Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877
Author: Various
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



                        De Aarde en haar volken


                                 1877.



Uit het dagboek van een Alpenbeklimmer.


I.

Van al de leden van de Alpine-Club te Londen, die door hunne stoute
tochten in de fransche en zwitsersche Alpen gedurende de jongste
twintig jaren zich een europeeschen naam hebben verworven, is wel
geen zoo algemeen bekend als de heer Edward Whymper. Deze algemeene
bekendheid heeft hij vooral ook te danken aan zijn boek Scrambles
amongst the Alps in the years 1860-1869,--Tochten in de Alpen in
de jaren 1860-1869--dat in 1870 te Londen het licht zag en sedert
herhaalde malen werd herdrukt. Dit werk, dat in het fransch, duitsch en
italiaansch vertaald werd, verdient ten volle de groote belangstelling,
die het alom gevonden heeft: niet alleen om den aangenamen vorm, den
helderen, duidelijken stijl, den humor die telkens treft en boeit, maar
ook om den inhoud zelven. De tochten, door den heer Whymper ondernomen,
behooren tot de merkwaardigste, die in de Alpen zijn volbracht; terwijl
zijn boek, vooral bij de verschijning, eene dubbele aantrekkelijkheid
ontleende aan het verhaal der noodlottige beklimming van den Matterhorn
(Mont-Cervin), waarbij een der beste Alpengidsen  en drie jeugdige
landgenooten van den heer Whymper het leven verloren: eene gebeurtenis,
die destijds in geheel Europa de algemeene deelneming opwekte, en nog
niet geheel vergeten is, hoeveel er ook sedert moge gebeurd zijn van
meer ingrijpend belang dan de dood van vier moedige reizigers. Al is
het boek van den engelschen Alpenbeklimmer dan ook reeds enkele jaren
oud, met gerustheid durven wij eenige schetsen daaruit ontleenen, die
den lezers der Aarde gewis welkom zullen zijn, te meer daar, voor zoo
ver wij weten, van deze Scrambles geene hollandsche vertaling bestaat.

Bijna de helft van het boek is toegewijd aan het verhaal van de
verschillende pogingen, die de heer Whymper gedurende negen jaren heeft
aangewend om den Matterhorn te bestijgen; maar hij verhaalt ook in
alle bijzonderheden zijne bestijgingen van den Pelvoux (die vóór hem
slechts door den heer Puiseux, hoogleeraar in de sterrekunde aan de
Sorbonne, was beklommen), van de Pointe des Ecrins, den berg Dolent,
den Grand-Cornier, de Dent-Blanche, de Aiguille-Verte en vele andere
toppen; benevens de niet minder belangrijke tochten door de passen
(cols) van Breuil, van La Brèche, van Pilatte, van Triolet, van
Hérens, van Talèfre, enz. Er is dus geen gebrek aan verscheidenheid
en evenmin aan boeiende episoden.

Den 23sten Juli 1860 vertrok de heer Whymper van Londen, om zijne
eerste reis door de zwitsersche Alpen te ondernemen: eene reis,
die niet anders was dan een verkenningstocht. De heer Whymper trok
hierheen en daarheen, en doorkruiste het land in alle richtingen,
zonder zich ergens te vestigen. Maar hij had de bergen, wier latere
beklimming hij zich had voorgenomen, nauwkeurig bestudeerd en uit
verschillende oogpunten geteekend. Als een voorzichtig veldheer,
had hij zich vooraf zorgvuldig met het terrein bekend gemaakt.

In 1861 begaf hij zich rechtstreeks naar den Pelvoux, waaromtrent
hij trouwens niet dan zeer onvolledige inlichtingen had kunnen
inwinnen, hoofdzakelijk geput uit de werken van Elie de Beaumont
en J.D. Forbes. Het was hem onbekend, dat de heer Puiseux reeds in
1848 den top des bergs had beklommen: de bewoners der omliggende
valleien zelven hadden dat reeds zoo goed als geheel vergeten. In de
maand Augustus 1860 hadden de heeren Bonney, Hawkshaw en Mathews, met
Michel Croz uit Chamonix tot gids, gepoogd den Pelvoux te beklimmen;
maar na verscheidene dagen en nachten in vruchtelooze pogingen te
hebben verspild, waren zij door het slechte weder genoodzaakt geweest,
hun plan op te geven. Een wegopzichter, Jean Reynaud genaamd, dien
zij op hun tocht hadden medegenomen, schreef de mislukking aan het
te ver gevorderde saizoen toe. De heer Whymper, den raad van Reynaud
volgende, kwam dus in de eerste dagen van Augustus 1861 te La Bessée,
een dorp in de vallei der Durance, waar hij tegen den 3den dier maand
zijn vriend en landgenoot Macdonald bescheiden had.

Wij zullen nu hem zelven de beklimming van den Pelvoux laten verhalen.

"Van La Bessée kan men zeer duidelijk alle toppen van den Mont-Pelvoux
onderscheiden, zoowel den hoogsten top als dien, waarop de fransche
ingenieurs hunne pyramide hadden opgericht. Reynaud en al de bewoners
der vallei waren met de eigenlijke gesteldheid zeer slecht bekend. Men
wist alleen dat de ingenieurs een piek hadden beklommen, waar zij een
nog hoogeren top hadden ontdekt, dien zij de Pointe des Arcines of
des Ecrins hadden genoemd. Maar men kon niet zeggen of deze laatste
top te La Bessée zichtbaar was, en kon ook evenmin den top aanwijzen,
waarop de pyramide was verrezen. Naar onze meening werd de hoogste top
door andere kruinen aan ons oog onttrokken, en zouden wij deze laatsten
eerst moeten beklimmen,  om de eigenlijke spits des bergs te bereiken.

"Van de beklimming door den heer Puiseux wisten de boeren niets af:
volgens hun zeggen, was de hoogste top van den Pelvoux nog nooit
door iemand beklommen geworden: het was juist die top, dien wij
bestijgen wilden.

"Ons vertrek werd alleen nog maar vertraagd door de afwezigheid van
Macdonald en door het gemis van een stok. Reynaud stelde ons voor,
een bezoek te gaan afleggen bij den postdirecteur, die een Alpenstok
bezat, in den ganschen omtrek bekend en beroemd. Wij begaven ons naar
het kantoor, maar het was gesloten; wij riepen zoo luid wij konden door
de reten van de deur; geen antwoord. Eindelijk echter ontdekten wij
den postdirecteur,  blijkbaar bezig met zich te bedrinken, waarin hij
reeds tot eene vrij aanmerkelijke hoogte geslaagd was. Nauwelijks had
hij ons gezien, of hij riep uit, zoo goed en zoo kwaad als het ging:
"Frankrijk is ... de eerste natie ... der ... der ... wereld!" Wij
spraken hem natuurlijk niet tegen, maar trachtten hem aan het verstand
te brengen, waarom wij eigenlijk gekomen waren. De beroemde stok kwam
dan ook voor den dag: het was een tak van een jongen eik, ongeveer
een el en zeventig duim lang, krom en vol kwasten.

"Mijnheer, herhaalde de postdirecteur, terwijl hij ons den stok ter
hand stelde: Frank ... rijk, weet ge, dat is de ... eerste ... de
eerste ... natie der ... wereld, om haar, haar...."

"Hij zweeg.

"Haar stokken, fluisterde ik hem toe.

--Juist, mijnheer ... juist ... om haar ... stokken, om haar
... haar...."

Maar verder kon hij het niet brengen. Toen ik een blik wierp op
dien broozen staf, dacht ik niet zonder eenige ongerustheid aan mijne
eigene zwakheid; maar Reynaud, die het gansche dorp op zijn duim kende,
verzekerde mij dat er geen beter te vinden was. Wij verwijderden ons
dus met den beroemden stok, en lieten den eigenaar op den weg achter,
al waggelende en zwaaiende en steeds herhalende: "Frankrijk is het
eerste land der wereld!"

"De 3de Augustus brak aan; Macdonald was niet verschenen, en wij
begaven ons dus op weg naar de Vallouise. Ons gezelschap bestond
uit drie personen: Reynaud, mijn persoon en een drager, Jean
Casimir Giraud, de schoenmaker van La Bessée, de "kleine spijker"
bijgenaamd. Na anderhalf uur fiks doorgestapt te hebben, kwamen wij
te Ville-Vallouise, opgetogen door het gezicht op de trotsche toppen
van den Pelvoux, die zich stralend verhieven naar den wolkeloozen
hemel. Ik hernieuwde de kennismaking met den maire van Ville. Hij
was een degelijk man, met innemende manieren, maar hij verspreidde
een bijkans ondragelijken stank, zoo als trouwens de meeste bewoners
dezer valleien.

"Reynaud had welwillend op zich genomen, voor de levensmiddelen te
zorgen; maar juist toen wij gereed stonden te vertrekken, zag ik,
tot mijn groote spijt, dat hij van mijn goed vertrouwen gebruik had
gemaakt om een klein vaatje wijn mede te nemen, dat ons al dadelijk
tot grooten overlast was. Het was natuurlijk uiterst ongemakkelijk,
dit vaatje in de hand te houden. Reynaud probeerde om het te dragen,
maar gaf het weldra over aan Giraud, die er ook al spoedig genoeg
van had; eindelijk hingen zij het op aan een stok, dien zij op hunne
schouders droegen.

"Te Ville verdeelt de Vallouise zich in twee takken: de val
d'Entraignes ter linker, en het dal van Alefred (of Ailefroide) ter
rechterhand; onze weg liep door dit laatste dal bergopwaarts. Wij
stapten zonder ophouden door naar het dorp La Pisse, waar Pierre
Sémiond woonde, die, naar het algemeene zeggen, beter dan eenig ander
bewoner der vallei, met den Pelvoux bekend was.

"Deze man maakte op ons een zeer gunstigen indruk; ongelukkig was
hij ziek en kon dus niet met ons medegaan. Echter beval hij ons
zijn broeder aan, een goedaardig bejaard man, wiens gerimpeld en
ingevallen gelaat hem juist niet als gids zou hebben doen verkiezen;
maar wij hadden geen keus, en togen dus met hem op weg.

"Boomen van allerlei soort, waaronder vooral noten, omzoomden het pad;
de koele, verkwikkende lommer gaf ons nieuwe krachten; beneden ons,
in eene prachtige kloof, bruiste de bergstroom, ontsprongen aan de
eeuwige sneeuwvelden, die wij den volgenden morgen hoopten te betreden.

"Te Ville kan men den Pelvoux niet zien: hij schuilt daar weg achter
een anderen berg, langs welks voet wij nu wandelden, op weg naar
de chalets van Alefred of Ailefroide, zooals zij somtijds genoemd
worden, waar de eigenlijke berg begint. Van deze chalets gezien,
schijnen de lagere, maar meer nabijzijnde toppen de meer verwijderde
bergen, aanmerkelijk in hoogte te overtreffen, hoewel dit inderdaad
niet het geval is; somwijlen verbergen zij die geheel. Maar met een
enkelen oogopslag overziet men hier, in zijn volle hoogte, den top,
die in deze valleien onder den naam van den "Grand-Pelvoux" bekend
is, en wiens schier loodrechte rotswanden zich tot eene hoogte van
omstreeks drie-en-twintighonderd el uit het dal verheffen.

"De chalets van Ailefroide zijn niet anders dan een handvol
armoedige houten hutten, aan den voet van den Grand-Pelvoux, nabij de
samenvloeiing der beeken, die van den gletscher van Sapenière of van
Selé ter linkerhand, en de Witte en Zwarte gletschers ter rechterhand
afdalen. Wij vertoeven hier eenige minuten om wat melk en boter te
koopen; Sémiond nam ook een afzichtelijk leelijken knaap mede, om
ons vaatje te helpen dragen, duwen en voortrollen.

"Nadat wij de chalets van Ailefroide verlaten hadden, sloegen wij
eensklaps links af: daar de zon naar het westen neigde, kwam ons nu
de schaduw der bergen ten goede. Men kan zich moeielijk een droeviger
en naargeestiger landschap denken, dan deze sombere vallei; mijlen ver
ziet men hier niets dan omgevallen rotsblokken, hoopen steen, zand en
slijk; de zeer weinige boomen staan zoo hoog, dat zij ter nauwernood
zichtbaar zijn. Geen menschelijk wezen is hier te bespeuren. De lucht
heeft geen vogelen en het water geen visschen; de berghellingen, te
steil voor de gemzen, bieden ook nergens eene schuilplaats aan voor
marmotten; de arenden zelfs vermijden dit onherbergzaam oord. Vier
dagen achtereen zagen wij in deze woeste en dorre vallei geen enkel
levend wezen, met uitzondering van eenige arme geiten, die zeer tegen
haar zin naar deze wildernis waren gevoerd.

"Deze vallei was inderdaad een passend tooneel voor het vreeselijk
drama, dat, omstreeks vierhonderd jaar geleden, hier werd opgevoerd,
en wel in de grot, die wij nu hoog boven ons aanschouwen, in de
Balme-Chapelu:--den  moord der Waldenzen van Vallouise. Eene treurige
en jammerlijke geschiedenis is de hunne! Sedert meer dan driehonderd
jaren bewoonden zij deze afgelegen valleien, afgezonderd van de wereld,
in stilte arbeidende voor hun dagelijksch brood. De aartsbisschoppen
van Embrun hadden bij herhaling, maar te vergeefs, gepoogd, hen door
overreding in den schoot der kerk terug te brengen; anderen sloegen,
om dit doel te bereiken, een anderen weg in: zij begonnen hen te
vervolgen, te kwellen en te pijnigen, en eindigden met hen in massa
levend te verbranden. Zoo werden, op den 22sten Mei 1393, tachtig
personen uit de valleien van Freis-senières en van Argentière, en
honderdvijftig personen uit Vallouise te Embrun verbrand.

In het jaar 1488 beraamde Alberto Cattaneo, aarts-diaken van Cremona
en legaat van Paus Innocentius VIII, een algemeenen aanval tegen de
Waldenzen; maar door de Waldenzen van Piemont overal terug geslagen,
verliet hij hunne valleien, en trok den Mont-Genèvre over om de
Waldenzen van Dauphiné aan te tasten, die zwakker in aantal en meer
verspreid waren. Cattaneo verscheen in de vallei van de Durance, aan
het hoofd van een leger, dat, naar men zegt, half uit soldaten en
half uit vagebonden, dieven en moordenaars bestond; om deze lieden
tot zich te lokken en bijeen te houden, beloofde hij hun vooruit
kwijtschelding van al hunne misdaden, ontsloeg hen van de geloften
die zij mochten hebben afgelegd, en verzekerde hun het bezit van
alles wat zij met geweld verworven hadden.

"De bewoners van de Vallouise vluchtten op de nadering van dit
leger, tienmaal sterker dan hun aantal, en verscholen zich in deze
grot, waar zij een voorraad van levensmiddelen, voldoende voor twee
jaren, hadden bijeengebracht. Maar hun verbitterde vijand ontdekte
hunne schuilplaats. Cattaneo had in zijn leger een hoofdman, wiens
wreedheid wedijverde met zijne sluwheid: met behulp van touwen
liet hij zijne soldaten tot voor den ingang der grot zakken, waar
zij groote hoopen takkebossen in brand staken; de meeste Waldenzen,
die hier eene wijkplaats hadden gezocht, kwamen door het vuur en den
rook om; zij die aan de vlammen ontsnapten werden vermoord. Zonder
onderscheid van ouderdom of kunne, werden allen meedoogenloos om het
leven gebracht. Naar men zegt, verloren meer dan drieduizend menschen
bij deze gelegenheid het leven. Al wat in driehonderd-vijftig jaren
van vreedzamen arbeid was verkregen, werd met één slag vernietigd;
de vallei werd geheel ontvolkt. Ruim drie en een halve eeuw zijn
sedert verloopen; de vallei is ledig en woest gebleven.

"Na een poos bij eene kleine bron gerust te hebben, hervatten
wij onzen marsch tot wij bijna aan den voet van den gletscher van
Sapenière waren gekomen; daar sloegen wij, op aanwijzing van Sémiond,
rechts om, en begonnen de helling van den berg te bestijgen. Wij
klauterden naar boven, tusschen denneboomen en geweldige rotsblokken
door. De nacht naderde met rassche schreden; het was hoog tijd een
onderkomen te zoeken. Dit was trouwens niet moeilijk te vinden,
want wij bevonden ons te midden van een waren chaos van rotsen. Wij
besloten den nacht door te brengen onder een geweldigen steenklomp,
die meer dan vijftien ellen lang en zes ellen hoog was. De bodem word
schoon gemaakt, en hout bijeengezameld om vuur te kunnen maken.

"Dit bivouak is niet uit mijne herinnering geweken. Het vaatje wijn was
veilig en behouden tot hier gebracht; nu werd het open gestoken, en het
alles behalve smakelijke vocht scheen den Franschen wel te bevallen en
hunne levensgeesten op te wekken. Reynaud zong eenige fransche liedjes,
en ieder droeg verder het zijne bij tot de algemeene gezelligheid
door lied, verhaal of grap. Het was prachtig weer, en alles beloofde
voor morgen een fraaien dag. De vroolijkheid mijner gezellen steeg ten
top, toen ik een pakje rood bengaalsch vuur in de vlammen wierp. Het
effect dezer plotselinge verlichting was tooverachtig schoon; maar het
wondervolle schouwspel duurde slechts eenige sekonden: toen verzonken
de bergen rondom ons weer in hun plechtig geheimzinnig duister. Voor
en na schikte ieder van ons zich ter ruste; eindelijk wikkelde
ook ik mij in mijn reisdeken. Die voorzorg was haast niet noodig,
want de thermometer daalde niet lager dan veertig graden Fahrenheit,
hoewel wij ons op eene hoogte van minstens drie-en-twintig-honderd
el boven de zee bevonden.

"Om drie uur ontwaakten wij; echter gingen wij niet voor half vijf op
weg. Giraud behoefde niet verder mede te gaan dan tot deze rots; maar
op zijn verlangen,  kreeg hij vergunning ons te mogen vergezellen. Met
frisschen moed de steilten beklimmende, hadden wij weldra de grens der
boomen bereikt; toen moesten wij gedurende twee uren voortklauteren
tusschen door elkaar geworpen rotsklompen. Kwart voor zeven uur hadden
wij een smallen gletscher--den Clos de l'Homme--bereikt, die van de
bovenste bergvlakte afdaalt, en kort daarna waren wij op de hoogte van
den gletscher van Sapenière. Wij trachtten eerst rechts af te houden,
in de hoop dat het niet noodig zou zijn den gletscher over te steken;
maar wij moesten telkens op onze schreden terugkeeren, en kwamen
weldra tot de overtuiging dat die tocht niet was te vermijden. De oude
Sémiond had een zeer sterken afkeer voor gletschers, en deed al het
mogelijke om deze gevaarlijke expeditie te voorkomen; maar Reynaud
en ik wilden die liever wagen, en Giraud sloot zich bij ons aan. De
gletscher was smal, niet veel breeder dan een steenworp, en het ging
gemakkelijk genoeg de zijde te beklimmen; maar het midden vormde een
steilen koepel, waarin wij gaten moesten hakken om onze voeten in te
zetten. Giraud ging aan de spits, zeggende dat hij zich oefenen wilde;
en onze bijl nemende, wilde hij die niet meer teruggeven. Dien dag,
en ook later, zoo dikwijls wij ons een weg moesten banen door kloven
en spleten met verharde sneeuw opgevuld,--hetgeen hooger op den berg
telkens het geval was--deed hij alleen al het werk, en wel op de
voortreffelijkste wijze.

"Nadat wij den gletscher waren overgestoken, voegde de oude Sémiond
zich weer bij ons. Wij klauterden nu, zigszagsgewijze, tegen eenige
met sneeuw bedekte hellingen op, en begonnen spoedig daarna de
schier eindelooze reeks van contreforten te bestijgen, die een der
kenmerkende trekken van den Pelvoux zijn. Op sommige punten zeer
steil, vormen zij over het geheel een stevigen en vasten grondslag, en
onder die omstandigheden is eene beklimming eigenlijk nooit moeilijk
te noemen. Tusschen die contreforten bevinden zich talrijke kloven
en ravijnen, somwijlen zeer breed en zeer diep. Voor het meerendeel
waren zij met steenen en puin gevuld, en zonder hulp zou het voor een
toerist alleen moeielijk zijn geweest, er door te komen. Zij die aan
de spits van onze kleine karavaan gingen, waren telkens genoodzaakt
steenklompen op zijde te duwen, en hunne makkers met hunne stokken te
hulp te komen. Intusschen brachten deze incidenten eenige afwisseling
in onzen tocht, die mij anders vrij vervelend zou hebben geschenen.

"Zoo klauterden wij tegen steilten, kloven en ravijnen op, telkens
geloovende het doel bereikt te hebben, dat ons gedurig ontweek. Wij
stonden aan den voet van een geweldig contrefort, omstreeks
vijf-en-zestig el hoog, en beschouwden nauwkeurig het bovenste gedeelte
dezer rotspyramide. Wij konden den top niet onderkennen; maar, naar
onze meening, moest zich toch achter deze lijn van bolwerken ergens
een top bevinden, en die top zou tevens wel de rand zijn van het
bergplateau, waarnaar wij zoo vurig verlangden. IJverig naar boven
klauterende, stonden wij straks op een top; maar, helaas! daarachter
zagen wij er nog een, en nog een, en dan nog een.... Eindelijk hadden
wij het hoogste toppunt bereikt; maar wij stonden wederom op een
contrefort, en moesten een vijftien of twintig el afdalen om dan weer
te klimmen. Deze oefening, eenige dozijnen malen herhaald, viel ons
des te moeielijker, omdat wij werkelijk niet meer wisten waar wij ons
eigenlijk bevonden. Sémiond sprak ons echter moed in: hij was zeker,
zeide hij, dat wij op den goeden weg waren. Wij begonnen dus met
frissche krachten onze verschrikkelijke vesting te bestormen.

"Het was bijna middag geworden, en wij waren nog altijd even ver van
den top van den Pelvoux, als toen wij onzen tocht begonnen. Eindelijk
stonden wij stil om te overleggen.

"Sémiond, oude jongen, weet gij waar wij nu zijn?

--O ja, zeker: op een half uur afstands van de sneeuw.

--Heel goed; dan maar voorwaarts."

"Een half uur verliep, daarna nog een, en er was nog niets veranderd:
allerwege bastions, contreforten, pyramiden, ravijnen, maar van het
plateau was niets te bespeuren. Sémiond wierp angstige blikken om
zich, alsof hij niet geheel zeker was van de richting, die wij volgen
moesten. Wij riepen hem aan, en nogmaals deed ik hem dezelfde vraag.

"Hoe ver zijn wij nu van het plateau?

--Een half uur, antwoordde hij.

--Maar dat hebt ge straks ook al gezegd: weet ge zeker dat wij op
den goeden weg zijn?

--Ja, dat geloof ik wel."

Hij geloofde het: dat was niet genoeg.

"Weet ge zeker dat wij rechtstreeks naar de piek des Arcines klimmen?

--De piek des Arcines! riep hij heel verwonderd, alsof hij die woorden
voor de eerste maal hoorde. De piek des Arcines! Neen! maar wij gaan
in rechte lijn naar de pyramide, naar de beroemde pyramide, die ik
den vermaarden kapitein Durand heb helpen oprichten, enz."

"Wij hadden een ganschen dag met hem over die piek gesproken, en nu
kwam het uit dat hij die zelfs niet kende. Ik keerde mij tot Reynaud,
die als verplet stond.

"Wat zegt hij? vroeg ik hem.

"Reynaud haalde de schouders op.

"Wij gaven Sémiond nog eens duidelijk te kennen wat wij begeerden,
en beduidden hem dat wij liever zouden terugkeeren, want dat wij ons
in het minst niet bekommerden om zijne pyramide.

"Na een uur gerust te hebben, begonnen wij dus weder af te dalen;
wij hadden bijna zeven uren noodig om onze rots te bereiken, waar wij
hadden overnacht; maar ik rekende den afstand niet, en weet mij niets
meer te herinneren van dien fatalen tocht. Nauwelijks waren wij beneden
gekomen, of wij deden eene ontdekking, die ons niet minder verraste,
dan het gezicht van een voetstap in het zand van zijn eiland eenmaal
Robinson verbaasde: nabij onzen uitgebranden vuurhaard lag een blauwe
sluier op den grond. Er was maar ééne verklaring van dit verschijnsel
mogelijk: Macdonald was gekomen; maar waar was hij dan? Haastig rapen
wij onze kleine bagage bijeen, en dalen, al tastende, in den donker,
door deze woestijn van steenen, naar Ailefroide, waar wij tegen half
tien aankomen.

"Waar is de engelsche heer?" dat was onze eerste vraag. Hij was naar
Ville gegaan om daar te overnachten.

"Wij behielpen ons voor dien nacht, zoo goed het ging, op een
hooizolder; en den volgenden morgen, na met Sémiond afgerekend te
hebben, daalden wij de vallei af om Macdonald op te zoeken. Ons
plan was reeds vastgesteld: wij zouden hem overreden met ons te
gaan, en dan zouden wij onzen tocht hervatten, maar nu zonder gids;
de sterkste en verstandigste mijner metgezellen zou dan als drager
dienst kunnen doen. Ik had daarbij bepaaldelijk aan Giraud gedacht,
een flinke kerel, altijd gereed om alles aan te vatten en toch zonder
eenige pretensie. Maar wij werden bitter teleurgesteld: hij moest
noodzakelijk naar Briançon gaan.

"Onderweg hadden wij allerlei oponthoud. De boeren, die wij
tegenkwamen, vroegen ons, hoe het met onzen tocht was afgeloopen, en de
beleefdheid vorderde dat wij stilhielden om te antwoorden. Intusschen
vreesde ik, dat Macdonald mij ontsnappen zou, want, naar men ons
mededeelde, zou hij niet langer dan tot tien uur op ons wachten,
en die termijn was welhaast verstreken. Wij liepen dus zoo hard wij
konden. Eindelijk stond ik op de brug te Ville, juist vijf kwartier
nadat wij Ailefroide verlaten hadden; hier hield een wegwerker mij
tegen, met het bericht dat de engelsche heer naar La Bessée was
vertrokken. Ik spoedde mij voort, en liep een poos haastig over
den weg, zonder hem te zien; maar eindelijk, bij het omslaan van
een nieuwen hoek, bespeurde ik Macdonald, met snellen tred voor mij
uitgaande. Ik riep hem aan; gelukkig hoorde hij mij, en wij keerden te
zamen naar Ville terug. Daar voorzagen wij ons van nieuwen voorraad;
en nog dien eigen middag stegen wij bergopwaarts tot voorbij de rots,
waar ik den vorigen keer had overnacht. Zooals ik gezegd heb, hadden
wij ons voorgenomen ditmaal geen gids te nemen; maar toen wij te La
Pisse kwamen, bood de oude Sémiond ons zijne diensten aan. Ondanks
zijne jaren, kon hij nog zeer goed loopen, en Macdonald was van
oordeel dat wij beter deden hem mede te nemen. Ik bood hem een vijfde
van zijne vroegere belooning, en hij nam zonder bedenken mijn aanbod
aan; maar ditmaal vervulde hij eene meer ondergeschikte betrekking:
wij zouden den weg wijzen, hij had slechts te volgen. Onze tweede
metgezel was een jonkman van zeven-en-twintig jaar, die ons weinig
reden tot tevredenheid gaf. Hij dronk den wijn van Reynaud, rookte
onze sigaren, en hield zeer kalm onze provisiën achter, toen wij half
dood waren van honger.

"Toen het avond geworden was, sloegen wij ons bivouak op, hoog boven
de grenslijn der boomen, zoodat wij het noodige hout op vrij grooten
afstand moesten gaan halen. De rots, die ons ditmaal tot schuilplaats
strekte, was daartoe veel minder geschikt dan die, waaronder ik den
eersten nacht had doorgebracht. Om eene geschikte plaats te kunnen
vinden, moesten wij eerst een zwaren steenklomp uit den weg ruimen;
aanvankelijk gelukte dit niet, maar eindelijk kwam er toch beweging
in den klomp, en begon hij te rollen, eerst langzaam, en toen al
sneller en sneller; eindelijk nam de steen zijn vaart, en stortte,
van rots tot rots springende, in de diepte neder. Telkens als hij
tegen een rotspunt sloeg, spatte er een regen van vonken omhoog,
die den somberen afgrond zonderling verlichtten. Lang nadat wij den
steenklomp uit het oog verloren hadden, hoorden wij hem nog van de
eene rots op de andere springen, tot hij eindelijk met een doffen slag
nederkwam op den gletscher. Toen wij naar ons bivouak terugkeerden,
vroeg Reynaud of wij nooit eene brandende beek hadden gezien. Volgens
zijn zeggen, voert de Durance, in de lente, als zij door het smelten
der sneeuw gezwollen is, zoo veel rotsblokken en steenen mede, dat
men te La Bessée, waar de bedding zeer smal is, geen water meer ziet,
maar alleen steenklompen, die over elkander voortrollen en met zooveel
geweld tegen elkaar botsen, dat geheele zwermen van vonken omhoog
spatten, alsof de beek zelve vlam had gevat.

"Wij brachten een vroolijken avond door; het was prachtig weder;
rustig op onzen rug liggende, genoten wij ten volle van de stilte om
ons heen, en verkwikten ons hart door den aanblik van den onmetelijken,
met fonkelende sterren bezaaiden hemel. Macdonald deelde mij zijne
reisavonturen mede. Dagen achtereen, had hij bijna dag en nacht
doorgewandeld om mij in te halen; maar hij had ons eerste bivouak
niet kunnen vinden, en had eenige honderden ellen van ons af, hooger
op den berg, onder eene andere rots overnacht. Den volgenden morgen
werd hij ons gewaar, terwijl wij, hoog boven hem, bezig waren tegen
eene steilte op te klauteren; maar daar hij ons toen onmogelijk kon
bereiken, onderwierp hij zich aan zijn lot, en bleef ons, met kloppend
hart, nastaren, tot eene kromming van de rots ons aan zijn oog onttrok.

De zware ademhaling onzer makkers, die in diepen slaap lagen gedompeld,
verbrak alleen de onuitsprekelijk plechtige, hartaangrijpende
stilte. Maar wat is dat? Luister! Wat beteekent dat onheilspellend
gerucht hoog boven ons? Ik hoor het weder, en duidelijker dan
straks;--het komt al nader en nader ... het is een rotsblok, dat van de
bergwanden boven ons is losgeraakt. Wat schrikwekkend gerucht! In een
oogwenk zijn wij allen op te been. Het rotsblok nadert met vreeselijk
geweld: wie kan het in zijn vernielende vaart tegenhouden? Het rolt
en springt en vliegt en stoot en botst tegen andere rotsen, dat de
stukken en splinters er afstuiven; brullende en loeiende ijlt het den
gapenden afgrond tegen. Goddank! het is ons voorbij gerold!... Neen,
daar is het weer.... Wij houden onzen adem in, als de steenklomp, door
eene onweerstaanbare kracht voortgeslingerd, met donderend geraas,
alsof eene gansche batterij nevens ons werd afgevuurd, pijlsnel, even
beneden ons bivouak, nederstort, gevolgd door een wolk van ratelende
steenen en kletterend gruis. Het is voorbij; en wij ademen vrijer,
als wij het gevaarte eindelijk op den gletscher, diep beneden ons,
hooren nederploffen.

"Wij keerden naar ons bivouak terug, maar ik was te opgewonden om
te kunnen slapen. Kwart over vieren nam ieder onzer zijn reiszak
weder ter hand, en hervatten wij onzen tocht. Ditmaal waren wij
overeengekomen, zooveel mogelijk rechts te houden, om zoodoende
het plateau te bereiken, zonder onzen tijd te verspillen met het
oversteken van den gletscher. Ik heb niet noodig nogmaals onzen
marsch te beschrijven: het zou slechts herhaling zijn van het
vroeger gezegde. Gedurende anderhalf uur klommen wij snel naar boven,
soms loopende, maar doorgaans met handen en voeten klauterende, om
eindelijk tot de overtuiging te komen, dat wij toch den gletscher
moesten oversteken. Ter plaatse waar wij nu den gletscher betraden,
was hij zeer steil en vol spleten en groote diepe gaten en kloven. De
grootste moeilijkheid was, den top te bereiken; maar met behulp van
ons touw, kwamen wij toch zonder ongeval aan de overzijde. Daar begon
op nieuw de oneindige reeks van contreforten en bolwerken. Uren lang
moesten wij onophoudelijk klimmen, waarbij wij ons dikwijls vergisten
en dan genoodzaakt waren weer af te dalen.

"Al klimmende, was de bergketen achter ons langzamerhand gedaald: over
de toppen heen, konden wij in de verte den majestueusen Monte-Viso
onderkennen. Inmiddels verliep de tijd: de uren volgden elkander
snel op, en nog altijd was er geene verandering te bespeuren. Om
twaalf uur hielden wij stil om te ontbijten, terwijl wij onze blikken
lieten dwalen over het indrukwekkende panorama, dat zich hier voor
ons uitbreidde: met uitzondering alleen van den Viso, waren alle
bergtoppen die wij konden zien lager dan de plek, waar wij ons
bevonden; wij overzagen eene onmetelijke ruimte, een oceaan van
bergspitsen, rotsen en sneeuw. Toch verhieven zich de bolwerken en
contreforten van den geweldigen berg nog altijd boven ons, en algemeen
hielden wij ons overtuigd, dat wij dien dag den top van den Pelvoux
niet zouden zien. De oude Sémiond was ons een voortdurende ergernis:
zoodra een van ons een oogenblik stilstond om zich te oriënteeren,
begon hij te lachen en zeide met domme zelfvoldoening: "Wees niet bang,
volg mij maar."

"Eindelijk kwamen wij aan eene steile glooiing, geheel met losse
steenen en blokken bedekt, die nergens een vast steunpunt voor den voet
aanboden, Reynaud en Macdonald klaagden over vermoeienis en stelden
voor, hier te blijven overnachten. Echter ontdekten wij een punt,
waar wij verder konden komen; en een onzer, ik weet niet meer wie,
riep eensklaps: "Kijkt eens naar den Viso!" En inderdaad scheen het,
of de berg beneden om lag. Wij begonnen dus weer met frisschen moed
te klauteren, en eindelijk zagen wij den kop van den gletscher, ter
plaatse waar hij van het hoogste plateau afdaalt. Dit gezicht vervulde
ons met nieuwe hoop, die ditmaal niet bedrogen werd; met een luiden
vreugdekreet begroetten wij de verschijning der zoo vurig begeerde
sneeuwvelden. Eene breede kloof gaapte nog tusschenbeiden, maar wij
ontdekten eene brug, en ons aan elkander vastbindende, trokken wij
in eene rij achter elkander veilig daarover heen. Terwijl wij ons op
die natuurlijke brug bevonden, verhief zich een fraaie, geheel met
sneeuw bedekte bergtop voor ons. De oude Sémiond riep eensklaps:

"De pyramide! Ik zie de pyramide!

--Waar dan, Sémiond, waar?

--Daar, op den top van dien berg."

"En waarlijk, daar stond de pyramide, die hij ruim dertig jaar geleden
mede had helpen oprichten. Maar waar is dan toch de piek des Arcines,
die wij moesten zien? Die was nergens te bespeuren. Wij zagen niets dan
eene uitgestrekte sneeuwvlakte, begrensd door drie lagere toppen. Een
weinig teleurgesteld en ontmoedigd, trokken wij voort naar de pyramide,
zeer spijtig dat wij geen anderen top konden beklimmen; maar nauwelijks
hadden wij tweehonderd schreden in die richting afgelegd, of daar
zagen wij aan onze linkerhand een prachtigen witten kegel, die tot
dusver door een sneeuwheuvel aan ons oog was onttrokken. "De piek des
Arcines!" riepen wij verrast uit, en vroegen tegelijk aan Sémiond
of die top ook, voor zoo ver hij wist, reeds vroeger was bestegen
geworden. Hij wist niets anders, dan dat die top daar voor ons de
Pyramide heette, en dat hij dertig jaar geleden, enz. enz.; ook wist
hij dat sedert dien tijd niemand dien top had beklommen.--"Dan is
alles in orde. Rechts-om-keert!" riep ik, en dadelijk wendden wij ons
rechts, en begaven ons naar den kegel, terwijl de arme Sémiond nog
eenige zwakke pogingen aanwendde om ons naar zijne geliefde pyramide
mede te troonen. Nauwelijks hadden wij een eind wegs afgelegd, of
wij stuitten tegen den rand van een smallen dam, die de beide toppen
verbond, en die een fraaien hollen boog vormde. Wij waren onzes ondanks
gedwongen, op onze schreden terug te keeren. Sémiond, die de rij sloot,
maakte zich los van het touw en weigerde verder mede te gaan; het was
te gevaarlijk, zeide hij en sprak van spleten en kloven. Wij bonden
hem weder vast, en hervatten onzen tocht. De sneeuw was zeer zacht,
wij zakten er altijd tot aan de knieën en somwijlen tot den gordel in;
maar eene fiksche beweging van voren naar achteren maakte ons telkens
weer vrij. Zoo kwamen wij aan den voet van de hoogste piek. Daar de
dam ter linkerhand ons beter en veiliger toescheen, dan die waarop
wij ons nu bevonden, beschreven wij een halven cirkel om dien dam te
bereiken. Ter hoogte van vijftig el onder den top, staken eenige rotsen
boven de sneeuw uit. Wij klauterden, al kruipende, daar tegen op, en
lieten onzen drager achter, die gansch niet op zijn gemak was. Toen
ik hem verliet, kon ik niet aan de verzoeking weerstaan, om hem te
wenken ons te volgen, en hem toe te roepen: "Wees niet bang, volg mij;"
maar hij luisterde daar niet naar en liet zich niet overhalen om den
top te beklimmen. De rotsen liepen uit op een korten ijsdam, dien wij
over moesten gaan, waarbij wij aan de eene zijde het plateau, aan de
andere een bijna loodrechten afgrond hadden. Macdonald hakte gaten
in het ijs; en ten kwart voor twee uur, drukten wij elkander de hand
op den hoogston top van den grooten Pelvoux, nu eindelijk gewonnen.

"Het weder was ons voortdurend zoo gunstig mogelijk geweest. Van verre
en nabij verhieven zich tallooze spitsen en toppen in de heldere lucht,
terwijl geen enkel wolkje het alom stralende licht verduisterde. In
de eerste plaats werden onze blikken geboeid door den koning der
Alpen, door den Mont-Blanc, ruim zeventig mijlen van ons verwijderd;
verder op vertoonde zich de groep van den Mont-Rose. Oostwaarts
verhieven zich lange reeksen van onbekende bergtoppen, stralende in
weergaloozen glans; hun toon werd al flauwer en flauwer, toch behielden
zij al de zuiverheid en scherpte hunner lijnen en omtrekken; maar het
schemerende oog kon eindelijk de bergen niet meer van den eindeloozen
hemel onderscheiden, en aan den verren, verren horizon smolten zij
weg in zachte, blauwe tinten. De Monte-Viso stond daar voor ons in al
zijne grootheid; maar, daar hij nauwelijks veertig mijlen verwijderd
was, konden wij, over zijne rotsmuren heen, eene nevelachtige massa
onderscheiden: dat moest de vlakte van Piemont zijn. Die blauwe
nevel ten zuiden mocht wel de verre Middellandsche-zee zijn; ten
westen zagen wij tot aan gene zijde der bergen van Auvergne. In bijna
alle richtingen overschouwden wij dus hier een panorama van meer dan
honderd mijlen afstands. Niet zonder moeite wendden wij onze blikken
van deze verwijderde punten af, om acht te geven op hetgeen meer
in onze nabijheid was. Mont-Dauphin was zeer duidelijk zichtbaar;
maar wij hadden eenige moeite om La Bessée te ontdekken; geene andere
menschelijke woning was van hier te bespeuren;  alles was rots, sneeuw
of ijs. Wij wisten dat de sneeuwvelden van Dauphiné zeer uitgestrekt
waren, maar zoo groot en wijd uitgestrekt als ze nu bleken te zijn,
hadden wij ze ons toch nooit voorgesteld.

"Onmiddellijk ten zuiden van Château-Queyras, bijna tusschen ons en
den Viso, verhief zich een prachtige berggroep van zeer aanzienlijke
hoogte. Een weinig meer zuidwaarts verrees een andere, onbekende top,
schijnbaar nog hooger; en niet zonder verwondering ontdekten wij in
onze nabijheid nog een anderen berg, die den top waarop wij stonden
in hoogte overtrof. Althans dit kwam mij zoo voor; Macdonald hield
echter dien berg voor lager dan de Pelvoux, en Reynaud dacht dat hij
omstreeks even hoog was.

"Deze berg was niet meer dan twee mijlen van ons verwijderd; tusschen
hem en ons gaapte een vreeselijke afgrond, waarvan wij den bodem niet
konden zien. Aan de overzijde van dezen afgrond verrees een kolossale
piek, met loodrechte  wanden, zoo steil, dat de sneeuw er niet op kon
blijven liggen, zwart als de nacht, vol uitstekende scherpe punten,
en uitloopende in een smallen, spitsen top. Wij wisten niet, welke
berg dat was, daar wij die streek niet hadden bezocht. Naar onze
meening, moest La Bérarde beneden in den afgrond liggen, die zich
voor onze voeten opende; maar inderdaad lag dit dorp aan gene zijde
van dien anderen berg, die ons naderhand bleek de hoogste top van
de geheele groep te zijn, op de fransche kaarten aangeduid als de
Pointe des Ecrins. Van La Bessée of Vallouise is deze top echter
geheel onzichtbaar en verborgen achter den Pelvoux.

"Eindelijk maakten wij ons gereed om af te dalen en terug te keeren
naar Sémiond, dien wij bij de rotsen hadden achtergelaten. Ik liet
sneeuw smelten, en maakte het water aan de kook om thee te zetten. Na
een sigaar gerookt te hebben, zagen wij dat het tien minuten over
drieën was, en mitsdien hoog tijd om de reis te hervatten. De tocht
door de sneeuw duurde vijf-en-twintig minuten; wij moesten ons eenige
inspanning getroosten en gleden telkens uit; toen begonnen wij,
omstreeks vier uur, langs de rotsen af te klimmen. Om acht uur zou het
volslagen duister zijn; wij hadden dus geen oogenblik te verliezen en
gunden ons geen rust. Dit gedeelte van den tocht onderscheidde zich
door niets bijzonders. Wij hielden ons dicht bij den gletscher, dien
wij op dezelfde plaats als des morgens overstaken. Het verlaten van den
gletscher was ruim zoo moeilijk en zoo gevaarlijk als de overtocht. De
oude Sémiond had zonder ongeval de bezwaarlijke operatie volbracht;
ook Reynaud; maar Macdonald, die hen volgde, gleed uit terwijl hij
een groot ijsblok trachtte te beklimmen; ware hij niet stevig aan
het touw vastgebonden geweest, dan zou hij onmiddellijk in een diepe
kloof verdwenen zijn.

"Toen wij eindelijk allen weer op vasten bodem stonden, was het
bijna geheel duister geworden; maar toch voedde ik nog de hoop,
dat wij vóór den nacht onze rots zouden bereiken, om daar te kunnen
overnachten. Macdonald was daaromtrent minder gerust; en hij had
gelijk, want in het eind waren wij geheel aan het dwalen, en zwierven
een uur lang doelloos rond, terwijl Reynaud en Sémiond voortdurend
met elkander twistten. Daar wij niet verder konden dalen, moesten wij,
tot onze groote ergernis, blijven waar wij waren.

"Wij bevonden ons op eene hoogte van ruim drieduizend-vijfhonderd
el; en wanneer het ging sneeuwen of regenen, zoo als de wolken,
die zich om den Pelvoux samenpakten, en de opstekende wind schenen
te voorspellen, dan kon onze toestand vrij onpleizierig worden. Daar
wij sedert drie uren in den morgen bijna niets gegeten hadden, begon
de honger ons te kwellen; en het ruischen eener naburige beek, die
wij echter niet konden zien, verdubbelde onzen dorst, Sémiond wilde
water uit die beek gaan scheppen; het gelukte hem inderdaad haar te
bereiken, maar nu kon hij niet meer naar ons terugkeeren; om hem in
zijne gedwongene afzondering te troosten, riepen wij hem van tijd
tot tijd in den donker toe.

"Men zou moeilijk een minder geschikte plaats kunnen bedenken om den
nacht onder den blooten hemel door te brengen: de plek was geheel open
en onbeschut. Ons bivouak lag geheel bloot voor den ijskouden wind, die
van oogenblik tot oogenblik aanwakkerde; daarbij ontbrak het geheel aan
ruimte om ons door heen en weder te loopen eenigermate te verwarmen. De
grond was bedekt met steenen en gruis, die wij moesten wegruimen,
alvorens wij konden gaan zitten om te rusten. Deze gedwongen arbeid,
die ons aanvankelijk zuur genoeg viel, had althans dit voordeel,
dat ons bloed in beweging bleef en wij dus minder last van de koude
hadden. Na met dit wegruimen van steenen zoo wat een uur bezig te zijn
geweest, had ik althans een vrij terrein van ongeveer drie el lengte
verkregen, waar ik op en neder loopen kon. Reynaud maakte zich eerst
boos, en schold op den drager, naar wiens raadgevingen meer dan naar
de zijne geluisterd was; toen stelde hij zich aan als een wanhopige,
maakte allerlei heftige gebaren, wrong zich de handen en jammerde
luide: "O ramp, o ramp! Die ellendelingen!"

"Het duurde niet lang of het begon te donderen; zonder ophouden rolde
de donder en flikkerden de bliksemstralen tusschen de bergtoppen rondom
ons; de wind, die de temperatuur tot bijna op nul had doen dalen,
drong verstijvend door tot op ons gebeente. Huiverend zaten wij daar
bijeen, en onderzochten onzen voorraad. Wij hadden nog zes en een halve
sigaar, twee doosjes lucifers, een derde pint brandewijn met water,
en een halve pint wijngeest: een schrale voorraad voor drie toeristen,
die half dood waren van honger en koude, en die nog zeven uren moesten
wachten eer de dag aanbrak. De lamp met wijngeest werd aangestoken,
en wij warmden daarop het overschot van den wijngeest, den brandewijn
en een weinig sneeuw, alles te zamen. De drank was wel wat al te sterk;
maar toch zouden wij er gaarne meer van hebben gehad. Toen de voorraad
opgedronken was, poogde Macdonald zijn schoenen te drogen bij de vlam
van de lamp; daarop gingen wij alle drie onder mijn plaid liggen,
om zoo mogelijk wat te rusten. Ongelukkig werd Reynaud geplaagd door
eene vreeselijke kiespijn, die er juist niet toe bijdroeg om hem in
zijn humeur te brengen en ons een rustigen nacht te verzekeren.

"Maar zelfs aan de langste nachten komt toch een einde, en ook deze
ging voorbij als alle andere. In vijf kwartier volbrachten wij des
morgens den tocht bergafwaarts naar onze rots, waar wij onzen drager
vonden, schijnbaar zeer verbaasd over onze afwezigheid. Volgens
zijn zeggen had hij een groot vuur aangelegd om ons bij het afdalen
van dienst te zijn, en had hij den geheelen nacht door van tijd tot
tijd geroepen om ons te waarschuwen. Wij hadden niets van zijn vuur
bemerkt, noch zijn roepen gehoord. Hij beweerde dat wij er uitzagen
als spoken. Wat wonder! dit was de vierde nacht, dien wij in de open
lucht doorbrachten.

"Wij verfrischten ons zoo goed wij konden, en reinigden ons, wat
hoog noodig was. De bewoners dezer valleien hebben altijd eene
menigte van die kleine insecten bij zich, wier vlugheid wedijvert
met hun aantal en hunne gulzigheid. Het is gevaarlijk, die lieden
te dicht te naderen: men moet daarbij steeds letten op den wind en
zorgen dien in zijn voordeel te houden. Ondanks al deze voorzorgen,
liepen wij toch soms gevaar, binnen weinige oogenblikken levend
verslonden te worden. Trouwens, wij allen konden hoogstens rekenen op
een kortstondigen wapenstilstand in dezen noodlottigen krijg, want
de herbergen wemelen van dit gedierte, niet minder dan de huid der
inlanders. De plaatselijke traditie weet zelfs te verhalen van een al
te zorgeloos reiziger, die door een leger dezer gulzige folteraars uit
zijn bed werd gelicht! Maar dit feit eischt nadere bevestiging. Nog
een enkel woord, en ik stap van dit misselijk onderwerp af. Toen
wij, na ons gewasschen te hebben, bij ons gezelschap terugkeerden,
waren de Franschen onderling in gesprek. "O, zeide de oude Sémiond,
wat de vlooien betreft, maak ik er geen aanspraak op, anders te zijn
dan de anderen: ik heb er althans geen gebrek aan!" Ditmaal voor
't minst sprak hij stellig de waarheid.

"Wij daalden op ons gemak naar Ville af, waar wij eenige dagen
vertoefden en ons zoo goed mogelijk vermaakten, onder anderen
ook door het balspel, waarbij de dorpelingen ons altijd de baas
waren. Eindelijk, na een pleizierigen tijd hier in het schilderachtige
vlek te hebben doorgebracht, moesten wij van elkander afscheid nemen:
ik ging zuidwaarts naar den Monte-Viso, terwijl Macdonald naar
Briançon vertrok.

"De beklimming van den Pelvoux biedt weinig afwisseling aan: uit
mijn verhaal zelf is dit zeker duidelijk genoeg gebleken; toch durf
ik die beklimming aan de toeristen aanbevelen, ter wille van het
heerlijk uitzicht op den top. Met uitzondering alleen van den Viso,
die in dat opzicht geen wedergade heeft, zou ik geen anderen berg van
aanmerkelijke hoogte kunnen noemen, die een zoo volledig panorama van
de westelijke Alpen te aanschouwen geeft als de Pelvoux. Trouwens,
een blik op de kaart maakt dit van zelf begrijpelijk.

"Zeker was het, in zekeren zin, voor ons eene voldoening geweest,
te hebben ontdekt dat de piek, onder den naam van de Pointe des
Écrins bekend, een op zich zelven staande berg is, afgescheiden
van den Mont-Pelvoux, en niet diens hoogste top;--maar toch had die
ontdekking ons ook zekere teleurstelling gebaard.

"Naar La Bessée afdalende, verwarden wij ten onrechte deze piek met
den bergtop, dien men, van dit punt, tor linkerzijde van den Pelvoux
aanschouwt. De beide bergen gelijken zeer veel op elkander, zoodat
eene vergissing licht mogelijk is. Hoewel deze berg aanmerkelijk
hooger is dan de Wetterhorn of de Monte-Viso, voert hij toch geen
bijzonderen naam: wij noemden hem Piek-zonder-Naam.

"Het is bijna niet te onderstellen dat de ingenieurs eenige dagen
op den top der Pyramide zullen hebben vertoefd, zonder een bezoek
te brengen aan den anderen hoogeren top. Indien zij daar werkelijk
geweest zijn, dan is het echter minstens zonderling dat zij geen enkel
spoor van hunne tegenwoordigheid hebben achtergelaten. De landlieden,
die hen op hun tocht vergezeld hadden, verzekerden ons dat zij niet
van den eenen top naar den anderen waren gegaan; wij maakten daarom in
den beginne aanspraak op de eer der eerste beklimming van den hoogsten
top. Maar sedert is het mij gebleken, dat de heer Puiseux vóór ons
dien top bestegen had. De kwestie van prioriteit is van zeer weinig
belang; onze tocht had voor ons al het aantrekkelijke eener eerste
beklimming; en ik herinner mij deze eerste ernstige expeditie in het
gebergte met meer voldoening en niet minder genot dan eenige andere,
waarvan dit boek het verhaal bevat."

Na den Monte-Viso bezocht te hebben, ging de heer Whymper naar Abries,
en van daar naar Veran en Molines, bij welk laatste dorp hij eene
afbeelding maakte van de zonderlinge naalden, onder den naam van
de Gekapte-Zuilen bekend. Die naalden of obelisken, geologisch van
dezelfde formatie als de bergwanden, zijn ongelijk van hoogte en
omvang; de grootste, aan den oever der beek oprijzende, is meer dan
twaalf ellen hoog; de anderen, op een rij naast elkander staande,
nemen regelmatig in hoogte af naarmate zij den berg naderen. Op den
top van elk dezer obelisken (eene enkele uitgezonderd) ligt een blok
serpentijnsteen, dat ongetwijfeld van den top des bergs is afgerold:
dit geeft haar het voorkomen of zij eene muts of hoed op hadden:--van
daar haar naam. Ongetwijfeld is de voet van den berg door het water
uitgehold en weggevoerd; deze naalden, die zijn blijven staan, wijzen
de hoogte aan, waarop vroeger de bodem der vallei lag.

Het spreekt van zelf, dat wij den heer Whymper niet op al zijne
tochten volgen kunnen: wij zouden dan de ons gestelde perken zeer
verre moeten overschrijden. Wij zullen hem later zijn vreeselijke
beklimming van den Matterhorn laten verhalen; voor ditmaal ontleenen
wij aan zijn boek nog enkele schetsen, in verband met de teekeningen,
die deze bladen versieren. Begeven wij ons dus in de eerste plaats
naar den col de Pilatte, tusschen Vallouise en La Bérarde.

"Gedurende onze opstijging hakte Croz (de gids), met onvermoeiden
ijver, voortdurend gaten in de sneeuw om onze voeten daarin te zetten;
kwart voor elven hadden wij den top van den col (bergpas) bereikt,
en stelden ons voor, hier geruimen tijd uit te rusten; maar juist
op het oogenblik toen wij daar aankwamen, daalde een dichte nevel,
die boven om den top zweefde, eensklaps neder en belette ons ieder
uitzicht aan de noordzijde. Met uitzondering van Croz had niemand
onzer den tijd gehad, om na te gaan hoe wij weder naar beneden moesten
komen; wij oordeelden het daarom raadzaam aanstonds neer te dalen,
eer de herinnering aan het waargenomene misschien ook bij hem zou
zijn verflauwd. Ik kan dus niets van den col zelven zeggen, dan alleen
dat hij juist ten oosten van den berg Bans ligt, en dat zijne hoogte
ongeveer drie-duizend-zeven-honderd-vijftig el bedraagt. Het is de
hoogste bergpas van Dauphiné. Wij noemden hem den col de Pilatte.

"Wij begonnen af te dalen naar den gletscher van Pilatte, langs eene
glooiing van glad ijs, die, volgens de waarnemingen van den heer Moore,
een hoek maakte van vier-en-vijftig graden! Croz liep steeds vooruit,
en wij volgden hem met tusschenruimten van ongeveer vijf el; wij waren
allen met een touw aan elkander vastgebonden, en Almer (mede een gids)
sloot den trein: niet de meest benijdenswaardige positie! De afstand
tusschen de beide gidsen bedroeg dus ongeveer vijf-en-dertig el. De
nevel verborg hen voor elkanders oogen; en wij zelven zagen hen als
twee schimmen, maar flauwelijk kenbaar. Maar wij allen konden hooren
dat Croz onder ons gaten in het ijs hakte; van tijd tot tijd drong
zijne luide stem door den nevel heen:

--"Past op dat gij niet uitglijdt, mijne heeren; zet uwe voeten goed;
gaat niet vooruit, zoo lang gij geen vast steunpunt gevonden hebt."

"Zoo gingen wij drie kwartier al dalende voort. Eensklaps hield de
bijl van Croz op.

"Wat is er Croz?

--Een bergschrund, mijne heeren.

--Kunnen wij er overkomen?

--Ik weet het nog niet; ik geloof dat wij een sprong zullen moeten
wagen."

"Juist terwijl hij met ons sprak, dreven de wolken links en rechts
uiteen: het effect was aangrijpend. Het was inderdaad iets als een
coup de théatre, om ons voor te bereiden op den grooten luchtsprong,
die zoo aanstonds door het gansche gezelschap zou worden uitgevoerd.

"Eene onbekende oorzaak, waarschijnlijk de eigenaardige vorm of
schikking der rotsen beneden ons, had den geweldigen ijsdam, langs
welken wij afdaalden, in tweeën gespleten; zoo ver het oog reikte,
strekte zich ter wederzijde een diepe kloof uit. Met andere woorden:
een wijde scheur scheidde het bovenste gedeelte van den ijsklomp,
waarop wij stonden, van het onderste stuk beneden ons. Wie, om voort
te kunnen gaan, gaten voor zijne voeten moet hakken in eene hellende
ijsvlakte met een hoek van vier-en-vijftig graden, heeft niet veel
tijd of lust om naar een gemakkelijken weg te gaan zoeken: er schoot
niets anders over, dan op het punt zelf waarop wij ons bevonden,
en wel zonder uitstel, den sprong over den afgrond te wagen.

"Wij moesten niet alleen van eene hoogte van vijf el springen, maar ook
dien sprong zoo nemen, dat wij tusschen de twee en drie el voorwaarts
sprongen. Dat is niet veel, zal men misschien zeggen. Zeker, dat is
niet veel; maar de eigenaardige aard van den sprong verontrustte ons
vrij wat meer dan de afstand. Wij moesten juist terecht komen op een
vrij smallen ijsdam; sprongen wij te ver, dan zouden wij onfeilbaar
naar beneden rollen in den afgrond; sprongen wij te kort, dan vielen
wij in de gapende kloof, die hoewel aan den ingang gedeeltelijk met
ijs en sneeuw gevuld, toch meer dan overvloedige gelegenheid aanbood
om te verongelukken.

"Croz maakte eerst Walker los, ten einde eene voldoende lengte touw
vrij te hebben; toen waarschuwde hij ons, het touw stevig vast te
houden, en sprong naar beneden. Hij kwam behendig op zijne voeten
terecht, maakte het touw los, en wierp het Walker toe, die zijn
voorbeeld volgde. Nu was de beurt aan mij. Ik trad vooruit tot
aan den uitersten rand:--de sekonde, die toen volgde, zal ik nooit
vergeten. Ik had een gevoel, alsof de wereld met duizelingwekkende
snelheid ronddraaide, en mijn maag haar navloog. Het volgende oogenblik
lag ik plat voorover in de sneeuw; om mijn vriend Reynaud echter
gerust te stellen, richtte ik mij haastig op, en verzekerde hem dat
het niets te beteekenen had.

"Hij naderde den rand en gaf een luiden kreet. Ik ben overtuigd,
dat hij niet banger was dan iemand onzer, maar hij maakte veel meer
beweging. Hij wrong de handen roepende: "O, hoe vreeselijk! hoe
vreeselijk!

--Het beteekent niets, Reynaud, riep ik hem toe, niets hoegenaamd.

--Kom, spring, riepen ook de anderen;--spring dan toch!"

"Maar in plaats van te springen, begon Reynaud zich om en om te
draaien, voor zoover dat op den gladden ijsdam mogelijk was; toen
sloeg hij zijne handen voor het gelaat, roepende:

"Neen, op mijn woord, neen! neen!! neen!!! dat is onmogelijk!"

"Wat er toen eigenlijk met hem gebeurd is, weet ik niet. Wij zagen
de punt van een voet, die aan Moore scheen te behooren; daarop zagen
wij Reynaud, in een vogel veranderd, en tot ons nederzwevende, alsof
hij kopje onder in het water wilde springen; met uitgestrekte armen
en beenen; zijn schapenbout achter hem aanzwevende, terwijl hem de
stok uit de handen ontglipte; dat duurde een oogenblik:--daarop
hoorden wij een doffen slag, alsof er een matras uit een venster
werd geworpen. Toen wij hem weer op de been hadden geholpen, zag hij
er allerbeklagelijkst uit: zijn hoofd geleek een grooten sneeuwbal;
de brandewijn liep aan de eene zijde uit zijn reiszak, de chartreuse
[1] aan de andere. Hoezeer wij hem om dit verlies beklaagden, konden
wij toch ons lachen niet bedwingen."

Eenige dagen te voren, bij de even moeilijke als gevaarlijke bestijging
van de Pointe des Écrins, had de gids Almer zijne vermetelheid bijna
met den dood bekocht. Hij had zich van het touw losgemaakt, en wilde
beproeven, geheel alleen den top te bereiken. Terwijl hij over een
smallen dam ging, deels uit sneeuw, deels uit rots bestaande, brokkelde
de sneeuw onder hem in den afgrond weg: hij wankelde een oogenblik,
terwijl hij zich staande trachtte te houden op het gedeelte dat nog
vast scheen. "Ik dacht niet anders, dan dat hij verloren was," zegt
de heer Whymper.

"Gelukkig viel hij naar de rechterzijde, en gelukte het hem een
vast steunpunt te vinden. Indien hij, in plaats van den linker,
den rechter voet op de brug van sneeuw had gezet, zou hij in eene
diepte van ruim honderd el zijn neergestort, en hij zou zich niet
aan de rotsen hebben kunnen vastklemmen, voor hij op den gletscher,
duizend el onder ons, ware terecht gekomen."

In datzelfde jaar, namelijk in 1864, trok de heer Whymper, in
gezelschap van den heer Moore, met de gidsen Almer en Croz, voor
het eerst over den bergpas van Moming, tusschen Zinal en Zermatt. De
opklimming was uiterst bezwaarlijk en vol gevaar geweest. Om de rotsen,
die alleen den toegang tot den pas mogelijk maakten, te bereiken,
waren de toeristen verplicht geweest eene zeer steil hellende ijsvlakte
over te trekken; zij hadden daarbij gaten in het ijs moeten hakken,
vlak naast en onder reusachtige spitsen en naalden, die op het punt
stonden van in te storten, en die ook werkelijk neervielen, vijf
minuten nadat Almer, de laatste van het gezelschap, was overgegaan.

"Eindelijk, zoo verhaalt onze toerist, kwamen wij aan het dal
tusschen den Rothhorn en den Schallhorn; deze col ligt ter hoogte
van omstreeks acht-en-dertig honderd el. Wij waren met zeer veel
moeite naar boven geklommen, over allerlei soort van sneeuw, en te
midden van voortdurenden nevel, die ons nu eens aan de nevelen van
Schotland, dan aan een londenschen mist deed denken. Een steile muur
van ijs vormde de helling van den top, die naar Zinal gekeerd is. Maar
wij konden onmogelijk ontdekken of de andere helling, waarlangs wij
moesten afdalen, even zoo gevormd was, want dat deel van den berg
was voor ons geheel onzichtbaar door een geweldigen sneeuwklomp,
dien de westenwind boven den top had opgestapeld, en die nu hoog
boven Zermatt zweefde, niet ongelijk aan eene reusachtige zeegolf,
bevrozen juist op het oogenblik der kentering.

"Stevig aan het touw gebonden en vastgehouden door zijne drie makkers,
die op de helling aan de zijde van Zinal gebleven waren, begon Croz
uit alle macht met zijn bijl op dien sneeuwklomp te hakken, en hieuw
werkelijk de bevroren sneeuw af, tot hij eindelijk op het vaste ijs
stuitte; toen sprong hij kloekmoedig in den pas, en riep ons toe hem
te volgen.

"Wij waren gelukkig, dat wij een zoo onverschrokken man tot gids
hadden. Met een minder bekwamen en minder onversaagden gids zouden
wij waarschijnlijk geaarzeld hebben, de afdaling te ondernemen bij
zoo sterken nevel; ook Croz zelf zou vermoedelijk hier hebben stil
gehouden, als hij niet zoo buitengewoon krachtig en gespierd van
lichaamsbouw was geweest. Hij bracht zijne eigene woorden in praktijk:
"Waar vaste sneeuw is, kan men altijd loopen; waar ijs is, kan men
zich een weg banen, door gaten te hakken; dat komt eenvoudig aan op
lichaamskracht; ik bezit die kracht: al wat gij te doen hebt, is dit
eene:--mij te volgen." Men moet erkennen, dat hij zich niet spaarde;
als hij in een theater de schier ongeloofelijke dingen had verricht,
waarvan wij dien dag getuigen waren, dan zou de zaal gedaverd hebben
van toejuichingen."

Het volgende jaar (1865) beklom de heer Whymper de Dent-Blanche
(3464 el), die voor den eersten keer, op den 18den Juli 1862,
was bestegen door de heeren Kennedy en Wigram, met de gidsen Croz
en Kronig. Whymper volgde evenwel niet denzelfden weg, maar gaf
de voorkeur aan den zuidwestelijken rug; de grootste moeilijkheid,
die hij ondervond, was de overtocht over den bergschrund. Hij moest
tot eene hoogte van vierduizend el opklimmen, eer hij een brug van
sneeuw vond, waarop hij die spleet kon oversteken.

Op den col Dolent, dien Whymper in 1865 overtrok, om van Cormayeur
naar Chamonix te gaan, langs een korteren weg dan dien over den col
du Géant, had hij noch met een bergschrund, noch met een sneeuwbrug te
kampen, maar daarentegen vond hij hier een ijsmuur van vierhonderd el,
met een helling van vijftig graden, waarlangs hij moest afdalen. Croz,
die vooruit liep, vastgebonden aan een touw van manilla, hakte,
gedurende twee uren achtereen, gaten in dien muur, en was toen toch
nog tot slechts zestig el beneden den pas gedaald. Biener en Almer,
die het touw vasthielden, konden met hun beiden maar even op den rand
van den ijsklomp staan. Biener liet zich toen, met behulp van het
touw, tot bij Croz afzakken; en de heer Whymper, die tot dusver op
de andere zijde had moeten blijven, kon nu naast Almer komen staan
en op zijne beurt den zeer comfortabelen weg aanschouwen, dien hij
had ontdekt. Zeven uren achtereen waren de drie gidsen bezig met
gaten in het ijs te hakken, eer men den gletscher van Argentière,
die aan den voet van dezen ijsmuur ligt, kon bereiken. Gelukkig liep
deze roekeloos gevaarlijke onderneming zonder ongelukken af, en kon
de heer Whymper ongestoord zijn triomf genieten.

(Wordt vervolgd.)


De Merinos in Spanje.

De reiziger, die in de lente of den herfst de wijd uitgestrekte en
vaak zoo eenzame en eentonige vlakten van centraal Spanje doorkruist,
ontmoet dikwijls op zijn weg groote kudden schapen, die door hun
lange witte wol de aandacht van den vreemdeling trekken. De kudden
worden geleid en bestuurd door een aantal gewapende mannen, deels
te voet, deels te paard, die op het eerste gezicht meer op roovers
dan op herders gelijken. Voorts behooren nog tot de kudde een zeker
aantal muildieren, met allerlei zaken beladen, en eene menigte groote
honden, wier muil met scherpe tanden is gewapend. Die schapen zijn
de beroemde merinos, wier wol vroeger aan Spanje zoo veel millioenen
piasters heeft opgebracht, toen men zich in het overige Europa bijna
niet op de schapenfokkerij toelegde, waaraan in Spanje destijds zoo
groote zorg werd gewijd.

De merinos slapen nooit onder een dak: zij brengen hun leven door
in de open lucht. Zij veranderen alleen van weidegrond, en trekken
van het noorden naar het zuiden of van het zuiden naar het noorden,
van de sierra naar den campo of van den campo naar  de sierra, naar
gelang van den tijd des jaars.

Zulk eene kudde merinos, met haar herders en haar honden, is bijna
een kleine staat op zichzelven. Want men bedenke wel, dat zulk eene
kudde, als algemeene regel en behoudens enkele uitzonderingen, uit
niet minder dan tienduizend stuks bestaat.

De opperste herder of mayoral heeft vijftig ondergeschikte herders
onder zijne bevelen: dit is dus één man voor elke tweehonderd
schapen. Elk dezer herders heeft zijn eigen hond, zoowel om op de
schapen te passen als om ze te verdedigen, want de wolven zijn verre
van zeldzaam in de spaansche sierras. Deze honden, die den strijd
tegen de wilde dieren niet moeten duchten, zijn groot van gestalte
en sterk van bouw en spieren. Zij behooren tot een bijzonder ras,
dat zich door eene groote mate van verstand, vatbaarheid en ijver
onderscheidt. Zij zijn bijna even groot als wolven en zeer goed tegen
die vijanden opgewassen; om hun echter de overwinning gemakkelijker te
maken, dragen zij nog een ijzeren halsband met lange scherpe punten,
die een geducht wapen is.

De herders zijn, evenals hun honden, een eigenaardig ras van
menschen. Echte nomaden, keeren zij maar zelden en dan slechts
voor weinige dagen, ja somwijlen nimmer, naar hunne eigenlijke
woonplaats terug. Gedurende het grootste gedeelte des jaars op reis,
slijten zij hun leven in een tent of in armelijke hutten van takken,
leem of gedroogde steenen. Met hun door de zon gebruind gelaat,
hun woest voorkomen, maken deze krachtige, forsch gespierde mannen
een zeer eigenaardigen indruk. Hunne kleeding bestaat uit slopkousen
van geitenvel, een korten broek, een hemd, een vuil vest van bruin
leder, waarover zij dikwijls een buis zonder mouwen van merino-wol
dragen. Hunne met vodden omwikkelde voeten steken in lompe schoenen;
somwijlen bestaat hun eenig schoeisel uit ruwe sandalen;  op hun
kroesharig hoofd, dat nimmer met een kam in aanraking komt, dragen zij
een groven vilten hoed; over hun schouders hangt een schilderachtige
mantel, hetzij van versleten laken, hetzij van rijststroo. Deze
wilde, ruwe, maar dappere en eerlijke herders zijn gewapend met een
vuursteengeweer van buitengewone lengte, en met een sterken doornstok.

De ouder-herders gaan bijna altijd te voet; de mayoral zit steeds
te paard, vergezeld en gevolgd door muilezels, die het benoodigde
dragen, zooals levensmiddelen, zout voor de merinos, tenten en
keukengereedschap. De mayoral geniet eene jaarlijksche belooning
van tusschen de zes- en zevenduizend gulden; de ondergeschikten
verdienen in den regel niet meer dan twee- of driehonderd gulden;
hun dagelijksch rantsoen bestaat uit twee pond brood; de hond krijgt
evenveel, maar zijn brood is van minder gehalte.

De merinos, aldus genoemd naar een spaansch woord, dat zwerven
beteekent, zijn van middelbare grootte, met een kleinen kop en fijn
gevormde pooten. Hunne wol, die gewasschen zijnde helder wit is,
maar er doorgaans zeer vuil en besmoezeld uitziet, doet hen veel
grooter schijnen dan zij inderdaad zijn: die wol is somwijlen een voet
lang, licht gekruld, en hangt bijna tot op den grond. Overigens is de
merino-wol niet meer zoo veel waard als vroeger; zij doet tegenwoordig
in fijnheid voor andere soorten, met name voor de saksische wol,
onder. Dit neemt niet weg, dat nog altijd in Spanje kudden schapen
worden gevonden, welker wol door geene andere overtroffen wordt. Maar
men geeft zich geene moeite om het ras te veredelen, en houdt zich
over het algemeen, ook in de wijze van behandeling der schapen en de
bereiding der wol, te veel aan den ouden sleur.

De provincie Segovia, langs de noordelijke helling van de sierra van
Guadarrama, in Oud-Castilië, wordt over het algemeen als de gunstigste
en meest geschikte streek voor de schapenfokkerij beschouwd. Anderen
spreken dit tegen; niettemin schijnt men als algemeenen regel te
mogen aannemen, dat hooge en droge landstreken, zooals Segovia, het
meest voor de teelt der merinos geschikt zijn. In deze landstreken
is het gras fijn en niet met onkruid vermengd, maar daarentegen
rijk aan aromatische kruiden. Het vaderland der beroemde geiten van
Thibet is eene landstreek van soortgelijke natuur, maar nog veel
schraler en onvruchtbaarder. Het is dan ook niet onwaarschijnlijk,
dat men de geiten van Thibet in sommige bergstreken van Spanje zou
kunnen overbrengen en inheemsch maken. Het ware wel de moeite waard,
de proef te nemen. Spanje zou wellicht in het zoo zeer gezochte en
kostbare zijdeachtige hair dezer geiten eene vergoeding kunnen vinden
voor het verlies, door het dalen der prijzen der merino-wol geleden.

Men meent dat verscheidenheid van voedsel gunstigen invloed uitoefent
op de algemeene gezondheid der dieren, en dus, in dit geval, ook op
de hoedanigheid en den rijkdom der wol. De spaansche veefokkers zijn
daarvan overtuigd; daarin ligt de oorsprong der mesta.

Dit woord (letterlijk vereeniging, vermenging) beteekent de
samensmelting tot ééne groote kudde, van een zeker aantal kleinere
kudden, die, naar gelang van het jaargetijde, in een of ander deel
van het schiereiland rondtrekken. Door deze zwervende levenswijze
bekomen de merinos ongetwijfeld, dank zij de voortdurende beweging
en verandering van lucht, dank zij ook de afwisseling van voedsel,
eenige der eigenschappen, die over het algemeen de in den vrijen
natuurstaat levende dieren onderscheiden van de getemde, aan eene
bepaalde plaats en bepaalde levenswijze gebonden huisdieren. De
merinos met de beste en fijnste wol vindt men in enkele weinig
uitgestrekte landstreken, bij voorbeeld in de vallei van Venasque in
de Pyreneeën, en in het partido of distrikt van Albarracin (in Aragon,
in het bovenste gedeelte der vallei van den Guadalaviar of Turia,
nabij de kusten der Middellandsche-zee); maar het is duidelijk dat
niet al de schapen van Spanje op zoo bekrompen ruimte zouden kunnen
leven; ook is het zeer waarschijnlijk, dat zelfs de daar inheemsche
schapen, als zij nimmer deze streken verlieten, toch spoedig zouden
verbasteren. Om aan het gemis of de schaarschte van voortreffelijke
weidegronden tegemoet te komen, heeft men zijn toevlucht genomen
tot de verre reizen, tot het zwervend leven, in de open lucht, met
zijne beweging, zijne vrijheid, zijn veelzijdigheid van voedsel. En
de voordeelen dezer methode wegen tegen het gemis van voldoenden
weidegrond binnen zekere grenzen ruimschoots op.

In de gebergten van Biscaya, in de sierra's van Asturië, zijn de
schapen van veel slechter ras; in den jongsten carlistischen oorlog is
het meermalen gebeurd, dat de soldaten weigerden zulk een schaap zelfs
voor een matigen prijs te koopen. Deze schapen worden door de zwarte
arenden der Pyreneeën meermalen geroofd en naar hun nest medegevoerd,
om tot voedsel voor hun jongen te dienen. Een echt volwassen
merinoschaap zou deze tyran der lucht wel nimmer mede kunnen voeren.

De mestas of zwervende kudden behooren meestal aan eene maatschappij,
bestaande uit adellijke heeren, aanzienlijke geestelijken of rijke
grondeigenaars, die zich met de exploitatie belast. Elke mesta of
groote kudde bestaat, zooals gezegd is, uit tienduizend stuks schapen
en meer; de mayoral, die met de opperste leiding is belast, is tevens
de algemeene arts dezer blatende gemeente.


Dalmatië.


I.

Herinnert de lezer, die ons op den tocht door Istrië heeft willen
vergezellen, zich nog de belofte, later eene uitnoodiging te
zullen ontvangen voor gelijken tocht door de golf van Quarnero met
hare eilanden en door Dalmatië? [2] Welnu, die belofte komen wij
thans inlossen: zijn hem goede herinneringen van de vorige reis
bijgebleven, dan vertrouwen wij dat hij ook nu genegen zal zijn,
ons te vergezellen. Wij nemen dan te Pola plaats op een der booten
van de oostenrijksche Lloyd, die naar Fiume varen; wij stevenen kaap
Promontore om en de golf van Quarnero binnen.

Met den naam van golf van Quarnero, of wel enkel Quarnero, bedoelt
men de geheele watervlakte tusschen Istrië, te beginnen bij kaap
Promontore, en de kust van Kroatië tot nabij Zara. In den Quarnero
liggen vijf groote eilanden en eene menigte eilandjes en klippen. Deze
vijf eilanden dragen de namen van Cherso, Ossero (of Lussine),
Veglia, Arbe en Pago; zij bevatten allen een of meer kleine steden
en een aantal dorpen. De kanalen tusschen die eilanden en de kust
leveren voor de scheepvaart dikwerf ernstige gevaren op, vooral bij
het heerschen van de bora, de plaag dezer kusten.

Van Triëst kan men op tweeërlei wijze Fiume en de golf van Quarnero
bereiken. Een spoorweg, die het plateau van Karst doorsnijdt, verbindt
de beide steden, en brengt u in zeven uren van Triëst aan den oever
der golf. Een tweede middel van vervoer is de stoomboot, die van
Triëst naar Pola, en verder, deels langs de oostkust van Istrië,
naar Fiume vaart, Maar wie van Fiume verder wil gaan, zal daartoe
bezwaarlijk gelegenheid vinden, tenzij hij eene eigen boot hure en
uitruste om van het eene eiland naar het andere te zeilen. Hieraan
zijn echter bezwaren verbonden, die niet te licht mogen worden
geteld. Vooreerst kost de huur en uitrusting van zulk eene boot,
het loon der bemanning daaronder begrepen, veel geld; daarbij is
goed weder een onontbeerlijk vereischte, en moet men ook eenigszins
aan dergelijke tochten op zee gewend zijn. Die in de kuststeden op
de stoombooten wil wachten, moet over veel tijd kunnen beschikken,
want die booten varen, in elke richting, maar eens in de week.

De Quarnero staat in een zeer slechten roep: de kustbewoners
van de Adriatische-zee, ervaren en onverschrokken zeevaarders,
zoo als men weet, noemen den naam dier golf niet dan met zekeren
schrik; de oude historieschrijvers zien in dien naam zelven eene
toespeling op de bij uitstek kwade faam van dit vaarwater: carnivoro,
vleeschetend, verscheurend. Wat hiervan zij, een enkele blik op de
kaart is voldoende, om deze noodlottige reputatie der golf alleszins
begrijpelijk te maken. De Quarnero is, zooals ik zeide, bezaaid
met eene menigte eilanden en klippen, die fragmenten schijnen van
een door het water half verzwolgen, en door de bora uitgedroogde en
verschroeide bergketen. In de talrijke engten en kanalen tusschen
de kust en die eilanden, wordt de wind opgevangen, juist als in
den hals van eene omgekeerde flesch. De zuid-oosten winden, die de
golven van Venetië en Triëst kunnen teisteren, vinden daar althans
een ruim veld voor zich en verliezen daardoor veel van hun kracht:
maar in den Quarnero, waarin zij door het nauwe kanaal Della Morlacca
doordringen, stuiten zij dadelijk tegen de bergwanden van den Karst
en tegen de hooge oevers van Istrië; zij vallen dan met verdubbelde
kracht op de eilanden terug en brengen de opgezweepte wateren in de
geweldigste beroering. De stormen woeden hier met zoo hevige kracht,
dat zelfs de ervarenste matrozen het dan niet zullen wagen, de kanalen
over te steken, maar een toevlucht zoeken in de zoogenaamde valleien
of vluchthavens, die door de eilanden gevormd worden, waar het water
diep en de ankergrond veilig is.

De golf is bij uitnemendheid vischrijk: niet alleen de bewoners der
eilanden, maar ook de visschers van Ghioggia, aan de italiaansche kust,
komen hun deel van dezen overvloed halen. Deze laatsten verschijnen
hier in November en blijven tot Paschen; zij verlaten hun eiland, waar
de vischvangst minder voordeelig is, en brengen den winter in deze
wateren door. Eens terwijl ik te Venetië vertoefde, was ik getuige
van het vertrek der vloot van Chioggia: dit is een van de meest
belangwekkende tooneelen, die men langs de noordelijke kusten der
Adriatische-zee aanschouwen kan. Vijftig tot zestig groote schuiten,
bragozzi, genoemd, ieder met tweehonderd-vijftig koppen bemand,
verlaten het eiland en varen naar de overzijde der golf. De gevangen
visch wordt echter niet op de plaats zelve verbruikt of verkocht;
beurtelings gaan eenige vaartuigen uit de vloot naar Chioggia en
Venetië terug, om den buit te verkoopen: het totaal der vangst,
gedurende het geheele saizoen, bedraagt gemiddeld vierhonderd-duizend
pond, vertegenwoordigende eene waarde van honderdvijftig-duizend
francs.

De visschers van Fiume leven mede van de golf: te Prelucca en
te Buccari oefenen zij de tonijnvangst uit; deze tonijnen worden
vervolgens gezouten en naar het buitenland verzonden. Een eigenaardig
product der golf zijn ook de scampi, eene soort van kreeften, die
hier zeer geliefd zijn en bij feestelijke gelegenheden met rizzotto
gegeten worden; deze soort komt, behalve hier, enkel in de noorweegsche
fjords voor.

De belangrijkste stad aan de golf, met inbegrip van de steden op
de eilanden, is Fiume. De kust noordwaarts van kaap Promontore is
aanvankelijk naakt en dor; bij de landpunt van den Monte-Maggiore
neemt zij een vriendelijker karakter aan; en zoodra ge het kanaal van
Farasina zijt doorgevaren, maakt de geheele streek, van Moschenizza
tot Fiume, door het eiland Cherso tegen den wind gedekt, den indruk
van een grooten bloeienden tuin. Maar deze buitengewone vruchtbaarheid
houdt geen stand: als ge verder langs de kust vaart naar Novi en Segna,
komt de oude dorheid en woestheid weder, en ziet ge niets dan eene
grauwe kust en naakte rotsen.

Van buiten zou men Fiume allicht voor eene groote stad aanzien:
dit is echter eene illusie, die, bij meer nauwkeurige beschouwing,
spoedig verdwijnt. Die witte stad, aan den oever eener fraaie golf,
aan den voet van hooge bergen, verrast den reiziger door haar reeks
van trotsche huizen, paleizen schier, die zich langs de breede kaai
verheffen. Haar ruime en gemakkelijke haven, haar uitgestrekte
werven en grootsche magazijnen, dit alles geeft den indruk van
eene bloeiende, rusteloos werkzame stad, in volle ontwikkeling en
rasschen vooruitgang. De openbare gebouwen en monumenten zijn edel
en indrukwekkend van stijl; het Corso is breed en goed aangelegd;
hier ziet ge een smaakvol aangelegd plein; elders ruischen overvloedig
springende fonteinen: overal ruimte, licht, groote afmetingen. Ondanks
de groote natuurlijke voordeelen der ligging--Fiume is de natuurlijke
haven voor Hongarije, het Banaat en Kroatië, allen hetzij koren-
hetzij boschrijke landen;--heeft de stad toch niet aan de verwachting
der Hongaren beantwoord, ook niet nadat men haar door spoorwegen
met Agram en Laibach verbonden heeft. De oostenrijksch-hongaarsche
regeering heeft zich de zwaarste offers getroost om haar te verfraaien
en haar eene goede haven te bezorgen. Desniettemin verkeert de handel,
ook volgens officiëele opgaven, hier in kwijnenden toestand en neemt
de in- en uitvoer af.

In de andere steden langs de kust, die wij bezocht hebben eer wij
te Fiume kwamen, herkent men nog altijd onder het officiëele masker,
door de tegenwoordige regeering voorgebonden, de oude venetiaansche
kolonie, waar de republiek, na eene heerschappij van vier of vijf
eeuwen, niet alleen onmiskenbare sporen en karakteristieke monumenten
heeft achtergelaten, maar ook aan alles, aan menschen en dingen, dat
onuitsprekelijk bevallige en bekoorlijke gegeven, dat in Italië wel
in de lucht schijnt te zitten en een onvervreemdbaar erfdeel van dat
gezegend land en zijne kinderen is. Hier daarentegen is, althans voor
het uiterlijke, alles hongaarsch: hier vindt ge het Corso Deak, hot
plein Adamich, de Kossuthstraat, enz. De brouwerijen zijn monumentale
gebouwen; vlugge, handige buffetmeisjes met nette voorschoten, en
muziekanten met zwarte rokken zouden u in den waan brengen dat ge u
te Pesth bevindt. Even als te Weenen en in Hongarije, is ook hier met
ieder hotel een restauratie verbonden; de regeling van de etensuren
is dezelfde als daar ginds, en in de koffiehuizen ziet ge aan bijna
ieder tafeltje kaartspelers, even als in de magyaarsche bierhuizen. De
aanplakbiljetten en de opschriften op de uithangborden zijn in het
hongaarsch gesteld; tegen de muren kunt ge somwijlen groote papieren
geplakt vinden, waarin de kiezers, met hartstochtelijke opgewondenheid,
worden aangespoord om toch vooral te zorgen, dat het bestuur der stad
niet in duitsche of italiaansche handen gerake. Maar er zijn twee
steden te Fiume: de oude stad, die zich eensklaps onthult als ge de
poort van het Corso uitgaat; en deze moderne stad, waar de reizigers
aan wal stappen, en wier straten, evenwijdig loopende met de kaai,
op zee uitzien.

In de oude stad loopen de straten steil naar boven: smalle trappen
voeren naar fantastische steegjes, die u aan Subiaco en aan de
dorpen in do Campagna van Rome denken doen; daar vindt ge, onder lage
gewelven, achter sombere, schemerachtige winkels, pittoreske osterie,
waar, bij het drinken van nieuwen wijn, italiaansche liederen worden
gezongen, terwijl men daar ginds beneden bier drinkt en slavisch of
hongaarsch spreekt. De overigens weinig schilderachtige stad ontleent
toch aan deze verscheidenheid een eigenaardig karakter.

Bij den eersten aanblik schijnt u alles koud, regelmatig, symetrisch;
maar ga door, van de zee naar den berg, en weldra ziet ge, even als in
eene italiaansche voorstad, aardige, lachende villas, schilderachtige
borghi, waar, op breede terrassen dertig voet boven uw hoofd,
liefhebbers bezig zijn met balslaan. Vervolg uw weg: de reusachtige
berg verspert u den doorgang; hij verrijst daar voor u, somber,
grauw, naakt, een dorre doode rotsmassa, door de bora geteisterd,
maar uit wier zijde zich, in reusachtigen val, de Fiumera stort,
die zich straks tot een haven verbreedt.

Deze Fiumera, die uit den schoot des bergs te voorschijn komt en zich
ter linkerzijde van de stad in de golf ontlast, vormt, even voor hare
uitmonding, een kanaal, door eene groote ruime kaai omzoomd, waar al
de houtschepen ten anker liggen. Dit is het schoonste gedeelte van
geheel Fiume. Langs de haven staan eeuwenoude boomen, wier groene
kruinen boven de masten der schepen uitsteken. De breede, fraaie en
zeer levendige kaai is bezet met schoone huizen, in monumentalen
stijl; de paaltjes, die het voetpad van den rijweg afscheiden,
prijken allen met levensgroote hoofden van Turken en Hongaren, in
den steen uitgehouwen. Dit is geen louter toeval of een gril van den
beeldhouwer. Let eens op de gewelven van alle paleizen en openbare
gebouwen in de stad, hef uwe oogen op naar de bogen en kapiteelen
dor zuilengangen: overal ziet ge een turkschen kop met den tulband
gedekt of een gebaarden Slavoniër. Dit is niet alles: de boeren en
boerinnen van de kust van den Quarnero, de dames van Fiume, dragen
sedert eeuwen ringen, armbanden, halskettingen, waarop ge diezelfde
symbolische koppen, op verschillende wijze aangebracht, zult terug
vinden. Ongetwijfeld is dit een bij de Kroaten en Hongaren zeer geliefd
teeken; wellicht eene herinnering aan den vreeselijken slag in 1232,
op een mijl afstands van Fiume, te Grobnick, onder aanvoering van
Bela IV, tegen de Turken geleverd.

Fiume heeft weinig of geen monumenten; de kerken hebben niets
opmerkelijks. De dom is een stijf koud gebouw, met een klassieken
voorgevel, die zijn versiering dankt aan de edelmoedige vrijgevigheid
der familie Wallsee. De stad hoeft een koninklijk gymnasium, in 1627
gesticht, en eene akademie voor de marine. De schouwburg dagteekent
van 1801; het is een zeer fraai gebouw, gesticht op kosten van den
patriciër Ludwig von Adamich. Even als in alle steden van Istrië en
Dalmatië, is ook te Fiume de bevolking in onderscheidene groepen
gesplitst, die scherp van elkaar afgescheiden zijn. In plaats van
eene algemeene plaats van vereeniging en samenkomst voor de lieden
uit den beschaafden stand, vindt men er hier drie: het kroatische
Leesmuseum, het italiaansche Casino, en de duitsche Pick-Nick-Club. De
vreemdelingen worden steeds zeer gastvrij ontvangen in deze drie
sociëteiten, waar fransche, engelsche, duitsche, italiaansche en
slavische dagbladen en tijdschriften te vinden zijn.

Een van de grootste merkwaardigheden van Fiume is het kasteel van de
Frangipani, bij de stad, op eene aanzienlijke hoogte, boven op den berg
Terzato gelegen. Nabij dit kasteel staat een Franciskaner-klooster;
een monumentale trap van vierhonderd treden, tegen de rots geleund,
voert naar dit klooster, dat eene druk bezochte bedevaartsplaats
is. De omtrek van dit klooster was voor mij een lievelingsplekje, waar
ik meermalen nederzat om schetsen te maken. Daar zag ik des morgens,
terwijl ik in mijne eenzaamheid zat te teekenen, de slavische boerinnen
van het gebergte afdalen, om in de stad haar hooi te gaan verkoopen:
en dit tooneel verdient wel eene vluchtige herinnering.

Tusschen de Fiumera, die uit de rots te voorschijn komt, en den
Terzato, die zich daarboven verheft, heeft men langs den bergwand
een weg aangelegd, die naar de dorpen in het gebergte voert, naar
Orechovitza, Czaule, Podervenn en Grobnick, waar Bela IV de Tartaren
versloeg. Deze steile, smalle weg, de zoogenaamde Louisenstrasse,
slingert zich als een mat zilveren lint tegen en tusschen die grauwe,
naakte, doode rotsen. Langs dien weg nu komen de vrouwen, een voor een,
achter elkander; langzaam en met moeite treden zij voort, gebogen onder
zoo zware vracht, dat zij wandelende hooischelven gelijken; ge ziet
van haar lichaam niets dan de naakte bruine beenen, al het overige
verdwijnt onder het hooi. Reeds voor den dageraad hebben zij zich
opgemaakt, om het met groote moeite tusschen de rotsspleten verzamelde
en tot schoven saamgebonden hooi naar de stad te gaan brengen. Zoo,
schier midden door gebogen, hebben zij vier uren achtereen geloopen,
zwoegende, onder haar vracht, nu en dan een oogenblik leunende tegen
de pilaren der trappen van den Terzato; beneden gekomen, knielen
zij neder voor het beeld der Madonna aan den voet van den trap, en
vervolgen dan haar weg tot aan het Urmeny-plein, waar zij blijven
tot zij haar hooi verkocht hebben, dat zij niet meer kunnen medenemen.

Ook wij hebben den reusachtigen trap beklommen, en zien nu den ouden
burcht op korten afstand voor ons. Dit kasteel der Frangipani is
tegenwoordig het eigendom van graaf Nugent en de begraafplaats van
zijne familie. Uit de verte gezien, maakt het een bij uitnemendheid
schilderachtig effect; maar van nabij valt de trotsche ruïne eenigszins
tegen. De oude burcht dagteekent uit de middeleeuwen, waarschijnlijk
uit de twaalfde of dertiende eeuw; een vierkante toren, in fraaien
renaissance stijl, is omstreeks het midden der zestiende eeuw gebouwd,
en bevatte vermoedelijk de woonvertrekken; maar graaf Nugent is op
den zonderlingen inval gekomen om te midden dezer belangwekkende
overblijfselen van den ouden tijd, een splinternieuwen,  schitterend
witten, pseudo-griekschen tempel te bouwen, die zelf verbaasd schijnt
over zijne plaatsing en zich hier blijkbaar niet te huis gevoelt. Uit
de verte valt deze wanstaltigheid niet in het oog, lijdt althans
de totaal-indruk er geene schade door, maar van nabij bederft deze
onbegrijpelijke tempel alles.

De graven van Frangipani, aan wie vroeger dit kasteel behoorde,
hebben in de geschiedenis dezer landstreek eene groote rol gespeeld;
langs de geheele kust leeft de herinnering aan dit geslacht nog
in volksoverleveringen en legenden voort. Zij waren eigenlijk geen
heeren van Fiume, maar bezitters van het eiland Veglia, en hebben te
Fiume slechts dertig jaar geregeerd. Toen de patriarchen van Aquilea
nog de souvereiniteit bezaten over de steden langs de kust, schonk
een bisschop van Pola de stad Fiume in leen aan de familie Duino,
die op haar beurt de stad weder aan de Frangipani verpandde: zij
bleven in het bezit van Fiume van omstreeks 1338 tot 1365. Hoewel
Veglia dus eigenlijk de hoofdzetel van het machtige geslacht was,
bevat toch de kerk van het naburige Franciskaner-klooster vele graven
van leden dezer familie. De grafsteenen, die achteloos in een hoek
der kerk liggen, zijn evenwel zeer geschonden.


II.

De omstreken van Fiume zijn wel der bezichtiging waard; men heeft
daarvoor twee dagen noodig. Het strand langs de golf vertoont
tweeërlei, zeer verschillend karakter: de kust van Istrië, ter
rechterhand, door den Moute-Maggiore gedekt, is bloeiend en vruchtbaar;
de kust van Dalmatië daarentegen, ter linkerhand, is dor en doodsch.

Tweemaal heb ik deze omstreken bezocht: de eerste maal met onzen
consul, baron de Reyne, die sedert vijftien jaar te Fiume woont en de
aangenaamste cicerone is, dien men zich denken kan; de tweede keer
ben ik alleen op weg getogen, den wandelstok ter hand, en heb ik te
voet in vier uren denzelfden weg afgewandeld, dien ik eenige maanden
vroeger, op een vlug hongaarsch paard, in anderhalf uur had afgelegd.

Wij volgen den oever der zee, gaan voorbij het station van den spoorweg
naar Triëst, en komen dan op een weg, die hoog boven het strand, langs
den berg loopt. Eerst ontmoeten wij eenige fabrieken en werkplaatsen;
dan volgt van tijd tot tijd een of andere eenzame, romantische tuin,
een donkere boomgaard, met een oud hek afgesloten, waar, te midden
van het hooge gras, standbeelden van satyrs en boschgoden verminkt
ter aarde liggen. Drie uren lang loopt de weg recht door; het is hier
zeer eenzaam en stil; wij zien niemand dan enkele herdersknapen,
met hunne kudden als tegen de berghellingen hangende, of rustig
neergezeten op de rotsen, aan wier voet de golven kabbelen.

Daar is de baai van Prelucca, van alle kanten goed gedekt en
beschermd, waar men een stuk rots heeft laten springen om plaats te
maken voor eenige visschershutten. Dit is een der stations voor de
tonijnvisscherij, die een rijke bron van inkomst oplevert voor de
gansche kust. De inrichting is zoo eenvoudig mogelijk: zij bestaat
uit twee reusachtige ladders, twintig el hoog, schuin in den grond
geplant, en van boven van een zitbank voorzien, waarop de wachter
plaats neemt. Beneden tegen den rotswand staat een houten loods,
van drie kanten open, en van een op balken rustende planken vloer
voorzien. Die loods dient tot verblijf voor het personeel van het
station, bestaande uit negen visschers en een knaap, allen van de
eilanden Cherso en Veglia geboortig. Met behulp van een groot net
sluiten zij de baai, over een gedeelte der breedte, af; de wachter
op den uitkijk houdt het oog op zee gevestigd, en geeft een teeken,
zoodra de tonijn binnen de afgesloten ruimte gekomen is; dan wordt een
ander net uitgezet, en de visch, binnen die netten ingesloten, wordt
met behulp van een schuitje naar den oever gedreven. Dikwerf komen
gansche zwermen tonijnen te gelijk in de netten; de visschers, die,
behalve hun vast loon, nog eene zekere premie per duizend visschen
ontvangen, maken zeer goede zaken, want ook de kleine visschen, die
tusschen de mazen blijven steken, zijn voor hen. Zij gaan die verkoopen
te Volosca, een zeer fraai dorp, even als Mentone, aan de uiterste
punt van een landtong gelegen, en met zijn witte huizen schilderachtig
uitkomende tegen de zwarte rots. Boven Volosca herken ik Abbazia, het
oostenrijksche Nizza, met de prachtige villa, vroeger het eigendom van
graaf Scarpa, en Lovrana, de stad der laurieren. Ginds ligt Castua,
de oude met muren omringde stad; en aan den horizon teekenen zich de
omtrekken van den vierduizend voet hoogen Monte-Maggiore, van welks
top men geheel Istrië, de golf van Quarnero en de dalmatische kust
overziet, en zelfs, naar men zegt, bij helder weer, den Campanile
van Venetië kan ontdekken.

Als wij het strand in de andere richting willen volgen, naar Dalmatië,
moeten wij ons een somberen, tusschen twee muren ingesloten weg
getroosten; het is daarom beter, een bootje in de haven te huren
en een zeetochtje te ondernemen. Met kalm, mooi weer is dit zeer
aangenaam. Wij komen eerst langs Martinschizza, een prachtig lazaret
voor de quarantaine, een van de besten ter wereld en ook van de minst
bezochten, want zeer zelden zet hier een reiziger den voet. Dan volgen
Dragina, Val-Uri, Porto-Re, Buccari, eene oude romeinsche stad, met
eene fraaie haven, in eene zoo goed gesloten baai, dat zij schier op
een voltooid amphitheater gelijkt. Al de bewoners zijn zeevaarders;
de oostenrijksche marine ontvangt van hier hare beste matrozen.

In vier uren vaart de stoomboot van Fiume naar Segna, het oude
roofnest der Uskoken; maar de boot vaart maar eens in de week, des
donderdagsmorgens ten zeven uur; de paketbooten van Lloyd leggen in
dit smalle kanaal van Maltempo, het beruchtste en gevaarlijkste der
geheele golf, slechts acht mijlen in het uur af. Eens te Segna, is
men dan ook als opgesloten, en moet daar blijven tot den volgenden
donderdag, om naar Fiume terug te keeren, of zelfs tot den daarop
volgenden donderdag, als men de reis naar Dalmatië wil vervolgen.

Segna, de oude stad der Uskoken, heeft nog heden, ondanks alle
veranderingen door den tijd en de menschen aangebracht, geheel het
voorkomen van een ongenaakbaren schuilhoek, een uitgezochte plek voor
boeven en gauwdieven om zich te verbergen. De stad ligt aan de kust,
tusschen de eilanden Veglia en Arbe; aan de landzijde wordt zij
gedekt door hooge bergen; aan de zeezijde was zij vroeger niet dan
met kleine vaartuigen te genaken. Tegenwoordig zijn de bosschen op
den berg omgehakt, en heeft men een haven gemaakt; maar nog altijd
bestaat de Bocca di Segna, een uiterst gevaarlijk kanaal tusschen de
klip Perviechio en de uitstekende punt van het eiland Veglia.

Alles is hier nu rustig en vreedzaam; en de arme visschers, die
mij gastvrij ontvingen en aan wie ik de geschiedenis verhaalde der
zeeschuimers, welke hier vóór hen gewoond hebben, zetten bij dit
verhaal groote oogen op, als gold het een sprookje, uitgevonden om
hun de lange avonden te korten.

De naam Uskoke (skoko, vluchteling), die een schandnaam is geworden,
werd oorspronkelijk gegeven aan turksche onderdanen, die een wijkplaats
hadden gezocht op de smalle strook tusschen de zee en het gebergte
langs de kust. Ten getale van hoogstens drie- of vierhonderd man,
werden zij eerst gastvrij ontvangen in Clissa, eene vesting op een
zeer steilen heuvel boven Salona en Spalato in Dalmatië. Heer van
Clissa was destijds een zekere Pietro Crosichio, een leenman van
de hongaarsche kroon. Hij meende die gasten te kunnen gebruiken
in den krijg tegen zijn vijanden; dit was zijn ongeluk. De Uskoken
plunderden en roofden op turksch grondgebied; Clissa werd belegerd,
Crosichio gedood en zijn hoofd in triomf op een lans rondgedragen.

Na den val van Clissa, lag Dalmatië voor den vijand open. Ferdinand
van Oostenrijk wilde nu op zijn beurt die uitgewekenen tot zijn
bondgenooten maken; hij bood hun eene wijkplaats aan in de stad Segna,
destijds een leengoed van de Frangipani. Van de landzijde waren zij
hier veilig, zoowel voor geschut als voor ruiterij. De vele kleine
eilandjes en klippen maakten ook den toegang ter zee haast onmogelijk;
zij behoefden dus voor hunne vijanden niet meer te vreezen. Maar er
viel hier noch aan akkerbouw, noch aan visscherij te denken; bovendien
waren de Uskoken van jongs af in den wapenhandel geoefend en aan den
krijg gewoon. Zij beklommen dus de rotsen, en ondernamen van uit de
bosschen, op den top des bergs, hunne aanvallen en plundertochten
tegen de Turken. Op het strand beroofden zij de schipbreukelingen;
weldra begonnen zij zelven schuiten te bouwen, en zich bewust van de
veiligheid hunner positie, werden zij piraten.

Aanvankelijk tastten de Uskoken alleen de Turken aan, en ontzagen
de Christenen: de Porte protesteerde. Aangezien Venetië aanspraak
maakte op de heerschappij der Adriatische-zee, moest zij ook zorgen
voor de veiligheid der golf; bovendien bestonden er tusschen Turkije
en de republiek traktaten, waarbij de veiligheid van het verkeer ter
zee gewaarborgd was. Venetië beriep zich op Keizer Ferdinand, die
de uitgewekenen onder zijne bescherming had genomen; deze vaardigde
wel de noodige bevelen uit, maar men stoorde zich daar niet aan:
en inderdaad vermocht schier niemand iets tegen deze piraten, die
door de natuur zoowel tegen hunne vijanden als tegen hun beschermer
beveiligd werden. De republiek rustte galeien uit; elke Uskoke, die
gevangen werd genomen, werd aan de raas opgehangen, om zoodoende aan
de Verheven-Porte te toonen dat men acht sloeg op haar vertoogen; zelfs
werden enkele piraten naar Venetië gevoerd, en op het Sint-Marcusplein
in ijzeren kooien ten toon gesteld.

Hun aantal, bereids door eenige vluchtelingen vermeerderd, bedroeg
toch ter nauwernood vijfhonderd; maar allengs voegde het uitschot
van allerlei volken zich bij hen: boosdoeners uit het duitsche Rijk,
turksche renegaten, italiaansche valsche munters, en anderen, die in
de staatkundige partijschappen van Venetië waren betrokken geweest,
sloten zich aan bij deze handvol bandieten. Segna werd een waar
roofnest, en er kwam een oogenblik, dat de blikken van geheel Europa
op dit kleine vlek in de golf van Quarnero waren gevestigd. Zelfs de
Koning van Frankrijk beklaagde zich bij de regeering van Venetië over
de beleedigingen zijne vlag aangedaan.

Ontuchtige vrouwen uit allerlei natiën en stammen, die Dalmatië
bewonen, stroomden in menigte naar dit roovershol toe; zij leidden
daar een gemakkelijk leven, hadden aan niets gebrek en verbonden
zich aan deze piraten; als het bij de terugkomst van een rooftocht
bleek, dat de echtgenoot van eene dier vrouwen was achtergebleven,
dan werd aldra eene nieuwe verbindtenis gesloten, ook al was men nog
in het onzekere omtrent het lot van den vroegeren gemaal. Was een
Uskoke gestorven, dan nam een ander zijne vrouw en zijne kinderen
en zijn woning in bezit. De vrouwen kleedden zich in het rood, en
tooiden zich op met geroofde sieraden en kostbare stoffen van het
Oosten, door de bandieten op hunne strooptochten medegevoerd. De
vroegere bewoners van Segna werden door het algemeene zedenbederf
medegesleept. Aanvankelijk was er eene bijzondere wijk ten verblijve
voor de Uskoken aangewezen: allengs echter kwam de geheele stad in
hunne macht, en de aanzienlijkste burgers namen piraten in hunne
dienst, die de rooftochten mede maakten en hun meesters een deel van
den buit brachten.

Weldra was geheel de omliggende streek in een woestijn herschapen,
waar niets meer te plunderen viel. Om buit te veroveren zouden zij
zich nu te ver op vijandelijk gebied hebben moeten wagen: daarom kozen
zij thans bij voorkeur de zee tot tooneel hunner werkzaamheid. De golf
niet alleen, maar geheel de Adriatische-zee stond op dien tijd onder
een waar schrikbewind. De Senaat van Venetië bepaalde dat de schepen,
naar het Oosten bestemd, voortaan bij wijze van konvooien zouden gaan,
onder geleide van gewapende galeien; de Turken van hun kant deden
hetzelfde of vermeden de golf. De piraten tastten nu de eilanden aan,
die eerlang mede verlaten werden; de onversaagde scogliari van Cherso,
Veglia, Arbe, Ossero en Pago werden matrozen, en daar zij van hunne
geboorte met alle vaarwateren in de golf bekend waren, rustten zij
op kosten van de republiek schuiten uit, waarmede zij de bandieten,
die hen van hunne geliefkoosde rotsen verdreven hadden, zoo veel
mogelijk afbreuk deden en in hunne schuilhoeken achtervolgden.

Wel was er te Segna een hoofdman, die in naam des Keizers het gezag
uitoefende, maar hij was altijd met de roovers in verstandhouding;
als de Uskoken van een strooptocht terugkeerden, werden schijnbaar
de poorten der stad voor hen gesloten, en somwijlen zelfs de kanonnen
van den wal op hen afgevuurd; maar des nachts liet men hen binnen en
deelde met hen den buit.

Het was inderdaad eene onoplosbare kwestie; als Venetië Segna ter
zee wilde aanvallen, zooals het met behulp der scogliari kon doen,
dan waren de Turken dadelijk gereed, dien aanval van de landzijde te
ondersteunen; maar de Keizer van Duitschland, op wiens grondgebied
de stad lag, wilde die schending van zijn staten niet toelaten. Eens
echter trok Assan, pâsja van Bosnië, naar Segna op; hij kon dit
natuurlijk niet doen, zonder de grenzen van Kroatië te overschrijden;
Oostenrijk greep naar de wapenen; Assan werd verslagen; de Porte
kwam hem te hulp, en de oorlog, die aanvankelijk alleen Segna gold,
duurde twaalf jaren.

Venetië, den loop der zaken aandachtig gadeslaande, versterkte zijne
eilanden, die steeds bedreigd werden; de republiek was nu niet langer
beducht voor de piraten, maar voor haar erfvijanden, de Turken. Hare
onzijdigheid was niet naar den zin van Oostenrijk, dat de Uskoken nu
niet langer in bedwang hield; dezen verplaatsten daarop het tooneel
hunner werkzaamheid, en stroopten wijd en zijd in Istrië en Dalmatië,
onder bescherming van de keizerlijke vlag. Tastte de republiek hen aan,
dan liep zij gevaar met Oostenrijk in oorlog te geraken; de republiek
aarzelde en bepaalde zich tot de verdediging harer havens. Eindelijk
liep het den Keizer toch te erg: hij wilde aan de verwoestingen een
einde maken, en noodigde de republiek plechtiglijk  uit, gezanten af
te vaardigen, die getuigen zouden zijn van zijne strafoefening.

De opperhoofden der Uskoken werden te Segna zelf gevangen genomen
en zonder verschooning opgehangen; de piraten werden ontwapend,
en de venetiaansche onderdanen, die onder hen gevonden werden,
aan de republiek teruggegeven; men liet in de stad slechts honderd
ongewapende Uskoken; een paar honderd anderen werden naar Kroatië
verjaagd; de overigen verstrooiden zich. Maar die handvol mannen,
in de bosschen verscholen, sloeg den vijand nauwlettend gade; nog eer
de keizerlijke stadhouder Segna verlaten had, drongen zij des nachts
de stad binnen, belegerden hem in zijn huis en vermoordden hem. Op
dit bericht keerden de vluchtelingen en de opgejaagde booswichten
zoo spoedig mogelijk terug; en het oude leven begon op nieuw.

Dit gebeurde omstreeks 1602: in deze tweede periode hunner geschiedenis
ging het aantal der Uskoken nog geen zeshonderd man te boven, en
die kleine schaar hield zich staande tegenover drie mogendheden met
haar vloten en legers. Deze geschiedenis is bijna nog zonderlinger
dan de stoutste verdichting. Eens hebben zij eene kleine havenstad
uitgeplunderd; om hun buit te vervoeren, maken zij zich meester van
de gansche visschersvloot van Sebenico, en laten de schuiten zinken,
als zij ze niet meer noodig hebben. Te gelijker tijd drijven zij de
stoutmoedigheid zoo ver, dat zij, met niet meer dan honderd-vijftig
hunner manschappen, een aanslag wagen op het machtige Pola.

Venetië blokkeert Segna; natuurlijk wordt de oostenrijksche handel
daardoor belemmerd: de Keizer keert zich tegen de Uskoken, neemt
hun hunne vloot af, en zendt die naar Fiume, om daar verbrand te
worden. De Uskoken overvallen Fiume, nemen hunne schepen terug,
en voeren op hunne beurt tachtig schepen van de burgers van Fiume
als buit op sleeptouw mede. Ik ga vele dergelijke episoden met
stilzwijgen voorbij. Eindelijk aan alle kanten benauwd en geperst,
ontsnappen de piraten naar Dalmatië, plunderen en berooven de Turken,
en zoeken een schuilplaats op venetiaaansch gebied. De republiek laat
wel opzettelijk eene vloot bouwen om hen te kunnen aanvallen, maar
nu haar vijanden haar niet meer openlijk bestrijden kunnen, nemen
zij hun toevlucht tot list. Christoforo Verniero, scheepskapitein,
loopt op zekeren dag met zijne galei in de haven van Pago binnen;
de spionnen der piraten ontdekken hem; zij naderen het eiland,
zetten een deel hunner manschappen aan wal; glijden en sluipen,
onder bedekking van den nacht, nevens de galei; enteren en veroveren
het schip, werpen veertig passagiers in zee, en voeren hun buit
naar Segna. Onderweg slaan zij zes officieren het hoofd af; aan land
gekomen, richten zij een kolossaal feest aan, waaraan allen deelnemen,
vermoorden Verniero, halen hem het hart uit het lijf, koken dat en
eten het op. Zijne galei wordt in de haven aan den ketting gelegd;
de kanonnen worden op de wallen der stad geplaatst.

Aan dergelijke feiten en avonturen is geen einde. Minuccio Minucci,
aartsbisschop van Zara, heeft ze opgeteekend in twee deelen, zoo te
zeggen de visu geschreven, en later door Paolo Sarpi voortgezet. De
Venetianen deinsden altijd terug voor het groote gevaar, waarmede de
Uskoken hen telkens dreigden, namelijk een oorlog met den duitschen
Keizer. Toch kon de republiek dien oorlog op den duur niet vermijden:
wederom een historische episode, waarvan de rechtstreeksche aanleiding
moet gezocht worden in de afpersingen der piraten. De Uskoken wonnen
er niets bij: want hunne onmiddellijke buren, vast besloten tot hunne
uitroeiing, keerden zich tegen hen, om zoo doende aan de wraak der
Venetianen. die de gansche kust afliepen, te ontsnappen. De bewoners
van Segna en Crissa, hunne beide roofnesten, grepen de wapenen op tegen
de bandieten, en zonden het hoofd van hun aanvoerder naar Venetië. De
republiek bleef nog steeds oorlogvoeren; Spanje bedreigde haar op zijn
beurt; Frankrijk, destijds haar trouwe bondgenoot, trad bemiddelend
op tusschen den Aartshertog en de Venetianen, en het zoogenaamde
traktaat van Madrid kwam tot stand, dat den 26sten September 1617 te
Parijs werd geratificeerd.

Een artikel van dat traktaat bepaalde, dat de Aartshertog een
duitsch garnizoen in Segna zou leggen, en dat, zoodra dit geschied
was, Venetië hem een der vestingen zou teruggeven, waarvan het zich
gedurende den oorlog had meester gemaakt. Binnen twintig dagen na de
dagteekening van het traktaat, zou eene beslissing genomen worden
ten aanzien der Uskoken: hunne vaartuigen zouden verbrand worden,
de piraten zelven verstrooid; en zoodra de volledige uitvoering van
het traktaat goed verzekerd was, zou de republiek al het op het Rijk
veroverde grondgebied weder afstaan.

Van de stoute en onverschrokken gasten, die aan machtige legers en
vloten weerstand hadden geboden, waren er niet meer dan tusschen de
vier- en vijfhonderd over, die inderdaad Uskoken of zonen van Uskoken
konden heeten. Na eene zorgvuldige telling, verbande de Aartshertog
ze allen met name: men wees hun landerijen aan in den omtrek van
Karlstadt. Zij hadden Segna een eeuw lang bezeten, en waren nooit
meer dan duizend man sterk geweest.

"In dertig jaar, zegt Leon Bruslart (de toenmalige fransche gezant),
hadden zij aan de republiek dertig millioen gouds gekost, zoowel in
buit gemaakte schepen, in nadeelen van anderen aard, als in betaalde
vergoedingen aan de Turken of voor kosten van militaire uitrustingen."

Naar men zegt, zouden de Uskoken, in 1617 naar Krain overgebracht,
nog heden, onder hun waren slavischen naam, ten getale van meer
dan duizend, in die provincie worden aangetroffen. Zij kleeden
zich, naar men verhaalt, in witte wol, dragen des zomers linnen,
en onderscheiden zich verder door eigenaardige zeden en gebruiken
van de andere inwoners.


III.

Men telt in de golf van Quarnero niet minder dan dertig eilanden
of klippen, als schepen te midden der golven geankerd, die allen
bij de zeevaarders bij name bekend zijn. Vijf van deze eilanden,
Cherso, Veglio, Lussine, Pago en Arbe, bevatten steden en havens. De
anderen zijn eigenlijk niet meer dan klippen of rotsen (scogli);
op de grootsten vindt men slechts enkele visschershutten. De drie
eerstgenoemde eilanden behooren tot het markgraafschap Istrië, de
twee anderen tot het koningrijk Dalmatië.

De reiziger, die van Pola naar Fiume vaart, heeft het eiland Cherso
aan zijne rechterhand; oorspronkelijk maakte dit eiland een geheel uit
met het eiland Lussine; maar ten gerieve van de scheepvaart, heeft men
tusschen de beide eilanden een kanaal, het kanaal van Ossoro genoemd,
gegraven, waarover eene smalle brug ligt, de Cavanella genoemd.

Cherso heeft eene lengte van niet minder dan vijf-en-dertig, en eene
breedte van zeven mijlen; de kust is steil, de bergen zijn voor een
deel kaal en naakt; de valleien, ook die het meest tegen den wind
zijn beschermd, bieden slechts een steenachtigen, rotsigen bodem
aan. Er wordt een weinig koren verbouwd, maar daarentegen veel wijn,
olijven en honig. Een van de hoofdbronnen van de welvaart des lands
is de veeteelt. De zee nabij de kust is zeer rijk aan visch; en in het
meer Vrana, in het binnenland, vindt men palingen van zeldzame grootte.

De stad, waaraan het eiland zijn naam ontleent, telt ongeveer
vijfduizend inwoners, en niet minder dan acht kerken. De haven is zeer
goed, de kaaien zijn meerendeels met nieuwerwetsche gebouwen omzoomd;
de stad zelve is aan haar steenen muurgordel ontwassen: zij heeft zich
rechts en links uitgebreid en de berghellingen beklommen. Ondanks de
olijvenkweekerij en den wijnbouw, ondanks de uitgebreide veeteelt ook,
is Cherso toch hoofdzakelijk een land van zeevaarders en matrozen. De
scogliari of eilandbewoners gaan dikwijls ver weg, tot in het uiterste
Oosten, om hunne fortuin te beproeven; en de arme eilander, die met
groote moeite en zware inspanning, door het kweeken van olijven of
druiven, een schamel stuk brood verdient, wijst den vreemdeling met
trotsche bewondering op de enkele gelukkigen, die als signori van
hunne verre reizen zijn teruggekeerd.

Ossero, zoo als het eiland Lussine doorgaans genoemd wordt, is kleiner
dan Cherso, maar bezit twee havens, Lussin-Grande en Lussin-Piccolo,
die van zooveel belang zijn, dat sommige aardrijkskundigen het geheele
eiland met den naam Lussine aanduiden. De stad Ossero treedt voor
deze twee havens in de schaduw; zij ligt op een voorgebergte, op het
eiland Cherso, maar het kanaal, dat haar van het eiland Ossero scheidt,
is zoo smal, dat de Cavanella bijna niet meer dan eene sluis is. Deze
stad, die vroeger haar naam aan het gansche eiland schonk, is thans
verlaten en als uitgestorven: zij telt niet meer dan eenige honderden
inwoners: het leven heeft zich geheel saamgetrokken in de twee havens.

Lussin-Piccolo, naar den naam te oordeelen de kleinste der beide
steden, is echter inderdaad de grootste; zij ligt aan den oever
eener ruime, goed gesloten baai, aan den voet van een tamelijk hoogen
berg. De ingang van de baai is zoo smal, dat wij eenmaal het anker
uitgeworpen hebbende, de straat, waardoor wij de baai zijn binnen
gevaren, niet meer terugvinden kunnen. Lussin-Piccolo is eene nijvere,
vooruitstrevende stad, waar energie en kloeke ondernemingszucht woont;
ook zij heeft haar muurgordel verbroken, en zich naar alle zijden
langs de berghellingen uitgebreid; nog voortdurend zet zij hare palen
uit, overal verrijzen nieuwe, witte, geheel moderne huizen. Zelfs de
voorsteden, waar zich de scheepstimmerwerven, haar rijkdom en haar
trots, bevinden, zijn allengs binnen den kring der wassende gemeente
opgenomen, zoodat men nu, midden in de stad, schepen op stapel kan
zien staan.

De bewoners van Lussine overtreffen al hunne buren in ijver, in
levendigheid, in verstand, in zuinigheid en overleg; zij hebben van
de gunstige omstandigheden uitnemend weten partij te trekken, en
als het getij verliep, de bakens verzet. Zij bouwen de vaartuigen,
die langs de geheele kust voor de kleine vaart gebruikt worden; ook
kan geen andere haven van Istrië of Dalmatië met deze wedijveren voor
den bouw van groote koopvaardijschepen. Tijdens mijn bezoek, wees
men mij op een der werven, het grootste schip dat tot dusver hier
gebouwd was. Er is als het ware een wedstrijd tusschen deze kleine,
energieke stad en de scheepstimmerwerven langs de kust. Te Gravosa, de
haven van Ragusa, was voor eenigen tijd een koopvaardijschip gebouwd,
dat als het grootste werd beschouwd, dat daar nog ooit van stapel was
geloopen. Eenige maanden later werd te Klein-Lussine de kiel gelegd van
een schip van nog meer tonneninhoud. Tijdens mijn verblijf stonden er
acht schepen op stapel. De zee dringt schier als eene wigge in de stad
door; overal zijn kaden; de gansche stad is een haven, en de geheele
haven is stad. De bewoners zijn tegenwoordig geen reeders meer, maar
houden zich hoofdzakelijk met scheepsbouw bezig; zij trekken dus al
het voordeel van hun arbeid, en zijn niet blootgesteld aan verliezen
door het vergaan van schepen. Gedurende den Krimoorlog hebben velen
hunner fortuin gemaakt, door ten behoeve der Franschen, Engelschen,
Piemonteezen en Turken, hunne schepen te verhuren voor het vervoer
van allerlei krijgsbenoodigdheden.

Tegenwoordig liggen de stoombooten viermaal in de week te Lussine
aan; deze stad is, ondanks hare weinig talrijke bevolking, die
hoogstens omstreeks vijfduizend zielen kan bedragen, eene van de
belangrijkste der gansche kust. In 1848 telde zij niet meer dan
vijf-en-twintighonderd zielen.

Van al deze eilanden is Veglia het vruchtbaarste en meest bevolkte;
het ligt onder de kust van Kroatië, waarvan het door het kanaal van
Maltempo is afgescheiden. Op de kaart schijnt dit kanaal smal en
gemakkelijk over te steken, maar inderdaad is dit niet het geval; de
vaart van het eene eiland naar het andere in een visschersvaartuig, is
eene heele reis. De bevolking van het schoone eiland, tusschen vijftien
kleine stadjes en meer dan vijftig dorpjes en gehuchten verdeeld,
bedraagt ongeveer vijf-en-twintigduizend zielen. De inwoners leggen
zich minder dan die van Cherso op de zeevaart toe, en zijn ook minder
welvarend, ondanks de uitnemende vruchtbaarheid van den grond. Van het
eiland Veglia ontvangt Fiume schier al zijne benoodigdheden: koren,
olie, wijn, heerlijke vruchten. Wij steken van Porto-Re de straat over
naar Castelmucchio; langs een zeer moeilijken en vermoeienden weg,
alleen bruikbaar voor voetgangers of voor de kleine, zenuwachtige,
zeer vlugge paarden, die op het eiland geboren en ook naar elders
uitgevoerd worden, wandelen wij, dwars door het eiland heen, naar het
stedeke Veglia. Die kleine havenstadjes gelijken allen op elkander. Zij
zijn allen gebouwd aan een door de natuur gevormden inham van de
hooge kust, eene kalme baai, die door de omringende bergen tegen de
aanvallen van de geduchte bora beveiligd wordt. Langs den oever,
half tegen de berghellingen opklimmende, groepeeren zich dan, in
vaak schilderachtige wanorde, de witte huizen van het kleine vlek,
half handelstad, half visschersdorp.

De geschiedenis van het eiland Veglia is zeer belangwekkend en rijk
aan afwisseling. Sinds de vroegste tijden, waarvan de kronieken
melding maken, was dit eiland eene zelfstandige republiek, waarvan
de magistraten gezamenlijk door de edelen en de plebejers, ieder
voor een deel, werden verkozen. Aan het hoofd van het uitvoerend
bewind stond de hoogste overheidspersoon, met den titel van Graaf,
die voor een jaar gekozen werd. Doch daar het eiland telkens aan
de aanvallen der zeeroovers bloot stond en reeds herhaaldelijk de
bescherming van Venetië had moeten inroepen, gaf de kleine republiek
zich zelve, in de twaalfde eeuw, vrijwillig aan Sint-Marcus. In 1260,
tijdens het bestuur van den Doge Rainero Zeno, werd het eiland, door
de regeering van Venetië, tot een leen verklaard ten behoeve van
de broeders Zuane Schinella, patriciërs van edelen stam. Zonder van
zijne rechten of bezittingen afstand te doen, verklaarde de Senaat
het gezag over het eiland erfelijk in deze familie, die den titel
had aangenomen van graven van Frangipani. Omstreeks dienzelfden tijd
zwierf Bela IV, de verdreven Koning van Hongarije, door de Turken
achtervolgd, als vluchteling langs de naburige kust; hij zocht en hij
vond eene schuilplaats op Veglia. De inwoners, vreezende dat de Turken
hen zouden overvallen, hielpen nu Bela een leger bijeen brengen; de
onttroonde Koning stak daarmede naar den vasten wal over, verjoeg de
Turken en herwon het land. Ter belooning voor de bewezen hulp, gaf
Bela aan de Frangipani de stad Segna ter leen. Toen vormde zich een
hongaarsche partij op Veglia, en het eiland zeide de gehoorzaamheid
aan Venetië op. Maar de Senaat duldde geen verzet van de zijde zijner
koloniën: hij vaardigde gezanten af naar graaf Zuane, die weigerde
zich te onderwerpen. Welhaast uit zijne bezittingen verdreven, moest
Zuane een wijkplaats zoeken in Segna, en do standaard van Sint-Marcus
wapperde op nieuw op het eiland. De macht der Frangipani ging allengs
te gronde. Volgens eene vrij algemeen verspreide overlevering,
zouden de inwoners van Veglia, eeuwen lang, de herinnering aan de
Frangipani hebben bewaard, en, ter gedachtenis aan dit geslacht,
de gewoonte aangenomen om, bij wijze van rouw, donker gekleurde
kleederen te dragen.

Veglia heeft een eigen bisschop; ook was ik getroffen over het groot
aantal priesters, die ik op het eiland ontmoette: ook dat is trouwens
nog eene herinnering uit den tijd der Venetianen. Men vond in de
golf van Quarnero een aantal kloosters, meerendeels door de rijke
patriciërs gesticht en mild begiftigd. Nog heden ontwaart de reiziger,
die deze eilanden doorkruist, hier en daar, op eene eenzame plek,
op een schilderachtigen heuveltop, een eerwaardig kloostergebouw,
op welks muren nog het fiere blazoen van Sint-Marcus prijkt.

De twee dalmatische eilanden, Pago en Arbe, zijn veel kleiner. De kust
langs het kanaal della Morlacca, dat deze eilanden van den vasten
wal scheidt, is steil, wild en rotsachtig. Daar heerschen telkens
geweldige winden, en de hoogste terreinen van deze eilanden zijn
onbewoond en onbebouwd; maar aan de andere zijde, langs de kust van
den Quaruerolo, is de bodem vruchtbaar en wel bebouwd: daar tieren
olijven, wijngaarden en moerbeziënboomen. De bevolking splitst zich
in zeevaarders en landbouwers, tevens veefokkers; de vischvangst is
zeer bloeiend en levert rijke uitkomsten op.

Pago maakt een zeer eigenaardigen indruk: dit eiland is eigenlijk
eene aaneenschakeling van kleine eilandjes, door smalle landtongen aan
elkander verbonden. De stad van gelijken naam is in de zestiende eeuw
door de Venetianen gebouwd; het besluit van den Senaat, waarbij de
bouw der stad binnen een bepaalden tijd werd gelast, berust nog in de
archieven. Pago, een der sleutels van den Quarnero, was een punt van
groot strategisch gewicht; wie hier gebood, was meester van een der
uitgangen van het kanaal della Morlacca, en kon dus gemakkelijker de
Uskoken in Segna blokkeeren. De Venetianen bouwden hier een citadel,
legden een haven aan, en richtten de plaats in tot militaire post
en station voor de galeien, die voor de veiligheid der golf moesten
zorgen. Het eiland telt een tiental dorpen of gehuchten; Pago levert
wijn op, het bezit ook rijke zoutputten en een steenkolenmijn.

De reiziger, die een tocht door deze eilanden wil doen, moet zich
van den noodigen voorraad voorzien en alles wat hij behoeft zelf
medenemen. Men kan zich moeilijk een begrip vormen van de levenswijze
der bewoners van het binnenland. Op Cherso, Veglio en Ossero vindt
men langs de kust, en vooral in de havens, althans een onderkomen,
en wanneer men zijne eischen zeer matig stelt, kan men hier ook het
noodige voor levensonderhoud bekomen. Maar als men de havens verlaat,
om hetzij te paard, hetzij te voet, een dezer eilanden in zijne lengte
en breedte te doorkruisen, is zelfs voor goud noch logies, noch voedsel
te bekomen; en nog altijd herinner ik mij den afschuwelijken smaak
van een schotel olijven, in olie drijvende, die eene arme vrouw van
Val Cassione, ter eere van den vreemdeling, met suiker had bestrooid
en mij voorzette.


IV.

De tocht van Fiume naar Zara duurt zeventien uren; wie van
Lussin-Piccolo vertrekt, hoeft slechts zes uren noodig om de hoofdstad
van Dalmatië to bereiken. Bij fraai weder, is zulk een zeereisje een
waar genot. De uitstekend ingerichte stoombooten van de Lloyd varen
steeds dicht langs de kusten; ge telt achtervolgens al die kleine
havenstadjes en schilderachtige dorpen, half wegschuilende tusschen
de bergen; met rustige zekerheid vervolgt de boot haar weg door dien
doolhof van kanalen, zich slingerende tusschen de tallooze eilandjes
en klippen, langs de kusten gestrooid.

De meest geschikte tijd voor een pleiziertochtje in de
Adriatische-zee is de lente of het begin van den herfst. November
is een noodlottige maand, en de laatste dagen van den winter zijn
vol van gevaren. Naarmate men het Oosten nadert, worden de kleuren
en tinten levendiger; de wateren schijnen met zilver overstrooid;
de donkere bergen schijnen te zweven in een van licht stralenden,
van goudglans doortrokken ether.

Dalmatië vormt eene smalle strook lands, door Kroatië en Herzegowina
begrensd, en zoo zeer tusschen de bergen en de zee ingeklemd, dat het
schijnt of de kust in eene ontelbare menigte eilanden en eilandjes
is verbrokkeld. Op sommige punten is deze strook zoo smal, dat de
Turken, van de toppen der bergen, eene in de dalmatische havens voor
anker liggende vloot zouden kunnen beschieten. Ten zuiden, omstreeks
Ragusa, heeft het land de minste breedte; even beneden Sebenico,
tusschen kaap la Planca en den berg Dinara, is de breedte het grootst.

Een der zijtakken van de Alpen loopt in zuidoostelijke richting van
Krain tot nabij Griekenland, scheidt het bekken van de Adriatische-zee
van het stroomgebied van den Donau on de Zwarte-zee, en sluit zich ten
zuiden aan de gebergten van Epirus aan. De van dezen bergrug uitgaande
zijtakken en heuvelklingen, die naar het zuiden en zuidwesten loopen,
vormen de bergen van Dalmatië.

Vier rivieren, die in sommige gedeelten van haar loop vrij belangrijk
zijn, vormen vier bekkens, en splitsen de bergen van Dalmatië in
vier onderscheidene groepen. Deze rivieren vloeien, door meer of
minder diepe valleien, naar de Adriatische-zee: en naarmate zij de
kust naderen, nemen de bergen in hoogte toe, en eindigen meestal in
zeer hooge, steile rotskegels.

Die vier rivieren zijn: de Zermagna, die de grensscheiding met Kroatië
vormt; de Kerka, dio dicht bij de Zermagna ontspringt, langs het fort
Knin vloeit, bij Scardona een beroemden waterval vormt, en bij Sebenico
in de Adriatische-zee uitloopt; de Czettina, die eerst van het noorden
naar het zuiden, vervolgens naar het westen loopt, en bij Almissa in
zee valt; en eindelijk de Narenta, die in Herzegowina ontspringt,
twintig mijlen van de dalmatische grens verwijderd, en zich in de
moerassen boven Fort-Opus verliest.

De bodem is dor, hard, steenachtig, dikwerf voor bebouwing ongeschikt;
in sommige streken, zoo als, bij voorbeeld, tusschen Zara en Knin,
vindt men op eene uitgestrektheid van vijf of zes mijlen, nergens
bouwland: ter nauwernood bespeurt men hier en daar, op de toppen
der heuvelen, of tusschen de rotsen, eenige dwergachtige, schrale
boomen. Kudden van klein, mager vee vormen schier al den rijkdom
des lands; en de Dalmatiër, hoezeer matig en arbeidzaam van aard,
aan inspanning gewend, heeft toch dikwijls moeite in zijn onderhoud
te voorzien. De oude bosschen van Dalmatië, die nog in den atlas
van Coronelli, den geograaf der doorluchtige Republiek, voorkomen,
bestaan tegenwoordig niet meer, tenzij dan in de gedaante van
doornig struikgewas. De vernieling dezer bosschen wordt hoofdzakelijk
toegeschreven aan de geiten, die de jonge uitspruitsels der boomen
afknabbelen; toen, in het begin dezer eeuw, de fransche troepen
Dalmatië bezetten, bedroeg het getal dezer dieren, naar men zegt,
niet minder dan elfhonderd-duizend. Tijdens het venetiaansche bestuur
bestonden er bepalingen, waarbij het getal der geiten werd beperkt
en regelen gesteld voor het weiden.

Het land is arm, maar de bevolking is wel de aandacht waardig. Naar
men zegt, sterven vele kinderen, ten gevolge der heerschende armoede,
op zeer jeugdigen leeftijd; de sterkeren alleen blijven in leven,
en zoo doende verbetert het ras. De bevolking van Dalmatië is sterk,
moedig, prikkelbaar en vatbaar voor geestdrift; de bewoners zijn voor
het meerendeel zeer onwetend, maar zoo het hun aan kennis ontbreekt,
bezitten zij daarentegen de vrij wat kostelijker gaven van eenvoud des
harten, oprechtheid en onwankelbare loyauteit. Men heeft Dalmatië, niet
ten onrechte, het land der deuren zonder sloten genoemd. Diefstal is
onbekend; de misdrijven, welke hier voorkomen, zijn die van mannen,
gewoon hun tegenstander in het aangezicht te weerstaan, en die
gruwen van lafheid en huichelarij. Deze groote, stevig gebouwde,
sterk gespierde Dalmatiërs, met hunne edele gelaatstrekken en hun
krijgshaftig voorkomen, zijn niettemin lui en zorgeloos; hunne vrouwen
moeten den zwaarsten arbeid verrichten, terwijl de mannen rustig zitten
te rooken. Zij zorgen niet voor den dag van morgen, en spaarzaamheid
is hun eene bijna onbekende deugd. Nog in den laatsten tijd volgde,
op jaren van betrekkelijk overvloedigen oogst, een enkel jaar van
misgewas: dadelijk heerschte alom de grootste ellende; niettemin was
de veiligheid in het door den honger geteisterde land niet minder
volkomen dan vroeger.

Het aantal reizigers, die het land in alle richtingen hebben
doorkruist, is niet groot; en daar men dit niet anders dan te voet of
te paard kan doen, is het aantal van hen, die eene beschrijving van
hunne reis in het licht hebben gegeven, nog geringer. Dalmatië is geen
land voor onze moderne toeristen, die zich niet gaarne blootstellen
aan de ongemakken der reis in een streek, waar men soms honger en
dorst lijden kan, en bijna geen van de gemakken vindt, waaraan het
leven ons gewend heeft. Echter kan men, met eenige zorg zijn dagreizen
berekenende, welhaast zeker zijn, dat men bijna altijd gelegenheid
zal vinden om behoorlijk te overnachten en in een bed te slapen.

Wegen zijn zeldzaam, maar zij zijn volkomen veilig, ondanks het woeste
karakter des lands, het krijgshaftige, min of meer ruwe voorkomen
der bewoners, en het arsenaal van wapenen, dat ieder hier steeds bij
zich draagt. De Dalmatiër is gastvrij, en geheel onbekend met die
streken en kunstgrepen, die geen ander doel hebben dan om den reiziger
af te zetten, en zooveel mogelijk voordeel van hem te trekken. De
levenswijze is meer dan eenvoudig en vordert dus niet veel uitgaven;
de eenige uitgave, waar men niet buiten kan, is die voor de middelen
van vervoer. Op de weinige groote wegen is het vervoer, zelfs per
as, zeer duur; en wanneer men de bergpaden moet volgen, en paarden,
muilezels en gidsen moet huren, dan loopt dit betrekkelijk zeer hoog;
maar daar de overige verteringen weinig te beteekenen hebben, weegt
het een weer tegen het ander op. Wie in Dalmatië wil gaan reizen,
moet zorgen altijd wat brandewijn en eenige ingelegde spijzen bij
zich te hebben; want het is mij meermalen overkomen, dat ik, na een
vermoeienden rit van tien uren langs bijna onbegaanbare wegen, in eene
armelijke woning komende, honger moest lijden, omdat de bewoners,
ook met den besten wil der wereld, mij zelfs geen ei of een handvol
rijst verschaffen konden.

De illyrische oorlogen leverden dit land in handen der Romeinen, die
het in drie provinciën verdeelden, een soort van vazalstaten, welke
wel het oppergezag van Rome erkenden, maar overigens eene groote
mate van zelfstandigheid behielden. Het dalmatische gemeenebest
was voorspoedig en welvarend: het telde niet minder dan tachtig
steden, en was in staat legers op de been te brengen, die, Rome's
oppergezag miskennende, zelfs de romeinsche koloniën te Lissa en Trau
aantastten. Dezen riepen de hulp in van den Senaat, en nu begon een
reeks van oorlogen, die honderd-vijftig jaar lang voortduurden; wel een
bewijs, dat de Romeinen hier met een dapper en energiek ras te doen
hadden. Agrippa, Tiberius, Germanicus, Octavius-Augustus moesten het
land voet voor voet veroveren; in het negende jaar der christelijke
jaartelling was geheel Dalmatië eindelijk voor goed onderworpen aan
de heerschappij van het keizerlijke Rome. Tot dusver had het land
den naam gedragen van Illyrië; nu werd het Dalmatië genoemd, en daar
het ongehoorzaam was geweest aan het gezag der machtige metropolis,
moest het voortaan alle zelfstandigheid missen. Dit gemis werd echter
opgewogen door grooten bloei en ongekenden voorspoed; verder deelde
Dalmatië in de lotgevallen des rijks. Toen de barbaren uit het Oosten
naar het Westen drongen, vernielden zij op hun weg al die bloeiende en
prachtige steden, waarvan wij nog de verstrooide ruïnen aanschouwen:
Scardona, Salona, Epidaurus, Nona, Promona en zoovele anderen.

Achter de Gothen en Avaren komen de Kroaten en de Serviërs, die het
land onder zich verdeelen; dan komt Dalmatië onder de heerschappij
der grieksche Keizers; later, tijdens de oorlogen tusschen de
Turken en het wegstervende byzantijnsche rijk, nemen de Koningen van
Hongarije de plaats der Keizers in. Beurtelings oefent bijna iedereen
de heerschappij in Dalmatië uit: de Sarraceenen, de Venetianen,
de Napolitanen, zelfs de Genueezen; de piraten van Narenta richten
zulke verwoestingen aan, dat Venetië de Dalmatiërs te hulp komt, en,
tot prijs voor deze bescherming, hun de onafhankelijkheid ontneemt.

Eerst bij het traktaat van 6 September 1669 echter, dat, door den
afstand van het eiland Kandia. een einde maakte aan den langdurigen
oorlog tusschen de Turken en de Venetianen, werd door Turkije de
souvereiniteit erkend van de republiek over het gansche kustland
van Cattaro tot aan de golf van Triëst; van weerszijden worden
gevolmachtigden benoemd tot regeling van de grensscheiding. De
heerschappij van Venetië duurde, ondanks de pogingen van
enkele oproerige steden om het vreemde juk af te schudden,
driehonderd-vijftig jaar, tot op het traktaat van Campo-Formio,
den 17den October 1797 gesloten. Daarbij werden Istrië, Dalmatië,
de voormalige venetiaansche eilanden in de Adriatische-zee, Cattaro
en Venetië zelve aan den Keizer-Koning van Duitschland afgestaan. De
oostenrijksche heerschappij duurde echter ditmaal niet lang: reeds
den 9den Februari 1806, bij het traktaat van Presburg, werd Dalmatië
aan Frankrijk afgestaan. Napoleon lijfde het land bij het koningrijk
Italië in, en schonk aan den maarschalk Soult den titel van hertog van
Dalmatië. In Juli 1809 drongen de Oostenrijkers het land binnen; maar
bij den vrede van Weenen werd het op nieuw aan Frankrijk afgestaan. Nu
werd het echter van Italië gescheiden, en van 1809 tot 1814, met de
andere aan Oostenrijk ontweldigde en onder den naam van Illyrische
provinciën vereenigde gewesten, bestuurd door gouverneurs-generaal,
die hunne residentie te Laibach hadden. De eerste dezer stadhouders
was Marmont, begiftigd met den titel van hertog van Ragusa. Na den
val van Napoleon werd het land, bij de traktaten van 1815, weder aan
Oostenrijk teruggegeven, waartoe het tot heden behoort.

Het koningrijk Dalmatië is in vier kreitsen verdeeld, die elk
een zeker aantal distrikten bevatten; de hoofdstad des lands is
Zara, tevens de residentie van den stadhouder, tegenwoordig Baron
Rodich, in wiens handen zoowel het burgerlijk als het militair
gezag berust. De vier kreitsen dragen, naar de hoofdplaatsen, de
namen van Zara, Spalato, Ragusa en Cattaro. Tot den kreits van Zara
behooren de eilanden Pago en Arbe, en voorts de distrikten Zara,
Obbrovatz, Knin, Scardona, Dernis en Sebenico. De kreits van Spalato
bevat de districten Spalato, Trau, Sign, Almissa, Smorchi, Brazza,
Lissa, Macarsca en Fort-Opus. Tot den kreits van Ragusa behooren de
districten Curzola, Sabioncello,  Slano, Ragusa en Oud-Ragusa; en tot
den kreits van Cattaro de distrikten van Castel-Nuovo, Cattaro en
Budua. Zara telt tweehonderd-vier-en-negentig gemeenten;  Spalato,
tweehonderd-een-en-vijftig; Ragusa, honderd-veertig, en Cattaro,
honderd-vier.

Tegen het einde van het venetiaansche bestuur telde Dalmatië
tweehonderd-twee-en-vijftigduizend inwoners; toen de maarschalk
Marmont eene volkstelling liet houden,  schatte hij de bevolking op
tweehonderd-vijftigduizend zielen, die bijna allen de katholieke
godsdienst beleden; de aanhangers der grieksche kerk schatte hij
op niet meer dan een tiende van het geheel. In 1838 bedroeg het
totaalcijfer der bevolking ruim drie-honderd-vijftigduizend;
de verhouding tusschen de Slaven en de Italianen was toen
van driehonderd-veertigduizend tot zestienduizend, bijna allen
kustbewoners. In 1844 werd de bevolking op vierhonderd-drieduizend
zielen geschat; de laatste opgaven geven een cijfer aan van ruim
vierhonderd-vijftigduizend. Er is dus ontegenzeggelijk vooruitgang;
niettemin is de bevolking gering, in verhouding tot de uitgestrektheid
des lands.

Venetië oefende haar gezag uit door middel van beambten, die naar
Dalmatië gezonden werden om in naam van de republiek en den Senaat
het bewind te voeren; zij droegen den naam van proveditoren, en
waren zoowel met het burgerlijk als het militair gezag bekleed;
naar gelang van de belangrijkheid der stad, voerden zij den titel
van graaf, gouverneur, kapitein of burchtvoogd, maar zij stonden
allen onder de bevelen van den proveditor-generaal, die rechtstreeks
briefwisseling voerde met den Senaat en den Doge. Te Zara en te Spalato
werden die proveditoren in het bestuur bijgestaan door een raad van
drie patriciërs, uit Venetië gezonden. Maar daar de republiek nimmer
haar stelsel van argwanende controle liet varen, en daar zij hare
koloniën wenschte te beschermen tegen mogelijk misbruik van macht
van de zijde dezer proveditoren, werd telkens om de drie jaar eene
buitengewone commissie, bestaande uit drie senatoren, afgevaardigd,
om een algemeen onderzoek in te stellen, en tevens aan allen, die
meenden zich over handelingen van het bestuur te moeten beklagen,
gelegenheid te geven, die klachten persoonlijk in te brengen. Deze
buitengewone commissarissen traden met groote staatsie en veel
vertoon van indrukwekkende macht op: tot hun gevolg behoorde ook
de beul, in het rood gekleed en met het zwaard in de hand. Later
werd, vooral op aandrang der proveditoren, de taak dezer commissie
eenigszins gewijzigd.

Tegenwoordig heeft iedere stad haar gemeenteraad, die belast is met
de zorg voor de stoffelijke en zedelijke belangen der burgerij. De
behartiging van de algemeene belangen des lands is opgedragen aan den
Landdag van Dalmatië, eene vertegenwoordigende vergadering, waarvan de
leden gekozen worden, en die te Zara bijeenkomt. De Landdag vaardigt
eenigen zijner leden af naar den Rijksdag te Weenen; de bijzondere
belangen van Dalmatië worden dus ook in de hoogste regeeringscollegiën
der monarchie vertegenwoordigd. De zittingen van deze vergadering
te Zara kunnen soms onstuimig genoeg zijn, wanneer de politieke
hartstochten der verschillende partijen worden opgewekt.

In den Landdag van Dalmatië staan, even als in dien van Istrië,
drie partijen tegenover elkander: de italiaansche partij, de
slavische partij, en de duitsche partij. Elk van deze drie maakt
voor zich aanspraak op de heerschappij. De groote intellektuëele
en staatkundige beweging, in de laatste jaren voornamelijk van
Agram uitgegaan, en de oprichting eener slavische universiteit,
hebben de slavische partij aanmerkelijk versterkt en een vasten
bodem voor haar streven geschapen. De slavische idee ligt ten grond
aan de herhaalde bewegingen en opstanden in de aangrenzende turksche
provinciën; zich harer kracht bewust, streeft zij er naar, zich een
vasten vorm te verschaffen, uitdrukking te vinden, tot werkelijkheid
te worden. Het ware roekelooze verblinding, dit niet te zien, en
gevaarlijke zelfmisleiding het gewicht van deze verschijnselen te
miskennen. Blijkbaar woelt en werkt in de gemoederen dezer bevolkingen
het denkbeeld eener slavische eenheid; en wellicht is de dag niet
zoo verre meer, waarop de Slaven in Bohemen en Moravië, of althans
die in Kroatië, in Servië, in Bosnië, in Herzegowina, in Dalmatië,
in Bulgarije en Montenegro, alle onderlinge verdeeldheid vergetende,
en de slagboomen, die hen nu nog scheiden, verbrekende, zich onder
de banier van één hoofd zullen scharen, en met haastige schreden
zullen jagen naar de verwezenlijking van een ideaal, waarvoor men
nog niet durft uitkomen, maar dat geen geheim kan zijn voor ieder,
die met eenige aandacht de stemming der bevolking in deze gewesten
heeft gade geslagen.

Niemand kan zeggen, hoe lang het nog duren zal eer de groote
slavische beweging zulke kolossale afmetingen zal aannemen, en
eene overweldigende macht zal worden. Om haar einddoel te bereiken,
zal zij zeer geduchte vijanden moeten overwinnen en een harden kamp
hebben te voeren; voor meer dan één europeeschen staat geldt het hier
inderdaad de kwestie van te zijn of niet te zijn. Welke houding zal
Rusland, welke Oostenrijk tegenover deze beweging aannemen? Van welken
invloed zal zij zijn op de naaste toekomst van het vermolmde rijk der
Osmanlis? Ziedaar vragen, waarin wij ons nu niet willen verdiepen,
en waarop het ook onmogelijk is, thans een antwoord te geven. Dit is
zeker: even als Europa eene italiaansche en eene duitsche kwestie
gekend heeft, waarvan de tijdelijke of definitieve oplossing op
stroomen bloeds en tranen is komen te staan, zoo zal het ook weldra
eene slavische kwestie leeren kennen, die niet minder beroeringen,
omwentelingen en oorlogen in haar schoot verbergt. Ieder ziet en
gevoelt dit; zonderling echter is het, dat zij, die, waar het de
unificatie van Duitschland, of liever de onderwerping van Duitschland
aan Pruissen gold, elk middel geoorloofd rekenden, die verraad en
onrecht, geweld en roof toejuichten, mits ze maar bevorderlijk waren
aan het groote doel;--dat diezelfde lieden, voor wie het recht der
duitsche eenheid boven alle bedenking stond, en elk ander recht
beheerschte, nu aan de Slaven het recht betwisten, het hun gegeven
voorbeeld na te volgen en op hunne beurt naar nationale en politieke
eenheid te streven! Dat de verwezenlijking van dit slavische ideaal
voor Pruissen-Duitschland minder aangename gevolgen zou kunnen
hebben, is toch op zich zelve geen reden, waarom het streven der
Slaven ongeoorloofd moet worden genoemd? Van historisch recht mag
hier geen sprake zijn: de moderne staatslieden en rechtsgeleerden
hebben ons immers sedert lang aangetoond en metterdaad bewezen dat
dit niet bestaat?


V.

Mocht een mijner lezers ooit Zara bezoeken, dan wensch ik hem toe,
dat hij daar te scheep aankome, in het begin van den herfst, met mooi
frisch weer, liefst des morgens, als de zwevende nevels wegsmelten voor
de stralen der rijzende zon. Een voor een zal hij dan de eilanden,
die het kanaal van Zara vormen, uit den wijkenden morgennevel zien
opdoemen: en weldra vertoont zich aan zijn blik de blanke stad zelve,
binnen hare muren omsloten, en fier haar vele torens en spitsen ten
hemel heffende.

De stad slaapt nog en de kaaien zijn ledig: enkele pandoeren, geheel
met zilver en blinkende muntstukken bedekt, de roode muts met gouden
pailletten op het hoofd, zitten op den oever, hun kersenhouten
pijp rookende, en naar ons vaartuig ziende. Achter ons laat zich
een eigenaardig geluid hooren: omziende bespeuren wij twee groote
inlandsche vaartuigen, met hun eenvoudige lijnen, hun rood en zwart
geverwden voorsteven, waarop nevens andere figuren twee groote
fantastische oogen geschilderd zijn. Zachtkens door den morgenwind
voortgestuwd, voeren deze vaartuigen een honderdtal vrouwen en jonge
meisjes van de naburige eilanden naar de stad; eene nieuwe wereld,
de wereld van het Oosten, gaat voor ons open.

Wij treden de stad binnen door de poort van San-Chrysogone, eene
romeinsche poort, in den venetiaanschen muur gevat, waarop de republiek
haar fier blazoen met den leeuw van Sint-Marcus heeft gebeiteld. De
straten der stad zijn recht en snijden elkander rechthoekig. Men
gevoelt aanstonds dat Zara eene militaire stad is, weleer een der
hoofdbolworken tegen de Turken en de Hongaren, en telkens aan de
aanvallen der vijandelijke naburen bloot staande.

Wij nemen onzen intrek in het Capello-Nero, een klein hotel, waarvan
de met wijngaarden beplante binnenplaats aan Venetië herinnert. Naar
onze gewoonte, gaan wij, zonder vooraf vastgesteld plan, uit en de
stad in, als op eene ontdekkingsreis.

Eerst naar de markt. Hier is de algemeene verzamelplaats der
landlieden uit het binnenland van Dalmatië, en der vrouwen van de
eilanden; de kleederdrachten zijn vol karakter en van bijkans oneindige
verscheidenheid: elk distrikt heeft zijn eigenaardig kostuum, elk dorp
zijne eigene mode. Bijna alle vrouwen dragen witte linnen hemden, op
de borst en de mouwen met fraai gekleurde borduursels versierd. Over
dit hemd dragen zij een overrok zonder mouwen, donkerblauw van kleur,
van voren open, en versierd met gele, roode, donkergroene oplegsels; de
zakken prijken met zonderlinge borduursels van kleine witte schelpen en
pailletten. De koperen gordel is bezet met tallooze zilveren knoppen;
het voorschoot gelijkt een duizendkleurig tapijt van Khorassan:
het reikt tot aan de knieën, en is van onderen voorzien van eene
lange franje van dezelfde kleur en stof; kousen of beenkleeden van
dezelfde stoffage, met de hand geweven, bedekken ten deele de opanké,
het schoeisel der Slaven, uit schapenvel vervaardigd, dat op den voet
met strooien koorden wordt vastgebonden. Om den hals prijken een
aantal kettingen, die vrij laag op de borst afhangen, en deels uit
glaskoralen, deels uit muntstukken, uit amuletten, ruwe turkoisen en
allerlei andere steenen bestaan. De jonge meisjes vooral dekken zich
het hoofd met de roode muts met goudgalon en gouden pailletten; anderen
dragen een grooten witten sluier of huive, die met een punt tot op
het midden van den rug afhangt, en met een breed rood lint is omzoomd.

Dit is de algemeene type; maar ten aanzien van bijzonderheden en kleur
zijn daarin zoo vele afwijkingen en verscheidenheden, dat het geheel
den indruk maakt van een groot mozaiek. De dames der stad komen,
door hare dienstboden gevolgd, ter markt om haar inkoopen te doen:
haar westersche, moderne kleederdrachten vormen een scherp contrast
met de kostumen der landbewoners. De marktplaats zelve maakt niet veel
indruk; zij is eerst in later tijd aangelegd en bebouwd: de stijl
is een verbasterd gothisch, met byzantijnsche elementen vermengd,
zoo als dat ook nog te Venetië in zwang is. Aan een der hoeken staat,
als op de meeste italiaansche markten, een kolossale antieke zuil,
volgens zeggen, afkomstig van een tempel van Diana, waarvan men nog
de overblijfselen ziet in den tuin der artillerie-kazerne. Op de zuil
staat de leeuw van Sint-Marcus met gebroken vleugels; het voetstuk
bestaat, even als dat der zuil van de Piazzetta, uit trappen; even als
te Verona, te Vicenza en te Venetië, hangt nog op manshoogte aan de
zuil de ijzeren ketting van het brandmerk voor de bankroetiers. Men
was destijds nog naïef genoeg, een bankroetier als een misdadiger te
beschouwen. Wij zijn sedert vooruit gegaan.

Een vriendelijk voorbijganger biedt zich welwillend aan om mij te
geleiden, en met hem bezoek ik achtervolgens vijf of zes kerken:
den dom, Sint-Chrysogonus, Sinte-Anastasia, Sinte-Maria, Sint-Simeon,
Sint-Franciscus, en eenige kloosters.

De dom verdient ten volle de belangstelling: hij dagteekent uit
de dertiende eeuw, is uitnemend bewaard gebleven en wordt goed
onderhouden; in lombardischen stijl gebouwd, vertoont hij veel
overeenkomst met de kerk San-Zenone te Verona. Even als de meest
oud-lombardische basilieken, heeft ook deze dom drie schepen, ieder
met een afzonderlijken ingang; de kerk is zeker een der merkwaardigste
overblijfselen van den oudchristelijken bouwstijl in Dalmatië. De
hoofdgevel staat geheel vrij; ook in een zijstraat bevindt zich een
zeer fraaie gevel. Aan het altaar ziet men een hoogst merkwaardig
beeldwerk, dat mij toescheen afkomstig te zijn uit de eerste eeuwen
onzer jaartelling. De eerste steen van dezen dom werd gelegd door den
Doge Enrico Dandolo, na de verovering der stad door de Venetianen en
de Franschen, bij den aanvang van den vierden kruistocht.

De kerk van Santa-Maria is mede een zeer fraai gebouw, met een ruim
voorplein; zij behoort tot een Benediktijner klooster, dat in de
elfde eeuw werd gesticht door de zuster van Cresimus, Koning van
Kroatië. Een oude toren, evenwel van veel jonger datum en in den
lombardischen stijl gebouwd, dankt zijne stichting aan Koloman,
Koning van Hongarije, die Dalmatië veroverde.

Al voortwandelende door deze lange rechtlijnige straten, door de
ingenieurs der zestiende eeuw aangelegd, komen wij op de Piazza
de'Signori, die nog zeer goed onderhouden is en herinnert aan al
soortgelijke pleinen in de steden van Opper-Italië. Het niet zeer
ruime plein is vierkant; het prijkt met twee monumentale gebouwen,
waarvan het een, tegenwoordig tot bibliotheek dienende, blijkbaar
vroeger werd gebruikt voor de bureaux van den proveditor-generaal en
de zittingen der afgevaardigden. Daar werden de wetten afgekondigd
en der rechterlijke uitspraken en vonnissen den volke bekend
gemaakt. Het heeft eene ruime loggia met drie gesloten bogen, in een
strengen, soberen stijl, overeen komende met dien van Palladio. Het
inwendige is naakt en koud; van de vroegere versiering is niets
meer overgebleven dan een reusachtige schoorsteen, en een steenen
tafel door heraldieke griffioenen gedragen, en met het opschrift:
Hic regimen purum magnaque facta manent. Het beeldwerk in deze zaal
verraadt de meesterhand; in de vakken der wanden vermelden opschriften
de namen der proveditoren. Boven de boekenkasten, te hoog om goed
gezien te kunnen worden, hangen portretten en kopiën naar Tintoretto,
waarschijnlijk geschenken van senatoren. Een zeker hoogleeraar aan
de universiteit van Turijn, van Zara geboortig, Dr. Paravia, heeft
zijne bibliotheek aan zijne vaderstad ten geschenke gegeven; zij is
thans geplaatst in deze ruime zaal. Wij werden hier zeer vriendelijk
ontvangen door den bibliothekaris, den heer Simeone Ferrari Cupich.

Vlak tegenover de Loggia staat de hoofdwacht, door Sammicheli gebouwd,
maar tegenwoordig ontsierd door een toevoegsel uit de achttiende
eeuw. Op het plein bevindt zich ook nog het voornaamste koffiehuis der
stad, waar de oostenrijksche officieren plegen bijeen te komen. Deze
Piazza is het hart van Zara; het Corso loopt er op uit, en op sommige
uren van den dag is het hier buitengewoon druk en levendig.

Van nature was Zara een schiereiland, maar de Venetianen hebben het,
om stategische redenen, tot een eiland gemaakt, en omringd met muren
en breede wallen, waarlangs men de geheele stad kan rondwandelen. Zara
heeft vier poorten: twee daarvan, de poort van San-Chrysogone of de
Zeepoort, en de Landpoort, verdienen bijzondere aandacht.

Do eerste is eene romeinsche poort met een enkelen boog en een
entablement, door korinthische pilasters gedragen; de poort is een
ex-voto, door eene zekere Melia Anniana aan haren gemaal Loepicius
toegewijd. Naar het opschrift te oordeelen, zou zij vroeger nabij eene
markt hebben gestaan, en zonder twijfel was ook deze poort vroeger
versierd met standbeelden, even als de fraaie Porta Aurea van Pola:


    MELIA. ANNIANA. IN. MEMOR.
Q. LOEPICI. Q. F. SERG. BASSI. MARITI. SUI. IMPORIUM.
      STERNI. ET. ARCUM. FIERI.
ET. STATUAS. SUPERPONI. TEST. IVSS. EX. IIS. DCDXX.


Naar men beweert, is deze poort afkomstig uit de antieke stad Oenona;
ik vermoed dat de Venetianen, bij het bouwen van den muur, volgens
hunne gewoonte, dien boog tot een poort zullen hebben aangewend.

De Landpoort is van Sammicheli; zij vormt een waardigen toegang tot de
stad; door haar schoone en sobere lijnen herinnert zij aan de fraaie
poort te Verona. Het strekt Sammicheli tot blijvenden roem, dat hij
de schoonheid en den adel der vormen heeft weten te verbinden met de
strategische eischen van den vestingbouw, de kunst met de militaire
genie. Een groote, fraai bewerkte leeuw versiert het vak boven den
hoofdingang; de beide zijvakken bevatten opschriften ter eere van
Marc-Antonio Diedo, een proveditor uit het begin der zestiende eeuw,
van wiens bestuur te Zara nog vele sporen te vinden zijn.

Bij het doorwandelen der straten en pleinen, zoo vaak een of ander
kunstwerk uwe aandacht trekt, komt ge steeds meer tot de overtuiging
dat Zara nog geheel venetiaansch in karakter en voorkomen is. De
inwoners spreken hetzelfde dialekt als te Venetië, maar de voortdurende
betrekkingen met het slavische platteland hebben vreemde elementen in
de taal gebracht; ook zijn de meeste inwoners zoowel het italiaansch
als het slavonisch machtig. Het inwendige der huizen vertoont geheel
het italiaansche karakter; zij hebben hun binnenplaatsen (cortile) met
gebeeldhouwde putten, meermalen door wijngaardranken overschaduwd. In
sommige afgelegen straten treft men enkele paleizen aan, die geene
onwaardige figuur zouden maken naast de fraaie paleizen te Venetië.

Ge hebt niet veel meer dan een kwartier noodig om de boulevards af
te wandelen, die allen naar een heilige of een proveditor genoemd
zijn. Niemand zal zich deze wandeling beklagen; want, daar de stad
op een eiland ligt, heeft men overal het uitzicht op de zee en de
eilanden langs de kust. De veldmaarschalk Baron Welden, gouverneur
van Zara en vroeger gouverneur van Weenen, heeft in 1829, op de
vestingwerken een fraaien tuin laten aanleggen. Vroeger omsloot de
muur de stad als een ijzeren gordel; langzamerhand heeft men dien
gordel moeten verwijden, en aan de zeezijde is men bezig den muur af te
breken. De stad zal daardoor in schilderachtigheid en eigenaardigheid
van voorkomen veel verliezen; maar het moderne leven wischt overal
de sporen en herinneringen van het verleden uit, en de pogingen om
deze verwoestingen te stuiten, zijn over het geheel machteloos tegen
het steeds voortwoekerend kwaad.

De kwestie van het drinkwater is, ten allen tijde, voor Zara van
overwegend gewicht geweest. Daar de stad herhaalde belegeringen
heeft moeten doorstaan, was deze zaak van het grootste aanbelang, en
voortdurend heeft men getracht, deze moeilijke kwestie op bevredigende
wijze op te lossen. Dit blijkt vooral aan den zoogenoemde Vijf Putten.

Eene antieke waterleiding, naar men wil door Trajanus gebouwd, en
waarvan men de overblijfselen nog mijlen ver, tot in het slavische
binnenland, kan volgen, voorzag weleer in de behoeften der romeinsche
kolonie; later, toen Sammicheli zijn plan voor den vestingbouw
ontwierp, maakte hij gebruik van de werken zijner voorgangers,
wijzigde ze, en liet nieuwe kanalen graven; en daar de Venetianen
uit den tijd der renaissance niet tevreden waren, wanneer zij bij
de behartiging van het publiek belang niet tevens aan de eischen
der schoonheid voldeden, ontwierp Sammicheli een fraai plein met
vijf sierlijke putten, tegenwoordig de Cinque Pozzi genoemd, waar de
inwoners het noodige drinkwater kunnen verkrijgen.

De voorbijganger ziet van dit groote werk niets meer dan de vijf
uitstekende randen van de putten; maar de onderaardsche werken zijn
van zeer belangrijken omvang en ook uit een archeologisch oogpunt
zeer merkwaardig. Het is moeilijk, zich rekenschap te geven van den
oorspronkelijken aanleg der kanalen. Vermoedelijk hadden zij eene
dubbele bestemming: namelijk, om het water aan te voeren, en ook om,
in geval van belegering, gemeenschap met de buitenwereld mogelijk
te maken.

Dit kleine Zara is in waarheid bekoorlijk. Wij hebben er geen relatiën
aangeknoopt er geen introductie in gezelschappen gezocht. De straat
was ons domein, en het marktplein ons hoofdkwartier; daar knoopten
wij een gesprek aan met den eersten den besten voorbijganger:--en
het toeval is ons gunstig geweest, want onder de voorbijgangers, die
stilstonden om een blik te werpen op onze schetsjes naar de natuur,
bevonden zich ook hooggeplaatste magistraatspersonen, politieke mannen,
en gezeten burgers, volkomen met het land en het volk vertrouwd. Door
hunne welwillende tusschenkomst is het ons mogelijk geweest, het
zoo ver te brengen dat de slavische boeren en de Morlaken uit den
omtrek voor ons poseerden om zich te laten uitteekenen. Maar zeer
weinig reizigers waren zoo gelukkig; doorgaans moet men deze lieden
haastig, in het voorbijgaan, ik zou haast zeggen in de vlucht, en
bijkans zonder dat zij het bemerken, schetsen; hoezeer de kunstenaar
het ook moge bejammeren dat hij deze fraaie belangwekkende typen niet
op zijn gemak kan nateekenen.

Op zekeren morgen, toen ik, met mijn album onder den arm, door de stad
liep te dwalen, lettende op al wat mij omringde, viel mijn oog op een
huis van een statig voorkomen, waarvoor gendarmen, of zoogenoemde
pandoeren, in het meest schilderachtige kostuum, de wacht schenen
te houden. De menigte ging onverschillig voorbij; wij werpen een
blik op de binnenplaats, een fraai patio, uit de zestiende eeuw, in
venetiaanschen stijl gebouwd, geheel met marmer geplaveid, en in een
der hoeken een put uit den tijd der renaissance. Meer dan vijftig
slavische boeren uit den omtrek, allen in hunne schilderachtige
kleederdracht, zijn op die binnenplaats gekampeerd; sommigen liggen
rechtuit op den grond in de zon, anderen rooken in de schaduw der
zuilengangen; terwijl de vrouwen, eenigszins afgezonderd, onbewegelijk
tegen den muur staan geleund.

Dit gebouw is het gerechtshof; daar binnen wordt op dit oogenblik
een proces wegens kindermoord gevoerd. De raadsheer Piperata, lid
van den Landdag van Dalmatië, die over het patio naar de zaal gaat,
deelt mij mede, dat al deze lieden als getuigen zijn opgeroepen. De
kindermoord,--een misdaad, die bij de Slaven uiterst zelden
voorkomt--is ditmaal gepleegd te Kistagné, en een aantal bewoners van
de omliggende distrikten zijn min of meer bij de zaak betrokken: ik
heb dus hier de vertegenwoordigers voor mij der bevolking van bijna
den geheelen kreits.

Men zou diep in het Oosten moeten doordringen, om zulk eene verzameling
van eigenaardige, schilderachtige kostumen te vinden, ondanks al hunne
verscheidenheid, zoo harmonisch van kleur. Juist aan deze wonderbare
kleurenharmonie bespeurt ge onmiddellijk, dat ge het Oosten nadert,
waar deze zin voor kleur en toon den ingeborenen in het bloed zit. Daar
hebt ge vooreerst de pandoeren zelven, die in de zon schitteren als
spiegels; hunne borst is geheel behangen met tien of twaalf snoeren
van groote medailles, meest allen met het portret van Maria-Theresia
prijkende. Het zijn kolossale, prachtige mannen; in sommige distrikten,
waar een energieke policie noodig is, zijn zij bij wijze van lokale
gendarmerie georganiseerd. Eigenlijk zijn zij gewapende boeren, die
geen soldij ontvangen, en beurtelings gedurende een zeker aantal dagen
de wacht betrekken en de dienst waarnemen. Aan hun hoofd staat een
sirdar, die onder de bevelen gesteld is van den kolonel-kommandant der
militie in elken kreits. De kolonel van Zara had weleer onder zijne
bevelen tien sirdars en vijftien onder-sirdars of aramassé. Ik weet
niet, in hoever deze organisatie in den laatsten tijd is gewijzigd.

Als deze pandoeren een misdadiger aanhouden om hem voor het gerecht te
brengen, leggen zij hem niet de handboeien aan, maar in plaats daarvan
snijden zij zijn wijden broek naar de turksche mode, die de bewoners
der omliggende distrikten algemeen dragen, ter zijde open, zoodat
hij op de hielen valt en het ontvluchten onmogelijk maakt. Eenigen
dezer prachtige pandoeren hadden de vriendelijkheid voor mij te
poseeren, zoodat ik, tot mijn genoegen, hun portret maken kon. Uren
lang vertoefde ik op deze binnenplaats, schrijvende, teekenende. Drie
boerinnen van Kistagné zijn welwillend genoeg om mede haar portret te
laten maken. De eene, een blond jong meisje, met eene roode muts met
goud galon en pailletten op het hoofd, met een fijn wit hemd versierd
met veelkleurig borduursel, met fraaie schitterende snoeren om den
hals en medailles op de borst, met een blauwen geborduurden rok en
een veelkleurig voorschoot, staat onbewegelijk voor mij, schier even
onbewust als een standbeeld. Achter haar staan twee oude vrouwen, het
hoofd gehuld in witte doeken met rood lint omzoomd, met groene linten
door haar groote valsche haarvlechten, en den breeden met zilveren
knoppen versierden gordel; zij schijnen voortdurend beheerscht door
een zekeren angst. Zoodra ik mijne schets voltooid heb, spoeden
zij zich weg; en de president van de rechtbank, die de zitting voor
eenige oogenblikken geschorst heeft, komt mij straks eene merkwaardige
mededeeling doen. De twee oude vrouwen, die zwijgende gedurende ruim
een uur geposeerd hebben, zijn hem komen zeggen, dat een man haar
een uur lang voor zich heeft doen staan en haar al dien tijd strak
heeft aangekeken en voortdurend geschreven; dat hij haar daarna een
gulden gegeven heeft, zouder evenwel zijn oordeel te spreken of vonnis
te vellen. De beide vrouwen hadden mij voor een rechter aangezien,
en gemeend dat ik door mijn strak aankijken tot in het diepst harer
ziel had willen doordringen! De vrees of schuwheid om zich te laten
portretteeren, is trouwens aan alle onbeschaafde of onontwikkelde
bevolkingen eigen, en ieder reiziger, die gepoogd heeft zulke
menschen voor zich te laten poseeren, zou daaromtrent merkwaardige
ervaringen kunnen mededeelen. Nauwelijks een maand geleden, toen wij
ons te midden der bosnische uitgewekenen, langs de oevers van de Una
bevonden, vluchtten de arme vrouwen der rajahs verschrikt weg, zoodra
zij bemerkten dat wij schetsen van haar ontwierpen; zij riepen dat wij
haar aan de Turken wilden uitleveren. In de Militaire Grenzen is het
ons nimmer gelukt, hoeveel geld wij ook boden, eene boerin voor ons
te doen poseeren; ja zelfs op de markt te Agram, eene zeer beschaafde
stad, scheelde het weinig of wij hadden het te kwaad gekregen met de
boeren, toen wij hen begonnen uit te teekenen.

Zara is eene stad van ambtenaren. De gouverneur-generaal van Dalmatië
heeft hier zijne residentie, benevens de voorzitter van het hof van
appel, de directeur-generaal van politie, de intendant der financiën,
de intendant der fortificatiën, de directeur-generaal der posterijen,
en met hen het gansche personeel van hoogere en lagere beambten voor
het bestuur eener zeer belangrijke provincie, die den officiëelen
naam van koningrijk draagt.

Zara heeft geen eigen leven, en de industrie beteekent zoo goed als
niets. De kreits brengt wijn en olie voort; in de stad bestaat eene
maatschappij, die zich op de verbetering van den wijnbouw toelegt
en dien aanmoedigt: de marasquin en de rosolio van Zara zijn zeer
beroemd. Zij worden bereid van eene soort van kleine kers, die in
grooten overvloed in den geheelen omtrek groeit.

Het museum is niet onbelangrijk, omdat het overblijfselen bevat
van oude monumenten: antieke standbeelden, fragmenten van gebouwen,
eene menigte oude munten, waaronder zeer zeldzame, antiek glaswerk,
gegraveerde steenen; het museum bezit ook eene collectie van voorwerpen
uit het gebied der natuurlijke historie. Het dankt zijn oorsprong,
of althans zijne tegenwoordige inrichting, aan den gouverneur,
graaf Liliënberg.

Zara heeft ook een splinternieuwen schouwburg, een fraai gebouw,
waar men ruimschoots gelegenheid heeft, de verschillende elementen,
waaruit de bevolking der stad bestaat, te bestudeeren. Daar verschijnen
de eigenlijke Zaratinen, in voorkomen en kleeding aan de italiaansche
dames gelijk, met ontzaggelijk hooge kapsels, van nog reusachtiger
afmetingen dan men in de steden van noordelijk Italië ziet: eene
overdrijving, aan provinciesteden niet ongewoon. Nevens dezen ziet men
de duitsche dames, kenbaar aan den eenvoud en de bescheidenheid van
haar toilet, aan de zedigheid en onbeduidendheid van haar voorkomen;
voorts de oostenrijksche officieren en hoogere ambtenaren, eindelijk
de handelaars van Zara, meest winkeliers of kleinhandelaars.

De stad moet al hare benoodigdheden van buiten ontvangen, en wel
over de zee, van Triëst of uit zuidelijk Italië. Het is een ramp
voor deze slavische kustprovinciën, dat zij, even als Bosnië,
Servië, Herzegowina, voor haar bestaan geheel afhankelijk zijn van
den duitschen handel en de duitsche industrie. Het platteland brengt
vruchten en groenten naar de stad, en koopt daar ook het noodige, om
in zijn behoeften te voorzien. Het intellektuëele leven heeft weinig
te beteekenen: er is eene drukkerij en er verschijnen zes of zeven
dagbladen: eene officiëele courant, een klerikaal dagblad, een slavisch
dagblad, en een vierde, het politiek orgaan van de italiaansche
partij; de anderen zijn aan de belangen van den landbouw gewijd. In
de bibliotheek Paravia, die dertigduizend banden bevat, zult ge bijna
nimmer bezoekers aantreffen: de weinige wetenschappelijke ontwikkeling,
die in Dalmatië valt op te merken, moet ge te Spalato en Ragusa zoeken.

Een paar jaar geleden is Zara als vesting opgeheven: eene groote
overwinning voor het burgerlijk element. Want hoewel de meeste
vestingwerken van deze kuststeden, in verband met de nieuwe
ontdekkingen op het gebied der krijgskunst en bij den grooten
vooruitgang der artillerie, volkomen nutteloos zijn geworden, laat de
militaire genie gewoonlijk hare prooi niet licht los. De vestingwerken
zijn aan de gemeente afgestaan; en tijdens mijn eerste bezoek te Zara,
waren meer dan honderd vrouwen van de eilanden, met bevallige vormen
en standen en bewegingen, die u aan antieke standbeelden denken doen,
bezig met het aanbrengen van aarde voor het doortrekken der kaaien. De
stad, tot hiertoe binnen haar engen muurgordel opgesloten, zal nu
aan licht en lucht winnen, maar aan schilderachtigheid verliezen.

Zara is ook de kerkelijke hoofdstad van geheel Dalmatië en de zetel
van een aartsbisschop. De massa der bevolking, ten beloope van
ruim tienduizend zielen, is katholiek. Men vindt hier ook een zeker
aantal Grieken; zij houden hunne godsdienstoefeningen in de kerk van
Sint-Elia. Vóór de fransche bezetting hadden de Grieken slechts eene
kleine kapel, die geen voldoende ruimte aanbood. Zij beklaagden zich
daarover bij den maarschalk Marmont, die bevel gaf, hun eene kerk af
te staan.

Deze kleine stad, zoo schilderachtig aan haar zeearm gelegen
en door hare Lange Eilanden, de Isole Longhe, aan de blikken der
voorbijvarenden onttrokken, heeft eene merkwaardige en veel bewogen
geschiedenis achter zich.

Sinds overoude tijden was Zara, destijds Jadera geheeten, de hoofdstad
van Liburnia; als romeinsche kolonie, koos zij de partij van Caesar. De
waterleiding, die het water van de Kerka, over een afstand van dertig
mijlen, naar de stad voert, is waarschijnlijk het werk van Trajanus,
wiens naam daarvoor gezegend zij. Bij de verdeeling des rijks,
kwam Zara, destijds Diodora genoemd, onder het gezag der oostersche
Keizers, maar de stad wist eene groote mate van onafhankelijkheid te
bewaren. Toen de barbaren de kusten der Adriatische zee overstroomden,
werd ook zij verwoest, en viel van nu beurtelings in de handen van
Kroaten en Hongaren.

In het voorjaar van 997 rustte Venetië eene groote vloot uit, met het
doel om de zeeroovers, die de vaart belemmerden, te straffen en ook
om de kustlanden aan haar gezag te onderwerpen. De Doge Orseolo voerde
het bevel over die vloot; hij ontving achtervolgens de hulde van Pola,
van Pirano, van Rovigno, van Zara zelve, dat zich van alle zijden
door geduchte vijanden bedreigd zag en den Doge als redder begroette.

Maar reeds in 1050 komt de stad in opstand tegen de republiek,
waarschijnlijk op aansporing van den onttroonden Koning van Kroatië,
die in Zara een toevlucht heeft gezocht. Domenico Contarini ontvangt
van den Senaat bevel, eene vloot uit te rusten, en de oproerige stad te
gaan onderwerpen. Hij trekt Zara binnen, herstelt de orde en ontvangt
op nieuw de hulde en onderwerping der burgers.

In 1115 waagt zij wederom een poging om aan het gezag van Venetië
te ontsnappen, en stelt zich onder de bescherming van den Koning van
Hongarije: zij wordt nogmaals overwonnen. In 1170, nieuwe poging tot
opstand. De Doge Domenico Morosini heeft de stad tot den zetel van
een aartsbisschop gemaakt: aan dezen draagt zij nu alle gezag op,
om zich zoo doende zoowel van de Venetianen, als van de Kroaten en
de Hongaren te bevrijden. De republiek rust wederom een vloot uit,
en dwingt haar tot onderwerping. Doch in 1124 en 1185 komt zij,
ondersteund door den Koning van Hongarije, op nieuw in opstand;
en telkens onderworpen, en telkens weerspannig, waagt zij aldus
nog driemaal de worsteling, tot in het jaar 1346, toen zij een zeer
gedenkwaardig beleg had te doorstaan.

De Koning van Hongarije zag met leede oogen de havens van Dalmatië in
de handen der Venetianen; nadat alle pogingen om het juk der republiek
af te schudden, waren mislukt, sloeg hij eene schikking voor: Zara zou
in de macht van Venetië blijven, maar de republiek zou de stad bezitten
als een leen van de hongaarsche kroon en daarvoor eene jaarlijksche
schatting betalen. De Senaat weigerde: de Koning sloeg het beleg
voor Trau, Spalato en Zara, dat zijne zijde koos. De venetiaansche
vlootvoogd Marc Justiniani tastte de stad van de zeezijde aan,
en vermeesterde haar, ondanks dapperen tegenstand; Faliero werd tot
gouverneur benoemd, en moest nu de stad verdedigen tegen de Hongaren,
die haar van de landzijde bedreigden. Het beleg duurde zes maanden,
en kostte aan de republiek ontzaggelijke sommen en veel verlies van
menschenlevens. Eindelijk viel de stad, door verraad, in de handen
der Hongaren.

Daar Venetië destijds ook op het italiaansche vasteland in een
geduchten oorlog met dezen zelfden Koning van Hongarije was
gewikkeld, en al haar krijgsmacht noodig had, moest zij van van
verdere pogingen tot herovering van Zara afzien. Faliero werd naar
Venetië ontboden, verscheen voor den Senaat, en werd gestraft met
eene geldboete, een jaar gevangenis en levenslange uitsluiting uit
alle regeeringsambten. Daarentegen ontving de militaire bevelhebber
van Onone, die zich hardnekkig verdedigd had, en aan wien de republiek
had gelast zich over te geven, eene openlijke hulde. De veldtocht viel
ongelukkig voor Venetië uit; de Koning van Hongarije was overwinnaar,
en eischte dat de republiek afstand zou doen van geheel Dalmatië
en alle steden en eilanden, van Fiume en Pola tot Durazzo, dat wil
zeggen de gansche kust der Adriatische zee. Het traktaat werd den
18den Februari 1358 geteekend. De Doge verloor de titels van hertog
van Dalmatië en hertog van Kroatië; de Venetianen mochten in de
beide landen zelfs geen eigendom meer bezitten; de republiek mocht
zich in de havens niet meer door consuls laten vertegenwoordigen,
en moest, in gdeal van een oorlog ter zee, den Koning van Hongarije
met vier-en-twintig galeien bijstaan.

Dit vernederende, door den nood afgedwongen traktaat bleef slechts
vijftig jaar in stand. In 1409, toen Ladislas en Sigismond elkander
de kroon van Hongarije betwistten, knoopte de Senaat onderhandelingen
met Ladislas aan, en kocht van hem Zara terug. De stad bleef sedert,
tot aan den vrede van Campo-Formio (1797), in het bezit van Venetië,
dat haar tot een der bolwerken maakte van haar koloniën in Dalmatië,
ter afwering van de zoo lang geduchte turksche macht. Zara kwam ook
niet meer in opstand, en ging, na den val der republiek, over in handen
van Oostenrijk, dat haar, behoudens het korte fransche tusschenbestuur,
nog bezit.

Zoo als ik zeide, is Zara eigenlijk op een schiereiland gebouwd,
in een kanaal of straat, gevormd door den vasten wal van Dalmatië
en door een aantal eilanden, evenwijdig met de kust strekkende. Deze
eilanden ontleenen aan hunne gedaante den naam van Isole Longhe,  lange
eilanden: zij heeten Uglian, Eso, Pasman, Longa, Incoronata. Toen de
aangrenzende kust nog onophoudelijk blootstond aan de invallen der
barbaren, namen de bewoners bij herhaling de wijk naar deze rotsige
eilanden, en maakten, door onvermoeiden arbeid, den harden grond
voor bebouwing geschikt. Zij plantten er den wijnstok, die uitnemend
slaagde en een der bronnen van welvaart voor het land werd; ook werd de
proef genomen met graanbouw. Men telt niet minder dan dertig dorpen en
twee-en-twintig parochiën in deze eilanden: de bevolking zal tusschen
de twintig- en vijf-en-twintigduizend zielen bedragen. De inwoners
zijn voor het meerendeel visschers, die de zeer vischrijke wateren
langs de kust exploiteeren. De visschers van Chioggia komen ook hier
gedurende zekeren tijd van het jaar hun bedrijf uitoefenen.

Vóór de Isole Longhe, meer zeewaarts, als uitgezette wachters van het
kanaal van Zara, liggen nog eenige andere kleine eilandjes: Selve,
Ulbo, Premuda, Sabbione, Isto, Melada, Sestrugn. Alle bewoners leven
van de zee. Het zijn echte alcyon-nesten, door de golven gedragen,
door de stormen ombruist; hier kan men prachtige exemplaren der
echte klippen, der scoglie, vinden, waar de eenvoudige visschershut
wegschuilt in de spleten der rots. Aarde is bijna nergens voorhanden;
maar overal, waar zich slechts eene gelegenheid tot zaaien of planten
aanbood, heeft de mensch daarvan gebruik gemaakt, om den ondankbaren
grond een mageren oogst af te dwingen.

Tusschen Zara en de stad Knin, nabij de turksche grenzen gelegen,
bestaat een geregelde postdienst. De afstand tusschen die beide
plaatsen bedraagt een-en-vijftig mijlen, en in vijftien uren kan de
reiziger Dalmatië in zijne grootste breedte doorkruisen, van de kust
der Adriatische-zee tot den berg Dinara. De postwagendienst is, even
als dergelijke staatsondernemingen in Oostenrijk, zeer goed ingericht;
de wagen vertrekt tweemaal per week, en heeft niet meer dan vier
zitplaatsen; maar de reizigers zijn zeldzaam, en men kan dus hier,
des verkiezende, gebruik maken van een gemakkelijk en betrekkelijk
goedkoop vervoermiddel.

Daar het mij echter voornamelijk te doen was, om het volk in zijn
dagelijksch leven te leeren kennen, wilde ik van den postwagen
geen gebruik maken, die mij niet zou vergunnen, naar goedvinden
op te houden. Ik trad in overleg met de landlieden, die ik op
de binnenplaats van het gerechtshof had ontmoet, en die voor het
meerendeel van Kistagné waren, op enkele uren afstands van Knin. Nadat
zij getuigenis in het proces hadden afgelegd, mochten zij weder naar
hunne woning terugkeeren. Wij kwamen overeen dat wij samen zouden
reizen, en des Zaterdags morgens (16 October 1874) bevond ik mij op
de afgesproken plaats, even buiten de Landpoort.

Het was een schilderachig plekje: achter ons verhief zich de
fraaie poort van Sammicheli, met haar lange houten brug over de
Visschershaven, die de stad met den vasten wal verbindt; rechts hadden
wij de kaai, waartegen enkele kleinere vaartuigen, karveelen, lagen
geankerd; vóór ons, de weg, aanvankelijk ingesloten tusschen de zee
en het groote bastion, aan het strand opgeworpen. Boven het bastion
prijkt het fiere wapenschild der oostenrijksche monarchie.

(Wordt vervolgd.)


Blanken en kleurlingen.

(Vervolg van jaargang 1876, bladz. 374.)


XIV.

Zambo's.--Negerslavernij bij de roodhuiden.--Caddo.

Caddo, een dorp in het distrikt Choctaw, twee-en-dertig mijlen
ten noorden van de Red-River, zeven-en-dertig mijlen ten zuiden
van Limestone-Gap, is eene kolonie van zambo's, en zeker een van de
zonderlingste nederzettingen in eene landstreek, zoo bij uitnemendheid
rijk aan ethnologische verrassingen. Een zwerm van houten hutten,
binnen omrasterde velden omsloten, omgeeft eene kleine stad, die
een school en een gevangenis, een kerk en eene vrijmetselaarsloge,
een hoofdstraat en een marktplaats bevat, en waar het vooral ook
niet ontbreekt aan biljardzalen en aan kroegen. Door middel van een
spoorweg is dit stadje verbonden met Fort Gibson in het land der
Creeks, en met Denison-City in Texas. Caddo bezit ook eene drukkerij
en eene krant, die eens in de week uitkomt. Maar het is niet de school
of de gevangenis, niet de spoorweg of de drukkerij, die in de eerste
plaats de belangstelling verdient, de nieuwsgierigheid prikkelt: dat
doet vooral de bevolking van het wonderlijke stedeke. De bewoners van
Caddo zijn op zich zelven de grootste merkwaardigheid. De hutten in
het open veld en bijna al de huizen in de stad zijn toch bewoond door
het nieuwe ras van gemengd bloed, bij de geleerden onder den naam van
Zambo's bekend:--de afstammelingen van negers en indiaansche vrouwen.

Volgens Tschudi's lijst der gemengde rassen, heeten de afstammelingen
van een blanken vader en eene zwarte moeder, mulatten; die van een
blanken vader en eene indiaansche moeder, mestiezen; die van een
indiaanschen vader en eene zwarte moeder, chino's; en die van een
zwarten vader en eene indiaansche moeder, zambo's. Deze vier soorten
van hybriden vormen de oorspronkelijke gemengde bevolking van Amerika.

Een mulat is koffiekleurig; de kleur van een mesties is goud-brons;
een chino is vuil rood; een zambo is vuil bruin.

Een blanke vader verwekt bij eene mulattin een quadroon; een blanke
vader en eene mesties geven het leven aan een creool. Quadronen
en creolen, hoewel donkerklourig en grof van vormen, zijn somtijds
schoon; in de slavenstaten worden voor jonge quadrone of creoolsche
meisjes dikwijls grooter sommen uitgegeven, dan een turksche pasja voor
zijne georgische slavin besteedt. Uit het huwelijk van een neger met
eene mulattin ontspruit een cubra: en een cubra is een zeer leelijk
schepsel. In het volgende geslacht keert de oorspronkelijke negertype
terug. Dit is niet het geval in de indiaansche familie. Een indiaansche
vader en eene mesties schenken het leven aan den mestizo-claro,
den licht gekleurden mesties, zeer dikwijls een fraai exemplaar van
het menschenras. Maar het schijnt wel dat het indiaansche blood zich
nooit volkomen met het zwarte vermengen kan. De chino, het kind van een
roodhuid en eene negerin, is een schraal, mager en onbevallig wezen, en
zijn halve-broeder, de zambo, is nog leelijker. De natuur zelve schijnt
geene vermenging van deze twee rassen te willen. Op de gansche wereld
zijn misschien geen wonderlijker schepselen te vinden dan de kleine
zambo's, die op de straat en in de goten te Caddo spelen en dartelen.

Toch zijn deze afzichtelijke schepsels, naar men zegt, zeer
vruchtbaar. In elke hut van Caddo wemelt het van kinderen; en wanneer
de aanhangers der nieuwe ethnologische school gelijk hebben, is
het te verwachten dat zij zich nog sneller zullen vermenigvuldigen
dan de gewone negers. Wat mogen dan de bewoners van Caddo, physiek
en moreel, wel over honderd jaar zijn? Aan zich zelven overgelaten,
zal Caddo misschien een geslacht voortbrengen naar het model van dat
van Los-Angeles en San-José, en zullen van hier helden uitgaan als
Tiburcio Vasquez, die de schrik zullen zijn der volkplanters langs
de Red-River en van Limestone-Gap.

Te Caddo vooral is het mogelijk, de beide belangrijke problemen der
kleur en der slavernij, in hun oorspronkelijken, meest eenvoudigen
vorm te bestudeeren; in een vorm en uit een oogpunt, te Richmond,
Charleston en Nieuw-Orleans geheel onbekend.

Voor de burgeroorlog uitbrak, waren alle negers op indiaansch
grondgebied slaven, het eigendom van de Creeks en Choctaws, de
Seminolon, de Chickasaws en de Cherokees:--de vijf natiën, die gerekend
worden "den wilden staat vaarwel te hebben gezegd." Hun lot was
hard; hun lijden misschien bitterder dan eenig ander lijden onder de
zon. Elders wordt de slavernij getemperd en verzacht door gemeenschap,
hetzij van ras, hetzij van taal, hetzij van geloof. Te Pekin zijn
slaven en meesters van dezelfde kleur; te Kaïro spreken zij dezelfde
taal; te Rio aanbidden zij denzelfden God. Maar in deze amerikaansche
wildernissen had de neger noch dezelfde gelaatstrekken, noch dezelfde
taal, noch dezelfde geloofsbelijdenis als zijn onbeschaafde meester;
tusschen die beiden geenerlei gemeenschap van belang in deze wereld,
geen gemeenschappelijke hoop voor eene wereld hier namaals.

Is het mogelijk een rampzaliger lot te bedenken, dan slaaf te zijn van
een roodhuid? Het eigendom te zijn van een blanken meester was dikwijls
hard genoeg; maar ook op de slechtste plantages in Georgië en Alabama
waren toch nog elementen van edelmoedigheid en rechtvaardigheid, die
in de indiaansche kampementen vergeefs werden gezocht. In Georgië en
Alabama deed zich toch altijd, al was het soms onbewust, de weldadige
invloed gelden van vrouwen en kinderen. De negers leefden in eene
beschaafde en christelijke maatschappij. Allen stonden onder het gezag
der wet, en zelfs daar waar wreede en harde meesters in groot aantal
gevonden werden, kon toch altijd de bescherming worden ingeroepen der
wet en der overheid. Geen enkele neger in Virginia, of hij vernam het
luiden van de klokken der dorpskerk, of ook tot hem kwam de stille
en heilige verkondiging van den dag der ruste. Geen enkele slaaf in
Louisiana, die niet deelde in de zegeningen en voorrechten van het
geregelde huiselijke en familieleven. Welke gewijde klanken werden
er gehoord in een kamp der Choctaws? Welke bekoorlijkheid des levens
was er te vinden in de tenten der Chickasaws? In elk indiaansch kamp
behandelden de zelven bijna als slavinnen beschouwde squaws de negers
nog harder en onmeedoogender dan hare ruwe echtgenooten; en in stede
van een trooster en soms onbewusten beschermer, was het indiaansche
kind zeer dikwijls de oorzaak van nieuwe folteringen: om hem aan
den aanblik van menschelijk lijden te gewennen, werd de slaaf in
tegenwoordigheid van den jeugdigen krijger gemarteld en gepijnigd. Een
slaaf in Tennessee kon in handen van een onmeedoogenden meester vallen;
maar die meester was toch een beschaafd man en gezeten burger, en hij
kon voor de rechtbank ter verantwoording worden geroepen. Hij was geen
zwervende wilde, die van de jacht leefde, en zijn gezin oppermachtig
regeerde met een bijl en een skalpeermes. Een blanke slavenhouder
mocht driftig en opvliegend, zijn opziener wraakzuchtig en haatdragend
zijn: beidon waren toch burgers, aan het gezag der wet onderworpen,
en Christenen, onderworpen aan de tucht hunner kerk. Er waren zeer
wezenlijke grenzen, die ook de ruwste willekeur zich niet licht
vermat te overschrijden. Maar waar was, bij Seminolen of Cherokees,
voor den mishandelden slaaf zulk eene grens te vinden? Een Seminole
had geen rechter te vreezen, een Cherokee geen priester of leeraar
te ontzien. In zijn stam en op zijn grondgebied, kon eon indiaansch
opperhoofd, als hem dit lustte, even vrij over het leven van zijn slaaf
beschikken, als een negerkoning in het hart van Afrika. Geen sheriff
was daar, om hem rekenschap te vragen van het vergoten bloed. Geen
vrees voor openbare afkeuring hield zijn arm terug. Was eenmaal
zijn toorn opgewekt, dan bekommerde een Indiaan zich even weinig om
hetgeen de menschen van hem denken en zeggen zouden, als de tijger in
de jungles, wanneer hij zijn sprong gaat, nemen, zich om de publieke
opinie bekommert. Een roodhuid had meer vrijheid in de behandeling
van zijn slaaf, dan een blanke in de behandeling van zijn hond.

Eigenaar te zijn van een ploeg negers, was de hoogste wensch van
elk opperhoofd der Creeks of Seminolen; hun aantal was, even als
dat zijner squaws, een bewijs van zijn rijkdom en rang. Zelfs stelde
hij nog hooger prijs op zijne negers, omdat hij juist deze soort van
eigendom met de blanken gemeen had. In zijne jeugd had hij in Georgië
of Carolina geleefd, waar de maatschappij verdeeld was in vrijen
en slaven. Hij zelf was een vrij man, even als al zijne broeders
en stamgenooten; slechts de zonen van een minder krijgshaftig en
donkerkleuriger ras waren slaven. Bekend met de zeden en gewoonten
der blanken, bewees hij hun de eer, hun voorbeeld na te volgen; maar,
als een echte wilde, kocht hij alleen dan zijne slaven, als hij geen
kans zag hen te stelen.

Wanneer een indiaansch opperhoofd door de blanke planters van zijne
jachtgronden in Georgië en Tennessee verdreven werd, voerde hij de
negers in zijn kamp met zich; hij dwong hen mede hun aandeel te dragen
in de vele vermoeienissen en ontberingen van zijn langen tocht, en de
gevaren te trotseeren van zijne nieuwe en ver afgelegene woonstede. De
plagen en rampen, die den roodhuid troffen, daalden met zevenvoudige
kracht neder op het hoofd van zijn slaaf. In de oogen van een Indiaan,
was een neger niet meer waard dan een muilezel. In regen en wind moest
hij zich buiten de tent ter ruste leggen. Als er gebrek was aan wild,
moest hij zich voeden met afval en dikwijls van honger sterven. De
zwaarste en verachtelijkste diensten werden van hem gevergd; met
slagen en schoppen en scheldwoorden werd hij, vooral door de squaws,
naar zijn werk gedreven. Het minste verzet lokte dubbele mishandeling
uit, en kon hem zeer licht het leven kosten.

En toch, ondanks al hun lijden, vermenigvuldigden de negers
zich voortdurend, en dat wel zoo spoedig, dat na verloop van
twintig of vijf-en-twintig jaren, hun aantal dat hunner wilde
meesters dreigde te overtreffen. Toen de oorlog uitbrak, bezaten
de Seminolen duizend slaven; de Cherokees en Chickasaws bezaten
elk omstreeks vijftienhonderd slaven; de Creeks en Choctaws, elk
omstreeks drieduizend. Deze vijf stammen telden te zamen nog geen
veertienduizend volbloed Indianen tegen tienduizend negerslaven. Het
getal der Indianen nam snel af, dat der negers even snel toe.

Deze negers waren zoowel een gevaar als een ramp voor de vijf
natiën. Alom langs de grenzen van haar gebied was eene beweging
ontstaan, die de roodhuiden niet met tomahawks en skalpeermessen
konden bedwingen. Kansas, hun onmiddellijke nabuur ten noorden,
was een vrije staat. De nederzettingen aan gene zijde hunner grenzen
werden voor en na onder de vrije staten opgenomen. Geruchten eener
aanstaande bevrijding drongen door tot in de indiaansche kampementen,
en de kwestie der slavernij begon de stamhoofden der roodhuiden
te verontrusten.

De oorlog barstte uit. De oplossing van een groot en diep ingrijpend
maatschappelijk vraagstuk, waarbij de gewichtigste belangen op het spel
stonden, werd aan het ruw geweld, aan de onzekere kansen van den krijg
toevertrouwd. Toen zond Jefferson Davis een agent naar de indiaansche
legerplaatsen, ten einde den opperhoofden, door de voorspiegeling
van hetgeen waarschijnlijk gebeuren zou, vrees aan te jagen en hen
te bewegen tot een bondgenootschap met de Geconfedereerde Staten.

Albert Pike, zoo heette die agent, was in alle opzichten voor
zijne taak berekend. Reeds zijn voorkomen was uitnemend geschikt
om indruk te maken. Van eene statige, rijzige gestalte, met een
blozend gelaat en lang zilverwit hair, dat hem over hals en schouders
golfde, vereenigde hij de frischheid en levenslust der jeugd met
de eerwaardigheid en bedachtzaamheid van den ouderdom. Beurtelings
en achtervolgens, klerk, dichter, advokaat, pionier, trapper,
schoolmeester, kavallerie-officier, dagbladschrijver,--had Pike
allerlei beroepen bij de hand gehad en de wereld van meer dan eene
zijde leeren kennen. In paardrijden, drinken en bluffen, konden
maar weinig menschen den voorrang aan Albert Pike betwisten. Daar
hij eenige jaren van zijn leven langs de oevers van de Red-River
en den Arkansas had doorgebracht, was hij volkomen vertrouwd met de
eigenaardige zeden en gebruiken der roode en blanke grensbewoners,
en geheel ervaren in alle kunstgrepen en listen, waardoor de wilde
stammen kunnen worden verleid en medegesleept.

Van het eene kamp naar het andere trekkende, vertelde Pike aan
de krijgslieden, dat de oude Unie, waaronder zij geleefd hadden,
niet meer bestond; dat zij voor goed was ondergegaan, even als het
oude indiaansche verbond der Zes-Natiën; dat de vlag in flarden was
gescheurd en de vlaggestok in tweeën gebroken. De heeren van het
Zuiden konden voortaan nooit meer gemeene zaak maken met de ploerten
en gelukzoekers van het Noorden. Daarom kwam het er nu voor hen op
aan, eene keus te doen. De slavernij, zoo zeide hij, was de hoeksteen
van de nieuwe Confederatie; en op een groep negerslaven wijzende,
vroeg hij den Indianen of zij niet liever de zijde wilden kiezen van
de planters van Georgië en Louisiana, dan van de kooplieden van Boston
en New-York. "Vroeger, zoo sprak hij, kondt gij billijke grieven tegen
de planters doen gelden; maar in dezen nieuwen oorlog is uw belang
en uwe toekomst ten nauwste verbonden met die van het Zuiden. Deze
oorlog is door de hebzucht en de dweepzucht van het Noorden verwekt,
en gericht tegen de negerslavernij, tegen den vrijen handel en de
staatkundige vrijheid."

Om zijn doel te bereiken, nam Pike zijn toevlucht tot nog andere
middelen: waar zijn argumenten te zwak bleken om de roodhuiden
over te halen, wierp hij zijn whiskyflesch in de weegschaal. Want
geene behoefte is voor den Indiaan zoo onwederstaanbaar, als die
van sterken drank. Het recht om slaven te koopen en te verkoopen,
kwam maar aan enkele opperhoofden ten goede; maar de vrijheid om
sterken drank te koopen en te verkoopen, ging iederen man en iedere
vrouw in de indiaansche kampementen rechtstreeks ter harte. Door
aan de Indianen den vrijen handel in slaven en whisky te beloven,
won Albert Pike eene groote meerderheid van stemmen voor het Zuiden.

Vijfduizend indiaansche krijgers, met bijlen en messen gewapend,
schaarden zich onder de banier van Albert Pike, die nu zijn burgerlijk
karakter als indiaansche commissaris aflei, een hoed met pluimen
opzette, een gegalonneerden rok aantrok, een zwaard op zijde gespte,
en op het tooneel verscheen als generaal Pike. Twee legers opereerden
langs de grenzen:--een leger der Noordelijken onder Curtis, en een
leger der Zuidelijken onder Van Dorn. Op bevel van het departement
van Oorlog te Richmond, voegde Pike zich met zijne krijgslieden hij
het leger van Dorn, en deze omstandigheid gaf een zekeren komischen
tint aan den bloedigen en onbeslist gebleven veldslag van Pea-Ridge.

Zoo lang als het bij het houden van parade bleef, stond hun militair
beroep den roodhuiden wel aan. Hunne soldij was hoog, hun voedsel
goed, en Pike was niet al te streng op het stuk van discipline en
exercitie. Er was overvloed van whisky in het kamp. Maar toen de vijand
naderde en het vuur uit zijne groote kanonnen opende, toen verlieten
deze kinderen der wouden hunne gelederen en sloegen op de vlucht. Hoe
dapper en onverschrokken ook in het gevecht, is de Indiaan niet
bestand tegen de beproevingen van een geregelden krijg. Zij stormden
onbevreesd voorwaarts: maar door geweer- en geschutvuur ontvangen,
deinsden zij verbijsterd terug. Alles wat zij hoorden en zagen was
geheel nieuw voor hen. Van de tien Indianen had er nauwelijks een
ooit een kanon hooren afschieten; niet een van de vijftig had ooit een
vuurpijl gezien. De granaten zagen zij aan voor vallende sterren. Hun
krijgsgeschreeuw werd overstemd door het oorverdoovend gerucht: de
walmende rook onttrok hunne vijanden aan hun gezicht. Zelfs als zij
achter eiken en dennen wegscholen, waren zij nog niet veilig; want de
granaten ontploften tusschen de boomen en de scherven vlogen hun om
de ooren. Wat konden deze zonen der woestijn hier doen, dan plat op
den grond gaan liggen, hunne lichamen met zand en steenen bedekken,
en zoo te wachten tot de avond was gevallen?

Maar zoodra het duister was geworden, slopen zij naar het slagveld,
gingen zwijgend tusschen de slapende soldaten door, skalpeerden
de dooden en de stervenden, en keerden met hunne afschuwelijke
zegeteekenen naar het kamp terug. Dit was de eenige maal, dat de
Indianen voor het behoud hunner negerslaven streden.

Den volgenden morgen, toen men zich gereed maakte de gesneuvelden te
begraven, kwam de schennis aan de lijken gepleegd aan het licht: en uit
de beide amerikaansche legers ging een kreet van afgrijzen en protest
op tegen het gebruik van deze barbaren. Curtis zond een boodschap naar
Van Dorn, en de zuidelijke generaal was, ter voorkoming van bloedige
weerwraak, genoodzaakt, zijn roode hulptroepen naar huis te zenden.

Pike verloor zijn gegalonneerden rok en zijn hoed met pluimen;
en zijne indiaansche krijgers, door overvloedigen whisky getroost,
konden verder rustig toezien, in afwachting dat de blanken, die met
elkander streden, zoo het heette, over de rechten der zwarten, onder
de muren van Richmond zouden hebben uitgemaakt of de roodhuiden langs
den Arkansas al of niet het recht hadden om hunne zwarte broeders in
slavernij te houden.

Toen Richmond viel, waren de slaven in vijftig indiaansche kampementen
vrij.

De negerslaven waren vrij; maar vrij in een indiaansch land, te midden
van wilde indiaansche stammen!

In de proklamatie van President Lincoln werd met geen enkel woord
gewag gemaakt van de tienduizend negers, die toen als slaven leefden op
indiaansch grondgebied. Eerst tien maanden na den slag van Pea-Ridge
werd de vrijverklaring uitgevaardigd: de slaven der roodhuiden waren
vergeten geworden.

Alleen gelaten met hunne voormalige meesters, buiten bereik van
alle hulp of ondersteuning uit Washington, wat moesten deze vrij
verklaarde slaven nu gaan aanvangen? In theorie waren zij vrij; in de
werkelijkheid bepaalde zich die vrijheid tot de vrijheid om van honger
te sterven. Zij hadden noch tenten, noch geweren, noch paarden; zij
konden geen duim breed gronds hun eigendom noemen; ook hadden zij nu
hunne plaats in den stam verloren. En daar niemand aan de oevers van
den Potomac aan hen dacht, kwam er ook geene wezenlijke verandering
in het lot dezer negers langs de oevers van de Red-Rivier en den
Arkansas. Deze zwarten zijn een zwak ras; met vrouwen opgevoed en door
vrouwen geregeerd, waren zij zelven bijna vrouwen geworden, onbekwaam
voor den strijd des levens, zonder energie en zonder moed. Toen aan
Fort Gibson en Fort Scott de tijding vernomen werd, dat de oorlog
geëindigd was en dat de negers waren vrij verklaard, onderwierpen de
opperhoofden der Cherokees en Choctaws zich met kwalijk verkropten
spijt aan dit gebod. Zij wierpen de vrijverklaarde negers uit hun kamp.

Daar stonden zij nu, zonder eenig middel van bestaan, hulpeloos
als kinderen, alleen in de wijde wereld. Zoo lang hij slaaf was,
had de neger voor 't minst eene plaats in de tent en den stam,
als behoorende tot het huisgezin van het opperhoofd; nu vrij man
geworden zijnde, verloor hij zijn recht om medegeteld te worden,
en werd hij metterdaad een balling, een vagebond. Voor hem was er
geen wet, geen recht. Overal elders werd den neger zijne vrijheid
gewaarborgd en vond hij bescherming; maar het land der Indianen is
eene republiek op zichzelve, waarin de wet van den blanke niet geldt.

De Creeks en Cherokees hebben eenige vormen en gebruiken van de
beschaafde maatschappij overgenomen. Zij houden meer of minder komische
vergaderingen; zij hebben scholen en gerechtshoven, ook meer of minder
komisch. Sommige opperhoofden trachten persoonlijken grondeigendom te
verwerven; enkelen zelfs schijnen niet ongezind, hun zonen het engelsch
alphabet en den christelijke catechismus te laten leeren. Maar niets
van dit alles valt binnen het bereik van den vrijverklaarden slaaf,
zoo lang hij op indiaansch territoir blijft. Een neger heeft geen
stemrecht; hij mag zijn kind niet naar school zenden, noch met eene
aanklacht voor het gerechtshof verschijnen. Hij heeft geen duim gronds
in eigendom. Uit het indiaansche kamp uitgeworpen zwerft hij naakt en
vrij in de wildernis om. Hij durft zich niet vestigen op indiaanschen
grond; want hoewel de President hem tot een vrij man heeft verklaard,
heeft zijn vroegere meester de macht behouden hem te dooden, en
niemand zal dien meester daarvan rekenschap vragen. Wat wonder dat
de vrijverklaarde negers van het indiaansche grondgebied verdwijnen?

Ettelijke honderden van deze geëmancipeerde slaven zijn over de grenzen
naar Arkansas en Texas gevlucht, en hebben bescherming gezocht onder
de hoede der blanken. Maar in den regel is de arme bevolking eener
landstreek niet in staat in massa te verhuizen en elders een nieuw
vaderland te zoeken. Even als planten en dieren, moeten zij den strijd
volhouden of op de plaats zelve vergaan. Voor een aantal vluchtelingen
uit de tenten der Choctaws en Chickasaws is Caddo eene wijkplaats en
vrijstad geworden.

De plek, waarop deze uitgewekenen zich gevestigd hebben, is een stuk
gronds, verlaten door de Caddoes, een kleinen zwervenden stam, die
vroeger in deze wateren vischte en in deze bosschen jaagde. Zeer in
aantal verminderd, zijn de Caddoes uitgeweken naar de streken bij
de Washita, en hebben hunne vroegere jachtvelden overgelaten aan
de coyoten en de wolven. Rechtens ligt het distrikt in het land der
Choctaws, maar de Choctaws hebben nooit deze vallei in bezit genomen;
en de verschijning van blanke werklieden, die een spoorweg kwamen
aanleggen, bewoog de naast bij wonende indiaansche familiën om hare
wigwams verderop te verplaatsen. Caddo, overgelaten aan den "vuurgen
salamander" en aan de vrijgelaten slaven, werd een stad.

Zooals zich, met het oog op haar oorsprong, reeds laat verwachten, is
Caddo in de politiek radikaal, om niet te zeggen revolutionair. Daar
de negers en hunne nakomelingen, de zambo's, geen Indianen zijn, en
er voor hen in de indiaansche republiek dus geen plaats is, wenschen
de inwoners van Caddo niets minder, dan de geheele bestaande orde
van zaken te veranderen:--opheffing van de afzonderlijke indiaansche
nationaliteit; van de verdeeling der Indianen in stammen en gezinnen;
van de uitsluiting van vreemdelingen uit het indiaansche grondgebied;
voorts afschaffing der indiaansche bloedwrake, van de onbeperkte
macht der opperhoofden en den gemeenschappelijken grondeigendom.

"Welke veranderingen zoudt gij alzoo wenschen in te voeren? vraag ik
een zwarten politieken dilettant.

--Welke veranderingen? antwoordt de zwarte radikaal. Alles moet
veranderen. Wij verlangen dat de stammen worden afgeschaft; dat
een regelmatig bestuur worde gevestigd, het land voor den arbeid
en het kapitaal geopend; dat het bestuur der opperhoofden ophoude,
alsmede de handel in vrouwen en het gemeenschappelijk grondbezit. Dit
verlangen wij voor de anderen; maar wij hebben ook iets voor ons zelven
te vragen. Tot nu toe hebben wij geen rechten. Gij vindt ons hier in
Caddo, maar wij worden hier enkel geduld. Onze landerijen behooren ons
niet. Elken dag kan men ons wegjagen, zonder dat wij eenige vergoeding
ontvangen voor de verbeteringen, die wij hebben aangebracht.

--Eenige opperhoofden der Choctaws hebben mij toch verzekerd, dat
zij u naar recht en billijkheid zullen behandelen.

--Ja, misschien zullen zij dat doen; maar wie kan hen daartoe
dwingen? Wij hebben aan iets anders behoefte, dan aan beloften
van opperhoofden. Wij verlangen stemrecht, het recht om ambten te
bekleeden, om land te bezitten, om in de jury te zitten, om onze
jongens naar school te zenden. Wij wenschen dat deze rechten ons
worden toegekend door besluiten van het Congres, en niet afhangen
van beloften van de hoofden der Choctaws."

Dat is het politiek programma van Caddo, een vlek, door negers en
zambo's bewoond; dit zijn ook de beginselen van de Oklahoma Star,
het daar verschijnende weekblad onder redactie van een blanke, een
soort van letterkundigen en politieken avonturier.


XV.

Oklahoma.--Eene vrijstad.

Oklahoma is de naam, dien de radikalen onder de Creeks en Cherokees
wenschen te geven aan de landen der Indianen, nadat de stammen tot
één volk zullen zijn vereenigd en de jachtvelden een staat zullen
zijn geworden:--een droombeeld, waaraan sommige opgewonden dweepers
gelooven. Deze idealisten, die de wonden van hun eigen stam niet kunnen
genezen, noch eenige duizenden Cherokees kunnen bewegen onderling
in vrede te leven, koesteren evenwel de hoop dat zij de Creeks en de
Seminolen, de Choctaws en de Chickasaws met elkander zullen verzoenen,
en die allen zullen vereenigen onder ééne regeering en ééne banier. Nog
meer: in hunne verbeelding zien zij reeds den dag, waarop andere,
nu nog geheel wilde en heidensche stammen--de Cheyennes, de Apachen,
de Kiowas en anderen--zullen hebben opgehouden vee en vrouwen te
rooven, waarop zij hun tomahawks en skalpeermessen zullen begraven, en
novelletjes zullen lezen en whisky zullen drinken, evenals de blanken.

Voorwaar, die dag ligt nog zeer verre in het verschiet!

Eenigen tijd geleden heeft de regeering van Washington besloten,
tegenover de Indianen eene "nieuwe politiek" te volgen, met het
doel om hunne vestiging in vaste woonplaatsen en hunne bekeering
te bevorderen. Deze politiek is gegrond op het oude stelsel der
Franciskaner monniken, maar gewijzigd naar de beginselen van een
civielen staat en in verband met de bestaande toestanden. Voortaan
zullen de Indianen beschouwd en behandeld worden als "pupillen." Door
middel van bajonetten binnen zekere aangewezen terreinen saamgedreven,
worden zij nu gesteld onder de geestelijke leiding van sommige sekten,
die hen moeten voeden en onderwijzen, en ook onder het toezicht
van officieren, die hen moeten bewaken en hen neerschieten, als zij
de op het papier getrokken grenzen overschrijden.--De leeraars en
zendelingen, die natuurlijk zich gaarne bij hunne sekte aangenaam
maken, hangen een bekoorlijk tafreel op van een, tot dusver alleen
in hunne verbeelding bestaand indiaansch land, vol landhoeven
en boerderijen, tuinen, scholen en kerken. Elk indiaansch terrein
(reservation) heeft een eigen schoolfonds, op het papier; in sommige
nederzettingen vindt men ook werkelijk armoedige loodsen, met den
naam van school versierd.--De officieren voeren een andere taal:
zij behoeven geen theorie te verdedigen. Is er een blanke hoeve
uitgeplunderd of eene blanke familie geskalpeerd, dan moeten zij de
wilden najagen en tuchtigen. Een grenspost is juist geen geschikte
plaats om humanitaire illusiën te kweeken. Voor zoover mijne
ondervinding gaat, is de eenvoudige waarheid deze: dat geen enkel
officier, die in de grenslanden gediend heeft, het mogelijk acht,
de volbloed Indianen te beschaven.

Nooit kan een roodhuid iets begrijpen van hetgeen een blanke zijn
wet noemt.

Neem, bij voorbeeld, de laatste uitspraak van den opperrechter Waite en
zijne geleerde bijzitters in het Hoog-Gerechtshof, en vraag dan hoe een
Creek of Cherokee, om nu van de Osages en Kickapoos te zwijgen, zulk
een wet kan begrijpen. Reeds sedert jaren gold voor de Indianen, als de
zwakste partij, de algemeene regel, dat de staat de bevoegdheid had,
hen van de eene plaats naar de andere te doen verhuizen. Als blanke
planters hunne jachtgronden in bezit wenschten te nemen, werden zij
gedwongen te vertrekken; maar hun oorspronkelijk eigendomsrecht op
den grond werd niet geloochend, en voor de in bezit genomen landen,
werden hun altijd andere in ruil gegeven. Toen zij Georgië moesten
verlaten, kregen de Cherokees een beter terrein langs de oevers van den
Vert-de-gris. In plaats van hunne vroegere woonplaatsen, ontvingen de
Creeks en Choctaws jachtgronden langs den Arkansas; de Senecas, langs
de Alleghany; de Oneidas, bij Green-Bay. De Omahas kregen landerijen
langs den Missouri; de Crows, langs de Yellowstone; de Shoshonen, langs
de Snake-River. Geen stam werd ooit uit zijn woonplaats verdreven,
dan met belofte van elders beter terrein te zullen ontvangen. Sedert
de dagen van Penn, was het nog niemand in de gedachte gekomen te
betwisten, dat het land oorspronkelijk aan de roodhuiden behoorde.

Maar Waite en zijn geleerde broederen hebben hierin verandering
gebracht. Deze rechtsgeleerden hebben uitgemaakt dat de Indianen
niet de eigenaren van den grond in het algemeen zijn, ja dat zij
zelfs geen recht van bezit hebben op hun eigen land. Volgens hen,
is de ware en echte grondeigenaar niemand anders dan het gouvernement
der Vereenigde-Staten.

Ook onder de meest ontwikkelde Creeks en Choctaws, zal er wel geen
enkele gevonden worden, die de gronden  kan begrijpen, waarop deze
uitspraak van Waite rust; maar zelfs de onwetendste Indiaan begrijpt
het volkomen, dat zijn land hem niet toebehoort, dat hij niet meer
is dan eenvoudig gebruiker, en dat het hem niet langer vrijstaat een
denneboom te vellen en te verkoopen.

Volgens de "nieuwe politiek," die den geduchten oorlog met de
roodhuiden tot een soort van vrome idylle maakt en tegelijk het gansche
grondgebied der Indianen ten bate der regeering verbeurd verklaart,
wordt de inlandsche bevolking in vier groote klassen verdeeld:

1°. Wilde Indianen, met wie geene andere betrekkingen kunnen worden
aangeknoopt, dan dat zij nu en dan uit de handen der regeerings-agenten
dekens en voedsel ontvangen.

2°. Indianen, die ten volle overtuigd zijn van de noodzakelijkheid van
geregelden arbeid en daartoe ook willen overgaan, en die tot dat einde,
in meerdere of mindere mate, de hulp en leiding der regeerings-agenten
aanvaarden.

3°. Indianen, die bereids eene hoeve of boerderij, met de daarbij
behoorende landen, het vee en verder toebehooren, in vollen eigendom
bezitten.

4°. Zwervers en vagebonden.

De eerste klasse omvat, naar men zegt, acht-en-negentigduizend zielen,
en daaronder de Sioux, de Uten, de Apachen, de Kiowas, de Cheyennes, de
Comanchen en Arapahoes. De tweede klasse telt twee-en-vijftigduizend
zielen, en daaronder de Osagen, Kickapoos,  Pai-Uten, Shoshonen,
Pawnees on Navajos. De derde klasse wordt geschat op honderdduizend
zielen, on daaronder Creeks, Choctaws, Cherokees, Seminolen en
Chippewais. De vierde is moeilijker te berekenen; naar men vermoedt,
telt zij twintig- of dertigduizend zielen; en daaronder Winnebogoes,
Sacs Pottawatomies en verstrooide benden van Shoshonen en Uten.

Deze verdeeling en deze statistiek is tot niet veel meer nut dan tot
stichting en opvroolijking van de welmeenende sektarissen, die heden
ten dage, met minder takt en onder ongunstiger omstandigheden, in de
westelijke vlakten de proef herhalen, bereids door de Franciskaner
monniken in Californië genomen. Maar deze onbestemde, fantastische
klassificatie heeft niet de minste praktische waarde, en wordt dan
ook geheel ter zijde gesteld door allen, die met de werkelijke feiten
te doen hebben. Voor hen bestaan er maar twee soorten van Indianen:
wilde Indianen, en half-wilde Indianen.

De eerste klasse omvat al de groote stammen en geslachten: Sioux,
Uten, Cheyennes, Arapahoes, Navajos en meer anderen. Zij zijn
nimmer onderworpen en hebben zich nimmer op vaste woonplaatsen
gevestigd. Heidenen, roovers en nomaden, beloopt hun getal omstreeks
tweehonderd-duizend zielen. Zij zijn de echte roodhuiden, wier
bloed vrij bleef van alle vermenging, onveranderlijk getrouw aan hun
voorvaderlijk geloof en aloude zeden.

Tot de tweede klasse rekent men de kleinere indiaansche stammen,
die, door voortdurende aanraking met de blanken, half ouderworpen
en eenigermate aan den grond verbonden zijn: de Indianen der missie
in Californië, de Indianen van Arizona. de Senecas in New-York, de
Chippewais in Michigan, de Winnebogoes in Nebraska, de Choctaws en
Cherokees in Oklahoma, en hunne stamgenooten elders. Deze Indianen,
meestal ingesloten tusschen nederzettingen der blanken, zijn ongeveer
honderdduizend zielen sterk: het treurig overschot van machtige
natiën, die te gronde zijn gegaan. Zij zijn een weinig beschaafd,
en zeer aanzienlijk in getal geslonken. Inderdaad is de Indiaan
voornamelijk daarom bevreesd voor de gewoonten en zeden der blanken,
omdat hij bij ondervinding weet of wel bij instinkt gevoelt, dat de
eerste stap op den weg onzer beschaving voor hem tevens de eerste
stap is naar zijn physieken en zedelijken ondergang.

Kolonel Stevens, die van zeer nabij met de indiaansche zeden en
levenswijze bekend is, werd door de regeering naar de zoogenoemde
vlakte gezonden, om voor de indiaansche opperhoofden een aantal
steenen huizen te bouwen, die als lokaas moesten dienen om hunne
stammen tot onderwerping te bewegen. Na verloop van zes maanden
waren al die huizen, voor eenige vaatjes whisky, in handen van
blanken overgegaan. Slechts één voornaam opperhoofd, Lange-Antilope,
had zijn huis nog behouden; en Stevens ging hem een bezoek brengen,
meenende dat hij nu inderdaad een opperhoofd gevonden had, van wien
iets meer mocht worden verwacht dan van zijne stamgenooten. Hij vond
Lange-Antilope, zijn pijp rookende, in eene tent, nabij het venster
zijner woning opgeslagen.

"Waarom leeft gij in eene tent, Lange-Antilope, daar gij toch een
goed huis hebt?" Lange-Antilope grinnikte en antwoordde:

"Het huis goed voor het paard, niet goed voor een krijgsman.... ugh."

Stevens trad de woning binnen, en vond inderdaad het paard van
Lange-Antilope in de eetkamer staan.

De kolonel, die mij dit zelf verhaalde, voegde er bij:

"Nooit zal een volbloed Indiaan zich met de gedachte aan een huis
verzoenen. Hij begrijpt de beteekenis daarvan niet. Gij kunt hem nooit
aan zijn verstand brengen, dat eene vaste woning te kiezen, nog iets
anders beduidt dan zijne schouders met een warme deken in plaats van
met een beestevel te omwikkelen, van de agentuur brood te ontvangen,
in plaats van te gaan jagen, en zijn tijd te verdoen met rooken en
drinken, in plaats van met skalpeeren.

--Zijt gij dan van meening, dat de volbloed Indianen onvatbaar zijn
voor beschaving?

--Mij is geen voorbeeld bekend van een echten Indiaan, die zich op
eenig handwerk of bedrijf heeft toegelegd. Hij is van nature jager
en krijgsman; de aanraking met een spade of ploeg zou zijne adelijke
handen besmetten. Met de mestiezen is dit anders: van hen mag men,
ondanks den nadeeligen invloed van het wilde bloed, dat door hunne
aderen stroomt, betere dingen hopen en verwachten: in den regel toch
hebben zij een blanke tot vader."

Texas is niet volkomen een model-land; uit het oogpunt van openbare
orde en veiligheid blijft er nog zeer veel te wenschen over; niettemin
is in Texas, sedert den oorlog, een neger even zoo goed een burger
als ieder ander. Hij heeft politieke rechten, hij brengt zijn stem
uit, verschijnt als getuige voor het gerecht, is lid van de jury,
zendt zijne kinderen naar school. Hij bezit eigendom en bekleedt een
ambt. In één woord, hij is de gelijke van den blanke, voor zoo ver
het van de wet afhangt, die gelijkheid te vestigen.

Hier stuit de roodhuid op een onoplosbaar raadsel. Waarom geeft de
Groote Vader in Washington, die aan de Indianen de landen en wouden
ontneemt, hun, in ruil voor andere landen en wouden, bij plechtig
verdrag geschonken, om die, overeenkomstig het aloude gebruik te
bezitten "zoolang het zaad groeit en het water stroomt;--" waarom
geeft hij aan den zwarte zoo vele en groote voorrechten, dat hij
overal de gelijke en op vele plaatsen de meerdere van den blanke
is? Het antwoord op die vraag kunnen zij niet vinden.

Te Taliquah, het voornaamste kamp van de natie der Cherokees,
verschijnt een klein nieuwsblad, dat door een Indiaan van gemengd
bloed wordt uitgegeven. Ik ontleen daaraan het volgende, dat vrij
volledig het standpunt weergeeft, waarop een beschaafde Cherokee zich
ten aanzien der Indianen-kwestie plaatst.

"Als volk genomen, zijn wij nog niet rijp voor het amerikaansche
staatsburgerschap. Niet omdat wij niet verstandig, niet eerlijk
of niet arbeidzaam genoeg zijn, of omdat het ons te zeer aan die
onmisbare eigenschappen ontbreekt, die overal den mensch de vrijheid
waardig maken; maar wij zijn onbekend met en onervaren in die kunst van
bedrog en misleiding, waarvan de aanwending tegenover de eenvoudigen
en onergdenkenden door de vrijheid, indien al niet wordt aangemoedigd,
dan toch gewis veroorloofd, als een onvervreemdbaar recht, omdat het
ieder behoort vrij te staan, bedrieger of bedrogene te zijn."

Als antwoord op deze beweering eener onoverkomelijke scheiding tusschen
de roode en de blanke republiek in Amerika, heeft eene maatschappij
van blanken den bouw ondernomen van eene stad, een grenspost, van
waaruit zij voornemens zijn in het grondgebied der roodhuiden door
te dringen om dat gaande weg in bezit te nemen.

De afstand van Caddo naar de Red-River bedraagt dertig mijlen. Nabij
den oever der rivier is eene open plek in de jungles gemaakt, en
op de lokale kaarten draagt die ruimte den naam van Red-River-City
(stad der Roode Rivier); maar tot heden is hier geen enkel gebouw,
geen landingsplaats, geen hut of kroeg zelfs, te zien. De stad
bestaat uit eene doorgraving in de rotsen en het geraamte van een
brug. Red-River-City is zelfs niet het schaduwbeeld eener stad, met
denkbeeldige pleinen en straten, zoo als die doodgeboren lusthoven
langs de baai van San-Francisco, die nog altijd uitzien naar den
"goeden tijd." De Chickasaws en de Choctaws zijn nog te dicht in de
nabijheid. Mettertijd mag hier eene stad verrijzen, tegenover het
grondgebied der Chickasaws; maar dan moeten de roodhuiden eerst hebben
opgehouden in stammen te leven, hun land gemeenschappelijk te bezitten,
en aan de bevelen van despotieke opperhoofden te gehoorzamen.

Daar niettemin de behoefte aan eene stad op de grenzen word gevoeld,
niet alleen in het belang van den lokalen handel, maar ook voor de
veiligheid van en de gemeenschap met eene lange reeks van indiaansche
posten, daaronder begrepen Fort Sill, Port Griffin en Fort Richardson,
werd last gegeven tot het bouwen eener stad, en werd deze ook
werkelijk gebouwd.

Op vijf mijlen afstands van de brug over de Red-River, vond
kolonel Stevens, ingenieur van de spoorwegen van Texas en Kansas,
een geschikter en veiliger plaats. De kolonel (in wiens gezelschap
ik het voorrecht geniet deze streek te bezoeken) is iemand van
zeer rijke ondervinding ten aanzien van de zeden en levenswijze
der wilden. Niemand kent beter dan hij de roodhuiden, of het land
waarin zij leven. Nadat tot het bouwen eener grensstad was besloten,
koos hij zorgvuldig de plaats, daar hij niets aan het toeval wilde
overlaten. Eene wijde, zacht glooiende prairie, met een bosschage
van oude eiken, trok zijne aandacht; en bevindende dat de vlakte werd
besproeid door eene murmelende beek, de samenvloeiing van een aantal
bronnen, nam hij de plek nauwkeuriger op. Hier en daar verhieven zich
enkele rotsen; buiten het eikenboschje stonden, in het open veld,
nog eenige afzonderlijke boomen in het rond verspreid. De grond der
omringende vlakte was zeer vruchtbaar en uitnemend geschikt voor de
kultuur van katoen, rijst en maïs.

Een vel papier werd voor den dag gehaald, en daarop het plan eener
stad geteekend, met straten, pleinen, wegen en spoorbanen. Het
eikenboschje bleef onaangeroerd, en zou voor openbare wandelplaats
dienen. Ook eene school werd niet vergeten. De aanstaande stad kreeg
den naam van Denison, en er werd een dag bepaald voor den verkoop der
perceelen gronds. Aan de eerste koopers gaf Stevens de verzekering,
dat daar een spoorwegdepot zou worden aangelegd. Denison zou de
voorraadschuur en marktplaats zijn van de forten Richardson, Griffin
en Sill, die door een telegraafdraad onderling en met de stad zouden
verbonden worden. IJskelders, slachthuizen en werktuigen voor het
persen der katoen zouden al spoedig volgen. Door deze beloften en
toezeggingen moesten koopers voor de grondstukken worden aangelokt;
en daar de spoorwegen in engelsche handen zijn, en de beloften werden
gedaan met een beroep op engelsche goede trouw, hielden de Joden,
die van Dallas en Shreveport kwamen om een kijkje te nemen, zich
overtuigd dat de fortuin van die stad was gemaakt.

Weldra zag men loodsen en schuren verrijzen. Maar timmerhout
ontbrak: het eikenhout is te hard, en het land der gele pijnboomen
ligt een goede honderd mijlen ver. Niettemin werd er spoedig hout
aangevoerd. Vernemende, dat er zich eene nieuwe markt geopend had,
zonden drie firma's van houthandelaars in Saint-Louis gansche ladingen
planken en balken naar Denison-City: die planken en balken moesten een
reis doen van omstreeks zeshonderd mijlen per spoor. Eener goede markt
ontbreekt het zelden aan aanvoer; en toen de houthandelaars vernamen
dat er gebrek was aan timmerhout in Denison, zonden zij gansche
ladingen derwaarts, ofschoon de naam van Denison-City op geene enkele
kaart of in geen enkel handboek te vinden was. Het werk ging vlot van
de hand. Nelson-huis werd onder dak gebracht; voor Adams-huis werden de
grondslagen gelegd; kleine woningen verrezen hier en daar. Negers van
Caddo en Veneta, Joden van Dallas, Shreveport en Galveston, benevens
vagebonden, spelers, schacheraars en gelukzoekers van elke hemelstreek,
stroomden naar de stad. Een herberg, een verkoophuis, een danshuis
werden aldra geopend. Binnen zes maanden telde Denison eene bevolking
van duizend zielen, van allerlei kleur en geloofsbelijdenis, en was het
door geheel den omtrek beroemd als de vroolijkste stad in gansch Texas.

Er zijn nu ter nauwernood acht-en-twintig maanden verloopen,
sedert kolonel Stevens den platten grond zijner stad op het papier
teekende, en Denison telt tegenwoordig reeds eene bevolking van
vierduizend-vijfhonderd zielen. Het spoorwegdepot beslaat een vierde
van de oppervlakte der stad; en nabij dit depot bevinden zich twee
groote ijskelders, benevens slachthuizen, de katoenpers, vier kerken,
vijf herbergen en een onnoemlijk aantal speelhuizen.

Denison mag zich reeds beroemen op een mayor, acht aldermen,
"allen eerlijke demokraten," een recorder (officier van justitie),
die "de schrik der boosdoeners" is, en een kamer van koophandel. Op
onze wandeling door de stad, werd mijne aandacht getrokken door een
vrijmetselaarsloge en een paar andere clubs en societeiten. Maar de
trots van Denison is bovenal de school, een gebouw van rooden baksteen,
in dien eigenaardigen amerikaanschen tudor-stijl, die in de zuidelijke
Staten zoo algemeen is. Dit gebouw kostte vijf-en-veertigduizend
dollars, die tot den laatsten cent gevonden werden uit leeningen in
Engeland gesloten. Wat wonderlijke uithoeken der wereld worden al
niet door het engelsche goud bevrucht!

Blijft Denison zoo vooruitgaan, dan bestaat er kans dat de
geldschieters hun geld terug krijgen, en dat zij bovendien de
zelfvoldoening zullen smaken, van mede arbeiders te zijn geweest aan
een goed werk.

Met hare ruwe, luidruchtige, ongebonden bevolking, mag Denison
inderdaad aanspraak maken op den naam vau eene "vroolijke stad". Er
wordt hier zeer sterk gedronken. Het is heden Zondag; niettemin
zijn de herbergen geopend, en hoort men overal het rollen van
biljardballen. Opzichtig gekleede vrouwen drentelen door de straten,
en half-dronken kerels twisten over hunne vertering in de kroegen. En
toch wordt ge telkens herinnerd aan de vrije natuur, aan het bloeiende
veld. De hoofdstraat is met boomen beplant; in de straten rechts en
links stoot ge nog telkens op boomstronken. Op de binnenplaatsen staan
antilopen aan palen gebonden; runderen wandelen heen en weder, en
leggen zich rustig neder voor de deuren. Meisjes gaan water putten in
de beek; half ongetemde paarden rennen en draven door ruime grasvelden.

Naar het uiterlijke te oordeelen, moet de bevolking dezer grensstad
voor de helft uit negers bestaan. Nergens  is een enkele Chickasaw
of Choctaw te bespeuren;  geen enkele roodhuid woont te Denison;
toch is Denison nog iets anders dan enkel een voorraadschuur voor
Fort Sill en eene wijkplaats voor vrijverklaarde slaven. Het is een
kamp en voorpost van de vijanden der roodhuiden.

Ettelijke dagen na mijne aankomst in Amerika, bevond ik mij op een
stoomboot op den Potomac, en teekende in een der morgenbladen enkele
zinsneden aan, waarvan ik mij voorstelde, later gebruik te maken. Een
der passagiers dit ziende, kwam naar mij toe, en zeide:

"Gij zijt waarschijnlijk een correspondent van een der dagbladen
van New-York?

--Neen, mijnheer; ik ben een reiziger uit het oude moederland.

--Ha! een Engelschman! Kent gij Ulysses S. Grant?

--Ik heb de eer.

--Kunt gij mij dan ook zeggen wat hij met de Indianen doen wil? Ik
ben geboortig uit Texas, en vertegenwoordig de Spread Eayle (Zwevende
Arend.) Gij hebt toch wel gehoord van de Spread Eagle?--Niet? Dat is
vreemd!--Wel, ik ben naar het Oosten gekomen om te onderzoeken wat de
President zich voorstelt te doen met het indiaansche grondgebied. Als
hij het land wil openstellen, wij staan gereed voor de deur. Geheel
Denison zal de Red-River oversteken; Caddo ligt dichter bij Fort
Sill dan Denison, en zou beter geschikt zijn als voorraadschuur
en wapenplaats. Een paar woorden per telegraaf, zooals "Vooruit
maar"--en binnen een week zijn er tienduizend man te Denison, te Caddo,
te Limestone-Gap. Dat land, mijnheer, is de tuin van Amerika. Als
Ulysses S. Grant ons maar een teeken wil geven, dan zal het niet lang
meer duren of onze paarden staan aan de oevers van den Arkansas."

Ik vrees dat die journalist gelijk heeft. Vijf jaar nadat het
indiaansche grondgebied voor het kapitaal en den arbeid der blanken zal
geopend zijn--en dit moet eenmaal onvermijdelijk geschieden--zullen de
Creeks en Cherokees in Oklahoma evenmin een duim gronds meer bezitten
als thans in Massachusetts en New-York.


XVI.

De golf van Mexico.--Louisiana.

Met het aanbreken van den dag verlaten wij de haven van Galveston,
en dra verliest zich ons vaartuig in een dichten, goudgelen nevel,
die de lage kust van Saline-Pass en het omringende landschap aan
onzen blik onttrekt. Zacht wiegelen wij op de lange golven van den
Atlantischen-Oceaan. Een troep sneeuwvogels volgen fladderend ons
spoor, en rijzen en dalen in hun bevallige vlucht om hunne prooi te
grijpen. Over alles, menschen en dingen, ligt eene zekere tropische
matheid uitgespreid.

Naarmate de zon zich boven de kimmen verheft, trekt de nevel weg;
en door den doorzichtigen sluier heen, zien wij langs de kust rijen
van cypressen en katoenboomen, waarvan de wortels zich verliezen in
poelen en moerassen, en waarvan de takken zijn behangen  met een
vuile parasietplant, het akelige en onheilspellende dusgenoemde
"spaansche mos".

Ons schip, tusschen Indianola in Texas en Brashear in Louisiana
laveerende, vaart voorbij twee der rijke Golfstaten, en verbindt de
haven van Galveston met den Mississippi en Nieuw-Orleans. Er zijn maar
weinig inboorlingen, hetzij Mexikanen of Amerikanen, aan boord. De
passagiers, zoowel als de bemanning, zijn voor het meerendeel Schotten
en Engelschen; want de havens en binnensteden in Texas zijn bijna
allen met engelsch geld gebouwd, en ook aanvankelijk door engelsche
familiën bevolkt. Het is ook hier weder de oude geschiedenis. Wie
stichtten de volkplantingen van Virginia en Massachusetts? Wie
bevolkten Georgië, Pennsylvanië, Maryland? Wat de negentiende
eeuw aanschouwt aan de golf van Mexiko, dat zag de zeventiende te
Saint-Jamestown en Plymouth-Rock. Deze voortdurende toevoer uit het
moederland is de voornaamste steun van het blanke Amerika. In eene
eeuw is de blanke bevolking van Amerika, van omstreeks drie millioen,
geklommen tot ruim dertig millioen. Wie kan zeggen, dat het zwarte ras,
ook na zijne bevrijding, in gelijke mate zal vermenigvuldigen? Daar
schijnt veeleer alle grond om het tegendeel aan te nemen. De blanken
ontvangen voortdurend toevoer uit Europa; de negers daarentegen
ontvangen geen toevoer uit Afrika. De eene macht wast telkens aan, de
andere slinkt weg. En toch, wat noodlottigen, verderfelijken invloed
oefent dit lagere en wegsmeltende element van het menschelijk geslacht
hier niet uit! Geheel Amerika lijdt daardoor, in al zijne deelen;
vandaar, verdeeldheid tusschen broeders en broeders, kamp tusschen
Noord en Zuid, haat, verbittering en geweld. De geëmancipeerde neger
is vooral geen minder geducht struikelblok, geen minder invretende
kanker in het leven der republiek, dan weleer de negerslaaf.

De vraag:--"Wat moeten wij, bij de voortgaande ontwikkeling van
vrijheid, verlichting en beschaving, aanvangen met die rassen, op
onzen grond levende, en die ten aanzien van vrijheid, verlichting
en beschaving toch op den allerlaagsten trap staan?"--deze vraag
heeft bereids een derde deel van Amerika in het verderf gestort,
en de volvoering der edele taak, door de engelsche pelgrimvaders
aan de republiek nagelaten--de  grondvesting van vrije staten in dit
werelddeel--tot  eene nog niet te berekenen toekomst verschoven.

"In het Zuiden geboren, en gewoon de slavernij te beschouwen als
eene maatschappelijke en huiselijke instelling, ben ik steeds van
meening geweest dat de slavenkwestie een voorbijgaand euvel was,"
zegt een medepassagier, nevens mij op het achterdek gezeten.

--Een voorbijgaand euvel? Meent gij dat die kwestie van zelve zou
zijn opgelost?

--Ja, buiten eenigen twijfel.

--Zonder burgeroorlog?

--Ja zeker, zonder burgeroorlog. Ik ga verder. Als wij de kwestie
in haar geheel beschouwen--dat wil zeggen, letten zoowel op den
toestand van den vrijen neger als op dien van den slaaf;--dan beweer
ik, dat het probleem, zonder den burgeroorlog, spoediger zou zijn
opgelost. De Vereenigde-Staten zouden dan niet verdeeld en verscheurd
zijn geworden door eene zwarte en eene blanke ligue. In vollen
vrede, en door zedelijke middelen, zou de zedelijke emancipatie zijn
tot stand gebracht, met medewerking van alle brave en weldenkende
lieden. De militaire emancipatie overviel ons op het onverwachst,
midden in een heftigen oorlog, en ontketende, in bitteren wrok,
enkele van de snoodste hartstochten in het menschelijk hart. Wat
heeft de oorlog uitgewerkt?

--Hij heeft de slavernij vernietigd.

--Pardon:--de oorlog heeft de vrijheid vernietigd. Waar is de republiek
nu? Wat is er geworden van dat gemeenebest, het gedroomde ideaal van
Franklin, door Washington ons nagelaten? Hebben wij het te zoeken in
Nieuw-Orleans, in Vicksburg, in Richmond? Wat rest ons van onze zoo
hoog geroemde plaatselijke autonomie,  ons zelfbestuur, waarop wij
zoo trotsch waren?"

Met het krieken van den dag uit mijn kooi springende,  en door het
venster mijner hut kijkende, zie ik in de verte eene strook lands,
met een rij hooge boomen, behangen met het sombere, doodsche spaansche
mos. Maar wat is dat? Een witte zandbank ligt bloot en droog onder
de schroef der boot! Zitten wij aan den grond? Is die witte vogel
daar eene kraan? Zijn wij inderdaad nog in zee?

Boven komende, zie ik dat wij door een kanaal stoomen, door middel van
boomstammen-palissaden afgebakend. Dit kanaal, zeven mijlen lang en
twaalf voet diep, loopt tusschen het eiland Marsh en de moerassen van
Terre-Bonne, langs de oevers van de Atchafalaya. Op den oostelijken
oever dier rivier ligt de haven van Brashear, die haar ontstaan en
opkomst dankt aan de noodzakelijkheid om, na de kolonisatie van Texas,
een korter en veiliger gemeenschap te openen tusschen Galveston en
Nieuw-Orleans, dan de weg over Passe-à-Loutre. De reis werd daardoor
voor de helft verkort. Per as en per boot kan men nu in iets meer
dan vier-en-twintig uren van Galveston naar Nieuw-Orleans gaan.

Wij zijn te Brashear. Hebben wij hier land of water? Het is eene
mengeling van modder en slijk, poelen en goten, slooten en grachten:
een akelig ongezond moeras, een kweekplaats van de koorts, aan drie
zijden door jungles en kreupelhout omgeven, waarin iedere boom met
spaansch mos is overdekt. Dit spookachtige, muisgrauwe gewas hangt
in webben en kluwen van alle takken.

"Let op deze plant, zeide mij een bewoner van Brashear, die mij
de merkwaardigheden der plaats toonde. Zoodra gij haar ergens
ontmoet--verwijder u dan, zoo snel uw paard loopen kan. Wij noemen
haar koorts-mos. Haar tegenwoordigheid is een onfeilbaar teeken,
dat de lucht vol is van miasmen en koorts.

--De plant schijnt toch zeer algemeen verspreid; ik heb haar overal
langs de Golf ontmoet.

--Langs deze Golf zijn ziekte en dood ook zeer algemeen verspreid. Dit
mos groeit in elk moeras en in elken poel, langs alle meeren en
baaien. Gij vindt het in oostelijk Texas en zuidelijk Louisiana, in
westelijk Florida, en langs de oevers der binnenwateren van Alabama."

Deze leelijke, walgelijke, stinkende woekerplant is zoo goed als
onbruikbaar. De negers trekken haar uit en begraven haar in den
grond. Na verloop van tien of twaalf dagen, is de stank verdwenen;
dan delven zij de plant weder op en drogen haar in de zon; daarna
gebruiken zij haar, in plaats van stroo, om matrassen en hoofdkussens
te vullen. Naar men zegt, slapen de negers bij voorkeur op dit
gedroogde koorts-mos.

Brashear is eene kolonie van negers, en een van de bolwerken der
zwarte Ligue. Met uitzondering van een twaalftal beambten bij de
verschillende stoombootdiensten en spoorwegen, zijn er geen blanken in
Brashear te vinden. Op den drempel van elke woning staat een neger;
in elke goot stoeien zwarte kinderen. Kroegen, biljardkamers en
loterijkantoren zijn opgevuld met negers, meest allen met de dikke
lippen, het wollige kroeshair, de breede aangezichten en de pikzwarte
huid hunner afrikaansche voorouders.

Een enkele blik in de straten en stegen van Brashear is voldoende
om u te overtuigen, dat, in tegenstelling met Texas, Louisiana een
land is, waar carpet-baggers en scalawags [3] alle kans hebben om
eene meerderheid van stemmen aan hun zijde te krijgen. Daar elke
neger rechtens burger, en elke burger kiezer is, kan niemand die
zwarte menigte verhinderen, zoo haar dit goeddunkt, zwarte wetgevers
te kiezen en een negerwetboek uit te vaardigen. Vereenigd, zijn zij
onweerstaanbaar, en kunnen zij alles doordrijven wat zij willen. Zij
kunnen een neger tot sheriff, een anderen neger tot rechter kiezen,
en langs wettigen weg in Amerika de bekende "gebruiken" invoeren van
Yam, Dahomey en Addai. Het afrikaansche brein is beperkt van begrip.

In Louisiana hebben de negers, bij de verkiezingen, ongetwijfeld
de meerderheid, al is die meerderheid ook niet groot. Zij willen
dan ook dat de meerderheid der leden in de Kamer uit negers besta,
en de regeering op op hun hand zij. Zij worden geholpen en gesteund
door federale troepen. Hun kandidaat William P. Kellogg is door den
President Grant erkend als gouverneur van Louisiana.--En toch, let
eens op den trein, die ons naar Nieuw-Orleans brengt! Volgens de wet
staat de neger geheel gelijk met den blanke; de spoorwegmaatschappij
past op hem hetzelfde tarief toe als op den blanke. Wordt hem nu
ook het meest eenvoudige recht vergund, en mag hij plaats nemen in
elken wagen, dien hij verkiest? Volstrekt niet. Een iersch matroos,
een amerikaansche marskramer mogen gaan zitten waar zij willen;
maar een man of vrouw van afrikaansch bloed niet alzoo. Zijn vriend,
de carpet-bagger, kan hem wel het stemrecht bezorgen, maar niet eene
plaats in den spoorwagen. Hier regeeren de dames. De dames nu zijn
allen conservatief, dat wil zeggen tegen de gelijkstelling der negers;
en in Amerika kan niets gedaan worden, zoodra de vrouwen er zich tegen
verzetten. De zwarten worden dan ook opeen gepakt in den voorsten
wagen, vlak achter de lokomotief, waar zij half stikken van den rook,
die hun de oogen verblindt. Sommigen zijn er niet minder vroolijk om;
anderen mokken; maar ondanks hunne bij uitnemendheid ongeriefelijke
plaats, komt het niemand hunner in de gedachten, in een der andere
wagens plaats te nemen.

"Mengt zich nooit een neger in uw gezelschap? vraag ik aan een
reiziger.

--Nooit! antwoordt hij, terwijl een verachtelijke glimlach om zijne
fijne, aristokratische lippen speelt. Een neger plaats nemen tusschen
onze vrouwen en zusters!

--Heeft hij daar dan geen recht toe?

--Voor zoover wetten en reglementen hem recht geven kunnen,--ja. Maar
hij kent zijne plaats veel beter dan de scalawags. Als wij slechts van
Kellogg en zijne kliek verlost waren, zouden wij met de zwarten geen
moeite meer hebben. Zij kennen ons, en wij kennen hen. Het was een
misdaad, hun stemrecht te geven; maar wij zouden het met de zwarte
kiezers wel weten te vinden, als de federale troepen slechts werden
teruggeroepen.

--Zijt gij niet bang voor hunne meerderheid?"

--Neen, volstrekt niet; mits slechts geen militaire chef zich aan
het hoofd dier meerderheid stelt. Wat wij bovenal hebben te duchten,
is het caesarisme:--de regeering van den sabel, die alle beginselen
van recht en vrijheid met voeten treedt. Waarom, met welk doel, heeft
men, bij voorbeeld, generaal Sheridan naar Nieuw-Orleans gezonden?"

Na een oogenblik zwijgens, terwijl ik aan mijne gedachten den vrijen
loop liet, vervolgde hij: "Wie weet of wij, in de stad komende, haar
niet in staat van beleg zullen vinden; misschien wel, de straten
rookende van burgerbloed, de openbare gebouwen in vlammen...?"

Saint-Charles! Achttien mijlen van Nieuw-Orleans! Nog een uur
sporens! Wij werpen een vluchtigen blik op het landschap, terwijl
vijvers en moerassen, ceders en palmen ons in haastige vaart voorbij
glijden. Maar het is ons niet mogelijk, onze aandacht te schenken
aan hetgeen het landschap ons te aanschouwen geeft. Een prachtig
oranjeboschje, stralende in den purperen goudglans der rijpe vruchten,
mag een onwillekeurigen kreet van bewondering ontpersen; maar ook de
kalmste en bedaardste onder ons kan zijne ontroering niet bedwingen,
want wij weten dat, elke wenteling der rennende raderen ons nader
voert tot het tooneel van een ernstigen strijd, waarop de oogen van
veertig millioen burgers, in hartstochtelijke beweging van hoop en
vrees, gevestigd zijn.

President Grant beweert dat er "regeeringloosheid in Louisiana
heerscht." Niemand twijfelt daaraan; maar generaal Mac-Enery en de
blanke burgers beweeren dat deze heerschappij der regeeringloosheid
door Grant zelven werd gevestigd, en nog in zijn eigen belang
voortdurend in Nieuw-Orleans wordt staande gehouden. Deze
"heerschappij" dagteekent van nu twee jaar geleden: zij begon met
een telegram, aan Stephen B. Paekard gericht, en aldus luidende:


Washington. Departement van Justitie, 3 Dec. 1872.

"Gij moet de besluiten van de Hoven der Vereenigde-Staten doen
uitvoeren, onverschillig wie zich daartegen verzet; generaal Emory
zal tot dat einde de noodige troepen tot uwe beschikking stellen.

George H. Williams.

Prokureur-generaal."


Dit telegram was een raadsel. Stephen B. Packard is een carpet-bagger,
dien de President naar Nieuw-Orleans heeft gezonden, bekleed met de
waardigheid van maarschalk der Vereenigde-Staten. [4] Generaal Emory
is belast met het militair kommando in het departement der Golf. Maar
wie waren de vijanden, die de maarschalk Packard en de generaal Emory
hadden te bestrijden? Tegen geene enkele uitspraak van de Hoven der
Vereenigde-Staten was men te Nieuw-Orleans in verzet gekomen; ook
verwachtten die Hoven zelven geenerlei verzet. De rechter Durell,
de eenige federale magistraat in Louisiana, had nimmer eene klacht
ingediend. Waarom werd dan een ondergeschikt beambte, zooals Packard,
door den prokureur-generaal, den wettigen raadsman van den President,
aangemaand, de militaire macht te hulp te roepen om uitvoering te
geven aan de uitspraken van dien rechter?

Naar men vermoedde, had President Grant, met het aannemen van deze
gedragslijn tegenover Nieuw-Orleans een dubbel oogmerk: vooreerst,
wilde hij zich van de meerderheid der stemmen van Louisiana verzekeren
voor zijne herkiezing als President; ten tweede, wilde hij zijn
schoonbroeder, James B. Casey, tot lid van den Senaat voor dien staat
doen benoemen. Voorzeker kon, ter bereiking van deze beide oogmerken,
een gewetenlooze President gebruik maken van het federale leger; maar
de rechter Durell deed zijn best om zijn vriend Norton tot senator
te doen verkiezen, en zou dus zeer waarschijnlijk de kandidatuur van
Casey niet bevorderen. Noch de gouverneur Warmoth, noch de generaal
Mac-Enery konden de bedoeling van dien geheimzinnigen last raden. Tegen
wien moest Packard de federale troepen doen oprukken? De tijd zou
het raadsel oplossen.

Stephen B. Packard ontving zijn telegram des Woensdagsavonds. Den
volgenden avond reeds werd hij, om belangrijke zaken, bij Durell
ontboden. Billings, een prokureur en zaakwaarnemer van de scalawags,
zat bij Durell aan tafel, en schreef een lastgeving, waarvan de inhoud
door den rechter aan zijn bezoeker werd medegedeeld. Packard moest
troepen ontbieden, het Statenhuis (de vergaderzaal der Kamers van den
staat) bezetten, en niemand den toegang tot dat gebouw vergunnen. Te
Nieuw-Orleans is het Statenhuis of Kapitool tegelijk de zetel van het
uitvoerend bewind en van de wetgevende macht. Packard moest verder
den gouverneur verdrijven, zich van de archieven meester maken, en de
deuren sluiten. Nadat Durell het door Billings geschreven stuk had
onderteekend en aan Packard ter hand gesteld, spoedde deze laatste
zich naar de kazernen, liet eene kompagnie soldaten onder de wapenen
komen, en bezette daarmede, in het holst van den nacht, het Kapitool.

De wettigheid van deze handeling zal zeker wel door niemand, zelfs
niet door President Grant, worden beweerd. Intusschen kreeg Durell
zijn loon. Casey zag van zijne kandidatuur af; hij trok zich uit den
strijd terug en gaf de voorkeur aan de winstgevende betrekking van
collecteur (ontvanger der belastingen), terwijl Durell's vriend Norton,
in een der graafschappen, door de scalawags kandidaat werd gesteld.

Generaal Warmoth, gouverneur van Louisiana, een gematigd, vreedzaam
man, was aan de beurt van aftreding; eene poging om hem te doen
herkiezen, was mislukt. Om het gouverneurschap on onder-gouverneurschap
streden vier kandidaten: aan de eene zijde de generaals Mac-Enery
en Penn, twee gunstig bekende officieren; aan de andere, William
P. Kellogg, een rechtsgeleerde uit Illinois, en Cesar C. Antoine,
neger en pakkedrager van beroep.

Na afloop der verkiezingen schreven de beide partijen zich de
overwinning toe; en zoo lang de Kamers niet bijeen waren, kon niemand
zeggen wie eigenlijk de zege had behaald. De zaak zou misschien aan
de beslissing van het Hooggerechtshof van Louisiana moeten worden
onderworpen; maar daar de gouverneur Warmoth nog gedurende zes of
zeven weken in functie zou blijven, was er overvloedig tijd om de
stemmingslijsten te onderzoeken, voor dat Louisiana zonder wettigen
gouverneur en zonder regelmatig bestuur zou zijn. Mac-Enery was bereid
te wachten op de bijeenkomst der Kamers; maar Kellogg durfde zich
niet te verlaten op eene Kamer, waarin Warmoth den voorzittersstoel
zou bekleeden: zijne handelingen riepen het tijdperk der anarchie in
het leven.

William Pitt Kellogg, een advokaat zonder praktijk, had Illinois
verlaten om zijne fortuin te beproeven te Nieuw-Orleans. Honderden
zijner landgenooten, den koesterenden zonneschijn aan de Golf
verkiezende boven den ijzigen nevel van het meer Michigan, doen
hetzelfde. Hij kwam te Nieuw-Orleans met een reiszak (carpet-bag),
een gladde tong, en een behoorlijke dosis "gevoel." De befaamde John
Brown was zijn held; en geleid door den "geest" van dien zoogenaamden
martelaar der emancipatie, wist hij het aldra zoo ver te brengen,
dat hij door de stemmen der negers in den Senaat van Louisiana werd
gebracht. Schraal en mager van gestalte, vulgair en kruipend van
manieren, in kleeding, voorkomen en taal den vrome uithangende,
wist hij niet alleen de harten der negers te winnen, maar ook de
aandacht van de leiders der republikeinsche partij in Washington
op zich te vestigen, als op iemand, die uitnemend geschikt zou
zijn voor de uitvoering hunner plannen. Kellogg was druk bezig
te intrigeeren om tot senator voor Louisiana te worden benoemd,
toen de nog schitterender en vooral winstgevender betrekking van
gouverneur zijne aandacht trok. Deze betrekking is per jaar achtduizend
dollars in goud waard; de gouverneur van Louisiana is, na dien van
Pennsylvanië, de hoogst bezoldigde in geheel de Vereenigde-Staten:
bovendien brengen zijne emolumenten van allerlei aard hem nog wel
het dubbele van zijn officiëel salaris op. Als de gouverneur gaarne
spoedig fortuin wil maken, en, naar amerikaansche wijze, niet al te
kieskeurig is ten aanzien der middelen, dan staan in het rijke en
handeldrijvende Nieuw-Orleans bijna onuitputtelijke hulpbronnen te
zijner beschikking. Naar men verzekert, heeft de gouverneur Warmoth
op het Statenhuis zijn fortuin gemaakt.

De prijs was dus alleszins begeerlijk; maar Kellogg had al zijn kracht
en al zijne behendigheid noodig om dien machtig te worden. Behalve
in aantal, waren zijne tegenstanders in elk opzicht ver boven zijne
vrienden en aanhangers verheven. Mac-Enery en Penn waren mannen
van stand, vermogen en goeden naam, die konden rekenen op den
steun van elken burger van Nieuw-Orleans en van elken planter van
Louisiana. Kellogg was een vreemdeling in de stad, met geen andere
bondgenooten dan de scalawags, de negers en de federale troepen.

Van den gouverneur Warmoth had hij niets te hopen. Warmoth trachtte een
middenweg te vinden; even als Kellogg, is ook hij een vreemdeling;
hij ook had zijne aanhangers, en behoefde zich niet door eene
eerste nederlaag te laten afschrikken. Als gouverneur had hij de
stemmingslijsten in bewaring. Het was zijn plicht, de Kamers bijeen
te roepen; zonder zijne onderteekening had geen wet eenige kracht. In
geval noch Mac-Enery noch Kellogg de wettigheid hunner verkiezing
konden bewijzen, moest Warmoth, thans de wettige gouverneur, zijne
functie blijven waarnemen tot er eene nieuwe verkiezing was gehouden,
die dan andermaal moest worden onderzocht en goedgekeurd. Wie weet,
welke kandidaten het dan winnen zouden? In ieder geval bood zich voor
hem eene nieuwe kans aan.

Niet gezind den gouverneur te vertrouwen, en nog minder om zijne
benoeming te onderwerpen aan de beslissing van eene Kamer, door
den gouverneur bijeengeroepen en gepresideerd, belegde Kellogg eene
vergadering van zijne aanhangers. Het was Zaterdagmorgen: des Maandags
zouden de Kamers bijeenkomen. De Kamer zou dan, onder leiding van
Warmoth, overgaan tot het onderzoek der geloofsbrieven, en zou zeer
waarschijnlijk de vraag, wie der beide kandidaten, Mac-Enery of
Kellogg, wettig gekozen was, onderwerpen aan de beslissing van het
Hooggerechtshof. Kellogg was al even bang voor de rechters als voor
de senatoren. Maar hoe zou hij het aanleggen om beiden uit den weg
te ruimen?

Billings, de gewetenlooze prokureur, die geheel in het belang der
negers handelde, stelde voor, dat Cesar Antoine, de zwarte pakkedrager,
gebruikt zou worden om niet alleen den gouverneur en de Kamers, maar
ook de plaatselijke gerechtshoven, schaakmat te zetten. Dit voorstel
werd aangenomen, en de zwarte sjouwer begaf zich naar den rechter
Durell, niet in de openbare rechtzitting, maar in Durell's eigen
woning. Daar legde hij den rechter een merkwaardig stuk voor, waarin
deze neger, uit aanmerking dat hij, Cesar C. Antoine, hoezeer wettig
verkozen tot luitenant-gouverneur van Louisiana, echter reden had om te
verwachten dat hem bij de aanvaarding van die betrekking hinderpalen
in den weg zouden worden gelegd, tot het Hof der Vereenigde-Staten
het verzoek richtte om een bevel uit te vaardigen, waarbij aan zekere
met name genoemde personen verboden werd, op eenigerlei wijze, door
woord of daad of teeken, zijne wettige aanspraak op de betrekking
van luitenant-gouverneur te weerstreven.

De door Billings opgemaakte lijst van personen bevatte niet minder
dan honderd-vijf-en-dertig namen, met dien van den gouverneur Warmoth
aan het hoofd. Daarop volgde de secretaris van staat; dan negentien
senatoren, meer dan honderd afgevaardigden, en al de leden zoowel
van de conservatieve als van de republikeinsche commissies voor het
onderzoek der verkiezingen. In één woord, deze neger verlangde van den
rechter Durell, dat hij gedurende vijf volle dagen aan de uitvoerende
en wetgevende macht van Louisiana de bevoegdheid zou ontzeggen om
iets te doen ten nadeele van zijn beweerd recht. En inderdaad: de
rechter vaardigde het bevel, in de voorgeschreven bewoordingen, uit.

President Grant handhaaft doorgaans zijn creaturen: maar zelfs
President Grant heeft moeten erkennen, dat het door den rechter
Durell, op verlangen van Antoine, uitgevaardigde bevelschrift niet
alleen onwettig was, maar ook eene "grove fout."

Toch werd dit onwettig bevel gehandhaafd, en werd de grove fout tot
het einde doorgezet. Dit geschiedde niet in onwetendheid, en nog
tot heden, nu de onwettigheid is erkend, en de grove fout door den
President zelven beleden, wordt de onwettige staat van zaken met
geweld in stand gehouden!

Had Durell dat ongerijmde bevelschrift niet geteekend, dan zouden
de Kamers bijeen zijn gekomen en zich onder leiding van gouverneur
Warmoth hebben geconstitueerd. Meer dan waarschijnlijk zouden zij
de verkiezing van Mac-Enery en Penn wettig hebben bevonden; en het
Hooggerechtshof van Louisiana zou ongetwijfeld die uitspraak hebben
bekrachtigd. Het bevelschrift van den rechter Durell verzekerde de
overwinning aan Kelloggs' aanhangers, en daarmede begon feitelijk de
"anarchie."


XVII.

Anarchie.--Reactie.

Des Maandagsmorgens verscheen Packard, met de republikeinsche
geloofsbrieven in de hand en gevolgd door de federale soldaten, aan het
Mechanics' Institute, in welk gebouw de Kamer zou bijeenkomen. Cesar
C. Antoine, met Durell's bevelschrift gewapend, stond aan de deur, om
aan te wijzen wie al dan niet mochten binnen gelaten worden. Natuurlijk
werd alleen aan de vrienden toegang verleend. Dezen, in de zaal der
wetgevende macht vereenigd, begrepen geen tijd met praten te moeten
verliezen, want het bevelschrift van Durell gold niet langer dan tot
Woensdag, en er was nog veel af te doen, eer de conservatieve leden
hunne zetels weer zouden innemen.

In de eerste plaats moest de gouverneur Warmoth worden afgezet,
en moest men trachten zich meester te maken van de officiëele
processen-verbaal der verkiezingen. Maar hoe kon men zich den wettigen
gouverneur van den hals schuiven?

Een neger, Pinchback genaamd, in de wandeling als Pinch bekend, bood,
tegen behoorlijke belooning, Kellogg zijne diensten aan. Deze Pinch,
een echte windbuil, was vroeger hofmeester geweest aan boord van
een stoomboot, later deurwachter in een speelhuis; maar zoo als meer
anderen van zijn geslacht, was hij tot de ontdekking gekomen dat de
politiek een winstgevender handwerk is dan vaten te wasschen, of op
te passen dat de policie de spelers niet kwam overvallen. Door een
neger-distrikt tot lid van den Senaat van Louisiana benoemd, had hij,
bij toeval, gedurende eenige weken ambtshalve de betrekking waargenomen
van luitenant-gouverneur. Zijn mandaat was sinds lang geëindigd: maar
in Amerika blijft men levenslang een titel voeren, hoe kort men dien
ook werkelijk gedragen hebbe. Een professor blijft altijd professor;
een luitenant-gouverneur altijd luitenant-gouverneur. Hoewel hij dus
het ambt niet meer bekleedde, had Pinch nog altijd een handvat aan
zijn naam.

Die man was geld waard, en Kellogg wist met hem eene schikking te
treffen. Pinch zou Warmoth omverwerpen; indien hem dit gelukte,
zou hij gedurende eenige dagen waarnemend gouverneur zijn, eene
aanzienlijke som gelds ontvangen, en, als men zich op eene of andere
wijze van Norton kon ontslaan, zou hij ook als senator naar Washington
worden gezonden.

Dit alles aldus bepaald zijnde, voerde Billings den waardigen Pinch
in de vergaderzaal van den Senaat, en plaatste hem, met behulp
van Cesar C. Antoine, als luitenant-gouverneur op den presidialen
zetel. Binnen tien minuten was, onder leiding van Pinch, de vergadering
geconstitueerd. Daarop haalde hij een dokument voor den dag, door
Billings geschreven, waarin de gouverneur Warmoth van verschillende
wanbedrijven werd beschuldigd en zijne afzetting gevorderd. Wederom
binnen tien minuten was een besluit in dien zin genomen. De federale
troepen stonden gereed, onder bevel van Packard, zoodat alles met
den meest gewenschten spoed kon worden afgedaan. Pinch trad nu op als
waarnemend gouverneur, nam het Kapitool in bezit, maakte zich meester
van het groot-zegel van Louisiana, en vaardigde eene proklamatie uit,
waarin hij der wereld zijne verheffing mededeelde.

Niet dikwijls is, hetzij in de werkelijkheid, hetzij in de verdichting,
het bespottelijke en ongerijmde tot zulk eene hoogte opgevoerd. Men
spreekt met weerzin over de daden van Jan van Leiden, als over een
treurige openbaring van menschelijke dwaasheid. De onbeschaamdheid
van Sancho Panza doet ons hartelijk lachen, als eene meesterlijke
schepping der satire. Maar Munster en Barataria hebben hier hun
meerdere gevonden. Pinchback en Antoine in het gestoelte der eere:--dit
is, als komisch effect, onovertroffen.

Warmoth weigerde natuurlijk Pinchback te erkennen; en deze laatste
wist niet recht wat hem te doen stond, ofschoon hij op Packard
en de soldaten rekenen kon. Generaal Warmoth stond bekend als een
voortreffelijk schutter, die zonder eenig bedenken, in een tweegevecht,
zijn tegenpartij zou neerschieten; het was dus voor Pinch geen zaak,
hem persoonlijk te tergen. De conservatieve leden, wien de toegang tot
de vergadering geweigerd was, kwamen elders te zamen, protesteerden
tegen hunne uitzetting, en riepen de hulp in van Warmoth, als den
wettigen gouverneur, tegen een man, die niet de minste aanspraak
had op den rang, dien hij bekleedde. Kellogg wist te bewerken
dat Pinch als republikeinsch kandidaat voor den Senaat zou worden
gesteld. Norton trok te zijnen behoeve zijne kandidatuur in; en men
hoopte dat zijne verkiezing tot senator zijne onwettige handelingen
in zekeren zin zou goedmaken, althans doen vergeten. Maar Warmoth
bleef onverzettelijk. Pinch liep naar Packard om raad te vragen; maar
Packard durfde geen raad geven. Ieder rechtsgeleerde in Nieuw-Orleans
zeide hem, wat hij trouwens zelf zeer goed wist, dat het bevelschrift,
waaraan hij uitvoering gaf, onwettig was. Geen enkele autoriteit
erkende Pinch; en ondanks zijne onbeschaamdheid, durfde Packard geen
stap verder te gaan zonder nadere machtiging van Washington.

Kellogg, die niets kon doen zonder Pinch, evenmin als Pinch iets
zonder Packard, riep toen de hulp in van zijn patroon, President Grant,
en zond aan den prokureur-generaal Williams het volgende telegram:

"Nieuw-Orleans, 11 December 1872.

"Als de President op eene of andere wijze te kennen geeft, dat hij het
gebeurde erkent, dan zullen de gouverneur Pinchback en de wetgevende
macht alles verder in orde brengen."

George H. Williams is voor geen klein gerucht vervaard, en
doet in vermetelheid voor niemand onder; maar hij durfde toch
den President niet voorstellen om een gauwdief van een neger als
gouverneur van Louisiana te erkennen, enkel omdat die gauwdief, met
terzijdestelling van alle wettig gezag, zich in den zetel had weten
te dringen. Evenwel, zijn bezwaar gold alleen den vorm: voor Pinch,
als regeeringspersoon, kon Williams kwalijk eenige achting gevoelen;
tegenover Pinch, als partijman, had hij een plicht te vervullen. Hoe
zou men het aanleggen, zonder de betamelijkheid en de publieke opinie
al te zeer te krenken? Men kon Pinch niet openlijk als gouverneur
erkennen. Doch, daar hij de betrekking van gouverneur vervulde, kon
men hem den titel geven van "waarnemend gouverneur": op die wijze zou
zijne waardigheid, hoewel niet officiëel erkend, toch stilzwijgend
aanvaard worden. Williams is een meester in de onbepaalde, huichel-
en nevelachtige fraseologie der kanselarijen. Den volgenden dag werd
van Washington naar Nieuw-Orleans dit telegram verzonden:

Waarnemend gouverneur Pinchback, Nieuw-Orleans.

Departement van Justitie, 12 December 1872.

"Neem aan dat gij erkend zijt als het wettig uitvoerend gezag van
Louisiana, en dat de vergadering in het Mechanics' Institute de wettige
wetgevende macht van den staat is. Men stelt voor, dat gij in dien
zin eene proklamatie uitvaardigt, en te kennen geeft dat zoowel aan
u als aan de genoemde wetgevende macht de noodige hulp zal worden
verstrekt om den staat tegen wanorde en geweld te beveiligen."

Krachtens deze machtiging van het Kabinet, werd de gouverneur
Warmoth afgezet, en Pinchback door de federale officieren in zijn
ambt geïnstalleerd. Niettemin was Pinch niet op zijn gemak, en kon
dit ook niet zijn zoo lang de gouverneur Warmoth nog in Nieuw-Orleans
vertoefde. Het kon gebeuren, dat die heer hem op straat tegenkwam en
duchtig afranselde. Pinch had geen trek in een pak slaag; en daar hij
niet alleen over federale generaals, maar ook over federale rechters
kon beschikken, wilde hij eens beproeven of het gerecht hem niet van
zijn geduchten vijand zou kunnen ontslaan.

Een tweede federale rechter, Elmore genaamd, kwam te Nieuw-Orleans,
en Pinch verscheen voor zijn rechterstoel met de oude aanklacht
tegen gouverneur Warmoth, en met verzoek dat de gouverneur van zijn
betrekking zou worden vervallen verklaard. Elmore was in dit geval
geheel onbevoegd: de zaak behoorde te huis bij het Hoog-gerechtshof van
Louisiana, dat in deze alleen uitspraak kon doen. Niettemin nam Elmore
de beschuldiging aan, en verklaarde, zonder zelfs den beschuldigde te
hooren, dat de gouverneur Warmoth als zoodanig was afgezet. Warmoth,
die dit vonnis niet aannam, beriep zich op de rechters van Louisiana,
en dezen beslisten, dat de handelwijze van Elmore onwettig was,
en zijne uitspraak van geene waarde. Elmore wilde nochthans zijn
vonnis niet herroepen, en de rechters van Louisiana daagden hem voor
hunne rechtbank wegens miskenning van het hof. Hij lachte hen in hun
gezicht uit, wel wetende, dat hij, even als Pinch, op het federale
leger rekenen kon. Want al deze schandelijke handelingen geschiedden
onder bescherming van generaal Emory, die de creaturen van President
Grant trouw bijstond.

Gedurende vier of vijf weken regeerde Pinch over Louisiana. Spotters
noemden hem Koning Pinch, Zijne Zwarte Majesteit, Lord Paper-Collar
(papieren halsboord) en Markies van Pomade. Zij zonden hem verdichte
depèches, en lieten bespottelijke besluiten drukken, met zijn naam
onderteekend. Eindelijk was de tijd zijner regeering verstreken; hij
gaf het Kapitool en het groot-zegel over aan Kellogg, en ontving als
belooning den titel van gouverneur, en de waardigheid van senator
te Washington, met al de voordeelen en emolumenten aan die hooge
waardigheid verbonden.

Zijne verschijning in den Senaat, waar hij eene plaats zou innemen
naast de Shermans en Wilsons, de Boutwells en Camerons, te midden
der eerwaardige beschreven vaderen der republiek, verwekte een
storm, die nog niet is bedaard, hoewel er op dit oogenblik (1875)
twee-en-twintig maanden verloopen zijn, sinds hij zijn geloofsbrieven
op het bureau deponeerde.

De Senaat benoemde eene commissie, die deze geloofsbrieven moest
onderzoeken, en dus ook nazien of zij door den wettigen gouverneur
waren geteekend en gezegeld. Daardoor kwam natuurlijk de geheele
kwestie ter sprake. De groote meerderheid der commissie bestond uit
republikeinen, die voor hunne partij eene stem zouden winnen, als
Pinch word toegelaten. Maar tot deze toelating te adviseeren, was voor
ernstige mannen toch niet mogelijk. De commissie kwam tot het besluit
dat Kellogg geen gouverneur van Louisiana was; dat zijne handteekening
geen waarde had; dat het staatszegel van Louisiana was misbruikt,
en dat Pinchback geen recht had, in het Congres zitting te nemen.

Na een zeer lang en merkwaardig debat, besliste de Senaat, ondanks
de eischen van het partijbelang, en overeenkomstig het voorstel der
commissie, dat Kellogg niet de wettige gouverneur was van Louisiana,
en Pinchback niet de wettige senator voor dien staat; tevens bepaalde
dit hoogste College dat eene nieuwe verkiezing zou worden gehouden,
opdat aan de heerschende anarchie op echt-republikeinsche wijze,
namelijk door een plebisciet, een einde zou worden gemaakt.

Door den Senaat uitgenoodigd, eene verklaring van zijn gedrag te geven,
erkende de President Grant dat de jongste verkiezing in Louisiana
"een reusachtig bedrog" was geweest. Hij gaf toe aan het verlangen
van den Senaat, dat eene nieuwe verkiezing zou worden gehouden om
uit te maken, wie door het volk als gouverneur werd begeerd, generaal
Mac-Enery of William P. Kellogg; maar hij behield zich, met het oog
op de omstandigheden, de bevoegdheid voor, om het geschikte tijdstip
voor deze verkiezing te bepalen. Kellogg, die zich liefst aan geene
nieuwe stemming wilde wagen, werd mitsdien gemachtigd, de verkiezing
voorloopig, tot gelegener tijd, uit te stellen.

Daar nu alle partijen het eens waren omtrent de nietigheid der laatste
verkiezingen, was Warmoth, volgens zijn beweeren, nog steeds de
wettige gouverneur, en moest hij zijne functiën blijven waarnemen, tot
zijn opvolger was benoemd. Zoo betwistten twee vergaderingen en drie
gouverneurs elkander de heerschappij over Nieuw-Orleans. Niemand wist
aan wien hij gehoorzaamheid schuldig was: de anarchie was volkomen. [5]

Zeventien maanden lang zuchtte Nieuw-Orleans onder het juk van
gouverneurs, die niet konden regeeren, van vergaderingen, die geen
wetten konden uitvaardigen, en van gerechtshoven, die elkanders
beslissingen vernietigden. Nieuw-Orleans is Louisiana, ongeveer in
denzelfden zin als waarin Parijs Frankrijk is. Als Nieuw-Orleans
lijdt, lijdt Louisiana, als Nieuw-Orleans herleeft, herleeft ook
Louisiana. Onder het zoogenaamde bestuur van Kellogg ging zoowel het
publiek krediet der stad te gronde, als de fortuin van een groot deel
harer burgers.

Een uitvoerend bewind, uit negers en vreemdelingen samengesteld,
tiranniseerde de stad, en verkwanselde de stedelijke goederen; een
romp-parlement, [6] waarin de negers, die zich geregeld hun traktement
lieten uitbetalen, de meerderheid hadden, nam allerlei besluiten,
waaraan alle kracht van wet ontbrak. Een troep negers, door vreemden
aangevoerd, voerde, als plaatselijke policie, heerschappij over de
straten en kaaien. De zwarte clubs vermenigvuldigden zich, ieder
met zijne eigen geheime teekens en wachtwoorden. Zoolang er nog een
dollard in de schatkist te vinden was, hielpen deze vreemdelingen
zich zelven en hunne aanhangers. Openbare ambten en bedieningen
werden verkocht, schuldbrieven van den staat werden verschacherd en
vervalscht, en eene rijke welvarende stad werd aansprakelijk gesteld
voor een verarmden staat. Vreemde schuldeischers werden bedrogen,
en de goede naam der burgers leed schade. De handel ging achteruit:
kooplieden en kargadoors lieten hunne magazijnen en kantoren op de
kaaien ledig staan; de winkelhuizen in de deftige buurten daalden
tot beneden den huurprijs in waarde. De invoer stond bijna stil. De
belastingen klommen met zoo verbazende snelheid, dat eigenaars
van aanzienlijke huizen hunne vaste goederen aan den staat moesten
overlaten. De eenige bezoldigingen welke regelmatig werden uitbetaald,
waren die van Kellogg's neger-senatoren, die elke week trouw hun
achttien dollars ontvingen. De onderwijzers en professoren bleven
onbetaald; de scholen en colleges werden gesloten. De maatschappijen,
die voor den aanvoer van drinkwater zorgden, begonnen haar levering te
beperken, daar zij niet langer de verschuldigde betaling ontvingen. De
ellende was algemeen, zoowel voor rijken als armen. Op sommige avonden
bleven de straten donker, daar de directiën der gasfabrieken de kranen
hadden afgesloten. De straten van Nieuw-Orleans zijn des nachts nooit
geheel veilig, maar gedurende dit noodlottig tijdperk van anarchie
nam het kwaad hand over hand toe. De policie-agenten zelven hieven
schatting van alle winkels. Deze bewakers der openbare veiligheid
waren van wapenen voorzien, en gewapende mannen zorgen er wel voor,
dat zij geen gebrek lijden. De levensmiddelen stegen in prijs:
visch werd schaarsch, vleesch was niet te bekomen. De gevangenissen
en verbeterhuizen werden op de schandelijkste wijze verwaarloosd;
dijken en dammen werden doorgestoken, en vruchtbare velden onder
water gezet. Het onkruid woekerde alom voort; de katoenplantages
verwilderden tot jungles; de dammen en wallen zakten in de rivier, de
tuinen en hoven werden wildernissen. Alles, in de stad en daarbuiten,
vertoonde den stempel van physieken en moreelen ondergang.

Wee over het trotsche en schoone Nieuw-Orleans! Getroffen in haar
hoogste belangen, in haar vrijheid, haar eer, haar handel, haar
krediet, in al hare verwachtingen, hief de stad zich eindelijk met
de kracht der wanhoop op, en stelde zich zelve deze vraag: Moet het
geslacht der blanken, langs de golf van Mexiko, onder gaan?

Het antwoord was niet twijfelachtig. Onmiddellijk volgde eene
reactie--eene reactie, die bovenal ten doel had, de kwestie van ras
te plaatsen boven die van partij, de republiek boven de republikeinen.

Zij openbaarde zich overal, in de clubs, de salons, de magazijnen en
winkels. De beweging was niet zoo zeer gericht tegen de kleurlingen
zelven, dan wel tegen de scalawags en vreemde fortuinzoekers,
die de kleurlingen enkel als werktuigen ten behoeve hunner partij
gebruikten. Stilzwijgend vormde zich eene ligue, eene blanke ligue,
in tegenstelling van de zwarte; maar de leden van dit verbond
hielden geene samenkomsten, benoemden geen commissiën, en kozen geen
bestuurders. Het was nog meer eene overeenstemming in gevoelens, dan
een eigenlijk genootschap; maar de europeesche geest is organiseerend
van nature, en het kon niet uitblijven of deze gemeenschappelijke
overtuiging onder de blanke bevolking moest welhaast een bepaalden
vorm aannemen. Daar bijna iedere blanke in Nieuw-Orleans soldaat is
geweest, vormden de leden van het verbond reeds van zelve een leger,
dat binnen eenige uren tot den strijd gereed kon zijn.

Dit verbond versterkte en verlevendigde de hoop en het vertrouwen
van dezulken onder de blanke burgers, die een einde wenschten te
maken aan de heerschende anarchie, door den vreemdeling Kellogg uit
Nieuw-Orleans te jagen, den zwarten pakkedrager Antoine terug te
zenden naar het douane-kantoor, en generaal Mac-Enery en generaal
Penn als gouverneur en luitenant-gouverneur te installeeren.

Inmiddels naderde de dag, waarop de nieuwe verkiezingen voor de Kamer
moesten plaats hebben. De burgers wenschten dat die verkiezingen
eerlijk en in volle vrijheid zouden geschieden: althans voor zoo ver
dat mogelijk was, nu de kiezerslijsten waren opgemaakt door scalawags
en leden van het zwarte verbond. Maar geene vrije en eerlijke
verkiezing was denkbaar, zoo lang de vreemde indringers zich niet
verwijderd hadden. De republikeinsche senatoren in Washington waren
het hierin eens met de conservatieve senatoren in Nieuw-Orleans,
dat Kellogg niet de wettige gouverneur van Louisiana was. Maar wat
konden de blanke burgers doen om hem tot heengaan te nopen?

Op Maandag den 14den September 1874, des morgens ten elf uur, kwamen
de burgers in groote menigte bijeen in de Kanaalstraat. De leider der
vergadering, R.H. Marr, plaatste zich aan den voet van het kolossale
standbeeld van Henry Clay, en legde der menigte de vraag voor, of zij
nog langer de heerschende anarchie wilde dulden? De burgers antwoordden
met luid geroep, dat zij de voorkeur gaven aan de tirannie, waaronder
zij gezucht hadden vóór de uitvaardiging der Reconstruction Act. [7]
Een soldaat, hoe streng despoot hij mocht zijn, was toch altijd een man
van orde en tucht; hij handhaafde althans de openbare orde op straat
en bewaarde het Kapitool voor verontreiniging. De regeering van een
man als Hancock was een zegen, vergeleken bij die van Kellogg. Onder
een federaal officier, geen huichelachtige schijn van vrijheid,
burgerlijke orde en republikeinsche instellingen: het despotisme
zou onverholen aan het licht treden en Louisiana geregeerd worden
als een turksche provincie. Toch gaven de burgers de voorkeur aan
een man van ijzer en bloed boven een carpet-bagger; want geen erger
en smadelijker lot was te bedenken dan overgeleverd te zijn aan de
willekeur van vreemde avonturiers, die in het land geen anderen steun
hadden dan een leger van vreemde soldaten en het zwarte gepeupel.

De vergadering besloot dat vijf burgers zich naar het Kapitool,
in de straat Saint-Louis, zouden begeven, en in naam van het vrije
en souvereine volk, William P. Kellogg, als vreemdeling in de stad,
zouden uitnoodigen, zich te verwijderen.

Kellogg sloot zich op in zijne vertrekken, omringd door zijne zwarte
lijfwacht, maar zond Billings en een officier van zijn staf om met
de afgevaardigden te onderhandelen. "Gij verlangt dat de gouverneur
zich verwijdere! zeide Billings. Hij weigert te luisteren naar
eene deputatie van eene gewapende menigte, die bovendien met eene
bedreiging komt."

De burgers, in de Kanaalstraat vergaderd, waren niet gewapend, zoo
als Kellogg en Billings trouwens zeer wel wisten. Immers, een uur
later telegrafeerde Packard zelf aan den prokureur-generaal Williams:

"De deelnemers aan de meeting waren over het algemeen ongewapend."

Dit praatje van wapenen en bedreiging was dan ook bestemd voor
Washington en New-York, niet voor Nieuw-Orleans, waar men de waarheid
kende.

"Keert thans naar uwe woningen terug, Heeren, zeide Marr. Voorziet u
van levensmiddelen en dekens, en komt ten twee uur heden middag weer
bijeen: gij zult dan wapens en aanvoerders gereed vinden."

Packard, wien deze demonstratie niet aanstond, had reeds naar
Jackson, in Mississippi, getelegrafeerd, en om troepen gevraagd. In
den loop van den morgen was eene kompagnie soldaten te Nieuw-Orleans
aangekomen, en in het douane-kantoor ingekwartierd. Nu telegrafeerde
hij op nieuw naar Holly-Springs, en ontving ten antwoord, dat nog
vier kompagniën tot zijne hulp zouden worden afgezonden. Voorziende
wat gebeuren zou, zond hij, in de vreugde zijns harten, het volgende
telegram naar Washington: "Hoogst waarschijnlijk zal het heden avond
tot eene botsing komen. Ik heb eene afdeeling federale troepen in het
douanekantoor. Vier kompagniën zijn in aantocht van Holly-Springs. De
plaatselijke autoriteiten hebben eenige honderden manschappen onder
de wapenen in het Kapitool en de arsenalen."

Zoodra Marr zich verwijderd had, liet Kellogg generaal Badger
ontbieden, en ontwierp met hem het plan van een aanval op de blanke
bevolking. De policiemacht, waarover Badger, een carpet-bagger, het
bevel voerde, bestond uit een regiment, uitgerust en gewapend als de
iersche konstabels en voorzien van een artilleriepark. Deze gewapende
macht staat in dienst van de stad en wordt door haar betaald; in gewone
tijden is de mayor (burgemeester) met het opperbevel belast, maar de
vreemde indringers hadden zich het gezag van den mayor aangematigd,
de blanken uit de dienst verwijderd, en de gelederen gevuld met groote,
sterkgespierde negers. In handen van Badger was deze policie eigenlijk
niets dan eene zwarte pretoriaansche garde.

Badger bezette nu de Kanaalstraat, en was daardoor meester van de
voornaamste straten, die van de kaaien naar het meer voeren en deze
hoofdstraat snijden; tevens scheidt de Kanaalstraat de fransche wijk,
waarin zich de straat Saint-Louis bevindt, van de engelsche wijk,
waarin de meeste blanken wonen. Hij had drie stukken geschut bij zich;
tweehonderd man van zijn neger-regiment stonden onder de wapenen,
rondom het standbeeld van Henry Clay.

Bij groepjes van twee en drie vereenigden zich de ongewapende
burgers in de nabijheid van het plein Lafayette; en ten twee uur in
den namiddag bezetten zeventienhonderd hunner de voetpaden van de
Poydrassstraat en de aangrenzende straten.

Op een gegeven bevel, vormden de burgers, die zeer goed hun plicht
schenen te kennen, zich tot kompagniën en bataillons, en werden
barrikaden opgeworpen. Op last van den luitenant-gouverneur Penn,
werden geweren, in alle haast uit een stoomboot ontscheept, onder
de menigte rondgedeeld; en generaal Ogden, een oud soldaat, nam het
opperbevel op zich.

Hij zou drie vijanden tegenover zich kunnen vinden: vooreerst,
generaal Badger en de stedelijke policie; ten andere, generaal
Longstreet met de milicie van den staat; en eindelijk, generaal Emory
met de federale troepen. Maar hij rekende er op, dat noch Longstreet,
noch Emory zich gerechtigd zoude achten tusschen beiden te komen in
eene kwestie van zoo geheel plaatselijken aard: namelijk, wie der
beide kandidaten, Kellogg of Mac-Enery, inderdaad de meerderheid van
stemmen der kiezers van Louisiana op zich had vereenigd. Longstreet
was uit het Zuiden geboortig; en Emory zou niet licht in openlijken
strijd durven handelen met de uitspraak van het Congres. Had hij
alleen maar te doen met Badger en zijn negers, dan maakte Ogden zich
sterk dat de zaak binnen het half uur zou afloopen.

Om half drie zette Badger zich met zijn regiment in beweging. Hij
reed zelf aan de spits, en voerde zijne drie kanonnen met zich;
enkelen zijner manschappen vuurden, luid schreeuwende en gillende,
al vast hunne geweren af.

Zoodra de vijand in het gezicht kwam, kommandeerde Ogden: vuur! De
burgers vuurden, en Badger viel van zijn paard--dood, naar men dacht.

"Valt aan!" riep Ogden. De burgers drongen met de gevelde bajonet
voorwaarts, en de negers, blijkbaar door dien aanval verrast, werden
overhoop geworpen en op de vlucht gejaagd.

Kapitein Angel spoedde zich met zijne kompagnie naar een der
kanonnen. Ten blijk van minachting hunne wapens wegwerpende,
vermeesterden eenige burgers het stuk geschut, dreven de
neger-kanonniers met slagen en schoppen weg, en joegen hen door straten
en stegen na, tot de verbijsterde vluchtelingen een schuilplaats
vonden aan de douane, onder bescherming der federale vlag. Bijna geen
enkele neger hield zich goed. Een zwarte generaal had eene wijkplaats
gezocht in den winkel van een bedienaar der begrafenissen. "Ga weg,
riep de kleine fransche doodkistenmaker; zij zullen u nazetten en
mij vermoorden." De neger wierp zijn gegalonneerden rok en pluimen
weg. "Om Gods wil, massa, laat mij schuilen!"--Een burger trad binnen;
nergens was een generaal te zien: niets dan een gewone neger in een
wijden jas, bezig met een lijkkleed schoon te maken. De burger zag
eens rond, gaf den neger een schop, en ging lachend weer heen.

Zoo als Ogden voorzien had, kwam noch generaal Longstreet, noch
generaal Emory bij deze gelegenheid tusschenbeiden. Ten vijf uur
kwamen de vier kompagniën van Holly-Springs aan; maar deze troepen
werden door Emory niet ter beschikking van Packard gesteld. Longstreet
hield het Kapitool bezet, dat niet werd aangevallen. Omstreeks zes
uren had het vuren opgehouden, en de zegevierende burgers zetten
hunne wapenen in rust ten aanschouwe van de federale troepen.

Aan Badgers zijde waren dertig gesneuvelden; Ogden telde twaalf
dooden en dertien gewonden. De negers verloren hun kanonnen, wapenen
en ammunitie, terwijl honderd gevangenen in Ogdens handen vielen. Des
avonds was het stadhuis, zoowel als de geheele stad, met uitzondering
van het Kapitool en de douane, in de macht der burgers. Te middernacht
vluchtte Kellogg uit zijne vertrekken in het Kapitool, en nam de
wijk naar de douane, onder de bescherming der federale troepen. Den
volgenden morgen ontruimde Longstreet het Kapitool, dat dadelijk door
generaal Penn bezet werd. Nu keerde de vrede terug. De winkels werden
weder geopend, en het verkeer herstelde zich. De blanke reactie had
volkomen gezegevierd.

Maar deze ommekeer van zaken te Nieuw-Orleans was een geduchte
slag voor de politiek van den President. De dag der verkiezingen
naderde: en wanneer Mac-Enery als gouverneur in het Kapitool te
Nieuw-Orleans zetelde, was voor de republikeinen de kans in Louisiana
verkeken. Kellogg verzekerde den President, dat, als spoedig en met
kracht werd gehandeld, de meerderheid voor de republikeinen nog kon
worden behouden.

Grant zond daarop bevel aan Emory om, ten spijt van de zegevierende
burgers, des noods met geweld, de geslagen scalawags in het gezag
te herstellen.

De verkiezing had plaats in een staat van spanning en opgewondenheid,
die niet veel verschilde van de razernij van den burgeroorlog. Wederom
schreef elke partij zich de overwinning toe. Dit alleen was zeker, dat
Kellogg er niet in geslaagd was, den staat voor Grant te behouden. Hij
had zijn patroon vijf stemmen beloofd van de zes, die Louisiana had uit
te brengen: en van die zes stemmen behoorden er nu maar twee aan Grant.

De verkiezingen voor de wetgevende macht van den staat hadden te
gelijker tijd plaats met die voor het Congres, en de conservatieven
beweerden daarbij eene wel niet groote, maar ontwijfelbare meerderheid
te hebben verkregen. In dit opzicht was de blanke reactie volkomen
geslaagd.

Nog eene kans, eene enkele slechts, bleef er over voor Kellogg
en zijne beschermers: eene feitelijke interventie van de federale
troepen, waardoor de conservatieve leden verhinderd zouden worden,
hunne zetels in de vergadering in te nemen. Dit was een uiterst
vermetele, ja bijkans een dolzinnige maatregel, maar de geslagen
scalawags deinzen voor niets terug.

Om zulk een daad van onomwonden geweld uit te voeren, was een meer
doortastend officier noodig, dan generaal Emory: mitsdien werd generaal
Sheridan naar Nieuw-Orleans gezonden.


XVIII.

Kort na onze aankomst in het hotel Saint-Charles te Nieuw-Orleans,
werd ons een kaartje ter hand gesteld van generaal Sheridan; twee
uren later brachten wij den jongen, schitterenden ierschen officier
een bezoek. Wij hadden daartoe niet ver te gaan: het hoofdkwartier van
de militaire divisie van de Missouri was in hetzelfde hotel gevestigd,
waarin wij onzen intrek hadden genomen.

Wij spraken zeer aangenaam over allerlei zaken: over de vlakten van
Kansas, waar ik in 1866 getuige was geweest van eenige episoden van
den indiaanschen oorlog; over de onrustige distrikten van Texas, die
wij zoo even verlaten hebben; over onze reizen en avonturen sedert den
oorlog. Als naar gewoonte,  was generaal Sheridan vriendelijk en vrij
in zijn spreken; hij lachte hartelijk over de vrees, die de menigte
voor hem koesterde, en deelde mij het een en ander mede omtrent den
aard zijner zending in het Zuiden.

De Vereenigde-Staten zijn voor het militair beheer verdeeld in vier
groote afdeelingen: de divisiën van de Zuidzee, van den Atlantischen
oceaan, van de Missouri, en van het Zuiden. Het opperbevel in deze
divisiën is aan vier hoofdofficieren opgedragen: de generaal-majoor
Schofield, wiens hoofdkwartier te San-Francisco is, voert het
bevel over de divisie van de Zuidzee; de generaal-majoor Hancock, te
New-York, staat aan het hoofd der divisie van den Atlantischen oceaan;
luitenant-generaal Sheridan, te Chicago, is belast met het kommando
in de afdeeling van de Missouri, en generaal-majoor Mac-Dowell, te
Louisville, met dat in de divisie van het Zuiden. Generaal Sherman,
de algemeene opperbevelhebber, heeft zijn hoofdkwartier te Saint-Louis.

Elke militaire divisie bestaat uit twee of meer departementen. De
divisie van den generaal-majoor Mac-Dowell, waartoe ook Nieuw-Orleans
behoort, is in twee departementen gesplitst:--een departement van
het Zuiden en een departement van de Golf. Het eerste omvat zeven
staten: Kentucky, Tennessee, Noord- en Zuid-Carolina, Georgië,
Alabama en Florida, met uitzondering van de forten in Pensacola-baai,
van Fort-Jefferson tot Key-West. Het hoofdkwartier is te Louisville,
waar generaal Mac-Dowell resideert. Het departement der Golf omvat
drie staten: Louisiana, Mississippi en Arkansas, met al de militaire
stations langs de Golf van Mexiko, van Fort-Jefferson tot Key-West,
met uitzondering van de forten aan Mobile-baai. Het hoofdkwartier
is te Nieuw-Orleans, waar generaal Emory het bevel voert, onder zijn
superieur, generaal Mac-Dowell.

De divisie van de Missouri, waarvan generaal Sheridan aan het hoofd
staat, is van grooter uitgestrektheid, en, uit een strategisch
oogpunt, ook van meer gewicht, want zij strekt zich uit van de
grenzen van britsch-Amerika tot de grenzen van Mexiko, en scheidt
alzoo de oostelijke van de westelijke staten. Deze groote afdeeling
bestaat uit vier departementen, Dakota, Platte, Missouri en Texas
genoemd, welke te zamen acht staten--Minnesota, Jowa, Nebraska, Kansas,
Colorado, Illinois, Missouri en Texas--benevens zes groote territoriën,
omvatten. Bovendien heeft generaal Sheridan nu eene geheim stuk bij
zich, waarbij hem onbeperkte volmacht gegeven wordt, om, zoo noodig,
de geheele divisie van generaal Mac-Dowell of wel eenig deel daarvan
bij zijn eigen kommandement te voegen, zonder dat hij daaromtrent
met iemand behoeft te raadplegen.

Wie is generaal Sheridan? Als man van de wereld en aangenaam prater,
mag ik hem zeer gaarne lijden, en indien ik, bij het teekenen van
zijn beeld, donkere kleuren moet gebruiken, dan geschiedt dit alleen
omdat de historische waarheid mij niet toelaat, andere tinten te
bezigen. Ook laat men dezer grootsche en sombere figuur geen volkomen
recht wedervaren, wanneer de oorspronkelijke trekken, ter wille van de
behagelijkheid, worden weggewischt of vervalscht. Om den toestand te
kunnen begrijpen, moet men den man zelven in zijne ware gedaante zien.

Een echt soldaat, kort en gedrongen van gestalte, met een gewoon,
ietwat vulgair gelaat, een rond hoofd en oogen vol donkeren gloed:
ziedaar "kleine Phil," de wilde iersche duivel, die zich een weg heeft
weten te banen tot de hoogste rangen der militaire hierarchie. Vijf
namen schitteren als meteoren te midden der bloedige nevelen van
den gruwelijken burgeroorlog, en de naam van Sheridan is een van
die vijf. Voorzeker hebben Lee en Jackson een vrij wat schooner en
onbevlekter naam achtergelaten; maar, met uitzondering van Grant en
Sherman, heeft geen van de noordelijke generaals zich grooter reputatie
verworven dan Sheridan. Weinig feiten uit den burgeroorlog kunnen
de vergelijking doorstaan met den stouten en welberaamden aanval,
waardoor Sheridan de vijanden, die Chambersburg hadden verbrand en
Washington bedreigden, overhoop wierp en verstrooide. Zijne belooning
was dan ook schitterend: Amerika bezit maar één luitenant-generaal,
en Philip Sheridan bekleedt dien hoogen rang.

Sheridan heeft eene harde en ruwe school doorloopen, in eene omgeving,
die voor zachte gevoelens en aandoeningen van menschelijkheid geen
ruimte laat. Hij heeft zes jaren gesleten te midden van de Cheyennes
en Sioux, hunne taal leerende en deelnemende in hunne veeten. Onder de
soldaten is het een spreekwoord, dat kleine Phil half een iersche wilde
en half een indiaansche wilde is. Moet er eene of andere ongewone,
gruwelijke daad worden verricht, dan wijst de publieke opinie Sheridan
als den meest geschikten man aan. Toen de loop van den oorlog het
generaal Grant noodig deed achten, dat de vallei van de Shenandoah
moest worden verwoest, werd de toorts der vernieling aan de handen
van Sheridan toevertrouwd. "Het geheele land, van de Blue-Ridge tot
den North-Mountain, is niet houdbaar meer:" zoo luidde zijn uiterst
lakoniek verslag. Maar sedert de fransche generaals, op bevel van
Louvois, den Paltz verwoestten, heeft wel geen menschelijk oog ooit
een zoo afgrijselijk tafereel van verdelging en moord aanschouwd,
als de weleer zoo liefelijke vallei in Virginia te zien gaf.--Toen de
regeering besloten had, aan de Indianen eene gevoelige les te geven,
werd wederom Sheridan naar de vlakte gezonden. De Piégans werden ten
offer uitgelezen; en de bloedige wraakoefening kwam zoo onverwacht en
was zoo verschrikkelijk, dat de naam van Sheridan en de herinnering
aan deze afschuwelijke menschenslachting zullen voortleven bij de
roodhuiden, zoo lang de indiaansche barden en zieners de sombere
legenden van de stammen voor de luisterende schare zullen voordragen.

Het was dus niet te verwonderen, dat de onverwachte verschijning
van dezen generaal Sheridan te Nieuw-Orleans, te midden van groote
spanning en onrust, de stad met huiverende ontzetting sloeg.

Generaal Sheridan was in Chicago, zijn dienst als bevelhebber
zijner divisie waarnemende, en tevens het hof aan zijne uitverkorene
makende, toen hij een vertrouwelijk schrijven ontving van generaal
Belknap, secretaris van staat voor oorlog, dat eensklaps al zijne
schikkingen voor bals en partijen voor de naderende Kerstdagen in de
war stuurde. Deze brief luidde als volgt:

Vertrouwelijk.

Departement van Oorlog, 24 December 1874.

"Generaal, de President liet mij dezen morgen ontbieden en droeg mij
op, u te zeggen, dat hij wenscht dat gij u naar de staten Louisiana
en Mississippi zult begeven, en bepaaldelijk naar Nieuw-Orleans
en Vicksburg.... Gij zult hierbij een bevelschrift vinden, waarbij
gij gemachtigd wordt het opperbevel op u te nemen in de militaire
divisie van het Zuiden of in eenig gedeelte dezer divisie, wanneer gij
dit noodig mocht achten.... Ge kunt, zoo ge dit verlangt, generaal
Mac-Dowell in Louisville bezoeken, en hem vertrouwelijk mededeeling
doen van het doel uwer reis. Maar dit wordt niet voorgeschreven;
aan uwe beoordeeling blijve het overgelaten, in hoever overleg met
hem moet plaats hebben. Natuurlijk kunt ge zoovele officieren van
uw staf mede nemen als gij verkiest; het is echter wenschelijk dat
uw reis meer het voorkomen hebbe van een pleiziertochtje dan van
eene officiëele zending.... Gij kunt over Washington terugkeeren en
mondeling verslag doen.

W.W. Belknap."

Steeds gereed aan de bevelen zijner meerderen te gehoorzamen,
telegrafeerde Sheridan naar Washington: "Uw brief ontvangen--alles
in orde."

Er werd nu een gezelschap gevormd van officieren en dames, waaronder
ook de jonge dame, aan wie generaal Sheridan het hof maakte, die aan
dit zoogenaamde pleizierreisje zouden deelnemen; en in de dagbladen
van Chicago kon men het bericht lezen dat generaal Sheridan verlof
had gekregen om een gedeelte van den winter op Cuba door te gaan
brengen. Men hield het er algemeen voor, dat dit uitstapje de voorbode
was van zijn aanstaand huwelijk.

Daar Nieuw-Orleans op den weg van Chicago naar Cuba ligt, kon de
generaal zich derwaarts begeven, zonder achterdocht op te wekken. De
tegenwoordigheid van dames, en vooral van de jonge dame met wie,
naar men zeide, Sheridan verloofd was, gaf aan de geheele reis een
zeker huiselijk, feestelijk karakter. De grootste moeilijkheid lag in
de verhouding tegenover de hoofdofficieren, wier functiën Sheridan
moest overnemen. De zending was ongewoon, en de geheele handelwijze
onregelmatig. Was Emory voor zijn taak niet opgewassen, dan kon men een
doortastender man zenden, zonder Sheridan van de oevers van het meer
Michigan te ontbieden. Werd eenheid van gezag noodig geacht, generaal
Mac-Dowell was de opperbevelhebber in het Zuiden. Was de toestand zoo
ernstig, dat de tegenwoordigheid van een officier van hoogeren rang
werd gevorderd, dan kon dit niemand anders zijn dan generaal Sherman.

Het is geen geheim, dat generaal Sherman met de handelwijze van Belknap
en het departement van oorlog geen vrede heeft. Sherman is geheel vrij
van caesaristische neigingen: patriot in de eerste plaats en eerst
daarna soldaat, acht en waardeert hij militaire talenten bovenal als
eene bescherming voor de vrijheid en een waarborg voor de veiligheid
der republiek. Niet in staat om, zij het ook door zijn stilzwijgen,
mede te werken tot eene zuiver persoonlijke, egoïstische politiek,
heeft hij met den President, de ministers en adjudanten gebroken,
en zijn hoofdkwartier van Washington verlegd naar Saint-Louis, waar
hij zich afgezonderd houdt buiten alle aanraking met de tegenwoordige
machthebbers. Sherman is echter een persoon van te veel beteekenis,
om hem eenvoudig over het hoofd te zien. Zoodra Belknap Sheridans
antwoord ontvangen had, zond hij dan ook een vertrouwelijk schrijven
naar Saint-Louis, waarin omtrent Sheridans reis naar het Zuiden de
noodige opheldering gegeven werd. Generaal Sherman bepaalde er zich
toe, de ontvangst van dien brief te berichten.

Nog lastiger was de verhouding tegenover generaal Mac-Dowell. Geen
enkel officier wordt gaarne op zijde geschoven, en dat nog wel bij een
geheim bevelschrift en zonder vooraf gehoord te zijn. Belknap schoof
de verantwoordelijkheid van zich zelven af op Sheridan, door het aan
diens eigen goedvinden over te laten, of hij generaal Mac-Dowell zou
gaan opzoeken en in vertrouwen met het doel zijner zending bekend
maken. Sheridan oordeelde het beter, den generaal van de zaak geheel
onkundig te laten.

Het gezelschap dames en officieren vertrok van Chicago. Vijf dagen
later waren zij te Nieuw-Orleans, waar zij door de straten kuierden,
de proklamaties van koning Carnaval lazen, en inlichtingen inwonnen
omtrent het vertrek der stoombooten naar Cuba!

Op Zondag, 3 Januari 1875, heerschte er eene buitengewone drukte in
de straat Saint-Louis: den volgenden dag zou de groote strijd, op de
straat begonnen, worden voortgezet in de wetgevende vergadering. Dien
Maandag zou het beslist worden, of de scalawags en hun kliek nog
langer in Nieuw-Orleans den baas zouden spelen.

Van de honderd-elf nieuw verkozen leden der Kamer van
vertegenwoordigers, werden acht-en-vijftig tot de conservatieve, en
drie-en-vijftig tot de republikeinsche (liberale) partij gerekend. De
conservatieven hadden dus niet slechts eene meerderheid van vijf
stemmen, maar vertegenwoordigden tevens de grootste helft der Kamer,
die als zoodanig tot het nemen van besluiten gerechtigd is. Al deze
acht-en-vijftig conservatieven waren blanken. Kwam deze Kamer inderdaad
bijeen, dan was de kans voor Kellogg onherroepelijk verloren.

De strijd was begonnen in het hoofd-kiesbureau, eene commissie van
vijf personen, die, volgens de wet, uit de beide partijen moeten worden
gekozen, om zoodoende de twee groote richtingen der openbare meening te
vertegenwoordigen. Kellogg benoemde dit bureau: en in openbaren strijd
met de wet, koos hij vijf republikeinen. De wet bepaalt verder dat de
zittingen van dit bureau publiek moeten zijn, om zelfs den schijn van
oneerlijkheid te vermijden; op Kelloggs last werden alle eenigszins
belangrijke werkzaamheden in het geheim verricht. Longstreet, lid
van dit bureau, trok zich terug; in zijne plaats werd een zeer
inschikkelijke conservatief benoemd; maar deze, ziende dat zijn
medeleden willens en wetens de wet schonden, protesteerde en nam
zijn ontslag. Door dit ontslag was de commissie rechtens ontbonden,
want volgens de wet moet het bureau uit vijf leden bestaan. Maar de
liberale leden stoorden zich natuurlijk niet aan de wet. Hadden zij
niet tweeduizend bondssoldaten bij de hand--waarom zouden zij zich
dan nog om de wet bekommeren?

In Louisiana worden de stemmen herhaaldelijk geteld. De plaatselijke
stembussen worden eerst gezonden naar de supervisors of registration,
die ze nazien, de billetten tellen en die vervolgens aan de
commissarissen voor de verkiezingen doen toekomen. Zij ondergaan alzoo
een driemaal herhaald onderzoek, alvorens zij het hoofd-kiesbureau
(returning board, de commissie, die den einduitslag der verkiezing
moet constateeren) bereiken. De uitkomst van dit voorloopig onderzoek
was, dat er zeventig conservatieven en een-en-veertig republikeinen
waren gekozen. De conservatieven hadden dus eene meerderheid van
negen-en-twintig stemmen; maar de onwettige commissie van Kellogg
wist deze conservatieve meerderheid handig weg te goochelen. De
vier liberale heeren kwamen tot eene gansch andere conclusie:
volgens hen waren er drie-en-vijftig republikeinen en drie-en-vijftig
conservatieven gekozen, terwijl omtrent vijf verkiezingen de beslissing
moest worden aangehouden.

De kans stond nu niet kwaad voor Kellogg. Als er een voorwendsel
gevonden kon worden om de verkiezing dezer vijf leden, waaronder vier
conservatieven, te vernietigen, dan had geen der beide partijen de
wettige meerderheid, en konden de conservatieven met geen mogelijkheid
een partijbesluit doordrijven. In vrije wetgevende vergaderingen nemen
doorgaans de kandidaten dadelijk zitting en deel aan beraadslaging en
stemming, in afwachting dat hunne geloofsbrieven worden goedgekeurd;
maar Kellogg was van meening dat regelen, die bijna overal elders
gelden, voor Nieuw-Orleans niet toepasselijk konden zijn. Als deze
vijf leden, op den dag der opening van de Kamers, zitting namen,
dan konden de conservatieven, zeven-en-vijftig in getal, zich als
wettige vergadering constitueeren: zij waren dan verzekerd van eene
meerderheid van drie stemmen, die misschien tot vijf kon klimmen. Wat
zou die conservatieve meerderheid kunnen beletten, Kellogg in staat van
beschuldiging te stellen en af te zetten, juist zooals met gouverneur
Warmoth was geschied?

Met eene Kamer, waarin geen der beide partijen de wettige meerderheid
heeft, valt natuurlijk te "onderhandelen." Kellogg houdt zich ten
volle overtuigd, dat enkele stemmen kunnen worden gekocht. Reeds
verhaalt men dat hij inderdaad eene stem gekocht heeft; hij heeft
er nu nog maar twee noodig om eene meerderheid te hebben. Doch hij
moet zich haasten en niet karig zijn in het bieden, want, indien
het hem niet gelukt althans een schijn van wettigheid te bewaren,
blijft er niet anders over dan zijn nederlaag te belijden en terug
te treden. Zijn eigen partijgenooten begonnen hem moede te worden;
hij bracht hun geen wezenlijke voordeelen aan, en haalde hun
bovendien het verwijt van caesarisme op den hals. Op zijn laatste
verzoek om militaire hulp, had de President wrevelig geantwoord:
"Het is zeer verkeerd, de troepen te gebruiken in het vooruitzicht
van gevaar; laat de overheid van den staat naar recht handelen en dan
haar plicht doen."--Daar waren nog andere teekenen, dat zijn eigen
partij zijne handelingen afkeurde; ook mag hij niet vergeten dat
nagenoeg alle fatsoenlijke lieden in Louisiana tot zijne tegenstanders
behooren. Kolonel Morrow, een republikeinsch officier, reist door het
land, en houdt generaal Sherman op de hoogte der zaken. Morrow bericht,
overeenkomstig zijne bevinding, dat het Zuiden trouw is aan de Unie,
maar niet gezind zich door scalawags en carpet-baggers de wet te laten
stellen. De republikeinsche meerderheid in het Congres, opgeschrikt
door den uitslag der algemeene verkiezingen in November, heeft eene
commissie benoemd, om te Nieuw-Orleans zelf een onderzoek naar den
staat van zaken in te stellen. Drie leden van die commissie, Foster
van Ohio, een republikein, Phelps van New-Jersey, een republikein,
en Potter van New-York, een demokraat, bevinden zich in de stad: en
deze twee republikeinen kunnen kwalijk anders dan met den demokraat
instemmen, dat de poging om door middel van de bondstroepen een
onwettig bestuur in stand te houden, de eenige oorzaak is van alle
wanorde in Louisiana. Tegenover deze dreigende kritiek, is het voor
Kellogg dubbel noodig, een eenigszins wettigen grondslag en steun
voor zijne handelingen te zoeken: maar waar zal hij dien vinden?

Mac-Enery is niet alleen de meerdere in stemmenaantal, maar in
ontwikkeling, kennis en reputatie. Velen van zijne aanhangers, zoo
als Penn, zijn luitenant-gouverneur, en Wiltz, zijn kandidaat voor
het voorzitterschap der Kamer, zijn mannen gewoon aan de behandeling
van zaken en bekend met de eischen en voorwaarden van het openbare
leven. Rijkdom, bebeschaving, welsprekendheid, invloed, zijn aan
hunne zijde. Onder Kelloggs aanhangers is kwalijk iemand van eenige
beteekenis te vinden. Daar zijn vele echte republikeinen onder:
lieden, die zich nu eenmaal in het hoofd hebben gezet, dat het voor
de handhaving van de gelijkheid der negers noodig is de vrijheid
der blanken te vernietigen; maar deze lieden hebben geen stem in
de clubs en salons, waar de blanke mannen samenkomen en de blanke
vrouwen den toon aangeven. Zij vormen een afzonderlijke groep, die
door de fatsoenlijke maatschappij in den ban is gedaan.

Onder de drie-en-vijftig aanhangers van Kellogg bevinden zich
acht-en-twintig negers, bijna allen gewezen slaven, die vroeger op
de rijstvelden en de katoenplantages hebben gearbeid. Enkelen hunner
kunnen drukwerk lezen en hun naam krabbelen; de meesten kunnen noch
het een noch het ander; terwijl hoogstens vier of vijf in staat zijn
hunne gedachten in verstaanbaar engelsch uit te drukken. Bijna allen
zijn zoo arm en onwetend, zoo opgeblazen ijdel en zoo onzinnig dom,
dat Kellogg hen niet zonder opzicht op straat en in de herbergen
durft vertrouwen. Nieuw-Orleans, eene vroolijke en luidruchtige stad,
is vol herbergen, kroegen en speelhuizen, waar lieden als Pinchback
hun leerjaren doorbrengen. Deze kroegen en speelhuizen oefenen eene
wondere aantrekkingskracht uit op Mozes en Peter, negers, zoo pas van
de katoenvelden ontslagen, en zeer begeerig om in eene groote stad van
hunne nieuwe vrijheid te genieten. Spionnen brengen op het Kapitool
de onrustwekkende tijding, dat de negers-senatoren en afgevaardigden
in handen dreigen te vallen van slimme en weinig nauwgezette lieden;
Cousins, de negers-afgevaardigde voor St. Tammany is, naar men zegt,
reeds in de straat opgelicht en weggevoerd. Zijne stem is verloren--een
revanche voor den ontrouwen conservatief. Andere negers verteren en
verdobbelen hun geld in de kroegen en drinken zich dronken.

Kellogg begreep dat het hoog tijd word om te handelen.

Hij liet timmerlieden en logementhouders komen, en gelastte hun, het
Kapitool in eene vesting en een hotel te herscheppen. Het Kapitool--een
groot en fraai gebouw, aan den hoek van de straat Saint-Louis en
de Koningsstraat--was oorspronkelijk een hotel, dat den naam droeg
van het hotel Saint-Louis, naar den koninklijken grondlegger der
volkplantingen in Louisiana. De straat Saint-Louis en de Koningsstraat
doorsnijden rechthoekig het oude fransche kwartier. Dit gedeelte van
Nieuw-Orleans, met zijn balkons, zijn groene zonneblinden, zijn hooge
koetspoorten, zijn binnenplaatsen,--waarop waterkommen en bakken met
oleanders de plaats vervullen van fonteinen en tuinen,--draagt een
eigenaardig karakter. Tegenwoordig is het stil en verlaten, het leven
en de beweging van den handel hebben zich sinds lang naar elders
verplaatst. Maar vroeger was deze wijk de fatsoenlijke buurt bij
uitnemendheid, waar de dames op de wandeling al hare bekoorlijkheden
ten toon spreidden, waar duellisten elkander ontmoetten, en waar de
regeerings-personen hunne woningen hadden. Sedert is de mode veranderd:
tegenwoordig gaat men in het hotel Saint-Charles logeeren. Het vroeger
zoo aanzienlijke hotel is nu het Statenhuis; de eene vleugel van het
oude logement bevat de bureaux der uitvoerende macht; een voormalige
eetzaal dient voor de zittingen der Kamer.

Op last van Kellogg worden nu planken voor de deuren en vensters
gespijkerd en met ijzeren bouten bevestigd. In de straat Saint-Louis
worden barrikaden opgeworpen, en de hoofdingang van het hotel wordt
gesloten; slechts eene enkele deur, een achterdeur in de Koningsstraat
uitkomende, blijft opengelaten. Van binnen en van buiten wordt het
Statenhuis in behoorlijken staat van verdediging gebracht, om des noods
een bestorming te kunnen doorstaan. Veertig zwarte policie-agenten,
met knuppels en revolvers gewapend, bezetten het voorhuis, terwijl
anderen op de trappen en in de gangen post vatten. Geweren staan
langs de muren geschaard; een zekere generaal Campbell, een voormalig
zuidelijk officier nu tot de partij der scalawags overgeloopen, wordt
met de verdediging belast. Op de binnenplaats worden levensmiddelen
saamgebracht, voldoende voor een beleg van twintig dagen: ingelegde
vruchten, gedroogde visch, gezouten vleesch, whisky, tabak, bier. Er
wordt eene cantine geopend, en de noodige spuwbakken geplaatst. Honderd
matrassen, uit de kazernen gehaald, worden in de gangen en portalen
nedergelegd. Het avondmaal wordt gereed gemaakt, en kistjes sigaren
ter beschikking gesteld. Toen nu alles klaar was, zond Kellogg zijne
spionnen en agenten uit, om de negers-afgevaardigden op te zoeken en
hen uit te noodigen in het Statenhuis te komen rooken, eten, drinken
en slapen, ten einde tijdig gereed te zijn voor den arbeid van den
volgenden dag.

Een honderdtal personen, Kamerleden, schuimloopers, policie-agenten
en dergelijke lieden, waarvan vijf op de zes kleurlingen, brachten den
Zondagnacht in Kelloggs cantine door, onophoudelijk whisky drinkende en
liederlijke liedjes uitgalmende. Den geheelen nacht houden Kelloggs
ambtenaren zich gereed om, zoodra door een of ander toeval het
getal tegenwoordige leden de wettige meerderheid van zes-en-vijftig
mocht bereiken, aanstonds appel nominaal te houden en de Kamer te
constitueeren. Het is een roekeloos spel, maar lieden als Kellogg,
eens tot het uiterste gedreven, volgen meermalen blindelings hunne
dolzinnigste ingevingen. Als men het zoo ver kan brengen dat een bureau
kan worden samengesteld, dan zal men wel middelen weten te vinden om de
kleine conservatieve meerderheid onschadelijk te maken. William Vigers,
griffier der vorige Kamer en kandidaat voor de nieuwe, wacht in de
voorkamer van Kellogg, met de officiëele naamlijst bij zich. Michael
Hahn, een advokaat, dien de republikeinsche partij tot voorzitter wilde
benoemen, zit in Kelloggs kabinet. De scalawags wantrouwen Michael
Hahn, omdat hij zich nog eenigermate gebonden rekende door de wet;
maar hun partij was veel te arm aan rechtsgeleerden, om hem voorbij
te kunnen gaan. Wien zullen zij anders tegenover Louis A. Wiltz, den
conservatieven kandidaat, stellen? Eenige leden willen een neger op
den voorzittersstoel plaatsen. Anderen, door den drank opgewonden,
roepen dat men Kellogg moet afzetten en Pinch in zijne plaats benoemen.

"De ouwe Pinch een echte neger!" schreeuwt een van zijn dronken
aanhangers.

"Dat's waar," stottert een ander, niet minder beschonken. "Pinch
echte neger. Hoera voor Pinch!"

Pinchback bevond zich in het kabinet van Kellogg, met Hahn en Campbell,
wachtende op een gunstig toeval. Als maar zes of zeven conservatieven,
door nieuwsgierigheid gedreven, het Kapitool binnen traden, zou de
wettig vereischte meerderheid tegenwoordig zijn; men kon dan dadelijk
appel nominaal houden, de vergadering openen, Hahn tot president en
Vigers tot griffier benoemen.

Nu en dan treden werkelijk eenige aanhangers van Warmoth de zaal
in,--zoo zij zeggen, om een kijkje te nemen en een glas te drinken,
waarna zij weer heengaan. Pinch houdt deze bezoekers nauwkeurig in
het oog. Op een gegeven oogenblik telt hij inderdaad vijf-en-vijftig
leden in de cantine. Dadelijk belegt hij eene voorloopige vergadering
en opent de beraadslagingen; maar wat hij ook doe, zelfs de geniale
Pinch kan geene minderheid van vijf-en-vijftig veranderen in eene
wettige meerderheid van zes-en-vijftig.

Er moesten meer afdoende maatregelen worden genomen. Een honderdtal
manschappen van de zwarte milicie trekken het Kapitool binnen en
worden onder de bevelen gesteld van generaal Campbell. Men roept de
hulp in der federale officieren, en ondanks de jongste berisping van
den President, wordt die hulp bereidwillig verleend, niet alleen door
de landmacht, maar ook door de vloot.

Generaal Emory had zijn intrek genomen in het douane-kantoor. Hij laat
zijn drie veldstukken in batterij brengen, en een eskadron kavallerie
onder de wapenen komen. Zijn onderbevelhebber, generaal De Trobriand,
krijgt last, om bij het aanbreken van den dag de Koningsstraat te gaan
bezetten. De federale vlootvoogd laat zijne schepen zoodanig positie
innemen, dat hun vuur de kaaien bestrijkt en de Kanaalstraat kan
schoonvegen. Bovendien wordt eene afdeeling mariniers in gereedheid
gehouden om aan wal te gaan.

Sheridan blijft inmiddels rustig in zijn hotel. Conservatieve spionnen,
naar de Rotonde gekomen om zijne bewegingen gade te slaan, vinden
hem, als naar gewoonte, op en neder kuierende, zijn sigaar rookende,
en met de officieren van zijn staf schertsende, alsof hetgeen op het
Kapitool en in de arsenalen voorviel, hem niet meer aanging dan eenig
anderen gast in het hotel.

De dagen van het carnaval naderen. De komst van "Koning Carnaval"
wordt aangekondigd; en schrijvers in satirieke bladen--wier aantal te
Nieuw-Orleans zeer groot is--verzekeren spottend dat niemand anders dan
"Koning Philip" de verwachte potentaat is, voorloopig nog incognito.

Sheridan lacht er om en rookt maar altijd door zijn sigaar.

(Wordt vervolgd.)


Uit het dagboek van een Alpenbeklimmer.

(Vervolg van bladz. 15).


II.

Onder de Alpentoppen, die, als nog nimmer door eens menschen voet
betreden, den heer Whymper bijzonder aantrokken, was er geen, waarvan
de bestijging vuriger door hem werd gewenscht dan de Matterhorn of
Mont-Cervin. De beklimming van dien berg, hoezeer dikwerf beproefd
door de bekwaamste gidsen en de onverschrokkenste reizigers, was
tot dusver altijd mislukt. Zij ging dan ook inderdaad met schier
onoverkomelijke zwarigheden gepaard. Eerst na zeven vergeefsche
pogingen mocht het den heer Whymper, bij een achtsten tocht, gelukken,
den top te bereiken. Doch, helaas! die groote overwinning werd tot
een duren prijs gekocht. De beste Alpengids en drie der reisgenooten
van den heer Whymper verloren op den terugtocht het leven. Bij het
afdalen van den berg, stortten zij, van eene hoogte van ruim duizend
el, op den gletscher van den Matterhorn neder.

De Mont-Cervin is buiten kijf de merkwaardigste berg van de geheele
Alpenketen, ja misschien van de geheele aarde. De afbeelding op
bladz: 80 geeft, beter dan eene beschrijving doen kan, een zeer juist
denkbeeld van die reusachtige obelisk van graniet, die zich ter hoogte
van 4432 el verheft aan het westelijk uiteinde van de vallei van
Zermatt, tusschen de geweldige groep van den Mont-Rose ten oosten,
de Dent d'Hérens (4180 el) en de Tête-Blanche (3750 el) ten westen,
en de Dent-Blanche (4364 el) ten noorden, juist op de grenzen van
Zwitserland en Italië. De bijkans loodrechte rotswanden stijgen ter
hoogte van 1600 of 1700 el boven de omringende gletschers op.

"De Matterhorn, zegt de heer Giordano, hoofdingeneur der mijnen
in Italië, bestaat van de basis tot den top, uit vrij regelmatig
gevormde rotslagen, die allen een weinig naar het oosten, dat wil
zeggen naar  den Mont-Rose, oploopen. Deze rotsen, hoewel blijkbaar
van sedimentairen oorsprong, hebben eene zeer sterk uitkomende
kristalvormige gedaante, zoo als in dit gedeelte der Alpen meermalen
het geval is.

"De tegenwoordige piek is slechts het overblijfsel eener
vroegere, geologische formatie, waarvan de geweldige lagen van
drieduizend-vijfhonderd el, even als een onmetelijke mantel, de
groote granietmassa van den Mont-Rose omhulden. De eigenaardige
geologische samenstelling van den berg is voor een deel de oorzaak
van den scherpen vorm en de piramidale gedaante van den top, waarover
de reizigers zich zoo zeer verbazen. De gletschers, die zich aan den
voet dezer piramide bevinden, voeren voortdurend de afvallende steenen
en blokken weg; zonder hen, zou de wonderbare obelisk wellicht reeds
onder hare eigene puinhoopen begraven zijn."

De eerste pogingen om den Mont-Cervin te beklimmen, werden in de
jaren 1858 en 1859 beproefd. Eenige moedige gidsen of liever jagers
van Val Tournanche trachtten, van de zijde van Breuil, den berg te
bestijgen. Dit waren Jean-Antoine Carrel, Jean-Jacques Carrel, Victor
Carrel, de abt Garet en Gabrielle Maquignaz. Het eenige wat men van
hunne expeditiën weet, is dat zij het punt bereikten, tegenwoordig
onder den naam van den Schoorsteen bekend, ter hoogte van ongeveer
3860 el.

In 1860 waagden de heeren Alfred, Charles en Sandbach Parker, van
Liverpool, andermaal eene poging om den Matterhorn aan de oostelijke
zijde te beklimmen. Zij hadden geen gidsen bij zich. Zware wolken,
hevige wind en gebrek aan tijd noodzaakten hen nog dien eigen avond
naar Zermatt terug te keeren, van waar zij des morgens vertrokken
waren. Zij hadden slechts eene hoogte van 3650 el bereikt.

De derde poging werd beproefd in de laatste dagen vau Augustus
1860. De heer Vaughan Hawkins vertrok toen van Val Tournanche, met
de gidsen Bennen en J. Jacques Carrel. De heer Tyndall vergezelde
hem. Hij hield met Carrel stil op honderd el boven den Schoorsteen:
Bennen en de heer Tyndall stegen nog ongeveer twintig el hooger,
maar zagen zich toen ook genoodzaakt terug te keeren.

In 1861 hernieuwden de heeren Parker de gevaarlijke onderneming. Even
als den vorigen keer, was ook ditmaal Zermatt hun punt van
uitgang. Doch, ook even als den vorigen keer, waren thans wederom al
hunne pogingen tot vermeestering der onbedwingbare veste ijdel.

Op den 28sten Augustus van datzelfde jaar kwam de heer Whymper te
Breuil. Hij vernam daar, dat de heer Tyndall er een paar dagen had
doorgebracht, maar geene nieuwe poging had gewaagd. Vast besloten,
het gevaarlijke avontuur te beproeven, begreep Whymper dat een enkele
dag voor een dergelijken tocht te kort was. Hij klom dus, vergezeld
van slechts één gids, in den namiddag tot aan den Col du Lion, en
sloeg daar zijn tent op. De nacht was zeer koud. Het water bevroor
in een flesch, onder zijn hoofdpeluw geplaatst. Den geheelen nacht
door vielen rotsblokken rondom de tent naar beneden, gelukkig zonder
schade te veroorzaken. Zoodra de dag aanbrak, begon de heer Whymper
langs de zuidwestelijke helling naar boven te klauteren. Binnen een
uur bereikte hij den Schoorsteen. Daar weigerde zijn gids, wiens
naam hij verzwijgt, verder mede te gaan, zoodat hij genoodzaakt was
de onderneming op te geven en naar Breuil terug te keeren.

De heer Kennedy van Leeds verbeeldde zich, dat de bestijging van
den Matterhorn in den winter minder bezwaar zou opleveren dan in den
zomer. Mitsdien begaf hij zich in Januari 1862 naar Zermatt, om dat
zeker zeer zonderlinge denkbeeld in praktijk te brengen. Hij bracht,
daags na zijne komst, den nacht door in de kapel van Schwarzsee, in
gezelschap van Pieter Pernn en Pieter Taugwalder; en bij het eerste
morgenkrieken begon hij, op het voetspoor van de heeren Parker,
de rotskam tusschen den Hörnli en den Matterhorn te beklimmen. Maar
nadat hij, ter hoogte van 3298 el, eene kleine steenen piramide van
twee el hoog had opgericht, zag hij zich door de sneeuw, de koude en
den wind gedwongen zoo spoedig mogelijk den terugtocht aan te nemen
en naar Zermatt weder te keeren.

De heer Whymper besteedde dien zelfden winter aan de vervaardiging
van eene nieuwe tent, veel beter en doelmatiger ingericht dan die,
waarin hij aan den col du Lion den nacht had doorgebracht. Vervolgens
begaf hij zich weder op reis, en verscheen in de eerste dagen van
Juli 1863 te Breuil. Den 7den vertrok hij van daar, om, met den heer
Macdonald en drie gidsen, wien hij den weg zou wijzen, Jan Tangwalder,
Jan Kronig van Zermatt en Luc Meynet, de eerste hellingen van den
Matterhorn te bestijgen. Hij vergiste zich echter in de richting;
toen hij zijne dwaling bemerkte, werd hij tevens gewaar dat hij,
zonder het te weten, den kleinen bergtop had bestegen, die zich
boven den col du Lion verheft. Het bovenste gedeelte van dien top
biedt geen vast steunpunt aan; de rotsen zijn hier op verschillende
plaatsen met een laag zeer glad ijs overdekt. Kronig deed een val,
waarbij hij gelukkig met den schrik vrijkwam, maar die zeer licht
doodelijk had kunnen worden. Eindelijk bereikte men, na veel moeite
en niet zonder ernstig gevaar, den col du Lion, waar de tent werd
opgeslagen. Maar de scherpe oostenwind, die den geheelen nacht
met toenemende hevigheid had gewaaid, ging allengs in een orkaan
over. Groote massaas steenen rolden van alle kanten naar beneden; de
koude werd haast onuitstaanbaar. De drie gidsen verklaarden op den
meest stelligen toon, dat zij niet verder wilden gaan; en om half
drie in den namiddag keerde de heer Whymper te Breuil terug, zeer
ter neer geslagen door den slechten uitslag dezer nieuwe proefneming.

Toch gaf hij den moed nog niet op: reeds den 9den Juli klom hij met
zijn vriend Macdonald, Jean-Antoine Carrel en Pession, nogmaals naar
den col du Lion. Het was heerlijk schoon weer. Volgens den raad vau
Carrel, werd het bivouak voor den nacht opgeslagen aan den voet van
den Schoorsteen, op de oostelijke zijde der berghelling, ter hoogte van
3825 el. Den volgenden morgen beklommen Carrel en de heeren Macdonald
en Whymper, zonder te groote inspanning, dien zoogenaamden Schoorsteen:
Pession volgde hen, maar aan het boveneinde gekomen, verklaarde hij
zich te ziek te gevoelen om nog hooger te kunnen klimmen. Carrel wilde
zonder zijn vriend niet verder gaan. De heer Macdonald wilde den tocht
zonder de beide gidsen voortzetten, maar de heer Whymper achtte het
voorzichtiger, in 's hemels naam naar Breuil terug te keeren.

"Drie malen, zoo zegt hij, had ik gepoogd dien berg te beklimmen, en
drie malen had ik met schande moeten terugkeeren. De grens, door mijn
voorgangers bereikt, was ook door mij niet noemenswaard overschreden:
ik was geen el hooger gestegen dan zij. Tot op eene hoogte van ongeveer
4000 el, bood de bestijging geene buitengewone moeilijkheden aan;
die reis kon bijna voor een pleiziertochtje gelden. Er bleven dus
slechts 500 el te beklimmen over; maar geen menschelijke voet had
nog ooit dit gedeelte des bergs betreden, en hier waren de geduchtste
hinderpalen en moeilijkheden te wachten, Er viel niet aan te denken,
om alleen en onverzeld den top te bereiken.... Om sommige gevaarlijke
punten te kunnen passeeren, waren er minstens drie mannen noodig,
volgens Carrel zelfs vier. Waar zou men die twee of drie onontbeerlijke
gidsen kunnen vinden? De grootste moeilijkheid lag niet in den berg,
maar in het gebrek aan geschikte manschappen."

De heer Whymper begaf zich naar Zermatt, om daar de mannen te
zoeken, die hij noodig had; maar hij vond ze niet, en ondernam nu de
beklimming van den Mont-Rose. Te Breuil teruggekeerd, trachtte hij,
doch te vergeefs, Carrel en Meynet te bewegen, hem op den tocht
naar den Matterhorn te vergezellen. Vreezende dat zijne tent, die
op het tweede platform was blijven staan, door den wind zou worden
medegevoerd, ging hij den 18den Juli alleen op weg, om te zien wat
er van haar geworden was. De tent stond nog op dezelfde plaats,
maar was geheel met sneeuw overdekt. Na het prachtige panorama,
dat zich voor zijne oogen ontrolde, bewonderd te hebben, bracht hij
zijne tent, waarin hij nog eenige levensmiddelen vond, weer in orde,
en besloot alleen op den berg te overnachten.

Den volgenden morgen begon hij op nieuw te klimmen, om zoo mogelijk een
hooger terras of platform te bereiken. Niet zonder veel moeite, bracht
hij het tot aan den voet van den Grooten-Toren, het hoogste punt,
dat de heer Hawkins in 1860 bereikt had. "De Groote-Toren, zegt hij,
is eene van de merkwaardigheden van de Matterhorngroep. Hij gelijkt in
voorkomen op een middeleeuwschen wachttoren, zoo als men dien aan de
hoeken van feodale burchten ziet. Van den col Saint-Théodule gezien,
schijnt de Toren van weinig beteekenis; maar naarmate men dichter bij
komt, neemt hij in omvang toe, en als men zijn voet bereikt heeft,
onttrekt hij het geheele bovengedeelte van den berg aan het oog. Ik
vond daar, om mijne tent op te slaan, eene geschikte plaats, die,
hoewel minder gedekt dan het tweede platform, boven dit het voordeel
had, honderd el hooger te liggen."

Na een merkwaardig uitstapje achter den Grooten Toren gemaakt te
hebben, besloot de heer Whymper terug te keeren, daar het blijkbaar
onmogelijk was, alleen de beklimming voort te zetten. Hij hield zich
overtuigd dat hij, zonder iemands hulp, tot eene hoogte was opgestegen,
nog door geen zijner voorgangers bereikt. "Mijne vreugde, zegt hij,
was ietwat voorbarig.

"Tegen vijf uur in den avond verliet ik andermaal de tent, en ik waande
mij reeds goed en wel in Breuil teruggekeerd. Met mijn touw en mijn
haak had ik tot dusver alle moeilijkheden kunnen overwinnen. Ik daalde
den Schoorsteen af, waarbij ik het touw aan een rots vastmaakte, en
mij daarlangs naar beneden liet glijden; ik sneed vervolgens het touw
door en liet het hangen; het overschietende dacht mij genoeg. Mijne
bijl was mij bij de afdaling zeer hinderlijk geweest; ik had haar
mitsdien in de tent achtergelaten. Het was een oude enterbijl, die
niet aan den met ijzer beslagen stok vastzat. Als ik met de bijl gaten
in de sneeuw hakte om naar boven te klimmen, sleepte mijn stok, aan
het touw vastgemaakt, mij achterna; bij het opklimmen stak ik mijn
bijl achter mij in het touw, dat om mijn middel gebonden was, zoodat
zij mij niet kon hinderen; maar bij het afdalen, als ik met den rug
naar de rotsen gewend stond (hetgeen altijd is aan te raden, als het
eenigszins mogelijk is), gebeurde het meermalen dat de bijl of de steel
bleef haken aan de uitstekende punten en oneffenheden van den rotswand,
en reeds meermalen had de onverwachte schok mij bijna doen vallen. Ik
liet dus mijn bijl in de tent, hetzij om dit gevaar te vermijden,
hetzij uit vadsigheid. Die onvoorzichtigheid kwam mij duur te staan.

"Ik had den col du Lion reeds achter mij, en vijftig ellen lager zou
ik den Grooten Trap vinden, dien men in een draf kan afgaan. Maar
aan een hoek der groote steile rotsen van de Tête du Lion gekomen,
bemerkte ik, terwijl ik voortging langs het bovenste gedeelte der
sneeuwlaag, die tegen deze rotsen leunt, dat de warmte van de laatste
twee dagen bijna geheel de gaten had doen verdwijnen, die ik in de
sneeuw had gehakt om naar boven te klauteren. De rotsen waren op
dit punt volstrekt ongenaakbaar; er schoot dus niets anders over,
dan nieuwe gaten in het ijs te steken. De sneeuw was te hard om mij
daarin een pad te kunnen openen, en bij den hoek, waar ik mij bevond,
was niets dan ijs te ontdekken: een half dozijn treden waren echter
voldoende om mij op de naakte rotsen te brengen, waar ik vasten voet
vinden kon. Mij met de rechterhand aan de rots vastklemmende, boorde
ik met de punt van mijn stok gaten in het ijs, totdat ik een voldoend
pad gemaakt had; toen plaatste ik mij tegen den hoek der rots, om aan
de andere zijde hetzelfde werk te volvoeren. Tot dusver ging alles
goed, maar toen ik dien hoek wilde omslaan--ik kan nog niet zeggen
hoe het eigenlijk kwam--gleed ik uit, en stortte in den afgrond.

"De zeer steile helling vormde den eenen wand van een spleet, die
tusschen twee uitstekende rotsen afdaalde naar den gletscher du Lion,
die beneden ter diepte van 300 el zichtbaar was. Deze spleet werd hoe
langer hoe nauwer, en was eindelijk niet meer dan een dunne draad van
sneeuw, ingesloten tusschen twee rotswanden, die eensklaps afbraken
boven een gapenden afgrond, tusschen het benedeneinde der spleet en
den gletscher. Men denke zich een trechter, over de lengte midden
doorgesneden, en met eene helling van 45° geplaatst, met de punt naar
beneden, en men zal eene getrouwe voorstelling hebben van de plek,
waar ik het evenwicht verloor.

"Het gewicht van mijn zak trok mij achterover; ik kwam eerst terecht
op eenige rotsen, drie of vier el beneden mij; toen rolde ik, met
het hoofd naar beneden, in de spleet; mijn stok ontsnapte aan mijn
handen, en ik viel, al om en om buitelende, nu eens tegen het ijs,
dan tegen de rotsen stootende, vijf of zes maal achtereen met mijn
hoofd tegen den steen bonzende. Een laatste stoot slingerde mij van
den eenen wand der spleet, over een ruimte van tusschen de vijftien en
achttien el, naar den anderen;--gelukkig kwam ik met mijne linkerzijde
tegen de rots terecht, waar mijne kleederen aan vasthaakten: ik
tuimelde achterover op de sneeuw, dadelijk gevoelende dat mijn val
gebroken was. Bij geluk was mijn hoofd naar de goede zijde gewend;
met stuipachtige krachtsinspanning klemde ik mij aan de oneffenheden en
punten der rots vast, en kon mij eindelijk ophouden aan den benedensten
ingang der spleet, juist aan den rand van den afgrond. Mijn hoed,
stok en sluier schoten in volle vaart langs mij heen en verdwenen
in den afgrond; en toen ik de rotsbrokken,  die ik in mijn val had
losgestooten, beneden op den gletscher in scherven hoorde springen,
besefte ik eerst recht aan welk ontzettend gevaar ik als door een
wonder ontkomen was. Inderdaad had ik, in zeven of acht buitelingen,
een afstand afgelegd van ongeveer zestig el. Ware ik nog drie el
verder gevallen, dan zou ik onfeilbaar, met een enkelen sprong, ter
hoogte van tweehonderd-vijftig el, op den gletscher zelven zijn te
pletter gestort.

"Toch was de toestand, waarin ik mij nu bevond, alles behalve
geruststellend. Ik kon geen oogenblik de rots, waaraan ik mij
vastgeklemd had, loslaten, en ik bloedde uit meer dan twintig
wonden. De gevaarlijkste waren die aan mijn hoofd, en vergeefs trachtte
ik met de eene hand het bloed uit die wonden te stelpen, terwijl ik mij
met de andere aan de rots vasthield. Al mijne pogingen waren vergeefs:
bij iederen polsslag vloeide het bloed mij over het gelaat en maakte
mij het zien bijna onmogelijk. Eindelijk was het alsof ik eene ingeving
kreeg: met mijn voet woelde ik een klomp sneeuw los, die ik nu, bij
wijze van pleister, op mijn hoofd legde; het middel baatte, want de
bloedvloeiing verminderde aanstonds. Nu begon ik onmiddellijk naar
boven te klauteren, en nog juist bij tijds bereikte ik een veiliger
plek, waar ik in zwijm viel. Toen ik weder bij mijzelven kwam, ging de
zon onder, en eer het mij mogelijk was den Grooten Trap af te dalen,
was het volkomen duister geworden. Doch met de uiterste voorzichtigheid
mocht het mij, dank zij mijn goed gesternte, gelukken naar Breuil af
te dalen, zonder uit te glijden en zonder mij een enkele maal in den
weg te vergissen: Breuil ligt evenwel zeventien-honderd el lager dan
de Groote Trap.

"Beschaamd over den toestand, waarin mijne eigene onhandigheid mij
gebracht had, sloop ik stilletjes langs de hut der koeherders, die
ik hoorde lachen en praten, heen, en trad haastig de herberg binnen,
hopende dat ik naar mijn kamer zou kunnen gaan, zonder door iemand
gezien te worden. Maar in den gang kwam Favre mij tegen, en vroeg:
"Wie is daar?" Toen hij licht gehaald had en mij zag, begon hij
luidkeels te roepen, en bracht zoo het gansche huis op de been. Twee
dozijn hoofden werden toen bij elkaar gestoken om te raadplegen over
den toestand van het mijne, zonder dat die plechtige beraadslaging
groote vruchten opleverde. De dorpelingen gaven eenstemmig den raad,
dat ik mijne wonden moest wasschen en verbinden met heeten azijn met
zout vermengd. Te vergeefs verzette ik mij tegen dit paardemiddel: ik
moest mij onderwerpen. Andere geneeskundige verpleging viel mij niet
te beurt. Heb ik het aan dit zeer eenvoudig geneesmiddel of aan mijn
krachtig gezond gestel te danken, dat ik zoo spoedig herstelde? Ik
weet het niet; maar zeker is het dat mijne wonden al spoedig genezen
waren en dat ik na verloop van eenige dagen weer op de been was."

Dit noodlottig ongeval, waarbij hij op den rand des verderfs
was geweest, vermocht den heer Whymper niet af te schrikken. Den
23sten derzelfde maand begaf hij zich weder op weg met Jean Antoine
Carrel, een jager Cesar genaamd, en Meynet. Achter den Toren gekomen,
werden zij door een zoo geweldigen storm overvallen, dat zij moesten
terugkeeren. Eene vijfde poging, op den 24 en den 25sten beproefd,
slaagde niet beter; en den daarop volgenden dag moest ook de heer
Tyndall het opgeven, hoewel hij, volgens zijn zeggen, slechts een
steenworp van den top verwijderd was geweest.

De zesde poging van den heer Whymper had plaats in 1863. Een geweldig
onweder en herhaalde steenstortingen, waarbij zijn leven groot gevaar
liep, dwongen hem ook nu onverrichter zake terug te keeren.

Twee jaar later, in 1865, hervatte de onverschrokken reiziger den
aanval. Ditmaal besloot hij eerst langs de oostelijke helling op te
stijgen, die, volgens zijne waarnemingen, niet zoo steil was als zij
wel scheen. Verschillende redenen echter bewogen hem, wijziging in
zijn plan te brengen. Het reisgezelschap vertrok van Breuil den 21sten
Juni; het bestond uit de heeren Whymper en Reilly en de gidsen Croz,
Almer en Biener. Geweldige steenlawinen noodzaakten hen zoo spoedig
mogelijk op hunne schreden terug te keeren, en naar den Hörnli te gaan,
om van daar de oostelijke helling te bereiken; maar hier stuitte men
op een onverwacht beletsel. De overgang naar den Mont-Cervin was
niet meer mogelijk: de gletscher had zich zoo ver teruggetrokken,
dat het niet meer doenlijk was naar den gletscher van Furggen af te
dalen. Bovendien sloeg het weêr eensklaps om: het begon te sneeuwen,
en de gidsen weigerden verdere pogingen aan te wenden. De heer Whymper
gaf het teeken tot den terugtocht, keerde naar Breuil weder, begaf
zich van daar naar Chatillon en verder door de vallei van Aosta naar
Cormayeux. "Het spijt mij, zoo zegt hij, dat aan den raad der gidsen
gehoor is gegeven. Als Croz niet op den terugtocht had aangedrongen,
zou hij nog in leven zijn. Hij verliet ons op den bepaalden dag te
Chamonix; maar door een zonderling toeval ontmoetten wij elkander
drie weken later weder te Zermatt; en twee dagen daarna kwam hij,
voor mijne oogen, jammerlijk om het leven op dienzelfden berg, waarvan
wij ons, ingevolge zijn raad, op den 21sten Juni verwijderd hadden."

Den 7den der volgende maand bevond de heer Whymper zich nogmaals te
Breuil, met het vaste besluit om voor de achtste maal de beklimming
van den Matterhorn te beproeven. Zijne gidsen toonden zeer weinig
opgewektheid om hem te vergezellen. "Al wat ge wilt, mijn goede heer,
zeide Almer, behalve den Matterhorn; daar moeten wij van afzien." Hij
begaf zich naar Val Tournanche om Carrel op te zoeken. Carrel was
er niet. Men verhaalde den heer Whymper, dat hij den 6den met drie
andere gidsen vertrokken was, om zoo mogelijk langs een anderen kant
den Matterhorn te beklimmen. Het weder was zeer ongunstig. Te Breuil
komende, vond hij daar Carrel, Cesar, C.E. Garet en J.J. Maquignaz. Zij
hadden het zelfs niet tot den gletscher du Lion kunnen brengen. Er
werd al spoedig eene overeenkomst getroffen. Men zou den 9den den col
Saint-Théodule overtrekken, en den 10den de tent, zoo hoog mogelijk aan
de oostelijke helling opslaan. Carrel aarzelde om den ouden bekenden
weg te verlaten. De heer Whymper beloofde hem, dat als de nieuwe
weg niet de verwachte resultaten opleverde, men tot den ouden zou
terugkeeren. De achtste Juli ging geheel voorbij met de toebereidselen
voor den tocht. Het weder was onstuimig en stormachtig. In den avond
van den volgenden dag begaf de heer Whymper zich naar Val Tournanche,
om een kranken landgenoot te bezoeken. Daar ontmoette hij een vreemden
reiziger, vergezeld van een muilezel en van personen, die zijne bagage
droegen: onder die dragers bevonden zich ook Jean-Antoine Carrel en
Cesar. De heer Whymper sprak hen aan, en eene niet zeer aangename
woordenwisseling volgde. Echter werd nu weder afgesproken, dat men
elkander te Breuil zou ontmoeten; maar Carrel en Cesar verbraken
hunne belofte: zij vertrokken om den Matterhorn te beklimmen met een
Italiaan, den heer Giordano, ingenieur der mijnen.

Woedend over deze teleurstelling, besloot de heer Whymper zich naar
Zermatt te begeven. Den 11den zag hij te Breuil een jeugdig Engelschman
aankomen, in gezelschap van een der zoons van Pieter Taugwalder. Zij
spraken elkander aan. De jonkman was lord Francis Douglas, wiens
heldhaftige beklimming van den Gabelhorn de bewondering van den
heer Whymper had opgewekt. Hij bracht goede tijdingen mede: de oude
Taugwalder was onlangs den Hörnli overgetrokken, en het was hem daarbij
gebleken, dat de beklimming van den Matterhorn aan die zijde zeer goed
mogelijk was. Lord Douglas bood zich aan om den heer Whymper op zijne
nieuwe onderneming te vergezellen, waarmede genoegen genomen werd. Den
12den trokken zij te zamen over den col Saint-Théodule, vervolgens om
den voet van den bovensten gletscher van Saint-Théodule heen, staken
den gletscher van Furggen over, en bezorgden de tent, benevens dekens,
touwen en levensmiddelen, in de kleine kapel van Schwarzsee. Zij
hadden tweehonderd ellen lengte touw bij zich. Vervolgens naar
Zermatt afgedaald, namen zij Pieter Taugwalder als gids aan; en in
het hotel van den Mont-Rose terugkeerende, ontmoetten zij Croz met
den Rev. Charles Hudson, die naar Zermatt gekomen was, om op zijne
beurt de beklimming van den Matterhorn te beproeven. Weldra waren de
noodige afspraken en schikkingen gemaakt, en de beide reisgezelschappen
vereenigden zich. De kleine karavaan bestond nu uit de gidsen Croz,
Pieter Taugwalder en zijne twee zonen, den heer Whymper, lord Douglas
en den heer Hudson. Deze laatste vroeg en verkreeg vergunning om
een zijner landgenooten, den heer Hadow, die zoo pas den Mont-Blanc
bestegen had, mede te nemen.

Maar wij zullen nu het woord laten aan den heer Whymper.

"Den 13den Juli 1865, des morgens ten half zes, vertrokken wij van
Zermatt; het was prachtig schoon weder, geen wolkje was aan den hemel
te bespeuren. Ons gezelschap bestond uit acht personen: Croz, de oude
Pieter Taugwalder en zijn twee zonen, lord Francis Douglas, Hadow,
Hudson en ik. Tot overmaat van zekerheid, had iedere toerist zijn
eigen gids. De jongste Taugwalder werd mij toegevoegd; hij was er
trotsch op dat hij deel mocht nemen aan onze expeditie, en gelukkig
dat hij zijne kracht en zijne behendigheid kon ten toon spreiden,
bewees hij ons van den aanvang af de gewichtigste diensten.

"Ik had de zakken te dragen, waarin onze voorraad wijn was geborgen;
telkens nadat men in den loop van den dag van dien wijn gedronken had,
vulde ik de zakken in stilte weder met water aan; bij het volgende
halt waren zij dan ook nog beter gevuld dan bij ons vertrek! Dit
verschijnsel, dat bijna voor een wonder gold, werd algemeen als een
gelukkig voorteeken aangemerkt.

"Het lag niet in ons plan, op dien eersten dag tot eene aanmerkelijke
hoogte op te klimmen; wij gingen dus op ons gemak voort: twintig
minuten over achten waren wij aan de kapel van Schwarzsee, waar
wij de touwen en dekens, benevens de tent en provisie medenamen;
vervolgens zetten wij de bestijging voort van den rotswand, die den
Hörnli met den Matterhorn verbindt. Ten half twaalf kwamen wij aan den
voet van den voornaamsten top: daar, de steile rotskam verlatende,
moesten wij om eenige uitspringende rotsen heengaan, ten einde de
oostelijke helling te bereiken. Alsnu eindelijk op den berg zelven
gekomen, bemerkten wij, tot onze groote verwondering, dat sommige
gedeelten, die, van den Riffel of zelfs van den Furggengletscher
gezien, volstrekt ongenaakbaar schenen, zoo gemakkelijk te beklimmen
waren, dat wij bijna al loopende naar boven konden komen.

"Nog voor twaalven hadden wij een zeer gunstige plaats gevonden voor de
tent, op eene hoogte van drieduizend-driehonderd-vijftig el. Croz ging
op verkenning uit met den jongen Pieter Taugwalder, ten einde voor den
volgenden dag tijd uit te winnen. Zij gingen boven over de besneeuwde
hellingen heen, die in de richting van den Furggengletscher afdalen,
en verdwenen achter een uitstekende rots; maar weldra verschenen
zij weder, hoog op den berg, waar wij hen ijverig zagen klimmen. Wij
hielden ons inmiddels bezig met het in orde brengen van eene veilige
plaats voor de tent; toen dit werk afgeloopen was, wachtten wij met
ongeduld op den terugkeer der beide gidsen. De steenen, die zij naar
beneden deden rollen, wezen aan dat zij zich op eene zeer aanzienlijke
hoogte bevonden; wij mochten dus de verwachting koesteren, dat de
beklimming niet zoo moeilijk zou blijken. Eindelijk, omstreeks drie
uur in den namiddag, kwamen zij terug, schijnbaar zeer opgewonden.

"Welnu, Pieter, wat zeggen zij er van? vroegen wij aan den ouden
Taugwalder, die met Croz en zijn zoon in de landtaal gesproken had.

--Niet veel goeds, mijne heeren."

"Maar de twee gidsen zelven spraken op geheel anderen toon: "Alles
was zoo gunstig mogelijk; er bestond niet de minste zwarigheid. Wij
hadden gemakkelijk den top kunnen bereiken, en nog dienzelfden dag
terugkeeren!"

"Het overige van den dag ging zeer kalm voorbij; sommigen zaten
zich in de zon te warmen; anderen maakten schetsjes of zochten
fragmenten van steenen bijeen; de prachtige zonsondergang beloofde
voor morgen een heerlijken dag, en tevreden en opgewekt begaven wij
ons in de tent, waar wij de noodige toebereidselen maakten voor ons
nachtverblijf. Hudson zette thee; ik maakte koffie klaar; vervolgens
wikkelde ieder van ons zich in zijn reisdeken. Lord Francis Douglas en
ik sliepen in de tent met de Taugwalders; de anderen brachten liever
in de open lucht den nacht door. Nog lang nadat de avond was gedaald,
weerkaatsten de echo's der bergen ons vroolijk gelach en het gezang
der gidsen. Geen enkel gevaar was te duchten; wij gevoelden ons allen
zoo veilig en zoo blijde mogelijk.

"Den 14den waren wij reeds vóór het krieken van den morgen op
de been, en zoodra het licht genoeg geworden was om de richting
te kunnen onderscheiden, begaven wij ons op weg. De jonge Pieter
Taugwalder ging als gids met ons mede, terwijl zijn broeder naar
Zermatt terugkeerde. Dezelfde richting volgende, die de beide
gidsen den vorigen dag hadden ingeslagen, bevonden wij ons weldra
aan gene zijde der uitspringende rots, die, zoo lang wij bij de tent
waren, ons het gezicht op de oostelijke berghelling belette. Eerst
toen overzagen wij met een enkelen blik die geweldige piramide,
die zich als een reusachtige, door de natuur gevormde trap, ter
hoogte van omstreeks duizend el, voor onze oogen verhief. Zij was
lang niet overal even gemakkelijk genaakbaar, maar wij ontmoetten
toch geen moeilijkheden van zoo ernstigen aard, dat zij ons konden
tegenhouden; als zich een onoverkomelijke hinderpaal op onzen weg
opdeed, dan was het ons toch altijd mogelijk, door rechts of links
uit te wijken, die belemmering te overwinnen. Gedurende het grootste
gedeelte van deze beklimming behoefden wij niet eens van de touwen
gebruik te maken. Hudson en ik gingen beurtelings voorop aan het
hoofd van den stoet. Twintig minuten over zessen hadden wij eene
hoogte bereikt van  drieduizend-negenhonderd el; wij namen een
half uur rust, daarop begonnen wij weder te klauteren, en gingen
zonder ophouden daarmede voort tot vijf minuten voor tienen; wij
hielden toen een tweede halt van vijftig minuten, op eene hoogte van
vierduizend-tweehonderd-zeventig el. Tweemaal moesten wij overgaan op
de noordoostelijke kam, die wij een klein eind weegs volgden; maar
zonder dat die verandering ons eenig voordeel bracht, want deze kam
was veel minder stevig, veel steiler en altijd moeilijker te beklimmen
dan de oostelijke helling. Uit vrees voor de steenlawinen evenwel,
droegen wij zorg ons niet te ver van die kam te verwijderen.

"Wij waren nu aan den voet gekomen van dat gedeelte van den Matterhorn,
dat, van den Riffelberg of van Zermatt gezien, volkomen loodrecht
schijnt en zelfs over het dal schijnt heen te hangen; het was ons
nu ook verder onmogelijk, langs de oostelijke helling naar boven
te klimmen. Gedurende eenigen tijd moesten wij, de sneeuw volgende,
tegen de helling opklauteren, die naar de zijde van Zermatt afdaalt;
daarop wendden wij ons met algemeen goedvinden weder rechts, dat wil
zeggen, naar de zuidelijke flank van den berg. Wij hadden toen in de
orde van den tocht eenige verandering gebracht. Croz liep aan het
hoofd der kolonne; ik volgde hem; Hudson kwam achter mij; Hadow en
de oude Taugwalder vormden de achterhoede. "Nu, zeide Croz, terwijl
hij zich in beweging stelde, zal het anders gaan worden." Naarmate
de moeilijkheden van ernstiger aard werden, werd het noodig de
meest mogelijke voorzorgen te nemen. Op sommige plaatsen was ter
nauwernood eenig steunpunt te vinden: het was dus raadzaam dat zij,
wier tred de meeste vastheid had, vooraan gingen. De helling van
dezen bergwand bedroeg over het algemeen nog geen veertig graden;
de sneeuw, die zich hier had opgehoopt, had de gaten en spleten der
rotsen geheel gevuld; de rotspunten, die hier en daar boven de sneeuw
uitstaken, waren somwijlen overdekt met eene dunne ijskorst, gevormd
door de sneeuw, die gesmolten en bijna onmiddellijk weder bevroren
was. Het was, maar op kleiner schaal, hetzelfde verschijnsel als bij
de laatste tweehonderd-vijftien el van den top der Pointe des Ecrins;
met dit belangrijke verschil echter, dat de bergwand van de Ecrins
eene helling heeft van meer dan vijftig graden, terwijl de helling van
den Matterhorn ter nauwernood veertig graden bedraagt. De beklimming
was niet bijzonder gevaarlijk voor een ervaren bergreiziger. De heer
Hudson had niemands hulp noodig, zoo als hij trouwens op de geheele
reis geene ondersteuning behoefde. Meermalen reikte Croz mij de hand,
om mij op moeilijke plaatsen te helpen; mij omwendende, bood ik dan
den heer Hudson mijne hand aan; maar hij nam die hand nooit aan,
zeggende, dat het niet noodig was. De heer Hadow was aan dergelijke
expeditiën niet gewoon: het was dan ook telkens noodig, hem te hulp
te komen. Maar de moeilijkheid, die hij op sommige punten ondervond,
was niet zoozeer een gevolg van de gesteldheid des bergs, maar enkel
en alleen van zijne onervarenheid.

"Dit eenige wezenlijk moeilijk te bestijgen gedeelte der berghelling
was daarbij niet bijzonder uitgestrekt: naar mijne schatting hadden
wij daarvoor niet meer dan anderhalf uur noodig. Eerst gingen wij,
over een lengte van omstreeks honderdtwintig el, in schier horizontale
richting voort; vervolgens klommen wij rechtstreeks naar den top, over
eene lengte van ongeveer twintig el; toen moesten wij terugkeeren naar
de rotskam, die naar Zermatt afdaalt. Een lange en moeilijke omweg,
dien wij moesten maken om langs eene uitspringende rots heen te komen,
bracht ons op de sneeuw terug. Maar nu was ook de laatste twijfel aan
den goeden uitslag verdwenen. Nog slechts zestig ellen van gemakkelijk
te beklimmen sneeuw, en de Matterhorn was ons!

"Keeren wij even in gedachten terug naar de Italianen, die den
11den Juli van Breuil vertrokken waren. Vier dagen waren sedert
hun vertrek verloopen, en wij vreesden dat zij nog vóór ons den
top zouden bereiken. Gedurende den ganschen tocht waren zij telkens
het onderwerp van ons gesprek geweest; en meermalen hadden wij ons
verbeeld, menschen op den top des bergs te zien. Dat was tot dusver
zinsbedrog geweest; maar toch nam, naarmate wij hooger klommen, onze
spanning toe. Indien ons eens op het laatste oogenblik de prijs werd
afgewonnen! Daar de helling minder steil werd, kon het touw, dat ons
samenbond, worden losgemaakt: Croz en ik stormden dadelijk vooruit,
in een dollen wedloop, die daarmede eindigde dat wij beiden, naast
elkander loopende, te gelijker tijd op dezelfde plaats aankwamen. Des
namiddags, tien minuten over half twee, lag de wereld aan onze voeten:
de onverwinnelijke Matterhorn was overwonnen! Hoezee! geen spoor van
voetstap was in de ongerepte sneeuw te bespeuren!

"En toch--waren wij wel zeker van de overwinning?

"De top van den Matterhorn bestaat uit eene slecht geëffende kam
van eene lengte van ongeveer honderdzeven ellen; misschien waren de
Italianen aan het andere uiteinde aangeland? Ik spoedde mij dus naar
de zuidelijke punt, met scherpen blik de sneeuw onderzoekende. Nog
eens hoezee! geen menschelijke voet had dit sneeuwveld betreden!

"Waar konden onze mededingers thans wel zijn? Ik keek, mij voorover
buigende, over den rand der rotsen heen, verdeeld tusschen twijfel en
zekerheid. Aanstonds werd ik hen gewaar, ver in de diepte beneden ons:
niet dan met moeite waren zij met het bloote oog te ontdekken. Ik
zwaaide met mijne armen en mijn hoed, en begon uit alle macht te
schreeuwen:

"Croz! Croz! kom, kom gauw!

--Waar zijn zij, mijnheer?

--Dáár, ziet ge ze niet, dáár, beneden?

--Ah! de gauwdieven! zij zijn nog op verren afstand.

--Croz, zij moeten ons geroep kunnen hooren en onze zegepraal
vernemen!"

"Wij schreeuwden dus zoo luid wij konden, tot ons de stem begaf. De
Italianen schenen naar onzen kant te zien, maar wij konden dit niet met
zekerheid uitmaken.--"Croz, ik wil dat zij ons hooren! zij moeten ons
hooren!" Toen een rotsblok aanvattende, rolde ik het uit al mijne macht
naar de diepte, en noodigde mijn metgezel uit hetzelfde te doen. Met
behulp van onze stokken, die wij als hefboomen gebruikten, tilden
wij zware rotsblokken op, en weldra ratelde een vloed van steenen,
als een vreeselijke lawine, met donderend geweld naar beneden. Ditmaal
was geene vergissing mogelijk. De verschrikte Italianen namen haastig
de vlucht.

"En toch speet het mij inderdaad, dat de leider van deze expeditie
op dat oogenblik niet bij ons was, want onze zegekreten moesten
hem wel smartelijk in de ooren klinken. De vurigste wensch van zijn
geheele leven, het groote doel zijner eerzucht, ontging hem, juist
op het oogenblik der vervulling, door onze overwinning. Van alle
moedige bergreizigers, die de beklimming van den Matterhorn hadden
beproefd, had er zeker niemand meer dan hij recht op, het eerst den
top te bereiken. Hij was de eerste, die vast aan de mogelijkheid van
het welslagen der onderneming had geloofd, en die steeds, ondanks
tegenspraak van alle zijden, bij zijne overtuiging had volhard. Het
was zijn wensch, den top te bereiken langs de helling aan de zijde van
Italië, ter eere van de vallei, waar hij geboren werd. Eens had hij
alle troeven in de hand; hij speelde zoo goed hij kon, maar een enkele
fout deed hem het spel verliezen. De tijden zijn sedert veranderd
voor Carrel. Zijne meerderheid, waaraan vroeger niemand twijfelde,
wordt thans in Val Tournanche ernstig betwist; nieuwe gidsen hebben
proeven van hunne bekwaamheid afgelegd: men beschouwt hem niet meer als
den jager bij uitnemendheid. Wat mij betreft, voor mij zal hij altijd
blijven wat hij heden is; men zal niet licht zijn meerdere vinden.

"Mijne vrienden hadden zich bij ons gevoegd, en wij keerden naar het
noordelijk uiteinde van den top terug. Croz greep den stok van de
tent, dien de gidsen bij ons vertrek hadden medegenomen, en plantte
dien op het hoogste punt, in de sneeuw.

"Goed, zeiden wij: daar is de vlaggestok, maar waar is de vlag?

--Hier, antwoordde hij, zijn kiel uittrekkende, die hij aan de
stok bond.

"Dat was een armzalige vlag, en geen enkel zuchtje deed dat dundoek
wapperen: toch zag men dit teeken alom in het ronde,--te Zermatt,--op
den Riffel--in Val Tournanche. Ook te Breuil waren veler oogen op
den top gevestigd, om de verschijning der gidsen waar te nemen:
toen men deze vlag zag opsteken, begonnen de lieden daar verheugd
te roepen: "De overwinning is aan ons!" De bravoos voor Carrel en
de vivats voor Italië weerklonken van alle kanten; ieder haastte
zich, de groote gebeurtenis te vieren. Niet lang mocht deze vreugde
duren. Alles bleek geheel anders; de gidsen keerden terug, ontstemd,
ontmoedigd, vol schaamte en spijt.--"Het is maar al te waar, zeiden
zij; wij hebben ze met onze eigen oogen gezien, zij hebben steenen
op ons doen afrollen! De oude overlevering is waar: de top van den
Mont-Cervin wordt door geesten bewaakt!"

"Wij keerden naar de zuidelijke punt van de kruin terug, en richtten
daar eene kleine piramide van steenen op; vervolgens beschouwden
wij, vol bewondering, het onmetelijke panorama, dat zich voor onze
blikken ontrolde.

"Het was een dier heldere dagen, die gewoonlijk door slecht weder
gevolgd worden. De stille, lichte atmosfeer werd door geen nevel,
geen enkele wolk verduisterd. De bergen, op vijftig, wat zeg ik? op
honderd mijlen afstands van ons, waren zoo duidelijk zichtbaar,
dat men gemeend zou hebben, ze met de hand te kunnen grijpen:
alle bijzonderheden, de scherpe rotskammen, de steile wanden, de
smettelooze sneeuwvelden, de stralende gletschers--ze waren allen, in
hunne lijnen en omtrekken, duidelijk waarneembaar. Menig bekende top
riep de herinneringen wakker aan tochten en uitstapjes van vroegere
jaren. Geen enkele der groote toppen van de Alpenketen was voor onzen
blik verborgen. Wij waren bijzonder gelukkig, want in den regel is het
panorama naar het zuiden door wolken bedekt. Van de  honderd keeren
is misschien maar een enkele maal het uitzicht geheel onbelemmerd.

"Nog zie ik dien grootschen gordel van geweldige bergtoppen voor
mij, zoo duidelijk als in dat plechtige, onvergetelijke uur: dien
weergaloozen kring van ontzaggelijke reuzen, zich hoog verheffende
boven de massaas en bergketens, die hun als het ware ten voetstuk
verstrekken. Ik zie weer de Dent-Blanche, met haar fiere witte
kruin; den Gabelhorn, den Rothhorn, met de scherpe spits; den
onvergelijkelijken Weisshorn; de Mischabelhörner, niet ongelijk aan
reusachtige torens, geflankeerd door den Allalinhorn, den Strahlhorn,
en den Rimpfischhorn; dan den Mont-Rose met zijn talrijke naalden,
den Lyskamm en den Breithorn. Achter ons verheft zich de prachtige
berggroep van het Berner Oberland, beheerscht door den Finsteraarhorn;
dan de groepen van den Simplon en den Sint-Gothard; de Disgrazia en
den Orteler. Naar het zuiden dringen onze blikken door tot ver voorbij
Chiavasso, in de vlakte van Piémont. De Viso, hoewel honderd mijlen
verwijderd, schijnt dicht bij; op een afstand van honderd-dertig mijlen
vertoonen zich de Zee-Alpen, door geen nevelsluier omhuld. Onder
hunne toppen herken ik al dadelijk mijne eerste liefde, den
Pelvoux, dan de Pointe des Ecrins en de Meye; voorts de groepen
der Graïsche Alpen; eindelijk, ten westen, troont, schitterende in
het gouden zonnelicht, de fiere koning der Alpen, de wonderschoone
Mont-Blanc. Drieduizend-driehonderd el beneden ons strekken zich de
groene velden van Zermatt uit, bezaaid met hutten, woningen, chalets,
waaruit dunne zilveren rookwolkjes opstijgen. Aan de andere zijde
vertoonen zich, in eene diepte van tweeduizend-zevenhonderd el, de
weilanden van Breuil. Nog zie ik voor mijne oogen opdoemen dichte
sombere wouden, malsche groene weiden, schuimende watervallen,
spiegelgladde meeren, vruchtbare akkers en eenzame wildernissen,
vlakten blakerende in de zon, en kille ijsvelden. Wat oneindige
verscheidenheid van vormen en omtrekken! Zacht golvende lijnen,
glooiende hellingen, en steile, loodrechte, overhangende rotsen;
bergen van steen en bergen van sneeuw; somber, donker, ernstig, of
wel schitterend van oogverblindend wit; versierd met hooge muren,
torens, spitsen, naalden; uitloopende in piramiden, in koepels,
in kegels, in naalden, slank en bijna doorzichtig als de torens der
gothische kathedralen.... Geen samenvoeging van lijnen, geen spel van
contrasten, geen schakeering van tinten, die zich hier niet voor den
verrukten blik onthulde.

"Wij toefden een uur lang op den top.

"One crowded hour of glorious life

"Een uur geheel vervuld van heerlijk leven.

"Dit uur ging al te snel voorbij, en wij maakten ons gereed om af
te dalen.

"Op nieuw raadpleegde ik met Hudson over de maatregelen, die in het
belang onzer veiligheid noodig waren. Wij bepaalden met algemeen
goedvinden, dat Croz vooruit zou gaan, gevolgd door Hadow; Hudson,
die, wat de vastheid en zekerheid van zijn voetstap betrof, bijna met
een gids gelijk stond, wilde de derde zijn; daarop zou lord Douglas
volgen, en achter dezen de oude Pieter Taugwalder, de sterkste van de
nog overblijvenden. Ik stelde aan Hudson voor, om op de gevaarlijkste
punten een touw aan de rotsen vast te binden, ten einde, zoo noodig,
daardoor een nieuwen steun te hebben; hij keurde dat denkbeeld goed,
maar wij kwamen niet uitdrukkelijk overeen, dat er ook uitvoering aan
gegeven zou worden. Terwijl ik een schets maakte van den bergtop, had
ons gezelschap zich in de zooeven aangegeven orde gerangschikt; alles
was klaar, en men wachtte slechts om mij aan het touw vast te binden,
toen eensklaps iemand riep, dat wij onze namen niet in een flesch
hadden achtergelaten. Men verzocht mij, die haastig op te schrijven,
en terwijl ik dit deed, stelde de stoet zich reeds in beweging.

"Eenige oogenblikken later bond  ik mij aan den jongen Pieter
Taugwalder vast, en met hem onze vrienden naloopende, haalde ik hen in
juist op het oogenblik, toen zij langs het gevaarlijkste punt zouden
gaan afdalen. Alle mogelijke voorzorgsmaatregelen waren genomen.

"Slechts één man tegelijk ging voor; zoodra hij een vast steunpunt
voor den voet gevonden had, ging de volgende persoon op zijn beurt
voort, en zoo vervolgens. Echter had men het nog beschikbare touw
niet aan de rotsen vastgemaakt, en niemand sprak er van om dat te
doen. Daar ik dezen maatregel niet had voorgesteld in het belang
mijner eigene veiligheid, durf ik niet zeggen, of ik er zelf op dat
oogenblik nog aan dacht. Gedurende eenige oogenblikken volgden wij,
Pieter Taugwalder en ik, onze makkers, zonder aan hen vastgebonden
te zijn; waarschijnlijk zouden wij zoo verder zijn blijven dalen,
als lord Douglas mij, omstreeks half vier, niet verzocht had, dat ik
mij aan den ouden Pieter zou vastbinden; hij vreesde, zoo zeide hij,
dat Taugwalder alleen geen kracht zou hebben om zich staande te houden,
als iemand mocht uitglijden.

"Eenige oogenblikken later liep een knaap, met een bijzonder scherp
gezicht begaafd, haastig naar het hotel du Mont-Rose, om aan den heer
Seiler te zeggen, dat hij eene lawine van den top van den Matterhorn
op den gletscher had zien nederstorten. Men beknorde hem, omdat hij
zulk een dwaas vertelsel durfde doen: helaas, hij had gelijk! Ziehier
wat hij gezien had.

"Michel Croz had zijn bijl naast zich nedergelegd; en zooveel mogelijk
voor de veiligheid van den heer Hadow willende zorgen, wijdde hij al
zijne aandacht aan de taak om diens gang te besturen, door, zooals
meermalen gebruikelijk is, de voeten van den jongen toerist een voor
een te zetten in de positie, die zij moesten innemen. Voor zoover
ik heb kunnen nagaan, was op dat oogenblik niemand met afklimmen
bezig. Ik kan dit echter niet met zekerheid zeggen, omdat Croz en
Hadow door een stuk rots gedeeltelijk aan mijn oog waren onttrokken:
ik geloof evenwel dat ik gelijk heb; naar de beweging hunner schouders
te oordeelen, meende ik dat Croz, na de voeten van den heer Hadow
geplaatst te hebben, zich omkeerde, om zelf een paar schreden af
te dalen. Op dat oogenblik gleed de heer Hadow uit, viel op Croz,
en wierp hem omver. Ik hoorde Croz een luiden gil geven, en bijna op
hetzelfde oogenblik zag ik hen beiden met duizelingwekkende snelheid
afglijden; onmiddellijk daarop werd zoowel Hudson als lord Douglas
in hun val medegesleept. Dit alles geschiedde met de snelheid des
bliksems. Nauwelijks hadden de oude Pieter Taugwalder en ik den kreet
gehoord, of wij klemden ons met al onze macht aan de rots vast; het
touw werd plotseling strak gespannen, en wij kregen een geweldigen
schok. Wij hielden ons echter goed en bleven staande; maar eensklaps
brak het touw omstreeks halverwege tusschen Taugwalder en lord Douglas
midden door.... Gedurende eenige sekonden zagen wij onze rampzalige
reisgenooten, met ijlende vaart, op hun rug liggende afglijden, met
uitgestrekte armen vergeefs pogende zich aan een of andere uitstekende
rotspunt vast te klemmen en alzoo hun leven te redden. Een voor een
verdwenen zij uit ons oog, zonder eenige kwetsuur bekomen te hebben, en
vielen van afgrond tot afgrond tot op den gletscher van den Matterhorn,
in eene diepte van twaalfhonderd el beneden ons. Nadat het touw was
gebroken, was het ons volstrekt onmogelijk iets tot hunne redding
te doen.

"Zoo kwamen onze beklagenswaardige makkers om het leven! Meer dan een
half uur stonden wij onbewegelijk, als vastgenageld, ter nauwernood
adem halende. Door angst en schrik overmand, weenden de beide gidsen
als kinderen; zij beefden zoo, dat ons elk oogenblik een dergelijk
ongeluk als onzen vrienden overkomen was, te duchten scheen.

"De oude Pieter Taugwalder riep telkens, al jammerend, uit:
"Chamonix! Oh, wat zal Chamonix zeggen?" hetgeen zooveel wilde
zeggen als: Wie had ooit kunnen denken dat Croz kon vallen?--De
jonge Taugwalder snikte onophoudelijk, en kreet al luider en luider:
"Wij zijn verloren! o God, wij zijn verloren!"

"Daar ik tusschen hen beiden aan het touw was vastgebonden, kon ik
geen stap doen, zoolang zij onbewegelijk op hunne plaats bleven
staan. Ik verzocht dus den jongen Pieter, dat hij zou afdalen:
hij durfde niet. Noch zijn vader, noch ik kon iets uitrichten,
zoolang hij niet begon te dalen. De oude Taugwalder, den ernst van
het oogenblik en het dreigende gevaar ten volle beseffende, begon
nu ook te roepen: "Wij zijn verloren, verloren!" De angst van den
ouden man was begrijpelijk en natuurlijk: hij vreesde voor zijn
zoon; maar de jongen dacht slechts aan zichzelven en toonde zich
lafhartig. Eindelijk herstelde de oude man zich toch weder, en kroop
naar eene rots, waaraan het hem gelukte een touw vast te binden. De
jonkman verkreeg het nu ook van zich om af te dalen, en wij stonden
alle drie bij elkander. Ik wilde toen onmiddellijk het touw zien, dat
gebroken was: en tot mijn onuitsprekelijken schrik bemerkte ik, dat
dit touw het zwakste van de drie was. Het had nimmer gebezigd moeten
worden voor het doel, waartoe het nu was gebruikt, en was ook niet om
die reden medegenomen. Het was een oud touw, dat, in vergelijking met
de andere, bepaald zwak was te noemen. Men had het in reserve moeten
houden, voor het geval dat men een touw, aan de rotsen gebonden,
had moeten achterlaten. Ik liet mij het overgeschoten eind geven,
ten einde de zaak nader te onderzoeken. Het touw was afgebroken,
alsof het doorgesneden was.

"Gedurende de twee uren, die thans volgden, dacht ik elk oogenblik
dat ook mijn laatste stonde gekomen was; niet alleen toch waren de
Taugwalders, door den schrik als verlamd, geheel buiten staat mij
eenige hulp te bieden, maar zij hadden zoozeer alle zelfbeheersching
en overleg verloren, dat ik bij iederen stap vreesde dat zij zouden
uitglijden. Eindelijk echter deden wij, wat dadelijk toen wij
begonnen af te stijgen had moeten geschieden: wij bonden touwen aan
de stevigste rotsen, om ons bij onzen gevaarlijken tocht behulpzaam
te zijn. Sommige van die touwen werden doorgesneden en bleven aan
de rotsen hangen. Ook bleven wij nu aan elkander vastgebonden. De
verschrikte gidsen durfden bijna geen voet verzetten, ook ondanks de
hulp van de touwen; de oude Pieter wendde zich herhaalde malen tot
mij, telkens, met bleek gelaat en bevende over al zijn ledematen,
op angstigen toon herhalend: "Ik kan niet meer."

"Omstreeks zes uur des avonds bereikten wij de sneeuw op den rotskam,
die naar de zijde van Zermatt afdaalt: nu was alle vrees voor gevaar
geweken. Meermalen deden wij vergeefsche pogingen om eenig spoor van
onze ongelukkige reisgezellen te ontdekken; over den rand der rotsen
heengebogen, riepen wij hen uit al onze macht: maar daar kwam geen
antwoord. Eindelijk overtuigd dat zij buiten het bereik waren van
onze stem en van ons oog, staakten wij deze vruchtelooze pogingen.

"Te zeer ter neer geslagen om te kunnen spreken, brachten wij
in stilte de voorwerpen bijeen, die aan ons en aan onze verloren
makkers hadden toebehoord, en maakten wij ons gereed, naar Zermatt
af te dalen, toen plotseling een vreemd verschijnsel onze oogen
trok. Hoog boven den Lyskamm teekende zich eensklaps een reusachtige
regenboog in de lucht. Bleek, kleurloos, zwijgend, vertoonde deze
zonderlinge verschijning volkomen zuivere en scherpe omtrekken,
uitgenomen aan de twee uiteinden, die zich in de wolken verloren:
het scheen een visioen uit eene andere wereld. Met bijgeloovige vrees
vervuld, volgden wij met stomme verbazing de langzame ontwikkeling der
beide groote kruisen, ter wederzijde van dezen zoo zonderlingen boog
geplaatst. Ik zou ter nauwernood mijne oogen geloofd hebben, indien
niet de beide Taugwalders nog vóór mij dit uiterst vreemde verschijnsel
hadden opgemerkt; natuurlijk zochten zij daarin een bovennatuurlijk,
geheimzinnig verband met ons droevig ongeluk. Een oogenblik hield ik
dit verschijnsel voor eene loutere luchtspiegeling, waarbij wij zelven
mede een rol vervulden; maar onze bewegingen brachten in de figuren
hoegenaamd geene verandering te weeg. De spookachtige verschijning
bleef, in al hare geheimzinnige duidelijkheid, onveranderlijk. Het
was een aangrijpend, wonderlijk, ongekend schouwspel, ook voor mij,
die al zoo veel zonderlinge dingen had gezien. In de bijzondere
omstandigheden, waarin wij ons bevonden, maakte deze verschijning,
waarvan ik nog heden geen verklaring of rekenschap kan geven, een
onuitsprekelijken indruk.

"Ik was gereed om te vertrekken, en wachtte op de twee gidsen. Zij
hadden honger gekregen, hadden gegeten en waren ook weer spraakzaam
geworden. Daar zij met elkander in de volkstaal spraken, kon ik hen
niet verstaan. Eindelijk zeide de zoon tot mij in het fransch:

"Mijnheer.

--Wat is er?

--Wij zijn arme menschen; wij hebben onzen meester verloren; niemand
zal ons betalen; dat is wel hard voor ons.

--Zwijg, zeide ik, hem in de rede vallende. Dat is gekkepraat, wat gij
daar zegt; ik zal u betalen, evenals of uw meester nog in leven ware."

"Zij spraken nog eenige oogenblikken met elkander in de volkstaal;
toen begon de zoon weer:

"Wij verlangen van u niet, dat gij ons betalen zult. Wij vragen alleen
dat gij in het boek van het hotel te Zermatt, en in uwe dagbladen
zult vermelden dat wij geene betaling ontvangen hebben.

--Wat dwaasheid is dat nu? Ik begrijp u niet. Wat beteekent dat?

"Hij ging voort:

"Ja, ziet u ... in het volgende jaar zullen er een aantal reizigers
te Zermatt komen, en wij stellig veel te doen krijgen."

"Wat viel er op zulk een voorstel te antwoorden? Ik zweeg; maar
zij bemerkten zeer goed, hoezeer zij mijne verontwaardiging hadden
opgewekt. Hun cynisme had den bitteren beker mijner smart doen
overloopen; in mijn wanhoop slingerde ik met zooveel woede steenen
en fragmenten van rotsen in de ledige ruimte, dat de beide mannen
misschien nu en dan de vrees voelden opkomen dat ik henzelven in
den afgrond zou werpen. Ik moest op eene of andere wijze aan mijn
overkropt gemoed lucht geven!

"De avond viel; een uur lang gingen wij voort met in den donker af
te dalen. Ten half tien uur vonden wij een soort van hut of afdak,
dat nauwelijks voldoende ruimte aanbood voor ons drieën om te slapen;
daar brachten wij zes eindelooze, verschrikkelijke uren door. Met
het krieken van den dag waren wij weder op de been; in vluggen tred
daalden wij van den Hörnli naar de hutten van Buhl, en vandaar naar
Zermatt af. Seiler, dien ik aan de deur van het logement ontmoette,
volgde mij zwijgend in mijne kamer.

"Wat is er toch gebeurd, mijnheer? vroeg hij.

--Ik ben met de Taugwalders teruggekeerd.

"Hij begreep mij en barstte in tranen uit; maar zonder verder den
tijd met jammeren te verspillen, ging hij dadelijk heen om het gansche
dorp te wekken. Het duurde niet lang, of een twintigtal mannen hadden
zich gereed gemaakt om de hoogten van den Hohlicht te beklimmen,
die zich boven den gletscher van den Matterhorn verheffen. Na verloop
van zes uren keerden zij terug, en brachten ons de tijding dat zij de
lichamen onzer ongelukkige reisgezellen hadden gezien, onbewegelijk op
de sneeuw uitgestrekt. Het was Zaterdag; zij stelden ons dus voor,
des Zondagsavonds op weg te gaan, ten einde des Maandagsmorgens
vroeg het plateau van den gletscher te bereiken. Ik sprak daarover
met mijn landgenoot, den Rev. Cormick; en daar wij ook zelfs de meest
onwaarschijnlijke kans van behoud niet wilden veronachtzamen, besloten
wij reeds des Zondagsmorgens op weg te gaan. Maar geen van de gidsen
van Zermatt wilde met ons medegaan, omdat zij de vroegmis niet durfden
verzuimen. Voor meer dan één onder hen was dit een harde strijd;
Pieter Perrn verklaarde uitdrukkelijk, met tranen in de oogen, dat
dit de eenige reden was, waarom hij zich niet bij ons kon aansluiten
om zijne oude makkers te gaan opzoeken. Maar onze landgenooten
kwamen ons te hulp. De Rev. J. Robertson en de heer Phillpotts waren
bereid met ons te gaan, met hun gids Franz Andermatten; een andere
Engelschman stelde de gidsen Joseph Marie en Alexander Lockmatter te
onzer beschikking. Fredéric Payot en Jean Tairraz van Chamonix boden
zich ook aan als vrijwilligers om den tocht mede te maken.

"Wij vertrokken dus den 16den, des Zondagsmorgens vroeg, ten twee
uren, en volgden tot aan den Hörnli denzelfden weg, waarlangs wij den
vorigen Donderdag getogen waren. Van daar daalden wij rechts af, en
klommen toen omhoog tusschen de spitsen en naalden van den gletscher
van den Matterhorn. Ten half negen hadden wij het bovenste plateau
van den gletscher bereikt, en bevonden wij ons in het gezicht van de
noodlottige plek, waar de lijken onzer ongelukkige makkers moesten
liggen. Elke gids nam op zijn beurt den kijker, en reikte dien zwijgend
aan zijn buurman over, terwijl eene akelige bleekheid zijn gelaat
overtoog. Alle hoop was verloren. Wij traden naderbij. Daar lagen zij
op de sneeuw, in dezelfde volgorde, waarin zij naar beneden gegleden
waren. Croz een weinig naar voren; Hadow dicht bij hem; en vervolgens
op eenigen afstand daarachter Hudson; maar van lord Francis Douglas
was geen spoor te ontdekken: later vond men van hem slechts een paar
handschoenen, een gordel en een laars. Wij begroeven de lijken in de
sneeuw, op de plaats zelve waar wij ze gevonden hadden, aan den voet
der hoogste piramide van den majestueuzen berg der Alpen.

"Croz en de drie verongelukte toeristen waren aan elkander vastgebonden
geweest met het touw van Manille of met een ander even sterk touw; bij
gevolg was het zwakste touw alleen gebruikt om lord Francis Douglas
en den ouden Pieter Taugwalder aan elkander vast te binden. Dit feit
was zeer in het nadeel van Taugwalder; hoe kon men aannemen dat de
slachtoffers zelven genoegen hadden genomen met een touw, dat uit
het oogpunt der soliditeit zooveel te wenschen overliet, te meer
daar er nog ruim vijf-en-zeventig el van het beste touw in voorraad
was? Het was dus zeer te wenschen, dat dit punt tot helderheid werd
gebracht, en wel in het belang van den ouden gids zelven, die zich
in een onbesproken naam mocht verheugen. Zoodra ik mijne verklaring
had afgelegd voor eene commissie van onderzoek, door de kantonnale
regeering van Wallis ingesteld, reikte ik aan de leden dier commissie
een stuk over, waarop ik eene reeks vragen had geschreven, waardoor
den ouden Pieter Taugwalder de gelegenheid gegeven werd zijne onschuld
te bewijzen en de zware vermoedens, die op hem rustten, af te wenden.

"Inmiddels had de regeering bepaalden last gegeven dat de lijken
naar Zermatt moesten worden gebracht. Den 19den Juli begaven zich
mitsdien een-en-twintig gidsen van het dorp op weg om deze droevige
en tevens gevaarlijke taak te volbrengen. Bij het afdalen liepen zij
inderdaad groot gevaar: er scheelde weinig aan, of zij waren door
het instorten van een der spitsen van den gletscher onder de sneeuw
en het ijs bedolven. Ook zij vonden geen spoor van lord Douglas, die
ongetwijfeld op een of andere rotspunt was terecht gekomen en daar
blijven liggen. De stoffelijke overblijfsels van Hudson en Hadow werden
in het noordelijk gedeelte der kerk van Zermatt ter aarde besteld,
in tegenwoordigheid van eene talrijke en diep bewogen schare. Het
lichaam van Michel Croz werd aan de andere zijde der kerk begraven;
zijn eenvoudig grafteeken draagt eene inscriptie, waarin aan zijn
moed, zijne rechtschapenheid en zijne toewijding eene welverdiende
hulde wordt gebracht.

"De traditie, volgens welke de Mont-Cervin volstrekt onbeklimbaar
zou wezen, was dan gelogenstraft; andere legenden, op meer waarheid
gegrond, kwamen gaandeweg hare plaats innemen. Later reizigers zullen
op hun beurt beproeven, deze trotsche, ontzagwekkende rotswanden te
beklimmen: maar de geduchte berg zal voor geen der later komenden ook
maar van verre dat kunnen zijn, wat hij was voor hen, die het eerst
den voet op zijn top zetten. Anderen zullen die met ijs omschorste
kruin kunnen betreden; maar geen hunner zal de onbeschrijfelijke
gewaarwording gevoelen, welke de borst doorstroomde van hen, die voor
het eerst hun blikken lieten dwalen over dit wondervol panorama. Maar
vurig hoop ik, dat geen later reiziger de blijdschap der overwinning
aldus zal zien verkeeren in droefheid, de vroolijke juichtonen in
smartelijke wanhoopskreten!

"De Matterhorn heeft zich jegens ons een geducht en verbitterd vijand
getoond; langen tijd heeft hij al onze pogingen verijdeld; meer dan
eenmaal heeft hij ons gedwongen, beschaamd en verslagen terug te
keeren. Eindelijk, na eene overwinning, zoo gemakkelijk behaald als
wij ons niet hadden durven voorstellen, heeft de wreede berg, als een
ter aarde geworpen, maar niet vernietigde vijand, zijne nederlaag
schrikkelijk, bloedig gewroken. O, er lag een verpletterende koele
spotternij in de kalme, ontzaglijke majesteit, waarmede de granieten
reus zich hoog ten hemel hief, nadat hij de vermetele stervelingen,
die hem zijn geheim hadden ontrukt, in den afgrond had geslingerd!

"De dag zal eenmaal komen, waarop ook de Mont-Cervin zelf zal verdwenen
zijn; waarop een reuzige, vormelooze steenhoop de plaats zal aanwijzen,
waar de heerlijke berg stond. Atoom voor atoom, duim voor duim, el
voor el, zwicht hij, langzaam maar zeker, voor de onophoudelijke,
onverbiddelijke werking der eeuwige natuurwetten, waaraan niets
weerstand bieden kan. Die dag is nog verre, zéér verre verwijderd:
eeuwen en eeuwen zullen voorbijgaan, eer de zon zal opgaan over
de puinhoopen van den Matterhorn! En inmiddels zullen de volgende
geslachten vol bewondering hunne oogen opheffen naar dien berg, die,
wat de eigenaardige schoonheid van zijn vorm aangaat, geen gelijke
heeft onder de Alpen; zij zullen met ontzetting staren in zijne gapende
afgronden, met vasten voet zijne steile rotsen beklimmen. En niemand
dergenen, wien het geluk te beurt valt dezen berg te aanschouwen,
hoe hoog zijne verwachting ook gespannen moge zijn, zal ontevreden
huiswaarts keeren, omdat de werkelijkheid niet aan zijn ideaal
beantwoordde."


Herinneringen van den Stillen-Oceaan. [8]


I.

De archipel der Markiezen-eilanden.


I.

Het oogenblik van vertrek is gekomen: brommende en snuivende ontsnapt
de stoom, in zware zwarte wolken, uit de pijp: al de toebereidselen
zijn voltooid: alle man is op zijn post. Op het gegeven bevel wordt
het anker haastig opgehaald: het is geheel bedekt met dat vuile en
kleverige slijk, dat aan de reede van Callao (Peru) eigen is.

"Vooruit, zachtjes aan!"

De Vaudreuil wendt haar achtersteven naar de stad, die weldra uit
onze oogen verdwijnt.

Het is voor den zeeman altijd een moeilijk oogenblik,  als hij
een haven moet verlaten, waar hij lang genoeg heeft vertoefd om
met sommige personen vriendschapsbetrekkingen aan te knoopen. Wij
hadden verscheidene goede vrienden, hetzij te Callao, hetzij te Lima,
en vooral aan hunne welwillendheid hadden wij het te danken dat wij
aangename herinneringen medenamen van de voornaamste haven en van de
hoofdstad van Peru. Het zij mij vergund, hier nogmaals openlijk mijn
dank uit te spreken voor de vele genoegelijke uren, die wij met hen
hebben doorgebracht.

De lange reis door de archipels van Polynesië begon. Ik voor mij
was hartelijk verheugd, dat mij aldus eene uitmuntende gelegenheid
geboden werd om nader kennis te maken met deze nog zoo weinig bekende
streken. Ik had vóór dien tijd, in 1869, slechts eenige weken op
Tahiti vertoefd.

Den 1sten Mei, bij zonsondergang, zagen wij uit of wij land konden
ontdekken. Maar de duisternis, die tusschen de keerkringen zoo snel
invalt, noopte ons aldra onze nasporingen te staken. Eenige uren
later werden wij aan bakboord een vuur gewaar. "Dat is een schip,"
zeiden wij tot elkander; intusschen, toen wij nader kwamen, werd het
telkens duidelijker dat de sterke lichtglans, dien wij aanschouwden,
het gevolg was van een geweldigen brand. Uit den blakenden gloed
stijgen reusachtige vlammen, wier roode tongen zich kronkelend in
de lucht verheffen: te midden der diepe nachtelijke duisternis en
storelooze stilte, is de aanblik van dezen verren brand aangrijpend
schoon; die bewegelijke roode plek, daar aan den zwarten horizon, maakt
een zonderlingen, spookachtigen indruk. Volgens onze waarnemingen,
moet de brand woeden op de hoogten van kaap Balguerie, ten oosten van
het eiland Hiwa-Oa. Wij richten onzen koers naar die vreemdsoortige
vuurbaak,  die waarschijnlijk door de onvoorzichtigheid van een
of anderen Kanak is ontvlamd; en den geheelen nacht varen wij met
volle zeilen door het breede en lange kanaal, dat de zuidoostelijke
eilandengroep van de noordwestelijke scheidt.

Met het aanbreken van den dag is de zuidelijke kust van het eiland
Oea-Oeka in het gezicht. De hooge bergen van het naburige eiland
Noekoe-Hiwa, het doel van onzen tocht, teekenen zich in flauwe
omtrekken aan den horizon. Wij varen dicht voorbij kaap Saint-Martin
(bij de inlanders, Tikapo geheeten), die de zuidoostelijke punt van
Noekoe-Hiwa vormt. De kaap levert een zeer schilderachtigen aanblik op:
zij eindigt in een hoog, rotsachtig, naakt voorgebergte, dat bijna
loodrecht uit zee opstijgt; boven op de zware, sombere rotsmassa
verheft zich een reusachtig, vierkant steenblok, dat veel op een
omgestorten gothischen toren gelijkt. Naarmate wij verder doorvaren,
neemt dit kolossale steenblok telkens eene andere gedaante aan;
op het oogenblik als de donkere massa op het punt staat van weg te
zinken achter de hooge kust, vertoont het zich als een reusachtige
vinger, waarschuwend opgeheven boven de zee, wier golven in wolken
schuim tegen den voet der hooge kaap uiteen spatten.

De zuidelijke kust van Noekoe-Hiwa verheft zich loodrecht uit de baren;
van tijd tot tijd vertoonen zich groote, zonderling gevormde rotsen aan
den rand der wateren. Een dezer rotsen doet u denken aan een kolossaal
beeld van de Moedermaagd, het kind Jezus in de armen houdende.

Ziet daar de Schildwachten, twee groote eilandjes, die de baai van
Taio-Hae insluiten: wij hebben den eindpaal bereikt. De Vaudreuil,
die zijne zeilen heeft gereefd en alleen nog van zijn stoom gebruik
maakt, vaart tusschen deze twee natuurlijke bakens door, en spoedt
zich naar de ankerplaats.

Het land, dat wij sedert den ochtend in het gezicht hadden, had op
mij een indruk van majestueuzen ernst, maar nog meer van sombere,
akelige dorheid en verlatenheid gemaakt; doch, zoodra wij de baai
binnenstoomden, veranderde het tooneel. De steile rotshoogten, die den
ingang omzoomen, sluiten zich aan eene hooge bergketen, wier statig
en grootsch amphitheater eene prachtige omlijsting om de ruime haven
vormt. Het opmerkelijkste punt van deze bergketen is de Moea-Ke,
een groote, loodrechte bazaltkegel, waarvan het bovenste gedeelte
van twee openingen, niet ongelijk aan reusachtige schietgaten,
is voorzien. Onze blikken, vermoeid van het staren op de sombere,
rotsige kust, slechts hier en daar de armelijke sporen van schralen
plantengroei vertoonende, rusten nu met welgevallen op eene bloeiende
vlakte, van waar onderscheidene valleien, vol weelderig groen, naar
het binnenland uitgaan.

De rots Toehiwa verdeelt het strand in twee ongelijke deelen. Boven
op die rots liggen de ruïnen van het fort Collet, eene herinnering
uit de eerste tijden der fransche bezetting. Het dorp volgt eerst
den oever der zee, ten westen van het fort Collet, en verspreidt zich
dan vrij ver weg in de voornaamste vallei landwaarts in.

Hier woont de fransche resident, die in den archipel de regeering
vertegenwoordigt. Hij staat onder de bevelen van den kommandant der
fransche nederzettingen in Oceanië, aan wien hij geregeld verslag moet
doen van zijn bestuur en van alle bijzonderheden van eenig belang. Hij
ontvangt het leggeld in de baai (vijftig francs per schip), zorgt
voor de handhaving van het havenreglement, van de verordeningen op
het loodswezen, op de deserteurs, enz. enz. Eene kleine afdeeling
gendarmerie is belast met de zorg voor de policie in het algemeen;
maar, als weggeloopen matrozen moeten worden nagejaagd en gegrepen,
moet men bijna altijd de hulp der inlanders inroepen. Zij krijgen
daarvoor een premie van vijftig francs voor iederen gevangen deserteur;
welke som dan vergoed wordt door den gezagvoerder van het schip,
waartoe de weggeloopen manschappen behooren. Als de deserteurs eerst
na het vertrek van hun schip weder gevangen worden, komt de premie
ten laste van het gouvernement; de manschappen worden dan naar
Tahiti gezonden. Men heeft wel strenge maatregelen moeten nemen,
om te voorkomen dat het eiland niet door vagebonden werd bevolkt.

De resident der Markiezen-eilanden vervult ook de functiën van
vrederechter. In ernstige gevallen zendt hij de beschuldigden naar
Tahiti, om door de fransche rechtbank te Papeete geoordeeld te
worden. De plaatselijke reglementen zijn voor het meerendeel naar
die van het moederland gevolgd, natuurlijk gewijzigd in verband met
het karakter der inboorlingen. De zeer zwakke afdeeling gendarmerie,
waarover de resident beschikken kan, is toch geheel voldoende om orde
en rust te handhaven in de baai van Taio-Hae, waar de inboorlingen
aan den omgang met vreemden gewoon zijn en geleerd hebben, zich aan
onze policie-maatregelen te onderwerpen.

Op de andere eilanden berust het oppergezag bij de inlandsche
hoofden. De valleien alleen zijn bewoond; want zelden zullen
de inboorlingen, uit eigen beweging, hunne hutten aan het strand
bouwen. De veelvuldige bezoeken, die de oorlogschepen van de divisie
van den Stillen-oceaan en die van het station te Tahiti, in geheel
den archipel brengen, oefenen op de bewegelijke en voor indrukken zoo
licht vatbare gemoederen der bevolking een zeer gunstigen invloed uit.

De woning van den resident, waarop de fransche vlag wappert, staat
bij den kleinen zandigen inham ten oosten van het fort Collet. Op
deze zelfde plaats had de amerikaansche commodore Porter, in October
1818, het kleine kamp opgeslagen, waaraan hij den blufferigen naam
van Madisonville gaf.

Ik brandde van ongeduld om aan land te gaan, en mijne makkers
verlangden niet minder dan ik naar den vasten grond. Zoodra dan ook
de vergunning gegeven is om aan wal te gaan, haast zich iedereen om
daarvan gebruik te maken. Het doel onzer wandeling was ons van zelf
aangewezen: wij zouden ons gaan baden in de beek ten westen van het
dorp. Na eenige inlichtingen te hebben ingewonnen van den havenmeester,
die juist aan boord komt, nemen wij plaats in onze sloep. Onderweg
komen wij onderscheidene, met vruchten geladen prauwen tegen, die
zich naar de Vaudreuil spoeden.

De landing is niet gemakkelijk: er gaat in de baai eene vrij hevige
branding, en de ondiepte maakt het voor onze sloep onmogelijk het
strand te naderen: er blijft nog eene ruimte over van omstreeks
twintig el. Onze matrozen zijn gereed ons op hun schouders naar het
land te dragen, maar wij weten ons zelven te helpen. De schoenen
worden uitgetrokken, de pantalons zoo hoog mogelijk opgeslagen, en
lachende en schertsende loopen wij voort over den zandigen bodem,
achtervolgd door de golven, wier schuim onzen rug bespat. Eenige
inlanders, onder de boomen langs den weg gezeten, komen naderbij om
de nieuw aangekomen vreemdelingen te bekijken; natuurlijk vormen de
vrouwen onder deze nieuwsgierigen de meerderheid.

De heer M..., schrijver bij de marine, die vlak bij het strand,
in de voormalige kerk van Taio-Hae woont, komt ons verwelkomen. In
dergelijke omstandigheden is de kennis spoedig gemaakt; onze nieuwe
vriend verklaart zich bereid, ons in alles, waarin wij hem noodig
konden hebben, van dienst te zijn. Wij hebben voorloopig geene andere
begeerte, dan dat hij ons eene plaats aanwijst, waar wij voegzaam
kunnen baden. Hij biedt zich aan om met ons te gaan.

Wij volgen een fraai belommerden weg, die langs den oever der baai
loopt. De huizen van het dorp, die op het strand uitzien, staan langs
dien weg verspreid. Wij gaan voorbij eenige winkels, die bijna allen
aan vreemdelingen, vooral aan Amerikanen, toebehooren, en waarvan
sommigen zeer goed voorzien zijn. De koopers vinden op de toonbank
altijd eene pijp voor hen gereed liggen, en de inlanders verzuimen
nooit van die kostelooze gelegenheid tot rooken gebruik te maken,
ook al laat de pijp, uit hot oogpunt van zindelijkheid, wel te
wenschen over.

De weg verlaat het strand en wendt zich rechts naar de vallei. Dicht
bij dien hoek wijst onze gids ons een reusachtigen boom, een
zoogenaamden aoa of indischen vijgeboom (ficus indica). De hoofdstam,
uit zware dooreengeslingerde kleinere stammen bestaande, heeft een
omtrek van bijna dertig el; tot op dertien el hoogte behoudt hij
dezelfde afmetingen, maar dan verdeelt hij zich in een twaalftal
geweldige, horizontaal gestrekte takken, die met hun lommer een
oppervlakte van honderd el in doorsnede bedekken. Wij vertoeven eenige
oogenblikken onder de verkwikkelijk koele schaduw van dezen koning
der bosschen. In den tuin der zusters van Saint-Joseph de Cluny te
Taio-Hae, bevindt zich een tweede, zeer merkwaardig exemplaar van
dezen boom.

Wij vervolgen onzen weg en betreden de vallei van Vaitoe, die zich
voor ons opent. Eene beek, die zeer gemakkelijk doorwaadbaar is,
vormt, dicht bij het strand, een vrij groote waterkom. Op weg komen
wij langs eenige hutten van inlanders, waarin wij, naar lands gebruik,
onbeschroomd binnen treden. De bouw dezer woningen is hoogst eenvoudig:
aan de hoeken vier palen, in den grond gestoken boven een soort van
platform, paepae genoemd en uit groote platte steenen samengesteld;
aan het boveneinde dier palen zijn gaten gemaakt, waarin de dunne
en buigzame kokosstammen zijn bevestigd, die het onderstel van het
dak vormen; het achterste gedeelte van de woning ligt hooger dan het
voorste. Op de palen en op de kokosstammen worden lichte dwarsbalken
gelegd, die met touwen van kokosvezelen stevig worden vastgebonden;
de tusschenruimte wordt met bamboes aangevuld, waardoor de lucht
echter vrijelijk spelen kan. Tot verdere voltooiing van het dak,
worden lange stokken omwonden met kokos- en palmbladen, en vervolgens
op het houtwerk gelegd, zoodat de bladeren der opvolgende lagen over
elkander heenvallen. Het dak steekt een weinig buiten de wanden der
woning uit, en beschermt haar volkomen tegen den regen.

De weg stijgt onophoudelijk, maar is niet meer zoo effen als
straks. Wij komen bij een heuvel, met katoenvelden bedekt.

"Wilt gij de Chineezen zien? vraagt onze gids.

--Zijn hier dan Chineezen?

--Ja; zij arbeiden op de plantage, waarop wij ons nu bevinden. Zoo
gij het wilt, kunnen wij een kijkje gaan nemen in hunne woning,
die vrij wat beter is ingericht dan de hutten der inlanders."

Het uitwendig voorkomen der woning bevestigt reeds ten volle de
juistheid dezer opmerking. Wij treden eene ruime zaal binnen, die de
breedte heeft van den geheelen voorgevel; kleine, met matten behangen
kamertjes komen in deze zaal uit. Onze aandacht wordt getrokken
door eenige vrouwenkleederen, en wij vernemen dat de zonen van het
Hemelsche Rijk met de dochters des lands tijdelijke verbindtenissen
hebben aangeknoopt. Hun opperhoofd, ook een Chinees, opzichter der
plantage, vervult tevens de functiën van kok bij den resident. Deze
Chineezen hebben het voornemen opgevat om een grooten winkel of
bazar to openen, waarvoor zij hunne opgespaarde penningen zullen
gebruiken. Het kleine gemeenschappelijke kapitaal wordt te dien einde
toevertrouwd aan een hunner, die te San-Francisco, waar het aantal
hunner landgenooten zeer aanzienlijk is, de noodige inkoopen moet gaan
doen en handelsbetrekkingen aanknoopen. Trouwens bijna overal langs
de kusten van den Stillen-oceaan ontmoet men die kleine, vlugge,
geelachtige mannen, geschikt voor de uitoefening van elk beroep en
elk bedrijf; die bij duizenden hun land verlaten om door onvermoeide
vlijt en strenge spaarzaamheid een klein kapitaal bijeen te brengen,
hetgeen hun maar zelden mislukt: want zij bezitten een verwonderlijk
talent voor al wat met handel in betrekking staat, on zijn ook niet
al te kieskeurig in de keuze der middelen.

Onze chineesche gasten ontvangen ons zeer vriendelijk en leiden ons
door hunne woning rond. Een hunner, een man van zekeren leeftijd,
met een rensachtigen bril op zijn neus, verstaat en spreekt een
weinig engelsch. In een hoek van de groote zaal brandt eene lamp
op een altaar, dat, evenals de muur in de nabijheid, behangen is
met veelkleurig papier, waarop zonderlinge letters zijn gedrukt of
geschilderd. De gebrilde Chinees deelt ons mede, dat dit altaar ter
eere hunner goden is opgericht.

Eenige minuten later waren wij aan den oever der beek, en begaven ons
onmiddellijk te water; de plaats is niet aangenaam voor een bad; er
is geen handbreed schaduw; het zeer ondiepe water is geheel verwarmd
door de blakerende zon. Er zijn twee kleine kommen, die door een
miniatuur-waterval met elkander in gemeenschap staan; als men zich
op den rotsigen bodem nederzet, reikt het water niet hooger dan tot
de borst. Al zeer spoedig hadden wij genoeg van ons bad, en maakten
wij ons gereed om terug te keeren. De heer M.... dringt er op aan,
dat wij ons zoo spoedig mogelijk zullen aankleeden.

"Anders zult gij tot uwe eigene schade leeren, hoe gevaarlijk het is,
ongekleed buiten het water te blijven.

--Is er dan vrees voor een zonnesteek?

--Dat juist niet. Maar de nono zal u builen bezorgen,  en als ge
die krabt, dan worden die builen tot open wonden, die u onlijdelijke
pijn zullen veroorzaken,  en die niet dan met moeite en zeer langzaam
genezen."

Deze nono (de sandfly der Engelschen) is eene zeer kleine vlieg, die
des morgens bij het aanbreken van den dag geboren wordt, en bij het
vallen van den avond weer sterft. Als de doorschijnende buik dezer
vlieg met bloed gevuld is, schittert zij, wanneer men haar tegen de
zon houdt, als een robijn. Dit afschuwelijk insekt plaatst zich op de
huid, en zuigt u het bloed af, echter zonder te steken, zooals bij
voorbeeld de muskieten. Ge bemerkt eerst naderhand haar bezoek, als
zich de builen vertoonen. die ondragelijk jeuken. Men beweert dat deze
vlieg door schepen is aangevoerd, en dat zij uitsluitend op Noekoe-Hiwa
en op het naburig eiland Oea-Poe wordt aangetroffen. Overigens zijn
er in den archipel geen gevaarlijke dieren, met uitzondering van
de afzichtelijke duizendpooten, waarvan de daken wemelen; maar die
griezelige dieren doen zeer zelden iemand kwaad.

Wij keeren naar de landingsplaats terug. Onderweg ontmoeten wij
Mgr. Dordillon, bisschop van Cambysopolis, apostolisch vicaris der
Markiezen-eilanden, die onzen groet met groote vriendelijkheid
beantwoordt. De sloep ligt gereed om ons naar boord terug te
brengen. De inscheping gaat al even bezwaarlijk als de landing.

Op het schip vinden wij vijf of zes eilanders, die vruchten te koop
aanbieden. Een hunner, een reus van athletische vormen, verstaat een
weinig fransch. Ik vraag hem, wat hij is komen doen.

"Verkoopen kokos, bananen en pataten, antwoordt hij.

--Ligt uwe hut ver van het strand?

--Neen. Als gij wilt komen bij mij van avond, ik zal u ontvangen met
vreugd. Zal voor u laten dansen."

Na overleg met eenigen mijner kameraden, wordt besloten dat wij de
uitnoodiging van Paumea--zoo heette onze aanstaande gastheer--zullen
aannemen. Ik zeg hem dat wij na afloop van het middagmaal bij hem
zullen komen, als hij ons aan de landingsplaats wil afwachten. Hij
zegt dat hij op ons wachten zal, en ons met zijne prauw, die langs
het schip gemeerd ligt, naar land zal roeien.

Paumea heeft twee zoons, prachtige knapen, die met zeer veel
behendigheid de pagaaien hanteeren. In eenige minuten hebben wij het
strand bereikt. Hoewel dit nu niet meer noodig is, nemen de kloeke
eilanders ons op hunne sterke schouderen, en dragen ons als kinderen
over het door de zee overspoelde strand naar den drogen oever.

Wij volgen denzelfden weg van straks. Het weder is verrukkelijk; de
maan werpt haar licht door de groote boomen, die den weg overschaduwen;
haar zilveren stralen doen de bevallige bladerkronen der kokospalmen
schitteren, en werpen breede schaduwen in het bosch. Voor de verlichte
winkels van het dorp staan een aantal inboorlingen, mannen en vrouwen,
te kijken. In de vallei schittert hier en daar een licht; bij onze
nadering beginnen de honden woedend te blaffen.

De woning van Paumea is ruim en goed ingericht; de voorzijde is geheel
open; het dak rust op palen. Tegen den achterwand heeft men, met een
tusschenruimte van omstreeks een el twintig duim, twee boomstammen op
den grond gelegd; de ruimte daartusschen is met matten bedekt. Dit
is het bed, waar men zeer gemakkelijk slaapt, het hoofd rustende op
den eenen stam en de voeten op den anderen.

Er zijn veel gasten bijeen; de mutoi,  inlandsche commissaris
van policie, van Taio-Hae, een bloedverwant van Paumea, komt
ons plechtstatig begroeten, blijkbaar zeer trotsch op zijn
korporaalstrepen. In een oogwenk hebben onze gidsen zich ontdaan van
hunne zoogenaamde europeesche kleeding; zij zijn nu enkel bekleed
met de pareu, een lap, die om de lendenen gewonden wordt en als een
vrouwenrok tot over de knieën afhangt. Al die mannen munten uit
door prachtigen lichaamsbouw: zij zouden zonder uitzondering een
beeldhouwer tot model kunnen dienen. Nu zij zich van hunne kleeding
ontdaan  hebben, maak ik van de gelegenheid gebruik om het tatouëersel,
waarmede hunne lichamen bedekt zijn, van nabij te bezien. Sommigen
zijn zoo geheel overdekt met cirkels, lijnen, figuren, dat men bijna
zou wanen dat zij eene wapenrusting dragen. Vroeger was het tatouëeren
veel eenvoudiger dan thans, en bestond, vooral in het gelaat, slechts
uit rechte lijnen, die elkander ruitvormig kruisten; tegenwoordig
zijn daar allerlei figuren, zooals breede horizontale strepen,
voor in de plaats gekomen. De vrouwen zijn over het algemeen weinig
getatouëerd, enkelen zelfs in het geheel niet. De meesten vertoonen
aan de lippen enkele kleine, rechtopstaande lijnen, hetgeen niet
onbevallig staat. Sommige Kanaks oefenen het tatouëeren als bedrijf
uit. De operatie geschiedt met een soort van uitgetande schaar van
vischgraat, die aan een stokje bevestigd is, en waarop met een houten
hamertje geslagen wordt. De scherpe punten van het instrument worden
in een blauwachtig vocht gedoopt, uit plantaardige zelfstandigheden
bereid. De patiënt, wiens trekken van hevige smart getuigen, wordt
door drie of vier personen vastgehouden. De pijn is zoo heftig, dat de
operatie slechts gedurende zekeren tijd kan worden voortgezet, en dan
moet worden gestaakt. De zendelingen zijn er nog niet in geslaagd,
het tatouëeren af te schaffen. De kinderen, die onder hunne hoede
gebleven zijn, verlaten hen toch als het oogenblik gekomen is, waarop
zij deze traditioneele teekenen der manbaarheid moeten ontvangen.

De avondmaaltijd wordt gereed gemaakt. Paumea heeft aan boord van de
Vandreuil levensmiddelen gekocht, zoodat hij zijn gasten een feestelijk
onthaal bereiden kan.

Het hoofdbestanddeel van de gewone voeding der eilanders is de popoi,
een geelachtige koek, die van de vrucht van den mei (broodboom,
artocarpus incisa) gemaakt wordt. Als zij van versche vruchten bereid
is, heeft de popoi een zoetachtigen smaak; als de vruchten eenigen
tijd gestaan hebben, wordt de smaak eenigszins bitter. De bereiding
van de popoi geschiedt op de volgende wijze: de vruchten worden op
een vuur gelegd,  dat voortdurend brandende wordt gehouden; uit de
schors stijgt een dikke rook op. De pit, te hard om gegeten te worden,
en de verbrande schil worden verwijderd; de geelachtige, kneedbare,
sponsachtige vrucht, die een flauwen smaak heeft, wordt daarna in een
houten bak of kuip gelegd en met een houten of steenen stamper tot deeg
gekneed, waarna dit deeg, in ronde gaten van meer dan een el diep,
in den grond begraven wordt. De wanden dezer kuilen zijn met breede
banaanbladeren bekleed, om de aanraking met den grond te beletten. Als
de kuil vol is, wordt hij met aarde en steenen bedekt; op die wijze
blijft de popoi goed bewaard; van tijd tot tijd wordt dan de noodige
hoeveelheid voor het gebruik er afgenomen. Het deeg wordt dan in een
houten schotel gedaan, met een weinig water aangelengd en tot een soort
van koek gekneed. Deze bewerking is aan de vrouw van Paumea opgedragen.

De vloermat dient als tafel; de toebereidselen tot den maaltijd
zijn afgeloopen; wij worden uitgenoodigd, plaats te nemen. Wij
verontschuldigen ons met te zeggen,  dat wij zoo pas gegeten hebben;
wij durven niet zeggen dat het klaarmaken van de popoi, waarvan wij
getuigen waren, onzen eetlust nu juist geprikkeld heeft. Toch dringt
ons de nieuwsgierigheid om even te proeven van deze spijs, die niet
onaangenaam smaakt.

Inmiddels hebben zich de andere gasten nedergezet om den schotel,
waarin de popoi is; ieder steekt de hand in dien schotel, en brengt
daarmede de weeke spijs naar den mond. Uitgeholde kokosnoten, met
water gevuld, vervangen de plaats van karaffen. Het maal is spoedig
afgeloopen. De Kanaks hebben doorgaans grooten eetlust, en daar hunne
spijzen, bijna altijd van plantaardige natuur, niet bijzonder voedzaam
zijn, moeten zij groote hoeveelheden voedsel tot zich nemen.

Een voornaam bestanddeel der voeding is ook de visch, dien de
inboorlingen bijna altijd rauw eten. Hunne meest geliefkoosde spijs
is de haua, eene soort van groote rog (in het engelsch devil-fish) en
de haai; zij laten deze visschen dikwijls eerst een dag of veertien
liggen en tot verrotting overgaan. In de nabijheid der baaien en
inhammen worden eene menigte haaien gevonden;  de inlanders vangen
die visschen met een lijn of met de harpoen. Dikwijls laten zij, om
de haaien te lokken, hun arm of hun been buiten hun vaartuig in het
water hangen, terwijl zij met de andere hand een strop gereed houden,
dien zij met groote behendigheid om het zeemonster werpen, dat zij
vervolgens harpoeneeren. Zij loopen zoodoende wel gevaar om gebeten
te worden, maar toch gebeurt er zelden een ongeluk van ernstigen
aard. Als zij met de lijn op de haaienvangst uitgaan, voorzien zij
het boveneinde van den haak van twee kruislings geplaatste ijzeren
bouten, om te beletten dat de haai het touw doorbijt.

Na afloop van den maaltijd worden de pijpen aangestoken;  de eene
gast reikt de pijp aan den anderen over, die ze op zijne beurt aan
de lippen brengt. Eene der vrouwen gaat inmiddels heen om eenigen
van hare vriendinnen,  die in de buurt wonen, te halen. Paumea had
ons een dans beloofd: die zou nu vertoond worden.

In twee rijen tegenover elkander geschaard, voeren de dansers,
in goede harmonie, verschillende passen uit; zij akkompagneeren
zich zelven met een rythmisch maatgezang, waarbij nu en dan in de
handen geklapt wordt. Zij schenen veel schik in dit spel te hebben,
dat zij, met telkens nieuwe afwisselingen, op ons verzoek eenige
malen herhaalden. Eindelijk werd dit schouwspel, hoe eigenaardig ook,
toch eentonig, en ondanks den aandrang van Paumea, die wilde dat wij
nog blijven zouden, namen wij afscheid van onze nieuwe kennissen,
met de belofte dat wij terug zouden komen.

De oudste zoon van onzen gastheer deed ons uitgeleide tot aan het
begin van het dorp. De weinige winkels van Taio-Hae werden gesloten,
en te midden der diepste stilte keerden wij terug naar de sloep, die
ons naar boord moest brengen. Nog langen tijd bleef ik op het dek, en
liet mijne oogen dwalen over het kalme rustige landschap daar vóór mij:
de baai, het strand, de valleien, de hooge bergen op den achtergrond,
alles overgoten met het zilveren licht der maan, statig drijvende aan
den diep blauwen hemel, nu en dan door een half doorschijnend wolkje
onderschept. De gansche natuur om mij heen ademde onverstoorbaren
vrede, heilige kalmte, alsof er op aarde nimmer strijd ware geweest....

De commerciëele of politieke beteekenis van dezen archipel is, althans
op dit oogenblik, niet van veel gewicht. In den eersten tijd onzer
vestiging op de Markiezen-eilanden, stonden de beide groepen van
het zuidoosten en het noordwesten ieder onder haar eigen kommandant;
te Vaitahoe en te Taio-Hae waren door de soldaten van het garnizoen
niet onbelangrijke werken van openbaar nut aangevangen. De archipel,
door de wet van 8 Juni 1850 tot verbanningsoord voor politieke
veroordeelden aangewezen, is te klein en te weinig vruchtbaar om
ooit een belangrijk maritiem of koloniaal station te kunnen worden;
ook de geographische ligging is daarvoor niet gunstig. De handel, die
er nog gedreven wordt, is beperkt tot Taio-Hae, waar eenige engelsche
en amerikaansche kooplieden kleine handelshuizen gesticht hebben.

De bevolking van Taio-Hae is niet talrijk; de aanraking met de
Europeanen en de invloed der zendelingen hebben de inwoners voor een
groot deel van hunne voorvaderlijke gewoonten vervreemd. Vroeger
was de bevolking waarschijnlijk veel talrijker, zooals blijkt uit
de bouwvallen van woningen, die in thans geheel onbewoonde valleien
worden aangetroffen.

De totale bevolking van den archipel wordt bij benadering op
twaalfduizend zielen geschat. Het eiland Hiwa-Oa is het meest
bevolkt: het telt zesduizend inwoners. Daarop volgt Noekoe-Hiwa, met
tweeduizend-zevenhonderd; dan Oea-Poe, met duizend-tweehonderd-twintig;
Fatoe-Hiwa, met duizend; Tauata, met zeshonderd-dertig, en Oea-Oeka,
met vierhonderd-vijftig inwoners.

De groote hongersnood, die voor ruim eene halve eeuw de Markiezen
en de andere eilanden in den Stillen-oceaan teisterde en allerlei
ziekten in het leven riep, heeft ongetwijfeld sterk bijgedragen
tot de vermindering der bevolking. Nog leven er grijsaards, die de
herinnering aan deze vreeselijke dagen, waarin men, door den uitersten
nood geperst, elkander verslond, niet verloren hebben.

In den namiddag gingen wij een bezoek brengen aan den resident, die des
morgens eene visite had gemaakt aan boord van ons schip. Hij bezit eene
zeer volledige verzameling van wapens, krijgsgewaden en gereedschappen
der inboorlingen. Het merkwaardigste stuk dezer verzameling is wel
een zeer ruw bewerkt houten beeld van den god Tiki, de meest vereerde
godheid in de nog heidensche streken van den archipel. Het beeld
stelt eene monsterachtige menschelijke gedaante voor, met ontzaglijk
groote oogen en mond, gebogen beenen en de ellebogen tegen het lijf
geklemd. De resident toonde ons eenige brokken van datzelfde beeld,
in zeer harden rooden steen gehouwen, en slechts eenige duimen
lang. Hij bezit ook halssnoeren van bruinvischtanden, vischhaken van
parelmoer, ter lengte van een palm, en vele andere curiositeiten. Die
verzameling is des te merkwaardiger, omdat het steeds moeielijker,
om niet te zeggen onmogelijk, wordt, zulk eene collectie bijeen te
brengen. Na de komst en de vestiging der  Europeanen toch hebben de
inlanders hunne oude, oorspronkelijke industrie laten varen. Zij
geven de voorkeur aan een geweer boven hunne voormalige knodsen;
in de plaats van prauwen bedienen zij zich van groote sloepen, die
te Taio-Hae worden gebouwd, of die zij van de schepen, welke op de
walvischvangst uitgaan en de eilanden aandoen, koopen.


II.

Ons eerste verblijf in den archipel was van zeer korten duur. Eenige
maanden later keerden wij naar Taio-Hae terug, van waar uit
wij een langdurigen kruistocht naar de verschillende eilanden
ondernamen. Het verhaal van dezen tocht blijft voor de volgende
hoofdstukken bewaard. Maar vooraf zij het vergund, in enkele woorden
een overzicht te geven van de geschiedenis van dezen archipel.

Toen, in 1842, de schout-bij-nacht du Petit-Thouars de
Markiezen-eilanden in bezit nam, werd de algemeene belangstelling
in Frankrijk zeer geprikkeld door hetgeen men van deze onbekende
eilanden verhaalde. Naar men zeide, verkeerde de bevolking nog in
geheel oorspronkelijken, eigenaardigen toestand, en had zij nog niets
overgenomen van de europeesche gewoonten van de bemanning der schepen,
die deze eilanden hadden bezocht: een feit des te opmerkelijker, omdat
andere eilandengroepen in den Stillen-oceaan, zooals bij voorbeeld de
Gezelschaps- en de Sandwich-eilanden, werden gezegd met zoo verrassende
snelheid op de baan der moderne beschaving vooruit te streven. Het
voorkomen der eilanders, dat zeker voor wien er niet aan gewoon is
weinig aantrekkelijks heeft; de groote terughoudendheid dezer lieden;
de weinige hulpbronnen, die de eilanden zelven aanbieden: dit alles
droeg zeker bij om deze eilandengroep zoolang vergeten en onbekend
te doen blijven. Enkele walvischvaarders, meest allen uit Amerika
afkomstig,  deden nu en dan wel de eilanden aan, om zich van brandhout
en drinkwater te voorzien; maar van de gezagvoerders der schepen
waren weinig of geen inlichtingen te bekomen. Het was hun slechts te
doen, om hetgeen zij noodig hadden op de goedkoopst mogelijke manier
te verkrijgen: zij bekommerden zich niet om de zeden en gewoonten
der bewoners en de natuurlijke voortbrengselen van den bodem. Daar
bovendien deze gezagvoerders, in hunne verhouding tot de inlanders,
volstrekt niet altijd de eenvoudigste regelen van rechtvaardigheid
en menschelijkheid in acht namen, ontstonden er meermalen gevechten,
en hadden er moorden en gewelddadigheden plaats, die niet weinig
bijdroegen om deze eilanders in zeer slechten roep te brengen.

En toch--toen Alvaro Mendana de Neira, op den 21sten Juli 1595, de
eilanden in het zuidoosten van den archipel ontdekte, en voor het
eiland Tauata, door hem Santa-Cristina genoemd, het anker uitwierp
in de baai, waaraan hij den naam van Moeder-Godshaven schonk;--toen
kon hij niet dan met lof getuigen van de wijze, waarop hij door de
inlanders ontvangen werd.

De Markiezen-eilanden zonken daarop weer in de vergetelheid terug, tot
dat Cook ze in 1774 op nieuw ontdekte en het anker uitwierp in dezelfde
baai Vaitahoe, waarvan de portugeesche naam sinds lang vergeten
was. Ook de engelsche zeevaarder werd met groote vriendelijkheid
door de inlanders ontvangen: de Markiezen-eilanden waren een der
weinige plaatsen in den Stillen-oceaan, waar zijne verschijning niet
door bloed werd geteekend. Die geduchte gezagvoerder, die toch zeer
dikwijls om zijne zachtaardigheid en menschelijkheid werd geroemd,
liet zelden eene gelegenheid voorbij gaan om gebruik te maken van de
vreeselijke wapenen, waarover hij beschikken kon: waarschijnlijk om
daardoor de inlanders een heilzamen schrik in te boezemen en grooter
ongelukken te voorkomen.

In 1791 ontdekte de amerikaansche kapitein Ingraham, gezagvoerder
op de Hope, van Boston, de eilanden van de noordwestelijke groep,
waaraan hij namen gaf. Een maand later verscheen de Franschman Etienne
Marchand, die het bevel voerde op de brik de Solide, van Marseille,
door het huis Baux uitgerust, om aan de noordwestkust van Amerika in
pelterijen te gaan handelen.

Marchand stelde zich in betrekking met de inwoners van Vaieo, waaraan
hij den naam gaf van baai du Bon-Accueil, en nam, op den 22sten Juni
1791, in naam van Frankrijk, bezit van dit eiland, en van een ander
grooter eiland, dat hij meer noordwaarts bespeurde.

In de maand Maart 1792, wierp de luitenant Hergest, kommandant van
de Dedalus, die levensmiddelen en ammunitie moest gaan brengen aan
de engelsche expeditie onder bevel van Vancouver, het anker uit bij
Vaitahoe. In het begin van Februari 1793 keerde hij in de baai van
Taio-Hae, waar hij uitstekend was ontvangen geworden, terug.

Eenige maanden later vertoonde ook de amerikaansche vlag zich voor
deze eilanden: de koopvaardij-kapitein Roberts vertoefde gedurende
vier maanden, met zijn schip de Jefferson, in de haven van Vaitahoe.

Ingraham en Marchand, in 1791, vervolgens Hergest, en eindelijk
Roberts, hadden, ieder op hun beurt, andere namen gegeven aan deze
eilanden, die toch reeds van de inwoners zelven hunne door den tijd
gewijde namen hadden ontvangen. Daar echter deze, thans algemeen
aangenomen, inlandsche namen op zeer verschillende wijze worden
uitgesproken en geschreven, is het dikwijls nog moeilijk verwarring
te voorkomen.

Omstreeks dien tijd werd deze archipel meer en meer door schepen
bezocht. In Juni 1797 verscheen in de haven van Vaitahoe een
schip, met gansch andere bestemming dan de koopvaardijschepen
of walvischvaarders,  die er gewoonlijk binnen vielen. Dit was de
Duff, door het zendelingsgenootschap van Londen uitgerust, om dertig
protestantsche zendelingen naar de verschillende eilandengroepen van
Oceanië te brengen. Te Vaitahoe liet de Duff den eerwaarden William
Pascoe Crook achter. Daar bevond zich nog een Europeaan op dat eiland:
een italiaansch matroos, die van een koopvaardijschip was gedeserteerd,
en die zich een grooten invloed had weten te verwerven, dank vooral
een geweer, dat hij, benevens kruit en kogels, van zijn schip had mede
genomen. Dit wapen gaf hem een onbetwist overwicht over de hoofden,
die hij aanvuurde tot onderlingen krijg, om zijne eigene macht te
vergrooten. Ook tegen de bewoners der naburige eilanden werden,
op zijne aansporingen, moorddadige krijgstochten ondernomen; voor
geen misdaad deinsde deze ellendeling terug. Het spreekt wel van
zelf dat hij een doodelijken haat koesterde tegen den heer Crook,
die zijne plannen doorzag en zooveel mogelijk tegenwerkte. De brave
zendeling zou als het slachtoffer van dezen booswicht gevallen zijn,
indien hij zich niet bij tijds had kunnen redden aan boord van een
engelsch vaartuig, dat in de haven verscheen.

Na eenige vergeefsche pogingen om zich op Noekoe-Hiwa en Oea-Poe
te vestigen, keerde de heer Crook naar Sydney terug, waar hij
rustig leefde. Maar eenige jaren later verscheen hij andermaal op
de Markiezen-eilanden. Ditmaal had hij vier onderwijzers, van Tahiti
geboortig, bij zich, die in dienst der zending stonden, en die, beter
bekend met de taal en de gewoonten der inlanders, naar men hoopte
ook meer ingang bij hen zouden vinden en krachtiger werken tot hunne
bekeering. Doch ook thans werd de verwachting van den volijverigen
zendeling teleurgesteld. De onderwijzers, die zich op het eiland
Tauata hadden nedergezet, moesten weder naar hun land terugkeeren,
waarheen de heer Crook hen reeds was voorgegaan.

In 1804 vertoefde de russische reiziger Krusenstern een geruimen tijd
te Noekoe-Hiwa, met zijne beide schepen, de Nadeshda en de Newa. Hij
vond op het eiland een Franschman en een Engelschman, die elkander
vooral met geene mindere verbittering bestreden, dan destijds de twee
natiën waartoe zij behoorden.

In 1813 liep de amerikaansche commodore David Porter de baai van
Taio-Hae binnen, met zijne twee schepen de Essex en de Essex-junior,
en met de schepen, die hij op zijn kruistocht door den Stillen-oceaan
op de Engelschen had buit gemaakt. De gelegenheid scheen hem gunstig
voor de vestiging van een soort van arsenaal of station. Hij nam
bezit van Noekoe-Hiwa in naam der Vereenigde-Staten.

Het Congres wilde echter aan de zaak geen verder gevolg geven. De
commodore verliet Taio-Hae, om zijn kruistocht te hervatten; hij
liet eene zwakke bezetting achter; maar ten gevolge van allerlei
moeilijkheden en herhaalde gevechten met hunne engelsche gevangenen
en met de inboorlingen, zagen de Amerikanen zich genoopt, hunne
nederzetting te Taio-Hae te verlaten.

In 1835 werd Noekoe-Hiwa bezocht door een Franschman, den baron
Thierry, die zichzelven tot koning van het eiland proklameerde, en die,
als een teeken van zijne kortstondige koninklijke waardigheid, aan
een jeugdigen wilde, Vavanoeha genaamd, het volgende wonderlijke stuk
ter hand stelde, dat later door kapitein Jacquinet, tijdens het bezoek
der korvetten de Astrolabe en de Zélée, gevonden en bewaard werd.

"Wij, Karel, baron van Thierry, souvereine vorst van Nieuw-Zeeland,
koning van het eiland Noekoe-Hiwa, verklaren met genoegen, dat
Vavanoeha, opperhoofd van Portua(?), de vriend is der Europeanen, en
dat hij zich jegens ons altijd met betamelijkheid en welwillendheid
gedragen heeft; Uit aanmerking waarvan wij hem aanbevelen aan de
goede zorgen van alle zeevaarders, die hier in alle zekerheid kunnen
verblijven.

Gegeven te Port-Charles (Taio-Hae), eiland Noekoe-Hiwa, den 23sten
Juli 1835.

Karel, Baron van Thierry.

Van wege den Koning,
Ed. Fergus, kolonel, adjudant."


Eindelijk, in 1842, nam de schout-bij-nacht du Petit-Thouars definitief
deze eilanden, in naam van Frankrijk, in bezit. Met deze gebeurtenis
begint een nieuw tijdvak in de geschiedenis van den archipel.


III.

Van Noekoe-Hiwa begeven wij ons naar het eiland Oea-Poe, welks
zonderling gevormde bergtoppen, uit de verte van de baai van Taio-Hae
gezien, op een reeks klokketorens gelijken.

Wij toeven gedurende eenige uren in de baai van Aneoe, waar wij het
bezoek ontvangen van een protestantsch zendeling, waarschijnlijk
een eenvoudig onderwijzer (teacher), van de Sandwich-eilanden
geboortig; hij komt zijn aandeel in den hoofdelijken omslag
betalen. De voornaamste statie der katholieke zendelingen ligt aan
de baai Hakahau, aan de oostelijke punt van het eiland. Dewijl de
ankerplaats daar minder geschikt is, heeft de kommandant hier het
anker doen uitwerpen. Overigens ziet men te Aneoe noch woningen,
noch broodboomen, noch kokospalmen. Eenige struiken, langs de oevers
van eene kleine beek groeiende, vormen den ganschen plantenrijkdom
van dit dorre gedeelte des eilands.

De naastvolgonde baai, westwaarts, is die van Hakahetau, waar de
katholieke missionnarissen eene kapel hebben gebouwd. Daar, of in
de naburige baai Haákoeti, nam Marchand, op den 22sten Juni 1791, de
noordwestelijke groep der Markiezen-eilanden, in naam van Frankrijk,
in bezit.

Wat wij hier te doen hebben is spoedig verricht, en nog vóór de nacht
invalt, bevinden wij ons weder in de open zee.

Den volgenden morgen ankeren wij aan de zuidwestelijke punt
van Oea-Oeka, gedekt door eenige dorre, naakte eilandjes, die
ons genoegzaam tegen de branding beveiligen. De kommandant en de
resident gaan aan land, om een bezoek te brengen aan de zoogenoemde
Onzichtbare-baai (Vaitake bij de inboorlingen). Eenige officieren en
ik begeven ons in een sloep naar dezelfde plek. Wij volgen de hooge
kust, uit zwarte, loodrechte rotsen gevormd, aan wier voet de golven
met groot geweld breken en uiteen spatten in wolken schuim, dat in de
zonnestralen als een regen van diamanten schittert; de zeevogels, die
in de spleten der rotsen nestelen, heffen bij onze nadering een luid
geschreeuw aan. De Onzichtbare-baai draagt haar naam niet ten onrechte,
want eerst als men zeer nabij gekomen is, kan men dezen inham in de
kust en den zandigen oever aan het einde bespeuren. Tusschen de hooge
rotsen, die den ingang der baai vormen, gaat een vrij sterke deining;
maar eenige forsche roeislagen brengen ons weldra in de baai zelve,
waar het water zoo kalm en effen is als in een vijver. Wij zetten
onze sloep op het strand, nevens die van den kommandant.

Hier, even als te Taio-Hae, opent zich eene liefelijke, vruchtbare
vallei, die door haar weelderig groen eene sterke tegenstelling
maakt met de donkere tinten der hooge, naakte rotswanden, welke haar
omzoomen. Nabij den oever staan eenige wel gebouwde woningen, te
midden van een soort van plantage, die door een lagen steenen muur is
omringd. Wij treden een dier woningen binnen, en worden ontvangen door
een ouden Amerikaan, waarschijnlijk een voormalig matroos, die van een
walvischvaarder is gedeserteerd; de man is bijna evenzoo getatouëerd
als de inlanders. Hij woont hier sedert meer dan twintig jaren; voor
een niet onaardigen prijs verkoopt hij ons een knods in den vorm
van een pagaai. Het engelsch dat hij spreekt klinkt zoo wonderlijk,
dat ik alle moeite heb om hem te verstaan.

Wij gaan verder het dal in, en volgen den oever van een beekje, dat al
spoedig niet veel meer is dan een dunne waterstraal; de vallei is bijna
verlaten. Zij wordt al nauwer en nauwer, echter zonder te stijgen;
de plantengroei houdt bijna eensklaps op, en van alle kanten verheffen
zich naakte witte rotsen, die door haar glans het oog verblinden. Wij
ontmoeten drie of vier hutten, waarvan de bewoners afwezig zijn;
wij toeven maar een oogenblik, want het wemelt hier van groote,
nijdige vliegen, die ons bij duizenden omzwermen. Onder eene brandende
zonnehitte naar het strand teruggekeerd, zien wij dat de matrozen,
met uitzondering van een enkelen, die bij de sloep is achtergebleven,
naar de naburige woningen zijn gegaan. Terwijl wij hunne terugkomst
afwachten, nemen wij een heerlijk zeebad, dat ons geheel opfrischt.

Kort daarna waren wij veilig en wel, ondanks de sterke branding,
aan boord teruggekeerd, en had de Vaudreuil het anker weer gelicht,
om koers te zetten naar Hiwa-Oa, het grootste en volkrijkste der
eilanden van dezen archipel.

Na den nacht op zee te hebben doorgebracht, werpen wij den volgenden
morgen het anker uit in de baai Hanamenoe, nabij den westelijken
uithoek van het eiland gelegen. De baai is in twee kommen verdeeld door
een groote, vooruitspringende zwarte rots, die, uit de verte gezien, op
een reusachtigen toren gelijkt. Op den top van dit rotsige voorgebergte
zien wij enkele woningen. De stammen, die de omliggende landstreek
bewonen, zijn met elkander in oorlog gewikkeld: de kommandant heeft
in last, hen met elkander te verzoenen, en vrede en orde te herstellen.

Eenige Kanaks dalen van de hooge, loodrechte rotsen af, waarbij zij
eene bewonderenswaardige vlugheid, kracht en behendigheid ten toon
spreiden. Sloepen en prauwen voeren nu welhaast de opperhoofden der
strijdende stammen bij ons aan boord, waar de kommandant hun eene
scherpe berisping toevoegt, die door den officieelen tolk, den mutoi
van Taio-Hae, in de landstaal wordt overgebracht. Het einde is, dat
de vijanden elkander de hand reiken, en met groot welbehagen eenige
geschenken ontvangen, die de kommandant hun van wege de fransche
regeering laat ter hand stellen.

Terwijl deze verzoening plaats greep, bezochten enkele eilanders
het schip, in gezelschap van hunne vrouwen. De jongsten van deze
vrouwen mogen betrekkelijk schoon heeten. Zij zijn kort van gestalte
en gezet, maar haar embonpoint heeft niets terugstootends; haar
vormen hebben er niet door geleden, en in haar geheele voorkomen
hebben zij eene groote mate van natuurlijke bevalligheid. Zij zijn
er aan gewoon, Europeanen te ontmoeten, daar de baai zeer dikwijls
door de walvischvaarders wordt bezocht. Haar hartstocht voor tabak
grenst bijna aan het ongeloofelijke; eene van haar haalt aanstonds
haar pijp voor den dag, en vraagt ons om tapaka. Het lichaam van de
meesten dezer vrouwen is met eka-moa geel geverwd: dit geschiedt,
naar men wil, zoowel om tegen de steken der muskieten gewaarborgd te
zijn, als om de huid lenig en blank te maken.

Nadat de conferentie op het dek is afgeloopen, dalen al deze bezoekers
weer in de schuiten en prauwen af, en keeren zeer in hun schik naar
het strand terug.

De bewoners van den archipel hebben van de Europeanen de noodlottige
kunst geleerd, om uit de bloesems van den kokosboom een soort van
brandewijn te bereiden. Zij gaan zich nu telkens aan dien drank te
buiten, en zijn dan zeer gevaarlijk, want eenmaal door den drank
bevangen, kent hunne woede geen palen.

Mijne kameraden, die eene wandeling aan strand hebben gemaakt, hebben
daar het lijk van een inlander gezien, dat, naar de gewoonte des lands,
in de open lucht, onder een op vier palen rustend afdak, lag. Het
lijk ondergaat daar een soort van inbalseming, hakapahaá genoemd,
die door de vrouwen verricht wordt en hoofdzakelijk bestaat in het
inwrijven met kokosolie. De doode wordt in een grooten bak gelegd,
met de armen rustende op een dwarsbalk. Na verloop van eenige dagen,
begint een stinkend vocht uit het lijk te loopen; niettemin, ondanks
den ondragelijken stank, gaan de vrouwen met haar afschuwelijken
arbeid voort, dien zij ter nauwernood afbreken, om, met ongewasschen
handen, haar voedsel te nemen. Geen wonder, dat de meesten, die
aan de hakapahaá hebben deelgenomen, ziek worden, en menig een er
het leven bij inschiet. Overigens gaan de inlanders met de grootst
mogelijke onverschilligheid den dood te gemoet, althans wanneer die
langs een natuurlijken weg, ten gevolge van ziekte, tot hen komt:
voor een geweldigen dood, vooral op het slagveld, zijn zij daarentegen
zeer bevreesd.

Als een inlander ernstig ziek wordt, maakt men in zijne
tegenwoordigheid zijn doodkist, doorgaans een uitgeholde boom,
gereed. Wordt de man beter, dan wordt de doodkist voor eene volgende
gelegenheid bewaard; is zij toch eens gemaakt, dan moet zij ook dienen
voor den persoon, voor wien zij oorspronkelijk bestemd was.

Onze taak is hier afgeloopen; het anker wordt gelicht, en wij stoomen
de baai uit om ons naar Vaitahoe te begeven. Wij varen om de hooge,
steile kaap heen, die de uiterste punt van Hiwa-Oa ten westen vormt,
en waar wij door eenige geweldige windvlagen worden overvallen. In
dit gedeelte van het eiland verheffen zich de hoogste bergtoppen.

De haven van Vaitahoe, waarheen wij koers zetten, ligt aan de westkust
van het eiland Tauata. Na eene vaart van eenige uren ontdekken wij de
ruïnen van het fort, dat bij de in bezitneming van het eiland door
Frankrijk, in 1842, gebouwd werd. Een amerikaansche walvischvaarder
heeft het anker uitgeworpen, en is bezig water in te nemen.

Het dorp verrijst op het strand achter in de baai. Het landen gaat
hier met groote moeilijkheden gepaard, ten gevolge van de zeer sterke
deining der uit zee aanrollende golven; onze booten leggen aan in
den noordoostelijken hoek van de baai, waar eenige rotsen een soort
van natuurlijke kom vormen. Langs een smallen, glibberigen weg, half
door de overhangende rotsen overschaduwd, bereiken wij, niet zonder
een paar keer uitgegleden te zijn, de eerste huizen van het dorp.

Onze komst heeft de gansche bevolking op de been gebracht en weldra
zijn wij door eene menigte inboorlingen omringd. Gewoonlijk gaan de
eilanders bijna geheel naakt, zonder andere kleeding dan een lap,
die, om de heupen gewonden, tusschen de beenen doorgestoken en van
achteren vastgeknoopt wordt. Dit kleedingstuk draagt den naam van hami,
en wordt doorgaans vervaardigd van katoen of van een soort van stof,
tapa genoemd, die uit boomschors bereid wordt en dikwijls met niet
onaardige figuren versierd is. Maar voor deze gelegenheid hebben zij
hun feestgewaad aangetrokken: wel te verstaan, niet de kleederen,
die zij zelven voor plechtige gelegenheden vervaardigen, maar de
europeesche afleggers, die zij zich hebben aangeschaft, of wel de
bevallige kleeding van Tahiti.

De bewoners der Markiezen-eilanden, even als bijna alle inboorlingen
van centraal Polynesië, hebben lang, zacht hair, dat zij met een
lint of band opbinden, zoodat zij aan iedere zijde van het hoofd een
soort van vlecht of chignon dragen. De ongunstige indruk dien hun
laag, wijkend voorhoofd maakt, wordt opgewogen door de levendige
uitdrukking van hunne fraaie zwarte oogen. Over het algemeen zijn
de gelaatstrekken der mannen regelmatiger dan die van de vrouwen;
en is men eenmaal gewend aan hun leelijk tatouëersel, dan wordt men
dikwijls getroffen door de onloochenbare schoonheid van verscheidene
jonge mannen. Bijna allen scheeren zich het gelaat en een deel van het
hoofd; waar scheermessen nog onbekend zijn, gebruikt men tot dat einde
een tand van een haai, in een stuk staal of glas gevat. De grijsaards
laten hun baard groeien; doorgaans geschiedt dit uit winzucht, want
de witte hairen worden zeer duur verkocht, om er sieraden van te maken.

Sommige inlanders dragen hun hair aan de eene zijde van het
hoofd saamgevlochten en versierd met tanden van bruinvisschen of
glaskoralen. Dit is het teeken, dat zij een veete hebben, en een vijand
moeten dooden; dergelijke veeten zijn in de familiën erfelijk. In
den regel gaan de eilanders blootshoofds; somwijlen dekken zij zich
het hoofd met eene soort van muts, uit een palmblad vervaardigd.

Wij volgen een pad, dat ons bergopwaarts voert, naar het graf van den
kapitein Halley, den eersten kommandant van den post te Vaitahoe,
die, met den luitenant ter zee Lafont-Ladébat, sneuvelde, terwijl
hij de fransche nederzetting moedig verdedigde tegen een aanval der
inboorlingen.

Van de plek waar wij ons nu bevinden, kunnen wij de geheele baai
in alle bijzonderheden overzien. De anders vrij stille haven wordt
nu verlevendigd door onze sloepen, die water gaan halen, en door de
prauwen der eilanders, die naar het schip roeien.

Wij keeren op onze schreden terug, en houden stil voor de inrichting
der katholieke missie, waaruit ons in de landtaal liederen
tegenklinken, die mij aan onze eigene gewijde kerkliederen denken
doen. Een blik naar binnen werpende, zie ik onzen kommandant,
die eene uitnoodiging had ontvangen om tegenwoordig te zijn bij de
prijsuitdeeling op de school, welke door een fransch geestelijke
bestuurd wordt. Wij bleven luisteren tot het op deze plek inderdaad
aandoenlijke gezang zweeg, en vervolgden onzen weg langs de ruïnen
der oude kazerne, waarvan de muren nog de sporen vertoonen van de
kogels der inlanders.

Ik bezoek daarop eenige vrij nette hutten. Niemand duidt het u
hier ten kwade, als ge, ook zonder genoodigd te zijn, eene woning
binnentreedt. Het meubilair in die hutten is uiterst sober: aan het
dak hangen de groote zakken, waarin de staatsiekleederen en sieraden
geborgen zijn; voorts manden, waarin de hoofdtooisels van hanevederen
worden bewaard; eene soort van kaarsen, van de noten van de aleurites
triloba vervaardigd. Vischtuig, wapenen, houten kannen en potten
van verschillende grootte, messen, flesschen en andere europeesche
gereedschappen voltooien het ameublement.

Wij keeren naar Hiwa-Oa terug, waar wij het anker uitwerpen in de baai
van Taáhoekoe, waar zich de katholieke missie bevindt. De bewoners
van dit gedeelte des eilands zijn zeer onrustig van aard. Als zij door
den drank opgewonden zijn, geven zij zich aan allerlei uitspattingen
over en bedrijven de grootste wanordelijkheden.

Den volgenden dag waren wij weder te Taio-Hae. Alvorens het eiland
Noekoe-Hiwa te verlaten, wenschte ik mijne opwachting te maken bij
de koningin, die eene fraaie, ruime hut bewoont aan de westzijde
van de baai. Deze koninklijke residentie ligt te midden van groote
boomen, waarboven eenige kokospalmen hunne sierlijke waaiers
verheffen. De heer M...., die de koningin kende, is bereid mij aan
haar voor te stellen. Zij ontvangt ons zeer vriendelijk, en laat
versche kokosnoten openen, om met de zoogenoemde melk onzen dorst te
lesschen. Haar rechterhand is een wonder van tatoueerkunst. Met groote
bereidwilligheid gaf zij mij vergunning die zoo rijk geïllustreerde
hand op mijn gemak te bekijken. De koningin heet Vaekeoe; zij
is de weduwe van Te-Moana, die in 1853 tot het Christendom is
overgegaan. Vaekeoe is zeker, onder de inlandsche bekeerlingen tot
de katholieke Kerk, een der ijverigsten en vroomsten. Jammer dat zij
bijna geheel doof is. Zij trekt nog altijd een deel van het jaargeld,
dat de fransche regeering aan haar echtgenoot had toegekend. Deze, die
een zeer stormachtige jeugd had gehad, was, ten gevolge van een soort
van oproer, verplicht geweest eene wijkplaats te zoeken aan boord van
een engelsch schip, dat hem naar Londen bracht. Te-Moana sprak niet
dan hoogst ongaarne over die reis, waarop hij zich eene behandeling
had moeten laten welgevallen, die zeer kwalijk met zijne vorstelijke
waardigheid strookte. Te Londen had men hem zelfs voor geld laten zien!


IV.

Het klimaat der Markiezen-eilanden, hoewel warm en vochtig, wordt
toch voor zeer gezond gehouden. De overgangen tusschen het droge en
het natte jaargetijde zijn niet altijd scherp begrensd. Gedurende de
maanden Mei, Juni en Juli stortregent het bijna onophoudelijk. In
November en December staat de plantengroei geheel stil ten gevolge
van de aanhoudende sterke droogte. Sommige jaren worden gekenmerkt
door buitengewone, geweldige droogte: dan hebben de rivieren
geen water meer, en kunnen de vruchten van den broodboom niet tot
rijpheid komen. Dan staat gebrek en hongersnood te wachten, tenzij
de inboorlingen een grooten voorraad van popoi hebben opgedaan.

De eilanders zijn niet zeer spraakzaam. Als zij spreken,  geschiedt dit
op zeer luiden, bijna schreeuwenden toon, en met zeer grooten nadruk
op de onderscheidene klanken hunner ruwe, onaangename taal; ook de
vrouwen en kinderen spreken zeer luid. De taal der Markiezen-eilanden
is een der hardste, onwelluidendste polynesische dialekten, met eene
menigte keel- en neusklanken. Op de eilanden der zuidwestelijke groep
klinkt de taal echter minder hard.

Gedurende ons kort verblijf in den archipel, heeft het ons aan de
gelegenheid ontbroken, bij een dier groote feesten tegenwoordig te
zijn, die de eilanders nu en dan vieren. Ik weet daarom niet beter te
doen, dan een zeer nauwkeurig verslag van zulk een feest te ontleenen
aan een opstel van den heer Jouan, die gedurende eenige jaren den
post van resident op deze eilanden heeft bekleed en met de levenswijze
en denkbeelden,  de zeden en gewoonten der inlanders volkomen bekend
is. De heer Jouan schrijft het volgende:

"In een zoo warm klimaat zijn de inboorlingen uit den aard tot
traagheid geneigd. Dit is te minder vreemd, als men bedenkt dat de
natuur zelve in hunne behoeften voorziet, zonder dat zij daarvoor
behoeven te arbeiden. Stilzwijgend en teruggetrokken van aard,
is alleen de zucht naar genot, en bijwijlen ook de geprikkelde
eigenliefde, in staat, hen voor een tijd uit hunne droomerige
ongevoeligheid op te wekken. Somwijlen arbeidt een stam een geruimen
tijd lang, om een groot feest te kunnen vieren: hetzij ter gelegenheid
van den dood van een opperhoofd, of bij het eerste tatouëeren van
een jonkman van hoogen rang, hetzij eindelijk bij de voltooiing
van een of ander werk van openbaar nut, zooals eene prauw, een huis
of dergelijken.

"Het overoude gebruik der huiswijding wordt op de Markiezen-eilanden
nog steeds in eere gehouden. Bij zulke gelegenheid wordt een
feest, eene koika, gegeven, waarop de bevriende stammen worden
uitgenoodigd. Gebraden varkens, bananen, visschen, popoi, worden
vooraf in gereedheid gebracht, en met groote staatsie en onder luid
geschreeuw naar het dorpsplein gedragen, des avonds vóór den dag,
die door de zieners van den stam voor de feestviering is aangewezen,
doorgaans de eerste dag na eerste kwartier. Er wordt dien nacht weinig
geslapen; de mannen zingen en drinken kava  in de hutten rondom het
plein; terwijl in de andere hutten de vrouwen en kinderen bezig zijn
met het in orde brengen der kostumen voor het feest. De kinderen
spelen een zeer belangrijke rol in de koika. Tegen de nadering van
het feest, worden zij vele dagen, soms weken lang, ingewreven met
het sap van zekere planten, om hunne huid een blanke kleur te geven,
en nadat zij voor 't laatst goed gewasschen en gebaad zijn, worden
zij aangekleed. Sommigen hebben meer dan honderd el tapa om hun lijf
gewikkeld, bij wijze van reusachtige japon. Hun kapsel bestaat uit een
diadeem van duiven- of papegaaienvederen, waarboven zich eene hooge
muts van witte hairen verheft. Het achterhoofd is bedekt met eon stuk
tapa, dat een soort van strik of kokarde ter lengte van een el vormt;
hunne enkels verdwijnen onder zware hairbossen.

"Bij het aanbreken van den dag laten de trommels zich op het plein
hooren, begeleid door oorverdoovend geschreeuw. Van alle kanten
stroomen de genoodigden toe; de vrouwen plaatsen zich ter zijde op de
paepae, eene soort van steenen terrassen; terwijl de mannen zich in
een kring scharen om de heldendaden en krijgstochten van den stam te
bezingen, onder begeleiding van de trommels. Bij dat gezang klappen zij
in hunne handen, of slaan met de rechterhand op den linker elleboog,
somwijlen met zooveel kracht, dat er bloed te voorschijn komt: dit
mimisch gezang heet de oelaoela. Het is een eentonig recitatief, nu
en dan afgebroken door een woest gehuil, dat u onwillekeurig denken
doet aan de verhalen der eerste zeevaarders, die deze eilanden, toen
nog door menscheneters bewoond, hebben bezocht. Voeg daarbij het woeste
voorkomen der zangers, waarvan sommigen aan hun gordel menschenschedels
hebben hangen, die met kleine steentjes zijn gevuld, en dus bij iedere
beweging eene afschuwelijke muziek doen hooren;--en ge zult lichtelijk
begrijpen dat de indruk van het geheel juist niet opwekkend is.

"Inmiddels verschijnen de kinderen, gedragen op de schouders van
krachtige mannen en gevolgd door jonge meisjes, die de afhangende
einden der lange lappen tapa, waarin zij gewikkeld zijn, in de hand
houden. Er worden nieuwe matten op den grond uitgespreid, waarop
deze arme kleinen, zweetende en zwoegende onder hun prachtgewaden,
een zekeren dans uitvoeren, waarbij zij met de armen ongeveer dezelfde
bewegingen maken als iemand, die met castagnetten speelt.

"Verder, op een afzonderlijke paepae, zitten de muziekanten, doorgaans
grijsaards, die, zonder eenig begrip van maat, op hoornen blazen,
van groote schelpen vervaardigd. Nevens hen ziet men jongelieden, de
eigenlijke helden van het feest, die de omstaande vrouwen voortdurend
aan het lachen moeten maken. Dit zijn de nave nave, zoo wat hetzelfde
als de graciosos bij de Spanjaarden; zij zijn ongeveer op dezelfde
wijze toegetakeld als de kinderen, en worden, even als dezen, telkens
met kokosolie overgoten.

"Het publiek van zulk een koika maakt een zonderlingen indruk. De
verschijning der verschillende stammen op het doorgaans vrij ruime,
door zware boomen overschaduwde plein; de bonte, krijgshaftige tooi
der mannen; de somwijlen smaakvolle kleeding der vrouwen:--dit alles
levert een eigenaardigen, schilderachtigen aanblik op. Maar weldra
worden uwe ooren verscheurd door het woest geschreeuw en gebrul der
feestvierenden. Intusschen worden de toeschouwers niet moede. Nu
en dan wekt eene of andere aardigheid de vroolijkheid op, nu en dan
weerklinkt een luid gelach; maar over het algemeen heerscht er eene
ernstige, plechtige stemming. Ge zoudt oppervlakkig niet zeggen,
dat die menschen zich vermaken, en dat zij zich een zoo langdurigen
arbeid getroost hebben om zich een zoo pover genot te verschaffen.

"Aan de eene zijde van het plein verrijst een soort van altaar,
versierd met bladeren en ruw bewerkte beelden, waarvan het
eene een zittenden man en het andere een reusachtige hagedis
voorstelt. Dikwijls worden ook de schedels der verslagen vijanden op
dat altaar nedergelegd.

"Na afloop van eenige godsdienstige plechtigheden, waarvan ik niets
zeggen kan, omdat ik ze nooit goed heb kunnen zien, treedt een soort
van heraut op, om het publiek te verkondigen, door welken stam en
door welk opperhoofd deze koika gegeven wordt, en dat er varkens,
popoi, enz. in gereedheid zijn; daarop worden de levensmiddelen aan de
genoodigden rondgedeeld. Zij, die het feest geven, eten zelven niet,
en nemen er zelfs schijnbaar geen deel aan. Wat de genoodigden niet
dadelijk gebruiken, mogen zij medenemen. Na deze spijsuitdeeling,
begint het dansen en schreeuwen op nieuw, tot omstreeks één uur van
den middag, wanneer ieder zich een poos ter ruste legt; daarna wordt
het feest hervat, dat dikwijls drie dagen en drie nachten achtereen
duurt. Al dien tijd wordt de kava en vooral de sterke drank (namoe),
als men dien machtig heeft kunnen worden, niet gespaard; eindelijk
ontaardt de feestviering in de walgelijkste losbandigheid.

"Een voorname reden, waarom de toebereidselen voor zulk eene koika
zoo lang, soms wel drie of vier jaar, duren, moet ongetwijfeld
hierin gezocht worden, dat gedurende al dien tijd de stam aan de
tapoe of taboe onderworpen, dat wil zeggen in zekeren zin gewijd,
onschendbaar is. Hij mag zelf geen oorlog voeren, maar ook niet door
anderen worden aangevallen. Zoolang de koika duurt, mag niemand, op
straffe van hoogverraad, eenige vijandelijke daad plegen tegen hen,
die daarbij tegenwoordig zijn; de koika zou in dat geval alle waarde
verliezen, het godsdienstige doel niet bereikt worden. Somwijlen echter
worden deze bepalingen geschonden; zoo ontbrandde, bij voorbeeld,
de oorlog, die in 1856 het eiland Oea-Oeka teisterde, ten gevolge
van een verraderlijken aanval op de genoodigden door hen van wie de
noodiging tot bijwoning van het feest was uitgegaan. Waar de fransche
invloed zich niet kan laten gelden, buiten Noekoe-Hiwa, gaan de koika,
in sommige gevallen, met menschenoffers gepaard, die op het genoemde
eiland niet kunnen plaats hebben. In plaats van menschen offert men
daar zeeschildpadden, honden en varkens.

"In het gewone leven zijn de inlanders in het minst niet uitgelaten of
bijzonder spraakzaam, veeleer het tegendeel. Als zij u Kaoha! (goeden
dag) gewenscht, en u gevraagd hebben van waar gij komt en waarheen
gij gaat, dan stokt het gesprek. In den beginne zijn zij wantrouwend,
zoo als alle wilden; maar wanneer zij de personen, met wie zij in
aanraking komen, beter hebben leeren kennen, dan vermindert dit
wantrouwen zeer. Zij zijn zeer gastvrij; het is een zachtaardig
en goedhartig ras, maar dat ik overigens niet beter zou weten te
kenschetsen dan door het woord negatief. Die natuurkinderen, waarmede
de oppervlakkige, door en door onwetenschappelijke filosofie der vorige
eeuw zoo ontzaglijk veel op had, staan, uit een zedelijk oogpunt,
onbegrijpelijk laag. Liefde, vriendschap, de tedere banden der familie,
en al die hoogere aandoeningen en gevoelens,  die wij als den mensch
ingeschapen beschouwen, zijn voor hen goeddeels onbekende klanken. De
zoon trekt zich den dood des vaders in het minst niet aan; de moeder
ziet met kalme onverschilligheid haar kind sterven, dat doorgaans,
reeds bij het oogenblik zijner geboorte,  aan vreemde handen wordt
toevertrouwd. Nooit zal de vriend zijn vriend eenig teeken of bewijs
van genegenheid geven; alleen de physieke behoefte schijnt hen tot
elkander te brengen, zekere banden tusschen hen te knoopen en hen
tot gemeenschappelijk handelen te bewegen.

"Lang voor de geboorte van een kind, is er als het ware een onderlinge
wedstrijd wie dat kind zal aannemen. Zeer zelden toch gebeurt het,
dat een kind werkelijk door zijne ouders wordt opgevoed; de familie,
in den zin dien wij aan dat woord hechten, bestaat dan ook hier
niet. Deze zonderlinge gewoonte, die waarschijnlijk haar ontstaan te
danken heeft aan de behoefte om verbindtenisson aan te knoopen met
andere familiën en stammen, is de oorzaak van groote verwarring in
de bloedverwantschap. Behalve deze adoptie van pas geboren kinderen,
bestaat er ook nog eene adoptie tusschen lieden van beiderlei kunne
en van allerlei leeftijd; het is niets ongewoons, een kind den vader
of grootvader van een grijsaard te hooren noemen. De neven worden
beschouwd als de echte of aangenomen kinderen van den oom of de
tante. Broeders en neven worden met hetzelfde woord aangeduid. De man
noemt zijne schoonzuster vehine (vrouw, echtgenoote), krachtens een
oud gebruik, volgens hetwelk hij, bij ontstentenis van zijne eigene
vrouw, hare zuster als zoodanig mag beschouwen.

"Met deze adoptie van bloedverwanten hangt nog een ander gebruik
samen: de verwisseling van naam met een vriend, waardoor de
vriendschapsbetrekking van veel inniger aard wordt. De gewone vriend
(ehoa) heeft slechts aanspraak op eene gewone vriendschappelijke
bejegening, maar aan zijn ikoa (letterlijk, naam) mag men niets
weigeren. Deze naamsverwisseling heeft doorgaans ten doel, zich
een beschermer, een bondgenoot, een makker te verzekeren, hetzij in
geval van oorlog, bij het ondernemen van een reis, of voor andere
gewichtige gelegenheden.

"Het huwelijk is niets meer dan eene onderlinge overeenkomst tusschen
den man en de vrouw; het wordt even gemakkelijk ontbonden als
gesloten. De geboorte van een kind gaat met geenerlei plechtigheden
gepaard; nauwelijks heeft het kind het daglicht aanschouwd, of men
baadt het in koud water, terwijl de moeder een schotel warme popoi
te eten krijgt. De zuigeling wordt bijna dadelijk aan het eten van
popoi  gewend, ten gevolge waarvan het kind op zeer jeugdigen leeftijd
gespeend kan worden. Ik geloof niet dat de kinderen ergens ter wereld
gelukkiger zijn dan op de Markiezen-eilanden: zij mogen letterlijk
alles doen wat zij willen; men hoort ze dan ook zeer zelden schreien.

"Veelwijverij is zeldzaam; slechts enkele opperhoofden hebben meer
dan eene vrouw, maar het is niet zoo ongewoon, dat eene vrouw met
twee mannen in vrede en vriendschap leeft.

"Men heeft de bewoners der Markiezen-eilanden van ongehoorde wreedheid
beschuldigd, en ten bewijze daarvan zich op feiten beroepen, die
deze beschuldiging schijnen te staven; maar men moet niet vergeten,
dat de eilanders in de meeste gevallen niet anders deden dan zich
wreken over geleden onrecht. Hoe vele inlanders zijn niet, zonder een
schijn van recht, gestolen en opgelicht, om de onvolledige bemanning
van een walvischvaarder te kompleteeren! Hoe talloos vele malen
hebben de zeevaarders hen niet op alle mogelijke manieren misleid,
bedrogen en mishandeld! Natuurlijk moesten dan de eerste blanken,
die in handen van den beleedigden stam vielen, het ontgelden. Wij
zouden honderd voorbeelden kunnen noemen, waarin het ongelijk niet
kwam van de zijde der inlanders, maar wel degelijk van hen, die zich
beschaafde lieden noemen.

"Te Taio-Hae, waar wij sedert 1842 voortdurend eene nederzetting
hebben onderhouden, hebben de zeden en gewoonten der inboorlingen eene
aanmerkelijke verandering ondergaan. Zij zijn daar in den omgang zeer
zachtaardig en vriendelijk. Op meer afgelegen plaatsen, die niet door
schepen worden bezocht, zijn zij achterdochtiger en woester van aard:
het is daar altijd goed, in het verkeer met hen op zijne hoede te zijn.

"Een van de goede vruchten van ons bestuur is, dat bijna op het geheele
eiland ongestoorde vrede heerscht. Men kan zeggen dat de menschenoffers
en het kannibalisme hier tot het verleden behooren, en dat de inlanders
zelven zich daarover schamen. Althans de meer bejaarden onder hen,
die in hunne jeugd getuigen zijn geweest van die gruwelen, spreken
daarover zoo min mogelijk. Niettemin zou ik niet durven verzekeren,
dat deze oude gewoonten niet wederom in zwang zouden komen, als wij
voor goed heengingen.

"Op de andere eilanden zijn de menschenoffers nog altijd in gebruik,
en heerscht ook nog de anthropophagie, hoewel in veel mindere
mate dan doorgaans beweerd wordt. De weinige krijgsgevangenen en
de gedoode vijanden worden inderdaad gegeten, maar dit geschiedt
meer uit een soort van overmoedige uittarting, dan wel uit smaak;
de inboorlingen zelven hebben mij dit meermalen verzekerd, en velen
hunner ontkennen ten sterkste dat zij ooit aan een dergelijk feestmaal
hebben deelgenomen. De berichten, die de bewoners der verschillende
eilanden omtrent elkander geven, hebben zeer veel bijgedragen tot
den kwaden roep, die over het algemeen van hen is uitgegaan, en die,
blijkens onze eigene ervaring, niet ten volle gerechtvaardigd is."


II.

De archipel van Toeamotoe.--De Gambier-eilanden.


I.

Den 15den Januari 1873, twintig minuten voor elf uur in den
voormiddag, verliet de Vaudreuil de reede van Papeete, op het
eiland Tahiti. Nauwelijks waren wij in het ruime sop gekomen, of
de vuren werden gedoofd en de zeilen geheschen. Ons eerste station
zou het eiland Anaa zijn, het belangrijkste punt van den archipel
van Toeamotoe.

De wind, die in deze streken doorgaans uit het oosten blaast,
verhinderde ons den rechten weg te volgen; ware dit mogelijk geweest,
dan hadden wij in minder dan twee dagen den afstand van ongeveer
tachtig zeemijlen,  die Anaa van Papeete scheidt, kunnen afleggen.

Eenige uren na ons vertrek kregen wij de Tetiaroa-eilanden in
het gezicht, vijf-en-twintig mijlen ten noorden van kaap Venus
gelegen. Deze kleine eilandjes of liever koraalriffen, die thans aan
koningin Pomare behooren, zijn geheel met kokospalmen bedekt.

In den morgen van den 17den kwamen wij in het gezicht van het eilandje
Meetia, dat tot een der distrikten van Tahiti, het distrikt Tautira,
behoort. Dit hooge eilandje, omstreeks twintig zeemijlen van de
zuid-oostpunt van Tahiti verwijderd, is een uitnemend herkenningspunt
voor de schepen, die de haven van Papeete willen binnenloopen en voor
de kustvaarders. Het eiland telt eene weinig talrijke bevolking. Den
vorigen avond waren wij het eiland Makatoa voorbijgestoomd, dat mede
vrij hoog uit de zee oprijst en door omstreeks honderd-dertig inlanders
bewoond wordt. Het eiland is rijk aan prachtige tamanoe, een soort
van boomen, die zeer gezocht worden voor de vervaardiging van prauwen
en ook voor het bouwen van woningen. Makatea bezit diepe grotten,
versierd met prachtige stalactiten. Vroeger werden de misdadigers
van Tahiti derwaarts gedeporteerd.

Den 20sten Januari, des nachts ten een uur, bevonden wij ons tegenover
de westelijke landpunt van Anaa. Toen ik, tegen zonsopgang, op het
dek kwam, lag het eiland daar voor mij, als verborgen achter een
dichten sluier van weelderig groen. Omstreeks negen uur wierpen wij het
anker uit voor het voornaamste dorp, Toeahora genoemd; daar wapperde,
aan een hoogen mast, de fransche vlag.

Anaa is een boomrijk eiland, dat eene lengte heeft van achttien
en eene breedte van negen mijlen. Het bestaat eigenlijk uit een
groot aantal koraal-eilandjes, even als de ringen van een ketting
aan elkander geschakeld en rustende op een cirkelvormig rif. Deze
eilandjes zijn over het algemeen vrij hoog, vooral in het noordelijk
gedeelte. Anaa is het meest bevolkte eiland van den ganschen archipel;
het telt ongeveer vijftienhonderd inwoners, die in beschaving boven
die van de andere eilanden uitmunten. Het eenige voortbrengsel is
kokosolie. De fransche resident is op dit eiland gevestigd.

Wat van Anaa geldt, geldt van bijna alle eilanden van den archipel. Het
zijn schier allen lange koraalriffen, ter breedte van vier- of
vijfhonderd el, die een binnenmeer omgeven, dat op Rairoa een omtrek
heeft van honderd mijlen, en op het eiland Fakarava een omtrek van
negen mijlen. Die lange koraalrotsen, deels met de oppervlakte van
het water gelijk liggende, deels slechts eenige ellen boven de zee
verheven, bieden aan de buitenzijde geen ankerplaats aan, terwijl zij
aan de binnenzijde met zachte glooiing tot dikwijls zeer aanzienlijke
diepte afdalen. Enkelen dezer lagunen of meren, door die geweldige
koraaldammen gevormd, zijn met de zee verbonden door smalle straten of
kanalen, die voor schepen van alle grootte toegankelijk zijn; anderen
zijn alleen voor kleine vaartuigen bereikbaar. Vele eilanden hebben
in het geheel geen doorgang voor de vaartuigen,  die dan over het rif
heen naar het binnenmeer moeten gedragen worden: een gevaarlijk werk,
zelfs voor de inlanders. Maar dezen, die allen zonder uitzondering
voortreffelijke zwemmers zijn, loopen toch altijd minder gevaar dan
de vreemdelingen, voor wie het in- of ontschepen dikwijls met zeer
ernstige bezwaren gepaard gaat, ten gevolge van de doorgaans zeer
hevige branding, die met donderend geraas op de koraalriffen breekt.

De prachtige lagune van Anaa, waarvan de smaragdgroene wateren heerlijk
afsteken bij de hemelsblauwe kleur der zee, staat met deze laatste in
gemeenschap door middel van een gegraven kanaal, dat in 1860 door de
koraalbank is aangelegd. De geweldige stroom, die hier bijna altijd
gaat, maakt echter de vaart door dit kanaal zeer gevaarlijk. Het water
van het meer, dat niet op gelijk peil ligt als de zee, stroomt met
groote kracht door deze nauwe opening. Een rots, die het kanaal in twee
armen splitst, veroorzaakt geweldige opstuwing en maakt de vaart nog
moeilijker; het voornemen bestaat echter om die rots te doen springen.

Dit gemis van eene behoorlijke gemeenschap tusschen het binnenmeer
en de zee, is eene wezenlijke belemmering voor den handel van het
eiland. De regeering zou daarom zeer gaarne zien, dat de inlanders
hun kokosolie voornamelijk ter markt brachten op het eiland Fakarava,
dat in zijne volle lengte doorsneden wordt door een kanaal, hetwelk
aan de beide uiteinden,  ten noorden en ten zuiden, met een breeden
mond in zee uitloopt. De resident van de Toeamotoe-eilanden, die van
een inlandschen visscher vernomen had dat het rif zich ten noordoosten
van de uitmonding van het kanaal van Anaa nog een weinig onder water
voortzet, heeft op dit vrij steil afloopende gedeelte een soort van
aanlegplaats doen maken. Voldoet deze aan de verwachting, dan zou een
groot schip daar kunnen ankeren, en niet, zoo als wij nu, genoodzaakt
zijn, voortdurend te manoeuvreeren, ten einde op zekeren afstand van
de kust te kunnen blijven.

De bewoners dezer eilanden zijn niet ontbloot van zeker gevoel van
nationale eigenwaarde, zoo als uit het volgende blijkt. Omstreeks
vijf-en-twintig jaar geleden, tijdens het bestuur van den heer Bonard,
werd te Papeete eene algemeene vergadering gehouden van afgevaardigden
van alle eilanden, die onder het fransche protektoraat staan. De
afgevaardigden van den archipel kwamen daarin met nadruk op tegen de
benaming van Paumotoe (onderworpen eilanden), weleer aan deze eilanden
gegeven door de bewoners van Tahiti, die ze door de wapenen hadden
veroverd. Op hun aandrang sprak de vergadering den wensch uit, dat
de oostelijke archipel voortaan niet anders zou worden genoemd dan
Toeamotoe (verre eilanden). De fransche overheid, aan dien wensch
gehoor gevende, heeft dan ook, sedert 1852, aan dezen archipel, in
officiëele stukken, geen anderen naam gegeven dan dien van Toeamotoe.

De resident verschijnt bij ons aan boord, om het ontbijt te gebruiken
en onzen kommandant te bezoeken. Na afloop van het ontbijt laten wij
ons in eene sloep aan land roeien.

Het dorp Toeahora is op de smalle zandige landtong gebouwd, die
het binnenmeer van de zee scheidt, ter wederzijde van een witten
weg, waarvan de felle weerschijn,  bij het blakerende zonnelicht,
ons haast de oogen verblindt. Met het toenemen der welvaart heeft de
ontwikkeling der behoefte aan meerder levensgemak en die der nijverheid
onder de inlanders gelijken tred gehouden:  gaandeweg hebben zij hunne
armzalige hutten vervangen door aardige woningen, met palmbladeren
bedekt; deze woningen staan meestal op blokken koraal. De stijlen,
de lijsten, de deuren en vensters zijn vervaardigd van het hout van
den boom, wiens bladeren tot bedekking dienen; de ruimte tusschen de
stijlen wordt aangevuld door een vlechtwerk van kokosbladeren. In
sommigen dezer woningen vindt men bedden, behoorlijk van matten en
muskietenschermen voorzien.

Nabij deze woningen wordt onze aandacht getrokken door groote
kloven of uithollingen in het koraal. Deze kuilen of kloven hebben
eene diepte van vier tot vijf el, zijn zes tot zeven el breed, en
omstreeks vijftien el lang. De inlanders verzamelen daar een weinig
aarde, en maken dan van die droge grachten een soort van tuinen,
waarin zij uitmuntende taro (arum esculentum), suikerriet, bananen,
ananassen en tabak kweeken.

Na eene vrij langdurige wandeling door het dorp Toeahora, waar wij
overal met groote vriendelijkheid bejegend worden, begeven wij ons
naar het residentshuis, om daar, uitgeput van de hitte en vermoeienis,
een weinig te rusten. De resident, de heer Mariot, luitenant ter
zee, ontvangt ons met de meeste hartelijkheid en doet ons eenige
ververschingen toedienen, waaraan wij grootelijks behoefte hebben.

De kleine kazerne van het garnizoen maakt deel uit van het
residentshuis. Ik ga haar zien. Een sergeant der mariniers, die voor
eenige jaren naar Tahiti gegaan is met de Sibylle, waarop ik destijds
diende, toont mij de beknopte, maar doelmatige inrichting. Hij
biedt mij een fraaien rotting van pandanushout ten geschenke aan,
benevens eenige sierlijke schelpen, tot verrijking onzer collectie
aan boord. Het opperhoofd van Toeahora, een prachtig gebouwd man
met een zeer schrander gelaat, bevindt zich bij den resident;
wij ontmoeten daar ook den vorst van het eiland Kauehi, die ons op
onzen tocht als loods moet dienen, benevens den officiëelen tolk,
een gewezen sergeant der mariniers,  die hem moet vergezellen. Ook
onze kommandant verschijnt, en weldra wordt een gesprek aangeknoopt,
straks afgebroken door het geroffel van trommels en het luid gezang
eener menigte van inboorlingen, zoo mannen als vrouwen, die voor het
residentshuis zijn saamgekomen. Deze brave lieden willen ons, op hunne
eigen manier, eene uitspanning bezorgen. Als altijd, is de dans daarbij
hoofdzaak. Wij nemen plaats onder de breede veranda voor de woning
van den resident, terwijl de inlanders in de brandende zon blijven.

De Toeamotoes staan bekend als de onvermoeidste dansers van alle
eilanders onder fransch protektoraat. Zij hebben twee verschillende
soorten van dansen. Bij de eene, blijven zij op hunne hielen
neergehurkt zitten,  en maken in die houding met hunne armen de meest
afwisselende en dikwijls zeer bevallige bewegingen, waarbij zij, op
de maat, een eentonig gezang aanheffen. De andere dans is een ware
pantomime, waarbij de dansers door allerlei gebaren de hartstochten
uitdrukken, waaraan zij ten prooi zijn. Een der toeschouwers geeft
de maat aan, door met de palm der hand op een trommel te slaan,
een uitgehold stuk van een kokosstam, waarover het vel van een haai
gespannen is. Ditmaal wordt dit eenvoudig inlandsch instrument
vervangen door twee gewone trommels, die met groote handigheid
bespeeld worden. De andere toeschouwers moedigen de dansers aan,
door met groote kracht, op de maat, in de handen te klappen.

De inboorlingen van Anaa, die in veelvuldige aanraking zijn met
de bewoners van Tahiti, stellen zich voor hun voedsel niet meer
tevreden met de vruchten van den pandanus (een soort van palmboom)
en de visschen van hun meer. Zij hebben daarom op hun eiland de
proef genomen met de aankweeking van kokosboomen, en die proef is
uitnemend geslaagd: de boom groeit op het eiland bijna in het wild. De
kokospalm heeft zich vervolgens van het eene eiland naar het andere
voortgeplant, tot ver in het oosten van den archipel. Deze zoo bij
uitnemendheid nuttige boom heeft echter een geduchten vijand in een
soort van groote landkrab, met zeer sterke scharen gewapend, voor
wie de vrucht van den kokospalm eene zeer geliefde lekkernij is.

De kokosnoot is tegenwoordig een der hoofdbestanddeelen van het
voedsel der eilanders; zij gebruiken die ook om varkens, gevogelte
en honden te mesten. Deze laatsten zijn als spijs zeer gezocht.

De wijze van bereiding der kokosolie is nog zeer eenvoudig en
onbeholpen. De eilanders verzamelen de rijpe vruchten, die van den
boom vallen, en raspen die met eeu uitgetand stuk ijzer, aan een hout
bevestigd. Het aldus verkregen meel of deeg bewaren zij in bakken,
die in kokosstammen worden uitgehold, en waarin het, gedurende twee of
drie weken, aan de werking der zonnestralen blijft blootgesteld. Na
verloop van dien tijd is dit deeg in zoo ver tot vloeibaren staat
overgegaan, dat men, door het met de hand te kneden, althans een
gedeelte der olie kan uitpersen. Het overschietende deeg wordt dan
onder eene ruw bewerkte houten pers geplaatst, en levert nog eene vrij
groote hoeveelheid olie; maar toch gaat er een deel verloren. Vele
handelshuizen zenden dan ook de noten in haar natuurlijken toestand,
onder den naam van copperas, naar Europa, waar zij op veel doelmatiger
wijze worden uitgeperst. Hetgeen na de persing overblijft, dient tot
voedsel voor het vee, of wordt als mest gebruikt.

De dag loopt ten einde; men waarschuwt den kommandant dat de
levensmiddelen en de andere voor den resident bestemde zaken aan wal
zijn bezorgd. Hij geeft het teeken tot vertrekken, en wij verlaten
Anaa, om naar boord terug te keeren, zeer tevreden over ons uitstapje
en over de vriendelijke ontvangst van den resident.

In den loop van den 24sten varen wij voorbij het eiland Anoeanoeroenga,
eigenlijk uit vier eilandjes bestaande, nevens elkander op een
rif geplaatst, waarvan het middengedeelte wordt ingenomen door een
lagune of binnenmeer, dat voor vaartuigen uit zee ontoegankelijk
is. Het naburige eiland Anoeanoeraro, dat volgens officiëele opgaven
onbewoond is, werd in het begin van 1874, door den resident der
Toeamotoe-eilanden bezocht. Aan het verslag van dien officier ontleen
ik het volgende:

"Den 9den Januari, des avonds, zijn wij aan het eiland Anoeanoeraro
gekomen, waar ik wist dat zich schipbreukelingen in gevaarlijken
toestand bevonden. De ellende dezer ongelukkigen ging alle beschrijving
te boven. Op het gansche eiland was geen stuk goed katoen of doek te
vinden, dan de vlag van het protektoraat. Mannen en vrouwen hadden
niets om zich mede te bedekken dan eenige schorten, van de bladeren
van den pandanus gevlochten. Het eiland was vroeger bezocht geworden
door de kustvaarders van den heer Brander, die er kwamen om parelmoer
te zoeken, maar die niet zijn teruggekeerd, omdat deze visscherij
geen voldoende opbrengst gaf. De schipbreukelingen waren ten getale
van zes-en-veertig, allen inboorlingen van Vahitahi; zij waren met
hunne prauwen van dat eiland naar Anaa gegaan, om de vlag van het
protektoraat en wetten te vragen, die hun ook gegeven werden door den
heer Dubouzet, destijds te Anaa, waarheen hij zich begeven had om bij
de inwijding der kerk van Tematahoa tegenwoordig te zijn. Zij keerden
naar hun vaderland terug, toen zij door een storm overvallen werden,
die hen op de klippen van Anoeanoeraro wierp, waarop hunne prauwen
werden verbrijzeld, en waarbij twee personen het leven verloren. Hun
eenige voedsel bestond uit het sap en de vrucht van den pandanus,
en uit een soort van schelpdier. Gelukkig ontbrak het hun niet aan
goed drinkwater. Ondanks deze ellende, hadden zij altijd in goede
verstandhouding onder elkander geleefd. Toen ik het rif aandeed,
kwamen deze arme lieden, bevreesd dat hun voorkomen ons tot terugkeer
zou nopen, haastig naar ons toe, roepende: "Weest niet bevreesd,
wij zijn geen wilden, wij zijn ongelukkige menschen!"

Zij werden aan boord van de goëlet la Mésange opgenomen, en naar
Vahitahi, hun vaderland, teruggebracht, dat zij voor omstreeks twintig
jaar verlaten hadden.

(Wordt vervolgd).


De uitvinder der alpakawol.

In vroeger tijd heerschte vrij algemeen de nog niet geheel
overwonnen meening, dat de som der goederen van deze wereld voor
geene vermeerdering vatbaar is, dat zij slechts van de eene hand in
de andere overgaan, en dat de rijkdom van den een niet te verkrijgen
is dan ten koste van de armoede van den ander. Het mag der nieuwere
wetenschap tot haar eer worden nagegeven, dat zij deze bekrompen
dwaling heeft bestreden, en het tegendeel met daden bewezen. Juist
daarom komt aan de uitvinders eene plaats toe onder de weldoeners
der menschheid, omdat zij, in zekeren zin, nieuwe goederen, nieuwe
waarden, scheppen, of althans tot dusver ongebruikte middelen ter
bevrediging van behoeften binnen het bereik van het algemeen brengen;
dat zij verborgen natuurkrachten dienstbaar maken, en den arbeid des
menschen verlichten of hem in staat stellen, met minder inspanning,
meer te volbrengen. Onder die weldoeners der menschheid rekenen wij de
onbekende ontdekkers van het ijzer, van den ploeg, van den wagen, van
het schip, van het glas, en evenzeer de uitvinders der stoomwerktuigen,
van de spin- en weefmachines, van spoorwegen en telegrafen, en van
zooveel meer, dat tot verhooging der menschelijke arbeidskracht of
tot vermeerdering van den welstand des levens bijdraagt.

Tot deze mannen behoorde ook Titus Salt, die voor weinige weken, in den
ouderdom van 74 jaar, op zijn landgoed bij Halifax is overleden. Met
hem is weder een dier heroën der industrie ten grave gedaald, aan
wie Engeland zijne tegenwoordige grootheid op ekonomisch gebied te
danken heeft. Maar bij weinigen slechts valt het verband tusschen
de werkzaamheid van een enkelen man en de welvaart eener gansche
landstreek, zoo duidelijk in het oog, als bij hem. Toen Titus Salt,
de zoon van een eenvoudigen wolhandelaar uit Wakefield, die zijne
geheele opvoeding op de gewone volksschool ontvangen had, met zijn
vader Daniël naar Bradford verhuisde, was deze plaats niets meer dan
een gewoon fabrieksdorp. De handel in wollen stoffen voor vrouwelijke
kleeding verkeerde nog in zijne kindschheid. De onvermoeide arbeid
en inspanning van vele tientallen jaren was noodig, om het vlek tot
eene zelfstandige stapelplaats zijner wollen stoffen te maken, en
nog telde Bradford niet meer dan 30.000 inwoners. Tegenwoordig heeft
het zich tot eene stad van 150.000 zielen en tot een der grootste
middelpunten van den wereldhandel verheven. Het is het brandpunt
der alpaka-industrie, van waar deze zoo zeer gezochte stof naar alle
deelen der wereld verzonden wordt.

Nog voor omstreeks dertig jaar wist men ter nauwernood, dat op
de hoogvlakten der Cordilleras van Peru en Chili een soort van
lama of bergschaap leeft, dat in groote kudden over de uitgestrekte
grasvelden ter hoogte van 2500 el boven de zee zwerft. Als lastdier is
de alpaka, uit hoofde zijner koppigheid en onhandelbaarheid, niet te
gebruiken. Intusschen wist men reeds ten tijde der oude Inkas uit zijne
wol eene stof te bereiden en die ook te verwen. Deze kunst was echter
met het rijk der Inkas te gronde gegaan; slechts de Indianen gebruikten
de alpakawol nog voor de vervaardiging van grove dekens en mantels. De
vervaardiging van fijnere stoffen en weefsels scheen langen tijd, door
den aard der wol zelve, onmogelijk, want deze was noch met de hand,
noch met de tot dusver bekende spinmachines voldoende te bewerken.

Ook nadat Titus Salt zijne nieuwe methode van bewerking had toegepast,
zagen andere fabriekanten, zoo lang hij zijn geheim niet had
geopenbaard, zich gedwongen, de alpakawol met andere, meer handelbare
stoffen, zooals katoen, zijde, kamgaren, te vermengen. Nadat Salt
echter zijne uitvinding, die het hem mogelijk maakte uitsluitend
alpakawol voor zijne weefsels en stoffen te gebruiken, algemeen had
bekend gemaakt, en den handel met een nieuw artikel verrijkt,  dat alle
soortgelijke artikelen in schoonheid, duurzaamheid en goedkoopheid
overtreft, heeft de alpakateelt een zeer groote vlucht genomen,
en treft men in Peru en Chili talrijke kudden van deze dieren aan,
die echter vrij rondzwerven en door de eigenaars alleen voor het
scheeren bijeen worden gedreven.

Reeds in den eersten tijd van zijn verblijf te Bradford, werd de
aandacht van Titus Salt op de aanwending van nieuwe, tot dusver in de
wolindustrie onbruikbaar geachte grondstoffen gevestigd. Aanvankelijk
bepaalde hij zijne keus op eene uit zuidelijk Rusland, van de oevers
van den Don, afkomstige grondstof, de zoogenaamde Donskoiwol. Hij
stichtte eene nieuwe fabriek, uitsluitend met het doel om deze zeer
gewone stof te bewerken, en deze proefneming werd het uitgangspunt voor
zijne latere, meer belangrijke uitvinding. In het jaar 1836 toonde hem
een koopman van Liverpool, van wien hij wol placht te koopen, eenige
balen met glansrijk hair, die men hem gezonden had, doch die hij aan
niemand kwijt kon worden. Dit hair was afkomstig van de alpaka's. De
jonge Salt nam een baal mede naar huis, en kwam later terug om
niet alleen de gansche bezending, maar ook den geheelen voorraad,
die daarvan in Liverpool te vinden was, op te koopen. Na volhardende
inspanning en herhaalde proefnemingen,  en na raadpleging met ervaren
werktuigkundigen,  was het hem ten slotte gelukt een middel te vinden,
niet alleen om het alpakahair in de wolindustrie te gebruiken, maar
ook om eene geheel nieuwe kleedingstof te vervaardigen, die het midden
houdt tusschen zijde en wol. Hij liet een nieuw stel van werktuigen
maken, die enkel voor de bewerking van de weerbarstige alpakawol
waren ingericht, en verzekerde zich het uitsluitend eigendom dezer
machinerie door een patent voor zijn persoonlijk gebruik te nemen,
en die toestellen voorloopig niet voor het algemeen verkrijgbaar te
stellen. Daardoor verkreeg hij voor een tijdvak van vijftien jaar
het monopolie van zijn artikel.

De bijval, dien de nieuwe stof al aanstonds bij het damespubliek
vond, en de groote belangstelling, op de eerste wereldtentoonstelling
te Londen daardoor opgewekt, bewogen Titus Salt tot de oprichting
van eene nieuwe groote alpakafabriek, in de nabijheid van Bradford,
niet ver van de ijzergieterij van Low-Moore, na de fabriek van Krupp
de grootste der wereld. Do kolossale inrichting, waarin tegenwoordig
4800 werklieden arbeiden, was in 1855 voltooid, en den schrijver
van deze regelen viel in 1864 het bijzondere voorrecht ten deel,
het anders ontoegankelijke binnenste heiligdom dezer fabriek te
mogen bezichtigen. Onder de talrijke fabrieken, die ik zoowel in
Engeland als op het vaste land had bezocht, zijn er maar weinigen,
waar mijne belangstelling in zoo hooge mate gewekt werd als hier door
de vernuftige machinerie, waarmede de stroeve alpakawol tot fijne
draden geweven werd. Daar de bekende toestellen, die voor het spinnen
van wol, katoen en vlas worden gebruikt, voor dit minder handelbare
materiaal niet dienen konden, bedacht Salt geheel nieuwe, vernuftige
werktuigen, waardoor alle mogelijke wendingen en buigingen, die met
de hand gemaakt kunnen worden, door de als met leven bezielde machine
worden uitgevoerd. Terwijl de toestel zich keert en draait, beweegt hij
de grondstof, ter behoorlijke hoogte, boven gasvlammen, die de wol door
verhitting zacht en buigzaam maken en haar alzoo, door telkens draaien
en wenden, in een draad van de verlangde fijnheid herscheppen. Toen
ik de fabriek bezocht, werd zij door twee stoomwerktuigen van te
zamen 1200 paardekrachten gedreven; deze werktuigen werden door
twaalf naast elkander staande stoomketels gevoed, die reeds toen
met een zeer eenvoudigen rookverteringstoestel waren voorzien. Wie
ooit de fabriekdistrikten, en vooral de ijzer- en kolendistrikten van
Engeland bezocht heeft, zal mij toegeven, dat er weinig dingen zijn,
die op het verstand en de verbeelding beiden sterker indruk maken, dan
de aanblik van eene groote fabriek, waar de machine en de menschelijke
hand als in elkander grijpen en harmonisch samenwerken tot één doel,
en waar de geest van den lang overleden uitvinder nog voort schijnt
te leven in dat samenstel van machines, zich bewegende in vasten
takt, met nimmer falende regelmatigheid. Maar niemand zal ontkennen,
dat dit genot zeer wordt vergald door den onverdrijfbaren kolendamp,
die over deze streken en over bijna alle engelsche steden hangt, en
dezen als tot een voorportaal der hel maakt;--al willen wij gaarne
toegeven dat het leven op de engelsche landgoederen en kasteelen
bijna een voorsmaak des hemels mag genoemd worden. Hoe groot was dus
mijne verbazing, toen ik, nog met de versche herinnering aan de zwart
berookte baksteenmuren en den grauw-zwarten dampkring der engelsche
fabrieksteden vervuld, het reusachtige etablissement van Salt in volle
werking vond, zonder dat een spoor van rook, hetzij aan de gebouwen,
hetzij in den dampkring, te bemerken was. Sedert negen jaar stond
daar de fabriek, en in haar omtrek honderden arbeiderswoningen: en
nog hadden de grijze zandsteenmuren niets van hunne oorspronkelijke
kleur verloren. Slechts aan de beweging der lucht boven den geweldigen
slanken schoorsteen, was het te bemerken dat de stoomketel gestookt
werd. En hoe eenvoudig was deze inrichting! Boven elken vuurhaard der
twaalf ketels was een rij pijpen aangebracht, die eene massa stoom
boven het vuur lieten spelen, waardoor de kooldeeltjes, welke den rook
vormen, werden nedergeslagen en door het vuur verteerd. Het is bijna
twintig jaar geleden, dat het Parlement eene wet heeft uitgevaardigd,
waarbij aan de fabrieken de verplichting is opgelegd tot het aanbrengen
van rookverterende werktuigen. Nog steeds wordt die wet geregeld
ontdoken, en de dampkring van vele engelsche steden verpest, hoewel
het middel ter voorziening zoo eenvoudig is, en de rookverslinder bij
de lokomotieven op de onderaardsche spoorwegen in Londen zoo uitnemend
werkt, dat men onder den grond soms betere lucht inademt dan boven.

Aan de voortreffelijke mechanische inrichting der grootste
alpaka-fabriek, die naar haren stichter den naam van Saltaire draagt,
beantwoordt de niet minder uitnemende ligging voor den handel. In dit
opzicht mochten wel alle toekomstige fabrieken aan deze een voorbeeld
nemen. Hierin ligt ook een der redenen van de meerderheid der engelsche
fabrieken. Er loopt namelijk niet alleen door de fabriek een spoorweg,
die aan twee kanten met de groote lijnen voor het verkeer in Engeland
in verbinding staat, maar een der vleugels van het hoofdgebouw grenst
onmiddellijk aan het kanaal, dat Engeland in de breedte doorsnijdt,
en Liverpool met Hull verbindt. De produkten der fabriek kunnen
alzoo, rechtstreeks, door vrachtschepen, aan de eene zijde naar den
Atlantischen-oceaan, en aan de andere naar de Noordzee en het Kanaal
worden vervoerd. Door middel van de boven het gebouw oprijzende kraan
worden de schepen, die de grondstof aanbrengen, gelost, en weder met
de produkten der fabriek geladen om die naar de havens te brengen,
van waar stoombooten ze naar alle oorden der wereld vervoeren. Geen
wonder, dat de fabriek onmetelijke winsten oplevert, die reeds in 1864
op niet minder dan 30.000 pond sterling per jaar werden geschat. En
dit cijfer is inderdaad niet overdreven, daar Titus Salt reeds in het
negende jaar na de stichting zijner fabriek, met zijn spaarpenningen
een landgoed ter waarde van 250.000 pond aankocht!

Titus Salt heeft zich evenwel niet met deze persoonlijke voordeelen
tevreden gesteld: hij heeft al zijne gaven en vermogens, zoo
geestelijke als stoffelijke, ook gebruikt om het geluk en de welvaart
zijner arbeiders te verzekeren, en om den bloei te bevorderen
der stad Bradford, wier voorspoed zoo nauw met zijne industrie
verbonden was. Zijne edele pogingen vonden bij zijne landgenooten
billijke erkenning en waardeering. Hoewel hij zijn loopbaan als
eenvoudig industriëel begonnen had, werd hij tot lid van het Lagerhuis
verkozen. In 1869 schonk de Koningin hem den titel van baronet; voor
weinige jaren, alzoo nog bij zijn leven, viel hem de eer te beurt,
dat een marmeren standbeeld in de stad Bradford tot zijne gedachtenis
werd opgericht.--Sir Titus heeft elf kinderen nagelaten, waarvan
verscheidene zonen de leiding der fabriek op zich hebben genomen,
en de oudste zoon, als chef der firma Titus Salt's Zonen en C^o,
tevens de baronie erfde.

Bijzondere vermelding verdient hetgeen Salt heeft gedaan voor de
arbeiders zijner fabriek, voor wie hij, om zoo te zeggen, een eigen,
gezonde stad vol fraaie woningen gebouwd heeft. Volgens de laatste
volkstelling bevatte Saltaire 820 huizen met 4389 inwoners. Sir
Titus heeft op zijne fabriek niet slechts sedert lang eene kerk
en eene school gesticht, maar nog in het vorige jaar heeft hij
10.000 pond uitgegeven voor de oprichting en het onderhoud eener
nieuwe zondagsschool. De fabriek heeft niet alleen eigen wasch- en
badinrichtingen, maar er is ook een hospitaal, een invalidenhuis en
bovendien vijf-en-veertig kleine afzonderlijke woningen ten behoeve
van oude gehuwde lieden en weduwen, die niet meer werken kunnen; de
eersten ontvangen bovendien eene wekelijksche tegemoetkoming van tien
shillings, en de laatsten van zeven en een halve shilling. Daarbij
heeft hij in zijn testament aan de arbeiders en de armen van Saltaire
een legaat gemaakt van 30.000 pond sterling, waarvan de renten
moeten dienen voor de oprichting van een bibliotheek en een club met
leeskamer, billard en schaakspelen, en tevens ter bestrijding van de
toenemende behoeften der armen. Ook de stad Bradford dankt aan zijne
weldadigheid nog andere inrichtingen van openbaar nut: Sir Titus schonk
haar een klein park van veertien acres aan de oevers der Aire, en droeg
voor eene zeer aanzienlijke som bij voor den aankoop van het Peelepark.

Eere der nagedachtenis van den man, die niet alleen het geluk zijner
familie, maar ook de welvaart van zijn land door zijn rusteloozen en
verstandigen arbeid bevorderd heeft.

Max Wirth. (Ueber Land und Meer.)


Dalmatië.

(Vervolg van bladz. 40).


VI.

Onze kleine karavaan bestaat uit drie karren op lage wielen, zoo als
die in Hongarije en Wallachije gebruikelijk zijn, en waaraan hoegenaamd
geen ijzer gevonden wordt. De mannen liggen bijna allen op het hooi in
de wagens, die door kleine, magere paarden getrokken worden; ettelijke
vrouwen zitten schrijlings te paard. Daar ook ik liever te paard rijd
dan in den wagen te hossen, plaats ik mij in den zadel, een turkschen
zadel, waarin men even gemakkelijk zit als in een leuningstoel. De
pandoeren geleiden ons, en wij trekken het binnenland in.

Het landschap vertoont een eigenaardig karakter, dat zich in een
enkel woord laat samenvatten: het is een onmetelijke steenwoestijn,
slechts hier en daar door vruchtbare velden afgewisseld. De
enkele groenende plekjes uitgezonderd, bespeurt ge, mijlen ver,
niets dan steenen, en geen anderen plantengroei dan een armelijk,
laag, grauwachtig struikgewas, bijna niet van den valen bodem te
onderkennen. Maar ondanks deze somberheid en deze groote armoede,
heeft de natuur van Dalmatië hare schoonheid en bevalligheid. Alles
straalt en schittert; van den blauwen hemel daalt de zonnegloed,
als een stroom van vuur, op den rotsachtigen grond. Wij zijn in de
maand October: eene verkwikkelijke warmte doordringt en koestert ons;
een fijn zilverachtig stof beweegt zich trillend boven den grond en
hult alle voorwerpen in een doorzichtigen sluier.

Even voorbij Lissone, een der armoedige, verstrooide dorpen, die wij
doortrekken, wordt onze aandacht getrokken door een eigenaardig gezang,
zacht en sleepend van toon, dat ons herinnert aan de liederen der
bergbewoners van Andalusië, of aan het droevig, eentonig gezang der
kabylische herders. Aan de spits harer kudde, bestaande uit mouflons,
bokken, grijze en zwarte schapen, wandelt eene jonge herderin, in
schitterende kleeding. Al voortgaande, borduurt zij met vlijtige hand,
en geleidt tevens hare kudde, die schijnt te volgen op de maat van
haar zonderling gezang. De jonge herderin volgt de uitgedroogde, met
steenen bezaaide bedding van een diepen stroom, en kan ons, die langs
den grooten weg door de hooge vlakte voorttrekken, niet zien. Onbemerkt
volgen wij haar. Op een grooten witten doek, met een rooden zoom
naar griekschen smaak geborduurd, teekent zij met de naald fraaie
eikenbladeren, en dat niet naar een patroon,  maar geheel naar eigen
ingeving en smaak. Eene uiterst bevallige verschijning. Haar blonde
hairen, kroezig en kort geknipt als die van een knaap, ontsnappen van
onder haar nauwsluitend rood mutsje, met zilveren pailletten versierd;
vergulde sechinen en medailles hangen aan haar ooren en tot op haar
schouders; om haar hals slingeren zich glaskoralen snoeren. Hare borst
is bedekt met een fraai geborduurd hemd, in kleur en teekening aan de
russische hemden niet ongelijk; een breede gordel van gedreven zilver
omsluit den veelkleurigen wollen rok met lange franje omzoomd, die
tot op de beenkleederen van dezelfde stof afdaalt. De wijde mouwen,
ter hoogte van den elleboog met sterren geborduurd, steken helder af
bij den donkerblauwen overrok, die tot beneden de knieën reikt. Een
groote geborduurde zak hangt op haar rug; haar sierlijke herderstaf
steekt in haar gordel.

Zij is geheel alleen, te midden dezer groote eenzaamheid:  men zou
geneigd zijn zich af te vragen, waartoe dit goud, die pailletten, die
muntstukken,  die koralen, en al die levendige, schitterende kleuren,
te midden dezer naakte, sombere rotsen? en door welk zonderling toeval,
waar de natuur zoo doodsch, het landschap zoo eentonig en dor is,
kleur en leven, glans en harmonie herboren worden en triomfeeren in
de kleeding eener eenvoudige herderin?

Wij komen te Ostrovitsa en overnachten aldaar. De vlakte nabij het
dorp, aan alle zijden door bergen omgeven, gelijkt een reusachtigen
circus: naar men zegt, werd hier eenmaal een bloedige slag tusschen
de Turken en de Kroaten geleverd; het slagveld is tegenwoordig een
groot moeras, waarin het wemelt van bloedzuigers. De duisternis valt
plotseling in: wij hebben den voet van een hoogen heuvel bereikt,
die op een lagen voorsprong de nederige kerk van Ostrovitsa draagt,
waarboven zich de eigenaardig gevormde granietmassa verheft. Hier wordt
de karavaan ontbonden: ieder gaat zijns weegs en zoekt een geschikt
verblijf voor den nacht op. Inmiddels leggen onze pandoeren vuur aan
in eene vrij groote ruïne, die tot karavanserai dient. Een geheel
schaap wordt aan het spit--een eenvoudigen stok--gestoken en boven
het vuur gebraden; de mannen legeren zich deels op den grond in de
nabijheid van het vuur, en staan deels, half in de schaduw, half door
den rossen gloed verlicht, wachtende dat het smakelijk maal gereed
zij. De ruïne, waarin wij ons bevinden, is meer dan waarschijnlijk
een dier groote kavaleriekazernen, die de maarschalk Marmont, tijdens
het fransche bestuur, op verschillende punten in Dalmatië liet bouwen.

Wij hebben den nacht doorgebracht op een matras van maïs, in
een kamer met witgepleisterde muren en zonder meubelen: de zon
dringt door de reten van het luik, dat het venster afsluit: het
is bereids klaar dag. Wij keeren naar de kazerne terug en laten de
paarden zadelen. Kort daarna gaan wij op weg, aangestaard door de
saamgestroomde nieuwsgierigen van het dorp.

Wij komen achtervolgens door Otrés, Kernievo, Varivode, Zetchévo en
Kistagne. Het landschap is hier veel minder eentonig en zelfs schoon,
hoewel de streek toch over het algemeen een treurigen indruk maakt. Nu
eens zijn het uitgestrekte vlakten van eene fraaie grijze kleur,
met sombere olijven, die zich donker afteekenen tegen den bleek
gouden achtergrond van het gebladerte der wijngaarden in den herfst;
dan weder, rotsige heuvelen, straks andermaal afgewisseld door grijze
valleien, waarin talrijke kudden grazen, als witte en zwarte stippen
alom verspreid. Overal is gebrek aan aarde: over eene uitgestrektheid
van vele mijlen is de grond letterlijk als met steenen geplaveid,
waartusschen gaten, spleten en scheuren, even als in die oude,
vervallen romeinsche wegen, waarvan het plaveisel door den tijd
is losgeraakt.

De weg is eenzaam: het is duidelijk dat de streek weinig bevolkt
is; wij ontmoeten een griekschen pope met zijne echtgenoote en eene
vrouwelijke bediende, allen op het hooi liggende in een kleine kar,
door twee magere paarden getrokken. Nu en dan komen wij eene kleine
armelijke karavaan tegen, waarvan al de vrouwen schrijlings te paard
zitten, de voeten rustende in een van touw gevlochten stijgbeugel.

Een met moerbeziënboomen beplante weg brengt ons te Kistagne. Sommige
eigenaardigheden van het kostuum verraden hier de nabijheid van
Turkije: de oude vrouwen bedekken reeds het benedenste gedeelte van
haar gelaat, terwijl de jonge meisjes haar aangezicht onbedekt houden;
alle mannen dragen een tulband, en de meesten hebben in hun gordel
een lange houten pijp met een kop van gebakken aarde. De bevolking
behoort tot de grieksche Kerk; in de tien dorpen, die tot het kanton
van Kistagne behooren, vindt men slechts enkele katholieke familiën. De
vlakte is uitgestrekt en tamelijk vruchtbaar: sedert ons vertrek van
Zara, hebben wij nog zoo veel boomen als hier niet bijeen gezien. Voor
het eerst bespeuren wij op den rotsgrond eene laag vruchtbare aarde
van eenige dikte. Vroeger was er te Kistagne een sirdar gevestigd,
een hoofdman der pandoeren, onder de bevelen staande van den kolonel
van het distrikt. De oostenrijksche regeering heeft, op de meeste
plaatsen, deze soort van plaatselijke milicie afgeschaft en door haar
bureaukratie en gendarmerie vervangen. De oorspronkelijke organisatie
dagteekende uit den tijd der Venetianen. Dalmatië was destijds verdeeld
in zee- en landdistrikten; de sirdars waren toen in de eerste plaats
burgerlijke overheidspersonen, die tevens recht spraken in alle
civiele geschillen, waarbij geen hooger bedrag dan van tien gulden
betrokken was. Zij hadden onder hunne bevelen de plaatselijke milicie
der pandoeren, die, zoo als ik reeds gezegd heb, niets anders waren
dan gewapende boeren, bij beurte een of twee dagen in de week dienst
doende, naar gelang van omstandigheden, en die, in geval van nood,
eene niet onaanzienlijke macht konden op de been brengen.

Even voor wij aan Kistagne komen, juist waar de Kerka den weg snijdt,
slaan wij ter zijde af om een blik te werpen op de diepe kloof, waarin
deze rivier stroomt, en op enkele romeinsche bogen, aan den zoom
dezer diepte verrijzende. De plek heet Archi-Romani of Soupiaia: eene
verbastering van Supplia zarkva  (doorboorde kerk). Daar stond de oude
stad Burnum, waarvan nu niets meer overig is dan deze bogen. De Kerka
vormt, op korten afstand van deze plek, in haar smalle vallei, een
fraaien waterval van eenige ellen hoogte. Behalve dezen val heeft de
Kerka nog twee andere cascaden: die van Roncislap en die van Scardona.

Wij keeren spoedig naar den grooten weg terug, ten einde Knin,
waarvan wij nog drie uren verwijderd zijn, vóór den nacht te kunnen
bereiken. Hoe verder wij komen, des te vruchtbaarder wordt het land;
welhaast kunnen wij ons hart ophalen aan het gezicht van groote
boomen, noteboomen, en akkers met gerst en sorgho beplant; eindelijk
zien wij het stadje Knin, amphitheatersgewijze gelegen aan den voet
van een hooge rots, waarop eene indrukwekkende citadel is gebouwd,
en waarboven zich de toppen van den berg Dinara verheffen.

Knin is wel een der schilderachtigste punten in geheel Dalmatië. Het
stedeke ligt aan den oever van de Kerka, maar zijne laatste huizen
bestijgen de helling van den rotsigen heuvel, die op zijn top de
trotsche vesting draagt. De plaats telt betrekkelijk weinig huizen;
enkelen daarvan zijn van hout, waardoor de buurt langs de rivier
een eigenaardig turksch karakter verkrijgt. Vóór de uitvinding van
het geschut, was deze stelling bijna onneembaar. In de oorlogen
tusschen de Turken en de Venetianen, werd de stad twintigmaal
genomen en hernomen. De Koningen van Kroatië en Hongarije hebben
haar beurtelings bezeten; de Turken veroverden haar in 1522, en
hielden haar honderd-vijf-en-twintig jaar in bezit. De venetiaansche
krijgsoversten Foscolo en Cornaro ontnamen haar in 1647 aan de Turken,
waarna de stad, tot aan den ondergang der republiek, in de macht
van Venetië bleef. Allen, die hier achtervolgens de heerschappij
in handen hadden, ten volle het belang beseffende dezer stelling,
die de vallei van de Kerka beheerscht, hebben voortdurend gearbeid
aan de versterking der plaats, in verband met de vorderingen der
militaire wetenschap; ook nog tijdens het fransche bestuur zijn hier
zeer belangrijke werken aangelegd. De bezetting van deze citadel,
als een arendsnest op den top der rotsen gebouwd, en niet dan langs
moeilijke, eindeloos slingerende paden bereikbaar, bestaat thans uit
eene kompagnie artillerie en eene kompagnie infanterie.

Het ontbreekt der kleine stad, waar drie wegen samenloopen, niet aan
levendigheid; de Kerka deelt aan de omringende streek vruchtbaarheid
mede, en er wordt een vrij drukke handel met Bosnië gedreven. De
Turken voeren daar het hout hunner bosschen aan; zij laden dit hout op
kleine, sterk gespierde, tegen alle vermoeienissen geharde paarden,
die in lange karavanen de uiterst bezwaarlijke bergpaden met hunne
zware vracht beklimmen.

De maarschalk Marmont, gouverneur van de zoogenoemde Illyrische
provinciën, vestigde zich in 1806 te Knin, om in persoon de
toegangswegen naar Bosnië te bestudeeren. Turkije en Rusland waren
destijds in oorlog gewikkeld, en Sebastiani had voorgesteld, Sultan
Selim te hulp te komen met eene afdeeling van vijf-en-twintigduizend
man, die uit het bezettingsleger van Dalmatië zouden genomen
worden. Daar Marmont zelf het bevel over die troepen zou voeren, was er
hem veel aan gelegen, zich nauwkeurig bekend te maken met den weg, dien
hij volgen moest, en met de geschiktste gelegenheden om naar Livno te
komen. Dit gaf aanleiding tot de schepping van een stelsel van groote
wegen en binnenlandsche communicatiën, waardoor Marmont zich voor immer
aanspraak heeft verworven op de dankbaarheid van het land, voor welks
ontwikkeling hij zoo veel gedaan heeft. Men kan zich tegenwoordig bijna
niet voorstellen, hoe moeilijk en gebrekkig de gemeenschap vroeger
was. Voor militaire operatiën was het land volstrekt ongeschikt:
de marschen waren niet alleen uiterst moeilijk, maar er was geene
enkele gelegenheid om levensmiddelen of ammunitie to vervoeren; aan
het vervoer van artillerie viel in de verte niet te denken. Men zal mij
vragen, hoe hebben dan de Venetianen, eeuwen lang, de worsteling tegen
de Turken kunnen volhouden? Zij beheerschten de zee en konden met hunne
vloot overal in de hun onderworpen havens aanleggen. Elke stad langs
de kust, van Zara tot Ragusa, was door muren omgeven on beschermd
door forten, waarop de vlag der republiek wapperde. De poorten aan
de landzijde waren even zoo vele bruggehoofden, die zeer gemakkelijk
konden verdedigd worden. De Turken verkeerden daarenboven in zeer
ongunstigen toestand: om Dalmatië te bereiken, moesten zij eerst de
steile en rotsige bergen overtrekken, die van Kroatië tot Cattaro, de
natuurlijke grensscheiding der provincie vormen; zij konden daarbij
hun geschut niet medevoeren; en wanneer zij, eindelijk in de vlakte
doorgedrongen, het beleg voor eene stad sloegen, kon de insluiting
toch nooit volkomen zijn, omdat de gemeenschap ter zee altijd voor
de Venetianen open bleef. Maar tijdens het fransche bestuur was de
Adriatische-zee in de macht van de vloten der gealliëerden. Marmont
moest zich dus de gelegenheid verschaffen, om in het land zelf met
een leger, van geschut en materieel voorzien, te kunnen opereeren:
van daar de noodzakelijkheid van den aanleg van wegen, die, hoewel
met een strategisch doel gemaakt, toch zooveel hebben bijgedragen
tot de ontwikkeling en de welvaart des lands.


VII.

De tijd van mijn verblijf te Knin was gewijd aan uitstapjes langs
de oevers van de Kerka, en aan dikwijls bezwaarlijke tochten over de
steile bergen, die de rivier beheerschen. Ik had mijn intrek genomen
in eene herberg, die zich door niets bijzonders onderscheidde, en waar
ik mij allerlei ontberingen moest getroosten. Den avond van mijn komst
had iets zeer treurigs plaats: het begon te regenen; men vreesde dat
die regen schade aan het te veld staande gewas zou veroorzaken, en de
eenige straat was geheel opgevuld met wagens en karren der Morlaken,
terwijl de voerlieden in den donker tegen elkander schreeuwden en
raasden. Na een zeer onsmakelijk avondmaal in eene groote, lage,
slecht verlichte kamer, wees een aardig meisje in nationaal kostuum
mij een bouwvalligen trap, die naar drie kleine kamertjes, op eene
houten galerij uitkomende, voerde; die galerij ontving al haar licht
door een vierkant venster, zoo laag geplaatst, dat, over dag, de
planken vloer alleen door de zon werd beschenen. Omstreeks twee uren
des nachts meende ik dat het huis met steenen bestormd werd. Ik greep
onwillekeurig naar mijn revolver, en sloop op mijne bloote voeten
naar het venster, dat met een blind gesloten was. Door een reet in
het luik loerende, zag ik, in de donkere schemering, drie personen,
die half luid sprekende iets schenen te beramen, met steenen naar
mijn venster wierpen, daarbij telkens driemaal achtereen uitroepende:
"Zacari! Zacari! Zacari!" Dit duurde langer dan een half uur; daar het
inmiddels was gaan stortregenen,  trokken de drie mannen eindelijk
af. Ik heb nooit kunnen ontdekken, wat dit te beduiden had, want de
Dalmatiër, die mij tot tolk diende, had zich weder bij de karavaan
gevoegd, en ik bevond mij te Knin in de onaangename positie van iemand,
die alleen door teekenen en gebaren zijne gedachten kan kenbaar maken.

Knin ligt ingesloten tusschen de Kerka en den berg. De stad begint
aan den zoom der rivier en reikt tot aan de hellingen van de rots, die
zich eensklaps loodrecht verheft. De rivier is hier niet bevaarbaar;
het water is helder en doorschijnend, zoodat men overal den bodem
zien kan; de bedding is breed, en ter wederzijde verheffen zich
machtige rotsen, die den loop der Kerka volgende, allengs de bedding
vernauwen, en waarvan de wanden hier en daar door holen en grotten
worden afgebroken, welke echter niet toegankelijk zijn, uithoofde
van het water, dat in grooten overvloed van het gewelf stroomt.

De reis van Zara naar Knin heb ik met eene karavaan gemaakt; om van
Knin naar Sebenico te gaan, maak ik gebruik van de post, die de dienst
tusschen de twee steden waarneemt, daarbij den weg nemende over Dernis.

Bij het verlaten van Knin, loopt de weg door een liefelijke streek; de
naakte steenachtige vlakte heeft hier plaats gemaakt voor vruchtbaren
grond, die echter slecht bebouwd is. Daar er niets wordt gedaan om de
rivier binnen haar bedding te houden en haar overstroomingen te keeren,
gebeurt het menigmaal dat de omliggende vlakte onder water wordt gezet,
zoodat Knin voor vrij ongezond wordt gehouden. Er heerschen dan ook
veel koortsen, vooral in den herfst, en bepaaldelijk in de maanden
Augustus en September. De Slaven, die zich anders zeer weinig ontzien,
zullen in dien tijd des jaars nimmer in de open lucht gaan slapen of
des nachts de vensters open laten.

De dorpen langs onzen weg vertoonen hetzelfde karakter als die tusschen
Zara en Knin; de huizen zijn niet schilderachtiger. Tusschen den
berg Cavallo en den berg Kozak strekt zich eene fraaie, vruchtbare
vallei uit, door een nevenstroom van de Kerka, de Cossovizza,
besproeid. Omstreeks Klanatz versmalt zich deze vallei zoodanig,
dat er tusschen de twee bergen niet meer dan een enge doorgang
overblijft, waar, naar men zegt, de veiligheid der reizigers gevaar zou
loopen. Eenigen tijd geleden, werd de postwagen altijd door gendarmes
begeleid; onlangs was bepaald dat dit geleide alleen dan zou worden
verstrekt, wanneer de wagen eene geldswaarde van meer dan drieduizend
florijnen zou bevatten; men verzekert mij zelfs, dat sedert dien
tijd ook deze voorzorg niet meer noodig wordt geacht; wij ontmoeten
echter nu en dan pandoeren, die de wacht waarnemen. De bewoners dezer
streek staan als zeer onrustig en twistziek te boek: als huns buurmans
geit zonder vergunning in hun tuin komt grazen,  vallen er dikwijls
geweerschoten. De overheid tracht deze vaardigheid in het grijpen
naar de wapenen zooveel mogelijk te beperken, maar moet overigens
wel het een en ander door de vingers zien; loopt het al te erg,
zoodat er menschenlevens bij gemoeid zijn, dan komt zij tusschenbeiden.

Naarmate wij Dernis naderen, worden de kudden talrijker en neemt
het land in vruchtbaarheid toe: leven en beweging doen zich alom
gevoelen. Dernis maakt een zeer gunstigen indruk: de stad ligt op
eene hoogte; de platte, lage huizen worden beheerscht door eene
kolossale ruïne. De minaret van eene voormalige turksche moskee,
tot heden gespaard, verheft zich hoog boven de huizen, en teekent
zich scherp af tegen den donkeren achtergrond der fraaie bergen. Het
is Zondag, en er heerscht overal groote drukte. In geen andere plaats
van Dalmatië verdient het kostuum, hoezeer eenvoudig en sober, in die
mate de aandacht. Alle vrouwen van zekeren leeftijd bedekken zich het
onderste gedeelte van het gelaat; even als de Jodinnen van Marokko,
dragen zij dubbele valsche tressen, die zij met roode of groene
linten boven op het hoofd vaststrikken en doorvlechten. De groote
halsdoeken zijn helder wit als sneeuw, versierd met eenvoudige,
maar zeer smaakvolle borduursels; haar beenen steken in geborduurde
slopkousen; en over het donkerblauwe overkleed, met levendige kleuren
gestikt, dragen zij den fraai gestikten zak, waarin zij alles bergen
wat zij koopen of bij zich hebben.

Des morgens ten acht uur waren wij van Knin vertrokken, en kwamen
ten twaalf uur te Dernis, dat tweeduizend zielen telt. Een uur later
vertrokken wij weder. Aanvankelijk ging de weg bergopwaarts, om
vervolgens weder naar de vlakte af te dalen. Daar begint de woestijn
op nieuw, naakt en dor en vol steenen: een landschap als in Arabië
of in sommige streken van Bretagne, waar de grauwe dolmens alleen de
troostelooze doodsche eenzaamheid breken. De mensch kan den strijd met
zulk eene natuur niet aanvaarden, en men behoeft deze streken slechts
aan te zien, om te begrijpen waarom zij zoo schaarsch bevolkt zijn.

De aankomst te Sebenico zal niemand licht vergeten. De bergketenen,
die van de hoofdketen uitgaan, nemen, naarmate zij de kust naderen, in
hoogte toe, en eindigen meestal in een hooge kaap of steilen kegel. Zoo
ook hier. Om de stad te bereiken, stijgt men aanhoudend,  en men
treedt haar binnen door een kloof of opening tusschen twee grauwe
rotsen, van waar men, over Sebenico heen, de Adriatische-zee ziet,
bezaaid met eilanden en klippen. Van dit punt daalt de weg steil naar
beneden, langs twee hoog gelegen forten San-Giovanni en Santa-Anna.

Sebenico ligt eigenlijk niet aan de kust: de Adriatische-zee dringt
hier vrij diep het land in, door een smal kanaal, het kanaal van
San-Antonio genoemd; haar water vermengt zich met dat van de Kerka,
en vormt eene smalle en zeer diepe baai. Bij tegenwind is de stad van
de zeezijde zeer moeilijk te naderen. Ik heb tweemaal de reis van Zara
naar Sebenico gemaakt:  eens over land, met den wijden omweg over Knin
en Dernis; en eens over zee. Voor de vaart van de eene haven naar de
andere heeft men zes uren noodig. De haven van Sebenico wordt als zeer
veilig geroemd; het water is zeer diep; de geringe breedte van het
kanaal San-Antonio en de ligging der eilanden, die den toegang tot het
kanaal afsluiten en den wind onderscheppen, bevorderen de veiligheid
der schepen. Uit zee gezien, vertoont de stad zich ingesloten op een
eng begrensd terrein tusschen den berg en de kust, en beheerscht door
de hooge forten. Wie van de landzijde komt, heeft een meer volledig
overzicht: men ziet de stad van achteren in haar geheel, en verder de
golf, de eilanden, en zelfs aan den verren horizon, de Adriatische-zee.

Bij dit mijn tweede bezoek, nu ik de stad door de poort van Dernis
binnenkom, is de zon reeds ondergegaan. Terwijl ik een nachtverblijf
opzocht, en een beambte bij de posterijen, voor wien ik een brief bij
mij had, opspoorde, was het inmiddels volslagen duister geworden. Ik
gebruik mijn middagmaal in eene op italiaanschen trant ingerichte
trattoria, waarna mijn nieuwe makker mij eene avondwandeling door
Sebenico voorstelt. Alvorens ons op weg te begeven, gaan wij in een
naburig koffiehuis eenigen zijner vrienden afhalen.

Welk eene zonderlinge stad! Wij klauteren naar boven langs smalle,
kronkelende trappen, ter wederzijde omzoomd door huizen van
fantastische bouworde; nauwe donkere gangen, niet ongelijk aan
bedekte wegen in eene vesting, loopen eensklaps uit op campi, waar
het zilveren schijnsel der maan eene fraaie italiaansche loggia uit
den tijd der renaissance verlicht, en op den grond de lange smalle
schaduw teekent van eene antieke zuil, eenzaam te midden van het
plein oprijzende. Wij maken allerlei wendingen en omwegen; nu eens
plotseling nederdalende tusschen twee muren, met vochtigen uitslag
bedekt en flauwelijk verlicht door een schemerende lantaarn; en dan
weder uit de diepte naar boven klauterende langs hooge, uitgesleten
en glibberige trappen,--en  komen eindelijk op een platform, dat de
gansche stad beheerscht, en vanwaar men de golf, de eilanden en de
zee overziet.

Voor onze voeten verrijzen boven elkander de daken der huizen en de
koepels der kerken, tot eene donkere massa saamgevloeid, waarin hier
en daar lichtpunten schitteren; uit de stad stijgt een dof gedruisch,
een gemurmel als van ruischende wateren, tot ons op; aan de landzijde
teekenen zich de hooge forten, scherp en donker, met hunne zware
omtrekken tegen den met sterren dicht bezaaiden hemel af; aan de
zeezijde wiegelen en schommelen, in zachten rythmus, de roode vuren
aan de masten der schepen. In de baai kabbelen de golven, elk door het
trillende maanlicht met een zilveren diadeem gekroond, die tegen de
donkere kust in een regen van parelen uit elkander spat.... Sprakeloos
staan wij daar, in bewondering en genot verzonken. Onze gids, een
jonkman van levendige verbeelding, spraakzaam,  dichterlijk gestemd,
die telkens met zachte stem verzen van Dante heeft gereciteerd, begint
eensklaps,  te midden dezer diepe, nachtelijke stilte, koepletten uit
de Gerusalemme Liberata te zingen. Hoe helder, hoe warm en welluidend
klinkt dat lied, de reine, kalme lucht vervullende met harmonie, en
ginds de echoos opwekkende van rots en strand, en langzaam wegzwevende
over de verre, verre zee....

Er wordt te Sebenico eenige handel gedreven; de exploitatie der mijnen
van het binnenland levert daarvoor enkele der voornaamste artikelen,
terwijl de bergen en de eilanden zeer goeden wijn voortbrengen. De
geheele stad is vol leven en beweging; ondanks de eigenaardigheden der
ligging, die de straten tot trappen doet worden, zijn hier de huizen
beter gebouwd dan in de meeste andere steden van gelijken rang. Ge
kunt hier keurig gebeeldhouwde venetiaansche balkons vinden,  die
een der paleizen van het Groote-Kanaal geen oneer zouden aandoen;
en het plein der Signoria is eene herhaling op kleine schaal van
een dier fraaie pleinen in noordelijk Italië, waar de groenten- en
vruchtenmarkt gehouden wordt. De stad telt niet meer dan tusschen de
vier- en vijfduizend inwoners, waarvan de groote meerderheid tot de
katholieke Kerk behoort.

Toen wij weder naar de stad afdaalden, vonden wij het plein der
Signoria, met zijn fraaie italiaansche loggia  en de kathedraal,
vol wandelaars, schitterend van licht, en levendig en druk als
een Sint-Marcusplein in miniatuur. Aardige groepen jonge meisjes
wandelen alleen, elkaar den arm gevende, rustig op en neder; de
jongelieden komen haar groeten en aanspreken, zonder dat daarbij
eenige gedwongenheid heerscht. Het spelen met den waaier en de taal
herinneren geheel aan Venetië; zelfs de atmosfeer en de gesternde hemel
doen mij denken aan zoo menigen liefelijken avond, in piazza gesleten.

De eene zijde van het plein wordt ingenomen door een koffiehuis,
in de benedenverdieping van de Loggia gevestigd, het oude paleis
der proveditoron, tegenwoordig een sociëteit. Het is Zondag, en de
stad heeft een feestelijk aanzien; de straat voor het koffiehuis
is geheel bezet met tafeltjes. De kathedraal van Sebenico, die eene
andere zijde van het plein inneemt, is door geheel Dalmatië beroemd;
zij werd in 1415 begonnen en in 1555 voltooid. Ongelukkig hapert
het der kerk aan eenheid; ook is het onmogelijk, een goed overzicht
te krijgen van den voornaamsten gevel, die op een klein pleintje
uitkomt. De kathedraal bestaat uit een middenschip en zijschepen,
van den hoofdingang gescheiden door vijf pilaren, onderling door
bogen verbonden. Enkele bijzonderheden van den stijl uitgezonderd,
is deze dom toch minder opmerkelijk, dan ik mij, volgens de verhalen
der Dalmatiërs, had voorgesteld. Vergeleken met andere christelijke
monumenten der provincie, is de kathedraal betrekkelijk van jongen
datum, en de stijl is ook niet zuiver genoeg om het gebouw tot type
te stempelen.

Wie Sebenico bezoekt, mag niet verzuimen naar de watervallen van de
Kerka te gaan, die zich een weinig ten noordwesten van de stad in de
golf stort. Men heeft twee-en-een-half uur noodig om, tegen den stroom
opvarende,  met een der booten, welke in de haven gereed liggen,
den waterval te bereiken. Het is een vaart, die haar eigenaardige
schoonheid heeft. De rivier vloeit aanvankelijk tusschen twee rotsen,
en hare oevers zijn woest; na drie mijlen te hebben afgelegd, komt men
aan het meer, aan welks rand zich de kleine stad Scardona verheft,
die tweehonderd jaar geleden nog turksch was, en nog sporen heeft
overgehouden van de tegenwoordigheid der Muzelmannen. De reiziger
houdt echter te Scardona niet op, maar volgt den loop der rivier tot
aan den waterval, ongeveer een mijl van de stad verwijderd.

Het is niet gemakkelijk een boot te vinden, die mij naar den waterval
brengen kan; er moest een boodschap naar Vissovaz gezonden worden,
om ten behoeve van een vreemdeling, daar te trachten een boot te
huren. Om geen geheelen dag te verspillen, besloot ik den tocht
te vervolgen met de visschersboot, die ik te Sebenico gehuurd had,
hoewel de schippers een buitensporig hoogen prijs eischten.

De waterval is zeer fraai, en de omringende natuur is bevalliger
dan op eenig ander punt van Dalmatië. De Kerka vloeit hier over eene
bedding van zeer zachten, broozen kalksteen; in plaats van plotseling
uit eene hoogere in eene lagere bedding neder te storten, wordt het
afstroomende water overal door rotsen tegengehouden; daartusschen en
daarover heen heeft het zich, midden door de zachte kalkrots, een
weg gebaand, overal openingen en kleine tunnels borende. Men ziet
hier dus niet eene groote watermassa, die van eene aanmerkelijke
hoogte nedervalt: het zijn veeleer eene menigte kleine cascaden,
waardoor het water in alle richtingen wegstroomt.

Er zijn daar eenige molens en een vrij groot aantal booten; de
oevers zijn met fraai geboomte beplant, en de geheele omgeving is
bij uitnemendheid schilderachtig;  maar men beweert dat de Kerka
tusschen den waterval en Scardona moerassen vormt en dat de streek
ongezond is door de heerschende koortsen. Ik heb slechts een vluchtig
kijkje genomen, en zelfs mijn boot niet verlaten, omdat ik tijdig te
Sebenico terug moest zijn, ten einde mij aan boord te kunnen begeven
van het schip, dat mij naar Spalato zou brengen.

Een vrij goede weg loopt van Sebenico naar Trau, en van daar naar
Spalato; maar men ried mij de reis over land af, omdat ik het
eigenaardig karakter der natuur van Dalmatië toch reeds kende. Des
avonds bevond ik mij weder te Sebenico, en daar het vaartuig bereids
in de haven lag, begaf ik mij aanstonds aan boord, ten einde het
uur van vertrek, dat den volgenden morgen vroeg zou plaats hebben,
rustig af te wachten.


VIII.

De vaart van Sebenico naar Spalato duurt vijf uren. Men volgt van
nabij de kust, die hier zeer hoog en moeilijk te naderen is; voorbij
kaap la Planca vormt de Adriatische-zee eene groote menigte inhammen
en kanalen, die vrij diep in het land dringen. De steden liggen allen
langs de kust, en hebben elk haar haven, even als in Istrië en in het
noordelijk gedeelte van Dalmatië; maar zij verschuilen zich hier meer
achter in de baaien en inhammen, en zijn verborgen door eilanden,
vrij wat grooter dan die in de nabijheid van Zara en Sebenico. De
belangrijkste dezer eilanden zijn: Bua, Solta, Brazza, Lissa, Lesina,
Cursola, Sabbioncello, Melida en de groep der Elaphiten. Deze talrijke
engten en kanalen, deze fjords, zijn een eigenaardig kenmerk van de
Adriatische-zee, althans langs deze kust: tusschen la Planca en Ragusa,
zou men zich schier kunnen verbeelden op een der groote italiaansche
meeren te varen, want men verliest nimmer de beide oevers uit het oog:
aan de eene zijde het vaste land van Dalmatië, en aan de andere zijde
de eilanden en klippen, die elkander in lange reeks opvolgen.

In het jaar 303 na Christus, toen het romeinsche rijk, dien
onmetelijken omvang verkregen hebbende waaraan het voor een goed
deel zijn ondergang te danken had, na honderdvijftig jaren van
bijna aanhoudenden krijg wederom een tijdperk van vrede intrad en
nog eenmaal de wereld verblindde door den glans zijner heerlijkheid,
verzamelde Keizer Diocletianus, de hersteller van de militaire tucht
en de overwinnaar der Perzen en Meden, het volk en het leger in de
vlakte van Nicomedië. Daar besteeg hij, het hoofd omkranst met den
lauwer der overwinning, de trappen van een prachtigen troon, en op
de volle middaghoogte zijner macht en zijns roems, verkondigde hij
aan de verbaasde wereld zijn besluit om van de regeering afstand te
doen. Hij keerde zelfs niet meer naar zijne hoofdstad terug, maar
gebruik makende van de algemeene verwondering, door deze mededeeling
verwekt,  verborg hij zich voor aller oog in een overdekten wagen
en begaf zich naar Dalmatië, om daar, ver van het gewoel der wereld,
het prachtige paleis te gaan bewonen, waaraan hij sedert twaalf jaren
had laten bouwen.

Dit paleis van Diocletianus, waarin hij negen jaar, tot aan zijn dood,
woonde, bestaat nog altijd te Spalato, en is een der merkwaardigste
monumenten, die ons van de oudheid zijn overgebleven. Nabij het paleis
lagen de tuinen van Salona, waar de Keizer zich met het kweeken van
groenten onledig hield. Dit paleis van Diocletianus is voor een deel
de stad zelve, waar wij voet aan wal zullen zetten, want zij is op
het terrein van dat paleis gesticht en binnen zijne muren omsloten.

Uit zee gezien, maakt Spalato bijkans den indruk eener groote stad:
zij is dan ook inderdaad de volkrijkste en belangrijkste stad van
geheel Dalmatië. Zij ligt aan den oever der zee en in eene vlakte;
de lange levendige kaai wordt aan de eene zijde begrensd door het
lazareth, een groot, vooruitspringend gebouw, en aan de andere zijde
door de nieuwe wijk en de voorstad. Een trotsche campanile verheft
zijne spits ten hemel, en teekent zich af tegen den ernstigen,
donkeren achtergrond der bergen, boven wier golvende lijnen de berg
Mossor hoog uitsteekt. De groote merkwaardigheid van Spalato echter,
datgene wat bovenal de belangstelling der reizigers wekt en hunne
schreden naar deze stad richt, dat is de monumentale ruïne, waarvan
de wedergade ter wereld misschien niet te vinden is, bekend onder
den naam van het paleis van Diocletianus.

De Keizer was aan de oevers van de Adriatische-zee, aan den voet der
Zwarte-bergen, te Dioclea, geboren. Hij was aanvankelijk gemeen soldaat
bij een dier romeinsche legioenen, die het rijk moesten verdedigen
tegen de invallen der barbaren. Langzamerhand tot de hoogste rangen in
het leger opgeklommen, dong hij, hoewel de zoon van een vrijgelatene,
als zoo vele anderen naar het keizerlijk purper; en in dien tijd,
toen de kohorten naar welgevallen hunne gunstelingen op den troon
verhieven, werd ook hij, in het jaar 284, tot Keizer uitgeroepen. Hij
gaf zich den bijnaam van Jovius, en voegde zich een mederegent toe
in den persoon van Maximianus, bijgenaamd Herculius, een soldaat
van fortuin even als hij zelf, maar die noch zijn geestkracht, noch
zijn buigzaam karakter, noch zijne menschenkennis bezat. Diocletianus
had het rijk den vrede weergegeven. Na vele jaren gelukkig den krijg
te hebben gevoerd, liet hij aan zijn ambtgenoot de zorg over om de
laatste vijanden van Rome uit te roeien, en won hij voor zich zelven
den roem van een voortreffelijk regent en een geniaal wetgever.

Rome had haar alouden glans reeds voor een groot deel verloren;
vier vorsten regeerden tegelijk en verdeelden het rijk onder zich:
eerst Diocletianus en Maximianus, en vervolgens ook de beide Cesars,
Constantius en Galerius, aan wie Diocletianus mede een deel van het
gezag gegeven had. Voortdurend in oorlog met de barbaren gewikkeld,
gaf bij de voorkeur aan het verblijf te Nicomedië, waar hij eene
oostersche pracht ten toon spreidde, boven dat in de heilige stad Rome;
Maximianus had zijne residentie gevestigd te Milaan, Constantius in
Gallië, en Galerius aan de oevers van den Donau.

Diocletianus hield van bouwen, en had overal gedenkteekenen opgericht:
Rome dankte hem de beroemde baden, die nog zijn naam dragen; Palmyra,
die heerlijke tempels, waarvan de ruïnen nog heden de bewondering der
reizigers opwekken; Carthago, Milaan, Nicomedië, hadden onder zijne
regeering prachtige monumenten zien verrijzen, waaraan hij met milde
hand de schatten van het Oosten had ten koste gelegd,  voor een groot
deel door zijne wapenen onderworpen. Omstreeks het jaar 296, reeds naar
rust verlangende, had hij den blik geworpen op de stad Salona, een
der belangrijkste van Dalmatië, aan den oever eener stille baai, aan
den voet der bergen, gelegen; hij had die stad geheel doen herbouwen
en tuinen doen aanleggen, waar hij zich gaarne onthield te midden van
de dalmatische natuur, waaraan zich voor hem zoo vele herinneringen
hechtten, en die hij lief had, zoo als de visschers der klippen den
naakten grond liefhebben, die hen heeft zien geboren worden. Omstreeks
denzelfden tijd had Diocletianus, op een mijl afstands van Salona,
aan den oever der zee, de grondslagen doen leggen van het reusachtig
paleis, waar hij zijne laatste levensjaren in stille rust wenschte te
slijten. Na een schitterenden veldtocht in Perzië, vertoonde hij zich
voor het laatst aan de inwoners van Rome, werd daar als overwinnaar
gekroond, en keerde toen naar Nicomedië terug, waar hij plechtig van
de regeering afstand deed.

Het huis, waarin hij zich nu terugtrok, geleek in geen enkel opzicht
de nederige woning van den wijze, wars van het gewoel der wereld en
afkeerig van weelde en pracht: het was een uitgestrekt paleis, nog ten
volle een Keizer waardig, en ruim genoeg om tempels en baden, zalen
voor de lijfwachten en woningen te bevatten voor die gansche schaar
van afhangelingen en cliënten,  die zich om den gewezen souverein
bleef bewegen.

Het paleis vormt een groot vierkant, aan de vier hoeken van sterke
torens voorzien; de hoofdgevel is naar de Adriatische-zee gekeerd. De
oppervlakte van het geheele gebouw, zonder de aangrenzende tuinen,
beslaat dertigduizend-vijfhonderd el; de open galerij, die op zee
uitzag, had eene lengte van tweehonderd el. Behalve de poort aan
de zeezijde, had het paleis drie hoofdingangen: ten noorden, de
Gouden-poort, die op den weg naar Salona uitkwam: de Bronzen-poort,
die naar Epetium (tegenwoordig Hobrech) voerde; en de IJzeren-poort,
die, volgens den italiaanschen archeoloog Lanza, toegang gaf tot een
park, bepaaldelijk voor de jacht van den Keizer bestemd. Elke dezer
poorten was gevat tusschen twee achthoekige torens. De vierde poort
kwam aan zee uit, en diende voor het in- en ontschepen; zij stond in
verband met uitgestrekte onderaardsche gangen en souterrains, die naar
de verschillende deelen van het paleis voerden en nog heden bestaan.

Van het punt, van waar wij een blik op de stad Spalato in haar geheel
geworpen hebben, is er een geoefend en scherpziend oog noodig, om
het oude gedeelte te herkennen, te midden der groote veranderingen,
die het in den loop der tijden en in verband met de verschillende
behoeften der opvolgende bewoners ondergaan heeft. De stad is in den
letterlijken zin in en tegen het voormalige paleis gebouwd, waarvan
sommige gedeelten nog bijna ongeschonden in wezen zijn, schoon dan
ook geheel van bestemming veranderd.

Diocletianus liet omstreeks 295 met den bouw van het paleis beginnen:
hij deed afstand in 304; en als wij de kroniek van Eusebius mogen
gelooven, leefde hij te Spalato tot in 313, het jaar van zijn
dood. Welke lotgevallen onderging zijne vorstelijke woning sedert
dien tijd?

De vierde eeuw is de eeuw van de invallen der barbaren. Het ten
ondergang neigende romeinsche rijk wordt, na den dood van Theodosius,
voor goed in tweeën gesplitst: Honorius ontvangt voor zijn deel
Dalmatië met de andere westelijke provinciën. Gansch Illyrië wordt
echter weldra de prooi der Hunnen, der Gothen, der Visigothen, en
tweemaal binnen den loop van eenige jaren levert Alarik het gansche
land aan de verwoesting over. Op de Hunnen volgen de Vandalen; op
Alarik en Attila volgt Genserik. Marcellinus, de vertegenwoordiger
van het Westersche rijk, waartoe Dalmatië heet te behooren, slaagt
er echter in, de geheele provincie te heroveren, terwijl Rome zelf
in de handen valt der barbaren.

Het paleis werd natuurlijk door deze vreemde horden niet gespaard:
de tempels en schatkamers werden geplunderd, alles wat eenige
waarde had of door fraaie bewerking uitmuntte, werd de buit der
barbaren. De beelden der goden lagen, verminkt en geschonden, hier
en daar verspreid; de sarkophagen werden opengebroken;  Salona,
de naburige stad, door Diocletianus geheel herbouwd, verfraaid en
versterkt, werd der plundering prijs gegeven. Niettemin bood zij haar
aanvallers heldhaftig weerstand, en weldra herleefde zij uit haar asch.

In het begin der vijfde eeuw heeft men de keizerlijke residentie van
Spalato herschapen in een soort van gesticht of college voor vrouwen,
waar de jonge meisjes wol komen spinnen en weven om de kleederen der
krijgslieden te vervaardigen, onder de leiding van den Procurator
gynecii Jovensis Dalmatiae Aspalato. Langzamerhand keert de vrede
terug; het paleis wordt gerestaureerd en weer tot keizerlijke woning
ingericht ten behoeve van Marcellinus, en na hem van Glycerius en
Julius Nepos (475). Maar Odoaker, die zich bereids van Italië heeft
meester gemaakt, doet een inval in Dalmatië, dat nu het slagveld wordt,
waarop de Herulen en de Oost-gothen, onder aanvoering van Odoaker en
Theodorik, elkander de heerschappij betwisten.

Theodorik roept de Gothen en de Slaven te hulp, en de steden, die bij
de eerste invallen waren gespaard gebleven, worden thans verwoest:
het nauwelijks herstelde paleis valt op nieuw in handen der barbaren,
en Salona, de rijke stad, wordt ten tweeden maal geplunderd en aan
de vlammen prijs gegeven. Wederom gelukt het Keizer Constantius de
provincie te bevrijden en de Gothen te verdrijven: maar de rust is
slechts tijdelijk. Lombarden en Avaren overstroomen op hunne beurt
het geteisterde land, dringen in Salona door en verwoesten de groote
stad zoo volkomen, dat er zelfs geen spoor van overblijft. Van Salona
trekken zij naar Spalato, en bestormen nog eenmaal die oude, beroemde
muren, die zoo veel aanvallen hebben weerstaan.

De zevende eeuw is getuige van de geboorte der stad Spalato, en
daarmede valt tevens samen de groote verandering en herschepping van
het paleis van Diocletianus. De barbaren hebben op hun weg alles
verwoest:  er is geen tempel meer te vernielen, geen stad meer te
verdelgen, geen dorp meer te verbranden: het land is bijna eene
wildernis geworden. Aan de eene zijde zijn zij zuidwaarts afgetogen
naar het tegenwoordige Albanië; aan de andere zijn zij langs de kust
voortgetrokken, door Kroatië, Istrië en Frioul; zij hebben Aquilea
en Altino verwoest, Padua geplundert, en de bewoners der kuststreken
uitgedreven naar de lagunen, om daar den grond te leggen voor die
machtige republiek Venetië, die hare heerschappij vestigde op de
golven der Adriatische-zee.

Het schijnt dat de volkerenstroom eindelijk is uitgeput; de inwoners
van Salona, die driemaal de wijk hebben genomen in de bergen en
op de eilanden der Adriatische-zee, komen uit hunne schuilhoeken
te voorschijn,  en zoeken de plek op, waar eenmaal hunne geliefde
geboortestad stond. Aan dien dierbaren grond gehecht,  willen zij
van de oude bekende plek niet scheiden; doch hunne vaderstad is
niets meer dan een ruïne, een vormelooze aschhoop: zij willen dan
voor 't minst onder denzelfden hemel leven, in de schaduw derzelfde
bergen, aan den oever derzelfde zee, waarvan de frissche adem hun
tegenwaait. Zij zoeken eene schuilplaats in de bouwvallen van het
paleis van Diocletianus. De muren zijn zwaar en dik; zij hebben
herhaaldelijk weerstand geboden aan de aanvallen der barbaren: hier
is eene sterke vesting, die gemakkelijk kan verdedigd worden. De
uitgewekenen vestigen hunne woningen in de portieken, in de galerijen
en voorhoven, in de tempels, waaruit de goden verdwenen zijn; als
schuchtere vogels, door den storm voortgedreven, hechten zij hunne
nesten aan de kroonlijsten en verbergen hun kroost in de spleten en
scheuren van het groote monument, onder de architraven,  in de baden,
in de prachtige zalen, waar de groote Keizer weleer de gezanten
van Rome ontving. Het is hun slechts om eene veilige wijkplaats te
doen: zij sloopen het grootsche gewrocht om zich woningen te maken,
en het paleis wordt een gehucht, een dorp, eindelijk eene stad:
Ad Palatium--Aspalathum--Spalatum--Spalato.

Spalato is destijds geheel besloten binnen de omwalling van het paleis;
de torens, die tot verdediging moeten dienen, worden hersteld; de
poorten deels toegemetseld, deels versterkt en zorgvuldig bewaakt;
de keizerlijke residentie is eene vesting geworden. De groote tempel,
volgens sommigen aan Diana, volgens anderen aan Jupiter gewijd, is
in eene christelijke basiliek herschapen. De meeste inwoners van
Salona hadden reeds voorlang den heiligen doop ontvangen en zich
tot het Christendom bekeerd: Paus Martinus (640-655) zond hun als
apostolisch legaat Johannes van Ravenna, die eene beslissing moest
nemen in het geschil, dat tusschen Ragusa en Spalato ontstaan was
over den aartsbisschoppelijken zetel, aanvankelijk te Salona gevestigd.

Salona werd in het gelijk gesteld, en daar Spalato sedert de plaats
der verwoeste hoofdstad had ingenomen,  werd Spalato tot zetel van den
metropolitaan verheven. Johannes van Ravenna werd door het volk tot
aartsbisschop uitgeroepen; hij koos zijne woning nabij de kathedraal,
onder de portiek van den vroegeren tempel, waar nog heden de prelaat
van Spalato resideert. Zijn paleis heeft tot voorgevel de kolonnade van
de oude portiek, en zijne vensters zien uit op het vroegere plein voor
den tempel. Het Mausoleum tegenover den tempel wordt tot doopkapel
ingericht; de sarkophaag, waarin, naar men zeide, het stoffelijk
overschot van Diocletianus bewaard werd, wordt weggenomen en op
dezelfde plaats het doopvont opgericht. Dit heeft waarschijnlijk
mede aanleiding gegeven tot de heerschende onzekerheid omtrent de
oorspronkelijke bestemming van dezen kleinen tempel, onder den naam
van het Mausoleum bekend, maar die door sommige oudheidkundigen ook de
tempel van Esculaap wordt genoemd. Zoo was het heidensche, romeinsche
Salona opgevolgd door eene zuiver christelijke stad, door Spalato.

Nog altijd maakte Dalmatië in naam deel uit van het Oostersche rijk;
maar de Kroaten en de Serviërs, beiden van slavischen oorsprong en tot
dus ver in de streken bij de Karpathen gevestigd, krijgen vergunning
zich in het land te mogen vestigen en ontvangen het burgerrecht, onder
voorwaarde dat zij de provincie tegen de Avaren zullen verdedigen,
en de steden langs de kust der Adriatische-zee eerbiedigen. De
italiaansche invloed klimt hier tot de vroegste tijden op: die steden
waren romeinsche koloniën; zij blijven onderworpen aan het gezag
der bisschoppen, die op hun beurt aan Rome onderworpen zijn. Eerlang
zullen zij in handen vallen van Venetië: en zoo het platte land geheel
slavisch wordt, zal de kust, die den latijnschen invloed ondergaan
heeft, haar italiaansch karakter onuitwischbaar blijven bewaren.

De Kroaten en Serviërs brengen hunne eigenaardige gebruiken en hunne
eigene hertogen of vorsten mede. Eerst moeten zij de worsteling
aanvaarden met de Franken, die hun het bezit des lands betwisten;
daarna beginnen zij eene zelfstandige regeering te vestigen, en leggen
aan het land en zijne bewoners hunne wetten op. Spalato was destijds
in het bezit van vrije municipale instellingen: het neemt in bloei en
welvaart toe, zet allengs zijne perken uit en overschrijdt de grenzen
van het paleis. Maar juist die voorspoed wekt de begeerlijkheid
op: de Kroaten willen de stad haar vrijheid ontrooven, de piraten
van Narenta, wier naam reeds toen in de geschiedenis voorkomt,
bedreigen en teisteren haar zoo voortdurend door telkens herhaalde
plundertochten, dat de stad zich gedwongen ziet, de bescherming van
de republiek van Sint-Marcus in te roepen. De Doge Piero Orséolo II,
wiens naam wij terugvinden in de geschiedenis van elke stad langs
deze kust, verschijnt te Spalato, verslaat de Kroaten, verdrijft de
zeeroovers, sluit een voordeeligen vrede met Kresimir II van Kroatië,
en ontvangt de hulde der dalmatische steden, die niettemin hare
vrijheid behouden en nog steeds worden geregeerd door hare eigene
bisschoppen, overeenkomstig hare statuten of keuren.

Maar Peter Kresimir neemt den titel van Koning van Kroatië en Dalmatië
aan en betwist het recht van Venetië; van den anderen kant maakt
Koloman, Koning van Hongarije, mede aanspraken op het land, en trekt
in 1102, Spalato met een leger binnen. Kort daarop laat hij zich zelf
als souverein der beide koninkrijken te Belgrado kronen. Het is de
tijd van de strooptochten der noordsche zeeschuimers: Kresimir heeft
eene vloot noodig, om die piraten te kunnen verdrijven, en daar hij
geen eigen zeemacht heeft, sluit hij een verbond met zijne vijanden,
de Venetianen, die, nadat het kustland van de Noormannen bevrijd was,
de hulp inroepen van Alexis Comnenus, Keizer van Constantinopel;
deze slaat, in 1143, het beleg voor de stad, om welker bezit de twee
mogendheden streden.

Nu volgt een tijdperk van verwarring en onophoudelijke
wisselingen. Spalato gaat van de eene hand over in de andere: Kroaten,
Hongaren, Venetianen, Napolitanen, hebben beurtelings de macht in
handen, terwijl de stad bovendien nog herhaaldelijk geteisterd wordt
door de zeeroovers, en in 1241 door een inval der Tartaren. Eindelijk,
in 1420, staat Ladislas, de Koning van Napels, al zijne rechten op
Spalato aan Venetië af, tegen eene som van honderdduizend gouden
dukaten.

Van 1420 tot 1797, alzoo tot aan den ondergang der republiek, blijft
Spalato nu in de macht van Venetië, ondanks de pogingen, door de
Turken, in hunne langdurige oorlogen met de republiek, bij herhaling
beproefd om de stad te vermeesteren. Van 1797 tot heden deelt zij in
de lotgevallen van geheel Dalmatië.

Tijdens het venetiaansche bestuur bereikte de stad haar volle
ontwikkeling, breidde zich naar het noorden uit, en werd de sterkste
en voornaamste handelstad van geheel Dalmatië. De stad is sinds
lang niet meer besloten binnen de omwalling van het paleis; haar
piazza  della Signoria zelfs ligt buiten de grenzen der oude stad,
waarin de inwoners van Salona eenmaal eene wijkplaats zochten. Er
zijn tegenwoordig drie steden: die buiten de voormalige IJzeren-poort,
die aan de zijde der Bronzen-poort, en die buiten de Gouden-poort. De
kaai is verbreed geworden; de woningen der visschers, der kooplieden
van scheepstuig en van allerlei andere handelaars en winkeliers,
die met de scheepvaart en den koophandel in betrekking staan, zijn
tegen den antieken muur van het paleis aangebouwd; en de venetiaansche
regeering laat dat groote lazareth bouwen,  waar, vóór de ontdekking
van de kaap de Goede Hoop, de turksche karavanen de koopwaren van
Indië en Perzië plachten aan te voeren.


IX.

Wij maken ons gereed om aan land te gaan. Weldra betreden wij de
kaai aan den voet van den muur van het paleis, en volgen die tot aan
de nieuwe stad, die in haar bouwstijl geheel het karakter van haar
modernen oorsprong draagt. Daar ligt ook ons hotel, dat zich door
netheid onderscheidt, en waarvan de benedenste verdieping wordt
ingenomen door eene groote restauratie, waar de beambten en de
officieren van het garnizoen hun maaltijden komen gebruiken.

De ramen onzer kamers zien op de zee en op het nieuwe plein uit,
waarvan slechts twee zijden bebouwd zijn; alles duidt aan, dat hier
eene nieuwe stadswijk in wording is. Men heeft eene nieuwe haven
aangelegd; er is sprake van een spoorweg, en men wijst mij reeds de
plek, waar het station zal komen te staan.

Echter is dit gedeelte der stad nog bijna geheel verlaten;  door de
reten onzer zonneblinden zien wij de vrouwen van Spalato, die op het
plein witte lakens uitspreiden, waarop zij het zaad van turksch koren
uitstrooien om te drogen; verder is er geen leven of beweging in deze
buurt te ontdekken.

Ons eerste bezoek geldt natuurlijk de oude stad en het paleis van
Diocletianus. Wij gaan door de smalle straten en stegen tusschen het
nieuwe gedeelte en de omwalling van het paleis, en bevinden ons weldra
op het plein der Signoria, het voornaamste plein der stad, vrij ruim,
omzoomd door koffiehuizen, winkels en monumenten van weinig beteekenis,
of die althans hun eigenaardig karakter door herhaalde verbouwing en
verandering verloren hebben. Hier is het hart der eigenlijke stad,
de wandelplaats, het algemeene vereenigingspunt, het centrum der
beweging. Dit plein verschilt niet wezenlijk van dergelijke pleinen in
de andere kuststeden: alleen mist men hier een dier fraaie italiaansche
loggie of dier schilderachtige venetiaansche raadhuizen, die wij te
Pola, te Zara en te Sebenico hebben bewonderd. Aan de zuidzijde van
het plein bevindt zich de oude IJzeren-poort van het paleis.

Wij gaan onder een hoogen rijk versierden booggang door: daar eindigde
de galerij of portiek, die, evenwijdig met de kust loopende, van de
IJzeren-poort naar de Bronzen-poort, tegenwoordig de kerk van den
Goeden Dood, voerde. Van deze portiek is niets meer over, dan hier
en daar nog enkele sporen in het inwendige der huizen, die er tegen
aangebouwd zijn, en den wijden doorgang zoo zeer vernauwd hebben,
dat ge u in een der stradine van Venetië waant. De richting is
echter dezelfde gebleven: de smalle straat loopt nog heden van de
IJzeren naar de Bronzen-poort. De huizen zijn hoog; de zon kan nooit
in deze straat doordringen; zij gelijkt bijna een reusachtigen put,
langs welks wanden vensters met balkons zijn aangebracht, van waar
ziekelijke, kwijnende planten afhangen, dorstende naar een weinig
frissche lucht en een weinig zonneschijn.

De smalle bedompte straat volgende, komen wij aan het Domplein, het
oude forum van het paleis, waarop ook de portieken uitkwamen van den
Tempel en van het Mausoleum. De beide, door zuilengangen omzoomde
wegen, die het gansche paleis in de lengte en breedte doorsneden,
liepen hier samen. Dit belangrijkste gedeelte van het geheele gebouw
is gelukkig bewaard gebleven: de stad, die de bewoners van Salona
in het paleis stichtten, had ook een plein en een tempel noodig:
men vond beiden bereids in het middenpunt der geïmproviseerde stad
aanwezig. De nieuwe bewoners stelden de vereering van den waren God
in de plaats van de dienst der afgoden, en herschiepen den tempel
in eene katholieke kathedraal; toen metselden zij de bogen van de
portiek toe, en bouwden op het plein, waarop het Mausoleum stond,
het paleis van hun eersten aartsbisschop, waarbij de voorzijde der
portiek de façade van het nieuwe paleis werd. Dit verklaart ook,
waarom het kleine gebouw, onder den naam van het Mausoleum bekend, en
later tot doopkapel ingericht, (naar het oude kerkelijke gebruik, dat
een afzonderlijke kapel voor de doopsbediening vorderde) tegenwoordig,
van het Domplein afgescheiden, in eene nauwe steeg staat.

Als wij ons op het plein plaatsen, met den rug naar de smalle straat
gekeerd, die naar de Gouden-poort loopt, zien wij tegenover ons de
loggia van den peristyle, op vier zuilen van rood graniet rustende. In
het midden van deze loggia heeft men een onderaardschen doorgang
aangebracht; van daar voeren trappen naar de lage galerijen, die met
de zee in gemeenschap staan.

Aan onze linkerhand hebben wij de portiek vóór den tempel zelven,
benevens de klokketoren of campanile, in 1416 door Nicolo Tverde,
Dalmatiër van geboorte, gebouwd, op kosten van Maria, Koningin van
Napels, en later, door de milde gaven van Elizabeth van Hongarije,
voltooid. Aan dezelfde zijde, aan den hoek waar de portiek gesneden
wordt door de straat, die evenwijdig met de zee loopt, hebben de
Venetianen een wachthuis gebouwd, welks voorgevel mede door de
antieke bogen gevormd wordt. Aan onze rechterhand bevindt zich het
aartsbisschoppelijk paleis, insgelijks een geheel uitmakende met
de oude portiek aan die zijde, en waarvan de vensters tusschen de
arkaden gevat zijn.

Het Pantheon te Rome en de tempel in het paleis van Diocletianus te
Spalato zijn de twee schoonste, nog ongeschonden gebleven monumenten
der antieke bouwkunst, die door de Christenen voor hunne eeredienst
zijn ingericht.

Het was in het jaar 650, dat Johannes van Ravenna, door den Paus
gezonden om de aangelegenheden der Kerk in Dalmatië te regelen,
den aartsbisschoppelijken zetel besteeg; tot dusver was Salona de
residentie van den aartsbisschop geweest. Kort daarna werd het lichaam
van Sint-Doïmo (Domnius) van Salona overgebracht naar de nieuwe
kathedraal, aan dien heilige gewijd, die, volgens de overlevering,
door den Apostel Petrus zelven als bisschop naar Dalmatië was gezonden,
en onder de regeering van Trajanus, ten jare 107, te Salona was ter
dood gebracht.

De achthoekige tempel stond oorspronkelijk op eene binnenplaats, aan
de zijde van het plein afgesloten door eene portiek van zes kolommen,
die nog in stand zijn gebleven, en door zijmuren, waarvan mede nog een
gedeelte overig is. Als men de buitenste portiek was doorgegaan, kwam
men aan eene tweede portiek van vier kolommen, die den toegang tot het
gebouw zelf vormde en eenige treden boven den grond verheven was. Het
geheele achthoekige gebouw was verder omgeven door eene omloopende
portiek van vier-en-twintig kolommen, deels van oostersch graniet,
deels van marmer, en allen bekroond met standbeelden, die tegenwoordig
verdwenen zijn. De portiek vóór den tempel is eveneens verdwenen
en vervangen door stevig metselwerk, waarop de campanile rust, en
waarbij een aantal antieke zuilen als bouwmateriaal gebezigd zijn.

De omgang om den tempel bestaat nog, met de portiek, die hier en
daar is toegemetseld, en alleen aan de zijde achter het hoogaltaar is
vernield. Alleen aan den rechterkant is de doorgang nog vrij; tusschen
de portiek en den eigenlijken tempel, in de muren en tusschen de
kolommen, ziet men eene menigte antieke graven, grafzerken en tomben
van historische personen. Boven den ingang van den tempel bevond
zich weleer de sarkophaag van de Prinsessen Margaretha en Catharina,
dochters van Bela IV, Koning van Hongarije, ten jare 1241 overleden
in de vesting Clissa, waar haar vader de wijk had moeten nemen voor
de Tartaren. Haar stoffelijk overschot werd naar Spalato gebracht,
en overeenkomstig een gebruik dier tijden, in een sarkophaag boven
de poort van den Dom geplaatst. In de maand Mei van het jaar 1818
is dit monument verdwenen, men weet niet recht hoe; de ledige plaats
getuigt nog van den gepleegden roof.

Het inwendige van den tempel maakt een grootschen indruk. De
christelijke eeredienst heeft in geen enkel opzicht aan de majesteit
van den antieken tempel afbreuk gedaan. Het gebouw, dat uitwendig de
gedaante van een achthoek heeft, is van binnen cirkelvormig;  wij staan
in eene ledige ruimte, van dertien el in doorsnede en een-en-twintig
el hoogte, gedekt door een koepel. Acht zuilen van korinthische orde,
uit een enkel blok oostersch graniet gehouwen, en zeven el hoog, dragen
een bij uitstek rijk bewerkt entablement van kolossale afmetingen,
dat in zijne overmatige versiering duidelijke sporen toont van het
verval der kunst. Op dit entablement rust eene galerij, mede met acht
kleinere zuilen versierd, waarvan vier uit porfier en vier uit graniet,
die eene kroonlijst dragen, waarop het gemetselde gewelf rust.

Het geheel is grootsch en eenvoudig; het eenige gedeelte dat,
behalve het entablement, van te groote overlading getuigt, is eene
fries op de bovengalerij, die om het geheele gebouw loopt en in
eene reeks medaillons eene menigte bas-reliefs bevat, jachten,
wedstrijden, herten,  leeuwen, spelende amors, busten van Diana
enz. voorstellende. De tempel is duister, hoewel men er, toen hij
voor de christelijke eeredienst werd ingericht, eenige nieuwe
vensteropeningen in gemaakt heeft; maar oorspronkelijk ontving
hij al zijn licht door een soort van venster, boven den ingang
geplaatst. Intusschen verhoogt dit halfdonker zeer het effect.

Onder den tempel bevindt zich een onderaardsche krypt, die de
geheele ruimte inneemt en zeer goed bewaard is gebleven; het is niet
gemakkelijk uit te maken, waarvoor zij eigenlijk bestemd was.

Bij de inrichting van den tempel voor de katholieke eeredienst, heeft
men ook boven in den koepel eene opening aangebracht. Voor de plaatsing
van het hoogaltaar, heeft men gebruik gemaakt van de cella tegenover
den ingang, waarin het beeld van den god moet gestaan hebben; verder
is een deel van den zijmuur weggebroken en een zijgebouwtje van den
tempel tot kapel ingericht. De preekstoel, een heerlijk kunstwerk uit
de veertiende eeuw, staat links van den ingang, en in elk der nissen
tusschen de pilaren ziet men een altaar. De vloer van den tempel is
onveranderd gebleven, slechts is het achterste gedeelte een paar treden
verhoogd; de ruimte rechts en links van het hoogaltaar wordt door het
koor ingenomen; in de hoeken verheffen zich fraaie gothische monumenten
van gesneden hout, die de beide altaren moeten beschermen, in de
twee nissen van den ronden muur geplaatst. De houten balkons boven
de entablementen op de beide verdiepingen zijn veel later aangebracht.

De tijd heeft het marmer donker gekleurd en de glans van het porfier
gedoofd; een enkel venster laat een breeden straal van licht door,
die sommige gedeelten van het inwendige in helderen glans hult, maar
het verdere in half doorschijnende schemering laat, welke nauwelijks
het fijne beeldhouwwerk doet herkennen. De zware entablementen werpen
breede en diepe schaduwen af, waartegen hier en daar de omtrekken der
vergulde engelen op de baldakyns uitkomen; in de nissen en kapellen
flikkeren de lampen voor het beeld der Madonna; versierde caissons,
groote crucifixen, verguld snijwerk en reliefs van hout, zilveren
lampen, door den tijd geel gekleurd, edele steenen in de altaren,
schitteren hier en daar als lichtende stippen in het geheimzinnig
halfdonker. De kerk schijnt ledig; eene enkele oude vrouw ligt in
de schaduw nedergeknield en murmelt met eentonige klagende stem
hare gebeden.

Driemaal hebben wij daar lange uren gesleten, in de nis rechts
van den ingang zittende en schetsen makende;  het was zeer donker;
niettegenstaande het op den vollen middag was, moest de koster twee
kaarsen ontsteken, om daarbij te kunnen teekenen. Duizenden insekten,
vleermuizen, nachtvogels zelfs, daalden van het donkere gewelf en
snorden en zwermden om onze ooren en verzengden hun vlerken aan de vlam
der kaarsen; de koude vochtigheid drong tot op het gebeente door. De
sombere indruk werd nog verhoogd door een klagend geluid, een half
gesmoorden zucht, een doffen snik, nu en dan uit de schemering tot
ons komende: daar lag eene vrouw of een grijsaard ter aarde gebogen
en stortte hier het hart uit voor Hem, wiens oog door de duisternissen
henen dringt en wiens oor de stem der klagenden hoort, van waar zij ook
moge opgaan. Dan gevoelden wij toch ook, dat het hier heilige grond is.

Als wij, uit de kathedraal komende, het plein oversteken en een nauw
steegje inslaan, bevinden wij ons weldra tegenover het kleine monument,
dat algemeen onder den naam van het Mausoleum bekend is, hoewel
het volgens sommigen een tempel van Esculaap zou zijn geweest. Het
gebouw heeft den vorm van een parallelogram van acht el breedte bij
eene lengte van elf en een half el. Het is betrekkelijk goed bewaard
gebleven; de portiek echter, die den toegang tot den tempel vormde
en die veertien treden boven den grond verheven was, is verdwenen.

Het inwendige ontving al zijn licht door den ingang; de muren zijn
naakt; aan drie zijden loopt een rijk bewerkte kroonlijst, waarop het
uitnemend goed bewaarde gewelf rust. De basreliefs der fries stellen
amors, wijngaardranken, offervazen, leeuwen en luipaarden voor; naar
deze attributen te oordeelen, zou men veeleer denken aan een tempel
voor den god des wijns dan voor dien der geneeskunde. Voor den ingang
staat een antieke sarkophaag, met beeldhouwwerk versierd en blijkbaar
uit denzelfden tijd als de tempel afkomstig. Onder verschillende
allegoriën herkent men duidelijk de afbeelding van den strijd van
Meleager met het wilde zwijn. De sarkophaag komt waarschijnlijk van
Salona; onderscheidene geleerden hebben gemeend, dat het basrelief
eene zinnebeeldige voorstelling was van den dood van Arius Aper, den
moordenaar van Numerianus,  die door Diocletianus, toen nog generaal,
doch straks Keizer, ten aanschouwe van het geheele leger, met eigen
hand werd geveld. De overlevering verhaalt, dat eene priesteres der
druïden hem het keizerlijk purper had voorspeld, als hij een wild
zwijn (aper) zou hebben gedood; de italiaansche archeoloog Lanza
heeft zelfs op dien grond beweerd, dat deze sarkophaag eenmaal het
stoffelijk overschot van Diocletianus moet hebben bewaard. Zoo als
ik reeds zeide, dient het gebouw tegenwoordig nog voor doopkapel;
waarschijnlijk heeft het daaraan zijn behoud te danken.

Dit zijn de voornaamste overblijfselen van het beroemde paleis;
maar volstrekt niet de eenige. De gansche oppervlakte, eenmaal door
de keizerlijke residentie ingenomen, is thans bebouwd met nauwe en
donkere straten. Behalve de kathedraal, bevinden zich nog drie kerken
binnen deze ruimte; en wie nauwkeurig alle sporen en overblijfselen
wil nagaan, waarop de oudheidkundigen hunne voorstellingen van
het paleis ten tijde zijner heerlijkheid gegrond hebben, moet niet
alleen dit gansche terrein onderzoeken, maar moet ook in de huizen,
op de binnenplaatsen en zelfs tot in de kamers doordringen. Op een
bovenverdieping, achter een bed, op een trap, in een kast, vertoont
zich soms eensklaps een korintisch kapiteel; elders steekt een zuil
half uit den muur; ginds wederom is het een basrelief  of een deel van
een muur, die dikwerf het spoor wijzen tot belangrijke ontdekkingen.

Wij verlaten het paleis door de Gouden-poort, die wij bereiken door
de straat, welke op het Domplein uitkomt, ten einde te volgen. De
afbeelding op bladz. 120 ontslaat mij van alle verdere beschrijving. De
poort waarvan de voet tegenwoordig eenige ellen in den grond begraven
is, was vroeger ongetwijfeld een prachtig monument;  de nissen, waarvan
de sporen nog zeer duidelijk zijn te herkennen, waren oorspronkelijk
met standbeelden versierd, die, zoo als men zegt, naar Venetië zijn
overgebracht. Tijdens het venetiaansche bestuur, werd de Gouden-poort,
in het belang der  verdediging, voorzien van twee achthoekige torens,
die nog voor een deel zijn in stand gebleven.

Intusschen is de oude stad, hoe belangrijk ook, niet het eenige
gedeelte van Spalato, dat de aandacht van den reiziger verdient. Aan
den oever der zee, links van den muur van het paleis, verheft
zich een achthoekige toren, dien wij niet met stilzwijgen mogen
voorbijgaan. Het plein, waarop deze toren, die uit den tijd der
hongaarsche heerschappij dagteekent en den naam van toren van
Harvoje draagt, zich verheft, dient tegenwoordig tot markt. Dit
plein behoort tot de schilderachtigste gedeelten der stad, en
toont door het eigenaardig karakter der omringende gebouwen, als
het ware den geleidelijken overgang tusschen drie verschillende
tijdvakken: tusschen de antieke periode, de hongaarsche heerschappij
en het tijdperk der venetiaansche regeering. Ook elders in de stad
hebben deze verschillende tijdperken overblijfselen en monumenten
achtergelaten. Natuurlijk heeft het venetiaansche karakter de overhand:
gedurende haar lange heerschappij heeft de trotsche republiek ook op
Spalato haar onmiskenbaren stempel gedrukt.

Het klimaat is gezond; de omstreken zijn vruchtbaar;  de warmte is
niet te drukkend en de winter is er doorgaans zacht; verder heeft de
stad--natuurlijk met uitzondering van het paleis--weinig dat boeien
kan; en de gedaanteverwisseling, die zij heden ondergaat en die haar
den maar al te bekenden type onzer moderne steden nader brengt, doet
haar dat oorspronkelijke en eigenaardige karakter verliezen dat ons in
de andere steden van Dalmatië zoo zeer getroffen heeft. Binnen twintig
jaar zal te Spalato zeker eene derde nieuwe, geheel moderne stad zijn
verrezen, regelmatig van aanleg, maar koud en zonder eigen physionomie;
doch de eigenlijke oude stad, binnen de muren van het paleis van
Diocletianus besloten, zal aan die herschepping geen deel kunnen
nemen, want daar kunnen geene groote veranderingen worden aangebracht,
zonder hetgeen nog van het paleis over is, geheel te vernielen; en
de oostenrijksche regeering heeft alle mogelijke maatregelen genomen
om verdere schending van deze eerwaardige ruïnen te voorkomen.

Spalato mag op een aantal beroemde mannen bogen, die hetzij daar
geboren zijn, hetzij daar hun verblijf hebben gehouden. Onder de breede
rij harer aartsbisschoppen komt menige schitterende naam voor; een der
meest bekende is wel die van den beroemden Marc-Antonio de Dominis,
den voorlooper van Newton en Descartes. Aanvankelijk hoogleeraar in
de wijsbegeerte aan de hoogeschool van Padua, werd hij door Clemens
VIII tot aartsbisschop van Segna benoemd, en besteeg in 1602 den
zetel van Spalato. Wijsgeer, wiskundige, natuurkundige van naam,
voegde hij bij zijne uitgebreide wetenschap een vast karakter
en eene zeldzame energie; bovenal man der daad, had hij het hoofd
geboden aan de Uskoken, en bewees hij tijdens het heerschen der pest
in 1607, de uitnemendste diensten te Spalato. Zijn levensloop is
zeer merkwaardig: ten gevolge van een geschil met het hof van Rome,
gedwongen zijn vaderland te verlaten,  begaf hij zich naar Venetië,
waar hij geschriften in het licht gaf, die door de Inquisitie werden
veroordeeld. Sir Henry Wotton was destijds gezant van Engeland
bij de republiek; hij noodigde Dominis uit, hem te vergezellen,
en de voormalige aartsbisschop van Spalato zwoer zijne Kerk af en
schreef pamfletten tegen den Heiligen Stoel. In Engeland gekomen,
werd hij door Jacobus I beschermd en tot deken van de anglikaansche
kerk van Windsor benoemd. Toen Gregorius XV den pauselijken troon
beklommen had, wendde hij een poging aan om dezen afgedwaalden zoon
der Kerk, dien hij persoonlijk gekend had, en wiens zeldzame gaven
hij bewonderde, terug te brengen. Overtuigd dat Dominis juist door
de vervolging verbitterd en tot buitensporigheden gedreven was, zond
de Paus den spaanschen gezant tot hem, die geene moeite spaarde om
hem weder voor Rome te winnen. Dominis keerde ook inderdaad terug,
wierp zich voor de voeten van den Heiligen Vader, en zwoer zijne
dwaling af. Maar na den dood des Pausen, sloeg het Heilige College
een anderen weg in. Men beschuldigde Dominis van afval, men beweerde
dat hij in verstandhouding stond met de ketters, en in 1624, twee jaar
na zijn terugkeer te Rome, werd hij in den Engelenburcht opgesloten,
waar hij stierf. Zijn lichaam werd openlijk, op het Campo del Fiori,
verbrand, met een exemplaar zijner pamfletten.


X.

Spalato, wij zeiden het reeds, is de opvolgster van Salona, de
romeinsche kolonie, door de barbaren verwoest. Door de oostenrijksche
regeering waren gelden beschikbaar gesteld voor het doen van
onderzoekingen en opgravingen in deze streek, en de leiding dier
werkzaamheden was opgedragen aan professor Glavinich, directeur van
het museum van Spalato. De professor had de beleefdheid, ons tot een
bezoek aan zijn arbeidsveld uit te noodigen: de kleine reize zal dus
ook uit een historisch en archeologisch oogpunt, althans voor ons,
niet zonder belang zijn.

De plaats, waar Salona stond, is een uur van Spalato verwijderd;
een goede, gemakkelijke weg, die naar het binnenland der provincie
loopt, voert daarheen; nabij dien weg ziet men nog de buizen, die het
water naar het paleis van Diocletianus brachten. Het eenige dorpje,
dat de reiziger op zijn weg ontmoet, draagt zelfs den naam van Pozzo
Buono (goede put). Ter rechterhand ziet men een vierkant gebouw, door
vrij hooge muren omringd, dat bij de omwonende bevolking als de Zecca
(munt) van Diocletianus bekend staat. Dit is natuurlijk een dwaling:
waarschijnlijk is dit gebouw eene bisschoppelijke woning uit de
dertiende eeuw.

De baai, waaraan Salona lag, levert nog heden een schoonen aanblik
op. De stad verrees aan den noordelijken oever van den Giadro,
die in de golf van Spalato uitloopt; de rivier komt eensklaps uit
de spleten van een rots te voorschijn; haar lengte bedraagt niet
meer dan een halve mijl; zij levert voortreffelijke forellen op,
die van ouds beroemd zijn. Het landschap buiten Spalato is zeer
bekoorlijk; voor het eerst zien wij populieren; de geheele vlakte
is vruchtbaar en weelderig; overal groeien wijnstokken en olijven,
die buitengewoon  groote vruchten voortbrengen. De vlakte strekt zich
uit tot aan de kust, maar een landtong steekt in zee uit, en draagt
een aardig miniatuurstadje, dat zich in de heldere golven spiegelt:
Branizza, het klein Venetië genoemd, dat welhaast een eiland schijnt.

De weg, die naar de plek voert waar eenmaal Salona stond, steekt
de rivier over op dezelfde plaats, waar zich reeds ten tijde der
Romeinen eene brug bevond. Wie niet vooraf op de hoogte was gebracht,
zou dezen klassieken grond kunnen betreden, zonder zelfs te vermoeden,
dat hier eenmaal eene groote stad verrees. Wel ziet men hier en daar
enkele brokken muur, maar zij verliezen zich in de oneffenheden van
den bodem; en met uitzondering van enkele bogen eener waterleiding,
niet of nauwelijks in de verte zichtbaar, is nergens eenig spoor
te ontdekken van eene antieke stad, die tot de voornaamste steden
der provincie behoorde. Even als te Pompeji en te Herculanum, is
ook hier de bodem belangrijk verhoogd; maar hier is die verhooging
niet te weeg gebracht door de asch- en lavastroomen van een vulkaan,
die alle monumenten heeft begraven: hier zijn alle verwoestingen
aangericht door menschenhanden, en heeft de tijd over alles zijn
sluier geworpen. Langzamerhand heeft de weelderige natuur haar gebied
hernomen; groote vijge- en amandelboomen wortelen in de aardlaag;
de boer heeft zijne hut gebouwd op de plek, waar de paleizen zijner
voorvaderen bedolven liggen, en de verwoeste stad slaapt in haar
graf onder de aarde. Het tegenwoordige dorp draagt nog den naam
van Salona, maar het beslaat slechts een zeer klein deel van de
oppervlakte der oude stad. Doch, zoo uitwendig niets het oog trekt,
behoeft men slechts even in den grond te delven, om tot de zekerheid te
komen dat daar eenmaal Salona stond. Reeds lang voor de tegenwoordige
opgravingen bestond daaraan geen twijfel; alle antieke overblijfselen
in het museum van Spalato, beelden, vazen, graftomben, opschriften,
enz. getuigen onwedersprekelijk van de juistheid der traditie, die in
het tegenwoordige dorp Salona den nederigen opvolger ziet der eenmaal
zoo beroemde stad.

Welke was de oorsprong dezer stad? Dit is niet te zeggen; vóór den
tijd van Julius Caesar is alles duisternis en onzekerheid. Na de
verwoesting van Delminium, wordt Salona de hoofdstad van Dalmatië, en
Caecilius Metellus vermeestert haar voor de eerste maal; andermaal
opent zij hare poorten voor Cneius Cosconius, en gedurende den
burgeroorlog tusschen Pompejus en Caesar, tast Octavius haar tweemaal
te vergeefs aan. Salona kiest in 't eind partij voor Brutus en Cassius;
C. Asinius Pollion slaat het beleg voor de stad, vermeestert haar,
en zij komt in de macht van Octavianus. Aanstonds na de tweede
verovering  wordt zij tot den rang van romeinsche kolonie verheven,
en ontvangt, uit hoofde van haar gewicht, den titel van Colonia
Martia, Julia Salona, later dien van Colonia Claudia Augusta Pia
veteranorum. Onder Augustus bereikt zij haar volle ontwikkeling:
zij geldt als het voornaamste bolwerk der romeinsche bezittingen
aan dit gedeelte der Adriatische-zee. Achtervolgens republiek,
Conventus Colonia, Metropolis, Prefectura, en Praetorium, naar gelang
van haar belangrijkheid en de wisseling der tijden en toestanden,
wordt zij in den christelijken tijd hoofdplaats van een bisdom,  door
Sint-Doïmo gesticht; een-en-zestig bisschoppen volgen elkander op dien
alouden zetel. Onder de latere romeinsche Keizers was de stad reeds
aanmerkelijk verfraaid geworden; maar toen Diocletianus den troon
beklom, herinnerde hij zich dat hij Dalmatiër van geboorte was; hij
beminde zijn vaderland en wilde daar zijne dagen eindigen: hij liet
mitsdien de stad geheel herbouwen. Tot omstreeks de helft der vijfde
eeuw, alzoo gedurende ongeveer honderd-vijftig jaar na den dood van
Diocletianus, ondergaat zij weinig verandering; maar in 481 maakt
Odoaker, Koning der Herulen, zich van de stad meester en verwoest
haar. In de zesde eeuw valt zij in handen van Totila, den Vorst der
Gothen, tot zij in 535 door Keizer Justinianus wordt heroverd. Zij is
nu op nieuw eene romeinsche stad; haar verwoeste muren worden hersteld
en van nieuwe versterkingen voorzien; en nauwelijks weder uit haar
verval opgeheven, weerstaat zij met goeden uitslag twee belegeringen,
door de soldaten van Vitiges en door Totila. Van Salona vertrekken, in
544 en 552, de beroemde grieksche veldoversten Narses en Belisarius,
om Italië aan de handen der barbaren te ontrukken;  gedurende bijna
eene eeuw geniet de stad nu eene betrekkelijke veiligheid; maar de
inwoners, in stede van zich in den wapenhandel te oefenen en tot
de onvermijdelijke worsteling voor te bereiden, leven in zorgelooze
weelde en verbrokkelen hunne kracht in onderlinge partijschappen. Zoo
nadert haar laatste ure. In 639 veroveren de Avaren Clissa, een sterke
rotsvesting,  die Salona beheerscht; de stad zelve biedt nauwelijks
wederstand; zij wordt vermeesterd, geplunderd,  en voor de laatste maal
aan de vlammen prijs gegeven;--zij stond niet weder uit haar asch op.

Bezoeken wij nu haar graf. Sedert zeventien dagen is men met de
opgravingen bezig; een veertigtal werklieden spitten den grond
om, en de vrouwen van Salona voeren de aarde weg in korven, die
zij op het hoofd dragen. Bij afwezigheid van den directeur, is de
katholieke pastoor van het dorp met de leiding der werkzaamheden
belast. Wij vinden hem bij de opgravingen; een geneesheer, die te
paard voorbij komt rijden, houdt, ons gezelschap ziende, stil, en
voegt zich bij ons. Er is een gelukkige ontdekking gedaan: op een
diepte van zes tot acht el onder den bebouwden grond, heeft men eene
begraafplaats gevonden, waarvan de aanleg nog duidelijk te herkennen
is, met den kleinen ronden tempel, waar de lijken werden gewasschen
en toebereid. De steenen kuip ligt op den grond: de voetstukken der
dorische zuilen zijn ongeschonden, de schachten zijn ter hoogte van
een el afgebroken. De sarkophagen zijn, in vrij grooten getale,
hier en daar verspreid: allen zijn zeer eenvoudig van vorm. Wij
bevinden ons op eene christelijke begraafplaats uit de eerste eeuwen:
de sarkophagen zijn meest allen versierd met een grieksch kruis, en
afkomstig uit de vierde of vijfde eeuw onzer jaartelling; maar tot
onzen spijt zijn zij allen aan de hoeken gebroken: blijkbaar hebben
de barbaren deze graven geschonden. Bijna alle sarkophagen zijn dus
of ledig of met aarde gevuld. Vermoedelijk was dit hier eene voorstad
van Salona, daar het niet waarschijnlijk is dat de Christenen hunne
dooden binnen de muren der stad mochten begraven.

Eindelijk wordt een ongeschonden sarkophaag ontdekt, die nog zijn
zegels, met het jaartal 437, behouden heeft. "Toen Honorius en
Theodosius consuls waren, de eerste voor de zevende maal, de tweede
voor de tweede maal" ... zoo luidt de aanhef van het opschrift. Niet
zonder aandoening zien wij, hoe de arbeiders, op eene knie liggende,
den hefboom tusschen den sarkophaag en het deksel schuiven; al de
landlieden hebben den arbeid gestaakt en zich op de aardhoopen en
heuveltjes gegroept, om getuigen te zijn van hetgeen hier voorvalt;
de vrouwen, met den korf op het hoofd, houden haar oogen gevestigd
op de groep in het midden. Het deksel heeft losgelaten: het is nog
ongeschonden en wordt zachtkens op den grond nedergelegd; maar het
regenwater is langzamerhand in de lijkkist doorgedrongen en heeft haar
tot den rand gevuld. Het water wordt uitgeschept, en nu vertoont zich
een geraamte benevens stukken aardewerk: verder bevat de sarkophaag
niets. Professor Glavinich kopieert het  opschift, dat hij echter
niet ontcijferen kan; volgens hem, zijn er maar twee mannen, die deze
letters kunnen lezen: Mommsen te Berlijn en Léon Rénier te Parijs.

Inmiddels gaat men met de opgravingen voort; de gansche begraafplaats
is reeds ontbloot, en wij wandelen door de ruimte rond. Hetgeen
wij van elders omtrent de inrichting der antieke nekropolen weten,
stelt ons in staat ook hier de bestemming der bijzondere gedeelten
te onderkennen. Dáár werden de lijken gewasschen, eer ze in het graf
werden bijgezet; dáár werden zij voor het altaar nedergelegd, en kwamen
de bloedverwanten en vrienden hunne gebeden uitstorten. Wij zijn er
echter niet zeker van, of zich onder den bodem van de begraafplaats
niet nog eene onderaardsche krypt bevindt; want in een der hoeken
van de nekropolis hebben de arbeiders een gewelf geopend en bogen van
romeinschen oorsprong ontbloot, die aantoonen dat daar eene belangrijke
uitgraving moet aanwezig zijn. Wij zien eene zwarte opening, maar zij
is nog te klein om te kunnen nagaan, wat men eigenlijk heeft gevonden:
en men durft het gewelf niet verder te ontgraven, uit vrees dat het
zal instorten en het souterrain verstoppen. Heeft men hier boven op de
antieke bouwwerken later andere gebouwen aangebracht, zoo als meermalen
het geval is in die romeinsche steden, die door de barbaren werden
ingenomen en bezet? Of hebben wij hier werkelijk een grafgewelf, eene
krypt voor ons? Wij kunnen bij ons vluchtig bezoek dit niet uitmaken,
en hebben ook geen tijd, de oplossing van dit vraagstuk af te wachten:
morgen hopen wij reeds ver weg te zijn. De heer Glavinich echter is
zeer opgewonden en vol hoop.

Toen zij nog eene romeinsche kolonie was en tijdens hare verdelging
door de barbaren, was de stad geheel omgeven door een versterkten
muur: een klein gedeelte  van dien muur is aan de oostzijde nog
zichtbaar, maar naar den kant der rivier kan men zijn spoor niet
volgen; daarentegen is het noordelijk gedeelte vrij wel bewaard,
en de uitspringende hoeken der torens en bolwerken zijn zelfs
voor de oningewijden te herkennen; over het geheel genomen, geeft
deze omwalling een vrij duidelijk denkbeeld van het stelsel van
fortificatie der romeinsche steden. Ik moet hier echter bijvoegen,
dat men niet zoo zeer de vestingwerken zelven, maar alleen het
plan dier werken kan wedervinden. Ditzelfde geldt trouwens van
de openbare gebouwen, het raadhuis, het forum, het rechthuis, de
verschillende tempels, de schouwburgen en het gymnasie. Men weet uit
de berichten der oude schrijvers, dat Salona ook eene wapenfabriek,
eene schatkamer, een vrouwengesticht en een baphium, dat wil zeggen
eene inrichting voor het verwen van stoffen, bezat. Deze laatste
gebouwen behoorden aan den staat, en stonden onder het toezicht van
beambten, procuratores genoemd, aan wier hoofd de zoogenaamde "graven
der heilige uitdeelingen," zoo veel als keizerlijke aalmoezeniers,
waren geplaatst. De verwerij was voor het persoonlijk gebruik des
Keizers, wien bij eene wet het uitsluitend recht was toegekend om
stoffen purperkleurig te verwen; overtreding dezer wet door andere
inrichtingen werd als een staatsmisdaad gestraft. Salona had ook een
haven van eenige beteekenis; maar om daarvan de overblijfselen terug
te vinden, zal men langs en waarschijnlijk ook in de Adriatische-zee
nasporingen en opgravingen moeten doen.

De heer Glavinich toonde ons het theater en amphitheater, die zeer goed
te herkennen zijn: zij zijn geheel opgegraven en zouden gemakkelijk
hersteld kunnen worden. Van het theater is niets meer over dan
het grondvlak en voetstukken van zuilen, die zeer goed bewaard zijn
gebleven, en waarvan de bewerking een vrij zuiveren stijl verraadt. Het
amphitheater is veel vollediger: een gedeelte van het proscenium en
de grondslagen der bogen waarop de galerijen der zitplaatsen rustten,
zijn nog aanwezig; de galerijen zelven zijn verdwenen: en geen wonder:
geen ander gedeelte der antieke bouwgewrochten is zoo gemakkelijk weg
te nemen en voor andere doeleinden te gebruiken. Bij het beschouwen van
deze overblijfselen der oude monumenten van Salona, kan ik den indruk
niet van mij weeren, dat de stad toch niet zoo groot en belangrijk was,
als men ons wel verzekert: noch het theater, noch het amphitheater,
noch de begraafplaatsen, noch de tempels, passen bij eene stad, zoo
als ons beschreven wordt. Te Verona, te Nimes, te Arles, te Pola, te
Rome, krijgt men een levendigen indruk van de grootheid der stad en de
talrijkheid der bevolking, door de groote afmetingen der monumenten
zelven; maar hier is dit geenszins het geval: of het theater kon de
inwoners niet bevatten, of het getal der inwoners was minder dan de
geschiedschrijvers zeggen.

De stichting van Salona, althans de herbouwing der stad, geschiedt
in een tijd van verval: de romeinsche wereld neigt ten ondergang:
de Christus is verschenen en heeft een nieuw tijdvak in de
wereldgeschiedenis geopend; en het paleis van Diocletianus, hoe
prachtig en grootsch ook van aanleg, mist de onuitputtelijke sobere
bevalligheid, de volkomen harmonische schoonheid van den echt antieken
geest: het draagt veelmeer de kenmerken van oostersche overlading en
mateloozen praal.

Onder de beelden, bas-reliefs, gegraveerde steenen, vazen, opschriften,
sarkophagen, architectonische fragmenten van allerlei aard, van Salona
en Spalato afkomstig, en tegenwoordig bijeengebracht in het museum
dezer laatste stad, vindt men een aantal voorwerpen die, afgescheiden
van hunne onbetwistbare historische waarde, ook wezenlijke kunstwaarde
bezitten. Vooral onder de sarkophagen zijn er velen, die in hooge mate
de aandacht verdienen. Zij zijn niet allen van Salona afkomstig, en men
is omtrent hunne herkomst nog dikwijls in het onzekere, daar zelfs de
geleerde Lanza, de voormalige directeur van het nationaal museum van
Zara, die zoo geheel op de hoogte is van al hetgeen Dalmatië betreft,
noch de juiste dagteekening wanneer, noch de juiste plaats waar men
deze sarkophagen gevonden heeft, kan opgeven. Maar het is tot op
zekere hoogte onverschillig, op welke plek zij nu juist opgedolven
zijn: dit is zeker dat zij door romeinsche of dalmatische kunstenaars
vervaardigd zijn, en meer dan waarschijnlijk tot Salona behooren. Een
dezer sarkophagen, waarvan wij boven reeds spraken, en waarop de jacht
op het calydoonsche zwijn is afgebeeld, wordt zelfs door sommigen
voor den sarkophaag van Diocletianus gehouden. Een andere sarkophaag,
waarop de strijd tusschen de Centauren en de Lapithen is afgebeeld,
is ongetwijfeld van Salona afkomstig, en evenzoo die andere, met het
opschrift Mesia Capta Temporum Felicitas, betrekking hebbende op
de verovering van Moesië. Vooral merkwaardig is een christelijke,
mede van Salona afkomstige sarkophaag, waarop onder anderen de
doortocht der kinderen Israëls door  de Roode-zee is afgebeeld,
benevens Christus als de goede herder. Het bas-relief is uitnemend
goed bewaard; de steensoort is niet minder fraai dan oostersch albast;
nog heden kan men dit kostbaar gedenkstuk zien voor den ingang van
een klooster, nabij het nieuwe plein van Salona; langen tijd heeft
het als altaartafel gediend in de kerk der Minderbroeders. Blijkens
de bewerking, moet deze sarkophaag uit de derde eeuw onzer jaartelling
afkomstig zijn. Men verhaalt u, dat de voorstelling van het bas-relief
onbekend bleef tot in 1818, toen Keizerin Carolina Augusta, die met
Keizer Frans I Dalmatië bezocht, op het eerste gezicht de uitlegging
gaf. Nog zijn op deze tomben de sporen te herkennen van het werktuig,
dat de barbaren gebruikten om de graven te openen.

Te Salona waren wij getuigen van een tooneeltje, dat waardig was door
eene teekening in de herinnering bewaard te worden, en dat overigens
herhaaldelijk voorkomt. Terwijl wij uitrustten bij eene hut, in welker
muur oude inscripties waren ingemetseld, kwam een jong meisje van
Salona, bijkans nog een kind, in het schilderachtige nationale kostuum
gekleed, aan professor Glavinich eene inscriptie aanbieden, die zij
op het veld gevonden had. De archeoloog heeft hun, die dagelijks dezen
historischen grond bewerken, op het hart gedrukt, geen enkel fragment
te vernietigen; als zij het een of ander aanbrengen, krijgen zij
eene kleine geldelijke belooning. Toen zij de hand had uitgestoken,
om het geld te ontvangen, bleef het meisje, beschaamd en verward,
staan; weldra echter vatte zij moed, en vroeg of het opschrift niet
het aanwezen van een schat bewees op de plek waar zij het gevonden
had. Wij lachten om de naïeve vraag, maar oordeelden het beter, de
eenvoudige landlieden in den waan te laten, dat elke inscriptie een
schat kan verbergen: dit is het zekerste middel om hen van vernieling
of veronachtzaming terug te houden. En is zij geen kostbare schat,
zulk eene inscriptie, die somwijlen eensklaps aan de historische
wetenschap het aanzijn openbaart van een tot dusver onbekend volk,
dat niemand in die streek gekend had en welks tegenwoordigheid
onwedersprekelijk blijkt uit eenige regelen, voor tweeduizend jaar
op een marmeren plaat gegraveerd? Dit toch was het geval met eene
inscriptie, eenige jaren geleden nabij Sign gevonden.

Als ware het eene herinnering aan lang vervlogen grootheid, heeft
Salona nog een jaarmarkt overgehouden, die door geheel Dalmatië beroemd
is, en in de eerste helft van September gehouden wordt. Afgescheiden
van den levendigen handel, die bij deze gelegenheid gedreven
wordt, heeft de jaarmarkt voor den reiziger nog eene bijzondere
aantrekkelijkheid: hij vindt daar eene bijna volledige verzameling
van alle kleederdrachten van zuidelijk Dalmatië, beneden Sebenico,
bijeen. Al de dorpen tusschen de Adriatische-zee en de turksche
grenzen zijn op deze kermis vertegenwoordigd; het tafereel laat aan
rijkdom en verscheidenheid niets te wenschen overig, en de reiziger,
die het geluk heeft, in dezen tijd des jaars Dalmatië te bezoeken,
brengt van deze jaarmarkt eene onuitwischbare herinnering mede.

De Turken van Herzegowina vertoonen zich hier in grooten getale, want
de grens is niet veel meer dan eene dagreis verwijderd; maar toch
is het turksche element in geenen deele het meest schilderachtige;
er is zelfs een geoefend oog toe noodig om een Dalmatiër van Sign of
Knin te onderscheiden van een Muzelman van Livno of Trebigne. Het
is de kleederdracht der vrouwen, die aan dit feest zijn grootsten
luister bijzet: ieder dorp heeft hierin zijne eigene schakeeringen van
kleur en tint, zijne eigenaardigheden van snede en patroon. Bovenal
wordt de aandacht van den vreemdeling getrokken door de vrouwen van
de Castelli: dit is de naam van zes kleine dorpen langs de kust der
baai van Spalato, die haar oorsprong ontleenen aan zestien burchten,
in de vijftiende en zestiende eeuw gesticht door de heeren, aan wie de
venetiaansche regeering landen in leen had gegeven, onder voorwaarde
dat zij er vestingen zouden bouwen, tevens bestemd tot wijkplaatsen
voor de boeren gedurende de oorlogen met de Turken. De dorpen hadden
zich allengs gevormd onder de wallen der burchten, en waren gaandeweg
in welvaart en ontwikkeling toegenomen; de voornaamste rijkdom der
bewoners bestond in hunne kudden. Van de zestien kasteelen, zijn er
tegenwoordig nog acht over: Castel Sucuraz, Abadessa, Castel Cambio
(dat nog heden aan de graven van Cambio behoort), Castel Vetturi,
Castel Vecchio, Castel Novo, Castel Stafileo en Castel Papali. De
burchtheeren bezaten verschillende heerlijke rechten, waarvan nog
enkelen zijn overgebleven, maar dezen hebben niets drukkends of
buitensporigs. Zoo bestaat, bij voorbeeld, een dier heerlijke rechten
hierin, dat de kop van ieder varken, hetwelk op zijn land geslacht
wordt, aan den heer behoort; ook ontvangt hij van ieder huisgezin
per jaar een paar kippen. Tot voor korten tijd ontving hij eene maat
olijven op elk dozijn maten, die de oogst opleverde; en had hij ook
recht op de tong van ieder rund, op zijn land geslacht. Daarentegen gaf
hij aan ieder, die hem als heer de verschuldigde hulde kwam bewijzen,
een brood ten geschenke.

De ligging der Castelli is allerbekoorlijkst. De uitstekende landpunt
van Spalato en het eiland Bua vormen daar een veilige, wel beschutte
golf, en de grond is zeer vruchtbaar; de kasteelen verrijzen allen
vlak aan den oever der zee; het is een der liefelijkste en schoonste
landschappen van geheel Dalmatië.

Tot de eigenaardigheden der Castellanen behoort ook deze, dat zij
eene sterke ontwikkeling der borst tot de voornaamste schoonheden
der vrouw rekenen; ik behoef nu wel niet te zeggen, dat de vrouwen,
om genade te vinden in de oogen der mannen, tot de zonderlingste
kunstgrepen haar toevlucht nemen. Dit valt nog te meer in het oog door
den bijzonderen vorm van het kleine vest, zeer kort en nauwsluitend en
van voren zeer laag uitgesneden, dat hier door alle vrouwen gedragen
wordt. Ook de jurk is zeer nauw aan het lijf sluitend; een kleine lage
hoed, met bloemen versierd, gele kousen, groote gespen op haar zwarte
schoenen, breede en lange zilveren kettingen, waaraan een mes hangt,
dat aan den gordel bevestigd is, en een geheel garnituur van knoopen
van filigraan aan haar jakje, voltooien het kostuum.

Natuurlijk begeven alle inwoners van Spalato zich naar de jaarmarkt,
en ook zij dragen tot het schilderachtig effect bij, want de stad
heeft hare eigene kleederdrachten. De gezeten burger vooral maakt
aanspraak op bijzonderen smaak en elegantie in kostuum; de vrouwen
onderscheiden zich door niets bijzonders, evenmin als die van de
andere steden langs deze kust. Men kan zich gemakkelijk verbeelden,
in Livorno, in Spezzia, in Apulië, of in eenige andere streek
aan de overzijde der Adriatische-zee te zijn. De hier vergaderde
menigte is zeer talrijk, zeer levendig en zeer woelig; daar niets dan
slavisch gesproken wordt, kan ik niet zeggen of er goede zaken worden
gemaakt. Men ziet hier een groot aantal ossen, schapen en varkens
bijeen; de nijverheid is voornamelijk vertegenwoordigd door hout- en
aardewerk, bekers, huisraad, knoopen, gedrukte stoften uit Oostenrijk,
juweelen en sieraden van dalmatischen oorsprong. Ik wil niet zeggen,
dat de jaarmarkt maar een voorwendsel is om pret te maken, doch dit
laatste wordt stellig niet veronachtzaamd, en draagt niet weinig bij
tot het schoone on schilderachtige van het bonte tafreel. Hier ziet
ge aardige groepen, die op het kleine plein voor de kerk van Salona,
aan de oevers van den Giadro, zijn gekampeerd; andere bezoekers
nemen hun intrek in de nederige woningen hunner vrienden in het dorp;
sommigen installeeren zich aan den oever zelven der rivier, zoo dicht
mogelijk bij het water; zij graven een gat in den grond, maken vuur
aan en bereiden hun maaltijd in de open lucht. Het geheel maakt
bijna den indruk van eene groote karavaan in rust. Gansche kudden
worden aan het spit gestoken; even als in geheel het Oosten, wordt
het schaap in zijn geheel, aan een langen stok geregen, gebraden. Er
wordt veel gegeten on gedronken en zeer druk gepraat: tegen den
avond heerscht er dan ook eene algemeene opgewondenheid, maar er
wordt veel minder getwist en ruzie gemaakt dan men oppervlakkig zou
meenen, vooral als men bedenkt dat de deelnemers aan dit feest voor
het meerendeel onbeschaafde en onwetende lieden zijn. Alles bepaalt
zich tot luidruchtig en niet zeer welluidend gezang, met begeleiding
van de guela, het nationale instrument, en tot zeer karakteristieke
dansen. Vooral des avonds stroomen de stedelingen naar de kermis,
om deelnemende getuigen te zijn van de pret der landlieden, die zij
te zamen met den naam van Morlaken aanduiden.

Dank zij de krachtige maatregelen der oostenrijksche regeering,
draagt de jaarmarkt van Salona thans een ander, vreedzamer karakter
dan vroeger: zij was weleer de uitgezochte gelegenheid voor de
uitoefening der nationale vendetta, waarbij in den regel bloed
stroomde en verbitterd gevochten werd; men heeft, ten voorbeelde,
eenige schuldigen zeer streng gestraft, en tegenwoordig wordt de orde
stipt gehandhaafd door de sirdars en hunne onderhebbende pandoeren.

Op de jaarmarkt te Salona vond ik ook gelegenheid om den nationalen
slavischen dans, den kollo, te bestudeeren, die ook in Servië en
onder de slavische bevolkingen van Turkije inheemsch is. Het woord
kollo  beteekent kring; men danst dan ook in een kring, mannen en
vrouwen paarsgewijze, met deze eigenaardigheid, dat de man niet de
hand geeft aan zijne buurvrouw, maar zijn arm onder den arm doorsteekt
der danseres, naast wie het lot hem geplaatst heeft, om dan de hand te
vatten van de danseres, die op haar volgt. De gansche keten slingert
zich alzoo dooreen en danst, onder het zingen van een eentonig lied,
dat eenigszins droevig klinkt, maar toch niet onbevallig is. Bij dat
woord dansen, moet men zich evenwel iets anders denken, dan hetgeen wij
daaronder verstaan. Deze dans is, als alle oorspronkelijke volksdansen,
veeleer een soort van mimiek, waarbij het niet zoo zeer op kunstmatige
bewegingen, veelmin op onnatuurlijke tours de force aankomt, maar op
de plastische voorstelling van een hartstocht of gemoedsaandoening,
die mede uitdrukking vindt in het den dans begeleidende lied. Zoo is
de kollo meer een soort van omgang met rythmische beweging, dan wel
wat wij een dans noemen: desniettemin, of liever juist daarom, maakt
hij een levendigen indruk. Te Gradisca zag ik eens, op een zondag,
den oever der Save, wel een mijl ver, geheel bezet met groepen van
zonderling uitgedoste vrouwen, met groote kransen van kunstbloemen
op het hoofd, met allerlei juweelen en sieraden getooid en stralende
in de meest schitterende kleuren. Er werd een feest gevierd--ik weet
niet meer voor welke gelegenheid;--de  vrouwen dansten alleen, bij
groepen, langzaam, en schier zonder van plaats te veranderen; zij
maakten met haar lichaam eene eigenaardige beweging, die mij aan de
jota, den bolero en fandango van Castilië en Andalusië denken deed;
ik heb zelden iets zonderlinger en meer karakteristiek gezien.

Mevrouw de prinses Dora d'Istria, die van de zeden en gewoonten der
slavische volksstammen eene bijzondere studie gemaakt heeft, heeft
in de Revue des deux Mondes, in een artikel over de servische poëzie,
een lied aangehaald, waaruit blijkt welken machtigen invloed de kollo
op het gemoed dezer volken kan uitoefenen.

"De haïdouk Radoïtza, in den kerker te Zara opgesloten, veinst
gestorven te zijn, en speelt zijn rol zoo goed, dat Bekis bevel geeft
hem te begraven. De vrouw van den aga, twijfelende aan de waarheid van
een zoo plotselingen dood, geeft den raad, dat men vuur zal ontsteken
op de borst van den haidouk, om te zien of de "roover" nog teeken
van leven geeft. Radoïtza, in wiens hart de echte heldenmoed woont,
maakt geene enkele beweging. De turksche vrouw eischt dat men de
proefneming voortzette; men legt op de borst van Radoïtza een door
de zon verwarmde slang; de haidouk blijft onbewegelijk en kent geen
vrees. De vrouw van den aga geeft nu den raad, hem twintig spijkers
onder de nagels te drijven: hij houdt zich goed en laat geen zucht
ontsnappen. Eindelijk beveelt de boosaardige, dat men een kollo om den
gevangene zal vormen, in de hoop dat Haïkouna den haidouk een glimlach
zal afpersen. Haïkouna, de schoonste en slankste der dochteren van
Zara, leidt den rondedans; haar halssnoer rammelt bij iedere beweging,
men hoort het ruischen van haar zijden onderkleed. Radoïtza, wien de
marteling niet deeren kon, kan aan deze betoovering geen weerstand
bieden; hij ziet haar aan en glimlacht; maar het jonge servische
meisje, verrukt en tevens bedroefd over haar zegepraal, laat haar
zijden zakdoek op het gelaat van Radoïtza vallen, opdat de andere
meisjes den glimlach van den haidouk niet zullen zien. Nadat de
proef voleindigd is, wordt Radoïtza in de diepe zee geworpen; maar,
weergaloos zwemmer als hij is, keert hij des nachts in het huis van
Bekis-aga terug, houwt hem het hoofd af, doodt de turksche "draak",
door haar de spijkers, die hij uit zijn lichaam gehaald heeft, onder
de nagels te drijven, voert Haïkouna, "het hart zijner borst", mede,
brengt haar naar het land van Servië en huwt haar in eene witte kerk."

In waarheid, waar aan een dans zulk een vermogen wordt toegeschreven,
moet hij wel inderdaad nationaal zijn, in het volksleven wortelen,
evenzeer als de erfelijke, traditioneele Turkenhaat, waarvan ook dit
lied met zoo ruwe welsprekendheid getuigt.

(Wordt vervolgd.)


Reis naar de mijndistrikten van westelijk Zevenbergen.


De lezers van de Aarde zijn bezig, aan de hand van den heer Charles
Yriarte, met wien zij reeds vroeger het schiereiland Istrië bezochten,
eene wandeling te maken door Dalmatië. Wij noodigen hen thans
uit tot een tocht naar een ander grensland der  wijd uitgestrekte
oostenrijksch-hongaarsche monarchie, een land weinig meer bekend
dan Dalmatië, en waar toch ook zooveel te vinden is, waardig om de
aandacht en belangstelling te boeien van ieder, die een open oog heeft
voor de rijke verscheidenheid van het natuur- en menschenleven. En te
meer durven wij op aandacht en belangstelling rekenen, nu onze gids op
dezen tocht niemand minder zal zijn dan de beroemde fransche geograaf
Elisée Reclus, wiens naam zeker weinigen onzer lezers onbekend zal
zijn, en die in 1873 deze streken bezocht. Het verhaal zijner reis
laten wij hier volgen.


I.

De spoortrein, die ons medevoerde, had zoo juist Nagy-Varad [9]
achter zich gelaten. De verstrooide huizen slonken al meer en meer,
en schenen niets meer dan witte stippen te midden van het groen der
tuinen. Er kwam meer beweging en verheffing in het landschap. Reeds
strekten enkele kleine heuvelen hunne half begroeide hellingen ter
wederzijde van den weg uit; een helder, dartel riviertje schoot
lustig murmelend voort over haar bedding van glimmende steentjes;
tegenover ons, naar de zijde van Zevenbergen, verhieven zich de blauwe
toppen der bergen van Bihar, terwijl zich achter ons de onafzienbare
hongaarsche vlakte uitstrekte, door den purperen avondgloed beschenen
en bijna aan een reusachtig vaal lijkkleed gelijk.

O zeker, de magyaarsche vlakte, de wijde Puszta, heeft hare
eigenaardige schoonheid, die ik niet miskennen zal, maar toch
deed het mij genoegen, dat ik weder de bergen naderde. Als men
een ganschen dag lang, van de ochtendschemering tot den avond,
onophoudelijk hetzelfde landschap heeft aanschouwd, dat niet achter
ons wegzinkt in het verschiet dan om voor ons weer op te doemen; als
onze oogen moede zijn van het staren op altijd dezelfde boschjes van
acacia's, dezelfde korenvelden, dezelfde diep doorgroefde kleiwegen,
dezelfde dorpen met hunne vierkante witte hutten, dezelfde poelen
waarin ganzen spartelen, dezelfde putten met hunne schuine balken;
als wij te vergeefs hebben uitgezien naar golvende heuvellijnen aan
den schemerenden horizon:--zie, dan is het een waar genot, weder eene
meer afwisselende, rijker geschakeerde natuur te mogen aanschouwen,
bergen, wouden, ruischende wateren.

De bergketen, die door den spoorweg wordt doorsneden, vormt de
natuurlijke grensscheiding tusschen Hongarije en Zevenbergen. De bergen
van Bihar, die zich ter rechterhand in zuidelijke richting uitstrekken,
hangen samen met de minder hooge Besy-bergen, die ten noorden den
horizon begrenzen. De bergwanden naderen van beide zijden al meer en
meer; weldra laten zij niet meer dan eene smalle kloof over, waarin
de Sebes-Körös stroomt, die haar naam (Snelle Körös) met volle recht
draagt, want pijlsnel stuwt zij hare wateren voort. Straks schijnt
de vallei geheel gesloten; kalm vervolgt de lokomotief haar weg naar
een loodrechte witachtige kalkrots, die als een muur oprijst; wisten
wij niet welke schijnbare wonderen de ingenieurs weten te verrichten,
wij zouden huiveren bij de nadering van die dreigende, overhangende
rotsmassa, die telkens ontzagwekkender gedaante aanneemt.

Voor den aanleg van den spoorweg, vermeden de inwoners dezer streek
de kloof van den Sebes-Körös, en bestegen, ten noorden van den pas,
een der hellingen van het Besy-gebergte. De weg, die, zoo ver de
heugenis reikt, de beide landen verbond en steeds door reizigers
en legerbenden gevolgd werd, draagt den naam van Kiralyhago of
Koningsopgang, ongetwijfeld omdat menigmaal de monarchen hier aan
het hoofd hunner troepen langs trokken, en van deze hoogte een
blik wierpen op de beide landen, aan hun schepter onderworpen. In
de volkstaal worden nog heden zeer dikwijls Hongarije en Zevenbergen
aangeduid door de benaming van het land aan deze en aan gene zijde van
den Koningsopgang. Aan deze plek hechten zich belangrijke historische
herinneringen. Naar men wil, volgden de Hunnen dezen weg, toen zij naar
Hongarije trokken, na in de nabijheid den grond te hebben gelegd voor
de sterke vesting Hunyad, sedert en nog Banffi-Hunyad genoemd. Walachen
en Hongaren, Oostenrijkers en Russen hebben sedert de voetstappen der
Hunnen gedrukt, dikwijls genoeg om, even als zij, verderf en dood te
verspreiden. Volgens sommige geschiedschrijvers, zou een der zeven
burchten of kasteelen, waaraan het land zijn duitschen naam [10]
dankt, tot verdediging van den pas van Kiralyhago hebben gestrekt.

De pas aangelegde spoorbaan heeft nog niet de eer gehad, voor
strategische doeleinden gebruikt te worden, maar zij vergunt
den reiziger een blik te werpen in eene liefelijke en uitnemend
schilderachtige vallei. In plaats van den berg te beklimmen, zoo als de
oude heirbaan, volgt de spoorweg den loop der rivier, en baant zich,
met behulp van tunnels, een pad door de rotsen en bergen, die hem
den doortocht zouden beletten. Bij een plotselinge wending, strijkt
hij rakelings langs den voet eener rots, die nog de overblijfselen
draagt van een vierkant gebouw, nauwelijks van de rots zelve te
onderscheiden: dit is het Feeënkasteel. Daarnevens opent zich een grot:
het Drakenhol; het monster zwerft door de sombere gangen en spleten van
den hoogen kalkberg, en werpt, door de gaten en scheuren in de rots,
een blik in de stille vallei. Gelukkig kunnen noch de fee, noch de
draak langer kwaad stichten, want een der rotsen, die ge daar ginds
boven de boschrijke hellingen ziet oprijzen, draagt den naam van de
Bisschopsrots: en ge begrijpt dat de kerkvoogd niet heeft verzuimd, van
zijn hoogen zetel de machten der duisternis onschadelijk te maken. Aan
de andere zijde der vallei lokt u een liefelijker tafreel: de hellingen
zijn minder steil; de rotsen hebben een minder dreigend voorkomen;
de plantengroei is weelderiger; een zilveren beek treedt eensklaps
uit het groen te voorschijn, en stort zich, met een bevalligen sprong,
in den Körös.

Wat mij bovenal trof, was dat het land hier inderdaad zijn hongaarschen
naam Erdely, Land der Wouden, ten volle verdiende. Aan alle kanten,
niet slechts op de zacht glooiende heuvelen, maar ook op de steile
rotswanden, overal waar maar een spleet of scheur voor de wortels
gelegenheid bood om zich vast te hechten, zag ik bosschen en
kreupelhout. Alom teekende zich het donkergroene gebladerte scherp
af, hier tegen de witachtig grijze wanden der kalkrotsen, elders
tegen den roodachtigen zandsteen of de metaalkleurige tinten van
het glimmer-schiefer. Bij het verlaten van iederen tunnel, bij elke
kromming van den weg, omringde ons op nieuw het woud: de heerlijke,
verkwikkende geuren van het groote bosch woeien ons tegen op den
adem des winds. Weinig vermoedde ik, dat ik reeds morgen in dit
Land der Wouden, door naakte, boomlooze vlakten zou trekken, waar
zelfs de acacia-boschjes van Hongarije ontbreken. Te oordeelen naar
de onzinnige drift, waarmede de industrieelen de boomen omhakken,
staat het te vreezen dat ook de vallei van den Sebes-Körös haar
tooi van groenende wouden niet lang meer zal bezitten. Dennen balken
drijven in lange rijen op de rivier, en stapelen zich op tot kleine
eilandjes; bij elk station ziet men houtzagerijen, waar bergen van
planken gereed liggen tot verzending; zwaar beladen wagens wachten op
alle zijwegen. Het hout wordt hier voor allerlei doeleinden gebruikt;
zelfs de bermen der spoorwegen zijn met een beslagwerk van takken
belegd, waarvoor men toch zeer gemakkelijk steen had kunnen gebruiken.

Het begon donker te worden. Ik stapte uit aan het dorp Csucsa
(spreek uit Tshoetsha), en liet den trein doorstoomen naar Kolosvar
(Klausenburg). Hier zette ik voor het eerst, niet zonder aandoening
den voet in een land, door Rumeniërs bewoond. De innige sympathie,
die ik voor dit geheimzinnige volk gevoel, deed mijn hart sneller
kloppen. Ik vroeg mij-zelven af, van waar die aandoening? Is het omdat
de rumeensche natie ongelukkig is geweest, en vele eeuwen lang heeft
gezucht onder het juk der dienstbaarheid en het brood der verdrukking
gegeten? Is het omdat hare taal denzelfden oorsprong heeft als de
latijnsche talen der westersche volken, en is het de stem des bloeds,
het instinkt der familie, dat onbewust in mij spreekt? Ongetwijfeld
werkten deze beide oorzaken samen; bovendien overviel mij ook die
geheimzinnige aandoening, welke ieder aangrijpt, die voor het eerst
eene vreemde wereld betreedt.

Een jonkman gaat ons voorbij. Zijn kleine stroohoed met omgeslagen
randen staat coquet op zijne bruine golvende lokken; hij draagt een
overjas van witte wollen stof en een breeden gordel van geborduurd
leder. Hij ziet mij even aan.

"Roumoun? vroeg ik.

--Roumoun," antwoordde hij.

En wij groetten elkander. De ontmoeting was zeer vluchtig, en toch was
er meer tusschen ons voorgevallen, dan in die twee gewisselde woorden
lag opgesloten. Ongetwijfeld zal hij zich zelven hebben afgevraagd,
waarom ik, een vreemdeling, hem zoo vriendelijk toesprak: en ik dacht
weder aan zijn arm, overwonnen en veracht ras, aan al de rampen en
beproevingen, die het wellicht nog in de toekomst wachten. Zonderling
toch is het lot der Rumeniërs in Zevenbergen. Zij vormen de groote
meerderheid der bevolking, en toch zijn zij verstoken van alle
staatkundige rechten; zij hebben zelfs geen officieel bestaan, en hun
land is verdeeld tusschen de drie officieel erkende natiën: Hongaren,
Szeklers en Saksers.

Nauwelijks was ik het dorp ingetreden, of een joodsche herbergier kwam,
al buigende en glimlachende, op mij af. Hoe kon ik ontkomen aan een
man, die mij met zoo uitgezochte beleefdheid behandelde? Hij vroeg
met zooveel belangstelling naar mijne gezondheid, bleef zoo getrouw
mij ter zijde, putte zich zoo zeer uit in allerlei vriendelijkheid en
toonde zich zoo vaardig om aan al mijne wenschen te gemoet te komen
en mij aangenaam te zijn! Mijne zeer korte antwoorden schrikten hem
in 't minst niet af. Terwijl ik het middagmaal gebruikte, dat hij in
aller ijl had laten gereed maken, trachtte hij mij met een vloed van
woorden aan het verstand te brengen, dat ik niet beter kon doen dan een
paar weken in zijne gastvrije woning doorbrengen. Daar hij al spoedig
bemerkte, dat ik niet reisde om zaken te doen, maar om de natuur en de
menschen te bestudeeren, prees hij mij het dorp Csucsa aan als het door
de natuur zelve aangewezen uitgangspunt voor alle belangrijke tochtjes,
die men in westelijk Zevenbergen kan doen. Was het mij om historische
herinneringen te doen, had ik dan niet in mijne onmiddellijke
nabijheid de oude magyaarsche stad Banffi-Hunyad, en nog dichter bij
het oude kasteel van Sebes? Trokken fraaie landschappen mij meer aan,
dan boden de vallei van Kalota en de boschrijke heuvelen, van waar
de bovenste nevenstroomen van den Körös afdalen, mij alles aan, wat
ik redelijker wijze wenschen kon. Was de hooge bergtop van Vlegyasza
niet minder dan eene dagreis verwijderd? Wilde ik de onderscheidene
volksstammen met hunne eigenaardige kleederdrachten leeren kennen,
dan vond ik in den omtrek van Csucsa daartoe ruime stof: Rumeniërs,
Magyaren, Joden en zelfs eene servische kolonie. Eindelijk--en dit was
de dooddoener--moest ik mij wel wachten om het zoo bij uitnemendheid
gezonde Csucsa te verlaten en mijn verblijf te gaan vestigen te
Kolosvar, want daar heerschte de cholera, en--het was verschrikkelijk
om te zeggen--nooit keerde een vreemdeling van daar terug.

Ik beken dat deze laatste mededeeling eenigen indruk op mij maakte;
maar ik sloeg maar half geloof aan de woorden van den kruiperigen,
gluiperigen Jood, wien het louter om mijn geld te doen was; de
pogingen die hij aanwendde om, tegen zijn natuurlijken aard in,
oprecht te schijnen, vervulden mij met dubbel wantrouwen.

Den volgenden morgen vertrok ik dus met den eersten trein, ondanks de
vermaningen en vertoogen van mijn kastelein. Ik moet echter bekennen,
dat hij, toen hij de schoonheid der omstreken van Csucsa roemde, eens
niet gelogen had. Nog half in den doorzichtigen morgennevel gehuld, was
het landschap allerbekoorlijkst: vrouwen, met rooskleurig voorschoot,
met smaakvol geborduurde jakjes, stonden om de fontein gegroept, en
keerden zich om, ten einde ons na te zien; groote witte ossen met lange
hoornen leschten hun dorst aan de murmelende beek; ruischende wateren
stroomden te midden van het malsche gras; de weilanden en bosschen
verdwenen dommelend in den nevel, terwijl de bergtoppen, reeds door
de zon verlicht, zich stralend in de heldere lucht verhieven.

Maar nauwelijks had ik den tijd een blik te werpen op dit bevallig
tafreel, en reeds was het verdwenen. Tot mijn spijt: want naarmate
wij Kolosvar naderden, werd het land vlakker, dorder en alledaagscher.


II.

Kolosvar, de tweede stad van Zevenbergen, wat het aantal harer
bevolking aangaat, is uit een staatkundig oogpunt de eerste: ook
beroemt zij er zich op, al de andere steden te overtreffen door de
schoonheid harer gebouwen, den beschaafden toon van haar gezellig
verkeer, de verfijning harer zeden. En toch, als ik het niet vooruit
geweten had, zou ik nimmer op de gedachte zijn gekomen, dat ik mij in
eene hoofdstad bevond. Twee rijtuigen stonden zeer bescheiden aan het
station te wachten, en ik was de eenige reiziger, die hier afstapte. De
straten waren bijna ledig; op het groote plein waren geen wandelaars
te zien; en toen ik langs het voornaamste koffiehuis ging, draaiden
de weinige bezoekers zich nieuwsgierig om, alsof de verschijning van
een vreemdeling eene zeldzame gebeurtenis was. Ook de overdreven ijver
van de bedienden in het hotel maakte een zonderlingen indruk. Kolosvar
had inderdaad geheel het voorkomen van eene kleine provincie-stad;
maar toch was er in de manieren der inwoners iets dat mij verbaasde.

Het duurde niet lang, of dit raadsel helderde zich op. Te midden der
algemeene stilte, die in de stad heerschte, werd mijn oor pijnlijk
getroffen door het gelui van de klokken aller kerken, en van tijd
tot tijd hoorde ik uit mijne kamer een dof geluid, als van regelmatig
voortgaande voetstappen. Ik zag naar buiten: het waren lijkstaatsies,
die elkander opvolgden; somwijlen vertoonde zich de eene sombere
stoet nog voor dat de andere verdwenen was: het was een onafgebroken,
akelige processie. Het bleek mij nu, dat de herbergier van Csucsa
niet al te zeer gelogen had: de cholera richtte in Kolosvar geduchte
verwoestingen aan, en het was niet raadzaam hier lang te vertoeven. Ik
was inderdaad blijde, dat ik nog dien eigen avond door een vriend
zou worden afgehaald om naar buiten te gaan.

De kerken waren opgevuld met menschen in rouwgewaad; ook lokte het
alles behalve fraaie voorkomen dier gebouwen mij niet uit tot een
bezoek aan het inwendige. Ik liet dus de kerken voor wat zij waren,
en besteedde mijn tijd met eene wandeling door de stad en hare
onmiddellijke omstreken. Al dadelijk merkte ik op, met hoeveel zorg
het gemeentebestuur de riolen had laten reinigen, om in de straat,
van afstand tot afstand, kleine hoopen van allerlei onreine stoffen op
te stapelen, die nu in de brandende Augustus-zon lagen te rotten! Dit
deed mij denken aan eene anekdote, die ik onlangs in een dagblad
gelezen had. "Neemt u in acht; de cholera nadert! Verzuimt niet de
noodige voorzorgsmaatregelen te nemen";--zoo had men uit Pesth aan
de magistraten van eene of andere servische of magyaarsche stad van
het Banaat getelegrafeerd. Den volgenden dag reeds kwam het antwoord
van de heeren: "Wij zijn gereed. De cholera kan komen!" Men ging aan
het onderzoeken, en nu bleek het dat de gezondheidsmaatregelen in
niets anders hadden bestaan dan in het delven van eenige honderden
grafkuilen op het kerkhof!

Deze vuilnishoopen uitgezonderd, is de stad echter over het algemeen
zeer zindelijk. De huizen, bijna allen van eene enkele verdieping,
velen zelfs zonder bovenverdieping, zijn zorgvuldig wit gepleisterd,
terwijl de vensters met fraai traliewerk, naar spaansche manier,
prijken; de straten zijn breed en van voetpaden voorzien. In
afwijking van de gewone bouworde in de hongaarsche steden, staan
hier de woningen niet elk op zich zelve, te midden van een tuin;
even als in de westersche steden zijn zij naast elkander gebouwd, en
vormen meer of minder regelmatige blokken. Trouwens de stad is ook
van duitschen oorsprong, althans door Duitschers herbouwd. De oude
romeinsche kolonie toch was niet meer dan een ellendig walachijsch
gehucht, toen de Duitschers zich in het begin van de vijftiende eeuw
hier vestigden. Zij herbouwden de stad, en lieten haar haar alouden
naam van Clusia, overgezet  in Klausenburg; daarop omgaven zij haar,
naar hunne gewoonte--eene gewoonte, waarvan de heldhaftige Magyaren
niets wilden weten;--met sterke muren. Die muren bestaan gedeeltelijk
nog, maar dienen nu deels als tuinmuren en zijn deels met kleine
huisjes bebouwd; ook zijn er nog enkele poorten, die aan overigens
zeer burgerlijke wijken een zeker antiek feodaal voorkomen geven.

De duitsche bevolking zelve heeft zich minder goed in stand gehouden,
dan de door haar gebouwde muren. Men is vrij algemeen van gevoelen,
dat de Duitschers, als zij eenmaal in een land gevestigd zijn,
zich daar als eene afzonderlijke nationaliteit blijven handhaven,
en dat zij langzamerhand hunne buren met hun geest doordringen en
verduitschen. Dit is echter niet zoo: veeleer zou men kunnen zeggen,
dat het tegenovergestelde overal valt op te merken. Wel hebben
de Duitschers, in dichte massaas toestroomende, de slavische en
lithauische bevolkingen van oostelijk Pruissen, even als de Wenden
in Oostenrijk, verzwolgen; maar daar staat tegenover, dat in Polen,
in Hongarije, in de zuid-slavische landen, in Italië, de meeste
hunner koloniën als sneeuw voor de zon versmolten zijn. In de
Vereenigde-Staten vertoont zich hetzelfde verschijnsel: na verloop
van hoogstens een paar geslachten zijn de duitsche landverhuizers
Amerikanen geworden. In Zevenbergen hebben de uit de Rijnlanden
afkomstige Duitschers, ten onrechte Saksers genoemd, zich, dank zij
hunne privilegiën, hunne hoogere beschaving, en de uitgebreidheid
van het door hen ingenomen grondgebied, tot op onzen tijd als eene
afzonderlijke natie weten te handhaven, maar een aantal van hunne
verspreide volkplantingen zijn toch mettertijd gemagyariseerd of
gerumaniseerd geworden. De duitsche kolonie van Klausenburg is, even
als de stad zelve, hongaarsch geworden. De meeste duitsche familiën
hebben haar geslachtsnaam vertaald, of de spelling zoo veranderd, dat
hij er bijna magyaarsch uitziet; zij hebben de taal, de zeden en zelfs
den nationalen trots der Hongaren overgenomen: ook deze afstammelingen
van Germanje beroemen zich op hunne gewaande afkomst van Arpad en
Attila. Echter heeft zich ook to Kolosvar, even als elders, de invloed
der vermenging van verschillende rassen zeer duidelijk doen gevoelen:
de eigenaardigheden en tegenstellingen worden gaandeweg uitgewischt en
alle oorspronkelijkheid verdwijnt. Met uitzondering van de Tsiganen,
gewapend met hun violen, en van de walachijsche en magyaarsche
boeren, die nog hun traditioneel kostuum hebben behouden, is het
tegenwoordig zeer moeilijk, de verschillende ethnologische groepen,
waaruit de bevolking van Kolosvar en haar omtrek is saamgesteld,
van elkander te onderkennen. Zoo zijn de voornaamste kooplieden der
stad van afkomst Armeniërs, maar niemand zou dat ooit vermoeden:
zij hebben tot zelfs hunne taal vergeten.

De buitenwijken on voorsteden van Kolosvar hebben geheel en al haar
duitsch karakter verloren. De huizen, die den breeden weg omzoomen,
maken niet de allerminste aanspraak op architectonische schoonheid;
zij laten den voorbijgangers niets zien dan een zijgevel, half
verdwijnende in de schaduw van een ver overhangend dak; de voorgevel
ziet op den tuin uit, maar die is doorgaans niet te bespeuren: dit
gedeelte van het huis is bijna geheel verborgen achter eene heining
of omwalling van planken of gebladerte, vermengd met vruchtboomen,
seringen, klimop en andere planten. Ik had mij kunnen voorstellen
in Amerika te zijn, zoo zeer geleken deze verstrooide woningen der
zevenbergsche stad op de huizen van menige stad in het zuiden der
Vereenigde-Staten. Soortgelijke oorzaken hebben soortgelijke gevolgen
gehad; en onder die oorzaken, aan beide landen gemeen, bekleedt de
geringe waarde van den grond en van het timmerhout eene eerste plaats:
van daar de schijnbaar zoo zonderlinge overeenkomst in de bouworde
van twee zoo ver verwijderde landen, door geheel andere rassen bewoond.

De weg liep opwaarts: ik had dien voorbedachtelijk gekozen, in de
hoop dat hij mij naar een heuvel of eene hoogte voeren zou, van waar
ik op mijn gemak de in de vlakte gebouwde stad zou kunnen overzien;
maar de voorsteden zijn zoo uitgestrekt, dat ik een geruimen tijd
loopen moest, eer ik een punt bereikte, van waar de blik vrijelijk
het geheele dal van Kolosvar kon omvatten. Echter beklaagde ik mij
de moeite der wandeling niet. De stad met haar torens; de valleien
van den Nadas en den Szamos, die tusschen slanke populieren hunne
wateren vermengen; de lommerrijke heuvelen en dalen, waaruit heldere
beeken te voorschijn treden; de bergen van Bihar met de overblijfselen
hunner statige wouden:--dit alles vormt, aan de zijde van het westen,
een zeer bekoorlijk geheel; maar als men zich naar het noorden en het
oosten keert, welk eene akelige tegenstelling! Daar strekt zich de
Mesöseg, de Middenvlakte, uit: een treurig, somber, golvend plateau,
niet ongelijk aan eene grauwe zee. Geen enkele boom is hier staande
gebleven; het hart van het Land der Wouden is herschapen in eene
naakte, grijze, eentonige vlakte, waar de toenemende verdroging van den
grond en het ongebreidelde geweld der van de bergen stroomende wateren
al meer en meer de bebouwing moeilijk, den oogst onzeker maken. Aan
den verren, verren gezichteinder schemeren flauwelijk de toppen der
bergen van Bistritz: ge wendt het oog naar deze blauwende omtrekken,
nog even zichtbaar, als om u te troosten over de akelige dorheid
dezer streek, door de natuur zoo mildelijk met schoonheid begaafd,
maar door den mensch zoo ruw geschonden.

De heuvel, waarop ik stond, is een voorsprong van den Felek, die de
scheiding vormt tusschen de bekkens van den Szamos en den Maros. Deze
berg is bij de geologen wel bekend, uithoofde van de langwerpige
of wel geheel ronde zandsteenen, die men hier in groote menigte
aantreft. Aan de hoeken van alle straten van Kolosvar, bij den ingang
der koetspoorten, en langs de wegen die van de stad uitgaan, merkt de
reiziger die steenen op, die daar zoowel dienen tot grenspalen als tot
sieraad. Het zijn groote kogels, door concentrische lagen zandsteen
gevormd; sommige dezer blokken, vooral die men beneden aan den berg
vindt, zijn zoo regelmatig en zuiver van vormen, dat men moeite heeft
om niet aan den arbeid eener menschenhand te denken. Anderen munten
uit door hunne kolossale afmetingen; nog anderen zijn aan elkander
verbonden, even als de kralen van een ketting, in vroegere tijden
door een reuzenhand daar neergeworpen.


III.

Te Kolosvar teruggekeerd, vond ik den vriend, die mij daar bescheiden
had, en zonder langer oponthoud begaven wij ons op weg naar een dorp,
omstreeks twintig kilometers meer noordelijk, in de vallei van den
Szamos gelegen. De avond begon te vallen; een koude noordoosten wind,
volgende op de warme temperatuur van den dag, noopte ons, ons zoo
dicht mogelijk in onze jassen en mantels te wikkelen, waarin wij
schier wegdoken als een schildpad onder haar schild. Het was mij dus
niet mogelijk, veel aandacht te wijden aan het omringende landschap,
dat trouwens niet veel bijzonders opleverde; alleen de voorwerpen,
die aan de noordzijde den weg begrensden, trokken nu en dan mijne
blikken tot zich.

Het eerste groote gebouw, dat buiten de voorsteden van Kolosvar
verrijst, vertoont in zijn zwarte en afgebrokkelde muren de duidelijke
sporen van brand; ook is het dak verdwenen. Ik meende eerst, dat ik
de overblijfselen voor mij zag van eene of andere fabriek, die bij
ongeluk een prooi der vlammen geworden was; maar vernam tot mijne
verbazing, dat dit de bouwval was eener adellijke hongaarsche woning,
in 1849 door de rumeensche boeren geplunderd en verbrand. Zoo had
men dus welhaast een menschenleeftijd laten voorbijgaan, zonder
die sporen van den noodlottigen burgeroorlog te doen verdwijnen, en
dat in de onmiddellijke nabijheid eener hoofdstad! Later, bij het
bezoeken van andere streken van Zevenbergen, had ik gelegenheid,
vrij wat belangrijker ruïnen te zien; en ook daar schenen noch de
eigenaars, noch de gemeentebesturen er aan te denken, de vernielde
huizen weder op te bouwen. Er zijn, in die streken, enkele dorpen,
waar men zou kunnen meenen, dat de verbitterde oorlog der rassen nog
niet of zoo pas geëindigd is.

Bij het zien dier puinen, de getuigen en bewijzen eener plotselinge
uitbarsting van wilde woede bij de bevolking, zou men lichtelijk
in den waan komen, dat de Magyaren en de Rumeniërs elkander
instinktmatig een onverzoenlijken haat toedragen: en toch is dit zoo
niet. Ongetwijfeld is de herinnering aan het van weerszijde vergoten
bloed niet uitgewischt, en zullen beide partijen u hare eigene lezing
geven van de oorzaken van den fellen strijd en van de geschiedenis
dezer vreeselijke dagen: lezingen, die, in menig opzicht van elkander
afwijken;--maar toch schijnt het mij niet toe, dat hier inderdaad
nationale haat in het spel is.

De vriendelijke woning, waarin ik eenige dagen zou doorbrengen, door
de meest kiesche en voorkomende gastvrijheid voor mij tot feestdagen
gemaakt, stond midden in een dorp, waar Hongaren, Rumeniërs en
Tsiganen in vrede en eendracht naast elkander leven. Om de bonte
verscheidenheid nog te vermeerderen, was een troep Szeklers van de
moldavische grenzen gekomen, om den oogst te helpen binnenhalen;
terwijl eene kleine kolonie van zwervende Tsiganen haar kamp op den
naburigen heuvel had opgeslagen. De Duitscher, dien men anders in
geen hongaarsch dorp mist, was hier niet te vinden; maar hij was toch
niet verre: hij had eene herberg gebouwd op eene verhevenheid, waar
twee wegen samenloopen, zoodat hij de reizigers van verre kon zien
aankomen. De Joden hadden mede eene kolonie in den omtrek; eindelijk
zag men in de verte eenige boomen en enkele witte stippen: daar lag
de armenische stad Szamos-Ujvar. Iemand, die zich aan de studie van
vergelijkende ethnologie wilde wijden, zou in geheel Zevenbergen
weinig streken vinden, die hem rijker stof konden aanbieden.

Onze naaste buren waren Tsiganen. [11] Hunne schuren en hunne woningen
met de pyramidale strooien daken staan schilderachtig gegroept op den
berm van een beek, waarin een aantal kinderen spelen en ploeteren,
te midden van buffels, die, ter halverlijve in den modder verzonken,
rustig liggen te herkauwen. De leemen wanden zijn zorgvuldig met
witkalk bestreken, en de vensters zijn versierd met grove roode
freskoos. De woning bevat twee of drie vertrekken, waarvan de harde
kleibodem altijd netjes geveegd wordt; de aarden kachel of vuurhaard,
het voornaamste meubel van het huis, is, even als de vensters, versierd
met schilderwerk in schel roode kleur; de kasten en planken staan vol
met allerlei soort van voorwerpen, wel zonderling geplaatst, maar toch
zonder wanorde. De verschillende gereedschappen voor den arbeid en
voor de huishouding hangen aan den wand, even als de violen, waaruit
de Tsigane zoo wondervolle tonen te voorschijn brengen kan. Hij heeft
ook een klein schilderijenkabinet: godsdienstige prenten, karikaturen,
zorgvuldig uitgeknipt uit een langs den weg gevonden dag- of weekblad,
afbeeldingen van fantastische lokomotieven en velocipeden. Het is
waar dat de zoldering van het vertrek zeer laag is, en dat iemand
van meer dan middelbare lengte groot gevaar loopt zijn hoofd tegen de
balken te stooten; maar in haar geheel genomen, ontbreekt het dezer
woning toch niet aan comfort en maakt zij door haar zindelijkheid
een aangenamen indruk.

De Tsigane zou niet zoo veel zorg voor zijne woning dragen, haar niet
zoo versieren, indien hij zijn tehuis niet liefhad. Sedert hij zich
eene vaste woonplaats gekozen heeft, dat wil zeggen sedert ongeveer
honderd jaar, heeft hij geheel en al dien lust tot zwerven verloren,
dien men tot dusver algemeen voor een ingeboren hartstocht van zijn ras
gehouden had. Hij kent zich den stamverwant van den zwervenden Tsigane,
die als een wolf langs de zoomen van het woud sluipt, maar hij gevoelt
niet de minste begeerte om hem na te volgen. Hij is tegenwoordig een
beschaafd man, een gezeten burger, even als zijn buurman de Walacher
en de Magyaar, en zijn huis is niet het minst aangename.

De Tsiganen zijn zeer op vormen en étiquette gesteld, en zouden het als
eene beleediging beschouwen, indien men tegenover hen aan die étiquette
te kort deed. Onze eerste bezoeken golden dus de overheidspersonen
en magnaten van het dorp, want elke kleine volkplanting heeft haar
miniatuur hofhouding, bestaande uit een woïwode of vorst en uit een
"zederechter." De eerste zorgt voor de tijdelijke, de andere voor de
geestelijke belangen. De eerste voert den stok, of beter gezegd den
schepter, sinds onheugelijke tijden het teeken des gezags. Hij bestuurt
en regelt den veldarbeid, hij bekleedt de eerste plaats bij de feesten,
hij opent den dans, hij antwoordt met een genadigen glimlach op de
huldebetooningen zijner onderdanen. De zederechter bezoekt de gezinnen,
doet onderzoek naar het gedrag der jongelingen en der jonge meisjes,
tracht de echtgenooten, die door hun twisten den slaap hunner buren
verstoren, weer te verzoenen, legt de onderlinge geschillen bij,
bepaalt en int de boeten. Wij hadden niet het voorrecht, de beide
potentaten te huis te treffen; maar eenige uren later ontmoetten wij
den woïwode zelven te midden van een groep maaiers. Zoodra hij ons
gewaar werd, nam hij eene deftige houding aan, en hief majestueus zijn
stok in de hoogte, om de arbeiders tot ijver aan te sporen. Men zegt
echter van hem, dat hij zeer lui is, en dat hij van elke afwezigheid
van den landheer en den rentmeester gebruik maakt, om zijn onderdanen
het voorbeeld van volslagen werkeloosheid te geven: maar dit kleine
gebrek daargelaten, verdient hij niets dan lof. De noodlottige
bedwelming van het gezag is hem niet naar het hoofd gestegen. Zijn
paleis onderscheidt zich ter nauwernood van de andere huisjes, en
zijn vermoedelijke opvolger brengt, even als de andere jongelieden
van het dorp, Tsiganen of Walachen, den nacht door in de open lucht
nabij een loods; alleen als het des winters sneeuwt of stormt zoekt
hij eene schuilplaats in de ouderlijke woning.

Het is niet gemakkelijk, de eigenlijke meening van den Tsigane
te doorgronden, want hij is het altijd eens met dengeen, die hem
ondervraagt. Buigzaam en onderdanig, wacht hij met zijn oordeel te
zeggen tot dat de aanzienlijke en machtige gesproken heeft; maar wie
weet, welk ondoorgrondelijk geheim hij in zijn hart bewaart? Misschien
heeft hij ook eene eigen godsdienstige overtuiging; maar hij heeft
zoo dikwijls van geloofsbelijdenis moeten wisselen, naar gelang zijn
meesters dat wilden, dat hij in 't eind de eenvoudigste partij gekozen
heeft: die van de heerschende godsdienst des lands te belijden, waar
hij zich bevindt. Als hij van woonplaats verandert, verandert hij ook
van geloofsbelijdenis; nu eens behoort hij tot den griekschen, dan
tot den latijnschen ritus. In ons dorp waren de Tsiganen Calvinisten,
en lieten er zich vrij wat op voorstaan dat zij tot dezelfde kerk
behoorden als de magyaarsche adel des lands. Zij beschouwden zich
ook als verheven boven hunne buren de Walachen.

Dezen, de afstammelingen der oude Daciërs, vormen de meerderheid
der bevolking in de vallei van den Szamos, zoo als in het grootste
gedeelte van Zevenbergen. Bovendien hebben zij zich vermenigvuldigd
ten koste der Magyaren; men vindt onder hen een aantal boeren,
wier namen zuiver hongaarsch zijn gebleven, maar die de taal hunner
voorouders geheel vergeten hebben, en zoowel door hun spraak als
door hun zeden echte Rumeniërs zijn geworden; zelfs de magyaarsche
dorpelingen, die zich hunner afkomst nog bewust zijn, en die onder
elkander hunne moedertaal nog in al hare zuiverheid spreken, hebben
toch de levenswijze der Rumeniërs aangenomen. In Zevenbergen doet zich
een verschijnsel voor, waarvan de geschiedenis talrijke voorbeelden
heeft aan te wijzen, dat, namelijk, de kaste, meer nog dan het ras,
van overwegenden invloed is geweest op de splitsing der bevolking in
verschillende nationaliteiten. De van grondbezit beroofde Hongaar werd
een Walacher; daarentegen liet de tot den adelstand verheven Rumeniër
nooit na, zich voor een Magyaar te doen doorgaan. In het zuidelijk
gedeelte  van Zevenbergen, vooral in het comitaat van Hunyad, zijn de
rumeensche edelen zeer talrijk, en sinds onheugelijke tijden hebben
zij nevens de hongaarsche edelen zitting gehad in de raadzalen en
vergaderingen. Men heeft hun eindelijk den naam van Magyaren gegeven,
en zij beschouwen zich zelven ook als zoodanig.

Sedert de groote gebeurtenissen, die omstreeks de helft dezer eeuw
in Zevenbergen plaats grepen, hebben ook de Walachen hun aandeel
aan het grondbezit ontvangen. Langs de hellingen der heuvelen ziet
men alom lange smalle streepen, die juist geen gelukkig effect maken
in het landschap: dat zijn de grondstukken, die hun zijn toebedeeld
geworden. Het moet trouwens erkend worden, dat de wijze waarop zij
den grond bebouwen, hun niet tot eer strekt. De velden en akkers,
die zij als eigenaars bewerken, verkeeren in geen beteren toestand
dan de velden, waarop zij als daglooners arbeiden. Ik stond verbaasd
toen ik vernam, dat zij in meer dan één dorp zelfs onbekend zijn met
het gebruik van mest. De grond raakt dan ook vrij spoedig uitgeput;
als de temperatuur en de vochtigheid niet bijzonder medewerken, houdt
de voortbrenging eensklaps op; al wordt de akker geploegd en bezaaid,
dan is de oogst toch geheel onbeteekenend. Dit is de oorzaak van de
telkens herhaalde schaarschte en zelfs van werkelijken hongersnood,
waardoor de bevolking van Zevenbergen zoo menigmaal geteisterd wordt:
zelfs de cholera is waarschijnlijk niets anders dan het gebrek en
de honger, onder eene andere gedaante. Tijdens mijne reis, maakte
het land over het algemeen een allertreurigsten indruk. De maïs,
hier koukouroutz genoemd, was al door de zon verbrand, nog eer zij
zich tot airen gezet had; op sommige plaatsen zelfs was het zaad in
het geheel niet opgekomen; in plaats van graan, zag men uitgestrekte
bosschen van allerlei soorten van distels en onkruid. De meest gewone
is de zoogenoemde russische distel, waarvan de russische paarden,
in 1849, het zaad in hun hair medebrachten: dit was het geschenk der
blijde inkomste, dat de Russen aan Zevenbergen aanboden!

Dat de Rumeniër uit de vallei van den Szamos zoo weinig zorg aan
zijn akker besteedt, mag ook hierin zijne verklaring vinden, dat hij
vooruit weet dat hij zijn eigendom spoedig kwijt zal zijn. De Jood is
zijn natuurlijke erfgenaam. De herberg en de kruidenierswinkel zijn
beiden in joodsche handen. De Jood verkoopt op krediet; hij leent
ook geld, natuurlijk tegen schandelijke rente, die zeer dikwijls meer
bedraagt dan het kapitaal; zoolang echter zijn ongelukkig slachtoffer
nog een duimbreed gronds bezit, is hij voor hem zoo inschikkelijk
en voorkomend mogelijk, louter kruipende beleefdheid; maar niet
zoodra heeft de stelselmatig bestolen Rumeniër, in een tijd van
schaarschte en gebrek, zijn laatste stuk grond moeten verkoopen
of verpanden om zich het noodige meel te kunnen aanschaffen,
of de Jood, nu volkomen eigenaar geworden, sluit voor goed zijn
kas; en het spreekt wel van zelf, dat geen gebeden of smeekingen
van den rampzalig geplunderde den vuigen woekeraar vermurwen
kunnen. De Walacher schijnt niet die onverzettelijke wilskracht,
dat onuitputtelijk geduld en die onuitroeibare gehechtheid aan den
grond te bezitten, die de karaktertrekken zijn van den franschen boer;
hij weet zich niet te ontdoen van zijne schulden en door onverpoosden
arbeid, ten koste van de uiterste inspanning, zich in zijn bezit te
handhaven. In minder dan een menschenleeftijd hebben de Walachen,
in onderscheidene distrikten, de hun toegewezen grondstukken reeds
weder geheel verloren; op nieuw zijn zij hoorigen geworden, nu wel niet
krachtens de wet, maar door de macht der feiten. Slechts zijn zij van
meesters veranderd, en deze verandering is in elk opzicht ten kwade:
in plaats van de onvrije boeren te zijn van den hongaarschen magnaat,
toch altijd een Christen en een edelman, aan wiens geslacht zij vaak
door traditioneele banden en erfelijke herinneringen verbonden waren,
moeten zij thans de onwaardigste en verachtelijkste van alle meesters,
de joodsche geldschieters, de gewetenlooze bewerkers van hun eigen
ongeluk, dienen. Van daar die verbittering en die haat, die somwijlen
tot een uitbarsting komt, en waarbij men niet, zoo als sommigen het
wel gaarne doen voorkomen, aan godsdienstige onverdraagzaamheid
of aan verschil van ras te denken heeft, maar uitsluitend aan de
tot wanhoop gedreven vertwijfeling van het arme, met duivelsche
list en sluw bedrog uitgezogen, uitgeplunderde en vertrapte volk,
dat eindelijk opstaat in zijn toorn om deze gierige bloedzuigers
van zich af te schudden. Mochten deze landen, vroeg of laat, op
nieuw een crisis hebben te doorleven, als in de jaren 1848 en 1849,
dan zou, buiten eenigen twijfel, de woede van de boeren zich niet
tegen de Magyaren, maar tegen de Joden keeren. En wanneer dan, door
eene onder eigenaardige invloeden staande pers, het medelijden en de
sympathie van westelijk Europa zal worden ingeroepen, dan zal het, als
ook nu in dergelijke gevallen, niet zijn voor de ware slachtoffers,
maar voor de koele, gewetenlooze beulen, wie eindelijk de gerechte
wraak heeft achterhaald en die toch aan het goed geloovig publiek als
onschuldige martelaars worden voorgesteld, ten wier behoeve zelfs de
diplomatie haar invloed moet laten gelden!

Doch als het op pret maken aankomt, dan vergeet de Rumeniër gaarne
voor een dag zijn ellende en zijn wrok. Eens, op een zondag, had ik
het genoegen, de walachijsche dansen bij te wonen, en ik geloof niet,
ooit zoo veel geestdrift, zoo veel opgewektheid te hebben gezien,
als misschien bij de negers op de Antillen. De balzaal was alles
behalve ruim: het was er zoo heet en zoo benauwd, dat men dreigde
te stikken; zelfs den rustigen toeschouwers droop het zweet van het
gelaat; maar de groepen van sierlijk uitgedoste dansers sprongen on
draaiden en huppelden onvermoeid. De ruimte was zoo beperkt voor de
talrijke menigte, dat de paren bijna niet van hun plaats kwamen, en
dat men door koene sprongen in de hoogte vergoeding moest zoeken voor
wat in de breedte ontbrak. Maar dat hinderde niet: de rythmus van den
dans leed er niet onder: boven de bont gekleurde, schier verbijsterende
werveling van rokken en buizen, wiegelden in snelle beweging rustelooze
armen en hoofden. De hartstochtelijke pret was zoo aanstekelijk,
dat ik zelf bijna in dezen onweerstaanbaren dans werd medegesleept.

Dien dag dansten de Magyaren ook. Hoewel de nabuurschap het verschil
van zeden en gewoonten voor een groot deel heeft uitgewischt,
en hoewel de mannen der beide rassen de hongaarsche csarda dansen,
meende ik toch een zeker onderscheid op te merken. Het kwam mij voor,
dat de Walachen meer natuurlijke bevalligheid bezitten, terwijl de dans
der Magyaren minder levendig, doch misschien waardiger en ernstiger
is. De hongaarsche danser is zeer beleefd, zeer galant; maar men zou
zeggen, dat zijne beleefdheid niets meer dan een vorm is: eigenlijk
schijnt hij zich weinig om zijne danseres te bekommeren. Boven alles
schijnt hij ingenomen met zijn eigen persoon. Niemand danst beter
dan hij als cavalier seul. Dan draait en wervelt hij op één voet,
heft zijn armen zegevierend in de hoogte, maakt allerlei buigingen,
en neemt de meest verschillende standen aan. Zijne linten en kleurige
franjes wapperen als vluchtige vlammen om hem heen: zijne belletjes
en zijn sporen rinkelen en klingelen; maar dit geluid is hem niet
voldoende: al dansende en springende, buigt hij zich om tegen zijne
laarzen te kloppen, en als hij van vermoeidheid niet meer kan, als
het zweet hem van het gelaat gudst, dan windt bij zich nog op door
een zonderling woest geschreeuw.

Tusschen de dansers der beide natiën scheen de beste verstandhouding
te bestaan. De Magyaren hadden zelfs de beleefdheid, de Tsiganen
met hun violen naar hunne vrienden de Rumeniërs, wien het juist aan
muziek haperde, te zenden. De eenigen, die bij het feest ontbraken,
waren de Szeklers, de maaiers: groote, forsch gebouwde boeren, met
een onbeteekenend gelaat en een zwaarmoedigen, plompen gang, die mij
door hun voorkomen en hunne kleeding aan de landlieden uit Périgord
deden denken. Misschien ook hadden zij van dezen rustdag gebruik
gemaakt, om te Kolosvar een hunner kameraden te gaan bezoeken, die,
ik weet niet voor welk vergrijp, in de gevangenis zat. Gedreven door
een inderdaad treffend gevoel van medelijden en aanhankelijkheid,
hadden al de bloedverwanten en vrienden van den gevangene, mannen en
vrouwen, de lange reis afgelegd van de grenzen van Moldavië naar de
vallei van den Szamos, om den beproefde een woord van troost en liefde
toe te spreken; om de kosten van den tocht te kunnen betalen, hadden
zij zich onderweg als maaiers verhuurd. De Hunnen hebben in Europa
vreeselijke herinneringen achtergelaten; maar als hunne rechtstreeksche
afstammelingen, de Szeklers, op hen gelijken, dan waren zij toch niet
zulke monsters, als zij ons in de legende geschilderd worden.


IV.

Ik mocht de vallei van den Szamos niet verlaten, zonder een bezoek
te brengen aan de armenische stad Szamos-Ujvar. Men had mij gezegd,
dat die stad het in netheid en regelmatigheid van bouworde van alle
zevenbergsche steden won; en ik hoopte daar nog enkele gebouwen te
zullen vinden, die in hun stijl en hunne versiering iets eigenaardigs
hadden, en op wier muren als het ware nog een weerglans speelde van
de zon van Perzië. Deze verwachting werd echter teleurgesteld. De
armenische huizen onderscheiden zich in hunne bouworde door niets van
de hongaarsche huizen, en doen volstrekt niet denken aan de woningen
van Erivan en Ordubad; maar zij hebben boven die van Kolosvar althans
dit vooruit, dat zij niet omzoomd zijn door stinkende riolen: men vindt
in de straten geen stilstaande poelen, en de stad bezit, op een eiland
in den Szamos, een openbaren tuin met fraai geboomte en heestergewas,
met een theater en een muziektent. Dat mag inderdaad iets zeldzaams
heeten in een land, waar niemand aan dergelijke zaken van algemeen
belang schijnt te denken. De afstammelingen der aziatische Haïkanen
zijn dan ook niet weinig trotsch op het in het oog vallend contrast
tusschen hunne kleine sierlijke woonplaats en de vervallen slordige
steden der omwonende Magyaren en Rumeniërs.

De Armeniërs van Szamos-Ujvar zijn geünieerde Katholieken. Hunne kerk,
die hoog boven de lage huizen uitsteekt, heeft niets bijzonders,
hoewel de koster, met een vloed van woorden, niet nalaat de
aandacht te vestigen op een schilderij, die naar hij beweert van
Rubens zou zijn. In eene kast worden oude priesterlijke gewaden,
met goud en zilver borduursel overladen, bewaard, die vroeger bij de
godsdienstoefeningen werden gebruikt; op het altaar liggen armenische
boeken, die de geestelijken nog wel kunnen lezen, maar die niemand
verstaat. Wat, bij ons kortstondig bezoek, ons het meeste belang
inboezemde, was ons gesprek met den Armeniër en zijn zoon, die ons tot
gidsen verstrekten. Beiden waren geheel vervuld van dat eigenaardig
patriotisme, dat zich niet aan den grond hecht, want de Armeniërs
wonen hier in een vreemd land; dat evenmin in het ras wortelt, want
de stamgenooten van verschillende godsdienstige belijdenis houden met
elkander weinig of geen gemeenschap; maar dat enkel zijn grond vindt
juist in de godsdienstige overtuiging, in de eenheid des geloofs,
en dat juist daarom misschien de sterkste band van allen is. Toen zij
met ons spraken over hunne kleine gemeente, schitterden de oogen der
beide mannen van vreugde en innige liefde. Zij weidden uit over de
geleerdheid van hun pastoor, over de goede inrichting hunner scholen,
over den voorspoed en de welvaart hunner kooplieden. Ik vroeg eenige
inlichtingen omtrent de Joden, maar bemerkte aanstonds dat ik daarmede
een gevoelige snaar had aangeraakt. "O, riep de zoon op levendigen
toon, die kunnen hier geen zaken doen, en bovendien heeft de cholera ze
voor de helft uitgeroeid." De oude Armeniër, hoewel blijkbaar met dit
antwoord ingenomen, meende het echter aan zijne waardigheid verplicht
te zijn, zijn erfgenaam eene zachte berisping toe te dienen over het
min betamelijke van zijne uitdrukking.

De kerk verlatende, brachten wij eenige uren door met het bezoeken der
winkels en magazijnen, en met eene wandeling door de straten, in den
openbaren tuin en langs de oevers der rivier: maar nergens bespeurden
wij eene armenische vrouw; slechts eens meenden wij, achter een dubbel
raam, een vrouwelijk gelaat te zien, dat een haastigen, vluchtigen
blik op de vreemdelingen wierp; en in den tuin ontdekten wij twee in
lange kleederen gehulde schimmen, die bij onze verschijning haastig
wegvloden. De Armeniërs van Szamos-Ujvar zijn niet zoo onhandelbaar
jaloersch als hunne stamgenooten in de vallei van den Araxes; zij
sluiten hunne vrouwen niet als in een kerker op; zij verbieden de
jonge vrouw niet, zelfs met haar broeder en haar vader te spreken,
en zorgen niet voor de stipte naleving van dit verbod, door haar
een doek voor den mond te binden, die elk gesprek onmogelijk maakt;
maar zonder nu juist zoo barbaarsch te zijn, als zij naar aloude
zeden mochten wezen, zijn zij toch zeer streng, en hunne vrouwen
brengen verreweg het grootste gedeelte van haar leven afgezonderd in
het vrouwenvertrek door. Eenige jaren geleden, toen de hongaarsche
gouverneur den grooten weg deed aanleggen, die de vallei van den Szamos
doorsnijdt, hadden de ingenieurs natuurlijk voorgesteld, om dien weg
door de nijvere en handeldrijvende stad Szamos-Ujvar te laten loopen;
maar de armenische kooplieden, die toch zeer goed begrijpen van hoeveel
belang eene goede en gemakkelijke communicatie is, verzetten zich
met hand en tand tegen het hun aangeboden geschenk. Zij meenden dat
de weg de vreemdelingen zou uitlokken en naar de stad voeren, en dat
hunne vrouwen daardoor tot nieuwsgierigheid zouden worden geprikkeld,
van haar huis afkeerig zouden worden, lust zouden gevoelen om te gaan
reizen, om de wereld te zien, en, als de westersche dames, ijdel en
coquet zouden worden. Eindelijk gaf men aan hun verlangen, waarvoor
zij zich zelfs geldelijke opofferingen getroostten, toe, en hunne stad
is thans alleen door een lange populierenlaan en een houten brug over
den Szamos, indirect met den grooten weg verbonden. Zal het hun ook
gelukken, het gevaar af te wenden van den spoorweg, die hun boven
het hoofd hangt; of wel zal het gezicht der lokomotieven en wagons
zoo sterk op hun gemoed als kooplieden werken, dat zij ter wille van
het handelsbelang, ditmaal alle andere bezwaren ter zij zullen zetten?

Wat hiervan zij, waarschijnlijk zullen de Armeniërs eerlang ophouden
eene afzonderlijke groep te vormen te midden der verschillende
volksstammen van Zevenbergen. Het aantal hunner gezinnen is gering,
vooral in vergelijking met de Rumeniërs; bovendien slinken hunne
koloniën door eene aanhoudende verhuizing naar Pesth, Weenen en andere
groote steden van het Westen; en zij die blijven, hoewel nog dikwijls
kenbaar aan hun zwaren, zwarten hairdos, aan hunne langwerpige oogen,
hun bruine tint en hunne dikke lippen, nemen toch langzamerhand
den magyaarschen type aan; zij hebben hunne eigene taal vergeten,
zij wijzigen hunne oude zeden en gebruiken, en hunne geschiedenis
lost zich op in die der Hongaren, die deze ballingen gastvrij in
hun midden hebben ontvangen. Op onze wandeling ontmoetten wij een
merkwaardig exemplaar van zulk een gemagyariseerden Armeniër. Een
heer van een hoogst gedistingeerd voorkomen kwam met een beleefden
glimlach naar ons toe, en richtte eenige vriendelijke woorden tot
ons. Deze man was niet wel bij het hoofd en verbeeldde zich een zeer
gewichtig personage te zijn; maar in plaats van zich nu uit te geven
voor den mythischen Haïk, den goddelijken Sint-Gregorius of een ander
groot man uit de armenische geschiedenis, had hij zich in het hoofd
gezet dat hij Koning Matthias was, een der helden van Hongarije.

Zoo wij de eer haddon, een minzamen groet te ontvangen van "Koning
Matthias", kwam het daarentegen niet in ons op, ons te laten
voorstellen aan de meest bekende grootheid van de geheele provincie,
aan den beroemden Rosza Sandor, wiens naam heeft gezweefd op alle
hongaarsche lippen. Hij was de stoutmoedigste, de vermetelste betyar,
roover, die ooit de harten der bewoners van de Puszta met angst en
schrik heeft vervuld. Niemand kon zonder siddering zijn naam hooren
uitspreken, maar tegelijk voelde men zich gestreeld dat een man van zoo
onversaagden moed in Hongarije het levenslicht had aanschouwd. Toen
de onafhankelijkheidsoorlog uitbrak, liet hij zijn rooversbedrijf
varen, om als krijgsoverste op te treden; weldra won hij zich een
schitterenden naam: Petöfi dichtte liederen te zijner eere, en in
alle legerkampen werd luid de lof van den betyar gezongen. Indien
hij het geluk had gehad, op het veld van eer te sneuvelen, dan
zou de legende hem tot den rang van een der nationale helden hebben
verheven: hij zou in de herinnering des volks zijn blijven voortleven
als een wreker der verdrukte onschuld, als een strijder voor recht
en vrijheid, die het land doortrok om de geweldenaars te straffen
en de onschuldigen te verdedigen. Ongelukkig sneuvelde hij niet,
en wist zelfs te ontsnappen uit de vesting, waarin de Regeering hem
opgesloten had. Nu weer eenvoudig boosdoener geworden, stelde hij
zich aan het hoofd van eene bende dieven en moordenaars; en toen bet
eindelijk gelukte hem te vatten, bleek hij het bagatel van eenige
duizenden misdaden op zijn geweten te hebben: een last trouwens,
dien hij zonder de minste moeite droeg. Men moest er wel toe komen,
om den grooten man op te sluiten, en der gevangenis van Szamos-Ujvar
viel de eervolle onderscheiding te beurt, dezen vorst der bandieten
binnen hare muren te ontvangen. Misschien waren het wel vrienden en
bewonderaars van Rosza Sandor, die, toen de cholera op het hevigst
woedde, wisten te bewerken dat in drie steden van Hongarije de
gevangenen op vrije voeten werden gesteld, onder voorgeven dat de
epidemie in de kerkers een brandpunt zou kunnen vinden, van waar zij
zich verder door het land zou verspreiden! Is dit zoo, dan hebben
de Armeniërs van Szamos-Ujvar zich verstandiger getoond en het oor
gesloten voor dergelijke inblazingen: althans Rosza-Sandor zit nog
achter slot.


V.

De kleine wandelingen in den omtrek van Kolosvar zouden weldra
gevolgd worden door eene langdurige reis in de bergen van westelijk
Zevenbergen. Wij zouden met ons drieën die reis ondernemen, drie
vrienden, allen evenzeer begeerig naar het genot der vrije schoone
natuur. Ons klein gezelschap was, wat de verscheidenheid der talen
aangaat, eenigermate een beeld in miniatuur van wat Zevenbergen in het
groot is. De een, een echte Magyaar, hoewel hij een kroatischen naam
draagt, sprak met den een zijner reismakkers in zijne moedertaal, met
den ander in het duitsch; de tweede, ook een Magyaar, maar het duitsch
slecht meester, sprak rechts in het hongaarsch, links in het fransch;
de derde, Franschman van afkomst en taal, bediende zich beurtelings
van het fransch en het duitsch; wanneer wij een boer tegenkwamen,
bijna altijd een Rumeniër, moesten wij onze toevlucht nemen tot de
walachijsche taal, die maar door één onzer gesproken werd. Wij waren
maar met ons drieën, en toch hadden wij vier talen noodig, anders
moesten wij ons met gebarenspraak behelpen.

Ondanks de cholera, was Kolosvar voor ons het aangewezen punt van
uitgang; daar moesten wij de noodige toebereidselen voor onze reis
maken en ons het een en ander aanschaffen. Van de weinige uren,
die wij beschikbaar hadden, maakten wij gebruik om het geologisch
museum van Kolosvar te bezoeken, onder geleide van den heer Brassay,
een geleerde, die misschien beter dan eenig ander met zijn vaderland
bekend is, en die door de zeldzame welwillendheid, waarmede hij de
vreemdelingen ontvangt, aan allen eene aangename herinnering van
dat land medegeeft. Onder zijne aanwijzing, hadden wij het genoegen,
in de zalen van het museum, als het ware een kort begrip te zien van
alle mijndistrikten, die wij gingen bezoeken; onder al de minerale
schatten, waaraan dit Land der Wouden zoo overrijk is, toonde men ons
ook blokken van dien prachtigen, witten en violetachtigen rotssteen,
het ditroïet, dat misschien binnen kort de fraaiste zuilen zal
opleveren, welke tot hiertoe door menschenhanden zijn opgericht.

Het was reeds volslagen duister, toen wij te Thorda, ons eerste
station, aankwamen. Deze echt magyaarsche stad, ondanks haar duitschen
naam van Thorenburg, ligt aan de oevers van den Aranyos of Goudrivier,
tegen de laatste hellingen van een voorgebergte, dat het stroomgebied
van den Maros van dat van den Szamos scheidt. Thorda is een der
beroemdste punten van geheel Zevenbergen: aan de overzijde van den
Aranyos strekt zich de wijde vlakte uit, waaraan de Walachen den
naam geven van het Veld van Trajanus, omdat de romeinsche Keizer
hier eene beslissende overwinning behaalde op hunne destijds nog
barbaarsche voorouders. Nog andere bloedige gevechten zijn hier
geleverd tusschen de verschillende volksstammen, die elkander
het bezit van Zevenbergen betwistten: want Thorda is het door de
natuur aangewezen punt van overgang tusschen de twee belangrijkste
stroombekkens van het geheele land, en iedere veroveraar moest in
de eerste plaats trachten, dezen strategischen sleutel in handen te
krijgen. De nationale milicie kampeerde vroeger telken jare in deze
van bloed doorweekte velden, bij de Hongaren bekend onder den naam
van Keresztes-mesö (het Kruisvaardersveld); daar ook vertoonde de
legeraanvoerder zich aan zijne soldaten, alvorens men ten oorloge trok.

Maar aan den naam van Thorda hechten zich nog andere herinneringen van
meer vredelievenden aard. In deze stad werd, ten jare 1545, tusschen
de Magyaren, de Szeklers en de Saksers het verbond van vriendschap
gesloten, dat de grondslag werd der "zevenbergsche drieëenheid,"
waarvan echter het verdrukte en verachte ras der Walachen was
uitgesloten. Vijf-en-twintig jaar later proklameerde hier de Landdag
volledige gewetensvrijheid voor alle inwoners des lands: een zeer
loffelijk besluit, maar dat zonder eenig gevolg bleef: de godsdienstige
vervolgingen toch begonnen ook weldra in Zevenbergen, en waren hier
niet minder hevig dan in de andere landen der oostenrijksche monarchie.

Het geologisch onderzoek van Zevenbergen heeft doen zien, dat al de
latere formatiën, waaruit de groote golvende vlakte van Meröseg, in het
hart des lands, thans bestaat, in haar geheel beschouwd kunnen worden
als een soort van deksel boven een uitgestrekte, onzuivere zoutlaag
liggende, die op hare beurt niet anders is dan het overblijfsel van
een vroeger meer, waarvan het water sinds lang verdampt is. Deze
zoutbank, die zonder moeite zou kunnen geëxploiteerd worden, hetzij
rechtstreeks, hetzij door middel van de zeshonderd zoutbronnen,
die er uit ontspringen, heeft eene oppervlakte van niet minder dan
vijf-en-twintigduizend vierkante kilometers; maar behalve deze in
waarheid onuitputtelijke minerale schatten, in het hart der aarde
verborgen, bezit Zevenbergen nog ontzaggelijke hoeveelheden zout,
dat zich aan de oppervlakte zelve vertoont, en dat door den regen
wordt afgespoeld en tot zonderlinge gestalten gevormd. Te Paradj,
in het hooge dal van een der nevenstroomen van den oostelijken Maros,
ziet men zelfs een berg van zuiver zout, waarvan de overhangende kruin
niet minder dan zeven kilometers in omtrek heeft en, naar men zegt,
tweemaal zooveel mineraal bevat als de beroemde zoutberg van Cordona
in Catalonië. Elders ziet men een zestigtal blanke zoutpyramiden,
op den kleiachtigen bodem verrijzende als de tenten van een leger.

De zoutbank van Thorda kan niet, als de berg van Paradj, zonder
veel moeite bij wijze van een steengroeve bewerkt worden; maar zij
heeft daarentegen het voordeel eener veel gunstiger ligging voor het
vervoer harer voortbrengselen naar de hongaarsche vlakte, waar het
zout overvloedigen aftrek vindt. Langs den voet der zoutlagen van
Thorda vloeit de rivier de Aranyos, waarlangs de blokken klipzout
zonder bezwaar naar de steden langs den Maros en de Tisza (Theiss)
knnnen vervoerd worden. Aan dit voorrecht heeft Thorda, het Salinae der
Romeinen, het waarschijnlijk te danken, dat sedert de allervroegste
tijden der dacische geschiedenis, hier het mijnwezen in vollen
bloei was. Tegenwoordig leveren de bergwerken van Thorda jaarlijks
gemiddeld vijf-en-twintigduizend ton steenzout op; zoo noodig zoude
deze opbrengst waarschijnlijk verhonderdvoudigd kunnen worden.

De groote mijn van Thorda ligt ten noorden van de stad. De wagon had
ons weldra overgebracht naar het hart van den zoutheuvel; nu stonden
wij op een vooruitstekende rotskam, van waar men in een der groote
galerijen nederziet. Uit de diepte stijgt een verward gedruis van
stemmen en geluiden tot ons op. Een lichte nevel vervult de niet te
peilen ruimte, waarin de blik vergeefs poogt door te dringen. Kleine
lichtende stippen, of liever gesluierde glansen, dwalen door den
reuzigen kuil; maar wij kunnen de mijnwerkers niet onderscheiden, zelfs
niets bespeuren wat aan eene menschelijke gedaante denken doet. Wij
zoeken vergeefs naar eenig vast punt, naar een voorwerp, waaraan
wij een maatstaf ontleenen kunnen om de diepte van dezen afgrond
te peilen; hij schijnt inderdaad bodemloos, en duizeling bevangt u,
als ge daarin nederblikt: maar in werkelijkheid bedraagt de hoogte
van den vloer tot het gewelf honderd-vier-en-veertig el: eene hoogte,
ongeveer gelijk staande met die van den toren van Straatsburg of van
de groote pyramide van Ghizeh.

Een eindelooze wenteltrap, in het kristalzout uitgehouwen, voerde
ons naar beneden, naar het voorportaal der groote zaal, te midden der
bezige mijnwerkers. Dezen, voor het meerendeel Hongaren, zijn alleen
met een broek gekleed, want zij hebben een zwaren arbeid te verrichten
en het zweet gudst van hun naakt bovenlijf. Twee aan twee op een in
de rots uitgehouwen trede staande, trachten zij de blokken van de
massa te scheiden. Al hunne bewegingen zijn regelmatig: zij buigen
zich te gelijk en richten zich te gelijk weder op: hunne houweelen
dalen op hetzelfde oogenblik neder op de juiste plek, aangewezen
door de lijn, die twee blokken scheidt. Eerst trachten zij den steen
ter zijde los te maken, dan houwen zij het blok van onderen los door
horizontale slagen. Een helder geluid geeft hun eindelijk te kennen,
dat het zoutblok los en vrij is. Zij nemen daarvan de proef met een
hefboom: dan wisschen zij zich het gelaat af, en wachten een oogenblik,
alvorens aan een ander blok te beginnen. Dit werk is alles behalve
gemakkelijk, maar het wordt goed betaald, althans in vergelijking
met het gemiddeld bedrag der loonen in Zevenbergen. Elk zoutblok
wordt verdeeld in stukken van vijftig pond, waarvoor de mijnwerker
zeventien tot achttien centimes ontvangt; nu kan hij, naar gelang
van zijne kracht en de hardheid van de rots, tusschen de twintig en
zes-en-twintig van zulke stukken afhakken. Hij verdient dus ongeveer
vijf francs per dag, de dag gerekend op tien uren. Doorgaans begint
de mijnwerker zijn arbeid des morgens ten vier uur: hij werkt door
tot twee uur in den namiddag, keert dan naar de vrije lucht terug en
houdt zich verder bezig met zijn tuin of zijn wijngaard, want hij is
bijna altijd grondeigenaar. Juist aan die betrekkelijke welvaart heeft
hij het te danken, dat hij beter betaald wordt dan andere werklieden:
hij wordt niet door gebrek gedwongen tot den arbeid, als het loon te
laag is.

De wijze van exploitatie heeft in den loop der eeuwen wijziging
ondergaan. De uitgravingen hebben tegenwoordig de gedaante van
koepels of groote klokken; naar mate de arbeid vordert, wordt de
mijn dieper en tevens breeder, maar zoo, dat de omringende wanden
steeds de as naderen, ten einde het gewicht der bovenste lagen te
kunnen torschen. Eindelijk is men onlangs op het denkbeeld gekomen,
om in de rots lange galerijen uit te houwen, waarvan de zijwanden zich
tot een gewelf vereenigen als in de kazematten. Zoo worden de mijnen
van Maros-Ujvar bewerkt, en in een deel der mijnen van Thorda begint
men hetzelfde stelsel in praktijk te brengen; maar de oude wijze van
bewerking wordt daarom niet opgegeven. De plaats waar het grootste
getal mijnwerkers bijeen is, is de Josefsput, waarheen onze gids
ons het eerst heeft heengevoerd; men heeft uit dezen geweldigen put
bereids vierhonderd-duizend kubiek el klipzout gehaald, en voortdurend
is men bezig de mijn nog meer uit te graven.

De grootste van alle zalen, de Theresiaput, had eene diepte van niet
minder dan honderd-zes-en-vijftig el, met een daaraan geëvenredigde
doorsnede. De koepel dezer mijn, in het hart der rots uitgehouwen,
was misschien de grootste, die ooit door menschenhanden werd gewrocht:
althans zou men vergeefs zijn wedergade hebben gezocht onder al de
koepels, die zich boven kerken of paleizen welven. Eindelijk zag
men er van af, om dit reusachtig gewelf nog verder uit te houwen:
inderdaad zou het ook meer dan zonderling zijn, voort te gaan met de
nasporing van het zout in het hart der aarde, wanneer men het in de
naburige vlakte in grooten overvloed op de oppervlakte zelve vinden
kan. De Theresiamijn is dus tegenwoordig verlaten.

Uit de Theresiamijn komende, liet de opzichter ons langs een kleinen
trap opklimmen, even als de anderen in het zout uitgehouwen. Weldra
deed een zonnestraal het schitterend kristal der wanden als diamanten
flonkeren; de gids lichtte een luik op, opende toen de deur van een
schuur: wij stonden in de open lucht. Het landschap om ons heen geleek
sprekend op dat der woestijnen van Afrika. Dijken van grijsachtige
klei beletten ons het uitzicht op de vlakte en de bergen; klippen van
onzuiver zout verhieven naast ons haar roodachtige, blauwe en groene
naalden en spitsen, aldus gekleurd door de vreemde bestanddeelen
in het zout opgenomen; enkele schrale planten, zooals men ook langs
de stranden der zee vindt, toonden in de spleten hare bleek blauwe
stengels en bladeren; een schitterend spoor van helder zout wees de
bedding aan van eene nu waterlooze beek; in de holten en kloven stonden
plassen van zout water, omzoomd door sneeuwwitte randen. Dit waren
voormalige, nu ingestorte putten. De naakte, blanke, metaalachtige
bodem kaatste het licht en de hitte der blakerende en brandende zon
terug: het was hier niet om uit te houden.

(Wordt vervolgd.)


Blanken en kleurlingen.

(Vervolg van bladz. 72).


XIX.

De staatsgreep.

Bij het aanbreken van den dag, terwijl de neger-afgevaardigden zich
nog geeuwend op hunne met koortsmos gevulde matrassen rondwentelen en
voortdurend om meer whisky schreeuwen, vult zich de Koningsstraat met
soldaten, die de voetpaden bezetten en hunne geweren op den rijweg in
rust zetten. Wat heeft dit te beduiden? De gansche stad schijnt reeds
ontwaakt en op de been. De voetpaden wemelen van burgers zoowel als van
soldaten, en bijtende spotternijen, krenkende woorden worden van beide
zijden gewisseld. De mariniers naderen van de zijde der kaaien; nabij
het Tolkantoor is de kavalerie opgesteld. Twee kanonnen staan bij het
havenhoofd, een derde beschermt den toegang tot het Statenhuis. Emory,
met het opperbevel belast, blijft in het Arsenaal, gereed daar heen
te gaan, waar zijne tegenwoordigheid vereischt wordt. Zijn luitenant,
De Trobriand, na zijne troepen in de straat Saint-Louis te hebben
opgesteld, met hun rechtervleugel geleund tegen de gesloten poorten
van het Kapitool, en de linker zich uitstrekkende naar de rivier,
bezet met een deel zijner brigade de Koningsstraat. Tweeduizend
federale soldaten zijn onder de wapenen.

Met uitzondering van de ordonnans-officieren, die nu en dan naar het
hotel rijden waar Sheridan nog altijd vertoeft, wordt de toegang tot
de straat Saint-Louis aan niemand vergund; evenmin wordt iemand in de
Koningsstraat toegelaten, behalve de berichtgevers der dagbladen, de
dienstdoende officieren, en de van een toegangskaart voorziene leden
der Kamer. Potter, lid van de door het Congres benoemde commissie,
toont zijn kaart: vergeefs: de toegang tot het Kapitool wordt hem
geweigerd. Mac-Enery en Wiltz, die er prijs op stellen officieele
getuigen te hebben, noodigen ook de beide andere leden der commissie,
Forster en Phelps, uit, om met Potter bij de opening der zitting
tegenwoordig te zijn. De drie leden verschijnen gezamenlijk: de
schildwachten drijven hen terug. Als voorzitter der commissie, laat
Forster een hoofdofficier roepen, die, na eenige woordenwisseling,
hun vergunt door te gaan, maar volstrekt weigert, de heeren die hen
volgen mede door te laten.

Even voor twaalf uur, verschijnen de conservatieve leden en corps in
de Koningsstraat, en begeven zich naar den ingang van het Kapitool; de
dienstdoende officier houdt hen staande, en verlangt hunne papieren te
zien. Vier hunner, die geen toegangskaarten hebben, worden afgewezen,
tot dat nader omtrent hunne toelating zal zijn beslist. De anderen
vervolgen hun weg door gangen,  met soldaten bezet, door kamers,
vervuld met den stank van slechte sigaren en whisky. Afdeelingen
policie-agenten,  met knuppels en revolvers gewapend, bewaken de
deuren, en weigeren de toegangen tot de vergaderzaal te ontruimen. Zij
beweeren, dat generaal Campbell hun hunne posten heeft aangewezen, en
zoo lang hij hen niet afroept, mogen zij zich niet verwijderen. Foster
en Phelps houden van dit een en ander zorgvuldig aanteekening.

Voor Wiltz is het nu niet langer twijfelachtig, of, wanneer bedrog
niet mocht slagen, de scalawags tot geweld hun toevlucht zullen nemen;
en Mac-Enery is evenzeer overtuigd dat zij daarbij op de hulp der
federale officieren kunnen rekenen. Een enkel driftig woord, een enkele
ondoordachte stap, kan eene noodlottige botsing uitlokken. "Laat ons
vastberaden en spoedig handelen", fluisteren de burgers elkander toe;
"bovenal, laat ons strikt binnen de palen der wet blijven."

Met klokslag van twaalven begint Vigers de presentielijst af te
lezen; twee-en-vijftig republikeinen en vijftig conservatieven zijn
tegenwoordig.

"Honderd-twee leden zijn present; de vergadering is wettig
geconstitueerd!" roept Vigers, wiens stem bijna door het geschreeuw
en gejoel der negers wordt verdoofd.

"Ik stel voor, zegt Billieu, het conservatieve lid voor La-Farouche,
dat de heer Louis A. Wiltz, gewezen mayor van Nieuw-Orleans, het
presidium op zich neme."

Vigers, die verwacht dat iemand Michael Hahn zal voorstellen, heeft
de onbeschaamdheid te zeggen, dat hij het voorstel van Billieu niet
in omvraag wil brengen. Vigers is griffier--griffier van de vorige
Kamer--en hij heeft niets anders te doen dan de presentielijst te
lezen. Beleefdheidshalve wordt zulk een ambtenaar vergund, om het
eerste voorstel te doen tot benoeming van een president; maar als hij
dit nalaat, heeft, naar amerikaansch gebruik, elk lid der Kamer het
recht, dit voorstel te doen en stemming te vragen door het opsteken der
handen. Ziende dat Vigers aarzelde,  staat een der leden op; herhaalt
het voorstel van Billieu; laat stemmen door het opsteken der handen,
en verklaart dat het voorstel is aangenomen. Aanstonds plaatst Wiltz
zich in den voorzittersstoel, en terwijl de negers verbluft zitten
te kijken en beginnen te schreeuwen, roept hij de Kamer tot de orde
en verklaart de zitting geopend.

Een der leden stelt nu voor, dat de nog aanhangig gebleven verkiezingen
zullen worden onderzocht, en dat de vijf leden, die buiten op straat
wachten, inmiddels hunne zetels zullen innemen. Wiltz brengt het
voorstel in omvraag;  met groote meerderheid van stemmen wordt
het aangenomen, daar een aantal negers zich verwijderd hebben, om
raad in te winnen bij de leiders der partij, in Kellogg's kabinet
vergaderd. Nadat de vijf heeren hunne plaatsen hebben ingenomen,
kunnen de blanken rekenen op vier-en-vijftig stemmen.

Intusschen heeft geene der beide partijen op zichzelve de wettige
meerderheid, en de republikeinen, ziende dat zij hunne geringe
meerderheid verloren hebben, beginnen de zaal te verlaten. Maar de
conservatieven, aan dergelijke kunstjes gewoon, beletten hen zich
te verwijderen, vóór eene nieuwe telling kan plaats grijpen. Een lid
stelt de benoeming van Louis A. Wiltz tot president voor; een ander
lid doet gelijk voorstel ten behoeve van Michael Hahn. Acht-en-vijftig
leden zijn tegenwoordig; vijf-en-vijftig stemmen voor Wiltz, die,
onder oorverdoovend gejuich, als president wordt geproklameerd.

De rechter Houston, nabij den voorzittersstoel staande, neemt hem
nu den gebruikelijken eed van trouw aan de wet en de constitutie
van Louisiana af. Wiltz houdt op nieuw appel nominaal, en neemt den
tegenwoordigen leden den eed af. Hoewel zich enkelen verwijderd hebben,
is toch het wettig getal nog bijeen. Hahn, onzeker wat te doen, is
gebleven, en legt den eed in handen van Wiltz af. Kapitein Floyd wordt
nu tot serjeant  benoemd, en de heer Trevezant tot griffier. De Kamer
is nu geconstitueerd. In zijne hoedanigheid als voorzitter,  noodigt
Wiltz den generaal De Trobriand uit, de policie-agenten te verwijderen
die de deuren en toegangen bezet houden, en de generaal voldoet aan
die uitnoodiging. Naar het schijnt, wordt de conservatieve Kamer,
onder presidium van Wiltz, geconstitueerd,  dus door de bondstroepen
als de wettige macht erkend. Zijn de scalawags dan inderdaad geslagen,
en de blanke burgers weer meester van de stad? Nog niet.

In zijn kamer gezeten, omringd door officieren en beambten, verneemt
Kellogg, met klimmende woede en verlegenheid, wat er daar in de
Vergadering plaats grijpt. Ondanks zijn whisky en zijn sigaren, ondanks
zijn cantine en zijn matrassen, hebben de conservatieven hem in zijn
eigen huis en met zijn eigen wapenen geslagen. Hoe zal hij zich in
zijne positie handhaven?  Met een conservatieven president, griffier
en serjeant, is de Kamer geheel in de macht zijner vijanden. Alleen
de federale bajonetten kunnen het werk van dezen morgen weer ongedaan
maken.

Maar zijn die bajonetten nog tot zijne beschikking? Wiltz roept ze
ter hulpe, en zij gehoorzamen hem. Zullen zij ook aan zijn bevel
gehoor geven? Hij neemt de proef, en zendt een schriftelijken last
aan generaal De Trobriand om de vergaderzaal te bezetten, en de vier
conservatieve leden te verwijderen, aan wie de Kamer vergund heeft
zitting te nemen.

De Trobriand onderwerpt dit bevelschrift aan generaal Emory. Het is
niet uitgemaakt, of Emory ook den raad van Sheridan heeft ingewonnen;
maar na een geruim tijdsverloop, terwijl de beraadslaging in vollen
gang is, treedt De Trobriand, die nu zijn orders ontvangen heeft,
eensklaps de vergaderzaal binnen, en eischt dat hem de "indringers"
zullen worden aangewezen. Wiltz antwoordt dat hem geen "indringers"
bekend zijn; dat al de hier tegenwoordige heeren leden zijn der
Kamer, en dat de persoon van elk lid eener amerikaansche wetgevende
vergadering onschendbaar is.

"Ik ben soldaat en geen opperbevelhebber, ik moet de mij gegeven orders
uitvoeren, antwoordt De Trobriand. Generaal Emory heeft mij gelast,
overeenkomstig de bevelen van den gouverneur Kellogg te handelen.

--Ik moet u uitdrukkelijk doen opmerken, herneemt de president,
dat deze wettig verkozen Kamer zich heeft geconstitueerd door mij
te benoemen tot voorzitter, kapitein Floyd tot serjeant en den
heer Trevezant tot griffier. Daarna hebben wij vijf leden zitting
doen nemen, wier geloofsbrieven door het kiesbureau aan ons zijn
onderworpen. Wilt gij deze heeren uitdrijven?

--Mijn plicht als officier laat mij geen andere keus."

Wiltz noodigt al de leden uit om met hem, ten teeken van protest,
van hunne zitplaatsen op te staan. Al de conservatieven rijzen op,
heffen hunne handen omhoog en roepen den hemel tot getuige aan
van hun protest. De negers, vreezende dat het op een kloppartij
zal uitloopen, springen over de banken, verschuilen zich achter de
lessenaars, verdringen zich in de gangen, en sluiten zich op in de
geheime kabinetten.

"Wijs ze aan! roept De Trobriand tot Vigers.

--Vigers heeft in deze Kamer niets te zeggen, herneemt de
president. Zijne tusschenkomst in de beraadslagingen en handelingen
dezer vergadering is onwettig. Vigers was griffier van de vorige Kamer;
Trevezant is nu griffier.

--Lees de presentielijst!" schreeuwt De Trobriand, waarop Vigers
opstaat en begint te lezen.

"De conservatieve leden zullen niet antwoorden," zegt de voorzitter:
en geen enkel conservatief lid antwoordt op het lezen van zijn naam.

Nu treedt generaal Campbell binnen, om Vigers bij zijn
onderzoek behulpzaam te zijn. Er worden soldaten ontboden. John
O'Quin, lid voor Aroyelles, wordt aangewezen als een der vier
conservatieven. "Verwijdert hem!" gelast De Trobriand. O'Quin roept de
bescherming in van den voorzitter. "Wij zwichten alleen voor geweld,"
zegt deze, zich tot den officier wendende. De Trobriand laat soldaten
met geladen geweren en bajonetten aanrukken, en twee dezer soldaten
voeren O'Quin van zijn plaats. Nu komt de beurt aan Vaughan, lid
voor Rapides. De Trobriand en zijn gewapende satellieten fier in
het aangezicht ziende, rijst Vaughan op, en zegt: "In naam mijner
kiezers, het volk van Louisiana, en als een vrij geboren burger van
de Vereenigde-Staten, protesteer ik tegen deze aanranding."--Toen zich
tot zijne collegas wendende, roept hij hen allen tot getuigen van deze
verregaande geweldenarij tegenover eene vrije vergadering. "Gij ziet,
zij werpen mij uit met bajonetten!"

"Laat het geschieden," zucht Wiltz, en de schanddaad wordt volvoerd.

Elf andere leden worden achtervolgens weggevoerd. Als Floyd, op last
van den president, een der leden poogt te beschermen, wordt hij
zelf gegrepen en door de soldaten vastgehouden. Nadat het laatste
conservatieve lid aldus door geweld was verwijderd, rijst Wiltz op,
geeft met plechtig gebaar een teeken dat stilte gebiedt, en spreekt
op ernstig droeven toon:

"Als wettig voorzitter der Kamer van vertegenwoordigers van Louisiana,
heb ik geprotesteerd tegen deze overrompeling onzer vergadering door
soldaten van de Vereenigde-Staten, met gevelde bajonetten en geladen
geweren. Onze broeders zijn voor onze oogen met geweld aangegrepen en
weggevoerd, in spijt van hun plechtig protest. Een troep soldaten heeft
deze zaal der volksvertegenwoordigers bezet, en wij hebben tegen die
daad geprotesteerd. In den naam van een weleer vrij volk, in den naam
van den weleer vrijen staat Louisiana, in den naam onzer amerikaansche
Unie, protesteer ik op nieuw plechtig tegen dit misbruik der militaire
macht. Mijn voorzittersstoel is door soldaten omringd. Onze ambtenaren
worden door hen gevangen gehouden. Leden der wetgevende macht, ik
verklaar plechtiglijk dat Louisiana heeft opgehouden een souvereine
staat te zijn, en niet langer eene republikeinsche regeering bezit. Ik
noodig alle vertegenwoordigers van ons land uit, met mij voor deze
gewapende tusschenkomst te wijken."

Dit gezegd hebbende, heft Wiltz de zitting op en verlaat de
zaal, gevolgd door al de conservatieven; hij gaat naar de straat
Saint-Louis, vergezeld door eene overtalrijke menigte, die hem
met luide toejuichingen begroet. In het huis N^o. 71 van de straat
Saint-Louis vinden de afgevaardigden een geschikt lokaal, en na daarvan
formeel bezit te hebben genomen, wordt de Kamer op reces gescheiden.

Kellogg heeft niet veel voldoening van zijn zegepraal. Zijne
heftigheid heeft de zaken niet beter, maar veeleer erger gemaakt. De
vier conservatieve leden, hoezeer door geweld verdreven, zijn
niet bij stemming van hun recht vervallen verklaard; en dit kan
nu niet meer geschieden, zelfs niet met een schijn van wettigheid,
want de overblijvende neger-vergadering blijft beneden het voor een
besluit vereischte getal van zes-en-vijftig stemmen. Wiltz is als
president beëedigd, en als president heeft hij de vergadering belegd
in de straat Saint-Louis. Alles wel beschouwd, ziet Kellogg dat hij
op ieder punt geslagen is, en zwakker dan ooit te voren. Noch hij,
noch zijn mededinger kan eene wettige vergadering beleggen, en zonder
dat is geene regeering mogelijk.

De toestand schijnt een dictator te eischen, en ten negen uur des
avonds aanvaardt generaal Sheridan de opperste leiding.

De soldaten zijn onder de wapenen, het zwaard is koning!

Indien slechts President Grant aan Sheridan in Louisiana volle
vrijheid van handelen wil laten, zoo als hij hem die gelaten heeft
in de valleien van de Blue-Ridge en op de jachtgronden der Peigans,
dan zal mijn onstuimige buurman wel spoedig klaar weten te komen
met zulke tegenstanders als Wiltz en Ogden, Mac-Enery en Penn. "Ik
ken deze luidjes, zoo zegt hij; ik heb vroeger met hen omgegaan,
toen zij onhandelbaarder waren dan tegenwoordig. Ik weet wat mij te
doen staat. De Blanke Bond moet vernietigd worden. Dat is slecht
volk: echte bandieten, belust op kwaaddoen. In Nieuw-Orleans ziet
ge hen van hun gunstigste zijde: hier gedragen zelfs de leden
van den Blanken Bond zich als fatsoenlijke lieden; maar in de
plattelands-distrikten--Bossier en Saint-Bernard, Natchitoches en
Red-River--zijn zij ware duivels."

Ten tien uur des avonds zendt Sheridan dit telegram aan Belknap,
den secretaris van staat voor oorlog:

Nieuw-Orleans, 4 Januari 1875.

"Tot mijn leedwezen moet ik U mededeelen, dat in dezen staat een geest
van verzet heerscht tegen alle wettig gezag, en eene onveiligheid
van leven en bezit, waarvan de centrale Regeering of het land over
het algemeen zich nauwelijks rekenschap geven kan. Het leven der
burgers is zoo zeer bedreigd, dat, tenzij iets gedaan worde om het
volk te beschermen, alle veiligheid, die de wet toekent, verloren zal
gaan. Verzet tegen de wet en moord schijnen hier beschouwd te worden
van een standpunt, dat straffeloosheid verzekert aan allen, die zich
aan deze vergrijpen schuldig maken, en het burgerlijk gezag schijnt
machteloos om de boosdoeners te straffen of zelfs te vatten. Heden
avond heb ik het bevel over het departement der Golf op mij genomen.

P.H. Sheridan.

Dit departement der Golf, omvattende drie groote staten, Louisiana,
Mississippi en Arkansas, met al de forten en militaire stations langs
de golf van Mexiko, behalve de forten aan de Mobile-baai, wordt alzoo,
met een enkelen pennestreek geschrapt van de divisie van het Zuiden,
onder het opperbevel van Mac-Dowell geplaatst.

Den volgenden morgen ontvangt Sheridan, van den adjudant-generaal
Townsend, de verzekering dat zijn gedrag wordt "goedgekeurd." Daarop
antwoordt hij aanstonds, door naar Washington een schets te zenden
van het stelsel, dat hij in de zuidelijke staten wenscht toe te
passen: een dokument, dat wel verdient beroemd te blijven in de
geschiedenis der amerikaansche vrijheid. Nog nimmer had een spaansch
onderkoning op Sicilië, of een russisch gouverneur in Polen, van zijn
koninklijken meester zoodanige volmacht gevraagd, als thans Sheridan
aan President Grant vroeg. Zijn regeeringsprogram voor het Zuiden
rust hoofdzakelijk op het denkbeeld, dat de voornaamste burgers
van deze rijke on welvarende staten, door de regeering zelve als
bandieten beschouwd en buiten de wet gesteld zullen worden, en aan
haar ambtenaren overgeleverd om hen naar goedvinden te straffen.

Dit merkwaardig, aan Belknap gericht telegram luidt aldus:


Nieuw-Orleans, 5 Januari 1875.

"Naar mijne meening, kan het thans in Louisiana, Mississippi en
Arkansas heerschende schrikbewind worden vernietigd, en het vertrouwen
en de openbare orde hersteld, indien slechts de hoofdleiders van den
gewapenden Blanken Bond worden gevat en terecht gesteld. Wanneer zij,
door een besluit van het Congres, tot bandieten worden verklaard,
dan kunnen zij door een krijgsraad worden gevonnisd. De aanvoerders
dezer bandieten, die hier op den 14den September l.l. moorden hebben
gepleegd, en later ook nog te Vicksburg in Mississippi, moeten,
volgens den eisch der wet en openbare veiligheid, en ook in het
belang van den vrede en de welvaart van de zuidelijke streken des
lands, gestraft worden. Indien de President eene proklamatie wilde
uitvaardigen, waarbij zij tot bandieten werden verklaard, dan behoefden
misschien geen verdere stappen gedaan te worden, en ik kon voor het
overige zorgen.

P.H. Sheridan."

Als de President maar wil verklaren dat al die burgers, dat is de
massa der blanke bevolking, bandieten zijn! Dat is genoeg; dan kunt
gij u verder stil houden, en het overige gerust aan mij overlaten!

Men mag vragen, of dit inderdaad de taal is van een amerikaansch
officier, in het midden der negentiende eeuw levende, en sprekende
van zijne medeburgers? De toon gelijkt meer op dien van een turkschen
pâsja te Belgrado. Doch hoe dit zij: de omgeving van den President,
de secretarissen en adjudanten, zijn opgetogen over zulke doortastende
energie, en bij de mededeeling dezer berichten aan de officieele
autoriteiten beginnen zij een eigenaardigen toon aan te slaan. Een
afschrift, van Townsend's eersten brief aan Sheridan, nu reeds
twaalf dagen oud, wordt aan generaal Mac-Dowell gezonden; en uit
dit stuk verneemt deze hoog geplaatste officier dat zijn kommando in
het departement van de Golf hem ontnomen is! Bij de kennisgeving aan
generaal Sherman, dat Sheridan het opperbevel in Nieuw-Orleans heeft
aanvaard, zegt Townsend, dat die officier de Golf heeft "geannexeerd",
en voegt er, bij wijze van dooddoener, bij: "deze maatregel werd
noodig geoordeeld en is goedgekeurd."

Generaal Sherman antwoordt droogjes:

St. Louis, 6 Januari 1875.

"Uw telegram van den 6den der loopende maand, houdende bericht, dat
de generaal Sheridan het departement der Golf bij zijn kommando heeft
geannexeerd, is door mij ontvangen."

Inmiddels heeft de voorzitter der Kamer, Louis A. Wiltz, zich tot
den President gewend, hem van het gebeurde verslag gevende, en hem
eerbiedig gevraagd te mogen vernemen: "op wiens gezag en krachtens
welke wet het leger der Vereenigde-Staten de vergadering der Kamer
van volksvertegenwoordigers van den staat Louisiana heeft overvallen
en uiteen gedreven?" Mocht het blijken, dat deze handeling op geen wet
en geen erkend gezag steunde, dan verzoekt Wiltz zeer dringend, dat de
federale troepen gelast zullen worden, de Kamer weder te herstellen;
en met niet minder aandrang vraagt hij, dat het departement van oorlog
aan de federale officieren onder het oog zal brengen, dat bemoeiing
met de werkzaamheden eener wetgevende vergadering geheel en al buiten
hunne bevoegdheid ligt.

Wat zal President Grant hierop antwoorden? Hij is niet zoo zeker als
Belknap en zijn adjudanten, dat in Nieuw-Orleans alles naar wensch
gaat. Daar dringen stemmen door in zijn kabinet, die zijn gemoed met
twijfel en bange voorgevoelens vervullen.

Verhalen van hetgeen des zondagsavonds en des maandagsmorgens
in de Koningsstraat heeft plaats gegrepen, vullen de kolommen der
dagbladen van elke stad, van Galveston tot Portland, van Savannah tot
San-Francisco. Doorgaans zijn deze verhalen gekruid met bijtende en
scherpe aanmerkingen; sommige schrijvers behandelen de zaak als een
aardigheid. Is men niet midden in het carnaval, den uitgelezen tijd
voor grappen en zotternijen? Dat feest der negers in het Kapitool
is eene aardigheid: die cantine, die soupers, die middernachtelijke
vergadering, die drinkgelagen in den vroegen morgen:--wel, dat
zijn niet anders dan gekkernijen van vroolijke korrespondenten,
die eens een loopje met het publiek willen nemen. Maar over het
algemeen vat de pers de zaak zeer ernstig op; en tot hun eer moet het
gezegd worden, dat juist de voornaamste republikeinsche dagbladen
de scherpste veroordeeling uitspreken over de handelingen van De
Trobriand. Zijn wij in Frankrijk? zoo vragen zij. Is Grant een andere
Bonaparte? Zijn Emory en De Trobriand de gehuurde soldaten van een
bastaard keizerrijk? Worden wij reeds door een Caesar geregeerd, en
is het Witte-Huis een amerikaansch paleis der Tuileriën? Elk woord,
in den laatsten tijd door den President gesproken, wordt zorgvuldig
gewogen; en in de thans heerschende stemming is men zeer geneigd,
eene geheime bedoeling, een verborgen caesaristischen zin te vinden in
uitdrukkingen, die anders hoogstens als minder gelukkig gekozen zouden
zijn beschouwd. Daarbij komt dat Grant zelden gelukkig is in zijn
woorden. Hij weet dit, en zwijgt daarom liefst in tegenwoordigheid
van vreemden; maar de eerste magistraatspersoon van een groot land
moet toch nu en dan in het openbaar spreken en schrijven, en met
al zijne onbetwistbare bekwaamheden, is hij dikwijls zeer onhandig,
als hij zijn tong of zijne pen moet gebruiken.

Een flauw gerucht van de aarzeling en de vrees van den President
dringt door tot het hoofdkwartier, in het hotel Saint-Charles. De
adjudanten wenschen nog meer "energie", en Sheridan, nooit gewoon zijn
woorden vooraf te wegen, telegrafeert aan zijn vriend, den minister
van oorlog, aldus:

Nieuw-Orleans, 6 Januari 1875.

"Wil den President zeggen, dat hij zich niet ongerust behoeft te
maken over den staat van zaken hier. Ik zal de rust handhaven,
en dat is niet moeilijk, met de troepen en de zeemacht in en bij
de stad. Indien het Congres de leden van den Blanken Bond en van
andere soortgelijke vereenigingen, blanken of zwarten, tot bandieten
wil verklaren, dan zal elke verdere bijzondere wetgeving voor het
behoud der rust en der gelijkheid van rechten in de staten Louisiana,
Mississippi en Arkansas onnoodig zijn; en ik zal de uitvoerende macht
voor goed bevrijden van al de moeielijkheden, die zij tot dusver in
deze streken ondervonden heeft.

P.H. Sheridan."

Ave Caesar! Dank zij het leger en de vloot, zal geen enkele blanke
burger van Nieuw-Orleans zich durven roeren!

De leden van den Blanken Bond, die door Caesar tot bandieten
moeten worden verklaard, vormen te zamen de geheele blanke
bevolking--planters, advokaten, geneesheeren, bankiers, geestelijken,
grondbezitters, kooplieden, geleerden, industrieelen. Voor het
meerendeel zijn al deze mannen van engelsche afkomst. Wat Sheridan
verlangt, is niets minder, dan dat het anglo-saksische ras in
Louisiana, Mississippi on Arkansas buiten de wet zal worden gesteld
en overgeleverd aan het militair gezag. Hij vraagt eenvoudig, dat
het Congres een wet zal uitvaardigen, waarbij hem onbeperkte volmacht
gegeven wordt om ieder, dien hij wil, en daaronder mannen als generaal
Ogden en kapitein Angel, gouverneur Mac-Enery en luitenant-gouverneur
Penn, zonder vorm van proces op te hangen.


XX.

De conservatieven.

Generaal Mac-Enery laat ons door een adjudant uitnoodigen een bezoek
aan het conservatieve hoofdkwartier in de Kanaalstraat; en vergezeld
van mijn ouden vriend, den consul De Fonblanque, verlaten wij ons
hotel, nu bekend als het "hoofdkwartier van de Golf."

Generaal Mac-Enery bewoont een appartement, in de Kanaalstraat, het
uitzicht hebbende op het standbeeld van Henry Clay; in welk appartement
hij een soort van nederige hofhouding heeft ingericht. "Gij zijt
niet bang om binnen te gaan, vraagt een senator die ons op de trap
tegenkomt, hoewel wij bandieten zijn?"

In den salon vinden wij den gouverneur Mac-Enery, den
luitenant-gouverneur Penn en verscheidene leden van den Senaat,
die weigeren zitting te nemen met de aanhangers van Kellogg, onder
het presidentschap van Cesar C. Antoine. Beschaafder en deftiger
lieden dan deze conservatieve senatoren, zoudt ge zelfs te Oxford
of te Westminster niet kunnen vinden. Gij behoeft deze heeren,
echte gentlemen, slechts aan te zien, om aanstonds te begrijpen
dat, al mogen zij in sommige opzichten gelijk of ongelijk hebben,
het niet gemakkelijk zal vallen hen te verdringen uit de stelling,
die zij eens hebben ingenomen.

"Wij beweeren, zegt generaal Mac-Enery, dat wij vijf-en-negentig
percent vertegenwoordigen van den rijkdom dezer stad, acht-en-negentig
percent van het kapitaal in den geheelen staat."--Naar hetgeen wij van
elders vernomen hebben, bestaat er alle reden om dit als de zuivere
waarheid aan te nemen.--"En toch, voegt Penn er lachende bij, zijn
wij, in wier handen bijna de gansche rijkdom van den staat berust,
bandieten!

"In den regel zijn bandieten geen mannen van fortuin: noch in Spanje,
noch in Griekenland, noch in Klein-Azië, noch in Californië, worden
zij tot de bezittende klasse gerekend. Zoo een collega van Vasquez
de dagbladen kon lezen, zou het hem zeker genoegen doen te vernemen,
dat, naar de verzekering van generaal Sheridan, onder de leden van
de magistratuur en van de balie een aantal zijner confraters zijn
te vinden."

"Niemand, antwoordde ik, ontkent dat gij den rijkdom van Nieuw-Orleans
vertegenwoordigt; het komt hier echter aan op personen, en niet
op fortuin; en zoo ik mij niet vergis, beweert gij ook dat de
conservatieve kandidaten inderdaad de meerderheid van stemmen op zich
hebben vereenigd?

--Dat is ook zoo, hernam de gouverneur; onze meerderheid is niet
groot, maar toch groot genoeg, om, als men ons rustig laat begaan,
het bewind te voeren en de wet te herstellen.

--Hebben de kleurlingen niet de meerderheid van stemmen in den geheelen
staat--negentig-duizend tegen zes-en-zeventigduizend?

--Volgens de tegenwoordige kiezerslijsten, ja; maar die
lijsten zijn blijkbaar valsch. Hoe zou het mogelijk zijn, dat
de kleurlingen meer stemmen hebben dan wij? In aantal staan wij
bijna gelijk--driehonderd-twee-en-zestig-duizend blanken tegenover
driehouderd-vier-en-zestig-duizend zwarten. Die getallen zijn niet
van ons afkomstig: de volkstelling had plaats onder het bestuur
van Warmoth. Wij weten stellig dat ook hier sommige opgaven onjuist
zijn--en onjuist in het belang der kleurlingen. Maar laten wij de
cijfers aannemen, zooals zij daar staan. Hoe kan een verschil van
tweeduizend in de bevolkingsstaten samengaan met een verschil van
veertienduizend in de kiezerslijsten?

--Inderdaad, dat is niet makkelijk te verklaren.

--Behalve door bedrog, door openbaar en schaamteloos bedrog. Het is
een feit, dat de negers, onder verschillende namen en in verschillende
kerspelen, zijn ingeschreven. Doode negers blijven op de lijsten staan;
minderjarige negers zijn als kiezers ingeschreven. Vrouwen zijn als
mannen opgegeven. Overal waar ge zwarte beambten hebt, ondersteund
door eene zwarte policie, kunt ge zeker zijn van valschheid en bedrog.

--Is het waar, generaal, dat de conservatieven in beginsel gekant
zijn tegen het toekennen van staatkundige rechten aan negers?

--Daaromtrent loopen de gevoelens uiteen. Velen onzer zijn van meening
dat het een grove fout was, aan de kleurlingen het stemrecht te
geven; maar de regeering der Vereenigde-Staten, die hun de vrijheid
gaf, oordeelde het ook nuttig, hun het stemrecht te verleenen. Wij
onderwerpen ons aan de feiten. Er zijn menschen, die den neger zoowel
zijne persoonlijke vrijheid als zijn staatkundigen invloed zouden
willen ontnemen; maar de meerderheid der burgers heeft elk denkbeeld
van een terugkeer tot den vorigen staat van zaken laten varen. De
conservatieven zouden wenschen dat het stemrecht bij de wet bepaald
en geregeld werd. In alle vrije landen zijn sommige kathegoriën
van personen, zooals armen, idioten, gevangenen, van het stemrecht
uitgesloten. In sommige landen worden zij die lezen noch schrijven
kunnen, niet als kiezers erkend. Behoudens dergelijke beperkingen,
zouden de conservatieven van Louisiana niet ongezind zijn, aan de
negers staatkundige rechten toe te kennen.

--Gij zoudt dus niet bang zijn voor goed onderwezen kiezers?

--In het geheel niet: wel opgevoede en onderwezen lieden
zullen zich nooit laten leiden door scalawags. Zelfs nu doet de
invloed der opvoeding zich gelden. Als al de negers eendrachtig
samenstemden--negentigduizend tegenover zes-en-zeventigduizend--dan
zouden zij Pinch tot gouverneur kunnen verkiezen, en van eene
sterke meerderheid in de Kamers verzekerd zijn. Maar wij hebben wel
opgevoede negers in Louisiana, zooals Tom Chester: en geletterde
Afrikanen zijn het in de politiek al even weinig met elkander eens
als geletterde Angelsaksers. Zoodra een neger een weinig lezen kan,
werpt hij zich op als leider; hij volgt niemand, en allerminst iemand
van zijn eigen kleur. Zoodra hij een stuk grond en een hut bezit,
wordt de neger ook conservatief en stemt tegen de scalawags. In elke
parochie van Louisiana bestaat een conservatieve negerclub; en in spijt
van Kelloggs belofte, dat iedere neger, die voor Grant zou stemmen,
veertig bunders land en een goed muildier zou ontvangen, hebben, bij
de jongste verkiezingen, duizenden negers met ons gestemd. Zoodra de
bondstroepen zich terugtrekken, zullen tienduizenden hetzelfde doen."

Wij nemen nu afscheid van generaal Mac-Enery, en begeven ons naar
de conservatieve Kamer, in de straat Saint-Louis, waar wij door
den voorzitter Wiltz zeer vriendelijk ontvangen worden. Als wij de
vergadering binnentreden, is kapitein Kidd aan het woord, een man als
soldaat en als rechtsgeleerde evenzeer bekend en bekwaam. Hij stelt
voor, dat al de conservatieve leden zich gezamenlijk naar het Kapitool
zullen begeven, en vorderen dat hun gelegenheid worde gegeven, zitting
te nemen. Zes-en-zestig leden zijn tegenwoordig: drie-en-vijftig
wier geloofsbrieven in orde zijn bevonden, en dertien anderen, wier
verkiezing ten onrechte door het bureau van Kellogg is vernietigd.

"Gij beweert, niet waar, de wettige Kamer te zijn? vroeg ik den
voorzitter.

--Neen, antwoordt Wiltz, op stelligen toon. Wij beweeren alleen dat
wij de bij de wet vereischte meerderheid bezitten. Maar wij geven
onszelven den naam van bijeenkomst, en niet van vergadering, want zelfs
in woorden willen wij strikt binnen de palen der wettigheid blijven."

Terwijl Kidd de conservatieven aanspoort om eene meer besliste houding
aan te nemen, wordt er een telegram naar Washington gezonden, om het
advies in te winnen van den senator Thurman. Thurman is een van de
hoofden der demokratische partij, die in het Congres zitting heeft
voor Ohio, en die bij de conservatieven van het Zuiden in hoog aanzien
staat. "Hebt geduld!" is het wijze antwoord.

"Onze politiek is geduld, zegt de voorzitter; wij moeten ons bepalen
tot afwachten. De tijd zal ons recht doen wedervaren. Het kunstje
met de veertig bunders en den muilezel kan niet voor de tweede
maal vertoond worden. Dergelijke middelen duren maar voor een
tijd. Wij kunnen wachten. Gewisselijk lijden wij door dit uitstel;
maar door geweld zouden wij nog meer lijden. De heeren op deze
banken zijn of zelven eigenaars, of vertegenwoordigen de eigenaars,
van bijna alle magazijnen, schepen, pakhuizen, banken en hotels van
Nieuw-Orleans. Meent gij dat zij eenig belang hebben bij wanorde en
straatrumoer? Als er een glasruit wordt stuk geslagen, moeten wij de
kosten betalen. De scalawags hebben niets te verliezen dan hunne huid,
en zij dragen wel zorg, die niet bloot te stellen. Wat geven Kellogg
en Packard, Antoine en Pinchback er om, of de nationale rijkdom toe-
dan wel afneemt? Voor ons hangt alles af van de handhaving van vrede
en orde. Onze broeders in de steden van het Noorden begrijpen dit
nog niet, maar de loop der gebeurtenissen zal hun wel spoedig de
oogen openen."

Generaal Warmoth, die nog altijd beweert de eenige wettige gouverneur
van Nieuw-Orleans te zijn, en aan wien wij vervolgens een bezoek
gaan brengen, is een type van die talrijke klasse van burgers, die
zich noch om blanken, noch om zwarten bekommeren, zoolang zij hun
handel kunnen drijven en hun winkel niet stil staat. Deze lieden
wenschen in vrede te leven, hun dagelijksch brood te verdienen,
en hunne woning ongestoord te bezitten. Zij bemoeien zich niet met
theoriën over rassen: in hun oog zijn allen, die iets bij hen wenschen
te koopen, broeders. De dollar van een neger heeft voor hen juist
dezelfde waarde als de dollar van een blanke, in ruil voor een paar
schoenen of whisky. Wat heeft een koopman te maken met dat gehaspel
over gelijkheid van rechten? Als zij hun huur en belasting kunnen
betalen, zijn zij tevreden, en laten al die lastige twistvragen over
voor rechtsgeleerden en afgevaardigden.

Zelfs onder de negers telt Warmoth een zeker aantal aanhangers. Hij
heeft hen nooit bedrogen, en verkreeg hunne stemmen zouder eene
toezegging van veertig bunders en een goeden muilezel. Aan hem danken
de negers de inrichting der stedelijke policie, waarin velen hunner
de eenige waarborg zien voor hunne persoonlijke vrijheid. Naar gelang
de ster van Kellogg verbleekt, keeren de negers hunne blikken naar
Warmoth, als naar een verstandig, gematigd man, die eene gevaarlijke
botsing met de blanken zal weten te voorkomen.

Een man van veel aanleg en beschaving, een krijgsman ook, met een
bleek gelaat en diepliggende doordringende oogen, maakt Warmoth,
in zijn voorkomen en manieren, eenigermate den indruk van een
romanheld; men zegt, dat de dames van het Zuiden zijne schoonheid
zeer bewonderen. Hij is uitermate beleefd en heeft zelfs iets
gedistingeerds. Terwijl de carpet-baggers over het algemeen in
geen fatsoenlijk gezelschap ontvangen worden, stelt Warmoth hoogen
prijs op sociale onderscheiding, en wordt hij ook somwijlen bij de
voornaamste familiën van Nieuw-Orleans genoodigd. Deze onderscheiding
is voor hem een voorrecht en eene beproeving tevens. Hij is daardoor
in vriendschappelijke aanraking gekomen met zulke onverdachte en
onverzettelijke conservatieven als Mac-Enery en Penn. Wiltz heeft
hem bij zich ontvangen; Ogden heeft hem in den kerker een bezoek
gebracht. Door zijne innemende manieren en zijne gematigde denkwijze
heeft de Yankee Warmoth de aristokratie van Nieuw-Orleans bijkans
weten te verzoenen met zijne tegenwoordigheid in haar stad.

Maar door het verwerven van deze voorrechten, waarin zij niet deelen
kunnen, heeft hij natuurlijk den naijver en de woede van zijne vroegere
makkers, de scalawags, opgewekt. Toen Warmoth te Nieuw-Orleans kwam,
met eene reputatie van dapper soldaat en geslepen politikus, werd hij
door de trouw gebleven burgers gekozen tot president van het "Groote
leger der republiek" in Louisiana. Dit Groote leger der republiek is
eene vereeniging van liberale patriotten, die tijdens den burgeroorlog
de wapens hebben gedragen: het leger is thans wel ontbonden, maar
de voormalige wapenbroeders gevoelen zich nog onderling vereenigd
door de herinnering aan de te zamen doorleefde gevaren en gewonnen
lauweren. In elken staat der Unie vindt men zulk eene vereeniging,
die, vooral in het Zuiden, de bijzondere bescherming der regeering
geniet. De president van zulk een genootschap bekleedt een belangrijken
post en kan zeer grooten invloed uitoefenen: en generaal Warmoth wist
daarvan zoo goed gebruik te maken, dat hij, na de uitvaardiging der
Reconstruction Act, tot gouverneur van Louisiana werd verkozen.

Het oordeel over zijn bestuur verschilt naarmate van de politieke
partij, waartoe de beoordeelaar behoort. Zijne vrienden beweeren
dat hij de orde handhaafde en den handel aanmoedigde; terwijl zijne
tegenstanders, naar amerikaansche wijze, hem een schurk, een dief,
een lafaard en een moordenaar noemen. Conservatieven, die geen reden
hebben om genegenheid voor hem te gevoelen, geven toe dat hij, in
eene moeilijke betrekking, waarin eene zware verantwoordelijkheid op
hem drukte en hij aan groote verzoekingen blootstond, getoond heeft,
een man van niet alledaagsche bekwaamheid en betrekkelijk lofwaardige
eerlijkheid te zijn.

Billijke vijanden laten hem dit recht wedervaren; maar niet zoo
zijne vroegere vrienden, dweepzieke republikeinen of afvallige
conservatieven. De fanatieke republikeinen geven hem de schuld van
den val hunner partij in Nieuw-Orleans, die door zijn overgang in
twee kampen werd verdeeld en machteloos gemaakt. Nog scherper is
het oordeel der afvallige conservatieven, die hem in hunne dagbladen
op de grofste wijze aanvallen, niet wegens verschil van beginselen,
maar naar aanleiding van allerlei ellendige kwesties, samenhangende
met den grooten strijd der rassen.

Zal het, bij voorbeeld, den negers vergund zijn, in de openbare
rijtuigen plaats te nemen? De dames antwoorden, neen. De eigenaars
der rijtuigen, die met hun klanten gaarne op een goeden voet
blijven, antwoorden ook, neen. De carpet-baggers, die afhankelijk
zijn van de stemmen der negers, antwoorden, ja; zij beweeren dat
de maatschappelijke gelijkstelling van blanken en zwarten een
noodzakelijk gevolg is van de politieke gelijkheid van rechten. De
kwestie maakt de hoofden warm en wint de gemoederen op, niet minder
dan de telegrammen van Sheridan of de handelingen van Grant. Ieder doet
een middel ter oplossing aan de hand, en spreekt zijn meening uit over
een schikking. Generaal Warmoth stelt voor, dat van de Kanaalstraat
bijzondere omnibussen zullen rijden, met een ster geteekend, waarin
negers zullen plaats nemen, en diegenen onder de blanken, die geen
bedenking hebben tegen hun gezelschap. Hij deelt dit denkbeeld mede
aan zijn ouden vriend, den senator Jewell, met verzoek een artikel
in dien geest op te nemen in het door hem uitgegeven dagblad: The
Commercial Bulletin. Jewell weigert de opneming. "Dan zal ik het
elders beproeven," zegt Warmoth. "Zoo ge dat artikel laat drukken,
roept Jewell, dan zijt ge een verloren man."

Warmoth laat toch het artikel drukken; en zijn verzoenend voorstel
wordt, als eene billijke oplossing van het lastige geschil, aangenomen
door de twee conservatieve leiders: Mac-Enery en Wiltz. Den volgenden
morgen verschijnt er in Jewell's krant een hoofdartikel, waarin Warmoth
wordt uitgemaakt voor "Lazarus, door Satan uit de dooden opgewekt;"
voor "een vermetel, slecht mensch, uitvinder en voorstander van alle
misbruiken;" voor een "stamgenoot van de ratelslang;" voor een man
"van infame reputatie."--Warmoth verdedigt zich hierop, door Jewell
te beschuldigen van "leugen, schaamtelooze leugen." Hij voegt daarbij
dat Jewell's kwaadaardigheid voortspruit uit zijne weigering om den
senator te begunstigen met het openbaar maken der officieele berichten
van het gouvernement!

Daarop zendt Jewell iemand naar het huis van Warmoth, in de straat
Saint-Louis, om te vernemen of hij duelleeren wil. Warmoth antwoordt
dat hij niet kan duelleeren met iemand als Jewell. Zoodra de senator
dit bescheid verneemt, zendt hij aan Warmoth eene uitdaging, die tot
zijne groote verbazing wordt aangenomen.

Wat nu volgt werpt een eigenaardig licht op de amerikaansche
toestanden. Daniel C. Byerley, gewezen luitenant in het leger
der geconfedereerden en mededeelgenoot van Jewell's drukkerij,
trekt zich persoonlijk de zaak met Warmoth aan. Hoewel hij zijn
linkerarm heeft verloren, is hij een man van groote lichaamskracht
en vaardigheid. Hij loert op Warmoth en volgt hem in de Kanaalstraat,
waar hij hem onverwachts aanvalt en met een stok twee hevige slagen op
het hoofd toebrengt. Half bedwelmd, wankelt Warmoth eenige schreden
terug; Byerley werpt zich op hem: zij grijpen elkander aan en vallen
op den grond. Vechtende en worstelende rollen de beide mannen over het
voetpad: Byerley houdt niet op met Warmoth op het hoofd te slaan; maar
Warmoth, die zijn mes heeft kunnen trekken, steekt dat zijn vijand
in de zijde. Eindelijk worden de vechtenden door de toeschietende
menigte gescheiden. Byerley, zijn rotting zwaaiende, gaat heen,
leunende op den arm van twee vrienden, die hem naar een naburig
hospitaal brengen. Warmoth geeft zijn mes over aan een hoofdman der
stedelijke policie, en laat zich als gevangene medevoeren.

Eenige uren later was Byerley overleden. Daar hij gevallen was
in den strijd tegen een indringer, werd Byerley als de held van
Nieuw-Orleans gevierd: een lange sleep van rijtuigen volgde zijn lijk
naar het graf. De gouverneur Mac-Enery was een der slippedragers,
en meer dan tweeduizend burgers gingen in optocht achter den
lijkwagen. Echter lijdt Warmoth's reputatie er in het minste niet
onder, dat hij een manslag heeft begaan. Zijn gevangenis is een salon;
de aanzienlijkste personen laten zich inschrijven op het daarvoor
bestemde register. Mac-Enery bezoekt hem in den kerker. Ogden en
Penn zijn niet minder beleefd, en de president Wiltz brengt hem een
officieel bezoek. Op een enkelen dag ontvangt hij niet minder dan
vijfhonderd burgers. Nooit is Warmoth zoo populair geweest. Niemand
rekent hem de schuld van het vergoten bloed toe; en toen de zaak voor
den rechter werd gebracht, volgde onmiddellijk vrijspraak.

"Ik dacht dat Byerley ten volle gewapend was, zegt Warmoth, om het
gebruik van zijn mes te rechtvaardigen; en ik trof hem niet dan
in zelfverdediging. Hij overviel mij bij verrassing, en sloeg mij
tweemaal eer ik hem zag. Zijn rotting was een degenstok: een wapen,
zoo gevaarlijk als een degen en vrij wat erger dan een mes."

Deze moord op de openbare straat heeft den toestand nog meer
gespannen en verward gemaakt; want, hoe men ook moge denken over
straatgevechten, toch zal geen verstandig man de hoogste waardigheid
in den staat gaarne willen toevertrouwen aan iemand, wiens handen met
bloed bevlekt zijn. In schier elk ander land zou een man, die zulk
eene daad had bedreven, nimmer meer in het openbare leven kunnen
optreden; en voor het oogenblik is Warmoth, zelfs in Louisiana,
dan ook onmogelijk geworden. Maar hoe lang zal dit interdict duren?


XXI.

Carpet-baggers.--De rotonde.

De partikuliere secretaris van William P. Kellogg brengt in ons hotel
de boodschap, dat indien ik wenschen mocht een bezoek te brengen aan
de wetgevende en aan de uitvoerende macht, de voorzitter Hahn en de
gouverneur Kellogg mij met zeer veel genoegen op het Kapitool zullen
ontvangen. In gezelschap van onzen consul, begeef ik mij dus op weg
langs de Koningsstraat, daar de ingang in de straat Saint-Louis nog
steeds gesloten is.

Na eenige woordenwisseling met zwarte soldaten en policie-agenten,
wordt ons de deur geopend. Onwillekeurig treden wij terug, half
verstikt door een afschuwelijken stank, een verpesten atmosfeer
van slechte sigaren en gemeene spiritualiën. De ruime zaal is bijna
donker; in een der hoeken brandt een gasvlam. De deuren en vensters
zijn met planken betimmerd; de vloer is bezaaid met kurken, gebroken
glazen, broodkorsten en afgeknaagde beenderen. De zaal is opgevuld
met leegloopers en ambtenaren, voor verreweg het meerendeel negers,
allen rookende, babbelende, joelende, doelloos heen en weer loopende
en dringende. Hier schreeuwt een katoenplukker, dat hij naar boven
wil, om de Kamer aan het werk te zien. Daar tracht een carpet-bagger
een zwarten kiezer aan het verstand te brengen, waarom de negers nog
niet de door Kellogg toegezegde veertig bunders en een goeden muilezel
ontvangen hebben. De trap opgaande, loop ik bijna een kerel tegen het
lijf, die al stotterende uitroept: "Dat's hetzelfde! de kleurlingen
hebben nu ook hun rechten!"

Na vrij lange onderhandelingen met de zwarte policie, die ons als
blanken natuurlijk voor spionnen of verraders aanziet, komen wij
aan de zaal der Tweede Kamer: een langwerpig, smerig vertrek met een
houten vloer. Overal staan spuwbakken, en sommige neger-afgevaardigden
zitten op hun gemak te rooken en heen en weer te wiegelen op hun
zetels. Er heerscht een bedompte, bedorven lucht. Elk lid heeft een
fauteuil, waarop zijn naam met groote letters geschilderd is; maar
het schijnt hun niet mogelijk stil te zitten. Zij drentelen rond,
staan telkens op, babbelen onder elkander. Vijf of zes leden voeren
te gelijker tijd het woord, en betichten elkander luide van leugen
en bedrog. "Stilte daar!"--"Mijnheer de Voorzitter!"--"Ga zitten,
leelijke neger, en zwijg!" Het is een leven, als op een boerenkermis.

Michael Hahn, die deze vergadering presideert, doet ons nevens zijn
zetel plaats nemen, on tracht ons eenige opheldering te geven omtrent
hetgeen wij zien.

"Het verwondert u, dat het geoorloofd is, in de vergadering te
rooken? Ja, gij moet weten dat het eigenlijk niet geoorloofd, dat het
zelfs verboden is; maar hoe zal ik dat verbod handhaven? Pruimen is
niet verboden; en toch is pruimen een nog walgelijker gebruik dan
rooken. Reglementen baten niets. Negers willen en zullen pruimen
en rooken.

--Waarom laat gij hen dan niet rooken in andere kamers?

--Dat is gemakkelijk gezegd. Maar laat ik u mogen zeggen, mijnheer,
dat het niet gemakkelijk te doen, dat het volstrekt onmogelijk is.

--Waarom?

--Omdat ik geen enkel lid kan missen. Zooals gij ziet, hebben wij
juist het vereischte getal. Zoodra een enkel lid zijne plaats verlaat,
kunnen wij niet voortgaan."

Een neger, Demas genaamd, lid voor Sint-Jansparochie, staat op en
interpelleert de Kamer met een daverende stentorstem. Daar is eene
zekere welsprekendheid in hetgeen hij zegt. "Ja, zegt de president
Hahn, daar steekt iets in deze kerels. Bijna allen zijn zij geboren
slaven. Een dozijn jaren geleden, zou het nauwelijks een hunner hebben
durven wagen, in tegenwoordigheid van een blanke zijn mond te openen."

De president beweert niet te weten, hoe veel leden van zijn parlement
zwart, en hoevelen blank zijn. "Wij letten niet op de kleur," zegt
hij. Maar terwijl Massa Demas met heftige gebaren staat te oreeren,
tellen wij de hoofden, en bevinden dat er vier-en-twintig blanken
zijn tegen acht-en-twintig zwarten. Vier-en-twintig en acht-en-twintig
maakt te zamen twee-en-vijftig: dat is dus vier leden minder dan het
vereischte getal! Toch heeft de voorzitter ons zoo even verzekerd
dat de Kamer voltallig is. Wij tellen nog eens over, en komen tot
dezelfde uitkomst.

"Houdt gij deze vergadering voor eene wettige Kamer, mijnheer de
Voorzitter?

--Ja, gewis is zij eene wettige Kamer, de Tweede Kamer van Louisiana.

--Maar er zijn niet meer dan twee-en-vijftig leden tegenwoordig.

--Zes-en-vijftig hebben bij het appel nominaal geantwoord."

O, Michael Hahn!

Wij gaan naar de Eerste Kamer, waar wij den voorzittersstoel zien
ingenomen door een rijzigen, bleeken neger met een klein hoofd en
verflenste trekken. Er zijn dertien blanke en vijftien zwarte senatoren
tegenwoordig, die bezig zijn te overleggen of het niet wenschelijk zou
zijn, den heeren senatoren te Washington eens een lesje te geven, door
op nieuw Pinchback af te vaardigen als senator voor Louisiana. Deze
vuilgrauwe, verloopen neger is niemand anders dan Cesar C. Antoine,
luitenant-gouverneur van den staat, en als zoodanig president van
den Senaat. Er zijn geen conservatieve leden tegenwoordig.

Cesar C. Antoine is een volbloed Afrikaan, hoewel hij minder zwart is
dan de meesten zijner broederen aan de boorden van den Niger of den
Senegal. Klein van gestalte en van zwakken lichaamsbouw, schijnt al
zijn kracht te liggen in eene soort van vrouwelijke sluwheid. Antoine
was sjouwer bij het Tolkantoor. Voor hij zich in de politiek begaf,
kon hij met moeite zijn brood verdienen; maar aangezien hij een
gouvernementspost bekleedde, vond hij zich den weg gebaand tot het
publieke leven. Zijne verheffing ging wonderlijk snel: bijna zonder
overgang verwisselde hij het zitbankje der pakkedragers met den zetel
van luitenant-gouverneur. Vroeger de knecht der klerken van de douane,
is hij tegenwoordig de meester der senatoren. Sedert de Khalief zijn
sloffendrager tot pâsja verhief, is het niet gezien dat een man van
zijn stand tot zoo hooge betrekking geroepen werd. Wel mag hij de
fortuin zegenen, want zonder haar zou hij het door eigen verdienste
nooit verder dan zijn eigenlijk beroep hebben gebracht.

Deze zwarte Caesar in Nieuw-Orleans is wel zoo goed mij te doen
gevoelen, dat hij het eens is met den blanken Caesar in Washington. Op
zijn pruim tabak kauwende en het vuile vocht in een grooten bak
spuwende, verzekert hij ons, "dat hij nooit zoo iets beleefd heeft
als die zaak van Wiltz"; en ook "dat de kleurlingen in Louisiana er
niets tegen hebben, dat generaal Grant voor de derde, of als hij zulks
verkiest, zelfs voor de zesde maal herkozen wordt." Twee Caesars in
hetzelfde schuitje!

Terwijl wij met Antoine naar het kabinet van Kellogg gaan, komen wij
Pinch tegen. Deze neger is boven de wolken, want de zwarte senatoren
hebben hem zoo even nogmaals tot senator voor Louisiana benoemd,
en Antoine heeft zijne geloofsbrieven medegebracht, die door den
gouverneur geteekend en gezegeld moeten worden. Uitgedost met een
reusachtig papieren halsboord, zijn kroeze hairen glimmende van
pomade, onophoudelijk glimlachende en gezichten trekkende, staat
Pinch voortdurend te buigen en te knikken. Hij is zoo bespottelijk
en zoo jammerlijk, dat ge geneigd zoudt zijn, hem een fooitje in de
hand te stoppen. Kellogg sehijnt den kerel te verachten, maar hij kan
zijne onderteekening en zijn zegel niet weigeren. Wie zal zeggen,
wat er inmiddels in zijn ziel omgaat? Pinch verliest hem niet uit
het oog, kauwt zenuwachtig op zijn pruim, en spuwt onophoudelijk
tegen de wanden en op het vloerkleed. Het is in waarheid een hoog
komisch tooneel. Zoodra de papieren geteekend en gezegeld zijn, pakt
Pinch ze bijeen, steekt een versche pruim in zijn mond, en gaat met
Antoine gearmd de kamer uit, om zich daarbuiten door zijn kameraden
te laten bewonderen.

"Het is een klucht, zegt de gouverneur Kellogg.--Pinchback is
nu evenmin senator als vroeger. Hij wordt beet genomen, maar die
kleurlingen zijn kinderen, die men zoet moet houden. Zoodra hij te
Washington komt, zullen zij wel uit hun droom ontwaken."

Kellogg is hoffelijk, ernstig en blijkbaar zichzelven meester. Naar
het algemeene zeggen, leeft hij letterlijk van leugens. Een vriend,
dien ik in de Kanaalstraat ontmoette, zeide tot mij: "Gij gaat
naar Kellogg? Laat mij u mogen zeggen, dat de man, dien gij gaat
bezoeken, een wonder is. Hij is voor niets bevreesd. Al de federale
soldaten in Nieuw-Orleans zouden hem niet kunnen dwingen, de waarheid
te zeggen."--De gouverneur heeft iets beminnelijks en innemends,
dat zijne vijanden geveinsdheid en bedrog noemen; maar hij ziet
iemand vrij in het gelaat, en de toon zijner stem is openhartig en
ernstig. Hij maakt op mij eer den indruk van een onrustigen dweeper,
diep doordrongen van de waarheid zijner meening, en volkomen bereid om
alles, en ook zijn eigen persoon, ten offer te brengen voor wat hij de
"goede zaak" acht. Na het vertrek van Pinch, vraagt hij ons of wij
de Kamer hebben gezien: eene vraag, die ons gelegenheid geeft hem te
vragen, of hij de Tweede Kamer als eene wettige vergadering beschouwt?

"Neen, antwoordt hij met een glimlach; zoolang wij het vereischte
getal niet hebben, zijn wij geene wettige Kamer. Over dat vereischte
getal loopen de gevoelens uiteen: onze raadgevers zeggen ons dat
vier-en-vijftig leden voldoende zijn, maar de gewoonte eischt
zes-en-vijftig; en zoolang dit punt niet door de rechters is
uitgemaakt, onthouden wij ons van elke handeling.

--Hebt gij dan vier-en-vijftig leden?

--Neen, drie-en-vijftig. De voorzitter Hahn heeft aan drie kandidaten,
wier verkiezing door het kiesbureau niet was goedgekeurd, toch vergund,
zitting te nemen. Dat is verkeerd. Daar de vergadering niet voltallig
is, mag zij ook niet over zetels beschikken.

--En ook geen voorzitter verkiezen.

--Gij hebt gelijk. Deze handelingen zijn onwettig en zonder mijne
goedkeuring geschied. Michael Hahn is evenmin voorzitter der Kamer,
als ik President der Unie ben. Mijne Kamer is slechts een club,
en niets meer, maar Hahn voert graag een titel, en de zwarte
leden zijn er op gesteld als leden eener wetgevende vergadering
te worden aangesproken. Wij wachten op eene schikking. Als de
President standvastig blijft, zal de andere partij spoedig genoeg
tot onderhandelen komen. Ik zou wel drie leden kunnen vinden,
om de Kamer voltallig te maken, maar ik wil den verlangden prijs
niet betalen. Ik verlang eene eerlijke regeering, en het zou mij
zelfs genoegen doen, indien de conservatieven in de Tweede Kamer de
meerderheid hadden. Blanken zijn beter te voldoen dan zwarten.

--Waarom dan de Kamer laten vergaderen, beraadslagen en verslagen
openbaar maken, alsof zij de wettige vertegenwoordiging ware?

Ik kan er niets aan doen. Onze tegenstanders zijn rijk, en wij zijn
arm. De aanhangers van Mac-Enery, allen welgestelde lieden, kunnen
hun traktement missen; onze partijgenooten, allen behoeftige lieden,
moeten noodwendig betaald worden. Als wij geen voorwendsel kunnen
vinden om hun drie dollars per dag te geven, dan kunnen zij niet
in Nieuw-Orleans blijven. Binnen een week zouden er dertig van de
vijftig gevlogen zijn. Ik laat ze vergaderen, over onverschillige zaken
beraadslagen en hun salaris ontvangen; maar ik verbied hun, ernstige
zaken te behandelen, zoo lang wij niet zeker zijn van den afloop.

--Gelooft gij dat wanneer de President er toe kan besluiten om
Sheridan te ondersteunen, de nieuwe wetgevende macht inderdaad iets
zal kunnen uitrichten?

--Ik hoop er het beste van; maar mijne taak valt mij zeer zwaar. Ik
verlang hartelijk naar het oogenblik, waarop ik mij zal kunnen
terugtrekken.

--Wel, niemand belet u immers om onmiddellijk Nieuw-Orleans te
verlaten?

--Het besef van mijn plicht houdt mij terug. Ik ben een partijman. Vast
overtuigd, dat de beginselen van mijne partij de beste zijn voor elk
deel van Amerika, heb ik gedaan wat in mijn vermogen was, om ze ook
hier in het Zuiden in toepassing te brengen. Mijn werk is nog niet
voltooid; maar ik ben tien jaar ouder geworden. Ik heb wel verdiend
te mogen rusten, maar ik mag niet terugtreden, zoo lang er nog eenige
kans is om te voltooien wat ik hier in dezen staat heb aangevangen."

Hij spreekt op ernstigen, bijna weemoedigen toon.

"Wat is mijn leven in Nieuw-Orleans, dat ik zou verlangen hier te
blijven? Als een vreemde indringer beschouwd, als een avonturier
gescholden te worden, dat is nog het minste. Maar iedereen vermijdt en
schuwt mij, behalve de schooier, die om een postje solliciteert. Geene
dame richt ooit een woord tot mij. Geen fatsoenlijk man reikt mij
immer de hand. Het gemeen jouwt mij uit; het is een wonder, dat ik
nog niet vermoord ben, en ik zal blijde zijn als ik er het leven
afbreng. Ik hoop dat ik eens zal kunnen heengaan, maar niet voor ik
mijn werk heb volbracht."

Tooneel:--De Rotonde in het hotel Saint-Charles te Nieuw-Orleans:
een marmeren vloer; open galerijen, rustende op dunne
kolommen--Tijd:--Woensdag, 13 Januari 1875, ten acht uur
des avonds.--Personen:--Generaal Sheridan met zijn staf; de
luitenant-gouverneur Penn, senatoren, leden van het Congres,
vreemde consuls, scheepgezagvoerders, korrespondenten van
dagbladen, ordonnans-officieren, koeriers, telegraafbeambten,
en voorts eene groote menigte, waaronder twee engelsche
reizigers.--Temperatuur:--kookpunt van het kwik.

"Bereidt u voor op eene vechtpartij," zegt eene welbekende stem,
als wij uit de eetzaal in de Rotonde komen. De zaak is aan den gang
en moet nu tot eene beslissing komen. Treedt Grant terug, dan zal
het vrede zijn; zoo niet, oorlog. Let op! Voor gij naar bed gaat,
zal het uitgemaakt zijn."

De middenzaal of hal van ons hotel is een reusachtig vertrek--de
rotonde van een gebouw, dat in Italië den naam van paleis zou dragen:
zij dient tegelijk tot conversatiezaal, tot wandelplaats, tot divan,
tot societeit en tot beurs. Hier komen handelaars om te koopen en
te verkoopen; spelers om hunne schulden te vereffenen; duellisten
om getuigen te zoeken; hier komt iedereen vooral ook om nieuws te
vernemen en zijne kennissen te ontmoeten. Hier komen telegrammen aan
uit alle oorden der wereld. Hier gaan de dagbladen van hand tot hand,
en wordt ijverig over de politiek geredekaveld. Alle vreemdelingen
nemen hun intrek in dit hotel, en de burgers van Nieuw-Orleans, die
hen over zaken te spreken hebben, komen hen zoeken in deze hal, het
centraal-punt der stad, waar ge bijna van alles krijgen en iedereen
ontmoeten kunt.

Dezen avond vooral levert onze Rotonde een zeer eigenaardigen aanblik
op. Generaal Sheridan, in burgerkleeding, staat bij een pilaar, zijn
sigaar rookende en met zijn vrienden pratende. Is het bloot toeval
of voorbedachtelijk, dat hij met zijn rug tegen dien pilaar leunt,
zoodat hij van achteren tegen iederen aanval gedekt is? Rondom
hem beweegt zich eene onrustige, opgewonden menigte van burgers,
waaronder velen die beroemde historische namen dragen. Onder hen
bevinden zich ook de generaals Ogden, Tailor en Penn. Die kreupele,
die zich daar een weg door de menigte baant, is generaal Badger,
nauwelijks van zijne wonden hersteld. De heeren nevens Sheridan,
mede in burgerkleeding, zijn generaal Emory en kolonel Sheridan,
een jonger broeder van den opperbevelhebber.

Bandieten! Hoe de zuidelijke trots en de zuidelijke drift opvlammen
in het oog dier senatoren en generaals, als zij statig en ernstig de
zaal doorgaan, zoowel door beleefdheid als door bedachtzaam overleg
weerhouden van een aanval op den man, die hen roovers en vagebonden
durft noemen, en die alleen op een enkel woord wacht om hen aan de
galg te brengen! Met wat koude en verachtende hoogheid gaan deze
aristokratische heeren langs den pilaar, waartegen Sheridan leunt!

"Vreest gij niet voor ongelukken? vraag ik aan generaal Penn.

--Niet bepaald, antwoordt hij. Men heeft ons het vuur na aan de
scheenen gelegd, maar wij kunnen, zoo noodig, veel verdragen.

--Maar ik geloof dat velen van deze heeren gewapend zijn; en een of
andere opgewonden dweeper zou, door drift vervoerd, lichtelijk tot
eene algemeene uitbarsting aanleiding kunnen geven.

--Dat is zeker mogelijk; maar de Bond staat onder vaste leiding. Geen
enkel lid draagt een wapen, zelfs geen zakmes, bij zich. Wij zijn sterk
genoeg, om het zonder messen en pistolen af te doen. Komt het tot een
strijd, dan zullen wij ons gedragen als soldaten, en niet als negers of
Kickapoos. Maar het zal zoover niet komen--de President treedt terug."

Het geruisch der stemmen rijst en daalt onder den hoogen koepel,
als de eb en vloed der zee op het strand. Nu stijgt het zoo hoog,
dat het de militaire muziek daar buiten bijna geheel overstemt;
dan weer verdooft het geheel, en de stilte is zoo volkomen, dat
men het getik van de telegraafnaald duidelijk hoort. Eensklaps laat
zich een tromgeroffel hooren. Aller oogen keeren zich naar de klok,
als ware de wijzerplaat een aangezicht, waarop de geheimen van het
kabinet van den President te lezen staan. Aller ooren zijn gewend
naar den telegrafist, als school in zijn toestel een verborgen geest,
die de mysteriën van het Kapitool ontsluieren kon. De berichten volgen
elkander onafgebroken op, zoodat de beambten nauwelijks tijd hebben,
ze te lezen: aldus vernemen wij, hier in de Rotonde, wat ten onzen
behoeve wordt gezegd en gedaan, niet alleen te Charleston en Richmond,
maar ook te New-York en te Saint-Louis, even spoedig als dit in de
Broadway bekend wordt. Wij staan in rechtstreeksche verbinding met
het Kapitool, zoodat wij kennis dragen van hetgeen daar voorvalt,
nog eer de bewoners van Washington dit vernemen.

Wij hooren dat de President zeer verlegen is en elk oogenblik van
besluit verandert. Gisteren was hij vast als een rots; heden morgen
is hij kneedbaar als deeg. Hartstochtelijk en koppig van aard, wil
hij zijn land regeeren op dezelfde wijze als hij zijn kamp regeerde,
en het verbaast en verbijstert hem dat zijn landgenooten van geen
militair bestuur gediend willen zijn.

De geweldige beweging, door de tijdingen uit Nieuw-Orleans in de steden
van het Noorden en Westen verwekt, was voor den President een geheel
onverwacht verschijnsel. Boston en New-York zijn onder de wapenen,
even als Chicago en Philadelphia, Saint-Louis en Cincinnati. Eene
algemeene blanke manifestatie antwoordt op de bedreiging van het
caesarisme. Welsprekende woorden worden alom gehoord; de republikeinen
vereenigen zich met de demokraten in de veroordeeling der politiek van
President Grant. De eerwaardige Bryant verheft zijne stem in New-York;
de liberale Adams spreekt uit naam van Massachusetts. Evarts leent zijn
naam aan een stuk, dat weinig minder is dan een formeele aanklacht
tegen den President en zijn kabinet. Kellogg en Packard, Antoine en
Pinchback zijn vergeten, en al de toorn en verontwaardiging treft den
hoofdschuldige in het Witte-Huis. Duizenden stemmen dringen er op aan
dat de President in staat van beschuldiging zal worden gesteld. Men
spoort aan tot afstand, men eischt dien als onvermijdelijk. Het gansche
land is in opschudding, de geheele blanke bevolking sluit zich samen
tot verdediging van het geschonden recht.

Gisteren scheen de President besloten, om zijn luitenant te
handhaven. De Senaat noodigde hem uit, verslag te geven van hetgeen
in Nieuw-Orleans voorviel, en mede te deelen, wat hij voornemens was
te doen; want de rapporten van Forster, Phelps en Potter, waarin de
onschuld der blanke bevolking van Nieuw-Orleans werd erkend en de
schuld der verwarring enkel aan de militaire partij werd geweten,
hadden een diepen indruk gemaakt. Wanneer zulke hartstochtelijke
partij-mannen als Forster en Phelps zelfs geen woord ten voordeele
van hunne politieke partijgenooten kunnen vinden, dan is de zaak wel
ontwijfelbaar verloren;--en toch scheen President Grant besloten,
op den ingeslagen weg voort te gaan, de verantwoordelijkheid voor
hetgeen geschieden zou op zich te nemen, en Sheridan de vrije hand te
laten. In dien zin zond hij een boodschap aan het Congres. Maar buiten
de bureaux van het departement van oorlog, waar zijn adjudanten
tieren en rooken, vond hij weinig personen, genegen om hem op
dien weg te volgen. Senatoren van zijn eigen partij en van erkende
ervaring en bekwaamheid, kwamen tot hem in zijn kabinet, om hem te
waarschuwen dat hij zijn partij te gronde richtte, indien al niet
zijn vaderland. Generaal Sherman aarzelt geen oogenblik zijne meening
uit te spreken, en die meening is niet gunstig voor den President. De
Vice-President der Unie, Wilson, komt openlijk in verzet, en sommige
invloedrijke dagbladen dringen er op aan, dat Grant het Witte-Huis
zal verlaten en het gezag in handen van Wilson overdragen. Nog meer:
Hamilton Fish verklaart, dat als de President Sheridan ondersteunt en
de handelingen van Durell en Packard goedkeurt, hij zijne betrekking
als staatssecretaris zal nederleggen. Dit werkt. Fish toch is
niet slechts de bekwaamste man in Grant's kabinet, maar ook een
der bekwaamste mannen van geheel Amerika. Bristow, secretaris van
financiën, schaart zich aan de zijde van Fish. Zonder deze leden,
kan het kabinet van den President geen week stand houden; en zal de
val van het kabinet niet wellicht de voorbode zijn van nog erger val?

De gouverneurs der machtigste staten voeren ook eene alles behalve
geruststellende taal. "Een staat is verdwenen, zegt gouverneur Allen
tot het volk van Ohio; een der souvereine staten van de Unie bestaat
sedert gisteravond niet meer." Een souvereine staat! Waarom heeft
de partij van Grant dan eigenlijk den oorlog gemaakt, indien niet om
dit begrip van souvereiniteit der staten voor goed uit te roeien? En
hier komt een gouverneur van een der groote staten, in een der rijke
en dicht bevolkte steden van het Noorden, spreken van Louisiana als
van een "souverein" lid der Unie! Tilden, gouverneur van New-York,
voert nog dreigender taal. "Voor handelingen als deze, hebben onze
engelsche voorvaderen Karel I op het schavot gebracht, en Jacobus II
van den troon verdreven."

Blijkbaar is de politiek van den sabel aan een keerpunt gekomen:
deze avond zal moeten uitmaken of zij een stap vooruit zal doen,
dan wel vele stappen terugtreden. De uitkomst schijnt aan een zijden
draad te hangen! Terwijl de President het voor en tegen overweegt,
kan een enkel pistoolschot, door een dwaas afgevuurd, den burgeroorlog
doen ontbranden. Sheridan is op alles voorbereid; en de verwoester
der vallei van Shenandoah zou ongetwijfeld, zonder eenige aarzeling
ook Nieuw-Orleans aan moord en verderf prijs geven. Heeft er eenmaal
bloed gevloeid, dan zal de President de partij zijner officieren
kiezen; maar wie kan zeggen, welke staten zich dan aan de zijde van het
gouvernement zullen scharen? Sedert de jongste verkiezingen is de staat
van zaken veranderd. Eene beweging ten gunste der blanken is begonnen;
het zwaartepunt der politiek is verplaatst. In de nieuwe Kamer zullen
de demokraten over eene aanzienlijke meerderheid beschikken. Komt het
tot eene botsing, wie zal zeggen welke afmetingen en welke richting
de blanke reactie dan nemen zal? Is het waarschijnlijk dat zij,
die zeven weken geleden met het Zuiden stemden, nu de wapenen zullen
opnemen om datzelfde Zuiden onder den voet te halen?

Van de galerij der Rotonde zien eenige dames nieuwsgierig neder op
die golvende zee van donkere en gebaarde aangezichten, onophoudelijk
naar de klok opgeheven. Onder die dames bevindt zich ook de verloofde
van Sheridan, wier pleizierreisje haar hierheen heeft gevoerd. Arm
kind! Zij ziet die gefronste wenkbrauwen, die dreigende gebaren;
zij kan met zekerheid vermoeden dat al die mannen gewapend zijn. Zij
weet ook dat allen haar minnaar haten met een onverzoenlijken haat,
die zelfs niet door bloed kan worden uitgedelgd. Wie kan haar de
verzekering geven, dat de avond niet met een algemeen bloedbad zal
eindigen?

Een kreet gaat op van den lessenaar van den telegrafist.--Een
bericht--een bericht--van Washington!

"Lees! lees!" schreeuwen honderden stemmen. Een der klerken springt
op een bank, met het telegram in zijn hand; hij wuift er mede heen en
weder, en roept vroolijk juichend: "Heeren, de President treedt terug!"

Eerst wil men het niet gelooven; bleek en sidderend vraagt de een den
ander: "Treedt hij terug?" en het antwoord is: "Ja, hij treedt terug!"

Nu komt er ontspanning; een glimlach speelt om de lippen, de oogen
stralen van vreugde, en allen beginnen luidkeels te praten en elkander
de hand te drukken. Enkelen ijlen heen, om het heugelijk nieuws ook
elders bekend te maken. De groepen ontbinden en verstrooien zich;
sommigen wachten de nog steeds aankomende telegrammen af, om nadere
bijzonderheden te vernemen.

"Het stuk is uit, zegt een wel bekende stem; Durell verstooten,
Belknap verloochend, Sheridan alleen gelaten. De President wijst
alle verantwoordelijkheid van zich af. Sheridan wordt niet gesteund,
en zijn lastgevingon worden onwettig genoemd. Ja, inderdaad het
stuk is uit. Sheridan kan nu tijd vinden voor zijn pleizierreisje,
en dan kan hij huiswaarts keeren om bruiloft te vieren. Een derde
verkiezing? Die is dood en begraven, 't Is gedaan. Exit Caesar!"


XXII.
Georgië.--Zuid-Carolina.

Atlanta, de hoofdstad van Georgië, verrijst weder uit haar asch. Op
zijn beruchten tocht van Chattanooga, vermeesterde Sherman de jonge
schoone stad, ter nauwernood zeventien jaren oud, en verwoestte haar
zoo volkomen, dat haar rivier vurige lava scheen, en van al haar
vroegere heerlijkheid niets meer was overgebleven dan hier en daar een
enkele rozenstruik. Atlanta viel als slachtoffer van den gruwelijken
burgeroorlog: thans herrijst zij uit haar graf, even als Georgië zelf.

Op een heuvel gebouwd, omringd met een gordel van groenende esch- en
pijnboomen, verheft zij fier haar torens en koepels boven het weelderig
geboomte en overschouwt de omringende vlakte: wel maakt zij den indruk
van eene hoofdstad, tot welken rang zij, na haar vreeselijke ramp,
door een trotsch en dankbaar volk verheven werd. [12] De grond is
uiterst vruchtbaar; weelderige akkers met katoen en rijst beplant,
malsche weiden, strekken zich aan alle zijden uit. Maïs en tabak
bloeien in frissche kracht, en boven het rijke landschap welft zich
een hemel, zoo rein en blauw als die van Cyprus. Hier grazen runderen;
elders wandelen herders met hunne kudden. Negers, met balen katoen
op hun hoofd, gaan met langzamen loomen tred de stad in. Het is een
echt landelijk, dichterlijk tafereel; in de hoofdtrekken engelsch,
maar toch in vele bijzonderheden van vorm en kleur u meer herinnerende
aan den Nijl dan aan de Trent.

Wit geschilderde houten huizen, met kolonnaden en tuinen, schuilen weg
in den lommer der boschjes en groepeeren zich langs de hellingen der
heuvelen. Rondom deze villa's spelen en dartelen knapen en meisjes
met frissche rozen op de wangen, met oogen stralende van moed en
levenslust. Dit is het onmiskenbare edele bloed van Oud-Engeland, zoo
krachtig en vol in Georgië als in York en Somerset. Denk haar zwarte
bevolking weg, en Georgië zou een engelsch graafschap kunnen zijn.

Doch ook in Georgië is de zwarte bevolking een zeer belangrijk,
hoewel gelukkig geen alles overwegend element. In tegenstelling
met Louisiana, Mississippi en Zuid-Carolina,--staten, waarin de
zwarte bevolking het in getalsterkte van de blanke wint;--hebben
in Georgië de blanke kiezers de meerderheid; maar die meerderheid
is gering, en de zwarte bevolking is in verscheidene graafschappen
zoo opeengehoopt, dat zij daar de verkiezing geheel beheerscht. Bij
voorbeeld--in Baldwin-county, Early-county en Sumter-county zijn
er ongeveer twee negers tegenover een blanke; in Baker-county,
Camden-county, Columbia-county, Effingham-county en Troup-county,
zijn er meer dan twee negers tegenover één blanke; in Liberty-county
heeft men omstreeks drie negers tegen één blanke; in Bullock-county
en Hurston-county is de verhouding ruim drie negers tegen één blanke;
en in Lee-county vindt men vier negers tegen één blanke. Wanneer
al de negers in deze en andere graafschappen zich aaneensloten en
de leiding volgden van de carpet-baggers, zouden zij, met behulp
van de bondstroepen, zoo goed als in Louisiana en Mississippi, ook
hier negers tot rechters, sheriffs en magistraten kunnen benoemen,
en zwarte senatoren naar Atlanta, indien al niet naar Washington,
kunnen zenden. Het graafschap Lee zou zijn Antoine kunnen bezitten,
al mocht ook Georgië zich niet kunnen beroemen op het bezit van een
Pinchback. Voor het oogenblik echter zijn de meeste negers nog rustig
aan den arbeid op hunne hoeven en in hunne woningen, en bemoeien zich
gelukkig niet met politiek; maar elk oogenblik kan een wachtwoord
van Vicksburg of Jackson, Shreveport of Nieuw-Orleans hen, als een
alarmkreet, in beweging brengen en het bewustzijn hunner noodlottige
macht in hen wakker roepen.

De zitting van 1875 wordt te midden van groote spanning en onrust
geopend. Gelukkiger dan haar naburen, Florida en Zuid-Carolina,
heeft Georgië haar onafhankelijkheid herkregen. Haar gouverneur,
James M. Smith, is in het land zelf geboren. De wetgevende macht en
de regeering zijn beiden in handen der conservatieven, en dus als
zoodanig hoogst vijandig gezind jegens President Grant.

Hoewel Georgië minder van den oorlog geleden heeft dan Virginië en
Zuid-Carolina, is de bevolking hier toch meer verbitterd dan in
de andere geconfedereerde staten. Het verbranden van Atlanta, de
plundering van Milledgeville, de opzettelijke en algemeene vernieling
van wegen en spoorbanen, van kanalen en bruggen:--dit waren, althans
in haar schatting, niet de onvermijdelijke gevolgen van een eerlijken
krijg, maar zuivere daden van woeste wraakzucht en blinden haat. Zulke
handelingen worden niet spoedig vergeten, en kunnen, zoo lang zij
niet vergeten zijn, ook niet vergeven worden.

Tien jaar geleden woedde in al deze steden van het Zuiden de
gruwelijkste burgeroorlog, ooit door zonen van hetzelfde vaderland
tegen elkander gevoerd. Legers van ettelijke honderd-duizenden
soldaten vertraden de bloeiende wijngaarden, de rijke plantages:
elke zuidelijke staat was het tooneel van bloedige belegeringen,
van moorddadige veldslagen. Prachtige wouden werden moedwillig
in brand gestoken, groote rivieren buiten hare bedding geleid,
bloeiende steden en dorpen vernield. Overal heerschte verderf
en moord en toomelooze balddadigheid. Wat wonder, dat de toen
met zoo ruwe hand geslagen wonden pijnlijke litteekenen hebben
nagelaten? De verscheurde en zwart gebrande muren van Atlanta
zijn nog niet verdwenen; de wrok en bitterheid in de harten der
wreed mishandelde, vertrapte bevolking van het Zuiden is nog niet
gestorven. De wonden, in den burgeroorlog geslagen, genezen niet dan
zeer langzaam. Een krijg tusschen de stammen verdeelde voor immer de
kinderen Israëls. De worsteling tusschen de patriciërs en plebejers
heeft eeuwen lang de ontwikkeling van Rome tegen gehouden. Inwendige
tweespalt leverde Sevilla in handen der Mooren, en Dublin in handen
der Saksers; straatgevechten en onlusten openden de poorten van
Constantinopel voor de Turken. Godsdienstoorlogen verzwakten Frankrijk
en putten Duitschland uit. De aanslag op Freiburg heeft een nog niet
gedoofden wrok achtergelaten in het hart der katholieke kantons van
Zwitserland. Maar geen feller en bitterder burgeroorlog, dan die,
waaraan een sociale kwestie tot oorzaak of voorwendsel strekt. Lange
jaren moesten er verloopen, eer Rome zich had hersteld van haar kamp
met Spartacus. De engelsche maatschappij werd door den opstand van
Cade tot in haar grondslagen geschokt. De bevolking van Wurzburg
en Rothenburg denkt nog met schrik aan den opstand van Münzer. De
strijd der Commune in Frankrijk is noch vergeten noch geëindigd,
en evenmin de communistische en federalistische beweging in Spanje.

"Zijn er veel leden van den Blanken Bond in Georgië? vroeg ik aan
een lid van den Senaat te Atlanta.

--Ja, antwoordde hij onbewimpeld; in alle distrikten waar ge blanken
en zwarten te zamen vindt, vindt ge ook leden van de blanke en van de
zwarte ligue. Dit is een noodzakelijk gevolg van den toestand. Ook in
Atlanta hebben wij blanke verbondenen; maar gij moet niet meenen dat
daaronder hier in Georgië zulke eerlooze schurken zijn, als waarvan
Sheridan spreekt en waarvan de republikeinsche bladen zoo veel weten
te verhalen. Daar is een echte en een valsche Blanke Bond. De echte
Bond bestaat uit eene vereeniging van conservatieven, die de orde
wenschen te handhaven en den eigendom te beveiligen; de valsche,
uit een hoop avonturiers, die den vrede wenschen te verstoren,
en huizen en landgoederen willen plunderen. Tot welk van deze twee
Bonden zouden wij, naar uwe meening, wel behooren: wij, die genoegzaam
al het land in Georgië bezitten en bebouwen? Bonden en onderlinge
vereenigingen zullen volstrekt noodig blijven, zoo lang de federale
troepen onze steden bezet houden. Indien wij onze stad en ons land van
den ondergang willen redden, dan moeten wij onze krachten vereenigen
en vast aaneengesloten blijven. De valsche blanke Bond echter is
slechts eene schepping van het partikulier kabinet van den President.

--Gij zijt dus van meening, dat de tegenwoordige verwarring eigenlijk
door de Regeering zelve wordt uitgelokt en bestendigd, ten einde eene
tweede herkiezing van generaal Grant als President te bevorderen?

--Met geen ander oogmerk. Al dat rumoer in Vicksburg en Nieuw-Orleans
komt hem uitnemend te stade. Als Billy-Ross President was en Beere-Poot
zijn minister van oorlog, dan zoudt ge niets meer van al die bonden
en vereenigingen hooren; maar dan zoudt ge dagelijks in de dagbladen
uitvoerige verhalen lezen van de misdaden der negers in Caddo, en
van de overweldigingen der blanken langs de Red-River. Als wij een
demokratischen President hebben, dan zult ge meer hooren spreken van
den zwarten dan van den blanken Bond.

--Die zwarte Bond bestaat dus werkelijk?

--In elk negerdorp en in elk negerkamp bestaat een zwarte bond. Na
den moord van Jemmy Gray, is het wel geene vraag meer, of er in
Mississippi een geheime zwarte bond bestaat."

In al de steden van het Zuiden is deze moord van Jemmy Gray en de
bekentenis, door den moordenaar afgelegd, het onderwerp van schier
alle gesprekken. Gray was een jonge neger, die van zijne plantage
naar Vicksburg kwam, en daar vermoord werd door een anderen neger,
Olivier genaamd, welke laatste echter handelde op bevel van een derde,
Jeff Tucker, mede een neger. Na zijne gevangenneming, heeft Olivier
eene volledige bekentenis afgelegd. Gray, zelf een lid van den zwarten
bond, beluisterde in zijne hut de beraadslagingen en geheime plannen
van zijne opperhoofden. Zoo vernam hij dat Vicksburg zou worden
aangevallen door zwarte soldaten, bijgestaan door het neger-gepeupel,
en dat al de blanke burgers zouden worden vermoord. Gray spoedde zich
weg, om enkele personen, die hem vriendelijk bejegend hadden, voor het
naderend gevaar te waarschuwen, en verijdelde alzoo den aanslag. Jeff
Tucker, een der hoofden en leiders van den bond, had vermoeden op Gray,
en beval dat hij gedood zou worden. Olivier betuigde diep berouw te
gevoelen, want Gray had hem nimmer eenig leed gedaan; maar Tucker was
zijn chef, en hij had zich bij eede verbonden alles te doen wat hem
geboden werd, al ware het ook de moord van een broeder. Toen Tucker
hem gelastte Gray te dooden, volbracht hij dien last, zonder zelfs
naar de reden te vragen. Hij beweert, dat hij dit niet durfde en,
door vrees gedreven, handelde. Indien hij Gray niet had gedood,
zou hij zelf zijn leven verbeurd hebben.

In Georgië schijnen de kleurlingen tevreden; maar wie zal zeggen, hoe
lang die kalmte duren zal? De neger is een geheimzinnig, raadselachtig
wezen: niemand kan voorzien wat hij al of niet zal doen. Stemmen
wijzen hem den weg; fetischen bezielen en geleiden hem. Zelfs hier
op de schoolbanken en in de kerk, blijven de onverdelgbare sporen van
zijn oud afrikaansch bijgeloof hem bij. Hij laat zich altijd verlokken
door de onzinnigste beloften, zoo als die van de "veertig bunders en
een muilezel"; en het ontbreekt nooit aan carpet-baggers, die, als het
oogenblik gunstig is, hem dergelijke beloften in het oor blazen. Hij
heeft eenmaal de macht in handen gehad, en de bedwelming van dat
oogenblik is sedert niet geweken. Welk een glorierijke dag voor het
kroost van Cham! Niets streelt den neger meer, dan een publiek ambt te
kunnen bekleeden; hoe innig goed doet het hem, zich met den titel van
"Edel-Achtbare" te hooren aanspreken, en op blanke losbollen de boete
wegens dronkenschap te mogen toepassen. "Hi! Hi! grinnikt hij op zijn
rechterstoel. Jij deugniet ... Jij dronken .... Tien dollars! Hi! Hi!"

Even als alle wilden, hebben ook de negers in Georgië een
onweerstaanbaren dorst naar rang en gezag. Het baat niet, of ge hun
al aan het verstand tracht te brengen, dat zij minder in aantal zijn
dan de blanken, en dat de minderheid zich aan de meerderheid dient
te onderwerpen. Naar hunne meening, moet ieder op zijn beurt heer en
meester zijn. De blanken hebben hun beurt gehad: nu moeten de negers
hun beurt krijgen.

Duizenden van deze negers zijn door de roekelooze regeering van den
staat gewapend en in den wapenhandel geoefend. De milicie-regimenten
bestaan voor het meerendeel uit kleurlingen, en deze neger-regimenten
worden gekommandeerd door scalawags en carpet-baggers, die,
uit de steden van het Noorden, als een verdelgende uitgehongerde
sprinkhanenzwerm, op de rijke katoenplantages en vruchtbare rijstvelden
zijn neergestreken. Geen wonder, dat deze troepen, in plaats van een
waarborg van orde en veiligheid, zelven de bron van wanorde en een
oorzaak van voortdurend wantrouwen zijn.

Sommige scalawags maken de negers wijs, dat de President aan het
zwarte ras de eerste plaats in den staat wil bezorgen, en hun
de vrije beschikking geven over de bezittingen en het leven der
blanken. En de negers en mulatten houden zich ten volle overtuigd,
dat deze scalawags de waarheid spreken. Arme drommels! zij kunnen
lezen noch schrijven. In hunne jeugd waren zij slaven. Van politiek
en geschiedenis hebben zij minder begrip dan de domste boerenarbeider
in Engeland. De zedewet en de regelen der samenleving zijn voor hen
ijdele klanken; maar de armste neger in Georgië begrijpt zeer goed
het onderscheid tusschen een vuil krot en een fatsoenlijk huis,
tusschen een welbezette tafel en een ledige spijskamer, tusschen
een warm kleed en een lap katoen, tusschen een plaats in de goot
en een zetel in het wetgevend lichaam. "Ziet, roepen de scalawags,
ziet naar Louisiana en Mississippi! Daar zijn de negers sheriff's
en assessors, rechters en wetgevers. Te Nieuw-Orleans en te Jackson
vindt ge neger-senatoren en neger-luitenant-gouverneurs; daar worden
de blanken door de bondstroepen in bedwang gehouden. Louisiana
zendt Pinchback, Mississippi zondt Rush, om de kleurlingen in het
nationale Congres te vertegenwoordigen. Sluit u dan aaneen en bezorgt
de overwinning aan uw eigen kandidaten...!"

Door deze voorspiegelingen verrukt, begint Sam [13] er ernstig over te
denken, om naar eene plaats in de wetgevende macht van den staat te
dingen. Is hij al niet zoo gelukkig als Pinchback, misschien brengt
hij het toch wel zoo ver als Antoine, of althans als Demas. Als Piet
in de Kamer te Jackson of te Nieuw-Orleans zit, waarom zou Sam dan
niet in de Kamer te Atlanta mogen zitten? Men zegt hem, dat de minste
senator drie dollars per dag verdient, zonder dat hij daarvoor iets
anders behoeft te doen dan te dommelen in een leuningstoel, tabak te
kauwen, te antwoorden als zijn naam wordt afgeroepen, en nu en dan
naar de koffiekamer to slenteren om whisky te drinken. In Louisiana en
Mississippi kwijten zijn zwarte broeders zich uitnemend van die taak:
waarom hij niet in Georgië?

"Gij zoudt schik hebben in sommigen onzer zwarte politieke mannen,
zeide mij zeker welbekend persoon. Van morgen, toen mijn zwarte knecht
mijn laarzen poetste, zag hij mij aan, en vroeg mij, met een dommen
lach, hoe hij het moest aanleggen om tot lid der Kamer benoemd te
worden. De kerel kan nauwelijks lezen en in het geheel niet schrijven;
hij slijpt mijn messen en verzorgt mijn paard; en toch wil hij wetten
maken voor mij...!"

Wat de verhouding tusschen het blanke on het zwarte ras betreft,
is Zuid-Carolina wel de ongelukkigste staat van de geheele Unie. In
Louisiana wegen de beide rassen ongeveer tegen elkander op. Na verloop
van negen of tien jaar, zal de schaal waarschijnlijk ten voordeele
van de blanken overslaan, want hun aantal wast aanhoudend, terwijl
dat der negers afneemt. Zelfs in Mississippi is de meerderheid der
kleurlingen niet groot: zeven zwarten tegen zes blanken. In geen
dezer beide ongelukkige staten is het afrikaansche element zoo
overwegend, dat elke strijd bij de stembus hopeloos moet worden
geacht. In Zuid-Carolina is dit anders. Hier is het overwicht van
het afrikaansche element volkomen: de neger en zijn bastaardbroeder
de mulat heerschen hier oppermachtig.

Volgens de laatste volkstelling, zijn er in Zuid-Carolina tien
zwarten tegen zeven blanken. In zeven graafschappen hebben de
blanken eene belangrijke, in drie andere een zwakke meerderheid;
maar in de twee-en-twintig overige graafschappen hebben de negers eene
verpletterende meerderheid. In de graafschappen Richland en Charleston,
staan zij als twee tegen een. In de bayous en de savannahs hebben de
kleurlingen bijna geheel de blanken verdrongen. In het graafschap
Beaufort telt men bijna zes negers tegen één blanke; in dat van
Georgetown, bijna zeven. De graafschappen Greenville, Anderson en
Spartanburg mogen blanke geleerden, advokaten en grondbezitters naar
de Kamers afvaardigen; maar de stem van een Trenholm of een Russell
heeft niet meer waarde dan die van een neger uit de moerassen; en voor
iederen Trenholm of Russell in het Parlement van Zuid-Carolina, zijn
er drie negers uit de moerassen. Wat vermag, onder de heerschappij
van zulk eene verstandige en billijke wet van gelijkheid, door de
federale troepen stipt gehandhaafd, de blanke volkplanter?

Het vooruitzicht is voorwaar somber genoeg, en toch vreezen de
burgers van Zuid-Carolina dat hun nog erger dingen te wachten
staan. De uitgestrekte gordel van moerassen en savannahs, die
van kaap Fear tot den Mississippi, en weder van dezen stroom tot
Saint-Andrew's-Sound reikt, schijnt voor de Afrikanen een nieuw
vaderland te zijn geworden. Daar leven en tieren en vermenigvuldigen
zij; en zoo de negers voor eene bepaalde streek binnen dien gordel
eene zekere voorkeur toonen, dan is het voor de heete en vochtige
landstreek tusschen Columbia en de zee. Klimaat en bodem zijn daar
voor hun gedijen even gunstig. Kalebassen kosten er bijna niets, de
tabak groeit er in 't wild, en er is overvloed van suikerriet. Zoo
ergens, dan zal de neger zich daar kunnen staande houden; en naar
het schijnt worden de Afrikanen ook inderdaad naar deze streek
heengetrokken, door de werking dier machtige en geheimzinnige wetten
van verwantschap, die na de emancipatie ongestoord haar invloed
kunnen doen gelden. Elders neemt het afrikaansche ras voortdurend
af. Boven deze voor hen zoo gunstige streek, maar toch nog altijd
binnen de grenzen van het Zuiden, strekt zich van de Chesapeake tot den
Missouri en den Arkansas een gebied uit, waar de negers vroeger als
slaven woonden en zich vermenigvuldigden. Maar tegenwoordig trekken
zij zich uit deze streken terug, om zich naar het Zuiden en naar de
zee te begeven. Missouri en Kentucky worden gaandeweg door hun zwarte
burgers verlaten: niet omdat de negers van daar met geweld verdreven
worden, maar ten gevolge van onnaspeurlijke oorzaken. Maryland en
Virginië verkeeren in hetzelfde geval.

Vanwaar die verhuizing van het afrikaansche ras van het noorden naar
het zuiden? Wie zal dat raadsel oplossen? Wie heeft tot dusver de
verklaring gevonden van deze periodieke verhuizingen, die aan mensch
en dier gemeen zijn? Welk toovenaar heeft het geheim doorgrond van de
zwaluw en de sprinkhaan, den haring en den springbok? Wie zal zeggen,
waarom, in vroeger dagen, de Gothen hun geboorteland verlieten;
waarom nu in dezen tijd de Chineezen hun heiligen grond verlaten? Men
zegt, dat Gothen en Chineezen tot deze verhuizing gedreven werden,
omdat het in hun land aan voedsel begon te ontbreken. Dit mag in
sommige gevallen een der medewerkende oorzaken geweest zijn en
nog zijn, maar daardoor wordt het verschijnsel in zijn geheel niet
verklaard. Reeds voor de vogels en de visschen is deze verklaring
onvoldoende, hoeveel te meer voor de hooger georganiseerde dieren en
bovenal voor den mensch. Sommige schepselen worden aangetrokken door
licht en warmte; anderen worden, onbewust, geleid door geheimzinnige
aandriften en neigingen, die dienstbaar moeten zijn aan het behoud of
de voortplanting des levens. Doch zeer dikwijls worden de menschen ook
gedreven door hooger behoeften dan die van warmte en voedsel. Het was
geen hongersnood, die de Kruisvaarders naar Syrië en de Pelgrimvaders
naar Nieuw-Engeland dreef. Het was niet de begeerte om in hutten te
wonen en zich met antilopenvellen te kleeden, die anderen naar Paraguay
en weder anderen naar Mexiko deed gaan. Wat doet de Russen naar
Troïtza, do Mooren naar Mekka, de Mormonen naar het Zoutmeer trekken?

"Gij meent dus dat de kleurlingen van Kentucky en Virginië naar
Zuid-Carolina trekken? vroeg ik aan een dagbladcorrespondent, met
wien wij over deze zaak spraken.

--Zonder twijfel, was zijn antwoord. Ten gevolge van mijn beroep, ben
ik voortdurend op reis, en onophoudelijk zie ik de negers, mulatten en
quadronen, bij gansche scharen, naar het Zuiden heentrekken. Ziekte
dunt echter die karavanen--want de zwarten zijn aan verschillende
epidemiën onderhevig; de meesten sterven eer zij ons land bereiken."

Wat moet men hieruit besluiten? Stort de gansche stroom der verhuizing
uit Missouri en Kentucky, Virginië en Maryland zich over Alabama,
Mississippi en vooral Zuid-Carolina uit? Of wordt de bestaande
verhouding tusschen de rassen, behalve door deze verhuizing,  ook
nog door een andere oorzaak verbroken, die wijst op een algemeenen
achteruitgang van het zwarte ras? De vraag kan ook zoo gesteld worden:
neemt het afrikaansche ras over het algemeen in Amerika in aantal
toe?--en zijn de individuen van dit ras nu beter gehuisvest en gevoed
dan vroeger?

Over de vraag, of het getal der Afrikanen in Amerika toeneemt, loopen
de gevoelens uiteen. Zeker is het, dat de mate der vermeerdering, in
verhouding bij vroeger, is afgenomen. Dat de zwarten niet in gelijke
mate als de blanken in Amerika vermenigvuldigen, is een feit, dat
door niemand betwijfeld wordt. Ieder beoefenaar der statistiek zal ook
toegeven, dat zij na hunne vrijverklaring minder snel toenemen dan in
den staat der slavernij. Verder is men het er tamelijk over eens, dat,
behoudens enkele uitzonderingen, de negers en mulatten tegenwoordig
in slechter huizen wonen en minder gezond voedsel gebruiken dan vóór
de emancipatie.  Zij zuigen meer suikerriet en kauwen meer tabak, maar
woning en voedsel zijn van minder gehalte. Kindermoord, de eigenaardige
ondeugd der wilde stammen, is onder hen zeer algemeen geworden.

De negers zijn in den regel afkeerig van het opvoeden hunner kinderen,
die veel moeite en last veroorzaken, veel geld kosten, en veel zorg
vorderen. Als slavin, was de negerin wel gedwongen haar kroost op
te voeden, want die kinderen vertegenwoordigden een kapitaal. Vrij
verklaard, kan zij haar natuurlijke neiging volgen: en even als bij de
Chineezen en de bewoners der Fidji-eilanden, drijft deze natuurlijke
neiging ook bij de negerin meermalen tot kindermoord. In Afrika
dooden  de Papals en Bulloms hunne kinderen; en men is er in Amerika
nog niet in geslaagd, deze afrikaansche gewoonte uit te roeien. In
Zuid-Carolina moet een vrije neger voor eigen rekening zijn kind
kleeden en voeden, en iederen dollar, dien hij daarvoor uitgeeft,
moet hij missen voor de bevrediging zijner hoogste begeerten: tabak
pruimen en whisky drinken. Naar men mij verzekert, is kindermoord
thans in de negerkoloniën even algemeen als in de steden van China
of in de tartarijsche steppen.

Dat is de eigenlijke negerkwestie; en in vergelijking met haar
verdienen zulke kinderachtigheden als deze: zullen de zwarten in
dezelfde rijtuigen mogen rijden en aan dezelfde tafel zitten als
de blanken? of wel: zullen de zwarten, even als de blanken, het
stemrecht mogen uitoefenen, leden van wetgevende vergaderingen zijn en
wapenen dragen?--ter nauwernood de aandacht. De echte negerkwestie
in Zuid-Carolina en elders komt hierop neêr: zullen de zwarten,
in den vrijen staat, kunnen blijven voortbestaan?

Aan de slaven is landlooperij natuurlijk verboden. De grootste stap
in den overgang van wilde tuchteloosheid tot maatschappelijke orde, is
waarschijnlijk wel deze beperking der persoonlijke vrijheid, waardoor
de nomade tot een gezeten burger wordt. Er zijn wilde stammen, voor
wie deze overgang onmogelijk is. Kan men den Afrikaan aan eene vaste
woonplaats binden? Als vrije man, kan hij onbelemmerd zijn luimen
volgen. Hij gaat en komt naar het hem invalt:--de eene week is hij in
Missouri, de volgende week in Tennessee, de derde aan de Golf. Turkije
poogt enkelen harer arabische stammen aan vaste woonplaatsen te binden:
maar tot dusver zijn die pogingen ijdel gebleken. De kolonisatie der
russische steppen heeft tot de lijfeigenschap geleid; en eerst na ruim
drie eeuwen van onverbiddelijke, ijzeren tucht, waagde het de russische
regeering die banden te verbreken, in het vertrouwen dat de oude zucht
tot zwerven bij het volk nu zou zijn uitgedoofd. Zijn de negers rijp
voor kolonisatie en vestiging? Het is onmogelijk, een vrije Sioux of
een vrije Apache aan eene vaste woonplaats te binden. Een roodhuid
kan de mededinging met zijn blanken buurman onmogelijk volhouden:
hij gaat heen of bezwijkt. Heeft de neger wel de kracht om op zich
zelven te staan? In de slavernij wies het getal der zwarten aan;
na hunne vrijverklaring, slonk het getal der roodhuiden. Staat den
zwarten ook een gelijk lot te wachten? Indien het eens bleek dat de
vrome en welmeenende mannen, die niet rustten voor de negers waren vrij
verklaard, in hunne volslagen onbekendheid met de wetten der natuur,
ondanks de beste bedoelingen, inderdaad niets anders hadden gedaan
dan het vonnis geveld der langzame, maar onvermijdelijke verdelging
van het negerras?

"Wees van één ding verzekerd, zegt kolonel Binfield, een zuidelijk
officier, die de negerkwestie heeft bestudeerd op het slagveld, op de
tabaksplantages en in de openbare scholen;--wij hebben niet meer voor
wanorde op straat te vreezen. Wij zullen ons verder niet laten leiden
door bekrompen hartstocht. Wij hebben een fout begaan, door ons van
onze vlag te scheiden; maar wij hebben sinds lang die dwaling ingezien,
en zullen niet weder in dezelfde fout vervallen. Wij hebben nu ons
vertrouwen gesteld op de onveranderlijke wet des levens. De neger
heeft de macht in handen gehad. Zijn dwaasheid en wispelturigheid
ergerden ons, maar nooit heeft hij ons door zijn kracht ontzag
ingeboezemd. Zelfs nu, nu de gouverneur te Columbia op zijne hand is,
nu zijne vrienden de meerderheid hebben in de Kamers, en over alle
openbare machten beschikken,--zelfs nu vreezen wij hem niet. Geen
Afrikaan is tegen een Europeaan opgewassen. Zeker kan hij u in den
donker een dolksteek toebrengen of een brandende fakkel in uwe kamer
werpen, maar overigens kan een kleurling u niet licht ernstig kwaad
doen. De strijd van een blanke met een neger is als de strijd van een
man met eene vrouw. En dit geldt evenzeer van de massa. Neem er de
proef van. Sticht een kolonie, een Utopia, aan de oevers van de Santee
of den Edisto; [14] plaats tien Europeanen te midden van negentig
negers; geef aan elk der honderd kolonisten een gelijk aandeel in den
grond, een gelijke hoeveelheid werktuigen, gereedschappen, zaad, geld;
geef hun de meest mogelijke vrijheid en gelijkheid van recht; laat hen
den grond bebouwen, wetten maken en zich zelven regeeren. Na verloop
van tien jaren, zal de grond met de opbrengst en al het kapitaal
uitsluitend in handen der blanken zijn. De natuur heeft nu eenmaal
aan den blanke meer verstand en kracht, meer scheppend vernuft, meer
moed en volharding, in één woord, hooger gaven naar lichaam en geest
geschonken, dan aan den neger. Dit is een feit, en alle gemoedelijke
bespiegelingen en quasi-humanitaire droomerijen kunnen daaraan niets
veranderen. Ten spijt van voorbijgaande verwarringen, moet de blanke
in dit land meester zijn. Waarom zouden wij dan op nieuw onze toevlucht
tot de wapenen nemen? Slechts een vijand der blanke beschaving kan naar
een tweeden burgeroorlog verlangen. Wij behoeven slechts onzen tijd
af te wachten, zeker dat de overwinning in 't eind aan ons zal zijn."

Mijn vriend heeft gelijk. De neger is niet bestand tegen het leven
der vrijheid, dat hem verlamt en vernietigt. Alles in deze wereld
heeft zijn eigen tijd en plaats; en sedert twintig eeuwen is Europa
de kweekplaats van alle waarlijk levende krachten. Europa voorziet
de andere werelddeelen van leven op elk gebied. Een denneboom, van
Europa naar Amerika overgebracht, zal daar een woud verwekken en al de
inlandsche boomen in den omtrek dooden. Breng een paard en een stier
uit Europa over: zij zullen den buffel en den eland verjagen. Overal
treedt de lagere vorm voor den hoogeren terug.

Zelfs ondanks den tijdelijken steun van de bondstroepen, zal de
overmacht der negers ten slotte voor de wetenschap en beschaving
der blanken zwichten, zoo zeker als een woud van lagere planten
verdwijnt voor een engelschen denneboom, en een kudde vee voor een
engelsch paard.


XXIV.

Charleston.--Richmond.

Als de koepel van Sint-Paul boven Londen, zoo verheft zich boven
Charleston de toren van een nieuw weeshuis, die de vroolijke stad en
de ruime baai, de fraaie torenspitsen en bloeiende tuinen, en ook de in
puin liggende gebouwen, beheerscht. Op het plat van dien toren gekomen,
vinden wij daar een wachter, die, in een hoek geleund, zijn pijp rookt
en naar de lucht ziet. "Hoe laat mag het wel zijn? vraagt hij ons.--Hoe
laat? even over twaalven.--Over twaalven! Dan moet ik de klok luiden!"

Bang! Bang!

Eenige voorbijgangers beneden in de straat kijken naar boven. Het is
middag, zeggen de lotus-eters.

Ja, het is middag, de ure des gebeds. Allah hu Akbar!

"Ge schijnt niet op eenige minuten te letten?

--Wel neen, Mijnheer; wij zijn niet zoo dwaas om ons over eenige
minuten meer of minder te bekommeren. Wien kan dat iets schelen?"

Die torenwachter is een inboorling vau Zuid-Carolina, en zijne woning
in de wolken is het hart van Zuid-Carolina. Welk een trotsch en
zorgeloos volk! wat een zonnige, schilderachtige stad! Zie daar
de Ashley en de Cooper, de twee rivieren die de stad omarmen,
zoo als de Hudson en de Oostrivier New-York omvatten; hoe rustig
en weelderig langzaam rollen zij hare wateren voort naar de baai,
zacht de stranden kussende en zich behagelijk kabbelend slingerende
tusschen de eilandjes, langs de forten Ripley en Sumter, tot zij
eindelijk zich verliezen in den Atlantischen-oceaan. Werp een blik op
die bosschages en priëelen van myrthen en palmen aan onze voeten: wat
weelderige groeikracht in den grond, wat rijke kleurschakeering in het
geboomte! Kunt ge u iets bekoorlijkers denken dan deze villa's langs
de baai, met het uitzicht op het kasteel Pinckney en op de batterij
van King-Street, met balkons, door rozen en palmen overschaduwd,
met bloeiende oranjeboomen, wier gouden vruchten boven het water
wiegelen? En wat heerlijke vrouwengestalten wandelen door deze tuinen,
zien uit door deze jalousiën, zitten op deze balkons! Voorwaar, wel
vloeit in hare aderen nog iets van het bloed der hooggeboren dames,
wier portretten ons door Lely en Van Dijck zijn nagelaten!

En toch, wat kracht en vuur hier, beiden bij mannen en vrouwen. Het is
een spreekwoord in Charleston, dat geen neger of mulat een gentleman
vlak in het gelaat durft zien. Hoevele negerinnen en mulattinnen
zouden den blik van eene dezer blanke jonkvrouwen kunnen verdragen?

De regeering is niettemin afhankelijk van de zwarte kiezers,
en voor het oogenblik is Zuid-Carolina een neger-republiek, die,
even als een italiaansch gemeenebest uit de middeleeuwen, door
een vreemdeling wordt geregeerd. De naam van dien amerikaanschen
podestà  is Daniel H. Chamberlain. Robert H. Gleaver, een neger,
is luitenant-gouvorneur. Van de drie-en-dertig senatoren zijn er
veertien zwarten; van de honderdvier-en-twintig leden der Tweede Kamer
zijn er niet minder dan drie-en-zeventig negers. Gleaver, de zwarte
luitenant-gouverneur, is voorzitter van den Senaat; de voorzitter van
de Kamer, Elliot, is ook een neger. Onder die senatoren en Kamerleden
zijn er maar weinigen, die hun naam kunnen teekenen; niettemin willen
zij de hoogste regeeringsposten bekleeden. De staatssecretaris is een
neger. Betrekkingen, die zekere vaardigheid in het lezen en schrijven
vereischen, zoo als die van prokureur-generaal en superintendent van
het onderwijs, worden aan de blanken overgelaten; maar de ambten,
waaraan hooger traktement en meer invloed verbonden is, behouden
de zwarten voor zich. De directeur van financiën, de adjudant en de
inspecteur-generaal zijn negers. De opperrechter Moses is een blanke;
maar zijn assessor, Wright van Beaufort, is een kleurling.

Even als in Engeland, plachten ook in Carolina de rechters voor
hun leven benoemd te worden, en even als in het moederland,
werden zij ook hier niet dan in zeldzame gevallen van hun ambt
ontzet; maar dit conservatieve stelsel is onder de heerschappij der
Reconstruction-Act ter zijde gezet. Een rechter wordt nu slechts voor
vier jaren aangesteld, en maar zeldzaam herbenoemd. Zijn mandaat
duurt kort, en hij moet dus zorgen er zooveel mogelijk profijt van
te trekken. Sommige rechters--naar mij van bevoegde zijde verzekerd
wordt,--drijven handel in katoen, rijst en andere artikelen, en
verschijnen niet zelden als partij in rechtsgedingen. Een domme neger,
door de stemmen van partijgangers op den rechterstoel geplaatst,
staat aan velerlei verzoekingen bloot!

Een neger kan maar niet begrijpen, dat er voor het bekleeden van een
ambt zekere voorbereiding, om niet te zeggen een natuurlijke aanleg,
noodig is. Een ambt is voor hem niets anders dan een vrijbrief om naar
hartelust te kunnen rooken, stil te zitten, onbeschofte antwoorden
te mogen geven, en vooral een goed salaris te ontvangen. Het ambt
is om den mensch, en niet de mensch om het ambt. Als gij een neger
vraagt wat hij begeert, zal hij u antwoorden: "eene betrekking";
terwijl het hem verder tamelijk onverschillig is of ge hem rechter
dan wel cipier maakt.

Eenige weken geleden ontmoette ik te Philadelphia een kleurling,
Henry Griffin genaamd, vijf-en-dertig jaren oud en portier van zijn
beroep. Dit scheen hem niet langer te bevallen; hij wilde hooger
op. Zijn buren en kameraden ontvingen hun aandeel van den algemeenen
buit: waarom hij ook niet? Daarom had hij zich, tot groot vermaak
van zijn patroons, kandidaat voor de Kamer gesteld in het zevende
arrondissement van Philadelphia.

"Tot welke politieke partij behoort gij? vroeg ik den kandidaat.

--Ik ben republikein, Mijnheer.

--Republikein! Maar dan stelt gij u tegenover Bardsley en Patterson,
mannen van uw eigen partij, en geeft daardoor aan uw tegenpartij,
de demokraten, een kans op de overwinning.

--Dat mag zijn; maar wij willen ook ons deel hebben, en de
republikeinen bedriegen ons op allerlei manier.

--Zoo? Ik dacht dat zij u de vrijheid geschonken en voor u tegen
hunne broeders in het Zuiden gevochten hadden?

--Ja, dat is al lang geleden. Dat is dood en begraven. Ik spreek van
nu. Wij, kleurlingen, stemmen voor de republikeinsche lijst. Maar als
zij, door onze stemmen, het winnen, dan geven zij ons toch niets. Wij
hebben een blanken gouverneur, een blanken staatssecretaris,  een
blanken opperrechter.

--Zoudt ge dan willen dat een zwarte opperrechter de plaats innam
van Daniel Agnew?

--Wel, Mijnheer, zouden wij dan geen raadsheer, geen brievenbesteller,
geen policie-agent van onze kleur mogen hebben? In New-Jersey, aan de
overzijde van de Delaware, vindt ge zwarte policie-commissarissen en
zwarte magistraten. In Pennsylvanië noemen wij ons ook republikeinen,
maar geen enkele kleurling bekleedt daar eene openbare betrekking,
behalve die van portier in de gevangenissen: en die beambten moeten
hun eigen kamer aanvegen en hun eigen muren witten! Is dat gelijkheid?"

Griffin is openhartig. Hij heeft de kunst niet geleerd om leelijke
zaken in fraaie woorden te kleeden, en zegt u zonder omwegen, dat
hij gaarne ook zijn vingers in de schatkist wil steken.

De staat van zaken te Charleston is bevredigend: bevredigender dan
men zou verwachten onder het bestuur van carpet-baggers, met eene
Kamer voornamelijk uit negers bestaande, en met een federaal leger
in bezetting.

Daniel H. Chamberlain, de gouverneur, is uit Nieuw-Engeland
geboortig, en te Charleston gekomen, zoo als William P. Kellogg te
Nieuw-Orleans kwam: met een reiszak, aangename manieren en een gladde
tong. Hij is een geruimen tijd aan het bestuur geweest, en door
de conservatieven, trouwens niet zonder goede reden, allerheftigst
bestreden; maar tegenwoordig wijzigt hij zijn politiek: hij beteugelt
de uitspattingen van zijne vrienden de kleurlingen, en luistert
meer en meer naar de blanke minderheid. Gematigde conservatieven,
zoo als kapitein Walker en George A. Trenholm, zijn niet ongezind
hem te steunen en te helpen, in plaats van tegen hem te stemmen,
te spreken en te intrigeeren. Chamberlain heeft veel kwaad gesticht,
en zal misschien nog meer kwaad stichten. Bekwamer dan Kellogg, zijn
hem daarbij de omstandigheden in Zuid-Carolina gunstiger. Chamberlain
wordt gesteund door eene overwegende zwarte meerderheid. Hij heeft
ook in het Noorden meer invloed dan Kellogg: niet omdat de burgers
van Boston en New-York hem beter kennen of hooger schatten dan zijn
mededinger, maar omdat de schuld van Charleston hun levendiger voor
den geest staat dan de schuld van Nieuw-Orleans. Welke maatregelen
van bedwang en onderdrukking hij ook mocht voorstellen, steeds zou
Chamberlain kunnen rekenen op den steun van het Congres en de sympathie
van alle steden van het Noorden. Want de schuld van Charleston kan
niet vergeten en vergeven worden. Hier werd het plan der afscheiding
ontworpen; hier werd de vlag der Unie voor het eerst beleedigd. [15]
Duizenden en tienduizenden in het Noorden zijn van meening, dat deze
stad met den grond gelijk had moeten gemaakt worden, dat men haar
werven en dokken had moeten vernielen, haar havens dempen, en haar
bevolking verstrooien naar de vier winden!

Tegenover een man, die zoo groote macht bezit en zoo onverzoenlijken
haat vertegenwoordigt, is bedachtzame gematigdheid in woorden
en handelingen voor de conservatieven dubbel noodig. Even als
vele andere vreemdelingen, is ook Chamberlain niet ongevoelig voor
beleefdheden en voorkomende bejegening. Hij zit gaarne aan de wel
voorziene tafels der aanzienlijken, en hunkert naar den welwillenden
glimlach der bekoorlijke, aristokratische dames. Een podestà in Verona
of Ferrara, zal, in den regel, ook wel niet ongevoelig zijn geweest
voor de bekoringen van het maatschappelijk verkeer: en de podestà
van Zuid-Carolina beantwoordt deze voorkomendheid en beleefdheid der
blanken zoo veel hij maar eenigszins kan, zonder gevaar te loopen, de
voor hem onontbeerlijke sympathie zijner zwarte vrienden te verliezen.

"Het gaat tegenwoordig beter met u, niet waar? vragen wij aan een
volbloed conservatief.

--Zoo, zoo. Wij wachten en dragen, want de tijd werkt in ons
voordeel. Chamberlain, hoewel een vreemdeling, zoo als Kellogg in
Louisiana, is ten minste ten naasten bij een fatsoenlijk man. Hoewel
wij ons noch met zijn herkomst, noch met zijn politiek verzoenen
kunnen, is het althans mogelijk, in het algemeen belang, hem onze
medewerking te schenken."

Naar onze consul mij verzekert, begint de handel langzamerhand te
herleven, maar de oude, ietwat zorgelooze en voorname manier van zaken
te doen is thans voorbij. Jongelieden, van New-York en Chicago gekomen,
hebben daarin eene geheele verandering gebracht. Zij hebben oog noch
hart voor iets anders dan voor hunne zaken, en zwoegen en arbeiden
op de werven en op de kantoren, van den vroegen morgen tot den laten
avond. Het is te begrijpen, dat zulke lieden spoedig fortuin maken.

In leeszalen en clubs hooren wij hetzelfde verhaal. Door haar
overhaasting, gaf Charleston aanleiding tot het uitbarsten van den
burgeroorlog. Geen koopstad had meer te verliezen, geene heeft
zoo zwaar geleden. Haar hoogmoed is tot den grond vernederd en
doodelijk gekwetst; maar zij doet haar best om, met prijselijke
zelfverloochening, haar tegenwoordige ellende te vergeten, haar
vorige verkeerdheden weer goed te maken, en zich eene betere toekomst
te bereiden.

"Wat nuttigheid heeft het, den demokraat te spelen? zegt de
eigenaar van een katoenplantage, met wien ik in de club over de
toekomst van Zuid-Carolina spreek.--Het dient tot niets. Onze
afdeeling der amerikaansche demokratische partij is dood. Zie deze
kiezerslijsten. Men zegt dat die lijsten valsch zijn, en wij weten ook
wel dat dit inderdaad het geval is. Maar hier liggen zij voor ons, en
de federale officieren houden staande dat zij met stipte eerlijkheid
zijn opgemaakt. De wet heeft aan de negers het stemrecht gegeven,
en in eene republiek is het stemrecht alles in alles. Waarom zullen
wij dan met ons hoofd tegen den muur loopen?

In 1868 hebben wij het beproefd. En met welk gevolg? Wij werden overal
reddeloos geslagen. Te Charleston werd geen enkele conservatieve
kandidaat verkozen. Een derde van de Kamer bestond uit schuim van
blanken--vreemdelingen, bankroetiers, scalawags; er was niemand onder,
in wien onze burgers vertrouwen konden stellen. Verder bestond de
vergadering uit negers en mulatten, waarvan er ter nauwernood éen lezen
en schrijven kon. Door Chamberlain geholpen, plunderden en mishandelden
ons die schavuiten; wij verdroegen geduldig die beleedigingen--onder
de bedreiging hunner kanonnen, het is waar:--tot de tijd voor eene
nieuwe verkiezing gekomen was. Door de ondervinding geleerd, sloegen
wij nu een anderen weg in, wel niet met de gewenschte beslistheid en
eenstemmigheid--het is niet zoo gemakkelijk, den ouden Adam uit te
schudden!--maar toch met zoodanig gevolg, dat wij moed kregen, verder
op dien weg voort te gaan. Hoewel wij het nog niet zoo ver gebracht
hebben, dat er te Columbia eene conservatieve regeering zetelt [16],
zoo hebben wij toch reeds eene blanke meerderheid in den Senaat,
en eene sterke blanke minderheid in de Kamer. In het graafschap
Charleston, waar de negers tweemaal zoo talrijk zijn als de blanken,
hebben wij toch door onze nieuwe taktiek de helft der zetels veroverd.

--Hoe is dat in zijn werk gegaan?

--Door overleg en goed oordeel; door de kunst der blanken om zich
te organiseeren en te kombineeren. In sommige graafschappen zijn wij
te zwak, om den strijd te wagen. Waarom zouden wij zeven kandidaten
stellen in het graafschap Beaufort, waar het getal der negers zes
tegen éen bedraagt; of drie kandidaten in het graafschap Georgetown,
waar zij zeven tegen éen sterk zijn? Waarom zouden wij dingen naar al
de achttien zetels voor Charleston-county, waar de negers tweemaal
zoo sterk zijn als wij? Zoolang wij niet meester zijn van het fort
Sumter en van de citadel, valt er aan deze valsche kiezerslijsten
niets te veranderen. Is het daarom niet beter, zoo vroegen wij ons af,
in eene schikking te treden?

--En...?

--Wel, enkelen waren van meening dat elke poging ijdel zou zijn;
anderen geloofden, dat er kans op welslagen bestond. De negers
hebben hunne leiders, en die leiders wenschen niets vuriger, dan
vooruit te komen. Het is voor een neger een zaak van groot gewicht,
met een fatsoenlijk man te mogen praten; en ondanks al hetgeen gedaan
was om de voormalige slaven tegen hunne oude meesters op te zetten,
behielden de negers toch de diep gewortelde gehechtheid aan de plaats
hunner geboorte. De meesten onzer waren van meening, dat er eene
overeenkomst zou te treffen zijn.

--En werd de proef gewaagd?

--Ja; kapitein Dawson, een onzer bekwaamste mannen, begaf zich tot de
negers, die hem goed ontvingen en naar zijne woorden luisterden. Hij
bracht hun onder het oog, wat ook waar is, dat blanken en kleurlingen
in hetzelfde schuitje varen, en te zamen moeten bovendrijven of
vergaan; en hij vroeg hun, of het niet beter zou zijn, indien zij te
zamen arbeidden in plaats van elkander tegen te werken? Zij waren
dat met hem eens. Dawson zeide hun daarop, dat de blanken er niets
tegen hadden dat de negers, waar zij de meerderheid hadden, hunne
eigene kandidaten kozen; maar hij voegde er bij, dat de blanken, in
het algemeen belang, er prijs op moesten stellen, dat zij geschikte
personen kozen. Uit naam van zijne vrienden,  beloofde hij, dat
wanneer de negers in die distrikten geschikte personen wilden kiezen,
hetzij blanken of zwarten, de blanken daar geen kandidaten tegenover
zouden stellen, waardoor aan de negers veel moeite en kosten zou
worden gespaard. Zijn voorstel beviel hun, ook door de flinke wijze
waarop het werd gedaan;  en ondanks den tegenstand van scalawags
en andere intriganten, werd de overeenkomst getroffen en eerlijk
nageleefd. Er werden gematigde republikeinen gekozen, in plaats van
vreemde fortuinzoekers, bankroetiers en communisten, zoodat wij nu,
in spijt van de overmacht der negers, een machtigen invloed op de
wetgeving uitoefenen."

Naar men ons verzekert, heeft de goede uitkomst van deze nieuwe
politiek op den gouverneur Chamberlain een sterken indruk gemaakt. Het
is gebleken, dat, ter bereiking van het beoogde doel, samenwerking met
de negers bepaald de voorkeur verdient boven openbaren strijd tegen
hen. Dit heeft gewerkt: Chamberlain verandert van taktiek; want hij
weet zeer goed, dat hij met de nieuwe Kamer nimmer te Columbia zou
kunnen verrichten, wat Kellogg te Nieuw-Orleans poogt te doen.

Er is juist onlangs iets voorgevallen, dat zijne oprechtheid op
de proef heeft gesteld. Sedert verscheidene maanden kwamen er bij
hem voortdurend klachten in over verregaande wanordelijkheden in
Edgefield-county. Dit graafschap wordt bespoeld door de Savannah, en
grenst aan Lincoln-county in Georgië; de zwarte bevolking heeft hier
verreweg de meerderheid. De milicie bestaat uit negers, de generaal
en de officieren van zijn staf zijn negers; de sheriff, de rechter en
andere ambtenaren zijn mede allen negers. De blanke bewoners worden
als verwonnelingen behandeld. Als een blanke in verzet komt tegen
eene of andere beleediging, dan wordt aanstonds de zwarte milicie
onder de wapenen geroepen. "Gij moogt de milicie van den staat niet
oproepen, zeggen de burgers: dat is in strijd met de constitutie;"
maar wat weten de neger-kapiteins en kolonels in Edgefield-county
van de constitutie? Ontstaat er twist tusschen een zwarte en een
blanke, dadelijk roept de neger-kapitein zijn kompagnie op, en het
komt onvermijdelijk tot eene bloedige botsing. Twee jaar geleden,
weigerde gouverneur Chamberlain tusschenbeiden te komen. Met zijn
zoetsappigsten glimlach vertelde hij aan dengeen, die zijne bescherming
inriep, dat men veel beweging maakte over niets; zijn secretaris,
openhartiger van aard, kwam er rond voor uit, dat de oude tyrannen
hun verdiende loon ontvingen.

Maar de gouverneur luistert nu naar rede; en daar op nieuw klachten
uit het graafschap inkwamen, heeft hij een republikeinsch magistraat,
den rechter Mackey, gezonden, om een onderzoek in te stellen en
middelen tot herstel aan te wijzen. Mackey is juist onlangs van
zijne zending teruggekeerd, en heeft verslag uitgebracht. Hij zegt
daarin, dat, in openbaren strijd met een artikel der constitutie van
den staat, de zwarte officieren in het graafschap Edgefield de vaste
gewoonte hadden om hunne kompagniën onder de wapenen te roepen en aan
straatrumoeren en vechtpartijen deel te nemen. Hij wijt de schuld van
bijna alle wanordelijkheden aan het wanbestuur en de schromelijke
misbruiken der negers; en verklaart dat sinds de dagen, waarin de
normandische baronnen hun saksische hoorigen dwongen een ijzeren ring
om den hals te dragen, nimmer eene engelsch sprekende bevolking zulke
onwaardige behandeling heeft ondergaan, als de blanke bevolking van
Edgefield-county. Mackey eindigt zijn rapport met den gouverneur voor
te stellen, den neger-regimenten te ontbinden en te ontwapenen.

Chamberlain is geneigd dien raad te volgen, maar dit is niet zoo
gemakkelijk. De negers zijn nu aan het gebruik van wapenen gewend, en
zullen zich misschien niet op die wijze laten ontwapenen. Er heerscht
alom een onrustige, strijdlustige geest, en een neger-opstand behoort
niet tot de onmogelijkheden. Als Chamberlain zijn zwarte troepen
ontbindt, dan zal hij genoodzaakt zijn steeds meer zijn steun bij de
blanken te zoeken.

Russell, Trenholm en Dawson hebben metterdaad getoond, dat de echte
geest van staatsmansbeleid in hen woont; de overwinning door de
conservatieven te Charleston behaald, is een aanmoediging en een
gelukkig voorteken voor alle andere zuidelijke staten.

In de bibliotheek van het Kapitool staat een beeld, bekend onder den
naam van de Pupil der Natie, en voorstellende een negerknaap, in al de
frischheid zijner jeugd en al de onmacht van zijn ras. De neger-type
is gewijzigd, hoewel niet zóó als in Story's Afrikaansche Sibylle,
waarin de kunstenaar zoo aangrijpend de smart en het lijden van een
onderworpen volk heeft uitgedrukt. Bij den Pupil der Natie straalt
het gelaat van zonneschijn, en het gansche beeld is als doorademd
van physieke bewegelijkheid en zinnelijken levenslust. De opwaarts
gerichte oogen schijnen het licht te zoeken. Vrij, en zich zijner
vrijheid bewust, staat de jonge neger toch verward en verlegen. Wat
zal hij doen met dit ontzaglijk geschenk? Vol kracht en levensmoed,
onvermoeid bij den arbeid en vlug in het leeren, is het toch nog
noodig dat hem de weg gewezen worde, dien hij te volgen heeft.--Dit
is de dichterlijke, ideale voorstelling van den negerknaap.

Voor de vensters der winkels van Richmond kunt ge eene andere
voorstelling van hetzelfde beeld zien, maar ditmaal door een
kunstenaar, die niet idealiseert: door de zon. De onverbiddelijke
lens heeft den neger weergegeven, zoo als hij werkelijk is: zittende
aan den ingang eener metselaarswerkplaats, op een hoop gruis en puin
en stof. De plaats moet aangeveegd worden, en den negerjongen was die
taak opgedragen: maar de verleiding van den zonneschijn is hem te sterk
geweest. Van nature is de neger afkeerig van iederen arbeid; luieren en
soezen is zijne geliefkoosde bezigheid. In plaats van de straat aan te
vegen, heeft Sam zich te midden van den rommel neergezet. Hij speelt
met den steel van zijn bezem, laat zijn hoofd op zijn hand rusten,
en verliest zich al spoedig in het land der droomen. Hij voelt er
niet de minste behoefte aan, dat iemand hem voorthelpe en den weg
wijze, dien hij in het leven volgen moet. Hij verlangt eenvoudig,
dat men hem met rust zal laten, opdat hij zijn oogen kunne sluiten,
en zich bakeren in den zonnegloed.--Dit is de prozaïsche voorstelling
der  nuchtere werkelijkheid.

"Ge zult de meesten van onze nationale pupillen wel in slaap
vinden, juist als Sam," zegt lachende een mijner vrienden. Langs
de James-rivier ontmoet men echter enkele exemplaren eener soort
van negers, die door eigen arbeid zich eene positie hebben weten te
verwerven. Men verhaalt mij van kleurlingen, die, de steden met al
haar ongerechtigheden verlatende, zich op het land gevestigd hebben,
die na harden arbeid kapitaal zijn begonnen op te leggen en voor hunne
spaarpenningen boerderijen hebben gekocht. Vele negers zijn op die
wijze kleine grondbezitters geworden, en leggen zich vooral toe op de
winstgevende tabakskultuur. Deze kleurlingen zenden hunne kinderen
naar school. Mulatten hebben aan amerikaansche universiteiten een
akademischen graad verworven, en zich eene wetenschappelijke loopbaan
gekozen, waartoe de weg hun open staat, ook in Virginië.

Doch, met hoeveel blijdschap men ook dergelijke verschijnselen moge
begroeten, zij zijn en blijven zeldzame uitzonderingen. In den regel
is de neger landbouwer van beroep, en tracht hij ook naar niets
hoogers--tenzij  de hartstocht der politiek zich van hem meester
make. Hij heeft geen prikkel, die hem tot iets anders drijft. Is
hij geen huisbediende, dan is hij boerenarbeider. In beide gevallen
verdient hij met zijn arbeid een vijfde van hetgeen een blanke met
denzelfden arbeid verdient; maar zijn voedsel is goedkoop, zoodat hij
van de opbrengst van zijn ruwen en onzekeren arbeid gemakkelijk leven
kan. Hij kent de waarde van een dollar, die eene zekere hoeveelheid
druiven en spek, bonen, whisky en tabak vertegenwoordigt; maar hij
heeft geen besef van de waarde van een tweeden en derden dollar,
omdat hij niets anders kan doen dan den ganschen dag door eten,
drinken, pruimen en rooken. Morgen is de toekomst, en de neger leeft
alleen voor en in het tegenwoordig oogenblik. In die toekomst is er
slechts éene zaak, die hem genoeg ter harte gaat om daarvoor te zorgen:
zijne begrafenis.

"Wat ons arm maakt, zegt Bill, de bediende in mijn logement, dat is
de uitgaaf voor onze begrafenis." Inderdaad zou het geld, dat een
neger voor zijne begrafenis uitgeeft, voldoende zijn om zijn gezin
voor een paar jaar te onderhouden.

"Gisteren is een vriend van mij gestorven, zegt Bill; hij wordt van
middag begraven:--eene mooie begrafenis.

--Gaat ge hem ook de laatste eer bewijzen?

--Neen, Mijnheer; ik behoor niet tot zijn maatschappij.

--Wat bedoelt ge?

--De begrafenis-maatschappij. Iedere zwarte is lid van twee of drie
dezer maatschappijen. Hij moet daar veel voor betalen. Als hij sterft,
krijgt hij dan ook eene mooie begrafenis."

Op zekeren dag wandelde ik, door Jackson's-Ward (een der
wijken van Richmond) naar buiten, om een blik te werpen op de
schilderachtige ravijnen en smalle dalen, die de stad omringen en
haar eene flauwe gelijkenis met Jeruzalem geven. Wij dalen langs een
heuvel af, gaan een stroom over, en beginnen eene andere helling te
beklimmen:--plotseling wordt onze aandacht getrokken door een luid
gejammer en geklaag. Opziende, bemerk ik dat zich op den heuvel boven
ons een kerkhof bevindt, met eenige witgeverfde palen en steenen. Bij
den rand der groene glooiing staan eenige negerinnen, die luid
weenen en snikken; terwijl een zwarte predikant teksten uitgalmt, en
vier of vijf negers bezig zijn met in de aarde te delven. Toen wij
den top bereikten, was de plechtigheid reeds geëindigd en het graf
weer gesloten; maar terwijl deze stoet zich verwijderde, was reeds
een andere in aantocht. Een prachtige lijkwagen met groote glazen
portieren; en in dien wagen een kist, zoo rijk versierd, dat die
in Engeland voor een hertog of prins zou kunnen dienen; daarachter
volgen acht koetsen, elk met twee fraaie zwarte paarden bespannen,
en begeleid door een twaalftal personen in uniform, met standaarden
en opgerolde banieren.

"Wie wordt daar begraven? vraag ik aan een der negers, die staan
te kijken.

--Mozes Crump.

--Wie is Mozes Crump?

--Een arbeider.

--Een boerenarbeider?

--Ja."

De paarden trappelen en komen met moeite voort over dien ongelijken
grond. Onder luid geschreeuw en gejammer wordt de kist naar het
gat--nauwelijks een grafkuil--gedragen, waarin zij nedergelaten
zal worden; en hier wordt nu, bij het neigen der banieren en het
spelen der muziek, Mozes Crump ter ruste gelegd. De gansche familie
is tegenwoordig--mannen en vrouwen, knapen en meisjes. Er wordt
zeer luid gesnikt en gejammerd; maar de zwarte dominee overstemt
al dit rumoer, behalve de klagelijke stem van eene oude vrouw, die,
half snikkende en gillende, onophoudelijk roept: "Ik zie mijn zoon
nooit weer! Ik zie mijn zoon nooit weer!"--De dominee tracht haar tot
bedaren te brengen. Zijne stem verheffende, schreeuwt hij haar toe:
"Wees stil; leef zooals hij, dan zult ge uw zoon weerzien!"--De zwarte
Rachel weent en jammert, en weigert vertroost te worden, zelfs door
haar eigen dominee. Als de mannen in uniform hunne spaden opnemen,
en onder een eentonig gezang het graf beginnen te vullen, roept de
oude vrouw nog luider: "Neen, ik zal mijn zoon nooit weerzien!" Arme
ziel, zij alleen kent haar eigen smart.

De jongeren lachen en huilen beurtelings; en als het graf gedicht is,
verspreiden zij zich in groepen, praten met hunne vrienden, nemen
dan weer plaats in hunne koetsen, en rijden weg, dwars door eene
saamgevloeide gapende menigte van negers, negerinnen en mulattinen,
gekleed in blauwe omslagdoeken en rose mutsen, vast overtuigd dat zij
bewonderenswaardig zijn, en zeer gestreeld door de tegenwoordigheid
van twee vreemde heeren.

Mozes Crump blijft alleen achter, zonder een steen om de plaats aan
te wijzen waar hij rust. Zijn gezin blijft ook alleen achter, met
een weinig brood en een weinig zoete aardappelen, en verstoken van
den arbeid des vaders. De kosten van die begrafenis zouden voldoende
zijn geweest om de jonge Crumps gedurende eenige jaren te onderhouden.

Er zal veel tijd noodig zijn om de negers te doen beseffen, dat zij
voor zich zelven moeten zorgen. Sedert langen tijd gewoon op de blanken
te steunen, valt het hun moeielijk nu op eigen beenen te staan. In de
meeste gevallen verstaat de neger onder persoonlijke vrijheid niets
anders dan de vrijheid der werkeloosheid. Wat toch was, in zijn oogen,
het voornaamste kenmerk van den blanke? Vrijstelling van arbeid. Een
blanke nam nimmer ploeg of spade ter hand. Voor den neger bestaat
het wezen der vrijheid hierin, dat hij met over elkander geslagen
armen mag staan kijken, terwijl anderen arbeiden en spinnen. Hij
heeft immers den blanke nooit iets anders zien doen. Waarom zou hij
dat voorbeeld niet volgen?

(Wordt vervolgd.)


Herinneringen van den Stillen-Oceaan.

(Vervolg van bladz. 110).


II.

De Gambier-eilanden.

II.

In den morgen van den 27sten waren wij in het gezicht van Hao,
en draaiden bij voor het kanaal, waarvan de oostelijke oever
kenbaar is door eene fraaie reeks kokospalmen. Het voornaamste dorp
ligt vijf mijlen oostwaarts, op eene niet onaanzienlijke hoogte,
die bijna den naam van heuvel zou verdienen, en met een prachtig
bosch van kokospalmen is bekroond; dit is het hoogste punt van het
eiland. De eertijds zeer talrijke bevolking is sterk afgenomen door
de emigratie. Het huis Brander van Papeete heeft van hier zijn meeste
parelvisschers gekregen; tegenwoordig telt het eiland nog slechts
ongeveer driehonderd inwoners. Zooals ik reeds zeide, gelijken al
deze eilanden op elkander. Mettertijd heeft zich, op de hoogste
gedeelten der lange koraalgordels, eene dunne laag van vruchtbare
aarde gevormd, voldoende voor de ontwikkeling en den groei van den
pandanus en van een soort van myrtheboom, mikimiki genaamd, die in
dichte bosschen opschiet.

Omstreeks elf uur vervolgen wij onze reis naar Amanoe, dat reeds sedert
den morgen boven uit den mast zichtbaar was. Het dorp en de kanalen die
toegang geven tot het binnenmeer, bevinden zich op de noordwestkust
van het eiland. Die kanalen, ten getale van twee, zijn slechts voor
kleine vaartuigen bruikbaar. De gezagvoerder begeeft zich aan land,
met Paiore, onzen loods, en den tolk, om een onderhoud te hebben met
de eilanders, die aan den mond van het kanaal zijn saamgekomen. Kort
daarop keert hij naar boord terug, en ten half vier verlaten wij
Amanoe, steeds op korten afstand van de kust blijvende.

Den volgenden dag, den 28sten, omstreeks drie uren in den namiddag,
varen wij eenige mijlen ten zuiden langs Akiaki, dat zich door het
gemis van een binnenmeer onderscheidt. Dit kleine eilandje verheft zich
iets hooger dan de anderen. Enkele inboorlingen, wier hutten zichtbaar
zijn door het dichte geboomte, komen naar het strand geloopen om ons
te zien. Er ging eene geweldige branding langs het gansche eiland:
het was niet mogelijk daar te landen.

Dien eigen avond kregen wij Vahitahi in het gezicht. Dit eiland is
niet anders dan een uitgestrekt rif, ter nauwernood boven de golven
verheven, met drie groote, boschrijke eilandjes in het noordwestelijk
gedeelte. Voor de schepen, die van het oosten komen, is dit een der
gevaarlijkste punten van den geheelen archipel, want het rif heeft
aan deze zijde eene zeer aanzienlijke oppervlakte, en zelfs bij een
zeer helderen nacht zou het gemakkelijk kunnen gebeuren, dat het
schip op het rif stootte, eer men de eilandjes ten noordwesten had
bespeurd. Het voornaamste dorp ligt op het noordelijkste eilandje,
dat tevens het grootste en het rijkste aan boomgewas is. Daar ook
hier overal eene zeer sterke branding stond, was het ons niet mogelijk
het strand te naderen.

Den 31sten kregen wij Maroetea in het gezicht. Dit is een groot
onbewoond eiland, dat somwijlen door de inwoners der Gambier-eilanden
bezocht wordt, ter wille der parelvisscherij. Er is hier geen kanaal,
waardoor een vaartuig in het binnenmeer zou kunnen doordringen. Het
eiland beslaat eene aanmerkelijke oppervlakte; de eilandjes waaruit
het bestaat zijn zeer laag, en voor zoo ver wij ze gezien hebben,
ook arm aan geboomte. Men ziet er slechts enkele kokospalmen; de
flora bepaalt zich hoofdzakelijk tot dichte boschages van mikimiki.

Den volgenden morgen, bij het krieken van den dageraad, bevonden wij
ons op een mijl ten noorden van de riffen van den Gambier-archipel;
het hooge land van Mangareva hadden wij reeds des nachts in het
gezicht gekregen.

De Gambier-archipel bestaat uit vier grootere eilanden, die zich vrij
hoog verheffen: Mangareva, Taravai, Akamaroe en Aoekena; en voorts
uit een groot aantal onbewoonde eilandjes en riffen, waarvan sommigen,
vooral die in het zuidwesten, eene vrij aanzienlijke hoogte bereiken.

Op eenige mijlen afstands van de ankerplaats, komen de loodsen bij
ons aan boord. Een hunner, Daniel Guilloux, zoon van een Franschman,
heeft geruimen tijd het bevel gevoerd over een goëlet van de
katholieke missie, en staat tegenwoordig aan het hoofd van een klein
handelshuis. Hij brengt ons met veel bekwaamheid door den onafzienbaren
doolhof van koraalbanken, die zorgvuldig vermeden moeten worden.

De Gambier-archipel, ten zuidoosten grenzende aan de
Toeamotoe-eilanden, is daarvan echter, zoowel in physiek als in
staatkundig opzicht, ouderscheiden. Het voornaamste eiland, Mangareva,
maakt op den aanschouwer een zeer gunstigen indruk. De berg Duff, aan
de zuidpunt des eilands, bereikt eene hoogte van vierhonderd el; de
ongeveer even hooge borg Mokoto heeft een bijna regelmatigen kegelvorm.

In 1844 diende de koning dezer eilanden, in overleg met de hoofden,
een verzoek in om onder het protektoraat van Frankrijk te worden
gesteld. De inlandsche bevolking heeft zich gedwee onder deze leiding
gevoegd en is blijkbaar met deze schikking tevreden. Over het algemeen
is zij een goedaardig slag van volk, dat zich willig onderwerpt aan
het gezag van meerderen, indien dit gezag zich slechts niet onder
den vorm van dwang vertoont.

In den namiddag begeven wij ons naar wal. Het hoofd is opgevuld met
eene talrijke menigte, waaronder wij eenige inboorlingen van het
Paasch-eiland (Rapa-Noei) opmerken. Zij zijn zeer fijn getatouëerd;
hunne gestalte is rijziger en hunne vormen zijn schooner dan die van de
inboorlingen der Gambier-eilanden. Dit Paasch-eiland heeft thans bijna
geen bewoners meer. De eerste zeevaarders, die het aandeden, vonden
daar op verschillende plaatsen, vooral nabij den middelsten krater van
het eiland, een aantal kolossale steenen beelden. Het fregat la Flore
heeft, nu twee jaar geleden, eenige overblijfselen dezer reusachtige
kunstwerken, getuigen eener ondergegane beschaving, naar Frankrijk
gebracht. Ik zelf heb te Papeete photografische afbeeldingen gekocht
van een houten bord, op het Paasch-eiland gevonden, en met tot dusver
onverklaarde hiëroglyphen bedekt.

In den morgen van den 5den Februari lichtten wij het anker om naar
de Markiezen-eilanden terug te keeren. Den 21sten liepen wij wederom
den archipel van Toeamotoe binnen, door het kanaal, dat Takapoto van
Tikei scheidt. Den volgenden middag wierpen wij het anker uit in de
lagune van Kauchi, tegenover het dorp, waar onze loods Paiore woont.

Kauchi is een eiland van bijna cirkelvormige gedaante, met een
doorsnede van bijkans dertien mijlen. De bevolking is niet talrijk,
maar te oordeelen naar het zindelijke en nette voorkomen der huizen,
moet zij niet van zekere beschaving ontbloot zijn. Wij gaan aan land;
vlak tegenover de aanlegplaats verheft zich een wit gebouw, dat tot
gevangenis dient. Als wij naar boord terugkeeren, ontmoeten wij Paiore,
die onze boot met versche kokosnoten, kippen, varkens en eieren van
zeevogels heeft volgeladen. Dat is een geschenk, dat hij ons aanbiedt.

Wij vertrekken naar het naburig eiland Fakarava, en stevenen door
het noordelijke kanaal de lagune binnen. Ik begeef mij naar land;
het dorp is bijna verlaten: de inwoners zijn ter parelvangst naar
het naburig eiland Toaoe getogen. De bewoners der Toeamotoe-eilanden
gaan altijd op de parelvisscherij uit, zoodra het weer en de zee dit
maar eenigszins toelaten. Enkele duikers dalen tot eene diepte van
vijf-en-twintig en zelfs dertig el af; maar de meesten gaan niet dieper
dan twintig el. Dikwijls keeren zij van den bodem der zee terug zonder
iets gevonden te hebben; als zij een oester vinden, moeten zij toch
doorgaans twee of driemaal duiken om haar van de koraal los te maken,
of uit het zand, waarin zij bijna geheel begraven is, op te delven.

Den volgenden dag verlaten wij Fakarava om naar Rairoa te gaan. In
den namiddag varen wij voorbij Apataki; in de lagune liggen drie
goëletten voor anker. Op dit eiland is het voornaamste etablissement
in dezen archipel van het huis Brander, van Papeete, gevestigd.

Den volgenden morgen bevonden wij ons op korten afstand van
de noordkust van Rairoa. De kommandant was voornemens, in het
binnenmeer te gaan ankeren; maar de gesteldheid der kanalen liet dit
niet toe. Onze lange kruistocht is thans geëindigd: wij keeren naar
Tahiti terug.

De gezamenlijke bevolking van de Toeamotoe- en van de Gambier-eilanden
wordt op achtduizend zielen geschat, die van de opbrengst der
visscherij en der kokosboomen leven. Op elk eiland vestigen de inwoners
zich doorgaans langs de oevers van het binnenmeer, nabij eene goede
ankerplaats, of in den omtrek van een kokoswoud, waarin men altijd,
indien men gaten in den zandigen bodem graaft, drinkbaar water vindt.

De inboorlingen van den Toeamotoe-archipel vertoonen eene sterke
gelijkenis met die van Tahiti en van de Markiezen-eilanden: dezelfde
schoone lichaamsvormen, hetzelfde schrandere en uitdrukkingsvolle
gelaat. Zij schijnen donkerder van kleur, en zijn ruwer van aard
dan de inboorlingen van Tahiti; dit is een gevolg van hunne minder
gemakkelijke levenswijze, waardoor zij voortdurend aan de brandende
zonnestralen zijn blootgesteld, hetzij op hunne meeren, hetzij op
hunne door de zee overspoelde koraalriffen.


III.

De archipel van Tahiti.


I.

De meestal heerschende zuid-oostelijke winden maken het mogelijk,
dat zeilschepen, die van de Markiezen-eilanden naar Tahiti gaan,
den afstand van tweehonderd-vijftig zeemijlen, die deze beide punten
scheidt, in zes of zeven dagen kunnen afleggen. Voor dezelfde reis,
in tegenovergestelde richting, behoeven zij daarentegen gemiddeld
achttien tot twintig dagen.

Het kwam mij voor, dat de Vaudreuil stil lag, zoo groot was mijn
verlangen om Tahiti weer te zien. Mijn ongeduld werd gedeeld door
allen, die, zoo als ik, vroeger reeds te Papeete vertoefd hadden;
en zij, die dit bekoorlijke land nog nimmer hadden aanschouwd,
moesten van ons zoo veel daarvan hooren, dat hunne nieuwsgierigheid
niet minder sterk was dan ons verlangen.

Den vijfden dag na ons vertrek van Taio-Hae teekent zich eene
ontzagwekkende donkere massa aan den gezichteinder: dat is Tahiti!

Wij zijn allen op het dek, gewapend met onze kijkers, volop trachtende
te genieten van het heerlijk schouwspel, dat zich voor onze blikken
vertoont. De zon, die zich stralend uit den oceaan verheft, beschijnt
de toppen van hooge, grillig gevormde bergen, waarvan de zonderling
geboetseerde naalden en pieken zich, als reuzige wachters, stout
boven elkander verheffen, en zich met scherpe lijnen afteekenen tegen
het donker blauw des hemels. Het lagere gedeelte dier bergen is nog
in schaduw gehuld; de diepe, donkere, geheimzinnige kloven grijnzen
ons in zwarte nacht tegen, schril afstekende tegen het schitterend
licht, dat ze omvloeit. De tinten worden steeds helderder naarmate de
stralende zonneschijf hooger stijgt; eindelijk giet zij haar licht
uit over de zee, wier witgekuifde golven schitteren en fonkelen als
vloeibaar zilver met diamanten overspat. Voor eenige oogenblikken
zijn alle lijnen en omtrekken, tot de kleinste bijzonderheden der
heerlijke schilderij, volkomen duidelijk zichtbaar; doch dit duurt
slechts kort: weldra vormen zich wolken, die langs de boschrijke
hellingen der bergen omhoog stijgen, en voor het overige van den dag
de hooge toppen in nevelen hullen.

Van den voet der bergen tot aan het strand is de bodem met den
weelderigsten plantengroei bedekt; boven de dichte warreling
van struiken en kreupelhout en laag geboomte, verheffen zich de
onbewegelijke bladerkronen der bevallige kokosboomen. Vlak voor ons
zien wij kaap Venus en den witten vuurtoren, op de uiterste punt der
zandige kust gebouwd. Een met inlanders bemande sloep brengt ons den
loods aan boord, die ons met veel behendigheid door het moeilijke en
bochtige kanaal van Tanoa heenbrengt. De koraalbanken, die dit kanaal
aan beide zijden begrenzen, zijn met oude kanonnen afgebakend. Zoodra
wij kaap Fareoete zijn omgevaren, verbreedt zich het vaarwater;
het spiegelgladde, ruime bekken, dat de reede van Papeete vormt,
opent zich voor ons. Een verrukkelijk schoon tafreel ontrolt zich
nu voor onze oogen: aan eene beschrijving zal ik mij niet wagen,
wetende dat elke poging noodwendig falen moet.

Het anker valt; de schakels van den zwaren, met een dikke laag roest
bedekten ketting ontrollen zich met schor gekraak: straks ligt de
Vaudreuil onbewegelijk. Wij hopen allen, dat zij zich nu eenigen tijd
rust zal gunnen.

De verschijning van een oorlogschip is altijd eene belangrijke
gebeurtenis voor Papeete: het brengt vertier, voordeel en afwisseling
aan. De leegloopende inboorlingen (en hun aantal is zeer groot),
de vrouwen vooral, verzuimen nooit aanstonds naar de kaai te loopen,
om getuigen te zijn van het ankeren. De seintoestel, op den heuvel
gebouwd, die Papeete aan de landzijde begrenst, verwittigt de
belangstellenden langen tijd te voren, dat zich een schip op de
hoogte van het eiland bevindt. "In 't zicht!" In zekere spanning wacht
men dan de verdere signalen af, waaruit blijken zal, welk soort van
schip het is, en tot welke natie het, behoort. Is het een oorlogschip
(manoea, eene verbastering van het engelsche man-of-war), dan is de
vreugde algemeen; men verblijdt zich reeds in het vooruitzicht, dat
de officieren veel geld verteren zullen. Men keert weer haastig naar
huis terug om zich wat op te knappen: een beetje toilet schaadt nooit,
on men wil gaarne een aangenamen indruk maken.

Papeete, de hoofdstad der fransche bezittingen of liever der onder
fransch protektoraat staande eilanden, ligt aan de noordwestelijke
kust van Tahiti. De ruime en veilige haven is toegankelijk voor
schepen van de grootste afmetingen. Drie kanalen voeren uit zee in
deze haven. Het kanaal van Papeete, ook het groote kanaal genoemd, ten
noorden, wordt het meeste gebruikt; de ingang, een weinig ten westen
van de stad, heeft eene breedte van zeventig el; het kanaal is niet
meer dan tachtig el lang. De diepte bedraagt doorgaans dertien el,
met uitzondering van een kleine bank, die door bakens is aangewezen
en gemakkelijk te vermijden valt. Het kanaal van Tanoa, ten oosten,
waardoor wij gekomen zijn, is bij de invaart zeer gemakkelijk;
maar het lange en bochtige vaarwater is voor groote schepen zeer
lastig. Ten westen bevindt zich nog een derde kanaal, dat van Tapoena,
dat uitsluitend door de kleine kustvaarders gebruikt wordt.

Maar wij liggen nog steeds voor anker. Wat is er gaande? De
leelijke gele vlag wordt aan den fokkemast geheschen; onze
kommandant is in levendig gesprek gewikkeld met den loods. Deze
laatste, die doorgaans het binnenloopen der haven aan de schepen
vergunt, op grond van de verklaringen van den gezagvoerder of den
scheepsdokter, verstaat verkeerd wat onze dokter hem zegt:--hij zal
ons den gezondheidsinspecteur zenden. Het is nu maar te hopen dat
deze in de stad zij!

De Vaudreuil is reeds omgeven door eene menigte met groenten en
fruit geladen prauwen, die slechts wachten op het teeken dat zij
mogen aanleggen, om op het dek hunne geurige en saprijke waar uit
te stallen. Ook de scheepsbleekers zijn daar, gereed om elkander het
linnengoed van den kommandant en de officieren, als een begeerlijke
buit, te betwisten. Onder hen herken ik den dikken Paofai, dien ik,
bij mijn eerste bezoek met de Sibylle, met mijne klandisie begunstigd
heb. Ik roep hem toe, on vraag hem of hij mij herkent. Zonder zich
een oogenblik te bedenken, zegt hij dat hij juist naar mij wilde
vragen, toen ik hem aansprak; maar hij laat daarop volgen, dat hij
mij ontmoet heeft aan boord van een schip, waarop ik nooit gediend
heb. Wij lachen hartelijk om zijne onbeschaamdheid; hij laat zich
echter niet uit het veld slaan, maar houdt sterk en stijf staande
dat ik mij bedrieg, hetgeen onze vroolijkheid niet weinig vermeerdert.

De boot met den inspecteur der quarantaine nadert en komt ons op zijde;
na eene korte woordenwisseling met onzen scheepsdokter, wordt de gele
vlag weer neergehaald, onder het luid gejubel der eilanders, die in een
oogwenk en eer men hen tegenhouden kan, met hunne rijk beladen manden
en korven naar boven klauteren en het dek overrompelen. Ik laat hen
handelen en schacheren, en begeef mij zoo spoedig mogelijk naar wal.

De stad Papeete, de hoofdstad van het kleine rijk van Tahitide en
tevens zetel van het bestuur van ons protektoraat, dat het eiland
Tahiti en het naburige Moorea, voorts de Toeamoetoe-eilanden, den
archipel van Toeboeai enz. omvat, ligt tusschen den oever der baai
en de heuvelen, die als het ware den voorgrond vormen der bergen van
het eiland. Op een dier heuvelen staat, zooals ik reeds zeide, de
telegraaf of seintoestel. De stad begint ten oosten aan de landpunt
van Faveoete, waar zich het kleine maritime arsenaal bevindt. De
huizen volgen elkander langs het strand op tot nabij de batterij van
de Embuscade, die tot verdediging van het groote kanaal dient.

Bijna over deze geheele uitgestrektheid zijn kaaien aangelegd. Daar
de diepte vóór den oever zeer aanzienlijk is, kunnen zelfs de groote
schepen aan deze kaaien aanleggen: hetgeen zoo voor den handel als
voor het verkeer met den wal van groot gemak is. Het voortreffelijke
water van een der talrijke beekjes, die Papeete besproeien, wordt door
middel van ijzeren buizen naar eene fraaie fontein op de kaai gevoerd,
waar ook de schepen zich van het noodige water voorzien. Doorgaans gaat
men vlak bij die fontein, in het middenpunt der stad, aan land. Niet
ver van daar verrijst een sierlijk gebouw, waarin zich de magazijnen
van levensmiddelen voor de marine en de garnizoensbakkerij bevinden.

De huizen langs het strand duiken half weg in de schaduw van prachtige
boomen, ter wederzijde van de kaai geplant. Natuurlijk ziet men
hier ook de winkels en magazijnen der voornaamste handelaars. De
straten, die naar de binnenstad voeren, loopen allen op deze kaai
uit. Wij willen eene daarvan inslaan, bij voorbeeld die tegenover de
fontein. Aanstonds verandert het tooneel. Ge bevindt u te midden van
een uitgestrekt park, waarvan de breede, rechthoekige straten van
Papeete de statige lanen zijn. Ter wederzijde schuilen, onder het
dichte lommer, te midden van het weelderigst groen, de smaakvolle,
bevallige woningen; schaduw en frischheid en geur allerwege; het is
eene opeenvolging van schilderachtige, liefelijke groepen: een geheel,
zoo bekoorlijk, als ge het zoudt kunnen wenschen. Vooral des avonds,
als de hitte des daags voorbij is, is het een onbeschrijfelijk genot,
door deze lommerrijke straten te wandelen, en den frisschen zeewind
met volle longen in te ademen. Geen woorden kunnen uitdrukken,
wat ik op deze heerlijke plekjes zoo vaak genoten heb, en voor mij
onvergetelijk blijft.

En de inboorlingen! Hoe volkomen passen zij bij deze bekoorlijke
omgeving. De vrouwen vooral, met haar vrijen lossen gang, met haar
schitterend gekleurde, witte, groene, roode of veelkleurige gewaden,
die geheel los en vrij haar om de slanke leden golven. Haar rijke,
schitterend zwarte hairlokken zijn versierd met een bevalligen krans
van pia, waarvan de bleek gele kleur met gouden weerschijn op het
voordeeligst afsteekt bij het blinkend zwart van haar lange lokken;
een vriendelijke glimlach speelt om haren mond; haar klankrijke,
zangerige stemmen doen u denken aan vogelengekweel. En over dit
alles speelt het fantastisch, veelvuldig gebroken en gekleurde licht,
dat zich door dezen dichten lommer een weg baant en wondere tinten
toovert op de onbeschrijfelijk schoone schilderij. Hoe een kunstenaar
hier genieten zou!

De gewone kleeding der inboorlingen bestaat uit een langwerpige lap
gekleurd katoen, pareoe genoemd, die bij de vrouwen de plaats van den
rok, bij de mannen die van den pantalon vervult. Deze lap, die van
de heupen tot de enkels reikt, wordt stevig om den middel gewonden
en vastgestoken. Daarover dragen de vrouwen eene lange hooge jurk
zonder lijf, die veel overeenkomst heeft met een gesloten peignoir;
de mannen, een loshangend hemd van europeesch maaksel.

Doorgaans gaan de vrouwen op Tahiti blootshoofds; haar hair is
eenvoudig gescheiden en golft vrij en los over de schouders. Meestal
dragen zij op het hoofd geen ander sieraad dan de witte bloemen van de
tiare; maar somwijlen tooien zij, en ook de zoogenaamde fáieie, dat wil
zeggen, de jonge dandys, de fatten, zich met den dusgenaamden horo, een
zeer smaakvol ornament. Deze horo wordt gemaakt van een fijnen stengel
of stokje, ter lengte van tien tot vijftien duim. Aan het eene uiteinde
van dit stokje worden, een voor een, een aantal kleine, welriekende en
altijd groene blaadjes gestoken van eene orchidee, maire genoemd, die
op de bergen groeit. Men verkrijgt alzoo een groenen krans van twee tot
drie duim in doorsnede. Het andere uiteinde van het stokje wordt in den
steel bevestigd der groote, zoo heerlijke geurige bloem van de tiàre
(gardenia tahitense), die met haar prachtigen witten krans als een ster
tusschen deze groene kroon schittert. Ook van de fijne bladeren der
kokospalmen weten de vrouwen een smaakvollen krans te vervaardigen,
dien zij op haar lokken drukken. De gewone hoofdbedekking voor mannen
en vrouwen is de zoogenaamde hei, een kroon van bloemen en bladeren.

Als zij in de zon moeten gaan, zetten de vrouwen een stroohoed op,
die uit Zuid-Amerika afkomstig is; op feestdagen daarentegen dekken
zij zich het hoofd met hoeden van inlandsch maaksel, van de schors
der pia (tacca pinnatifida) vervaardigd. Ook de mannen dragen strooien
of zoogenoemde panama-hoeden.

De eilanders gaan in den regel barrevoets; sommige dames echter
trekken, bij plechtige gelegenheden, kousen en schoenen of laarsjes
aan; maar het is niets zeldzaams, haar deze foltertuigen, waaraan
zij niet gewoon zijn, in de hand te zien dragen. Bij openbare feesten
en dergelijke buitengewone gelegenheden, kleeden de rijke Tahitianen
zich geheel naar europeeschen smaak.

Des avonds is het op de straten van Papeete zeer druk en
levendig. Vooral na acht uur des avonds heerscht er eene buitengewone
beweging en vroolijke levendigheid. Ongelukkig genoeg, is die
vroolijkheid zeer dikwijls niet anders dan het gevolg van dronkenschap,
die hier inderdaad een nationale ondeugd geworden is. Het misbruik
van sterken drank, door de Europeanen hier ingevoerd, is een der
oorzaken van den achteruitgang der inlandsche bevolking. Wellust
en eene ongezonde levenswijze dragen daartoe mede het hunne bij:
het ontgaat dan ook de aandacht van den vreemdeling niet, dat men
hier zoo weinig bejaarde lieden aantreft.

Niettegenstaande dit onmiskenbaar verval, heeft de inlandsche
bevolking van Tahiti nog weinig of niets van haar oorspronkelijk
karakter verloren. Het zijn nog altijd diezelfde schoon gevormde,
krachtig gebouwde athleten, zoo als Cook, Quoy, Lesson, Dumont d'
Urville en zoo vele anderen ze ons in hunne reisverhalen geteekend
hebben. De vrouwen ook zijn nog dezelfde bevallige sirenen, met haar
zacht zangerig geluid, zorgeloos, gemaklievend, van den eenen dag
op den anderen levend, zich louter aan vermaak en genot wijdende,
met bloemen bekroond; en nog altijd verdient het eiland in zekeren
naam van Nieuw-Kythere, door Bougainville aan Tahiti gegeven.

Bieden de straten des avonds een zeldzamen aanblik, niet minder
aantrekkelijk is het schouwspel, dat de reede, omstreeks dienzelfden
tijd, dikwijls te aanschouwen geeft. In duistere en kalme nachten gaan
de Kanaken uit visschen nabij de koraalriffen; de kleine prauw glijdt
langzaam en geruischloos over de stille wateren. Op de voorplecht
staat de visscher, het bovenlijf een weinig over het water gebogen,
den rechterarm opgeheven om te treffen, het oog strak op de golvende
oppervlakte gevestigd; in de linkerhand houdt hij een fakkel, rama
genoemd, van gedroogd riet vervaardigd; achter in de smalle schuit
staat een zijner kameraden, die met zijn pagaai het ranke vaartuigje
bestuurt. Somwijlen is de geheele omtrek der baai verlicht door den
weerglans der roode fakkels in de tallooze bootjes van deze visschers.

Een koerier brengt ons de orders van het gouvernement: gedurende
eenige maanden zal de Vaudreuil hier blijven, ten behoeve der lokale
dienst. Ik denk er dus aan, mij aan wal een tijdelijk verblijf in te
richten. Een mijner kameraden stelt mij voor, te zamen eene woning
te huren. Ik stem hierin gaarne toe, en wij huren met ons beiden een
huisje aan den voet des heuvels, waarop de seintoestel staat.

De europeesche woningen te Papeete zijn doorgaans van hout gebouwd;
tot afwering van de vochtigheid, is de vloer eenige voeten boven
den grond verheven, en rust op gemetselde pilaren. Ons huis is
omringd door een grooten tuin, met een houten heining afgesloten;
een twintigtal groote kokosboomen tooien deze ruimte. Niets ontbreekt
ons, zelfs niet een badkamer, die, het is waar, wel zeer eenvoudig
is ingericht, maar weelde zou hier tot niets dienen. Huizen als het
onze, die niet op fondamenten zijn gebouwd, kunnen zeer gemakkelijk
verplaatst worden. Ik herinner mij, dat eene der straten te Papeete
op zekeren dag geheel verstopt was door een huis, dat de eigenaar
naar eene andere plek overbracht.

Binnen de stad treft men weinig inlandsche woningen aan. Deze zijn,
over het algemeen, zeer ruim, luchtig en zindelijk. De muren, van
gevlochten bamboes vervaardigd, zijn niet hoog; de hard gestampte
bodem is met matten belegd.

Bijna overal vindt men bedden, die laag bij den grond en zeer breed
zijn. Het bed of ledekant bestaat uit een vlechtwerk van nape, een
soort van touwwerk, van kokosvezels gevlochten; daarop legt men een
met gedroogde banaanbladeren gevulden zak, en een met katoen opgevulde
matras. Aan de vier hoeken verheffen zich vier houten stijlen, waaraan
een gazen gordijn bevestigd wordt: een onmisbare voorzorgsmaatregel
tegen de bloeddorstige muskieten, die hier zeer talrijk zijn.


II.

Het eiland Tahiti splitst zich in twee onderscheidene, zeer ongelijke
deelen: het eigenlijke Tahiti en het schiereiland Taiarapoe,
dat aan het grootere eiland verbonden is door een landtong van
ongeveer twee kilometers breedte, waarvan het hoogste punt, waarop
het kleine fort Taravao ligt, zich tot omstreeks veertien el boven
de zee verheft. Elk dezer twee schiereilanden heeft een bijkans
ronde gedaante, en is voor een deel bedekt met hooge bergen,
blijkbaar van vulkanischen oorsprong. De hoogste toppen zijn,
op Tahiti, de Aorai (tweeduizend-vier-en-zestig el), en de Orohena
(tweeduizend-tweehonderd-zes-en-dertig el); en op Taiarapoe, de Nioe
(dertienhonderd-vier-en-twintig el).

Dezelfde vulkanische werking, waaraan Tahiti zijn oorsprong dankt,
hief waarschijnlijk ook het eiland Moorea, de Gambier-eilanden,
Toeboeai en misschien nog andere eilandengroepen van Polynesië, boven
de wateren op. Bij de Toeamotoe-eilanden was de opheffende kracht
blijkbaar minder sterk; hier hebben zich langs de randen der bijna tot
aan het watervlak opgeheven kraters koraalriffen en banken gevormd,
en daardoor zijn, na verloop van tijd, die lage eilanden ontstaan,
waarvan het binnenmeer tegenwoordig de plaats van den uitgedoofden
krater vervangt.

De bodem van Tahiti, hard en steenachtig op de toppen der bergen,
bestaat op de lagere plateaux zeer dikwijls uit vaste leem en klei;
maar in de valleien en langs den oever der zee vindt men eene dikke
laag van uiterst vruchtbare aarde, die het eiland geschikt maakt voor
de kultuur van alle tropische gewassen. Deze vruchtbare strook langs
de zee is geheel vlak; op sommige plaatsen is zij zeer smal, op andere
heeft zij eene breedte van ruim drie kilometers. Deze aardlaag rust op
eene koraalbank. Zij heeft eene bebouwbare oppervlakte van omstreeks
vijf-en-twintig-duizend bunders.

Schier dit geheele vlakke en vruchtbare gedeelte van het eiland
is letterlijk ingenomen door de goyave (psidium pyriferum) of de
toeava, zooals zij in de landtaal genoemd wordt. Deze plant vormt hier
dichte boschages, die alle andere gewassen doen sterven, zelfs oude,
hooge boomen, aan wier voet zij met ongeloofelijke weelderigheid
groeit. De goyave, die eerst in 1815 op het eiland werd ingevoerd,
bedekt tegenwoordig de bergen tot eene hoogte van minstens zeshonderd
el. In de valleien neemt zij bijna de gedaante van een boom aan;
op de bergen overtreft zij zelden een struik in grootte. Haar snelle
wasdom gedurende den regentijd en de krachtige voortplanting door de
dieren, die zich met hare vruchten voeden, maken deze plant tot een
ware plaag, die de ontginning van onbebouwde gronden zeer moeilijk
en kostbaar doet zijn.

De geheele oppervlakte van Tahiti bedraagt
honderdvierduizend-tweehonderd-vijftien bunders; die van Moorea
bedraagt dertienduizend-tweehonderd-zeven-en-dertig bunders.

Bijna de gansche kust van het eiland is door een reeks koraalriffen
omgeven.

Als wij Papeete in westelijke richting verlaten, bereiken wij
weldra het distrikt Faá, waar de eerste proeven zijn genomen met de
koffiekultuur; de koffietuinen staan tegenwoordig in vollen bloei, en
de vrucht is van zeer goede hoedanigheid. De koningin, een Franschman,
de heer B...., en verscheidene inboorlingen hebben hier belangrijke
aanplantingen van kokospalmen aangelegd.

De Poenaroeú, een van de voornaamste rivieren van het eiland, stort
zich in het distrikt Poenavia in zee. De vallei, waardoor deze rivier
stroomt, was in 1845 het tooneel van een der hevigste gevechten,
die de Franschen tegen de inboorlingen moesten leveren. Deze vallei
loopt naar het hart des eilands, naar den Maiao of Diadeem, een berg,
ter hoogte van twaalfhonderd-negen-en-dertig el, en staat daar in
gemeenschap met de valleien van Fautahoea on Papenoó. Te Tapoena,
in hetzelfde distrikt, bevindt zich een kleine haven, die door het
kanaal van denzelfden naam met de zee in gemeenschap staat.

In het distrikt Poenavia, en vooral in dat van Paea, vindt men aardige
riviertjes en vruchtbare landouwen; ook zijn daar vele europeesche
woningen. De distrikten Papara en Atiamaono behooren mede tot de
belangrijkste gedeelten van het eiland, zoowel door hunne betrekkelijk
talrijke bevolking, als door de groote uitgestrektheid vruchtbaar,
voor bebouwing uitnemend geschikt terrein, dat zij bevatten.

Eenige jaren geleden stichtte eene engelsche maatschappij,  op Tahiti
door den heer Stewart vertegenwoordigd,  in het distrikt Atiamaono,
een uitgebreid etablissement met plantages voor de katoenteelt. Een
duizendtal chineesche koelies werden naar de gronden, die aan
de maatschappij waren afgestaan, overgebracht. Reeds waren eenige
honderden landverhuizers, meest allen uit den Cook-archipel afkomstig,
daar sedert eenigen tijd aan den arbeid. Na de aankomst der chineesche
koelies werd de plantage uitgebreid en de kultuur op groote schaal
aangelegd.

Een houten brug van vrij bombastischen stijl verleent toegang
tot de plantage. Die brug ligt over eene rivier, die een deel des
jaars bijna droog is, maar die door de geweldige regens van den
zoogenaamden winter, even als alle rivieren des eilands, in een
onstuimigen, bruisenden stroom veranderd wordt. De aandacht der
bezoekers wordt aanstonds getrokken door de hutten der inboorlingen
van den Cook-archipel; zij staan op een soort van terras of platform,
dat op balken rust, en hebben met den beganen grond gemeenschap door
middel van een ladder, dien men naar verkiezing kan wegnemen. Deze
manier van bouwen vond ik terug op verschillende eilandengroepen van
centraal Polynesië, vooral ook op het fraaie eilandje Rotoemah. Ik
durf niet beslissen, wat de bewoners dezer eilanden beweegt, aldus
hunne woningen op een stellage te bouwen: ongetwijfeld geschiedde dit
aanvankelijk met een bepaald doel, misschien wel uit een oogpunt van
veiligheid en verdediging; later is deze gewoonte, wellicht zonder
verder nadenken, als eene overoude traditie, stilzwijgend door de
volgende geslachten in stand gehouden.

Tijdens mijn tweede bezoek op Tahiti, verkeerde de plantage in
blijkbaar verval; nadat de termijn van hun contract verstreken was,
hadden de Chineezen zich terug getrokken en waren voor eigen rekening
zaken gaan doen: hun vertrek scheen de onderneming een doodelijken
slag te hebben toegebracht.

Wij vervolgen onzen tocht om het eiland. In het distrikt Mataiea vindt
men Papeoeriri met eene goede haven. Deze omstandigheid, gepaard aan
de vruchtbaarheid van den grond, heeft al vroeg aanleiding gegeven, dat
zich hier kolonisten vestigden. Het distrikt levert veel oranjeappelen
op, die in groote hoeveelheden naar San-Francisco worden uitgevoerd;
men vindt hier de vallei Vaihiria, door de rivier van denzelfden
naam besproeid. Aan het uiteinde van die vallei, ter hoogte van
vierhonderd-dertig el boven de zee, ligt een meer, bijna cirkelvormig
van gedaante, met eene doorsnede van omstreeks een halven kilometer,
en aan alle zijden door hooge sombere bergen ingesloten. Voor zoo
ver men kan nagaan, staat dit meer in geenerlei gemeenschap met
de zee; het water is koud en zeer diep. Waarschijnlijk is dit een
uitgebrande krater; sommigen schrijven echter het ontstaan van dit
meer toe aan een bergstorting, waardoor de uitgang der vallei zou
zijn verstopt, zoodat het water, dat vroeger naar de zee afvloeide,
nu wordt opgehouden. Een uitstapje naar dit meer gaat niet alleen met
veel moeite, maar ook met gevaar gepaard. In 1847 heeft de welbekende
reizigster, mevrouw Ida Pfeiffer, niettemin dien tocht gewaagd.

Op de hoogte van Papeari wordt de grond eenigszins moerassig, dan
weder bergachtig; een prachtige, met bosschen van oranjeboomen
omzoomde weg voert naar Tavarao. De omstreken van Tavarao zijn
weinig bevolkt. Van hier naar Papeete terugkeerende, gaat men door
het distrikt Hitiaá, dat een goede haven heeft, en bovendien rijk is
aan bosschen en vruchtbare valleien; de rivieren zijn hier breed, en
tot op vrij grooten afstand van zee bevaarbaar. De handel in chinaas-
of oranjeappelen is hier zeer levendig.

Deze vruchten zijn een zeer belangrijk artikel voor den handel
tusschen den archipel van Tahiti en San-Francisco. Zij worden hier
ingekocht voor vijf-en-twintig francs het duizend, welke prijs
doorgaans in natura of in andere koopwaren wordt voldaan; zij worden
ginds verkocht voor twee- of driehonderd francs. Zelfs als men voor
het onvermijdelijk verlies bij het vervoer vijftig percent rekent,
dan levert die handel, zoo als men ziet, nog een aardige winst op. De
oranjeboom werd hier door Cook ingevoerd, die eenige jonge boompjes
in de nabijheid van kaap Venus plantte: hij heeft zich zoo goed
aan lucht en grond gewend, dat hij niet de minste zorg behoeft en
letterlijk in het wild groeit. De vruchten worden verzonden in zeer
lichte, vierkante kisten, die van de geschilde takken van den poerau
vervaardigd worden en aan de buitenlucht vrijen toegang laten.

De Tahitianen zijn groote liefhebbers van chinaas-appelen; van het
sap vervaardigen zij een soort van geestrijken drank (áva anani),
door de Europeanen oranjewijn genoemd. Uithoofde van de grove
buitensporigheden van allerlei aard, waartoe het gebruik van dezen
drank hetzij aanleiding gaf, hetzij een voorwendsel leverde, heeft de
fransche regeering de bereiding daarvan ten strengste verboden. Toch
geschiedt dit nog in stilte, op een eenzame plek in het gebergte
of in eene verborgen vallei. Twee of drie dagen vóór den voor de
bijeenkomst bepaalden tijd, begeven zich eenige inboorlingen in het
geheim naar de afgesproken plaats, ten einde den bedwelmenden drank te
bereiden. Zoodra het oogenblik gekomen is, begeven de mannen en vrouwen
zich één voor één, om geen achterdocht te wekken, naar de plaats der
bijeenkomst, zoo veel immer mogelijk langs onbekende paden, om aan het
wakend oog der mutoi (policie-beambten) te ontsnappen. Maar, ondanks al
deze voorzorgen, komen dezen er toch meestal achter, dat er zulk eene
vergadering gehouden wordt. Op het onverwachtst vertoonen zij zich te
midden der feestvierende menigte, en hunne komst maakt een einde aan
de woeste uitspattingen en toomelooze liederlijkheid,  waartoe het
overmatig gebruik van dezen drank schijnt te leiden. Voor de meesten
eindigt de pret dan in de gevangenis (fare áoeri, ijzeren huis.)

De flora van het eiland, hoewel rijk en weelderig, biedt toch weinig
afwisseling. Onder de echte inlandsche boomen komt vooral eene plaats
toe aan den tamanoe en aan den miro of rozenhoutboom, beiden hard en
schoon van vorm; voorts aan den tiairi, het zoogenoemde ijzerhout,
den sandelboom, en met name den poerau die tot zoo velerlei doeleinden
gebruikt wordt. De broodboom, de taro en de kokospalm verschaffen
den inboorling een zeer belangrijk deel zijner voeding: bovendien is
de laatste, door de olie, die hij levert, voor al de eilanden van
Polynesië, uit een commercieel oogpunt, van overwegende waarde. De
sandelboom is op Tahiti vrij zeldzaam, en mist hier ook bijna geheel
zijn welriekenden geur. Het poeder, dat van dit hout vervaardigd wordt,
wordt door de vrouwen veel gebruikt om monoi te maken. De oranje en
vele tropische gewassen, zoo als de ananas, de mango, enz. zijn van
elders ingevoerd en thans inheemsch geworden. De kolonisten verbouwen
met zeer goeden uitslag koffie, tabak, vanille, suikerriet en katoen.

De duizendpoot en de schorpioen zijn de eenige gevaarlijke dieren,
die men op het eiland vindt. Echter huizen er in de bosschen en wouden
zeer lastige gasten, zoo als wilde varkens, muskieten en wespen. Op
mijne wandelingen trof mij vooral de groote zeldzaamheid, ik zou haast
zeggen het gemis, van vogels. De vreemdeling, die de schilderachtige,
lommerrijke valleien van het eiland doorkruist, is verbaasd over de
zonderlinge stilte, die alom in deze dichte bosschen en het kreupelhout
heerscht. Eenige phaétons (een tropische vogel), een kleine parkiet,
die wij ook op de Samoa-eilanden hebben aangetroffen, en meeuwen,
zijn de eenige gevleugelde bewoners van het eiland. In de lage
moerassige gronden mag de jager ook nog eenige wilde eenden vinden;
langs het strand ontmoet men ook enkele reigers, zeezwaluwen en nog
sommige andere vogels, maar hun getal is niet groot.


III.

Een der aangenaamste wandelingen, die men te Papeete maken kan,
is naar kaap Venus. Tijdens mijn eerste bezoek aan Tahiti, had ik
mij te voet daarheen begeven. Een mijner vrienden stelde mij voor,
nogmaals daarheen te gaan, en ik aarzelde geen oogenblik dat voorstel
aan te nemen.

Een huurrijtuig met een inlandschen koetsier komt ons des morgens ten
tien uur afhalen. Het is brandend heet; maar de groote stroohoed en
de klassieke parasol geven ons althans eenige bescherming tegen de
felle zonnestralen. De grenzen der stad worden aangewezen door een
aarden wal en een gracht, die vroeger dienen moesten om het garnizoen
tegen een overval van de zijde der inboorlingen te beveiligen. Op
korten afstand van Papeete ligt een brug over de rivier de Fautahoea;
de vallei, waardoor deze rivier stroomt, wordt in haar hooger gedeelte
begrensd door twee ontzaggelijke loodrechte granietmuren. In de ruimte
tusschen die reusachtige rotswanden verheft zich de zonderling gevormde
top van den Diadeem. De achtergrond der vallei wordt ingenomen door
een prachtigen waterval, tweehonderd ellen hoog, die uit een bekken
nederstort, dat vierhonderd-twintig el boven de zee ligt. Daarop
voert de weg langs de valleien van Hamoeta en Pirae. Tusschen Aroeë
en Mahina, loopt de weg over den heuvel Tahatahi, die loodrecht uit
zee oprijst, en kenbaar is door zijne eigenaardige roode kleur. Wallis
en Cook noemden dit naakte voorgebergte de Boomkaap, ter wille van een
eenzamen boom, die destijds den top kroonde, maar nu verdwenen is. Onze
paarden hebben blijkbaar groote moeite, om de vrij steile helling te
beklimmen. Wij verlaten het rijtuig, zoowel om de arme magere knollen
te ontzien, als omdat wij beducht zijn voor een ongeluk. Van den top
des heuvels heeft men een heerlijk uitzicht; een frissche bries drijft
de blauwe golven met kracht tegen de riffen en breede koraalbanken,
die zij met wolken spattend schuim overdekken.

Het rijtuig wacht ons aan den voet des heuvels, en na verloop van
eenige minuten, houden wij onzen zegepralenden intocht in het dorp,
waarvan de bewoners, door de luid klappende zweepslagen van onzen
bronskleurigen koetsier aangelokt, uit hunne woningen naar buiten
komen om getuigen te zijn van onze verschijning. Een prachtige laan,
die den grooten weg doorsnijdt, loopt op den vuurtoren uit, die aan
den noordelijksten uithoek van het eiland oprijst.

Wij beklimmen dien toren, en staan weldra op de bovengalerij. Na hier
een blik op den omtrek geworpen te hebben, begeven wij ons naar de
kleine rivier, die in de nabijheid in zee valt. Een tiental jonge
vrouwen, enkel met de pareoe gekleed, zijn bezig het rivierke met
lange boomtakken af te dammen. Boven dien dam bevinden zich eenige
andere vrouwen, die in het water slaan om daardoor de visschen te
noodzaken den stroom af te zwemmen; zoodra de visschen dan in de
takken verward raken, worden zij met de hand gevangen.

Eer wij weer in ons rijtuig plaats nemen, gaan wij een bezoek brengen
aan den eerwaardigen boom, onder den naam van Cook's tamarinde
bekend. Vervolgens keeren wij langs denzelfden weg terug. In het
distrikt Aroeë wijst men ons de graven der Pomare's, die van dit
gedeelte des eilands afkomstig zijn. Een kleine jongen brengt ons naar
Papaoa, waar, aan den oever der zee, het grafteeken der regeerende
familie verrijst. Dit monument heeft evenwel niets bijzonders: alleen
de prachtige boomen, die het overschaduwen, zijn de moeite van den
tocht waard.

De vreemdeling, die te Papeete toeft en een aardig levendig tooneeltje
wil zien, moet des morgens vroeg opstaan en zich naar de markt
begeven, die op een der pleinen, in eene overdekte ruimte, gehouden
wordt. Aan de eene zijde ziet men de tafels, waarop de Chineezen,
die te Papeete gevestigd zijn, koffie en thee te koop aanbieden;
aan de andere, reusachtige stapels fruit en visch. Het voedsel der
inlanders, hoofdzakelijk aan het plantenrijk ontleend, bestaat uit
fei, uit maiore (de vrucht van den broodboom), uit taro en andere
boomvruchten. Hun meest geliefde spijs is visch, waarvan de markt
altijd ruimschoots is voorzien.

De vruchten van den fei (een soort van banaan), die van den broodboom
en van den taro, worden gestoofd op in het vuur verhitte steenen. Des
zaterdags, in de landtaal mahana maá (dag der voeding) genoemd, gaan
de eilanders naar het gebergte, om de safraankleurige vruchten van
den fei in te zamelen.

De dag wordt over het algemeen in werkelooze rust doorgebracht;
eerst tegen vier uur in den namiddag begint er wat leven op straat
te komen. De Europeanen gaan dan naar de societeit of naar het bad;
enkele ruiters en een paar rijtuigen vertoonen zich. Naarmate de
avond valt, neemt ook de drukte toe.

De inlanders zijn hartstochtelijke liefhebbers van dans en zang, zooals
trouwens bijna alle volksstammen van Oceanië. Als ge eene inlandsche
woning binnentreedt, zult ge daar in den regel eenige vrouwen vinden,
liggende of neergehurkt, en te zamen de geliefde volksdeunen zingende,
met begeleiding van een accordeon, dat hier in hooge gunst staat.

Een openbaar volksfeest, waarvan de dans het hoofdelement vormt,
heet op Tahiti úpa-úpa. Als de avond voor zoodanig feest gekomen
is, vult zich al spoedig het daartoe aangewezen plein met vroolijke
toeschouwers. Mannen en vrouwen zetten zich neder op den grond, rondom
een open plek, die voor de dansers wordt vrijgelaten. Het orchest
bestaat uit een trommel,  die het gezang begeleidt en de maat aangeeft
voor den dans; eenige kaarsen, door toeschouwers op de eerste rij in
de hand gehouden, verlichten dit zonderling tafreel. Eene vrouw staat
op, omwikkelt haar lenden met een doek, en maakt eenige slingerende en
golvende bewegingen met haar lichaam, waartoe zich voorloopig de dans
bepaalt. Nu plaatst zich een man tegenover haar. De muziek begint. Het
dansende paar maakt de onstuimigste bewegingen en de zonderlingste
sprongen, telkens meer aangevuurd door het gezang der toeschouwers. De
wendingen en draaiingen des lichaams worden al sterker en sterker,
tot eensklaps de trommel zwijgt. Haastig keeren de dansers nu naar
hun plaats terug, als schaamden zij zich over hetgeen zij gedaan
hebben. Na eenige minuten pauze, treedt een nieuw paar op, en de dans
begint op nieuw, totdat, ten tien uur, het kanonschot weergalmt,
dat het sein tot den aftocht geeft. Binnen weinige oogenblikken,
is het plein nu geheel ledig.

De tegenwoordige úpa-úpa, die onder toezicht van de policie staat,
heeft maar zeer weinig overeenkomst met de oude nationale dansen, die
wij elders, zooals op de Samoa-, en vooral op de Sandwich-eilanden,
gezien hebben.

Wordt er geen úpa-úpa gevierd, dan heerscht des avonds de meeste drukte
in de straat la Petite Pologne. De Chineezen, die na de oprichting der
plantage van Atiamaono op het eiland zijn gekomen, verkoopen thee in
de kleine winkeltjes, die deze straat aan beide zijden omzoomen. Die
winkeltjes worden vooral druk bezocht door de inlandsche vrouwen,
die altijd behoefte hebben om te eten en te drinken.

Alle openbare plechtigheden worden ook hier, evenals bij ons,
besloten met een feestmaaltijd, amoeraá maá  genoemd. Gedurende
ons verblijf woonden wij zoodanigen maaltijd bij, die gegeven werd
ter gelegenheid der inwijding van de nieuwe protestantsche kerk. De
tafels, tot bezwijkens overladen met allerlei soort van inlandsche
gerechten, leverden een uitlokkenden aanblik op. Onder lichte afdakken
van groene kokosbladeren opgeslagen, en in rijen geplaatst, besloegen
zij een tamelijk groot vierkant, waarvan de eene zijde was ingenomen
door de tafels aan welke de autoriteiten plaats hadden genomen. Het is
ongeloofelijk, welke hoeveelheden spijs bij die gelegenheden verorberd
worden! Kleine varkentjes, zoo in hun geheel, naar inlandsche wijze,
gebraden, bergen van fei, maiore, bananen, enz: enz: verdwijnen met
wonderbaarlijke snelheid in de magen der inboorlingen, die zich ook
aan den wijn niet onbetuigd laten.

De gouverneur laat onzen kommandant weten, dat wij binnen eenige
dagen naar Borabora zullen vertrekken. De koningin van dat eiland,
dochter van Pomare, zal met ons de reis doen; de naam dier vorstin is
Teriímaevaroea. Zij is in 1840 geboren, en regeert, sedert den 3den
Augustus 1860, over Borabora en de aanhoorige eilanden; zij leidt
aan waterzucht,  en men vreest voor haar leven.

Haar gemaal, Tapoa, de verstandigste en meest ontwikkelde Kanak,
dien ik op Tahiti ontmoet heb, heeft eenige jaren in Frankrijk
doorgebracht met zijn schoonbroeder, den jongsten zoon van koningin
Pomare, Tocavira, meer bekend onder den naam van den "Prins van
Joinville." Beiden zijn met de fransche taal en gewoonten goed
bekend. De koningin van Borabora wordt ook nog vergezeld door haar
oudsten broeder, prins Ariíaue, den vermoedelijken troonopvolger;
verder bestaat haar gevolg uit Maheanoe, distriktshoofd van Faà,
en Manoe, distriktshoofd van Tautira-Meétia.

Den 12den November wordt de bagage der koningin aan boord gebracht. Den
volgenden morgen gaan onze booten naar wal, om de talrijke passagiers
af te halen. Tegen negen uur komt de koningin met haar gevolg bij
ons aan boord. Het vermagerde gelaat van Teriímaevaroea vertoont
duidelijke sporen van haar lijden; haar hooge gestalte wordt gebogen
door de uitputting eener ongeneeslijke kwaal. Niettemin houdt zij
zich veel bezig met haar neefje, een aardigen jongen van vijf jaar,
die door iedereen bedorven wordt.

De Vaudreuil vertrekt ten half tien. Wij varen ten noorden voorbij
Moorea, waar ik later een bezoek hoop te brengen. Ten zes uur des
avonds zijn wij in het gezicht van Hoeahine; en den volgenden morgen,
bij het opgaan der zon, verrijst voor onze blikken de zoo eigenaardig
gevormde bergtop van Borabora. De Vaudreuil vaart ten noorden van het
eiland om, en werpt, volgens de aanwijzing van den inlandschen loods,
het anker uit voor het dorp Faánoei, waar de koningin haar verblijf
houdt. Ten half tien uur verlaat de vorstin met haar gevolg het schip,
onder het salvo van een-en-twintig kanonschoten, terwijl de vlag van
Borabora van den grooten mast wappert.

Borabora, het kleinste der Gezelschaps-eilanden, vormt met de
miniatuur-eilandjes Motoe-Iti, Mapiha on Toeboêai-Manoe, eene
afzonderlijke groep. Op het midden des eilands verrijst de berg Pahia,
die eene hoogte van omstreeks duizend el bereikt. De buitenste rand
van het omringende rif is hier niet, zoo als elders, nu eens boven,
dan weer onder water, hier vlak en naakt en daar begroeid: neen,
de gansche koraalbank is overal met kokospalmen beplant. Verbeeld u
een bloemruiker in een groenen krans--ziedaar Borabora!

Wij keeren naar Tahiti terug.

De kommandant onzer nederzettingen in Oceanië volbrengt ieder jaar
de rondreis om het eiland, ten einde de verschillende distrikten
te bezoeken, persoonlijk onderzoek te doen naar de behoeften en
wenschen der inboorlingen, den toestand der openbare werken, der
scholen enz. na te gaan: in één woord, om door eigen aanschouwing
met de aangelegenheden des lands en der bevolking vertrouwd te
worden. Het grootste gedeelte der bezetting vergezelt hem op dien
tocht. De gouverneur noodigt ons uit om deel te nemen aan het kleine
militaire feest, dat te Taravao moet plaats hebben.

Den 11den December verlaat de Vaudreuil Papeete en zet koers naar de
fraaie haven van Phaéton, ten westen van de landengte, die Tahiti met
het schiereiland Taiarapoe verbindt. Wij varen langs de westkust van
Tahiti, die ik voor het eerst aanschouw; de zee gaat tamelijk hoog;
de lucht is bewolkt. Wij herkennen de haven van Papeoeriri, waar
enkele goëletten voor anker liggen. Even te voren waren wij langs
de plantage van Atiamaono gevaren, kenbaar aan de groote woning,
schilderachtig op den top van een heuvel gelegen.

Na een vaart van vijf uur, houden wij stil op een mijl afstands
van de haven van Phaéton, om de aankomst eener sloep af te wachten,
waarin zich de luitenant der marine bevond, die belast was met het
vervaardigen eener nieuwe kaart van dit prachtige bekken. Onder zijne
bekwame leiding, varen wij door een der beide smalle openingen in
het rif, die den toegang tot de haven vormen, een lastig vaarwater,
waarin een geweldige stroom gaat, die ons schip rechts en links deed
slingeren. In de ruime haven gekomen, werpen wij het anker uit, en
worden begroet door een geweldigen stortregen. Trouwens daarop moeten
wij bedacht zijn: wij zijn toch in den regentijd, en het schiereiland
heeft den naam, dat daar meer regen valt dan op eenig ander punt van
het eiland.

Den volgenden morgen begaf de gouverneur zich met zijn gevolg en de
soldaten naar Taravao, waar door de inboorlingen, die ook uit de
naburige distrikten waren toegestroomd, de noodige toebereidselen
waren gemaakt om hem te ontvangen.

De militaire vertooning bestond uit een geveinsden aanval op het fort,
dat op het hoogste punt der landengte is gebouwd. De mariniers en een
der kanonnen van de Vaudreuil voegden zich bij de aanvallers. Dit
spiegelgevecht, waarbij dapper geschoten werd, wekte natuurlijk in
hooge mate de belangstelling op der inboorlingen, die uit den geheelen
omtrek waren saamgestroomd om van dit schouwspel getuige te zijn. Het
fort werd genomen, zonder dat men andere ongelukken te betreuren had
dan een val van het paard: gelukkig had de ruiter zich daarbij niet
al te erg bezeerd.

Toen ik aan boord terugkeerde, vond ik mijn schip vol inlandsche
bezoekers; zij hadden zich overal verspreid; zelfs in mijne hut
betrapte ik twee mooie inlandsche meisjes, die met alle aandacht de
tegen den wand hangende photografiën bekeken. Geheel de bont gekleurde
menigte, in feestgewaad gehuld en met geurige monoi geparfumeerd,
die bij de bestorming van het fort tegenwoordig was geweest, had
het schip overrompeld en stelde zich aan, of zij zich op haar eigen
terrrein bevond. Tot onzen spijt moesten wij hun eindelijk aanzeggen,
dat het tijd was om te vertrekken: in een oogwenk waren nu de talrijke
kleine prauwen, die de Vaudreuil omringden, tot zinkens vol geladen,
en in vroolijke stemming keerden de gasten naar hunne woningen terug.

Den volgenden morgen kon de Vaudreuil naar Papeete terugkeeren,
terwijl de gouverneur zijn rondreis door de oostelijke distrikten zou
vervolgen. Onze kommandant, die zijn officieren altijd gaarne pleizier
doet, had een mijner kameraden en mij vergund, de uitnoodiging om dien
tocht mede te maken, aan te nemen. Maar eenige uren voor ons vertrek
ontvingen wij de treurige tijding van het overlijden der kleindochter
van de koningin Pomare: en dit bracht verandering in ons programma. De
gouverneur en de soldaten kwamen weder aan boord van de Vaudreuil,
om dadelijk naar Papeete terug te keeren.

De begrafenis van de kleine prinses geschiedde met de grootst mogelijke
staatsie. Do koningin was zeer aan dit kind gehecht, en van alle kanten
beijverde men zich om te toonen, hoezeer men deelde in hare smart over
dit verlies. De tijding van het overlijden van Teriínoeïmoanaiterai, in
alle distrikten van Tahiti en Moorea bekend gemaakt, deed het grootste
deel der bevolking van deze beide eilanden naar Papeete optrekken. Alle
inboorlingen droegen rouwkleederen; de meeste vrouwen hadden zich,
volgens een oud barbaarsch gebruik, dat nog in stand is gebleven, het
hair afgeknipt. Daar de geheele koninklijke familie de protestantsche
godsdienst belijdt, had de ceremonie ook in de protestantsche kerk
plaats. Nog zie ik dien eindeloozen optocht, dubbel treurig en
somber door de zwarte kleederen der inlanders. Natuurlijk werd deze
begrafenis opgeluisterd door de deelneming der militairen. Van uur
tot uur liet de Vaudreuil een kanonschot hooren. Het lijk van het
jeugdige prinsesje werd bijgezet in eene hut, die de koningin op het
terrein van haar paleis had laten oprichten; later zou het naar de
officieele begraafplaats der Pomare's te Papaoa worden overgebracht.


IV.

Eenige dagen na de begrafenis der kleindochter van Pomare, ontving
ik eene uitnoodiging, die mij hoogst welkom was. Een officier van
administratie bij de koloniale dienst, de heer E..., met wien
ik dadelijk na onze komst te Papeete kennis had gemaakt, moest
naar Moorea gaan, om de europeesche bevolking van dat eiland te
tellen; hij verzocht mij nu, met hem te gaan. Men had hem, voor de
uitvoering zijner taak, een der notabelen van het eiland, den heer
B... lid van den raad van bestuur, dien ik ook kende, toegevoegd,
benevens een ondergeschikt ambtenaar, die de functiën van secretaris
zou waarnemen. De kommandant van de Vaudreuil schonk mij, met zijne
gewone welwillendheid, de vereischte vergunning.

Zonder verwijl hield de heer E... zich nu onledig met de
toebereidselen voor onze reis: alles werd zoo ingericht, dat ons
verblijf zoo aangenaam en gemakkelijk mogelijk zou zijn. Daar
wij ongeveer een week op Moorea zouden vertoeven, was het noodig
een goeden voorraad levensmiddelen mede te nemen, tenzij wij ons
tevreden wilden stellen met de inlandsche keuken, waartoe wij niet
veel lust gevoelden. De eenige plaats, waar wij op een europeesch
gastvrij onthaal konden rekenen, was in de baai van Papetoai, waar
de heer M..., een italiaansch geneesheer, een fraaie suikerplantage
bezat. Een mijner kennissen van de militaire societeit te Papeete,
de heer Vallès, gepensioneerd kapitein der mariniers, die mede in
dit gedeelte van het eiland woont en zich met landbouw bezig houdt,
had mij doen beloven dat, zoo ik ooit op Moorea kwam, ik bij hem
mijn intrek zou nemen. Doch daar de baai van Papetoai zoo wat ter
halverwege op onze voorgeschreven reisroute lag, moesten wij toch
een aanzienlijken voorraad mondbehoeften medenemen.

Wat de vervoermiddelen aangaat, was de heer E... spoedig en geheel naar
wensch geslaagd. Hij had eene overeenkomst getroffen met het opperhoofd
van Afareaitoe, die naar Papeete was gekomen om bij de begrafenis
van Teriínoeïmoanaiterai tegenwoordig te zijn: hij zou eerlang naar
Moorea terugkeeren, en wij zouden in zijne sloep medevaren. Dag en
uur van vertrek was bepaald; maar toen onze bagage ter inscheping op
de kaai gereed lag, deelde de bemanning der sloep ons mede, dat er
nog geen bevel gegeven was om te vertrekken. De heer E..., die in
den loop van den ochtend het opperhoofd in niet volkomen nuchteren
toestand had ontmoet, begrijpt aanstonds waaraan dit oponthoud is
te wijten. Wij gaan mitsdien onzen vriend opzoeken, en vinden hem,
tamelijk beschonken, drinkende in gezelschap van den jongsten zoon
der koningin. De kerel zegt ons, dat hij niet wil vertrekken.

Wat nu te doen? De heer E... is woedend, maar met dien dronkaard
valt niet te redeneeren. Wij keeren naar de kaai terug, waar de heer
B... is achtergebleven om op de bagage te passen; hij deelt ons mede,
dat de eigenaars van onderscheidene sloepen vurig wenschen naar hunne
woning terug te keeren, maar dat zij op last der koningin verplicht
zijn te Papeete te blijven.

De heer E... zegt, dat hij in het belang der dienst opheffing van dat
verbod zal vragen, wanneer een der eigenaars wil beloven, dat hij
onmiddellijk vertrekken zal, zoodra Pomare daartoe toestemming zal
gegeven hebben. Een hunner is daartoe gaarne bereid, en wij begeven
ons zonder verwijl naar de koningin, bij wie wij ook aanstonds worden
toegelaten. De arme vrouw zit neergehurkt op een mat; haar gelaat
draagt nog de duidelijke sporen van het verdriet, door het overlijden
harer kleindochter haar veroorzaakt. Een harer schoondochters, de
"Prinses van Joinville", legt haar uit wat wij eigenlijk verlangen. De
koningin antwoordt, dat zij niemand verboden heeft te vertrekken,
zoodat hier waarschijnlijk aan een misverstand is te denken. Wij danken
haar voor haar welwillendheid, en keeren haastig naar de kaai terug. In
een oogwenk is nu onze bagage aan boord gebracht, en wij zijn op weg.

Van Tahiti gezien, schijnt het eiland Moorea bij uitnemendheid schoon,
vooral door de fantastische gestalten der eigenaardig gevormde
bergtoppen. Een daarvan, die tot de hoogste en steilste behoort,
is juist onder den bovensten top geheel doorboord. Reeds op onzen
tocht van Papeete naar de haven van Phaeton, had deze zonderlinge
opening in den berg onze aandacht getrokken. Volgens de legende,
zou dat gat veroorzaakt zijn door de lans van een der aloude reuzen,
die zijn wapen met kracht tegen den rotswand had geslingerd.

Ongelukkig is het bladstil; de zonnestralen vallen loodrecht op ons
neder. Al de Kanaks zijn bezig met roeien; zij zijn aan dien arbeid
gewoon, en dank aan hunne stevige vuisten, gaan wij vlug vooruit. In
mijne hoedanigheid van zeeman, wordt mij het roer toevertrouwd;
ik stuur zoo dicht mogelijk langs de Vaudreuil, die op het water
ingedommeld schijnt. Wij moeten elf zeemijlen afleggen, eer wij aan
het dorp Afareaitoe komen, waar wij zullen ophouden. Wel is er geen
wind, maar onze roeiers zullen wel zorgen dat wij vóór den nacht
aankomen, want de zee is spiegelglad en doodstil. Het is smoorheet;
om mijn brandenden dorst te lesschen, verslind ik een aantal versche
kokosnoten, die, zoo als men weet, eene aanzienlijke hoeveelheid vocht,
zoogenoemde kokosmelk, bevatten.

Een uur na ons vertrek, beginnen zich op de spiegelgladde oppervlakte
der zee enkele rimpels te vertoonen, de welkome boden van den zoo
lang verwachten wind. Viktorie! Na eenige aarzelingen, begint er
inderdaad, en wel uit de goede richting, een fiksche bries te waaien;
de roeispanen worden naar binnen gehaald, en de twee zeilen der
sloep geheschen.

Er zijn in het geheel een dozijn menschen aan boord, waaronder
eenige vrouwen en kinderen. Allen zijn even opgewekt en vroolijk;
sommigen rooken of zingen, om den tijd te verdrijven; anderen houden
hunne siësta. De inlandsche sigaren worden op de eenvoudigste
wijze vervaardigd: een op het vuur gedroogd tabaksblad wordt in
een pandanusblad gewikkeld--en de sigaar is gereed. Die de sigaar
aansteekt, doet er twee of drie trekken aan, blaast den rook door
zijn neus uit, en reikt de sigaar vervolgens aan zijn buurman over;
zoo gaat zij van mond tot mond, tot zij geheel opgerookt is.

Zoodra de zeilen geheschen zijn, neemt de eigenaar mijne plaats
aan het roer in. Een uur voor zonsondergang varen wij een ruime
baai binnen, gevormd door het rif, dat, even als bij Tahiti, het
eiland op eenigen afstand als een gordel omgeeft. Wij leggen aan
voor het dorp Afareaitoe: het is bijna verlaten, daar schier al de
inwoners naar Papeete waren gegaan, om bij de begrafenis der prinses
met den onuitsprekelijken naam tegenwoordig te zijn. De vader van
onzen drinkebroer, die te Papeete is achtergebleven, neemt, bij de
afwezigheid van zijn zoon, de functiën van opperhoofd waar; hij komt
ons plechtstatig begroeten en welkom heeten. Onze bagage wordt naar
de woning van het opperhoofd gebracht, waar de ambtenaren der kolonie
het recht hebben, hun intrek te nemen.

Het uur voor het middagmaal, waarnaar wij zeer verlangden, was
daar. Hetgeen het opperhoofd ons had aan te bieden, was voor
europeesche magen van niet veel beteekenis. Echter gelukte het
ons, eenige versch gevangen visch te koopen; gevogelte was er in
het dorp in overvloed. Wij kochten een jongen haan, die verschrikt
wegvluchtte toen men hem wilde pakken: ik joeg hem een kogel na, die
hem neervelde. Terwijl de heer B.... en de secretaris der commissie
zich onledig houden met het bereiden van onzen maaltijd, en de heer
E.... aan den mutoi van het distrikt de noodige bevelen geeft om de
hier gevestigde Europeanen van de komst der commissie te verwittigen,
ga ik het dorp eens bekijken, hetgeen niet veel tijd vordert.

Een beek, die ten oosten langs het dorp vloeit, biedt eene uitmuntende
gelegenheid aan om een bad te nemen. De oevers zijn geheel bezet
met zwaar geboomte, waarvan de overhangende takken boven het heldere
murmelende water een dicht gewelf vormen, waardoor de zonnestralen
zich niet dan met moeite een weg kunnen banen. Bijna al die beeken
en riviertjes vormen zoo, van afstand tot afstand, liefelijke, wel
beschaduwde kommen, die u uitlokken tot het nemen van een verfrisschend
en weldadig bad.

Terugkomende, vond ik de tafel gereed onder de veranda voor het
huis. De maaltijd liet niets te wenschen over, en onze geïmproviseerde
koks verdienden ten volle de complimenten, die hun wegens hunne
bekwaamheid werden gebracht. Het opperhoofd, uitgenoodigd met ons aan
te zitten, liet zich de spijzen voortreffelijk smaken, zoodat onze
voorraad erg verminderde; wij besloten dadelijk, dat deze uitnoodiging
niet zou worden herhaald. Welk een virtuoos in het eten was die man!

Na afloop van den maaltijd, dien wij gedeeltelijk bij lamp- en
kaarslicht genoten--de lamp was met gezuiverde kokosolie gevuld--,
begaf zich ieder naar de voor hem bestemde kamer. De dag was vrij
vermoeiend geweest, en na nog een uurtje gepraat te hebben, gingen
wij ter welverdiende ruste. De overige bewoners van het dorp en onze
gastheer hadden zich reeds te bed begeven.

De volgende dag was een zondag; den geheelen morgen door regende
het onophoudelijk: aan uitgaan viel niet te denken, en wij hadden
geen enkel boek bij ons. Wij wisten geen beter middel om den tijd te
dooden, dan te gaan kaartspelen. Gelukkig bracht de namiddag ons eenige
afwisseling; de weinige bewoners, die in het dorp waren achtergebleven,
begaven zich, als naar gewoonte, ter kerk, die nabij de woning van
het opperhoofd staat. Ook wij gingen daarheen. De houding der kleine
gemeente was alles behalve stichtelijk; de toehoorders, meest vrouwen
en kinderen, zaten en lagen, in de meest achtelooze houdingen, op de
matten, die den vloer bedekten. Bij afwezigheid van den engelschen
zendeling, nam het opperhoofd zelf de dienst waar.--Wij keeren naar
huis terug, om onze siësta te houden. De heer E.... komt nu tot
de ontdekking, dat de oude vrouw, die bij het opperhoofd inwoont,
de deur heeft opengebroken van de kamer, waar onze voorraad bewaard
wordt. Het blijkt dat zij den wijn en de sterke dranken duchtig heeft
aangesproken; trouwens haar gelaat vertoont daarvan de onmiskenbare
sporen, al houdt zij sterk en stijf staande, dat zij niet meer dan
een slokje geproefd heeft. Wat zij gebruikt had, zou voldoende geweest
zijn om drie sapeurs dronken te maken!

Intusschen was het nog harder gaan regenen; wij moesten dus wel
rustig onder de veranda blijven zitten. Het opperhoofd is een suffige
grijsaard, dien wij vergeefs aan het praten trachten te brengen;
hij verstaat ons maar half, en schijnt meer of min kindsch.

Den volgenden morgen, bij het aanbreken van den dag, gaan wij--de
heer E.... en ik, vergezeld van eenige Kanaks--op weg, om wilde
varkens te schieten; onze gidsen verzekeren ons, dat wij die dieren
op korten afstand van het dorp zullen aantreffen. Intusschen keeren
wij, na een uiterst vermoeienden marsch door het dichte kreupelhout,
terug, zonder een varken gezien of een schot gelost te hebben. De
heer E.... houdt zich dien dag verder bezig met de inschrijving van de
europeesche bevolking uit den omtrek. Drie of vier arme drommels, half
verwilderd en verstompt door een langdurig verblijf in het eiland,
komen zich aanmelden. Een hunner, een gewezen scheepstimmerman,
heeft bijna al de sloepen van het eiland gemaakt.

Wij hebben nu te Afareaitoe niets meer te doen; ons vertrek wordt
mitsdien tegen den volgenden morgen bepaald.

Door den aanhoudenden regen was de toch niet al te goede weg van
het eiland totaal onbegaanbaar geworden; er was maar één paard
te krijgen; de voorraad, dien wij medegenomen hadden, was reeds
belangrijk geslonken. Ik voelde weinig lust om de reis voort te
zetten, die waarschijnlijk vrij lang zou duren en de moeite niet
loonen. Ik besloot dus naar Papeete terug te keeren, te meer daar
ik geen misbruik wilde maken van het mij toegestaan verlof. Toen
ik mijn besluit aan den heer E.... mededeelde, trachtte hij mij wel
beleefdheidshalve te overreden bij hem te blijven: maar het kostte mij
niet veel moeite om hem te overtuigen dat dit niet wel mogelijk was,
daar zijn reis te lang zou duren. Op onze navraag, vernamen wij, dat
den volgenden dag een sloep met katoen naar Papeete zou vertrekken:
ik besloot van dit gunstig toeval gebruik te maken, en kwam met den
eigenaar overeen dat ik mede zou varen.

Bij het aanbreken van den dag, is ieder op de been. Mijne vrienden
brengen hunne bagage in een vaartuig, dat zij gehuurd hebben om hen
naar het dorp te voeren,  dat de heer E.... moet bezoeken. De mutoi van
Afareaitoe komt met het eenige paard, dat hij heeft kunnen vinden; de
heer E.... zet zich in den zadel; ik neem afscheid van mijne vrienden,
en wij wenschen elkander goede reis.

Ik wacht nu rustig het uur van vertrek af. Eindelijk verschijnt
de eigenaar van het vaartuig, natuurlijk dood op zijn gemak. Door
zes sterke armen opgetild, waarbij ik mijne zwakke pogingen voeg,
is de sloep weldra te water gebracht, waarna de riemen, de zeilen
en de reusachtige katoenbalen aan boord worden gedragen. Wij volgen
op onze beurt: drie mannen, twee oude vrouwen, een kind en ik. Ik
kijk nog eens naar het weer: in de baai is het stil, maar uit het
zuidoosten komen met groote snelheid zwarte lage wolken opzetten,
die ons overvloedig met regen overstroomen. Ik maak de eigenaar
opmerkzaam op het ongunstige voorkomen der lucht. Hij antwoordt:
"Mea matai!" (zeer goed)--"Dan, vooruit maar!"

Onze roeiers brengen ons spoedig aan de andere zijde der baai: er
is nog geen wind. Het buitenste rif ligt achter ons; daar gaat een
geweldige branding: de hooge woeste golven schijnen zich te willen
vereenigen met de zwarte wolken, die daarover heen jagen. De zeilen
worden geheschen: naarmate wij in de open zee komen, laat de wind
zich sterker gevoelen; de hemel wordt al donkerder; de wind groeit
tot een storm, en weldra zijn wij verplicht onophoudelijk het water
uit te scheppen, dat over den rand der  sloep heenslaat. Een felle
windvlaag verbrijzelt onzen mast; de regen valt bij stroomen neder;
en hoewel wij vrij dicht bij Tahiti zijn, kunnen wij toch niets
van de kust onderscheiden. De wind drijft ons met snelheid voort,
en ik begin mij ernstig ongerust te maken over den afloop van onzen
tocht. Het kanaal van Papeete is, zooals ik zeide, niet meer dan
eene smalle opening in het rif: missen wij die, dan zal de sloep
ongetwijfeld op de koraalbank verbrijzeld worden.

Weldra hooren wij het donderend gebrul der golven, die met woest geweld
op het rif aanrollen: het kritieke oogenblik nadert. Bij het voor
een oogenblik doorbrekend licht, zien wij gedurende eenige sekonden
het eilandje Motoe-Oeta, waarvan de kokosboomen door den storm heen
en weer worden geschud: wij zijn dus in de goede richting. Echter
is het gevaar nog niet geweken: geweldige golven bewegen zich in
schuine richting door het kanaal: het is bijna onmogelijk, dat
wij zonder ongelukken daar doorkomen. Wij zijn voor den ingang:
en dank zij de vastberadenheid en bekwaamheid onzer manschappen,
dank zij ook de bescherming des hemels, komen wij zonder ongeval,
door de machtige golven gedragen, in de kalme baai van Papeete, van
nu af veilig achter de zware dijken van koraal, waarop de machtelooze
oceaan vergeefs zijne woede verspilt.


V.

De Tahitianen behooren mede tot de groote volkenfamilie,  die al
de eilanden bewoont, begrepen binnen een lijn, die, uitgaande
van Nieuw-Zeeland, de Wallis-eilanden, den Samoa-archipel, de
Sandwich-eilanden en het Paascheiland omvat.

Al de eilanden binnen en langs den omtrek van dien wijden veelhoek
zijn bewoond door een koperkleurig ras, dat zich van de naburige
volksstammen kennelijk onderscheidt door de kleur zijner huid,
de schoonheid zijner vormen, door zijne ver boven het middelmatige
reikende gestalte, en door de over het algemeen zachte en vriendelijke
uitdrukking zijner gelaatstrekken: dit laatste natuurlijk alleen
voor zoover men zich niet, ten einde er verschrikkelijk uit te zien,
het gelaat op kunstmatige en vaak pijnlijke wijze misvormt, hetzij
door zich te tatouëeren of met schelle kleuren te beschilderen. Deze
eilanders zijn aanstonds op het eerste gezicht kenbaar als behoorende
tot dezelfde familie, die zij, volgens hunne verschillende dialekten,
met den naam van mahori of mahoi noemen. [17]

Dat al deze eilandengroepen, wat de nationale traditiën en de taal
aangaat, door een gemeenschappelijken band verbonden zijn, is een
onloochenbaar feit voor ieder, die ze immer bezocht. Mijne reis
met de Vaudreuil, waarmede ik de Markiezen-eilanden, de Toeamotoe,
de Gambier-eilanden, den archipel van Tahiti, de Tonga, de Samoa, de
Wallis- of Oewea-eilanden, de groep van Hoorne en de Sandwich-eilanden
aandeed, heeft mij ten volle overtuigd van den gemeenschappelijken
oorsprong van al deze volken.

De bewoners der Sandwich-eilanden zeggen nog heden, afkomstig te
zijn van Borabora, het kleinste der Gezelschaps-eilanden; hunne
kosmogonische overleveringen verschillen ter nauwernood van die van
Tahiti en Nieuw-Zeeland; de regels hunner taal zijn dezelfden.

De eerste zeevaarders, die deze eilanden bezochten, meenden dat de
bewoners, de passaatwinden volgende, van het oosten gekomen waren:
mitsdien zou Zuid-Amerika hun oorspronkelijk vaderland zijn. Ik kan
deze meening niet deelen. Eene meer nauwkeurige bekendheid met deze
zeeën heeft geleerd, dat op zekere tijden des jaars, de westenwinden
telkens gedurende een tijdperk van drie tot veertien dagen achtereen
heerschen. Ligt het niet voor de hand, dat de landverhuizers juist
van dezen wind hebben gebruik gemaakt voor hun steeds verder naar
het oosten reikenden tocht? Bovendien kunnen wij ons beroepen op het
voorbeeld van den archipel van Toeamotoe, die geheel aan het eiland
Anaa onderworpen is. De bewoners van dit eiland hebben, in eene lange
reeks van krijgstochten, die misschien vele eeuwen geduurd hebben en
waarvan de laatste nog tot onzen tijd behoort, al de oostwaarts van hen
gelegen eilanden voor en na gedwongen hun oppergezag te erkennen. Zij
vertrokken met den westenwind naar die deels bekende, deels nog te
ontdekken eilanden, wel wetende dat de doorgaans heerschende wind hen,
na korter of langer tijd, den terugkeer naar hun vaderland mogelijk
zou maken. Nog tegenwoordig leggen de bewoners der Marshall-eilanden,
in hunne pros of prauwen, zeer aanzienlijke afstanden af.

In den archipel van Tahiti is het eiland Raiatea het heilige land, de
bakermat der godsdienst en van het vorstelijk gezag. De koningen van
Tahiti dragen er roem op, van daar af te stammen; bij sommige plechtige
gelegenheden moesten de voornaamste en oudste marae van Tahiti en
Moorea derwaarts menschenoffers zenden. De overlevering, die, hoe ook
verzwakt, nog niet geheel is uitgestorven, bevestigt mede de meening
van hen, die zeggen dat de archipel bevolkt is door landverhuizers
uit het westen. In de eerste tijden van ons protektoraat, plachten de
grijsaards, over den oorsprong huns volks ondervraagd, zonder aarzelen
te antwoorden dat de bakermat van hun geslacht stond aan de zijde waar
de zon ondergaat. De inboorlingen van den Tahiti-archipel schijnen ten
allen tijde kennis te hebben gedragen van het bestaan van Tonga-Taboe,
van de Samoa-eilanden, van Cook's archipel en van de Toeboeaï-eilanden;
daarentegen hebben zij de Gambier- en de Markiezen-eilanden eerst
leeren kennen door de Europeanen. Toch liggen de Gambier-eilanden dicht
bij de Toeamotoe, eene kolonie van Tahiti, bevolkt door inboorlingen
van het distrikt Afaáhiti, die door hunne buren uit het distrikt Hitiaá
waren verjaagd. Deze uitgewekenen of ballingen zijn dan toch van het
westen gekomen. Waarschijnlijk was het aanvankelijk hun voornemen,
met de doorgaans heerschende oostenwinden weer terug te koeren; zij
hebben zich vervolgens nedergezet op de eilanden, die zij toevallig
op hun weg ontmoetten, zouder dat de tijding hunner vestiging in
hun vaderland bekend werd. De Toeamotoe-eilanden konden nog niet
geheel op zich zelven staan en afgezonderd blijven: daar zij pas
voor korten tijd bevolkt waren, werden de bewoners nu en dan, hetzij
door behoefte, hetzij door oude gehechtheid en herinnering,  genoopt
naar Tahiti terug te koeren. Maar is het, in het algemeen genomen,
niet zeer begrijpelijk en waarschijnlijk dat zij, die, misschien ten
gevolge van den oorlog of om andere redenen, min of meer gedwongen,
hun land hadden verlaten, als zij eindelijk, na een avontuurlijken
en gevaarlijken tocht, een veilig strand hadden aangetroffen en een
bodem waar zij het noodige voor hun levensonderhoud vinden konden,
nu ook daar bleven, zonder ooit meer aan terugkeer te denken?

Er is nog een ander bewijs: de geleidelijke en toenemende verdwijning
van de eigenaardige kenteekenen van het maleische ras, namelijk het
stroeve stugge lange hair, en de schrale maar gespierde ledematen:
kenteekenen, die op Tonga-Taboe nog vrij algemeen voorkomen,  maar die
op Tahiti reeds veel zeldzamer zijn, en op de Toeamotoe-eilanden bijna
in het geheel niet meer gevonden worden. Hoe verder naar het oosten,
hoe meer de verbastering van het oorspronkelijk maleische ras in het
oog valt, en dat niet alleen ten aanzien van den lichaamsbouw, maar ook
met opzicht tot de taal, die evenzoo gaandeweg verbastert. Deze feiten
schijnen te wijzen op eene latere volksverhuizing,  die denzelfden
weg als de eerste heeft gevolgd, en die de oorspronkelijke bewoners
heeft onderworpen en er zich later mede vermengd. De sporen dezer
vermenging zijn duidelijker en van blijvender aard, naarmate men
dichter bij het uitgangspunt bleef.

Om de toenemende ontvolking dezer eilanden te verklaren, heeft men
verschillende oorzaken opgegeven:  onderlinge oorlogen, epidemiën,
kindermoord zijn daarvan de voornaamste. Maar ook als men de
waarschijnlijke verliezen optelt, die het totaalcijfer der bevolking
door deze verschillende oorzaken heeft kunnen ondergaan, dan nog
schijnt men ver beneden de werkelijke vermindering der bevolking
te blijven. Het is aan geen twijfel onderhevig, of de verschijning
der blanken is voor deze eilanders allernoodlottigst geweest, een
feit van doodelijke gevolgen, even als in alle landen, waar wij met
het koperkleurige ras in aanraking zijn gekomen. Wat de ontvolking
door oorlogen aangaat--deze kan niet zoo groot zijn, als men in
aanmerking neemt dat de inboorlingen geen andere wapenen kenden dan
knods, pijl en boog, dat gevechten van man tegen man zeldzaam waren,
en dat de strijd meestal geleverd werd in een bosch, waardoor de
verslagen partij overvloedig gelegenheid vond om zich spoedig door
de vlucht te redden. In den hardnekkigsten en bloedigsten veldslag,
waarvan de herinnering tot heden is bewaard gebleven, sneuvelden
nog geen vierhonderd man.--Kindermoord was vrij algemeen. Deels
werd die misdaad bedreven door zeer jonge meisjes, die zich wilden
onttrekken aan de lastige verzorging harer kinderen; deels door de
aanhangers van de sekte der arioi, waarbij het gebruikelijk was de
kinderen te dooden: maar deze sekte, waarover straks nader, was van
streng aristokratische natuur en in verhouding tot de bevolking
des lands zeer weinig talrijk. Bovendien wisten vele aanhangers
der sekte hunne kinderen te verbergen, en stelden zij zich liever
bloot aan het gevaar, uit de vereeniging gebannen te worden,  dan
naar het bevel hun kroost te vermoorden. Daar staat tegenover, dat
de vrouwen van haar zestiende tot over haar veertigste jaar kinderen
ter wereld brachten; gezinnen van vijftien kinderen waren toen niet,
als nu, eene zeldzaamheid. Men mag dus met eenigen grond aannemen,
dat ook de kindermoord geene belangrijke vermindering heeft te weeg
gebracht bij eene bevolking, die zich zoo sterk vermenigvuldigde.

Ongetwijfeld hebben tot die vermindering het meest de epidemiën
bijgedragen. Bijna allen hebben zij het karakter aangenomen van
dyssenterie, alleen met uitzondering van de oovi. En toch openbaart
ook deze ziekte zich het eerst in de ingewanden, van waar zij zich,
van ondragelijke pijnen vergezeld, door al de leden verspreidt,
zoodat zij, die er niet van sterven, toch in den regel een hunner
ledematen verliezen, dat verlamd en verdord is, en somwijlen tot
verrotting overgaat. Eene andere ziekte, die soms de bevolking van
gansche distrikten deed uitsterven, is de ohoeretoto, mede een soort
van dyssenterie.

De melaatsheid of fefe (elephantiasis) is een soort van chronische
ziekte, ongeveer zoo als de jicht, die niet kan genezen worden,
maar waarmede men zeer oud worden kan. Men vindt weinig lieden van
zekeren leeftijd, die van deze ziekte vrij zijn gebleven. In den
aanvang vertoonen zich op het lichaam geen builen of gezwellen; de
lijder heeft hevige pijn, vergezeld van koorts; de zetel der ziekte
is bij de onderscheidene patiënten verschillend, maar zij keert bij
denzelfden patiënt meermalen in dezelfde lichaamsdeelen terug. De
heupen, de ruggegraat met inbegrip van de hersenen, en de onderbuik
worden doorgaans het eerst en het meest aangetast; later openbaart
zich de zwelling bij voorkeur in de beenen, maar ook dikwijls in de
handen en armen; die zwelling, eens begonnen, neemt voortdurend toe,
met meer of minder snelheid, naar gelang van het individu, en wordt
eindelijk zoo hinderlijk, dat de patiënt in het gezwollen lid eenige
insnijdingen moet laten doen: hij raakt dan eene groote hoeveelheid
water kwijt, waardoor de zwelling tijdelijk vermindert. Na verloop van
zekeren tijd vormen zich builen en zweeren, die van zelve schijnen te
zullen opengaan. Vrouwen zijn minder onderhevig aan deze ziekte, die
bij haar zelden verder gaat dan de periode der zwelling. Op sommige
plaatsen heerscht de fefe sterker dan op andere; de inboorlingen
schrijven dit voornamelijk toe aan de hoedanigheid van het drinkwater.

De blanken, die naar de wijze der inlanders leven, worden er ook
zeer dikwijls door aangetast; opmerkelijk is het, dat een reisje van
eenige maanden naar de kust van het vaste land gewoonlijk volledige
genezing aanbrengt; maar als men dan terugkeert, kan men er ook bijna
zeker van zijn, onmiddellijk weer aangetast te worden. Rhumatiek is
zeer algemeen, zelfs bij jonge menschen; maar het klimaat ontneemt
daaraan het gevaarlijke en blijvende karakter; de lijders wrijven
zich als zij pijn gevoelen en gaan dan een bad nemen. Bij bejaarde
menschen wordt de rhumatiek een onafscheidelijke metgezel, die hen
bitter lijden doet. Het klimaat en de levenswijze der inlanders maken
verkoudheid tot eene zeer algemeene kwaal. Daar men er in den regel
geen acht op slaat, gebeurt het dikwijls dat de borst wordt aangedaan:
van daar een aantal teringlijders van iederen leeftijd.

Vroeger, voor de aankomst der protestantsche zendelingen,  bestonden
er op Tahiti drie onderscheidene standen of kasten, die scherp van
elkander onderscheiden waren. De eerste was die der arií of vorsten;
de tweede die der raátira, kleine opperhoofden of wel eenvoudige
grondbezitters; de derde omvatte de manahoene of het volk.

De arií waren heilig en met bovennatuurlijke vermogens begaafd;
de spijs, die zij hadden aangeraakt, was taboe, en een doodelijk
vergif voor allen, behalve voor degenen, die ook tot de kaste der
vorsten behoorden. Onder deze arií was er een familiehoofd, waaraan
alle anderen ondergeschikt waren. Dit was dikwijls een kind, en bijna
altijd een jonkman, want zoodra hij een zoon had, werd dit kind het
wettige hoofd, en de vader vervulde van nu aan de rol van regent. Eene
soortgelijke gewoonte heerschte toen in alle familiën; en zelfs nog
tegenwoordig heeft deze eigenaardige vereering der kindschheid stand
gehouden, in weerwil van het toenemend zedenbederf, en heeft zij
alleen de aloude voorvaderlijke overleveringen overleefd.

Deze arií waren waarschijnlijk de afstammelingen van de laatste
veroveraars, die deze eilanden onderworpen hadden. Zij hadden zoo
vele rechten en voorrechten en zoo weinig plichten, het volk was hun
zoo volkomen onderdanig en vereerde hen zoo hoog, dat hunne macht
reeds vóór lang moet gevestigd zijn geweest. De naam arií vindt men
met geringe afwijkingen, zooals ariki, akariki, kariki, enz., overal
terug, van de grenzen van oostelijk Polynesië tot Nieuw-Caledonië,
Nieuw-Holland, en zelfs op Madagaskar, zoowel als op de westelijke
eilanden; waarschijnlijk brachten de veroveraars dien naam met zich:
van waar hij afkomstig is, weet ik niet.

De raátira (ook deze naam vindt men in alle archipels,  van de
Toeamotoe tot Madagaskar), waren blijkbaar in rang verheven boven
de lieden, die niets bezaten, maar stonden ver beneden de arií, die
met even onbeperkte macht over hen heerschten als over de massa des
volks. Het eenige wat de raátira met de arií gemeen hadden, was dat
ook zij met het adellijke meervoud werden aangeduid.

De manahoene konden hunne kaste niet dan door bijzondere gunst
verlaten; zij konden tot raátira worden verheven, als de grond, dien
zij slechts in vruchtgebruik bezaten, hun in eigendom geschonken werd;
maar dit gebeurde niet dikwijls. Zij konden ook teoeteoe arií, dat wil
zeggen dienaars van een vorst, worden; dan bezaten zij dikwijls eene
groote mate van macht en invloed, maar slechts als vertegenwoordigers
van den vorst, dien zij dienden: alleen in den geheiligden naam van
den arií konden zij gehoorzaamheid en eerbied vorderen. Dit was het
hoogste toppunt, waartoe zij zich verheffen konden.

De marae of oude tempels waren hoogst eenvoudig. In zijn
oorspronkelijksten vorm bestond die tempel uit eene ongeveer
rechthoekige omwalling, en uit een altaar, dat omstreeks in
het midden der ruimte stond en de gedaante had van een recht
parallelepipedum. [18] In de marae, op Tahiti en Moorea gevonden,
heeft het altaar doorgaans eene andere gedaante: het parallelepipedum
eindigt in trappen, die zich over de gansche lengte van de groote
zijde, aan de voorzijde van den marae, uitstrekken. Het getal dier
trappen verschilde; doorgaans bedroeg het niet meer dan drie. Deze
altaren hadden veel overeenkomst met die, welke men in onze kerken
ziet; slechts was de bewerking veel ruwer, en waren zij ook van veel
grooter afmetingen, want sommigen moeten wel eene hoogte van vijftien
el hebben bereikt.

Voor den bouw dezer tempels gebruikte men rotsblokken of ook wel
koraal.

Onder de eigenaardige instellingen van deze eilandengroep komt
ongetwijfeld eene eerste plaats toe aan het beruchte genootschap der
arioi, dat tegelijk met het heidendom verdwenen is. Als stichter
dezer vereeniging noemt men zekeren Horotetefa; aanvankelijk van
weinig beteekenis, had zij zich gaandeweg over al de eilanden van den
archipel uitgebreid. In de laatste jaren van haar bestaan, omvatte zij,
naar men beweert, een vijfde deel der geheele bevolking van elk eiland.

De hoofdvoorwaarde voor het lidmaatschap was, geen kinderen te hebben:
die moesten bij hunne geboorte aanstonds gesmoord worden. Het lichaam
van den kandidaat werd ingesmeerd met de roode kleurstof van den mati
(ficus tinctoria). De hoofden werden alleen verkozen op voorwaarde
dat zij geene levende afstammelingen mochten hebben. Er waren onder
hen verschillende rangen; de lageren waren niet meer dan de bedienden
van de hooger geplaatsten, die, als lieden van rang geëerd, geene
andere bezigheid hadden, dan zich voor zonsondergang in de rivier
te gaan baden, zich het hoofd te bekransen met bloemen, door anderen
voor hen geplukt, en den mond open te doen om de spijs te ontvangen,
dien arioi van minderen rang hun aanboden. Het leven dezer lieden
was een voortdurend feest, verdeeld tusschen dans en zingenot;  de
vrouwen waren onderling gemeen. De arioi, wien een kind geboren word,
werd als onteerd beschouwd en uit het genootschap gebannen, indien
hij het niet aanstonds om het leven bracht.

Even als de anderen, gingen ook zij naar den marae, en namen getrouw
hunne godsdienstplichten waar. Zij bezaten sommige privilegiën,
volgens hun rang; zoo mochten zij zich, bij voorbeeld, sommige zaken
zonder betaling toeëigenen; zij kwamen ook bijeen voor de woningen
der vorsten, van wie zij kleedingstoffen ten geschenke ontvingen,
want zelven vervaardigden zij niets.

Doch alleen in vredestijd leidden de voornaamste arioi dit weelderige
leven. In den oorlog waren zij de getrouwste wapenbroeders des konings,
en muntten zij in den regel door hunne dapperheid boven anderen
uit. De vereeniging was eene ware kweekplaats van krijgslieden, die
zich echter niet door voortplanting, maar door aanwerving in stand
hield en uitbreidde. Staatkundigen invloed bezaten de arioi niet;
zij bleven steeds aan de vorsten en hoofden onderworpen. Uitnemende
soldaten in tijd van oorlog, sleten zij in vredestijd hunne dagen in
uitspatting en zingenot: hunne vereeniging had nooit een hooger doel
dan bevrediging van den lust der zinnen. Zij konden dus moeielijk
iemands achterdocht opwekken, en vooral aan deze omstandigheid moet
het lange bestaan dezer zonderlinge vereeniging worden toegeschreven.


VI.

Wij besluiten met een blik op het tegenwoordige Tahiti. Wij zullen hier
geen verhaal geven der gebeurtenissen,  die tot onze tusschenkomst op
Tahiti voerden. De eerste aanleiding daartoe was de komst op het eiland
van de heeren Laval en Carret, fransche katholieke missionarissen,
die vroeger op de Gambier-eilanden gevestigd waren. Hunne prediking
lokte botsingen uit met de regeering, die onder den invloed stond
der engelsche protestantsche zendelingen; er ontstond eene vervolging
tegen de Katholieken, die Frankrijk eindelijk noodzaakte tusschenbeiden
te komen. Er moesten echter verscheidene bloedige gevechten geleverd
worden, eer de fransche vlag voor goed op het eiland woei, dat later
onder fransch protektoraat werd geplaatst.

Pomare, de tegenwoordige koningin van Tahiti, is in 1813 geboren;
in 1822 huwde zij voor de eerste maal met Tapoa, welk huwelijk
kinderloos bleef; zij liet zich daarom van hem scheiden en huwde
toen met Ariífaáite, een der schoonste mannen van den geheelen
archipel. Haar oudste zoon is den 13den Mei 1855, in den ouderdom van
achttien jaar, aan eene borstziekte overleden, meer dan waarschijnlijk
het gevolg der woeste uitspattingen van allerlei aard, waaraan hij
zich had overgegeven. De tegenwoordige troonopvolger, Ariíaoëe, is
in 1839 geboren. De andere kinderen der koningin zijn: de prinses
Teriímaevaroea, in 1840 geboren, en sedert den 3den Augustus 1860
koningin van Borabora; prins Tamatoa, in 1842 geboren, en den 19den
Augustus 1857, onder den naam van Tamatoe V, tot koning van Raiatea
uitgeroepen, maar eenige jaren later door zijne onderdanen, die hij
op gruwelijke wijze mishandelde, afgezet; naar men zegt, is hij,
ondanks zijn buitensporig liederlijk leven, de gunsteling zijner
moeder; voorts prins Teriítapoenoeï, die kreupel is, in 1846 geboren,
de minst bekende der zonen van de koningin. De in 1848 geboren prins
Teriítoea Toeavira, die zijne opvoeding in Frankrijk ontvangen heeft,
is onlangs mede gestorven.

Het grondgebied der tot het protektoraat behoorende staten,--zijnde de
eilanden Tahiti, Moorea, Tetoearoa en Maïtea, de eilanden Toeboeaï,
Vavitoe en Rapa, de Toeamotoe- en de Gambier-eilanden,--is in
distrikten verdeeld; de bevolking is in dorpen gegroept. Elk inwoner
is verplicht, eene hut te bezitten, die in behoorlijken staat
van zindelijkheid moet worden onderhouden. Is de bevolking van een
distrikt weinig talrijk, dan wordt zij met die van een of meer naburige
distrikten vereenigd, om te zamen een dorp of gemeente te vormen.

Sedert 1855 wordt elk dorp bestuurd door een raad, die een zeer
uitgebreide macht bezit, en eigenlijk voor al de belangen der
gemeente te zorgen heeft. Deze raad bestaat uit het opperhoofd
(tavana, verbastering van het engelsche governor), tevens president;
uit den rechter, den eersten mutoi en twee raadsleden, die door  de
ingezetenen gekozen worden. Als er in het dorp geen rechter is, wordt
hij vervangen door een opzettelijk daartoe benoemd raadslid. In elk
dorp moet eene school zijn. In elk dorp zijn ook eenige inlandsche
policie-agenten, die onder den naam van mutoi imiroa, den hoofd-mutoi
bij de uitoefening zijner functiën behulpzaam zijn. Deze hulpagenten
worden door den raad gekozen.

De opgaven der verschillende zeevaarders omtrent de
bevolking van Tahiti loopen zeer uiteen. Cook schat die
op ruim tweehonderd-veertigduizend zielen; Forster op
honderd-twintigduizend. In 1797 geeft de zendeling Wilson het
vermoedelijk cijfer der bevolking op, als bedragende zestienduizend
personen van elken leeftijd in het geheele eiland. Het is waar,
dat Wilson reeds toen ten tijde gewag maakte van eene zeer snelle
vermindering der bevolking; maar zelfs wanneer men aanneemt, dat de
bevolking tusschen 1767, toen Wallis Tahiti bezocht, en 1797, met de
helft verminderd is--stellig een zeer overdreven cijfer--dan nog blijft
men ver beneden de fabelachtige cijfers van Cook en Forster. Trouwens,
de uitgestrektheid van het bewoonbare gedeelte des eilands en de
hoeveelheid zijner voortbrengselen bewijzen reeds voldoende dat deze
opgaven ver van de waarheid moeten afwijken.

Bij de voor hen zoo vreemde en verrassende verschijning der europeesche
schepen, zullen de toenmalige bewoners van Tahiti stellig op ruime
schaal hebben gedaan, wat hunne nakomelingen heden nog dikwijls
doen: namelijk de schepen overal op hun tocht volgen. Zoo zijn Cook
en Forster waarschijnlijk onwillekeurig misleid geworden, en hebben
zij de rondtrekkende bewoners van een zeker deel des eilands voor de
vaste bevolking van een bepaald distrikt aangezien.

Bij het doorkruisen van het binnenland van Tahiti, vindt men in
onderscheidene groote valleien sporen van oude woningen en grafsteden,
waaruit men heeft afgeleid, dat de bevolking, te talrijk om lang
de kust plaats te kunnen vinden, in lang vervlogen tijden voor een
deel naar het binnenland is verhuisd. De ondervinding tijdens onzen
krijg met de inboorlingen opgedaan, schijnt deze meening voldoende
te wederleggen. De overwonnen partij, door den overwinnaar, van wien
zij geen genade te hopen had, achtervolgd, verliet haar woningen
en akkers, en trok zich terug naar de dalen en valleien in het
gebergte, waar zij zich gemakkelijker kon verdedigen, en waar men
het niet licht zou wagen haar te volgen. Daar werden nieuwe woningen
gebouwd en nieuwe plantages aangelegd;  daar werden marae gesticht
en werden de dooden begraven, tot een keer in de krijgskans of wel
een dikwijls maar zeer voorbijgaande vrede, den uitgewekenen vergunde
naar hun distrikt terug te keeren, en naar den oever der zee, die de
inlander zoo lief heeft. De valleien van het eiland, de voornaamste
niet uitgezonderd, leveren te weinig op, dan dat men daar immer voor
goed zijne woonplaats zou hebben gevestigd: zij zijn zeker nooit iets
meer geweest  dan een tijdelijk toevluchtsoord. Een ander bewijs van
de overdrijving in de eerste opgaven ten aanzien der bevolking van
Tahiti, vinden wij in de voorschriften van dat genootschap der arioi,
waarvan wij boven spraken. Wij zeiden dat de kindermoord een wet was
voor de leden van dat genootschap. Van de verschillende redenen, die
men ter verklaring van dit barbaarsche gebruik heeft kunnen aanvoeren,
komt mij nog altijd deze de waarschijnlijkste voor, dat de vorsten en
hoofden de noodzakelijkheid hadden ingezien, om door alle mogelijke
middelen een al te snellen en te sterken aanwas der bevolking te
stuiten, en te voorkomen dat zij nooit zekere grenzen overschreed,
omdat anders het land niet meer in het onderhoud zijner bewoners zou
kunnen voorzien.

In het begin van 1848 heeft er eene volkstelling plaats gehad. Door het
bestuur waren alle mogelijke voorzorgsmaatregelen genomen, en niets
was verzuimd wat strekken kon om de juistheid der verkregen cijfers
te waarborgen. Blijkens de uitkomst dier telling was de bevolking
aldus verdeeld: op Tahiti, achtduizend-vijfhonderd-zeven-en-vijftig
zielen; op Moorea, veertienhonderd-twaalf zielen: alzoo in het geheel,
negenduizend-negenhonderd-negen-en-zestig inwoners.

In 1829 gaf de volkstelling op Tahiti, destijds door de engelsche
zendelingen met groote zorgvuldigheid verricht, dit resultaat:
achtduizend-vijfhonderd-acht-en-zestig personen: een cijfer, dat
op merkwaardige wijze overeenstemt met dat van 1848. Als men nu
in aanmerking neemt, dat verschillende ernstige epidemiën en een
tweejarige oorlog met Frankrijk niet onbelangrijke verwoestingen
moeten hebben aangericht, dan schijnt het wel als zeker te mogen
worden gesteld, dat de bevolking van Tahiti, van 1829 tot 1848,
eer is vermeerderd dan verminderd. Destijds was trouwens het bestuur
over het eiland in vaste en niet onbekwame handen; de oorlogen, die de
voornaamste hoofden tegen elkander voerden, hadden opgehouden; aan den
kindermoord, aan de menschenoffers, aan vele andere buitensporigheden
van allerlei aard, had het Christendom, door de engelsche zendelingen
gepredikt en ingevoerd, althans een einde gemaakt. Vóór dien tijd
is de bevolking van Tahiti waarschijnlijk wel sterker geweest dan
tegenwoordig, maar onmogelijk kan het verschil zoo groot geweest zijn,
als men zich dit doorgaans wel voorstelt. De heer Lessou, heelmeester
aan boord van de Coquille, schijnt mij toe, niet ver van de waarheid
te zijn, als hij de oorspronkelijke bevolking des eilands op circa
twaalfduizend zielen schat.

De volkstelling van 1 Januari 1863, de laatste die wij kennen,
had plaats onder gunstiger omstandigheden dan die van 1848. De
gemeente- of dorpsraden begonnen hunne functiën in de distrikten
uit te oefenen; de nauwkeurige uitvoering der kieswet van 22 Maart
1852, gewijzigd den 16den Februari 1857, waarbij bepaald is dat een
inlander om kiezer te zijn vijf jaar in een distrikt moet hebben
gewoond, gaf het middel aan de hand, om met volkomen juistheid het
cijfer te kennen der inwoners in elk der distrikten van Tahiti en
Moorea. Volgens deze telling bedroeg het totaal cijfer der bevolking
tienduizend-driehonderd-zeven-en-veertig inwoners van polynesisch
ras. Men mag veilig aannemen, dat dit cijfer het naast bij de
waarheid komt.

1 Maart 1873. De gepantserde korvet Atalante, die wij sedert eenige
dagen verwachtten, is de haven binnengeloopen. Dit schip voert
de vlag van den schout-bij-nacht kommandant der divisie van den
Stillen-Oceaan, waartoe ook de Vaudreuil behoort. De komst van de
Atalante is eene gebeurtenis van gewicht voor de gansche bevolking. De
muziek van de korvet speelt bijna iederen avond op het plein voor het
gouvernementshuis. Daarna trekken de muziekanten, met begeleiding
van fakkellicht, onder het spelen van een vroolijken marsch, naar
de kaai, om weer naar boord terug te keeren. Onnoodig te zeggen,
dat zij daarbij door de gansche menigte, eene wonderlijke mengeling
van Europeanen en inboorlingen, al zingende gevolgd worden.

Het vriendschappelijk verkeer, dat wij aanstonds met onze kameraden
van de Atalante hadden aangeknoopt, werd eensklaps afgebroken
door het bericht van het overlijden van de koningin van Borabora,
dochter van Pomare. Den 10den Maart stevenden wij naar Borabora, om
bij de begrafenis tegenwoordig te zijn. De echtgenoot der koningin,
Ariífaáite, die met ons medeging, scheen niet bovenmatig bedroefd over
den dood zijner dochter. Wij keerden dadelijk na de begrafenis naar
Papeete terug, waar, op den 18den Maart, de schout-bij-nacht inspectie
hield. Ondanks haar pas geleden verlies, kwam koningin Pomare aan boord
van de Atalante, om den opperbevelhebber een tegenbezoek te brengen.

De Atalante verliet ons den 21sten Maart; en ook voor ons naderde
met snelheid de dag van het vertrek; de Bruat, die de Vaudreuil kwam
aflossen, verscheen den 3den April.

Niet zonder diepen weemoed namen wij afscheid van het heerlijke
eiland Tahiti, zoo rijk aan natuurschoon, en waar wij een zoo gastvrij
onthaal gevonden hadden, ons dubbel welkom, na de vermoeienissen en
onberingen eener langdurige zeereis. De tijd, dien ik op dat eiland
gesleten heb, zal voor immer in mijne herinnering blijven leven,
als een der liefelijkste beelden uit mijn zeemansloopbaan.


Reis door Griekenland.


I.

Wij zaten aan tafel. Er was een vrij talrijk en vroolijk gezelschap
aan boord van de stoomboot; een aangename toon heerschte onder de
passagiers, ondanks--of misschien wel omdat--verschillende en zeer
uiteenloopende nationaliteiten onder ons vertegenwoordigd waren. Een
onzer medereizigers, een Franschman, die veel gereisd had, was
juist bezig ons een zijner avonturen in Nieuw-Caledonië te verhalen,
waarbij hij groot gevaar had geloopen, door de inboorlingen opgegeten
te worden; wij allen en hij zelf het eerst lachten hartelijk om het
fantastisch tooneel, dat hij ons voor de oogen schilderde,  toen
plotseling de gezagvoerder binnentrad en ons mededeelde, dat wij de
kust in het gezicht hadden.

Dat moest de kust van Griekenland zijn. In zonderlinge spanning,
spoedde ik mij naar het dek. Vlak bij ons, aan de linkerhand,
zag ik een donker, roodachtig gekleurd voorgebergte, dat loodrecht
uit zee oprees, en door de sterke branding met vlokken schuim werd
overspat; daarachter verhieven zich, amphitheatersgewijze, dorre
naakte heuvelen, en ver op den achtergrond,  met het hoofd in de
wolken, een met sneeuw bedekte bergtop. Nergens, in dit sombere,
woeste landschap eenig teeken van leven: geen enkele woning, geen
levend wezen, geen boom, geen grasspriet zelfs: niets dan doodsche
eenvormigheid en verlatenheid. Slechts een kleine brik laveerde met
moeite langs de kust, en deed haar best, om nog voor het vallen van
den avond uit dit vaarwater te komen, waar het, bij den opstekenden
zuidenwind, voor zeilschepen zeer gevaarlijk worden kon.

En dit was Griekenland, het land, waarvan de naam alleen, als een
zoete tooverklank, zoo vele liefelijke herinneringen mijner jeugd
wakker riep! Hoe menigmalen hadden wij niet, aan de akademie, met die
onvergetelijke klassieke herinneringen, met het oude Hellas, gedweept;
hoe menigmalen was niet de vurige wensch in ons opgerezen, dit land
te mogen aanschouwen, dien gewijden bodem te mogen betreden! Nu stond
die wensch voor mij vervuld te worden ... en dit was de eerste indruk!

Echter, laat ons niet te haastig oordeelen. Deze kaap Matapan of
Tenaros, zoo als zij eigenlijk heet, stond van oudsher in een kwaden
roep. Geheel aan de zuiden- en zuidwestenwinden, de heerschende in
de Middellandsche-zee, blootgesteld, werd en wordt zij nog heden met
volle recht door de zeevaarders gevreesd, die groot gevaar loopen om
door de branding tegen de onherbergzame rots geworpen te worden.

Een tempel van Poseidon, rustende op een onderbouw van dat prachtige
roode marmer, dat uitsluitend aan de groep van den Taygetos eigen
schijnt, blikte weleer van deze rotshoogte op de zee neder, als een
waarschuwing en eene vertroosting tevens voor de zeelieden, die daar
beneden met de golven worstelden en uit wier hart zeker menigmalen
eene bede tot den god is opgestegen. Door de werking van wind en
weder is deze tempel langzamerhand geheel gesloopt: tegenwoordig is
er zelfs geen spoor meer van te vinden.

Maar nog andere gevaren dan die der golven plachten hier de zeevaarders
te bedreigen. Als windstilte de schepen aan hunne plaats boeide, of als
zij, door den orkaan van hun zeilen beroofd, machteloos ronddreven op
de onstuimige wateren, dan gebeurde het maar al te vaak, dat vlugge
kapers, plotseling uit kreek en inham te voorschijn schietende als
roofvogels op hun prooi, de schepen overvielen, de bemanning over
den kling joegen en gingen strijken met den buit. Het is nog niet
zoo lang geleden, dat deze wateren van de plaag der zeeschuimers zijn
verlost. Wel had admiraal Paulicci een aantal dezer roovers opgehangen,
maar eerst de krachtige tusschenkomst van de vloten der westersche
mogendheden gedurende den Krimoorlog, maakte voor goed een einde aan
deze kaapvaart, die voor de kustbewoners bijna tot een geoorloofd
bedrijf geworden was.

Aan gene zijde van kaap Matapan opent zich de wijde golf van
Marathonisi, ten noorden door de vallei van Sparta begrensd. Zeker
schrijver, even weinig ervaren in de botanie als in de aardrijkskunde,
heeft den Peloponnesus bij een moerbeziënblad vergeleken. De
vergelijking is zoo onjuist mogelijk. Wilde de man zijn voorbeeld
volstrekt aan het plantenrijk ontleenen, dan kon hij in Griekenland
een boom vinden, die hem de eenig juiste vergelijking aan de hand
zou doen: de plataan. Een plataanblad toch geeft inderdaad vrij wel
den vorm van Morea weer, met zijn drie, naar het zuiden gerichte
voorgebergten, waarvan het middelste de beide anderen in lengte
overtreft. De eerste landpunt, van het westen komende, is die van
Koron, uitloopende in kaap Gallo; daarop volgt het schiereiland Maina,
welks hooge en woeste rotsgebergten afdalen naar kaap Matapan; het
oostelijke voorgebergte eindigt in kaap Malea.

Tegenover deze kaap, eene groote bruine rotsmassa, en slechts door een
zeearm van twaalf mijlen breedte van het vasteland gescheiden, verheft
het eiland Cerigo zijn lage, naakte heuvelen uit de wateren. Deze
zee-engte levert voor de zeilvaartuigen dikwijls groote moeielijkheden
op: als in den Archipel de noordenwind heerscht, zijn zij dikwijls
genoodzaakt het anker uit te werpen aan den ingang der zeeëngte,
in de golf van Marathonisi, en daar geduldig, soms dagen lang, te
wachten tot de wind naar het zuiden of het zuidwesten loopt. Blijft
het slechte weder aanhouden, dan ziet men daar soms meer dan honderd
schepen, vooral grieksche en italiaansche, bijeen. Thans zagen wij
er slechts enkelen, die zwaarmoedig op hunne ankers dobberden.

De zwarte wolken, die wij in haastige vlucht over de bergtoppen
zuidwaarts zagen spoeden, verwittigden ons, dat ook wij, bij het
verlaten der straat, met tegenwinden zouden te kampen hebben. De
moeielijkheden en gevaren, aan dezen waterweg, die de belangrijkste
havens en stations van den Levant verbindt, eigen, hebben al meermalen
naar een middel doen omzien om daarin verbetering te brengen. Het meest
voor de hand lag wel het denkbeeld, om de landengte van Korinthe,
die noordelijk Griekenland met den Peloponnesus verbindt, door te
graven. Op het eerste gezicht schijnt dit plan zich alleszins aan te
bevelen; maar bij nader onderzoek op de plaats zelve, zal het ons
duidelijk worden dat de voordeelen hoegenaamd in geene verhouding
zouden staan tot de moeielijkheid van het werk en het bedrag der
kosten, vooral nu niet, nu de stoomvaart steeds meer en meer de
zeilschepen verdringt.

Het eiland Cerigo, het oude Kythera, dat wij ter rechterhand laten
liggen, is niet veel meer dan een groote, steile, onvruchtbare
rotsmassa. Vroeger behoorde het, met de andere Ionische eilanden,
aan Engeland; door deze steenklomp aan Griekenland af te staan, heeft
Groot-Brittannië niet veel verloren. Eenige witgepleisterde huizen,
met platte daken, aan den voet eener naakte en door de zon geblakerde
rots--ziedaar alles wat thans nog de herinnering bewaart aan het oude
Kythera, wellustiger gedachtenis.

De hoofdplaats van het eiland, het vlek Sint-Nicolaas, heeft geen
haven en geen drinkwater, geen tuinen en geen boomen: ik zou bijna
zeggen ook geen inwoners, indien niet enkele wijngaarden, hier en
daar verspreid, het bewijs leverden dat hier toch inderdaad menschen
wonen. In de valleien en langs de minder steile hellingen, waar eene
dunne laag vruchtbare aarde den steenigen bodem bedekt, wordt een
weinig gerst geteeld en wijn verbouwd; eenige olijvengaarden leveren
de olie, die de bewoners van het eiland voor hun gebruik noodig hebben.

Volgens de officiëele opgave, telt Cerigo eene bevolking
van tienduizend-zeshonderd zielen, verdeeld tusschen
tweeduizend-achthonderd gezinnen, ongeveer even veel huizen
bewonende. De meest bevolkte stad is Potamos, aan de noordoostkust
van het eiland. Scheepvaart en handel behooren tot de voornaamste
bronnen van bestaan.

De nacht was donker en zeer slecht; de zee stond hol; het woei hard,
en geweldige regenvlagen, met half gesmolten sneeuw doormengd, maakten
het verblijf op het dek alles behalve aangenaam. Toch waren wij in het
begin van April, in de valleien van Ionië de maand der rozen; maar zij,
die zich hunne voorstellingen van het Oosten gevormd hebben naar de zoo
vaak schitterende en gloeiende beschrijvingen en zangen der dichters,
waaraan de fantazie meer deel had dan de ervaring, moeten zich op
menige teleurstelling voorbereiden. Toen de dag aanbrak, bleek het
dat wij nog niet verder waren gekomen dan ter hoogte van Monemvasia,
aan de oostkust van den Peloponnesus, op twintig mijlen afstands van
kaap Malea. Daar het weder zich hoe langer hoe dreigender liet aanzien,
besloot de gezagvoerder eene schuilplaats te zoeken in deze kleine,
zeer onvoldoende haven, maar waar men althans eenigermate voor den
noordenwind gedekt is.

Ons oponthoud zou niet langer duren dan volstrekt noodig was: niettemin
kregen wij van den gezagvoerder verlof om aan land te gaan, mits wij
binnen drie uren weer terug waren.

Monemvasia, het oude Malvesia, is een eilandje van drie mijlen in
omtrek, dat aan alle zijden steil uit de golven oprijst. Ten zuiden
heeft zich, aan den voet van dien rotsmuur, een soort van glooiing
gevormd, waar eenige olijven groeien. Eene kleine stad, aan den oever
der zee gebouwd, is met het vasteland verbonden door middel van een
steenen brug, die eene lengte heeft van honderd-vijftig el; aan de
zijde van het eiland, verrijst op die brug een venetiaansche toren,
die blijkbaar tot verdediging dienen moest. Boven de poort is nog de
leeuw van Sint-Marcus uitgehouwen.

Boven op den berg ziet men nog oude middeleeuwsche vestingwerken, die
een zeer schilderachtig effect maken. Die vestingwerken dagteekenen
uit den tijd der Kruistochten, want Monemvasia of Malvesia was een der
belangrijkste vestingen van het vorstendom Achaië, dat de kruisvaarders
in de dertiende eeuw stichtten.

Willem van Villehardouin, de neef van den beroemden kroniekschrijver,
vermeesterde de stad in 1205, met behulp der Venetianen, na een
beleg van drie jaar. De inwoners, die goed van levensmiddelen waren
voorzien, lachten eerst, van hunne hooge sterke muren, de Franschen
uit; maar Villehardouin maakte ernst met zijn beleg, en liet drie of
vier blijden of katapulten aanvoeren, waarmede hij rotsblokken van
meer dan tweehonderd ponden zwaarte op de stad slingerde, die de
huizen vernielden, de verdedigers verpletterden en de muren deden
instorten. Na verloop van drie jaar, toen de inwoners, nadat de
voorraad was opgeteerd, aan het nijpendste gebrek ten prooi waren,
bood de kloeke stad eindelijk hare onderwerping aan. Monemvasia had
in vervolg van tijd nog vier belegeringen door te staan, en viel
driemalen in handen der Venetianen. Het laatste en meest beroemde
beleg is wel dat van 1821.

De meeste Turken van oostelijk Morea, door den griekschen opstand
verrast, hadden destijds de wijk genomen naar deze stad, die nu
door Kantakouzenos, een der krijgsoversten van prins Ypsilanti,
werd belegerd. Na al de Grieken, die zij in hunne macht hadden,
onder de afgrijselijkste martelingen ter dood te hebben gebracht,
zagen de Turken zich eindelijk genoodzaakt hun honger te stillen
met de lijken hunner gevangenen en hunne eigene kinderen. Op hunne
knieën moesten zij in 't eind de genade des overwinnaars afsmeeken,
die hun vergunde naar Klein-Azië te trekken. Deze zegepraal, een der
eersten door de Grieken behaald,  wakkerde hun moed aan, en maakte
alom in Europa een diepen indruk.

Onze landing ging alles behalve gemakkelijk. Eenige rotsen, waarover
iedere hooge golf heensloeg, dienden als aanlegplaats; en onze matrozen
hadden al hun behendigheid en de inspanning van al hunne krachten
noodig, om te zorgen dat de sloep niet te pletter gestooten werd.

De wandeling door de stad leverde niets merkwaardigs op. De
huizen hebben voor het meerendeel een zeer armoedig, verwaarloosd
voorkomen; sommigen prijken nog met beeldwerk van venetiaanschen
oorsprong. Eene kleine, half verwoeste kerk, weleer door de Franschen
gebouwd, draagt nog, op een harer muren, het wapenschild der familie
Villehardouin. Voor het beklimmen van den berg ontbrak ons de tijd;
ook was daar niets te zien dan vervallen muren en kudden geiten. De
rots van Monemvasia herinnert, op kleine schaal, aan die van Gibraltar,
en is, even als deze, eene natuurlijke vesting. Maar bij de middelen
van vernieling, waarover de hedendaagsche krijgskunst beschikt, heeft
deze vesting haar belang verloren: zij wordt dan ook niet meer door
den Staat onderhouden. De stad drijft geen noemenswaardigen handel
en ontvolkt zich gedurig meer; tegenwoordig telt zij ter nauwernood
duizend inwoners. De eenmaal zoo beroemde Malvesie-wijn groeit sinds
lang niet meer in den omtrek; indien de heuvelen van het vasteland,
tijdens de venetiaansche heerschappij, inderdaad met wijngaarden
waren beplant, dan zijn die nu al sedert geruimen tijd door steenen
en doornen vervangen. De zoogenoemde Malvezye komt tegenwoordig uit
het eiland Tinos.

Den volgenden morgen was de lucht opgehelderd en konden wij onze reis
naar het noorden hervatten. Ook nu hielden wij altijd de bergachtige,
woeste, naakte kust in het gezicht. Van tijd tot tijd teekende zich
tegen de grauwe, kale rotshellingen een witte streep: dat was de
uitgedroogde bedding van een bergstroom. Somwijlen ook, aan den mond
van een smal dal, verhieven zich, dicht bij den oever, eenige wilde
olijven, wier grijsachtig groen gebladerte eigenaardig paste bij dit
onbeschrijfelijk treurige, sombere landschap. Nergens was een huis,
nergens was een akker of tuin te zien; zelfs geen pad verlevendigde
deze eentonige verlatenheid.

Als wij langs den mond der golf van Nauplia heenvaren, verliezen wij
de kust uit het gezicht; maar weldra duikt zij weder voor ons op, en
straks stoomen wij door de smalle straat tusschen Kastri en het eiland
Hydra, dat zich als een reusachtig zeemonster uit de golven verheft.

De stad van denzelfden naam is zeer schilderachtig gelegen,
aan den oever eener kleine baai, aan drie zijden door de rotsen
ingesloten. Tegen den steilen rotswand op den achtergrond verrijzen,
boven elkander,  de groote en fraaie huizen der stad, ten getale van
ruim drieduizend, die met haar platte daken en haar witte muren een
zeer eigenaardigen, verrassenden indruk maken. De smalle straten zijn
als trappen in de rots uitgehouwen.

De geschiedenis van dit plekje gronds is zeer merkwaardig en toont,
in een sterk sprekend voorbeeld, van welke schijnbaar zeer verwijderde
oorzaken de bloei en het verval van steden kunnen afhangen.

Tot in de achttiende eeuw was Hydra eene onbekende en geheel onbewoonde
rots; maar omstreeks 1730 vestigden zich hier eenige albaneesche
uitgewekenen, door de dwingelandij der turksche ambtenaren uit
hun vaderland verdreven. Op deze naakte verlaten rots waren zij
nu wel veilig voor de schraapzucht en afpersingen hunner tyrannen,
maar tevens ontbrak het hun aan elk middel van bestaan. Wil men hier
een tuin aanleggen--een weelde, waaraan toen niemand dacht, maar die
eerst later in zwang kwam;--dan moet de aarde, met groote kosten, op
een afstand van vijf-en-twintig mijlen, uit den Peloponnesus worden
gehaald en naar het eiland gebracht. Water is hier evenmin te vinden;
het regenwater wordt zorgvuldig in groote bakken opgevangen, en is
er geen regen genoeg gevallen, dan moet het drinkwater, in kleine
langwerpige vaatjes, van de kust worden aangevoerd.

Daar hun eiland volstrekt niets opleverde waarvan zij leven konden,
waren de Hydrioten wel gedwongen op zee naar middelen van bestaan om te
zien. Bekwame en stoutmoedige zeevaarders, werden zij in korten tijd de
voornaamste agenten van den geheelen handel in den Levant. Gedurende
de oorlogen der revolutie en van het eerste fransche keizerrijk,
doorkruisten zij, onder de bescherming der neutrale turksche vlag,
de Middellandsche-zee in alle richtingen, in hunne handelsoperatiën
gesteund door de rijke kooplieden van het eiland Chio. In de havens
van westelijk Europa verkochten zij hunne ladingen tegen hooge
prijzen, en kochten voor een spotprijs de artikelen, waarmede men
dikwerf geen weg wist, weder in; zij verbraken de blokkade, tartten de
oorlogschepen, en wisten zich ook in het dreigendste gevaar te redden
met eene onverschrokkenheid, een behendigheid en eene bekwaamheid in
de zeemanskunst, die de bewondering van alle deskundigen opwekten.

Het is niet mogelijk te berekenen, wat in die jaren door het Westen
aan Griekenland werd betaald. Te Hydra werden kolossale fortuinen
gegrondvest; koffers met goud gevuld werden in de kelders dezer
eilanders opgestapeld. De belasting, aan den Sultan verschuldigd,
kweten zij door jaarlijks een zeker aantal matrozen te leveren voor
de keizerlijke vloot. Zij regeerden verder zich zelven, en geen
muzelmansch ambtenaar oefende op het eiland eenig gezag uit. Hydra
was metterdaad eene kleine, onafhankelijke republiek, bestuurd door
haar eigen primaten, die bijna altijd uit dezelfde familiën gekozen
werden. Een raad der oudsten besliste zonder hooger beroep de weinige
rechtsgedingen, die nu en dan mochten voorkomen.

Toch had deze weergalooze voorspoed en de noodwendig daarmede
gepaard gaande weelde de liefde voor het vaderland en de behoefte
aan onafhankelijkheid in de harten der Hydrioten niet uitgedoofd of
verzwakt. Het hun zoo overvloedig toebedeelde goud had het gemoed
dezer kloeke zeevaarders niet verweekelijkt; en toen, in 1821, het
teeken van den griekschen onafhankelijkheidsoorlog gegeven werd, waren
zij de eersten, die met blakende geestdrift voor de heilige zaak der
nationale vrijheid partij kozen. Hun fortuin, hun leven, alles brachten
zij ten offer om den kamp te kunnen volhouden. De familie Kondouriotis
geeft aan Griekenland anderhalf millioen; anderen geven een millioen,
vijfhonderd-, vierhonderdduizend franken; de vrouwen staan haar
juweelen en sieraden af; de matrozen zelfs doen afstand van hun
aandeel in de winst. Al die koopvaardijschepen, die de ottomannische
vlag voerden, worden nu in even zooveel onverschrokken kaapvaarders
herschapen, die de vloot van den Sultan, tot zelfs onder het geschut
der aziatische vestingen, gaan bestoken. Men rust branders uit, die
de turksche matrozen met schrik en verbijstering slaan. Tombazis,
Tzamados, Miaoulis vooral, alle drie Hydrioten, wonnen zich een
onsterfelijken naam door hunne heldendaden, in dezen heiligen krijg,
dien geheel Europa met de grootste belangstelling gadesloeg.

Maar de Hydrioten ruïneerden zich door de met zooveel ijver gebrachte
offers; en de grieksche regeering, die bij herhaling heeft verklaard
dat zij tegenover hen een heiligen plicht had te vervullen, heeft
tot dusver nog niets gedaan om hen schadeloos te stellen voor
de ontzaggelijke verliezen, die zij geleden hebben. Hun handel,
reeds zeer bedreigd door de stichting van Syra, kreeg vooral een
doodelijken slag door de ontwikkeling der stoomvaart. Het eiland
is thans schier ontvolkt; in plaats van veertigduizend, telt
het tegenwoordig nauwelijks zevenduizend inwoners, en dit getal
vermindert nog voortdurend. Sommigen hebben zich te Syra gevestigd;
anderen in den Piraëus, en hebben hunne oude woningen verlaten, die
langzamerhand in puin vallen. Als men tegen de smalle straten der
stad opklautert, ziet men overal hooge huizen, waarvan de gesloten
vensters, de geschonden muren, de ingestorte terrassen, de groote
eenzame voorhuizen, aan Hydra het voorkomen geven van eene verlaten,
gezonken stad en den vreemdeling met weemoed vervullen.

Toch, ondanks dit diep verval, is het vaderland van Miaoulis nog wel
de belangstelling van den vreemdeling waard, al ware het alleen omdat
het grieksche volksleven zich hier op eene zoo hoogst eigenaardige
wijze ontwikkeld heeft, en een karakter vertoont, dat op het punt
staat te verdwijnen en nergens elders wordt wedergevonden.

Men heeft dit eiland, dat achttien mijlen lang en slechts vier mijlen
breed is, meermalen vergeleken met de kiel van een omgekeerd schip;
maar men had de vergelijking nog verder kunnen uitstrekken, want
zoodra ge de kleine haven zijt binnen gevaren, treft u aanstonds
het eigenaardig maritiem karakter van alles wat u omgeeft. Langs de
kaaien hangen, aan ijzeren haken, sloepen en booten, even als aan
boord van een schip; in de rots zijn windassen, hefboomen en andere
werktuigen bevestigd, even als op het dek van een fregat. In ruime
pakhuizen, van ruwe grijze marmerblokken opgetrokken en van smalle
ijzeren deuren voorzien, liggen of lagen vroeger balen en pakken
gerangschikt, als in het ruim van een schip.

Waarheen ge ook uwe oogen wendt, overal ziet ge zeelieden, kenbaar aan
hunne buizen, aan hun wijde broeken, aan hun eigenaardigen slingerenden
gang, vooral ook aan hun door de zon gebruind gelaat, aan hun rustig,
vastberaden voorkomen. Nergens bespeurt ge een rijtuig, zelfs geen
handwagen; ook zijn er geen andere dieren, dan eenige honden. De
straten in de bovenstad zijn als uitgestorven; slechts enkele
malen wordt er eene lage deur geopend, en hoort ge het geruisen van
vrouwen-voetstappen op de steenen. Want ge vindt hier bijna niets
dan vrouwen en kinderen, daar de mannen schier zonder uitzondering
op zee zijn.

Laat ons een dier oude huizen binnengaan, in de rijke dagen van Hydra
gebouwd, en waarvan de fondamenten, in de rots uitgehouwen, meer
gekost hebben dan die der prachtigste paleizen in onze hoofdsteden. De
ruime zalen en vertrekken zijn met marmer geplaveid en met fraaie
smyrnasche tapijten belegd; de vensters zien op zee uit. De muren zijn
witgepleisterd, en laten uit het oogpunt van reinheid niets te wenschen
over. Wij zien geen andere bedienden dan jonge meisjes, knapen, die
nog niet berekend zijn voor den zwaren arbeid huns vaders, of oude
mannen, voor wie het beroep van zeevaarder te zwaar is geworden.

In een afgelegen vertrek vinden wij de vrouwelijke bewoners, de moeder,
de echtgenoote, de dochters van den heer des huizes, bijeen en aan den
arbeid; de oudsten herstellen het linnengoed, de jongeren borduren die
fijne, kunstige, smaakvolle weefsels van zijde met goud doormengd,
die, jammer genoeg! meer en verdrongen worden door de gedrukte
stoffen van Manchester. Zij spreken weinig of niet, en schijnen in
gedachten verzonken. Haar eenzaam, afgezonderd leven heeft aan haar
fraai besneden, bevallig gelaat eene uitdrukking van droefgeestigheid
en stille berusting gegeven. Op het hoofd dragen zij een lichtgelen
zijden doek, met goud geborduurd, die onder de kin wordt saamgevouwen
en het geheele gelaat omlijst, zoodat slechts een smalle hairvlecht op
het voorhoofd zichtbaar is. Een nauwsluitend buisje van rood fluweel,
van voren open, en met nauwe, met goud borduursel versierde mouwen,
wordt onder de borst toegegespt over een fijn batisten hemd. Deze
vrouwen gaan nimmer uit, tenzij om nu en dan een bezoek te brengen
bij hare buren. Waar zouden zij ook heen gaan in dit eiland, waar
geene wandelingen zijn, en waar de wegen en straten meer dan op iets
anders op ladders gelijken?

Buiten de stad is er letterlijk niets te zien. Van alle zijden breken
de golven op loodrechte, ongenaakbare rotswanden, en op de toppen dier
rotsen, waarover onophoudelijk de winden heenstrijken, vinden enkele
kudden geiten een schraal voedsel. Nergens is eene woning te zien,
nergens eenig spoor van bebouwing; volgens de officiëele statistiek,
vindt men op het gansche eiland, dat eene oppervlakte beslaat van
omstreeks negentig vierkante mijlen, niet meer dan tien grondeigenaars
en zeventig herders tegen duizend zeelieden.

Voor wij weder naar boord terugkeerden, wilden wij althans de
voornaamste kerk van Hydra zien, die in Griekenland haars gelijke
niet heeft. Deze kerk, de kathedraal, werd voor omstreeks anderhalve
eeuw gebouwd. Zij is geheel uit wit marmer opgetrokken, en is rijk
versierd met beeldhouwwerk en met fraaie byzantijnsche schilderijen op
gouden grond. Aan het gewelf hangt een reusachtige kroon van massief
zilver, in venetiaanschen smaak bewerkt en met prachtig beeldwerk
versierd. Daarnaast hangt een fraaie kroon van verguld brons, in den
stijl van Lodewijk XIV en prijkende met de koninklijke leliën van
Frankrijk. Naar men zegt, werd deze kroon, tijdens de omwenteling,
uit een der koninklijke kasteelen gestolen en te Marseille door een
koopvaardijkapitein van Hydra gekocht, die bij zijne terugkomst dit
kunstwerk, als een ex-voto aan de Panagia (de Heilige Maagd, letterlijk
de Al-heilige) wijdde. Nevens de kerk, en daarvan afgescheiden, staat
een campanile of klokkentoren, geheel opengewerkt en gebeeldhouwd,
als ware het een reusachtig stuk speelgoed uit ivoor gesneden. De
koepel van dezen wondervollen toren bestaat uit tien open bogen van
wit marmer, waartusschen men den blauwen hemel ziet; de koepel gelijkt
sprekend op eene kroon.

Ik mag het eiland niet verlaten, zonder er aan te herinneren dat Hydra
het vaderland is van een staatsman, die in de diplomatieke wereld van
Europa een welbekenden naam draagt: Demetrius Bulgaris, thans ruim
vijf-en-zeventig jaar oud, en die sedert meer dan vijftig jaar een
zeer werkzaam aandeel heeft genomen aan de politieke geschiedenis van
zijn land. Zijne tegenstanders beschuldigen hem van hartstochtelijke
partijschap en van oneerlijke praktijken en intriges, waaraan hij
meermalen het belang des lands zou hebben ten offer gebracht. Ik
wil zijne politieke loopbaan niet beoordeelen; zeker is het, dat hij
getoond heeft een man van zeldzame geestesgaven te zijn.

Hij is meer dan tienmaal eerste minister geweest; bij de omwenteling
van October 1862, die Koning Otto van den troon stootte, plaatste hij
zich aan het hoofd van het voorloopig bewind; en ondanks zijn hoogen
leeftijd, schijnt zijn ijver en zijn eerzucht nog onverflauwd. Hij
heeft nimmer de nationale kleederdracht willen afleggen; en te midden
der andere ministers en hooge staats-ambtenaren, allen in de vulgaire
moderne liverei uitgedost, maakt deze grijsaard in zijn lang golvend
kleed, met bont omzoomd--het traditioneele kostuum der primaten van
Hydra--eene inderdaad eerbiedwekkende figuur.


II.

Hydra verlatende, wendden wij ons westwaarts, om de golf van
Egina in te stevenen. Deze golf, die tusschen kaap Skyli en kaap
Kolonna of Sunium eene breedte heeft van acht-en-veertig mijlen, is
verreweg de grootste der vele baaien en inhammen langs de oostkust
van Griekenland; zij is als het ware de voortzetting van de golf van
Lepanto, waarvan zij slechts door eene smalle en niet hooge landtong
gescheiden is. Juist in het midden der golf ligt het eiland Egina,
en de prachtige waterkom is verder aan alle zijden omlijst door de
beroemdste streken van het oude Griekenland. Links ligt Argos, rechts
Attika; achter de golf verrijst Korinthe, voorts Megara, Eleusis,
Salamis, overschaduwd door de hooge toppen van den Kitheron. Welke
herinneringen roepen deze enkele namen niet voor den geest!

Wij moesten aan de kust van Argos ophouden, te Poros, waar het rijks
marine-arsenaal is gevestigd, en waar onze boot een gebrek aan de
machine herstellen moest. Het voorkomen der kust was sedert gisteren
geheel veranderd. De bergen waren met groen en hout bedekt, en op
de lagere hellingen trokken gansche bosschen van olijven, oranje-
en citroenboomen het oog.

Na kaap Skyli te zijn omgevaren, bereikt men, door eene nauwe straat,
waarvan de toegang door een versterkt eilandje verdedigd wordt,
de reede van Poros, eene ruime, prachtige baai, door groene bergen
omgeven. De stad Poros heeft niets bijzonders; het arsenaal verkeert
in min of meer vervallen toestand, en op de werven wordt niet gewerkt;
de sommen, ten behoeve der marine op het budget uitgetrokken, zijn
onvoldoende om iets degelijks tot stand te brengen, en bovendien
worden die gelden juist niet altijd gebruikt voor het doel waarvoor
zij bestemd zijn. Echter heeft men in de laatste jaren een droog dok
aangelegd, tot groot gemak voor de vreemde schepen, die anders bij de
minste averij genoodzaakt waren naar Constantinopel of naar Marseille
te gaan.

Tijdens den onafhankelijkheidsoorlog heeft Poros eene belangrijke
rol gespeeld; gedurende eenigen tijd was deze op een eiland gelegen
stad de hoofdstad van den om zijn bestaan worstelenden staat. Te
Poros had, in 1828, de conferentie plaats tusschen de engelsche,
fransche en russische gevolmachtigden, die over het toekomstig lot van
Griekenland moesten beslissen; te Poros stak, in 1831, de admiraal
Miaoulis de grieksche vloot in brand, liever dan te gehoorzamen aan
het bevel van Capo d'Istria, en haar in handen van den russischen
admiraal over te leveren.

Wij steken de golf in hare volle breedte over, en laten het eiland
Egina aan onze linkerhand liggen; uit de verte groet ons de oude
tempel, op een kegelvormigen heuvel gebouwd. Een smetteloos blauwe
hemel, stralende van licht, welfde zich over ons; met vluggen
gang kliefde de boot de donkerblauwe golven. Telkens duidelijker
teekenden zich voor onze starende blikken alle trekken en lijnen van
het wonderschoone landschap, dat zich als eene onmetelijke schilderij
voor onze oogen ontrolde.

Boven eene lage, rossige vlakte verheffen zich twee hooge bergen, en
steken met hunne breede lijnen scherp tegen den helderen hemel af:
dat zijn de Pentelikon, beroemd om zijn schitterend wit marmer, en
de Hymettos, eens rijk aan honig en welriekende bloemen. Tusschen die
beiden, verrijst uit de vlakte een eenzame steile rots, gekroond met de
zuilen van het Parthenon. Rondom die rots scharen zich eenige lagere
hoogten, en achter haar stijgt, in koene majesteit, de Lykabettos
omhoog. Stort over dit onbeschrijfelijk schoon panorama al den gloed,
al de verwen, al de kleurenpracht, al den wondervollen lichtglans uit,
die een zonsondergang in deze oostersche zeeën tooverend scheppen kan,
en misschien zult ge u eenigermate een flauw denkbeeld kunnen maken van
de heerlijkheid van dit tooneel, dat ik niet wagen zal te beschrijven.

Eensklaps verdwijnt dit gansche tafreel achter een vooruitspringend
voorgebergte, en wij varen de haven van den Piraëus binnen, langs
een zware gemetselde paal, die vroeger een der oude leeuwen droeg,
tegenwoordig voor de poort van het arsenaal te Venetië geplaatst. In
de oudheid dienden de beide zuilen, waarop de roode en groene vuren
waren geplaatst, die den nauwen mond der haven aanwezen, tevens tot
bevestiging van een zwaren ijzeren ketting, waarmede in tijd van
oorlog de ingang der haven voor vijandelijke schepen werd afgesloten.

Dat smalle bochtige kanaal daar ginds, ter linkerhand, achter het
eiland Psytalia, kenbaar door zijn vuurtoren, dat is de beroemde reede
van Salamis, ingesloten tusschen het bergachtige eiland van dien naam
en de hooge kust van Attika. Op gindsche vooruitspringende rotspunt
stond de gouden troon van Koning Xerxes, die van deze rotsige hoogte
de nederlaag zijner vloot aanschouwde.

Welke herinneringen knoopen zich aan dien naam van Salamis! En nu,
stelt de werkelijkheid u niet te leur? Ja zelfs, begint ge niet te
twijfelen aan de waarheid der berichten, die omtrent dezen eeuwig
gedenkwaardigen zeeslag tot ons gekomen zijn? In die smalle zeeëngte
zouden nauwelijks tien onzer hedendaagsche oorlogschepen ruimte
kunnen vinden om te manoeuvreeren: en naar men verhaalt, kampten hier
tweeduizend vaartuigen, een ganschen dag lang.

Is het niet zoo, dat wij tot de erkentenis moeten komen, dat de
eigenliefde en nationale trots der grieksche schrijvers, die ons de
heldendaden hunner landgenooten hebben verhaald, zich niet altijd
voor overdrijving heeft weten te wachten? Bij Salamis betoonden
de Grieken nu juist niet zoo grooten ijver om den strijd aan
te binden. Zij aarzelden en bedachten zich vrij lang, eer zij het
durfden wagen de Perzen te lijf te gaan; als naar gewoonte twistten
zij onder elkander, wierpen elkander van boord tot boord scheldwoorden
naar het hoofd, en daagden elkander uit om den aanval te beginnen:
niemand wilde de eerste zijn. De Peloponnesiërs beweerden dat hunne
eigene haardsteden werden bedreigd, en wilden onverwijld vertrekken
om die te verdedigen. Zij waren bevreesd, en zouden ongetwijfeld op de
vlucht gegaan zijn, zoo niet Themistokles de krijgslist verzonnen had,
waardoor ieder misleid werd. Toen er eenmaal geen ontkomen meer aan
was, en de strijd onvermijdelijk was geworden, ja gewis, toen deed
juist de onderlinge naijver den heldenmoed nog te feller ontbranden
en vochten allen als leeuwen. Maar niet zoodra was het gevaar voorbij,
of het oude gekijf begon op nieuw: nu wilde ieder het eerst den aanval
begonnen zijn. Is het ook niet waar, dat den avond voor den slag,
in het grieksche kamp, aan de goden menschenoffers werden gebracht,
en dat de Grieken, zelfs in dezen bloeitijd hunner beschaving,
de gewoonte hadden om hun krijgsgevangenen de duimen af te houwen,
zoo als na den slag van Thespiae gebeurde?

Van de drie oude havens van Athene, Phaleros, die te open lag,
Munychia, die te klein was, en de Piraëus, wordt tegenwoordig
alleen de laatste nog gebruikt. De haven is ruim genoeg, maar slecht
onderhouden; en aan de noordzijde is een vrij uitgestrekt terrein in
een ongezond moeras herschapen, waaronder men nog groote marmeren
zerken vindt, de overblijfsels van den vloer van een voormalig dok
voor do krijgsgaleien. Dit thans geheel aangeslibde dok of bekken ligt
nevens het station van den spoorweg naar Athene, en zou uitstekend
geschikt zijn voor spoorweghaven. Tot dusver is daar echter nog
niets aan gedaan, hoewel het toch niet zoo moeilijk zou vallen dien
modderpoel op te ruimen.

De haven van den Piraëus ligt doorgaans vol met allerlei vreemde
oorlogschepen, waarvan de gezagvoerders zich meestal niet veel
bekommeren om de bevelen van den havenmeester maar ten anker
komen zoo als dat hun het beste bevalt, zeer dikwijls dwars in het
vaarwater. Verschijnt er een pakketboot van honderd en meer ellen
lengte aan den ingang der haven, dan heeft het dikwijls moeite genoeg
in om aanvaring met een of ander zwaar gepantserd russisch of engelsch
fregat te vermijden, dat eenvoudig den doortocht verstopt.

In 1835 bestond de Piraëus uit niet meer dan een tiental ellendige
hutten, langs een moerassig, hoogst ongezond strand verspreid. In
1861, toen ik hier voor de eerste maal aan land stapte, begonnen
ruime pakhuizen en eenige groote fraaie huizen uit den grond te
verrijzen. Er ontstonden straten; zelfs was er reeds eene openbare
wandelplaats aangelegd, die in al de frischheid van het eerste groen
prijkte. Deze verschillende werken dankten voor een groot deel hun
ontstaan aan het fransche bezettingskorps, dat gedurende den Krimoorlog
hier in den Piraëus lag, om het grieksche volk in bedwang te houden;
en het park, waar twee- of driemaal in de week militaire muziek wordt
gemaakt, draagt zelfs den naam van den admiraal Tinan, die het deed
aanleggen. Men moet erkennen, dat de fransche zee-officieren deden
wat in hun vermogen was, om het krenkende en beleedigende van deze
soort van voogdij over een onafhankelijken staat te temperen: eene
voogdij, te grievender omdat zij, hoewel door de toenmalige politiek
der westersche  mogendheden geboden, niettemin bepaaldelijk ten doel
had, het grieksche volk tegen te houden in zijn meest wettig streven:
de verlossing zijner broeders, die nog zuchten onder het turksche juk.

De laatste maal, dat ik den Piraëus bezocht, was in 1874, veertig
jaar nadat een vreemde gezant, die des avonds hier was ontscheept,
zich genoodzaakt zag den nacht door te brengen in een loods, waardoor
de wind speelde, en geen glas water kon krijgen om zijn dorst te
lesschen. Ik zou wel wenschen dat zij, die beweeren dat het grieksche
volk geen toekomst heeft, eens eene vergelijking wilden maken tusschen
den Piraëus in 1834 en in 1874; ik houd mij overtuigd dat zij dan
wel gedwongen zouden zijn een minder streng en eenzijdig oordeel over
het jonge koningrijk uit te spreken. Ik geef toe, dat de vooruitgang
nergens duidelijker in het oog valt, dan hier in den Piraëus en in de
beide havensteden Syra en Patras; maar het is toch wel niet mogelijk
dat de zoo belangrijke vooruitgang en ontwikkeling van deze drie steden
geheel zonder invloed zou zijn gebleven op het overige des lands. Dit
zou in strijd zijn met alle regelen der staathuishoudkunde, en ook,
wat vrij wat meer zegt, met de ervaring.

Wie tegenwoordig aan de kaaien van den Piraëus aan wal stapt, wordt
niet enkel getroffen door de handelsdrukte en het levendige verkeer. De
zeer groote uitbreiding en voortdurende vermeerdering der straten en
wijken is het sterkste bewijs voor de toenemende welvaart. Fabrieken,
uit wier hooge schoorsteenen rookwolken opstijgen, doen u denken aan
onze fabrieksteden. Langs de hellingen van den steenachtigcn en vroeger
geheel verlaten heuvel, die de haven van den Piraëus van die van
Munychia scheidt, verrijzen smaakvolle en sierlijk ingerichte woningen
met roode daken en groene zonneblinden. In de nabijheid der haven vindt
men verschillende kerken en eene Beurs, waarvan de bovenverdieping tot
sociëteit voor de kooplieden is ingericht. Sommige buurten, het is zoo,
hebben nog een min of meer aartsvaderlijk voorkomen behouden; maar de
breede straten, die in aanleg zijn, de riolen en andere werken in het
belang der gezondheid, die vol ijver worden ondernomen, de plantsoenen
die worden aangelegd, die allen bewijzen dat de stedelijke regeering
van den Piraëus haar roeping in het belang der gemeente begrijpt,
en daarvoor meer over heeft dan die van Athene.

De bevolking neemt voortdurend toe. In 1835 waren er geen honderd
inwoners; in 1861 bedroeg de bevolking zesduizend-vierhonderd zielen;
in 1870 was dit cijfer tot ruim elfduizend geklommen, en in 1874
tot minstens dertienduizend, waaronder vijf-en-twintig-honderd
werklieden. In de laatste tien jaar zijn er in den Piraëus
verscheidene belangrijke fabrieken opgericht: eene zijdeweverij, zes
katoenspinnerijen, zeven stoommolens, eene fabriek van zoogenaamde
parijsche spijkers, branderijen, meubelfabrieken, eene glasblazerij en
meer anderen. Er zijn thans in het geheel in den Piraëus dertig meer
of min belangrijke industriëele inrichtingen, met een gezamenlijk
stoomvermogen van meer dan tweeduizend paardekrachten. Slechts twee
etablissementen behooren aan vreemden, al de anderen aan Grieken. In
de glasblazerij zijn al de werklieden uit Pruissen afkomstig; de
stoommachines in de fabrieken zijn voor het meerendeel in Frankrijk
vervaardigd.

Nauwelijks hebt ge uw voeten gezet op de witmarmeren trappen van de
aanlegplaats, of aanstonds ziet ge u omgeven door een zwerm ciceroni,
die u het hoofd doen duizelen door hun kosmopolitisch gebabbel en den
ijver, waarmede zij u hunne diensten opdringen. De bewoners van den
Levant, en met name de Grieken, hebben van oudsher eene sterke neiging
gevoeld voor die soort van beroepen en bedrijven, waarbij veel praten
te pas komt. Op de onderste sporten  van de maatschappelijke ladder
vindt ge de ciceroni en commissionnairs, indringend, onbeschaamd
en onuitputtelijk in woordenpraal; hooger op, de agenten en tolken
der handels- en bankiershuizen, geslepen, handig en gansch niet
afkeerig van intrige en sluw overleg; en op de bovenste sport, de
drogmans der gezantschappen en consulaten en van de Verhevene Porte,
vol ijver, listig, oneerlijk en meester in de kunst van misleiding
en omkooping, daarbij zeer machtig door den grooten invloed, dien
zij zich doorgaans weten te verwerven. Overal hervindt ge dezelfde
trekken: groote gevatheid en vlugheid des geestes, welbespraaktheid
en gave der overreding, en dit alles bovenal dienstbaar gemaakt aan
de bevordering van het eigen belang.

Dien eigen avond word er in de societeit boven de Beurs een bal
bij inteekening gegeven, waarop ik door een mijner bekenden werd
geïntroduceerd. De zalen waren schitterend verlicht on prachtig
versierd. Er werd ijverig gedanst, ook door de officieren van een in
de haven liggend fransch oorlogschip. Onder de dames, helaas voor
het meerendeel in parijsche kleederdracht, waren er verscheidene,
die de aandacht trokken door hare schoonheid. De heeren waren mede
in europeesch bal-kostuum; hadden niet de rijke welluidende klanken
der muziekale grieksche taal mij van het tegendeel overtuigd,
dan had ik mij gemakkelijk kunnen verbeelden, in eene of andere
fransche provinciestad te zijn. Het orchest was voortreffelijk,
en de ververschingen lieten niets te wenschen over.

Den volgenden morgen, bij het aanbreken van den dag, ging ik eene
wandeling maken langs de haven; daarna vertrok ik naar Athene.

De weg, die den Piraëus met Athene verbindt, is maar acht mijlen
(kilometer) lang, en voor het grootste gedeelte belommerd. Tusschen
de zilverachtige stammen der slanke virginia-populieren, die den
weg omzoomen, zien wij de toppen van den Parnessos, door de rijzende
zon met een zachten purpergloed overgoten, terwijl de vlakte nog in
blauwachtige schaduw is gehuld. Een groot ongerief van dezen weg is het
fijne, witte kalkachtige stof, dat in dichte wolken omhoog stuift, u
half verstikt en het voorkomen geeft van een molenaarsknecht. Een groot
aantal wagens en karren, met kisten, tonnen, balen, bouwmaterialen
enz. beladen, rijden ons voorbij. Aan onze rechterhand zien wij
tusschen de olijven en wijngaarden een spoorweg, waarlangs zich een
trein met zeer middelmatige snelheid voortbeweegt.

Overeenkomstig eene vaste, overoude gewoonte, houden wij halverwege
stil in een klein koffiehuis, waar wij een glas raki gebruiken. Nu
vertoont zich voor onze oogen het Parthenon, hoog boven de rotsen van
den Pnyx, en duidelijk uitkomende tegen den helderblauwen hemel. Weldra
worden dan ook de witte huizen van Athene zichtbaar, tusschen de
Akropolis en den Lykabettos. Een breede singel, met jonge boompjes,
amsterdamsche boompjes, beplant, die vergaan van het stof, voert ons
naar het hotel van Groot-Brittannië. Uit onze vensters, die uitzien
op het plein der Constitutie en een groot square, met oranjeboomen en
bloeiende heesters beplant, kunnen wij onze blikken laten rusten op de
plompe smakelooze massa van het koninklijk paleis met het aangrenzende
park; vlak tegenover ons verrijst de indrukwekkende rotsburcht van
de Akropolis, met haar onsterfelijke ruïnen.

Wij zijn in Athene.


III.

's Nachts was de noordenwind opgestoken. Huilend gierde hij
bijwijlen om het huis, floot door de reten der deuren en deed de
vensters klapperen. Hij kwam van de nog met sneeuw bedekte bergen
van Phthiotis, en was zoo ijzig, doordringend koud, dat ik huiverde
onder mijn winterjas. Weldra begon het te regenen, en een grauwe nevel
spreidde zich uit over het prachtige panorama, dat mij den vorigen
dag zoo in verrukking had gebracht, maar nu als uitgewischt was in
doffe grijze tinten. Ai mij! wat was er nu van al die heerlijkheid
geworden? De Hymettos was slechts een zeer alledaagsche, vervelende
heuvel; het Parthenon een vuile steenklomp.

Drie dagen achtereen hadden wij, in het laatst van April, een weer,
als bij ons in December. Niet minder, ik zou haast zeggen nog meer,
dan andere landen, heeft Griekenland zon noodig, om recht begrepen
en gewaardeerd te worden. Die ernstige, strenge lijnen moeten
zich afteekenen tegen den helderen, lichtenden, blauwen hemel,
klaar als kristal; de zon moet haar warmen stralengloed, haar
wondere kleurenpracht uitgieten over die naakte, grijze rotsen
en heuvelklingen, zoo arm aan groen en lommer. Door de grieksche
zon verlicht, is het grieksche landschap, voor wien het verstaat,
wonderschoon; maar wee, als de grauwe nevels en grijze tinten van het
noorden zich uitbreiden over eene natuur, wie het aan alles hapert
wat ook dan nog aan de noordsche landschappen eene eigenaardige
bekoorlijkheid bijzet. De maanden Maart en April zijn hier trouwens,
in den regel, de onaangenaamste van het geheele jaar; het is volstrekt
niets vreemds dat de oranjeboomen in den tuin van het koninklijk
paleis, die in Januari in vollen bloei staan, in April bevriezen
en sterven. Op die doordringende koude volgt dan dikwijls eensklaps
de brandende zomerhitte. Dan is het, of er vuur van den hemel valt;
van 's morgens negen tot 's namiddags vijf uur kunt ge niet op straat
komen, zonder dat de hitte, die van den doorgloeiden grond uitstraalt,
u het gelaat blakert; uwe oogen worden verblind door de weerkaatsing
van het felle licht op de witte muren; een warm fijn stof verdroogt
en schroeit u mond en keel: ge snakt naar adem, en uw hoofd gloeit
en bonst, ondanks de bescherming van uw met blauw gevoerden parasol.

Echter moeten wij billijk zijn en erkennen dat er ook dan nog,
in dit half afrikaansche klimaat, oogenblikken, ja zelfs uren zijn
van onwaardeerbaar genot. Des morgens vroeg, als de zon, in volle
stralenpracht, in den rooskleurigen hemel, achter den top van den
Hymettos opstijgt, terwijl beneden in de vlakte nog de frissche koelte
van den nacht u tegenwuift, en de dauwdroppels  nog bevend hangen
aan de trillende bladeren; des avonds, als de vlammende zonneschijf
wegzinkt achter de bergen van den Peloponnesus, die als met vloeiend
vuur zijn overgoten, en het gansche wijde landschap, hemel en aarde en
zee, straalt en schittert in een kleurenpracht, waarvan geen bewoner
van het Noorden zich een denkbeeld maken kan;--dan, ja, ga uit,
zet u neder op een heuveltop, aan den oever der zee, en tracht dan
de onuitsprekelijke schoonheid van het attische land te begrijpen en
te waardeeren.

In de laatste twintig jaar is er eene groote verandering gekomen
in het voorkomen der moderne stad. In 1850 was Athene eigenlijk nog
niet veel meer dan een groot dorp; tegenwoordig is het eene fraaie,
nette, vroolijke stad, met breede straten, singels en boulevards,
met smaakvolle, niet hooge huizen, en liefelijk plantsoen. De in den
gevel gevatte marmeren zuilen, de wit marmeren lijsten om deuren en
vensters, levendig afstekende bij de licht blauwe of rooskleurige
tinten    der muren, de blauw geschilderde frontons: dit alles geeft
aan de huizen een eigenaardig, artistiek karakter.

Ieder gezin bewoont doorgaans zijn eigen huis, dat in den regel van
de aangrenzende woningen is afgescheiden door een tuin of eene ruime
plaats, met oranjeboomen, laurieren of thuyas beplant. De kamers zijn
groot, zeer hoog en luchtig. Het ameublement is hoogst eenvoudig en
tot het strikt noodige beperkt; maar deze soberheid past zeer goed
bij het klimaat en de eenvoudige levenswijze.

Des zomers neemt de familie de wijk naar de kelderverdieping, het
hypogeum genoemd, in den rotsgrond uitgehouwen en van genoegzaam
licht voorzien; de temperatuur is hier altijd drie of vier graden
lager dan in het overige gedeelte van het huis.

Elke verbetering of vooruitgang, sedert de laatste jaren, niet
alleen in de hoofdstad, maar ook in het geheele koningrijk tot
stand gebracht, heeft men uitsluitend te danken aan het persoonlijk
initiatief van partikulieren. Als men te weten tracht te komen,
welk aandeel de stedelijke of de landsregeering aan de meeste
verfraaiingen of verbeteringen heeft gehad, dan komt men al spoedig
tot de overtuiging dat dit aandeel niet alleen gelijk nul is, maar
dat zelfs meermalen de ijverige pogingen van partikulieren door de
regeering werden tegengewerkt.

De straten zijn slecht onderhouden, vol spleten en gaten, uitgehold
door de regens, die de aarde medevoeren en groote steenen blootwoelen,
waartegen de rijtuigen stooten en breken. Sommige wegen en straten
zijn volstrekt onbegaanbaar, ten gevolge der kuilen, die toch zoo
gemakkelijk met eenige spaden zand en aarde konden worden gevuld,
maar die het stedelijk bestuur eenvoudig aan hun lot overlaat. In
de fraaiste wijken en op sommige der meest bezochte punten, zijn
de voetpaden zoo ongelijk, dat men, des avonds of des nachts, elk
oogenblik gevaar loopt, armen of beenen te breken op de rotspunten,
die boven de oppervlakte uitsteken; de riolen vallen in en worden
verstopt, den ganschen omtrek verpestende; de waterbuizen barsten,
en eene gansche buurt kan dorst lijden; niet dan na eindelooze moeite
en gehaspel en na weken vertraging, wordt er eindelijk iets gedaan
om verbetering aan te brengen. Zoo men te Athene nooit hoort van
nachtelijke aanvallen of gewelddadige inbraak, dan heeft men die
veiligheid veelmeer te danken aan den aard des volks, dan aan de
zorg en waakzaamheid van eenige slecht gekozen en slecht uitgeruste
policie-agenten.

Maar het partikulier initiatief heeft zich niet bepaald tot de
verbetering en versiering der bijzondere woningen. Er zijn door
partikulieren collegiën gasthuizen, bewaarscholen, gymnasiën,
in menigte gesticht, misschien te veel zelfs; ook geschiede dit
niet altijd uit zuivere vaderlandsliefde of philanthropie, maar
zeer dikwijls uit ijdelheid. Van daar dikwijls een ijver zonder
verstand. Men besteedt aanzienlijke sommen voor de stichting van
eene of andere inrichting van dien aard, zonder te bedenken dat
reeds verscheidene dergelijke etablissementen, als overtollig,
ledig staan. Men wil iets groots, iets dat de aandacht trekt, tot
stand brengen, en zijn naam in gouden letteren voor den gevel zien
prijken. Het nut en de doelmatigheid der zaak zelve komt minder in
aanmerking; men begint te bouwen, zonder de kosten te berekenen, en
aldra ontbreken de noodige middelen om den bouw te voltooien: het dak
blijft ongedekt en de ledige vensteropeningen grijnzen u aan; ofwel,
er is geen geld om in de behoeften der inrichting, hetzij gasthuis
of kweekschool, te voorzien. Het aantal der liefdadige instellingen
en der inrichtingen van onderwijs te Athene zou voldoende zijn voor
eene zesmaal sterker bevolking, dan de stad thans bevat: geen wonder,
dat vele van deze stichtingen onvoltooid blijven of van dag tot
dag vervallen. Niettemin openbaart zich in dezen onverstandigen en
overdreven ijver toch een edel streven, dat, goed geleid en van de
thans heerschende verkeerdheden gezuiverd, zeer veel goeds tot stand
zou kunnen brengen, en voor eene verlichte en vaderlandslievende
regeering van onberekenbaar nut zou kunnen zijn.

Onder deze inrichtingen staat, als de oudste en voornaamste, de
Universiteit boven aan, door vrijwillige giften gesticht, toen de
nieuwe hoofdstad, nog schier een puinhoop, nog geen paleis had om
haar Koning te huisvesten, ja zelfs ter nauwernood betamelijke
woningen voor haar eigen burgers. De Hellenen mogen dan ook wel
trotsch zijn op hunne hoogeschool; en al valt er wel wat af te dingen
op de beweering der Grieken, dat er in geene andere stad van Europa
meer opgewekt geestelijk leven en meer werkzaamheid op intellektuëel
gebied gevonden wordt dan te Athene, zou het toch onbillijk zijn, de
groote belangstelling der Grieken voor alles wat de wetenschappelijke
ontwikkeling betreft en den ernstigen ijver en lust voor studie bij
het jongere geslacht te miskennen.

De Universiteit mag ook inderdaad genoemd worden. Zij telt onder hare
hoogleeraren eenige mannen van onmiskenbaar talent; haar groote gebrek
is de oppervlakkigheid der studie, misschien wel een gevolg van haar
jeugd: het ontbreekt haar nog aan eene degelijke wetenschappelijke
traditie. En dit kan niet wel anders: de jonge Universiteit van Athene
is de eenige inrichting voor hooger onderwijs, die in geheel het Oosten
te vinden is. Deze omstandigheid draagt trouwens niet weinig bij tot
haar roem en haar beteekenis. Telken jare komen meer dan twaalfhonderd
jongelieden, waarvan ruim de helft in het ottomannische rijk te huis
behoort, naar Athene, om hetzij in de rechten of in de medicijnen,
hetzij in de letteren, de exacte wetenschappen of de theologie
te studeeren. Na verloop van drie, vier of vijf jaar, keeren die
jongelieden naar hunne haardsteden terug, en worden op hun beurt
de dragers en de ijverige apostelen van beschaving en vooruitgang,
maar vooral ook van den helleenschen geest. Er zijn weinig steden
in Turkije, waar ge niet althans een geneesheer, een onderwijzer en
ettelijke advokaten vindt, die hunne opleiding te Athene ontvingen.

De invloed der Universiteit op de intellektuëele ontwikkeling en op
geheel de denkwijze der bevolkingen van het Oosten zou ongetwijfeld
nog veel sterker zijn, indien niet Griekenland zelf, maar al te vaak,
door het treurige schouwspel van innerlijke verdeeldheid, partijschap
en anarchie, zijn trouwste vrienden, ja zijn eigen kinderen, van
zich vervreemdde. Kon het zich zelven beter beheerschen, dan zou het,
juist door den intellektuëelen invloed zijner hoogere beschaving, eene
macht uitoefenen, die de tot dusver nog van het moederland gescheiden,
maar door bevolking en historie daartoe behoorende gewesten veel
spoediger en zekerder met Hellas verbinden en vereenigen zou, dan
de onbezonnen militaire demonstratiën, die nu en dan op touw worden
gezet, dit immer vermogen. Zeker zou dit ook het beste middel zijn
om zich de sympathie en de achting van geheel Europa te verzekeren.

Toen de oude Kolokotroni de fondamenten van het Universiteitsgebouw
boven den grond zag verrijzen, sprak hij deze beteekenisvolle woorden:
"Ziedaar een paleis, dat somwijlen het paleis des Konings in den
weg zal staan; maar dit zal Turkije verslinden, en meer voor het
vaderland doen, dan wij, onwetende Klephten, immer met onze karabijnen
doen konden."

De hoogeschool heeft tot dusver Turkije nog niet veroverd; maar wel
is zij, reeds meermalen, een bron van moeite en last geweest voor de
regeering van Griekenland zelf.

Als alle studenten aan alle plaatsen en van alle tijden, zijn ook de
studenten van Athene onrustig en revolutionnair van nature, altijd
vijandig gezind jegens het gezag, en steeds gereed om, op de eerste
oproeping van de leden der oppositie, een opstandje te organiseeren,
de ministers uit te fluiten, en met groot rumoer bij troepen door
de straten te trekken, om echter dadelijk bij de verschijning der
gendarmen uiteen te gaan. Opgestookt en aangevuurd door de radikale
raddraaiers, door het volk gesteund, had het meermalen al den schijn
of zij inderdaad de regeering naar goedvinden konden omverwerpen;
en deze dwaze waan heeft er niet weinig toe bijgedragen om bij de
studenten dien verderfelijken hartstocht voor de politiek aan te
wakkeren, die over het algemeen de vloek is van hun volk, en voor
hen bovendien de grootste belemmering op den weg van ernstige studie.

Onder deze jongelieden zijn er dan ook zeer velen, voor wie de studie
niets anders is dan het middel of het voorwendsel, om naderhand
in hunne provincie eene politieke rol te kunnen spelen; en om dit
doel te bereiken getroosten sommigen zich de grootste ontberingen:
zij verhuren zich als huis- of winkelbedienden, slechts eenige
uren per dag vrijhoudende om de colleges te kunnen bijwonen, en des
nachts werkende, maanden lang van water en brood levende, ten einde
de noodige boeken voor hunne studie te kunnen koopen. Vele van die
studenten zijn zonen van arme grieksche landlieden uit de verwijderdste
provinciën van Turkije; van alle hulpmiddelen ontbloot, worden zij
door dit brandpunt van intellektuëele ontwikkeling aangetrokken als
de muggen door de kaars; om slechts naar Athene te komen, verhuren
zij zich als muilezeldrijvers of matrozen; daar, in de hoofdstad,
kunt gij hen ontmoeten, slecht gekleed, armoedig, uitgehongerd,
ondanks de spreekwoordelijke matigheid van hun volk.

Zij, die over ruimer middelen kunnen beschikken en werkelijk liefde
koesteren voor degelijke studie, blijven niet te Athene: zij gaan naar
het Westen, om daar rechtstreeks aan de bronnen zelven de wetenschap
te beoefenen; en zoowel in Griekenland als in Turkije, onderscheiden
zij, die de hoogescholen van Frankrijk, Engeland of Duitschland hebben
bezocht, zich door hunne echt wetenschappelijke vorming en grootere
bekwaamheid boven hunne minder begunstigde landgenooten. Het ware
wel te wenschen, dat nog meer studenten en begaafde jongelieden in
het Westen hunne opleiding ontvingen; en de regeering zou een goed
werk doen, indien zij hen, wier middelen dit niet veroorloven, door
geldelijke ondersteuning te hulp kwam. Dit zou voor Griekenland een
dubbel voordeel opleveren. Die jongelieden zouden niet alleen rijker
aan kennis en wetenschap in hun land terugkeeren, maar zij zouden ook,
door rechtstreeksche persoonlijke waarneming, de maatschappelijke
en ekonomische wetten hebben leeren kennen, van welker naleving de
voorspoed en ontwikkeling van elk land, groot of klein, afhankelijk
is. Hun gezichtskring zou uitgebreid, hun ervaring verrijkt, hun geest
van menig vooroordeel bevrijd worden. Aan den anderen kant zouden
deze jongelieden aan Europa kunnen toonen, dat de Grieken niet enkel,
zoo als hunne vijanden beweeren, politieke warhoofden en intriganten,
wispelturige rumoermakers en half onbeschaafde wilden zijn, maar
dat er integendeel in dat volk groote en edele krachten sluimeren,
die waarborgen kunnen zijn voor eene betere toekomst.

Onder de andere inrichtingen, door de partikuliere liefdadigheid
gesticht en in bloeienden toestand verkeerende, vermelden wij in
de eerste plaats het Arsakion, eene inrichting van onderwijs voor
meisjes. Aanstonds na hunne politieke vrijmaking, hebben de Grieken
begrepen, dat er van werkelijke moreele emancipatie geen sprake
kon zijn, zoolang zij niet voor goed hadden gebroken met de oude
oostersche traditie, die ook de christelijke vrouw tot onwetendheid
en afzondering van de buitenwereld veroordeelde. In de eerste plaats
kwam het er op aan, in de samenleving en in de maatschappij aan de
vrouw den rang te hergeven, die haar toekomt, en waarop zij zich
alleen door onderwijs en ontwikkeling behoorlijk handhaven kan.

In alle steden werden mitsdien meisjesscholen opgericht; maar
weldra gevoelde men behoefte aan eene bijzondere inrichting, waar de
aanstaande onderwijzeressen hare opleiding zouden kunnen ontvangen. Met
behulp van giften, legaten, geldelijke ondersteuning  en tegemoetkoming
van allerlei aard, heeft men het groote, reeds in 1835 aangevangen
gebouw geheel kunnen voltooien, beurzen kunnen stichten, leerlingen
plaatsen: in één woord, een soort van groote normaalschool kunnen
inrichten, waar negenhonderd jonge meisjes haar opleiding ontvangen
en haar studiën voltooien onder de leiding van de hoogleeraren der
Universiteit. Dit is het Arsakion.

Het Varvakion (door den heer Varvakis gesticht) is een lyceum
voor knapen, en tegelijk het merkwaardigste museum van de geheele
stad. Het Bizarion  (gesticht en begiftigd door den heer Bizaris)
is een seminarie voor theologische studiën.

De ambachts- en handwerkschool voor weezen, eene stichting van
de familie Hadji-Kostas, het opvoedingsgesticht voor ouderlooze
meisjes, het gesticht voor ooglijders, een allersierlijkst gebouw in
byzantijnschen stijl, zijn allen door partikulieren uit eigen middelen
in het leven geroepen. Het fraaie observatorium op den Nymphenheuvel
en het prachtige marmeren gebouw, nevens de Universiteit, dat tot
Akademie moet dienen, zijn stichtingen van baron Sina.

Een groot gebouw, op kosten van den heer Bernardakis opgericht,
om tot bewaarplaats van antiquiteiten te dienen, is tot dusver nog
onvoltooid. Hetzelfde is het geval met eene polytechnische school,
door den heer Hournaris gesticht; sedert jaren staat zij verlaten;
om haar te voltooien, zou stellig meer dan een millioen noodig zijn.

In 1873 heeft men den eersten steen gelegd van een paleis, bestemd
voor de nationale tentoonstellingen (Olympiën), die alle vier jaar
gehouden zullen worden. Dit gebouw zal den naam dragen van Zapion,
naar den rijken griekschen bankier, te Odessa gevestigd, die bij
legaat de noodige gelden voor de stichting geschonken heeft. Zal ook
dit gebouw, als zoo vele andere, onvoltooid blijven?

Aan een der voornaamste singels staat een zeer ruim gebouw, tot
weeshuis bestemd, en waarin hoogstens acht of tien kinderen zijn
opgenomen. Niettemin was men juist bezig, vlak daartegenover, de
laatste hand te leggen aan een niet minder kolossaal gebouw, tot
hetzelfde doel bestemd. Nu zou het toch wel zoo verstandig en eenvoudig
zijn geweest, indien de milde gever aan het bestaande gesticht de
aanzienlijke som geschonken had, waarop dit nieuwe paleis hem zal
te staan komen. Waarschijnlijk zou men hem ook de voldoening niet
geweigerd hebben, van zijn naam, in groote gouden letters, aan den
gevel te zien prijken, versierd met het traditioneele on.

Wie zich overtuigen wil, hoe bitter weinig de elkander zoo snel
opvolgende ministeriën zich bekommeren over zaken, die met de
politiek niets te maken hebben, heeft slechts een bezoek te brengen
aan de verschillende lokalen, waarin de opgedolven overblijfselen
der oudheid worden bewaard. De fragmenten van standbeelden, de
opschriften, de basreliefs, zijn zonder een schijn van orde, op en
over elkander gestapeld in tempels, op binnenplaatsen, op openbare
pleinen, blootgesteld aan al de wisselvalligheden van het weder en met
stof en vuiligheid bedekt. Uit niets blijkt, van waar zij afkomstig
zijn, noch waartoe zij eigenlijk behooren. Overblijfselen, die voor
de archeologische wetenschap van het hoogste gewicht konden zijn,
indien men slechts wist tot welk monument of tot welk tijdvak zij
behooren, of ook maar waar zij gevonden werden, zijn nu niet veel
meer dan karakterloze brokken steen, ten gevolge der onverschoonlijke
slordigheid, waarmede men bij de ontdekking is te werk gegaan. Een
groote grafsteen, onlangs nabij den Ilyssus ontdekt, en die tot de
schoonste voortbrengselen der grieksche kunst behoort, waardig genoemd
te worden na de beeldwerken van het Parthenon en de Venus van Milo,
is eenvoudig uit de hand gezet op een slecht afgesloten terrein van den
weg van Patissia, nabij de in aanbouw zijnde Akademie. In den duisteren
kleinen tempel van Theseus zijn standbeelden weggestopt, waarvan het
hoofd in het Varvakion, en de armen in het museum van de Akropolis
berusten; en ge moet u niet al te zeer ergeren, als ge metopen het
onderste boven ziet staan. Voor den kunstenaar of den geleerde zijn
dergelijke verzamelingen niet alleen eene ergernis, maar bovendien
een warboel zonder waarde; en zelfs de gewone toerist kan daarin
niets vinden, wat zijne belangstelling zou kunnen wekken. Wat mij
steeds ten zeerste verwonderd heeft, is, dat dit volk, zoo uitermate
trotsch op zijn verleden en zoo hoogelijk met zich zelven ingenomen,
nog niet op de gedachte is gekomen om deze kostbare overblijfselen
van een schitterenden  bloeitijd, behoorlijk gerangschikt, in één
waardig en doelmatig ingericht gebouw bijeen te brengen.

Inderdaad, zulk een bewijs dat het hedendaagsche grieksche volk nog
niet geheel van den kunstzin zijner voorvaderen is ontaard, zou niet
overtollig wezen. Immers, men zou nu dikwijls zeer geneigd zijn,
het tegendeel te gelooven: want zelfs de oude monumenten heeft men
niet gespaard. De tempel van Theseus, door een rood geverwde houten
balustrade omringd en door grasperken, waarop de trommelslagers en
trompetters van het garnizoen zich oefenen, heeft tegenwoordig veel
weg van een douanenkantoor. Deze kleine, maar door de harmonie zijner
deelen zoo uitnemend schoone tempel maakte vroeger, toen hij eenzaam
en verlaten daar stond, een grootschen, aangrijpenden indruk. Nu
heeft hij bijna alle bekoorlijkheid, alle poëzie verloren.

Naar het scheen, moest althans de Akropolis, door haar ligging zelve,
voor dergelijke schennis beveiligd zijn; maar zij, die bovenal
geroepen zijn haar te eerbiedigen, aan wie de zorg voor haar behoud
is toevertrouwd,  gaan dagelijks voort met haar te bederven en van
haar eigenaardige schoonheid te berooven. Al de aarde en het puin
namelijk, uit de opdelvingen rondom het Parthenon afkomstig, wordt
eenvoudig over den rand der muren weggegooid. Het gevolg daarvan is
natuurlijk, vooreerst dat de muren worden beschadigd, maar vooral--en
dit is nog erger--dat er langzamerhand rondom de rots groote aardhoopen
gevormd worden, die haar eigenlijke gestalte misvormen en onzichtbaar
maken. Deze wonderschoone piedestal, met zijn kantige, sobere en
scherp geteekende lijnen, die de bewondering opwekte van allen, die
Athene bezochten, zal, als men zoo voortgaat, na verloop van eenige
jaren, in een wanstaltigen aardheuvel herschapen zijn. De portieken
van Eumenes, die men zoo gemakkelijk had kunnen ontblooten, zullen
verdwijnen en onder dit opgestapeld puin verbrijzeld worden. Een
weinigje kunstzin zou toch, naar het schijnt, voldoende zijn geweest
ons van deze barbaarsche handelwijze terug te houden.

Eerst als ge u op de Akropolis zelve bevindt, en u nederzet aan
den voet der Propylaeën of van het Parthenon, gevoelt ge de oude
helleensche wereld, in al haar ongeëvenaarde schoonheid, in al haar
soberen en zinrijken rijkdom, weer rondom u verrijzen.

Op dien naakten, rossigen rotsburcht, waar het gerucht der bezige stad
verstomt, waar ge niets hoort dan de scherpe kreten der roofvogels
hoog in de lucht, waar ge niets ziet dan den stralenden gloeienden
hemel en de violetkleurige toppen van den Hymettos en den Pentelikon;
tegenover die zwijgende marmeren kolommen, die uit den grond schijnen
op te rijzen, te midden van die diepe stilte en volstrekte eenzaamheid,
gevoelt ge u zelven geheel vermeesterd en doordrongen van een groote,
rustige kalmte. Al die wanklanken, die u ontstemd en geërgerd hebben,
zijn verdwenen en hebben zich opgelost in verhevene harmonie. De
ruïnen, die ge hier om u ziet, zijn het werk der barbaarschheid en niet
van den wansmaak. De soldaten van den aga Yoesoef beseften niets van
de waarde dezer muren, die zij aan de vlammen prijs gaven; de bommen
van Morosini vernielden zonder opzet of bijgedachte; lord Elgin,
van allen het minst te verontschuldigen, werd ten minste nog door een
zucht tot behoud gedreven, toen hij de marmersteenen stuksloeg en de
triglyphen schond. Bovendien doen deze verwoestingen geen merkbare
afbreuk aan den algemeenen indruk, dien deze onsterfelijke ruïnen op
den aanschouwer maken, terwijl de onverantwoordelijke handelingen van
de moderne bewaarders en herstellers der oude monumenten wel degelijk
het genot bederven. [19]

Als ge uw blikken van de ruïnen afwendt om het panorama rondom u te
overzien, dan zult ge een niet minder eigenaardigen indruk ontvangen.

De epitheta van bekoorlijk, mooi, bevallig, verrukkelijk, die ge
met volle recht op de landschappen van Ionië en de oevers van den
Bosporus kunt toepassen, gelden niet van Griekenland, en vooral
niet van Attika. Harer is eene schoonheid, die niet op het eerste
gezicht,  die niet door iedereen gevoeld en begrepen wordt: eene
schoonheid, wier elementen zijn: het licht, de lijnen, de vorm,
de kleur der bergen. Aan uwe voeten ziet ge niets dan eene naakte
en dorre vlakte. Van oudsher was Attika een weinig vruchtbaar land:
Strabo noemt het een ondankbaren grond, Pindarus dor, Thucydides
onvruchtbaar, Homerus steenachtig en rotsachtig. Deze onvruchtbaarheid
is het noodwendig gevolg van de geologische vorming des lands en de
vele marmerrotsen, die men er aantreft. Overal waar die rotsen de
overhand hebben, is de plantengroei zeer schraal. Deze harde kalksteen
wordt niet dan uiterst langzaam door de werking van lucht en licht
en vochtigheid ontbonden; de dunne aardlaag, die zich mettertijd
langzamerhand gevormd heeft, wordt op de steile hellingen weer
weggespoeld door het regenwater, dat door niets in zijn loop wordt
tegengehouden. Die groote marmerwanden weerkaatsen met verblindende
felheid de zonnestralen en worden in den zomer gloeiend heet; de
weinige planten, die in de lente ontloken zijn, verdorren dan en
sterven; een felle wind, door geen bosschen of boomen getemperd, waait
verwoestend en verschroeiend over de vlakte en doet daar de planten
verkwijnen. Het regenwater loopt over de naakte steenen weg, zonder
op de hoogten door struikgewas of wat ook te worden tegengehouden,
om vervolgens als levenwekkende, vruchtbaarheid verspreidende bron of
beek naar de vlakte af te dalen; het graaft nu slechts sporen in de
heuvelen en maakt de aarde veeleer nog onvruchtbaarder door de kalk-
en zoutdeelen, waarmede het bezwangerd is. Droogten van zes en acht
maanden maken bijna iedere kultuur onmogelijk, voor 't minst buiten
den smallen zoom, die door het water van het zeer kleine rivierke
de Kephissos gedrenkt kan worden; dit water, dat met de grootste
zuinigheid wordt verdeeld, ontbreekt vaak in den zomer geheel, en
de terreinen, die voor bebouwing geschikt zijn en vruchten konden
voortbrengen, blijven dor en onvruchtbaar, zoodra dit onmisbaar
element wordt gemist.

De bekoorlijkheid, de schoonheid van dit zonderlinge land moet ge dus
niet zoeken in de afwisseling der natuurtafereelen, in de weelderigheid
van een rijken plantengroei, in de malsche schakeeringen van het
frissche sappige groen, in de betoovering van ruischende bosschen en
murmelende wateren, in al datgene wat gewoonlijk tot de onontbeerlijke
vereischten van eene schoone natuur gerekend wordt. Neen, zij ligt
uitsluitend in die wisseling van zuivere, sierlijke, sobere lijnen,
in die opeenvolging van verschillend gekleurde en getinte bergen,
in dien warmen kleurengloed, in die kristallen klaarheid van den
dampkring, in dat wondervol geheel, streng zonder eentonig te zijn,
vol grootheid en stijl, in die onbeschrijfelijke harmonie, die haar
hoogste uitdrukking vond in den schoonheidszin van dit zoo zeldzaam
begunstigde volk.

Ter linkerhand, aan gene zijde der vlakte, die zij van het westen
naar het oosten omlijst, trekt de keten van den Parnessos tegen den
helderen hemel haar fijne omtrekken, in het midden afgebroken door
den loodrechten rotskegel van Philé, dien de oude dichters bij een
wagen vergeleken. Ter rechterhand verrijst de Hymettos, schijnbaar in
de onmiddellijke nabijheid, dank zij de weergalooze doorschijnende
helderheid der lucht. Op den achtergrond, achter de scherpe rotsen
van den Lykabettos, verheft zich, midden uit de vallei, de eenzame
Pentelikon, wiens eigenaardige gestalte een zoo sprekend karakter
geeft aan het attische landschap; donkerpaars gekleurd, teekent hij
zich met zoo scherpe duidelijkheid af, dat ge van hier de gapende
marmergroeven kunt onderkennen, waaruit Perikles de zuilen van het
Parthenon liet houwen.

Als ge u boven op de trappen van dezen tempel plaatst en u naar
het westen wendt, dan breidt zich een panorama voor u uit, dat in
schoonheid door weinige overtroffen wordt. Op den achtergrond, in een
lichten zilveren nevel gehuld, de bergen van Argos, de Akro-Korinthe,
het schiereiland Methana, de noordelijke landpunt van het eiland Hydra;
links de zee, de zee met haar onbeschrijfelijke kleurenmengeling
in alle overgangen van fluweelig blauw; ginds, aan den uitersten
gezichtseinder, eilanden, badende in een doorschijnenden glans van
purperkleurig licht: Sint-George, Therma, Serpho, Milo; meer op den
voorgrond, het eiland Egina met de hooge bergspits van Sint-Elias;
dan de steile rotsen van het eiland Salamis, en tusschen die beiden
eene groep van kleine eilandjes, hier en daar verspreid, als een vloot
voor anker. Nog dichter bij, de bochtige kust met haar inhammen en
voorgebergten, en de havens van Phaleros, van Munychia en van den
Piraëus, en de baai van Salamis.

Als ge over dit weergaloos panorama uwe blikken dwalen laat, dan kunt
ge eenigszins begrijpen, welken invloed de eigenaardige gesteldheid
des lands op het karakter en de nationale ontwikkeling der Grieken
hebben moest.

Die talrijke eilanden, als zoo vele rustpunten en handelskantoren over
de wateren gestrooid; die kustenlijn, telkens afgebroken door baaien
en inhammen, die diep in het land indringen en het binnenland voor de
schepen openen: moest deze gedaante van hun land, niet als van zelf bij
de Grieken de lust doen ontwaken voor scheepvaart en handel, bovendien
zoo geheel passende bij hun levendigen, bewegelijken aard? Lokkend en
noodigend omspoelde de heerlijke zee overal hunne kusten; wat wonder,
dat zij die noodiging volgden, zich met hunne vlugge schepen aan de
blauwe golven vertrouwden, en zich lieten voeren naar verwijderde
stranden, waar nieuwe avonturen hen wachtten?

Het was trouwens niet enkel eer- en heerschzucht, het was ook de
noodzakelijkheid, die met name bij de Atheners den zin voor avonturen
en verre ondernemingen ontwikkelde. Door hun uitgebreiden handel
en hunne zee-oorlogen werden zij, in korten tijd, de beheerschers
van Griekenland en van de Middellandsche-zee. Tijdens haar bloei,
was Athene de eerste zeemogendheid der toenmalige wereld, en met
het verlies harer maritieme grootheid, was ook het tijdperk van haar
macht en bloei als staat voorbij. Die kleine, engbegrensde vlakte,
zonder boomen en zonder graan, beteekende niets; en ware zij niet
door de zee bespoeld, wel nimmer zou Athene geworden zijn wat het
thans is geweest. Nu werd deze in zich zelve zoo schraal bedeelde
plek gronds een brandpunt van handel en nijverheid, de kweekplaats
van wetenschap en kunst; nu leefden hier vierhonderd-duizend slaven en
vijftigduizend vrijen. Overal, waar weelde en rijkdom gevonden werd,
werden de werken der atheensche kunstenaars gezocht en duur betaald;
Perikles begreep dit volkomen, en wist zeer goed wat hij deed, toen
hij zich boven alles beijverde om aan zijn volk op het gebied der
kunst den eersten rang te verzekeren. Voorwaar, het was niet om zijne
persoonlijke ijdelheid te streelen, dat deze groote staatsman voor den
bouw van het Parthenon eene som besteedde, die gelijk stond met het
drievoudige der jaarlijksche inkomsten van den staat. Hij begreep zeer
goed dat deze stichting, waarbij de bouwkunst, de beeldhouwkunst en
de schilderkunst zich hadden vereenigd om het hoogste en volmaaktste
te scheppen waartoe de toenmalige wereld in staat was, voor langen
tijd aan Athene den voorrang zou verzekeren: een rang, die haar door
geen anderen helleenschen staat kon worden betwist, en met dien rang
tevens de heerschappij over geheel de helleensche wereld. Die macht
is snel gedaald: het schitterende tijdperk van Athene's heerlijkheid
duurde maar kort, korter waarschijnlijk dan de geniale staatsman zich
had voorgesteld; doch wat hij gewrocht had, was onvergankelijk; hij
had meer gedaan dan hij zich had voorgesteld: hij had niet alleen aan
Athene den eersten rang verzekerd onder de helleensche staten, maar
haar tevens eene eerste plaats verworven in de geschiedenis van de
beschaving der wereld, een macht en invloed, die de eeuwen tarten zou.

In de stad Athene zelve worden nog maar weinig antieke monumenten
gevonden. Ieder kent, al is het dan ook uit photografiën, de portiek
van Hadrianus, de zuilen van den tempel van Zeus Olympios, den toren
der Winden, het theater van Bacchos, de tribune van Demosthenes. Maar
zoo de touristen nooit zullen verzuimen, in dikwijls maar al te zeer
geveinsde bewondering voor deze monumenten stil te staan, zijn er
maar weinigen, die zich verwaardigen eenige aandacht te schenken aan
de fraaie byzantijnsche kerken, door geheel de stad verspreid. En
toch zijn die alleszins de aandacht waard.

In de eerste eeuwen der christelijke jaartelling schijnen er in
Griekenland weinig of geen kerken te zijn gebouwd. Het Evangelie had
bij de massa des volks geen ingang gevonden; de oude eeredienst was
nog in stand gebleven, en Julianus bracht nog zijne hulde aan Pallas
Athene in het Parthenon. Later, toen het Christendom voor goed over
het oude polytheïsme had gezegevierd, werd dit natuurlijk anders;
onder Justinianus werden de oude tempels voor de christelijke
eeredienst ingericht, en de gelden en inkomsten, oorspronkelijk
voor de dienst der goden en godinnen bestemd, werden nu aangewezen
tot onderhoud der geestelijkheid. Maar het oude heidendom wreekte
zich, door den verderfelijken invloed, dien het al spoedig op de
oostersche Kerk uitoefende. De atheensche prelaten begaven zich ter
kerk, gezeten op witte paarden en omstuwd door prachtig uitgedoste
geestelijken; de archonten verschenen te paard in het heiligdom, en de
atheensche dames lieten zich, onder het geleide van eunuken, in haar
draagstoel derwaarts voeren, om de jonge geestelijken, die het best
gezongen hadden, toe te juichen. Nog schadelijker werkten het doode
formalisme, het ziellooze ceremonieel, het strakke en spitsvindige
orthodoxisme, die welhaast het geestelijk leven uitdoofden, en de
eenmaal zoo krachtige en bloeiende oostersche Kerk rijp maakten voor
den diepen val, waaruit zij zich sedert nooit meer heeft kunnen
opheffen. Intusschen worden nu kerken in menigte gebouwd, en voor
het meerendeel van zeer kleine afmetingen. Zij zijn doorgaans van
minder omvang dan onze gewone dorpskerken, maar zij vertoonen een
eigenaardig karakter en verdienen de belangstelling als scheppingen
eener geheel bijzondere, ons schier onbekende kunst.

Men kan deze kerken in drie kathegoriën splitsen, die tevens drie
tijdperken vertegenwoordigen. Het eerste tijdperk, dat van de derde tot
de vijfde eeuw reikt, heeft bijna geen sporen meer achtergelaten; de
eerste onderzoekers, die na de emancipatie in Griekenland verschenen,
hebben ter nauwernood nog enkele overblijfselen uit deze periode
kunnen vinden; tegenwoordig zijn die geheel verdwenen. De kerken uit
dien tijd waren kleine ronde of vierkante kapellen, waarvan het platte
dak met een koepel gedekt was.

Het tweede tijdvak loopt van de zesde tot de elfde eeuw. Dit is de
ware bloeitijd der byzantijnsche kunst, die haar hoogste ontwikkeling
bereikt om vervolgens als het ware te verstijven. De oorspronkelijke
type wordt gewijzigd, ruimer en vrijer opgevat en verfraaid; de
koepels worden vermeerderd; de absiden worden veelhoekig uitgebouwd;
de vensters, door een of twee dunne zuiltjes in vakken verdeeld. Vier
stevige vierkante pilaren schragen den grooten koepel, die eene
bijkans halfronde gedaante aanneemt, en waarvan het bovenste gedeelte
van talrijke openingen voorzien is. Van binnen worden de gewelven en
bogen versierd met mozaïeken op gouden grond. Het niet zeer lange
schip heeft somwijlen een narthex of voorportaal, waarboven eene
tribune voor de vrouwen is aangebracht. Het altaar wordt aan de oogen
der geloovigen onttrokken door een meer of minder rijk beschilderd
en gebeeldhouwd scherm, het zoogenoemde iconostasia.

Het derde tijdperk reikt tot de vijftiende eeuw, en kenmerkt
zich hoofdzakelijk door eene vermenging van de byzantijnsche
met de italiaansche bouwkunst: een gevolg van de heerschappij
der Venetianen. Boven de gevels worden frontons aangebracht; de
constructie der gewelven ondergaat eene merkbare verandering, en de
mozaïeken worden door fresco-schilderijen vervangen. Overigens is
dit een tijdperk van toenemend verval.

De kerken van Athene behooren vooral tot de tweede periode. Zij zijn
opgetrokken van gehouwen steen, met rijen van dunne baksteenen
daartusschen. De bogen der vensters en deuren zijn mede van
langwerpige, smalle baksteenen, door cement verbonden; de koepels
en daken zijn gedekt met groote ronde pannen. Allen, zonder eenige
uitzondering, zijn met het koor naar het Oosten gericht, juist het
tegenovergestelde van de heidensche tempels.

Omstreeks de achtste of negende eeuw, telde men te Athene driehonderd
kerken of kapellen. Dit cijfer staat in hoegenaamd geene verhouding
tot de bevolking; het groote aantal der kerken vindt zijne verklaring
in den regel van den griekschen ritus, volgens welken het niet
geoorloofd is meer dan eenmaal per dag in dezelfde kerk de mis te
bedienen. Tegenwoordig zijn er te Athene tusschen de veertig en
vijftig kerken en kapellen, waaronder slechts zes of zeven van oude
dagteekening.

Vóór den bouw der tegenwoordige kathedraal was de kerk aan Sint-George
gewijd de hoofdkerk. Zij kon hoogstens twintig personen bevatten; de
menigte, op het plein geschaard, was door de geopende deur getuige van
de heilige dienst. De kerk schijnt inderdaad een stuk speelgoed; het
is de kleinste en tevens de oudste van alle byzantijnsche kerken van
Athene. In de buitenmuren, uit groote gehouwen steenen, waarschijnlijk
van eene of andere ruïne afkomstig, opgetrokken, zijn enkele antieke
bas-reliefs ingemetseld: onder anderen, boven de deur, eene kleine
fries, waarop de teekens van den dierenriem zijn afgebeeld.

Sint-Nikodemus, nabij het koninklijk park, is weder hersteld en is
thans de russische kerk. Dit was de grootste byzantijnsche kerk van
geheel Griekenland. Met haar drie veelhoekige koornissen, haar in
drie vakken verdeelde vensters, haar eigenaardige decoratie, behoort
zij zeker tot de merkwaardigste monumenten van dat tijdvak. De andere
oude kerken onderscheiden zich door niets bijzonders; aan een paar, met
name aan die van Sint-Theodorus, zijn de deuren bij wijze van hoefijzer
gewelfd. Dit motief, aan de mohammedaansche kunst ontleend, schijnt,
op het eerste gezicht, zeer vreemd; wij weten echter, dat onder de
regeering van Justinianus onderscheidene perzische bouwmeesters naar
Constantinopel werden geroepen: het is dus waarschijnlijk, dat deze
soort van gewelf door hen of hunne volgelingen in de byzantijnsche
architectuur is ingevoerd.

De moderne kerken zijn in denzelfden stijl gebouwd, maar missen alle
oorspronkelijkheid en artistieke waarde. Zelfs de nieuwe kathedraal is,
althans uitwendig, een plomp bontkleurig gebouw, zonder schoonheid
of stijl. Van binnen maakt de kerk evenwel een beteren indruk;
het schilderwerk, dat de wanden en gewelven geheel bedekt, geeft
aan het gebouw een zeer bijzonder karakter. Toen ik voor de eerste
maal de kathedraal betrad, zag ik daar de grieksche geestelijkheid
in al haar pracht en den luister van den byzantijnschen ritus; de
metropolitaan en zijne coadjutors, de archimandriten, waren gehuld in
rijk met goud geborduurde kleederen, en droegen op het hoofd prachtige
oostersche myters, fonkelende van edelgesteenten. Ongelukkig hebben
de Grieken vrij algemeen de gewoonte om door hun neus te spreken;
de valsche, brommende tonen van het gezang werkten zoo onaangenaam
op mijne zenuwen, dat het mij onmogelijk was de behoorlijke aandacht
te schenken aan deze oude, eerwaardige gezangen, die tot de eerste
eeuwen onzer jaartelling opklimmen. Op groote feestdagen, als de Koning
en de Koningin de dienst in de kathedraal bijwonen, wordt het Kyrie
Eleison en de andere oude hymnen door de zangers der russische kerk,
met hunne zuivere en zielvolle stem, aangeheven. Maar de burgers van
Athene nemen het der Koningin zeer kwalijk, dat zij aan het schoone
en welluidende gezang der russische zangers de voorkeur geeft boven
het onaangenaam geschreeuw der grieksche.


IV.

Athene is dikwijls genoeg beschreven geworden, en de Atheners evenzeer;
het ligt volstrekt niet in mijn plan, hier in eene wederlegging te
treden, hetzij van de onrechtvaardige beschuldigingen, hetzij van de
overdreven lofspraken, die beiden evenzeer hebben bijgedragen om de
publieke opinie ten aanzien van het grieksche volk op een dwaalspoor
te leiden. Ik zal mij eenvoudig bepalen tot het wedergeven van den
indruk, dien de hoofdstad van Griekenland in 1874 op mij gemaakt heeft.

Zij, die bij hunne aankomst in Griekenland dadelijk verwachten
overal die bijzondere lokale kleur te zullen aantreffen, waarmede
in de reisboeken zoo zeer geschermd wordt, moeten zich wel zeer
teleurgesteld gevoelen.

Te Athene hebben niet alleen de huizen, de straten, de winkels, over
het algemeen geheel hetzelfde voorkomen als in de steden van westelijk
Europa; maar ook de bewoners hebben de bekende witte fustanella en
de roode fez met blauwe kwast afgelegd, en gaan naar europeesche mode
gekleed, in een kort jasje en met een ronden hoed. Dit is goedkooper
en gemakkelijker, maar ook veel minder schilderachtig en bevallig. De
pallikaar, met zijn korten wijden rok en wiegelenden gang, is eene
zeldzame verschijning te Athene, en om hem te zien moet ge naar het
binnenland gaan. Slechts als de Karner vergaderd is, kunt ge nog
enkele oude afgevaardigden uit de provincie ontmoeten, met lange
zilverwitte knevelbaarden en gedost in het aloude nationale kostuum.

De zondag is een dag van algemeene rust en ontspanning. De werklieden,
de winkeliers, de kleinere ambtenaren, in zwarte jassen gekleed
en vergezeld van hunne vrouwen, naar de voorlaatste mode uitgedost,
wandelen langzaam en zwijgend door de straten en over de pleinen. Langs
den breeden, met armzalige boompjes omzoomden weg, die de stad met
het dorpje Patissia verbindt, bewegen zich, in dichte stofwolken, een
aantal huurrijtuigen; op de voetpaden wemelt het van wandelaars in hun
zondagspak. Van tijd tot tijd rijden er eenige open landauers voorbij,
met twee fraaie paarden bespannen, die door een koetsier in liverei
worden bestuurd, en waarin dames en heeren, in de keurigste toiletten
uit Parijs, zich op hun gemak laten rondvoeren. Daartusschen ziet
ge enkele phaetons en lichte rijtuigjes, door jongelieden bestuurd,
en eenige officieren te paard in uniform.

Voor zoo ver de dichte stofwolken, die u haast doen stikken--waarom
wordt hier de weg nooit besproeid?--het uitzicht vergunnen, overziet
ge, ter linkerhand, het olijvenbosch, de golf van Egina en den Piraëus,
met de hooge masten der daar voor anker liggende oorlogschepen. Van
de wandeling terugkeerende, wordt eenige oogenblikken halt gehouden
op het Eendrachtsplein, waar de militaire muziek stukken uit onze
opera's speelt.

Bij die wandeling is het er natuurlijk in de eerste plaats om te doen,
gezien te worden. Ieder, rijk of arm, wil op eene of andere manier de
oogen tot zich trekken; en vooral daaraan is het toe te schrijven,
dat men aan dezen stoffigen en zonnigen weg de voorkeur geeft boven
den koninklijken tuin, de liefelijkste wandelplaats die men zich
denken kan. Maar in die kronkelende lanen en paden, half verloren in
het dichte bosschage, zou men niet zoo gemakkelijk opgemerkt worden.

Deze tuin, een waar paradijs in het dorre Attika, is, zoo als men weet,
eene schepping van Koningin Amalia. Zij zelve leidde en bestuurde
de werkzaamheden, en reed telken dage den tuin rond, hetzij te
paard, hetzij in een klein rijtuig, met twee poneys bespannen,
die zij zelve mende. Telkens word het jong plantsoen door den
geduchten noordenwind vernield, die de pas geplaatste boomen ter
aarde wierp. Maar de Koningin gaf het niet op: en zoodra de wortels
eens tot een vruchtbaarder laag waren doorgedrongen, begonnen de
boomen voorspoedig te groeien. Nu kan men hier overal, ook bij den
felsten zonneschijn, in de schaduw wandelen. Duizenden rozenstruiken,
met bloemen bezaaid, kronkelen zich langs de stammen en takken van
fraaie, zeldzame boomen. Een menigte besproeiingskanalen doorsnijden
het park in alle richtingen, en verspreiden overal eene verkwikkende
koelte. Prachtige bloembedden spreiden den weelderigen rijkdom harer
kleuren ten toon, onder den welriekenden lommer der oranjeboomen. Met
behulp van het noodige water, is men er zelfs in geslaagd eenige
grasperken te onderhouden, boven wier sappig groen dadelpalmen hunne
bladerkronen wiegelen. Door het gebladerte heen ziet men de schitterend
witte, sierlijke marmeren kolonnade van het paleis, dat aan deze zijde
niet dat kazerne-achtige karakter heeft, hetwelk aan den voorgevel zulk
een onaangenamen indruk maakt. Vooral door het contrast, schijnt deze
bloeiende oase dubbel bekoorlijk. In dit dorre, boomlooze land, is het
een onuitsprekelijk genot, te luisteren naar het geruisch van levende
wateren, zich neder te vleien in den dichten lommer der bosschen,
en de vermoeide oogen, verblind van het staren op de gloeiende rotsen
en den geblakerden grond, te laten rusten op het zachte, welige groen.

Zij, die door hunne bezigheden of door gebrek aan fortuin, gedwongen
worden, ook in de hondsdagen te Athene te blijven, kunnen ten minste
nog naar het strand gaan. Met rijtuig of met een omnibus begeeft
men zich naar het station, aan den voet van de Akropolis, in de
onmiddellijke nabijheid van den tempel van Theseus, en tien minuten
later stappen de reizigers uit aan het strand van Phaleros. Daar
kan men dan, gedurende enkele uren, met volle teugen de frissche
zeelucht inademen of een bad nemen; daar vindt men ook eene vrij
goede restauratie en een houten zomertheater, met den starrenhemel
tot zoldering. Omstreeks middernacht brengen de treinen de duizenden
wandelaars weder naar de gloeiend heete stad terug, waar zij vergeefs
zullen beproeven eenige uren te slapen, eer op nieuw de brandende,
alles verschroeiende zon boven de kimmen verrijst.

De atheensche maatschappij splitst zich in drie onderscheidene
groepen, die weinig met elkander in aanraking komen. De eene
groep bestaat uit de eigenlijke burgerij, die er zich op beroemt
echt-atheensch te zijn, autochthonen in den waren zin; zij, die
tot deze klasse behooren, vermijden zooveel mogelijk allen omgang
met Europeanen en loochenen alle solidariteit met de Grieken, die
buiten het koningrijk zijn geboren en die zij met zekere minachting
heterotochthonen noemen. Behoudens enkele uitzonderingen, vertoonen
deze lieden dezelfde eigenschappen, die overal der bourgeoisie eigen
zijn: bekrompenheid, vooroordeel en afkeer van al wat vreemd is. Tot
hun eer moet men hun nageven, dat zij ook de oude eenvoudigheid van
levenswijze en reinheid van zeden hebben bewaard.

De verhalen omtrent de verregaande oneerlijkheid der Atheners, door
sommige schrijvers in omloop gebracht, zijn waarschijnlijk nooit vrij
van overdrijving geweest, en zouden althans tegenwoordig bepaald onwaar
zijn. Maar toch valt het niet te ontkennen, dat list en bedrog in het
volkskarakter diepe wortelen hebben geschoten en maar al te zeer als
geoorloofde wapenen in den strijd des levens worden beschouwd. Dezelfde
man, die zich als onteerd zou beschouwen, indien hij uw beurs of uw
tabaksdoos uit uw zak wegkaapte, zal zonder eenige aarzeling van uwe
onbekendheid met de wetten en gebruiken des lands profiteeren om u te
misleiden, u zoo veel mogelijk geld af te persen of u niet te betalen
wat hij u schuldig is. Dit is in zijn oog eene geoorloofde handigheid,
en zijn geweten maakt hem deswege geen verwijt. Gelukkig zijn er vele
uitzonderingen, wier aantal voortdurend toeneemt. Overheidspersonen,
leeraren, geneesheeren, kooplieden, geven het voorbeeld van onkreukbare
eerlijkheid en van fijne beschaving. De toekomst des lands ligt voor
een groot deel in hunne handen: zij weten dat, en doen alles wat
in hun vermogen is, om het kwaad, dat zij niet zullen loochenen,
te bestrijden en zoo veel mogelijk te overwinnen.

De vrouwen, die tot deze klasse der maatschappij behooren, verstaan en
spreken voor het meerendeel geene andere taal dan het grieksch. Zij
spreken weinig in gezelschap, en hebben zekere gemaaktheid
in haar manieren: misschien louter het gevolg van overdreven
beschroomdheid. Vreemdelingen worden met zeker wantrouwen bejegend,
en verkrijgen niet gemakkelijk toegang tot den familiekring. Zeer
dikwijls is deze terughouding en stugheid niet anders dan hoog
opgevoerde eigenliefde, die de soberheid en betrekkelijke armoede
der huishouding voor geen vreemde oogen ontdekken wil.

Nevens deze groep, waartoe bijna al de politieke mannen behooren, die
in Griekenland een rol gespeeld hebben of nog spelen, staat eene andere
klasse, die eenigermate de allures aanneemt eener aristokratie. Zij
bestaat uit de zoogenaamde Phanarioten, dat wil zeggen, grieksche
familiën uit den Phanar, de grieksche wijk van Constantinopel,
afkomstig; en wier voorvaderen, hetzij door hunne aanzienlijke
fortuin, hetzij door de hooge staatsbetrekkingen die zij bekleedden,
een zekeren voorrang hadden verworven, dien hunne nakomelingen nu ook
willen laten gelden in een land, waar de meest volstrekte gelijkheid
heerscht. Deze klasse is overigens niet talrijk. De Atheners dragen
dezen Phanarioten een fellen haat toe, en beschuldigen hen van intrige,
oneerlijkheid en omkooperij: een oordeel, dat, mijns inziens, alles
behalve billijk is, en voor een goed deel aan onedelen naijver
en jaloezie moet worden toegeschreven. De Phanarioten zijn bijna
allen zeer bemiddeld, en mitsdien in staat om veel te reizen en
telken jare westelijk Europa te bezoeken. Daardoor zijn zij met onze
denkbeelden, met onze zeden en levenswijze meer vertrouwd geraakt;
zij toonen hunne ingenomenheid met de europeesche beschaving door
de gastvrijheid waarmede zij vreemdelingen ontvangen, en door de
meer comfortabele wijze, waarop zij hunne huishouding inrichten. Hun
wijder gerichtskring en veelzijdiger ervaring vergunt hun ook, een
billijker en onpartijdiger oordeel te vellen over de toestanden in
hun eigen land. De bittere en onrechtvaardige naijver van hunne
landgenooten houdt hen geheel van het bestuur en van staatszaken
verwijderd. Men heeft daarin groot ongelijk, want juist deze hooger
ontwikkelde mannen zouden zich minder door hunne hartstochten laten
medeslepen; zij zouden zich veel gemakkelijker vrij kunnen houden
van kleine coteriën en lokale invloeden, en zich niet behoeven in te
laten met de ellendige kuiperijen en intriges, die in de grieksche
regeeringskringen eene zoo groote rol spelen.

In hunne smaakvol ingerichte salons wordt de vreemde bezoeker ontvangen
door hoogst beschaafde, zeer ontwikkelde vrouwen, die verscheidene
talen vloeiend spreken, en met wie het een genot is te praten; deze
salons zijn voor de in Griekenland gevestigde vreemdelingen van zeer
groote waarde: zij vinden daar als eene levende herinnering aan hun
eigen vaderland.

In de laatste jaren heeft zich, nevens deze beide klassen, nog eene
derde gevormd, die geheel op zich zelve staat. Een zeker aantal
grieksche bankiers, die in het buitenland fortuin hadden gemaakt,
zijn zich te Athene komen vestigen; en even als overal, hebben
deze lieden ook hier die zekere weelde van dubbelzinnig gehalte,
die zucht voor uitspanningen en kostbare vermaken, en bovenal dien
hartstocht voor spekulatie medegebracht, die, overal verderfelijk,
dubbel noodlottigen invloed uitoefenen te midden eener bevolking,
wier behoeften en levenswijze in overeenstemming zijn met de algemeene
beperktheid der middelen.

Deze geldmannen hebben der atheensche maatschappij een heete koorts
op het lijf gejaagd, waaraan zij, nu twee jaar geleden, schier
dreigde te bezwijken. Al de bedachtzaamheid en voorzichtigheid der
Grieken is niet bestand geweest tegen de noodlottige bekoringen en
verlokkende voorspiegelingen, waarmede deze spekulanten hunne zinnen
verblindden. Er werden fantastische venootschappen en maatschappijen
opgericht; er werden mijnen verkocht, die nooit bestaan hadden;
naamlooze vereenigingen van allerlei aard schoten als paddestoelen
uit den grond; de aandeelen bereikten fabelachtige prijzen: in één
woord, het Grünaertium stond in vollen bloei. Maar weldra kwam het
oogenblik, waarop al die luchtkasteelen instortten. Het ontwaken uit
dien gouden droom was verschrikkelijk. Griekenland verloor op één dag
ruim twintig millioen gulden, bijna de gansche fortuin van dit arme
kleine land. Geen wonder dat zij, op wie de verantwoordelijkheid voor
deze ramp nederkwam, de voorwerpen werden van den algemeenen haat. De
salons zijn voor hen gesloten; en de pogingen, die zij aanwenden om
vreemdelingen of inboorlingen tot zich te lokken, stuiten af op de zeer
besliste terughouding en koelheid van alle klassen. Griekenland heeft
eene harde les gehad: moge het door de ondervinding wijs zijn geworden.

Somwijlen ontmoet men op de boulevards of op den weg van Patissia
een jeugdig paar, met snellen stap voortschrijdende en gevolgd door
een grooten deenschen dog. De jonge man, met een zeer gedistingeerd
voorkomen, blond, slank en rijzig, draagt een grijzen vilten hoed;
de jonge dame, ook blond, met zeer schoone zacht blauwe oogen, is
altijd hoogst eenvoudig gekleed. Dat is Koning George en Koningin
Olga. Bijna alle voorbijgangers staan stil om hen te groeten; maar
de aanhangers van het pas gevallen ministerie of van de partij, die
nog niet aan het roer is kunnen komen, houden den hoed op het hoofd
en keeren zich met een brutaal gezicht om.

Menigmalen heb ik dien jeugdigen Koning met zijn sympathiek gelaat
beklaagd. Zijn toestand is verre van benijdenswaardig. Hij kwam in
Griekenland, na eene omwenteling, eerst achttien jaren oud, zonder
ervaring, maar vol goeden wil en vervuld met de beste voornemens. Die
zoon van het Noorden, met zijn koel, bedaard, eerlijk en rechtschapen,
maar ook vasthoudend karakter, moest onvermijdelijk in botsing
komen met zijn hoogmoedig, achterdochtig, weerstrevig en in hooge
mate wispelturig volk, dat zoo uiterst moeilijk te regeeren is. Die
botsingen zijn dan ook niet uitgebleven, en meermalen scheen het of
de breuk tusschen Koning en volk onheelbaar worden zou. Bij herhaling
reeds is het woord republiek uitgesproken. Toch heeft Griekenland
tot dusver getoond, gezond verstand genoeg te bezitten om zich aan
deze verwerpelijkste van alle proefnemingen niet te wagen en de
monarchie te behouden, die werkelijk de eenige waarborg is voor eene
betere toekomst. Inderdaad zou de republiek het land in het verderf
storten, vooral hier, waar het zoo geheel aan aristokratische,
waarlijk behoudende elementen ontbreekt. In Griekenland toch, even
als overal elders, is demokratie slechts een sierlijker uitdrukking
voor ongebreidelde zelfzucht en nijdige jaloezie, voor wanorde en
regeeringloosheid. Het denkbeeld van aan een der hunnen te moeten
gehoorzamen, stuit echter den Grieken zoozeer tegen de borst, dat
deze weerzin alleen hen waarschijnlijk wel voor langen tijd van alle
republikeinsche proefnemingen zal terughouden.

(Wordt vervolgd.)


Dalmatië.

(Vervolg van bladz. 136).


XI.

Ons verblijf te Spalato en te Salona had lang geduurd:  een oponthoud
trouwens, volkomen gewettigd door het bij uitstek belangrijke dezer
plaatsen. Nu wilden wij, naar onze gewoonte, de kust verlatende,
het land in zijne gansche breedte tot nabij de turksche grenzen
doortrekken, om vervolgens weder naar de kust terug te keeren. De
plaats onzer bestemming was thans Sign.

Wij vertrekken van Spalato en begeven ons in de eerste plaats naar
Clissa, een klein dorp aan den voet eener steile rotsvesting, die in de
geschiedenis van Dalmatië eene zeer belangrijke rol heeft gespeeld. Het
dorp begint beneden in het dal, en klautert tegen de steile, hoekige
rotswanden op; de huizen zijn gebouwd op een reeks kleine terrassen,
die zich als de treden van een reuzentrap boven elkander verheffen;
elk huis heeft zijn eigen tuintje, dat door ontzaglijke cyclopische
muren gedragen wordt. Hoog boven het laatste terras verrijst de
vesting, waarvan de gekanteelde muren zich tegen de heldere lucht
afteekenen. Toen ik voor het eerst Clissa bezocht, was de vesting
onbezet; toen ik in de daarop volgende lente terugkeerde, nadat de
opstand der rajas in Bosnië was uitgebroken, lag er bezetting. Clissa
beheerscht de passen, die uit Bosnië naar de zee voeren; in vroeger
eeuwen hebben de Turken, de Venetianen en de Hongaren beurtelings om
het bezit dezer vesting gestreden. Bij den vrede van 1669 bleef de
plaats voor goed aan Venetië.

Zoodra men Salona achter den rug heeft, verliest het landschap
zijn bekoorlijk karakter: de steenwoestijn, die wij reeds vroeger
tusschen Zara en Knin en tusschen Knin en Sebenico ontmoet hebben,
keert weder, maar ditmaal zoo mogelijk nog doodscher en dorder. Hier
en daar, waar de natuur voor eenige bunders bebouwbare aarde gezorgd
heeft, vindt men een armoedig dorp; toch moet men aannemen, dat er,
tusschen de rotsen verscholen, nog enkele andere vruchtbare plekjes
te vinden zijn, want de vlakte is niet onbewoond. Mijlen achtereen
ziet ge echter niets dan eindelooze reeksen van steenachtige heuvels,
aan wier voet nu en dan eenige huizen zijn gegroept; de plantengroei
is zoo schraal en weinig beteekenend, dat het bijna een raadsel mag
heeten, hoe hier menschen hun onderhoud vinden kunnen.

Eindelijk bereiken wij toch de grenzen van deze doodsche heuvelen:
de wijde vlakte van Sign breidt zich voor ons uit; de stad zelve
schuilt nog achter een vooruitspringenden heuvel weg. Deze vlakte
is de grootste, die wij tot dusver in Dalmatië gezien hebben;  zij
is geheel groen, maar bevat hier en daar nog uitgestrekte plassen,
waarop het zonlicht speelt. Aan den horizon wordt dit wijde dal
begrensd door vrij hooge bergen; deze groene, malsche vlakte, waarin
talrijke kudden grazen en lange rijen populieren hunne slanke kruinen
wiegelen, maakt een eigenaardigen indruk, te sterker door het contrast
met de woestijn, die men zoo pas verlaten heeft. Dit geheele terrein
was in vroeger tijden meer dan waarschijnlijk de bodem van een meer,
waarvan nog hier en daar de sporen overig zijn.

Sign, aan den voet van een wanstaltige rots gelegen, heeft niets
schilderachtigs, ondanks de ruïnen van eene oude citadel, uit den tijd
der venetiaansche heerschappij. Rijen populieren verbergen de huizen,
die in denzelfden stijl zijn gebouwd als de nieuwerwetsche dorpen
langs de kust; en zonder de kerken en kloosters,  zouden er hier geen
sporen te vinden zijn van de heerschappij van Venetië. De straten
zijn buitengewoon breed; het stadje beslaat dan ook eene aanzienlijke
oppervlakte. Men zou op het eerste gezicht niet vermoeden, dat de
turksche grens maar eenige uren verwijderd is; maar onophoudelijk
trekken er karavanen door de stad, die de verschillende koopwaren,
welke zij van de kust hebben gehaald, naar het binnenland van Bosnië
brengen.

Toen wij te Sign kwamen, was het juist marktdag: voor een vreemdeling
altijd een buitenkansje. De landlieden uit den omtrek waren in vrij
aanzienlijken getale toegestroomd; en hoewel de kleederdracht in
hoofdzaak onveranderd blijft, ondergaat zij toch, naarmate wij de
grenzen naderen, enkele wijzigingen, die niet aan onze opmerkzaamheid
mogen ontsnappen.

Hier wordt bovenal onze aandacht getrokken door het eigenaardig
hoofddeksel der slavische vrouwen: de okrouga, een wonderlijke witte
muts, die voorover op het hoofd wordt gezet, en waarvan doorgaans
alleen het voorste gedeelte zichtbaar is, want in den regel dragen
de vrouwen over de okrouga een grooten witten sluier, die tot midden
op den rug af hangt en ook gedeeltelijk de armen bedekt, maar het
fraaie borduursel van het hemd zichtbaar laat. Te Sign is de okrouga
eenvoudig een witte doek; iets verder naar de grenzen, is het voorste
gedeelte opengewerkt, bij wijze van kant. In Herzegowina is dit
hoofddeksel rood van kleur, en neemt meer den vorm aan van een fez;
in de omstreken van Trebinje wordt de okrouga voor goed door de fez
vervangen; maar ook dan nog blijft de breede sluier, die de schouders
en de armen bedekt. In Herzegowina, en met name in de streek tusschen
Montenegro en Mostar, wordt die sluier van fijne zijde vervaardigd;
overigens ondergaat het kostuum weinig verandering. Ook dat der mannen
verschilt  niet merkbaar van de kleederdracht uit de omstreken van
Knin; met dit onderscheid alleen, dat in Dalmatië over het algemeen
de tulband gedragen wordt, terwijl in de turksche provinciën dit
hoofddeksel het uitsluitend kenmerk is der Muzelmannen.

De kerken van Sign zijn zeer ruim en rijk versierd; vermoedelijk
behoort hier de overgroote meerderheid der bevolking tot de katholieke
Kerk, want ik heb nergens een grieksche kapel gezien. De kerken van
Sign dagteekenen voor het meerendeel uit de zeventiende  en achttiende
eeuw, en dragen allen het italiaansche karakter; de versiering is
blijkbaar afkomstig uit den tijd der venetiaansche heerschappij.

Mijn verblijf te Sign heeft niet langer dan een dag geduurd,
maar ik heb er behoorlijk kunnen eten en slapen,  en dit is geen
klein kompliment voor een dalmatisch stadje, aan de grenzen van
Herzegowina. Later heb ik meermalen, aan gene zijde der bergen,
honger geleden; en zelfs aan deze zijde van den Velebit was de kost
dikwijls schraal en het nachtleger van twijfelachtig gehalte. Te
Sign vindt men ten minste eene behoorlijke herberg; en een blik op
den weelderigen vruchtbaren omtrek geeft u de overtuiging dat het u
althans niet aan voedsel behoeft te ontbreken.

Op het marktplein bewaart eene fraaie fontein, die te Padua of te
Treviso niet misplaatst zou zijn, de herinnering aan den tijd der
venetiaansche heerschappij. Toen wij daar langs kwamen, stonden er
eenige boerinnen bij de fontein gegroept, om water te putten; en
hare kleederdrachten, die ons aan het Oosten deden denken, vormden
een eigenaardig contrast met den italiaanschen renaissance-stijl van
het kleine, maar fraaie monument, waarvan onze lezers de afbeelding
vinden op bladz. 136.

Na den dag te hebben gebruikt voor eenige bezoeken en voor wandelingen
door de stad en hare omstreken, die niets bijzonders opleveren,
besloot ik den volgenden morgen naar de kust te vertrekken, om mij te
Spalato in te schepen naar Ragusa. Ik zou zoodoende tweemaal denzelfden
weg afleggen; maar men moet wel rekening houden met de middelen van
vervoer; en men is van zelve verplicht telkens naar de Adriatische-zee
terug te keeren, waar men zeker is de stoombooten van Lloyd te zullen
aantreffen. Er schoot dus geene andere keuze over. Zonder ongeval te
Spalato aangekomen, vertrokken wij den volgenden morgen ten zes uur,
en liepen, na een kalme zeereis van zes-en-twintig uren, in de haven
van Gravosa, bij Ragusa, binnen.

Deze zeetochtjes van de eene stad naar de andere zijn niet van belang
ontbloot. Van het dek der boot volgen wij de kronkelende, bochtige
lijn van de pittoreske,  bergachtige kust; wij houden telkens op in
een der vele kleine havens, Piëtro di Brazza, Almissa [20], Macarsca
en Curzala. Wij hebben dan juist den tijd, om, terwijl reizigers in-
en ontscheept worden, vluchtig enkele schetsen van het omringende
landschap te maken.

Gravosa is als het ware de buitenhaven van Ragusa; de schepen kunnen
hier gemakkelijker aanleggen dan in de haven der stad zelve; de
reede is dieper, veiliger en beter gelegen. De haven van Ragusa, die
te zeer voor den zuid-oostenwind open ligt, wordt bijna alleen door
de visschers en de kleine kustvaarders gebruikt. Deze stad, die eens
een zoo belangrijken handel dreef en eene zoo gewichtige rol speelde,
dat zij den naijver opwekte van de trotsche republiek van Sint-Marcus,
had eigenlijk moeten gebouwd zijn op de plaats, waar nu Gravosa staat,
en niet op dat eng begrensde, tusschen de zee en de rotsen ingesloten
terrein, waar iedere uitbreiding onmogelijk is. Deze zoo moeilijk te
genaken plek werd aanvankelijk veiligheidshalve gekozen; later, toen
de stad, na velerlei rampen, herbouwd moest worden, waren de burgers
te zeer aan hunne vroegere woonplaats met al haar herinneringen
en traditiën gehecht, om een plek te verlaten, die van het eerste
oogenblik slecht gekozen was, niettegenstaande zij in de onmiddellijke
nabijheid een uitgezocht terrein hadden om eene groote stad te bouwen.

De afstand tusschen Gravosa en Ragusa bedraagt niet meer dan een
halve mijl.

Een fraaie, in de rotsen uitgehouwen weg, ter wederzijde door
smaakvolle villas in italiaanschen stijl omzoomd, voert naar de
stad. Aan alle zijden treft ons de weelderige, zuidelijke plantengroei:
aloës en cactus groeien in de spleten der rotsen; de lucht, de
zee, de berg, de vorm der huizen, de geheele omringende natuur,
herinneren aan de rots van Monte-Carlo en het prachtige panorama
van Monaco; de donkere cypressen, die zich loodrecht verheffen uit
de dichtbegroeide heesters met hun goudgele bladeren en gekleurde
vruchten, voeren ons ook in onze verbeelding naar de landschappen
van zuidelijk Italië. Gravosa is een stedeke van eenige beteekenis
door zijn haven; daar vindt men de timmerwerven van Ragusa, waarop
evenwel niet meer de bedrijvigheid van vroeger heerscht. Tusschen
Gravosa en Ragusa, vlak langs den weg, bouwden de rijke kooplieden
der republiek hunne landhuizen, door bekoorlijke tuinen omringd,
waar zij het volle genot van het buitenleven konden smaken.

Wie de geschiedenis van Ragusa kent, zal niet zonder een gevoel van
eerbied deze stad betreden; ik durf zelfs beweeren, dat het zonderlinge
voorkomen der stad, zoo hoogst eigenaardig en karakteristiek ten
gevolge van het gekozen terrein, in allen deele beantwoordt aan de
verwachting, die de kenner harer historie zich van Ragusa gevormd
heeft.

Op de tuinen en landhuizen langs den weg, volgt de voorstad Pille,
waar men eenige logementen voor de reizigers vindt; vlak tegenover den
weg verrijst de poort der vesting, die de gansche stad omvat. Ge ziet
niets dan bedekte wegen, ophaalbruggen, diepe droge grachten, waarin,
tusschen de rotsen, vijgeboomen groeien; esplanaden, waarop soldaten
exerceeren; hooge gekanteelde muren, die de golvingen van den grond
volgen, met zware torens en valpoorten, die aan de middeleeuwsche
burchten denken doen. Boven den hoofdingang prijkt een wapenschild in
bas-relief, voorstellende Sint-Biagio (Blasius), bisschop, met myter
en kromstaf, en daarachter een burcht. Dit is het wapen der stad en het
zegel der republiek van Ragusa; zij koos den heiligen bisschop tot haar
patroon, omdat, bij zekere gelegenheid, toen de Venetianen zich door
een krijgslist van de stad wilden meester maken, een priester voor den
Senaat verklaarde, dat San-Biagio hem in den droom verschenen was en
de plannen van den vijand had ontdekt (971). Hebt ge de smalle poort
achter u, dan moet ge nog eene drie-dubbele omwalling met wachthuizen
doorgaan, eer ge den Stradone bereikt.

De Stradone van Ragusa (strada, straat) is het voornaamste deel
der geheele stad; bijna aan den ingang staat eene fraaie fontein,
sierlijk en smaakvol bewerkt, uit het begin der zestiende eeuw; zij is
of niet voltooid, of heeft door een of andere ramp haar bovengedeelte
verloren. Tegenover de fontein verrijst de voorgevel van eene mooie
kerk, die tot een Franciskaner-klooster behoort. Verbeeld u verder een
geplaveiden weg, tusschen de tien en twaalf ellen breed, ter wederzijde
omzoomd door eenvormige huizen van graniet; die huizen zijn zeer breed,
zeer eenvoudig, zonder eenigen stijl, met zuilengangen voorzien en van
elkander gescheiden door smalle steegjes, ter breedte van hoogstens
twee el. Ter linkerzijde voert elk dezer steegjes naar een trap van
meer dan honderd treden; de huizen, die in deze straatjes uitkomen,
volgen natuurlijk de helling van den grond, en verheffen zich vlak
boven elkander, zoodat hunne vensters op de trap uitkomen en hunne
balkons daarboven zweven. Het is bijna onmogelijk, zich eene duidelijke
voorstelling van dit zonderling geheel te maken.

Hoog boven die trap verheffen zich de gekanteelde muren van een op
de rots gebouwd fort, dat de stad aan deze zijde verdedigen moet. De
straatjes ter rechterhand, niet minder smal, liggen op dezelfde
hoogte als de Stradone, en voeren naar dat deel der stad, dat aan
de zee uitkomt, of liever aan den zwaren, met geduchte bolwerken
versterkten muur, die langs de zee loopt.

De Stradone is zuiver recht, als ware hij met een liniaal getrokken;
hij doorsnijdt de stad in hare gansche lengte en voert naar de voorstad
Plocce, aan de landzijde op den weg naar Herzegowina.

Houden wij een oogenblik stil op het voornaamste plein, de Piazza
dei Signori, aan het einde van den Stradone. Het laatste huis aan
onze rechterhand komt met zijn zijgevel op het plein uit; daar is de
kathedraal, die zich door niets bijzonders onderscheidt, en in de
zeventiende eeuw werd gebouwd. Ter linkerhand verrijst een gebouw,
dat door zijn uitnemend schoone vormen aanstonds de aandacht trekt,
de Douane. Tegenover ons, op het plein, staat het paleis van den
Rector of eersten magistraat der republiek; de fraaie zuilen, waarop
spitsbogen rusten, doen u denken aan de portiek van het Dogepaleis
te Venetië. Tusschen het paleis en de Douane staat een monumentaal
wachthuis, waarboven zich een klokketoren verheft: dit is tevens de
poort, die naar de zee voert.

Rechts van den Stradone, ook het Corso genoemd, ligt het grootste
gedeelte der stad; daar vindt men eene vrij ruime groenmarkt,
en een aantal smalle straten en stegen, te zamen een klomp dicht
opeengedrongen huizen, die voor het meerendeel zeer weinig licht
ontvangen door de uiterst geringe breedte der straat, waarop zij
uitkomen.

Over het algemeen vertoont Ragusa het voorkomen en karakter eener
noord-italiaansche stad: het plaveisel, de balkons, de stijl der
openbare gebouwen en monumenten, het buitensporig aantal kerken--alles
herinnert aan de venetiaansche architectuur. Er heerscht eene
buitengewone zindelijkheid. Ge ontvangt een indruk van eigenaardig
leven en vroolijke opgewektheid, ondanks de zeer enge grenzen,
waarbinnen ge u beweegt; alles zegt u, dat, niettegenstaande de
wisselingen der tijden, hier nog welvaart en rijkdom te vinden is. In
den Stradone ziet ge eene menigte winkels van goudsmeden en juweliers,
en niet minder magazijnen van kleederen en borduurwerk. De lokale
kleederdrachten zijn zeer opmerkelijk: het kostuum van het gilde der
pakkedragers of commissionnairs gelijkt sprekend op dat der turksche
kooplieden van Smyrna. Deze corporatie heeft niet alleen haar eigen
gewoonten en gebruiken, haar eigen keuren en reglementen, maar ook
haar eigen rechtspleging. Waarschijnlijk is dit gilde reeds zeer oud:
het bestaat nog onveranderd, en de leden zijn beroemd wegens hun
onkreukbare eerlijkheid.

Thans willen wij de voornaamste monumenten van nabij bezien. Inwendig
zijn de meesten geheel verbouwd en veranderd; maar het uitwendige
voorkomen verdient alleszins de aandacht. Indien Ragusa er nog
uitzag als in den bloeitijd der republiek, zou de stad vrij wat
belangwekkender zijn; maar weinige steden stonden aan zulke zware
beproevingen bloot. Den 21sten Maart 1023, op San-Benedetto-dag, werd
bijna de gansche stad door brand vernield; ditzelfde lot trof haar
in 1296 en nogmaals in 1459, toen slechts het gebouw der archieven
en de Schatkamer gespaard bleven; eindelijk verkeerde, in 1667,
eene geduchte aardbeving de geheele stad in een puinhoop. Van deze
ramp dagteekent zelfs het verval van Ragusa; nimmer kon zij zich van
dien vreeselijken slag herstellen. De burgers toonden eene inderdaad
schier onbegrijpelijke hardnekkigheid, om steeds tot dezelfde, zoo
slecht gekozen plaats terug te keeren, niettegenstaande het hun niet
aan waarschuwingen ontbrak, want van de zeventiende eeuw tot 1843
keerden de aardbevingen periodiek zoo wat om de twintig jaar terug,
al behoorde ook een ramp als die van 1667 tot de uitzonderingen.

De Douane is een der weinige monumenten, die aan de verwoesting van dat
jaar zijn ontkomen. Het is een fraai gebouw in venetiaanschen stijl,
met eene sierlijke portiek in den voorgevel. De ruime binnenplaats is
aan alle zijden door zuilengangen omgeven, waaronder zich de winkels
en magazijnen bevinden, die allen den naam van een heilige dragen. De
opschriften wijzen nog de bestemming van het gebouw aan: "Geef den
Keizer wat des Keizers is;" en dit andere, nog merkwaardiger opschrift:
"Pondero cum merces ponderat ipse Deus". (Als ik de koopwaren afweeg,
houdt God ook de weegschaal.) De Munt was in hetzelfde gebouw
gevestigd; daar werd het metaal gesmolten en tot geld gestempeld.

In verhouding tot den omvang der stad, is het aantal der kerken
buitengewoon groot. Evenals te Venetië, wilde iedere familie haar eigen
kapel bezitten, die gaandeweg tot een kerk aangroeide; de Ragusanen
waren van oudsher bekend wegens hunne kinderlijke gehechtheid aan
de meest ongeloofelijke relieken. De menigte der relieken, in deze
onderscheidene kerken bewaard, gaat alle begrip te boven: ieder burger
van eenige beteekenis, die verre landen had bezocht, stelde er een
eer in, een of andere relikwie mede te brengen. De geschiedschrijvers
der republiek geven in hunne werken eene uitvoerige beschrijving van
al deze antieke overblijfselen, welke voor een groot deel geschenken
waren van de Koningen en Koninginnen van Bosnië en de doorluchtige
beschermers der republiek, die van eene bedevaart naar de heilige
plaatsen terugkeerden. Zij verhalen ook, dat na de overweldiging van
Bosnië, Servië, Bulgarije, Albanië en Griekenland door de Turken,
de kooplieden van Ragusa zich zooveel mogelijk beijverden om de
relikwiën, die in handen der ongeloovigen waren gevallen, terug te
koopen en weder aan kerken of particulieren te verkoopen.

De meeste dier relieken worden tegenwoordig bewaard in eene ruime kapel
van de kathedraal, het Reliquarium genoemd. Het kost eenige moeite,
toegang tot die verzameling te verkrijgen. De kapel bevat zeer groote
rijkdommen, want bijna alle relikwiën worden bewaard in kistjes,
bekers, doozen, monstransen van goud, zilver of rotskristal, die te
zamen eene zeer aanmerkelijke waarde vertegenwoordigen. In den regel
wordt de kapel niet dan op hooge feestdagen geopend, wanneer deze zaken
in statigen ommegang worden rondgedragen; tijdens de republiek mocht de
kapel niet worden geopend dan in tegenwoordigheid van twee senatoren.

Als men den Stradone ten einde wandelt en de stad door het reeds
genoemde wachthuis met den klokketoren verlaat, dan komt men, na
wederom door eenige bedekte wegen en vestingwerken te zijn gegaan, aan
de Zeepoort. Daar heeft men aan zijne rechterhand de haven van Ragusa,
zeer goed beschut en zeer schilderachtig, maar ook zeer klein en
alleen dienstig voor de visschersvaartuigen en de kleine kustvaart. De
schuiten, waarmede de bewoners der omliggende dorpen op marktdagen de
stad bezoeken, liggen ook in deze haven. De Zeepoort uitgaande, komt
ge ook in Borgho Plocce, waar de weg naar Trebinje begint; ge zijt
slechts op weinige schreden afstands van Herzegowina, en de vrouwen
van die streek bezoeken geregeld de markt te Ragusa. Daar bevindt zich
ook de karavanserai der Turken, met een omheind park voor het vee,
en een kleine loods, waarin aan de karavanen zout verkocht wordt.


XII.

Na een blik op de stad geworpen te hebben, mogen wij niet zwijgen van
hare geschiedenis: eene geschiedenis, zoo merkwaardig en in zekeren
zin zoo geheel eenig in haar soort, dat vooral om die reden dit kleine
plekje gronds alle belangstelling waardig is.

Even als Spalato, dankt ook Ragusa haar stichting aan de invallen
der barbaren, die Salona verwoestten. Een deel van de bevolking dier
stad nam de wijk naar deze rots, verliet Gravosa, dat te dicht bij
de open zee ligt, en zocht een toevluchtsoord aan den zoom der minder
toegankelijke baai van Ragusa. Reeds in 265 hadden de Gothen het oude
Epidaurum geplunderd; langen tijd daarna hadden eenige inwoners van
die stad zich aan dezen inham en de kleine vlakte aan den voet der
reusachtige rotsmassa nedergezet. De uitgewekenen van Epidaurum en
van Salona smolten samen en vormden alzoo de bevolking der nieuwe stad
Ragusa. Zonderling genoeg, werd ook op de plek van het oude Epidaurum
weder eene stad gebouwd, die den naam ontving van Ragusa-Vecchia,
Oud-Ragusa.

Tusschen 656 en 949 werd de stad driemaal uitgelegd, en nooit kwam het
den burgers in de gedachte, een gunstiger en ruimer plek uit te kiezen,
want hunne veiligheid ging hun boven alles. De vergrooting der stad
wordt vooral toegeschreven aan Paulimir, kleinzoon van Radoslas V,
Koning van Kroatië, die door zijn eigen zoon was onttroond. Paulimir
had de wijk genomen naar Rome; na den dood van zijn zoon, riepen
zijne onderdanen hem terug; hij had langen tijd te Ragusa vertoefd,
en om zijne erkentelijkheid te toonen voor de gastvrijheid, waarmede
de burgers hem ontvangen hadden, omgaf hij de stad met eene versterkte
omwalling, bouwde de kerken van Sint-Sergius en Sint-Stefanus, en
wist van den Paus te verkrijgen dat de bisschop van Epidaurum zijn
zetel van Breno naar Ragusa overbracht.

De nieuwe stad was van vijanden omringd; op zee had zij te kampen met
de piraten, en van de landzijde werd zij door de Slaven van Bosnië
bedreigd; niettemin ontwikkelde zij zich; de nood dwong haar burgers
tot onverpoosde inspanning en rusteloozen arbeid. Weldra toonden
zij zich bekwame zeevaarders; zij bouwden twee tuighuizen, rustten
een galei uit, benevens een aantal kleinere gewapende vaartuigen, en
versterkten hunne vestingwerken met nieuwe torens. In het jaar 788,
toen een van haar geduchtste vijanden, de sarraceensche zeeroover
Spucento, in de wateren van Ragusa het anker uitwierp, tastten
de burgers hem moedig aan, maakten hem gevangen en vermeesterden
zijn schepen. Dit was het eerste groote wapenfeit van Ragusa, en
die overwinning maakte zoo grooten indruk, dat zij allengs door de
legende werd toegeschreven aan Roland, den wijd en zijd beroemden held
der sagen van Karel den Groote. Ter eere van dien gewaanden Roland
werd zelfs te Ragusa, op het groote plein, tusschen het paleis en de
Douane, een kolossaal standbeeld in volle wapenrusting opgericht. Dit
beeld, dat van tijd tot tijd werd vernieuwd, staat nog heden op een
klein pleintje, naast de poort, van den Stradone naar zee voert,
daar waar ook, in de laatste tijden van haar bestaan, de standaard
van de republiek werd geplant.

Weldra ging Ragusa een schitterender toekomst tegemoet. In 831 wordt
de stad door de Slaven van Trebinje aangevallen; zij slaat dien aanval
zegevierend af; en het vredesverdrag, door bekwame en bedachtzame
kooplieden opgesteld, wordt een der grondslagen van den ongeloofelijken
voorspoed der republiek. De stad bedingt den vrijen handel met de
tegenwoordige turksche provinciën Herzegowina, Bosnië en een deel
van Bulgarije; zij verkrijgt den afstand van een strook gronds, om
wijngaarden te planten, graan te zaaien en kudden te laten grazen; daar
tegenover vergunt zij aan haar vijanden onbeperkten handel met haar
kooplieden. In 867 plunderen de Sarraceenen Budua, Pisano en Cattaro,
en slaan het beleg voor Ragusa; de stad verdedigt zich gedurende
vijftien maanden; Basilius, de Keizer van het Oostersche rijk, zendt
honderd schepen tot hare hulp. De Sarraceenen worden gedwongen, het
beleg op te breken en zich naar Bari terug te trekken. De Paus, de
Koning van Frankrijk en de Keizer van Byzantium sluiten nu een verbond
met Ragusa, en deze kleine stad treedt mede op onder de christelijke
mogendheden, die de ongeloovigen uit Italië zullen verjagen. Te Ragusa
verzamelt zich een machtig leger, waarmede straks Bari wordt aangetast,
dat eerst na een beleg van vier jaren (871) vermeesterd wordt.

Tegen het einde der negende eeuw vertoonen zich de eerste sporen van
naijver tusschen Venetië en de republiek van Ragusa. De zeeroovers
van Narenta, waarvan ik reeds vroeger gesproken heb, teisteren
de kusten der Adriatische-zee; Venetië verklaart hun den oorlog,
en vervolgt hen allerwege, en haar scheepsmacht vertoont zich ook,
onder dat voorwendsel, te Ragusa. Aanvankelijk is de verhouding
zoo vredelievend mogelijk. Eenige venetiaansche galeien bezetten de
baai van Gravosa; anderen werpen het anker uit tegenover het eiland
Lacroma. De admiraal gaat aan land, en verschijnt in den Senaat: hij
heeft geen ander oogmerk dan om zich van de noodige levensmiddelen te
voorzien. Maar een Ragusaan, aan wien, zoo hij zegt, eene verschijning
van Sint-Blasius is te beurt gevallen, maakt de senatoren met de
geheime plannen der Venetianen bekend; men grijpt naar de wapens en
spoedt zich naar de wallen. Des morgens vindt de admiraal de Ragusanen
geheel ter verdediging toegerust; hij waagt een aanval, die wordt
afgeslagen,  en licht daarop het anker. De Ragusaan heette Stojco;
en sedert dien tijd werd Sint-Blasius de patroon der republiek;
men bouwde eene kerk te zijner eer, en zijn beeldtenis prijkte op
het zegel van den staat en op de nationale banier.

Omstreeks het begin der elfde eeuw ontvangt het gebied der stad, tot
dusver schier tot de naakte rots beperkt, eenige uitbreiding. Stephan,
Koning van Dalmatië en Kroatië, geeft aan de republiek eene strook
gronds van vijf-en-twintig mijlen lengte, omvattende de vallei
van Breno, Ombla, Gravosa en Malfi. Deze Koning had eene bedevaart
ondernomen naar de kerk van San-Stefano, en meende daardoor genezing
gevonden te hebben van eene ziekte, waaraan hij sinds geruimen tijd
leed; de schenking was nu een bewijs zijner dankbaarheid. Hij was zoo
zeer met de burgers bevriend en stelde in hen zoo groot vertrouwen,
dat na zijn dood zijne weduwe Margaretha de stad Ragusa tot haar
verblijf koos.

Meermalen heeft Ragusa de eer gehad, onttroonde vorsten te herbergen,
en steeds heeft zij hun niet alleen gastvrijheid, maar dikwijls ook
feitelijke bescherming verleend. Dikwerf moest de stad daar voor
boeten. Nauwelijks had de Koningin-weduwe Margaretha de wijk genomen
naar Ragusa, of de opvolger van haar echtgenoot, Radoslas V, eischte
hare uitlevering. Die eisch werd afgewezen; hij sloeg het beleg voor
de stad, die hem wel tot den aftocht dwong, maar toch veel van dien
aanval te lijden had, want de rijke voorsteden werden vernield.

Bodino, de overweldiger van den troon van Servië, had de wapenen
opgevat tegen zijn oom Radoslas en zijne zonen. De bloedverwanten van
Radoslas, die het onderspit gedolven hadden, zochten eene schuilplaats,
waar zij veilig zouden zijn voor de wraak van Bodino, en kwamen te
Ragusa. Nauwelijks waren zij daar aangekomen, of Bodino zond een
gezant, en vorderde van den Senaat de onverwijlde uitlevering der
bloedverwanten van zijn oom. Indien de Senaat zijn verzoek afsloeg,
dan zou de overwinnaar van Bosnië "als een adelaar nederdalen en
Ragusa verdelgen." De Senaat weigerde niettemin, en handhaafde in
zijn waardig antwoord de traditie der republiek, om eene wijkplaats
te zijn voor alle vervolgden.

Niet zoodra had Bodino van zijn gezant deze weigering  vernomen,
of hij naderde met een machtig leger, en sloeg zijn kamp op bij den
berg Bergato, voor Ragusa. Dit beleg duurde zeven jaren; de burgers
verdedigden zich met onwrikbaren moed. Het leger van Bodino kwam
in opstand, ten gevolge der wreedheden, waaraan hij zich jegens de
bloedverwanten van Radoslas overgaf; de Koning van Servië moest het
beleg opbreken, maar niet zonder eene sterke bezetting achter te laten
op het versterkte plateau, waar tegenwoordig de Sint-Nicolaaskerk
staat. De aartsbisschop van Ragusa en de abt van het klooster van
Lacroma onderscheidden zich bij die gelegenheid door een daad van
edelen heldenmoed. Zij begaven zich in statigen optocht naar het
kamp van Bodino, en verweten hem, in naam van den levenden God, de
moorden, die hij in koelen bloede bedreven had. Door hunne ernstige
woorden getroffen, deed Bodino boete, en liet op de rots van Lacroma,
ter eere van zijne slachtoffers, een grafteeken oprichten, waarvan
nog heden de overblijfselen zichtbaar zijn.

Echter was het beleg niet geheel opgebroken, want de Serviërs hielden
nog altijd hun fort op den heuvel bezet; op Paaschdag van het jaar
1111, maakten de burgers zich met list van die sterkte meester, en
om deze zegepraal te vieren en de herinnering daaraan te bewaren,
werd de vesting geslecht, en in de plaats daarvan eene kerk ter
eere van Sint-Nicolaas gesticht. Om dien zelfden tijd werd de stad
aanmerkelijk uitgelegd; aan het uiteinde van den Stradone, werd een
kanaal gedempt en in een plein herschapen; tevens ontving de republiek
het eiland Nelada ten geschenke van Ourosh I, Koning van Servië.

In 1159 werd Ragusa op nieuw belegerd, en wel door Barich, den Koning
van Bosnië, die met zijne onderdanen ter zake van godsdienstgeschillen
over hoop lag; ook nu hadden de uitgewekenen eene schuilplaats gezocht
in Ragusa. Barich komt met een leger van tienduizend man, en levert
Breno aan de vlammen over; hij trekt zich tijdelijk terug voor den
vastberaden tegenstand der burgers, maar kondigt tevens zijn voornemen
aan, om het volgende jaar terug te keeren. Ragusa wacht hem niet af;
zij sluit een verbond met andere dalmatische steden, en rukt, met een
vrij sterk leger, rechtstreeks naar Trebinje; Barich ziet zich weldra
gedwongen een vernederenden vrede te teekenen, waarbij de republiek
nieuwe handelsvoordeelen bedingt.

De macht van Ragusa was aanmerkelijk gestegen; zij had, ondanks
herhaalde pogingen van Venetië om de kleine republiek aan haar
gezag of protektoraat te onderwerpen,  haar onafhankelijkheid weten
te bewaren. Nu echter vinden wij gewag gemaakt van burgertwisten,
die den Senaat bewogen, zelf de bescherming in te roepen, welke hij
tot dusver volstandig verworpen had. Naar het toen heerschende recht,
moest de Rector of eerste overheidspersoon der republiek na verloop van
een jaar zijn ambt nederleggen. De Rector Damiano Judas had evenwel de
soldaten omgekocht, en was reeds sedert twee jaren aan het bestuur; hij
verhinderde de vergaderingen van den Raad en oefende een dictatoriaal
gezag uit. Een zijner schoonzoons, Piero Benessa, verbond zich met
eenige edelen, en stelde voor, de tusschenkomst van Venetië in te
roepen. Dit stond gelijk met vrijwillig zijne onafhankelijkheid op
het spel te zetten; maar toch besloot men den stap te wagen. Benessa
ging naar Venetië en trad in onderhandeling met den Senaat; men gaf
hem twee galeien, waarmede tevens een gezantschap naar Constantinopel
vertrok. Op zijne reize hield hij zich te Ragusa op, en noodigde
Damiano  uit om aan boord te komen, ten einde de geschenken te zien,
die den Keizer zouden worden aangeboden. Nauwelijks had hij den
voet op het dek gezet, of de Rector werd in boeien geslagen; hij
verbrijzelde zich het hoofd tegen het boord. Intusschen bleek weldra,
welk een gevaarlijken stap men gedaan had: de Senaat van San-Marco
stelde een gouverneur over Ragusa aan, en dwong de kleine republiek
aan al de oorlogen, waarin Venetië gewikkeld werd, deel te nemen.

Van 1216 tot 1357 was Ragusa bijna een vasalstaat van Venetië; zij
had wel haar eigen regeeringsvorm, haar eigen vlag en de keuze harer
magistraten behouden, maar de invloed van den Senaat van Venetië
was oppermachtig. De republiek wist inmiddels, ook door behendig
aangeknoopte alliantiën en door een beleidvol gebruik maken van de
omstandigheden, langzamerhand hare zelfstandigheid te herwinnen,
tot in 1359, in plaats van den door Venetië gezonden gouverneur,
drie ragusaansche patriciërs gekozen werden, die den titel van
rectoren voerden. De groote republiek van Sint-Marcus, die onbetwist
meesteresse was van de Adriatische zee, nam met deze verandering
genoegen, en liet hierdoor haar oppergezag over dit schier onmerkbaar
plekje gronds varen.

Inmiddels was eene nieuwe macht op het tooneel verschenen, waar zij
eene zoo ontzaglijke rol spelen zou: de Turken hadden den voet in
Europa gezet, en een aanvang gemaakt met die reeks van veroveringen,
die het grieksche rijk zouden verzwelgen, het duitsche op den rand van
den ondergang brengen, en gansch Europa met schrik vervullen. Reeds in
1358 knoopt de republiek van Ragusa betrekkingen aan met deze barbaren,
die bereids tot in de aangrenzende landen zijn doorgedrongen en de
Slaven tot onderwerping zullen dwingen; in het genoemde jaar zendt zij
een gezantschap naar den emir Orcan. Ragusa biedt hem eene schatting
aan van vijfhonderd sequinen per jaar, en bedingt daarvoor zoo veel
mogelijk voorrechten en privilegiën voor haar handel. Zij ziet in
de Turken de machtigste en onverzoenlijke vijanden van haar oude
mededingster, de republiek van Venetië; zij is de eerste mogendheid
in Europa, die een bondgenootschap sluit met den turkschen Sultan:
iets, wat haar juist niet tot eer verstrekt.

Dank zij dit bondgenootschap, gelukte het echter der republiek, ondanks
voorbijgaande moeilijkheden, haar onafhankelijkheid te bewaren, ook bij
de menigvuldige oorlogen, die Turken en Hongaren met elkander voerden,
en waarin zij meermalen dreigde betrokken te worden. Eindelijk valt ook
Constantinopel in de macht der mongoolsche horde, die bereids Servië,
Bosnië, Herzegowina, Albanië en een deel van Hongarije aan haar juk
heeft onderworpen. Mohammed II, de veroveraar van Constantinopel,
vermeestert voor en na al de havens van Dalmatië, en zijne vloot
nadert Ragusa. De burgers zijn door schrik bevangen; de republiek
heeft geen bondgenooten; aan weerstand valt tegenover dien vijand
niet te denken. Men besluit dus een gezantschap naar den Sultan af te
vaardigen. Deze eischte den afstand van al het grondgebied buiten de
wallen der stad, die dan hare onafhankelijkheid mocht behouden. De
Senaat antwoordde, dat de republiek zich aan den wil van den Sultan
onderwerpen zou, maar merkte daarbij op, dat Ragusa, van geheel haar
gebied beroofd, zich niet zou kunnen staande houden, en in handen van
den Koning van Hongarije zou vallen. Dit hielp: Mohammed zag van zijn
eisch af en liet de stad met vrede.

Voortaan door machtige buren aan alle zijden ingesloten, viel er
voor Ragusa verder aan geen uitbreiding van grondgebied te denken;
voortaan zal zij zich geheel wijden aan handel en nijverheid, aan de
beoefening van kunst en wetenschap. Op grond van hunne gehechtheid
aan den Heiligen Stoel, weten de burgers van Ragusa van den Paus
de vergunning te verkrijgen om met de ongeloovigen handel te mogen
drijven; en tegen het einde der vijftiende eeuw, heeft de republiek,
ondanks de moeilijkheden van haar politieken toestand, een trap
van welvaart en voorspoed bereikt, die de bewondering van Europa en
den naijver van Venetië opwekt. Haar kooplieden hebben kantoren in
Frankrijk, in Spanje, in Italië, in Engeland, in geheel het Oosten, en
onnoemelijke schatten worden binnen hare muren opgestapeld. Omstreeks
dien tijd trof de stad een geduchte ramp: een koopman van Ancona bracht
de pest naar Ragusa over, die zoo vreeselijke verwoestingen aanrichtte,
dat de stad bijna geheel verlaten werd. De Senaat verplaatste zich
naar Gravosa; in de stad bleven slechts tweehonderd soldaten en zes
edellieden, met twee galeien over, om de haven te kunnen verdedigen. De
pest heerschte gedurende zes maanden; naar men zegt, stierven er in
dien tijd twintigduizend menschen.

In de eerste helft der zestiende eeuw zien wij de republiek in
aanraking met Karel V; getrouw aan hunne oude politiek, vermijden de
bedachtzame kooplieden eene botsing met een zoo machtigen vijand, en
sluiten liever een verbond met den Keizer, waarbij zij zich verbinden,
hem in geval van oorlog met hunne vloot bij te staan. Die verbindtenis
kostte der republiek zware offers. Bij den aanval op Tunis verloor zij
achttien galeien, bij dien op Algiers acht, en de tocht naar Tripoli
kwam haar nogmaals op het verlies van zes schepen te staan. De tweede
helft der zestiende eeuw is geheel ingenomen door de groote worsteling
tusschen Venetië en de Turken. Zelve als het ware midden tusschen de
strijdende partijen geplaatst, bleef de republiek toch met beiden
handel drijven; maar toen de geallieerden bij Lepanto de turksche
vloot hadden vernield, besefte Ragusa dat zij zeer groot gevaar liep,
en vaardigde aanstonds een gezantschap naar Paus Paulus III af. Men
eerbiedigde haar neutraliteit, maar toch kon zij niet weigeren, de
overwinnaars van Lepanto, Don Juan van Oostenrijk on Vittorio Colonna,
binnen hare muren te ontvangen, al werd ook door het onthaal dat zij
hun bereidde, de toorn des Sultans opgewekt. Echter trok ook dit onweer
af, en Ragusa werd, als neutrale stad, gekozen voor de uitwisseling
der gevangenen, die Spanjaarden en Turken op elkander hadden gemaakt.

Zoo hield de republiek zich, onder de bescherming der Porte, metterdaad
onafhankelijk, en behartigde met ijver haar handelsbelangen, tot
haar, op den 6den April 1667, een vreeselijke ramp trof. Eene geduchte
aardbeving, in den namiddag gevolgd door een hevigen orkaan, verwoestte
bijna de gansche stad en richtte onnoemelijke schade aan. Slechts
weinige gebouwen waren staande gebleven; de schepen in de haven werden
verbrijzeld; te midden der grenzenlooze verwarring ontstond er brand,
en verschenen benden Morlaken in de vernielde stad, om te plunderen
wat zij konden. Naar men zegt, verloren op dien noodlottigen dag
omstreeks vijfduizend menschen het leven.

Wel werd Ragusa weder opgebouwd, maar nooit kon zij zich van dien
slag herstellen. Bij de welhaast openbaar wordende verzwakking van het
turksche rijk, week ook voor de republiek het gevaar, van hetzij door
haar overmachtigen nabuur te worden verzwolgen, hetzij betrokken te
worden in de oorlogen tusschen Turkije en de andere mogendheden. Maar
haar eigen levenskracht was mede uitgeput; toch hield zij zich nog
staande tot 1806, toen de Franschen in Dalmatië doordrongen en ook
Ragusa bezetten. Bij den vrede van Tilsitt, in 1807, kreeg de republiek
wel hare onafhankelijkheid terug, maar om die reeds in het volgende
jaar, en nu voor goed, te verliezen. In het begin van 1808 verscheen
de maarschalk Marmont te Ragusa, en vaardigde een dekreet uit, waarbij
de republiek werd vernietigd; Marmont ontving den titel van hertog van
Ragusa. In het voorjaar van 1814 werd de stad door de Oostenrijkers en
de Engelschen belegerd; de fransche bezetting moest kapituleeren. Bij
het traktaat van Weenen werd de voormalige republiek bij Dalmatië
ingelijfd, dat tot een kroonland van Oostenrijk werd verklaard.

Ragusa is tegenwoordig de hoofdplaats van een district, en
heeft een eigen gouverneur, die onder de bevelen staat van den
gouverneur-generaal van Dalmatië. De stad telt niet veel meer dan
achtduizend inwoners; in 1808, toen Marmont hier resideerde, zou hare
bevolking nog vijf-en-dertigduizend zielen hebben bedragen. Ik vermoed
echter, dat daaronder ook de bevolking der voorsteden en zelfs van
Gravosa begrepen zal zijn.


XIII.

Welke was de regeeringsvorm van Ragusa, gedurende het duizendjarig
bestaan dezer republiek? Welke staatsinstellingen hebben het mogelijk
gemaakt, dat een staat met zoo uiterst beperkt grondgebied, een zoo
belangrijke rol heeft gespeeld?

In zijn Droit public de l'Europe, zegt de abt Mably, sprekende van
Ragusa: "Haar republikeinsche regeeringsvorm is ouder dan Venetië." Wij
zullen ons bepalen bij een handelstraktaat, ten jare 997 tusschen de
stad en den griekschen Keizer gesloten, en aangegaan in naam van den
gonfaloniere, "president der stad Ragusa, verbonden met al de edelen
van genoemde stad." Uit dit traktaat blijkt dus, dat er destijds
reeds een raad van edelen bestond. Sedert het tijdstip, waarop, zoo
als wij boven reeds zagen, de republiek, in een oogenblik van gevaar
(1204), de hulp van Venetië inriep en een venetiaansch patriciër,
als rector of president, aan het hoofd der regeering werd geplaatst,
deed zich ook in de innerlijke huishouding van Ragusa de invloed der
machtige republiek van Sint-Marcus gevoelen; de regeeringsvorm is
dan ook, in hoofdtrekken, dezelfde als te Venetië.

Sedert het begin der dertiende eeuw bestonden er te Ragusa drie
raden of collegiën, in verband met de splitsing der burgers in
drie klassen: de edelen, de eigenlijke burgers (cittadini) en de
ambachtslieden. De regeering berust eigenlijk in handen der edelen
(nobili), en de republiek is streng aristokratisch: ongetwijfeld
een der hoofdoorzaken van haar langdurig bestaan. De burgers zijn
verdeeld in twee broederschappen of gilden, dat van Sint-Antonius en
dat van Sint-Lazarus; de leden dier gilden zijn voor zekere ambten
verkiesbaar: de benoeming geschiedt door den Senaat.

In den Grooten Raad hebben alle edelen zitting, krachtens hun
geboorterecht en zoodra zij den ouderdom van achttien jaar hebben
bereikt. Deze Groote Raad benoemt den president der republiek of
Rector, die slechts ééne maand aan het bewind blijft; op den 25sten
van iedere maand heeft eene nieuwe verkiezing plaats. Het spreekt van
zelf, dat een president, wiens mandaat na verloop van dertig dagen
verstreken was, niet veel invloed kon uitoefenen.

Den 15den December van elk jaar, werden, mede door den Grooten Raad,
de overheidspersonen der stad gekozen, de schepenen, die ook met de
handhaving der wetten en de rechtspleging waren belast en nog andere
regeeringsfunctien uitoefenden.

De tweede raad heet, even als te Venetië, de Raad der Pregati of de
Senaat; hij bestaat uit vijf-en-veertig leden. Van zijne beslissingen
is geen beroep. Hij stelt de belastingen en alle heffingen vast,
spreekt vonnis in civiele zaken, benoemt de gezanten, sluit vrede
en verklaart den oorlog; zendt om de drie jaar commissiën van
onderzoek naar de verschillende districten, vaardigt de wetten uit,
en beraadslaagt over alles wat met de binnen- of buitenlandsche
politiek in verband staat. Deze Senaat vergadert viermaal per week,
later tweemaal; in geval van nood, kan hij door den Rector worden
bijeengeroepen.

De Raad, het derde regeeringscollege, uit zeven senatoren bestaande,
onder voorzitterschap van den Rector, vertegenwoordigt het uitvoerend
gezag: deze raad heeft geheel dezelfde functiën als de Signoria te
Venetië. Hij is belast met de uitvoering der besluiten van den Grooten
Raad en den Senaat; elk zijner leden heeft eene bijzondere afdeeling
van het bestuur voor zijne rekening. De Raad voert briefwisseling met
andere mogendheden, ontvangt de gezanten, den aartsbisschop, Vorsten
en andere vreemdelingen van hoogen rang, en onderwerpt belangrijke
kwestiën aan de beslissing van den Senaat. De leden van dit college
worden voor een jaar benoemd.

De eerste magistraat der republiek, de Rector, voerde aanvankelijk
den titel van Prior, daarna dien van Graaf. Vroeger bleef de Rector
een jaar in functie, maar na de poging van Damiano Judas om zich in
het gezag te handhaven, werd die termijn ingekort en werd de Rector
voor een maand benoemd; hij moest gedurende dien tijd het paleis
bewonen. Slechts bij sommige gelegenheden mocht hij in het publiek
verschijnen. In de openbare uitoefening van zijn ambt, droeg hij een
wijden, met bloemen geborduurden mantel van karmozijn damast, benevens
een groote pruik met krullen. In het paleis bestond zijne kleeding uit
eene eenvoudige toga van roode wollen stof; hij werd door de lakeien
van den staat bediend, en mocht zijne vertrekken niet verlaten, dan
om ter kerk te gaan. Dan werd hij vergezeld door de leden van den
kleinen Raad en de secretarissen van de Staatskanselarij; voor hem uit
gingen de lakeien en een troep muziekanten met blaasinstrumenten. Een
deurwaarder droeg voor hem een zonnescherm, met karmozijn roode
stof bekleed.

Dit laatste herinnert aan het Oosten: het is de zonnescherm der
rajahs, der sultans, der emirs, der pasjas; ook Venetië heeft dit
symbool van het oppergezag overgenomen. Als Hendrik III, na zijn
vlucht uit Polen, te Venetië een bezoek komt afleggen, worden de
vier dienstdoende procuratoren aangewezen om hem te vergezellen,
en Marc-Antonio Barbaro, om den umbrellino te dragen.

De zonnescherm van Ragusa had een gedraaiden, gebeeldhouwden en
vergulden stok: hij werd altijd gebruikt, onverschillig of de zon
scheen of niet.

De Rector velt, in zijn paleis, vonnis in sommige geschillen; maar
hij is slechts vrederechter, want die geschillen mogen over niet meer
loopen dan de waarde van een sequin. Zijne belooning bedraagt niet
meer dan een sequin per dag; hij trekt echter nog eenige inkomsten
uit de inkomende rechten op levensmiddelen.

De eerste magistraatspersoon is letterlijk een gevangene in zijn
paleis; hij mag alleen des avonds uitgaan, maar incognito en
zonder toga, opdat de waardigheid der republiek geen schade zou
lijden. Niemand kan tweemaal in het jaar Rector zijn; ieder lid van
den Senaat bekleedt die waardigheid op zijne beurt.

De burgers of volburgers (cittadini) mogen eene toga en eene pruik
dragen; even als de edelen kunnen zij en hunne zonen door den Senaat
benoemd worden tot secretarissen van de Staatskanselarij; bezitten
zij bijzondere bekwaamheid, dan kunnen zij tot kanselier opklimmen:
ook dit in navolging van het te Venetië heerschende gebruik. In sommige
gevallen mogen zij ook met bijzondere vertrouwelijke zendingen belast
worden, zoo als bij de pâsjas in Turkije, of bij de regeeringen der
staten langs de kust van Afrika. Zij worden gebruikt bij verschillende
gelegenheden, waarbij geen edelen gebezigd worden.

Telken jare, op den feestdag van Sint-Blasius, beschermer en patroon
der republiek, wordt een burger door den Senaat benoemd tot kapitein
der artillerie. In den schouwburg zitten de vrouwen der burgers ter
linkerhand van de adellijke dames: een voorrecht, dat haar door de
vrouwen van den derden stand zeer benijd wordt.

De volburgers worden door den Senaat benoemd. Om de citadinanza of het
burgerrecht te verkrijgen, moet men minstens vijf-en-twintigduizend
francs aan vaste goederen bezitten, geen kleinhandel drijven, en
nimmer eene onteerende straf hebben ondergaan.

De derde stand bestaat uit de scheepsgezagvoerders, de kleinhandelaars
en winkeliers, en eindelijk uit de ambachtslieden. Als de
scheepsgezagvoerders op hunne reizen fortuin gemaakt hebben, kunnen
zij op hunne aanvrage de citadinanza verkrijgen. De stand der burgers
breidt zich op die wijze aanmerkelijk uit; met den adel is dit niet
het geval, want de edelen zijn zeer naijverig op hunne voorrechten
en hechten zeer aan het prestige van hun stand. In 1790 bericht de
consul-generaal van Frankrijk, dat sedert honderd jaren geen brieven
van adeldom waren verleend geworden.

Ten slotte vermelden wij nog, dat de burgerlijke rechtspleging,
behalve aan de genoemde regeeringscollegiën, was opgedragen aan een
rechtbank van vier leden: de consuls der burgerlijke zaken. Het
beheer der schatkist was toevertrouwd aan drie administrateurs,
de tresoriers van Santa-Martha, uit de senatoren gekozen. Verder
bestond er ook nog een soort van rekenkamer, de raad of commissie
delle cinque Ragioni genoemd.

Deze staatsregeling is, zonder ingrijpende veranderingen en ook zonder
inwendige beroeringen van ernstigen aard, omstreeks tien eeuwen
van kracht gebleven. Voor ons, die gewoon zijn dat sommige volken
hun grondwet en hun regeeringsvorm zoowat om de tien of twintig jaar
veranderen, en voor wie de normale toestand deze is, dat de regeering
beschouwd wordt als eene prooi, om welker bezit eenige eerzuchtigen,
voor wie het algemeene welzijn wel de allerlaatste zaak is waarom
zij zich bekommeren, met elkander worstelen;--voor ons klinkt,
in dezen tijd van gedurige spanning en onrust, deze historische
getuigenis welhaast als een sprookje. Ongetwijfeld had Ragusa, even
als Venetië, deze zeldzame vastheid en stabiliteit--te merkwaardiger
in dit geval omdat de republiek naar buiten zoo weinig macht kon
ontwikkelen, en voortdurend door elkander bekampende vijanden omringd
was--in de allereerste plaats te danken aan het streng aristokratisch
karakter harer constitutie. De vaderlandsliefde, de strenge tucht, de
voorzichtigheid, de gematigdheid en het zeldzame beleid, waarvan de
regeerende klasse van Ragusa zoo doorslaande bewijzen gegeven heeft
en waardoor dit miniatuurstaatje het hoofd heeft kunnen bieden aan
machtige potentaten, verdienen de hoogste bewondering; maar deze
deugden zijn juist het tegenovergestelde van de eigenschappen,
waardoor de demokratie zich overal en te allen tijde hoeft gekenmerkt.

Bij het nasnuffelen van de archieven en oude staats-papieren werd
mijne aandacht ook getrokken door sommige bepalingen en regelen op
het stuk van kleeding, levenswijze, enz., die mij toeschijnen niet
zonder belang te zijn.

In April 1763 werden door den raad der Pregati (den Senaat) eenige
leden aangewezen, om maatregelen te beramen ter beteugeling der
weelde, ten einde de onnoodige en overtollige uitgaven te beperken,
waardoor de inkomsten der gezinnen werden verslonden en zij in een
toestand gebracht, die hen naar hulp van de overheid deed uitzien. Die
commissie stelde een ontwerp-keur voor, waarvan ik de voornaamste
bepalingen hier laat volgen:

I. De vrouwen van stand, zelfs de Antoninen en Lazarinen (dat zijn de
dames der broederschappen of gilden van Sint-Antonius en Sint-Lazarus)
mogen niet meer dan twee soorten van kleederen hebben: een stel
staatsiekleederen, en een voor gewoon gebruik.

II. Geene andere dan deze staatsiekleederen mogen gedragen worden in de
hoofdkerken, dat wil zeggen in de kathedraal van Sint-Blasius, en in
de kerken der Dominicanen en Franciscanen, waar de Zeer Doorluchtige
en Zeer Eerwaardige Heer onze Rector mocht verschijnen; en zulks op
de bekende straffen.

III. Alle andere vrouwen mogen geen andere kleederen dragen dan
van effen zijde, wol, linnen of katoen, waarvan de kleur door haar
gekozen mag worden, behalve zwart; ook mogen zij geene queue dragen
en ook geen andere dan lederen schoenen; de weduwen alleen moeten in
het zwart gekleed gaan, maar uitsluitend in wollen stof; op verbeurte
van het vierde harer bezitting.

IV. Verbod aan alle mannen en vrouwen, van welken rang of stand ook,
om galon van gouddraad te dragen.

V. Verbod aan alle mannen en vrouwen, van welken stand ook, om de
kleederen te versieren met echt of valsch goud of zilver.

VI. Verbod aan alle vrouwen, onverschillig van welken stand, om zich
nieuwe kleederen te laten vervaardigen van goud- of zilverbrokaat,
of van niet effen zijde.

VII. Geen vrouw, met uitzondering der dames van adel en de Antoninen
en Lazarinen, zal voortaan een geborduurden sluier of kap, of
gefestonneerden mantel mogen dragen; het is haar echter vergund kappen
of huiven te dragen van zwarte stof.

VIII. De edelen mogen over dag niet zonder het aan hun rang passend
gewaad uitgaan.

IX. Het is den mannen op straffe van verbanning verboden, het beroep
van kapper uit te oefenen, of in dat beroep onderricht te geven.

Of deze bepalingen en regelen, waarvan ik hier slechts enkelen heb
aangehaald, inderdaad doel hebben getroffen, weet ik niet. Ik zou er
bijna aan twijfelen, als ik zie, hoe reeds in Mei 1773 het edict van
1765 wordt vernieuwd, maar nu met bijvoeging eener nieuwe bepaling
tegen de fransche kleederdracht, die ook in Ragusa was doorgedrongen
en daar navolgers vond. Bij besluit van 18 Mei 1773 verbood de Senaat
aan alle heeren en edelen, om zich naar fransche mode te kleeden,
en in het publiek te verschijnen anders dan met de toga; op straffe
voor eerstgenoemden, om gedurende drie jaren geen zitting in den
Senaat te mogen nemen; en voor de anderen, om gedurende dienzelfden
tijd geen lid te kunnen worden van den Raad.

Zoo als men ziet, waren deze aristokraten voor zich zelven niet minder
streng dan voor anderen, veeleer het tegendeel. Trouwens, ook deze
trek heeft Ragusa met Venetië gemeen. De jonge edellieden, die op hun
achttiende jaar rechtens in den Grooten Raad zitting mochten nemen,
gedurende drie jaar van dat recht te berooven, omdat zij een vreemde
mode volgen, is zeker bar genoeg.


XIV.

Voor de eerste maal, in een armoedige herberg tusschen Knin en
Sebenico; voor de tweede maal te Ragusa, in een kruidenierswinkel;
voor de derde maal eindelijk in een pover kroegje te Borgho-Pille,
waar de karavanen een teug van den nationalen drank, de slivovitza
(pruimebrandewijn) komen drinken,--heb ik de guzlars de nationale
volksliederen van Servië hooren zingen.

De guzla, het instrument dat dezen zang begeleidt, is minder dan
eenvoudig: het is bijna barbaarsch: een enkele snaar over een soort
van lederen mandoline, met een buitengewoon langen steel, gespannen,
ziedaar alles. De strijkstok is een soort van houten boog, waaraan
mede een enkele snaar bevestigd is. De guzla hangt in de slavische
herberg aan den wand, even als in Spanje de guitaar of pandero aan
den wand der posada; en diegene onder de gasten, die de servische
zangen het beste uit zijn hoofd kent, neemt het instrument van
den muur en begint te zingen. Hij houdt de guzla tusschen de beide
knieën, even als een violoncel, en begint met enkele hooge noten;
weldra groepeert zich de schare om hem heen; aanvankelijk luistert
men met zeer weinig aandacht: men gaat en komt, loopt heen en weer,
verricht allerlei bezigheden en hindert den zanger; inmiddels gaat
hij voort met zijn lied; de toehoorders worden aandachtig; er vormt
zich een kring om hem, die telkens aangroeit; weldra heerscht er
algemeene stilte en belangstelling. Sommigen leunen zwijgend tegen
den muur; anderen, op zakken liggende, neergehurkt, met de beenen
onder het lijf gevouwen, zitten roerloos; niemand spreekt een woord;
de voorbijgangers, die een kop koffie of iets anders verlangen, treden
voorzichtig naar binnen en geven zwijgend een teeken. De stem van
den zanger is al hooger geklommen; hij windt zich op en zijne oogen
schitteren; de slavische versregel wordt afgebroken door zonderlinge
geluiden, die elke frase van den zang doen uitkomen. Voorzeker is
dit geen muziek in den eigenlijken zin des woords; men zou haast
zeggen, dat hier noch melodie, noch harmonie, noch maat, noch klank
te vinden is; en toch ondanks dit alles, heeft deze eentonige melodie
iets bekoorlijks, iets onwederstaanbaars; zij is somber en treurig,
maar nu en dan breekt eensklaps, als een bliksemstraal, een wilde
zegekreet, een luid gejubel door dien doffen weemoed heen. Dit lied
is een beeld van de geschiedenis van het servische volk zelf, zoo
vol rouw en smart, en toch ook wederom doortinteld van onsterfelijke
hoop; het is hun Ilias, hun Odyssee en hun Romancero: de afspiegeling
van het leven der Serviërs, hunne geschiedenis met al haar legenden,
de verheerlijking hunner nationale helden.

De millioenen Slaven, die Bosnië, Herzegowina, noordelijk Albanië,
Slavonië, Dalmatië, een deel van Istrië, Batchka, Syrmië, het Banaat,
Montenegro en Servië bewonen, hebben deze aloude zangen en liederen
broksgewijze bewaard; zij worden alom gezongen: te Belgrado, te Agram,
te Zwornick, te Banjaloeka, te Knin, te Dernis, aan de golf van
Cattaro en in de Zwarte-Bergen. Deze machtige propaganda valt buiten
het bereik van wetten en verordeningen, van policie en gendarmerie;
deze liederen, van de vaderen geërfd, zijn de heilige verbondsark
dezer slavische stammen, die daarin de herinnering van hun grootsch
verleden, den troost onder het lijden en den jammer van het heden,
en eene profecie van aanstaande verlossing en vrijheid bewaren.

Ook nu, nu langs de boorden van de Drina, de Morawa, de Narenta,
weder de heilige krijg is ontbrand; nu andermaal het zwaard is
uitgetogen en de Kruisbanier opgeheven om eindelijk, eindelijk de
slavische Christenen te bevrijden van het juk der mohammedaansche
barbarenhorde; ook nu klinken alom die zangen door het wijde slavische
land. Des avonds, als de dalende nacht het kamp in haar sluier hult,
als de laatste glans aan den hemel wegsterft, en in het bivouak de
nachtvuren worden ontstoken:--dan rijzen uit de groepen der strijders,
die zich straks ter ruste zullen begeven, de oude nationale liederen;
dan klinken alom de tonen van de guzla, die de krijgslieden medenamen
naar hun tent; en luisterende naar die aloude gewijde zangen, zoo
vol van der vaderen roem en der vaderen lijden, rijpt te vaster het
besluit om het zwaard niet neder te leggen, voor de gevloekte tyran
van der vaderen erfgrond zal verdreven zijn.

Van ganscher harte zij hun de overwinning toegewenscht!

Deze zoo beroemde servische zangen, die tegenwoordig eene eigene
letterkunde vormen, waren voor omstreeks veertig jaar, buiten de
slavische landen bijna geheel onbekend. In Frankrijk werden zij voor
het eerst bekend gemaakt door Mérimée, die beweerde deze liederen,
op een reis door Dalmatië, te hebben opgeschreven uit den mond van
een ouden guzlar. Hij gaf eene gansche verzameling daarvan uit, onder
den titel van La Guzla, die in Frankrijk grooten opgang maakte; het
duurde niet lang, of de zoogenoemde servische volksliederen kwamen in
de mode. Eenige jaren later bekende de heer Mérimée, in de voorrede
voor eene nieuwe uitgave, dat hij, in overleg met zijn geleerden vriend
Ampère, die zangen zelf gemaakt had, en dat zij hoogstens geacht konden
worden nabootsingen te zijn van oorspronkelijke liederen, waarvan hij
den tekst onder de oogen gehad had. Hij voegde daarbij, dat hij, zeer
gaarne een reis naar Dalmatië wenschende te doen, maar niet over de
vereischte middelen kunnende beschikken, begonnen was met zijn boek te
schrijven, en voor het geld, dat hij daarmede verdiend had, later naar
Dalmatië was gegaan om te onderzoeken of het boek juist en getrouw was.

De echte servische zangen hebben ongetwijfeld een zeer sterk sprekend
karakter, zoodat het een dichter, die zin heeft voor lokale kleur
en zich eenige studie getroosten wil, niet zoo bijster moeilijk kan
vallen, ze na te volgen. Maar Vouk Stephanovitch Karadjitch is toch
de eerste, die een juist en nauwkeurig denkbeeld van deze zangen
gegeven heeft in zijn boek: Servische Volksliederen, Spreekwoorden
en Verhalen. Herder is misschien de eerste geweest, die ze in
westelijk Europa heeft bekend gemaakt; ook Goethe heeft een enkel
dezer liederen in het duitsch vertaald. In 1823 gaf een Serviër, die
zijn naam niet heeft bekend gemaakt, te Leipzig een verzameling van
servische volksliederen uit, onder den titel Narodné Serbske pesmé;
maar aangezien de servische taal zeer weinig bekend is, werden deze
zangen eerst opgemerkt en gewaardeerd, nadat Mrs. Robinson, onder den
pseudoniem Talvi, daarvan een duitsche vertaling bezorgd had. In 1836
gaf de italiaansche dichter Tommaseo--van Dalmatië geboortig--zijne
Canti popolari uit, waaronder hij eene ruime plaats toekende aan de
"illyrische zangen."

Nu was het ijs gebroken, en in Frankrijk, Duitschland en Engeland
werd steeds meer de aandacht op dezen dichterlijken schat gevestigd,
zagen vertalingen of bewerkingen dezer servische liederen het
licht. Mickiewicz, zelf een der grootste dichters van het slavische
ras, spreekt aldus, in bezielde taal, over deze liederen:

"Volkszangen, arke des verbonds tusschen den ouden en den nieuwen
tijd, in u legt de natie de zegeteekenen harer helden neder, de hoop
en verwachting harer innigste gedachten, de bloem harer teederste
gevoelens! Heilige arke, niemand kan u slaan, u verbrijzelen, zoolang
uw eigen volk de schennende hand niet tegen u heeft opgeheven! O, zang
des volks, gij zijt de tempelwachter der nationale herinneringen;
uwer zijn de vleugelen en de stem des aartsengels, uwer ook vaak
zijne wapenen! De vlam verteert de scheppingen van het penseel, de
roovers plunderen de schatten: het lied ontkomt aan het verderf en
blijft leven. Als het vernederde en ontaarde volk zijne herinneringen
en zijn hoop vergeet en het lied laat kwijnen, dan vlucht het naar
de bergen en hecht zich aan de puinhoopen, en van daar klinkt zijn
stem, verhalende van den ouden tijd. Zoo vlucht de nachtegaal van het
brandende huis en zet zich een oogenblik op het dak; maar als ook het
dak bezwijkt, dan vliegt hij heen naar de bosschen, en zingt met luider
stem een lied van rouw en smart, te midden van ruïnen en graven."

Inderdaad leeft in deze liederen de nationale geschiedenis. Even als
de rhapsoden der oudheid, zoo hebben ook de rondtrekkende guzlars,
dank zij hun dichterlijk instinkt, de namen der helden, de gedachtenis
der doorgestane beproevingen, der behaalde overwinningen, voor het
servische volk bewaard. Om zijn eersten bundel bijeen te brengen,
ging Stephanovitch van dorp tot dorp, overal onderzoekende of er zich
daar ook een guzlar of zanger bevond, die om zijn uitstekend geheugen
beroemd was.

Op zekeren dag, zoo verhaalt Mickiewicz, vindt hij een ouden
marskramer, die een aantal liederen van buiten kent; hij neemt den man
mede naar zijn huis, geeft hem te drinken, en beweegt hem zoo doende al
zijn liederen, een voor een, op te zeggen, terwijl hij zo middelerwijl
opschrijft, en de verminkte regels weer in hun oorspronkelijke
zuiverheid herstelt. Een ander maal verhaalt men hem van een man,
die een geheel gedicht van buiten kent; om dien man te vinden, riep
hij de hulp in van Prins Milosch, een held die niet schrijven kon,
maar in wiens ziel niettemin het heilige vuur gloeide en die ten volle
de waarde en de beteekenis dezer vaderlandsche liederen begreep. De
Prins beveelt dat men dien guzlar opspore. Nu bleek het dat deze
beroemde zanger een oude roover was, bedekt met litteekenen, en die
zich nog altijd niet had verzoend met de pandoeren en de gendarmen;
hij begreep niet wat de Vorst van hem verlangde; hij vreesde dat men
hem een strik spande en deed geen mond open. Om hem aan de praat te
krijgen, werd hij half dronken gemaakt: nu droeg hij zijn gedicht voor,
en de slavische litteratuur telde een meesterstuk te meer.


XV.

Des morgens ten negen uur verliet ik Ragusa, om met een der booten van
Lloyd rechtstreeks naar Cattaro te gaan, waar ik omstreeks half vijf
aankwam. Deze tocht van zeven en een half uur, op een mooien herfstdag,
als de zon iets van haar kracht verloren heeft en men op het dek der
boot blijven kan, is zeker een der aangenaamste, die men zich kan
denken. Het landschap toch, vooral nadat men kaap Ostro is omgevaren,
behoort buiten kijf tot de schoonste der  wereld; volgens sommigen,
zou de Bocca di Cattaro vergeefs hare wedergade zoeken.

Naar den naam te oordeelen, zou men meenen dat de Bocca di Cattaro
(Mond van Cattaro) de uitmonding was van eene of andere rivier,
die zich daar in zee stort. Intusschen is juist het omgekeerde het
geval. Wij hebben hier niet te doen met een riviermond, maar met een
inham der zee, met eene gewelddadige opening, die de Aziatische-zee
in de haar omzoomende bergketen gemaakt heeft. Die opening is echter
niet regelmatig en ook niet op eens gemaakt: de golven hebben om zoo
te zeggen langzamerhand den berg ondermijnd en zijn zoo landwaarts
ingedrongen; de zee kronkelt zich om de bergwanden heen, vormt hier
een breed bekken, ginds een nauw kanaal, dat weder naar een nieuwe
baai voert. Elk kanaal, of zoo ge wilt elke engte, die van de eene
waterkom naar de andere voert, draagt den naam van Bocca, en het geheel
heet Bocche di Cattaro, naar de stad van dien naam, aan de binnenste
baai gelegen. De eerste Bocca ligt aan de Adriatische-zee, tusschen
kaap Ostro en de rots Zaniza; de tweede, tusschen de landpunt van
Cobilla en Lustiza; de derde te Combur; de vierde te Santa-Domenica;
de vijfde te Le Cattene, en de zesde te Perzagno. De vaart van den
ingang der Bocca tot Cattaro duurt twee uren. De vijfde zeeëngte is
de smalste van allen; de doorvaart is hier zoo eng ingesloten, dat in
1381, toen koning Lodewijk van Hongarije Cattaro tegen de Venetianen
wilde verdedigen, op dit punt kettingen van de eene rotspunt naar de
andere gespannen werden. Vandaar de naam Le Cattene, de Kettingen.

De stoomboot, die tusschen Ragusa en Cattaro vaart, legt onderweg
slechts vier keer aan: te Castel-Nuovo, te Perasto, te Risano en
eindelijk te Cattaro. Van Gravosa, waar de boot afvaart, tot den ingang
der Bocca, is er niets bijzonders te zien dan alleen Ragusa-Vecchia,
het aloude Epidaurum in Illyrië, even als het andere Epidaurum in den
Peloponnesus beroemd door zijn tempel van Esculaap. De antieke stad
werd in de derde eeuw verwoest; men vindt hier nog enkele inscripties,
brokken van muren, enz. Ragusa-Vecchia heeft tegenwoordig tusschen
de vier- en vijfduizend inwoners. Men vaart verder langs Gilipyri,
Popovichi en Poglizza; dan volgt kaap Ostro en de ingang der Bocca.

Aan den oever der eerste baai ligt, tegen de bergen geleund, de
niet onbelangrijke stad Castel-Nuovo, vroeger een citadel, in 1373
door Tuartko, koning van Bosnië, gesticht. Zij viel in handen der
Genueezen, en werd door hen aan de Spanjaarden overgeleverd, die er
bezetting legden en een tweede citadel bouwden, die nog den naam van
Spagnuolo voert. In 1687 werd de vesting op nieuw door de Venetianen
belegerd; de pâsja van Bosnië verscheen met vierduizend man om de
stad te ontzetten, maar hij werd tot den aftocht gedwongen. Sedert
dien tijd bleef Castel-Nuovo in de macht van Venetië, tot aan den
ondergang der republiek. In 1806 bezetten de Russen met hunne vloot
de geheele Bocca van Cattaro, en hielden die in bezit tot aan den
vrede van Tilsitt, in 1807. Op hen volgden de Franschen tot 1813,
toen Castel-Nuovo door de Engelschen werd bezet. In 1814 kwam de stad,
met geheel Dalmatië, aan de oostenrijksche monarchie, waartoe zij nog
behoort. Castel-Nuovo is de belangrijkste stad van de geheele Bocca;
zij is veel welvarender dan Cattaro, de hoofdstad, en telt, naar
men zegt, omstreeks tienduizend inwoners, die voor de helft tot de
grieksche Kerk behooren. De vestingwerken maken een grootschen indruk;
de natuur is zeer weelderig en de plantengroei overvloedig. Hier kunt
ge uw oogen weer verkwikken aan prachtige boomgroepen, kleine bosschen
schier; sierlijke witte landhuizen en villa's teekenen zich  helder
af tegen het donkergroen; maar iets verder houdt eensklaps weer alle
plantengroei op: steil en naakt en ongenaakbaar stijgt de schitterend
witte bergwand omhoog, aan den top met een lichten nevel omsluierd.

Voorbij Castel-Nuovo verheffen zich langs den zoom dezer
schilderachtige waterkommen een aantal dorpjes, weerspiegelende in de
diepe wateren. Op schier iederen heuvel prijkt een kapel of een kerkje
met klokketoren: ge zoudt meenen, op een der italiaansche meren,
op het Lago di Como of het Lago Maggiore, te varen. Toch bevindt
ge u nog altijd op de zee; maar ge verliest de wederzijdsche oevers
niet uit het oog; ge vaart op prachtige meren, aan alle zijden door
hemelhooge bergen omlijst; door eene opeenvolging van wonderschoone
baaien, breed en diep genoeg om eene veilige ligplaats te bieden voor
de vereenigde vloten der gansche wereld.

Aan gene zijde dezer bergen ligt Turkije: links hebben wij Trebinjé,
rechts Grahovo en Montenegro. Eer wij Castel-Nuovo bereikten, zijn wij
reeds den turkschen oever bij Suttorina voorbij gevaren: deze strook
gronds ten zuiden had de republiek van Ragusa, met een soortgelijke
strook ten noorden, aan de Porte afgestaan. Zij was alzoo aan de
landzijde geheel door de turksche bezittingen afgesloten van alle
aanraking met de heerschzuchtige republiek van Sint-Marcus.

Wij varen door de engten van Curbilla, Combur en Santa-Dominica;
nu komen wij in de grootste en regelmatigste kom, die bijna de
gedaante van een circus heeft. Wij verlaten deze baai weder door een
zoo smal kanaal, dat het op de kaarten te nauwernood zichtbaar is;
het schijnt of de beide landtongen elkander zoo dicht naderen dat
zij geen doorgang openlaten: dat zijn de Cattene, de Kettingen,
waar de zeearm slechts een kilometer breed is.

Zoodra ge deze engte zijt doorgevaren, verandert de natuur van
karakter, en wordt minder bekoorlijk: het is reeds niet meer het
vruchtbare, weelderige landschap van Castel-Nuovo. Ter rechterzijde
heeft men Stolivo, met zijn nog boschrijke hoogten en zijn tusschen
het lommer verscholen kerken. Perasto ligt bijna vlak tegenover de
Kettingen, dicht aan den oever, op een landpunt, welke deze baai
van de laatste en zesde, die van Cattaro, scheidt. In deze baai
van Perasto, vlak aan den uitgang der Cattene, liggen twee kleine,
lage eilandjes, het eilandje Sint-George en dat der  Madonna van het
Skapulier. Op het eerste eilandje staat een grieksch klooster; op het
andere eene katholieke kapel, aan Onze-Lieve-Vrouwe gewijd en door
den ganschen omtrek beroemd. Deze kapel bevat namelijk eene schilderij
van de Madonna, in byzantijnschen stijl, waarvan de vervaardiging aan
niemand minder dan aan den evangelist Lucas wordt toegeschreven. Naar
de overlevering verhaalt, zou dit heilige beeld, in 1452, door eene
onbekende hand op dit rotsig eilandje zijn neergelegd, en op zekeren
nacht door visschers zijn ontdekt, stralende van bovenaardschen
lichtglans. De visschers namen de schilderij mede, en brachten haar
in statigen optocht naar de kerk van Perasto, waar zij de Madonna
eerbiedig eene plaats aanwezen:--maar zie, den volgenden morgen was de
Madonna, tot aller verbazing, naar haar eiland teruggekeerd. Driemalen
werd zij naar de kerk van Perasto overgevoerd; driemaal keerde zij,
op wonderdadige wijze, naar haar eerste plaats terug. Men erkende
hierin een duidelijken wenk des hemels, en de inwoners van Perasto
bouwden een kapel op de plek, waar het beeld gevonden was; ieder
eigenaar van een vaartuig moest eene lading steenen aanvoeren, en de
kapel van Onze-Lieve-Vrouwe was weldra voltooid. Op den 12den Juli,
den dag waarop de schilderij van Sint-Lucas gevonden werd, stroomen
nog heden een aantal bedevaartgangers van alle kanten naar het eiland;
op de zondagen in Mei en Juni wordt plechtig de herinnering gevierd
der overwinning, in 1654, dank zij de bescherming der Madonna, op de
Turken behaald. Ook op 15den Augustus wordt eene groote processie
gehouden: het heilige beeld wordt dan uit de kapel op het eiland
naar Perasto gebracht. Tot mijn spijt heb ik geen dezer feesten
kunnen bijwonen: bezwaarlijk zal men zich iets schilderachtigers
kunnen denken, dan zulk eene processie van honderden schuiten,
booten en vaartuigen, allen opgevuld met eene feestvierende schare,
in de schitterendste kleederdrachten uitgedost, en liederen zingende
ter eere der Heilige-Maagd. Denk u daarbij de kleurenpracht van deze
half-oostersche natuur, en rondom het heldere water die weergalooze
omlijsting van stoute bergen, zilverwit van kruin, en aan hun voet
bezaaid met bosschages, met villa's, met dorpjes, wier schilderachtige
groepen weerkaatsen in de kabbelende golven!

Aan dezelfde baai, links van Perasto, ligt Rizano, als tusschen de
rotsen verscholen; boven de witte huizen van het pittoreske stadje
verheffen zich de twee onvoltooide torens van eene fraaie kerk. Nu
naderen wij Cattaro. Langzaam vervolgt de boot haar weg door de smalle
kanalen; ter wederzijde, op eene smalle strook gronds aan den voet
der rotsen, verheffen zich bekoorlijke villa's en landhuizen, wier
bijna onafgebroken reeks nu en dan wordt afgewisseld door enkele
belangrijke vlekken: Persagno, geheel langs het strand  gebouwd,
Dobrota, Mulla, Verba, en eindelijk Cattaro. Naarmate wij deze laatste
stad, geheel aan het einde der Bocca gelegen, naderen, neemt de natuur
een strenger, woester karakter aan. De weelderige plantengroei langs de
berghellingen houdt geheel op; ge ziet geen andere boomen, dan enkele
rijen, langs den oever geplant; schier loodrecht stijgt de naakte,
wilde rots omhoog: het is een ontzaglijk tafreel, dat de ziel bijna
met schrik vervult.

Cattaro is de hoofdstad van de kreits, die Castel-Nuovo, Cattaro
en Budua omvat, de laatste stad van Dalmatië, aan de grenzen van
Albanië. De geheele kreits telt honderd-vier gemeenten: zij is de
kleinste van de provincie. De afstand tusschen Dobrota en Cattaro
bedraagt niet meer dan anderhalve mijl; de stad ligt tegen den
berg geleund, geheel aan het einde van de Bocca, aan de uiterste
grens der oostenrijksche monarchie. De afstand tusschen de zee en de
montenegrijnsche grens is zoo gering, dat men met een stuk geschut,
op de bergtoppen van Montenegro geplaatst, de schepen in de baai voor
Cattaro zou kunnen beschieten.

De lezer, die zich een juist denkbeeld wil vormen van de zonderlinge
ligging dezer stad, heeft slechts een blik te werpen op de plaat,
bladz. 248. Tusschen de zee en de rotsen ingeklemd, waartegen hare
vestingwerken opklauteren, schijnt het inderdaad of men, om de
noodige ruimte voor de stad te vinden, den berg heeft uitgehouwen
en de huizen tegen de rots aangeplakt. Ge ziet hier eene kerk,
waarvan de voorgevel op een pleintje uitkomt, dat gelijkvloers
met de kaai ligt, maar die geen achtergevel heeft, omdat zij zich
daar in den berg verliest, wiens dreigende rotswanden  hoog boven
hare torens hemelwaarts rijzen. Blijkbaar heeft men, niet zeer lang
geleden, eene breede kaai in het water uitgebouwd, om eene geschikte
aanlegplaats te verkrijgen. Op die kaai, vóór den muur der eigenlijke
stad, staan eenige rijen fraaie boomen; dit is de geliefkoosde
wandelplaats, waar altijd drukte en beweging heerscht. Hier komen
ook de stoombooten aan, die dezen verloren uithoek in verbinding
brengen met de buitenwereld. De laatste baai vormt geen circus,
maar een scherpen driehoek; juist aan den top van dien driehoek
ligt Cattaro, dat rechts en links ingesloten is door hooge bergen,
die de zonnestralen onderscheppen. Als de zon op het hoogst staat,
beschijnt zij toch slechts de toppen der rotsen, die zij met purperen
goudglans tooit. Cattaro, vlak tegen de kale rots gebouwd, is in
den zomer ondragelijk heet; er heerscht dan een temperatuur als in
een oven; te beginnen met September, zijn echter de ochtenduren er
zeer aangenaam. Toen ik voor de eerste maal de stad bezocht,  was het
October, en reeds waren de bergen hier en daar met sneeuw bedekt; ook
op de helderste dagen scheen de zon niet voor twee uur des namiddags
in de stad; als hare stralen eindelijk in de straten doordrongen en
alles met nieuw leven bezielden, neigde zij reeds spoedig daarop ten
ondergang. Er valt hier zeer veel regen; en daar zich in den berg eeno
soort van bedding voor den afvoer van het water gevormd heeft, is er
aan de linkerzijde der stad een uitgestrekt terrein onbebouwd gebleven,
omdat men daar telkens gevaar loopt voor overstrooming. Indien de
kalkbergen, die Cattaro van de Adriatische-zee scheiden,  minder hoog
waren, dan zou het zonlicht vrij in de stad kunnen doordringen en de
nevels verdrijven, die hier nu als in een trechter blijven hangen, en
de geheele toestand zou beter zijn. Niettemin is het klimaat gezond:
de inwoners zijn eenvoudige, ernstige, onverschrokken lieden, onder
wie men zich spoedig op zijn gemak voelt. De haven is zeker een der
uitmuntendste van de geheele wereld, die, wat ruimte en veiligheid
betreft, door geene andere overtroffen wordt: eene gansche vloot zou
zich hier, zonder eenige moeite, kunnen verbergen.

De aanblik der stad aan de zeezijde is zeer uitlokkend; de fraaie,
breede kaai is met boomen beplant en maakt een aangenamen indruk;
daarachter verheft zich de muur, en men gevoelt dat men zich in
eene vesting bevindt, die nog de sporen draagt van de heerschappij
der Venetianen. De stad bestaat uit eene opeenvolging van kleine,
bochtige, kronkelende straten, omzoomd door hooge huizen, waaronder
een aantal winkels. Naarmate ge verder in de stad doordringt, rijst de
berg steiler en meer van nabij boven uw hoofd op; ge gevoelt dat licht
en lucht gaan ontbreken; maar zeer ver kunt ge niet gaan, want dan
houdt de rotswand u tegen. Toch heerscht hier vrij veel leven; in al
de andere steden en vlekken van de Bocca zijn scheepvaart en landbouw
de hoofdbronnen van bestaan, hier is het de nijverheid. Cattaro is de
groote markt en stapelplaats van de geheele golf en van Montenegro,
dat slechts enkele uren verwijderd is en alles wat het noodig heeft van
hier laat komen. De bevolking bedraagt tusschen de vier- en vijfduizend
zielen, waaronder drieduizend Katholieken. Ik zag hier eenige kleine
bekrompen pleintjes, waar de balkons der huizen aan Venetië herinneren:
die machtige, trotsche republiek heeft overal den onuitwischbaren
stempel harer heerschappij ingedrukt. Op sommige openbare gebouwen
ziet ge nog altijd den gevleugelden leeuw, die dreigend zijn klauw
opheft. De gansche stad is door muren omgeven; zij heeft drie poorten,
waarvan twee bij zonsondergang gesloten worden; de derde, de Zeepoort,
die op de kaai uitkomt, een monumentaal gebouw, met wapenschilden en
inscripties versierd, blijft op de dagen van aankomst der stoomboot
tot middernacht geopend.

Omstreeks vier uur in den middag stapte ik te Cattaro af. Ik had een
aanbevelingsbrief bij mij voor den inspecteur van de Lloyd; en ik had
het voorrecht gehad, veertien dagen vroeger, de reis van Sebenico
naar Spalato te maken in gezelschap van den heer Radamanovich,
koopman te Cattaro, en tevens correspondent en agent van den vorst
van Montenegro in die stad. Hij bewees mij, op mijne reis door het
vorstendom, zeer gewichtige diensten.

Er is te Cattaro geen hotel; men neemt zijn intrek bij enkele
partikulieren, die hunne huizen inrichten en meubelen voor de ontvangst
van reizigers. Men bracht mij, langs allerlei bochtige straten, naar
een vrij donkere steeg, en naar de woning van een zeer ordentelijk man,
die mij eene goede kamer aanbood. Sedert ik de boot, had verlaten,
was mij voortdurend een reus gevolgd, in montenegrijnsch kostuum,
met de ruime bruin gestreepte plaid, die tot de uitrusting dezer
bergbewoners behoort, over den rug geworpen. Hij begreep dat ik te
Cattaro was gekomen met het doel om naar Cettinjé te gaan; en daar
hij paarden verhuurde om de reis over de bergen te doen, wilde hij
mij de belofte afpersen, dat ik mij den volgenden morgen tot hem zou
wenden. Ik had veel moeite om dien kerel kwijt te raken; daar ik de
zorg voor de toebereidselen der reis liefst aan den agent van den Vorst
wilde overlaten, liet hij mij eindelijk toch los. Mijn gastheer, een
Italiaan, was een klein, kreupel man, met een zwaren zwarten baard en
lange hairen; hij was zeer op zijn gemak, geheel in het zwart gekleed,
en droeg een breedgeranden hoed op het hoofd. Hij ontving mij als
een oud vriend, vroeg hoe ik de reis gemaakt had, onderzocht naar
allerlei bijzonderheden met goedmoedige vriendelijkheid, en drukte
mij met de grootste hartelijkheid de hand; ik begreep niet waaraan
ik deze vriendschapsbewijzen te danken had.

De agent van Lloyd stelde zich met groote welwillendheid tot mijne
beschikking en zeide mij hoe ik het moest aanleggen, om hier zoo
goed mogelijk te leven. Eene goede restauratie, buiten den muur der
stad, aan de kaai gelegen, is de algemeene vereenigingsplaats van
de reizigers, de officieren van het garnizoen en de oostenrijksche
ambtenaren. Toen ik daar aankwam, was het geheele gezelschap onder
den lommer langs de haven vereenigd; en daar de gouverneur-generaal
van Dalmatië, baron Rodich, met de stoomboot van Zara moest
aankomen, was de halve bevolking naar de kaai gestroomd, om hem
te ontvangen. De vrouwen volgen bijna allen de italiaansche mode;
de mannen onderscheiden zich door niets bijzonders. De officieren
en ambtenaren beschouwen het verblijf te Cattaro als een soort van
ballingschap, en zien steeds met verlangen uit naar de aankomst der
stoomboot, die hun tijding van hunne vrienden en verwanten en van de
buitenwereld brengt.

Den volgenden morgen begaf ik mij naar den bazar of de markt der
Montenegrijnen: een open veld, of liever een soort van steenen vallei,
door het water uitgegraven. De bergbewoners komen daar van Njégosch
en Cettinjé; zij leggen een weg van zeven of acht uren af, beladen met
zware vrachten, over bergen zoo steil, dan het hart u samenkrimpt bij
het gezicht van die arme, schamel gekleede vrouwen, zwoegende onder
haar zwaren last. De markt levert niet veel op: wat aardappelen,
eenige eieren, eenige magere kippen, en vooral takkebossen--ziedaar
alles. Somwijlen brengen de bergbewoners ook schapen ter markt,
die zij voor zich uitdrijven.

De politie houdt streng toezicht op deze markt, die des dinsdags,
donderdags en zaterdags gehouden wordt, en die dikwijls aanleiding
geeft tot twisten en vechtpartijen tusschen de kooplieden en de
stedelingen. De montenegrijnsche vrouwen mogen in Cattaro komen, maar
van de mannen wordt er, om goede redenen, slechts een bepaald aantal
in de stad toegelaten; ook moeten zij bij de poort hunne wapenen
afgeven. Deze Montenegrijnen, die voor een paar franken eenige
takkebossen komen verkoopen, dragen in hun gordel wapenen van zeer
hoogen prijs, die dikwijls hunne gansche bezitting uitmaken.

De stad Cattaro, op de plaats gebouwd waar tijdens de romeinsche
heerschappij Ascrivium stond, heeft in de lotgevallen van geheel
Dalmatië gedeeld; zij is, in meerdere of mindere mate, onderworpen
geweest aan het gezag der koningen van Servië, van Hongarije, van
Bosnië, tot zij eindelijk in de macht kwam van Venetië, dat ondanks
herhaalde pogingen van de Turken om zich van dit punt meester te maken,
Cattaro behield tot aan den ondergang der republiek. In 1806, toen
Dalmatië aan Frankrijk werd afgestaan, maakten de Russen zich meester
van Cattaro, dat zij evenwel bij den vrede van Tilsitt weder moesten
overgeven. In 1813 werd de stad door de Engelschen, onder Sir William
Hoste, aangevallen; zij gingen aan land en richtten, voor de oogen
van den generaal Gauthier, die het onmogelijk achtte geschut tegen
den berg op te voeren, batterijen op, boven de citadel, op de toppen
der rotsen. Na een beleg van tien dagen moest de stad zich overgeven;
het geheele fransche garnizoen werd gevangen genomen. Ten gevolge van
oneenigheden met de Oostenrijkers ontruimden de Engelschen Cattaro,
dat in handen viel van den Vladika van Montenegro, toen niet minder dan
nu begeerig uitziende naar een haven aan zee. Den 14den Juni 1814 moest
hij de stad aan Oostenrijk afstaan, dat haar tot heden behouden heeft.

De Bocchesi of bewoners der Bocca onderscheiden zich van al de bewoners
van Dalmatië door zekere eigenaardigheden; te Zara zal men u, onder
eene menigte volks, zonder aarzelen iemand aanwijzen en zeggen: dat is
een Bocchese. Zij zijn er in geslaagd, van hun land, dat niet meer is
dan eene smalle strook tusschen de rotsen en de zee, een der rijkste
distrikten van Dalmatië te maken, dank zij hun ijver, hun lust voor
handel en scheepvaart, hun overleg en spaarzaamheid. Zij zijn allen
Slaven, ook de kustbewoners, die elders in Istrië en Dalmatië schier
zonder uitzondering van italiaanschen oorsprong zijn. Het juiste cijfer
der bevolking van de Bocca is mij onbekend; voor twintig jaar bedroeg
dit tusschen de vijftien- en twintigduizend zielen; daarvan behoorden
er ruim elfduizend tot de grieksche en de anderen tot de roomsche Kerk.

De Bocchese is van beroep, ik zou zeggen van nature, zeeman; hij is
ondernemend, moedig, van een zeer sterk gestel; het ras zelf is van
opmerkelijke schoonheid. Zeehandel is zijn voornaamste middel van
bestaan; vooral met Venetië, Triëst en de Zwarte-zee wordt een zeer
levendige handel gedreven. Als de Bocchesi volstrekt geen middelen van
zich zelven hebben, verhuren zij zich als matrozen bij een reeder of
gezagvoerder; anders rusten zij voor eigen rekening een klein vaartuig
uit en bezoeken daarmede de naburige havens langs de kust. De zee is
het groote arbeidsveld der Bocchesi: een jaar van stormen richt dan
ook onder de bewoners droevige verwoestingen aan, en somwijlen ziet
ge dorpen, waar de halve bevolking in rouwgewaad is gehuld. Maar
blijven zij in het leven, dan weten zij dikwijls zeer spoedig eene
vrij aanzienlijke fortuin bijeen te brengen. Is dit het geval, dan
keeren zij naar de Bocca terug, verfraaien hunne ouderlijke woning
of bouwen eene nieuwe, waaraan zij, zoo dit eenigszins mogelijk is,
een lapje grond toevoegen, dat zij met enkele olijven beplanten. Zij
zijn in het minst niet ijdel; zij trachten volstrekt niet te schitteren
en hun buren te toonen hoe rijk zij zijn; zij kennen geen weelde voor
zich zelven; ernstig en stil, leven zij rustig in hun eigen kring. Naar
men zegt, hebben sommige rijke Bocchesi in hunne woning exemplaren
der wapenen van alle landen, die zij bezocht hebben. Waarschijnlijk
dankt deze mode haar oorsprong aan de noodzakelijkheid, waarin men
althans vroeger verkeerde, om steeds gereed te zijn tot het afweren
der aanvallen van Turken en Montenegrijnen.

Tusschen Risano en de grenzen van Herzegowina, op eene aanzienlijke
hoogte in de bergen, niet ver van Grahovo, leest men op de kaart den
naam van een dorp, beroemd wegens den krijgshaftigen aard zijner
bewoners: het dorp Krivoscjé, moeilijk te genaken, volgens de wet
aan Oostenrijk behoorende, maar dat, door zijne ligging, feitelijk
onafhankelijk is. Ook deze dorpelingen zijn Bocchesi; maar zij
wonen in de bergen, en hebben dus andere gewoonten en zeden dan de
kustbewoners. De natuur is niet altijd in harmonie met de kunstmatige
verdeelingen en schikkingen der menschen: zij zelve heeft voor de
verschillende landen der aarde natuurlijke grenzen getrokken, en het
karakter van degenen, die aldus, zij het ook slechts door een berg of
eene rivier, gescheiden zijn, kan zeer wezenlijk verschillen. Maar
als de grenslijn geheel willekeurig is getrokken, hoe zou men
dan zoodanig verschil kunnen verwachten? De Krivoscjianen zijn dus
inderdaad Montenegrijnen, niet alleen wat hun voorkomen, hun kostuum,
hunne gewoonten betreft, maar ook met opzicht tot hun onrustigen,
krijgshaftigen aard. Voor den vreemdeling is het uiterst moeilijk,
een bewoner van Krivoscjé van een bewoner van Cettinjé of Rjeka te
onderscheiden.

In 1869 wilde de oostenrijksch-hongaarsche regeering, die Dalmatië
geheel op gelijken voet met de andere gewesten des rijks had gesteld,
ook hare onderdanen van Krivoscjé aan de conscriptie onderwerpen. De
burgerlijke autoriteit ontving de noodige bevelen; zij bleven
onuitgevoerd. De oostenrijksche regeering is allerminst van hardheid te
beschuldigen, maar tegenover verzet is zij onverbiddelijk. Krivoscjé
moest bezet worden; en daar de dorpelingen de soldaten niet wilden
toelaten, moest men tot geweld de toevlucht nemen.

Het verhaal van deze expeditie herinnert aan de schitterende
wapenfeiten der Franschen in Algiers. Drie- tot vierhonderd mannen
hielden gansche regimenten tegen, en dwongen ze, met schrikkelijk
verlies, tot den aftocht, door op de hoofden der soldaten een regen te
doen nederdalen van steenen, die zij aan den rand der rotsen van hunne
enge bergpassen hadden opgestapeld. Gedurende den geheelen veldtocht
verloren de Krivoscjianen slechts elf man, terwijl er drie-en-zeventig
gekwetst werden; daarentegen verloren de Oostenrijkers, alleen
in het gevecht bij Knyesowatz, vijf officieren, waaronder een
majoor. Eindelijk vroeg men te Weenen om nadere instructies, en de
oostenrijksche regeering beval de staking van dezen moorddadigen
strijd, die haar reeds een gansch regiment en een paar millioen
gulden gekost had. Zoo bleven de dorpelingen van Krivoscjé in 't eind
overwinnaars; zij verkregen vrijstelling van den militairen dienst
buiten hunne woonplaats en vermindering van belasting.


Een bijschrift bij een plaat.

Napels en de Vesuvius, van den Posilippo gezien. Wat zal ik aan
deze plaat toevoegen? Eene beschrijving van het panorama, door zoo
velen, eeuw aan eeuw, als een der schoonste geroemd, waarop het eens
menschen oog gegeven is te rusten? Maar geene beschrijving kan ooit
van eenig landschap, welk ook, een eenigszins voldoend denkbeeld,
eene eenigermate juiste voorstelling geven aan hem, die het niet
zelf gezien heeft. En te minder is dit mogelijk, waar het landschap
uitmunt door misschien onovertroffen schoonheid; bovenal wanneer,
zoo als hier, deze schoonheid niet zoo zeer het gevolg is van deze
of die treffende, sterk in het oog vallende bijzonderheid, maar veel
meer van de niet onder woorden te brengen harmonie van het geheel,
van den totaal-indruk, dien deze vereeniging en samenstemming van
land en zee, van lucht en kleur en lijn, van hoogte en diepte, op
den aanschouwer maakt. Hij gevoelt dat dit schoon is, maar hoogst
waarschijnlijk zou het hem moeilijk, indien niet onmogelijk zijn,
dien indruk van volkomen schoonheid te ontleden, en te zeggen waarin
deze schoonheid eigenlijk bestaat. Trouwens met alles wat, hetzij in
de natuur, hetzij op het gebied der kunst, inderdaad en in den vollen
zin des woords schoon is, is dit evenzeer het geval. Schoonheid van
lagere orde laat zich, juist omdat zij onvolledig, fragmentarisch,
min of meer toevallig is, ontleden en beschrijven: de hoogste, de
volkomen schoonheid kan alleen worden gevoeld.

Daarom--ook hier geene beschrijving. Laat mij u slechts, als bijschrift
bij de plaat, eene bladzijde mogen voorleggen uit Taine's Voyage en
Italie, waar hij, in de laatste dagen van Februari 1864 te Napels
gekomen, zijn indrukken beschrijft. En moge de lezing dezer bladzijde
u opwekken tot kennismaking met het boek.

"Ik heb een halven dag op de Villa-Reale doorgebracht, eene
wandelplaats, met eiken en altijd groene heesters beplant, vlak
langs het strand. Enkele jonge boomen, doortinteld van licht,
ontplooien hunne kleine, teedere blaadjes en ontvouwen alreede hunne
gele bloesemkelken. Standbeelden, schoone naakte jongelingsfiguren,
Europa op den stier, buigen hun wit marmeren lichamen tusschen het
zachte, wazige groen der planten. Op de grasperken speelt het licht
in breede plekken; slingerplanten kronkelen zich om de zuilen; hier
en daar schittert het levendig purper der jong ontloken bloemen, en de
fijne, fluweelige kelken trillen en wiegelen op de zwoele koelte, die
tusschen de citroenstammen ruischt. Zee en lucht zijn beiden weldadig;
welk een tegenstelling, als ik denk aan de kusten van den Oceaan, aan
onze stranden van Normandië en Gaskonje, door de winden geteisterd,
door de regenvlagen gegeeseld, waar verschrompelde dwergachtige boomen
wegschuilen in de spleten en holten, waar het helm, het korte schrale
gras, zich als huiverend aandringt tegen de naakte hellingen! Hier
onderhoudt en voedt de nabijheid van het water den plantengroei; ge
voelt de frischheid en zachte zwoelte van den ademtocht, die de bloemen
koost en doet ontsluiten. Ge vergeet u zelven en alles om u heen: ge
luistert naar het geritsel der suizende bladeren; ge volgt het spel
hunner schaduwen op het zand. En toch--op zes passen afstands rolt de
zee, met een dof gemurmel, haar breede golven, die, met vlokkig schuim
overdekt, langzaam uit- en wegvloeien over den zandigen oever. De
nevel verdampt onder de zon; tusschen het gebladerte door, bespeurt
ge den Vesuvius en zijne geburen, de gansche bergketen, die in steeds
duidelijker omtrekken te voorschijn treedt. Zij zijn bleek paars van
kleur; en naarmate de dag ter kimme zinkt, wordt dit paars teerder
en zachter. Eindelijk gaat die tint over in de fijnste schakeeringen
van violet; geen bloemkelk kan bekoorlijker zijn; de hemel is geheel
helder geworden, en de stille kalme zee schijnt een meer van azuur.

"Dit tooneel weder te geven is onmogelijk. Lord Byron heeft wel gelijk:
de schoonheid der natuur kan niet op ééne lijn worden gesteld met
die der kunst. Een schilderij blijft altijd beneden de voorstelling,
die men zich daarvan maakt, een landschap staat steeds daarboven. Dit
is schoon: ik weet er niets anders van te zeggen; dit is grootsch en
dit is aantrekkelijk; dit verkwikt en verheugt den geheelen mensch,
de zinnen en het gemoed; ge kunt u niets weelderigers en niets
edelers denken. Waarom zou men zich, met dit tafereel voor oogen,
de moeite ge