Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Prometheus ontboeid - Een lyrisch drama in vier bedrijven
Author: Shelley, Percy Bysshe, 1792-1822
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.


*** Start of this LibraryBlog Digital Book "Prometheus ontboeid - Een lyrisch drama in vier bedrijven" ***


PROMETHEUS ONTBOEID



WERELDBIBLIOTHEEK

ONDER LEIDING VAN L. SIMONS


SHELLEY


PROMETHEUS ONTBOEID


EEN LYRISCH DRAMA
IN VIER BEDRIJVEN

VERTAALD DOOR
ALEX. GUTTELING

HET RECHT VAN VERTOONEN VOORBEHOUDEN VOLGENS
DE WET OP HET AUTEURSRECHT

UITGEGEVEN DOOR DE
MAATSCHAPPIJ VOOR
GOEDE EN GOEDKOOPE
LECTUUR--AMSTERDAM



*INLEIDING*


Tot dit gedicht van Shelley is de lezing van Aeschylus' "Prometheus
Geboeid", waarvan het vervolg: "Prometheus Ontboeid" verloren is, de
aanleiding geweest. Talrijke regels en brokstukken in het engelsche
drama herinneren aan het grieksche, wat men reeds voldoende kan zien, al
kent men, zoo als ik, hiervan alleen de vertaling van Elisabeth
Browning. Wat meer is: de grootsche figuur van Prometheus is bij
Aeschylus geen andere dan bij Shelley. Aeschylus zag in zijn daad ook
het nuttelooze, hij liet het koor hem toeroepen: "O vriend, schouw en
zie! wat is al de schoonheid van het menschdom?--kan het schoon zijn?
Wat is al zijn sterkte?--is het sterk? En wat voor hoop kunnen zij
dragen, deze stervende levenden; die éen dag leven? En ziet gij niet,
mijn vriend, hoe zwak en traag, en als een droom, dit arme blinde
menschdom gaat, afgedreven van zijn doel? En hoe geen menschetwisten
kunnen verwarren de harmonie van Zeus?"--maar toch rijst uit dit drama,
dat door dit besef van het wanhopige van Prometheus' streven wezenlijk
een drama is, bewonderenswaardig reusachtig de gestalte van hem, die de
menschen zoo liefhad, dat hij om hen den toorn van Zeus trotseerde.

Prometheus is de grieksche Heiland. Door zijn hulp werd Jupiter (Zeus)
de opperste der Goden, op voorwaarde dat hij den mensch zou ontzien.
Jupiter brak zijn belofte en Prometheus alleen weerhield den tyran, het
menschdom te vernietigen. Hij eindelijk stal uit den hemel het vuur, dat
het in staat stelde een gelukkiger leven te leiden. Alles wat het tot
troost en hulp kon krijgen, ontving het van Prometheus, die tot straf
aan den Kaukasus geketend en gemarteld werd. Maar hij wist een geheim:
op welke wijze Jupiter eenmaal zou vallen en hij bevrijd worden. Jupiter
trachtte hem dit geheim te ontrukken. In het tweede gedicht van
Aeschylus moet het onderwerp geweest zijn, hoe hij erin slaagde zijn val
te voorkomen tegen den prijs van een verzoening met Prometheus en diens
bevrijding. Shelley heeft deze oplossing, die hem weinig verheven
voorkwam en in strijd met Prometheus' karakter in Aeschylus' eerste
drama, versmaad en voorgesteld, alsof Prometheus nu nog lijdt en lijden
zal tot Jupiters ondergang, waarna hij het menschdom verlossen zal uit
alle ellende.

Shelley heeft het moderne verlangen naar een vrije, liefdevolle
menschenwereld uitgestort in dit beeld: Prometheus: de onbedwingbare
"Moed," "Wijsheid" en "duldende Liefde," lang geboeid door Jupiter: den
wereldregeerder, éen naam voor duizend Goden, waarvoor de menschen ooit
knielden, tot Demomorgon: de Eeuwigheid, dezen neerstort en Hercules: de
Kracht, Prometheus bevrijdt, die zich dan hereenigt met Asia: de
"schaduw van onaanschouwde Schoonheid," waarna de wereld en de
gemeenschap der menschen gelijk worden aan een paradijs.

De schoonheid van deze schepping ligt in de titanische kracht ervan, die
samengaat met de wonderbare fijnheid en innigheid die Shelley altijd
kenmerken; in de macht van verbeelding en de grootschheid van gedachte;
in de zuiverheid van geluid en den zeldzamen, misschien nooit
geëvenaarden rijkdom van zang. Er is een stijging in, die eindelijk
gejubel wordt; het is na de verschrikkingen in den aanvang, de
openbarsting van een verrukkelijke lente: men voelt er de heerlijkheid
in van het italiaansche voorjaar, waarin het geschreven werd.

Daarentegen is alles, wat tot den vorm in engeren zin behoort, van een
opmerkelijke losheid. Shelley's poëzie is een fontein die zijn bekken
overstroomt, een vulkaan van onberekenbare uitbarstingen, maar geen
bouwwerk. De compositie van zijn "Prometheus" is zelfs zwak te noemen.
Alles hangt er af van den val van Jupiter, en hoe schetsmatig wordt deze
behandeld, terwijl bijkomstige tafereelen een groote ruimte beslaan! In
maat, strofenbouw en rijmen gebruikt hij vele vrijheden, die evenwel
nooit aan de schoonheid der verzen afbreuk doen en haar zelfs vaak
verhoogen, omdat die schoonheid berust op de ritmische vaart en den zang
van Shelley's verzen, op de levende bewogenheid van zijn stem dus, en
niet op de kunst-verfijning, waarmee sommigen die bewogenheid bedwingen
in de strakste beperkingen. Zoo is ook zijn woordenkeus niet, zooals
o.a. die van Poe, bepaald door een onverbiddelijke noodwendigheid, maar
hij stelt zich wel eens tevreden met een ietwat retorische uitdrukking
mits zij den stroom van vers en gedachte niet belemmert. Zijn woorden
zijn druppels, die men niet een voor een, maar altijd in die strooming
beschouwen moet.

Bij het vertalen vergemakkelijkten deze eigenschappen mijn taak. Wie
eenmaal Shelley's toon met den zijnen heeft weten te benaderen, en den
geest van het werk goed verstaat, mag zich menige vrijheid veroorloven.
Als er iets van den geweldigen gang en tevens van de verrukkelijke
teerheid van het oorspronkelijk in mijn Hollandsch is overgegaan, ben ik
tevreden. Aan hem, wiens vertaling van "Shelley's Gedichten van 't jaar
1816" mij tot voorbeeld was, draag ik dit werk op.



*OPGEDRAGEN AAN ALBERT VERWEY*



PERSONEN:

  PROMETHEUS.
  DEMOGORGON.
  JUPITER.
  DE AARDE.
  OCEANUS.
  APOLLO.
  MERCURIUS.
  HERCULES.
  ASIA    |
  PANTHEA | DOCHTERS DER ZEE.
  IONE    |
  DE SCHIM VAN JUPITER.
  DE GEEST DER AARDE.
  DE GEEST DER MAAN.
  GEESTEN DER UREN.
  GEESTEN, ECHO'S EN FAUNEN.
  FURIËN.



*EERSTE BEDRIJF.*


*PLAATS:*

_Een ravijn van ijsrotsen in den Indischen Caucasus. Prometheus is
zichtbaar, aan de steilte gebonden. Panthea en Ione zijn aan zijn voeten
gezeten. Tijd: nacht. Gedurende het tooneel breekt langzaam de morgen
aan._

*PROMETHEUS.*

  Monarch van Goden, Demons, alle Geesten--
  Op Een na--waar die werelden van weemlen,
  De stralend-wentlende, door u en mij
  Alleen van al wat leeft met slaaplooze oogen
  Aanschouwd! Zie hoe deze aard krielt van uw slaven
  Die gij voor knieval, prijs, gebed, gezwoeg
  En offrand van gebroken harten loont
  Met vrees en zelfverachting, hooploosheid;
  Terwijl gij, blind in haten, mij uw vijand
  Deedt heerschen, triomfeeren, u tot hoon,
  Over mijn rampspoed en uw ijdle wraak.
  Drieduizend jaar van uren onbeschermd
  Door slaap, en oogenblikken steeds gekloofd
  Door felle pijnen, tot zij jaren schenen,
  Foltring en eenzaamheid, wanhoop en smaad,
  Die zijn mijn rijk:--eindloos roemruchtiger
  Dan de gebieden, die gij overschouwt
  Van onbenijden troon, o Machtge God!
  Almachtig, had de schande ik willen deelen
  Dier snoode dwinglandij, hing ik niet hier
  Genageld aan dees bergwand aadlaar-tartend,
  Zwart, wintersch, dood, onmeetlijk; zonder kruid,
  Insect of beest, vorm of geluid van leven.
  Wee mij! helaas! pijn, pijn, eeuwig, voor eeuwig!

  Geen wissling, rust noch hoop! Toch houd ik vol.
  Ik vraag aan de Aard, voelden de bergen 't niet?
  Ik vraag den Hemel, heeft de alziende Zon
  Dit niet gezien? De Zee, in stilte of storm,
  's Hemels nooit eendre Schaûw omlaag-gespreid,
  Hoorden haar doove golven niet mijn nood?
  Wee mij! helaas! pijn, pijn, eeuwig, voor eeuwig!

  Gletschers, aansluipende, doorboren mij
  Met speren van kristal in maan bevrozen;
  De helle ketens vreten me in 't gebeent
  Met kou die brandt; 's Hemels gevlerkte hond,
  Met gif niet van hemzelf, van uwe lippen,
  Zijn bek bezoedelend, verscheurt mijn hart;
  En vormlooze gezichten zwerven aan,
  Spookge bevolking van het droomenrijk,
  Spottend met mij; de Aardbeving-demons moeten
  De spijkers uit mijn sidderende wonden
  Loswringen, wen de rots splijt en weer sluit;
  Wijl uit hun luide afgronden huilend zwermen
  Stormgeesten, 't razen van den wervelwind
  Opzweepend, treffend mij met scherpen hagel.
  En toch, hoe welkom zijn mij nacht en dag,
  't Zij voor den een de morgenrijp verdwijnt,
  't Zij sterrig, donker, langzaam, de ander stijg'
  In 't loodblauw Oosten; want dan leiden zij
  De wiekloos-kruipende Uren, waarvan een--
  Gelijk een sombre priester 't weigrig offer--
  U, wreede koning, sleuren zal om 't bloed
  Te kussen van dees voeten bleek, die dan
  U trappen konden, als zoo'n slaaf in 't stof
  Niet werd veracht door hen. Verachten! Neen!
  'k Heb medelij met u. Welk een verwoesting
  Jaagt onbeschermd u dan door wijden hemel!
  Hoe zal uw ziel, van schrik ten kern gespleten,
  Hel-gelijk in u gapen! 'k Spreek in leed,
  Niet juichend, want ik haat niet meer, als toen,
  Eer 'k door ellende wijs werd. 'k Zou den vloek,
  Eens geâdemd over u, herroepen willen.
  Gij Bergen, wier veelstemmige Echo's wierpen
  Door mist van cataracten 't dondrend doemwoord!
  Gij ijzge Bronnen, stijf, rimplig bevrozen,
  Die trildet toen gij 't hoordet en dan kroopt
  Siddrend door Indië! Gij puurste Lucht,
  Waardoor de Zon schrijdt brandend zonder stralen!
  En snelle Wervelwinden gij, die hingt
  Op evenwichtge vlerken stom, beweegloos,
  Boven verstilden afgrond, toen een donder
  Luider dan die van u, de ronde wereld
  Schokte! Als mijn woorden toen een kracht bezaten,
  Schoon 'k zoo veranderd ben, dat in mij stierf
  Iedere kwade wensch, en 'k niet meer weet
  Wat haat is,--laat hen thans niet krachtloos zijn!
  Hoe was die vloek? gij allen hoordet mij.

*EERSTE STEM, VAN DE BERGEN.*

  Driemaal drieduizend keer honderd jaren
    Staande boven Aardbevings bed,
  Trilden onze tallooze scharen
    Vaak als menschen vrees-ontzet:--

*TWEEDE STEM, VAN DE BRONNEN.*

  Bliksemstralen zengden ons water,
    Door bitter bloed werden we ontwijd,
  Tusschen moordkreten zweeg ons geklater
    In een stad en een eenzaamheid:--

*DERDE STEM, VAN DE LUCHT.*

  Ik die sinds de Aard verrezen is kleedde
    Verwoesting in kleuren, haar eigen niet,
  Voelde dikwijls mijn zuiveren vrede
    Splijten door scheurende kreet van verdriet:--

*VIERDE STEM, VAN DE WERVELWINDEN.*

  Ons die beneden dees bergen vlogen
    Rustlooze eeuwen, hadden de dondren,
  Vulkanen die vlammenfonteinen spogen,
    Of welke macht ook van boven of ondren,
    Nimmer verstomd in verwondren:--

*EERSTE STEM.*

  Maar nooit, nooit boog onze sneeuwige kam,
  Als toen ze de stem van uw smart vernam.

*TWEEDE STEM.*

  Nimmer tevoren droegen wij
  Naar de indische golven zulk een schrei.
  Een loods in slaap op het huilende diep
  Sprong op van het dek in wanhoop en riep
  Toen hij het hoorde: "o wee mij, wee!"
  En stierf ontzind als de wilde zee.

*DERDE STEM.*

  Nooit mijn stil rijk zoo vreeslijke kreten
  Van de Aarde tot den Hemel doorspleten:
  Toen de wond was gesloten, stond er een gloed
  Duister over den dag als bloed.

*VIERDE STEM.*

  En wij schrikten terug: verwoestingsvizioenen--
  Wij vliênd naar ijsholen--vervolgden ons toen en
  Deden ons zwijgen--zuchten--zacht--
  Zwijgen, door ons een hel geacht.

*DE AARDE.*

  Der rotsge heuvlen spraaklooze Spelonken
  Schreeuwden toen: "Wee!", de holle Hemel riep
  Tot antwoord: "Wee!", der Zee purperen golven
  Bestegen 't land, huilden 't zweepende winden
  Tegen, de bleeke volken hoorden 't: "Wee!"

*PROMETHEUS.*

  'k Verneem geluid van stemmen, niet de stem
  Die klonk uit mij. Moeder, gij en uw zonen
  Hoont hem zonder wiens al-doorstaanden wil
  Onder de wreede almacht van Jupiter
  Niet zij alleen, ook gij vergaan zoudt zijn
  Als dunne mist, op morgenwind ontrold.
  Kent gij mij niet, den Titan? hem, die tegen
  Uw anders al-veroverenden Vijand
  Zijn lijden slagboom zijn deed? O in rotsen
  Schuilende weiden, sneeuw-gevoede stroomen,--
  'k Zie u heel diep dwars door bevrozen dampen--
  Door wier beschaduwende wouden 'k eens
  Met Asia liep, het leven drinkend uit
  Haar dierbaar oog; waarom versmaadt de geest
  Die u bezielt, nu het verkeer met mij,
  Met mij alleen die intoomde, als wie demon-
  Getrokken voerman stuit, de kracht en valschheid
  Van hem die oppermachtig heerscht, en vult
  Daldiepte en waterige wildernissen
  Met kreten van rampzaalge slaven? Broeders,
  Antwoordt gij nóg niet, hoe?

*DE AARDE.*

                             Zij durven 't niet.

*PROMETHEUS.*

  Wie durft? Want ik begeer dien vloek te hooren.
  Ha! welk een vreeselijk gefluister stijgt!
  't Lijkt nauwlijks klank: het tintelt door het lijf
  Als bliksem tintelt, aarzlend eer hij slaat.
  Spreek, Geest! want door uw lichaamlooze stem
  Weet ik alleen dat gij mij nader komt,
  En liefhebt. Hoe vervloekte ik hem?

*DE AARDE.*

                             Hoe kunt gij,
  Die niet de taal der dooden kent, het hooren?

*PROMETHEUS.*

  Gij zijt een geest die leeft, spreek zooals zij.

*DE AARDE.*

  'k Durf niet als 't leven spreken, want des Hemels
  Grimmige Vorst zou 't hooren, aan een rad
  Van pijn zou hij mij kluistren, foltrender
  Dan dat waarop ik wentel. Gij zijt wetend
  Zoowel als goed, en schoon de Goden niet
  Deze stem hooren--gij zijt meer dan God:
  Vriendlijk en wijs zijnd,--hoor aandachtig nu.

*PROMETHEUS.*

  Donker gaan door mijn brein, als doffe schaduwen
  Gruwbre gedachten, snel en dicht opeen.
  Ik voel me of ik bezwijm, als wie in liefde
  Vereenend zich omstrenglen, maar geen vreugd is 't.

*DE AARDE.*

  Neen, gij kunt niet verstaan: gij zijt onsterflijk,
  Dees taal is enkel stervelingen bekend.

*PROMETHEUS.*

  En wat zijt gij, o weemoed-volle Stem?

*DE AARDE.*

  'k Ben de Aard, uw moeder, in wier steenen aadren
  Tot 't laatste nerfje van den hoogsten boom,
  Wiens dun geblaart trilde in de ijskoude lucht,
  Vreugd stroomde, als bloed stroomt in een levend lijf,
  Toen gij haar schoot gelijk een gloriewolk
  Ontreest--een wezen van geweldge vreugd!
  En bij uw stem hieven haar kranke zonen
  't Gebogen hoofd op van 't bezoedlend stof;
  En onze almachtige Tyran werd bleek
  Van felle vrees,--totdat zijn donder hier
  U vastklonk. Toen,--zie die millioenen werelden
  Rondom ons brandend, wentlend,--hun bewoners
  Zagen mijn ronde licht in wijden hemel
  Slinken; de zee hief zich in vreemden storm;
  Nieuw vuur uit helle sneeuwgebergten, die
  De aardbeving spleet, schudde zijn dreigend haar
  Onder gefronsden hemel; bliksem, vloed,
  Kwelden de vlakten; blauwe distels bloeiden
  In steden, voedsellooze padden kropen
  Zuchtend in weelderige kamers rond,
  Toen Pest en Honger mensch, beest, worm beviel;
  En zwart bederf planten en boomen; 't koren,
  De wijnstok, 't weidegras, krielde van onkruid,
  Ondelgbaar, giftig, en hun groeikracht zuigend,--
  Want mijn vervallen borst was droog van leed;
  De dunne lucht, mijn adem, was bezoedeld
  Met de besmetting van een moeders haat,
  Dien ze op den pijniger aêmde van haar kind.
  Ja, 'k heb dien vloek gehoord, dien, moogt dan gij
  Hem kwijt zijn, mijn tallooze zeeën, stroomen,
  Bergen, holen en winden, wijde lucht,
  En 't onverstaanbaar doodenvolk, bewaren;--
  Gelijk een schat is die bezwering ons,
  Wij overpeinzen in geheime vreugd
  En hoop die vreeselijke woorden, maar
  Durven ze niet te spreken.

*PROMETHEUS.*

                             Waardge Moeder!
  Alle andre levenden die lijden, krijgen
  Van u eenge vertroosting: bloemen, vruchten,
  Blijde geluiden, liefde--al vliedt die snel.
  Dit 's niet voor mij:--mijn eigen woorden,--'k smeek u.
  Weiger die niet aan mij.

*DE AARDE.*

                             Gij zult ze hooren.
  Eer Babylon tot puin verging, ontmoette
  Mijn doode zoon, de Magiër Zoroaster,
  Zijn eigen beeltnis wandlend in den tuin.
  Hij enkel zag van 't menschdom die verschijning.
  Want weet, twee werelden bestaan, van leven
  En dood:--een, die ge aanschouwen kunt, maar de andre
  Is onder 't graf, daar, waar de schimmen wonen
  Aller gedaanten met gedachte en leven,
  Tot dood hen eent en nimmermeer zij scheiden;
  Droomen, lichte verbeeldingen der menschen,
  Al wat geloof schept of wat liefde hoopt,
  Vreeslijk, verheven, vreemd en schoon van maaksel.
  Daar zijt ook gij, en hangt, wringend een schim,
  In wervelwind-bevolkte bergen. Al
  De Goden zijn daar; al de Machten van
  Naamlooze werelden, reusachtge schaduwen,
  Geschepterd, en heroën, menschen, dieren;
  En Demogorgon, een schrikwekkend Duister;
  En hij, de Opper-Tyran, zit op zijn troon
  Van brandend goud. Zoon, een van hen zal uiten
  Den vloek dien ieder kent. Roep wien gij wilt,
  Uw eigen geest, den geest van Jupiter,
  Hades of Typhon, of wat machtger Goden
  Uit over-vruchtbaar Kwaad, sinds uw verderf,
  Rezen en trapten mijn geknielde zonen.
  Vraag, en zij moeten antwoorden: de wraak
  Des Hoogsten raze dan door holle schaduwen,
  Als regenwind door de verlaten poort
  Van een verwoest paleis.

*PROMETHEUS.*

                             Moeder, dat niets
  Van wat misschien verkeerd is weer mijn lippen
  Ontga, of die van iets dat mij gelijkt.
  Schaduw van Jupiter, verrijs, verschijn!

*IONE.*

  Mijn wieken vouwde ik voor mijn ooren,
    Mijn wieken kruiste ik voor mijn oogen,--
    Toch zie 'k door zilveren schaduwbogen,
  Toch kan ik door sussende veedren hooren,--
      Een Schim, een klankenzwerm.
  Nadere u geen onheil nu,
          O veel-doorwonde, ocharm,
  Bij wien we, ons Zusterlief ten troost,
  Slapeloos waken onverpoosd.

*PANTHEA.*

  't Geraas is van vuur, van wervlend geblaas
    Onder de aarde, van bergen die scheurend beven,
  De schim is vreeslijk als 't geraas.
    In donker purper, sterren-doorweven.
         Een schepter van bleek goud,
  Die zijn stappen schraag', trotsch over wolken traag,
         Zijn hand, de dooraderde, houdt.
  Wreed, maar toch kalm en sterk hij ziet,
  Als wie onrecht doet, maar lijdt het niet.

*SCHIM VAN JUPITER.*

  Waartoe werd ik, een broze en ijle schaduw,
  Door dezer vreemde weerld geheime machten
  Hierheen gedreven op de wildste stormen?
  Wat ongewone klanken zweven er
  Op mijnen mond, een andre stem dan die
  Waarmee ons bleeke ras spookachtig spreekt
  In duister?--Trotsche lijder, wie zijt gij?

*PROMETHEUS.*

  Ontzachlijke verschijning! gelijk gij zijt
  Moet hij zijn dien ge afschaduwt. 'k Ben zijn vijand,
  De Titan. Spreek de woorden die 'k wou hooren,
  Schoon geen gedachte uw leege stem beziel'.

*DE AARDE.*

  Luistert! wel moet uw echo stom zijn, grijze
  Bergen, orakelholen, geestenbronnen,
  Stroomen rond eilanden, en oude wouden,--
  Verblijdt u hoorend wat gij niet kunt spreken!

*DE SCHIM.*

  Mij grijpt een geest, die binnen in mij spreekt:
  Hij scheurt me als vuur een donderwolk verscheurt.

*PANTHEA.*

  Zie hoe zijn machtge blik zich heft! de hemel
  Donkert omhoog!

*IONE.*

              Hij spreekt! Wil mij beschermen!

*PROMETHEUS.*

  Ik zie den vloek, in trotsch en koud gebaar,
  Blikken van vaste uitdaging, kalme haat en
  Wanhoop die met zichzelf glimlachend spot,
  Geprent als op een rol. Maar spreek, o spreek!

*DE SCHIM.*

  "Duivel, ik daag u uit! kalm, vast van geest,--
    Zooveel gij slaan kunt bid ik u te slaan;
  Booze Tyran, door god en mensch gevreesd,
    Eén eénig wezen zult gij niet verslaan!
      Regen uw plagen altemaal,
      Krankzinnige angst, spookachtige kwaal
      Op mij, laat wisslend vorst en gloeden
      Knagen in mij, en zij uw woede
  Bliksem, snijdende hagel, tallooze vormen
  Van Furiën drijvend aan op wonden-slaande stormen!

  "Ja, doe het ergste, almachtige! over 't al
    Behalve uzelf en mijn wil gaf 'k u macht!
  Zend uit dien hemeltoren 't talloos tal
    Onheilen snel, verzengend 't menschgeslacht.
      Dat uw boosaardge geest omzweef'
      In duister wie 'k mijn liefde geef:
      'k Wil dat gij mij en de mijnen slaat
      Met de uiterste pijniging van uw haat;
  Zoo wijd 'k aan foltring, door geen slaap verdoofd,
  Zoolang gij heerscht omhoog dit nimmer-zinkend hoofd.

  "Maar gij, die God en Heer zijt! Gij wiens ziel
    Vervult dees weerld van wee, Vijand die heerscht:
  Buigt niet in eerbied of in bang gekniel
    Voor u elk ding van heem'l en aarde om 't zeerst?
      Ik vloek u! Als berouw omgrijp'
      Eens lijders vloek zijn beul, en nijp',
      Totdat uw eindloosheid een kleed
      Gelijke van vergiftigd leed,
  En tot uw almacht zij een kroon van pijn,
  Klemmend als brandend goud rondom uw smeltend brein!
  "In naam van dezen Vloek staaple gij tal
    Van zonden op uw ziel, wees 't goede ziend
  Verdoemd dan, bei oneindig als 't heelal,
    Gij en uw eenzaamheid, zelf-pijnging biênd!
      Nog zit ge, een vreeslijke figuur
      Van kalme macht, maar kome t' uur,
      Waarin zal blijken wat gij zijt
      In allerdiepste inwendigheid,
  En, na veel zonden, valsche en vruchtelooze,
  Hoon volge uw tragen val, eeuwig, door 't eindelooze!"

*PROMETHEUS.*

  Sprak ik zoo, moeder Aarde?

*DE AARDE.*

                             Zoo spraakt gij.

*PROMETHEUS.*

    't Berouwt me: ijdel en haastig woorden zijn:
  Smart is een wijle blind, en zoo was mijn':
    Niets wat er leeft wensch ik dat lijdend zij.

*DE AARDE.*

      Wee mij, wee,
      Dat Hij u eindlijk buigen deê!
      Klaagt, huilt luid, Land en Zee,--
      Aarde's gescheurde hart krijt mee!
      Geesten der levenden en dooden, schreit!
      Uw toeverlaat en steun thans overwonnen leit.

*EERSTE ECHO.*

      Thans overwonnen leit?

*TWEEDE ECHO.*

        Verwonnen leit!

*IONE.*

  Vrees niet: die huivring zal niet duren,--
    De Titan is niet overmand.--
  Maar zie omhoog waar door de azuren
    Spleet van dien sneeuwtop scherp-getand,
  Op hellende winden tredend zijn voet
  In gouden sandaal--hij straalt
  Onder veeren gekleurd in purpergloed
  Ivoor gelijk door een roos bebloed--
    Een Gedaante daalt,--
  Uit zijn rechterhand oprijzend blinkt
  Een staf door een slang omkringd.

*PANTHEA.*

  Mercuur, Jupiters boô, die 't al doordwaalt.

*IONE.*

  En wie zijn die met hydraharen,
    En vlerken van ijzer, den wind bestijgend?
  De God, gefronsd, weerhoudt hun scharen
    Achter hem stoomenden damp gelijkend,
  Met luid geroep, een eindlooze troep-- --

*PANTHEA.*

  't Zijn Jupiters honden die hij met krijten
    En bloed verzaadt, zij bezweven de' orkaan,
    Wen zijn raadren op zwaavlige wolken gaan,
  En de grenzen der hemelen splijten.

*IONE.*

  Of van de ijle doôn zij gezonden zijn,
  Zich te voeden met nieuwe pijn?

*PANTHEA.*

  De Titan ziet als steeds vast, niet hoovaardig.

*EERSTE FURIE.*

  Ha! ik ruik leven!

*TWEEDE FURIE.*

              Laat mij in zijn oog maar zien!

*DERDE FURIE.*

  De hoop van hem te foltren ruikt gelijk een stapel
  Van lijken na den slag voor een doodsvogel!

*EERSTE FURIE.*

  Durft gij nog treuzlen, o Heraut? Verheugt u, Honden
  Der Hel! Hoe, als de Zoon van Maia dra
  Tot voedsel en vermaak ons strekken zou?
  Wie kan den Oppermachtge lang behagen?

*MERCURIUS.*

  Terug naar jullie ijzren torens, knarst
  Met voedsellooze tanden, naast de stroomen
  Van vuur en weeklacht! Geryon, verrijs!
  Gorgon, Chimaera, Sphinx, de meest verfijnde
  Duivel, die 's hemels gifwijn reikte aan Thebe:
  Ontaarde liefde, en meer ontaarde haat!--
  Die zullen 't werk volvoeren.

*EERSTE FURIE.*

                             Medelij!
  O medelij! wij sterven in ons smachten:
  Jaag ons niet weg van hier!

*MERCURIUS.*

                             Neer dan en zwijgt!--
  Ontzachbre Lijder! Willens niet, onwillens
  Nader ik u: de wil des Grooten Vaders
  Dreef mij omlaag, dat ik een doem volvoer'
  Van nieuwe wraak. Helaas! 'k bemeelij u,
  En 'k haat mij zelf, dat ik niet meer kan doen.
  Ja, als ik weerkeer, nadat ik u zag,
  Schijnt voor een poos de Hemel mij een Hel,
  Zoo achtervolgt me uw magere gedaant
  Des daags, des nachts, en glimlacht een verwijt.
  Wijs sterk en goed zijt gij, maar woudt vergeefs
  Alleen weerstaan de' Almachtge; gindsche lampen,
  De heldre, die de moede jaren meten
  En scheiden, die niet een ontkomen kan,
  Leerden 't reeds lang en moeten 't lang nog leeren.
  Juist op dit oogenblik wapent uw foltraar
  Met vreemde kracht van nooitgedroomde pijnen
  Machten, die in de hel langzame ellenden
  Beramen, en aan mij werd opgedragen
  Hen hier te voeren, of wat wreeder, wilder,
  Verfijnder duivels in den afgrond huizen,
  Dat zij hun taak volbrengen! Zij het niet zoo!
  U, en van al wat leeft anders niet een,
  Is een geheim bekend,--den schepter van
  Den wijden Hemel kan het overdragen,--
  De vrees daarvoor verbijstert de' Oppergod.
  Kleed het in woorden, vraag of het zijn troon
  Bemiddelend omgrijp'; buig in gebed
  Uw ziel, laat in uw trotsche hart den wil
  Knielen, een smeekling in een prachtgen tempel:
  Weldaân, deemoedige onderwerping temmen
  Den meest vertoornde en machtigste tot zachtheid.

*PROMETHEUS.*

  Kwade naturen wijzigen het goede
  Naar eigen aard. Ik gaf al wat hij heeft;
  En tot belooning ketent hij mij hier,
  Jaren, neen eeuwen, nacht en dag; hetzij
  De zon mijn droge huid doet barsten, 't zij
  In maannacht de kristal-gewiekte sneeuw
  Kleeft rond mijn haar; wijl mijn geliefd geslacht
  Vertreên wordt door wie zijn gedachte doen.
  Zoo is 't dat de Tyran vergeldt, 't Is recht:
  Hij die niet goed is kan geen goed ontvangen
  En voor een weerld geschonken of een vriend
  Verloren kan hij haat, vrees, schaamt gevoelen;
  Geen dankbaarheid. Hij loont mij enkel voor
  Zijn eigen misdaad. Vriendlijkheid is fel
  Verwijt voor zulk een, dat met scherpe steken
  Den lichten sluimer afbreekt van de Wraak.
  Gij weet, dat 'k mij niet onderwerpen kan:
  Welke onderwerping dan dat noodlot-woord,
  Doodszegel van des menschdoms slavernij,
  Als 't zwaard des Siciliaans, dat aan een haar hangt
  Bevend boven zijn kroon, zou hij aanvaarden,
  Of kon ik toestaan? Maar niet wil 'k ze toestaan.
  Laat andren Misdaad vleien waar hij troont
  In snel-verganklijke almacht! Veilig zijn zij:
  Want wen het Recht verwint zal 't meelij reegnen,
  Geen straf, op 't onrecht dat het leed, en dat
  Te over geboet werd door wie dwalen, 'k Wacht,
  Dus duldende, 't vergelding-brengende uur,
  Dat sinds wij spraken zelfs iets nader kwam.
  Maar luister, de Helhonden razen. Vrees
  Uitstel! want zie! de hemel donkert onder
  Uws Vaders frons!

*MERCURIUS.*

                             O bleve 't ons bespaard--
  Mij 't leed doen, u het lijden! Antwoord me éens nog:
  Kent gij het eindperk niet van zijn gezag?

*PROMETHEUS.*

  Ik weet slechts dat het eind eens komt.

*MERCURIUS.*

                             Helaas!
  Gij kunt de jaren die uw pijn nog dure
  Niet tellen!

*PROMETHEUS.*

                   Zoolang Jupiter regeert,
  Houden zij aan, niet meer noch minder hoop
  Of vrees ik.

*MERCURIUS.*

                   Maar denk even na, en duik
  In de eeuwigheid, waar tijd dien ge u herinnert--
  Zelfs al wat we ons verbeelden, eeuw op eeuw--
  Een punt maar schijnt, en de weerstrevende
  Gedachte kwijnt, moe in de oneindge vlucht,
  Tot duizlend, blind, verloren, onbeschermd,
  Zij zinkt. Ze telde allicht de trage jaren
  Nog niet, die gij in foltring zonder uitstel
  Doorleven moet?

*PROMETHEUS.*

                   Misschien kan geen gedachte
  Ze tellen. Evenwel, zij gáán voorbij.

*MERCURIUS.*

  Als gij mocht wonen bij de Goôn dien tijd,
  In wellustvreugd gekoesterd?

*PROMETHEUS.*

                             Toch zou 'k niet
  Willen verlaten dezen zwarten afgrond,
  Noch deze pijnen, wien geen pijndoen rouwt.

*MERCURIUS.*

  Helaas! 'k verbaas mij, maar beklaag u toch.

*PROMETHEUS.*

  Beklaag des hemels slaven, die zichzelf
  Verachten, maar niet mij: want in mijn geest
  Zit heldre vrede, als in de zon het licht,
  Ten troon. Hoe doelloos is het spreken. Roep
  De duivels op.

*IONE.*

                   O zuster, zie! Wit vuur
  Spleet dien geweldgen sneeuw-beladen ceder
  Tot aan de wortels. Hoe ontzettend huilt
  Gods donder 't achterna!

*MERCURIUS.*

                   Ik moet zijn woorden
  En die van u gehoorzamen! Helaas!
  Hoe hangt zich zwaar de wroeging aan mijn hart!

*PANTHEA.*

  Zie waar het Hemelkind, gewiekt van voet,
  Omlaagsnelt langs het schuine daagraad-zonlicht.

*IONE.*

  Dierbare zuster, sluit uw veedren nu
  Over uw oogen, anders ziet ge en sterft.
  Zij komen, komen, zwartend dags geboorte
  Met vlerken zonder tal, waaronder 't hol is
  Gelijk de dood!

*EERSTE FURIE.*

              Prometheus!

*TWEEDE FURIE.*

                             Kampioen
  Van 's Hemels slave'!

*DERDE FURIE.*

              Onsterfelijke Titan!

*PROMETHEUS.*

  Hier is hij dien een vreeselijke stem
  Aanroept, Prometheus, de geboeide Titan.
  Gruwbare vormen, wat en wie zijt gij?
  Nimmer nog kwamen zoo afgrijslijke
  Droombeelden door de hel die monsters teelt
  Uit Jupiters alles wanscheppend brein.
  Wijl 'k zoo verfoeilijke wezens zie,
  Is 't me of ik lijken ga op wat ik schouw
  En lach en staar in walglijke gemeenschap.

*EERSTE FURIE.*

  Wij zijn de dienaars van ontgoocheling,
  Van pijn en vrees en wantrouwen en haat,
  En zonde die zich vastklemt aan de ziel,
  Als ranke honden die door woud en meer
  Een jeugdig hert, geraakt en snikkend, volgen,
  Gaan we alles na wat weent en bloedt en leeft,
  Wanneer de groote Vorst hen overlevert
  Aan onzen wil.

*PROMETHEUS.*

              O veel vreeslijke wezens
  In éenen naam! ik ken u; en dees meren
  En echo's kennen 't duister en 't gedruisch
  Van uwe vlerken. Maar waarom verrijst gij
  Leelijker dan uw walgingwekkend wezen
  Vergaderd in legioenen uit den afgrond?

*TWEEDE FURIE.*

  Dat wisten wij nog niet. Verheugt u, Zusters!

*PROMETHEUS.*

  Kan iets om zijn wanstaltigheid verblijd zijn?

*TWEEDE FURIE.*

  Schoonheid van wellust maakt verliefden blij,
  Starende naar elkaar,--zoo zijn ook wij.
  Als van de roos, die knielend plukken wil
  Voor feestelijken bloemkroon de priestres,
  De bleeke, een roode schijn valt op haar wang
  Waardoor zij bloost, zoo kleedt ons onze vorm:
  De schaûw van smarten die ons offer wachten,--
  Anders zijn vormloos we als ons' Moeder Nacht.

*PROMETHEUS.*

  'k Bespot uw macht en die van wie u zond,
  In diepsten hoon. Giet leeg uw kelk van pijn.

*EERSTE FURIE.*

  Bedenkt gij dat we u zullen scheure' uiteen,
  Zenuw voor zenuw, been voor been, als vuur
  Vretend in u?

*PROMETHEUS.*

                   Pijn is mijn element,
  Als haat het uwe. Gij verscheurt mij nu,
  Het raakt mij niet.

*TWEEDE FURIE.*

              Stelt ge u wel voor, dat we in
  Uw lidlooze oogen zullen lachen?

*PROMETHEUS.*

                                       'k Schat
  Niet wat gij doet, maar wat gij lijdt, kwaad zijnde.
  Wreed was de macht die u, of wat dan ook,
  Zoo slecht, in 't licht riep.

*DERDE FURIE.*

                   Denkt gij hier wel aan,
  Dat we in u zullen leven, een voor een,
  Als dierlijk leven, en ofschoon wij niet
  De ziel die in u brandt kunnen verduistren,
  Dat wij daarneven zullen wonen, als
  Een ijdle luide menigt, folterend
  De zelftevredenheid der wijste menschen;
  Wij zullen zijn ontzettende gedachte
  Onder uw brein, en leelijke begeerte
  Rond uw verbaasde hart, en bloed dat kruipt
  In doolhof van uw aadren als zieltoging.

*PROMETHEUS.*

  Wel, nu reeds zijt gij zoo, toch ben ik vorst
  Over mijzelf en heersch over die volten
  Die in mij worstlen en me inwendig martlen,
  Gelijk over uw menigt Jupiter
  Regeert, wanneer de Hel aan 't muiten slaat.

*KOOR VAN FURIËN.*

  Van de einden der aard, van de einden der aard,
  Waar zijn graf heeft de nacht en de morgen klaart,
                            Komt, komt, komt!
  Wier vreugdkreet de heuvelen schokkend doorvaart
  Wen steden zinken in puin met gesteen!
  Wier vlerklooze voetstappen treên op de zeên,
  Die snatert--Schipbreuk en Hongersnood vlak
  Op het spoor--van pret op het voedselloos wrak,
                       Komt, komt, komt!
  Laat het bed, laag, koud en rood,
    Waar een natie neerligt, dood;
  Laat de haat, want in de sintels
    Bleef nog vuur dat straks moog' flakkeren:
  't Zal opvlammen in bloediger krinkels
    Als, spoedig terug, gij 't aan zult wakkeren;
  Laat de zelf-walg die verovert
  Jeugdige zielen zinnen-betooverd,
    Nog onontstoken haard van leed;
  Laat het Hel-geheim, half onthuld
    Den waan-bevangen droomer;--wreed,
      Meer dan gij die de haat bewoog,
  Werd hij door vrees voor schuld.
                          Komt, komt, komt!
      Uit den wijden hellepoort stoomen we omhoog,
  Wij bezwaren de vlagen van de lucht,
  Maar ons doen is vergeefsch totdat gij tot ons vlucht!

*IONE.*

  Zuster, 'k hoor 't donderen van nieuwe vlerken.

*PANTHEA.*

  Dees vaste bergen trillen van 't geluid
  Gelijk de sidderende lucht: hun schaduwen
  Doen 't zwarter zijn dan nacht tusschen mijn veedren.

*VIERDE FURIE.*

  Uw roep was als een gewiekte wagen,
  Op wervelwinden snel en ver gedragen,
  Hij kwam van rooden krijgskolk ons verjagen;

*VIJFDE FURIE.*

  Van wijde steden waar de honger woedt,

*ZESDE FURIE.*

  Van klachten half-gehoord, en ongedronken bloed;

*ZEVENDE FURIE.*

  Van konings-raden, barsch en koud,
  Waar bloed verkwanseld wordt om goud;

*ACHTSTE FURIE.*

  Van den oven, wit en heet,
  Waar--

*EEN FURIE.*

              Spreek niet, daar 'k alles weet
  Wat gij woudt zeggen--wil niet fluistren--
  Breken mochten de tooverkluistren,
  Waardoor straks buig' de strenge van gedachte,
  Dien niets nog buigen deed:
  De diepste macht der Hel blijft hij verachten.

*EEN FURIE.*

  Scheur het floers!

*EEN ANDERE.*

              Het is door.

*KOOR.*

                             't Bleek gesternt van Auroor
  Schijnt op smart zwaar te dragen. Bezwijmt gij erdoor,
  Machtge Titan? Wij lachen hoon-schaatrend in koor!
  Roemt ge op wetenschap klaar, die den mensch gij deedt dagen?
  Toen ontgloeide er een dorst in hem, nimmer verslagen
  Door die stervende waatren, een koortsdorst verterend,
  Liefde, twijfel, hoop, smachten, hem eeuwig verheerend.
        Een verscheen van zachte waarde
        Lachend op de bloedroode aarde:
        Zijn woorden duurden, snel venijn
          Gelijk, verdelgend waarheid, deernis, vrede.
        Zie! langs de wijde kimmelijn
          Rondom, veel dichtbevolkte steden,
        Braaksels rookend in de heemlen klaar!
        Hoor dien kreet van wanhoop zwaar!
        't Is zijn zachte en teedre geest die treurt
          Om 't geloof door hem ontstoken.
        Zie opnieuw! de vlam die hoog zich beurd'
          Tot een glimworm-lamp ineengedoken:
        De overlevenden rondom de kolen
          Verzaamlen zich ontzet.
              Vreugd! vreugd! vreugd!
              Het verleên overstelpt u, maar iedere eeuw heugt;
        En het heden--de toekomst blijft duister verholen--
          Is voor 't sluimerloos hoofd u een dorenenbed!

*HALFKOOR I.*

  Droppen van bloedige ellende leken
  Van zijn voorhoofd, 't sidderend bleeke.
    Gun een kort heraadmen thans.
  Zie een volk zijn ban verbreken,
    't Springt uit moedloosheid als morgenglans;
  Aan Waarheid wijdde het zijn staat
  En Vrijheid leidt het voort, haar maat;--
  Een legioen aaneengesloten broeders,
  Die Liefde kindren noemt--

*HALFKOOR II.*

                             Van andre moeders
  Zijn ze, zie hoe verwanten magen moorden!
    Het is de wijnoogst-tijd voor Zonde en Dood.
    Bloed schuimt als nieuwe wijn zoo rood.
  Straks wordt, wanneer haar Wanhoop smoorde,
    Die worstelende wereld prooi van slaven en despoot.

                             _(Al de Furiën verdwijnen, op een na.)_

*IONE.*

  Hoor zuster! wat een diep maar wreed gekreun,
  Gansch niet teruggehouden, 't hart verscheurt
  Van de' eedlen Titan, gelijk stormen 't diep,
  Wanneer de dieren hooren hoe de zee
  Huilt in de holen onder 't binnenland!
  Durft gij te zien hoe hem de duivels martlen?

*PANTHEA.*

  Helaas! Ik keek tweemaal, doch doe 't niet meer.

*IONE.*

  Wat zaagt ge?

*PANTHEA.*

              Een smartlijk schouwspel: een geduldig
  Starende jonkman aan een kruis genageld.

*IONE.*

  Wat meer?

*PANTHEA.*

              De hemel in het rond, en de aard
  Omlaag, was dicht bevolkt met vormen van
  Menschlijken dood, alle verschriklijk, en
  Gewrocht door menschehand; en enkle schenen
  Het werk van menscheharten, moordend traag
  Door frons en glimlach. Andere gezichten,
  Te schandlijk om te noemen en te leven,
  Dreven voorbij. Laat ons niet ergre vrees
  Verzoeken door te zien: voldoende smart
  Is dat gekreun.

*FURIE.*

                             Zie een symbool: dat zij
  Die voor den mensch diep onrecht lijden, hoon
  En keetnen, enkel duizendvoudge foltring
  Wentelen op zichzelf en ook op hem.

*PROMETHEUS.*

  Verzacht den doodsnood van dat stralend staren;
  Sluit nu die lippen bleek, doe 't doorn-doorwonde
  Voorhoofd van bloed niet stroomen: met uw tranen
  Vloeit het ineen! Stil, stil 't gefolterd oog
  In vrede en dood,--dat niet uw kranke weeën
  Schudden dat kruis,--dat niet die vingren bleek
  Met uw geronnen bloed meer spelen! O,
  Afgrijslijke! Uwen naam wil ik niet spreken:
  Hij is een vloek geworden! 'k Zie, ik zie
  De wijzen, zachten, eedlen en rechtvaardgen,--
  Uw slaven haten hen, die zijn als gij--
  Enklen verdreven uit huns harten huis,
  Een vroeg-gekozen, laat-bejammerd huis,
  Door vuile leugens: panters die geblinddoekt
  Een opgejaagde hinde dicht vervolgen;
  Enklen in giftige kelders saamgeketend
  Met lijken; enklen--hoor 'k de menigt daar
  Niet lachen luid?--omsloten door traag vuur;
  En machtge rijken drijven aan mijn voet,
  Gelijk eilanden door de zee ontworteld,
  Wier zonen zijn gekneed in één plas bloed,
  Bij rooden brandgloed van hun eigen huizen.

*FURIE.*

  Bloed kunt gij zien, en vuur, en kreuning hooren,--
  Ergere dingen resten, ongehoord
  En ongezien.

*PROMETHEUS.*

              Ergere?

*FURIE.*

                             In 't menschehart
  Wordt prooi, dien het verslond, steeds overleefd
  Door schrik. De edelsten vreezen dat wat hún
  Te laag schijnt om te denken waarheid zij;
  Gewoonte, huichlarij maken hun geest
  Tempels van meengen thans versleten godsdienst.
  Zij durven voor den toestand van den mensch
  Geen heil beramen, en zij weten niet
  Dat zij 't niet durven. Zij die goed zijn hebben
  Geen macht, en kunnen enkel vruchtloos weenen;
  De machtgen missen goedheid--dat gebrek
  Is erger; wijzen missen liefde; en wie
  De liefde hebben missen wijsheid; zoo
  Is al 't uitmuntendste verkeerd in kwaad.
  Velen zijn sterk en rijk, wilden wel goed zijn,
  En leven toch onder hun medemenschen
  Die lijden, of er niemand iets gevoelde:
  Zij weten zelf niet wat zij doen.

*PROMETHEUS.*

                             Uw woorden
  Zijn als een wolk gevlerkte slangen; toch
  Bemedelij ik wie zij niet doen lijden.

*FURIE.*

  Bemedelijdt ge? Ik spreek niet meer!

                             _(verdwijnt)_

*PROMETHEUS.*

                             Wee mij!
  Wee mij! helaas! pijn, pijn, eeuwig, voor eeuwig!
  Ik sluit mijn traanlooze oogen,--o verfijnde
  Tyran! uw werken zie ik klaarder in
  Mijn leed-verlichten geest. In 't graf is vreê:
  Het graf verbergt al schoone en goede dingen.
  Ik ben een God, en kan haar dáár niet vinden--,
  Noch zou 'k haar zoeken: want, schoon wreede wraak,
  Dit is verslagen zijn, niet zegepralen,
  O felle Koning! De gezichten waar
  Gij mij mee foltert, sterken mijn gemoed
  Met meer volharding, tot het uur verschijnt
  Dat zij geen beeld meer zijn van wat bestaat.

*PANTHEA.*

  Helaas! wat zaagt gij?

*PROMETHEUS.*

                             Er is tweeërlei
  Ellende: zien, en spreken:--spaar me er een.
  Namen, die 't heilig wachtwoord der Natuur zijn,
  Droeg men omhoog in blinkende blazoenen;
  De volken wemelden in 't rond en riepen
  Eenstemmig luid: "Waarheid, Vrijheid en Liefde!"
  Plotseling viel er van den hemel wilde
  Verwarring: er was strijd, bedrog en vrees:
  Tyrannen stoven aan, deelden de buit.
  Dit was de schaduw van de waarheid die
  'k Aanschouwde.

*DE AARDE.*

              'k Voelde uw foltring, zoon, met zoo
  Gemengde vreugd als pijn en deugd kan geven.
  Nu, om uw toestand te verheldren, vraag ik
  Die fijne en schoone geesten op te stijgen,
  Wier woonstede in de donkere gewelven
  Der menschgepeinzen is en die, als vooglen
  Den wind bezeilen, thuis in dier gedachten
  Wereld-omcirkelenden ether zijn.
  Zij zien achter dat schemerig gebied,
  Als in een spiegel dat wat komen zal:
  O dat zij spreken om u troost te schenken!

*PANTHEA.*

  Zie zuster, waar zich zaamlen geestenscharen,
  Als wolkenkudden in der Lente klaren
  Hemel, verruklijk blauw!

*IONE.*

                             En zie! meer komen,
  Als bronnedampen 't dal uit opwaarts stoomen,
  Wen winden zwijgen, in verspreide lijnen.
  En hoor! is het de ruisching van de pijnen?
  Is 't van het meer? Is het de waterval?

*PANTHEA.*

  't Is iets veel droever, zoeter dan dat al.

*KOOR VAN GEESTEN.*

  Wij zijn 't die van de oudste tijden
  Teer beschermen en geleiden
  't Menschdom dat de Goôn doen lijden.
  We aadmen--nooit kon het ons krenken--
  De atmosfeer van 't menschlijk denken,
  Zij ze ook donker, nat en grauw
    Als een dag door storm gebluscht,
  Nog doorvloeid van glanzen flauw,
    Zij ze stralend als wat rust
  Tusschen wolkenlooze lucht
  En rivieren zonder zucht,
  Lieflijk, stil, in klaar genucht.
  Als de vooglen in den wind,
    Als de visschen in den vliet,
  Als wat 's menschen ziel verzint
    Vloeit door 's levens licht gebied,
  Leegren wij daar vlot en vrij:
  Als de wolken onweerhouden reizen wij
    Door die sferen die geen grens verkleint:
  Daaruit dragen wij de profeetsij,
    Die in u begint en eindt!

*IONE.*

  Meer komen, een voor een: de lucht in 't rond
  Ziet schittrend als de lucht rondom een ster.

*EERSTE GEEST.*

  Door een krijgstrompet met kracht
  Opgestooten in den nacht,
  Kwam 'k hierheen in snelle jacht.
  Uit het stof van eeredienst versleten,
  Van tyrannenvaan uiteengereten,
  Klonken daar vermengde kreten,
  Die rondom mij medestegen:
  't Luidde: Vrijheid! Hoop! Dood! Zege!
  Tot ze omhoog versuizlend zwegen.
  Eén geluid klonk voor mij uit:
  Liefde's ziel, en 't ruischte en deind'
    Onder, boven, rondom mij:
    't Was de hoop, de profeetsij
  Die in u begint en eindt.

*TWEEDE GEEST.*

  Een regenboog stond op de zee
  Die woelde omlaag, in vreemde vreê,
  Waardoor, alsof veroovraar toog
    Onder triomfpoort trotsch en snel,
  De stormwind zegevierend vloog,
  Meevoerend veel gevangen wolken:
  Vormlooze, donkre, vlugge volken,--
    Elke gekliefd door 't weerlicht schel.
  'k Hoorde 't dondren: schor geschater--
  'k Zag beneên, als kaf uiteen
  Verstrooid, verspreid op 't witte water,
  Machtge vloten--een hel van dood.
  'k Daalde er op een groote boot--
  Bliksem spleet haar romp vaneen--,
  Op de zucht vlood ik hierheen
  Van een die aan een vijand schonk
  Zijn plank, en zijwaarts dook en zonk.

*DERDE GEEST.*

  'k Zat naast eens wijzen legersteê,
  Een rosse schijn van 't lamplicht gleê
  Langs 't boek dat straks hem peinzen deê,--
  Toen een Droom--als vlammen straalde
  Zijn gevedert--nederdaalde.
  En ik wist in hem verschenen
  Wie ontstak eeuwen voorhenen
  Deernis, eedle taal, en pijn;
  Korten tijd droeg schaduwschijn
  Van zijn luister 't aardeduister.
  Hierheen droeg hij mij met spoed
  Als Begeerte's bliksemvoet:
  Dat 'k hem wederbreng' voor morgen,
  Of de wijze ontwaakt in zorgen.

*VIERDE GEEST.*

  'k Sluimerde op een dichtermond,
  Droomend als wie liefde vond
  In zijn aêm geluid nog suizend,--
    Aardsche vreugden zoekt noch vindt hij,
    Hemelsch kust hij en bemint hij
  Wezens in de wouden huizend
  Der gepeinzen. Van het dagen
    Tuurt hij soms tot 's avonds duister:
    O van gele bijen ruischt er
  't Bloesemen der klimophagen,
    't Gouden zonlicht hoogt hun luister,
      't Weergekaatste door het meer;
  Wat hij ziet, hij weet het niet,
  Maar herschept het in zijn lied
      Tot gestalten werklijk, méer
  Dan de mensch die levend heet:
      Kindren der Onsterflijkheid.
  Een van dees me ontwaken deed:
    'k Ging u troosten, daar gij lijdt.

*IONE.*

  Ziet gij niet naadren van het Oost en 't West
  Twee wezens? glijden tot één dierbaar nest
  Duiven niet zoo, een tweelingpaar gevoed
  Door de atmosfeer die alles leven doet,
  Op snelle, stille vlerken naar omlaag?
  En hoor! die stemmen zoet, toch vol geklaag:
  't Is leed vermengd met liefde tot éen lied.

*PANTHEA.*

  Spreekt gij nog, zuster? Woorden vind ik niet.

*IONE.*

  Hun schoonheid geeft mij stem. Zie hoe zij drijven:
  Op wieken rusten zij van hemel-kleur,
  Oranje en hemelsblauw verdiept tot goud:
  De lucht straalt van hun lach als van een ster.

*KOOR DER GEESTEN.*

  Hebt gij de Liefde-zelf aanschouwd?

*VIJFDE GEEST.*

                             Toen 'k over wijde landen
    Haastte als de vlugge wolken die de luchtwoestijn bevaren,
  Vloog die gestalte ster-gekroond op vleugelen die brandden
    Van weerlicht aan en schudde heil uit ambrozijnsche haren;
  Haar stappen spreidden licht op de aard. Maar dra verdween dat stralen,
    Verwoesting gaapte: waanzin bond wie hooge wijsheid zeiden;
  Helden verdwaasd, jonglingen bleek die stierven zonder smalen,
    Zag 'k in den nacht. En ik ging voort, tot gij, o vorst van Lijden,
    Glimlachend wreedste erinnering verkeerdet in verblijden.

*ZESDE GEEST.*

  't Vernielende is iets zeer verfijnds, o Zuster! weet waarom:
    Het wandelt niet op de aard, het zweeft niet in de heemlen,
  Maar het vertreedt met stap die stilt en 't koelt met vlerken stom
    De teedre wenschen die in 't hart der besten, eêlsten, weemlen;
  Die door het waaierend geveêrt in valsche rust gewiegd
    En door 't bewegen melodieus dier zachte en snelle voeten,
  Droomen van bovenaardsche vreugd en noemen 't monster Liefd'
  En, wakker, zien de schaduw Pijn, als hij dien thans wij groeten.

*KOOR.*

  Schoon nu Verwoesting schaduw zij
  Der Liefde, volgend haar nabij
  Op 't witte Doodspaard, dat gevleugeld
  Als een stormwind onbeteugeld--
  Ook de snelste ontvliedt het niet--
  Trapt op onkruid en gebloemt,
  't Slechte en schoone saâm verdoemt,
  Menschen en gediert vertreedt--
  Eens stuit gij dien ruiter wreed,
  Hart en lichaam ongedeerd.

*PROMETHEUS.*

  Geesten, zegt wie u dit leert!

*KOOR.*

  Zijn dan niet in onze luchten
  (Evenals wen de sneeuwstorm vluchtte
    Voor de Lente en knoppen gloeien,--
  't Vlierbosch trilt in winden mild,--
  Ook de herders dolend weten
    Dat de meidoorn gauw zal bloeien)
  Recht en Vrede, Liefde en Weten:
    Glans die worstlend wijder schijnt,--
  Als de winden zacht en blij
  Den herdersknaap, de profeetsij
    Die in u begint en eindt?

*IONE.*

  Waar vloôn de Geesten heen?

*PANTHEA.*

                             Niets blijft er over
  Dan een gevoel van hen, gelijk de toover
  Van tonen, wen bezielde stem en luit
  Verruischen, eer het antwoordend geluid
  Nog zweeg, dat in de diepe ziel blijft dolen
  Als echo's winden door oneindge holen.

*PROMETHEUS.*

  Hoe schoon dees lucht-geboren wezens! Toch
  Voel 'k alle hoop vergeefsch behalve liefde!
  En gij zijt ver, Asia, die wen mijn wezen
  Overliep, als een gouden beker waart
  Voor heldren wijn, anders in dorstig stof
  Vervloeid.--Alles is stil. Helaas! hoe zwaar
  Weegt deze rustge morgen op mijn hart!
  'k Zou kunnen slapen met mijn leed, ofschoon
  Ik droomen zou, waar' slaap mij niet ontzeid.
  'k Zou willen zijn wat ik eens wezen zal,
  De redder en de kracht van 't lijdend menschdom,
  Of in de oer-baaiert van 't heelal verzinken.
  Er is geen smart, geen heul die nu nog rest:
  Aard heeft geen troost, Hemel geen foltring meer.

*PANTHEA.*

  Hebt gij vergeten een die bij u waakt
  In kouden duistren nacht, en nimmer slaapt,
  Dan wen de schaduw van uw geest haar aanroert?

*PROMETHEUS.*

  'k Noemde alle hoop vergeefsch, slechts liefde niet,
  En gij hebt lief.

*PANTHEA.*

                   Innig voorwaar. Maar zie,
  De ster van 't Oosten is verbleekt, en Asia
  Wacht in dat ver-verwijderd Indisch dal,
  't Oord van haar droeve ballingschap, eens ruw,
  Eenzaam, bevrozen, gelijk dit ravijn,
  Doch nu gehuld in schoon gebloemte en kruid,
  Vol zoete winden en geluiden zwevend
  In 't woud en langs den vloed, door de atmosfeer
  Van haar herscheppend bijzijn, die zou kwijnen
  Als zij niet éen met de uwe waar'. Vaarwel.



*TWEEDE BEDRIJF.*


*EERSTE TOONEEL.*

_Morgen. Een liefelijk dal in den Indischen Caucasus._

*ASIA.*

              _alleen._

*ASIA.*

  Uit al des hemels vlagen daaldet gij!
  Ja, als een geest, als een gedachte dringt
  Naar hoornige oogen ongewone tranen,
  En het verlaten hart met kloppen kwelt,
  Dat rust moest leeren, zijt gij neergedaald,
  Gewiegd in stormen; wordt gij wakker, Lente,
  O veler winden kind! Zoo plotseling
  Komt ge als de erinring van een droom die nu
  Verdrietig is omdat hij eenmaal zoet was;
  Gelijk bezieling, gelijk vreugde, oprijzend
  Van de aarde als 't ware, kleedend in goudwolken
  De leegheid van ons leven.--
  Dit is het jaargetij, de dag, het uur;
  Bij 't rijzen van de zon zoudt, zoete Zuster,
  Gij komen, kom, te lang verwachte, nu!
  Te lang vertoeft gij! Hoe de vleugellooze
  Seconden traag gelijk doodswormen kruipen!
  Nog steeds trilt van éen witte ster de stip
  Diep in de' oranjen lichtschijn van den morgen
  Die zich verwijdt voorbij de purpren bergen:
  't Donkerder meer weerkaatst haar door een spleet
  Van wind-gedeelde mist. Nu flauwt zij heen,
  Maar blinkt weer, wijl de golven bleeker worden
  En wijl de gloênde draên van wolkenweefsels
  Verrafelen in bleeke lucht. Ze is weg!
  En door dier toppen wolk-gelijke sneeuw
  Trilt het rozige zonlicht. Hoor ik niet
  De Aeolische muziek van haar zeegroen
  Gevedert, dat de roode daagraad klieft?

                             _(Panthea verschijnt.)_

  Ik voel, ik zie die oogen brandend door
  Geglimlach dat in tranen flauwt, als sterren
  Half uitgedoofd in mist van zilvren dauw.
  Beminde en schoonste, die de schaduw draagt
  Dier ziel waardoor ik leef,--wat zijt gij laat:
  De ronde zon beklom de zee; mijn hart
  Was ziek van hoop, voor de indruk-looze lucht
  Het naadren voelde van uw late veedren.

*PANTHEA.*

  Vergeef mij, groote Zuster! maar mijn wieken
  Waren zoo traag door zaalge erinnering
  Van wat ik droomde, als 's middags het geveêrt
  Van zomerwind, verzaad met zoete bloemen.
  Ik was gewoon aan storeloozen slaap,
  En ik ontwaakte steeds verfrischt en kalm,
  Eer's heilgen Titans val, en uwe liefde,
  De onzaalge, door gewoonte en medelij
  Bei liefde en smart mijn hart gemeenzaam maakten,
  Gelijk ze uw hart al werden, 'k Sliep voorheen
  In grotten blauw van de' ouden Oceaan,
  In scheemrige prieelen, waar het mos
  Groen was of purper,--onzer jonge Ione
  Teedere en melkwitte armen sloten zich
  Toen, gelijk nu, achter mijn haren donker
  En vochtig, wijl 'k mijn wangen en dichte oogen
  Drukte in gevouwen diepte van haar boezem,
  Die leven ademde; maar niet als nu,--
  Sinds ik de wind ben, zwijmend onder tonen
  Die 'k draag van woordeloos verkeer met u;
  Sinds, opgelost in het gevoel waarmee
  De liefde spreekt, mijn rust onrustig was
  En lieflijk toch, en de uren die ik waakte
  Te vol van zorg en pijn.

*ASIA.*

                             Licht óp uw oogen,
  Dat ik uw droom daar leze.

*PANTHEA.*

                             'k Zeide reeds,
  Hoe 'k aan zijn voeten sliep met ons Zee-zuster.
  De neevlen van 't gebergte, op onze stem
  Onder de maan verdichtend, hadden zacht
  Hun sneeuwge vlokken uitgespreid, beschermend
  Onzen vervlochten slaap voor 't snijdend ijs.
  Twee droomen kwamen toen. Een is me ontgaan.
  Maar in den andren vielen van Prometheus
  Zijn bleeke, wond-verminkte leden af;
  De azuren nacht werd stralend van de glorie
  Van die gestalt' die onveranderd leeft
  In hem, en o zijn stem viel als muziek,
  Die duizlen doet het donkre brein, bezwijmd
  Door de bedwelming van zoo helle vreugd:
  "Zuster van haar wier stappen de aard bespreien
  Met lieflijkheid--schoonste behalve haar
  Wier wederschijn gij zijt--zie op tot mij."
  Ik hief mijn oogen. 't Overweldgend licht
  Van die onsterflijke gestalte zag 'k
  Gansch overschaduwd door de liefde die
  Zijn zacht-vloeiende leên, lippen half-open
  In hartstocht, vurige doch droomrige oogen,
  Ontstoomde als dampend vuur; een atmosfeer
  Die in haar al-smeltend geweld me omsloot,
  Als warme lucht, van morgenzon omhuld,
  Eer zij haar drinkt, een wolk zwervende dauw.
  Ik zag niet, hoorde niet, bewoog mij niet;
  Maar voelde alleen zijn tegenwoordigheid
  Vervloeien en vereenen met mijn bloed,
  Tot het zijn leven werd, en 't zijne mijn.
  Zoo was 'k als opgeslorpt,--maar 't ging voorbij;
  En, als de dampen, wen de zon verzinkt,
  Zich weer in dropplen zaamlen op de pijnen,
  En sidderend als zij, verdichtte zich
  Mijn wezen in den diepen nacht; en wijl
  De stralen der gedachte langzaam weer
  Verzameld werden, kon 'k zijn stem nog hooren,
  Wier tonen talmden voor zij henenstierven
  Gelijk voetstappen van een zwak geluid.
  Uw naam hoorde ik alleen, in tal van klanken,
  Van het misschien-verstaanbre, ofschoon 'k bleef luistren
  In 't duister, toen er geen geluid meer klonk,
  Ione ontwaakte toen, en zei tot mij:
  "Kunt gij soms raden wat mij verontrust
  Vannacht? Ik wist voorheen steeds wat ik wenschte
  En vond geen vreugde ooit in vergeefschen wensch.
  Maar nu kan ik niet tolken wat ik zoek:
  Weet ik het zelf? 't is zoet, want zoet is 't al
  Om te begeeren. 't Is, trouwlooze zuster,
  Een spel van u; ge ontdekte een ouden toover,
  Wiens ban mijn geest stal toen ik sliep en met
  Uw geest vereende: want, toen straks wij kusten,
  Voelde ik de zoete lucht die mij deed leven
  In uwer lippen kier, en o de warmte
  Van 's levens bloed, door wier gemis ik zwijm,
  Beefde in den boog onzer vervlochten armen."
  'k Antwoordde niet, want de Oosterster werd bleek,
  Maar vlood tot u.

*ASIA.*

                   Gij spreekt, maar ach, uw woorden
  Zijn als de lucht: ik voel ze niet. O! licht
  Uw oogen op, dat ik zijn ziel, daarin
  Geschreven, leze!

*PANTHEA.*

                   'k Hef ze, schoon zij zinken
  Onder de zwaart' van wat zij spreken wouden:
  Wat kunt gij zien dan uw lieflijkste schaduw
  Daar afgebeeld?

*ASIA.*

                   Uw oogen zijn gelijk
  De diepe, blauwe, grenzenlooze hemel,
  Tesaamgedrongen tot twee cirkels onder
  Hun lange fijne wimpers: donker, ver,
  Mateloos, kring in kring en lijn in lijn
  Vervlochten.

*PANTHEA.*

                   Waarom kijkt ge, of er een geest
  Voorbijging?

*ASIA.*

              Anders wordt het: achter 't diepst
  Dier diepte zie 'k een schaduw, een gestalte:
  't Is Hij, gekleed in van zijn eigen glimlach
  Het zachte licht dat om hem henen spreidt
  Als straling van de wolk-omkringde maan!
  Prometheus, het is de uwe! Vlied nog niet!
  Zegt niet die glimlach dat we elkander eens
  Weer zullen vinden in die heldre tent
  Die zijn gestraal bouwe op de woeste wereld?
  De droom is uitgezeid!--Wat schim is dat,
  Tusschen ons? Zijn ruig haar verwart de wind
  Die 't opwaait, wild en levend is zijn blik,
  Toch is 't een wezen van de lucht: er schijnt
  Door zijn grijs kleed de gouden dauw wiens sterren
  De middag niet gebluscht heeft.

*DE DROOM.*

                             Volg, o volg!

*PANTHEA.*

  Het is mijn andre droom.

*ASIA.*

                             Zie, hij verdwijnt.

*PANTHEA.*

  Hij komt nu in mijn geest. 'k Verbeeldde mij,
  Wij zaten hier, en open sprongen al
  De knoppen, bloem-omwikklend, van daarginds
  De' amandelboom, dien bliksem heeft verzengd,
  Toen snel van witte Scythische woestijn
  Een wind aanvlaagde, rimplend de Aard met vorst.
  Ik keek,--al bloesems waren neergewaaid,
  Maar op elk blaadje stond--verhalen zoo
  De blauwe hyacintheklokjes niet
  Apollo's daar geschreven leed?--"Volg, volg!"

*ASIA.*

  Terwijl gij spreekt, vullen uw woorden, poos
  Na poos, ook mijn slaap dien 'k vergeten was,
  Met beelden. 't Scheen me of wij tesamen schreden
  Onder de jonge grijze dageraad
  Over grasperken, en een menigte
  Van zware, witte, wolge wolken dreef
  In dichte kudden langs de bergen heen,
  Geherderd door den trage' onwilgen wind.
  De witte dauw op 't nieuw-ontsproten gras,
  Even de donkere aard ontschoten, hing
  Heel stil. En er was meer dat me is ontgaan.
  Maar op de schaduwen der morgenwolken,
  Dwars op de purpren helling van 't gebergt,
  Stond ook geschreven: "Volg, o volg!" en wijl ze
  Verdwenen, en op elken halm waarvan
  De dauw des hemels neergevallen was
  't Zelfde gedrukt werd als met welkend vuur,
  Rees wind tusschen de pijnen; die ontschokte
  Gerank van melodieën aan hun twijgen
  En toen hoorde ik geluiden, laag, zoet, zacht,
  Als het vaarwel van geesten: "Volg, volg, volg!"
  Toen zei 'k tot u: Panthea, zie mij aan:
  Maar in de diepte van die dierbare oogen
  Zag ik nog altijd: "Volg, o volg!"

*ECHO.*

                             "O volg!"

*PANTHEA.*

  De rotsen, op dees klaren voorjaarsmorgen,
  Spotten met onze stem, als spraken geesten.

*ASIA.*

  Het is een wezen zwevend rond de rotsen.
  Wat fijne heldere geluiden! Luister!

*ECHO'S.*

              _(onzichtbaar)._

                   Echo's wij, luister!
                     Wij wijlen niet:
                   Als dauwdrups luister
                     Ge kort maar ziet--
                       Zee-geboorne!

*ASIA.*

  Hoor! Geesten spreken! Vloeiende echo's klinken
  Nog van hun hemelstemmen na.

*PANTHEA.*

                             Ik hoor.

*ECHO'S.*

                     Volg, o volg!
                   Wen ons lied dreigt te zwijgen,
                     Waar een grot ons verzwolg--
                   Waar wouden stijgen--

                             _(meer verwijderd)_

                     Volg, o volg,
                     Waar een grot ons verzwolg.
                   Ga ons na als 't lied versuist,
                   Waar de wilde bij nooit ruischt,
                   Door het diepe middagdonker,
                     Langs het nachtgebloemte loom,
                     Geuren aadmend in zijn droom,
                   Langs de golfjes, waar geflonker
                   Van een bron in holen blinkt,
                     Wijl onstuimig en toch zoet
                     Ons gezang speelt met uw voet
                   Die zoo zacht ter aarde zinkt,
                         Zeegeboorne!

*ASIA.*

  Zullen wij 't zingen volgen? Zachter wordt het
  En verder.

*PANTHEA.*

              Hoor! het koor komt nader nu.

*ECHO'S.*

                   In het onbekende
                   Slaapt een ongesproken stem;
                   Slechts als gij u daarheen wendde,
                   Wekt gij hem;
                         Zeegeboorne!

*ASIA.*

  Hoe op den wind die ebt de tonen zinken!

*ECHO'S.*

                     Volg, o volg,
                     Waar een grot ons verzwolg!
                   Ga ons na als 't lied verflauwt;
                   Door het dauwig middagwoud,
                   Langs de meren en fonteinen,
                   Bosschen door, en grilge lijnen
                   Van gebergten, naar de spleten,
                   Diepten, scheuren, waar 't vaneengereten
                   Lijf van de Aarde rustte van zijn lijden
                       Op den dag toen Hij en Gij
                   Zijt gescheiden--
                     Paar dat nu hereenigd zij;--
                         Zeegeboorne!

*ASIA.*

  Mijn lieve Panthea, kom, geef mij uw hand,
  En volgen we, eer de stemmen zijn verruischt.


*TWEEDE TOONEEL.*

_Een bosch, afgewisseld door rotsen en holen. Asia en Panthea
gaan het in. Twee jonge faunen zitten luisterend op een rots._

*HALFKOOR I VAN GEESTEN.*

  Het pad waarlangs dat lieflijk paar
    Schreed onder ceder, taxis, pijn,
    Al donkre boomen die er zijn,
  Scheidt van den hemel wijd en klaar
    Een ondoordringbaar loofgordijn
    Wind, regen, zon- noch maneschijn
  Vindt zich een weg door die geweven
    Prieelen, slechts een wolk van dauw
    Drijft somtijds langs de stammen grauw
  Op winden mee die de aard bezweven,
  Doet overal een parel beven
  In bloesems bleek, opnieuw ontbloeid,
    Van 't lauwergroen, en buigt de kroon
    Van een teer-lieflijke anemoon,
  Waarna ze stil vervloeit.
  Of wen een ster, van velen een,
    Die stijgt en drijft in steilen nacht,
  De eenige kloof vond waardoorheen
    Nog dalen kan der stralen pracht,--
  Voordat zij vliedt voorbij, voorbij:
  De heemlen, nimmer rusten zij,--
  Sprenkelt zij droppend gouden schijnen
  Als nooit vereenende regenlijnen:--
  En 't heilig duister is in 't rond;
  Omlaag is de bemoste grond.

*HALFKOOR II.*

  Daar zijn den heelen heldren noen
    Verliefde nachtegalen wakker.
      Wen een bezwijmt van heil of smart
  En zinkt door 't windloos klimopgroen
      Stervend van zoete liefde op 't hart,
    Het toon-doortrilde, van zijn makker;
  Verheft een ander die daar wachtte,
    In bloesems heen en weer bewogen,
  Het kwijnende eind der laatste klachten
    Om in te vallen, plots ten hoogen
  De wieken van den weeken zang,--
  Tot eigen lied uit nieuwen drang
  Van voelen rijst,--en 't woud wordt stom;
    Men hoort alleen door donkre lucht
    Van vlerken 't ritselend gerucht,
  En evenals fluiten, wen rondom
  Een meer zich spreidt, bedwelmen 't brein
  Klanken zoo zoet dat vreugde zweemt naar pijn.

*HALFKOOR I.*

  Als tooverkolken spelen daar
    Zoet-stemmige echo's en zij tijgen
      Door Demogorgons machtge wet,
      Smeltend verrukt of zoet ontzet,
  Langs 't heimlijk pad een geestenschaar;
    Als stroomen die van bergdooi stijgen
  Schepen uit land naar zee toe voeren.
    Tot wie door slaap of zacht gepraat
    Geboeid zijn eerst een fluistren gaat;
  't Wekt de verkoornen; zacht ontroeren
  Trekt hen en stuwt hen voort. Ja, zwoeren
  Niet zij die 't zagen dat een wind
    Achter hen stoomt van de aadmende aard,
    Die veedren optilt en wiens vaart
  Hen verder drijft gezwind,
  Terwijl zij denken dat hun voet
    En eigen vleuglenpaar zoo snel
  Gehoorzaamt aan hun wenschen zoet?
    Zoo drijven zij--tot, lieflijk wel
  Nog steeds, maar krachtiger en luid
  De storm van klank zwelt voor hen uit,
  Haastend, als opgeslorpt; zij volgen,
  En weer verzaamlen zich zijn golven,
  Die naar den berg van 't noodlot dragen
  Als wolken de wijkende lucht doorjagen.

*EERSTE FAUN.*

  Kunt ge u verbeelden waar die geesten leven,
  Die in het woud zoo fijne melodieën
  Doen klinken? In de minst bezochte holen
  En dichtste lommerlegers wonen wij
  En kennen deze wildernissen wél,
  Doch hen ontmoeten nooit we, ofschoon wij vaak
  Hen hooren: waar toch, denkt ge, schuilen zij?

*TWEEDE FAUN.*

  't Is zwaar te weten. Wel heb ik gehoord,
  Dat andren meer bekend met geesten zeiden:
  De bellen die de zonnetoover zuigt
  Uit bleeke, teere waterbloemen die
  Den slijkgen bodem van de heldre meren
  En plassen overspreiden, zijn de tenten
  Waarin die wezens wonen en doorzweven
  De groene en gouden atmosfeer, ontstoken
  Door 't middaguur onder het blaadrenweefsel;
  En wen die barsten en de dunne lucht,
  De vuurge, die zij aêmden in die helle
  Gewelven, stijgt om meteoorgelijk
  Te vliegen door den nacht, rijden zij dáarop
  En sturen hun onstuimge vaart en buigen
  Hun flonkerende kuiven, en in vuur
  Glijden zij weer onder der aarde waatren.

*EERSTE FAUN.*

  Als zulke zoo bestaan, leven dan andre
  Weer andre levens, onder anemonen,
  Of in de klokjes van de weidebloemen,
  In de gevouwen diepte van viooltjes,
  Of op hun stervende zoetgeurigheid
  Wanneer zij sterven, of in 't zonlicht van
  De ronde dauw?

*TWEEDE FAUN.*

                   Ja, velen, wel te raden.--
  Maar als wij praten bleven werd het middag,
  En knorrige Silenus zou zijn geiten
  Nog ongemolken vinden, en ons brommend
  Die wijze en liefelijke zangen weigren,
  Van Noodlot, Toeval, God, en ouden Chaos,
  Liefde, en den droevgen doem van den geboeiden
  Titan, en hoe die eens, bevrijd, heel de aard
  Eén broederschap zal maken: schoone liedren,
  Die onze eenzame schemers blij doen zijn,
  En die tot luistrend zwijgen zelfs bekoren
  De niet naijverige nachtegalen.


*DERDE TOONEEL.*

_Een rotspunt tusschen bergen._ ASIA en PANTHEA.

*PANTHEA.*

  Hier droeg 't geluid ons heen, naar het gebied
  Van Demogorgon, en de machtge poort,
  Gelijk van een vulkaan de meteoor-
  Aadmende spleet, waaruit de orakeldamp
  Opwervelt, dien de eenzamen in hun jeugd
  Rondzwervend drinken, en zij noemen hem
  Waarheid of deugd, bezieling, liefde of vreugd,--
  Die levenswijn die als ontzind doet zijn,
  Wiens droesem zij tot diepe dronkenschap
  Gansch leedgen, en dan heffen zij de stem,
  Gelijk Maenaden luidkeels "Evoë!"
  Uitgalmend, die de weerld besmetting dunkt.

*ASIA.*

  Waardig een troon voor zulk een Macht! Hoe schoon!
  Wat zijt gij grootsch, o Aarde! En als gij zijt
  De schaduw van een geest, nog lieflijker,--
  Schoon kwaad zijn werk bevlekke, en of ook hij,
  Gelijk zijn schepping, zwak doch heerlijk zij,--
  Dan zou ik kunnen knielen en u beiden
  Vereeren! Ja, ook nu aanbidt mijn hart.
  Hoe wonderbaar! Zie, Zuster, eer de damp
  Uw brein beneevle. Omlaag is een wijd veld
  Golvende mist, gelijk een meer, plaveiend
  Onder de morgenlucht met blauwe golven,
  Barstend in zilverschijn, een Indisch dal.
  Zie hoe het rolt onder de stollende winden,
  En hoe 't den bergtop waar we in 't midden staan
  Aan alle zijden tot een eiland maakt,
  Omkringd door wouden, donker en in bloei,
  Scheemrige weiden, stroom-verlichte holen,
  En zwerfsche mist-gestalten: winden-toover;
  En ver omhoog werpen de scherpe bergen,
  Den hemel splijtend, van hun ijzge spitsen,
  Stralend als zonneschijn, den dageraad,
  Als der geheven zee verblindend schuim
  Omhooggespat tege' een Atlantisch eiland,
  Den wind bestert met lamp-gelijke dropplen.
  Het dal is door hun muren als omgordeld,
  Gehuil van katarakten, uit ravijnen,
  Door dooi gekliefd, verzaadt den wind die luistert,
  Aanhoudend, wijd, geweldig als de stilte.
  Hoor! 't stuwen van de sneeuw! de zon-ontwaakte
  Lawine! wier drievoudig door den storm
  Gezifte massa vlok bij vlok verzaêmd was,
  Gelijk in geesten die den hemel tarten
  Gedachte wordt gestapeld op gedachte,
  Totdat een groote waarheid losraakt, rondom
  Weergalmen dan de volken, tot hun wortels
  Daavrend geschud, als thans de bergen doen.

*PANTHEA.*

  Zie hoe de onstuimge zee van neevlen breekt
  In purper schuim, en juist aan onzen voet!
  Zij rijst als de oceaan bij manetoover
  Rondom schipbreukelingen zonder voedsel
  Op een laag, slijkig eiland.

*ASIA.*

                             De wolkflarden
  Verspreiden zich naar boven. 'k Voel den wind
  Die ze optilt warren in mijn haar; de golven
  Drijven over mijn oogen nu, mijn brein
  Duizelt; ziet gij gedaanten in de mist?

*PANTHEA.*

  't Is een gelaat--zijn glimlach wenkt--er brandt
  Azuren vuur in zijn goudlokken. Zie!
  Nog een en nog een! Luister! zij gaan spreken!

*ZANG VAN GEESTEN.*

        Naar omlaag, naar omlaag,
            Daal, daal!
            Door de schaduw vaag
        Van den slaap, en de dampen
        Waar de Dood en het Leven kampen;
        Door den slagboom van 't zijnd'
        En het waas van wat schijnt,
  Naar de treden van troon in den versten zaal,
            Daal, daal!

        Wijl 't geluid kolkt in 't rond,
            Daal, daal!
        Als het hert trekt een hond,
        Als den bliksem de damp,
        Als een vlinder de lamp,
        Wanhoop dood, liefde zorgen,
        Tijd beî, heden morgen,
  Als de geest van den steen doet gehoorzamen 't staal,
            Daal, daal!

        Door het grijs leeg ravijn,
            Daal, daal!
        Maan noch sterren er zijn,
        Geen prisma de lucht is,
        Om de rotsen geducht, is
        Geen hemelsche luister
        Noch aardeduister,--
  Doordrongen van Een is het t'eenemaal--
            Daal, daal!

        Naar het diepst van den kolk,
            Daal, daal!
        Als bliksem in slaap in een wolk,
        Als de in kolen gekoesterde vonk,
        Als, door Liefde herdacht, een laatste lonk,
        Als van een edelen steen de schijnen
        Op den donkeren rijkdom der mijnen,
  Wordt een toover gezwegen, die voor u zich vertaal'--
            Daal, daal!

        Wij bonden, wij leiden u,
            Daal, daal!
        Met de heldre gestalte bezijden u;
        Schuw niet dat ge ontkracht zijt:
        Zoo machtig is zachtheid,
        Dat de Eeuwge, de Onsterflijke,
        Door de poort van het Werklijke,
  Moet loslaten den Doem, die beneên zijn troon slaapt
                                    (in slange-spiraal,
            Alleen om haar.


*VIERDE TOONEEL.*

_De grot van Demogorgon._ ASIA en PANTHEA.

*PANTHEA.*

  Wat voor gesluierde gestalte zit
  Ginds op dien ebben troon?

*ASIA.*

                             De sluier viel.

*PANTHEA.*

  'k Zie een geweldig Donker, 't vult den zetel
  Dier Macht; stralen van duister schieten rond
  Als licht van middagzon, door geen bestaard,
  En zonder vorm. Leden, gedaant' noch omtrek;
  Toch voelen wij: het is een Geest die leeft.

*DEMOGORGON.*

  Vraag wat gij weten wildet.

*ASIA.*

                             Maar wat kúnt
  Gij openbaren?

*DEMOGORGON.*

              Al wat gij durft vragen.

*ASIA.*

  Wie schiep de weerld die leeft?

*DEMOGORGON.*

                             God.

*ASIA.*

                             Wie schiep al
  Wat ze in zich sluit? gedachte, hartstocht, rede,
  Wil en verbeelding?

*DEMOGORGON.*

                             God, de Almachtge God.

*ASIA.*

  Wie schiep 't gevoel, dat bij het ongemeenst
  Bezoek van Lentewind, of bij de stem
  Van een beminde alleen in jeugd gehoord,
  Tranen 't verflauwende oog ontwellen doet,
  Die, vallend, van 't niet rouwende gebloemt
  Den hellen blik verduistren,--dat deze aard,
  De dicht-bevolkte, als eenzaam achterlaat,
  Wen het niet weerkeert?

*DEMOGORGON.*

                             De barmhartge God.

*ASIA.*

  En wie schiep schrik, waanzin, berouw en zonde,
  Die, van de schakels van den grooten keten
  Der dingen, tot de nietigste gedachte
  In 's menschen geest, regeeren en zwaar sleepen,
  En elkeen wankelt naar den kuil des doods
  Onder dien druk; hoop die men opgaf; liefde
  Verkeerd in haat; en zelfverachting, wranger
  Een drank dan bloed; leed, wiens geluid, gemeenzaam,
  Onopgemerkt, luid huilt en heftig krijt
  Dag in dag uit; en Hel, of voor de Hel
  De hevige angst?

*DEMOGORGON.*

              Hij heerscht.

*ASIA.*

                             Zeg hoe hij heet!
  Een weerld in pijn verkwijnend vraagt zijn naam
  Alleen: haar vloek zal hem zijn troon af sleuren.

*DEMOGORGON.*

  Hij heerscht.

*ASIA.*

              Ik voel, ik weet het: wie?

*DEMOGORGON.*

                             Hij heerscht.

*ASIA.*

  Wie heerscht? In 't eerst was er de Hemel, de Aarde,
  Het Licht, de Liefde; dan Saturnus, van
  Wiens troon, als een naijverige schaduw,
  De Tijd viel. De eerste schepselen der aard
  Leefden, toen hij regeerde, als in de vreugd,
  De kalme, van gebloemt en levend loof,
  Voordat de wind of zon het welken deed,
  En half-levende wormen. Maar hij wilde
  't Geboortrecht van hun wezen hun niet geven:
  Kennis en macht, de kunst die de elementen
  Handelbaar maakt, gedachte die als 't licht
  Dit donker Al doordringt, zelfheerschappij,
  En majesteit van liefde; en zij verkwijnden
  Van dorst daarnaar. Toen schonk Prometheus wijsheid,
  Dus kracht, aan Jupiter, en met deze eisch
  Alleen: "Zij 't menschdom vrij," bekleedde hij
  Hem met de macht over den wijden Hemel.
  Te kennen trouw noch wet noch liefde, almachtig
  Maar zonder vriend te zijn, is heerschappij.
  Jupiter heerschte nu; want op 't geslacht
  Des menschen viel eerst honger, toen gezwoeg,
  Toen ziekte, strijd en wonden, en de dood,
  Spookachtig, en voorheen nimmer aanschouwd;
  De ontijdige getijden dreven toen
  Met wisselende schichten: ijs en vuur,
  Hun onbeschutte bleeke benden heen
  Naar bergspelonken; in hun leege harten
  Zond hij heevge begeerten, zinlooze onrust,
  En ijdle schaduwen van onwerklijk goed,
  Die onderlingen oorlog stichtten, 't leger
  Verwoestend waar ze in raasden. Maar Prometheus
  Zag het, en deed der Hoop legioenen rijzen,
  Die in 't gevouwen elyseesch gebloemt,
  Bloesems die nooit verwelken, Amarant,
  Nepenthe en Moly, sluim'ren, dat hun dunne
  Regenboog-wieken Doods gedaant' verborgen;
  En Liefde zond hij dat zij binden zou
  De uiteengescheurde ranken van dien wijnstok
  Die 's levens wijn doet rijpen: 't menschenhart;
  Hij temde 't vuur dat als een roofdier speelde,
  Vreeslijk doch lieflijk, onder 's menschen frons;
  En naar zijn wil martelde hij het ijzer
  En 't goud, de slaven en 't symbool der Macht,
  Juweelen en vergiften, al 't verfijndste
  Dat onder bergen en in golven schuilt.
  Hij gaf den Mensch de taal, taal schiep gedachte,
  Die van 't heelal de maat is; kennis schokte
  De tronen van den hemel en van de aard,
  Die trilden maar niet stortten; en de ziel
  Vol harmonie uitte zich al-profetisch
  In zang; muziek hief, tot hij zorg-bevrijd,
  Godgelijk schreed over de klare golven
  Van zoet geluid, den luisterenden geest;
  En menschenhanden bootsten na, bespotten
  Ten laatste, met gestalten geboetseerd
  Lieflijker dan hun eigne, 's menschen vorm,
  Totdat het marmer godlijk werd, en moeders
  Die het beschouwden er de liefde dronken
  Die menschen in hun kroost weerspiegeld zien
  En 't ziende sterven. Van gewas en bronnen
  Zei hij wat kracht zij bergen, en de Ziekte
  Dronk en vond slaap. De Dood werd slaapgelijk.
  Hij onderwees de veel-vervlochten banen
  Geweven door 't wijd-zwervende gestarnt,
  En hoe de zon van plaats verandert, hoe
  De bleeke maan, door een geheimen toover,
  Wisselt van vorm, wen haar breed oog niet staart
  Op de onverlichte zee. Ook leerde hij,
  Als 't leven ledematen stuurt, te heerschen
  Over de storm-gewiekte zeeëwagens,
  En Kelt en Indiaan kenden elkaar.
  Steden verrezen toen, en door hun sneeuw-
  Gelijke zuilen vloeiden warme winden,
  En scheen de azuren lucht en zag men 't blauw
  Der zee en schaduwige heuvlen. Dit
  Werd door Prometheus aan den mensch geschonken
  Tot een verlichting van zijn toestand, daarvoor
  Hangt hij en kwijnt in opgelegde pijn.
  Maar wie regent het Kwaad neer, de ongeneesbre
  Plaag, die wijl godgelijk de mensch zijn schepping
  Beschouwt en ziet haar heerlijkheid, hem voortjaagt,
  't Wrak van zijn eigen wil, de spot der Aarde,
  De eenzame, de verlaten uitgestootne?
  Niet Jupiter. Terwijk zijn frons den Hemel
  Nog schokte,--en hem zijn tegenstander vloekte,
  In diamant geketend, trilde hij
  Gelijk een slaaf. Zeg mij, wie is zijn meester?
  Is hij een slaaf, ook hij?

*DEMOGORGON.*

                             Al geesten zijn 't,
  Die 't slechte dienen: en of Jupiter
  Zoo'n geest is, ja of neen, dat weet gij zelf.

*ASIA.*

  Wien noemt gij God?

*DEMOGORGON.*

              Ik sprak slechts gelijk gij,
  Want Jupiter is de opperste van al
  Wat leeft.

*ASIA.*

              Wie is de meester van den slaaf?

*DEMOGORGON.*

  Als de afgrond zijn geheimen uit kon werpen....
  Maar er ontbreekt een stem, de diepe waarheid
  Is beeldloos; wat zou 't helpen of 'k u 't wentlen
  Der weerld aanschouwen deed? of spreken liet
  Lot, Toeval, Tijd, Kans en Verandering?
  Aan deze is alles onderworpen, enkel
  De eeuwige Liefde niet.

*ASIA.*

                             Zoo veel vroeg 'k reeds
  Voorheen, en 't antwoord dat gij gaaft, gaf ook
  Mijn hart; van zulke waarheden moet elk
  Zichzelf 't orakel zijn. Nog éen ding vraag ik;
  Antwoord gij mij gelijk mijn eigen ziel
  Antwoorden zou, wist zij maar wat ik vraag.
  Prometheus zal verrijzen en voortaan
  De zon zijn van deze opgetogen wereld:
  Wanneer zal de bestemde stond verschijnen?

*DEMOGORGON.*

                             Zie!

*ASIA.*

  De rotsen spleten, door den purpren nacht
  Zie 'k wagens, regenboog-gewiekte paarden
  Trekken ze en treden op de duistre winden:
  In iedren staat een voerman wild van blik,
  Hun vlucht aanhitsend. Enklen zien naar achter,
  Of duivels hen vervolgden, toch zie 'k niets
  Dan 't schitterend gestarnt: met brandend oog
  Buigen zich andren over, die den wind
  Van de eigen vaart met greetge lippen drinken,
  Alsof dat wat zij minden voor hen vlood
  En nu, juist nu, zij 't grepen. Heldre lokken
  Ontstroomen hun gelijk het flikkrend haar
  Van een komeet: zij allen haasten verder.

*DEMOGORGON.*

  Dit zijn de onsterflijke Uren waar ge om vroegt.
  Eén wacht op u.

*ASIA.*

              Een Geest, vreeslijk van aanblik,
  Beteugelt bij de rotsge krocht zijn wagen,
  De donkre. Uw broedren ongelijke voerman,
  Spookachtige, wie zijt gij? Waarheen woudt gij
  Mij dragen? Spreek!

*GEEST.*

              Ik ben de schaduw van
  Een vreeselijker noodlot dan mijn aanblik.
  Eer gindsche ster verzonk, zal 't met mij stijgend
  Duister des Hemels koningloozen troon
  In eeuwgen nacht omwikklen.

*ASIA.*

                             Wat bedoelt gij?

*PANTHEA.*

  Die vreeselijke Schaduw vliegt omhoog
  Van zijn troonzetel, als de doodsche damp
  Van steden die de aardbeving heeft verwoest
  Over de zee. Zie! hij bestijgt den wagen;
  De paarden rennen als ontzet! Aanschouw
  Zijn pad tusschen de sterren, nacht-verduistrend!

*ASIA.*

  Zoo word ik beantwoord: vreemd!

*PANTHEA.*

                             Zie, bij den zoom
  Een andre wagen,--een ivoren schelp,
  Doorvloeid van purper vuur dat komt en gaat
  Binnen haar rand, gebeeldhouwd vreemd en fijn
  Van lijnensier. De jonge Geest, haar sturend,
  Heeft de oogen van de Hoop, de duif-gelijke.
  Hoe haar zacht lachen lokt de ziel! als 't licht
  Vliegende insecten door lamplooze lucht.

*GEEST.*

  Mijn renpaarden voedde het weerlicht,
    Zij drinken van 's wervelwinds vloed,
  En zij baden in 't purperen meer zich, 't
    Frisch meer van den morgenzon-gloed.
  Hun sterkte volstaat voor hun spoed;--
    Stijg dan op met mij, Zeegeboorne!
  Ik verlang,--door den nacht vaart een lichtschijn;
    Ik vrees,--zij ontvlieden de' orkaan;
  Eer de wolken om de' Atlas gezwicht zijn,
    Omcirklen wij de aarde en de maan.
    Dat wij rusten wen 't werk is gedaan:--
      Stijg dan op met mij, Zeegeboorne!


*VIJFDE TOONEEL.*

_De wagen houdt stil in een wolk op den top van een sneeuwigen berg.
Asia, Panthea, en de Geest van het Uur._

*GEEST.*

      Op de grens van den daagraad en 't duister
    Zijn mijn paarden veraadming gewend;
  Maar van de Aard hoorde ik juist een gefluister
    Dat sneller dan 't vuur dient gerend:
    Drinkt verlangen en vaart ongekend!

*ASIA.*

  Op hun neusgaten blaast gij, maar mijn adem
  Zou hun meer snelheid geven.

*GEEST.*

                             Kon dat maar!

*PANTHEA.*

  O Geest! vertoef; zeg, waar is 't licht vandaan
  Dat deze wolk vult? Nog verrees geen zon.

*GEEST.*

  De zon zal niet verrijzen voor den noen.
  Verwondring houdt Apollo in den hemel,
  En 't licht dat dezen damp doorvloeit, niet anders
  Dan van de rozen die een bron aanstaren
  Doorzichtge tint het water vult, ontstroomt
  Uw machtge Zuster.

*PANTHEA.*

              Ja, ik voel 't--

*ASIA.*

                             Wat is er,
  Zuster? Gij zijt zoo bleek.

*PANTHEA.*
                             O hoe veranderd
  Zijt gij! 'k durf u niet aanzien, ik gevoel
  Maar zie u niet. Ternauwernood doorsta ik
  De straling van uw schoonheid. Zeekre goede
  Verandring werkt in de elementen, die
  Uw tegenwoordigheid ontsluierd dulden.
  De Nereïden zeggen, op den dag
  Toen 't heldre zeekristal bij uw verrijzen
  Spleet, en gij stondt in een dooraarde schelp,
  Die aandreef op den kalmen zeeëspiegel
  Tusschen de Egeïsche eilanden en langs
  Den oever die uw naam draagt,--barstte er liefde,
  Als de atmosfeer van zonvuur 't levende Al
  Vullend, uit u, dat aarde en hemel straalden,
  De diepe zee en de zonlooze holen,
  En al wat daarin woont; tot leed verduistring
  Wierp op de ziel waaruit dat schijnsel kwam.
  Zoo zijt gij thans; en ik ben 't niet alleen--
  Uw zuster, gezellin, uwe uitverkoorne--
  't Is heel de wereld, die uw liefde zoekt.
  Hoort gij geen klanken in de lucht die uiten
  Liefde van al wat stem heeft? Voelt gij niet
  Hoe de onbezielde winde' op u verliefd zijn?
  Luister!

              (_Muziek_)

*ASIA.*

              Uw woorden klinken zoeter mij
  Dan wat ter wereld ook, behalve zijne,
  Wier wederklank zij zijn: doch alle liefde
  Is zoet, of men haar schenke of zelf ontvang'.
  Liefde is als 't licht voor iedereen en al,
  En haar vertrouwde stem verveelt niet, immer.
  Gelijk de wijde hemel en de lucht
  Die alles leven doet, maakt zij 't reptiel
  Den God gelijk. Zij die haar 't meest doen voelen
  Zijn zalig, gelijk ik thans, maar wie 't meest
  Haar voelen, zijn nog zaalger, na lang lijden,--
  Als ik gauw zijn zal.

*PANTHEA.*

              Luister! Geesten spreken.

*STEM IN DE LUCHT, DIE ZINGT.*

    Levens Leven! doen uw lippen
      Niet van liefde uw adem gloeien?
    Van uw lachjes, voor zij glippen,
      Brandt de koude lucht,--dan vloeien
    Ze in die blikken waar wie lazen
    Zwijmen warrende in hun mazen.

    Kind van Licht! Uw leden schijnen
      Door de plooien die ze omspreiden,
    Als de helle morgenlijnen
      Door de wolken ongescheiden,
    Deze hemelsch-teedre glans,
    Waar ge ook blinkt, omhult u gansch.

    Schoon zijn andren; geen aanschouwt u.
      Maar uw stem zacht-lieflijk ruischt er
    Als de schoonste,--hij onthoudt u
      Aan 't gezicht, die vloeibre luister,--
    Ieder voelt, maar ziet u nimmer,
    Als thans ik, vergaan voor immer!

    Lamp der Aarde! Uw stralen doopen
      Oovral donkre vorme' in klaarte,
    Zielen die gij liefhebt loopen
      Op de winden zonder zwaarte.
    Tot zij zwijme' als ik, verslagen,
    Duizlig, zwijm, doch zonder klagen!

*ASIA.*

    Mijn ziel is een bekoorde kaan,
    Die als een sluimerende zwaan
  Drijft op de zilverzee van uw zoet kweelen;
    Engelgelijk zit de uwe daar
    Neven het roer geleidend haar,
  Wijl melodiên door alle winden spelen.
      Zij drijft, naar 't schijnt, immer, voor immer:
      De waatren staken 't kronklen nimmer
      Tusschen ravijnen, bergen, wouden--
      't Wildst paradijs dat 'k ooit aanschouwde!
  Tot, als een die sluimring bond,
  Naar de' oceaan gedragen 'k neerdrijf in het rond,
  In diepe zee van klank die eindloos opwaarts bront.

    Nu heft uw geest in reinste rijken
    Van zang zijn vleuglen, en zij grijpen
  Winden, die in dien zaalgen hemel beven;
    Wij zeilen voort, ver weg, zoo ver,
    Zonder een koers, zonder een ster,
  Slechts door den drang van zoeten klank gedreven;
      Tot ge eindelijk door eilandgaarden,
      --O schoonste loods!--te schoon voor de aarde,
      Waar nooit een sterflijk scheepje glijdt,
      De boot van mijn begeerte leidt;
  Liefde is wat we aadmen hier, liefde volkomen,
  Bewegende in den wind en op de stroomen,
  Makend deze aard gelijk aan 't geen we omhoog ons droomen.

    Ouderdoms ijzge holen varen
    Voorbij we, en ruwe donkre baren:
  Volwassenheid; en de effen zee der Jeugd,
    Glimlachend maar bedrieglijk; langs den spiegel
    Der Kindsheid vlieden wij, vol schaûw-gewiegel,
  Door Dood, Geboorte, naar volmaakter vreugd:--
      Daar welven zich prieelen tot een Eden,
      Verlicht door bloemen starend naar beneden,
      En waterpaden die zich windend spoên
      Door wildernissen kalm en groen,
  Bevolkt door wezens, al te stralend klaar
  Om aan te zien, onverontrust,--bijna als gij voorwaar--
  Die schrijden op de zee, en zingen wonderbaar!



*DERDE BEDRIJF.*


*EERSTE TOONEEL.*

_De Hemel. Jupiter op zijn troon, Thetis en de andere Godheden
verzameld._

*JUPITER.*

  Gij hemelmachten hier verzaêmd, die deelt
  De glorie en de kracht van wien gij dient,
  Verblijdt u! want voortaan ben ik almachtig.
  Ik onderwierp al 't andre, alleen de ziel
  Des menschen, dat onuitgebluschte vuur,
  Brandt nog den hemel tegen, fel verwijtend,
  Twijflend, weeklagend, in gebed weerstrevend,
  Ophuilend muiterij, die ons oud rijk
  Wankelbaar maken kon, al is 't gebouwd
  Op oudst geloof en vrees, hel's evenouder.
  En schoon mijn vloeken, gelijk vlok bij vlok
  De sneeuw op onbegroeide kruinen valt,
  Dalen door zwevende atmosfeer en kleven
  Aan haar,--schoon ze in het duister van mijn toorn
  Stijgt op des levens rotsen stap na stap,
  Gelijk het ijs den ongeschoeiden voet
  Haar wondend,--tòch blijft zij de ellende meester,
  Strevend, niet onderdrukt;--maar weldra valt zij.
  Juist nu baarde ik een wonder, een vreemd wonder--
  't Noodlottig kind, de schrik van de aard, slechts wachtend
  Tot de bestemde stond verschijnen zal
  (Dragend van Demogorgons leedgen troon
  De vreeselijke macht van eeuwge leden,
  Die ongezien dien schrikbren geest bekleedden)
  Om, weer gedaald, dien sprankel te vertreden.

  Pleng 's hemels wijn, o Ida's Ganymeed,
  Doe hem als vuur de kunstge bekers vullen,
  En van den bloem-doorweven godenvloer,
  Verrijs, al-zegevierende muziek,
  Als dauw van de aard onder der scheemring starren!
  Drinkt! dat de nectar door uw aadren cirklend
  De ziel der vreugde zij, gij eeuwge Goden,
  Tot jublen uitbarst in één wijde stem,
  Als melodie van de Elyseesche winden.

  En gij, stijg naast me, omsluierd in het licht
  Van het verlangen dat u eent met mij,
  Thetis, o stralend beeld van de eeuwigheid!
  Toen ge uitriept: "God, niet-te-verduren macht!
  Spaar me! ik doorsta de snelle vlammen niet,
  't Doordringend bijzijn; heel mijn wezen smolt,
  Als dat van hem die tot een dauw vervloeide
  Door 't gif van de Numidische haagdis,--
  Zinkende door zijn grondvest;" toen juist maakten
  Twee machtge geesten saâm vereend een derden,
  Machtger dan bei, die onlichaamlijk nu
  Tusschen ons zweeft, gevoeld schoon niet aanschouwd,
  En de gestaltenis verbeidt die stijgt
  (Hoort gij den donder van de vuurge wielen,
  Snijdend den wind?) van Demogorgons troon.
  Zegepraal! Zegepraal! Voelt gij niet, wereld!
  De aardbeving van zijn wagen die de' Olympus
  Opdondert?

_(De Wagen van het Uur verschijnt. Demogorgon stijgt af,
en gaat naar den Troon van Jupiter)._

      Vreeslijk wezen, spreek! wat zijt gij?

*DEMOGORGON.*

  De Eeuwigheid. Vraag niet een gruwbrer naam.
  Daal van uw troon en volg me in d'afgrond neer.
  Ik ben uw kind, als gij Saturnus' kind,
  Machtger dan gij. En samen moeten wij
  Voortaan in duister. Licht uw bliksems niet.
  De dwinglandij des hemels moog' voortaan
  Niet een zich nemen, krijgen of behouden
  Na u: doch wilt ge--daar 't het noodlot is
  Van wormen daar me' op treedt dat ze zich kronklen
  Totdat ze dood zijn--toon wat ge vermoogt.

*JUPITER.*

  Vloekbre misboorte! zóo dan treed ik u
  Neer onder diepte van Titanen-holen--
  Draalt ge nog?
              O erbarmen! o erbarmen!
  Geen deernis, geen bevrijding, geen respijt.
  Maakte mijn vijand ge tot rechter mij,
  Hemzelf, die hangende aan den Caucasus
  Door mijn langduurge wraak verdord is--Hij
  Zou mij niet zóo verdoemen. Is hij niet,
  De zachte en vreeslooze en rechtvaardige,
  De koning van de wereld? Wat zijt gìj dan?--
  Geen toevlucht, geen verhooring!
                             Zink dan mét mij!
  Verzinken beiden we in de wijde baren
  Van ondergang, gelijk een gier en slang,
  Ontkracht, in onontwarbren strijd vervlochten,
  Neerstorten, in een strandlooze' oceaan.
  De hel ontsluit' nu haar omwalde zeeën
  Van stormend vuur, en overstelpe daar
  In 't boômloos leeg deze verlaten wereld,
  En u, en mij, verwinnaar en verslaagne,
  En 't wrak van dat waarom zij streden.
                             Wee!
  Wee! De elementen zijn mij niet gehoorzaam!
  Duizelend zink ik neer, eeuwig, voor eeuwig!
  En, als een wolk, verduistert met zijn zege
  Mijn vijand van omhoog mijn val! Wee! Wee!


*TWEEDE TOONEEL.*

_(De mond van een groote rivier in het eiland Atlantis. Oceanus
is zichtbaar rustend bij het strand, Apollo staat naast hem.)_

*OCEANUS.*

  Hij viel onder den frons van zijn verwinnaar,
  Zoo zegt ge?

*APOLLO.*

              Ja, bij 't einde van den strijd,
  Waardoor de bol dien ik bestuur verduisterd'
  En 't vast gestarnte trilde, werd de hemel
  Beschenen door de ontzetting van zijn oog
  Met bloedrood licht, door dichten flardenzoom
  Van 't zegepralend duister, wijl hij viel:
  Gelijk de laatste glans van rooden doodsstrijd
  Des daags, die door een spleet der vuurge wolken
  Ver brandt over het storm-doorgroefde diep.

*OCEANUS.*

  Zonk hij naar de' afgrond, naar het donker Leêg?

*APOLLO.*

  Gelijk een aadlaar op den Caucasus
  Gevangen in een wolk die splijt; zijn vlerken
  Waarmee de donder spot, in wervelwind
  Verward; zijn oogen die de zon aanstaarden
  Zonder verblind te zijn, door 't witte weerlicht
  Verbijsterd; wijl de zware hagel slaat
  Zijn worstlende gestalt', die eindlijk zinkt
  Voorover, en het hemelsche ijs omklemt haar.

*OCEANUS.*

  Voortaan zal 't hemelspieglend zeeëveld--
  Mijn rijk--opdeinen, door geen bloed bevlekt,
  Onder de winden die het rijzen doen
  Als 't graanveld golvende in de zomerlucht;
  Mijn stroomen zullen rijkbevolkte kusten
  Omvlieten en gelukkige eilandrijken.
  En van hun glazen tronen zullen Proteus,
  De zeeëblauwe, met zijn vochtge nymfen,
  De schaduw zien van schoone schepen (zoo
  Zien menschen, hoe de licht-beladen maan:
  Drijvende bark, saam met die witte ster:
  Kroon van onzichtbren loods, wordt meegedragen
  Op zee die ebt: snelle zonsondergang--);
  Volgend hun pad niet meer door bloed en klachten,
  Verwoesting, en dooreengemengde stemmen
  Van slaafschheid en bevel--maar door het licht
  Van golf-weerkaatst gebloemt, drijvende geuren,
  Zachte muziek, en vriendelijke en vrije,
  Zachtmoedge stemmen: lieflijkste muziek,
  Waarvan de geesten houden.

*APOLLO.*

                             En ik zal
  Niet meer op daden staren die mijn geest
  Verduisteren met smart, gelijk de eclips
  Den bol dien 'k leid verdonkert.--Luister! 'k hoor
  De kleine, klare, zilvren luit waarmee
  De jonge Geest speelt in de Morgenster.

*OCEANUS.*

  Nu moet gij gaan. Uw paarden zullen rusten
  Vanavond--tot zoolang zeg 'k u vaarwel.
  Het luide diep roept mij juist nu naar huis,
  Om het te voeden met azuren kalmte
  Uit de smaragden urnen, die voor eeuwig
  Gevuld, neven mijn troon staan. Zie de Nymfen,
  Onder de groene zee, 't beweeglijk lijf
  Gedragen op den wind-gelijken vloed,
  Haar armen blank boven haar stroomend haar
  Getild, met kransen bont en sterge kronen
  Van zeegebloemt, zich haastende om te sieren
  De vreugde die haar machtge zuster beidt.

              _(Een geluid van golven wordt gehoord.)_

  't Is de ongeweide zee hongrend naar kalmte.
  Monster, wees stil; ik kom. Vaarwel.

*APOLLO.*

                             Vaarwel.


*DERDE TOONEEL.*

_(De Caucasus. Prometheus, Hercules, Ione, de Aarde, Geesten;
Asia en Panthea, in den wagen met de Geest van het Uur.)_

*HERCULES* _ontboeit_ *PROMETHEUS* _die neerdaalt_.

*HERCULES.*

  Roemruchtigste der Geesten! zoo dient Kracht
  Wijsheid en Moed en lang-duldende Liefde,
  En u, die 't wezen zijt dat zij bezielen,--
  Gelijk een slaaf.

*PROMETHEUS.*

              Uw vriendelijke woorden
  Zijn zoeter zelfs dan vrijheid, lang begeerd
  En lang verschoven.
              Asia, 's levens licht,
  Afglans van onaanschouwde Schoonheid; gij ook,
  Lieflijke zusternymfen die 't erinren
  Dier lange jaren van ellende zoet maakt
  Door liefde en zorg; nu scheiden wij niet meer.
  Er is een grot, gansch overgroeid met geurge
  Kruipende planten, die den dag afsluiten
  Met blaadren en gebloemte, en geplaveid
  Met aderig smaragd; en een fontein,
  Wier klank ontwaken doet, springt middenin.
  Van het gebogen dak hangen omneer
  Bevrozen tranen van den berg, als zilver
  Of sneeuw of lange diamanten spitsen,
  Waaruit een twijfelachtig schijnsel stroomt.
  Daar hoort men de altijd-door bewogen lucht,
  Erbuiten fluisterend van boom tot boom,
  Vogels en bijen, en in 't rond zijn zetels
  Van mos; de ruwe wanden zijn bekleed
  Met lang zacht gras:--'t is een eenvoudge woning,
  Die de onze zijn zal; waar wij neergezeten
  Veel zullen spreken over tijd en wissling,
  Wanneer de wereld ebt en vloedt, doch wij
  Dezelfden blijven. Want wat zou den Mensch
  Kunnen vrijwaren voor verandering?--
  En, wen gij zucht, zal ik glimlachen; gij,
  Ione, zult zee-melodieën zingen,
  Totdat ik ween,--dan zal _uw_ glimlach drogen
  De tranen die zij wekte, nochtans zoet.
  Wij zullen knoppen, bloemen, en de stralen
  Die fonklen aan den zoom van de fontein
  Verwinden, en tot vreemde vormen vlechten
  't Gewone, als kleine menschenkindren doen
  In korte onschuldigheid. Wij zullen zoeken
  Met blikken en met woorden onzer liefde
  Naar schuilende gedachten, elke schooner
  Dan de voorafgegane, in onze zielen,
  Nooit uitgeput; en gelijk luiten bevend
  Onder 't bespelen van verliefden wind,
  Hemelsche harmonieën, altijd nieuw,
  Uit lieflijke verscheidenheid, waar nooit
  Oneenigheid kan zijn, tesamenweven.
  En hierheen komen, op bekoorde winden
  Die van elk hemeleind elkaar ontmoeten
  (Als bijen die van iedre bloem, gevoed
  Door 't hemelsche Enna, bij hun eigen huizen
  Op 't eiland Himera tesamenkomen)
  De echo's aansnellen van de menschenwereld,
  Die spreken van de zachte stem der Liefde,
  Schier ongehoord, en van 't gemurmeld leed
  Van Medelij duif-oogig, en Muziek,
  Zelf de echo van het hart,--al wat het leven
  Des menschen, vrij nu, zachter, beter maakt.
  En lieflijke verschijningen, eerst scheemrig,
  Dan stralend,--als de geest, helder ontrijzend
  Schoonheids omhelzing (daarvandaan de vormen
  Waar deze 't schaduwbeeld van zijn) haar kleedt
  In stralenbundels--die zijn werklijkheid,--
  Zullen daar tot ons komen; het onsterflijk
  Nakroost van Schilderschoon en Beeldhouwkunst
  En opgetogen Poëzie, en andre,
  Die zullen zijn, schoon wij niet weten hoe.
  Zwervende stemmen zijn ze en schaduwen
  Van al wat 't menschdom past, bemiddelaars
  Van liefde--'t beste dat men eeren kan--
  Door hen en ons geschonken en beantwoord;
  Snelle gestalten en geluiden, schooner
  En zachter naar de mensch wijs wordt en teeder,
  En kwaad en dwaling storten, floers na floers.
  Dat is 't vermogen van de grot en 't oord.

         _(Zich wendend tot de Geest van het Uur.)_

  Voor u, lieflijke Geest, rest nog éen arbeid,
  Ione, geef haar die gebogen schelp,
  Die de oude Proteus gaf als bruidsgeschenk
  Aan Asia, ademend een stem daarin,
  Die zal verwerklijkt worden,--en die gij
  Verborgt in gras onder de holle rots.

*IONE.*

  Gij van alle Uren meest begeerde, meer
  Bemind en minnenswaard dan al uw zusters,
  Dit is de tooverschelp. Zie 't bleek azuur
  Dat overgaat in zilver, het bedekt haar
  Inwendig met een zacht maar gloeiend licht:
  Schijnt het geen zwijgende muziek daar sluimrend?

*GEEST.*

  Waarlijk, het schijnt de mooiste schelp der zee;
  Haar klank moet tegelijk zoet zijn en vreemd.

*PROMETHEUS.*

  Ga, door uw wervelwind-voetige paarden
  Over de steden van den mensch gedragen;
  Snel nu nog eens rondom de ronde wereld
  De zon voorbij, en blaas, terwijl uw wagen
  De ontgloeide lucht klieft, in die bochtge schelp,
  Zoodat haar machtige muziek bevrijd wordt:
  't Zal zijn als donder, menglend met klare echo's.
  Kom dan terug, en woon naast onze grot.
  En gij, o Moeder Aarde!--

*DE AARDE.*

                             Ik hoor, ik voel.
  Uw lippen raken mij, en hun beroering
  Stroomt langs mijn zenuwen van marmer neer
  Tot, middenin, het diamanten duister;
  't Is leven, vreugd,--en door mijn oud, verwelkt
  En ijzig lijf schiet nu in kringloop weer
  De warmte van onsterfelijke jeugd.
  Voortaan zullen de vele schoone kindren,
  Omstrengeld in mijn leven-gevende armen,
  Alle gewassen, kruipende gedaanten,
  Insecten regenboog-gevleugeld, vogels,
  Dieren, visschen en menschlijke gestalten,
  Die ziekte en pijn mijn droge borst ontzogen
  Drinkend het gif van wanhoop,--van mij krijgen
  En onderling uitwisselen zoet voedsel.
  Als zuster-antilopen zullen zij
  Mij worden, die éen schoone moeder voedt,
  Sneeuwblank en snel gelijk de wind, waar 't wemelt
  Van lelies naast een boordevollen stroom.
  De dauwge mist van mijn zonloozen slaap
  Zal onder het gestarnt als balsem vlieten,
  's Nachts opgevouwen bloemen zullen zuigen
  Terwijl zij rusten onverwelkbre kleuren;
  Wijl mensch en dier in blijden droom zal zaamlen
  Kracht voor den dag die komt en al zijn vreugd.
  Dood zal de laatste omhelzing zijn van haar
  Die 't leven dat zij schonk herneemt: een moeder
  Die spreekt, haar kind omarmend: "Blijf thans bij me."

*ASIA.*

  O moeder! waartoe noemt den naam des doods gij?
  Houden zij op te lieven, te bewegen,
  Te ademen en te spreken, zij die sterven?

*DE AARDE.*

  Wat zou het baten of 'k u antwoord gaf?
  Gij zijt onsterflijk, en dees taal verstaan
  Enkel de doôn die nooit iets mededeelen.
  Dood is de sluier dien de levenden
  Het leven noemen, en een slaap bevangt hen,
  Dan wordt hij opgetild. En onderwijl
  Zullen in lieflijke verscheidenheid
  De lieflijke seizoenen, met hun buien
  Van regenboge' omboord, en geurge winden;
  En lange blauwe meteoren zuivrend
  Den doffen nacht; en pijlen, die het leven
  Ontbranden doen, van de al-klievende boog
  Der helle zon; en dauw-vermengde regen
  Van kalme manestralen, zacht van werking,--
  De wouden en de velden kleeden--ja,
  De rots-gebouwde woestenijen zelfs
  Van 't naakte diep--met steeds-levende blaadren,
  En vruchten, en gebloemt.--En gij! Er is
  Een grot waaruit mijn ziel zich opwaarts zuchtte
  In foltring, wijl uw pijn mijn hart verdwaasde.
  Zij die haar aêmden werden ook verdwaasd,
  En bouwden daar een tempel, en zij spraken
  Orakeltaal, en lokten de misleide
  Volken in 't rond tot wederkeergen krijg,
  En trouweloosheid, gelijk Jupiter
  U heeft betoond. Die adem rijst ook nu,
  Maar als violengeur in het hooge onkruid,
  Vullend met klaarder licht en roode lucht,
  Hevig doch zacht, de rotsen en de wouden
  In 't rond. Hij voedt den snel-groeienden wijnstok,
  Slangachtig kronklend, en de donkre klimop,
  Vast aan elkaar wild vlechtende, en de bloesems,
  Knoppend, ontbloeid, of welkende van geur,
  Die wen de wind erdoor stroomt hem besterren
  Met stippen kleurig licht; en heldre gouden
  Vruchtbollen, hangende in hun eigen hemel,
  Die groen is; en, door aderige blaadren
  En amberkleurge stengels, het gebloemt
  Welks purpren en doorschijnge bekers altijd
  Te schuimen staan van hemeldauw, den drank
  Van geesten. En hij kringt in 't rond, gelijk
  Van middagdroomen zacht-wuivende wieken,
  Kalme en gelukkige gedachten wekkend,
  Gelijk de mijne, nu ge in eer hersteld zijt.
  Dees grot zal de uwe zijn.--Verrijs! Verschijn!

  _(Een Geest rijst op in de gedaante van een gevleugeld kind.)_

  Dit is mijn fakkeldrager, die zijn lamp
  In ouden tijd liet uitgaan door te staren
  Naar oogen, waar opnieuw hij haar ontstak
  Aan liefde, die als vuur is, dochterlief,
  Want die in de uwe is zoo.--Loop, koppige jongen,
  Leid dit gezelschap langs den top van Nysa,
  Den Bacchus-berg, waar de Maenaden huisden,
  Voorbij den Indus en schatplichtge stroomen
  Tredend de bergriviere' en glazige meren
  Met voeten onbevochtigd, onvermoeid,
  En nergens poozend; dan het groen ravijn op,
  Dwars door het dal, naast den kristallen vijver,
  Waarop geen wind waait en waar altijd stil
  Het door geen golven uitgewischte beeld
  Ligt van een tempel op den top gebouwd,
  Duidelijk zichtbaar met zijn kapiteelen
  Als palmen, architraven, zuilen, bogen,
  En overal bewerkt en weemlend van
  Het levendst beeldwerk, zoo Praxiteles
  Eens schiep, wier marmeren geglimlach vult
  Met eeuwge liefde de gestilde lucht.
  Hij is verlaten nu, maar eenmaal droeg hij
  Uw naam, Prometheus. Daar werd u tot eer
  Door de naijverige jonglingschap
  De lamp--uw zinnebeeld--door 't heilig duister
  Gedragen; eevnals zij die door den nacht
  Van 't leven naar het graf de toorts der hoop,
  Die zij niet afstaan, torsen; eevnals gij
  Die hebt gedragen--schoonste zegepraal!--
  Naar dit ver doel der Tijden.--Gaat. Vaartwel.
  De grot, voor u bestemd, ligt naast dien tempel.


*VIERDE TOONEEL.*

_(Een bosch. Op den achtergrond een grot. Prometheus, Asia,
Panthea, Ione, en de Geest van de Aarde.)_

*IONE.*

  Zuster, hij is niet aardsch! Zie hoe hij glijdt
  Onder de bladeren! hoe op zijn hoofd
  Een lichtschijn brandt gelijk een groene ster
  Wier stralen van smaragd vervlochten zijn
  Met zijn blond haar! hoe, als hij gaat, de glans
  In vlokken op het gras valt. Kent gij hem?

*PANTHEA.*

  Het is de fijne geest, die de aard geleidt
  Door 't hemelruim. De volkrijke gesternten
  Noemen, van ver, dat licht het lieflijkste
  Van de planeten;--en somwijlen ook
  Vliegt over 't schuim hij van de zoute zee;
  Of maakt zijn wagen van een mistge wolk;
  Of wandelt door de velden of de steden
  Terwijl het menschdom slaapt, of over toppen
  Van bergen, of stroomafwaarts op rivieren,
  Of door de groene, woeste wildernis,
  Als thans, verbaasd om al wat hij aanschouwt.
  Voor Jupiter regeerde, minde hij
  Ons beider zuster Asia; elk vrij uur
  Kwam hij om uit haar oogen 't vochtig licht
  Te drinken, waar hij zóo naar dorstte, zei hij,
  Als een die door een dipsas werd gebeten;
  Hij schonk aan haar zijn kinderlijk vertrouwen
  En al wat hij te weten kwam of zag
  (Want hij zag veel, maar wat hij zag verklaarde
  Hij vaak verkeerd) vertelde hij aan haar,
  En noemde haar--want hij wist evenmin
  Als ik zijn afkomst--"moeder, lieve moeder."

*DE GEEST V. D. AARDE.*

              _(op Asia toesnellend)._
  Moeder, o moederlief, mag 'k dan weer spreken
  Met u, als ik gewend was? Mag 'k mijn oogen
  In uw zachte armen bergen, als uw blikken
  Ze moe van vreugde maakten? Mag 'k dan spelen
  Naast u, den langen middag, wen geen werk
  Te doen valt in de heldre stille lucht?

*ASIA.*

  Ik min u, teederst wezen, en voortaan
  Zal u te koestren mij niet éen misgunnen.
  Toe, spreek: uw simple taal die eens mij troostte,
  Vervult mij nu met blijdschap.

*DE GEEST V. D. AARDE.*

                             Ik ben wijzer
  Geworden, moeder (schoon een kind niet zóo wijs
  Kan zijn als gij) vandaag, en ook gelukger.
  Gelukkiger en wijzer allebei.
  Gij weet, dat padden, slangen, vieze wormen,
  Vergiftige en kwaadaardige gedierten,
  En takken, schadelijke bessen dragend,
  In 't woud, mij altijd stoorden bij mijn tochten
  Over de groene wereld, en dat ook,
  Waar 't menschdom woont, mannen met hard gelaat,
  Of trotsche en booze blikken, of met kouden
  En starren gang, of valschen, hollen glimlach,
  Of dommen grijns van ijdle onwetendheid,
  Of andre leelke maskers waarmee slechte
  Gedachten 't schoone wezen dat wij geesten
  Mensch noemen, gansch verbergen,--en ook vrouwen,
  Afzichtelijkst van al wat leelijk is
  (Schoon lieflijk, in een wereld zelfs waar gij
  Liefelijk zijt, wen zij oprecht en vrij,
  Vriendlijk en goed zijn, dus op u gelijken),
  Wanneer zij valsch of stuursch zijn,--als 'k voorbijging
  Ofschoon zij sliepen en 'k onzichtbaar bleef--
  Mijn hart ziek maakten.--Nu, mijn pad leidde onlangs
  Dwars door een groote stad naar bosschige heuvels
  Die haar omringden, en een schildwacht vond ik
  Sluimerend aan de poort; toen er opeens
  Een klank gehoord werd, zoo geweldig luid,
  Dat in het manelicht de torens trilden,
  Doch zoeter dan ooit stem, behalve de uwe,
  Die 't allerzoetst is, klonk; een lang geluid,
  Zoo lang, alsof het nimmer eindgen zou;
  En al de inwoners sprongen plotseling
  Op uit hun rust, bijeengaande in de straten,
  Verwonderd opziend naar den hemel, wijl
  Nog altijd de muziek voortgalmde. Ik borg mij
  In een fontein op 't openbare plein,
  Waar 'k lag als de weerspiegling van de maan
  Gezien in 't water onder groene blaadren.
  En weldra vloeiden die onschoone vormen
  En aangezichten van de menschen heen,--
  Waarvan ik zei dat zij mij leed aandeden--,
  De lucht door, en verwelkend in de winden
  Die ze verstrooiden, zij van wie zij weken
  Schenen zachtmoedge, lieflijke gedaanten
  Nadat een leelijke vermomming viel.
  En allen waren eenigzsins veranderd,
  En na kortstondige verwondering
  En groeten blij-verbaasd, gingen zij allen
  Weer slapen.--En, toen 't daagde,--kondt gij denken
  Dat padden, slangen, salamanders, ooit
  Schoon konden zijn? En toch waren zij schoon,--
  Met weinig wijzging van hun vorm of kleur.
  En alles had zijn slechten aard verloren.
  Ik kan mijn vreugd niet zeggen, toen ik zag
  Boven een meer, op een gebogen twijg
  Omrankt van nachtschaduw, twee blauwe ijsvogels,
  Hangende naar omlaag en etend van
  Een heldre tros van amberkleurge bessen
  Met snelle lange snavels, en in 't diep
  Zag ik die lieflijke gestalten spieglen,
  Als in een hemel. Zoo, met mijn gedachten
  Vol van die heerlijke veranderingen,
  Vinden we elkaar--zoetste verandring!--wêer.

*ASIA.*

  En scheiden nimmer, tot uw kuische zuster,
  Die de bevrozen, wisselende maan leidt,
  Op uw gelijker, warmer licht zal zien
  Totdat haar hart ontdooit, als vlokken van
  Aprilsneeuw, en ze u liefheeft.

*DE GEEST V. D. AARDE.*

                             Wat, als Asia
  Prometheus liefheeft?

ASIA.

              Stil, lichtzinnige jongen,
  Je bent nu nog niet oud genoeg. Wat denk je,
  Door 't staren in elkanders oogenlicht,
  Je lieve wezens te vermenigvuldgen
  En den maanloozen hemel te doen weemlen
  Van vuurge bollen?

*DE GEEST V.D. AARDE.*

              Moeder, als mijn zuster
  Haar uitgebrande lamp verzorgt, is 't dan
  Niet hard dat 'k duister zijn moet?

*ASIA.*

                             Luister; zie!

              _(De Geest van het Uur verschijnt.)_

*PROMETHEUS.*

  Wij voelen wat gij hoorde en zaagt; maar spreek!

*DE GEEST VAN HET UUR.*

  Na 't eindgen van den klank, wiens donder vulde
  De afgronden van de lucht en de wijde aarde,
  Was er weldra verandering: de ontastbre,
  Dunne atmosfeer en 't al-omrondend zonlicht
  Werden vervormd, alsof 't gevoel van liefde
  Daar opgelost, zich om de ronde wereld
  Gewikkeld had. Mijn oog werd helder toen,
  En de heelal-geheimen kon 'k doorzien.
  Duizelig als van wellust zweefde ik neer,
  Waairend de heldre lucht met loome vlerken.
  Mijn paarden zochten in de zon het oord
  Van hun geboorte, waar zij voortaan vrij
  Van arbeid zullen leven, bloemen grazend
  Van een plantaardig vuur; en waar mijn wagen,
  Gelijk de maan, zal staan binnen een tempel,
  Bestaard door beelden, als van Phidias,--
  Van u, en Asia, en van de Aarde, en mij,
  En u, lieflijke nymfen, die de liefde
  Die wij gevoelen in uw blikken draagt,--
  Als een gedachtnis van de tijdingen
  Die hij gedragen heeft,--onder een koepel,
  Versierd met beitelwerk dat bloemen nabootst,
  In evenwicht op twalef zuilen van
  Schittrend gesteent, en open naar den hemel,
  Die hel en lieflijk is. Daaraan geboeid
  Door een aan beide zijden in een kop
  Eindgenden slang, zal 't beeld dier vleugelpaarden
  Den spoed waarvan zij rusten als bespotten.
  Helaas! waarheen zwierf mijn eenzijdig praten,
  Wijl al wat gij woudt hooren ongezegd blijft?
  Zooals ik zeide, vloog ik neer naar de aard:
  Het was, als 't nù nog is, de bijna pijn
  Lijkende zaligheid van te bewegen,
  Te aadmen, te zijn. En zwervend ging ik naar
  De huizen en verblijven van het menschdom,
  En was in 't eerst teleurgesteld, daar 'k nergens
  Zoo machtgen omkeer zag als ik gevoeld had
  Vanbinnen, uitgedrukt in het uitwendge.
  Maar weldra zag 'k nauwlettender, en zie!
  De tronen waren koningloos, en menschen
  Zag 'k schrijden met elkaar als geesten doen.
  Minachting, vrees, zelf-liefde of zelf-versmading
  Stonden op 't menschenhoofd niet meer geschreven,
  Als op de hellepoort: "Laat alle hoop
  Varen, gij die hier intreedt."--Geen was toornig,
  Geen beefde, niemand staarde naar eens andren
  Koud en bevelend oog met felle vrees,
  Tot het slachtoffer van tyrannenwil
  Veracht werd (erger noodlot!) door zijn eignen,
  Die hem ter dood spoorde als een krachtloos paard.
  Geen boog zijn mond in lijnen die de waarheid
  Verstrikten en den leugen die zijn tong
  Niet wilde spreken door een glimlach uitten.
  Geen die met harden grijns in 't eigen hart
  De sprankelen vertrad van liefde en hoop,
  Tot daar die bittere asch bleef van een ziel
  Die door zichzelf verteerd is, en de ellendge
  Gelijk een vampier onder 't menschdom kroop,
  Alles besmettend met zijn leelke kwaal.
  Geen sprak die algemeene, valsche, koude,
  Ledige praat die het hart ontkennen doet
  Het _ja_ dat 't ademt, en die nochtans maakt
  Dat het die ongemeende huichlarij
  Nog ondervraagt met naamloos zelfmistrouwen.
  En vrouwen ook, oprecht, vriendlijk en schoon,
  Gelijk de vrije hemel die frisch licht
  En dauw op de wijde aarde regent, zag 'k
  Voorbijgaan,--stralende, lieftalge wezens,
  Gezuiverd, vrij, van der gewoonte smet,
  De wijsheid die zij eens niet konden denken
  Uitsprekend, en gevoelens die zij eens
  Vreesden te voelen in haar blikken dragend,
  Tot alles wat zij eens niet dorsten zijn
  Veranderd,--nu zij 't waren, maakten zij
  Van de aarde een hemel. Trots, naijver, nijd,
  Noch valsche schaamte, bitterste dier droppen
  Van opgespaarde gal, bedierven meer
  Den zoeten smaak van de nepenthe, liefde.

  Tronen, altaren, kerkers, rechterzetels,
  Waarop, waarnaast, ellendelingen droegen
  Schepters, tiara's, zwaarden, ketens, boeken
  Beredeneerd onrecht, gevleid door domheid,--
  Waren gelijk die monsterlijk-barbaarsche
  Gestalten, geesten van vergeten roem,
  Die van hun onversleten obelisken
  Staren in zegepraal over paleizen
  En tomben van wie hun verwinnaars waren,
  Rondom vergaande. Die verbeeldden ook--
  Hoogmoed van koningen en priesters wekkend--
  Een donker, sterk geloof, een macht zoo wijd
  Als het door haar verwoeste deel der wereld,
  En wekken thans niets dan verbazing meer.
  Zoo staan ook de symbolen en werktuigen
  Der laatste slavernij van 't menschgeslacht
  Tusschen de woningen der volkrijke aard,
  Niet omgeworpen, maar door geen beschouwd.
  En al die slechte wezens, god en mensch
  Tot walging; onder meengen naam en vorm,
  Vreemd, woest, spookachtig, duister en afschuwlijk,
  Jupiter zijnde, de tyran der wereld,--
  En die de volken, angst-geslagen, dienden
  Met bloed en harten door langduurge hoop
  Gebroken, en met liefde die zij sleurden
  Voor hun bezoedelde, onversierde altaren
  En moordden, waar de menschen tranen weenden
  Niet weer-opeischend, vleiend wat zij vreesden--
  Een vrees die haat was--, toornen, snel vergaand,
  Over hun leedge heiligdommen thans.
  't Gekleurde floers--leven genoemd door hen
  Die wáren--dat al 't geen de mensch geloofde
  Of hoopte, nabootste, als met ijdle kleuren,
  Is weggescheurd. Het walglijk masker viel.
  De mensch blijft over,--schepterloos en vrij,
  Zonder beperking mensch: allen gelijk,
  En niet verdeeld in klassen, stammen, volken,
  Vrij van ontzag, vereering, stand, en koning
  Over zichzelf, rechtvaardig, zacht en wijs,
  Maar mensch. Hartstochteloos? dat niet,--maar vrij
  Van schuld of leed--die wáren, want zijn wil
  Schiep of verduurde ze; en nog niet bevrijd
  Van kans, verandring, dood, ofschoon als slaven
  Die trits beheerschend,--zware aanhangsels nog
  Van dat wat anders hooger stijgen zou
  Dan verste ster van de' onbeklommen hemel,
  Torenend scheemrig in 't geweldig Leêg.



*VIERDE BEDRIJF.*


_(Tooneel: een deel van het woud bij de grot van Prometheus.
Panthea en Ione slapen, zij ontwaken langzamerhand gedurende
                       den eersten zang.)_

*STEM VAN ONZICHTBARE GEESTEN.*

        De bleeke sterren (ontvluchtend
          Hun herder vol ijver:
            De zon die ze sture
        Ten stal diep in de uchtend,
  En aansnelt in praal meteoren-verduisterend) vlieden voorbij
            Zijn woning, de azuren,
          Als herten den tijger,--
  Maar waar zijt gij?
  _(Een stoet van donkere vormen en schimmen gaat verward voorbij,
                            zingende)._

    Zwaar, o zwaar
    Is de baar voorwaar
    Van den Vader van menig verdwenen jaar,
    Zie hier leit
    Het lijk van den Tijd,
    In de tombe der eeuwigheid zij het gevlijd
    Door ons die gaan
    Met die last belaên:
    Ons, de schimmen der Uren vergaan.
    Strooi, o strooi
    Nu lokkentooi,
    Geen taxisloof; en tranendooi
    Bevloei', geen dauw,
    Het doodskleed grauw;
    En spreidt verwelkte bloemen tot rouw
    Uit het ontbloot
    Prieel van den Dood
    Op het lijk van den Urenkoning groot!
    Gauw, o gauw!
    Als schaûwen grauw,
    Verjaagd door den dag van het hemelblauw,
    Smelten wij heen
    Als schuim der zeên
    Van de kindren van tijden zonder geween,
    Wijl de wiegezang luidt
    Van wind die ruischt uit,
    Stervend op 't hart van zijn eigen geluid.

*IONE.*

  Wat donkre vormen zongen die wijs?

*PANTHEA.*

  De Uren die stierven, zwak en grijs,
  En zij droegen den buit
    Nog verzameld bijeen
  Uit de zege gestuit
            Door Een alleen.

*IONE.*

    Zijn zij heen?

*PANTHEA.*

                             Zij zijn heen.
      Zij ontsnelden den wind
      Als een woord zoo gezwind.

*IONE.*

    Doch waarheen, o waarheen?

*PANTHEA.*

    Naar het donkere, doode verleên.

*STEM VAN ONZICHTBARE GEESTEN.*

          Lichtwolke' in den hemel,
            Dauwsterren op de aarde,
              De zeeën vol baren;
          En al dat gewemel
  Drijft stormwind van wellust, verbijstering blij!
              Vreugd trilt door hun scharen,
            Ten reidans vergaarde,--
  Maar waar zijt gij?

          De pijnboomen suizen
            't Oud lied met nieuw blij-zijn,
              Fonteinen en waatren
          Frisch-zangerig ruischen:
  Als muziek van een geest rijst van 't land en de zee melodij;
              De bergen beschaatren
            Stormdonders die blij zijn,
  Maar waar zijt gij?

*IONE.*

              Wat wagenmenners zijn 't?

*PANTHEA.*

                             Waar zijn hun wagens?

*HALFKOOR I VAN UREN.*

  Toen van Lucht- en Aardgeesten de stem ons riep
    Is 't versierde gordijn van den slaap gescheurd
    Dat ons wezen bedekte en ons worden ontkleurd'
  In het diep.

*EEN STEM.*

              In het diep?

*HALFKOOR II.*

                             O! onder het diep.

*HALFKOOR I.*

  Wij waren gewiegd ontelbare jaren
    In vizioenen van haat en naarheid,
    En ieder die wakker werd vond de waarheid--

*HALFKOOR II.*

  Wreeder dan zijn vizioenen waren!

*HALFKOOR I.*

  Wij hoorden de luit van de Hoop, zoo zoet
    En de stem van de Liefde in ons droomen zingen,
    Wij voelden den staf van de Macht, en springen--

*HALFKOOR II.*

  Als de golven springen in morgengloed.

*KOOR.*

  Weeft den dans op den vloer van den wind,
    Klieve ons gezang 't zwijgend licht van de lucht,
  Betoovert den dag, die ontvliedt te gezwind,
    Om vóor 't hol van den nacht te beteuglen zijn vlucht.

  Eens waren de hongerige Uren honden,
    Die jaagden den dag als een bloedend dier,
  En hij hinkte en struikelde, vol van wonden,
    Door van 't eenzame jaar het nachtlijk revier.

  Maar thans--o! weeft de mystische maten
    Van dans en muziek en gestalten van schijn!
  Laat de Uren met geesten van macht en behagen
    Als de wolken en 't zonlicht, vereenigd zijn.

*EEN STEM.*

              Vereenigd zijn.

*PANTHEA.*

  Zie waar de Geesten van de menscheziel
  Naadren in zoet geluid als heldre sluiers.

*KOOR VAN GEESTEN.*

  De zingende rei
  Bereiken wij,
  De wervling van blijdschap draagt ons nabij;
  Als de vleugel-gevinden,
  Die 't diep niet kan binden,
  Zeevogels half-sluimrend in 't luchtruim vinden.

*KOOR DER UREN.*

  Waarvandaan komt gij, zoo wild en met spoed?
  Sandalen van weerlicht zijn aan uw voet,
  Als gedachte uw gevedert is, zacht en snel,
  En uw oogschijn als liefde, naakt en hel.

*KOOR VAN GEESTEN.*

  Wij komen van 't hart
  Van den mensch, eens zwart,
  Onrein en blind, en gebukt onder smart;
  Nu is 't een zee
  Van bewogen vree,
  Een heldere hemel,
  Maar vol ontroering en machtig gewemel;--

  Uit die wondere mijn
  Van vreugden rein,
  Wier holen kristallen paleizen zijn;
  Van die torentransen,
  Waar uwe dansen--
  O zalige Uren!--
  Gedachte's gekroonde machten beturen;

  Uit verborgenheden
  Vol teederheden,
  Waar lievende paren
  U poozen doen, grijpend uw losse haren;
  't Blauw eilandrijk,
  Waar Sirenen-gelijk
  Zoete Wijsheid uw zeilen
  Door een glimlach doet wijlen;

  Van de tempels gesticht
  Voor 't gehoor en 't gezicht
  Van den Mensch, hoog bewelvend zoo Beeld als Gedicht;
  Van de murmelingen
  Van bronnen die springen,
  Zonder dat zegel ze tegenhoudt:
  Waar Kennis haar kunstige wieken bedauwt.

  Jaren na jaren
  Waadden we in scharen
  Door bloed en tranen,
  En een hel vol van haat en hoop en wanen;
  O zeldzaam de streken,
  Waar bloemen, bleeke,
  In knop verschroeide,
  Van het geluk, kortstondig bloeiden.

  Thans schoeit onzen voet
  De vrede zoet,
  En de dauw onzer wieken is balsemvloed;
  In ons oog is de schijn
  Der mensch-liefde rein,
  Die alles wat ze aanstaart een Eden doet zijn.

*KOOR VAN GEESTEN EN UREN.*

  Weeft nu het web van de mystische maten,
    Van de diepten des hemels en de einden der aard,
  Komt, snelle geesten van macht en behagen,
    Tot reidans en jubelzangen vergaard,--
  Als de golven van duizend rivieren vliên
  In een zee van geflonker en melodiên!

*KOOR VAN GEESTEN.*

      Wij wonnen den buit,
      Ons zwoegen is uit,
  Nu mogen wij duiken of stijgen of zweven,
      Waar wij ook wenschen
      Tot in de grenzen
  Die het heelal met duister omgeven.

      Verder dan de oogen
      Der sterren-bogen
  Maken we in de' oerouden afgrond ons huis;
      Chaos, Dood, Nacht,--
      Als mist voor de macht
  Van den storm,--zullen vliên voor ons wiekgeruisch.
      En Aard, Licht en Lucht,
      En de Geest, die de vlucht,
  De vuurge, in het rond drijft der sterren tezamen,
      Liefde, Adem, Gedachte--
      Dood-temmende machten--
  Zullen beneden ons oovral verzaêmen.

      En ons zingen zal bouwen
      In de ijle landouwen
  Van 't Leêg, voor de Wijsheid een heilig domein,
      Naar 't menschenrijk richten
      We ons, 't nieuw-gestichte,
  En ons werk zal genaamd naar Prometheus zijn.

*KOOR DER UREN.*

  Breekt den dans en verstrooit nu het koor,
    Laat enklen blijven, en andren gaan.

*HALFKOOR I.*

    Wij drijven diep de hemelen door,--

*HALFKOOR II.*

  Ons trekt de toover van 't aardrijk aan,--

*HALFKOOR I.*

  Vurig en vrij, en rusteloos-ras,
    Met de Geesten die bouwen een nieuwe aarde en zee,
  En een hemel waar nooit nog een hemel was.

*HALFKOOR II.*

    Plechtig en langzaam, vol helderen vreê,
  Leidend den dag en ontsnellend den nacht,
    Met de machten van stralende wereld meê.

*HALFKOOR I.*

    Wij wervlen luid zingende rond den bol,
  En zijn chaos verhelderd door liefde's macht,
  En niet door vrees, vertoont zich in pracht,
    Van boomen en dieren en wolken vol.

*HALFKOOR II.*

  Wij omcirklen de zee en de bergen der aard,
  En de blijde gedaanten van wat zij baart
  En gestorven weer tot zich neemt, wisselen bij de
  Zoete muziek van ons innig verblijden.

*KOOR VAN UREN EN GEESTEN.*

  Breekt den dans en verstrooit nu het koor,
    Laat enklen blijven en andren gaan.
  Waar wij ook vlieden, wij leiden aldoor,
    Aan banden als stralen van sterrenschijn
    Die teeder maar onverbrekelijk zijn,
  De wolken met liefderegen belaên.

*PANTHEA.*

  Ach! zij zijn heen!

*IONE.*

              Maar voelt gij toch geen vreugd
  Door de voorbije zoetheid?

*PANTHEA.*

                             Als de naakte
  En groene heuvel lacht met duizend droppen
  Van zonnig water naar den open hemel,
  Wanneer een zachte wolk verdwijnt in regen!

*IONE.*

  Juist wijl wij spreken rijzen nieuwe noten.
  Wat is dat machtige geluid?

*PANTHEA.*

                             De diepe
  Muziek der wentelende wereld is 't,
  Die in de snaren der gegolfde lucht
  Aeolische geluidsschakeering wekt.

*IONE.*

  Luister, hoe iedre rust ook is gevuld
  Met onder-noten, klare, zilvren tonen,
  IJzig en hel en die ontwaken doen,
  Die door de zinnen boren naar de ziel,
  En daarin leven; als de scherpe sterren
  Boren door de kristallen winterlucht
  En staren naar zichzelf in zee weerspiegeld.

*PANTHEA.*

  Maar zie, waar door twee poorten van het woud,--
  Hangende twijgen overwelven die,--
  En waar twee aadren van een stroompje maakten
  Tusschen het dichte mos, vol van viooltjes,
  Hun zangrig pad (gelijk een zusterpaar,
  Scheidend met zuchten, dat ze in lachjes weer
  Vereenen mogen, makend tot een eiland
  Van lieflijk leed, een woud van zoete, droeve
  Gedachten, hun beminnelijke scheiding),--
  Twee vizioenen, wonderbaar van straling,
  Aandrijven op den zee-gelijken toover
  Van machtgen klank, die nog geweldger, heller,
  En dieper schijnt te stroomen onder de aard
  En door de lucht waarin geen wind beweegt.

*IONE.*

  Ik zie een wagen als die smalste boot,
  Waarin der Maanden Moeder wordt gedragen
  Bij ebbend schijnsel naar haar grot in 't Westen,
  Als ze opspringt uit haar tusschen-maansche droomen;
  Waarover buigt een cirkelend gewelf
  Van teeder duister, en geboomte en heuvels,
  Goed zichtbaar door dien donkren luchten sluier,
  Lijken gedaanten uit een tooverspiegel.
  Zijn raderen zijn vaste wolken, blauw
  En goud,--de geesten van den donderstorm
  Stapelen zulke op den verlichten zeevloer,
  Wanneer de zon daaronder snelt; zij wentlen,
  Bewegen, groeien aan, als door een wind
  Die hen inwendig drijft. Er binnen in
  Zit een gevleugeld kind, met wit gelaat
  Gelijk de witheid van de heldre sneeuw.
  Zijn wieken zijn als zonnig ijs-gevedert,
  Zijn leden lichten blank door de op den wind
  Golvende vouwen van zijn blank gewaad,
  Weefsel van hemel-paarlen. Ook zijn haar
  Is wit, de glinstring van wit licht verdeeld
  In draden; maar zijn oogen zijn twee heemlen
  Van vloeiend duister, dat zijn godlijkheid
  Schijnt te doen stroomen, evenals een storm
  Uit kartelige wolken wordt gestort,
  Uit hun pijlvormige wimpers, temperend
  De koude en stralende atmosfeer in 't rond
  Met vuur, dat toch niet helder is. Zijn hand
  Zwaait een trillenden manestraal, wiens punt
  De macht heeft om den steven van den wagen
  Te sturen op zijn wielgelijke wolken;
  Die, wen zij wentlen over gras en bloemen
  En waatren, klanken wekken, even zoet
  Als zilvren dauw zijn zangerige regen.

*PANTHEA.*

  En zie, uit de andere oopning in het woud
  Snelt aan, met luide en wervlende muziek,
  Een bol: duizenden bollen zijn 't in éen,
  Vast als kristal, maar 'lijk een leedge ruimte
  Geheel doorvloeid van melodie en licht:
  Tienduizend cirkels vlechtend en vervlochten,
  Purper, azuur en blank, gulden en groen,
  Kring binnen kring; en ieder vakje ertusschen
  Bevolkt met onverbeeldbare gestalten
  Als geesten droomen in het lamploos diep,
  Doch alle zijn doorzichtig. En zij wervlen
  Over elkaar in duizendvoud bewegen,
  Op duizenden onzichtbare assen wentlend;
  En met de kracht van snelheid die zichzelf
  Tegenstreeft, rollen zij, geweldig, langzaam,
  En statig; zij ontsteken met een mengling
  Van klank en meengen toon verstaanbre woorden
  En wilde melodie. Met machtge wervling
  Doorsnijdt, verstuift de wemelende bol
  't Heldre riviertje in een azuren mist
  Van opgeloste fijnheid, licht-gelijk;
  En van het boschgebloemt de wilde geur,
  Muziek van 't levend gras en van de lucht,
  't Smaragden licht van stralen in 't gebladert
  Vervlochten, schijnen om zijn machtgen spoed,
  Die toch zichzelf bestrijdt, samengekneed
  Tot éen etherische zelfstandigheid,
  Waarin de zinnen zwijmen. In den bol,
  Op zijn albasten armen, als een peluw,
  Gelijk een kind door lieflijk werk vermoeid,
  Ligt op zijn eigen toegevouwen vlerken
  En golvig haar de Geest der Aard te slapen,
  En gij kunt zien zijn lipjes die bewegen
  In van hun eigen glimlach 't wisslend licht
  Als een die droomend spreekt van wat hij liefheeft.

*IONE.*

  Hij doet alleen uit scherts de melodie
  Van zijn bol voertuig na.

*PANTHEA.*

                             En van een ster
  Die op zijn voorhoofd schijnt schieten er stralen,
  Als zwaarden van azuren vuur, goudsperen
  Met loof van myrten, dat tyrannen temt,
  Bevlochten als symbool dat aarde en hemel
  Nu éen zijn; machtge stralen, die als spaken
  Van een onzichtbaar wiel in 't ronde draaien,
  Gelijk de bol draait, sneller dan gedachte,
  Den afgrond vullend met hun zonnebliksems,--
  En nu loodrecht, dan dwars, den donkren grond
  Doorboren, en terwijl zij 't doen, ontblooten
  Van 't diepe hart der aarde al de geheimen;--
  Eindlooze mijn van diamant en goud,
  Waardloos gesteent en onverbeeld juweel,
  Holen gestut op kristallijnen zuilen,
  Van een plantaardig zilver overspreid,
  Bronnen van peilloos vuur, en waterwellen
  De groote zee voedend gelijk een kind,
  Wier dampen 't vorstelijk gebergt van de aard
  Met prinslijk hermelijnen sneeuw omkleeden.
  De stralen schieten voort, en doen verschijnen
  Droeve ruïnen van verdwenen tijden;
  Ankers, snebben van schepen, en in marmer
  Verkeerde planken, pijlkokers en helmen,
  Speren, en schilden met medusa-hoofden,
  Wielen van zeisenwagens, en blazoenen
  Van standaarden, trofeeën en heraldisch
  Gedierte, waaromheen de lach des Doods klonk,
  Begraven teekens van verwoesting, dood nu,
  Verwoesting in verwoesting;--en ernaast
  Bouwvallen van veel uitgestrekte steden,
  Waar de bevolking, overgroeid door de aarde,
  Sterfelijk, maar niet menschlijk was. O zie!
  Daar liggen hun barbaarsche werken en
  Lompe geraamten; beelden, huizen, tempels;
  Monster-gedaanten door elkaar gesmeten
  In kleurlooze vernietiging, gespleten,
  Beklemd in 't harde zwarte diep; daarboven
  Riffen van onbekende vleugelwezens,
  Visschen: eens levende eilanden van schubben
  En slangen, beenge ketens rond-omkrinklend
  De ijzeren rotsen, of in hoopen stof:
  De kronkelige kracht van hun laatst lijden
  Vermorzelde tot stof de ijzeren rotsen;
  Daarboven, de getande krokodil,
  En 't machtig nijlpaard, dat eens de aarde schokte,
  Voorheen monarchen van 't gediert, voortteelend
  Op slijmige stranden, wildernis-begroeide
  Vastlanden van deze aard, als zomerwormen
  Op een verlaten lijk,--tot, als een mantel
  De blauwe bol rond zich een zondvloed sloot,
  En zij luid huilden, hijgden, en vergingen;
  Of wel, een God, wiens troon in een komeet was,
  Kwam de aard voorbij en riep tot hen: "Vergaat!"
  En als mijn woorden, waren zij niet meer.

*DE AARDE.*

  O vreugd, o zegepraal, o wellust, o verdwazen,
    O blijdschap grenzenloos, uitbarstend, overstroomend,
  Niet te beperken juiching gelijk ijle wazen;
    Heil! heil! 't verheugen dat mijn ziel heeft ingenomen, 't
  Omhult me: een atmosfeer van licht, en 't draagt gezwind
  Mij voort, gelijk een wolk drijvend op eigen wind!

*DE MAAN.*

      Broeder, die reist in kalm genucht,
      Zalige bol van land en lucht,
  Gelijk een straal schoot gij een Geest tot mij,
      Die mijn bevrozen lijf doorklieft
    Met warmte als van een vlam, en liefd'
    En geuren stuwt en diepe melodij,
                             Door mij, door mij!

*DE AARDE.*

    Heil! heil! hoe mijn gespleten vlammenkraatren,
    De holen van mijn hol gebergt, en jublende fonteinen,
  Lachen met onbegrensd en onuitbluschbaar schaatren!
    De zeeën en de afgronden en woestijnen
    En van de diepe lucht de onmeetlijke domeinen,
  Echoën 't na van al hun wolken, al hun waatren!

    Zij roepen luid als ik. Vloek, die den schepter tildet,
    Die heel ons groen en blauw heelal wel wildet
  Met donkren ondergang omwikkelen rondom,
    Zendend een vaste wolk, om heete donderklooten
    Te reegnen, en 't gebeente van mijn kindren stuk te stooten,
  Al wat ik baar kneedend en kneuzend tot éen massa, leeg en stom,--

    Tot iedere vermaarde zuil en toren rotsgelijk,
    Paleis en obelisk en tempel plechtig-rijk,
  Mijn keizerlijk gebergt bekroond met wolken, vuur en gloeden,
    Mijn zee-gelijke wouden, ieder sprietje, en iedre bloesem,
    Die de eerste koestring en zijn graf vindt in mijn boezem,
  Waren vertreên tot zielloos slijk door uw geweldge woede,--

    Hoe zijt gij nu gezonken, weg, bedekt, en opgezogen
    Door 't dorstig niets, gelijk de brakke togen
  Gedronken door een karavaan--maar weinig voor elkeen!--
    En 't vullend van omlaag, omhoog, rondom, en binnenin
    Barst nu de liefde in 't Leêg van uw vernietiging,
  Gelijk het licht in holen, die de bliksem spleet vaneen!

*DE MAAN.*

    De sneeuw smelt op mijn doode kruinen
    In stralend-levende fonteinen,
  Mijn vaste zeeën vloeien in zang en schijn:
    Een geest springt uit mij op met kracht,
    Hij kleedt met schepping onverwacht
  Mijn koude naakte borst; o het moet de uwe zijn
                             Op mijn', op mijn'!
    Starend naar u
              voel en besef ik nu
  Dat groene stengels rijzen, helle bloemen bloeien;--
    Levende wezens op mijn borst bewegen,
  Zangen de zee, de lucht doorvloeien,
    Gewiekte wolken, donker van den regen
  Waarvan de knoppen droomen, drijven wijd uiteen--
                             't Is liefde, liefde alleen!

*DE AARDE.*

    Hoe dringt door mijn granieten lichaam zij;
    Door wortels dicht-vervlochten en vertreden klei
  Tot in het fijnst gebloemt en 't uiterste gebladert;
    Winden en wolken maakt zij tot haar woon,
    Een leven wekt ze in de vergeten doôn:
  Een ziel wordt uit hun zwartste holen opgeädemd;

    En als een storm met wervelwind en donder
    Splijtend zijn wolkenkerker, rees ze--o wonder!--
  Uit grotten onverlicht van ongedroomd bestaan;--
    Met schok of de aarde beeft en snelheid die den stillen
    Gedachte-chaos, steeds bewegingloos, doet trillen;
  Tot haat en vrees en pijn als schaûw voor 't licht vergaan,

    Den Mensch verlatend, die een grilge spiegel was,
    't Waarachtig schoon heelal verminkend in zijn glas
  Tot menig drogbeeld, nu een zee weerkaatsend liefde,
    Die over heel zijn ras--gelijk de hemel glijdt
    Op zuivren oceaan, rimpelloos uitgespreid--
  Beweegt, en licht en leven schiet uit sterge diepten;

    Den Mensch verlatend--als een kindje dat melaatsch
    Verlaten wordt, en een ziek dier nagaat tot naar de plaats
  Waar de geneeskracht van een bron door warm een rotskloof dringt,--
    Dan gaat het onbewust naar huis.... zijn moeder vreest
    Een oogwenk, om zijn rozigen glimlach: 't is een geest....
  Maar dan herkent zij 't en zij schreit op haar herstelde kind.

    Den Mensch--o! niet de menschen! maar één keten van gedacht'
    Aaneengeschakeld, en onscheidbre liefde en macht,
  Drijvend met diamanten sterkt' natuur haar krachten:
    Als met tyrannenblik de zon beheerscht
    De onrustge staat van de planeten, die om 't zeerst
    Naar 's hemels vrije wildernis te worstlen trachten.

    Den Mensch, één harmonieuze ziel van vele zielen saam,
    Wier godlijke aard het is, zichzelve na te gaan,
  Waar alles vliedt tot alles, als naar zee de stroomen;--
    Liefde vermooit het dagelijksche doen,
    Arbeid en pijn en leed, in 's levens groen plantsoen,
  Spelen als tam gediert--wie kon zoo zacht hen droomen?

    Zijn wil,--met lagen hartstocht, slecht genot,
    En zelfsche zorgen, die hem dienen als een god,--
  Een geest, slecht als hij heerscht, als hij gehoorzaamt machtig,
    Is als een stormgevleugeld schip, en Liefde stuurt het voort
    Door golven die niet durven breken overboord,--
  De wildste levensstranden dwingt ze in haar regeering krachtig.

    Alles bekent zijn sterkte. Door het koude marmer gaan,
    En door de doffe kleur, zijn droomen: heldre draên,
  Waarvan de moeders kleedren voor haar kindren weven;
    De taal is een oneindig Orfeus-lied:
    Beheerscht haar harmonie, de kunstge, niet
  Ontelbre vormen en gedachten, anders zonder leven?

    De bliksem is zijn slaaf; 't diepst van den hemel
    Toont hem zijn sterren, langs zijn oog gaat hun gewemel
  Gelijk een kudde schapen, en hij telt hen een voor een,
    De storm is als zijn paard; de luchten hij beschrijdt;
    En de afgrond roept ten hemel, uit zijn diepten, blootgeleid,
  "Hebt gij nog éen geheim? De mensch ontfloerst me: ik heb er geen."--

*DE MAAN.*

      De schaduw van den witten dood,
      Die als een lijkkleed mij omsloot
    Van vaste vorst en slaap, week van mijn weg in 't eind;
      Door nieuw-geweven looverpaên
      Volzalige beminden gaan,--
    Zoo machtge niet, maar even zachte zijn 't,
  Als zij wier schoonheid in uw diepre dalen schijnt.

*DE AARDE.*

  Gelijk de warmte van den ochtendgloed
    Een half bevrozen dauw-bol smelten doet,
  Kristal en groen en goud, tot, een gewiekte mist,
    Hij opzweeft in den blauwen dagezaal,
    Den noen doorleeft, en op den laatsten zonnestraal
  Hangt boven zee, een vlies van vuur en amethyst.

*DE MAAN.*

    Gij ligt neer, omhuld in schijnen
    Van het licht dat niet zal kwijnen
  Van uw vreugd en van den hemel die zoo godlijk lacht;
    Alle zonnen, alle sterren,
    Regenen op u van verre--
  Uwen bol bekleedend,--leven, licht en macht.
    Maar úw schijnen regent gij
                             Op mij, op mij!

*DE AARDE.*

    Ik wentel voort onder mijn piramide
    Van duister, spitsend in de heemlen,--droomen bieden
  Mij wellust, in mijn tooverslaap murmel ik zegepralend;
    Eevnals een jongling, in een liefdedroom gesust,
    Zacht zuchtend in den afglans van zijn schoonheid rust,
  Gelijk een wacht van warmte en licht zijn sluimering omstralend.

*DE MAAN.*

      Als in de eclips, teeder en zoet
      Wanneer de ziel een ziel ontmoet
    Op lieve lippen, hooge harten stil
      En helderste oogen wazig zijn,--
      Zoo, valt uw schaduw op mijn schijn,
    Ook ik, gestild, niet spreken wil,
  Door u bedekt, en van uw liefde, o schoonste Bol,
                             Vol, ál te vol!

      Om de zonne spoedt ge u snel,
      Helderste wereld van 't heelal,
      Groen-en-blauwe bol die straalt
      Met een licht waar geen bij haalt:
      Geen der lampen die de heemlen
      Licht en levensvol doorweemlen
      Komt uw godlijkheid nabij.
      Ik, gedreven aan uw zij--
      Uw kristallen lief--door kracht
      Als der minnaarsoogen macht:
      Lokkende magneet-gewijs
      Naar dien pool, dat paradijs;
      Ik, een maagd verliefd zoozeer
      Dat de liefdevreugd haar teer
      Denken overlaadt, omstrijk u
      Als van zinnen, en bekijk u--
      Als een bruid die niet kan scheiden
      Van 't genot, aan alle zijden
      Haren bruigom te beschouwen;
      Als verdwaasde Bacchus-vrouwen
      Rond den beker, opgetild
      Door Agave in Cadmus' wild
      En betooverd woud. O broeder,
      Waar ge ook henenzweeft, ik moet er
      Volgen, haastig, wervelend,
      Door de heemlen zonder end,
      Voor het hongrig Leêg beschermd
      Daar uw ziel mij warm omarmt.
      'k Drink, wijl ik u voel en zie,
      Majesteit, macht, harmonie,--
      Als op dat waar zij naar kijken
      Minnaar en kameleon lijken;
      Als de teedere oogjes schouwen
      Van viooltjes naar den blauwen
      Hemel, tot hun kleuren zijn
      Als 't azuur zoo puur en fijn;
      Als een grijze vochtge mist
      Gloeit gelijk vast amethyst
      Tegen den berg in 't West dien hij omhult,
      Wen de zonsondergang bleek-guld
      Slaapt op zijn sneeuw, en 't teedre daglicht schreit
      Om eigen eindigheid.

*DE AARDE.*

  O teedre Maan, uw stem vol zaligheid
  Valt op mij als uw licht dat klaar omspreidt,
  Streelend en teer, den zeeman die doorglijdt,
        In zomernacht, eilanden eeuwig-vredig;
  O teedre Maan, die uw kristallen zingen
  In diepe holen van mijn trots doet dringen,
  Temmend den tijger vreugd, wiens wilde trappelingen
        Mij wonden sloegen, die uw balsem lenig'.

*PANTHEA.*

  Ik rijs--als uit een bad van schittrend water,
  Een bad van blauwen schijn in donkre rotsen,--
  Uit die rivier van klank.

*IONE.*

                             O! zoete Zuster,
  De stroom van klank is van ons weggevloeid;
  En uit zijn golven zegt gij op te rijzen,
  Omdat uw woorden vallen als de dauw,
  De heldre, zachte, die een woudnymf schudt,
  Nadat zij baadde, van haar lijf en haar.

*PANTHEA.*

  Stil! stil! Een machtge Geest, gelijk het duister,
  Stijgt op uit de aarde, en regent van den hemel,
  Als nacht en barst van binnen uit de lucht,
  Als een eclips, verzameld in de poriën
  Van 't zonlicht. En de heldere vizioenen
  Waarin de Geesten die er zongen, dreven
  En schenen, glimmen, bleeke meteoren
  Door vochtgen nacht.

*IONE.*

              Mijn oor voelt iets als woorden.

*PANTHEA.*

  Een algemeen geluid als woorden. Luister!

*DEMOGORGON.*

  Aard, van een zaalge ziel de kalme staat,
    Van godlijkste gedaante' en zangen vol,
    Verzamelend in 't wentlen, schoone bol,
  De liefde die plaveit uw hemelstraat!

*DE AARDE.*

  Ik hoor: ik ben een dauwdrup die vergaat.

*DEMOGORGON.*

  Maan, die verbaasd de nachtlijke Aard bestaart,
    Gelijk hij u, terwijl gij beiden zijt
  Voor menschen, dieren, vooglen die gij baart,
    Rust, kalmte, harmonie en lieflijkheid!

*DE MAAN.*

  Ik hoor: ik ben een blad: doorsidder gij 't.

*DEMOGORGON.*

  Vorsten van zonne' en sterren! Goôn, Demonen,
    Hemelsche Machten, die bezitters zijt
  Van zaalge windlooze Elyseesche wonen,
    Voorbij des Hemels sterrige eenzaamheid!

*EEN STEM VAN OMHOOG.*

  Ons Rijk hoort toe; zeegnend in zaligheid.

*DEMOGORGON.*

  Gelukge Doôn, die 't stralendste gedicht
    Enkel bewolkt, nooit beeldt in schilderij,
  Hetzij uw wezen in die wereld ligt
    Die gij eens zaagt en leedt--

*EEN STEM VAN BENEDEN.*

                             Hetzij we, als zij
  Die levend zijn, verandrend gaan voorbij--

*DEMOGORGON.*

  Geesten der elementen, die bewoont
    Van 's menschen hooge ziel tot zelfs van 't grijs,
  Droef lood de kern; van 's hemels ster-gekroond
    Gewelf, tot het traag wier, een worm ten spijs!

*EEN VERMENGDE STEM.*

    Wij hooren: het vergeetne wekt uw wijs.

*DEMOGORGON.*

  Geesten die huist in vleesch! vogels en dieren,
    Visschen en wormen; knoppen ook, en blaêren;
    Bliksem en wind! en gij, ontembre scharen,
  Meteoren, misten, die de lucht doorzwieren!

*EEN STEM.*

  Uw stem is ons als wind in woudrevieren.

*DEMOGORGON.*

  Mensch, eens een wreed tyran of dienaar laf,
    Bedrieger of bedrogene, een vergaan,
  Een reiziger, van de wieg tot aan het graf,
    In 't duister, door dees dag voorgoed verdaan!

*ALLEN.*

  Spreek! uw sterk woord mag nimmer ondergaan.

*DEMOGORGON.*

  Dit is de dag dat de leege afgrond wacht,
  Op 's Aard-geboornen ban, 's Hemels tyrannenmacht,
    En de Overweldger wordt gesleurd aan band
  Door 't opgesperde diep. Van haar geweldgen troon:
  Geduldge macht in 't wijze hart; van het laatste uur van hoon,
    Duizling en lijdzaamheid; van smallen glibberkant,
  Steil, van de rots-gelijke smart; springt nu de Liefde en sluit
  De wereld in haar wiekenpaar: daar drupt genezing uit.

  Zachtheid en Deugd, Wijsheid en Lijdzaamheid--
  Dat zijn de zegels die met machtge zekerheid
    Boven Verwoestings kracht den afgrond sluiten;
  En als met zwakke hand soms de Eeuwigheid,
  Moeder van vele dade' en uren, weer bevrijdt
    De slang die met zijn heele lengt' haar wilde omsluiten--
  Herovert gij de volle heerschappij
  Over de' ontbonden doem door deze tooverij.

  Smarten te lijden, wen de Hoop geen uitkomst wacht;
  En onrecht te vergeven, donkerder dan nacht
    Of dood; Macht te trotseeren die almachtig schijnt;
    Te lijden, dulden, hopen, tot de Hoop in 't eind
  Uit eigen bouwval schept wat ze in haar droom zich dacht;
  Noch te verandren, noch door spijt en vreeze
    Te wanklen; dit gelijk des Titans glorie,
  Is schoon en groot en blij en vrij en deugdzaam wezen,
    Slechts dit is Heerschappij, Vreugd, Leven en Victorie!



*VERBETERINGEN.*


  Bladz.  1 r.  3 v. o. _staat_      smart          _lees_ smaad
     "    7 na regel 11 v. b. is _weggevallen_:
            Ondelgbaar, giftig, en hun groeikracht zuigend,--
     "   22 r.  6 v. o. _staat_ foltering           _lees_  foltring
     "   40 r.  3 v. o.      "       wakker            "    wakker.
     "   60 r.  2 v. b.      "       gruwbre           "    gruwbrer
     "   67 r. 13 v. o.      "       bescheidenheid    "    verscheidenheid
     "   71 r.  4 v. o.      "       klonk             "    klonk;

  Nota: Bovenstaande verbeteringen zijn reeds aangebracht in de tekst.





*** End of this LibraryBlog Digital Book "Prometheus ontboeid - Een lyrisch drama in vier bedrijven" ***

Copyright 2023 LibraryBlog. All rights reserved.



Home