om mij beter uit te drukken, gij hebt ten minste _nu_ niets van
mij te vreezen."

"Ik vrees u niet, heer ridder," hernam Rebekka, ofschoon hare angstige
ademhaling den heldenmoed harer woorden scheen te logenstraffen:
"Mijn vertrouwen is groot, en ik vrees u niet."

"Gij hebt er ook geene reden toe," antwoordde Bois-Guilbert ernstig;
"mijn vorige dolzinnige aanslagen hebt gij nu niet te vreezen. Er
staat in de nabijheid een wacht, die gij roepen kunt, en over welke
ik geen gezag heb. Ze is bestemd om u ter dood te geleiden, Rebekka;
maar ze zou u door niemand, zelfs niet door mij laten beleedigen,
zoo mijn razernij,--want razernij is het,--mij zoo ver dreef."

"God zij geloofd!" zei de Jodin; "de dood is het geringste, wat ik
in dit hol des Satans te vreezen heb."

"Ja," hernam de Tempelier, "het denkbeeld des doods heeft niets
verschrikkelijks voor een onbevreesd gemoed, als de weg daartoe open
en kort is. Een steek met eene lans, een houw met een zwaard, ware
voor mij eene kleinigheid.--Voor u heeft eene sprong van een hoogen
toren, een steek met een scherpen dolk niets ijselijks, vergeleken met
hetgeen wij voor schande houden. Let wel op.--_Ik_ zeg dit;--misschien
zijn mijne eigene gevoelens van eer niet minder dweepziek, Rebekka,
dan de uwe; maar wij weten beiden er voor te sterven."

"Ongelukkige!" riep de Jodin uit; "en zijt gij veroordeeld om uw leven
bloot te stellen voor grondbeginselen, wier deugdelijkheid door uw
gezond verstand niet erkend wordt? Zeker, dit heet uwe schatten voor
iets weggeven, dat niets waard is;--maar denk dat niet van mij. Uw
besluit moge heen en weer dobberen op de woeste, ongestadige baren
der menschelijke meening, het mijne ankert vast op de rots der eeuwen."

"Stil, meisje," antwoordde de Tempelier; "zulke gesprekken baten thans
weinig;--gij zijt veroordeeld om te sterven, niet door een snellen en
gemakkelijken dood, zooals de ellende en wanhoop verkiezen zouden, maar
door een langzame, ijselijke, lang gerekte pijniging, die toekomt aan
wat de duivelsche bijgeloovigheid dezer menschen uwe misdaad noemt."

"En aan wien, zoo dit mijn lot is, aan wien heb ik het te danken?" zei
Rebekka. "Zeker, alleen aan hem, die tot zijn eigen schandelijke
oogmerken mij hierheen sleepte, en nu nog, om eenige mij onbekende
beweegredenen, het ellendige lot, waaraan hij mij blootgaf, nog
ellendiger tracht te maken."

"Denk niet," hernam de Tempelier, "dat _ik_ u zoo blootgesteld heb;
ik zou u met mijn eigen boezem tegen zulk een gevaar beschermd hebben,
even zeker als ik mij prijs gaf aan de pijlen, die anders uw hart
zouden doorboord hebben."

"Ware het uw voornemen geweest de onschuld eerlijk te beschermen,"
hervatte Rebekka, "dan zou ik u voor uwe bezorgdheid bedankt
hebben. Maar zooals het nu is, hebt gij u zoo dikwijls op dezen dienst
reeds beroemd, dat ik zeggen moet, dat het leven mij niets waard is,
als het tegen den prijs, welken gij daarvoor vordert, behouden moet
worden."

"Stil met uw verwijten, Rebekka," zei de Tempelier; "ik heb mijn eigene
reden tot droefheid, en het is onnoodig, door uwe beschuldigingen ze
te vermeerderen."

"Wat is dan uw voornemen, heer ridder?" zei de Jodin. "Zeg het
kortaf.--Indien gij hier iets anders te doen hebt dan de ellende,
die gij mij berokkend hebt, te aanschouwen, doe het mij dan weten,
en laat mij verder, ik bid u, aan mij zelve over;--de schrede van
den tijd in de eeuwigheid is kort, maar verschrikkelijk, en ik heb
slechts weinige oogenblikken, om mij daarop voor te bereiden."

"Ik zie, Rebekka," hernam Bois-Guilbert, "dat gij steeds voortgaat,
om mij uwe rampen te last te leggen, die ik zoo gaarne zou hebben
willen voorkomen."

"Heer ridder," hervatte Rebekka; "ik wilde gaarne geene verwijtingen
doen;--maar wat is zekerder, dan dat ik mijn dood aan uwe toomelooze
drift te wijten heb?"

"Gij dwaalt!--gij dwaalt,"--antwoordde de Tempelier driftig, "zoo gij
aan mijne bedoeling of aan mijne schuld toeschrijft, wat ik voorzien,
noch voorkomen kon. Kon ik de onverwachte aankomst van dien ouden
dwaas voorzien, dien eenige vonken van roekelooze dapperheid en
de lof toegekend aan de domme zelfkwellingen van een kloosterling,
voor het oogenblik boven zijne eigene verdiensten, boven het gezond
verstand, boven mij, en boven honderden van onze Orde, verheven
hebben, die denken en gevoelen als mannen, vrij van zulke zotte en
dweepzieke vooroordeelen, die tot grondslag van zijne gevoelens en
daden strekken?"

"En toch," zei Rebekka, "zat gij als rechter over mij; en terwijl gij
wist, dat ik onschuldig,--geheel onschuldig was,--hebt gij aan mijne
veroordeeling deel genomen, en, zoo ik het goed verstaan heb, moet
gij zelf in het strijdperk verschijnen, om mijne straf te verzekeren!"

"Geduld, meisje!" hernam de Tempelier. "Geen volk weet beter dan het
uwe zich naar de omstandigheden te schikken, en het schuitje zoo
te sturen, dat zij zelfs uit een ongunstigen wind voordeel kunnen
trekken."

"Beklagenswaardig is het uur," hervatte Rebekka, "dat het volk Israëls
zulke kunsten geleerd heeft; maar de tegenspoed buigt het hart,
gelijk het vuur het harde staal doet buigen; en zij, die zichzelven
niet langer bestieren, noch burgers van een vrijen, onafhankelijken
staat zijn mogen, moeten voor vreemdelingen bukken. Dat is de vloek,
heer ridder, dien wij zonder twijfel door onze eigene overtredingen
en door die onzer vaderen verdiend hebben; maar gij,--gij, die op
uwe vrijheid, en op uw geboorterecht pocht, hoeveel grooter is uwe
schande, als gij u, tegen uwe eigene overtuiging, verlaagt, om de
vooroordeelen van anderen aan te kweeken!"

"Uw woorden zijn bitter, Rebekka," zei Bois-Guilbert, ongeduldig door
het vertrek stappende; "maar ik ben niet gekomen, om verwijtingen
aan te hooren.--Weet, dat Bois-Guilbert voor geen mensch ter wereld
wijkt, al noodzaken hem de omstandigheden een tijdlang zijn plan te
wijzigen. Zijn wil is de bergstroom, welken de rots wel een oogenblik
van richting kan doen veranderen, maar die toch zijn loop tot aan
den oceaan vervolgt. Dit briefje, dat u aanried, om een kampvechter
te vragen,--van wien kondet gij denken, dat het kwam, dan van
Bois-Guilbert? Bij wien anders kondet gij zulk eene belangstelling
verwekt hebben?"

"Dit is slechts een kort uitstel van een dreigenden dood," antwoordde
Rebekka, "dat mij weinig baten zal,--was dit alles, wat gij voor
een meisje doen kondet, op welks hoofd gij rampen opeengestapeld,
en dat gij zelf tot aan den rand van het graf gebracht hebt?"

"Neen, meisje," antwoordde Bois-Guilbert, "dit was niet alles wat ik
bedoelde. Zonder de vervloekte tusschenkomst van dien dweepzieken
domoor en gek van Goodalricke, die, ofschoon een Tempelier, veinst
volgens de regels der menschelijkheid te denken en te oordeelen,
was het een gewonen ridder der Orde en niet een Preceptor ten
deel gevallen, om te strijden. Dan zou ik zelf,--dit was mijn
voornemen,--op het geblaas der trompet als uw kampvechter in het
strijdperk verschenen zijn, vermomd als een dolende ridder, die met
lans en zwaard avonturen zoekt; en dan had Beaumanoir niet één, maar
twee of drie der hier vergaderde broeders kunnen uitkiezen, en ik
zou hen één voor één onfeilbaar uit den zadel gelicht hebben. Aldus,
Rebekka, zou uwe onschuld bewezen zijn, en ik zou de belooning mijner
zege aan u zelve overgelaten hebben."

"Dit, heer ridder," zei Rebekka, "is slechts ijdele snoeverij;--gij
pocht op wat gij gedaan zoudt hebben, indien gij niet goed gevonden
hadt anders te doen. Gij hebt mijnen handschoen opgenomen, en mijn
kampioen, indien een zoo rampzalig schepsel als ik er een vinden kan,
moet uwe lans in het strijdperk wederstaan--en nog wilt gij u als
vriend en beschermer voordoen?"

"Uw vriend en beschermer," hervatte de Tempelier ernstig, "wil ik nog
zijn;--maar luister op welk gevaar, of liever met welke zekerheid
van schande; en dan berisp mij niet, zoo ik mijne voorwaarde stel,
eer ik alles opoffer wat mij tot dusver in het leven dierbaar was,
om het leven eener Jodin te redden."

"Spreek," zei Rebekka, "ik versta u niet!"

"Welaan dan," hervatte Bois-Guilbert, "ik wil even vrij spreken,
als ooit een onnoozel biechteling tegen zijn geestelijken
vader.--Rebekka! wanneer ik niet in dit strijdperk verschijn, dan
verlies ik roem en rang;--verlies, wat de ziel van mijn leven is,
die achting, waarin ik bij mijne broeders sta, en de hoop, welke ik
heb, om eens dat groote gezag in handen te krijgen, hetwelk thans de
bijgeloovige, onnoozele Lucas De Beaumanoir bezit. Dit is mijn lot,
zoo ik niet verschijn, om tegen uwe zaak te strijden. Vervloekt zij
Goodalricke, die mij dezen strik gespannen heeft! en dubbel vervloekt
zij Albert de Malvoisin, die mij in mijn voornemen verhinderde, om
den handschoen in het gezicht van den bijgeloovigen ouden dwaas te
werpen, die eene zoo ongerijmde aanklacht tegen een zoo hooghartig
en bekoorlijk schepsel aanhoorde!"

"En wat baat thans uw razen of vleien?" antwoordde Rebekka. "Gij
hebt uwe keus gedaan tusschen den dood van eene onschuldige vrouw en
het verlies van uw aardschen rang en aardsche hoop;--wat baat het,
dit tegen elkander te wegen?--uwe keus is gedaan!"

"Neen, Rebekka," hervatte de ridder op zachteren toon en naderbij
komende; "mijne keus is niet gedaan;--neen! let wel,--de beslissing
staat aan u. Als ik in het strijdperk verschijn, dan moet ik mijn
wapenroem staande houden; en geschiedt dit, dan moet gij, er moge zich
een kampvechter voor u opdoen of niet, op den brandstapel sterven; want
er leeft geen ridder, die in den strijd mij overwinnen kan, of zelfs
gelijk met mij staat, behalve Richard Leeuwenhart en zijn gunsteling
Ivanhoe. Deze is, zooals ge weet, buiten staat, om zijne wapenrusting
te dragen, en Richard zucht in eene vreemde gevangenis. Als ik opkom,
dan sterft gij, al bewogen ook uwe bekoorlijkheden den een of anderen
heethoofdigen jongeling, om voor u te strijden."

"En waartoe dient het, dit zoo dikwijls te herhalen?" zei Rebekka.

"Opdat gij uw lot van alle kanten leert beschouwen," antwoordde
de Tempelier.

"Welaan dan," hervatte de Jodin, "keer het blad om; laat mij de andere
zijde zien."

"Als ik in het noodlottige strijdperk verschijn," zei Bois-Guilbert,
"dan sterft gij een langzamen en pijnlijken dood, in kwellingen,
die men zegt, dat hiernamaals voor de schuldigen bestemd zijn. Maar,
als ik niet verschijn, dan ben ik een onteerd en verstooten ridder,
beschuldigd van tooverij en gemeenschap met ongeloovigen;--de
doorluchtige naam, die door mij nog beroemder geworden is, wordt
een schimp- en schandnaam. Ik verlies roem en eer;--ik verlies het
vooruitzicht op een grootheid, welke nauwelijks keizers bereiken.--Ik
offer eene machtige eerzucht op; ik zie af van plannen, welke zoo hoog
opgebouwd waren als de bergen, met welke de heidenen zeggen, dat hun
hemel eens bijna beklommen werd,--en echter, Rebekka!" voegde hij er
bij, zich aan haar voeten werpende, "wil ik deze grootheid opofferen,
van dezen roem afstand doen, deze macht laten varen, zelfs nu ik ze
half in de hand houd, als gij zeggen wilt: Bois-Guilbert, ik neem u
tot mijn minnaar aan!"

"Denk aan zulke dwaasheid niet, heer ridder," antwoordde Rebekka; "maar
vlieg naar den Regent, naar de Koningin-moeder, naar Prins Jan;--ze
kunnen, om de eer der kroon, de handelwijze van uw Grootmeester niet
goedkeuren. Op deze wijze zult ge mij beschermen, zonder opoffering
van uw kant, en zonder een voorwendsel te hebben om eenige vergelding
van mij te vergen."

"Met dezen onderhandel ik niet," vervolgde hij, den slip van haar
gewaad vasthoudende;--"tot u alleen wend ik mij; en wat kan tegen
mijn voorstel opwegen? Bedenk, al ware ik een duivel, dan is de dood
nog vreeselijker, en het is de dood, die mijn medeminnaar is!"

"Ik geef niet om deze rampen," zei Rebekka, bevreesd om den woesten
ridder te vertoornen, en toch even vast besloten zijne liefde niet
te dulden, en niet eens te veinzen ze te dulden. "Wees man, wees
Christen! Indien uw geloof werkelijk die barmhartigheid voorschrijft,
welke meer in uwe woorden dan in uwe daden gevonden wordt, red mij
dan van dezen schrikkelijken dood, zonder eene belooning te zoeken,
die uwe grootmoedigheid tot een lagen ruilhandel zou vernederen."

"Neen, meisje," zei de trotsche Tempelier, opspringende; "zoo zult
ge mij niet misleiden. Zoo ik van mijn reeds verkregen roem en alle
toekomstige eer afzie, dan doe ik het om uwentwille, en wij zullen
te zamen vluchten. Luister naar mij, Rebekka!" zei hij, zijn toon
weder verzachtende: "Engeland, Europa is de wereld niet. Er zijn
nog landen, waar wij leven kunnen, die groot genoeg zijn zelfs voor
mijne eerzucht. Wij zullen naar Palestina gaan, waar Conrad, Markies
van Montserrat, mijn vriend is,--een vriend, even vrij als ik, van
die domme vooroordeelen, welke onze vrijgeborene rede kluisteren;
liever willen wij ons zelfs met Saladijn verbinden, dan den hoon van
die schijnheiligen verdragen, die wij verachten.--Ik zal nieuwe paden
voor mijne eerzucht banen," ging hij voort, de kamer met driftige
schreden op en neer gaande.--"Europa zal de luide stem hooren van hem,
die het uit het getal zijner zonen verstooten heeft!--De millioenen,
welke het als kruisvaarders ter slachting zendt, kunnen niet zooveel
ter verdediging van Palestina doen;--de zwaarden van de duizenden en
tienduizenden Saracenen kunnen niet dieper in dat land inhouwen, welks
bezit de volken elkaar betwisten, dan de kracht en de staatslisten
van mij en die broeders, welke, in weerwil van gindschen ouden dwaas,
mij in goed en kwaad getrouw zullen zijn. Gij zult Koningin worden,
Rebekka!--Op den berg Karmel zullen wij den troon oprichten, dien
mijne dapperheid voor u veroveren zal, en ik zal den lang gewenschten
grootmeesterlijken staf tegen een schepter verruilen!"

"Een droom," zei Rebekka, "een ijdele droom, welke, al kon die ook
verwezenlijkt worden, mij niet bekoort;--nooit zou ik deel willen
hebben in de macht, welke ge zoudt kunnen verkrijgen! Ook denk ik niet
zoo lichtvaardig over vaderland en godsdienstig geloof, dat ik hem zou
kunnen achten, die deze banden wil verscheuren, en de wetten van een
Orde schenden, van welke hij een gezworen medelid is, om een toomelooze
drift voor de dochter van een vreemd volk te voldoen.--Bepaal geen
prijs voor mijne bevrijding, heer ridder!--verkoop een edelmoedige
daad niet!--bescherm de onderdrukte, uit menschenliefde, en niet om
eigen voordeel!--Ga naar den Koning van Engeland; Richard zal mij
uit de handen van deze wreede mannen redden!"

"Nooit, Rebekka!" riep de Tempelier trotsch. "Zoo ik mijne
Orde verlaat, dan doe ik het alleen om u.--Ik wil de eerzucht
behouden, zoo gij mijne liefde versmaadt; ik wil niet van alle kanten
teleurgesteld worden!--Mijn hoofd voor Richard buigen?--een gunst van
dien hoogmoedige vragen?--Nooit, Rebekka, wil ik de Orde des Tempels
in mijn persoon aan zijn voeten leggen;--de Orde vaarwel zeggen,
dat kan ik; maar nooit wil ik ze onteeren of verraden!"

"Nu, dan zij God mij genadig!" zuchtte Rebekka; "want op hulp van
menschen kan ik bijna niet meer hopen!"

"Dat is zoo," hernam de Tempelier; "want hoe trotsch gij ook zijn
moogt, zoo hebt gij in mij uws gelijke gevonden. Zoo ik met de lans in
het strijdperk treed, dan geloof ik niet, dat eenig menschelijk wezen
mij zal beletten mijne kracht te toonen; en denk dan aan uw eigen
lot,--den dood der ergste boosdoeners te sterven,--op een vlammenden
brandstapel te vergaan,--terwijl uw asch in die elementen verstrooid
wordt, waaruit onze lichamen zoo geheimzinnig samengesteld zijn;--en
er niet het minste overblijft van die aanvallige gestalte, om ons te
zeggen: zij leefde en bewoog zich onder ons!--Rebekka, geene vrouw
kan dit vooruitzicht verdragen,--gij moet mijne eischen inwilligen!"

"Bois-Guilbert," antwoordde de Jodin, "gij kent het vrouwelijk hart
niet, of gij kent slechts zulke vrouwen, die haar edelste gevoelens
verloren hebben. Ik zeg u, trotsche Tempelier, dat gij, die zoo op
uwe dapperheid pocht, in de heetste gevechten niet meer moed hebt ten
toon gespreid, dan eene vrouw kan toonen, wanneer zij door liefde of
plicht geroepen wordt om te lijden. Ik ben zelve eene vrouw, teeder
opgevoed, van natuur bevreesd voor gevaar, en gevoelig voor smart;--en
toch ben ik ten volle overtuigd, dat, wanneer wij in het noodlottige
strijdperk treden, gij om te vechten en ik om te sterven, mijn moed
grooter zal zijn dan de uwe. Vaarwel!--ik verspil geene woorden meer
aan u; de tijd, welke aan de dochter van Jacob op aarde nog overblijft,
moet anders besteed worden:--zij moet den Trooster zoeken, die Zijn
aangezicht voor Zijn volk kon verbergen, maar die altijd Zijn oor
opent voor de stem van hen, die Hem in oprechtheid en waarheid zoeken!"

"Wij scheiden dus op deze wijze!" zei de Tempelier na eene korte
stilte; "gave de Hemel, dat wij elkander nooit ontmoet hadden,
of dat gij van eene edele geboorte en van het Christelijk geloof
geweest waart!--Neen,--bij den Hemel! als ik u aanzie en bedenk,
wanneer en hoe wij elkander den eersten keer weêr zullen ontmoeten,
dan zou ik zelfs kunnen wenschen, dat ik een lid van uw veracht volk
ware, dat mijne hand slechts met geldzakken en _sjekels_ in plaats van
lans en schild wist om te gaan, dat ik het hoofd voor iederen kleinen
edele moest buigen, en dat mijn blik alleen schrikkelijk ware voor
den sidderenden armen schuldenaar;--dit zou ik haast kunnen wenschen,
Rebekka, om in het leven bij u te blijven, en om het vreeselijk deel
te ontgaan, dat ik aan uwen dood hebben moet!"

"Gij hebt den Jood geschilderd," antwoordde Rebekka, "zooals de
vervolging van mannen, als gij zelf, hem gemaakt heeft. De Hemel
heeft hem in zijn toorn uit zijn land verjaagd: maar de nijverheid
heeft den eenigen weg tot macht en invloed, welke de onderdrukking
ongesloten liet, voor hem geopend. Lees de oude geschiedenis van Gods
volk, en zeg mij, of zij, door wie Jehova zulke wonderen op aarde
verricht heeft, toen een volk van vrekken en woekeraars waren!--En
weet, trotsche ridder, dat wij namen onder ons tellen, tegen welke
uw geroemde Noordsche adel is als de kalebas tegen den ceder, namen,
welke tot in die tijden opklimmen, toen God Zijn troon had gevestigd
in het heiligdom tusschen de vleugelen der Cherubijnen, namen, welke
hun glans van geen aardschen Vorst ontleenen, maar van die verhevene
stem, welke hun vaders met goddelijke verschijningen vereerde.--Dit
waren de Vorsten van Jacobs huis!"

Een hooger rood kleurde Rebekka's wangen, terwijl zij van den
alouden roem van haar geslacht gewaagde; maar het verdween, toen zij
er zuchtende bijvoegde: "Zoo waren de Vorsten van Juda, maar zij zijn
niet meer!--Zij zijn onder den voet getreden, gelijk het gemaaide gras,
en vermengd met het slijk des wegs. Maar er zijn er nog onder hen,
die hunne doorluchtige voorvaders niet onteeren, en tot dezen zal
de dochter van Izaäk, den zoon van Adonikam, behooren! Vaarwel!--Ik
benijd u uwe bloedige eer niet!--Ik benijd u uwe afkomst van Noordsche
Heidenen niet!--Ik benijd u uw geloof niet, dat gij altijd in den mond,
maar nooit in uw hart en in uwe daden hebt!"

"Bij den Hemel! eene tooverkracht houdt mij nog terug!" riep
Bois-Guilbert. "Bijna geloof ik, dat die onzinnige grijsaard gelijk
heeft, dat de weêrzin, met welken ik u verlaat iets bovennatuurlijks
is.--Bekoorlijk wezen!" vervolgde hij, haar naderende, maar met grooten
eerbied:--"Zoo jong, zoo schoon, zoo onbevreesd voor den dood! en toch
veroordeeld om te sterven,--en dat wel een schandelijken en pijnlijken
dood! Wie zou niet om u weenen?--Tranen, sedert twintig jaren vreemd
aan deze oogen, bevochtigen mijn wangen, als ik u aanzie! Maar het
moet zoo zijn;--niets kan thans uw leven redden. Gij en ik zijn
slechts de blinde werktuigen van het onweêrstaanbaar noodlot, dat
ons voortdrijft, gelijk twee schoone schepen, die de storm voor zich
heenjaagt, en tegen elkander doet stooten en verbrijzelt. Vergeef
mij dus, en laat ons ten minste als vrienden scheiden. Ik heb u te
vergeefs van besluit willen doen veranderen, en het mijne is even vast,
als de onverbreekbare vonnissen van het noodlot."

"Zoo leggen de menschen de gevolgen hunner woeste driften aan het
noodlot te last!" zei Rebekka. "Maar ik vergeef u, Bois-Guilbert,
schoon gij de oorzaak van mijn ontijdigen dood zijt. Edele gedachten
komen in uw krachtigen geest op; maar die gelijkt op den tuin des
luiaards, waar het onkruid te welig opgroeit en de schoone, heilzame
bloem verdrukt!"

"Ja," hervatte de Tempelier, "ik ben, zooals gij mij afgeschilderd
hebt, ontembaar, woest en trotsch;--daardoor heb ik onder een hoop van
ijdele gekken en listige dweepers de kracht van mijn geest bewaard,
welke mij boven hen verheft. Ik ben van mijne jeugd af een kind des
oorlogs geweest, grootsch in mijn plannen, hardnekkig en onbuigzaam
en onwrikbaar; en dit zal ik der wereld bewijzen.--Maar gij vergeeft
mij, Rebekka?"

"Even gaarne, als ooit een slachtoffer zijn beul vergaf!"

"Vaarwel!" zei de Tempelier en verliet het vertrek.

De Preceptor Albert wachtte ongeduldig in de naaste kamer op de
terugkomst van Bois-Guilbert.

"Gij hebt lang getoefd," zei hij; "ik stond als op gloeiende kolen van
ongeduld. Als de Grootmeester, of zijn spion Koenraad hierheen gekomen
waren? Ik zou mijne gedienstigheid duur hebben moeten betalen.--Maar
wat scheelt u, broeder?--Uw knieën wankelen, uw blik is somber als
de nacht! Zijt gij niet wel, Bois-Guilbert?"

"Ja," antwoordde de Tempelier, "ik ben wel; zoo wel als de ellendeling,
die gedoemd is, om binnen een uur te sterven. Neen, bij het heilige
kruis, niet half zoo wel;--want er zijn er in dien toestand, die
het leven als een versleten kleed kunnen afleggen. Bij den Hemel,
Malvoisin, dat meisje heeft mij bijna overwonnen! Ik heb half
besloten, om naar den Grootmeester te gaan, de Orde te verlaten,
en te weigeren de wreedheid uit te voeren, welke zijne dwingelandij
mij opgelegd heeft!"

"Gij zijt razend," antwoordde Malvoisin; "gij zult u zelven daardoor
geheel rampzalig maken, zonder de minste kans te hebben om het leven
dezer Jodin, die u zoo dierbaar schijnt, te redden. Beaumanoir zal
een anderen ridder van de Orde benoemen, om zijn vonnis in uwe plaats
te handhaven, en de beschuldigde zal even zeker sterven, als wanneer
gij uw plicht gedaan hadt."

"Dat is onwaar!--Ik zal zelf de wapens voor haar opnemen," hernam
de Tempelier, op trotschen toon; "en als ik dat doe, Malvoisin, dan
geloof ik, dat gij geen één onder de Orde kent, die tegen mijne lans
in den zadel zal blijven!"

"Ja, maar gij vergeet, dat gij tijd, noch gelegenheid zult hebben, om
dit dolle voornemen ten uitvoer te brengen. Ga naar Lucas Beaumanoir,
en zeg hem uwe gelofte van gehoorzaamheid op, en gij zult zien, hoe
lang de heerschzuchtige grijsaard u in vrijheid zal laten. Nauwelijks
zullen de woorden uit uw mond zijn, of gij zult honderd voet onder
den grond zitten, in den kelder der Preceptorij, om uw vonnis als een
afvallige af te wachten; of, indien hij bij zijne gedachte over uwe
betoovering volhardt, dan zal hij u stroo, duisternis en ketens geven
in de eene of andere afgelegene kloostercel, en u daar laten kwellen
met banmiddelen en besproeien met wijwater, om den boozen geest, die
in u gevaren is, uit te drijven. Gij moet in het strijdperk, Brian,
of gij zijt een verloren en onteerd man!"

"Ik zal er uitbreken en vluchten," zei Bois-Guilbert.--"Vluchten
naar het een of ander ver afgelegen land, waarheen zich dwaasheid en
dweepzucht nog geen weg gebaand hebben. Geen droppel van het bloed
van dit voortreffelijk schepsel zal door mijn toedoen vergoten worden!"

"Gij kunt niet vluchten," zei de Preceptor; "uwe razernij heeft
achterdocht verwekt, en men zal u niet vergunnen, de Preceptorij te
verlaten. Beproef het;--vertoon u aan de poort; beveel, dat men de brug
neêrlate, en let op, welk antwoord gij krijgen zult.--Gij zijt verbaasd
en beleedigd; maar is dit niet het beste voor u? Zoo gij vlucht, wat
zal er het gevolg van zijn, dan het onteeren van uw wapen, de schande
van uw geslacht, de ontzetting van uw rang?--Bedenk dit! Waar zullen
de oude wapenbroeders hun hoofden van schaamte bergen, als Brian De
Bois-Guilbert, de beste lans van de Tempeliers, onder het geschreeuw
van het vergaderde volk voor een afvallige verklaard wordt? Wat zal
dat een verdriet zijn voor het Fransche Hof! Met welke blijdschap
zal de trotsche Richard de tijding hooren, dat de ridder, die hem
in Palestina in het nauw bracht, en zijn roem bijna verduisterde,
zijn eigen naam en eer om een Joodsch meisje opgeofferd heeft, dat
hij niet eens tegen zulk een hoogen prijs redden kon!"

"Malvoisin," zei de ridder, "ik dank u;--gij hebt de snaar aangeraakt,
welke mijn hart het meest doet trillen!--Wat er ook van kome, afvallig
zal Bois-Guilbert nooit genoemd worden. Gave God, dat Richard,
of een van zijn geroemde Engelsche gunstelingen, in dit strijdperk
verscheen! Maar het zal ledig blijven;--niemand zal het wagen eene
lans voor de verlorene te breken!"

"Des te beter, als het zoo uitkomt," hernam de Preceptor; "als er
geen kampvechter verschijnt, dan is het niet door uw toedoen, dat
dit ongelukkig meisje sterven zal, maar door de veroordeeling van
den Grootmeester, die alle schuld heeft, en welke deze schuld zich
tot lof en eer zal rekenen!"

"Dat is waar," hervatte Bois-Guilbert; "als er geen kampioen
verschijnt, dan ben ik maar een deel van den optocht; ik zit te paard
in het strijdperk, maar ik heb geen deel aan hetgeen er op volgen zal."

"Geen het minste," zei Malvoisin; "niet meer dan het gewapende beeld
van St. George, als het een deel van den optocht uitmaakt!"

"Welaan, ik wil weder moed scheppen. Zij heeft mij veracht, verstooten,
vernederd! En waarom zou ik alles opofferen, wat mij achting bij
anderen verschaft? Malvoisin, ik zal in het strijdperk verschijnen."

Met deze woorden verliet hij haastig het vertrek, en de Preceptor
volgde, om hem in zijn besluit te bevestigen; want hij had zelf groot
belang in den roem van Bois-Guilbert, daar hij menig voordeel van
hem verwachtte, als hij eens aan het hoofd van de Orde zou zijn;
zonder de bevordering in aanmerking te nemen, waarop Mont-Fitchet
hem hoop gegeven had, op voorwaarde, dat hij tot de veroordeeling
van de ongelukkige Rebekka medewerkte. Evenwel, ofschoon hij bij het
bestrijden van de betere gevoelens zijns vriends al de overmacht bezat,
welke een listig, bedaard, baatzuchtig karakter heeft over iemand, die
door sterke en tegenstrijdige hartstochten geslingerd wordt, eischte
het al de bekwaamheid van Malvoisin om Bois-Guilbert in zijn voornemen
te bevestigen. Hij was genoodzaakt hem nauw te bewaken, om te beletten,
dat hij de gedachte van vlucht weder opvatte, en om te verhinderen,
dat hij met den Grootmeester in aanraking, en tot eene opene breuk met
zijn opperste kwam; hij moest ook van tijd tot tijd de verschillende
beweegredenen herhalen, waardoor hij getracht had te bewijzen, dat,
als Bois-Guilbert bij deze gelegenheid als kampvechter verscheen, hij,
zonder Rebekka's lot te verhaasten of te verergeren, den eenigen weg
zou volgen, waarop hij zich van vernedering en schande kon redden.



VEERTIGSTE HOOFDSTUK.


                Wijkt, schimmen, wijkt!--'t Is Richard zelf!

                                                    Richard III.


Toen de Zwarte Ridder,--want het is noodig zijn lotgevallen na
te gaan,--den gerechtseik van den grootmoedigen roover verliet,
richtte hij zijn weg regelrecht naar een naburig klooster van kleinen
omvang en geringe inkomsten, de Priorij van St. Botolph, waarheen de
gewonde Ivanhoe, na het innemen van het kasteel, onder leiding van
den getrouwen Gurth en den edelmoedigen Wamba gebracht werd. Het is
voor het oogenblik onnoodig te verhalen hetgeen er inmiddels tusschen
Wilfrid en zijn bevrijder voorviel; genoeg is het te zeggen, dat,
na lange en ernstige beraadslagingen, de Prior naar verscheidene
kanten boden uitzond, en dat de Zwarte Ridder den volgenden morgen
gereed stond om op reis te gaan, vergezeld door den nar Wamba, die
hem tot gids zou verstrekken.

"Wij zullen elkander op Coningsburgh, het kasteel van den overleden
Athelstane, wederzien," zei hij tot Ivanhoe, "uw vader viert aldaar het
lijkfeest van zijn edelen bloedverwant. Ik wilde gaarne uwe Saksische
verwanten bij elkander zien, ridder Wilfrid, en hen wat beter leeren
kennen. Dáár zal het ook mijne taak zijn, u met uw vader te verzoenen."

Dit zeggende nam hij afscheid van Ivanhoe, die een vurig verlangen
aan den dag legde, om zijn redder te vergezellen. Maar de Zwarte
Ridder wilde er niet van hooren. "Rust heden uit; gij zult morgen
nog nauwelijks sterk genoeg zijn om te reizen. Ik wil geen anderen
leidsman bij mij hebben dan den eerlijken Wamba, die voor gek of
geleerde kan spelen, naar mijne luim."

"En ik," zei Wamba, "wil u hartelijk gaarne vergezellen. Ik verlang
om het lijkmaal van Athelstane te zien; want als het niet prachtig
en druk bezocht is, dan staat hij van de dooden weder op, om kok,
tafeldekker en schenker te kastijden, en het zou wel de moeite waard
zijn dat te zien. In elk geval, heer ridder, vertrouw ik, dat uwe
dapperheid mij bij Cedric zal verontschuldigen, zoo mijn vernuft te
kort mocht schieten!"

"En hoe zou mijne geringe dapperheid daar slagen, heer nar, waar uw
schitterend vernuft schipbreuk lijdt?--verklaar mij dit!"

"Het vernuft, heer ridder," hernam de nar, "kan veel doen. Het
is een vlugge, scherpzinnige knaap, die de zwakke zijde van zijn
buurman ontdekt, en uit den weg weet te blijven, als zijne drift
ontstoken is. Maar de dapperheid is een onstuimige jongen, die alles
verbrijzelt. Hij roeit tegen weer en wind op, en komt toch vooruit;
dus, heer ridder, terwijl ik van het schoone weder in het gemoed van
mijn heer gebruik maak, hoop ik, dat gij uw best zult doen, als het
begint te stormen!"

"Heer Zwarte Ridder, daar gij verkiest zoo genoemd te worden," zei
Ivanhoe, "ik vrees, dat gij een praatzieken en lastigen nar tot gids
gekozen hebt. Maar hij kent iederen weg en ieder pad in de bosschen,
zoo goed als de beste jager; en de arme schelm is, zooals gij zelf
reeds gezien hebt, getrouw als staal."

"Wel," zei de ridder, "als hij mij den weg wijzen kan, dan zal ik er
niet kwaad om worden, dat hij dien zoekt te veraangenamen.--Vaarwel,
goede Wilfrid!--Ik gelast u, op het vroegst, morgen te vertrekken."

Dit zeggende, stak hij Ivanhoe de hand toe, welke deze aan zijn lippen
drukte, nam afscheid van den Prior, besteeg zijn paard en vertrok met
zijn leidsman Wamba. Ivanhoe volgde hen met de oogen, tot zij onder het
lommer van het woud verdwenen, en keerde daarop in het klooster terug.

Maar dadelijk na de vroegmetten verzocht hij, om den Prior te
zien. De oude man kwam haastig en vroeg angstig naar den staat van
zijne gezondheid.

"Ze is beter," antwoordde Ivanhoe, "dan mijne vurigste hoop verwachten
kon; mijn wond is of geringer geweest, dan mijn bloedverlies mij
deed vermoeden, of deze balsem heeft eene wonderdadige genezing
bewerkt. Het komt mij voor, dat ik mijne wapenrusting heden reeds zou
kunnen dragen, en dat is gelukkig, daar er gedachten bij mij opkomen,
welke mij ongeneigd maken om hier langer in werkeloosheid te blijven."

"Alle Heiligen bewaren ons daarvoor," zei de Prior, "dat de zoon van
den Sakser Cedric ons klooster zou verlaten eer zijne wonden genezen
zijn! Het zou eene schande voor onzen stand zijn, als wij dit duldden!"

"En ik zou uw gastvrij dak ook niet verlaten, eerwaarde vader," hernam
Ivanhoe, "als ik mij niet sterk genoeg gevoelde, om de reis te doen,
en niet gedwongen werd ze te ondernemen."

"En wat kan u tot zulk een overhaast vertrek bewegen?" vroeg de Prior.

"Hebt gij nooit een voorgevoel gehad van naderend ongeluk, eerwaarde
vader," antwoordde de ridder, "waarvoor gij te vergeefs zoudt trachten
een reden op te geven?--Hebt gij nooit uw ziel verduisterd gevonden
als een door de zon bestraald landschap door een plotseling opkomende
wolk, welke een naderenden storm verkondigt?--En denkt gij niet,
dat zulke gewaarwordingen onze aandacht verdienen, als wenken van
onze beschermengelen, dat er gevaar in de nabijheid is?"

"Ik kan niet ontkennen," zei de Prior, een kruis makende, "dat zulke
voorgevoelens van den Hemel gekomen zijn, en nog komen; maar dan
hebben ze een blijkbaar nuttig en goed doel gehad. Maar wat zou het
u baten, dat gij, gewond als gij zijt, de schreden van hem volgt,
wien ge niet zoudt kunnen helpen, als hij aangevallen werd?"

"Prior," zei Ivanhoe, "gij vergist u:--ik ben sterk genoeg, om te
kampen met iedereen, die mij daartoe aanleiding geeft.--Maar al
ware het ook anders, zou ik hem in zijn gevaar niet anders dan door
kracht van wapens kunnen bijstaan? Het is maar al te wel bekend, dat
de Saksers de Normandiërs niet beminnen, en wie weet wat er van komen
kan, als hij onverwachts onder hen valt, terwijl hunne harten door den
dood van Athelstane verbitterd, en hunne hoofden door den edelen wijn
van zijn lijkfeest verhit zijn? Ik houd zijne verschijning onder hen
op zulk een oogenblik voor zeer gevaarlijk, en ik heb besloten het
gevaar met hem te deelen, of het af te wenden; en om dit te doen,
zou ik u wel willen verzoeken mij een paard te leenen, welks gang
zachter is, dan die van mijn strijdros."

"Zeker!" zei de waardige geestelijke: "Gij zult mijn eigen rijpaard
hebben, en ik wensch, dat het even zacht voor u moge loopen, als dat
van den abt van St. Albans. Maar dit wil ik zeggen van Malkin,--want
zoo heet het dier,--dat, wanneer gij het paard van den goochelaar
niet leent, dat een horlepijp tusschen eieren danst, gij geen rid
kunt doen op een dier, dat zoo zacht is en zulk een aangenamen gang
heeft. Ik heb menige preek op zijn rug gemaakt, tot stichting van
mijn kloosterbroeders en van menige arme Christenziel."

"Ik verzoek u, eerwaarde vader, Malkin dadelijk gereed te laten maken,
en laat ook Gurth met mijne wapens komen."

"Ja maar, beste heer, ik bid u in overweging te nemen, dat Malkin even
weinig kennis heeft van wapens, als zijn meester, en dat ik er niet
voor instaan wil, dat het dier het gezicht en de zwaarte van uw volle
wapenrusting verdragen kan. O, ik beloof u, Malkin is een verstandig
dier, en zal zich tegen ieder onbehoorlijk overwicht verzetten. Ik
had slechts eens de _Fructus Temporum_ van den priester van St. Bees
geleend, en ik verzeker u, dat ik het paard niet van de poort weg kon
krijgen, eer ik den foliant tegen mijn klein gebedenboek verruild had."

"Vertrouw er op, eerwaarde vader," hernam Ivanhoe, "dat ik uw paard
geen te groot gewicht zal opleggen; en als het zich tegen mij verzet,
dan zal het de slechtste partij kiezen."

Terwijl Ivanhoe dit antwoord gaf, gespte Gurth aan de hielen van den
ridder een paar groote vergulde sporen, die ieder weerspannig paard
konden leeren, dat het best deed met zich naar den wil van zijn ruiter
te schikken.

De groote scherpe raderen, waarmede Ivanhoe's hielen gewapend
waren, deden den waardigen Prior bijna berouw gevoelen over zijn
gedienstigheid, en hij riep uit: "Maar, beste heer, nu herinner ik mij,
dat Malkin geene sporen verdraagt.--Het is beter, dat gij de merrie
van onzen rentmeester op de pachthoeve neemt, welke wij in iets meer
dan een uur kunnen krijgen, en die zeker handelbaar is, daar zij veel
van ons winterbrandhout trekken moet, en geen haver krijgt."

"Ik dank u, eerwaarde vader; maar ik zal mij maar aan uw eerste aanbod
houden, daar ik zie, dat men Malkin reeds naar buiten leidt. Gurth
zal mijne wapenrusting dragen, en voor het overige, verlaat u er op,
dat Malkin evenmin mijn geduld zal vermoeien, als ik haar rug zal
overladen. En nu, vaarwel!"

Ivanhoe ging de trappen af, sneller en gemakkelijker dan men wegens
zijne wond zou verwacht hebben, en wierp zich op het paard, begeerig
om den Prior te ontgaan, die hem van zoo nabij volgde, als zijne
jaren en zijn zwaarlijvigheid hem vergunden, nu eens den lof van
Malkin uitbazuinende, en dan weder den ridder voorzichtigheid met
het paard aanbevelende.

"Ze is in het gevaarlijkste tijdvak voor eene merrie," zei de oude
man, over zijn eigen geestigheid lachende, "daar ze eerst in haar
vijftiende jaar is."

Ivanhoe, die andere dingen in het hoofd had, dan met den eigenaar over
zijn paard te staan redeneeren, leende slechts een half oor zoowel aan
de deftige raadgevingen als aan de vroolijke scherts van den Prior;
hij sprong dus op het paard, beval zijn schildknaap--want zoo noemde
Gurth zich thans,--hem bij te blijven, en volgde het spoor van den
Zwarten Ridder in het woud, terwijl de Prior in de poort stond, om hem
na te zien, uitroepende: "Heilige Maria! Wat zijn die krijgslieden vlug
en vurig! Ik wenschte wel, dat ik hem Malkin niet had toevertrouwd;
want daar ik lam van de jicht ben, zou ik ongelukkig zijn als haar iets
kwaads overkwam. En echter," voegde hij er bij, "daar ik mijn eigene
oude, zwakke ledematen niet zou sparen voor Oud-Engeland, zoo moet
ook Malkin zich daarvoor in gevaar begeven, en misschien houdt men
wederkeerig ons arm huis eene rijke schenking waardig, of zendt men
den ouden Prior een mak rijpaard. En al doen zij ook geen van beide,
daar de grooten dikwijls de diensten der geringen vergeten, dan zal
ik mij toch wèl beloond rekenen, als ik maar doe wat recht is. En
het zal nu ook wel tijd zijn, om de broeders tot het ontbijt in de
eetzaal samen te roepen.--Och! ik geloof, dat ze liever hieraan zullen
gehoorzamen, dan aan de klok voor de vroegmis en het morgengebed!"

Hierop hinkte de Prior van St. Botolph naar de eetzaal terug,
om het voorzitterschap bij den stokvisch en het bier te bekleeden,
welke juist voor het ontbijt der monniken opgedragen werden. Ernstig
en met een veelbeteekenend gelaat ging hij aan tafel zitten en liet
menigen duisteren wenk vallen over de schenkingen, welke het klooster
te wachten had, en over de groote diensten, welke hij zelf bewezen had,
die op een anderen tijd de aandacht zijner toehoorders zouden geboeid
hebben. Maar, daar de stokvisch sterk gezouten en het bier tamelijk
krachtig was, waren de kinnebakken der broeders te druk bezig, om hun
te vergunnen veel gebruik van hun ooren te maken, en wij lezen niet
dat één der broederschap lust gevoelde om gissingen over de wenken
van hun opperste te maken, behalve vader Diggory, die geweldig aan
kiespijn leed, zoodat hij maar met een kant van den mond kon kauwen.

Intusschen trokken de Zwarte Ridder en zijn gids rustig door het
dichte bosch; nu eens bromde de ridder in zich zelven het liedje van
den een of anderen verliefden troubadour, dan weder wakkerde hij door
zijne vragen de praatzucht van zijn reisgezel aan; zoodat hun gesprek
een zonderling mengsel van gezang opleverde, waarvan wij onze lezers
gaarne eenig denkbeeld zouden willen geven. Gij moet u dus dezen ridder
verbeelden, zooals wij hem beschreven hebben, sterk van lichaam, groot,
gespierd en met breede schouders, gezeten op zijn reusachtig zwart
strijdros, dat tot zijn gebruik voorbestemd scheen, zoo gemakkelijk
droeg het zijn last. De ridder had het vizier van zijn helm open,
om vrij adem te kunnen halen; evenwel was het benedenste gedeelte
gesloten, zoodat men zijn trekken slechts gedeeltelijk onderscheiden
kon. Maar zijn zwart verbrande wangen en zijn groote blauwe oogen,
welke met ongewone stoutheid van onder de donkere schaduw van het
open vizier schitterden, kon men zien; en de geheele houding en het
voorkomen van den ridder getuigden van eene zorgelooze opgeruimdheid
en een moedig zelfvertrouwen,--van een gemoed, buiten staat om het
gevaar te vreezen, maar altijd gereed om het te trotseeren, als iets
waaraan het gewoon was geworden door aanhoudende strijden en avonturen.

De nar droeg zijne gewone zonderlinge kleeding, maar de gebeurtenissen
der laatste dagen hadden hem bewogen om een fikschen krommen sabel
te voeren, in plaats van zijn houten zwaard, met een schild daarbij;
en hij had gedurende het beleg van Torquilstone getoond, dat hij
beiden zeer goed wist te gebruiken. Wezenlijk moest de zwakheid van
Wamba's brein hoofdzakelijk aan een soort van gedurige prikkelbaarheid
worden toegeschreven, die hem steeds dwong van houding te veranderen,
en het hem onmogelijk maakte eenige geregelde aaneenschakeling van
denkbeelden te volgen, ofschoon hij voor eenige minuten vlug genoeg
was om dadelijk iets te verrichten, of het onderwerp van een gesprek
te volgen. Te paard dus, wierp hij zich gedurig nu eens voor- dan
weder achterwaarts, nu eens op de ooren van het paard, dan bijna op
den staart, nu eens hing hij met beide beenen op de eene zijde, dan
weder zat hij met zijn gezicht naar den staart, grijnzende gezichten
trekkende en duizenderlei kunstjes makende; tot zijn paard eindelijk
zijn grappen zoo kwalijk nam, dat het hem lang uit op het groene gras
wierp,--iets, dat den ridder bijzonder vermaakte, maar zijn reisgezel
noodzaakte in het vervolg bedaarder te rijden.

Op het oogenblik van hunne reis, waarop wij hen weder ontmoeten,
was dit vroolijk paar bezig een _virelai_ te zingen, zooals men het
noemde, waar de nar den beter onderrichten ridder op een harden,
krassenden toon antwoordde. Dus luidde het gezang:


    DE RIDDER.

    Anna Maria, ontwaakt is de zon,
    Anna Maria, de morgen begon;
    't Vooglenkoor zingt reeds, de nevel trok heen,
    Rijs, mijn Maria! de morgen verscheen.
    Anna Maria, ik bid u, ontwaak,
    'k Hoor het gejuich van het jagersvermaak,
    't Schalt en weerklinkt van den heuvelentop,
    Anna Maria, eilieve, sta op!


    WAMBA.

    Mijn Tybalt, mijn Tybalt, och, wek mij nog niet,
    Terwijl mij de slaap zoete droombeelden biedt;
    Want wat wij genieten al wakende, is bij
    Die toovergestalten van luttel waardij.
    Laat zingen de vooglen als d' ochtend zich meldt,
    Laat klinken den horen der jagers in 't veld,
    Veel lieflijker tonen verblijden mij nu,--
    Maar denk niet, mijn Tybalt, ik droomde van u!


"Een aardig lied," zei Wamba, toen zij gedaan hadden; "en, bij mijn
zotskap, er zit een goede les in!--Ik was gewoon het te zingen met
Gurth, eertijds mijn speelmakker, en nu door God en zijns meesters
genade een vrij man, en wij kregen eens stokslagen, omdat wij zoo
betooverd waren door de melodie, dat wij twee uren na zonsopgang nog
te bed lagen, en het liedje tusschen slapen en waken zongen;--de rug
doet mij sedert dien tijd steeds zeer, als ik eraan denk! En toch heb
ik de rol van Anna Maria vervuld, om u genoegen te geven, edele heer!"

Hierop hief de nar een ander gezang aan, een soort van kluchtig liedje,
waarop de ridder, de wijs vattende, antwoordde:


    DE RIDDER EN WAMBA.

    Er kwamen drie gasten uit Zuid, West en Noorden,
      En zongen bij beurten een lied,
    Opdat ze de weduw van Wycomb bekoorden,
      En zeg mij, welk weeuwtje verhoorde hen niet?

    Een ridder van Tyndaal kwam 't eerste haar nadren,
      En zong al gedurig zijn lied:
    Beroemd was waarachtig de stam zijner vadren,
      En zeg mij, welk weeuwtje verhoorde hem niet?

    Hij stofte op zijn vader, zijn oom, d'eedle heeren,
      Op titels in 't rijmende lied,
    Maar ach, zij beduidde hem huiswaarts te keeren,
      Want 't weeuwtje van Wycomb verhoorde hem niet.


    WAMBA.

    De tweede bezwoer bij het licht van zijn oogen,
      Al zingende vroolijk zijn lied;
    Hij toch was een heerschap in Welschland getogen,
      En zeg mij, welk weeuwtje verhoorde hem niet?

    Hij heette heer David van Hugo van Morgen,
      Van Griffith van Tudor, zoo snoefde zijn lied,
    "Dat gaat niet, één weeuw voor zoo velen te zorgen!"
      Zoo sprak ze en verhoorde onzen Welschman ook niet.

    Een pachter van Kent was de laatste gebleven,
      Maar zong nu zoo vleiend een lied,
    Hij roemde zijn rijkdom, zijn vorstelijk leven.
      En zeg mij, welk weeuwtje verhoorde hem niet?


    DE RIDDER EN WAMBA.

    De heer en de ridder, och lagen er achter,
      Al zongen ze beurtlings een lied;
    De weduw bekoorde het goed van den pachter,
      Wat weeuwtje ook ter wereld verhoorde hem niet!


"Ik wilde wel, Wamba," zei de ridder, "dat onze gastheer van den
gerechtseik, of de vroolijke monnik, zijn kapelaan, dit lied op den
lof van onzen trotschen landman hoorde."

"Dat wilde ik niet," zei Wamba, "zoo niet die horen aan uw bandelier
hing!"

"Ja," hernam de ridder, "dit is een pand van Locksley's welwillendheid,
schoon ik het waarschijnlijk niet noodig zal hebben. Drie klanken op
dien horen zullen, daarvan ben ik zeker, in geval van nood een goede
bende van die eerlijke schutters rondom mij verzamelen."

"Ik zou zeggen, de Hemel beware ons daarvoor," hernam de nar, "zoo
deze schoone gift geen onderpand was, dat zij ons vreedzaam zouden
laten trekken!"

"Wat meent gij," vroeg de ridder; "denkt gij, dat zij ons zonder dit
teeken van broederschap zouden aanvallen?"

"Neen, daar zeg ik niets van," antwoordde Wamba; "want groene boomen
hebben zoowel ooren als steenen muren. Maar kunt gij mij zeggen,
heer ridder:--wanneer is het beter, dat uwe wijnkan en beurs ledig
dan vol zijn?"

"Wel, nooit dunkt mij!" antwoordde de ridder.

"Gij verdient wegens dit zotte antwoord nooit eene volle kan of beurs
in de hand te hebben! Gij doet best uwe kan te ledigen, eer gij ze
aan een Sakser overgeeft; en uw geld te huis te laten, als gij door
het groene woud reist."

"Houdt gij onze vrienden dan voor roovers?" vroeg de ridder.

"Dat hebt gij mij niet hooren zeggen, edele heer," antwoordde Wamba;
"het verlicht het paard van een reiziger, die een verren tocht te
maken heeft, als men hem zijn valies afneemt; en het is wellicht
goed voor zijne ziel, als men hem verlost van hetgeen de wortel
des kwaads is; derhalve wil ik hun, welke zulke diensten bewijzen,
geene harde namen geven. Ik zou slechts mijn valies in huis en mijne
beurs op mijne kamer wenschen, als ik deze goede lieden ontmoette;
omdat dit hun eenige moeite zou besparen!"

"Wij zijn evenwel verplicht naar hen te verlangen, niettegenstaande
den lof, welken gij hun geeft."

"Ik wil van ganscher harte naar hen verlangen," zei Wamba, "maar in de
stad, niet in het groene woud, gelijk de Abt van St. Bees, welken zij
de mis hebben laten lezen in een ouden hollen eik, tot koorgestoelte."

"Zeg wat gij wilt, Wamba," hernam de ridder, "deze schutters hebben
uw meester Cedric, bij Torquilstone, heerlijke diensten bewezen."

"Ja zeker," antwoordde Wamba, "maar dat is de wijze waarop zij met
den Hemel handel drijven."

"Met den Hemel handel drijven, Wamba, hoe meent gij dat?"

"Wel, zóó: zij houden rekening-courant met den Hemel, zooals onze
oude keldermeester zijn boekhouden placht te noemen, juist zoo goed
als Izaäk de Jood ze houdt met zijne schuldenaars,--en evenals hij,
geven zij weinig en nemen lang krediet; zonder twijfel tot hun eigen
voordeel de zevenvoudige interesten berekenende, welke de Heilige
Schrift aan liefdadige leeningen beloofd heeft."

"Geef mij een voorbeeld van wat ge bedoelt, Wamba;--ik versta iets
van rekenen en interesten," antwoordde de ridder.

"Wel," zei Wamba, "indien uwe dapperheid zoo onwetend is, dan moet gij
leeren, dat deze eerlijke kerels eene goede daad tegen eene andere,
welke niet volkomen zoo loffelijk is, laten opwegen; b. v. een kroon,
die zij aan een bedelmonnik geven, tegen honderd byzantijnen, welke
zij een vetten abt ontnemen; of een meisje, dat zij in het groene
woud kussen, tegen eene arme weduwe, die zij ondersteunen."

"Welke van deze laatste was de goede daad en welke de slechte?" viel
hem de ridder in de rede.

"Goed gevraagd! Goed gevraagd!" riep Wamba uit. "Geestig gezelschap
scherpt het verstand. Ik wil er op zweren, heer ridder, dat gij geen
zoo goeden inval gehad hebt, toen gij dronken avondgebeden met den
woesten kluizenaar opzeidet. Maar om voort te gaan. De vroolijke
schutters stellen het opbouwen eener hut tegen het afbranden van een
kasteel,--het oprichten van een kansel tegen het plunderen van eene
kerk;--het in vrijheid stellen van een armen gevangene, tegen den
moord van een hoogmoedigen schout,--of, om nader ter zaak te komen,
het bevrijden van een Saksischen _Franklin_ tegen het levend verbranden
van een Normandischen Baron. Kortom, het zijn vriendelijke dieven en
hoffelijke roovers; maar het is altijd het gelukkigst hen te ontmoeten,
als zij het meest in nood zijn."

"Hoe zoo, Wamba?" vroeg de ridder.

"Wel, dan hebben zij eenig berouw, en willen hun zaken gaarne met
den Hemel vereffenen. Maar wanneer de balans opgemaakt is, dan zij
de Hemel hem genadig, met wien zij eene nieuwe rekening openen! De
reizigers, die hen eerst na hun bewezen diensten bij Torquilstone
ontmoeten, zullen schoon gevild worden.--En echter," vervolgde hij,
dicht naast den ridder komende, "er zijn kerels, die voor een reiziger
veel gevaarlijker zijn dan gindsche vogelvrijverklaarden."

"En wie zijn dat dan; want er zijn zeker geene beren of wolven
hier?" vroeg de ridder.

"Maar, wij hebben hier Malvoisin's volk," antwoordde Wamba; "en laat
ik u zeggen, dat in tijden van burgeroorlog een tiental er van ten
allen tijde even gevaarlijk is als een bende wolven. Zij wachten thans
hun oogst, en zijn versterkt door de soldaten, die uit Torquilstone
ontsnapt zijn; zoodat, indien wij een troep van deze lieden ontmoetten,
wij denkelijk onze heldendaden duur zouden moeten betalen.--Nu bid
ik u, heer ridder, wat zoudt gij doen, als wij er twee van ontmoetten?"

"De schurken met mijn lans tegen den grond spijkeren, Wamba, als zij
ons de minste verhindering in den weg legden."

"Maar indien er vier waren?"

"Zij zouden evenzoo te pas komen," antwoordde de ridder.

"Maar indien er zes waren," vervolgde Wamba--"en wij, zooals wij hier
zijn, met ons beiden;--zoudt gij niet aan Locksley's horen denken?"

"Hoe, om hulp blazen," riep de ridder, "tegen eene bende schurken,
welke één goede ridder voor zich heen kan drijven, evenals de wind
de verdorde bladeren voor zich heen jaagt!"

"Nu, nu," zei Wamba, "heb de goedheid en laat mij toch eens dien
horen van naderbij bezien, welke een zoo machtige stem heeft."

De ridder maakte den horen van zijn bandelier los en gaf hem aan zijn
reisgenoot, die hem dadelijk om zijn eigen hals hing.

"Tra-lira-la!" zei hij, die noten fluitende; "ik ken de wijs zoo goed
als een ander."

"Hoe meent gij dat, schelm?" zei de ridder; "geef mij den horen terug."

"Stel u gerust, heer ridder, die is in zekere bewaring. Als de
dapperheid en de dwaasheid samen reizen, dan moet de dwaasheid den
horen dragen, omdat zij het best er op blazen kan."

"Maar, schelm," zei de Zwarte Ridder, "dit gaat te ver,--wacht u om
mijn geduld uit te putten!"

"Gebruik geen geweld tegen mij, heer ridder," zei de nar, zich op een
afstand van den vertoornden ridder houdende, "of de dwaasheid zal u
de hielen laten zien, en de dapperheid, zoo goed zij kan, haar weg
door het woud laten zoeken."

"Ha! daar hebt gij mij gevangen," zei de ridder, "en om de waarheid te
zeggen, ik heb ook geen tijd om met u te schertsen. Behoud den horen,
zoo gij wilt; maar laten wij onze reis vervolgen."

"Gij zult mij dus geen kwaad doen?" vroeg Wamba.

"Ik zeg u van neen, schelm!"

"Ja, maar geef mij uw ridderwoord er op!" vervolgde Wamba, met groote
omzichtigheid naderende.

"Ik geef u mijn ridderwoord, kom maar nader met uw zotten persoon."

"Welaan dan, dus zullen de dapperheid en de dwaasheid opnieuw goede
reismakkers zijn," zei de nar weder onbevreesd naast den ridder
rijdende; "maar waarlijk, ik houd niet van zulke slagen, zooals gij
er den lustigen monnik een gegeven hebt, toen zijne heiligheid over
den grond rolde, gelijk de koning in het kegelspel. En nu, daar de
dwaasheid den horen voert, laat de dapperheid zich verheffen en haar
manen schudden; want, indien ik mij niet vergis, dan is er gezelschap
in gindsch kreupelhout, dat op ons loert."

"Waarom denkt gij dat?" vroeg de ridder.

"Omdat ik al een paar maal een helm door de groene bladeren heb zien
schemeren. Als het eerlijke kerels waren, dan bleven zij op den open
weg. Maar die dichte plaats is een uitgezochte kapel voor de priesters
van St. Nikolaas."

"Op mijn woord van eer," zei de ridder, zijn vizier sluitende;
"ik geloof, dat gij gelijk hebt!"

En wel ter rechter tijd sloot hij het; want er vlogen op hetzelfde
oogenblik uit de verdachte plaats drie pijlen naar zijn hoofd en zijn
borst, waarvan de een tot in de hersenpan zou doorgedrongen zijn,
als het stalen vizier de spits niet had doen afstuiten. De beide
anderen werden tegengehouden door het borstharnas en het schild,
dat om zijn hals hing.

"Wees gedankt, brave wapensmid!" zei de ridder.--"Wamba, laten wij
op hen losgaan," en hiermede reed hij naar het kreupelhout toe. Zes
of zeven gewapenden renden in volle vaart er uit, met gevelde lansen
tegen hem aan. Drie van dezen troffen hem, en vlogen zonder de minste
uitwerking te doen in splinters, als tegen een stalen toren. De
oogen van den Zwarten Ridder schenen vuur te schieten door de
opening van zijn vizier. Hij lichtte zich in de stijgbeugels, met een
onbeschrijflijk waardige houding op, en riep uit: "Wat beduidt dit,
mijne heeren?"--De mannen antwoordden alleen door hun zwaarden te
trekken en hem van alle kanten aan te vallen, uitroepende: "Sterf,
dwingeland!"

"Ha, St Eduard! ha! St. George!" riep de Zwarte Ridder, bij iederen
uitroep een vijand ter neêr vellende; "hebben wij hier verraders?"

De aanvallers, hoe wanhopig ze ook vochten, weken terug voor een arm,
welke met iederen slag den dood uitdeelde, en het scheen, alsof alleen
de schrik voor zijne kracht de overwinning over deze schurken zou
behalen, toen een ridder in een blauwe wapenrusting, die zich tot
hiertoe achter de andere aanvallers gehouden had, met gevelde lans
vooruit reed, en niet op den ruiter, maar op het paard mikkende,
het edele dier doodelijk kwetste.

"Dat was een verraderlijke steek!" riep de Zwarte Ridder, terwijl
het paard met zijn ruiter ter aarde tuimelde. Op dit oogenblik blies
Wamba op den horen;--want alles was zoo onverwacht voorgevallen, dat
hij geen tijd had gevonden om dat vroeger te doen. Die verrassende
klanken deden de moordenaars nog eens terugdeinzen, en Wamba,
ofschoon onvolkomen gewapend, aarzelde niet om er op los te gaan,
en den Zwarten Ridder in het opstaan behulpzaam te zijn.

"Schaamt u, valsche lafaards!" riep de ridder uit, die de aanvallers
scheen aan te voeren; "vlucht gij voor den blooten klank van een horen,
door een nar geblazen?"

Aangevuurd door deze woorden, vielen zij den ridder opnieuw aan,
wiens beste toevlucht thans was, zich met den rug tegen een eik te
plaatsen en zich met zijn zwaard te verdedigen. De verraderlijke
ridder, welke een andere speer gekregen had, nam het oogenblik waar,
toen zijn geduchte tegenpartij het hardst gedrongen werd, en reed
op hem los, in de hoop van hem met zijn lans tegen den boom te
nagelen, toen zijn voornemen door Wamba verhinderd werd. De nar,
die zijn gebrek aan kracht door vlugheid vergoedde, en niet door
de gewapenden opgemerkt werd, die door een geduchter vijand bezig
gehouden werden, haastte zich om deel aan den strijd te nemen en
stremde wezenlijk den noodlottigen loop van den Blauwen Ridder, door
met zijn zwaard diens paard de knie-zenuwen door te klieven. Man
en paard vielen; desniettemin bleef de toestand van den Zwarten
Ridder zeer gevaarlijk, daar hij door verscheidene vijanden van
nabij gedrongen werd, en vermoeid begon te worden door de geweldige
inspanning, welke het hem kostte, om zich tegelijk op zoo vele punten
te verdedigen, toen eensklaps een pijl een der geduchtste van zijn
aanvallers op den grond deed neêrtuimelen, en een bende schutters uit
het bosch te voorschijn kwam, onder aanvoering van Locksley en den
vroolijken monnik, die dadelijk en vlug deel aan den strijd nemende,
de aanvallers met zooveel kracht aangrepen, dat ze spoedig allen dood,
of doodelijk gewond, op de plaats bleven. De Zwarte Ridder dankte zijn
bevrijders met eene waardigheid, welke ze te voren niet in zijn gedrag
hadden opgemerkt, dat tot dusver eerder dat van een stoutmoedigen,
openhartigen krijgsman dan van een man van hoogen rang geschenen had.

"Er ligt mij veel aan gelegen," zei hij, "zelfs eer ik mijn
dankbaarheid jegens mijne waardige vrienden te kennen geef, om
zoo mogelijk te ontdekken, wie mijn ongetergde vijanden geweest
zijn.--Wamba, open het vizier van dien Blauwen Ridder, die de
aanvoerder van deze schurken schijnt te zijn."

De nar ging dadelijk op den aanvoerder der moordenaars los, die,
gekneusd door zijn val, en gedrukt onder het gekwetste paard, daar
lag zonder te kunnen vluchten of weêrstand bieden.

"Kom, dappere heer," zei Wamba, "ik moet uw schildknaap zijn, zoowel
als uw stalmeester. Ik heb u van het paard geholpen, en nu zal ik u van
den helm ontdoen." Dit zeggende, maakte hij met een niet zeer zachte
hand den helm van den Blauwen Ridder los, welke op het gras rollende,
den Zwarten Ridder de grijze lokken en het gelaat vertoonde van iemand,
dien hij niet op deze wijze verwacht had te ontmoeten.

"Waldemar Fitzurse!" riep hij geheel verwonderd uit, "Wat kon een man
van uw rang en van uwe schijnbare waardigheid tot zulk een schandelijke
onderneming bewegen?"

"Richard," zei de gevangen ridder, naar hem opziende, "gij kent
den mensch slecht, als gij niet weet, waartoe eerzucht en wraak elk
Adamskind kunnen verleiden!"

"Wraak?" antwoordde de Zwarte Ridder; "ik heb u nooit beleedigd.--Op
mij hebt gij geene wraak te nemen."

"Mijne dochter, Richard, wier verbintenis gij versmaad hebt,--was dat
geen hoon voor een Normandiër, wiens bloed even edel is als het uwe?"

"Uwe dochter!" hervatte de Zwarte Ridder. "Een gegronde reden,
waarlijk, tot eene vijandschap, welke zulk een bloedigen afloop
moest hebben!--Treedt wat terug, mijne heeren, ik wil alleen met
hem spreken.--En nu, Waldemar Fitzurse, zeg mij de waarheid;--beken,
wie u tot deze verraderlijke daad aangezet heeft?"

"Uws vaders zoon," antwoordde Waldemar, "die daardoor slechts uwe
ongehoorzaamheid tegen uw vader wreekte."

Richards oogen gloeiden van toorn; maar zijn betere natuur behield de
overhand. Hij sloeg zich met de hand op het voorhoofd, en staarde een
oogenblik op het gelaat van den vernederden ridder, op wiens trekken
hoogmoed en schaamte met elkander in strijd waren. "Vraagt gij niet
om uw leven, Waldemar?" vroeg de Koning.

"Hij, die in de klauwen van den leeuw is," antwoordde Fitzurse,
"weet dat zoo iets overbodig zou zijn."

"Neem het dan ongevraagd," hervatte Richard; "de leeuw aast op
geen lijken.--Neem uw leven, maar onder voorwaarde, dat gij binnen
drie dagen Engeland zult verlaten, uwe schande in uw kasteel in
Normandië verbergen, en nooit den naam van Jan van Anjou noemen,
als in betrekking staande met uwe schurkerij. Zoo men u na den u
vergunden tijd op het Engelsch gebied vindt, dan sterft gij;--of, als
gij iets ruchtbaar laat worden, dat de eer van mijn huis bevlekken
kan, bij St. George, dan zal het altaar zelfs geene schuilplaats
voor u zijn! Ik laat u aan den hoogsten toren van uw eigen kasteel
ophangen, om den raven tot voedsel te dienen!--Geef dezen ridder een
paard, Locksley; want ik zie dat uwe schutters die opgevangen hebben,
welke los liepen, en laat hem ongehinderd vertrekken."

"Zoo ik niet begreep, dat ik een stem verneem, welke men niet mag
tegenspreken," antwoordde de schutter, "dan zou ik den sluipenden
schurk een schicht achterna zenden, welke hem de moeite eener lange
reis zou besparen."

"Gij hebt een Engelsch hart, Locksley," zei de Zwarte Ridder,
"en te recht oordeelt gij, dat gij verplicht zijt mijne bevelen te
gehoorzamen.--Ik ben Richard van Engeland!"

Bij deze woorden, welke op een toon van majesteit, aan zijn hoogen
rang, en aan het niet minder hooghartig karakter van Richard
Leeuwenhart passende, uitgesproken werden, knielden de schutters
allen tegelijk voor hem neder, en zwoeren hem trouw, terwijl zij
tevens vergiffenis voor hunne misdaden vroegen.

"Staat op, vrienden," zei Richard, op vriendelijken toon, hen aanziende
met een gelaat, waarop zijne gewone opgeruimdheid reeds alle teekens
van toorn overwonnen had, en op welks trekken geen spoor meer van den
zoo even geleverden woedenden strijd te zien was, behalve de hoogere
kleur, welke de inspanning veroorzaakt had.--"Staat op, vrienden! uw
wangedrag zoowel in het bosch als in het veld, is uitgewischt door
de diensten, welke gij aan mijne verdrukte onderdanen onder de muren
van Torquilstone bewezen hebt, en door de redding, welke uw koning
u heden te danken heeft. Staat op, mijn getrouwen, en weest ook in
het vervolg goede onderdanen.--En gij, brave Locksley,--"

"Noem mij niet langer Locksley, mijn vorst; maar ken mij onder een
anderen naam, welken ik vrees, dat de faam te ver heeft uitgebazuind,
dan dat die uwe koninklijke ooren niet zou bereikt hebben.--Ik ben
Robin Hood van het bosch van Sherwood."

"Koning der vogelvrijverklaarden, en vorst van alle vroolijke
makkers!" zei de Koning; "wie zou een naam niet gehoord hebben,
welke tot naar Palestina is overgewaaid? Maar wees verzekerd, dappere
vriend! dat geene daad, welke gij in onze afwezigheid en gedurende
de onrustige tijden, die er het gevolg van waren, gepleegd hebt,
tot uw nadeel zal strekken."

"Wel is het spreekwoord waar," zei Wamba, hem in de rede vallende,
maar met een weinig minder moedwil dan gewoonlijk: "als de kat weg
is dansen de muizen!"

"Hoe, Wamba, zijt gij nog daar!" zei Richard; "daar ik uwe stem zoo
lang niet gehoord had, meende ik, dat gij de vlucht genomen hadt."

"Ik de vlucht nemen!" hervatte Wamba. "Wanneer vindt gij ooit de
Dwaasheid van de Dapperheid gescheiden? Daar ligt het zegeteeken
van mijn zwaard, dat schoone grijze paard, dat ik hartelijk wenschte
weder op zijn pooten te zien, mits zijn meester in zijne plaats daar
uitgestrekt was. Het is waar, ik bleef eerst een weinig uit den weg,
want een bont jakje houdt geene lanssteken tegen, zooals een stalen
harnas. Maar zoo ik niet veel met de punt gevochten heb, zult gij
toch moeten toegeven, dat ik tot den aanval geblazen heb."

"En dat wel met goed gevolg, eerlijke Wamba!" hernam de Koning. "Uw
dienst zal niet vergeten worden."

"_Confiteor! Confiteor!_" riep op onderdanigen toon eene stem naar
den Koning:--"mijn Latijn wil mij niet meer helpen;--maar ik beken
mijn hoogverraad, en verzoek absolutie eer ik ter dood geleid word!"

Richard keek om, en ontwaarde den vroolijken monnik op zijne knieën,
zijne rozenkrans tellende, terwijl zijn knots, welke gedurende
de schermutseling niet werkeloos geweest was, naast hem op het
gras lag. Zijn gelaatstrekken had hij de uitdrukking van het diepst
mogelijk berouw doen aannemen, daar hij de oogen opsloeg en de hoeken
van den mond neêrgetrokken had, gelijk de kwasten van een beurs,
zooals Wamba placht te zeggen. Evenwel werd deze nederige vertooning
van ongeveinsd berouw wonderlijk gelogenstraft door een spotachtigen
trek, die er onder te voorschijn kwam, en die scheen aan te duiden,
dat zijne vrees en zijn berouw beiden even oprecht waren.

"Waarom zijt gij zoo terneergeslagen, dolle priester?" zei
Richard. "Vreest gij dat uw bisschop vernemen zal, hoe getrouw gij
onze Heilige Maagd en St. Dunstan dient?--Stil, man! vrees niets;
Richard van Engeland verraadt geene geheimen, welke bij de wijnflesch
uitlekken."

"Neen, genadigste Vorst," hernam de kluizenaar (wel bekend onder den
naam van broeder Tuck bij hen, die de volksvertellingen van Robin
Hood kennen); "het is de bisschopsstaf niet, dien ik vrees, maar den
schepter.--Helaas! dat mijne heiligschendende vuist ooit het oor van
den gezalfde des Heeren aangeraakt heeft!"

"Ha! ha!" zei Richard, "waait de wind uit dien hoek?--Inderdaad, ik had
den klap vergeten; ofschoon mijn oor den geheelen dag daarvan gesuisd
heeft. Maar zoo die flink gegeven was, dan wil ik al deze brave jongens
laten oordeelen, of hij niet even goed betaald werd;--of zoo gij denkt,
dat ik u nog iets schuldig ben, dan staat u nog een klap ten dienste."

"In het geheel niet," hernam broeder Tuck; "ik heb den mijne terug
ontvangen, en dat wel met woeker; moge uw Majesteit uwe schulden
altijd even goed betalen!"

"Zoo ik dat maar met klappen kon doen," zei de Koning, "dan zouden
mijne schuldeischers weinig reden hebben, om over mijn ledige schatkist
te klagen."

"En toch," zei de monnik, zijn schijnheilig gelaat weder aannemende,
"weet ik niet, welke boete ik voor dien heiligschendenden slag
moet doen!"

"Spreek er niet meer van, broeder," zei de koning; "nadat ik zooveel
slagen van Heidenen en ongeloovigen gekregen heb, zou het onverstandig
van mij zijn, vertoornd te worden over den klap van een zoo heiligen
kluizenaar, als dien van Copmanshurst. Maar, eerlijke monnik, mij
dunkt toch, het ware best voor de kerk en u zelven, dat ik u verlof
bezorgde, om het monnikskleed uit te trekken, en dat ik u bij mijn
lijfwacht aanstelde, ten einde zorg voor mijn persoon te dragen,
gelijk te voren voor het altaar van St. Dunstan?"

"Mijn Koning," zei de monnik; "ik vraag u nederig om verschooning
hiervan; en gij zult mijne verontschuldiging gaarne aannemen,
zoo gij maar weet, hoe de zonde der luiheid mij bekropen
heeft.--St. Dunstan--hij zij ons genadig!--blijft rustig in zijn
nis, al vergeet ik ook mijne gebeden onder het jagen van een vetten
reebok.--Soms blijf ik ook wel een nacht buiten mijne cel, ik weet
niet waarom,--en St. Dunstan klaagt nooit,--hij is een zoo stil
en vreedzaam meester, als er ooit een van hout gemaakt werd.--Maar
lijfwacht te zijn, om mijn Koning en Heer te dienen,--de eer is zonder
twijfel groot,--en toch, zoo ik maar eens op zij ging, om eene weduwe
in den éénen hoek te troosten, of een hert in den anderen te schieten,
dan zou het terstond wezen: "Waar is die hond van een priester? Wie
heeft dien verwenschten Tuck gezien? Die schurk van een monnik vernielt
meer wild dan al de overigen te zamen," zegt de eene houtvester. "En
jaagt iedere schuwe hinde na!" roept een tweede.--Kortom, mijn
Koning, ik bid u mij te laten, zooals gij mij gevonden hebt, of,
zoo gij eenige goedertierenheid jegens mij betoonen wilt, beschouw
mij dan als den armen heremiet van St. Dustan's cel in Copmanshurst,
die iedere geringe gave in dank aannemen zal."

"Ik versta u," hervatte de Koning, "en de heilige heremiet zal het
vrije jachtrecht genieten in mijn bosch van Warncliffe. Maar let
wel: ik sta u in ieder jachttijd slechts drie reebokken toe; als u
dit echter geen verontschuldiging geeft om er dertig te schieten,
dan ben ik geen Christen ridder of echte Koning."

"Uwe Majesteit kan verzekerd zijn," antwoordde de monnik, "dat ik
met de hulp van St. Dunstan middelen zal vinden, om uw allergenadigst
geschenk te vermenigvuldigen."

"Ik twijfel er volstrekt niet aan, goede broeder," zei de Koning;
"en daar wildbraad maar een droog eten is, zoo zal onze keldermeester
bevel hebben, om u jaarlijks een vat Sek, een vaatje Malvezij en drie
okshoofden van het beste bier te zenden.--Zoo dit uw dorst niet lescht,
dan moet gij aan het Hof komen en kennis maken met onzen bottelier."

"Maar wat krijgt St. Dunstan?" zei de monnik.

"Een kap, een _stola_ en een altaarkleed zult gij ook hebben,"
vervolgde de Koning, een kruis makende.--"Maar wij mogen onze scherts
niet in ernst veranderen, uit vrees dat God ons straffe, omdat wij
meer aan onze gekheden dan aan Zijn eer en dienst denken."

"Ik wil voor mijn patroon instaan," zei de priester lachende.

"Sta voor u zelven in, monnik," hernam Koning Richard eenigszins
ernstig, maar stak dadelijk daarop den heremiet de hand toe, welke
deze een weinig beschaamd en geknield kuste. "Gij doet minder eer
aan mijne opene hand dan aan mijn gebalde vuist," zei de Koning;
"gij knielt slechts neder voor de eerste, en voor de andere wierpt
gij u lang uit op den grond."

Maar de monnik, die vreesde, dat hij misschien den koning weder
beleedigen zou door het gesprek te lang op een schertsenden toon voort
te zetten,--een misslag, waarvoor zij, die met Vorsten omgaan, zich
bijzonder wachten moeten,--maakte eene diepe buiging en trad terug.

Tegelijkertijd verschenen er nog twee nieuwe aankomelingen op het
tooneel.



EEN-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.


                Heil u allen, mijn heeren van hoogeren stand,
                Maar niet meerder gelukkig dan wij op het land!
                      In onze wouden gekomen,
                        Om onze spelen te zien,
                      Onder 't lover der boomen,
                Willen wij hartlijk het welkom u biên.

                                                        Macdonald.


De nieuwe aankomelingen waren Wilfrid van Ivanhoe, op het paard van
den Prior van Botolph, en Gurth, die den ridder op diens strijdros
vergezelde. De verbazing van Ivanhoe was grenzenloos, toen hij zijn
meester met bloed bespat zag, terwijl zes of zeven gesneuvelden op
het kleine grasplein uitgestrekt lagen, waar het gevecht plaats had
gehad. Niet minder verwonderd was hij, Richard omringd te zien van
zoovele menschen, die vogelvrijverklaarden, en dus een gevaarlijk
gevolg voor een Vorst schenen te zijn. Hij wist niet, of hij den
Koning als den Zwarten Ridder, of op een andere wijze aanspreken
zou. Richard bemerkte zijn verlegenheid.

"Vrees niet, Wilfrid," zei hij, "om Richard Plantagenet als zoodanig
aan te spreken, daar gij hem in het gezelschap van getrouwe Engelsche
onderdanen ziet, ofschoon zij mogelijk door hun vurig Engelsch bloed
een weinig van den rechten weg afgedwaald zijn."

"Ridder Wilfrid van Ivanhoe," zei de dappere kapitein, voorwaarts
tredende, "mijn verzekeringen kunnen die van onzen Koning geen meerder
gewicht geven; maar ik kan wel met eenigen trots zeggen, dat hij onder
mannen, die veel geleden hebben, geen getrouwer onderdanen heeft,
dan zij die hem nu omringen.

"Ik twijfel er niet aan, dappere vriend," zei Wilfrid, "daar ik u onder
het getal zie.--Maar wat beduiden deze teekens van dood en gevaar,
deze verslagene mannen en de bebloede wapenrusting van mijn Vorst?"

"Er is hier verraad gepleegd, Ivanhoe," antwoordde de Koning;
"maar dank zij dezen braven mannen, het verraad heeft zijn loon
gekregen.--Thans echter schiet mij te binnen, dat gij ook een verrader
zijt," zei Richard, glimlachende, "een oproerige verrader; want heb
ik u geen stellig bevel gegeven om in de Abdij van St. Botolph te
blijven uitrusten, tot uwe wonde genezen was?"

"Ze is al genezen," antwoordde Ivanhoe; "ze was niet dieper dan het
vel.--Maar waarom, o waarom, edele vorst, kwelt gij dus uwe getrouwe
dienaren, en waagt gij uw leven op eenzame reizen en gevaarlijke
avonturen, alsof het niet meer waard was, dan dat van een dolenden
ridder, die niets anders op de wereld heeft dan hetgeen lans en zwaard
hem verschaffen?"

"En Richard Plantagenet," hernam de Koning, "verlangt naar geen
anderen roem, dan dien, welken zijn goede lans en zijn goed zwaard hem
verschaffen kunnen;--en Richard Plantagenet is er trotscher op, om een
avontuur met zijn goed zwaard en zijn sterken arm alleen te doorstaan,
dan om een leger van honderdduizend man in den slag aan te voeren."

"Maar uw koninkrijk, mijn Vorst," zei Ivanhoe, "wordt bedreigd met
burgeroorlog en ontbinding;--uwe onderdanen met allerlei rampen, indien
zij hun vorst in een dezer avonturen, welke gij dagelijks alleen tot
uw vermaak opzoekt, en waaraan gij nog zooeven ternauwernood ontsnapt
zijt, verliezen."

"Ho! ho! mijn koninkrijk en mijn onderdanen?" antwoordde Richard
ongeduldig: "ik zeg u, Wilfrid, de besten onder hen betalen mijn
zotheden met gelijke munt.--Bij voorbeeld, mijn zeer getrouwe dienaar,
Wilfrid van Ivanhoe wil mijne stellige bevelen niet gehoorzamen, en
leest evenwel zijn Koning de les, omdat hij zich niet nauwkeurig naar
zijn raad gedraagt. Wie van ons heeft de meeste reden om den ander
verwijten te doen?--Maar vergeef mij, mijn getrouwe Wilfrid! De tijd,
welken ik in verborgenheid doorgebracht heb en nog doorbrengen moet,
is, gelijk ik u te St. Botolph verklaard heb, alleen om mijnen vrienden
en getrouwen edelen den tijd te geven, om hunne macht te vereenigen,
opdat Richard, als zijne terugkomst bekend wordt, aan het hoofd
van zulk een leger sta, dat zijne vijanden schrikken het te zien,
en dus het voorgenomen verraad smoren, zonder zelfs het zwaard te
trekken. Estoteville en Bohun zullen eerst in vier en twintig uren
sterk genoeg zijn om naar York op te trekken; ik moet tijding van
Salisbury, uit het zuiden, van Beauchamp, uit Warwickshire, en van
Multon en Percy uit het noorden hebben. De Kanselier moet voor Londen
kunnen instaan. Een te spoedige verschijning zou mij aan gevaren
blootstellen, uit welke mijne lans en mijn zwaard, schoon ik door den
boog van den moedigen Robin, of de knots van broeder Tuck en den horen
van den wijzen Wamba ondersteund werd, mij niet zouden kunnen redden."

Wilfrid boog onderdanig, daar hij wel wist hoe vergeefs het zijn zou
tegen den onbezonnen ridderlijken geest te strijden, die zijn meester
zoo dikwerf in gevaren stortte, welke hij gemakkelijk had kunnen
vermijden, of liever, welke hij met een onvergeeflijke roekeloosheid
opzocht. Wilfrid zuchtte dus, en zweeg; terwijl Richard, verheugd
zijn raadsman tot zwijgen gebracht te hebben, ofschoon zijn hart
de gegrondheid zijner verwijten erkende, zijn gesprek met Robin Hood
vervolgde.--"Koning der roovers," zei hij, "hebt gij geene verversching
aan uw broeder Koning aan te bieden? Want deze doode schelmen hebben
mij èn werk èn eetlust verschaft."

"In waarheid," hernam de roover, "want ik wil uwe Majesteit niet
bedriegen, onze mondvoorraad bestaat voornamelijk,--" hij zweeg
eenigszins verlegen.

"Uit wild, veronderstel ik," viel Richard hem vroolijk in de rede;
"betere spijs kan er niet zijn, als men honger heeft;--en waarlijk, als
een Koning niet te huis blijven wil, om zijn eigen wild te schieten,
dan, dunkt mij, moet hij niet hard brommen, als hij het door vreemde
handen geveld vindt."

"Zoo uwe Majesteit dus weder eene der rustplaatsen van Robin Hood met
uwe tegenwoordigheid vereeren wil," zei Robin, "dan zal het wild niet
ontbreken; en een dronk bier, en ook nog wel een beker wijn staan
tot uw dienst."

De kapitein ging vooruit om den weg te wijzen, en werd gevolgd door
den vroolijken Vorst, die waarschijnlijk vergenoegder was over zijne
toevallige ontmoeting met Robin Hood en zijne volgelingen, dan hij
geweest zou zijn, als hij zijne koninklijke waardigheid hernomen en
in een schitterenden kring van pairs en edelen het voorzitterschap
bekleed had. Verandering van gezelschap en avonturen maakten het
levensgeluk uit van Richard Leeuwenhart, en het was hem des te
bekoorlijker, als het met menigvuldige gevaren gepaard ging. In
Koning Richard werd het schitterend, maar onbeduidend karakter van
een dolenden ridder bijkans verwezenlijkt, en de persoonlijke roem,
welken hij door zijn wapenfeiten verwierf, was hem, wegens zijne
vurige verbeelding, veel dierbaarder dan die, welken een staatkundig
en wijs gedrag hem zou verschaft hebben. Dus was ook zijn regeering
gelijk aan den loop van een schitterend en vluchtig luchtverschijnsel,
dat langs het uitspansel snelt, een onnoodig maar geweldig licht in
het rond verspreidt en plotseling door een diepe duisternis vervangen
wordt; zijne ridderlijke daden verschaften onderwerpen voor dichters
en minnezangers, maar aan zijn land geen van die blijvende voordeelen,
waarbij de geschiedenis gaarne vertoeft, en welke zij als een voorbeeld
aan de nakomelingschap voorstelt. In het tegenwoordig gezelschap
echter, vertoonde zich Richard in het voordeeligst licht. Hij was
vroolijk, goed geluimd, en beminde de dapperheid, in welken stand hij
ze ook vond.--Onder een grooten eik werd het landelijk maal in alle
haast voor den Koning van Engeland gereed gemaakt, die omringd was door
mannen, welke onlangs door zijne regeering vogelvrij verklaard waren,
en thans zijn hof en zijne lijfwacht uitmaakten. Toen de flesch begon
rond te gaan, verloren de ruwe gezellen weldra hun ontzag voor de
tegenwoordigheid des Konings uit het oog. Gezang en scherts klonken
in het rond:--de geschiedenissen van vorige dagen werden verhaald; en
eindelijk, terwijl zij op hunne wèl geslaagde overtreding der wetten
pochten, herinnerde zich niemand meer, dat hij in tegenwoordigheid
van haar natuurlijken beschermer sprak. De vroolijke Koning, die niet
meer dan zijn gezelschap zijne waardigheid in het oog hield, lachte,
dronk en schertste onder de vroolijke bende. Het natuurlijk gezond
verstand van Robin Hood deed hem verlangen een einde aan het tooneel
te maken, eer er iets voorviel, dat de eensgezindheid stoorde, te
meer, daar hij bespeurde dat Ivanhoe's gelaat betrok. "Wij zijn door
de tegenwoordigheid van onzen dapperen Koning vereerd," zei hij ter
zijde tot den ridder; "echter wilde ik niet gaarne, dat hij den tijd
verbeuzelde, welken de belangen van zijn koninkrijk kostbaar maken."

"Gij hebt gelijk, dappere Robin Hood," antwoordde de ridder, "en
gij moet buitendien weten, dat zij, welke met den Koning schertsen,
zelfs in zijne vroolijkste luim, slechts met den leeuw spelen, die
bij de minste terging tanden en klauwen gebruikt."

"Gij hebt de ware reden van mijne vrees geraden," hernam de kapitein;
"mijne lieden zijn van aard en beroep ruw; de Koning is driftig
zoowel als vroolijk; en ik weet niet hoe spoedig eene beleediging
kan aangedaan, of hoe ernstig ze kan opgenomen worden: het is tijd,
dat de maaltijd afgebroken worde."

"Dan moet gij trachten dat te bewerken, dappere schutter," zei Ivanhoe;
"want iedere wenk, dien ik getracht heb hem te geven, schijnt slechts
te dienen om het feest te verlengen."

"Moet ik dus zoo spoedig gevaar loopen om de genade en de gunst van
mijn Vorst te verliezen?" zei Robin Hood zich een oogenblik bedenkende;
"maar, bij St. Christophorus, het zal gebeuren! Ik zou zijne genade
onwaardig zijn, zoo ik ze niet voor zijn welzijn in de waagschaal
stelde.--Hier Scathlock! ga in gindsch kreupelhout, en blaas een
Normandisch signaal op uw horen, en dat zonder een oogenblik te dralen,
zoo u het leven lief is!"

Scathlock gehoorzaamde, en in minder dan vijf minuten werden de gasten
door den klank van een horen verschrikt.

"Het is Malvoisin's horen," riep de Molenaar opspringende, en naar
zijn boog grijpende. De monnik liet de flesch vallen en greep naar
zijn knots. Wamba bleef in het midden van eene scherts steken, en
tastte naar zwaard en schild. Alle overigen grepen naar de wapens.

Mannen, aan zulk eene onveilige leefwijze gewoon, gaan zeer gemakkelijk
van den disch tot den strijd over, en voor Richard scheen deze
afwisseling slechts een verandering van vermaak te zijn. Hij riep
om zijn helm en de zwaarste deelen van zijn wapenrusting, welke hij
afgelegd had, en terwijl Gurth ze hem aandeed, gaf hij, onder straffe
van zijn grootste misnoegen, Wilfrid streng bevel, om geen deel te
nemen in de schermutseling, welke hij verwachtte.

"Gij hebt honderd maal voor mij gestreden, Wilfrid,--en ik heb
toegezien. Heden zult gij zien, hoe Richard voor zijn vriend en
leenman vechten zal!"

Intusschen had Robin Hood verscheidene van zijn lieden naar
verschillende kanten uitgezonden, alsof zij den vijand verkennen
moesten; en toen hij zag dat het gezelschap werkelijk verstrooid was,
naderde hij Richard, die nu geheel gewapend was, en, de knie buigende,
vroeg hij zijn Vorst om vergiffenis.

"Waarvoor, vriend?" zei Richard eenigszins ongeduldig. "Hebben wij u
niet reeds volle vergiffenis voor alle overtredingen geschonken? Meent
gij dat ons woord een veder is, welke heen en weêr geblazen kan
worden? Gij hebt nog geen tijd gehad, om nieuwe zonden te begaan."

"Ja, dat heb ik toch gedaan," antwoordde de schutter, "zoo het een
zonde is, mijn Vorst tot zijn eigen best te misleiden. De horen,
welken gij gehoord hebt, was niet van Malvoisin, maar werd op mijn
bevel geblazen, opdat de maaltijd geëindigd zou worden, uit vrees
dat de uren mochten voorbijsnellen, die te gewichtig zijn om verspild
te worden."

Toen stond hij op, kruiste de armen op de borst, en wachtte
het antwoord des Konings eerder op eene eerbiedige dan op
een onderdanige wijze af,--als een man, die bewust is, dat hij
misschien beleedigd heeft, maar overtuigd is van de redelijkheid
zijner handelwijze. De toorn kleurde Richard's wangen; maar het was
slechts de eerste opwelling, die zijn gevoel van billijkheid terstond
deed voorbijgaan. "De Koning van Sherwood," zei hij, "misgunt den
Koning van Engeland zijn wild en zijne wijnflesch! Het is wèl, stoute
Robin!--Maar als gij mij in het vroolijke Londen bezoekt, dan beloof
ik u, dat ik een minder schraal gastheer zal zijn. Gij hebt echter
gelijk, vriend. Laat ons te paard stijgen en vertrekken. Wilfrid is
reeds een uur lang ongeduldig geweest. Zeg mij eens, brave Robin,
hebt gij geen vriend onder uwe bende, die, niet tevreden met u raad
te geven, ook volstrekt uw handelingen wil bestieren, en een benauwd
gezicht zet, als gij het waagt voor u zelven te handelen?"

"Zoo iemand," antwoordde Robin, "is mijn luitenant, de kleine John,
die thans op een tocht naar de grenzen van Schotland is; en ik wil
Uwe Majesteit bekennen, dat de vrijmoedigheid zijner raadgevingen mij
soms mishaagt;--maar, als ik er nog eens over denk, dan kan ik niet
lang boos op iemand zijn, die geen anderen beweeggrond voor zijn zorg
kan hebben, dan ijver voor de belangen van zijn meester."

"Gij hebt gelijk, vriend," zei Richard, "en als ik steeds aan de
ééne zijde Ivanhoe had, om deftigen raad te geven, en dien door zijn
ernstig gezicht te ondersteunen, en aan de andere zijde uw persoon,
om mij door list te dwingen tot hetgeen gij voor mij best houdt,
dan zou ik even weinig vrijen wil hebben, als eenig koning in het
Christen- of in het Heidendom.--Maar komt, heeren, laat ons maar naar
Coningsburgh rijden, en niet meer aan het gebeurde denken."

Robin Hood verzekerde hem, dat hij een troep op den weg, dien zij
nemen moesten, vooruitgezonden had, welke niet in gebreke zou blijven,
hen voor alle geheime hinderlagen te waarschuwen; en dat hij er niet
aan twijfelde, of zij zouden de wegen veilig vinden, of anders zoo
vroegtijdig bericht van het gevaar krijgen, dat zij in staat zouden
zijn om zich terug te trekken tot eene sterke bende boogschutters,
met welken hij voornemens was den Koning op denzelfden weg te volgen.

De wijze en oplettende voorzorg, welke voor Richard's veiligheid
genomen werd, trof zijn gevoel en verdreef de lichte ontevredenheid,
welke hij misschien nog koesterde over de list van den kapitein
der vogelvrijverklaarden. Hij stak Robin Hood nog eens de hand toe,
verzekerde hem van zijne volkomene vergiffenis en toekomstige gunst,
zoowel als van zijn vast besluit, om de tirannieke uitoefening van het
jachtrecht en andere drukkende wetten te beperken, waardoor zooveel
Engelsche landlieden tot oproer gebracht werden. Maar Richard's goede
voornemens jegens den stouten roover werden door zijn ontijdigen dood
teleurgesteld, en de jachtwet werd aan de onwillige handen van Koning
Jan afgeperst, toen hij zijn heldhaftigen broeder opvolgde. Wat het
overige van Robin Hood's levensloop, zoowel als het verhaal van zijn
verraderlijken dood betreft, dat kan men in die oude met gothische
letters gedrukte volksverhalen vinden, welke eertijds voor den geringen
prijs van een halven stuiver verkocht werden, maar nu voorwaar "tegen
goud opwegen."

De verwachting van den vogelvrijverklaarde aangaande de veiligheid
van den weg, werd bevestigd; en de Koning, vergezeld door Ivanhoe,
Gurth en Wamba, kwam zonder verder oponthoud in het gezicht van het
kasteel van Coningsburgh, terwijl de zon nog aan den hemel stond.

Er zijn weinig schoonere en bekoorlijker natuurtooneelen in Engeland,
dan in de nabijheid van deze oude Saksische vesting. De stille en
liefelijke rivier, de Don, stroomt door een breed dal, waarin bouwland
rijkelijk met bosschen afgewisseld wordt, en op een berg, welke van den
oever der rivier opstijgt, verheft zich het oude kasteel, verdedigd
door muren en grachten, dat, zooals de Saksische naam aanduidt,
vóór de Verovering, een residentie der Koningen van Engeland was. De
buitenmuren werden waarschijnlijk door de Normandiërs bijgebouwd; maar
het binnenste getuigt van eene zeer groote oudheid. Het oudste gedeelte
van het kasteel ligt op eene hoogte in een hoek van de binnenplaats,
en vormt een volkomen cirkel van omtrent vijf en twintig voet in
middellijn. De muur is van buitengewone dikte en door zes ontzaglijk
groote, gemetselde steunpilaren verdedigd, welke tegen de zijden van
den toren aanleunen, als het ware om dien te schragen. Deze massieve
stutten zijn naar boven toe hol, en loopen in een soort van torentjes
uit, welke met het binnenste van het hoofdgebouw zelf in verbinding
staan. Het voorkomen van dit groote gebouw op een afstand, met deze
zonderlinge bijgebouwen, is even belangwekkend voor de beminnaars
van het schilderachtige, als het binnenste van het kasteel zelf voor
den ijverigen oudheidkundige, wiens verbeelding daardoor in de tijden
der Zeven Koninkrijken verplaatst wordt. Een hol in de nabijheid van
het kasteel wordt als het graf van den beroemden Hengist aangewezen,
en verscheidene zeer oude en bezienswaardige gedenkteekenen worden
op het kerkhof in de buurt getoond.

Toen Richard en zijn gevolg dit ruw en toch statig gebouw naderden,
was het niet, zooals heden, door uitwendige versterkingen omringd. De
Saksische bouwmeester had zijne kunst uitgeput om het hoofdgebouw
tot verdediging geschikt te maken, en er was geene andere omheining
dan een ruwe borstwering van palissaden.

Eene groote zwarte banier, welke van den top van den toren waaide,
duidde aan dat de begrafenisplechtigheden van den laatsten eigenaar
nog gevierd werden. Deze vlag droeg geen teeken van de geboorte of van
den rang des overledenen, want wapens waren toen eene nieuwigheid,
zelfs onder de Normandische ridderschap, en geheel onbekend bij de
Saksers. Maar boven de poort hing eene andere banier, waarop de ruw
geschilderde afbeelding van een schimmel, de afstamming en den rang
van den overledene te kennen gaf, door het welbekend zinnebeeld van
Hengist en zijne krijgers.

Rondom het kasteel heerschte groote drukte; want zulke
begrafenisfeesten waren eene aanleiding tot algemeene en kwistige
gastvrijheid, waaraan niet alleen zij, die in eenige, zelfs de verste
betrekking tot den doode stonden, maar alle voorbijreizenden genoodigd
werden deel te nemen. De rijkdom en het aanzien van den overleden
Athelstane maakten, dat deze plechtigheden op de ruimst mogelijke
schaal gevierd werden.

Men zag dus talrijke benden de hoogte waarop het kasteel stond, op- en
afstijgen; en toen de Koning en zijn gevolg door de open en onbewaakte
poorten reden, bood de inwendige ruimte een tooneel aan, dat met de
aanleiding tot deze bijeenkomst niet gemakkelijk overeen te brengen
was. Aan den éénen kant waren de koks bezig met zware ossen en vette
schapen te braden; aan den anderen waren okshoofden bier aangestoken,
ten behoeve van alle aankomelingen. Men zag groepen van allerlei stand,
die de hun aangebodene spijs en drank gretig verslonden. De half
naakte Saksische lijfeigene stilde zijn halfjarigen honger en dorst
door één dag van zwelgerij en dronkenschap;--de meer welgestelde burger
en gildebroeder gebruikte de spijzen met smaak, of sprak oordeelkundig
over de hoeveelheid van het mout en de bekwaamheid van den brouwer. Men
zag ook eenigen van den minderen Normandischen adel, die men aan hun
geschoren kinnen en korte mantels onderscheiden kon, en niet minder
daardoor, dat ze altijd bij elkander bleven en de geheele plechtigheid
met groote minachting aanschouwden, zelfs terwijl ze zich verwaardigden
van al het goede gebruik te maken, dat zoo mild werd opgedischt.

Bedelaars waren er natuurlijk in groote menigte, zoowel als
rondzwervende soldaten, die uit Palestina waren teruggekeerd (ten
minste naar hun eigen zeggen); kramers stelden hunne waren ten toon,
reizende handwerkers vroegen om arbeid, en pelgrims en verloopen
priesters, Saksische minnezangers en barden uit Wallis, prevelden
gebeden en lokten onwelluidende tonen uit hunne harpen, violen en
citers. De één roemde Athelstane in eene treurige lijkrede; een ander
roemde in een Saksisch gedicht zijn geslachtslijst en de hardklinkende,
barbaarsche namen van zijn edele voorouders. Narren en goochelaars
ontbraken er niet, en men was niet van oordeel, dat de aanleiding
tot de bijeenkomst de uitoefening van hunne kunsten onbetamelijk of
ongepast maakte. De begrippen der Saksers bij die gelegenheid waren
inderdaad even natuurlijk als ruw. Als de droefheid dorst leed,
dan was er te drinken;--was ze hongerig, dan was er te eten;--als
ze op het hart lag en het ter neêr drukte, dan waren er middelen
tot vroolijkheid, of ten minste tot afleiding voorhanden, die de
aanwezigen niet beneden zich achtten tot hun troost te besteden,
ofschoon nu en dan de mannen, alsof zij zich plotseling de reden
herinnerden, welke hen bijeengebracht had, allen tegelijk steunden,
terwijl de vrouwen, in groot getal tegenwoordig, haar stem verhieven
en luide weeklachten lieten hooren.

Dit was het tooneel op het slotplein van Coningsburgh, toen Richard
met zijn gevolg optrad. De huishofmeester, die zich niet verwaardigde
om acht te slaan op de groepen van mindere gasten, welke gestadig
in- en uitgingen, ten minste niet meer dan noodig was om de orde te
handhaven, werd door het voorkomen van den Koning en Ivanhoe getroffen;
maar vooral daar hij zich verbeeldde, dat de trekken van den laatste
hem bekend waren. Buitendien was de verschijning van twee ridders,
zooals zij door hun kleeding bleken te zijn, een zeldzame gebeurtenis
bij eene Saksische plechtigheid, en kon niet anders dan als een soort
van eer voor den overledene en zijne familie beschouwd worden. In zijn
zwart gewaad en met zijn witten ambtsstaf in de hand, maakte dus deze
gewichtige personage ruimte door de bonte vergadering van gasten,
en geleidde Richard en Ivanhoe naar den ingang van den toren. Gurth
en Wamba vonden spoedig kennissen op het plein, en waagden het niet
verder door te dringen, tot hunne tegenwoordigheid gevorderd werd.



TWEE-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.


                    Ik vond hen bezig met Marcello's lijk.
                    Er werd een melodij gehoord, zoo plechtig,
                    Te midden van geween en treurgezangen,
                    Gelijk oude vrouwen, die bij dooden waken,
                    Gewoon zijn aan te heffen heel den nacht.

                                                    Oud Tooneelstuk.


De ingang van den grooten toren van het kasteel van Coningsburgh is
zeer eigenaardig, en getuigt van de ruwe eenvoudigheid der vroege
tijden, toen het opgericht werd. Een trap, zoo steil en smal,
dat ze bijna loodrecht staat, leidt naar een laag portaal in de
zuidzijde van den toren, waardoor de nieuwsgierige oudheidkundige
nog toegang krijgen kan tot eene tweede kleine trap, welke in den
dikken hoofdmuur gemaakt was, en die naar de derde verdieping van het
gebouw voerde.--De beide benedenste verdiepingen zijn gevangenissen,
of gewelven, welke geen andere lucht of licht krijgen dan door een
vierkant gat in de derde verdieping, met welke zij door een ladder
gemeenschap schijnen gehad te hebben. Tot de bovenste vertrekken in
den toren, die in het geheel uit vier verdiepingen bestaat, komt men
langs trappen, in de buitenmuren aangebracht.

Langs dezen moeielijken ingang werd de goede Koning Richard, gevolgd
door zijn getrouwen Ivanhoe, in het groote vertrek, dat de geheele
derde verdieping beslaat, gebracht. De laatste had den tijd om
zijn gezicht in zijn mantel te wikkelen, daar hij het beter vond,
zich niet aan zijn vader te vertoonen, eer de Koning hem een teeken
zou geven. Er zaten in dit vertrek rondom een groote eiken tafel een
twaalftal van de doorluchtige stamhouders van de Saksische familiën
der aangrenzende graafschappen. Het waren allen oude, of ten minste
bejaarde mannen; want de jongeren hadden, tot groot verdriet der
ouders, evenals Ivanhoe, vele der scheidsmuren omvergeworpen, welke
sedert eene halve eeuw de Normandische overwinnaars van de overwonnen
Saksers gescheiden hadden. De terneêrgeslagen en droevige blikken van
deze eerwaardige mannen, hunne stilte en bedroefde houding, leverde
eene sterke tegenstelling met de lichtvaardigheid der gasten buiten
het kasteel. Hunne grijze lokken en lange, zware baarden en hunne
ouderwetsche kleederen en ruime zwarte mantels pasten goed bij het
zonderling en ruw vertrek, waarin zij zaten, en gaven hun het voorkomen
van eene verzameling der oude aanbidders van Wodan, die in het leven
teruggeroepen waren, om te treuren over het verval van hun volksroem.

Ofschoon Cedric van gelijken rang als zijne landslieden was, scheen
hij echter, met algemeen goedvinden, als hoofd der vergadering te
handelen. Bij het binnenkomen van Richard, die hen alleen als de
dappere Zwarte Ridder bekend was, stond hij deftig op, en verwelkomde
hem met de gewone groete "_Weas heal!_" terwijl hij een beker wijn
ophief. De Koning, wien de gewoonten zijner Engelsche onderdanen
niet vreemd waren, beantwoordde dit met de gewone woorden: _Drinc
heal!_ en ledigde een beker, die hem door den schenker overhandigd
werd. Dezelfde beleefdheid werd jegens Ivanhoe in acht genomen, die
zijn vader stilzwijgend bescheid gaf, en het gewoon antwoord verving
door eene buiging, uit vrees dat zijn stem herkend zou worden.

Toen deze plechtigheid voorbij was, stond Cedric op en Richard de hand
aanbiedende, geleidde hij hem in een kleine en zeer ruwe kapel, welke,
als het ware, in een van de uitwendige bogen uitgehold was. Daar er
geene opening was, behalve een zeer nauw luchtgat, zou deze plaats
bijna geheel duister geweest zijn zonder het licht van twee fakkels,
welke met een rooden en somberen gloed het gewelfde dak en de naakte
muren, het ruwe steenen altaar en het kruis vertoonden. Voor dit altaar
stond een baar en aan iedere zijde er van knielden drie priesters,
die hun rozenkrans baden en hunne gebeden prevelden, met den schijn
der meeste aandacht. Voor dezen dienst werd een rijk losgeld door de
moeder des overledenen aan het klooster van St. Edmund betaald; en
om het ten volle te verdienen, hadden zich al de broeders, behalve
de kreupele Sacristijn, naar Coningsburgh begeven, waar zes van
hen zich gedurig met het verrichten der godsdienstige plechtigheden
bij Athelstane's lijkbaar bezig hielden, terwijl de anderen niet in
gebreke bleven gebruik te maken van de ververschingen en vermaken,
welke hun aangeboden werden. Gedurende deze vrome wacht, droegen
de monniken bijzondere zorg om hunne gezangen geen oogenblik af
te breken, uit vrees dat Zernebock, de Appollyon der oude Saksers,
zijne klauwen aan den overleden Athelstane zou slaan. Niet minder
bezorgd waren ze om te beletten dat eenig leek het lijkkleed aan
zou raken, dat vroeger bij de begrafenis van St. Edmund gediend had,
en dat door ongewijde handen ontheiligd zou wezen. Wanneer zulk eene
oplettendheid den overledene wezenlijk van nut had kunnen zijn, dan had
hij eenig recht om ze van de broederschap van St. Edmund te verwachten,
daar de moeder van Athelstane te kennen gegeven had, dat zij, behalve
honderd goudstukken voor het losgeld zijner ziel, aan het klooster het
grootste gedeelte van de landerijen des overledenen wilde schenken,
ten einde men gedurig missen zou lezen voor zijne ziel en voor die
van haren echtgenoot.

Richard en Wilfrid volgden den Sakser Cedric naar het vertrek waar
de doode rustte, en terwijl hij hen met een plechtstatig gelaat op
de baar van Athelstane wees, volgden zij zijn voorbeeld en maakten
eerbiedig een kruis, terwijl ze een kort gebed voor het heil der ziel
van den gestorvene prevelden.

Na deze godsdienstige plechtigheid, gaf Cedric hun weder een teeken
om hem te volgen, terwijl hij zachtjes over den steenen vloer sloop;
en na eenige trappen opgegaan te zijn, opende hij, met groote
voorzichtigheid de deur van een bidvertrekje, dat aan de kapel
grensde. Het was omtrent acht voet in het vierkant en even als de
kapel zelve in den muur gehouwen. Het luchtgat, dat het verlichtte,
stond naar het westen en daar het naar binnen toe aanmerkelijk wijder
werd, baande zich een straal der ondergaande zon een weg tot in deze
duistere ruimte, en vertoonde een vrouw van eerbiedwaardig voorkomen,
wier gelaat nog de duidelijke sporen van uitstekende schoonheid
droeg. Haar lang rouwgewaad en haar krans van cypressen verhoogden
de blankheid van haar gelaat en de schoonheid van hare blonde,
loshangende vlechten, welke de tijd gedund noch vergrijsd had. Haar
gelaat drukte de diepste droefheid uit, die met onderwerping samen
kan gaan. Op de steenen tafel vóór haar, stond een ivoren kruis,
waar naast een misboek lag, welks bladzijden rijk beschilderd en
welks band met gouden krammen en sloten versierd was.

"Edele Edith," zei Cedric, na een oogenblik te hebben stil gestaan,
om Richard en Wilfrid tijd te geven, de vrouw des huizes te beschouwen,
"dit zijn waardige vreemdelingen, gekomen om in uwe smart te deelen. En
deze, in het bijzonder, is de dappere ridder, die zoo heldhaftig voor
de verlossing van hem gestreden heeft, dien wij heden betreuren."

"Zijne dapperheid verdient mijn dank," hernam de vrouw, "ofschoon het
de wil des Hemels was, dat ze te vergeefs betoond zou worden. Ik betuig
ook mijn dank voor zijne beleefdheid en voor die van zijn makker, daar
zij herwaarts zijn gekomen om de weduwe van Adeling en de moeder van
Athelstane in het uur harer diepe smart en droefheid te bezoeken. Ik
vertrouw hen aan uwe zorg, waarde neef, overtuigd dat gij hun de
gastvrijheid zult betoonen, welke dit kasteel nog aanbieden kan."

De gasten maakten eene diepe buiging voor de bedroefde moeder en
verwijderden zich met hun gastvrijen leidsman.

Een andere wenteltrap bracht hen in een vertrek van dezelfde grootte
als dat, waarin zij eerst geweest waren en dat zich er vlak onder
bevond. Uit deze kamer vernamen zij, nog eer de deur geopend werd,
een zacht en droefgeestig gezang. Toen zij binnen traden, bevonden
zij zich in tegenwoordigheid van omtrent twintig vrouwen en meisjes
van aanzienlijke Saksische geslachten. Vier jonkvrouwen, door Rowena
voorgegaan, zongen een hymne voor de ziel des overledenen, waarvan
wij slechts een paar verzen hebben kunnen ontcijferen:


    Tot stof en asch
    Keert al wat was;
    De huurling lei weêrom
    Zijn tooisel af
    Voor worm en graf,--
    Verrottingseigendom.

    Onzeker vloog
    Uw ziel omhoog,
    Naar 't rijk van smarte en weên.
    Uw pijn vangt aan
    Voor d'euveldaân,
    Bedreven hier beneên.

    Maria's woord,
    Maak in dat oord
    Uw boete kort van duur!
    Tot u 't gebed
    En 't loflied redt,
    Uit hel en vagevuur.


Terwijl dit gezang op zachten en droefgeestigen toon gezongen werd,
waren de overige meisjes in twee groepen verdeeld, waarvan de een bezig
was om een grooten zijden lijkmantel, bestemd om Athelstane's doodkist
te bedekken, met borduursel te versieren, zoo goed hare bekwaamheid
en haar smaak dat toelieten, terwijl de anderen zich bezig hielden
met uit bloemkorven, die vóór haar stonden, kransen te vlechten,
voor hetzelfde droevige doel bestemd. Het gedrag der meisjes was
hoogst betamelijk, al toonde het dan ook geene diepe droefheid,
maar tusschenbeide haalde een gefluister, of een glimlach, haar
de berispingen van de meer gestrenge vrouwen op den hals, en hier
en daar kon men eene jonkvrouw zien, die er meer belang in scheen
te stellen om te onderzoeken hoe het rouwgewaad haar stond, dan in
de droefgeestige plechtigheid, tot welke ze zich voorbereidden. De
stemming werd (om de waarheid te bekennen), ook geheel niet veranderd
door de verschijning van twee vreemde ridders, die menigen blik en
menig gefluister veroorzaakten. Rowena alleen, te trotsch om ijdel
te zijn, begroette haren verlosser met bevallige beleefdheid. Haar
gedrag was ernstig, maar niet neerslachtig; en het is zeer onzeker,
of de gedachte aan Ivanhoe en aan de onzekerheid van zijn lot, niet
evenveel deel aan haar ernst had, als de dood van haar bloedverwant.

Voor Cedric echter, die, gelijk wij reeds aangemerkt hebben,
bij zulke gelegenheden niet zeer helder zag, scheen de droefheid
zijner pupil zooveel grooter dan die der overige jonkvrouwen,
dat hij noodig oordeelde den vreemden de verklaring daarvan in
deze woorden toe te fluisteren: "Zij was de verloofde bruid van den
edelen Athelstane."--Het is zeer twijfelachtig, of deze mededeeling
Wilfrid's neiging om in de droefheid der rouwdragenden te Coningsburgh
te deelen, versterkte.

Nadat Cedric de gasten aldus plechtig in de verschillende kamers,
waarin de lijkplechtigheid van Athelstane op onderscheidene
wijze gevierd werd, rondgeleid had, bracht hij hen in een klein
vertrek, hetwelk, gelijk hij zeide, uitsluitend tot de ontvangst van
aanzienlijke gasten bestemd was, die wegens hunne mindere betrekking
tot den overledene niet geneigd zouden zijn, zich met diegenen te
vereenigen, die onmiddellijk door dit ongelukkig voorval getroffen
werden. Hij zorgde voor hun gemak en wilde zich juist verwijderen,
toen de Zwarte Ridder hem bij de hand vatte.

"Ik verzoek u, edele _Thane_," zei hij, "u te herinneren, dat gij
bij ons laatste scheiden beloofdet mij een gunst toe te staan voor
den dienst, welken ik het geluk had u te bewijzen."

"Hij is toegestaan eer gij hem noemt, edele ridder," antwoordde Cedric,
"maar in dit droevig oogenblik--"

"Daaraan heb ik ook reeds gedacht," hernam de Koning;--"maar mijn
tijd is kort;--ook schijnt het mij niet ongepast toe, dat wij bij het
sluiten van het graf van den edelen Athelstane zekere vooroordeelen
en verkeerde meeningen begraven."

"Heer ridder," viel Cedric, rood wordende, den Koning in de rede,
"ik hoop, dat uwe bede u zelven en geen anderen betreft; want het
is niet gepast, dat een vreemdeling zich zou bemoeien met eene zaak,
die de eer van mijn huis betreft."

"Ik wil er mij ook niet mede bemoeien," zei de Koning op zachten toon,
"dan voor zoover gij mij zelf vergunt er deel in te nemen. Daar
gij mij tot hiertoe slechts als den Zwarten Ridder gekend hebt,
zoo verneem thans dat ik Richard Plantagenet ben."

"Richard van Anjou!" riep Cedric uit, met de grootste verbazing
achteruit tredende.

"Neen, edele Cedric,--Richard van Engeland!--wiens dierbaarst belang,
wiens vurigste wensch het is alle landskinderen met elkander vereenigd
te zien.--Hoe, waardige _Thane_! buigt ge de knie niet voor uw Vorst?"

"Nog nooit bo